|
. '⢠''s |
:v 'vv'- |
f |
' 1 | ||||||||
|
V . ' ' ⢠|
1 ^Vlt;-:. |
W |
^ V |
v.-' â 'â A |
U A;:}\ -Aw â i; |
â h: |
m | ||||
|
-â ,/ gt; |
.v:'V 'f'V â ⢠^ |
' | |||||||||
|
:' â v: |
-V . . |
?' |
' ;V^- |
v-, :VV â¢â¢'} |
tCf.'v ... V ; |
â¢. v-';; |
j | ||||
|
^ â _ ' ' ' â ' â |
quot; 'M 'â⢠|
i |
'ie'/quot; , , |
\ |
ï ⢠| ||||||
|
\ |
â ['u |
s |
â â . ' '⢠Aquot; 'J.lt;i |
,C'' :x |
V;; iquot;: |
/v V-.; â ⢠^ â | |||||
|
â |
â â â y' |
-H - | |||||||||
|
ISquot;â |
mM |
V ' |
A - - 'S ⢠quot;i |
'' |
â ij- 'v |
\ |
; .gt; |
j', 1' - f | |||
|
. |
â i r. . j.f i |
ii-/.. \x' |
1 |
Ãl |
:h-' | ||||||
|
â |
. â 'V lt;⢠â¢- |
1 |
â¢f ⢠A | ||||||||
|
â 1 |
; ^}'K |
rquot; â¢â¢â¢â¢ 7.. . |
f'-Y |
ij. | |||||||
|
. ⢠... |
:%â |
v y-. |
'éé'$. |
r. .⢠|
⢠| ||||||
|
' |
gt; ⢠V Tr ' â : |
) |
? ' |
â | |||||||
|
â \ v. '. K*: \ |
, V | ||||||||||
|
⢠V V ' |
iA â¢' . i- |
'f' r â â â |
'⢠i | ||||||||
|
. â â¢l' ::V-\ . |
'i ' |
â \ ' |
gt; |
h/, f V' |
gt; |
-is,-;quot; |
â 'i * 'V | ||||
|
⢠|
gt; -N. |
l'W'v-. |
V. .â |
â !.' Æ -S^, ' ' â ' | |||||||
|
'â 1 â ,' V |
â y^v-ïc-- |
i-ip |
⢠|
â â |
v?. |
gt;; .I- vj', |
â .V | ||||
|
â¢' ) . |
:0-4:di'ï .VN â â . lt; . .V |
'[â t |
j'v UK |
M; |
V 'quot; - |
' - |
â ' . , â 7', r-4; 1 â |
( | |||
|
â .. |
' r' |
;' /, |
\ |
;:;l |
'f'. â â â 1 |
â lt; | |||||
|
'quot;*f quot; ; ' l- |
â M-r |
C' gt;'â ' |
\ |
lt; ⢠|
'' ::! | ||||||
|
^ Vv'. |
â ^ - |
fquot; | |||||||||
|
. |
''rM* |
t ' |
/ |
⢠/ v. |
. | ||||||
|
V,- ⢠â ' , , |
â¢f \ J' } ; ( : |
't'. |
v.V'ri.'y |
'3;vVquot;': |
-. iv 1 (% |
â¢/' |
/ ( |
gt;; x m.' |
/ | ||
|
v *\ |
v'V; |
' Ãl : è ' . |
V.. 1 | ||||||||
|
:v. ⢠|
â \ |
quot;â â |
⢠,; ;H |
; â ' |
r-'J'rJ rl |
% | |||||
|
â v |
( , , |
â 'y;. |
\ | ||||||||
|
WM â , â 'yn!; ;)t' |
'â 'v;.') |
â yV- ;. â¢, |
t, |
', ' r c' ' ' â quot; - |
) ,J ' Ãfef- -'?â Æ |
i v\ |
% , .h v |
! ⢠quot; . ⢠:v. | |||
|
Vquot; |
â â l. | ||||||||||
|
* |
r -VV |
IV- ⢠|
«⢠rTTr. |
i® S |
. | ||||||
|
: .V â â |
â |
⢠|
C -. ' -/ 'Æâ¢.*â¢. |
V â |
K1 â¢â¢: . |
j ?' JT: |tó |
't |
â¢t 'v V; | |||
|
s-.'. .â : â â¢l! |
,,; - V * |
M |
*X''- :X * | ||||||||
|
⢠|
; '⢠â - |
I; |
'y quot; / r' |
^ |
â¢â j t |
⢠| |||||
|
. |
â - :-â¢â¢â¢ :â : |
\ â ''o ' |
â , v'w* |
' '^C' |
â : ...^ J.'-' 4- |
â '⢠' : v |
quot;vi.5 | ||||
|
â |
â¢â¢ 1 'i-.â¢â¢â¢:' ⢠|
' quot; ⢠- ' ;'.t |
' l',- 7 | ||||||||
|
Uquot;' --; - : r?v5-;.. |
⢠' ⢠^ 7 (lt;⢠|
!SXv |
M |
V1. â v! |
1, | ||||||
|
- |
rê ' |
t : 'gt; | |||||||||
STIJL,
i TWEEDE CURSUS,
amp;
vM1*!
ï r'.
TBN DIENSTE DÃK
:
-
MIDDELSTE KLASSE TAN H K. OPVOEDINGSGESTICHTEN, i : EN DER SCHOLEN VOOR .GEWOON EN MEER UITGEBREID LAGER ÃNDERWIJS.
ACHTSTE DBUK,
â â
quot;Cmi-
'f-M?
TILBUEG,
Stoomdeükkbbij van het K K. Johoens*Webshuis. 1897.
I
?ïi- Jfa
TAAL Elf STIJL.
TWEEDE CURSUS,
TEN DIENSTE DEB
MIDDELSTE KLASSE VAN R. K. OPVOEDINGSGESTICHTEN EN DER SCHOLEN VOOR GEWOON EN MEER UITGEBREID LAGER ONDERWIJS.
ACHTSTE DBUK.
TILBÃEG,
Stoomdbukkebij van hbt E. K. Jongens-Weebhüis. 189 7.
1
IMPEIMATTJE.
M. F. de Beer, Sup.-Gen. ad hos delegatus.
Datum Tilburgi, 25 Octobris 1896.
Tolgens Art. 25 der wet Tan 28 Jnni 1881 (Staatsblad n» 124) is het eigendom gewaarborgd.
BERICHT VOOR DEN ACHTSTEN DRUK.
Bij het gereedmaken van den nieuwen druk van den 2° Cursus â Taal en Stijlquot; bezielt ons een gevoel van dankbaarheid voor de waardeering , die onze arbeid mocht blijven genieten. Die waardeering sprak zich uit niet alleen door het ruim debiet, zoodat na korten tijd deze herdruk noodzakelijk werd, maar ook door welwillende en gegronde opmerkingen , waarvoor wij dankbaar zijn en van welke wij hij deze bewerking gebruik gemaakt hebben. Wij hopen, dat ons Taalboek hierdoor in bruikbaarheid moge gewonnen hebben en bevelen het werkje wederom in de welwillendheid onzer katholieke medeonderwijzers aan.
Tilburg, October 1896.
TAAL EN STIJL. â«gg»-
Oordeel. â Zin. â Verzwegen onderwerp.
1. Wat denkt gij bij u zeiven , wanneer gij een man ontmoet in soldaten-uniform P Wanneer 's morgens de hemel onbewolkt is? Wanneer uw broertje er bleek uitziet, niet eet en zoo stil is P Wanneer uw vader zijnen hoed opzet en zijnen stok neemt P Wanneer iemand u vijf centen voor eenen appel vraagt P
Gij denkt dan, niet waar: die man is soldaat; â het zal vandaag mooi weer zijn; â mijn broertje is ziek; â vader gaat uil; â die appel is te duur.
Nu hebt gij gedacht; â gij hebt geoordeeld. Zoo dik-wijls men aan een persoon of aan een zaak iets toekent of ontzegt, oordeelt, men.
Om zijne gedachten aan anderen bekend te maken, moet men spreken of schrijven.
Wie geven hunne gedachten door gebaren te kennen P
quot; ⢠Druk een oordeel uit over God, den Hemel, de zon, den hagel , den regen, het ij», den azijn , den honing, de bij, de spin, de mier,- den olifant, den arend, de kolibri, den priester, den koning, den landman. De Ruyter, Vondel, den H. Willihrordus.
VOORBEELD. Qod heeft Hemel en aarde geschapen.
6
3. Eene in woorden nitgedrnkte gedachte noemt men een zin, een volzin of een voorstel.
4. Er zijn minstens twee zaken noodig om een zin te vormen, namelijk datgene, waarvan iets gezegd wordt, of het onderwerp, en dat, wat er van gezegd wordt, of het gezegde.
CS. Het onderwerp wordt in een zin wel eens weggelaten of verzwegen ; b. v. Let op ! Oa heen ! Luister ! Dit heeft vooral plaats in zinnen , die een gebod of een verzoek uitdrukken. Waarom zou men in znlke zinnen het onderwerp weg kunnen laten P
In de ontleding wordt het verzwegen onderwerp er bij gevoegd.
O. Somtijds worden van een zin slechts één of meer woorden uitgedrukt en het overige verzwegen; b. v. Stil! Brand ! Opletten ! Wie daar ?
Wanneer heeft dit vooral plaats P
Vul de?e uitdrukkingen eens tot volkomen zinnen aan.
'7'. In de volgende zinnen is ook iets weggelaten. Wat? Ik ben twaalf jaar. Die man is aan den drank. Mijn oom is naar Brussel. Mijn kiel is van katoen. Ik heb een uur geslapen.
- S. Vul aan, wat in de volgende zinnen weggelaten is.
Eere aan God 1 Welk een man 1 Welkom in ons midden 1 Voor
waarta 1 Niet waar ? Terug 1 Ik dat doen ? Nooit 1 Heter laat dan nooit. Liever sterven 1 Goeden dag ! Eerst leeren , dan spelen. Wat blijdschap overal I Einde goed , alles goed. Eer verloren, alles verloren. De poort maar uit, den weg maar op: de wereld dient bekeken! Na lijden, verblijden. â Niet getalmd ! Den moed uiet verloren 1 Den arbeid aangevat 1
VOORBEELD. iV« lijden komt verblijden.
- O. VRAGEN. 1. Wanneer oordeelt men? 2. Hoe geeft men aan anderen zijne gedachten te kennen? 3. Wat is een zin? 4. Welke zaken moeten in een zin noodzakelijk voorkomen ? 5. Wat wordt in een zin wel eens verzwegen ? 6. Wanneer doet men zulks vooral?
7
Onderwerp en Gezegde. â Bepalingen. â Uitgebreide zin.
lO» De timmerman zaagt. Het goede wordt beloond. Liegen is leelijk. De zes is een cijfer. Ik studeer. Men roept. Allen waren verheugd.
Het onderwerp is gewoonlijk een zelfst. naamw. of een ander woord, als zelfst. naamw. gebruikt, of een roornaamw.
11. Be vogel zingt. De boosdoener wordt gestraft. Ik ben gevallen. â Willem is matroos. Rembrandt teas schilder. Karei V werd keizer in 1519. â De weg is slijkerig. Oom scheen ziekelijk. Gij blijft lichtzinnig.
Men kan van een persoon en van eene zaak zeggen wat ze doen, of wat er mee gebeurt, wat zij zijn en hoe zij zijn. Zegt men van het onderwerp, wat het doet, of wat er mede gedaan wordt, dan is het gezegde een vorm van het werkwoord. Zegt men van het onderwerp, wat het is, dan is het hoofdwoord van het gezegde een zelfst.nw. Wil men nitdrnkken, hoe het onderwerp is , dan zal het hoofdwoord van het gezegde een bijv.nw. zijn.
Welke woordjes hebben wij gebruikt, om het gezegde matroos met Willem, â schilder met Rembrandt, enz. te verbinden P Men noemt ze daarom koppelwoorden. Zijn de werkwoorden worden en zijn ook koppelwoorden in den en 3'k'n der bovenstaande zinnen P
13. Wat is het onderwerp in dezen zin: Jongen, gij moogt gaan.
Wat kon hier wegblijven P .
Jongen noemt men in dezen zin eene aanspreking?.
- 13. Ontleed de volgende zinnen : De honger is een scherp zwaard. De aarde is eene planeet. Karei, let op 1 Wees onze vriend 1 Ga! Jozef werd'onderkoning. Leve de koning 1 Welkom 1 Is zij naaister geweest ? Zal uw neef priester worden ? Moge vader wederkeeren 1 Jongens, dat gaat 1 Rijpt do kers ? Bidden is noodzakelijk. Moeder , weent gij ?
