DUITSCHLMD II WOELIIGc EET STEIJD.
VIERDE AFDEELING.
FRANKRIJK TEGEN DUITSCHLAND.
I.
C' ^ gt; -
⢠J it 'â
DillISUD 11 WOELING EK SEBIJB,
HISTORISCHE ROMAN
LOUISE MÃHLBACH
Bewerkt dooe M. K.
VIERDE AFDEELING.
FRAKKEIJK TEGEÃT DIJITSCHLAND.
- t
EERSTE DEEL. I/
COH^
o«n-
TWEEDE VEEL VERBETERDE DRUK.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebb. E. amp; M. COHEN.
EERSTE BOEK.
DE VREDE VAN BAZEL.
i.
wilhelmine's eed.
Na het worstelen en strijden in den afgeloopen zomer en herfst, was, voor Dnitschland ten minste, het bloedige wapenspel van 't jaar 1793 ten einde. Reeds in September had Koning Frederik Willem de Nederlanden verlaten, en was naar Berlijn teruggekeerd. Daar zou heden, den 23 December een fraai feest plaats hebben. Een feest voor de koninklijke familie, een feest tevens voor geheel het Pruisische volk.
Het gold namelijk, de bruid van den Kroonprins van Pruisen, wiens huwelijk eerstdaags zou gevierd. worden, in de residentie te ontvangen. Reeds den vorigen dag waren de beide prinsessen van Mecklenburg, â de bruiden dei-beide zonen des Konings, â te Potsdam aangekomen, en heden zou Louise, de toekomstige gemalin van den Kroonprins, haar plechtigen intocht te Berlijn doen.
Het was een fraaie heldere winterdag. De sneeuw glinsterde als met duizende sterren en juweelen in de stralen dei-heldere winterzon, als had de Natuur zelve zich heden in een schitterend feestgewaad getooid, om de schoone zeventienjarige bruid waardiglijk te ontvangen.
Geheel Berlijn was sedert des morgens vroeg in vroolijke beweging en lustige opgewondenheid. Ieder koesterde het vurig verlangen, de jonge schoone prinses te zien, van
6
wie men zoo veel hoopte voor de toekomst; die aan de verstoorde familieomstandigheden van het koninklijke huis nieuwe wijding en nieuw geluk zou brengen, en die er toe bestemd was, eens de opvolgster te zijn dezer arme beklagenswaardige vrouw, welke men thans de Koningin van Pruisen noemde, en die, door haren gemaal versmaad en verlaten, als Koningin zonder macht, als vrouw zonder liefde haar doornig pad betrad.
Geheel Berlijn wilde deze jonge prinses begroeten, â met wie, zoo als men wist, niet de politiek, maar de liefde den Kroonprins had verbonden, en die het hart van den jongen prins stormenderhand had ingenomen. Hij was Prui-sens hoop, men troostte zich met de gedachte aan de toekomst, als hij Koning zou zijn; terwijl het tegenwoordige en de regeering van den huldigen Koning zoo veel treurigs en beangstigends bevatte, en hoe meer men de tegenwoordige regeering haatte, des te meer beminde men den Koning der toekomst.
Het was derhalve zeer natuurlijk, dat elk hart de jonge prinses tegenklopte, die eens Koningin van Pruisen zou zijn; zeer natuurlijk, dat elk haar zien wilde, haar, de bruid, â de geliefde van den Kroonprins.
Sedert den vroegen morgen, reeds vóór de trage morgenzon achter de hooge huizen en paleizen der prachtige, breede straat âOnder de Lindenquot; was opgestegen, waren uit de straten der ver uitgebouwde stad de menschen toegestroomd, om zich op de straat en langs de huizen een goede plaats te verzekeren. De allee in 't midden der straat, wier dubbele rij boomen met de bevrozen sneeuw op al hunne takken, heerlijk vonkelden en glinsterden, bood heden een vreemd schouwspel aan. Onder de boomen golfde een ontzaglijk breede menschenstroom als een woelende zwarte zee op en neêr, en boven in de boomen zaten en hingen overal in de takken bewegelijke gestalten; en het was een gesnater en gesnap en gejuich, als had een geheele zwerm reusachtige spreeuwen zich op de boomen nedergelaten. Dit waren de beroemde straatjongens en leerknapen van Berlijn, die overal het voorrecht eischen âer bij te zijnquot; als te Berlijn iets gebeurt, en die zelfs voor den grooten Frederik geen bizonderen eerbied hadden gehad, maar met menigen geestigen kwinkslag om den âouden Fritsquot; hadden
7
gesprongen en gejuicht, als hij op zijn âCesarquot; langs de Linden reed.
Deze lustige troep van toekomstige burgers en volksvertegenwoordigers, had zijn vrije plaats op de boomen reeds lang in bezit genomen, en snaterde en jubelde en schertste daar boven op de luchtige zitplaatsen. Langzamerhand begon het ook in de trotsche en voorname huizen der voorname straat levendig te worden. De gordijnen achter de glasruiten werden opgetrokken, de vensters geopend en met tapijten behangen, daar de winterlucht den tooi van bloemfestoenen belette. Doch spoedig tooiden zich de huizen met levende bloemen; en aan alle vensters der eerste verdiepingen zag men de schoone vrouwen der aristocratie â want destijds waren de paleizen onder de Linden nog het eigendom der aristocratie van geboorte, niet van het geld, â in hare rijke en smaakvolle toiletten verschijnen. Heden wilde men den winter zelfs zijn rijk betwisten, en de onbedekte schouders der dames, die zich in schitterend balgewaad aan de open vensters vertoonden, en de rooskleurige wangen, het met bloemen versierde haar en de geheele liefelijke en fraaie gestalten, schenen den gestrengen heer, die in deze maanden de wereld regeert, te willen tarten.
Ook in het deftige en prachtige paleis van den gewezen graaf von der Mark waren de vensters geopend, met tapijten behangen, en met toeschouwers versierd. Maar in tegenstelling van alle andere huizen en paleizen, wier vensters met vrouwen waren bezet, achter welke, dicht opeengedrongen, de heeren met lang uitgerekte halzen stontlen, vertoonden de open vensters van het Marksche paleis slechts zeer weinig dames, maar daarentegen een tamelijk aantal heeren, fraai gekleed in gekleurde fluweelen rokken, de borst met ordeteekens versierd, het gepoederde haar deftig gekapt met de stijve zijlokken en den staart in den nek.
De voorname dames ignoreeren nog altoos âmadame Wilhelmine Rietz,quot; die in het paleis onder de Linden woont en âde vriendin des Konings,quot; die te Spa en Koblentz zooveel oplettendheden en huldigingen van de vrijzinnige en geestige dames van den geëmigreerden Franschen adel had ontvangen, heeft bij hare terugkomst te Berlijn het oude juk weder op hare schouders moeten nemen, en zij is weder
van de gevierde âvriendin des Koningsquot; tot de âoude matresse en koppelaarster des Koningsquot; afgedaald.
Maar wat bekreunt Wilhelmine Rietz zich daarom, en wat geeft zij om de verachting en de smadelijke blikken der vrouwen?
âZij zonden alle gaarne in mijn plaats zijn,quot; zeide zij lachend, âzij benijden mij! Dat is de reden harer boosheid. Zij zouden in mijn plaats willen zijn, en het ergert haar, dat ze mij niet verdringen kunnen, hoewel reeds tweemaal de hooge adel mij de eer heeft bewezen, mij mededingsters te geven. Maar de gravin Ingenheim is gestorven, en de gravin Dönhof is verwijderd en gebannen, en ik leef en ben er!quot;
Ja, zij was er en stond aan het open venster, omgeven van een aantal dienstvaardige cavaliers, en aan het tweede venster zag men haar jonge dochter, de gravin Marianne von der Mark, met hare vriendin Pauline Casar. Beiden óók omgeven van eenige jonge, voorname cavaliers, die het zich tot taak stelden, beide schoone meisjes den tijd te verdrijven, en haar met vroolijken kout het lange wachten dragelijk te maken.
Dicht nevens Wilhelmine stond de minister von Haugwitz, en de menschen, die beneden op de straat elkander voort-drongen, zagen somwijlen naar boven, en als zij beiden herkenden, zeiden zij wrevelig tot elkander: âDat zijn de twee, die den Staat regeeren! Dat zijn de koningin des Konings, en de minister en laarzenknecht der oude matresse !'quot;
Een uit het volk had de vermetelheid deze laatste woorden zeer luid te roepen; Wilhelmine hoorde ze, en ook Haugwitz had ze vernomen. De minister verbleekte en zijn gelaat betrok; maar Wilhelmine lachte, boog voorover en knikte den vermetele toe, die met tartend gelaat tot haar opzag.
âJa, ge hebt gelijk, goede vriend; ik ben de oude matresse, maar, zooals ge ziet, ben ik altoos nog de jonge rnaitresse. Een laarzenknecht heb ik echter niet noodig, want ik draag geen vetlaarzen zooals gij!quot;
Zij wierp het hoofd weder achterover, en tusschen de purpere lippen en de witte glinsterende tanden klonk haar lach zóó welluidend en helder, dat de minister von Haugwitz er onwillekeurig mede moest instemmen.
9
âEen fraai idéé, u mijn laarzenknecht te noemen,quot; riep Wilhelmine lachend: âhet lieve, grappige volk schijnt mijn kleine voeten bizonder ter harte te nemen; want ik hoorde reeds meermalen, dat men den lieven geheimkamerdienaar Rietz mijn schoenpoetser noemde, en nu maakt men Zijne Excellentie den heer minister zelfs tot mijn laarzenknecht. Pardon, mon trés cher, ik ben er onschuldig aan.quot;
âEr is volstrekt geen verontschuldiging noodig, ma toute bellequot; glimlachte de minister: âik ben in allen geval toch uw onderdanige knecht, en ge zult mij ten allen tijde tot uwen dienst gereed vinden.quot;
âEn vice versa, zooals de geleerde heer minister Wöllner zou zeggenquot; lachte Wilhelmine: âja; ge zult ook aan mij steeds een trouwe vriendin vinden, en het volk hier onder, zal altijd gelijk hebben! Wij beiden willen ook verder den Staat regeeren, dat wil zeggen: onzen Koning dienen, en hem helpen in de moeielijke zaken der regeering. Maar zeg eens, mijn lieve Excellentie, hoe staat het nu met onze aangelegenheden ? Gelooft ge, [dat wij zullen slagen en vrede zullen hebben?quot;
âIk hoop het,quot; antwoordde de minister zacht: âtracht slechts op den Koning te werken; maak hem altoos weder, opmerkzaam, dat Oostenrijk de onverzoenlijke mededinger van Pruisen is, en heimelijk met Frankrijk onderhandelt, om achter Pruisens rug, een voordeeligen vrede ten onzen koste te sluiten, 't Is tegelijkertijd een middel om Bischofswerder en Wöllner in bedwang te houden, en de geestenzieners en Rozekruizers bij den Koning verdacht te maken. Want ge weet wel, deze heeren zijn onze vijanden, en wij mogen ze niet weder macht op den Koning laten winnen, anders is het met onze heerschappij gedaan. Bischofswerder heeft reeds een opvolgster voor de gravin Dönhof gereed, en ook de schoone intrigante Sophie Beermann is te Berlijn gekomen, en heeft zich met Bischofswerder verbonden.quot;
âIk weet alles,quot; zei Wilhelmine achteloos: âlaat ze maar intrigeeren; het zal hun nu toch niet meer gelukken ons den Koning te onttrekken; want de Koning weet, dat hij mij alleen vertrouwen kan, en dat ik alleen hem trouw ben. Ik ben werkelijk de vriendin des Konings; en weet ge, mijn waarde, 't is iets zonderlings met de vriendschap. Hoe langer zij duurt, des te sterker en gloeiender wordt zij.
10
De liefde verkoelt mettertijd, maar de vriendschap wordt, zoo zij echt is, steeds warmer, en neemt ten laatste het hart zóó geheel in, dat er geen ruimte overblijft voor de liefde. En zoo is het met den Koning en met mij! Sinds hij mijn vriend is, zijn wij eerst recht onafscheidelijk. Dit moesten de menschen bedenken, die zoo ijverig en onverdroten aan de banden rukken en trekken, die den Koning aan mij hechten. Zij trekken ze slechts vaster, in plaats van ze los te maken, die domme intriganten. Maar dat moet ons voorwaar niet verhinderen waakzaam, â en op onze hoede te zijn. De lieve Oostenrijksche wolven zullen ons met hunne vrome schapenwachten niet verschalken; wij kennen ze toch, en weten waarvoor wij hen te houden hebben.quot;
âJa; wij weten waarvoor wij hen te houden hebben,quot; antwoordde de minister von Haugwitz: âvoor slechte vrienden en overmoedige vijanden! Er is mij gezegd, dat men generaal von Bischofswerder, uit Weenen drie millioen gulden heeft geboden, zoo hij onzen genadigen heer en Koning bij het coalitie-verbond behoudt, opdat hij bij de voortzetting van den oorlog tegen Frankrijk volharde; en tegelijkertijd is mijnheer von Thugut incognito naar Parijs vertrokken, om met de mannen van het schrikbewind zoo mogelijk een vrede te sluiten. Dan zouden onze Rijnprovinciën de prijs voor den vrede zijn, en Frankrijk en Oostenrijk zouden gemeenschappelijk tegen Pruisen ageeren.quot;
âGe hebt dit, hoop ik, den Koning overgebracht?quot; vroeg Wilhelmine levendig; âen zijt in staat geweest hem er bewijzen van te geven ? De Koning, met den hem eigen edel-moedigen geest, houdt dergelijke listen en intriges steeds voor onmogelijk, en 'tis dus noodig hem te overtuigen. Ge weet, ik vermijd het gaarne, met Zijne Majesteit over politiek te spreken, en ik doe dit slechts, als de Koning mij uitdrukkelijk om raad vraagt.quot;
âMaar ditmaal heeft Zijne Majesteit dit gedaan, naar ik hoop,quot; antwoordde hij glimlachend ; âen naar ik vermoed, is het uw werk, dat graaf Lucchesini naar Weenen is gezonden.quot;
Wilhelmine lachte luid. âEen kluchtige zending, nietwaar? Wij doen den lieven Oostenrijkers het voorstel, om een jaarlijksche subsidie van dertig millioen gulden te beta-
11
len, en ons als onderpand voor de betaling, Oostenrijksch-Silezië af te staan. Ik wilde wel eens zien, welke belachelijke tronies de Oostenrijksche staatslieden bij dit voorstel zullen zetten. Zij zullen ten minste moeten inzien, dat wij den oorlog moede zijn, en 't hun iets kosten moet, zoo zij er ons bij houden willen. Wat mij betreft, ik beken gaarne, ik wensch dat zij de millioenen niet betalen, en wij vrede maken, 't Is vervelend steeds van oorlog en vrede te hoo-ren, en het trompetten en blazen klinkt bij lang niet zoo aangenaam als de violoncel, waarop mijn lieve Koning in zijne uren van uitspanning voor mij speelt. Maar luister, wat jubelt en schreeuwt toch het volk, en wat gebeurt daar op de straat?quot;
Zij boog weder uit het venster, en glimlachte toen vergenoegd.
âDe Koning komt!quot; riep zij: âDe Koning met al zijne prinsen. Zij begeven zich naar de poort, om er de prinses te ontvangen.quot;
Ja, de Koning kwam, hoog te paard gezeten en omgeven van een schitterenden generalen staf. Aan zijn beide zijden reden de Kroonprins en prins Ludwig, achter hen de andere prinsen van het koninklijke Huis, benevens de generaals en, stafofficieren. Het volk ontving den schitterenden stoet met luid gejuich, en de Koning mocht wel denken, dat dit juichen slechts hèm gold; want hij knikte blijmoedig naar beide zijden, en een vroolijke glimlach trok over zijn goedhartig, breed gelaat. Toen hij dicht bij de vensters was gekomen, waarvoor zich Wilhelmine en hare dochter bevonden, hief de Koning het hoofd op, en knikte vriendelijk en levendig omhoog. Nu verstomde voor een oogenblik het gejuich, en aller blikken volgden de beweging des Konings, en zagen daar boven de gehate maitresse, die stralend van trots en vreugde, een diepe buiging maakte. De Koning knikte nog eens en keerde, onder het voorbijrijden het hoofd naar Wilhelmine om, en groette haar en hare dochter. De Kroonprins en zijn broeder hadden geen oogenblik het hoofd opgeheven, en schenen den groet van hunnen vader niet opgemerkt te hebben. Maar prins Louis Ferdinand, die achter den Kroonprins reed, zag op, en toen hij Wilhelmine Rietz, âzijn vriendin,quot; daar boven ontwaarde, boog hij met een ernstigen groet het hoofd, en reed voorbij. âHoe fraai is hij,quot; zuchtte
12
gravin Marianne von der Mark, terwijl zij haar arm vaster om den hals harer schoone vriendin Pauline legde: âO hoe fraai is prins Louis Ferdinand!quot;
âJa,quot; zeide het schoone kind, en zij boog verder naar buiten, om de statige gestalte van den prins na te oogen: âJa, hij is fraai als eene jonge god, en ik wilde dat hij mij beminde.quot;
De beide jonge meisjes lachten, en legden heur blozende aangezichten op elkanders schouders.
âHij is zeer bleek geworden, de lieve prins Louis,quot; zeide Wilhelmine deelnemend tot den minister von Haugwitz: âdie zaak aan den Rijn met de avontuurlijke barones, schijnt hem toch zeer ter harte te zijn gegaan. Ge hebt er toch van gehoord. Excellentie!quot;
âJa, 't is een zeer romantische geschiedenis, en ik had waarlijk niet gedacht, dat de lichtzinnige prins zoo lang treuren zou. Ge weet, hij heeft maanden lang aan zenuwkoortsen gelegen, en men vreesde voor zijn leven.quot;
âNatuurlijk,quot; antwoordde Wilhelmine schouderophalend: âde prinses Louise Ferdinand reisde zelf ter zijner verpleging naar den Rijn; en schoon de prins nu reeds sinds een maand genezen is, heeft men nog van geen enkelen dollen streek van hem gehoord, 't Zou jammer zijn van den genialen jongen man, zoo hij nu eensklaps verstandig werd, gelijk alle andere vervelende menschen.quot;
âIk geloof dat dit niet te vreezen is,quot; lachte de minister von Haugwitz: âde wonde zal genezen, en dan zal de lieve prins erkennen, dat het hart altoos jong en frisch blijft voor een nieuwe liefde.quot;
Nu begonnen in den lusttuin de kanonnen hun luiden donder te laten dreunen. De klokken van al de torens galmden hierbij, en van verre hoorde men 't geschal van trompetten en tromgeroffel.
âNu is de Koning met de prinsen aan de poort gekomen,quot; zeide Wilhelmine, terwijl zij op 't gedrukte programma keek, dat nevens haar op de vensterbank lag: âNu rijdt de prinses-bruid de poort binnen, â de Koning rijdt naar haar koets, zij staat op, en reikt den Koning haar beide handen. De Koning rijdt dan rechts nevens het portier, de Kroonprins links, en nu stelt de stoet zich in beweging naar de Linden. â Hoort ge, hoort ge! Het schreeuwen en jubelen
13
van 't volk stroomt reeds als een donderende golf op ons toe. O Haugwitz, het moet toch schoon zijn, zoo door het gejuich des volks begroet te worden, en het ergert en krenkt mij somwijlen, dat mij niet dergelijke ovatiën te beurt vallen. En toch heb ik het volk veel goeds gedaan; en veel zou erger zijn, zoo ik er niet was. Maar zij willen het niet erkennen, en ik zal deze muziek, die gindsch in de verte klinkt, nooit voor mijn persoon vernemen, â en ik zeg u, Haugwitz, dat ergert mij. Ik ben even zooveel waard als zij, die men thans hier beneden vereert; weer misschien dan de arme Koningin, die nu in hare, met zes paarden bespannen koets de Linden doorrijdt, om zich vervolgens ootmoedig met haar équipage bij den stoet der Kroonprinses aan te sluiten. Luister maar! Het volk schreeuwt hoera! en hoch! voor de arme Koningin, alsof zij ooit iets verricht had.quot;
âZij heeft den Koning den Kroonprins geschonken,quot; zei Haugwitz bedeesd: âen ge weet wel, mijn waarde vriendin, het volk is nu eenmaal op den Kroonprins verzot.quot;
âJa; wèl verzot!quot; riep Wilhelmine geërgerd: âZij beminnen hem, en weten zelfs niet waarom.quot;
Al nader en nader klonk het geschreeuw van het volk. en het schetteren der trompetten en fanfaren, en daartus-schen galmde de donder der kanonnen, en vulde de lucht met zijn oorverdoovende salvo's. Dichter en dichter naderde de stoet, eerst de loopers en voorrijders en daarachter de door zes witte schimmels getrokken open équipage, waarin Louise zat. Geheel alleen zou zij de eer van den dag van heden ontvangen en genieten. Memand bevond zich bij haar in het rijtuig, dan de opperhofmeesteres, gravin von Voss, die tegenover haar zat. Schoon als een pas ontloken roos, teeder en liefelijk als een lelie zag de jonge prinses er uit. Hare oogen glinsterden van genot, hare wangen waren zacht blozend, en een hemelsche glimlach speelde om de fraaie, opgekrulde lippen. En toen nu het gejubel des volks steeds luider en luider nevens haar klonk, vulden hare oogen zich met tranen, en met een uitdrukking van eerbied en liefde boog zij zich ter zijde tot den Kroonprins, die met stralend gelaat nevens het portier van haar rijtuig reed.
âIk verdien het niet,quot; zeide zij met bevende stem: âneen, ik verdien zooveel liefde en goedheid niet. Maar ik zweer
u
het God en zweer het u, dat ik mijn geheel leven er naar trachten zal het te verdienen.quot;
De Kroonprins antwoordde niet. Maar zijn goedhartig en fraai gelaat schitterde van innige vreugde, en zijn glinsterende bruine oogen vulden zich met tranen van aandoening en geluk. Ook de Koning zag er heden gelukkig en tevreden uit. Het streelde hem, dat het volk hem zoo juichend ontving; het streelde hem, dat hij dicht nevens zich de bekoorlijke gestalte der jonge prinses zag, die het koninklijke Huis een nieuwe lente beloofde. Hij wendde zich nu met een vriendelijken glimlach tot de prinses, en boog zich tot haar voorover.
âNietwaar, mijn schoone, geliefde Louise, het klinkt fraai, het klinkt heerlijk, als het volk u toejuicht?quot;
âO Majesteit; het verheugt zich slechts, dat het zijn Koning ziet, zijn geliefden Koning,quot; zei de prinses; âen ik verheug mij mèt het volk en roep, gelijk aller harten in dit oogenblik doen: Leve de Koning!quot;
Frederik Wilhelm boog dankend het hoofd.
âGe zijt niet alleen schoon, Louise,quot; zeide hij; âge zijt ook geestig en fijngevoelig, en ik wensch niet alleen mijn zoon, maar ook mij zeiven geluk, dat gij zijn echtgenoote zult worden. Ik ....quot;
Maar plotseling zweeg hij, want hij zag dat zij juist weder voor het paleis van den graaf von der Mark waren aangekomen ; en hij hief weder zijn blik op, en groette minzaam naar boven. De prinses volgde zijn blik, en wijl zij den Koning zoo nadrukkelijk zag groeten, hief zij zich een weinig van haar zitplaats op, en wilde óók groeten.
âIk bid u, doe dat niet,quot; zei de Kroonprins, zich ver naar het rijtuig voorover buigende: âIk bid u, Louise, blijf zitten.quot;
De prinses zeeg blozend en een weinig verschrikt weder op haar plaats neder, en boog zich tot den Kroonprins. Het rijtuig reed voorbij.
Niemand misschien had dit kleine tooneel gezien, niemand, behalve Wilhelmine. En zij, die straks honend en lachend de spotternij des volks had gehoord, was nu bleek geworden, en een wolk trok over haar voorhoofd. Zij verwijderde zich van het venster, en legde langzaam haar hand â op den arm van den minister von Haugwitz.
15
âIk deed juist een eed,quot; zeide zij met zachte, maar plechtige stem: âgij zult dezen eed hooren. Excellentie. Ik zweer, dat deze trotsche Kroonprins, die daar voorbijrijdt, en de jonge prinses verhinderde mij te groeten, â ik zweer, dat hij mij ootmoedig en onderdanig in deze kamer begroeten, â en de hand kussen zal. Ik zweer, dat de schoone Kroonprinses mèt hem zal komen en mij, de verachte Wilhelmine Eietz, de maitresse des Konings, zooals de Kroonprins mij steeds noemt, â hare hulde zal brengen!quot;
âZoo ge den trotschen prins daartoe brengen kunt,quot; fluisterde de minister von Haugwitz; âdan zijt ge in waarheid een tooveres, die alles kan wat zij wil.quot;
âIk zal het er toe brengen, dat zweer ik u ; en mijn heele leven heb ik nog al mijne eeden vervuld. De Koning weet het; want ik heb hem, toen ik nog een kind was, eeuwige trouw gezworen, en ik, heb hem die gehouden, en zal haar houden tot in mijn dood. Ik zeg het u, Haugwitz: de Kroonprins zal mij mèt de Kroonprinses zijn bezoek maken, en gij zult er getuige van zijn!quot;
11.
BEMINNEN EN STERVEN.
Inmiddels reed de Kroonprinses in haar van goud schitterend, met wit satijn bekleed rijtuig verder, en de Kroonprins zag slechts haar, dacht slechts aan haar, en verheugde zich, hoe bevallig glimlachend de schoone Louise naar beide zijden boog, en hoe liefelijk zij bloosde, als het volk dicht bij haar rijtuig jubelde en riep: âHoe schoon is zij, zij is een engel, een engel!quot;
Nu hield het rijtuig stil voor de groote eerepoort, die aan den uitgang der Linden opgericht, â en prachtig was om te zien, met hare bloemguirlandes, draperiën van goud en zijde, en groene dennetakken. Ter weerszijden van deze eerepoort stond een aantal in 't wit gekleede jonge meisjes met bloemruikers in de handen, die zij hoog ophieven, en de prinses er mede toewuifden. Het rijtuig hield stil. De pages wilden het portier openen, maar de Kroon-
16
prins duldde het niet. Hij sprong zelf van zijn paard, opende voor de Kroonprinses het portier en reikte haar de hand, om haar bij 't uitstijgen behulpzaam te zijn; â want hier zou Louise van de Berlijnsche jonge dames de eerste begroeting ontvangen; zij, als de schoonste, de reinste en deugdzaamste van allen. De opperhofmeesteres ven Voss volgde de prinses met eenigszins verduisterd gelaat; want het was volstrekt tegen de etikette en het programma, dat de Kroonprins van zijn paard was gesprongen, en persoonlijk en met hoog eigen handen de kleine prinses van Mecklenburg, â die nu nog niet de eer had Kroonprinses te zijn, â uit het rijtuig te helpen. Dit was de plicht der pages en kamerjonkers, en het was een weinig tegen het decorum, dat de Kroonprins als kamerjonker voor de prinses van Mecklenburg fungeerde. Maar hoe groot was de ontsteltenis der opperhofmeesteres, toen zij nu zag, hoe prinses Louise met vroolijken, frisschen lach als een Hebe onder de eerepoort trad, en voor de maagden boog, die haar nu dichter naderden. Dicht bij de eerepoort had men twee lieve, kleine kinderen geplaatst! Als Cherubijnen had men ze gekleed, en groote bloemkransen hielden zij in hare handen, hieven de armpjes hoog op, en riepen: âLeve prinses Louise! Wij groeten u, wij groeten u!quot; Deze heldere kinderstemmen drongen diep in het hart der prinses, als een hemelsche muziek. Door aandoening overweldigd, zalig van geluk en vreugde, boog zij zich neder, hief een der lieve kinderen op in hare armen, en kuste het hartelijk.
âGod zegene u, mijn lief, schoon kind; God zegene u voor uwen vromen groet.quot;
âMaar prinses!quot; klonk nevens haar de ernstige stem der opperhofmeesteres: âdat is geheel en al tegen de decors, -en niets hiervan staat in het programma. Wees zoo goed, prinses, te bedenken, dat wij hier op de openbare straat zijn!quot;
De prinses wendde haar bekoorlijk, glimlachend gelaat naar de strenge opperhofmeesteres, terwijl zij het kind weder zacht ter aarde liet nederglijden.
âVergeving! mevrouw de gravin. Het scheen mij hier een groote kerk Gods, waar 'tvolk met mij jubbelliederen tot God zong, en dit kind een engel Gods was. Vergeef mij!quot;
âGij zijt een engel, Louise,quot; prevelde de Kroonprins, nam de hand der prinses, en bracht die aan zijne lippen. â
17
Een tweede, nog vreeselijker misgreep dus, die aan de opperhofmeesteres een kreet ontlokte. Maar deze kreet werd overstemd door het luid gejuich des volks, dat met ware verrukking dit kleine, aandoenlijk tooneel aanschouwde, en met tranen van ontroering het jeugdige, schoone paar beschouwde.
De Kroonprinses luisterde nu met glimlachende vriendelijkheid naar de gepaste woorden, waarmede de oudste en schoonste der maagden, haar in naam der stad begroette. Maar de strenge woorden der opperhofmeesteres hadden haar toch een weinig schuchter gemaakt, en hielden de levendige en innige woorden van dank, die in haar hart opwelden, op hare lippen terug. Meer echter dan de weinige woorden, welke zij nu sprak, zeiden hare schitterende oogen, haar lieflijke glimlach en het vriendelijke hoofdknikken, waarmede zij naar beide zijden groette. Vervolgens besteeg zij weder het rijtuig, en de stoet stelde zich opnieuw in beweging naar het Slot. â
Daar hadden nu in de volgende dagen schitterende feestelijkheden plaats. Op den 25 December vierde men daar de huwelijksverbintenis van den Kroonprins Friedrich Wilhelm met de schoone prinses Louise van Mecklenburg, alsmede de huwelijksvoltrekking van prins Lodewijk van Pruisen met de niet minder schoone prinses Friederike van Mecklenburg. Het geheele Hof was verrukt en opgetogen door de schoonheid der beide paren. Twee feëen-gestalten geleken de beide bruiden, toen zij in hare kostbare bruidskleederen, fonkelend van brillanten voor het altaar stonden. â Maar den Kroonprins kwam Louise toch nog schooner voor, toen zij den volgenden dag in een eenvoudig, bescheiden kleed, met hem door de vertrekken van het huis ging, 'twelk zij voortaan zouden bewonen: â het eenvoudige huis van twee verdiepingen, onder de Linden, 'twelk de Kroonprins van zijn eigen karige middelen gebouwd had, en dat nu de woning van het pasgehuwde paar zou zijn.
De Kroonprins wees glimlachend op het kleed, dat zij droeg.
âHerkent ge het, Friedrich?quot; vroeg zij met haar lieve stem, die het hart van den Kroonprins van verrukking deed trillen.
2
DUITSCHLAND IN WOELING EN STKIJD. VII.
18
Hij knikte. â âJa, ik herken het. Toen ik u den eersten keer te Frankfort zag, droegt ge dit kleed.quot;
Zij legde teeder haar hoofd op zijn schouder. â âEn daarom heb ik het heden weder aangelegd; want 't is mij, als zag ik u heden weder voor het eerst, en als begroette u mijn hart voor de eerste blijde welkomst als toenmaals.quot;
De Kroonprins antwoordde niet; zijn hart was te vol om zich in woorden lucht te geven. Maar zij behoefde ook geen woorden; zij verstond het reeds, in den blik van haren geliefde te lezen, en zij glimlachte en knikte hem toe, en ging aan zijn arm door de eenvoudige vertrekken. Want zij had haren gemaal verzocht, haar in zijn huis binnen te voeren, â âin den tempel onzer huiselijkheid,quot; had zij gezegd. â
âGe zult evenwel vinden, Louise, dat wij zeer eenvoudig en bekrompen wonen,quot; zei de Kroonpiins, toen hij haar nu door de schaarsch gemeubelde receptiezaal voerde: âge hebt, geloof ik, geen goede partij gedaan; want ik moet u zeggen dat ik tamelijk arm ben. En hoewel ik u de sterren aan den hemel zou willen geven, om u ermee te versieren, zal ik toch weinig uiterlijken glans en praal om u kunnen verbreiden.quot;
Zij zag hem glimlachend in het verlegen, goede aangezicht. â âVindt ge, Friedrich Wilhelm, dat ik uiterlijke praal en kleederdracht behoef?quot; vroeg zij.
En hij stond stil, beschouwde haar, en sloot haar vervolgens in zijne armen. â âIk vind Louise, dat gij zonder opschik het schoonst zijt, en ik moet 't u zeggen, bekoorlijke : ik houd niets van glans en praal, en ik zou niet weten, wat ge met brillanten doen zoudt. Zij glinsteren toch niet zoo fraai als uwe oogen, Louise.quot;
Hij kuste hare oogen, en zij gingen verder.
Louise beschouwde alles met genoegen en zalige blikken, en verheugde zich over de fraaie vertrekken, en de eenvoudige meubeleering scheen haar prachtig genoeg.
âGe moet weten, mijn dierbare vriend,quot; zeide zij: âik ben volstrekt niet verwend, en heb geen hooge eischen; ik ben immers slechts een zeer kleine, arme prinses, en mijn lieve grootmama, de landgravin van Hessen, heeft ons beiden altoos gezegd: Wij moesten er aan denken, dat wij natuurlijk geen schitterende partij zouden kunnen doen, en met
19
weinig tevreden zijn. En dus wil ik u nu bekennen, dat ik geleerd heb, met zeer weinig huis te houden. âJa,quot; voer de prinses blozend en glimlachend voort: âJa, ik heb zelfs geleerd mijn satijnen schoenen zelve te lappen, en nu en dan ook mijn kleederen te verstellen, als er een scheur in was gekomen. â Ik geloof men noemt dat âstoppen,quot; mijnheer de Kroonprins; en ik verzoek onderdanigst om vergeving dat ik mij vermeet zulk een, de etikette kwetsend woord, in deze verhevene vertrekken uit te spreken.quot; Dit zeggende, maakte zij een schalksche buiging. En de Kroonprins lachte van genoegen, en sloot haar in zijne armen. Vervolgens gingen zij weder verder door de vertrekken. Nu betraden zij de kleine, eenvoudige hoekkamer, welke de prins voor zijn schrijfkabinet had ingericht. Daar was Louise zeer opmerkzaam ; beschouwde elk meubel, vroeg naar elk voorwerp, en kuste de papieren die op den schrijflessenaar lagen en de pen die er bij lag.
âMet deze pen, mijn dierbare vriend, hebt ge mij gisteren uw laatsten liefdegroet geschreven,quot; zeide zij; âo, fraaie, lieve pen! Ge zijt gewis uit den vleugel van een cherub genomen, zulke fraaie, zoete woorden hebt ge mij geschreven ! Ik dank u, ik dank u!quot;
En zij drukte haar purperen lippen weder op de vederen der pen.
De Kroonprins zag haar glimlachend aan, en toen zij de pen weder op de tafel legde en omzag, nam hij heimelijk deze pen, en stak haar in zijn borstzak, want haar kus rustte er op, en haar kus wilde hij aan zijn hart dragen.
âEn wat is dat toch voor een allerliefste kleine teekening?quot; vroeg de Kroonprinses, terwijl zij op de kleine prent wees, die in een eenvoudige lijst boven de schrijftafel aan den wand hing.
Nu werd het gelaat van den Kroonprins voor een oogenblik ernstig, en zijn peinzende blik richtte zich op de teekening.
â't Is een gedachtenis, Louise, en het is mij aangenaam dat ge er naar vraagt; want ik heb er met u nog niet over gesproken, en mijn hart moet toch klaar en open voor u liggen, zooals het voor G-od ligt. â Deze teekening heeft mij een jong meisje geschonken.quot;
âEen jong meisje, dat gij bemindet?quot; vroeg de Kroonprinses zacht, en hare wangen verbleekten.
20
Hij antwoordde niet terstond, maar zag als in gedachten
verdiept, strak op de teekening. .
âSpreek,quot; fluisterde Louise, zich tegen hem aandringende.
âspreek; bemindet ge haar?quot; Ti , , .
Hii schudde langzaam het hoofd. â âIk heb in dit oogen-blik mij zeiven dit zeer ernstig afgevraagd,quot; zeide hy vervolgens na een pauze; âzij was zeer schoon, bekoorlijk en lieftallig, en toen zij mij met hare schoone, zwarte oogen zoo vol vertrouwen en onschuldig aanzag, beefde mijn nait voor de eerste maal, en een voorgevoel van 'tgeen ik heden ondervind, ontwaakte in mijn ziel. â Het was te Verdun. Wij waren als overwinnaars daar gekomen, en het jonge meisje, - Ingenue Morand heette zij, begroette den Koning en overhandigde hem kleine geschenken in naam der stad Verdun. Den volgenden dag op het bal, zag ik haa,r weder en danste met haar. Haar lieve kout en onschuldige manieren behaagden mij zeer. Ik bracht haar naar huis, â in gezelschap harer moeder natuurlijk; ik ging ook later meermalen naar heur huis en zag haar.
En ge bemindet haar?quot; vroeg de Kroonprinses weder. En wederom zweeg de Kroonprins een tijdlang, eei hij
antwoordde. â , ,
âIk beminde haar niet,quot; zeide hij: âmaar ik geloof dat ik haar bemind zou hebben, zoo zij een prinses ware geweest; dat wil zeggen: zoo ik mij zonder schaamte en berouw aan dit gevoel had kunnen overgeven. Maar ik wist immeis, dat ik dit niet mocht; en dus onderdrukte ik mijn gevoel voor haar in mijne ziel, en slecht ééns was ik voor een oogen-blik zwak. Ik moet u ook dit zeggen en bekennen, Lomse, opdat ge de eenige kleine schuld weet, die mij drukt. Toen wij op onzen terugtocht naar den Rijn door Verdun kwamen wilde ik een anderen weg inslaan, en met door ae straat rijden, waar Ingenue Morand woonde. Maar ik weet niet hoe het kwam, - mijn paard sloeg, zonder dat ikhet wist, toch die straat in. Daar stond zij met hare moeder aan het venster, en nu hield mij niets meer tegen; ik spiong van mijn paard en ging het huis binnen, om haar nog eens te groeten, om haar nog eens vaarwel te zeggen. Zi] zag er bleeker uit dan vroeger, én haar glimlach was met meer zoo frisch en vroolijk als anders. En toen ik haar vroeg, waarom zij er zoo bleek en treurig uitzag, zeide zij mij eer-
21
lijk en oprecht: 't was zeker, wijl zij nu wist, dat het voor de laatste maal was dat wij elkander ontmoetten, en elkander niet zouden wederzien. Zij had voortdurend aan mij gedacht, en als bewijs hiervan, had zij deze kleine teekening voor mij ontworpen. Het was een teekening van het marktplein van Yerdun en van het oude raadhuis, waarvoor wij elkander het eerst gezien hadden. Deze teekening, â zoo verzocht zij mij, â moest ik als een gedachtenis medenemen, en als ik die somwijlen aanschouwde, zou ik zeker ook aan de teekenares denken. Ik beken u, Louise: toen zij mij dit zeide met bevende stem en tranen in de groote oogen, had ik een vreemd soort van smart in mijn ziel, zooals ik vroeger nooit ondervonden had, en het deed mij onuitsprekelijk wee, nu ik gevoelde en wist, dat ik het jonge meisje niet zou wederzien. Ik nam hare teekening aan, en 't was mij als of mij iets de keel dichtsnoerde. Ik kon haar niet antwoorden, en toch zag zij mij zoo smee-kend en treurig aan. En nu gebeurde iets, dat ge mij vergeven moet, Louise. Ik weet niet hoe het kwam; maar ik nam haar hoofd tusschen mijne handen, zag haar lang aan, en drukte toen een langen kus op hare lippen. Dit was niet goed, ik gevoelde het; ik verweet het mij toen ik het gedaan had, en verliet haastig de kamer. Ik hoorde haar achter mij weenen, zag echter niet om, maar ijlde het huis uit naar mijn paard; doch de teekening had ik medegenomen. En nu, Louise, weet ge de geheele geschiedenis van mijn kleine vriendin te Verdun.quot;
De Kroonprinses antwoordde niet. Hare fraaie, groote oogen, die op de teekening gericht waren, hadden zich met tranen gevuld, die langzaam over hare wangen rolden.
âArme Ingenue Morand,quot; fluisterde zij zacht: âhoezeer beklaag ik u. Ik gevoel dat ge hem bemindet, en 't is zoo natuurlijk dat men hem bemint. Arme Ingenue! Ik kan u niet troosten en niet bijstaan. Maar in mijne gedachten wil ik u liefhebben en voor u bidden, dat ge uwe eerste, ongelukkige liefde moogt vergeten, en troost vinden in de armen van een ander. â En toch dunkt mij, Friedrich Wilhelm, die u bemint, kan u niet vergeten, en zich niet troosten met een andere liefde. Ik dank u, dat ge mij deze kleine aandoenlijke en teedere geschiedenis verhaald hebt; ik zal haar nooit vergeten. En deze teekening, mijn dier-
22
bare vriend, moet altijd hier op haar plaats blijven. 1) Ik groet u, schoon meisje van Verdun. Ik groet u, en heb u
lief!quot;.... ^ ^ ,
Zij hoorde het niet! De groet der liefde drong met tot haar oor. Slechts kreten van haat en wilde vloeken klonken in ditzelfde uur in 't oor van het jonge meisje van Verdun. Uit de eenzaamheid en stilte der kleine stad had men haar gerukt. De mannen van het schrikbewind heerschten thans over Frankrijk, en de burger Lacroix was naar Parijs gegaan, om deel te nemen aan de heerlijke daden der republikeinen. Voor de vierschaar van het bloedgerecht had hij de veertien schoone meisjes van Verdun beschuldigd van hoogverraad, van opstand, en als trouwlooze misdadigsteis tegen de republiek. â âZij hebben de vijanden des vaderlands met kransen en geschenken ontvangen; zij hebben hen, die met de wapens in de hand tegen Frankrijk oprukten, als overwinnaars begroet, en hen hunne redders genoemd. Ik beschuldig deze burgeressen van hoogverraad en eisch haar dood!quot;
En de rechters hadden de beschuldiging van den woedenden republikeinen van Verdun zeer rechtvaardig gevonden, en hunne dienaars waren naar Verdun gezonden, om de veertien meisjes, die zich aan zulk een ontzettende misdaad hadden schuldig gemaakt, naar Parijs te voeren, op dat het volk een voorbeeld zou ontvangen, hoe de vrije republiek degenen zou straffen, die zich tegen haai bezondigden! De andere vrouwen hadden geklaagd en gejammerd en om genade gesmeekt, naar Ingenue Moiand was stil en in zich zelve gekeerd geweest, en geen klacht was van hare lippen vernomen. En ook nu in de concierge-rie, â waar zij in de groote zaal met al de andere beschuldigden en in hechtenis genomenen, die zich tegen de republiek bezondigd hadden, bijeen was, â ook nu hoorde men geen klaagtoon van hare lippen. Als een engel van zachtmoedigheid en barmhartigheid ging zij in de zaal rond, troostte de weenenden, was ijverig bezig met de zieken en
') Deze teekening hing werkelijk altoos op hare plaats. Jsog in zijn latere iaren hield Koning Friedrich Wilhelm III haar in waarde, en duldde niet dat de schitterend, rijk omlijste schilderijen, die den wand versierden, de kleine prent, â de gedachtenis aan het schoone meisje van Verdun, â verdrongen.
23
zwakken, bad met degenen, die zich met vromen geest tot den dood voorbereidden, en glimlachte met hen, die met vroolijk bewustzijn en trotsche vreugde den dood tegemoet-zagen. Want de dood zweefde boven deze groote zaal, waarin de veroordeelden hun laatsten gang verbeidden. Daar waren priesters, die hun God en hun kerk niet hadden willen afzweren ; daar waren aristocraten, die den vloek tegen den Koning en de Koningin niet hadden willen uitspreken, en den eed van trouw aan de republiek niet hadden willen herhalen; daar waren dappere krijgslieden, die pogingen hadden aangewend, om de ongelukkige familie van het vermoorde, koninklijke paar uit den Temple te bevrijden; daar waren onschuldige en onnoozele mannen en vrouwen, die zich aan geen andere misdaad hadden schuldig gemaakt, dan dat zij de slachtoffers, welke op karren voorbijreden naar de guillotine, een woord van erbarming, een traan van medelijden hadden gewijd. Wegens deze misdaden waren zij beschuldigd; â zij, die in de groote zaal der conciergerie bijeen waren, en wier rijen eiken morgen verminderden, als de deur zich rammelend opende, en de cipier verscheen, om van een lijst de namen dergenen uit te roepen, die heden de karren bestijgen, en hun hoofd op de guillotine leggen moesten.
De dertien gezellinnen van het jonge meisje van Verdun waren reeds vroeger weggevoerd, en Ingenue had ze niet weder gezien; zij wist dat zij ze heden zoude volgen. Zij wist het en hoopte het; maar haar glimlach was daarom niet minder rustig en zacht, en de blik barer oogen niet minder helder en stralend. Zij stond in de vensternis, en sprak met den man, die nevens haar stond. Zij had heden een zorgvuldig toilet gemaakt; had hare beste kleederen aangelegd, en het haar getooid met een blauw, met zilver doorwerkt lint, dat hare rijke lokken bijeen hield. Hij was achteloos gekleed, en had zich eerst zooeven van de brits in den hoek dor groote zaal opgericht, om bij het jonge meisje te komen, dat hem tot zich riep. Maar in de haast om bij haar te komen, had hij vergeten zijn laarzen aan te trekken; â en de voeten slechts met kousen bekleed, was hij bij Ingenue gekomen.
âMijn vriend,quot; zeide zij: âik weet zeker dat ik heden sterven zal, en daarom heb ik mij getooid, gelijk ge ziet;
24
want het is heden een feestdag voor mij. Ik zal immers tot God gaan en tot mijn moeder en mijne vriendinnen. Maar ik zou, voor ik sterf, nog iets willen zeggen.quot;
De man legde zijn hand op haar schouder, en zag haar met zijn groote oogen rustig en trouwhartig in het gelaat.
âGe kunt mij alles zeggen, mijn kind. Ik heb in deze weken geleerd u te beminnen, als waart ge werkelijk mijn kind. En ik hoop, dat wij te zamen heden den laatsten gang doen, en elkander ondersteunen als wij het moordtuig moeten bestijgen, dat zij de redder der vrijheid noemen.quot;
âIk hoop het nietquot; antwoordde zij zacht: vik hoop dat gij^ mijn goede heer, nog lang zult leven en in uw vaderland zult terugkeeren. Ge zijt uit Duitschland; en toen ge mij dit zeidet, ging mijn hart open in liefde en vertrouwen tot u, en daarom wensch ik u nog iets te openbaren. Als ge terugkeert naar Duitschland, naar uw geliefd vaderland...quot;
Hij schudde haastig' het hoofd. â âIk zal er nimmer terugkeeren. Ik hoop. Ingenue, dat ik heden mèt u naar het groote vaderland hierboven terugkeer! Maar spreek evenwel; zeg wat ge mij te zeggen hebt. En zoo het een vermaking is, die ik zelf niet kan bezorgen, zal er wel een vriend te vinden zijn, die het voor mij doet.quot;
âGij zijt een voornaam heer, nietwaar?quot; vroeg zij bedeesd: âIk hoorde gisteren dat uw vriend u âheer graaf' noemde. Gij zijt een graaf, nietwaar?quot;
âJa,quot; zeide hij schouderophalend: âde domme menschen in de wereld noemen mij zoo; maar het was zeer dwaas van mijn vriend Oelsner, dat hij mij hier dus noemde; het had hem den dood kunnen kosten, zoo 't een der bespieders gehoord had.quot;
âDe Graven komen in uw land, â zooals vroeger in Frankrijk 't geval was, â met de Vorsten en beheerschers te zamen, nietwaar?quot;
Hij knikte toestemmend, en zag haar verwonderd aan.
âZoo ge in Duitschland terugkomt,quot; fluisterde zij nu zachter, terwijl zij hare oogen nedersloeg; âzult ge te Berlijn en aan het Hof komen. Daar zult ge den Kroonprins Fried-rich Wilhelm zien, en zoo ge hem ziet, zeg hem dan âquot;
Zij zweeg, en voor het eerst sedert zij zich in de heillooze zaal bevond, â voor het eerst sedert drie weken, verdween
25
de glimlach van hare wangen, en vulden hare oogen zich met tranen.
âHebt gij hem gekend?quot;
Zij boog zich dicht tot zijn oor. â âIk heb hem gekend en bemin hem, en ik sterf wijl ik hem beminde, en ik sterf zalig, wijl de liefde met mij leefde, terwijl ik stierf. Zeg dit den Kroonprins Friedrich Wilhelm; zeg hem, dat ik geen oogenblik opgehouden heb hem te beminnen, en dat de afscheidskus, dien hij op mijne lippen drukte, door geen anderen kus verdrongen is geworden, en op mijne lippen bloeit als een roos op mijn graf, en dat hij met mij ten hemel zweeft. Groet hem van mij; zeg hem dat ik aan hem dacht toen ik stierf, verzoek hem dat hij de kleine teekening, welke ik hem gegeven heb, als een laatste gedachtenis van mij beware. Hij moet niet om mij treuren, zooals 't misschien zijn grootmoedig en goed hart doen zou, als hij hoort dat ik zoo jong sterven moest. Het is beter jong te sterven in liefde, dan oud te worden in onver-⢠schilligheid en eenzaamheid op aarde. Ik heb op aarde niemand meer die mij beminde, want allen die mij beminden zijn vóór mij heengegaan, en hij zal mij gewis reeds lang vergeten hebben. Maar als hij hoort dat ik dood ben, dan zal hij aan mij denken; en als hij dan de kleine teekening ziet, zal mijn geest hem omzweven, en de zegen mijner liefde zal bij hem zijn. â Zeg hem dit, mijn waarde heer, en geef mij nu uw hand, want luister, de sloten krassen en de cipier zal nu binnenkomen om ons te roepen. Ik zou niet willen beven, als hij mijn naam roept. God geve u een lang leven.quot;
âGod geve dat ik mèt u sterve, lief kind,quot; zei hij teeder.
De deur opende zich, en op den drempel verscheen de donkere, dreigende gestalte van den cipier.
âDe karren zijn er!quot; riep hij in de zaal: âWeest nu stil, burgers en burgeressen, en hoort het laatste bevel, 'twelk de eenige en groote republiek tot u richt. Hoort wie heden geroepen is voor zijne misdaden te boeten!quot;
En met luide stem riep hij de namen uit, die op zijn lijst geschreven stonden. En op eiken naam antwoordde een luid en vroolijk âhier,quot; en de geroepene trad voor, met kalm en blijmoedig gelaat, en plaatste zich nevens de deur.
26
âIngenue Morand uit Verdun! Beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de republiek!quot;
Hier!quot; riep zij met vroolijke stem, knikte den man toe, die nevens haar had gestaan, en ging met luchtigen, zwe-venden tred door de rijen der veroordeelden naar de deui, om haar plaats in te nemen naast den grijzen priester, wiens naam vóór haar was afgeroepen, .
âSchlabrendorf! voormalig graaf von Schlabrendort. nep nu weder de luide stem van den cipier_ .
âHier,quot; zei de man, terwijl hij haastig uit de vensternis trad, en zijn plaats nevens Ingenue wilde innemen.
Maar degenen, welken hij voorbijging, lachten en allen
wezen op zijne voeten. . . . w ,
âVoorwaarts nu! het getal is vol!quot; nep de cipiei. â
draalt ge, burger?quot; , -c. ui ^ â¢
âIk bid u, wacht nog een oogenblik !' nep graaf Schlabrendorf: âGe ziet, ik heb geen laarzen^aan; ik kan toch met
zonder laarzen naar 't schavot gaan.quot; _
âDat is waar. burger,quot; antwoordde de cipier met ernstige-waardigheid: âhet zou een groote beleedigmg voor de heilige republiek en de heerlijke guillotine zijn, zoo ge zoâ¢6* laarzen haar geheiligde treden wildet opgaan. amp;a dus
zoek uwe laarzen.quot;
En graaf Schlabrendorf ijlde naar zijn slaapplaats m den hoek, en zocht haastig en angstig _ zijne laarzen, alsot tnj een vroolijk feest zou moeten missen, zoo hij ze me
V0Jk moet mijn laarzen hebben! Wie heeft mijn laarzen genomen? Ik bezweer u, geef mij mijn laarzen. Ik moet
weg, 't is meer dan tijd.quot;
En terwijl hij nog zocht, riep buiten de luide stem van den cipier: âSpoed u, spoed u! Het uur heeft lang geslagen, de gouillotine wacht!quot;
De cipier wenkte de anderen, en trad met hen naar
^Graaf Schlabrendorf zocht zijn laarzen te vergeefs, en in het zelfde oogenblik toen hij nu naar de deur ijWe en riep: âNeemt mij mede! ik moet zonder laarzen gaan. i p de stem van den cipier: âMorgen. Voor heden tó het te laat.quot; - Hij sloeg de deur dicht, en knjschend draaide de sleutel in het slot.
27
âDus morgen!quot; prevelde graaf Schlabrendorf voor zich: âHet zou mij lief zijn geweest, zoo ik heden met Ingenue Morand had kunnen sterven, 't Is vervelend nog vierentwintig uren te moeten wachten.quot;
Ingenue Morand ging nu naast den grijzen priester voort. Vroolijk als voor een feest gingen allen den breeden trap af, naar de gereedstaande zes karren.
Op elk dezer karren waren vier plaatsen, en deze werden door de veroordeelden ingenomen. Op de laatste kar ontbrak een persoon. Maar men telde niet zoo nauw, en sloeg er geen acht op. Op de laatste kar zat Ingenue Morand naast den priester. Zij legde haar hand in de koude handen van den grijsaard, en zag hem met vriendelijke kalmte in het gelaat.
âVrome vader, kunt ge mij zeggen, of ik hierboven mijn moeder en mijne vriendinnen zal wedervinden? In dit uur, nu wij van hier gaan, kunt ge mij de waarheid zeggen. Gelooft gij het, vrome vader?quot;
Hij aanschouwde haai' met een langen innigen blik. â âIk geloof het, mijn kind; want wij gaan nu in tot de eeuwige liefde. En wij zijn slechts uitstralingen dezer eeuwige liefde, en daarom zullen wij in God al degenen wedervinden welke wij bemind hebben en die ons beminden.quot;
âWaarom weent ge? Waarom vullen uwe oogen zich met tranen, vrome vader? Vreest ge den dood, sterft ge niet gaarne?quot;
âIk sterf gaarne,quot; antwoordde hij treurig: âmaar om u ween ik; om schoon, bekoorlijk kind. Ge zijt nog zoo jong, en het smart mij, dat ge uit het leven moet scheiden, terwijl gij slechts haat en tweedracht hebt gezien op deze aarde, welke God toch uit liefde geschapen heeft.quot;
âIk heb ook de liefde gevonden,quot; zeide zij zacht: âen de liefde gaat mèt mij in den dood, vrome vader. â Maar zeg mij nu nog iets: Gelooft gij óók dat ik eene misdadigster ben, en gelooft ge dat God mij niet vergeven zal, wijl ik mij bezondigd heb aan de groote en eenige republiek?quot;
De priester glimlachte, en terwijl hij een vromen blik ophief ten hemel, die lichtend en helder boven hen straalde, legde hij zijn hand zacht op het voorhoofd van het jonge meisje.
âGa in vrede, mijne dochter! Geen misdaad ligt op u;
28
ge kunt uw gelaat opheffen tot God, hij zal u opnemen in zijne liefde.quot;
De karren hielden stil, de trommen roffelden, en de breisters zaten op heur plaatsen, gelijk eiken dag, op de opgerichte tribunes nevens de guillotine, en breiden ijverig, en schouwden hierbij met nieuwsgierige blikken naar degenen, die heden vallen zouden ter verheerlijking der vrijheid, gelijkheid en broederschap!
âVier-en-twintig!quot; zeiden zij onverschillig, want zij hadden op de ledige plaats in de zesde kar niet gelet, en slechts de karren geteld en den inhoud der eerste.
âVier-en-twintig. Gisteren was 't een betere dag, toen waren er dertig! Men wordt thans achteloos zoo 'tschijnt, en de messen der guillotine worden stomp.quot;
En terwijl de breisters zoo onder elkander spraken, zetten zij verdrietige gezichten; zij letten er nauwelijks op, dat juist het eerste hoofd gevallen was, en vergaten schier een merk in heur kous te maken. Maar de guillotine vergat haar afgrijselijk werk niet, en het blinkende mes viel telkens opnieuw naar beneden, en doorsneed telkens opnieuw den hals der knielenden; en telkens weder hief de beul het hoofd omhoog, dat zooeven nog een denkend en gevoelend wezen had toebehoord en nu een strak, gevoelloos iets was, 'twelk de beul vervolgens achteloos, liet nedervallen in de mand die achter de guillotine stond!
En nu gingen de priester en het jonge meisje hand in hand de treden op.
âDat gaat niet, dat is ongeoorloofd!quot; riep de beul naar beneden: âDe een na den ander zult ge den kus der schoone bruid ontvangen. De een na den ander; niet twee tegelijk!quot;
âIk zou zoo gaarne met u tegelijk sterven, vrome vader,quot; fluisterde het jonge meisje: âik zou stervende zoo gaarne van u een zegen hooren.quot;
âNaar boven nu, nommer twee-en-twintig!quot; riep de beul: âDe voormalige priester het eerst!quot;
âYaarwel, mijn dochter; ik ga u voor, om uwe moeder te roepen, opdat zij u ontvange met open armen.quot;
Hij ging de treden op, met verheerlijkt aangezicht. En Ingenue Morand zonk op hare knieën, bad en zag niet, hoe de beul nu het hoofd omhoog hield, en het vervolgens achteloos in de mand liet vallen.
29
âNommer drie-en-twintig!quot; riep de beul.
Zij zweefde de treden op, den blik ten hemel gericht, de lippen zacht gebeden prevelend, â of waren het geen
gebeden?---Nu knielde zij neder, en boog het hoofd
op het van bloed druipende schavot.
âVaarwel, Friedrich Wilhelm, vaarwel! G-oeden nacht, goeden nacht!quot;
De breisters maakten een merk in heur kous, de beul hief het hoofd omhoog â Ingenue Morand ging in, in de eeuwige liefde!
III.
Een stem uit het graf.
Koning Friedrich Wilhelm vertoefde in het legerkamp van Opalin bij Warschau. Gewapenderhand wilden Oostenrijk Rusland en Pruisen het ongelukkige Polen dwingen, zich zelf te verminken en zijne zelfstandigheid op te geven. En omdat, in het laatste pijnlijk gevoel zijner waardigheid, de Koning van Polen Stanislaus weigerde, zijn eigen Koningrijk te vermoorden en te verdeelen, zonden de drie vereenigde mogendheden hunne legers tegen Polen, om de verdeeling van het rijk te dwingen. Zij lagen voor Warschau, en maakten zich tot de belegering der Poolsche hoofdstad gereed, en reeds weinige dagen later kon Suwarow aan de Keizerin het gewichtig bericht van den veldslag zenden; âPraga rookt, Warschau brandt, en Polen ligt aan de voeten Uwer Majesteit.quot;
Maar nog was deze beslissende dag der bestorming van Warschau niet gekomen. Men zag hem slechts met ongeduld tegemoet, en Koning Friedrich Wilhelm verlangde vóór alles, het einde van dezen vervelenden Poolschen oorlog, die hem verwijderd hield van zijn hoofdstad, â verwijderd vooral van zijn vriendin Wiihelmine Rietz. De tijdsomstandigheden waren zóó treurig, zóó onaangenaam, dat de Koning hartelijk verlangde naar Wilhelmine's frisschen lach en geestigen kout; en nooit misschien was hem de vriendin onontbeerlijker geweest, dan in deze dagen. Dagelijks vertrokken koeriers naar haar met eigenhandige brieven
30
van Friederich Wilhelm, die aan de vriendin den staat van zaken meldden, en waarin de Koning dagelijks zijn geliefde vriendin bezwoér, tot hem in het leger te komen, en de verveling ervan met den glans harer oogen en den glimlach harer purperen lippen te verhelderen.
De laatste dezer koeriers had een brief van den Koning te overhandigen gehad, waarin Friedrich Wilhelm haar vrij gebiedend beval, tot hem te komen. De Koning twijfelde er geen oogenblik aan, dat Wilhelmine zijne bevelen, â zooals ieder trouw onderdaan betaamde, â zou gehoorzamen.
âZij zal komen,quot; zeide hij tot den minister van Haug-witz, die zich bij hem in zijn tent bevond; â âzij zal het niet wagen mijne bevelen, â die trouwens niet anders zijn dan hartstochtelijke wenschen, â te weerstreven. Het zal haar vleien, dat ik hare vriendschap hooger schat dan alle liefde ter wereld; en zij zal hierin een triomf zien, dien ik haar toeken boven degenen, die zich verbeelden mijn hart nader te staan.quot;
âIk ben. natuurlijk overtuigd, dat madame Rietz komt,quot; gaf Haugwitz met een zoeten glimlach en eerbiedige buiging te kennen: âhoe zou zij het durven wagen den uitgesproken wensch van haren koninklijken gebieder te weerstreven? Naar mijn berekening zou zij heden in het leger kunnen aankomen, en mogen wij haar ieder oogenblik verwachten.quot;
Het gelaat des Konings verhelderde zich, en met haastige schreden ging hij naar den uitgang der tent, sloeg de gordijnen open, en staarde naar buiten in het zonnige landschap.
De koninklijke tent lag op een hoogte, en men had van daar een vergezicht op de landstreek beneden in het dal. Ter rechterzijde zag men de witte legertenten van de Pruisische armee, de groepen soldaten, die onder vroolijken kout nevens elkander op den grond lagen; de in batterij staande kanonnen en de gekoppelde geweren, wier bajonetten in de zon glinsterden. Verder aan den horizont lagen de donkere massa's der stad Warschau. De koepels der kerken vonkelden als goud in de zon, en kwamen met wonderbare majesteit uit tegen den donkerblauwen hemel. Aan gene zijde, links op de verre vlakte, zag men andere troepen-
31
massa's opeengehoopt, en ook daar glinsterden de kanonnen en geweren. Daar lagen de Oostenrijkers, terwijl de Russen aan gene zijde van de stad Warschau hun leger hadden opgeslagen.
Koning Friedrich Wilhelm had voor het prachtige, indrukwekkende tafereel in 't rond geen oogen en geen gedachten. Hij zag slechts naar die zijde, waar de weg, omzoomd door hooge populieren, zich kronkelde; â de weg langs welken zij moest komen. Achter hem, half door de gordijnen der tent beschaduwd, stond de minister von Haugwitz, de kleine gestalte eerbiedig ineengedrukt, het gelaat zoet glimlachende als altijd, en ook zijn oog tuurde langs den weg. Uit het dal rechts hoorde men het juichen en zingen der soldaten, en tegelijk droeg de wind van de stad het angstig gelui der klokken over, die ter viering van den katholieken feestdag hare stemmen lieten hooren, en God misschien om genade, om verlossing smeekten van de drie rampen die de stad omgaven.
âHaugwitz,quot; zei de Koning haastig, terwijl hij de hand ophief en naar den weg wees: â âHaugwitz, ziet ge ginds niet een donker punt.
De minister spande zijne oogen in, om te ontdekken wat de adelaarsblik van Zijne Majesteit bemerkt had.
âJa, waarlijk!quot; zeicfe hij na een pauze: âdaar is een donker punt, maar klein, zeer klein. Het kan een hond zijn, die uit het leger is weggeloopen.quot;
De Koning haalde de schouders op. â âGe zijt soms zeer kortzichtig, Haugwitz. Een hond! â Op dezen afstand zou men dien niet erkennen. Ziet ge, de hond wordt grooter; het zijn paarden, zij trekken een rijtuig.quot;
âJa, waarlijk!quot; riep Haugwitz: â âhet zijn paarden, en zij trekken een rijtuig. En naar mij schijnt, onderscheid ik in dit rijtuig het bekoorlijk gelaat van madame Rietz.quot;
De Koning haalde weder de schouders op. â âGe zijt plotseling zeer vérziende, lieve Haugwitz, en ziet wat geheel onmogelijk te zien is. â Maar dit staat vast: een rijtuig nadert op den weg, en wij willen hopen, dat Wilhelmine er zich in bevindt. â Laat ons nu in de tent teruggaan, en vertel mij een weinig van de politieke aangelegenheden. Hoe staat het eigenlijk met onzen oorlog tegen Frankrijk?quot;
De Koning was in de tent teruggegaan, en liet zich lang-
32
zaam in een fauteuil neder. â âSpreek, Haugwitz, hebben wij goede berichten van onze armée?quot;
âHelaas neen!quot; antwoordde Haugwitz met droef gelaat: âMen zou eigenlijk kunnen zeggen, dat wij slechte berichten hebben. De republikeinen worden dagelijks onbeschaamder; zij vermeten zich steeds verder door te dringen, en schijnen volstrekt geen eerbied te hebben voor de keizerlijke en de koninklijke armée. Zij hebben de Nederlanden bezet, den stadhouder doen vluchten, en geven zich het aanzien, alsof zij de wettige meesters der Nederlanden waren.quot;
Hij zweeg en verwachtte een antwoord des Konings.
Koning Friedrich Wilhelm echter staarde strak voor zich, en prevelde zacht: âIk wilde toch wel weten of het werkelijk Wilhelmine is geweest? â Ga voort, Haugwitz. Ik luister. Gij spreekt van de Nederlanden. Hoe staat het met de gelden, welke Holland en Engeland ons te betalen hebben? Zijn zij eindelijk aangekomen?quot;
âHelaas neen!quot; antwoordde Haugwitz schouderophalend: âNoch Engeland, noch Holland heeft aan zijn verplichting voldaan, en de subsidiën zijn sedert lang weggebleven.quot;
De Koning riep toornig: â âIk wilde wel weten of deze koopmanszielen meenen, dat ik om hunnentwil mijn brave soldaten in den dood zal zenden, terwijl zij niets, volstrekt niets doen. Het bloed mijner soldaten is toch waarlijk meer waard, dan het geld van het koopmansvolk van Engeland en Holland!quot;
âBovendien,quot; fluisterde Haugwitz: âkan men het Oosten-rijksche Hof volstrekt niet vertrouwen. Ik weet uit geloofwaardige bron, dat Oostenrijk met Frankrijk onderhandelt. De baron von Thugut heeft zich vermomd naar Parijs begeven, om persoonlijk met Robespierre te onderhandelen. Het zou geloof ik, goed zijn, den sluwen Thugut vóór te komen; want de eerste die nu met Frankrijk vrede maakt, zal de beste voorwaarden verkrijgen.quot;
De Koning haalde zijn gouden, met brillanten bezet horloge uit, en beschouwde het opmerkzaam. â âMij dunkt, zij kon nu reeds hier zijn,quot; prevelde hij: âhet rijtuig reed zeer snel, en had hoogstens nog een kwart mijl af te leggen.quot;
Op dit oogenblik werd de achterdeur der tent geopend, en een lakei trad binnen. â âMajesteit, er is iemand uit Berlijn aangekomen, en verzoekt audientie.quot;
33
De Koning sprong op, â âMoet dadelijk binnenkomen, dadelijk!quot;
En hij ijlde zelf naar de deur der tent, om het welkom en verlangde bezoek, dat hij verwachtte te ontvangen.
Maar juist opende zich deze deur, en daarin verscheen de hooge gestalte eens grijsaards; de gestalte van den oudminister, graaf von Herzberg.
De Koning deinsde achteruit. â â(iij hier? Gij zijt het, die van Berlijn is gekomen?quot;
âJa, ikV' â antwoordde de minister plechtig; âIk heb mij veroorloofd, tweemaal aan Uwe Majesteit te schrijven, doch mijne brieven zijn onbeantwoord gebleven. Nu kom ik zelf om eerbiedig, â zooals dit uwen dienaars betaamt, â mijn stem laten hooren.quot;
De Koning trad misnoegd achteruit, en zonk weder op den fauteuil. â âGe hadt deze moeite kunnen sparen, Herzberg; zoo ik u noodig had, zou ik u geroepen hebben.quot;
âUwe Majesteit heeft mij noodig,quot; antwoordde graaf Herzberg met kalme waardigheid.
âWat!quot; riep de Koning met een spottenden lach: â âik heb u noodig? Hoor toch, heer minister von Haugwitz,quot; voer hij voort, zich tot den minister wendende, die in ootmoedige, gekromde houding achter zijn armstoel stond: â âhoor toch; mij dunkt ge zijt afgezet door mijnheer den graaf Herzberg, en hij is weder de dirigeerende minister!quot;
âIk weet zeer goed dat ik het niet ben,quot; antwoordde Herzberg bedaard: âmaar ik kom evenwel op allerhoogst bevel, en mijn koninklijke Meester is het, die mij hier ontboden heeft.quot;
âIk?quot; vroeg de Koning verbaasd: âGe durft beweren, dat ik u bij mij ontboden heb?quot;
âNeen, Majesteit, niet gij, maar de Koning, dien ik mijn geheel leven lang gediend heb, en die meende, dat ik hem een goed en trouw dienaar geweest was. Koning Friedrich de Tweede is het, die mij hier zendt, en ik spreek niet tot u in mijn naam, maar 't is een stem uit het graf die in uw oor dringt, â de stem van den grooten Koning.quot; â
Friedrich Wilhelm stond, â onwillekeurig door den plech-tigen toon en de ernstige woorden van Herzberg getroffen, â uit zijn armstoel op. â âEerbied voor de woorden van den grooten Koning,quot; zeide hij: âik ben en blijf mijn leven lang
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII. 3
34
zijn onderdaan; en alles wat in zijn naam tot mij klinkt, zal door mij gehoord worden. â Maar op welke wijze denkt ge u te legitimeeren, dat ge in Friedrich's naam komt?quot;
Herzberg boog vluchtig. â âIk zal de eer hebben het Uwe Majesteit te zeggen: Toen de Koning, â mijn Koning Friedrich, â gevoelde dat zijn laatste uur op aarde gekomen was, en hij nu spoedig zou opstijgen naar den hemel en naar de zon, toen riep hij mij tot zich, en zijn groote oogen zagen tot mij op uit den stoel, waarop hij in kussens gepakt ineengedoken lag, â zagen tot mij op als twee sterren, die uit den hemel waren nedergevallen. â Herzberg,quot; zeide hij, âik ga nu naar een betere wereld, waar geen huichelaars zijn. Ik leg de regeering neder, die ik hartelijk moede ben; maar mijn geest zal evenwel over Pruisen zweven en ik wil, dat gij hier zult achterblijven als mijn dienaar. Gij kent mijne inzichten en bedoelingen; gij zijt sinds vele jaren de schroef geweest, die de staatsmachine naar mijn wil in beweging hebt gehouden, en ik wil dat het ook voortaan zoo blijve. Ik beveel u, dat gij goed acht geeft op mijn land en mijn vólk; en zoo gij vindt, dat het door ramp bedreigd wordt, dan moet gij zonder menschenvrees en zonder ijdel-heid, zonder nederigheid of hoogmoed in mijn geest beproeven, het onheil van mijn volk en mijn land af te wenden. Gij moet dan gaan tot mijn opvolger, en uw waarschuwende stem laten hooren, en den Koning vermanen te handelen in mijnen geest.quot;
âIs dat alles wat mijn groote voorvader u gezegd heeft ?quot; vroeg Friedrich Wilhelm met een lichten glimlach.
âJa, Majesteit. Dat is alles!quot;
âEn ge kunt u op geen anderen legitimatie beroepen?quot;
âJa, Majesteit. Ik heb een andere legitimatie. Dit papier hier.quot; â Hij nam uit den borstzak een geel geworden couvert, en reikte het met een diepe buiging den Koning.
, Friedrich Wilhelm verbleekte, toen hij het adres las. â't Is het schrift van den grooten Frederik,quot; zeide hij: â âen .dit zegel hier is zijn bizonder zegel. â Hoe komt ge aan dezen brief? Hij is aan mij geadresseerd, aan Koning Friedrich Wilhelm den Derde. Hoe komt ge aan dien brief, Herzberg?quot;
Een veelbeteekenenden glimlach gleed over het gelaat van den graaf.
35
âSire,quot; zeide hij: âzoo ik het geluk had met de onzichtbare vaders en de Rozekruisers in verbinding te staan, dan zou ik zeggen: de onzichtbare vaders hebben mij deze stem uit liet graf toevertrouwd. Maar ik ben slechts een zondig kind dezer aarde, en ik moet derhalve de waarheid zeggen : ik heb den brief nu niet ontvangen, maar de Koning heeft hem mij vóór zijn dood gegeven, en ik moest in zijn handen zweren, dat ik op den grootsten en gewichtigsten dag der beslissing, er gebruik van zoude maken.quot;
âEn gij meent dat deze grootste en gewichtigste dag thans gekomen iö?quot; vroeg de Koning haastig.
âJa, Majesteit, dat meen ik. Pruisen is in gevaar, en de stem uit liet graf bezweert Uwe Majesteit het te redden! â Lees genadiglijk den brief des Konings.quot;
Friedrich quot;Wilhelm opende voorzichtig, zonder het zegel te schenden, het couvert, en haalde er het kleine, samengevouwen papier uit, dat er in lag. â â't Is het schrift van mijn koninklijken oom,quot; âzeide hij, en vervolgens las hij met luider stem; âMijn lieve neveu! Ik zend u mijn trouwen dienaar Herzberg, en verzoek u, dat ge den raad van een oxiden, bekwamen staatsman, â dien ik altoos als een getrouwen serviteur heb leeren kennen, â niet zult versmaden.. Hij kent Pruisens behoeften, en hij weet door veeljarige ondervinding beter dan jongelieden, wat noodig is voor het welzijn van ons land. Hoor dus, bid ik u, naaide stem van mijn getrouwen serviteur.quot;
De Koning vouwde het papier weder dicht, en schoof het in 't couvert. â âIk dank u voor deze dierbare gedachtenis,quot; zeide hij tot Herzberg: âen in naam van den Koning, die u tot mij zendt, verzoek ik u nu mij te zeggen, welken raad ge mij zoudt willen geven.quot;
Friedericli Wilhelm zette zich weder in den armstoel, en beduidde Herzberg met een genadigen wenk zijner hand, op den l^leinen veldstoel nevens hem plaats te nemen. â âSpreek nu,quot; zeide hij: âik ben geheel bereid u te hooren. Ge zijt dus naar het schijnt, met quot;onze politiek niet tevreden, en gij roept geesten op, om mij op een anderen weg te leiden.quot;
âEn ik zou ook bereid zijn mijn laatsten bloeddroppel te geven,quot; riep Herzberg; â âmijn hoofd aan de voeten Uwer Majesteit neder te leggen, indien ik hierdoor Pruisen kon
36
redden van den afgrond, waaraan het staat. Ik bezweer Uwe Majesteit: zie af van het plan een er verdeeling van Polen â zij komt niet overeen met een gemoedelijke en eerlijke politiek. Het ware belang van Pruisen vordert, dat Polen een onafhankelijke keur-republiek wordt. Pruisen zou er een overwegenden invloed op uitoefenen, en het zou hierdoor een middel in de hand hebben gehad, zich tegen de eerzuchtige pogingen van Rusland en Oostenrijk te verzekeren. â Ik bezweer Uwe Majesteit: maak vrede met Frankrijk, en roep vervolgens een congres zamen, waarop de herstelling van Polen, met uitzondering van Dantzig en Thorn, uitgesproken worde.quot;
Friedrich Wilhelm schudde levendig het hoofd. â âHet verwondert mij u zóó te hooren spreken, Herzberg; want als ik mij niet bedrieg, waart gij het toch, die de eerste verdeeling van Polen tot stand hielpt brengen.quot;
âDat is waar,quot; antwoordde de minister treurig: â âik heb de hand ertoe geleend; maar er waren toch eenige recht-titels, die ons tot voorwendsel konden dienen, en wij mochten er behoorlijk gebruik van maken. Nu echter, Majesteit, bedienen de drie mogendheden zich van een zóó hatelijk en verachtelijk voorwendsel, dat het uwen roem een grenzeloos nadeel toebrengen, â en uwen naam in de geschiedenis bezoedelen zal. De godsdienst en het geweten verzetten zich tegen dit voornemen; en in plaats van door de gebiedsvergrooting, te winnen, zullen de drie mogendheden in de toekomst zien, dat zij slechts een twistappel rijker zijn geworden, die hen eeuwig zal verontrusten.quot;
âHet spijt mij, mijn waarde graaf, dat ik met uwe gemoeds-politiek niet kan instemmen,quot; zei de Koning schouderophalend: â âwij zijn gekomen, om het oproerige Polen tot rede te brengen, en wij betalen ons met de lappen van den verscheurden koningsmantel, dat is natuurlijk ; â spreken wij er niet meer van.quot;
âHet zij, zooals Uwe Majesteit beveelt,quot; antwoordde Herzberg zuchtend: âspreken wij dus niet meer van Polen, maar spreken wij van Frankrijk: van dezen ongelukkigen oorlog tegen de Fransche republiek, die als een jonge boom dagelijks hooger opgroeit en hare twijgen en takken met groen loof en frissche krachten tooit. De Fransche republiek te bestrijden is onmogelijk, en 't is derhalve een daad van
37
schranderheid en zelfbehoud, haar te erkennen en zich met haar te verbinden.quot;
De Koning sprong overeind, en een sombere toorn flikkerde op zijn anders zoo goedhartig gelaat.
âWat!quot; riep hij: â âGe waagt mij den raad te geven, vrede te maken met deze vijanden van tronen en Vorsten? â Vrede met sluipmoordenaars, die hun Koning en Koningin vermoord hebben ? En dat zegt gij mij ? â Gij, de dienaar eens Konings, die misschien tot de absoluutste beheerschers van alle monarchiën behoorde?quot;
âDat zeg ik â de dienaar eens Konings, die de eerste was, om de Amerikaansche republiek te erkennen,quot; antwoordde Herzberg bedaard: âde Fransche republiek is al hare vijanden overwinnend tegemoetgetreden; het huis van Oranje heeft de vlucht genomen, en zijn land in den steek gelaten, â de Fransche republiek heeft het als haar eigendom aan zich getrokken. De Rijn met zijn scheepvaart behoort, â sedert Frankrijk Amsterdam en de Nederlanden zijn eigendom noemt, â óók feitelijk aan de republiek.quot;
âWij zullen de overmoedige republikeinen weten te tuchtigen,quot; riep de Koning: â âen de brutaal genomen buit zal hun door de Pruisische legers weder ontrukt worden!quot;
Herzbeig schudde treurig het hoofd. â âSedert Frankrijk bij Fleurus de groote overwinning heeft behaald, is de tijd voorbij, dat de Franschen de Pruisische wapens voor on-verwinlijk hielden. Met dezen veldslag heeft de republiek een ontzaglijk voordeel behaald; zij zal de Oostenrijksche Nederlanden en Savoye bij zich inlijven, en dan zóó groot zijn, dat hare vijandschap gevaarlijk, â haar vriendschap nuttig is.quot;
âGe raadt mij dus, mijn waarde,quot; vroeg de Koning spottend: âvriendschap te sluiten met brandstichters, Godloochenaars en Koningsmoorders?quot;
âVriendschap en vrede,quot; antwoordde Herzberg kalm: â âZoo Uwe Majesteit nu haren natuurlijken afkeer bedwingt, en de Fransche machthebbers tegemoetgaat, â zoo zij zich aanbiedt de Fransche republiek de erkenning van alle Euro-peesche mogendheden te bezorgen, dan kon Uwe Majesteit daardoor het status quo in stand houden, niet alleen voor zich zelve den vrede verzekeren, maar ook voor hare tegenwoordige bondgenooten het bezit hunner landen herwinnen. â
38
Hiertoe zou noodig zijn eenige memoriën op te stellen, en ze aan de Hoven van Weenen en Londen te zenden, om hen te bewegen de Fransche republiek te erkennen, en op de voorgestelde wijze den vrede te sluiten.quot;
âMemoriën!quot; riep de Koning: âWie zou deze memoriën opstellen, die mijns inziens elk natuurlijk gevoel van recht, en alle eer honen?quot;
âJA:,quot; antwoordde Herzberg bedaard: âja, ik bied mij aan dit te doen, â ik ga zefs nog verder: ik verootmoedig mij zóó ver. Uwe Majesteit te bezweren, mij weder in haren dienst te laten treden. â O, denk niet dat het de eerzucht eens grijsaards is, die naar invloed en rang streeft. Ik heb mijn leven lang genoeg geproefd van de bittere vrucht van re-geeren, om er niet van verzadigd te zijn. Ik streef niet naar rang, eer en titels; slechts de welvaart, de veiligheid en de achting van mijn vaderland wil ik weder herstellen. â Ik bezweer Uwe Majesteit, vergun mij dit; beveel mij, dat ik de memoriën voor de vreemde Hoven bewerk, en dan moge het van Uwe Majesteit af hangen, â wanneer zij die gelezen en goedgekeurd heeft, â of zij mij tot zich wil roepen, om de verdere verordeningen aan de vreemde ministers mede te deelen. â 't Is waar, ik dring mij op; maar ik verzeker Uwe Majesteit tegelijkertijd, dat ik noch orden, noch titels, nog geld begeer. Ik wil alles voor niets doen â eeniglijk uit de zuiverste liefde voor mijn vaderland. En als de vreeselijke crisis voorbij is, wil ik mij stil en zwijgend in mijne eenzaamheid terugtrekken, met het verheugend bewustzijn, dat het mij vergund is geweest, nog aan den rand van het graf voor mijn vaderland en den opvolger mijns Konings nuttig geweest te zijn.quot; ')
Graaf Herzberg zweeg en boog ootmoedig zij hoofd, 's Konings antwoord afwachtende.
âHet verwondert mij,quot; zei Friedrich Wilhelm na een lange pauze met scherpe, snijdende stem: âhet verwondert mij inderdaad, dat ge het met uwe eer bestaanbaar vindt, uw hulp en raad aan te bieden, waar zij niet gevraagd worden. Er was een tijd, waarin gij uw plicht vervuldet, als ge mij uw meening nopens de politieke aangelegenheden voor-droegt; â thans, nu uwe diplomatische loopbaan ten einde
') Graaf Herzberg's eigen woorden. Zie: F. Forster, neneste Geschichte Preussens:
39
is, zou ik het u als een verstandige terughouding toegerekend hebben, zoo ge mij van uwen raad verschoond hadt, waaraan ik slechts dan waarde hecht, als ik dien begeer. Laat het toch aan de ministers, welke mijn vertrouwen gekozen heeft, over, mijne bevelen te ontvangen en uit te voeren. Ik wil gaarne gelooven, dat ge u verbeeldt, slechts door uwe vaderlandsliefde tot dezen stap geleid te zijn; maar ge kunt u ook bedriegen, en eerzucht en eigenliefde konden u voorgespiegeld hebben, dat ge onontbeerlijk zijt. â Het vervolg hoop ik, zal u bewijzen, dat dit niet zoo is; en ik verzoek en raad u, u bij den kring uwer tegenwoordige bezigheden te bepalen, en mij de onaangenaamheid te besparen, u dezen raad nog eens te herhalen.quot; ')
âUwe Majesteit wijst mij af? â bepaald af?quot; vroeg Herz-berg verbleekend, met smartelijke stem: â âZij wil mijn raad niet aannemen?quot;
âNeen, inderdaad, ik wil het niet!quot; antwoordde de Koning trotsch: â âMijn lieve Haugwitz, ge zijt toehoorder van dit zonderlinge tooneel geweest, en gij kent mijne inzichten en grondbeginselen genoeg, om, â indien graaf Herzberg het begeert, â hem deswege verder te berichten.quot;
Graaf Herzberg boog diep. â âIk dank Uwe Majesteit; ik begeer geen verdere verklaringen. De stem uit het graf is nu verstorven, en zal zich niet meer aan Uwe Majesteit opdringen. â Ik verzoek onderdanigst om mijn ontslag.quot;
âMijn waarde,quot; riep de Koning schouderophalend: âge hadt het reeds vóór ge hier binnenkwaamt! Ga met God, en houd n bezig met hetgeen ik u heb opgedragen â met de academie en de zijwormen. Ge zult daarbij betere zijde spinnen dan in de politiek. Adieu!quot;
Hij keerde hem met een haastigen hoofdknik den rug toe en trad tusschen de gordijnen der tent, terwijl Herzberg zich langzaam verwijderde, en door de achterdeur verdween.
Toen de Koning het dichtvallen der deur hoorde, wendde hij zich weder om. â âWat zegt gij er van, Haugwitz? Deze oude man is kindsch geworden, dunkt mij. Vrede met de Koningsmoorders! ?quot;
âMajesteit,quot; antwoordde Haugwitz zacht en ootmoedig: âmen zal het toch ten laatste moeten vergeten, dat de over-
2) 's Konings eigen woorden. Zie als voren.
40
winnaars zulk een vreeselijke misdaad op zich geladen hebben. â Zoo men zeker was deze republiekeinen te overwinnen, en hen eindelijk den voet op den nek te zetten, dan zou men zijn laatste krachten er toe moeten aanwenden. Maar de Jobstijdingen van den Rijn vermeerderen zich dagelijks; de Franschen dringen steeds verder voort; de geallieerden wijken terug; de Engelschen betalen geen sub-sidiën, en het Weener Hof onderhandelt heimelijk met Robespierre. â Dit zijn feiten die wèl bedacht mogen worden, en schoon ik ook de wijze niet kan goedkeuren, waarop graaf Herzberg zich vermeten heeft zijn Koning te naderen, zoo moet ik mij toch ootmoedig veroorloven, met zijne zienswijze in te stemmen.quot;
De Koning zag hem aanvankelijk verbaasd aan, vervolgens knikte hij hem vriendelijk toe, en reikte hem de hand.
âDat is groot, dat is edel van u, Haugwitz. Het behaagt mij dat gij den man, die u verdringen wilde, niet veracht en vervolgt, maar zelfs bereid zijt met hem in te stemmen.quot;
âSire,quot; riep Haugwitz met geestdrift: âik zal steeds bereid zijn, met goed en bloed mijn vaderland te dienen, en Uwer Majesteit's belangen staan bij mij hooger dan de mijne. Zoo Uwe Majesteit dus meent, dat graaf Herzberg een geschikt werktuig is, om het groote plan der vredes-onderhandelingen met Frankrijk uit te voeren, dan ben ik bereid, mij in allen ootmoed te verwijderen, en den meer ervaren politicus mijn plaats in te ruimen.quot;
De Koning schudde zijn hoofd. â âGe hebt immers gezien, hoe ik hem wegzond, Haugwitz. â Maar dit moet niet verhinderen, dat wij van hem leeren, en ik moet tot mijn innig leedwezen bekennen, ik heb van hem geleerd. â De gedachte, welke ik vroeger, voor onmogelijk hield; de gedachte: een vrede met Frankrijk te sluiten, is mij door zijne woorden en voorstellingen gemeenzamer geworden; en zoo het nu waar is, dat het valsche Oostenrijk inderdaad heimelijk met Robespierre over den vrede onderhandeldt, dan willen icij van zijn voorbeeld leeren, en ook het onze doen. â Maar wat Polen betreft, hierin willen wij den raad van dien indringenden heer graaf van het verledene, niet volgen. â Ik wil niet tevergeefs hier gekomen zijn, en de verveling van dit legerkamp uitgestaan hebben. Polen moet zich onderwerpen, en als ik naar huis keer, moet ik ten
41
minste kunnen zeggen, dat ik mijn land met een provincie vergroot heb. Knoop intusschen vredesonderhandelingen met Frankrijk aan. â Graaf Herzberg heeft een goede gedachte gehad. Wij willen ons tenminste aan den spits der gebeurtenissen plaatsen, en de rol van vredestichter van Europa op ons nemen. â Ja, wij willen Frankrijk beloven, de mogendheden van Europa met de republiek te verzoenen, indien het al zijne veroveringen weder teruggeeft, â en ik machtig u, Haugwitz, op deze wijze de onderhandelingen te leiden.quot;
âIk vrees. Majesteit, dat wij op deze wijze geen vrede zullen krijgen,quot; zuchtte Haugwitz: â âdeze Fransche republikeinen zijn buitengewoon trotsch en heerschzuchtig, en van hun jeugdige kracht volkomen bewust.quot;
De achterdeur der tent werd zacht geopend, en een lakei trad binnen.
âMajesteit, de koerier uit Berlijn is juist teruggekomen, en brengt deze brieven.quot;
De Koning greep er haastig naar.
âBrieven van Wilhelminequot; â prevelde hij zacht, en met een handwenk beduidde hij den minister de tent te verlaten.
De brieven zijner vriendin placht hij steeds alléén te lezen, want zij waren hem eenigermate een samenspraak. met haar, en die mocht niet door tegenwoordigheid van een derde gestoord en ontwijd worden. Haastig opende nu de Koning Wilhelmine's brief, en 't scheen hem te bevreemden, dat buiten dezen, zich nog een andere brief in het groote couvert bevond. Hij beschouwde nauwkeurig het schrift, en in plaats van hem te openen en zijn inhoud te lezen, gaf hij zich zelve het raadsel op: van wien de brief kon zijn, welks schrift hem onbekend was, en dien Wilhelmine waardig hield hem te zenden?
âNu,quot; zeide hij vervolgens voor zich, terwijl hij den brief op de tafel wierp: âwij zullen het wel in Wilhelmine's brief zien wat 'deze zonderlinge zending beteeken t.quot;
En haastig sloeg hij nu het papier met het kleine sierlijk schrift zijner vriendin open. â Maar hij had slechts weinig regels gelezen, toen zijn gelaat betrok, en een donkere gloed zijne wangen kleurde.
â't Is afschuwelijk! 't Is een ongehoorde trouwloosheid!quot; riep hij met toornig luide stem: - âZoo ik het niet zag
42
met mijn eigen oogen, zou ik het niet gelooven, zou ik het voor onmogelijk houden!quot;
En toen nam hij het papier weder in de hand, en als om zich te overtuigen, dat hetgeen zijne oogen zagen waar was, las hij met luide stem : âMijn dierbare Sire en Koning! Mijn hand beeft, terwijl ik heden de pen opneem, om aan den geliefden vriend, â aan den eenigen man, dien ik ooit bemind en aangebeden heb, te schrijven. â Maar Uwe Majesteit had wèl gelijk, mij zoo dikwerf te zeggen, dat de liefde een lentebloem is, die spoedig verwelkt, en het voor een man onmogelijk is, deze bloem eeuwig in zijn hart te laten bloeien. â Ge weet, mijn dierbare Koning, dat het mij veel smart en verdriet heeft gekost, deze wijsheidsles omtrent de liefde der mannen te begrijpen, en er waren dagen, ja maanden en jaren, dat mijn hart zich verzette tegen deze leer, en datgene als verraad beschouwde wat, zooals gij mij zeidet, slechts de gewone loop der dingen was. â De harten der vrouwen zijn, helaas, anders georganiseerd, en de liefde die in de lente haars levens in haar hart ontloken is, bloeit en tiert nog in hare ouderdom, en kan zelfs onder het grijze haar, heur schoonste lentepracht behouden. â Dat zijn beschouwingen! â zal Uwe Majesteit zeggen, en ik weet wel, dat ge hiervan niet houdt. â Maar zij zijn toch voor mij gewichtig geweest; want zij hebben mij er toe gebracht te erkennen, dat het beter zou zijn de herfststormen te ontvlieden, en zich met de lentepracht der eerste liefde in het hart te redden in een andere wereld en een andere omgeving, om ze des te trouwer in het hart te kunnen bewaren. Begrijpt ge mij nu, mijn dierbaarste Sire? â Weet ge wat ik zeggen wil? â Ik bemin slechts u, dat wil ik zeggen: â ik word niet bemind door u, en daarom is het beter dat ik heenga, ver weg in den vreemde, waar ik u niet meer zie, en de smart der versmading zich niet dagelijks hernieuwt. â Lord Templetown geeft mij hiertoe de gelegenheid; â hij bemint mij, dit bezweert hij mij dagelijks aan mijne voeten, en ik geloof het bijna. Hij is een goed mensch, en ik zou hem willen behoeden voor de smart eener onbeantwoorde liefde. Als men zelf niet gelukkig is, moet men het ten minste voor zijn plicht houden, anderen gelukkig te maken. â En wijl lord Templetown zweert, dat in mijne handen alléén, zijn
T
I
43
geluk ligt, ben ik bereid hem gelukkig te maken, dat heet: 'zijn echtgenoote te worden, als Uwe Majesteit mij genadig-| lijk hiertoe hare toestemming geeft. Ik voeg het onderdanigst 'verzoek van lord Templetown zelve hierbij; en zoo Uwe Majesteit grootmoedig wil zijn, zoo zende zij mij dadelijk hare toestemming per koerier, opdat wij ons huwelijk kunnen vieren, en Berlijn verlaten hebben, als Uwe Majesteit er terugkeert. Want ik zou de smart des wederziens, â öf, om de waarheid te zeggen: de vreugde des wederziens niet overleven, en mijn huwelijk terstond beginnen met mijn gemaal ontrouw te worden, als ik den geliefde mijnezjeugd wederzag. â Wilhelmine.quot;
De Koning wierp den brief haastig ter zijde, en greep naar het papier, dat ei' ingesloten was geweest.
âWaarachtig,quot; zeide hij schouderophalend, toen hij het gelezen had: â't is waar; dat mensch, â die onbeschaamde Ier heeft de vermetelheid, mij vormelijk Wilhelmine's hand te verzoeken. Maar dat is ongehoord! Ik zal dat mensch uit Berlijn laten jagen; hij is een roover, een misdadiger, die zich vermeet, het eigendom van den Koning te willen stelen; want Wilhelmine is mijn eigendom, en niemand zal het mij ontrukken!quot;
Hij schelde heftig, en beval den binnentredenden lakei, dadelijk den minister von Haugwitz weder te roepen. â De minister bevond zich gelukkigerwijs nog in de nabijheid, en haastte zich aan 't bevel des Konings te voldoen.
âHaugwitz,quot; riep de Koning hem toe: âIk heb gewichtige dépêches uit Berlijn ontvangen, en 't zal noodig zijn dat ik er terugkeer. De zaken gaan hier ook zonder ons haren gang. Polen zal zich onderwerpen, en wij zullen deel aan den buit hebben.quot;
âMajesteit,quot; antwoordde Haugwitz: âik dank God, dat gij eindelijk het besluit hebt genomen, u aan de vermoeienissen en ontberingen van dezen veldtocht te ontrekken, en u voor uw volk te sparen. Noch bij het Oostenrijksche, noch bij het Russchische leger bevindt zich de Souverein van het land, en het ware misschien uwe koninklijke eer eenigszins prijs geven, zoo Uwe Majesteit nog langer bij hare armee bleef. Bovendien zijn er berichten gekomen van een opstand in de Poolsche provinciën van Uwe Majesteit, en het zou beter zijn, zich aan deze omstandigheden te ontrekken
44
en den persoon des Konings buiten gevaar te stellen.quot;
âIk geloof zelf dat het mijn plicht is, mij voor mijn land en mijne onderdanen te sparen,quot; zei de Koning: âen ik kom dezen plicht na, door naar Berlijn terug te keeren, waar hoogere regeeringsplichten mij roepen. â Mijn generaals zullen hier mijn militaire eer vertegenwoordigen. Diplomatische redenen echter, vorderen mijne tegenwoordigheid te Berlijn. Verwittig mijn stalmeester, Haugwitz; ik vertrek nog heden avond naar Berlijn, en gij begeleidt mij derwaarts.quot;
IV.
Een stem uit het leven.
Wilhelmine Eietz zat in een bekoorlijk negligé op den divan, in het boudoir van haar fraai paleis onder de Linden, en beschouwde met een liefelijken glimlach den jongen man, die aan hare voeten op den kleinen tabouret zat, en wiens blauwe oogen met hartstochtelijke teederheid tot haar opzagen.
âIk zeg u, ik zweer u, Wilhelmine, dat ge voor mij de schoonste vrouw der geheele wereld zijt!quot; â betuigde hij juist, en Wilhelmine lachte luidkeels, en schudde levendig baar fraai, met bruine lokken omgeven hoofd.
âGe zijt een dweeper, lord,quot; zeide zij: âde schoonste vrouw der wereld! â .Waarlijk, men zou zeggen, dat ge nooit vrouwen hadt gezien, en derhalve geen vergelijkingen kunt maken. â Ik herhaal het, lord, ge zijt een dweeper, en deze geheele liefde voor mij, is niets dan een begoocheling, een fata morgana. Ge gelooft een Hebe te zien, maar hoe spoedig zou het nevelbeeld vervliegen, en ge zoudt u dan overtuigen, dat het slechts een oude vrouw is.quot;
De lord sprong op, en aanschouwde haar met toorni-gen blik.
âIk verbied u, Wilhelmine, zoo lasterlijk over de vrouw te spreken, welke ik bemin, welke ik aanbid!quot;
âEn ik,quot; riep Wilhelmine luid lachend: âik herhaal wat ik u reeds honderdmaal heb gezegd: Uwe liefde is een
45
dwaasheid! Ik zou uwe moeder kunnen zijn! Ja, waarlijk uwe moeder; want ge zijt nauwelijks drie-en-twintig jaar, en ik, â de Hemel zij geklaagd, â ik ben omtrent veertig!quot;
âWat geef ik om uwe almanakjaren!quot; riep de lord heftig: âGe draagt de lente op uw fraai gelaat en in uw hart, Wilhelmine; en de almanak heeft niets te maken met uwe eeuwige jeugd! â Laat mij u aanschouwen, bekoorlijke! Laat mij uwe schoonheid, uw jeugd en uwe liefelijkheid aanbidden!quot;
Hij zonk weder voor haar op zijn knie en nam hare handen, â die wegens hare fraaiheid beroemd waren, â en streek den witten monw van haar doorschijnend morgengewaad op, om dezen wonderschoonen arm te aanschouwen, die de verrukking van beeldhouwers en kunstenaars was, en drukte met gloeiende hartstochtelijkheid zijn lippen op dezen blanken arm.
âGe blijft er dus werkelijk bij,quot; zeide zij, zich ongedwongen in de zachte kussens van den divan achteroverleggen-de, en haar kleinen voet op den zijne zettende: â âge blijft er bij dat ge mij huwen wilt, en gij gelooft â dat uwe familie u niet voor krankzinnig zal verklaren?quot;
âIk ben rijk, ik ben onafhankelijk, ik ben meerderjarig!quot; zei de lord met een trotschen glimlach; â âIk zal mijn verwanten dwingen, te buigen voor de schoonste lady, die ooit in mijne familie geweest is. en wier portret in mijn ridderzaal zal prijken, als de heerlijkste bloem van ons geslacht.quot;
âGroote woorden, fraaie woorden!quot; lachte Wilhelmine: âMaar ik â ik ben, helaas, niet zoo onafhankelijk als gij. Daar is vooreerst mijn soi-clisant heer echtgenoot, de kamerdienaar Rietz.quot;
âSpreek mij niet van hèm!quot; riep de lord opspringend: âMijn hart verheft zich in woede, als ik dezen baviaan zie, die het wagen kan te beweren, dat hij uw echtgenoot is.quot;
âIk draag ten minste ziin naam,quot; zei Wilhelmine schouderophalend.
âMaar ge zijt nooit met hem verbonden geweest!quot; riep de lord heftig: âGij zelve, Wilhelmine, hebt het mij gezegd.quot;
âEn 't is de waarheid,quot; zeide zij: â't Was een comedie, waarmede wij de strenge helden der deugd, â deze huiche-
46
laars en schijnheiligen, Bischofswerder en Wöllner zand in de oogen strooiden. â Ik geef toe, dat mijn huwelijk met Rietz geen beletsel voor mijne echtverbintenis zou zijn, maar âquot;
âNu, maar?quot; vroeg de lord met ingehouden adem.
âMaar de Koning!quot; voer zij voort.
âDe Koning zal zijn toestemming geven!quot; riep de lord: â âEn bij den Hemel! ik wilde wel weten onder welk voorwendsel hij die weigeren zou. â De Koning is gehuwd aan de rechter- en linkerhand, al naar het valt, â maar hij is niet gehuwd met m, Wilhelmine; â niets bindt u aan dezen trouwloozen heer!quot;
â't Is waar,quot; zuchtte zij zacht: âniets bindt mij aan hem, dan de herinnering mijner jeugd en de getrouwheid van mijn hart.quot;
âIk zal u dwingen, deze herinnering te vergeten, en deze zoete getrouwheid op mij over te dragen!quot; riep de lord, zijn arm om de gestalte der verleidelijke vrouw leggende, voor welke hij nog altoos op zijn knieën lag: âJa, Wilhelmine, ik zal u dwingen mij te beminnen! Geheel mijn leven, mijn ziel, mijn hart, alles wat ik heb en ben, behoort u! G-ij zegt: ik ben te jong voor u; maar bedenk dat deze jeugd naar liefde verlangt, en dat zij u behoeden en beschermen wil voor den ouderdom en de verkoeling! Ge zult in mijne liefde een nieuwe lente en een nieuwe jeugd erlangen! Ge zult gelukkig worden, Wilhelmine! en nu zegen ik mijn rijkdom, die mij in staat zal stellen, al de wenschen mijner bekoorlijke geliefde te vervullen! Wij zullen naar Ierland gaan! Daar, op het kasteel mijner voorvaderen, zult ge troonen als de koningin der streek, als de vorstin voor wie zich alles buigt. Daar zullen wij resideeren te midden onzer vazallen, op het trotsche oude Slot!quot;
âOm Godswil, neen!quot; riep Wilhelmine afwijzend: â âik haat de oude kasteelen. Zij zijn vervelend, en voor de ridderzalen met de vreemde en deugdzame vrouwengezichten, heb ik een wezenlijk afgrijzen!quot;
Een wolk vloog over het gelaat van den jongen lord, en een oogenblik drukte hij de fijn besneden lippen stijf opeen. Maar toen zijn sombere blik zich op Wilhelmine richtte, zag zij hem met zulk een liefelijken glimlach aan, dat zijn gelaat als door een zonnestraal beschenen werd.
47
âAls het u te stil en te ernstig in het groote, prachtige Slot wordt,quot; fluisterde hij, een kus op haren arm drukkende: âdan zullen wij de gansche buurt tot ons noodigen, en het Slot zal weergalmen van lachen, vroolijkheid en muziek. En dan in den zomer, Wilhelmine, dan zult ge den kostbaar opgetuigden telganger bestijgen, en wij zullen alleen, â in een gelukkige eenzaamheid, uitrijden in de schoone Natuur. O, gij weet niet, hoe fraai mijn vaderland is; maar ge zult getroffen worden door deszelfs heerlijkheid, en de grootsche verhevene Natuur onzer wouden, onzer meeren, onzer bergen en dalen, zal u in verrukking brengen, Wilhelmine!quot;
âO hoe dwaalt ge; welk een onrecht doet ge mij!quot; riep Wilhelmine schouderophalend: âOm u de waarheid te zeggen : ik heb een afkeer van de Natuur, en er is voor mij in geheel de wereld niets vreeselijker, dan het gekeuvel over de Natuur. Ik bid u, vertel mij niets meer van uwe vervelende Sloten en uwe hemelsche Natuur, welke wij in eenzaamheid genieten willen.quot;
Het gelaat van den lord was weder verduisterd; hij stond op en ging met haastige schreden in het kabinet op en neèr. Vervolgens bleef hij voor Wilhelmine staan, die onachtzaam in den divan achterover geleund zat, en met haar opgeheven voet, den kleinen, met goud geborduurden pantoffel, op heur teenen liet balanceeren.
âIs u dit ernst, Wilhelmine ? Ge houdt niet van de Natuur?quot; â't Komt er op aan, hoe ge dit meent, waarde lord. â âZie om; ziet ge daar het wonderschoone landschap van Hackert, dat hier boven mijn hoofd hangt. Ik ben verrukt, zoo dikwijls ik het beschouw, en deze geschilderde dalen en boomen zijn mij voldoende als Natuur. En ziet ge daar die fraaie albasten vazen, met de prachtige bloemruikers. Ik meen hun geur in te ademen, en verlang geen andere bloemen. De Natuur zelve is vervelend. De geschilderde Natuur bemin ik!quot;
De lord slaakte een kreet van woede, vloog naar de marmeren tafel, waarop de beide kostbare vazen stonden, greep ze met verwoede hand, en wierp ze op den grond, zoodat zij met luid geraas, rinkelend in duizend stukken sprongen.
âRampzalige!quot; riep Wilhelmine ogspringend; âzii ziin een geschenk des Konings!quot;
48
âWat deert mij dat!quot; riep de lord woedend; â âgij zult deze geschilderde bloemen niet beminnen, en niet verrukt zijn door geschilderde landschappen!quot;
En met één sprong stond hij nu voor het groote, fraaie landschap van Hackert, en zijn vuist trof het doek zóó geweldig, dat het berste, en het fraaie dal, 'twelk Wilhelmine zooeven zoo geprezen had, in flarden scheurde.
âGe zijt een ellendeling!quot; riep Wilhelmine nu werkelijk verstoord en toornig: âGe zijt een wandaal en beeldstormer, en ik wil niets meer met u te doen hebben! Ga heen! Verlaat mij, en wees verzekerd, dat ik van uw Slot in Ierland en van al uwe heerlijkheid, niets meer zien wil!quot;
De lord zonk bedroefd en buiten zichzelven aan hare voeten neder, en met gloeiende, hartstochtelijke woorden bad hij haar om vergeving voor zijn onzaligen toorn, voor zijn drift, voor den waanzin, die hem overweldigd had.
âMaar,quot; riep hij, met onstuimige hartstochtelijkheid: â âgij zelve zijt er schuld van, Wilhelmine! Gij tergdet mij tot toorn! Ik ben anders zacht als een kind, en met goede woorden kan men mij leiden als een lam aan den leiband; maar als ik getergd wordt, dan ken ik mij zeiven niet meer, dan is het alsof vlammen voor mijne oogen schieten.quot;
âEn alsof de aardappels in uw hoofd branden!quot; riep Wilhelmine met een luiden spotlach: âDit is immers het oude, eeuwige sprookje van de Ieren en hun hartstocht; die komt niet uit het hart, maar van den aardappel, die in hun hoofd brandt, en hun haar rood kleurt. Ga heen, lord Templetown! Giet water op uw hoofd opdat de aardappel verkoele, en gij weder tot uw verstand komt!quot;
âGe zijt wreed, zeer wreed!quot; stamelde de jonge lord met smartelijke stem: âMaar ge hebt gelijk! Ik heb den geesel, waarmede uwe zoete lippen mij treffen, verdiend, en ik neem hem aan als mijn straf. Maar wees nu weder genadig en goed, Wilhelmine. Vergeef mij, en beloof mij dat ge mijn echtgenoote wilt worden.quot;
âIk had het u beloofd en ge weet, ik heb den Koning geschreven, en om zijne toestemming verzocht; maar na hetgeen heden gebeurd is, geloof ik niet te kunnen besluiten, uwe echtgenoote te worden.quot;
âVergeving!quot; smeekte hij, opnieuw voor haar nederknie-lende: âVergeving, Wilhelmine! Wat moet ik doen om u
49
te bewijzen dat ik onderdanig en ootmoedig wil zijn? Leg mij een straf op, verneder mij, treed mij onder uwe voeten, maar vergeef mij! Zeg mij wat ik doen moet, om het weder goed te maken!quot;
Zij zag hem met een spottenden glimlach aan.
âZoek de scherven bijeen, lord Templetown, â allen zorgvuldig bijeen; en zweer mij dat ge deze scherven naar uwe woning zult medenemen, en dat zij altoos in uwe kamer zullen zijn, ter gedachtenis aan dit uur, en tot waarschuwing.quot;
De lord haastte zich, voor alle antwoord aan het bevel te voldoen; â nam de korf, waarop Wilhelmine gebiedend gewezen had, van de tafel, en verzamelde er de scherven in, die over den vloer verspreid lagen.
Wilhelmine Rietz stond in het midden der kamer, en beschouwde met fier opgeheven hoofd den jongen man, die ootmoedig en gehoorzaam als een jachthond, heen en weer kroop, en toch van zulk een voorname afkomst, bezitter van stamboom, wapenschilden, rijkdommen en vazallen was.
â't Is fraai dit te aanschouwen, en het doet mijn hart goed, den trotschen lord zoo te zien rondkruipen aan de voeten van de trompettersdochter en de echtgenoote van den koninklijken schoenpoetser! Zoek maar de scherven bijeen, lord Templetown; zoek, mijn hondje, zoek! Ge zult nooit iets anders zijn, dan mijn ootmoedig hondje â neen, nooit iets anders!quot;
Maar toen hij de scherven bijeengegaard, â en gezworen had, het landschap, van Hackert zorgvuldig te zullen doen herstellen, zoodat niemand de aangerichte schade zoude bemerken, â scheen Wilhelmine hem toch te vergeven, en begunstigde hem met een innemende glimlach.
âEn gij zult uw woord niet terugnemen, Wilhelmine? Ge zult besluiten mijne gade te worden?quot;
âGe zijt on verdragelij k, lord, met uw eeuwig vragen; laat ons toch vóór alles, het antwoord des Konings afwachten. â Maar ga nu, want ik beken u eerlijk: mijne zenuwen zijn niet sterk genoeg, om zulke tooneelen te verdragen; ik ben immers een oude vrouw.quot;
Maar de eeuwige jeugd schitterde uit hare oogen, toen zij dit glimlachend zeide, en den lord hare fraaie, blanke hand tot afscheid reikte. En toen hij nu ootmoedig en onderdanig haar bevel gehoorzaamd, â en haar verlaten had,
DUITSCHLAND IN WOELING EN STUUD. VII. 4
50
oogde zij hem na met een spottende glimlach, en haalde de schouders op.
âVan dezen ben ik zeker,quot; zeide zij: âhij is een speeltuig-in mijn hand! En wat kunnen de mannen anders voor mij zijn, dan een speeltuig? Er is voor mij slechts één man, dien ik bemin, en dat is de Koning. Ik weet wel, dat het dwaasheid is; maar het is nu eenmaal zoo, het litteeken op mijn hand verbindt mij aan hem. â Het zou vreeselijk zijn, zoo Friedrich Wilhelm bewilligde, dat ik met den lord huwde,quot; voer zij bedenkelijk voort, terwijl zij langzaam op en neêr ging: âja, vreeselijk; want er zou dan geen ontkomen meer zijn, en ik zou er werkelijk toe moeten besluiten, lady Templetown te worden. Het is de grootste zet, dien ik ooit gewaagd heb, en deze groote zet moet voor immer over mijn geheele toekomst beslissen. Of hij bevestigt mijn macht voor altoos, öf ik moet mij tevredenstellen met de gade van een lerschen lord te worden, wien de aardappel in 't hoofd brandt, en zijn haar rood kleurt.
O hoe zal het eindigen? Zal de groote zet gelukken? Zal de Koning nog in het laatste oogenblik niet misschien erkennen dat hij toch, â in weerwil der met hem getrouwde matresse en al de vrouwen, die zich om hem verdringen en hem liefde toefluisteren, â niet buiten mij leven kan! ? â Neen, neen, Wilhelmine!quot; riep zij hartstochtelijk: âge zijt een ijdele, dwaze vrouw; ge hoopt tevergeefs! â De Koning kon reeds hier zijn... moest reeds hier zijn, zoo mijn brief de uitwerking had, die ik vermoedde. Sedert gisteren avond verwacht ik hem tevergeefs, en âquot;
Zij hield midden in haar rede op, en een donkere gloed vloog over haar gelaat. Zij luisterde naar de deur. 't Was haar, als hadde zij in de aangrenzende kamer een luide stem gehoord, wier klank haar hart deed stilstaan van vreugde. â Neen, 't was zeker een vergissing geweest, nu was alles stil. - De groote zet is mislukt, en Wilhelmine Rietz moet zich vergenoegen, met Lady Templetown te worden!
N u werd de deur heftig opengerukt, en een luide vreugdekreet klonk van Wilhelmine's lippen; zij vloog naar de deur, en sloeg hare beide armen om den hals van den binnen-tredenden Koning. Maar hij weerde haar onzacht af, en trad met somber gelaat in de kamer.
âWaarom wilt ge mij bedriegen, Wilhelmine?quot; vroeg hij
51
ruw: âWaarom deze schijn van teederheid, daar ge toch een ontrouwe zijt, en mij verlaten wilt?quot;
Zij zag hem met een smartelijk teederen blik aan.
âGij gelooft dit, Friedrich Wilhelm? â Neen, gij gelooft het niet\ Ge weet, dat mijn hart en mijn ziel met onverbreekbare banden aan u gehecht zijn!quot;
De Koning haalde de schouders op.
âWoorden, fraaie woorden! â Zij zullen mij niet bedriegen, want de feiten weerspreken ze. Ge wilt huwen; ge waagt het aan mij te schrijven, en mij het huwelijksaanzoek van deze zotten, lerschen lord over te zenden?quot;
âIk geloofde mijn Koning een dienst te bewijzen, een laatste dienst, vóór ik voor altoos van hem schelde. Ik moest immers vreezen, dat mijn Koning de arme verouderde vriendin zijner jeugd moede was. Ach, het heeft mij genoeg smart en verdriet gekost, eer ik mijn hart kon gewennen aan de gedachte, dat het jonger was dan mijn gelaat; ik heb met duizend tranen mij de les ingeprent: dat ik een oude vrouw ben, die geen liefde meer waard is!quot;
De Koning haalde de schouders op.
âGelooft ge dus dat de liefde slechts aan het gelaat hangt, en haar kracht en duur uit de rozen der wangen en het jeugdige frissche voorkomen ontleent? Men gewent zich aan de grootste schoonheid in eenige maanden, en let er nauwelijks meer op; en de vrouw, die slechts door hare schoonheid tot liefde verlokt, is spoedig vergeten. â Dat moest gij toch uit ondervinding weten, Wilhelmine; want ge weet, dat ik dikwerf genoeg de schoonste vrouwen vergeten heb. U echter heb ik nooit vergeten: gij zijt de eenige, aan wie ik geloof, aan wie ik houd, en die ik nooit- wil verliezen! â Ik weet niet of ge schoon zijt, ik weet niet of ge jong zijt; maar de herinneringen mijner jeugd, de droo-men en fantaziën van een gelukkigen tijd, schijnen mij tegen uit uw gelaat, en 't is wreed en hard van u, dat ge mij dit licht mijner verouderende dagen onttrekken, en u van mij verwijderen wilt!quot;
Wilhelmine Kietz slaakte een kreet â een donkere gloed van vreugde overstroomde hare wangen.
âGe wilt mij dus niet verstoeten, Friedrich Wilhelm?quot; vroeg zij, voor den Koning nederzinkende, en met een zaligen glimlach tot hem opziende: âGe wilt het hondje, dat aan
52
uwe voeten ligt, er altoos dulden en het niet wegjagen in den vreemde. Weet ge het dan niet, -- gevoelt ge het dan niet, dat ik bereid was, u het grootste offer te brengen; â dat ik slechts om u, de hand van dezen zotten lord Temple-town wilde aannemen ? â Men had mij immers gezegd, dat uw hart van een nieuwe liefde gloeide; men verzekerde mij, dat ge niets vuriger wenschtet, dan mijne verwijdering; en dat de schoone freule von Hünerbein slechts beloofd had uwe gemalin der linkerhand te worden, op voorwaarde, dat ge voor altoos van mij zoudt scheiden! Ik dacht, dat ge te goed, te kiesch en te edelmoedig zoudt zijn, om mij na zoovele jaren van liefde en vriendschap, te verbannen; en toen wilde ik u het laatste bewijs mijner liefde geven, door te doen, wat gij niet kondt: door mij zelve te verbannen. Daarom alléén heb ik de liefdesbetuigingen van den lord aangehoord; daarom alléén was ik besloten, hem mijn hand te geven, â het laatste offer mijner toewijding aan den geliefde van mijn geheele leven !quot;
De Koning trok haar met een onstuimige aandoening, van hare knieën op in zijne armen.
âIs 't waar Wilhelmine? Is 't werkelijk waar? En als ik u nu zeg, dat ik niemand ter wereld zoo bemin als m?quot;
âAch,quot; riep Wilhelmine hem hartstochtelijk in de rede vallende: âhoewel ge het mij ook zegt, ik kan het toch niet gelooven, â want ik weet immers, dat ge de schoone Ulrika von Hünerbein bemint, en ik ben niet meer zoo sterk, zoo lustig, als ik vroeger was. Ik kan het niet meer verdragen, een mededingster nevens mij te hebben; mijn vriendschap is ijverzuchtiger, dan het mijne liefde was; ik wijk voorde gelukkige mededingsters, want haar geluk stoot mij den dolk in het hart!quot;
âGe zult niet wijken!quot; riep de Koning: âGe zult voor niemand wijken, en niemand zal uwe mededingster zijn! â Luister, Wilhelmine; wilt ge trevreden zijn, zoo ik u de schoone Ulrika opoffer? Wilt ge aan de kracht en waarheid mijner vriendschap, â die meer is dan alle liefde ter wereld, â gelooven, zoo ik haar, die bestemd was mijne gemalin der linkerhand te worden, van mijn Hof verban?quot;
âDat zou een bewijs van liefde en vriendschap zijn, dat mij trotscher zou maken, dan een koningskroon zou kunnen!quot; jubelde Wilhelmine met een van vreugde stralend gelaat.
53
âIk wil u dat bewijs geven, en wel terstond !quot; zei de Koning; âLaat mij een oogenblik aan uw schrijftafel plaats nemen.quot;
Hij zette zich, nam de pen, en schreef haastig eenige woorden op een vel papier, dat Wilhelmine hem reikte. Zij was geknield nevens den stoel, waarop de Koning zat, leunde haar hoofd aan zijn schouder, en zag met een teeder smachtenden blik tot hem op.
Nu wierp de Koning de pen ter zijde, en reikte haar het papier.
âLees!quot; zeide hij.
Ãn Wilhelmine las met luide, van vreugde bevende stem, het volgende:
âAan freule Ulrika von Hünerbein.
Ge hebt van mij een bewijs mijner liefde gevorderd, hetwelk ik niet willens ben te geven. Ge hebt begeerd, dat ik u mijn veeljarige vriendin Wilhelmine Rietz zou opofferen, en eerst op den dag, als ge de zekerheid hadt, dat Wilhelmine Rietz voor altoos uit mijne Staten verwijderd was, wilt ge mijne gemalin worden en de liefde verhooren, welke ik u met de teederste gezindheid toedroeg. Maar, mijn schoone freule; ge hebt uit het oog verloren, dat zulk een handelwijze mijnerzijds, noch koninklijk, noch menschelijk zou zijn, en ge zoudt er geen waarborg voor het geluk uwer toekomst in kunnen vinden; want, zoo onze verbintenis met verraad en trouwbreuk beginnen moest, ware haar vonnis hierin geveld. Ik zie af van uwe hand, en ook van uwe liefde; en bewillig er in, dat ge met uwen neef, den heer von Kno-belsdorf, - die u, gelijk ik weet, reeds lang het hof maakt en naar uwe liefde dingt, â in 't huwelijk treedt. â Ik zal u een rijk huwelijksgoed tot uitzet geven, zooals degene toekomt, die zich in de bizondere gunst des Konings verheugt; maar 't is mijn speciale wensch, dat uw huwelijk geheel in stilte, reeds in de eerstvolgende dagen zal plaats hebben, en ge met uwen echtgenoot terstond na de voltrekking, een lange reis onderneemt, waartoe ik uwen echtgenoot gaarne de middelen en het verlof verleen.
Uw toegenegen Koning
Friedrich Wilhelm.quot;
54
âZijt ge nu tevreden?quot; vroeg de Koning, toen Wilhel-mine gelezen had.
Zij reikte hem met van vreugde stralenden blik het papier, en kuste zijn hand.
âTevreden?quot; riep zij juichend; â âIk ben het gelukkigst schepsel! 't Is alsof eene nieuwe lente- en liefdezon in mijn hart opging; en alles groeit en bloeit en geurt weder in mij, als in de gelukkigste dagen, toen ik mijn leven en mijn liefde aan uwe voeten legde.quot;
De Koning trok haar in zijne armen op, en kuste haar voorhoofd.
âGe hebt veel om mij geleden, Wilhelmine,quot; zeide hij: â âmaar ge zult toch moeten erkennen, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij nu dezen brief in 't couvert sluiten, en zend hem terstond door een uwer bedienden aan zijn adres.quot;
Hij schoof het toegevouwen papier haastig in een couvert, en schreef er het adres op, terwijl Wilhelmine met ijverige handen een licht ontstak, en den Koning het zegellak reikte. Hij nam den ring van zijn vinger, en verzegelde er den brief mede.
âVerzend hem nu,quot; zeide hij, Wilhelmine den brief reikende.
Zij schudde zacht het hoofd.
âWij hebben den bode nog een tweeden brief mede te geven,quot; zeide zij: âen ik moet Uwe Majesteit dringend verzoeken, nog eens de moeite te nemen, voor mij te schrijven.quot;
âWat dan?quot; vroeg de Koning, haar verwonderd in het schalksch gelaat ziende.
âHier is papier, Majesteit; wees zoo goed de pen te nemen, en te schrijven. Laat ons dit oogenblik de rollen een weinig verwisselen: ik zal Koning zijn, en gij zijt mijn secretaris. Schrijf wat ik u voorzeg. Wilt ge het doen, Majesteit?quot;
De Koning nam zonder te antwoorden de pen, en Wilhelmine, â een ernstige en gebiedende houding aannemende, â dicteerde:
âMijn lieve lord Templetown,
Ik heb den brief, dien ge mij in mijn legerkamp in Polen gezonden hebt, behoorlijk ontvangen, en zie er in, dat het in uw hoofd niet zoo geheel richtig is, en gij aan de kwaal van ij delheid en aanmatiging laboreert. Gij verbeeldt u.
55
dat mevrouw Wilhelmine Rietz met u wenscht te trouwen, en dat er slechts mijne toestemming noodig is, om dit huwelijk onmiddellijk te sluiten. Maar dit is een ziekelijke dwaling; want mevrouw Wilhelmine Rietz verzekert bij alles wat haar heilig is, dat zij volstrekt den wensch niet heeft te trouwen, en hare tegenwoordige omstandigheden te veranderen. Voor uwe gezondheid zal 't, geloof ik, noodig zijn, dat ge van lucht verandert, en naar uw groen eiland terugkeert. En vermits ik levendig belang stel in uw welzijn, wensch ik, dat dit zoo spoedig mogelijk geschiede. Ik beveel u dus, dat ge binnen vierentwintig uren niet alleen Berlijn verlaat, â maar ook tot aan de grenzen van mijn land uw reis zonder oponthoud voortzet, en 't zal mij aangenaam zijn, zoo ik u hiermede voor altoos vaarwel kan zeggen. â Daar madame Rietz zich bij mij over 't opdringen van uwen hartstocht beklaagt, wensch ik haar daartegen te beveiligen, en noodig u hierbij uit, madame Rietz niet verder met uwe bezoeken lastig te vallen, en niet te beproeven, haar schriftelijk of mondeling vaarwel te zeggen. Reis met God! Friedrich Wilhelm.quot;
De Koning had glimlachend geschreven, terwijl Wilhelmine hem dicteerde, en brak, nu hij geëindigd had, in een luiden vroolijken lach uit.
âEn wat beveelt Uwe Majesteit nu verder?quot; vroeg hij. âHeeft uw secretaris nog meer te doen?quot;
âJa, mijn waarde,quot; antwoordde Wilhelmine met waardigheid : âsteek dit mijn koninklijk, eigenhandig schrijven nu óók in een couvert, en adresseer het aan lord Templetown. â Doch neen! â Ik wil eerst nog met hoog eigen hand, er een postcriptum bijvoegen. Geef hier het papier.quot;
Zij doorliep het met haastigen blik, en boog toen genadig haar hoofd.
âZeer goed, mijn waarde; gij schrijft een zeer goede hand, en verstaat het, mijne gedachten getrouw terug te geven.quot;
De Koning lachte van genoegen; â zoo frisch en vroo-lijk had hij niet gelachen, sinds hij Wilhelmine den laatsten keer gezien had.
âEn hier, Uwe Majesteit, is de pen,quot; zeide hij; â âals zij de goedheid wil hebben haar prostscriptum er bij te voegen.quot;
âHet zal een neus zijn in den geest van den hoogzaligen
56
Koning,quot; zei Wilhelmine, terwijl zij de pen nam, haastig eenige woorden schreef, en toen den Koning het papier weder overreikte.
âLees, heer secretaris,quot; zeide zij.
De Koning boog ootmoedig het hoofd, en las: âReis voorspoedig, lord Templetown. Neem de scherven mijner vazen als gedachtenis mede. Laat ze lijmen en krammen, en troost er u mede, dat men gebroken harten even goed kan lijmen en krammen, als gebroken vazen. Tot nooit wederzien! â Wilhelmine.quot;
âNu mijn waarde secretaris,quot; lachte Wilhelmine âwees nu zoo goed, dit gewichtig document te verzegelen, en het adres er op te plaatsen; dan zullen deze beide brieven tegelijk verzonden worden.quot;
âEn nu,quot; zei de Koning, toen den binnen geroepen lakei door zijn meesteres de beide brieven waren overhandigd, en hij er zich haastig mede verwijderd had: âen nu, mijn dierbare en geliefde vriendin, is dus de wolk, die den hemel onzer vriendschap wilde verduisteren, gelukkig voorbijgedreven, en 't is weder heldere hemel, nietwaar?quot;
âHeldere hemel,quot; bevestigde Wilhelmine, terwijl zij hare armen vast om 's Konings hals sloeg: âheldere hemel en gouden zonneschijn! Mijn heer en mijn geliefde! Dit urn-beloont mij voor menige smart en menige vernedering. O, ik zal eraan denken en er mij aan oprichten, als de toekomst mij óók dergelijke smarten en vernederingen mocht brengen.quot;
De Koning schudde langzaam zijn hoofd. â âVrees niets van de toekomst, Wilhelmine,quot; zeide hij: âde droomen en fantasiën der jeugd en liefde zijn nu alle verwelkt, gelijk de bloesems aan een boom; maar één enkele heerlijke vrucht buigt zich tot mij neder van de twijgen, en wasemt mij kracht en hoop toe. â Deze vrucht zijt gij^ Wilhelmine! De bloesems der liefde zijn verwelkt, maar de vrucht der vriendschap is gerijpt door de jaren van ondervinding, van trouw en gehechtheid. Ons kan, ons zal niets meer scheiden! Ik zweer u, en geef u mijn koninklijk woord, dat het geen uwer vijanden gelukken zal, u van mijne zijde te dringen en de plaats in te nemen, welke ik u alleen, uit vrije achting en liefde toesta. â Ge zijt en blijft mijn vriendin, mijn vertrouwde, mijn raadgeefster, en óók â laat mij u
57
een geheel nieuwen titel geven, â mijn zorgverdrijfeter.quot;
âIk neem hem aan, dezen titel!quot; riep Wil heimine teeder: âUwe zorgverdrijfster wil ik zijn; en ik zweer u, Friedrich Wilhelm, zoolang ik leef, wil ik het zijn! Ik zweer het u bij mijne liefde, die nooit veranderd, nooit verkoeld is; bij het hoofd van den geliefden zoon, die ons te vroeg verlaten heeft; â bij het hoofd onzer dochter, â ja ik zweer u bij alles wat mij heilig is: dat ik nooit een ander man mijn hand zal geven, nooit een ander geluk en nooit een andere eer wil zoeken, dan het geluk, en de eer bij u te zijn, en trouw als een hondje uwe voetstappen te volgen! Gebied nu over mij, mijn heer, mijn Koning en mijn geliefde! Ik ben uw trouwe slavin, en uw wil is de mijne!quot;
V.
SCHILLER EN GOETHE.
Schiller zat in zijn kleine studeerkamer, en arbeidde. â Hij had juist de laatste correctie van het manuscript zijner âBrieven over de aesthetische opvoeding van den menschquot; geëindigd, en legde de pen neder.
âDit is volbracht,quot; zeide hij zacht voor zich: â âzoo ga nu de wereld in, kind mijner ervaring en mijner gedachten; â ga heen en leer de ongeloovigen, of word door hen ge-steenigd als een valsche profeet! Dit kan licht gebeuren ; want ge zijt niet geschapen om het ideaal te dienen, dat thans alle talenten huldigen, dat heet: het voordeel. â Gij draagt ook niets van de teekenen des tijds op uw voorhoofd, en hebt niets te maken met de politiek en de gebeurtenissen van den dag. Arm viooltje! â De republikeinen mogen u vertreden onder hun stampende voeten, en de staatkundigen mogen moord en brand schreeuwen, dat een mensch zich vermeet, van het schoone en van de kunst te spreken in deze dagen, nu men meent het heil der wereld slechts op de politieke markt te kunnen verkrijgen. Ga heen, kind, en sterf als het zijn moet. â Mij hebt ge dienst gedaan, â en zoo geen ander nut van u heeft, dankt u toch de auteur, Friedrich Schiller, menig schoon, genotrijk uur!quot;
58
Hij legde zijn magere, groote hand op het manuscript, als wilde hij het zijn zegen geven, en hief toen peinzend en vol gedachten den blik omhoog. Door het kleine venster met de vierkante, in lood gezette, kleine glasruiten, zag men de groene toppen der boomen van den tuin, hoe zij dooiden wind bewogen, hunne kruinen schudden, en daarboven den donkerblauwen hemel, die heden schitterend helder straalde.
âDie daar doorheen kon zien,quot; zei Schiller zacht: âdoor het blauwe geheim, wat wij hemel noemen; â den blik als een pijl opwaarts kon zenden in het oneindige, om den geest te zoeken en te aanschouwen, die besturend over de werelden troont! â Maar het is en blijft de eeuwige verborgenheid, en wij allen zijn slechts als de jongeling te Sais, die verpletterd werd door de oplossing der verborgenheid!quot;
Een vroolijke stem, die zijn naam riep, stoorde hem in zijne ernstige gedachten, en Friedrich Schiller liet langzaam zijn groote blauwe oogen weêr van den hemel op de aarde dalen. Een zachte glimlach gleed als zonneschijn over zijn bleek, mager gelaat, en hij richtte zich van zijn schrijftafel op.
âMag ik binnenkomen, Friedrich?quot;
Hij ijlde naar de deur, en opende haar.
âAlsof gij dit behoefdet te vragen. Lotje.quot;
âNatuurlijk moet ik dit vragen,quot; zeide zij lachend: â âDe heer Hofraad heeft misschien vergeten, dat hij gisteren heftig tegen mij is uitgevaren, wijl ik het waagde, met het knaapje hier in de studeerkamer te komen. â O, wij zijn gevoelig, heer Hofraad, en letten er op, als dat hooge goden-voorhoofd zich in plooien legt en een wolk er over trekt!quot;
Schiller sloot zijn jonge vrouw lachend in zijn armen, en kuste hare purperen lippen.
âWees goed. Lotje, en let er niet op, als ik somwijlen ontstemd en onvriendelijk ben. Ge moet steeds denken, dat het niet uit mij zeiven komt; en dat hij, die bromt en gromt, niet uw Schiller is, maar slechts de professor, die voor zijne dictaten moet zorgen ; of de arme geplaagde auteur, die zijn manuscript voor de pers gereed maakt, en daarbij veel haast heeft, wijl hij naar het honorarium verlangt, dat de boekhandelaars niet gaarne geven, vóór zij het manuscript compleet in handen hebben. â Ziet ge, Lotje, â en daarom had ik het druk in deze dagen, en daarom was ik gisteren
59
zulk een barbaar, dat ik bromde, toen ge met ons knaapje hier binnenkwaamt. Maar heden! heden is mijn manuscript voltooid, en wij willen ons een vroolijken avond gunnen. Ik heb er mij reeds den geheelen dag op verheugd, met u een lange, fraaie wandeling te doen. En dan later willen wij naar een of andere lustplaats gaan, en een heerlijk souper gebruiken.quot;
âAch Schiller, Schiller!quot; zuchtte Lotje: â âDaar ziet men weder den poëet, die van het proza des levens zoo weinig weet. â Een heerlijk souper? â Ge hebt dus weder vergeten, dat onze kas ledig is, en wij ons zeer moeten bekrimpen, om tot den eersten der volgende maand, â wanneer gelukkig weder een kwartaal begint, â toe te komen!quot;
â't Is waar,quot; zei Schiller treurig: âik vergeet dat altoos weder; vergeet altoos, dat de tafel der goden voor mij niet gedekt is, en ik mij door den nood des levens en de armzaligheid der dagelijksche behoeften heen moet worstelen.quot;
âWaar waart ge dan, toen ik de wereld verdeelde? Ik was, sprak de poëet, ik was bij u!quot; reciteerde Lotje glimlachend. â âMaar beknor mij niet, poëet! â Waarlijk; zoo ge regimentsdokter waart geworden, hadt ge betere verdiensten kunnen hebben, en het kerkhof mocht in velerlei opschriften, den roem van den heer dokter Schiller verkondigd hebben. Maar de wereld zou niets van hem vernemen, en de mensch-heid zou het zich niet tot eer rekenen, dat Friedrich Schiller tot haar behoorde. Wees dus tevreden, mijn geliefde Frits, met alles zooals het is, â tevreden en gelukkig gelijk ik het ben. â En hier! Daar breng ik u een briei, een brief van Goethe âquot;
âDien de bodin uit Weimar juist gebracht heeft?quot; viel Schiller haar in de rede, terwijl hij den brief aannam.
âNeen! â dien de bediende van mijnheer den geheimraad heeft afgegeven ; want de heer geheimraad von Goethe is heden hier te Jena aangekomen en zal, naar de bediende meent, weder eenige dagen hier blijven. â Ach, Frits; ik kan u niet zeggen hoe 't mij spijt, dat gij en Goethe nog altoos zoo verwijderd van elkander zijt. â Hij is jegens mij steeds zoo goed en vriendelijk geweest; hij is zulk een lief mensch en fijn gevoelende geest, en ik weet, als ge beiden elkander maar kent, dan zult ge elkander beminnen, â moeten beminnen; ge zoudt niet anders kunnen!quot;
CO
âHet zal er wel nooit toe komen,quot; zei Schiller hoofdschuddend, terwijl hij den tariet openvouwde, en de weinige regels, welke hij bevatte, las: â âNeen, Lotje, het zal er nooit toe komen!quot; herhaalde hij. â âZie maar, hoe koelen vormelijk Goethe hier aan mij schrijft. â Ik heb hem uit-genoodigd tot medewerking aan mijn nieuw tijdschrift, aan de Horen, â en daar schrijft hij mij nu koel en vormelijk, dat hij zich vereerd gevoelt door mijne uitnoodiging, en zich haasten zal, mij een bijdrage voor mijn tijdschrift te zenden. Men ziet het aan elk woord, dat hij meent mij een gunst te bewijzen, doordien hij zich verwaardigt, mijn tijdschrift door zijne medewerking te ondersteunen.quot;
âIk kan er dit niet in vinden,quot; riep Lotje levendig, toen zij haastig de haar gereikte regels gelezen had : âneen; niets van dien aard staat in dezen brief! â Goethe dankt u met vriendelijke woorden voor de eer, welke ge hem bewijst, en zegt, zich te zullen haasten, aan uw verzoek te voldoen. â Dat is niet voornaam en niet trotsch! Maar zeg mij nu, dwaas, â hebt gij misschien anders aan hèm geschreven? Was uw verzoek tot medewerking aan de Horen niet in woorden uitgedrukt, die op stelten marcheerden, en waarvan ik ieder oogenblik dacht, dat zij zouden omvallen, en den hals breken ? â Heb ik het u niet terstond gezegd, dat uw brief stijf en vormelijk was? â En nu wilt ge Goethe kwalijk nemen, dat hij evenzoo antwoordt?quot;
âIk neem hem niets kwalijk,quot; antwoordde Schiller peinzend : âIk zeg en weet slechts, dat een betrekking tusschen ons beiden, geheel onmogelijk is. â Hij is de voorname man, de beroemde dichter; ik ben niets dan de arme professor, de door velerlei nood gedrukte schrijver, die met de nooden des levens worstelt en, helaas, maar al te dikwerf er door in 't stof wordt neergebogen. â Goethe gelijkt Griekenlands zalige jongelingen: voor hèm is het leven een aanhoudend feest, waarbij hij rust op purperen kussens, het hoofd omkranst met rozen, en den nektar drinkende uit gouden bekers. â Voor mij daarentegen is het leven een ernstige arbeid, dien ik volbrengen moet, op een hard bankje zittende, met geen anderen laafdrank, dan dien God en de Natuur uit de rotsbron laat ontspringen; geen krans van rozen siert mijn hoofd. â Maar één zoete, heerlijke roos noem ik toch de mijne â en die zijt gij, mijn Lotje! En als ik u in
61
mijne armen houd, en als mijn hoofd zalig op uw schouder rust, dan voorwaar ben ik benijdenswaardiger dan alle goden van Griekenland, â benijdenswaardiger dan Goethe, wien onder al de schatten, welke het leven hem biedt, het huiselijk geluk toch ontzegd is! En dus wil ik dan ook niet meer klagen en niet meer morren, en ge moet mij niet miskennen, en niet meenen dat ik mij ongelukkig gevoel, schoon ik somwijlen ontevreden en norsch ben. Gij behoort mij zóó vast en innig, dat het mij schijnt, als klaagde ik voor u mede, wanneer ik voor mij zeiven klaag; want ge staat niet buiten mij, maar in mij, en wat mij geschiedt, geschiedt ook m; en ik zou willen, dat mijn Lotje gelukkig, gevierd en geëerd werd door de gansche wereld! Ik wilde, dat uw lieve kleine voet op rozen wandelde, en nooit door doornen gekwetst werd. Ik heb u den vrede mijner ziel, de vreugde en het genoegen van een gelukkig huwelijksleven te danken. En zoo al de millioenairs der wereld nu hier kwamen, en den armen Friedrich Schiller hunne schatten en hun liefde aanboden, hij zou alles afslaan, en in de geheele wereld niets verlangen dan zijn Lotje en âquot;
.. . âZijn lieven kleinen knaap, wilt ge, hoop ik, zeggen,quot; glimlachte Lotje onder tranen van zalige vreugde: â âGe denkt niet genoeg aan onzen kleinen Karei; ge zijt geen teeder vader.quot;
âJa, 't is waar,quot; zei Schiller; âhij neemt in mijn leven nog geen plaats in, en is nog als een kleine plant, wier gedijen men met nieuwsgierigheid en belangstelling gadeslaat, maar van welke men nog niet weet, wat er van worden zal, en â Maar,quot; viel hij zich plotseling in de rede: âdeze gelijkenis herinnert er mij aan, dat professor Batsch heden namiddag in het natuurkundig genootschap een voordracht over het plantenleven zal houden, en ik beloofd heb, die bij te wonen. Daar slaat het reeds kwart voor vijf, en om vijf uur zou 't beginnen, â het is dus meer dan tijd. Batsch is zeer gevoelig, en zou het kwalijk nemen, zoo ik te laat kwam. Help mij een weinig. Lotje, opdat ik spoedig weg kom.quot;
En Lotje begon terstond met vriendelijke bereidvaardigheid zijn toilet in orde te brengen. Zij bond hem den witten halsdoek om, waarvan zij zelve de slippen fraai geborduurd, en met kant omzoomd had. Toen hielp zij hem den huisrok uit-, het fraaie zijden vest aantrekken, op welks hemels-
62
blauw satijn, zijn schoonzuster Karoline met kunstige hand de fraaiste arabesken, met witte zijde en gouddraad geborduurd had, en daarover nu den rok van grijs laken.
âZoo, mijnheer de Hofraad,quot; zeide zij glimlachend, de hooge gestalte van haren echtgenoot beschouwende: âzoo zien wij er deftig en achtbaar uit. â De kleeding is professor het hoofd dichter; â en als het kleine gewormte der menschen, dat om u rondkruipt, slechts den professor ziet, dan zien de goden en de bergen, die nieuwsgierig in de straten van Jena kijken, uw fier hoofd, en groeten den dichter. â Maar kom nu. Frits; want ik hoop dat ge niet wilt gaan, zonder den kleinen jongen een kus gegeven, en hem vaarwel gezegd te hebben. â Ziedaar, neem uw hoed en kom. Het knaapje zal u toelachen en uw hart vroolijk stemmen, vóór ge naar die ernstige vergadering gaat.quot;
Zij leunde teeder aan den arm van haar echtgenoot, en trok hem uit de studeerkamer in het kleine vertrek daarnevens, waar de eerstgeboren zoon van Schiller, de kleine Karei, in de wieg lag. Het kind had de oogen wijd open, en zag met ernstigen blik, zooals kinderen gewoon zijn, tot de hooge gestalte op, die nu over de wieg boog, en het aanschouwde. Het blonde dikke, haar van Schiller viel als een dichte sluier over zijn voorhoofd, en raakte de kleine lokken van zijn zoon, die juichend van vreugde, de ronde, bloote armpjes tot zijn vader opstak. Schiller lachte van genoegen, boog dichter tot het kind, en legde zijn hoofd op 't kussen nevens het hoofdje van zijn zoon.
âGij lieve, fraaie hemelbloem,quot; zeide hij teeder: âontvouw uw bloemknopje, en groei en gedij in godsvrucht en men-schenliefde! O Lotje, hoe goed doet het, den frisschen adem van zijn kind te voelen, en welk een onschuld en welk geluk doorstroomt mijn ziel, nu ik het hoofd op het kussen van mijn zoon leg. â Gedij en groei, mijn kind, tot vreugde van uw vader en moeder!quot;
Lotje stond met gevouwen handen aan de andere zijde der wieg, en zag met stralend gelaat op den geliefden vader en zijn kind, boog vervolgens, en sloeg hare armen om de twee geliefde hoofden, en kuste teederlijk de lippen van vader en zoon.
âO Schiller, hoe kunt ge zeggen dat ge arm zijt, en niet aan de tafel der goden zit, het hoofd met rozen bekranst? â
63
Is 't niet een misdaad, van armoede en ontbering te spreken, als liefde en geluk u zóó aan het hart liggen?quot;
â't Is waar, ik ben een groot zondaar, mijn Lotje,quot; glimlachte Schiller, zijn hoofd opheffende, en de gouden lokken van zijn voorhoofd wegschuddende: âMaar ik heb berouw, mijn lieveling, en dank God voor u en het knaapje. â Ha, daar slaat het vijf uur, en ik moet mijn lange beenen duchtig uitslaan, om den gestrengen heer professor niet te ergeren.quot;
Hij groette zijn Lotje met een haastigen hoofdknik, ijlde heen, den kleinen trap af, en voort door de straat, naar het deftige gebouw, waar het natuurkundig genootschap zijn zittingen hield. â
Professor Batsch had werkelijk reeds den katheder bestegen, en een schitterend, uitgelezen auditorium, zooals aan weinige professoren ten deel viel, had zich om hem verzameld. â Daar was Wilhelm von Humboldt, die met zijn jonge gade voor een lang verblijf te Jena was gekomen; daar was professor Fichte, die naar Jena was beroepen, om ter vervanging van Reinboldt, den philosofischen leerstoel in te nemen. Hij had zich nabij den redenaar geplaatst, en met de ellebogen op de tafel, liet hij het hoofd in zijn handen rusten. Zijn bruin haar viel in dichte lokken op de breede schouders neder. Onder zware wenkbrauwen, blikten zijn donkere, groote oogen scherp rond. De groote adelaarsneus gaf aan zijn gelaat buitendien iets tartends, en de breede vooruitstekende kin had iets machtigs, gebiedends. Bij dit Jupitershoofd paste evenwel zeer weinig de kleine gedrongen gestalte, die tamelijk slordig gekleed, â en wier koperkleurig lakensche rok niet zonder sporen van lang gebruik, en buitendien niet overdreven zindelijk was. â Nevens hem zat een lang, slank man, â het scherpste contrast van den philosoof; het haar fraai gekapt en gepoederd, met een zachten blik in de blauwe oogen, en om den fijn besneden mond een welwillende glimlach. Een lichtbruine, sierlijke rok, een blauw satijnen vest,-sneeuwwit linnen, en zwartzijden broek, vormden de sierlijke kleeding van dezen heer, van den philosoof en schrijver Woltmann. Nevens hem zaten de twee gebroeders von Schlegel, en nabij dezen zat een jong mensch met rond hoofd, een kleinen Slavonischen neus, en zachte blauwe oogen; dit was de jonge philosoof Schelling, die pas van Tubingen te Jena was aangekomen.
64
waar hij zich nog niet had onderscheiden als philosoof, maalais vurig bewonderaar der Fransche republiek. Nevens hem zat zijn vriend Hölderlin, die met Schelling van Tubingen was gekomen, en óók met Schelling aldaar om den vrijheidsboom had gedanst, dien de jonge vrijheidshelden op den verjaardag der republiek hadden opgericht. Maar als men al deze uitstekende en voorname mannen aanschouwde, dan rustte de blik toch het langst op de gestalte ginder; op deze hooge, krachtige gestalte in den roodbruinen overrok, met den fijnen witten chabot, en de kanten manchetten om de fijne, hlanke handen. En de blik keerde altoos weder terug tot dit hooge voorhoofd, tot die uitdrukking van achtbaarheid, ernst en hoogheid op het edel gelaat, met de groote bruine oogen, die zacht, en toch gebiedend om zich heen zagen.
Al had men niet geweten dat dit Wolfgang von Goethe was, dan zou toch de eerbied, waarmede elk hem begroette, en de oplettendheid, die hèm bizonder bewezen werd, verraden hebben, dat dit niet alleen de dichter, â maar ook de staatsminister was. â Hij was van Weimar overgekomen, alléén met het oogmerk, de voorlezing van professor Batsch bij te wonen; want Goethe hield zich destijds bezig met zijn natuur-philosofische studiën, en âde gedaanteverwisseling-der planten,quot; waaraan hij reeds arbeidde, had voor eenigen tijd al de godengestalten en alle poëzie uit Goethe's hart verdrongen.
Professor Batsch had juist zijn voorlezing begonnen, toen de deur zich zacht opende, en Friedrich Schiller's lange, hooge gestalte verscheen. Niemand lette op hem; want de blikken van dit voornaam en geleerd auditorium waren op den voordragenden professor gericht, en om geen storing en gerucht te veroorzaken, zette Schiller zich op de naaste ledige plaats neder, zonder er in 't eerste oogenblik acht op te slaan, wie zijn buurman was. Deze echter wendde het hoofd tot hem, en de groote, bruine oogen glinsterden hem aan, en het hoofd boog zich groetend naar zijne zijde.
Een lichte blos vloog over Schiller's wangen, toen hij Goethe's groet beantwoordde, en misschien wrokte hij in zijn hart over het toeval, dat hem zoo onmiddellijk in Goethe's nabijheid bracht.
En daar zaten nu de beide heroën der eeuw, de dichter-
65
vorsten! Zij zaten dicht bijeen en zagen opmerkzaam, als leergierige scholieren, naar den professor, die met vloeiende, schoone woorden zijn voordracht hield.
Toen die ten einde was, stond Schiller haastig op, wilde het auditorium terstond verlaten, en tot zijn Lotje terug-keeren. Maar een vriend trad groetend op hem toe, sprak hem aan, en verzocht hem te blijven. Schiller wees het af.
âLotje verwacht mij, wij willen te zamen een wandeling doen.quot; â Hij knikte zijn vriend toe, ijlde naar de deur, en liep een heer tegen 'tlijf.
âO, mijnheer de geheimraad, ik verzoek vergeving!quot; âEn Schiller wilde met een stijve buiging hem voorbij, en de deur uitgaan.
âWaarvoor verzoekt ge vergeving, mijnheer de Hofraad?quot; vroeg Goethe met een vriendelijken glimlach, en brak hierop plotseling in een luiden lach uit: âHoe zonderling klinkt het, dat wij beiden elkander met onze titels begroeten, terwijl wij van een voordracht komen, die de Natuur en hare wonderen tot onderwerp had. De planten kennen. Goddank, geen etikette en geen titels, en de roos mag zich niet verstouten, hoogmoedig te willen zijn jegens de kleine aster, die, gelijk men weet, de schoonst gevormde plant der schepping is. Hoe heeft u de voorlezing bevallen, Schiller?quot;
âZij was van zeer boeienden aard,quot; antwoordde Schiller, terwijl hij aan Goethe's zijde de straat doorging: âmaar ik beken, deze stukswijze behandeling der Natuur, kan voor den leek niet aangenaam zijn.quot;
Goethe's oogen flikkerden op, en hij knikte levendig met het hoofd.
âDeze wijze kan zelfs voor den ingewijde misschien onaangenaam blijven,quot; zeide hij: âën ik denk: er kan nog een andere manier zijn, om de Natuur niet afgezonderd en verdeeld te onderzoeken, maar haar werkend en levend, van het geheel tot de gedeelten overgaande, voor te stellen.quot;
Schiller boog nadenkend het hoofd.
âDat begrijp ik niet volkomen,quot; zeide hij: âik heb mij trouwens te weinig met de Natuur bezig gehouden, en nu zou ik zeggen, dat ik twijfel aan de mogelijkheid van hetgeen gij beweert, Goethe.quot;
't Was voor het eerst dat Schiller op zulk een vertrou-
DTJITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII. 5
66
welijke wijze tot Goethe sprak; voor het eerst dat beiden zich alleen en ongedwongen met elkander onderhielden; zij bemerkten 't niet, dat hun gesprek steeds levendiger werd, dat zij reeds de straat uit waren, en nu voor Schiller's huis stonden.
Zij spraken steeds voort, en Goethe lette er zelfs niet op, dat hij bedaard den dichter in zijn huis volgde, en zoo sprekende en doceerend, met hem den trap opging naar zijn kleine studeerkamer. De levendige en opwekkende manier van Schiller had Goethe medegesleept; had zijn hoogste deelneming opgewekt, en de fijne en grondige tegenwerpingen, welke Schiller hem maakte, hielden zijne idéën bezig en wekten nieuwe gedachten in hem op. Hij wist volstrekt niet, dat hij zich in Schiller's studeerkamer bevond; hij dacht slechts aan het onderwerp van hun onderhoud, en in een levendig gesprek, wandelden nu de twee hooge gestalten in de kleine kamer op en neêr.
Nu werd de deur zacht geopend en Lotje keek naar binnen, begeerig te weten, wie daar zoo luid met Schiller disputeerde. En toen zij het zag, gloeide haar liefelijk aangezicht van genoegen, en met een luiden vreugdekreet trad zij de kamer binnen.
âWees gegroet, Goethe! â God zegene uw intrede in dit huis en in deze kamer! â Zoo zijt ge nu eindelijk bijeen, gij beide groote dichters, en beide goede menschen. En ik zeg en voorspel het u: van nu af zult ge ook bijeen blijven! â Geef mij de hand, Goethe! Schiller's huisvrouw heet u welkom in dit kleine huis, en zegt u, dat zij nooit een liever gast en een meer gewenscht vriend ontvangen heeft, dan u! Niet mijnheer den minister von Goethe â wat geef ik om dezen; â maar Wolfgang, den vriend mijner moederen mijner familiequot;...
âEn ik hoop,quot; zei Goethe, de hem toegestoken hand aan zijne lippen drukkende; âik hoop, dat gij er ook wilt bijvoegen: den vriend van Lotje, die ik reeds gekend heb als een klein meisje, en in wie, zooals ge wel weet, ik steeds een bizonder belang heb gesteld. Ik dank u voor uw vriendelijke welkomst, en ge zult wel gelijk hebben; 't zal zeker niet de laatste keer zijn, dat ik binnentreed in het allerheiligste van onzen grooten dichter Friedrich Schiller.quot;
67
âSpreken wij nu niet hiervan,quot; riep Schiller levendig; âspreken wij van uwe theorie der planten!quot;
âVan mijn gedaanteverwisseling der planten!quot; riep Goethe, en hij begon nu, geheel aan zijn onderwerp overgegeven, op zijn levendige, wegslepende wijze, hem zijn theorie van de gedaanteverwisseling der planten uiteen te zetten. In den loop dezer verklaring nam hij papier en pen, en teekende met haastige, stoute trekken voor Schiller's oogen de symbolische planten, en Schiller zag met levendige deelneming toe, en de enkele aanmerkingen, welke hij opperde, en die van zijn schrander begrip getuigden, prikkelde Goethe steeds tot verdere verklaringen, door welke hij Schiller zijne theorie hoopte te bewijzen.
Maar toen Goethe au zijne verklaringen geëindigd had, zag Schiller een weinig twijfelend op de symbolische planten, en schudde het hoofd.
âDat zijn geen ervaringen,quot; zeide hij nadenkend; â â'tis slechts een idée.quot;
Goethe keek op, en zijn heldere blik verduisterde zich. Hij wilde een heftig antwoord geven, maar hield zich in, en dwong een glimlach op zijn lippen.
âHet kan mij slechts aangenaam zijn, dat ik idéën heb zonder het te weten, en ze zelfs met mijne oogen zie.quot; ])
âEn mij,quot; riep Schiller; âmij zou het een ware vreugde zijn, zoo ik zien kon, hoe zich uit deze idéën ervaringen ontwikkelden! â Ik; wil niet twisten; ik wil mij slechts onderrichten, en ik verzoek u, ga voort, Goethe. â Wij zijn nog niet aan 't einde met onze verklaringen!quot;
Neen, zij waren nog niet aan 't einde; zij zetten het voorgestelde thema nog verder voort, en twisten levendig met elkander. â GJ-oethe als Katuur-philosoof, â Schiller als beschaafd Kanbiaan. En niemand zou aan 't gesprek hebben kunnen hoeren, dat het de beide groote dichters bij de gratie Gods waren, die daar in zulk een ernstig dispuut over de plantenwereld, over theoriën en idéën, â over alles, behalve poëzie, met elkander spraken. Soms, als het gesprek al te vurig, en de twist al te heftig dreigde te worden, mengde Lotje zich met een zacht woord er in, en leidde het
1) Goethe's eigen antwoord. Zie: Lewes, Leben Goethe's, III.
68
onderhoud op effener baan; en Goethe en Schiller volgden haar bereidwillig, en lieten zich gaarne door haar leiden; want zij wisten en gevoelden beiden, zonder het te zeggen, dat zij beiden op een keerpunt van hun leven stonden, en zij wilden het ijs, dat nu gebroken was, niet weder door den kouden adem van hun twist laten bevriezen.
âLaat het nu genoeg zijn met den strijd!quot; riep Lotje ten laatste met vroolijken lach: âGe zult dien heden toch niet ten einde brengen! En dat is zeer goed; want nu kan geen van u beiden zich voor den overwinnaar houden, en zich als zoodanig gedragen.quot;
âVeeleer,quot; glimlachte Goethe: âzal elk onzer zich voor onver-winlijk houden, en de trotsche roeping in zich gevoelen, den ander te overtuigen en te overwinnen. â Wij moeten over dit onderwerp nog vaker spreken, waarde Schiller,quot; vervolgde hij. Schiller zijn hand reikende: âik zie reeds, dat ik veel van u leeren zal, en dat ge nieuwe idéën en gedachten in mij opwekt. Ik ben dus egoïst genoeg, om op een spoedige samenkomst met u te hopen.quot;
âMij zal het even zoo gaan,quot; zei Schiller, met zijn fraaien open blik en zachten glimlach Goethe aanschouwende: â âIk zal u veel te danken hebben, en het onderhoud van dezen dag zal mij nog lang bezig houden, en mij doen wen-schen het spoedig te hernieuwen.quot;
âGe hebt er dus niets tegen, als ik spoedig terug kom, en dan de gastvrijheid onzer lieve huisvrouw hier inroep ?quot;
Schiller bloosde van genoegen, en knikte Goethe vriendelijk toe. Maar Lotje verzekerde levendig, dat hare gastvrijheid niet tot een anderen dag mocht wachten, en dat Goethe hun reeds heden het genoegen moest doen, hun eenvoudig avondeten te deelen.
Goethe weigerde met vriendelijke woorden. â âNiet heden, liefste mevrouw; want het woelt en kookt in mijne hersenen, en ik moet trachten de gedachten te overweldigen, die er als duiveltjes op en neer marcheeren, en mij met zeldzame planten en symbolen onder den neus kittelen. â Maar spoedig kom ik weder, â althans zoo Schiller het goedvindt, en met den man der idéën zonder ervaring, iets te doen wil hebben.quot;
Hij knikte hen toe, en nam zijn hoed. Schiller en Lotje begeleidden Goethe tot aan de huisdeur en oogden hem na.
69
hoe hij met fiere houding door de straat ging. Vervolgens wendde Lotje haar vriendelijke, zachte oogen tot Schiller. â âFrits, zeg mij, welken datum hebben wij heden?quot;
âIk geloof den vijfden Juli,quot; antwoordde Schiller verwonderd. â âMaar waarom wilt ge dat weten?quot;
âWaarom?quot; vroeg Lotje, haar kleine hand zacht op Schiller's arm leggende: â âIk zal het u zeggen, Frits! Wijl de vijfde Juli van 't jaar 1794, in de geschiedenis onzer Duitsche litteratuur een gewichtige plaats zal innemen.quot;
Schiller glimlachte. â âEn waarom meent ge dat, kleine Pythia ?quot;
âIk meen het,quot; antwoordde Lotje opgetogen: âwijl op dezen dag de twee groote Duitsche dichters, Schiller en Goethe, elkander eindelijk in vriendschap de hand hebben gereikt, en wijl uit deze vriendschap de heerlijkste en schoonste bloemen ontluiken zullen.quot;
Schiller's groote blauwe oogen richtten zich met een tee-dere uitdrukking op Lotje's bewogen gelaat.
âGe kunt gelijk hebben, Lotje,quot; zeide hij; âik geloof zelf dat wij eenigermate tot een huwelijk des geestes geschapen zijn, en wij elkander kunnen aanvullen. Ge weet het, mijn innigste wezen heeft altoos gestreden tusschen liefde en haat voor Goethe; maar in dit uur gevoel ik, dat de liefde de overwinning behalen zal. Hij is een machtig mensch; er is iets oorspronkelijk grootsch in zijn geheel wezen, en ik geloof, dat als men hem niet meer haat, men hem zal moeten beminnen en bewonderen!quot;
VI.
De elfenkoning.
Intusschen was Goethe met rustige schreden de lange bergachtige straat opgegaan, en sloeg den weg in, die buiten naar de Saalbrug voerde. Hij wilde voor dezen nacht, â zooals hij reeds meermalen had gedaan, â aan gene zijde van de Saalbrug in het logement de âGroene Den,quot; zijn nachtverblijf nemen. Daar was het zoo stil en kalm, en in het gevelkamertje, dat de kastelein steeds als een heiligdom
70
gesloten hield, en slechts Goethe alleen bewonen mocht, daar kon men zoo behaag'lijk droomen en peinzen; en daar was de dichter Wolfgang Goethe geheel alleen met zich zeiven, en de geheimraad, mijnheer von Goethe, moest op den drempel afscheid nemen, en mocht niet mede binnengaan in het eenvoudige stille vertrek.
Naar dit gevelkamertje verlangde Goethe thans. Velerlei nieuwe gedachten en idéën waren door de voorlezing van professor Batsch, â en meer nog door het gesprek en het samenzijn met Schiller, in hem opgewekt geworden, en hij wilde er over nadenken en peinzen, en er gevolgen uit trekken.
Zoo ging hij dus voort door de lange straat van Jena, in zich zelve gekeerd, nadenkend, en toch vroolijk van geest.
't Was intusschen, terwijl hij bij Schiller was geweest, buiten donker geworden. â De huizen waren verlicht, en achter menig venster hoorde men blijmoedig lachen en juichen. â Achter deze vensters woonden de vroolijke Muzenzonen, â de eigenlijke beheerschers van Jena; en zij zongen hier en ginds in lustig koor de vroolijke studentenliedjes, of waren in heftig dispuut met elkander, en luide klonken uit de open verlichte vensters de jeugdige krachtige stemmen.
Goethe hoorde het glimlachend, en stond somwijlen stil, als uit een of ander venster de stem van een verliefde, bij het tokkelen der guitar, een weemoedig lied deed hooren.
âO fraaie, goude jeugd!quot; zeide hij bij zich zeiven: âVan de goden zijt ge nedergedaald, â wreedste, trouwlooste aller godinnen en aller aangebedenen! Ieder kust ge in de lente de wangen, en niemand zijt ge trouw. Nog voelen wij uw polsslag en uwe verrukking in de ziel, als ge reeds lang van het gelaat gevloden zijt, en plaats hebt gemaakt voor den boosaardigen ouderdom, die op de wangen, welke gij zooeven nog gekust hebt, zijn dunne lijnen trekt.quot;
âFreude, schoner Götterfunken!quot; klonk het juist in't volle koor van jubelende mannen- en vrouwenstemmen, uit een huis hem tegen; â âFreude schoner G-ötterfunken, Tochter aus Elysium!quot;
âZij zingen daar van uwe zuster, o jeugd,quot; zei Goethe glimlachend, terwijl hij staan bleef, en naar het huis opzag.
Het was een dier groote herbergen, waar de studenten
71
gewoon waren te verkeeren, en in welker groote zaal, zij menigen nacht bij vroolijk gelag of lustigen dans doorbrachten. Hoe dartel en juichend klonk het gezang, hoe krachtig galmden de mannenstemmen, hoe schel gilden de vrouwenstemmen daartusschen!
âDat klinkt als een Saturnalie,quot; zei Goethe glimlachend: âhet lustige studentenvolk schijnt heden een gelukkigen dag te vieren.quot;
Hij trad dichter op het huis toe, in welks benedenruimten zich de groote danszaal bevond. De vensters waren open, om den tabaksdamp, waarin de Muzenzonen van Jena zich als in blauwe wolken der onsterfelijkheid hulden, en de ondragelijke hitte te laten uitstroomen. Maar men had evenwel den nieuwsgierigen geen vrijen blik in de zaal willen vergunnen ; â de witte gordijnen waren nedergelaten, en slechts aan de schaduwen, die vluchtig langs de gordijnen zweefden, en aan de schrille dansmuziek, die door twee violen, een bas en een fluit voortgebracht werd, wist men, dat binnen gedanst werd. â G-oethe ging glimlachend voorbij de rij open vensters, en het vroolijk gegons der stemmen binnen, de lustige muziek, het lachen en juichen, het schuifelen der dansende paren vermaakte hem, en hij bleef staan en luisterde. â âHet klinkt alsof men een van Breughel's schilderijen in muziek heeft gebracht,quot; prevelde Goethe glimlachend voor zich, â â't is een volmaakte heksensabbath, dunkt mij.quot;
Hij stond vlak voor het laatste venster van de verlichte zaal, en 't was voor hem een welkom toeval, dat de witte gordijn een weinig van het venster verschoven was, en hem een blik in de zaal vergunde.
Ja, vroolijk en wild en dol zag het er uit in deze groote zaal met de lage berookte muren, met het eenvoudige huisraad van houten, wit geverwde tafels en ongepolijste stoelen, die ordeloos langs de wanden stonden, wijl de middenruimte door de dansers ingenomen werd. Dicht in den hoek zaten de muzikanten aan een tafel, waarop de lessenaars met de muziekbladen stonden, die door vetkaarsen, in ledige flesschen gestoken, karig genoeg verlicht werden. De bas bromde, de violen krasten, en de fluit gilde met vroolijke walsklanken; en de lustige Muzenzonen met de hooge stijve laarzen, de met nestels bezette rokken, het bruine kapje
72
op de van lange lokken omgeven hoofden, draaiden zich in den dans met de schoone lichtvaardige meisjes en vrouwen van Jena, wier mannen en vaders en broeders met eerzame, verblufte gezichten rondom langs de wanden aan tafeltjes zaten, en uit de groote bierkruiken troost en versterking dronken.
G-oethe aanschouwde dit tooneel met glimlachend genoegen ; wellicht werd de eeuwige jeugd in hem wakker; want de heer geheimraad betreurde het, dat de etikette hem verbood, zoo met jubelenden overmoed in de zaal te zwenken, zijn liefje in den arm, alles vergetende, behalve de vreugde van het oogenblik!
Maar eensklaps schrikte hij, zijn wangen verbleekten en zijn oog werd strak; hij volgde met ontstelde uitdrukking het paar, dat nu door luid gejubel begroet, een extra-tour danste, 't Was een jong, rijzig schoon man, het toonbeeld van een student, vol krachtigen jeugdigen lust, vol overmoed en onbezorgheid. Den zwarten rok had hij uitgetrokken, en zijn bovenlijf was slechts bekleed met een wit vest; verblindend wit waren de wijde mouwen en de breede hemdkraag, die den forschen bruinen hals omsloot, en door geen halsdoek samengehouden werd. Het blonde haar viel in zware lokken langs de schouders; zijn wangen gloeiden, de blauwe oogen schoten fiere en overmoedige blikken, en iets hoogmoedigs, aristocratisch sprak uit eiken trek van dit jeugdig aangezicht.
In zijne armen hield hij een jonge vrouw. â Een luchtig kleed van rosé krip, over een zijden kleed van dezelfde kleur, omgaf engsluitend, aan den benedenzoom met rozen getooid, de volle weelderige gestalte. De hals, de schouders en de blanke ronde armen waren naakt; de rozekrans, in 't bruine krullende haar, was een weinig losgegaan, en hing gehavend van het hoofd op de schouders neder.
Zij geleek een bacchante, deze jonge, weelderige vrouw, die zich daar in den arm van den fraaien student wiegde, lachend tot hem opzag met de groote blauwe oogen, en onder toejuiching en bravogeroep van al de andere dansers, nu met hem een extra-tour uitvoerde.
Goethe had, huiverend en verbleekend, eenige minuten den dans aanschouwd, en zijn adem kwam hijgend en kreunend uit zijn borst. Maar nu plotseling nam hij een ras besluit.
73
Met haastige schreden ging hij weder langs de rij open vensters, en trad het huis binnen.
De deuren der zaal waren open, en daar stonden in bonte groepen studenten, meisjes en vrouwen nevens elkander, en zagen in de zaal naar het dansende paar, juichten de danseres toe, en zwoeren bij Apollo en alle Muzen, dat geen man zoo goed danste, als de fraaie student von Bülow, en dat geen vrouw hem hierin zoo evenaarde, als ... Zij spraken den naam niet uit, want zij zagen in dit oogenblik Goethe, die zich met bleek gelaat en toornigen blik, met vast saam-gedrukte lippen, een weg baande door het bonte gedrang, en de zaal binnentrad.
Zij zagen hem allen in de zaal, en plotseling werd het stil in de rijen der dansers, en al deze van jeugdige vroo-lijkheid glinsterende oogen richtten zich op de hooge, fiere gestalte van Goethe, die nu door de zaal ging, recht op het dansende paar toe.
Toen hij de hand uitstak en den arm der danseres greep, wilde de danser haar met een luid, heftig woord losmaken van den lastige, die haar aanraakte. Maar het woord bestierf op zijne lippen en hij liet, als hevig verschrikt, den arm der danseres varen.
Zij, â buiten adem, hijgend van opgewondenheid, purperrood en verhit, keerde zich om tot den stoutmoedige, die het waagde haar vast te houden. Maar toen bezwijmde zij bijna van schrik, en hare gloeiende wangen verbleekten.
Zelfs de dansmuziek verstomde; want de muzikanten vergaten de snaren te strijken, en den fluitist stokte de adem in de borst, toen hij naar de zonderlinge groep daar midden in de zaal keek.
Een huiverende, beangstigende stilte ontstond, en te midden van deze stilte hoorde men de kalme, zachte stem van Goethe zeggen: â't is laat, Christina! Ik ben gekomen om u te halen. Laat ons gaan.quot;
Zij sprak geen woord.
Hij nam haar hand en legde die in zijn arm, â niet heftig, niet toornig, maar bedaard, zacht en vriendelijk. En zoo voerde hij haar naar buiten uit de zaal.
Buiten in de open deur stonden haar zuster en haar broeder Vulpius. Zij stamelden een verontschuldiging, en zuster
74
Anna haastte zich Christina een doek om te slaan, en haar het kleine hoedje op te zetten.
âWildet ge naar Weimar terugkeeren ?quot; vroeg Goethe met kalme stem.
âNeen,quot; antwoordde zij schuchter: âik wilde met mijn zuster dezen nacht bij hroeder Christiaan blijven.quot;
â't Is beter dat ge met mij gaat,quot; zeide Goethe zacht.
Hij knikte Vulpius en Anna een afscheidsgroet toe, drukte Christina's hand vaster in zijn arm, en verliet met haar het huis.
Zwijgend gingen zij nu door de straten den weg naar de Saalbrug. Niemand ontmoette hen op deze nachtelijke wandeling. Van den donkeren hemel schitterden de sterren op het zwijgende paar.
De maan, die juist nieuwsgierig van achter de bergtoppen te voorschijn kwam, bescheen het gelaat van Goethe; en Christina, die verlegen tot hem opkeek, zag hoe bleek en treurig dit gelaat was.
âZijt ge boos op mij, heer?quot; vroeg zij zacht, met vleiende stem.
Hij scheen haar niet gehoord te hebben, want hij antwoordde niet; trok haar slechts sneller voorwaarts, en ging met haar over de breede bogen der door de maan beschenen Saalbrug.
âIk bid u, loop niet zoo schielijk,quot; verzocht Christina zacht; âge doet zulke groote stappen, dat ik u niet volgen kan.quot;
âDans dan,quot; zeide hij bedaard: âdans, dan zult ge mij kunnen volgen.quot;
âNu hoor ik, dat ge boos op mij zijt,quot; zeide zij, met beide handen zijn arm omklemmende: âja, Goethe, ge zijt boos op mij, en ik bid u, scheld mij; dat is beter dan dat ge zoo stom zijt.quot;
âWaarom zou ik u schelden?quot; vroeg hij treurig: âschreien zou ik willen tot God en de sterren; mij de haren uitrukken en het hart uit mijn borst scheuren! Maar u schelden â neen! â kom! Ge zult vermoeid zijn, en zijt verhit van den dans; ge hebt rust noodig.quot;
Geen woord spraken zij verder, gingen haastig voort, en stonden nu voor het huis aan gene zijde der brug, voor het logement de âGroene Den.quot; â De huisdeur was niet
75
gesloten, maar stond slechts aan; â Goethe's bediende had den kastelein de boodschap gebracht, dat de heer geheimraad dezen nacht bij hem logeeren wilde.quot;
Alles was derhalve tot zijn ontvangst gereed. â De gevelkamers waren gelucht en verlicht, het ruime bed was gespreid en opengeslagen.
De kastelein had zelf, in weerwil van het late uur, Goethe opgewacht, en toen hij de huisdeur hoorde openen, trad hij uit de gelagkamer, om mijnheer den geheimraad te verwelkomen.
Maar midden in 't begonnen woord, zweeg hij van verbazing, toen hij aan diens arm de jonge, schoone vrouw zag; en hij geraakte in verlegenheid, wijl hij niet zeker was, hoe hij haar zou aanspreken. Hij wist wei, dat het de schoone Christina Vulpius was, de moeder van Goethe's zoon, en zijn levensgezellin, die met hem in het deftige huis woonde, dat de hertog den geheimraad geschonken had.
Maar hoe moest men haar eigenlijk noemen? Zij was toch niet de echtgenoote van den geheimraad; en 't was toch inderdaad een aanstootelijke geschiedenis, waarmede men zich niet geheel verzoenen kon.
Nog nooit had Goethe zich met de schoone Christina Vulpius zoo openlijk te Jena vertoond, en de kastelein van de âGroene Denquot; was dus geheel ontsteld en verbijsterd, en 't woord verstomde hem op de lippen.
âIk bid u, goede vriend,quot; zei Goethe met volkomen bedaarde stem: âwees zoo goed en maak een kamer gereed.quot;
âMijnheer de geheimraad,quot; stotterde de kastelein: âuw kamer is gereed, en 't zou misschien slechts noodig zijn, een tweede bed in de slaapkamer te zetten, voor âquot;
Hij zweeg, en keek Goethe vragend aan.
âVoor mijne vrouw, wilt ge zeggen,quot; antwoordde Goethe bedaard: âneen; ik zou haar storen in den slaap, want ik denk nog op te blijven. Hebt ge een nette, afzonderlijke kamer?quot;
De kastelein antwoordde bevestigend, en haastte zich de kaars te nemen, om den heer en de dame voor te lichten op den krakenden houten trap, naar de gevelkamer van den dichter ; hij zeide hierbij, dat hij dicht daarnaast een tweede kamer had, die volkomen gereed was om gasten te ontvangen.
76
Goethe antwoordde niet, en trad met Christina zijn zitkamer tinnen, terwijl de kastelein zich haastte, de gevelkamer aan den anderen kant van het huis te verlichten en in orde te brengen, en de dienstbode en de huisvrouw riep, om hem te helpen.
Goethe en Christina waren nu alleen in zijn kamer.
Zij was vermoeid en buiten adem op een stoel nederge-zonken, en Goethe ging met groote schreden de kamer op en neêr. Christina had het hoofd gebogen, en zat stil en onderworpen; slechts somwijlen angstig den blik opslaande, als Goethe haar naderde, en vervolgens weder, als zij zag, dat hij volstrekt niet op haar scheen te letten, angstig en troosteloos de oogen nederslaande.
Na een poos begon evenwel deze stille en rustelooze wandeling Christina te verontrusten. Zij stond op en trad naar Goethe toe, legde haar hand op zijn arm en hield hem vast, zoodat hij moest stilstaan.
âO mijn heer en mijn geliefde,quot; fluisterde zij zacht en verlegen: âge zijt zeer boos op mij, en ik bid u nogmaals, beknor mij; want ik weet immers, dat ik verkeerd heb gedaan.quot;
Hij schudde heftig het hoofd. â âNiet gij, niet gij! Ik heb verkeerd gedaan.quot;
âIk weet niet hoe ge dat meent,quot; zeide zij bedeesd: â âIk weet slechts, dat ik het niet langer kon uithouden, altijd zoo alleen en zoo eenzaam te zijn.quot;
âGe waart dus altoos alleen?quot; vroeg hij met bevende stem: âGe waart alleen en eenzaam? â Ge hadt niet uw knaapje en uwe moeder; ge hadt mij niet?quot;
âIk had mijn knaapje en mijn moeder, maar u, Goethe, u hadt ik niet! Ik had u reeds lang niet meer! En ziet ge, ik ben nog te jong om enkel aan het stille tehuisblij-ven, aan het onderhoud met mijn moeder, aan het spelen met het knaapje genoeg te hebben. â De levenslust woelt nog in mijne aderen, de levensvreugde lokt mij nog uit het stille huis. Ik zie hoe anderen leven, hoe vroolijk en lustig zij zijn, hoe zij dansen en zich vermaken, en ik moet altoos alleen zijn, en ben toch niets. Ik ben geen vroolijk menschenkind, en ben toch evenmin ter vergoeding daarvan, een voorname vrouw, die men eerbiedigt. â Ge antwoordt mij niet, Goethe? Ge hoort misschien niet naar mij?quot;
77
Hij zag op. â âJa, en geloof mij, ik neem alles diep ter harte. â Spreek slechts voort. â Het is noodig dat wij elkander verstaan. â Spreek voort, Christina. â Zeg alles wat ge tot uwe verontschuldiging zeggen kunt. â Ik hoor, en wensch dat ge u verontschuldigen kunt.quot;
âNeen!quot; zeide zij levendig: âIk weet wel, dat ik niet te verontschuldigen ben ; ik weet dat ik een groot onrecht begaan, â en als een zeer lichtzinnig en overmoedig schepsel gehandeld heb. Maar ge zult toch medelijden met mij hebben en moeten zeggen, dat er wel een klein weinigje tot mijne verontschuldiging is aan te voeren, 't Is waar: het is fraai en prachtig in uw huis, en ge geeft mij alles, wat ik vroeger ontbeerd heb. Ik heb fraaie kleederen, er ontbreekt mij niets van de genietingen des levens, niets dan het leven zelf, Goethe, en als ik 't zeggen mag: niets dan de eer! Ik heb mij met lijf en leven aan u overgegeven, uit liefde en hartelijke vereering. En gij hebt mij aan uw borst genomen als een arm klein viooltje, 'twelk de voorname man geheel in stilte een plaats aan zijn hart gunt. Maar de anderen, de slechte menschen, hebben uw arm viooltje zóó lang gelasterd en gesmaad, tot het u zelve ten laatste geschenen is, als mocht het niet bloeien voor de geheele wereld aan uw hart, en ge hebt het steeds meer en meer in de schaduw geplaatst, en somwijlen er niets van willen weten. Ge hebt er u over geschaamd en zijt toornig geweest, dat het slechts zulk een arm stil veldbloempje is en geen voorname, prachtige roos, met welke gij u voor den hertog en de hertogin, en voor alle dames der groote wereld kondt vertoonen. 't Is wel zeer dom en dwaas wat ik zeg, Goethe, en het zal mij wel niet gelukken, u duidelijk te maken wat ik denk?quot;
â't Is mij alles duidelijk.quot; zeide hij heftig en ruw: âalles zie ik, alles doorgrond ik in dit oogenblik. Spreek maar voort, arm viooltje. Ach, ik geloof, het ware beter voor u geweest, zoo ik u nooit van den stillen veldgrond had geplukt en aan mijn hart gestoken. Ge hebt gelijk!quot;
âNeen!quot; riep zij heftig: âik heb geen gelijk! Ik moet u dankbaar zijn, voor alles wat ik heb. Ik zou vergaan zijn in ellende en nood zonder u, en 't is immers slechts mijn schuld dat niets beters van mij is willen worden, en ik niet waard ben, aan uwe zijde te staan. Maar ik wil mij
78
geheel alléén niet beschuldigen; 't is niet mijn schuld alléén, 't is de schuld der omstandigheden. Waarom was ik zulk een laaggeboren meisje? Waarom zijn mijn ouders arm en behoeftige, gemeene lieden? 't Was immers niet mogelijk, dat de geheimraad von G-oethe, de dochter van een armen dronkaard tot zijn gade verhief! En dat is het geheele ongeluk geweest, Goethe. Voor uw vrouw was ik u te slecht, en als uw liefje was ik de anderen te slecht!quot;
Toen zij dit met bevende en weemoedige stem zeide, slaakte G-oethe een kreet, een kreet half van toorn, half van smart, en sloeg zijn handen voor zijn aangezicht.
âZij heeft gelijk; o almachtig God, zij heeft gelijk!quot;
â't Was immers zeer natuurlijk,quot; zeide zij weemoedig; âdat ge mij allengs moede zoudt worden. Dat is 's werelds loop. Ge kondt niet meer bij mij blijven, en moest weder in de voorname gezelschappen en tot de geestige en geleerde menschen gaan, en dan was 't ook natuurlijk dat, als ge t'huis kwaamt, mijn linksche manieren en mijn dom geklap u verveelden, en gij u over mij begont te schamen. Ge hebt mij zeker altoos nog hartelijk lief, maar weet ge, ge zijt niet meer verliefd op mij! En toen dit ophield, zaagt ge dat de arme Christina Vulpius toch niet goed voor u paste, en gij niet volgens uw staat met haar leven kondt. En toen liet ge mij natuurlijk alleen, en dacht wellicht: âvoor haar is alles gedaan en gezorgd. Zij lijdt geen honger meer, zij werkt niet meer, zij woont in een deftig huis, heeft bedienden, welke zij bevelen kan, een zoon dien zij lief heeft. Ik heb alles voor haar gedaan; Christina kan zich niet beklagen.quot; Maar weet ge, Goethe, â Christina was te jong om verstandig te zijn, en het leven lokte haar met zijn lust en vreugde naar buiten, uit het voorname huis. Ge weet, ik heb u soms verzocht: ge zoudt met mij naar een of ander vroolijk gezelschap gaan, en heb u ook bekend, dat ik soms heel gaarne wilde dansen. Maar ge waart telkens boos als ik dit zeide, en gingt toornig van mij. En dan zweeg ik. Maar de levenslust klopte toch in mijne aderen, en eindelijk weerhield mij niets meer, en ik moest naar buiten; ook ik moest mijn deel hebben aan het schoone, lustige leven, ik moest de jeugd en den lust laten uitvieren.quot;
âHet is waar!quot; zuchtte Goethe, altoos nog het gelaat met zijn handen bedekkend.
79
Vervolgens, na een pauze, liet hij de handen nederzinken, en richtte zijn blik vol droefheid en smart op Christina.
âZeg mij de waarheid, Christina, de zuivere waarheid. Zijt ge reeds meermalen heimelijk ten dans geweest, of is het heden de eerste maal?quot;
Zij schudde langzaam het hoofd.
âNiet de eerste maal, Goethe; 't is misschien de zesde maal dat ik het gedaan heb. Maar nooit alleen; altoos ben ik met mijn broeder en Anna geweest. En ge hebt het niet bemerkt, wijl ge öf op reis waart met den hertog, öf wijl ik u verzocht had, een paar dagen bij mijn broeder te Jena te mogen zijn.quot;
Hij knikte langzaam met het hoofd.
âEn de danser, met wien ik u vond, kent ge hem óók reeds langen tijd?quot;
Zij boog het hoofd lager op haar borst.
âJa; hij was op den eersten avond toen ik met mijn broeder en Anna naar het bal ging, óók daar, en bracht ons naar huis.quot;
âVerder,quot; zeide Goethe, toen zij zweeg: âge weet, ik wil de waarheid weten, en ik beveel u mij die te zeggen. Hij bracht u tehuis, en ging ook mede naar boven ?quot;
âNeen, neen, Goethe,quot; sprak zij met vuur, en zij zag met here, gloeiende oogen tot hem op; âge moet niets slechts van mij denken! Ik ben wèl lichtzinnig geweest en heb mijn plichten vergeten; â ik heb vergeten, dat ik liever van verdriet had moeten verkwijnen in de stille, fraaie en prachtige kamers van uw huis, dan vroolijke danspartijen bijwonen. Maar slecht en gemeen ben ik niet, en bemind heb ik op aarde nog geen ander mensch dan u alléén, en ontrouw ben ik u nooit geweest. Ik wilde slechts een weinig vroolijk leven; â wilde slechts een weinig dansen en juichen, en zingen met de andere vroolijke menschen! Dat is alles, Goethe; hierover kunt ge mij beknorren, maar voor slecht en verachtelijk moet ge mij niet aanzien; want ik geloof dat, zoo wij met elkander afrekening hielden en van trouw spraken, Christina zou kunnen zeggen: âIk ben u trouw gebleven in mijn hart! Maar gij, Goethe, hebt het arme viooltje reeds lang onder uwe voeten getreden, en ziet naar andere bloemen en andere rozen.quot; Zoo, dat moest ik u zeggen; en nu kunt ge knorren zooveel ge wilt, ik heb
80
het verdiend. Lichtzinnig ben ik, maar trouweloos was ik nooit! Mijnheer von Bülow is een fraai en flink student, en een heerlijk danser, met wien ik gaarne dans; maar buiten de danszaal moet hij zich niet vermeten zijn arm om mij te leggen; want buiten de danszaal ben ik wel niet Goethe's vrouw, maar zijn liefje ben ik, en zij weten allen, dat ik hem trouw ben. Nu weet ge het!quot;
Er trok een zachte glimlach over Goethe's gelaat toen zij heftig, half verstoord en half beschaamd zoo sprak. En nu legde hij zacht zijn hand op haar voorhoofd.
âArme, lieve vrouw! Ik zie en erken het: ik heb u onrecht gedaan, en ik zal helaas voortaan u nog altoos onrecht doen. Ik kan 't niet veranderen, en wij beiden moeten er ons in schikken. Maar spreek, Christina, wilt ge mij verlaten, wilt ge van mij heengaan? Verveelt het u, alleen te zijn in mijn huis? Ben ik voor u te oud, te grommig en te stil, en zijt ge ontevreden op mij, dat ik niet dansen kan, en geen flink student ben? Wilt ge mij verlaten, Christina?quot;
Zij slaakte een kreet van ontzetting, sloeg hare armen vast om zijn hals, en drukte hare lippen op zijn bevenden mond.
âO, Goethe, spreek niet zoo; veroordeel mij niet, en wees niet wreed. Ik wil bij u blijven zoolang ik leef; ik wil tevreden zijn met alles. Ik wil mij in alles ootmoedig schikken, en ge moogt het viooltje aan uwe voeten weder vertreden, het zal altoos voor u weder opluiken. Verstoot mij niet, Wolfgang. Laat mij bij u, en wees toegevend voor mijn zwakheid! Ik ben slechts een arm dom wezen, maar lief heb ik u met geheel mijn ziel, en vergeef mij dus wat ik misdaan heb.quot;
âVergeef gij mij, Christina,quot; zeide hij, haar teeder aanziende: âVergeef mij; want ik zie wel, ik heb verkeerd gedaan, en het egoïsme mijner liefde was sterker dan mijn verstand. Ik zal u nooit uit mijn huis en uit mijn hart verstoeten; ge zijt en blijft de meesteres in huis en hart.quot;
âEn ik beloof u, mijn hartelijk geliefde Wolfgang, dat ik niet weder zondigen zal, dat ik nooit weder âquot;
âStil,quot; viel hij haar in de rede: âbeloof mij niet, wat ge niet houden kunt. Ge hebt gelijk; ge zijt jong, ge zijt vroolijk en levenslustig. En ge zult voortaan uw deel hebben aan de vreugden des levens; ik wil u vergunnen open-
81
lijk te doen wat ge thans heimelijk hebt gedaan. Ge zult met uw broeder en uw zuster, zoo dikwijls ge wenscht, deel mogen nemen aan de bals hier te Jena, en ik hoop, dat ge dan met te vroolijker geest terug zult keeren in ons stil huis, tot uw lief knaapje en âquot;
âEn tot mijn lieven, edelen, aangebeden heer!quot; riep zij hartstochtelijk, hare armen om hem strengelend, en zich aan hem vastklemmende: âzijt ge nu niet langer boos? Zijtge niet meer op mij vertoornd, Goethe? en wilt ge werkelijk vergunnen, dat ik somwijlen dansen en zingen en juichen mag met de anderen?quot;
âIk wil het vergunnen, Christina, want er moet rechtvaardigheid zijn in elke betrekking. Ik ging mijn weg alleen, en kwam slechts rust nemen bij u in ons huis; thans moet ook gij uw weg alleen gaan. Maar ik hoop, dat wij elkander steeds zullen wedervinden bij het bedje van ons zoontje.quot;
âZekerlijk, dat zullen wij!quot; riep Christina: âen nu, geef mij een kus, Goethe, en zoo ge 't mij vergunt, ga ik nu naar mijn slaapkamer, want ik ben vermoeid en mijn hoofd klopt.quot;
Hij drukte een lichten kus op haar voorhoofd.
âGa, mijn kind, ga en slaap; mogen uwe droomen zacht en rooskleurig zijn, en moogt ge morgen vroolijk ontwaken, en het treurig tooneel van dezen nacht vergeten hebben.quot;
âAlles is vergeten! Wolfgang. â Alles is goed en wel, zoo ge mij bemint.quot;
Hij knikte zacht. â âIk bemin u, wees er van verzekerd.quot;
Zij nam een der lichten en ging heen, aan de deur nog even staan blijvende, om Goethe toe te knikken, en hem teederlijk goeden nacht te wenschen.
Hij beantwoordde haren groet toen bleef, midden in de kamer staan, en oogde haar na met diep treurigen blik.
âArm kind,quot; zeide hij zacht voor zich: â't Is waar, zij is te beklagen, maar ik ben het óók! Ach, waarom hebben de zinnen zooveel macht over het verstand ? en waarom is het hart zoo sterk en zoo zwak, en begoochelt den geest, dat deze zich zeiven vergeet, en met de ervaring spot? â O, jammer en nood! dat ik erkennen moet, dat alles vergaat. â De liefde zoowel als de bloemen, de trouw zoowel als de lente. De lente is ten einde, en zoo ik nu een trouw en schrander tuinier ware, nam ik de verdorde lentebloemen
DÃITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII. 6
82
uit den grond, rukte ze uit, zooals men onkruid uitrukt, 'twelk men waande dat het maagdepalm was, maar dat nu verwelkt is en verdord. O, ik zie en erken het immers duidelijk, dat het mijn plicht zou zijn, een betrekking af te breken, die nu, - daar de liefde haar niet meer bindt, beschamend is geworden. Ik zou nu het gebod mijner eer moeten volgen en â Neen, dat kan ik niet, ik kan van Christina niet scheiden! Ik wil aan de babbelzucht en de lastertongen geen stof tot praatjes geven; ik wil niet dat men lacht en zegt: âWij wisten 't immers wel! wij hebben 't vooraf wel gezegd!quot; â Zij zullen dezen triomf niet hebben, ik kan van Christina niet scheiden! Ach, 't is toch een ellendig iets, het leven; en die het genieten wil, moet zich het hart uit de borst scheuren, en een steen in zijn plaats leggen.quot;
Hij naderde het venster en stiet het open, zoodat het rinkelend met de kleine glasruiten tegen den muur sloeg. Toen boog hij er uit in den donkeren nacht. â Het deed hem goed dat de nachtwind suizend voorbij voer, zijn haar verwarde, en zijn heet voorhoofd afkoelde. â De diepe stilte rondom bracht zijn ontstuimig bloed tot rust, en hij luisterde naar 't zacht murmelen van het water, dat tegen de brug-palen brak, als naar een muziek, die zijn hart in slaap zou suizen. De straks heldere hemel was hier en daar met dichte wolken betrokken, en van achter een dezer wolken kwam juist de maan te voorschijn, en omzoomde de randen met zilveren glans, en wierp een mat licht op de bergtoppen, die als donkere reuzenhoofden ginds aan den hemel opstegen.
Goethe lag nog altijd uit het venster, en luisterde naar het fluisteren van den nacht, en groote en verhevene gedachten trokken door zijn ziel.
Het klonk en galmde en ruischte er van heerlijke fan-tasiën, en de fata morgana der poëzie vertoonde hem menig heerlijk en kostelijk beeld, dat hij aanschouwde met de oogen van zijn geest, en waaraan hij zich verkwikte.
Plotseling werd de stilte gestoord door een gerucht, dat uit de verte steeds naderde. - Goethe luisterde en boog zich verder uit het venster, en zag neder op de door de maan beschenen straat. Een donker punt bespeurde hij daar, en nu hoorde en begreep hij het gerucht. â 't Was
83
een paard, welks draven hij gehoord had, en een ruiter zat op het paard. Duidelijk kon hij hem nu onderscheiden, want de maan was thans geheel van achter de wolken tevoorschijn gekomen, en bescheen de Saalbrug, die de ruiter juist opkwam. De hoefslag van zijn paard klonk hel en luid, en werd door de bergen herhaald. De nachtwind, die bruisend voortjoeg, blies den zwarten mantel van den ruiter op, toen hij zich midden op de brug bevond, en omgaf ros en ruiter als een zwarte wolk. Plotseling klonk een klaaggeschrei, een kinderstem weende luid. Bij den schijn der maan zag Goethe, dat de ruiter een kind in zijne armen hield â een schreiend kind. De bergen rondom weergalmden het klaaggeschrei. â âWees stil, mijn kind!quot; riep nu een forsche mannenstem: âWees stil, blijf rustig mijn kind!quot; De nachtwind blies den mantel hooger op, en hulde ruiter en kind in een zwarte wolk, toen het paard voorwaarts rende over de brug, in de duisternis van den nacht.
Goethe trad van het venster terug, â zijn gelaat schitterde en zijne oogen straalden.
âDe god der poëzie troost mij,quot; zeide hij: âen vertoont mij daar een ballade van wonderbare kracht. â âWees stil, blijf rustig, mijn kind!quot; â Was dat niet een nachtspook, door de maan beschenen? Was het niet een geestverschijning, welke ik gezien heb? â Zóó stormt de Elfenkoning door den nacht, en houdt het geroofde kind in den arm! â Ja, 't is de Elfenkoning, dien ik gezien heb, en van hèm wil ik dichten en zingen in dezen nacht mijner smarten.
Hij ging met driftige schreden heen en weder, maar plotseling bleef hij staan, en in den vollen stroom der poëzie klonk het van zijne lippen:
Wie rijdt zoo laat in nacht en wind ?
Het is de vader met zijn kind.
Hij drukt den knaap vast in zijn arm.
Omvat hem stevig, houdt hem warm.') â
Lotje had gelijk gehad met hare voorspelling. Deze Julidag van 't jaar 1794 werd inderdaad in de geschiedenis der Duitsche litteratuur een gewichtige dag; want hij was het begin van het groote vriendschapsverbond tusschen de beide
') De geschiedkundig â ware voorstelling van het ontstaan des Erlkonigs.
84
heroën der Duitsche poëzie; â een verbond, dat zelfs de dood niet kon verbreken, want over den dood heen volgde de liefde en bewondering van G-oethe den zoo vroeg gestorven vriend. â Op deze ontmoeting en het eerste vertrouwelijk gesprek tusschen Goethe en Schiller, moesten spoedig andere volgen. Dit gevoelden beiden, en beiden deden het hunne hiertoe. Schiller, - die Goethe vroeger, naar hij meende, zoo gehaat had, â Schiller was het, die na dit eerste onderhoud, grootmoedig en hartelijk de hand bood tot een nauwere verbindtenis. Hij schreef aan Goethe dien beroemden brief, waarin hij zich met diepe kennis van Goethe's innigste wezen en zijn, en met de volste erkenning van diens hooge beteekenis, uitte over Goethe's inwendige vorming, over zijn reizen, zijne ideën en bedoelingen.
En Goethe vereerde deze erkentenis van Schiller, en voelde zich door zijne woorden tot nieuwe inspanning en dichten aangespoord. Het had hem te Weimar, onder al de vleiers en vereerders die hem omgaven, toch aan een gelijkgestemde ziel, aan een gelijken schranderen geest ontbroken. Velen waren, er om van hem te ontvangen en van zijn geest te genieten, maar niemand, die hem wist op te wekken en zijn geest voedsel te geven. En Goethe met zijn helderen blik en sterken geest, erkende terstond, wat Schiller voor hem zou en moest zijn. â Zijn realisme stelde zich Schiller's idealisme ter zijde; en als beiden zoo van elkander namen en gaven, moesten er schoone vruchten uit ontstaan.
Dit gevoelde Goethe voor zich zeiven en voor Schiller, en hij beantwoordde Schiller's fraaien brief derhalve met de dringende uitnoodiging, hem te quot;Weimar te bezoeken.
âGe zult de uitnoodiging aannemen, nietwaar, mijn geliefde Frits?quot; vroeg Lotje, blozend van genoegen, toen Goethe's brief door de bodin gebracht werd: âIk zal u missen en vèr van u blijven, maar mijn hart zal juichen den ganschen tijd; want wat ik verlangd en gewenscht heb zal nu vervuld worden, en Schiller en Goethe zullen in vriendschap tot elkander staan. â Ge zijt een toovenaar. Frits, en wien ge eens diep met uwe groote, blauwe oogen in het hart hebt gezien, die kan niet meer van u afkomen! - Dat zal nu Goethe óók moeten ondervinden, en hij zal u liefhebben en zich door u laten betooveren, zooals wij allen.quot;
âIk wilde dat hij mij een weinig liefhad,quot; zeide Schiller
85
innig: âwant ik moet u bekennen, Lotje, mij heeft zijn wezen en gedrag volkomen betooverd. Ik bewonder hem in zijne verschijning, in zijn fier en kalm wezen, â in zijn schoonheid en waardigheid, en in deze vreedzame behagelijkheid, die zijn geheele wezen omgeeft. â Hij is inderdaad een lieveling der goden en der menschen, en âquot; voegde hij er glimlachend bij; â âzooals ik zie, ook der vrouwen, want zelfs mijn Lotje is geheel door hem ingenomen.quot;
âEn, nietwaar, ge neemt zijn uitnoodiging aan?quot; vroeg Lotje ten tweedemale: â â't Is noodig dat ge beiden ongestoord dagen lang bij elkander zijt; dan zullen uwe zielen zich voor elkander ontsluiten, en hunne gaven laten uitstroom en.quot;
Schiller schudde treurig zijn hoofd. â âHebt ge niet gemerkt, Lotje, dat ik in de laatste dagen meer dan vroeger aan mijn ongelukkigen kramp heb geleden; en hoe zou ik nu, ziek en zwak als ik ben, in een vreemd huis gaan, en ....quot;
Nu werd heftig aan de deur geklopt, en vóór Schiller nog âbinnen!quot; had geroepen, werd de deur geopend.
âGoethe!quot; riep Lotje vroolijk, terwijl zij hem tegemoet-snelde.
âJa, Goethe!quot; herhaalde hij glimlachend. â âHij komt als een ongeduldig minnaar, die naar zijn liefste ijlt, om het jawoord van hare lippen te ontvangen. Lach niet om mij. Schiller! â Maar de hertog noodigde mij uit, hem naar Domburg te vergezellen, toen ik reeds aan de bodin mijn brief had gegeven. Ik heb Zijne Hoogheid laten vooruitrijden naar Domburg en ben hier afgestegen, want ik verlangde uw antwoord te vernemen. Luidt het ja of neen?quot;
Schiller's gelaat was rood geworden van genoegen, toen Goethe binnentrad, en met een uitdrukking van teedere bewondering zag hij tot de hooge, krachtige gestalte, en het fiere gelaat met de bruine wangen en vlammende oogen, op.
âGe zijt een heerlijk mensch, Goethe,quot; zei Schiller op innigen toon: â âde eeuwige jeugd, de eeuwige schoonheid en de eeuwige gezondheid stralen uit uw geheele wezen. En het jeugdig ongeduld, dat op niets kan wachten, zelfs niet op het ja of neen van een armen, zieken professor, staat u overheerlijk!quot;
86
En wie is die zieke professor, van wien ge spreekt?quot; vroeg Goethe met een uitdrukking van bevreemding, alsof hij volstrekt niet vermoedde, dat Schiller van zichzelven
SP1â^i'e mij aan, dan weet ge het,quot; antwoordde Schiller met
een treurigen glimlach.
âIs hij werkelijk ziek?quot; vroeg Goethe, zijn bruine oogen
op Lotje richtende.
âNiet ziek!quot; antwoordde zij hoofdschuddend: âmaarhelaas
ook niet gezond!quot; ^ ,,
âWij willen trachten hem gezond temaken! nepbroettie vroolijk: - âen het begin der kuur zal zijn, dat hij met mij naar Weimar gaat! â Ge belooft het mij toch. Schiller? _ Ge laat mij niet beschaamd met een neen vanhier
vertrekken?quot; â
âNu dan, ik beloof het; want ik doe het zoo gaarne, zei Schiller innig: âmaar ik doe het slechts, zoo ge mijn bede vervult, dat ik geheel vrij moge zijn ten opzichte uwer huiselijke orde. â De borstkramp, die mij kwelt, noodzaakt mij vaak den geheelen morgen aan den slaap te offeren, want zij laat mij juist des nachts geen rust. â Ach, en mijn Lotje zal u zeggen, dat er geen dag voorbij gaat, zonder dat ik er door gefolterd word. â Zoo ge mij dus vergunnen wilt, mij in uw huis als een volkomen vieemde te beschouwen, op wien volstrekt geen acht wordt geslagen; die zich mag afzonderen, om de verlegenheid te ontgaan, iemand van zijn toestand afhankelijk te maken, zoo ik â om mij zoo uit te drukken â als een viooltje, geheel stil en in 't verborgen nevens u bloeien mag, dan kom ik
gaarne.quot; ') ,, ,
âZeg niet als een viooltje, maar als de schoonste bloem dei-schepping; als de koningin van den nacht! riep Goethe. â âals deze wonderbloem, tot welke men met grooten eerbied des nachts, als zij haar grootheid ontvouwt, heensluipt om zich in haar pracht te verheugen!quot; - Zóó Schiller, zult ge in mijn huis wonen, en slechts als gij t vei gunt, zullen
wij bij u komen.quot; â . ,
En Schiller kwam bij Goethe, en bleef veertien dagen lang. En toen zij vervolgens scheidden, legden zij hunne handen
') Schiller's eigen woorden. Zie : Scherr, Leben Schiller's III.
87
ineen, en aanschouwden elkander met een teederen blik.
âWij zijn vrienden, nietwaar; vrienden voor het leven?quot; vroeg Goethe met vroolijken blik.
âVrienden voor alle eeuwigheid!quot; antwoordde Schiller, de dweepende oogen ten hemel gericht.
VIL
De wedren.
Wilhelmine Rietz had haar zomerresidentie, dat heet: haar lustslot te Charlottenburg, reeds betrokken. De lente was dit jaar met zeldzame pracht in 't land getrokken, en op denzelfden dag dat de Koning zijn zomerresidentie in het nieuwe paleis bij Potsdam betrok, had Wilhelmine Rietz zich naar Charlottenburg begeven. Hare hovelingen en bewonderaars, hare vleiers en aanbidders volgden haar derwaarts, en terwijl de voorkamers der Koningin van Pruisen ledig waren, verdrongen zich in de antichambre der vriendin van den Koning de hooggeplaatste beambten, de cavaliers en een schare derzulken, die de bescherming der veelvermogende vriendin inriepen; eiken morgen het gelukkige oogenblik verbeidende, dat de deuren geopend zouden worden, en Wilhelmine Rietz aan hare vrienden en supplianten audientie verleende.
Heden, den vijftienden April 1795, waren deze morgen-bezoeken eindelijk afgeloopen, en Wilhelmine Rietz trok zich in haar huiskamer terug, met het strenge bevel aan haren kamerdienaar, niemand meer binnen te laten; want zij wilde nu toilet maken voor het dejeuner, waarop de Koning haar te Potsdam genoodigd had.
âIk moet trachten mij heden nog een weinig te tooien,quot; zeide zij: âen mijn bekoorlijkheid in het beste licht te stellen. 't is louter boosaardigheid van den koninklijken schoenpoetser, mijn zoogenaamden heer echtgenoot, dat hij den Koning tot dit ontbijt verleid heeft. Rietz wil volstrekt zijn schoone geliefde Baranius met den Koning bekend maken, en ik weet wel, waarom hij dit wil. Hij hoopt dat de schoonheid dezer vrouw 't op mij winnen zal, en
88
hij wil op deze wijze zijn macht op den Koning versterken en verhoogen. O, heer echtgenoot, het zal u niet gelukken! Ik heb reeds vele strijders uit het veld geslagen, en 't zal mij ook met haar gelukken. Onderzoeken wij eens onze wapens!quot;
Zij trad voor den grooten, staanden spiegel, en beschouwde zich opmerkzaam; daarop schudde zij langzaam het hoofd.
âEr is niet veel meer aan te doen,quot; zeide zij, en als eer. spotlachje trok om hare lippen: âhet grijze spook zit reeds achter mij, kijkt over mijne schouders, en trekt lijnen op mijn voorhoofd, 't Is afschuwelijk! Maar men moet tocli bekennen, de oogen schitteren nog. â Daar is echter die vreeselijke trek om de lippen, die alles verraadt wat de schitterende oogen en de geblankette wangen willen loochenen. En ik kan toch niet eeuwig glimlachen, om dezen trek aan den mondhoek te behouden! Neen, ik wil moedig aannemen, wat onvermijdelijk is, en wil mij herinneren aan het lied, 'twelk mijn vader steeds placht te zingen.
En met zachte stem neuriede zij voor zich:
Schoonheid is als het bonte schild van een kastelein, die de
rnenschen snijdt;
Maar leelijkheid is op den duur; die een leelijk meisje kust! â
âNu,quot; viel zij zich zelve in de rede: âleelijk ben ik nog altoos niet. De armen zijn nog fraai, en ook de schouders zijn nog vol en rond. Het komt er dus op aan de beaux restes du diable in bekoorlijken staat van verdediging te brengen. Juffer Baranius is schoon, dat is waar, maar meer niet! 't Is een zeer ordinaire vrouw, anders zou zij den schoenpoetser niet beminnen. De Koning is veel te wijs om zich door deze uiterlijke schoonheid te laten vangen, en ten laatste ben ik er óók nog! Ik aal heden geestig en pikant zijn, als nog nooit. Ik zal den Koning doen lachen door mijn bloedige scherts; ik zal zijn geest zóódanig omspinnen met mijn beminnelijkheid en vroolijkheid, dat hij Baranius volstrekt niet aanziet, en âquot;
âNu, wat is er?quot; brak zij hare alleenspraak af, naar den kamerdienaar ziende, die juist met verlegen gelaat in de half open deur verscheen: âWat wilt ge?quot;
âMevrouw, er is een heer, die zich volstrekt niet wil laten afwijzen.quot;
89
âDat wil zeggenquot; â riep zij, schouderophalend; â âhij heeft u een louisd'or gegeven, opdat gij hem niet zoudt afwijzen, en ik moet nu wel uw wil doen. â Wie is hij ?quot;
âMevrouw, 't is de prins von Reuss de Oostenrijksche gezant.quot;
âJa, de Oostenrijksche gezant!quot; riep een luide stem, en achter den bediende verscheen de kleine sierlijke gestalte van den prins op den drempel.
âNu, daar ge er eenmaal zijt, kom binnen, prins!quot; riep Wilhelmine lachend; â âHet baat niet zich voor u te verbergen. â Men kent immers de hardnekkigheid der Oostenrijksche diplomatie, en de geslepenheid harer spionnen. Nu, spreek schielijk, prins, wat wilt ge van mij? â Want ik beken, ik heb haast, en kan u hoogstens vijf minuten toestaan.quot;
âVijf minuten zijn voldoende,quot; lachte de gezant: âom het Paradijs binnen te gaan, of in de hel verbannen te worden. â Wilt ge mij het Paradijs openen?quot;
âGij bedoelt zeker een achterdeur van het Paradijs; want om door de groote poort binnen te gaan, hiertoe zoudt ge u niet van de echtgenoote van den kamerdienaar Rietz, â maar van de Koningin bedienen.quot;
âGij zijt de Koningin, allerbekoorlijkste!quot; lispte de prins, terwijl hij Wilhelmine's witte hand aan zijne lippen bracht: âen ik wil tot u spreken als tot de Koningin. â Majesteit, het welzijn van Pruisen, het welzijn van Duitschland is in gevaar, zoo gij het niet bijstaat en uwe fraaie hand ter redding biedt!quot;
âDat klinkt verschrikkelijk!quot; riep Wilhelmine lachend : â âGe wilt mij tot beschermheilige van geheel Duitschland maken ?quot;
âJa, ik wil u bezweren, het ongelukkig verdrag, dat baron von Hardenberg te Bazel met den Franschen gezant gesloten heeft, te doen herroepen.quot;
âAch,quot; zuchtte Wilhelmine: âik hoopte dat het een of ander liefdesavontuur betrof, en nu spreekt ge van politiek. â Weet ge, mijn waarde prins, dat ik mij volstrekt niet met de politiek bemoei? Wat raken mij uwe diplomatieke nota's? Ik bespeel de harp en de guitar, en heb genoeg te doen met de noten, die ik daarbij leeren moet.quot;
âDat heet: ge wilt mij niet hooren !quot; riep de prins drin-
90
gend: âGe wilt den schijn aannemen alsof ge u niet be-moeidet met de politiek, terwijl uwe fraaie, witte handen toch zeer ijverig aan het staatsroer draaien! Ik bid u, allerbekoorlijkste, laat dit roer thans naar de andere zijde wenden. â Laat de staatshulk niet het vaarwater binnenloopen, waarin baron von Haugwitz haar sturen wil! â Ik heb zooeven een koerier ontvangen, die mij het zeer stellige bericht brengt, dat het vredesverdrag tusschen Frankrijk en Pruisen te Bazel door de twee gezanten onderteekend is geworden, dat wijders baron von Harden berg hier zal aankomen, om van den Koning de onderteekening van het verdrag te verzoeken.quot;
âGoddank, dat de zaak eindelijk zóóver gekomen is,quot; zei Wilhelmine glimlachend: âmen heeft sedert veertien dagen niets anders gehoord dan van oorlog en vrede, en men heeft den Koning van de eene naar de andere zijde getrokken. De aanhangers van Oostenrijk, de heeien von Bischofswer-der en Wöllner, zijn zeer ijverig geweest om den Koning te bewerken, en 't verwondert mij slechts, prins, waarom ge ter laatster ure tot mij komt, daar ge toch de intieme vriend van deze veelvermogende heeren zijt?quot;
âIk kom tot t(, wijl ge nog meer vermoogt dan zij,quot; ant-woorde prins Reuss; âik herhaal: 't betreft het welzijn van Pruisen, en van Duitschland in 't algemeen. De vrede met Frankrijk heet oorlog met Oostenrijk, met de zeemogendheden, ja oorlog met geheel Europa. Want geheel Europa is beleedigd, aangevallen en uitgedaagd door deze Fransche republiek, die haar bestaan met een koningsmoord begonnen, â en met stroomen bloeds gedoopt heeft.quot;
âIk bid u om Godswil,quot; zei Wilhelmina heftig: âspreek mij niet meer van deze gruwelen der Fransche republiek. â De zaak is immers eindelijk overwonnen; de mannen van het schrikbewind zijn ter neder geworpen, Robespierre en consorten zijn ter zijde gesteld! â Mijn Hemel, wij weten 't immers; er begint daar een zachtere regeering, en de repu-blikeinsche legers trekken overwinnend naar het Zuiden en Westen. â Met de mannen van het schrikbewind en stroomen bloeds, kan men thans niemand meer vrees aanjagen., ook den Koning niet. En zoo Zijne Majesteit in zijn wijsheid besloten heeft vrede met Frankrijk te sluiten, dan zeg
91
ik Goddank! Wij zullen nu van iets anders spreken dan van oorlogszaken.quot;
âNeen, gij bedriegt u!quot; antwoordde prins Reuss levendig; â âvrede met Frankrijk, â ik herhaal het, â heet oorlog met geheel Europa! Oostenrijk kan en zal het niet dulden, dat een Duitsche rijksvorst vrede sluit met een natie, met welke de Keizer van Duitschland in oorlog leeft. De Keizer zal zich tot alle Duitsche rijksvorsten wenden, en hen tot voortzetting van den oorlog opvorderen; Pruisen zal dan geïsoleerd zijn, en zich gedwongen zien tot vernedering en onderwerping.quot;
Wilhelmine haalde de schouders op: âQui vivra verraquot; zeide zij, den prins toelachende: âmaar zeg mij nu eens, mijnheer de gezant, welke redenen zou ik hebben, den wil des Konings en zijne politiek tegen te werken? En welke vergoeding zoudt ge er mij voor kunnen aanbieden, dat ik den Koning beleedig en hem weerstreef?quot;
Prins Reuss boog zich dichter tot haar oor. â âZijne Majesteit de Keizer biedt u honderdduizend thaler, zoo gij tot onze politiek overgaat.quot;
Wilhelmine lachte luid. â âHonderdduizend thaler! â Een allerliefst zakgeld! Ik zou er ten minste een paar jaar lang bonbons en snoeperijen voor kunnen koopen! Maar, weet ge, lieve prins, ik houd niet van die zoetigheden, en ik ben Zijne Majesteit den Keizer zeer verplicht voor dit kleine zakgeld.quot;
âGij verlangt meer?quot; vroeg de prins dringend.
âIk verlang, mijnheer, dat ge mij met rust laat,quot; antwoordde zij met waardigheid: âik ben niet te koop, zooals ge ziet! Ge moet u ter dezer zake met mijnheer von Bischofswerder verstaan; en nu, heer prins, zoo ge er niets tegen hebt, is onze conferentie ten einde.quot;
âDat heet: ge wijst mij bepaald af?quot; vroeg de prins haastig: âGe behoort tot de aanhangers van Hardenberg?quot;
âO, mijnheer,quot; antwoordde zij trotsch: âik behoor tot geen aanhangers! Ik ga mijn eigen weg, en naar 't mij schijnt, zullen vnj elkander op dien weg niet ontmoeten!quot;
âMisschien wel!quot; riep de prins geraakt: âHet kon wel zijn, dat onze wegen elkander ontmoetten, madame; maar ik vrees, het zal niet tot uwe vreugde zijn. Ik waarschuw u, tart Oostenrijk's vijandschap niet, want zij zou u nadeelig
92
kunnen zijn. Men weet het zeer goed, dat het Pruisische volk niet bizonder gesticht is met madame Eietz; men weet óók dat de Kroonprins van Pruisen niet tot hare vrienden behoort, en het zou hem welkom zijn, zoo men hem de gelegenheid gaf, om madame Rietz âquot;
Wilhelmine nam de schel van de tafel en schelde zóó heftig, dat zij de woorden van den prins overstemde.
âOpen de deuren!quot; riep zij den binnenijlenden lakei toe: âZijne Doorluchtigheid wil heengaan; â open de deuren, wiid, zooals het betaamt voor den gezant van Zijne Majesteit den Keizer!quot;
De prins wendde zich bleek van toom tot haar. âMadame,quot; zeide hij zacht: âhet zal u berouwen. Ik waarschuw u. Of gij ondersteunt ons, en overreedt den Koning het tractaat met Frankrijk niet te onderteekenen, öf...quot;
âOf â hij onderteekent het!quot; viel 'Wilhelmine hem luid lachende in de rede; âIk heb de eer u te groeten, mijnheer de prins!quot;
Zij wendde zich om, zonder hem verder met een woord of groet te verwaardigen. De prins ging heen, en in de voorkamer hoorde hij nog Wilhelmine's vroolijken lach.
âHonderdduizend thaler!quot; zeide zij schouderophalend: âMen houdt mij voor een bedelares, die men met een bagatel kan omkoopen. Honderdduizend thaler! quot;Voor mijn echtgenoot den schoenpoetser mag dit eene fraaie som zijn. Maar ik'! Wat vraag ik naar geld? Wat geef ik om deze ellendige thalers, die door de wereld rollen als duivels, en zielen koopen voor een spotprijs! Maar het is tijd mij te kleeden, hoog tijd! Sophie, Sophie!quot; riep zij met luider stem: âKom hier, laat ons toilet maken!quot;
De kleine, behangen deur, die naar de toiletkamer voerde, opende zich; â doch 't was niet Sophie, die binnentrad, maar een hooge, statige mannengestalte. Wilhelmine staarde haar aanvankelijk geheel verschrikt aan, doch barstte vervolgens in een luiden lach uit.
âWonderbaar,quot; zeide zij: âEuropa dringt zich heden, naar 't schijnt, aan mij op! De Oostenrijksche gezant heeft mijn lakei omgekocht om tot mij te komen, en lord Spencer, de Engelsche gezant, is, zooals ik zie, met mijn kamenier in verbond. Wat wenscht ge? Wat brengt ge mij, lord Spencer? Want ge zijt er nu eenmaal, en het zou tegen de
93
hoffelijkheid zijn, zoo ik mij den schijn wilde geven, u niet te zien. Dus, wat brengt ge?quot;
âTen eerste, dierbaarste, bekoorlijkste en schoone vriendin,quot; riep de lord met ophef: âten eerste breng ik u hier het schrijven van onzen gemeenschappelijken vriend, sir Arthur Paget.quot;
âHa, van den lieven sir Arthur!quot; zei Wilhelmine: âHij komt dus niet zelf? Het is hem dus niet gelukt, de sub-sidiën van Engeland weder los te krijgen? Ge weet immers, lord, dat hij met dit oogmerk naar Engeland is gegaan; want ik had hem gezegd, dat dit het éénige middel was, om den Koning bij zijne alliantie met Engeland tegen Frank-riik te behouden. Zeg dus spoedig: worden de subsidiën bewilligd?quot;
âWij hopen dat het parlement ze bewilligen zal; maar ik bid u, lees eerst den brief van sir William Paget.''
Wilhelmine nam het haar gereikte papier, sloeg het schielijk, open en las met haastigen blik.
âDie lieve sir Arthur,quot; zeide zij vervolgens: âhoor wat hij mij schrijft: âDe wending, welke de zaken nemen, is onberekenbaar. Om Godswil, aangebedene, spoor den Koning tot handelen aan. De algemeene en bizondere rampen, waaraan wij prijs worden gegeven, zijn zeer groot. Mij blijft slechts de eenige troost, op u te mogen rekenen. Adieu, aanbiddelijke Wilhelmine. â Ik zou geheel neerslachtig zijn, zoo ik niet aan u dacht en op u hoopte!quot; â Wat zegt ge er van?quot;
âIk zeg dat ik volkomen de zienswijze van mijn vriend deel. Ja, wij hopen op m, madame! In uwe handen ligt Europa's lot. Ik bezweer u, doe alles om dezen heilloozen vrede met Frankrijk tegen te gaan! Frankrijk is de grootste vijand van Duitschland, vergeet dat niet. Hij heeft nu reeds den linker Rijnoever veroverd; 't zou tegen Pruisens waardigheid zijn, hem dien te laten, 't Zou zooveel zijn, als voor de geheele wereld te bekennen, dat Frankrijk machtiger is dan Pruisen, ja, dan Duitschland in 't geheel; en men moet alles aanwenden, om geen vredesverdrag te onderteekenen, dat Duitschlands schande en de omverwerping der Duitsche staatsgesteldheid ten gevolge zou hebben.quot;
âEn dat bovendien zeer geschikt zou zijn, om Engeland schrik aan te jagen!quot; zei Wilhelmine met een sluwen
quot;
94
glimlach; âEngeland zou zich niet zoo beijveren voor Duitsch-lands welzijn, zoo het niet een weinig aan zijn eigen welzijn dacht, en zoo 't hem niet gevaarlijk scheen voor zijn eigen belangen, dat Pruisen zich met Frankrijk verbond. O mijn lieve lord, spreek dat niet tegen! Engeland is ten allen tijde een goed rekenmeester geweest; en het welzijn der volken en de eer van Duitschland zijn hem niet zoo gewichtig, als zijne handelsbelangen en geldzaken.quot;
âIk wil 't u toestaan, Minerva,quot; zei de lord: âaan uw doordringenden blik ontgaat niets. Welnu dan, bevorder Engelands belangen! Maak dat de Koning dit tractaat niet onderteekent! Ik bezweer u op mijne knieën madame,quot; voer de lord voort, terwijl hij zijn lange, stijve figuur tot een kniebuiging dwong: âhelp ons, madame! Verschaf mij een geheime audientie, terstond in dit uur, bij Zijne Majesteit, en vergun mij, voor dit geschenk uwer genade u een tegengeschenk te doen. Een geheime audientie bij den Koning, en ik geef u in naam van Engeland, een geschenk van eenmaal honderdduizend guinjes.quot;
âEenmaal honderdduizend guinjes!quot; herhaalde Wilhelmine peinzend: âdat zijn, zoo ik goed reken, bijna zevenmaal honderdduizend thaler! O, een aanneembaar bod, mijn lieve lord; en wanneer, zoo ik u deze audientie bezorg, â wanneer ontvang ik het geld?quot;
âDadelijk! Ik heb een wissel op de bank van Engeland bij mij, in de hoop dat wij ons zouden verstaan, madame; ik bezweer u, neem dezen wissel aan, laat mij een audientie bij den Koning hebben, en ondersteun mijn verzoek om het niet onderteekenen van het tractaat.quot;
âWat het laatste betreft, willen wij dit onbepaald laten, want de wil des Konings is wet!quot; zei Wilhelmine: âmaaide audientie wil ik u bezorgen, zoo ge mij hiervoor het kleine billet-doux wilt geven.quot;
De lord hief zich van zijne knieën op, en met een eerbiedige buiging reikte hij Wilhelmine het papier.
âWanneer zal ik de audientie hebben, madame? Ik herhaal, het heeft haast, want ik weet stellig dat Hardenberg heden nog terug zal keeren.quot;
âGe zult de audientie binnen twee uren hebben; want ongeveer zooveel tijd zullen wij behoeven, om van hier naar Potsdam, â naar het nieuwe paleis, te komen en dooreen
95
achterdeurtje in 't kabinet des Konings te sluipen. Kom, mijn rijtuig staat gereed. Maar wij mogen niet te zamen rijden, opdat de politieke klappijen geen stof hebben, om in alle nieuwsbladen uit te bazuinen, dat Engeland en Pruisen een nieuw verbond met elkander gesloten hebben. Ge weet immers, die klappijen bewijzen mij soms de eer, mij met Pruisen te verwisselen, 't Is kluchtig, waarlijk kluchtig; de trompettersdochter Wilhelmine Enke voor zulk een gewichtig personage te houden! Ge hebt uw rijtuig hier, nietwaar?
âIk heb mijn rijtuig, madame, en ik ben trotsch genoeg te gelooven, dat er in geheel Berlijn geen twee zulke hard-loopers zijn, als die voor mijn rijtuig gespannen zijn. Zoo ge 't vergunt, verwijder ik mij, en zal de eer hebben, u misschien een uur lang te Potsdam op te wachten.quot;
Hij kuste dankbaar de hem gereikte hand van quot;Wilhelmine, en verwijderde zich. Zij oogde hem schouderophalend na.
âDie ijdele dwaas,quot; zeide zij zacht voor zich, terwijl zij zich door de geroepene kamenier met hoed en mantel liet kleeden: âhij gelooft mij omgekocht te hebben met zijn zevenmaal honderdduizend thaler! 't Is toch een erbarmelijk gebroedsel, de menschen! Met geld meenen zij alles te kunnen veroveren. Deze lord Spencer heeft het wèl verdiend, dat ik hem een kleine teleurstelling bereid. Hoe slecht kent mij dit volk, zoo het meent, dat het mij eeniglijk om geld te doen is.quot;
âHoor, Christiaan,quot; beval zij vervolgens haren koetsier, toen zij los en bevallig als een jong meisje in het rijtuig wipte: âhoor, Christiaan, rijd heden zoo snel mogelijk. De heer, die zooeven is weggereden, meent dat hij een uur vroeger dan wij te Potsdam zal zijn.quot;
âHij heeft uitstekende hardloopers, madame,quot; zei de koetsier, zijn gegalloneerden hoed afnemende; âhij zal er wel vroeger zijn dan wij.quot;
âChristiaan,quot; riep Wilhelmine verstoord: zoo ge eer in 't lijf hadt, zoudt ge zeggen: wij zullen er tegelijk met hem zijn!quot;
âIk zou dat gaarne zeggen, madame,quot; bromde Christiaan: âmaar wie zal de paarden betalen, als zij dood nedervallen?quot;
âIk!quot; riep Wilhelmine: âen wat meer is: ik geef u vijf thaler maandelijksche toelage, zoo ge met dien heer ten minste tegelijkertijd te Potsdam aankomt, â onverschillig
96
of de paarden later dood vallen. Ik zeg niet, hoort gewei, dat ge vóór hem moet aankomen, maar tegelijk met hem.quot;
Vijf thaler maandelijksche toelage!quot; grijnsde Chnstiaan: 't is jammer van de paarden, want 't zijn zeer prachtige dieren. Maar wij zullen tegelijkertijd aankomen, maak hieiop
staat, madame!quot;
Hij sloeg op de paarden, en in dollen galop ging het vooi-waarts op den weg. Zeer ver aan den horizont, als een zwarte stip, zag men het rijtuig van den lord. Maar allengs werd de afstand tusschen de beide équipages minder, en Wilhelmine, die zich vèr uit het rijtuig gelegd, - en strak
naar de stip getuurd had, juichte toen deze zich vergrootte, â in een rijtuig veranderde, men de paarden onderscheidde, en nu ook het prachtige tuig zien kon.
âChristiaan, ge zijt een prachtige vent!quot; Ik geef u zes thaler toelage, als ge oud-Engeland overwint!quot;
En Christiaan sloeg op de paarden, dat zij steigerden en als razend voortstormden, steeds dichter en dichter het rijtuig van den lord naderende. Deze hoorde het donderend achtei zich aanratelen, en boog uit het rijtuig, om te zien wat ei te doen was. Hij zette een tamelijk verbaasd gezicht, toen hij, vèr uit het rijtuig geleund, Wilhelmine gewaar werd.
Nu vloog haar rijtuig hem voorbij, en zij riep hem toe: âIk dacht dat ge reeds te Potsdam waart, lord!quot; â
En voort ging het in snelle jacht, voorbij.
âChristiaan, zoo ge oud-Engeland overwint, ben ik in staat
u een kus te geven!quot;
Achter haar komt het donderend aangejaagd, en nu zij zich ter zijde buigt, ziet zij de dampende, snuivende paardenkoppen van 's lords équipage.
âMadame,quot; krijschte de lord haar uit zijn rijtuig toe: âiK; zal een uur voor u te Potsdam zijn.quot; En hij ijlde voorbij. Maar Christiaan sloeg op zijne paarden, en zij joegen in
dollen galop voort.
Een razende wedloop ontstond nu. Met vlammende, toornige oogen zagen de koetsiers elkander aan; van eei-zucht ontvlamd, renden de paarden voorwaarts, en binnen in de rijtuigen spoorden lord Spencer en Wilhelmine Rietz, juichend en berispend tot steeds nieuwen spoed aan.
Eensklaps klonk een jubelkreet van AVilhelmine s, â een kreet van woede van lord Spencer's lippen: want hij moest stil-
97
houden: een riem van het tuig was gebroken. Hij moest stil houden, om het in orde te laten brengen.
Van dit toeval gebruik makende, joeg Christiaan voort, onophoudelijk voort!
Maar daar kwam het weder aanratelen, en reeds dicht achter hen snoven de paarden van den lord.
âOud-Engeland voor altoos!quot; riep lord Spencer voorbij-jagende.
âLeve Pruisen!quot; juichte Wilhelmine, terwijl hare paarden hijgend voortholden.
Doch nu was het lord Spencer die een vreugdekreet slaakte, want het eene paard van Wilhelmine zonk levenloos ter aarde. Zij sprong uit het rijtuig, om te zien wat er gebeurde.
âIs het dood, Christiaan?quot;
âNeen, nog niet, maar het zal niet verder kunnen!quot;
âSpan het dan af, en laat ons het met het andere paard beproeven. Snijd de strengen door! Voorwaarts! Voorwaarts !quot;
Spoedig was dit verricht, en razend ging het nu weder voort.
âWij moeten hem inhalen, Christiaan!quot;
âEn wij sullen hem inhalen! Want ziet ge niet, madame, daar vóór ons, daar is hij, en naar 't mij schijnt, komt hij niet verder.quot;
âNeen, niet verder! â niet verder!quot; â riep Wilhelmine uit het rijtuig buigende.
â't Schijnt dat hij een ongeluk heeft gehad!quot; grijnsde Christiaan: âZijne beide paarden zijn gevallen.quot;
Het paard rende voorwaarts, en nu kwamen zij aan de plaats, waar lord Spencer woedend en scheldend naast zijn rijtuig stond, en met de zweep op de paarden sloeg, die ter aarde waren gestort, en zich niet weder wilden oprichten, in weerwil van alle pogingen van den koetsier en den lord.
Wilhelmine liet haar paard stil houden, en boog glimlachend uit het rijtuig.
âNu, mylord, bied ik u een plaats in mijn rijtuig aan. De politieke klappijen zullen er niets in vinden, zoo ik den gestranden Engelschman een plaats in de koets van Pruisen toesta. Kom. â Christiaan, rijd langzaam, want wij hebben nu niet meer zoo grooten haast. Uw zes thaler toelage
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VIL 7
98
maandelijks krijgt ge, en de Koning, denk ik, zal u nog een extra geschenk geven, als ik hem de allerliefste geschiedenis verhaal. Kom, mylord, stijg in.quot;
Maar de lord, mismoedig en treurig, bleek van toorn, weigerde dankend, en verklaarde, dat hij den korten weg tot aan het nieuwe paleis, te voet wilde afleggen.quot;
âLaat u dan bij mij aandienen,quot; zei Wilhelmine glimlachend: âik zal bevel geven, dat men u terstond tot mij voert. Rijd voort, Christiaan!quot;
En Christiaan sloeg op het paard. Maar vruchteloos. Het trachtte nog eenige schreden te doen, vervolgens zonk het hijgend op de knieën neder.
De lord naderde met ernstig gelaat het rijtuig, en opende het portier.
âMag ik u bij het uitstijgen behulpzaam zijn, madame? Wij hebben een allerliefsten wedren gedaan.quot;
âAllerliefst,quot; antwoordde zij lachend: âzoo het ieder onzer maar geen twee heerlijke paarden gekost had.quot;
âGe zult er morgen vier van echt Engelsch ras in uw stal vinden,quot; zei de lord, haar den arm biedende: âmag ik de eer hebben, met u naar het nieuwe paleis te gaan?quot;
Zij bewees hem die eer, en lachend en koutend gingen zij langs het naaste voetpad, door het park naar het nieuwe paleis.
Door een kleine achterdeur traden zij binnen, en in den gang zeide Wilhelmine den lord, haar te wachten. Toen ging zij verder, door den gang, naar de kleine geheime deur, die in de bizondere vertrekken des Konings voerde.
VIII.
DE ONDEETEEKENING VAN HET TRACTAAT.
In de antichambre vond Wilhelmine, tot hare teleurstelling, een heer in een met goud geborduurde uniform, fijn gekleed en gepoederd.
âBaron von Hardenberg! Zijt gij er waarlijk reeds?quot;
âJa, mijn schoone vriendin. Ik ben er, en ik gelo®f, dat het een geluk voor mij is, u hier te ontmoeten,quot; zei Har-
99
denberg, wiens fijn, geestig gelaat, zich bij Wilhelmine's binnentreden verhelderd had.
âFraai,quot; zeide zij glimlachend: âdit is nu de derdegroote diplomaat, die heden jacht op mij maakt.quot;
âHebben het reeds anderen gedaan?quot;
âDe Oostenrijksche gezant, en buiten in den gang staat de Engelsche gezant, die door mij een audientie bij Zijne Majesteil wil hebben.quot;
âMet het oogmerk, nietwaar, dat ge den Koning zoudt verhinderen, het tractaat, dat ik te Bazel heb gesloten, te onderteekenen ?quot;
Wilhelmine knikte. â âEn hoe komt gij hier in de antichambre, die slechts voor de vertrouwden des Konings bestemd is?quot;
Hardenberg boog zich met een fijnen glimlach tot haar oor. âMijnheer uw echtgenoot heeft altoos geld noodig, zooals ge weet, bekoorlijkste ; en juffer Baranius zal 't hem niet kwalijk nemen, zoo hij haar heden honderd louis d'or geeft.quot;
âEn waarom heeft hij u niet bij Zijne Majesteit binnengelaten?quot; vroeg zij.
Hardenberg zuchtte. âquot;Wijl Bischofswerder en Wöllner Zijne Majesteit heden vormelijk belegerd heuden, en hem voor Oostenrijk zoeken te winnen.quot;
âHa, zijn zij er, mijne vijanden!quot; zei quot;Wilhelmine, trotsch het hoofd achterover werpende: âdat is iets anders, baron. Dan kan ik u slechts raden: verlaat deze antichambre, want langs dezen weg zult ge niet in het allerheiligste komen. En mijn arme lord,quot; voer zij lachend voort: âhij zal lang moeten wachten, eer ik hem de audientie bezorg.quot;
âBezorgt ge hem een audientie bij den Koning?quot; vroeg Hardenberg haastig.
Wilhelmine knikte. - âJa; de onbeschaamde lord heeft deze audientie met honderdduizend guinjes van mij gekocht. Hij zal de audientie hebben, en een gratis les erbij! Vindt ge niet, Hardenberg, dat het schandelijk is, een vrouw als mij, met geld te willen onakoopen?quot;
âZeer schandelijk!quot; betuigde Hardenberg: âMen moest toch weten, dat zulk een fiere en edele vrouw als gij zijt, zich weinig om geld beko mrnert. Ja; zoo hij u nog een titel, een onderscheiding had aangeboden!quot;
En terwijl hij dit zeide, blikten de oogen van Hardenberg
100
met een haastigen, vragenden blik op Wilhelmme s aangezicht, en hij begreep den glimlach, die om hare lippen speelde, en den blos, die over hare wangen schoot.
âJa, zoo hij dat gedaan had!quot; â
Hardenberg boog zich dichter aan haar ooi. âik weet, zeide hij; âdat er twee zaken zijn, welke de beminnelijke, schoone en geestige Wilhelmine Rietz begeert.
Twee zaken!? Nu laat hooren, welke twee zaken, quot;ïen eersten zoudt ge gaarne het land der wondei en en der poëzie, â het schoone Italië bezoeken; want ge zijt een kunstlievende, geestige dame, en daarbij weet ge, dat men
aangenaam in Italië leeft.quot;
Wilhelmine knikte. - â't Is waar! Ik zou wel eens vroolijk, onbezorgd en gelukkig, van de schoone wereld willen
^E^^en tweede,quot; voer Hardenberg glimlachend voort; vindt ge 't, â sedert uwe dochter met graaf Stolbeig verloofd is, - niet gepast, dat de moeder der gravin Stolberg, slechts eenvoudig madame Rietz heet.quot;
Ge hebt wederom gelijk !quot; knikte Wilhelmme: â t Is zeei onaangenaam; en hij, die den Koning opmerkzaam maa^ e en hem zeide, dat het volstrekt noodzakelijk is, mij een verhooging van rang te verleenen, â zou stellig op mijne
dankbaarheid kunnen rekenen.quot; tt ^ v.
Ik neem 't op mij dit te doen,quot; antwoordde Hardenberg haastig: âik zal u van Zijne Majesteit de reis naar Italië bezorgen, en ik geef u mijn woord van eer, dat ge als gravin, vandaar naar Berlijn zult terugkeeren.
Een gloeiende blos vloog over Wilhelmme s gelaat âUw woord van eer, baron; ge geeft er mij de hand op?
Ik geef u de hand, en kus deze hand, en druk met mijne kus er mijn eerewoord op! Ge keert als gravin terug. Maar 't is beter dat het geschiedt, terwijl ge niet hier zijt; men ziet dan, dat de Koning het uit vrijen wil besloten heeft, en de praatjes zijn voorbij als ge komt.quot; ^ ,
Baron von Hardenberg,quot; zeide Wilhelmme met glinsterende oogen; âik geef u mijn woord, dat de Koning het
tractaat zal onderteekenen.quot;
gQ _ gravin der toekomst/' antwoordde Haidenbeig,
haar hand kussende; âik geef u mijn woord dat ge naar
Italië reizen, - en als gravin terugkeeren zult.
101
âMaar het zou zeer lief zijn,quot; zei Hardenberg glimlachend; âzoo gij 't óók bezegelen wildet.quot;
Wilhelmine lachte, en bood hem haar volle lippen tot een kus.
âZoo, en nu wij het zegel op het tractaat hebben gedrukt, nu willen wij aan het werk gaan. Blijf hier; ik weet nog een andere deur, door welke men in 't kabinet des Konings komt, â door zijn slaapkamer namelijk. Dezen weg zal ik nemen, en de heeren Bischofswerder en Wöllner uit het veld jagen.quot;
Zij knikte Hardenberg toe, en wipte uit de kamer, en door een zijdeur in de groote slaapkamer. Voor de kleine behangen deur, die van daar in het kabinet voerde, bleef zij staan, en luisterde.
â't Is waar,quot; prevelde zij; âBischofswerder en Wöllner zijn bij hem, en plagen mijn armen vriend weder met hunne Rozekruizers-geschiedenissen en hunne onzichtbare vaders.quot;
Juist hoorde men binnen, Bischofswerder's luide en krij-schende stem.
â't Is onmogelijk, dat Uwe Majesteit zich van den Keizer en het Rijk los maken, â en zich met de koningsmoorders verbinden wil!quot; riep Bischofswerder,
âNiet met de koningsmoorders,quot; antwoordde de Koning luid en heftig; âmaar met het volk van Frankrijk! ïk ben den oorlog moede, en wil niet de kastanjes uit het vuur halen, voor trouwelooze geallieerden en onwaardige kramerszielen. Oostenrijk onderhandelt heimelijk met Frankrijk; Engeland betaalt geen subsidiën; ik moet alléén mijn geld, mijn soldaten en mijne eer wagen voor Europa's welzijn.quot;
âDe onzichtbaren gebieden hun discipelquot; â hoorde men nu Wöllner met zijn neusaccent zeggen; â âgebieden hun discipel, dat hij zich aan hunne instellingen onderwerpt, en hun wil doet. Ik heb dezen nacht een verschijning gehad. De tempel der onzichtbare vaders deed zich voor mij open, en de Groot-Kophta stond erin met toornig aangezicht, schitterend als een god, donderend als het eeuwige wereldgericht. En als donder galmde het in mijn oor: âGa tot mijn zoon Frederik Wilhelm, en verkondig hem het bevel der onzichtbare vaders: Houden moet hij de wet en de trouw, welke hij den Keizer van het Duitsche rijk schuldig is. Hij zal de reine hand niet leggen in de met bloed bezoedelde moor-
102
denaarshand van Frankrijk! En deze belooning zal hij hebben voor zijne trouw.quot; Hier strekte de Groot-Kophta de hand uit, en een vlam viel er uit neder op mijn aangezicht. Ik voelde een vreeselijk brandende pijn op mijn voorhoofd; toen ontwaakte ik uit mijn zaligen droom, en vond dit.'quot;
âWat is het?quot; hoorde men den Koning vragen.
En daarop Bischofswerder's luide stem: âEen fleschje met levenselixer? â O wonder, o heerlijk geschenk van den Groot-Kophta. Zie, Majesteit; dit is een dier wonderbare fleschjes met den levensdrank, die slechts Cagliostro weet te bereiden, en welke hij slechts met eigen hand aan de uitverkorenen geeft. Uwe Majesteit heeft vroeger reeds zulk een fleschje van hem ontvangen, en zij herinnert zich wel, dat Cagliostro toen zeide: âAls de onzichtbare vaders met u tevreden zijn. Koning Frederik Wilhelm, dan zal ik u, als het fleschje ledig is, een nieuw geven.quot;
â't Schijnt dus,quot; sprak de Koning: âdat de onzichtbare vaders met mij tevreden zijn; want zij geven mij het fleschje met den levensdrank, schoon ik willens ben met Frankrijk vrede te sluiten. Geef hier, Wöllner! De onzichtbare vaders hebben mij het fleschje gezonden, het is dus mijn eigendom.quot;
âEn evenwel wil Uwe Majesteit het tractaat onderteekenen?quot; vroeg Bischofswerder.
âIk ben er vast toe besloten,quot; antwoordde de Koning; âwant ik heb dit als het beste erkend.quot;
âUwe Majesteit hebbe dan de genade, het fleschje te aanschouwen,quot; krijschte Bischofswerder.
Wilhelmine, die met ingehouden adem het gesprek gehoord had, bracht haar oog aan het sleutelgat, en keek er door. En het toeval wilde, dat zij juist de groep van den Koning en zijn beide vertrouwden, â die zich midden in de kamer bevonden, â ontwaarde.
âO, de bedriegers!quot; fluisterde zij zacht; âik zie het, hoe Wöllner nu het volle fleschje in zijn mouw moffelt, en een ander eruit neemt.quot;
âHet fleschje is ledig!quot; riep de Koning ontsteld: âmaar hoe is dat mogelijk? Ik heb het toch zooeven gezien, en toen was het vol.quot;
âEn thans, nu Uwe Majesteit verklaart met Frankrijk te
103
willen samengaan, thans is het ledig!quot; zei Wöllner plechtig, terwijl hij het fleschje weder terugnam.
âNeem de proef. Majesteit!quot; riep Bischofswerder: âzeg: Hoort mij, onzichtbaren, ik groet u en beloof u, dat ik het tractaat niet onderteekenen wil!quot;
De Koning herhaalde deze woorden.
âNu, Majesteit, neem het fleschje!quot;
âHet fleschje uit den linkermouw,quot; prevelde Wilhelmine; âis het volle fleschje!quot;
En door het sleutelgat heen bespeurde zij nu het verbaasde gelaat des Konings, die nu 't fleschje tegen het licht hield, en zag dat het vol was.
âThans is het gunstige oogenblik gekomen,quot; fluisterde Wilhelmine.
Zij sprong op, opende met haastige greep de kleine behangen deur, en trad de kamer binnen, terwijl de Koning nog het volle fleschje in de hand hield.
âMadame Rietz!quot; riepen Bischofswerder en Wöllner tegelijkertijd, haar met toornige blikken aanschouwende.
âJa, uwe onderdanige dienares, madame Rietz,quot; antwoordde zij, diep voor den Koning buigende: âUwe Majesteit had de genade te beloven, bij mijnheer mijn echtgenoot aan een déjeuner te willen deelnemen, en het gezelschap wacht tevergeefs.quot;
âHa, 't is waar!' riep de Koning met verhelderd gelaat: âIk heb dit inderdaad aan mijn waarde geheim-kamerheer beloofd, en 't is lief van u, Wilhelmine, dat ge er mij aan herinnert. De onzalige politiek neemt al onze gedachten in, en gunt ons nauwelijks een vrij oogenblik. Maar wij moeten ons met geweld vrij maken, Wilhelmine; want men is aan zijn volk en zijn land schuldig, zich soms versterking en verpoozing te gunnen.quot;
âUwe Majesteit beveelt dat wij haar verlaten?quot; vroeg Bischofswerder somber.
âTot morgen, mijneheeren,quot; zei de Koning, hen toeknikkende: âwii spreken morgen verder over deze zaken. Vaartwel!quot;
Hij knikte beide heeren toe, die zich met verdrietige en sombere gezichten naar de deur wendden.
Maar juist toen Wöllner achter Bischofswerder heen wilde gaan, ijlde Wilhelmine hem na, en hield hem vast.
104
âEen oogenblik nog, mijnheer de minister,quot; zeide zij met een vriendelijken glimlach: âik wilde u een enkelen kleinen raad geven.quot;
âWelken raad, als ik verzoeken mag?quot; vroeg Wöllner: âWij arme, kortzichtige menschenkinderen moeten ootmoedig van elkeen raad aannemen, en er dankbaar voor zijn.quot;
âIk wilde u slechts den raad geven, mijnheer de minister, uwe goochelkunsten beter te leeren, en u vooral meer te oefenen in het spel; âfleschje vul u!quot;
âIk begrijp u niet, madame,quot; zei Wöllner, de dikke wenkbrauwen samentrekkende.
âGe begrijpt mij niet!quot; â O, Majesteit; ik verzoek u om de eenige gunst: beveel mijnheer den minister, het ledige fleschje, dat hij in den linker roksmouw heeft gestopt, eruit te halen.quot;
Wöllner ontstelde, en wilde zich uit Wilhelmine's hand, die hem vasthield, losmaken.
âScherts met anderen, madame, en laat mij met vrede.quot;
âIk bid u. Majesteit, beveel het hem!quot;
De Koning lachte. â âGe zijt zeer overmoedig, Wilhel-mine, en gaat te ver met uw scherts.quot;
âHet is geen scherts. Majesteit! 't Is volkomen ernst! Beveel mijnheer den minister, dat hij den linkerarm omlaag houdt, en een weinig schudt, dan zullen wij zien!quot;
âWelnu, Wöllner, doe wat zij zegt!quot; riep de Koning lachend: âBeschaam de ongeloovige!quot;
â't Spijt mij. Majesteit, aan zulke kinderachtigheden niet te kunnen toegeven!quot; antwoordde Wöllner met somberen blik.
Maar terwijl hij dit zeide, voer Wilhelmine's hand met een haastigen greep in den wijden mouw van den zijden rok, en haalde er het fleschje uit.
âHier is het, hier is het!quot; riep zij juichend, terwijl zij lachend het fleschje omhoog hield: âHier is het geschenk der onzichtbare vaders!quot;
Wöllner had echter, terwijl zij danste en juichte, van het gelukkig oogenblik gebruik gemaakt, om haastig uit de kamer te sluipen.
De Koning had zich met verduisterd gelaat omgewend, en het fleschje, dat hem vroeger zoo kostbaar had geschenen, zette hij nu achteloos op de tafel.
Wilhelmine ijlde op hem toe, en kuste zijn hand.
105
âUwe Majesteit is niet verstoord op mij?quot;
âNeen,quot; antwoordde de Koning treurig: âik ben niet verstoord; maar het ergert mij, dat zich in het heiligste en verhevenste, goochelaarskunsten mengen; en 't hindert mij, dat zij, â welke ik alle reden heb te eeren en te beminnen, â zich van gemeene middelen bedienen, om mij te bedriegen.quot;
âEn evenwel,quot; vroeg Wilhelmine; âevenwel zegt Uwe Majesteit, dat zij alle reden heeft, zulke goochelaars en bedriegers te eeren? Deze mijnheer Bischofswerder, die zich steeds den schijn geeft, van niets te doen en niets te willen, en toch zeer eerzuchtig is, en zijn hand steeds in 't spel heeft; deze Wöllner -quot;
De Koning viel haar toornig in de rede: âEens voor al, het blijft er bij: geen woord tegen Bischofswerder en Wöllner! Ik heb hun verboden tegen u te intrigeeren, en ge weet, ik heb hetzelfde met u gedaan! â Intusschen,quot; voer de Koning met zachter stem voort: âditmaal ben ik u toch dank schuldig, dat ge aan dit zotte tooneel een einde hebt gemaakt.quot;
âEn weet Uwe Majesteit,quot; vroeg zij zacht en vleiend: âweet zij, waarom ik juist op dat oogenblik binnentrad? â Wijl ge het volle fleschje met levenselixer in de hand hadt, en ik wenschte, dat ge het behouden zoudt. Want men moet bekennen: de middelen van mijnheer Cagliostro zijn waarlijk goed en mooi, en Uwe Majesteit doet wèl zich er van te bedienen. Het levenselixer heeft wonderbare krachten, en ik wilde dus niet, dat die sluwe goochelaar Wöllner het u weder afnam, zoo Uwe Majesteit niet beloofde het trac-taat te onterteekenen. Wij zullen nu zien of, â zoo Uwe Majesteit het doet, â het levenselixer vervliegt, en zich tot niets oplost.
âDat ongelukkig tractaat!quot; zuchtte de Koning: âSedert drie dagen hoort men van niets anders; en 't is eindelijk tijd, dat wij er mede gereed komen!quot;
âJa, waarlijk tijd,quot; zei Wilhelmine, zacht en haastig: âen ik hoop, dat Uwe Majesteit er nog heden mede gereed komt. Maar Majesteit, vooraf bid ik nog om een gunst.quot;
De Koning staarde haar verwonderd aan, en zag toen naar het fleschje met levenselixer.
âEen gunst? Nu, inderdaad hebt ge mijn dankbaarheid
106
verdiend, want het ge hebt fleschje voor mij verworven. Nu, wat is het, Wilhelmine?quot;
âIk verzoek Uwe Majesteit, dat zij lord Spencer, den Engel-schen buitengewonen gezant, een geheime audientie verleent. Hij wil Uwe Majesteit nog in het laatste oogenblik bezweren, dat ge het tractaat niet onderteekent.quot;
âHet tractaat, en altijd het tractaat!quot; riep de Koning: âEn gij, Wilhelmine, wilt dezen heer tot mij voeren?quot;
Zij 'knikte. â âIk heb hem beloofd, dat hij bij Uwe Majesteit een audientie zou hebben, en ik bid mijn koninklijken genadigen gebieder dringend, hem die te verleenen.quot;
âNu,quot; zuchtte de Koning: âleid hem dan binnen.quot;
âMaar, nietwaar,quot; fluisterde Wilhelmine: âUwe Majesteit maakt vrede met Frankrijk ? 't Is ondragelijk steeds van niets dan krijgsrumoer en kanongebulder en soldaten te hooren; en deze gehate Fransche republikeinen zouden eindelijk nog in staat zijn, de wèlverdiende lauweren van 't hoofd mijns aangebeden Konings te rukken. Ik bid Uwe Majesteit: vrede met de Fransche republiek!quot;
âJa, vrede,quot; knikte de Koning: âOok ik ben eindelijk dezen nutteloozen oorlog moede, en ik wil vrede hebben. Breng mij den Engelschen gezant binnen! Hij mag zijn woord zeggen, en dan is het genoeg voor altoos!quot;
Wilhelmine sloop heen, en keerde reeds na weinige minuten met lord Spencer terug.
De lord boog diep en eerbiedig voor den Koning, die hem met een lichten hoofdknik groette, en naai- zijn begeerte vroeg.
âMajesteit, ik kom in naam van Engeland,quot; zeide de lord plechtig: âneen; niet alleen in naam van Engeland, maar ook in naam van Zweden, in naam van alle zeemogendheden, ja, ik mag zeggen: in naam van geheel Europa, en ik bezweer Uwe Majesteit in naam van al deze mogendheden, uw koninklijk zegel niet onder het tractaat te plaatsen, dat de baron von Hardenberg te Bazel met den vertegenwoordiger der Fransche republiek, den heer Barthelemy, gesloten heeft.quot;
âGe zijt dus gekomen, mylord, om mij een goeden raad te geven?quot; antwoordde de Koning trotsch: â'tis zonderling, dat Engeland zich bevoegd gelooft, mij ongenoodigd met zijn raad ter zijde te staan; daar het toch beter ware geweest
107
mij ter juister tijd daadwerkelijk te ondersteunen ! Voorwaar, de raad kost geen geld, terwijl de daden mij zeer veel geld gekost, â mijn kassen uitgeput, en de gelederen mijner soldaten gedund hebben. Hierbij heeft Engeland gezwegen; en zoo men nu van mij eischen wil, mij aan de verdragen te houden, dan vraag ik: of Engeland zich soms aan de verdragen heeft gehouden, en de subsidiën betaald heeft, die in het verdrag uitdrukkelijk gestipuleerd waren ?quot;
âMajesteit, juist ter opheldering van dit punt, ben ik gekomen! â Ik moet Uwé Majesteit in naam van Engeland en van de koninklijke regeering bezweren, nog slechts een korten tijd geduld te hebben. Het ministerie doet de uiterste pogingen, om van het parlement de noodige gelden te verkrijgen, en wij twijfelen niet, dat dit eerstdaags gelukken zal.quot;
âEn in dien tusschenlijd kan ik, â alleen en aan mijn eigen krachten overgelaten, â nieuwe nederlagen in den oorlog tegen Frankrijk afwachten !quot;riep de Koning: âen de vrede, die thans voor mij onder gunstige omstandigheden gesloten wordt, zou later, zoo ik er toe gedwongen werd, zeer on-voordeelig voor mij zijn. Neen, ik heb mijn vast besluit genomen, lord Spencer; en er is niets meer aan te veranderen. Ik zal het tractaat met Frankrijk onderteekenen, en vrede sluiten!quot;
âMaar Uwe Majesteit gelieve te bedenken, dat de Keizer van Duitschland dit als een oorlogsverklaring tegen zich beschouwen zal; â dat zij alle andere mogendheden van Europa tegen zich opruit, dat âquot;
âMylord,quot; viel de Koning hem heftig in de rede: âwie geeft u het recht, mij raad te geven en u in de aangelegenheden mijner politiek te mengen ? Als de Keizer van Oostenrijk het zwaard tegen mij opheft, welnu, dan zal ik hem tege-moettreden, en zoo de andere Europeesche mogendheden mijn vredesverdrag met Frankrijk als een oorlogsverklaring willen beschouwen, dan zullen wij zien, of Pruisen mèt zijn Franschen geallieerde niet sterk genoeg is, den oorlog tegen de andere Vorsten aan te nemen.quot;
âDit is uw laatste besluit. Majesteit?quot;
â't Is mijn laatste besluit! En zoo ge soms heden nog wilt vertrekken en naar Engeland terugkeeren, verzoek ik u, aan Zijne Majesteit den Koning van Engeland te zeggen, dat het mij leed doet, niet langer zijn bondgenoot te kunnen
108
zijn; dat ik echter in mijn hart steeds zijn getrouwe broeder en vriend blijven zal.quot;
âUwe Majesteit, ik neem afscheid met diepe droefheid in 't hart,quot; zei de gezant, diep buigende; âhet lot van Europa lag in dit uur in de handen van Uwe Majesteit, en âquot;
âEn ik hoop,quot; viel de Koning hem in de rede: âdat ik het niet uit mijne handen, onder mijne voeten heb laten vallen! Ik weet wel dat Europa's lot van dit vredesverdrag afhangt; en Europa, hoop ik, zal mij dankbaar zijn, dat ik tracht den vrede te behouden! Ga, lord Spencer, en zeg dit aan Zijne Majesteit den Koning van Engeland. De volken zijn er eigenlijk niet om elkander te verscheuren, maar om elkander in liefde, vrede en vriendschap de hand te reiken. quot;Wij moeten trachten, ons met de Fransche republiek te verzoenen; want zij is nu eenmaal een feit geworden, en 't is vergeefs, haar te ontkennen. Vaarwel lord Spencer!quot;
De lord boog diep, en ging langzaam naar de deur.
âEen oogenblik nog, mylord!quot; riep Wilhelmine, â uit de vensternis, waarin zij zich had teruggetrokken, haastig tevoorschijn komende, en op den lord toetredende: â âGij hebt nog iets vergeten.quot;
Lord Spencer zag haar verwonderd aan.
âIets vergeten? Wat dan, madame?quot;
Zij haalde uit den zak van haar kleed het papier, 'twelk hij haar vroeger gegeven had.
âDeze promesse, mylord,quot; zeide zij'met een fijnen glimlach, hem het papier reikende.
Lord Spencer verbleekte, en trad verschrikt terug.
âWelke promesse?quot; vroeg de Koning.
âEen promesse van zevenmaal honderdduizend thaler,quot; antwoordde Wilhelmine minachtend; âdeze Engelsche heeren gelooven, dat alles te koop en te verkoopen is; óók de liefde en de trouw. Majesteit! Mylord had de onbeschrijfelijke goedheid, mij zevenmaal honderdduizend thaler aan te bieden, zoo ik hem hiervoor een audientie bij Uwe Majesteit verschafte, en hem behulpzaam zijn wilde. Uwe Majesteit het vredesverdrag met Frankrijk niet te doen onderteekenen. Mylord wilde de goedheid hebben, mij subsidiën te betalen, maar ik ben een goede onderdane mijns Konings; dat wilde ik u slechts bewijzen, mylord; en daar ge aan Pruisen geen subsidiën betaalt, wil ik er óók geen aannemen. Ge hebt
109
uwe audientie gehad, mylord; maar vermits, ik u niet behulpzaam kan en wil zijn in uwe pogingen tegen het vredesverdrag, zoo geef ik u het gewichtige document terug. Ge zult ten minste in Engeland niet kunnen zeggen, dat Wilhel-mine Rietz, â de onderdanigste dienaresse van haren Koning, â zich door u heeft laten omkoopen!quot;
De lord nam met eenigszins beschaamde houding het papier uit hare handen, en haastte zich toen, met minder plichtplegingen dan hij gekomen was, het koninklijk vertrek te verlaten.
Frederik Wilhelm oogde hem glimlachend na; toen ging hij naar Wilhelmine, en sloot haar in zijne armen.
âGe zijt waarlijk een edel en zonderling schepsel,quot; zeide hij: âge hebt u in dit oogenblik een triomf bereid, Wilhelmine, die mijn hart van vreugde en trots doet kloppen. Ik dank u, dat ge dezen trotschen Engelschman vernederd en beschaamd hebt; ik zie het wel, en wist het immers reeds lang, Wilhelmine: gij bemint mij waarachtig, en u kunnen zij niet omkoopen! Maar gij, lieve trouwe verspilster, die zooeven om mijnentwille meer dan een half millioen hebt afgewezen, ge zult daarvoor van mij toch een genade aannemen, en ge moet in dit uur iets van mij verzoeken.quot;
âEerst en vóór alles verzoek ik, dat ge mij lief hebt, Friedrich,quot; zeide zij, zich innig aan hem klemmende.
âBewilligd! Bewilligd!quot; knikte de Koning: âEn nu verder! Ge behoeft niet om iets te verzoeken, dat ik u buitendien moet verleenen. Maar verder! Ik wil, dat ge iets grootsch, iets belangrijks van mij verzoekt; het beschaamt mij anders.quot;
âNu,quot; zeide Wilhelmine glimlachend; âdan verzoek ik vóór alles, dat Uwe Majesteit den baron von Hardenberg ontvangen, â en schielijk uwen naam onder het heillooze papier wil zetten, opdat het eindelijk uit de wereld is.quot;
âHardenberg is dus hier?quot; vroeg de Koning levendig.
âHij is hier, en verzoekt audientie. De heeren Bischofs-werder en Wöllner wilden hem niet laten binnenkomen, enquot;.....
âEn hij zal binnenkomen!quot; zei de Koning fier: âNiet heimelijk en door de achterdeur, maar door de groote antichambre moet hij komen; en de heeren Bischofswerder en Wöllner zullen moeten erkennen, dat noch hunne volle, noch hunne ledige flesschen, invloed hebben op mijne besluiten.quot;
En dit zeggende, schoof de Koning haastig het volle
110
fleschje met het levenselixer in zijn borstzak. Toen schelde hij, en beval den binnentredenden lakei, den baron von Har-denberg door de groote antichambre in het koninklijke kabinet tB vosron.
Wilhelmine Rietz kuste ootmoedig de hand des Konings.
âIk verwijder mij,quot; zeide zij: âde geheimkamerheer Rietz zal ongeduldig naar de gunst wachten, welke Uwe Majesteit hem beloofd heeft. Ik mag hem immers zeggen, dat ik als heraut kom, om de komst van onzen aangebeden Koning aan te kondigen?quot;
âZeg hem dit,quot; knikte de Koning: âik zal zoodra mogelijk komen. O, ik hoop, wij zullen een genoeglijk uur hebben, en de politiek een weinig kunnen vergeten.
Wilhelmine sloop door de kleine zijdeur heen, in hetzelfde oogenblik, dat de baron von Hardenberg in de wijd geopende deur der antichambre verscheen.
De Koning ging hem levendig tegemoet.
âGe brengt mij het vredesdocument, Hardenberg ?quot;
âJa, Uwe Majesteit, om u te dienen,quot; antwoordde Hardenberg plechtig: âIk breng het document dat aan Pruisen en Frankrijk, - dat aan geheel Europa, naar ik hoop, den vrede zal teruggeven. Europa bloedt uit duizend wonden, en zal de Koninklijke hand zegenen, die deze wonden sluit, door uwen naam onder het gewichtigste document te plaatsen, dat misschien in deze eeuw geschreven wordt!quot;
âEn ge hebt niets voor ons gered?quot; vroeg de Koning: âWij hebben van al de veroveringen, welke Frankrijk in den laatsten tijd gemaakt heeft, niets herwonnen?quot;
âMajesteit, wij hebben ten minste dit gewonnen, dat Frankrijk geen nieuwe veroveringen meer maakt. Wij zijn helaas tot deze inwilliging, â zooals Uwe Majesteit bekend is, â door de omstandigheden gedwongen geworden. De schatkist is uitgeput, en Uwe Majesteit is niet in staat, het leger verder op den voet van oorlog te bezoldigen. Oostenrijk zou behendig van de gelegenheid gebruik maken, om voor zich zelf vrede met Frankrijk te sluiten, en zoo het zich dan te zamen mèt Frankrijk tegen Pruisen keert, zouden ook de zeemogendheden, â deze kramerszielen, hun voordeel berekenen, en vinden dat het beter is, zich met de machtigen te verbinden. Want het is nu eenmaal de hoogste grondstelling der politiek: dat men steeds vrede moet maken
Ill
met hèm, die de macht in handen heeft, â en Frankrijk heeft thans de macht in handen.quot;
âIk erken dit alles,quot; zuchtte de Koning: âmaar smartelijk blijft het toch, dat wij aan Frankrijk den geheelen linker Rijnoever moeten afstaan, zooals het in dit tractaat bepaald is!quot;
âSire,quot; fluisterde Hardenberg zacht en glimlachend: âmen sluit geen tractaten voor de eeuwigheid, en wij moeten waakzaam zijn en hopen, dat het uur komt, waarin wij dit tractaat verscheuren, â en van Frankrijk den linker Rijnoever terug vorderen, dien wij thans, door de omstandigheden gedwongen, moeten opofferen.quot;
âWelnu, het zij zoo!quot; zuchtte de Koning: âwij willen op dat uur hopen; ik zal onderteekenen.quot;
Hardenberg haastte zich de medegebrachte acte te ontrollen, en haar voor den Koning op de tafel te leggen, vervolgens reikte hij den Koning de in inkt gedoopte pen.
Frederik Wilhelm beschouwde haar een oogenblik peinzend. âEén droppel zwarte inkt is voldoende,quot; zeide hij: âom aan een jarenlangen oorlog een einde te maken, en den donder der kanonnen te doen verstommen. Stroomen bloeds zijn uit de wonden mijner arme soldaten gevloeid, en deze enkele droppel zwart vocht maakt nu, dat alles vruchteloos is geweest. Ik onderteeken, Hardenberg, wijl ik niet anders kan; maar het doet mij in het diepst mijner ziel leed, en ik weet wel, dat er een dag zal komen, op welken men mij beschuldigen zal, wegens 'tgeen ik thans doe, en op welken Duitschland schreeuwen zal om den linker Rijnoever, dien wij helaas, aan Frankrijk moeten afstaan. Hardenberg! als dat geschreeuw klinkt, en ik er niet meer ben, treed dan op voor mijn naam en voor mijne eer, en zeg tot hen die tegen mij schreeuwen, dat ik waarlijk niet met vreugde en lichtzinnig dit document onderteekend heb, maar met een zwaar hart, en slechts met de bewustheid, dat het niet anders kon, en wij ons aan de omstandigheden moesten onderwerpen! En nu, zal het geschieden!quot;
Hij boog zich over het papier, en met een haastigen pennetrek, zette hij zijn naam onder het geschrift.
Hardenberg had hem met ingehouden adem gadegeslagen, en nu vloog een zonderlinge glimlach over zijn gelaat. Juist begon de groote pendule, die op de marmeren tafel stond,
112
met langzame, luide slagen, het twaalfde uur te verkondigen.
âSire,quot; zei Hardenberg plechtig: âeen nieuwe tijd en een nieuw uur breekt aan! Deze vijftiende April van 't jaar 1795 zal in Pruisens geschiedenis een eeuwig gedenkwaardige plaats innemen!quot;
De Koning boog zacht zijn hoofd, en staarde peinzend vóór zich. Vervolgens richtte hij zich langzaam weder op, en zag Hardenberg aan.
âWat dunkt u, Hardenberg; wat zou mijn groote voorvader op dit oogenblik in mijn plaats gedaan hebben?quot;
âSire, hij zou zekerlijk onderteekend hebben; want hij heeft dikwerf gezegd en verklaard: dat Frankrijk de natuurlijke bondgenoot van Pruisen is, en hij heeft wijders gezegd en geweten, dat Oostenrijk de natuurlijke vijand en benijder van Pruisen is, en dat Oostenrijk alles aanwenden zal, om Pruisen te vernederen en onder zijn voet te brengen, tot Pruisen den strijd tegen Oostenrijk zal aannemen en beproeven, dit overmoedige, verouderde en vermolmde Oostenrijk eindelijk in het stof te werpen, en het den voet op den nek te zetten. Hij, Frederik de Groote, heeft gezegd en geweten, dat de eenheid van Duitschland slechts dan mogelijk is, als één dezer mogendheden, â hetzij Oostenrijk of Pruisen, â bezwijke in den langen, honderdjarigen strijd. Majesteit! de onderteekening van dit vredes-tractaat met Frankrijk is de eerste stap, dien Pruisen doet om Oostenrijk te vernederen. Wij zijn het eindelijk een schrede vooruitgekomen, en in dit oogenblik begint een nieuw tijdperk voor Pruisen. Oostenrijk heeft tot nu toe geheerscht als Duitschlands meester; maar dit vredesverdrag van Bazel stelt den Koning van Pruisen voor het eerst als den gebiedenden meester van Duitschland voor; Uwe Majesteit veroorlove, dat ik haar het begin van dit tractaat voorleze.quot;
De Koning knikte, en Hardenberg nam het onderteekende document van de tafel en las:
âEr zal voortaan vrede, vriendschap en goede verstandhouding tusschen den Koning van Pruisen, zoowel als zoodanig, alsook in zijne hoedanigheid van Keurvorst van Brandenburg en lid van het Duitsche rijk eenerzijds, en de Fransche republiek anderzijds plaats hebben; de eerste zal diensvolgens zijn contigent rijkstroepen van het rijksleger
113
terugtrekken, en zijne over-Rijnsche landen in Fransche handen laten, tot er vrede met het rijk is gesloten.
âDe Koning van Pruisen biedt voor de andere Vorsten en Stenden des rijks, die met de republiek in onmiddellijke vredesonderhandelingen wenschen te treden, zijn goede diensten aan, weshalve Frankrijk de aan den rechter Rijnoever gelegen landen, een driemaandsche wapenstilstand verzekert.quot; ') âJa,quot; zei de Koning; âdat geeft ons een schijn van macht; maar de linker Rijnoever is ons toch ontrukt!quot;
âMajesteit,quot; lispte Hardenberg; âwij zullen hiervoor vergoeding op den rechter Rijnoever vinden. Ik heb hiervan gelukkig nog op het laatste oogenblik, van Frankrijk de verzekering verkregen.quot;
âVan onze vergoeding op den rechter Rijnoever?!quot; herhaalde de Koning: âdat heet, wij zullen een roofstelsel tegen onze eigen Duitsche bondgenooten aanwenden!quot;
Hardenberg glimlachte. â âEr zijn op den rechter Rijnoever zoo veel bisdommen, abdijen, stiften en rijkssteden, welke men reeds sinds den Westfaalschen vrede gewoon is als onbeheerd goed te beschouwen. Dit onbeheerd goed zal zeer gelukkig moeten zijn, door een zoo fleren en machtigen Koning aan zijn hart genomen te worden. De oude Keurvorsten en bisschoppen hebben zich overleefd, en Uwe Majesteit moet er naar streven, dat Duitschland één worde; dat heet: dat het niet langer onder zoovele kleine heeren staat. O, ik bezweer Uwe Majesteit, zie de toekomst niet zoo somber in! Ge hebt heden een groot werk volbracht, want ge hebt Duitschland den vrede gegeven.quot;
âWij willen het hopen!quot; zei de Koning: âEn als het ge-schiedt, dan ben ik het niet, maar gij in de eerste plaats, Hardenberg, die dit werk tot stand heeft gebracht. Ik dank u. Ge hebt u jegens mij als een trouw dienaar betoond, en ik zal er u voor weten te beloonen.quot;
âLaat mij uwe Majesteit nog verder mogen dienen, en ik ben genoegd beloond!quot; riep Hardenberg: âMaar één gunst zou ik in dit oogenblik willen verzoeken.quot;
â âSpreek, baron. Welke gunst?quot;
âUwe Majesteit veroorloove mij, haar een eerlijk en oprecht woord te zeggen. Ik zou misschien heden nog niet tot
') Neuere und neueste Geschichte, von Friedrich Förster, Band I. 385.
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII. 8
114
het geluk gekomen zijn, Uwe Majesteit het tractaat te kunnen overhandigen, zoo niet eene, door mij hoog vereerde dame, voor mij gesproken had.quot;
De Koning glimlachte. â âWilhelmine Rietz, nietwaar?
Hardenberg boog.
De Koning voer levendig voort: âGe hebt volkomen gelijk, mijn vriendin dankbaar te zijn en haar te vereeren; want, weet ge, Engeland wilde haar omkoopen, en heeft haar meer dan een half millioen goud geboden, zoo zij haar invloed op mij wilde aanwenden tegen het vredestractaat; en geloof mij, weinige dames van ons Hof zouden 't haar nadoen, â quot;zij heeft het geld geweigerd!quot;
âZij is werkelijk een groothartige vrouw,quot; fluisterde Hardenberg: âen juist over haar zou ik Uwe Majesteit eenige woorden willen zeggen. Ik zou mij wenschen te verstouten, de waarheid te zeggen: Heeft Uwe Majesteit niet opgemerkt dat madame Rietz sedert eenigen tijd er ziekelijk en lijdend uitziet?quot;
De Koning schrikte. - âGij gelooft dat zij lijdt?'
Hardenberg haalde de schouders op. - âZij durft u met zeggen, wat de artsen haar gezegd hebben. Hare gezondheid is aangetast. Men heeft, schijnt het, haar sedert jaren velerlei ergernis veroorzaakt en met speldeprikken gewond. Hare zenuwen zijn geschokt, en de artsen begeeren dat zij rust neme, en voor eenige maanden naar een zuidelijk klimaat ga. Zij hebben 't madame Rietz reeds herhaaldelijk gezegd, maar zij heeft geweigerd Uwe Majesteit er kennis van te geven; zij kan niet besluiten, zich van Uwe Majesteit te verwijderen.quot;
âZij zal het echter!quot; riep de Koning heftig: âzij moet naar Italië' gaan! 't Is noodig dat iets voor hare gezondheid gedaan worde, en zoo de artsen zeggen, dat een verblijf in 't Zuiden voor haar heilzaam is, dan moet zij nog heden op reis gaan.
â't Zal moeilijk zijn, madame Rietz er toe te bewegen, glimlachte Hardenberg: âwant zij heeft hare artsen verzekerd, dat zij liever vroeger wil sterven, dan van Uwe Majesteit gescheiden te zijn. Uwe Majesteit zal haar moeten hevelen naar Italië te reizen.quot;
De Koning knikte levendig. â âJa, ik zal 't haar bevelen. Zij moet naar Italië op reis, en wel reeds morgen!quot;
115
IX.
Hkt kleêkmakers-opeoer.
Het dejeuner bij den geheimkamerheer had tot in den nacht geduurd, en Wilhelmine Rietz was dus eerst laat in den avond uit Postdam teruggekeerd. Het was een dier schitterende, weelderige orgiën geweest, zooals die somwijlen in het kleine, met elegantie en weelde ingerichte huis van den kamerheer Rietz, plaats hadden. De schoone Baranius met hare zusters, een paar danseressen van het koninklijke ballet, hadden het, behalve madame Rietz bijgewoond, en de keur der voorname cavaliers had het zich tot eer gerekend, door den kamerheer Rietz op dit dejeuner genoodigd te worden, dat ook de Koning met zijne tegenwoordigheid vereerde.
Wel is waar, had Frederik Wilhelm reeds na weinige uren het kleine huis van zijn geheimkamerheer verlaten, en was naar het somber, statig paleis teruggekeerd, om het gebrnikelijke diner bij te wonen, en zijne ministers te ontvangen. Maar toen de avond aanbrak, waren al de eischen van de étikette en het koningschap ten einde, en Frederik Wilhelm was welgemoed en opgeruimd weder afgestapt in het kleine huis, waaruit vroolijk gezang en lustig gelach hem tegemoet klonk. â
Wilhelmine had haar bed verlaten, en in bekoorlijk negligé lag zij op den divan, dronk haar chocolade, en dacht glimlachend aan de pikante tooneelen van den vorigen dag.
De schoone Baranius had geen overwinning op haar behaald. Zij had haar groote zwarte oogen en den zoeten glimlach harer purperen lippen goed aangewend, maar Wilhelmine had deze wapenen der koketterie weten te verlammen door haar vroolijke scherts, hare bevalligheid en blijmoedigheid. En zij verheugde zich erover, en lachte luid van genoegen.
âJa, ja,quot; zeide zij; âzoo is ook de schoone Laïs door de schrandere Aspasia overwonnen! De Koning is een geestig man, zooals Pericles was, en een schoone geest heeft meer macht op hem, dan het schoonste lichaam.quot;
Zij dronk weder van haar chocolade, en liet peinzend den gouden lepel op haren vinger dansen en balanceeren.
116
âDe Koning heeft gezegd: hij wilde heden morgen bij mij komen. Ik zou wel willen weten wat hij wil? Zeker heeft Hardenberg hem reeds voor mij gesproken, en âquot;
Er werd zacht aan de deur geklopt, en de kamerdienaar trad binnen, en reikte haar op een gouden blad een sierlijk briefje.
âVan mijnheer den baron von Hardenberg! Geen antwoord noodig!quot;
Zij vouwde haastig het papier open en doorliep met haastige blik de weinige regels, die het bevatte.
â't Is, zooals ik gezegd heb. Hardenberg heeft den Koning opmerkzaam gemaakt, dat ik ziekelijk en lijdend ben, en de artsen mij tot genezing een reis naar Italië aanbevolen hebben. O, mijn lieve Hardenberg, ik zal u deze liefdedienst gedenken; want 't is waar, ik verlang naar Italië, ik verlang van hier; ik zou de wieken mijner ziel wenschen uit te slaan en vroolijk in de wolken te vliegen, ten hemel, gelijk de adelaar. Zij houden mij hier niet voor zulk een edel dier,quot; voer zij glimlachend voort: âen de Koningin en de Kroonprins en de Kroonprinses zouden zeer verstoord zijn, zoo zij hoorden, dat Wilhelmine Rietz het waagt, zich met den koninklijken adelaar, met het Pruisische wapenschild te vergelijken. â Wacht maar, gij allen, aWewâ Gij noemt mij thans een kraai, dat weet ik wel; maar de kraai zal de macht hebben, al hare belagers en vijanden de oogen uit te pikken, en zal zich herscheppen in een koninklijken adelaar! - Wacht maar tot ik terugkom uit Italië. â Dan zal ik mij wreken op al mijne vijanden, hoe hoog geplaatst zij ook zijn mogen. Allen zullen zich voor mij verootmoedigen en â Wat wilt ge weder, Jean?quot;
De kamerdienaar was onhoorbaar ten tweedemale binnengekomen en reikte haar andermaal op het gouden blad een brief.
âVan Zijne Excellentie den minister graaf Haugwitz! â De bediende wacht op antwoord.quot;
âGoed, ik zal schellen; wacht in de voorkamer.quot;
Toen Wilhelmine nu den tweeden brief openvouwde en las, verstijfde de glimlach op haar aangezicht, en haar voorkomen werd ernstig.
âIk begrijp niet wat dat beteekent? Wat schrijft toch de goede Haugwitz?quot;
117
En zacht voor zich las zij den brief: âDierbaarste, bekoorlijkste vriendin! In grooten haast slechts eenige woorden. â U dreigt gevaar! â Berlijn is in oproer. Men is algemeen ontevreden over het sluiten van het vredestractaat met Frankrijk, en naar 't schijnt, geeft men de koninklijke vriendin de schuld hiervan. â Ik herhaal u: Berlijn is in .oproer, en ik vrees, 't zal heden weder tot buitensporigheden komen, evenals destijds voor eenige jaren. Ik bezweer u, dierbaarste, onttrek u aan het gevaar. Leg dadelijk, na de ontvangst van deze regelen, een onopzichtig, bescheiden toilet aan, en begeef u door uwen tuin naar de achterdeur. Daai vindt ge een eenvoudig rijtuig gereed, dat u terstond uit Berlijn naar Potsdam zal brengen, waar in het cavaliershuis, dicht bij het marmeren paleis, een vertrouwde u verwachten, â en een kamer voor u gereed houden zal. De grootste haast is noodig! Laat ons niet in angst voor uw dierbaar leven en uwe veiligheid.quot;
Wilhelmine vouwde den brief weder dicht, en schoof hem bedaard aan haren boezem.
âDe goede Haugwitz! Hij is eigenlijk toch een bloodaard!quot; zeide zij: âik denk er niet aan, voor het hoofdfronsen van het gepeupel de vlucht te nemen. Ik ken dien troep, en ik zal er mij gerust door laten aanblaffen. Als zij genoeg geblaft hebben, houden zij weder op, en die hen getart heeft, is hun overwinnaar. Neen; ik blijf en wacht den Koning. Berlijn is in oproer! Zonderlinge bewering! Berlijn schijnt mij heden even stil en vreedzaam en vervelend als altijd, en Haugwitz durft beweren, dat Berlijn mij de eer bewijst, om mijnentwil oproerig te worden. Een allerliefste vleierij, die âquot;
Op dit oogenblik klonk van de straat een luid gerucht. Het klonk als het murmelen en bruisen van aanrollendè golven, als het fluiten en suizen van den wind, die over de baren vliegt.
Wilhelmine sprong op, en luisterend, met wijdgeopende oogen, met gloeiende wangen, als een leeuwin, die den vijand aantegenziet, stond zij daar. Steeds hooger bruiste beneden de woedende zee, steeds luider gromde de donder, en huilde en floot de storm.
De storm van het oproer! Wilhelmine kende en wist dat. Maar haar fier en moedig hart beefde niet; zij ijlde
118
naar het venster en zag naar beneden, â niet voorzichtig achter de gordijnen, maar het venster wijd open, ver er uit buigende.
Een vreeselijk gehuil van beneden ontving haar. â âZiet, daar is zij! Zij heeft ons verkocht aan Frankrijk! Schande over haar! Schande over de vriendin der Franschen!quot;
En honderde vuisten hieven zich dreigend tot haar op; en honderde oogen flikkerden naar het stoutmoedig gelaat dat zich boven aan het venster aan hen durfde vertoonen. Steeds woester en wilder werd het geschreeuw, het fluiten en brullen.
âWeg met haar van het venster; zij bespot ons, zij beschimpt ons; zij wil toonen, dat zij geen eerbied voor ons heeft! Zij heeft ons aan Frankrijk verkocht, aan Frankrijk!quot;
Een luide, woedende stem riep dit omhoog, en een lang mensch, op het ijzeren hek klimmenden, dat de Linden-allée begrensde, hief dreigend zijn gebalde vuist tegen haar op.
âZiet de boeleerster, ziet de vriendin der Franschen, zij hoont ons!quot;
Het volk brulde luid van woede en toorn.
âJa, zij hoont ons! Duizenden zijn gevallen op het slagveld, en zij heeft zich voor het bloed onzer soldaten laten betalen!quot; schreeuwde de man, die op het ijzeren hek stond: âDe Koning mag het tractaat niet houden; de Koning mag geen vrede maken met Frankrijk, met de moordenaars van zijn Koning!quot;
âGi-oed, zeer goed!quot; zei de kleine man, die nevens het hek stond, en tot den spreker opzag: âSpreek, roep wraak! Die vrouw moet boeten voor al het vergoten bloed!quot;
âJa, deze vrouw moet boeten voor al het vergoten bloed!quot; riep de lange man in het dichte volksgedrang: âZij heeft ons aan Frankrijk verkocht!quot;
Het volk brak bij dezen kreet opnieuw in een woedend gebrul los, en reeds hieven zich eenige, met steenen gewapende handen tegen het huis op.
âWij zullen haar uit haar fraai paleis halen!quot; riep de redenaar; âKomt makkers en vrienden! Zij is een vriendin der Franschen! Zij heeft gezegd: wij Duitschers kunnen niets dan drinken en aardappels eten! Niet eens hare kleederen laat zij door Duitsche kleermakers maken. Neen: zij
119
heeft expres een Franschen kleermaker laten komen, die voor haar werken moet!quot;
â't Is schandelijk! schandelijk!quot; riep men uit de menigte. âJa schandelijk en onteerend!quot; donderde de redenaar: âHet geheele gilde heeft zij beleedigd, en wij willen dit niet dulden! Zij zal ons niet aan Frankrijk verkoopen, en hare kleederen niet door Fransche kleermakers laten maken!quot;
âMijn waarde,quot; zei de kleine man, terwijl hij op het hek bij den langen redenaar klom: âmijn waarde, ge laat daar te duidelijk uw gilde spreken. Het komt er eigenlijk niet op aan, of zij bij een Duitschen of Franschen snijder laat werken. Het komt er op aan, dat zij het geheele Pruisische, â ja Duitsche volk aan Frankrijk heeft verkocht. Dit moet ge laten uitkomen.quot;
âLaat mij maar begaan,quot; zei de ander haastig: âhet volk moet weten rvaarom het oproer maakt; en het moet een haak hebben, om zich aan te houden! Meent ge dan, dat ik mijn geheele gilde tot opstand zou hebben gebracht, zoo ik hun niet gezegd had, dat deze vrouw voor ons gilde gevaarlijk wordt. Enkel om uw tractaat hadden mijne vrienden hun herberg niet verlaten, en zoo ik hun niet bepaald zeggen kan, dat hunne belangen gevaar loopen, zullen zij zeer spoedig naar huis gaan, en het te gevaarlijk vinden hier te muiten.quot;
âIk vind over 't geheel, dat er weinig geschiedt,quot; fluisterde de kleine man in de grijze, eenvoudige kleeding: âmet enkel te schreeuwen wordt niets uitgevoerd; men moet het huis aanvallen, men moet zich, zoo mogelijk, van deze vrouw verzekeren. Ge weet, als ge dit uitvoert, krijgt gij honderd thaler, en elk lid van uw gilde twee thaler.quot;
âMijn vrienden!quot; riep de lange snijder Schmidt nu, âmet enkel te schreeuwen en tieren is niets gedaan. Bedenkt dat deze vrouw de verraadster van het vaderland is! Bedenkt dat zij schuld is van dezen vrede met Frankrijk! Duizenden onzer zonen en broeders zijn gevallen in den strijd tegen Frankrijk. Moet hun bloed nu tevergeefs vergoten zijn? â Zij wil alles op Franschen voet inrichten; de Duitsche kleermakers zullen geen kleermakers meer zijn!quot;
âWee over haar!quot; brulde de menigte.
âJa, wee over haar!quot; herhaalde de lange snijder Schmidt: âwij willen haar straffen; wij willen haar ter verantwoording
120
roepen! Ziet, daar is haar huis; wij willen tot haar gaan en vragen of het waar is?quot;
âJa, wij willen 't haar vragen!quot; brulde de menigte. En nu rolden zij, als zwarte golven, op het huis toe.
âZeer goed!quot; zei de kleine man: âKom nu, laat ons verder gaan. Wij moeten ook den minister Haugwitz aanvallen!quot;
En terwijl nu een gedeelte der menigte op het paleis toestormde, trok de lange snijder Schmidt met zijn kleinen begeleider en een ontzaglijke troep menschen, wier getal nog steeds vermeerderde, langs de Linden naar het paleis van den minister von Haugwitz.
En daar stond hij, en declameerde tegen den vriend der Franschen, en hitste ook hier de menigte op, die zich tierend tegen het huis wendde.
Met elke minuut vermeerderde het rumoer. Uit alle straten stroomde het volk toe, aangevoerd door mannen van het eerzame snijdersgilde, die voor dezen dag de aanvoerders van het Berlijnsche volk waren geworden.
Spoedig echter kwamen ook van andere zijden mannen, die wilden trachten zich tegen den redenaar te kanten. De brandwacht der burgersoldaten was opgeroepen, en marcheerde nu voorwaarts tegen de drommen, die zich voor het huis van Wilhelmine Kietz hadden geschaard.
Maar men ontving de burgers met woedend gebrul en steenworpen; men drong op hen in en wierp ze achteruit, zoodat de eerzame burgers, door schrik aangegrepen, omkeerden en zich in wilde vlucht uit de voeten maakten. Hier en ginds waren de drommen reeds in de huizen gedrongen, hadden de deuren geopend, en zich toegang in de kamers verschaft. Met steenen beladen, namen zij plaats aan de vensters der eerste verdiepingen, en met wild geschreeuw beduidden zij hunne vrienden beneden op de straat, dat zij al de huizen moesten innemen, want dat er militairen zouden komen, en men die met steenen moest ontvangen, 't Was een woest getier en geschreeuw, dat allengs als een ontzaglijke golf door al de straten van Berlijn rolde.
En overal schreeuwde en brulde het: âGeen vrede met Frankrijk! Wij willen geen vrede met Frankrijk. Wij willen oorlog, oorlog met de koningsmoorders! Onze Koning mag geen vrede met Frankrijk sluiten! Wij willen het niet! wij dulden het niet!quot;
121
En duizenden stroomden nu naar het koninklijke Slot, want men wist dat Frederik Wilhelm van Potsdam te Berlijn was gekomen; en het tot steeds grootere woede geprikkelde volk wilde het hemzelven zeggen, dat het dezen vrede met Frankrijk niet dulden zou. In de dicht opeen gedrongen massa's slopen hier en ginds enkele mannen, die geld en fleschjes met brandewijn uitdeelden; en het geld en de brandewijn verhitten de gemoederen steeds meer, en steeds hooger steeg het woedend gebrul der menigte.
De Koning stond achter de gordijn van een venster van het Slot, en zag neder op de ontzaglijke zwarte zee, die beneden op het plein woedde en bruiste, en zag toen vragend om naar de ministers, die met bleek gelaat en angstig voorkomen achter hem stonden, en radeloos verstomd waren.
âHet schijnt,quot; zei de Koning bedaard; âdat eenofander^ babbelaar dezen lieden reeds van het vredesverdrag met Frankrijk heeft verteld; want voor zooveel ik hoor, roept het volk: Geen vrede met Frankrijk!quot;
âJa, Majesteit,quot; bevestigde Bischofswerder; âdat is het wat de menschen roepen: Geen vrede met Frankrijk! Het bloed onzer zonen en broeders zal niet vruchteloos gestort zijn!quot;
âUwe Majesteit moest dit den Berlijners vergeven,quot; merkte Wöllner met zijn schijnheilig gelaat en gebogen hoofd aan: âdeze goede menschen hebben hunne broeders en zonen in den strijd gezonden, en er zijn, zooals met weet, meer dan duizend Berlijners op de slagvelden der laatste jaren gesneuveld, 't Schijnt dezen menschen nu een hoon van hun smart, dat men vrede wil maken met de godloochenaars en koningsmoorders. Uwe Majesteit zij dus op uw getrouwe onderdanen niet vertoornd; er is slechts één woord noodig, en Uwe Majesteit zal zien, dat de oproerige menigte schielijk tot bedaren zal komen, en in liefdekreeten losbarsten zal voor haren Koning.
âEn welk woord zou dat zijn?quot; vroeg de Koning met luide stem, want het gebrul beneden maakte elk gewoon gesprek onmogelijk.
Wöllner trad nader tot hem. â âUwe Majesteit behoeft slechts op het balkon te gaan en te zeggen, dat zij aan de wenschen des volks toegeven, â en den vrede met Frankrijk niet houden zal.quot;
122
De Koning zag hem met trotschen, toornigen blik aan. âMijn lieve Wöllner,quot; zeide hij met een zachten spot in zijn stem: âdat geschreeuw hier onder schijnt mij slechts het gisten in het fleschje met het levenselixer, dat ge mij gisteren gaaft.quot;
âMajesteit,quot; riep Wöllner verbleekend; âik zweer...quot;
âZwijg!quot; gebood de Koning; âZweer niet! Ik vrees de revolutie niet in kleine fleschjes en in glazen water. Waar is Haugwitz?quot;
âHier, tot Uwer Majesteits dienst!quot;
De Koning wenkte den minister, en trad met hem in den uitersten hoek van het groote vertrek, waar het razen en tieren van beneden slechts gesmoord doordrong.
âGe hebt aan Wilhelmine geschreven?quot;
âJa, Majesteit.quot;
âZij zal dus reeds te Potsdam zijn, en er is niets voor haar te vreezen?quot;
âMajesteit, mijn bediende is zooeven gekomen en heeft mij bericht, dat madame Rietz niet naar Potsdam is gereden. Zij is in haar paleis gebleven, maar het volk bedreigt het, en is op 't punt de deuren te bestormen.quot;
De Koning trad levendig in de zaal terug. â âMen moet de militairen uit de kazernen laten halen; men moet eindelijk geweld gebruiken!quot;
Een adjudant ijlde heen om dit bevel over te brengen.
En de Koning trad weder aan het venster en zag, achter een gordijn verborgen, naar de tierende massa.
âEllendig gepeupel! Het bemoeit zich met politiek, waarvan het niets begrijpt. Het wil over het lot van het land meêpraten en verbeeldt zich, dat het de macht heeft mijn wil te besturen. Zij zullen het leeren, deze overmoedige Berlijners; zij zullen leeren gehoorzaam en stil te zijn, en zich aan den wil van hun Koning te onderwerpen. Ha, daar raarcheeren mijne troepen de breede straat op! Hoe brult en schreeuwt het volk, en maakt zich uit de voeten voor de soldaten!quot;
En de Koning wendde zich haastig tot den tweeder adjudant.
âGa naar beneden. Zeg den commandant: er moet mef geschoten worden. Men moet de menschen uiteen drijven, maar vooral zorgen niemand te kwetsen.quot;
123
Maar hij was nauwelijks heengegaan, toen de deur zich opende, en de dienstdoende kamerheer een deputatie van het stedelijk bestuur aandiende.
Het was de eerste burgemeester, begeleid door twee senateurs, die binnentraden.
,.Majesteit, in naam van Berlijn, in naam der burgerij bezweren wij u: laat de militaire macht naar de kazernen terug marcheeren.quot;
âOpdat de wanorde steeds grooter worde?quot; vroeg de Koning: âopdat het janhagel de huizen der stad bestorme, en den vrede der stad verontruste?quot;
âMajesteit,quot; verklaarde de eerste burgemeester: â'tis niets dan een kunstmatig, door onbekenden aangestookt rumoer, een kunstmatig aangeblazen vlam! Zoo men haar door de soldaten geen nieuw voedsel geeft, zal zij van zelve verdooven.quot;
âMeent gij de macht te hebben haar te verdooven?quot; vroeg de Koning.
âJa, Majesteit. De magistraat en de burgerij van Berlijn nemen het op zich de rust te herstellen, zoo Uwe Majesteit de genade wil hebben, de militairen naar de kazernen terug te doen keeren. Het zal ons gelukken de oproermakers uiteen te drijven; want de burgerij neemt geen deel aan het tumult, en slechts het opgeruide gepeupel heeft het veroorzaakt.quot;
De Koning knikte. â âWelaan; beproeft het, of ge uw woord vervullen kunt. De soldaten zullen naar hunne kazernen terugkeeren.quot;
Intusschen woedde het oproer op de straat nog altoos voort. De kleermakers hadden de geheele Linden ingenomen, de vensters der huizen bezet, en wachtten met woedend geschreeuw nog altoos op het naderen der soldaten, terwijl een ontzaglijke troep voor het huis van Wilhelmine Rietz verzameld was, en met steenen naar de vensters wierp.
Eenige barer trouwste vrienden en vereerders hadden zich bij het begin van het tumult tot haar begeven, en allen bezwoeren haar, heimelijk door den tuin te ontsnappen, waar nog altoos een rijtuig gereed stond, om haar weg te voeren.
Maar Wilhelmine lachte er om, en bespotte hare bevende vrienden wegens hunne vrees.
124
âLaat hen maar blaffen,quot; zeide zij; âzij zullen ten laatste wel heesch en maede worden, en het vuurwerk zal eindelijk knappend ineenvallen, zoodra de machinist zijn kruid heeft verpoft. Ge denkt misschien, dat het volk dit rumoer maakt? Ik ken den machinist zeer goed, en hij heeft mij gisteren reeds gedreigd, dat het zoo komen zou. â âOorlog met Frankrijk, of oorlog met u!quot; dit zeide mij de machinist van het vuurwerk hier beneden. En nu,denkt hij: de oorlog met mij is begonnen, en ik zal bezwijken. Hij bedriegt zich, o, hij bedriegt zich! Men moet mijn rijtuig inspannen, mijn open kales!quot;
âOm Gods wil, wat wilt ge doen?quot;
âWat ik doen wil, mijn lieve dikke Schmidts?quot; zeide Wil-helmine, zich lachend tot den rijken koopman Schmidts wendende; â den eerste, die tot haar gekomen was; â âwat ik doen wil? Ik wil een weinig door de straten rijden en het oproer bezien; en gij, mijn lieve Falstaff' zult mederijden!quot;
âDat kan u geen ernst zijn,quot; riep Schmidts ontsteld: âge kunt er onmogelijk aan denken, het oproerige Berlijnsche volk zoo openlijk te trotseeren.quot;
â't Is mij wel degelijk ernst,quot; lachte Wilhelmine; âen gij moet mij als cavalier ter zijde blijven. Geheel Berlijn kent immers den lieven dikken Schmidts en verheugt zich over zijn Falstaff. De dikke Schmidts zal heden mijn sauve-garde zijn. Ingespannen! Wij willen door de straten van Berlijn rijden, de Falstaff van Berlijn en ik!quot;
't Was vruchteloos dat Schmidts hiertegen protesteerde. Wilhelmine stond op haar eenmaal uitgesproken wil.
Zij riep haar kamenier, liet zich een met bloemen getooid hoedje en vervolgens den prachtigsten en fraaisten harer sjaals geven, en trad toen voor den grooten wandspiegel, om zich in haar schitterend toilet te beschouwen.
In hetzelfde oogenblik vloog rinkelend en dreunend een steen door de glasruit der kamer, en viel juist aan hare voeten neder.
âGe ziet,quot; riep de dikke Schmidts; âge ziet, madame, het is onmogelijk!quot;
âIk zie slechts, mijn lieve, dat de steen aan mijne voeten is nedergevallen,quot; zei Wilhelmine, terwijl zij met haarkleinen voet den steen stiet, zoodat hij dreunend over den
125
vloer vloog; âen mijn hoofd niet getroffen heeft. Kom, ik wil deze gekken bewijzen, dat ik niet bang ben!quot;
Zij nam den arm van den dikken Schmidts en trok hem, die hijgend en angstig haar nauwelijks volgen kon, uit de zaal en den trap af naar het voorplein, waar het rijtuig, door Christiaan bestuurd, juist voorgereden was.
Luchtig sprong Wilhelmine er in, en reikte lachend den dikken Schmidts haar hand, om hem bij het instijgen behulpzaam te zijn.
âGe volhardt er in?quot; vroeg Schmidts met bevende, angstige stem; âGe wilt ons beiden in doodsgevaar brengen?quot;
âHebt ge mij niet meermalen gezegd, Falstaff, dat ge mij bemint?quot; vroeg Wilhelmine schalksch: âMoet het u nu niet welkom zijn, met mij doodsgevaren te deelen, en mij te beschermen met uw edel lichaam? Luister maar, hoe het volk tegen de deuren stormt, en hoe verwonderd zal het zijn, als deze zich nu openen. Schuift de grendels weg, opent de deuren wijd, ik wil er uit!quot;
De beide rijknechts, die bleek en bevend ter weerszijden van de deur stonden, gehoorzaamden het bevel, schoven de grendels weg, en openden de deur der koetspoort.
Een ontzaglijke golf menschen stroomde en stortte hen aantegen. Maar Christiaan hief de zweep op en sloeg op de paarden, die hoog steigerden en met hunne voorpooten in de menigte sprongen. Brullend en schreeuwend week zij ter zijde, en nu rolde het rijtuig uit de koetspoort naar buiten op de straat, voorwaarts met snelle vaart.
Een vreeselijk gebrul ontving Wilhelmine. Dreigende vuisten verhieven zich tegen haar, mannen met knuppels gewapend, traden naar het rijtuig. Maar Christiaan sloeg altoos weder op de paarden, en door het gedrang en rumoer der menschen baanden zij zich een weg, en het rijtuig rolde verder langs de Linden.
Het volk, dat aanvankelijk geschreeuwd en getierd had, scheen nu van verbazing te verstommen.
Toen, aan den hoek der Linden- en Charlottenstraat, hield het rijtuig stil bij den schampsteen, waarop de lange kleermaker Schmidt stond, en met donderende woorden het volk opeischte, zijn gerechten toorn niet op te geven, maaiden Koning te bezweren, of ook zelfs te dwingen, den oorlog tegen Frankrijk voort te zetten.
126
Toen hij nu juist een zijner geweldige tirades geëindigd had, richtte Wilhelmine zich in haar rijtuig op, en klapte den redenaar luid hare goedkeuring toe.
âVoortreffelijk! Zeer voortreffelijk! mijn lieve!quot; zeide zij: âIk ben volkomen van uwe meening. Wij willen den oorlog voortzetten; voortzetten tot ge allen op het slagveld gebleven zijt. Nietwaar, goede Berlijners, 't is u immers te doen om uw bloed en leven voor uwen Koning op het slagveld te geven, en den oorlog voort te zetten tot eiken prijs?quot;
Niemand gaf antwoord op deze stoute vraag, en hier en ginds zag men de menigte terugwijken, als door een plot-selingen schrik bevangen.
âGra voort,quot; riep Wilhelmine, tot den langen redenaar gewend: âga toch voort met spreken, mijn lieve. Zeg het volk dat het gelijk heeft, zijn leven en bloed niet te ontzien. Ja, wij willen oorlog! Oorlog! Wij willen den Koning bezweren, alle Berlijners te wapenen, en hen naar de grenzen van Frankrijk te zenden â ten oorlog! Oorlog!quot;
âJa, dat willen wij,quot; riep de lange kleermaker: âwij willen â den Koning verzoeken den oorlog voort te zetten, en wee degenen, die hem dit verhinderen willen!quot;
âJa, wee, wee!quot; riep het volk, het dreigend woord herhalende: âWee over de vrienden der Franschen!quot;
âGe hebt gelijk,quot; zei Wilhelmine, altoos nog in haar rijtuig staande; âwee over de vrienden der Franschen! Ik behoor niet tot hen, en als gij 't begeert, wil ik zelve den redenaar daar tot den Koning voeren, opdat hij hem zeggen kunne, wat het Berlijnsche volk van hem vordert! Kom, mijn lieve, stijg in! Hei, Jean, open het portier! Deze lange heer daar en zijn kleine begeleider, zullen bij mij in 't rijtuig stijgen.quot;
De bediende sprong bevend van den bok en opende het portier. Maar de lange kleermaker Schmidt betoonde geen lust, aan de uitnoodiging te voldoen, en in het rijtuig te stijgen.
Hij was van den schampsteen gesprongen, waarop hij gestaan had; en wilde met zijn begeleider onder de menigte verdwijnen. Wilhelmine echter beval den bediende, hem te volgen en hare uitnoodiging te herhalen. Zij riep zelfs met luide stem tot de omstanders, dat zij hunnen redenaar en
127
aanvoerder tot haar brengen zouden, om hen tot den Koning te begeleiden.quot;
Het getier van het volk was inmiddels geheel verstomd; het scheen slechts nieuwsgierig naar de ontwikkeling van dit kleine tooneel te wachten, en klapte nu goedkeurend in de handen, toen de lange kleermaker en zijn kleine makker door eenige omstanders en den lakei van Wilhelmine Rietz schier gedwongen, het rijtuig naderden, en beiden op de voorste bank plaats namen.
âNu naar het slot!quot; beval Wilhelmine met luide stem den koetsier: âWij willen den Koning verzoeken den oorlog-met Frankrijk voort te zetten, al de Berlijners te wapenen, en van hen een klein leger te vormen, dat den oorlog met Frankrijk weder begint.quot;
Geen jubelkreet gaf antwoord. Verschrikt en ontsteld zagen de menschen elkander aan.
Christiaan behoefde zich nu niet meer met geweld met zijne paarden een weg te banen; de menschen weken schuw achteruit, en ongehinderd rolde het rijtuig langs de Linden naar het slot.
De Koning had juist den minister Haugwitz bevolen, dadelijk naar madame Rietz te zenden en haar te laten zeggen, dat zij den Koning niet in ongerustheid moest brengen, maar terstond naar Potsdam vertrekken, toen de deur zich opende, en de binnentredende kamerheer op den Koning toeijlde, om hem eenige woorden in het oor te fluisteren,
Frederik Wilhelm's gelaat verhelderde zich. â âZij is hier?quot;
De kamerheer boog. âOm u te dienen. Majesteit! Zij is hier, en wel begeleid van mijnheer Schmidts en twee zonderlinge gestalten, welke zij aan Uwe Majesteit wenscht voor te stellen.
âGeleid madame Rietz met hare begeleiders naar mijn kabinet,quot; zei de Koning: âik zal er dadelijk zijn. Haugwitz, 't is niet noodig dat ge naar madame Rietz zendt. Kom, ik heb u een mededeeling te doen, volg mij naar mijn kabinet.quot;
De Koning ging haastiger dan zijn zwaarlijvigheid hem anders veroorloofde, door de groote zaal en de aangrezende kamer, en trad zijn kabinet binnen, gevolgd door den minister
128
Haugwitz, wiens kleine gestalte den Koning met vlugge schreden volgde.
âEn zijt gij het waarlijk, mijn vriendin?quot; riep de Koning Wilhelmine toe, die op hem toeijlde, en de haar gereikte hand aan hare lippen drukte.
âJa, mijn koninklijke heer en gebieder, ik ben het zelve; en ge ziet, ik kom in zeer deftig gezelschap. Hier is mijn goede vriend, de heer koopman Schmidts. Ik had hem verzocht mede naar hier te komen, opdat Uwe Majesteit de genade mocht hebben, hem een vriendelijk woord te zeggen. Hij heeft mij met zijn lijf en leven beschermd, en ge ziet, als men zich achter zulk een berg verschansen kan, dan loopt men geen gevaar.quot;
De Koning lachte. â âIk dank u, Schmidts, en zoo ik u in eenig opzicht van dienst kan zijn, zeg het mij, en 't zal mij verheugen.quot;
Het gelaat van den dikken Schmidts straalde van vreugde. âMajesteit, ik ben door dit oogenblik reeds beloond voor alles wat ik had kunnen doen, en helaas niet gedaan heb. Want de moed en de geestkracht van madame Rietz alleen zijn te bewonderen geweest, en ik heb niets gedaan om ze te sterken.quot;
âEn wat zijn dat voor een paar zonderlinge knapen, die ge mij hier brengt, madame?quot; vroeg de Koning.
Wilhelmine zette een ernstig gezicht.
âIk verzoek Uwe Majesteit respect te hebben voor deze heeren: het zijn de hoofdaanvoerders der groote revolutie. Ik heb de vrijheid genomen, dezen grooten redenaar hier het juichende en tierende volk te onttrekken, en hier te brengen. Hij wil in naam van het geheele Eerlij nsche volk Uwe Majesteit bezweren, een klein leger van louter Eerlij ners uit te rusten, om ze naar den Hijn te zenden, om de Fran-schen te bevechten. Deze lange kleermaker dorst naar de eer, zich aan de spits van dit leger te stellen.quot;
âIs hij kleermaker?quot; vroeg de Koning glimlachend.
âJa, Majesteit, en wel een kleermaker die mij, weinige maanden geleden, een fraai stoffenkleed, dat ik bij hem wilde laten maken, totaal heeft bedorven. Ik was er een weinig toornig over en verklaarde, dat ik nu bij den nieuwen Franschen tailleur zou laten werken, en 't schijnt dat dit een hoofdreden der groote kleêrmakers-revolutie is geweest.
129
die heden Berlijn in schrik heeft gebracht, Majesteit, 't Is echter niet mijn schuld, dat de lange Schmidt zulk een onbekwaam snijder is.quot;
De Koning wendde zich tot den minister, die glimlachend achter hem stond. â âHaugwitz, laat dit mensch wegvoeren. Men moet zijn misdrijf streng onderzoeken en hem streng straffen, zooals de wet eischt en veroorlooft.quot;
âGenade! genade! Majesteit, genade!quot; riep de kleermaker, zich op zijne knieën nederwerpende: âik ben onschuldig! ik heb mij laten verleiden!quot;
âZwijg!quot; gebood de Koning: âvraag dien mensch, mijnheer de minister, door wien hij zich heeft laten verleiden, en wat hij hiermede zeggen wil.quot;
âMajesteit,quot; fluisterde Wilhelmine, zich dicht tot het ooi-des Konings buigende: âik geloof te weten, wat hij er mede zeggen wil. Bezie dezen kleinen mensch toch een weinig nauwkeuriger.quot;
De Koning richtte zijn blik met een onderzoekende uitdrukking op de kleine, havelooze gestalte van den persoon, die den kleermaker vergezeld had.
âIk ken hem niet,quot; zeide hij vervolgens zacht.
âMisschien wel,quot; glimlachte Wilhelmine: âik verzoek Uwe Majesteit met mij in gindsche vensternis te treden.quot;
De Koning volgde haar, en Wilhelmine voer haastig en zacht voort;
âDeze haveloos uitziende man is, naar ik geloof, een tamelijk voornaam personage! 't Is de graaf von Plönen, attaché bij het Oostenrijksche gezantschap, en een vriend van den prins von Reuss.quot;
âOnmogelijk!quot; riep de Koning luid, zich haastig tot den kleinen man omwendende.
Maar deze, als vermoedde hij den inhoud van 't gesprek, wendde zich even haastig om, en scheen te willen vermijden de oogen des Konings te ontmoeten.
âMajesteit, schijnbaar onmogelijk, maar waar!quot; zei Wilhelmine : âde gezant prins von Reuss was gisteren bij mij, en verlangde volstrekt, dat ik Uwe Majesteit van de ondertee-kening van het tractaat zou terughouden. Hij bood mij honderdduizend thaler, dat, in betrekking der enorme schulden van Oostenrijk, een tamelijk aanzienlijke som is. Ik wees natuurlijk dit aanbod af, en de prins bewees mij de
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VU. 9
130
eer, hierover zóódanig in toorn te geraken, dat hij zwoer, zich op mij te zullen wreken. Uwe Majesteit ziet, dat de gezant woord heeft gehouden. De kleermakers-revolutie is geheel en al slechts een kunstmatige, en Oostenrijk alleen heeft haar bewerkt.quot;
âDat is afschuwelijk!quot; riep de Koning; âik zal er van Zijne Majesteit den Keizer van Oostenrijk voldoening voor eischen en ....quot;
âIk bid Uwe Majesteit, spreek zacht,quot; viel Wilhelmine hem in de rede: âvoldoening eischen van den Keizer van Duitsch-land, heet: een nieuwen oorlog beginnen, en ik dacht, wij waren eindelijk den oorlog moede. Ik dwong den heer graaf slechts hier te komen, om Uwe Majesteit te bewijzen, dat het niet het goede Berlijnsche volk is, 'twelk oproer maakt, maar dat het slechts kunstmatig is opgeruid, en ik wilde derhalve om genade bidden voor het goede Berlijn. Straf de belhamels, laat eenige lieden in hechtenis nemen, en laat de anderen loopen.quot;
âWilhelmine,quot; zei de Koning schier bewogen: âzoo spreekt gij, â gij, die andermaal door het volk gehoond, aangerand en beleedigd zijt geworden?quot;
Wilhelmine haalde de schouders op. â âIk ben een dochter uit het volk, en 't is wel natuurlijk, dat ik het dus als mijne broeders en zusters liefheb, en niet wensch, dat hun om mijnentwil eenig leed geschiede. Wij hebben, dunkt mij, den heer gezantschaps-attaché nu genoeg beangstigd, en 'tzou goed zijn hem te ontslaan.quot;
De Koning knikte. â âGe hebt gelijk, Wilhelmine. Wij willen, om 't algemeen belang, deze intrige niet ontsluieren, maar ik zal er wèl voor zorgen, mij wegens deze nieuwe beleediging van Oostenrijk te wreken. Eigentlijk zou het dezen intrigant volstrekt niet schaden, zoo men den schijn aannam, alsof men volstrekt niet wist wie hij was, en hem zoude straffen, zooals een oproermaker en revolutionair verdient; en mij dunkt, dit zou de beste revanche zijn, welke ik op Oostenrijk in dit geval nemen kan. Heer minister von Haugwitz! Hebt ge den langen kleermaker laten wegvoeren ?quot;
Haugwitz was juist weder het kabinet binnen getreden, en beantwoordde de vraag des Konings toestemmend.
131
âOm u te dienen, MCajesteit. Ik heb hem aan de politie overgegeven, en hij is weggevoerd geworden.quot;
âEn wat dunkt u,quot; vroeg de Koning: âwat moeten wij met dezen tweeden belhamel beginnen ?quot;
âIk wacht Uwer Majesteits bevel.quot;
âNu; ik dacht, het zou het rechtvaardigste en verstandigste zijn, met hem te handelen, zooals wij met den anderen misdadiger gedaan hebben. Wij geven hem aan de politie over, dat heet, aan het gerecht; en men zal hem straffen zooals hij verdient. Maar vooral moet men oppassen, dat deze kleine monsieur niet ontsnapt, en als een muis in het muizengat wegkruipt.quot;
âMajesteit, ik zal mij haasten de noodige bevelen te geven,quot; verzekerde graaf Kaugwitz.
Het gelaat van den kleinen man was aschgrauw geworden, en zijn voorkomen drukte zijn diepe ontzetting uit.
De Koning zag het, en een glimlach speelde om zijne lippen. âZeg zelf, monsieur, vindt ge 't niet volkomen recht-vaardig, dat wij u â den bewerker der revolutie â even zoo behandelen als uwen makker?quot;
âMajesteit,quot; stamelde de kleine: âik... ik bid u om genade!quot;
âGeen genade!quot; riep de Koning: âG-e hebt mijn goede en getrouwe stad Berlijn in oproer en opstand gebracht! Ge zult er de schuld van dragen, dat de arme, door u verleide belhamels zwaar gestraft worden; en ik weet niet, waarom ik jegens u genade zou uitoefenen, daar ik jegens de anderen, welken gij verleid hebt, geen genade kan uitoefenen.quot;
âMajesteit, ik ben geen Pruisisch onderdaan!quot; stotterde de kleine: âIk____quot;
âHa, ge zijt geen Pruisisch onderdaan!quot; viel de Koning hem in de rede: âGe meent u achter een vreemden adelaar te kunnen verschuilen, nu het u niet gelukt is den Prui-sischen adelaar aan te randen! Weet ge, dat dit zeer ellendig en lafhartig gehandeld is? Zoo ge niet zulk een gering, erbarmelijk mensch waart, maar een edelman â zoudt ge u over deze eerloosheid moeten schamen!quot;
âMajesteit!quot; riep de kleine ontsteld.
âNu, wat wilt ge?quot; vroeg de Koning met trotsch opgeheven hoofd: âMeent ge misschien, dat ik u voor een edelman moet houden? Een edelman intrigeert niet, en sluipt niet
132
in het donker! Hij zet geen anderen tot strijd en oproer aan, en tracht dan zich zeiven te redden! Gij zijt geen edelman ! Gij zijt een gemeen kleèrmakersgezel! Ik wil niets met u te doen hebben; en om u te bewijzen, hoe weinig ik het buitenlandsche gespuis vrees, geef ik u de vrijheid weg te loopen, en u ergens te verstoppen. Ga !quot;
âUwe Majesteit vergunt immers, dat ik hem een kleine boodschap medegeef?quot; vroeg Wilhelmine.
En daar de Koning knikte, trad Wilhelmine op den kleine toe, die doodsbleek, met vast toegeknepen lippen naar de deur wankelde. Zij legde haar kleine witte hand op den bestoven groven rok van den man, en boog zich tot hem.
âGe hebt het gehoord, kleine misdadiger, de Koning veracht u genoeg om u te laten ontkomen, zooals men een giftige hagedis rustig weder in 't mos laat wegsluipen, waaruit zij gekomen is, om iemand in de hielen te bijten. Keer naar uw mos terug, en zoo ge er een andere hagedis in mocht ontmoeten, die den naam Reuss voert, zeg haar dan, dat de arme Wilhelmine Rietz ditmaal overwinnares is gebleven op den machtigen heer, die gisteren de genade had, haar met zijn vijandschap en wraak te bedriegen. Adieu, mijn kleine hagedis! Sluip terug in uw mos, en dank God voor de verachting die u heden redt!quot;
De kleine heer antwoordde slechts met een giftigen, vlam-menden blik, dien Wilhelmine Rietz met een luiden lach beantwoordde. Vervolgens opende hij met bevende handen de deur, en sloop naar buiten. â
De magistraat vervulde inmiddels de belofte, welke hij den Koning gegeven had. De soldaten waren naar hunne kazernen teruggekeerd, en de politie- en burgerwacht bezetten de straten, die echter, sinds de kleermaker Schmidt in hechtenis was genomen, en de dreigende woorden van madame Rietz onder de menigte bekend waren geworden, zich meer en meer geledigd hadden. De idee, om de inwoners van Berlijn uit te rusten en ten strijde tegen Frankrijk te voeren, scheen weinig enthusiasme op te wekken, en men zag juist de vurigste schreeuwers en degenen, die het verwoedst uitgevaren hadden tegen het vredestractaat, zich nu ijlings verwijderen, en door de straten naar hunne woningen snellen. Langzamerhand werden de straten ledig; de kleêrmakers-gezellen, die de daken der huizen onder de Linden bezet
133
hadden, klommen weder af, en vielen in handen, der politie-en burgerwacht. Men maakte kort proces met hen. Men hield ze eenige dagen op water en brood gevangen, vervolgens strafte men hen met roedeslagen en liet ze loopen. Alleen de hoofdaanvoerder, de lange kleermaker Schmidt, werd tot den kruiwagen bij den vestingbouw veroordeeld.
Twee dagen na deze gelukkig gedempte kleermakers-revolutie, verliet de graaf van Plönen Berlijn, om met koerierpaarden naar Weenen terug te keeren. Hij had uithoofde van ziekelijkheid zijn ontslag bij het Berlijner gezantschap verzocht, en prins Reuss had op zich genomen, hem bij den Koning van Pruisen te verontschuldigen, dat hij, zonder een afscheidsaudientie te verzoeken, was vertrokken.
Op denzelfden dag, des morgens vroeg, verliet ook quot;Wil-helmine Rietz Berlijn; want de artsen hadden den dag tevoren den Koning verklaard, dat de geschokte gezondheid van madame Rietz een badkuur te Pisa noodzakelijk maakte, en zij als nakuur de zeebaden van Napels moest gebruiken.
Trots de tranen van Wilhelmine, trots hare betuigingen dat zij slechts aan zijn zijde gelukkig kon zijn, had de Koning er op gestaan, dat Wilhelmine Rietz terstond de door de artsen bevolene reis zou aanvaarden. Hij had haar open credietbrieven aan verscheidene bankiershuizen te Li-vorno, Napels en Rome medegegeven, en haar bovendien door den minister Haugwitz een reischatouille gezonden, die met vijftig duizend thaler klinkende specie gevuld was.
Niettegenstaande het vroege morgenuur, deed de Koning zijn geliefde vriendin uitgeleide tot aan haar hoog beladen reiskoets, welke de Koning haar uit zijne stallen had laten zenden. Twee andere koetsen, met koffers bepakt, stonden achter dit rijtuig, voor het gevolg van madame Rietz bestemd. Zij zag er bleek en treurig uit, en toen de Koning haar de hand bood om haar bij 'tinstijgen behulpzaam te zijn, barstte Wilhelmine in tranen uit, boog zich over de hand en kuste ze vurig.
âUwe Majesteit zal mij niet vergeten ?quot; vroeg zij, de met tranen gevulde oogen tot hem opheffende, met een innig smeekende uitdrukking.
De Koning glimlachte. â âDegenen, die achterblijven, zijn minder in gevaar van te vergeten, dan degenen die
134
heengaan,quot; zeide hij: âen evenwel vraag ik niet, Wilhelmine, of ge mij vergeten zult. Beiden zijn wij door onze herinneringen aan elkander verbonden, en ook door de sympathie der zielen, welke wij voor elkander koesteren. Ga, mijn vriendin, en keer gezond en trouw tot mij terug.quot;
Hij tilde haar in 't rijtuig en knikte haar toe. Toen echter wendde hij zich haastig om, en 't was hem, alsof het plotseling donker om hem werd. Misschien was 't slechts een traan, die' hem de oogen verduisterde, en hem de wereld plotseling zoo somber deed schijnen.
Madame Chappui, de gezelschapsjuffer van madame Rietz, had nu plaats in het rijtuig der koninklijke vriendin genomen. Achter haar in het tweede rijtuig, zaten haar secretaris en haar kamerdienaar. De kameniers, naaisters en kapsters namen plaats in het derde rijtuig. De postiljons bliezen, en onder schetterende fanfaren, rolden de rijtuigen voort.
Wilhelmine legde zich achterover in de kussens van haar rijtuig, en een trotsche, triomfantelijke glimlach speelde om hare lippen.
âEen jaar van vrijheid, van geluk en genot,quot; zeide zij zacht voor zich: âen dan zal 't een gravin zijn, die uit Italië terugkeert. Neen; niet de arme versmade Wilhelmine Rietz, â een gravin zal langs dezen weg terugkeeren!quot;
TWEEDE BOEK.
DE KOfflM IS DOOD! LEYE DE KOmSI
I.
DE VEEDESTIJDING.
âPruisen heeft vrede met Frankrijk gesloten!quot;
Zoo klonk het nu door alle steden en door alle landen; zoo riep de faam het uit op alle straten en in alle huizen; zoo droeg zij het heen naar het Pruisische leger, ginds aan de grenzen van Westfalen, - naar dat leger, waarbij de generaals en officieren, zelfs de gemeene soldaten eiken dag met troosteloos ongeduld 't bevel hadden verwacht, dat hen weder te velde zou roepen.
âVrede met Frankrijk! De oorlog is ten einde!quot;
Een kabinetskoerier des Konings was bij den Pruisischen opperbevelhebber, generaal von Möllendorf, aangekomen, en in een eigenhandigeh brief had de Koning den generaal gelast, het leger te ontbinden en de troepen tot nader order naar hunne verschillende garnizoenen te laten terugkeeren.
Deze kabinetskoerier was in 't hoofdkwartier aangekomen, juist toen de commandeerende generaal en de hoogere stafofficieren zich aan een diné bevonden, waarop prins Louis Ferdinand, die tot generaal-majoor opgeklommen was, deze heeren genoodigd had.
't Was een vroolijk, lustig feest; want prins Louis Ferdinand had den vorigen dag brieven van vertrouwde vrienden uit Berlijn ontvangen, die hem gemeld hadden, dat de oorlogspartij de overwinning had behaald, en de Koning den vrede met Frankrijk niet onderteekenen zou. Ter eere van
136
deze tijding had prins Louis Ferdinand het diné aangeboden. Men wilde deze hoop op oorlog, als een heerlijk feest vieren, en het knallen der champagnekurken moest eenigermate de introductie zijn van het donderen der kanonnen, dat nu spoedig weder volgen zou.
Aan 't midden der tafel zat prins Louis Ferdinand. Met stralend gelaat, met vlammende oogen en met bezielende woorden prees hij den aanstaanden oorlog, en sprak van de noodzakelijkheid, wraak te nemen op de overmoedige Fran-schen, wegens al de nederlagen, al de schande en vernedering der jongst verloopen jaren.
â't Is goed, dat wij dit alles geleden hebben!quot; riep hij: âDes te grooter zal onze zegepraal zijn; des te meer zijn wij gedrongen, nu goed en bloed op 't spel te zetten, om deze overmoedige Franschen te verdelgen, en ze voor hun schuld te laten boeten! Heft uwe glazen op, mijn vrienden, en laat ons klinken op onzen intocht te Parijs! Want wij moeten naar Parijs! Wij moeten in Parijs den overmoedigen Franschen de wet voorschrijven ! Laat ons klinken op onzen intocht in Parijs!quot;
Zij stonden allen op, deze jonge officieren; zij ijlden allen naar prins Louis Ferdinand, om met hem te klinken op deze stoute hoop. De vreugde der zegepraal, de oorlogsmoed lachte uit hunne oogen, en slechts eenige grijze hoofden schudden twijfelend, en konden niet instemmen met de jubelkreten.
Generaal von Möllendorf had zich gedurende dit klinken en jubelen, voor een oogenblik van de tafel verwijderd, en was op de boodschap van zijn adjudant in een andere kamer gegaan, om den kabinetskoerier des Konings te ontvangen. Haastig had hij vervolgens den eigenhandige brief des Konings opengebroken, en den inhoud er van gelezen.
âVrede met Frankrijk! Terugtrekken van het leger naaide standplaatsen!quot; Juist toen hij dit voor de derde maal las, klonken uit de aangrenzende zaal de jubelkreten in zijne ooren, en hij hoorde de stem van prins Louis Ferdinand:
âOorlog met Frankrijk! Oorlog op leven en dood! Laat klinken de glazen op onzen intocht te Parijs!quot;
Generaal von Möllendorf haalde de schouders op, en een boosaardige, spottende glimlach speelde om zijne lippen.
âGeestdrijver! Dweeper! Ik ben blij dat wij eindelijk
137
vrede hebben; en 't is noodig dit bruisende champagne-gejubel van den prins een weinig te dempen, 't Zal terstond geschieden.quot;
En met den open brief des Konings in de hand, trad de oude generaal in de zaal terug.
De officieren hadden hunne plaatsen weder ingenomen, en prins Louis Ferdinand was weder op zijn stoel gezeten, en sprak luid en met geestdrift nog altoos van den aanstaanden veldtocht, en van de lauweren die nu weder voor allen bloeien zouden in den te beginnen oorlog.
Nu legde zich de hand van den ouden commandeerenden generaal op zijn schouder, en het bleek, gerimpeld gelaat van den ouden veldheer boog zich dicht tot dat van den jongen prins.
âKoninklijke Hoogheid, ik bid u, laat dit overwinnings-gejubel zwijgen. Ik heb juist een kabinetskoerier uit Berlijn ontvangen.quot;
De prins sprong op. â âEen kabinetskoerier uit Berlijn? Ge zegt dit zoo zonderling. Excellentie! Welke berichten brengt gij?quot;
âBerichten, die geen geheim meer zijn mogen,quot; zei de generaal zachter: âLees, prins! Gij zijt de eerste, die deze berichten vernemen zult.quot;
Hij reikte den prins den brief des Konings.
Een diepe stilte ontstond. Het jubelen en schreeuwen, het klinken der glazen, het lachen en praten verstomde plotseling, en al deze gloeiend verhitte gezichten en deze vlammende oogen wendden zich tot den prins en den generaal, die in 't midden der zaal nevens elkander stonden.
Plotseling klonk een kreet van de lippen van den prins; een luide kreet van woede en ontzetting.
â't Is niet mogelijk, Excellentie; het kan niet zijn!quot;
âGe ziet wel. Koninklijke Hoogheid, dat het zoo is. 'tls 's Konings eigen handschrift.quot;
â's Konings eigen handschrift! En hij schrijft u, dat hij met dezelfde pen, waarmede hij u dit schreef, het tractaat heeft onderteekend, dat den vrede met Frankrijk bepaald!? 't Is niet mogelijk, zeg ik; â niet mogelijk!quot;
Een gemompel van ontsteltenis liep langs de geheele tafel. Allen stonden op, en de stafofficieren ijlden, zonder geroepen te zijn, tot den generaal en den prins.
138
âExcellentie is 't waar? Vrede met Frankrijk?quot;
âJa, 't is waar!quot; riep prins Louis Ferdinand, tandenknarsend, met van woede flikkerende oogen op het papier wijzende: âDaar staat het geschreven, de Koning maakt vrede met Frankrijk, dat heet: de Koning van Pruisen maakt oorlog met geheel Europa, oorlog met de eer van zijn land, oorlog met zijn volk! Want 't is onmogelijk; zijn volk kan in dezen vrede niet bewilligen; het kan deze onteering niet over zich laten komen!quot;
âKoninklijke Hoogheid,quot; vermaande de generaal: âik bid u, bedenk waar wij zijn!quot;
âIk bedenk het! Wij zijn te midden van Pruisens vertegenwoordigers, te midden der aanvoerders eener armee, die gekomen is om voor Pruisen's eer te waken, en over nederlagen en vernederingen wraak te nemen. Neen, het kan niet zijn! Wij kunnen dezen vrede met Frankrijk niet aannemen! Wij kunnen ons hoofd niet in het stof buigen en ons door de republikeinen, de koningsmoorders overwonnen doen verklaren! Excellentie, gij zelf kunt dit niet toegeven! Toen voor drie jaren dit Pruisische leger uittrok tegen Frankrijk, toen had uw voorganger, de hertog van Brunswijk, in zijn manifest tot de Franschen, het als een heiligen plicht verklaard, â dien wij overnemen voor 't aangezicht van geheel Europa, â als een heiligen plicht, om de toestanden in Frankrijk te herstellen, den troon weder op te richten, de in quot;'t stof getreden, met bloed bevlekte koningskroon weder op te heffen, en in naam van alle Monarchen wraak te nemen op de republikeinen, dat heet: op de moordenaars! Gij, de opvolger van den hertog van Brunswijk, zijt gehouden en gebonden aan 'tgeen uw voorganger gezegd heeft. G-ij kimt dezen vrede niet aannemen!quot;
âKoninklijke Hoogheid,quot; antwoordde de oude generaal bedaard en op vasten toon: âin Pruisen is de Koning de hoogste veldheer, en wat hij zegt, geschiedt. En hieraan hebben wij ons allen te onderwerpen; wij moeten gehoorzamen, zooals het soldaten betaamt, en ons voor onzen oppersten veldheer neigen en buigen. Hierbij, mijneheeren, getuigt dit sluiten des vredes voor de wijsheid van den koninklijken heer. Want wij moeten't immers, helaas, allen bekennen, â en hebben in den veldtogt van verleden jaar
139
deze treurige ondervinding opgedaan: de Franschen zijn machtiger dan wij; zij hebben ons zege op zege afgewonnen, en ik vrees dat een nieuwe oorlog, ons weder nieuwe nederlagen zou hebben gebracht.quot;
Het gelaat van den prins gloeide van toorn. â âExcellentie,quot; riep hij bevend van woede: âhoe kunt ge ons allen zoo beleedigen, en den blos der schaamte op onze wangen drijven! 't Is nog geen veertig jaar geleden, dat Pruisen zeven jaren lang tegen half Europa streed, een strijd, dien het moedig doorstond; en ge wilt ons nu zeggen, dat wij zwak zijn, terwijl wij toch veel sterker aan grondgebied zijn, dan het destijds Frederik was. Hij stond alléén, zonder hulpbronnen, zonder bondgenooten. Wij hebben Engeland, dat ons geld betaalt; wij hebben Oostenrijk, dat voor de verpleging van een deel van ons leger zorgt. En nu, na een driejarigen oorlog, in welken in langen na niet zooveel Pruisen tegenover den vijand gevallen zijn, als bij Kunners-dorf en Planian in twee dagen, â nu wil Pruisen zich insolvent verklaren voor het aangezicht zijner rijksmedeleden, zijner bondgenooten; niet achtende de bloedige schim van Lodewijk XVI en zijn ongelukkig geslacht, niet achtende de menschheid, het vaderland en het nageslacht; â nu wil Pruisen zich aan bezworen, natuurlijke verplichtingen onttrekken! O welk een oogenblik! Het doodt mij, het maakt mij krankzinnig!quot;
En de prins sloeg, â buiten zich zeiven, de Herkulesge-stalte bevende als in koude koorts, â de handen voor zijn aangezicht, en een gekerm en gesteun drong uit zijn hijgende borst. Bleek van ontzetting, sprakeloos, buiten adem, stonden de officieren rondom hem.
âKoninklijke Hoogheid,quot; zei de generaal met zachte, bevende stem; âhet zou mijn plicht zijn, u als hoogverrader in hechtenis te nemen, en voor een krijgsraad te brengen; maar ik bedenk, dat ge in opgewondenheid, uwe zinnen niet meester zijnde, spreekt. Mijneheeren! ik verwacht dat niemand uwer dit oogenblik zal onthouden, maar elk zal bedenken, dat wij den Koning gehoorzaamheid schuldig zijn, en ons ⢠dus aan het bevel van onzen oppersten veldheer te onderwerpen hebben!quot;
Een gemurmel liep door â de zaal. Men wist niet, of het goed- of afkeuring beduidde voor 's Konings bevel.
140
Prins Louis Ferdinand liet zijne handen van zijn gelaat nederglijden en zijn groote vlammende oogen blikten door de zaal.
âGij zijt de aanvoeders onzer troepen,quot; zeide hij: âde aanvoerders van het Pruisische leger! Tot u wend ik mij, mijne vrienden, mijn kameraden! Nietwaar, gij allen zijt van mijne meening: 't is onmogelijk, het leger kan dit vredesverdrag niet aannemen? Ge zult tot uwe soldaten gaan, ge zult hun de treurige tijding berichten, welke wij zooeven ontvangen hebben, ge zult hun zeggen: dat het tegen de . eer van Pruisen, van ons vaderland strijdt, den vrede aan te nemen. Onze soldaten zijn dappere zonen van ons vaderland; zij verlangen even als wij, den vijand tegemoet te gaan; zij verlangen naar bloed en strijd, naar overwinning en lauweren. Zegt hun, dat zij moeten weigeren den vrede aan te nemen. Zegt hun, dat ik bereid ben mij aan hun spits te stellen, en hen in naam van Duitschland en Pruisen aan te voeren tegen de Fran-schen, en âquot;
âOm Gods wil, zwijg!quot; viel generaal von Möllendorf hem met luide, heftige stem in de rede; âWij zijn hier uwe gasten, en 't is een geluk voor u en ons allen, dat dit zoo is; dat wij hier slechts als bizondere personen bijeen zijn, en dat ik als generaal geen notitie van uwe woorden behoef te nemen. Bezin u beter. Koninklijke Hoogheid, en hoor naar reden. Ik bid om vergeving, dat ik de tafel moet verlaten, want de dienst roept mij. Ik moet aan de verschillende afdeelingen onzer troepen de noodige bevelen laten geven.quot;
De prins greep heftig zijn arm. â âExcellentie, dat is niet mogelijk! Gij kunt niet zoo spreken!quot;
âKoninklijke Hoogheid, ik spreek zoo; en ik spreek in naam des Konings!quot;
De oude generaal maakte zich haastig van den prins los en ging, gevolgd door zijne adjudanten en hooge stafofficieren, welke hij met een wenk zijner hand tot zich geroepen had, uit de zaal.
âEn gij, mijne vrienden,quot; riep de prins, zich tot de in de zaal teruggebleven officieren wendende: âge zegt geen woord? Gij zwijgt? Ge wilt het ongehoorde laten geschieden? Ge
141
wilt de schande op onze zwaarden laten roesten, zonder haar af te wasschen met fransch bloed?quot;
De jonge officieren omringden hem. âKoninklijke Hoogheid, heb ontferming met ons en met u zeiven! Wij moeten immers gehoorzamen! Wij moeten ons aan de bevelen van onzen Koning onderwerpen!quot;
âDe Koning! de Koning!quot; riep de prins, onwillig en toornig als een leeuw zijn hoofd schuddende; âSpreek mij niet van den Koning. Ik zeg u, ik ben bereid mij aan uw spits te stellen! â De Koning! Laat hèm den scepter in de hand, en laat mij het zwaard! Ik voer u tot de overwinning! Ik!quot; -
âStil! stil!quot; riepen de vertrouwdsten zijner vrienden, terwijl zij dicht tot hem di-ongen; âbedenk. Koninklijke Hoogheid, dat er onder ons verraders kunnen zijn! Bedenk, dat men u bewaakt, dat men den Koning gezegd heeft: ge waart een samenzweerder!quot;
âIk ben geen samenzweerder!quot; riep de prins met vlam-menden blik: âzij hebben gezegd, dat ik lid van een geheim genootschap ben. Neen, dat ben ik niet! Maar zoo het tegenwoordige thans somber en donker is, en zoo ge mij dwingen wilt, mijn hoofd even als gij, in het stof te buigen, dan ken ik toch het woord der toekomst, en ik lees dit woord in het smadelijk verleden. Dit woord der toekomst heet: Wraak voor dit uur! Straf voor Pruisen, dat zich vernedert, vóór het daartoe gedwongen is; straf voor dit ongelukkige volk, dat boeten moet, voor 'tgeen zijn Koning gedaan heeft! Ge meent, dat de vernedering van dit uur genoeg is, â ge meent dat de tranen: die in mijne oogen branden, droogen zullen? Neen! Zij zullen nedervallen op het zaad der toekomst, en uit dit zaad zal ooorlog en dood, bloed en nederlagen voor Pruisen ontstaan! Gelooft mij hierin, en daarom ween ik. Niet, wijl ik zelf thans vernederd en in het stof getreden word; ik ween om mijn vaderland, om Pruisen's toekomst. En nu, zoo ge wilt, gaat heen en zegt aan de spionnen en verklikkers, dat een koninklijk-Pruisisch prins zich tegen den Koning verzet, en dat bloedige tranen in zijne oogen staan, wegens 'tgeen thans gebeurt! Ik zal mij wel is waar moeten onderwerpen en buigen, en 't kan ook zijn, dat het er in den eerstvolgenden tijd uitziet, alsof de wijze vredestichters gelijk hadden; maar dan zal
142
er een tijd komen, dat zij hunne handen wanhopend tot God opheffen, â en hun schuld en zonde erkennen zullen! Moge God in Zijne genade geven, dat ik dan nog leef; dat woede en smart mij niet gedood hebben, en ik er dan ben om mijn zwaard op te heffen, en wraak te eischen van Frankrijk! Wraak voor de tranen, die thans in mijne oogen, en in uw aller harten staan! ') Ãn nu gaat, en laat mij alleen!quot;
II.
De zieke Koning.
De vrede van Bazel had Duitschland, of veeleer Pruisen, zijn rust wedergegeven. De regimenten waren naar hunne kantonnementen teruggekeerd, de zwaarden in de scheede gestoken, en na jarenlangen oorlog rustte men uit. Maar niet op lauweren, niet terugziende op zege en veroveringen. Men had vrede, maar als men er van sprak, sloeg men toch zijn beschaamde oogen neder, en men verheugde zich over den vrede niet!
Ook Koning Friedrich Wilhelm had geen vreugde wegens het vredestractaat van Bazel; geen vreugde in zijn eenzaam groot marmeren paleis bij Potsdam. Sedert Wilhelmine Rietz hem verlaten had, scheen ook vreugde en opgeruimdheid hem verlaten te hebben. Hij was ziek, en de artsen, die in zijne tegenwoordigheid steeds vol hoop en zonder eenige ongerustheid schenen, â zetten, zoodra zij de vertrekken des Konings verlaten hadden, zeer bedenkelijke gezichten, en fluisterden schouderophalend onder elkander en tot hunne vertrouwden, van gevaarlijke ziekteverschijnselen, die borstwaterzucht aanduidden.
De Koning wist daar niets van. Maar hij leed; hij gevoelde onbeschrijfelijke benauwdheden, hij ging rusteloos halve nachten in zijne vertrekken op en neer, hijgende naar adem, en worstelend met de pijn, die zijn borst beklemde. Over dag zat hij uren lang zwijgend, onbewegelijk en staarde voor zich; hij hoorde niet naar 'tgeen zijne omgeving en
') De eigen woorden van den prins. Zie; Vamliagen von Ense, I. (58.
143
hovelingen hem zeiden, terwijl zij vruchteloos poogden den zieken Koning te vervroolijken. In andere uren weder, verlangde hij naar onderhoud, en scheen verlustiging te vinden in de vroolijke scherts van zijn gezelschap, en liet den minister von Haugwitz bij zich komen, om met hem over politiek te spreken, of den heer von Bischofswerder, om zich van de onzichtbare vaders bericht te laten geven.
Maar Bisschofswerder en Wöllner waren in den laatsten tijd tamelijk kleinmoedig geworden; want uit Italië was het bericht aangekomen, dat Cagliostro, de Groot-Kophta, te Rome op bevel van den Paus in hechtenis genomen, â en in den Engelenburg gekerkerd was geworden. Zij hadden dit lang voor den Koning verborgen willen houden, de hee-ren Rozekruizers. Zij hadden zorgvuldig over elk nieuwsblad gewaakt, en gepoogd deze slechte tijding niet tot den Koning te laten komen. Maar wat men hem in de nieuwsbladen had kunnen verbergen, had hij evenwel door Wilhelmine Rietz vernomen. Zij was het geweest die den Koning had geschreven, dat Cagliostro gevangen was genomen, en de schoone Lorenza in een klooster der boetelingen was gevoerd.
Toen had de zieke Koning Bischofswerder en Wöllner laten roepen, en met vlammende oogen en schier honende uitdrukking, had hij hun dat bericht medegedeeld en hen gevraagd, of de Groot-Kophta werkelijk niets anders was, dan een zondig menschenkind, en of zij nog aan de macht en het alvermogen der onzichtbare vaders geloofden?
Zij hadden hem wel is waar verzekerd, dat deze geschiedenis der gevangenneming van den Groot-Kophta slechts laster, een sprookje was, 'twelk Cagliostro's vijanden verbreid hadden. Maar de Koning had de schouders opgehaald en voor zich gepreveld: hij zou wel zorgen iets naders van deze zaak te vernemen. Hij had ook de levensversterkende droppels, welke Bischofswerder hem als een geschenk dei-onzichtbare vaders wilde aanbieden, met drift geweigerd en de kwakzalvers, â van welke Wöllner had gezegd, dat zij den Koning gezondheid en levenskracht terug zouden geven, â waren niet toegelaten geworden; ja, zelfs Bischofswerder, vroeger de groote gunsteling des Konings, (vooral sinds Wilhelmine niet tegenwoordig was), Bischofswerder zelfs was in de laatste dagen door den Koning niet ontvangen geworden, en Wöllner had bevel gekregen te
144
wachten, tot Zijne Majesteit hem zoude laten ontbieden!
En daar zat nu Friedrich Wilhelm heden in zijn ruim prachtig kabinet in 't marmeren paleis alleen, en gaf zich aan zijne gedachten over. Zij schenen niet van vroolijken aard te zijn, want de Koning zuchtte vaak zwaar, en er drong als een pijnlijk steunen uit zijn borst. Menig treurig beeld trad misschien uit het verledene voor 't oog zijner ziel, en menig beschuldigende stem fluisterde diep in zijn hart. Vrouwen welke hij bemind en vervolgens verlaten had, aanschouwden hem met schreiende oogen en droevig gelaat. Mannen, die hij vertrouwd, â en op wie hij gehoopt had, zag hij voor zich met het ontmaskerd verradersgelaat en met boosaardigen grijnslach. En hij zeide, inwendig huiverend ; âer is op aarde geen trouw en eerlijkheid; valsch is ieder mensch! Ach, ik was 't zelf zoo vaak, en ik kan er anderen geen verwijt van maken, dat zij zijn, zooals ik zelr was! Neen, er is geen trouw, en toch â Ja, zij was trouw en is trouw. Ach, Wilhelmlne, waarom zijt ge niet bij mij? Daar zit ik nu, een Koning, als een arm, verlaten man!quot;
Maar hij rilde terwijl hij dit zeide, en huiverend trok hij den deken hooger over zijne schouders, greep met bevende hand de schel, en schelde zóó heftig, dat de lakeien uit de voorkamer toeijlden.
âIk wil niet alleen zijn! Men moet den minister von Haugwitz roepen!quot;
âMajesteit, Zijne Excellentie de Minister wacht reeds lang in de voorkamer op Uwer Majesteits bevelen!quot;
âHij moet binnenkomen! Binnenkomen!quot;
Ãn toen nu de sierlijke gestalte in het met goud geborduurde gewaad, de borst met ridderorden behangen, het donkere kabinet des Konings binnentrad, vloog er als een lachje over zijn gelaat, en hij knikte hem levendig toe.
âWaarde Haugwitz, brengt ge brieven?quot;
âJa, Majesteit, om u te dienen. Een koerier uit Italië is aangekomen, en heeft brieven voor Uwe Majesteit gebracht.quot;
âVan Wilhelmine?quot;
âJa, Majesteit, van mevrouw de gravin Lichtenau.quot;
De Koning glimlachte. â âHet klinkt toch zeer goed: gravin Lichtenau! Mij dunkt, dat is een fraaie titel, en ik verheug er mij op, de gravin te begroeten en haar dien titel
145
te geven en te zien, hoe het Hofgespuis zich voor de nieuwe gravin tot den grond buigt. Wat zeggen de Ber-lijners er van, dat wij van Wilhelmine Rietz eene gravin hebben gemaakt?quot;
âMajesteit, zij vonden dit zeer natuurlijk!quot; antwoordde de minister: âElk zegt, dat de veeljarige trouwe en verkleefde vriendin des Konings, zulk een onderscheiding wel verdiend heeft.quot; â¢
âElk?quot; herhaalde de Koning: âOok mijnheer de Kroonprins, mijn zoon?quot;
Haugwitz zweeg en sloeg verlegen de oogen neder.
De Koning wendde langzaam zijn oogen tot hem. âHebt ge niet gehoord Haugwitz? Is ook mijn zoon met de rang-verhooging mijner goede Wilhelmine tevreden?quot;
Haugwitz haalde de schouders op. â âUwe Majesteit weet wel. Zijne Koninklijke Hoogheid heeft nooit tot de bizondere vrienden van madame Rietz behoord, en de kroonprins verontrust zich misschien over de mogelijkheid, dat, als de gravin uit Italië terugkeert, zij er aanspraak op zal maken om aan het Hof ontvangen te worden.quot;
âZij zal aan het Hof ontvangen worden!quot; riep de Koning heftig: âja, ik wil dat deze hoogmoedige menschen de gravin als huns gelijke ontvangen! Ik wil het, en wij zullen eens zien, of mijn heer zoon âquot;
Hij zweeg, en legde vermoeid en hijgend het hoofd weder in het kussen.
âUwe Majesteit moet zich ontzien,quot; fluisterde Haugwitz: âde artsen hebben bevolen, dat Uwe Majesteit zich volkomen rustig moet houden.quot;
âRustig!quot; steunde de Koning: ârustig, als de adem stokt en 't als een dolk in mijn borst boort. Rustig! als men mij krenkt en ergert, en als er niemand is, die 't verstaat mij op te vroolijken!quot;
Haugwitz nam deze uitspraak over zijn eigen persoon met onderdanige onderwerping aan, en boog demoedig het hoofd. â â Wil Uwe Majesteit niet de brieven lezen van mevrouw de gravin Lichtenau, uit Napels?quot;
âJa; geef, geef ze!quot; zei de Koning, terwijl hij zijn bevende hand uitstak naar de brieven, die Haugwitz hem aanbood: âopen en ontvouw ze.quot;
âIk waagde het niet te doen zonder genadige vergunning.quot;
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. Vil. 10
146
Haugwitz opende het couvert, haalde er de dicht beschreven papieren uit, en reikte ze den Koning. Men zag hoe hij zich met geweld inspande, hoe hij de oogen wijder opende, om het schrift te ontcijferen.
Maar toen liet hij met een jammerklacht de hand met de papieren nederzinken, en wierp het hoofd achterover in den fauteuil.
âHet gaat niet; de letters dansen dooreen als kaboutermannetjes en kwelgeesten. Lees mij voor, Haugwitz.quot;
âUwe Majesteit wil mij met dat hooge vertrouwen vereeren ?quot;
âGij behoort immers tot de vertrouwden van Wilhelmine, en weet alles wat gebeurd is. Lees, lees!quot;
De Koning sloot kreunend de oogen, en de adem kwam reutelend uit zijn half geopende lippen.
Haugwitz nam de papieren, en zich dicht nevens den Koning op den tabouret nederzettende, begon hij met half luide stem te lezen, 't Was de voortzetting van het dagboek, 'twelk Wilhelmine, of liever, de gravin Lichtenau, op haar geheele reis dagelijks hield, en om de veertien dagen den Koning toezond. Alles wat zij beleefd, â al de kennissen die zij gemaakt, alles wat zij gezien had, ja, al de hulde, welke men haar bracht, zelfs de hartstochtelijke liefdesbetuigingen harer aanbidders en minnaars, verhaalde Wilhelmine in dit dagboek aan haren koninklijken vriend. Ongedwongen, als tot zich zelve, sprak zij daarin van hare eigen gewaarwordingen en van alles wat zij beleefd had. Deze ongeveinsde oprechtheid, deze eerlijke en stoutmoedige taal harer bekentenissen, was juist voor den Koning een onuitsprekelijke betoovering, en bewees hem, hoezeer Wilhelmine hem hoogachte en vereerde, daar zij hem niet alleen als haar vriend, â maar ook als haren biechtvader beschouwde.
Haar reis naar Italië was echter ook eenigszins een aanhoudende triomftocht geweest. Met schitterend vertoon, zooals de Koning haar bevolen had, â en zooals haar de rijke middelen, welke hij haar hiertoe verstrekte, vergunden, â had zij de reis door Duitschland en Italië gedaan. Overal hadden de Vorsten en de hooge aristocratie zich beijverd, de vriendin des Konings hunne hulde te brengen. Een zwerm aanbidders, vereerders en minnaars was madame Eietz
147
van Milaan naar Florence, en van Florence naar Kome gevolgd. Kunstenaars hadden zich ijverig in de stad der kunsten om haar heen verdrongen, en madame Rietz was voor hen een Mecenas geweest, uit wier kleine, fraaie handen zich de gouden regen op de vaak diep benarde kunstenaars uitstortte. Schilderijen en beelden, fraai gesneden steenen en heerlijke mozaïken had zij voor zich zelve en in naam des Konings gekocht, en geheel Rome weerklonk van den roem der Duitsche dame, die met zulk een buitengemeenen smaak en zoo groote kennis, de kunstwerken wist te beoordeelen en te erkennen. Van Rome was Wilhelmine Rietz naar Napels gegaan, en daarheen was haar een nieuw verworven vriend uit Rome, de geleerde, beroemde archeoloog Hirt gevolgd, om haar bij hare inkoopen ter zijde te staan, en haar raad te geven in kunstzaken.
Uit Napels had Wilhelmine Rietz in haar voorlaatsten brief gemeld, dat haar hier voor 't eerst onaangenaamheden op hare reis bejegend waren. Wèl had de geheele kunstenaars-wereld van Napels zich huldigend voor haar gebogen; wèl hadden hertogen en Vorsten haar opgezocht, en haar, â tengevolge van aanbevelingsbrieven, welke zij van de prinses Borgheze en andere vorstelijke personen uit Rome had medegebracht, â schitterende feesten gegeven, maar het koninklijke Hof was voor madame Wilhelmine Rietz gesloten geweest. De trotsche dochter van Maria Theresia had openlijk in een Hofgezelschap verklaard, dat zij, â hoeveel leed het haar ook deed, â een dame zonder titel en rang niet aan haar Hof kon ontvangen.
Wilhelmine Rietz had dit den Koning zonder eenige verdere aanmerking, slechts als een aanteekening uit haar dagboek gemeld, maar er was tegelijkertijd van een der vurigste aanbidders van madame Rietz, van lord Spencer, een brief aan den baron von Hardenberg gekomen, waarin de lord den baron verzocht, toch den Koning te bewegen, aan deze onnatuurlijke en onaangename positie der koninklijke vriendin een einde te maken, en haar door een stoute machtspreuk de poorten van het palazzo Reale te Napels te openen.
Baron von Hardenberg had zich met dezen brief naar het marmeren paleis begeven, om den Koning er mededeeling van te doen. En reeds den volgenden dag werd de broeder van madame Rietz, de koninklijke stalmeester Enke, als
148
koerier naar Napels gezonden, om aan de vriendin des Konings, het diploma als gravin Lichtenau over te brengen.
't Was een heerlijk en trotsch diploma, waarin de dochter van den trompetter Enke vier voorouders van vaders en moeders zijde ontving, en in geboorte gelijk gesteld werd met alle andere grafelijke familiën. Ook een fraai geslachtswapen was bij het diploma gevoegd, een wapen, waai in de Pruisische adelaar en de koninklijke kroon waren aangebracht. ') Bij dit zonderling en fraai diploma, was nog een andere gewichtige acte gevoegd. De acte van scheiding van mevrouw d6 gravin Lichtenau, van haren vroegeren man, den
geheimkamerheer Rietz.
De stalmeester Enke was op bevel des Konings terstond weder van Napels vertrokken, om Friedrich Wilhelm te schetsen, met welke vreugde dit koninklijk geschenk door zijne zuster ontvangen was. En toen hij den Koning verhaalde dat Wilhelmine Rietz, toen zij den brief van haren koninklijken vriend ontvangen en gelezen had, onmachtig ter aarde was gezonken, en vervolgens luid geweend had van vreugde en dankbaarheid, â toen hadden zich ook de oogen des Konings met tranen gevuld, en hij had voor een oogenblik zijne pijnen en ziekte vergeten, om zich in de verte zeiven mèt zijne vriendin te verheugen.
In den brief, dien de minister Haugwitz thans den Koning voorlas, schilderde Wilhelmine, hoe zich nu alles als door een tooverslag, om haar heen veranderd had.
Koning Ferdinand van Napels zelf had de gravin Lichtenau de oplettendheid betoond, haar zijn bezoek te brengen, en de Koningin Caroline had de gravin von Lichtenau reeds tweemaal in den vertrouwelijken kring haiei viien-dinnen ontvangen, en haar op de beroemde petit soupers in haar bizonder kabinet genoodigd. Wilhelmine schreef den Koning op hare pikante, levendig-frissche wijze van deze geheimzinnige soupers, en verhaalde hem met gloeiende kleuren van de wonderbare schoonheid van lady Hamilton, de beroemde of beruchte vriendin van Nelson. Vei volgens verhaalde zij verder van de vele oplettendheden en huldigingen, welke men haar te Napels bewees. In hare onbedwongen oprechtheid ging zij zelfs zóó ver, den Koning
') Friedrich Forster's Neueste Geschichte von Pruissen, I.
149
eenige der hartstochtelijke brieven harer aanbidders, zooals zij er dagelijks vele ontving, te zenden. Het amuseerde den Koning, deze hartstochtelijke brieven te lezen, waarin de rijkste, voornaamste en fraaiste cavaliers zijne vriendin van hun eeuwige liefde, eeuwige trouw en aanbidding verzekerden, en haar met de vurigste woorden bezwoeren, hunne liefde en hun hand aan te nemen. Hij liet zich deze brieven door Haugwitz voorlezen, en 't was zonderling den minister met zijn neusaccent en zoet lachje de hartstochtelijke brieven te hooren voorlezen, welke de chevalier de Saxe, de zoon van den Saksischen prins Xaver, aan Wilhelmine geschreven had; zonderling te hooren, hoe de Koning soms met een luiden lach inviel, en daarop weder steunend en kermend in de kussens zonk.
Ten laatste kon de Koning het niet meer uithouden; hij wees met een wenk de voortzetting der lectuur af, en sloot zuchtend de oogen. Haugwitz legde stil de papieren op de tafel, en zag angstig naar den Koning. Hoe ingevallen waren, in weerwil van zijn sterkte, de wangen; welke zwarte kringen om de oogen, en hoe vloeide het zweet met zware droppels langs het gele voorhoofd. Waar was de glimlach gebleven, die anders om zijn zachte lippen speelde? quot;Waar de uitdrukking van vreugde, op dat matte, lijdende aangezicht ?
De minister waagde het niet zich te verroeren, en toch was hij angstig te moede, toen de Koning, steunend ineen-gezegen, daar als een stervende voor hem lag. Eensklaps sloeg Friedrich Wilhelm de oogen weder op, en knikte vriendelijk, toen hij den angstigen blik van den minister ontmoette.
âNu is het weder voorbij; het was slechts een kramp; maar ik vrees altoos, dat ik eens in zulk een kramp zal stikken en sterven, vóór ik Wilhelmine wederzie.quot;
âO, Majesteit, welk een vreeselijke gedachte! Uwe Majesteit is immers volstrekt niet gevaarlijk ziek; de artsen zeggen, 't zal in eenige dagen alles weder goed zijn, zoo Uwe Majesteit maar eerst naar Pyrmont is gegaan.quot;
âJa, zoo ik er kwam,quot; zei de Koning; âmaar ik vrees, ik kom niet meer zoover, en dan zou ik daar nog eenzamer zijn dan hier. Het ontbreekt mij aan alle verzorging.quot;
Er werd zacht aan de deur geklopt, en de geheimkamer-
150
heer Rietz sloop op de teenen tot den Koning, en boog over zijn leunstoel.
Friedrich Wilhelm knikte hem toe. âZijt ge daar, mijn getrouwe?quot;
âJa, Majesteit, en ik zou gaarne hier altoos willen zijn.quot;
De Koning schudde langzaam het hoofd. âNeen. Ik weet, ge hebt mij lief en het doed u leed, mij te zien lijden. Ik kan 't niet verdragen, uw stout gelaat treurig te zien. Wat brengt ge mij?quot;
âMajesteit, ik heb onderdanigst te vragen: of Uwe Majesteit de Koningin wil ontvangen? Zij verzoekt ten zeerste, dat het haar vergund moge zijn, haren koninklijken gemaal te verplegen.quot;
De Koning schudde heftig het hoofd. âNeen! neen! Zij moet niet komen! Ik heb mij niet om haar bekommerd in schoone en gelukkige dagen! Ik wil niet, dat zij nu kolen op mijn hoofd lade, en in ongeluksdagen mij ter zijde sta! Ik wil de Koningin niet zien!quot;
âMajesteit, ik verzoek om vergeving; het zal de Koningin smarten, als ik haar dit zeg.quot;
âGoed, goed!quot; zei de Koning: âBericht haar dan, dat ik ziek ben, dat ik niemand zien mag; het windt mij op. Ik laat haar verzoeken, morgen weder te komen. Hoort ge? morgen. Ga en zeg haar dit. Neen, niet heden, niet heden!quot;
Rietz sloop op de teenen weder heen, en de Koning zonk opnieuw in den leunstoel terug.
â't Zal Hare Majesteit evenwel zeer smarten,quot; zei Haugwitz zacht: âde Koningin bemint, zooals elkeen. Uwe Majesteit innig en hartstochtelijk, en âquot;
âSpreek er mij niet meer van,quot; viel de Koning hem in de rede: âik weet wel waarvoor ik deze liefde te houden heb, en ik moet het zeggen, Haugwitz: ik heb 't ook niet aan de Koningin verdiend, dat zij mij bemint. Er is slechts ééne vrouw, wier liefde ik verdiend heb, hoewel ik jegens haar óók menig onrecht begaan heb. Deze ééne vrouw is Wilhelmine. Ge hebt haar toch gemeld, Haugwitz, dat ik ziek ben, zeer ziek?quot;
âSire! Ik kon aan de gravin Lichtenau niet melden, wat eigenlijk ongegrond is. Ik heb haar slechts geschreven, dat Uwe Majesteit niet wèl en buiten staat is, haar eigenhandig te schrijven, en mij dit dus heeft opgedragen. Evenwel zou Uwe Majesteit spoedig weer hersteld zijn.quot;
151
âGe hadt dit niet moeten schrijven, Haugwitz,quot; zei de Koning hoofdschuddend: âhet zou mij aangenamer zijn, zoo ge haar geschreven hadt dat ik zeer ziek ben; misschien dat dan hare liefde ontwaakt ware, en zij âquot;
Hij onderdrukte het woord, dat hij zeggen wilde, en vroeg toen na een pauze: âDeze brieven hier zijn nog geen antwoord op uwen brief aan Wilhelmine?quot;
âNeen, Majesteit. Geen antwoord. Het zijn, gelijk Uwe Majesteit ziet, eerst de laatste bladen van het dagboek. Het antwoord op mijn schrijven in naam Uwer Majesteit kan, naar mijne berekening, niet eerder dan morgen of overmorgen hier zijn.quot;
âMorgen of overmorgen!quot; zuchtte de Koning.
âJa, Majesteit. En dan nog zou een koerier dag en nacht hebben noodig gehad, om het antwoord zoo schielijk hier te brengen.quot;
,.Ik wenschte dat het morgen ware,quot; zei de Koning: âik wist dan welken indruk het bericht van mijn ziekte op Wilhelmine gemaakt heeft.quot;
âDenzelfden indruk, â hiervan ben ik overtuigd, â dien zij op elk uwer onderdanen maakt. Ieder treurt en is vervuld van smart over deze tijding, en âquot;
âSpreek niet zoo tot mij,quot; viel de Koning hem in de rede: âik ken de wereld, ik ken de menschen! Wilt ge mij misschien ook wijs maken dat mijn zoon, de Kroonprins, treurt en van smart vervuld is, omdat ik ziek ben?quot;
âGewis! Majesteit.quot;
âNeen! gewis niet! neen!quot; riep de Koning heftig: âIk weet wel hoe de Kroonprinsen denken, als de Koningen ziek worden! En 't is een priem die in mijn borst boort, dat ik dit weet, en óók vroeger zoo gedacht heb, toen de groote Frederik ziek was. Ik denk er nu somtijds aan; ik verwijt het mij en vraag mij: hoe ik wel voor den grooten Frederik tiier boven zal treden, en of hij met mij tevreden zijn kan? Maar dat zijn leelijke gedachten, en ik wilde dat ik er bevrijd van was. Ik wenschte maar dat het morgen ware, en ik wist hoe AVilhelmine over mijne ziekte denkt. Hu, hoe gloeit het in mijn borst! Men geve mij van den verzachtenden drank. Schielijk, het doet pijn, 't is of mijn borst brandt!quot;
Haugwitz sprong op en sloop naar de nevenkamer, gaf
152
den aan de deur luisterenden kamerheer de noodige bevelen, en keerde tot den Koning terug.
Spoedig opende zich de deur, en de lijfartsen, die steeds in de nevenkamer waren, traden binnen en naderden den Koning, gaven hem de verzachtende droppels, onderzochten den pols, en luisterden op zijn borst naar de hartkloppingen. . . ,
't Was weder slechts een kramp, die overging, en na de verzachtende droppels gevoelde de Koning zich beter, en liet de artsen weder heengaan.
Zij hielden de consultatie in de nevenkamer, en waren 't hierin eens: dat er voor 't oogenblik geen gevaar bestond, en de Koning ditmaal â zij zagen elkander beangst en veelbeteekenend aan, â ditmaal weder herstellen zou. De levensgeesten waren slechts verzwakt en vermoeid. Het zou goed zijn zoo een of andere opwekking des geestes de zenuwen prikkelde, â een of andere vreugde, een verrassing hem trof. Maar vanwaar zou men vreugde halen voor een zieken Koning? Verrassing voor iemand, dien niets meer verrast?quot;
Terwijl zij hierover spraken en raadpleegden, sloop de geheimkamerdienaar met een gewichtigen blik en zonderlingen glimlach binnen, en fluisterde met hen. En zij luisterden en knikten vergenoegd.
De Koning intusschen zat weder in zijn leunstoel, en had zijn Franschen gezelschaphouder, zijn voorlezer en grappenmaker laten halen, en luisterde naar hen met gesloten oogen. Men zou hebben kunnen meenen dat hij sliep, zoo hij niet somwijlen met moeite de hand opgeheven, â en naar het glas gegrepen had, dat nevens hem op het marmeren tafeltje stond.
âNu wil ik slapen,quot; zeide hij toen: âgaat allen heen en laat mij alleen! Blijft in de nevenkamer, en als ik ontwaak en schel, dan moet men mij weder van den versterkenden drank brengen. Gaat!quot;
Zij slopen allen op de teenen naar buiten.
En de Koning boog het matte hoofd in de kussens en fluisterde; âIk wilde dat Wilhelmine bij mij was. Ik zou gezond worden als zij er was!quot;
Daarop viel hij vermoeid in slaap.
En de gezelschaphouder en de artsen in de nevenkamer
153
hadden lang te wachten; de schel klonk nog altoos niet. Eens opende een der lijfartsen de deur, en keek naar binnen in de kamer en glimlachte, toen hij den Koning rustig zag slapen.