VOORBEELD.
De honger......onderwerp. Karei.......aanspreking.
is een scherp zwaard. . gezegde, gij .... verzwegen onderwerp. scherp , . bepaling van zwaard, let op..........gezegde.
8
14* De arme man werkt. T w e e paarden worden verkocht. Alle menschen zijn sterfelijk. TJw vader komt. Dit kind weent.
In deze zinnen is het ... nader bepaald. Welke soorten van woorden kunnen het onderwerp zooal bepalen P
De koningin van Nederland heet Wilhelmina. An tj et moeder is dood. De haan op den toren draait. De vrouw m et d e mosselen roept. De voerman uit d e st ad is vertrokken. Alexander, koning van Macedonië, was een groot veroveraar.
Geef eens op, waardoor in deze zinnen het onderwerp bepaald wordt.
- ir». Voeg in de volgende zinnen eene bepaling bij hel onderwerp. De schilderij is van Rembrandt. De matroos is. naar Oost-Indië vertrokken. Moeder bemint u. De haan kan niet kraaien. Een mensch kan niet spreken. Floris werd door de verbonden edelen vermoord. Napoleon veroverde vele landen. Karei regeerde over een groot gedeelte van Europa. Op het eiland Sicilië-ligt de Etna. Is tante ziek geworden ? Te Genaa, in Italië, werd Colnmbus geboren. Christus stierf aon het kruis. De pooten zijn buitengewoon lang. Dikwijls knellen schoenen. Hij is ziek. Leerlingen zullen weinig vorderingen maken. Vondel stierf te Amsterdam.
lO. Jan studeert vlijtig. Ik kom morgen. Misschien sterft zij. De visch zwemt in h et water.
In deze zinnen is het .... nader bepaald.
Noem de bepalingen.
De tuinman plukt appelen. Ik heb u gewaarschuwd* Heeft Willem zich gewasschen ?
Appelen, u en zich zijn hier ook bepalingen van het gezegde. Waarom P
Hoe kannen wij ze hier nog anders noemen P
IT. Een zin, waarin het onderwerp of het gezegde , of beide nader bepaald worden, noemt men een uïtge-breiden (*) zin. Eveneens noemt men somtijds zulk een onderwerp of gezegde, uitgebreid onderwerp,â «titgebireid gezegde.
Dit ziet natuurlijk slechts op (Ico omvang, niet op de teteekenis of dem inhoud ran den zin.
9
/ '
- 1® ⢠Voeg in de volgende zinnen eene bepaling bij het gezegde i Hij is beschroomd. De boomen zijn kaal. Ik ben moe. Gij plaagt mij. Een gouden horloge kost. Een dankbaar mensch vergeet ... de weldaden. Vroolijkheid past! Bid! Lieg ...! Veel eten is ... gezond. Moge mijn vader herstellen I De deugdzame slaapt. Bevriest het water? Vele soldaten sneuvelden.
VOORBEELD. Hij is zeer beschroomd.
lO. Vader en moeder gaan wandelen. Het paard loopt en hinnikt. Be boomen dragen bladeren en vruchten,
In de bovenstaande zinnen ziet gij meer dan één onder-derwerp, gezegde of voorwerp. Van elk dezer zinnen zon men er twee knnnen maken; b. v. Vader gaat wandelen. Moeder gaat wandelen»
Doe znlks ook met de beide andere.
â S50» Oefeningen ter ontleding. Vele molenaars leven van den wind. Die roos, zoo schoon en frisch, is het sieraad van het tuintje mijner jongste zuster. Leg dat boek, zoo verscheurd en vuil, behoedzaam op gindsche tafel. Paulus, de groote Apostel, begaf zich van Judea naar Rome, de stad der Cesars. Uwe hooge sprongen zijn uit, heer graaf! Door 'tsteenachtig dal komt de-stroom van 't gebergte. Reeds in Abrahams tijd bloeide Sidon, de-oude hoofdstad der Pheuiciërs, door den handel. Noch mijn broeder, noch mijne zuster wilde het doen. Hij en ik hebben hem. heimelijk gadegeslagen. Zoowel de vader als de moeder bemoeiden zich met de zaak. Ik , ongelukkige, wilde zijnen raad niet opvolgen. M\jn vriend, ik heb u.gewaarschuwd. Stuit in 't begin een kwaden zin. 't Vaarwel en 't afscheid joelt en schatert langs de stranden. Damp noch nevel dekt de stroomen. 't Luid hoezee-verzelt hun uittocht langs de duinen en de ree. Blonde duinen , weest gegroet! Dag in, dag uit moet ik u hetzelfde herhalen. Niet ten onrechte schuwt iedereen zijn gezelschap. Er is veel over gesproken. Eéne zaak heeft hij mij nooit willen vergeven. Doodsbleek keerde hij, na eene afwezigheid van eenige oogen-blikken , in de kamer terug. Aalmoezen geven heeft tot heden nog~ niemand verarmd. Eene menigte vreemdelingen zag men iederen dag aankomen. Uit kaarten schept ze kunstpaleizen vol eedlen zwier». Onder vriendschapsschijn Verloren eer
Schuilt het ergst venijn. Keert nimmer weer.
10
Met zacht geklater
Vloeit in deez* streek Van 't zoetste water Een heldre beek.
Bij het woên der baren Siddert voor gevaren '8 Reeders bange ziel.
â Haalt me een roosje , Serafijnen ,
Uit de dorre zandwoestijnen Van het ondermaansche diep 1quot;
Hier ligt een vroeg geknakte bloem,
Des dorplings lust, der maagden roem , Op 't mullig grafbed neder.
Midden onder 's aardrijks doornen Bloeien er nog uitverkoornen.
VOORBEELD.
Vele molenaars leven van den wind. . . . uitgebreide zin.
Vele molenaars...............uitgebreid onderwerp.
leven.....................gezegde.
vele.....................bep. van molenaars,
van den wind................bep. van leven.
Stuit in *1 begin een kwaden zin.....uitgebr. zin.
gij......................verzwegen onderwerp
stuit.....................gezegde.
in *1 begin.................. bep. van stuit.
een kwaden zin...............uitgebr. voorwerp.
kwaden....................bep. van zin.
- 21 VRAGEN. 1. Wat kan er van een persoon of eene zaak gezegd worden? 2. Wanneer het gezegde een zelfst. of bijv. naamw. is, door welke woorden wordt het dan met het onderwerp verbonden ? 3. Bepaal in den volgenden zin het onderwerp op 5 verschillende wijzen; De knecht rijdt naar huis. 4. Welke verschillende bepalingen kunt gij voegen bij 'tgezegde in den zin; De herder hoedt de schapen ? 5. . Wanneer noemt men een zin â uitgebreid ? 6. Wat is een uitgebreid onderwerp , â een uitge-â hreid gezegde ? Geef van elk een voorbeeld.
11
Letters. â Lettergrepen. â Woorden.
22. Om eene gedachte uit te drakken, bedient men aich van woorden.
S3. Tot het samenstellen van woorden heeft men letters noodig.
24^. De Nederlandsche taal (onze moedertaal, waarom P) telt 26 letters, namelijk: a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, 1, m, n, o, p, q, r, s, t, n, v, w, x, y, z.
Sö. De c, q, x, en y, welke laatste gij wel moet onderscheiden van de ij , komen alleen in vreemde woorden voor; b. v. citroen, Cyprus, Quito, equator, Alexander, Xaverius, Egypte, enz. Ph wordt uitgesproken als f; eh in vreemde woorden dikwijls als b.
- S26. Schrijf eens 5 eigen- of soortnamen, waarin eene q, 5 , waarin eene x , 5 , waarin eene en 5 , waarin eene C (niet c h of s c k) komt.
- J3T''. Vul het ontbrekende aan. Nederland wordt verdeeld in elf prov...... â De Romeinen, ouder Julius ... ar, onderwierpen onze voorouders, omstreeks 50 jaren voor de geboorte van
J.â C......â De aanvoerder der Batavieren, .laudius . ivilis ,
sloot een verbond met den Rom.......veldheer .erealis, op eene
half afgebroken brug van den.....â Nero was een bloeddorstig
tiran; hij was de eerste vervolger der . .ristenen. â Kunt gij den inhoud van . .l.nders en p.ram.den berekenen ? â Nabu. .odonosor, koning van Bab.lon , belegerde de stad T.rus gedurende 13 jaren. . .ilippus II, koning van Spanje , benoemde zijne zuster Marga.... iot landvoogdes der Nederlanden. De opvolger van Alva was Re-. .esens. Zijne zusters heeten .a. .arina, .rollna, Elisabe .. en Fran.is.a, en zijne broeders Rudo. ., . .edorus en Ra. .aël. â De trot.... veldheer Holo.ernes werd door de brave Judi.. verslagen.
De letters worden verdeeld in klinkers en medeklinkers.
£ilgt;. De klinkers of klanken zijn : a, , e , i, o , u, y, en en oe.
De medeklinkers zijn : b , o, d , f, g , li, j , k , 1, m, ii, p, q, r, s, t, v, w, x en se.
12
30gt; Van de klinkers vormt men tweelilaijlien, als : ei of D , ui , au , ou , aai , ooi , oei , een en ieu.
31. De klinkers zijn kort of lang, als: 4a/ â iaa^
â bet,Ien ; â kop â koop â koper â hooper ; tinâtien
â fabrikant; veil â pee/ â vetle ; stak â uur, âure».
Hoe verlengt men dns meestal de klinkers? Welke
klank maakt hierop eene uitzondering F
De lange a en u worden op het einde eener lettergreep nooit verdubbeld.
3^. Een woord, of een gedeelte van een woord, dat met eene enkele opening van den mond uitgesproken kan worden, heet eene letterfjreep. Zoo bestaat het woord landkaart uit twee , achteraan uit drie lettergrepen.
- 33. Verdeel de volgende woorden in lettergrepen. Hoogste,, zomerdag , bergachtig , verzuimenis , schuldig , peilloos , grijsaard â suikerbrood , splinternieuw , kleerborstel, winteravond , afkomstig ,. ziekelijk , ontdooien , verzegelen , aaneengeschakeld , kinderachtig , lomperd, boeteling, veinzaard, zingen.
VOORBEELDEN, leer â aar, hoe â rin, laâchen, mas â ten,, erto â ten , elk â an â der, kie â sehe, naa» â te, bes â te , boek â ske, Kaai âje.
34. Men onderscheidt 10 soorten van woorden, als ; zelfstandige naamwoorden , lidwoorden , bijvoeglijke naamwoorden , telwoorden , voornaamwoorden , werkwoorden , bijwoorden,. voorzetsels, voegwoorden en tusschenicerpsels.
Deze worden ook wel de 10 rededeelen genoemd.
35. Eenige van deze rededeelen kunnen veranderingen ondergaan en heeten daarom veranderlijke, als: boom, booms, b o om en ; â de , d e s, den, der ; â braaf, braver, braven; â leer en, leer, leert,, leerde, geleerd; â ik, mij, mij n ; â ons, ome, onzes ; â vier, vieren.
Andere blijven altijd onveranderd , als : op , ach , maar,. toen , enz. en heeten daarom onveranderlijke.
- 36. VRAGEN. 1. Waarvan bedient men zich, om zijne gedachten uit te drukken ? 2. Hoeveel letters gebruikt men in.
13
-onze moedertaal ? 3. Welke letters komeu slechts in vreemde woorden voor? 4. Hoe kunnen de klinkers zijn? 5. Wanneer mogeu ü en u niet verdubbeld worden ? ö. Noem de 10 rededelen. 7. Welke van deze woordsoorten zijn altijd onveranderlijk ?
--*3*»
Spelling. â Hoofdletters.
Hf. Het is dikwijls moeilijk te weten, wanneer een woord met © of ee, met o of oo, met «si of 4) geschreven moet worden. Hier volgen eenige regels, die a dit gemakkelijker zuilen maken.
3S. De o komt voor :
1'. In open lettergrepen van ongelijkvloeiende werkw. «n in woorden, daarvan afgeleid, als; genen, lezen, schreven, trede, meier.
2'. In het meervoud van znlke woorden , die in 't enkelvoud eene korte © of i hebben , als : benelen, gebeden , smeden.
3e. In de woorden, waarin de « wel eens met ©u of a. verwisseld wordt, als: veel (velen) â veul (in de volkstaal); zeven â zeuoen; tegen â vagen; edel â adel.
30. Met ©© schrijft men :
Het meervoud der woorden, die uitgaan op eel, ees en den uitgang eeren als; kasteelen, Portugeezen , waardeeren.
40. De o treft men aan :
le. In open lettergrepen van ongelijkvl. werkw., als : goten , vlogen , gebogen.
Hiervan zijn uitgezonderd loopen en stooten.
2e. In het meervoud van die woorden , welke in 't en-Ttelvond de korte o hebben, als : /tooen â hof; holen âhol.
3«. In de woorden, waarin de o wel eens met ©u verwisseld wordt, als : molen â meulen ; logen â leugen.
41. Met oo schrijft men de uitgangen genoot en loos, als : landgenoolen , goddelooze.
u
4S. De 4f wordt gevonden :
le. In ongelijkvloeiende werkwoorden , als : lijden , rijden , schrijven.
2e. In woorden , als : boerderij , maatschappij, bakkerij.
3e. In den uitgang lijk, als: vroolijk.
Met ©i schrijft men de uitgangen heid, teit, stein en. lei, als : goedheid, majesteit, IJselstein, allerlei.
43. Vóór de t schrijft men cli in plaats van gf,. als : macht, tocht, recht, vlucht , behalve :
Ie. In de vormen der regelmatige werkwoorden , wier stam op éj: eindigt, als : eindigt, draagt, zorgt.
2e. In de zelfst.nw., die door achtervoeging van te gevormd zijn van woorden op g, als : hoogte , gebergte.
-4=4. In plaats van ngf schrijft men nk vóór de uitgangen lijk en je, als : koning â koninklijk â koninkje ; oorsprong â oorspronkelijk ; ketting â kettinkje.
Men schrijve ook jonkheer , jonkvrouw, koninkrijk , lankmoedig , sprinkhaan.
40. Na een langen klinker of tweeklank mag de » niet verdubbeld worden , als : wijselijk, Pruisen , geeselen. Hetzelfde geldt ook voor de andere medeklinkers, als r toeken, kruipen.
40. Hier volgen nog eenige woorden, waarop gegoed moet letten : kapelaan, bagage, bosschage, honing en honig, samen, te zamen, samenstellen , verzamelen , eenigszins , nieuwsgierig, koffie, kruit (om te schieten), metgezel, Kerstmis , lichaam , kachel, althans , nochtans , zaaien, koeien, uitroeiing , metterdaad, mettertijd, verbintenis, beeltenis, adellijk, middellijk, middeleeuwen, middelpunt, dokter (geneesheer), doctor (titel), verf , Januari, Februari, Juni, Juli, Dinsdag, Zaterdag, juffrouw, kindsheid (jeugd), kindschheid ('van oude lieden sprekende), genoeglijk, ontzaglijk , vroolijk, hoonen, doozen , loonen (wijzen), tonen (in de muziek), drogen, kronen, tronen.
- 46. a. Vul in met ij of met ei.
ach nen , pl-ten , verm-den , v-ling , vl-er , set-den , verw-len , ver-w-den , -lings. De kerk is gew-d. De schapen w-den op de h-de.
15
De sp zen ziju goed toeber-d. De officier ber-dt een schimmel.. De pi-zen zullen nog r-zen.
Met ee of e.
juw-len , v-ger, gen-zen, reg ren, z-gen, benad-len, gel-deren, zw-ven , be)-digen , gestr-ken , stud-reu , t-der, m-ten , zw-ren , verm-den , ben-den, g-Tel, Chin-zen. Ouderlooze kinderen noemt men w-zen. De mensch is een redelijk w-zen.
Met oo of O.
z-men , tochtgen-ten , str-nien , geb-den , ïerm-gen , verscb-nen , aant-nen , ged-gen, b-ler , ontst-len, dr-men, st-ken, sm-ren, m-ren, verwaarl-zen, m-len, kl-ven. Herten hebben dunne p-ten. Men ia be-zig met aardappelen p-ten. quot;Wij b-pen, dat die aardb-pen spoedig opgeruimd zullen worden.
â *^7*⢠Schrijf het volgende zonder fouten.
Vele kinderen willen maar niet begrij(ei)pen , hoe noodzakelijk het voor hen (hun) is, de(n) tijd der jeugd goed te gebruik(k)en. In de provincie Limburg vindt men ve(e)le fraai(j)e ka8te(e)len. Niet aan de ho(o)ven der koningen, nog(ch) in de palei(ij)zen der rei(ij)ken woont tevre{e)denheid, maar zeer dikwijls in de echa(a)mele hut(t)en der armen. De Frans(ch)e 8olda(a)ten hebben in verschei(ij)deu geveg(cb)ten moedig gestreden. Japanne(e)zen en Chine(e)zen behooren tot het Mongools(ch)e menschenras. Die grijs(z)aard, reeds gebogen onder de(n) last der ja(a)ren, kan nog(ch) zeer goed hooren en zonder bril le(e)zen. Toen Claudius Civilis een zijner laudgeno(o)ten als verra(a)der zag optre(e)den , was hij genood(t)zaakt met den Romei(ij)nscheu veldheer Cerealis vre(e)de te sluiten. Dit had(t) plaats op eene in het midden afgebroken brug van den IJ8(8)el.
48. Met eene hoofdlettei* schrijft men : le. Het eerste woord van een volzin en van eene aanhaling van iemands woorden , b. v. Jezus zeide ; â Ik geef u een nieuw gebod.quot;
2e. De eerste letter van eiken regel van een vers; b.v. Wees braaf, mijn zoon , in lief en leed.
Wees eerlijk tot aan 'tgraf.
En wijk geen enkle vingerbreed Van Gods geboden af.
3«. De eigennamen, als: Hendrik, Walg a, Zeeland, Belg,.
16
â Januari, Dinsdag, Faschen , Noord-Amerika , Kaap de Goede Hoop, Zwarte Zee, Be Buyter, Van Merken, Ben Haag , Karei de Stoute, Willem de Berde.
X'. De bijv. naamw., die van eigennamen afgeleid zijn, als: Fransch , Spaansch , Roomsch.
5e. Titels van boeken , opschriften, namen van schepen , herbergen, enz. als : Taal en Stijl; Zeoende hes ; O oer de Luiheid; ik vertrek met de Arend; hij logeert in de Zon.
6-. De namen, die aan God gegeven worden, als: â de Almachtige, de Heiland, de H. Geest.
7'. De aansprekingen in brieven; ook de zelfst. nw. bijv.nw. en voornaamw., die in titels voorkomen, als: Ji meld ü, Geliefde Ouders, Broeders en Zusters , dat enz. Mecrouw B., Weledele Heer, Weleerwaarde Heer, Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid, UEdele, Bloemlezing uit de Werken van Vondel.
8e. Somtijds de persoonsnamen , die tevens eene waardigheid uitdrukken, wanneer bepaalde personen bedoeld worden , als: de Koning kwam, vergezeld vin de Min i s-4 er s en den Burgemeester; d. i. onze koning , vergezeld van onze ministers en onzen burgemeester.
- 40. Schrijf zonder fouten: Al is de lo(o)gen nog zoo -snel, de waarheid achterhaalt ze wel. Men is maar eens jong, â zoo 8pre(e)ken de dwa(a)zen ; men word(t) maar eens oud , â zoo denken de wei(ij)zen. Eendrag(ch)t maakt mag(ch)t. Het graafschap Holland bestond oorsproD(k)elijk uit de abdei(ij) van egmond -en eenige onderho('o)rige )and(d)erei(ij)en , hosschen en wa(at)teren. Aman werd(t) genoodzaakt koning(k)lijke eer te bewei(ij)zen aan de(n) israëliet mardocheüs. Het stoomschip, de zwaluw , is den eersten dinsdag van de maand Januari naar New-York, noord-amerika, vertrok(k)eu. Men heeft mij ge8chre(e)ven, dat het in het laa(t)st van Jnli of in de eerste we(e)ken van augustus zal we(e)derke(e1ren. Zorg, dat gij mij het boek, getiteld ; â pelgrimsreize naar het heilig land,quot; zoodra(a) mo(o)gelijk terugzend(t). Wanneer zal de koning in den bosch arriv(e)ren ? Ik geloof aanstaanden vrei(ij)dag. Weet gij, waar zijne majestei(ij)t afstap(p)en zal? Naar men yerze(e)kert zal hij zijnen intrek ne(e)men in den gouden leeuw.
. SO. Maak flinke zinnen, waarin de volgende woorden jvoorkomen : weken, weeken; koper, kooper; veilen, vijlen ; zijde
17
zeide; lijden, leiden; berijden, bereiden; rijzen, reizen; ijk, eik; meid , mijt; ei, IJ ; as , asch.
VOORBEELD. De vier weken , die het feest der geboorte van Jezus Christus voorafgaan, noemt men den Advent
Het brood was zoo hard, dat men het in het water moest wceken.
- 51. Handel evenzoo met de volgende : nocb , nog; doch , dog ; mild , milt; hard , hart; kruid , kruit; moed , moet; vers , versch ; gans , gausch ; vallen , vellen ; houwen , houden ; kennen , kunnen ; liggen , leggen ; landman , landsman.
- £523. VRAGEN. 1. Welke woorden worden met â¬5 geschreven ? 3. Welke met O ? 3. Welke met ee ? 4. Waarom wordt gebleven met e en niet met «© geschreven ? 5. Welke woorden schrijft men met ij ? 6. Waarom schrijft men vracht en niet vraacht? 7. Waarom wordt de li in ruiken niet verdubbeld p 8. Geef de gevallen eens op , waarin eeo woord met eene hoofdletter geschreven moet worden.
Stamwoorden, afgeleide en samengestelde woorden. Voor- eu achtervoegsels.
Ã3. Pijn , pijnlijk , tandpijn ; â warm , warmte , verwarmen , bloedwarm.
De woorden kunnen zijn stum woorden , afgeleid of samengesteld.
Pijn en warm zijn: stamwooirden, omdat ze van geen ander woord gevormd zijn. Pijnlijk , warmte en :er-warmen zijn afgeleide woorden, omdat ze van een ander woord gevormd of afgeleid zijn. Tandpijn en bloedwarm zijn samengestelde woorden, omdat ze bestaan nit twee woorden of liever nit twee deelen, die elk voor zich eene beteekenis hebben.
Het laatste deel van een samengesteld woord is het voornaamste, het bepaalde. Daarnaar regelt zioh ook het geslacht van het geheele woord ; b. v. landooogd (m), T. S. 2 c 2
18
tandpijn (v). Uitgezonderd oogenblik (o) en toeval (o). Het eerste deel heet het bepalen de. Waarom P
- Geef eene verklaring van de volgende samengestelde
woorden ; veldslag, slagveld ; â winkelboek , boekwinkel; â vruchtboom, boomvrucht; â landbouw, bouwland; â veldbloem, bloemveld ; â tuinbloem, bloemtuin ; â werkhuis, huiswerk ; â zakgeld , geldzak ; â werkdag , dagwerk ; â landsman , landman.
VOORBEELD. -Een veldslag is een slag (een gevecht), in het open veld geleverd.
Een slagveld is een veld, waarop slag geleverd wordt.
BB. Men kan op drie wijzen woorden van andere afleiden; 1° door klankverwisseling, als: drnni en dronk van drinken; kneep en kn\p van knijpen; zang en zong van zingen ; mant van meten ; vlacht van vliegen.
2° Door voorvoegsels, als: aartshertoj, geloei, gebak, ondeugd, wansmaak ; â aartsdom, onwaar, gestreng, Xtevreesd; â Xiezoeken , gedenken, herleven, ontrooven, â verhooren , -wanhopen.
3» Door achtervoegsels, als: druklter, leera.atr, tuinier , lonperf\ , dronkaanX , koningin , zangeres , weldoenster , gunsteMug , dekse\ , prikiiei , drukker\}, hertogAom , ^raa/soha jgt; , grootheid , grootle, droefenis-, â groenaelxtig, woonachtig, leesliaar, prachtig, doe/i\ ijlt, goddeloos, leerzaam, Hollandsch, _;'aariy lisch ; â tweede, achtste-, visschen , eindigen , waarde «ren , trappeien , stotteren ; hameren-, uiaardigl\jli, jaarl{jlis , blindelings , rechts, zoetjes, voorwaarts.
Zie verder Nia 66, 137, 151.
-S3amp;. Zeg van de volgende wooorden, ofzestamwoorden, af geleid of samengesteld zijn en plaats achter de afgeleide het stamwoord, waarvan ze gevormd zijn : woordelijk , arbeider, venster, sneeuwwit, slot, daglooner, begrafenis, overhalen, dronkaard , hoopen , breuk , speeldoos , verachten , kleed , bepalen, aankomen , geneesmiddel, slapeloos , onsmakelijk , slok , water, mondeling, vlucht, draagbaar, snoeplust, snoepen, snoepachtig, keus, schriftelijk, buikspreken, lichtgeel, dracht, sprong, oog.