âDat zal hem versterken,quot; zeide hij; âen later zullen de opgewondenheid en verrassing zijne zenuwen goeddoen, 't Is als een bad voor den geest; 't zal hem versterken.quot;
Hij sloot de deur weder, en de Koning sliep voort.
De lijfarts had gelijk gehad. Toen de Koning na uren-langen slaap de oogen weder opsloeg, gevoelde hij zich als verlevendigd en versterkt. De droppels en mixturen hadden hunne werking gedaan. Hij stak levendiger dan vroeger de hand naar de schel uit, en schelde heftig.
Nu opende zich de deur, en een vrouwengestalte trad binnen, met een zilveren blad in de hand, waarop de gouden beker met den laafdrank stond.
De Koning had de oogen niet opgeslagen; hij hoorde slechts de dichtvallende deur, en wist immers wat men hem bracht.
De vrouwengestalte kwam nader. Men hoorde haar tred niet op het zachte tapijt; nu stond zij dicht voor den Koning, en zette het blad op de tafel.
âMijn koninklijke heer en gebieder!quot;
De Koning ontroerde en sloeg de oogen op.
âMijn koninklijke heer, mijn Friedrich!quot;
Nu sprong hij op en breide de armen uit.
âWilhelmine, is het waar, is het mogelijk! Gij zijt het, gij!quot;
Met een vreugdekreet zonk zij aan zijn borst, en omklemde zijne gestalte.
âJa, Friedrich, ik ben het! Uw roep heeft mij hier teruggevoerd. G-e waart ziek! Hoe mocht ik nu verwijderd zijn? Toen ik het las, brak ik op, en heb dag en nacht met postpaarden gereisd. En hier ben ik nu! Wilt ge mij veroorloven bij u te zijn? Ik wil u verplegen, uw ziekenoppaster zijn! Veroorlooft ge mij dit, Friedrich?quot;
âOf ik u dit veroorloof?! Ik dank, dank u, dat ge gekomen zijt! Nooit zal ik dit vergeten, ik zweer het u, Wilhelmine, nooit!quot;
En de Koning sloeg zijn arm vast om de geliefde vrouw, en het hoofd op haar schouder buigende, weende hij luid.
Door de half open deur gluurden de nieuwsgierige artsen naar binnen, en knikten en glimlachten. â âDit is het beste medicament, daarvan zal hij gezond worden!quot;
154
III.
De voorstelling aan het Hof.
De geheele aristocratie, die te Berlijn en te Potsdam vertoefde, was verstoord en vergramd. De trompettersdochter Wilhelmine Enke, de gescheiden vrouw van den kamerdienaar Rietz, zou nu gravin zijn; zou, naar men beweerde, aan het Hof voorgesteld worden en zich gedragen, als ware zij van gelijke geboorte met al deze gravinnen, baronessen en Vorstinnen, die zich alleen in de koninklijke zalen mochten bewegen.
â't Is onmogelijk! onmogelijk!quot; verzekerden allen: âWij kunnen ons aan dezen smaad niet onderwerpen; de afgedankte matresse des Konings kan onze gelijke niet zijn!
Ook de verwanten van gravin Dönhof, de verwanten dei gravin Voss zwoeren dit, en dachten er in hunnen ijver met aan, dat Wilhelmine Rietz in één opzicht althans niets anders was geweest, dan de fraaie gravin Dönhof en de ovei leden gravin Ingenheim. Maar deze waren van voorname afkomst; waren gravinnen geweest, en de Koning had zich aan de linkerhand met haar laten trouwen!!
Wilhelmine Rietz een gravin! Ongehoord! Een vreesehjk schandaal! Men mag er zich niet naar schikken en men wil het ook niet. Zij zijn quot;t allen eens. Tot geen prijs zal Wilhelmine Rietz als gravin Lichtenau aan het Hof verschijnen. Zoo de Koningin nu maar standvastig is; zoo zij maai weigeit, de zoogenaamde gravin Lichtenau te ontvangen.
Zij bezwoeren de Koningin hierom op het kleine cour, waarop zij heden allen gekomen waren, de voorname dames van het Hof. Vroeger was de arme Koningin dikwerf vergeten en eenzaam geweest op hare courdagen; heden ijlden allen erheen, om bij de Koningin hare opwachting te maken, en haar vleiend en onderdanigst te bidden, deze vernedeiing niet op zich en haar Hof te laden, en de gravin Lichtenau
niet te ontvangen. _ , ,
Ook de Kroonprins Friedrich Wilhelm verscheen heden avond bij zijne moeder. Hij, die anders steeds onafscheidbaar was van zijne gemalin, kwam toch heden op het coui. De Kroonprinses had hem niet kunnen begeleiden; zij was nog
155
niet weder uitgegaan, sedert de geboorte van haren tweeden zoon, den kleinen prins Wilhelm, en de Kroonprins bracht zijn verhevene moeder haren groet, en hare verontschuldiging. â âZij zou zeer gaarne zelve gekomen zijn, mijne Louise,quot; sprak de Kroonprins, toen hij zich met de Koningin in de diepe vensternis teruggetrokken had; âzij zou gaarne zelve zijn gekomen, om Uwe Majesteit te zeggen, wat nu zeggen wil.quot;
De Koningin zag hem teeder aan, en om hare dunne lippen, â die anders steeds smartelijk gesloten waren, â speelde een teedere glimlach, toen zij opzag in het eerlijke, edele gelaat van haren geliefden zoon.
âIk geloof, Friedrich, dat ik weet wat ge zeggen wilt,quot; fluisterde zij zacht.
De heldere, bruine oogen van den Kroonprins richtten zich met een liefdevolle uitdrukking op haar.
âAch, genadigste mevrouw moeder; het doet mij in 't diepst mijner ziel wee, dat over zóó iets gesproken moet worden; dat zulke ongehoorde dingen hier geschieden, voor welke men blozen moet, en dat mijne# dierbare Louise zulke omstandigheden hier vindt, die âquot;
âStil!quot; viel de Koningin hem zacht in de rede: âniets tegen uwen vader, mijn zoon! Beschuldig hèm niet, maar slechts »m}', dat ik het niet verstaan heb, zijne liefde te winnen en te verdienen. Zeg niets tegen hèm !quot;
âNeen, niets tegen hèm, hij is mijn vader,quot; prevelde de Kroonprins: âmaar tegen haar wil ik spreken; â tegen deze vrouw, die zich vermeet te eischen, dat mijn edele, deugdzame moeder haar bij zich ontvangen, â en de hand bieden zal. Ge zult het niet doen, mama? Nietwaar? Ik bezweer 't u, in naam van al uwe kinderen; in naam van uwe beide kleinkinderen, in naam mijner dierbare Louise! Nietwaar, ge zult deze verachtelijke vrouw, deze quot;VVilhel-mine Rietz niet ontvangen?quot;
De Koningin had nauwelijks naar zijne woorden geluisterd. Zij zag hem aan met glinsterende oogen, en verheugde zich over zijn jeugdige opgewondenheid, zijn drift en zijn fiere, edele houding. Hij was zeer veranderd in de laatste jaren, haar lieveling Friedrich Wilhelm. De liefde voor zijne Louise, het huiselijke leven, en het vaderlijk geluk, had van den jongeling een man gemaakt; een zich zeivenbewusten,
156
moedigen, schoonen jongen man. Zij legde haar beide handen op zijn arm, en zag hem met moederlijke teederheid diep in de oogen.
âO, mijn Fiiedrich Wilhelm! Als men de moeder is van zulk een zoon, dan heeft men het recht niet, over ongeluk en miskenning te klagen. Men is rijk beloond voor alles, â¢wat men vroeger misschien geleden heeft!quot;
âMaar gij moet niet lijden, mama,quot; zeide hij levendig: âen moge God mij geven dat ik u eenmaal vergoeden kan voor 'tgeen gij geleden hebt, en degenen straffen, die u hebben doen lijden!quot;
De Koningin schudde zacht het hoofd. âKoester niet zulke slechte gedachten, mijn zoon. Laat aan God het beloonen en straffen over.quot;
âReen, moeder, neen!quot; riep hij heftig: âer zal een tijd
komen âquot;
âStil, mijn zoon!quot; viel hem de Koningin in de rede: âspreek niet zoo luid. Ge weet, er zijn overal spionnen, die uwe en mijne vijanden berichten, wat er gesproken wodt. Men kon u licht bij den Koning verdacht maken, zooals men reeds zoo vaak gedaan heeft.quot;
âJa, 't is waar,quot; prevelde de Kroonprins tusschen zijn saamgedrukte tanden: âoveral zijn spionnen en verraders, en van de onschuldigste woorden maken zij bij den Koning een beschuldiging tegen mij. Ge hebt gelijk, dierbaarste moeder, wij moeten voorzichtig zijn; maar beloof mij dit: ge ontvangt deze vrouw niet! Ik bezweer u, dierbaarste moeder, beloof het mij!quot;
Hij hield haar zijn hand toe, en zij legde aarzelend hare fijne, met brillanten versierde vingers in de moedige hand van haren zoon.
âZoo ik het eenigszins vermijden kan Friedrich, zal ik het niet doen. Zie mij niet toornig en verdrietig aan, mijn lieve zoon. Ik ben vast besloten het niet te doen, ik zal strijden zoo lang het mogelijk is; maar ge weet, als de Koning beveelt, moeten wij gehoorzamen.quot;
âHij kan zijne gemalin niet bevelen, schande op zich te laden,quot; zei de Kroonprins haastig.
De Koningin boog zacht haar hoofd. â âWij zijn allen de onderdanen van onzen heer en Koning, en hij kan ons bevelen wat hij wil, wij moeten in ootmoed gehoorzamen, zelfs
157
zoo hij schande op ons hoofd bracht, mijn zoon! Bedenk dit wèl en vergeet het niet. Ik herhaal het: Ik zal zoolang ik kan mij verzetten, deze vrouw, zooals ge haar noemt, te ontvangen. Zeg dit aan de schoone, dierbare Louise, en kus in mijn naam uwe geliefde zonen.quot;
Zij trad uit de vensternis, en de Kroonprins volgde haar met betrokken gelaat, bleet ook nog slechts weinige minuten in de zaal en bij het gezelschap, en verwijderde zich vervolgens haastig, om uit dit gewoel der wereld weder terug te keeren naar zijn paradijs van teederheid en liefde; naar het kleine paleis, waarin Louise hem verwachtte, en met open armen den geliefden man welkom heette.
De dames en heeren, die het cour hadden bijgewoond, verlieten na verloop van een uur, met zeer bevredigd gemoed het salon der Koningin. Zij had allen met zachte woorden en liefelijken glimlach beloofd, dat zij de nieuw-gebakken gravin Lichtenau niet in hare cirkels ontvangen wilde, en dat op het groote cour van overmorgen, de gravin Lichtenau niet verschijnen zou.
âDe hoofdzaak is nu maar,quot; zeiden de dames onder elkander: âdat niemand onzer er zich toe leent, de gravin Lichtenau voor te stellen. Zij kan het immers onmogelijk wagen, zonder een dame-patrones op 't cour te verschijnen; zij moet toch ingeleid worden. En zoo er niemand is, die haar inleidt, zal de overmoedige vrouw niet over den drempel van het Koninklijk vertrek kunnen treden.quot;
Zij zwoeren elkander plechtig, met vast en fler gelaat, dat geen harer zich zóó zou vernederen, de gravin Lichtenau aan de Koningin voor te stellen.
De zachtzinnige Koningin had vast besloten, de gravin Lichtenau niet te ontvangen. De woorden van den Kroonprins en zijn toornige blik, hadden haar kracht en moed gegeven, en zij herhaalde bij zich zelve, toen zij zich nu in haar stille huiskamer alleen bevond, met beraden zin; dat zij ditmaal volhouden, â en niet toegeven zou. De gravin Lichtenau zal niet aan het Hof verschijnen!
En terwijl zij dit dacht en 't zich met luide stem herhaalde: âDe gravin Lichtenau zal niet aan het Hof verschijnen!quot; zeide, juist twee kamers van haar verwijderd, haar kamervrouw, madame Hinne, met glimlachend, overtuigd gelaat:
158
âIk geef u mijn woord, de gravin Lichtenau zal aan het Hof verschijnen, mits dat âquot;
âDat ik u de kapiteinsplaats voor uwen zoon bezorg,quot; viel haar de geheim kamerheer liietz in de rede: âNietwaar mijn waarde, dat is 't wat ge zeggen wilt? Ja, wij kennen dat in de wereld: de eene hand wascht de andere, en niets wordt voor niets gedaan! Weerspreek niet, mijn lieve, o weerspreek het niet. Ik doe immers óók niets voor niet! ik laat mij alles betalen! En waarom zou ik het niet doen? â Ge geeft mij dus uw woord, dat mijn gewezen echtgenoote, gravin Lichtenau, die altoos mijn goede vriendin blijven zal, aan het Hof voorgesteld zal worden?quot;
âIk geef u mijn woord! Zooveel van mijn kant ge-geschieden kan, wil ik er toe doen. Maar wie waarborgt mij, mijn lieve kamerheer, dat gij, als de voorstelling plaats heeft gehad, uwe belofte vervullen zult?quot;
De geheimkamerheer lachte luid. âHoe voorzichtig zijt gij, liefste madame Hinne. Maar ik neem 't u niet kwalijk; van beloften kan men niet leven, en er is reeds zooveel beloofd en later weder herroepen geworden! â Nu, luister; ik breng u het kapiteinsbrevet overmorgen vroeg, onderteekend en gezegeld door den Koning. Overmorgen avond heeft het groote cour plaats. Wie waarborgt mij nu dat ge dan óók woord houdt, en de Koningin mijn gewezen echtgenoote ontvangt?quot;
âMijn eer!quot; antwoordde madame Hinne her.
Maar de geheimkamerheer lachte en schudde levendig het hoofd.
âMijn dierbaarste; eer is juist geen munt, die bij mij koers heeft. Ik zal u zeggen: ik hen gewaarborgd, doordien ge overtuigd kunt zijn, dat het uw zoon slecht zal gaan zoo ge geen woord houdt. Hiermede basta! Ge zijt een teedere moeder, dus reken ik op uw bijstand!quot;
âVeroorloof mij één vraag,quot; fluisterde madame Hinne: ..Zijt ge overtuigd, dat de opperkamerheer von Wittgenstein uwen wensch genegen is? Hij vermag veel bij Hare Majesteit de Koningin, en zoo hij soms door de tegenpartij gewonnen was, zouden wij weinig uitzicht op een goed gevolg hebben.quot;
De geheimkamerheer lachte luid.
âWat zou hij bij de tegenpartij doen, de lieve opperkamerheer? Zij heeft geen invloed, en kan hem niet helpen zijne wenschen te vervullen!quot;
159
âHa!quot; prevelde madame; âhij heeft dus óók wenschen, de brave opperkamerheer?quot;
âMijn lieve,quot; grijnsde 'Rietz : âik zou het menschenkind wel willen zien, dat geen wenschen had! 't Zou een benijdenswaardig schepsel zijn, maar ook een on verdragelij k; want hoe zou men een mensch vatten en zich van hem verzekeren, zoo hij geene wenschen had? â Wees gerust, mijn lieve madame Hinne, de brave opperkamerheer, denk ik, zal geheel aan onze zijde zijn, zoodra ik hem slechts mijn opwachting gemaakt heb. Dus, het blijft er bij: de Koningin ontvangt overmorgen-avond op het groote cour de gravin Lichtenau iquot;
âHet blijft er bij, mijn lieve geheimkaraerheer! mits âquot;
âDat ik u op den morgen van dien gewichtigen dag, het kapiteinsbrevet voor mijnheer uwen zoon gebracht heb. Wij weten dit! Ge zijt een voortreffelijke dame en een buitengewoon teedere moeder; en dat is een wezenlijk geluk voor mij, en bovenal voor mijn lieve gewezen echtgenoote. Geef mij de hand, mijn lieve madame Hinne, en laat ons elkander de hand schudden: op goede kameraadschap!quot;
En hij schudde de kleine, sierlijke madame Hinne zóó krachtig de hand, dat zij 't luid had willen uitschreeuwen van pijn, en slechts met moeite een glimlach op hare lippen dwong.
Toen ijlde hij weg door de voorkamer en den gang, naaide andere zijde van het Slot, waar zich de vertrekken van den opperkamerheer von Wittgenstein bevonden. De kamerdienaar was in de voorkamer, en berichtte den geheimkamerheer, dat Zijne Excellentie hem reeds verwachtte en bevolen had, hem zonder omstandigheden binnen te laten.
Rietz haalde de schouders op. â âMijn waarde, wat betee-kent dat: zonder omstandigheden? Ik treed onaangediend bij den Koning binnen, en 't zou zonderling zijn, zoo de opperkamerheer der Koningin, meer complimenten met mij wilde maken! Onthoud dat, knaap: de geheimkamerdienaar Rietz is overal een welkom persoon!quot;
Hij klopte slechts zacht met den vinger aan de deur, en trad in het elegante kabinet, waar de opperkamerheer hem verwachtte.
âNu, mijn waarde, daar komt ge eindelijk!quot; riep hij den geheimkamerdienaar toe, âik heb u reeds lang met ongeduld verwacht; want ik moet u een tamelijk treurige mededeeling doen: het staat slecht met onze zaak.quot;
160
Eietz liet zich, zonder een uitnoodiging af te wachten, op een fauteuil nedervallen, en hijgde luid. â âDat eeuwig trappen klimmen en dat loopen en draven vermoeid toch ten laatste. Vindt ge niet, mijn waarde Excellentie?quot;
Zijne Excellentie vond in den grond zijns harten het gedrag van den geheimkamerdienaar zeer oneerbiedig, en had hem gaarne in den kraag gepakt en uit den armstoel geworpen, maar Zijne Excellentie bedacht toch, dat de heer geheimkamerdienaar Rietz een zeer invloedrijk vriend, en een zeer gevaarlijk vijand was; hij verwon zich dus, en lachte den onbeschaamden man vriendelijk toe.
âGe hebt gelijk, mijn lieve Rietz; het Hofleven is inderdaad vermoeiend.quot;
âEn het is buitendien gruwelijk vervelend,quot; zeide Rietz, wien het genoegen deed, den kleinen, sierlijken hoveling, met zijn ruwe uitdrukkingen te kwellen en te verschrikken; âmen ziet zooveel vervelende apengezichten en zooveel valsche katten, dat men steeds onwillekeurig de vuist balt, en hen die onder den neus zou willen houden!quot;
âGe schijnt verstoord, mijn lieve vriend ?quot; vroeg de opperkamerheer, van wrevel gloeiende.
âVerstoord? In 't minst niet, mijn waarde vriend!quot; antwoordde Rietz: âSlechts een weinig opgewonden door mijn onderhoud met madame Hinne.quot;
âHebt ge haar gesproken?quot; vroeg de opperkamerheer haastig,
Rietz knikte. â âGesproken, of omgekocht, zooals ge 't noemen wildt. Maar ge zeidet immers, ge had mij slechte berichten mede te deelen?quot;
âInderdaad, zeer slechte, mijn waarde geheimkamerdienaar; de Koningin heeft besloten niet toe te geven; vooral sinds de Kroonprins zelf bij haar is geweest, en er haar dringend om verzocht heeft.quot;
âHa, de Kroonprins is bij haar geweest?quot; zei Rietz, terwijl hij achteloos met de zware ketting van zijn horloge speelde: â't Was te verwachten! Hij is zoo deugdzaam en leeft in zulke gelukkige familie-omstandigheden; en zoo kan 't hem inderdaad hinderen wat hier voorvalt!quot;
âJa, de Kroonprins is de éénige, die eigenlijk invloed op de Koningin heeft; en derhalve vrees ik, dat wij met ons plan schipbrenk zullen lijden, en mijn edele, geliefde vrien-
161
din, de gravin Lichtenau, haar wensch niet vervuld zal zien.quot;
âZoo, dat hadt ge mij mede te deelen, Excellentie?quot; zei Rietz met tamelijk onverschillig voorkomen: âVeronderstel dat ge mij dit in 't Fransch hebt gezegd, en vergun dat ik het in uwe tegenwoordigheid vertaal. Deze vertaling luidt ongeveer zoo: âMijn lieve vriend,quot; want ge beweest mij immers straks de eer, mij zoo te noemen, â dus, âmijn lieve vriend, ik heb inderdaad een grooten invloed op Hare Majesteit, de goede Koningin; maar ik heb in 't minst geen lust, dien invloed ten gunste van anderen aan te wenden, zoo ik er niets van heb. Uwe goede vriendin en ex-echtgenoote, de gravin Lichtenau, wil volstrekt aan 't Hof voorgesteld worden ; dit is in den grond een tamelijk dwaze inval van haar, maar zij heeft dien nu eenmaal, en gij, mijn lieve Rietz, wilt haar behulpzaam zijn! Ge wendt u derhalve tot mij, opdat ik mijn invloed op hare Majesteit ten uwen behoeve aanwende. Maar op de wereld is niets voor niet, noch de dood, noch een voorstelling aan het Hof. Met den invloed dien ge hebt, moet ge mij voor mijn lieven zoon, die tot nu toe met den naam zijner burgerlijke moeder wordt genoemd, een adelsdiploma bezorgen, en hem een of ander klein landgoed in Polen laten verzekeren. Dan hebt ge mijn hulp, en madame Rietz wordt voorgesteld!quot; Nu, mijn waarde Excellentie, wat zegt ge van deze vertaling uit het Fransch, is zij juist?quot;
Zijne Excellentie glimlachte een weinig verlegen. âGe zijt prachtig, lieve geheimkamerdienaar; ik bewonder uwe' taalkennis! De vertaling is volkomen juist.quot;
âDus een adelsdiploma en een vergeten stukje land in onze nieuw verworven provinciën?quot;
De opperkamerheer knikte, en Rietz haalde uit zijn zak een groot, met het Koninklijke zegel voorzien papier.
âDit is het laatste diploma, dat uit mijn bakkerij gekomen is; ge hebt het waarlijk zeer goedkoop, mijn lieve Excellentie; en 't is de eerste keer, dat uit mijn bakkerij zulk een diploma voor niets en niemendal weggegeven wordt. Ge weet immers. Excellentie, men noemt mij den adelsbakker ?quot;
âIk zou het niemand veroorloven,quot; antwoordde Zijne Excellentie: âu in mijne tegenwoordigheid zoo te noemen, en
DUITSUHLAND IN WOELING EN STRI.m. VIL 11
162
men waagt het ook niet; want iedereen weet, dat ik den heer geheimkamerheer zeer hoogacht!quot;
âZoolang ge namelijk ziet dat hij in gunst staat,quot; merkte Rietz lachend aan: âneem nu dit diploma, 't is het handgeld; en als overmorgen de voorstelling plaats heeft gehad, kan den volgenden dag den nieuwbakken heer âvonquot; zich bij Zijne Majesteit aandienen, en ik twijfel niet, of de Koning zal hem een klein goed in Polen geven. Zijne Majesteit was zoo genadig 't mij te beloven, en een Koning houdt altoos woord! â Wij zijn het dus eens, Excellentie?quot;
âVolkomen eens; en ik dank u van ganscher harte, mijn lieve geheimkamerdienaar.quot;
Zij schudden elkander de hand, en scheidden met lachend gelaat en woorden van vriendschap, en ieder spotte inwendig met den andere, en meende het recht te hebben hem te verachten.
De opperkamerheer begaf zich des namiddags tot madame Hinne, en in ernstig gesprek overlegden beiden wat te doen was, om de Koningin voor hun plan te winnen.
âAls 't niet gelukt, mijn lieve madame Hinne, dan is onze eigen positie en onze eigen invloed in gevaar. De Koning weet, welken invloed wij beiden op de goede Koningin hebben, en zoo zij âneenquot; zegt en de gravin niet ontvangt, dan zal de toorn des Konings zich op ons richten!quot;
âJa, mijn lieve, ge hebt volkomen gelijk,quot; zuchtte de kamervrouw: âonze eigen positie is in gevaar; want Zijne Majesteit de Koning is zeer driftig, zooals ge weet, en ik ben overtuigd, dat hij terstond van de Koningin ons ontslag zal verlangen, en ge begrijpt, dat dit voor de armen en onge-lukkigen een groote ramp zou zijn, want wij hebben de zorg voor hen bij de weldadige en goede Koningin.quot;
âJa, inderdaad,quot; zeide Zijne Excellentie, diep buigende: âhet zou voor de armen en ongelukkigen waarlijk een ramp zijn, zoo de edele en weldadige madame Hinne van de zijde der Koningin gerukt werd; want aan haren invloed alleen, hebben de armen de milde ondersteuning der Koningin te danken. Ik zal hierbij mijn eigen trots overwinnen, en alles doen, om de geëerde en geliefde madame Hinne aan de zijde der Koningin te behouden.quot;
âEn ik, mijn waarde Excellentie,quot; fluisterde de kamervrouw: âik zal, in weerwil van mijn afkeer van de zooge-
163
naamde gravin Lichtenau, Hare Majesteit zoeken te overreden,, de gravin te ontvangen; want ik zou voor alles ter wereld niet willen, dat de Koning op u vertoornd ware, mijn waarde opperkamerheer!quot;
Zij hadden inderdaad veel invloed, de opperkamerheer von Wittgenstein en de kamervrouw madame Hinne, en dank hun invloed en hun sluw geplaatste woorden, besloot de Koningin den volgenden dag, de gravin Lichtenau op het groote cour te ontvangen.
âUwe Majesteit beveelt mij dus, de uitnoodiging aan de gravin Lichtenau te zenden?quot; vroeg de opperkamerheer.
De Koningin knikte. â âIk geloof, 't is de wensch van Zijne Majesteit,quot; zeide zij zacht en treurig.
âGewis,quot; antwoordde de opperkamerheer: â't zou den schijn hebben, alsof Uwe Majesteit de verheffing der gravin, â welke slechts de Koning alleen uitvoerde, â niet als geldig erkennen wilde!quot;
âDat zou den Koning beleedigen, en voor alles ter wereld wil ik mijn gemaal niet krenken of beleedigen!quot; riep de Koningin levendig: âSchrijf de uitnoodiging, ik verwacht de gravin Lichtenau morgen avond op het groote cour.quot;
â't Is slechts de vraag, genadigste Majesteit,quot; fluisterde madame Hinne, die bij zulke vertrouwelijke handelingen tegenwoordig placht te zijn: â't is slechts de vraag wie, de gravin Lichtenau voorstelt? Want er moet toch een dame zijn, die de gravin Lichtenau tot Uwe Majesteit voert.quot;
Het gelaat van den opperkamerheer nam een verschrikte, â dat der Koningin een vriendelijke, hoopvolle uitdrukking aan.
âJa,quot; zeiden beiden tegelijkertijd: âdat is waar; wie stelt de gravin voor?quot;
âHet zou een dame uit den ouden rijksgravenstand moeten zijn,quot; merkte de opperkamerheer aan.
âIk zal het mijn opperhofmeesteres, de gravin Kaunitz opdragen,quot; zei de Koningin haastig: â't is spoedig het uur dat zij bij mij komt. Ik zal het haar verzoeken als een gunst, niet als een plicht; en ik twijfel niet, of de opperhofmeesteres zal mijn wensch vervullen.quot;
Maar in het binnenste haars harten twijfelde de Koningin wel degelijk, en haar tijfel was tegelijk haar hoop. Als er niemand is orn de gravin Lichtenau voor te stellen, dan kan zij niet aan het Hof verschijnen, en de Kroonprins zal
i i Mil
164
dan niet de smart hebben, dat zijn Koninklijke moeder zijne wenschen onbevredigd laat.
De hoop der Koningin zou vervuld worden. De Hofmeesteres von Kaunitz verklaarde plechtig en met toornig gelaat, dat zij er zich nooit toe zou leenen, de gravin Lichtenau aan de Koningin voor te stellen.
âNiet wijl ik trotsch ben, Majesteit, en wijl ik aan mijn ouden adel hecht, â maar uit achting en eerbied voor Uwe Majesteit kan ik niet doen, wat gij in uwe zachte goedheid en teedere genegenheid van mij vordert. Majesteit, ik verklaar hiermede plechtig, dat ik in geen geval de gravin Lichtenau zal voorstellen.quot;
âDan moeten wij trachten een andere dame te vinden,quot; zei de Koningin zuchtend. Maar de blik, waarmede zij de Hofmeesteres aanzag, en de handdruk waarmede zij haar ontsloeg, zeiden deze, dat de Koningin, â trots hare weigering, â niet verstoord, â maar integendeel zeer tevreden was.
De Hofmeesteres had nauwelijks de kamer der Koningin verlaten, toen zij beval har équipage te laten voorkomen, tot het afleggen van vele visites. Urenlang reed de Hofmeesteres nu door de straten, hield stil voor alle fraaie elegante huizen, waarin de voorname dames van het Hofgezelschap woonden; maakte een bezoek bij elke rijksgravin en barones, die gewoon was in de gezelschapskringen dei-Koningin te verschijnen, en vorderde van elke de belofte, dat zij nu noch ooit haar hand er toe zouden leenen, de gravin Lichtenau aan het Hof voor te stellen.
â't Is een zaak van't hoogste gewicht, dames! Wij vertegenwoordigen de rechten, de eer en de plichten der geheele aristocratie, wanneer wij weigeren deze vrouw in onze rijen op te nemen. In den naam onzer voorouders, in den naam onzer kinderen en kindskinderen bezweer ik u; blijft standvastig en houdt vol! Verklaart, â zoo de Koningin voor de leus tot u zendt, en van u vordert de gravin voor te stellen, â dat ge deze voorstelling niet op u kunt nemen!quot;
En al de dames, de rijksgravinnen en baronessen zwoeren met geestdrift, dat zij heur plicht indachtig wilden blijven, en hare voorouders en kindskinderen niet zoo beleedigen zouden, om de gravin Lichtenau in den Hofkring in te voeren, 't Was voor deze dames een zaak van 't hoogste
165
gewicht, en in al de voorname kringen der aristocratie hield men zich in deze dagen met niets anders bezig, dan met de voorstelling der gravin Lichtenau!
IV.
Hulp in den nood.
Ook Wilhelmine hield zich met deze gewichtige aangelegenheid bezig, â met de voorstelling bij de Koningin. De prachtige robe van goudlaken met de donkerroode, met gond geborduurde lange satijnen sleep lag reeds gereed. De Koning had haar zooeven een kleine gravenkroon van brillanten en robijnen gezonden, welke zij bij de feestelijkheid van morgen dragen zou, en Wilhelmine Eietz stond juist voor den spiegel en was luist bezig, deze vonkelende juweelen in heur haar te bevestigen, toen de deur heftig, opengetrokken werd, en de geheimkamerdienaar Rietz bij haar binnentrad. Wilhelmine nam blozend en verschrikt de grafelijke kroon van haar hoofd, en verborg haar in de etui. Maar het luid lachen van den geheimkamerdienaar bewees haar, dat hij die evenwel reeds gezien had.
âWaarom verbergt ge haar voor mij, allerschoonste?quot; zei de geheimkamerdienaar, haar vertrouwelijk toeknikkende: âge houdt algemeene repetitie voor de uitvoering van morgen; ik vind dit zeer natuurlijk.quot;
âMaar ik, mijnheer de geheimkamerdienaar, vind het volstrekt niet natuurlijk, dat ge onaangediend bij mij binnen komt. Ge vergeet, dat ge niet eens meer den schijn van recht daartoe hebt.quot;
âIk vergeet, dat wij gescheiden zijn,quot; lachte Rietz: âge ziet hieruit, mijn allerbekoorlijkste, dat ik mij altoos nog metal de banden der liefde en vriendschap aan u gehecht gevoel, en ik hoop, gij doet dit óók, en vergeeft mijn haastig binnentreden. Ik kom wegens uwe aangelegenheden; weet ge, bekoorlijke Madonna, dat de tooneelvoorstelling, â ik meen uwe voorstelling bij de Koningin, voor morgen zeer bedreigd is?quot;
166
Wilhelmine schrikte. â âDe Koningin heeft er in bewilligd mij te ontvangen. Ziehier de uitnoodiging, onderteekend door de opperkamerheer.quot;
âHare Majesteit de Koningin heeft bewilligd,quot; zei Eietz schouderophalend: âwant madame Hinne en mijnheer von Wittgenstein zijn hiertoe door mij geprest geworden, en zij hébben de Koningin geprest; maar de doopdames van het Hof hebben niet bewilligd. â Hebt ge reeds een patrones die u ten doop voert ?quot;
âWat wilt ge hiermede zeggen?quot; vroeg Wilhelmine.
âIk meen of ge reeds een dame hebt, die u de hand biedt en u aan de Koningin voorstelt?quot;
âAch, mijn Hemel!quot; riep Wilhelmine verschrikt: âik vergat dit! Ge ziet, mijn lieve,quot; voer zij voort: âde trompet-tersdochter is altoos nog niet met het ceremonieel voor de gravin vertrouwd! Ja, 't is waar; ik heb een gravin noodig die mij moet voorstellen.quot;
âEn ik vrees, ge zult er geen vinden.quot;
âIk zal haar vinden!quot; zei Wilhelmine beraden: âEr zal toch onder al deze dames wel ééne zijn, die reden verstaat en aan de voordeelen denkt, welke ik haar bieden kan.quot;
âBeproef het,quot; zei Rietz schouderophalend: âik voor mij moet u zeggen, dat ik geen hoop heb; want ik weet, dat de Hofmeesteres reeds naar al de dames van de hooge aristocratie is gereden, en haar woord heeft, u niet voor te stellen.quot;
De oogen van Wilhelmine vlamden hooger. âIk zal 't haar betaald zetten; zij zal niet lang meer Hofmeesteres zijn, ik geef u mijn woord!quot;
âDe hoofdzaak is, dat ge eerst voorgesteld wordt; en daar ge nu eenmaal zoo begeerig zijt naar 't poppenspel van de groote wereld, hebt ge geen tijd te verliezen. Ik heb u bericht, spoed u, uwe maatregelen te nemen.quot;
Wilhelmine schelde heftig en liet inspannen, maakte ijlings een schitterend toilet, steeg in de koets, waarop haar grafelijk wapen met den Pruisischen adelaar en de koninklijke kroon op het schild zeer kunstig geschilderd waren, en reed nu rond bij alle dames der voorname aristocratie, welker lijst de geheimkamerdienaar haar dienstvaardig overhandigd had. Maar zij had heden werkelijk tegenspoed met hare visites; overal kwam de lakei, die haar kaartje
167
aan de dames had gebracht, met het antwoord terug, dat er niemand tehuis was, dat niemand de gravin Lichtenau ontvangen kon. En bij elk dergelijk antwoord, vonkelden Wilhelmine's oogen sterker, en deed de toorn hare fraaie wangen donkerder gloeien.
âZij hebben 't er op toegelegd mij te beleedigen en te krenken,quot; prevelde zij voor zich: âzij willen mijn voorstelling onmogelijk maken, maar ik zweer het, 't zal haar niet gelukken! Ik zal al deze trotsche dames en deze overmoedige, huichelachtige gravinnen bewijzen, dat ik mijn wil doorzet, dat ik haar's gelijke ben, en dat ik voorgesteld wil worden!quot;
Zij zette hare bezoeken voort, maar overal met hetzelfde gevolg. Overal waren de deuren gesloten; nergens kon men haar ontvangen.
Eindelijk na deze lange vruchtelooze pogingen, keerde Wil-helmine Eietz vol toorn en vertwijfeling naar haar prachtig paleis terug.
â't Is een erbarmelijke, verfoeielijke wereld,quot; zeide zij: âik ben de moeder eener gravin, en deze hoogmoedigen weigeren mij te ontvangen! Ach, waarom is mijn dochter, Mariane, de gravin Stolberg niet hier? Maar ik weet wel waarom zij niet hier is! Wijl haar trotsche schoonmoeder vooruit gezien heeft, wat gebeuren zou ; en derhalve een reis met haar naar hare goederen heeft ondernomen. O, zij zijn allen zeer sluw en listig! Maar zij zullen erkennen dat quot;Wil-helmine Rietz, â neen, ik meen de gravin Lichtenau, â niet bij haar achter staat, en haar wil doorzetten kan, in weerwil van alle intriges! Maar hoe?quot; vroeg zij toen zich zelve: âIk kan toch niet met geweld een dame naar het Hof slepen en haar bevelen, mij voor te stellen! Zelfs de Koning kan dit niet bevelen. Ach, 't is toch afschuwelijk, dat men met al zijn macht en invloed, zulk een kleinigheid niet kan overwinnen!quot;
Zij ging met heftige schreden op en neèr, bleef somwijlen staan voor het schitterend Hofkleed, dat tot haar ergernis en smart er zoo prachtig uitzag, en nu misschien nutteloos zou zijn, en opende somwijlen de etui, die op de tafel nevens het Hofkleed stond. De gouden, van brillanten vonkelende gravenkroon, aanschouwde zij met weemoedigen blik en toorn in het hart.
168
âEn 't zou nu werkelijk vergeefs zijn, alles vergeefs; en al deze hoogmoedige en huichelachtige dames zouden de zege op mij behalen? â Neen, 't kan niet zijn en 't zal niet zijn En als niemand mij naar het Hof wil voeren, ga ik er alleen heen ; baan mij met geweld een weg, en treed de zaal binnen, onaangediend, ongeroepen! Ja, zóó zal het zijn! Ik zal den Koning verzoeken, dat hij het groote cour bijwoont, en ik wil wel eens zien, wie den moed zou hebben, mij in zijne tegenwoordigheid terug te wijzen!quot;
En terwijl zij in den trots harer vertwijfeling en in den overmoed harer ijdelheid tot dit uiterste besloot, klaagde en jammerde het toch in haar; âZij zullen mij honen; zij zullen mij uitlachen; ik zal het onderwerp der gesprekken van geheel Berlijn worden, en iedereen zal zich verheugen over den smaad, dien men mij heelt aangedaan. Zij zullep het nu allen ervaren, allen, dat ik, die de macht in handen heb, toch een arm, machteloos schepsel ben! En dit zal hen verheugen, en zij zullen mij deze nederlaag gunnen. Allen! Allen! Ach mijn God; mijn hall vermogen gaf ik, zoo ik een dame vond, die mij voorstelde!quot;
Toen zij dit juist met een luiden uitroep zeide, opende zich zacht de deur, en de kamerdienaar keek binnen.
âNu, wat is er, Jean? Waarom stoort ge mij?quot;
âGenadigste gravin, er is buiten een dame, die ten zeerste bidt en smeekt, om door mevrouw de gravin ontvangen te worden.quot;
âEen dame,quot; zeide zij schouderophalend; âdat heet: een bedelares, nietwaar?quot;
âIk geloof wèl, genadige vrouw, dat zij komt om iets te verzoeken,quot; antwoordde de kamerdienaar: âzij is wel elegant gekleed, maar men ziet toch, dat het een verbleekte pracht is. En daarbij is zij te voet gekomen, en dat past niet voor haren titel. Maar zij weent zoozeer, genadige gravin, en is reeds driemaal hier geweest. Wij durfden u niet storen.quot;
âEn waarom doet ge het nu?quot; vroeg Wilhelmine ongeduldig.
âIk verzoek vergeving, mevrouw de gravin; maar de dame smeekte zoo roerend en weende zoo; zij is schier voor mij nedergeknield, en heeft gesmeekt in naam harer kinderen Naar 't schijnt wil zij iets voor haren zoon verzoeken.quot;
De blik der gravin vloog onwillekeurig naar 't portret
169
van den jongen graaf von der Mark, dat aan den wand tegenover haar hing, en met zijn groote oogen glimlachend op haar nederzag.
âVoor haar zoon! Dat is iets anders,quot; zeide zij zacht: âEn hoe heet zij, deze dame?quot;
â't Is de gravin Herke.quot;
âGravin Herke!quot; riep Wilhelmine haastig; âEn zij ziet er arm en ongelukkig uit, de gravin Herke? Jean, breng de gravin terstond hier, en zorg dat niemand binnenkomt, zoolang deze arme dame bij mij is. Hoort ge, terstond hier!quot;
En in haar ongeduld ijlde Wilhelmine den kamerdienaar na, tot aan de deur der voorkamer.
âO, mevrouw de gravin, ik verzoek vergeving, dat ik u wachten liet. Het doet mij leed, dat ge reeds meermalen hier zijt geweest.quot;
En met een vriendelijken, innemenden glimlach en een diepe buiging groette Wilhelmine de dame, die juist de voorkamer binnentrad. Een hooge, slanke gestalte, elegant gekleed, zooals de kamerdienaar zeide, maar de snede der kleeding ouderwetsch, de kleur van de zware zijden stof verbleekt, het gelaat bleek en verdrietig, en de oogen rood van tranen. Toen Wilhelmine haar zoo glimlachend en genadiglijk tegemoetkwam, bloosde de gravin, en sloeg als beschaamd de oogen neder.
âGe zijt de gravin Lichtenau?quot; vroeg zij zacht en met bevende stem.
Wilhelmine reikte haar voor alle antwoord de hand. âKom met mij in mijn kabinet, daar willen wij praten.quot;
De gravin nam de haar gereikte hand niet aan. Zij scheen die niet te zien, en volgde met nedergeslagen oog Wilhelmine, die haastig haar voorging in het kabinet.
âZet u hier op den divan, mevrouw de gravin, en verhaal mij wat u tot mij voert.quot;
De gravin Herke liet zich op den divan neder, met de deftigheid en de houding, die aan haren rang voegden, en bewees, dat zij door hare armoede en bedruktheid niet vernederd was.
âMij voert het ongeluk en de trouweloosheid der menschen tot u,quot; zei de gravin plechtig.
âMevrouw,quot; riep Wilhelmine glimlachend: âdat zijn voor-
168
âEn 't zou nu werkelijk vergeefs zijn, alles vergeefs; en al deze hoogmoedige en huichelachtige dames zouden de zege op mij behalen? â Neen, 't kan niet zijn en 't sal niet zijn ' En als niemand mij naar het Hof wil voeren, ga ik er alleen heen ; baan mij met geweld een weg, en treed de zaal binnen, onaangediend, ongeroepen! Ja, zóó zal het zijn! Ik zal den Koning verzoeken, dat hij het groote cour bijwoont, en ik wil wel eens zien, wie den moed zou hebben, mij in zijne tegenwoordigheid terug te wijzen!quot;
En terwijl zij in den trots harer vertwijfeling en in den overmoed harer ij delheid tot dit uiterste besloot, klaagde en jammerde het toch in haar: âZij zullen mij honen; zij zullen mij uitlachen; ik zal het onderwerp der gesprekken van geheel Berlijn worden, en iedereen zal zich verheugen over den smaad, dien men mij heeft aangedaan. Zij zullen het nu allen ervaren, allen, dat ik, die de macht in handen heb, toch een arm, machteloos schepsel ben! En dit zal hen verheugen, en zij zullen mij deze nederlaag gunnen. Allen! Allen! Ach mijn God; mijn halt vermogen gaf ik, zoo ik een dame vond, die mij voorstelde!quot;
Toen zij dit juist met een luiden uitroep zeide, opende zich zacht de deur, en de kamerdienaar keek binnen.
âNu, wat is er, Jean? Waarom stoort ge mij?quot;
âGenadigste gravin, er is buiten een dame, die ten zeerste bidt en smeekt, om door mevrouw de gravin ontvangen te worden.quot;
âEen dame,quot; zeide zij schouderophalend; âdat heet: een bedelares, nietwaar?quot;
âIk geloof wèl, genadige vrouw, dat zij komt om iets te verzoeken,quot; antwoordde de kamerdienaar: âzij is wel elegant gekleed, maar men ziet toch, dat het een verbleekte pracht is. En daarbij is zij te voet gekomen, en dat past niet voor haren titel. Maar zij weent zoozeer, genadige gravin, en is reeds driemaal hier geweest. Wij durfden u niet storen.quot;
âEn waarom doet ge het nu?quot; vroeg Wilhelmine ongeduldig.
âIk verzoek vergeving, mevrouw de gravin; maar de dame smeekte zoo roerend en weende zoo; zij is schier voor mij nedergeknield, en heeft gesmeekt in naam harer kinderen Naar 't schijnt wil zij iets voor haren zoon verzoeken.quot;
De blik der gravin vloog onwillekeurig naar 't portret
109
van den jongen graaf von der Mark, dat aan den wand tegenover haar hing, en met zijn groote oogen glimlachend op haar nederzag.
âVoor haar zoon! Dat is iets anders,quot; zeide zij zacht: âEn hoe heet zij, deze dame?quot;
â't Is de gravin Herke.quot;
âGravin Herke!quot; riep Wilhelmine haastig: âEn zij ziet er arm en ongelukkig uit, de gravin Herke? Jean, breng de gravin terstond hier, en zorg dat niemand binnenkomt, zoolang deze arme dame bij mij is. Hoort ge, terstond hier!quot;
En in haar ongeduld ijlde Wilhelmine den kamerdienaar na, tot aan de deur der voorkamer.
âO, mevrouw de gravin, ik verzoek vergeving, dat ik u wachten liet. Het doet mij leed, dat ge reeds meermalen hier zijt geweest.quot;
En met een vriendelijken, innemenden glimlach en een diepe buiging groette Wilhelmine de dame, die juist de voorkamer binnentrad. Een hooge, slanke gestalte, elegant gekleed, zooals de kamerdienaar zeide, maar de snede der kleeding ouderwetsch, de kleur van de zware zijden stof verbleekt, het gelaat bleek en verdrietig, en de oogen rood van tranen. Toen Wilhelmine haar zoo glimlachend en genadiglijk tegemoetkwam, bloosde de gravin, en sloeg als beschaamd de oogen neder.
âGe zijt de gravin Lichtenau?quot; vroeg zij zacht en met bevende stem.
Wilhelmine reikte haar voor alle antwoord de hand. âKom met mij in mijn kabinet, daar willen wij praten.quot;
De gravin nam de haar gereikte hand niet aan. Zij scheen die niet te zien, en volgde met nedergeslagen oog Wilhelmine, die haastig haar voorging in het kabinet.
âZet u hier op den divan, mevrouw de gravin, en verhaal mij wat u tot mij voert.quot;
De gravin Herke liet zich op den divan neder, met de deftigheid en de houding, die aan haren rang voegden, en bewees, dat zij door hare armoede en bedruktheid niet vernederd was.
âMij voert het ongeluk en de trouweloosheid der menschen tot u,quot; zei de gravin plechtig.
âMevrouw,quot; riep Wilhelmine glimlachend: âdat zijn voor-
170
waar twee slechte gezellen, maar zij gaan gewoonlijk te zamen; want wien het ongeluk bezoekt, dien verlaten de vrienden en worden hem trouweloos.quot;
âGij, mevrouw, zegt dit niet bij ondervinding, en bid God, dat hij u deze bittere ervaring sparen moge,quot; zei de gravin.
En de plechtige toon harer woorden deed 'Wilhelmine huiveren. Zij wist het immers; ook zij zou op den dag des ongeluks door hare vrienden verlaten worden; ook voor haar zou de trouweloosheid de gezellin des ongeluks zijn! Maar waarom thans daaraan te denken, thans, in den overvloed van geluk en eer?
âEr was een tijd,quot; voer de gravin langzaam voort: âtoen alles zich om mij verdrong, en ik vele vrienden had, die mij vleiden; vele bewonderaars die verzekerden, dat hunne liefde en verkleefdheid slechts met den dood eindigen zou. En nu, mevrouw, aanschouw mij. Ik ben alleen, verlaten; ik heb geen vrienden! Ik heb aan alle deuren geklopt, en zij zijn alle gesloten geweest, en 't is zóó ver gekomen, dat ik driemaal als bedelares voor mo deur gestaan heb!quot;
âEn ik was natuurlijk toch de laatste tot wie ge kwaamt,quot; zeide Wilhelmine met een bitteren glimlach; âen ge hebt u zóóver vernederd en zijt er werkelijk toe gekomen, dat ge zelfs de gravin Lichtenau een bezoek hebt gebracht, en haar om hulp bidt. Nietwaar, mevrouw de gravin, dat zijn de innigste gedachten van uw hart. Maar ik neem 't u niet kwalijk; ik weet dat men zoo denkt, en ik kan beseffen hoe zwaar het u gevallen, â en hoe hard uw ongeluk is, dat ge zelfs tot mij gekomen zijt!quot;
De matte oogen der gravin richtten zich op haar met een blik van erkentelijkheid en fierheid tevens. â âMevrouw, het ongeluk heeft mij zeer ternedergebogen en mij zeer verootmoedigd, maar liet heeft de waarheid nog niet in mij verstikt. Ge hebt gelijk! Het is de laatste en moeielijkste gang dien ik gedaan heb. Duid het mij niet euvel; ik ben nog aan de vooroordeelen van mijn stand gehecht, en het valt mij zwaar dat ik u, â de dochter van den trompetter Enke, â als gravin moet tituleeren.quot;
âDoe het dan niet, madame,quot; zei Wilhelmine zacht; âwij zijn hier onder vier oogen, en ge zijt ongelukkig. Dwing u niet tot hetgeen u tegenstaat! Ik eer uwen trotsch, en zoo
171
ik ook al verlang, dat men mij buiten voor de wereld eere en tituleere, ik weet toch een onderscheid te maken, en ik buig mij eerbiedig voor uw ongeluk en voor uwen trots, die zoo edel en rechtmatig is.quot;
De blik der gravin werd zachter, en richtte zich met deelneming op Wilhelmine's vriendelijk en altoos nog fraai gelaat.
âIk zie, mevrouw,quot; zeide zei; âge bezit geest, en ik geloof, ge hebt ook een hart, anders zoudt ge mij niet ontvangen hebben. Veroorloof mij nu, u de hand te reiken.quot;
Wilhelmine nam de bleeke koude hand, welke zij haar reikte, en drukte die aan hare lippen.
âMevrouw de gravin, ik buig mij voor uw ongeluk, voor uw deugd en voor uw naam,quot; zeide zij: âen nu bid ik u, spreek: zeg mij, wat ik voor u doen kan, waarmede ik u kan helpen. Spreek mij van uw ongeluk.quot;
âDat zou een lange geschiedenis zijn, doch zij laat zich in weinige woorden teruggeven, Ik woonde met mijn man hier in de residentie in schitterende omstandigheden. Wij leefden op den grootsten voet: wij ontvingen de hooge aristocratie; wij gaven feesten, bals en diners, en onze vrienden lieten 't zich wèl bij ons zijn, vierden ons, en zwoeren ons eeuwige trouw. Toen kwam een dag, â een kwade, vree-selijke dag, mevrouw. Mijn man stierf, en het bleek dat onze omstandigheden in reddeloozen toestand waren. Ik had mij weinig om den staat van ons vermogen bekommerd; ik liet dat alles aan mijn man over. Ik meende dat wij rijk waren, en wist niet dat wij, â in plaats van de rente, â van ons kapitaal leefden. Wij hadden niets dan schulden, mevrouw. Op dien dag verdwenen de vrienden, de bewonderaars, de aanbidders. Alles werd verkocht, het hotel, de équipages, het rijke huisraad. De schuldeischers hadden op alles beslag gelegd, en ik trok mij terug in een kleine landstad, waar ik in kommer en eenzaamheid leefde. Voor mij was er nog slechts ééne zonneschijn en een lichtstraal in het leven: 't was mijn zoon, mijn lieve, dierbare zoon! Hij was, toen het ongeluk over ons losbrak, als vaandrig in dienst getreden. Zijn uitstekende bekwaamheden, en de dapperheid, waarvan hij in den laatsten veldtocht bewijzen had gegeven, maakten dat hij spoedig bevorderd werd. Als kapitein kwam hij voor een jaar, â toen de vrede met Frankrijk gesloten was, â
172
in zijn garnizoen terug. En daar, mevrouw, had hij het ongeluk, â ach, het valt mij zwaar er van te spreken, mevrouw, â het ongeluk, in twist met zijn meerdere te geraken, 't Was in een vroolijk gezelschap, men lachte en dronk. En de majoor, misschien door den wijn bedwelmd, bespotte en lachte om degenen, die hun geld verspilden, door anderen genoegen te bereiden; en toen sprak hij van mij, van mijn man, en voerde ons tot voorbeeld aan. Hij had er misschien niet aan gedacht, dat mijn zoon in het gezelschap tegenwoordig was. Maar deze voer op, en verdedigde de eer van zijn vader en moeder. Het kwam tot een heftigen twist, vervolgens tot een duël, en mijn zoon had het ongeluk den majoor dood te schieten!quot;
âEn uw zoon werd niet gewond?quot; vroeg Wilhelmine levendig.
âNeen, mevrouw, niet gewond; maar gevangen genomen en veroordeeld; veroordeeld tot tienjarige vestingstraf! Ach, mevrouw, begrijpt ge dit? Tien jaren! Tien jaren lang zal ik hem niet zien! De beste jaren van zijn schoon leven, moet hij doorbrengen in donkere kerkermuren! Ik kan deze gedachte niet verdragen; zij knaagt aan mij als de doods-worm. Een jaar is eerst verstreken, en ik gevoel reeds, dat ik in dit jaar tien jaren ouder ben geworden. Ik heb misschien nog slechts weinige maanden te leven; mijn borst is ziek, de dood woont in mij, en ik zal sterven met het bewustzijn, dat mijn zoon gevangen, â dat hij in den kerker zit, en ik hem nooit zal wederzien! Mevrouw, ge weet niet wat het is een zoon te hebben, die de laatste vreugde, de eenige troost, de eenige hoop onzér toekomst is!quot;
âNeen, ik weet het niet!quot; riep quot;Wilhelmine in tranen uitbrekende : âge hebt gelijk, mevrouw! Zie ginds het portret van mijn zoon; hij was óók mijn hoop, mijn troost en mijn toekomst, en hij is weg, hij is dood! O, ik gevoel, ik weet wat ge lijdt. Gij spreekt tot eene moeder, die jaren lang geweend heeft om haren zoon. Ge zult niet weenen, mevrouw ! neen! In den naam van mijn zoon zweer ik u: Ge zult uw zoon terug hebben! Ik zal den Koning bidden, ja, ik wil voor hem knielen, en van hem genade voor uwen zoon afsmeeken.quot;
âO, mevrouw,quot; riep de gravin opspringende en hare armen om Wilhélmine's hals slaande: âo, mevrouw, welk onrecht
173
heeft men u gedaan. Ge zijt goed, ge zijt edel, ge zijt een uitstekend wezen! Ik dank u. Gij geeft mij het leven, gij geeft mij de hoop weder! En ge zegt dit niet alleen om mij te troosten, ge wilt werkelijk den Koning spreken? Ge wilt mij mijn zoon, mijn lieven Albert, mijn éénig levensgeluk wedergeven?quot;
En de gravin zag stralend van vreugde, met geheel veranderd gelaat, met schitterende oogen, Wilhelmine aan, als wilde zij van hare lippen haar toekomst, hare zaligheid ontvangen.
âJa, mevrouw,quot; zei Wilhelmine, en terwijl zij nu sprak, sloeg zij onwillekeurig en als beschaamd over zich zelve, de oogen neder: âja, mevrouw, ik wil u uw zoon weder bezorgen. Ik beloof u, dat ik alles voor u doen wil, zoo ge ook voor mij iets wilt doen.quot;
âIk wil! ik wil! Yoor mijn zoon doe ik alles! Spreek, mevrouw, wat is het? Wat kan ik, â een arm, verlaten wezen, â wat kan ik voor u doen?quot;
âMevrouw, gij kunt veel, en iets gewichtigs voor mij doen! Ge kunt mij een positie in de maatschappij, in de wereld, aan het Hof geven.quot;
âIk?quot; vroeg de gravin met een treurigen glimlach: âik, die niets heb, die niets ben?quot;
âMaar ge hebt toch, zoo ge wilt, uw entree aan het Hof? Ge zoudt toch, zoo ge lust hadt, u bij de opperhofmeeste-res kunnen aanmelden, en de Koningin uwe opwachting maken ?quot;
De gravin hief fier het hoofd op. â âNatuurlijk, mevrouw, zou ik dat kunnen, indien mijne omstandigheden het mij veroorloofden; ik zou mij zelfs niet bij de opperhofmeesteres behoeven aan te melden. De gravin Herke heeft vrijen toegang tot de groote en kleine receptiedagen aan het Hof.
âO mevrouw, mevrouw!quot; riep Wilhelmine juichend: âdan ben ik geholpen; dan zijt gij het, die mij redden, die mij een gunst kan bewijzen, en ik zal u als wederdienst bewilligen wat gij verzoekt! Mevrouw, ik geef u uwen zoon terug, gij geeft mij hiervoor de hand, en voert mij op het groote cour bij de Koningin binnen.quot;
âBij de Koningin,quot; riep gravin Herke geheel verschrikt; âis 't dat wat ge eischt? Ha, ik begrijp! Ge zijt nog niet aan het Hof voorgesteld, en verlangt van mij, dat ik het
174
doen zal. Ik, de gravin Herke, zal u de hand geven, om u aan de Koningin voor te stellen?quot;
Wilhelmine knikte. âJa, mevrouw: dat is alles wat ik
van u vorder.quot; _ , .
âDat is alles?quot; riep de gravin opvarend; âDat is iets ongehoords, iets onmogelijks, mevrouw! Bedenk wat ge
van mij vordert!quot; , , , ,
âMevrouw, ik vorder een kleine dienst, en bied u daarvoor de vrijheid van uwen zoon.quot;
âMevrouw, ge vordert mijn schande!quot; riep de gravin met fier opgericht hoofd: âja, mijn schande! Zie mij maai toornig aan! 't Is zooals ik zeg: het geslacht Herke behoort tot de oudsten en aanzienlijksten van 't geheele land; al mijne voorouders zouden mij beschuldigen, zoo ik, â de laatste dochter van ons huis, â aan de edele en ongelukkige Koningin de vrouw wilde voorstellen, om welke zij zooveel geleden heeft; de vrouw, die zich wil indringen m de rijen des adels, die â O mijn God, o mijn God! viel zij zich plotseling in de rede, âwaartoe heeft de toorn mij
vervoerd en verleid!quot;
âMevrouw, vrees niet, beangstig u niet; ge zult ten minste moeten erkennen, dat, zoo ik ook geen hooggeboren gravin ben, ik mij toch weet te gedragen zooals een gravin betaamt, en het ongeluk met verschooning weet te bejegenen. Mevrouw, ik wil niet gehoord hebben wat ge daar al gezegd hebt; ik heb slechts gehoord, dat ge ongelukkig zijt, en aan het ongeluk vergeeft men veel.
âJa, zij is waarlijk een uitstekende, bewonderenswaardige vrouw,quot; zei de gravin zacht voor zich.
Wilhelmine had deze woorden wel verstaan, en een glimlach verhelderde haar gelaat: - âMevrouw de gravin,' zeide zij: âik begrijp den trots, die u mijn voorstel verontwaardigd deed afwijzen, 't Is waar, ik was aanmatigend en hoogmoedig, te denken, dat zulk een edele en yeihe-vene vrouw, als gij, mij de hand kon reiken; â mij, die
gebroken heeft met de wereld; die alle vooroordeelen taitend
en moedig is tegengestreden; die met het goede gezelschap in jaren langen strijd geleefd heeft, en nu de wapens zou willen nederleggen en vrede maken met dat goede gezelschap, en zich in zijne rijen dringen. Ge hebt gelijk, mevrouw de gravin, het zou aanmatigend van mij zijn, van
175
u zulk een groote gunst te vorderen. Maar ge zult ten minste zien, mevrouw, dat ik geen onwaardige ben, en ik mij ten minste niet laat koopen. Ik herroep mijn verzoek en mijn wensch; ik verlang niets meer van u, maar zal alles verleenen, wat ik beloofd heb. Ge wilt mij niet erkennen als gravin Lichtenau ? â Goed; ge zult ten minste moeten erkennen, dat Wilhelmine Rietz een goed hart heeft en denkt aan de tranen, die eene moeder om haren zoon geweend heeft. In den naam van mijn zoon, van mijn Alexander, heb ik u beloofd u den zoon terug te geven; en ik houd woord, mevrouw. Morgen reeds spreek ik met den Koning, en ik zal 't hem als een gunst, die hij mij bewijst, voordragen, uw zoon in vrijheid te stellen. Antwoord mij niet, mevrouw, zeg niets. Vaarwel en ga.quot;
Terwijl zij de gravin met een teederen glimlach en een beweging harer hand groette, wendde zij zich daarop tot het portret van haren zoon, en beide armen opheffende, riep zij: âO mijn geliefde zoon, zijt ge nu met mij tevreden?quot;
Zoo bleef zij staan, zonder om te zien naar de gravin, die langzaam het hoofd gebogen, naar de deur trad. Wilhelmine hoorde 't wel, dat deze deur zich opende, maar zij keerde zich niet om, zij zag nog altoos naar het portret op. Plotseling legde zich een hand op haar schouder. Wilhelmine wendde zich om, en het gelaat der gravin zag haar aan met een vriendelijken, zachten glimlach.
âWilhelmine Rietz,quot; zeide zij: âge zijt een goede vrouw, ge hebt een braaf hart! Mevrouw de gravin Lichtenau, ik stel u morgen ten Hove aan de Koningin voor!quot;
Wilhelmine slaakte een kreet en zonk voor de gravin neder, en kuste haar gewaad en hare handen, misschien om den blos der schaamte te verbergen, of den glimlach der zegepraal, die om hare lippen speelde. â
Op den avond van dien dag reed de gravin Lichtenau naar Potsdam, om den Koning de blijde tijding mede te deelen, dat zij nu een patrones had gevonden, die haar aan de Koningin zou voorstellen; â of liever: dat het van 's Ko-nings gunst afhing haar dit te verleenen.
De Koning verklaarde zich tot alles bereid, en hij glimlachte, toen Wilhelmine hem het verzoek om genade van de gravin mededeelde.
âDat is zeer weinig, en schier al te goedkoop gekocht,quot;
176
zei de Koning : âgraaf Herke heeft gelijk gehad, de eer van zijn moeder en vader te verdedigen, en ik zou hem buitendien spoedig uit zijn arrest ontslagen hebben. Ge behoeft dit de gravin niet te zeggen, Wilhelmine; zij moge het als een gunst beschouwen, die gij haar bezorgd hebt. Maar wij willen haar bovendien een pensioen, een jaargeld verzekeren, en dit moge haar bewijzen, dat niet allen, die vroeger in haar huis zijn geweest, en er vroolijke avonden hebben doorgebracht, â dat niet die allen trouwloos zijn. Ik was als Kroonprins veel ten huize van gravin Herke, en zoo zij niet te trotsch ware geweest, om zich vroeger tot mij te wenden, zou ik het reeds lang voor mijn plicht hebben gehouden, haar een pensioen toe te staan. â Nu zal zij het door u erlangen, Wilhelmine; en ik wil haar morgen bij de Koningin begroeten, â want ik denk ditmaal het groote cour zelf bij te wonen.quot;
âDan, Majesteit, willen wij ons een genoegen bereiden. â Behandelen wij het als een diep geheim, dat ik iemand gevonden heb, die mij voorstelt. Laten de dames allen in het goede geloof blijven, dat het mij onmogelijk is geweest oen patrones te vinden, en Uwe Majesteit lette dan morgen bij 't cour eens op de trotsche en zegevierende gezichten. â Dat zal een allerliefst vermaak voor u zijn, en ik, Majesteit, wil het zóó inrichten, dat de gravin Herke en ik het laatst binnentreden.quot;
De Koning lachte. â âGe zijt van een onuitputtelijke humor, Wilhelmine, en weet als- een ijverig bijtje uit alles honig te zuigen.quot; â â â
Den volgenden avond rolden de koetsen der voorname aristocratie naar het koninklijke Slot. Alle dames van het voorname gezelschap hielden 't heden voor plicht, het groote cour der Koningin bij te wonen, en zelfs die zich ziek en ongelukkig gevoelden, hadden zich heden vermand, groot toilet aangelegd, en wilden aan het Hof verschijnen om den triomf der Koningin, en de nederlaag der gravin Lichtenau bij te wonen. â
âWant zij heeft geen patrones gevonden ; overal heeft men haar afgewezen, overal waren voor haar de deuren gesloten. Zij heeft geen patrones gevonden, en bijgevolg kan zij niet aan het Hof verschijnen; daardoor is zij voor altoos ge-compromiteerd, en zal zich van deze nederlaag niet herstellen!quot;
177
Dus fluisterden en spraken de dames onder elkander, toen zij in de groote audiëntiezaal bijeen waren, en de Koningin met haar gevolg verwachtten.
â't Is een wezenlijk geluk dat wij dezen slag konden afweren; â 't zou een nederlaag zijn geweest voor de ge-heele hooge aristocratie, zoo wij deze vrouw in onze rijen hadden moeten opnemen, en welk een verdriet voor de Koningin, deze gehate vijandin te moeten begroeten!quot;
Terwijl zij met hartstochtelijke verontwaardiging zoo spraken, vergaten zij, dat in deze zelfde vertrekken, de Koningin meer dan ééne gehate mededingster ontvangen had; alleen met het onderscheid: dat deze mededingsters gravinnen en hooggeborenen geweest waren!
Nu openden zich de deuren der vertrekken van de Koningin ; de Hofmaarschalk met den gouden staf verscheen in de deur, en kondigde Hunne Majesteiten aan. Voorafgegaan door de pages, trad de Koningin aan den arm van haar gemaal binnen, en de Hofbeambten en Hofdames volgden het Koninklijke paar. 't Was een zeldzame verrassing en nauwelijks overeenkomstig de etikette, dat de Koning op het groote cour der Koningin verscheen.
Maar 't was een nieuwe triomf voor al deze dames; want de Koning heeft natuurlijk verwacht, dat de gravin Lichtenau hier zou zijn, en hij zal nu zien, dat al de macht van den Koning niet toereikend is, om den weerstand der aristocratie te buigen.
De Koningin liet haar zachte blauwe oogen langs den ge-heelen kring der dames glijden, en een uitdrukking van schrik teekende zich op haar goedhartig gelaat. â Zij zag de gravin Lichtenau niet, en toch had de Koning haar zooeven er voor bedankt, dat zij haar ontvangen wilde, en had zelfs de genade gehad, haar jaargeld te verhoogen, uit vreugde over hare goedheid. En nu, nu is de gravin er niet!
De Koningin hief nu haar ontroerden blik tot haar gemaal op, en 't verwonderde haar dat hij glimlachte en er geheel opgeruimd uitzag.quot;
Het groote cour begon, en de gravinnen naderden de eene na de andere, de Koningin, die aan de zijde van haar gemaal op den zetel onder den troonhemel had plaats genomen. De opperhofmeesteres noemde met luide stem de namen der nadertredenden; deze bogen voor Hunne Majes-
DUITSCHLAND IN WOELING EN STKIJT), VIL 12
178
teiten, die eenige vriendelijke woorden met haar wisselden, en vervolgens de dames voorbij lieten gaan naar de andere zijde.
Slechts weinige der voorname, nieuw geïntroduceerde dames waren nog voor te stellen, toen plotseling door de geopende, vergulde vleugeldeuren der audiëntiezaal, twee dames de zaal binnentraden. De eene, hoog van gestalte, fier, met bleek gelaat, eenvoudig maar deftig gekleed, in zwart fluweelen robe met zilver geborduurde sleep; de andere prachtig om te aanschouwen, in goudlakens kleed, de vonkelende gravenkroon op het fraaie hoofd, boven het heldere voorhoofd en glimlachend gelaat, dat liefelijk bloosde van trots en vreugde, en er uitzag als het gelaat van een jong meisje.
Een uitdrukking van schrik en ontzetting teekende zich op de aangezichten van al de dames, die in een kring aan weerszijden der zaal stonden. De opperhofmeesteres, die nevens den zetel der Koningin stond, verbleekte van toorn; de Koningin glimlachte zacht, en het gelaat des Konings straalde van genoegen.
Langzaam, hand in hand, gingen beide dames door de zaal, en plaatsten zich aan het benedeneinde, bij de nog voor te stellen dames. De eene na de andere trad nu naar den troonzetel der Koningin, en de opperhofmeesteres noemde hare namen. Nu ontstond een ademlooze diepe stilte. Dn gravin Herke trad voor, en met zachte stem zeide de opperhofmeesteres :
,.Hare Excellentie, de gravin douairière Herke.quot;
Deze deed eenige schreden voorwaarts en voerde aan haar hand de trotsche, verblindende, betooverende schoonheid, wier voet nooit het parket van deze zaal had betreden, wier naam nog nooit in deze ruimte geklonken had
âMajesteit,quot; zei de gravin Herke met luide, plechtige stem : âik veroorloof mij u hier de gravin Lichtenau voor te stellen.quot;
Wederom een ademlooze stilte. Vervolgens hoorde men de zachte stem der Koningin zeggen: âIk heet de gravin Lichtenau welkom!quot; En toen reikte haar de Koningin de hand ten kus.
En nu, trots alle etikette, ijlde de gravin toe, liet zich op een knie voor den Koninklijken troon neder, nam de
179
hand der Koningin, drukte deze innig aan hare lippen, en twee heete, brandende tranen vielen uit hare oogen op de hand der Koningin.
In de oogen der Koningin glinsterden óók tranen; met zachte, bevende stem verzocht zij de gravin op te staan, en wendde zich glimlachend tot den Koning, die zich had opgericht.
âMijn dierbare heer en gemaal,quot; zeide zij: âik stel u hielde gravin Lichtenau, de jongste van al onze gravinnen voor. Ik beveel haar in uwe genade aan.quot;
Wilhelmine echter hief haar blik niet tot den Koning op. Zij gevoelde zich beschaamd, ternedergebogen, verpletterd door de zachte woorden der Koningin; en elk woord weergalmde in haar hart als een verwijt, als een beschuldiging!
V.
De twee minnaars.
De artsen hadden den Koning de badplaats Pyrmont tot versterking en opwekking aanbevolen, en Zijne Majesteit had zich met den geheelen stoet van zijne Hofhouding daarheen begeven. Ook de gravin Wilhelmine von Lichtenau had op uitdrukkelijken wensch van den Koning, hem daarheen vergezeld. Zij moest hem amuseeren en met haar glimlach, hare vroolijkheid en opgeruimdheid, de sombere wolken van zijn voorhoofd verdrijven. Zij alleen verstond het, den Koning te vervroolijken, en hem te doen lachen door kluchtige verhalen en koddige invallen! Met altijd wel is waar mocht zij zoo vroolijk gestemd zijn; ook voor haar waren er zorgen en bekommeringen; maar zij moesten verborgen blijven, diep in haar hart, en de glimlach moest eeuwig op de lippen dei-gravin von Lichtenau troonen. De Koningin heeft wèl 't recht, zich verdrietig te betoonen, en in hare verlatenheid, in de stille badplaats Freienwalde, mag zij verstoord zijn, dat zij alleen en vergeten is. Vele duizende harten zullen met haar sympathiseeren, en als zij weent, zullen allen ootmoedig voor haar buigen en erkennen, dat zij er het recht toe heeft. Maar als de gravin Lichtenau weent, zal zij slechts
180
spottende blikken ontmoeten; en als zij klagen en morren wil, zal men de schouders ophalen en zich van haar afwenden. Zij is de Koningin van den dag. Huldigend nadert ieder haar; in het stof buigen zich al degenen, die van den Koning iets begeeren, en zich over een gunstbewijs willen verheugen ! Maar die niets begeert, die onafhankelijk is, wendt zich van haar af, en schijnt haar niet te kennen.
Wie echter is onafhankelijk op aarde? Al de Duitsche Rijksvorsten schijnen het niet te zijn; want allen haasten zich naar Pyrmont te gaan, om den Koning van Pruisen hunne hulde te brengen, en naar de gunst der gravin Lich-tenau te dingen.
Zij was inderdaad nog altoos een fraaie, betooverende verschijning. Het geluk deed haar dubbel bevallig en jong voorkomen; het scherpte haar verstand en vernuft, en elk was verwonderd over het edele, fijne gedrag, de echt aristocratische manieren der gravin Wilhelmine von Lichtenau.
âWilhelmine,quot; zei de Koning tot zijne vriendin; âge zijt een tooveres; ge hebt alle harten veroverd en alles ligt huldigend aan uwe voeten! De Duitsche Rijksvorsten herinneren zich nauwelijks dat ik Koning ben; zij beschouwen mij slechts als den vriend der gravin Lichtenau, die alle harten in hare boeien heeft geslagen, en om wier wille zij alleen hier verwijlen !quot;
'Wilhelmine glimlachte: âWeet Uwe Majesteit ook waarom?
Al deze heeren gelooven dat ik millioenen bezit; en mil-lioenen hebben zelfs voor een Duitschen Vorst een goeden klank! Met mijne millioenen willen zij trouwen! Mijne millioenen huldigen zij; dezen maken zij het hof, en als het niet anders zijn kan, willen zij ter liefde daarvan, ook mijn kleine onwaardige persoon op den koop toe nemen. Dit, mijn genadigste heer en Koning, is het geheim dezer huldigingen vanwege de Duitsche Vorsten!quot;
âGe gelooft, naar 't schijnt, niet veel aan de liefde en aanbidding der menschen.quot;
Zij schudde met een helderen lach het hoofd. â âIn 't geheel niet Majesteit; ik geloof aan niets dan aan de genade Uwer Majesteit. O, moge deze mij beschijnen en bestralen tot aan 't einde mijns levens; want zij is de zon mijner dagen!quot;
De Koning zuchtte. â âAch, Wilhelmine; â ik zal 't
181
einde van uw leven gelukkiglijk niet zien; ik zal vóór u sterven! Stil, verzeker niets! Ik voel somwijlen het zwarte spook, dat achter mij sluipt! Help mij, dat ik het vergete, Wilhelmine, en laat mij weder vroolijk zijn en er niet aan denken! Wij spraken van uwe aanbidders; dus, gij gelooft dat niet één u waarachtig bemint?quot;
Wilhelmine scheen ernstig na te denken.' â âDaar is de hertog van Hildburghausen,quot; zeide zij: âzijn land heeft schulden en hij heeft geld noodig; den hertog van Gotha gaat het evenzoo! Daar is de Vorst von Reuss; hij zwoer mij gisteren, dat hij om mijnentwille bereid was, de geheele wereld zijn handschoen toe te werpen! Maar Uwe Majestet weet; hij heeft de zonderlinge gewoonte van nooit handschoenen te dragen, en ik maakte hem hierop opmerkzaam; toen bloosde hij en verwijderde zich. â Daar is de hertog van Bruns-wijk; ach, daar zijn ze allen, en altoos blijft het liedje waar, dat de kapelmeester Hiramel mij geleerd lieeft, en dat mijn A. B. C. en mijn brevier is.quot;
En met heldere, melodieuse stem en glimlachenden mond begon Wilhelmine te zingen:
De mannen deugen allen niet.
Er leel't niet een getrouwe.
Bedrog en valsehheid is hun doel, â
Op hun luimen niet te bouwen.
âDoch neen,quot; viel zij zich zelve in de rede: âik wil het geheele geslacht niet veroordeelen; er zijn er toch twee, die mij in waarheid beminnen, dat is âquot;
âNu?quot; vroeg de Koning opgewonden: âik ben inderdaad nieuwsgierig deze twee heeren, â of liever den anderen te kennen; want één van beiden ken ik reeds.quot;
Zij schudde langzaam het hoofd en aanschouwde hem met een diepen, zielsvollen blik. â âNeen, Majesteit, bemint mij niet; gij zijt slechts grootmoedig en edel voor mij, en gunt mij het geluk uwer vriendschap. Uwe Majesteit reken ik niet onder de andere stervelingen! De twee, van welke ik spreken wil, zijn ten eerste lord Spencer, en ten tweede de dikke Schmidts; beiden beminnen mij, en het bewijs ervan is, dat de lord heden morgen van Londen, â de dikke Schmidts van Berlijn gekomen is. Zij kunnen niet zonder mij leven, beweren zij; hoewel de dikke Schmidts, sinds ik
178
teiten, die eenige vriendelijke woorden met haar wisselden, en vervolgens de dames voorbij lieten gaan naar de andere zijde.
Slechts weinige der voorname, nieuw geïntroduceerde dames waren nog voor te stellen, toen plotseling door de geopende, vergulde vleugeldeuren der audiëntiezaal, twee dames de zaal binnentraden. De eene, hoog van gestalte, fier, met bleek gelaat, eenvoudig maar deftig gekleed, in zwart fluweelen robe met zilver geborduurde sleep; de andere prachtig om te aanschouwen, in goudlakens kleed, de vonkelende gravenkroon op het fraaie hoofd, boven het heldere voorhoofd en glimlachend gelaat, dat liefelijk bloosde van trots en vreugde, en er uitzag als het gelaat van een jong meisje.
Een uitdrukking van schrik en ontzetting teekende zich op de aangezichten van al de dames, die in een kring aan weerszijden der zaal stonden. De opperhofmeesteres, die nevens den zetel der Koningin stond, verbleekte van toorn; de Koningin glimlachte zacht, en het gelaat des Konings straalde van genoegen.
Langzaam, hand in hand, gingen beide dames door de zaal, en plaatsten zich aan het benedeneinde, bij de nog voor te stellen dames. De eene na de andere trad nu naaiden troonzetel der Koningin, en de opperhofmeesteres noemde hare namen. Nu ontstond een ademlooze diepe stilte. Dn gravin Herke trad voor, en met zachte stem zeide de opperhofmeesteres :
âHare Excellentie, de gravin douairière Herke.quot;
Deze deed eenige schreden voorwaarts en voerde aan haar hand de trotsche, verblindende, betooverende schoonheid, wier voet nooit het parket van deze zaal had betreden, wier naam nog nooit in deze ruimte geklonken had
âMajesteit,quot; zei de gravin Herke met luide, plechtige stem ; âik veroorloof mij u hier de gravin Lichtenau voor te stellen.quot;
Wederom een ademlooze stilte. Vervolgens hoorde men de zachte stem der Koningin zeggen: âIk heet de gravin Lichtenau welkom!quot; En toen reikte haar de Koningin de hand ten kus.
En nu, trots alle etikette, ijlde de gravin toe, liet zich op een knie voor den Koninklijken troon neder, nam de
179
hand der Koningin, drukte deze innig aan hare lippen, en twee heete, brandende tranen vielen uit hare oogen op de hand der Koningin.
In de oogen der Koningin glinsterden óók tranen; met zachte, bevende stem verzocht zij de gravin op te staan, en wendde zich glimlachend tot den Koning, die zich had opgericht.
âMijn dierbare heer en gemaal,quot; zeide zij: âik stel uhielde gravin Lichtenau, de jongste van al onze gravinnen voor. Ik beveel haar in uwe genade aan.quot;
Wilhelmine echter hief haar blik niet tot den Koning op. Zij gevoelde zich beschaamd, ternedergebogen, verpletterd door de zachte woorden der Koningin; en elk woord weergalmde in haar hart als een verwijt, als een beschuldiging!
V.
De twee minnaars.
De artsen hadden den Koning de badplaats Pyrmont tot versterking en opwekking aanbevolen, en Zijne Majesteit had zich met den geheelen stoet van zijne Hofhouding daarheen begeven. Ook de gravin Wilhelmine von Lichtenau had op uitdrukkelijken wensch van den Koning, hem daarheen vergezeld. Zij moest hem amuseeren en met haar glimlach, hare vroolijkheid en opgeruimdheid, de sombere wolken van zijn voorhoofd verdrijven. Zij alleen verstond het, den Koning te vervroolijken, en hem te doen lachen door kluchtige verhalen en koddige invallen! Niet altijd wel is waar mocht zij zoo vroolijk gestemd zijn; ook voor haar waren er zorgen en bekommeringen; maar zij moesten verborgen blijven, diep in haar hart, en de glimlach moest eeuwig op de lippen dei-gravin von Lichtenau troonen. De Koningin heeft wèl 't recht, zich verdrietig te betoenen, en in hare verlatenheid, in de stille badplaats Freienwalde, mag zij verstoord zijn, dat zij alleen en vergeten is. Yele duizende harten zullen met haar sympathiseeren, en als zij weent, zullen allen ootmoedig voor haar buigen en erkennen, dat zij er het recht toe heeft. Maar als de gravin Lichtenau weent, zal zij slechts
180
spottende blikken ontmoeten; en als zij klagen en morren wil, zal men de schouders ophalen en zich van haar afwenden. Zij is de Koningin van den dag. Huldigend nadert ieder haar; in het stof buigen zich al degenen, die van den Koning iets begeeren, en zich over een gunstbewijs willen verheugen! Maar die niets begeert, die onafhankelijk is, wendt zich van haar af, en schijnt haar niet te kennen.
Wie echter is onafhankelijk op aarde? Al de Duitsche Rijksvorsten schijnen het niet te zijn; want allen haasten zich naar Pyrmont te gaan, om den Koning van Pruisen hunne hulde te brengen, en naar de gunst der gravin Lich-tenau te dingen.
Zij was inderdaad nog altoos een fraaie, betooverende verschijning. Het geluk deed haar dubbel bevallig en jong voorkomen; het scherpte haar verstand en vernuft, en elk was verwonderd over het edele, fijne gedrag, de echt aristocratische manieren der gravin Wilhelmine von Lichtenau.
âWilhelmine,quot; zei de Koning tot zijne vriendin: âge zijt een tooveres; ge hebt alle harten veroverd en alles ligt huldigend aan uwe voeten! De Duitsche Rijksvorsten herinneren zich nauwelijks dat ik Koning ben; zij beschouwen mij slechts als den vriend der gravin Lichtenau, die alle harten in hare boeien heeft geslagen, en om wier wille zij alleen hier verwijlen !quot;
Wilhelmine glimlachte: âWeet Uwe Majesteit ook waarom?
Al deze heeren gelooven dat ik millioenen bezit; en mil-lioenen hebben zelfs voor een Duitschen Vorst een goeden klank! Met mijne millioenen willen zij trouwen! Mijne millioenen huldigen zij; dezen maken zij het hof, en als het niet anders zijn kan, willen zij ter liefde daarvan, ook mijn kleine onwaardige persoon op den koop toe nemen. Dit, mijn genadigste heer en Koning, is het geheim dezer huldigingen vanwege de Duitsche Vorsten!quot;
âGe gelooft, naar 't schijnt, niet veel aan de liefde en aanbidding der menschen.quot;
Zij schudde met een helderen lach het hoofd. â âIn 't geheel niet Majesteit; ik geloof aan niets dan aan de genade Uwer Majesteit. O, moge deze mij beschijnen en bestralen tot aan 't einde mijns levens; want zij is de zon mijner dagen!quot;
De Koning zuchtte. â âAch, Wilhelmine; â ik zal 't
181
einde van uw leven gelukkiglijk niet zien; ik zal vóór u sterven! Stil, verzeker niets! Ik voel somwijlen het zwarte spook, dat achter mij sluipt! Help mij, dat ik het vergete, Wilhelmine, en laat mij weder vroolijk zijn en er niet aan denken! Wij spraken van uwe aanbidders; dus, gij gelooft dat niet één u waarachtig bemint?quot;
Wilhelmine scheen ernstig na te denken.' â âDaar is de hertog van Hildburghausen,quot; zeide zij: âzijn land heeft schulden en hij heeft geld noodig; den hertog van Gotha gaat het evenzoo! Daar is de Yorst von Reuss; hij zwoer mij gisteren, dat hij om mijnentwille bereid was, de geheele wereld zijn handschoen toe te werpen! Maar Uwe Majestet weet; hij heeft de zonderlinge gewoonte van nooit handschoenen te dragen, en ik maakte hem hierop opmerkzaam; toen bloosde hij en verwijderde zich. â Daar is de hertog vanBruns-wijk; acli, daar zijn ze allen, en altoos blijft het liedje waar, dat de kapelmeester Himmel mij geleerd lieeft, en dat mijn A. B. C. en mijn brevier is.quot;
En met heldere, melodieuse stem en glimlachenden mond begon Wilhelmine te zingen:
De mannen deugen allen niet,
Er leel't niet een getrouwe,
Bedrog en valschheid is hun doel, â
Op hun luimen niet te bouwen.
âDoch neen,quot; viel zij zich zelve in de rede: âik wil het geheele geslacht niet veroordeelen; er zijn er toch twee, die mij in waarheid beminnen, dat is âquot;
âNu?quot; vroeg de Koning opgewonden: âik ben inderdaad nieuwsgierig deze twee heeren, â of liever den anderen te kennen; want één van beiden ken ik reeds.quot;
Zij schudde langzaam het hoofd en aanschouwde hem met een diepen, zielsvollen blik. â âNeen, Majesteit, gij bemint mij niet; gij zijt slechts grootmoedig en edel voor mij, en gunt mij het geluk uwer vriendschap. Uwe Majesteit reken ik niet onder de andere stervelingen! De twee, van welke ik spreken wil, zijn ten eerste lord Spencer, en ten tweede de dikke Schmidts; beiden beminnen mij, en het bewijs ervan is, dat de lord heden morgen van Londen, â de dikke Schmidts van Berlijn gekomen is. Zij kunnen niet zonder mij leven, beweren zij; hoewel de dikke Schmidts, sinds ik
182
weg ben, niet dunner is geworden, en 't den ouden lord Spencer niet gegaan is als Falstaff, die van zijn dikte beweert, dat verdriet en zorg den mensch doen uitdijen als een oud vat. Lord Spencer is nog even dun en mager als hij altijd geweest is, in weerwil van zijn treuren om mij. Hij beweert wèl, dat kommer en verdriet zijn haar hebben verbleekt, maar ik verzeker U Majesteit, dat de haren van den achtbaren lord Spencer reeds even bleek waren, toen ik hem voor twee jaren te Eome leerde kennen. Intusschen bemint mij de oude heer werkelijk zeer, en in weerwil zijner zeventig jaren, is hij vurig als een jongeling. O, Uwe Majesteit moest eens hooren, met weiken gloed hij mij van zijne liefde verzekert; hoe hij hemel en hel beweegt, getuigenis te geven van zijn liefde.quot;
âIk zou dat wel eens willen hooren,quot; zei de Koning glimlachend ; âmaar ik zou, vrees ik, jaloersch worden. Dunkt u óók niet, quot;Wilhehnine ?quot;
âNeenantwoordde zij: âkan dan de zon jaloersch zijn op een paar olielampjes, die de donkere kamer verlichten? Eén straal van haar is voldoende, om ze onzichtbaar te maken. Maar ik geloof, Uwe Majesteit kon heden een kleine grap hebben. De dikke Schmidts en mijn Engelsche aanbidder hebben zich heden morgen bij mij laten aandienen voor een ernstig onderhoud, â zooals beiden mij geschreven hebben. Ik heb den een te twaalf, den ander te half-een bij mij bescheiden, en zoo Uwe Majesteit een klucht wil hebben, luistere zij wat deze heeren zeggen. Zij moeten natuurlijk niet vermoeden, dat Uwe Majesteit getuige van ons onderhoud is. Ik schuif den leunstoel dicht bij de portière, en begeef mij in het aangrenzend salon; zet mij dan op den divan, die dicht bij de deur staat, en Uwe Majesteit kan alles hooren en, zoo zij voorzichtig is, ook alles zien!quot;
De Koning glimlachte; het voorstel der gravin beloofde ten minste voor een uur verstrooïng en amusement, 't Moest inderdaad kluchtig zijn, de beide voornaamste aanbidders der gravin te beluisteren, zonder dat zij het vermoedden. Hij nam dus het voorstel zijner vriendin aan, en liet zich op den leunstoel neder, dien zij voor hem bij de portière had getrokken.
âEn nu, mijn waarde Koning,quot; fluisterde zij: ânu begeef ik mij in het salon; want hoor, het slaat twaalf uur, en ik
183
ben zeker dat de hartstochtelijke aanbidder, lord Spencer, zeer stipt zal zijn. Uwe Majesteit weet wel, dat lord Spencer tevens bisschop van Londonderry is? Voor een bisschop schijnt het mij echter een hoofdzonde te zijn, dat hij mij bemint, nietwaar. Majesteit?quot;
En lachend sloop AVilhelmine door de portière in het salon.
Nauwelijks eenige minuten later, diende de binnentredende lakei. Zijne Hoogwaardigheid lord Spencer, bisschop van Londonderry aan. Wilhelmine stond op, om hem tegemoet te treden. Zij wilde den langen heer met het lange witte haar, met een sierlijken groet en een diepe buiging ontvangen. Maar hij lachte luid, en sloot haar zonder complimenten in zijne armen. â âDat ontbrak er nog aan, voor den donder, dat ik van Londen met een eigen zeilschip en met koerierpaarden hier zou zijn gekomen, om de gravin Lichtenau als een staatsiepop en Hofdame te begroeten!quot; riep hij luide: âVoor mij is er slechts de schoone, aangebedene Wilhelmine Rietz, mijn lieveling, mijn engel! En engelen kust men en aanbid ze knielend.quot;
âGij moet het inderdaad verstaan met engelen om te gaan,quot; lachte Wilhelmine: âeen vroom bisschop is den engelen nader dan ons andere menschenkinderen! Uw vroom hart verwijlt slechts in den hemel bij de heiligen.quot;
âNeen, voor den duivel; neen!quot; riep de lord: âik wil niets met de heiligen te doen hebben; en een aardsche engel, gelijk gij, is mij liever, dan al de lofzingende en psalmen-neuriënde engelen in den hemel! Ja, Wilhelmine, zoo is het, en tot bewijs er van ben ik hier! Laat ik u aanschouwen, allerschoonste tooveres; ik ben nog altoos als Rinaldo en lig in uwe ketens; en dat heeft mij getrokken uit Londen hierheen; ik moet de lucht inademen, die gij inademt!quot;
âMaar, mylord!quot; riep Wilhelmine: âwat zou de Koning zeggen, als hij n zoo hoorde spreken!quot;
âDe Koning?quot; riep hij schouderophalend: âde Koning zou beschaamd moeten bekennen, dat mijn liefde veel glooiender is dan de zijne. Ja, madame; ik bemin u, zooals geen ander sterveling u bemint! Mijn hart is een groot lustslot, welks kamers u alleen behooren! En elke kamer ervan is met uw naam, uw beeltenis, uw bekoorlijke gestalte
184
versierd. Maar, mijn vriendin; nevens dat slot ligt, wat men de foresteria van het klooster noemt, waarin de vreemde gasten, de dooven, lammen, gebochelden en blinden verblijf vinden.quot; ')
Een luid lachen van Wilhelmine stoorde den lord in zijn vurige betuigingen; hij zag geheel verwonderd op, want het scheen hem, alsof dit lachen een echo had gevonden, een zwaren, mannelijken echo.
âWij zijn immers alleen, Wilhelmine?quot; vroeg de lord, en deed haastig eenige schreden naar de portière. Maar Wilhelmine hield hem vast.
âSpreek, mylord; in de foresteria schijnt het mij recht lustig toe te gaan, en terwijl ik mij in het Slot verveel, hebt gij in de foresteria allerlei pleizier.quot;
âAllerlei pleizier!quot; herhaalde de lord: âals men een Wilhelmine kent, is er geen ander vermaak, dan aan haar te denken! Ik hoop niet dat ge mij van ontrouw zult beschuldigen, tooveres; ik ben u trouw, trouwer dan eenig man, â trouwer dan de Koning! Ge zult mijn liefde, hoop ik, niet met die des Konings vergelijken. Wat doet hij voor u? Niets. Gij geeft hèm alles, hij geeft u niets!quot;
âNiets tegen den Koning!quot; riep Wilhelmine: âge weet, hij is mijn hoogste geluk, mijn heer, mijn gebieder, mijn god op aarde! Ik dank hem alles wat ik ben!quot;
âEn wat zijt ge? Alles wat ge zijt, zijt ge door walleen! De Koning heeft u niets gegeven, dan een kouden titel van gravin. Ach, goddelijke vriendin; wat baat u een grafelijke titel zonder rijkdom, zonder geld? Weet ge waarom ik gekomen ben ? Ik ben gekomen om u te zeggen: Wilhelmine, volg mij; ga met mij naar Engeland, red u, nu het nog tijd is! Ik bied u mijn slot in Engeland, mijne kasteelen tutti quasi in Ierland, en mijn beurs, welke ik gaarne met een vriendin deel, die de alleenheerscheres van mijn hart is! 1) Neem aan, Wilhelmine, wat ik u bied; de Koning heeft n een titel gegeven, maar ik maak mij ongerust om uwentwille, want van den enkelen titel kunt ge niet leven. Ik
|
Zie: Mémoires de la Coratesse de Zie: als voren. |
1
Lord Spencer's eigen woorden.
185
wil u een wettige obligatie geven op mijn slot in Engeland, en u buitendien een jaarlijksch inkomen van tweeduizend pond laten verzekeren, zoo ge er toe kunt besluiten, mijn laatste levensjaren te verhelderen, en mij te volgen naar Engeland. Zeg, dat ge 't wilt; binnen een uur zijn koerier-paarden hier, wij gaan op reis, en uit Londen schrijft ge den Koning uw besluit!quot;
Wilhelrnine lachte weder. âEn om mij dit te zeggen is Uwe Heerlijkheid voor een uur van Londen gekomen, en is gereed over een uur weder te vertrekken?quot;
âGe weet, mijn bloed jaagt vurig door mijn aderen; ik ben een man van spoedige besluiten. Doe gelijk ik; kom, red u voor alle toekomst en gevaar! Hier is mijn hand, sla toe, het tractaat is gesloten, wij vertrekken!quot;
Hij reikte haar zijn hand; maar Wilhelrnine trad terug-en nam haar niet aan. â âGa gij op reis, mylord; ge zijt meester van uw doen en laten, maar ik vertrek niet; mijn plaats is hier aan 's Konings zijde! Hij heeft mij die vergund in gelukkige dagen, ik wil haar behouden in de dagen van zijn lijden en ziekte!quot;
âWat?quot; riep de lord luid: âge weigert mij te volgen, mijn grootmoedige plannen aan te nemen?quot;
âIk weiger bepaald!quot; antwoordde zij levendig.
âWeet ge,quot; riep de lord met steeds luider stem: âweet ge dat dit zeer flauw, ja meer dan flauw, â dat het dom van u is? Weet ge, dat ge uw geluk, uw toekomst, uw onafhankelijkheid en uwe eer van u stoot, als ge mij verstoot? Weet ge, dat, zoodra ik over den drempel dezer deur ben, ook het geluk van hier gaat, en het ongeluk bij u binnentreedt ?quot;
âIk heb mij voorwaar het geluk in een andere gedaante voorgesteld, en ik wil afwachten of ik mij bedrogen heb of gij, mylord.quot;
âIk bezweer u,quot; zeide hij dringend, hare beide handen in de zijne drukkende: âik bezweer u, wacht het niet af! Kom met mij, want ik zeg u : ge zijt verloren, zoo ge het niet wilt! Wat doet toch de Koning? Heeft hij uwe toekomst verzekerd? Heeft hij beschikkingen gemaakt, dat ge onafhankelijk kunt leven, zelfs indien het ongelukkig geval gebeurde, dat hij er niet meer was ? Heeft hij er aan gedacht dat hij sterven kan?quot;
âMylord,quot; viel Wilhelmine hem heftig in de rede; âik
186
verbied u nog één enkel woord te spreken! Vaar tegen mij uit zooveel ge wilt; vertoorn u op mij, maar geen woord tegen den Koning, geen enkel!quot;
â't Is goed,quot; bromde de lord: âik zwijg van hem; maar ge zult zien hoezeer ik u bemin, want ik herhaal nog eens mijn voorstel: Kom met mij, Wilhelmine; ik wil uw toekomst verzekeren, â ik wil u een rijk jaargeld bestemmen, ge zult de meesteres van een prachtig slot, een aanzienlijk dienstpersoneel zijn; ik wil u omgeven met alle weelde, en geheel Europa zal er van spreken, hoezeer lord Spencer zijn vriendin viert! Overweeg dit, en bedenk, dat, zoo ge mijn voorstel niet aanneemt, er een tijd kan komen, dat ge in armoede en behoefte, door de menschen gehoond en bespot, misschien vervolgd door uwe vijanden, leven zult! Wilhelmine, wees verstandig en volg mij!quot;
âNeen,quot; zeide zij luid en heftig: âneen, ik blijf, al mocht ook alles wat ge zegt, gebeuren! Ik mag gehoond, vervolgd, bespot worden; ik wil alles dulden ter wille van mijn Koning, â want ik bemin hem! Hoor goed, mylord: ik bemin hem, en wil voor hem leven, zoolang het God behaagt!quot;
âNu!quot; riep de lord, haar hand wegstootende: âheb dan uw lot, neem het aan! Ondankbare, wreede! Heden nog verlaat ik Pyrmont, en keer naar Engeland terug, met het troosteloos gevoel, dat er een ondankbare, dwaze vrouw is in deze wereld, en dat ik die bemind heb, als ware zij een engel!quot;
En zonder haar nog met een blik en groet te verwaardigen, ijlde hij weg. Toen de deur zich achter hem gesloten had, opende zich de portière, en de Koning verscheen, bleek, met tranen in de oogen. Hij breidde zijn armen uit.
âWilhelmine, getrouwe, beproefde, kom aan mijn hart!quot;
Zij wierp zich met een luiden kreet onstuimig aan zijn borst, kuste zijn handen, en legde haar hoofd aanzijn hart.
âGe zult rusten, mijn lieveling, rusten in vrede. Er mag een tijd komen dat zij u honen en vervolgen, en ik u niet meer beschermen kan- maar ik beloof u, Wilhelmine, zoolang ik leef zal niemand het wagen u aan te randen; en zoo ik u al niet tot Koningin kan maken, ge zult toch de eer en hulde ontvangen, die een Koningin toekomen! Dat beloof ik u in dit uur, en ge zult zien dat ik woord houd. En hierop reik mij uwe lippen, Wilhelmine, opdat ik ze kusse!quot;
187
Zij hief het hoofd op, en de Koning drukte een langen kus op hare lippen.
âDat is het zegel van mijn eed, Wilhelmine; zoolang ik leef, zijt ge de Koningin mijns harten!quot;
Er werd aan de deur van het salon geklopt, en Wilhelmine schoof den Koning terug op zijn leunstoel, en sloot voorzichtig de portières.
âHet zal mijn andere aanbidder, de dikke Schmidts zijn,quot; sprak zij. â Ze had gelijk. Het was de dikke Schmidts, dien de lakei nu aandiende, en hijgend en zwoegend, en evenwel pogende om zeer vlug en behendig te schijnen, rolde de dikke Schmidts, de Falstaff van Berlijn, het salon binnen.
âZiedaar mijn vuurkogel!quot; riep Wilhelmine hem toe: âziedaar mijn meteoor! Ik ben verblind door zijn glans, ik ben verrukt door zijn hemelsche ronde gestalte! O, Schmidts, ge komt mij voor als een reusachtige kanonskogel, die gevuld is met kartetsen van leugen en dwaasheid en valsche eeden !quot;
âMaar allerbekoorlijkste,quot; riep Schmidts lachend: âge laat mij niet aan 't woord komen; ge valt dadelijk met beschuldigingen en aanklachten op mij neder, en ge weet toch, dat ik de trouwste en eerbiedigste van al uwe aanbidders ben.quot;
âZijt ge van Berlijn gekomen, om mij dit te zeggen?quot; vroeg Wilhelmine.
De dikke Schmidts glimlachte, en droogde met den zijden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd, dat met groote droppels er langs rolde.
âAlleen daarom;quot; antwoordde hij: âBerlijn scheen mij woest en uitgestorven, sinds gij er niet meer waart; en het baatte niet, ik moest mij in weerwil der hitte op weg begeven; ik heb dag en nacht doorgereden, om hier te komen; en opdat ge zien zoudt, dat ik te Berlijn aan u gedacht heb, vergun mij u deze kleine gedachtenis mede te brengen.quot;
Hij reikte de gravin een étui toe, en toen zij het opende slaakte zij een vreugdekreet: âO Schmidts, welke kostbare brillanten zijn dit, en hoe schitteren en vonkelen ze, als waren 't sterren, welke gij van den hemel gehaald, â en in een paar oorringen gezet hadt! Wacht maar, wacht; ik zal 't den lieven God verklikken, dat ge den hemel hebt
188
bestolen, ten gevalle van zulk een lichtzinnige vrouw, als ik ben ! Maar ik ben er u hartelijk dankbaar voor, mijn lieve Schmidts,quot; voer zij voort, hem hare hand reikende: âuw geschenk is kostbaar; het doet u en mij eer aan! Ik dank u!quot;
âEn is dat alles?quot; vroeg Schmidts treurig: âheb ik niet een kleine belooning verdiend?quot;
âEen belooning voor uwe brillanten ?quot;
âNeen; een belooning voor dat ik in de hitte hierheen ben gekomen, steeds in gevaar van te smelten en âquot;
âAls een groote vetvlek in uw rijtuig hier aan te komen !quot; viel Wilhelmine hem luid lachende in de rede: âWelke belooning begeert ge?quot;
âEen kus,quot; lispte Falstaff; âéén enkelen kus, wreede. Ik vrij reeds een jaar lang om deze hoogste gunst; sta haar mij nu toe?quot;
âWelnu,quot; riep Wilhelmine: âik wil u deze hoogste gunst toestaan en u een kus geven, doch slechts op ééne voorwaarde.quot;
âNoem mij deze voorwaarde,quot; riep Falstaff in vervoering: âal mocht zij nog zoo moeielijk zijn, ik zal haar vervullen!quot;
âZij is inderdaad moeielijk!quot; glimlachte Wilhelmine: âik wil u een kus geven, op voorwaarde, dat ge er mij op uwe knieën om verzoekt.quot;
Nu zette Falstaff een zeer bedenkelijk gezicht; bekeek den vloer, en zag nu eens op zijn tonvormige gestalte, vervolgens weder op haar, die glimlachend, met de verleidelijkste bevalligheid voor hem stond. â âWelaan, het zij zoo, ik wil het ongehoorde doen; de Hemel mag weten wat er van komt!quot;
Een ontzaglijke slag klonk nu; de meubelen der kamer beefden, en een schaterende lach klonk van Wilhelmine's lippen; want Falstaff-Schmidts had zich op zijne knieën nedergeworpen, en als een aardbeving had er de kamer van gedreund.
[j PâGe ziet, ik lig hier op mijne knieën,quot; steunde Falstaff: âlaat nu ook het geluk op mij nederdalen, geef mij den kus!quot;
âWelaan, het zij zoo!quot; riep Wilhelmine: âGe hebt mij het hoogste bewijs uwer liefde gegeven, en nu zult ge hiervoor de hoogste belooning ontvangen!quot;
Zij boog zich tot hem en hij hief het hoofd en de ge-
189
spitste lippen tot haar op, maar vóór nog deze lang geweigerde kus gegeven werd, scheidde zich de portière, die in de aangrenzende kamer voerde, vaneen, en de Koning verscheen.
âZijne Majesteit de Koning!quot; riep Wilhelmine met een uitdrukking van ontzetting.
âDe Koning, ach, de Koning!quot; kreunde Falstaff, terwijl hij vruchteloos poogde op te staan.
âJa, de Koning!quot; riep Friedrich Wilhelm, terwijl hij langzaam voortging: âde Koning die een zijner onderdanen voor een hoogverrader moet erkennen, en hem op heeterdaad betrapt! O Wilhelmine, wat moet ik zien; gij duldt dat deze Adonis aan uwe voeten ligt? Trouwelooze!quot;
âSire! ik bid u om genade!quot; zei Wilhelmine demoedig; âSta toch op, Schmidts.quot;
âSta toch op!quot; beval de Koning op gebiedenden toon. En de dikke Schmidts, buiten zich zeiven van ontzetting, deed krampachtige pogingen om zich op te richten. Maar zij waren vruchteloos; de kolossale gestalte wilde zich niet aan den wil van haren eigenaar onderwerpen, en er was niets in de nabijheid, waaraan de kleine bevende handen zich konden vasthouden, en de gestalte opheffen. Het zweet liep hem met dikke droppels over 't voorhoofd, en zijn lippen stamelden bevend: âGenade, Majesteit, genade!quot;
De Koning kon zich niet langer bedwingen; hij had tevergeefs beproefd nog langer zijn ernstige houding te bewaren, maar 't gezicht was al te kluchtig. Hij leunde op den kruk-stok, dien hij zelf steeds behoefde om op te staan, zag met een zalig gelaat op den knielenden Falstaff neder, en barstte in een schaterenden lach uit, zooals die in langen tijd niet van zijne lippen gehoord was, trad langzaam op den knielende toe, en wenkte Wilhelmine tot zich.
âNu, Wilhelmine, wees niet wreed; help mij onzen lieven vriend weder op de been brengen.quot;
En lachend reikten zij hem de handen, en waren hem behulpzaam zich op te richten. Hij zuchtte diep, en het ⢠klonk als het blazen van een walvisch, toen Falstaff met dezen zucht aan zijn inwendige bedruktheid lucht gaf. Zijn kleine, gezwollen oogen richtten zich met een smeekende uitdrukking op den Koning, en zeiden wat zijne hijgende lippen nu niet konden zeggen: âGenade, Majesteit, genade!quot;
190
De Koning verstond de taal van dien blik, en knikte hem I tre
vriendelijk toe. I lor
âGe moet voortaan voorzichtiger zijn, mijn lieve. Ge moet
u niet met zulke waagstukken inlaten! Hier, neem dit!quot; En 1 en
de Koning reikte den verrukten lakenfabrikant Schmidts I wï
den stok, waarop hij zelf geleund had, â een echten bamboes, i quot;W welks kruk van bergkristal, met groote turkoizen bezet was. â
âNeem dit, mijn lieve Schmidts, ter gedachtenis aan dit 1 m koddige oogenblik. De Koning, mijn groote oom Frederik,
heeft dezen stok gedragen; hij moge u een gedachtenis zijn I zi;
aan hem en mij! En als ge weder dergelijke verliefdeavon- 1 ee
turen naloopt, neem dan dezen stok mede; hij moge u uit 1 vi den nood helpen!quot; ')
âWilhelmine,quot; zei de Koning, toen zij weder alleen waren: 1 sc
âonze goede Berlijnsche Falstafï' heeft mij hartelijk verlus- I li
tigd, en dezen minnaar gun ik u van harte. Wat echter 1 b
den kluchtigen en onbeschaamden lord Spencer betreft, âquot; I s'
âO Majesteit,quot; viel Wilhelmine hem teeder in de rede;
âdenk niet meer aan hem. Ge weet het immers: hij verlaat 1 b
nog heden Pyrmont en keert naar Engeland terug. Vergeet, 1 1(
wat de dolleman in zijn kwaadheid gezegd heeft, en bedenk I d
genadiglijk, dat hij van Uwer Majesteit's tegenwoordigheid I r niets wist.quot;
âIk bedenk dat, Wilhelmine,quot; zeide hij nadenkend: â'tIs 1 \ waar, hij heeft veel ergerlijks gezegd, maar ook veel dat waaien juist is. Hij mag niet van hier vertrekken, zonder dat ik | (
hem gesproken heb; men moet hem terstond bij mij brengen.'quot; âMaar Majesteit,quot; bad Wilhelmine: âwat wilt ge met dezen razenden grijsaard, wien de aardappel nog altoos in het hoofd brandt, in weerwil van zijn witte haren?quot;
âIk wil hem spreken,quot; zei de Koning: âen hem bewijzen, dat de Koning van Pruisen niet zoo geheel zorgeloos is, als hij meent.quot;
Hij greep zelf naar de tafelschel, en beval den binnen-
1) 'sKonings eigen woorden. Dezen stok, dien Koning Friedrich Wilhelm bij deze gelegenheid aan den dikken Schmidts schonk, werd in latere jaren het eigendom van den beroemden arts en geheimraad Hein, toen hij een zoon van den dikken Schmidts van een gevaarlijke ziekte genezen had, en werd later door den zoon van den geheimraad Hein naar het buitenland, â naar Frankrijk weggeschonken.
191
tredenden lakei, terstond den bisschop van Londonderry, lord Spencer, tot hem te roepen.
Een half uur later trad de lord, met tartend voorkomen en tamelijk onvriendelijk gelaat in het kabinet des Konings, waarin buiten hen zich niemand bevond, dan de gravin Wilhelmine von Lichtenau.
De Koning zat in zijn leunstoel, en groette den binnenkomenden lord met een lichten hoofdknik en ernstig gelaat.
âMylord,quot; zeide hij: âopdat alles tusschen ons duidelijk zij, wil ik u een kleine biecht afleggen, Ge zijt immers een geestelijk, vroom heer; een bisschop, en gewis een vroom en deugdzaam biechtvader.quot;
âMajesteit,quot; zei de lord glimlachend: âwat mijn bisschopschap betreft, dat is slechts een fagon de parler, een uiterlijke waardigheid. Ik beken u gaarne, dat ik soms wel biechten heb gehoord, maar dat was nooit in den biechtstoel, maar dikwijls in het boudoir.quot;
âNu, wij bevinden ons immers hier óók niet in den biechtstoel,quot; glimlachte de Koning: âluister, mijn waarde lord, dit is mijn biecht: Ik heb heden morgen, ginds achter die portière zittende, uw geheel levendig onderhoud met mijne vriendin, de gravin von Lichtenau gehoord.quot;
âDat is schandelijk!quot; riep de lord toornig: âDat is een valschheid van u, Wilhelmine, die ik nooit verwacht had. 't Is genoeg dat ge mijne liefde versmaadt en afwijst; maar dat ge iemand anders, â en dat nog wel den Koning, getuige mijner nederlaag maakt, dat is onedelmoedig, Wilhelmine !quot;
âDoe haar geen verwijten,quot; zei de Koning zachtmoedig: âZij wist er niets van. Ik was voornemens bij haar te komen, toen ik uw luide en heftige stem hoorde, mylord, en zoo bleef ik in de aangrenzende kamer. En 't verheugt mij, dit gedaan te hebben,quot; ging hij ernstiger voort: âwant ge hebt op uw onbezorgde en heftige wijze veel gezegd, dat ik ter harte heb genomen, en ik wil er u 't bewijs van geven, mylord. G-e zult niet naar Engeland vertrekken met een hart, dat ongerust is wegens de toekomst onzer wederzijdsche vriendin, de gravin von Lichtenau. Ik heb gehoord dat ge de gravin uw hand, uwe kasteelen in Ierland, een bezitting in Engeland, en allerlei rijkdom hebt aangeboden.quot;
.192
âEn ik deed dit, Majesteit,quot; zei de lord met waardigheid; âin het volle gevoel mijner liefde en van het ongeluk, waarmede de edele vrouw, welke ik bemin, in 't vervolg bedreigt kon worden, zoo Uwe Majesteit niet voor haar zorgt.quot;
âMylord,quot; riep Wilhelmine heftig: âwees zoo goed, u niet om mijne zaken te bekommeren!quot;
De Koning wenkte haar met de hand te zwijgen.
âMijn vriendin,quot; zeide hij: âdank den lord dat hij het gedaan heeft, 't Is niet aangenaam, ik moet het zeggen, aan zijn dood herinnerd te worden; maar 't is somwijlen noodig, en hiervan wil ik u nu 't bewijs geven, mj'lord. Ge kunt omtrent het lot der gravin Lichtenau volkomen gerust zijn. Ik heb haar tot nu toe het vruchtgebruik der Brenkenhofsche goederen gegeven; maar zij zal ze van heden af, als haar volkomen eigendom van mij ontvangen. De drie domeinen Lichtenau, Breitenberg en Rosswischen, zullen van heden af het onbetwiste en uitsluitend eigendom der gravin von Lichtenau zijn. Zij zullen haar een jaar-lijksche rente van vijfduizend thaler afwerpen. En als ge hierbij rekent, mijn lieve lord, dat de gravin van mij een maan'delijksch pensioen van driehonderd Louisd'or ontvangt, en buitendien een fraai paleis onder de Linden bezit, dan hoop ik, dat ge van nu af, wegens het lot der gravin von Lichtenau niet meer bezorgd zult zijn.quot;
âSire,quot; zei de lord met zijn onverstoorbare stoutmoedigheid: âik zal niet meer bezorgd zijn, zoodra ik weet, dat de schenkingsacte opgemaakt, â en door Uwe Majesteit onderteekend is.quot;
âDat zal geschieden, en wel terstond, en in uwe tegenwoordigheid,quot; zei de Koning zacht: âmen moet den minister von Haugwitz en den klerk Lombard onmiddellijk bij mij ontbieden; ik wil de schenkingsacte doen opmaken en onderteekenen. Blijf, mylord, gij zult getuige zijn.quot;
Een uur later was Wilhelmine de onbetwiste bezitster der groote Brenkenhofsche goederen. De Koning had zijn naam onder het document gezet, 'twelk Lombard in zijn bijzijn had moeten schrijven, naar het dictaat van den minister von Haugwitz. Toen Friedrich Wilhelm de pen had nedergelegd en zijn zegel er opgedrukt had, reikte hij lord Spencer de acte.
âZijt ge nu tevreden, mylord?quot;
âJa, tevreden,quot; antwoordde lord Spencer: âik kan nu met
193
verlicht hart vertrekken, en ik verzoek Uwe Majesteit, mij te ontslaan.quot;
âGe gaat naar Engeland, mylord?quot;
âNeen,quot; zei lord Spencer: âik heb mij bedacht. Ik begeef mij naar Napels; en ik beken, 't verheugt mij zeer naar mijn schoon Napels terug te keeren, waar de maan meer warmte geeft, dan in Berlijn de zon!quot; ')
VI.
Koning en Khoonphins.
De schoone dagen in Pyrmont waren voorbij. De Koning was naar Potsdam teruggekeerd, en tevens waren zijn ongesteldheid en ziekte hem weder overvallen. De baden van Pyrmont hadden wèl, naar 't scheen, aanvankelijk een goede uitwerking gehad, maar dit had niet lang aangehouden; en de oude benauwdheden, de onrust, de angst en slapeloosheid vingen weder aan. De artsen zetten bedenkelijke gezichten en spraken van de noodzakelijkheid, een zachter klimaat te bezoeken, en waagden het, er op te wijzen, dat de naderende winter voor de ongesteldheid des Konings gevaarlijk kon worden.
Zij waagden het niet, dit den Koning te zeggen, maar zij fluisterden het zijne vriendin, de gravin Lichtenau toe, en de vriendin herhaalde het aan haren vriend, den minister von Haugwitz.
âMijn vriend,quot; zeide zij tot hem: âik weet, dat ge het eerlijk met mij meent, en waarom zoudt ge niet? Wij beiden staan en vallen met elkander. Als onze waarde, geliefde Koning de oogen sluit, zal men mij zoowel als u ter zijde schuiven; want wij hebben een groote misdaad op ons geladen: wij waren de trouwe, verkleefde dienaren en vrienden van onzen goeden Koning, en zijn opvolger zal ons dit doen misgelden.quot;
De minister von Haugwitz haalde de schouders op. â âIk
1) De eigen woorden van den lord. Zie ; Mémoires de la Comtesse de l.ichtenau.
DTJITSCHLAND IN WOELING ZN STRIJD. vji. 13
194
geloof, ge doet den Kroonprins onrecht,quot; zeide hij met een sluwen glimlach: âde Kroonprins bezit eenedel, verzoenlijk gemoed, en zoo men zich een trouw onderdaan kan betoonen, dan geloof ik, dat hij genoeg rechtvaardigheidszin heeft âquot;
âMensch!quot; viel hem de gravin met een uitdrukking van ware ontzetting in de rede: G-ij prijst den Kroonprins? Gij gelooft dat het mogelijk is, hem te verzoenen ? O Haug-witz, ik sla daar een blik in uw ziel, en ik huiver voor u!quot;
Hij zag haar aan met een uitdrukking van ongeveinsde verbazing. â âIk begrijp u niet, waardste gravin. Ge weet, hoop ik, dat ge geen trouwer en verknochter vriend hebt dan mij?quot;
Hare oogen rustten met een scherpen, doorborenden blik op zijn glimlachend hovelingsgelaat. â âIk geloof het tot heden, maar er schoot zooeven als een bliksem door mijn ziel, en de gedachte kwam bij mij op aan de mogelijkheid, dat ge mij eenmaal zoudt kunnen verraden.quot;
De minister' Haugwitz lachte en nam de hand der gravin, drukte die aan zijne lippen en betuigde met hartstochtelijke en innige woorden, zijn onveranderlijke verknochtheid, zijn trouw tot in den dood.
Wilhelmine geloofde hem, en besprak met hem een plan, 'twelk zij ontworpen had, en tot welks uitvoering zij de hulp van den machtigen en invloedrijken minister von Haugwitz behoefde.
De Koning moest afstand doen; hij moest van alle regee-ringszaken, van alle, macht afzien, en naar Italië gaan, om daar gezondheid en nieuwe levenskracht te herwinnen. De minister von Haugwitz zou hem als opperhofmaarschalk, als zijn majordomus begeleiden, en Wilhelmine wilde met hem gaan, als zijn trouwe verpleegster. Een Muzenhof, een Hof van kunstenaars wilde men daar om den Koning verzamelen, en zooals vroeger, ten tijde van Koning René in Frankrijk, zou het Hof van Koning Friedrich Wilhelm in Italië allen tot zich noodigen, die de kunsten, de poëzie, het vroolijk levensgenot huldigden.
Wilhelmine verstond het, haar vriend voor zich en haar plan te winnen, en Haugwitz en de gravin Lichtenau wisten vervolgens al hunne welsprekendheid aan te wenden, om den zieken, lijdenden Koning voor het idee van zijn abdicatie in te nemen.
195
Aanvankelijk had hij er zich wel met heftigheid tegen verzet. Het kwam hem schandelijk en onwaardig voor, het heilige ambt op te geven, dat het lot in zijne handen had gelegd. Hij dacht er ook met bittere smart aan, dat hij van het gezag afstand zou doen, en zijn onbeminden zoon in zijn plaats laten.
âIk ben zoo lang Kroonprins geweest; heb zoo lang vruchteloos gesmacht naar aanzien en invloed, en nu zou deze jonge man er zoo spoedig toe komen; nog vóór mijn dood, waarnaar hij zoo verlangend uitziet!quot; â
Maar Wilhelmine met haar innemende welsprekendheid, en Haugwitz met zijn zachte vermaningen, en de lijdende gezondheid des Konings hadden eindelijk Friedrich Wilhelm's tegenstand mogen overwinnen.
Als een diep geheim hadden zij deze geheele onderhandelingen gevoerd; want zij wisten wel, als Bischofswerder en Wöllner, of de kamerdienaar Rietz iets er van vernamen, zouden zij 't nooit verwerven en volvoeren. Want Bischofswerder en Wöllner wilden den scepter van Pruisen in handen houden, zoolang er nog een adem in 's Konings borst was. En de geheimkamerdienaar Rietz dweepte zekerlijk niet voor het idee, zijn geliefd Potsdam en alle vrienden en zijn adels-bakkerij, die zooveel opbracht, te verlaten, om in Italië slechts de bediende van een machteloozen kunst-Mecenas te zijn.
Eindelijk had Friedrich Wilhelm zijne toestemming gegeven, en Wilhelmine had hem er voor bedankt met duizende betuigingen van eeuwige trouw, en had met gloeiende welsprekendheid hem 't genot van het Italiaansche leven â 't genot der vrijheid en onafhankelijkheid voorgesteld. En allengs had Friedrich Wilhelm zich in deze nieuwe rol gedroomd ; en zij begon hem te behagen. Een renbode was naar den Kroonprins, â die zich met zijn gemalin te Parez bevond, om daar de laatste schoone herfstdagen te genieten, â afgezonden geworden, en de Koning verwachtte nu zijn zoon voor de gewichtige conferentie.
Het was een wonderschoone Octoberdag. De zon scheen met de warmte van een Augustusdag, en de Koning was naar buiten getreden op het terras; had er zijn leunstoel laten zetten, en zag naar beneden in het park, welks machtige, heerlijke boomgroepen, met de verschillendste schakeeringen door de hand van den herfst gekleurd waren. â
196
âHet leven is toch fraai, en men moet trachten het zoo lang mogelijk te behouden; want wie weet, wat na dit leven komt. De natuuronderzoekers zeggen: eeuwig zwijgen; de philosofen bekennen dat zij niets weten, en de vromen zeggen; een eeuwig overgaan in God.quot;
De Koning huiverde inwendig bij deze gedachte: âEen eeuwig overgaan in God! Ik zou nog een weinig ik zelf willen blijven; een weinig leven en het leven genieten!quot;
De zon had zich een oogenblik achter de wolken verborgen, en de herfstlucht liet zich nu gelden in een snijdenden, kouden wind, die door de boomen voer, en hun geheele wolken bladeren ontrukte, die dwarlend aan de voeten van den Koning nederkwamen.
Hij zag het peinzend toe, en weder klonk in hem Homerus, woord: âGelijk de bladeren in den wind, zijn de geslachten der menschen. Bladeren waait de wind ter aarde, en in de armen des doods zinkt geslacht na geslacht!quot;
âIk zou nog niet gaarne sterven,quot; zeide hij zacht voor zich: âen toch, wie weet of ik nog een herfst beleef, als ik hier blijf in dit koude Noorden. Hoe guur waait de wind, â ik wil weg van hier; ik wil niet ter aarde en onder de aarde gebracht worden als deze herfstbladeren. Italiës zon zal mij nieuwe kracht en nieuwen bloei geven; â ik wil weg, weg!quot;
Een lakei trad met zachten, eerbiedigen tred op het terras. âMajesteit, de Kroonprins verzoekt audientie.quot;
De Koning wenkte met de hand. âLaat hem hier komen. Zet een stoel voor hem.quot;
En de lakei rolde uit het open tuinsalon een stoel naar buiten, en verwijderde zich.
De herfstwind had met zijn kouden adem de borst des Konings getroffen, en hij hoestte luid. Akelig en naar klonk dit hoesten, en schudde de reusachtige gestalte des Konings, juist op 't oogenblik, toen door de open deur van het tuinsalon de slanke, rijzige gestalte van den jongen Kroonprins zichtbaar werd. De Koning keek, midden in zijn benauwdheid en hoest, naar hem, en gevoelde een zweem van afgunst, toen hij het bloeiende gelaat en de krachtige gestalte van zijn zoon zag.
âHij zal heerschen, hij zal Koning zijn; en ik ben niets dan een ziek man!quot; â
197
De Kroonprins ijlde met bedroefd en bezorgd gelaat op zijn vader toe, en boog zich over hem.
âAch, Majesteit, ge lijdt? Zal ik de artsen roepen?quot;
De Koning zag hem met een somberen blik aan. â ,.lk lijd volstrekt niet; 't is slechts een hoest, die
De hoest belette hem voort te gaan en klonk uit hem â geweldig, akelig, als zoovele grafstemmen.
De Koning wees met den hand naar den stoel, en de Kroonprins, â het bevel zijns vaders gehoorzamend, â ging zitten en wachtte stil en geduldig, tot de Koning weèr tot adem kwam, en in staat was te spreken.
Friedrich Wilhelm leunde 't hoofd achter in den fauteuil, en de adem ging hijgend en trillend nog een poos over zijn bevende lippen.
âMijn zoon,quot; zeide hij vervolgens na een lange pauze: âhet hoesten, dat ge zooeven gehoord hebt, spreekt beter voor mij, dan alle woorden het kunnen. Ik ben een ziek man.quot;
âUwe Majesteit zal verkouden zijn,quot; zei de Kroonprins zacht: âdat gaat wel over. Majesteit, en ge zult spoedig hersteld zijn. De artsen zeggen, dat Pyrmont zijn plicht heeft gedaan, en Uwer Majesteit gezondheid verstrekt heeft, 't Is, Gode zij dank, niet te vreezen, dat de kwade toevallen der lente zich herhalen zullen.quot;
De Koning zag met somberen blik in het open, eerlijk gelaat van zijn zoon. â âNaar 't schijnt, hebt ge bij mijn artsen zeer nauwkeurig onderzoek gedaan,quot; zeide hij.
âUwe Majesteit zal dit begrijpelijk vinden van een zoon, die zijn vader lief heeft.quot;
âHebt ge mij waarlijk lief?quot; vroeg de Koning: âZie mij stijf in de oogen, Friedrich Wilhelm, en antwoord mij: hebt ge mij waarlijk lief? â Waarom wendt ge uw blik af? Ik herhaal het; zie mij stijf in de oogen!quot;
De bruine, glinsterende oogen van den Kroonprins richtten zich nu op het bleek, gezwollen en opgeblazen gelaat van zijn vader, en de oogen van vader en zoon ontmoetten elkander met een langen blik. Misschien begrepen zich in dit oogenblik hunne zielen, en ontmoetten zich hunne harten in één smartelijke gedachte; want beiden zuchtten zij.
âGe antwoordt mij niet?quot; vroeg de Koning na een lange pauze: âIk heb u gevraagd, of ge mij waarlijk lief hebt?
198
Spreek niet met frazen tot mij, mijn zoon; zeg niet, dat het de plicht is van eiken zoon, zijn vader lief te hebben. Ik heb genoeg zulke frazen in mijn leven gehoord, en ken hunne waarde. Ik wil weten of ge mij lief hebt?quot;
âMaar Uwe Majesteit heeft mij terstond het antwoord afgesneden,quot; zei de Kroonprins zacht en bedachtzaam tevens: âik kan immers slechts antwoorden, dat het de plicht van eiken zoon is zijn vader lief te hebben, en âquot;
âNu?quot; vroeg de Koning: en? â spreek voort!quot;
âEn te eeren,quot; voegde de Kroonprins zacht en met neder-geslagen oogen er bij.
âZoo ge mij eert als uwen Koning en uwen vader,quot; voer Friedrich Wilhelm voort: âdan kan ik aannemen, denken en verwachten, dat ge mijne regeering niet verloochenen, â maar voortzetten zult; dan kan ik aannemen, dat ge in mijne voetstappen treden, â en geen veranderingen invoeren zult, zoodra mijn kroon op uw hoofd overgaat.quot;
âMaar Majesteit,quot; zei de Kroonprins levendig: âwaarom wilt ge u met de toekomst bezig houden, en van zulke treurige zaken spreken? God zij geloofd, Uwe Majesteit leeft, draagt haar kroon, en ik bid den Almachtige, dat hij die nog lang op uw hoofd behouden moge.quot;
âEn ik,quot; riep de Koning driftig: âik smeek den Almachtige dat hij ze van mijn hoofd nemen moge! Ik ben de regeering de ergernissen, het twisten en huichelen moede en zat, mijn zoon, en daarom vraag ik u: Zoo mijn kroon nu overging op uw hoofd, zoudt ge handelen op de manier en wijze, zooals ik geregeerd heb ? Of zoudt ge uwen vader verloochenen, en een andere wijze van regeering invoeren ?quot;
De Kroonprins zweeg.
âAntwoord mijn zoon! Zoudt ge mijn opvolger in den vollen zin des woords zijn?quot;
âMajesteit, dat weet ik niet,quot; antwoordde de Kroonprins na kort bedenken: âik beken Uwe Majesteit, dat ik tot heden hierover nooit heb gedacht. Men heeft mij tot hiertoe geen deel aan de regeeringszaken vergund; ik heb nooit noodig gehad mij deze vraag voor te houden, en âquot;
âEn ge ontwijkt mij,quot; riep de Koning levendig: âevenwel is 't noodig; dat ge mij vast en bepaald antwoord geeft op deze vraag. En ik zal u nu zeggen waarom. Ik herhaal u: ik ben de heerschappij en het regeeren moede. Ik heb,
199
zoolang ik leef, nooit de vrijheid en onafhankelijkheid van den mensch leeren kennen. Ik had een somber en treurig leven als Kroonprins geleid; ik was bewaakt, beperkt, gehinderd in al mijn doen, en ik kan u mijn woord geven, dat het juist geen lichte en aangename taak was, als troon-erfgenaam nevens den grooten Koning Frederik te staan, en hem onderdanig te zijn; ik heb veel geleden en ontbeerd als Kroonprins. Vervolgens, nadat zijn dood mij op den troon had verheven, heb ik veel zorgen en nood, veel kommer, â hoewel ook veel vreugde en genot gehad. Maar vrij ben ik toch nooit geweest; en onafhankelijk heb ik tot op dit uur nog geen dag geleefd. En nu zou ik toch óók wel eens willen weten, hoe een vrij en onafhankelijk mensch te moede is; ik zou eens als mensch het leven willen aanschouwen, â niet van het beperkte gezichtspunt eens Konings Gij kunt mij hiertoe de gelegenheid bieden, mijn zoon.quot;
âJA:?quot; vroeg de Kroonprins verschrikt, en zijn bruinroode wangen verbleekten: ,.J7c, Majesteit?quot;
De Koning knikte. â âJa, gij. Ik wil aftreden; ik wil kroon en scepter in uwe handen nederleggen, en van hier gaan, ver van hier naar het fraaie, gelukkige Zuiden; daarheen waar de maan, zooals lord Spencer zegt, meer warmte geeft, dan hier de zon. Ik verkleum in dit koude land; ik verkleum onder deze koude, bibberende harten. Ik wil weg van hier!quot;
âOnmogelijk, Majesteit!quot; riep de Kroonprins ontsteld en beangst: âdat kan u geen ernst zijn. God heeftu uw plaats aangewezen, en gij moet haar behouden tot den dood! Yergeef mij. Majesteit, dat ik dit heillooze woord heb uitgesproken, maar het kwam uit het diepst mijns harten. En ik bezweer u dringend: zeg, dat ge mij slechts op de proef wildet stellen ; zeg, dat het een verzoeking was. Laat mij niet vreezen, dat het u werkelijk ernst is; dat ge de heillooze gedachte kondt opvatten, van de regeering afstand te doen.quot;
En terwijl de Kroonprins haastig en met zonderlinge aandoening sprak, trok een lichte uitdrukking van ontroering over 's Konings aangezicht. Hij reikte zijn zoon de hand.
âIk zie* in dit oogenblik, Friedrich Wilhelm, dat ik u onrecht deed. Ik meende u een vreugde te bereiden, en nu moet ik erkennen, dat dit niet zoo is. Ge verlangt dus niet naar het oogenblik, dat ge tot de heerschappij komt?quot;
200
âNeen, waarlijk, neen!quot; riep de Kroonprins heftig: âIk verlang er niet naar; ik weet dat het een zware last is een kroon te dragen, en ik weet dat mijn hand nog niet sterk genoeg is om den scepter te voeren, â waardig, sterk en krachtig, zooals 't een Koning betaamt.quot;
âMaar ook mijn hand,quot; zei de Koning levendig: âis niet meer krachtig genoeg, om dezen scepter te voeren, en ik herhaal; ik wensch hem neder te leggen in uwe handen. Ik verlang naar verpoozing en verkwikking, naar rust.quot;
âUwe Majesteit is immers nog niet oud; Uwe Majesteit zal nog vele jaren te leven hebben.quot;
âMisschien zoo ik niet meer hier ben; misschien zoo ik voor deze noordsche stormen naar Italië vluchten kan. Geef mij daartoe gelegenheid, Friedrich Wilhelm; zeg dat ge het. geschenk, 'twelk ik u bied, wilt aannemen. Bedenk, het is een groot, een ongehoord geschenk: 't is een kroon!quot;
âIk bedenk dit. Majesteit, en ik huiver.quot;
âDat is natuurlijk,quot; zei de Koning: âwant de gedachte verrast u, en ik begrijp dat zij u tegelijk verschrikt. Daarom overleg, mijn zoon. Ik wil niet, dat ge mij terstond een beslissend antwoord geeft. Overleg en raadpleeg met uwe schoone en beminnelijke gemalin, en kom dan morgen tot mij terug. Hier op dezelfde plaats zal ik u tegen hetzelfde uur verwachten, en dan zult ge mij antwoorden. En nu, geef mij de hand, Friedrich Wilhelm, de hand tot afscheid. Ik gevoel mij vermoeid en wil rusten.quot;
Hij reikte zijn zoon de hand, die haar eerbiedig aan zijne lippen drukte. Vervolgens oogde de Koning met eefn zonderlingen treurigen blik de voortijlende gestalte van zijn zoon na.
âO jeugd!quot; zuchtte hij zacht: âo jeugd, welk een benijdenswaardig, kostbaar geschenk zijt gij en hoe wreed is het, dat dit geschenk zoo spoedig vergaat!quot;
Intusschen had de Kroonprins haastig het rijtuig, dat hem voor het Slot wachtte, bestegen en was naar Parez gereden. De Kroonprinses, â zoo berichtten hem op zijn vragen de lakeien, â had zich naar het park begeven, en de min met den kleinen prins bevonden zich in gezelschap der Kroonprinses.
Friedrich Wilhelm knikte. â âIk wil de Kroonprinses zelf zoeken,quot; zeide hij haastig: âniemand moet heengaan om mij aan te kondigen, â niemand.quot;
En met haastige schreden begaf hij zich nu naar het park.
201
ging door de lange stille lanen, bleef somwijlen staan, ademde diep en zag met de bruine, glinsterende oogen om zich heen, zoekende naar de liefelijke gestalte zijner gemalin. Nu, bij de kromming van den weg, zag hij haar voor zich.
Daar in het midden van 't groene grasperk, â daar stond zij, door de zon beschenen, in hare armen haar zoontje houdende, den kleinen prins Friedrich Wilhelm, den eerstgeborene, den lieveling van haar hart. De Kroonprins hoorde, hoe Louise dartelde en lachte met het kind; hoorde het vroolijke frissche kraaien en krijschen der teêre kinderstem, en hierbij het blijde lachen der min, die met verrukten blik naar de schoone moeder en het kind zag. 't Was een bekoorlijk gezicht, en de Kroonprins bleef staan, om het diep in zijn ziel te prenten.
Nu had Louise de gestalte gezien, die aan gene zijde van het grasperk stond. Een kreet van vreugde klonk van hare lippen en met het knaapje in den arm, gevolgd door de min, ijlde zij over het gras haar gemaal tegemoet.
âO, Friedrich!quot; riep zij, het fraaie gelaat stralend van verrukking, de oogen schitterend, en met een liefelijken glimlach om de purperen lippen: âO Friedrich, hij heeft heel duidelijk gesproken; hij heeft mij mama genoemd â lieve mama. O, ik wilde dat ge 't gehoord hadt, mijn dierbare vriend. Het klonk als een hemelsche muziek, en ik geloof, wie ooit dezen klank gehoord heeft, weet hoe de muziek der hemelsferen is. En ge zult haar óók hooren, Friedrich. AVees zoet, mijn kleine lieve jongen. Zie, daar is uw papa. Spreek hem toe, mijn kind; zeg papa, lieve papa!quot;
En het kind, als wist het welk een vreugde en zaligheid het beiden edelen menschen veroorzaakte, die het met zulke verlangende, teedere blikken aanzagen, â het kind breidde zijn armpjes uit naar zijn vader en zeide met heldere, duidelijke stem: âpapa, lieve papa!quot;
Nu juichte de Kroonprins luid, sloot zijn arm vast om moeder en kind, en drukte ze teederlijk aan zijn hart.
âO gij, mijn schoonste schatten; gij mijn koninkrijk en mijn heerlijkste bezitting! Wat vraag ik naar kroon en scepter, als ik mijne Louise in mijn armen houd!quot;
Hij nam het kind uit de armen der moeder, en liet het dansen op zijn krachtige hand. En toen het knaapje juichte
202
van vreugde, weerklonk het gejuich vroolijk in de boomen en de frissche lucht.
âEn nu,quot; zei de Kroonprins: âlaat nu het kind weder naar huis terugkeeren, het wordt koud, Louise. En dan zou ik een oogenblik met u alleen willen zijn.quot;
De Kroonprinses wenkte de min en overhandigde haar het knaapje, welks glimlachende lippen zij nog met gloeiende kussen bedekte. Vervolgens nam zij den arm van haren gemaal, en tegen hem geleund, oogden beiden met teedere blikken de min na, die met den kleinen prins den weg naar huis insloeg.
âO mijn waarde vriend!quot; riep de Kroonprinses, en hare groote oogen richtten zich met een uitdrukking van onuitsprekelijke teederheid op liet edele en schoone gelaat van haar gemaal: âO, mijn waarde vriend, â Schiller heeft wèl gelijk; âZalig door cïe liefde, goden door de liefde, menschen den goden gelijk!quot; â Mij heeft uw liefde een hemel op aarde geschapen, en ik weet niet wat mij zaliger zou kunnen maken, dan het uwe liefde gedaan heeft.quot;
âWie weet Louise,quot; zei de Kroonprins met een zachten glimlach: âwie weet, of er toch nog niet iets is: misschien zou ik het u zelfs in dit uur kunnen aanbieden!quot;
âNu, dat zou ik willen weten, mijn vriend!quot; riep Louise met hartelijken lach: âik zou willen weten wat gij, die mij alle geluk hebt gegeven, mij nog meer geluks zoudt kunnen bieden! Ik heb u, eenig geliefde mijns harten, en een lief, fraai zoontje. Wij leven gelukkig in de eenzaamheid, in den vrede der Natuur, in vertrouwelijke huiselijkheid te zamen; wij zijn beiden jong en rijk aan hoop en liefde. Zeg, Friedrich, wat kunt ge mij nog bieden?quot;
âIk zal 't u zeggen,quot; knikte hij glimlachend: âkom, laat ons in deze kleine grot gaan, daar zijn wij alleen, daar zal ik u mijn geheim zeggen.quot;
Arm in arm wandelden zij nu den weg af, en 't zou voor een schilder een heerlijk gezicht zijn geweest, deze twee fraaie, slanke gestalten te zien, hoe zij in den avondzonneglans, omgeven van het groen der boomen, daarheen gingen; elkander aanschouwende met vriendelijken glimlach, elkander toeknikkende met stille vreugde en zaligheid. Nu, bij de kromming van den weg, opende zich het dichte houtgewas voor hen, en had men een vrij vergezicht in den omtrek.
203
Dicht vóór hen, in schitterend kleurenspel, lagen de groene weelderige weiden; in de verte, door hoornen omringd, lagen eenige dorpen, wier kerktorens uit het groen te voorschijn kwamen. Hier en ginds tusschen het heuvelachtige terrein, zag men den kronkelenden Havelstroom; in den glans der ondergaande zon, gloeiden purperrood de groote bewimpelde schuiten; kleine sierlijke bootjes dansten over de glinsterende golven, en van den kerktoren hoorde men het luiden der klokken, die den volgenden Zondag inluidden, 't Was een lief, bekoorlijk en verheffend gezicht; en arm in arm, dicht tegen elkander, zagen de Kroonprins en zijn gemalin het aan.
âO, wonderschoon is Gods aarde, en waard er op vergenoegd te zijn!quot; lispte de Kroonprinses.
âJa, wonderschoon,quot; zei de Kroonprins zacht voor zich: âen evenwel zijn er zoo weinig menschen, die er vergenoegd op zijn!quot;
Louise zag met half verwonderden blik tot hem op. â âZegt ge dat van u zeiven, Friedrich; zijt gij niet vergenoegd?quot;
âIk ben het, sinds ik bij u ben, Louise,quot; antwoordde hij zacht: âge weet, ik was bij den Koning.quot;
âHij is toch wèl, en 't gaat hem goed?quot; vroeg Louize haastig.
De Kroonprins schudde het hoofd. â âHet gaat hem niet goed; hij is niet wel en het leven verveelt hem.quot;
âArme, arme Koning,quot; zuchtte Louize: âhij kon zoo gelukkig zijn; hij heeft alles wat het leven versieren en verheerlijken kan! Hij is Koning, hij is vader van edele en fraaie kinderen, hij is een verstandig, geestig, edel man, en toch, â quot;
âStil, stil,quot; vièl de Kroonprins haar in de rede: âge behoeft hem niet voor mij te verheffen en te prijzen; ik zal hem eeren als mijn vader, en mij jegens hem onderdanig en eerbiedig betoonen, zoolang hij leeft!quot;
âMaar gij bemint hem niet,quot; zei de Kroonprinses smartelijk: âach, dat is de eenige schaduw, die zich soms op ons heerlijk geluk legt. Ge bemint uwen vader niet; en ik moet u, helaas, gelijk geven, hoewel mijn hart zich er tegen verzet.quot;
âOok het mijne heeft zich er lang genoeg tegen verzet!quot; zei de Kroonprins somber: âmaar allengs, â ik ontken het niet, â is de liefde in mij gestorven. Ik heb mijne moeder te veel zien weenen, en ik heb een ellendige, verachtelijke
204
vrouw in glans, macht en aanzien zien stijgen, en heb soms mijn eigen hoofd voor haar moeten buigen. Dat zijn dingen, die niet vergeten worden, en 't is beter er niet van te spreken. â Maar kom nu in de grot, en hoor daar, wat ik u te zeggen heb.quot;
Hij voerde haar in de kleine van mos en steenen saam-gestelde grot, van waar men een heerlijk vergezicht in den omtrek had, en zij namen daar plaats hand in hand, en zagen sprakeloos een poos voor zich uit.
âLouise,quot; zei de Kroonprins vervolgens: âik heb u tot heden weinig uiterlijk geluk en uiterlijke heerlijkheid kunnen aanbieden.quot;
âGij lastert, Friedrich!quot; riep zij levendig.
âStil, Louize; ik bid u, laat mij voortspreken. Ge zijt Kroonprinses van Pruisen, maar ge leeft gelijk ik, in afzondering en stilte. Wij zijn armer dan menig bankier te Berlijn. Wij kunnen geen staat voeren, en moeten ons tamelijk bekrimpen, om van onze inkomsten te leven. Wij hebben ook geen macht en invloed, en de Kroonprins van Pruisen kan zijn gemalin aan het Hof van den Koning de plaats niet geven, welke aan hare schoonheid en rang toekomt. Dat alles weet ik wel, en 't heeft mij soms in 't diepst mijns harten gekrenkt. Ge hebt tot hiertoe moeten ontberen.quot;
âNeen!quot; riep zij levendig, hem met beide armen omvattende en zijn hoofd aan haar borst drukkende: âNeen; ik heb niets ontbeerd, niets ter wereld!quot;
âToch wel Louise,quot; zeide hij zacht; âik weet het beter! Maar het ligt in uw en mijn hand, de ontbering te doen ophouden, en met glans en heerlijkheid in de wereld op te treden. Thans aanschouwen wij uit deze kleine, bescheiden grot de wereld; zij ligt in stilte en vrede vóór ons in den glans der avondzon; het hangt van ons af, of wij uit deze grot willen treden op den schitterenden koningstroon, en een wereld van glans en heerlijkheid aan onze voeten willen zien.quot;
âIk begrijp u niet, mijn vriend,quot; zei Louise, wier groote blauwe oogen hem vriendelijk aanschouwden: âWat gij zegt, hangt immers alleen van Gods quot;Voorzienigheid af; ach, en ik wensch dat Zij ons nog lang de kleine grot als uitzicht in de wereld vergunnen moge! Yan hier uit zien wij met
205
vroom gevoel Gods schoone wereld; op den hoogen troon kon het oog licht verblind worden, en de vreugde der wereld heeft weinig gemeens met den vrede van God en Zijne schepping.quot;
De Kroonprins zweeg en zag peinzend voor zich; vervolgens hief hij langzaam de oogen op tot het glimlachend gelaat zijner gemalin; â âLonise, ik was bij den Koning; weet ge wat hij van mij wilde? Hij stelde mij voor, de kroon aan mij af te staan. Hij wil aftreden en naar Italië gaan, zoo ik zijn voorstel aannemen, â en Koning van Pruisen wil worden.quot;
âEn wat hebt ge geantwoord, mijn vriend?quot; vroeg zij levendig.
âIk wees het af, maar de Koning nam het niet aan; hij beval mij, te zwijgen, mij te bedenken, met u te overleggen en hem morgen mijn antwoord te geven. Ge ziet nu, Louise: ik had gelijk; het hangt van onzen wil af, of wij een fraai, vreedzaam stil leven verlaten, â en in de wereld een groote rol spelen willen!quot;
âHet hangt van uwen wil af, Friedrich,quot; zei de Kroonprinses zacht, en haar gemaal hoorde, met het fijne oor eens minnaars, den smartelijken toon, die in haar stem trilde: .,Gij alleen hebt te beslissen, Friedrich, en ik onderwerp mij aan uwen wil!quot;
De Kroonprins schudde levendig het hoofd. â âNeen, Louise; wij beiden zijn één in liefde, en moeten ook één zijn in willen en handelen! Onze zielen moeten in dit oogen-blik oprecht en duidelijk met elkander spreken, en elkander verstaan. En daarom, in naam van onze liefde, in naam van onzen zoon, in naam van ons zeiven bid ik u, Louise, zeg mij, laat mij open en eerlijk in uw ziel zien, en antwoord mij kort, zooals ge 't voor God zoudt doen: wenscht ge nu reeds Koningin van Pruisen te worden? Ik zeg, zooais de Koning tot mij zeide: antwoord niet dadelijk, bedenk u, Louise.quot;
Zij staarde glimlachend op het vreedzaam stille avondlandschap, ginds naar de kerktorens, welker klokkentoonen de wind tot hen droeg. De Kroonprins sloeg met angstigen blik, met ademloos zwijgen haar liefelijk gelaat en de afwisselende uitdrukking harer trekken gade. Vervolgens, na een pauze, wendde Louise hare groote blauwe oogen
206
met een blik van onuitsprekelijke teederheid tot hem, en hunne oogen ontmoetten elkander.
âFriedrich,quot; zeide zij toen: âben ik koningin in uw hart?quot; Hij zag haar diep in de oogen, toen riep hij luid en verheugd: âJa, ge zijt koningin in mijn hart!quot;'
Louise slaakte een kreet van vreugde en verrukking, en hare beide arme vast om zijn hals sluitende, zeide zij: âLaat het met dit Koningschap genoeg zijn: ik wensch geen ander! Wij zijn nog zoo jong, en ons geluk is óók nog zoo jong. Laat nog een weinig de zalige kroon dei-liefde op mijn hoofd, en zoo 't zijn kan, â houd de andere, zware kroon van mij verwijderd!quot;
De Kroonprins sloeg beide armen om de geliefde gestalte en drukte een lange, gloeiende kus op hare lippen. âLouise, ik dank u met geheel mijn ziel! God moge bepalen wanneer de zware, koude kroon ons hoofd drukken zal; wij willen de Voorzienigheid niet vooruitloopen, wij willen tevreden zijn, zoo Zij ons nog lang van dezen last verschoont. Ik dank u, Louise, ik zal het niet vergeten! Ik blijf Kroonprins, en gij blijft Koningin in mijn hart!quot; â
En den volgenden dag, op het zelfde uur begaf de Kroonprins zich weder naar Potsdam tot den Koning. Deze zat weder, â zooals hij 't den Kroonprins vroeger gezegd had, â op het terras in den zonneschijn, en toen hij den Kroonprins zag naderen, ontroerde hij, en een angstige uitdrukking teekende zich op zijn gelaat. â Berouwde hem reeds het voorstel van gisteren? Kwam hem de kroon, welke hij gisteren versmaad had, heden een kostbaar, onmisbaar goed voor? Hij hield de kleine, waterige oogen strak op den Kroonprins gericht.
âNu, mijn zoon, brengt ge mij antwoord?quot; De Kroonprins zag hem glimlachend en welgemoed in het onrustig gelaat.
âJa, mijn Koning en mijn vader; ik breng u antwoord in mijn eigen naam, en in dien mijner gemalin. Moge God ons nog lang den Koning en den vader behouden; moge hij ons nog lang vergunnen, u te aanschouwen in uwe grootheid en macht, en stil en bescheiden van verre te staan, als Kroonprins en Kroonprinses. Dat is 't, wat ik en Louise gisteren gezegd hebben, toen wij over het voorstel Uwer Majesteit beraadden, en dit is 't wat ik tot God bid eiken
207
dag: Moge hij Uwe Majesteit behouden en haar gezondheid en kracht weder geven, opdat zij nog lang regeeren moge!quot;
De Koning reikte hem beide handen; hij wilde spreken, maar kon niet, en langzaam gleden tranen uit zijn oogen over zijne wangen.
VIL
Het laatste peest.
De lente, met haar zonneschijn, bloemen en pracht, was aangebroken, en de gravin Wilhelmine von Lichtenau was voornemens haar te vieren met een heerlijk feest, dat zij in haar paleis wilde geven. Den geheelen winter door had zij deel genomen aan de Hoffeesten; maar men was haar ontweken, men had vermeden met haar te spreken. Hoewel Wilhelmine geglimlacht en vroolijk geschenen had, gevoelde zij het toch diep; en telkens, als zij tehuis kwam van een feest, waarop al de prinsen en pVinsessen haar niet schenen op te merken, had zij gezworen wraak te zullen nemen wegens dezen hoon, en zich revanche te verschaffen voor al de speldeprikken, welke zij met glimlachend gelaat had moeten verdragen.
En nu was 't bereikt! Dè Koning had aan gravin Lichtenau belootd, dat het geheele Hof het feest zou bijwonen, 'twelk zij ter inwijding van den nieuwen schouwburg in haar paleis geven wilde. En getrouw aan de gegeven belofte, had de Koning het als een bewijs van gehoorzaamheid en-onderwerping aan de familietafel gevorderd, dat zij allen op het feest van gravin Lichtenau zouden verschijnen.
âIk zou kunnen denken,quot; zei de Koning met ernstige stem; âdat mijn wensch voldoende was, om mijne familie op dit feest te zien; daar men mij echter gezegd heeft, dat dit niet zoo is, geef ik hiermede aan de prinsen en prinsessen het hevel des Konings, op het feest, 'twelk de gravin Lichtenau den vijftienden Maart in haar paleis zal geven, te verschijnen, en er te blijven zoolang ik zelf er tegenwoordig ben. Ge hebt het gehoord, mijn zoon Friedrich Wilhelm?quot;
âJa, Majesteit,quot; antwoordde de prins met zachte, sombere
208
stem; âik heb het gehoord en zal mij, gelijk het een gehoorzaam onderdaan betaamt, aan 's Konings bevel onderwerpen !quot;
âEn gij, Louise; ik hoop dat er voor u geen bevel noodig is?quot;
âGewis niet. Majesteit,quot; glimlachte de Kroonprinses; âik verheug mij Uwe Majesteit een bewijs mijner gehoorzaamheid te kunnen geven.quot;
âEn ik hoop,quot; zei de Koning, den kring rondziende: âdat mijn geheele familie: al mijn prinsen en prinsessen, en ook gij, Koningin, doen zullen wat Louise zooeven gezegd heeft! Ik verwacht u allen bij het feest op den vijftienden Maart in het paleis der gravin Lichtenau.quot;
Hij stond op, en op den arm van den opperkamerheer von Wittgenstein leunende, verliet de Koning de eetzaal en begaf zich naar zijne vertrekken.
De prinsen en prinsessen geleidden de Koningin naar hare vertrekken, en daar stonden zij om haar heen, zwijgend en stil, en niemand waagde het deze stilte door een woord te verbreken. De Koningin trachtte zichtbaar tot zich zelve te komen; hare lippen bewogen zich en meermalen beproefde zij te spreken, zonder dat het haar gelukte. Toen wenkte zij den Kroonprins tot zich, en legde haar hand op zijn schouder.
âMijn zoon,quot; zeide zij: âde liefde Gods moet voor ons hooger zijn dan alle menschenliefde, en de trouw en gehoorzaamheid jegens den Koning moet sterker zijn, dan het beleedigd eergevoel. Ik ga naar het feest der gravin, en wensch dat al mijn kinderen er tegenwoordig zijn; ik wensch dat alle gezichten vroolijk zijn, en dat in alle harten ootmoed en liefde heerschen mogen!quot;
De Kroonprins, â door eerbied en aandoening overweldigd, â boog voor de Koningin de knie, en drukte hare hand aan zijne lippen.
âIk zweer, u, mijn dierbaarste moeder, dat ik uwe bevelen en wenschen gehoorzaam wil zijn;quot; en zacht voegde hij er bij: âmaar ik zweer óók, dat ik dit uur van vernedering wreken zal op mijne vijandin!quot; â
Op den vijftienden Maart had het veel besproken en lang voorbereide feest, in het paleis der gravin Lichtenau plaats; zij had er een klein theater, in den stijl van dat te Versailles
209
laten bouwen. Bouwmeester, schilders en kunstenaars hadden zorg gedragen het heerlijk in te richten. De Koning had zijn geheele kapel ter harer beschikking gesteld, en de zangers en zangeressen van den Koninklijken Italiaanschen schouwburg bevolen, in de door de gravin gekozen opera, welke zij uit Italië had medegebracht, te zingen. Een gedrukt programma werd op den morgen van den dag reeds aan allen gezonden, die de hooge onderscheiding genoten, op het feest genoodigd te zijn. Geheel Berlijn sprak op dien dag van niets anders, dan van de operavoorstelling in het paleis der gravin; ieder verlangde haar bij te wonen, en benijdde elk, die met een uitnoodiging vereerd was. Meer dan tweehonderd uitnoodigingen had de gravin verzonden, â en, wat zeldzaam was, alle uitnoodigingen waren aangenomen geworden. Alle, uitgezonderd één enkele. Prins Louis Ferdinand, die den winter te Berlijn in plaats van te Maagdenburg had doorgebracht, â hij alleen had laten bedanken.
De gravin Lichtenau ging des voormiddags van dien dag nog eens door de schitterend versierde zalen, begeleid door eenige cavaliers, die niet moede werden, de heerlijkheid der inrichting te bewonderen.
âGe zult heden den grootsten triomf van uw leven vieren,quot; zei de geleerde archaeoloog Hirt tot haar, terwijl hij afscheid nam: âGe moest, dunkt mij, even als Polykrates, een ring in de zee werpen, om de goden te verzoenen met al uw geluk.quot;
De gravin glimlachte. â âWilt gij de zee zijn, lieve Hirt?quot;
âWaarom niet, bekoorlijkste? Werp er hem maar in, uw ring; ik wil de zee zijn en ook tegelijk de snoek, die hem inzwelgt.quot;
Wilhelmine lachte. Maar plotseling werd haar gelaat ernstig. â âLuister, lieve Hirt; 't is niet noodig dat ik een ring in zee werp, dat heeft reeds een ander gedaan, en een schaduw op mijn geluk geworpen.quot;
âWie dan?quot; vroeg Hirt; ânoem mij den aterling, en ik â quot;
âStil, ge zult hem niets doen! De aterling is prins Louis Ferdinand; hij heeft voor mijne uitnoodiging bedankt!quot;
âIs 't mogelijk?quot; vroeg Hirt: âEen uitnoodiging van de schoonste, de geestigste en uitsteken dste vrouw van geheel Berlijn; en deze ondankbare durft neen zeggen?quot;
14
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII.
210
Zij knikte. â âHij durft het, en 't ergert mij!quot;
âBeveel, schoonste gravin, en ik zal tot hem gaan, en den prins nogmaals verzoeken te komen. Zal ik hem zeggen, dat de Koning vertoornd zal zijn over zijne afwezigheid?quot;
âMijn waarde,quot; zeide zij hoofdschuddend: âmen ziet wel, gij kent den prins niet! Hij is de eenige, die het durft wagen den Koning te trotseer en; de eenige die zelfs voor den toorn des Konings onverschillig is! Maar gij hebt toch een goede gedachte gehad. Ik zelve wil naar prins Louis Ferdinand rijden; misschien gelukt het mij hem te bekeeren!quot;
âAls ge dat wilt, gelukt het zeker,quot; zei Hirt teeder: âWie zou uwe betoovering kunnen weerstaan?quot;
âPrins Louis Ferdinand, als hij wil 1quot; zei Wilhelmine: âWij beiden kennen elkander sinds lang; hij gelooft aan mijne betoovering niet; maar ik wil toch beproeven, hem tot andere gedachten te brengen!quot;
In haar prachtige équipage, met de beide van goud schitterende lakeien, reed Wilhelmine naar het eenvoudige huis dicht bij de Weidendammerbrug, 'twelk prins Louis Ferdinand bewoonde, en dat hij onlangs gekocht had.
Het was eenvoudig en burgerlijk ingericht, en de gravin glimlachte toen zij den stnallen, onbekleeden trap, â en over het portaal ging, waar geen lakeien en bedienden dooreen-liepen, zooals in de vestibule van haar paleis.
De lakei, die haar was voorgegaan, kwam terug met de boodschap, dat prins Louis Ferdinand tehuis, â en bereid was de gravin te ontvangen; en door de eenvoudige voorkamer voerde haar de kamerdienaar, die haar tegemoet trad, de woonkamer van den prins binnen.
Hij zelf ontving haar aan de deur, en geleidde haar met ernstig gelaat naar den divan.
Wilhelmine zag hem glimlachend in 't fraaie aangezicht, dat er zelden zoo ernstig uitzag.
âPrins Ferdinand, waarom ziet ge mij niet aan?quot; vroeg zij op haastigen, stoutmoedigen toon.
IJlings richtten zich de bruine oogen van den prins strak en uitvorschend op haar gelaat.
âGe ziet, mevrouw, ik zie u aan en vraag dit aangezicht, welke gedachten in uwe ziel leven, en wat zotte inval de gravin tot mij voert?quot;
Zij trok de schouders op. â âDaar gij niet tot mij komt.
211
en wijl wij elkander toch eeuwige vriendschap gezworen hebben, kom ik tot u, om u een bewijs te geven, dat ik mij onze gelofte nog herinner.quot;
âIk herinner haar mij óók, mevrouw, maar niet in den zin, gelijk gij meent. Ik herinner haar mij, wijl ik haar niet houden kan, en 't verheugt mij dat ge mij de gelegenheid geeft, u dit te zeggen!quot;
âPrins Louis Ferdinand,quot; zeide zij schier dreigend; âgij weet dat ge mij beleedigt?quot;
âHet spijt mij, mevrouw, zoo de waarheid u beleedigt! Daar ge nu eenmaal hier zijt, ben ik verplicht haar u te zeggen. Neen; ik ben niet meer uw vriend, kan dat niet meer zijn! Weet ge waarom? Wijl 't uw schuld is, dat ik een verloren, werkeloos mensch ben! Wijl 't uw schuld is, dat ik ontevreden en geheel vertwijfeld ben; dat ik mij aan dwaze buitensporigheden heb overgegeven! Wijl 't uw schuld is, dat menig schoon vrouwenhart om mij geweend heeft, en mijn eigen hart vol gramschap en toorn is!quot;
âDan, mijn prins,quot; zeide zij met een trotschen glimlach: âheb ik waarlijk meer invloed op uw leven, dan ik zelve vermoedde; dan ben ik een veel gewichtiger persoon, dan ik durfde hopen.quot;
âWaarom zegt ge niet, dan ik durfde vreezen?quot; riep de prins onstuimig: âGe zijt een gewichtig persoon voor mij en voor den geheelen Staat geweest. Ge weet het, mevrouw, en niemand dankt er u voor; noch ik, noch de Staat, noch 's Konings onderdanen. Ge hadt zegen om u kunnen verspreiden, maar ge hebt niets dan wind gezaaid, en ik zeg u, mevrouw, ge zult storm oogsten! 't Is uw schuld, dat de Koning den oorlog met Frankrijk afgebroken heeft; dat ons de gelegenheid ontging, heldendaden te verrichten en lauweren te winnen! 't Is uw schuld geweest, dat deze ongelukkige vrede van Bazel werd gesloten, die ons vaderland vernederde en in het stof trad! Op den dag toen ik het vernam, heb ik mij in ootmoed aan den Koning onderworpen, maar mevrouw, heb ik vervloekt, en de vriendschap, welke ik u eens betuigde, heb ik in vijandschap verkeerd! Ziet ge, wijl ik geen held, geen soldaat, geen staatsman kon worden; wijl gij mij dit alles afgesloten hebt, daarom ben ik een verkwister, een avonturier, een ellendig prins geworden, die zonder doel en
212
taak door het leven stormt! Ja, mevrouw, ik eisch van u de lauweren, welke ik zonder u had kunnen verwerven! En nu, veroorloof mii een vraag, mevrouw: waarom komt ge tot mij ?quot;
âIk herhaal het,quot; zei Wilhelmine: âwijl ge niet tot mij komt; wijl ge zelfs uwe tegenwoordigheid op het feest geweigerd hebt, waar toch het geheele Hof zal verschijnen.quot;
De prins haalde de schouders op. â âHet spijt mij, mevrouw ; ik ben niet in de stemming om heden een feest bij te wonen!quot;
âWaarom niet?quot; vroeg de gravin, hem met haar verleidelijkste glimlach aanziende.
Hij zag haar strak in 't gelaat. â âWaarom niet? Ik zal 't u zeggen: wijl 't heden de vijftiende Maart is, en wijl heden voor zoo en zoo veel jaren, Julius Gesar te Rome vermoord werd. Ik treur om den dood van den grooten Gesar, en daarom ga ik heden niet uit.quot;
De gravin lachtte. â âEn toch zijn er menschen, die be-weeren, dat gij gaarne bereid zoudt zijn, de rol van Brutus te spelen, prins. Ik waarschuw u; hoed u voor den koninklijken Gesar, opdat hij u niet voor den vermomden Brutus, â dat heet, voor een samenzweerder houde! De Koning heeft u uwe verstoordheid over het Bazelsche vre-destractaat vergeven. Of de Kroonprins, de jonye. Gesar, zoo denkt, is een andere vraag.quot;
âWelke u gelukkig niet ter beslissing staat,quot; zei de prins met trotsch opgeheven hoofd: âZoo ge gekomen zijt om mij deze waarschuwing te geven, dan zijt ge tevergeefs gekomen; ik heb haar niet noodig!quot;
âNeen prins Louis; ik ben gekomen om u te verzoeken uwe weigering te herroepen, en mij 't genoegen te doen heden avond te verschijnen; want ik wil u bekennen, prins; gij zijt de éénige, aan wiens tegenwoordigheid mij in waarheid gelegen is. 't Is een zwakheid van mij; maar in weerwil van den boozen blik, waarmede ge mij aanziet, heb ik voor u nog altoos de sympathie van vroegeren tijd. Ge zijt een moedig prins, een edelhartig en nobel cavalier. Ik waardeer deze eigenschappen in u, prins, en herhaal: er is mij alles aan gelegen, dat ge heden avond bij mij komt. De andere prinsen en prinsessen komen, wijl de Koning het beveelt. Gij alleen zijt onder al de lafhartigen en ootmoedigen
213
de éénige moedige, groote man, en daarom zoude ik u niet gaarne missen. Kom, prins!quot;
Hij schudde het hoofd, â âIk kom niet, mevrouw. Bij Wilhelmine Rietz, die eenvoudig en bescheiden in haar klein huis leefde, zou ik gekomen zijn, schoon ook de geheele wereld haar veracht had. Bij de gravin Wilhelmine von Lichtenau, bezitster der Brenkenhofsche goederen, meesteres van millioenen, bij deze kom ik niet. Uw macht is een klove tusschen de rijke gravin en den armen prins Louis Ferdinand, en ik mag daar niet over heen stappen.quot;
âLuister, prins,quot; zei Wilhelmine met gloeiende wangen: âherinnert ge u den dag te Frankfort, toen ik bij u kwam. Ik bood u de hand mijner dochter, ik bood u macht en invloed. Gij weest het af, en ge ziet nu wat er van geworden is. Mijn dochter is met een regeerenden graaf gehuwd; ik heb macht en invloed, en gij hadt aan mijn hand kunnen opstijgen tot de hoogste treden van den troon, en de eerste in macht kunnen zijn, zoo ge mijn hand hadt aangenomen. Ik biedt haar u nog heden; ik ben nog machtig en heb 't in mijn hand, degenen, die zich aan mij hechten, met macht en invloed te omgeven. Prins Louis Ferdinand, ge zijt eerzuchtig; ik wil voor uwe eerzucht poort en deur openen. Ge zult minister, ge zult veldmaarschalk worden. Ge hebt schulden, uwe schuldeischers dringen u. Ik beloof u, dat uwe schulden betaald zullen worden; ik beloof u een rijk jaargeld, en ik vraag niets meer, dan dat ge u heden avond in mijn gezelschap vertoont, â dat ge mij niet voor geheel Berlijn een dementi geeft.quot;
Prins Louis Ferdinand lachte luid. â âWaarachtig, wij vertoonen hier een legende. Ik ben de heilige Antonius, en gij zijt de tooveres, de Satanella! Maar ge weet toch, de H. Antonius weerstond de schoone verleidster, en zoo zeg ik insgelijks: Apage Satcmas! Ga weg van mij, zoete verleidster Satanella! Geloofd zij de armoede en schuldenlast van den kiemen prins Louis Ferdinand! Hij acht ze hooger dan alle lauweren en schatten, die hem van de gravin Lichtenau kunnen komen. Apage Satcmas!quot;
Met een luiden lach en een diepe spottende buiging stond hij op, groette de gravin met een wenk zijner hand, ging vervolgens door de kamer, en trad, zonder haar verder met een blik te verwaardigen, in de nevenkamer.
214
Wilhelmine oogde hem na met toornigen blik, en hief de hand mefc een dreigende beweging achter hem op. â
Maar des avonds was niets van toorn of misnoegdheid op het stralend gelaat der gravin te zien. Helder en klaar schitterde haar voorhoofd van vreugde; trotsch vonkelden hare oogen, en een triomfantelijke glimlach speelde om hare lippen, toen zij in 't midden der groote receptiezaal, onder de glansrijke lichtkroon staande, met een genadigen glimlach, bevallig en liefelijk in elke beweging, hare gasten welkom heette.
De geheele rij zalen en kamers was open. Honderden kaarsen straalden licht uit van de kristallen en bronzen luchters. De groote venetiaansche spiegels weerkaatsten de afwisselende gestalten, die glimlachend en schertsend in groot toilet, vonkelend van brilianten voorbijgingen. In vergulde kostbare vazen, uit de koninklijke porceleinfabriek, stonden groepen van de keurigste en zeldzaamste bloemen, uit de prachtiche broeikassen der gravin. Met dikke turk-sche tapijten belegd waren de receptiezalen, en de vloer der danszalen blonk als een spiegel.
De gravin, â prachtig en toch met den fijnsten smaak gekleed, â droeg op het hoofd de vonkelende gravenkroon, het geschenk des Konings, en om den hals aan een zware gouden keten een met brilianten omzet medaillon, waarin het sprekend gelijkend portret der Koningin. Dit was een geschenk van Hare Majesteit zelve, 'twelk zij ontvangen had na de tweede badreis, welke zij met den Koning naar Pyrmont gedaan had. En Wilhelmine droeg het heden op haar fraaien vollen boezem, opdat de Hovelingen het zouden zien, en haar benijden en zich ergeren zouden, over dit geschenk der Koningin.
De koetsen ratelden de eene na den andere door de straten naar het paleis. Een dicht opeengedrongen menigte had zich aan weerszijden der open deur geplaatst, om de dames in heur prachtige toiletten te bewonderen, als zij uit de koetsen stegen en over het tapijt, dat tot op de straat lag, in de schitterend verlichte vestibule traden.
En steeds grooter werd het gezelschap der voorname gasten: dames in prachtige Hof kleeding, en heeren in met goud geborduurde uniform, de borst met ordekruisen behangen, verschenen in de zalen der gravin Lichtenau, â der trompet tersdochter.
215
Zij dacht hieraan, toen zij juist in de deur der danszaal stond, de lange rij der vertrekken zag, en zich omwendde en naar de andere zijde schouwde. Zij waren allen daar, allen die haar eens bespot hadden, en nu ootmoedig met glimlachende aangezichten, geheel liefde en vriendelijkheid, hare uitnoodiging gevolgd hadden, en haar bij 't binnenkomen allen gezegd hadden, dat zij zich gelukkig gevoelden, op haar feest te verschijnen. Ja, zij waren er allen! En zij had haar eed vervuld; zij had zich verheven boven al degenen, die den neus optrekkende, jaar in jaar uit op haar nedergezien, â haar veracht en bespot hadden! â
Een luide, schetterende fanfare klonk nu van het hooge orkest, waarop de muzikanten stonden. De Koning met de Koningin was binnengetreden, en Wilhelmine ijlde het hooge paar tegemoet, om diep en ootmoedig tot den grond te buigen; â want tegenover den Koning en de Koningin is de gravin Lichtenau een nederige slavin, een gehoorzame onderdane!
De Koning reikte haar met vriendelijke woorden de hand; de Koningin verwon zich, haar toe te lachen en haar âmijn lieve gravinquot; te noemen, en wilde niet dulden, dat Wilhelmine op de haar gereikte hand haar gloeiende kus drukte. De Koningin glimlachte; achter haar verscheen de Kroonprins met zijne gemalin, en hij glimlachte niet. Een donkere wolk lag op zijn voorhoofd, en de Kroonprinses Louise scheen schuw en verlegen; niet wijl zij bij de gravin Lichtenau was, â want overal waar haar dierbare gemaal haar heenvoerde, betaamde 't haar te zijn. Maar zij beangstigde zich wegens den toornigen blik van den Kroonprins; zij vreesde de onstuimigheid van zijn ergernis, en daarom slechts was zij schuw en verlegen.
âIk ben bevreesd, Frederike,quot; fluisterde zij haar schoone zuster toe, toen juist de gravin Lichtenau in gesprek met den Koning helder lachte, en bij dit onbetamelijk lachen, het voorhoofd van den Kroonprins zich nog meer verduisterde: âIk ben. waarlijk bevreesd, Frederike.quot;
De schoone, jonge weduwe van prins Ludwig, â die heden voor dit feest voor 't eerst de rouwkleeding om haar jongen gemaal, die een half jaar geleden gestorven was, had afgelegd, â de jonge weduwe boog zich dichter tot het oor harer zuster. â âWaarom zijt ge bevreesd, Louise?quot;
216
' »
âZie mijn gemaal eens aan,quot; fluisterde deze: âhij wilde volstrekt niet hier komen, maar de Koning zond heden namiddag nog zijn Hofmaarschalk en liet hem streng bevelen, met mij op het feest te verschijnen. Zie hem nu Frederike, hoe toornig hij er uitziet!quot;
De schoone prinses Frederike sloeg een haastigen blik op het edele, sombere gelaat van den Kroonprins.
âGe hebt gelijk, Louise,quot; lispte zij ontsteld: âhij ziet er uit als een kruitmijn, die slechts een kleine vonk behoeft, om met vreeselijk geraas te springen!quot;
âIk bid u,quot; zei de Kroonprinses: âhelp mij, Frederike, dat dit niet geschiedde. Wij beiden willen hem geen oogenblik verlaten, en hem met onze blikken en onzen glimlach steeds weder bedaren, als hij toornig wordt.quot;
En zij legde zacht haar hand op den arm van den Kroonprins, richtte zich tot hem met een liefderijke vraag, en wist hem spoedig in een gesprek te wikkelen, dat zij met prins Heinrich, den broeder van Frederik den Groote, aanknoopte.
Ook hij was gekomen, prins Heinrich. Trots zijn toorn en verstoordheid wegens de vreemde indringster, de gravin Lichtenau, had hij 't niet willen wagen, 's Konings bevel te weerstreven. Zoo de Koningin er was en de Kroonprins, dan moest ook hij zijn gramschap overwinnen, en een vriendelijk gelaat zetten bij deze vernedering der geheele koninklijke familie. En daar was ook de dochter des Konings,. de landgravin Augusta van Hessen, die ten bezoeke aan 't Hof van haren vader was gekomen, en even als de andere leden der koninklijke familie, op het feest had moeten verschijnen. Voorts kwam het gansche gevolg der prinsen en prinsessen, de opperhofmaarschalken, de kamerheeren, enz.
Allen waren verschenen, allen gingen glimlachend, op merkend, fluisterend en bewonderend door de zalen, en beschouwden hare pracht, prezen den rijkdom, den smaak en het kunstschoon dezer salons.
â't Is waarlijk superbe,quot; zei de landgravin van Hessen toen zij aan de zijde van den ouden prins Heinrich dooide van goud schitterende receptiezalen ging; waarlijk zeer superbe! Zie eens, prins; deze schilderijen hier aan de wanden, zijn wezenlijke kunststukken. Ik bid u, prins, bezie gindsche groote schilderij, het portret van de gravin Lichtenau, hoe gelijkend is het, en hoe wonderfraai
217
geschilderd. Ik wilde wel weten wie 't gemaakt heeft?quot;
De archeoloog Hirt, die dicht bij stond, had haar vraag gehoord, en naderde met eerbiedigen groet.
âKoninklijke Hoogheid, 't is het portret, dat de grootste portretschilderes, de grootste en beroemdste van geheel Europa: Angelica Kaufmann, te Rome geschilderd heeft, 't Is een echt kunststuk, en Angelica Kaufmann beweerde zelve, dat het 't fraaiste van al hare kunstschilderstukken was.quot;
âGe hebt gelijk!quot; riep de landgravin von Hessen in verrukking: â't Is een echt kunststuk! Deze zaal hier bevat in 't geheel schatten van kunst en goeden smaak. Alles is hier fraai! Zelfs deze stoelen met leuningen uit ivoor en ebbenhout gesneden, zijn heerlijke kunstwerken.quot;
Hirt glimlachte. âDe gravin Lichtenau was er ook geheel door verrukt. Zij zag deze zes stoelen, waaraan een dei-eerste beeldhouwers van Italië zes jaren lang gewerkt en gesneden had, in het salon van den maarschalk Anton, den beroemden vriend van Koningin Karoline van Napels. Hij was er zeer trotsch op, en liet ze de gravin Lichtenau als iets zeer bizonders, heerlijks zien. En zij was zóó betooverd door deze kunstwerken, dat zij zich boog, en een kus op de leuning van een der stoelen drukte. Den volgenden morgen zond maarschalk Anton haar de zes stoelen ten geschenke.quot;
âDat was dus een zeer winstgevende kus, dien de gravin op den stoel had gedrukt,quot; merkte prins Heinrich aan, terwijl hij de landgravin verder voerde, en haar schielijk dooide naaste zaal naar de theaterzaal wilde leiden. Maar de landgravin kon zich niet verzadigen aan 't zien van al deze heerlijkheden en kunstschatten, en zij bleef weder voor een marmeren beeld staan, dat in een nis aan den wand stond.
âDit beeld is waarlijk bewonderenswaardig!quot; riep de landgravin in verrukking: âWaarachtig, ik zou het wenschen te bezitten!quot;
âIk niet,quot; morde prins Heinrich: âwaarachtig ik niet. Ik wil er niets van hebben. Alles infaam in dezen winkel!quot;
Hij voerde de landgravin met haastige schreden verder, en zij traden nu in het tooneelsalon. De Koning en de Koningin waren er reeds. Zij zaten in 't midden der zaal, recht tegenover het tooneel, welks gordijn nog neerhing. Dicht nevens de Koningin zat de gravin Lichtenau, stralender
218
en schitterender in haar geheele verschijning, prachtiger met brillanten getooid dan de Koningin zelve. De prinsen en prinsessen namen aan weerszijden in de voorste rij plaats, en achter hen regelde zich de geheele stoet van Vorsten en graven, van hooge Hofbeambten en generaals, en vulde de gansche zaal met pracht en heerlijkheid.
Geheel op den achtergrond der zaal, in de donkere schaduw eener kleine loge, stond de geheimkamerdienaar Rietz, en zag met glimlachenden blik naar de schitterende vergadering, en drukte de lippen opeen, om niet luid te lachen van spoten hoon, om al deze zoete, glimlachende gezichten, en om de verkropte ergernis, welke hij met scherpen blik op al deze gezichten opmerkte.
Ook hij dacht terug aan al de tijden, die geweest waren; dacht aan het gesprek, 'twelk hij weleer met Wilhelmine Enke gehad had, en hoe beiden de handen ineen gelegd, â en elkander gezworen hadden: de een den ander te helpen en bij te staan, opdat zij tot macht en aanzien, tot goud en goed zouden komen.
Zij hadden beiden hun eed vervuld. Wilhelmine Enke was nu gravin. Zij zat naast de Koningin. En hij? Nu, hij wss een rijk en aanzienlijk man; en zoo hij ook geen graaf was, zoo bogen toch voor hem graven en Vorsten, want hij was de invloedrijke vertrouwde des Konings. Ook hij had zijn ideaal bereikt; hij had geld, een schoone geliefde, hij had een behagelijk en weelderig ingericht huis, en den besten kok uit geheel Parijs. Hij kon tevreden zijn; hij had zijn weg goed gemaakt; beter misschien dan zijn voormalige gade, de gravin Lichtenau. Zij staat op de hoogte, zij mag toezien dat zij niet valle en naar beneden storte!
Zoo dacht de kamerdienaar Rietz, toen hij daar stond in de schaduw der loge, en al die pracht en heerlijkheid aanschouwde, en de glimlachende en verlegen gezichten dei-prinsen en prinsessen, het treurige gelaat der Koningin en de fiere, triomfantelijke houding der gravin Lichtenau opmerkte.
De gordijn vloog in de hoogte, en de opera begon. De zangers en zangeressen beijverden zich, hunne rollen in den hoog-sten stijl, met de schitterenste kunstvaardigheid uit te voeren, en het voorname auditorium luisterde met aandachtige stilte, en waagde niet te applaudisseeren in tegenwoordigheid van
219
den Koning en de Koningin. Maar na de groote aria van Marcus Antonius, die met bewonderenswaardige kunstvaardigheid gezongen was geworden, applaudisseerde de Koning levendig, en liet luid zijn âbravo, bravo!quot; hooren. En nu was aan 't gezelschap de vrijheid gegeven, zijne verrukking uit te drukken en te applaudisseeren en bravo te roepen, zóó lang, zóó onstuimig, tot de zanger, die reeds het tooneel verlaten had, weder te voorschijn kwam, en diep boog voor den Koning, en even diep voor de gravin Lichtenau. Daarop trad hij terug, en Octavia, â voorgesteld door de grootste zangeres van haren tijd, door madame Schmalz, â verscheen nu op het tooneel, en met haar hemelsche stem en de diepe uitdrukking des gevoels, begon zij te zingen een diep roerende aria, waarin zij klaagde over het ongeluk van haar leven, over de ontrouw van haar gemaal, Marcus Antonius.
Geheel onwillekeurig en zonder dat zij 't misschien wisten, richtten zich de oogen aller aanwezigen op de Koningin. En zij, die aanvankelijk beproefd had, zich goed te houden, kon eindelijk niet langer den glimlach op hare lippen dwingen. Zij liet het hoofd zinken, en met een smartelijken zucht hield zij haar zakdoek voor 't gelaat, en onderdrukte met moeite haar snikken.
De Koning had het niet gemerkt, en zag glimlachend om zich heen en applaudisseerde levendig, toen de smartelijke klacht van Octavia gezongen was. Maar de Kroonprins had het gezien, en hij maakte een heftige beweging als wilde hij opstaan, en tot de Koningin gaan; en slechts de zachte drukking van Louise's arm hield hem tegen, en hare vleiende woorden bezwoeren hem, aan hare zijde te blijven. â
Na de opera begaf men zich in de zalen, waar nu een prachtig souper was aangericht. Voor den Koning en de Koningin met de prinsen en prinsessen, had de gravin Lichtenau een afzonderlijke tafel in 't midden der groote zaal laten aanrichten, en die was gesierd met de heerlijkste gouden en zilveren vaten, en vonkelde van heerlijk veneti-aansch kristalwerk, en geurde van de heerlijkste keerkrings-bloemen.
Zij zelve had aan een der naaste tafels plaats willen nemen, maar de Koning wilde dit niet dulden. Hij stond op van zijn stoel, bood de gravin zijn arm, en voerde haar
220
zelf met voorkomende galanterie en uitstekende hoffelijkheid naar de Koninklijke tafel, en daar liet hij haar plaats nemen tusschen zich en de Koningin.