19
1
kluizenaar, lekkernij, weetgierig, zilver, gierigaard, vertrouwbaar stadhouder. '
quot; Schrijf 5 woorden, die afgeleid zijn van drinken,
(Geen samengesteldej b. v, drank, dronkaard, enz*
Ook 5 , die afgeleid zijn van breken; 5 van zien; 5 van dekken en 5 van bin d e n.
-amp;'?⢠a Vorm door afleiding bijvoeglijke naamwoorden van
de volgende zelfst.nm. deugd, maat, kern, heil, smaak, klucht schrift, mond, hemel, oog, hand, wil, fout, erf, geur, lach zat»^, zijde, lichaam , dag , zon , tijd, burger, zonde, maatschappij,
deel, vrede, stof, perk, vrucht, vloed, land, schat, weelde, huis.
VOORBEELD, deuyd â deugdzaam.
maat â matig , mateloos.
quot; Bekleeden = van kleeden of kleederen voorzien.
Bevatten == omvatten.
Geroep = aanhoudend roepen.
Gebak â het gebakkene.
Geboomte = verzameling van boomen.
^ Gestreng = streng.
Gelaarsd = van laarzen voorzien.
Herzeggen = opnieuw zeggen.
Onnoodig = niet noodig.
Onmensch = onlaard, slecht mousch.
Ontmaskeren = het masker wegdoen.
Ontbranden = beginnen te branden.
Verzachten = zacht maken.
Versteenen = tot steen maken, of tot steen worden.
Verspreken = mis (verkeerd) spreken.
Verbouwen = anders bonwen.
Wanklank = verkeerde klank.
Aartsdeugniet = eerste , giootste deugniet.
Burgerlijk = wat overeenkomt met een burger.
Onmetelijk = wat niet gemeten kan worden.
Bladerloos =- beroofd van of zonder bladeren.
Hoorbaar =r wat gehoord kan worden.
Olieachtig = dat veel van olie heeft.
Snoepachtig = geneigd tot snoepen.
Moedig = moed bezittend (hebbend).
:
Vaderlandsch = van het vaderland.
L
20
Slaafsch = gelijk een slaaf.
Deugdzaam = begaafd met deugd.
Buigzaam = gemakkelijk buigende.
Arbeidzaam = geneigd tot den arbeid.
Houten = van hout.
Verklaar nu de beteekenis der volgende woorden, en gebruik ze in goede zinnen : bedekken, ontdekken , ontrouw , ontvlammen , verdooven , herkauwen , wantrouwen , geschoeid , aartsbisschop , gevogelte , verrekenen , onnatuurlijk.
VOORBEELD. Bedekken beteekent, met deksel of dekking voorzien. Gedurende de strenge vorst zou het jonge graan gevaar loopen te bevriezen , indien de sneeuw hetzelve niet bedekte.
. SS* , Jioe evenzoo met de volgende : voedzaam, liefdeloos, kinderlijk, uitvoerbaar, Nederlandsch , snapachtig, gouden, mededeelzaam, koninklijk, doodsch, groeizaam, onbeschrijfelijk, kundig.
VOORBEELD. Voedzaam is datgene, wat geschikt is om te voeden. De prijs van het vleesch is tegenwoordig zóó hoog, dat velen zich het genot dezer voedzame spijs moeten ontzeggen.
m 50. Maak afgeleide woorden door achtervoeging van aarrf, aar , naar , erd, ier, nier, er; â ster , es , in ; â el, dom , schap, heid, ij , ing, nis, sel, te, ling.
m so. a. Van welke werkwoorden zijn de volgende zelfst.nw. afgeleid? lafenis, bocht, gift, keus, keur, stok, kunst, kneep, stand , gave , brok , hulsel, leerling , vloed , gang , vaart, dracht, daad, band, schutter, breuk, drift, gedachte, groef, vleugel, klank , goot, schepsel, les, rit, vorst, begrip , laag, zetel.
_ OO. VRAGEN. 1. Welke woorden noemt men stamwoorden ? 2. Waarom is boosheid een afgeleid woord ? 3. Hoe kan men woorden van andere afleiden ? 4. Door welke achtervoegsels maakt men zelfstandige naamw. f 5. Door welke achtervoegsels vormt men mannelijke, en door welke vrouwelijke zelfst. naamw.? 0. Wat zijn samengestelde woorden ? 7. Wat is het voornaamste deel van een samengesteld woord ?
Hot zelfstandig naamwoord. â Soortnamen en eigennamen. â Verkleinwoorden. â Geslacht der zelfstandige naamwoorden.
Ol. Alle zelfdandiyheien, dat wil zeggen, alle dingen, hebben eenen naam. De namen dezer dingen of zelfstandigheden en ook hetgeen men als zoodanig voorstelt, noemt men ieelfwt jindiffe n aam w oord en.
ÃS. Tim ni er man, leeuw, huis, een v i s ch , een ijzer en dergelijke zelfstandige naamwoorden noemen zelfstandigheden , dat is dingen , die op zich zelf bestaan; men heet ze voor worpsuatnen
Als ik zeg ; â Ik heb boter, v i s ch en o l e e s ch gekocht. Dit ledikant is van ij z e r,quot; dan noem ik eene onbepaalde hoeveelheid stof; zulke zelfstandige naamwoorden heet men stofuamen.
Lengte, geblaat, schok, berouw, deugd zijn ook zelfst. naamw. Zulke dingen bestaan niet op zieh zelf ; zij worden in of aan de voorwerpen waargenomen. Ik kan mij geene lengte voorstellen , zonder te gelijk aan een voorwerp te denken, dat lengte heeft; b. v. aan een koord, een weg, enz. Men kan ze dus ook niet afbeelden, zonder tevens dat voorwerp voor te stellen.
Voor zulke zelfst.nw. hebben wij geen goeden Neder-landsohen naam , men noemt ze denkbeeldige-zelfstandig-heidsnamen of met een vreemden naam abstracte z.nw.
03 De voorwerpsnamen worden onderscheiden in :
a. iSoor «iimn«xii, d. i. namen, die aan eene geheele soort van. voorwerpen gemeen zijn; als; stad , leerling, stoomboot, hond, enz.
b. Hjigenuatnen, d. i. namen, die aan personen of zaken gegeven worden om ze van andere van dezelfde soort te onderscheiden; als; Utrecht, Willem, Dolfijn, Hector.
- 64. Zeg van de volgende woorden of het eigennamen, soortnamen, o/* abstracte zelfst, naamw. zijn, en ver-
22
heter tevem de fouten , -die gij er in vinden zult: deugd , hoofd , alpen, paus, gramschap, ridder, maurits, schoonheid, provincie, deventer, kracht, lucht, berg, hekla, eiland, hulp, keizer, napoleon, reiger, texel, geloof, horlogemaker , brief, noordzee, stuk, glas, minister, leugen, kaap de goede hoop, hemel, miria , engel, verdriet , bisschop , karei, rafaël, ziekte , engeland , val, getrappel, reseda.
VOORBEELD. Eigennamen. Soortnamen. Abstracte z.nw.
Alpen hoofd. deugd.
- OS. Vorm zelfst. naamw. van de volgende woorden : lang , besturen, woest, wijd, vallen, tpaaizaam, uitvinden, gaan, kennen, oud, begraven, stellen, kijven, zingen, groen, drukken, kiezen, vliegen, breken, fluiten, grijpen, bidden, dringen, jagen, spreken.
VOORBEELD. Lang â lengte.
OO Verklein woorclea worden gevormd door een der uitgangen je, tjo of etje, pje, Ue, sbe, ben of sben achter het zelfst. naamw. te voegen; b. v. boekje, haartje, iongegt;tjamp;, raarapje, kindeVtc , jongsletd o{ jongtslton.
OTquot;. Die zelfst.nw., welke etje achter zich nemen, verdubbelen meestal den slotmedeklinker, als: kom, kommetje. Achter welke medeklinkers heeft dit gewoonlijk plaats P Achter welken medeklinker voegt men meestalg/e/'
Oéi. Bij sommige verandert de korte klinker in een langen , als ⢠pad, paadje.
OV». In meerlettergrepige zelfst.nw., die uitgaan op ing, verandert de s in wanneer de voorlaatste lettergreep niet toonloos is, als: ketting â kettinkje, penning â penninkje; maar wandeling â wandelingetje.
-'^O. Maak van de volgende zelfst.n.w. verkleinwoorden: woord , staart, arm, brug , woning , ei, kleed, tuin, goud, bezem, glas, hond, vreugde, snhil, koning, geraas, kar, duif, bel, rotting , koude, stoel, ster, rib , koe , kraam , rad , drukte , rug.
Tl. De zelfst. naamw. hebben drieërlei geslacht; zij kunnen zijn manneiyic, vr-ouwelIt of oti-
zydigr.
Ziehier eenige regels tot het leeren kennen der geslachten.
23
TH. gt;1 fi ii ii lt;gt; 1 ij li zijn:
le. De pamen van mannelijke personen en dieren, als : Jan , timmerman , jongen ; tijger , leeuw.
2'. De namen van bergen, boomen en van steenen , wanneer men afzonderlijke steenen en niet de ge-heele soort bedoelt, als; Vesuvius, eik, diamant. Spar en linde zijn vrouwelijk.
3e. De zelfst.nw., die uitgaan op aar, aard, erd, em, lm en rm , als : lessenaar , mosterd, bodem , halm, arm.
4,'. De namen van werktuigen op er en el, die van werkwoorden afgeleid zijn, als i â trekker, vleugel; uitgezonderd griffel en schoffel, die vrouwelijk zijn.
T-i Vrouweliil* zijn:
1«. De namen van vrouwelijke personen en dieren, als : Anna , moeder , naaister , baker ; tijgerin , leeuwin.
2e. De namen der letters en cijfers, als: eene b, eene zes.
3'. De namen der granen en der peul- en boomvruchten, als: rogge, tarwe; erwt, peer, druif. Hiervan zijn uitgezonderd: appel, eikel en de namen van vruchten op oen, als citroen, meloen, die mannelijk zijn.
4e. De namen van vaartuigen , die niet op er uitgaan en de eigennamen der schepen, als: schuit, sloep, brik. Hij vertrok met de Prins Hendrik. Fregat en jacht zijn onzijdig.
6e. De zelfst.nw. , die uitgaan op heid, teit en nis, als: goedheid, majesteit, vuilnis ; uitgezonderd de onzijdige vonnis en getuigenis.
6e. Die op schap uitgaan en eene gesteltenis of verzameling uitdrukken als : dronkenschap, broederschap. Koningschap, priesterschap, enz. zijn onzijdig, omdat ze geen gesteltenis , maar eene waardigheid uitdrukken.
7e. Die door st of ing van den wortel der werkwoorden afgeleid zijn , als: kunst, winst, kleeding; behalve dienst , dat mannelijk is. Waarom zijn dan â dorst, oogst, helst en troost ook niet vrouwelijk P
24
'7'4. Het onzijdig geslacht levert minder moeilijkheden op. Men kan in de meeste gevallen gemakkelijk hooren, of het lidwoord het vóór het zelfst nw. past of niet. Wij znllen daarom hiervan slechts een paar kenmerken geven.
Onzycli^r zijn :
le. De namen van werelddeelen , lauden en plaatsen , als: het rijke Amerika, het schoone Italië , het volkrijke Malta, het nijvere Tilburg, het fraaie Ben Haag , enz. Hierop maken eene uitzondering de namen van enkele landstreken, als: de Betuwe, de Veluwe, de Krim, die vrouwelijk zijn.
2e. De verkleinwoorden , als : boompje , leitje , enz.
3e. De namen van stofien, waarvan voorwerpen vervaardigd worden , als : koper , kóraal, fluweel. Hiervan zijn uitgezonderd die stofnamen, welke op eene toonlooze e eindigen , als : zijde , aarde , alsook baai, kant en wol, die alle van het vrouwelijk geslacht zijn.
4e. Alle andere rededeelen, als zelfst.nw. gebruikt, als: het schoone, het ik, het hoe en waarom , het praten , enz.
Vfi. Ziehier eenige zelfst.nw., waaraan dikwijls een verkeerd geslacht wordt gegeven : altaar o., angel m. , angst m. , beschuit v., bijl v., boekweit v., boterham p., chocolade o., cijfer o., das m. en v., dood m., drift drop, drup of druppel m., eetzaal v., ekster v., enkel m., figuur v. en o, gesp m., hecht of heft o., hooiberg m. en v., horloge o., kameel m.y kant (zijde) m., kant (stof) v. , kazuifel v. , kerkhof o., kiel (kleedingstuk) m., kiel (van een schip) v., kies v., knie v, koffer m., lantaarn v., leest v., lijst v. , list v., loon o., mouw melk v., mest m., mud v. en o., raam o., muur m., naad m., neus m., olie oogenblik m. en o., orgel o., patrijs m., peper v., pet o., pistool ». en o., pool Pool m, ploeg m., room m., schotel m., sjerp v., sloot v., sneeuw v., splinter m., stijfsel v., stoep v., suiker v , toets m., uur o., vernis o., vorst (prins) m., vorst (van het dak) v., vorst (koude) v., vork v., wezel v., wol v., wortel m., zeep , v., zwam v.