De Kroonprins verbleekte; een beving vloog door zijn geheele gestalte, en hij drukte de lippen vast opeen, opdat zij het woord niet zouden spreken, â het woord, dat luid en toornig in zijn hart klonk; het woord van wraak en vergelding! â
Ja, het was een wèlgeslaagd, schitterend feest; 't was een volkomen triomf, dien de gravin Lichtenaa vierde, en zij zelve was er door verrukkt en bedwelmd. De Koning had haar tot afscheid bij 't einde van het feest, voor het geheele Hof, voor al de prinsen en prinsessen âzijn lieve vriendinquot; genoemd, en haar op het voorhoofd gekust.
De Koningin had haar weder de hand gegeven, en met vriendelijke woorden vaarwel gezegd. De Kroonprins had, â aan de smeekende blikken, de zachte woorden zijner gemalin toegevende, â zich zeiven overwonnen, en was tot haar gegaan en had vriendelijk afscheid van |haar genomen.
Zij waren allen gekomen, de prinsen en prinsesen, en hadden haar gehuldigd, en hun voorbeeld volgende, had de geheele stoet van den hoogen adel zich verootmoedigd en gebogen voor haar, â voor haar, de trompettersdochter! â
Zij lachte luid toen zij, nu het feest ten einde was, dooide schitterend verlichte zalen ging, die nu stil en eenzaam waren. Het hoofd trotsch opgeheven, trad zij door de prachtige vertrekken, bleef staan in 't midden der groote danszaal, waar de Koning haar straks zijn hulde had gebracht, en een trotsche zegepraal schitterde op haar aangezicht.
âIk heb mijn eed vervuld! Ik heb ze allen verootmoedigd, ze allen aan mijn voeten nedergedrukt! Ik sta nu waar ik wilde, ik sta op de hoogte, op de hoogte!quot;
Dit luide woord weergalmde zonderling in de lange eenzame zalen, en zacht galmde de echo haar toe. â Op de hoogte! had zij geroepen. âOp de hoogte! Wee! wee!quot; klonk de echo haar terug.
Wilhelmine huiverde inwendig, en 't werd haar akelig in de ledige zalen.
Het was haar, alsof geestengefluister om haar heen klonk.
221
en het âwee!quot; klonk nog in haar hart, toen zij nu haastig voortgaande, in haar slaapkamer trad.
âWee! wee!quot;
VIII.
De dood.
't Was in de laatste herfstdagen van't jaar 1797. Koning Friedrich Wilhelm had zich in het marmeren paleis te Potsdam teruggetrokken, en slechts zijn naaste vertrouwden, dienaren en vrienden, hadden hem derwaarts mogen vergezellen. De gravin bewoonde in zijne onmiddelijke nabijheid het Kavaliers-huis, en als de trouwe verpleester des Konings, was zij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in zijne nabijheid.
De Koning was ziek. Dit was een feit, 'twelk men niet meer als een geheim kon beschouwen. Het feest der genezing, 'twelk de gravin Lichtenau had gegeven, was tegelijk, naar 't scheen, een afscheidsfeest geweest; want sedert had het geheele Hof den Koning niet meer gezien. Weinige dagen reeds na dit feest was hij ziek geworden, en de artsen zetten een bedenkelijk gezicht en haalden de schouders op, en fluisterden onder elkander, dat het uur der beslissing steeds meer en meer naderde. â De borstwaterzucht is een gevaarlijke vijandin der geneesheeren; men kan haar wel soms met kunst en bekwaamheid voor eenigen tijd tegenhouden, maar zij komt altoos weder, gaat voort, hoe langzaam ook, en overwint alle hulpmiddelen, spot met alle tegenweer!
De lijfartsen durfden 't alleen niet meer op zich nemen, zulk een hoogen zieke te behandelen, en hem den dood in de handen te voeren. Zij verzochten zelf den Koning, dat hij nog eenige andere artsen zou laten ontbieden, opdat zij met hen raadplegen konden. De Koning liet het geschieden. Hij had nog altoos het leven lief, en hoopte nog altoos op genezing. Er was nog zooveel te doen, nog zooveel te genieten, en misschien ook nog zooveel weder goed te maken! Want in de dagen van ziekte, schouwt men terug in het verledene en ziet de gestalten, die beschuldigen, en de roode oogen, waaruit men tranen heeft gedreven en die men nu
222
zou willen drogen. In dagen van ziekte gaan de spoken voorbij het smartbed, met de rugwaarts gekeerde aangezichten, die wanhopend zien in hetgeen geweest is, en voorwaarts zien in de toekomst.
âIk wil gezond worden, gezond!quot; kermde de Koning dikwerf, als hij hijgend en buiten adem door folterende benauwdheden in kussens op zijn armstoel zat: âIk moet gezond worden, want ik heb weder goed te maken, ik heb te vergelden. Maakt mij gezond, artsen! Geef mij levenskracht terug, levensbalsem!quot;
En dan kwam wèl Bischofswerder en fluisterde van den bijstand der onzichtbaren en van den levensbalsem, dien de vrome vaders gezonden hadden voor den zieken Koning, den geliefden zoon der Rozenkruizers. Maar, helaas; de dagen waren voorbij dat de Koning op den bijstand der onzichtbare vaders had gerekend, dat hij aan de kracht van den levensbalsem geloofde!
âHerinner mij niet meer aan deze verloren illusion.quot; zeide hij haastig tot Bischofswerder: â't Is niet edelmoedig van u; want ik heb het geloof verloren, en dit is iets troosteloos en smartelijks tevens. Ik wenschte dat ik nog aan uwen levensbalsem kon gelooven; dit zou mij verlichting verschaffen, 'tzou mij troosten in mijn smarten. Neem uw fleschje, en spreek mij niet meer van de onzichtbaren! Ge ziet het wel, de eenige onzichtbaren, die bij mij zijn, zijn de smarten; ik voel hunne nabijheid in mijn leden. Kom, Wilhelmine, geef mij uw hand; spreek gij met mij. Uw liefdeen uwe vriendelijke stem alléén is het, die mij nog troost en opbeuring-schenkt.quot; â
Zij moest bestendig bij hem zijn, zij mocht hem geen oogenblik verlaten. Zelfs als de artsen kwamen, moest zij tegenwoordig zijn bij hun consult; zij moest hun bericht geven van al de verschijnselen, welke zij had opgemerkt. Ook toen de beroemde Engelsche arts Belitz, dien lord Spencer had gezonden, te Potsdam aankwam, moest het Wilhelmine zijn, die hem tot den Koning voerde en hem verslag deed. En toen werden de drie lijfartsen geroepen, om vereend met den Engelschman, den toestand van den zieke te onderzoeken. Hij liet alles geschieden, hield slechts de hand van Wilhelmine in de zijne, en zag haar met zijn doffe, waterige oogen aan.
223
De artsen trokken zich in den hoek der groote kamer terug, en daar spraken zij met elkander luid genoeg, dat de Koning en Wilhelmine hooren konden wat zij zeiden.
âMen moet den Koning versterkende geneesmiddelen geven,quot; zei de een. â âMen moet beproeven hem door dierlijk voedsel te versterken,quot; merkte de ander aan. â âMen moet hem dagelijks spaanschen wijn laten drinken en chocolaad laten eten!quot; riep de derde lijfarts. â En dan hoorde men de zware, gewichtige stem van den Engelschman die met beslissenden nadruk zeide: âMijneheeren, ik bestrijd al uwe meeningen. Ik ben bepaald van oordeel, dat men den Koning vóór alles verzwakken, â en hem een tijdlang slechts van melk en honing moet laten leven.quot;
En nu begonnen zij heftig onder elkander te twisten en te strijden, vergaten in den ijver hunner wetenshap en hunner verschillende overtuiging, dat zij in de nabijheid des Konings waren, en met luide stemmen en verbitterde gezichten twisten en streden zij onder elkander.
De Koning wendde zijn blik tot Wilhelmine, en een zwakke glimlach speelde om zijne lippen.
âO,quot; fluisterde hij zacht: âhoe goed heeft Molière de menschen gekend! Wij beleven een tooneel in de werkelijkheid, zooals hij ons in zijn beroemd blijspel zoo trouw naar het leven voorstelt.'quot; ') â
En toen zij het eindelijk eens waren geworden over de geneeswijze, welke de Koning nu volgen moest, wilden echter de middelen, welke men gaf, niet baten, De Koning werd zieker, zijn krachten verdwenen. En nu kwamen van alle zijden kwakzalvers en wonderdokters aan, en Bischofs-werder en Wöllner maakten 't zich ten plicht, ze tot den Koning te voeren, om hem nieuwe hoop te geven, en zijn geloof aan de wonderen en de onsterfelijken te verlevendigen.
Nu kwam Helmstedt, de professor der chemie te Berlijn. Hij wilde nieuwe levenslucht voor den Koning bereiden. En men ruimde voor hem in het marmeren paleis een keuken in, waai- de chemicus, uit allerlei zelfstandigheden, die hij in zijne retorten kookte, een nieuwe lucht bereidde, welke men in ballons van goudvliesjes opving. Daarop
1) 's Konings eigen woorden. Zie; Mémoires de la Comtesse de Lichtenau.
224
werden zij in de ziekenkamer gebracht, en daar werden de vliesjes voor het aangezicht des Konings opengeslagen, zoodat hij den warmen damp inademde.
Maar ook deze nieuwe levenslucht wilde niet meer baten. Nu kwam de magnetiseur Monsieur de Bomont uit Parijs. En deze sprak met zalvend gelaat: âDe Koning is niet ziek: hij lijdt slechts aan gebrek aan plantensap, dat het eigenlijke levensbeginsel is. Artsenijen hebben geen heelmiddel voor den Koning; de Natuur alleen is in staat, den hoogen lijder te genezen. Hij moet electrische baden nemen; hij moet bij een open vuur en bij open vensters zitten; hij moet weinig spreken, maar veel hooren; hij moet zoolang de zon schijnt, steeds onder hare stralen zitten; hij moet vervroo-lijkt en opgewekt worden, en bestendig, nacht en dag, moet in de nevenkamer een zachte, liefelijke muziek van blaasinstrumenten onderhouden worden. Maar vóór alles moet de Koning zich van alle peinzen onthouden, dit is slechts vergift, 'twelk olie in 't vuur giet.quot;
Drie dagen lang volgde men de geneeswijze van den nieuwen wonderdokter, maar ook dat wilde niet baten.
De Koning was en bleef ziek, en steeds somberder en stiller werd het in het marmeren paleis te Potsdam.
Maar de Koning wilde niet ziek zijn. Hij wilde strijden tegen dezen onverbiddelijken vijand, die dagelijks, schrede voor schrede nader kwam; hij wilde strijden tot het laatste oogenblik. Dagelijks nog verscheen hij aan de middagtafel. Maar noch zijn familie, zijn gemalin noch kinderen, mochten er deel aan nemen; slechts de vertrouwde kring zijner gezelschaphouders was om hem vereenigd; slechts de gravin Lichtenau mocht aan zijne zijde zitten. De Koningin had zich bij 't begin der ziekte naar Potsdam begeven en den Koning gesmeekt haar te veroorloven, zijne verpleging op zich te nemen; maar Friedrich Wilhelm had dit met heftigheid afgewezen. Toen de Koningin treurig was heengegaan, had hij den geheimkamerdienaar het streng bevel gegeven, de Koningin niet weder bij hem toe te laten; het verontrustte hem, het wond hem op.
âZij ziet mij altoos aan met een stil verwijt op het gelaat,quot; prevelde hij voor zich: âik weet, dat ik veel bij haar weder goed te maken heb, en ik kan niet goed maken, ik kan niet. Ik wil haar niet meer zien.quot;
225
Maar de trouwe gehechtheid en toewijding der Koningin voerde haar toch telkens weder naar Potsdam. Toen de kamerdienaar haar krachtens het bevel des Konings had afgewezen, liet zij de gravin Lichtenau tot zich roepen, en met tranen bad zij deze, den Koning te overreden haar te ontvangen.
Zóóveel genegenheid, zóóveel liefde en ootmoed bewogen Wilhelmine, en met tranen in de oogen beloofde zij, den wensch der Koningin te bevorderen. Zij ging terug in de ziekenkamer, en na een poos keerde zij weder met triomfantelijk gelaat.
,.'t Is mij gelukt. Majesteit; de Koning is bereid u te ontvangen.quot;
Glimlachend voerde de gravin Lichtenau aan haar hand de arme Koningin de kamer binnen, waar de Koning, in kussens gepakt, in den leunstoel zat. Hij knikte haar toe, en heette haar met een zacht gelispt woord welkom. Maar toen sloot hij de oogen, en scheen niets te hooren van al de teedere en bekommerde woorden zijner gemalin. Zij gevoelde het wel, dat hare tegenwoordigheid hem lastig viel en verwijderde zich, zacht op de teenen gaande, weder uit de kamer, en de gravin Lichtenau hield de honneurs van het huis op, geleidde haar uit, en beloofde de Koningin, dat zij haar van tijd tot tijd weder gelegenheid wilde bezorgen, den Koning, haren gemaal, te zien.
Maar de gezelschaphouders en vertrouwde dienaars, â de Fransche voorlezer, de Fransche grappenmaker, benevens eenige emigranten, die thans alleen nog het intiem verkeer des Konings vormden, â deze mochten nog altoos in de ziekenkamer verschijnen. En zij zaten dagelijks aan 's Konings tafel en beproefden door pikante, geestige woorden, door vroo-lijke scherts, den Koning te onderhouden.
Heden, den twaalfden November, scheen de Koning zwakker en meer vervallen, dan hij tot hiertoe geweest was. Zijn leden beefden, de adem kwam slechts hijgend uit zijn borst, en het gelaat was met doodelijke bleekheid overdekt. Maar hij wilde toch niet dulden, dat men hem als een zieke behandelde; hij wilde altoos nog strijden tegen den vijand, die nu steeds nader en nader trad. De middagtafel mocht niet afbesteld worden; hij liet zich kleeden en het gezelschapstoilet aanleggen, evenals alle andere dagen. Toen
DUITSCHLAND IN WOELING EN STEIJD. VII. 15
begaf hij zich, op den arm van de gravin Lichtenau geleund, in de eetzaal. En hier was het gezelschap reeds bijeen, en nam op den stommen groet en wenk des Konings plaats.
Maar 't was toch een ontzettend gezicht, hem zoo lijdend en doodsbleek te zien, en niemand waagde het een woord te spreken. Slechts de lakeien vlogen zacht op de teenen de tafel rond, en presenteerden de kostelijke spijzen. De Koning schudde, telkens als men hem de gouden schotels presenteerde, zacht het hoofd en liet ze voorbijgaan. En zwijgend, stil aten de gasten; niemand waagde meer een opmerking omtrent een of ander keurig gerecht, 'twelk vroeger 't gehemelte des Konings zoozeer gestreeld had. Men dronk den Rijnwijn en Tokayer in diepe stilte; men zag elkander hierbij aan met treurige ongeruste gezichten, en de oogen der gravin Lichtenau vulden zich met tranen bij den aanblik van deze vervallenheid, en dezen tartenden strijd tegen den dood.
Plotseling werd deze stilte door een luiden knal afgebroken. De Koning slaakte een kreet, en zonk in onmacht achterover. En evenwel was 't niets anders dan de kurk van een flesch champagnewijn geweest, die los gegaan, en tegen den zolder gevlogen was. Men droeg den Koning onmachtig in zijn zitkamer terug, en de gezelschaphouders verlieten met ontstelde gezichten de eetzaal, en trokken zich in de koffiekamer terug, om er de verdere bevelen des Konings af te wachten. Maar toen kwam de gravin Lichtenau en fluisterde hun een laatst vaarwel des Koning, en zeide: dat van nu af de gezondheid des Konings 't noodzakelijk maakte, voorshands van alle gezelschappen af te zien.
âVoorshandsquot; hierop drukte de gravin: âtot de genezing van Zijne Majesteit.quot;
En nu verlieten de gezelschaphouders, de grappenmakers en tafelschuimers het paleis, en de poort sloot zich achter hen voor altoos!
Wilhelmine keerde in de ziekenkamer des Konings terug. Hij had nu den strijd tegen den vijand opgegeven, die nu dicht voor hem stond, en hem aanstaarde met somber gelaat en verwijtenden blik.
âWilhelmine,quot; zeide hij zacht: âhet gaat ten einde. Ik sterf.quot;
âNeen,quot; riep zij, in tranen uitbarstende: âneen; ge moogt niet sterven, ge moogt mij niet verlaten!quot;
227
âIk moet, ik moet,quot; zei de Koning; âmaar ik wil sterven met het bewustzijn, dat uw toekomst verzekerd is. Ik heb reeds met Haugwitz er over gesproken; laat Haugwitz roepen.quot;
En op een wenk der gravin von Lichtenau, ijlde de in de voorkamer steeds wachthoudende geheimkamerdienaar naar Berlijn, om den minister von Haugwitz te halen. â
Intusschen hadden de artsen, die dag en nacht in het marmeren paleis waren, zich weder bij den Koning vervoegd, en zochten door allerlei middelen hem verlichting te bezorgen. En toen de Koning nu in een zachten slaap gevallen was, wenkten zij de gravin in de zijkamer te komen, en fluisterden haar toe, dat het ten einde liep, en de Koning zich nu spoedig zou moeten buigen onder de hand van een machtiger koning, van den dood! â Zij weende luid, maar onderdrukte haar tranen en smart, om in 's Konings kamer terug te keeren.
Toen de Koning weder ontwaakte, was zijn eerste vraag naar den minister von Haugwitz. Deze was reeds gekomen, en trad uit de zijkamer binnen. En de Koning wees Wil-helmine, uit de secretaire, die ginds aan den wand stond, het kleine pakket te nemen, 'twelk zij verzegeld er in vinden zou. Zij deed dit, en reikte het den Koning. En hij wendde zich tot den minister von Haugwitz:
âHerkent ge dit pakket, Haugwitz?quot; vroeg hij met zwakke stem.
âJa, Majesteit, ik herken het. Het zijn de Hollandsche vijf percents schuldbrieven, ten bedrage van vijfmaal honderdduizend thaler, welke ik op bevel van Uwe Majesteit onlangs verzegeld, â en daar in de secretaire gelegd heb.quot;
De Koning nam met bevende hand het pakket, en gaf het de gravin.
âIk schenk u dit, mijn vriendin,quot; zeide hij: âhet is een waar geschenk mijner liefde en dankbaarheid; en ik geef het u in tegenwoordigheid van den minister von Haugwitz, die het later mijn opvolger getuigen en bezweren kan, dat ik u deze vijfmaal honderdduizend thaler geschonken heb. Nietwaar, Haugwitz? Ge kunt dit, en zult het doen?quot;
âJa, Majesteit,quot; antwoordde de minister, diep buigende; âIk kan het getuigen en bezweren, dat Uwe Majesteit deze vijfmaal honderdduizend thaler Hollandsche schuldbrieven aan de gravin Lichtenau geschonken heeft.quot;
228
De gravin zonk voor den leunstoel des Konings op hare knieën, en terwijl zij het pakket van hem ontving, kustte zij zijne koude handen.
âEn nu, ga, lieve Haugwitz,quot; zei de Koning: âen zoo wij elkander niet mochten wederzien, denk dan aan mij, als aan een goed vriend. Ga!quot;
Hij wenkte haastig naar de deur, en de minister von Haugwitz sloop zacht op de teenen naar buiten, gevolgd door de gravin Lichtenau, welke hij met de hand een teeken had gegeven om hem te volgen.
âGravin,quot; zeide hij buiten in de voorkamer: âge zijt thans rijk en onafhankelijk. Ik geef u een enkelen goeden raad, en bezweer u, als uw trouwe en onveranderlijke vriend: neem dezen goeden raad aan. Spoed u naar uw paleis te Berlijn, pak uwe kostbaarheden en uwe geldswaardige papieren bijeen, neem deze vijfmaal honderdduizend thaler, en dan met extrapost weg uit Berlijn, weg uit Pruisen. Ik bezweer u, neem dezen raad aan!quot;
Wilhelmine aanschouwde hem met een toornigen, fleren, blik. â âDat heet: ge geeft mij den raad, trouweloos en slecht jegens den Koning te handelen, dien ik alles te danken heb. Neen! Hij heeft mij noodig. Ik blijf!quot;
âMaar gravin, vergeet niet, dat ge door vijanden omgeven zijt; dat spionnen en oppassers reeds nu het paleis in 't oog houden en beloeren, en al uwe bewegingen, elk uwer woorden bespieden. Geloof mij; zoodra de Koning de oogen gesloten heeft, zal de troep, die nu buiten voor de gesloten deuren van het paleis de wacht houdt, binnenstormen en u overvallen. Geloof mij.quot;
â't Is mogelijk,quot; zeide zij bedaard: âmaar ik zal tot het laatste oogenblik mijn plicht vervullen.quot;
Toen keerde zij terug in de ziekenkamer des Konings, die met ongeduld op haar scheen gewacht te hebben.
âWilhelmine,quot; sprak hij tot haar: âmen zal, als ik niet meer ben, hier alles verzegelen en sluiten, en ik wilde niet gaarne dat men ook de brieven, welke ik van u ontvangen heb, verzegelen en lezen zou. Open de secretaire; daarin ligt in het groote vak een marokijnen portefeuille, neem die en verbrand haar. 't Zijn al uwe brieven, welke ik sedert zeven-en-twintig jaren van u ontvangen heb.quot;
229
De gravin deed, zooals de Koning haar bevolen had, en nam de groote zware portefeuille uit de secretaire.
âGa en verbrand haar;quot; zei de Koning; âIk wil nu slapen en alleen zijn. Ga, Wilhelmine.quot;
Maar zij wachtte tot de Koning werkelijk in slaap was gevallen, en toen ging zij buiten de kamer met de zware portefeuille en het kleine pakket banknoten. Zij wenkte den geheimkamerdienaar, dat hij zich nu in de kamer tot den Koning zou begeven, en er den geheelen avond blijven; zij wilde naar Berlijn rijden, om er eenige gewichtige zaken te bezorgen. Vervolgens beval zij een koninklijk rijtuig vóórhaar te doen voorkomen.
En de lakeien en dienstboden zagen, hoe zij nu met de zware groote portefeuille en het kleine verzegelde pakket in het rijtuig steeg ,en naar Berlijn reed. Zij fluisterden onder elkander, en de lakei, die nevens den koetsier op den bok zat, ijlde, toen de gravin Lichtenau in haar paleis aangekomen was, naar het paleis van den Kroonprins, en vroeg terstond bij hem een audientie.
De Kroonprins liet hem bij zich komen.
âHoe gaat het Zijne Majesteit den Koning?quot; was zijn eerste vraag.
âKoninklijke Hoogheid, het gaat Zijne Majesteit slecht, en de artsen zeggen, dat hij nog slechts één dag te leven heeft.quot;
âZijt ge gekomen om mij dat te zeggen?quot;
âNeen, Koninklijke Hoogheid; ik heb iets gewichtigerste berichten. De gravin Lichtenau is met een groote portefeuille naar Berlijn gereden, en is juist haar paleis er mede binnen gegaan. In de portefeuille bevinden zich gewichtige staatspapieren en geldswaardige documenten. Dit weet ik zeker.quot;
De Kroonprins knikte. â â't Is goed, ik dank u.quot;
Maar hij keerde toch met een somberen, verachtenden blik den rug toe aan den Judas, die zijn meesteres verried en beschuldigde.
Terwijl hij vervolgens met groote schreden in de kamer op en neer ging en overlegde wat te doen was, lag de gravin von Lichtenau voor den grooten vuurhaard in de schitterende danszaal, waar onlangs het prachtige feest had plaats gehad, â lag daar op hare knieën en las in deze geel geworden bladen, die de geschiedenis van haar verleden voor haren geest terugriepen ; las van de dagen die eens geweest waren, en wierp
na' npiyj
|
i i ' lil
230
toen de brieven den een na den anderen, in het vuur, 'twelk zij zelve op den haard ontstoken had. En terwijl deze brieven opvlamden en zich in lichte asch veranderden, zonk haar geheel verleden in de vlam, ging uit en stierf er in! Deze schitterende zaal, de pracht, die haar omgeeft, is nog het tegenwoordige; maar wat zal de toekomst zijn, en hoe zal zich die voordoen? Niets blijft over van het tegenwoordige; het verandert zich in verledenheid en wordt asch, gelijk deze papieren, die bij iederen ademtocht zacht opflikkeren, en in grauwe stofwolkjes door de zaal zweven. Ook de toekomst
omflikkert haar als grauwe stofwolken, als doodsvogels.....
maar zij ziet het nog niet! â
Zij keerde naar Potsdam terug, 's Konings toestand was verergerd; de artsen verklaarden aan de gravin Lichtenau, dat hun kunst voortaan vergeefs was. De machtigere koning was het marmeren paleis binnengetrokken, en stond bij het bed des Konings. De oppassers en waarnemers hadden dit naar Berlijn bericht, en om elf uur des voormiddags kwam de Kroonprins met zijn gemalin, de Koningin en alle kinderen van den Koning naar Potsdam, om het laatste afscheid van den Koning te nemen. Zij lieten zich bij den Koning aandienen. Maar de gravin Lichtenau, die den ge-heelen nacht bij hem gewaakt had, was juist in de zijkamer gegaan om te rusten, en de Koning schudde onwillig zijn hoofd, toen men hem zijne familie aankondigde.
âNiemand zien! niemand!quot; zeide hij heftig.
De kamerlakeien berichten dit aan de buiten wachtende koninklijke familie. En nu herinnerde zich de Koningin, dat zij tot hiertoe altijd door bemiddeling van gravin Lichtenau tot den Koning gekomen was; zij begaf zich tot haar en bad haar den Koning te bewegen, zijne familie te ontvangen. Zij beloofde het, en na eenigen tijd kwam een lakei uit de ziekenkamer en berichtte de wachtenden, dat de Koning bereid was hen te ontvangen.
Nu opende zich voor hen de deur der ziekenkamer, en zacht op de teenen traden zij binnen, de Koningin aan den arm van den Kroonprins. Bij den aanblik van den zieke, wiens gelaat reeds de treurige en schrikkelijke uitdrukking had aangenomen, waarmede de dood zijne offers teekent, vulden zich de oogen van den Kroonprins en van zijne moeder met tranen, en slechts met moeite onderdrukten zij hun
231
snikken, en wankelden op den Koning toe. De gravin Lichtenau stond nevens hem, en in hare armen richtte de Koning zich nu op en wendde zijn doffen, flauwen blik op zijn zoon.
âMijn lieve zoon,quot; zeide hij met kreunende stem; âik ken uwe voortreffelijke hoedanigheden te goed, om niet overtuigd te zijn, dat ge eens het geluk onzer trouwe onderdanen zult zijn, en dat ge de achting, welke het Huis Brandenburg zich verworven heeft, in allen glans behouden zult. Beloof mij, dat ge dit zult.quot;
âIk beloof het!quot; antwoordde de Kroonprins met zachte, bevende stem, en terwijl hij de hand des Konings kuste, viel een heete traan uit zijne oogen er op neer. De Koning voelde het.
âGij weent?quot; zeide hij mat: âMij roert uw smart. Maar't is nog niet zoo ver, ik kan nog herstellen. Wij allen staan in Gods hand; maar het gevaar is mij nabij, en âquot;
Hij legde kreunend zijn hoofd tegen den schouder der gravin Lichtenau, en fluisterde haar een paar woorden toe. Zi; herhaalde ze luid:
..Ik wil 't niet uitstellen u mijn zegen te geven.quot;
ï)e Kroonprins knielde neder. En de Koning wilde den arm opheffen, om zijn hand op het hoofd zijns zoons te leggen, maar hij zonk zwak achterover. Nu nam de gravin Lichtenau dezen arm, hief hem zacht op, en legde de hand des Konings op het hoofd van zijn zoon, terwijl hij eenige woorden prevelde, welke verstierven in het reutelen, dat uit zijn borst kwam.
Toen de Kroonprins zich oprichtte, wenkte de Koning met een matten opslag zijner oogen de Koningin tot zich.
Ook zij knielde nevens hem.
En Koning Friedrich Wilhelm, het hoofd leunende op den schouder der gravin, sprak tot haar.
Maar de woorden klonken zóó zacht en bevend van zijne lippen, dat zij slechts het oor der gravin Lichtenau bereikten, en deze herhaalde nu met luide stem, wat hij zeide:
âIk betreur, mevrouw, u somwijlen gekrenkt te hebben. Het doet mij leed. Maar geloof mijn verzekering, dat ik geen oogenblik in mijn leven opgehouden heb, een zoo goede en deugdzame gade te beminnen en te hoogachten.quot;
't Was zonderling hoe deze woorden van den stervenden Koning, van de lippen der gravin Lichtenau klonken. De
232
Kroonprins wendde zich huiverend af, en 't sneed als een dolksteek door zijn ziel.
âGaat nu,quot; zei de Koning met luide stem: âWilhelmine, doe mijne gemalin en den Kroonprins uitgeleide.quot;
Zij volgde het bevel, en buiten in de voorkamer viel de Koningin door smart overweldigd, â en in dit uur niet denkende aan de krenkingen, welke zij geleden had, â de gravin Lichtenau om den hals, dankte haar met geroerde stem voor de trouwe verpleging des Konings, en verzekerde haar van hare genade en gunst
De Kroonprins stond er bij en sprak geen woord. Het hoofd had hij trotsch opgericht en zijn bruine, lichte ooge.i rustten op de gravin Lichtenau, met een uitdrukking van diepen haat en onuitsprekelijke verachting. En zonder een woord bood hij toen de Koningin zijn arm en voerde haar naar buiten.
De gravin voer een huivering door de ziel, en voor 't eerst overviel haar een voorgevoel van 'tgeen geschieden kon, zoodra de twee oogen daar binnen zich gesloten hadden.
Zij keerde in de ziekenkamer terug, en de Koning vroeg haar levendiger dan hij straks geweest was;
âWat heeft de Kroonprins u gezegd?quot;
âNiets!quot; antwoordde zij zacht.
Nu voer de Koning op. âNiets? Dat is onmogelijk! Hij moet u gedankt hebben voor uwe verpleging. Zeg mij, Wilhelmine, wat heeft hij gezegd?quot;
âGeen enkel woord. Majesteit.quot;
Op dit oogenblik werd de deur zacht geopend, en de binnentredende kamerdienaar kondigde prins Heinrich en de landgravin van Hessen aan.
âIk wil niemand zien! Niemand!quot; riep de Koning heftig: âHet ontstelt mij, het windt mij op! Ik wil niemand zien. Mevrouw de gravin Lichtenau, ik beveel u in de voorkamer te gaan en hun te zeggen, dat ik niemand meer bij mij wil zien, â niemand meer ontvangen wil.quot;
Getrouw aan 't ontvangen bevel, ging de gravin in de voorkamer en berichtte met bevende stem en nedergeslagen oogen, het bevel des Konings.
De prins en de prinses aanschouwden haar nu met toor-nigen blik.
âDat heet, mevrouw, het is uw bevel en uw wil! Gij wilt
233
niet dat de Koning ons ontvangen zal! Wij zullen het u gedenken, wees er van overtuigd!quot;
En zonder een groet wendden zij haar den rug toe, en gingen heen.
De gravin keerde zacht in de ziekenkamer des Konings terug. Toen men vervolgens het geratel der vertrekkende rijtuigen hoorde, zeide zij zacht bij zich zelve:
âZij zullen 't mij gedenken, ik hen er van overtuigd!quot;
Maar zij bleef' toch bij het ziekbed des Konings; bleef den geheelen nacht door, en verpleegde en paste hem op.
Bij 't aanbreken van den morgen slaakte de Koning plotseling een kreet, en een bloedstroom golfde uit zijn mond.
De gravin zonk, door schrik bevangen, onmachtig nevens het bed. Men droeg haar naar buiten, en de artsen namen haar plaats in aan het ziekbed des Konings.
De gravin van Lichtenau, door het vele nachtwaken en aandoeningen uitgeput, trok zich nu in het Kavalierhuis nabij het marmeren paleis terug, en bij den Koning bleven nu nog slechts de lijfartsen, eenige kamerdienaars, en in de â voorkamer de generaal von Bischofswerder, die nu niet meer de ziekenkamer durfde binnengaan, maar de ingangen er van nauwkeurig in 't oog hield, opdat hij de eerste zou zijn die er den dood zag binnengaan.
En toen deze nu werkelijk binnentrad in de kamer van den Koning van Pruisen, vond hij hem hijgend en alleen op zijn bed; geen teeder hart meer nevens hem, dat smartelijk om hem klopte: geen beminnende hand, die hem de oogen sloot. Slechts den kreet, den doodskreet hoorde de kamerdienaar Eietz in de voorkamer, waar hij bij een glas wijn, zich juist herstelde van de inspanning der laatste uren. En toen hij nu in de kamer trad, lag de Koning met wijdgeopende oogen dood op zijn bed. Dit was op den zestienden November 1797! â
234
IX.
De nieuwe koning.
In den vroegen morgen rende een koerier in vollen galop over den weg van Potsdam naar Berlijn. Weinig scheen hij geschikt voor zulk een dienst; de gestalte van dezen man, die op het schuimende paard zat, die een Falstaff waardig zou zijn geweest, â deed het paard, hoe sterk en krachtig 't ook gebouwd was, schuimen en hijgen van inspanning. Maar hij dreef het met de sporen, met de zweep voorwaarts, altoos voorwaarts! Aan niemand mocht hij het overlaten, deze gewichtige tijding naar Berlijn te brengen, tot den jongen man, die in het klein, bescheiden huis tegenover het tuighuis, deze tijding misschien met sterk kloppend hart tegemoetzag!
Deze koerier met de Falstaffs â gestalte, was generaal Bi-schofswerder. Nauwelijks had uit de sterfkamer in de voorkamer het bericht geklonken, dat de Koning zooeven gestorven was, of Bischofswerder was naar buiten gesneld, was op het gereedstaande paard gesprongen, om nu zelf als koerier de treurige tijding naar Berlijn te brengen.
,.De koning is dood! Leve de Koning!quot;
Slechts te Potsdam zelf had hij een oogenblik stil gehouden, den commandant geroepen, en hem bevel gegeven de ingangen van den nieuwen tuin en het marmeren paleis te bezetten. Vervolgens was hij verder gereden, verder in rusteloozen galop. De eerste wilde hij zijn; de eerste, die den Kroonprins de tijding bracht, dat de dood, die den eenen ten grave had doen zinken, den ander nu op den troon zou verheffen.
âHeil den Kroonprins! Heil Friedrich Wilhelm III!quot; â
De Kroonprins echter zat in de kleine hoekkamer, nevens zijn gemalin. Hij had haar juist nog eens met treurige en' sombere woorden het tooneel van den vorigen dag geschetst. Zijne lippen hadden gebeefd, toen hij haar verhaalde, hoe hij bij den Koning was binnengegaan, geleid door madame Lich-tenau. Hij stokte, toen hij haar naam noemde, en Louise, die het verstond op het gelaat van haar geliefden gemaal te
235
lezen, nam zijne handen en drukte die vast in de hare.
âMijn vriend, zij zal spoedig gestraft zijn voor alles wat zij u heeft doen lijden; want met het purper des Konings, zal ook haar glans in het stof zinken. Aan God alleen behoort de wraak!quot;
âNeen,quot; riep de Kroonprins heftig: âneen, Louise; in dit geval is het anders! God heeft het zwaard der gerechtigheid en der straf in de handen van den Koning en den zoon ge legd, en ik wil niet met weekhartige zwakheid en goedhartige bekrompenheid mijn nieuwe levensbaan intreden!quot;
âMijn waarde Friedrich,quot; fluisterde Louise vergoelijkend; âer zullen in uw land zoo vele tranen te droogen zijn, dat u, hoop ik, geen tijd zal overblijven om tranen te laten storten!quot;
âEn de tranen, die mijne moeder sinds zoo vele jaren weent?quot; vroeg de Kroonprins met ongewone heftigheid: âen de smarten welke zij geleden heeft ter wille van deze vrouw; en de vernederingen, welke zij ondergaan heeft om harentwille? O Louise; op dien vreeselijken dag, toen ik u, mijn hartelijk geliefde vrouw, in de schitterende feestzalen dezer verachtelijke vrouw zag, toen heb ik den eed herhaald, dien ik reeds als knaap had gedaan : eens, zoodra het uur gekomen zou zijn, deze vrouw te straffen voor al den vloek en de tranen, welke zij deed vloeien!quot;
âZij zal genoeg gestraft worden, ook buiten m, mijn geliefde,quot; zeide Louise, met haar zoetsten glimlach teederlijk tot haar gemaal opziende, die was opgesprongen en met heftige schreden heen en weder ging: âge zult moeten erkennen, dat haar gedroomde heerlijkheid nu instort als een kaartenhuis, en dat van al hare vrienden, haar geen enkele overblijft! Laat haar aan haar lot over, mijn waarde vriend. Wie weet, of niet thans het uur des doods voor uwen vader gekomen is! Wij willen het niet ontheiligen met gedachten aan wraak en straf!quot;
De Kroonprins ijlde op haar toe, nam haar beide handen, en zag haar diep in 't bewogen aangezicht.
âGe hebt gelijk, Louise, als altijd; ik wil deze gedachte in mij onderdrukken! Wie weet, of 't niet het sterfuur is van mijn armen, beklagenswaardigen vader! Ach, Louise, zoo ge gezien hadt, wat hij leed ; hoe hij worstelde met zijne smarten en zijn hijgenden adem! Men moet zoo iets gezien
236
hebben, om indachtig te blijven, dat de Koning slechts een beklagenswaardig, zwak mensch is; en voor de oogen van God en den dood niets meer, dan de geringste bedelaar! Ik zal dit nooit vergeten, Louise; en ik bid u dat gij, als de ure der verzoeking ook voor my is gekomen, mij herinneren wilt aan het sterfbed mijns vaders! Ik âquot;
Er werd zacht aan de deur geklopt, en de opperhof-meesteres von Voss verscheen met bleek, ontsteld gelaat op den drempel.
,.De generaal von Bischofswerder!quot;
De Kroonprins ijlde naar de deur, en wenkte den generaal, die hijgend van den snellen rit tegen de deur leunde.
âBinnen, generaal, binnen!quot; beval de Kroonprins.
De opperhofmeesteres maakte voor de kolossale gestalte plaats en trad ter zijde, en de generaal von Bischofswerder verscheen nu op den drempel der deur.
âHoe gaat het te Potsdam?quot; vroeg de Kroonprins, en men hoorde dat zijn adem koortsig uit zijn borst kwam: âHoe gaat het te Potsdam?quot;
De generaal zweeg, en deed een paar schreden in de kamer. De Kroonprinses had zich opgericht, en was tot haar gemaal getreden. Een plechtige stilte ontstond, vervolgens zei de generaal met ernstige, luide stem:
âGod zegene Uwe Majesteit, Koning Friedrich Wilhelm III!quot;
De Kroonprinses slaakte een zachten kreet, en haar inwendige aandrift volgend, sloeg zij haar beide armen om den hals des Konings.
âGod zegene u, mijn liefste Friedrich; God hebbe ontferming met ons beiden, ontferming met den zaligen geest van uwen vader!quot;
En nu trad de opperhofmeesteres met plechtige waardigheid nader.
âIk breng Hunne Majesteiten mijn onderdanigsten geluk-wensch!quot;
De Koning richtte zich haastig op. â â't Is thans geen tijd van gelukwenschen; ik ben nog geen Koning, ik ben nog slechts de zoon van mijn vader, en ik wil naar Potsdam, om afscheid te nemen van mijns vaders lijk! Inspannen, inspannen!quot;
âMajesteit,quot; zei Bischofswerder diep buigende; âMajesteit,
237
ik vermoedde uw bevel, en heb het rijtuig laten voorkomen.quot;
Friedrich Wilhelm knikte hem toe. â âIk ben u dankbaar voor de ontvangen tijding en voor uw bewezen ijver, en benoem u hiermede tot ridder van den Zwarten adelaar!quot; Bischofswerder boog diep: â ;.Ik dank Uwe Majesteit onder-danigst voor de hooge genade, en bid u, er nog een tweede bij te voegen. Ik leg al mijne ambten aan de voeten Uwer Majesteit neder en verzoek verlof, mij te mogen terugtrekken. Uwe Majesteit moge de genade hebben, hare bevelen tot den minister Haugwitz naar Potsdam te zenden!quot;
Friedrich Wilhelm knikte. â â't Zal geschieden! Ik verleen u genadiglijk uw ontslag.quot;
En toen de generaal vertrokken was, en ook de opper-hofmeesteres zich verwijderd had, wendde Friedrich Wilhelm zich tot zijne gemalin, en omarmde en kuste haar innig.
..Louise, gij waart de koningin mijns harten, nu zult ge de Koningin van mijn geheele land en van al mijne onderdanen zijn. Ik weet: ge zult zegen en geluk om u verbreiden, want uw glimlach is zonneschijn, en uw hart is groot en liefelijk als G-ods goedheid! Ge zult voor geheel Pruisen de Koningin zijn, maar ik verzoek u slechts dit: blijf voor mij de vrouw, de lieve, hartelijke vrouw; en laat in deze kamer de etikette en de koninklijke manieren niet binnendringen.quot;
Louise glimlachte onder tranen, en zag zalig tot hem op.
âEn gij, mijn Friedrich, blijf voor mij altoos de teedere, toegevende, liefderijke man! Wij willen beiden trachten, buiten voor de wereld en de menschen onze hooge rol, die G-od ons opgelegd heeft, met waardigheid te vervullen. Maar hier, in ons klein Paradijs, hier zijt gij niet de Koning, en ik niet de Koningin; hier ben ik uwe lieve, kleine vrouw, en gij zijt mijn hartelijke, dierbare man! Zóó willen wij't houden, Friedrich; en niets anders zal hier binnentreden dan onze wederzijdsche liefde, en de liefde voor onze dierbare kinderen! En nu ga, mijn waarde vriend; ga naar Potsdam als de treurende zoon, en keer terug als de edele manhaftige Koning; ga met God!quot; â
Terwijl Friedrich Wilhelm nu met zijne moeder naar Potsdam ijlde, lag de gravin Wilhelmine von Lichtenau, â
238
welke men, toen zij onmachtig nedergezonken was, naar hare woning in het Kavaliershuis gedragen had, â nog altoos half slapend, half bewusteloos op haar bed. De laatste slapelooze nacht had haar geheel uitgeput; en degenen die met haar het Kavaliershuis bewoonden, â hare moeder, haar gezelschapsjuffer en haar voorlezer, de heer Dampmartin, â waagden het niet haar uit den slaap te wekken, om haar het bericht van den dood mede te deelen. Toen zij nu echter de oogen opsloeg, stonden zij aan haar bed, en aanschouwden haar met treurigen blik. Zij sprong op.
âHoe is het met den Koning?quot;
Niemand hunner antwoordde.
De gravin ijlde naar het venster, en toen zag zij, hoe de garde met hare witte slopkousen, zich met langzame schreden zwijgend en stil naar het slot begaf.
Zij wist wat dit beteekende; zij wist dat de garde daar heen trok, om 'sKonings lijk te bewaken.
Wilhelmine slaakte een luiden kreet, en zonk op hare knieën neder.
âDe Koning is dood! o God in den hemel! de Koning-is dood!quot;
Toen sprong zij weder op en ijlde naar de deur.
âLaat mij, ik wil naar den Koning; ik wil het lijk des Konings zien!quot;
Zij luisterde niet naar de woorden, welke haar moeder sprak; zij stiet den arm der gezelschapsjuffer krachtig van zich; zij ijlde uit de kamer naar den trap. Maar daar stonden twee schildwachten met geschouderd geweer, en toen de gravin, zonder hen op te merken, voorbij wilde spoeden, velden zij het geweer.
âMen passeert hier niet!quot;
Zij deinsde terug. â âWat is dat? Wat beduidt dit?quot;
En de voorlezer Dampmartin, die haar gevolgd was, nam haar bij den arm en trok haar in de kamer terug.
âGravin, het beduidt: dat Koning Friedrich Wilhelm de Tweede dood is; dat ge u nu moet voorbereiden op de dagen des ongeluks; het Kavaliershuis is bezet, en niemand mag er uit!quot;
âWie heeft dat bevolen? Wie?quot; riep de gravin met den toorn eener tijgerin, die voor het eerst gevoelt dat men haaide vrijheid ontnomen, â en haar aan ketens gelegd heeft.
239
âDat heeft de jonge Koning Friedrich Wilhelm III gedaan. Hij is voor een uur hier te Potsdam aangekomen, en 't is zijn eerste bevel geweest, dat men het Kavaliershuis bezetten, â en u en ons als gevangenen behandelen moest.quot;
âDat is schandelijk!quot; riep Wilhelmine vertwijfelend, en zij hief de armen op, als gevoelde zij de ketens en wilde ze van hare handen stroopen; vervolgens zonk zij met een kreet van woede, tandenknarsend ineen, om na korte afmatting weder op te springen, en te gillen om hare vrienden en dienaars.
âWaar zijn zij allen? Waar is Haugwitz, mijn trouwe, verkleefde vriend? Waar zijn zij nu allen, die mij gevleid, â die mij eeuwige trouw gezworen hebben?quot;
Ja, waar waren zij allen? â
De minister von Haugwitz had zich terstond naar het marmeren paleis begeven, en daar wachtte hij op den gena-digen roep des jongen Konings. En toen Friedrich Wilhelm hem bij zich liet ontbieden, boog de minister eerbiedig en sprak zoo als allen;
âLeve Friedrich Wilhelm III! Heil den Koning!quot;
De Koning knikte hem toe. â âIk dank u; ge zijt bekend met de regeeringszaken, ik laat ze aan u over, en hoop, dat ge ook mij een trouw, verknocht dienaar zult zijn.quot;
Hij verzekerde het met luide, vurige woorden: âIk wil 't Uwe Majesteit bewijzen, dat ik een trouw, verkleefd dienaar ben. Ik acht het noodig, dat men de gravin Lichtenau in hechtenis neme, en op hare papieren beSlag legge. Ik heb mij aan de noodzakelijkheid moeten onderwerpen, en veel laten geschieden. Maar ik houd het voor mijn plicht. Uwe Majesteit te berichten, dat eerst gisteren de Koning aan de gravin von Lichtenau een half millioen heeft geschonken; niet uit zijn privaatkas, maar uit de gelden van den Staat, 't Zal noodig zijn, deze som van de gravin Lichtenau terug te vorderen.quot;
De Koning knikte, en trad zelf in de deur om den majoor von Zastrow te roepen. â âG-a naar het Kavaliershuis, neem den heer von Kleist mede; de papieren van de gravin Lichtenau moeten in beslag genomen worden!quot;
âZou 't niet goed zijn,quot; merkte de minister aan; âzoo men te Berlijn hetzelfde deed, en alles in het paleis der gravin liet verzegelen en in beslag nemen?quot;
240
De Koning knikte weder, en gaf ook hiertoe zijn bevel.
De heeren von Zastrow en von Kleist ijlden naar het Kavaliershuis en traden de kamer binnen, waarin gravin Lichtenau zich bevond. Zij ging hen met fiere kalmte tegemoet; want nu de eerste schrik voorbij was, had zij zich vermand tot kalme beradenheid.
âMen zal mij niets kunnen doen; men zal inzien, dat het beter is te zwijgen en het verledene te laten rusten.quot;
Zij glimlachte spottend, toen de beide officieren haar aankondigden dat het noodig was, hun al hare papieren en voorwerpen van waarde ter hand te stellen, opdat zij verzegeld en in bewaring konden gebracht worden.
âDóet dat, mijneheeren; ik ben slechts een arme, zwakke vrouw, en heb geen middel u te weerstaan; verzegelt alles. De Koning is nog niet koud, en de nieuwe Koning denkt het eerst aan mij; â dat is een groote eer voor mij!quot;
Zij had dit met rustige stem gezegd; maar toen zij nu heen gingen, om In alle vertrekken te snuffelen en te verzegelen, kreet zij luid van toorn en woede, en hare handen balden zich. Het masker der trotsche, glimlachende gravin viel nu van haar aangezicht, en het toornig, wild gelaat der trompcttsrsdochter kwam weder te voorschijn! â
Na een uur keerden de heeren von Zastrow en von Kleist terug, om ook in de kamer, waarin de gravin zich bevond, alles te onderzoeken en te verzegelen. Zij zag hen aan met een honenden glimlach, vervolgens echter slaakte zij eensklaps een luiden kreet, 't AVas een kreet van vreugde, want de deur had zich geopend, en de minister von Haugwitz verscheen.
,.Ha, mijn vriend, ge komt om mij te redden! Ik zie 't aan u, gij houdt de bezworene trouw; ik dank u dat ge' er zljt!quot;
En zij ijlde op den binnentredende toe, en reikte hem haar beide handen. Maar hij nam deze handen niet aan, trad achteruit en zag haar met een koelen, vreemden blik aan, als kende hij haar niet, als verstond hij haar niet!
âIk kom in naam van Zijne Majesteit den Koning,quot; zeide hij.
Bij den naam âKoningquot; riep zij heftig: ..Hoe, mijn vriend, ge brengt mij bericht van den overleden Koning? O spreek, hij heeft dus nog aan mij gedacht in het sterfuur? Waart
241
ge bij hem? Wat zeide hij? Brengt ge mijn zijn laatsten liefdegroet?quot;
âIk breng het bevel van Friedrich Wilhelm III, mijn genadigen heer!quot; zeide Haugwitz met barsche, vaste stem.
Wilhelmine zag hem aan, en 't woord bestierf op hare lippen; schuw, als had zij een spook gezien, week zij achteruit, altoos haar strakken blik op Haugwitz gelicht houdende.
âZijne Majesteit heeft mij bevolen van u het portret der Koningin-moeder, 'twelk deze u op bevel van wijlen den Koning gegeven heeft, terug te eischen ; ik ben gelast het in ontvangst te nemen.quot;
Wilhelmine knikte, en een' ijskouden glimlach gleed over haar gelaat, toen zij de hand in haar boezem stak, en het portret aan den fijnen gouden ketting te voorschijn haalde. â âIk heb den Koning moeten beloven het altijd te dragen. Ge ziet, ik heb mijn woord gehouden; beter gehouden dan gij, mijnheer von Haugwitz; neem het portret.quot;
Zij hield het in haar hand, en Haugwitz moest haar eenige schreden naderen om het aan te nemen; toen hij nu dicht bij haar was, liet zij het portret aan hare voeten neder-vallen. De minister bukte om het op te rapen, en toen klonk een woeste lach van hare lippen.
âHa, mijnheer de minister heeft thans voor mij geknield, zooals hij vroeger zoo dikwerf deed!quot;
Hij richtte zich weder op, en aanschouwde haar met een blik vol haat.
âZijne Majesteit heeft mij bevolen, u een strenge bewaking aan te kondigen. Ge hebt deze en de aangrenzende kamer tot uw woning; en ge zult er alleen in blijven, opdat ge den tijd zoudt hebben, om na te denken over de vragen, welke de rechter van instructie u zal voorleggen.quot;
Zij maakte een beweging als van een tijgerin, die zich op haar vijand wil werpen, om hem te verscheuren; daarop echter herstelde zij zich.
âMen wil mij voor den rechter van instructie brengen? Men wil mij beschuldigen?quot;
âJa, mevrouw, zooals 't een staatsmisdadige toekomt,quot; antwoordde Haugwitz bedaard.
âMen wil mij van mijne familie scheiden?quot;
âIk heb zooeven mevrouw Enke, uwe moeder, alsmede de
DTJITSCHLAND IS WOELIMG ÃN STRIJD. VII. 16
gezelschapsjuffer Chappui en den Oostenrijkschen spion, den zoogenaamden kamerheer Saint-Choon, in naam des Konings bevel gebracht, zich terstond naar Berlijn te begeven. Men zal hen daar in uw paleis zoolang bewaken, tot het onderzoek geëindigd is.quot;
âMen zal mij toch vergunnen, van mijne, moeder afscheid te nemen?quot;
Haugwitz haalde de schouders op. â âHet doet mij leed, mevrouw; zij zijn reeds van hier weggevoerd, en nu op weg naar Berlijn.quot;
Nu alle beradenheid en kalmte vergetende, slaakte Wil-helmine een luiden kreet, vloog op Haugwitz toe, en haar gebalde vuist viel zwaar en krachtig op den schouder des ministers neder.
âDaar hebt ge mijn ridderslag!quot; riep zij met van woede bevende lippen: âJa, mijn ridderslag! Ik sla u tot ridder der laagheid en gemeenheid! G-a, heer ridder; ge zult deze waardigheid eer aandoen!quot;
Vervolgens keerde zij zich om, en ging de aangrenzende kamer binnen, wier deur zij achter zich sloot.
Haugwitz oogde haar met een boosaardigen glimlach na. â âJa; ik zal mij dit uur herinneren, en dezen ridderslag eer aandoen,quot; prevelde hij voor zich, en keerde vervolgens naar het marmeren paleis tot den jongen Koning terug, om hem met boosaardige, en toch schijnbaar bedaarde en onpartijdige woorden, het even voorgevallen tooneel te schetsen. â â't Zal noodig zijn. Majesteit, haar onder streng toezicht te houden,quot; zeide hij: âwant zij weet veel politieke en gevaarlijke staatsgeheimen, die zij in haar woede en toorn misschien aan iemand zou kunnen verraden, â aan Oostenrijksche spionnen, zooals er, helaas, velen aan het Hof waren.quot;
âMen moet deze vrouw in strenge bewaking houden!quot; beval de Koning: âNiet in het Kavaliershuis! Er is een eenzaam tuinhuis, verder van hier in het park; daarheen moet men haar brengen en streng bewaken, en niemand bij haar toelaten!quot;
243
X.
De eerste dag van den jongen Koning.
Het bericht van het overlijden des Konings had zich met de snelheid van den wind te Potsdam en Berlijn verspreid, en toen Friedrich Wilhelm, de jonge Koning, â dien het garnizoen te Potsdam reeds gehuldigd had, â nu na weinige uren naar Berlijn terugkeerde, hoorde hij reeds in de verte liet donderen der kanonnen, en de wind droeg hem het luiden der klokken tegemoet, die aan de residentie berichten: âDe Koning is dood! Leve de Koning!
âLeve de Koning!quot; juichten hem de menschen toe, die in dichte drommen op de straten heen weer golfden: âLeve Koning Friedrich quot;Wilhelm III!quot;
Hij was diep in den hoek van het rijtuig gedoken, en huiverde bij deze kreten.
âGeen trouw, geen liefde in 't hart der onderdanen,quot; prevelde hij voor zich: âZij hebben mijn vader den âveelgeliefdequot; genoemd, en nauwelijks heeft hij de oogen gesloten, en zij juichen mij toe: âLeve de Koning! Leve Friedrich Wilhelm de Derde!quot;
Maar fraai klonk het toch, en grootsche gedachten en diepe aandoening wekte het toch op in het hart des jongen Konings. Deze aandoening sprak nog uit zijn gelaat, toen hij de kamer binnenging, waarin zijn geliefde gemalin, thans Koningin Louise, hem tegemoet trad.
De kanonnen donderden nog voort, de klokken luidden, en beneden voor het kleine paleis had zich een onafzienbare menigte menschen verzameld, en donderde tot de vensters omhoog: âLeve de Koning! Leve de Koningin!quot;
âO Friedrich,quot; riep Louise met tranen van verrukking in de oogen: âhoe heerlijk klinkt dat; welk een muziek, en hoe diep grijpt zij mijn hart en mijn ziel aan! Neem mijn hand, Friedrich, en ontvang den eed, dien ik mijn Koning doe: beminnen wil ik mijn Friedrich; trouw wil ik mijn Koning zijn, teeder wil ik zijn voor den geliefde en Koning, en een goede moeder niet alleen voor mijne kinderen, maar ook voor het volk, dat hier beneden vol teedere liefde en hoop, u zijne jubelkreten brengt, â den
244
jongen Koning van wien zij geluk en vrede verwachten.quot;
âLeve de Koning! Leve Friedrich!quot; klonk 't juist weder omhoog, zoodat de glasruiten rinkelden.
De Koning had het gehoord, en schudde nu levendig het hoofd. â âIk heet niet Friedrich! Ik wil niet Friedrich heeten! 't Is mij onbereikbaar een Friedrich te zijn! Friedrich Wilhelm zullen ze mij noemenquot; ').
Hij riep uit de zijkamer, â waarin alle Hofbeambten verzameld waren en op den koninklijken wensch wachten, â den opperhofmaarschalk en gelastte hem overal te laten verkondigen: âDe nieuwe Koning heet niet Friedrich! maar Friedrich quot;Wilhelm de Derde!quot; â
Nu trad de opperhofmeesteres von Voss binnen, stralend van vreugde; want nu eindelijk was het groote oogenblik gekomen, dat zij een schitterende Hofhouding had te besturen. Dit huiselijk leven van den Kroonprins en de Kroonprinses had nu een einde. Zij kon nu haar gewichtige functie als opperhofmeesteres der Koningin beginnen, en de dag was aangebroken, waarop zij reeds zoolang gehoopt had. Met driemaal herhaalde, diepe buigingen, naderde zij het koninklijke paar, dat haar glimlachend hand in hand begroette.
âWat is er, mijn lieve opperhofmeesteres?quot; vroeg de Koningin glimlachend.
âMajesteit,quot; antwoordde de hooge vertegenwoordigster van etikette en ceremonieel: âik verstout mij slechts te vragen, wanneer Uwe Majesteit de genade wil hebben, het Hof te ontvangen? En ik veroorloof mij de onderdanigste opmerking, of het niet in 't koninklijk residentieslot zou ontvangen worden?quot;
De Koningin wendde vragend den blik naar haar gemaal. âIn het koninklijk residentieslot?quot; herhaalde zij: âWat zegt ge er van, mijn waarde gemaal?quot;
De gravin von Voss verschrikte, en blikte met een bestraffende uitdrukking op de Koningin. â âMajesteit, ik verstout mij een enkele aanmerking te maken; 't is mijn plicht als opperhofmeesteres, wier taak het is voor de etikette te zorgen.quot;
1) 's Konings eigen woorden.
245
âNu,quot; glimlachte Louise: âhebben wij weder tegen de etikette gezondigd, mijn lieve gravin?quot;
âIk veroorloof mij slechts op te merken,quot; antwoordde de gravin vol waardigheid: âdat het geheel ondoenlijk, â en tegen alle etikette is, zoo Uwe Koninklijke Majesteit in iemands tegenwoordigheid Zijne Majesteit den Koning met âDmquot; toespreekt. Ik mag mij niet verstouten te verzoeken, dat deze gemeenzame benaming der gewone menschen, niet in het intiemste privaatleven plaats vindt; maar 't is mijn recht als opperhof-meesteres er opmerkzaam op te maken, dat het tegen alle etikette en alle ceremonieel strijdt, dat de Koning en de Koningin met het vulgaire âDuquot; tot elkander spreken, in tegenwoordigheid van anderen.quot;
Wederom zag de Koningin vragend tot haar gemaal op.
Deze knikte haar toe en zeide: âAntwoord gij haar,juist zooals uw hart u ingeeft, Louise.quot;
De Koningin wendde zich tot de opperhofmeesteres. â âMijn lieve, waarde gravin,quot; zeide zij: âveroorloof mij mijn gemaal op dezelfde wijze toe te spreken, als ik tot God spreek. Hij is voor mij Gods vertegenwoordiger op aarde; hij is mijn paus, mijn Koning, mijn heer en mijn geliefde!quot;
De Koning legde zacht zijn hand op den schouder zijner gemalin. â âGe hebt naar mijn hart gesproken, Louise; en alles wat gij gezegd hebt, pas ik ook op mij toe, als had ik het gezegd. En dit is mijn antwoord, lieve opperhofmeesteres: âGe zult het u moeten laten welgevallen, dat de Koning en de Koningin van Pruisen elkander toespreken met het lieve Duitsche âDuquot;.
âDe wil Uwer Majesteit is hier bevel,quot; zei de opperhofmeesteres plechtig, diep buigende: âmaar in mijne hoedanigheid van bestuurster van het ceremonieel en het Hof, moet ik nog een andere vraag wagen: willen Hunne Majesteiten ook hierin de gewoonten van den Kroonprins en de Kroonprinses voortzetten, dat zij de vulgaire en gemeene taal des volks, â dat zij de Duitsche taal tot Hoftaal verheffen?quot;
âHoezoo, tot Hoftaal?quot; vroeg de Koning glimlachend.
âIk bedoel. Majesteit; of men zich aan het Hof ongehinderd veroorloven mag, Duitsch te spreken, en of Hunne Majesteiten hiertoe verlof willen geven, door zelf Duitsch te spreken. Ik houd zulk een geval niet voor mogelijk, en 't zou ongehoord zijn in de geschiedenis van alle Duitsche
246
Hoven. Maar dewijl thans zooveel veranderd wordt, en het ceremonieel zoo menige treurige nieuwigheid ondergaat, moet ik ook hierin om instructiën verzoeken. Er is, sinds Hunne Hoogheden de Kroonprins en de Kroonprinses in hunnen familiekring Duitsch spreken, helaas, de slechte gewoonte ingeslopen, dat ook de Hofhouding zich soms veroorlooft, in de Duitsche taal met elkander te spreken; derhalve vraag ik, hoe hieromtrent gehandeld moet worden ? De Fransche taal is tot hiertoe de taal der beschaafde wereld, â en inzonderheid die van de Hoven geweest.quot;
âEn dat is een slechte gewoonte geweest, mevrouw de op-perhotmeesteres,quot; zei de Koning levendig; âWij willen deze slechte gewoonte niet langer dulden! De Duitsche taal is onze moedertaal, en wij mogen die niet verachten, maar moeten haar eeren! Er zal aan ons Hof Duitsch gesproken worden!quot;
De opperhofmeesteres zuchtte diep, en men zag hoe de schrik door al hare leden voer. - âEn wanneer,quot; vroeg zij nu met bevende stem: âwanneer, als ik mag vragen, zullen Uwe Majesteiten het Hof in groote cour ontvangen? En wanneer zal de verhuizing naar het residentieslot plaats hebben?quot;
âMijn lieve opperhofmeesteres,quot; zei de Koningin, haarlevendig en vriendelijk toeknikkende; âik weet dat ik u weder smart veroorzaak, maar ik kan niet anders. Wij zullen, geloof ik, in 't geheel niet naar het residentieslot verhuizen; en wat het groote cour betreft, dit moet toch -wachten tot na de begrafenis van wijlen den Koning, zoo het in 't geheel plaats moet hebben.quot;
âUwe Majesteiten willen niet naar het residentieslot overgaan? Zij willen in dit kleine huis blijven ?quot; vroeg de opperhofmeesteres, zich geheel ontsteld oprichtende, en in dit oogenblik zelve een weinig de etikette vergetende.
âJa, mijn lieve gravin von Voss,quot; zei de Koning: âWij hebben er over gesproken, mijn vrouw en ik; â en wij zijn van meening dat alles blijven zal, zooals tot hiertoe. Hebben wij tot nu toe in dit kleine huis plaats genoeg gehad met onze kinderen, dan zullen wij 't ook wel verder hebben. Ik ben niet rijk, en de Koning en de Koningin moeten er zich naar regelen, verder van de inkomsten van den Kroonprins en de Kroonprinses te leven '). Maar het spreekt
1) 's Konings eigen woorden.
247
van zelf,quot; voer hij glimlachend voort; âdat wij er ons niettemin in moeten schikken, aan de etikette en het ceremonieel onze offers te brengen, en de groote presentaties zullen in het koninklijke residentieslot gehouden worden. Hiervoor hebt gij te zorgen mijn lieve opperhofmeesteres, en ge zult met Hare Majesteit raadplegen, wanneer het eerste groote cour zal plaats hebben, 'twelk gij natuurlijk zult regelen.quot;
Dat was een weinig balsem op de diepe wonden der opperhofmeesteres, en de sombere wolken weken een weinig van haar voorhoofd. Op schier biddenden toon vroeg zij toen de Koningin: of deze niet ten minste terstond de kleinere Hofhouding ontvangen, â en de hulde er van aannemen wilde?
De Koningin knikte toestemmend en begaf zich naar haar kleine receptiezaal, terwijl de Koning zich in zijn arbeidskabinet afzonderde. Als Kroonprins had hij het verlaten, als Koning keerde hij er nu terug.
Het donderen der kanonnen en het klokgelui was nu verstomd, en ook het volk, toen het zag, dat de Koning en de Koningin zijn roep niet volgden en niet op het balkon verschenen, had zich verstrooid, en 't was nu stil buiten op de straat. Deze stilte deed den jongen Koning goed. Hij zette zich neder op den lederen stoel, die voor zijn schrijftafel stond. Hoe ledig was deze tafel heden, en welk een overvloed van gewichtige acten zal er reeds morgen op liggen? â â â
âWelk een onderscheid tusschen deze eenvoudige tafel van den Kroonprins, zooals zij nog heden geweest is, en de gewichtige schrijftafel des Konings, die zij van dit oogen-blik af is! Nu zullen zij komen, de regeeringsstukken, de wetsvoorstellen, de vredes- en oorlogs-tractaten, de requesten en beschuldigingen, de begenadigingen en doodvonnissen. â Ach, God geve, dat ik niet genoodzaakt ben, vele doodvonnissen te onderteekenen; Hij behoede mijn volk voor misdaad en zonde! O, God geve, dat ik vele begenadigingen te onderteekenen hebbe; dat de beschuldiging heel dikwijls onrechtvaardig zij, en de onschuld erkend worde! God geve het! â O, God geve, dat ik nooit een oproeping ten oorlog te onderteekenen, â en dat mijn pen alleen vredestractaten te bekrachtigen hebbe! â Ja, vrede! Dit is het gebed,
248
dat ik tot u richt, mijn God! quot;Vrede met mijn hart, met mijn geweten, met mijn volk en met God! â De oorlog is een wreed kwaad! Dat heb ik gezien in den veldtocht tegen de Franschen, en toen heb ik gezworen, zoo lang ik kan, den oorlog te willen vermijden. Geef mij daartoe Uw zegei:, mijn God! â Er is trouwens in mijne omgeving veel dat mij dwingen zal tot oorlog, en daar zijn de partijen die mij her- en derwaarts zullen trekken. Geef dan, o God! dat ik aan geene partij macht op mij geve. Maar ik ben nog zoo jong, en ik ben alleen. Waar vind ik een vriend, een raadgever, die mij ter zijde kan staan, die mij altijd de waarheid zeggen wil? Waar vind ik hem?quot;
Plotseling vlamde het op in 't gelaat des jongen Konings, en hij zeide luid tot zich zeiven:
âKökeritz! Kökeritz is de vriend, dien ik behoef.quot;
Hij stond levendig van zijn stoel op, ijlde naar de deur der voorkamer en opende haar.
âIs overste von Kökeritz daar?quot;
âMajesteit, hier ben ik, tot uwen dienst!quot; zei de frissche en vroolijke stem van den overste von Kökeritz, die door de groote kamer snelde, en zich aan den Koning voorstelde.
..Kom binnen! Ik heb met u te spreken, Kökeritz,quot; zei de Koning levendig.
En toen de overste, het bevel volgend, het koninklijke kabinet was binnengetreden, ging de Koning zelf naar de deur en sloot haar achter hem.
âIk wil met u spreken, Kökeritz; alleen en ongestoord.quot;
âVóór alles,quot; zei de overste, en een diepe aandoening sprak uit zijn goedhartig, vriendelijk gelaat: âvóór alles bid ik Uwe Majesteit, ontvang mijn oprechten en innigen gelukwensch wegens Hare verheffing. Vele menschen zullen Haar dit thans zeggen, en ieder met fraaier woorden, dan ik het kan; maar hartelijker en vuriger dan ik het meen, kan 't op aarde niemand meenen, en oprecht als een gebed, klinkt het uit mijn hart: God zegene mijn jongen Koning!quot;
Friedrich Wilhelm reikte hem zijn beide handen, en hij zag de tranen, die in de oogen van den ouden man glinsterden.
âIk dank u, Kökeritz,quot; zeide hij: âen ik wil u thans bewijzen, dat ik aan de oprechtheid uwer genegenheid geloof. Ik wil u vertrouwen, Kökeritz, zooals ik geen mensch op
249
aarde vertrouw. Ik ken u sinds vele jaren, ik heb u in de laatste jaren dagelijks gezien en gadegeslagen; en zal ik u zeggen, waarom ik u heb gadegeslagen? Wijl ik weten wilde of gij dengene waart, die den Koning eens radend en helpend zou kunnen ter zijde staan. En ik heb erkend, dat gij dit zoudt kunnen. Ge hebt een juist oordeel, gezond verstand, een vast karakter en zijt van de beproefdste rechtschapen heid. Ja, ge kunt mij goede diensten bewijzen, en ik vraag u nu, Kökeritz: wilt ge dit?quot;
âIk wil alles doen, Majesteit, waartoe Uwe goedheid en genade mij bestemt,quot; zei de overste met vaste stem.
De Koning knikte. â âIk stel mijn geheel vertrouwen in u. Ik ben een jong mensch, die de wereld nog te weinig kent, om zich op zich zeiven te kunnen verlaten, en er zijn zoo veel oneerlijke menschen, door welke men licht bedrogen kan worden. Daarom moet zulk een jongmensch als ik ben, elke goede raad, wanneer hij eerlijk gemeend is, welkom zijn. Dien goeden raad verwacht ik van u, Kökeritz, en ik bid u, blijf mijn vriend, zooals ge tot nu toe geweest zijt; verander uw denkwijze niet, en wees overtuigd, dat ik altoos dezelfde zal zijn, die ik tot nu toe was, al moge ook mijn titel veranderen zooals hij wil! Hoor, Kökeritz, ik bid u, blijf mijn vriend.quot;
En toen hij den overste met een innigen, schier smeekenden blik de hand reikte, was deze, â door aandoening overmand, â tot geen antwoord in staat. Hij nam de hem gereikte hand in de zijne en wilde zich er over buigen om haar te kussen.
Maar de Koning trok haar haastig terug. â âNiet zoo, Kökeritz! Als man tegen man staan wij tegenover elkander, en gij zijt hier de oudste, ik ben de scholier, die van u leeren wii.quot;
âAch!quot; riep Kökeritz snikkend: âach, ik wenschte, dat ik niet alleen een goed man was, maar de wijste man op aarde, teneinde het vertrouwen te vereeren, dat mijn jonge, genadige en heerlijke Koning in mij stelt! Maar ik ben, helaas, geen wijs en geleerd man.quot;
âGe zijt een goed man,quot; zei de Koning: âen dat is meer waard dan alle geleerdheid! Ik heb een vriend en raadgever noodig! Ik heb iemand noodig, die mij de waarheid zegt! En nu vraag ik u, Kökeritz; wilt gij mij altijd de waarheid
250
zeggen? Wilt ge mij beloven zonder menschenvrees altijd zóó tot mij te spreken, alsof ik nog steeds de jonge, arme Kroonprins was, en gij mijn toegevoegden raadgever, en bijna mijn gouverneur waart? Wilt ge dat?quot;
âOf ik raadgever kan zijn in alle zaken. Majesteit, dat weet ik niet! Maar een vriend, die de waarheid zegt ten allen tijde, zonder bewimpeling en zonder vrees, dit beloof ik Uwe Majesteit, dat wil ik altoos zijn!quot;
âO,quot; riep de Koning levendig: âdoe dat; zeg mij altijd de waarheid zonder bewimpeling en zonder vrees. Maar ik bid u ook: laat u noch door valsche eerzucht, noch door eigenbaat ooit verblinden; laat u niet door valsche uitspraken en door onjuiste voorstellingen misleiden; vermijd de partijen en handel steeds naar uw innige overtuiging, naar plicht en geweten! Zweer mij dat, Kökeritz!quot;
De overste reikte den Koning de hand, en deze drukte haar vast in de zijne.
âIk zweer het. Majesteit!quot;
âGe kent de menschen,quot; voer de Koning voort: âge kent ze beter dan ik. Ik heb u beproefd en gadegeslagen, en weet het. Niemand bedriegt zich meer in de beoordeeling van menschen, dan een Vorst. En dit is zeer natuurlijk; want elkeen beijvert zich en is gewoon, zich zelve in het beste licht voor te stellen, zijne fouten en gebreken te verbergen, en voor quot;t aangezicht van den Vorst steeds anders te verschijnen, dan hij werkelijk is, en wel: zoo als hij meent het best zijn doel te kunnen bereiken. Wij Vorsten hebben óók onze luimen en neigingen, en de sluwe men-schenkinderen kennen ze, vorschen ze uit, en maken er hunne maskers naar. Ik verwacht van u, Kökeritz, dat ge er mij steeds opmerkzaam op maakt, als iemand mij met een masker nadert, schoon hij ook zijne gebreken zou tentoonstellen. Maar ik verwacht óók, dat ge niet alleen de valschen voor mij ontmaskert, â maar mij ook op de goede opmerkzaam zult maken, en mij zulke mannen aanwijzen, die trouw den Staat en hun Koning dienen. Wilt ge dat, Kökeritz?quot;
âIk wil het naar mijn beste inzicht en wetenschap doen!quot; antwoordde Kökeritz plechtig. âEn Uwe Majesteit zal gewis althans met de eerlijkheid mijner bedoelingen tevreden zijn. Ik wil alles wat Uwe Majesteit mij daar gezegd heeft en
251
van mij vordert, zooveel in mijn vermogen is, volbrengen!quot;
âO,quot; zei de Koning glimlachend: âwij zijn nog niet ten einde, mijn waarde Kökeritz: âik heb over 'tgeen ik nu zeg, sinds de ziekte des Konings veel nagedacht, en 'tgeen ik u nu mededeel is geen oogenblikkelijke inval, maar het resultaat van lang overleg. Ik kom nu tot het gewichtigste onderwerp mijner mededeelirigen: de staatsfinantiën zijn verward, en om de orde te herstellen, wil ik de ervarendste en bekwaamste staatslieden bier ontbieden en een commissie aanstellen, die alles moet nazien en onderzoeken, om vervolgens de middelen tot uitroeing der ingeslopen misbruiken te vinden. Deze commissie zal mij vervolgens mededeeling doen, en ik zelf wil onderzoeken en datgene uitvoeren, wat ik als goed en nuttig erken. Bij deze commissie is 't van het grootste gewicht, dat onder de leden de meeste eenstemmigheid heersche, dat er zich geen partijschap onder menge, dat eenig en alleen het welzijn van den Staat haar jeide, en dat het doel barer samenroeping haar bestendig voor oogen zij. Hiertoe is een tusschenpersoon noodig, die de vaak tegenstrijdige elementen weder verzoent. En voor dien tusschenpersoon houd ik u bet meest geschikt, mijn goede Kökeritz. Gij bezit het karakter en humor, die er toe vereist worden, en ik wil u slechts zeggen, wat ge te doen hebt: bij al de conferentiën zult ge tegenwoordig zijn, om als getuige der handelingen mij daaromtrent te berichten. Ge kent mijn denkwijze en zult eenigermate bij de conferentiën mijn persoon vertegenwoordigen. Zoo er oneenigheid, haat of grillen ontstaan, dan hebt gij het recht in mijn naam de heeren op het doel hunner samenkomst te wijzen, en met uw juist, gezond verstand, uw goed oordeel en koelbloedigheid, alles weder in 't behoorlijke spoor te brengen.quot;
âAch, Majesteit,quot; zuchtte Kökeritz: âdit is een ambt, dat geloof ik, boven mijne krachten gaat. Een middenpersoon tusschen geleerde heeren en groote staatsmannen te zijn, dat versta ik niet, vrees ik.quot;
âIk weet dat gij het verstaat,quot; zei de Koning glimlachend: âblijf slechts de eerlijke, brave en trouwe man, die ge tot nu toe waart, en houd uwe ooren en uw geweten open, dat is de hoofdzaak. Ik draag u zware en groote plichten op, maar ik verzeker u ook van mijn dankbaarheid en erken-
252
tenis, en ge zult buitendien mijn Staat en mijn land gewichtige diensten bewijzen, en u nuttig maken voor al mijne onderdanen. Ge weet nu, Kökeritz, wat ik van u vorder. Ge zult, met één woord, mijn raadgever, mijn vriend, mijn tweede geweten zijn! Wilt ge dat?quot;
Hij reikte weder den overste de hand en zag hem strak aan. De oogen der beide mannen ontmoetten elkander met een langen, diepen blik. De overste zag in het edel gelaat van den jongen Koning diens diepe aandoening, zijn reine, schuchtere ziel. De Koning zag in 't gelaat van den overste zijn moedigen wil, zijn eerlijk gemoed. Beiden begrepen elkander, en zagen elkander diep op den bodem der ziel.
âJa, Majesteit! Ik wil alles doen, wat ge van mij eistht! En God moge ons de kracht geven dat wij beiden volbrengen, wat Uwe Majesteit thans van ons beiden vordert: gij, dat gij altoos de waarheid hoort; ik, dat ik ze u altoos zeg!quot;
âAmen!quot; zei de Koning.
âAmen!quot; antwoordde de overste, niet met den eerbied des Hovelings voor den Koning, maar met de ernstige uitdrukking van een man tegenover een man.
âZoo,quot; zei de Koning, ruimer ademend: ânu is't mij licht en sterk te moede, en ik wil nu, om den lastigen plicht der etikette te bevredigen, met het ontvangen mijner beambten beginnen. Ga, Kökeritz, en laat de heeren bij mij binnentreden.quot; â
Intusschen waren de prinsen en prinsessen gekomen, om den Koning en de Koningin te begroeten. Met zooals anders waren zij zonder plichtplegingen de familiekamer binnengetreden. Maar zij hadden zich in de groote receptiezaal ver-eenigd, en de kamerheer verscheen bij Hunne Majesteiten, om de koninklijke familie aan te kondigen.
Friedrich Wilhelm ijlde naar de zaal. De kamerheer vloog hem voorbij, en rukte nu de twee vleugeldeuren wijd open, om den Koning te laten passeeren.
Friedrich Wilhelm bleef glimlachend nevens de deur staan en zag hem aan.
âGe deedt vroeger slechts de helft der deur open,quot; zeide hij: âBen ik dan sedert heden morgen zoo veel dikker geworden ?quot; ')
1) 'sKoniiigs eigen woorden.
253
Toen trad hij de zaal binnen, om zijn broeders en zusters, zijn neven en nichten te begroeten. Zij bogen allen diep voor hem, en in vol koor klonk het: âWij wenschen Uwe Majesteit geluk!quot;
Een smartelijke trek vloog over het gelaat des Konings, en hij schudde levendig het hoofd.
âWat?quot; zeide hij: âhebt gijlieden u óók reeds zoo veranderd ? Ben ik niet meer uw broeder, uw vriend, uw verwant? Neemt toch niet zulke manieren hier aan; wij blijven immers altoos wie wij zijn: ik ben niets meer dan uw broeder en uw vriend, en daarmede basta! Laat hier de âMajesteitquot; weg!quot;
En nu sprongen zij op hem toe, de broeders en zusters, de neven en nichten, en omhelsden en omarmden de fraaie en edele gestalte van den jongen Koning; zij weenden aan zijn hals om den overleden vader, en glimlachten onder tranen: âGeluk en heil, onzen geliefden Koning! onzen edelen, dierbaren Friedrich Wilhelm!quot;
DERDE BOEK.
SCYLLA EN CHARYBDIS.
i.
De mode der teedeeheid.
De minister von Haugwitz trad de kamer zijne echtge-noote binnen, 't Was nog tamelijk vroeg in den morgen, en de gravin had juist haar chocolade gedronken; zij had zich achterover gelegd in de cansense, en was ijverig bezig met de lectuur der Liaisons dangereuses, de geliefkoosde lectuur der dames uit de groote wereld. Bij 't binnentreden van den graaf legde zij met verwonderden blik het boek ter zijde, en richtte zich van de causeuse op met een statigheid, als ware het een geheel vreemd, onbekend man, die haar naderde.
âWas er geen bediende in de voorkomer, heer graaf?quot; vroeg zij, âof is 't misschien het nieuwe gemeenzame gebruik, dat men onaangediend bij dames binnenkomt?
Graaf Haugwitz lachte haar toe, trippelde dichter tot haar, nam haar hand en drukte die aan zijne lippen. Zij trok haar met een uitroep van ergernis en verrassing terug.
âWat valt u in, mijnheer? â Wees zoo goed mijn vraag te beantwoorden; was geen mijner bedienden in de voorkamer ?quot;
âIk verzoek vergeving, dierbaarste,quot; antwoordde de graaf, terwijl hij zich zonder plichtplegingen op den armstoel nevens de causeuse nederzette: âwaarlijk, uit het diepst mijner ziel om vergeving, dat ik mij verstout heb, onaan-
255
gediend binnen te komen. Maar ge hebt gelijk, dierbaarste! Het behoort werkelijk thans tot den nieuwsten toon, dat onder echtgenooten een zekere vertrouwelijkheid heerscht, en ik maakte er gebruik van, door de lakeien te verbieden mij aan te dienen, En daar ben ik nu, en ben zalig dat ik weder bij u ben, waardste Angelika. Ik heb u, 't is waar, in uw morgengodsvrucht gestoord, want ik ken uw edel en vroom gemoed en weet, dat ge uwe gedachten tot God hadt verheven â ge hebt zeker in den Bijbel gelezen?quot;
De gravin lachte luid. â âJawel,quot; zeide zij: âin den Bijbel. Ziedaar, neem, mijnheer, en overtuig u.quot;
En zij reikte haren echtgenoot glimlachend het schandelijke en zedelooze boek.
âIk heb toch goed geraden,quot; zeide hij, het boek doorbladerende: â't is eenigermate de bijbel der Natuur! En daar in de geheele Natuur, God zich zeiven uitdrukt, ver-richttet ge inderdaad uw morgendienst, hoezeer ook op een andere wijze dan men gewoon is van zulk een edele en deugdzame dame als gij, mijn waarde Angelika.quot;
Het voorhoofd der gravin verduisterde zich. âIk ben noch edel noch deugdzaam,quot; zeide hij heftig: âen ge weet dit, mijnheer; want gij zijt het, die gemaakt heeft, dat ik het niet meer ben. 't Is uw schuld, dat ik in plaats van den Bijbel, â die mij in mijn meisjesjaren verrukte en tot godsvrucht leidde, â nu zulke afschuwelijke boeken lees, als dit, en mij daarmede vermaak, 't Is uw schuld, dat ik mij zelve verfoei â evenzeer als ik u verfoei, en ik derhalve tot allerlei uitspanning en verstrooïng mijn toevlucht neem, om slechts niet alleen met mij zelve te zijn!quot;
âO mijn Hemel,quot; lispte de graaf: âhoe treurig klinkt dat en hoe fraai staat u deze toorn, mijn dierbare Angelika. â Ik ben verrukt over u, ge hebt u wonderbaar geconserveerd! Weet ge, dierbaarste, dat het geheel onmogelijk is, u aan te zien dat ge reeds twee-en-twintig jaren met mij gehuwd zijt? Men zou meenen dat wij nog in de lentejaren onzer liefde waren. Ach, Angelika, dat waren toch fraaie jaren!quot;
âHerinner mij er niet aan,quot; zeide zij somber: âwant als men voor eeuwig uit het Paradijs gebannen is, moet men zich hoeden er aan terug te denken, 't Is waar, wij leefden destijd eenige jaren in 't Paradijs, en ik herinner mij zeer
256
goed, hoe dikwijls ge aan mijne voeten laagt en zwoert, dat uwe liefde nimmer eindigen, â en nooit veranderen zou. En toen -quot;
âNu, toen?quot; vroeg de graaf, terwijl hij haar hand nam en die, in weerwil van haar tegenstreven, in zijne handen hield: âWat kwam toen, mijn dierbare Angelika?quot;
âToen kwam een vreeselijke tijd van ontnuchtering,quot; zeide zij; âtoen kwam een dag, dat ik ten hemel riep om wraak voor den trouwelooze, die mij bedrogen had; die de liefde, welke hij mij beloofd had, aan de voeten van andere vrouwen legde. Maar ik wil er niet aan denken! â Doch aan den dag wil ik denken, toen ge aan mijne klachten niets meer dan hoon en spot tegensteldet; toen ge tegenover mijn alleszins rechtvaardige ijverzucht u gedroegt, zooals nooit een edelman zich jegens een vrouw gedragen mag! â Ge hebt mij mishandeld, mijnheer! Weet ge dat wel? Sedert zijn tien jaren verstreken, maar ik voel nog den slag op mijn wang, dien ge mij toen gegeven hebt! Ge hebt mij mishandeld, en dat vergeef ik u nooit! â Sinds dien dag ben ik een ellendig en verworpen schepsel geworden; ik had öf moeten sterven öf u vermoorden, en daar ik beiden niet deed, bleef mij slechts het derde over: even verworpen te worden als gij zijt! â En ik ben het geworden!quot;
Hij drukte haar hand teeder in de zijne, en viel haar glimlachende in de rede. â âWaarom noemt ge dat âverworpen,quot; mijn dierbare Angelika? We hebben beiden onze Liaisons dangereuses niet alleen gelezen, maar ook uitgevoerd. Dat is alles! En nu op een gelukkigen morgen, ontwaken wij uit dezen droom, en vinden elkander terug als teedere en beminnende echtgenooten ! â Ja, mijn waarde Angelika, 't is mij volkomen ernst: beschouwen wij de laatste tien jaren als een opiumdroom, en laat ons denken: wij ontwaken hand in hand uit dezen afschuwelijken wilden droom, die echter toch ook dikwijls zijne verrukkingen had. Ik breng u al mijn liefde en teederheid terug, en hoop, dat ook gij voor mij weder uw hart in edele liefde ontsluiten zult.quot;
Zij staarde hem strak aan, en ontrukte hem heftig haar hand. âGe zijt wat ge altoos waart: â een huichelaar! U komt niets uit de ziel, niets uit het gemoed! Ge zijt een vrijgeest geweest onder Frederik den Groote, een Rozekruiser en schijnheilige onder Friedrich Wilhelm den Tweede, en ik geloof
257
waarachtig, dat ge nu onder den nieuwen, jongen Koning u zelfs verstouten wilt, een deugdzaam man en een teeder echtgenoot te spelen!quot;
âO, waardste Angelika, gij zijt een toonbeeld van verstand en fijn vernuft,quot; riep de graaf: âJa, ge hebt gelijk! Onder den nieuwen, jongen Koning wil ik een deugdzaam man en een teeder echtgenoot zijn! Dat is 't, wat mij tot u voert, dierbaarste Angelika. Ik heb berouw over 't verledene, en bid u, mij te vergeven. Wij zijn beiden uit het Paradijs verstoeten geweest, en hebben gegeten van den boom der kennis. Maar wij willen nu beiden berouwvol tot de poorten van het Paradijs terugkeeren, en de liefde zal ons den ingang weder openen.quot;
âGelooft ge dit?quot; spotte de gravin: âGelooft ge werkelijk dat wij beiden nog in staat zouden zijn, dit Paradijs weder binnen te treden? Zou de engel met het vlammende zwaard, die aan den ingang staat, ons niet terug drijven, en ons vol toom en verachting onder zijne voeten treden? O, ge drijft een gevaarlijk spel met alles wat heilig is, en de nieuwe rol, welke ge thans wilt vervullen, past u zóó weinig, dat het öm te lachen is, ja om te lachen! Vergeef mij, maar ik kan niet anders!quot;
En de gravin brak in een luid, vroolijk lachen uit, waarmede de graaf vergenoegd instemde.
â't Is waar,quot; zeide hij: âhet heeft zijn kluchtige zijde; en ik heb mij zelf moeten inspannen, om ernstig bij deze rol te zijn. Maar herinnert ge u, mijn waardste, wat Lavater van mij gezegd heeft, toen hij mijn schedel onderzocht, â die lieve, geveinsde, geleerde man? Ge kent immers zijn oordeel over mij ? Hij heeft gezegd: âik had in weerwil van de vele onzedelijke stof, die in mijn physionomie lag, toch een Christushoofd en een Christusziel!quot;
âDat heeft hij u in 't aangezicht gezegd,quot; riep de gravin lachend; âwijl de lieve, vrome, geveinsde man het niet met den voornamen graaf von Haugwitz verkerven wilde, die hem bezocht in gezelschap van Goethe en den graaf Stolberg. Maar ge weet toch óók, wat hij dezen beiden heeft gezegd? Hij hield het voor zijn plicht, beiden uitstekenden mannen voor u te waarschuwen, en hij zeide hun: er was hem nooit een mensch voorgekomen, die achter hetmasker
17
DÃITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII.
258
van een Christushoofd zooveel zedeloosheid en slechtheid verborg.quot; ') En zie, toen Lavater dit zeide, was hij geen huichelaar; hij sprak toen de waarheid! 't Is waar; uw aangezicht liegt! Men zou het fraai kunnen noemen, zoo men niet wist, dat ge een zeer ellendig, verachtelijk, boos karakter hebt. Zoo, â nu hebt ge mijn volledig oordeel over u, onbewimpeld en ongepolijst, en nu zult ge, hoop ik, uw plan opgeven en de rol laten varen, welke het u behaagde met mij te willen spelen.quot;
âVolstrekt niet, mijn dierbaarste,quot; glimlachte de graaf: âge wordt door uw betninnelijken weerstand nog slechts intéressanter, en 't zal mij genoegen doen dezen weerstand te overwinnen.quot;
âDat zal u niet gelukken!quot; riep zij heftig: âIk zal u niet ondersteunen in deze nieuwe huichelarij, en niet voor teedere echtgenoote spelen!quot;
âG-e zult er misschien toch toe moeten besluiten,quot; antwoordde de graaf, om wiens lippen nog altoos de zoete, teedere glimlach speelde.
âNeen, nooit!quot; riep zij heftig: âIk haat en verachtu! De geheele wereld weet het, en ik wil niet tot spot van het Hof worden! Ik âquot;
Zij wilde opspringen en zich verwijderen. Maar hij hield haar tegen, en drukte de nagels zijner vingers zóó vast in haar arm, dat zij luid schreeuwde van pijn, en hem heftig haar hand wilde onttrekken. Doch hij greep haar nog vaster, en zag haar hierbij glimlachend in 't gelaat.
âZet u, mijn waardste Angelika.quot;
âGe doet mij pijn, Kurt, o vreeselijk pijn!quot; zei zij kermend, terwijl zij op de causeuse nederzonk.
Hij glimlachte nog altijd, en hield haar hand vast gegrepen. â 't Is nu genoeg weerstreefd!quot; zeide hij, en zijn stem klonk hard, terwijl de glimlach nog altoos om zijne lippen speelde: âIk zeg u, 't moet zijn; en 't betaamt u, mij te gehoorzamen, mevrouw! Ge weet, ik ben eerzuchtig, en ik wil niet in de schaduw terug treden, nu ik in 't zonnelicht kan staan! De jonge Koning stelt vertrouwen in mij; hij zal mij mijne rol verder laten spelen; ik zal een naam in de geschiedenis hebben, een macht
1) Geschiedkundig.
259
onder de nieuwe regeering zijn! En ik wil, dat dit zoo blijve. Maar de Koning haat zedelooze huwelijken, en 't eenige wat mij zijn ongenade op den hals kon halen, zou zijn: zoo wij bleven voortleven, gelijk wij tot nu toe geleefd hebben. Ge weet; 't is mij in de tien jaren der regeering van den vorigen Koning, nooit in den zin gekomen, u met mijne bezoeken lastig te vallen. Gij hebt de eene étage van ons huis bewoond en ik de andere, en nooit heeft mijn voet den trap betreden, die naar uwe vertrekken voerde. Ik heb alles in uwe étage laten geschieden naar uwen wil, en heb in de mijne naar mijn wil geleefd. Ik heb, om allen aanstoot te vermijden, mijn beide oogen dichtgedrukt, en gij hebt evenzoo gedaan! Daar ge aan 't Hof in de gezelschappen verscheent en er een aanzienlijke dame waart, vermeed ik bestendig, zooals ge weet, aan het Hof te soupeeren, en wendde bezigheden voor.quot;
âWijl ge liever aan de kleine soupers deelnaamt, die eiken avond bij de gravin Lichtenau en bij nog erger soort â bij Valeriana plaats hadden,quot; viel zij hem heftig in de rede.
âMijn dierbare,quot; zeide hij, haar arm nog vaster grijpende: âik heb u niet gezegd, loaar en met loien gij soupeert! Bemoei u dus als 't u belieft niet met mijne soupers! â Ik zeg u slechts: zoo hebben wij geleefd onder den vorigen Koning, en dat gaat nu verder niet! 't Zal nu mode worden, ordelijk en deugdzaam te leven! Ik ontken niet, dat het vervelend zal zijn. Maar ge weet wel, dat men gewoon is na te apen, wat aan 't Hof geschiedt. De Koning en de Koningin voeren een burgerlijke huishouding. Zij beminnen elkander, en vergeten, dat het voor een koninklijk paar eigenlijk niet past, een teeder echtpaar te zijn en voor huisvader en huismoeder te spelen. Maar zij doen dit nu eenmaal, en ik heb het recht niet, te berispen wat mijn Koning doet. Ik onderwerp mij, en tracht zijn voorbeeld na te volgen. Al de liaisons clangereuses zullen nu aan dit Hof ophouden, en 't zal er ondragelijk stil en vervelend toegaan. Maar wij moeten ons allen schikken, â gij zoo goed als ik. Ik zal mijn kleine soupers betreuren, en gij waarschijnlijk de uwe niet minder. Maar ik wil minister blijven; ik wil mijn machtige rol verder spelen, â ik wil invloed uitoefenen! De Koning heeft een goed hart, maar.
260
naar ik geloof, geen bizonder groot verstand. Men kan hem dus beheerschen, en hiertoe is volstrekt noodig, dat men zijn lievelingsidée: een ingetogen leven, ondersteune. Wij zullen van nu af, ons steeds met elkander vertoonen, mijn dierbare Angelika!quot;
âNeen,quot; riep zij heftig, terwijl 't haar gelukte hem haar arm te onttrekken: âneen, wij zullen dat niet doen! Ten minste, tot een huichelares zult ge mij niet verlagen! O, zie mijn arm; zie hoe ge mij op nieuw mishandeld hebt. Uwe nagels zijn in mijn vleesch gedrukt, en âquot;
âEn deze wonden mogen u herinneren, dat ge mij onderdanig zijt!quot; riep hij, haar in de rede vallende, en voor 't eerst veroorloofde hij zich, haar met een toornigen blik te aanschouwen: âJa, onderdaning, mevrouw! Ik ben uw heer en echtgenoot; ge hebt mij te gehoorzamen, en zoo mijn verzoek niet baat, dan beveel ik u nu, u aan mijn wil te onderwerpen!quot;
âBevelen?quot; vroeg zij: âEn zoo ik mij aan dat bevel niet stoor?quot;
âDan zal ik u zeggen wat geschied,quot; zeide hij, zijn hof-felijken en vriendelijken toon weder aannemende: âdan zal ik u naar een mijner landgoederen in Polen zenden. Ik zal u eenigen mijner vertrouwdste dienaren medegeven, die u daar in bewaring houden. Ik zal zeggen, 'tgeen men reeds meermalen gezegd heeft: dat ge een weinig getroubleerd zijt, en niet meer aan de gezelschappen deel kondt nemen. Ik zal u streng laten bewaken, niemand bij u toelaten, en het vroolijke leven, 'twelk gij tot nu toe geleid hebt, zal geheel ten einde zijn. Ge zult van een matig pensioen leven, en van de vreugden des levens moeten afzien. Men zal u ook zulke lectuur als deze, niet meer toestaan, en de Bijbel, de ware Bijbel, zal het éénige boek zijn, 'twelk men u vergunnen zal. Kies nu, mevrouw; wilt ge mijn teedere echtgenoote, of wilt ge mijn ongelukkige, zieke vrouw zijn, welke ik in Polen laat bewaken? Ik voeg nog hierbij, dat: zoo ge de rol welke ik u aanbied, â en die waarlijk toch ook hare bekoorlijkheid heeft, â aanneemt, ik uw jaargeld met duizend thaler verhoogen, en u een klein, allerliefst landhuis te Charlottenburg schenken zal, waar ge u soms in de eenzaamheid verpozen kunt van de rol, welke gij hier speelt. Neemt ge mijn voorstel
26.1
aan? Bedenk u wel. Ik geef n vijf minuten tijd, en verwacht dan uw ja of neen.quot;
Hij haalde zijn met brillanten bezet horloge te voorschijn, keek er nauwkeurig op, zonder slechts een blik op de gravin te werpen; zonder te zien hoe haar gelaat trilde van toorn en smart, â hoe zij de lippen vast opeen drukte, en hem met een uitdrukking van onuitsprekelijke verachting aanzag.
.,De vijf minuten zijn voorbij, mijn waardste, en ik verwacht nu uw besluit.quot;
Zij zuchtte luid, haar hand balde zich en hief zich dreigend tegen hem op, maar zij liet haar langzaam weder neder-vallen, en beet hem toe; âJa!quot;
âHa, dat is voortreffelijk, mijn dierbaarste Angelika!quot; riep de graaf, en hij sprong op, viel haar met een uitdrukking van vreugde om den hals, en kuste haar.
Zij slaakte een luiden kreet, en stiet hem terug. â âMijnheer, als wij alleen zijn in onze vertrekken, is het ten minste niet noodig comédie te spelen!quot;
âToch, toch, mijn waarde Angelika! Men moet nooit uit zijn rol vallen. Van deze minuut af ben ik de teederste, hartstochtelijkste echtgenoot, en gij zult eveneens doen. Hoor nu het nieuwe reglement van ons huwelijksleven: wij drinken 's morgens te zamen onze chocolade. Weiger niet, het moet zóó zijn; want de dienstboden moeten zien hoe gelukkig wij zijn, en hoe wij ons geheel verzoend hebben. Dus: wij drinken s morgens te zamen onze chocolade, vervolgens ga ik aan mijne bezigheden, en gij maakt uwe morgenbe-zoeken. Maar vóór alles, mijn waardste, vergeten wij dit niet: ge gaat eiken Zondag met mij naar de kerk.quot;
âMet u?quot; riep zij luid lachend: âGij wilt ter kerk gaan ?quot;
âNatuurlijk,quot; zeide hij met ernstig gelaat: âde Koning en de Koningin bezoeken regelmatig de openbare godsdienstoefeningen, en het betaamt zijne staatsdienaren, evenals hèm, het volk met een goed voorbeeld voor te gaan. Des middags dineeren wij te zamen en noodigen daarbij eenige vrienden, die verrukt zullen zijn over de harmonie van ons huwelijksleven. Des avonds gaan wij te zamen in gezelschappen, komen te zamen binnen, en gaan te zamen naar huis. Maar ook in gezelschap vergeten wij elkander niet; maar naderen elkander soms, als aangetrokken door den magneet der liefde, en spreken lief en vriendelijk met elkander.
262
Buitendien gaan wij dagelijks te zamen een rijtoertje maken, en zoo het eenigszins kan, in een open rijtuig; opdat de geheele wereld onze eensgezindheid kunne zien. Ge zult mij in het geheel steeds als een teeder echtgenoot leeren kennen, en ik verwacht van u hetzelfde.quot;
âEn ge zult mij nooit weêr mishandelen, gelijk ge zooeven gedaan hebt?quot; vroeg de gravin hem haar arm toonende.
âNooit weêr, mijn aangebeden Angelika!quot; zeide hij: âEn opdat ge mij deze verfoeielijke drift, die de laatste nagalm van mijn verleden was, moogt vergeven, zal ik de vrijheid nemen, u een paar armbanden met kostbare brillanten te schenken, die deze leelijke plek bedekken zullen. â Ge zult mij toch het plezier doen ze aan te nemen?quot;
âGewis,quot; zeide zij glimlachend; âvooral, zoo ge de uitnemende kieschheid mocht hebben, in een dezer armbanden uw portret te laten zetten. Want, nietwaar, dat is thans de mode aan het Hof? â De Koningin verschijnt altijd versierd met het portret van haar gemaal.
âDat is een uitmuntend fraai idee,quot; riep hij: âja, mijn dierbaarste Angelika; ik zal mijn portret in een der armbanden laten zetten, en in het andere het portret uwer moeder.quot;
âNeen!quot; riep zij heftig: âdat niet! Ik heb mijne moeder te zeer bemind, dan dat ik haar portret met het uwe zou kunnen dragen! â Dat niet!quot;
De graaf glimlachte. âDan zullen wij een ander fraai portret bedenken,quot; zeide hij: âöf wij kiezen een of ander zinnebeeld er bij. Ik zal heden terstond een kunstschilder laten komen, om het portret voor dien armband te laten schilderen. Ik hoop dat hij het spoedig maakt, opdat ge reeds op het eerste groote feest, dat aan het Hof zal plaats hebben, zoodra de rouw over den overleden Koning ten einde is, er mede verschijnen kunt. â En nu, mijn waarde, geliefde Angelika, verlaat ik u voor het oogenblik. Maar ik heb onze kales besteld; want de zon schijnt helder, en wij kunnen in weerwil van den winterdag, toch heden in een open rijtuig uitgaan. Ik denk, geheel Berlijn zal verrukt zijn als men ons ziet. Want men heeft de vrijheid genomen, de jaren van ons ongeluk tot het praatje der stad te maken. Men zal nu over de jaren van ons geluk óók algemeen spreken. Dus, mijn dierbaarste; tegen één uur zal ik de eer hebben, met u een wandelrid te maken.quot;
263
Hij kuste haar teeder de hand, wierp haar nog aan de deur een kushand toe, en begaf zich weder naar zijn arbeidska-binet, om den ontzaglijken hoop actes, die op de tafel 'agen, na te zien en zijn naam onder de documenten te zetten, welke zijn vertrouwde secretaris Lombard voor hem ia orde had gelegd. Boven op de actes, lag een briefje, en toen hij dat ontwaarde, verduisterde zijn gelaat.
âWat is dat? Hoe komt dat hier? Hoe kan deze verachtelijke vrouw zich verstouten, aan mij te schrijven?quot;
Hij opende den brief, om hem te lezen. En toen hij hem haastig gelezen had, deed het hem genoegen de aangename lectuur nog eens te herhalen, niet alleen den brief te lezen, maar hem ook te hoorm lezen. Met glimlachenden mond en luide stem las hij hem zich zeiven voor:
,;Mijn trouwste en beste vriend! Ik weet hoe gelukkig ge zult zijn, iets van mij te vernemen, en hoe zeer ge naar mij verlangt hebt. Ge hebt immers altoos gewild, dat ik u mijn goeden en waarachtigen vriend noemde. En zoo doe ik dan ook heden. Ach, mijn goede en waarachtige vriend! Hoeveel zult ge lijden bij uw trouwe verkleefdheid aan mij; dat ge de vriendin, aan wie ge zooveel te danken hebt, en die u steeds zoo dienstvaardig en behulpzaam is geweest, thans in zulke treurige omstandigheden weet. Ik kan mij voorstellen, hoe uw edele ziel er diep bedroefd over is, en hoeveel ge heimelijk lijden moet, in weerwil van den zoeten glimlach, dien ik steeds zoo bij u bemind heb, en die op uwe lippen nog altoos blijven mag. Hoe weinig dacht ik, dat, toen ik u drie dagen voor den dood des Konings, de orde van den Zwarten Adelaar schonk, ik nu zoo spoedig het zwarte floers van rouw en ongeluk moest dragen; en hoe vreeselijk moet het voor u zijn, als ge u versiert met de orde, welke ge aan mijne goedheid te danken hebt, u te herinneren: dat ik nu in ongeluk en rouw alleen ben. Maar misschien weet ge dit niet, en derhalve richt ik deze regels aan u, mijn goede en waarachtige vriend! Er moet u toch aan gelegen zijn, dat de bespottelijke geschiedenis dezer beschuldigingen ten laatste tot een einde komt. Ge weet het best, dat ik onschuldig ben; of, dat zoo ik het niet ben, gij mijn medeplichtige zijt. Ik ben deze eenzaamheid en gevangeschap moede; en zoo men mij dwingen wil rekenschap te geven, zal ik ook over
264
u rekenschap geven, mijn goede en waarachtige vriend, en zal dengenen, die mij ondervragen, omtrent u eenige inlichtingen geven, die den nieuwen Koning misschien gewichtig kunnen zijn. â Dit wilde ik u slechts zeggen, en misschien geeft het u aanleiding, dat ge er toe bijdraagt mij rust te verschaffen, en mij de vrijheid weder te geven. Ik ben wars van het leven, en men heeft mij zóó moe gekweld, dat k zeg: ik wil tevreden zijn, zoo men mij ergens een fatsoenlijke wijkplaats aanbiedt. Mijn rol is ten einde gespeeld! Moge de uwe nog zeer lang duren, en gij nog lang den ridderslag eer aandoen, dien ik u gegeven heb! Maar gelcof mij; hiertoe is volstrekt noodig, dat ge mij niet langer tergt, maar tot mijne bevrijding medewerkt.
Wilhelmine, gravin von Lichtenau.quot;
Hij vouwde den brief langzaam ineen, en glimlachte stil voor zich.
âDe tijgeres knarst in haar keten,quot; zeide hij; âen 't kan mogelijk zijn, dat zij in haar toorn zóó luid brult, da: de Koning het hoort. â Ik wilde dat men haar uit den weg kon ruimen, en voor altoos stil maken. Maar dat gaat nu niet; en zoo zal ten laatste de goede en waarachtige vriend, deze gehate vrouw toch nog behulpzaam moeten zijn, en tot hare vrijheid de hand leenen!quot;
II.
Vkede of Oorlog.
âWat voert u tot mij, waarde neef?quot; vroeg de Koning, â prins Louis Ferdinand, die hem om een audiëntie had laten verzoeken, vriendelijk tegemoet gaande: âGe zijt een zeldzame gast bij ons, en Louise zeide gisteren nog, dat ge u, â behalve op de groote Hoffeesten, â nooit zien liet!quot;
â't Is waar,quot; zei de prins; âik heb mij verwijderd gehouden ; want ik weet niet of Koning Friedrich Wilhelm de Derde, â mijn dierbaren neef, â den Kroonprins Friedrich Wilhelm, ten mijnen aanzien nog gelijkt. Ik wil 't eerlijk bekennen; ik geloof het eigenlijk niet!quot;
205
âWaarom gelooft ge het niet, Louis?quot; vroeg de Koning, den blik van zijn neef ontwijkende.
âIk zal 't Uwe Majesteit eenvoudig zeggen,quot; antwoordde de prins: âik geloof het daarom niet, wijl Uwe Majesteit een veel te deugdzaam, edel en rein mensch is; en wijl ik helaas, â zooals de menschen beweren, â van dit alles het tegendeel ben!quot;
De Koning lachte. â âNu, dat is ten minste iets nieuws,quot; zeide hij: âdat men zich zeiven zoo openhartig beschuldigt !quot;
âIk doe dit niet!quot; riep de prins; ik beschuldig mij niet; ik zeg slechts wat de menschen van mij zeggen, en Uwe Majesteit âquot;
âIk bid u,quot; riep de Koning: âlaat die vormelijkheid. Wij zijn hier onder ons; de Hofetikette heeft niets met ons te maken, en ik weet niet, in hoe verre ik jegens u veranderd zou zijn. Ik wensch met geheel mijn hart, dat ge mij nooit dwingt als Koning voor u te treden; dat ge 't mij steeds mogelijk wilt maken, in u mijn lieven neef en vriend te zien, zooals ge altoos gedaan hebt, en vergeet, als wij alleen zijn, dat ik de Koning ben. Ge weet wel; ik houd niet bizonder van vormen, 't Is genoeg als ik in de troonzaal en bij audiëntiën voor Koning moet spelen; hier zijn wij alleen, en daarmede basta!quot;
Prins Louis Ferdinand blikte met zichtbare vreugde in het jeudig gelaat van den Koning, wiens wangen zich bij dit levendig gesprek gekleurd hadden. â âO, Friedrich, zeide hij: âik wenschte dat ik u gelijken kon. Welk een benijdenswaardig mensch zijt gij! Al het ongeluk van uw jeugd heeft u niets geschaad; al de slechte voorbeelden die u omgaven, hebben u niet bedorven; ge zijt rein en onschuldig gebleven! Ik kan, helaas, niet hetzelfde van mij zeggen! Wij hebben beiden onder de vorige regeering een slimmen leertijd doorgebracht: gij zijt er door in het goede versterkt, en ik, ik ben misschien niet zoo slecht, als de menschen beweren, â maar waarlijk ook niet goed. En toch is het mijn schuld niet. Ik heb 't ongeluk gehad, â zooals Mirabeau zegt, â onder een troonhemel geboren te zijn, of, zooals bij mij het geval was, â nevens den troon, 't Ware beter voor mij geweest in een nederige hut geboren te zijn; dan konden mijn eerzucht en mijne talenten mij gebaat hebben om vooruit te komen; ik had iets kunnen
26G
bereiken, terwijl ik nu een nutteloos werktuig ben, dat ter zijde ligt en niet gebruikt kan worden!quot;
De bruine oogen des Konings vlogen een oogenblik met een vorschende uitdrukking over 't gelaat van den prins.
âKomt ge om u te beklagen, Louis?quot; vroeg hij haastig.
âNeen!quot; riep de prins: âik kom niet daarom, en wat zou 't mij ook helpen? â Ja, gij zelfs, mijn lieve neef, zoudt aan mijn toestand niets kunnen veranderen, zoo ge dit ook wildet. En ik verdien ook niet, dat er iets aan veranderd wordt!quot;
Het gelaat des Koning had zich meer en meer verduisterd. â âIk weet wel, dat ge niet tevreden zijt met alles,quot; zeide hij haastig en op misnoegden toon: âGe hebt, na den vrede van Bazel, een zeer heftige en oproerige taal gevoerd. Ik weet het; men heeft het mij toen verteld, en nu herhaald.quot;
âDat heet,quot; zei de prins lachend: âmen heeft mij bij u verdacht willen maken, Friedrich; maar ge weet, dat ik u steeds trouw verknocht ben; trouwer misschien dan allen, die mij verdacht willen maken. Ik heb u lief, neef Friedrich, ik heb u lief met geheel mijn hart; dit is zoo geweest van kindsbeen af, en juist wijl wij zoo verschillen, is deze neiging te sterker en reiner. Ik wil er u thans een bewijs van geven, door u de waarheid te zeggen en u iets te verzoeken, wat de anderen niet wagen te doen.quot;
âNu, wat is het?quot; vroeg de Koning; âde waarheid zal nooit de deur bij mij gesloten vinden.quot;
âDat wil zeggen,quot; lachte de prins: âzij zal zich toch een kleinen mantel moeten omhangen, en niet geheel naakt mogen verschijnen. Maar ik, mijn waarde neef en Koning, breng u ditmaal werkelijk de keine mevrouw waarheid geheel naakt! Vergeef haar èn mij !quot;
âNu, wat is het dan? Wat beteekenen deze prelemi-nairen?quot; vroeg de Koning: âIs het dan zóó erg?quot;
De prins haalde de schouders op. â âIk heb mij het eerst tot den minister Haugwitz gewend, en hem zijne bemiddeling verzocht, maar deze edele ziel heeft mij die geweigerd. Ik heb mij toen tot tien of twaalf andere personen gewend, die vroeger vleiend en kruipend de persoon omgaven, welke mijn verzoek betreft; maar zij hebben allen de vorige tijden vergeten, en spreken nu nog slechts met hoon en verachting
267
van haar, welke zij vroeger zoo zeer het Hof maakten.quot;
âHa!quot; riep de Koning met verduisterd gelaat: âik vermoed van wie ge spreken wilt. Van die gemeene vrouw, die âquot; âDie de vriendin en raadgeefster uws vaders was!quot; riep de prins: âdie, â ik wil 't niet loochenen, â aan veel kwaads schuld heeft, maar ook veel goeds heeft gedaan; die tot de laatste dagen uwen vader verpleegd heeft.quot;
âEn die millioenen tot zich getrokken heeft; die de Staatsgeheimen verraden, â zich met het Buitenland in betrekking heeft gesteld, die de schatkist bestolen heeft, en de fraaiste diamanten ontvreemd; die in betrekking stond met Oostenrijksche spionnen!quot;
âDit zijn aanklachten en beschuldigingen, die nog alleszins bewijs behoeven!quot; riep de prins: âZij had niet noodig de schatkist aan te tasten, want de Koning gaf haar al wat zij wenschte. Dat zij de Staatsgeheimen verkocht, geloot ik niet; dat zij brillanten heeft gestolen, behoort óók tot de fabels, welke hare vijanden van heden, â hare vrienden van gisteren, â aanvoeren; dat zij den Staat, dat heet: den Koning verraden en verkocht heeft, geloof ik nooit of nimmer! Want met: al hare gebreken, was zij toch voor den Koning een trouwe, verkleefde vriendin.quot;
âWaarachtig!quot; riep de Koning levendig: â't verwondert mij zeer, dat ge u in de bres stelt voor een vrouw, wier schandelijk leven voor ons Huis, voor onze familie, zoolang een verwijt, een schande is geweest. Ge zijt inderdaad de éénige, die het waagt, de verdediging der zoogenaamde gravin Lichten au op zich te nemen.quot;
âDat geloof ik gaarne,quot; riep de prins levendig: âde menschen zijn allen lafhartig en trouweloos! In de dagen des geluks hebben zij voor haar gekropen, â in de dagen van tegenspoed verlaten zij haar! Ik ben misschien een van de weinigen, die in de dagen van geluk, niet om de gunst der gravin Lichtenau geboeid hebben; want had ik dit wèl gedaan, dan zouden vele dingen misschien anders zijn! Mij heeft zij niet onder hare schatting gebracht en ik herinner u, dat iamp;niet tegenwoordig was op 't feest, 'twelk de gravin aan het ge-heele Hof en de koninklijke familie gaf!''
De Koning ontroerde; de herinnering aan dat feest was een wonde, die nog bloedde, en het verstoorde hem dat de prins het waagde, de hand er op te leggen. â âGe wilt hier-
268
mede zeggen, dat ik met mijne gemalin dat feest bijwonen moest!quot; riep hij heftig: â't Is hard van u, Louis, en ik bedenk nu, dat men van u gewoon is, niet verschoond te worden. Ik was op dat feest tegenwoordig, wijl de Koning, mijn ongelukkige vader, het mij beval; en ik moet u zeggen, Louis, dat het mij destijds vertoornde, dat gij alleen het waagdet, u uit te sluiten van de vernedering, waaraan de geheele familie zich onderwerpen moest. Het zou u beter gestaan hebben, zoo ge u mèt ons onderworpen hadt, instede van oppositie te voeren tegen den Koning.quot;
â âDat zou inderdaad beter zijn geweest,quot; zei de prins een weinig geraakt: âde gravin Lichtenau, â die toen nog op het toppunt harer macht stond, â bood mij allerlei ëer en voordeelen aan, zoo ik op het feest verschijnen wilde. Zij verwaardigde zich zelfs tot mij te komen, om 't mij te verzoeken; zij bood mij de hoogste waardigheden aan en, wat zwaarder in de weegschaal valt, de betaling van al mijne schulden. Maar ge begrijpt, Friedrich, dat zij 't mij juist daardoor onmogelijk maakte, op het feest te verschijnen; en 't was geen oppositie tegen u en de koninklijke familie, â maar ik dacht: er moet toch ééne vrije onafhankelijke ziel zijn, die zich tegen dit feest verzet, en aan de wereld getuigenis geeft, hoe de geheele koninklijke familie er over denkt. Maar heden, â nu allen deze vrouw verlaten, van wie zij vroeger eer en waardigheden hebben aangenomen, waarmede zij zich thans nog tooien, â heden, nu de graaf en minister von Haugwitz, die toch de orde van den Zwarten Adelaar draagt, welke de gravin hem heeft bezorgd, weigert voor zijn weldoenster te spreken, â nu niemand het waagt haar naam voor u te noemen, houd ik het voor mijn plicht, Friedrich, u aan haar te herinneren. Ik heb. God weet door welke middelen en wegen, â want ik ken den bode niet, die mij dezen brief heeft gebracht, â ik heb heden dezen brief van de gravin von Lichtenau ontvangen.quot;
Hij reikte den Koning een geopenden brief. De Koning echter wees hem heftig af. âIk wil niet lezen wat deze vrouw geschreven heeft,quot; zeide hij: âzoo ik echter den inhoud van den brief volstrekt moet kennen, lees hem mij dan voor.
Prins Louis boog, en las:
V
âIn de dagen des geluks hebt ge mij versmaad, prins, en
269
alles wat ik u aan aardsche voordeelen bieden kon, wildet ge niet aannemen. Ik denk hieraan thans in de dagen des ongeluks, en geloof dat gij de éénige zijt, die mij nu niet zal verlaten, maar den moed heeft zich te herinneren, dat de gravin von Lichtenau, de vriendin van uw overleden oom, nog in de wereld is. Ge hebt een moedig hart en een dapperen geest; ik doe een beroep op dit hart en op dien geest, en verzoek u, voor mij te willen spreken bij den Koning. Ik begrijp, dat de Koning mij haat; ik heb hem veel ergernis veroorzaakt door mijn bestaan, maar hij zal niet kunnen zeggen, dat ik hem ooit opzettelijk benadeeld heb. Veeleer ben ik mij bewust, dat ik dikwerf 's Konings geest ten zijnen gunste heb gewend, en dat ik verzoende zooveel ik kon. De Koning weet zekerlijk niet, hoe erg men mij sedert vier weken plaagt en martelt. Men houdt mij gevangen als een moordenares, of van de vreeselijkste misdrijven overtuigde misdadigster! Sinds vier weken leef ik eenzaam, zonder een menschelijk gelaat te zien, in de twee kamers, waaruit mijn gevangenis bestaat. Ik heb nog niet de zon gezien, nog niet de frissche lucht genoten, men laat noch mijn familie, noch mijne vrienden bij mij toe. Ik bid u, prins Louis Ferdinand, trek u mijner aan; maak, dat men mij ten minste weder ademen laat in de frissche lucht, en dat men mij mijne moeder laat zien. Men wordt bescheiden in zijne eischen als men moet nederdalen; maar men zou toch niet plotseling geheel in den afgrond willen nederzinken, en daarin lig ik toch, en steek smeekend mijne handen uit, â help mij!quot;
âIs dat alles?quot; vroeg de Koning, toen de prins gelezen had.
âJa, Majesteit, dat is alles,quot; antwoordde Louis ernstig: .,de gravin Lichtenau is ongelukkig, en dus schijnt het mij, dat ik mij harer moet aantrekken, als zij tot mij roept. Ik bid u, Friedrich, geef gehoor aan de grootmoedigheid van uw hart; stel deze vrouw in vrijheid en maak, dat het ongelukkig verledene begraven worde in de koninklijke groeve, waarin uw vader rust.quot;
âDat heet,quot; zei de Koning heftig: âge veroorlooft u, mij een raad te geven!quot;
De prins verschrikte, en zijn gelaat nam een ernstige uitdrukking aan.
âJa, Majesteit, dat veroorloof ik mij. Een raad, die uit de
270
diepste bron mijner lietde tot u voortvloeit. Laat het gevoel van wraak in u niet machtiger zijn, dan uwe grootmoedigheid! Dit is mijn raad en tegelijk mijn bede. De gravin is van geen misdaad overtuigd; en 't schijnt mij, dat het edeler en grootmoediger ware, met den mantel der liefde datgene te bedekken, wat aan de zwakheid uws vaders herinnert.quot;
âPrins Louis!quot; riep de Koning, en zijn anders zoo zachte oogen vlamden toornig: âprins Louis, ik geloof dat ge de grenzen van het geoorloofde overschrijdt!quot;
De prins boog diep, en bad om vergeving. â âMajesteit, ik had niet gemerkt, dat mijn neef Friedrich heengegaan, â en de Koning in zijn plaats getreden was. Ik bid Uwe Majesteit onderdanigst om vergeving!quot;
De Koning zweeg en ging eenige keeren, de handen op den rug gelegd, op en neder, vervolgens bleef hij staan, en reikte hem de hand. â â't Is waar, ge hebt gelijk. Zie eens, hoe zwak wij menschen zijn, en hoe gevaarlijk het is, den koninklijken mantel te dragen; want onze huid wordt ei-prikkelbaar onder. Ik dank u, dat ge mij de waarheid hebt gezegd, en ik zal, zooveel ik kan, uwe bede vervullen. Het kan onrechtvaardig schijnen, dat deze vrouw zoolang in hechtenis is, zonder rechters voor haar te vinden. Ik wil dit doen ophouden; ik zal haar voor een rechtbank van onderzoek roepen, en zoo zij zich zuiveren kan van de tegen haar ingebrachte beschuldigingen, dan wil ik trachten zacht met haar te handelen, hoe weinig mijn hart er ook toe geneigd is. Ge zult toch niet verlangen, 'dat ik haar vergun, Inerte Berlijn of te Potsdam te wonen? Maar ik herhaal het: als zij niet schuldig is, zal men haar ergens een behoorlijk verblijf aanwijzen, en ik zal haar een goed pensioen geven. Zijt gij daarmede te vreden?quot;
De prins nam de hem gereikte hand des Konings en drukte haar levendig in de zijne. â âIk dank u, Friedrich. Gij zijt een edel, grootmoedig mensch, en ik zeg met de diepste overtuiging : Heil uw volk, dat zulk een opvolger van Friedrich Wilhelm gevonden heeft! ') Ge zult de voorspelling, welke
1) De gravin Lichtenau was beschuldigd van de volgende zeven punten; ten eerste, de Staatsgeheimen verraden te hebben; ten tweede, de Geestenbezweerders en Illuminaten begunstigd te hebben; ten derde, de hand aan de koninklijke kas te hebben geslagen; ten vierde, zich in Pyrmont, goederen, die tot het Staats-doniein behoorden, toegeëigend te hebben; ten
271
mijn groote oom van u gedaan heeft, vervullen; ge zult de regeering van Frederik den Groote hernieuwen!quot;
De Koning schudde levendig het hoofd: âNeen, gij vergist u, Louis; ik gevoel hiertoe in mij noch de kracht, noch de roeping, noch de neiging! Men moet Frederik zelf zijn, om te doen wat hij gedaan heeft! Hij heeft Pruisen groot gemaakt. Mijne taak zal het zijn, Pruisen te behouden op de plaats, welke Frederik het gegeven heeft.quot;
âDat heet,quot; riep prins Louis levendig: âge wilt het zwaard in de hand nemen en terugvorderen, wat Pruisen ontnomen is, en wat het bezeten heeft ten tijde van Frederik den Groote; ge wilt het weder herstellen, zoo als de groote Koning het geschapen heeft? Welaan, mijn vriend; zóó zult gij de schande uitwisschen, welke de ellendige raadgevers op den Koning hebben geladen! Ge zult onze bezittingen op den linker Rijnoever weder veroveren!quot;
âIk zal 't mijn zorg laten zijn den vrede te behouden,quot; zei de koning ernstig: âde vrede is voor mijn land en volk de eerste en noodzakelijkste voorwaarde van geluk; en ik wil, zoo veel in mij is, er toe bijdragen, dat de vrede niet verbroken worde.quot;
âNeen, Friedrich,quot; riep de prins heftig: âik bezweer u, zeg dat niet! Men mag de palmen des vredes niet eerder om zijn hoofd winden, voor dat men het met lauweren heeft getooid; en gij, mijn dierbare vriend en Koning, hebt van den hemel een groote, verhevene taak ontvangen. Vergeef mij dat ik u dit zeg; maar mijn geheele hart stroomt
vijfde, dat zij den fraaisten kroondiamant, Solitair genaamd, ontvreemd,â en den stervenden Koning twee ringen van de vingers getrokken had; ten zesde, dat zij drie dagen vóór den dood des Konings, zijn portefeuille weggevoerd had ; ten zevende, dat zij de familie van den stervenden Koning van hem verwijderd had gehouden. â Een buitengewone commissie werd benoemd, voor welke de gravin zich wegens deze punten te rechtvaardigen had. Wat den kroondiamant betreft, zij wees aan, in welke kamer dei-koninklijke woning deze in een kast gesloten was; evenzoo bewees zij, dat de twee ringen, de eene een haarring van de gravin von der Mark, de andere een eenvoudigen gouden ring, dien zij voor vele jaren den Koning geschonken had, geweest waren. Ook tegen de andere beschuldigingen wist zij zich met goed gevolg te verdedigen. Men liet de aanklacht vallen, en na een gevangenschap van zes weken, werd de gravin von Lichtenau naaide vesting Glogau verbannen, eu haar een jaargeld van vierduizend thaler toegelegd.
272
uit in de woorden, welke ik thans tot u spreken wil! Ik bezweer u, Friedrich Wilhelm, bij de gedachtenis aan uwe voorvaders, aan Fredrik den Groote, â bij de gedachtenis aan uwe kinderen, voor wie ge de kroon behouden wilt: leg de palmen ter zijde en neem het zwaard ter hand!quot;
âEn met welk doel? Wie is de aanvaller, dien ik te keer zou gaan?quot;
âGe vraagt wie de aanvaller is?quot; riep de prins heftig: âIk zal 't u zeggen; 't is generaal Bonaparte, de generaal der Fransche republiek, die, met lauweren bekroond, uit Italië is getrokken, dat hij uiteen gescheurd en verootmoedigd heeft; 't is generaal Bonaparte, die Oostenrijk overwonnen en in 't stof getreden heeft; 't is generaal Bonaparte, die te Campo Formio den vrede, dat heet: Oostenrijks vernedering, bewerkt heeft; die te Rastadt het werk van Campo Formio voltooid en Oostenrijk beroofd, zijn kei-zermantels verscheurd heeft! Thans is het uur, dat gij. Koning van Pruisen, niet alleen rijk en machtig dezen generaal kunt tegentreden, maar dat ge ook de wenschen van uw volk en den heiligsten plicht van uw koningschap vervullen, â en Pruisen den voorrang in Duitschland op het vermolmde Oostenrijk verschaffen kunt! Er is voor u een grootsch oogenblik gekomen; gij kunt het testament van uwe voorvaderen, 'twelk reeds de groote Keurvorst met zijn zwaard geschreven en onderteekend heeft, â gij kunt dat thans ten uitvoer brengen! Gij kunt het overmoedige Oostenrijk ter zijde dringen, en Pruisen aan het hoofd van Duitschland stellen! God heeft u de gelegenheid gegeven, Europa een betere gedaante, â aan zijn evenwicht meer gelijkmatigheid te geven! Uw voorganger heeft dit verzuimd; gij zijt er nu, om het verzuimde goed te maken!quot;
âEn op welke wijze?quot;' vroeg de Koning op een scherpen toon, dien de prins echter in zijne opgewondenheid niet opmerkte: âop welke .wijze meent ge, dat ik weder goed zou maken?quot;
âOp deze wijze, mijn waarde vriend en Koning: dat ge de wapens grijpt; dat ge uw geheele leger mobiel maakt; dat ge Hessen, Saksen en Hannover, alsmede de kusten dei-Oost- en Noordzee bezetten laat; dat ge open en vrij deze revolutionairen tegen treedt, en generaal Bonaparte den oorlog verklaart! Want geloof mij, mijn voorgevoel zegt
273
mij, deze generaal is een groot gavaar voor alle Vorsten van Europa! Let op den weg, dien hij heeft ingeslagen; volg dien vreeselijken man, die opgestaan is tegen alle monarchiën der wereld. Waar hij komt, daar vallen de troonen aan zijne voeten neder, en hij verklaart ze als verloren en geschrapt uit de rij der levenden. Waar hij komt, daar trekt hij in, als een roemrijk overwinnaar, en de provinciën liggen verootmoedigd aan zijn voeten. Het is zijn wil de monarchiën te vertreden, en de republiken in te voeren. Geheel Italië is reeds door hem in een republiek veranderd; slechts Napels waagt het nog hem te trotseeren. Maar hoe lang? en 't zal zich aan hem moeten onderwerpen, gelijk 't geheele noorden van Italië! En niet alleen Italië omvatten de revolutionnaire, koene plannen van den eerzuchtigen generaal. De brandfakkel in zijne hand loopt door half Europa, ja zelfs naar andere werelddeelen! Reeds is hij begonnen met Polen in opstand te brengen en onderhoudt, â zoo als openlijk bekend is, â daar betrekkingen; en hij heeft het open en vrij voor de geheéle wereld gezegd, dat het zijn doel is, de vrijheid met haar zegevierende banier naar Griekenland, naar Egypte, en door Europa te voeren! De wereld is vermoeid en verscheurd, en deze Bonaparte verbeeldt zich, dat God hem gezonden heeft, om de wereld te versterken en krachtig te maken met zijn arm, en de geneesheer der wereld te zijn. Maaibij is slechts een kwakzalver; en gij, Friedrich Wilhelm, zult de arts der wereld zijn, door den valschen, bedriege-lijken man te ontmaskeren, en den Vorsten van Europa een beschermer, een schild en een redder te zijn! De vrede van Campo Formio heeft den eerzuchtigen republi-keinschen Corsicaan het masker van het gelaat gerukt. Hij wil Frankrijk aan de spits der geheele wereld stellen: Frankrijk tegen Duitschland! Onze krijgsleus zij echter: ,.Duitschland tegen Frankrijk!quot; Ik bezweer u, Friedrich Wilhelm, laat het zóó zijn! Hef uw zwaard op en treed dit dreigende spook der republiek tegemoet! De tijd is er, waarvan wij zoo lang gedroomd, â waarop wij zoo lang gehoopt hebben. De tijd, dat Pruisen de vernederingen van vele eeuwen op Oostenrijk wreken zal; de tijd, dat Pruisen het zwaard opheft tegen het eerzuchtige Frankrijk, en zegt: âTot hiertoe en niet verder!quot;
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD. VII. 18
274
âZeer fraai gesproken!quot; riep de Koning levendig: âMaar ik zou toch wel de aanleiding willen kennen, die mij het recht geeft, het zwaard in de hand te nemen, en het tegen Frankrijk op te heffen?quot;
âDeze aanleiding is er, en kan nooit gunstiger komen. De vrede van Rastadt geeft den linker Rijnoever met het Frickthal en het graafschap Altenstein aan de Fransche republiek; hij stelt voorts de scheepvaart op den Rijn, de Maas en den Moezel vrij. Hiervoor ontvangt Oostenrijk vergoeding door Salzburg en in B.eieren. Al de noordduitsche Vorsten, die door dezen afstand van den linker Rijnoever verliezen, worden schadeloos gesteld, â en Pruisen? Wat verkrijgt Pruisen ?quot;
âWelnu,quot; zei de Koning, het hoofd achterover werpende: âdaar ge mij als een beschuldigde vraagt, zoo wil ik u als mijn rechter antwoord geven. Pruisen verkrijgt tot vergoeding, zijne bezittingen op den linker Rijnoever terug. Dat is zoowel een vergoeding aan land, als aan eer.quot;
âEn dit noemt Uwe Majesteit een vergoeding?quot; vroeg de prins heftig; âFrankrijk geeft slechts terug, wat het ons ontnomen heeft! Dat is geen vergoeding voor de oorlogskosten, voor het verlies aan menschen, voor de humaniteit, welke Pruisen bewezen heeft door dezen vrede, dien Pruisen heeft gesloten, en waartoe het geheel Duitschland overgehaald heeft. Ik herhaal het: Pruisen is onrecht geschied, en ik bezweer u, mijn Koning, mijn vriend, mijn verwant, â mijn ziel ligt voor u op de knieën, en in naam van Pruisen, in naam der geheele wereld hef ik mijne handen tot u op en smeek; laat den vrede ophouden, neem het zwaard in de hand ; nooit kan het oogenblik er gunstiger voor zijn ? Frankrijk-heeft verklaard, dat Pruisen op geen vergoeding aanspraak heeft te maken. Welnu, dat Pruisen deze vergoeding neme, welke Frankrijk weigert. De Oostenrijkers verlaten, â krachtens den vrede van Campo Formio en Rastadt, â nu de Rijngrenzen; zij trekken zich terug tot over deze rivier, en mogen niet voor de Rijksvestingen gebruikt worden. Den twintigsten December hebben de Oostenrijkers de Rijksvestingen ontruimd; den tienden December hebben de Fran-schen de Rijksvesting Mainz omsingeld, en wachten er slechts op, dat de Oostenrijkers haar verlaten. Tegen den dertigsten December moet deze Duitsche vesting door de Franschen
275
bezet, â en bij de Fransche republiek ingelijfd worden. Wij schrijven heden twintig December. Nog is het tijd, Fried-rich Wilhelm! Zend uwe koeriers naar de Rijnprovinciën; geef bevel dat zij met geweld de Fransche troepen van de Duitsche vesting terug jagen; roep de Duitsche Vorsten op ten oorlog tegen dit hebzuchtige Frankrijk, dat niet alleen de Koningen onttronen, â maar zich ook het Duitsche eigendom toeëigenen wil, en ik zweer u, geheel Duitschland juicht u toe en hunkerend naar zege, volgt Duitschlands jeugd uwe vanen, en roept u uit als den rechtmatigen, eenigen Keizer van Duitschland!quot;
âDank u!quot; zei de Koning barsch: âIk ben tevreden met de kroon, welke ik van mijne voorouders heb overgenomen; ik wil geen roovershandwerk in Europa drijven, en mij niet toeëigenen, wat het mijne niet is! Mainz heeft mij niet behoord, ik heb geen recht het met wapengeweld te veroveren. De Keizer van Oostenrijk is tegelijk Keizer van Duitschland; en het betaamt mij niet, mij in openlijken strijd tegen hem te verzetten, en den eindelijk verkregen vrede der Duitsche Vorsten, opnieuw te verstoren. Ik moet u ook zeggen en bekennen, heer neef, dat het niet in mijn geest ligt een oorlogsman te zijn, en met geweld een held te worden. Ik zie gaarne van lauweren af, om mijn volk den vredespalm te reiken; en de stille zegeningen, die van de lippen van mijn gelukkig volk klinken, zullen mij schadeloos stellen voor de luide fanfares der krijgstrompetten, waarmede zij op het bloedige slagveld mijn naam, als dien eens helds zouden kunnen uitbazuinen.quot;
âDat heet,quot; riep de prins, medegesleept door zijn inwendig, onstuimig vuur: âdat heet: Uwe Majesteit wil den vrede tot eiken prijs! Uwe Majesteit wil geheel Duitschland, â ja geheel Europa bewijzen, dat Pruisen zich ootmoedig onderwerpt aan de onbeschaamdheid der Fransche republiek, en den vrede tot eiken prijs aanneemt!quot;
âWie zegt, dat Pruisen dat wil!quot; riep de Koning, en nu voor het eerst vlamden zijne oogen toornig en trilden zijne lippen: âMet welk recht, prins Louis, kunt ge zulk een beschimping tegen mij uitspreken! Waar staat geschreven, dat Pruisen den vrede tot eiken prijs wil?quot;
âHet staat geschreven op de vaandels, welke wij van Valmy tehuis brachten!quot; riep de prins bevend van toorn: âHet
276
staat geschreven in de documenten, die den vrede van Bazel bekrachtigden, en het zal opgeteekend worden in de boeken der geschiedenis, die den vrede van Campo Formic en den vrede van Rastadt aan de nakomelingschap zullen verkondigen! O mijn vriend, mijn Koning! wees niet vertoornd op mij, dat ik zoo heftig, zoo diep door smart bewogen tot u spreek; maar het is de eer, het geluk, de toekomst van Pruisen, die uit mij spreekt, en tot u roept om hulp en ontferming! Friedrich Wilhelm, in naam van uw land bezweer ik u, laat dezen vrede eindigen; neem het zwaard ter hand, en trek ten oorlog tegen dit vreeselijk dreigend Frankrijk!quot;
âZijt ge nu ten einde?quot; vroeg de Koning barsch: âZijn al deze fraaie tirades en frazen nu gereed en voltooid? Is het geheele kartetsvuur van eer en macht en heldenroem uitgeflikkerd, en mag men nu een verstandig, prozaïsch woord spreken?quot;
De prins verbleekte en staarde strak in het norsche, toornige gelaat van den Koning.
âIk zie,quot; zeide hij vervolgens na een pauze: âik zie, dat ik mij in u vergist heb, Friedrich Wilhelm; en geloof mij, dit is van al de teleurstellingen, welke ik reeds ondervonden heb, de zwaarste en smartelijkste!quot;
âEn meent ge, Louis, dat ik geen teleurstellingen door u ondervonden heb?quot; vroeg de Koning bedaard en ernstig: âMeent ge, dat het mij niet bedroefd heeft te zien, hoe deze jonkman, die het ideaal mijner jeugd was, â tot wien ik opzag met trotsch en vreugde, geheel zonder nijd en ijverzucht, â dat deze zich zoo laag heeft laten vallen, en zóó zijn edelste driften en talenten door 't stof heeft laten slepen? Meent ge, dat 't mij aangenaam is, altijd klachten te hooren over mijn neef Louis, die door woekeraars en schuldeischers vervolgd wordt? Meent ge dat 't mij genoegen doet, altijd van uwe onzedelijke liefdesavonturen, van uwe verlaten geliefden, van de boeleersters te hooren, in wier netten gij gevallen zijt? â Ach, Louis, ik moet u zeggen, dat niets ter wereld, â zelfs niet de vernederingen en krenkingen, welke ik onder de regeering van den vo-rigen Koning geleden heb, mij meer leed hebben gedaan, dan 'tgeen men mij van alle zijden omtrent u verhaalt. Want ik moet bekennen: hét doet leed, een ideaal te zien
277
veranderen in een zeer gewoon, ja, â meer dan dat; in een liederlijk mensch!quot;
âMajesteit!quot; riep de prins toornig: âwat zegt ge daar?quot;
âIk zeg wat de waarheid is,quot; antwoordde de Koning ernstig en met nadruk: âja een liederijk mensch! Dat is het woord, 'twelk uw vader met toorn, â 'twelk uw moeder en zusters met tranen herhalen, en 'twelk ik u nu zeg met den wensch: dat ge onze liefde en achting weder verwerven moogt door uw toekomstig leven, door uwe verbetering! Maar iets moet ik u nog zeggen: herhaal 'tgeen ge mij gezegd hebt voor geen ander menscb, want ik ben niet zoo zwak in dit punt jegens u, als mijn hoogzalige vader dit was. Zoo men mij het bericht had gebracht, dat ge gesproken en geredeneerd hadt, zooals ge destijds na den vrede van Bazel deedt, -- zoo ik moest vernemen, dat ge ooit uw plicht zóó verre vergeten kondt, van de armée tot trouwbreuk en ongehoorzaamheid jegens haren Koning aan te zetten, dan zou ik niet handelen, zooals dèstijds de Koning gedaan heeft. Ik zweer het u, en wees dezen eed indachtig ; ik zou, â ongeacht dat prins Louis Ferdinand de zoon van mijn oom â is, den generaal van het Pruisische leger behandeld hebben, gelijk hij het verdiende, dat heet: als een oproermaker, als een verrader zijns vaderlands, en ik zou den krijgsraad bijeengeroepen hebben om hem te vonnissen naar wet en recht! Ik verzoek u, denk hieraan; en zoo uw hart nu vol toorn tegen mij is, laat dan uw toorn alleen in uw kamer uitwoeden, opdat niemand er iets van wete en ver-neme. Want ik zal u zeggen: er zijn spionnen en verklikkers, die u konden verraden; en zoo zij mij bericht gaven, zou ik weten te handelen!quot;
âDat heet,quot; riep prins Louis Ferdinand: âUwe Majesteit zou haar neef en verwant op het schavot laten voeren, opdat zij rust van hem hebben, â en hij haar niet in haar vreedzame stilte storen zou, bij de lectuur der romans van Lafontaine!quot;
De Koning verbleekte en opende reeds de lippen tot een heftig antwoord; maar hij bedwong zich, wendde den prins den rug toe, ging langzaam door de kamer, trad door de naaste deur in de andere kamer, en sloot de deur achter zich. De prins stond hem nog lang peinzend en ernstig na
278
te oogen. Vervolgens barstte hij in een luiden, spottenden lach uit.
âDit is nu een tweede editie van 't onderhoud van den markies Posa met Koning Filips,quot; zeide hij: â't Is uit met al mijn droomen! â Van heden af zal deze vredelievende Koning gelijk hebben, en prins Louis Ferdinand zal het éénige doen, wat hem te doen overblijft: hij zal een liederlijk mensch worden! Men heeft mij alles geweigerd! Nu, dan wil ik hst leven genieten, het genot najagen, waar ik het vind, en wil het leven doodslaan, nu ik de vijanden niet kan doodslaan!quot;
En met heftige schreden verliet hij het kabinet des Konings, en ijlde den trap af naar buiten op de straat. Zijn rijtuig stond voor de deur en wachtte hem. Maar het bloed joeg zóó wild door zijne aderen, en er was zulk een gevoel van onrust en opgewondenheid in hem, dat hij 't niet uitgehouden zou hebben in de engte van het rijtuig; hij moest vrij zijn en zich vrij kunnen bewegen. Hij wenkte den koetsier met het rijtuig weg te rijden en ging de straat op, hij wist zelf niet waarheen. Hij lette niet op zijn weg, dacht niet aan de voorbijgangers, langs welke hij haastig en zonder op te zien voortging; bemerkte slechts, dat hij allengs in een gedrang was gekomen, en niet zoo vrij als vroeger vooruit kon. Nu zag hij op, en bevond zich ineen gewoel van menschen. Zijn weg had hem, zonder dat hij 't wist, naar den Dom gebracht, en dicht voor de deur, stond hij nu in een golvende menschenmassa.
âWat is hier te doen? Wat is er?quot; vroeg hij de naaste omstanders.
Zij herkenden hem niet en zagen hem niet aan; zij hielden slechts hunne blikken gewend naar de équipages die kwamen aanratelen naar de wijd open deuren van den Dom.
â't Is een trouwpartij!quot; zeiden de omstanders: âeen schitterende trouwpartij! Het mooiste meisje van Berlijn trouwt heden.quot;
De prins scheen als uit een droom te ontwaken. â âHet mooiste meisje van Berlijn? O, ik ben nieuwsgierig haar te zien!quot; En hij maakte zich met de breede schouders en forsche armen ruim baan door het gedrang, tot dicht bij de deuren van den Dom. Daar stonden in feestdosch de kerkdienaars nevens de beide deuren van den Dom, en ontvin-
279
gen met ijverigen eerbied de rijk getooide dames, die uit de aankomende équipages stapten. Nu liep een gemurmel dooide geheele verzameling.
âDaar komt zij! Daar komt de schoone bruid!quot; hoorde men van alle zijden, en een schitterende équipage reed nu voor. Buiten adem drong de menigte nader. De kerkdienaars sloegen 't portier open.
â't Is de bruidegom, de bruidegom!quot; fluisterde men van alle zijden.
En een jong man, in de elegantste kleeding der groote wereld, in een rijk geborduurden hemelsblauw-fluweelen rok, met wit satijnen broek, wit zijden kousen, en schoenen met diamanten gespen, stapte de wit satijnen trede der équipage af.
Prins Louis Ferdinand zag slechts het aangezicht, en met een zonderlingen toover boeide het hem. Dit aangezicht was dat van een jong, krachtig man; maar 't was van een zonderling schrikbarende uitdrukking, en van schier boosaardige leelijkheid. Bleek en pokdalig de wangen; kleurloos de lippen; lang en dun de adelaarsneus; de borstelige wenkbrauwen ineen gegroeid boven het neusbeen, en daaronder een paar groote grijze oogen, wonderbaar glinsterend, en om den mond zulk een spottende, honende uitdrukking, dat 's prinsen hart er van beefde en hij zich vroeg: âwie kan de bruid zijn, die er toe besluit, met dezen Mephistopheles te trouwen?quot;
Juist zweefde deze bruid de breede voettrede af. Een âHa!quot; van bewondering klonk van aller lippen, en men hoorde van alle zijden: âHoe schoon is zij, hoe wonderbaar schoon!quot;
Ook zij had dit gehoord en wendde glimlachend, sterk blozend het gelaat naar beide zijden, en groette de menigte.
Ja, zij teas wonderbaar schoon. Een volle, bekoorlijke meisjesgestalte, gehuld in het lange, golvende wit satijnen kleed, dat eng de fraaie gestalte omgaf en haar edele, weelderige vormen deed uitkomen; de schouders en armen naar toenmalige mode ver bloot, en daarover de lange kanten sluier, als èen zilveren wolk nedergolvende van het hoofd tot op de kleine voeten en de witte schoenen met hooge hakken; op het met donkerbruine lokken omgeven hoofd de met bloemen doorweven mirtenkroon; de purpere, kleine
280
mond door een glimlach omgeven; de groote zwarte oogen vlammen schietende, waaruit de gloed van het Zuiden straalde; de wangen purperrood, van natuurlijke schoonheid, en met zulk een uitdrukking van liefelijkheid, onschuld en fierheid tevens in 't geheele gelaat, dat elk er door verrukt en ingenomen werd.
Prins Louis Ferdinand drong dichter naar de deur, en toen zij nu voorbij zweefde, de schoone bruid aan den arm van den leelijken bruidegom, trof hèm de gloeiende blik harer oogen, en een purperrood overstroomde haar aangezicht, een schrik voer door haar geheele gestalte.
âIk ken haar, ik heb haar reeds ergens gezien,quot; zeide de prins voor zich, en trad daarop achter den bruidegom de kerk binnen, en volgde hen naar het altaar.
En wederom liep een gefluister door de menigte, die in de kerk verzameld was. Dit gefluister gold niet alleen de schoone bruid, het gold ook prins Louis Ferdinand. Men had hem herkend, en 't ging nu van mond tot mond; âPrins Louis Ferdinand is de getuige der bruid; daar staat hij nevens het altaar, hij heeft de bruid binnen gevoerd! Prins Louis Ferdinand is de getuige der bruid!quot;
Hij hoorde niets van al dit fluisteren. Hij wist niet, dat hij met haar was binnen gekomen; hij stond slechts ter zijde, waar de anderen stonden, en wist niet dat dit de ge-noodigde gasten van het bruidspaar waren, en hij op die wijze tot hen gerekend werd; hij stond daar en zag onafgewend in het bekoorlijke, rooskleurige engelengelaat, en vroeg zich altoos weder: âWaar heb ik haar gezien? Wie is zij?quot;
âEn ik vraag u,quot; klonk nu de ernstige, plechtige stem van den predikant: âik vraag u, mijnheer Adam Kurt Wiesel: is 't uw besluit de hier tegenwoordige jonkvrouw Pauline, dochter van den geheimraad von Casar, tot uwe echtgenoote te nemen?quot;
De prins ontroerde. â Ja, nu was het hem duidelijk; het was de schoone Pauline Casar, het bekoorlijke kind, dat hij voor jaren eens bij Wilhelmine Rietz en hare dochter, de gravin von der Mark, had gezien, 't Was het lieve kind met de bruine lokken en de zwarte gloeiende oogen geweest, dat destijds een kus op zijne lippen had gedrukt, 'twelk hij omstrengeld had in den dans, en met overmoedigen, jeugdigen
281
lust in zijne armen had gehouden. Ja, dat was zij; nu herkende hij haar wel, het beeld verrees weder in zijn hart, maar het tegenwoordige was nog schooner dan het ver-ledene!
De predikant had nu ook tot haar, de bruid, de vraaggericht: âWilt gij den hier tegenwoordigen bruidegom tot uwen echtgenoot aannemen?quot; En zij opende de lippen, en sprak luid en blijmoedig het verbindende rja!quot;
Maar zonderling, â in hetzelfde oogenblik vloog haar gloeiende blik naar prins Louis Ferdinand. Beider oogen ontmoetten elkander en bleven zóó vast op elkander rusten, zóó strak, als waren zij verbonden door magnetische kracht.
De plechtigheid was afgeloopen, en stijf en onbewegelijk stond op een afstand, tegenover haar, prins Louis Ferdinand ; en hunne oogen spraken tot elkander een lang, won-dei'baar gedicht, dat met volle accoorden uit de diepte hunner harten weerklonk.
De bruidegom wendde zich nu tot zijne bruid, en daar hij haar strak wezen bespeurde, volgde zijn blik den haren. Hij zag den prins, en een demonische glimlach gleed over zijn gelaat; vervolgens nam hij de hand der bruid, en drukte die aan zijne lippen. Zij ontwaakte als uit een droom, en zag hem aan met een helderen glimlach; maar plotseling, alle etikette vergetende, sloeg zij beide armen om den hals van den bruidegom, en kuste hem ten aanzien van alle getuigen.
Een goedkeurend gemurmel liep door den geheelen Dom, en de familie omringde lachend en gelukwenschend het jonge paar, en de een fluisterde den ander toe; âHoe innig bemint zij hem! Hoe wonderbaar, dat zij van al hare rijke en voorname vrijers juist dezen kiezen kon!quot;
âNu,quot; mompelden anderen: ârijk genoeg is hij wèl, de heer Wiesel; een zeer hooggeacht man, gezien in de voornaamste kringen en bevriend met de geestigste menschen.quot;
De bruiloftsstoet zette zich weder in beweging naar de uitgangsdeuren van den Dom. De équipage, die de bruid terug zou voeren naar het huis harer ouders en naar het feestmaal, was juist voorgereden. Aan de hand van den bruidegom zweefde de jonge bruid er heen. Maar nu baande prins Louis Ferdinand zich een weg, door de rijen van alle getooide gasten, en toen de bruid het rijtuig naderde en de
278
te oogen. Vervolgens barstte hij in een luiden, spottenden lach uit.
âDit is nu een tweede editie van 't onderhoud van den markies Posa met Koning Filips,quot; zeide hij: â't Is uit met al mijn droomen! â Van heden af zal deze vredelievende Koning gelijk hebben, en prins Louis Ferdinand zal het éénige doen, wat hem te doen overblijft: hij zal een liederlijk mensch worden! Men heeft mij alles geweigerd! Nu, dan wil ik hst leven genieten, het genot najagen, waar ik het .vind, en wil het leven doodslaan, nu ik de vijanden niet kan doodslaan!quot;
En met heftige schreden verliet hij het kabinet des Konings, en ijlde den trap af naar buiten op de straat. Zijn rijtuig stond voor de deur en wachtte hem. Maar het bloed joeg zóó wild door zijne aderen, en er was zulk een gevoel van onrust en opgewondenheid in hem, dat hij 't niet uitgehouden zou hebben in de engte van het rijtuig; hij moest vrij zijn en zich vrij kunnen bewegen. Hij wenkte den koetsier met het rijtuig weg te rijden en ging de straat op, hij wist zelf niet waarheen. Hij lette niet op zijn weg, dacht niet aan de voorbijgangers, langs welke hij haastig en zonder op te zien voortging; bemerkte slechts, dat hij allengs in een gedrang was gekomen, en niet zoo vrij als vroeger vooruit kon. Nu zag hij op, en bevond zich ineen gewoel van menschen. Zijn weg had hem, zonder dat hij 't wist, naar den Dom gebracht, en dicht voor de deur, stond hij nu in een golvende menschenmassa.
âWat is hier te doen? Wat is er?quot; vroeg hij de naaste omstanders.
Zij herkenden hem niet en zagen hem niet aan; zij hielden slechts hunne blikken gewend naar de équipages die kwamen aanratelen naar de wijd open deuren van den Dom.
â't Is een trouwpartij!quot; zeiden de omstanders; âeenschitterende trouwpartij! Het mooiste meisje van Berlijn trouwt heden.quot;
De prins scheen als uit een droom te ontwaken. â âHet mooiste meisje van Berlijn? O, ik ben nieuwsgierig haar te zien!quot; En hij maakte zich met de breede schouders en forsche armen ruim baan door het gedrang, tot dicht bij de deuren van den Dom. Daar stonden in feestdosch de kerkdienaars nevens de beide deuren van den Dom, en ontvin-
279
gen met ijverigen eerbied de rijk getooide dames, die uit de aankomende équipages stapten. Nu liep een gemurmel dooide geheele verzameling.
âDaar kofnt zij! Daar komt de schoone bruid!quot; hoorde men van alle zijden, en een schitterende équipage reed nu voor. Buiten adem drong de menigte nader. De kerkdienaars sloegen 't portier open.
â't Is de bruidegom, de bruidegom!quot; fluisterde men van alle zijden.
En een jong man, in de elegantste kleeding der groote wereld, in een rijk geborduurden hemelsblauw-fluweelen rok, met wit satijnen broek, wit zijden kousen, en schoenen met diamanten gespen, stapte de wit satijnen trede dei-équipage af.
Prins Louis Ferdinand zag slechts het aangezicht, en met een zonderlingen toover boeide het hem. Dit aangezicht was dat van een jong, krachtig man; maar 't was van een zonderling schrikbarende uitdrukking, en van schier boosaardige leelijkheid. Bleek en pokdalig de wangen; kleurloos de lippen; lang en dun de adelaarsneus; de borstelige wenkbrauwen ineen gegroeid boven het neusbeen, en daaronder een paar groote grijze oogen, wonderbaar glinsterend, en om den mond zulk een spottende, honende uitdrukking, dat 's prinsen hart er van beefde en hij zich vroeg: âwie kan de bruid zijn, die er toe besluit, met dezen Mephistopheles te trouwen?quot;
Juist zweefde deze bruid de breede voettrede af. Een âHa!quot; van bewondering klonk van aller lippen, en men hoorde van alle zijden: âHoe schoon is zij, hoe wonderbaar schoon!quot;
Ook zij had dit gehoord en wendde glimlachend, sterk blozend het gelaat naar beide zijden, en groette de menigte.
Ja, zij was wonderbaar schoon. Een volle, bekoorlijke meisjesgestalte, gehuld in het lange, golvende wit satijnen kleed, dat eng de fraaie gestalte omgaf en haar edele, weelderige vormen deed uitkomen; de schouders en armen naar toenmalige mode ver bloot, en daarover de lange kanten sluier, als èen zilveren wolk nedergolvende van het hoofd tot op de kleine voeten en de witte schoenen met hooge hakken; op het met donkerbruine lokken omgeven hoofd de met bloemen doorweven mirtenkroon; de purpere, kleine
280
mond door een glimlach omgeven; de groote zwarte oogen vlammen schietende, waaruit de gloed van het Zuiden straalde; de wangen purperrood, van natuurlijke schoonheid, en met zulk een uitdrukking van liefelijkheid, onschuld en fierheid tevens in 't geheele gelaat, dat elk er door verrukt en ingenomen werd.
Prins Louis Ferdinand drong dichter naar de deur, en toen zij nu voorbij zweefde, de schoone bruid aan den arm van den leelijken bruidegom, trof hèm de gloeiende blik barer oogen, en een purperrood overstroomde haar aangezicht, een schrik voer door haar geheele gestalte.
âIk ken haar, ik heb haar reeds ergens gezien,quot; zeide de prins voor zich, en trad daarop achter den bruidegom de kerk binnen, en volgde hen naar het altaar.
En wederom liep een gefluister door de menigte, die in de kerk verzameld was. Dit gefluister gold niet alleen de schoone bruid, het gold ook prins Louis Ferdinand. Men had hem herkend, en 't ging nu van mond tot mond: âPrins Louis Ferdinand is de getuige der bruid; daar staat hij nevens het altaar, hij heeft de bruid binnen gevoerd! Prins Louis Ferdinand is de getuige der bruid!quot;
Hij hoorde niets van al dit fluisteren. Hij wist niet, dat hij met haar was binnen gekomen; hij stond slechts ter zijde, waar de anderen stonden, en wist niet dat dit de ge-noodigde gasten van het bruidspaar waren, en hij op die wijze tot hen gerekend werd; hij stond daar en zag onafgewend in het bekoorlijke, rooskleurige engelengelaat, en vroeg zich altoos weder; âWaar heb ik haar gezien? Wie is zij ?quot;
âÃn ik vraag u,quot; klonk nu de ernstige, plechtige stem van den predikant: âik vraag u, mijnheer Adam Kurt Wiesel: is 't uw besluit de hier tegenwoordige jonkvrouw Pauline, dochter van den geheimraad von Ca sar, tot uwe echtgenoote te nemen?quot;
De prins ontroerde. â Ja, nu was het hem duidelijk; het was de schoone Pauline Casar, het bekoorlijke kind, dat hij voor jaren eens bij Wilhelmine Rietz en hare dochter, de gravin von der Mark, had gezien, 't Was het lieve kind met de bruine lokken en de zwarte gloeiende oogen geweest, dat destijds een kus op zijne lippen had gedrukt, 'twelk hij omstrengeld had in den dans, en met overmoedigen, jeugdigen
281
lust in zijne armen had gehouden. Ja, dat was zij; nu herkende hij haar wel, het beeld verrees weder in zijn hart, maar het tegenwoordige was nog schooner dan het ver-ledene!
De predikant had nu ook tot haar, de Bruid, de vraag gericht: âWilt gij den hier tegenwoordigen bruidegom tot uwen echtgenoot aannemen?quot; En zij opende de lippen, en sprak luid en blijmoedig het verbindende rja!quot;
Maar zonderling, â in hetzelfde oogenblik vloog haar gloeiende blik naar prins Louis Ferdinand. Beider oogen ontmoetten elkander en bleven zóó vast op elkander rusten, zóó strak, als waren zij verbonden door magnetische kracht.
De plechtigheid was afgeloopen, en stijf en onbewegelijk stond op een afstand, tegenover haar, prins Louis Ferdinand ; en hunne oogen spraken tot elkander een lang, wonderbaar gedicht, dat met volle accoorden uit de diepte hunner harten weerklonk.
De bruidegom wendde zich nu tot zijne bruid, en daar hij haar strak wezen bespeurde, volgde zijn blik den haren. Hij zag den prins, en een demonische glimlach gleed over zijn gelaat; vervolgens nam hij de hand der bruid, en drukte die aan zijne lippen. Zij ontwaakte als uit een droom, en zag hem aan met een helderen glimlach; maar plotseling, alle etikette vergetende, sloeg zij beide armen om den hals van den bruidegom, en kuste hem ten aanzien van alle getuigen.
Een goedkeurend gemurmel liep door den geheelen Dom, en de familie omringde lachend en gelukwenschend het jonge paar, en de een fluisterde den ander toe; âHoe innig bemint zij hem! Hoe wonderbaar, dat zij van al hare rijke en voorname vrijers juist dezen kiezen kon!quot;
âNu,quot; mompelden anderen: ârijk genoeg is hij wèl, de heer Wiesel; een zeer hooggeacht man, gezien in de voornaamste kringen en bevriend met de geestigste menschen.quot;
De bruiloftsstoet zette zich weder in beweging naar de uitgangsdeuren van den Dom. De équipage, die de bruid terug zou voeren naar het huis harer ouders en naar het feestmaal, was juist voorgereden. Aan de hand van den bruidegom zweefde de jonge bruid er heen. Maar nu baande prins Louis Ferdinand zich een weg, door de rijen van alle getooide gasten, en toen de bruid het rijtuig naderde en de
282
kerkdienaars haar de hand wilden bieden voor het instijgen, stiet hij hen terug en reikte haar de hand.
âPauline, ik ben uw bruidsjonker!quot;
Zij glimlachte en gaf hem de hand, en hij voelde den druk harer zachte vingers.
In plaats van haar in het rijtuig te volgen, bleef de bruidegom staan, en maakte een buiging voor den prins.
âGe hebt gelijk,quot; zei prins Louis Ferdinand: âde bruidsjonker heeft wei het recht, met bruid en bruidegom te rijden.quot;
En hij sprong luchtig in het rijtuig, en nam nevens de bruid plaats. De heer Wiesel steeg langzaam en glimlachend in, en zette zich op de voorbank.
Inhoud eerste Boek.
Blz.
Hoofdst. I. Wilhelmine's eed . ,.......5
u II. Beminnen en sterven.......15
» III. Een stem uit liet graf.......29
// IV. Een stem uit liet leven...........44
u V. Schiller en Goethe........57
it VI. De Elfenkoning........69
n VII. De wedren............87
// VIII. De onderteekening van het tractaat .... 98
,/ IX. Het kleêrtnakers-oproer.......115
Inhoud tweede Boek.
Blz
Hoofdst. I. De vredestijding........135
â II. De zieke Koning........142
» III. De voorstelling aan liet Hof.....154
» IV. Hulp in den nood........165
â V. De twee minnaars...........179
â VI Koning en Kroonprins.......193
â VII. Het laatste feest.........207
â VIII. De dood... ......221
/, IX. De nieuwe Koning........234
â X. De eerste dag van den jongen Koning . . . 243
Inhoud derde Boek.
Blz.
Hoofdst. I. De mode der teederheid......252
» II. Vrede of oorlog........264
Uitgaven van Gebr. E. amp; M. COHEN,
Magazijnen van Goedkoope Boeken.
NIJMEGEN, Grootestraat. ARNHEM, Hoek Rijnstraat.
Calisch, Fransch Nederl.âNederl. Fransch Woordenboek, gebonden f 2.50.
Calisch, Hoogd. NederL âNederl. Hoogd. Woordenboek, gebonden f 2.50.
Calisch, Engelsch NederL âNederl. Engelsch Woordenboek, gebonden f2.50.
Stowe, De Negerhut. Groote fraai geïllustreerde uitgave, imperiaal formaat, gebonden f 2.90.
Stowe, De Negerhut. Volksuitgave, geïllustreerd, gebonden fl.10. Burnett, De kleine Lord. Prachtuitgave, geïll., gebonden f2.50. Burnett, De kleine Lord. Volksuitgave, geïll., gebonden fl.10. Goldsmith, De Predikant van Wakefield, bewerkt door G. Keiler, geïllustreerd, gebonden fl.10.
v. Koetsveld, De Pastorie te Mastland, gebonden f2.50.
v. Koetsveld, Nieuwe Schetsen, (Nalezing) geb. f2.50.
Conscience's Meesterwerken, 37 Romans en Novellen in 4 stem-pelbanden f 9.50.
Dahn, Gelimer. Historische roman uit den tijd der volksverhuizing, in 2 stempelbanden f3. â .
Dick en's Compleete geïll. Werken, in 22 prachtbanden f41.â. Fanny Fern, Losse schetsen uit de Portefeuille, gebonden f 1.75. Hamerling, Aspasia. Historische roman. Uit het Hoogd. vertaald, met eene inleiding en van aanteekeningen voorzien door W. F. P. Enk laar, in 3 stempelbanden f3.90.
Victor Hugo, De Ellendigen, in 5 stempelbanden f3.75.
Eugène Sue, De Wandelende Jood, in 5 stempelbanden f3.75. Eugène Sue, Martyn de Vondeling, in 5 stempelbanden f3.75.. F arr ar, Een Schooljongen, gebonden fl.90.
F ar r ar. Een Student, gebonden fl.90.
Burgersdijk, De Dieren, afgebeeld, beschreven en in hunne levenswijze geschetst, met gekleurde platen, in 3 stempelbanden f45.00. Laurillard, Huisraad en Speelgoed, gebonden f2.10.
Marlitt's Geïllustreerde Werken, in 2 fraaie stempelbanden f6.50. Louise Mühlbach, De Groote Keurvorst en zijn tijd, 6 deelen: De Jonge Keurvorst, 2 deelen fl.50.
De Groote Keurvorst en zijn Volk, 2 deelen fl.50.
De Groote Keurvorst en zijne Kinderen, 2 deelen fl.50.
Louise Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof, 8 deelen: De Kroonprins en zjjne Omgeving, 2 deelen fl.50.
Berlyn en Sanssouci, 2 deelen fl.50.
Frederik de Groote en zijne Broeders en Zusters, 4 deelen f3.00. Louise Mühlbach, Duitschland in Woeling en Strijd, 8 deelen: De oude Frits en de nieuwe tijd, 2 deelen fl.50.
Vorsten en Dichters, 2 deelen fl.50.
Duitschland tegen Frankrijk, 2 deelen fl.50.
Frankrijk tegen Duitschland, 2 deelen fl.50.
Louise Mühlbach, Napoleon in Duitschland, 12 deelen:
Rastatt en Jena, 3 deelen f2.25
Napoleon en Koningin Louise, 3 deelen f2.25
Napoleon en Prins Blücher, 3 deelen f2.25
Napoleon en het Weener Congres, 3 deelen f2.25
Multatuli, Millioenen-Studiën, gebonden f2.40
Multatuli, Specialiteiten, gebonden f2.40
Multatuli, Nog-eens: Vrye arbeid, enz., gebonden f2.40
Oltman's, Geïll. volledige Werken, in 2 stempelbanden f6.30 Cath. van Rees, In Dei Gloriam (Bach), in 2 stempelbanden f3.50 Renter's Volledige Geïllustreerde quot;Werken, fraaie uitgave in 12 deelen, gebonden, per deel fl.40
Scott's Werken, in 15 prachtbanden, gebonden, per deel fl.40 Stinde's Werken, 10 deelen, in 10 stempelbanden fH,â
v. Suttner, De Wapens neer, 2 dln., in stempelband f2.â
v. Suttner, Diep innerlijk, (Pas verschenen roman) in stempel band f 2.40
Thackeray's Volledige Werken, in 12 stempelbanden f12,â Andersen, Volledige Sprookjes en Vertellingen, geïll., in3pracht banden f 5.25
v. Balen, De Vliegende Hollander, in stempelband fl.25
Goeverneur, Kinderdeuntjes, met 36 gekleurde platen, gebon den 1.â
Hocking, Haar Benny, geïllustreerd, gebonden f2.50.
M ü n c h h a u s e n, Groote geïllustreerde uitgave, met platen van Doré, gebonden f 3.40,
Robinson Crusoë, geïll. editie, gebonden f 1.25
Bilderdyk's Dichtwerken (Editie v. Vloten), in 4 stempel banden f 5.25
Moeder de Gans, geïllustreerd, gebonden, f 1.10
Nuyens, De Vogelwereld, gebonden f12.â
De Nieuwe Nederlandsche Kunst, 72 Etsen,van Dake Mauve, Israels, Steelink, Poggenbeek, Wijsmuller, enz enz. Allen Hollandsche meesters, in portefeuille f27.50
Schaepman, Napoleon, gebonden fl.â
De Famillie Schönberg-Cotta, gebonden fl.75.
Doorenbos, Handleiding tot de gesch. der Letterkunde vooral van den nieuweren tijd, 2e herziene en vermeerderde uitgave, gebon den f 3.50
Goupil, Pract. handl. bij het schilderen in Olieverf fl.â
Goupil, Pract. handl. by het schilderen op Porcelein, Delftsch aardewerk en Glas fl.â
Findel, Leerboek der Vrijmetselarij fl.-
Darwin, compleet in 7 deelen, gebonden f 15.75
Witkamp, Aardrijkskundig Woordenboek voor Nederland, gebon den f 2.50
K olie wijn, Algem. Wereldgeschiedenis, in 4 deelen, gebonden f9.50 Modelboeken voor letters, 4 deelen f 1.â
v. Lennep amp; Hofdijk, Kasteelen van Nederland, gebonden f12.50, Bruins, Atlas van Nederland en zijne overz. Bezittingen in 17 gekleurde kaarten fl.â.
Servaas de Bruin, Zak-encyclopedie voor Wetenschap en Kunst, f 0.90.
von Bo se, Een en ander over het Eiland Amboina, met 8 pi. f0.90.
Fr. Gerstacker, Arbeid adelt. Sociale roman, /1.50;
gebonden f 1.90.
J. Huf van Buren, De mannen van Sint-Maarten. Historische roman in 3 deelen, f 4.90; gebonden / 5.90.
Schimmel, Mary Hollis. Tweede door den auteur herziene druk, 2 deelen f 2.25; gebonden f 2.75.
Jacob Cats, Volledige Dichtwerken, met portret en circa 200 platen. Goedkoope prachtuitgave voor het Nederlandsche volk, bezorgd en met aanteekeningen voorzien door W. N. Wolterink, 2 zware deelen in folio, gebonden Æ 7.50.
J. J. Cremer, Gedichten. Derde druk, /0.50; gebonden /0.75.
Mr. J. van Lennep, Poëtische en Dramatische Werken. Volledige volksuitgave in 8 deelen, /2.50; gebonden in 4 stempelbanden / 3.90.
J. J. van Oosterzee, Het jaar des Heils. Stichtelijke overdenkingen voor lederen dag des jaars, /3.â ; gebonden / 3.90.
K. F. Bekker, Wereldgeschiedenis. Geheel omgewerkte derde druk, naar de laatste Hoogduitsche uitgave, door J. H. T. de Vogel, J. Jongeneel en J. C. Diehl, met aanbeveling van Prof. R. P. A. Dozj'. 12 Groot-octavo deelen, Æ 15.â.
Fr. von Hellwald, De natuuriyke geschiedenis van den mensch. In het Nederl. bewerkt door Dr. P. Harting, geïllustreerd met een groot aantal fraaie platen van Keller-Leuzingen, 2 deelen, / 4.90; gebonden Æ 6.90.
T. B. Maoaulay, De Geschiedenis van Engeland. Derde druk, opnieuw bewerkt door Dr. J. C. van Deventer, 4 flinke deelen, / 4.90; gebonden f 6,90.
G. W. C. Westenberg, Voordrachten (Monologen). Verzameling van voordrachten in poëzie en proza naar het oorspronkelijke van P. Carré, F. Coppée, G. Nadaud, G. Maquis, R. Benedix, Bertol-Graivil, E. Philippe en L. Bridier, A. Guillon, Marie Cassan en anderen. Ingenaaid / 0.90; gebonden Æ 1.25.
Stanley amp; Emin Pacha, In Afrika's donkere Wildernissen. Tochten, ontdekkingen, avonturen en ontmoetingen in het Zwarte Werelddeel. Geïllustreerd met vele platen, portretten en kaarten. 3 Deelen, ingenaaid / 7.50; gebonden in 3 stempelbanden / 10.50.
F. T. B. C la vel. Geschiedenis der vrijmetselarij en der geheime genootschappen van vroegeren en lateren tijd. Naar het Fransch. Vierde druk, Æ 2.50; gebonden f 2.90.
Kneip's Handboekje, bevattende de verschillende begietingen, baden, enz. door houtsneeplaten opgehelderd. Korte verhandeling over de gezondheidsleer, levensregelen enz. / 0.40.
De Jobsiade. Met printverbeeldingen van Wilhelm Busch. Derde goedkoope uitgave, herzien en vermeerderd met een kapittel over den dood, hoogst gezellig om te lezen. In oblongformaat, Æ 0.90.
De Stokvischorders, in der tijd toegelicht door Lodewijk Mulder en thans in beeld vertoond door Willem Staring Jr. Met 12 platen in royaal-40 formaat in artistiek bewerkt omslag, f â .
B ra vo-A Ibum voor de piano. Verzameling van 100 verschillende stukken opwekkende pianomuziek voor oefening, feesten en gezellige partijen. Kompleet in 10 bundels, eiken bundel 10 verschillende stukken bevattende. Prijs per hundel f 1.â Afzonderlijke stukken uit deze verzameling per stuk f 0.30.
Album van Winkelpuien. Verzameling van 100 practische ontwerpen voor aannemers, timmerlieden, bouwkundigen enz. ontworpen en verzameld door H. en O. Leeuw, met beschrijvenden tekst. 100 Platen in folio-formaat f 10. â; in speciaal voor deze uitgave vervaardigde portefeuille f 11.25.
W. J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, De DuitscheOrde, of beknopte geschiedenis, indeeling en statuten der Broeders van het Duitsche Huis van Ste Marie van Jeruzalem. Met plaat, in groot-Squot; formaat, f 1.50.
quot;W. J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, Wapenboek dei-Ridders van de Duitsche orde Balye van Utrecht sedert 1581; opgeluisterd door hunne vier opgezworen adellijke quartieren en acht stamdeelen, huwelijken en kinderen. Met 44 wapenkaarten waarop 720 wapens, f 5.,â .
W. J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, De Ridderschappen in het Koninkrijk der Nederlanden of de geschiedenis en samenstelling van den stand der Edelen van 1814 tot 1850. Uit oorspronkelijke bescheiden bewerkt, /quot;3.50.
W. J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, Bannerheerenen Ridderschap van Zutphen, van den aanvang der beroerten in de XVIe eeuw tot het jaar 1795. Geschiedkundig gedeelte, f 1.25.
â â â Tweede of geslachtkundig gedeelte. Met 3 wapenkaarten waarop 48 wapens, f 3.25.
W. J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, Nederlands adelsboek of verzameling van adelserkenningen, inlyvingen, verheffingen en verleeningen van titel in het koninkrijk der Nederl. sedert 1814 /quot;1.50.
Rhoda Broughton, Met vuur gespeeld. Roman uit het Engelsch met een voorbericht van H. de Veer, schrijver van den Trou-Eingh voor 't jonge Holland. Derde herziene druk, f 1.50; gebonden f 1.90.
Arabische Vertellingen (volledige) der 1001 Nacht, bewerkt door Gerard Keller, 7 zware deelen f 22.50; gebonden in 7 stempelbanden in Arabischen stijl, f 28.50.
Thomas Carlyle, De Fransche Omwenteling. Vierde uitgave, met 201 keurige tekstplaten, 221 prachtige portretten, 13 spotprenten en 26 toepasselijke sluitfiguren geïllustreerd, met voorwoord van W. J. Hofdijk. Verrijkt met vele belangrijke geschiedkundige aantee-keningen en een volledig alphabetisoh register van alle personen, plaatsen, gebeurtenissen enz. enz. door H. van Enck. 3 Deelen groot-80 formaat, f 7.50; gebonden in 3 stempelbanden f 10.50.
Victorien Sardou en Emile Moreau, Madame Sans-Gêne. Historische roman bewerkt door Edmond Lepelletier; in het Neder-landsch vertaald en met tal van historische aanteekeningen voorzien door H. van Enck. 3 Rijk geïllustreerde deelen, onder de titels: I De strijkster; II De vrouw van den maarschalk; III De Koning van Rome, f 4.20; gebonden in één stempelband f 5.3CT.
Flora Annie Steel, Over de vlakte der Wateren. Geschiedkundige roman uit den grooten Engelsch-Indischen Opstand. Uit het Engelsch door H.-L., 2 deelen Æ 3.60; gebonden f 4.50.
s** Van dezen prachtig geschreven roman werden in Engeland in ééne maand tijds 40.(KX) ex. verkocht.
Rudolph Falb amp; Charles Blunt, De Ondergang der Wereld. Humoristische roman uit het Duitsch door H. van Enck. Ingenaaid f 1.50; gebonden f 1-90.
HOUU
Vak 152
LOUISE MUHLBACHS
historische Romans
Be^^erlct door ]\ï, XC.
Duitscliland in Woeling en Strijd
FRANKRIJK TEGEN DUiTSCHLAND.
^ I
* *
NIJMEGENâARNHEM.
EBRs. E. amp; M. COHEN.
Jül
197
Vak 152
; v»
If
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MÃHLBACH. Bewerkt door M. K.
TWEEDE DEEL.
FRANKRIJK TEGEN DUITSCHLAND.
BIBUOT^CA
CQNV. WIJCHENS
onn. rit.' , MiM.
tritrffim
debde veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN.
DERDE BOEK
SCYLLA EN CHARYBDIS,
(é
( Vervolg).
111.
l
EEN ONCtENOODIGDE GAST.
Prins Louis Ferdinand zat methet bruidspaar in het rijtuig, maar er werd geen woord gesproken op den weg naar het prachtige huis onder de Linden, waar de geheimraad von Casar woonde.
Het geraas van het ratelend rijtuig had het onderhoud bemoeilijkt en geen hunner wenschte het stilzwijgen te verbreken. De bruid had zich in een hoek van het rijtuig achterover gevlijd en keek met een half schalkschen, half verlegen glimlach naar haren bruidegom, die tegenover haar zat.
Prins Louis Ferdinand sloeg beiden gade en scheen in hunne blikken hun innigste gedachten te willen lezen.
Nu hield het rijtuig stil. De gereedstaande bedienden openden het portier en de bruidegom sprong er uit.
Prins Louis Ferdinand volgde hem en de volksmenigte, die ter weerszijden van het met bloemen omgeven tapijt stond, dat van de straat tot het huis voerde, juichte luid, toen zij prins Louis Ferdinand herkende, en vergat zelfs voor een oogenblik naar de schoone bruid te zien, die nu aan de hand van den prins de trede van het rijtuig afsteeg.
Tusschen den prins en den bruidegom ging de schoone bruid het huis binnen en de met bloemen versierde trap op; allo drie zwijgend en zonderling beklemd. Bovenaan den trap stond de geheimraad von Cïisar, die het bruidspaar vooruit geijld was, om hen te ontvangen. Hij had dus
6
niet gezien dat de prins in het rijtuig was gestegen, en een uitdrukking van vroolijke verrassing teekende zich op zijn gelaat, toen hij dezen nu aan de zijde der bruid ontwaarde.
Prins Louis Ferdinand reikte hem de hand.
âIk kon niet mankeeren, mijn waarde geheimraad, zulk een trouw dienaar van mijn oom, prins Heinrich, in persoon op deze dag mijn gelukwensch te brengen! De schoone bruid zal 't mij vergeven, dat ik de vrijheid heb genomen van de gelegenheid gebruik te maken, en met haar hierheen te rijden!quot;
Pauline glimlachte. â âGe hebt mij en mijn bruidegom een groote eer bewezen, Koninklijke Hoogheid,quot; zeidezij. Haar stem, zoo vol en helder, klonk den prins als leeuwerikszang in de ooren en glimlachend hernam hij:
âWelke stijve, ceremonieele woorden zijn dit; zij passen volstrekt niet bij dit lentegelaat en deze purperen lippen! Maar nu, mijn waarde geheimraad, nu ik u het bruidspaar heb gebracht, wil ik u niet langer lastig vallen, en afscheid nemen. Mijnheer de bruidegom zal bovendien verstoord op mij zijn, dat ik hem zoo veel tijd en opmerkzaamheid van zijn lieve bruid onttrokken heb. Vergeef het mij, benijdenswaardige jonge man, en ontvang mijn beste gelukwenschen. Ge hebt waarlijk een zeldzaam geluk veroverd; de schoonste jonge roos, met den frischsten leeuwerikszang. Ik wensch u, dat de roos nooit verwelke, en de leeuwerikszang nooit ver-stomme! En nu vaartwel, dames en heeren!quot; â Hij boog diep voor het bruidspaar, en wilde den geheimraad de hand tot afscheid reiken.
Maar deze hield den prins terug. -- âEr is mijn huis heden zulk eene eer wedervaren, dat Uwe Koninklijke Hoogheid het mij niet kwalijk kan nemen, zoo wij die zoolang mogelijk wenschen te genieten; als de zon opgegaan is en plotseling weder verdwijnt, schijnt iemand alles donker, en ik verzoek Uwe Koninklijke Hoogheid, mij den zonneschijn te willen laten.quot;
âIk waag het, mijn bede met die van mijn hooggeëerden schoonvader te vereenigen,quot; zei de jonge heer Wiesel met een spottenden glimlach: âer zou niets dan schaduw zijn, zoo Uwe Koninklijke Hoogheid ons thansverliet. Deze wereld is over 't geheel zoo erbarmelijk koud, dat men eiken zonne-
7
straal op prijs moet stellen. Gun ons dus den zonnestraal uwer tegenwoordigheid!quot;
De prins wierp een haastigen blik op den jongen man, wiens stem zoo spottend klonk en om wiens lippen zulk een honende glimlach speelde, terwijl hij zulke vleiende, doch tevens de wereld verachtende woorden sprak.
âGij mijnheer, kunt u heden ten minsten niet wegens de koude der wereld beklagen. Als men zulk een bruid aan zijn zijde heeft, moet men zich, dunkt mij, gevoelen als ware men een gloeiende vulkaan!quot;
âMaar men moet toch bedenken, dat er onverwacht een stortregen kan nedervallen en den vulkaan uitdooven!quot; zei de bruidegom met een glimlachenden blik op zijn bruid, die met nedergeslagen oogen en treurig gelaat naast hem stond: âzie slechts, genadigste heer; mij dunkt, op dit bekoorlijke engelengelaat is reeds een regenbui nedergevallen en heett den zonneschijn een weinig verdoofd. Dat komt, wijl Uwe Koninklijke Hoogheid ons Hare tegenwoordigheid bij het feestmaal onttrekken wil.quot;
âDoe dit niet,quot; bad de geheimraad, en zijne gade, die met de andere dames boven was gekomen, vereenigde haar verzoek met dat van haren echtgenoot en smeekte den prins zoolang, tot hij half weerstrevend, half met genoegen de uit-noodiging aannam.
âNu zullen wij zeker een zonnigen dag hebben,quot; zei de bruidegom, terwijl hij zijne jonge bruid den arm reikte en haar naar de fraai versierde bruiloftszaal leidde. Daar was een schitterende tafel gedekt; bloemen prijkten er in marmeren vazen, heerlijke vruchten prijkten in zilveren schalen, en de geheele tafel was rijk met zilver en kristal getooid. In 't midden, voor een groot yièce de milieu van suikergebak, taarten en vruchten, was de zitplaats van het bruidspaar. Naast de bruid, aan de rechterzijde, nam prins Louis Ferdinand plaats. De bedienden vlogen heen en weer met dampende schotels en boden de heerlijkste gerechten aan. Want de geheimraad von Gasar, de eerste gevolmachtigde van prins Heinrich, was een aanzienlijk, rijk man in de residentie, en op dezen heugelijken dag wilde hij zijn gasten een vorstelijk feest geven. Aanvankelijk was het gezelschap eenigszins stijf, wegens de tegenwoordigheid van den prins, maar allengs hadden de heerlijke spijzen en de geurige wijnen
8
de tongen losgemaakt en allen dwang weggenomen. Men schertste en lachte, toasten werden ingesteld, de glazen klonken tegen elkander en spoedig heerschtevroolijkheid aan de tafel.
Ook de oogen der schoone bruid glinsterden sterker en eindelijk boog zij zich ter linkerzijde tot haren bruidegom, lluisterde met hem, lachte en luisterde naar zijne liefdebetuigingen en schertsende woorden, en beantwoordde die met vroolijken, vurigen geest. Maar ook aan bare andere zijde fluisterde het met gloeiende woorden aan haar oor, en joeg een purpergloed op hare wangen.
âGe zijt schoon als de jonge dag, schoon als de hoop, schoon als de liefde, Pauline! Waarom zijt ge niet de mijne geworden? Herinnert ge u nog den dag, toen ge in mijne armen laagt en wij vroolijk door de zaal ruischten, en zeiven de muziek zongen voor den dans, dien wij springend en juichend uitvoerden? Pauline, waarom heb ik u toen niet vastgehouden bij uwe vleugels, opdat ge mij niet zoudt kunnen ontvlieden, gij schitterende vlinder!quot;
Zij wendde zich blozend tot hem. â âZwijg, prins; ik bid u, zwijg; het past mij niet zulke woorden op mijn huwelijksdag te hooren!quot;
âWat past u dan, gij droombeeld mijner jeugd ? Mag ik dan niet klagen over de domheid, dat ik u liet wegvliegen; moet ik in stilte aanzien, dat een ander man u ontvoert, u voor eeuwig aan mij ontrukt?quot;
Zij scheen hem niet gehoord te hebben, wendde zich naar de andere zijde en sprak met haren bruidegom, glimlachend, â vroolijk en luid genoeg, dat de prins hare woorden kon verstaan: â âO Kurt, hoe verheug ik mij op het nieuwe leven met u! Hoe schoon moet het zijn, als wij beiden jong en vol levenslust door de wereld jagen; want nietwaar, Kurt, wij gaan morgen op reis ?quot;
âJa, morgen, mijn waardste Pauline; morgen gaan wij op reis in de wereld, in het leven, en zoeken naar het land der liefde en gelukzaligheid.quot;
âWaarom zoeken wij, Kurt, daar het in ons leeft?quot;
âLeve prins Louis Ferdinand !quot; riep juist de geheimraad, terwijl hij opstond en den beker met den purperen wijn omhoog hield. En allen stemden in: âLeve prins Louis Ferdinand!quot; en lieten de glazen klinken, en de muziek.
9
die zich in de nevenkamer bevond, hief een schetterende fanfare aan en alle gasten kwamen met hunne glazen om met den prins te klinken.
Tot 's avonds laat hield het feestmaal aan, en daarna begaf men zich in de aangrenzende groote danszaal. Daar was reeds alles gereed en voor den vroolijken bruiloftsdans ingericht. Daar danste men de polonaise en de prins was het, die de jonge, glimlachende bruid, â in wier aderen de wijn, de jeugd en de liefde als een vuur woedden, aan zijn hand door de reeks van schitterende vertrekken voerde, en woorden van bewonderende verrukking, van gloeiende hartstocht fluisterde. Zij gedoogde ze, maar beantwoordde ze niet. Zij glimlachte, zag met hare vlammende oogen tot hem op, èn sloeg ze dan weder stil neder.
Ten laatste, â na eenige kalme en eenvoudig dan3en â hief het orkest een nieuwen dans aan : den snellen, duitschen wals, die eerst kortelings in de mode was gekomen, en den langzamen wals had vervangen. Hoe stout, uitdagend, lustig en verdoovend schetterde deze nieuwe wals-muziek.
De ingetogen meisjes en de eerbare jonge heeren verzetten zich ertegen, om deze vliegende maat te dansen.
Maar Kurt Wiesel nam zijn bruid in den arm, en vloog met haar door de zaal: â eens, tweemaal slechts, â en voerde haar toen buiten adem naar hare zitplaats. Nu ijlde de prins toe en bood haar de hand. Zij sprong haastig hartstochtelijk op, als had zij er slechts op gewacht zich in zijne armen te leggen, haar hoofd tegen zijn schouder te leunen en met hem door de zaal te vliegen. Sterker en in levendiger maat ruischte de muziek. Gloeiend hijgde haar adem, verleidelijk klonken zijne woorden in haar oor:
âPauline, ik bemin u; waarom zijt ge niet de mijne?Ik gevoel, dat ik u voor eeuwig bemin, dat uw ziel als een vuurvonk in mijn ziel is gevallen, en nu brandt het erin als een gloeiend vuur! Pauline, waarom zijt ge de mijne niet!quot;
En sterker en vuriger kwam haar adem uil de half geopende purperen lippen, en vaster klemde zijn arm zich om hare gestalte. Hij drukte haar zóó vast tegen zich aan, dat beiden borst aan borst door de zaal zweefden.
âPauline, ik bemin u, en ge moet de mijne zijn!quot;
Zij stond stil, de adem stokte in haar borst en duizelend waggelde zij naar haar zitplaats.
10
Daar stond haar bruidegom; hij had den dans met een zonderlingen glimlach aanschouwd, en 'thad in zijn oogen geflikkerd als hoon en spot, toen nu zijn schoone bruid hijgend, buiten adem, met hoog kloppenden boezem in den stoel leunde. Nu boog hij zich tot haar.
âPauline, zal ik u zeggen wat ge zooeven gedanst hebt, mijn schoon, betooverend kind ?quot;
Zij zag hem aan met tranen in de oogen. â âWat heb ik gedanst Kurt?quot;
âDen wilden dans uwer toekomst, mijn bekoorlijke engel! En zal ik nu zeggen, hoe uw toekomst heet?quot;
Zij kon niet antwoorden; haar hart klopte zoo onstuimig, haar adem kwam moeilijk en hijgend uit de borst. Zij knikte slechts, endebruidegomboogzichtothaarenfluisterde: âUw toekomst heet: prins Louis Ferdinand!quot;
Toen glimlachte hij en drukte steelswijze een kus op dezen wondefschoonen hals, die nu niet meer door den bruidssluier bedekt was. Zij huiverde inwendig en wist niet, of 't van het gefluister van den prins â of van den kus van haren bruidegom was.
âIk wil niet meer dansen, 't is genoeg; ik gevoel mij vermoeid, ongesteld; ik wil niet meer dansen.quot;
âDat heet,' zeide hij glimlachend: âge wilt den verzoeker niet meeraanuwezijdehebhen,mijnschoon,|onschuldigkind'?
,,'t Is waar, 'tis waar,'' zeide zij zacht en haastig: âblijf aan mijn zijde Kurt; ik wil niet meer met den prins dansen! Ik wil niet!quot;
Kurt Wiesel bleef aan de zijde zijner schoone bruid, verliet haar geen oogenblik, en't scheen hem te vermaken, dat het gelaat van den prins zich allengs verduisterde, en een kleine wolk zich op zijn anders zoo helder voorhoofd legde. Want hij beproefde tevergeefs de bruid ten dans te vragen, zij weigerde het; hij wachtte tevergeefs op een oogenblik, dat hij haar eenige zachte onbemerkte woorden in 't oor kon fluisteren. De bruidegom stonds steeds aan hare zijde, en boog zich glimlachend dichter tot haar, als de prins haar naderde en beproefde eenige zachte woorden tot haar te spreken. Maar zijne oogen spraken tot haar, en soms scheen 'f den prins, alsof hare oogen hem antwoord wilden geven.
â'tls tijd dat ik heenga,quot; zeide hij zacht en verbitterd tot zich zeiven.
11
Het feest had reeds lang genoeg geduurd en liep nu ten einde, doch niemand waagde het te vertrekken, vóór de prins zich verwijderd had. Hij reikte, afscheid nemende, den geheimraad en diens echtgenoote de hand, en trad toen naar het bruidspaar, dat nog onafscheidelijk naast elkander stond. En juist toen hij de hand der bruid nam, sprak de geheimraad Ctisar, die hem gevolgd was, zijn schoonzoon aan, en fluisterde hem zacht in 'toor. En de bruidegom kon het niet zien, dat de prins zich nu dicht tot de bruid boog, en kon niet hooren, wat deze zoo haastig in haar oor fluisterde.
âPauline, ik bemin u, bemin u eeuwig, gloeiend! Ik zeg 't u, allerschoonst engelenbeeld! Ik neem nu afscheid van u, maar wij zien elkander weder, en ge zult eenmaal mijne liefde moeten beantwoorden ! Vaarwel allerschoonst, bekoorlijkst wezen! De droom, de heerlijke droom van heden is ten einde, vaarwel!quot;
En toen boog hij zich over haar hand en drukte een kus, zóó gloeiend heet op die hand, dat hij als vuur door haar ziel schoot. Zij zeide niets, maar trok met een haastige beweging een mirtenbloem uit haar krans en reikte haar den prins.
âPrins Louis Ferdinand, ik dank u uit het diepste mijner ziel voor de groote eer, welke ge mij en mijn bruidegom heden bewezen hebt! En ik geef u ten teeken mijner dankbaarheid, dit mirtentakje uit mijn krans, 't Is het laatste geschenk, dat Pauline Casar eenig mensch geeft!quot;
âEn ik zal er Pauline Wiesel voor danken,''zei de prins met een stralenden glimlach, terwijl hij het bloemtwijgje uit hare handen nam: âGe vergunt het immers, mijnheer Wiesel?quot;
En terwijl hij dit vroeg, reikte hij glimlachend, met opgewekt, vroolijk gelaat den bruidegom de hand tot afscheidsgroet.
Deze zeide niets, maar boog groetend diep het hoofd, en volgde den prins naar het rijtuig, zooals zijn schoonvader hem had opgedragen.
Toen prins Louis Ferdinand nu van het schitterende, zeldzame feesl en al de opwekkingen van dezen dag tehuis kwam, scheen hem alles slechts een droom, een begoocheling.
âIs het dan waar? Heb ik inderdaad heden zulk een heftig
12
onderhoud met den Koning gehad? En heb ik werkelijk een bedwelmend bruiloftsfeest bijgewoond ? Heb ik werkelijk een bruid gezien van zulk een schitterende schoonheid, als ik nooit een vrouw aanschouwd heb? Heb ik dit alles gedroomd, of is het waarheid?quot;
Dit vroeg hij zich af, toen hij nu in zijn kamer op en ncêr ging. En terwijl 't hem nog in hoofd en hart zoo wonderlijk dwarrelde en woelde, trad zijn kamerdienaar binnen en reikte hem op een zilveren bord een brief. â âEen eigenhandig biljet van Zijne Majesteit den Koning, in de afwezigheid van Zijne Koninklijke Hoogheid, voor een paar uren aangekomen!quot; â
Hij opende haastig den brief. Deze bevatte niets dan de volgende woorden:
Mijn waarde neef,
Het betaamt den generaal, dat hij bij zijne troepen is. Ik noodigu dus uit, u terstond^na ontvangstvandit schrijven, â en vóór de nieuwe dag aanbreekt, â naar uw garnizoen te Maagdenburg te begeven.
Uw weltneenende Koning en neef, Friedrich Wilhelm.quot;
âNu,quot; riep de prins; âhet onderhoud met mijn Koning en neef is ten minste geen droom; want dit is het bewijs er van! En hier,quot; zeide hij, het mirtentwijgje, dat hij op de tafel had gelegd, opnemende: âhier is het bewijs, dat ook het bruiloftsfeest geen droom is geweest. Gij beiden: dit papier en dit bloempje, gij beteekent mijn toekomst! De brief zendt mij naar hel vredesgarnizoen te Maagdenburg, en tóch wil ik strijden voor dit mirtentwijgje!quot;
Toen schelde hij en beval den binnentredenden kamerdienaar, dadelijk al zijn zaken te regelen en in te pakken en de reiskoets te laten inspannen. En trouw aan 's Konings bevel, bevond de prins zich, nog vóór de dag aanbrak, op weg naar zijn garnizoensplaats Maagdenburg.
IV.
MEPH1ST0P11ELES EN GREETJE.
Den volgenden morgen stond ook voor het huis van den geheimraad von Casar een reiskoets. De bedienden waren bezig de groote koffers op het dek van het rijtuig en achterop vast te binden. De postiljon kwam juist met vier paarden aan, om ze voor het fraaie rijtuig te spannen, dat een huwelijksgeschenk was van den geheimraad aan zijn schoonzoon. Boven in de vertrekken was het jonge paar met het bijeenpakken der laatste kleinigheden bezig, welke het mede in het rijtuig wilde nemen.
âNu is alles gereed, Kurt,quot; zei de jonge vrouw, op baai-echtgenoot toetredende, die juist uit het venster keek: ânu kunnen wij vertrekken. Ge weet, vader en moeder zijn reeds vooruit gegaan naar Potsdam en willen ons daar bij tante voor het laatst zien om afscheid van ons te nemen.quot;
âEn mij dunkt, mijn bekoorlijke engel,quot; zei Kurt zich tot haar omwendende: âmij dunkt: wij laten vader en moeder en de lieve familie en verwanten stilletjes wachten, en nemen een anderen weg. Alle wegen voeren niet alleen naar Piome, maar ook naar Parijs! En waartoe zou hetatscbeid nemen en tranen storten dienen? Uwe oogen zijn veel te schoon en te schitterend, dan dat gij ze zelfs door afscheidstranen zoudt verduisteren ; het leven is lang genoeg, â en ge zult nog gelegenheid genoeg hebben om te weenen.quot;
âIk hoop, Kurt, ge zult maken dat ik slechts van vreugde ween.quot; zeide zij met een zoeten glimlach.
âMijn kind, dat laat zich vooruit niet bepalen,quot; antwoordde hij schouderophalend: âde vreugde is een licht gevleugeld wezen, dat niet dikwijls tot dezelfde plaats terugkeert! Maar ik moet u nog iets zeggen; ik heb u een kleine verrassing bereid ; wij rijden niet alleen, wij nemen een reisgenoot mede.quot;
Zij zag hem verwonderd aan. â âEen reisgenoot? Ge zijt het dus reeds moede, â en 't verveelt u, met mij alleen te reizen?quot;
âIn tegendeel, mijn geliefde vrouw; ik wil verhinderen dat het u verveelt met mij alleen te blijven. Men moet
44
verstandig zijn en het euvel, 'twelk men weet dat in de wereld is, zoolang mogelijk trachten van zich verwijderd te houden. De dag, waarop ons het alleen zijn verveelt zal wel komen, en dus meen ik, is het verstandig, dat ik hem reeds bij voorbaat vermijde, door een gezelschaphouder mede op reis te nemen!quot;
âEn wie zal die gezelschaphouder zijn?quot; vroeg zij met bedroefde stem.
,,De lieve baron von Leonhardt,quot; zeide hij met een zonderlingen glimlach.
Zij ontroerde. â âBaron von Leonhardt V herhaalde zij met bevende stem.
Hij knikte. â âJa; hij is uitermate gelukkig dat ik hem vergund heb, onze reisgezel te zijn. Het spreekt van zelf, dat hij het derde der kosten draagt. Hij zou gaarne in zijn vreugde de geheele reis hebben willen betalen, zoo ik dit had willen aannemen.quot;
Zij staarde een poos voor zich uit; vervolgens zag zij met een blik vol onschuld en tee^erheid tot haren jongen echtgenoot op, die haar met een spottenden glimlach gadesloeg.
âKurt, het is onmogelijk, dat de baron von Leonhardt met ons rijdt!quot; zeide zij.
âWaarom onmogelijk, mijn lief kind?''
âWel, omdat de baron mij bemint! Ik dacht dat ge dit wist, en heb dus hier niet met u over gesproken. Hij bemint mij zeer, en heeft bij mijne ouders en bij mij naar mijn hand gedongen. Mijne ouders zouden't gaarne gezien hebben, dat ik met hem getrouwd ware, maar ik zeide neen!quot;
âGe zeidet neen!quot; herhaalde Wiesel: âge zeidet neen, zoo als ge reeds tot zoo veel voorname vrijers gezegd hadt. Maar ik zie niet in, waarom de baron daarom niet met ons zou reizen?quot;
âGij ziet dit niet in ?quot; vroeg zij verwonderd: âhet komt mij toch hoogst ongepast voor, een afgewezen minnaar mede op reis te nemen. En nog wel op de huwelijksreis, Kurt!quot;
Hij lachte luid. â âWelk een onschuldige engel zijt ge toch! Het komt mij juist zeer gepast voor, eenatgewezen minnaar mede op reis te nemen! En wij zullen er duizend grappen door hebben! Denk eens, welke foltering de arme baron zal lijden, als hij ons in teedere liefde, in
15
de wittebroodsweken van ons geluk, naast elkander ziet; de heerlijke bloemen en vruchten der liefde ziet geuren en schitteren en daarbij Tantalusfolteringen moet lijden. O, wij zullen er een heerlijke grap door hebben, en 't is het pikantste genot van onze huwelijksreis' Wij willen hem zoo veel mogelijk ergernis en kwelling bereiden, door hem al 't vuur onzer liefde te laten zien.
âKurt, wat ge daar zegt, is niet goed en edel!quot;
âEn ge gelooft dan waarlijk, dat ik goed en edel ben?quot; vroeg hij met een honende uitdrukking.
âJa,quot; zeide zij: âdat geloof ik!quot;
En zij zag hem hierbij met zulk een innige uitdrukking van vertrouwen en liefde in 't gelaat, dat 't hem schier scheen te bewegen.
âArm lam!quot; zeide hij schouderophalend: âdat gelooft ge dus waarlijk? Ge meent, ik ben -r- gelijk gij â eerst pas uit den hemel nedergevallen, en ge weet tóch dat ik reeds twee-en-dertig jaar oud ben. Maar zeg mij eerlijk: waarom hebt ge mij toch eigenlijk getrouwd. Weet gij het?''
Zij lachte luid. â âZeker weet ik het, Kurt. Wijl ik u bemin; wijl ge mij beter behaagdet, dan alle andere voorname, smachtende heeren, die den geheelen dag van liefde zwetsten en zuchtten, en zich zalig hielden, als ik hen slechts aanzag. Gij waart geheel anders dan dezen; ge hebt mij eigenlijk nauwelijks gezegd dat ge mij bemindet en ik brandde van verlangen, steeds dit woordje van uwe lippen te hoeren. Op al de gloeiende en verrukte liefdesbetuigingen der anderen lette ik niet, maar hoorde slechts naar den toon uwer stem, en zoo die een weinig vriendelijker en teederder was dan gewoonlijk, gevoelde ik mij gelukkig en zalig. En toen ge mij nu eindelijk bekendet dat ge mij bemindet en mij vroegt of ik uw vrouw wilde worden, zeide ik zoo ras mogelijk ja, en ijlde ten spoedigste tot mijn vader en moeder; want ik vreesde dat ge berouw zoudt kunnen krijgen en u zoudt kunnen schamen, zulk een klein, dom meisje als mij, te beminnen en er mede te willen trouwen.quot;
âGe zijt te bescheiden, veel te bescheiden,'' zeide hij: âIk ben de benijde, gelukkige, dien uwe liefde honderden rijken en voornamen tot vijanden heeft gemaakt, en die er trotsch op is, dat de schoone, rijke, en gevierde Pauline Casar, hèm uit al hare vrijers gekozen heeft. Maar hoe gelukkig en trotsch
46
ik ook ben, ik wil tóch niet dat ge ons huwelijk intreedt met een dwaling, mijn lieve Pauline. Ik moet uw fraaie, schitterende oogen een weinig openen, opdat ge helder ziet, mijn kind. Ge 'hebt mij niet genomen uit liefde, en uw hart is inderdaad niet zóó dwaas, dat het zich uit alle anderen dezer jonge, schoone en voorname vrijers, aan den leelijken, houterigen en seblazeerden Wiesel met teederheid zou overgeven.quot;
âEn mijn hart doet het tóch!quot; riep zij vroolijk lachend, terwijl zij haar arm om zijn hals sloeg: âWelk een zonderling, lief mensch zijt ge toch! Ik heb u bewezen dat ik u bemin; ik heb u boven alle anderen gekozen, en evenwel wilt ge mij bewijzen, dat ik het niet uit liefde heb gedaan!quot;
âEn ik heb gelijk,quot; zeide hij; âge hebt mij boven alle anderen gekozen uit eigenzinnigheid, uit spotternij, uit overmoed, uit al wat ge wilt, â maar niet uit liefde! Ik heb u getergd door mijn schijnbare onverschilligheid, door mijn kalmte. Ge vondt het zonderling en onverdragelijk, dat er een jonkman in uwe nabijheid kon zijn, die het waagde niet door uwe almacht overweldigd te worden, en daarom sloegt ge bijzonder acht op mij, en daarom was een goed woord van mij u liever dan alle vleierijen der anderen. En ik moet u nu bekennen, mijn waarde Pauline, dat ik zeer trotsch en tevreden over mij zeiven ben; want mijn plan is mij volkomen gelukt, en ik heb mij zeiven bewezen, dat ik de wereld en de menschen ken, en mijn rekenopstel juist was.quot;
âHoe?quot; vroeg zij lachend; âUw rekenopstel? Heeft dat op mij betrekking gehad?quot;
âZekerlijk, Pauline ; alléén op u! Toen ik u zag, omgeven van aanzienlijke en schitterende vrijers, zeide ik bij mij zei ven, betooverd als ik was door uwe schoonheid: dat er slechts één middel was om u te winnen, door mij den schijn te geven, u volstrekt niette zoeken, maar op een afstand te blijven; u spottend gade te slaan en koud te schijnen als ijs, terwijl het in mij gloeide, en mijn hart in liefde en zaligheid naar u smachtte. Ik heb mijn rol goed gespeeld, want ik heb u gewonnen, en heb nu het onuitsprekelijk genoegen, dat alle schooner, rijker en voornamer vrijers, met lange neuzen hebben moeten aftrekken, en dat de leelijke, door
17
hen soms bespotte Kurt Wiesel, de fraaie bruid verkregen heeft.quot;
Terwijl hij dit zeide, glinsterdèn zijne oogen van zulk een wilden glans, en zulk een spottende, helsche glimlach speelde om zijn dunne lippen, dat Pauline er van schrikte en angstig haar gelaat op zijn schouder drukte.
âIk bid u, spreek niet zoo lot mij,quot; zeide zij schuw : âuwe woorden doen mij wee. Ik geloof, dat ge mij niet zoo feeder bemint als ik hoopte; ge spreekt alles zoo koel en berekenend, en zijt geenszins zóó door liefde en geluk vervoerd, als ik hoopte en meende dat wij beiden moesten zijn.quot;
âZijt gij het dan?quot; vroeg hij.
âIk was het vroeger, vóór ge mij al deze dingen hebt gezegd en verklaard, Kurt. O,quot; riep zij, plotseling haar hoofd ophelfende en hem gloeiend doch tevens smartelijk aanziende ; ,.0, Kurt, ik bid u, tracht mij niet zoo verstandig en wijs en geleerd te maken, als gij zijt. Ik bid u, leg mij niet alles uit, en trek den sluier niet van alle zaken, die onder den sluier zoo fraai en heerlijk schijnen,quot;
Hij lachte luid. â âGe wilt u dus laten' misleiden door de wereld en de menschen?quot; zeide hij: âGe wilt zoo lafhartig zijn, dat ge de waarheid niet in het aangezicht durlt zien ?quot;
Zij knikte, en tranen vloeiden uit haar oogen op hare handen neder.
âJa,quot; zeide zij: âik wil zoo lalhartig zijn. Ik ben nog zoo jongen verlang zoo zeer naar de schoone, heerlijke wereld, die ik nu aan uwe zijde zal leeren kennen en genieten. En nu vrees ik, dat ge van alles de bloemen en versieringen zult wegrukken; van alles de maskers zult afnemen en mij toonen wilt, dat daaronder niets zijn dan afgronden, logen en bedrog. Doe het niet, Kurt. Ge hebt mij in de laatste dagen dikwijls gezegd- ik leefde in illusiën. Ik bid u; laat mij deze illusiën! Laat mij denken, dat de wereld schoon is, dat de menschen goed zijn, en dat God genadig is voor ons allen. Laat mij deze illusiën behouden! En vóór alles, mijn dierbare Kurt, laat mij deze schoonste en hoogste illusie: dat ge mij bemint en mij getrouwd hebt niet uit boosheid jegens anderen, maar uit liefde voor mij!quot;
âEn zekerlijk hebt ge hierin gelijk,quot; zeide hij,haar zacht tot zich trekkende; âuit liefde bovenal heb ik u getrouwd, en dan óók wel een beetje uit boosheid. En dat is de fraaiste ïïühlbaoh, Luitschlancl in Woeling en Strijd. VIII. 2
48
specerij voor de liefde; en daarom, mijn lieve Pauline, heb ik mijnheer von Leonhardt verzocht onze reisgenoot te zijn. Zijn verdriet te zien wegens het zoete geluk onzer liefde, dat zal de pikantste specerij onzer wittebroodsweken zijn. Het zoet heeft een weinig specerij noodig, het wordt hierdoor smakelijker, en men kan het beter verdragen.quot;
âAl weder de koude wereld en de berekening!quot; zuchtte zij; âMaar, Kurt,quot; voer zij vroolijker voort: âmij dunkt onze reisgenoot heeft zich verlaat, en zoo ge uw jonge vrouw een eerste liefdedienst wilt bewijzen, laat ons dan haastig in het rijtuig stijgen en zonder hem wegrijden, 'tls zijn schuld, dat hij op zijn tijd hier was, en mij is 't een vreugde, zoo hij niet mede rijdt.quot;
âEn zoo wij nu werkelijk uw wensch vervulden,quot; zeide Wiesel: âdan zou hij ons tóch op de eerste pleisterplaats inhalen, want hij zou ons met postpaarden volgen, en â Ha, daar is hij reeds!''
De deur ging juist open en een jong rijzig man, met bleek, treurig gelaat trad binnen. Wiesel ging hem glimlachend tegemoet en reikte hem de hand.
âGe hebt het dus werkelijk van u verkregen, mijn waarde? Ge wilt den beker des lijdens tot op den bodem ledigen; ge wilt ons zien in ons geluk en de wittebroodsweken met ons deelen?quot;
])e jonge man knikte en sloeg heimelijk een smartelijken blik op Pauline, die het vermeed hem aan te zien.
âMijn liefde is sterker dan mijn verstand,quot; zeide hij zacht: âge hebt mij voorgesteld u op uw huwelijksreis te verzeilen, en ik heb het aangenomen ; want ik wil liever het vergif droppelswijze innemen en langzaam sterven met het schoonste beeld voor mijne oogen, dan zoo plotseling in nacht en dood neder te zinken.quot;
âDit zijn zeer treurige en zwaarmoedige woorden,quot; zei Pauline haastig, terwijl zij naderde en den jongenman haar hand op den schouder legde : âwaarlijk, baron, zeer treurige woorden, en hiermede legt ge een schaduw op ons jong geluk.quot;
âHoort ge 'twel?quot; spotte Wiesel; âZij spreekt van ons jong geluk. Zie de schoone vrouw eens aan, is zij niet kostelijk en heerlijk om te aanschouwen?quot;
âNeen, zie mij niet aan!quot; riep Pauline norsch: âIk houd
19J
er niet van als een schilderij of beeld bekeken en bewonderd te worden. En eens voor al, mijneheeren, wil ik u dü zeggen: ik eisch, dat ge uwe liefde voor mij voor altoos onderdrukt, heer baron; en ik zweer u; zoo ge het op reis slechts éénmaal waagt mij, â de gehuwde vrouw van een ander â van uwe liefde te spreken of mij uw smart te klagen, dan veroorloof ik u geen uur, geen minuut langer aan mijn zijde te zijn; en zoo mijn echtgenoot er op aandringt de reis metai voort te zetten, dan neem ik een rijtuig en keer naar Berlijn terug.quot;
Kurt Wiesel lachte luid. â âHa, en deze jonge trotsche godin beweert dat zij mij, den leelijksten sterveling bemint, en zij denkt reeds aan de mogelijkheid om van mij te scheiden! Ach, mijn lieve baron, ge zijt een zeer gelukkig mensch; want 't zal u misschien tóch nog gelukken, de liefde dezer schoone preutsche te verwerven. Maar hoor, hoe ongeduldig de postiljon reeds weder zijn oud liedje begint' te blazen; Er trokken drie ruitertjes over den Rijn. Nu, ja, nu ja, wij komen, voerman! Geef mij uw arm, dierbare, geliefde, hemelsche Pauline! En gij, waarde baron, draag\iit bouquet, hetbruidsbouquet mijner waarde Pauline^ ij schenkt het u ter gedachtenis. En nu voorwaarts! Naar Parijs, naaide school van 't leven en het levensgenot!''
V
EINDE EN BEGIN EENER EEUW.
Als men op een kruisweg staat, is 't goed een oogenblik stil te houden en nadenkend terug te zien naar den weg, dien men achter zich heeft; en ook over den onafzienbaren weg, die vóór ons ligt, na te denken. Ook bij het einde en het begin eener eeuw, mag men wel een oogenblik peinzend slaan blijven, en het verledene en de toekomst voorbij zijn geest laten gaan.
Een gewichtige eeuw werd met het jaar 1800 gesloten, en zoo men de vijftiende eeuw, die der ontdekkingen kan noemen, was de achttiende eeuw die der veroveringen te heeten. Tronen zijn gevallen en werelden geschokt ge-
20
worden. Staten uit het niet te voorschijn gekomen en in het niet teruggezonken. 5
En in deze achttiende eeuw staat schitterend aan den hemel der politiek en geschiedenis,denaam vanFrederikdenGroote! ïe midden eener geheele wereld van vijanden heeft hij zich staande gehouden; ja zelfs aan geheel Europa, â zonder hondgenooten en zonder steun, â het hoofd geboden als zijn vijand, en heeft allen verslagen. De vrede van Huhertsburg gaf hem, waarvoor hij zeven jaren lang gestreden had: het bezit van Silezië. De erfopvolgingsoorlog van Beieren, dien de held nog als grijsaard ondernam, heeft voor Duitschland den grooten zegen gehad, dat zijn evenwicht behouden, en Oostenrijks eerzuchtige plannen onderdrukt zijn geworden. Vervolgens, nadat Frederik als held gestreden had voor de grootheid van zijn land en voorden vrede van Duitschland, legde hij het zwaard neder en nam de pen ter hand, om als wetgever, als dichter en geschiedschrijver te werken en te scheppen, en de stralen van zijn genie te laten uitschieten uit die kleine studeerkamer te Sanssouci, waarin eens Voltaire 's Konings verzen corrigeerde.
Vervolgens is voor Pruisen een tijd van teleurstelling en tegenspoed gekomen: en voor het Pruisische volk hebben nog slechts de sterren van Frederik den Groote aan den hemel geschitterd. Op de aarde is het voor haar treurig geweest en somber.
Maar, aan 't einde der eeuw was deze tijd van treurigheid voor het Pruisische volk doorstaan, en met hoop, liefde en vertrouwen zag elk naar het jonge koninklijke paar, dat nu den troon had bestegen; welks deugd en huiselijkheid voor het geheele volk een navolgenswaardig voorbeeld van goede zeden, liefde en eendracht was. Het zag naar den jongen Koning, van wiens eerlijke gezindheid en politiek inzicht men hopen mocht, dat hij de diepe wonden, welke het verleden zijn land en volk geslagen had zou heelen.--
Ook Oostenrijk heeft in die achttiende eeuw zijn glans-periode en zijn grootste oogenblikken gehad. Maria Theresia, de laatste Habsburgeres, de groote vijandin van den grooten Frederik, heeft met hem gestreden en geworsteld om de grootheid van haar land en den voorrang in Duitschland. 0 Tot het einde van haar leven heeft zij getreurd en ge-
'21
klaagd over het verlies van Silezië, 'twelk voor liaar een verloren juweel barer kroon was. Maar zij heeft óók geklaagd over 'tgeen zij later in vereeniging met Frederik volbracht. En voorspellend had zij, toen zij tot de eerste verdceling van Polen baar toestemming en bandteekening gaf, gezegd: Er kan nooit iets goeds uit volgen, want het is niet goed wat wij doen!quot;
Maria ïheresia was eene geestvolle, scherpzinnige vorstin, doch zij beeft niettegenstaande baar regeeringsbeleid tocb haar rijk niet weten uit te breiden. Evenals andere vorsten had ook zij in hare landen te kampen met eene machtige partij van intriganten en een geest van verzet, waaraan zij ten slotte heeft toegegeven. Een gewichtig tijdperk brak voor de geschiedenis van haar rijk aan, toen zij bewilligde in de verdrijving der Jezuïeten; eene daad, door velen hoogelijk geprezen, door anderen scherp gelaakt. Zij had daarin toegestemd toen haar tijdgenoot Paus Clemens XIV (Ganganelli) er persoonlijk toe overging, vooral op het dringen en drijven der Spaansche en Bourbonscbe hoven, de Orde der Jezuïeten door eene Breve te ontbinden. Terwijl geheel het Protestantsch Europa over de opheffing der Jezuïetenorde juichte en deze laatsten elders een gastvrij toevluchtsoord moesten zoeken, waar zij zich op de studie der wetenschap in baar gebeelen omvang en het onderwijs ongestoord konden toeleggen, woelden en kuipten de intriganten en geheime secten voort, want het was hun ook te doen bet koninklijk gezag omver te werpen en te vernietigen.
Hoewel daartoe zoowel door woord als geschrift alles werd in het werk gesteld en eene nieuwe geestesrichting overal begon baan te breken, beeft Marie Theresia bare dagen in vrede mogen eindigen.
Op Maria Theresia was baar zoon. Keizer Jozef de Tweede gevolgd. Deze man van goeden wil en klein volbrengen,â deze man van driftigen vooruitgang, die, zooals Frederik de Groote zeide: âsteeds één schrede onstuimig voorwaarts deed, om vervolgens weder gedwongen door de omstandigheden, twee schreden achterwaarts te doen.quot; En door dezen onzaligen tegenspoed van zijn willen en niet slagen, werd de edele Keizer ziek en stierf met het treurige bewustzijn, dat alles wat hij gewild en gedaan had, â alles wat hij opgericht had, weder vernietigd en ineengestort was. De
â 22
vijanden der Jezuteten zeggen, dat deze den Keizer door vergif gedood hebben maar dat is niet. waar, zij hadden dit niet noodig te doen. Het vergif, dat dezen grooten man het bloed verbrandde en zijn hart brak, waren de hopeloosheid, de teleurstelling, en de erkenning: dat het volk, 'twelk hij lief had, 'twelk hij geluk en eendracht had willen geven, â dat dit volk zijn wil, zijne bedoelingen miskend, en zijne liefde niet begrepen had.
Vervolgens waren zoowel in Oostenrijk als in Pruisen op de groote geesten de kleine gevolgd, en de opvolger van Jozef II, Keizer Leopold, was, gelijk de opvolger van Frederik, een zachtzinnig, van zijne camarilla en zijn adepten afhankelijk man.
Na dezen was Keizer Frans de Derde gekomen; deze man, die het verstond het masker van eerlijkheid voor zijn wreed en valsch gelaat te dragen; deze man, voor wien Oostenrijks eer niet van zooveel gewicht was als het zegellak, dat hij zelf fabriceerde; die tot de professoren te Padua zeggen kon : âIk heb niets op met de geleerdheid; goede en gehoorzame onderdanen zijn mij liever, dan til de geleerden der wereld!quot; Deze man, die woedend werd, toen aan het einde zijner dagen zijn lijfarts tot hem zeide, dat hij een goede constitutie had, en op dezen lof antwoordde: âSpreek mij niet van constitutie; ik kan dat woord niet dulden ; ik heb een goed lichaamsgestel, en hiermede basta!quot;--
Ook Rusland had in deze eeuw zijn grootste regenten aan te wijzen. Het was begonnen met Peter den Groote die zijn volk uit de barbaai'schheid en onwetendheid verhief, en beschaving en zeden van ziine reizen, in zijn vaderland medebracht. En wat Peter de Groote had aangevangen, zotte, schier tot aan het einde der eeuw, Katharina H voort. Zij trachtte het testament van den grooten Czaar ten uitvoer te leggen, terwijl hare zegevierende legers haar uit Turkije, uit Polen en Galicië lauweren en roem brachten. Tot aan de oevers der Zwarte Zee heeft Katharina haar zegevaandels gevoerd, en Ruslands banier geplant op de wallen van Warschau en Praag! In den bloedrooden glans van het vuur, dat Suwarow ontstak, hebben Ruslands vaandels gewapperd.
Maar ook de Semiramis van het Noorden is gestorven tegen 't einde der achttiende eeuw, en het is in Rusland
'23
geweest, zooals 't in Pruisen en Oostenrijk was. Op de groote regentes, âden vèr uitaienden geest â is een kleine bedorven' geest gevolgd, en Rusland ziet bij 't einde der eeuw, bevend en tandenknarsend tevens, dezen verachten, gehaten en gevreesden Keizer Paul, dien zijn moeder zelve zóó zeer haatte, dat zij hem verwijderd hield van baai-troon, en hem zou hebben uitgesloten van de regeering, zoo
niet haar plotselinge dood dit verhinderd had.--
Italië heeft in deze achttiende eeuw geen groote mannen aan te wijzen gehad; het is verscheurd geworden door vreemde krijgsbenden. De Russen en de Oostenrijkers hebben op den bodem van het met bloed doorweekte Italië gestreden tegen het republikeinsche Frankrijk, en zijn toch ten laatste allen overwonnen geworden. De generaal Rona-parte was het, die de kleine staten ^van Italië in 't stof verpletterd, â en ze in republieken veranderd heeft! Rome wel is waar leeft nog, maar ingedrongen en vernederd, en het Vatikaan buigt voor de bevelen van den franschen Consul. Napels is aan 't einde van zijn doodsstrijd tegen dat zelfde Frankrijk, dat geheel Italië onder het juk heelt gebracht; en vermits zij geen andere: bondgenooten heeft, roept de ongelukkige Koningin van Napels de bandieten en roovers uit het gebergte en de Abruzzen te hulp. Maar terwijl Bonaparte, â de overwinnaar van Areola, die teruggekeerd is uit Egypte â geheel Italië in republieken poogt te veranderen, had hij de vele honderd jaren oude republiek van Venetië verwoest. De leeuw van San Marco brult niet meer; de heilige Theodorus beschermt niet meerden doge van Venetië; Manin, die onmachtig ineen zinkt, nadat hij het doodvonnis der republiek onderteekend heelt, â die nu niets meer is dan een provincie, welke de zegevierende generaal Bonaparte als een aalmoes aan 't vernederde Oostenrijk heeft geschonken.--
Engeland heeft in deze achttiende eeuw het oude intri-ge-spel voortgezet. Het heeft gerekend met zijn eigenbelang en met de geldgierigheid van het vasteland; het heeft getracht overal uit den oorlog voordeel te trekken. Het heeft subsidiën betaald aan hen, die het bloed hunner onderdanen op het spel zetten, en heeft zich steeds aan de zijde diergenen geplaatst, wier zege het voordeel en winst kon aanbrengen. Maar Engeland heeft tóch in de achttiende eeuw een ont-
24
\
zaglijk verlies geleden; het heeftzijneoverzeeschebezittingen in Amerika verloren! En aan gene zijde van den Oceaan is een nieuwe, ontzaglijke staat ontstaan: een republiek op de grootste schaal! Een staat der vrijheid, wiens opperhoofd Washington is; een staat zoo groot, ja grooter dan geheel Europa, maar die tóch in zijn verbazende uitgestrektheid beheerscht wordt door den geest der vrijheid, die in het
Witte Huis te Washington troont.--
Frankrijk beschouwen wij het laatst, want dit Frankrijk is op 't einde en bij den aanvang der eeuw de brandtoorts, die haar schitterende vonken uitspat over geheel Europa en overal brand sticht, die tronen in asch legt. en licht verspreidt, waar tot nu toe de duisternis van het absolutisme heeft geheerscht! P'rankrijk heeft gesloten met het terrorisme en den tijd van bloed en verschrikking; en bij 't begin van deze nieuwe eeuw beschouwen de republikeinen zoowel als de koningsgezinden in Frankrijk met stillen wrevel en heimelijken wrok, dien jongen, bleeken man, die thans als Consul aan het hoofd van den Staat staat, en zich generaal Bonaparte noemt. De republikeinen meenen, dat hij het zal zijn, die de republiek, â gedoopt met het vele bloed der edelste en grootste geesten van Frankrijk â vernietigen en onder den voet zal treden, en de koningsgezinden, wetendatdeze republikeinen van heden de kroon van Frankrijk niet uit het stof en de vernedering zal opheffen, om haar op het hoofd A'an den rechtmatigen Koning, van Lodewijk XVIII te zetten, die in ballingschap als graaf van Rijssel in Engeland smacht; maar dat hij haar op zijn eigen hoofd zal plaatsen, dat er inderdaad wel toe geschikt is, op zijn lauweren de kroon des rijks te dragen! Geheel Europa heeft bij het begin der nieuwe eeuw het oog gericht op dezen man, die in zijn dertigste jaar reeds meer lauweren heeft aan te wijzen, dan menig held aan't einde van een lang leven! Op dezen zoon van Corsikaanschen advocaat, die in plaats van de pen zijns vaders, het zwaard in de hand heeft genomen, en dat zwaard weldra in een scepter zal herscheppen, waarmede hij de verootmoedigde wereld zijn wetten geeft! Hij is er reeds mede begonnen; hij heeft Italië, Oostenrijk, Spanje vernederd, en vermeet zich in zijn stouten geest zelfs de zeemogendheden, die tegen hem strijden, Engeland, Zweden en Rusland te overwinnen, zooals
25
al de andere vijanden! Want Engeland, tartend op zijn onaantastbare stelling in den Oceaan,, is vast besloten den strijd tegen Frankrijk voort zetten, en het intrigeert met zijn diplomaten, zijn beletten, zijn geld bij de kabinetten van Europa, dat zij zich met hem zullen verbinden en gemeenschappelijk Frankrijk tegengaan, dat zich verstout, zelfsop de zee de opperheerscbappij te willen winnen en een mededinger van Engeland te worden. En 't is Engeland bij den aanvang der nieuwe eeuw gelukt, een Coalitie tegen Frankrijk tot stand te brengen, maar bet beeft vruchteloos gepoogd, ook Pruisen in deze Coalitie te trekken. Pruisens jonge Koning heeft Frankrijks gezant, den fijnen en behendigen Duroc, verklaard, dat hij aan het te Bazel gesloten vredesverdrag trouw blijven, âen zich nief, met de vijanden der Fransche republiek vereenigen zou.
âMaar van de âFransche republiekquot; is thans nog slechts hij naam in Frankrijk sprake. Werkelijk bestaat zij reeds niet meer sedert den twaalfden December 1799; sedert het Wetgevend lichaam de nieuwe constitutie aangenomen,â en het consulaat ingevoerd heeft.
De eerste Concul, die aan het hoofd der republiek staat, is heer van Frankrijk, dat bewonderend, aanbiddend, bevend en naar wraak dorstend tot hem opziet. â Hij is de held van zijn tijd. En even koen en stout als hij aan 't einde der eeuw op den top van den St. Bernard heeft gestaan, staat hij nu bij het begin der nieuwe eeuw hoog op den top der wereld, en ziet neder op Europa, dat. aan zijne voeten ligt, in 't gevoel van toekomstige verschrikkingen, en tot hem opziet als den éénigen, wiens taak het is, de wereld,die uit bare spillen was, weder te herstellen, of haar misschien nóg meer uit haren baan te brengen. â De tocht over den St. Bernard, door sneeuw en ijs naar Italië, is een nieuwe zang in 't groote heldendicht van generaal Bonaparte geweest, en de zangers grijpën in hunne harpen en zingen het loflied van den held vanSt.Bernard,endegeschiedschrijvers grijpen hun pen, en teekenen in degescbiedboeken deze schitterende daad van den jongen held. En de volken verhalen er van als van een wonderbare legende, en richten den blik opwaarts tot dezen bleeken jongen man met het wuivende haar, de diepe donkere oogen en den ernstig gesloten mond, â tot dit verlichamelijkt Cesarsbeeld van 't oude Rome, en zien
26
in hem een wonder der wereld. â Alexander de Groote is de wereldveroveraar geweest! Karei de Groote heeft hem na duizenden jaren hernieuwd, en weder na duizend jaren is Bonaparte gekomen, als de hernieuwing dezer twee groote helden, die werelddeelen geschokt, â en aan hunne voeten gezien hebben. Tronen na tronen heeft hij omvergeworpen, en met het machtige woord, dat als een Godspraak van zijne lippen viel; âDeze troon bestaat niet meer/quot; heeft hij hem uitgewischt uit de rij der levenden. âMet zijne overwinningen heeft hij zich zei ven een kroon opgezet, die schitterender en heerlijker is dan alle kronen van goud en edelsteenen: â de lauwerkroon, de kroon der roems! Zelfs Italië, dat hij verscheurd, verbrokkeld en vernederd heeft, â zelfs Italië is verrukt wegens dezen held, wegens de zegekransen, die het stalen voorhoofd van den jongen Cesar sieren !
Na den slag bij Marengo, die hèm in 't eerste jaar der nieuwe eeuw nieuwe lauweren,âden Oostenrijkers eennieu-we nederlaag en vernedering bereidde, was Bonaparte naar Milaan gegaan, naar het onderworpen, bedwongen Milaan. Voor eenige jaren hadden de Milanezen hem eeuwigen haat en eeuwige vijandschap gezworen, zij hadden van Bome en republiek gedroomd en gezongen; nu knielden zij in't stof voor den overwinnaar. â Met al de pracht der vroegere beheerschers van Milaan, deed hij zijn intocht in de stad. Aan den ingang van den Dom werd hij ontvangen met kostbaren wierook en praal door denzelfden aartsbisschop, die een jaar te voren aan deze zelfde deur den Bussischen veldheer Suwarow had ontvangen en hem gehuldigd had als dengene die gekomen was âom het ongelukkige Italië van Franschen overmoed en barbaarschheid te verlossen, en het verloren geluk weder te brengen.'' In den Dom van Milaan woonde Bonaparte, de eerste Consul van Frankrijk, de plechtige mis bij, met alle eer, welke men bij zulke gelegenheden slechts gewoon was aan Vorsten te bewijzen; en vervolgens ontving Bonaparte als een Vorst de hu 1de van den hoogen adel, van de hooge geestelijkheid, van de geleerden en beambten van Italië, en verleende audiëntie aan hen, die nog voor een jaar den zoon van den Corsikaanschen advocaat vervloekt en bespot hadden.
Vervolgens keerde de eerste Consul terug naar Parijs, vast besloten, 'tgeen hij te Milaan begonnen was, ook te Parijs
27
voort te zetten, dat heet; de dag voor te bereiden, op welken hij de eeuwig groene lauweren, die zijn voorhoofd kroonden, verwisselen zou voor de gouden kroon eens Konings of Keizers een nieuwe dynastie grondvesten en uit de republiek van Frankrijk een keizerrijk zoude oprichten.
Slechts weinigen van zijn vertrouwden wisten dit. De republikeinen vermoedden het en wendden zich vertoornd en met verachting af van dengene, die hen misleid en bedrogen had. De koningsgezinden vreesden hem, en zagen angstig uit naar de Hoven van Europa om bijstand voor hun verlaten, in ballingschap smachtenden Koning; smeekende dat de Europeesche Vorsten eindelijk het zwaard mochten opbellen, om den man van gevaar en geweld te verjagen, en den graaf van Rijssel weder als Koning op den troon van Frankrijk te herstellen.
De opgewondenste koningsgezinde en republikein ver-eenigden zich in hunne vijandschap en in hun haat, tot samenzweringen tegen dezen man van gevaar, tegen Bonaparte. Dolken werden op hem gericht, belsche machines barstten onder zijne voeten met hun vernielend vuur los.
Maar Bonaparte was een werktuig in Gods hand, op aarde gezonden om een nieuwen staat van zaken in te voeren, de grooten klein te maken en de volken te wekken uit hun slaap. Bonaparte was een werk Gods, en Gods hand beschermde hem nog. De dolken, die voor hem bestemd waren, troffen andere harten ; de helsche machines, op hem aangelegd, brachten anderen in zijn plaats den dood, en den sluwen Fouché gelukte het, de moordenaars en samenzweerders te ontdekken en ze op het schavot te brengen, om voor hun daden te boeten.
Nu verstomden de republikeinen allengs en onderwierpen zich aan de ijzeren hand, die op hen drukte. En de koningsgezinden ontvloden het vernederde Frankrijk, of vernederde zich zeiven en werden de hovelingen en vleiers van dit nieuwe Hof, 'twelk de eerste Consul en zijn schoone, bekoorlijke gemalin Josephine nu in 't paleis_ Luxemburg hadden opgericht en dat reeds, in weerwil van den repu-blikeinschen naam en titel, den glans, de plechtigheid en de etikette der monarchie op het voorhoofd droeg!
28
VI.
INTRIGENSPEL.
Maar met deze ondergeschikte zaken van etikette en voorbereidingen tot de Majesteit en den troon, hield Bonaparte zich niet lang op. Mochten zijn nieuwe hovelingen, zijn gemalin en zijn schoone zusters heimelijk den purperen mantel, de hermelijnen zoomen, de koninklijke kroon en den scepter voor den toekomstigen heerscher gereed maken, â Bonaparte nam weder het zwaard ter hand en ijlde den vijand tegen, die het nog altoos waagde't hoofd tegen hem op te heften.
âMen moet eindelijk een einde maken met Oostenrijk,quot; zei de eerste Consul met bliksemende oogen: âmen moet het in 't stof buigen, zóó diep, dat het zich nooit weder verheffen kan.quot;
En hij boog het in 'tstof! Geen generaal bij de Oostenrijkers, die zich meten kon met dezen jongen, roemruchtigen generaal der rupubliek; oud zijn de veldheeren van Maria Theresia en Jozef; vermolmd en verward zijn de betrekkingen van het Duitsche keizerschap! De camarilla heerscht, en dringt den Keizer tot het steeds bijeenbrengen van nieuwe legers en steeds nieuwe inspanning, en verhindert hem, zich bij den vrede met Frankrijk aan te sluiten,welker noodzakelijkheid hij echter inziet; want met zijn gezond verstand heeft Frans de Tweede wél erkend, dat de verwarde toestand zijner linantiën, zijn vervallen en door zoovele nederlagen moedeloos leger, zijn oude generaals niet meer in staat zijn, den oorlog te ondernemen met deze jonge armeé van Frankrijk, die hare lompen met haar eere-kruisen en lauweren bedekt; met dezen jongen generaal, die zijn zwaard moedig in de weegschaal werpt, zoodat zij diep nederdaalt met zijn roem, en de weegschaal van al de Europeesche vorsten omhoog stijgt, voor zijn zwaard en zijne lauweren ! Maar de camarilla duldde het niet, dat Frans vrede maakte met Frankrijk! Steeds nieuwe legers werden in 'tveld gebracht, en steeds nieuwe nederlagen zijn het gevolg. De capitulatie van Ulm, de veldslagen van
20
Hohenlinden, zijn voor Oostenrijk bloedige gedenkteekens der eerste jaren van deze nieuwe eeuw.
En nu eindelijk zinkt het zwaard neder en de camarilla verstomt; daar zendt Frans de Tweede zijn viedesbode tot den generaal en Consul Bonaparte, en de vrede van Lune-ville, die in 't jaar 1802 gesloten werd, is een nieuwe triomf voor Frankrijk, een nieuwe vernedering voor Oostenrijk.
Maar voor Pruissen en andere duitsche Rijksvorsten was deze vrede een gebeurtenis van zeer gelukkigen aard; want Bonaparte had hierbij Pruisen en al de duitsche Vorsten, die zich niet met Oostenrijk tegen hem verbonden hadden, schitterend beloond, zooals het den overwinnaar betaamt, wien de wereld behoort! Zonder verschooning, evenals ware hij reeds de onbeperkte heer van geheel Duitschland, had generaal Bonaparte de kroontjes en troontjes vernietigd, en aan Pruisen landen en provinciën geschonken, welke hij anderen ongevraagd en zonder recht ontroofd had. De bisdommen Paterborn en Hildesheim, Eichsfurt, Erfurt, Unter-gleichen, de stad en het bisdom Munster en verscheidene abdijen, waren grootmoedig door den generaal en eersten Consul aan den Koning van Pruisen overgedragen en geschonken geworden! De jonge Koning nam het geschenk dezer Duitsche landen aan, en verzekerde daarentegen den eersten Consul van zijn volkomen toestemming ten aanzien der Italiaansche rupubliek, welke Bonaparte opgericht, â en tot wier president men hem zelf gekozen had.
De vriend van Bonaparte, Duroc, bracht hem het door Friedrich Wilhelm onderteekende contract uit Berlijn terug op denzelfden tijd, dat de dienstvaardige en gehoorzame senaat den eersten Consul der republiek tot Consul voor zijn ge-heele leven benoemd had. De zoon van den advocaat was nu weder een schrede nader gekomen tot den troon, en de purperen mantel en het hermelijn en de kronen zouden spoedig gereed zijn voor Napoleon en zijn familie!---
Hij zat in zijn kabinet en liet zich door zijn vriend Duroc verhalen van zijn reis in Duitschland, en wat hij er gezien en opgemerkt had. Hij luisterde aandachtig naar elk woord van zijn vriend, en had daarbij de oogen neder-geslagen, opdat niemand in zijn blikken de gedachten zijner ziel zou lezen. Fouché, de minister van politie, was alleen bij dit onderhoud tegenwoordig, en terwijl Duroc sprak en
30
verhaalde, zat de minister in de vensternis, en zag met zijn listige wolfsoogen soms met een schielijken blik naar het bleeke, majestcuse Gesarsgelaat van den Consul en naar het glimlachend gelaat van diens gunsteling en vriend.
âGij gelooft dus,quot; vroeg de eerste Consul, toen Duroc op zijn levendige, fijne wijze hem den toestand van Duitschlartd geschetst had; âgij gelooft dus, dat onze vijanden in Duitsch-land altoos nog het overwicht hebben op onze vrienden?quot;
âIk ben er van overtuigd,quot; antwoordde Duroc schouderophalend : âmen heeft daar het geheele leger Keurvorsten en Vorsten, kanseliers en heeren, welke gij van hunne troontjes hebt nedergeworpen, en in zeer gewone menschenkinderen hebt veranderd! Zij maken allen een vuist in hun zak, en intrigeeren en kuipen tegen u en tegen de Fransche repitWicA:.quot;
Hij had op het laatste woord bij zon der'gedrukt en Bonaparte's groote donkere oogen vlogen met een snellen blik tot hem.
âZij zullen misschien verzoenüjker zijn,quot; zeide Fouché, langzaam uit de vensternis den Consul en diens vriend naderende: âzoo er geen Fransche republiek meer ware! Deze duitsche Vorsten zijn verklaarde vijanden van alle republikeinsch leven!quot;
Een fijne glimlach gleed over het bronzen gelaat van Bonaparte.
âIk neem het hun niet kwalijkzeide hij: â't is lastig een groote republiek zoo dicht aan de grenzen van zoovele tronen te hebben!''
âEn de Koningen en Vorsten, welke het edelmoedige Frankrij k nog in Duitschland overlaat,quot; zeide Fouché; âzouden zekerlijk den eersten Consul danken, zoo hij dit gevaar voor altoos van hunne grenzen verwijderde!''
De Consul zweeg en wendde zich met een levendige uitdrukking tot Duroc. â âWat dunkt w hiervan, Duroc; gelooft gij óók dat de Duitsche Vorsten liever een monarchie dan een republiek aan hunne grenzen zien?'
âOostenrijk zou er zeer tevreden over zijn,quot;antwoorddehij glimlachend: âmits deze monarchie een we/fc/e was, en de Consul Bonaparte het grootmoedig besluit nam, om de Bourbons op den door hem bevestigden troon terug te roepen!quot;
Bonaparte haalde de schouders op met een spottenden blik. â âGij denkt dus óók als die overmoedige graaf van
31
Rijssel, die mij geschreven, â en het belachelijke voorstel gedaan heelt, dat ik hem zou terugroepen, om hem op den troon te zetten! Hij wil er ook dankbaar voor zijn; hij wil mij tot Gonnetabel van Frankrijk maken ! Hij wil den scepter houden en mij genadiglijk vergunnen, het zwaard voor hem in de hand te nemen! â En wat zegt Pruisen?''wendde hij zich tot Duroc; âBegeert het óók deze vermolmde Bourbons op den troon van Frankrijk terug te voeren?quot;
De Koning van Pruisen is een veel te deugdzaam en eerlijk man, dan dat hij deze vermolmde Bourbons begunstigen zou!quot; antwoordde Duroc: âHij heeft als Kroonprins den veldtocht in Champagne- medegemaakt, en veel met de Fransche prinsen verkeerd; hij kent ze dus, en veracht hun erbarmelijk wezen en liederlijkheid in 't diepst van zijn hart! Hij moge misschien niet tevreden zijn, dat Frankrijk zulk een machtige republiek is, doch zekerlijk zal hij er niets toe doen, om de Bourbons weder op den troon van Frankrijk te brengen ! Ik geloof echter, dat de Koning van Pruisen zeer bereidwillig zijn hand zou leenen, zoo een ander den troon van Frankrijk besteeg!quot;
Er ontstond een pauze. Bonaparte was opgestaan en ging, de handen op den rug gevouwen, langzaam, met gebogen hoofd, in de kamer op en neêr. Plotseling bleef hij staan, en voor zich ziende, als sprak hij met zichzel ve, zeide hij luid: âMen moet dezen Koning van Pruisen aan zich trachten te verbinden! 't Is overigens mijn plan niet Pruisen te schaden; ik heb dit bewezen bij den vrede van Luneville, waar ik hem waarlijk een schitterend geschenk gegeven heb! Ik wil het weder bewijzen ; ik wil de vriendschap met Pruisen bewaren; ik wil dezen jongen Koning bewijzen hoezeer ik mijne vrienden ondersteun; óók bewijzen, hoe ik mijne vijanden straf en in het stof treed; hij moet het aan Engeland en Oostenrijk leeren erkennen, dat ik voor mijn vijanden een onverzoenlijk vijand ben, en ik wil aan hem zei ven toonen, dat ik voor mijne vrienden een trouw, verkleefd vriend ben ! Gelooft ge, Duroc, dat de Koning van Pruisen mij als vriend trouw en standvastig zal zijn?quot;
Duroc haalde de schouders op. â âDat is moeilijk te beantwoorden. De Koning is een edel, eerlijk man, maaibij heeft geen sterke wilskracht en is te bescheiden. Hij denkt te gering van zich zeiven, en hierdoor komt het, dat
32
hij te veel naar den raad zijner vrienden hoort, en te veel waarde aan het oordeel van anderen hecht, 't Komt er dus ten zeerste op aan, dat men 's Konings omgeving voor zich winne, en zulke personen in zijn nabijheid brenge, die hem voor Frankrijk en voor uwe plannen stemmen. De Koning van Pruisen heeft eigenlijk, naar 't mij schijnt, slechts twee hartstochten; namelijk zijn liefde voor zijne vrouw en den wensch, den vrede te behouden! Er moesten hem wèl groote beleedigingen en krenkingen van de zijde van Frankrijk wedervaren zijn, zoo de Konjng er toe zou kunnen besluiten, het zwaard tegen u op te heffen!quot;
Bonaparte haalde de schouders op. â âEn zoo ik in een oorlog met Oostenrijk zeer ongelukkig ware, â zoo ik door Engeland, Rusland,Zwedenen deandereblallersoverwonnen werd, dan zou de vredelievende Koning van Pruisen om des vredes wille, zich bij mijne vijanden voegen!''zei Bonaparte bedenkelijk; âik kendat;ik ken deze vredelievende menschen, en vertrouw hen niet! Men moet zoeken de omgeving des Konings te winnen; â hoe is het met de Koningin? Is er geen middel om haar tot een steun van Frankrijk te maken? Heeft zij geen zwakheden, geene eigenschappen die het mogelijk maken om op haar gemoed te werken?quot;
âNeen,quot; zei Duroc levendig; âKoningin Louise is vrij van alle zwakheid, en hare eigenschappen zijn slechts die van een deugdzame, hooghartige vrouw! Ik geloof niet dat er iets ter wereld is, 't welk de Koningin zou kunnen bewegen, tegen haren echtgenoot, tegen haar vaderland en tegen haar eigene, edele overtuiging te handelen. De Koningin is de goede engel, die aan de zijde des Konirigs staat. Zij gaat daar heen met helder oog en vriendelijken blik, en elk die haar ziet, heeft een gevoel van vereering en bewondering en zou 't nimmer wagen, deze verheven gestalte met oneerbiedige gedachten te naderen!quot;
Bonaparte had de met vervoering gesproken woorden van Duroc verbaasd, â en met schier somber gelaat aangehoord, nu brak hij in een luiden lach uit.ââWaarlijk ; ge schijnt geheel betooverd door deze Sirene van Pruisen!quot;
âNoembaar geen Sirene,quot; zet Duroc ernstig; âzij is Pruisens goede engel; zij is de verlichamelijkte bevalligheid, zij is Juno en Venus tegelijk; en tóch vlamt daarbij uit hare liefelijke oogen het vuur en de schranderheid eener Minerva!quot;
33
âParbleu!quot; zei Bonaparte schouderophalend: â't is goed dal Josephine en Hortense uwe verrukking niet hoeren ; zij zouden er u waarlijk weinig dank voor weten, dat ge, als een troubadour van het minnehof van Koning liené, in verrukking komt voor een andere vrouw! â Uwe woorden in proza overgezet zijn dus een ontkenning, dat Koningin Louise geschikt is, bij haar gemaal ten onzen gunste te werken?quot;
âDat heb ik niet gezegd,quot; antwoordde Duroc ernstig : âik heb slechts gezegd, dat Koningin Louise niet om te koopen en te winnen is! Men zou haar daartoe moeten kunnen overtuigen dat Frankrijks vriendschap, voor het welzijn van haar gemaal, van hare kinderen en van haar vaderland bevorderlijk en nuttig is; want zij is, behalve dat zij den Koning en hare kinderen hartstochtelijk bemint,eenegrootepatriotte, en ik heb tranen in hare oogen gezien, toen men van Duitsch-lands verdeeldheid en Oostenrijks nederlagen tot haar sprak. Op dit punt is zij even gevoelig als de neef des Konings, die nevens haar, de belangrijkste persoon aan het Hof is!quot; âWie is deze neef?quot; vroeg Bonaparte.
â't Is prins Louis ; men noemt hem prins.Louis Ferdinand, wijl bij de zoon van den laatsten broeder van Frederik den Groote, - - van prins Ferdinand is.quot;
âHa, 't is waar !quot; merkte Bonaparte terloops aan: âik heb dien naam reeds gehoord; hij heeft den veldtocht mede gemaakt en is toen in zijn woede over het sluiten van den vrede van Bazel zóóver gegaan, dat hij het leger tot opstand tegen Frankrijk heeft aangezet: hij schijnt mij inderdaad een hartstochtelijk tegenstander van Frankrijk te zijn.quot;
âDat is hij,quot; zei Duroc; âen om deze reden vreest hem de Koning, en houdt hem van zich verwijderd. Deze prins Louis Ferdinand is misschien de éénige mensch, om wiens oordeel de Koningin zeer veel geeft, wijl zij in haar innige gezindheid overeenstemt met den prins; en juist wijl zij weet, dat hij, evenals zij. Frankrijk vreest en Duitschlann bemint, hecht zij aan zijn stem en zijn oordeel zeer veel gewicht; en juist wijl de Koning dit gevoelt en weet, houdt hij den prins van zich verwijderd. Men moet dus vóór alles trachten, prins Louis Ferdinand voor Frankrijk te winnen.''
âWij hebben reeds menige duitsche vesting genomen ! Denkt ge dat het zeer moeilijk zou zijn, den prins te veroveren?quot; vroeg Bonaparte.
Milhlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 3
34
âJa zeer moeilijk; want de prins is een groot enthusiast, en ik verberg 't u niet, Bonaparte, hij haal u, want hij is eerzuchtig, koen en heldhaftig, en het ergert hem, dat hij de handen in den schoot moet leggen, terwiji de wereld veroveren kunt. Geheel Pruisens jongelingschap ziet tot hem op, als tot een ideaal, en zij haat u, wijl Louis Ferdinand u haal. Zij noemen hem den pruisischen Achilles; en 'tis waar, deze naam past voor zijn jeugd, zijn schoonheid en zijn ridderlijkheid.quot;
Bonaparte zweeg en ging weder peinzend heen en weder; vervolgens vroeg hij; âEn heeft deze pruisische Achilles volstrekt geen kwetsbare plek aan zijn hiel ?quot;
âEén enkele, misschien,quot; antwoordde Duroc nadenkend ; âde prins is edelmoedig, lichtzinnig en verkwistend ; hij is bestendig in geldnood.quot;
âEen jaargeld van eenige millioenen â zijn schulden betalen âquot;
Duroc schudde het hoofd. ââDat zou tevergeefs zoo; hij zou, â al ware hij ook in den grootsten nood, â Frankrijks millioenen met verachting afwijzen; hij is niet te koop.quot;
âMaar,quot; zei Fouché, zacht als een wolf, die op den loer ligt, nader sluipende: âmaar ge zegt toch, Duroc, dat deze Achilles een kwetsbare plek aan den hiel heeft?quot;
Duroc knikte. â âHij is een minnaar van de vrouwen, en zooals bij elk echt soldaat, is zijn hart steeds frisch en jong voor een nieuwe lietde.quot;
Een spotlach gleed over Fouché's ijskoud gelaat. â âHij bemint de vrouwen, dat wil zeggen: dan is hij om te koopen! Hij is geniaal, hooghartig, schoon, hij bemint de vrouwen ! Bonaparte, mijn verheven begunstiger, mijn levenslange Consul â ik denk, wij zullen aan het pruisische Hof een vriend verkrijgen, die ons dienstig kan zijn en uwe plannen bevorderen zal.quot;
Bonaparte lachte. â âWaarachtig, ge doet alsof de sirene, die hem verlokken moet, reeds haar werk volbracht heeft; en tot nu toe is zij toch volstrekt nog niet gevonden.''
âWi] zullen haar vinden,quot;zei Fouché bedaard: âer zijn thans zoo veel fraaie, geniale jonge dames van Frankrijks ouden adel,die zich gaarne voor/icimmife/ib/zouden laten winnen.'
Bonaparte wendde haastig het hoofd naar hem. â âEr is, zoo veel ik weet, geen Hof in Frankrijk.quot;
35
Fouché boog glimlachend het hoofd. â âMaar er zal er een komen. PJn deze dames van het oude Hof en de oude aristocratie, hebben een lijnen speurneus en rieken het koninklijke hert reeds in de lucht, reeds eer het genaderd is. Zij zouden vóór alles een rol willen spelen, die met hare schoonheid een koketterie overeen stemt, en zoo men hen voor de goede voorstelling en uitvoering der rol misschien hunne goederen, welke de republiek zich heeft getrokken, in 't verschiet stelt, â kortom, haar macht, aanzien en rijkdom belooft, dan zullen zij bereid zijn tot nóg moeilijker dingen, dan om den schoonen prins Louis Ferdinand in beur netten te vangen, en hem voor Frankrijk te winnen.quot;
âGij gelooft, Fouché, dat ge zulk een sirene kent, die dat zou kunnen ondernemen en ook uitvoeren?'1
âIk geloof het!quot; antwoordde Fouché glimlachend ; âGeeft de eerste Consul aan zulk een sirene de belofte, hare goederen en erfelijk kasteel, 't welk de republiek haar onrechtvaardig ontnomen heeft, terug te geven, en haar tot zij haar werk volbracht heeft, een millioen livres te bewilligen opdat zij naar haar rang en stand leven kan ?quot;
âIndien de republiek het recht niet had deze goederen tot zich te trekken, dan is het mijn plicht, ze haar terug te geven,quot; zei Napoleon : âen als iemand aan de republiek gewichtige diensten bewijst, dan is het plicht hem schitterend te beloonen. Men zal deze sirene, â zooals ge gezegd hebt, Fouché â een millioen, namelijk in maandelijksche termijnen, gedurende zes maanden gerekend, geven ; want , anders mocht de sirene zich met het millioen vergenoegen, en haar rol in 'tgeheel niet spelen. Men zal deze sirene voorts, zoo haar werk gelukt, en zij den schoonen en invloedrijken prins Louis Ferdinand voor Frankrijk verovert, de goederen van haren vader en haar familiekasteel teruggeven.''
âDe eerste Consul zal de genade hebben deze belofte te doen schrijven, en ze met eigen zegel en bandteekening te voorzien.quot;
âSchrijf het op, ik zal 't onderteekenen en zegelen. Dan kan de sirene zoo spoedig moquot;eliik haar Araonautentocht ondernemen.quot;
âWil de eerste Consul haar niet zelf zijn instucties mede-deelen ?quot; vroeg Fouché.
36
Bonaparte glimlachte. â âNeen, waarlijk niet! Ik wil haar liever in 't geheel niet zien ; zoo zij waarlijk zulk een sirene is, weet ik niet of ik niet de ongelukkige rol van Ulysses zou moeten spelen. En zoo Josephine dit vernam, was ik een verloren man! Neen, laat uwe sirene zich met uue instructies tevreden stellen, ik wil haar niet zien!quot;
VII.
MEN ZEGT.
Frankrijk en Oostenrijk beoorloogden elkander in Spanje en aan den Donau. Engeland, Piusland en Zweden riepen moord en brand over Frankrijks veroveringszucht, over den levenslangen Consul, die te Parijs troonde en de reeds bereide keizerlijke kroon slechts verborg, onder de lauweren zijner overwinningen.
De wereld stond in vlam ! Maar in Pruisen was alles nog rustig en stil. Nog had de vredespartij, aan wier spits de minister von Haugwitz stond, haar invloed op 's Konings gemoed niet verloren ; nóg vroegen de hovelingen luisterend en loerend tevergeefs elkander, of Koningin Louise óók tot deze vredespartij, â dat heet, tot de vrienden van Frankrijk, de bewonderaars van Bonaparte behoorde, dan of zij niet in stilte met den minister von Hardenberg en met prins Louis Ferdinand harmonieerde. Dat deze twee bepaalde en verklaarde vijanden van Frankrijk waren, dat Hardenberg in bestendig verkeer en persoonlijke levendige briefwisseling met Keizer Alexander stond, dit was een even luid geheim, als dat prins Louis Ferdinand een bepaald aanhanger van een verbond met Oostenrijk, dus vóór een oorlogsverklaring tegen Frankijk was.
Maar deze verschillende partijschappen hielden zich nog tamelijk rustig en werkeloos; want de Koning was bepaald voor den vrede, en vrede en eendracht moesten zoolang het eenigszins mogelijk was, in zijn land heerschen; dit was zijn vurigste wensch, en daarheen richtte hij al zijn hoop en streven.
Vrede! Hij kende te goed den rampspoed van den
37
oorlog; hij had dit gezien in den veldtocht in Champagne. De oorlog is een te vreeselijk onheil, dan men hem zou inroepen, tenzij in den uitersten nood en in het grootste gevaar voor het vaderland.
O Goddank! Dit gevaar is nog niet voorhanden; men kan zich nog in rust verheugen, men kan nog in vrede voor het huiselijk geluk leven. En waar bloeit dit geluk zuiverder, waar bloeit het fraaier, dan in het huis des Konings, dan aan de zijde van deze bekoorlijke, schoone, edele Koningin, die niet alleen voor haar gemaal, maar voor geheel het Pruisische volk een ideaal van minzaamheid, deugd zedelijkheid, schoonheid en bevalligheid is? Naar haar verlangde de Koning, als hij niet bij haar was; haar behoorden al zijne gedachten, zijne wenschen, zijn geluk! â
De laatste zomermaanden had het koninklijke Hof in het stille, liefdelijke Parez doorgebracht; of beter gezegd: niet het koninklijke Hof, â maar het koninklijke paar met zijne kipderen. Het Hof, de etikette, het, ceremonieel waren uit dit landelijk, stille oord gebannen, en daarom verademde Friedrich Wilhelm, en daarom straalde zijn aangezicht van opgeruimdheid en vrede, als hij het groene park van Parez betrad, waar het gunstig lot hem vergund had gelukkig te zijn, niet als Koning, maar als mensch; een vrouw aan zijn zijde te hebben, welke niet de politiek en de etikette hem hadden gegeven, maar die de liefde van zijn hart en de wensch zijner jeugd was geweest.
Hij kwam heden van Berlijn terug, waar hij een zitting van den Staatsraad had bijgewoond. Zijn gelaat was op den geheelen terugweg treurig en ernstig geweest, en de oude, goede generaal von Kökeritz, die nog altoos zijn trouwe vriend en geleider was, had vruchteloos getracht, gedurende den rit door allerlei argelooze gesprekken 's Konings geest te vervroolijken. De Koning had dit wel opgemerkt, en toen zij nu door Potsdam gereden en op den weg naar Parez war en, verhelderde zich het gelaat des Konings, en hij knikte den generaal vriendelijk toe.
,,Ik dank u voor uwe pogingen, waarde Kökeritz, maar er is heden niets met mij te beginnen, 't Is een eeuwig gekibbel en geharrewar in den Staatsraad. Zij weten zeiven niet wat zij willen, de heeren staatsraden. De eerzucht verblindt hunne oogen; zij zouden zoo gaarne als groote staats-
38
lieden in de geschiedenis opteekencTworden; zij zouden den scepter uit mijn hand willen nemen, en een rol spelen in de wereld. Daarom dat eeuwige oorlogsgeschreew en gejammer wegens de bedreigde kroon van Pruisen. Ik acht haar volstrekt niet bedreigd en zou niet weten, waar en hoe Pruisens eer aangerand is.quot;
âUwe Majestei t heeft volkomen gelijk,quot; zei deoudegeneraal; âdeze heeren van den Staatsraad zijn werkelijk eerzuchtig, en de baron von Hardenberg zou vóór alles gaarne een rol spelen. Gelukkig dat de graaf von Haugwitz verstandiger is, met bedachtzaamheid de dingen beschouwt, en den oorlog ontraadt. Men zegt. wel is waarâquot;
âNu?quot; vroeg de Koning barsch, toen Kökeritz zweeg: âwat zegt men ? Ge weet, goed Kökeritz, dat ik gaarne heb dat ge mij alles verhaalt, wat men zegt.quot;
âMen zegt, wel is waar,quot; begon Kökeritz opnieuw: âdat graaf Haugwitz niet zoo geheel zonder zelfzucht handelt, wanneer hij voor den vrede stemt. Hij moet â zoo zegt de kwade wereld, niet ik, Majesteit â hij moet hiervoor door Frankrijk schitterend beloond worden, Zeker is't, dat zijn vrouw, de gravin von Haugwitz, onlangs een wonder fraai juweelen tooisel uit Parijs heeft ontvangen,quot;
âGe gelooft dit waarlijk?quot; vroeg de Koning haastig; âGe gelooft, dat hij door zijn vrouw omgekocht wordt?quot;
Generaal von Kökeritz sloeg een haastigen, onderzoekende blik op 't gelaat des Konings en hij zag de wolk der ontevredenheid, die op zijn voorhoofd lag. â âIk geloof het niet. Majesteit; ik herhaal slechts het on-dit van den dag.quot;
â't Zijn dikwerf verfoeielijke leugens!quot; viel de Koning hem in de rede.
âDat is waar,quot; hernam de behendige hoveling haastig: ,,ik voor mij ihoud óók deze praatjes voor afschuwelijke leugens, die ik veracht. De gravin von Haugwitz heeft zich wél een prachtig juweelen sieraad door de gravin von Stein laten bezorgen. Maar 't is immers ook mogelijk, dat het werkelijk zóó gelegen is, dat de gravin von Stein dien slechts bezorgd heeft, en dat de gravin Haugwitz hem van het schitterende speldegeld heeft betaald, 'twelk de graaf sedert zijn teedere hereeniging, aan zijn echtgenoote geeft.quot;
âIk houd mij overtuigd dat het zoo is,quot; zei de Koning haastig.
39
Generaal von Kokeritz boog. â âIk ook. De gravin von Stein zal hem slechts bezorgd hebben. Zij kent immers de kanalen te Parijs zeer goed, daar zij te Parijs geboren is.quot;
âWie is deze gravin von Stein eigenlijk?quot;
âUwe Majesteit weeter even veel van als ik,quot; zei generaal von Kokeritz schouderophalend; ,,de Fransche gezant de Laforet heeft haar immers op het jongste feest dat hij in zijn gezantschapshótel gaf, aan Hunne Majesteiten voorgesteld.quot;
â't Is waar,quot; zeide de Koning: âik herinner mij. De gravin is een zeer schoone dame, met een eenigszins koket en uitdagend voorkomen, dat de Koningin niet beviel. Zij heeft zich, geloof ik, bij de opperhotmeesteres aangediend. Ik wil toch mijn vrouw eraan herinneren, dat zij, zoo de Hol'leesten weder beginnen, deze dame noodigt. Zij is goed geacrediteerd bij het Fransche gezantschap, en om den wille van den lieven vrede moet men voorzichtig zijn. Ge weet anders niets omtrent haar, Kokeritz? Ik vraag u nu niet als Koning,â maar verzoek den vriend, mij antwoord te geven.quot;
âIk weet waarlijk zeer weinig nopens haar. Majesteit,quot; antwoordde Kokeritz voorzichtig: âde dame is bewonderenswaardig schoon, en schijnt zeer rijk te zijn. Zij voert een schitterenden staat en noodigt de voornaamste, rijkste en aanzienlijkste edellieden. Men ziet weinig dames bij haar, maar des te meer heeren, en het valt in't oog dat zij zich vooral gaarne van edellieden omgeeft, van welke men stellig weet, dat zij niet tot Frankrijks vrienden behooren. De Fransche gezant moet hierover reeds meermalen achterdochtige opmerkingen hebben gemaakt, en hij geeft niet onduidelijk te kennen, dat mevrouw de gravin von Stein misschien wel een heimelijke agent van de verdreven Fransche koninklijke familie is, en voor den graaf van Rijssel tracht te werken.quot;
,,Ha,quot; riep de Koning met verhelderd gelaat: âzij zou dus een der weinige getrouwen zijn, die nog aan de koninklijke familie gehecht zijn! 't Doet mij pleizier dit te hooren, hoewel,quot; voer hij voort, terwijl hij met den wil van zijn verstand, de natuurlijke neiging zijns harten terug drong; âhoewel het toch gevaarlijk is, zulk een dame hier te Berlijn te laten. De consul Bonaparte mocht meenen, dat wij haar bijzonder begunstigden.quot;
40
Kökeritz haalde de schouders op. â âOpmerkelijk blijlt het tóch, datin weerwil van dezeaanduidingenenvermoedens, mijnheer de Laforet zeer veel in het huis van de gravin von Stein verkeert, en er bijzonder gaarne prins Louis Ferdinand schijnt te ontmoeten.quot;
Hij had zich dit zeer onverschillig en als ter loops laten ontvallen, maar weder vloog zijn blik haastig en opmerkzaam over quot;t aangezicht van den Koning, en hij bespeurde het trillen zijner lippen en de wolk, die Friedrich Wilhelm's voorhoofd verduisterden.
,.Die is er dus óók bij,quot; zeide hij op eenigszins scherpen en luiden toon ; âwaar iets bijzonders en pikants is, kan men zeker zijn. datprins Louis Ferdinand er bij is. Inderdaad, de gravin is schoon, en hij kan 't dus niet nalaten haar het hof te maken; want men weet immers, het eeneavontuur drijft het andere, en als men hoopt en meent, dat hij eindelijk door kwade ondervindingen van zijn liefdewoedegene-zen, is, schijnt hij slechts als een feniks weder uit de asch te verrijzen, om nieuwe avonturen na te jagen. Ik moet u zeggen, Kökeritz, dat mij het leven van mijn neef ten zeerste bedroeft.quot;
Kökeritz haalde de] schouders op. â âMen kon hem zijn liefdesavonturen, die schier alle met een treurige breuk en teleurstelling eindigen, wel gunnen; want de prins is tóch een ideaalmensch en houdt zijn geliefden, welke hij aanbidt, steeds zóólang voor godinnen tot hij erkennen moet, dat zij intriganten zijn. Maar betreurenswaardig is de verwarring zijner finantiën ; deze zijn nu tot een punt gekomen, dat het waarlijk voor de familie van den prins een schrik en jammer is. Schuldeischers, niets dan schuldeischers,endaar-bij wordt het ongebonden leven steeds zorgeloos voortgezet. Den geheelen nacht gezelschappen, waar men drinkt, muziek maakt en godenfeesten uitvoert, waarbij, naar men zegt, de godinnen niet altoos in modern, maar in Grieksch costuum verschijnen. Den geheelen dag open tafel, muziek die maar al te dikwerf overstemd wordt door het schreeuwen en schelden der schuldeischers, die de voorkamer belegeren. Ik moet Uwe Majesteit bekennen, dat prins Ferdinand mij dringend verzocht heeft met Uwe Majesteit er eens ernstig over te spreken, Haar al het verdriet en al de smart van de vorstelijke ouders te schetsen, en om hulp te smeeken.quot;
41
âHulp?quot; vroeg de Koning heftig: âIk zou wel willen weten, vanwaar die hulp komen zou? Gelooft men misschien dat het aan mijn berispen of bidden zou kunnen gelukken, den prins te veranderen?quot;
âNeen, Majesteit, dat gelooft men niet.quot;
âWelnu,quot; voer de Koning heftig voort; âverbeeldtmen zich soms, dat ik de schulden van mijn lieven, genialen neef heden betalen zal, opdat hij morgen weêr nieuwe maakt? Zoo dwaas zal ik niet zijn ! Ik heb te veel armen in mijn land, die ondersteuning behoeven. Zeg aan prins Ferdinand, dat hiervan geen sprake kan zijn, want het zou het vullen van het Danaidenvat wezen; het geld zou er doorheen vloeien, en overmorgen was het weêr de oude geschiedenis.quot;
â'tls ook dat niet, wat de doorluchtige ouders verzoeken. Zij weten wel dat zulk een middel vergeefsch zou zijn, zelfs zoo Uwe Majesteit grootmoedig besluiten mocht, de schulden te betalen, die als het zand aan de zee zijn. Er is nog een ander middel, waartoe prins Ferdinand vreest te moeten overgaan, zoo Uwe Majesteit het toestaat.quot;
âWelk middel is dat?quot;
âMajesteit, men moet luid voor de wereld bekennen wat zijn vorstelijke ouders, wat Uwe Majesteit, wat geheel de koninklijke familie en al de vrienden van den prins zelts niet weerspreken kunnen;men moet bekennen, dat de prins een doorbrenger is, en de wereld zich hiernaar te regelen hebbe.quot;
De Koning ontroerde. ââEen afschuwelijk middel! Het heet de schande der familie te openbaren en dengene te brandmerken, die bij al zijne gebreken, tóch altoos een edel en grootsch karakter bezit. Ik wil hiervan niets hooren! Ik zou er slechts in den uitersten nood in toestemmen !quot;
âMajesteit,quot; bemerkte Kökeritz zacht: âdeze uiterste nood is misschien gekomen. Pi'ins Ferdinand wordt den geheelen dag belegerd en gemarteld door de schuldeischers van zijn zoon, en dit zou het éénige middel van uitkomst zijn.quot;
âWij willen er nog over nadenken,quot; zei de Koning haastig : âik kan niet: terstond tot zulke gewelddadige maatregelen besluiten. Binnen veertien dagen zullen we er nog eens over spreken! â Hij heeft nog vele vrienden aan het Hof en in de familie; een bewijs, dat hij in den grond nog een edel hart heeft.quot;
42
âPrins Heinrich spreekt met teederheid van hemmerkte Kökeritz zacht aan; âik was eergisteren, zooals Uwe Majesteit weet, te Rheinsberg bij den prins, om hem mijne opwachting te maken.quot;
De Koning knikte. â âDat was goed, ik prijs het. Een laatste herinnering aan den grooten Friedrich, dien zeer velen zouden willen vergeten. Ik denk reeds met droefheid, dat ook deze herinnering spoedig sterven zal. De prins is zrer zwak en vervallen.quot;
âInderdaad,quot; zuchtte Kökeritz: âde artsen vreezen zijn spoedig afsterven. Maar naar den geest is de prins nog zeer levendig, en Uwe Majesteit had eens moeten hooren hoe Zijne Koninklijke Hoogheid lachte, toen hij mij verhaalde van de vele bezoeken, welke de oude prins Ferdinand, zijn lieve broeder, hem maakte, en de aanmerkingen welke hij er bijvoegde.quot;
âNu, wat zeide hij dan?quot; vroeg de Koning levendig. âGeneer u niet, Kökeritz, mij alles te zeggen; wij zijn immers hier niet in den Staatsraad, maar onder ons. Wat zeide mijn lieve oomj prins Heinrich/? Hij is niet gewoon een blad voor den mond te nemen, en zijn sarcastische bonmots te verzwijgen. Ik kan denken, dat prins Ferdinand, zijn broeder, om zijn bekende zuinigheid wat lijden moest.quot;
âInderdaad, Majesteit,quot; glimlachte Kökeritz; âjuistover deze zuinigheid spotte prins Heinrich, en zeide; prins Ferdinand, die hem nu schier dagelijks bezocht, beschouwde Jeze reizen als de voorloopige rente van het kapitaal, hetwelk hij door deze bezoeken hoopt te verwerven. â Hij komt tot mij met twee verschillende oogen; met een weenend oog 'van het heden en een lachend oog van de toekomst, en hij was nu zóó bedroefd, naar 't scheen, wegens de ziekte van den prins, dat, wanneer hij dood was, zijn broeder prins Ferdinand, volstrekt geen traan meer over zou hebben, maar de rol van een lachenden erfgenaamzou moetenspelen.quot;
De Koning knikte. â â't Is altoos de oude, sluwe geest, de onverstoorbare, scherpe blik van zijn broeder Frederik 1 En wat zeide prins Heinrich van den zoon van prins Ferdinand, van onzen neef Louis Ferdinand?quot;
âHij zeide weinig van hem,quot; antwoordde Kökeritz; âhij zeide: niemand bekommerde zich minder om hem, dan zijn neef Louis Ferdinand. Slechts ééns was hij er geweest;
43
maar toen was 't hem te moede alsof de zon opging, en zóó warm en gelukkig gevoelde hij zich, als ware hij zelf weder jong geworden. En juist diit beviel hem, dat de prins zich volstrekt niet om hem den rijken, oom bekommerde ; het schijnt ten minste dat hij geen erfenisjager is.quot;
âDat was weder een zet voor zijn broeder Ferdinand,quot; zei de Koning glimlachend: âer gaat toch in een familie veel om â van liefde en haat, van blijdschap en twist, waarvan de wereld gelukkig niets vermoedt.quot;
âJa; er is slechts één gezin, waarin werkelijk vrede en geluk wonen,quot; zei Kökeritz zalvend : âdat is het gezin Uwer Majesteit, en gij zijt het, mijn dierbare, geliefde Koning, die dat wonder bewerkt.quot;
De Koning schudde levendig het hoofd. â âNeen, Kökeritz, gij vergist u ; de Koningin is de zonneschijn van mijn huis, en zij is het, die er glans en geluk in verspreidt. Ik heb haar alles te danken wat ik aan vreugde, liefde en genot in de wereld heb; en als ik aan haar zijde ben, denk ik altoos: de geheele wereld is als een onstuimige zee en zij heeft in 't midden van deze zee een eiland ontdekt, en mij en mijne kinderen er op gebracht.'t Is het eiland der gelukzaligheid, in den grooten Oceaan der politiek en wereldbetrekkingen. Ha, en zie daar nu, mijn gelukkig eiland ; daar is de kerktoren met vergulden weerhaan, en daar zijn de groene hoornen van het park. Wij zijn te Parez, en ik dank u dat ge mij onderweg gezelschap gehouden hebt. Wilt gij hier blijven en met ons soupeeren, of keert gij naar Potsdam terug?quot;
Mijnheer von Kökeritz was, trots zijn eerlijkheid en zijn goedhartigheid, tevens een zeer behendig hoveling, en hij verstond de zin van 's Konings vraag.
âIk zal, zoo Uwe Majesteit het veroorlooft, naar Potsdam terugkeeren, en het slechts wagen Uwe Majesteit heden avond nog lastig te vallen, zoo onverwachte zaken het noodig mochten maken.quot;
Ue Koning knikte. â âAls Lombard bijvoorbeeld uit Parijs mocht terugkomen; ik verwacht hem heden of morgen. Als hij komt, breng hem naar Parez. Adieu, mijn lieve vriend.quot;
En de Koning beval den koetsier, â daar zij nu juist aan de groote ingangspoort van het park gekomen waren, â
44
hier stil te houden, en terstond generaal von Kökeritz naar Potsdam terug te rijden.
VIII.
ÃE PAREZ.
Zoodra de Koning in het park trad, verdween elk spoor van misnoegen en iedere schaduw van ontevredenheid van zijn gelaat. I5uiten had hij de politiek met al haar geharrewar, hare ergernissen en krenkelingen, en alles gelaten, wat hem het hart bezwaarde. En toen hij nu met luchtigen tred en hoog opgericht hoofd, door de belommerde, geurige alléén van het park ging, was hij een gelukkig, tevreden mensch ; een teeder echtgenoot, die verlangend zijn schoone Louise tegemoetzag.
âIk heb heden morgen door den koerier doen weten, dat ik te vijf uur te Parez zou zijn, en zij mij bij de grot wachten zou,quot; zeide hij zacht voor zich, terwijl hij met haastige schreden voorwaarts ging, en onder het voortgaan zijn horloge te voorschijn haalde: ,,'t Is precies vijf uur, en Louise zal er stellig zijn.quot;
En ja, zij was er ; zij had reeds lang voor de kleine grot gestaan en over den weg gezien, die naar de allée voerde en nu had haar scherp, helder oog geheel aan 't einde dezer allée de hooge, geliefde gestalte van haar gemaal herkend ; nu slaakte zij een vreugdekreet, en vloog als een antilope den weg op, hem tegemoet. En hij zag en herkende haar, breidde de armen uit, en riep haar naam. Zij riep den zijnen terug en ijlde voorwaarts, insgelijks met uitgebreide armen. En daar lagen zij nu hart aan hart, kusten elkander en hielden elkander omarmd, als hadden zij elkaar in jaren niet gezien. In de boomen ruischte het als plechtige orgeltonen en zoete liefdesmuziek ; de hemel blikte helder en schitterend neder op het gelukkige paar, dat hier te midden van Gods .vrije wereld, zijn verheven koninklijke waardigheid vergat, en een gelukkig, in liefde zalig menschenpaar was.
âEn de kinderen ?quot; vroeg de Koning, toen zij nu arm in arm in zoeten kout voortgingen ; âwaar zijn de kinderen?''
45
âZij zijn op het grasperk ginds bij den vijver, en weet ge Friedrich, ik heb iets allerliefst bedacht. Ik heb aan de kinderen gezegd, dat ge heden niet kwaamt; o ge hadt het jammeren en klagen moeten hooren! Frits stonden de tranen in do oogen, maar op zijne gewone wijze zocht hij door een kwinkslag zijn smart te verdrijven. En wijl hij gehoord had, dat ge den geheimraad Lombard uit Parijs wachtende waart en misschien daarom niet kwaamt, zeide hij: âDe Koning zal wel Lombardsnoten moeten kraken, en daarom kan onze lieve papa niet met ons spelen, wijl hij met de groote kinderen Lombardsnoten moet kraken. Wilhelm echter weende oprecht en zeide op zijn lieve, trouwhartige manier; âDie leelijke raenschen ! Den geheelen dag willen zij, dat onze papa Koning is.quot; â En Alexandrine rolde ini het gras en verzekerde: âPapa komt tóch, want hij heeft 't mij beloofd!quot; â en weet ge wat we nu doen willen, Friedrich ? Ik heb de kleine boot heel in 't geheim hierheen laten roeien, en zij ligt gereed. Nu dunkt mij, moesten â wij heel stil langs den oever varen tot aan het grasperk. Ge weet, het is dicht bij den oever, en daar omkranst met hooge hazelstruiken, zoodat de kinderen ons niet zien zullen. Wat zegt ge, willen wij ze nu verrassen ?quot;
De Koning knikte vergenoegd. â âJa Louise. Kom, dat willen wij.quot;
En met levendiger tred ijlde hij voorwaarts aan den arm van Louise, wier glinsterende oogen op hem gericht waren en hem aanschouwden met een zaligen glimlach.
âü Friedrich! De geheele wereld is fraai, als ge weder aan mijn zijde zijt, en Parez was straks zoo eenzaam tot ge kwaamt. Ik heb in het priël gezeten, en een hoofdstuk-gelezen uit den nieuwen roman van Lafontaine. 't Is een wonderfraai boek. En als wij de kinderen bezocht hebben, gaan wij naar de grot, en lees ik u uit het boek voor. Ook heb ik een avond-versnapering voor u gereed: prachtige geurige aardbeziën, waarvan ge zooveel houdt, mijn vriend.quot;
En onder zulk een zoeten, onschuldigen kout waren zij nu naar den oever gegaan, waar de kleine, licht bewimpelde gondel gereed lag. De Koningin sprong er luchtig in, nog vóór de Koning den tijd had; haar de hand te geven. Hij volgde haar en nam uit de hand van den bootsman, die in zijn eenvoudig matrozengewaad met den breeden glimmen-
42
âPrins Heinrich spreekt met teederheid van hemmerkte Kökeritz zacht aan: âik was eergisteren, zooals Uwe Majesteit weet, te Rheinsberg bij den prins, om hem mijne opwachting te maken.quot;
De Koning knikte. â âDat was goed, ik prijs het. Een laatste herinnering aan den grooten Friedrich, dien zeer velen zouden willen vergeten. Ik denk reeds met droefheid, dat ook deze herinnering spoedig sterven zal. De prins is zrer zwak en vervallen.quot;
âInderdaad,quot; zuchtte Kökeritz; âde artsen vreezen zijn spoedig afsterven. Maar naar den geest is de prins nog zeer levendig, en Uwe Majesteit had eens moeten hooren hoe Zijne Koninklijke Hoogheid lachte, toen hij mij verhaalde van de vele bezoeken, welke de oude prins Ferdinand, zijn lieve broeder, hem maakte, en de aanmerkingen welke hij er bijvoegde.quot;
âNu, wat zeide hij dan?quot; vroeg de Koning levendig. âGeneer u niet, Kökeritz, mij alles te zeggen; wij zijn immers hier niet in den Staatsraad, maar onderons. Wat zeide mijn lieve oom] prins Heinrichj? Hij is niet gewoon een blad voor den mond te nemen, en zijn sarcastische bonmots te verzwijgen. Ik kan denken, dat prins Ferdinand, zijn broeder, om zijn bekende zuinigheid wat lijden moest.quot;
âInderdaad, Majesteit,quot; glimlachte Kökeritz: âjuist over deze zuinigheid spotte prins Heinrich, en zeide: prins Ferdinand, die hem nu schier dagelijks bezocht, beschouwde deze reizen als de voorloopige rente van het kapitaal, hetwelk hij door deze bezoeken hoopt te verwerven. â Hij komt tot mij met twee verschillende oogen; met een weenend oog [van het heden en een lachend oog van de toekomst, en hij was nu zóó bedroefd, naar't scheen, wegens de ziekte van den prins, dat, wanneer hij dood was, zijn broeder prins Ferdinand, volstrekt geen traan meer over zou hebben, maar de rol van een lachenden erfgenaamzou moeienspelen.''
De Koning knikte. â â't Is altoos de oude, sluwe geest, de onverstoorbare, scherpe blik van zijn broeder Frederik! En wat zeide prins Heinrich van den zoon van prins Ferdinand, van onzen neef Louis Ferdinand?quot;
âHij zeide weinig van hem,quot; antwoordde Kökeritz: âhij zeide: niemand bekommerde zich minder om hem, dan zijn neef Louis Ferdinand. Slechts ééns was hij er geweest;
43
maar toen was 't hem te moede alsof de zon opging, en zóó warm en gelukkig gevoelde hij zich, als ware hij zelf weder jong geworden. En juist dat beviel hem, dat de prins zich volstrekt niet om hem den rijken, oom bekommerde ; het schijnt ten minste dat hij geen erfenisjager is.quot;
âDat was weder een zet voor zijn broeder Ferdinand,quot; zei de Koning glimlachend; âer gaat toch in een familie veel om â van liefde en haat, van blijdschap en twisl, waarvan de wereld gelukkig niets vermoedt.quot;
âJa; er is slechts één gezin, waarin werkelijk vrede en geluk wonen,quot; zei Kökeritz zalvend : âdat is het gezin Uwer Majesteit, en yij zijt het, mijn dierbare, geliefde Koning, die dat wonder bewerkt.''
De Koning schudde levendig het hoofd. â âNeen, Kökeritz, gij vergist u ; de Koningin is de zonneschijn van mijn huis, en zij is het, die er glans en geluk in verspreidt. Ik heb baar alles te danken wat ik aan vreugde, liefde en genot in de wereld heb; en als ik aan haar zijde ben, denk ik altoos ; de geheele wereld is als een onstuimige zee en zij heeft in 't midden van deze zee een eiland ontdekt, en mij en mijne kinderen er op gebracht.'t Is het eiland der gelukzaligheid, in den grooten Oceaan der politiek en wereldbetrekkingen. Ha, en zie daar nu, mijn gelukkig eiland ; daar is de kerktoren met vergulden weerhaan, en daar zijn de groene boomen van het park. Wij zijn te Parez, en ik dank u dat ge mij onderweg gezelschap gehouden hebt. Wilt gij hier blijven en met ons soupeeren, of keert gij naar Potsdam terug?quot;
Mijnheer von Kökeritz was, trots zijn eerlijkheid en zijn goedhartigheid, tevens een zeer behendig hoveling, en hij verstond de zin van 's Konings vraag.
âIk zal, zoo Uwe Majesteit het veroorlooft, naar Potsdam terugkeeren, en het slechts wagen Uwe Majesteit heden avond nog lastig te vallen, zoo onverwachte zaken het noodig mochten maken.quot;
De Koning knikte. â âAls Lombard bijvoorbeeld uit Parijs mocht terugkomen; ik verwacht hem heden of morgen. Als hij komt, breng hem naar Parez. Adieu, mijn lieve vriend.quot;
En de Koning beval den koetsier, â daar zij nu juist aan de groote ingangspoort van het park gekomen waren, â
44
hier stil te houden, en terstond generaal von Kökeritz naar Potsdam terug te rijden.
vin.
TE PAREZ.
Zoodra de Koning in het park trad, verdween elk spoor van misnoegen en iedere schaduw van ontevredenheid van zijn gelaat. Buiten had hij de politiek met al haar geharrewar, hare ergernissen en krenkelingen, en alles gelaten, wat hem het hart bezwaarde. En toen hij nu metluchtigen tred en hoog opgericht hoofd, door de belommerde, geurige alleen van het park ging, was hij een gelukkig, tevreden mensch ; een teeder echtgenoot, die verlangend zijn schoone Louise tegemoetzag.
âIk heb heden morgen door den koerier doen weten, dat ik te vijf uur te Parez zou zijn, en zij mij bij de grot wachten zou,quot; zeide hij zacht voor zich, terwijl hij met haastige schreden voorwaarts ging, en onder het voortgaan zijn horloge te voorschijn haalde: ,,'t Is precies vijf uur, en Louise zal er stellig zijn.quot;
En ja, zij was er; zij had reeds lang voor de kleine grot gestaan en over den weg gezien, die naar de allée voerde en nu had haar scherp, helder oog geheel aan't einde dezer allée de hooge, geliefde gestalte van haar gemaal herkend ; nu slaakte zij een vreugdekreet, en vloog als een antilope den weg op, hem tegemoet. En hij zag en herkende haar, breidde de armen uit, en riep haar naam. Zij riep den zijnen terug en ijlde voorwaarts, insgelijks met uitgebreide armen. En daar lagen zij nu hart aan hart, kusten elkander en hielden elkander omarmd, als hadden zij elkaar in jaren niet gezien. In de boomen ruischte het als plechtige orgeltonen en zoete liefdesmuziek ; de hemel blikte helder en schitterend neder op het gelukkige paar, dat hier te midden van Gods .vrije wereld, zijn verheven koninklijke waardigheid vergat, en een gelukkig, in liefde zalig menschenpaar was.
âEn de kinderen ?quot; vroeg de Koning, toen zij nu arm in arm in zoeten kout voortgingen ; âwaar zijn de kinderen?''
45
âZij zijn op het grasperk ginds bij den vijver, en weet ge Friedrich, ik heb iets allerliefst bedacht. Ik heb aan de kinderen gezegd, dat ge lieden niet kwaamt; o ge hadt het jammeren en klagen moeten hoeren! Frits stonden de tranen in de oogen, maar op zijne gewone wijze zocht hij dooi' een kwinkslag zijn smart te verdrijven. En wijl hij gehoord had, dat ge den geheimraad Lombard uit Parijs wachtende waart en misschien daarom niet kwaamt, zeide hij: âDe Koning zal wel Lombardsnoten moeten kraken, en daarom kan onze lieve papa niet met ons spelen, wijl hij met de groote kinderen Lombardsnoten moet kraken. Wilhelm echter weende oprecht en zeide op zijn lieve, trouwhartige manier; âDieleelijke menschen! Den geheelen dag willen zij, dat onze papa Koning is.quot; â En Alexandrine rolde in het gras en verzekerde; âPapa komt tóch, want hij heeft 't mij beloofd!quot; â en weet ge wat we nu doen willen, Friedrich ? Ik heb de kleine boot heel in 't geheim hierheen laten roeien, en zij ligt gereed. Nu dunkt mij, moesten ^ wij heel stil langs den oever varen tot aan het grasperk. Ge weet, het is dicht bij den oever, en daar omkranst met hooge hazelstruiken, zoodat de kinderen ons niet zien zullen. Wat zegt ge, willen wij ze nu verrassen ?quot;
De Koning knikte vergenoegd. â âJa Louise. Kom, dat willen wij.quot;
En met levendiger tred ijlde hij voorwaarts aan den arm van Louise, wier glinsterende oogen op hem gericht waren en hem aanschouwden met een zaligen glimlach.
âO Friedrich! De geheele wereld is fraai, als ge weder aan mijn zijde zijt, en Parez was straks zoo eenzaam tot ge kwaamt. Ik heb in het priel gezeten, en een hoofdstuk gelezen uit den nieuwen roman van Lafontaine. 't Is een wonderfraai boek. En als wij de kinderen bezocht hebben, gaan wij naar de grot, en lees ik u uit het boek voor. Ook heb ik een avond-versnapering voor u gereed: prachtige geurige aardbeziën, waarvan ge zooveel houdt, mijn vriend.quot;
En onder zulk een zoeten, onschuldigen kout waren zij nu naar den oever gegaan, waar de kleine, licht bewimpelde gondel gereed lag. De Koningin sprong er luchtig in, nog vóór de Koning den tijd had, haar de hand te geven. Hij volgde haar en nam uit de hand van den bootsman, die in zijn eenvoudig matrozengewaad met den breeden glimmen-
46
den hoed, aan 't einde van den gondel stond, de riemen ovei'.
âUitstijgen!quot; ââ beval de Koning: âDe ketting losmaken ! â Ik wil zelf roeien en alleen!quot; â
De bootsman sprong haastig op den oever, maakte de ketting los en gat den gondel een lichten stoot. Zij vloog nu over het water, en de Koning dreef haar met krachtigen riemslag midden in den stroom.
't Was een heerlijk liefelijk tafereel, dit paar te zien. Stralend van jeugd, schoonheid, gezondheid en kracht, zooals zij daar nevens elkander zaten in de kleine boot, die sierlijk op het glinsterende water schommelde. De boomen, die den oever omgaven, beschaduwden het water en gaven het hielen daar een donkere kleur, waarop de zonnestralen, die door 't gebladerte vielen, als vloeiend zilver blonken. â
De wereld stond in vlam, en wat zouden degenen, die met het zwaard in de hand tegenover elkander stonden en streden om landen en volken, om kronen en lauweren, â wat zouden zij gezegd hebben, zoo zij dit tafereel gezien hadden? â Met stille, vreedzaam besloten water, en in't midden er van geheel alleen, zonder dienaren, zonder praal, het jonge koninklijke paar, dat geen andere gedachte had dan de kinderen te verrassen, die aan den oever in het gras speelden.
Nu bogen zij om den hoek, waar het water in een bekken uitliep, dat hier een soort van vijver vormde.
âZacht, nu, zacht,quot; zei de Koningin glimlachend, terwijl zij van haar zitplaats opstond, en met uitgestoken hals over de struiken op de groene weide trachtte te zien. â âZie, daar zijn zij allen bijeen en spelen vroolijk; niemand heeft ons bespeurd. Yaar nu hier dicht langs den oever, mijn vriend, tot naar gindsche aanlegplaats; daar stappen wij stil uit, en treden plotseling onder hen.quot;
De Koning knikte, en een straal van het innigste genoegen verhelderde zijn gelaat.
âDat willen wij doen, Louise,quot; fluisterde hij: âik zal de riemen nederleggen; de stroom drijft ons van zelf daarheen.quot;
Zeer zacht en voorzichtig legde de Koning de riemen nevens zich, zorgvuldig pogende geen geraas te maken. En nu dreef het water de boot met het koninlijke paar voorwaarts, zeer zacht en onhoorbaar, naar de plek welke de Koningin had aangeduid.
Aan den oever speelden de koninklijke kinderen: de
47
negenjarige Kroonprins Friedrich Wilhelm,de zesjarig prins Wilhelm, en de nauwelijks vierjarige prinses Alexandrine. Eenige voorname knapen en meisjes, die eenigermate het gezelschap der koninklijke kinderen vormden, waren bij hen; en zij speelden en zongen en snapten en keuvelden als leeuweriken in Gods vroolijke, frissche wereld. â Plotseling echter riep de Kroonprins met een wenk zijner hand de andere kinderen dicht bij zich.
âNu wil ik u iets zeggen,quot; fluisterde hij: âik heb iels bemerkt! â ik heb papa en mama gezien! Zij komen zeer stil ginds langs den oever achter de haag aan en willen ons verrassen en nu willen wij iets doen: wij willen ons verschuilen, schielijk verschuilen, enalszij komen zal 't schijnen, alsof wij er geheel niet zijn. Gauw, voorwaarts! Ieder verschuile zich!quot;
En als een troep opgejaagde duiven vlogen de kinderen nu weg, en doken zóó voorzichtig en behendig achter het kreupelhout en de struiken, dat niets van hen te zien was, en slechts de schitterende oogen door destruiken glinsterden.
Intusschen dreef de boot dichter bij, en de Koning, die zich zacht oprichtte, kon nu met forschen arm een neder-hangende twijg grijpen, en zoodoende de boot dicht naar den kleinen steiger trekken, die hier aan den oever was aangebracht. Hij nam nu zacht de ketting, en bevestigde haar aan den ijzeren ring. En nu stapte hij uit, en bood de Koningin zijn arm. Onhoorbaar gingen zij nu door het struikgewas van den oever voort. â âHoe de kinderen verrast zullen zijn! hoe zij juichen zullen!quot;
Nu kwamen zij op de weide, en bleven verwonderd staan. De weide was ledig!
âZij zijn reeds weg,'' zei de Koning met schier knorrig gelaat: â âZij hadden immers nog buiten kunnen blijven 1 't Is zulk fraai weder! â Jammer!quot;
De Koningin stond aan zijn zijde, en hare groote oogen hadden met vlammenden, zonderlingen blik in 't rond getuurd naar alle boschjes en struiken, en nu vloog een gelukkige glimlach over haar fraai gelaat.
âStil, Friedrich! Stil! Luister toch!quot;
âWat is er? Wat?quot;
Louise drukte haar hand vaster aan zijn arm. â âLuister maar!quot;
48
Nu luisterde ook hij. Niet naar het gekweel en getjilp der vogels, die in de hoornen zongen en jubelden; niet naar den wind, die melodieus ruischend door de twijgen voer; niet naar het kabbelen van het water, dat tegen den oever sloeg, â neen, hij luisterde naar het zonderling gin-niken en lachen, dat hier en daar achter het struikgewas klonk. En plotseling hief de Koningin den arm op, en wees met de blanke hand ginds naar het vlierbosch aan gene zijde van het grasperk.
Nu klonk een luide, schaterende lach, en prins Friedrich Wilhelm, de Kroonprins van Pruisen, sprong uit het boschje te voorschijn.
âHa, gij wildot ons verrassen !'Nu hebben u verrast! De Koning van Pruisen is door zijn zoon verrast geworden! Hoera! Leve de Koning van Pruisen!quot;
Ijlings sprong de prins over de weide, rechtstreeks in de armen der Koningin, die in het zachte gras neder was gehurkt en met wijd uitgebreide armen haren lieveling ontving. En nu waggelde uit het lichte struikgewas de kleine prinses Alexandrine, en trippelde schaterend over het gras naar den Koning, die in twee sprongen bij haar was, en het kind op zijn armen tilde. En daar uit het andere boschje kwam prins Wilhelm glimlachend, stralend als een kleine maan, en jubelde luid het ouderpaar toe. En achter de andere struweelen stonden de kleine makkers en speel-genooten, en lachten óók zeer vergenoegd, en zagen naaiden Koning en de schoone Koningin, die altoos zoo goed, zoo liefderijk en hartelijk voor hen was, en welke zij, hoe jong zij ook waren, toch aanbaden en beminden als een verschijning uit de andere wereld.
Dat was een jubelen, een lachen en schateren! De jonge man, die daar zoo vroolijk op het gras stoeit en met de kinderen krijgertje speelt; â die lacht met het kleine meisje, dat zich in 't gras rolt, en dat hij in weerwil van haar krijschen en schreeuwen aan zijn borst optilt, is dat de Koning van Pruisen ? Deze vrouw met de volle, weelderige gestalte eener Venus, met het gelaat eener Juno, dat echter door den liefelij ken,onschuldigenglimlach verheerlijkt wordt, met de groote blauwe oogen, met den stralenden blik van haar kinderhart, is dat de Koningin van Pruisen ? â 't Is een gelukkig paar verliefden, een gelukig echtpaar, niets anders !
49
En nu dartelen zij op het grasperk rond, en vroolijk en argeloos als, kinderen.
Zoo ge niet wordt als de kinderen, zult cje niet in het hemelrijk komen!
En zij hebben het hemelrijk! Zij hebben het in hun hart, zij hebben het in hunne kinderen, die met hartstochtelijke teederheid aan hen gehecht zijn.
âMaar nu is 't genoeg, kinderen! Ziet ge 't niet, de zon gaad reeds onder, en de dokter heett gezegd, bij zonsondergang-moet ge in huis gaan, opdat ge niet de mazelen krijgt, de booze mazelen, waaraan thans alle kinderen lijden.
âAlle kinderen?'' roept de kleine negenjarige Kroonprins den neus ophalende, en plaatst zich, de handen in de zijden gezet, voor de waarschuwende Koningin: âAlle kinderen, zegt gij, mama; maar waf gaat dat ons aan? Wij zijn niet gelijk de andere kinderen, en zoo het volk de mazelen heeft, zullen wij ze daarom niet krijgen.quot;
De Koning lachte. âHet volk â als dat de mazelen heeft mijn zoon, dan kunt ge overtuigd zijn, dat Koningen en Vorsten er door lijden!quot;
âGe moet niet denken.quot; zei de Koningin ernstig; âdat ge uit betere stof gemaakt zijt dan andere kinderen. Voor God is het kind der armoede evenveel waard als het kind des Konings, en er is voor den Koningszoon geen ander heil dan voor het bedelaarskind; onthoud dit, mijn zoon, en word niet overmoedig. En nu gauw, gauw, weg met u allen ! Ziet, daar komen ook reeds de gouvernantes en hofmeesters aan. Ik had u een uur ongestoord spelen vergund, maar daar zijn zij reeds, nu gauw, gauw, weg!quot; En de Koningin breidde de armen uit, hurkte neder, omvatte hare drie kinderen in ééne omarming, trok ze aan haar hart en kuste ze hartelijk.
De Koning stond er bij, hoog opgericht, met zalig glimlachend aangezicht nederziende op de liefelijke groep aan zijne voeten. En toen nu de gouverneur der prinsen en de gouvernante der kleine prinses, ongezien, achter een haag verborgen, genaderd waren, sprong de Koningin overeind en groette glimlachend, riep de kinderen nog een vroolijken goeden nacht toe, nam den arm van haar gemaal, en ging met hem weder over het pad dat naar de kleine grot voerde.
4
Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII.
50
IX.
DE BODE UIT FRANRLTK.
[Toe licht zweefde de heerlijke gestalte daarheen aan den arm van haar gemaal, hoe prachtig vertoonden zich heide gestalten! Toen zij de grot binnentraden, veraderaden zij in zaligen lust en innig welbehagen.
Stil was het hier, geurig van de aardbezien, die in een eenvoudige porseleinen schaal, op het marmeren tafeltje in 't midden der grot stonden. De gloeiend roode stralen der avondzon schenen in de grot, en den Koning, die zich tegenover zijne gemalin had nedergezet, scheen het, als ware Louise geheel gehuld in een purperglans van ether en zonnelicht.
Zij nam het boek, dat opengeslagen op de bank lag: den nieuwsten roman van Lafontaine, den lievelingsschrijver van het koninklijk echtpaar. Met haar lieve stem, die voorden Koning als de heerlijkste muziek klonk, begon zij nu een dier geliefde tooneelen, een dier schilderingen van huiselijk geluk en idyllische zaligheid, in wier voorstellingenLafontaine een meester was, te lezen.
Hoe straalde Louise's gelaat van inwendige verrukking en gloed; hoe heerlijk glimlachte zij, toen nu in't boek het verlangen der trouwe gelieven vervuld werd, en de lang ontbeerde, de lang beweende ontrouwe geliefde berouwvol teruggekeerd was tot haar, die voor hem geleden en gestreden had tegenover de geheele wereld en alle vooroordeelen. En met welk een aandacht en innige tevredenheid luisterde de Koning naar Louise's woorden, die zoo liefelijk en zoet van hare rozelippen klonken. Hoe trof het hem loen, hij het liefdestooneel der hereenigden, de oogen der Koningin zich met tranen vulden, en haar stem van aandoening stokte, zoodat zij het boek wegleggen, â en met den zakdoek hare oogen drogen moest.
Ook in de oogen des Konings blonk een traan ; hij wilde 't zich zeiven niet bekennen en drukte de oogen dicht, alsof een spinneweb hem voor een oogenblik verhinderde te zien.
â't Is waarlijk een zeer fraai boek,quot; zeide hij, hetgelaat zijwaarts wendende: âen men moet den auteur dankbaar
51
zijn voor zulk een schoon uur, als wij thans beleefd hebben/'
âJa, mijn vriend, zeer dankbaarquot;' riep de Koningin ; âeen dichter, die het verstaat het geluk der liefde, der trouw en der huiselijkheid met zulke warme woorden te schilderen, is een grooter leeraar van het volk en doet er meer voor, dan al de geleerden met hunne dorre verhandelingen en vele krijgslieden met gewonnen veldslagen kunnen doen! O mijn vriend, ge geeft den geleerden orden en titels; ge geeft den krijgsman, die veldslagen wint, lauwerkransen, geef ook een dichter iets, die zijn leven wijdt aan het onderricht en de beschaving des volks ! Ik verzoek voor La-fontaine, bewijs hem eenige oplettendheid.quot;
De Koning knikte. â âHij heeft het verdiend ; ik zal nooit dit uur vergeten, 't welk wij hèm heden danken. Neen, hem niet alléén, maar ook u; u mijn bekoorlijke, schoone voorlezeres; ik dank u en wijl ik op aarde niets heb, waarmede ik u bewijzen kan hoezeer ik u dank, zoo willen wij het Lafontaine bewijzen. Ik heb naar hem vernomen. Hij woont te Halle, moet een tevreden^ goedhartig man zijn en tamelijk goed leven; hij heeft natuurlijk, zooals alle geleerden en schrijvers, geen vermogen, ik zal hem een pensioen vaststellen, een inkomen verzekeren. Zij t ge hiermede tevreden Louise
Hij reikte de Koningin de hand, en zij drukte die met een blik van onuitsprekelijken dank aan haar hart.
âO mijn Friedrich ; zoo wij nu weder in dit fraaie boek lezen, zal 't mij dubbel verheugen, als wij verrukt zijn; want ik mag dan denken, dat wij getracht hebben dankbaar jegens den dichter te zijn. Wij hebben ten dezen weder veel goed te maken, wat door uwe voorgangers verzuimd is, Friedrich. De groote Koning heeft zich weinig bekommerd om de Duitsche dichters, en zelfs een Goethe, een Lessing waren hem onbekend. Ja, ik geloof, ook uw vader, â hoeveel kennis hij ook van de Duitsche poëzie hebben mocht, â heeft zich tóch niet hijzonder om de Duitsche dichters bekommerd.quot;
âWijl hij wel wist, dat de Duitsche dichters over't geheel een halsstarrig volkje zijn,quot; zei de Koning ernstig; âzij zijn hoogmoedig, trotsch en verbeelden zich iets beters te zijn dan andere menschenkinderen. Zij hebben bovendien allen van de zoogenaamde verlichting en revolutie geproefd, en
52
dc vrijheid, gelijkheid en broederschap heeft hen zóó poëtisch in de ooren geklonken, dat zij meenen zelfs den Koningen een hooge eer te bewijzen, zoo zij met hen spreken. Goethe vooral moet een trotsch, overmoedig heer zijn, en zelfs over den hertog van Weimar den haas spelen.quot;
âMaar Schiller,quot; zei de Koningin zacht: ,,de groote, edele Schiller, deze tracht niet naar uiterlijke heerschappij, naar glans, roem en hoogheid; hij heeft de bescheidenheid van een genie, de stille, in zich besloten kracht van een grooten geest. Neen, ik ben er van overtuigd: hij is niet eerzuchtig, want hij streeft naar het hoogste doel, en zijn grooten blik kan ik mij niet anders voorstellen dan naar den hemel gericht, achter de wolken den grooten geest zoekende en erkennende, die hem op de aarde gezonden heeft, om de menschen te beteren, te veredelen en te verlichten. O Frie-drich, als ik aan Schiller denk, ontgloeit mijn geheele ziel van verrukking en vreugde, en ik kan 't niet loochenen, ik zou wel eens Schiller's hand in de mijne willen vatten ; ik zou hem in de oogen willen zien, en hem heel stil en zacht zeggen: ik dank u!''
De Koning, geheel medegesleept door haar bezielden blik en haar opwekkende uitdrukking, knikte levendig. â âHij zal hier komen, ik wil hem noodigen hier te komen! Ik zal 't Iflland schrijven; men moet een nieuw stuk van Schiller opvoeren en hem dan uitnoodigen ; ge zult hem dan zien Louise!quot;
Nu juichte de Koningin luid van vreugde, sprong overeind, hief de armen op, sloeg ze om den hals van den geliefde en kuste hem innig, zooals een feeder beminnende vrouw slechts den aangebeden echtgenoot kust.
Een schaduw viel er, een lange, dunne schaduw, in het prieel. De Koning ontroerde, en de Koningin liet langzaam hare armen van den hals des geliefden nederglijden.
Het was Kökeritz die kwam. Hij bad om verontschuldiging dat hij het waagde, het koninklijke paar te storen; maar Lombard was zooeven van zijn reis naar Brussel teruggekomen, en vroeg of de Koning hem tehuis ontvangen, of hier zijn bericht vernemen wilde. De geheime kabinets raad was ginds in de allee, en wachtte op het antwoord. De Koning zag zijn gemalin vragend aan, en toen deze het hoofd zacht schudde, stond de Koning op, en reikte haar den arm
53
âVoer den geheimraad in mijn kabinet; wij zullen dadelijk volgen.quot;
Kökeritz ijlde heen, en de Koningin knikte met een zoeten glimlach haar gemaal toe.
âHoe goed verstaat ge het, mijn dierbare vriend, mijn wenschen op mijn aangezicht te lezen! In dit kleine heiligdom van onze liefde en ons geluk, mag de politiek hare donkerequot; swolken niet drijven! Hier in onze grot zijn wij slechts gelukkige menschen, en hebben niets te maken met het gewoel der wereld! Maar,quot; voer de Koningin voort, terwijl zij aan den arm van haar gemaal door de allee ging, die naar het Slot voerde: âik beken, dat ik zeer nieuwsgierig ben te hooren, hoe de eerste Consul uwen gezant ontvangen heeft, en zoo ge 't mij vergunnen wilt, blijf ik bij u, en luister zeer stil naar 't geen Lombard u te berichten heeft.quot;
De Koning knikte en ging haastiger voorwaarts.
Kökeritz en de geheimraad Lombard waren langs een nader zijpad reeds naar het Slot getreden, toen het koninklijke paar aankwam, en'zij wachtten reeds in de voorkamer op den roep des Konings.
âIs Zijne Majesteit nog altoos vriendschappelijk jegens Frankrijk?quot; vroeg Lombard zacht en haastig.
De heer von -Kökeritz knikte. â âGoddank, nog altoos; en zoo ge een goede boodschap brengt, zullen wij, hoop ik vrede behouden, in weerwil der opruiing van Hardenberg en de intriges van Rusland.quot;
âEn de Koningin?quot; vroeg Lombard zachter; âis ookzi; eindelijk overgegaan tot de bewonderaars van Bonaparte?quot;
De heer von Kökeritz haalde de schouders op. â âDe Koningin bewondert en bemint boven alles haar gemaal, en voegt zich naar diens wil. Maar in haar hart, geloof ik, is zij niet voor Bonaparte, en belt zacht tot Hardenberg en prins Louis over. Het zou goed zijn âquot;
De deur van het koninklijk kabinet werd geopend, en de Koning riep de beide heeren. De Koningin zat, met een licht borduurwerk bezig, â in do vensternis, de Koning nam in den armstoel nevens haar plaats, en wenkte beide heeren zich op de stoelen tegenover hem te zetten.
âEn nu verhaal,Lombard,';hoeivondtgedeneersten Consul ?'
,.Majesteit,quot; antwoordde Lombard schielijk; âik vond hem
54
van een betooverende beminnelijkheid. En ik moet bekennen, dat ik geheel verrukt en inwendig diep bewogen was door de ontvangst, welke de eerste Consul mij, den bescheiden en ootmoedigen bode Uwer Majesteit, liet. ten deel vallen.quot;
âGij vondt hem te Brussel?quot; vroeg de Koning.
âJa, Majesteit, te Brussel,quot; antwoordde Lombard; âde Consul rustte daar uit van zijn triomftocht. Uwe Majesteit weet, hij heeft een reis door de Rijnlanden gemaakt.quot;
âIk weet,quot; zei de Koning misnoegd en met neergeslagen oogen; âhij heeft zich laten huldigen te Mainz en Coblenz, te Aken en Bacharach; in al de steden die vroeger de onze waren, en thans met de Fransche republiek vereenigd zijn. Heeft men hem goed ontvangen?quot;
âGoed ontvangen. Majesteit?quot; glimlachte Lombard en haalde de schouders op: âde menschen zijn trouwelooze honden, die op dengene toeijlen die hun het beste voeder voorhoudt. De honden houden van koek en suikerwerk, en de eerste Consul schijnt hun smaak te kennen en veel koek en suikerwerk voor hen te laten bakken; want zij hebben hem met veel geestdrift toegejuicht, en even diep ootmoedig en kwispelstaartend voor den eersten Consul gebogen, als zij het vroeger voor den vorstelijken heerscher deden. Ik biijf er bij: het volk bestaat uit louter trouwelooze honden ! De eerste Consul is geheel verrukt door de ontvangst, welke hij in de gerepublikeinsde Bijnlanden gevonden heeft, en ik moet bekennen, dat ik op mijn reis niets dat loftuitingen over het geluk heb gehoord, een Consul aan het hoofd der republiek te hebben; ik haatte hem sctiierdeswege, toen ik te Brussel kwam. Hij kwam mij voor als een basiliskus, die de menschen betoovert, en ik had mij stellig voorgenomen, den basilikus niet als een vogeltje in de oogen te kijken, en óók betooverd te worden.quot;
âEn toen, later?quot; vroeg de Koning; âzijt ge tóch onder de betoovering bezweken, nietwaar?quot;
âIk zou 't misschien zijn,quot; zei Lombard, diep buigende; âmaar ik dacht aan mijn veel geliefden Koning en Meer, en dat hield mij standvastig, hoezeer ook een wolk van de zoetste vleierijen en verlokkingen als een gouden regen van de lippen den grooten mans op mij nederdaalde. Ja, Majesteit, hij is een groot man! Hij..ziet er uit als een van zijn voet-
55
stuk afgestegen beeld der Romeinsche Cesars, en in zijn blik ligt een wereld van geheimen, van plannen en besluiten ! Toen ik hem aanzag, dacht ik slechts: ik zou niet de vijand van dezen man willen zijn; want hij heeft bliksems in zijne oogen, die verpletteren kunnen. Maar zalig zijne vrienden ; want hij heeft ook hemellicht in zijne oogen, dat een gouden vlam in het hart kan ontsteken!quot;
âMij dunkt, heer geheimraad,quot; zei de Koningin haar borduurwerk nederleggende: âdat de basiliskusblik u tóch zeer spoedig getroffen en betooverd beeft!quot;
âIk verzoek vergeving. Majesteit,quot; zei Lombard, nog dieper voor de Koningin buigende, dan hij vroeger voor den Koning had gedaan,; âmijn eigen, onbeduidend ik kan volstrekt niet hierbij ter sprake komen, want alles wat de eerste Consul mij gezegd heeft, gold niet mij maar Pruisen en den verheven Monarch van Pruisen. Daarom was ik verrukt en betooverd; wijl hij met de innigste liefde en bewondering van Pruisen en zijn Koning sprak. Hij zeide mij: 'twas zijn innigste wensch met den Koning van Pruisen een vast verbond te sluiten; en zoo de Koning van Pruisen hem ook verder tot een duurzamen vrede de hand wilde reiken, dan zou bij aan zijn hand opstijgen tot de uiterste hoogte der wereld, 't Was een punt van eer voor hem, de Pruisische monarchie te verheffen, en haar te bewijzen, dat hij voor zijne vrienden zelfs een wereld niet te groot hield, om haar bun uit dankbaarheid te brengen. En Uwe Majesteit had het lachje moeten zien, waarmede hij deze woorden sprak, en den diepen blik, die niets aardsch scheen te aanschouwen, maar in de toekomst blikte, en hoe hij zich oprichtte, fier en machtig, als zag hij daar een wereld voor zich tot welke hij met zijn vriend, den Koning van Pruisen wilde opstijgen.quot;
â't Schijnt mij echter,quot; merkte de Koningin zacht aan; âdat het eigenlijk volstrekt niet in de macht van den eersten Consul ligt, den Koning van Pruisen eenig land te schenken. En mii dunkt, het past niet dat hij zich het ^aanzien geeft, alsof 't van hèm afhing het koninkrijk Pruisen te vergrooten en te verheffen; er staat aan de spits van dit land een koninklijk Heer, dien God de toekomst van Pruisen heeft toevertrouwd, en die zal weten zijne rechten te verdedigen en zijn land te behouden; en dit is voldoende, dunkt mij. Vergrooting behoeft het niet.'
56
Er vloog een lichte schaduw over 't gelaat van den Koning, en hij sloeg de oogen neder. â âWij leven in een tijd, dat alle geregelde toestanden het onderstboven liggen, en de wetten van evenwicht en recht niet meer schijnen te gelden. De eerste Consul durft met kronen en landen te spelen, als waren zij zijn eigendom; en hij schenkt ze weg, alsof het Neurenberger speelgoed voor kinderen ware. Ik wensch niet dat 't hem op een dag invalt ook Pruisen zoo weg te schenken gelijk hij thans met andere landen doet; en ik zou gaarne alles doen om dit te verhinderen. Wat zeide de eerste Consul betreffende Hannover? Ge hebt hem gezegd, dat ik mij zeer gekrenkt heb gevoeld, wijl de Fransche troepen zonder mijne bewilliging Hannover binnengetrokken zijn?quot;
âNatuurlijk zeide ik dit. Majesteit. En Bonaparte verzekerde mij met de levendigste betuiging van leedwezen, dat dit ten gevolge van een misverstand was geschied, terwijl de koerier reeds onderweg was geweest, die vooraf Uwer Majesteit';; toestemming had moeten vragen.quot;
âHoe?quot; vroeg de koning haastig: âhij heeft een koerier met deze aanvraag tot mij gezonden?quot;
âJa, Majesteit; de koerier is onderweg met zijn paard gevallen en kon niet verder. Dat verzekerde mij ook de minister Talleyrand. En tot bewijs hiervan, gaf hij mij een eigenhandigen brief van Bonaparte aan Uwe Majesteit, die nu wel is waar verder geen beteekenis heeft, dan dat hij bevestigt, dat de eerste Consul aanvraag had willen doen bij Uwe Majesteit.quot;
,Hebt ge dien brief medegebracht?quot; vroeg de Koning levendig.
âIk verzoek vergeving!quot; zei de geheimraad: âdaar men hem mij niet aanbood, waagde ik het niet hem te vragen; maar ik heb hem gelezen, en ik geef Uwe Majesteit onderdanigst mijn woord van eer, dat hij inhield wat ik u berichtte. Bovendien zeide mij Bonaparte op zijn levendige manier, dat het volstrekt niet zijne bedoeling was, Hannover verder te bezetten; dat hij gaarne bereid was, voor de troepen van Uwe Majesteit aldaar plaats te ruimen, en dat hij er niets tegen had; zoo Uwe Majesteit Hannover als haar eigendom wilde beschouwen.quot;
âDat heet,quot; riep de Koningin levendig; âhij wil ons in
57
een oorlog met Engeland wikkelen ! Hannover behoort aan Engeland.''
âMisschien,quot; zei Lombard met een fijnen glimlach : âmisschien zou dit juist een oorlog met Ãuropeesche mogendheden verhinderen. Als men Frankrijk zoo sterk ziet door een verbond met Pruisen, en Pruisen wederom zoo sterk door het verbond met Frankrijk, dan geloof ik wel, dat alle mogendheden zich zullen wachten deze vereende, sterke mogendheden aan te vallen. Dit is de meening van den eersten Consul Bonaparte, en hij laat derhalve Uwe Majesteit vragen, of zij zich door een verbond bij Frankrijk wil aansluiten; de prijs hiervoor zou llannover zijn.quot;
âEn wat vordert de eerste Consul als grondslag van dit verbond ?quot;
âDat Uwe Majesteit voor zich en ook voor Rusland borg zij, dat gedurende den tegenwoordigen oorlog, Frankrijk dooquot;r geen mogendheid van het vasteland wordt aangevallen; daarentegen belooft de eerste Consul, de rechten der onzijdige mogendheden te eerbiedigen; slechts een gering getal troepen in Hannover te laten, den handel op de Ãlbe en den Wezer vrij te stellen, en als zijn groote strijd met Oostenrijk is uitgestreden, rustig naar Frankrijk terug te keeren, zonder de rechten van eenigen anderen staat of Duitschen vorst aan te randen.quot;
âDit zou dus het uitzicht op vrede zijn!'' riep de Koning levendig : âik ben bereid zulk een verbond aan te gaan, en hoop ook Rusland er toe te kunnen overhalen ; want dit is de hoogste eerzucht waarnaar ik streef; de erfenis van Fre-derik II moet niet aangerand worden ; en zoolang het mogelijk is, wil ik alles doen, om voor mijne Staten de voordeelen van den vrede en de onzijdigheid te behouden ! Mogen degenen, die zich in hun geweten sterk genoeg hiertoe gevoelen, het lot van millioenen en het bloed hunner onderdanen op de punt van hun zwaard stellen, door hun wreede roeping te volgen; ik heb de roeping des vredes in mijn geweten van God ontvangen en wil die dienen zoolang ik kan !quot;
58
X.
DE GRAVIN VON STEIN.
De gravin von Stein had onder de Linden in een ledig-staand paleis een geheele étage gehuurd, en uit Parijs waren de decorateurs en behangers gekomen, om deze étage met al den glans, zooals men dien thans in Frankrijk weder beminde, te versieren en in te richten. â De hoogste elegantie heerschte dus in de vertrekken, en de groote lichtkronen, die aan bronzen kettingen van de zoldering nederhingen, beschenen de heerlijke tapijten, de vergulde meubels, de groote venetiaansche spiegels, en al de onnoembare kleine voorwerpen van weelde, die op marmeren consoles, op ingelegde en andere tafels in 't rond stonden.
Op een bepaalden dag van elke week, gaf de gravin von Stein in deze elegante quot;vertrekken aan de uitverkorenen, welke zij met haren omgang verwaardigde, een of ander feest. â Men zong, men praatte, men declameerde en lasterde. Men danste, en ten laatste verkwikte men zich aan de heerlijke gerechten en de kostbare wijnen, al het geen nergens beter, dan aan de tafel der gravin te krijgen was. â Voorname edellieden dongen naar de eer, in het huis dei-gravin ingeleid te worden, en het gold in dezen winter bepaald tot den goeden toon, te kunnen zeggen, dat men tot de habitués der schoone gravin behoorde.
Aanvankelijk hadden de dames der hooge aristrocratie zich neusoptrekkend en schouderophalend over de schoone vreemde door hunne cavaliers laten inlichten en plechtig verklaard, dat zij van deze onbekende niets wilden weten. â Maar 'twas moeilijk een vrouw van zulk een schoonheid, zulken rijkdom, zulk een bevalligheid en gratie te ignoreeren ; le moeielijker daar de Fransche cezant, mijnheer de La-foret, overal met de grootste bewondering van haar sprak en het bejammerde, dat zijn echtgenoote hem niet uit Parijs had kunnen verzeilen, maar daar ziek achtergebleven was, weshalve hij de gravin niet, gelijk hij wenschte, de honneurs van zijn huis kon bewijzen.
âHet zou mij te aangenamer zijn,quot; merkte de gezant met een fijnen glimlach aan; âzoo ik mevrouw de gravin meer oplettendheid kon bewijzen, daar zij, zooals ik vrees, in
59
den grond haars harten de tegenwoordige regeering vijandig, â en een aanhangster der Bourbons is,quot;
En deze opmerking van mijnheer de Laforet had bij de dames van het Berlijner gezelschap meer gebaat, dan al de loftuitingen der enthusiastische cavaliers. â Een heimelijke legitimiste, een aanhangster der rechtmatige koninklijke familie van Frankrijk â dit was een goede en gewichtige aanbeveling voor de gravin von Stein. â En de dames, die zich eerst van haar salon verwijderd hadden gehouden, begonnen zich langzamerhand aan de betoovering te onderwerpen, welke de gravin uitoefende op al degenen, die haar naderden. Zij vermeden niet meer met haar samen te komen, maar zij zochten de bekendschap der gravin en beijverden zich vervolgens, aan hare uitnoodigingen gehoor te geven, en op den bepaalden dag in het salon'der gravin te verschijnen.
â'lis eenigszins voegzaam er heen te gaan,quot; zeiden de voorname dames tot hare verontschuldiging: âwant men vindt er al zijn kennissen, en men kout nergens zoo aangenaam, als op de causeuses en fauteuils van mevrouw von Stein.quot;
Eenige zwaartillende en angstige dames, die de jonge Koningin geen aanstoot wilden geven, vroegen wel: âWie is de gravin von Stein? Vanwaar komt zij'? Wie is haar echtgenoot en wat is haar verleden ? Is zij een dame comme il faut, met wie men zonder zich te schamen ver-keeren kan?quot;
Dat waren inderdaad vragen, di^ moeilijk te beantwoorden waren. â Dat zij een frangaise, een Parijsche was, wist men, en mijnheer de Laforet had deze opgaat der dame bevestigd. Haar naam had zij met eenige millioenen er bij van haren overleden echtgenoot geërfd, die te Parijs de schoone' Aurora had leeren kennen, en zóó vurig op haar verliefd was geworden, dat hij haar, in weerwil van zijn ouderdom en gebrekkelijkheid, zijn hand had aangeboden. Men vertelde: de schoone Aurora w7as van zeer voorname afkomst, de laalste spruit eener oude legitimistische familie, die in de revolutie alle mannelijke vertegenwoordigers van haren naam op liet schavot had zien vallen, en wier goederen door de republiek, zooals duizend andere dergelijke goederen, waren ingeslokt. â
60
De schoone erfgename van een groo ten naam endeverheven tragedie harer familie, had derhalve de reddendehand,welke de oude, rijke mijnheer haar aanbood, aangenomen, en was zijn echtgenoote geworden, â slechts voor korten tijd; want reeds na een jaar was de oude heer, trouw verpleegd door zijn jonge gade, gestorven, en zijn testament had haar tot onbeperkte meesteres van een ontzaglijk vermogen gemaakt.
Zoo vertelde men, en de Fransche gezant bevestigde het als waarheid; â wijders echter wist hij geene inlichtingen nopens haar te geven. Zij was vervolgens op reis gegaan, had vele jaren buitenslands geleefd, en men fluisterde elkander wel toe; zij had als agente der Bourbons dooide wereld getrokken, en besteedde een gedeelte van haar aanzienlijk vermogen, om voor het gevallen koningschap propaganda te maken. Dit was, zooals gezegd is, in de oogen der aristocratie een aanbeveling voor de gravin; en zells Koningin Louise scheen het zoo te beschouwen; want op het eerste groote Hoffeest, waarmede men dezen winter opende, was ook de gravin genoodigd geworden, en zoowel de Koning als de Koningin hadden zich meermalen vriendelijk met haar onderhouden. Sedert,natuurlijkontbrakookhet voorname gezelschap niet in de cercles der gravin, en zoo was zij onbetwistbaar in dezen winter de toongevende dame der gezelschappen geworden. Zij scheen er noch verheugd, noch verwonderd over. Zij nam het aan als een zeer natuurlijke zaak, waaraan zij gewoon was, en die aan hare ijdelheid en beteekenis volstrekt geen voedsel gaf. Zij was in alle dingen, â dit bevestigden allen, die in hare nabijheid waren geweest, â een buitengewone, verblindende verschijning. Slank en groot van gestalte, koninklijk van houding, in haar wezen en maniei'en de vormen der grande dame, zooals men die vóór de revolutie in de zalen der Tuileriën, aan het koninklijke hof te Versailles had gezien. Lichten elegant in elke beweging, en in [haar onderhoud met dien lijnen tact en tegenlijkmeteenzweemvandielichtvaardigheid en kwaadsprekendheid, zooals die de specerij ilevgrandedame van de vorige eeuw was. Somwijlen slechts glinsterde in deze groote oogen van onpeilbare diepte een demonisch vuur, en de kleine mond, met de eenigszins volle purperen lippen, trokken zich dan tot een spottenden glimlach samen. Dit geschiedde, wanneer zij, als een koningin op den fauteuil
G1
tronende, om zich heen tie voorname jeugd van den Prui-sischen adel zag, zich voor haar buigende met ootmoed en tot haar sprekende met al het vuur der bewondering en vleierij. Dan kou het soms gebeuren, dat zij midden in den woordenstroom van een cavalier, in vroolijken zilverhelderen lach uitbarstte, die den hoorder verraste, wijl die lach zoo kinderlijk en zoo onschuldig klonk; wijl het was alsof men midden uit den vollen kelk eener trotsche roos, plotseling een klein bescheiden viooltje zag ontluiken. Zij was rijk, â van koninklijken rijkdom naar't scheen, â en zij achtte het geld niet; hare gasten leefden bij haar als bij een Lucullus; het schoonste, het beste, het zeldzaamste was niet te goed voor dezen troep huldigende cavaliers en glimlachende dames, die eenigermate't hof der gravin vormden. Hare équipages en koetsiers waren van de keurigste elegantie, de livreien van hare bedienden schitterend van gouden en zilveren galons. En dat alles slechts voor korten tijd, voor veertien dagen ; want tweemaal in de maand werden al de livreien en het met linten, strikken en borduursel getooide tuig der paarden veranderd. Geheel Berlijn sprak van deze wonderbare, rijke, schoone en trotsche gravin; en als zij in deze pracht en heerlijkheid onder de Linden heen en wedej-reed, aan weerszijden barer koets door de rijkste en aanzienlijkste cavaliers op vurig trappelende paarden omgeven, dan bleven de menschen staan en oogden haar na, en 't was hun, als hadden zij een sprookje voorbij zich zien gaan.
En zij was inderdaad een tooveres, dat zwoeren al hare aanbidders en aanbidsters. Ookin de dameswereld maaakte zij thans furore. Ja, een tooveres! Zij wist, als Proteus, zich elk uur te veranderen en in een nieuwen vorm, in nieuwen glans te verschijnen.
Heden op de soiree, welke zij bij uitzondering niet op den gewonen dag gaf, was alles vereenigd wat in Berlijn aan uitstekende personages, van allen stand, rang en roem, aanwezig was. Daar waren de hoogste waardigheidsbekleeders van den Staat; daar waren geleerden, kunstenaars, aristocraten, cavaliers en schoone vrouwen van het Hof. En voor ieder had de schoone gravin een vriendelijke oplettendheid, een voorkomend woord; sprak tot elk met die wegslepende minzaamheid, die veiTukte, â met die zachte voorkomendheid, die streelde. Overal wist zij gesprekken op te
62
wekken en het onderhoud aan den gang te brengen; degenen, die vreemd \yaren, uit de duisternis te voorschijn te trekken, en ze in het rechte licht te plaatsen. Men had haar inderdaad nooit zoo schoon, zoo bewonderenswaardig gezien als op dezen avond. Allen zeiden bet haar, en zij glimlachte hierbij met dien onschuldigen, kinderlijken glimlach, die als een hemelsche droom om haar mond trilde.
Eén persoon zeide haar dit heden niet. 't Was prins Louis Ferdinand. Zij had hem dadelijk bij zijn binnentreden heden avond met een koelen, onverschilligen blik aangezien, en den geheelen avond volstrekt geen acht op hem geslagen. Tweemaal was hij haar genaderd om haar toe te spreken, en telkens had zij zich op 'tzelfde oogenblik, tot iemand die nevens haar stond, op zulk een nadrukkelijke wijze en met zulk een ijverig gesprek gewend, dat de prins het niet durfde wagen haar te storen.
Zij was waarlijk een tooveres! Want prins Louis, anders zoo schitterend van vroolijkheid, zoo vurig en levendig van onderhoud, â prins Louis Ferdinand had zich nu geheel in een diepe vensternis teruggetrokken; hij had de zijden, met goud geborduurde gordijnen voor deze nis laten vallen, tuurde met zijn groote oogen door de spleet der gordijnen en volgde met zijn blikken vol gloed en toom en tevens van smart, deze schitterende gestalte in het wit met goud geborduurd satijnen gewaad, met den gouden gordel om haar wonderschoone slanke taille, met den prachtigen purperroo-den met goud geborduurden sleep, die lang achter haar golfde, met de fonkelende diadeem van brillanten op het breede, grieksche voorhoofd. En dit gezicht maakte hem razend van toorn, verrukking en smart. Somwijlen, als zij door de zaal ruischte, scheen zij hem een witte zwaan, die, trotsch door het water der wereld zwevende, een stroom van bloed achter zich trok.
âHet bloed der offers,quot; zeide hij grimmig tot zich zeiven ; âhet bloed der offers, welke deze wreede Circé gedood en vermoord heeft, zooals zij ook mij vermoordt. Maar ik wil niet vermoord zijn ; ik wil mij losscheuren van deze betoovering, en zoo ze mij niet bemint, wil ik vluchten; wil ik haar nooit wederzien!quot;
Terwijl hij dit wrokkende tot zich zeiven zeide, naderde de schoone Aurora de nis, achter welker gordijnen hij
03
slond. Zij lachte en koute met den archeoloog Hirt; zij sprak met hem in de wonderschoone Ilaliaansche taal, die welluidend is en zoet als de liefde. Met vlammende geestvervoering schilderde zij hem den eersten indruk, dien de aanblik van het colosseum te Rome op haar gemaakt had, en hoe zij in den maneschijn te midden van deze ontzaglijke ruimte gestaan, â en gemeend had het brullen der leeuwen, liet juichen van het oude Rome en de doodskreten der martelaren om zich heen te hooren, die tot verlustiging van het volk door de wilde dieren verscheurd werden.
,,En dit maakte mij zóó begeerig naar dergelijke kampspelen,quot; zeide zij vervolgens, en het demonische vuur flikkerde weer in hare oogen: âzóó begeerig, dat ik terstond Rome verliet en naar Madrid ging, om daar een dier stierengevechten te aanschouwen^ waarnaar ik zoolang verlangd had. De hertogin van Almeida had mij verhaald van een toreador, die geheel Spanje in verrukking, bracht en de oude prachtige dagen der middeneeuwen, toen de toreadors de gevierde helden van geheele Spanje waren,'weder terugriep.quot;
âEn hebt gewerkelijk den beroemden toreador gezien, gravin?quot; vroeg Hirt.
Zij knikte. â âIk zag hem op den schitterendsten avond van zijn zegepraal, die wel is waar ook zijn laatste was. 't Was het pikantste, uitgezochtste en zeldzaamste leest, dat ik ooit gezien heb; en als ik er slechts aan denk, heelt mijn hart van opgewondenheid. Ach, ik wenschte het penseel van een Breughel te hebben, om u dal vreeselijke, ontzettend schoone tooneel te schilderen. De woedende stieren, die in razenden toorn op hem instormden, en hij, huppelend, fladderend als een vlinder, tergde hen tot toorn ; hij hiel zich dan aan hunne hoorns op, ze prikkende, zoodat zij brulden van toorn en opsteigerden van wilde woede. Ik zeg u, 't was een tooneel uit de hel, maar van betooverenden gloed. De circus dreunde van het gebrul der stieren en het juichen van 't publiek; in stroomen vloeide den dieren het bloed uit de open wonden, en hun sterfgebrul mengde zich met het jubelgebrul des volks.quot;
âZij is wreed,quot; prevelde prins Louis Ferdinand achter de gordijn: âzij heeft geen hart. God geve mij de kracht haar te ontvlieden.quot;
âEn mevrouw de gravin had den moed ditverschrikke-
64
lijke bloedtooneel tot het einde te aanschouwen ?quot; vroeg Hirt, met blikken van verwonderingen ontzetting de schoone vrouw aanschouwende, die met vlammende oogen verhaalde van zulke bloedige tooneelen.
âHet einde was prachtig,quot; zeide zij; âhet eindigde zooals oen groote tragedie eindigen moet. Zesmaal overwon de toreador de woedende stieren, en geheel Spanje en geheel Madrid juichte hem toe; maar vervolgens werd hij verscheurd door den zevenden stier, die in den circus werd gedreven; een ellendig zwak ding, naar het scheen, maar dat den grooten torador meester werd. En dit is juist de tragedie, die ik nooit vergeten zal.â Maar wij spraken van Rome,quot; zeide zij âvervolgens met haar bekoorlijken glimlach: âlaten wij ons hier een weinig afzonderen, om ons ongestoorder de wonderen der eeuwige stad voor den geest te halen.quot;
En zij opende met haar witte, van brillanten fonkelende hand de gordijn en lachte luid, toen zij daarachter prins Louis Ferdinand ontwaarde, die haar bleek en met toornigen blik aanzag.
âHa! gij mijn prins, achter de gordijn, zooals de Venus op het kapilool, welke men een verscholen nis heeft aangewezen, opdat haar gelaat de vrome geloovigen niet zou kwetsen.quot;
âGij spot met mij als altoos, gravin,quot; zei prins Louis Ferdinand ernstig en koel; âmaar het verheugt mij, dat het toeval mij ten minste het geluk verschaft, door u opgemerkt te worden; een eer, waarop ik mij den geheelen avond niet heb kunnen beroemen.quot;
âMoet men zich dan altoos op een eer beroemen, prins?quot; vroeg zij glimlachend, terwijl zij een weinig in de nis trad : âIs 't u niet voldoende, dat ge er zijt; en heeft God niet de zon voor ons allen geschapen ? Of moet ieder meenen, dat alleen voor hèm de zon in de wereld is, en hij alléén zich mag beroemen, dat God de zon voor hem laat schijnen!quot;
âGe wilt hiermede zeggen, gravin, dat ik niets meer te eischen heb dan alle anderen ?quot; vroeg de prins zacht en haastig.
Zij zag hem met haar groote oogen schier verwonderd aan . â âZeker wil ik dat, prins. Of meent gij het anders
âJa,quot; zeide hij; âik meen het anders, en ik wil niet dat
05
ik voor u slechts ben gelijk al de anderen, die zich vleiend en kwispelstaartend aan uwe voeten leggen, en welke gij nu en dan begenadigt met een blik en een glimlach, waarop zij teren kunnen, zooals het getemde wilde dier op de beenderen, die zijn meester hem toewerpt.quot;
âEen heerlijke vergelijking!quot; lachte zij : âGe verhett mij dus tot een dierentemster ? Ik dank u, mon prince! Maar zie, voor 't oogenblik heb ik iets anders te doen, dan tijgers en leeuwen te temmen. Ik wil mijn gasten een kleine verrassing bereiden ; ik wil voor hen in den stijl van de schoone lady Hamilton, die ik te Napels heb gezien, eenige tooneelen uitvoeren, en weet ge, prins, gij zoudt mij hierbij behulpzaam kunnen zijn.quot;
De blik en de glimlach waarmede zij hem aanschouwde, hadden hem reeds weder ontwapend, en hij verzekerde haar met welsprekende woorden, dat't hem gelukkig zou maken iets voor haar te kunnen doen.
âIk wil eenige pantomines voorstellen, zooals ik ze van de schoone lady Hamilton, de vriendin van Lord Nelson, heb afgezien,quot; zeide zij; âen 't zou mij aangenaam zijn, zoo gij daarbij op de piano de muziek wildet maken.quot;
âWelke muziek ?quot;
Zij boog met haar zoetsten glimlach dichter tot hem. â âMuziek, die uit uw hart komt, waartoe mijn voorstelling u misschien bezielt. â Kent ge zulks pantomines, hebt ge reeds gezien ?quot;
Hij ontkende het. â âDe belangrijke kapriolen, welke de dansers en danseressen in een ballet uitvoeren, is alles wat ik van pantomines ken. Maar Mirt heeft mij verhaald van de betooverende uitwerking, welke de schoone lady Hamilton met hare pantomines teweegbrengt.quot;
âIk zal haar natuurlijk niet evenaren,quot; zei de gravin glimlachend; âik ben, zoo ge wilt, haar leerlinge. Maar ik geef het beste wat ik heb, en meer kan men toch van niemand verlangen. Ga nu naar de piano, prins, zoo ge mij een pleizier wilt doen, ik ga mijn kostuum aantrekken.quot;
âEen woord nog, gravin,quot; lluisterde hij : âzeg mij toch, waarom ge mij den geheelen avond met geen blik verwaardigd, en geen woord tot mij gericht hebt. Ge weet toch dat ik leef van uwen blik als de gevangenen van den straal der zon, die in zijn kerker dringt. Waarom hebt ge
Mülhtaoh, iJaitschlcind in Woeling en Strijd. Vilt 5
06
mij dit bescheiden en toch hemelsch geluk niet gegund ?quot;
Zij glimlachte. â âWat voor allen is, prins, is niet voor u; zoo ik allen een vriendelijk gelaat toon, dan wil ik niet dat gij slechts lieht, wat allen hebben. Ga, gij begrijpt mij niet. Speel op de piano, prins.quot;
Zij knikte zacht met haar fraai hoofd en ruischte door de zaal, altoos nog als de witte zwaan met een bloedstroom achter zich.
Prins Louis Ferdinand zette zich aan de piano. En nu zweeg het lachende, pratende gezelschap en luisterde naaide wonderschoone muziek, die als een goddelijk gedicht nu onder de vingers van den prins uit de toetsen ruischte, en met de tonen en woorden eener andere wereld in deze lichtzinnige, weelderige, grillige wereld van brillanten, val-sche bloemen, valschen glimlach en valsche harten, een woord Gods, een woord van waarheid, van kunst, van schoonheid deed ontgloeien; â tegenover al deze valschheid, een gedachte van eeuwige schoonheid.
Zóó ruischte de muziek door de zaal en zij werden allen aandachtig en stil, en een beter gevoel trok een oogenblik door hunne zielen.
Nu opende zich zeer zacht gindsche deur en een gestalte trad binnen, slank, hoog, gehuld in geurige, witte gewaden, het blonde haar los, lang, als een gouden sluier tot op den grond nedervallende, het gelaat bleek als het licht der maan, en als sterren fonkelend de diepe, ondoorgrondelijke oogen ; een smartelijke trek om de bleeke, zacht opeen gedrukte lippen ; de armen, van welke doorschijnende mouwen nederhingen, bloot en hun wonderschoone, antieke vormen toonende; op het voorhoofd, dat bleek was van smart en peinzen, een krans van half verwelkte en ontbladerde rozen ; in de hand een andere gebroken krans van veldbloemen, en in den gordel, die de teedere taille omspande, zoodat het gewaad met weelderige plooien langs de gestalte nederruischte, een bouquet van ontbladerde en geknakte rozen en veldbloemen.
Zoo schreed de gestalte voorwaarts in de zaal, en er heerschte aderalooze stilte. Prins Louis Ferdinand, â door verrassing en bewondering vervoerd, â kon niet voortspelen, en met de handen op de toetsen, aanschouwde hij deze wonderbare verschijning, die als een geest zweefde door het
67
glinsterende, van brillanten fonkelende, schitterend getooide gezelschap. Dit was weder de zwaan, die met zijn trot-schen hals in de wereldzwom, maai' de zwaan, die haar sterf-lied wil zingen. â En terwijl hij dit dacht en in zijn hart ditjiep en zuchtte, zonk zijn hand lager op de toetsen, zoodat zij klonken als een laatsten doodszucht.
Allen huiverden die het hoorden, en zij begrepen de beteekenis van deze tonen.
En zij, Ophelia, met den verscheurden krans in haar half opgeheven handen, met den diepen blik, die voor zich uitstaarde en toch niets scheen te zien, zweefde voorwaarts, in de zaal. Men begreep wat deze smartelijke blik, wat deze gebroken, en toch zoo verheven verschijning beteekenen moest. Ophelia in haren waanzin, in haar smart en hare liefde!
Midden onder de lichtkroon bleef zij staan, in licht gehuld, en nu met zulk een onbeweeglijkheid, dat men gemeend zou hebben een beeld van droefheid en zielesmart te zien, zooals de groote kunstenaars van het oude Griekenland uit steen getooverd hebben.
Prins Louis Ferdinand, steeds zijn blik op quot;haar gericht houdende, in deze groote, schoone oogen ziende, begon nu te spelen. Smart en trouw, vertwijfeling en liefdeklachten klonken onder zijne handen uit het instrument. En allengs, door deze zoete tonen als uit hare verstijving gewekt, kwam weder leven en beweging in het beeld. De smart, welke haar een oogenblik in deze verstijving gebracht had, deed nu door hare tranen deze verstijving van haar ziel wijken; haar gelaat vertrok zich, hare lippen beefden en uit de oogen, die wijd open in het oneindige staarden, vloeiden nu tranen, rolden neder op hare wangen en druppelden op haar handen, die den verscheurden krans hielden.
Een gemurmel van verrukking klonk door de zaal, als de algemeene verzuchting van smart en weemoed, die uit aller hart opsteeg. Schitterende oogen verduisterden zich ; lippen die slechts aan schertsende woorden gewoon waren, trokken samen van aandoening, en zelfs de koketste vrouwen staakten het spel barer oogen, geheel vervuld door deze verschijning, die als een verlichamelijkte treurgestalte voor haar zweefde.
Zij hief de handen op en plukte een paar bloemen uit
08
den gebroken krans, en zweefde zacht voorwaarts, als riep haar de smartvolle muziek. Men hoorde haar tred niet, men zag niet waarheen de blik vol smart en weemoed gericht was; achteloos liet zij de bloemen, welke zij uit den krans had geplukt, nedervallen, en een ervan viel juist nevens den prins op den grond. Zij wist dit zekerlijk niet; maar de muziek ruischte sterker, als in den jubeltoon der herinnering, en bij dezen toon keerde zij zich zuchtend, met een zacht, bevend âach!quot; om, zweefde door de zaal heen en verdween achter de deur, welke zich voor haar als door betoovering opende.
Nu donderde achter haar een storm van bijval en verrukking ; men verademde, als ware men van een bezwering bevrijd; men lachte, men knikte elkander toe; âwelkeen kunstenares! welk een tooneel!quot; En men riep met onstuimige vervoering deze kunstenares, die in staat was geweest uit een lichtzinnig, schertsend, lachend gezelschap, een eerbiedige gemeente in opgetogen stemming te scheppen.
Maar hoe luid ook de stemmen juichten, hoezeer ook de kleine handen der schoonste, elegantste dames in elkander sloegen, de gravin von Stein verscheen niet, om als een tooneelkunstenares glimlachend en met diepe buiging het publiek te bedanken.
Prins Louis Ferdinand zat nog altoos, in zich zelve verzonken voor de piano, en wat hij dacht, dat stroomde hij uit in muziek, dat straalde van zijn aangezicht in verrukking en smart tegelijk.
Hij wist dat zij zou wederkeeren; dat haar eerzuchtig trotsch hart niet tevreden zou zijn met dezen enkelen triomf, en schier raadde hij, dat zij nu geheel anders zou komen. De smart der liefde, den wegstervenden, waanzinnigen gloed eener Ophelia had zij vertoond; doch nu zal zij terugkomen in den trots der liefde, in den glans eener koninklijke vrouw! Dit zeide hij zich, dit gevoelde hij, en nu begonnen zijne phantasiën zich te veranderen. De teedere liefdegloed verstomde, en de jubelende triomf eener Cleopatra klonk en ruischte nu van zijne snaren.
Nu opende zich de deur, en een hooge koninklijke gestalte verscheen. Grooter slanker dan het bleeke, teedere schepsel, dat voorheen was binnengetreden. Een kroon, glinsterend van robijnen en brillanten, welft zich op haar voorhoofd
ill j!
69
dat omlijst is door het blonde, golvende haar, 't welk in den nek gevlochten was in een knoop, waaruit een menigte zware lokken nederviel om den blooten hals, wiens wonder-schoone vorm een Venus waardig zou zijn geweest. Een grieksch purpergewaad met goud omzoomd, omsloot de edele, slanke en toch weelderige vormen; het kleed door een broeden goudengordelbijeengehouden,en op den schouder slechts met een gouden agraaf bevestigd; de arm, die met gouden banden aan de gewrichten en den bovenarm was getooid, geheel bloot; de voeten slechts met sandalen met gouden snoeren bekleed; in de hand een gouden beker. Haar gelaat stralende van trots en liefde, de groote oogen schenen bliksems te schieten, de mond met zijn zoeten betoo-verenden glimlach, scheen liefdewoorden te lispelen.
Al de aanwezige cavaliers zeiden bij zich zeiven; âOm deze liefdewoorden van zulk een mond te drinken, zou ik de helft mijns levens wijden aan de voeten dezer trotsche koningin!quot;
Hooger ruischte de muziek, hooger straalde het gelaat van prins Louis Ferdinand. Onatgewend hield hij zijn blik op deze trotsche koninklijke schoonheid, met den betoo-verden glimlach en den demonischen toover in de gloeiende oogen, gericht. Zij trad voort, trotsch, gebiedend, zooals het de koningin der schoonheid betaamt. Zij glimlachte, tot wien? In het niet, en evenwel scheen het als zag zij naar hem, den benijdenswaardige, den geliefde, dien zij hare liefde had bekend. Dit zoete woord scheen op hare lippen te zweven; men meende het te hooren, en toch waren deze lippen stom! Zij hief de hand op, stak haar in de kelk en haalde een paarl, een schitterenden grooten paarl te voorschijn, en aanschouwde met stralende verrukking dengeen, dien niemand zag en toch ieder meende te zien.) Vervolgens liet zij den paarl weder in den kelk vallen, zette hem met een verrukten glimlach aan de lippen cn dronk, dronk zooals Cleopatra had gedronken, toen zij den gelukkigen Antonius aanschouwde, en hem met dezen drank een koninkrijk bracht, welks schoonste juweel zij zelve was!
Plotseling verdween de glimlach van hare lippen; haar vlammende blik verdoofde en hare gebaren gingen van 't vuur der verrukking over in de uitdrukking van toorn.
70
wraak en woede. De beker wierp zij met een woeste beweging van zich, en de oogen, die zooeven noghèm aanschouwd hadden werden strak en staarden in het ledige; zij hief den arm als verwenschend op en trad vooruit, als wilde zij den dolk in de borst van den verrader werpen. Vervolgens waggelde zij afgemat, tuimelend naar den stoel en zonk er op neder, de geheele gestalte verslagen, het hoofd gebogen op haar borst, die nauwelijks nog een levensadem scheen te hebben. Nu hiefzii de ⢠hand op, en bracht die aan haar hart. Iedereen meende de slang te zien, aan dit van liefde vertwijfelend hart; iedereen meende aan de uitdrukking barer wegstervende oogen, harer bevende lippen de smart te gevoelen, welke de borende slang aan de verlaten Koningin toebracht.
Wederom heerschte ademlooze stilte in de zaal, en prins Louis Ferdinand liet slechts nog somwijlen enkele klagende, wegstervende accoorden hooren. Plotseling sprong zij weder op, als een tijgerin die haar prooi wil grijpen, een tijgerin die iets ontzettends ziet en het straffen wil! Met twee wilde sprongen stond zij midden in de zaal, het hoofd opgericht, de hand vooruitgestoken; zoo staarde zij als van een hoogte in de verte, in de onmetelijkheid, en nu scheen zij het ontzettende gezien te hebben, want de hand verhief zich hooger, als met een dolk gewapend; woorden spraken deze lippen, welke zij toch vast opeen gedrukt had, en bliksems schoten uit de oogen. Niobé was 't! Niobé, die den ontvloden Eneas op het schip ontdekt! En, evenals Niobé, verpletterd waggelend, wendde zij zich om en ging rugwaarts door de zaal naar de deur, door welke zij verdween.
Andermaal :klonk het gejuich van verrukking, en van aller lippen ruischte een kreet van bewondering en van verlangen naar dergelij k genot! Prins Louis Ferdinand speelde ech -ter niet meer. Hij was opgestaan; zijn handen beefden door den gloed van inwendige aandoening, zijn hart klopte onstuimig. Hij gevoelde dat, zoo zij in dit oogenblik binnentrad in een andere rol, hij alles vergeten, op haar toevliegen, hare knieën omklemmen en haar zeggen moest: âDood mij, of bemin mij, want zóó kan ik het leven niet langer verduren! Hij stond op en trok zich in dezelfde vensternis terug, waarin hij vroeger had gestaan, en wier gordijnen nog niet opengeslagen waren. Daar stond hij hijgend, buiten
71
ader», en zag, verborgen, onafgewend naar de deur, door welke zij moest binnentreden.
En daar kwam zij, nu weder geheel zich zelve; de lijk getooide gravin, met een triomfantelijken glimlach op de lippen, en den donkeren gloed in bare oogen. Het gezelschap omringde haar, om baar te huldigen met de gloei-endste woorden van verrukking en dank. Zij nam het aan, als een Koningin, die de hulde harer vazallen ontvangt, met een koelen glimlach, met vriendelijke kalmte. Niet éénmaal zag haar blik zoekend naar hom, die daar achter de gordijn stond, en haar met inhouden adem aanschouwde. Hij stampte met den voet op den grond van woede en smart. âZij bemint me niet; haar hart is koud als ijs en ik, ik verga van liefde!quot; Hij benijdde de cavaliers, die woorden vonden, om hunne vervoering te schilderen, en tóch had hij ze allen kunnen vermoorden, die het waagden te zeggen wat in de diepte van zijn hart onuitgesproken rustte; had hun tot rekenschap willen vorderen voor elk woord dat zij hun schonk, en voor elke vleierij welke men waagde aan deze boven alle vleitaal verhevene Koningin der schoonheid te brengen.
XI.
WAT IS LIEFDE?
Deze betooverende pantomines schenen intusschen voor heden, het toppunt en het einde van het teest te zijn geweest. Men had na deze verheven indrukken geen lust meer, om over te gaan tot de gewone genietingen van het gezelschap, en deze voorstelling scheen het heerlijke dessert te zijn, van het maal dat men vroeger genoten had. Het gezelschap verwijderde zich, en langzamerhand werd het stil in de straks zoo ruischende zalen. De gravin von Stein nam, in 't midden der zaal onder de lichtkroon, die de brillanten van haar diadeem en hare armbanden als een sterrenhemel om haar deed fonkelen, afscheid van hare gasten, die diep voor haar bogen en haar in opgetogen woorden dank zeiden voor het genot; en toen de laatste
72
barer gasten de zaal verliet, beval zij den lakeien de deuren te sluiten; zij wilde nog alleen hier blijven ; men moest de kaarsen in de andere vertrekken uitdooven, en alle dienstboden konden naar bed gaan. Dit zeide zij ook aan de kamenier, die eerbiedig genaderd was en vroeg, of mevrouw de gravin baar nacbttoilet wenscbte aan te trekken.
âLaat mij ; het feest gonst mij nog in de ooren en in den geest. Ik wil nog bier blijven, een weinig muziek maken en misscbien nog eenige oefeningen boud'en. Ga gij naar bed.quot;
De kamenier verwijderde zicb, en nn werd bet stil in de zaal. Zij wandelde of liever zweefde met lichten tred eenige keeren het ruime vertrek op en neer, en achter haar trok de purperroode sleep: een stroom van bloed, van menschen-bloed, voor de wreede trotsche zwaan! â Nuliet zij zich neder voor het instrument, waaruit prins Louis Ferdinand zulke wonderbare melodiën bad laten klinken, en legde baai-witte, van juweelen glinsterende band er op, en begon een paar zachte, treurige accoorden aan te slaan. Vervolgens ging zij over in een scherpe, wilde melodie, en nu openden zich bare lippen voor een gezang, zooals slechts een demon zingen kan, als bij zegevierend spot met de smart der menschenen juicht om de folteringen, welke hij den trillenden harten bereidt. Duidelijk en verstaanbaar voor ieder oor, vielen de woorden van hare lippen neder; woorden van menschenverachting, van hoon over deze liefdelooze, wreede wereld. En in hare oogen schitterden de toorn en de smart van een demon en een engel tevens. Zij had het hoofd ter zijde gewend, en zij schrikte niet toen nu de gordijnen der vensternis zich zacht scheidden, en een boogë, slanke gestalte er uit trad, met bleek aangezicht, de oogen strak op haar gericht. Zij scheen de gestalte niet te bemerken, bleef spelen en zong haar demonisch lied voort, en wendde het hoofd naar de andere zijde.
Plotseling werd haar arm vastgehouden met den greep eener gloeiende hand, en een bevende stem riep: âSpeel niet verder, Aurora! of ge doodt mij! Ge zijt geen vrouw, gij zijt een demon 1 Dood mij 1 Ik ben hier gebleven, ik heb mij daar verborgen, wijl ik u zeggen wilde wat ik u nu zeg. Aurora: dood mij, of bemin mij!quot;
Een heldere lach, de onschuldige kinderlach, die reeds zoo
73
dikwerf het hart van prins Louis Ferdinand verschrikt had, klonk van hare lippen.
âEen fraaie keus, mijn prins! âDood mij, of bemin mij!quot; Nietwaar, zoo luidt uw spreuk?quot;
âJa,quot; zeide hij grimmig en deemoedig tegelijk: âja zoo luidt de spreuk. Ik wil van uwe lippen het leven ontvangen of den dood! Ik bemin u, Aurora; dood mij, of bemin mij!quot;
âWij willen hier later over spreken,quot; zeide zij bedaard: âlaat mijn arm los, ik wil eerst mijn lied ten einde zingen ; want ik houd er niet van, met een gestooi'de melodie te eindigen. Zwijg, en laat mij mijn lied ten einde zingen!quot;
IIij liet ootmoedig haar arm los, en voor haar nederknie-lende, boog hij zijn hoofd en bedekte het aangezicht met zijne handen, terwijl zij met jubelende tonen het laatste vers van haar demonisch lied zong. Toen verstomde de muziek met een wild krijschend accoord.
Nu stond Aurora van de piano op ; geheel veranderd en herschapen; een koele, trotsche koningin, die aan hare voeten een misdadiger ziet, die om genade smeekt.
âEn zeg mij nu, prins, met^welk recht ge u vermeten hebt hier te blijven, en de gastvrijheid van mijn huis nog langer te vergen dan alle andere gasten?quot;
âIk wil geen gastvrijheid; ik ben niet hier als uw gast,quot; zeide hij, knielend tot haar opziende: âik ben hier als iemand die veroordeeld is, en om genade wil smeeken!quot;
âDat hebt ge reeds vroeger gezegd,quot; antwoordde zij met koele bedaardheid; âdood mij, ot bemin mij!quot; 't Is een wonderlijke scherts, mijn prins ; een voortzetting der panto-mine, die ik straks heb voorgesteld! Maar ik bid u, sta op, laat mij tot de andere groep overgaan!quot;
Prins Louis sprong op. â âAurora, ge zijt geen vrouw, ge zijt een demon, en 't zou misschien een geluk voor de menschheid zijn, zoo ik u nu doodde, daar wij alleen zyn!quot;
âDoe dat prins!quot; zeide zij, en haar trotsch gelaat nam een weemoedige uitdrukking aan : âDoe dat; ik zou er zelve zeer mee gediend zijn, want ik ben deze erbarmelijke aanbidding en vleierijen hartelijk moede. Dood mij en ik beloof u vooraf, dat mijn stervende lippen mijn moordenaar niet vloeken zullen. Bovendien hebt ge den tijd om te ontvluchten, want ge ziet immers, wij zijn alleen, en ge
74
hebt gehoord, dat ik mijn dienstbuden naar hed heb laten gaan.quot;
âAurora, ge zijt verschrikkelijk,quot; zei de prins; âverschrik-kelijk en tóch betooverend!quot;
âEn ge zoudt willen, dat ik nu door u betooverd was. Gij zijt het zoo gewoon bemind en aangebeden te worden, dat ge verstoord zijt, wijl ik niet smelt van liefde en ver-rukking, en aan uwe voeten kniel, om m om genade te smeeken! Weet ge, prins, wat ik mij voornam, toen ik u leerde kennen ?quot;
âDat ge mij langzaam dooden wildet,quot; zeide hij grimmig.
Zij schudde glimlachend het hoofd. â âNeen, prins Louis; dat ik slechts een klein weinig de vele vrouwen op u zou wreken, welke gij smart en tranen bereidt, en u bewijzen wilde, dat niet allen van zulk een weeke stof geschapen zijn als deze kleine zwaarmoedige noordsche vrouwen, die de liefde slechts als maanlicht in beur harten laten schijnen.quot;
âEn ge hebt dit bereikt. Aurora,quot; zei de prins: âja, ge hebt alle vrouwen welke ik bemind en verlaten heb, alle tranen, welke ik aan schitterende oogen ontlokte, alle eeden welke ik gebroken heb, â ge hebt dit alles aan mij gewroken. En laat het nu genoeg zijn, dierbaarste, aangebedene ! zeg mij nu dat ge mij vergeeft, dat ge niet meer toornig op mij zijt, dat ge trachten wilt mij een weinig te beminnen, 'tls waar, ik heb een misdaad begaan, door mij hier te verbergen en achter te blijven maar mijn vurige liefde verontschuldigt alles.
âVerontschuldigt ook het verraad, die trouwbreuk!quot; zeide zij schouderophalend ; âwij kennen dat. Het zou u aangenaam zijn, zoo nu een dienstbode binnen trad, en ik door uwe tegenwoordigheid gecompromitteerd werd; want dan bleef mij niets anders over, dan mij werkelijk tot datgene te bekennen wat ik niet ben, van uw dolle scherts ernst te maken, en uwe geliefde te worden. Maar ik wil u nu iets zeggen, mijn waarde prins; ik wist dat ge daar achter de gordijn stondt; ik wist dat prins Louis Ferdinand niet zulk een onbeleefd en koel cavalier kon zijn, om zonder mij te danken mijn buis te verlaten, en ik zag bet aan de trillende beweging der gordijn, dat er iemand achter 'verborgen was. En wijl ik wist dat gij het gewaagd hadt, achter te blijven, daarom liet ik de deur der zaal sluiten,
75
daarom zond ik mijne dienstboden naar bed. Ik ivilde niet door u gecompromitteerd worden, en u de gelegenheid tot den aftocht vrij laten. Ge hebt u door uw oogeiiblikkelijke neiging laten medeslepen en mij, de gravin Aurora von Stein, verwisseld met die lichtvaardige schoonheden, welke gij zooals men zegt, zoo vurig huldigt. Ik vergeef 'tu, mijn prins, en wensch u goeden nacht! Maar neen, ik vergat u den terugweg te wijzen! Door deze zijdeur komt ge in de kleine gang, ik verzoek u dien met zachte treden door te gaan; aan 't einde vindt ge een kleine deur, open die en ga de trap af, aan welks onderste trede ge weder aan een kleine deur komt, die gij zacht opent en daaruit in den tuin komt. Het overige zult ge wel zelf weten te vinden, want zoover ik weet, is de kleine achterdeur van mijn tuin insgelijks open. Groeden nacht, prins Louis Ferdinand!quot;
Zij maakte een trotsche buiging voor hem en wendde zich om. Maar de prins ijlde op haar toe en vatte haar beide handen.
âNeen, Aurora, neen, verlaat mij niet zóó. Ik herhaal het u nog eens; dood mij, of bemin mij ; Ge hebt sedert deze maand, dat gij hier zijt, gezien hoe ik u bemin ; ge hebt het gelezen in iederen blik, in elk woord dat ik tot u gesproken heb, dat ik u bemin, en daarom moogt ge niet met mijn hart spelen ; ik gaf u hiertoe geen recht. Ge hebt mij veelbelovend, schier teeder toegelonkt, en nu wilt ge zeggen, dat ik een dwaze knaap ben, die zich heeft ingebeeld neiging te verwekken, en die nu als een ijdele gek afgewezen zal worden ? Neen ! Ik zal mij dit niet laten welgevallen ! Ge hebt uw gouden toovernet over mij geworpen, en ik tuil niet dat ge dit net weder opent, en mij als een geschonden vlinder weder vrijlaat. Ik blijf. Aurora, en ge zult mij niet veroordeelen kunnen ; ik bemin u en ik bid om genade.quot;
âGij bemint mij ?quot; herhaalde zij schouderophalend; âGij bemint mij ? En waarmede hebt gij mij dit tot nu toe bewezen ? Meent ge dat vleijerijen en huldigingen zulk een zeldzame waar voor mij zijn, dat ik daaraan uwe liefde herkennen zal? Wat hebt ge dan tot hiertoe gedaan om mij uwe liefde te bewijzen ? Hebt ge een enkel uwer vooroordeel-en opgeofferd ? Hebt ge door één enkele daad bewezen dat ge
76
bereid waart mijn ridder te zijn, en voor mij het zwaard in het tournooi des levens op te heffen ? Zijn wij niet altoos in strijd geweest ? Hebt ge niet alles wat ik beminde en hoogschatte, met spot en hoon behandeld ? Heb ik niet van u toornige woorden van verachting gehoord over de republiek Frankrijk, welker dochter ik ben? Hebt ge niet altijd den man gehoond en gesmaad, die thans aan het hoofd van mijn vaderland staat; Bonaparte, den eersten Consul; en hebt ge niet evenzeer gesmaad en bespot die ongelukkige prinsen, welke buitenslands in ballingschap met verlangenden blik naar het vaderland uitzien, dat hun ontzegd is. Alles wat mij heilig en waard is, lastert gij; en nu komt ge tot mij en zegt dat ge mij bemint, en veroorlooft u mij te compromiteeren, door heimelijk in mijn kamer te blijven? En dat noemt gij beminnen, prins?quot;
Zij wendde zich om en wilde de kamer verlaten. Maar hij hield haar tegen.
âGe zult niet van mij gaan met dezen kouden glimlach op de lippen, met dezen blik van spottende verachting in de oogen,quot; zeide hij met gesmoorde stem ; â't Is waar, ik heb een misslag begaan ; ik sta voor u, als een schoolknaap die op een dommen streek is betrapt geworden, en berouwend pater peccavi zegt. Ja, ik heb berouw en bid om vergeving. 'tWas een misslag, 'twas meer dat dat: 'twas een onbeleefdheid, dat ik mij verstoutte hier te blijven en van u een samenzijn, een onderhoud te willen afdwingen.quot;
â'tWas eigenlijk het hon plaiser van een groot heer, die meent, dat er voor hem geen wetten van welvoegelijkheid en kieschheid zijn in acht te nemen; dat hij boven dat alles verheven is,quot; zeide zij glimlachend, en hare oogen zagen hem daarbij moedig en trotsch aan.