26
quot; Va?i welk geslacht zijn de volgende zelfst.nw. ?
generaal, traagheid, meid, Afrika, passer, haver, diamant, Rusland, Rome , Sinaï, populier , gerst, tonnetje , stuiver , bekentenis vriendschap , Londen , jodendom , mengsel, geroep, gebrek, erfenis, verbod, goud, dozijn, vangst, landschap, speeksel, komst, zilver^ linde, stamper, vorm, boon, vorstendom, gevogelte.
â ⢠Plaats in de volgende versjes eene m , v o/* o achter de zelfst.nio., naar gelang ze mannel., vrouwel, of onzijd. zijn^ O , 't is wel treurig , weg te kwijnen
In 's levens lente ; last en vreugd En hoop en eiken droom der jeugd Te zien verwijdren en verdwijnen ,
En af te zien van al het zoet,
Dat al het bittere vergoedt.
Hoe deerlijk soms de schijn misleidt 1 Wat denkt ge in uw eenvoudigheid.
Gij dorper , die de drukke straten Der hofstad doorwoelt; die de pracht Der gevels ziet langs plein en gracht ;
(rij , die uw dorpje hebt verlaten ,
Die buurt van hoeven ver uiteen ,
Verspreid in drassig slijk en veen ?
Eens zat op Elis' troon een zekere Augias ,
Die rijk en gierig , zooals vele grooten , was.
Hij had wel niet, gelijk gebeurt in onze dagen Karotfabrieken opgeslagen ;
Neen , om zijn voordeel te bejagen ,
Bezat die fokker stal bij stal ,
Met kostlijk slachtvee voor de hal ,
Dat schier half Griekenland om strijd bij hem kwam vragen..
Hij deed in koeien, in vetweiderij in 't groot:
Hij had een enklen stal, die in zijn ruime wanden
Drie duizend runderen besloot,
Gekweekt en vetgeweid in puik van klaverlanden.
Men wil , dat hun geloei , temet,
Eer hun 't ontbijt werd voorgezet ,
Geheel de landstreek, die een uur in 'tronde 't hoorde,
Vóór dag en dauw in 't slapen stoorde.
26
Een vrouwendrom komt op de been En wemelt door de straten heen,
Gewapend met houweelen ,
Met spade en pook , met scbop en riek, Met koevoet, dommekracht en piek
En dikke bezemstelen.
De trein trekt op , eu naar de maat ,
Die Pieternel , de vischvrouw , slaat
Met eikenbouten lepels ;
En 't klonk en schalde , waar hij trok,
Als roerden alle bel en klok ,
In kerk en kluis de klepels. (â¢)
Immekzeel Jr.
â y®. Sommige zelfst. naamw. zija mannelijk, wanneer zij mannelijke en vrouwelijk, wanneer zij vrouwelijke personen aandniden, en worden daarom js^emeeDslnch-tifgei genoemd, als: echtgenoot, vreemdeling, getuige, gast, brekespel, slokop , stokebrand , erfgenaam , enz.
Achter verscheidene dezer woorden voegt men gewoonlijk eene e, wanneer ze vrouwelijke personen aanduiden; b. v. echtgenooto , vreemdelinge), erfgename), enz.
-T'O. Maak van de volgende mannelijke s.nw. vrouwelijke : prins, vriend, gast, wolf, schrijver, patroon , gezel, leeuw, getuige , kooper , dienaar , held , leerling , voogd , kruidenier, meester , dienstknecht, echtgenoot , zondaar, beschermer, dief, dichter, hertog, bedelaar, slaaf, christen, martelaar, stokebrand, vleier.
-SO. Maak zinnen, waarin de volgende woorden voorkomen : de bal, het bal, â do buis, liet buis, â de heer, het heir, â de pad, het pad , â de hof, het hof, â de stof, het stof, â de ^priesterschap, het priesterschap, â de schildpad, het schildpad, â de blik, het blik, â de kurk , het kurk , â de punt, het punt.
Dergelijke voorbeelden in proza en poëzie, waarvoor alom slof genoeg voorhanden is, bieden een rijken scbat van stof ter bespreking aan. Vooral kieze men dusdanige ter herhaling van het geleerde. Zoo zou reen b. v. op bovenstaande oefeningen de regels der spelling, de afleiding en sammslelling der woorden kunnen toepast-en. Bovendien bebooren eenige woorden cn uitdrukkingen veiklaard eneenige â¢minder duidelijke zinnen ontleed te worden.
27
VOORBEELD. Wie kaatst y moet den hal verwachten.
Het hal is een gevaarlijk vermaak.
quot; VRAGEN. 1. Hoe worden de z.nw onderscheiden ?
3. Tot welke soort behoort Londen ? Waarom ? 3. Tot welke soort vreugde ? Waarom ? 4. Hoe worden de verkleinwoorden gevormd? 5. Waarom zijn en «oamp;zrw mannelijk ? 6. Waarom zijn gunstt matigheid, kers en meid vrouwelijk ? 7. Wanneer is priesterschap onzijdig, wanneer vrouwelijk ? 8. Van welk geslacht aijn vonnis, zijde, de Krim , kant, schoffel, getuigenis, citroen, lente , slokop , banneling ?
f-v- Æ
Getal .dei; Zelfstandige naamwoorfeo.
De zelfst.nw. zijn enkel- of meervoucl, naar gelang zij één of meer voorwerpen aanduiden.
83. Men vormt het meervoud der zelfst.nw, door de uitgangen n , en , s , ere 11 of ers , als.: diepte â diepUn , meid â meiden , tafel â tafel», kind â ^(Weren of kindor».
84. De zelfst.nw., die uitgaan op eene toonlooze e, nemen in 't meervoud eene n aan, als : hoogte â hoogten, ziekteâziekten.; en niet hoogten», ziekten».
Zelfst.nw., die op f en s uitgaan , veranderen deze slotmedeklinkers in 't meervoud dikwijls in v en z als: staat â staven, kort â korven , haa» â haw.en.
Paus , kruis , kous , spies , struis , kaars , kers , koers , pers , pels, wals , lans , print, kans , schans, gids, enz. behouden in 't meervoud de s . als: pausen , kruisen , enz. Dit is ook het geval met die woorden, waarin de et onmiddellijk voorafgegaan wordt door een scherpen medeklinker, als : koets â koetsen, reeks â reeksen, rots â rotsen, enz.
SO. Wordt de slotmedeklinker onmiddellijk dooreen korten klinker voorafgegaan, die in het meervond kort blijft, dan wordt hij gewoonlijk verdubbeld, als : bak â
28
bak\Len, melkpot â melkpotten; maar bord â borden, koot â kooien , dak â daken , omdat...
Sommige zelfst.nw. vormen hun meervoud onregelmatig, als : schip â schepen ; lid â leden ; gelid â gelederen ; smid â smeden ; Jlesch â flesschen ; bosch â bosschen ; enz.
Het meervond van zee ia zeeën ; van knie â knie tin, van spie â spieën, enz., van kolonie â koloniën,. van tralieâtraliën, enz. Zoo ook schrijft men : fahrieth, JMMzielt, â fabrikant, muzikant, Pruisisch, enz.
Vanwaar dit verschil in het meervond der woorden op ie P Let eens op den nadrnk , en maak dan zelf den regel.
-SO. Hoe is het meervoud der volgende zelfst. vaarnw. ? arm , tuin , hut, schuit, bol, hol, duif, bron , kast, falie, rad , das, visch , kraag, diepte, boei, schuur, valies, rund. kaars, graf, republiek, rots, begeerte, musch , oom, mof, kolf, kraai, paus, tante, koets, neef, gewoonte, kabinet, maat, gebed, leeuwerik, prins, plant, melodie, lol, bevel, perzik, genoegen, spel, ader ^ kolom , bloesem , kapel, kok , vers , pols , scherf , kans , lidmaat, cent, bezie , lied, koe, lot, notaris, olie, vloo, krans, spleet, reden.
©O. Timmerman, voerman, enz. hebben in 'tmeervoud ^'»igt;Herlieclen , coerlieden.
Men zegt echter stea/snaanneii, blindemannein ,
wildemBLanamp;n , leenmeLnncn , Muzelma.nntsn , drieman men.
Franschman, Engehchman hebben in 't meervond Fran-schen , ling els chen.
ül. Er zijn ook zelfst.nw., die tweeërlei meervoud hebben, doch met verschil van beteekenis, als tafels en tafelen, kleeden en kleederen, vaders en vaderen , enz.
02. Eenige zelfst.nw. worden slechts in 't meervoud gebruikt, zooals: ouders , voorouders , gebroeders , gezusters, hersenen , mazelen , kinderpokken , zeden, kosten , onkosten , Pyrene 'én , Alpen.
Andere worden alleen in 't enkelvoud gebruikt, als :
29
le. De stofnamen; ijzer, koper, steen, enz. Wat bedoelt men door ijzers , steenen , wijnen , enz. P
2quot;. Vele abstracte zelfst.nw. als: geloof, onschuld, â¢berouw, ouderdom.
- OfS. Maak zinnen, waarin de volgende meervoudige z nw. voorkomen : letters , letteren ; tafels , tafelen ; vaders , vaderen ; boenen , beenderen ; kleederen , kleeden ; bladeren, bladen.
VOORBEELD. Die heer is doctor in de letteren.
De woorden bestaan uit letters.
â Maak ook zinnen , waarin de volgende zelfst. naamw.
in yt meervoud voorkomen: knie, leenman, traagheid, roos, gebrek, bezie , glas , grens , krijt, afgod , voerman , zee , moed , Chinees , staatsman, hoogte, raad, mummie, Muzelman, Franschman.
- VRAGEN. 1. Hoe vormt men het meervoud der «elfst.nw. ? 2. Welke verandering ondergaan in 't meervoud vele woorden , die op f of s eindigen ? 3. Wanneer gaat de s niet in «over? 4. In welke woorden wordt gewoonlijk de slotmedeklinker verdubbeld? 5. Hoe is het meervoud van musch ? 6. Wanneer voegt men achter de woorden op ie in ,t meervoud en, en wanneer
n? 7. Welke woorden worden niet in 't meervoud gebruikt!
â
Het Lidwoord. â Naamvallen. â Eerste nattmval.
O O. Wij hebben in onze taal twee lidwoorden , het lidwoord van bepaaldheid do, voor het mannelijk en vrouwelijk, hot voor het onzijdig geslacht; en het lidwoord van eetiheid een.
OTquot;. Er is verschil tnsschen : daar ligt het boek en daar ligt een boek. In het eerste geval moet ik vooraf weten, van welk boek er gesproken wordt; het geldt hier een bepaald boek. In het tweede geval niet.
Zeg ik: lt;le koning komt morgen in de stad, dan weet gij, dat ik onzen koning, den koning der Nederlanden bedoel.
30
Zeg ik echter: gisteren is een koning gestorven , dan znlt ge aanstonds vragen : welke koning ?
Ziet ge nu, waarom de en het lidicoorden van bepaaldheid genoemd worden P
Welke pen bedoel ik, wanneer ik zeg: geef mij eene pen? Waarom zegt men nooit: eene aarde is rond, eene zon schijnt? Waarom kan men, in een dorp of in eene stad komende, gerust vragen, waar de burgemeester woont P
- 1gt;8. Pluais hei lidiooord in de volgende zinnen â . ....mensch wikt, God beschikt. â Hoe aangenaam is .... gezang der vogelen in .... lente I â Vele vreemdelingen bezoeken jaarlijks .... fraaie Arnhem. â ... zwaluw legt 21 meter in .. . seconde af.â Eerst was hij .... snoeper, later werd hij ... dief. â ... schipper en ... boer bevonden zich samen in ... schuitje; beiden vielen in .... water; .... boer verdronk , doch ... schipper redde zich met zwemmen.
'k Zie ... gele bladers vallen ,
Met . . . zomer is 't gedaan.
En 't gehuil van sneeuw en regen
Kondigt ons ... winter aan.
Ach. hoe trillen mij ... leden,
'k Loop naar . . . hoekje vau . . . haard. Als .. . bloemen glans verdooft,
Als . .. wind ... blaadren rooft,
Als ... veld , met sneeuw bedekt,
. .. kille huivring wekt:
Vraag dan niet met bange smart,
Wie u kleeden zal en voên.