âNeen,quot; riep hij driftig: âneen ; ge doet mij onrecht. Aurora, smartelijk, wreed onrecht! Ik bemin u, en ik vergat in den gloed dezer liefde alle bedenkingen, alle welvoegelijk-heid. Bereken hiernaar ten minste het vuur en de macht mijner liefde.quot;
âUwer liefde ? zeide zij schouderophalend ; âwat weet en verstaat gij van liefde ? De zon van uw Noorden heeft deze heilige, goddelijke bloem niet in uwe harten laten bloeien in hare schoonheid en grootheid. Zij is onder uw kouden hemel slechts als een klein viooltje gebleven, dat stil in uwe
77
harten geurt, even het kopje verheft en dan voor altoos verwelkt. Ik, mijnheer,quot; voer zij voort, terwijl zij zich hooger oprichtte, en hare grooto oogen meteen uitdrukking van verrukking ten hemel hief; âik, mijnheer, ben een dochter van het Zuiden, mijne moeder was een Italiaansche, mijn vader uit het schoone, zonnige Provence, waar de kinderen op de straat van liefde zingen, en waar de grijsaards nog jong worden in den gloed van 't gevoel, wanneer zij een fraai meisje als een gedicht hunner jeugd hen voorbij zien gaan. Ik weet wat de liefde is, hoewel ik haar nooit gekend, nooit onder haar goddelijke straal mijn hoofd gebogen heb.quot;
En terwijl zij dit zeide, trok er als een wolk over haar zonnig gelaat, en haar oog scheen vochtig te worden. Zij was verrukkend schoon met deze weemoedige uitdrukking op haar gelaat, en zij wist het; zij wist dat hij, die tegenover haar stond, met vlammende oogen, met diepen gloed van 't gevoel in zijn ziel, op dit oogenblik nóg meer aan haar geboeid werd, door die zweem van weemoed en gevoeligheid.
âGe hebt nooit bemind. Aurora?'' vroeg hij op dien diepen toon, die uit de ziel komt en die haar zijn innigste gedachten verried: âGe hebt nooit bemind. Aurora? O, de gelukkige, dien het gebeuren mocht dat gevoel in u op te wekken âquot;
âDie gelukkige,quot; viel zij hem in de rede: âdiegelukkige zal wel op aarde niet leven. Ik zoek naar hem,quot; voer zij voort, en haar stem, die vroeger zoo helder en welluidend was, had nu een jammerenden, bevenden toon, die zijn hart diep bewoog: âJa, ik zoek naar hem, dezen eenigen, dezen onbereikbaren! Door de geheele wereld ben ik getrokken om hem te vinden. Lach om mij, prins Louis. Ik zoek in de wereld den man, dien ik beminnen zou, en ik heb hem nog niet gevonden. Mijn leven is eenzaam geweest. Het schavot heeft mij mijn vader en mijne moeder ontnomen, en uit de onuitsprekelijke eenzaamheid mijns levens heeft mij de hand eens grijsaards gered en nog teruggetrokken van den afgrond, waaruit de dood mij tegengrijnsde. Ik nam de hand van den grijsaard aan en liet mij redden, want het leven scheen mij nog zoo schoon, het had nog zoo veel onvervulde beloften, zoo veel hoop voor mij. Ik werd de vrouw, dat heet: de dochter van dezen edelen
78.
grijsaard, die mij zijn hand bood, wijl hij op zijn eenzamen levensweg nabij zijn graf een bloem der jeugd wilde hebben, die zijn hart verkwikte. Hij verlangde geen liefde, en ik had ze hem niet te geven; ik was hem een trouwe, gehoorzame dochter, tot hij stierf. Sedert een jaar ben ik weduwe. En thans, nu geen plicht van trouw, van gehoorzaamheid mij meer bindt, verlangt mijn hart naar deze hemelsche wonderbloem, naar deze goddelijke liefde, en ik ben uitgegaan om haar te zoeken.quot;
De trotsche koningin van 't gezelschap, was nu geheel veranderd. De witte, ongenaakbare zwaan met den purperen mantel, had zich veranderd in een weemoedig bekoorlijke vrouw, met zuchten op de purperen lippen, met een sombere wolk boven de groote, zwarte oogen. Zoo scheen zij hem nog schooner, nóg betooverender, dan hij haar ooit gezien had. Hij nam met hartstochtelijken gloed haar hand.
âAurora ! laat mij dingen naar dit goddelijk reine hart! Laat mij beproeven of 't mij gelukken zal, de bloem dei-liefde in uw ziel te doen ontluiken.''
Zij onttrok hem met zachte kalmte haar hand. â âWelk recht hebt ge daartoe?'' zeide zij koel en bedaard: ,,Dat ge een prins zijt, is mij zeer onverschillig; dat ge rijk zij t, is mij volkomen 't zelfde! Al legdet ge een wereld aan mijne voeten, ik zou haar niet aannemen, zoo ik dengene niet beminde, die mij haar biedt. Dat ge een jong, schoon man zijt, maakt geen indruk op mij; want ik heb vele schoone cn jonge mannen gezien, en mijn hart heett zich niet bewogen. Waardoor nu gelooft ge, dat gij mijn hart tot liefde zoudt kunnen ontvlammen? Men heeft mij,'tis waar, gezegd dat ge vele veroveringen gemaakt, â vele vrouwenharten gebroken hebt. Uw leven is rijk aan avonturen; ge hebt misschien aan de voeten van honderde vrouwen gelegen, liefdeëeden gedaan, en stamelend beantwoording gevonden. Ge kent het ABC der liefde, maar verder zijt ge niet gekomen, prins. De eigenlijke liefde kent ge niet, en ge hebt nog nooit een vrouw gevonden, die u waarachtig beminde; of liever, er is hier in uw Noorden geen vrouw, die de liefde kent. Zij hebben alle bij de liefde nog het verstand, â bij het heiligste gevoel nog de berekeningen en de bedenkingen der wereld. Ja,zij beminnen, deze Duitsche vrouwen, â maar zij beven voor
79
de wereld ; zij zijn bevreesd voor het oordeel der menschen, voor lijden, voor schande, voor wroeging, bevreesd voor alles. Maar ik, zoo ik eenmaal beminde, â zoo een wezenlijke, ware hartstocht mijn ziel vervulde, zóódanig vervulde, dat al mijne gedachten alle overwegingen van mijn verstand er door gedood werden, â zoo deze lietde mijn hart, het bloed mijner aderen, de gedachten van mijn hoofd vervulde, dan zou ik voor niets ter wereld bevreesd zijn, voor niets terugbeven! Ik zou alles opofferen voor deze liefde, ik zou misschien door haar misdadig kunnen worden !
âAurora!quot; riep hij, verrukt in haar vlammend gelaat ziende: âge zijt een engel en een demon tegelijk!quot;
Zij lette niet op zijn uitroep en voer in verrukking, den blik als een profetes in het ledige gericht, voort: âWat zou mij de schande, het oordeel en de spotternij der wereld deren? Ik zou het spook der openbare meening recht en strak in het aangezicht zien! Ik zou mij zonder nadenken aan mijn liefde overgeven, en mij liever in hare armen laten dooden, dan die wereld eenige inwilliging te doen ! Al moest ik mijn naam, mijn eer, mijn aanzien voor de wereld in hot stof treden, om daarmede den afgrond to vullen, die mij van mijn liefde gescheiden houdt, ik zou die als een ellendig niets aan mijne voeten werpen en juichend er over heen gaan, de liefde tegenoet. En zoo dan de wereld mij mocht honen, dan zou ik op het openbaar tooneel haar den handschoen in 't aangezicht werpen, om niets achter mij te laten, niets in mijn leven, dat mij van mijn liefde scheiden kan!''
âAurora!quot; riep de prins buiten zich zeiven, als door ontzetting of verrukking overweldigd voor haar achteruit deinzende: âAurora, ge speelt met. mijn verstand!quot;
âO, ik weet wel,quot; voer zij, als geheel in haar eigen gedachten verloren, voort; en nu klonk haar stem, in tranen bevend, als het zwanenlied barer liefde; âik weet wel, dat ik met deze groote liefde misschien ten laatste veracht en verlaten kon worden door hem. dien ik ze wijdde, â want manenharten verstaan de liefde niet. Ik zou, zelfs zoo ik dit vooraf wist, er niet voor terugschrikken. Ik zou veeleer een zonderling genoegen vinden in de overmaat dezer vernedering: ik zou nóg glooiender beminnen, ik zou in tranen juichen en zalig zijn in de herinnering. Dan echter
80
zóu ik mij alléén, geheel alléén, in een of anderen hoek der aarde verscholen hebben; zou liet verscheurde purperen kleed mijner helde vast om mij geslagen bebben, en zou in mijn eigen vlammen als op een brandstapel verbrand, dat heet: naar den hemel opgestegen zijn! Nu, mijnheer nu weet ge wat liefde is. Denk er over na, en zeg dan aan geen vrouw, die mij gelijkt, dat ge haar bemint.quot;
Zij wendde zich met eenquot; lichte hoofdbuiging tot hem, en zich vervolgens met de houding eener koningin omwendende, trad zij weder door de zaal. Maar hij ijlde haar ten tweedemale na, en hield haar vast.
âIk zeg het evenwél, Aurora, dat ik weet wat lieldeis. 't Is waar, ik heb honderd malen anderen den eed van liefde gedaan; 't is waar, honderde vrouwenharten hebben mij dezen eed teruggeven, maar in dit uur gevoel ik aan het woeste vuur, dat in mijn aderen gloeit, dat ik nu voor het eerst de ware liefde heb leeren kennen.quot;
Zij schudde slechts licht het hoofd, en zag hem met een spottenden glimlach aan.
âJa, het is zooals ik zeg, en ge zult het moeten erkennen. Aurora; veroorloof mij ten minste naar uwe liefde te dingen ; stel mij op de proef, beproef het, en zie of ik de proef niet doorsta.''
Nu trilde er op haar fraai gelaat als een demonisch vuur en een bliksem schoot uit hare oogen.
âWelaan, mijn prins, ik neem uwe uitdaging aan. Ik wil u beproeven. En zoo gij de proef doorstaat, âzoo ge mij door groote opolïeringen en door groote verzoekingen, waaronder ge niet bezwijkt, bewijzen kunt, dat ge mij waarachtig bemint, dan, â dat zweer ik u bij den geest der eeuwige liefde, die ons hoort, â dan wil ik aan uw liefde gelooven en haar juichend beantwoorden; ik wil den purperen mantel mijner hoogheid verscheuren, en voor u staan als een bedelares, die naar tcwe liefde dingt. Het zij zoo, geef mij uw hand; wij sluiten in dit oogenblik het verbond: gij zult mij uw liefde mogen bewijzen.quot;
âEn als ik ze u bewezen heb ?quot; vroeg hij met schitterende oogen, met een fleren, moedigen glimlach; âals gij bekennen moet, dat ik tot een hoogere, grootere liefde in staat ben en haar u toewijd, â wilt gij dan, Aurora, mijne liefde beantwoorden? Wilt go mij dan zeggen: ik bemin u?quot;
81
Zij zweeg een oogenblik, vervolgens zeide zij zacht en langzaam: âJa, tracht mijne liefde te winnen, en ik zweer u, dat ik mijn hart voor u niet wil verhullen, zoo het voor u klopt. En zoo ge alle proeven hebt doorstaan en trouw gebleven zijt aan uw gevoel, dan zal ik mij niet terugtrekken! Nu, goeden nacht, mijn prins, vaarwel!quot;
âGoeden nacht,quot; zeide hij bevend van verrukking : âgoeden nacht!quot;
Hij waagde het niet haar langer op te houden; hij oogde haar na, toen de koninklijke, trotsche gestalte â glinsterende van briilanten, die helder fonkelden in het licht dei-afgebrande kaarsen, â heenging. En, toen zij nu door de deur verdwenen was, ademde hij diep, als was een betoovering van hem geweken, keerde zich om en sloeg den weg in, dien zij hem straks had aangegeven, om, heimelijk uit het paleis te komen.
Toen hij den volgenden morgen na een onrustigen slaap en woeste droomen ontwaakte, bracht hem zijn kamerdienaar op een zilveren bord een klein welriekend billet.
â't Is reeds voor een uur afgegeven geworden, Koninklijke Hoogheid.quot;
Hij scheurde het haastig open; hij gevoelde, hoewel hij nooit haar schrift gezien had, â dat dit billet van haar kwam, van Aurora von Stein. En hij had zich niet vergist. Het was haar hand, die deze woorden geschreven had, en haar naam stond onder het papier.
âGe hebt te veel op u genomen, mijn prins,quot; schreef zij hem: âik wil u een nederlaag besparen, en ben van hier vertrokken. Onderzoek niet waarheen. Vaarwel.quot;
Dat was alles. De prins slaakte een kreet, sprong uit het bed, kleedde zich haastig, en toen naar buiten op de straat, als een razende naar het paleis onder de Linden, 'twelk de gravin bewoond had. De portier, die in de deur stond, herkende hem en maakte eerbiedig plaats.
âIs Mevrouw de gravin tehuis?'' vroeg hij hem voorbijgaande.
âMevrouw de gravin is vertrokken,quot; antwoordde de portier met de onderdanigste buiging.
Maar hij bleef als verpletterd door deze woorden staan. âVertrokken? En waarheen?quot;
âMen weet het niet, genadigste heer. Maar men zegt
Mühlbaoh, Duitschlancl in Woeling en Strijd. VIII. 6
82
dat mevrouw de gravin niet terug zal keeren. De hofmeester is achtergebleven, om alles te regelen.''
De prins luisterde verder niet naar hem, ijlde de trap op en schelde aan de eerste étage, zóólang en zóó heftig tot men hem open deed. De hofmeester zelf was er, en met bevende lippen herhaalde de prins zijn vraag naar de gravin en ontving van hem de bevestiging, dat de gravin voor altoos vertrokken was, dat hij slechts was achtergebleven om de rekeningen en aangelegenheden der gravin te regelen.
âEn waarheen is de gravin vertrokken''quot;
De hofmeester haalde de schouders op. â âDat weet ik niet; ik ben slechts gelast hier alles af te doen, en dan keer ik naar de goederen der gravin terug.quot;
âEn heeft zij geen koffers achtergelaten? Geen adres, waarheen men ze zenden moet?''
âDe meeste barer koffers zijn hier, en ik heb bevel ze naar Parijs te zenden.quot;
âWaarheen?quot;
âNaar het groote entrepot, waar ze moeten blijven tot men ze opvraagt, genadige heer.quot;
âEn verder weet ge niets?quot;
âNeen, Koninklijke Hoogheid! En zoo ik ook meer wist zou het een getrouw dienaar niet betamen, meer te zeggen, dan hem door zijn meesteres veroorloofd is.quot;
Hij boog diep, en prins Louis Ferdinand keerde zich beschaamd om, ijlde de trap weder af en snelde terug naar zijn paleis, om te overleggen en na te denken, wat nu te doen was.
âWant ik kan haar niet opgeven, en wil het niet!quot; riep hij luid, terwijl hij onstuimig in zijn kamer op en neer liep: âNeen, ik wil haar niet opgeven!quot;
En plotseling bleef hij staan, en zijn vroeger zoo somber en bewogen gelaat verhelderde zich tot een glimlach.
âHoe, zou dit misschien niet de eerste beproeving zijn?''
âJa, zoo is het? Zij vlucht voor mij, opdat ik haar zou volgen. Zij wil zien, of ik terstond bij de eerste teleurstelling mijn koud noordsch bloed tot kalmte breng, of dat het zoó gloeit van verlangen naar haar, dat ik haar volg. â Ik zal haar volgen!quot;
En juist toen hij dit gezegd had, trad de kamerdienaar
83
binnen en bracht den prins een anderen brief, een eigenhandig billet des Konings.
Hif lachte spottend, toen hij hel uiteensloeg, want hij kende reeds den inbond. Zijn zuster Louise had hem reeds gezegd, dat zijn vader zich tot den Koning gewend, âen hem bezworen had, een einde aan de ergernissen te maken, en den prins weder naar zijn garnizoen te Maagdenburg te zenden.
En 't was gelijk hij gedacht had. De Koning schreef met korte, koele woorden, dat het hem voegzamer scheen, dat een generaal bij zijn troepenafdeeling bleef, en de prins zich derhalve onverwijld naar Maagdenburg moest begeven.
âDit is de tweede maal dat ik zulk een teeder, eigenhandig billet van mijn lieven neef ontvang.quot; zei de prins, den brief op de tafel werpende: âik zal hem natuurlijk gehoorzamen en nog heden naar Maagdenburg vertrekken.quot; â
âMaar, slechts in schijn;quot; zeide hij vervolgens meteen stralenden glimlach tot zich zeiven; âja slechts in schijn. Ik zal naar Maagdenburg gaan; dat heet: ik zal haar volgen, ik zal haar zoeken door de geheeie wereld!quot;
VIERDE. BOEK
STRIJD OM VREDE.
1.
ARMIDA'S BETOOVERING.
âEn zoo hebt ge mij niet kunnen ontgaan, Aurora, en heb ik u tóch ontdekt! Beken mij slechts, dat dit een beproeving was, en gij slechts wildet zien, of ik Berlijn verlaten zou om u te zoeken! Ik deed het; ik wist dat mijn liefde voor â¢u de Ariadnedraad was, die mij door den doolhof zou voeren!quot;
âGij verklaart mij dus voor een Minotaurus, prins ?quot; vroeg zij lachend; âde Ariadne-draad heeft u midden in den doolhof gevoerd tot den Minotaurus, en om uwe vergelijking waar te maken, zou mij dus niets overblijven danu te dooden!quot;
âMij te dooden, bekoorlijkste, om een nieuw mensch van mij te maken!quot; riep hij verrukt; âGe hebt dat reeds gedaan. Ik ben een ander mensch geworden; ik ben niet meer de prins, die 's Konings onderdaan is ; de generaal, die bij zijne troepen moet blijven; â ik ben niet meer dan uw slaaf. Ge ziet het, want ik heb alles weggeworpen, alles verlaten om u te volgen. De Koning heeft mij bevolen in mijn garnizoen te Maagdenburg te blijven, maar ik ben evenwel gegaan, â ik ben gegaan om u te volgen.quot;
âZeg mij toch prins,quot; vroeg zij; âhoe hebt gij 't toch aangevangen om mijn spoor te vinden ? Ik meende alles gedaan te hebben om het u onmogelijk te maken. Ik sloeg eerst een anderen weg in, liet toen andere postpaarden nemen, en reed weder door Berlijn naar Hamburg. Hoe hebt ge 't toch aangevangen, prins, mij hier te ontdekken in deze groote, volkrijke stad?quot;
85
âHoe ik het aangevangen heb?''^vroeg hij glimlachend; âIk heb gedaan gelijk de herders in het Oosten; ik ben mijn ster gevolgd, en die heeft mij tot u gevoerd, Aurora. Juist dat ge nog eens door Berlijn zijt gekomen, bracht mij op het rechte spoor. Mijne spionnen berichtten het mij, en ik overlegde waarheen ge zoudt kunnen gaan. Een echte Parijsche vrouw keert altoos naar Parijs terug, zeide ik bij mij zeiven, en toen volgde ik mijn goede ster, en ging het eerst naar Hamburg, En hier ben ik nu, Aurora, lig aan uwe voeten en vraag: heb ik mijn proef doorstaan? Ziet ge nu dat ik u alles ten offer breng?quot;
âAlles?quot; herhaalde zij schouderophalend: âdat heet: ge waagt om mijnentwille een toornigen blik en een voorhoofd-fronsen van den Koning. Ge waagt wijders, dat uwe troepen bij de eerste parade misschien niet zoo goed gedrild zijn, en niet zoo behendig linksom kunnen zwenken, als wanneer de heer generaal ze een weinig meer geïnspecteerd had. Dit is alles, mijn fraaie prins, en nog veel te weinig, om als een voldoende proef uwer liefde te gelden. Doch ik erken, dat ge tenminste het instinct der liefde hebt, en mijn spoor goed hebt gevonden. Dit is althans reeds een kleine belooning waard.quot;
âEn gij wilt mij die geven. Aurora?quot; vroeg hij, zich tot haar buigende, haar hand nemende om die aan zijne lippen te drukken, en vervolgens teederlijk tot haar opziende.
Zij knikte. â âJa! Onder één voorwaarde.quot;
âLaat mij deze voorwaarde, dat heet; dit bevel hooren, Aurora!quot;
âTen eerste, prins, en vóór alles sta op!quot; zeide zij glimlachend : âik heb een afkeer van knielende mannen! De gladiatoren die in het circus van het oude Rome hunne dapperheid bewezen, vielen slechts op hunne knieën neder, als zij den doodelijken slag ontvangen hadden, en gij, mijn prins, zijt nog niet tot dit punt gekomen, hoewel ge mij wilt doen gelooven, dat uwe liefde voor mij een dolk is, die u doodelijk gewond heeft.quot;
âDe liefde is een Proteus,quot; zeide hij, zich op den kleinen tabouret, waarop liaar kleine vinger gebiedend weet, neerzettend: fâzij schittert heden in alle kleuren van het geluk, en draagt morgen bij het minste voorhoofdfronsen de donkere kleuren der wanhoop en droefheid.quot;
86
âIk beken dat u deze kleuren niet bijzonder staan,quot; glimlachte de gravin; âen wij willen trachten het zoo min mogelijk noodig te maken, dat ge er u mede misvormt! Ge zijteen lieveling van Apollo en de muzen, en de trotsche Juno heeft u, geloof ik, bij uwe geboorte even vriendelijk aangezien, als de schoone Venus! En als zulk een gunsteling der groote en schoone goden, moet de blijmoedigheid des geluks steeds op uw voorhoofd tronen !quot;
âHet hangt van u af, het geluk voor eeuwig van mijn voorhoofd te laten stralen, en mij te verheerlijken door uwe liefde! En gelooft ge aan de mijne?quot;
âGe zijt voorbarig, prins!quot; zeide zij glimlachend : ,,en ik bid u, laat ons niet zooveel van de liefde spreken: Zij is slechts een tijdverdrijf voor de dwazen, en past niet meer in onzen tijd. Bovendien gelooven immers de mannen er niet aan, schoon zij zich ook zoo houden; het zijn slechts contes j)Our rire. En laat ons dus als kinderen dezer wereld, lachen en vroolijk zijn! Ik wil u een belooning geven voor uwe komst, prins; ge zult twee dagen hier blijven en met mij mogen leven! Dat heet, mijn schoone, edele prins: met mij leven, zooals twee kinderen dezer wei'eld, die elkander een oogenblik op hunnen levensweg ontmoeten, met elkander leven, in vroolijke tevredenheid en wenschen-looze kalmte. â Stil, antwoord mij niet, dat dit voor u onmogelijk is! 't Is de voorwaarde, waarop ge bij mij blijven moogt! Geen woord van liefde in deze dagen prins; maar zóóveel van verstrooiing en vermaak, als wij in deze waterrijke, vroolijke stad kunnen vinden. Laat ons de zorgen dezer wereld een weinig ter zijde leggen en ons herinneren, dat wij ons deel willen hebben aan de vreugden des-levens!quot;
Hij kuste voor alle antwoord haar hand en zag haar diep in de oogen, die heden niet zoo demonisch glansden, maar een zachter teederder uitdrukking hadden aangenomen.
En zoo leefden zij twee dagen in Hamburg; maaken te zamen muziek, reden uit in de fraaie omstreken, en maakten 's avonds in schommelende gondels watertochtjes op de Elbe.
De prins had zich als een gehoorzaam kind naar hare bevelen gevoegd, en geen woord van liefde kwam fin deze twee dagen over zijn lippen. Hij gaf zich met geheel zijn ziel aan dit nieuwe levensgenot over. Hij dronk een zoete bedwelming van hare lippen, luisterde als naar een verruk-
87
kelijk sprookje naar hare woorden, en volgde al hare bewegingen met de uitdrukking van de innigste bewondering en vreugde.
Te Berlijn had hij haar gezien in den vollen glans harer schoonheid en in de majesteit harer macht. Hier te Hamburg, â waar het hof harer cavaliers, het huldigende gezel-hap haar niet omgaf; waar zij beiden alleen elkander in de vertrekken van het hotel zagen; waar geen weelde, geen pracht hem omgaf, â hier was zij eene geheel andere geworden. Een koningin, die haar purperen matei terzijde gelegd, â en de kroon van haar hoofd genomen heeft, om voor een paar korte uren een vrije, onbezorgde vrouw te zijn, en haar hoofd met rozen te omkransen! Zij was vroolijk als een jong meisje; als zij om de onschuldigste dingen ter wereld lachte, klonk haar lach als het frissche leeuweriksgezang. Als zij daarheen reden in snellen galop langs den oever der Elbe, begon zij, als door inwendigen lust gedreven, luid een vroolijk lied uit Provence te zingen, en het hart van den prins zwelgde in geluk en zaligheid; hij kon niets anders doen, dan hare handen nemen en die aan zijne lippen te drukken, en in zijn schitterende oogen haar de liefde te laten zien, waarvan zijn lippen niets mochten bekennen.
Maar na deze twee dagen nam zij plotseling weder haar ernstige, koninklijke houding aan, en met denzelfden demoni-schen blik in hare oogen, reikte zij hem de hand tot afscheid.
âGa nu, prins, ge hebt uw belooning ontvangen ; ga, en laat onze wegen nu gescheiden zijn voor altoos. Geloof mij, 'tis beter voor ons beiden Ga!quot;
Maar hij zag haar glimlachend aan en schudde trotsch het hoofd. â âIk ga niet, ik blijf!quot;
. âDit is scherts, mijn prins,quot; zeide zij, en een dichte wolk trok over haar voorhoofd; âWij konden twee dagen hier incognito leven ; blijven wij echter langer, dan zal het moeilijk zijn het incognito te bewaren, en dat zou voor u en voor mij even gevaarlijk zijn!quot;
âGevaarlijk?quot; vroeg hij glimlachend : âwelnu, laat het gevaarlijk zijn, ik tart het gevaar! Ik tart de geheele wereld en wil niets anders, en verlang niets anders, dan dat de zon nooit onderga, opdat ik den blik van dit goddelijk gelaat nooit ontberen moge!quot;
88
Zij lachte hem droomerig toe, en voor 't eerst sedert hij haar kende, zag hij in deze groote oogen de uitdrukking van het innigste gevoel. â âGij volhardt er dus bij, dat ge mij bemint?quot;
âZoolang mijn mond een ademtocht en de kracht tot spreken heelt, zal ik er bij volharden,quot; zeide hij vurig.
Zij stond op van den divan, waarop zij nevens hem gezeten had, en trad naar buiten op het balkon. De nacht was aangebroken. Zij hadden te zamen gesoupeerd, en naar de bedoeling der gravin, moest nu, daar de tweede dag ten einde was, de prins afscheid van haar nemen, om vroeg in den volgenden morgen weder te vertrekken. Hij had bedongen dat hij tot middernacht blijven mocht;hij wilde geen uur missen van dezen schoonen dag, en zij had hem dit glimlachend toegestaan.
't Was een heerlijke late zomernacht. Het balkon kwam op den tuin van 't hotel uit, en de nachtwind, die dooide boomen ruischte, droeg den geur der viooltjes en rozen tot hen over, en murmelde zacht in de twijgen het slaaplied voor de wereld. Ginds aan 't einde van den tuin, die de Alster omgrensde, glinsterden de golven in den glans der sterren met zonderlinge flikkering, en sloegen kabbelend tegen den oever. De hemel was donker, maar des te helderder schitterden en fonkelden de sterren in beur geheim-zinnigen glans.
Diepe stilte heerschte rondom, en stil waren ook de beiden, die over de balustrade gebogen, in den nachtelijken vrede, in de zwijgende wereld schouwden.
Boven de hooge kruinen der boomen steeg nu groot en vol de gouden schijf der maan op en bescheen Aurora's gestalte, zoodat zij van licht omgeven, als verheerlijkt uit de duisternis te voorschijn kwam. Zij had zich van de balustrade opgericht, en een dwepende uitdrukking lag op haar fraai aangezicht.
âIk had ongelijk,quot; zei de prins zacht: âgroot ongelijk, toen ik straks wenschte dat de zon nooit mocht ondergaan, opdat ik eeuwig uw gelaat zou kunnen zien. Ik zie het nu in de stralen der maan, en het schijnt mij nóg heerlijker, nóg edeler in het zachte maanlicht! Al het aardsche schijnt van u geweken, en mij dunkt, ik zie werkelijk een engel, die nedergedaald is van den hemel!quot;
89
Zij zag altoos nog naar de maan op, en wenkte den prins zacht en afwerend met de hand.
âStil; de nacht is te heilig, om haar door zulke vleierijen te ontwijden ! Hoe schoon is deze nacht! Ik begrijp het volkomen, dat de dichters niet vei'zadigd en moede kunnen worden den nacht te prijzen, en dat zij den nacht boven den dag stellen ! De zon moet zooveel leed en smarten beschijnen ; zij moet aan zooveel bedrogen ellende haar licht geven. Maar als zij gloeiend rood nederzinkt, dan zinken met haar zoovele gloeiend roode smarten, zooveel teleurgestelde hoop, zooveel gebroken harten ! De nacht is reiner, verkwikkender en heiliger ; het gerucht des levens, de arbeid, de ellende verstommen onder den heiligen vrede van den nacht; de steden sluimeren, de maan zegent en verheldert de ledige straten en ziet in de kamers, waar de menschen gerust en vreedzaam slapen, en schouwt neder op de kerkhoven, waar zij onder [de gratsteenen rusten, en schijnt als goud neder op de wateren, wier golven misschien de zeltmoordenaars voortdrijven, welken de dag zoozeer gefolterd heeft, dat zij een toevlucht zochten in de diepte des waters. De maan kust hun strak, kalm aangezicht en hult hen in den mantel barer vreedzame liefde. De nacht is de poëzie, de rust!quot;
Zij zweeg, en hij luisterde nog altoos naar hare woorden, die als sirenenzang zijn hart omstrikt, â en het geheel aan haar overgegeven hadden. Zij wist het wel; wist het, dat hij dit betooverend uur van den nacht nog vele jaren gedenken zou. En de glimlach, die nu weder om hare lippen speelde, en het vuur dat uit hare oogen schoot, had weder iets demonisch, onzaligs.
âLaat ons nu afscheid nemen, prins ! Gij moogt niet doen wat ge straks zeidet; ge moogt niet blijven! Gij moogt uw toekomst niet in de waagschaal stellen ! Gij zijt nog geroepen voor groote zakeuj en ge moet niet zeggen, dat ge uit liefde voor mij den lauwerkrans versmaad hebt, dien u de toekomst wellicht kan brengen.quot;
âUit liefde voor u ? Ge weet niet wat ik in staat zou zijn, uit liefde voor u te doen! Er is voor mij geen andere toekomst dan uwe liefde, Aurora!quot;
Zij haalde de schouders op. ââDat zegt ge heden ; maar morgen, als de betoovering van u geweken is, â als ge
90
op de terugreis naar Maagdenburg zijt, als het tromgeroffel den teruggekeerden generaal begroet en de estafetten des Konings komen om u terug te roepen naar Berlijn, dan zult ge zeggen: Welk een dwaas was ik gisteren, en hoe jammer zou 'tzijn, zoo Aurora von Stein niet wijzer was geweest dan ik, en mij had doen vertrekken !quot;
âNooit zal ik dat zeggen. Aurora, nooit!quot;
âGe zult het doen, prins! En nu, vaarwel! Wees verstandig, keer terug tot uwe plichten en uw nuchter, genotrijk leven. Vaarwel!quot;
âGe wilt mij werkelijk op deze wijze verlaten. Aurora ? Ge wilt mij van u stooten, zonder medelijden, zonder genade?''
âStil,quot; zeide zij; âheb ik het u niet reeds vooraf gezegd : de nacht is heilig, en men mag hem niet ontwijden door luide woorden! Blijf zoolang ge wilt; ik keer terug naar mijn kamer, goeden nachl!quot;
En toen â toen gebeurde iets zonderlings, ongehoords, en den geheelen [nacht vroeg de prins zich zeiven, of 't werkelijk gebeurd, â dan of 't slechts een droom was geweest, een betooverende droom !
Hij had op het balkon gestaan en nevens hem een won-derschoone vrouwengestalte, door het maanlicht als met gouden sluiers omstroomd, in glans gehuld; â en deze vrouwengestalte was tot hem gezweefd, had hare wondor-schoone armen opgeheven en ze zacht om zijn hals gelegd, en op zijne lippen had het gebrand als een kus, en voor zijne oogen hadden twee sterren gegloeid, âtweesterren, die misschien juist van den hemel waren nedergevallen ! Terwijl hij waggelend, zalig het gloeien van den kus gevoeld, â en zijne armen uitgebreid had, om de goddelijke gestalte te omvangen, was plotseling het geheele visioen verdwenen, en alleen stond hij op het balkon, alleen met het maanlicht, de sterren, den ruischenden wind en de geurende bloemen.
Was 'teen droombeeld, of had het zich werkelijk zoo toegedragen ?
Hij kon niet naar Maagdenburg vertrekken,zonder Aurora daarnaar gevraagd te hebben! Hij wilde in 'tgeheel niet vertrekken. Er waren voor hem geen plichten, geen zorgen, geen wetten meer! De liefde was de eenige wet, die hij volgen wilde!
91
En zoo trad hij den volgenden morgen weder vast beraden en tartend in haar kamer; vast besloten haar toorn te weêrstaan en,^zoo zij hem wilde afwijzen, haar bevel niet te volgen.
MaaV zij deed het niei! Zij lachte hem toe, en er lag zulk een betoovering in haar glimlach, dat hij zalig aan hare voeten nederzonk en met gloeiende woorden en dan weder zacht fluisterend het droombeeld van dezen nacht verhaalde en haar vroeg, of zij het werkelijk geweest was?
Zij echter, lachte helder, met frisschen vroolijken kinderlach, en bespotte hem wegens zijn droomgezicht, en beval hem met strenge woorden haar te verlaten, â misschien slechts om hem tot blijven te prikkelen!
En hij bleef; hij bleet niet als in de eerste dagen onder het incognito van een vreemden naam. De geheele wereld zou het weten, dat prins Louis Ferdinand hier was, dat hij huldigend aan de voeten der gravin von Stein lag! De geheele wereld zou 't weten dat hij haar beminde! Had zij niet gezegd: als men bemint trotseert men de geheel wereld, en werpt haar den handschoen toe?
En hiij trotseerde haar, en wierp alle vooroordeelen en wetten den handschoen toe!
Maar de eerzame burgers en burgeressen van Hamburg namen er toch aanstoot aan, en het was een ergernis voor de deugdzame, vrije Pdjksstad, dat in het eerste hotel dei-stad ziilke dingen plaats konden hebben 1
Een schoone, voorname dame, van wie men niet wist wie zij was, en de fraaie prins Louis Ferdinand, die zich niet ontziet zich openlijk met haar te vertoonen, die nu spoedig een schaar jonge cavaliers en officieren, â die uit Maagdenburg en Berlijn kwamen, om zich vereenigt; om in het hotel gastmalen te geven, waarop de schoonste, maar waarlijk niet de ingetogenste dames van Hamburg genoodigd werden! Eu de goede eerzame vrije Rijksstad verhaalde nu van deze feesten; van de weelde, die daar heerschte, van de pracht, welke prins Louis Ferdinand om deze raadselachtige schoonheid, de gravin von Stein, verbreidde; hoe hif haar huldigde met liet kostbaarste en schoonste wat te vinden was.
Zulk een feest had men nog nooit te Hamburg beleefd als dit feest was geweest, waarvan de burgers nu hoofd-
92
schuddend tot elkander fluisterden, en waarvan de meisjes zich blozend en in koortsige nieuwsgierigheid lieten vertellen. Van Berlijn waren een aantal cavaliers en bekoorlijke dames opzettelijk voor dit feest overgekomen. Men kende beur namen niet; men wist slechts dat zij schoon waren en stralend van levenslust. Een grieksch feest moest het geweest zijn, en in grieksche gewaden zouden de dames om de tafel gezeten hebben, en de heeren zouden met rozen bekranst zijn geweest, en des avonds was de geheele tuin prachtig met lampions verlicht, en achter de boschjes waren de muzikanten verborgen. Zij hadden hunne lustige melodiën door de stille nachtlucht geschetterd, en de fraaie grieksche vrouwen waren aan den arm der met rozen bekranste Grieken zingende, schertsende en lachende, door de allée van den tuin gegaan, üp het groote grasveld hadden zij een dans gehouden bij den schijn der maan, der sterren . der fakkels en lantaarns. Eindelijk was een Spaansche dame in den kring getreden, en met de castagnetten in de hand had zij den harlstochtelijken Spaanschen fandango uitgevoerd, waarbij de muziek de weelderigste wijzen achter de bosschages speelde. En de Spaansche dame was de gravin von Stein geweest!
't Wat een ergernis, een groote ergernis voor de eerzame stad Hamburg, en zij wilden niet dulden, dat dit leven zoo voorgezet quot;werd !
Wie was toch deze dame die zich durfde verstouten in deze deugdzame stad Hamburg zoo tegen alle zeden, alle wetten te bespotten?
Zij was een Francaise, een dochter van het vrije, repu-blikeinsche Frankrijk, dat zich thans als een dreigende oorlogsvaan tegen Hamburg had gericht. Waren zij niet reeds Hannover binnengetrokken, de republikeinsche ïYan-schen? Hadden niet de vaders der stad in deze laatste dagen bet zwaarstè en hardste moeien doen ? Hadden zij niet do bedreigde Hannoversche Stenden meer dan twee mil-lioen moeten leenen? En wat wilde nu deze Fransche gravin hier in de vrije Rijksstad? Kwam zij niet als een spion hier, om voor Frankrijk te intrigeeren en te loeren op Frahkrijks vijanden?
âJa, zij was een spion, een spion van Frankrijk! â
Dit gerucht vloog als een loopend vuur door de enge
93
straten en de huizen van Hamburg. En de een liep tot den ander en riep;
âZij is een spion! Zij komt om ons aan Frankrijk te verkoopen! Zij mag niet in Hamburg blijven; wij dulden het niet!quot;
En 'tgeen men aanvankelijk gefluisterd had, riep men elkander ten laatste luid en dreigend toe.
Toen de avond van den volgenden dag aanbrak, â de avond, op welken men wist, dat in het hotel l' Europe weder zulk een feest zou plaats hebben, schoolden de menschen op de straten bijeen, en men zag voorname en aanzienlijke burgers onder hen rondgaan en zacht met hen fluisteren en spreken. En toen werden de gezichten der arbeiders en der matrozen donkerder en dreigender, zij balden de vuisten en zeiden: âWij willen het niet dulden ! Zij zal het vergelden, de spion ! Zij moet vertrekken, heden nog vertrekken!quot;
H.
HET OPROER.
De feestvierenden wisten daar niets van. Zij leefden slechts voor het gelukkige oogenblik. De prins was bezig met de toebereidselen voor het wonderfeest in Aladyn's grot, 'tvvelk hij heden aan de gravin had beloofd. Zijn hofmeester en zijn lakeien had hij sedert eenige dagen reeds uit Berlijn laten komen; zijn geheele prachtige hofhouding omgaf hem nu, en terwijl hij vroeger liefst eenvoudig en bescheiden, onopgemerkt voor de wereld, bleef, omgaf hij zich thans, ter eer der gravin, met al de praal van zijn vorstelijken rang. Zijn fraaie paarden, zijn schitterende rijtuigen wekten de verbazing en bewondering der goede Hamburgers; en als hij in een open kales aan de zijde der schoone gravin door de straten joeg, dan bleven de menschen staan, en oogden hen en zeiden bewonderend: âWelk een fraai paar is dat!quot;
Hij hoorde het, knikte glimlachend de menschen toe, en
94
zeide tot de gravin: .,Ge zijt waarlijk een Aurora, want de glans uwer schoonheid bestraalt ook mij.''
Zoo was het geweest in do laatste dagen, en de prins wist niet, dat dit alles: deze praal, deze glans de schoonheid der gravin, de ongebondenheid barer feesten, een aanstoot was geweest voor de eerzame stad Hamburg.
Ja; zij leefden slechts voor het gelukkige oogenblik. Fraai zou dit feest heden avond zijn; het Aladynsfeest. De prins heeft nu het geheele hotel voor zich in gebruik genomen ; geen vreemde moet wonen in het huis, waar hij woont met de gravin von Stein.
De eigenaar van het hotel had het bereidwillig toegestaan; veel geld en weinig arbeid. De kellners zijn nog slechts de diens tij verige ondergeschikten van den prinselijken hofmeester; zij vliegen op zijn wenk over de trappen en door de vertrekken, en helpen Aladyn'stooverslotgereed-maken.
Kunstmatige grotten worden in den kleinen tuin opgericht, fonteinen klateren uit marmeren bekkens; in een geheel van kristal gebouwde nis plassen tusschen kunstmatige ijsschollen zeldzame visschen en zeegedrochten. Des avonds zal deze grot door lampions verlicht worden, die onzichtbaar tusschen de kristalkegels zijn aangebrabt, zoodat zij schittert in doorschijnend licht. En lichtballons zijn aan alle boomen en bosschages aangebracht, en ben-gaalsch vuur zal opvlammen uit de marmeren vazen, die in de hoeken van den tuin staan.
Boven op een grooten eik zijn plaatsen aangebracht voor een muziekcorps, dat daarvan uit de hoogte zijn melodiën zal laten klinken, â smachtende teedere wijzen, als klonken zij van den hemel neder ter eere der schoone Aurora.
De zalen werden herschapen in grieksche voorhoven met godenstandbeelden versierd; rozenguirlandes tooien de wanden. In de lange eetzaal wordt de tafel aangericht metgouden en zilveren vaatwerk en fonkelende kristallen bekers en schalen; met rozen bekranst zijn de bekers, met rozen bekranst de lage breede kussens, waarop het gezelschap zich zal nedervleien. De hofmeester van den prins heeft alles ingericht naar de bevelen zijns meesters; maar zijn gelaat is treurig, en vaak als hij door de zalen gaat, en al deze pracht en heerlijkheid beschouwt, zucht hij luid en
95
fluistert met klagenden stem: â't Is wonderlijk! alles wonderlijk! Maar wat zal de heer vader er van zeggen, en wat zal dat weder een tooneel tehuis geven!quot;
De prins denkt daar niet aan; hij leeft voor het oogen-hlik, het gelukkige oogenblik!
Binnen in haar boudoir stond de schoone gravin von Stein. Haar toilet was juist ten einde, en zij zag zich in den grooten staanden spiegel, en glimlachte haar eigen beeld toe. Als Aspasia wilde zij heden avond verschijnen in een luchtig, wit, grieksch met goud en purper omzoomd gewaad, de armen geheel bloot en met van brülanten fonkelende banden getooid; het haar bijeengehouden door een gouden diadeem, waaraan saffieren en brülanten fonkelden, en een ster van brillanten op het breede lage voorhoofd hing. Zij was wonderbaar schoon in dit costuum; zij wist het en glimlachte zich zeiven triomfantelijk toe.
âIk zal mijn doel bereiken, zeer stellig,quot; prevelden haar purperen lippen, tusschen welke twee rijen fraaie, witte tanden blonken: âik ben een wezenlijke Aspasia, en hij zal mijn Perikles zijn!quot;
Plotseling verduisterde haar gelaat, en zij wendde schielijk het hoofd ter zijde. In den spiegel had zij gezien, dat zich achter haar de behangen deur opende en een kleine, ineengebogen, glimlachende mannelijke gestalte binnensloop.
âZijt ge er reeds weder?quot; vroeg zij met een toornigen blik en trotsch gebaar: âWat wilt ge? 't Is nauwelijks veertien dagen geleden dat ge mij te Berlijn lastig vielt, en nu zijt ge er reeds weder. Vliegt ge dan door de lucht?''
De kleine man met de grijze oogen en het zoetsappig wezen glimlachte.
âNiet door de lucht, allei'genadigste en allerschoonste, maar met koerierpaarrlen ben ik hier heen gevlogen. Te oordeelen naar uw brief dien ik moest overbrengen, was er zeer veel haast, en men hield het voor noodig, mij weder terstond te laten omkeeren en tot u te zenden.quot;
âEn ge brengt, toch wat ik gevraagd heb ?quot; vroeg zij haastig.
Hij knikte, en de zoete glimlach week 'nog altoos niet van zijn gelaat â âIk breng het natuurlijk; men moet wel een millioen aan het half millioen nazenden, zoo men het redden wil. Evenwel heeft men mij tóch den last gegeven, te doen opmerken: dat te veel, kwaad is.quot;
96
Zij wierp het hoofd trotsch achterover, en de saffieren en brillanten op haar voorhoofd fonkelen niet zoo helder, als haar zwarte, groote oogen dit van toorn deden.
âMen vordert iets ongehoords, en wil met mii dingen als een winkelier!quot;
âZoo men dit wilde,quot; zei de kleine man; âzou ik zekerlijk dit half millioen livres niet over te brengen hebben, welke ik de eer heb hier in goed getelde geldrollen, muntpapier en banknoten op de tafel neder te leggen. Maar men veroorlooft zich de opmerking, dat het anderhalf millioen nu geen verdere troepen nagezonden worden, vóór men resultaten ziet. De genadige gravin begrijpt mij immers ?quot; vroeg hij, en de zoete glimlach was: nu van zijn lippen verdwenen, en zijn stem had een zachten, dreigenden naklank; âGe begrijpt immers wat ik meen? Resultaten verlangt men te zien, want tot nu toe is hiervan nog geen spoor te ontdekken.quot;
âNog geen spoor?quot; riep zij, het hoofd fier achterover werpende: âEn is het niets dat ik hier ben, en dat men mij gevolgd is en als een slaaf aan mijne voeten ligt?quot;
De kleine man haalde de schouders op. â â't Is een onderscheid, of men in de boeien eener schoone dame ligt en haar als dame liefde zweert, dan of men ook zweert tot de vaan barer politiek. Dit blijft op te helderen; hiervan wenscht men bewijzen, en laat mij er bijvoegen: zeer spoedig bewijzen, anders konden onaangename tusschenbedrij ven het tooverspel verstoren.quot;
Zij wierp haar hoofd trotsch achterover, en de demonische uitdrukking vlamde weder over haar aangezicht. â ,.Wil men mij dreigen? Wil men midden in mijn werk â en geloof mij, 'fis een reuzenwerk â mij bezwaren en hinderen, zoodat ik niet meer voorwaarts durf gaan, zooals ik moet?quot;
âMen wil u slechts waarschuwen,quot; zeide hij glimlachend ; âwaarschuwen, dat zelfs de rijkste geldbronnen weigeren kunnen, en dat niemand hoog genoeg staat, om niet, ter verantwoording geroepen te kunnen worden. Men geeft de schoone en de tooverende gravin veertien dagen tijd; dat is de boodschap welke ik u heb over te brengen, en nu ik die verricht heb, beveel ik mij bij u aan, en keer terug vanwaar ik gekomen ben,quot;
Hij boog diep en sloop als een tijgerkat, met gebogen
91
hoofd, weder naar de blinde deur, door weike hij verdween.
Zij oogde hem na en hief dreigend de hand tegen deze deur op, met saamgedrukte lippen, en de dolk, die in haar dreigende hand ontbrak, flikkerde hem uit hare oogen na.
âKetenen, ketenen!quot; prevelde zij grimmig; âen ik kan ze niet verbreken; ik ben slechts een geketende slavin!quot;
Vervolgens trad zij naar de tafel, en sloeg een verachtenden blik over de rollen geldstukken en de samengebonden muntpapieren.
âHet bloedgeld voor mijn ziel!quot; fluisterde zij zacht voor zich.
En zij huiverde toen zij nu het geld van de tafel nam en den zwaren last naar de secretaire droeg. In een geheim vak ervan borg zij den kostbaren last, en stak toen den sleutel der secretaire aan haar boezem.
Een oogenblik nog bleef zij peinzend nevens dit meubel staan, dat het bloedgeld, zooals zij het noemde, bevatte; bleef staan met gebogen hoofd, en luisterde wellicht naaide stemmen, die in haar fluisterden en kreten;
âZuster van Judas Iscarioth! Verraad, logen en bedrog zij op uwe lippen, en het zal een slecht einde met u nemen, even als met uwen broeder Judas Iscarioth! Ge hebt bloedgeld aangenomen, wee over uwe ziel!quot;
Doch zij wierp trotsch het hoofd achterover. Zij wilde niet luisteren naar deze vermanende, vreeselijke stemmen.
âMoge het vroolijke, gelukkige leven weder opnieuw beginnen; ik ben rijk, rijk! En de wereld behoort mij weder! En hij,quot; voer zij gloeiend voort, en er vloog als een schemering van morgenrood over haar aangezicht, â âen hij zal weder aan mijne voeten liggen, en zal mij aanbidden en bezielde hymnen zijner liefde en verrukking zingen. Zal ik echter altoos nog den moed hebben, hem te weerstaan? Zal niet dit hart, â dat reeds begint te ontdooien onder de stralen zijner oogen, â eindelijk versmelten van liefde; en de voorzichtigheid, de wijsheid vergeten? Wee mij, wee als dit geschiedt! Ik mag geen hart hebben. Een steen in mijn borst en de liefde slechts in mijne oogen! Ja, zóó moet het zijn; Aspasia is gereed voor het feest!quot;
Juist toen zij dit gedacht, âen slechts zacht met de lippen gefluisterd had, werd aan de deur geklopt, en prins Louis-Ferdinand trad binnen. Niet de prins met de ordester op
Mülhbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VII f. 7
98
de borst, â niet de generaal in de engsluitende Pruisische uniform, â maar een grieksch jongeling, een van den hemel nedergedaalde jonge god. De hooge gestalte gehuld in het korte grieksche gewaad, de gouden band om het bruine, krul-lende'haar, dat in dichte massa's langs den hals nederviel, samenhoudende, en het witte gewaad met gouden en purperen randen, dat om het lijf door een gouden gordel gehouden werd en in ruime plooien nederviel tot op de knie, het been onbedekt, e» slechts sandalen, met purperen linten gesnoerd, aan de voeten.
Toen hij met stralend aangezicht, met gloeiende, donkere oogen, den glimlach op de forsche, volle lippen, in de deur stond, voer als een zoete schrik door het hart der gravin, en tegen haar wil lachte zij hem toe.
âGij zijt Perikles niet,quot; zeide zij; âge zijt Alcibiades, de schoonste der Grieksche jongelingen.quot;
âEn ik doe als Alcibiades; ik lig aan de voeten de schoo-ne Aspasia! En nu, kom, heerlijkste vrouw der aarde, kom in de godenzaal en ontvang de hulde van al uwe dienaren. O, kon geheel Griekenland weder verrijzen en u zien, het zou u toejuichen als een tweede, schoonere Aspasia!quot;
Hij nam haar hand en wilde haar medevoeren. Plotseling werd heftig de deur geopend en de hofmeester van den prins ijlde binnen.
,,Om 's Hemelswil, gravin, vlucht! vlocht!quot;
âWat valt u in, Weber?quot; vroeg de prins; âZijt ge dol geworden? Waarom zou de gravin vluchten?quot;
âGij hebt dus nietsgehoord?''vroegWeberbleek en bevend.
âWat zouden wij gehoord hebben, Weber? Wees verstandig, man. Wat is er dan?quot;
âEr is oproer, quot; zei de hofmeester buiten adem: âgeheel Hamburg is op de been; al het gepeupel vult de straten 1quot;
âNu, wat gaat ons dat aan ?quot; vroeg de prins.
âKoninklijke Hoogheid! Juist tegen dit hotel stormt het gepeupel. Men heeft, naar 't schijnt, de menschen opgeruid en 't is mogelijk, dat het tegen u zei ven is gericht. Luister maar, Koninklijke Hoogheid; nu moet ge het brullen van het gepeupel wel hooren.quot;
En inderdaad! Men hoorde nu van de straat afâhoewel de vensters van dit boudoir aan den tuin uitkwamen, â evenwel luid scbreeuven, tieren en brullen.
99
âWaarachtig,quot; zei de prins: âdat klinkt als volksgebrul. Kom, gravin, wij willen zien wat er te doen is.quot;
Hij nam de hand der gravin en trok haar mede.
âDoe het niet, Koninklijke Hoogheid, doe het niet!quot; duisterde de hofmeester, hem tegenhoudende! âHet volk is woedend op de gravin. Zij dreigen, dat .zij haar willen vatten en in stukken scheuren!quot;
De prins lachte. â âZij dreigen, en één enkel geweerschot zal de tjilpende musschen uiteenjagen.quot;
Hij schoof den hofmeester ter zijde en voerde de gravin naar de groote banketzaal, waar de rozenguirlandes langs de wanden hingen en de met rozen bekranste bekers de tafel versierden. Nu hoorde men het tieren en brullen van het volk: het donderde en druischte, alsot de golven van een op-gejaagde,door storm opgezweepte zee tegen den oever sloegen.
De prins bleef staan en zag naar de gravin.
âGe zijt immers niet bang, Aurora?quot;
Zij richtte het hoofd slechts trotscher op, en een gloeiend rood vloog over hare wangen.
âIk bang zijn, prins? Ik ken deze tonen; ik heb als kind reeds het volk van Parijs gezien, hoe het brullend de guillotine omgaf, waarop juist het hoofd mijns vaders viel. Ik vrees geen volkswoede, ik veracht het volk ! Kom, laat ons aan het venster treden.quot;
âGe zijt een hemelsche vrouw,quot; lluisterde de prins, haar hand vaster in de zijne drukkende: âja, laat ons aan het venster gaan.quot;
Toen zij nu beiden aan 't venster traden en het open trokken, brulde het volk, dat in dichte, golvende drommen het geheele plein voor het hotel en de straten vulde, die er op uitliepen, â en dreigde, schreeuwde en hief de gebalde vuisten op tot de twee, die glimlachend, in stralende schoonheid in hunne zonderlinge gewaden boven aan het venster stonden.
âZiet ge, daar is zij, de Fransche spion 1 Zij wil ons aan Frankrijk verraden ; wij moeten Fransch worden zooals Hannover geworden is! Beziet de spion, en ziet den prins; zij spelen maskerade en in deze maskerade willen zij ons verraden, zij willen de poorten openen en de Fransche soldaten binnenlaten!quot;
En als hier en daar een stem uit den volkshoop dit ge-
100
zegd had, brulden de anderen van woede en traden naderbij en dreigden naar boven.
âWat roepen zij toch, wat schreeuwen zij?quot; vroeg de gravin: âVoor het eerst beklaag ik het, dit koeterwaalsch van de Duische taal niet te verstaan. Wat brullen zij toch, prins?quot;
âLet er niet op,quot; zeide hij met een verachtenden glimlach; âhet zijn razenden, beschonkenen, die daar brullen, anders niet.quot;
âIk wil het toch weten ; hoor, daar schreeuwen zij weer. Ha, dat woord versta ik. Spion! spion! roepen zij. Meenen zij mij daarmede?quot;
En met haar onschuldigen glimlach en mettrotsche kalmte wendde zij zich met deze vraag tot den prins.
âZij weten niet wat zij meenen, gravin ; zij hebben slechts een onbepaalde vrees voor het republikeinsche Frankrijk, en het doet hen tieren en schreeuwen wijl geeenFranfaisezijt,'' âZiet eens, zij lachen!quot; schreeuwde men van beneden naar boven: âzij willen ons honen en bespotten!quot; â
âEen Pruisische prins, en hij laat zich door een Fransche spion omstrikken en overwinnen! Wee haar! Zij zal niet in Hamburg blijven! Zij moet weg, weg!quot; â
En als een loopend vuur ging het door den volksdrom en het brulde: .,Zij moet weg! Weg met de spion!quot; â
Nu donderde en klopte het tegen de poort van het hótel, welke de kastelein reeds lang had laten sluiten en de ijzeren grendels er voorschuiven. Het was een woedend geraas, een razende storm van den volkstoorn, die daar brulde en schreeuwde, en klopte en donderde.
De eigenaar van het hotel kwam bleek binnenvliegen, gevolgd door zijne bedienden, die zich bevende als espenloof achter hem verborgen.
âGenadige heer! ik bid u mij te zeggen wat ik doen moet. Do menschen kennen mijn hótel, en zoo zij de voordeur niet kunnen bestormen, zullen zij door den tuin en de achterdeur binnendringen. Wat moet ik doen?'
âWat ge doen moet, man ?'' vroeg de prins met bliksemende oogen: âwapenen moet ge u, om dezen ellendigen volkshoop weg te jagen!quot;
âWapenen, genadige heer? Er zijn burgers onder, burgers onzer goede stad; het zijn mijn vrienden, mijn broeders
101
misschien. Ik durf dit niet wagen zonder toestemming van den senaat!''
âGe durft het niet wagen ? Nu, man, dan wilt ge dus liet gepeupel hier laten binnendringen ?quot;
âIk weet niet wat ik doen moet! Ik smeek Uwe Koninklijke hoogheid om genade, om ontferming, om medelijden!quot;
âEn zoo ik dat alles had, wat kan ik doen ?'
De gravin was hem genaderd en legde met een spot-tenden, koelen glimlach haar hand op den arm van den prins.
âIk zal u zeggen, prins, wat de man van u verlangt; ge moet mij aan de volkswoede prijsgeven, of misschien mij verbergen als een misdadigster, tot de toorn van dit brullende kanalje vervlogen is.quot;
âIk bezweer u, genadige gravin, doe dat! verberg u!quot; smeekte de kastelein: â'tls mogelijk dat deze arme men-schen slechts opgeruid, â slechts door een uwer vijanden omgekocht zijn tot deze woede en oproer, opdat ge Hamburg zoudt verlaten.quot;
âEn gij meent dat ik laag genoeg zou zijn, om dit te dulden?quot; vroeg de prins: âWaar zijn mijne lieden, mijne bedienden en mijne vrienden, die ik op het feest ge-noodigd heb ?quot;
âGeen der heeren heeft het hotel meer kunnen bereiken,quot; zei de kastelein: âeenigen hebben geti acht door de menigte heen te dringen ; maar 't is hun niet gelukt. Men schreeuwde, stiet ze terug en brulde; dat er geen maskerade meer in 't hótel plaats zou hebben, dat niemand meer tot de Fran-sche spion komen mocht.quot;
âMaar mijn bedienden, mijn lakeien, mijn hofmeester ?quot; vroeg de prins: âWaar zijn zij?quot;
âZij zijn in de voorkamer en wachten op de bevelen van Uwe Koninklijke Hoogheid.quot;
De prins ging haastig naar de voorkamer, waar zes lakeien, zijn kamerdienaars, zijn hofmeester en de stal-bedienden vereenigd waren.
âHebt ge wapens, geweren?quot; vroeg hij.
âKoninklijke Hoogheid, zei de hofmeester zuchtend en bevend; âer zijn slechts de weinige jachtgeweren, welke Uwe Koninklijke Hoogheid mij bevolen had mede te nemen, â zes geweren.quot;
102
âLaadt ze dan, neemt ze, plaatst u er mede aan de vensters en geeft op mijn commando vuur.''
âOm Godswil,quot; kermde en smeekte de huiseigenaar : âdoe dat niet. Er zou iets vreeselijks gebeuren! Men zou mijn huis bestormen, men zou alles vernielen, en dit zweer ik Uwe Koninklijke Hoogheid, gij zelf zoudt niet veilig zijn voor de woede des volks! Koninklijke Hoogheid, ik heb in mijn kelder een zeer veilig, klein vertrek, dat slechts voor hèn is bestemd, die in den kelder van de oude wijnen willen drinken. Ik bezweer Uwe Koninklijke Hoogheid, laat ons de gravin daarheen voeren, en wachten tot de storm voorbij is.quot;
âEn als de storm voorbii is, zijn wij allen ellendige lafaards geweest, die het nooit weder durven wagen, de oogen tot het verachtelijk gepeupel op te slaan. Meent ge dat ik, een prins, mij hier als een muis in de val wil laten vangen, en de kat om genade bidden ? â Neemt de geweren, mannen, laadt ze en treedt aan het venster, en op mijn commando geeft gij vuur!quot;
â't Is onmogelijk, ik mag het niet dulden! Ge moogt geen burgers der vrije stad Hamburg dooden wegens een Fransche âquot;
âSpreek het woord niet uit!quot; riep de prins dreigend, den hotelhouder bij de keel grijpende en hem ver van zich stootende : âVerstout u niet, beleedigingen hier in de tegenwoordigheid der gravin te uiten!quot;
Maar het woord, 't welk hij den hotelhouder belet had, klonk nu donderend van de straat weder omhoog.
âDe Fransche spion ! wee haar ! Wij willen haar hebben, wij willen haar verscheuren !quot; â
âAan de vensters !quot; commandeerde nu de prins : âLaadt uwe geweren en treedt aan de vensters! Weber, geef mij mijn jachtgeweer, en wee den vogel op wien ik aanleg!quot;
De lakeien waren heen gesneld en na weinige minuten bracht de hofmeester den prins het geweer.
âNu willen wij zien, of de musschen, als ik ze dreig, nog langer durven te tjilpen !quot; zei de prins, terwijl hij aan het venster trad.
Op den achtergrond der kamer in een hoek, stond handenwringend de hotelhouder.
âOm Godswil, wat moet dat worden! Zoo slechts mijn
103
boodschappers, die ik tot den stadscommandant heb gezonden, aangekomen zijn! Zoo slechts de stedelijke militie te hulp kwam. Zij kon thans reeds hier zijn.quot;
De prins stond nu aan het venster en hief het jachtgeweer op. En â toen het volk deze dreigende beweging zag, brulde het slechts luider en schreeuwde en huilde, toen het nu aan de vensters de prinselijke lakeien met de geweren bespeurde.
âZij willen op ons schieten! Dat willen wij hen betalen!quot; â En nu ontstond er een ontzaglijk tumult. Men zag hoe enkele menschen bukten, men zag hoe zij vervolgens de handen met steenen gewapend ophieven, en nu snorde en suisde het door de lucht en viel dan schampend van de muren weder neder.
,,Het gepeupel werpt met steenen,quot; zei de prins; ânu, Aurora, bid ik u, ga van 't venster terug, er kon anders een ongeluk plaats hebben.quot;
âEn zoo dit ook geschiedde,quot; zeide zij met vlammenden blik en met den demonischen trek op het gelaat; âzoo dit ook geschiedde, â ik vrees nóch het volk, nóch den dood! 't Is niet erger door een steenworp te sterven, dan het hoofd onder de guillotine te leggen, zooals mijn vader heeft gedaan.[Ik blijf naast u, mijn prins!quot;
âEn ik vergeet dit niet zoolang ik leef, Aurora! Ik heb u bemind, doch van dit oogenblik af, aanbid ik u!quot;
En op niets achtende, omvatte hij haar met den linkerarm, terwijl hij in den rechter het geweer hield en drukte haar een oogenblik innig tegen zich aan.
Het gepeupel zag hèt, en brulde en schreeuwde luid.
Nu lachte de prins, dreigde naar beneden met zijn geweer en legde het aan. Vér boven het brullen der menigte uitklinkende, hoorde men nu de gebiedende stem van den prins roepen ;
âDen eersten, die het waagt nog één beleedigend woord te uiten, dood ik!quot;
Een oogenblik was alles stil, vervolgens echter was het, alsof niet een, niet honderden, maar alsof duizenden brulden:
âDe Fransche spion willen wij hebben! Wee de Eransche spion. Wij verscheuren haar, wij vermoorden haar! Wij willen niet Eransch worden! Wee de Eiansche spion!quot;
Nu knalde een schot, een rookwolk dreef voort, een kreet
104
van ontzetting, een doodsgekreun â en men sleepte een bloedende mannengestalte weg. Thans huilde en tierde het volk des te sterker.
âNu zijn wij allen verloren!quot; kermde de huisbaas en zonk in een hoek op de knieën neder: âAllen verloren! Nu zullen zij mijn huis bestormen en ons allen vermoorden, ik ken het gepeupel. O God, sta ons bij, wees ons genadig in ons laatste uur!quot;
De steenen vlogen en rolden tegen de muren en door de vensters naar binnen. Een er van trof den knielenden bevenden man, zoodat hij verdoofd ineenzonk.
De prins laadde ijlings en onverschrokken zijn geweer ten tweeden male, altoos nog aan het venster staande, en altoos nog nevens hem de gravin met het dreigende, vlammende gelaat naar beneden ziende op het woedende gepeupel. Nu kwam ee» steen aanvliegen, zij zag hem komen, en wetende dat hij op haar gericht was, hief zij de rechterhand op om haar voorhoofd te beschermen. Plotseling klonk een kreet van hare lippen en de hand zonk gekwetst neder. En daarop weergalmde een kreet van de lippen van den prins, en hij ijlde tot haar en zonk nevens haar op de knieën.
âZijt ge gewond. Aurora?quot;
En op't zelfde oogenblik hoorde men buiten de schetterende tonen van trompetten. Zij wekten den half bedwelmden hotelhouder, zoodat hij opsprong en verheugd riep: âDaar is de militie! Goddank! daar is militie! Nu zijn wij gered!quot;
En men vernam tromgeroffel en trompetgeschal benevens stemmen, die riepen; âWeg met u, weg!quot;
Allengs verstomde het gejoel van 't volk en de stedelijke militie der vrije stad Hamburg trok nader. Met haar tromgeroffel en commando's dreef zij het volk uiteen, zoodat het zich van het plein voor het hotel, in de naaste straten liet dringen. Vervolgens zuiverden de aanrennende, bereden soldaten het plein, bezetten de ingangen der straten en 't werd weder rustig en stil in den omtrek.
Prins Louis Ferdinand had op dit alles geen acht geslagen, In zijne armen had hij Aurora naar een der rustbanken met kussens die om de tafel stonden, gedragen, en daar lag zij met halfgesloten oogen, terwijl het bloed van haar witte hand neêrdroppelde. Hij drukte haar hand aan zijn lippen en riep om een geneesheer.
105
âBezorgt mij een geneesheer! De eerste die komt, zal gezegend zijn ! Ik geef hein een geheel landgoed tot Lelooning. Bezorgt mij een wondheeler, een wondheeler!quot;
IJL DE BODE.
Prins Eerdinand, de jongste broeder van Frederik den Groote, trad met ongewonen haast en somber gelaat 's Ko-nings voorkamer binnen.
âMajesteit in zijn kabinet?'' vroeg hij den kamerheer jour, die hem eerbiedig tegemoettrad, en zonder antwoord at te wachten, wilde hij naar de deur van het kabinet ijlen.
âIk bid om vergeving. Koninklijke Hoogheid! Zijne Majesteit is wél in het kabinet, maar er is mij streng bevel gegeven, den Koning met niets en op geenerlei wijze te sloren; er schijnen gewichtige dépêchesonderhanden te zijn en de koeriers wachten reeds, die ze wegbrengen moeten.
âIk hoop,quot; zei de prins heftig: âdat de leden der koninklijke familie een uitzondering maken! Ge weet immers, dat de Koning eens voor al bevel heeft gegeven, dat wij onaangediend bij Zijne Majesteit kunnen binnentreden, en ik moet dit ook heden, wegens een dringende aangelegenheid, voor mij eischen.quot;
âDan verzoek ik Uwe Koninklijke Hoogheid dit op haar eigen gevaar 'te doen,'' zei de kamerheer, achteruittredende; âIk waag het niet Haar bij den Koning aan te dienen.quot;
âGoed! op eigen gevaar!quot; zei prins Ferdinand, terwijl hij naar de deur ijlde en haar langzaam en voorzichtig opende.
De Koning zat aan zijn schrijftafel en was ijverig met schrijven bezig; de deur der nevenkamer wasopen, en daarin zag men verscheiden heeren van den staatsraad die om een ronde tafel zaten en insgelijks ijverig schreven. De Koning, door het gerucht der dichtvallende deur verschrikt, wendde zich om.
âWie is daar? Ik wilde ongestoord zijn!''
Maar toen hij de kleine, gebogen gestalte van zijn oom herkende, sprong hij levendig op en ging hem tegemoet.â âEen ongeluk gebeurd? Oom Heinrich gestorven?quot;
106
âNeen, mijn lieve neef en Koning,quot;zei de prins;âgeen ongeluk gebeurd; mijn broeder is inderdaad zeer ziek en misschien hopeloos, maar nog houdt hem zijn levenskracht slaande.quot;
âAls dat zoo is, mijn lieve oom, waarom dan gekomen ?quot; vroeg de Koning verstrooid ; âIk heb iets gewichtigs te doen; ik verzoek om vergeving dat ik het zeggen moet!quot;
âIk weet, Majesteit,quot; zei de prins met biddende stem; â't is onbescheiden van mij hier binnen te dringen, daar de kamerheer buiten, mij hiertoe geen verlof wilde geven; maar nood breekt wet! En ik word werkelijk door nood gedreven, terstond hulp te verzoeken!quot;
âWat is het?quot; vroeg de Koning, â en plotseling vloog een lichte glimlach over zijn gelaat; ââha, ik zie het wel. er is weder iets met Louis?quot;
De prins knikte. â âVeroorlooft Uwe Majesteit, dat ik de deur van die kamer sluite?quot;
De Koning liet den ouden prins er niet toe komen, maar ijlde snel heen en sloot haar zelve. â âNu, myn lieve oom, neem plaats, en zeg wat er gaande is? De koeriers wachten; slechte tijdingen uitOostenrijk, het heeft weder een nieuwe nederlaag geleden, ze kunnen geen vrede houden. Maar spreek, lieve oom, wat is het?quot;
â'lis dit,quot; riep de prins heftig; âdat mijn zoon Louis, de dolle verkwister, de overmoedige rustverstoorder, mij nog onder de aarde zal brengen! 't Is, dat ik noch dag noch nacht rust heb van zijn schuldeischers, een geheele troep van Hamburg over is gekomen en van mij betaling verlangt!quot;
âInderdaad erg, lieve oom ! Een wilde knaap, Louis, maar een braaf hart.quot;
âWat baat mij het brave hart, als hij slechts geld verkwist en zich verlustigt en amuseert met ongeoorloofde dingen,quot; gromde de prins: âhij kent thans geen maat noch perk, en ik ben gekomen om u te verzoeken, mij ten spoedigste, ja, zoo mogelijk, nog dezen dag hulp te verleenen!quot;
âHoe kan ik dat?'' vroeg de Koning schouderophalend: âLouis is meerderjarig en vermaningen baten niets bij hem, zooals ge weet, lieve oom.quot;
âHelaas, dat ik het weet!quot; jammerde de prins; âopdeze wijze is het volstrekt onmogelijk aan zijn verspillingen perk te stellen. Er moet een streng gericht gehouden worden.
107
Uwe Majesteit moet mij redden, want als dat zoo voortgaat, â slechts één week nog zooals hij thans te Hamburg huishoudt, â dan ben ik een verloren man, ten spot van do geheele wereld, en kan de oogen niet meer opslaan voor de menschen, want er ontmoeten mij zoo dikwerf schuldei-schers, en ik moet vreezen, dat zij mij smaden, zoo ik in een fatsoenlijke équipage rijd, terwijl mijn zoon zooveel schulden bij hen beeft!quot;
âInderdaad erg,quot; zei de Koning; âen ik begrijp dal het u nood en ergernis veroorzaakt, lieve oom! Maar ge zijt toch altoos een rijk beer, en daarbij, â daar ge zegt dat voor onzen lieven oom Heinrich geen hoop op beterschap is â hebt ge uitzicht op nieuwen rijkdom. Prins Heinrich is zuinig geweest, heeft nooit zijne inkomsten verteerd, heeft veel geld bijeengebracht, vele goederen gekocht, ge zijt zijn eenige broeder, bijgevolg ook zijn eenige erfgenaam!quot;
âWie weet!quot; zuchtte de prins: âHeinrich is altoos een zonderling, buitengewoon mensch geweest, en heeft steeds met verachting op mij neder gezien. Ik ben hem niet geniaal genoeg; ik ben ook geen held, maar een eenvoudig prins, de eerlijk en fatsoenlijk in verveling leeft! Hij houdt niet van mij en ik weet niet, of ik op zijne erfenis rekenen kan. En al ware dit ook het geval. Majesteit, al ontving ik nüllioenen en nogmaals millioenen, dat alles zou tóch niet helpen! Mijn zoon zou tóch alles doorbrengen en mij tot den bedelstaf brengen! Want millioenen worden bij hem slechts in een Danaïdenvat geschept en verdwijnen, en niets blijft er van over, dan de fraaie brillanten en kostbaarheden, welke hij aan schoone vrouwen en boeleersters geeft, en de kasteelen, welke hij voor haar laat bouwen, terwijl zijn eigen huizen vervallen, omdat niets tot hun herstel geschieden kan. 't Is een jammer en ellende, en ik verdraag het niet langer. Zooals in Hamburg heeft hij 'tnog nooit gemaakt, en ware het niet in de uiterste nood, ik zou 't niet gewaagd hebben, Uwe Majesteit lastig te vallen!''
âWat is dan die uiterste nood?quot; vroeg de Koning met eenigszins ongeduldige stem: âGe klaagt en lamenteert, maar het zijn de oude klachten, het oude gejammer, dat zoo oud is als mijn lieve neef zelf. Hij verkwist, is ongehoorzaam, lacht met onze bevelen! Wat is het verder?quot;
âHet is verder, Majesteit, dat hedenmorgen vier Joden,
108
de bekendste van geheel Hamburg, bij mij zijn gekomen en betaling verlangden voor een wonderfeest, 't welk de prins aan die raadselachtige vrouw, de gravin von Stein, gegeven heett.quot;
âEn dat feest heeft wellicht een paar duizend thaler gekost ?quot;
âEen paar duizend? Twintig duizend thaler heeft het gekost! En toen zij vertrokken, werd weder een nieuw feest voorbereid, en Louis had bij de bankiers weder geld gevraagd: zij hebben het hem echter geweigerd en verzocht, hun eerst het oude te betalen ! En daar hij hen uitgelachen heeft, zijn zij hierheen gekomen.quot;
âTwintig duizend thaler? Dat gaat waarlijk de grenzen van het betamelijke en verstandige te boven !quot; zei de Koning ergerlijk.
âEn het ergste komt nog!quot; zuchtte de prins met bevende stem: âStraks voor een half uur is de hofmeester van den prins, de oude trouwe Weber, hier aangekomen. Ge weet, hij bemint den prins en vergoodt hem, en als hij komt klagen, moet het wel erg zijn. Ach, Majesteit ik zou kunnen schreien van woede, over alles wat hij mij gezegd heeft.quot;
âNu, wat is het dan? Spreek, mijn lieve oom!quot;
Prins Ferdinand schudde treurig het hoofd en wischte een traan uit zijn oogen. ââIk kan't niet, ik kan't niet! Maar ik heb Weber medegebracht, en zoo Uwe Majesteit het vergunt, zal hij uit de eerste voorkamer hier komen en zelf vertellen.quot;
â't Is inderdaad erg,quot; zei de Koning: âzeer erg, de dépêches moeten verzonden worden! Evenwel,familieaangelegenheden hebben óók hun recht, en zijn evenzeer een gedeelte van staatsaangelegenheden. Ik bid u, lieve oom, laat den kamerdienaar binnenkomen. Ik wil even dezen heeren eenige mededeelingen doen!quot;
En hij begaf zich haastig in de kamer, waarin destaats-raad vergaderd was.
De prins ijlde naar buiten en haalde uit de eerste antichambre den hofmeester binnen.
âNu, Weber,quot; vroeg de Koning haastig, weder het kabinet binnentredendeâwat is er toch? Mijnheer oom is geheel van zijn stuk! Het moet wel iets bijzonders zijn, dat onze lieve neef thans te Hamburg uitvoert!quot;
109
âJa, Majesteit, helaas, iets zeer bijzonders!quot; zuchtte de holmeester diep buigende: âliet is de eerste keer, dat ik klachten uitbreng over mijn lieven genadigen heer. Ik heb hern als knaap op mijn arm gedragen, en somwijlen heelt hij ook naar mijne vermaningen en voorstellingen geluisterd en zich een weinig in zijne uitgaven gematigd. Maarnw is alles vruchteloos; de heks houdt hem in hare boeien, en zoo Uwe Majesteit hem niet verlost, dan is mijn lieve genadige heer verloren, en niets kan hem redden, want ik blijf er bij; deze vrouw is een tooveres!quot;
âGe meent de gravin von Stein?quot; vroeg de Koning met betrokken voorhoofd.
âIk meen de tooveres. Nu heet zij gravin von Stein, morgen heeft zij misschien weder een anderen naam! Dat 't een heks is, dat moogt ge gelooven. Majesteit! En zij heeft hem betooverd! Zoo iets is nog nooit gehoord en heeft nooit bestaan^ zooals de prins huishoudt! Alle dagen uitgezochte feesten, en welke feesten! Niet zooals ordelijke menschen feest vieren, waar in feestkleed eren op fatsoenlijke wijze gegeten en gedronken wordt. Neen 1 zooals de Grrieken en Romeinen het gedaan hebben, zóó wordt er feest gehouden! En gezongen wordt er, en gejubeld, en dansen uitgevoerd door danseressen, welke een eerbaar mensch niet mag aanzien, met de korte kleederen die nauwelijks tot aan de knie reiken, en volstrekt geen mouwen in de kleederen ! En dan, ach, ik mag het haast niet zeggen, dit zagen de andere dames, â die óók niet veel beter gekleed waren â met genoegen, en de heeren klapten in de handen en namen de kransen â want zij droegen allen rozenkransen â van hunne hoofden en wierpen ze de danseressen toe! En de prins heeft zelfs voor eenige dagen, toen zij weder zoo mooi dansten, een ring met een solitair van zijn vinger getrokken, en hem op een der rozen gestoken, welke hij toen de verachtelijk danseres toewierp.quot;
Er vloog een donkere blos van schaamte en toorn over het gelaat des Konings. â â Dat is inderdaad een schandaal een Prins onwaardig!quot; zeide hij zacht voor zich.
âAch, Majesteit, ware het niet anders dan dat, ik zou gezwegen hebben; maar de prins maakt het thans te erg, en elk feest maakt hem nóg doller en laat hem nieuwe soorten van kostbaarheid verzinnen, opdat de duivelin hem
no
zou toelachen en hem genadiglijk er voor zou prijzen met hare groote oogen, die als helsch vuur glinsteren! En daarbij al de brillanten en saflieren, welke hij haar schenkt!quot;
âEn die allen nog niet betaald zijn!quot; jammerde prins Ferdinand er tusschen: âEen der lieden, die heden morgen gekomen zijn, is een juwelier.quot;
âEn anderen zullen nog komen,quot; zei de hofmeester; âwant dat waren slechts de diamanten van het vorige feest. Maar voor het Grieksche feest, voor de Saturnaliën, â zooals zij het heetten â heb ik zelf de sieraden gekocht, en het. tooisel met de saffieren en brillanten heeft zij tóch behouden, hoezeer het feest geen plaats kon hebben.quot;
âWaarom kon het geen plaats hebben?quot; vroeg de Koning.
âHet gepeupel heeft het niet geduld!quot; zuchtte de hofmeester.
De Koning ontstelde. ââHoe? Is onze neef reeds zóóver, dat hij twist met gepeupel heeft?''
âJa, helaas. Majesteit, met het gepeupel! Zij hebben het hotel belegerd, het was een formeel oproer ; de prins heeft op het volk geschoten cn een man getroffen, zoo dat hij op sterven ligt. En toen werden de menschen razend en wierpen met steenen op het hotel. En een steen trof de afschuwelijke tooveres, en, â 't is God geklaagd! â helaas slechts aan de hand, niet aan liet hoofd. Ik zou God gedankt hebben, zoo zij uit de wereld was genomen, die heks. 't Is een schrikkelijke geschiedenis, Majesteit! Geheel Hamburg-was in oproer, en was 't nog toen ik vertrok; want ik gevoelde dat ik niet langer blijven /cow, en zoo ben ik, buiten weten van den prins en zonder om verlof te verzoeken, terstond des avonds, toen het vreeselijke oproer plaats had, gevlucht; ben met postpaarden hierheen gereden om u te bezweren, mij lieven genadigsten prins uit de handen der tooveres te redden! Zoo 't niet dadelijk geschiedt, is hij verloren ; geheel Hamburg is in woede op haar en óók op mijn lieven prins, die toch niets anders heeft gedaan, dan dat hij in hare handen is gevallen ! Ik weet wel dat mijn prins verwoed op mij zal zijn, dat ik hierheen ben gegaan en hem aanklaag; maar ik kan 't niet helpen ik moei zijn toorn wagen, hoezeer ik geloof dat ik er aan sterven zal, zoo ik zijn aangezicht niet meer kan zien, dat voor mij als de zon, als alle sterren is. Maar ik bezweer Uwe Majesteit,
ill
red hem; verlos mijn prins van de vreeselijketooveres. Er gebeurt anders nog een ongeluk, Majesteit! Ik herhaal het; geheel Hamburg is in woede, en de prins is zoo stijfhooldig; hij wil volstrekt niet uit Hamburg weg, haar niet verlaten, en heeft terstond den volgenden morgen de Hamburgers weder geërgerd, door met haar in een open rijtuig door de straten te rijden en zoo langzaam mogelijk, zoodat geheel Hamburg er ergernis aan nam.quot;
âDit is gewis een groote ergernis, ook voor ons!quot; zei de Koning: âHet mag geen dag langer zoo blijven, en wij moeten tot het uiterste, tot het ergste onze toevlucht nemen! Hebt ge nog iets verders te berichten, Weber?quot;
âIk heb Uwe Majesteit nog slechts te bezwereo, dat Gij mijn lieven prins redt!quot; smeekte de oude man, wien de tranen over de wangen vloeiden.
De Koning knikte. â âHij gered worden, hoezeer hij er evenmin u als ons voor danken zal! En zoo hij u verstoot, kom tot mij; ge zijt altijd een trouw dienaar geweest, nijd nu naar Hamburg, tracht den prins tot rede te brengen. Wij willen ook het onze doen. Is mijn adjudant, de overste Massenbach in de voorkamer?quot;
âJa, Majesteit, ik geloof hem gezien te hebben,quot;zei de oude. Weber, terwijl hij zich rugwaarts naar de deur verwijderde.
âPioep hem binnen; hij moet in deeerste voorkamer wachten, tot ik de deur open. En nu, mijn lieve oom,quot; zei de Koning, zich tot den prins wendende, die weenend in een stoel was nedergezonken: âvergeef mij nu, dat ik straks zoo ongeduldig was en meende, dat slechts de sc/mWen van den prins u zoo verstoord hadden gemaakt. De zaak is zeker erger dan ik gedacht had, en't is noodig dat wij met ernst en strengheid handelen, en zelfs tot het uiterste overgaan. Ge hebt mij reeds meermalen verzocht, mijne toestemming te geven, om prins Louis als verkwister te doen verklaren, voor wiens schulden gij niet aansprakelijk zijt. Ik wilde niet gaarne tot uitersten overgaan ;'t is altijd een onaangenaam schandaal, en der koninklijke familie onwaardig ; maar hij dwingt ons er toe! Ik geef u mijn toestemming! Neem bij de rechtbank de noodige maatregelen, en laat prins Louis als een verkwister verklaren!'t Doet mij leed, dat ik het zeggen moet, en ik wenschte dat ik rijk genoeg ware, om telkens weder zijne schulden te betalen. Maar 't
112
zou onbetamelijk zijn, zoo ik, om de familie niet te com-promitteeren, den Staat zoo veel geld ontnam, 't Doet mij veel leed, maar liet moei zijn! Breng het in orde.quot;
,,'t Doet ook mij. bittor leed,quot; zuchtte de prins: âdat hij ons zooveel ergernis veroorzaakt, doch wij kunnen 't niet veranderen. Mijn gemalin en dochter zijn ziek van kommer en verdriet wegens hem, en weenen uit medelijden met mij, wijl ik nu eindelijk toch tot uiterste dwangmiddelen moet overgaan. Het grootste ongeluk dat een vader kan wedervaren is, dat hij geniale kinderen heeft!quot;
â't Komt er slechts op aan, welke richting de genialiteit neemt,quot; zei de Koning zacht; âde groote Friedrich was óók een geniaal kind.quot;
âMaar hij had het geluk Kroonprins te zijn, en aan zijne genialiteit bot te kunnen vieren!quot; riep prins Ferdinand.
De Koning ontroerde, en een wolk vloog over zijn voorhoofd. â âHet doet mij leed ; â dat geluk is prins Louis niet beschoren, en zal hem ook niet geworden,quot; zeide hij eenigs-zins barsch: âik^weet zeer goed, dat er ontevreden menschen zijn, wien ik 't nooit recht naar den zin maak en die mee-nen, dat prins Louis Ferdinand eigenlijk de roeping had den scepter te voeren.quot;
âO, Majesteit; spreek niet verder! Het zou een groot ongeluk voor den Pruisischen Staat zijn, zoo mijn verkwistende zoon Koning moest worden! Hij zou spoedig over een Staat van enkel woekeraars en schuldeischers regeeren.quot;
De Koning glimlachte en zijn gelaat verhelderde weder. âEn hebt ge dan niets beproefd, om prins Louis uit Hamburg terug te roepen?quot;
âAlles beproefd. Majesteit! Hem dagelijks brieven geschreven, ik zoowel als mijn gemalin en mijne dochter.quot;
âEn ik zelf,quot; zei de Koningboofdschuddend : âik zelf heb reeds tweemaal vertrouwelijk door Kökeritz aan hem laten schrijven, en hem verzocht aan het schandaal een einde te maken. Alles te vergeefs. Er komt geen antwoord. Wij willen er nu Massenbach mede belasten.quot;
Hij ging aan de deur, en riep den overste von Massenbach binnen. â âMassenbach, ik heb een zending voor u, een vrij netelige, diplomatische zaak.quot;
De overste boog. â âZijne Majesteit weet dat ik steeds bereid ben. Hare bevelen te gehoorzamen.quot;
na
âEr behoort schranderheid en beleid toe,quot; zei de Koning: âliet geldt iemand uit gevangenschap te \ieriossen en hem hierheen te brengen.quot;
De overste zag verwonderd tot den Koning op. â âMoet ik een gevangene bevrijden?'
Friedrich Wilhelm knikte. â âJa, een gevangene; maar het zal moeilijk gaan, want 'tis geen aardsche gevangenis. Ge moet prins Louis Ferdinand bevrijden uit de boeien, waarin hij te Hamburg ligt.quot;
âMen heeft den prins gevangen genomen ?quot; vroeg de overste geheel ontzet.
â't Ware misschien beter, zoo men zijn persocH, in plaats van zijn hart gevangen had genomen. Prins Louis ligt in de boeien der schoone gravin von Stein, welke wij hier hebben gehad, en die zoo plotseling vertok. Zij heeft hare strikken om hem gelegd en houdt hem vast; en zoo gij hem niet bevrijdt en hier brengt âquot;
âO, Majesteit!quot; riep Massenbach geheel verschrikt; âdat is inderdaad een moeilijke zaak, een ware Herkulesarbeid, en ik beken dat ik er niet tegen opgewassen ben.quot;
De Koning knikte. â âGij zijt een schrander man, en de prins houdt van u; ge zijt zijn kameraad hinden veldtocht in Champagne geweest. Gij vermoogt meer op hem dan alle anderen. Brieven helpen niet meer, schriftelijke bevelen richten niets uit. Hij leest ze misschien niet eens! Dus moet gij, Massenbach, hem mijne bevelen persoonlijk overbrengen.quot;
De overste boog. â âIk zal gehoorzamen, Majesteit; maar of het bevel werken zal, weet ik niet; dit durf ik niet beloven.quot;
âGe moet echter alle moeite doen, alles aanwenden, opdat het werkt. Ik geef u volmacht, Massenbach, zelfs met geweld. Bevrijd hem slechts.
âMet geweld?quot; vroeg de overste verschrikt: âUwe Majesteit wil toch niet zeggen, dat ik den prins als gevangene moet behandelen?quot;
âDat wil ik juist zeggen!quot; knikte de Koning; âAdsalle middelen uitgeput zijn, âals hij noch naar goedheid, noch naar overreding, noch naar voorstellen en bedreigingen hooren wil en terugkeeren, â dan moet gij geweld gebruiken. Neem twaalf soldaten mede, heimelijk, niet allen tege-Uühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 8
112
zou onbetamelijk zijn, zoo ik, om de familie niet te com-promitteeren, den Staat zoo veel geld ontnam, 't Doet mij veel leed, maar liet moet zijn! Breng het in orde.quot;
â't Doet ook mij. bitter leed,quot; zuchtte de prins: âdat hij ons zooveel ergernis veroorzaakt, doch wij kunnen 't niet veranderen. Mijn gemalin en dochter zijn ziek van kommer en verdriet wegens hem, en weenen uit medelijden met mij, wijl ik nu eindelijk toch tot uiterste dwangmiddelen moet overgaan. Het grootste ongeluk dat een vader kan wedervaren is, dat hij geniale kinderen heeft!quot;
â't Komt er slechts op aan, welke richting de genialiteit neemt,quot; zei de Koning zacht: âde groote Friedrich was óók een geniaal kind.quot;
âMaar hij had het geluk Kroonprins te zijn, en aan zijne genialiteit bot te kunnen vieren!quot; riep prins Ferdinand.
De Koning ontroerde, en een wolk vloog over zijn voorhoofd. â âHet doet mij leed ; â dat geluk is prins Louis niet beschoren, en zal hem ook niet geworden,quot; zeide hij eenigs-zins barsch: âik^weet zeer goed, dat er ontevreden menschen zijn, wien ik 't nooit recht naar den zin maak en die mee-nen, dat prins Louis Ferdinand eigenlijk de roeping had den scepter te voeren.quot;
âO, Majesteit; spreek niet verder! Het zou een groot ongeluk voor den Pruisischen Staat zijn, zoo mijn verkwistende zoon Koning moest worden! Hij zou spoedig over een Staat van enkel woekeraars en schuldeischers regeeren.quot;
De Koning glimlachte en zijn gelaat verhelderde weder. âEn hebt ge dan niets beproefd, om prins Louis uit Hamburg terug te roepen?quot;
âAlles beproefd, Majesteit! Hem dagelijks brieven geschreven, ik zoowel als mijn gemalin en mijne dochter.quot;
âEn ik zelf,quot; zei de Koning hoofdschuddend : ,,ik zelf heb reeds tweemaal vertrouwelijk door Kökeritz aan hem laten schrijven, en hem verzocht aan het schandaal een einde te maken. Alles te vergeefs. Er komt geen antwoord. Wij willen er nu Massenbach mede belasten.quot;
Hij ging aan de deur, en riep den overste von Massenbach binnen. â âMassenbach, ik heb een zending voor u, een vrij netelige, diplomatische zaak.quot;
De overste boog. â âZijne Majesteit weet dat ik steeds bereid ben, Hare bevelen te gehoorzamen.quot;
m
âEr behoort schranderheid en beleid toe,quot; zei de Koning: âliet geldt iemand uit gevangenschap te eerlossen en hem hierheen te brengen.quot;
De overste zag verwonderd tot den Koning op. â âMoet ik een gevangene bevrijden?'
Friedrich Wilhelm knikte. â âJa, een gevangene; maar het zal moeilijk gaan, want 'tis geen aardsche gevangenis. Ge moet prins Louis Ferdinand bevrijden uit de boeien, waarin hij te Hamburg ligt.quot;
âMen heeft den prins gevangen genomen?quot; vroeg de overste geheel ontzet.
â't Ware misschien beter, zoo men zijn persoon, in plaats van zijn hart gevangen had genomen. Prins Louis ligt in de boeien der schoone gravin von Stein, welke wij hier hebben gehad, en die zoo plotseling vertok. Zij heeft hare strikken om hem gelegd en houdt hem vast; en zoo gij hem niet bevrijdt en hier brengt âquot;
âO, Majesteit!quot; riep Massenbach geheel verschrikt; âdat is inderdaad een moeilijke eaak, e.en ware Herkulesarbeid, en ik beken dat ik er niet tegen opgewassen ben.quot;
De Koning knikte. â âGij zijt een schrander man, en de prins houdt van u; ge zijt zijn kameraad in'den veldtocht in Champagne geweest. Gij vermoogt meer op hem dan alle anderen. Brieven helpen niet meer, schriftelijke bevelen richten niets uit. Hij leest ze misschien niet eens ! Dus moet gij, Massenbach, hem mijne bevelen persoonlijk overbrengen.quot;
De overste boog. â âIk zal gehoorzamen. Majesteit; maar of het bevel werken zal, weet ik niet; dit durf ik niet beloven.quot;
âGe moet echter alle moeite doen, alles aanwenden, opdat het werkt. Ik geef u volmacht, Massenbach, zelfs met geweld. Bevrijd hem slechts.
âMet. geweld?quot; vroeg de overste verschrikt: âUwe Majesteit wil toch niet zeggen, dat ik den prins als gevangene moet behandelen?quot;
âDat wil ik juist zeggen!quot; knikte de Koning : âAls alle middelen uitgeput zijn, â als hij noch naar goedheid, noch naar overreding, noch naar voorstellen en bedreigingen hooren wil en terugkeeren, â dan moet gij geweld gebruiken. Neem twaalf soldaten mede, heimelijk, niet allen tege-Uühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 8
114
lijk, opdat het geen opzien baart. Zoo de prins niet goedwillig volgt, neem hem dan gevangen, breng hem hierheen en zeg dat het op bevel des Konings is. En nu ga, Mas-senbach! Vertrek terstond, en keer niet zonder prins Louis Ferdinand terug.quot;
âEn nu, mijn lieve oom Ferdinand, nu hoop ik dat wij alles gedaan hebben, wat in ons vermogen is! Ik haat geweldige maatregelen en opzien; ik zou niet gaarne willen, dat onze familieaangelegenheden in den mond der menschen kwamen, maar als het zijn moet, moet men zich schikken. De prins wordt tot verkwister verklaard, en wij laten hem uit Hamburg opeischen!
En in 't zelfde uur snelde, â trouw aan 's Konings bevelen â de overste von Massenbach met postpaarden naar Hamburg. Twaalf soldalen, uit de koninklijke garde-gendarmes gekozen, volgden hem troepsgewijze, om, zooals de Koning 'bevolen had, geen opzien te baren. Dag en nacht onverpoosd ging de reis voort, en den volgenden dag na het oproer en het zonderlinge feest, kwam men te Hamburg aan. 't Was vroeg des morgens en terstond begaf zich de overste naar het hotel de V Europe, waar de prins woonde.
De hotelhouder stond bleek en met angstig gelaat in de vestibule, toen de overste het hotel binnentrad en naar den prins vroeg.
,.Hij is toch tehuis? Hij bevindt zich toch altoos nog hier ?quot;
âJa,quot; zuchtte de man; âhij bevindt zich nog altoos hier tot mijn groot ongeluk, want geheel Hamburg is woedend op mij, dat ik de gasten, die zooveel ergernis geven, niet verwijder. En ik heb den prins ook bezworen, mijn hotel te verlaten, maar hij lachte er om, en daarbij heeft hij iets in zijn wezen, dat men niet weerstaan kan! Als hij iemand met zijn bruine oogen aanziet, voelt men zijn hart smelten en men zegt op alles ja!quot;
âDat is waar, en mij zal 't misschien óók zoo gaan,quot; prevelde de overste voor zich: âen de gravin vonStein?quot;
âDie woont hier óók,quot; zei de kastelein: âzij bewoont de eerste verdieping, en de prins woont er onder, en bew'aakt haar als ware hij haar slaaf. Bij elk gerucht ontwaakt hij en ziet, of der wonderbare gravin geen gevaar dreigt. Gij komt van Berlijn, mijnheer? Ik zie het aan de koninklijk-
115
Pruisische uniform en verbeeld mij, dat ge misschien door den vader van den prins gezonden zij t, om hulp in ai dezen nood te brengen ?quot;
âIk hoop dat ik die breng,quot; zei de overste Massenbach vriendelijk : âluister, mijnheer ; er zullen twaalf soldaten achtereenvolgens hier aankomen, huisvest ze heimelijk in de achtergebouwen van het hótel, opdat zij gereed zijn, zoo ik hen soms mocht noodig hebben.quot;
âGe wilt toch den prins niet gevangennemen ?quot; vroeg de kastelein geheel ontsteld; âDat'zal ik niet dulden, mijnheer! 't Zou mij in de ziel leed doen, en daarbij zijn wij in de vrije Rijksstad Hamburg, en daar mag men in het huis van een burger niemand gevangennemen, en nog wel zulk een lieven, fraaien mensch, als prins Louis,quot;
âIk merk wel, dat ge óók in de betoovering zijt! Wees gerust, ik ben 'took, en wij allen zijn 't min of meer. Maar het geschiedt tot zijn redding. Wij zullen, hoop ik, hem verlossen van de tooveres.quot;
âZij is een tooveres!quot; knikte de kastelein, terwijl hij schuw naar de bovenverdieping opzag; âGeloof mij, er is niets fraaier dan zij, en als zij lacht, lacht iemands hart in zijn lijf, en als zij aan den arm van den prins gaat, zou men aanstonds op de knieën willen zinken als voor een koningin of godin.quot;
âIk ben zeer nieuwsgierig dit wonder te zien! Maar voer mij nu tot den prins.quot;
âHij ligt nog te bed ; hij heeft weder tot laat in den nacht een feest gegeven, en is eerst tegen den morgen naar bed gegaan; de kamerdienaars slapen óók.''
âDes te beter ; ik zal onaangediend bij hem binnengaan, terwijl hij nog te bed ligt.quot;
En zacht op de teenen slopen beiden door de gang, naar de kamers van den prins.
IV.
HET ITALIAANSGH BERICHT.
Toen de overste von Massenbach bij hem binnentrad, lag prins Louis Ferdinand werkelijk nog te bed. Hij scheen van vermoeidheid er op nedergezonken te zijn ; want hij
116
was nog half gekleed, en had misschien slechts eenige oogen-blikken willen rusten, toen de slaap hem overweldigde. Massenbach trad zacht nader en sloop op de teenen naar het bed van den prins. Lang zag hij hem aan en vermeide zich in 't gezicht van deze volle, krachtige gestalte, dit fraai, edel aangezicht, dat zoo kalm en stil, en echter, in weerwil der gesloten oogen, zoo vol leven en kracht scheen. Het moesten zoete droomen zijn, die den prins omzweefden, want een glimlach stond op zijne lippen, en vloog van tijd tot tijd als morgenrood over zijn geheel gelaat.
âHij is waarlijk fraai,quot; zei de overste zacht tot zich zei ven, geheel in bewondering verzonken : âzoo wij in 'tonde Griekenland leefden, zoude men hem standbeelden hebben opgericht ter eere zijner schoonheid. Hij zou beroemd zijn geworden als Alcibiades, en in Griekenland zouden de schoonste en edelste vrouwen naar zijn liefde gedongen hebben. Maar, doen zij dit ook hier niet ?quot; vroeg hij bij zich zeiven ; âdoch slechts in het vrije Griekenland was geoorloofd wat in onzen trenrigen tijd verboden en geschandmerkt is. Arme Louis Ferdinand! Ge hadt onder Griekenlands heette zon geboren moeten worden. Ge zoudt een held zijn geweest, en wij hadden uwe standbeelden bewonderd, terwijl wij nu ergernis nemen aan uw grieksch vrij wezen. Hoe fraai glimlacht hij, en ik moet hem nu wekken uit zijn zoete droomen, en tot de harde, koude werkelijkheid opschrikken, 't Is mijn plicht en ik moet gehoorzamen.''
Hij raakte zacht met de hand den schouder van den prins aan en noemde zijn naam. De prins ontstelde, en de groote oogen openden zich en blikten verbaasd en verwonderd op den overste, die voor zijn bed stond. Maar hij zeide geen woord, zag hem slechts aan en scheen op zijn gelaat zijn innigste gedachten te willen lezen.
âPrins Louis Ferdinand,quot; zei de overste met zachte, ernstige stem: âik bid om vergeving, dat ik het waag u te storen, en dubbel om vergeving, wijl u mijn komst ongelegen zal zijn.quot;
Hij zweeg en wachtte op een antwoord, maar de prins bleef hem slechts aanzien, zonder te spreken.
âIk kom van Berlijn,quot; voer de overste voort; âik kom op last van Zijne Majesteit en tegelijk op last van Zijne Koninklijke Hoogheid prins Ferdinand, uw vader.quot;
117
Nu hoopte, hij, zou de prins antwoord geven; maar deze zweeg volhardend, richtte zich slecht een weinig van zijn bed op en zag steeds den overste aan.
âZijne Koninklijke Hoogheid prins Ferdinand heeft, zooals hij mij zeide, u meermalen geschreven, prins, en met bidden en smeeken, mei strengheid en ernst aangedrongen, dat ge Hamburg verlaten, en naar uw garnizoen terugkeeren zoudt. Ook de Koning heelt u door zijn overste Köckeritz dit verzoek, dit feefeZ doen geworden, maar Uwe Koninklijke Hoogheid is desniettemin totergernis der koninklijke familie, hier te. Hamburg gebleven.quot;
Geen trek op het aangezicht van den prins veranderde, â't Schijnt mij,quot; zeide hij, zijn groote oogen steeds op Mas-senbach gericht houdende: â't schijnt mij dat ge spreekt, heer overste von Massenhach ; maar ik beken u, dat ik geen woord versta van 't geen ge zegt. Ik heb het ongeluk sinds een paar dagen volkomen doot te zijn. 't Is, zoo ik hoop, een voorbijgaande ongesteldheid, maar zij berooft mij van het genoegen, uwe woorden te hooren.quot;
âDat is werkelijk een groot ongeluk voor mij,quot; zei de overste glimlachend; â't is dus moeilijk de bevelen des Konings en van uwen heer vader tot u te doen komen, prins, want misschien zijn ook uwe oogen ongesteld en kunnen niets geschrevens lezen; van daar komt het ook, dat ge de schriftelijke bevelen niet hebt kunnen ontcijferen. Dit is de reden, waarom Zijne Majesteit en de Koninklijke prins mij hierheen zenden, om mondeling te herhalen, wat schriftelijk niet baatte. En nu is 't inderdaad een erg ongeluk voor mij en ook voor u, prins, dat uwe doofheid een verklaring onmogelijk maakt.''
De prins scheen werkelijk doof, want hij antwoordde niet en scheen de geheele rede van Massenhach niet gehoord te hebben. Hij stond met kalmte en gelatenheid van zijn bed op, en begon zijn toilet te maken.
âHet is waarlijk erg,quot; zei de overste, en een wolk van wrevel trok over zijn voorhoofd, toen hij den prins in zijne onbezorgdheid beschouwde; âwaarlijk een ongeluk voor u. Koninklijke Hoogheid, dat ik mij niet verstaanbaar kan maken, en niet waarschuwen kan voor groole onaangenaamheid die li gebeuren kan, Uw heer vader is inderdaad vertoornd op u, en de Koning meent dat hij dit met recht is. Er
418
zijn eenige personen uit Hamburg bij den prins gekomen, en vorderden met grooten drang en tamelijk lomp, betaling van schulden, die Uwe Koninklijke Hoogheid hier heeft gemaakt. Hierbij komen de dringende scïiuldeischers uit Berlijn en Maagdenburg. De prins heeft zich dus tot zijn hoogste smart genoodzaakt gezien, den Koning een dwangmaatregel voor te stellen en Zijne Majesteit de Koniny heeft dien goedgekeurd.quot;
Nu zweeg de overste en hoopte dat deze bom de doofheid van den prins zou doen verdwijnen, en hij nieuwsgierig zou zijn te hooren wat de prins voortgesteld â en de Koning goedgekeurd had.
Maar de prins scheen werkelijk doof. Hij had nu zijn toilet ten einde gebracht en stond voor den spiegel, zijn dik, bruin, krullend haar een weinig in orde brengende, en in den spiegel zag hij 't gelaat van Massenbach, die achter hem stond en wederkeerig in den spiegel het gelaat van den prins zag.
âDe Koning heeft bewilligd,quot; zei de overste; âdat prins Louis Ferdinand openbaar en voor de geheele wereld als verkwister verklaard wordt, en de publicatie zal wellicht op dit oogenblik reeds te Berlijn in de dagbladen staan.quot;
Nu vertrok zich 't gelaat van den prins; zijne wangen verbleekten, zijn oogen flikkerden en hij drukte de lippen vast opeen.
De overste glimlachte. â âIk zie op dit oogenblik, dat de doofheid van Uvve Koninklijke Hoogheid een weinig schijnt te minderen, en 't Haar gelieft mijne woorden te verstaan.quot;
Maar het gelaat van den prins was reeds weder geheel kalm en onbeweeglijk, en het rood keerde op zijne wangen terug. Hij legde den borstel, waarmede hij het haar bad glad gestreken, neder en wendde zich nu tot den overste.
âMijn lieve overste von Massenbach! Zoo ge 'tgoedvindt, gaan wij in den nevenkamer en laten ons de chocolade brengen. Ik beken, dat ik een weinig dorstig ben en naar eenige verkwikking verlang. Kom, mijn waarde overste.quot;
Hij reikte hem de hand en voerde hem in de belendende kamer, schelde den kamerdienaar en beval het dejeuner te brengen.
âVoor twee personen,quot; zeide hij, op den overste wijzende,
119
en toen wenkte hij dezen nevens hem op den divan plaats te nemen.
âHier zijn sigaren, waarde overste,sigaren uit Havanna; men krijgt ze nergens zoo goed als hier te Hamburg en dit is een reden, waarom ik het [lieve Hamburg boven alle andere steden der wereld bemin, 'tls een vroolijk leven hier, en 't verheugt mij dat ge óók hier gekomen zijt, om het een weinig te genieten. Hamburg is de rechte plaats om de wereld te leeren kennen, en ik heb sinds eenigen tijd besloten, â daar ik niets anders kan zijn â ten minste een wereldkenner te worden. Steek eens op, beste overste.quot;
Hij reikte hem de schaal met de sigaren en ontstak zelt een der geurige, oude havannas.
âIk dank, Koninklijke Hoogheid,quot; zei de overste op eenigs-zins ruwen toon ; âik ben niet gestemd om te rooken, en bewonder inderdaad Uwe Koninklijke Hoogheid, dat het bericht 't welk ik Haar gebracht heb, zoo weinig indruk op Haar maakt, 'tls voor de koninklijke familie een harde slag, dat een harer leden haar dwingt de familiegeheimen aan het licht te brengen, en aan de wereld te verkondigen dat de edele, â en door de familie zoo gelielde prins Louis Ferdinand, helaas, het groot gebrek bezit, volstrekt niet met geld te kunnen omgaan, en men dus tot zulk harde maatregelen zijn toevlucht moet nemen.quot;
De prins scheen geheel verdiept in de aanschouwing der kleine geurige wolkjes, die uit de sigaar omhoog kronkelden.
âEn dit is nog niet de ergste kommer, die de konink-Rjke familie ternederdrukt,quot; voer Massenbach voort; âtreuriger is het voor de verheven ouders van prins Louis Ferdinand, dat zij hem ongehoorzaam aan de bevelen des Konings zien; treuriger, dat zij hem weten in de betoove-ring eener sirene, in de netten eener vrouw, die de schande en smaad van haar geslacht is! ü, mijn prins, het doet mij in de ziel leed, dat ik zóó tot u spreken moet,quot; voer Massenbach voort âik ben zoo gewoon u te beminnen en te vereeren; ge hebt in Champagne voor mij gestaan als het ideaal van een heldenjongeling, en het deed mij in de ziel goed, u te aanschouwen zoo schitterend van dapperheid, zoo dorstend naar roem. En nu is mijn smart dan ook dubbel groot, nu ik zien moet, hoe de liefde het hoofd van
120
dien heldenjongeling gebogen heeft in het stof; hoe gij, een tweede Simson, u dooi- deze verleidelijke kokette Delila in ellende en verachtelijke slavernij vernederen laat. Want zij is een Delila, deze mevrouw van Stein! Zij is omgekocht door de Filistijnen, om het hoofd van den edelen heldenknaap te buigen, hem het haar af te snijden en de lauwerkransen van zijn hoofd terukken, en die aan de voeten der Filistijnen neder te leggen ! Geloof mij, mijn prins, deze gravin is niet datgene, waarvoor gij haar houdt. Zij is geen edele, fiere vrouw; zij is een boeleerster, een kokette! Zij is, laat mij het u zeggen: zij is een omgekochte spion!quot;
De prins wierp zijn sigaar weg en sprong op.â ,,Nu is het genoeg!quot; riep hij met luide stem: âIk heb gezwegen op alles wat ge zeidet; ik wilde u niet hooren, niet verstaan! Maar nu, mijnheer, nu heb ik u verstaan, en ik beveel u geen woord meer te spreken! Gij komt als de gerechtsdienaar des Konings en mijns vaders, ge moet mij mogelijk als gevangene naar de vesting sleepen! Beproef het, mijnheer! Maar ik verbied u in mijne tegenwoordigheid onbetamelijke woorden te zeggen, tegen deze edele, schoone dame, welke ik bemin en aanbid, heer overste! Ik bemin en aanbid haar!
âDat heet, mijn waarde, mijn geliefde prins,quot; zei de overste, met gevouwen handen smeekend tot hem opziende; âdat heet: ge hebt u door deze tooveres laten begoochelen ! Maar ik kom in naam van uwen vader, in naam van uwe moeder en zuster, die weenend de handen naar u uitsteken ; ik kom in naam van uw vaderland en smeek u: verbreek deze schandelijke kluisters, waarmede men u hier houdt; richt u op uit uwe vernedering, schud uwe lokken, vóór men ze den jongen Simson van het hoofd snijdt! Prins Louis Ferdinand, ontwaak en erken dat het een begoocheling is, die u vasthoudt!quot;
âZwijg!quot; riep de prins heftig : âIkherhaal het u : ik duld niet dat men haar in mijne tegenwoordigheid lastert! Ik herhaal u: ik bemin deze vrouw!quot;
De overste zuchtte diep en zag smartelijk bewogen in 't gloeiend, opgewonden gelaat van den prins. â âO, mocht God mij een middel geven u tot erkentenis te brenge» ! Ik weet wel, ik zal u smart moeten veroorzaken; ik ben óó-k jong geweest, heb bemind en ben verraden geworden.
121
Ik ken deze folteringen! Zij doen meer pijn dan al de wonden, welke wij in den slag bekomen, deze wonden, welke wij ontvangen in den strijd met het leven; maar zij verstalen ons hart en maken ons groot en sterk! Prins Louis Ferdinand, ge zult een nieuwe wonde ontvangen! Bereid u voor, opdat ge haar moedig aanneemt, en haar, uwer waardig, laat vereelten. Deze gravin von Stein is een spion! ik zeg het u, ik weel het. Ik heb alom onderzoek omtrent haar gedaan; ik heb met den Franschen gezant over haar gesproken, en zijn dubbelzinnige glimlach heeft mij verraden, wat zijne lippen verzwijgen wilden. Het instinct heeft hier hel volk juist geleid, en het heeft erkend, wat gij in de verblindheid uwer liefde niet zien wilt. Deze gravin von Stein is een spion, die door de Fransche republiek betaald wordt om u te omstrikken!quot;
âLogen ! logen!quot; riep de prins buiten zichzelven, vlammend van toom; âik verbied u nog een enkel woord te zeggen.''
âEn ik luister niet naar uw verbod !quot; riep Massenbach nu even toornig: âneen, neen, prins! Ik sta hier in naam uwer familie en luister niet naar uw verbod ! De gravin von Stein is een spion! Ontwaak, prins, ontwaak, nu het nog tijd is. Ik bezweer u, beloof mij slechts dit,quot; voer hij drin-gerder voort, toen de prins hem, toornig als een leeuw aanstaarde : âbeloof mij slechts dit, dat ge u wilt laten overtuigen; dat ge de bewijzen, welke ik u misschien leveren kan, niet ontwijken wilt! Beloof mij, dat ge u door mij wilt laten overtuigen ! Ik bezweer u dit, prins, in den naam uwer moeder, in den naam uwer zuster.quot;
âIk kan dit niet beloven, ik mag niet!quot; riep de prins: ,,Ilet zou een verraad zijn tegen die schoone, edele vrouw, zoo ik er ja op wilde zeggen! Maar gij hebt de namen mijner dierbare moeder, mijner geliefde zuster genoemd, en deze namen zullen mijn oor nooit doof vinden. Zoo ge mij overtuigende bewijzen kunt geven, wil ik mij overtuigen laten en met u gaan. En nu, verlaat mij! Ik ben een bloodaard, oen verrader, dat ik zóó heb kunnen spreken! Laat mij gaan, ik moet tot haar!quot;
âEn ik,quot; zei de overste, zijn arm vattende: âik moet de vergunning verzoeken u te mogen vergezellen. De Koning heeft mij bevolen u geen oogenblik meer uit het gezicht te verliezen, en ik moet u dus verzoeken, mót u te mogen gaan.'
122
De prins schudde de hand des oversten van zijn arm, als een insekt, dat hein lastig was. â âDit is te veel, overste ! Doe wat ge wilt, baar mijnentwege opzien, en laat mij gevangennemen! Met mij kunt ge niet gaan, want ik moei tot haar!quot;
Er schitterde een straal van vreugde opzijn aangezicht, toen hij nu haastig den vederhoed nam en uit de kamer ging. Met koene sprongen ijlde hij de trap op; zóó schielijk, dat de overste hem niet kon volgen. En nu stond hij boven, en nu in de kamer, in het paradijs, 't welk Aurora bewoonde.
Zij ontving hem glimlachend, reikte hem haar beide handen en zag hem diep in de oogen. Lang reeds was de trotsche demonische uitdrukking van haar gelaat geweken; lang reeds had de hoogmoed der koninklijke vrouw voor een meer teedere, meer vrouwelijke uitdrukking plaats gemaakt; het ijs was gesmolten in haar hart, en de liefde was er in ontdooid, maar langzaam, slechts langzaam. De knop had zich nog niet ontwikkeld, en het scheen als streed de koninklijke vrouw nog tegen het geweld dezer liefde, wier macht zij scheen te vreezen. Hij trok haar op den divan neder en legde zich aan hare voeten.
âAurora, zie mij aan! Laat de zon uwer blikken mij bestralen, opdat het weder dag in mij worde en een vroo-lijk, gelukkig leven. Men wil mij van u scheiden! Met bedreigingen en toorn wil men mij van hier trekken! Men smaadt mijn naam, en werpt het stof der schande op mijn leven ! Maar ik geef er niet om, mijn leven is aan uwe voeten ! De wereld is achter mij verzonken, en hier is mijn paradijs! En ge zult er mij niet uit verdrijven, Aurora? Ge zult niet, als de engel met het vlammende zwaard, tot mij zeggen; De dag der verrukking is nu voorbij, ga heen in de wereld? Aurora! alles wil ik u opofferen, mijn leven, mijn rang, mijn familie! Zeg nu eindelijk, dat ge mij bemint; zeg, dat ik de proeven heb doorstaan, de Hercules-werken, welke ge mij hebt opgelegd. Ik lig aan uwe voeten, Aurora, gelijk een schuldige, die om genade smeekt. Laat mij nu van uwe lippen leven ot dood ontvangen. Zeg, dat ik de proeven niet heb doorstaan, dat ik de liefde niet waardig ben, welke ge mij beloofdet, in dat gewichtig uur, toen hel eerst onze zielen vrij en ongebonden tegenover
123
elkander stonden. Zeg dat mijn hart te koud is voor uwe liefde, en dan wil ik sterven in mijn eigen gloed. Of zeg, dat ge het vuur van mijn hart verstaan en begrepen hebt, dat ge mij bemint, dat ge de mijne wilt zijn!''
Zij zag hem aan met haar wonderbare diepe oogen, terwijl hij daar aan hare voeten lag en smeekend tot haar sprak. En het vlamde op in haar eigen aangezicht en een glimlach verheerlijkte haar gelaat, en hare oogen werden vochtig als van een traan, die den trots en den hoogmoed voor altoos wegnam uit haar ziel.
âDe uwe!'' lispte zij zacht, als ware zij zelve bevangen door een zoeten too ver, toen zij den prins zoo dicht in de vlammende teedere oogen zag: ,,De uwe! En zult ge mij dan werkelijk beminnen? Ja, ge zijt in staat te beminnen, Louis! Uw hart is niet koud zooals de zon van het Noorden; uw hart is gloeiend, en het verstaat de liefde enâ^ Neen Iquot; riep zij plotseling luid, en sprong op en weerde hem onstuimig van zich af: â âNeen, zij zal mij niet onder het juk brengen, deze tooveres, deze dochter der Hel! Zij zal mij niet tot haar slavin maken ; ik veracht haar, ik versmaad haar, ik wil niets van haar weten ! Sta op, prins Louis Ferdinand ! De toover van dit oogenblik is van ons geweken ! Ge hieldt mij voor een roos en wildet mij plukken, om mij een oogenblik aan uw borst te steken en mij daarna aan uwe voeten te laten verwelken. Ik wil niet verwelken, neen, ik wil niet! Verheug u, zoo ik fraai schijn als een roos; verheug u, zoolang zij bloeit, in haar schoon gelaat en opdat, als zij is uitgebloeid, u eene herinnering moge blijven, laat ik mij, zoo als ik u beloofd heb, voor u por-tretteeren. Kom, prins! De schilder verwacht mij zeker reeds; ge weet immers, het is het uur om voor hem te zitten. Kom!quot;
Zij reikte hem de hand, en voerde hem in de aangrenzende kamer. En daar zat werkelijk de schilder reeds voor den ezel, bezig aan het portret, 't welk de gravin Aurora von Stein levensgroot voorstelde, en waartoe de gravin na lang smeeken, toegegeven had voor den schilder te zitten, dien prins Louis Ferdinand opzettelijk uit Berlijn hiervoor ontboden had. Zij liet zich neder op den troonzetel, die op een verhevenheid voor haar geplaatst was; een soort van verhemelte van rozen was er boven aangebracht, en een
124
krans van half ontbladerde rozen lag aan de voeten der schoone Aurora. Zij zelve, in een luchtiggrieksch gevvaad, zonder tooi, slechts op het naar grieksche wijze opgemaakte haar de diadeem met de sterren van saffieren en brillan-ten, en in de hand een roos.
Zóó moest de stolTeering van het portret zijn, dat voor prins Louis I^erdinand nogeen herrinnering zouzijn aan de roos, die een oogenblik met hare geuren en haar schoonheid zijn leven verheugd had.
Hij hielp den schilder ijverig de decoratiën om de gravin schikken, en toen zette hij zich aan hare voeten neder, zoodat hij tegelijk haar aanschouwen en zijwaarts naar het portret kon zien, waaraan de schilder nu weder ijverig begon te werken. In de nevenkamer hadden op een teeken van de schel, 't welk de prins vooraf gegeven had, de daar wachtende muzikanten nu hunne instrumenten gestemd, en de teedere, klagende tonen van den waldhoorn, de fluit en de hobo trokken zacht en smeltend door de stille kamer, waarin prins Louis Ferdinand aan de voeten van Aurora zat, en zalig tot haar opzag en gelukkig was, dat den kunstenaar het portret der aangebedene zoo goed gelukte. â
Buiten in de voorkamer stond intusschen de overste von Massenbach in een zacht, fluisterend en levendig onderhoud met de tweede kamenier der gravin Aurora von Stein. Wat fluisterden zij ? Niemand hoorde de woorden, welke de overste sprak; niemand buiten de kamenier, die met ingehouden adem luisterde en vervolgens zacht een haastig antwoord gaf. Zij was eene Duitsche en de gravin had haar te Berlijn aangenomen, om iemand in hare omgeving te hebben, die zich kon doen verstaan, wijl zij zelve geen woord van de Duitsche taal verstond. Maar de tweede kamenier verstond het Duitsch des te beter, verstond alles wat de overste von Massenbach zoo nadrukkelijk, zoo ernstig en dringend tot haar fluisterde.
â'tls het bevel des Koningsquot;; zeide hij; âdenk erover of er een middel is; men zal u zeer goed beloonen, als het gelukt. Ik bid u, span uwe gedachten eens in.quot;
En de hupscho kleine kamenier zag peinzend voor zich. Plotseling hief zij het hoofd op en vroeg zacht: âVerstaat de prins Italiaansch ?quot;
125
âJa; ik weet dat hij het verstaat,quot; fluisterde de overste.
âDan zou het mogelijk zijn, dat hij iets kon vernemen,quot; fluisterde zij; âde gravin, die schier eiken avond en in den nacht, als de feesten over zijn, gewoonlijk zeei'veel schrijft, â groote brieven, die dan den volgenden morgen door een koerier verzonden worden, â is aan de hand gekwetst; een steenworp heeft haar dezer dagen bij het oproer getrolïen, en zij kan niet schrijven. Sedert dicteert zij eiken morgen haar eerste kamenier, die een Italiaansche en tegelijk haar gezelschapsjuffer is, â en wat zij gedicteerd heeft wordt dan verzonden. Misschien ware het goed, zoo de prins dit eens hoorde. Ik natuurlijk versta er geen woord van, en weet niet wat het is; maar zij zijn altijd zoo geheimzinnig,'en daarom meen ik âquot;
De overste legde zijn hand op haar schouder. âGe zijt een schrander, verstandig meisje en ge hebt gelijk. Het zou goed zijn, zoo de prins dit eens hooren kon. Zou dat niet te bewerken zijn?quot;
De kamenier bedacht zich een oogenblik, vervolgens knikte zij. â âJa, 't is mogelijk; zoo de prins kan besluiten een half uur heimelijk in een kleine kamer te gaan, en er te wachten; dan zal 'tgelukken.quot;
âKan hij daar hooren wat de gravin dicteert;?quot; vroeg de overste haastig.
âJa, die kamer ligt onmiddellijk naast de huiskamer der gravin, 't Is de garderobe en zij is slechts door een por-tiére van de huiskamer gescheiden.quot;
âMaar,quot; vroeg Massenbach : âhoe kan de prins in deze kamer komen?quot;
âZeer eenvoudig,quot; zeide zij : âeen kleine deur voert uit mijn kamer in deze gaderobe, en zoo de prins nu door mijn kamer sluipt, komt hij ongemerkt inde garderobe.quot;
âEn wanneer zou de gravin heden dicteeren?quot; vroeg de overste.
âIk weet,quot; antwoordde de kamenier: âdat zij terstond na de zitting, welke zij den schilder geeft, dicteeren wil; want de Italiaansche kamenier heeft mij straks door een teeken reeds hare bevelen gegeven en mij aangeduid, dat zij latei-schrijven moest. Het is ook dezer dagen altijd zoo geweest; en zoo de prins straks, als de zitting ten einde is, komen wil, zal ik hem binnen laten.quot;
126
V.
EEN HART VOOR EEN KONINGSKROON.
Wèl was het een moeilijke taak den prins te overreden zich naar den wensch van Massenhach te schikken en haav __ die hij beminde en aanbad, en aan wie hij geloofde met'al den gloed van zijn hartstochtelijk gemoed â te beluisteren; maar Massenhach had hem herinnerd aan zijn woord dat hij gegeven had : de bewijzen van haar verraad niet té ontwijken! Hij had hem bezworen in naam zijner moeder en zijner zuster, bezworen bij zijn eigen eer en bij zijn toekomst! En eindelijk had de pnns, hoewel weerstrevend en toornig op zich zeiven, het smeeken van den ouden
overste, dien hij reeds zoo lang als een trouw dienaar van ziin Huis kende, niet-langer kunnen weerstaan.
Zoo wil ik dan doen, wat ik in het binnenste mijner ziel veroordeel; ik wil aan den wand staan als een luisteraar die zijn eigen schande hoort! Maar ik zeg u Massenhach, wee u, zoo ge gelijk hebt! En nog veel meer wee u zoo ge ongelijk hebt! Zoo ge de groote, edele vrovw valsch beschuldigt! â Het zal zoo zijn! En ik zal haai dan volgen als de leeuw Agathocles. Ik zal haar dan volgen, waarheen zij gaat, over zeeën en bergen en afgronden,
haar volgen tot in den dood!' .. «
Massenhach had hierbij ootmoedig en stil zijn hoofd geboden en de kamenier gewenkt, die op een afstand in de o-ane stond. Behoedzaam op de teenen sloop zij nu zacht door de kleine achterkamer, somwijlen staan blijvende en luisterende, of ook iemand haar bespiedde! Eindelijk was de kamer der kamenier bereikt, en zij opende zacht en voorzichtig de deur der garderobe en beduidde den prins binnen te gaan. Zij durfde geen woord meer spreken want toen de deur zich opende, hoorde men luid en duidelijk de stem der gravin. De kamenier legde waarschuwend den vinger op den mond, schoof den prins zacht voorwaarts en
sloot de deur weder achter zich.
De prins bleef geheel op den achtergrond staan. 1 j schaamde zich voor zich zeiven, schaamde zich over de vernederende rol, welke hij hier speelde! Misschien had
127
hij ook een gevoel van vrees; zijn hart klopte zoo angstig, en een onbepaald, vreeselijk voorgevoel lluisterde hem toe, dat de ure der beslissing, des oordeels gekomen was. Hij wilde nu omkeeren, hij wilde uit de kamer! Maar Massen-bach had dit misschien vermoed, want de deur was achter hem gesloten, hij kon niet weg. Hij moest blijven staan en het onvermijdelijke met zich laten gebeuren, wanneer het komen zou! De zware portière van donker laken, die de garderobe van de woonkamer scheidde, was toegeschoven; slechts in het midden liep een lange smalle, vingerbreede streep neder, en door dezen streep zag hij soms de hooge gestalte der gravin voorbijtreden.
Zij ging naar 't scheen, langzaam in de kamer op en neêr, en hierbij sprak zij luid, op elk woord drukkende onduidelijk genoeg, dat men het verstaan kon. Zij sprak Italiaansch, maar deze taal, die den prins vroeger als muziek had geklonken, galmde hem nu als de jammerkreet zijns harten, als de spotlach van helsche geesten in de ooren! Was't dan waarheid? Hoorde hij dan waarlijk goed? Was zij het, die daar sprak, zoo langzaam, zoo duidelijk, zoo koel?
Zacht en voorzichtig sloop hij van den achtergrond van het donkere, kleine vertrek, naar deze lichtstreep, door welke hij haar kon zien en hooren. De gravin ging op en neêr door de kamer, en hij zag haar aangezicht, vol hoon en spot, met den demonischen trek om de lippen. Terzijde voor de schrijftafel aan den wand zat de Italiaansche kamenier, â de oude vrouw, van wie zij hem dikwijls gezegd had, dat zij, zoolang zij leefde, bij haar geweest, dat zij haar voedster was en haar in de dagen van 't ongeluk onderhield, voedde, en verpleegde, en nu bij haar blijven zou tot haar einde, deze trouwste der trouwen. Voorwaar, haar mocht zij vertrouwen; voor haar had de schoone Aurora, gravin von Stein, geen geheimen! En zij vreesde niet, dat deze ook slechts een woord verraden zou van 't geen zij haar nu met langzame, ernstige stem dicteerde!
âIk zal nu spoedig aan het doel zijn!quot; dit was het slot van 't geen zij dicteerde; âen ik hoop, men zal met mij tevreden wezen. De prins was een slimme en gevaarlijke vijand, maar hij ligt nu geboeid aan mijne voeten, en zal de wetten aannemen, die ik hem voorschrijf! Ik hoop dat Uwe Excellentie met mij tevreden is, want ik heb ge-
128
houden wat ik beloofd heb, en wij zullen nu spoedig dit weerstrevende Pruisen, onder prins Louis Ferdinand toteen Fran-sche provincie zien afdalen! Ik heb het mij tie er toegedaan en hoop, dat men mij de belooning welke ik er voor begeer niet zal weigeren! De prins is ongehuwd en ik bemin hem; hiermede is als gezegd: de kroon die zijn hoofd zal versieren, moet ook het mijne sieren! Ik zal eerstdaags den grooten slag slaan en de beslissing aanbrengen, daarna zal ik verder berichten!quot;
,/t Is voor heden genoeg!quot; voegde de gravin er bij ; âga nu, Mariette, en rust uit! Ik wil intusschen nalezen wat ge geschreven hebt, maar zeg toch dat men den koerier gereed houde, om de dépêche te verzenden!quot;
De oude Mariette stond op, groette haar geliefde meesteres met een teederen hoofdknik en ging heen.
De gravin stond midden in de kamer, het hoofd hoog opgeheven en zag met hare vlammende oogen strak voor zich, in de toekomst, welke zij zich juist zoo trotsch, zoo koninklijk geschilderd had. Plotseling verschrikte haar een gerucht, het kwam van de portiére; zij wendde het hoofd en zag om, toen slaakte zij een zachten kreet en bleef als versteend staan. De portiére had zich geopend en tusschen de donkere plooien stond een mannengestalte, met bleek gelaat, bevende lippen en de oogen bliksems schietende. Hij bleef staan en staarde haar aan, en als van ontzetting aangegrepen bleef ook zij staan en staarde hem aan. Vervolgens trad hij langzaam voorwaarts, en toen zij hem zag komen, beefde zij en maakte een beweging als wilde zij vluchten. Maar toen vermande zij zich; de spotlach gleed weder over haar gelaat en de demon flikkerde weder uit hare oogen.
âGe waart daar, prins; ge hebt mij beluisterd ?quot;
âJa!quot; zeide hij, en dat woord drong als een doodssnik uit zijn borst: âja,quot; herhaalde hij, haar naderende en haar hand grijpende, en zoo trok hij haar naar de schrijftafel, waarop de nog nauwelijks gedroogde woorden des verraads lagen, die zooeven uit haar mond gevloeid waren. Met zijn vinger wees hij op deze woorden.
âHij ligt nu geboeid aan mijne voeten!'' las hij met samengedrukte lippen en toen sloeg hij met de vuist op het papier
129
en zag haar aan, die sidderend op een stoel naast de schrijftafel nedergezonken was.
âVerraadster! Slang! Ge hebt mij bedrogen, ge hebt mij misleid! Maar ge zult er voor boeten, ge zult niet levend uit deze kamer gaan ! Ik bevrijd de wereld van een monster, als ik haar van u bevrijd!quot; Hij zeide dit zóó koel, zóó dreigend en legde de hand aan zijn degen, als wilde hij hem trekken en in liaar boezem stooten! Zij echter had reeds allen schrik overwonnen. Zij zag hem aan en een heldere lach klonk van hare lippen ; dezelfde kinderlach die hem vroeger zoo verrukte, en hem nu als de hoonlach van booze geesten in de ooren klonk !
âGe hebt de proef slecht doorstaan, mijn prins,quot; zeide zij: âwant reeds bij de eerste misleiding bezwijkt ge ! Heb-l)en wij niet gewed, dat uwe liefde geen standvastigheid kende; dat zij niet gestaald is met het pantser van vertrouwen en hartstocht? O, ga, prins, zeg ^mij niet meer dat ge de liefde kent! Ge hebt de proef niet doorstaan! Ge wist dus niet, dat dit alles slechts een geveinsd comediespel was ? Dat ik mijn kamenier had gelast u hierheen te voeren ; wijl ik wilde weten hoe sterk, hoe vertrouwend uwe liefde was, waarvan ge mij zeidet, dat zij een wereld bedwingen kon. Ga, prins, wij zijn gescheiden ; uwê liefde is een zwak kind! Laat haar sterven, zij zal nooit tot een held opgroeien! Ga!''
Zij hief hare oogen tot hem op, maar nu schrikte zij, want zijn gelaat had zich veranderd. Het was niet meerhetge-laat van een beminnenden bewonderaar, het was het strenge, koele gelaat van een rechter ! Het was een blik van haat en verachting, waarmede hij haar nu aanschouwde.
âZeer goed gespeeld ! Jammer maar, dat ik er niet meer aan geloof!quot; zeide hij : âGij hebt niet geweten dat uw kamenier mij hierheen heeft gevoerd ; 't is een haastig verzonnen list, mevrouw! Maar zij stuit af op mijn hart; want nu draagt dit hart een pantser, het pantser van afkeer, van verachting voor u, mevrouw! Ge zijf, wat men mij lang gezegd heeft, 't geen ik echter geen oogenblik geloofde ; een verspiedster, een bezoldigde spion, een ellendige slavin van den gehaten Bonaparte ! Men heeft mij de Sirene gezonden, en mij de eer aangedaan mij voor Odysseus te houden ! En de Sirene heeft een tooverlied gezongen en Mülbaoh, Duitschlancl in Woeling en Strijd. VIII. 9
430
mij, Odysseus, aan hare voeten gedwongen. Maar de hemel zij dank, ter rechtertijd is hij ontwaakt. Nu heeft het sirengezang geen macht meer op hem. Ik heb mij bedrogen. Ge zijt een ellendige, erbarmelijke comediante, een kokette, die haar glimlach, haar zoete woorden, hare lonken en hare hartkloppingen verkoopt!quot;
âGij doet mij onrecht,quot; riep zij, en in haar stem klonk nu een uitdrukking van gevoel en warmte, zooals hij nog nooit van haar gehoord had ; âwaarlijk, ge doet mij onrecht!quot;
âWilt ge zeggen, dan dit werkelijk een comedie was?quot; vroeg hij met honenden lach; âDenkt ge, dat ik werkelijk zulk een dwaas zou zijn, het te gelooven ?quot;
âNeen, ik denk dit niet! Ik weet dat ge nu doorschouwd hebt, met welke taak ik hierheen gezonden werd. Ik wil nu niets meer terughouden, ik wil u alles bekennen! Ja, men heeft mij naar Duitschland gezonden met de taak, voor mijn vaderland, voor mijn geliefd Frankrijk te werken. Men wist, dat Berlijn de stookplaats der vijandschap tegen Frankrijk was, en men wilde vrede hebben met het groote, machtige Pruisen! Men wilde het niet onder het juk brengen; niet gelijk de andere landen vernederen. Bonaparte wilde aan Pruisen een vriend, een gelijk gerechtigden bondgenoot hebben ; derhalve moest ik heengaan, moest ik werven met mijne lonken, met mijn zoete woorden ! Ik moest trachten den haat te verdooven, en de liefde en sympathie te wekken ; moest vrienden winnen en den vijand ontwapenen ! En gij, prins, waart de gevaarlijkste, wijl ge de edelste en machtigste vijand waart! Derhalve zond men mij vóór alles tot u! Prins Louis Ferdinand moest ik ontwapenen, gelijk Omphale Herkules ontwapende.quot;
âGoddank, nóg voer ik mijn wapen!quot; zei de prins aan zijn degen tastenden ; âen ik zal het voeren tegen Frankrijk, ik zal wraak nemen voor den vloek van dit uur!quot;
âNeen,quot; zeide zij, en haar schoone witte handen legden zich op zijn arm, en haar fraai gelaat, dat nu geheel bleek was, kwam zóó dicht bij het zijne, dat de gloeiende adem van hare purperen lippen zijn wangen bewasemde; âNeen,Louis, ge zult dat niet doen ! Ge zult de liefde, die zoo warm in uw hart voor mij ontkiemd is, niet vertreden als vergiftig kruid ! Ge zult dat niet doen, Louis! Want ik wil 't u zeggen : ik weet het lang, ik heb 't gezien dat ge mij werkelijk
131
bemint. En ik ben zalig geweest, toen ik het zag, en heb gejuicht in het diepst mijns harten. En ook ik heb voor 't eerst mijns levens de liefde er in voelen ontluiken. Ja, ik bemin u! Ik wil 't u bekennen; ik wil zeggen, wat mijne lippen nog nooit gezegd hebben. Ik wil het thans zeggen, nu ge mij verfoeit, nu ge mij aanziet met den koelen blik der verachting en des boons, en mij van u stoot; ik wil het nu zeggen: ik bemin u, en ik kan niet buiten u leven!quot;
De schoone vrouw, om wier glimlach hij nog gisteren de sterren van den hemel had willen halen, â wier liefde hij gisteren nog met de zaligheid zijner ziel gekocht zou hebben, â deze schoone vrouw zonk nu aan zijne voeten neder, en hief smeekend de armen tot hem op.
âLouis, heb ontferming met mij! Wijs mij niet zoo koel, zoo spottend af! Ik bemin u, ik wil de uwe zijn voor mijn geheele leven!quot;
âEn ge wilt u verwaardigen de kroon met mij te deelen ? Nietwaar, zoo heet het immers in uw bericht? Dat moet het loon zijn voor het verraad en de verkochte ziel?quot;
âTa, dat moet het loon zijn!quot; zeide zij langzaam; âen ik ding naar dat loon met mijn hartebloed! Louis, gij zeidet mij nog vóór een uur, dat ge mij bemint; en't is onmogelijk dat deze liefde zoo plotseling in u gestorven is! Luister naar mijne woorden, laat u verwinnen, en laat dit grootsclie oogenblik niet nutteloos voorbijgaan! Ja, ik moest u winnen, ik moest u de vriendschap van den grooten man aanbieden ! Ik ben er toe gerechtigd, ik heb volmacht u alles toe te staan, wat ge wilt! Hoor verder,quot; voer zij voort, terwijl zij zich oprichtte en nu weder groot en fier, met haar koninklijke houding tegenover hem stond; â hoor mij, prins Louis Ferdinand, en denk dat bet de geest der geschiedenis is, die nu tot u spreekt, en wijs niet af wat ik u aanbied! Sla een moment de oogen op Frankrijk en zie in den geest daar den held, die, met het zwaard in de hand, Eui-opa zijne wetten zal geven! Geloof mij, eeuwen hebben niet zulk een man gezien; een man, die gelijk een tweede Alexander, in de wereld is gezonden om tronen neder te werpen. Koningen in het stof te treden en zich in hunne plaats te zetten! Ik zeg het u, Louis Ferdinand, de wereld zal aan zijne voeten liggen en hem aanbidden ! En
m
verbeeld u nu aan de zijde van dezen held, van den wereld-beheerscher te staan; hand in hand met hem te gaan, de wereld, den roem en lauweren met hem deelende! Dat is het lot, 't welk Bonaparte u bestemt, prins Louis Ferdinand! De tronen van Europa zullen vallen; Oostenrijk, thans reeds half vernederd, zal geheel vernederd worden. Al de andere kleine Duitsche vorsten zullen verdwijnent en in de vergetelheid zinken; slechts één troon zal bestaan, de troon van den Koning van Pruisen! Niet die van den weifelenden, beschroomden, overleggenden Koning Friedrich Wilhelm, maar de troon van Louis Ferdinand! Bonaparte bemint u; hij heeft al de berichten, welke ik nopens u gat, gelezen; hij weet dat ge een held zijt, dat uwe fiere zin in staat is, de grootsche plannen en ontwerpen te begrijpen en te deelen. Hij weet dat ge eerzuchtig zijt, dat het u hindert slechts het zwaard van een kleinen, ondergeschikten generaal in den oorlog te moeten voeren! Hij biedt u een veldheersstaf! Zeg dat ge wilt, en de kroon van den Koning van Pruisen rolt neder van Friedrich Wilhelm's hoofd en de genius der geschiedenis heft haar op en zet haar op het uwe; O denk niet, Louis, dat dit slechts ijdele, dwaze woorden zijn, loutere verzinsels van mijn brein! Ik spreek de waarheid, geloof mij! Ga met mij naar Parijs, ik voer u tot Bonaparte, en uit zijn eigen mond zult ge de bevestiging hooren van quot;t geen ik u gezegd heb! Hij zal tot u zeggen : Wees mijn vriend! Zweer, dat Pruisen Frankrijk trouw ter zijde zal staan, en ik zweer u daarentegen, dat gij Koning van Pruisen zult worden, en ik u als mijn bondgenoot trouw ter zijde zal staan tegen vijanden! Kom, Louis Ferdinand, laaf ons naar Parijs gaan; er ligt daar een kroon van goud en edelsteenen voor u gereed, en daar ligt ook een mirtenkroon gereed; mijn kroon, Louis! Gij alleen zult die mijn hoofd zetten, ik wil uw slavin zijn en uwe liefde aannemen als een geschenk des Hemels!quot;
Zij sloeg de fraaie, witte armen van welke de kanten mouwen afhingen, om zijn hals en drukte hem vast tegen zich. Gisteren nog zou hij jaren zijns levens voor zulk een oogenblik gegeven hebben, heden stiet hij haar met toornige verachting van zich.
âZijt ge ten einde. Sirene? Ik heb u laten spreken; ik wilde gaarne het geheele sirenenlied in mijne ooren laten
133
klinken, en ik dank u voor deze muziek der hel en des verraads! ,Ik dank u voor de kroon, en ik dank u ook voor uwe liefde!quot;
âO spreek niet zoo, neen, spreek niet zoo!quot; riep zij handenwringend: âGij zijt een held, eerzuchtig, een prins! Ik bied den held den-veldheersstaf, den eergierigen roem, den prins een kroon!quot;
âEn ik, mevrouw,quot; zeide hij, hel hoofd zacht buigende; âik bied u hiervoor mijn verachting en zoo ge wilt, mijn vloek! â Maar neen! ge zijt te erbarmelijk en te gering, om u te vloeken; verachting is genoeg en nu ook geen woord meer!quot;
Hij wendde zich kalm en met fier op geheven hoofd naaide deur, zonder nog eens naar haar om te zien, zelfs zonder een blik van toorn op haar te werpen. Zij vloog hem na, hield hem vast en bad hem in al den angst baars harten, met al de smeekingen der liefde, haar niet te verlaten. Nu lachte hij luid en stiet haar van zich, zoodat zij terugdeinsde in het kabinet.
âGij zijt bang voor de scheldwoorden van Fouché en gij hebt gelijk, mevrouw. Ge hebt schipbreuk geleden, en hebt der republiek tevergeefs millioenen gekost!quot;
Zij kreet luid en ijlde naar de deur, maar deze had zich reeds gesloten. Prins Louis Ferdinand was weg. Langzaam ging hij de trap af; langzaam trad hij zijn kamer binnen, waar hij den overste Massenbach vond. Deze waagde het niet hem aan te^zien, want hij las op zijn gelaat, dat hij het bewijs geleverd, â dat hij de waarheid aanschouwd had! â
âMassenbach,quot; zei de prins met dolfe stem; âwij vertrekken binnen een uur naar Berlijn!quot;
De overste boog zijn hoofd. â âEr is zoocven een koerier aangekomen. Koninklijke Hoogheid, met bericht dat prins Heinrich op sterven ligt en hartelijk wenscht, Uwe Koninklijke Hoogheid nog te zien.quot;
Prins Louis knikte zacht. â âWij willen met koerier-paarden reizen, misschien gelukt het mij den ouden man nog in leven te vinden en zijn zegen le ontvangen. Ik heb noodig dat een hand zich zegenend op mijn hoofd legt en den vloek wegneemt, die mij als een bliksemstraal verpletterd heeft.quot;
134
En terwijl hij dit zeide, stroomden de tranen in heldere beken uit zijne oogen, en Massenbach, die er heden morgen nog zooveel belang in stelde om den prins zijn begoocheling te ontnemen, weende mèt hem, toen hij deze hooge heldengestalte zag, die nu waggelde en beefde in den storm der smart, en weende als een kind.
Prins Louis Ferdinand had de waarheid aanschouwd, en... de waarheid brengt den menschen altijd slechts dood en vernietiging!
VI.
EEN SCHRIKBARENDE TIJDING.
Reeds vroeg in den morgen van den derligsten Maart 1804 was geheel Berlijn in de levendigste opgewondenheid en ontsteltenis. Er vormden zich groepen op de straten, en redenaars stonden met levendige gebaren tot het volk te spreken en het, naar 't scheen, een schrikbarende geschiedenis te verhalen. Want de menschen stonden te luisteren en werden bleek, balden de vuisten, als dreigden zij iemand, en men hoorde vloeken en verwenschingen, â half onderdrukt wel is waar, maar wat men niet durfde zeggen, sprak toch uit de gebaren en blikken.
Onder de Linden was het bijzonder levendig en woelig. Daar stonden op de banken enkele mannen, en lazen uit een nieuwsblad met luide stem: âDit mogen wij niet dulden, dit is een schending van het Duitsche gebied; 't is een schande voor geheel Duitschland ! De Keizer vanDuitschland zal dit niet toestaan, hij moet er tegen protesteeren!quot; â
âNiemand zal het wagen !quot; riep uit een andere hoop een dreigende stem: âNiemand zal het wagen te protesteeren! Wij kennen dat immers! Hij kan doen wat hij wil, zij zwijgen toch allen!quot;
En grommende, morrende stemmen antwoordden hierop met toestemmende woorden.
âHiervan is de Fransche partij schuld!quot; riep een lange, dreigend uitziende man, die in 't midden van een ontzaglijken volkshoop stond, en met levenige gebaren sprak: âJa, ik
135
zeg het en blijf er bij : hieraan heeft de vredepartij schuld; en zoo de minister von Haugwitz niet weggezonden wordt, en de baron von Hardenberg niet aan 't roer komt, dan worden wij ten laatste allen nog Fransch!quot;
Stil! stil!quot; fluisterden eenigen, die in de rondte stonden, met angstigen schroom: âDaar sluipt de Fransche gezant langs het ijzeren hek heen, hij hoort ons. Stil! stil!''
âIk wil niet stil zijn!quot; riep de man: âIk wil spreken spreken! Wat geef ik om den Franschen gezant? Ik vrees noch hem, noch zijns gelijken! Zoo wij met Engeland bevriend zijn, en 't met den Keizer van Duitschland en met Zweden houden, dan behoeven wij Frankrijk niet te vreezen, â dit Frankrijk, dat vorsten vermoordt en onwettig Duitschland binnendringt. Laat ons tot den Koning gaan, menschen, tot den Koning! Laten wij hem verzoeken, dat hij Haugwitz wegzendt, den vriend der Franschen. Hoera !Leve de minister von Hardenborg!quot;
Maar er waren weinig menschen, die hierop antwoord gaven. Beschroomd weken zij achteruit voor den stoutmoe-digen redenaar, en hier en ginds mompelden zelfs eenigen in de menigte: â't is iemand die omgekocht is door den Engelschen gezant. De Engelsche gezani intrigeert trouwens zeer veel en wil gaarne het volk opruien, opdat het den Koning bewege, Frankrijk den oorlog te verklaren en zich met Oostenrijk en Engeland te verbinden.quot;
En de menschen,die dat hoorden, maakten zichbeschroomd en angstig uit de voeten. De politiek bekommerde hen destijds nog zeer weinig, en 't was hun onverschillig of' 't Duitsch gebied geschonden werd, en of men Duitschlands eer met voeten trad. Hiervoor had eigenlijk de Keizer van Duitschland te zorgen, en de Rijksdag te Regensburg kon zijn stem verheffen. Wat bekommerde het hun? Pruisen had er niets mede te maken, en voor Pruisen was het van belang, dat men vrede had, â vrede! De vele oorlogen hebben Pruisen uitgeput, en men is blijde dat de jonge Koning zulk een vredelievend man is, en alles doet om den vrede te behouden met den vreeselijken krijgsheld, wien niets weerstaat, voor wien alle rijken en alle Koningen zich in het stof werpen. Pruisen zal en moet bestaan, en daarom is het goed, dat de Koning met den eersten Consul in goede verstandhouding is. En wat bekommert het ons, wat daar
13G
ginds in Zuid-Duitschland geschiedt, en welk kwaad Bonaparte daar gedaan heeft? Wij wonen hier te Berlijn, en zijn blij dat Bonaparte ons niets gedaan heeft.
Dit waren de verschillende steramen, welke men hier en ginds in de volkshoopen hoorde, en waarmede de vrienden der Fransche a/wonden, wat de vijanden der Franschen kunstmatig in de gemoederen der luisterende menigte opgewonden hadden.
Een oificier joeg nu in vollen draf door de Linden,en de menschen, die hem voorbij zagen rennen, riepen hem een vroolijk en luid h.oera toe. âHoera! Leve prins Louis Ferdinand 1quot;
Maar hij, die anders met zulk een vroolijk gelaat het roepen en groeten des volks beantwoordde, scheen heden de hoerakreten niet te hooren. Hij rende door de Linden, over het slotplein en de Koningsbrug naar deBurgtstraat, zag noch rechts noch links, hoorde niets van de begroetingen, en lette op niemand, die ter zijde van den weg ging; strak was zijn blik, bleek waren zijn wangen en vast opeengedrukt zijn lippen, als hielden zij het woord van toorn terug. Voor een deftig huis in de Burgtstraat hield hij zijn paard stil, en met de rijzweep klopte hij aan een venster der benedenverdieping. l)e lakei die achter het venster gestaan, en den nader rennenden prins gezien had, ijlde naar buiten, kwam voor de huisdeur, en vroeg eerbiedig naar de bevelen van Zijne Koninklijke Hoogheid.
âIs mevrouw von Staël reeds bij de hand?'' vroeg hij met doffe, heftige stem.
De knecht ontkende.
âZeg dan aan de kamenier, dat zij mevrouw von Staël wekke, en haar verzoeke een oogenblik aan het venster te komen. Ik heb haar iets gewichtigs te zeggen.quot;
De knecht ijlde heen. De prins, â niet in staat zijn opgewondenheid te onderdrukken en bedaard voor het huis te blijven, â stiet zijn paard de sporen in de zijden, zoodat het hoog opsteigerde en met geweldige zetten voor het huis op en neder sprong, zoolang tot het venster zich opende, en daar achter de hooge gestalte met de breede schouders van mevrouw von Staël, de beroemde dochter van haar beroemden vader, den minister Neck er, verscheen. Zij was schielijk van haar bed opgestaan, en in een luchtig morgengewaad
137
ter begroeting van den prins toegeijld. Haar donker bruin haar hing verward langs het gelaat, de rosé slaaprok, die koket genoeg voor een schoone, jonge vrouw ware geweest, deed de gele huidskleur van haar hals en gelaat nóg meer uitkomen. Maar in dat gelaat, dat scherp en niet fraai was, gloeiden een paar groote, zwarte oogen vol geest, vuur j en leven. En deze oogen riclitten zich nu met een vragende uitdrukking op prins Louis Ferdinand, die nog altoos zijn paard liet pirouetteeren, tot hij de dame aan het venster gewaar werd, en nu met een enkelen ruk het steigerende paard tot rust bracht, en tot haar aan het venster reed.
âWeet gij,quot; riep hij met luide, heftige stem; âweet gij, wat gebeurd is?quot;
Zij glimlachte. â ,Jk weet slechts dat ïk middenin mijn zoeten slaap gewekt ben door de boodschap: prins Louis Ferdinand bewijst mij de eer mij te willen spreken, en hier ben ik. Koninklijke Hoogheid. Dus wat is er?quot;
âWat er is? De hertog van Enghien is door de Franschen ik het Badensche gebied opgelicht, aan een krijgsraad overgeleverd, en vierentwintig uren na zijn aankomst te Vin-cennes doodgeschoten geworden! Dat is het wat er gebeurd ïs, mevrouw! dat heet: dat de brandfakkel in de Duitsche eer is geworpen!quot;
Mevrouw von Staél schudde levendig het hoofd. â âDat is niet mogelijk,quot; zeide zij bedaard; â'tls een dwaasheid, dergelijk geruchten te gelooven. Begrijpt ge niet, dat het Frankrijk's vijanden zijn, die zulke ongelooflijke geruchten verspelden ?quot;
âGe twijfelt?quot; vroeg de prins met vlammenden blik.
âIk twijfel niet,quot; antwoordde zij bedaard ; âik ben er van overtuigd.quot;
âNu, goed,quot; riep de prins; âik zal u den Mnniieur zenden, en gij zult er het vonnis in kunnen lezen.'' 1)
En hij groette haar met een lichten hoofdknik en met zulk een uitdrukking van toorn, smart en woede op zijn edel gelaat, dat mevrouw von Staël verschrikt, als gold haar zelve deze bedreiging, van het venster terugweek.
âAch,quot; zuchtte zij zacht; âwaarom gelijken de andere
1
Naar het 'éigen verhaal van mevrouw de Staël, In haar werk over Duitschland.
-138
vorsten niet dezen edelen prins ?quot; VÂ¥aarom is het hem ontzegd den scepter tegelijk met het zwaard te voeren? Hij zou een vijand zijn, dien Bonaparte te vreezen had, en hèm ware het misschien gegeven, een dwingeland in het stof te vreden, die mijn edel, mijn geliefd Frankrijk ontwijdt.quot; â
Dit was dus de tijding, die geheel Berlijn in opgewondenheid gebracht had. Be hertog van Enghien was in de loopgraven van Vincennes gefusilleerd geworden, zonder rechtsgeding of veroordeeling. Heimelijk en in stilte had men hem op Badensch gebied laten oplichten ;'heitnelijk was hij te Vincennes gefusilleerd geworden.
Was reeds het volk van Berlijn ontsteld en in opgewondenheid door deze tijding, hoeveel meer was men het aan het Hof. Een prins van koninklijken bloede, een nauwe verwant van den ter dood gebrachten Koning van Frankrijk, was gedood geworden. Waarom? Men wist het niet. Het heette, hij had deel genomen aan de samenzwering, die tegen het leven van den eersten Consul was gericht. Maar hij was noch overtuigd noch beschuldigd. Fransche soldaten waren te Eppenheim gekomen, en hadden van den Duitschen bodem een prins ontvoerd, die het Duitsche gastrecht genoot, 't Was een schande, waarin elk individu deelde, en niemand gevoelde deze schande zoo diep, als prins Louis Ferdinand.
Nadat hij mevrouw Staël deze vreeselijk tijding had medegedeeld, rende hij door de Linden terug naar het huis op het Parijzerplein, waar de baron von Hardenberg woonde. Haastig sprong hij van zijn paard, wierp den toesnellenden knecht de teugels toe en ijlde het huis binnen; onaangediend den knecht volgende, die hem vóórging, trad hij de huiskamer van Hardenberg binnen, die in morgenkleeding op een ottomane zat en zijn chocolade dronk.
âGe kunt eten, ge kunt rustig zijn, Hardenberg?quot; vroeg de prins geheel buiten zich zelve, zich nevens hem op de ottomane werpende; âZeg, ben ik het dan alléén, die zoo vreeselijk getrolfen is door deze schrikkelijke tijding? Schijnt zij mij alléén zoo dreigend en schrikbarend als een brandfakkel te zijn? Versta ik dan de wereld niet meer, en weet ik niet meer wat recht en gerechtigheid is?quot;
Hardenberg zag hem aan met een fijnen glimlach, â âGij verstaat dit beter dan wij, mijn waarde prins. Maar gij verstaat het slechter dan wij, u aan de noodzakelijkheid te
130
onderwerpen en, â om mij zeer prozaisch uil te drukken â een vuist in den zak te maken.quot;
âNeen!quot; riep de prins levendig en toornig: âneen diU versta ik inderdaad niet! De vuist uit den zak en t\et zwaard in de hand genomen! dat is mijn leus!
âEn hiermede zult ge, helaas, niet slagen,quot; zei de diplomaat: âwij leven niet in den tijd van Frederik de Groote, mijn waarde prins! Dit moet ge bedenken; en hoezeer ook de toorn in onze harten vlammen moge, op de lippen mogen wij hem niet laten komen, en ik moet u bezweren, u een weinig meer te bedwingen.quot;
âIk kan 't niet, Hardenberg! Ik kan 't niet!quot; riep de prins gloeiend: âIk haat dien mensch, dien Bonaparte! Hij heeft mij persoonlijk smart bereid, de diepste, wreedste smart, die ik ooit ondervonden heb. Maar 't is niet dat, wat mij op hem vertoornt; niet wijl ik persoonlijk wraak op hem zou willen nemen, niet daarom ben ik heden zoo in toorn! Geheel Dmtschland is door hem beleedigd geworden, en ik gevoel heden voor het eerst, dat ik niet alleen een Pruisisch prins, â maar ook een Duitsch burger ben en Duitschland zou willen redden. Want ik gevoel, ik weet het heden: hij zal Duitschland onder het juk brengen! Geloof mij, Hardenberg, met deze vuist in den zak, met dezen diplomatischen glimlach om de lippen zult ge moeten beleven, dat geheel Duitschland het olïer van dezen dwingeland wordt. Want hij is een dwingeland. Hij komt niet in de wereld om haar vrij te maken, maar om haar onder 't juk te brengen. Zijn geheele verschijning is als een hoon voor alle monarchiën, en ik zeg u: trots dezen hoon zal hij zich zei ven tot monarch maken, zich zei ven de kroon opzetten en monarch aller monarchen zijn!quot;
âHierin, mijn prins, zoudt ge wel gelijk kunnen hebben,quot; antwoordde Hardenberg met een zachte hoofdbuiging: âmen spreekt hiervan, zeer levendig zelfs, en als ik u de waarheid moet zeggen, dan heelt de eerste Consul zich reeds in een vertrouwelijk schrijven tot onzen Koning gewend en hem medegedeeld, dat hij wel niet langer den drang van Frankrijk en van den Senaat zou kunnen weerstaan, maar er toe zal moeten besluiten, zich als Keizer aan het hoofd der republiek te stellen.quot;
âIs dat niet een hoon voor alle begrippen en voor alle
i
ijl
138
vorsten niet dezen edelen prins?quot; Waarom is het hem ontzegd den scepter tegelijk met het zwaard te voeren? Hij zou een vijand zijn, dien Bonaparte te vreezen had, en hèm ware het misschien gegeven, een dwingeland in het stof te vreden, die mijn edel, mijn geliefd Frankrijk ontwijdt.quot; â
Dit was dus de tijding, die geheel Berlijn in opgewondenheid gebracht had. De hertog van Enghien was in de loopgraven van Vincennes gefusilleerd geworden, zonder rechtsgeding of veroordeeling. Heimelijk en in stilte had men hem op Badensch gebied laten oplichten ;'heimelijk was hij te Vincennes gefusilleerd geworden.
Was reeds het volk van Berlijn ontsteld en in opgewondenheid door deze tijding, hoeveel meer was men het aan het Hof. Een prins van koninklijken bloede, een nauwe verwant van den ter dood gebrachten Koning van Frankrijk, was gedood geworden. Waarom? Men wist het niet. Het heette, hij had deel genomen aan de samenzwering, die tegen het leven van den eersten Consul was gericht. Maar 1'ij was noch overtuigd noch beschuldigd. Fransche soldaten waren te Eppenheim gekomen, en hadden van den Duitschen bodem een prins ontvoerd, die het Duitsche gastrecht genoot, 't Was een schande, waarin elk individu deelde, en niemand gevoelde deze schande zoo diep, als prins Louis Ferdinand.
Nadat hij mevrouw Staël deze vreeselijk tijding had medegedeeld, rende hij door de Linden terug naar het huis op het Parijzerplein, waar de baron von Hardenberg woonde. Haastig sprong hij van zijn paard, wierp den toesnellenden knecht de teugels toe en ijlde het huis binnen; onaangediend den knecht volgende, die hem vóórging, trad hij de huiskamer van Hardenberg binnen, die in morgenkleeding op een ottomane zat en zijn chocolade dronk.
âGe kunt eten, ge kunt rustig zijn, Hardenberg?quot; vroeg de prins geheel buiten zich zelve, zich nevens hem op de ottomane werpende: âZeg, ben ik het dan alléén, die zoo vreeselijk getroffen is door deze schrikkelijke tijding? Schijnt zij mij alléén zoo dreigend en schrikbarend als een brandfakkel te zijn? Versta ik dan de wereld niet meer, en weet ik niet meer wat recht en gerechtigheid is?quot;
Hardenberg zag hem aan met een fijnen glimlach, â âGij verstaat dit beter dan wij, mijn waarde prins. Maar gij verstaat het slechter dan wij, u aan de noodzakelijkheid te
13U
onderwerpen en, â om mij zeer prozaisch uil te drukken â een vuist in den zak te maken.quot;
âNeen!quot; riep de prins levendig en toornig: âneen dtit versta ik inderdaad niet! De vuist uit den zak en l^t zwaard in de hand genomen! dat is mijn leus!
âEn hiermede zult ge, helaas, niet slagen,quot; zei de diplomaat: âwij leven niet in den tijd van Frederik de Groote, mijn waarde prins! Dit moet ge bedenken; en hoezeer ook de toorn in onze harten vlammen moge, op de lippen mogen wij hem niet laten komen, en ik moet u bezweren, u een weinig meer te bedwingen.quot;
âIk kan 't niet, Hardenberg! Ik kan 't niet!quot; riep de prins gloeiend: ;,Ik haat dien mensch, dien Bonaparte! Hij heeft mij persoonlijk smart bereid, de diepste, wreedste smart, die ik ooit ondervonden heb. Maar 't is niet dat, wat mij op hem vertoornt; niet wijl ik persoonlijk wraak op hem zou willen nemen, niet daarom ben ik heden zoo in toorn! Geheel Duitschland is door hem beleedigd geworden, en ik gevoel heden voor het eerst, dat ik niet alleen een Pruisisch prins, â maar ook een Duitsch burger ben en Duitschland zou willen redden. Want ik gevoel, ik weet het heden; hij zal Duitschland onder het juk brengen! Geloof mij, Hardenberg, met deze vuist in den zak, met dezen diplomatischen glimlach om de lippen zult ge moeten beleven, dat geheel Duitschland het olïer van dezen dwingeland wordt. Want hij is een dwingeland. Hij komt niet in de wereld om haar vrij te maken, maar om haar onder 't juk te brengen. Zijn geheele verschijning is als een hoon voor alle monarchiën, en ik zeg u; trots dezen hoon zal hij zich zeiven tot monarch maken, zich zelvendekroonopzetten en monarch aller monarchen zijn!quot;
âHierin, mijn prins, zoudt ge wel gelijk kunnen hebben,quot; antwoordde Hardenberg met een zachte hoofdbuiging: âmen spreekt hiervan, zeer levendig zelfs, en als ik u de waarheid moet zeggen, dan heelt de eerste Consul zich reeds in een vertrouwelijk schrijven tot onzen Koning gewend en hem medegedeeld, dat hij wel niet langerdendrang vanFrankrijk en van den Senaat zou kunnen weerstaan, maar er toe zal moeten besluiten, zich als Keizer aan het hoofd der republiek te stellen.quot;
âIs dat niet een hoon voor alle begrippen en voor alle
gezond verstand? riep de prins toornig: âAls Keizer wil hij zich aan het hoofd der republiek stellen; hij waagt het niet, in weerwil zijner vermetelheid, het woord uit te spreken en te zeggen: Ik wil de vrije republikeinen weder in slaafsche onderdanen veranderen. Hij laat de republiek, en wordt Keizer der republiek! Huichelarij en spot en hoon zijn op zijne lippen, en ik denk somwijlen, Hardenberg: hij is in waarheid de Mephistopheles, de geest, die in de wereld is gekomen, om God en alle recht en billijkheid te bespotten en te honen. Niets is meer veilig op de wereld sedert deze man is opgestegen, als het kwade beginsel dat zegevierend voorwaarts treedt tegen het goede. Uit het bloed der Fransche revolutie, uit het koningsbloed, het aristocraten-bloed, is hij als bloesem opgegroeid, enz ijn keizerskroon druipt van het bloed der gevallenen, en klaagt hera aan voor God. â Ik haat hem, dezen Bonaparte! En ik wil u nóg iets zeggen, Hardenberg: hij is de eenige menschâwatzegik mensch,â' de eenige demon op aarde, voor wien ik een soort van vrees heb. Hij kan alles wat hij wil, en wil alles wat hij kan. Niets is hem heilig, voor niets beeft hij terug. Hij is nu de machtige, de uitverkorene; voor zijn woord: J/c wn// buigt alles in het stof; en zoo het hem morgen behaagt een schotel prinsenooren te willen eten dan zijn myw ooren even goed in gevaar, als die van al de prinsen, en al mocht ik met mijn beide handen mijn ooren vasthouden. Bonaparte krijgt ze toch!quot; 1)
âHierin hebt ge voor het oogenblikgelijk,quot;zei Hardenberg glimlachend; âmaar ge moet, gelijk wij, op de toekomst hopen.quot;
âWat helpt mij de toekomst, als mijn ooren weg zijn,quot; zei de prins, die nu weder uit de overmaat des toorns in den humoristischen toon overging ; âen wat zou het Pruisen baten, zoo het misschien later weder uit het stof opkwam, nadat het in het stof gezonken is ? Want het zal zoo' komen, Hardenberg; ik zeg het u, en zie op dit oogenblik in mijn toorn en smart in de toekomst, en ik zeg het u nog eens: het zal zoo komen. Zoo Pruisen niet het zwaard opneemt en zich verheft, dan zal 't het zwaard uit de hand
1
De eigen woorden van den prins: Zie Varnhagen, Verinischte Schriften. 86.
141
worden gerukt, en het zal in het stof zinken! En u,quot; voer hij driftig met luide stem voort; âu bezweer ik bij alles wat u heilig is: geef den strijd niet op tegen deze Fransche partij, tegen Haugwitz, die de vertegenwoordiger dezer partij is; en behoud u voor het vaderland en ons allen, die op u hopen. Zeg mij, Hardenberg, is't niet een jammer, te zien hoe hier geregeerd wordt? Geen enkel waar patriot, zoo gij den moed verliest en den strijd opgeeft, geen enkele echte Pruis of Duitscher. Daar is Haugwitz, de man, van wien Lavater gezegd heeft, dat hij achter het masker van een Ghristushoofd, de grootste zedeloosheid en gemeenheid verbergt. En hij wordt geregeerd door een mensch als Lombard, den driekwart Franschman, die in verrukking is over alles wat Bonaparte doet, en zich voor zijn verraad en trouwbreuk door Frankrijk laat betalen. En daar is voorts een Italiaan, van wien men op goede gronden zegt, dat hij zich aan Rusland heeft verkocht. En deze driekwart Franschman en deze Italiaan heerschen thans in ons vaderland, en met hun verkochte stemmen willen zij ons weerhouden van het éénige. dat wij behoeven : van den oorlog tegen Frankrijk! Ik bezweer u, Hardenberg volhard in geduld; treed niet terug, wordt niet vermoeid in den weerstand tegen alle intriges eu kabalen, want (jij zijt mijn laatste hoop!quot;
âEn ge hebt geen andere hoop?quot; vroeg Hardenberg zacht: âGe weet niet, dat er aan het Hof een edele, hooghartige ziel is, die misschien gevoelt gelijk gij en ik, en gelijk honderde en duizende anderen hier te Berlijn en in geheel Pruisen? Een edele ziel, die alles verstaat en met scherpen blik alles ziet?quot;
âGe meent de Koningin, Hardenberg?quot; vroeg de prins haastig.
âJa, ik meen haar, die een hart heeft voor de grootheid en den roem van haar vaderland; die als Pruisische Koningin zich tóch gevoelt als een Duitsche vrouw. Op haar laat ons hopen, prins! Zij is, schoon zij het niet zegt, toch een geheime en machtige bondgenoot voor ons die strijden tegen dezen vijand van al het bestaande en al het gerechte tegen Bonaparte. Zij is te edel, te hooghartig en een te teedere gemalin, dan dat zij het ooit zou ondernemen, ook slechts één woord tegen den wil en de bedoelingen des Konings te
142
zeggen. Maar ik weet het evenwel en gevoel het aan hare houding, aan haar blik, aan haar zachte weêrspraak, die zij somwijlen den Koning tegenstelt, dat zij denkt gelijk wij; dat. zij in stilte, en slechts met God raadpleegt over hare bedoeligen en plannen, en evenwel er aan werkt, den zin des Konings te veranderen. Hij is een eerlijk, goed en gemoedelijk man, onze Koning. Hij schrikt voor den oorlog, wijl hij de rampen en ellende van den oorlog kent. Maar geloof mij, het kan lang duren eer de genius, die aan zijn zijde staat, zijn weerstand bedwingt, maar het zai gelukken. En als het gelukt is, dan zal Bonaparte, of, zooals hij zich dan misschien noemt: de Keizer der Franschen, geen taaier vijand hebben dan Koning Friedrich Wilhelm den Derde. Ziet ge, mijn prins, en wijl ik dat weet en erkend heb, daarom ben ik geduldig; daarom volhard ik in zwijgen en rust, verdraag het tegenwoordige en hoop op de toekomst en op Koningin Louise. Daar hebt ge mijn geloofsbelijdenis! Ge zijt de eerste mensch, dien ik haar mededeel, en, laat mij er bijvoegen, ook do éénige. Maar ik gevoel, dat ik't u schuldig was; want ge zijt een edele en verheven geest, en ik zou willen dat ge eens tot de helden behoort, die Duitsch-land bevrijden, en daarom moet ge niet voor den tijd handelen, prins; daarom moet ge bedachtzaam zijn en leeren wachten tot het oogenblik gekomen is.quot;
âIk kan 'tniet! ik kan 'tniet!quot; riep de prins onstuimig: âMijn leven is geschokt door den baat tegen dezen tiran, is geschokt door de schande van het vaderland, die ik allengs zie aangroeien lot een vreeselijk mqnster, welks aanblik mij razend maakt. Ik kan het niet verdragen! En zie, Harden-berg, wijl alles voor mij gesloten is, wijl ik niet doen kan wat ik wil, niet volbrengen kan wat ik zou wenschen, â wijl ik niets ben dan een erbarmelijk, klein bezoldigd prins, voor wien alle wegen tot roem en eer, tot aanzien en macht gesloten zijn, zal van mij nuallengseenliederlijkewereldling worden, die het leven geniet, die in champagnewijn zijn wrevel verdrinkt, en aan de speeltafel zijn tijd verspeelt.quot;
âEn die aan 't klavier zich weder verheft en spreekt met zijn genius, en hem smeekt dat hij niet van hem wijkt, maar hem staande houdt,quot; zei Hardenberg met plechtig en ernstig gelaat; âik geloot aan u, prins, ik hoop op u, en ik weet dat ge niet zult onder gaan. Ik ken uwe smarten,
143
en ik begrijp ze alle. 'tKan zijn, dat ge voor de wereld in deze dagen van ellende en vernedering zult staan; gelijk ge zegt, als een wereldling, die het leven geniet en geheel onbekommerd schijnt om het ongeluk en de schande van het Duitsche vaderland. Nu, dit heelt óók zijn goede zijde. Als de trompet schalt die ons tegen Frankrijk in 't veld roept, dan weet ik tóch, dat prins Louis Ferdinand het kaartspel en den champagneroes en het woeste leven als onwaardig van zich stoot, en naar het slagveld trekt als een held.quot;
De prins reikte Hardenberg zijn beide handen, en tranen stonden in zijne oogen. â âIk dank u, Hardenberg; ik dank u,quot; zeide hij: .,ik zal deze woorden steeds gedenken en ik beloof u: zij zullen mij in mijn ziel goed doen, zij zullen mij staande houden en dragen. Ik beloof u ook: wanneer de trompet schalt, die ons roept, ja, dan zal ik er zijn als de eerste, die zijn zwaard opheft, al wist ik ook dat het eerste kanonschot mij zou verpletteren! En nu is 't mij lichten vrij ; nu wil ik in 't leven treden, ik wil het genieten en mijn wrevel in lust en vroolijkheid niet vergeten, maar ver-dooven. Slechts bid ik u, Hardenberg, geloof aan mij, en wat ge ook van mij mocht hooren, en welke dolle streken men u ook van mij mag verhalen, denk aan dit uur en weet: ik verdoof mij, maar verlies mij niet! Als het uur gekomen is, dan ben ik er; en zoo ge er óók zijt, Hardenberg, roep mij dan, al ging 'look in den dood, zoo het slechts voor de eer van Pruisen geschiedt!quot;
VII.
EENS DICHTERS TRIOMF.
Door de heele wereld hoorde men slechts van oorlogskreten en van ooiiogsjammer. Geheel Europa, geheel Duitschland sidderde voor den bleeken man te Parijs, den eersten Consul van Frankrijk, en slechts één plek was er in het bewogen, donr politieke stormen en twisten verscheurde Duitschland, waar alles nog vreedzaam scheen en
144
rustig; mochten rijken ineenstorten en tronen nederzinken, wat bekommerde dit de vreedzame, poëtisch en gelukkige lieden te Weimar en Jena'? In hun groene, door bergen ingesloten dalen, hoorde men niets van dat oorlogsgewoel der wereld.
Slechts eens, op't einde der vorige eeuw, hadden ook daar oorlogskreten geklonken, en een kleine armée had de ge-heele schaar van voorname engeleerde menschen in beweging gebracht. Geen armée echter van soldaten met kanonnen en geweren, maar de kleine armée der Xeniën, welke Goethe en Schiller tegen 't einde van het jaar 4795 in de Horen hadden doen verschijnen. Dit was een gewoel geweest en een krijgsgeschreeuw; elk woord had getroffen als een kanonschot, en had de harten en de hoofden der dichters en schrijvers en geleerden, niet alleen te Weimar en Jena, maar in geheel het Duitsche rijk gekwetst. Een moordkreet was door de geleerde wereld gegaan, en moord! moord! had men geschreeuwd tegen de beide dichters, die met glimlachende kalmte en met onuitsprekelijk welbehagen deze krijgswoede aanschouwden en steeds nieuwe, kleine dolle duiveltjes van Xeniën tegen de verontruste geleerden en dichters loslieten. Zij namen wél den oorlog aan en schoten hunne mortieren van wraakschriften, weerleggingen en libellen tegen Goethe en Schiller af, maar dezen bleven ongekwetst, zagen hand in hand om zich heen in het krijgsgewoel, en glimlachten en werkten blijmoedig voort in scherts en ernst, nu voor altoos in innige liefde en vriendschap verbonden.
Vervolgens was het gewoel van denXeniënoorlogverstomd, en was het weder rustig geworden in de geleerde republieken van Weimar en Jena. Stil waren de jaren verstreken; van buiten bewogen, van binnen vreedzaam en rustig. Steeds groots en nieuws hadden beiden geschapen, hand in hand, elkander aanvullende,elkanderhunneplannen mededeelende, en scheppende in gemeenschappelijke verheffing en bezieling.
Ook in de lente van 'tjaar 4804 was het nog stil in het lieve, vriendelijke Weimar. Daarheen had de vriend den vriend tot zich getrokken. Schiller was van Jena naar Weimar verhuisd, had daar een huis gekocht, en in de stille behagelijke vertrekken leefde hij voor de dichtkunst,
145
voor zijn gezin en vrienden. Er was nu om hem heen meer behagelijkheid, meer welstand verspreid; de zorg trad niet meer zoo dicht lot hem, ademde hem niet van zoo nabij tegemoet. Zijn drama's werden gegeven op alle tooneelen, en de muzen begonnen eindelijk den dichter de slapelooze nachten, de werkzame jaren, de ontberingen en den nood van het scheppen en werken een weinig te vergelden. Een weinig slechts! Maar noch de behoeften, noch de eischen van Schiller waren groot, en zijn klein huis met de groene jalousiën en het kamertje waar hij arbeidde en dichtte, en het vertrekje daarneven, door welks vensters hij in den tuin kon zien, waar, nevens Lotje, de kinderen speelden; dit scheen hem een paradijs, en hij begeerde van het leven niets meer. Maar de wereld begeerde hem. Overal wenschte men den dichter van de Maagd van Orleans en van de pas verschenen Bruid van Messina te zien; overal verlangde men naar hem, en van heinde en verre schreven de tooneel-directeuren en smeekten den dichter, dat hij de eene of andere opvoering zijner stukken zou bijwonen.
Op een morgen trad Schiller met een open brief in de kamer zijner Lotje die juist bezig was haar dochtertje aan te kleeden. Toen hij binnentrad, zette zij het kind van haar schoot en ijlde hem tegemoet, en bood hem met harte-lijken groet haar frissche lippen tot den morgenkus.
âGij ziet er heden goed en prachtig uit. Frits, en 'tis alsof de morgenzon van buiten, een straal op uw gelaat had achtergelaten. Wat is er? Hebt ge een of andere blijde tijding, Frits?quot;
Hij knikte en legde zijn arm om haar. â âLotje, ge hebt vele sombere en treurige uren met mij te doorleven gehad; nu wilde ik wel, dat ge ook eens een paar gelukkige en fraaie dagen aan mijn zijde genoot. Ik breng u hier een brief uit Berlijn van den tooneeldirecteur If (land.quot;
âIk kan wel denken wat hij schrijft,quot; glimlachte Lotje: âhij heeft zeker gehoord dat Willem Teil voltooid is, en hij schrijft om het stuk te hebben, en 't het eerst te Berlijn ten tooneele te brengen. Ja, de goede tooneeldirecteurs verdringen elkander nu om mijn Schiller. Zij hebben erkend dat hij niet alleen een groot dichter voor de wereld, â maar ook voor hèn een bron van rijkdom is. Nietwaar, dat is 't? Willem Teil wil hij hebben?quot;
Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 10
146
âNeen, Lotje, mij zeiven wil hij hebben. Hij bidt en smeekt, dat ik te Berlijn zal komen om er de opvoering van eenig mijner stukken te zien, en ik weet niet, maar de lust en de nieuwsgierigheid bekruipen mij, om aan de uitnoodiging gevolg te geven.quot;
âVerrukkelijk zou 'tzijn,quot; riep Lotje met vroolijk gelaat; âja, voorwaar verrukkelijk, maarquot; â zij zweeg en er vloog als een schaduw over haar gezicht: âmaar, Frits, het zal zooveel geld kosten!quot;
Schiller glimlachte. â âDit zal ons ditmaal geen zorg baren. Ik heb onlangs met Cotta een contract gesloten wegens den Willem Teil, en heb geld op rekening bedongen. Nu, dat geld is heden morgen aangekomen. Bovendien schrijft mij Iffland, dat hij mij zei ven gaarne te Berlijn het honorarium voor de Bruid van Messina wilde ter hand stellen. Ge ziet dus. Lotje, van die zijde staat niets onzen wensch in den weg, en zoo ge wilt en lust hebt, gaan wij naar Berlijn.quot;
âOf ik wil en of ik lust heb!quot; riep Lotje verheugd, als een kind in de handen klappende: âZeker wil ik; ik zou gaarne eens naar Berlijn gaan. Ik heb nooit in mijn leven een groote stad gezien, en wilde er ook een enkelen keer gaarne bij zijn, als zij mijn Schiller vereeren. Ja, wij willen naar Berlijn, naar Berlijn!quot;
En zij sprong hoog op, sloeg haar beide armen om de slanke gestalte van haar echtgenoot, vlijde zich tegen hem en kuste zijn lippen vol zaligheid en en geluk.
En gelukkig was ook Friedrich Schiller. Somwijlen toch had hij zich bekneld gevoeld in de kleine wereld, die hem omgaf; bij had somwijlen verlangd daar buiten te zijn, in de groote wereld.
âWant het is immers mijn bestemming, voor de groote wereld te schrijven en te dichten,quot; zeide hij bij zich zeiven ; âen dus moet ik haar eens een weinig zien, deze groote wereld; ik moet weten, welk gevolg mijn werken bij de groote massa van het publiek hebben.quot;
En zij trokken nu uit naar de groote wereld. De kleine koffer was spoedig genoeg gepakt, en voorwaarts nu, naar Berlijn! Tot de reis was ras besloten, en nog eer het bekend was dat hij naar Berlijn kwam, was Schiller er
147
reeds. Niemand wist het, behalve Iffland en Koning Frie-drich Wilhelm.
Vroeg des morgens van den eersten Mei had de tooneel-directeur Iffland bij den Koning een audiëntie gehad en daarna begaf de Koning zich in de vertrekken zijner Louise. Onaangediend en zonder aan te kloppen, als altijd, trad hij in haar huiskamer en bleef glimlachend staan; want, de Koningin zag hem niet en had zijn binnentreden niet gehoord. Zij zat, den rug naar hem gekeerd, op haar fauteuil en las. Maar de Koning kon toch in den spiegel tegenover haar, haar aangezicht zien, en't verheugde hem haar zoo gade te slaan, onbemerkt haar edel, fraai gelaat te beschouwen, en zich in den aanblik der bekoorlijke te vermeiden, die de moeder zijner kinderen, en altoos nog de bruid zijns harten was. Aanvankelijk, terwijl hij haar beschouwde, was haar gelaat helder en glimlachend geweest, en glimlachend had zij nedergezien op het boek, 't welk zij in de hand hield en waarin zij ijverig las. Maar nu plotseling veranderde de uitdrukking van haar gelaat; met. levendige spanning las zij voort, een diepe bleekheid overtoog hare wangen en tranen vielen uit haar oogen.
De Koning schrikte en trad haastig nader.
âGoeden morgen, Louise!quot;
Zij wierp het boek weg, sprong op en ijlde hem tegemoet.
âGoeden morgen, mijn dierbare veel geliefde! Ge nadert mij als de zon, die dauw en 'tianen droogt. Ik heb juist geweend, Friedrich; lach mij uit, geweend om Lafontaine's nieuwen roman.quot;
De Koning hief dreigend den vinger tegen haar op: âGe hebt dus tóch verder gelezen, Louise? Wij wilden immers heden het slot te zamen lezen.quot;
âZij 'glimlachte. â âVergeef mij, Friedrich. Ik was al te nieuwsgierig om 't vervolg te weten, en 't is mij een dubbele vreugde, nu ik het reeds weet en het u dan voorlees. Maar Lafontaine is ditmaal zeer wreed geweest, en zoo ik weende was het daarom, dat âquot;
â Stil!quot; viel de Koning haar in de rede; âNiets meer zeggen, ik wil mij gaarne laten verrassen. Ik ben gekomen, Louise, om u een nieuws mede te deelen. Hier, lees dezen brief eens.quot;
Hij haalde uitzijn brieventasch een papier en overhandigde
448
hel haar. De Koningin las haastig den inhoud van het geschrevene en zag toen tot den Koning op met een tee-deren blik.
âDat is fraai van u, Friedrich. Ik dank u. Ge hebt dus woord gehouden; ge hebt den lieven Lafontaine een pensioen gegeven en een zeer rijkelijk, naar het schijnt. Hij betuigt toch in zeer verrukte woorden zijn dank.quot;
De Koning knikte. â âIk heb hem een kanonikaat geschonken met zeer goede inkomsten; hij kan er behagelijk van leven, zegt hij.quot;
âIk dank u, Friedrich,quot; riep de Koningin, hem de hand reikende; ânu zullen wij nog veel vreugde beleven^en hij zal ons nog vele fraaie uren verschaffen. O, het doet goed zulke innige woorden van dank van een dichter te ontvangen. En, nietwaar, Friedrich, 't is u óók aangenaam geweest ?quot;
De Koning schudde het hoofd. â ,,Ik heb mij slechts beschaamd gevoeld! Ik krijg den dank, en gij zijt het, die hem verdient. Gij zijt het geweest, Louise, die er mij om verzocht heeft, Lafontaine een bewijs van erkentenis te verleenen; ge weet wel, onlangs in de kleine grot te Parez, daar heb ik 't immers beloofd.quot;
âIk weet het wel,quot; zeide zij glimlachend; âen heb het niet vergeten. Maar ik waagde het niet, u er aan te herinneren ; ik dacht, dat de ongunstige oorlogsomstandigheden u niet toestonden, nog voor andere dingen geld uit te geven, of dat ge 't vergeten hadt.quot;
âIk vergeet niets, Louise, wat gij gezegd hebt,quot; merkte de Koning haastig aan: âik heb ook niets vergeten van 't geen wij toen in de grot te zamen besproken hebben. Ge spraakt van Lafontaine en wenschtet voor hem een pensioen. En toen, toen zeidet ge nóg iets. Weet ge 't wel, Louise?quot;
Zij zag peinzend met haar groote blauwe oogen voor zich, en schudde vervolgens glimlachend het hoofd.
âNeen,quot; zeide zij ; âik herinner mij niet, dat ik nog meer begeerd heb. Ik ben zoo onbescheiden, Frits.quot;
âIk herinner 't mij,quot; zei de Koning glimlachend; âge spraak niet alleen van Lafontaine, maar ook van Schiller, en zeidet; ge zoudt Friedrich Schiller gaarne eens zien om hem uw dank te betuigen.quot;
149
âDat is waar!quot; riep de Koningin; âik wenschte den grooten man te zien, die zooals niemand anders met zijn gedichten mijn hart bewogen, â en met verrukking en trots vervuld heeft, over de groote werken van een Duitschen dichter.quot;
De Koning knikte. â âGe zult Friedrich Schiller zien. Ik heb Iffland reeds dikwerf gezegd, te maken dat Friedrich Schiller hier te Berlijn kwam. Ik verbeeld mij, dat zijn drama's nergens zoo goed gegeven worden als hier en toen ik onlangs den Wallenstein zag, liet ik Iffland bij mij roepen en zeide hem, Schiller geen rust te moeten laten tot hij hier kwam ; hij moest het echter geheel in stilte doen en er niet veel van spreken totdat hij kwam. En nu âquot;
âEn nu ?quot; vroeg de Koningin, met levendige spanning den Koning aanschouwende, die nu glimlachend, â misschien om haar nieuwsgierigheid nog een weinig meer te prikkelen, â zweeg: âNu spoedig verder, Frits! En nu?quot;
âEn nu,quot; zei de Koning langzaam: âFriedrich Schiller is er.quot;
âIs er?quot; riep de Koningin verheugd: âIs te Berlijn? En ge vergunt mij hem te zien ?quot;
De Koning knikte. â âHeden avond in den schouwburg zal men de Maagd van Orleans vertoonen en Friedrich Schiller zal er bij tegenwoordig zijn.
âEn ik zal hem zien, Friedrich Schiller zien ? Maar ik zeg u vooraf, mijn waarde Koning, 't is mij niet genoeg hem van verre te zien ; ik moet hem spreken, ik moet hem de hand mogen drukken. Wilt ge mij dit vergunnen?quot;
De Koning zag met innig welbehagen in haar blozend, van verrukking stralend gelaat.
âIk heb er niet over te zeggen, wat ge in uwe bijzondere vertrekken doen wilt,quot; zeide hij : âik benijd slechts Friedrich Schiller om den fraaien glimlach en de rozen, welke hij op uwe wangen roept. Ik wenschte, óók een poëet te zijn, om u zulk een vreugde te kunnen bereiden.quot;
Zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste hem.
âGij zijt de grootste poëet der wereld, Friedrich Wilhelm! Gij zijt voor mij alles op de wereld! Ge zijt voor mij het één en alles; zijt leven, liefde, vriendschap en geluk voor mij ! Ge zijt mijn zon, en al het andere zou bedrog en niets zijn, zoo gij er niet waart. Frits 1 Heden avond dus
450
gaat ge met mij naar den schouwburg, en wij zien do Maagd van Orleans ?quot;
De Koning knikte. â âEn wij zien vóór alles Friedrich Schiller, nietwaar ?quot; zeide hij glimlachend : âJa, wij gaan naar den schouwburg, Louise, en ik denk, het zal een fraaie avond worden.quot; â
En het werd een fraaie avond. Snel als een loopend vuur had zich door geheel Berlijn de tijding verbreid : Friedrich Schiller is hier ! De dichter van de Maagd van Orleans, de Bruid van Messina, van Willem Teil, de groote Duitsche dichter is hier!
Het was een wonderschoone Meidag. De zon scheen heerlijk warm en helder, de boomen onder de Linden wasemden hunne geuren, en bloeiden in den heerlijksten lentedos van het groene loof en de jonge bloesems. Buiten in de diergaarde was anders op zulke dagen veel gewoel van menschen geweest en de schouwburgen hadden ledig gestaan; want de Berlijners hielden er van, de fraaie Meidagen te genieten, en het operagebouw, dat anders in den winter zoo verlokkend was, opende op zulke Meidagen tevergeefs voor het schouwlustig publiek zijn wijde deuren.
Maar heden was het anders. In plaats van naar de diergaarde, stroomden de massa's naar het groote operagebouw, waar men heden de Maagd van Orleans zou geven. Het was een geluk voor het publiek, dat dit drama niet in den kleinen schouwburg werd vertoond, maar in de groote, prachtige zaal van het operagebouw, wijl de decoraties en feestelijke optochten te veel praal en plaats behoefden voor den kleineren schouwburg.
Naar het operagebouw dus stroomden de volksmassa's, en daar vormden zich groepen, en de een vertelde den ander: âFriedrich Schiller is hier! Friedrich Schiller komt heden avond in den schouwburg! Of hij hier zal binnengaan door deze deur?quot; vroegen degenen die een dichte groep gevormd hadden voor den hoofdingang van het operagebouw. âZeker neemt hij zijn weg door een der zijdeuren,quot; zeiden anderen, en posteerden zich daar aan de beide zijdeuren en wisten niet, dat Friedrich Schiller reeds vóór het begin der voorstelling met Iffland en zijn Lotje door de achterdeur van het operagebouw gegaan was, om op het tooneel de
151
kunstenaars en kunstenaressen te begroeten, die in zijn stuk zouden optreden.
Vervolgens had hij zich met zijn Lotje, met Zeiter, Humboldt en eenige andere vrienden in de parterreloge, dicht bij het tooneel, nedergezet. Aanvankelijk zat hij vooraan op de eerste plaats in de loge en keek vergenoegd in de groote zaal, zooals hij er nog nooit een gezien had. 't Verheugde hem te zien, hoe langzamerhand aPde plaatsen zich vulden op eiken rang getooide dames en heeren in schitterende uniformen verschenen.
âDat is toch een ander leven hier,quot;fluisterde hij tot zijn Lotje; âeen ander dan bij ons in het kleine'Weimar, en een grootsch en machtig gevoel vervult mijn ziel, bij het aanschouwen van dit groote, ruime en vrije leven hier. Men wordt toch, geloof ik, een ander mensch als men in groote betrekkingen leeft, en 't moet schoon zijn, zoo door de massa's van het publiek gehoord en verstaan te worden.''
Maar toen de zaal zich allengs meer vulde, toen de menschen hootd aan hoofdgedrongen,inhetparterrestonden, toen geen plaats in de loges van den eersten, tweeden en derden rang meer ledig was, en het golfde en ruischte door de ruime zaal, overviel Friedrich Schiller toch een angstig gevoel. Iets als twijfel aan zich zei ven steeg in zijn ziel op; 'twerd hem zonderling beklemd, eigenaardig en angstig te moede. Hij stond zacht op en trok zich meer op den achtergrond der loge terug.
Nu ging een sterker ruischen en murmelen door de zaal, en Humboldt naderde hem en wees naar de loge aan de andere zijde van het tooneel.
âDit zijn de Koning en deKoningindiejuistbinnentreden.quot;
Ja, 't waren de Koning en de Koningin. Hij met zijn /kalm opgeruimd gelaat, nam zijn plaats in achter de gordijn. Het publiek kon hem niet zien; slechts hier van de tegenovergelegen loge ontwaarde men de hooge, krachtige gestalte van den monarch. Maar de Koningin trad dicht aan den rand der loge en het geheele publiek kon haar aanschouwen, toen zij daar stond in het witte, met gouden kant versierde satijnen kleed, dat haar wonderschoonen hals en armen vrijliet; met het bruin inlokken gekrulde haar, dat op het voorhoofd door een gouden, met brillanten versierden band bijeengehouden was.
152
âDit is waarlijk een Koningin,quot; zei Schiller, geheel in verbazing en bewondering verloren ; âja, een Koningin, en tegelijk een wonderschoone vrouw, een engel van bekoorlijkheid. Ik heb nooit baars gelijke gezien.quot;
De schitterende oogen der Koningin vlogen door de zaal heen naar alle plaatsen, naar alle loges. Men zag, dat zij iets zocht en het publiek begreep haar zoeken en wist dat Koningin Louise, de vurige bewonderaarster vandengrooten Duitschen dichter, Friedrich Schiller zocht. En allen ging het immers even zoo; zij zochten hem óók en wisten niet waar zij hem vinden zouden; want hij had zich nóg meer naar den achtergrond der loge teruggetrokken, en zag altoos nog naar deze schoone Koningin.
Nu trad Humboldt weder tot hem. â âZiet ge daar, Schiller, daar in de kleine loge, niet ver van den Koning en de Koningin, dien jongen man in uniform, die daar binnentreedt? Weet ge wie'tis?quot;
Schiller kwam een weinig dichter naar den voorgrond, om hem duidelijk te zien.
âNeen,quot; zeide hij; âzoo wij in het oude Griekenland leefden, zou ik zeggen : 't is Alcibiades â en zou er bij voegen; jammer, dat de fraaie man een uniform draagt.quot;
Humboldt knikte. â â't Is onze Alcibiades, Schiller, 't Is prins Louis Ferdinand, en ik kan u zeggen ; een uwer edelste en grootste bewonderaars, en buitendien een geniaal man, die misschien nog iets groots in zijn leven volbrengen kan, zoo âquot;
Nu schetterden de trompettendermuzikanten,endeouverture der Maagd van Orleans, die Zumsteg gecomponeerd had, begon. En nu ging de gordijn in de hoogte.
Diepe stilte beerschte in de groote zaal, en aandachtig en in verrukking, zooals altoos, luisterde het Berlijner publiek naar de woorden van den grooten dichter. Ook hij zelf luisterde met ingehouden adem en strakken blik naar het tooneel, en allengs, zonder dat hij 't wist, trad hij een weinig meer vooruit in de loge. Het publiek, de vreemde wereld, alles was door hem vergeten; hij leefde in zijn stuk, en in de vreemde wereld zag hij levend zijn eigen inwendige wereld verlichamelijkt.
Toen Johanna in de voortreffelijke voorstelling van madame Unzelman de groote alleenspraak begon: âVaartwel
153
gij bergen, gij geliefden velden!quot; enz. was Schiller onwillekeurig tot dicht aan de balustrade der loge getreden en zag naar het tooneel, en merkte het (luisteven en ruischen niet, dat zich eensklaps overal in de zaal verhief. Merkte niet dat aller blikken op hem gericht waren en niemand meer naar het tooneel zag; hij luisterde enkel naar de woorden der schoone kunstenares, die als muziek van hare lippen klonken; zag niet, dat zelfs Koning Friedrich Wilhelm ginds een weinig van achter de gordijn te voorschijn was gekomen en met zijn goedig en edel gelaat naar de tegenovergelegen loge tuurde; zag niet, hoe het gelaat der Koningin hoog glansde en hare oogen met een blik van verrukking naar hem staarden ; zag ook niet, hoe prins Louis Ferdinand glimlachend van uit zijn loge Humboldt toeknikte en groette, die hem door teekens beduidde: âDat is hij, dat is Friedrich Schiller!quot; â Hij zag het niet; hij, geheel in aandacht en beschouwing verloren, zag en hoorde slechts de Maagd van Orleans en scheen als uit een droom, een verrukking te ontwaken, toen nu de gordijn viel
Een oogenblik heerschte stilte. Toen verhief zich prins Ferdinand eensklaps van zijn zetel, boog zich ver uit zijn loge, en riep met luide stem; âLeve Friedrich Schiller!quot;
En met een geweldig gejuich van verrukking en blijdschap, klonk en daverde het met duizende stemmen door de geheele zaal: âLeve Friedrich Schiller!quot;
En als door een enkele, machtige impulsie aangegrepen, stond het geheele publiek op, zag naar de kleine loge, boog en riep telkens weder: âLeve Friedrich Schiller!quot;
Ginds in haar loge stond de schoone Koningin, bleek van verrukking en vreugde, wenkte met den zakdoek in de hand naar de tegenovergelegen loge, en hare oogen en blikken spraken, wat haar lippen niet zeiden: âLeve Friedrich Schiller!quot;
Lotje, door aandoening overweldigd, drukte den zakdoek voor hare oogen en weende van verrukking. Schiller stond aan den rand der loge, bleek, maar op zijn gelaat zuZ/c een uitdrukking van verheerlijkingen verheffing, dat de vrienden, die hem aanschouwden, door aandoeningen eerbied getroffen werden. Zij zagen den onsterfelijken geest, die zich achter het masker van het sterfelijke hulsel vertoonde.
Eerst toen de tusschenmuziek opnieuw begon, zweeg
154
het jubelen en roepen, en het stuk had zijn voortgang, tot het einde door de levendigste toejuichingen en kreten van verrukking vergezeld.
En toen het ten einde was, nam Wilhelm von Humboldt den arm van Lotje, om haar naar buiten te voeren; Schiller volgde hen met Zeiter. Zij waren een weinig later gegaan dan het overige publiek, âwant,quot; zeide Schiller glimlachend en schier beschaamd; âik zou niet zoo door den schouwburg willen gaan. Ik ben een weinig schuw, als ware ik een jong meisje, en het beangstigt mij, als aller blikken zoo op mij gericht zijn en daarom wenschte ik achter te blijven tot de zaal zich geledigd heeft.quot;
Nu gingen zij naar de groote uitgangsdeur. Hier bleef Humboldt met Lotje staan.
âGa vooruit,Schiller,quot;zeide hij glimlachend:âwij volgen u.quot;
Hij deed het, zonder te weten of te bedenken waarom. De beide schouwburgbedienden, die nevens de groote deur stonden, openden die haastig, toen zij de groote, fiere gestalte zagen naderen, de godengestalte van Schiller, en bogen diep voor hem. Hij dankte glimlachend en vriendelijk naar beide zijden, en trad naar builen, naar buiten in den helderen Meiavond.
Een geluk was 't voor Berlijn dat juist op denzelfden avond de maan aan den hemel stond, en dat het schier even licht was als over dag, want geheel Berlijn scheen verzameld te zijn op het groote plein voor het opera-gebouw. Geheel zwart was het rondom bij de uitgangen en Schiller bleef getroffen een oogenblik staan, en wist niet waarheen hij zich wenden zou. Nu ging Zeiter hem voorbij, en in de dichte menigte. Een paar woorden sprak hij links en rechts, en plotseling als door betoovering, drongen de massa's zich ter zijde én lieten een doorgang vrij. Schiller stond schier verlegen en angstig aan 't begin van den doorgang. Maar Wilhelm von Humboldt, die achter hein was met Lotje aan zijn arm, legde hem zacht zijn arm op den schouder.
âNu, voorwaarts, vriend, wij moeten naar huis.quot;
En Schiller ging verder, ging door den volkshoop.
Nu schreeuwde het publiek niet en juichte niet; deze ontzaglijke massa's stonden stil, en onbeweeglijk staarden allen naar de groote gestalte, die schier een hoofd boven alle hoofden uitstak, naar dit indrukwekkend, bleek gelaat
155
met het golvende lichte haar, en een rilling van aandoening en verrukking liep door de menigte, â Dit is Friedrich Schiller ! Onwillekeurig vlogen alle petten en hoeden af, en met ongedekt hoofd stonden zij daar, de menschendrommen, en lieten door hunne rijen Friedrich Schiller gaan, terwijl allen de oogen op hem gericht hielden.
Hij hoorde het, hoe zij fluisterden aan weerszijden: âDat is Friedrich Schiller!quot; En hij zag hoe hier en daar de mannen en vrouwen hunne kinderen ophieven, op hem wezen en zeiden ; âZiet, daar is hij ! Dat is Friedrich Schiller!quot;
Achter hem ging Lotje, het hoofd diep gebogen, tranen vloeiden over haar wangen ; maar het waren tranen van verrukking en vreugde. En tranen glinsterden ook in de oogen van den dichter, die, den blik hemelwaarts gericht de Godheid groette en dankte voor den triomf van dezen avond !
VIII.
BERLIJN OF WEIMAR.
Fraai en genotrijk waren de dagen, welke Schiller in Berlijn doorbracht. Itlland, de vurige aanhanger van den dichter, deed alles om zijne stukken in de hoogste volmaaktheid op te voeren. Telkens als Schiller zich in den schouwburg vertoonde, juichte het publiek hem bij 't komen en gaan ten levendigste toe.
Prins Louis Ferdinand was de eerste, die terstond den volgenden morgen na de voorstelling der Maagd van Orleans, tot Friedrich Schiller ging om den dichter te begroeten.
âHet betaamt wel,quot; zeide hij : âdat wij kleine menschen-kinderen ons haasten, den grooten dichterkoning het hot te maken en hem onze hulde te brengen ! Ik buig mijn hootd in ootmoed voor u, Friedrich Schiller, en ben gelukkig u te zien! Want 't is mij steeds als godsdienst, zoo ik het genie oog in oog zie, en ge moet bekennen, dit. is op aarde een godsdienst, welke men niet dikwerf hebben kan ! Ik heb Goethe gezien en zie thans Schiller, en nu wacht ik tevreden tot ik hierboven hem zeiven aanschouw, het groote
156
genie, den dichter god van Griekenland, Apollo, dien de vromen God noemen, en van wien ik met Goethe zeg: âik heb geen naam voor hem !quot; Maar gij kent hem beter dan wij allen, Schiller! U heeft hij medegedeeld van zijn geest, en heeft u de verborgenheden van het hart en de ziel verkondigd! Ach, Schiller, zoo ge wist, hoeveel tranen ge mij reeds gekost hebt, en hoe dikwerf gij mij week gemaakt hebt, zoodal ik weende en treurig tot mij zeiven zeide ; âWelk een klein erbarmelijk menschenkind zijt ge toch ! Ge heb niets gedaan op aarde! Ge zijt niets waard ! Nooit zal de wereld van u slechts een vierde van het groote en schoone berichten, dat zij van Schiller zegt!quot; â En ik beken u dit zonder afgunst, Friedrich Schiller ; ik verheug mij over uwe heerlijkheid, en 't verheugt mij dat ge hier de triomfen van uwe genie beleeft.quot;
Schiller glimlachte zacht, bij de opgewekte woorden van den prins, en schier deemoedig boog hij zijn hoofd. â âMij verschrikken deze triomfen,quot; zeide hij : âen ik gevoel tegenover de algemeene waardeeting slechts, hoe weinig ik gedaan heb, en hoe weinig het beantwoordt aan 't geen ik zou wen-schen te kunnen doen. Wij zijn allen zwakke menschenkinde-ren, en het schoonste dat wij kunnen geven, komt niet uit ons zeiven, en wij weten er nauwelijks van! Maar bekennen moet ik het lóch: ik verheug mij over deze dagen ! Ik verheug mij ook over u, prins Louis Ferdinand ; gij zijt de hoop van Duitschland, en de jongelingschap ziet tot u op als haar redder, haar held!quot;
âEn de jongelingschap zal zich bedriegen !''zei de prins, levendig het hoofd schuddende : âMaar spreken wij niet van mij ; ik ben tegenover u niets dan een eerbiedig menschenkind, dat u huldigt en als een groote genade en gunst afsmeekt, dat Friedrich Schiller mijn bescheiden huis met zijne tegenwoordigheid bestrale ! Ge zult al uwe vrienden bij mij zien ; Fichte, Wolzogen, Humboldt en Zeiter, en wij willen als vrome discipelen aan de voeten van onzen meester naar zijne woorden luisteren !quot;
En 't was een fraai feest, dat prins Ferdinand den volgenden dag den dichter gat
In deze dagen vergat men zelfs te Berlijn aan het Hof de etikette, en het viel niemand in, er aan te denken, dat de hertog van Weimar don Duitschen dichter geadeld had, en niemand bedacht, dat hij door den adel aan het Hof kon
457
toegelaten worden, en niemand sprak van Friedrich von Schiller. âFriedrich Schiller is hier!'' dit zeide men verheugd van mond tot mond, van huis tot iiuis; en niet do adel was het, die hem de deuren der paleizen en kasteelen opende, en hem de plaats aan tafel naast prins Louis Ferdinand gaf; 't was het genie, dat Friedrich Schiller tot evenknie maakte van de grooten dezer aarde.
Zelfs mevrouw de opper-hofmeesteres von Voss vergat het adellijke von er bij te voegen, toen zij bij de Koningin binnentrad, en met een diepe buiging en zacht blozende wangen zeide:
âMajesteit, de dichter Friedrich Schiller is in de voorkamer, â zooals Uwe Majesteit bevolen heeft â ter audientie!quot;
Nu richtte de Koningin zich van den divan op en ijlde zelve naar de deur; en de opper-hofmeesteres was ditmaal niet verstoord over deze ongehoorde krenking der etikette; zij opende de deur, wenkte den dichter binnen en verwijderde zich vervolgens, terwijl zij de groote oogen ophief tot de hooge gestalte van den dichter, die langzaam haar voorbijging in de kamer. Nu had dus de Koningin haar wensch bereikt; daar was de groote dichter, dien zij zooveel uren van verheffing, van verrukking, van vreugde dankte. Zij kon hem oog in oog zien, kon hem de hand reiken. En zij deed het; drukte zijn hand in de hare, â de hand, die zooveel heerlijks geschreven had voor Duitschland en voor iedereen! Dit zeide zij hem en aanschouwde hem met de fraaie oogen, waarin tranen glinsterden.
âSchiller, ik dank u, en geloof mij, dit kleine woord zegt meer dan lange redevoeringen het zouden kunnen: ik dank u! In de schoonste oogenblikken mijns levens, in oogenblikken der hoogste bezieling, is mij vaak een woord van u ingevallen, en het scheen mij, als ware dat woord de geur der bloem, die in mijn hart is ontloken! Wat wij denken en gevoelen, wij andere menschenkinderen, dat weet gij in woorden te kleeden. En wijl ge dit zoo waar doet, daarom grijpt het ons hart aan, als kwam het uit ons zeiven! Ik dank u, Friedrich Schiller!''
Hij zag haar aan met den diepen, stillen glimlach, die hem eigen was, en die zijn gelaat verlichtte gelijk de zonnestraal de zee, wier stormen uitgewoed hebben en die nu kalm is.
158
âGij moet recht gelukkig zijn, Schiller,quot; zei de Koningin in den loop van het gesprek: âja, zeer gelukkig! Ik verbeeld mij, uw leven is als een schoone zomerdag, en er zijn bloemen ontloken en eiken gewassen, en wat uit deze bloemen wasemt en uit de eiken ruischt, hebt gij aan de wereld gezegd. Nietwaar, Schiller, ge zijt zeer gelukkig?quot;
Hij zag haar aan met zijn groote oogen, en schudde zacht het hoofd. â âJa, Koningin, gelukkig in zooverre als ook smarten, wanneer zij overwonnen zijn, geluk aanbrengen.quot;
âGe hebt dus ook geleden ?quot; vroeg de Koningin levendig.
âMajesteit, wie op aarde is, lijdt, en mij dunkt, zi/kennen het geluk niet die niet het ongeluk hebben leeren kennen. Ja, ik heb geleden, veel en zwaar geleden; maar die niet het lijden heeft leeren kennen, kent ook niet het genot. En het hoogste genot is, geloof ik, als men door hitte en stof, door storm en wind is gegaan, eindelijk een behage-lijke, beschaduwde plek te vinden, waar men nederzinkt om te rusten en zich te verkwikken van de vermoeienissen des levens. En dat, Koningin, is mijn geluk; ik heb mijn oase gevonden, om uit te rusten van alle smarten.quot;
âGod zegene deze oase,quot; riep de Koningin: âZij behoort een dichter, op wien geheel Duitschland trotsch is, en dien onze kinderen en kindskinderen nog beminnen en vereeren zullen! En dunkt u niet. Schiller,quot; voer de Koningin voort, hem vragend in 't gelaat ziende: âdunkt u niet, dat deze oase steeds mèt u trekt waarheen ge gaat, en dat zij in u rust?quot;
Schiller knikte. â âDat geloof ik wel. Rust en vrede is er slechts, als men deze oase in zich zeiven, in zijn hart draagt.quot;
âHet verheugt mij dit te hooren!quot; riep de Koningin : âIk vreesde reeds, dat gij meendet dat er alleen te Weimar voor u schaduw en een stille rustplaats waren, en ik zou mij zoo verheugen, zoo ook te Berlijn eens een oase voor u kon ingericht worden. Wat ik hiertoe doen kan zal geschieden, wat ik zou zoo gaarne iets voor u doen,Schiller! Men gevoelt zich zoo geheel arm, als men voor al het schoone dat men ontvangt, niets kan teruggeven.quot;
Schiller zag haar strak in 't aangezicht, en hunne oogen, die elkander ontmoetten, groetten eikander met den diepen blik van erkenning en gevoel.
159
âGij hebt mij veel gegeven, Koningin ; want ge gaaft mij dit oogenblik, â ik zal het nooit vergeten!quot;
Hij reikte haar de hand en kusLe die, en zij knikte hem toe. â âKom, ik wil u tot mijn man voeren, hij verlangt u te zien en u zijn dank te betuigen.quot;
Zij ging hem voor door de aangrenzende kamers, naar het kabinet des Konings.
âHier breng ik u Friedrich Schiller,quot; riep zij den Koning tegemoet. En Friedrich Wilhelm knikte hem'vriendelijk toe en wendde zich vervolgens tot zijn gemalin.
âNu, dit is toch een fraai oogenblik voor u,'' zeide hij; ânietwaar, Louise? Ik moet u slechts zeggen, mijnheer Friedrich Schiller, dat de Koningin er lang naar verlangd heeft u te zien, en ook mij is 't aangenaam u hier te Berlijn te kunnen begroeten. Ge hebt veel groots en schoons voor ons allen gedaan, en 't verheugt mij, dat het publiek zoo dankbaar jegens u is.quot;
âEn ik,quot; zei Schiller : âik heb getracht het publiek wederom mijn dank te betuigen, door te beproeven haar iets nieuws en degelijks te leveren.quot;
âGe hebt dus weder iets nieuws begonnen?quot; vroeg de Koning en luisterde oplettend, toen Friedrich Schiller nu, verhaalde, dat hij reeds aan een nieuw treurspel bezig was, en hij, terstond na zijne terugkomst te Weimar, aan de uitvoering der nieuwe tragedie Demetrius beginnen zou.
De Koningin glimlachte. â âBegin niet terstond; wacht een weinig, en zoo ge mijn wensch vervullen wilt, die ook die des Konings is, schrijf uw Demetrius dan niet te Weimar, schrijf hem te Berlijn! Ik ben eerzuchtig voor onze hoofdstad Berlijn en wilde, dat na eeuwen de Berlijners elkander het huis wezen, waarin Friedrich Schiller zijn werken geschreven heeft.quot;
De Koning knikte. â âMijn kabinets-secretaris zal hierover met u spreken. Ik hoop dat wij u bij ons zien.quot;
En de kabinets-secretaris Beyme sprak den volgenden morgen werkelijk met Schiller. Hij zeide hem, dat de Koningen de Koningin wenschten hem te Berlijn te houden; en uit de bijzondere kas des Konings bood de secretaris hem een levenslang pensioen van drie duizend thaler, daarbij tot zijn dagelijksch gebruik een koninklijke équipage, entevens het vooruitzicht op een zetel in de academie.
100
âDe Koning en de Koningin verlangen niet dat ge u dadelijk verklaart,quot; zei Beyme: âzij verzoeken slechts, dat ge 't overweegt, en uit Weimar uw besluit mededeelt.quot;
Schiller boog dankbaar het hoofd.ââTot zulk een groote beslissing behoort inderdaad tijd en rust, welke ik hier niet heb; en daar het mij toegestaan is, wil ik wachten tot ik teruggekeerd ben in mijn klein Tusculum.quot;â
En toen hij terugkwam en weder zijn stil bescheiden kamertje binnentrad, waar de eenvoudige schrijftafel aan het venster stond, en ginds ter zijde de piano met de guitare zijner Lotje, en toen hij al de oude bekende voorwerpen wederom aanschouwd had, was 't hem tóch als ware hij teruggekeerd in zijn eigenlijke wereld, en hij ademde hoog op, zette zich neder op den harden lederen stoel, die tusschen den haard en het klavier stond, en dacht aan de dagen te Berlijn en het schitterende aanbod van het koninklijke paar.
âGewis, 't is er fraai en 't streelt mijn ijdelheid, mij zoo geëerd en gevierd te zien. Ook leeft men te Berlijn gemakkelijk en aangenaam, en de groote, persoonlijke vrijheid en ongedwongenheid in 't burgerlijk leven doet iemand goed. Hier is alles gedrongen in kleingeestige vormen; ieder let op den ander, en zoekt zijn positie tegenover hem te behouden. Maar men leeft tóch lief en vreedzaam hier, en daarbij, 't hart doet mij wee, als ik er aan denk, dat ik zou leven zonder Goethe; dat kan ik niet! En ik mag ook niet ondankbaar jegens Karl-August zijn. Lotje!quot; riep hij, plotseling van het venster opspringende ; âLotje!quot;
Hij ging in de kamer en zag door het kleine dakvenster neder, want hij wist wel dat Lotje op dezen fraaien dag met de kinderen in den tuin speelde: âLotje, ik bid u, kom eens boven bij mij!''
Zij kuste de kinderen en ging toen ijlings naar boven. âWat is er. Schiller, is er brand'? 'vroeg zij glimlachend. âJa,quot; riep hij vroolijk: âhet brandt in mijn hart, en wat er is? Mij dunkt, dat ik het lieve, kleine, babbelachtige Weimar niet kan verlaten.quot;
âMij is 't reeds lang zóó,quot; zei Lotje: âsedert wij hier zijn. De woonplaats heeft een betoovering, die men niet weerstaan kan, zelfs zoo het verstand er tegen strijdt,quot; âEn waartegen strijdt het verstand dan?quot;
Lotje haalde de schouders op. â âHet zegt, dat Schiller's
lül
eigenlijke roeping is ia een groote stad on in groote betrekkingen te leven, en voegt er zeer practisch bij, dat drie duizend thaler vast tracternent meer zijn dan achthonderd, en het wijst op de kinderen, welke wij hebben.quot;
âEn spreekt van de anderen, die nog komen kunnen! zei Schiller en legde zijn arm om de eenigszins veranderde gestalte der blozende vrouw; âJa, het verstand heeft gelijk; maar wij hebben óók gelijk, zoo wij het weerstand bieden. Ik breek ongaarne oude betrekkingen, en het verschrikt mijn gemakzucht en ziekelijkheid, mij in nieuwe betrekkingen te begeven. Hier te Weimar ben ik volstrekt vrij, en in den eigenlijksten zin tehuis. Vervolgens, Lotje, heb ik ook verplichtingen jegens den hertog. Ik zou mij wel is waar met goed fatsoen van hem kunnen losmaken, maar het zou mij ontzettend leed doen, weg te gaan.quot;
âEn daarbij zou 't u ook leed doen, van Goethe weg te gaan nietwaar?quot; vroeg Lotje tot hem opziende.
âDat is mijn eigenlijke reden, â Goethe.quot;
âEn 't verheugt mij, dat gij hem van ganscher harte lief hebt,'' zei Lotje: â't is zoo sehoon, u beiden vereenigd te zien, en 't zou treurig zijn, indien deze heilige band der vriendschap, om zulke uiterlijkheden verbroken zou wordenl Vervolgens zijn drieduizend thaler te Berlijn spoediger uitgegeven, dan hier de helft, en daarom heb ik reeds gedacht. Schiller, zoo ge eens aan hertog Karei August schreef
âEn hem verzocht,quot; voegde Schiller er bij: âmijn tracternent met vierhonderd thaler te verhoogen, dan had ik ongeveer de helft van 't geen men mij te Berlijn biedt, en ik had genoeg.quot;
Zij knikte. â âDat meen ik, en gij hebt gezegd, wat ik gedacht heb. Zoo de hertog u vierhonderd thaler toelage geeft, dan hebben wij, mèt het geld dat gij verdient, genoeg voor ons en onze kinderen.quot;
âEn zoo zal het zijn!,' zei Schiller verheugd: âIk wil dadelijk aan den hertog schrijven, en hem eerlijk en openhartig de zaak voorstellen.quot; â
En eerlijk en openhartig berichtte Schiller den hertog het aanbod uit Berlijn, en zijn verzoek. Beeds den volgenden dag ontving Schiller antwoord ; eigenhandig schreef de hertog, dat hij met vreugde den wensch des dichters vervulde, en hem levenslang de vierhonderd thaler toelage verleende, llühlbaoh, Duitschlnnd in Woeling en Strijd. VUL 11
402
âVan uw hart verwachtte ik, dat go zoo handelen zoudt. Ontvang, mijn vriend, mijn warmsten dank! Het verheugt mij, u voor altoos den onze te kunnen noemen!quot; 1)
Lotje had zelve Schiller den brief gebracht in zijn studeerkamer; zij zag tot hem op terwijl hij las, en op zijn gelaat las en verstond zij het antwoord van den hertog. ^,Wij blijven dus?quot; vroeg zij, zich aan hem vlijende; âwij blijven dus te Weimar, in onze lieve woonplaats?quot;
âJa,quot; zeide hij: âwij blijven in onze lieve woonplaats, tot wij opstijgen naar onze woonplaats hier boven! Wij zijn nu verzekerd. Lotje; verzekerd voor hetgeheeleleven, en kunnen misschien nog voor onze kinderen een kleine som overleggen. Ik zou wel wenschen, dat zij den nood des levens niet zoo leerden kennen als ik gedaan heb. Ik zou bun een paar bloemen op den levensweg willen nalaten, opdat hun voet er lichter over trede en niet zoo door doornen worde gewond, als de mijne dikwerf was. Wij hebben hier onze woonplaats. Lotje, voor altoos; en zoo ik nog slechts tot mijn vijftigste jaar leef, dan hoop ik aan de wereld nog iets erootsch, â en aan miine kinderen een klein vermogen na te laten. 2)
VIII.
DE TERUGKOMST.
Voor een der kleine,aanzienlijke huizen in de Jagerstraat hield een, hoog met koffers en doozen beladen reis-équipage stil. Op den bok zat een bediende en een kamenier, en de postiljon blies zijn lied: âEr trokken drie ruitertjes door de poort,quot; blies bestendig voort, terwijl de koets reeds stilhield en de bediende en de kamenier van den bok klauterden, om het portier te openen en het jong getrouwde paar, dat in het rijtuig zat, bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. Intus-schen sprong de jonge man er uit, reikte de schoone, jonge
1
Des hertogs eigen woorden, zie: Johannes Scherr, Priedrich Schiller und seine Zeit. Band III.
2
Schiller's eigen woorden.
163
dame zijn hand, en voerde haar het huis binnen. Daar stond nijgende in het voorhuis een oude dame, die zich zelve als de gehuurde huishoudster voorstelde, en daar was ook de keukenmeid en de nieuw gehuurde kamerdienaar, die onderdanigst bogen en zich zei ven voorstelden. Het jonge paar knikte hen vroolijk den welkomstgroet toe, en de huishoudster ging hen voor, de met tapijten belegde trap op, naar de eerste verdieping. De jonge vrouw bleef staan op het trapbordes en zag naar beneden in het voorhuis, dat met guirlandes en bloemen was getooid, en naar boven naar den corridor, die prachtig met bloemen en festoenen versierd was.
âNu, mijn dierbare Pauline,quot; vroeg de jonge man met een fijnen glimlach; âblijft ge staan voor 's konings deur, en zooals 't sprookje zegt: er liggenquot; vier groo te honden voor ?quot;
Zij lachte luid. â â't Kan zijn, mijn lieve Kurt;'t is mij alsof ik een tooverslot binnentreed, en nu aarzelt mijn voet een weinig, want ik weet niet of er ook verboi'gen netten zijn gespannen, die mij ten val brengen, o/quot;gevangennemen kunnen.quot;
âIk zou de netten wel eens willen zien, die u gevangen maken!quot; lachte de jonge man; âNu kom, de honden voor 's konings deur zullen wel wijken, als uw gloeiende blik ze aanschouwt.''
Zij lachten beiden en sprongen het tweede trapbordes op. Daarboven stond de oude huishoudster met plechtig voorkomen, en hield een kleinen bouquet in de hand. Zij kwam nader en declameerde een fraai gedicht, waarin veel van huisgoden en van geluk, vrede,zegenenouderliefde voorkwam.
Maar midden in haar hoogdravende voordracht viel de jonge man haar in de rede; âMijn lieve, laat dat; wij kennen zulke geveinsde gelukwenschen genoeg, en vinden er geen behagen in.quot; .
De jonge vrouw zag hem met een bestraiTenden blik aan en legde haar hand op den schouder der oude huishoudster. âWees niet boos, Anna Margaretha, wij kennen elkander immers van jongs afj! Ge hebt mij op den arm gedragen, toen ik een klein kind was. En 'fis een zeer lieve verrassing van mama, dat zij mij mijn lieve Anna Margaretha als huishoudster gegeven heeft. Ik dank u voor uw fraaien wensch, en verzoek u, bid voor mij 's morgens en 's avonds;
164
ik geloof 'tzal beter zijn, dan wanneer ik zelve bad. En nu, ga, en bezorg ons een lekker ontbijt.quot;
â't Is reeds opgebracht,quot; zei de oude vrouw, het hootd buigende en nauwelijks hare tranen kunnende verbergen ; âde koerier is immers reeds voor vier uren aangekomen, en heeft de aankomst van mevrouw en mijnheer gemeld.quot;
âNu, ga, Paula, en maak uw toilet!quot; verzocht Kurt Wiesel.
âNeen,'' zei de jonge vrouw, âvoer mij eerst door het huis; ik moet uw bruidsgeschenk leeren kennen, opdat ik er u voor kan danken.quot;
Hij bood haar zijn arm, en beiden zweefden als een paar vroolijke vogels naar beneden, en lachten en schertsten. Maar het lachen was niet hartelijk, en het schertsen had iets van de spottende uitdrukking, welke mijnheer Wiesel van zijn jeugd af eigen was geweest. Hij stiet met den voet de prachtige, wit verlakte en vergulde deur open, en voerde haar in de zaal.
âO hoe fraai is dat!quot; riep Pauline, om zich heen ziende.
âHet zal eerst fraai worden!quot; zei Wiesel, en de oude koele glimlach trok weder om zijn lippen ; âhet zal eerst fraai worden, als ge daar op den kleinen divan troont; want ik heb den decorateur uitdrukkelijk bevolen,midden in tsalon een soort van troon aan te brengen. Ge ziet het, hij heelt woord gehouden. Twee treden voeren tot den stoel, en daar zult gij, Koningin van mijn h uis, tronen en de geheele elegante wereld van Eerlijn zien. En ik wil achter dezen troon staan en lachen; lachen om de verliefde herders, die aan uwe voeten nederknielen, en tevergeefs smeeken en duiten om een blik, een handdruk ! Het zal heerlijk zijn, Pauline, en ik verheug er mij reeds bovenmatig op !''âHij brak in een luiden lach uit, die zonderling door de zaal klonk. De eerste-muziek, die er in klonk ; de muziek van spot en boosheid !
Pauline ontstelde en antwoordde niet. Snel ging zij dooide zaal en trad in de naaste kamer, die in een anderen stijl gedecoreerd; â en niet minder fraai en elegant was dan het salon.
âDit bier is uw woonvertrek koningin des huizes. Hier zult ge les amis intimes ontvangen ; degenen, op welke ik eigenlijk ijverzuchtig moest zijn, en voor welke ik toch één oog moet dicht drukken, om met het andere de kluchtdes levens te zien.quot;
165
âHet is een wonderfraai vertrek!quot; zei Pauline met zachte, bevende stem; ,,Hoe prachtig hebt ge alles voor mij laten inrichten, Kurt! Ik erken hieraan ten zeerste uw liefde en oplettendheid, en dank u hartelijk voor het heerlijke bruidsgeschenk dat ge mij nog twee jaren na ons huwelijk, met zulk een voorkomende goedheid bereid hebt. Het geheele huis schijnt mij een juweelkistje, zoo net, zoo sierlijk en elegant is alles.quot;
â't Is niet anders dan het gouden omvatsel van het kostbare edelgesteente, 't welk ik mijn eigendom noem,quot; zei Wiesel met ophef, en zijn jonge vrouw zag een weinigschuw tot hem op, niet wetende of hij ernstig sprak, ofdat het weder hoon en spot was. Maar hij knikte haar toe. â âTwijfel er niet aan, Pauline, ge weet dat ik u bewonder.quot;
âIk wilde liever, dat ge zeidet mij te beminnen. Liever dan alle bewondering, welke de gekken en laiïen die aan mijn voeten liggen, mij genoeg toebrengen, zou't mij zijn, zoo gij een weinig liefde voor mij gevoeldet, of laat mij zeggen: zeer veel liefde! Ik geloof, dat er een zeer voor-treiïelijke, teedere vrouw van mij had hunnen worden. Maar gij hebt mijn liefde weggespot, Kurt! Doch neen, wij willen daar nu niet over spreken; laat mij nu het geheele huis zien, de morgengitt uwer liefde.quot;
En zij ging verder door al de vertrekken; 't waren er niet veel, want het was een der kleine huizen in de Jagerstraat, die slechts voor één gezin bestemd waren en derhalve het comfort eener huiselijkheid, rust en vrede aanboden, zooals die niet in de groote huizen, waar men zich tusschen, onder, en boven een verdieping dringt, te vinden zijn. Zij nam alles in oogenschouw; ook deprachtigingerichtekeuken met de voorraads- en spijskamer, en daalde zelfs neder in den kelder, welks lange rekken de verschillendste wijnsoorten bevatten.
â't Is wonderschoon en verrukkend,quot; zei Pauline, toen zij nu weder opstegen in het daglicht, en zich naar de eetzaal begaven, om het ontbijt te nemen : âsinds twee jaren leven wij schier in reiskoetsen, en nu plotseling is het, alsof ik ontwaak uit een droom in de reiskoets, en mij in eenfeeënslot bevind! En dit feeënslot zal het mijne zijn? Werkelijk het mijne?quot;
Hij knikte. â âHet uwe! 't Is mijn dank voor deze
164
ik geloof 'tzal beter zijn, dan wanneer ik zelve bad. En nu, ga, en bezorg ons een lekker ontbijt.quot;
â't Is reeds opgebracht,quot; zei de oude vrouw, het hoofd buigende en nauwelijks hare tranen kunnende verbergen : âde koerier is immers reeds voor vier uren aangekomen, en heeft de aankomst van mevrouw en mijnheer gemeld.quot;
âNu, ga, Paula, en maak uw toilet!quot; verzocht Kurt Wiesel.
âNeen,'' zei de jonge vrouw, âvoer mij eerst door het huis; ik moet uw bruidsgeschenk leeren kennen, opdat ik er u voor kan danken.quot;
Hij bood haar zijn arm, en beiden zweefden als een paar vroolijke vogels naar beneden, en lachten enschertsten. Maar het lachen was niet hartelijk, en het schertsen had iets van de spottende uitdrukking, welke mijnheer Wiesel van zijn jeugd af eigen was geweest. Hij stiet met den voet de prachtige, wit verlakte en vergulde deur open, en voerde haar in de zaal.
âO hoe fraai is dat!quot; riep Pauline, om zich heen ziende.
âHet zal eerst fraai worden!quot; zei Wiesel, en de oude koele glimlach trok weder om zijn lippen ; âhet zal eerst fraai worden, als ge daar op den kleinen divan troont; want ik heb den decorateur uitdrukkelijk bevolen, midden in t salon een soort van troon aan te brengen. Ge ziet het, hij heelt woord gehouden. Twee treden voeren tot den stoel, en daar zult gij, Koningin van mijn huis, tronen en de geheele elegante wereld van Berlijn zien. En ik wil achter dezen troon staan en lachen ; lachen om de verliefde herders, die aan uwe voeten nederknielen, en tevergeefs smeeken en iluiten om een blik, een handdruk! Het zal heerlijk zijn, Pauline, en ik verheug er mij reeds bovenmatig op !quot;â Hij brak in een luiden lach uit, die zonderling door de zaal klonk. De eerste-muziek, die er in klonk ; de muziek van spot en boosheid !
Pauline ontstelde en antwoordde niet. Snel ging zij dooide zaal en trad in de naaste kamer, die in een anderen stijl gedecoreerd; â en niet minder fraai en elegant was dan het salon.
âDit hier is uw woonvertrek koningin des huizes. Hier zult ge les amis intimes ontvangen ; degenen, op welke ik eigenlijk ijverzuchtig moest zijn, en voor welke ik toch één oog moet dicht drukken, om met het andere de kluchtdes levens te zien.quot;
165
âHet is eeu wonderfraai vertrek!quot; zei Pauline niet zachte, bevende stem: âHoe prachtig hebt ge alles voor mij laten inrichten, Kurt! Ik erken hieraan ten zeerste uw liefde en oplettendheid, en dank u hartelijk voor het heerlijke bruidsgeschenk, dat ge mij nog twee jaren na ons huwelijk, met zulk een voorkomende goedheid bereid hebt. Het geheele huis schijnt mij een juweelkistje, zoo net, zoo sierlijk en elegant is alles.quot;
â't Is niet anders dan het gouden omvatsel van het kostbare edelgesteente, 't welk ik mijn eigendom noem,quot; zei Wiesel met ophef, en zijn jonge vrouw zag een weinig schuw tot hem op, niet wetende of hij ernstig sprak, of dat het weder hoon en spot was. Maar hij knikte haar toe. â âTwijfel er niet aan, Pauline, ge weet dat ik u bewonder.''
âIk wilde liever, dat ge zeidet mij te beminnen. Liever dan alle bewondering, welke de gekken en lallen die aan mijn voeten liggen, mij genoeg toebrengen, zou't mij zijn, zoo (jij een weinig liefde voor mij gevoeldet, of laat mij zeggen: zeer veel liefde! Ik geloof, dat er een zeer voor-trelVelijke, teedere vrouw van mij had hunnen worden. Maar gij hebt mijn liefde weggespot, Kurt! Doch neen, wij willen daar nu niet over spreken; laat mij nu het geheele huis zien, de morgengift uwer liefde.quot;
En zij ging verder door al de vertrekken; 't waren er niet veel, want het was een der kleine huizen in de Jagerstraat, die slechts voor één gezin bestemd waren en derhalve het comfort eener huiselijkheid, rust en vrede aanboden, zooals die niet in de groote huizen, waar men zich tusschen, onder, en boven een verdieping dringt, te vinden zijn. Zij nam alles in oogenschouw; ook deprachtigingerichte keuken met de voorraads- en spijskamer, en daalde zelfs neder in den kelder, welks lange rekken de verschillendste wijnsoorten bevatten.
â't Is wonderschoon en verrukkend,quot; zei Pauline, toen zij nu weder opstegen in het daglicht, en zich naar de eetzaal begaven, om het ontbijt te nemen: âsinds twee jaren leven wij schier in reiskoetsen, en nu plotseling is het, alsof ik ontwaak uit een droom in de reiskoets, en mij in eenfeeënslot bevind! En dit feeënslot zal het mijne zijn? Werkelijk het mijne?quot;
Hij knikte. â âHet uwe! 't Is mijn dank voor deze
166
twee jaren van geluk en genot, welke ik aan uw zijde heb doorgebracht; want het waren twee heerlijke jaren, en ik moet u zeggen, Pauline, dat ik nooit zooveel genoegen heb gehad, als in deze twee jaren. Maar laat ons nu een kwar-tieruurs heel bedaard zijn, en ons ontbijt nemen! Bij het eten mag men niet spreken, men moet genieten.quot;
Zij zwegen beiden, lieten zich neder in de gemakkelijke stoeien die om een lage tafel stonden, dronken chocolade en aten hierbij iets van het gebak en de confituren, die op zilveren borden lagen. Vervolgens voerde de jonge man Pauline weder naar boven in haar huiskamer.
âEn nu, zet u hier op den troon, mijn schoone Pauline! Eén voorrecht wil ik toch boven uw andere aanbidders hebben: ik wil de eerste zijn, die hier voor u knielt.quot;
Hij drukte haar zacht in den stoel, en boog met spotten-den glimlach een knie voor haar. â âKoningin deronschuld, koningin der goedheid, ik groet u!quot; zeide hij: âMoge uwe leven gerust en liefelijk zijn; moogt ge zeer veel harten breken, moogt ge veel zegepralen beleven, en aan den avond uwer dagen blijmoedig uitroepen: âNa mij de zondvloed, ik heb geleefd en bemind!quot; Dit is de zegen, Pauline, waarmede ik u dit huis overgeef, en ik hoop van uw verstand en hart, dat ge het eer zult aandoen.quot;
Zij lachte luid. â âDat heet, dat ik u zoo veel mogelijk schande zal aandoen, en mijn familie er bij. En ik moet u zeggen, Kurt, ik twijfel er zelve niet aan. Het is u gelukt; ge hebt het raadsel, om welks wille gij mij gehuwd hebt, opgelost; ge hebt uw meesterstuk voltooid. En dit meesterstuk is duivelswerk. Ge hebt van een onschuldig meisje een oude, ondervindingrijke vrouw gemaakt, die aan niets meer gelooft, noch aan liefde noch aan haat; die niets meer heilig is, en die met u zegt: na mij de zondvloed, ik wil leven en genieten! En zóó zal 'tnu zijn Kurt; en wij zullen zien wat het einde zal zijn. Maar dit zeg ik u vooraf, en vergeet het niet, Kurt: gij zijt de duivel mijner duivelskunsten, gij zijt de slechtheid mijner slechtheden en de schande mijner schande. Onthoud dit, en ik zal een lustig, vroolijk leven leiden, zoolang het kan. Hoelang onze middelen zullen reiken, hiernaar vraag ik niet: want daar hebt cjij voor te zorgen. Maar hiervan ben ik zeker; dat ik stervend, huiverend zal terugzien op dat vroolijke leven, en dan, Kurt,
167
zal ik tot CVod gaan en u aanklagen, en mijne schuld zal op uiu ziel vallen. Vergeet dat niet, Kurt!''
Hij lachte luid. â âGelukkig bestaat er voor mij geen God, mijn allerschoonste wijsgeer; en wat uw vloek in het sterven betreft, ge zijt geen Cassandra en kunt niet weten, of ge niet even als een Lais of Phryne met den beker in de hand, met rozen bekroond en een glimlach om de lippen sterft. Mijn kind, dat zijn zoo de laatste phantasiën van uw cbampagne-onschuld, die somwijlen nog opbruiscbt met een paar koolzure blaasjes. Ik beroem er mij op, uw leermeester te zijn, en ik verheug er mij in. Gij hebt veel geproü-teerd; toen ge uit eigenzinnigheid en woede tegen uw andere minnaars mij begenadigdet met uwe hand, dacht ik dat er uit u iets te maken was, en ik werkelijk het probleem bij u bestudeeren kon, of een jong, onschuldig meisje, in twee jaren tot een betooverende Lais, of tot een kokette Aspasia te herscheppen was. Ik heb u dus de mannen-en vrouwenwereld leeren kennen. Ik heb van uwe idealen den sluier weggetrokken, en u de naakte werkelijkheid laten zien. Aanvankelijk hebt ge er voor gebloosd, later vermaakte 't u. Ik heb echter ook uw geest gevormd; en zoo ge heengingt als een tamelijk onwetend kind, komt ge als een in alle opzichten wetende terug. Dit hebt ge mij te danken. Ge zijt er volkomen toe geschapen om de mannen to betooveren, de vrouwen te ergeren, en ge zult uw werk schitterend voortzetten.quot;
,,Ja, dat zal iklquot; zeide zij met een luiden lach, die misschien slechts zoo luid was, om haar snikken te onderdrukken en de tranen, die in hare oogen waren gekomen, te verklaren: âJa, dat zal ik; ik verheug er mij op, zeer veel ongelukkigen te maken, zeer veel zuchten om mij heen te hooren, en zeer veel boosaardige blikken van deugdzame vrouwen en zedelijke jonge dochters te zien. Kurt, het zal een vermaak voor ons beiden zijn, zóó in de maatschappij te staan, en alles te bespotten en te honen; aan niets meer te gelooven, en tóch met een zoeten glimlach ons den schijn te geven, alsof wij alles geloofden. Nietwaar, Kurt; het zal een vermaak zijn, waarover de duivels in de hel lachen, â en de engelen in den hemel schreien zullen?quot;
En zij lachte steeds luider en heftiger, â zóó heftig, dat het heel natuurlijk was, dat de tranen langs hare wangen vloeiden
168
âJa,quot; zeide hij : âhet zal een uitbundig vermaak zijn. Evenwel geloof ik niet, dat mevrouw uw eerzame mama en uw hoogeerzame heer papa geheimraad er bijzonder behagen in zullen vinden, maar het zal óók een onzer vermaken zijn met deze eerbare,deugdzame menschen eenweinigte twisten. En ik denk ook tragische tooneelen in dit kluchtspel des levens te hebben, 't Was een groote afvalligheid van u, Pauline, toen ge volstrekt begeerdet, papa en mama er kennis van te geven, dat wij heden te Berlijn zouden aankomen, opdat zij ons burgerlijk aan de huisdeur ontvangen, â en de tehuiskomenden omarmen en zegenen zouden. Een groot familietooneel met aandoening en tranen ! Ik dank u er voor!quot;
âGe hebt gelijk,quot; lachte zij: âhet was een terugkeer tot mijn gevoelige meisjesnatuuv. Ik stelde het mij zeer lief voor, als mijn lieve mama mij in hare armen drukte en tot mij zeide: âGod zegene u, mijn kind!quot; 't Is de toon, waarnaar ik lang verlangd heb, en somwijlen was het mij, als moest ik van de geheele vroolijke wereld wegloopen naar mijne moeder, en haar zeggen: âMama, behoud mij aan uw hart, laat mij niet weder weg; 't is aan uw hart veel beter dan aan 't hart van mijn man.quot; Nietwaar, Kurt, dat was zéér dwaas; en daarom hebt ge gelijk gehad er opaante dringen onze ouders te willen verrassen, en dat zij het volstrekt niet moesten weten dat wij hier waren.quot;
âZekerlijk heb ik gelijk gehad. Er bestaat in de wereld geen grooter dwingelandij, dan die der verwantschap, en ik heb het vaste besluit haar op geenerlei wijze te dulden. Wij zullen uwe ouders verrassen, dat heet: wij zullen na een paar dagen,âals wij onzevisitesinzooverregedaanhebben,â bij hen aanrijden, den knecht met een kaartje naar boven zenden, en laten vragen, of mijnheer en mevrouw ons ontvangen willen.quot;
âGeen woord meer!quot; riep zij: âdat /can niet zijn ! Dat is onmogelijk! Zóó ver kan de koelheid van uw hart en uwe levenswijsheid niet gaan, dat wij bij onze ouders als bij vreemden zouden aanrijden.quot;
âZij gaat zoover, mijn allerschoonste leerlinge !quot; zei Wie-sel, zacht zijn hoofd buigende: âJa, wij zullen doen zooals ik gezegd heb.quot;
âDat zullen wij nietr riep zij heftig: âGe hebt van mij een slecht en verworpen schepsel gemaakt, maar zoover zal
169
't niet gaan, dat ik mijn vader en moeder na twee jaren afwezigheid niet zou begroeten. Zij hebben edel en grootmoedig jegens mij gehandeld; zij hebben mij niet slechts een Iraaien en schiterenden uitzet gegeven, zij hebben ook, toen wij te Parijs zoo heel veel geld behoefden en altoos nog niet toekwamen, tienduizend thaler nagezonden, en gt; deze hebben wij óók verteerd on opnieuw geld gevraagd, en papa heeft mij opnieuw geld gezonden. En nu wilt ge, bij onze terugkomst, niet eens, dat wii dadelijk tot hen ijlen en hen danken?quot;
âüat ontbrak ook nog!'' zei Wiesel schouderophalend; âDankbaarheid is een der grootste dwaasheden van zwakke en lafhartige menschen. Waarom zijn uwe ouders zoo dwaas geweest, ons zooveel geld te zenden? Er zal wel een tijd komen, dat ge hen er een verwijt van maakt; en heden wilt ge hun dankbaar zijn voor de dwaze teedei beid waarmede zij dit geld verkwist hebben aan ons verkwisters? Neen, mijn kind; van dergelijke opwellingen wil ik volstrekt niets weten. Ik wil zulke ketenen niet, en mij niet vernederen tot zulke eerbiedige en fraaie woorden.quot;
âEn ik,quot; riep zij, heftig met den voet op den grond stampende en hem met vlammend gelaat aanschouwende: âik wil mij niet in boeien laten slaan, om niet te doen, waartoe mijn hart mij drijft!quot;
âUw hart!quot; riep hij met luiden lach: âbeweegt zich dat ding nog altoos in u? Zijt ge nog altoos niet verstandig geworden? En is het ding dat gij hart noemt, nog altoos niet verstompt? Spreek mij niet van uw hart! Het ding, dat daar slaat en klopt, is een orgaan, dat uw bloed bereidt en door de aderen drijft; het heeft niets te maken met uwe gevoelens, met uw beminnen en haten! Ik mag zulke banale woorden uit zulk een fraaien en verstandigen mond niet hooren. Wat echter uwe ouders betreft: wij rijden binnen vierdagen bij hen aan, en brengen hen een visite.
âEn wat mijn ouders betreft,quot; riep zij toornig en woedend als een tijgerin: âhet blijft er bij; ik ga heden en wil aanstonds tof hen. En ik wil wel eens zien, wie mij hierin verhinderen zou.quot;
âGe zult het zien, mijn dierbare Pauline,quot; zeide hij met koele bedaardheid: âik zal dat doen!quot;
âDat willen wij eens beproeven! Ik ga.quot;
170
âGe gaat niet!quot; riep hij met een sprong haar, die dooide kamer vloog, naijlende en haar aan beide armen vasthoudende: ,,Ge gaat niet, mijn allerschoonste Pauline; ge blijft, zooals 't een teedere gade betaamt, ge blijft bij uw echtgenoot.quot;
âIk blijf niet!'' riep zij ziedend van toorn, steeds pogende hare handen uit de zijne los te maken. Maar hij hield ze vast omklemd, en zag haar in het gloeiend en zenuwtrekkend gelaat.
âGe blijft!quot; zeide hij langzaam: âik wil de laatste wortels dezer dwaze |teërgevoeligheid uit uw hart rukken. Ik zie, uwe opvoeding was nog niet voltooid; in dit uur voltooi ik haar. Ge moet een dame van de wereld worden; dit alleen is de weg tot het geluk. Ge moet een vrouw zijn, die geen hart heeft, wijl zij met harten speelt; dit alleen is de weg tot het vermaak. Ge moet geen gevoeligheid, geen teederheid, geen liefde kennen; dit alleen is de weg om zich met teergevoeligheid, de logen en het bedrog der zoogenaamde liefde en teederheid, te amuseeren, en daarom gaat ge niet tot uw ouders! Ge zijt myn vrouw!''
âDat heet,'' riep zij woedend, terwijl de tranen, als in beken uit hare oogen vloeiden : âik behoor den duivel, en ben tot de hel verwezen!quot;
âEen allerliefste hel!quot; zeide hij luid lachende: âeen hel met bloemen en juweelen en zijden robes en indische shawls gedecoreerd ! Een hel, waar op geurende tafels de kostbaarste spijzen en heerlijkste wijnen in gouden bokalen schittei^en! Een hel, waar aan de voeten der aangebedene Pauline een schare deemoedige cavaliers ligt, die haar geschenken, vleiereien en harten, als liefdeoffers brengen. Zulk een hel is waarachtig waard, voor een hemel gekocht te worden.quot;
âKurt! laat mij tot mijne ouders gaan!quot; riep zij, met den angst eener gevangene in 'trond zinde: ,,ik bid u, behoud uw huis, behoud al uw fraaie zaken, ook alles wat het mijne is! Laat mij vrij! Nu is 't misschien nog tijd! Er overvalt mij een vreeselijke doodsangst!'t Is mij, alsof ik straks sterven moest, en alsof ik mij nog redden kon, zoo ik tot mijn ouders terugkeerde! Ik bezweer u, Kurt, Iaat mij tot mijn ouders terugkeeren! Geef mij op!quot;
Zij wilde aan zijne voeten nederzinken, maar hij ving haar op in zijne armen, en drukte haar hartstochtelijk tegen zich.
171
âGe zijt een engel, een betooverende vrouw!quot; zeide hij : âik bemin u zooals geen ander man u beminnen kan ; ik aanbid u, gelijk de beidenen hun afgod aanbidden. Ik ben in verrukking voor u, als ik u zie in toorn en haat! Ik zou aanstonds aan uwe voeten willen sterven, of u vermoorden in 't vuur mijner zaligheid! O Pauline, ge zijt een betooverende vrouw, nooit zal ik u opgeven! En nooit zult ge mij verlaten !''
En hij smoorde haar smeeken, haar tranen met zijne kussen en liefdebetuigingen.
X.
HET GEZICHT DOOR HET DAKVENSTER.
Eerst drie dagen na hun aankomst, maakte het jonge paar, â in de prachtige staatsiekoets, welke Wiesel zijn vrouw met de paarden en het rijke zilveren tuig, als huwelijksgift gebracht had, â de gebruikelijke aankomstvisites, en het eerste bezoek gold den geheimraad von Gasar en diens echtgenoote, Pauline's ouders.
Pauline was bleek en beefde en toen het rijtuig voor de woning barer ouders stilhield, toen de rijk gegalonneerde bediende van den bok sprong en het huis binnenijlde, om het bezoek aan te kondigen, riep zij luid en wilde uit het rijtuig springen. Maar Wiesel hield haar glimlachend tegen.
âMijn kind, men moet nooit de vormen krenken, en het past, dat men zich laat aandienen, vóór men binnen gaat ten bezoek.quot;
âKurt,quot; zeide zij met samengedrukte tanden en bevende lippen: âKurt, ge zijt in waarheid een duivel, een boosaardige duivel!quot;
â'tls mogelijk,quot; glimlachte hij: âmaar een duivel, dieu het leven tot een paradijs wil maken, mijn engel.quot;
De lakei trad nu met den hoed in de band weder aan het porder, enopendebet. â âMijnbeer en mevrouw zijn tehuis!quot;
Nu sprong Pauline uit het rijtuig en wachtte niet tot Kurt baar volgde, maar ijlde het huis in, de trap op, en regelrecht in de armen barer moeder, die juist naar beneden was
172
gespoed, terwijl baar vader in zijn huisrok boven aan de trap stond en met luide begroetingen zijn geliefde, eenige dochter ontving.
Omarmd door vader en moeder trad zij nu in de huiskamer, welke zij niet gezien had, sinds de gelukkige dagen van haar maagdelijken tijd. En nu zag zij om zich heen met een teederen glimlach, en groette en knikte naar allo zijden. Den grootvadersstoel daar bij de kachel en het voetbankje dat er nevens stond, waarop zij zoo dikwerf gezeten, â en naar de vertellingen barer moeder geluisterd had; de schilderijen aan den wand, de lieve portretten van grootvader en grootmoeder, en al de lieve trouwhartige herinneringen van haar verleden. En toen kuste zij weder hare ouders, omvatte hen en danstemetbenrondindekamer, als een vroolijk kind.
Aan de deur stond, de armen over elkander geslagen, de lange, dorre gestalte, hoog op gericht, het hoofd achterover geleund tegen den wand, met een boosaardigen glimlach, Kurt Wiesel, en aanschouwde het vroolijke familiegeluk, dat voor hem niets anders was, dan een hoogst kluchtige dwaasheid. Toen dat juichen en kussen, dat omhelzen en al de liefdebetuigingen geen einde schenen te nemen, ging Kurt Wiesel met zijn lange beenen door de kamer naar de teedere groep van ouders en kind, en legde zijn magere, dorre hand op Pauline's schouder.
âZeer goed gespeeld uw rol, mijn waarde jonge vrouw! Ge zijt nu met de comedie van de teedere dochter, tot aan bet laatste woord ten einde, en 't zou tijd zijn uw geliefde ouders er aan te herinneren, dat ik óóknogopdewereld ben.quot;
Eensklaps verstomde nu het luid en vroolijk gekout; Pauline zag schuw tot hem op, en hare ouders zagen hem geheel verbaasd aan wegens dezen toon, zijn voorkomen en handelwijze.
âquot;t Is waar,quot; zei de geheimraad na een pauze: âin de vreugde des wederziens hebben wij u eenoogenblikvergeten, mijn heer zoon, enge'zult dit begrijpelijk vinden, als ge onze Pauline aanziet in hare schoonheid en liefelijkheid. Zij komt immers frisch en bloeiend als een jonge roos tehuis, en dus moet zij zeer gelukkig zijn door u, heer zoon, en daarom heeten wij u van harte welkom.quot;
âJa, van harte,quot; fluisterde mevrouw Casar, altoos nog met
173
onderzoekenden en vorschenden blik in het spottend gelaat van haar.schoonzoon ziende:quot; en wanneer, mijn kind,quot; wendde zij zich vervolgens tot Pauline,,,wanneer zijl ge eigenlijk aangekomen? Waarlijk,'t verwondert mij, dat ge u zooveel tijd hebt gegund, om eerst zulk een schitterend toilet te maken, in plaats van terstond in reisgewaad tot uwe ouders te komen.quot;
âO, mevrouw,quot; zei Wiesel langzaam: âwij zullen nooit vergeten, wat wij aan uw rang en uwen leeftijd schuldig zijn en 't zou tegen alle welvoegelij kheid strijden, in reiskleeding bij zulke voorname lieden, als mijn geëerde schoonouders zijn, te komen.
â Welvoegelij kheid ?quot; riep mevrouw Gasar: âIk dacht niet dat er zulke complimenten tusschen moeder en kind noodis? waren.quot;
Pauline zeide niets. Zij had haar arm om den schouder van haren vader gelegd, en rustte met het hootd aan zijn borst.
âMaar ik weet nog altoos niet, wanneer gij aangekomen zijt?quot; vroeg mevrouw Casar: âGe hebt misschien wel van nacht gereisd en zijt eerst heden morgen hier aangekomen, anders zoudt ge ons gisteren avond toch wel een boodschap hebben gezonden, Pauline. Spreek toch, wanneer zijt ge aangekomen ?quot;
Zij antwoordde altoos nog niet, en verborg haar gelaat aan de borst van haar vader.
âMijn genadige mevrouw schoonmoeder,quot; zei Wiesel na een kleine pauze; âwij zijn voor drie dagen aangekomen, en onze eerste gang, â nadat wij ons hersteld hadden van de vermoeienissen eener meer dan tweejarige reis,'â was natuurlijk tot u.quot;
De oude dame zag hem strak in 't gelaat, dat spottend en glimlachend was als altijd.
âVoor drie dagen? Maar dat is immers gekheid, dat is niet mogelijk!'' zeide zij glimlachend : ,,Ge wilt met mij schertsen, heer zoon. Hoe zou 't mogelijk zijn dat Pauline, mijn kind, onze eenige dochter, sinds drie dagen te Berlijn was, zonder tot ons te komen en hare óuders te begroeten.quot;
â't Is niet alleen tnogelijk, dierbaarste mevrouw schoonmoeder, maar 'tis v/erkelijk zoo,quot; zeide Wiesel, een weinig-buigende.
De oude vrouw lette niet meer op hem. Zij wendde zich
174
tot hare dochter, en biet half met geweld het bedekte gelaat
van de borst baars vaders op. . ⢠, . j
âZie mij aan, Paulino, en zeg mij; is het zoo ishetde waarheid? Zijt ge sedert drie dagen te Berlijn?
Zij knikte haastig met bet fraaie hoofd. â âJa, moeder, sedert drie dagen, 't Is, zooals Kurt zeide,quot; voer zij verlegen en haperend voort: âwij waren zeer vermoeid van de reis, en moesten eerst een weinig bekomen. Ik verzoek om
vergeving.quot; ., .
De moeder hoorde niet wat zij zeide, zy slaakte een luiden kreet, en tranen vielen uit hare oogen
, Ik heb mijn kind verloren, mijn dierbaar geheld kind! riep zij smartelijk; âVader, zij bemint ons niet meer, zij is drie dagen te Berlijn, en heeft hare ouders nog met gezien
De oude geheimraad bad zich afgewend en was naar t venster gegaan, den rug naar zijn dochter gekeerd ; misschien om zijn tranen niet te laten zien.
âZiet ge wel, Kurt!quot; riep Pauline met een verwijtenden uitdrukking: âIk zeide bet u immers ' , â
Dat wij uwe ouders altoos nóg verrassen zouden, zei Kurt glimlachend ; âHet zou inderdaad beter zijn geweest zoo wij eerst een boodschap hadden gezonden en onze aankomst gemeld, in plaats van zoo plotseling bier in huis te vallen. Maar, Pauline, ge vergeet geheel en al, dat wij onzen lieven ouders ook eenige geschenken hebben medegebracht; de knecht zal ze naar boven hebben gedragen ^ ^ lt;
âJa, dat is waar,quot; viel Pauline hem in de rede: âik bid
u, Kurt, ga en haal ze.quot; , , ,
llii maakte een weigerende beweging met de handen, en lachte haar toe. â âOpdat ge ondertusschen pater peccavi kondt zeggen, en een sentimenteel tooneel opvoeren? Neen, mijn lieve. De knecht staat in de voorkamer, ik beboet slechts de deur te openen.quot;
Hij ging ijlings naar de deur, opende naar en wGnktG den
lakei, die met eenige pakken buiten stond, binnen te komen.
Hier, mijn waarde mevrouw moeder,quot; zeide hij vervolgens, met een doos de oude dame naderende: âbier is een hoed, dien wij voor u uit Parijs hebben medegebracht, het nieuwste model. En daar is een robe, geheel naar de allernieuwste
mode, zij zal uwe goedkeuring wegdragen, mevrouw. Ln
175
hier, mijn geëerde en hooggeachte heer schoonvader, hier neem ik de vrijheid, u een van die kostelijke, turksche pijpen te overhandigen, die thans in de voorname wereld mode zijn, sedert te Parijs de Turksche gezant de lieveling dei-vrouwen is geworden! Men rookt thans in de voornaamste salons slechts uit lange turksche pijpen, en ik hoop dat gij het dus óók zult beproeven.quot;
De geheimraad stond altoos nog aan 't venster en zag naar de straat, zonder zich tot hem om te wenden. Zijn vrouw hield altoos nog haar gelaat bedekt, en was weenend op een stoel nedergezonken.
,,Daar hebben wij nu het fraaie tooneel des wederziens,quot; riep Pauline heftig: âach moeder, ach vader! vergeeft mij dat ik eerst heden kom! Ik dacht niet, dat u dit zóó smarten zou. Wij hadden waarlijk zoo veel te bezorgen! Zoo veel te doen en te regelen in ons nieuwe huisâquot;
âDat ge volstrekt geen tijd hadt, uwe ouders te bezoeken,quot; viel haar de moeder in de rede, terwijl zij haastig hare oogen met den zakdoek droogde, en zich van den stoel oprichtte.
â't Is nu goed, ik begrijp en versta alles! Lieve Ciisar, Ik bid u, kom en laat ons het jonge echtpaar begroeten, geheel naar den vorm, zooals 't betaamt.quot;
De geheimraad streek met de hand over de oogen, vóór hij zich omwendde. Vervolgens naderde hij zijn echtgenoote en reikte haar de hand. â âGe hebt gelijk, mevrouw ! Wij willen de jonge echtgenooten begroeten en ons verheugen, dat zij ons de eer van hun bezoek geschonken hebben! Wij willen ook dankbaar de geschenken aannemen, die onshunne liefde uit Parijs heeft medegebracht.quot;
âZóó is het goed! Dat heet ik zich gedragen als kinderen der wereld en voorname lieden,quot; zei Wiesel glimlachend: ânu zijn wij op den rechten voet, mijn waarde schoonouders, en nu ben ik overtuigd, dat wij een zeer eensgezind en genoegelijk leven zullen leiden, want wij verstaan elkander. En nu, als ge wilt, laat ons praten en lachen, en Pauline, mijn dierbare vrouw, mag u verhalen welke ontzaglijke triomfen zij in de wereld gevierd, â en hoe men haar overal bewonderd en vereerd heeft; hoevele mannenharten zij gebroken â en hoeveel liefdeëeden zij ontvangen heeft.quot;
âEn gij hebt dat veroorloofd?quot; vroeg de moeder buiten adem
17G
en bevend : âGe hebt toegestaan, heer schoonzoon, dat men haai' het hof maakte, dat men haar, een gehuwde vrouw, liefdeëeden zwoer?quot;
Nu lachte Pauline luid. â âIk zou 't hem niet geraden hebben, mama, mij te willen verhinderen. De ouderwetsche begrippen van een trouwen teeder huwelijk, zijn Goddank thans niet meer geldig; en het behoort tot den voornamen toon, dat men een zwerm vleiers en aanbidders om zich heen heeft. Mijn waarde heer echtgenoot is een zeer verstandig en schrander man, en ik heb mij in 't minst niet over hem te beklagen ; dat moet ik u en papa tot uwe geruststelling zeggen.quot;
De ouders antwoordden niet, zagen elkander aan met een blik van zorg en smart, en spraken vervolgens met Pauline en haren echtgenoot over onverschillige dingen ; verhaalden hen van een en ander dat te Berlijn gedurende hunne afwezigheid was voorgevallen, en voerden met hen een dier gesprekken zooals men op een vluchtig morgenbezoek gewoon is. Maar somwijlenbeefden hierbij de lippen der moeder, en de vader hield zijn pijp vast tusschen zijn tanden, als vreesde hij dat zij elk oogenblik op den grond zou vallen, wijl een kreet van zijn lippen mocht klinken. Maar uiterlijk behielden zij toch de voorname en vriendelijk houding, en eerst toen Pauline en haar echtgenoot hen verlieten, boog mevrouw Gasar zich tot hare dochter en fluisterde haar in 't oor:
âWeet ge wat ge mij van Parijs hebt medegebracht, mijn kind?quot;
âNu,quot; zei Pauline glimlachend; âzeker weet ik het, mama! Een fraaien hoed en een zijden robe.quot;
âNeen,quot; zei de moeder zacht; âneen ! Een nagel aan mijn doodkist!quot;
âAch, moeder!quot; riep Pauline verbleekend ;âmoeder â quot;
Maar Mevrouw Gasar wenkte haar met de hand, boog statig, nam den arm van haren echtgenoot, en ging met hem heen.
âWaarachtig, een nieuwe manier om van zijne bezoekers afscheid te nemen!quot; zei Kurt Wiesel glimlachend: âIk ken dat, 't is vorstenmanier! Maar ik wist toch niet dat de geheimraad Casar zich in den vorstenstand had opgewerkt.
177
Nu wij zullen ons dus zonder groet en uitgeleide kunnen verwijderen.quot;
âJa,quot; zei Pauline met tranen in de oogen, terwiil zij hem met een toornigen blik aanschouwde; âja, wij kunnen ons verwijderen, dat heel; wij zijn uit het huis mijner ouders, waar ik als kind zoo gelukkig was, gestooten en dat is uiu schuld. En gelijk ik nu verstoeten word uit dit huis, zoo zal ik eens hier namaals uit den hemel worden verstoeten, en dat is wederom uw schuld!quot;
âKom,quot; lachte Wiesel: âwij zullen onze bezoeken afleggen. Nóg leven wij, en wij willen het leven genieten.quot;
Het jonge echtpaar legde bij alle bekenden, verwanten en vrienden van vorige dagen, plechtstatige aankomstbezoe-ken af en ontving vervolgens in de eerste dagen de tegenbezoeken.
Toen begon een lustig, vroolijk en weelderig leven. Alle dagen was in het huis van het jonge echtpaar openbare receptie, eiken middag voor tien onverwachte gasten de tafel gedekt, en iederen avond verzamelden zich in het salon de vrienden en bekenden, en voornamelijk de jonge cavaliers, die dongen naar de eer, in het huis van het jonge echtpaar Wiesel toegang te krijgen, en die allen ijverig de schoone. pikante, geestige en overmoedig dame het hof maakten.
Zij liet het zich wegevallen, lachte bij de liefde-betui-gingen, blies de opflikkerende vlammen tot hooger gloed aan, en vervolgens spotte zij en lachte om de liefde-verzekeringen en de zuchten om zich heen. Zij was immer opgeruimd, immers geestig en pikant; schertsende woorden vloeiden van hare lippen, en een zoete betoovering was over haar geheel behoorlijk wezen verbreid.
âZij is ook een godin,quot; zeide een barer bewonderaars, Gustaaf von Brinkmann, tot Pauline's vriendin, tot Rahel Lewin; âja, zij is een godin; en ik dank alle goden, dat ik dit hemelverschijnsel gekend heb, en beminnen wil ik haar, zoolang ik nog gevoel heb voor 'tgeen schoon, beminnelijk, orgineel, geestig en eenig is! Ik beschouw haar volstrekt als een verschijning uit de grieksche godenleer.'t Is niet mogelijk haar zoo in een menschelijke gestalte te zien zonder haar te beminnen! l^n tóch moet men zich tevre-
12
Mühlbaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. VIII,
178
den stellen haar te aanbidden, en met duizenden om haar gemeenschappelijke bescherming te smeeken.quot; ^
Pauline had onbemerkt achter beiden gestaan, en deze ontboezeming van den heer Brinkmann gehoord.
Zij lachte luid. â âGij hebt u daar in éénen adem weersproken,quot; zeide zij; âge wilt u tevreden stellen met mij te aanbidden, en dan wilt ge tegelijk met duizenden om mijn bescherming smeeken. Dat gaat niet, mijn fraaie cavalier; aanbidden kan men slechts stom en zwijgend, en de bescherming waarom ge, smeekt, zou toch slechts tegen mij zelve gericht zijn en tegen de vijanden, die uit mijne oogen vlammen. Want nietwaar, zoo is het immers? Ik ben Amor en Venus in één persoon! En daarnevens mijn heer echtgenoot als Vulkanus. Een allerliefste rol, welke ik hem opleg!quot;
Zij lachte als een overmoedig kind, en trok den heer von Brinkmann, â dien zijn liefde voor haar somber en ernstig had gemaakt, â in de zaal en draaide met hem rond in vroolijken dans naar de maat van den wals, dien Kurt Wiesel juist op het klavier begonnen was.
Zij scheen vroolijk en gelukkig, de schoone Paulino! Maar op zekeren dag kwam zij bij haar vriendin Rahel Lewin, met bleeke wangen en treurig gelaat.
âRahel,quot; zeide zij; âik wil mijn hart voor u uitstorten. Ik gevoel mij ontzaglijk ellendig, vol verveling en neerslachtig. Niets vermaakt mij, alles staat mij tegen, Rahel. Ik ben nauwelijks twintig jaar, en reeds oud als een grijze honderdjarige vrouw. Ik gevoel, ik zou dol worden zoo ik er niet met u over spreken kon.quot;
Rahel Lewin, zag ernstig, schier treurig met hare groote, diep in de ziel dringende oogen, in het gelaat van haar schoone vriendin.
âKomt ge eindelijk, Paula? Ik heb u al weken lang verwacht, en dacht steeds: op zekeren dag zal de schors breken, en de tranen zullen neervallen uit het lachend, fraaie aangezicht. Toen ge weggingt, Paula, waart ge een jonge rozeknop, en nu zijn er nauwelijks twee jaren verstreken, â daar komt ge terug, niet alleen als een opengebroken rozeknop, als een wonderschoone eentifolia, neen, de
1) Uit de nalaten blieven van Varnhagen von Ense. I Deel 256.
179
bladeren beginnen reeds te verwelken, schoon ze nauwelijks ontplooid zijn. Arm kind! en toch benijdenswaardig kind! Ge zijl misschien de rechte wijsgeer voor het leven, want gij geniet het, terwijl ik er mij slechts aan onderwerp! Ik heb al deze weken lang gedacht en bij mij overlegd: wij zijn in den grond dezelfde wezens, gij en ik, en ik geloof de beginselen van uw geheel wezen beter te kennen dan gij zelve, 't Zijn ook mijne beginselen, maar met een onderscheid: gij leeft voor alles, wijl gij er den moed en het geluk toe hebt, en ik denk mij meest dat alles, wijl ik geen geluk had en geen moed vatte.quot; 1)
Pauline knikte. â âJa, Rabel, den moed heb ik om de waarheid te zeggen, en voor de waarheid te leven. Ook weet ik wel, zij zullen mij daarom in de wereld steenigen en met den vinger naar mij wijzen en zeggen: Dat is de schoone Pauline, de allemansschoonheid, de levenskunstenares! Maar wat stoor ik er mij aan. Ik heb het leven, zooals het is, aangenomen, als een kunst en als een genoegen, en zoo wil ik voortleven; en daarom juist, llahel, ben ik in vertwijfeling.quot;
,,Nu dan, waarom?quot; vroeg Rabel Lewin.
âWaarom?quot; riep Pauline in tranen losbrekende: âIk zal 't u zeggen, Rabel: wijl ik zoo gaarne een huiselijke vrouw zou zijn geworden! Ik had zoo gaarne mijn man lief gehad en mijn kinderen bemind; ik zou mijn deur voor alle aanbidders en erbarmelijke, vervelende, laffe kerels gesloten hebben, en een eerbare, deugdzame gade zijn geweest, zooals 't in de oude kronijken heet. En zie, dat is de ongelukkige tweestrijd in mij; ik heb de wijsheid des levens in mij opgenomen en weet, dat er niets is dan vermaak of verdriet, en ben tóch de teêrgevoelige dochter mijner ouders, en schaam mij dat ik niets wil dan vermaak.quot;
Rabel Lewin knikte, en zag met den blik eener zienster voor zich.
âIk ken dat alles,quot; zeide zij; âik heb dat alles in mij zelve doorgestreden en door geworsteld, en gij zijt gelukkiger dan ik. Op een dag, aan het einde van ons leven, zult ge dit erkennen, mijn kind. Uitgesloten zijn wij beiden van
1
Rahel's eigen woorden. Zie: Aus dem Naohlaas Varnhagen's von Ense 1. 290.
180
de maatschappij. â Gij, wijl gij haar beleedigdet, â ik wensch u er geluk mede, want ge hadt toch iets: vele dagen van genot, â ik wijl ik niet met de wereld zondigen en liegen kan. Ik ken uwe inwendige geschiedenis, Paula: elke beleediging, welke gij de wereld toebracht, kwetste u zelve. Ik weet stap voor stap, hoe dat zoo gekomen is, en ken uw inwendig klagen en weenen en jammeren. Ten oorlog zoudt ge willen trekken, want ge weet niet waarheen u te wenden met dien ontzaglijken voorraad, met den toestel van hart en leven. Niet alle vrouwen zijn teergevoelige, zich zelve vernietigende en opofferende nonnen. Ja, ten oorlog zou men willen trekken; ik óók, om voedsel te zoeken voor de roeping, waarmede de Natuur iemand in het leven heeft gezonden. Bij den Almachtige, bij den eeuwigen God op den hoogen rechterstoel! Men trekt voor minder ten oorlog, Paula, en men wordt er voor geëerd. En ik weet; hoe alles verder gegaan is. Zoo ge in Wiesel's boezem een hart hadt gevonden, ge hadt nooit een ander gezocht; maar hij redeneerde bij zijn gebrek aan harten bij zijn ongelukkigen overvloed van woorden en sophismen, uw te laat gevormden en beschroomden geest in dwaling. Ik weet alles! Uw beter bewustzijn leefde steeds er nevens, hij kon het niet dooden. Om te lijden is uw sterk hart niet geschapen, het moet andere bezigheid hebben ; zoo ook uwe oogen, uwe zinnen! En toen zocht ge rond, zocht en zocht de gelijkgestemde ziel, zooals ik die reeds menig jaar gezocht heb; en wijl ik haar niet gevonden heb, heb ik mij teruggetrokken in mijn eigen ik, en ben mij zelve genoeg; ik zie, gelijk de ster hierboven, het nietig gewoel des levens aan en veracht het. Gij echter, Paula, gij kunt niet ophouden te zoeken, en in een ster boven de wereld is uw plaats niet. Zoek dus en zoek voort met rustelooze, wanhopende begeerlijkheid. Arm kind, meent ge dan, dat een man in staat u te begrijpen en te beminnen, â dat zulk een man te vinden is?quot;
âJa,quot; zeide Pauline, heftig haar hand nemende; ,.Ja, Rahel, hij is te vinden, en ik weet waar hij is. Hij is bij m.quot;
âBij mij?'' riep Rahel, geheel ontsteld achteruittredende.
âJa, bij u, Bahel. Hij komt bij u; hij verheugt zich over uw geest, hij vertrouwt u, hij noemt u zijn lieve
181
kleine, en verlaat dikwijls het Hof en de schitterende gezelschappen, om tot u te komen!quot;
âPrins Louis Ferdinand?quot; riep Rahel haar toe: âHèm begeert gij ; hèm bemint gij ?quot;
âGij bemint hem wellicht óók, Rahel ?quot; riep Pauline heftig: âNu beeft ge! Ha, ge wilt het u zelve niet bekennen,. Ja, ge bemint hem, ge bemint prins Louis Ferdinand en wilt hem mij niet gunnen, en wilt het niet zeggen. Wij beiden zijn toch voor elkander geschapen. Gij bemint prins Louis Ferdinand, en ook mijn hart behoort hem. Lang reeds, jaar op jaar heb ik hem verwacht, en op mijn bruiloft kwam hij, en toen heelt Wiesel mij voorspeld: âDat is uw toekomst, prins Louis Ferdinand is uw toekomst.quot; En ik heb aan hem gedacht in de twee jaren, toen ik vroolijk het leven leerde kennen, en nu ben ik hier en verlang naar hem als naar mijn verlosser, en ik moet hem wederzien!quot;
âMoet hem wederzien!quot; zei Rahel peinzend.
âJa, ik moet, en zoo ge het niet dulden wilt, Rahel, wijl ge ijverzuchtig op mij zijt, dan ga ik tot hem, nog in dit uur. Ik kan niet langer mijn verlangen naar hem bedwingen.quot;
âStil, Paula!quot; riep Rahel, en nu verhief zich de kleine, teedere gestalte fier en gebiedend als een koningin: âGe zegt ik ben ijverzuchtig; ge zegt, ik bemin hem en ge wilt hem zien; â gij zult hem zien! Ik weet waar bij juist nu te vinden is, kom! Gij zult hem zien!quot;
âGe wilt mij tot hem voeren?quot; riep Pauline met vlammend gelaat.
âJa, tot hem. Ge zult hem zien, en ge zult weten of ik hem bemin. Zeg geen woord, Paula, wees stil en volg mij.quot;
Zij schelde haar dienstmeisje en beval haar een rijtuig te halen, kleedde zich vervolgens haastig, niet opzichtig en niet elegant, zooals Rahel Lewin steeds gewoon was, nam hierop den arm barer schoone vriendin en ging met haar naar het rijtuig.
âNaar de Frederiksstraat,quot; zeide zij totden koetsier; âtot bij de Weidendammer brug. Ik zal tikken als we er zijn!quot;
âEn nu, Paula,'' voer zij voort, zich op de bank achter-overvlijende; âspreek nu geen woord. Laat u niets verklaren, ge zult alles zien. Er zijn waarheden, mijn kind, die slechts gezien, â en niet met woorden uitgedrukt kun-
482
nen worden. Ge zult, gelijk de jongeling teSaïs, de waarheid zien.quot;
Het rijtuig ratelde door de straten en hield stil voor het kleine, morsige en half vervallen huis, bij 't welk Rahel den koetsier het teeken gaf. zij stegen uit, en traden in het donkere enge voorhuis. Paulina bleef staan, en zag hare vriendin verwonderd aan.
âZal ik hier prins Louis Ferdinand zien?quot; fluisterde zij.
Rahel knikte. â âKom met mij!quot;
Zij trok Pauline met zich voort de trap op, en nog een trap op, en toen op de smalle ladder, die naar de vliering voerde.
Boven op het donker, ellendig vlieringportaal bleef Rahel hijgend een oogenblik staan.
,.Achter deze armzalige deur woont een arme Jood; hij heeft niemand ter wereld, die hem bijstaat, en schreef in zijn zielsnood aan mij, wijl ook ik tot den stam van Juda behoor. Dus ging ik tot hem en bracht hem bijstand in zijn nood, dat heet: ik heb met hem geweend, ik heb beproefd zijn tranen te drogen, en hem een weinig voedsel gegeven, want de oude man had moeten verhongeren. En boven in het dakkamertje zag ik iets, dat ook gij zult zien. Kom!quot;
Zij voerde haar nu het armoedig vertrek binnen, waar op den achtergrond in 't bed, een arm zwak grijsaard van koorts lag te klappertanden. Rahel Lewin ging tot hem en reikte hem de hand; en toen hij die met luide uitroepen van verrukking aan zijne lippen drukte, glimlachte zij.
âSchmuel Loser,quot; zeide zij, âals ge tot God gaat, groet hem van mij en vraag hem : wat wij Joden op aarde misdaan hebben ? En zoo ge kunt, Schmuel, daal dan weder neder van daarboven en zeg het mij, want dan zou de treurige verborgenheid mijns levens opgelost zijn. Ook groet van mij, Schmuel, de engelen in den hemel, als er daar zijn, en groet mijn moedertje en zeg haar, dat ik niet boos op haar ben dat zij mij gebaard heeft, 't Is toch soms fraai in de wTereld, en soms schijnt de zon. En nu sluit de oogen, Schmuel Löser, en denk aan God en de aartsvaders.quot;
De oude man knikte, kuste haar hand, sloot de oogen en zeide: hij wilde met God spreken van Rahel Lewin, die een engel was op aarde.
183
Zij schudde haar hoofd met een glimlach, die over haar niet fraai aangezicht den zonneschijn vangeestes-schoonheid liet stralen, nam vervolgens den arm van Pauline en voerde haar uit de dakkamer, in de nog kleinere nevenkamer. Hoog tegen de zoldering was een klein venster, een dakluik waardoor de enge ruimte licht en lucht ontving. Voor dat venster stond een soort van trapje, vier treden hoog, breed genoeg dat twee menschen het konden bestijgen. En dit deed nu Rahel Lewin met haar schoone begeleidster, sloeg vervolgens haar arm om de taille der vriendin, en wees met de rechterhand naar het groote huis aan de overzijde.
,,Ziet ge daar de twee verlichte vensters, Paula?quot;
âJa, Rahel, ik zie ze; ik zie ook menschen, die in de kamer heen en weder gaan: zij hebben de gordijnen niet nedergelaten.quot;
Rahel hief het hoofd op met een zonderlingen glimlach.â âZij vreezen de wereld niet, en vergeten in hun liefdegeluk dat er nog'menschen in de wereld zijn-wij echter moeten er aan denken, Pauline. Zie nu met uw scherpe adelaars-oogen recht hierover. Ziet ge?''
âJa, ik zie daar een vrouw,quot; zei Pauline; âeen schoone, jonge vrouw, sierlijk van gestalte en fraai gekleed. Zij zit op een vergulden stoel, en houdt in haar arm een wonderschoon kind.quot;
âNietwaar, 't is een fraaie schilderij ?quot; zei Rahel Lewin âToen ik voor een paar weken voor 't eerst toevallig hier door zag, benam mij deze fraaie schilderij schier 't verstand, en ik heb geschreid en gewoed als een leeuwin, Paula. Maar nu is 't voorbij, en nu zult ge met mij zien, Paula. Ziet ge daar die hooge schaduw op den achtergrond der kamer?quot;
â't Is een man!quot; riep Pauline levendig; âIs 'tde echtgenoot der schoone vrouw?''
âHij komt nader, zie maar, zie,quot; zei Rahel, geheel verdiept in den aanblik van het tafereel, dat zich ginds achter de vensters aan haar vertoonde.
âJa, hij komt nader,quot; fluisterde Pauline; âen nu, nu knielt hij voor haar neder.quot;
âJuist zooals ik het 'teerst heb gezien,quot; zuchtte Rahel: âHet zou een verrukkelijk tafereel zijn, zoo het niet doodelijk treurig was. Ziet ge hem nu ?quot;
184
,,Ja, 't een hoog, statig man. Met welk een innigheid legt hij nu knielend zijn arm om de slanke taille zijner geliefde, en drukt tegelijk het kind aan zijn borst. O, dat is een fraai gezicht, Rahel. Wie kan hij zijn?''
âWacht slechts,quot; zei R.ahel: âhet licht staat zóó, dat ge hem terstond herkennen zult als hij 't hoofd omwendt. Nu ! Herkent ge hem ?quot;
Nu gilde Pauline luid: â't Is prins Louis Ferdinand!quot; âJa, hij is 't. Zie, nu heft hij haar op van den armstoel in zijne armen, en kust haar innig en hartstochtelijk.quot;
âJa, hij doet het!quot; riep Pauline Wiesel; âEn dat is prins Louis Ferdinand, naar wien ik verlang, dien ik beminâquot; âEn dien ge nu vergeten zult, Paula; want ge ziet; hij bemint u niet.''
âVergeten?!quot; riep Pauline, luid lachende: âvergeten ! en waarom vergeten, daar ik hem toch bemin1?quot;
âVergeten, wijl hij u niet bemint, Pauline,quot; zei Rahel plechtig. âMen mag op aarde veel doen en veel beproeven, kind; maar stelen mag men niet, dat is oneerlijk, dat is gemeen. En zie, hij heeft aan de schoone Henriëtte Fromm zijn hart geschonken; reeds sinds twee jaren is zij zijn geliefde. Hij heeft zich eens in gloeienden hartstocht van haar verwijderd; maar nadat zijn hart een groote smart had ondervonden is hij tot haar teruggekeerd, en het trouwe, zachte hart heeft hem vergeven, en is hem trouw gebleven. Zij is de moedea- van zijn kind, Paula. Gij kunt haar zijn liefde niet willen ontstelen.quot;
âEn ik wil en ik zal het doen quot; riep Paulina Wiesel met vlammende oogen, âgij zegt: men mag alles, maar stelen mag men niet? Maar, mijn kind; het geheele leven is niets anders dan een eeuwige poging om te stelen. De een ontsteelt den ander wat hij kan: geluk, leven, vermogen, alles. 't Is een roofstelsel in de wereld. Ik wil mijn aandeel hebben, en gindsche vrouw zal wegens mij bloedige tranen weenen. Want ik wil haar prins Louis Ferdinand ontstelen; ik wil dat hij mij bemint!quot;
âEn ik,quot; zeide Rahel, heftiger, dan zij gewoon was te zijn: âik verbied het u Pauline, dat ge deze schoone, jonge vrouw ongelukkig maakt.quot;
âGe wilt dus liever mij ongelukkig zien?quot; riep Pauline heftig: âwant ik zeg het u, Rahel: ik ben ongelukkig zon-
185
der den prins; ik verlang naar hem, ik bemin hem hartstochtelijk. En ik, ziet ge, â ik heb niet gelijk gij den moed, te ontberen en in de sterren te leven. Ik leef op aarde, en ik wil niet ontberen.quot;--
En nog in denzelfden nacht toen Pauline was tehuis gekomen, schreef zij en billet aan prins Louis Ferdinand, een schertsend, vroolijk briefje, en berichtte hem, dal zij van haar huwelijksreis teruggekeerd was, en hem ter begroeting verwachtte.
Den volgenden middag hield het rijtuig van prins Louis Ferdinand stil voor de deur der schoone Pauline Wiesel, de prins sprong er uit en ijlde de trap op, tot begroeting der schoone Aspasia van Berlijn.
184
âJa, 't een hoog, statig man. Met welk een innigheid le^t hij nu knielend zijn arm o.m de slanke taille zijner geliefde, en drukt tegelijk het kind aan zijn borst. O, dat is een fraai gezicht, Rahel. Wie kan hij zijn?''
âWacht slechts,quot; zei Rahel: âhet licht staat zóó, dat ge hem terstond herkennen zult als hij't hoofd omwendt. Nu ! Herkent ge hem ?quot;
Nu gilde Pauline luid; â't Is prins Louis Ferdinand!quot; âJa, hij is 't. Zie, nu heft hij haar op van den armstoel in zijne armen, en kust haar innig en hartstochtelijk.quot;
âJa, hij doet het!quot; riep Pauline Wiesel: âEn dat is prins Louis Ferdinand, naar wien ik verlang, dien ik beminâquot; âEn dien ge nu vergeten zult, Paula; want ge ziet; hij bemint u niet.''
âVergeten?!quot; riep Pauline, luid lachende: âvergeten ! en waarom vergeten, daar ik hem toch bemin?quot;
âVergeten, wijl hij u niet bemint, Pauline,quot; zei Rahel plechtig. âMen mag op aarde veel doen en veel beproeven, kind; maar stelen mag men niet, dat is oneerlijk, dat is gemeen. En zie, hij heeft aan de schoone Henriëtte Fromm zijn hart geschonken; reeds sinds twee jaren is zij zijn geliefde. Hij heeft zich eens in gloeienden hartstocht van haar verwijderd; maar nadat zijn hart een groote smart had ondervonden is hij tot haar teruggekeerd, en het trouwe, zachte hart heeft hem vergeven, en is hem trouw gebleven. Zij is de moeder van zijn kind, Paula. Gij kunt haar zijn liefde niet willen ontstelen.quot;
âEn ik wil en ik zal het doen quot; riep Paulina Wiesel met vlammende oogen, âgij zegt: men mag alles, maar stelen mag men niet? Maar, mijn kind; het geheele leven is niets anders dan een eeuwige poging om te stelen. De een ontsteelt. den ander wat hij kan; geluk, leven, vermogen, a^es. 't Is een roofstelsel in de wereld. Ik wil mijn aandeel hebben, en gindsche vrouw zal wegens mij bloedige tranen weenen. Want ik wil haar prins Louis Ferdinand ontstelen; ik wil dat hij mij bemint!quot;
âEn ik,quot; zeide Rahel, heftiger, dan zij gewoon was te zijn; ,,ik verbied het u Pauline, dat ge deze schoone, jonge vrouw ongelukkig maakt.quot;
âGe wilt dus liever mij ongelukkig zien?quot; riep Pauline heftig: âwant ik zeg het u, itahel: ik ben ongelukkig zon-
185
der den prins; ik verlang naar hem, ik bemin hem hartstochtelijk. En ik, ziet ge, â ik heb niet gelijk gij den moed, te ontberen en in de sterren te leven. Ik leef op aarde, en ik wil niet ontberen.quot;--
En nog in denzelfden nacht toen Pauline was tehuis gekomen, schreef zij en billet aan prins Louis Ferdinand, een schertsend, vroolijk briefje, en berichtte hem, dal zij van haar huwelijksreis teruggekeerd was, en hem ter begroeting verwachtte.
Den volgenden middag hield het rijtuig van prins Louis Ferdinand stil voor de deur der schoone Pauline Wiesel, dé prins sprong er uit en ijlde de trap op, tot begroeting der schoone Aspasia van Berlijn.
VIJFDE BOEK
HET JAAR 1806,
1.
DE KEIZERSKROON.
Op den twee-en-twintigsten Mei van het jaar 1804 had Bonaparte in Frankrijk zijn werk de kroon opgezet, de monarchie hersteld, en het repuhlikeinsche E'rankrijk veranderde zich in het keizerlijk Frankrijk. Op den twintigsten Mei werd de generaal en eerste Consul Bonaparte verheven tot Napoleon den Eerste, Keizer der Franschen! De republikeinen moesten dit tandenknarsend en in 't diepste hunner ziel vertoornd, laten geschieden; de legitimisten bogen voor den nieuwen Keizer, of vloden naar hunne kasteelen en leefden daar eenzaam en alleen, wrokkende over Frankrijks lot en verlangend uitziende naar de Bourbonsin ballingschap.
Maar het volk van Fi ankrijk juichte den Keizer der Fran-schen toe, en was gelukkig, een Hof en de pracht der monarchie te Parijs hersteld te zien.
Maar de Vorsten van Europa, de Keizers en Koningen, die steeds dreigend de hand tegen den overweldiger, den tiran, den gehalen fortuinzoeker hebben opgeheven, hoe zullen deze Napoleon's verheffing opnemen? Zal nu niet een weegeschrei, een gebrul van woede door geheel Europa gaan? Zullen nu de volken zich met elkander verbinden, en op den roep hunner Vorsten gewapend uittrekken tegen het keizerlijke Frankrijk, om den overweldiger van den troon te stooten ?
Geen van al de Duitsche Vorsten denkt hieraan; geen waagt het ook slechts een dreigende stem, â veel minder
187
nog het zwaard te verheffen tegen den nieuwen Keizer der Franschen!
Friedrich Wilhelm de Derde gaf het eeerst den Euro-peeschen vorsten het voorbeeld, hoe men zich te voegen had in den wil van Napoleon; â dezen wil die thans wet is voor Europa. Friedrich Wilhelm schreef eigenhandig, zoodra hij het officiëele bericht van Napoleon's kroning vernomen had, een brief aan den Keizer.
âMijnheer en Broeder, de wensch met uwe Keizerlijke Majesteit de betrekking van vriendschap en volkomen overeenstemming te onderhouden en voort te zetten, â waarin ik mij tot mijn genoegen tot nu toe met de Fransche regeering bevonden heb â en u tegelijk mijn hooge persoon-lijke achting te kennen te geven, heeft mij bewogen mijn staatsminister, den markies de Lucchesini met dezen af te zenden, om hem bij uw persoon in de hoedanigheid van buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te accredi-teeren. Ik verzoek derhalve alle geloof te willen schenken aan 'tgeen hij de eer zal hebben van mijne zijde te zeggen en voortedragen! Bijzonder zal hij mijn bedoeling vervullen, door Uwe Majesteit de gezindheid te kennen te geven, welke ik bestendig voor u gekoesterd heb; het oprechte deel, dat ik niet opgehouden heb aan alles te nemen, wat uw geluk en het welzijn der natie, welke gij beheerscht, vermeerderen en bevestigen kan, en mijn vurigen wensch, dat dit door den gelukkigen terugkeer van de rust en den vrede in Europa, spoedig nog verhoogd moge worden. Ge zult in mijn wijze van denken en handelen steeds dezelfde oprechtheid en het vertrouwen op de uwe terugvinden, welke ik u steeds heb trachten te bewijzen.quot;
Toen de Koning dezen brief geschreven had, legde hij hem voor zich op de tafel en las hem nog eens met peinzend gelaat, langzaam elk woord overwegende. Vervolgens zuchtte hij diep.
âEen hard besluit! 'tZou mij aangenamer zijn, in plaats van de pen, het zwaard te kunnen nemen en dezen Bonaparte een streep door zijn keizerlijke rekening te maken ! Ik moet den advocatenzoon mijn lieven broeder noemen. Een afschuwelijke comedie, welke men spelen moet; en toch jhoc/ men liet doen! Ik moet vóór alles doen wat mijn geweten
o
188
mij beveelt, en 't geen noodwendig is voor de rust en het geluk van mijn volk. Ja, ik moet mij voegen!''
De Koning stond op en ging, de handen op den rug gevouwen, herhaaldelijk in het kahinet op en neêr, bleef somwijlen staan, als aarzelde hij nóg het papier te verzenden, maar vervolgens vouwde hij het met een haastig besluit dicht, stak het in een couvert en schreef er zelf het adres op. Toen riep hij graaf Lucchesini, die reeds in de voorkamer wachtte, ïjij zich binnen, om hem den brief te overhandigen en hem nog ernstig op 'thart te drukken, zeer vele en nadrukkelijke verzekeringen van 's Koningsgenegenheid te Parijs te geven.
Ook in Oostenrijk had een bijzonder Fransch gezant het bericht van Napoleon's troon verheffing overgebracht en ge-wenscht, dat de Keizer van Duitschland die zou erkennen.
Toen de graaf von Metternich zijn meester. Keizer Frans, Napoleon's wensch aankondigde, lachte Frans luid, met dien dreigenden spottenden lach, die zijn inwendigen haat en zijn machteloozen toorn verried.
âEen fraaie geschiedenis, graaf Metternich!quot; zeide hij : âAls advocaatszonen reeds beginnen willen Keizer te worden, dan schijnt het mij niet ver van 's werelds ondergang te zijn, en de Keizerszonen zullen spoedig moeten beginnen advocaat te worden, en te handelen en te pleiten voor hun goed recht!
,.Uwe Majesteit, heeft daar, zooals altijd, het rechte getroffen !quot; .zei Metternich met zijn fijnen diplomatischen glimlach: âJa, de Keizerszonen en de Keizers zei ven moeten nu beginnen advocaat te worden, om hun goed recht te verdedigen! En vóór alles moeten zij ook wijs zijn en sluw; zij moeten de tegenpartij zand in de oogen strooien !''
De Keizer lachte, en richtte zijn kleine grijze, oogen met een vragende uitdrukking op het glimlachend gelaat van zijn minister. â âGe wilt hiermede zeggen, dat wij de Keizerskroon van den advocatenzoon maar erkennen moeten, nietwaar? Ik meen het zelf, 'tzal wel niet anders zijn! 't is toch een raar ding in de wereld als iemand geluk heeft,! Weet ge 't nog, Metternich, toen ik de regeering aanvaardde, schreeuwden wij allen moord en brand overdenpennelikker, den luitenant Bonaparte; wilden hem nauwelijks erkennen als generaal, en was hij voor ons enkel een sansculotte!
189
En mijne generaals zwoeren mij; zij wilden hem terugjagen naar Parijs, den sansculotte met zijn bedelarmée! Maar het gebeurde toch anders; en bij den vrede van Campo Formio schimpten zij niet meer zoo en dachten toen: hij is een 'groot generaal, en 't is goed vrede met hem te maken; 't is een genie ! En weet ge, Metternich, toen zij dat gezegd hadden, ben ik eei-st recht begonnen hem te haten, want ik haat de geniën! Er is niets met hen aan te vangen; zij willen immer de wereld op het hoofd zetten, en dat heeten zij geniaal! En toen zij zeiden : Bonaparte is een genie, toen wist ik dat hij de geheele wereld op het hoofd zou zetten, zooals hij nu gedaan heeft! Dit groote genie heeft geen vrede kunnen houden, in weerwil van de vredesverdragen, en is er weder op losgegaan; toen hebben mijn generaals wel ernstige gezichten gezet en gezegd: men moest den tiran en bloedmensch terugjagen. Dit was een nieuwe titel, en zij dachten er mede te overwinnen, maar er is weder niets van gekomen! En wij hebben ons andermaal moeten onderwerpen, en de beschimpingen zijn anders geworden, en zij hebben hem nu genoemd den eersten Consul en den eersten veroveraar! Toen kwam bij den aanvang van dit jaar de geschiedenis met den hertog van Enghien. Er ging weder een moordgeschreeuw door geheel Europa, en nu heette hij weder de koningsmoorder. En alles maakte een vuist in den zak, en brulde en schreeuwde: âDat kunnen wij niet dulden; de bloeddorstige tijger mag niet langer over Frankrijk regeeren!quot; â En zie, daar legt de bloeddorstige tijger een purperen mantel met gouden bijen om zijn schouders en fluks zijn hiermede alle bloedvlekken bedekt, en niemand ziet meer de hand van de bloedigen tijger; ziet nog slechts de hand, die den scepter houdt. Fluks buigen zich allen op de knieën, en mijn broeder in Pruisen is de eerste, die hem geluk wenscht en erkent. Zeg dus nu, Metternich, wat meent ge dat uiy doen moeten?quot;
âIk meen, mijn genadigste heer en keizer,quot; antwoordde Metternich; âdat Ãwe Majesteit juist datgene moet doen, wat zij in hare wijsheid erkend heeft. De advocaatszoon is Keizer, de Keizer moet nu zijn eigen advocaat zijn, en zijn rechten verdedigen; en opdat hij dit kunne, moet hij eerst bonne mine au mauvais jeu maken, tot de tijd gekomen is om revanche te nemen! Maar een weinig mocht Uwe
190
Majesteit toch wel nu reeds hare rechten verdedigen, en de Keizer van het heilige Roomsche rijk â
,,Och wat!quot; viel de Keizer hem in de rede: âSpreek mij niet van den Keizer van Duitschland; ik ben de zaak hartelijk moede! Wij zijn 't immers beiden eens, dat ik den voddenboel ter zijde werp! De Keizer van het heilige Roomsche rijk is niets meer dan een zotskap, en de kroon van het heilige Roomsche rijk klinkt mij nog slechts in de ooren! 't Is mij volkomen 't zelfde wat met het heilige Roomsche rijk gebeurt; ik ben er zat van, ik wil de holle noot niet kraken! Het blijtt er bij, Metternich! Hebt ge het geschrift nog niet opgesteld dat wij den Duitschen rijkskanselier willen overhandigen, dat ik de Keizerskroon van Duitschland nederleg ?quot;
â't Ts reeds onderhanden,quot; antwoordde Metternichbuigend; âmaar wegens den langzamen gang der zaken bij het Duitsche rijk, kan het nog eenige jaren duren, voor de zaken afgedaan zijn. en Uwe Majesteit van den last der Duitsche Keizerskroon bevrijd is. Ik heb mij dus zooeven verkeerd uitgedrukt, toen ik Uwe Majesteit onderdanigst verzocht, de rechten der Keizerlijke kroon van het Duitsche rijk te verdedigen ; zeggen wij liever de rechten van den Keizer van Oostenrijk! Dat zal toch de titel zijn, dien Uwe Majesteit na het nedeqeggen der Duitsche Keizerskroon wil aannemen ?''
Frans knikte. â â En ik hoop, dat deze splinternieuwe Keizer der Franschen, niets zal willen ondernemen tegen den Keizer van Oostenrijk.quot;
âWij moeten er reeds vooraf voor zorgen dat hij 'tniet kan!quot; antwoordde Metternich: âOok buitenslands moeten de rechten van den Keizer van Oostenrijk verzekerd worden, en daarom, dunkt mij, moest Uwe Majesteit tót voorwaarde barer erkenning van den Keizer der Franschen stellen; dat de Keizer van Oosteniljk ten allen tijde den voorrang boven hem zal hebben.quot;
âDat spreekt van zelf!quot; zei Frans levendig ; âhet zal den advocaatszoon toch niet in t hoofd komen den voorrang te willen hebben boven een zoon van het oude Huis der Habsburgers en Lotharingers? Natuurlijk stellen wij dit als voorwaarde; en ge moet het terstond den gezant zeggen, Metternich!quot;
Maar 't kwam den Keizer der Franschen wel degelijk in
101
'l hoofd, den voorrang te willen hebben boven den zoon der Habsburgers en Lotharingers. Hij liet dadelijk en beslissend het antwoord naar Weenen gaan, dat het onmogelijk was den toekomstigen Keizer van Oostenrijk den voorrang te bewilligen!
âWant,quot; zei Napoleon met een ironiscben lach tot graaf Gobentzl, die hem als Oostenrijksch gezant den wensch zijns meesters mededeelde; ,, want, hoe zou dit mogelijk zijn, boe zou dit met de etikelte overeenkomen'? De Keizer van Oostenrijk zal dan de jongere Keizer zijn tegenover den Keizer der Franschen. Uw meester heeft mij immers aangekondigd, dat hij de Duitsche Keizerskroon wilnederleggen, en hij heelt gelijk, zich van de vodderij van spinnewebben en vermolmde heerlijkheid te bevrijden. En als hij dan de keizerskroon van Oostenrijk op zijn hootd zet, is mijn dynastie de oudste, en 't is dus zeer natuurlijk, dat de Keizer der Franschen den voorrang heeft boven den Keizer van Oostenrijk. Meld dit uwen meester.quot;
Graaf Gobentzl ijlde naar Weenen, om het antwoord van den trotschen Keizer der Franschen over te brengen.
âEn wat raadt ge mij?quot; vroeg de Keizer glimlachend.
âMajesteit, Bonaparte is een universeel genie;alle Keizers der wereld moeten zich vereerd gevoelen, zich met hem op denzelfden rang te kunnen stellen!quot;1)
De Keizer lachte luid. â âZeg eens, Gobentzl; waart f/y het niet, wien Bonaparte vroeger te Gampo Fortnio bij de vredesonderhandeling den drinkkop voor de voeten wierp, toen ge iets vorderdet, wat hem niet aanstond, en zocht ge niet ootmoedig de scherven aan zijne voeten op, en deedt wat hij wilde? Ja, yij waart het, en ik vind het ook zeer natuurlijk dat ge, âdaar ge reeds iomde scherven opzocht voor Bonaparte, â ook alleronderdanigst voor den Keizer der Franschen buigt en kruipt!'t Is toch een kluchtige wereld! Wie het geluk heeft, heeft de kroon, en wie tegenspoed heeft, heeft de narrenkap! Nu, voor het oogenblik heeft Napoleon de kroon, en wij willen haar hem niet betwisten. Zeg hem dat hij den voorrang hebben zal. Ik hoop, dat ik nooit met hem zal samen komen, en achter hem zal moeten gaan.quot;
1
De eigen woorden van graaf Gobentzl.
190
Majesteit toch wel nu reeds hare rechten verdedigen, en de Keizer van het heilige Roomsche rijk â
,,Och wat!quot; viel de Keizer hem in de rede: âSpreek mij niet van den Keizer van Duitschland; ik ben de zaak hartelijk moede! Wij zijn 't immers beiden eens, dat ik den voddenboel ter zijde werp! De Keizer van het heilige Roomsche rijk is niets meer dan een zotskap, en de kroon van het heilige Roomsche rijk klinkt mij nog slechts in de ooren! 't Is mij volkomen 't zelfde wat met het heilige Roomsche rijk gebeurt; ik ben er zat van, ik wil de holle noot niet kraken! Het blijft er bij, Metternich! Hebt ge het geschrift nog niet opgesteld dat wij den Duitschen rijkskanselier willen overhandigen, dat ik de Keizerskroon van Duitschland nederleg?quot;
â't Is reeds onderhanden,quot; antwoordde Metternich buigend; âmaar wegens den langzamen gang der zaken bij het Duitsche rijk, kan het nog eenige jaren duren, voor de zaken afgedaan zijn. en Uwe Majesteit van den last der Duitsche Keizerskroon bevrijd is. Ik heb mij dus zooeven verkeerd uitgedrukt, toen ik Uwe Majesteit onderdanigst verzocht, de rechten der Keizerlijke kroon van het Duitsche rijk te verdedigen ; zeggen wij liever de rechten van den Keizer van Oostenrijk ! Dat zal toch de titel zijn, dien Uwe Majesteit na het nederjeggen der Duitsche Keizerskroon wil aannemen ?quot;
Frans knikte. â â En ik hoop, dat deze splinternieu we Keizer der Franschen, niets zal willen ondernemen tegen den Keizer van Oostenrijk.quot;
âWij moeten er reeds vooraf voor zorgen dat hij 'tniet kan!quot; antwoordde Metternich: âOok buitenslands moeten de rechten van den Keizer van Oostenrijk verzekerd worden, en daarom, dunkt mij, moest Uwe Majesteit tót voorwaarde harer erkenning van den Keizer der Franschen stellen: dat de Keizer van Oostenrijk ten allen tijde den voorrang boven hem zal hebben.quot;
âDat spreekt van zelf!quot; zei Frans levendig ; âhet zal den advocaatszoon toch niet in t hoofd komen den voorrang te willen hebben boven een zoon van het oude Huis der Habsburgers en Lotharingers? Natuurlijk stellen wij dit als voorwaarde; en ge moet het terstond den gezant zeggen, Metternich!quot;
Maar 't kwam den Keizer der Franschen wel degelijk in
194
'l hoofd, den voorrang te willen hebben boven den zoon der Habsburgers en Lotharingers. Hij liet dadelijk en beslissend het antwoord naar Weenen gaan, dat het onmogelijk was den toekomstigen Keizer van Oostenrijk den voorrang te bewilligen!
,,Want,quot; zei Napoleon met een ironischen lach tot graaf Cobentzl, die hem als Oostenrijksch gezant den wensch zijns meesters mededeelde; â want, hoe zou dit mogelijk zijn, hoe zou dit met de etiket te overeenkomen? De Keizer van Oostenrijk zal dan de jongere Keizer zijn tegenover den Keizer der Franschen. Ãw meester heeft mij immers aangekondigd, dat bij de Duitsche Keizerskroon wilnederleggen, en hij heett gelijk, zich van de vodderij van spinnewebben en vermolmde heerlijkheid te bevrijden. En als hij dan de keizerskroon van Oostenrijk op zijn hoofd zet, is mijn dynastie de oudste, en 't is dus zeer natuurlijk, dat de Keizer der Franschen den voorrang heeft boven den Keizer van Oostenrijk. Meld dit uwen meester.quot;
Graaf Cobentzl ijlde naar Weenen, om het antwoord van den trotschen Keizer der Franschen over te brengen.
âEn wat raadt ge mij?quot; vroeg de Keizer glimlachend.
âMajesteit, Bonaparte is een universeel genie;alle Keizers der wereld moeten zich vereerd gevoelen, zich met hem op denzeltden rang te kunnen stellen!quot;1)
De Keizer lachte luid. â âZeg eens, Cobentzl; waart (/ij het niet, wien Bonaparte vroeger te Campo Formio bij de vredesonderhandeling den drinkkop voor de voeten wierp, toen ge iets vorderdet, wat hem niet aanstond, en zocht ge niet ootmoedig de scherven aan zijne voeten op, en deedt wat hij wilde? Ja, gij waart het, en ik vind het ook zeer natuurlijk dat ge, âdaar ge reeds toen de scherven opzocht voor Bonaparte, â ook alleronderdanigst voor den Keizer der Franschen buigt en kruipt!'t Is toch een kluchtige wereld! Wie het geluk heeft, heeft de kroon, en wie tegenspoed heeft, heeft de narrenkap! Nu, voor het oogenblik heeft Napoleon de kroon, en wij willen haar hem niet betwisten. Zeg hem dat hij den voorrang hebben zal. Ik hoop, dat ik nooit met hem zal samen komen, en achter hem zal moeten gaan.''
1
De eigen woorden van graaf Cobentzl.
192
En zoo bogen de Duitsche Vorsten, â boog schier geheel Europa voor den Keizer der Franschen, en slechts drie mogendheden waren er, die het waagden hem te weerstreven, en weigerden hem te erkennen. Dat waren Engeland, Zweden en Rusland, en zij vereenigden zich tot een derde coalitie en verbonden zich, te strijden tegen het monster dat zich de kroon der Bourbons op het hoofd had gezet, en deden elkander de gelolte, alles te zullen aanwenden om hem te bestrijden, zich met de Duitsche Vorsten hiertoe te vereenigen, en Pruisen en Oostenrijk hiertoe uit te noo-digen.
Keizer Frans, die zijn wrok onder een lach verborgen had, luisterde des te gewilliger naar de heimelijke toefluisteringen van Engeland en Rusland; hij was in zijn hart gaarne bereid, zoodra mogelijk den gedwongen vrede te verbreken, en zich te wreken op den fortuinzoeker, die den nieuwen Keizer van Oostenrijk den voorrang geweigerd had.
Pitt, de Engelsche minister, â de vurige en harstochte-lijke vijand van Napoleon, â wendde alles aan, om de mogendheden tot den oorlog te doen besluiten. Millioenen subsidien zond hij naar Oostenrijk. Aan zijn onweerstaanbare overredingskracht en de Engelsche millioenen gelukte het. Oostenrijk en Rusland voor een nieuwen oorlog te werven.
Weder rammelden de zwaarden, weder donderden de kanonnen, en weder begon de oorlog. En de Keizer der Franschen gevoelde, dat hij ditmaal niet alléén mocht staan te midden van zoovele, tot aan de tanden gewapende vijanden. Zoo Pruisen zijn vriend bleef, was dit voor hem een voormuur tegen Rusland en een gewichtig bondgenoot tegen Oostenrijk. Wat is er dus dat men Pruisen kan bieden, om het aan Frankrijk te boeien? Dit overlegde de Keizer in zijn eerzuchtigen geest, en't scheen hem, als had hij een middel gevonden. Eigenhandig schreef hij aan den gezant te Berlijn, en gaf hem de noodige bevelen.
De koerier had dag en nacht gereden om deze gewichtige boodschap over te brengen, en toen Laforet 's Keizers brief ontvangen had, begaf hij zich naar het koninklijke paleis, en verzocht een audientie bij Friedrich Wilhelm.
De Koning ontving hem met vriendelijke voorkomendheid. âWat is er?quot; vroeg hij, hem glimlachend toeknik-
193
kend: âGe komt op een oncewoon uur; ge brengt, hoop ik, geen slechte tijding?quot;
De gezant boog, en dankte verplichtend voorde vriendelijke deelneming des Konings in het lot zijns meesters. â âNeen, Majesteit, geen slechte tijdingen, maar, zoo ik hoop, goede. Uwe Majesteit weet, dat mijn genadigste heer en Keizer van de innigste vriendschap voor Uwe Majesteitdoordrongen is. Ik heb den gelukkigen en eervollen last, Uwe Majesteit hiervan een nieuw bewijs te geven.quot;
Een lichte schaduw vloog over 't voorhoofd des Konings; bij hield niet van de vriendschapsbewijzen des Keizers, hij wist dat zij steeds een hinderlaag waren, en nooit belangloos kwamen. â âWelk bewijs?quot;vroeg hij.
âMajesteit,quot; zeide Laforet: âer hebben sinds eenigen tijd veranderingen plaats gehad in het Duitsche rijk. Keizer Frans heeft den tienden Augustus de Duitsche keizerskroon nedergelegd en zich tot Keizer van Oostenrijk gemaakt. De eerste Consul van Frankrijk heeft de keizerlijke waardigheid aangenomen, en 't schijnt nu zeer natuurlijk, dat Uwe Majesteit niet achter sta bij deze beide Keizers. Napoleon, de Keizer, vindt dat het u onwaardig zou zijn, minder te wezen dan de Keizer van Oostenrijk, en derhalve laat mijn keizerlijke meester u weten, dat, zoo ge het voorbeeld van den Keizer van Oostenrijk en van Napoleon volgen wilt, en insgelijks de keizerlijke waardigheid wenscht aan te nemen, de Keizer der Franschen u reeds vooraf zijn toestemming geven zou, en bereidwillig zijne bemiddeling aanbiedt, ter erkenning dezer nieuwe waardigheid voor geheel Europa.quot;
Friedrich Wilhelm glimlachte en boog zacht het hoofd. âZeer vriendelijk van Zijne Majesteit den Keizer der Franschen !quot; zeide hij: âZeer vleiend voor mij, dat Zijne Majesteit aan mij denkt, en mij de eer wil bewijzen, mij tot zijn hoogte verheffen. Ik dank u voor dit bericht, en zal er over nadenken.quot;
âMag ik morgen Uwer Majesteit's antwoord verzoeken?quot;
De Koning knikte. â âMorgen, en mocht ge heden Zijne Majesteit iets te melden hebben, dan verzoek ik u, mijn onderdanigsten dank reeds vooraf te betuigen.quot;
Hij groette den gezant met een vriendelijke handbeweging en ging heen. Langzaam schreed hij door de naaste kamer en naderde Louise met zulk een vergenoegden glimlach, dat
llühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 13
104
de Koningin geheel verwonderd tot hem opzag, en óók begon te glimlachen.
âZeg mij, geliefde Friedrich, welke scherts brengt ge mij ?quot; vroeg zij: âik zie aan uw gelaat, dat ge mij een grap wilt mededeelen.quot;
âJa, Louise, 't is inderdaad ook iets grappigs! Mij ten minste schijnt het zoo en ik ben nieuwsgierig te vernemen hoe gij er over denkt. De gezant van Frankrijk Laforet is bij mij geweest âquot;
âOm u allerlei vleierijen te zeggen, opdat hij u voor zich winne; opdat ge, wanneer 't er op aan komt, voor hem de kastanjes uit het vuur haalt? Oostenrijk en Rusland hebben den moed hem den oorlog te verklaren, Engeland wapent zich, en nu wordt het den Keizer der Franschen toch een weinig te bang en hij ziet naar Pruisen om, dat zich niet verklaard heeft, â dat nog niet de bondgenoot van Rusland, Oostenrijk en Engeland is.''
âEn het, hoop ik, ook niet spoedig zijn zal!quot; voer de Koning op ernstiger toon voort: âPruisens hoogste plicht is, zijn volk den vrede te behouden en wat in mijn vermogen is, wil ik hiertoe doen! Maar ge hebt gelijk, Louise,quot; vervolgde hij met zachter stem; ânetten wil hij naar mij uit-werpen en mij gaarne vangen. En weet ge waarmede? Met een keizerskroon!quot;
Er vloog een donkere blos over 't gelaat der Koningin. âHoe?quot; riep zij: ânoodigt hij u uit, de kroon van het heilige Roomschc rijk op te nemen, welke de Keizer van Oostenrijk zoo onwaardig van zijn hoofd heeft lalen nedervallen en haar op uw hoofd te zetten? O mijn vriend,'t is een fraaie gedachte; maar 't hindert mij slechts, dat zij in 't hoofd van den Keizer der Franschen is ontstaan.quot;
De Koning schudde het hootd. â âNiet tot Keizer van het heilige Koomsche rijk en ik zou ook danken voor dat geschenk uit zijn hand. Neen; hij biedt mij aan, mij tot Keizer van Pruisen te maken, naar het voorbeeld mijner heeren collega's van Frankrijk en Oostenrijk. Ik zou dan de jongste Keizer zijn en niet Keizer bij de gratie Gods, maar bij Napoleon's gratie!quot;
De Koningin legde de hand op zijn schouder en zag hem diep in de oogen. â âEn wat zegt ge er van,Friedrich?
105
Ge zult het niet aannemen; geen Keizer zijn door Fiank-rijk's genade?quot;
Friedrich Wilhelm glimlachte en knikte haar vriendelijk toe. â ,,Gij zijt een brave vrouw! Ik dank u voor uw vraag, want er ligt tegelijk het antwoord in; hetzelfde, dat in mijn hart geschreven staat. Ik denk niet dat ik het doe, maar zal met de beslissing wachten tot morgen, en wil eerst de ministers hooren, die altoos zoo wijs zijn en meenen, dat niets zonder hen gebeuren kan. Ik heb Hardenberg en Haugwitz ter conferentie ontboden en 't is voor mij een middel om te zien, wie 't het eerlijkste met Pruisen meent. De heeren zullen reeds in de raadkamer zijn en dus wil ik tot hen gaan! Vaarwel, Koningin van Pruisen!quot;
Zij omhelsde hem en kuste hem teeder. ââWat bekommer ik mij om al de kronen der wereld, Friedrich! Uwe liefde siert mijn hoofd en dat is voor mij de fraaiste kroon!quot;
II.
HAUGWITZ' OiNTSLAG.
Van de Konigin begaf de Koning zich naar de kamer, waarin de beide ministers Hardenberg en Haugwitz hem verwachtten.
,,Ik heb u vóór alle zaken heden een mededeeling te doen,quot; zei de Koning, zich in den fauteuil nederzettende: âde gezant Laforet was zooeven bij mij en bracht mij een zonderlinge boodschap van Keizer Napoleon den Eerste. Deze biedt mij zijne bemiddeling aan, zoo ik wensch mijn Koningskroon, naar het voorbeeld van hem zeiven en van den voor maligen Duitschen Keizer, in een Keizerskoon te veranderen. Wat dunkt u hiervan, Haugwitz, en u, Hardenberg? Ik zou gaarne een eerlijk en oprecht antwoord van u beiden hooren. 't Is een gewichtige stap; het betreft niet eeniglijk mij zelven, maar ook mijne voorouders en opvolgers tevens. Ik verzoek u dus mij te beloven, mij de innigste meening uwer harten te willen mededeelen.quot;
Haugwitz verzekerde dit met levendige woorden, Hardenberg slechts met een hoofdbuiging en een kort; âIk beloof het. Majesteit!quot;
196
âSpreek gij het eerst, Haugwitz,quot; zei de Koning; âwat dunkt u; 4zal ik de Keizerskroon, welke Napeleon mij aanbiedt, aannemen?quot;
âMajesteit, ik ben van meening, dat dit een der grootste en gelukkigste gebeurtenissen zou zijn,quot; riep Haugwitz met ophet: â't Is een nieuwe wig, welke wij Oostenrijk in het vleesch slaan; een nieuwe stap tot gelijkstelling met dezen hoogmoedigen en eerzuchtigen Staat, een nieuwe stap van verheffing boven Oostenrijk.quot;
â't Is toch slechts een titel,'' antwoordde de Koning; âeen titel, die mij nog daarenboven door een vreemden Souverein wordt aangeboden.quot;
âEen titel. Majesteit, die u aangeboden wordt door den grootsten Souverein, den verhevensten held der wereld! Majesteit, ik waag het, u te herinneren aan het woord van Frederik den Groote, die gezegd heelt: âPruisen moot in fgoede verstandhouding met Rusland, koel jegens Oostenrijk, â en innig bevriend met Frankrijk zijn.quot; Innig bevriend met Frankrijk! Dit, Majesteit, is het woord van uw grooten voorganger en ik ben in het innigste wezen en denken mijns harten overtuigd, dat Frederik de Groote de keizerskroon zou aangenomen hebben, ware het slechts om er Oostenrijk mede te vernederen en te ergeren, 'tls altijd iets groots en schoons een kroon te dragen, die door geen andere ter wereld overtroffen wordt, en een plaats in te nemen, die de eerste is. Uwe kinderen en kindskinderen, Sire, zullen het u danken, zoo ge deze nieuwe, hooge en verheven waardigheid aanneemt en de koningskroon, welke Frederik de Eerste zich zeiven op het hoofd heeft gezet, na een eeuw tot een keizerskroon verklaart, welke gij eens, â en moge God geven dat dit nog lang dureâ⢠den Kroonprins nalaat. Ik stem er uit de innigste overtuiging mijns harten voor; dat Uwe Majesteit dit bewijs van vriendschap en deze aanbieding van Napoleon's genegenheid aanneemt en u tot Keizer laat verklaren.quot;
De Koning had geluisterd zonder hem aan te zien; had de oogen nedergeslagen en peinzend voor zich gekeken. Maar de scherpe en licht bruine oogen van Hardenberg hadden het gelaat des Konings gadegeslagen en hij had gezien, hoe bij Haugwitz' woorden zijn voorhoofd allengs meer verduisterde. De fijne diplomaat had de oorzaak dezer wol-
197
ken begrepen, die nu op het voorhoofd des Konings lagen.
Toen Haugwitz nu geëindigd had, hief de Koning langzaam de oogen op en wendde ze naar Hardenberg.
âSpreek gij nu, baron Hardenberg. Wat zegt (jij er van
âZoo Uwe Majesteit mij veroorloven wil, stem ik met de woorden in, welke graaf von Haugwitz zooeven van Fre-derik den Groote heeft aangehaald. Hij heeft gezegd: Pruisen moet in goede verstandhouding met Rusland staan, koel jegens Oostenrijk, â en innig bevriend met Frankrijk zijn. Maar ik geloof niet, dat het 'de rechte weg is om in goede verstandhouding met Rusland te zijn, als men van Ruslands vijand een aangeboden gunst aanneeml. Ik geloof óók niet dat het heet; koel jegens Oostenrijk te zijn, als men zich beijvert het voorbeeld van Oostenrijk, â dat zijn aartshertog de Keizerskroon heeft opgezet â te volgen. En ik geloof verder óók niet, dat men als innig bevriend met Frankrijk staat, als men zich zeiven in zulk een toestand brengt, dat men niet de vriend, â maar de vazal van Frankrijk is.''
De Koning knikte onwillekeurig een weinig en sloeg met een vriendelijken blik zijn oog op Hardenberg.
âFrankrijks vazal! Hoe meent gij dat?quot; vroeg hij.
âIk meen, Sire, dat tusschen vrienden de een niet het recht heeft waardigheden en eertitels aan te bieden, en het niet van zijn oordeel afhangt, of de andere ze aannemen mag. Ik meen. Majesteit, dat het aan de eer en waardigheid van Pruisen niet betaamt, geschenken aan te nemen van een overweldiger en parvenu, die zijn kroon draagt niet door Gods genade, maar die haar met listen en lagen verworven, â en met het bloed van den vermoorden Koning gekocht heeft. Het komt er over 't geheel,quot; voer Hardenberg levendiger voort: âhet komt er over 'tgeheel weinig op aan, welken titel men voert, en op wijze de kroon gepunt is, die de Souverein op zijn hoofd draagt. Het komt er op aan of hij de macht heeft, zich zei ven gevreesd te maken ; zich zeiven eer en aanzien te verwerven en aan zijn kroon de hoogste glorie en den hoogsten tooi: den lauwerkrans van den heldenmoed le verleenen. OtFrederikdeGroote Keizer heette of Koning, dat bleef voor zijn roem en Pruisens kroon zeer onverschillig. En zoo zal het ook onverschillig
198
zijn, Majesteit, of gij den Kroonprins eens een koningskroon, of een keizerskroon nalaat; zonder land is de keizerskroon zonder beteekenis, met verworven land ook de koningskroon groot en heerlijk genoeg, welke Frederik de Eerste zich op het hoofd heeft gezet, welke Frederik de Groote verheerlijkt,â en welke Frederik Wilhelm de Derde verrijkt heeft. Alles komt er slechts op aan, dat Uwe Majesteit een politiek inslaat en volgt, die de verrijking â en niet de verarming, de verheffing â en niet de vernedering van uw rijk ten gevolge heeft. Maar ik geloof niet, dat deze de politiek zou zijn, die zich aan Frankrijk onderwerpt, en van de genade van den eigengebakken Keizer der Franschen, uit den bakoven der Vorsten de keizerskroon aanneemt. Frankrijk dingt naar Pruisens gunst; Keizer Napoleon gevoelt dat hij alléén staat en dat die weegschaal zal dalen, waar Pruisen zijn hand in legt. Daarom vleit hij Uwe Majesteit en wil er op alle wijzen naar streven Uwe Majesteit, den Koning van Pruisen, aan hem ondergeschikt, â en tot zijn vazal te maken, die doen moet wat hij wil. Ik kan er niet vóór zijn, dat de Koning van Pruisen de keizerskroon aanneemt, welke Napoleon hem als een gunst toestaat. Er zal voor Pruisen wel een dag komen, â zoo wij hern ook niet beleven â een dag, dat het schitterend en hoog staat boven alle Vorsten van Duitschland, en dat Oostenrijk overwonnen en beschaamd ter zijde treedt, otn voor den Koning van Pruisen plaats te maken. Zoo Pruisen dan wil. Majesteit, moge het zijn koningskroon in een keizerskroon veranderen, en heeft dan hiertoe het recht van zijn eigen wil en de macht van zijn Huis!quot;
De Koning knikte levendig. â âIk dank u ! Ik heb alles oplettend aangehoord en verheug mij over'tgeen gij gezegd hebt, baron von Hardenberg. Mij dunkt zelf dat het mijn voorvaders onwaardig zou zijn, zoo ik het bon plaisir van Keizer Napoleon thans aannam. Ik onderschrijf alles wat ge gezegd hebt, baron von Hardenberg. Men moet de Danaïden vreezen, ook als zij geschenken brengen. Ik wil bet geschenk van Keizer Napoleon niet aannemen. De gezant van Frankrijk'zal morgen terugkomen om antwoord te halen. Ge zult hem in mijn naam dit antwoord geven, heer baron von Hardenberg; ge moet hem namens mij zeggen, dat ik met mijn lot volkomen tevreden ben, en niets
199
meer begeer, dan den rang, waartoe de Voorzienigheid mijn Huis verheven heeft, te behouden.quot; 1)
âIk bid Uwe Majesteit onderdanig om vergeving,quot; zei Haugwitz haastig en met verbleekende wangen; ââmaar 't staat aan den minister van buitenlandsche zaken den Franschen gezant het antwoord mede te deelen en daar ik thans dit ambt bekleed âquot;
âZoo volgt hieruit,quot; viel de Koning hem bedaard in de rede, âdat ge van heden af dit ambt niet meer bekleedt; want ge hebt het immers gehoord, dat ik den baron von Hardenberg heb opgedragen, den Franschen gezant mijn antwoord mede te deelen. De baron von Hardenberg zal het ambt van minister van Buitenlandsche Zaken bekleeden. Go hebt zoolang gearbeid en gewerkt, dat u een uitrusting van de vele zorgen en zaken wel noodig is, graaf von Haug-witz, en ik geloof, het zou voor uwe gezondheid dienstig zijn, u voor eenigen tijd op uwe goederen terug te trekken.quot;
En de Koning stond op van zijn fauteuil, groette de ministers met een korte hoofdbuiging en begaf zich in zijn aangrenzend kabinet. Op den drempel, in zijn fijngevoelenden geest misschien bedenkende, dat het alleen-zijn met den ontslagen minister, voor Hardenberg een pijnlijke toestand was, wendde de Koning zich om.
âHardenberg, ik heb u nog iets te zeggen !quot;
Hardenberg haastte zich den Koning in het kabinet te volgen. â
âIk ben ontslagen, prevelde Haugwitz tusschen desamen-gedrukte lippen, toen hij den minister van Buitenlandsche Zaken, â zijn opvolger -ânaoogde, terwijl deze's Konings kabinet binnentrad en de deur zacht achter zich dicht drukte: â âIk ben ontslagen, gelijk de Moor m Fiesko,â ik heb mijn plicht gedaan en kan heengaan!quot;
Toorn en woede spraken uit zijn gelaat, en hij had moeite den gewonen glimlach en de vriendelijk uitdrukking op zijn gelaat te houden. Maar na eenige pogingen gelukte dit den volleerden diplomaat evenwel en geen van allen, die zich in de antichambre des Konings bevonden, kon aan den minister, die nu door deze antichambre ging, de minste verandering ontwaren.
1
's Konings eigen woorden.
200
Ook dü gravin von Haugwitz, de echtgenoote van den ontslagen minister, merkte geen zweem van verandering op zijn aangezicht, toen hij, uit 's Konings paleis terugkeerende, bij haar het huisvertrek binnentrad. Zij had hem verwacht, want het was het uur dat zij gewoon was met hem uit te rijden, zijde aan zijde in vriendelijken kout. De open kales stond reeds voor de deur en de gravin had juist haar toilet voleindigd. Zij ijlde den graaf tegemoet en stak hem haar hand toe, terwijl de kamenier met den indischen sjawl, het laatste geschenk van graaf Haugwitz, toeijlde en hem om de schouders der genadige vrouw plooide.
âWelkom, mijn waarde echtgenoot!quot; riep zij hem toe: âGe ziet hoe heilig ik het uur van onzen pleizierrit houd, want ik ben geheel gereed, en, zoo ge wilt, gaan wij nu naar beneden.quot;
De minister glimlachte nog altoos. â âDadelijk, mijn waardste. Ik wilde u eerst een oogenblik alleen spreken!quot;
De gravin wenkte de kamenier en deze verliet ijlings, op de teenen trippelende, de kamer.
Nu veranderde plotseling het gelaat van den graaf von Haugwitz.
âDe comedie is nu ten einde, mevrouw,quot; zeide hij verbitterd ; âik moet u zeggen, zoo mij iets bi] deze onverwachte en ergerlijke gebeurtenis verheugt, is het, dat ik dit afschuwelijk masker van teederheid en huwelijksgeluk niet langer te dragen heb. 't Is genoeg met wandelen en gearmd gaan, met samenzijn en minnespel van teedere echtgenooten!''
De gravin brak in een luiden lach uit. â âGe zijt heerlijk, waarachtig heerlijk! Zoo ge u zei ven thans zien kondt! Het masker heeft zich van uw eerzaam hoofd een weinig verschoven, en men ziet er het vertoornde gelaat van een tamelijk woesten en liederlijken minister onder, die het ongeluk heeft gehad van zijn hoogte neder te storten en op den neus te vallen. Nietwaar, zoo is het: ge hebt uw ministerneus gewond, en er is niets van overgebleven dan de neus van een ontslagen graaf von Haugwitz ? O dat is heerlijk! Zeer heerlijk!quot;
âIk verbied u er om te lachen!quot; riep graaf Haugwitz met den voet stampende ; âzoo ge werkelijk de teedere gade waart, waarvoor ge nu ettelijke jaren gespeeld hebt, dan
'201
zoudt ge deel nemen in deze ergerlijke geschiedenis âquot;
âTerwijl ik mij nu, even als gij, hartelijk verheug dat de comedie ten einde is,quot; zeide zij: âderhalve, wij behoeven niet langer de wereld te misleiden? Wij kunnen ons geheel ongestoord weder aan onze luimen overgeven? Ge behoeft niet meer heimelijk naar u wepels soupers te sluipen, en ik heb niet meer n.oodig mijn vrienden te ignoreeren en voor een deugdzame vrouw te spelen? O, dat is verrukkelijk; ik heradem, nu zal het leven weder een genoegen zijn!quot;
âGeloof niet dat het zoo zijn zal, mevrouw,quot; zei de graai heftig: âik heb reden te hopen, dat deze toestand niet lang duurt en ik moet dus voorzichtig zijn. Wij zullen niet in Berlijn blijven. Wij gaan naar onze goederen en wel heden :â onmiddellijk.quot;
âGij moogt dat doen, heer graaf. Ik blijf hier!quot;
,,Ge blijft niet hier!quot; zeide hij met zijn gebiedende, strenge stem: âge gaat mét mij, mevrouw! Buiten in de eenzaamheid van ons vervelend landleven hebben wij tijd en gelegenheid, elkander zeer vele aangename waarheden te zeggen, en zooveel tooneelen te vertoonen als ons belieft. Hier zou deze plotselinge overgang belachelijk zijn en vóór alles wil ik niet belachelijk worden gemaakt. Weerstreef mij niet; ge weet dat ik het versta, mijn wil door te zetten. En dit is mijn wil: wij vertrekken heden nog naar onze goederen. â Geef nu uwe bevelen, mevrouw, laat inpakken.quot;
Zij kende dit gelaat, vol trots en hoon, waarmede hij haar aanzag; zij wist, dat zij het bij dezen blik en deze dreigende uitdrukking, niet wagen moest hem te weerstreven, en onderwierp zich dus.
âIets veroorloof ik mij nog slechts te vragen, graaf,quot; zeide zij snijdend koud; ârijden wij te zamen in een en het zelfde rijtuig naar onze goederen?quot;
âNeen!quot; zeide hij: âGij rijdt vooruit! Ik heb bier nog een en ander te bezorgen en ie regelen. Ik volg u. Maar, mevrouw; ik raad u, den rechten weg naar onze goederen in te slaan, want ik zal u volgen, en wee u zoo ik u niet op den weg vind, die daar heen voert. Maar te zamen rijden doen wij niet! WTij hebben lang genoeg de comedie der gezamenlijke tochten gespeeld, en kunnen nu een weinig
202
ruslen. Adieu, mevrouw! Bespoedig uw vertrek; binnen vijf uur moet ge op reis zijn.quot;
Juist na vijf uur stond de reiskoets der gravin von Haugwitz voor het hotel en reed zij weg. De graaf volgde haar eenige uren later.
Den volgenden dag kondigde de baron von Hardenberg het corps diplomatique zijne benoeming tot minister van Buitenlandsche Zaken aan.
III.
DE LAATSTE NIEUWJAARSDAG.
Na zijn terugkomst van Berlijn was Schiller's gezondheid ten zeerste geschokt. Hij had veelgeleden, veel pijn geliad, maar hij was er aan gewoon en droeg het lijden standvastig en vast als een kruis, dat eene hoogere macht nu eenmaal op zijne schouders gelegd en hem geroepen had, hotte dragen als een man en held. De vrienden zagen het wel dat hij blee-ker en zwakker werd, maar daar hij niet klaagde, waagden zij het niet hem te vragen. En hij was opgeruimd en arbeidde, en zag des avonds den kring zijner vrienden om zich heen, en leefde vroolijk en gelukkig in de innigste geestesverkee-ring met Goethe.
Vriend Schiller was de eerste gedachte van Goethe op den Nieuwjaarsdag van 1804 en zijn hart drong hem, dezen den eersten nieuwjaarsgroet te brengen. Hij zette zich en schreef, maar eensklaps in 't midden van zijn schrijven, legde hij de pen neder en ontstelde. 'tWas zonderling! Geheel onwillekeurig had hij daar geschreven; âMijn groet voor den laatsten Nieuwjaarsdag!quot; En toen hij het las,zagen hem de zwarte letters zóó zonderling en akelig aan, als waren het de lijkdragers, die vriend Schiller ten grave wilden dragen. Hij scheurde het papier in kleine stukken en begon opnieuw te schrijven, hartelijke en teedere woorden doch ten laatste â had hij het vreoselijke woord weder geschreven. Onwillekeurig was 't hem uit de pen gevloeid. En opnieuw legde hij het papier weg en schreef ten derden male zijn vriend den nieuwjaarsgroet, en moest zich schier geweld
203
aandoen, zooals Goethe later zijn vrienden verhaalde, otn niet ten derdenmale het ongelukkige woord: ,.de laatste Nieuwjaarsdagquot; te schrijven.
Met een teederen groet aan mevrouw von Schiller en een klein nieuwjaarsgeschenk voor haar, ijlde Goethe's bediende nu heen naar het huis van Schiller en het geschenk voor Lotje verwekte geen grooter gejuich, dan de vriendelijke, teedere brief van Goethe aan Schiller.
Hij schreef heden niet; hij gevoelde zich op dezen Nieuwjaarsdag zieker en lijdender dan anders. Maar Goethe's begroeting, de liefde, die hem tegenademde uit deze regels, scheen hem te versterken en kracht te geven. Hij stond op van zijn armstoel en sleepte zich met moeite naar zijn schrijftafel.
Hij was immers alleen, behoefde zich in dit uur niet in te spannen, sterker te schijnen dan hij was, omzijn vrienden en bovenal zijn Lotje niet ongerust te maken! Hij was alleen en kon zich langzaam, steunend, naar de tafel slepen, die aan het venster stond en sedert zoovele jaren zijn trouwe gezellin was geweest, een armoedige, doiïe, eenvoudige schijftafel. Hij had haar reeds bezeten toen hij te Jena, â toen hij nog jonggezel was. Zij was met hem gegaan door alle perken zijns levens en soms zeide Schiller glimlachend: zijn schrijftafel en hij behoorden bijeen als man en vrouw, en zoo hij aan een andere tafel moest arbeiden, zou de helft van zijn geest hem ontbreken.
Daar zette hij zich nu neder voor de oude vriendin van vele jaren en aangespoord door Goethe's vriendelijken groet wilde hij arbeiden, arbeiden aan Demetrius, waaraan hij reeds sinds een half jaar begonnen was, en die helaas niet vooruitkwam, wijl ziekte en pijn de wieken van het genie verlamden. Een paar regels had hij geschreven, toen werd het hem zoo angstig beklemd, toen verhieven de pijnen zich weder in zijn borst en hij legde de pen inwendig huiverend neder.
âHoe zonderling is 't mij heden!quot; prevelde hij ; âik ben ziek, zieker dan ooit!quot; Hij legde zich achterover, zag naaiden somberen nieuwjaarshemel, waar langs donkere wolken dreven. â âEen somber beeld! Zoo trekken de wolken, zoo trekken de jaren voorbij. Het leven verdwijnt als de wolken 1 Ach, ik wenschte slechts nog een paar jaren te leven ;
204
ik zou zoo gaarne mijn vijftigste jaar bereiken, om iets over te leggen voor de kinderen, en te voltooien wat ik begonnen ben. Ach, hoe woelt het hier in de borst! Hoe pijnigt en klopt het! Ach, als 't maar niet reeds mijn laatste Nieuwjaarsdag is!quot; â Hij boog zijn hoofd op de borst, en prevelde ten tweedenmale angstig en beklemd: âAch, als 't maar niet reeds mijn laatste Nieuwjaarsdag is!quot;
Maar de geest gebood het lichaam en het genie beproefde somwijlen nog de wieken uit te slaan, hief het zieke lichaam op, straalde uit de bleeke, ingevallen wangen en overgoot ze met verheerlijking en levensgloed. Zoo verstreken de maanden, de eene na dan andere, en tusschen arbeid en pijn, tusschen smart en vreugde was Schiller's leven verdeeld.
Wat hij inwendig leed, hoe hij worstelde met zijn pijn, dat wist niemand. En niemand mocht het ook weten, vooral niet zijn Lotje! Hij zal ten laatste tóch de ziekte overwinnen; hij is immers sterk! De geest gebiedt het lichaam en hij zal het ook staande houden. Zoo hij slechts zijn vijftigste jaar bereikt, meer verlangt hij niet. Slechts zijn vijftigste jaar om te arbeiden voor de kinderen, om over te leggen, om zijn werken te voltooien. Slechts zijn vijftigste jaar!
Maar soms is 't hem toch als hoorde hij de dood reeds aan de deur zijns levens kloppen en hem zeggen : âOpen, ik wil binnen tot u, ik wil u verheffen in den hemel!quot; Maar niemand mag het weten, niemand. Somwijlen echter gebeurt het tóch, dat hem de overgroote pijn en de afmatting nederwerpen op het ziekbed, dagen, weken, tot hij weder de kracht vindt zich op te richten.
Lotje is de trouwe gezellin zijner lijdensdagen. En daar is ook de jonge vriend Voss; deze laat het zich niet ontnemen, nachten lang te waken aan het bed van den geëer-den vriend en le er aar.
Als Schiller zich een weinig beter gevoelt, verhaalt hij hem van zijn vader Johann Heinrich Voss, en van zijne moeder Louise; van de eerbewijzen, welke men zijn vader den vertaler van Homerus, van alle zijden brengt; verhaalt hem ook van den idyllischen familiekring bij hem tehuis.
Schiller hoort hem gaarne en glimlachend aan, verheugt zich over den jongen man, die zijns vaders talenten en gemoedelijkheid geërfd heeft. En Lotje zit dikwerf met
205
Voss aan Schiller 's bed en zij praten vroolijk en onbezorgd met hem. Ouk hij praat schertsend en blijmoedig, alsof hij niet wist dat zij, als zij van hem gaat en alleen in haar kamertje is, smartelijk weent; alsof zi/ volstrekt niet vermoedt hoeveel hij lijdt! Zij mag het niet weten; de liefde voor haar en de kinderen zal hem wel weder gezond maken!
Terwijl hij dit denkt wordt hij zonderling te moede, doch hij overwint het, richt zich op in het bed en zegt tot Lotje, die nevens hem staat; âLieve Lolje, ge ziet er heden zeer bleek en afgemat uit; ge hebt den ganschen vorigen nacht niet geslapen. Ga nu naar uw kamer, slaap en neem rust! De lieve vriend Voss blijft bij mij!quot;
âJa, gewis!quot; verzekerde Voss; âik blijf hier en 't verheugt mij dat ik blijven mag. Ga, mevrouw von Schiller.quot;
Maar Lotje betuigde, dat zij volstrekt niet vermoeid was.
âTóch moet ge gaan. Ik verzoek het u!quot; riep Schiller heftiger. En toen zij andermaal zich verzette zeide hij driftig en ongeduldig : âIk wil echter dat ge gaat, ge moet rust nemen !quot;
Zij stond op; zij wilde hem niet grieven en opwinden, knikte hem zacht toe en ging heen. Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of Schiller greep angstig den arm van zijn jongen vriend.
âVoss, ik geloof dat ik sterf!quot; â Hij zonk in het kussen terug, de adem stokte en een doodsche bleekheid overtoog zijn wangen. Maar 't was niet voor het eerst dat Voss hem zoo gezien had, en hij wist wel dat het een onmacht was. Hij nam het vlugmiddel, dat steeds gereed stond, en wreef den onmachtige de slapen en toen Schiller de groote oogen weder opsloeg, zeide hij zacht: âHeeft zij het gemerkt? Heeft Lotje het gemerkt?quot;
Toen Voss dit ontkende, scheen hij gerust en een glimlach speelde om zijn lippen.
âZoo ik slechts mijn vijftigste jaar bereik! Daar schijnt de lentezon zoo helder en fraai, zij zal ook mij genezing brengen, wis en zeker 1quot;
Hij beproefde het eens naar-beneden te gaan in den kleinen tuin, en was verheugd toen zijne kinderen om hem heen . speelden, en Lotje bij hem was. Maar de Maartsche lucht kwam hem tóch te koud en scherp voor, en hij keerde spoedig in huis terug. Daar scheen het hem nu beter te
206
gaan; misschien had de adem der lentelucht hem de borst versterkt! Hij zal herstellen, hij zal gewis zijn vijftigste jaar bereiken, om voor zijö kinderen te zorgen en zijn werken te vollooien !
Doch in 't midden der maand April, was het stil en treurig in Weimar. Niemand durfde luid spreken op de straten ; zelfs de voerlieden reden langzamer, als zij voorbij Schiller 's of ook voorbij Goethe's huis kwamen. Want beiden waren krank, lagen neder op het ziekbed, en Weimar was in angst en zorg om beide groote dichters.
In het park achter het huis van mevrouw von Stein, ontmoetten elkander twee dames, die vroeger de beide grootste schoonheden, de gevierdste dames van geheel Wei-mar waren geweest. Nu was de jeugd van hare aangezichten en ook uit beur harten verdwenen. Nu schitterden de oogen niet meer van liefde ; nu was de betooverende glimlach van de lippen van mevrouw von Stein geweken, en om Charlotte von Kalb 's lippen speelde nog slechts de treurige glimlach van teleurstelling en sombere berusting.
In het park ontmoetten beiden elkander met ongerust voorkomen, beiden groetten elkander somber en treurig.
âHoe gaat het uwen dichter?quot; vroeg mevrouw von Stein aan mevrouw von Kalb: âhoe maakt Schiller hef?quot;
En mevrouw von Kalb vroeg snel terug : âHoe gaat het uw dichter ? Hoe maakt het Goethe?quot;
Mevrouw von Stein haalde de schouders op. â âHij is zeer ziek en moet ontzettend lijden ! En weet ge, vriendin, sinds den dag dat Goethe ziek is, gevoel ik, hoe dierbaar hij mij nog is. Het smart mij dat hij zoo lijdt.quot;
âEn is bij waarlijk zoo ziek en lijdt hij zooveel?quot; vroeg Charlotte von Kalh treurig, en op den toon van het innigst medelijden.
âJa,quot; antwoordde zij heftig en wist het niet, dat het schier als leedvermaak klonk: âja, hij lijd zeer veel; hij heeft een kramphoest en tegelijk de belroos ; hij kan niet te bed liggen, maar moet bestendig op de been zijn. De bals is hem inwendig gezwollen en vol blaren, zijn linkeroog is hem uitgepuild. Het moet een afschuwelijk gezicht zijn en 't verheugt mij, dat ik het niet behoef te zien. Hij moet ook ijlen, en men vreest dat bet een ontsteking zal worden. Ook gezwollen voeten moet hij hebben, en vreese-
207
lijk lijden aan kramphoest. Ach, het spijt mij nu toch, dat ik hem op den laatsten Nieuwjaarsdag, toen hij mij bezoeken wilde, niet ontvangen heb. Maar ik had hoofdpijn en was ziek en wie kon denken, dat het Goethe's laatste Nieuwjaarsdag was? Maar 'tschijnt, alsof dit zijn zal en alsof hij zal sterven.quot; ^
Charlotte von Kalb had met haar groote, blauwe oogen mevrouw von Stein diep in 't gelaat gezien, en zij beefde inwendig. â âGod geve dat het niet zijn laatste Nieuwjaarsdag is, Mevrouw von Stein! Er gaat mij een rilling dooide ziel, dat ge dit zegt, en ook dat ge het zoo zeggen kunt! Ach, hoe beklagenswaardig zijn toch wij vrouwen, dat wij oud, â en onze harten koud worden ! Charlotte, denk terug aan het verledene, hoe gij hem eens bemind hebt! Hém wiens ziekte ge nu met zulke wreede woorden schildert!quot;
âJa,quot; zeide mevrouw von Stein, en er vloog als een flikkering van haat over haar gelaat: âja, ik/iet hem bemind, gloeiend en onuitsprekelijk, maar hoe heelt hij 't mij beloond? Om een ellendige persoon, om den wille zijner mai-tresse heeft hij mij en mijn liefde opgegeven. Ach, ik heb mij jaren lang geschaamd, als die vrouw door de straten ging. Ra, wat heeft hij er nu van ? üe droom van zinnelijkheid en lust is nu voorbij en hij heeft niets dan een onbeschaafde, kibbelachtige en gemeene maitresse aan zijn zijde. -En wat zal van zijn zoon worden? Ik bid u, lieve mevrouw von Kalb, wat zal van zijn zoon worden?quot;
âüe moeder voedt hem op, hiermede is alles gezegd. Goethe weet óók dat het geen goed einde kan hebben. Hij moet dikwerf zeer treurig zijn, gisteren moet hij drie uren geweend hebben ; hij weent vooral, als hij August ziet. Ach God, de arme jongen is zeer te betreuren en ik heb hom mij dezer dagen aangetrokken. Hij was zeer bedroefd wegens zijn vader, maar hij is reeds gewoon zijn lijden te verdrinken. Onlangs heeft hij in een club van de soort zijner moeder zeventien glazen champagnewijn gedronken en ik had alle moeite hem bij mij van den wijn te houden.quot; 1)
1
Charlotte's eigen woorden. Zie; als voren.
208
âDat is ontzettend!quot; riep mevrouw von Kalb.
âJa, ontzettend !'' herhaalde mevrouw von Stein, maar er klonk tóch als hoon en leedvermaak uit haar stem: âontzettend inderdaad, maar het is de rechtvaardige straf voor Goethe's trouweloosheid en woordbreuk. Want hij had mij eeuwige liefde gezworen en hij heeft zijn eed en zijn woord gebroken, om den wille van zulk een persoon, ais Christina Vulpius!quot;
âVriendin,quot; zuchtte mevrouw von Kalb: âde mannen zijn allen arme, trouwelooze en zwakke schepsels, en 't is een ongeluk voor ons ze te beminnen, en dat iedere vrouw waant, dat de man dien zij bemint een uitzondering zal zijn en trouwer dan alle anderen. En wijl wij deze zwakheid hebben, moeten wij op aarde zoo veel lijden en wee-nen, en zoo vele smarten en teleurstellingen ondervinden ! Heb ik ze ook niet geleden? Ben ik óók niet meer dan eens bedrogen geworden?quot;
Mevrouw von Stein knikte en zoo aanschouwden zij elkander, de twee Charlottes, aanschouwden elkander en zwegen ! tiet ruischte door de boomen van het park, als zongen zij een lied der herinnering en als ruischten zij de jaren weder terug, de jaren, die geweest waren ! Hoe schoon was het, toen ge beiden nog waart vol liefde en hoop, vol zachtheid en bekoorlijkheid! Hoe schoon, toen ge nog geloofdet aan de liefde! Hoe schoon, toen ge streedt en ijverdetom het bezit van den eenig geliefde, en nog hooptet, van hem uwe zaligheid en levensgeluk te ontvangen. Weg is de schoonheid, uitgebloeid zijn de wangen en de harten, de liefde is verdoofd, de bladeren zijn ter aarde gevallen, en niets is achtergebleven, dan teleurstelling en ontnuchtering! Hoe schoon was het, toen ge nog jong waart en geloofdet aan de liefde; en hoe schrikkelijk is 't u nu te zien, u beiden daar, als spoken van het verledene, met verwelkt gelaat en doffe oogen, die geen glans van liefde van verrukking meer hebben! Hoe schrikkelijk is 't oud te zijn van jaren, oud in het hart.
De boomen ruischten met een treurige melodie en daar stonden de beide oude spooksels der eens zoo aangebedene Charlottes en spraken te zamen. Vol medelijden de eene, met boosaardige vreugde de andere, spraken zij van de ziekte der beide dichters Schiller en Goethe.
209
Mad men voor jaren aan mevrouw von Stein gezegd: âGoethe is ziek,quot; zij zou alle welvoegelijkheid trotseerende, tot hem zijn geijld als een heldin; zij zou aan zijn bed gewaakt, â hem met teedere hand het voorhoofd afgeveegd, en met zoete stem het wiegelied zijner smarten gezongen hebben. En onder hare liefdeblikken zou Goethe genezen zijn!
Had men voorjaren Charlotte von Kalb gezegd, dat Schiller misschien stervende was, zij zou met een kreet van jammer aan zijne voeten nedergestort zijn en gezegd hebben : âIk wil mét u sterven, want uw leven is mijn leven; wat zou ik hier op aarde zijn zonder u?quot;
Die jaren zijn voorbijgesneld; en daar staan zij nu somber en kleinmoedig nevens elkandei, enverhalen van Goethe's en Schiller's ziekte, dat Schiller nu toch weder uit het bed is, dat bij Goethe het grootste gevaar voorbij is, en men weder hopen mag, dat beide dichters herstellen zullen en nog lang leven, tot eer en trots van Weimar. â
Wat beide vrouwen elkander in het ruischende park gezegd hadden, dat zou ditmaal vervuld worden. Ja, de twee dichters herstelden weder van hunne ziekte, stonden weder van hun lijdensbed op en Schiller was 't dezen keer, die spoediger genas dan Goethe.
Toen hij zich weder krachtig genoeg gevoelde om de trap af te gaan en het huis te verlaten, nam hij zijn hoed en zeide; âIk wil tot den lieven Goethe gaan, ik moet hem zien.quot;
Hij zond zijn trouwen dienaar vooruit, om Goethe zijn bezoek te berichten.
Sedert gisteren mocht Ie geheimraad bezoek ontvangen, dit was de boodschap welke hij terug bracht. En Goethe had den ouden Rudolf in zijne kamer laten komen, had van hem zei ven de boodschap van Schiller ontvangen en Rudolf zeide; hij was rood geworden bij deze boodschap, en had levendig met het hoofd geknikt en gezegd: âLaat hij komen. Schiller, het verheugt mij hem te zien.quot;
Toen Schiller dit hoorde, werd ook hij rood, en er trok als een lenteglans over zijn gelaat. Hij ging met haastige schreden verder en trad nu Goethe's huis binnen, steeg geheel alleen de groote, breede trap op, en trad nu in de kamer van Goethe. Deze kwam hem langzaam tegemoet, Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 14
240
en nu stonden zij tegenover elkander, aanschouwden elkander met een langen blik, doch spraken beiden geen woord. Goethe opende zijne armen en Schiller deed het ook; de een sloeg de armen om den hals van den ander, en toen omhelsden beiden elkander lang en innig. Tranen stonden in de oogen der beide vrienden, toen zij vervolgens het hoofd ophieven en elkander aanzagen met zulk een vragen-den. diepen blik, als wilde de een op het gelaat van den ander de geschiedenis zijner ziekte en smarten lezen.
Lang hierna spraken zij nog geen woord, gingen hand in hand naar den divan, zetten zich nevens elkander en ieder hunner den ander aanschouwende, trachtten zij zich te bedaren en konden toch het eerste woord niet spreken, wijl hun nog de tranen in de keel zaten.
Maar beter ging 't nu toch van dezen dag af. Beter met Goethe en, naar 'tscheen, ook met Schiller. Maar 'twas slechts schijn! Tegen 't einde der maand April nam Schiller's lijden weder toe. Een paar dagen trachtte hij er tegen te strijden, maar hij gevoelde dat het vruchteloos was en dat de wieken van het genie gebroken waren. Hij zonk weder neder op het ziekbed en liet zijn vriend Goethe, die hem verwachtte, door Heinrich Voss berichtten, dat hij ziek was.
âZeg hem, dat ik zeer ziek ben!quot; fluisterde Schiller met een veelbeteekenenden blik in't aangezicht van den jongen man. Deze wendde zich af om zijne tranen te verbergen en ijlde naar Goethe.
Goethe was in zijn tuin en ging in de smalle, door bloeiende pereboomen beschaduwde paden heen en weder, de handen op den rug gevouwen, de gestalte fier opgeheven, maar het gelaat bleek en treurig, want hij wist reeds dat Schiller ziek was, maar bij wilde 't zich nog verhelen, dat de ziekte gevaarlijk was. â âHoe gaat het Schiller'?quot; riep hij den jongen Voss tegemoet.
âAltoos nog niet beter. Excellentie; helaas, niet beter! Hij zendt u zijn groet en laat u melden dat hij ziek is, zeer ziek!quot;
Goethe schrikte, hij zeide echter niets. Langzaam ging bij het pad op en wenkte den jongen man, mèt hem te gaan; na een poos zeide hij zeer zacht: âEn de artsen, meenen zij óók dat Schiller zeer ziek is?quot;
De jonge man knikte. â âJa, zij meenen het óók, maar
211
niemand mocht het aan de arme mevrouw von Schillei'zeggen, dat haar man werkelijk zeer ziek is, gevaarlijk ziek!''
Heinrich Voss brak in tranen uit.
Goethe zeide niets. Bedaard ging hij verder, het hoofd opwaarts geheven, de oogen ten hemel gericht en opzijn gelaat een uitdrukking van verheven gevoel, dat hem boven alle smarten, alle nietigheden des levens verhief.
âHet lot is onverbiddelijk en de mensch nietig!quot; zeide hij na een lange pauze, boog het hoofd neder en groette den jongen man met de hand.
Deze gevoelde wel, dat Goethe alleen wilde zijn met zijne smart en droetheid, en ging stil heen, keerde weder terug naar het smartbed van den dichter, dat nu spoedig zijn sterfbed zou worden.
Want van dag tot dag werd het nu erger; de eerste dagen der maand Mei, der bloeimaand, brachten hem nieuw lijden. De aanvallen van kramp herhaalden zich steeds heftiger en vaker, en tusschen koorts en volslagen afmatting, slopen de dagen voor hem heen. Hij gevoelde wel, dat het nu met hem ten einde ging, dat hij zijn vijftigste levensjaar niet bereiken zou, en hij zijn laatsten Nieuwjaardag beleefd had.
Somwijlen, na de vreeselijke krampaanvallen, scheen hem de dood schier een verlichting, en zag hij hem ten minste met mannelijke gelatenheid en kalmte tegemoet. Zijn Lotje sprak hij er niet van. Maar als de geliefde vriendin, als Karolina geheel alleen bij hem was, dan verheelde hij niet het erge dat komen kon, en zijn meening, dat de dood spoedig dit stille huis zou intrekken.
âMaar, mijn Karolina, laat het ons met standvastigheid verdragen. De dood kan niets kwaads zijn, daar hij iets algemeens is.quot; ')
De hoop was echter nog niet geheel uit zijn ziel verdwenen. Hij was immers nog jong, nog geen vijftig jaren, hij kon nog herstellen! Ook scheen het werkelijk in de vol-, gende dagen alssf het beter ging, en toen op den avond van den zesden Mei Karolina von Wolzogen over zijn bed boog en hem goeden nacht wenschte, glimlachte hij haar feeder toe, groette haar met de oogen en fluisterde zacht:
1) Schiller's eigen woorden.
21'2
^lk denk dezen nacht goed te slapen.quot;
Ãn hij sliep dien nacht werkelijk goed. Niemand was bij hem dan zijn trouwe bediende Rudolf. Dezen wilde hij alleen des nachts bij zich hebben, en deze verklaarde, dat Schiller dezen nacht luid en heftig geijld, â en voortdurend met hem gesproken had, echter niet uit zijn eigen ziel, maar met woorden die het genie uit hem sprak. Van Demetrius heeft hij geijld en in verzen gesproken, in verzen uit Demetrius!
Op den morgen van den zevenden Mei trad Lotje weder aan zijn bed en vroeg naar zijn bevinden.
âSteeds beter,quot; zei Schiller; âsteeds lichter wordt het mij!quot;
En toen trok er over Lotje's aangezicht als een zonnestraal. Steeds beter, steeds lichter ging het haar Schiller!
Zij sloop zacht uit de kamer, haalde haar dochtertje binnen en bracht het den vader. Toen Schiller haar zag vloog een straal van vreugde over zijn aangezicht, hij wenkte haar met de hand tot zich, en Lotje knielde nu met het kind aan Schiller's bed. Hij richtte zich een weinig overeind en hief de hand op, als wilde hij het kind zegenen. Maar de hand zonk zwaar neder, en hij sprak den geheelen dag geen enkel woord. Eerst tegen den avond richtte hij zich een weinig op en zeide:
âLaat mij de zon zien; ik wil de zon zien!quot;
Zij trokken de gordijnen ter zijde, zoodat de zonnestralen in de kamer vielen, en zijn groote, blauwe oogen zagen in de verte en opwaarts ten hemel, welken de zon geheel en al met haar rooden glans overtoog. Lang zag hij erheen, en steeds helderder en helderder werd zijn aangezicht, toen h ij de Natuur groette met zijn laatsten, langen afscheidsblik.
Vervolgens wenkte hij, en zij lieten de gordijnen weder vallen; hij legde zich ter ruste en de nacht ging voorbij, zooals de vorige voorbij was gegaan.
Den achtsten Mei kwamen zijne smarten en zijn ijlen weder en ontnamen den zieke de rust. Van Demetrius en van Teil sprak de stervende dichter. Somwijlen echter kwam hij weder bij zich zeiven, en zoodra hij bij kennis was en de ijlende koorts week, zocht hij met teederen blik zijn lieve Lotje en zijn dierbare kinderen, voor welke hij zoo gaarne nog gewerkt had. Toen hij nu even de oogen weder opsloeg, knielde Lotje voor zijn bed. Zijn oogen schenen haar
213
te roepen, en zij richtte zich op en boog tot hem, dicht bij hem, en kuste hem de bleeke, dunne lippen. Het was een smartelijk zoet geluk voor haar, dat hij haar kus beantwoordde. Zij voelde de drukking zijner lippen op de hare, zij gevoelde zijn afscheidskus! Want zijn afscheidskus was het!
Des namiddags van den negenden Mei richtte hij zich angstig en bevend op.
âNaphta!quot; wilde hij zeggen, maar slechts de eerste lettergreep trilde nog van zijn stervende lippen, vervolgens zonk hij terug in de kussens; de adem kwam moeilijk, onregelmatig en stokkend uit zijn ingezonken borst en geen enkel woord kwam meer over zijne lippen.
Tegen zes uur 's avonds werd zijn adem steeds flauwer en moeilijker. Angstig, in koortsige spanning, zagen degenen, die om zijn bed stonden, op hem neder: Lotje, die nevens hem knielde, Karei, zijn zoon, die luid weenend en snikkend op den grond lag, naast hem diens kleinere broeder Ernst; aan het voeteinde van 't bed zijn schoonzuster Karolina Wolzogen met den arts. Zij staarden allen met angstige spanning op het bleeke, vervallen gelaat van den stervenden dichter, wiens hijgende, hortende adem hen met vreeselijken angst vervulde. Zij staarden op het magere, doodsbleeke gelaat en zagen hoe het daarover heen trok met een laatste stuiptrekking, een laatste flikkering!
Nu werd alles stil; het gelaat werd strak, de handen werden koud en een kreet, een algemeene smartkreet klonk door de kamer.
âSchiller is dood!''
Ja, Schiller is dood! â Wie zal het wagen deze schrik-tijding den zieken, nauwelijks herstellenden Goethe mede te deelen? Niemand heeft er den moed toe, niemand in zijn geheele omgeving.
Goethe was in deze dagen stil en in zich zelve gekeerd geweest, hij bleef steeds in zijn treurigheid en had zijn kamer al dien tijd niet verlaten. Maar niemand had bij bij zich geduld, niemand dan zijn naaste vrienden; niemand ook op dezen dag, dan den trouwen vriend Meijer.
Er werd aan de deur geklopt, iemand kijkt naar binnen en roept Meijer naar buiten.
Goethe zitj aan het venster met zijn trotsche, beraden
214
houding] en zegt geen woord, nu Meijer heengaat. Buiten staat de oude, trouwe bediende Rudolf en bericht hem, dat zijn meester ,dat Schiller dood is! Hij verzocht Meijer het binnen te zeggen, en het mijnheer von Goethe te meiden.
Maar hij schudde het hoofd. â âIk niet; ik heb er den moed niet toe! Ik kan quot;t niet zeggen; ik kan deze verschrikkelijke tijding niet overbrengen!quot;
Hij ging naar beneden in den tuin om uit te weenen, en Goethe bleef alleen, geheel alleen. Maar na een poos werd het hem bang, hij schelt en roept zijn zoon en zijn schoondochter tot zich en spceekt met hen. Zij geven hem antwoord, maar stotterend en verward, zooals nooit.
Goethe schudt het hoofd en zegt:
âIk merk het wel. Schiller moet zeer ziek zijn!quot;
âJa, zeer ziek!quot; zegt Goethe's dochter, en slechts met moeite begint zij een ander gesprek. Maar Goethe is stil, antwoordt nauwelijks,blijft den geheelen avond in zich zelve gekeerd en zwijgend. Vroeger dan anders begeeft hij zich te bed, maar hij heeft dezen nacht niet geslapen. Zij hebben het allen gehoord, hoe hij den geheelen nacht met langzame, zware schreden in de kamer op en neder is gegaan, en hebben gehoord hoe hij geweend heeft, luid geweend en gezucht, in de stilte van den nacht. De groote, trotsche Goethe, van wien men meenen kon, â als men hem zoo beraden en ernstig des daags zag, â dat zijn oogen geen tranen meer hadden, in dezen nacht heeft hij geweend, luid en smartelijk geweend als een kind!
Toen des morgens de schoondochter bij hem binnentrad, richtte Goethe zijn groote oogen meteenangstigen, vorschen-den blik op haar, zag haar diep in het bleeke aangezicht, en zag hoe zij schuw de oogen nedersloeg.
âNietwaar,quot;' vroeg hij haastig; ânietwaar. Schiller was gisteren zeer ziek?quot;
Zij ontstelde, antwoordde niet, maar brak in tranen uit. Goethe kreet luid en hief zich van zijn armstoel op.
âHij is dood!quot;' riep hij met heftigheid.
En toen zij altoos nog niet antwoordde, maar slechts heftiger schreiend met liet hoofd knikte, herhaalde hij met luiden smartkreet; âHij is dood! Schiller is dond!quot; en zonk in den stoel achterover en weende jammerlijk.
215
IV.
NIEUWE LIEFDE, NIEUW LEVEN.
âIk wil mij niet onder het j uk laten brengen door deze liefde! 't Is dwaas, 't is kinderachtig!quot; riep prins Louis Ferdinand, met driftige schreden in zijn kamer op en neer gaande: âIk heb reeds zoo dikwerf gegeten van deze giftige vrucht en hef altoos weder de handen op, om een nieuwe te plukken en opnieuw vergiftigd te worden ! Maar neen,quot; ging hij lachend voort: âik laster mij zei ven; ik hef de handen op en hoop altoos een nieuwe vrucht te vinden, een schitterende bloem te plukken, die balsem is voor de laatste wonden mijns harten. Maar zij, â neen, zij is het niet; Pauline Wiesel is niet geschapen om balsem te schenken. Zij is een heerlijke, maar giftige vrucht! Ik wil weg, ik wil haar ontvlieden, ik wil weg, weg ! Zij is een tooveres, en 't is beter haar voor altoos te ontvlieden, dan zoo in betoovering en folteringen voort te leven, door haar voor den gek gehouden, bespot, â en ten laatste stellig bedrogen te worden. Ik wil weg; ik wil lienriette en mijne kinderen medenemen. Ja, zóó zal het zijn!quot;
En op zijn levendige en vurige wijze greep hij zijn vederhoed en ijlde de trap af op de straat, waar het prachtige, met drie echt arabische paarden bespannen rijtuig gereedstond, joeg door de straten naar het huis bij de Weidammer brug, 't welk hij onlangs gekocht en door zijn zachtmoedige schoone, geliefde Henriette Fromm met hare beide kinderen had doen betrekken. Zij kwam hem tegemoet met dien zachten glimlach en dien blik vol onbeschrijfelijke verrukking en betoovering, waarmede zij hem steeds aanschouwde, en die hem sinds eenigen tijd begon te vervelen! Sinds den tijd, dat hij in de groot, bruine, vlammende oogen vol hoon en spot, vol levenslust en hartstocht van Pauline Wiesel geblikt had. Henriette beminde hem werkelijk, dit wist hij, en misschien was het dit bepaald weten, deze onmogelijkheid aan hare trouw en verknochtheid te twijfelen, die prins Louis Ferdinand verveelde. Slechts de goederen, om welke men strijden moet, zijn van waarde en prikkelen tot nieuwe pogingen; het zekere bezit verstompt de vreugdeerover.