Boven leeft ... machtig God ;
Hij bewaakt . . . armen lot ;
Ban uit ... hart ... bange smart.
Otgt;. 1. öod is goed.
2. De Zoon Gods is mensch geworden.
3. Geef God (Gode), wat Hem toekomt.
4. Wij moeten God beminnen.
1. Het kind bestudeert zijne les.
2. De les des kinds is moeilijk.
31
3. Ik heb het het kind (den kinde) gezegd.
4. Be meester bestraft het kind.
De verschillende vormen, waarin het zelfst. naamwoord en het lidwoord in deze zinnen voorkomen , noemt men naamvallen
De verandering, die zij ondergaan, heet buiging â¢of verbuiging. Waarom P
100. Er zijn in onze taal 4 naamvallen: de eerste, de tweede, de derde en de vierde naamval.
101. Wij hebben vroeger reeds gezien, dat er, behalve de zelfst.nw. en de lidwoorden, nog andere woorden zijn , die veranderingen of' buigingen ondergaan , nl.
de bijvoeglijke naamw., de telwoorden, de voornaamwoorden en de werkwoorden; b. v. oud , oude, ouden, ouder, oudst; â drie, met ons drieën; â ons, onzer ; â deze, dezer, dezen; schrijf, schrijft , schreef, geschreden , enz.
De buiging, die de werkwoorden ondergaan, noemt men vervoeging.
- lOö ⢠Onderstreep in het volgende versje de verbogen zelfst. naamw. en lidiooorden. IVijs ook de andere woorden aan, die eene verandering of buiging ondergaan hebben , en zeg, waarin die verandering bestaat.
Zie , ïie uaar do kribbe
In Bethlehems stal,
En loof Hem, den Heeie ,
Met vreugdegeschal.
Daar ligt het in doeken,
Dat hemelsche Kind,
Door God ons geschunkeu ,
Die 't menschdom bemint.
Peypebs.
103. Wat is God en leerling in de zinnen N°1 ? (zie Si O)
Een zelfst.nw. staat in den eersten naamval, wanneer het als onderwerp voorkomt.
Zooals gij ziet, ondergaat noch het zelfst.nw., noch het lidwoord in dezen naamval eene verandering of bniging.
32
104. Ontleed de volgende zinnen:
Jan is de vriend van allen. Jan wordt de vriend van alien. Jan s c hij nt de vriend van allen. Jan lij k t de vriend van allen. Jan he e t de vriend van allen.
Het woord Jan staat ia den llt;'a naamval, omdat.....
De vriend is in alle opgegeven zinnen een deel van het gezegde; het staat ook in den eersten naamval. De werkwoorden zijn, worden , schijnen, lijken , blijven , die het naamwoordelijk gezegde met het onderwerp tot een zin verbinden, noemt men koppelwoorden, zooais wij reeds in nquot; 11 aangaven.
Een zelfst. naamw. staat dus ook in den eersten naamval , als het met het koppelwoord het gezegde uitmaakt.
105. In ai de zinnen van n» 101 is Jan en vriend dezelfde persoon. Dit is ook het geval in : Jan , de vriend van mijn oudsten broeder, gaat naar Amsterdam. Hier is vriend ook eerste i aam val ; het is geen onderwerp noch gezegde, maar eene nadere bepaling van Jan. Zulk eene bepaling, die een tweeden naam aanduidt voor het reeds genoemde , heet men b ij stelling. De bijstelling plaatst men gewoonlijk tusschen twee komma's.
Is van den smid ook eene bijstelling in : Jan van den smid wordt bakker? Waarom nietP
Staat de bijstelling ook in den eersten naamval in: Willem III, onze vorige koning, liet bij zijn dood de kroon na aan zijne dochter Wilhelmina , onze tegenwoordige koningin.
lOO. Eindelijk staat ook nog in den eersten naamval de aanspreking ; b. v. J a n , hebt gij uw werk goed gemaakt ? Vader, uw wil geschiede.
Geef nu al de gevallen eens op, waarin een zelfst.nw. in den eersten naamval staat.
. lOT'. Ontleed ; Hoe schoon is de hemel, met duizendea sterren bezaaid. Hoe dierbaar, o God, moet niij de onschuld wezen 1 De H. Joannes heet de beminde leerling des Hecren. Is hij een eerlijk man ? Themistocles, de overwinnaar der Perzen, werd door zijne stadgenooten verbannen.
33
â lO^. Welke woorden staan in de volgende versjes in den eersten naamval? Waarom?
Boek, noch prent, noch fraaie kleeding Wordt door Jan op prijs gesteld.
Daar was eens een heel klein ratje,
Met oogjes klein En oortjes fijn ,
Zijn vader was een platje En 't zoontje zon 't ook zijn.
Heer ooievaar met lange bcenen ,
Zeg, hebt ge alweer uw nest gemaakt ?
Gegroet, de winter is verdwenen,
En 't vooglenkoor ontwaakt.
De zwaluw streek op 't dak al neer, De voorjaarszangen hoort men weer.
Parson.
- lOO. Maak 5 zinnen , waarin een lelfsl nw. als gezegde in den eersten naamval staat.
Ook 5 , waarin eene bepaling van het onderwerp als bijstelling voorkomt.
VOORBEELD. De leeuw is de koning der dieren.
Judas , de verrader, verkocht zijnen Meester voor 30 zilverlingen.
â HO. VRAGEN. 1. Hoeveel lidwoorden hebben wij in onze taal V 2. Waarom heeten de en het lidwoorden van bepaaldheid ? 3. Hoeveel naamvallen hebben wij ? 4. Hoe noemt men de veranderingen, die de naamwoorden en lidwoorden in de verschillende naamvallen ondergaan ? 5. Welke woorden worden , behalve de zelfst.nw. en de lidwoorden , nog verbogen ? 6. Hoe noemt men de verandering, die de werkwoorden onderdaan ? 7. Wanneer staat een woord in den eersten naamval? 8. Welke verandering ondergaan de woorden in den eersten naamval ?
3
T. S.
34
Tweede, Derde en Tierde naamval.
111. 1. Be kerk is het huis Gods.
2. Ontelbaar zijn de sterren des hemels.
3. Be jeugd kent de waarde des t ij d s niet.
4. Het dak der kerk stortte eensklaps in.
5. Morgen vieren wij moeders verjaardag.
6. Ik was hem eene som g e 1 d s schuldig.
7. 's Morgens bloeide het knaapje als eene roos en 'g a v o n d s was het reeds een lijk.
In elk dezer zinnen staat een woord in den tweeden naamval. Ge kunt ze daaraan kennen, dat ze anders gedrukt zijn. Al deze woorden drukken eene bepaling uit. Welke verandering ondergaan de zelfst.nw. in den tweeden naamval P Wat zoudt ge kunnen zetten in plaats van : Oods , des tijds , der kerk , moeders ?
na. In de gewone spreektaal omschrijft men don tweeden naamval gewoonlijk door van ; b. v. het huis van Qod, de waarde van den tijd, hel dak van de kerk , de verjaardag van moeder. Dan staat het zelfst.nw. echter niet meer in den tweeden , maar in den vierden naamval. Later zullen we zien waarom.
113, In plaats van des gebruikt men dikwijls slechts 's , als; 's winters, 's Woensdags, 's nachts, enz. Waardoor zoudt ge hier den tweeden naamval kunnen omschrijven P Wat beteekent 's-Gravenhage, 's-Hertogenbosch ? gt; 11^1. Omschrijf in de volgende zinnen den tweeden naamval door den vierden. Toen ik onlangs met don zoon des burgemeesters in Nederlands hoofdstad was, heb ik aldaar het paleis des konings gezien. Waarover handelt het boek, dat daar op den lessenaar uws broeders ligt ? Het behelst de levensbeschrijvingen der grootste veroveraars: Cesars overwinningen op de Galliërs , Alexanders veroveringen in Azië , Napoleons tocht naar Moskou , den ondergang zijns legers in Ruslands sneeuwvelden en meer andere feiten der algemeene geschiedenis. In de Handelingen der Apostelen wordt ons verhaald: de noderdaling des Heiligen Geestes in de
35
gedaante van vurige tongen , de verkondiging des Evangelies onder de heidenen , de deugden der eerste christenen , enz. Eene wolk geleidde de kinderen Israëls op hunnen tocht naar het Beloofde Land; des daags was zij duister, des nachts helder. Gods goedheid en barmhartigheid zijn oneindig.
En de beide raven zweven Angstig boven 's landvoogd^ troon.
Met al die blanke schijven Zal men 's lands schatkist stijven.
VOORBEELD. Toen ik onlangs met de.n zoon van den burgemeester in de hoofdstad van Nederland was, enz.
llfV Plaats na de volgende woorden eens in den tweeden naamval: huis, mensch, prina, heer, graaf, vorst, hart.
Huis wordt huims, waarom P Do anderen krijgen en in plaats van s. Men heet den 'frquot; nv. op ss den sterken 2'n naamval; dien op ©n den xcakken.
110. Welk woord heeft in de 7 zinnen, die aan't begin dezer les staan, in 't geheel geene verandering in den 2quot;* naamval ondergaan P
Van welk geslaeht is dit p Welke woorden ondergaan alzoo in den tweeden naamval geene buiging P
Moeder in den vijfden zin is ook vrouwelijk en krijgt toch eene s in den tweeden naamval. Dit komt, omdat het vóór het bepaalde woord verjaardag staat. Zulks gebeurt wel meer; b. v. 'Maria's hoed, tantes kleed.
N. B. Men moet schrijven Anna's kleed. Cicero'» redevoeringen , Bossul, nederlaag , Garibaldi'» snoeverijen , De Ruylers overwinningen , Marnix' gedichten, Demosthenes' redevoeringen ; maar Lotjes verjaardag , Befjes werk.
- UT. Maak zinnen, waarin de volgende zeffst.nw. in den tweeden naamval staan : veld, zon. vorst, land, geest, huis, Paulus, Mozes , leven, heer, Anna, Rome, Nero, ziel, lichaam, ouderdom.
VOORBEELDEN. Ner 0*3 wreedheden doen ons ijzen. W i l-l em s ijver verdient allen lof. Be bloem des veld» is het beeld van 'smenschen leven.
- 11®. Gebruik in de volgende zinnen den tweeden naamval%
36
waar zulks kan. De bliksem is in den toren van de kerk geslagen. De aankomst van de ooievaars kondigt ons de nadering van de lente aan. De koningin van Nederland heet Wilhelmina. Sonoy, de bevelhebber van den Prins van Oranje in Noord-Holland , was een wreed menseh en een vervolger van de Katholieken. De omtrek van de aarde bedraagt 40 millioen meter. Het kenmerk van een Christen is het teeken van het kruis. Het leven van den mensch is als een rook, die verdwijnt. De vorderingen van Mietje zijï gering, omdat zij niet Inistert naar de lessen van de onderwijzeres ; zij schijnt de waarde van den tijd niet te beseffen De heldendaden van den grootsten zeeheld van Nederland verwekten de bewondering van den koning van Fratkrijk en van de naburige volken. De Grieken maakten zich meester van de stad Troje; verscheidene van de dapperste helden hadden zich in den buik van een houten paard verborgen. Gedurende den nacht verlieten zij hunne schuilplaats en overvielen de bewoners van de ongelukkige stad, die weldra eene prooi van de vlammen werd. Een groote steen rolde van den top van den berg neder. Ik lees de gedichten van Vondel. Kent gij de ouders van Maria?
110. 1. Ik geef den bedelaar eene aalmoes.
2. Oldenharneveld heeft den lande (het land) vele diensten bewezen.
3. Hebt gij het der vrouw (de vrouw)
gezegd ?
4. hit was den jongen een raadsel.
5. Gij hebt het mij, uwen vriend, niet verteld.
Waarvan drukken de gespatieerde woorden eene bepaling uit P Deze woorden staan hier in den derden naamval. Welk woordje zoudt gij in de drie eerste zinnen er vóór kunnen zetten P En welk in den vierden zin P
Dit doet men meestal in de gewone spreektaal. Dan staat het zelfst.nw. niet meer in den derden, maar in den vierden naamval.
Heeft het zelfst. naamw. in den derden naamval eene verandering ondergaan? WelkeP Dit heeft slechts in den deftigen stijl plaats; anders laat men het liever onveranderd. Alzoo beter het land, de vrouw, dan den lande, der vrouw of vrouwe.
Waarom staat uwen vriendin denzelfden naamval als mij P
37
- ISO. Onderstreep de woorden , die in de volgende zinnen in den derden naamval staan. Deze schoone daad ran den jongeling beviel den vorst zoozeer, dat hij zijnen dienaren beval den edel-moedigen knaap eene rijke belooning te geven. Eene wolkzuil wees den Israëlieten den weg door de woestijn. God toonde zijnen dienaar Mozes het land} dat Hij den Kanaünieten ontnemen en den Israëlieten scheuken zou. Laat vrij den tuinman de zorg voor deze plantjes over. Salomon bouwde den Heer eenen prachtigeu tempel. Jezus schonk den goeden moordenaar vergeving , om den zondaren te leeren , nimmer aan Gods genade te wanhopen.
Hoezee I hoezee I de Spaansche vloot
Brengt haren rijkslen schat Den Nederlander in den schoot,
Eer 't volk gestreden had. Van Alpjien.
â Recht op den zeereus aangehouden I Dat 'sotze prooi 1quot; roept Neerlands held Den grijskop toe , die 't roer omkDelt.
Bogaees.
131 ⢠1. God schiep den Hemel «n de aarde.
2. De moeder verzorgt het kind.
3. De vogel vliegt in, over, naar, uit den boom.
Kent gij Willem, den Zwijger?
Ontleed de bovenstaande zinnen.
De gespatieerde woorden staun in den vierden naamval. In den eersten en in den tweeden zin komt het zelfst.nw. in den naamval voor als....; in den derden zin als .... en in den vierden zin het eene als .... het andere als . ..
Hoe heeten de woordjes, die in den derden zin vóór boom staan.
Na weet gij dus reeds, dat een zelfst.nw. in den vierden naamval staat, wanneer het voorioerp is, wanneer het door een voorzetsel wordt voorafgegaan , en wanneer het als bijstelling staat bij een zelfst.nw. in den 4fI1 naamval.
Bemerkt gij eene buiging aan het zelfst.nw. ? Aan het lidwoord P In welk geslacht P
38
1^^. 1. Hij vertrok den volgenden dag.
2. Ik hen den derden Juni jarig.
3. Die prent kost een (en) stniver.
4. Deze tafel is een (e n) meter breed.
De woorden dag, Juni, stuiver en meter staan hier ook in den 4en naamval. Uit deze voorbeelden blijkt dns, dat de bepalingen, die eenen tijd, eene waarde of eene maat aandniden, ook in den 4cn naamval staan.
In plaats van eenen mag men ook een schrijven.
- Plaats in de volgende zinnen het lidwoord en vul aan,
wat er verder in ontbreekt. Aau ... ingang van .. tuin lag ... groote hond, die zij.. . meester eenmaal . .. leven gered had. â Hebt1» gij ... bericht gelezen van . .. vreeselijk.. . brand, die in één dag .. . handel . . . stad zulk .. . zwa .. . slag toegebracht heeft? â De takken van . .. hoog. .. populier , die naast onz ... tuin staat, zijn dez ... nacht door .. . storm gebroken. Tevergeefs zult gij in .. . ouderdom trachten in te halen , wat gij gedurende tijd uwer jeugd verzuimd hebt. â Hoe I hebt gij voor . . . sigaren koker slechts ... halve ... gulden betaald? â Mij dunkt, dat bi wel ... rijksdaalder waardis. â Ongelukkige, wend ... blik naar.. Hemel. â Kent gij Hannes,... zandboer ? â Gij hadt hem dez .. morgen eens moeten hooren roepen. â Jongen, ... rand van uw . . hoed moet gij niet sparen. â Ik lees het leven-van Willem, .. Zwijger.
. 1^4- VRAGEN. 1. Welke buiging ondergaan de mannelijke en onzijdige zelfst.nw. in den 2en, 3en en 4en naamval ?
2. Wanneer krijgen ook de vrouwelijke in den 2en naamval eene 5?
3. Noem eenige zelfst.nw., die in den 2en naamval en aannemen in plaats van s. 4. Hoe omschrijft men den 2cn en 3en naamval ? 5. Wanneer heeft dit gewoonlijk plaats ? 6. Wanneer staat een woord in den 4f'n naamval ?
39
Verbniging der Lidwoorden, Zelfst.nw., / Bijvoeglijke naamwoorden, enz.
/
lüSS. Ziehier de buigingen, welke de zelfst.nw. en de lidwoorden in de verschillende naamvallen ondergaan : Mannelijk. Veouwelijk. Onzijdig.
Hei huis. Dos huizes. Den huize. of het huis.
4. Den boom. De roos. Het huis.
Mkeevoud voce de deie geslachten.
1. De boomen , rozen , huizen.
2. Der boomen , rozen , huizen.
3. Den boomen , rozen , huizen.
4. De boomen , rozen , huizen.
In het spreken gebruikt men in den derden naamval meervoud gewoonlijk de in plaats van den.
Mannelijk. Veodwelijk. Onzijdig
Een kind.
Eens kinds. Eenen kinde of
een kind. Een kind.
1. Een vorst. Eene^lei.
U. Eens vorsten. Bener lei.
3. Eenen of een Eener of eene
vorst. ~ lei.
4. Eenen of een Eene lei.
vorst.
ISO. Wanneer vóór het zelfst.nw. eeu bijv.nw. staat dan ondergaat dit hier en daar ook eene verandering.
1. De boom.
2. Des booms.
3. Den boom.
De roos. Der roos. Der of de roos.
|
Mannelijk. 1.^'De arme visscher. 2. Des armen visschers. 3. Den armen visscher. 4. Den armen visscher. |
Veouwelijk. De fraaie kerk. Der fraaie kerk. Der of de. fraaie kerk. De fraaie kerk. |
40
Onzijdig. Meervoud dee 3 geslachten.
1. Het groote dorp. De fraaie kerken.
2 Des goooten dorps. Der fraaie kerken.
3. Den grooten dorpe of Den fraaien kerken.
het groote dorp.
4. Het groote dorp. De fraaie kerken.
Zooals gij ziet, neemt het bijv. naamw. enkele malen
eene n aan. In welke naamvallen en in welk geslacht P
- IS'?'. Verhuig nu eerst zonder, daarna met het bijvoeglijk naamw. de (getrouwe) vriend; â eene (slappe) koord; â eeu (rijke) man; â het (groene) veld; â de (geurige) roos,
- Maak zinnen , waarin gerust, vermoeid , trotsch en dwaas vóór het zeJfst. nw. inden\*n, 2,n, en quot; naamval staan.
VOORBEELD.
1. Een gerust geweten is meer dan schatten waard.
2. Hoe genoeglijk rolt het leven des geruste n landmavs heen.
3. X)e zieke heeft den gerust e n slaap zijne beterschap te danken.
4. De moeder verheugt zich over den geruste n slaap van haar
kind.
ISSt». Achter het lidwoord een blijft het bijv. naamw. in den 1quot;' en 4quot;1 naamval van het onzijdig geslacht onveranderd.
Dit heeft ook somtijds plaats in den lrn naamval van het mannelijk geslacht, b. v. een groot man, een goed leerling , enz.
Er bestaat echter verschil tusschen een groot man ea een groote man ; een goed leerling en een goede leerling.
Goliath was een groote man , d. i. groot van gestalte; maar David was een groot man , d. i. beroemd om zijne groote daden. Hij is een goede leerling beteekent, dat hij braaf, deugdzaam, van een goéd gedrag is, al heeft hij ook weinig verstand; een goed leerling daarentegen is hij , die oplettend , ijverig, leergierig is.
- X30. Geef in goede zinnen het verschil eens op tusschen een goed jager en een goede jager; een groot schilder en een groote schilder; een goed zanger en een goede zanger; een een-
41
roudig burger en een eenvoudige burger; een gemeen soldaat en een gemeene soldaat; een oud soldaat en een oude soldaat.
VOORBEELD. De oude Maurita is toch een goede jager; iedereen houdt veel van hem ; maar een g o e d jager is hij niet, vgt;ant hij schiet zelden wat.
131. De bezittelijke en de aanwijzende voornaam woorden worden ook verbogen :
Mannelijk. Veouwelijc. Onzijdig.
|
Onze tuin. Onzes tnina. Onzen tnin. |
Onze moeder. Onzer moeder. Onser (onze) moeder. 4. Ouzen tnin. Onze moeder. |
Ons kind. Onze« kinds. Onzen kinde of ons kind. Ons kind. |
Meebvodd voob de deie qeslachten. Onze tuinen , moeders , kinderen
Onzer tuinen , moeders , kinderen.
Onzen tuinen , moeders, kindoren.
Onze tuinen , moeders, kinderen.
Uugt;, zijn , haar, deze, enz. worden evenzoo verbogen.
IJÃïi- Gij zult wel opgemerkt hebben, dat de verbuiging niet verschilt van die des lidwoords.
133- Een bijvoegl. naamw., voorafgegaan door een aanwijzend of bezittelijk voornaamw. , wordt juist zoo verbogen , alsof er het lidwoord een vóór stond; b. v.
Mannelijk.
1. Uw oude vader.
2. Uws ouden vaders.
3. Uwen (uw) ouden vader.
4. Uwen (uw) ouden vader.
Onzijdig.
1. Dit arme kind.
2. Dezes armen kinds.
3. Dezen armen kinde
of dit arme kind.
4. Dit arme kind.
V eoü weluk.
Zijne jonge zuster.
Zijner jonge zuster. Zijner (zijne) jonge zuster. Zijne jonge zuster. Meeevoud dkh 3 geslachten.
Hunne 'groote lessen. Hunner groote lessen. Hnnnen grooten lessen.
Hunne groote lessen.
1. 2.
3.
4.
42
- 134. Vul het ontbrekende aan. Een slapend.. . vos vangt geene kippen. â Dez. .. morgen is de klein... Piet in het slijk gevallen ; hij heeft zijn... nieuwe... kiel erg bemorst. â Wat zeide uw .. vader, toen gij hem de... gevaarlijke... toestand mededeel-det, waarin mijn... jonaste zuster zich bevindt? â Wat zaagt gij dez... middag in onz. .. tuin ? â Een. . . groot. .. hond zag ik, die recht op mij afkwam. â Aan wien behoort die prachtig. . . tuin met dien fraai... koepel ? â Aan de. . . oudst... zoon van onz... nieuw... burgemeester. â Jozef werd door zijn... afgunstig... broeders gehaat; zij ontdeden hem van zijn.. . veelkleurig. . . rok , wierpen hem in een. .. diep.. . put, en verkochten hem aan Arabisch. .. kooplieden. â Op de... vier en twintigst.. . Juni 1859 werd er te Solferino in Italië een. .. bloedig... slag geleverd tus-scheu de Franschen en de Oostenrijkers. â Hebt gij geen medelijden met de.. . arm. .. grijsaard, die daar in 't midden van de... streng... winter op zijn armoedig zolderkamertje zit te bibberen? â Hebt gij de... oud... jachthond van Frans, de... jager, niet gezien ? â Dez... morgen is hij weggeloopen.
- Handel evenzoo met het volgende. Aan de... ander. .. oever van de.. . breed.. stroom staat een armoedig. . hutje, waarin een... behoeftig.. daglooner met zijn.. vrouw en drie nog
Jong.. kinderen woont. â Ik heb medelijden met dien arm. . man. â Voor jj^inige jaren was hij een., welhebbend., burger ; eenige uren waren voldoende om hem tot deze.. ellendig., staat te brengen. â Een hevig.. brand brak des nachts in een aangrenzend gebouw uit en tastte weldra ook zijn.. . woning aan. â Wel gelukte het de.. . moedig... spuitgasten, na een. .. moeilijk. . . en aanhoudend... arbeid van verscheidene uren, de... brand meester te worden ; doch het was reeds te laat ; de. .. volgende. . . morge» bemerkte men niets meer dan rookend... puinhoopen. â Is het waar, dat de zoon uw. .. rijk... buurmans zijn.. trouw. . . hond verkocht heeft ? â Dez... koud.. . nacht zult ge uw. . . warm .. mantel wel noodig hebben. â Uwe nieuw . . regenjas zal u op reis -eveneens goed te pas komen. â Dez... kostbaar... ring vond ik in zijn., lessenaar. â Dat zal mijn., oud., vader genoegen doen.
43
Het bijvoeglijk naamwoord.
13(3. 1. T)e dag wis warm, maar a c h o o n.
2. De lieve lente nadert.
3. Verbeeld u dien praehtigen stoet.
4. Is dat een gouden horloge ?
5. Ik heb van den AmBterdammer schipper
wat groenten gekocht.
Be bijvoeglijke naamwoorden duiden de hoedanigheden of eigenschappen der dingen aan.
Zij staan nu eens vóór, dan achter de zelfst. naamw. In het laatste geval blijven ae gewoonlijk onverbogen. Men zegt echter: Ik Ir es het lenen van Karei dew Stouten. Onder de regeering van Willem den Goeden, enz.