216
Voor drie jaren, toen hij de schoone en lieve Henriette Fromm,de dochter van een kleinen fabrikant, leerde kennen, had juist de bewondering, welke zij hem toedroeg, deze opofferende, zachtmoedige, smachtende liefde den prins aangetrokken en hij had haar aan zijn hart genomen, zooals men een lieve, bescheiden, geurige bloem in zijn knoopsgat steekt, haar daarlaatverwelken,en met vriendelijke berustmg op de verwelkte nederziet. Arme bloem, uw leven was kort, maar het was liefelijk en vol zonneschijn. Ge hebt voor mij gegeurd en mij vreugde geschonken, ge hebt uwe bestemming vervuld!
Maar de bekoorlijke bloem, welke hij aan zijn hart gedrukt, en waarmede hij zich getooid had, was hem de moeder zijner twee kinderen geworden, en het kleine knaapje en het kleine meisje waren 's prinsen vreugde en trots. Hij beminde hunne moeder, wijl zij ze hem geschonken had ; hij beminde Henriette ook uit dankbaarheid, uit gewoonte.
En deze liefde had menigen storm verduurd; was zelfs niet uitgedoofd onder den vuurgloed, dien de gravin Aurora von Stein in zijn hart had ontstoken. Ziek, gebogen, schier vertwijfelend was prins Louis Ferdinand destijds naar Berlijn teruggekeerd; en toen Henriette,quot;â die gedurende zijn afwezigheid veel om hem geweend en veel om hem geleden had â hem bleek en uitgeput met doffen blik tot haar zag terugkceren, kon zij niet anders doen dan de armen openen, ze om zijn hals slaan en feeder fluisteren; âRust aan mijn hart uit, Louis Ferdinand! Moge dit hart u ten minste een wijkplaats zijn, als ge huiswaarts keert uit de stormen des levens!quot;
Toen had hij haar beloofd haar nooit weder te verlaten, haar tot het einde zijn levens te beminnen, ware 'took slechts met den zachten gloed der herinnering aan verleden dagen, â te beminnen ook, als de moeder zijner twee kinderen.
âEn beknor mij niet, Henriette,quot; zeide hij glimlachend terwijl hij haar bruine lokken zacht door zijn handen liet glijden: âBeknor mij niet, zoo ik niet u alleen bemin. Zie, mijn kind; het hart der mannen is groot, en heeft plaats voor vele en verschillende gevoelens. Zeg niet, dat de eene liefde de andere doodt. Wie een sterk hart heeft, is wel in staat te gelijkertijd deze te beminnen, en naar gene te
217
smachten; deze te aanbidden, en gene in verrukking te zweren, dat hij haar gloeiend bemint. Mij gaat het zoo, gelijk Goethe zegt, mijn bekoorlijk kind: âEen zwak hart is dat, ' twelk slechts tot ééne liefde in staat is. Het liefderijkste hart is hieraan te herkennen, dat het niet ééns, maar meermalen bemint.quot;
Henriette had dan geglimlacht en hem zacht en onderworpen aangezien. Zij gevoelde hem zóó hoog boven zich verheven, zich zelve zóó diep beneden hem, dat zij iederen blik, ieder vriendelijk woord met den zachten gloed barer liefde aannam als een geschenk, een onverdiend, kostbaar geschenk, waarvoor zij dankbaar was, en waarover zij zich verheugde.
Louis Ferdinand dacht dan soms wel, dat er niets vreese-lijker en vervelender was, dan een zachte, niet verwijtende geliefde. Met tranen, beschuldigingen en verwijten zou zij hem misschien langer aan zich geboeid hebben, maar hare zachtmoedigheid doodde den heeten gloed zijns harten.
Daarom ging hij heen en zocht in onbeteugelde drift nieuwen gloed en nieuwe liefde.
âHenriette,quot; zeide hij tot baar, toen zij nu haar hoofd aan zijn schouder legde en teeder tot hem opzag; âik wilde dat ik zoo zachtmoedig was als gij, en zóó tevreden, dat ik genoeg had aan den zonneschijn, aan de behagelijkheid van het dagelijksch loven hier buiten en ik alles in mij kon dooden wat er stormt en dringt en juicht in mijn ziel, den geheelen dag door. Ik wil 't eens beproeven, Henriette, of de eenzaamheid, de vrede der Natuur, niet een weinig rust in mijn wezen brengt. Wij willen naar Schrieke, naar mijn landgoed en daar wil ik geheel alleen met u en de kinderen een paar weken doorbrengen.quot;
Zij klapte in de handen van vreugde en huppelde in 't rond als een jong meisje; zij haalde de kinderen, opdat zij hun lieven vader zouden danken voor het geluk en de vreugde, welke hij hun verschafte.
En hij? Hij schaamde zich schier over deze kinderlijke vreugde. Hij dacht reeds nu met eenige huivering aan de verveling te Schrieke, als hij daar alleen was met Henriette. Hoe anders zou het zijn, hoe geheel anders, als deze tiere, hemelsche vrouw met de schoone weelderige gestalte, met het gelaat eener Venus, met de vlammende ooyen en de
218
purperkleurigelippen, die zooveel boosheid uitstroomden en zooveel gloed en liefde beloofden, zoo deze alleen met hem te Schrieke zoude zijn!
âMaar neen! ik wil niet meer aan haar denken,quot; zeide hij toen hij, nadat hij van Henriette afscheid had genomen, weder voortjoeg door de straten : âik wil niet meer aan haar denken! Ik heb 't Henriette gezegd, en daarbij blijft het. Morgen vroeg gaat zij met de kinderen naar Schrieke en ik volg haar; zeker, ik volg haar!quot;
Toen hij dit zeide zag hij op, plotseling stond hij op en tikte met den vinger den koetsier op den schouder. â âStilhouden!quot;
De vurige paarden, door de teugels haastig teruggetrokken, hielden stampend stil, en prins Louis Ferdinand sprong uit het rijtuig en in het huis. Hij had boven aan het venster het fraai, liefelijke aangezicht zijner vriendin, de jonge Elise von Rauh, gezien. Zij had aan het venster gestaan, toevallig, zooals hij meende en had hem glimlachend gegroet, en nu kwam hij op den inval, ook zijn lieve vriendin Elise von Rauh vaarwel te zeggen vóór hij naar Schrieke vertrok. â Ja toevallig, meende hij, had zij aan het venster gestaan. Zij echter wist het wel, dat prins Louis Ferdinand op dit uur van den morgen gewoonlijk door de straat reed. Steeds had hij tot haar opgezien, om haar te groeten, en nooit had zij aan het venster ontbroken. Hij had er nooit op gelet, doch hield van haar en was altoos gelukkig en tevreden als hij bij haar was.
Dusseck, de pianist en componist, met wien de prins in zijn huis muziek maakte eri componeerde, â Dusseck had den prins hekend gemaakt met de schoone Elise von Rauh, een jonge weeze, die ten huize van naaste en rijke verwanten woonde; een muzikaal genie, van wie Dusseck beweerde, dat na prins Louis Ferdinand, niemand zoo goed piano kon spelen en phantaseeren, als zijne leerlinge Elise von Rauh. Hij had den prins zóólang haar schoonheid en groot talent geroemd, tot prins Louis Ferdinand hem op een dag verzocht, hem naar degeprezen leerlinge te voeren,
Dusseck was hiertoe gaarne bereid geweest, en sedert was prins Louis Ferdinand dikwijls met Dusseck en ook alleen naar Elise von Rauh gegaan, om met haar muziek te maken en te phantaseeren. Niets anders had hij hierbij
'219
gedacht; de muziek was het verbindingsmiddel tusschen hem en haar. In de dolle stormen zijns levens gevoelde hij het als een verkwikking, als hij tot haar ging; in het stille, behagelijke salon nevens haar zat, met haar sprak over muziek en haar geliefdste meester en dan haar de hand bood, haar naar de piano voerde, met haar het thema besprak, waarover zij spelen wilden en hunne handen gemeenschappelijk op de toetsen lagen, om elkander te ontmoeten in dezelfde melodiën en phantasiën. Elise had hem nooit verzocht weder te komen, als hij heenging. En hij wist niet, dat zij hem toch den geheelen dag verwachtte en zij eiken morgen opstond met de éénige vraag in haar hart: âZal hij heden komen?quot; En hij wist niet, dat zij tot aan het bepaalde morgenuur, wanneer zijn rijtuig voorbij haar venster vloog, om hem door de Friedrichstraat naar het huis bij de Weidendammerbrug te brengen, altoos daar stond met kloppend hart en zij zich vroeg: âZal hij heden slechts voorbijrijden, of stilhouden en bij mij bovenkomen?quot;
En hoe gelukkig was zij, toen heden nu het rijtuig stilhield toen prins Louis Ferdinand er uit sprong, en zij van 't venster terugtrad en luisterde, tot zij zijn voetstappen hoorde, de deur der voorkamer zich opende, en zij nu wist: âhij komt, hij komt bij mij!quot;
Zij ging hem tegemoet, bekoorlijk als een ontluikende lelie, zacht en met een wonderbare uitdrukking van innige vreugde in haar voorkomen; in haar geheele wezen.
Hij reikte haar de hand toe. â âElise, ik kan toch niet van hier, zonder u nog eens te zien; zonder u vaarwel te zeggen.quot;
En in zijne opgewondenheid en bevangenheid door'tgeen in hem gloeide en heimelijk met hem ging, in de bevangenheid zijner liefde voor Pauline, merkte hij niet, dat een doodsche bleekheid voor een oogenblik over het fijne, door-schiinende gelaat vloog.
âGe wilt weg, prins Louis? En waarheen ?quot;' vroeg zij zacht.
âWaarheen?quot; zeide hij, zich op een stoel zettende: âGe vraagt mij daar een groot woord. Ik zou willen zeggen: naar de rust, naar den vrede, zoo ik wist, waar die op aarde te vinden zijn. Maar ik weet het, ja, ik weet het! Zonder het te weten, sta ik voor een gesloten paradijs; rust en vrede zijn bij u, Elise! En ik geloof waarlijk,
220
't is mijn gelukkig gesternte, dat mij juist heden u aan het venster liet zien, en dat ik liet stilhouden om bij u te komen. Gij zult mij rustig stemmen. Speel, Elise! Ik bid u, laat mij uw fraaie muziek hooren. Weet ge wel, wat ik heden ben? Een zieke leeuw, zoo ge wilt; een zieke leeuw, die pijn lijdt en op zou willen springen van woede. Elise, verzacht zijn pijn, maak hem goed en zacht met uwe muziek, Elise!quot;
Hij legde zijn hoofd mat in den stoel achterover en sloot de oogen ; en zij stond voor hem en zag hem aan met een diepen blik, die haar geheele ziel openbaarde, en die loch omsluierd was door het geheim van haar maagdelijk zwijgen. Zij had hem dikwerf zoo gezien, in deze afmatting der harstochtelijkheid, in deze vermoeidheid na den onstuimigen gloed van zijn wezen, en haar maagdelijk, rein hart vermoedde niet den oorsprong van dat lijden, gevoelde slechts hemelsch medelijden en teedere bezorgdheid, en zóó stond zij voor hem en verheugde zich in zijn schoonheid en beschuldigde in haar ziel degenen, die dezen held folterden en kwelden, zoodat hij uitgeput nederzeeg en klagen moest; â hij, voor wien het geheele leven toch niets anders zijn moest dan zonneschijn, dan geluk en vreugde!
âElise,quot; zeide hij, langzaam de oogen tot haar opslaande: âik bid u, leg een oogenhlik uw lieve, zachte hand op mijn heet voorhoofd. Dat bekoelt mij als een dauw, die van den hemel valt. Zoo, en nu. vriendin, laat mij nu kalmeerende muziek hooren.quot;
Zij zweefde door de kamer naar de piano, zette zich en begon te spelen.
Prins Louis Ferdinand bleef met gesloten oogen in zijn armstoel liggen en luisterde naar de teedere, edele muziek, welke zij uit de toetsen lokte. Allengs onder deze tonen, die om hem ruischten en klonken als engelen des vredes, als stemmen eener andere wereld, allengs werd het stil en zacht in hem. Hij opende de oogen, zag droomend in het ledige en luisterde naar de muziek ; en zijn gedachten doolden tóch ver af, naar het schitterende, stralende gelaat, naar de groote, zwarte oogen die hem met lust en weelde begroetten, en hem tóch met hoon en spot afwezen. Hij stond op en trad naar Elise, plaatste zich tegenover haar bij de piano en zag haar aan. Haar door geestvervoering bestraald.
221
doorschijnend aangezicht, de groote, blauwe oogen, die opwaarts gericht waren, als zagen zij in den hemel en luisterden naar de eeuwige harmoniën der engelen, haar halfopen mond, die tusschen de malsche, roode lippen de kleine schil-terend witte tanden liet zien, â dit geheele bekoorlijke maagdelijke aangezicht maakte op den prins in dit oogen-blik een wonderbaren, zonderlingen indruk. Zóó had hij haar nooit gezien; nooit gevoeld hoe ft aai Elise was, en hoe lieftallig in de onschuld en teederheid harer maagdelijkheid, toen zij nu langzaam haar muziek liet eindigen en de kleine handen van de toetsen nederzonken en zij hem aanschouwde met een glimlach en met de vraag in de teedere oogen âIs de leeuw nu genezen, doen de wonden geen pijn meer?quot; nu trad hij op haar toe, nam hare handen en drukte die aan zijne lippen.
Zij stond op en knikte hem toe. â âZijt ge tevreden, prins T'
âTevreden? Elise, dat is een karige lof, geschikt voor menschelijke diensten en voor het aardsche. Gij echter, Elise, gij hebt mij de harmonie der sferen laten hooren, en 't past den sterveling niet, trotscli zijn goedkeuring hierover te uiten. Ik kan u slechts danken, Elise, en dat doe ik uit het diepst mijner ziel. Ik dank u niet alleen voor'tgeen ge heden voor mij gespeeld hebt, ik dank u voor uw geheel wezen. Ge zijt als een engel van troost, Elise. Ik geloof, dat ge geen aardsche vrouw, â en zekerlijk voor geen aardsche liefde vatbaar zijt. Zeg mij, bekoorlijkste, quot;heeft zich ooit uw hart voor een ander bezield, dan voor den koning der Muzen, voor Apollo? Zijt ge voor aardsche liefde vatbaar?quot;
Zij zag hem aan, glimlachte en schudde de lange, blonde lokken, die als een gouden stalenkrans haar fijn, edel gelaat omlijstten.
âMisschien niet, prins! 't Is mogelijk dat ik voor geen liefde vatbaar ben!''
âHeil u, Elise,quot; zeide hij hartstochtelijk: âheil u dat ge het niet zijt! Ik bezweer u, blijf wat ge zijt, Elise: het teedere lelieknopje, dat nog al den geur der bloesem en allen dauw des hemels in zich besloten houdt. Zoo zijt ge voor mij het zoetste droomboeld, en somwijlen als ik bidden wil, Elise, denk ik aan u. Blijf voor mij, wat ge
222
zijt: het ideaal der vrouw, en ik bezweer u, open nooit uw hart voor aardsche liefde.quot;
âKan men dat doen zooals men wil?quot; vroeg zij met een schier schalkschen glimlach: âKan men zeggen: ik wil beminnen, of ik wil niet? Komt het niet over het mensche-lijke hart als een zalige droom, als een hemelsche ingeving, en moet men dan niet juichend of stervend het geluk der liefde of de smart der liefde in zich opnemen, en tot den Almachtige en tot zich zeiven zeggen: âde liefde is er,ik laat haar binnentrekken in mijn hart, als een verkondiging Gods!quot;
Hij zag haar met een verrukten en bewonderenden blik aan, toen zij hoog, opgericht als in een verheerlijking, zoo voor hem stond en opzag ten hemel, met dien reinen glans van onschuld, liefde en maagdelijkheid in haar geheelwezen.
âOm Godswil, Elise ! moogt ge het ideaal der liefde, dat niet werkelijk is, eeuwig in uw hart dragen en nooit moeten erkennen, dat het slechts een ideaal is! De aarde is er niet toe geschapen om de droomen van zulk een strenge reinheid te vervullen, mijn arm, fraai meisje. Als ik er aan denk, dat er een man op aarde kon zijn, die het waagt naar uwe reinheid en onschuld te trachten, en u te bogee-ren als zijn aardsche vrouw, dan voel ik een diepen toorn in mij opstijgen, en ik zou zulk een mensch, dien ik evenwel niet ken, kunnen dooden en nederslaan in het stof, voordat hij het waagt tot u op te zien.quot;
âNu,quot; zeide zij glimlachend: âdan wil ik u ten minste voor een moord behoeden, prins. Ik geloof, of ik ben zeker, dat ik nooit trouwen zal en er geen man is, dien ik veroorloven zal de hand naar mij uit te steken, en mij tot zijn vrouw te begeeren. Geen man doet dit, zoo de vrouw er hem geen aanleiding toe geeft, en hij geen hoop in hare oogen leest; en ik geef u mijn woord, prins, er zal niemand hoop en aanleiding in mijne blikken vinden.quot;
âDat is een zoete troost, dienik medeneem, en nu vaarwel!quot;
Hij bracht haar kleine, witte hand aan zijne lippen, knikte haar toe en zag haar lang aan met een bewonderenden, teederen blik. En hij wist niet dat, toen hij heenging, zij hem naoogde met denzelfden teederen, bewonderenden 'blik, waarmede hij haar aanschouwd had, en zij naar de deur ijlde, om de kleine verwelkte roos, welke hij in't knoops-
223
gat had gedragen en die hem ontvallen was, op te rapen, aan hare lippen te drukken en vervolgens aan haar boezem te verbergen.
Hij wist het niet, joeg door de straten voort, en zeide steeds tot zichzelven: ,,lk wil weg, ik wil Pauline vergeten; zij is een tooveres, zij is een Girce.quot;
Nu hield hij stil voor het paleis, waar zijne ouders woonden, ijlde de trap op en trad bij zijn vader binnen; bij den ouden prins Louis Ferdinand, die aan zijn schrijftafel zat en zóó verdiept was in de papieren documenten, die voor hem lagen, dat hij nauwelijks zijn binnentredenden zoon scheen op te merken, en hem slechts met een nor-schen blik en een haastigen hoofdknik groette.
âLieve vader,quot; zei de prins, hem naderende en zich buigende, om zijn voorhoofd te kussen: âlieve vader ik kom, geloof ik, om u een aangename tijding te brengen ; ik kom om te zeggen, dat ik het vroolijke, dolle en kostbare Berlijn voor eenigen tijd wil verlaten en naar Schrieke gaan, in de eenzaamheid van mijn landgoed.quot;
âEen zeer fraaie gedachte,quot; zeide zijn vader, de pen neder-leggende, en opstaande: âwaarlijk een zeer heilzame gedachte waartoe waarschijnlijk uw ledige kas u gebracht heeft.quot;
âDitmaal eigenlijk niet, cher père; want uw maatregel, om uwen eenigen zoon tot verkwister te verklaren, heeft, Goddank, niet de erge gevolgen gehad als ge dacht. Mijn goede, waarde oom prins Heinrich, heeft mij immers sedert weder tot een rijk man gemaakt door zijn schitterende erfenis, en het vroolijke leven kan nu weder een paar jaar zoo voortgaan, zonder dat ge mij verwijten behoeft te doen.quot;
âEn na een paar jaren zal alles weder zoo zijn als het geweest is,quot; zei prins Ferdinand wrokkend: ,.ge zult de twee millioen, welke u mijn dwaze en verkwistende heer broeder vermaakt heefl, doorgebracht hebben met vrouwen en de tafelschuimers van muzikanten, kunstenaars enlit-terators, die u omgeven, en dan zal de nood weer beginnen.quot;
Prins Louis Ferdinand lachte. â âWaarom zou ik mij nu reeds met het spooksel der toekomst plagen? Wie weet of er in 't geheel voor mij wel een toekomst is? Alles is onzeker in 't leven, cher père, en die het oogenblik niet geniet is een dwaas, want hij weet niet, of het volgende uur nog het zijne is.quot;
224
âEn wie het uur verspilt,quot; zeide zijn vader scherp; âis een zondaar, want bij weet niet, of hij in het volgende uur nog Lijd heeft weder goed te maken, want hij kwaads heeft gedaan! Zoo is het met u gesteld, Louis; gij verspilt uw tijd, dat is: uw jeugd, uw kracht en helaas I ook uw geld,â of veeleer het geld, dat het onbillijke testament mijns broeders u gegeven heeft, en 't welk naar recht en wet het mijne moest zijn en ik beheeren moest voor u en uwe zuster, ten beste van uw leven!quot;
De prins zag glimlachend in het verdrietig gelaat van zijn ouden vader. âDoet het u waarlijk zoo leed, c/^rpère, dat mijn lieve oom mij tot erfgenaam heeft gemaakt?quot;
âJa,quot; zeide zijn vader verdrietig: âja, het doet mij leed; 't is een terugzetting, die ik niet verdiend heb, en het doet mij ook leed wegens de-fraaie millioenen, welke mijn broeder sinds jaren gespaard heeft, 't Is een smart voor mij te zien, hoe dit verkwist wordt in nietswaardige dingen, met vrouwen, met weelderige feesten, die niets dan walging achterlaten. Ja, Louis; 't is niet goed geweest dat mijn broeder Heinrich u de erfenis heeft gegeven, want tot ongeluk onzer familie zijt ge een verkwister en weet volstrekt niet het geld bijeen te houden.quot;
âDit is helaas, waar,quot; lachte de prins. âMijn beurs is als een Danaïden vat; duizenden gaan er in, duizenden rollen er door. Maar weet ge, cher père, ik geloof er is een middel dat die duizenden redt en het lieve voorhoofd mijns vaders weder vroolijk en helder maakt.quot;
âIk zou dit middel wel willen kennen,quot; zei prins Ferdinand wrevelig: âik geloof niet dat er een op aarde is.quot;
âIk ken het en zal het u zeggen, c/ier père,quot; riep de prins levendig: ,,ik sta u de geheele erfenis af voor uw geheele leven, en God moge geven dat dit lang, zeer lang zij! Zoolang ge leeft zal de erfenis, welke prins Heinrich mij nagelaten heeft, door u bestuurd worden, en gij zult het vruchtgebruik van het gebeele vermogen hebben!quot;
Het gelaat van prins Ferdinand verhelderde zichtbaar en een blik van vreugde schitterde in zijne oogen.
âIs u dit ernst, Louis? Zoudt ge dit doen?quot; vroeg hij.
â't Is voor het eerst in mijn leven, dat ik in staat ben mijn waarden vader een vreugde Ie verschaffen, en ik zou een nietswaardige zijn, zoo ik van deze gelegenheid geen
225
gebruik maakte. Ja, mijn dierbare vader, het zal zoo zijn, Ik sta u liet vruchtgebruik voor uw leven af en zoo ge wilt, zal hiervan terstond een schriftelijk bewijs gemaakt worden.quot;
âHet zou goed voor u zijn, Louis,quot; zeide prins, die zijn geldzucht met den mantel van vaderlijke teederheid en zorg trachtte te bedekken: âwaarlijk, 't zou goed voor u zijn, zoo ge het deedt. Want zoo gij er alleen baas over zijt, en het niet alleen beheert, maar verkwist, dan is't in een paar jaren met het geheele fraaie vermogen gedaan, terwijl gij, als ik het beheer en het vruchtgebruik er van heb, zeker kunt zijn, na mijn dood de erfenis van prins Heinrich met een vierde vermeerderd te zien. Ik overleg en spaar, opdat, mijn zoon, die na mijn dood misschien verstandiger is geworden, een schatrijk prins worde.quot;
âIk weet, dat ge het doen zult,quot; zei prins Louis: âen ge ziet hieruit, cher père, dat ik eigenlijk een baatzuchtig mensch ben, die u de erfenis aanbiedt, om haar te redden en door u te laten vergrooten. Het blijft er bij; ik sta u de erfenis af, uw leven lang.quot;
âHet blijft er bij, zoo ge wilt, Louis,quot; zei prins Ferdinand verheugd: âen wij willen het schriftelijk doen, opdat, zoo het eens noodig is, uwe millioenen gered zijn.quot;
âJa, wij willen het schriftelijk doen,quot; zei prins Louis Ferdinand vroolijk, en zette zich voor de schrijftafel zijns vaders.
In vluchtige regels schreef hij een acte van afstand, die aan prins Ferdinand, zijn vader, bet beheer en vruchtgebruik van de geheele erfenis van prins Heinrich verzekerde.quot;1)
Toen wierp hij vroolijk en onbezorgd, â alsof hij niet zooeven millioenen had afcestaan â de pen weg, kusle zijn ouden vader en verwijderde zich om van zijn moeder en zijn zuster Louise afscheid te nemen, en naar Schrieke te gaan. Geen woord sprak bij tot de prinsessen van 't geen hij zooeven gedaan had, koutte en lachte en schertste met haar, die hem met onuitsprekelijke teederheid en liefde aanschouwden, en zich verheugden in zijn schoonheid, zijn jeugdige kracht en zijn geheel wezen, en hem geluk wensch-ten, dat hij het verstandig besluit genomen had, om een paar weken naar Schrieke te gaan.
1
Historisch. Zie: Varuliagen von Knse's vermischte Schriften. IX. Mührbaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. VIII. 15
226
âEn ik wil stellig gaan,quot; zei prins Louis Ferdinand lot zich zeiven, toen hij nu door de straten verder reed: ,.ja, ik wil gaan! 'tls mij, alsof reeds een paar draden breken van het net, dat de tooveres om mij spint; ik gevoel mij reeds een weinig vrij. Ja â quot;
Hij zweeg, want toevallig had de koetsier, die hem naar 't koninklijke paleis zou rijden, den weg door de Jagerstraat genomen, voorbij het huis, waar Pauline Wiesel woonde. En toen hij dit huis in de verte zag, gloeide zijn hart, en 't was misschien geheel onwillekeurig, dat hij den koetsier, toen zij voor het huis waren, beduidde slil te houden. Hij kon niet anders. De betoovering was sterker dan hij]zelf; de betoovering was hem te machtig. Hij verontschuldigde zich zeiven, terwijl hij de trap opging.
â'tls toch al te lomp, zoo zonder afscheid weg,te gaan. Ik wil haar vaarwel zeggen. Zij moet ten minste weten dat ik de kracht heb, weg te gaan; en God geve, dat zij mij weder even verachtelijk aanschouwt en behandelt als gisteren! Dan zal mij 't afscheidnemen dubbel licht vallen.quot;
Maar tot zijn ongeluk ontving zij hem niet zooals hij verwacht had. Misschien was zij bevreesd, dat haar spottend en terugstootend gedrag van gisteren hem werkelijk verwijderd had; misschien was zij gelukkig hem weder te zien, want zij kwam hem met stralend aangezicht en glinsterende oogen tegemoet, en reikte hem haar beide handen-
|,Weeö gegroet, waarde prins. Hoe lief en heerlijk dat ge zoo onverwacht komt!quot;
Er was in den toon barer stem iets zoo innigs en hartelijks, als hij in lang niet van haar gehoord had en dat deed hem goed, onuitsprekelijk goed. Hij nam hare handen en zag haar aan met gloeiend, stralend;gelaat.
âPauline, 't is u dus niet' onaangenaam dat ik kom ? Ik verveel u niet zoo, dat mijn binnentreden u reeds verschrikt, zooals ge gisteren zeidet?quot;
Zij schudde haar hoofd zóó levendig, dat de bruine lokken als slangen om haar heen kronkelden. âWaarlijk, prins, ge waart gisteren onverdragelijk. Ik geloofde waarachtig, gij wildet mij een lesje geven en waart schier op 't punt, mij een boetpredikatie te houden in den kring mijner cavaliers en vrienden.quot;
âIk wilde dat ik het kon,quot; zeide hij, geheel verloren in
227
aanschouwing der wonderschoone vrouw: âik wilde dat ik, gelijk de Heiland, de schacheraars en woekeraars en onheilige gezellen uit dit huis kon drijven en den ternpel weder herstellen in al zijne heerlijkheid, â den ternpel, waarin gij als reine godheid zoudt tronen!quot;
Zij lachte luid. â âPrins Louis Ferdinand,gij pasteven weinig voor een Heiland, als ik voor een godin van reinheid en onschuld passen zou. Wij zijn beiden zondige en we-reldsche kinderen, en wij willen niet beproeven elkander te bekeeren. Ge zult mij nooit weder mogen aanzien met een verwijtenden blik. Zoo ge niet kunt goedkeuren wat ik doe, zoo 't u geen pleizier is mij te laten zooals ik ben, â zoo ge het leven niet beschouwt als een enkelen fraaien zomerdag, dien wij genieten willen, ga dan, prins, dan wil ik u nooit wederzien!quot;
,,En zoo ik het doe, Pauline,quot; zeide hij, haar hand vaster in de zijne nemende; âzoo ik nu, geheel verrukt, vervoerd door uw wezen, â verstand en rede laat varen; als ik tot mij zeiven zeg: het leven is een enkele fraaie zomerdag, wij willen dien genieten en â na ons de zondvloed! dan.. .quot;
âDan zeg ik u; welkom, prins Louis Ferdinand! Ge zijt de eenige man, die mij weet te begrijpen, de eenige man, die mijn liefde waardig is!quot;
Hij juichte luid, sloot zijn armen vast om haar leest en drukte den eersten gloeienden kus op hare lippen.
Den volgenden dag reisde Henriette Fomm met hare twee kinderen naar Schrieke, verheugd bij de gedachte, dat prins Louis Ferdinand haar des avonds volgen zou.
Maar hij kwam niet; hij had lang vergeten wat hij haar beloofd had, â kwam niet, maar bleef te Berlijn aan de voeten der schoone Pauline Wiesel.
V.
HET TREURSPEL VAN DU1TSCHE SCHANDE.
Het treurspel van Duitsche schande en Duitsche nederlagen, was begonnen met den aanvang van het jaar 1805.
'228
Nóg is het Noorden van Duitschland er van bevrijd gebleven; maar hoelang, en ook daar zullen tooneelen van dit rampzalige treurspel vertoond worden.
Ook thans nog, bij't einde van't jaar 1805, spelen deze tooneelen in het Zuiden van Duitschland en Oostenrijk is de ongelukkige overwonnen held er van. Voor de poorten van Ulm wordt op den twintigsten October een nieuw too-neel van dit treurspel vertoond: een schitterend, verheiïend tooneel voor het Fransche leger, dat in 't rond de wijde vlakte vult. Bij duizendtallen, lijf tegen lijf gedrongen, in ernstige stilte, het geweer bij den voet, de bajonetten blinkende in den glans der herfstzon, zoo staan zij daar, de gebaarde Fransche krijgslieden, 'en voor hun front ziet men een schitterenden troep generaals in met goud geborduurde uniformen.
Verder vooraan, geheel alleen, afgezonderd van de anderen, ziet men een ruiterstandbeeld, onbeweeglijk man en paard, strak als uit metaal gesmeed. Zie het aangezicht van den Gesar! De kleine driekante hoed laag op het voorhoofd gedrukt, de kleine blanke hand met sterke greep de teugels van 't paard houdende, dat trotsch den kop heeft opgeheven, even onbeweeglijk als de Gesar, die op zijn rug zit.
Is dit een levend wezen, of is 't een der Romeinsche ruiterstandbeelden? Is het Marcus Aurelius, die van het kapitool nedergedaald, â en naar Duitschland gekomen is, om op de vlakte van Ulm de zegepraal van den Franschen Keizer te zien? Niet als een levend wezen ziet hij eruit, geen spier van het metalen aangezicht beweegt zich, geen glimlach omgeeft de fijn besneden lippen; onbeweeglijk zijn ruiter en paard. Slechts uit de oogen, die strak en vast gericht zijn naar de zwarte, donkere massa, die zich voorwaarts beweegt, â slechts uit deze oogen schiet een flikkering, een enkele vlammende flikkering, van triomf en overwinnaarstrots.
De donkere massa's rukken dichter bij, treurig, somber, als kwamen zij tot een begrafenis. En 't is een begrafenis! Oostenrijks eer zal heden begraven worden op de vlakte van Ulm. Duizenden en duizenden rukken voorwaarts en leggen hunne wapens neder, het eene op het andere, tot zij zich opstapelen tot een ontzaglijken brandstapel, waarop Oostenrijks eer zal verbrand worden en tot asch vergaan.
229
Nu naderen zij met de vaandels; zwijgend leggen zij ze op elkander, veertig vaandels met de Oostenrijksche wapens versierd. En voorls komen daverend de kanonnen, zestig bespannen stukken geschut. Kanonnen van bet Oostenrijksche leger, die nu aan Frankrijk behooren, â het zegevierende Frankrijk, welks adelaars in het zonlicht schitteren! Terwijl de Oostenrijksche soldaten de wapens neder-leggen en de vaandels omlaag houden, en hun geschut en paarden overgeven aan den overwinnaar, zijn zij het niet alleen, die beschaamd en deemoedig de oogen nederslaan, â ook de Fransche krijgslieden gevoelende schande der Oosten-rijkers en staan daar in doodsche stilte, den blik nederwaarts, alsof ook zij zich schaamden over de vernedering hunner menschen-broeders. Alleen het ruiterstandbeeld staat nog altijd onbeweeglijk. Maar nu beweegt zich plotseling de gestalte en het trotsche hoofd buigt zich een weinig, en als voelde bet paard, dat er weder leven in dit beeld is gekomen, heft het den poot op en krabt in bet zand en knikt met den fraaien, witten kop.
Daar komt een troep aan, een troep van generaals zonder wapen. Met goud geborduurd zijn de uniformen, met orde-teekens behangen de borst, maar het zijn tóch de overwonnenen, de verslagenen. Aan hun spits gaat de veldmaarschalk Mack en deemoedig naderen zijn den overwinnaar, die daar zit op het hooge paard. Deemoedig buigen zij bet hoofd en nu komt er leven in het standbeeld; de lippen, die zoo stijf opeen gedrukt waren, openen zich en metalen woorden klinken over de gebogen hoofden der gevangen Oostenrijksche generaals; wrokkende, harde woorden, die als de donder van 't wereldgericht in de ooren klinken der gedeemoedigden.
âIk wil mijn lieven broeder, den Keizer van Duitschland, een goeden raad geven,'' luidden deze woorden; âdat hij zich haaste den vrede te sluiten. Het oogenblik is gekomen, zich te herinneren, dat alle rijken een einrle nemen. De geriachte, dat het einde der dynastie van het Lotharingsche Huis nadert, moest hem met schrik vervullen.quot;
En dit dreigende woord van Keizer Napoleon vervulde niet alleen Oostenrijk met schrik, het vond een weerklank van ontzetting, van toorn en van woede in geheel Duitschland en bovenal te Berlijn.
230
âAls hij Oostenrijk vernederd en geheel in het stof getreden heeft, dan zal aan ons de beurt komen !quot; riep de oorlogspartij: âzoo de Koning nu niet het zwaard opheft, zal hij het niet meer kunnen opheffen en Napoleon zal hem dwingen te doen, wat Keizer Frans moet doen; hij zal zich moeten vernederen voor den overwinnaar!quot;
De Koning van Pruisen aarzelde nog altoos. Beter misschien dan al zijn generaals, kende hij den toestand van zijn leger; beter dan al de anderen weet hij, dat tegen het in den oorlog geoefende, â van zegepraal dronken Fran-sche leger, de Pruisische armée met hare oude generaals niet opgewassen is. De Koning aarzelde dus en wankelde; maar vervolgens kwam een oogenblik, dat ook de vredelievende Koning zijne gematigdheid en bezadigdheid vergeten moest, want Napoleon had ook hém beleedigd en gekrenkt; Napoleon had hem aangetast in 't geen hem het hoogste was; in zijn militaire eer.
Zonder aanvraag en zonder verlof was een Fransch legerkorps door het Pruisische gebied, â door het Ansbachsche gemarcheerd; en nu was het gedaan met de rust en beradenheid van Friedrich Wilhelm; nu flikkerden ook zijne oogen van toorn en hij begeerde van Frankrijk voldoening voor de aangedane beleediging.
Tevergeefs zocht de Fransche gezant Laforet den toorn van het Pruisische kabinet te matigen en den Keizer te verontschuldigen, met de noodzakelijkheid dezer handelwijs.
âDe Koning van Pruisen.quot; riep Hardenberg hem toornig tegen; âis geen Koning van Napels! en zoo hij zich iets dergelijks liet welgevallen, dan zou elk man van eer in Pruisen hem aan de waardigheid van zijn rang herinneren!quot;
Maar hoezeer zelf doordrongen van het gevoel der eer en waardigheid van zijn rang, wilde Friedrich Wilhelm er nog altoos niet toe besluiten, het zwaard op te heffen; aarzelde hij nog altoos met het laatste beslissende woord. Zelfs Koningin Louise vermocht het niet, dit aarzelen van haar gemaal to overwinnen. Maar nu kwam haar onverwacht een bondgenoot te hulp, wiens verschijning meer uitwerkte dan alle overtuigingsredenen van Hardenberg, dan al het smeeken der Koningin.
Deze bondgenoot was Keizer Alexander. Hij was op weg geweest, om zich naar zijn leger in Oostenrijk te begeven;
231
geheime boden van Hardenberg hadden hem intusschen te Warschau gemeld^ dat 's Konings stemming nu tot een verbond tegen Frankrijk neigde en met koerierpaarden was de Keizer nu naar Berlijn geijld, om van deze gunstige stemming zooveel mogelijk partij te trekken.
Ook tot Oostenrijk was het bericht van deze stemming doorgedrongen en de aartshertog Anton ijlde naar Berlijn, om den Koning te bezweren, zijn Duitschen broeder, Keizer Frans, behulpzaam te zijn tegen de Fransche overmacht.
Nu eindelijk gaf de Koning, bestormd van alle zijden, door de vleierijen van Keizer Alexander, door het bidden en de tranen der Koningin, door de overredingsgronden van Hardenberg, â nu eindelijk gaf de Koning toe.
âIk kan nog niet besluiten het zwaard te grijpen; ik wil echter doen wat ik kan: ik wil beproeven den vrede te bewerken, den vrede! Dit is het gewichtigste voor Duitschland, en voor de geheele wereld. En dus wil ik trachten de vredestichter te zijn tusschen Oostenrijk, Bus-land en Frankrijk.quot;
Alexander reikte hem de hand en lachte hem toe. â âDe gewapende vredebemiddelaar, nietwaar, mijn waarde Broeder?quot; vroeg hij: âAan Pruisen past het wel, dat het zich dreigend plaatst tegenover alle twistenden en strijdenden; Pruisen houdt het zwaard der gerechtigheid in de hand en wee hem, die dat zwaard dwingt, zich tegen den onrechtvaardige op te hellen!quot;
De Koning knikte. â âJa, als gewapend vredebemiddelaar wil ik verschijnen.quot;
En getrouw aan dit woord, onderteekende de Koning de overeenkomst van Potsdam, waarbij hij zich verplichtte, ingeval Napoleon de voorwaarden, welke Pruisen hem zou aanbieden voor den vrede, vóór den vijftienden December niet aannam, dat dan ook Pruisen het zwaard zou opheffen, ten strijde tegen den algerneenen vijand.
â't Is weinig dat wij bereikt hebben,quot; zei Keizer Alexander tot den minister Hardenberg: âzeer weinig, maar wij moeten ten minste beproeven, den aar zelenden Koning te houden bij hetgeen wij verkregen hebben en hem zóódanig aan ons te binden, dat bij niet meer achteruit kan.quot;
Dit bindmiddel, 't welk de Keizer beproefde, was een eed ; een heilige, verheven eed!
232
âIn den nacht van den vierden November, vóór dat de Keizer Potsdam verliet om zich naar het leger te begeven, verzocht hij den Koning en de Koningin hem tot afscheid naar den grafkelder te voeren, waar de groote Frederik rustte. Het was een zonderlinge begeerte, maar de Koning kon haal* den bondgenoot en vriend niet weigeren.
En zoo wandelden de drie, de Koning, de Koningin en Keizer Alexander, in de stilte van den nacht naar (le garnizoenskerk te Potsdam. De opgeroepen koster opende verschrikt en ontsteld voor de drie hooge gestalten, die slechts door één fakkeldrager begeleid waren, de ijzeren deuren van den grafkelder, en zij gingen de trap naar het gewelf af, waaarin de beide eenvoudige doodkisten stonden: de doodkist van Friedrich Wilhelm I, en aan den anderen wand de doodkist van Friedrich den Groote. Slechts zijn zwaard en een verwelkte lauwerkrans lagen op de doodkist.
Daar stonden zij nu, beschenen door het fakkellicht dat een bloedrooden schijn op de muren van 't gewelf wierp en zagen met gevouwen handen neder op deze doodkist met verdorden lauwerkrans.
âHet zwaard des Konings, zal het zich opheffen, zal het zijn legers vóórschitteren, zooals het vroeger deed in den slag? De lauweren van Frederik den Groote ziin verwelkt, maar zijn ster glanst nog aan den hemel, en Frederiks-eer schijnt alle nachten op Pruisen neder. Maar zal deze ster ook zijn leger verlichten, als liet uittrekt ten strijde? En zal deze lauwerkrans, die verwelkt op zijn doodkist ligt, weder groenen en bloeien op den dag des gevechts?quot;
Dit vraagt zich twijfelend Koning I^riedrich Wilhelm III, nu hij staat bij de doodkist, en ernstig en treurig is zijn voorkomen. Maar in geestvervoering staat nevens hem Koningin Louise. Zij twijfelt niet, zij vreest niet. Frede-riks-eer straalt als een ster aan den hemel; Fredeiiks eer straalt boven het hoofd van haren edelen, geliefden gemaal, en het zwaard, dat hier op de doodkist van Frederik den Groote ligt, â dat zwaard, in vernieuwde gestalte, zal blinken in de hand van Friedrich Wilhelm Hl en hij zal zijn leger ter overwinning voeren!
âWij zullen overwinnen,'' fluisterde Alexander; âvereend in liefde en vriendschap zullen wij zegevieren, en dit zweer ik hier bij het lijk van Frederik den Groote, dat mijn
233
vriendschap eeuwig mijn geliefden broeder Friedrich Wilhelm III behoort.quot;
Hij boog vroom zijn knie en legde de hand op het zwaard van Frederik. Aan de andere zijde van 't lijk knielden nu ook de Koning en de Koningin neder; ook zij legden de handen op de doodkist, voor den heiligen eed.
âTrouw willen wij blijven!quot; riep de zachte stem van Alexander; âtrouw in leven en dood; vriendschap, onverbrekelijke vriendschap tusschen mij en u! Ik zweer, zoolang ik leef, mijn broeder, den Koning van Pruisen, trouw te blijven!quot;
De Koning zweeg en boog hot hoofd lager over de doodkist van zijn grooten voorvader.
âZweer ook gij nu, mijn geliefde,quot; duisterde de zachte, betooverende stem der Koningin: âzweer ook gij, trouw te blijven in liefde en vriendschap aan den bondgenoot, den edelen Keizer Alexander.quot;
âIk zweer het!quot; zei de Koning met plechtige stem na een lange pauze en over de doodkist heen, reikte hij den bondgenoot de hand. â âIk zweer het!quot;
, En ik,quot; riep de Koningin; âik zweer het met hem! Trouw willen wij blijven tot den dood; in leven en dood willen wij te zamen staan!quot;
Toen richtten zij zich in verheven plechtige stemming, zwijgend weder op. Slechts met de oogeu namen zij afscheid van elkander en gingen weder uit het donkere gewelf naar buiten in den nacht.
De Koning en de Koningin keerden naar het Slot terug, Alexander besteeg zijn reiskoets en reed weg.
Een oogenblik aan de poort van Potsdam, bij het uitrijden, hield het rijtuig stil en de twee mannen, die aan de poort gestaan, âen het verwacht hadden, naderden het nu.
âZijt gij het, prins Louis Ferdinandj en gij, Hardenberg1?quot; vroeg de Keizer uit het rijtuig buigende.
âJa, Majesteit, wij zijn het!quot;
âEn ik,quot; fluisterde de Keizer: âbreng u goede berichten. De Koning heeft mij eeuwige vriendschap gezworen en de Koningin heeft mét hem gezworen; zij zal hem bij het verbond houden. En gij, Hardenberg, en gij, prins Louis, ge zult het uwe er toe doen, dat Pruisen niet meer weifelt. Keizer Napoleon zal de voorwaarde, welke Pruisen hem als
234
gewapend vredesbemiddelaar stelt, niet kunnen aannemen en de oorlog is nu ook voor Pruisen onvermijdelijk,indien de Koning niet wankelt en op het laatste oogenblik nog terugtreedt, 't Is uw zaak dit te verhinderen! Gij, Har-denberg, moet hem met overredende woorden altoos weder op de noodzakelijkheid van te handelen terug brengen, en gij, prins Louis Ferdinand, moet hem er in versterken, dat gij van ijver vervuld zijt voor de goede zaak. Ik laat u hier terug mijn prins, als mijn plaatsvervanger en mijn gezant. Ge moet voor Rusland en voor Oostenrijk werken en de oorlogstoebereidselen, â ik meen de Binnenlandsche oorlogstoebereidselen â van het geheele Pruisische volk maken.quot;
âAch, Majesteit,quot; zei prins Louis Ferdinand treurig; âik ben slechts hier gekomen om u te zeggen, dat mijn hart en mijn ziel voor den oorlog tegen Frankrijk gloeien; om u te zweren, dat ik trouw ben met eiken droppel van mijn bloed, â trouw degenen, die tegen den tiran, den overweldiger het zwaard grijpen. Maar ik ben machteloos en beperkt; ik kan niets anders doen, dan voor mijn vaderland te sterven.quot;
âNeen,quot; zei de Keizer; âgij kunt meer doen, mijn vriend; ge kunt ook voor uw vaderland en voor de heilige zaak spreken en handelen, werken en strijden! Dit is de taak, welke ik u beiden achterlaat. Ge moet spreken voor de heilige zaak; ge moet werken op het gemoed des Konings. En hierbij hebt ge een machtige bondgenoote; ge hebt Koningin Louise. Met haar vereenigd, zult ge er eindelijk den Koning toe brengen, dat hij zijn edele weifeling opgeeft en het zwaard opheft. En dan, als Oostenrijk, Rusland en Pruisen vereenigd zijn, zal Frankrijk vallen! Dit is mijn hoop en met deze hoop trek ik uit ten strijde. Vaartwel, vrienden, bondgenooten !quot;
VI.
DE SLAG VAN AUSTERLITZ.
Spoedig genoeg zou voor allen die den oorlog met Frankrijk wenschten, evenzeer als voor hen die hem trachtten te verhinderen, de tijd van spreken komen. Een lang niet gehoorde
235
jubelkreet klonk door geheel Duilschland. Napoleon is overwonnen geworden,, overwonnen door de Engelschen! Napoleon heeft een zeeslag verloren en bij Trafalgar heeft admiraal Nelson over Frankrijks zeemacht gezegevierd! Dat was een groot, een schoon woord : Napoleon is overwonnen geworden! Nu, Koning van Pruisen, wapen u, en treed vereenigd met Oostenrijk en Rusland den overwonnene tegen!
Engeland zond door een buitengewoon gezant, lord Harrowby, deze vreugdetijding naar Berlijn. De Koning was er zóó verheugd en gelukkig over, dat hij zelf don gezant lot zijn gemalin. Koningin Louise voerde, opdat ook zij deze blijde tijding vernemen zou. Onaangediend trad do Koning met een van vreugde stralend gelaat bij haar binnen. Maar vervolgens vloog een schaduw over zijn gelaat. De Koningin was niet alleen. De minister von Hardenberg en prins Louis Ferdinand waren bij haar. Maar hij kon nu niet meer terugwijken en wenkte den lord binnen, die intus-schen in de voorkamer toefde.
âIk breng u een goede tijding, Louise,quot; zei de Koning tot zijn gemalin; âlord Harrowby zal haar u verhalen!
En met hoogklinkende woorden en trotsch zelfgevoel verhaalde nu de Engelsche lord van den grooten slag bij Trafalgar op den een-en-twintigsten October, van de belangrijke overwinning, welke Nelson op den Franschen admiraal Ville-neuve behaald had.
De Fransche zeemacht was vernietigd; Engeland triomfeerde en had geen tijd, om dengene te treuren, die de overwinning met zijn leven betaald had; om Nelson, die door een franschen kanonskogel doorboord, op het dek van zijn schip Victory, stervend neerzonken was. Maar zalig stervende, want hij wist dat hij triomfeerde, âdat Engeland gezegevierd had over Frankrijk!
De Koningin luisterde naar deze berichten metschitteren-oogen. â âGod is rechtvaardig,quot; zeide zij verheugd; âGod wendt de overwinning, en nu is Napoleon's gelukster verbleekt! Nu is de tijd gekomen, mijn Koning en heer, dat Duitschland wraak moet nemen voor al de vernederingen, welke het ontvangen heett! Nu zal Pruisen zich aan de spits van Duitschland stellen en het zwaard hoog opheffen in zijn hand, ter overwinning en tot Duitschlands wraak, tot
236
instandhouding en versterking voor het tegenwoordige, tot bezieling voor onze kinderen!quot;
âJa,quot; zei Hardenberg, den Koning naderende: ,,ja, Majesteit, de tijd is gekomen! God heett het teeken gegeven en nu zal Uwe Majesteit in hare wetenschap en verlichting, niet langer aarzelen. Pruisen houdt ongetwijfeld en volkomen de beslissing van den veldtocht en Europa's lot in zijn handen. Napoleon is in gevaar, dat zien wij allen, en hij zelf kan zijne oogen er niet voor sluiten. Zoo hij nu niet een snelle en beslissende overwinning behaalt, dan, â dat weet hij óók â dan heett hij honderd-vijftig-duizend vijanden meer te bevechten; want dan zal Pruisen geen oogen-blik langer aarzelen, dan staat voor Napoleon alles op het spel: het lot van zijn leger, het welzijn van Frankrijken eindelijk, zijn eigen kroon. Bespoedig den loop der gebeurtenissen, Majesteit, door honderd-vijftig-duizend vijanden, welke Napoleon nog in de verte ziet, schielijk en snel naar Oostenrijk te zenden en beslis reods vóór den veldslag, het lot van den oorlog. Zoo Pruisen thans het zwaard opheft, is Napoleon verloren!quot;
âJa,quot; riep prins Louis Ferdinand in vervoering; âzoo Pruisen thans het zwaard opheft, is Napoleon verloren, maar zoo Pruisen het zwaard niet opheft, dan, â vergeving Majesteit, dat ik het zeggen durf â dan is Pruisen verloren. Zoo Frankrijk nog één enkele overwinning op Oostenrijk behaalt, een groote, machtige overwinning, dan heeft Frankrijk niet alleen Oostenrijk, â dan heeft het ook Pruisen overwonnen !quot;
âDat klinkt zeer gevaarlijk en erg,quot; zei de Koning met eenigszins onvriendelijke stem: âik moet u zeggen, mijn waarde heer neef, dat ik tot groote geluk uw meening niei deel Pruisen is een zelfstandige mogendheid, staat zelfstandig tegenover Frankrijk en zal zijn stelling weten te bewaren. Zelfs zoo Oostenrijk overwonnen werd, houdt toch Pruisen het zwaard in de hand. En de legers van Frederik den Groote zullen niet zonder zwaardslag overwonnen worden.quot;
âMaar het zal onmogelijk zijn, langer den vrede te bewaren en het zwaard in de scheede te houden!quot; riep de Koningin levendig: âO mijn Koning en heer, vergeef het mij, dat ook ik het waag mijn stem te verheffen; maar ik gevoel
237
'tin het binnenste mijns harten: de lijd van zich teont-houden is voorbij, en zoo Uwe Majesteit nu nog kon aarzelen, zou de armée misschien beginnen te twijfelen en meenen, dat het ons aan moed ontbreekt, om tegen Napoleon in het strijdperk te treden.quot; ')
âOok ik waag het Uwe Majesteit tesmeeken,quot; zei lord Harrowby; âin naam van mijn land, in naam van den minister Pitt spreek ik tot Uwe Majesteit en smeek, dat zij nu niet langer toeven wille, zich bij de vijanden van Frankrijk aan te sluiten; want Frankrijk is even goed mw vijand als die van alle bestaande mogendheden en alle kronen van Europa. Verbindt Uwe Majesteit zich ten laatste met zijne vijanden, dan is de overwinning beslist en . . .
âEn,quot; viel de Koning hem heftig in de rede; âdan is voor Pruisen de oorlog beslist, en Grod moge weten hoe het dan verder met Pruisen gaat en of wij niet werkelijk de nederlaag lijden!quot;
âUwe Majesteit weet dat wij dit niet doen zullen, niet doen kunnen!' riep prins Louis Ferdinand heftig: âVoer ons ten strijde, mijn Koning; de geheele jongelingschap van Pruisen smacht er naar, ieder is bereid zijn bloed te geven voor Pruisens eer, voor Pruisens roem! Er is in uw land geen man, die niet verlangt het zwaard te grijpen; het woord oorlog heet voor ons allen bevrijding van schande! Spreek dat heilige woord uit; zeg : de oorlog zal verklaard worden, enge zult hooren, dat één enkele jubelkreet door al uwe landen weerklinkt!''
J)e Koning wendde zich met een misnoegden blik tot hem. â âIk weet wel, dat gij altoos voor den oorlog zijt, heer neef; gij verlangt naar lauweren en 'tis u onverschillig, hoeveel menschenbloed er aan die lauweren kleeft. Mij echter niet! Mijn roeping is de vrede. De vrede is een schooner, heiliger woord dan de oorlog.''
âJa,quot; zei prins Louis Ferdinand heftig en ruw; ,,en uit liefde voor den vrede, neemt Pruisen tegenover alle mogendheden een vijandelijke stelling in, en zal dan door de overmacht in deze stelling zonder verschooning omvergeworpen worden, wanneer deze de oorlog gelegen komt! Dan echter
IJ Eigen woorden der Koningin: Zie; Lefebre Dl. 2, pag 202.
238
zullen wij misschien zonder hulp staan en misschien ook zonder eer!'' ^
âDe oorlog is thans een noodzakelijkheid,quot; zei Hardenberg met ernstige nadrukkelijke stem; âeen noodzakelijkheid, Majesteit; en hoezeer ik mèt u de ontzaglijke verantwoor-delijkheid gevoel, die het teedergeweten van Uwe Majesteit bezwaart, wanneer Zij het beslissende woord uitspreekt, zoo moet ik Haar tóch smeeken: doe het. Majesteit, doe het, eer het te laat is!quot;
âIk zie wel, dat ge allen tegen mij zijt!quot; zei de Koning: â'twas een slecht toeval, dat ik juist heden met de over-winningstijding van Trafalgar bij u binnen moest komen. Maar bekennen wil ik het u allen, dat mij deze overwinningstijding evenwel verheugt en overleggen wil ik en raadplegen met God en mijn geweten, wat ik doen, â en wat ik laten moet, eri of het woord oorlog, dat gij allen van mij begeert, werkelijk door mij gesproken moet worden. Dringt nu echter niet langer bij mij aan, ik zal overleggen.quot;
De Koning wendde zich om, en beval met korte woorden den minister Hardenberg, hem met den Engelschen gezant te volgen.
âHij zal overleggen!quot; riep prins Louis Ferdinand smartelijk, toen de deur zich achter den Koning en zijn begeleiders gesloten had : âAch mijn God, hij zal overleggen! En intusschen zal alles verloren gaan, ook de eer!quot; â Hij sloeg de handen voor zijn aangezicht en een krampachtig snikken drong uit zijn borst.
De Koningin naderde hem en legde de hand op zijn schouder. âBedaar, mijn prins; bedaar mijn vriend,quot; zeide zij ; âde Koning zal met zijn geweten raadplegen, en wijl hij edel en verheven van geest is, moeten wij met geduld en ootmoed afwachten, wat mijn Koning en geliefde gemaal besluiten zal. Ik hoop echter, dat uit deze heilige raadpleging des Konings met zijn geweten, de oorlog volgt. Maar zoo 'tniet terstond is, zoo laten wij met geduld en hoop volharden, prins! want dat weet ik: een dag zal komen dat Pruisen het zwaard opheft, dat het strijdt voor zijn bestaan, voor zijn eer tegen het overmoedige Frankrijk en
1) De eigen woorden van den prins. Zie: Carl von Noatitz: Leben. und Briefwechsel. 79.
239
tegen den bloeddorstigen tiran, die aan deszelfs hoofd staat.quot;
âAch, ik vrees, ik zal hem niet heieven, dien dag!quot; zei de prins smartelijk, terwijl hij de hand van zijn gelaat liet nederglijden, dat nu doodsbleek was en van smart trilde: âIk bezweer u. Koningin, wend al uwe overredingskracht aan, opdat de Koning het beslissende woord thans spreke! Thans ligt voor Pruisens Koning een lauwerkrans op het slagveld; in weinige dagen misschien kan die in een doornenkroon veranderen en deze zal dan niet alleen's Konings hoofd bloedig wonden, zij zal misschien ook het voorhoofd van zijn opvolger met litteekens merken. Denk aan uwe kinderen, Koningin, en bezweer uw gemaal, dat hij het zwaard in de hand neemt.quot; â En buiten zichzelven, bevende van aandoening, zonk prins Louis Ferdinand voor de Koningin op de knie neder. â âMajesteit, wees Pruisens goede engel, voer Pruisen ten strijde, ter overwinning!quot;
Zij boog zich tot hem en twee groote tranen vloeiden over hare wangen. â âGij vermaant mij, prins in naam mijner kinderen, in naam van Pruisen,quot; zeide zij; âGod weet het, dat ik den laatsten droppel van mijn hartebloed zou geven voor mijn geliefde kinderen, voor Pruisen, voor Duitsch-land! Ik zal, wees er van verzekerd, ik zal alles doen, wat ik kan, door beden en voorstellingen, om den Koning te bewegen, dat hij het zwaard opneemt. Maar ik ben niet alleen de moeder mijner kinderen en de Koningin van dit land, â ik ben in de eerste plaats en vóór alles, de gade van mijn man, de onderdane van mijn Koning. Als gade ben ik mijn man eerbied en onderwerping schuldig, en als onderdane zal ik mijn Koning gehoorzaamheid bewijzen, zoolang ik leef. En dat moet gij óók doen, prins; gehoorzaam en onderdanig 's Konings bevelen volgen, want ge zijt zijn onderdaan, zooals wij allen. In 's Konings hand alléén ligt de beslissing en hoe zij ook moge uitvallen, zweer mij, prins, dat gij haar bedaard en met waardigheid zult aannemen.quot;
âDat kan ik niet! Neen, dat kan ik niet!quot; riep de prins heftig, van zijne knieën opspringende en onrustig heen en weer gaande: âik zal het verdragen, als het zijn moet, maar het bedaard en onderdanig aannemen, dat kan ik niet! Mijn ziel schreeuwt naar wraak tegen hem, die ons allen onder het juk wil brengen. En al wist ik, dat ik met mijn
2iO
dood den oorlog moest betalen, ik zou geen oogenblik aarzelen, ik zou zeggen: heil mij, dal ik vallen mag in de verdedigen mijns vaderlands! 't Is beter, dan te leven in schande en smaad, zocals wij doen moeten, indien Napoleon voorwaarts gaat en ons zijn voet op den nek zet.quot;
âDat zal God niet laten gebeuren !quot; zei Louise, de groote oogen ten hemel heffende; âneen, dat zal hij niet! Want God is rechtvaardig; evenwel moge het zijn dat jaren van ramp voor ons komen en de hemel bewolkt en stormachtig voor ons zij, achter de wolken is echter de zon, en zij zal op een dag door de wolken breken en schijnen op Pruisens vanen en op Pruisens eer!quot;
âMaar ik zeg u, ik zal dien dag niet beleven!quot; zei prins Louis Ferdinand plechtig: âik bid u echter, Majesteit, als deze tijd komt en als de eer van Pruisen weder hersteld is, ga dan op mijn graf, â en geloof mij, mijn lijk zal nog dat jubelwoord hooren, en geruster slapen in zijn graf!quot; â
Terwijl men in Pruisen zóó streed en overlegde, marcheerden de vijandelijke legers tegen elkander op, tot den beslissenden slag. En weder klonk over de vlakte bij Aus-terlitz het oorlogsgeschrei, het weeklagen der gewonden en het smartgehuil der stervenden. De vereenigde legers van Rusland en Oostenrijk stonden in het veld tegen Frankrijks macht; drie Keizers streden tegen elkander bij Austerlitz op den tweeden December van 't jaar 1805. Aan de eene zeide de Keizers Alexander en Frans, aan de andere zijde Keizer Napoleon. De aarde beefde van den donder der kanonnen en het opmarcheeren der troepen. Honderdduizend vijanden stonden tegen Frankrijk in het veld, zeker van de overwinning, de beide Keizers aan hun spits, want de spionnen handen hun het verblijden bericht gebracht: âNapoleon's leger is twintigduizend man minder sterk en de honderdduizend zullen de tachtigduizend Fransche soldaten overwinnen.quot; â Met dit gevoel van overwinning hebben zij den slag begonnen, hebben zij zich aan de spits hunner troepen gesteld. Oostenrijk en Rusland vereenigd zullen zegevieren!
Maar ginds roept de vijand: âOostenrijk en Rusland te zamen zullen overwonnen worden!quot; En jubelend roept het geheele leger het na: âOostenrijk en Rusland te zamen zullen overwonnen worden!quot;
241
En als de avond valt, is het geschied! Op het slagveld van Austerlitz is Oostenrijks en Ruslands eer begraven! En zegevierend staat daar de Fransche armée en zegepralend voor zijn armée staat Napoleon, de man met het Gesars-hoofd en het bronzen gelaat, en dankt zijn troepen voor deze ongehoorde overwinning. âElk uwer was een held en 't zal eenoe^ ziin te zesden: ook ik was bii Austerlitz! opdat iedereen zegt, ziet daar een der dapperen 1quot;
Zij waren bij Austerlitz óók er bij, de Keizers Alexander en Frans, maar nog in denzelfden avond van dien dag reden zij in een eenvoudige kales, slechts van weinige begeleiders omgeven, van het slagveld weg. Om hen heen tierden de verslagen soldaten en als zij de Keizers herkenden, verwenschten zij hen en hieven dreigend de hand tegen hen op. âOp u kome ons bloed ; ge hebt ongeluk, ellende en dood over ons gebracht! Op u kome ons bloed!quot;
't Was echter geen tijd op zulke verwenschingente letten, en degenen, die ze uitten, als hoogverraders te straffen! Gelukkig genoeg, zoo zij zich van het slagveld konden redden, de beide verslagen Keizers. Gelukkig genoeg, zoo het hun gelukte niet alleen hun persoon, â maar ook nog een klein weinigje van hun verlies te redden.
âIk,quot; zei Keizer Alexander tot zijn rampgenoot Frans; âik keer terstond naar Rusland terug; er blijft mij niets anders te doen over. Gij echter, mijn broeder en vriend, u wil ik een raad geven! Spoed u zelf tot Napoleon; hij is een eerzuchtig man en het zal hem vleien, zoo ge zelf tot hem komt, en hem om zachte vredesvoorwaarden vraagt. Ga tot hem, zoek hem op, en ik ben zeker, hij zal u danken en zich met u verzoenen.quot;
Keizer Frans liet zich door de woorden van Keizer Alexander overreden en vergezeld door de Vorsten van Schwarzenberg en Lichtenstein en eenige generaals, ging hij heen om te buigen voor den overwinnaar van Austerlitz en hem ootmoedig de hand tot vrede te reiken. Na vele dagen omzwervens vond men hem eindelijk bij het bivak-vuur in de nabijheid van het dorp Saraschitz, omgeven door zijn generaals. Een adjudant ijlde tot Napoleon en berichtte hem de aankomst van Keizer Frans van Oostenrijk.
Geen trek op het metalen gelaat veranderde zich. Bedaard
Mühlbaoh, Duitschland in Woeling m Strijd. VIII. 16
242
wendde Napoleon zich tot dengene, die hem gebogen, in ootmoedige houding naderde. Napoleon ging hem tegemoet en omarmde den Keizer van Oostenrijk.
âSire,quot; zeide hij met zijn zachte, welluidende stem; âsire, ik moet u in het paleis ontvangen, dat ik sedert twee maanden bewoon.quot;
Een zonderlinge glimlach vloog over't gelaat van Keizer Frans. â âGe hebt u zóó goed in dit paleis gevestigd, sire, dat u niets te wenschen overblijft.quot;
âToch iets!quot; zeide Napoleon, terwijl hij dankend het hoofd boog: ânamelijk,dat Uwe Majesteit mij voortaan niet meer beoorloge. Dit blijft mij te wenschen over.quot;
âDat beloof ik!quot; antwoordde Keizer Frans schielijk: âbeloof het van ganscher harte.quot;
âEn de Keizer van Rusland? vroeg Napoleon haastig.
âHij gaat naar huis!quot; antwoordde Frans met een zonderlinge, honende uitdrukking.
âDan willen wij terstond wapenstilstand sluiten!quot; riep Napoleon haastig: âMijn eerste voorwaarde is; terugtocht van het Russische leger uit Oostenrijk en de Pruisische staten.quot;
En Frans nam dadelijk deze eerste voorwaarde aan, en men werd het spoedig eens over de tweede en derde bepaling. Napoleon was vriendelijk, genadig en voorkomend, zooals het den overwinnaar betaamde jegens dezen kleinen, verootmoedigden, jammerlijken Keizer van Oostenrijk. Als een held in de volle glorie van zijn zeltbewustzijn stond hij daar, en als een ongelukkige overwonneling in den vollen deemoed van zijn ongeluk, tegenover hem. Keizer Frans. Toen eindelijk de onderhandelingen bij het bivak vuur ten einde waren en de beide Keizers scheidden, â toen, als zij ver genoeg verwijderd waren, wendde Keizer Frans zich tot zijn begeleider, vorst Schwarzenberg:
â'k Heb hem nooit mogen lijden, en thans, nu ik hem gezien lieb, kan ik hem in 't geheel niet lijden!quot; ^
Na dit onderhoud trok Keizer Frans naar Presburg terug en de Keizer der Franschen deed zijn intocht te Weenen. En te Weenen ontving hij toen den minister graaf von
1) Des Keizers eigen woorden. Zie Horemayr; Lebensbilder.
243
riaugwitz, die in naam van Pruisen kwam, om den onver-winnelijken held niet de frissche âlauweren geluk te wen-schen, waarmede hij zelfs inden ruwen wintertijd zijn hoofd versierd had.quot; ^
De Keizer zag hem met vlammende oogen aan. â âHet compliment was voor anderen bestemd; het lot heeft het adres veranderd; ik ken het verdrag van Potsdam, heer graaf! En zoo het geluk mij niet gunstig wai^e geweest, zoudt gij nu niet hier staan! Maar, Goddank, het geluk is met mij!''
Haugwitz boog diep. â âGeluk zegt ge, Sire? Mij dunkt dat er noch geluk noch ongeluk in de wereld is. Ja, ik ben er thans van overtuigd. Sedert ik den grooten man heb leeren kennen, die alles door zich zeiven is, heb ik mij overtuigd, dat het geluk niet meetelt.quot; 1)
Een trotsche glimlach vloog over het metalen heldengelaat en verzachtte het een oogenblik tot een menscheiijk gevoel. â âHet geluk telt mee, en ik dank God en Frankrijk's gesternte, dat het met mij was in den slag van Austerlitz. Wij zullen nu zien waartoe Pruisen besluit en of het nu rede wil verstaan; dan, dat beloof ik u, Haugwitz, wil ik het ti-actaat van Potsdam trachten te vergeten. Ge zult nu niet gelooven, dat ik beef voor Pruisen; ge moet nu erkennen, dat het mij werkelijk er om te doen is, Pruisen groot aan mijn zijde te maken. Ik ga naar Parijs, ge kunt mij daarheen volgen, tot verdere vredesonderhandelingen.quot;
Graaf Haugwitz volgde naar Parijs, waar de onderhandelingen begonnen, en zij werden slepende gehouden den geheelen winter en de geheele lente van 't jaar 180ü. En zij eindigden andermaal met de nederlaag der oorlogspartij in Pruisen. Hardenberg moest aftreden als minister van Buitenlandsche Zaken, en de graaf von Haugwitz trad weder in zijn plaats. Dit was de voorwaarde, op welke Napoleon Pruisen vergeven had; de voorwaarde onder welke Pruisen verootmoedigd en gebogen den vrede verwachtte en als een Dana'idengeschenk, het koninkrijk Hannover uit Napoleon's hand aannam.
Prins Louis Ferdinand had wel gelijk gehad : op het slag-
1
Zijn eigen woorden. Zie: Neue und neueste Preussiscbe Gescliichte, von F. Pörster.
244
veld van Austerlitz was ook Pruisen overwonnen geworden.
Nu was het besloten en bereikt. De oorlogspartij had gezegevierd; de openbare meening had eindelijk voor het eerst den wil eens Konings gebogen, en over hem getriomfeerd. Zij had haar standplaats genomen in alle straten en op alle pleinen, deze openbare meening, en met de krijgstrompet in de hand had zij luide geblazen in alle huizen, in alle harten; âOorlog met Frankrijk, oorlog!
In den schouwburg had zij haar stem verheven, toen men de Maagd van Orleans gaf. Bij de woorden;
âNietswaardig is het volk.
Dat voor zijn eer niet alles op 'tspel zet!quot;
was het geheele publiek opgestaan, had met luid juichen zich naar de koninklijke loge gewend en onstuimig begeerd dat deze gewichtige, veelbeteekenende woorden herhaald werden.
Koningin Louise had dankend, met tranen in de oogen geknikt tot het publiek, en de Koning had zich met somber gelaat op den achtergrond der loge teruggetrokken.
De openbare meening riep; âOorlog! oorlog tegen Frankrijk!quot; door alle straten, en zij vond in prins Louis Ferdinand en in de gensdarme-officieren haar vertegenwoordigers en trompetters.
âGraaf von Haugwitz is tegen den oorlog, hij is een vriend der Franschen!quot; En zij stormde voort, de openbare meening, voort naar het hotel van den graaf von Haugwitz, om hem een pereat te brengen, en met steenen zijn glazen in te werpen.
âBaron von Hardenberg! baron von Hardenberg is vóór den oorlog; hij is een vijand van den Franschen Keizer, van den tiran, die ons onder 'tjuk wil brengen!quot; Dit riep de openbare meening, en zij stroomde juichend naar het hotel van den baron von Hardenberg, om hem een serenade te brengen en hem vivat toe te roepen.
âWaarom hebben wij nog een Franschen gezant hier? Het moet oorlog zijn, oorlog tegen Frankrijk, en wij behoeven geen Franschen gezant!quot; Dit riep de openbare meening en zond haar vertegenwoordigers naar het Franscbe gezantschapshótel, en op de trappen voor zijn deur wetten de gensdarme-officieren hunne sabels en lieten methonderd-
245
stemmingen kreet het woord: âOorlog! oorlog!'' klinken. âOorlog tegen Frankrijk!quot;
Zoo had zij overwonnen, de openbare meening; nu stond zij aan de spits, de oorlogspartij! Zoo het ook nog niet gelukt was den Koning tot een openbare oorlogsverklaring te bewegen, er was toch al iets groots gebeurd; want de mobielmaking van het leger was niet alleen besloten, maar ook uitgevoerd geworden. De troepen hadden zich reeds in beweging gesteld en op navraag van den Franschen gezant had het kabinet des Konings ontwijkend, terughoudend antwoord gegeven.
Maar nog altoos hoopte de Koning en de vredespartij in stilte, dat een verzoening mogelijk was. Pruisen was zwaar gekrenkt geworden door Frankrijk, ten gevolge van het marcheeren zijner troepen op Pruisisch gebied; zwaar gekrenkt van alle zijden, ook op andere wijzen. Maar men kon zich nog verzoenen; men hoopte het, hoopte tot het laatste oogenblik. Geheime boden gingen heen en weder, en terwijl men luid met de sabels kletterde en de legerkorpsen liet oprukken, onderhandelde men heimelijk om verzoening.
âMaar de oorlog is onvermijdelijk!quot; dit jubelden de officieren, dit jubelde het geheeie leger en men wapende zich in alle plaatsen; men bereidde zich voor tot overwinning, tot daden van nieuwen roem, nieuwe lauweren.
Doch zonderling! Nu, sedert tot den oorlog besloten was, â sinds Pruisen zich eindelijk verhief en gereed scheen het zwaard te grijpen, was prins Louis Ferdinand ernstig geworden. De officieren juichten hem toe, waar hij zich bevond; zij noemden hem hun Achilles, hun aanvoerder; zij zwoeren, dat zij met hem zegevieren, â met hem naar Parijs zouden gaan, om daar Pruisens vaandel te planten. Prins Louis glimlachte hierbij en knikte en was tóch in zijn hart ernstig en stil. Hij had in den laatsten tijd veel gewerkt; hij had het weelderige leven, de lustige gelagen ver van zich gelaten, had gestudeerd en gewerkt en zich ijverig en nauwkeurig met de inrichting van het Pruisische leger bezig gehouden. Toen had hij moeten erkennen, dat er veel vermolmd was in de Staten van Frederik den Groote, dat de aanvoerders oud, â dat er geen voorraad, geen magazijnen waren en er niet gezorgd was voor het leger. Het
246
zal spoedig honger moeten lijden en de soldaten zullen geen kleeding, geen verpleging hebben. Niemand had hij er van gesproken; maar zijn vertrouwden wisten het even goed, als de generaals en legerhoofden het wisten, maar er niets van zeggen wilden.
âGewis, wTij zullen overwinnen ! wij zullen overwinnen !quot; Dat is de vreugdekreet waarmede de openbare meening door de straten trekt, waarmede zij zicli op alle plaatsen laat hooren, inquot; de paleizen en hutten, overal, ook in de koninklijke familie.
âO mijn zoon, mijn Louis!quot; riep prinses Ferdinand, toen er nu toe besloten was, toen de troepen opmarcheerden, toen de openbare meening overwonnen had; âmijn Louis, hoe schoon zal deze oorlog zijn ! welke lauweren zult ge plukken en hoe trotsch zal uwe moeder op haar zoon kunnen zijn!quot;
Prins Louis boog met een treurigen glimlach zijn hoofd. âGij weet het, waarde moeder, ik wensch den oorlog; hij is noodzakelijk, het is het éénige, dat ons overblijft; onze eer vordert hem. Ik wensch den oorlog, maar ik weet zeer goed, dat wij ook kunnen overwonnen worden.quot; 1)
âOverwonnen worden ?quot; vroeg prinses Ferdinand, geheel verbaasd in het ernstig gelaat van baar zoon ziende; âwij overwonnen? Wij, met het leger, dat Frederik de Groote gevormd heeft? Mijn zoon, gij schertst; de overwinning is steeds op Pruisens zijnde geweest. Neen, wij zullen overwinnen!quot;
De prins haalde zacht de schouders op. â âGij gelooft dus, lieve moeder, dat zich niets veranderen kan? Ge meent,'' voer hij voort, zich tot een glimlach dwingende; âdat het nooit anders zou kunnen worden? dat er altoos getrommeld zal worden als gij uit de poort rijdt? Ik zeg u mama; ge rijdt eens uit de poort, en er zal niei getrommeld worden. Geloof mij.quot; 2)
âAch, Louis, 't is niet mooi dat ge mij ongerust wilt maken,'' zeide zijn moeder huiverend; âer wordt niet getrommeld als ik uit de poort rijd? Ge meent dus ten laatste wel, dat de republikeinsche denkbeelden zich tot hier
1
De eigen woorden van den prins. Zie: Varnhagen von Bnse, IV, 89-
2
Idem.
247
zouden kunnen overplanten, en dat de koninklijke familieâquot;
De prins boog dicht tot haar oor: â âMisschien zonder trommelslag uit Berlijn vluchten moet? â Dat meen ik, moeder. Maar om 't even, het is besloten, en wij moeten ons lot aannemen. Ik neem het aan en ben verheugd dat de oorlog er is. Want dat zeg ik u, lieve moeder:/ioc hij ook eindigen mag, twee dingen staan vast: ik zal mij onderscheiden en . . . .quot;
âEn?quot; â vroeg de prinses.
âHet tweede is nOg mijn geheim,quot;zei de prins, terwijl hij van zijne moeder afscheid nam.
Ja, het tweede, dat was nog zijn geheim en niemand zou het weten, niemand. Hij wilde het bewaren in de diepte zijns harten, door't welk zooveel stormen en zooveel smart trokken in deze dagen, maar ook zooveel lust en zaligheid.
Zij was de zijne, de schoone Pauline Wiesel; zij beminde hem, zij behoorde hem, zij had zich om zijnentwil van haar echtgenoot gescheiden ; zij leefde slechts voor hem en met hem. Het was een hemelsch leven, een bestendige bedwelming van verrukking en vreugde, en zoo ook somwijlen Henriette Fromm met zachte klachten en zoete verwiiten deze zaligheid stoorde, dan was dit slechts als een zomerregen, die den zonneschijn van den dag later te heerlijker deed gevoelen.
Hij was teruggekomen van het bezoek bij zijne moeder, â teruggekomen in zijn huis, en trad aan de schrijftafel, om de brieven te zien, die gedurende zijn afwezigheid waren aangekomen. Vele brieven! Schuldeischers hadden hun maanbrieven gezonden, â dreigende, bezwerende maanbrieven ; rekeningen waren ingekomen van alle zijden, want het gerucht had zich reeds verspreid, dat de prins spoedig Berlijn zou verlaten. Hij wierp al deze brieven achteloos ter zijde, 't Is de taak van zijn hofmeester, deze brieven te lezen en te beantwoorden. Maar daar zijn drie brieven, drie welriekende sierlijke brieven, van verschillend schrift. Hij kent het, en zijn hart springt op van vreugde, nu hij ze ziet, van vreugde en ook van weemoed.
âArme Henriette! Zij wil voor mij niets meer zijn dan een zuster; maar ze bidt dat ik haar bemin ais een broeder en haar en hare kinderen niet vergeet. Hoe zou ik
248
haar kunnen vergeten! Ik heb haar jarenlang bemind en bemin haar nog, bemin haar hartelijk en innig en bemin boven alles mijne lieve kinderen. Ik zal haar nooit vergeten. Neen, Henriettequot; ge zult niet behoeven te vreezen ; ik zal uw toekomst verzekeren!quot;
Hij legde de hand op den brief, dien hij zooeven gelezen had, als wilde hij Henriette zelve de hand reiken ter bezwering zijner trouw. Vervolgens nam hij een tweeden brief, en terwijl hij hem las, gloeiden zijne wangen en brandden zijn oogen.
âO Pauline, hoe verstaat ge de goddelijke kunst te zeggen, wat niemand anders zeggen kan. Welke taal van liefde en hartstocht klinkt van uwe hemelsche lippen en hoe gloeit mijn hart u tegen. Ja, ge hebt gelijk; het zal heden avond een feest zijn, een heerlijk feest! Wij willen den laasten avond hier als champagneschuim genieten, en er ons mede verkwikken. Ja, heden avond te Moabit, daar willen wij gelukkig zijn en ons verheugen met de vrienden, en juichend den dood en het leven een vivat brengen!quot;
Hij drukte den brief aan zijn lippen en borg hem aan zijn boezem, dicht bij het hart, dat zoo onstuimig voor Pauline klopte. En nu de derde brief.
Toen hij hem openbrak, werd zijn gelaat teeder en week, en een zachte ernst sprak uit zijn trekken. âElize, edel, bekoorlijk maagdelijk kind! Hoe bewoog hem de edele taal van haar hart; hoe gevoelde hij zich door de aanbiddende, onbewuste liefde der maagd gelukkig en toch beschaamd tevens. Hij weet nu, dat zij hem bemint; hij weet óók, dat hij haar weder bemint; niet zooals hij andere vrouwen op aarde bemind heeft, niet met onstuimig begeeren, met hartstochtelijke teederheid. Zij is zijn ideaal van onschuld en reinheid;zij schrijvenelkanderdagelijksenhunnebrieven zijn gedichten, â gedichten vol zielsverrukking en verkleefdheid, geschreven in een taal, zooals prins Louis Ferdinand anders nooit gesproken heeft. Vele vrouwen heeft hij be mind, vele hebben zich met gloeienden hartstocht aan zijn hart geklemd, â nooit echter heeft hij er eene bemind als Elize von Rauh.
âZij is als de zachte glans der maan, en als ik aan haar denk, dan wordt het mij wèl en week; dan meen ik, dat God mij veel en menige dwaling vergeven zal, ter liefde
249
van dezen engel. Want gewis, zij is een engel en God heeft haar op aarde gezonden, opdat ik van haar zou leeren, hoe edel en rein een vrouw kan zijn.quot;
Terwijl hij bewogen, gelukkig en zalig haar brief vol bevallige liefdesbetuigingen, vol hartstochtelijke en tóch onzinnelijke liefde leest, wordt aan de deur geklopt en de binnentredende kamerdienaar dient mijnheer de baron von Semin, Elize's schoonbroeder aan.
De prins sprong op en ijlde hem tegemoet. â âWat is het, heer baron ? Elize is toch niet ziek, er is haar niets gebeurd?quot; vroeg hij ongerust.
De heer von Semin schudde treurig het hoofd. â âNeen, Koninklijke Hoogheid, er is haar niets gebeurd; zij is ook niet ziek. Maar ik kom tot u, om uwe grootmoedigheid, uwe goedheid in te roepen.quot;
âSpreek, o spreek,quot; zei de prins, hem steeds angstig aanziende: âzoo er iets is dat ik voor Elize doen kan, wees verzekerd, dat het geschieden zal.quot;
âKoninklijke Hoogheid, 'tis een groot woord, dat ge daar zegt, maar ik neem het aan. Er is iets, dat voor Elize geschieden kan en geschieden moet, en het ligt in uwe handen Koninklijke hoogheid, het te doen.quot;
âZeg het dan schielijk, heer baron, en beschouw het, als ware 't reeds gedaan.quot;
Baron von Semin nam plaats nevens den prins, die hem zelf een stoel toeschoof.
âZet u, en spreek schielijk. Wat is het, heer baron ?quot;
â't Is in korte woorden te zeggen en betreft tóch het levensgeluk mijner dierbare, geliefde schoonzuster. Prins, ik bezweer u, wakker deze liefde, welke Elize voor u gevoelt, niet meer aan. Ja, ik wil verder gaan, ik wil zeggen : ik bezweer u, zoo ge 't nog vermoogt, verstik deze liefde in het hart van 'tjonge meisje, want ik geloof, zij zal er aan sterven.quot;
De prins sprong op. â âZij zal er aan sterven! Hoe meent ge dat? Wat beduiden deze woorden?''
âZij beduiden, mijn prins, dat Elize u haar geheele ziel, haar geheele hart gegeven heeft, en dat het tot haar ongeluk is! Wij zijn arm. Mijn vermogen is nauwelijks toereikend, om mijn vrouw en mijn beide kinderen fatsoenlijk te onderhouden, en de aanstelling, welke men mij uit
250
achting voor mijn familie gegeven heeft, brengt slechts een gering tractement op. O mijn prins,quot; voer hij haastig voort, toen prins Louis Ferdinand trachtte te spreken: âik bid u, zeg niet 'tgeen ik op uw lippen meen te lezen: ge wilt mij een ondersteuning, een tractementstoelage aanbieden. Ge weet, dat ik dit niet aannemen kan en zal. Maar er is een ander middel om ons te helpen en Elize voor kommer en smaad te behoeden.quot;
âNoem dit middel, heer baron !quot;
â't Is een middel tot redding en, zoo ik hoop, ook tot geluk van Elize. Een voornaam, aanzienlijk, algemeen geacht en rijk heer dingt naar Elize's hand. Hij kent de teedere en edele betrekking, waarin mijn schoonzuster tot u staat en hij vereert die. Mij zal aan de voortzetting dezer betrekking niets tegen stellen, maar 't als een geluk en vreugde erkennen, zoo zijn echtgenoote met de voortdurende vriendschap en vertrouwelijkheid van prins Louis Ferdinand vereerd wordt. Hij biedt Elize zijn hand en is bereid, haar zijn geheel groot vermogen als ertenis vast te stellen. Ik herhaal het: hij is een edel, uitstekend man en Elize had vroeger voor hem de grootste belangstelling en de vriendelijkste voorkomendheid, â vroeger, tot zij prins Louis Ferdinand leerde kennen. Tot dien tijd mochten wij hopen, dat de verbintenis, welke de geheele familie wenschte en verlangde, tol stand zou komen, â en thans nu graaf Eberhardt om haar hand aanhoudt, wijst zij hem af.quot;
Een straal van vreugde vloog over het gelaat van den prins, maar hij onderdrukte hem schielijk.
âZij wijst hem af?quot; vroeg hij : âzij heeft bepaald neen gezegd ?quot;
âBepaald neen gezegd, prins, en zij heeft in de edele oprechtheid en waarachtigheid van haar karakter den graaf de reden medegedeeld. Zij heeft hem gezegd: dat zij wel wist, nooit uw echtgenoote te kunnen worden; dat zij ook nooit in een andere betrekking tot u staan kon, â maar dat haar hart haar verbood den man, dien zij bemint, te verloochenen.quot;
âO Elize, edel, hemelsch wezen!quot; riep de prins verrukt en met stralenden glimlach.
De baron zuchtte treurig. â âGe zegt dat nu. Koninklijke Hoogheid, maar er zal een tijd komen, dat gij anders den-
251
ken, en zeggen zult: âHoe ongelukkig, dat de arme Elize niet de hand van den rijken en edelen man heeft aangenomen.quot;
âNooit zal deze tijd komen! riep de prins heftig.
âTóch, prins, hij zal komen, als de liefde in uw hart uitgebloeid is; want ge weet wel, prins: de liefde is een bloem, die haar bloeitijd heeft en dan verwelkt. Elize zal nog leven, als deze bloeitijd voorbij is, en zij zal dan alleen zijn, en arm en ellendig. Zij zou niets van u aannemen, dat weet ge wel; zij zou liever van honger sterven, dan ooit door u geholpen te worden. Zij bemint u, prins, en ik bezweer u, red Elize! Pied ons alien, door het edele, schoone, rijk begaafde meisje in een kring leverplaatsen, die haar waardig is. Plt;.uk u van haar los; laat haar vrij, verstik deze liefde in Elize's hart! En dan, als zij weder helder ziet, als zij weet dat gij haar genegen zijt, maar uw hart nog tot menige andere dame hebt gewend, dan zal 'thaar gelukken haar eigen hart te bedwingen en zij zal zicli redden in de liefde en achting van den edelen man, die altijd nog bereid is, in weerwil van het neen, dat zij hem gezegd heeft, haar zijn hand te geven; hij wacht nog acht dagen op hare eindbeslissing. Ik bid u, prins, maak Elize vrij in haar hart van de liefde voor u.quot;
De prins ging met heftige schreden in de kamer heen en weder. Zijn blik was somber en ernstig toen hij hem nu op den baron richtte.
âIk dank u voor uw vertrouwen, baron. Ik zal liet overleggen en handelen, zoo als mijn hart en mijn geweten mij ingeven. Ga nu. Misschien kom ik beden nog bij Elize. Zorg dat zij tehuis is. Ga!quot;
De baron waagde niets meer te zeggen en verwijderde zich.
Prins Louis Ferdinand ging nu lang in zijn kamer op en neer en stil was 'tin hem en ernstig, en groote, heilige gedachten bewogen zich in zijn ziel. Hij nam Elize's brief weder in de hand en las hem opnieuw, drukte hem aan zijn voorhoofd en aan zijne oogen, en toen hij hem weder nederlegde, was het papier door tranen bevochtigd. Paulina's brief had hij gekust, Elize's brief was vochtig van tranen. Hij vouwde hem nu zorgvuldig dicbt cn borg hem in een geheime lade zijner secretaire, bij vele andere harer lieve, quot;teedere brieven.
252
âIk wil doen, wal eer en geweten en mijn hart mij bevelen,quot; zeide hij zacht voor zich en het hoofd hoog opgericht; met trotsche schreden verliet hij zijn woning, ging, niet lettende op de jubelkreten, die op de straat van alle zijden hem tegenklonken en waarmede de openbare meening haren held begroette, door de straten naar het huis, waar Elize woonde.
Haar schoonbroeder had aan het venster gestaan en naar buiten gezien, vol nieuwsgierighed en ,ongerusth6id, of de prins woord houden en komen zou. En nu ijlde hij hem tegemoet, en voerde hem de trap op. Zij spraken geen woord. Maar toen zij nu voor de deur van Elize's kamer stonden en de baron vragend tot den prins opzag, knikte deze hem toe.
âWees gerust, ik zal doen wat ik kan,quot; zeide hij.
Vervolgens klopte hij aan de deur en trad binnen.
Elize zat aan de piano en speelde een van de fraaiste composities van den geliefden prins, welke hij haar gisteren in manuscript gezonden had, en wier zin en inhoud zij wel verslond.
Dè prins bleef in de deur slaan en luisterde. Nooit had hij zijn composities met zulk een meesterlijkheid, zulk een diepe uitdrukking van geest en zulk een edel gevoel hooren voordragen. Nooit was hij zich zeiven zoo bewust geweest van het genie, dat in hem leefde en schiep, als in diloogen-blik, nu Elize lietweeerklinkenwal/iy gevoelden gedacht had.
Zij had het muziekstuk nu ten einde en liet de handen langzaam van de toetsen nederglijden, leunde in den stoel achterover en zag treurig, peinzend opwaarts, gewis met al haar gedachten en wenschen bij hem, niet vermoedende dat hij zoo dicht bij haar was.
In hem kreet en klaagde het: âIk moet haar verliezen! moet haar verliezen! Haar, die alléén mijn liefde waardig is!quot;
Maar het moet zijn! Het is tot haar geluk, en dal zal hem heiliger zijn dan zijn eigen.
âElize!quot; zeide hij luid. En met een zachten kreet van vreugde cn verrassing sprong zij op, wendde zich om en wilde, de onwillekeurige neiging baars harten volgende, op hem toeijlen. Toen bleef zij plotseling beschroomd, blozend en met nedergeslagen oogen slaan. Louis trad op haar toe.
253
nam haar beiden handen, die in de zijne beefden, en fluisterde zacht;
âElize, zie mij aan!quot;
Zij hief het hoofd op, en hare groote oogen ontmoetten zijn schitterenden hlik.
Er liep een rilling door haar geheele lichaam en hare handen trilden in de zijne.
âWat is het, Elize? Wat beangstigt u? Wat doet u beven? Ik zal 't u zeggen; 't is uw schoon ik, dal in u beeft voor mijn aanblik en uw maagdelijke ziel schrikt voor mij terug.quot;
âNeen, o neen,quot; fluisterde zij zacht; â't is misschien slechts de vreugde over uw onverwachte komst.quot;
Hij voerde haar naar den stoel, drukte haar zacht er in neder en nam plaats aan hare zijde, âElize, weet ge waarom ik gekomen ben?''
Zij zag hem met een half schelmschen, half teederen glimlach aan ; âIs hiertoe dan nog een bijzondere reden noodig, prins?quot;
âNoem mij niet, prins!quot; zeide hij half misnoegd ; âniet in dit uur! Noem mij, zooals ge mij in uwe brieven noemt. Noem mij Louis!quot;
Zij bloosde sterk. â âIk kan 't niet, prins, ik kan 't niet ! Als ik aan u schrijf, is het mij alsof ik aan een broeder schreef. Maar als ge tegenover mij staat, gevoel ik dat ge een god in menschengestalte zijt en dan ontwaakt misschien het jonge meisje in mij, en beeft voor u !quot;
âEn het moet ook beven!quot; zeide hij ernstig; âik wil u nu zeggen waarom ik gekomen ben. Niet om u te zeggen dat ik u bemin! niet om u te verzekeren dat ge de laalste droom van geluk, het ideaal van maagdelijkheid voor mij zijt! Ge weet dat alles en ik zou slechts met nieuwe woorden het eeuwige, heilige lied van mijne verrukking voor u kunnen zingen. Ik kom, om u te zeggen dat gij . . .quot;
âNu?quot; vroeg zij, terwijl zij, hem aanstaarde en schrikte voor de bleekheid, die hem plotseling overviel; âwat wilt ge mij zeggen?quot;
Hij vermande zich met geweld. â âDat ge mij niet beminnen moet, niet beminnen moogt!''
Zij glimlachte kalm en hare oogen zagen hem helder en klaar aan. â âO, ik begrijp; mijn familie heeft u
254
verzocht mij tot rede te brengen, zooals de goede menscheu dat noemen! Mij te overreden tot liet rijke huwelijk met den goeden graaf Eberhardt! En gij, Louis, hebt in de grootmoedigheid uws harten dit aangenomen en komt nu om mij te verbieden, wat niet te verbieden is, wat zelfs de Hemel niet kan verbieden !quot;
âSpreek niet zoo!quot; zeide hij zacht en haastig; âboor den dolk niet dieper in mijn hart, want ik zeg u, Elize, ge moogt mij niet beminnen, ge zult het niet!quot;
âWie zou het mij verbieden?'' vroeg zij.
âIk zelf en uw edel, rein, maagdelijk hart zullen u verbieden mij te beminnen. Want ik wil het u zeggen : ik ben uwe liefde niet waardig! Hoedt u voor mij, mijn laatste droom van geluk en onschuld ; red u, nu het nog tijdis! Ik zeg 't u, uit vrije en innige overtuiging; bet is zoo, ik ben uwe liefde niet waardig!quot;
âPrins,'' zeide zij heftig: âals iemand anders het waagde zóó van u te spreken, zou ik mij van hem verwijderen en hem nooit weder aanzien, nooit weder een woord met hem spreken; ik zou hem een lasteraar noemen van het edelste schoonste en hoogste; want, prins, dat zijt ge voor mij. En ik wil niet hebben, dat men een schaduw werpt op het hooge voorhoofd, dat ik bewonder, dat ik bemin, wijl er slechts edele, schoone gedachten in wonen.quot;
,,In mijn hoofd misschien, maar in mijn hart, Elize, wonen geen edele, schoone gedachten! Daar is het woest en verward; en het ziet er in uit als in een feestzaal, wanneer het feest voorbij is en verlepte bloemkransen en gebroken glazen en schalen op den grond liggen; en slechts een enkele waskaars, die van de lichtkroon is genomen, beschijnt nog het woeste einde der orgie, en werpt een gouden glas op de verwoesting en ellende! Zoo is 't in mijn hart, en gi], Elize, zijt de waskaars, die er in schijnt en brandt. Maar daar is niet uw plaats. Gij behoort op het altaar der onschuld, der reinheid en der liefde; en gij moogt niet met den heiligen glans uwer vlam schijnen, waai' slechts fakkels lichten voor de woeste orgie.quot;
âGe gaat te ver, prins, veel te ver!quot; zeide zij met een zachten glimlach: âGe kent mijn schoonbroeder; ge hebt hem de belofte gegeven, dat ge mij overreden wildet, mijn liefde voor u op te geven, en de vrouw van een rijk man
255
te worden. In de edelmoedigheid van uw hart belastert ge u zeiven! Ge meent hiermede mijn hart te verschrikken en weet niet, dat ge juist door deze grootmoedigheid de liefde nog veel dieper in mijn hart doet dringen en mij treft en verrukt door het offer, dat ge mij brengt!quot;
â't Is geen offer, Elize,quot; antwoordde hij; âik ben zooals ik u zeide; ik wil mij niet verontschuldigen, al kon ik 't ook. Het leven heeft mij op een plaats gesteld, die te hoog is, om haar ernstige en groote plichten op te leggen en te laag om mij in staat te stellen, het hoogste te willen en te kunnen volbrengen! Ik draag de ongelukkige onderscheiding van een prins, â en de genoegens, de verstrooiingen van het schitterende salonleven zijn mèt den prinselij ken titel mijn erfdeel i En als ik mij ooit om iets hoogers en waardigers wilde bekommeren, hebben zij mij gehoond en gesmaad, en hebben gezegd, dat ik eerzuchtig was, dat ik anderen wilde ontnemen wat zij bezaten, een rol wilde spelen in de wereld! En toen heb ik, om dezen smaad te ontwijken, mij teruggetrokken en mij van hen afgewend en heb mij verveeld en geërgerd over het erbarmelijke Hofge-spuis! Ik heb mij teruggetrokken in mij zeiven! En wijl mij niets overbleef dan mij te schikken, heb ik mij geschikt en het geheele leven beschouwd als een feestzaal, waar ik mijn plaats innam en het vermaak zocht op mijne wijze. Waar heb ik het gevonden, Elize? Daar, waar ik tegelijk mijn smarten vond; bij de vrouwen! Mijn hart was heet en gloeiend en het vloog de vrouwen tegemoet toen ik nog aan hare schoonheid, âaan hare reinheid geloofde. En allengs, Elize, verdween deze droom. Laat mij er niet van spreken. Ik heb vele wonden geslagen en vele wonden ontvangen. Maar mijn hart heeft zich toch altoos weder opgericht; het heeft altoos weder gehoopt en gezocht naar de eenige, die mij alles zou kunnen zijn: mijn vrouw, mijn vriendin, mijn geliefde! En nu ten laatste, nu ik haar gevonden heb, nu zij voor mij staat in den glans der maagdelijkheid, nu ik de hand naar haar uitsteken â en zeggen wil: wees de mijne! moet ik tot haar treden en zeggen: ontvlucht mij, Elize ! vlucht verberg u aan het hart van een anderen man ! Zoek bescherming bij hem, want mijn liefde is verderfelijk! Zij is geen mirtenkroon, welke ik op uw
256
hoofd kan zetten, zij geett u slechts schande en smaad voor de wereld!quot;
Zij zag hem met een stralenden glimlach aan. â âEn zoo ik nu bereid ben, om ter wille van het hoogste en schoonste, dezen smaad, dien de wereld mij bieden kan, te dragen ? Wat is mij de wereld, Louis ? Ik reik u de hand en zie opwaarts en stijg hand in hand met u den steilen weg des levens op, ten hemel! Hier beneden mogen zij schelden en mij bespotten en belasteren, wat storen wij er ons aan ? De sterren en de hemel zijn ons doel en het gewormte der aarde raakt onzen voet niet. Wij beiden gaan in liefde, in kunst, in poëzie ten hemel en laten het aardsche vér-achter ons!quot;
âO, bekoorlijke engel, ware het zoo, het zou schoon zijn!quot; riep Louis met stralenden blik: âJa, schoon zou het zijn met u ten Jiemel stijgen ; maar, Elize, ik kan het niet! Groote gedachten zijn, gelijk ge zegt, in mijn hoofd, en 't kan zijn ; maar lage en aardsche wenschen gloeien in mijn hart, en zoo ik nu met u hand in hand ten hemel wilde stijgen, spoedig komt er weder een uur, dat ik van zelf uw hand zou wegstooten en terugkeeren naar deze erbarmelijke aarde, om van haar een uur van vermaak te vorderen! Dat heeft de wereld, â dat hebben de omstandigheden van mij gemaakt, gelijk Schiller zegt: âHalf dier, half engel.quot; Gij, Elize, zoudt mij niet anders kunnen maken dan ik ben! En daarom moet ge mij niet beminnen; ik wil het niet!quot;
âEn ik moet het tóch zal het eeuwig!quot; riep zij vol vuur : âen ik geloof niet aan al de lasteringen, die de edele prins tegen zich zeiven uitspreekt! 't Kan zijn, dat de lielde voor u mijn ongeluk is; nu, dan neem ik mijn ongeluk met meer vreugde aan, dan al het geluk 't welk mij de menschen bieden!''
Hij nam met heftigheid haar hand en zag haar schier toornig aan. â âMaar ik zeg u, ik ben uw liefde niet waardig!quot;
âMaar ik geloof u niet!quot;
âEn ik zweer u dat het zoo is ! Ik heb een geliefde, die trouw aan mij gehecht is; die de moeder van twee kinderen is, mijn kinderen!quot;
âAch God, mijn God!quot; fluisterde zij zacht en onwillekeurig trok zij haar hand uit de zijne.
257
âTk heb dit trouwe meisje, dat om mij hoon en schande heeft verdragen, liefde en trouw gezworen. En na twee jaren verliet ik haar en verviel in een andere liefde; in die van een kokette, die mij verleidde met haar minnekunsten, zoodat ik aan hare voeten lag en haar aanbad, â haar, die niets anders was dan een betaalde spion, een spion van Frankrijk!quot;
âArme Louis, arm gefolterd hart!quot; riep zij in tranen losbrekende.
âEn vervolgens,quot; zeide hij bitter en verbleekend van wrok : âtoen ik den dood voelde naderen van woede en vertwijfeling, toen keerde ik terug tot haar, â de moeder mijner kinderen. Toen zij mij bleek en in tranen en smart zag, heeft zij alles begrepen en met beminnende, zachte hand mij het voorhoofd glad gestreken en mij geen verwijt gedaan, slechts gezegd dat zij mij beminnen, â eeuwig beminnen zou!quot;
âGod zegene haar hiervoor,7' zei Elize, de handen vouwende en de met tranen gevulde oogen ten hemel heffende : âGod zegene de edele vrouw, voor wie de liefde hooger geldt, dan de verbrijzeling van haar hart!quot;
âVerder!quot; riep hij: âhoor verder! Onder haar liefderijke verpleging genas ik en toen ik nu geheel gezond was, ben ik weder uitgegaan in de wereld; heb de edele, trouwe vrouw, de moeder mijner kinderen, weder verlaten en ben een andere vrouw met gloeienden hartstocht gevolgd! En zij is de mijne; ik bemin haar vurig, bemin haar heden nog met dezelfde drift als voor een jaar en zou om harentwil alles opofferen, alles verlaten: de teedere vrouw, de geheele wereld, zoo zij het beveelt,âzij, wier slaaf ik ben ! Ik zou ook u opgeven, Elize! Ik bemin, ik aanbid u! Ik zeg het u en herhaal het; ge zijt mijn laatste droom van geluk, van onschuld en liefde, maar zoo zij, de aangebedene, de geliefde, heden tot mij zegt: âge zult Elize, welke gij vereert, welke gij bemint, verlaten ; ge moogt haar nooit wederzien of ge moet mij opgeven!quot; dan, Elize, hoe smartelijk, hoe vreeselijk het voor mij zijn zou, dan zou ik mij van u wenden en u nooit wederzien, u toch eeuwig betreuren en eeuwig naar u verlangen! Nu weet ge wat ik ben; zeg nu of ge mij, â den ontaarde, den minnaar eener andere vrouw, die misschien met mij Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 17
258
haar koket spel drijft, â of ge mij nog beminnen kunt!quot;
Zij had hem met de uitdrukking der diepste smart aanschouwd en de tranen waren langzaam over hare wangen gevloeid; nu stond zij op en naderde den prins, die met groote schreden de kamer op en neer ging.
,,Ja,quot; zeide zij: âik bemin u nog en zal u eeuwig beminnen, en weet ge waarom, Louis? Wijl ik weet dat ge u zeiven lastert en dat alles wat ge mij zegt, niet waar is! Arme, grootmoedige vriend ; ge wilt mij genezen van mijn liefde voor u, â ge wilt als een arts, die een koortsziekte wil redden, mij een wonde toebrengen en, door mijn hartebloed te doen vloeien, mij van de koorts genezen. Maar ik zeg u, Louis, ik ben niet ziek en 't is geen koorts, die mij doorgloeit! 't Is een heilig vuur, dat in mijn aderen stroomt; 't is de heilige lietde, dë eeuwig gezonde liefde, â en die zegt mij thans, dat Louis zich-zelven lastert en daarom aanbid ik hem, in plaats van hem te verachten, hoeveel pogingen hij daartoe ook aanwendt.quot;
âGij gelooft mij niet?quot; vroeg hij verschrikt; âgemeent dat ik mij zeiven laster?quot;
Zij knikte. â âIk ben er van overtuigd!quot;
âGenoeg dan !quot; zeide hij na kort bedenken heftig en luid : âEr zijn dus bewijzen noodig en ge zult ze hebben, Elize ! Zijt ge bereid, bewijzen van mijn leven en mijn liefde voor een andere vrouw aan te nemen?quot;
Zij ontstelde en legde haar hand op haar hart. â ,,Zou 't mogelijk zijn,quot; zeide zij zacht voor zich : âzou't mogelijk zijn, dat hij de waarheid zegt?quot;
âGeloof mij, Elize, 'tis mogelijk,'t is waar!quot;
âIk wil de bewijzen hebben,quot; zeide zij: âik geloof u niet, Louis, zoo ge mij geen bewijzen geeft.quot;
âWelaan, het zij zoo! Er heeft heden avond in mijn villa te Moabit een feest plaats. De vrouw, welke ik bemin en aanbid, â die mij tot haar slaaf heeft gemaakt, zal bij dit feest tegenwoordig zijn en ook vele andere weelderige vrouwen. Ge zult met één enkelen blik mijn geheel leven, mijn vernietigd, woest aanzien leeren kennen. Wilt gij het, Elize?quot;
âJa, ik wil het,quot; zeide zij dof.
âGe moet heden avond bij mij komen in mijn villa te Moabit! Niemand moet het weten! Niemand indegeheele
259
wereld! Maak u onder een of ander voorwendsel vrij, zeg dat ge een vriendin will bezoeken. Verlaat uw huis, ge zult bij den hoek der straat een rijtuig met mijn vertrouwden kamerdienaar vinden; stijg in het rijtuig, het voert u tot mij en ik breng u in een kleine kamer, vanwaar ge de geheele zaal overzien kunt. Ge zult zien en erkennen, Elize, dat ik u niet waardig ben! Maar als ge het erkend hebt, Elize, ween dan over mij en vergeef mij! Want ik heb dan aan mijn liefde voor u het hoogste, zwaarste offer gebracht; ik heb bewerkt, dat ge mij niet meer bemint!
En nu vaarwel, Elize! Maar zeg mij eerst of ge komt?quot;
âIk kom,quot; zeide zij zacht en inwendig huiverend.
Des avonds ging het vroolijk en lustig toe teMoabit, in het landhuis van prins Louis Ferdinand. Rijtuig op rijtuig rolde van Berlijn aan, want de vertrouwden en vrienden wisten, dat het heden 't laatste feest zou zijn, vóór de prins zich naar het leger begaf. Schitterend zou het feest zijn! Heden had de oude Weber, de hofmeester van den prins, er zich niet tegen verzet alles zóó in te richten als zijn geliefde, aangebeden meester bevolen had. Als in daglicht moesten de zalen schitteren en met bloemen getooid moesten de wanden zijn; de heerlijkste spijzen moesten inde groote danszaal voorgediend worden ; de geheele tuin moest verlicht worden met veelkleurige lampions, die de hoornen zouden doen uitkomen als in purperen zonneglans. De broeikas moest geopend en de bloemen en planten en vruchten van het Oosten zouden de gasten omzweven met geuren en gloed en too verachtige pracht!
âEen feest moet het zijn,quot; zei de prins met een treuri-gen glimlach tot Weber; âeen feest als vroeger te Hamburg! Bezorg mij kransen voor alle hoofden; zoowel de vrouwen als de mannen moeten heden met rozen bekranst zijn! Guirlandes van welriekende bloemen moeten de wanden sieren; glans, geur, licht en leven wil ik om mij heen verspreiden ! Ginds in den hoek der danszaal, die heden onze feestzaal, is, stel daar een groep van de fraaiste gewassen onzer broeikas en daarachter, voor aller oogen verborgen, zullen de muzikanten hun plaats hebben! Zeg hun, dat ze niet veel geraas moeten maken: niet met hunne schetterende instrumenten moeten komen. Slechts fluiten, slechts zachte muziek wil ik hebben en eerst wanneer ik een tee-
200
ken geef moeten hunne zachte melodieën ruischen, die als zuchteu van zalige geesten klinken! Ge weet, Weber, hoe ik het meen! Laat' mij den laatsten geluksdroom droo-men 1quot;
Zij waren er nu allen, de vrienden; al de geleerden en kunstenaars, staatslieden en officieren en tot allen zei prins Louis Ferdinand, die hen ontving:
,,Heden zijt ge niets dan vroolijke menschenkinderen, mijn vrienden, welke ik genoodigd heb op het laatste feest! Vergeten moet ge uwe waardigheden, uw geleerdheid, uw droom van kunst en poëzie! Vroolijke menschenkinderen moet ge zijn, die met vreugde het oogenklik genieten en zich dezen avond gevoelen als goden op den Ãlympus!quot;
En allen riepen en juichen: âZóó zal het zijn! Wij zullen ons als goden gevoelen op den Olympus !quot;
âJa, zóó zal het zijn!quot; riep Johannes von Müller, de groote geschiedschrijver: âals goden op den Olympus!quot; En hij zag met begeerige oogen naar de rijk bezette tafel, waarop in kristallen tlesschen de purperen wijn en de gouden rijnwijn fonkelden, en, in ijs gekoeld, de donkere champagne-llesschen stonden en op gouden en zilveren schalen de heerlijkste vruchten hare geuren wasemden, onder zilveren deksels pasteien en zeldzame spijzen zich verborgen.
,.Zóó zal het zijn!quot; zei de generaal von Schmettau: âwat bekommeren ons oorlog en vrede? Wij zijn heden op den Olympus; wij zijn heden goden!quot;
âEn wij willen vol vreugde het oogenblik genieten!quot; riep Dussek, de componist, en hij rolde de piano dichter bij den stoel van prins Louis Ferdinand.
âJa, wij zijn goden en willen op den Olympus leven,quot; herhaalden de schoone, weelderige vrouwen in Grieksche gewaden, die nu de zaal binnentraden, geleid door Pauline Wiesel, de schoonste der schoonen, de be-tooverendste aller tooveressen! Als Venus was zij heden gekleed in een luchtig Grieksch, half doorschijnend gewaad, dat aan de borst met een gouden gordel was saamgehouden; een gouden band prijkte in het haar en de bloote armen waren met gouden braceletten versierd.
Zoo had prins Louis Ferdinand eens op dat andere Grieksche feest de betooverendste schoonheid, â zoo had hij Aurora von Stein gezien! En toen hij nu Pauline aan-
261
schouwde, riep het in zijn hart: âIk heb haar beminden vergeten, en ook deze zal ik vergeten!quot;
Onwillekeurig vloog zijn blik omhoog naar de kleine getraliede loge, waar anders de muzikanten pleegden te zitten, maar die heden door twee zware gordijnen behangen was. Een weinig hadden deze gordijnen zich gescheiden, en zoo er iemand achter was, kon hij door deze opening de geheele zaal overzien. Daarheen vloog de blik van den prins, maar spoedig keerde hij terug tot de bekoorlijke vrouwen. En hij riep luid en opgetogen: âVlijt u nu neder op de kussens'en laat ons vroolijk zijn!quot;
Nevens hem op het kussen rustte de Venus, de schoonste van allen; Pauline Wiesel, met de purpen lippen, met den heeten adem, die dicht langs zijn wangen streek, met de schitterende oogen, die zooveel liefde, zooveel weelde beloofden ! Rondom de tafel vlijden zich de gasten, de hoofden met rozen bekranst; een schoone vrouw naast eiken cavalier, 't Is een fluisteren en lachen, een fonkelen van geest en humor, van oogen en brillanten om de tafel heen. Men schertst en lacht, men spreekt somwijlen ook van ernstige zaken; men zou alles in het gesprek willen trekken! De geleerden laten hunne gewichtige woorden hooren; de dichters verheffen somwijlen hun stemmen en laten baai-voor een jubelzang klinken. Dan wendt zich de prins om naar de piano en zijn handen ruischen over de toetsen, en nu jubelt het op in heldere vreugdetonen. Nu luisteren allen en er komt over hen als een droom van weemoed en smart; als de prins dat gevoelt, wendt hij zich met een teeken tot de muzikanten en deze vallen nu in met hunne melodieën, begeleiden zijn muziek en hij begeleidt weder de hunne, en het is een wedstrijd van klanken, poëzie en lust den geheelen avond lang!
De champagnekurken knallen in de lucht; de glazen vullen zich schuimend en worden schuimend weder geledigd. En de muziek juicht en bruist met helderder klanken! Vaster omstrengelt prins Louis Ferdinand de schoone Venus, die haar hoofd vast op zijn schouder leunt en zich zoet lluisterend aan zijn oor buigt, flij aanschouwt haar, lacht en schertst, en allen lachen en schertsen in de zaal, tot de golven van den lust weder lagerruischten
262
en ernstige gesprekken klinken. Maar prins Louis Ferdinand roept met luide, overmoedige stem:
âSlechts vreugde zal aan de tafel tronen! Weg met den ernst! De vreugde moet hier verwijlen, scherts en lust!quot;
Langzamerhand wordt de orde der tafel opgeheven. Die niet meer eten en drinken wil, staat op, om zich op andere kussens neder te vlijen. Daar zat de schoone Venus op den divan, in antieke vrijheid liggende, en verrukte en verbijsterde door haren lach en scherts, door haar schoonheid en geest. Hier en ginds aan 'de tafel zetten de heeren zich bijeen, nemen de dobbelsteenen en roepen geluksgodin Fortuna aan, opdat zij beslisse wie hunner de stapels goud, die op de tafel liggen, bezitten zal. Anderen grijpen naar de kaarten en spelen, lachen en drinken er bij. En wederom in een andere groep zat Johannes von Müllerin den kring van eenige heeren, welke hij met schitterende oogen en stralend aangezicht de wonderbare hoedanigheden der pastij verklaarde, in wier genot hij geheel verdiept was. Tegen den schouder van den prins leunt Pauline haar gloeiend Aoofd, terwijl hij zich weder naar de piano heeft gewend, en met ruischendeaccoorden een jubelhymne speelt.
De bedienden vlogen naar alle gasten en vulden de glazen steeds weder met den heerlijken champagne. En zij lachen, dat het als 't loeien der zee door de zaal galmt en de muziek overstemt en elk verstandig gesprek onmogelijk maakt!
Eindelijk, toen de morgen daagde, was het feest ten einde! De rijtuigen reden weg; de schoone vrouwen en de heeren verwijderden zich de een na den ander en alles werd stil. De kaarsen waren afgebrand en beschenen met gelen glans den aanbrekenden dag en de woeste, verwarde tafel met de ledige schotels en flesschen, met de gebroken glazen, met de kaarten, dobbelsteenen en de gehavende kransen. â Maar midden is deze zaal stond prins Louis Ferdinand en zag om zich heen met een treurigen, oververzadigden blik. De diepe stilte was in een zonderling contrast met het jubelend gerucht, dat nog voor weinige minuten hier klonk; de groote pendule begon met langzame, luide slagen het uur te verkondigen, en door de open deur hoorde men het klateren der tonteinen in den tuin. Overigens zweeg elk gerucht en toen het nu zoo stil was en eenzaam, ging de prins zacht door de kamer, opende de deur die naar de
263
kleine loge voerde, vloog in een paar sprongen de trap op en trad in het kleine vertrek.
In 't midden er van, met van tranen overstroomd gelaat, knielde Elize von Rauh.
Zij sprak geen woord; zij zag hem slechts aan met gevouwen handen; â hij hoog zich tot haar. En zoo, zy knielend, en hij tot haar gebogen, ontmoetten zich hunne blikken. Een heete traan viel uit zijn oogen op haar voorhoofd neder.
âBidt ge voor mij ?quot; vroeg hij zacht.
âJa,quot; fluisterde zij: âik bid voor u! Voor u, die ik bemin, dien ik eeuwig beminnen zal, al mocht deze liefde mij ook den dood brengen!quot;
Nu knielde bij bij haar neder, legde zijn arm om haar gestalte en drukte haar een oogenblik tegen zich aan. â âBid voor mij, Elize, en luister, mijn heerlijk, mijn geliefd meisje: ge zult spoedig aan mijn graf kunnen weenen! Stil! Schrei er niet om; sterven is voor mij het nieuwe leven! Ik geloof, dat het de éénige oplossing is, uit al de verwarring van mijn aanzijn. Ik zeg u, ik gevoel en weet het: ik keer uit dezen veldtocht niet terug; daarom zeg ik u vaarwel, knielend als voor God, dien ik om vergiffenis voor mijne zonden smeek; knielend aan uwe zijde smeek ik u ; bid voor mij ! En nu vaarwel en tracht een anderen man te beminnen!quot;
Een glimlach vloog over haar bleek fraai gelaat.... âIk wil niet trachten wat onmogelijk is; ik heb u mijn hart gegeven en waarheen ge ook gaat, in den strijd, in den dood, in het graf, mijn hart blijft bij u\ Ik geloof het nu zelve. Louis: op aarde is niet alles zoo fraai, zoo zonnig als ik gedacht heb quot;
âDat heet,quot; viel hij haar smartelijk in de rede; âge wilt zeggen, ik ben niet gelijk gij gedacht hebt! Ge wilt zeggen, dat ge mij veracht en gij doet er wél aan; ik dank u er voor, hoezeer het een smart is, die als een dolk in mijn hart boort!quot;
âIk wilde dit niet zeggen,quot; fluisterde zij zacht: âik wilde slechts zeggen, dat de aarde voor u en voor mij geen waardig verblijf is! En daarom, Louis, treur ik niet, als ge sterven zult; want ik weet, dat wij elkander hierboven wederzien ! Gewis hierboven, bij God en de sterren! En
264
nu wil ik gaan; ik heb in dezen nacht alle verborgenheden des hemels en der aarde door mijn ziel laten trekken en nu ben ik rustig. Er is op aarde niets meer, dat mij wee kan doen; slechts iets dat mij verheugen en gelukkig maken kan en dat zal zijn, Louis, als ik van u en van uwe heldendaden hoor! Want ge zult iets groots volbrengen voor de wereld en aan de nakomelingschap verschijnen als een held! Dat gevoel ik, dat weet ik, en ik verheug mij in uwen roem ! Nu laat mij gaan !quot;
Zij richte zich luchtig en zwevend op en trok hem met zich overeind.
âVaarwel Elize,'' zeide hij; âen zoo ge mij vergeven,en mijn ontwijde, profane lippen heiligen en zegenen wilt, druk er dan een kus op.quot;
Zij hief den arm op en legde dien op zijn schouder, richtte het hoofd tot hem op en bood hem hare lippen. Hij raakte ze zacht en teeder aan, even ais de mond der moeder de lippen van haar gelietd kind aanraakt. En zoo rustten hunne lippen een kort, zeer kort oogenblik op elkander, zooals vallende bloemen elkander aanraken, â zooals een zwevende vlinder een oogenblik op de roos verwijlt. Vervolgens scheidden zij.
âVaarwel, Elize, vaarwel!quot;
âVaarwel, Louis, vaarwel! Hierboven zien wij elkander weder!quot;
âJa, hierboven! Vaarwel tot een zalig gelukkig wederzien hierboven!quot;
VII.
DE OORLOG IS ER.
Thans is langer weifelen en aarzelen onmogelijk. Frankrijk heeft het ultimatum, dat Pruisen het heeft gestetd, niet aangenomen. Het wil Duitschland niet ontruimen, zijne veroveringen niet weder teruggeven. Napoleon heeft schier medelijdend geglimlacht bij dit voorstel van Pruisen. âDe Koning wil dus den oorlog? Hij zal hem hebben !quot; -Pruisen weet bovendien, dat Frankrijk heimelijk onderhan-
265
delt met Rusland, met Engeland en met Beieren; dat dezen, zoo zij het bij een mogelijken oorlog tusschen Frankrijken Pruisen met Frankrijk houden, hunne brokken zullen hebben van Pruisens verscheurden koningsmantel; de Poolsche provinciën voor Rusland ;Bayreuth en Ansbach voor Beieren, het door Pruisen bezette en ingenomen Hannover voor Engeland. Dit zijn de lokspijzen welke Napoleon de drie mogendheden voorhoudt. Terwijl Engeland en Rusland nog aarzelen, heeft Beieren zich snel bereid verklaard en de Vorst van het Duitsche Rijnverbond, de Keurvorst van Beieren, wil den Keizer van Frankrijk ter zijde staan tegen Pruisen.
De oorlog is er, hij is onvermijdelijk! Heden den een-en-twintigsten September zullen de gardes uit Berlijn rukken en aan hun spits Koning Friedrich Wilhelm. Gejuich en vivatkreten galmen in de straten; een ontzaglijke men-schendrom heeft zich verzameld voor het paleis om atscheid te nemen van den Koning, die nu uittrekken wil ten oorlog.
Boven in haar woonkamer staat Koningin Louise met hare kinderen, voor het laatste afscheid van den Koning.
Het gelaat van Friedrich Wilhelm was ernstig en bleek, en met een weemoedigen blik zag hij op zijne kinderen, die heden ook met de Koningin Berlijn verlaten zouden, om naar Koningsbergen te gaan. De twee oudste prinsen, â de Kroonprins Friedrich Wilhelm en zijn jongere broeder Wilhelm, begrepen reeds den ernst en 't gewicht van het oogenblik en zagen er treurig uit, en in de oogen van den Kroonprins stonden tranen.
âMajesteitquot; zeide hij schuchter, de hand des Konings nemende: âwaarom hebt ge mij verleden jaar de uniform gegeven, zoo ik nu toch niet mede ten oorlog mag trekken?''
âIk wenschte, dat ge dit kondt, mijn zoon,quot; zei de Koning ernstig; âwaart ge slechts vijf jaar ouder, dan zou ik u medenemen, opdat ge het treurige oorlogsspel zoudt leeren kennen en eens, als ge Koning zijt, aan het vreeselijke drama denken, â en al wat in uw vermogen is doen zoudt, om den oorlog te vermijden. Maar ge zijt nog te jong. Als men nauwelijks zijn tiende jaar is ingegaan, is de hand nog te zwak om het zwaard te voeren.quot;
De Koningin legde zacht de hand op den schouder van haar zoon.
266
âGe zult echter gedachtig zijn, mijn kind, wat ik u gezegd heb; toen ge u verleden jaar het eerst in deze uniform aan mij voorsteldet. Weet ge het nog?quot;
âJa,quot; zei de Kroonprins met liefderijke teederheid tot zijn moeder opziende: âja, ik weet het nog zeer goed, genadigste mama. Ge zeidet mij : âik hoop, dat ten dage, als ge gebruik zult maken van dezen rok, uw eerste gedachte zal zijn: uw ongelukkige Duitsche broeders te wreken.quot; 1)
âJa, mijn zoon,quot; hernam de Koningin met een zachten glimlach: âdat zeide ik, en ik zie wel, ge zult het niet vergeten.quot;
âNeen, zeker niet,quot; riep de Kroonprins vastberaden: âik zal het nooit vergeten, en ik ben slechts ongelukkig, wijl ik heden niet reeds mijn Duitsche broeders wreken kan!quot;
âEn ik óók,quot; riep de kleine, achtjarige prins Wilhelm, en zijn oogen glinsterden moedig: âik ben zeer ongelukkig, dat ik niet uit kan trekken ten oorlog met den Koning, onzen heer papa. Ik ken de exercitie en het reglement reeds volkomen en ik schaam mij voor de andere soldaten, dat ik tehuis moet blijven!quot;
Zelfs over 't gelaat des Konings vloog een glimlach bij deze moedige woorden van den kleinen prins.
âDe tijd zal wel komen, dat ge óók uittrekt ten oorlog, Wilhelm,quot; zeide hij : âEr is in de wereld altoos wat te doen en 't zal u er óók niet aan ontbreken. Nu, echter, mijne kinderen, laat ons scheiden.quot;
En de stem des Konings beefde, toen hij zeide: âLaat ons afscheid nemen, Louise.quot;
âAfscheid nemen van Neen, dat is onmogelijk!quot; riep Louise, zich tegen hem leunende.
De Koning omstrengelde haar en trad met haar terug in de vensternis.
âLouise,quot; zeide hij, haar met een innigen liefdeblik aanschouwende: âLouise, wees en blijf het geluk mijns levens, wees mijn zonneschijn! Hard zal het zijn, als ik nu in de duisternis moet uittrekken, zonder zonneschijn en zonder licht. Ge zijt moeder en gade. Kies, Louise, met wien wilt ge trekken? Met mij of de kinderen ?quot;
1
De eigen woorden der Koningin. Zie â¢. Tagebnoh von Priedrich von Gentz.
267
âGe laat rnii de keus?quot; vroea- zii met bevende lippen en betraande oogen.
De Koning knikte. En zonder zich te bedenken, ijlde zij op hare kinderen toe, sloot elk met innige teederheid aan haar hart, drukte en kuste ze en legde als zegenend haar hand op de blonde krulkopjes barer kinderen.
âVaartwel, vaartwel, mijn kinderen! Ik blijf daar, waar in de ure des gevaars alleen mijn plaats is! Ik blijf bij u, Friedrich Wilhelm!quot;
Zij ijlde weder op hem toe en legde haar hoofd aan zijn borst.
âWij willen te zamen leven en sterven, mijn geliefde.quot;
De Koning legde diep bewogen zijn arm om de geliefde gestalte en op het hoofd dat tegen zijn borst leunde, drukte hij een'teederen kus. â âGod zegene u, Louise, voor deze keus! 't Is nacht om ons heen, maar in ons schijnt de zon; want de liefde is bij ons!quot;
Nu juichte en klonk het van de straat: âLevede Koning! leve jde Koningin!quot; En luider en steeds luider klonk de donderende kreet. Het volk was daar; het volk wilde afscheid nemen van zijn Koning, die nu uittrekken wilde, om als veldheer zijn kroon met een lauweren te sieren.
De Koning opende het venster en vertoonde zich met zijn gemalin aan het volk.
Nu rgalmden van alle zijden kreten van verrukking en zegenwenschen door de lucht.
Plotseling daarop een vreeselijke slag, een kreet en een huilend uiteenstuiven van het volk.
âWat is dat, wat is er gebeurd ?quot;
De adjudant komt uit de voorkamer, bleek en met angstig gelaat binnen.
âWat is er buiten op de straat gebeurd?quot; vraagt de Koning.
âMajesteit, het standbeeld der overwinning, dat op het arsenaal stond, is naar beneden gevallen.quot;
âIn stukken?quot; vroeg de Koningin: âIs het standbeeld der Victoria beschadigd?quot;
âMajesteit, het heeft den rechterarm gebroken !quot;
Nu verbleekte de Koningin en leunde wankelend aan den arm des Konings.
âAch, Friedrich Wilhelm, een slecht voorteeken!quot;
âEr zullen nog vele dergelijke komen,quot; zeide hij zacht: âGij weet het, ik vrees iets kwaads!quot;
268
quot;^Buiten echter jubelde het volk nu weder op nieuw, toen het zich van den eersten schrik hersteld had en de gardes naderden met klinkende, schetterende muziek.
Door de Linden trok de schitterende stoet.
Buiten voor de Brandenburgerpoort, op wier top de Victoria, de teugels in de hand,harepaarden bestuurt,daar hielden de troepen stil; daar wilde de veldmaarschalk von Möllendorf te paard stijgen, om aan hun spits uit te trekken ten oorlog.
Eu andermaal klonk een kreet.
De eenentachtig-jarige veldheer, dien Pruisen den jongen Keizer Napoleon wil tegenstellen, â de eenentachtig-jarige generaal veldmaarschalk van Möllendorf is van zijn paard gevallen!
En nu lluistert het volk, zooals de Koningin gefluisterd had ; âEen voorteeken, een slecht voorteeken !quot;
Maar het juhelgeschetter en de fanfares overstemmen het gefluister, en naar buiten ten oorlog, tot veldslagen en gevechten trekken de Pruisische troepen methunnen Koning en hunne Koningin.
Te Erfurt is het hoofdkwartier en daarheen begeett zich het koninklijke paar.
Daar is de hertog van Brunswijk; daar is de prins van Hohenlohe; daar zijn zij allen verzameld voor den krijgsraad, tot de laatste voorbereidingen voor den oorlog, â den onvermijdelijken oorlog.
prins Louis Ferdinand was reeds de garden vooruitgerukt; hem had men het opperbevel over de voorhoede: achtduizend man Pruisen en Saksers toevertrouwd. Te Saalfeld waren de troepen gelegerd en te Jena op het marktplein ging prins Louis Ferdinand met groote schreden heen en weer, wachtende op de terugkomst van den prins van Hohenlohe, die voor den krijgsraad naar Erfurt was ontboden. Treurig en somber was het gelaat van den prins; niets meer van de vroolijke uitdrukking van vroegere dagen op zijne trekken; wolken op het anders zoo helder voorhoofd en geen lachje meer om de samengedrukte lippen ! Starend zag hij steeds in de richting, vanwaar de opperbevelhebber komen moest. Vervolgens wendde hij zich tot zijn adjudant, den overste von Nostitz.
âNostitz,quot; zeide hij ; âziet ge deze nieuwe krenking en schande, welke men mij aandoet. Ik ben de naaste in het
209
commando, na den Vorst; hij gaat voor een lange beraadslaging naar Eriurt en evenwel geeft Idj mij niet, gedurende zijn afwezigheid, het commando over. Men stelt geen vertrouwen in mij; men vreest mij, en wil mij ter zijde dringen. Men krenkt mij steeds opnieuw en beschouwt mij altoos als een muiter. Dit is mijn lot geweest, sedert mijn heer neef Koning van Pruisen is! Ik ben hem niet onderdanig, niet zwijgend, niet logenachtig genoeg! Hij vermoedt steeds in mij een oproerling en hij doet toch alles, om hèt mij te maken. O, mijn hart is zoo vol bitterheid, smart en toorn; ik zou kunnen weenen als een kind! Denk eens, zoo nu de Franschen onverhoeds aanrukten, wat zou ik kunnen doen, wat zouden wij ondernemen ? Wij waren reddeloos verloren enquot; â voegde hij er zacht bij: âen ik vrees, wij zijn het evenwel. Het ziet er slecht, zeer slecht met ons leger uit. Maar wij willen er niet van spreken; 'tis nu maar: voorwaarts! Dat is het parool. Overwinnen of sterven! En dat zeg ik u, Nostitz: overwonnen val ik niet in de handen van den vijand en levend zullen zij mij niet hebben. â Ha,'' hernam hij, diep ademend: âhet doet mijn waarachtig goed aan den dood te denken; hij bevrijdt mij van vele smarten, ook van de krenkingen en beleedigingen, waaraan ik dagelijks blootgesteld ben!quot;
âMaar,quot; zeide Nostitz levendig: âUwe Koninklijke Hoogheid heeft anderzijds toch zooveel waardeering genoten, zoovele triomfen gevierd, dat ge de kleine speldeprikken des lots licht overwinnen kunt. Het geheele leger juicht u tegen.quot;
âEn dit is het juist wat men mij niet vergeven kan,'' merkte de prins met een bitteren glimlach aan: ,,het leven is wreed voor mij, Nostitz; het heeft mij bestemd voor de folteringen van Tantalus; het laat mij alle geluk en alle zaligheid, alle grootheid en hoogheid van nabij aanschouwen, maar mijn hand reikt tóch niet hoog genoeg en kan en mag niet grijpen wat zij verlangt. Maar zie, zie ginds, Nostiz, daar komt hij eindelijk, â de opperbevelhebber, Vorst von Hohenlohe. Ik denk er niet aan hem tegemoet te gaan! Kom, ik wil naar mijn kwartier.quot;
De prins verliet met driftige schreden het marktplein en begaf zich naar het hertogelijke Slot. Doch nauwelijks was
270
een kwartieruurs verstreken, toen de Vorst von Hdhenlohe bij den prins binnentrad. Zijn aangezicht was ernstig en bleek, en een zware wolk lag op zijn voorhoofd. â En toen hij vervolgens, na een twee uren lang geheim onderhoud, prins Louis Ferdinand weder verliet, toen was ook het aangezicht van den prins bleek en ook op zijn voorhoofd lag een zware wolk. Vroeger dan gewoonlijk begaf hij zich ter ruste en den volgenden morgen verliet hij Jena, om zich bij zijne troepen nabij Rudolsatdt te voegen.
âWij moeten ons zeer rustig houden,quot; zeide hij tot zijn om hem heen verzamelde officieren: âhet is verboden,strooptochten te doen. Wij moeten de nadere bevelen alwachten.quot;
Hij sprak niet als vroeger hartelijk en gul tot zijne officieren, maar reed stil voort; stil, somber en ernstig, zooals zij hem nooit gezien hadden.
Tegen den avond van den negenden October kwam hij te Saalfeld aan en op het slot van den Vorst van Schwartz-burg-Rudolstadt wachtte het vorstelijk paar den prins en zijn gevolg op en heette den heldhaftigen, edelen prins Louis Ferdinand verheugd welkom. De Vorstin zat aan zijn zijde aan tafel en zij trachtte vruchteloos den prins te vervroolijken en tot een levendig gesprek op te wekken. Hij bleef ernstig, stil en zwijgend en de wolk verdween niet van zijn voorhoofd. Toen men van de tafel was opgestaan en koutend nog in 't rond stond, naderde hem de Vorstin.
âPrins, ge zoudt mij een groote vreugde kunnen verschaffen. Men heeft mij zooveel verhaald van uw heerlijk pianospel; laat het mij tot afscheid hooren, want ge zult ons morgen zeer vroeg reeds verlaten en wie weet, wanneer ik hel genoegen heb u weder te zien.quot;
âWie weet. Vorstin, of wij in 't leven elkander ooit wederzien!quot; zeide hij zacht, haar met een diepen blik aanschouwende.
âIk bid u, gun mij dit vermaak en speel,quot; verzocht de Vorstin nog eens.
âNeen, Charlotte, verzoek het niet,quot; zei haar gemaal âwij mogen den prins hiermede niet lastig vallen. Hij heeft een ander spel voor, een geheel ander en zijn gedachten zullen gewis er slechts op gericht zijn, dit spel niet te verliezen.quot;
27i
Nu boog prins Louis Ferdinand zich tot hem en zeide zacht: âVorst, dit spel is reeds verloren.quot;
Zonder er een woord meer bij te voegen, wendde hij zich om en begaf zich naar de voor hem bestemde vertrekken. Lang ging hij er in zichzelve gekeerd, peinzend en zwijgend op en neder.
Eensklaps opende zich de deur en zijn oude hofmeester Weber, â die als een bijzondere gunst verzocht had den prins te verzeilen â trad binnen met brieven in de hand.
âKoninklijke Hoogheid, de estafette is uit Berlijn gekomen en brengt deze brieven.quot;
Hij nam ze alle haastig en trad naar den zilveren kandelaar, die op de tafel stond, om ze te lezen. Vele brieven. Hij kende het schrift: brieven, maanbrieven van schuld-eischers, ook brieven van zijn ouders.
âDat alles wil ik morgen lezen,quot; zeide hij, ze ter zijde schuivende, zooals hij vroeger reeds eens had gedaan. En evenals toenmaals nam hij er slechts drie brieven uit, wenkte Weber heen te gaan en aanschouwde deze drie brieven.
âDe brieven mijner drie gratiën!quot; Een oogenblik spoelde weder de vroolijke glimlach van vorige dagen om zijne lippen. â âO, hoe klopt mijn hart en hoe wel is het mij, alsot de wiekslag van het verdwijnende geluk nog eens mijn brandend voorhoofd koelde. Daar zijt gij, gij drie: Henriette, Pauline en Elize. Mijn hart klopt u tegen, u alle drie in liefde en gij zijt op mij verstoord, dat mijn hart zóó groot is, om u allen te kunnen beminnen.quot;
Eerst nam hij den brief van Henriette Fromm en las hem met een stillen glimlach. Zij schreef zoo goed, zoo zonder eenig verwijt; schreef hem van zijn beide kinderen, met welke zij zich naar Schrieke op het landgoed van den prins wilde begeven, om daar de terugkomst van den veelgeliefde, onvergetelijke af te wachten.
âZij is een zacht en trouw hart,quot; zeide hij, het papier dichtvouwende: âals ik zeer vermoeid was, dan deed het zoo goed in haar lieve nabijheid te zijn en als de handen mijner kleine kinderen dan mijn aangezicht streelden, was het alsof engelen mij aanraakten en mij weemoedig'maak-ten en stil. Nu uw brief, Pauline, tooveres, sirene, met den wreeden, zoeten glimlach. Nu uw brief.''
En toen hij hem gelezen had, voer een bittere, toornige
272
glimlach over zijn gelaat, en hij stampte met den voet als van woedende smart. Zoo schreef hem Pauline Wiesel;
âDe oorlog, gij krijgsman, gij jager, gij muzikant. Zóóveel moet er voor mij af, Louis, en dan eerst komt de liefde. Neen, Louis, eerst de liefde en dan het overige. Bij mij' echter valt geen deeling voor; ik bemin slecht u alleen op de wereld; u en het kind Gij hebt alles in mij gedood; ik weet niet of mij dit gelukkig zal maken, of het misschien niet beter ware, zoo het anders was. Neen, Louis, het kan nu eenmaal niet anders zijn. Vergeet mij niet; uwe belofte wegens het portret ook niet. Schrijf mij, Louis, als ge er lust toe hebt, om geen andere redenen. Schrijf mij zoo ge wilt, niet om mijnentwege. Vaarwel; mijn gedachten volgen u, ik ben eeuwig bij u. Kon mijn geest 't u slechts op een of andere wijze laten weten! Elk uwer lieden, die het geluk hebben u te zien, benijd ik. Ach Louis, waarom dat eeuwige ontberen in dit leven, in dit korte leven ? Waarom ben ik niet met u? üm louter redenen, die alle duizend maal zwakker zijn dan mijn liefde voor w, dan het geluk dat het mij veroorzaken zou, bij u, in uwe nabijheid te zijn. Ach, Louis, ik moet eindigen, maar waarachtig, zeer treurig, zeer bewogen. Alles is anders, dan men gelooft, dan men denkt. Ik ben zeer geplaagd door duizend nietigheden en tóch kan ik niet anders. Louis, één, één uur slechts voor onze liefde.
âZend geld, ik heb geen sou en ben alles schuldig. Ik ben de twee laatste termijnen zelfs nog aan Alvensleven schuldig; vanwaar zal ik het nemen, ik heb zelfs geen enkel stuk meer te verpanden. De beide dienstmaagden vertrekken met den eersten November. Daar helpt geen wijsheid, geen ontberen, geen scherts, geen goedheid, niets dan geld, of zulke ongelegenheden, die niet te overleven zijn. Ik heb nu sedert mijn verblijf alhier, nog geen groschen in handen gehad; want mijn moeder kon ik het niet zeggen, het baat mij niets meer. Mijn sjawls wilde ik verkoopen, maar men wil mij voor de twee slechts vijftig thaler geven en zij hebben meer dan tweehonderd gekost. Schrijf mij nu van wie ik leenen zal. Ik weet niemand, of vertrouw niemand; want hij mocht u niet aangenaam zijn. Vaarwel, Louis. Ik ben zeer ontstemd u dit te moeten zeggen en zulk een infamen toestand is terrible. Mijn
273
schuld is het niet. Wees niet boos op uwe arme Pauline.quot; ^ âZij bemint mij niet, zij heefd mij nooit bemind,quot; zeide hij tandenknarsend, terwijl hij het papier dicht vouwde en toornig op de tafel nederwierp; âzij is een kokette zonder hart; en evenwel, â armzalig menschelijk hart! evenwel bemin ik haar en zoo het lot wil, dat ik haar wederzie, zal zij mij weder in boeien kluisteren, hoezeer ik weet dat ik niets meer voor haar ben en zij een wreed spel met mijn hart drijft. Maar gij,quot; voer hij vervolgens voort, den derden brief nemende; âgij, Elize; gij bemint mij, en nu ik uw brief in mijn hand houd, komt iets over mij als een zachte maneschijn en mij dunkt dat mijn hart reeds rustiger klopt, en dat de wonden welke de andere mij veroorzaakt heeft, reeds heelen bij de aanraking van dit papier, dat uw gezegende hand heeft beschreven.
Langzaam en voorzichtig opende hij het couvert en las. Slechts weinige woorden had zij geschreven, maar woorden, die uit 't diepst der ziel kwamen,
âIk groet u, Louis, veelgeliefde, eenige! Ik groet u met de zon en met de sterren; elke straal der maan, die in uw kamer valt, brengt u mijn liefdegroet. Ik bid voor u met eiken ademtocht mijns levens en ik zeg u, Louis; uw leven is mijn leven en uw dood zal ook mijn dood zijn. En zoo trek ik in mijn geest en gedachten met u ten oorlog en strijd met u en overwin of sterf met u! Weet dit en weet dat mijn liefde gelijk de uwe niet van dit leven, â maar van het andere leven is en mét de bevrijde zielen met ons op stijgt ten hemel. Ik groet u, Louis en verwacht u, hetzij op aarde, hetzij hier boven; wij zien elkander weder! Elize!quot;
Hij kuste het papier en toen hij het kuste viel een traan er op neder. Vervolgens vouwde hij het aandachtig en stil ineen en borg het aan zijn borst. En nu, als wilde hij, dat zelfs het licht zijn door tranen verduisterde oogen niet zou zien, deed hij de lichten uit. De maan scheen helder in zijne kamer, hij opende het venster en groette haar.
1) Pauline's laatste brief aail prins Louis Ferdinand. Zie: Varnhagen von Ense Briefe. p. 281.
Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VIII. 18
274
âMet eiken straal der maan, die in de kamer valt, groeten mij tiwe oogen, Elize.quot; ^
Hij trad terug van het venster, zette zich neder voor de piano, welke de lettende voorzorg der Vorstin hier had laten plaatsen, en begon te spelen.
Het was een stille, vreedzame nacht en door de open vensters klonk ver heen de ruischende, klagende, vertwijfelende en verlangende muziek, welke prins Louis Ferdinand uit de snaren lokte. De Vorst en de Vorstin hoorden haar in hunne kamers en slopen zacht naar beneden in het park en plaatsten zich onder de vensters van den prins. Daar was Dusseck, daar was Nostitz en in de verte stond ook de goede, oude hofmeester Weber. Stil was de nacht, zelfs door de boomen ruischte geen windje; liij scheen den adem in te houden om te luisteren en alles scheen te luisteren naar de muziek, die als geestgetluister klonk dooiden nacht en door de zwijgende Natuur. De maan stond groot en vol aan den hemel, bescheen de groep toehoorders en viel met lange, willen stralen in de kamer van den prins.
Een geheel leven liet hij voorbij zich trekken in dit uur. Het ruischte en klaagde uit zijne tonen; het juichte en weende, het zong zegeliederen en treurmarschen, liefde en lust, weemoed en smart en alles wat door zijn ziel was gegaan van groote en schoone gedachten, van heilige wen-schen en overmoedige vreugde, âdat alles liet hij klinken in dezen zwanenzang zijns levens.
Ten laatste werden de tonen plechtig langzaam en ernstig; 't gejuich en de smart, het klagen en de vreugde waren verstomd en wat nu uit de snaren klonk was een lange sombere treurmarsch. Met zulk tonen kan men hem begraven, den held, die gevallen is; met zulke tonen kan, al de geweren over zijn graf los branden, de muziek hem haar laatsten groet brengen!
Dé piano zweeg. De Vorst en de Vorstin, die weenend
1) Elise von Ranh stierf van droefheid weinige weken nadat zij den dood van den prins had vernomen, en op haar laatsten smeekenden wensch. werden al de aan haar gerichte brieven van den prins bij haar in de doodkist gelegd. âZoo de wereld deze brieven kon lezen.quot; zegt Xostitz, âdan zon men vernemen, dat de teederste liefdedichten der minnezangers geen edeler, kiescher en zuiverder poëzie bevatten, dan deze minnebrieven van den prins aan Elize von Rauh.quot; Zie: Carl von Nostitz. Tagebuch.
275
en smartelijk bewogen geluisterd hadden, keerden naar hunne vertrekken terug en diep bedroefd sloop de trouwe dienaar weder de voorkamer van den prins binnen. Hij was er nauwelijks, toen prins Louis Ferdinand de deur opende en hem bij zich binnen riep.
âSteek de lichten aan, Weber: ik heb nog iets met u te doen.quot;
Toen het weder licht was, brak hij met drift de brieven der schuldeischers open, sloeg een vluchtigen blik op de rekeningen en schreef onder elke zijn naam.
âNeem ze op, Weber en als deze menschen de rekeniigen opnieuw zenden, zeg dan aan mijn vader, dat deze handteeke-ningen het laatste verzoek aan hem zijn om de arme menschen te betalen, die mij vertrouwd hebben, opdat zij niet vertoornd op mij zijn als ik reeds dood ben.quot;
âMaar Koninklijke Hoogheid,quot; fluisterde de oude Weber, in tranen losbrekende: âwaarom zulke treurige gedachten, waarom van sterven en dood zijn te spreken?''
Hij legde hem zacht de hand op den schouder. ââWijl ik sterf, mijn goede Weber; wijl het nu ten einde gaat en God zij gedankt, â het is beter te sterven, dan te leven in schande. Nu geen woord meer, geef mij de hand, oude, en denk somwijlen aan mij!quot;
Vroeg kwam den volgenden morgen de tijding dat zich Franschen in de nabijheid vertoond hadden en spoedig hierop een andere slechte tijding: de maarschalk Augereau was met een Fransche legerafdeeling tegen Grafenthal opgerukt en had de Pruisische posten, die aan gene zijde van Saalfeld stonden, naar deze plaats teruggedreven. Nu vlamden de oogen van den prins.
âTe paard ! Breng mij mijn paard; laat ons opzitten, den vijand tegen ! Een estafette naar den Vorst van Hohenlohe; hij moet mij ondersteuning zenden, wij moeten den vijand tegen. En voorwaarts nu, voorwaarts den vijand te gemoet!quot;
Met den stormpas, in gesloten kolonnen, rukten de bataillons der Saksische regimenten voorwaarts; maar de Fransche tirailleurs trokken hem tegen en verwarring ontstond nu onder de troepen; zij geraakten in wanorde door het kartetsvuur van het Fransche geschut en wilden wijken. Maar de prins rende voorwaarts.
âVrijwilligers vóór! Volgt mij!quot;
Muhlbaoh, DuitscMand in Woeling en Strijd. VIII. 18*
27(5
En met één kreet en uit één adem riepen de Saksische troepen: âWij Saksers zijn alle vrijwilligers!quot;
Ijlings nu den prins na, haastig voorwaarts den vijand te gemoet! Maar hoe dichter bij, hoe meer men moest erkennen dat de bataillons niet tegen den talrijken vijand bestand waren. De prins, bleek en met ernstig gelaat, was overal tegenwoordig; streed, vermaande, riep en commandeerde overal. En tóch, toen de middag was gekomen, wende hij zich tot den generaal Trütschler en met heesche, bevende stem gaf hij het bevel met de troepen den aftocht aan te nemen. Nu renden twee regimenten vijandelijke kavalerie aan, die tot hiertoe in het bosch verscholen hadden gestaan en den aftocht moesten bedreigen. De oogen van den prins schitterden hooger. Zij waren nu daar, de gezegende vijanden; zij zullen hem redden, want zij zullen hem den dood geven, den gewenschten, den verlangden dood!
âVoorwaarts, mijn vrienden, voorwaarts! Wij zullen hulp kriigen; de Vorst van Hohenlohe zal ons bijstand zenden!quot;
Voorwaarts nu, den vijand tegen. Daar komen huzaren aanrennen, de huzaren van Schimmelpfennig. Dit is een ondersteuning; nu is het nog mogelijk de Fransche kolonnes terug te werpen. Man tegen man strijden zij nu tegen elkander, doch slechts een korte tijd: daar wijken de huzaren, daar rennen zij terug in wilde vlucht. Te vergeefs dat prins Louis Ferdinand met luide woorden, met smeeken en bidden hen ten laatste tracht tegen te houden, zij vluchten voor de Fransche kurassiers!
De prins vlucht niet met hen: woede en toorn, doodsverachting en doodslust is in zijn hart, hij weet dat geen redding mogelijk is en hij wil ook niet gered zijn!
âDe slag is verloren, de dag is verloren, de roem is verloren en zoo moge ook het leven verloren zijn! Maar levend zullen zij mij niet hebben; hun gevangene wil ik niet zijn !quot; Dit denkt hij, dit roept hij luid, toen zij nu dicht op hem aandrongen, toen hij reeds in 't gedrag der vijanden geraakt was. â âNeen, als gevangene zullen zij mij niet wegvoeren!quot;
Nu wendt hij zijn paard, nu drukt hij het de knieën in de zijden en heft het hoog bij den teugel op, om over de haag te springen, voor welke hij staat. Het paard
277
springt en blijft niet de achterpooten in de haag steken. En daar rent juist een Fransch wachtmeester aan, ijlt op hem toe en eischt liem op, zich over geven. De prins wendt zich naar hem, met toornig gelaat en vlammende oogen.
âOvergeven?quot; roept hij, heft den sabel en houwt op hem in.
In 't zelfde oogenblik zinkt hij, tweemaal door den vijand doorstoken ineen. Maar het paard had zich vrij gemaakt, en rende nog eenige schreden met hern voort. Nostitz en kapitein vou Pritzelwitz ijlden toe, tilden hem van het paard, â hem, den stervende â droegen hem naar de groene grasvlakte en lieten hem neder aan den rand van de beek, die kabbelend daarheen vloeit. Zijne wonden bloeden, maar zijn gelaat is kalm en helder; hij opent de oogen en ziet ten hemel, en een glimlach glijdt over de trekken van de stervende. De officieren buigen weenend en troosteloos over hem heen en vroolijk kabbelt het heldere water van 't beekje nevens hen naar het bosch!
VIII.
DE FRANSGHEN TE WEIMAR.
Thans brandde de oorlogsfakkel door geheel Duitschland; zelfs het vreedzame, stille Weimar is er door aangetast. De stijd der geleerden en poëten, de Hofintriges, alles heeft opgehouden, â alles is opgegaan in deze éénegroote vraag: âHoe zal de oorlog eindigen en wat zal er gebeuren als Napoleon Pruisen overwint, zooals hij Oostenrijk heeft overwonnen ?quot;
De hertog heeft zich door Frankrijks toelluisteringen en beloften niet laten verleiden; hij is trouw gebleven aan Pruisen, trouw aan het Duitsche vaderland; hij heeft zijn hand niet geleend tot het Rijnverbond der Vorsten! Toen Pruisen de oorlogsvaan ophief heeft hij het de hand geboden, heeft een Pruisisch commando op zich genomen in het Pruisische leger!
Als Pruisen overwint, zal het hem toegerekend worden, zal Pruisen hem, den trouwen bondgenoot, beloonenlAls
278
Frankrijk overwint, quot;dan is het in Napoleons oog een misdaad en hij zal het wreken op den Duitschen Vorst, dat hij zich trouw aan den Duitschen Koning heeft gehouden! Ongerust en angstig waren aller harten en men luisterde met ontzetting naar elke oorlogstijding; zocht elk soldaat op, die te Weimar uit het leger kwam, en hoorde hem uit.
Maar op den veertienden October te zeven uur des morgens had men geen tijd meer tot vragen; nu hoorde men duidelijk den donder der kanonnen en nu wist men dat de legers elkander eindelijk bij Jena ontmoet hadden en de slag begonnen was.
âHoe zal het einde van den strijd zijn? Wie zal de overwinning behalen?quot; Dat vragen zich alle harten.
Dit vroeg zich ook Goethe, toen hij stil in zijn tuin op en neder ging en luisterde naar den donder der kanonnen, die door de lucht dreunde. Tegen den middag echter werd het stil, de slag scheen geëindigd: en God geve dat Pruisen, dat hertog Karei August gezegevierd heeft!
Nu kon Goethe Christina's roep volgen; het middageten was opgedragen en men zette zich stilzwijgend aan het middagmaal. Eensklaps donderden de kanonnen luider.
De slag is nog niet ten einde, de overwinning nog niet beslist.
Goethe stond nu van tafel op. Wie kan eten in de ure van gevaar en opgewondenheid? In de vrije Natuur, in de stilte van zijn tuin wilde hij die opwindende, angstige uren doorbrengen! Zoo ging hij dan weder naar beneden in zijn tuin; ging langzaam, met de handen op den rug gevouwen, op en neder door de smalle paden, die reeds met het geel loof bedekt waren, dat de herfstwind van de boomen had gewaaid.
Plotseling klonk een vreeselijke losbranding en sissend vliegt een kanonskogel vlak over Goethe 's hoofd. Riemer, zijn secretaris, snelt den tuin binnen en bericht dat de Franschen op de hoogten bij Weiraar kanonnen hebben geplant en dat de Pruisen op de vlucht geslagen zijn! En terwijl hij nog sprak blinken plotseling achter den tuin de bajonetten van vluchtende Pruisische soldaten.
O jammer en smart! Zoo is Pruisen overwonnen, â en mét Pruisen ook Karei August van Weimar! Nood en ongeluk zal nu over ons komen en misschien zal nu
279
Napoleon, de trotscho overwinnaar, zeggen, gelijk hij reeds dikwerf heeft gezegd; het Huis van Saksen heeft opgehouden te regeeren !quot;
Goethe keert nu terug in zijn woning en ziet uit zijn kamer op het plein, dat geheel verlaten en stil is. Niemand is te zien, alles heeft zich geborgen en verscholen uit vrees en schrik voor de Franschen. Somwijlen sloeg een kanonskogel lluitend in een der huizen, zoodat het metselwerk krakend en dreunend instorte Dan hoorde men uit het binnenste der huizen een gillenden kreet en dan was alles weder stil.
Maar nu kwamen plotseling op straat Fransche soldaten, â huzaren, aanrennen. Op het plein hielden zij halt en zagen rondom zich. Spoedig volgden hen meerderen en op Goethe's huis rende een jonge huzarenofficier toe, die met luide stem aankondigde :
âDit huis is bestemd voor het hoofdkwartier van den maarschalk Angereau en dus voor plunderingte beschermen!quot;
Vervolgens sprong hij van zijn paard en ging het huis binnen. Christina trad hem tegemoet en vroeg naar zijn begeerte.
âIk wil Goethe spreken, den grooten Goethe; ik wil hem groeten van mijne moeder.quot;
Goethe, die boven op de trap stond, had den roep gehoord en kwam nu naar beneden.
âGij brengt mij den groet van uwe moeder, jonkman?quot;
Nu snelde de jonge fransche huzarenofficier op hem toe.
âJa, den quot;groet van mijne moeder! Mijn naam is von Türkheim; en mijne moeder, mijnheer von Goethe, was eens uw bruid; was Lilli, diequot; gij eens bemind hebt!quot;
Een glimlach vloog over Goethe's gelaat bij deze herinnering zijner jeugd en hij begroette den jongen man met hartelijke woorden, met een innigen handdruk, en voerde hem vervolgens zelf naar het slot, tot de hertogin.
Toen hij weder terugkwam, was het levendig in zijn huis; huzaren waren er binnengedrongen, hadden er kwartier genomen, verklarende dat zij tot het gevolg van den maarschalk Augereau behoorden en hier wachten wilden. Maar de maarschalk kwam niet; in zijn plaats verschenen midden in den nacht eenige fransche tirailleurs, die zich met geweld toegang verschaften en wijn en voedsel begeerden. Toen zij gegeten en gedronken hadden, riepen zij met luide stem
280
om den heer des huizes. Men had hun gezegd, dat hier een beroemd Duitsch man woonde en zij wilden hem leeren kennen, zij wilden hem zien.
Christina echter trad hen dan moedig en koen tegemoet en weigerde hun begeerte,
âMaar wij willen hem zien !'' riepen zij woedend en opwonden door den wijn; âhij moet komen !quot;
Met hunne sabels sloegen zij op de tafel, zoodat de glazen rinkelend opsprongen en braken. Maar Goethe had reeds het gerucht gehoord en zich schielijk gekleed en terwijl zij tierden en vloekten, opende hij de deur entrad binnen.
Plotseling werd het stil. De hooge, trotsche gestalte van Goethe, met het gebiedend aangezicht en de vlammende oogen verwekte zelfs ontzag bij de dronken fransche soldaten en onwillekeurig bogen zij de hoofden.
Toen Goethe langzaam en rustig naar hun begeerte vroeg, zwegen zij en wisten niets te zeggen ; stamelden verontschuldigen over hun onbeleefd gedrag en zeiden, dat zij zich verheugden den grooten man te zien, van wiens roem men hen gesproken had ; en zoo hij hun een ware gunst wilde bewijzen, moest hij met hen klinken en een glas wijn met hen ledigen!
Goethe nam glimlachend het glas wijn, klonk met de fransche tirailleurs, en zijn gemeenzame, vriendelijke handelwijze vleide hen evenzeer als het hen ontzag inboezemde. Zij verlangden niet meer dat hij larger zou blijven; baden hem om verontschuldiging, dat zij hem gestoord hadden en lieten hem naar zijn slaapkamer terugkeeren.
Maar toen hij nu heen was gegaan en zich ter ruste begeven had, â toen de tooverkracht van zijn wezen van hen geweken was, dronken en vloekten zij opnieuw en begeerden een bed en toen Christina het weigerde, strom â peldefn twee de trap op en drongen zelfs Goethe's slaapkamer binnen.
Hij stond op van zijn bed en trad hen tegemoet en toen zij zich nu in zijne plaats op zijn bed wilden leggen, greep hij hen met forschen arm en wierp hen terug. Zij brulden van woede, wierpen zich op hem en trokken hunne sabels. Maar nu vloog Christina binnen en als een leeuwin greep zij hèm, die het waagde haren Goethe te dreigen en wierp hem builen de deur. Haar heldhaftig gedrag verschrikte
281
den anderen soldaat zóódanig dat hij zijn kameraad, ijlings vluchtende, volgde; nu ijlde zij hem na en wel wetende dat Goethe hen volgen zou, wierp zij de deur dicht, sloot die, vloog de straat op en haalde hulp, haalde den heer von Türkheim van het slot, om de orde en rust voor haren Goethe te herstellen.
Toen deze nacht van verschrikking voorbij was, kwam er een nog vreeselijker dag. Vluchtende Pruisische soldaten joegen en renden door de straten van Weimar. Woest gebrul en smartkreten klonken overal.
Een dubbele slag is verloren! De Pruisen zijn bij Jena en Auerstadt geslagen, vreeselijk geslagen door de Fran-schen en de Keizer der Franschen rukt tegen Weimar op ! De hertog is verloren! Onze geliefde hertog! Napoleon's toorn heeft zich onverbiddelijk tegen hem gewend, â tegen hem, die al zijn aanbiedingen versmaadde en zich bij Pruisen hield!
Spoedig volgden op de vluchtende Pruisische soldaten de woedende overwinnaars: de Franschen. Zij drongen alle huizen binnen, want de wraak des overwinnaars had hun Weimar ter plundering overgegeven! Schrik en ontzetting, hoongelach en jammerkreten in alle straten en huizen Hier en ginds uit de huizen schieten de vlammen op: overal jammer, ontzetting en nood! Overal, â slechts niet op het slot van hertogin Louize.
Zij weet het nu, dat alles verloren is; zij weet het, dat Napoleon's toorn haar gemaal verpletteren zal en dat hij in zijn overwinnaars overmoed geen grootmoedigheid of ontferming kent. Terwijl allen om haar heen weenen en allen om haar heen klagen en beven, blijft hertogin Louize rustig, beraden en fier. Men berichtie haar, dat Napoleon juist Weimar is binnengetreden; dat hij, woelig omgeven van zijn dronken soldaten, als overwinnaar het slot van Weimar nadert.
âRed u, vlucht!quot; jammeren hare Hofdames.
Maar Louize schudde het hoofd. â âIk verberg mij niet, ik blijf; ik ben Weimar's hertogin!quot;
En zacht in haar hart fluisterde het ook: âIk ben Goethe's vriendin, ik blijf!quot;
Nu klinkt gedruisch beneden voor de deur van liet slot, â paardengetrappel, hoerakreten. Napoleon treedt het slot van
282
den hertog van Weimar, den overwonneling, binnen en gaat de trap op, en boven, hoog opgericht, alléén en rustig, staat de hertogin, Louize van quot;Weimar.
Op de bovenste trede bleef Napoleon staan en zonder haar te groeten, ziet hij met zijn groote tartende oogen rond in het portaal. â âWaar is de hertog van Weimar ?quot; vroeg hij haastig en kort.
Hertogin Louize boog diep. ââSire, mijn gemaal is daar waar zijn plicht hem riep; bij zijn legerkorps.quot;
âDat heet, bij mijne vijanden!quot; riep de Keizer hettig: âBij den Koning van Pruisen, die, zooals ge weet, mevrouw, in twee veldslagen overwonnen is!quot;
De hertogin boog andermaal. âSire, ik beveel u mijne onderdanen aan!quot;
Hij zag haar aan met een langen blik, die over haar geheele gestalte vloog. â âGe ziet nu, mevrouw, wat de oorlog te zeggen heeft!quot;
Hij ging haar voorbij en trad de vertrekken binnen waarheen zijn begeleider en adjudant Rapp hem voerde. Maar toen de deur zich achter hem sloot, wendde hü zich tot Rapp.
âDat is een vrouw, die verdiende een man te zijn!quot; zeide bij; âWaarlijk, zij stond daar als een heldin en onze twee honderd kanonnen hebben haar geen vrees aangejaagd.quot;
En aan hare houding, aan haar edel, fier wezen had Louize, â de hertogin van Weimar, Goethe's vriendin â het te danken, dat Napoleon haar land verschoonde. De plunderingen werden gestaakt en strenge tucht den soldaten aanbevolen. Maar toen Louize ook voor haar gemaal bad, zweeg Napoleon en keerde haar den rug toe. Den volgenden dag verliet hij Weimar, â het woeste, vertrapte, treurige Weimar. Thans, nu Louize niet meer noodig had den overwinnaar haar fier en rustig gelaat te toonen,â nu was zij weder de vrouw, de teedere, angstige vrouw, die beefde voor den vader barer kinderen, die weende om Duitschland's schande, om de ellende van haar klein vaderland.
Angst, vrees en schrik voor de toekomst sprak uit alle gezichten te Weimar, en zacht en haastig vroeg de een den ander: âWat zal van onzen hertog werden? Zal Napoleon 'them niet vergeven? Zal hij 't doemvonnis over hem uitspreken, zooals hij het nu juist over den hertog
283
van Brunswijk deed? Napoleon heeft gezegd: âHet Huis van Brunswijk heeft opgehouden te bestaan!quot; En zal hij ook niet zoo tot onzen hertog zeggen? Zal het Huis Weimar óók moeten ophouden te bestaan?quot; Angstig en bang in hun bloohartigheid en moedeloosheid gingen zij tot Goethe en vroegen ook hèm : .,Zal ons Huis Weimar ook niet ophouden te bestaan? Zal onze hertog niet verdreven worden?quot;
âAch, waarom heeft hij zich niet laten waarschuwen door het schrikkelijk voorbeeld van anderen? Waarom heeft hij zich niet onzijdig, â en ver van alle krijgstoerusting gehouden! Wij waren zoo gelukkig in ons klein Weimar en nu zullen wij even zoo ongelukkig zijn! Waarom heeft de hertog zich niet onthouden deel aan den oorlog te nemen?quot;
En toen zij dat zeiden stond Goethe, â die in deze dagen gebogen, stil en peinzend was geworden â van zijn armstoel aan het venster op en trad te midden der ontmoedigden en verslagenen. Groot en fier, met vlammend gelaat, als een toornige leeuw, zoo stond hij daar in het midden der bloodaards en riep met donderende stem:
âSchaamt u, gij allen, dat ge zoo spreken kunt! Ik zeg u, de hertog moest handelen zooals hij gehandeld heeft! En hij zou zeer verkeerd doen, zoo hij ooit anders handelde! Ja, al moest hij ook land en volk, kroon en scepter verliezen, gelijk zijn voorvader, de ongelukkige Johann, zoo zal en mag hij tóch geen haarbreed afwijken van zijne edele denkwijze en van'tgeen vorstenplicht hem gebiedt. Ongeluk! â Wat is ongeluk? 'fis ongeluk, als de Vorst zich iets dergelijks door vreemden in zijn eigen buis moet laten welgevallen, zoals wij thans hebben moeten dulden. En zoo het ook den hertog Karei August gaan mocht, als het vroeger met hertog Johann was; dat zijn val en ongeluk zeker ware, moet ons dit tóch niet doen wankelen, maar met een staf in onze hand willen wij, â even als Lucas Kranach zijn heer, â den onzen in de ellende vergezellen, en trouw volharden aan zijne zijde. De kinderen en de vrouwen zullen, â als zij ons in de dorpen ontmoeten â weenend de oogen opslaan en tot elkander zeggen: Dat is de oude Goethe en de voormalige hertog van Weimar, dien de Fransche Keizer heeft onttroond, wijl hij zijn vrienden zoo trouw in het ongeluk was. Dat is--quot;
Goethe zweeg een oogenblik, want de tranen vloeiden uit
284
zijne oogen en het lang verkropte weenen, âwaarover ook een man in de gewichtige uren des levens'zich niet te schamen heeft â benam hem een oogenblik de spraak. Weenend en beschaamd tot in het binnenste des harten stonden de moedeloozen, de versaagden om hem heen ; diep bogen de hoofden voor hém, wiens stem donderend en toornig boven hen klonk. Met een haastige beweging drukte hij daarop zijne oogen dicht en trachtte zich te herstellen, en voer met zachte, klagende stem, die zich echter al meer en meer verhief en steeds duidelij kei en vaster werd, voort te spreken:
âIk wil voortaan voor mijn brood zingen; ik wil een liedjeszanger worden en ons ongeluk in liederen brengen! Ik wil naar alle dorpen en scholen trekken, waar de naam van Goethe slechts bekend is! De schande der Duitschers wil ik zingen en de kinderen zullen het lied van buiten leeren, tot zij mannen worden en dan mijn beer weder op den troon en den anderen van den troon a/zingen.quot; ^
Toen de toornige leeuw zóó gesproken had en den donder zijns toorns had laten klinken over de bloohartigen en moedeloozen, wendde hij zich fier om en ging in zijn kamer.
Daar liep hij nog uren lang heen en weder en stil was 't in zijn huis, want de klagenden waren weggeloopen. â Christina was alleen in haar kamer, toen de deur zich opende en Goethe verscheen.
âChristina,quot; zeide hij feeder en zacht: âChristina ik heb u nog niet gedankt voor uw moed, voor uw trouw en beradenheid, welke ge mij bewezen hebt in al deze dagen van schrik, nood en plundering! Ik wil er u nu voor danken; ik wil u toonen, dat ik niet vergeten heb hoe ge in goede en in slechte dagen u trouw aan mij gehouden hebt! Kom met mij en ontvang mijn dank!quot;
Zij zag schuchter en treurig tot hem op. â âGe hebt mij niets te danken, Goethe; ik heb in deze dagen slechts mijn plicht gedaan en ik weet wel dat ik dien in vele andere dingen niet gedaan heb.quot;
âWij willen nu metmé?telkanderrekenen,Christina,quot;ze.ide hij kalm en vast: âhet leven heeft u destijds, toen ik u in
1) Goethe's eigen woorden. Zie: Lewes, Goethe's Leben unci Schriften' II.
285
dit huis voerde, velerlei beloofd, dat het niet gehouden heeft en wij willen nu niet onderzoeken of 't mij even zoo gegaan is als u. Wat gebeurd is, kunnen wij niet veranderen ; wij willen slechts trachten het weder een weinig goed te maken. Geef mij uw hand, Christina er verwacht ons iemand in mijn kamer en 't is gelijk ik u zeide: ge zult mijn dank ontvangen voor uw trouw en gehechtheid!quot;
âHoe vreemd en plechtig zijt ge heden,,Goethe,quot; zeide zij angstig, hem haar hand reikende : âwat wilt ge doen V
Hij wendde langzaam het hoofd tot haar. â â't Geen ik in deze slapelooze nachten, in deze tijden van verwarring en nood erkend heb als mijn plicht jegens u en jegens onzen zoon. Kom, Christina!quot;
Aan zijn hand voerde hij Christina in de groote huiskamer. Daar stond in 't midden der kamer een tafel met een wit laken bedekt, waarop een Bijbel lag.
Voor de tatel stond in plechtig ambtsgewaad een geestelijke, een vriend des huizes, â en verder in de kamer stond de secretaris Riemer en naast hem Goethe's zoon, de jonge, nauwelijks zestienjarige August.
âO hemel, mijnheer! wat wilt ge doen?quot; stamelde Christina zich bevend vaster aan Goethe's arm klemmende.
Maar hij fluisterde zacht: âStil, volg mij!quot;
Zoo trad hij met haar naar de tafel en wenkte zijn zoon aan zijn zijde. Vervolgens boog hij het hootd voor den geestelijke en deze nam den Bijbel open de trouwplechtigheid begon. Rustig en vast, met opgeheven hoofd hoorde Goethe toe ; in tranen versmeltend, het hoofd gebogen als door schaamte en ootmoed, luisterde Christina naar de heilige woorden, als zoude zij verzinken in de aarde; en tóch was het haar weder, als zou zij opstijgen van verrukking, opstijgen ten hemel! Toen nu de plechtigheid ten einde was, toen de geestelijke de handen van Christina en van Goethe in elkander gelegd, â en de ringen gewisseld had; toen zij het verbindende âjaquot; van trouw uitgesproken hadden en de geestelijke hen nu plechtig tot man en vrouw verklaard had, â toen hogen Goethe en Christina zich dicht tot elkander en zacht (luisterden beiden hetzelfde woord, dat uit de diepte hunner harten kwam; beiden zeiden, de een tot den ander gebogen ; âVergeef mij !quot;
De geestelijke en Riemer hadden zich stil naar buiten be-
286
geven en ook August was hen gevolgd. Daar stonden nu beiden in de groote stille kamer, Christina snikkend, het hoofd aan Goethe's schouder geleund, Goethe hoog opgericht, den blik ten hemel gewend, zwijgend het gelaat verheerlijkt als zag hij daarboven de geesten der herinnering, die met lichten wiekslag voorbij zijn ziel trokken. Hoe schoon was zij geweest, toen hij Christina eertijds zijn huis binnenvoerde in den gloed der liefde. Vijftien jaren zijn sedert verstreken; nu zijn de harten koud, het viooltje is uitgebloeid, de droom is verdwenen en slechts aan de koele werkelijkheid heeft Goethe als man van eer het offer van zijn plicht gebracht.
Vaartwel, droomen der jeugd; vaartwel, verrukking van het verleden! Vaartwel! Goethe doet in dit uur afstand van u allen ! Goethe is berustend en beraden als mensch! De droomen zijn verdwenen, de bloemen zijn verwelkt, het leven is arm geworden en zonder tooi!
Maar het heeft ook zijneherinneringen, het heeft zijn arbeid en moeite en ook zijn loon in het bewustzijn van het groote dat hij gedaan, â en misschien nóg te volbrengen heeft!
âIk groet u. Schiller, vriend mijns harten, ik groet u! En zoo ge in dit oogenblik op mij neder kunt zien, dan weet ik, Schiller, dat ge over mij tevreden zijt!quot;---
Verloren, alles verloren! Pruisen ligt vernederd in het stof. Duizenden bedekken met hun bloedige lichamen het slagveld ! Jammergeschrei en doodsgekerm klinkt op de slagvelden van Jena en Auerstadt. De Koning en de Koningin zijn op de vlucht en slechts met moete is 't hun gelukt zich te redden. Fransche jagers vervolgden het rijtuig deo Koningin, hadden het schier bereikt en slechts een gelukkig toeval heeft haar gered.
Met moeite heeft de Koning zich met den degen in de hand, door de vijanden die hem omringden heengeslagen! Vol hoop is men gekomen, vol hoop op het leger van Fre-derik den Groote. En met droefheid in 't hart, door jammer ter neer geslagen vlucht de Koning naar huis.
Koning Friedrich Wilhelm klaagt niet. Hij heeft dit alles reeds vooruit gezien, heeft het reeds geweten en hij weet nu, dat hij gelijk had te dralen. Maar hij onderwerpt zich aan zijn lot.
Ook de Koningin is op de vlucht voor Fransche huzaren
287
op de vlucht naai' Koningsberg, waar zij raet haar gemaal wil samenkomen. Ook zij klaagt niet. In een schamele boerenhut midden in het bosch, waar zij rust wil houden, ziet zij nadenkend voor zich; ziet door het venster in het bosch en met haar juweelen ring schrijft zij op het vensterglas Goethe's woorden;
Wie nooit zijn brood met tranen at,
Wie nooit in kommervolle nachten Verlaten op zijn leger zat,
Die kent u niet, u Hemelmachten!
Ja, kommervolle nachten waren het voor allen! De kommervolste echter voor den generalissimus van het Pruisische leger, voor den hertog van Brunswijk. Zijne oogen zijn hem uitgeschoten. Slechts met moeite heeft men hem van het slagveld weggedragen en zijn zoon met eenige getrouwen, hebben hem voorzichtig en langzaam naar Hamburg gebracht en vervolgens naar Ottensen De hertog heeft niet geklaagd. Op Deenschen bodem willen zij den door Napoleon vervolgden veldheer der Pruisische armee redden. Maar hij in zijn geest, â hij, de grijze, tachtigjarige hertog, heeft het anders besloten! Tot God wil hij zich wenden; in den hemel wil hij opstijgen, of onder de aarde wil hij zich verbergen met zijne smarten en foltering. âWelk een schande en welk een smaad!quot; Dit zijn de éénige woorden, die de generalissimus gesproken heeft in deze dagen.
Geen voedsel heeft hij genomen. Hij lag daar met zijn bloedige oogholten, kermende slechts over de schande welke hij beleefd had. Niets etende en niets gebruikende, terende slechts op de folteringen van zijn ziel. Het is tevergeefs dat zijn zoon, dat de artsen hem bezweren, iets te gebruiken en het zwakke lichaam te sterken door voedsel; hij heeft alles geweigerd. Hij wil sterven, â van den honger sterven, nadat hij geteerd had van het bloed der smarten en dei-tranen. Eindelijk schijnt hij aan het smeeken van zijn zoon en zijne getrouwen toe te geven en iets te willen nemen tot versterking. Het gelukte hun den laatsten weerstand van den hertog te overwinnen. Hij opent den mond en men legt er hem een oester in. Doch nauwelijks voelt hij die op de tong, of hij heft het bleeke hoofd met de bloedige
288
oogholten op, spuwt de oester weder uit en roept met een snijdenden smartkreet:
âGij geeft mij mijne oogen te eten, ik wil mijn oogen niet eten!'
Door ontzetting aangegrepen, bleek en huiverend staan zij om dezen vertwijfelenden grijsaard, die ten minste sterven wilde als een held, wijl hij niet meer leven kon als een held! Daar ligt hij nu op zijn baar, de blinde generalissimus der verslagene Pruisische armee, in smarten en foltering, en de oogen zijns geestes zien in de toekomst, zien de jaren van schande, van nood, van rampspoed. Somwijlen vliegen deze beelden als een wolk over zijn gelaat en hij kermt zacht over al deze schande en vernedering.
Ziet hij misschien in den geest de volgende jaren van rampspoed en ellende? Ziet hij met het oog des zieners,â dat de dood hem verleent â in de toekomst? Ziet hij Pruisen in zijn vernedering, in zijn ellende ? Ziet hij het Pruisische Koningspaar in ballingschap in armoede en nood leven te Koningsbergen en Memel? Ziet liij, hoe bij Tilsitt nog eens op 't vereenigde Rusland en Pruisen een overwinning door Napoleon behaald wordt, een beslissende overwinning? Ja, hij ziet het, hij ziet het wel! Want de blik van den stervende ziet in de toekomst. En zelfs stervende wordt het hart van den verslagen blinden hertog nog aangegrepen door vertwijfeling en afgrijzen over hetgeen hij ziet in de toekomst van Pruisen: smart en ellende! Hij ziet hoe de schoonste, edelste en reinste Koningin van Pruisen buigen moet voor den triomfeerenden overwinnaar; hoort, hoe zij afgewezen wordt met harde woorden, als zij smeekt voor hare kinderen, voor haar land, om een brokje van des overwinnaars buit!
Hij ziet het, de blinde hertog, de stervende generalissimus; hij ziet het en kermt en klaagt! Doch plotseling vliegt als een zonnestraal over zijn aangezicht en 't is alsof de bloedige oogholten eensklaps weder leven verkregen hebben, en 'tis alsof hij spreken wilde. De zienersblik van den stervende ziet verder in de toekomst! Nu ziet hij, na de dagen van vernedering, de dagen van vergelding en wraak. Hij ziet hoe Duitschland, dat lang
1) Zie; Hornniayr, Anemonen, II.
280
in het stof lag voor den overwinnaar, zich opricht; ziet, hoe het volk van Pruisen naar het zwaard grijpt en met zijn Koning aan de spits uittrekt ten heiligen oorlog, voor Pruisens, voor Duitscldands eer! Hij ziet, do stervende held, hoe op de dagen van schande en ellende, de dagen van zegepraal en roem volgen! Hij ziet het! âEen glans van licht vliegt over het aangezicht van den stervenden generalissimus en de ontbonden ziel stijgt blijde omhoog, want hij heeft het gevonden en erkend het groote woord der toekomst ; Duitschlands verheffing!
Ja, zij zal komen en zij komt, Duitschlands verheffing! Voor Duitschlands eer, voor Duitschlands recht en vrijheid verheft zich in de groote jaren der bevrijding het Duitsche vok en de slagvelden van Austerlitz en Jena worden aan Frankrijk, aan Napoleon gewroken op de slagvelden van Leipzig en van quot;Waterloo!
Frankrijk heeft zoolang zijn zwaard tegen Duitschland gewend! In de jaren 1813, 1814, 1815, â in de jaren der geestvervoering heft Duitschland zijn zwaardtegenFrankrijk op en werpt den overmoedigen overwinnaar aan zijne voeten in het stof!
Nu zijn er geen Pruisen, geen Saksers, geen Beieren, geen Oostenrijkers, geen Wnrtembergers en Badeners. Nu is het Duitsche volk âeen éénig volk van broeders,quot; en neemt gerechte wraak op het overmoedige Frankrijk!
En zoo zal het altoos zijn, zoo zal het altoos blijven, zoo zal de gerechtigheid eeuwig zegevieren, als een volk vereenigd en sterk is, als het is: âeen eenüj volk van broeders.quot;
/
INHOUD.
DERDE BOEK.
(Vervol'j.)
J^adc
Hoofdst III. Een ongenoodigde gast.......5
VI. Mephistopheles en Greetje. . « . . . . IB
v. Einde en begin eener eeuw......19
VI. Intrigenspel . ..........28
â VIL Men zegt............36
â VIII. Te Parez............^4
â IX. De bode uit Frankrijk........50
v X. De Gravin von Stein........58
â XI. Wat is liefde?..........''l
VIERDE BOEK.
STRIJD OM VREDE.
Hoofdst. I. Armida's betoovering........^
â II. Het oproer . . '........93
III. De Bode.............105
â IV. Het Italiaansche bericht.......115
n V. Een hart voor een koningskroon. . . . 126
â VI. Een schrikbarende tijding......134
â VII. Eens Dichters triomf........143
â VUL Berlijn of Weimar ........155
â IX. De terugkomst..........162
,, X. Het gezicht door het dakvenster . . . .171
202
^ urstpi.
VIJFDE ROEK. HET JAAR 1806
Hoofdst. I. De keizerskroon.......⢠. . 18®
â II. Haugwitz' ontslag.........195-
â III. De laatste nieuwjaardag......202
â IV. Nieuwe liefde, nieuw leven......215
â V. Het treurspel van Daitsche schande . . 227
â VI. De Slag van Austerlitz.......234
â VII. De oorlog is er ,......264
, VIII. De Pranschen te Weimar......277