137'. De stoffelijke bijv. naamw. blijven altijd onveranderd , behalve enkele, die niet op en uitgaan; als: lakensch , duffelsch , enz.
Komen deze ooit achter het zelfst.nw. te staan ?
13(5». Nog blijven altijd onverbogen: 1° de bijv.nw. op er, die van den naam eener plaats afgeleid zijn, als : Deventer koek , Rotterdammer boot, liiammer kaas, enz.; 2° deelwoorden op en , als : eene gebroken ruit, van den gevonden schat , enz.
- 130. Vorm bijv. naamw. van de volgende zelfst. naamw. : man , tijd , Zwolle , glas, VHage , Hemel, katoen , Zeeland , Engeland , slijk. Paus, Rusland, zand, Spanje, koning, dief, Am-üterdam , God , liefde , Gelderland , Engel, Japan , mond, lichaam, .Rome, Italië, grond.
- 140. Vul het ontbrekende aan. Eene zilver... vork is duur... dan eene staal... â De regeering van ons. . . stadhouder Frederik Hendrik noemt men wel eens de goud... eeuw van Nederland. â Onder den beroemde... Perikles geraakte Athene tot een ongekend... bloei; marmer... standbeelden en heerlijk... zuilengangen versierden de straten eo pleinen der stad. â Lykurgus gat den krachtig... Spartanen zeer streng. . . wettcu ; hij verbood hun het gebruik van goud... en zilver. . . munten . en liet slechts ijzer.. . geldstukken vervaardigen. â God schreef de tien geboden
44
op twee Bteen . . tafelen. â Des Zondags draag ik eone laken.... jas; maar door de week een katoen... kiel. â Eertijds droeg men vilt .. hoeden thans zijde. .. â Ik heb een Leid... kaas gekocht.â Ik houd meer van Edam. .. â Aan den linkerkant van den oud.. ingang stond eene koper.. poort. â Wanneer men den aloud .. kloostertuin binnentreedt, bemerkt men aan de rechterzijde een... kunstig gemaakt... zonnewijzer , rustende op een brons.. voetstuk. â Deze onbezonnen daad heeft uw. .. grijs.. . vader veel kommer veroorzaakt.
141. 1. Die man verkoopt levende en doode vogels..
2. Fan daar zal Hij komen oordeelen de leven-den en de d o o d e n.
3. Oude menschen zijn wijzer dan jonge.
4. De ouden waren in vele zaken niet zoo er
varen als tcij.
Bemerkt gij het verschil tueschen levende, doode , oudeen levenden , duoden , ouden P
Wat zijn levende, doode, oude, jonge in den eersten en in den derden zin P Bijvoeglijke naamw. , niet waar P
Welk woord is aan het einde van den derden zin weggelaten ? Waarom ?
Wat verstaat men in den tweeden zin door levenden en dooden P Het staat er niet bij, en toch weten wij zeker, dat hier menschen bedoeld worden. Het zijn namen van personen en dos zelfstandige naamw.; ze moeten dus ook als zoodanig verbogen worden en in 't meervoud eene li hebben.
Ik heb in den dierentuin zwarte gezien. Weet gij nu, wat Lier door zwarte bedoeld wordt P Immers neen. Het kunnen vogels , viervoetige dieren of andere dingen zijn. Om dit te weten, moet de naam, het zelfst. naamw. er bij uitgedrukt worden ; b. v. Ik heb in den dierentuin zwarte zwanen gezien. Zwarte is hier dus een....
Anders is het echter, wanneer ik zeg: Deze missionaris heeft zijn geheel leven onder de zwarten van Afrika doorgebracht. Nu weet gij, dat door zwarten, menschen verstaan worden. Zwarten is bier dus een soortnaam, een zelfstandig naamwoord.
45
Christus gaf den blinden het gezicht, den d o o v e n het gehoor, den stommen de spraak weder. Ik acht den w ij z e, die versland met deugd vereenigt. Ziedaar nog een paar voorbeelden, waarin bijv. naamw. zelfst. naamw. geworden zijn.
Is dit ook het geval met de volgende zinnen : Hebt gij ooit het lenen van den geleerden Hugo de Grooi gelezen ? Welke vruchten zijn gezonder, r ij p e q/- o n r ij p e ? Waarom niet ?
Onthoud nu wel: Een bijr.nw. , zelfstandig gebruikt, krijgt steeds in het meervoud eene n , wanneer er sprake
is van personen.
1412 Ziellier hoe de bijv.nw. verbogen worden , â¢wanneer ze als zelfst.nw. voorkomen.
Ekkbltoud.
MiNNELUK. Vbodwblijtk:. Meebvoüd.
1. De arme. De arme. De armen.
2. Des armen. Der arme. Der armen.
3. Den arme. Der arme. Den armen.
4. Den arme. De arme. De armen.
Gij ziet alzoo , dat ze juist verbogen worden als vorst,
.prins, mensch, hart, enz., die ook in den 2'Igt; naamval enkelvoud en in plaats van 8 hebben.
143. Van bijv nw. als zelfst.nw. in het onzijdig geslacht gebruikt, wordt de 2C en ook de 3e naamval gewoonlijk omschreven: het goede , van het goede, aan het goede, het goede.
Achter iets, niets, veel, weinig, wat zult ge echter dikwijls den sterken 2ïI' naamval vinden; b. v. iets goeds, niets treurigs , weinig nieuws , wat bijzonders.
Beproef nu eens, of gij van elk een voorbeeld in een goeden zin kunt geven.
- 144. Schrijf zonder fouten. De dokter plaatste de(n) blinde(ii) aan den eene(n), en den doo¥e(n) aan den audere(n) kant. Het lot dezer rijke(n) is geenszins benijdenswaardig; zij verdrukken bunne arme(n) medemenschen en bekommeren zich niet om het leed
4
V
46
der ongelukkige(n). God zelf heeft het gezegd ; er is geene(n) vrede voor de goddelooze(n) Tk heb onlangs bij mijDe(n) boekhandelaar een groot aantal boeken besteld: oude(n) en meuwe(n), Neder-lands(ch)e(n) en Frans(ch)e(n). Ik beklaag deze(n) dwaze(n) jongeling, die de(n) kostbare(n'l tijd zijner jeugd verspilt. Wat dunkt u(w) van de(n) dwaze(n), die wil maaien , waar niet gezaaid is ? Vele wilde(n) van Noord-Amerika leven bijna uitsluitend van dejag(ch)t op wllde(n) dieren. Sommige dezer wilde(n) stammen maken, evenals de oude(n), gebruik van p\j(ei)l en boog. Kunt gij de(n) grootste^) geleerde(n) vac Nederland noemen? Ik keu wel verscheidene groote Nederlaudsche geleerde(n), maar het zou moeilijk zijn te zeggen, wie hunner de(n) grootste(n) is. Verblijd u(w) met de blijde(n) en ween met de weenende(n).
- X4S. Verbuig in hei enkel-en meervoud, mannelijk en vrouwelijk : de booze, een zieke ; en alleen in het enkelvoud : het goede.
Ib het meervoud Tan een zieke ook d© zieke? W aarom niet P
De onbepaalde telwoorden alle, vele, weinige, sommige , beide, ieder, elk, enz. worden, evenals de bijv. naamw., ook dikwijls zelfstandig gebruikt; b. v. Velen (d. i. vele menscben) meenden, dat hij dood was. Sommigen gingen heen, anderen bleoen, maar allen waren voldaan. Deze kinderen zijn allen beloond, leder (of iedereen) bemint hem. Ook hier geldt weder, wat op het einde van N° 141 gezegd is.
Waarom moet men echter schrijven: sommige, eenige mijner vrienden ; en niet sommigen , eenigen ?
Kan men hier het woord vrienden niet achter sommige, eenige voegen ?
Gaat dit ook achter allen in den zin.- Deze kinieren zijn allen beloond geworden ?
Schrijf zonder fouten. Eenigen(n) leerlingen maken vele vorderingen, andere(n) leeren weinig of niets. Hoe komt dat ? Alle(n) willen gelukkig worden , maar velen wille(n) de middelen niet te baat nemen, welke hen tot het geluk moeten brengen. De eer8te(n) zullen de laatste(n) en de laatste(n) de eerste(n) zijn. Alle(n) veranderingen zijn geen verbeteringen. Wat een volk op de been I De eene(n) gaan, de andere(n) komen; eenige(n) venten
47
hunne waren, andere(n) slaan hunne tenten op en lokken er oude(n)-en jonge(n) heen. Beide(n) zijn er slecht afgekomen. Willem , leven uwe vinken nog? Neen, dio valsche kat van onze buurvrouw heeft ze beide(n) weggehaald. Jezus deed de doode(n) venei(ij)zen ; aan de doove(n) gaf Hij het gehoor , aan de 8tomme(n) de spraak, en aan de blinde(n) het gezicht weder.
'k Wensch aan al wat leeft en ademt,
Stroomen heils- en zielsgenot.
Zijn niet schamele(n) en rijke(d) ,
Alle(n) kindren van eea God ?
Vrouwe Couktmans.
Al de wand'laars, die het zagen,
Ble(e)veii staan ,
Alle(n) staarden met behagen 't Bloempje(tje) aan.
't Bloempje(tje) hoorde graag zich roem(m)en ,
En bet dacht:
'k Overtref vast alle(n) bloemen.
Verre in prag(ch)t.
Leopold , Mosrootjes.
- Maak 8 zinnen icaarin kleine , Fransche , groote ,. beide, vele, sommige, geleerde, zieke als zelfst.nw. gebruikt zijn.
- 1*4 1 gt;. Ooh 5 zinnen , waarin groen , goed , blind , wijs , arm, ali telfst.nw. in 't enkehond voorkomen.
löO. De toren is hoog. Be toren is vrij hoog. De toren is zeer hoog. De toren is ontzaglijk hoog. De toren is t e hoog. De toren is niet hoog genoeg.
In al deze voorbeelden wordt de hoedanigheid hoog toegekend aan toren; doch niet telkens in dezelfde mate.
Waardoor hebben wij die hoedanigheid versterkt P Zijn zeer, vrij, enz. ook bijv. naamw. P Waarom nietP Wat zijn het dan P
löl. 1. Mijn boek is zoo groot als het uwe.
2. Mijn boek is even, jnist zoo groot. als het uwe.
3. Frankrijk is g r o o t e r dan Italië.
48
4. Frankrijk is veel grooter dan 'Nederland.
5. Rusland is het grootste land van Europa.
Wanneer men verschillende voorwerpen, die alle de hoedanigheid groot bezitten, met elkander vergelijkt, zal het eene die hoedanigheid in eonen minderen of meerderen graad bezitten dan het andere. De vormen groot, grooter , grootst noemt men de trappen van vtsr-j;»»l jjltinjy Waarom P
Groot heet de sl«I, grooter de vergfroo-tenrte en grootst de o v«5r( r^ffencle trap. Door welke uitgangen vormt men den vergrootenden en den overtreffenden trap? Waardoor kan men ze beide nog versterken P
Wanneer het bijv.nw. op r uitgaat, dan wordt de vergrootende trap gevormd door dor; b. v. zuur â zuurAfitr.
If53. Gaat het bijv.nw. op s of sch uit, dan zet men er in den overtrefienden trap slechts eene t achter,
als : los â lost; valse A â valscht; boos â de ioostG.
104. Jan leest vlug, zijne zuster leest vlugger, maar zijn broeder leest het vlugst. Is vlug hier ook een bijv.nw. P Wat dan P
Gij ziet alzoo, dat ook sommige bijwoorden trappen van vergelijking hebben.
Vorm nu zelf den vergrootenden en overtrefienden trap eens van goed , veel, weinig , na.
1C5Ã. Ziehier eenige woorden, die gij nooit in den â¢vergrootenden of overtreffenden trap ontmoeten zult: Fransch, Engelsch , Rotierdamsch, hemelsch ; â eeuwig , blind, dood, pikzwart, ijskoud ; â gouden, aarden , lakensch, enz.
Fol, ledig, volmaakt en eenige andere moesten eigenlijk ook nooit in den vergrootenden of overtreffenden trap gebruikt worden. Waarom niet P Toch doet men het wel.
1Slt;5. Soms vormt men om wille der welluidendheid den vergrootenden en den overtrefienden trap op ⢠eene andere wijze; b. v. Uw broeder is meer doordron-
49
gen (niet door drong ener) van de waarde des tijds dan gij. Willem was de meest vergramde (niet vergramdste) van al zijne makkers. Kunt gij eenige bijvoegl. n a am vr. noemen, waarbij dit gewoonlijk plaats heeft ?
107quot;. ]Na een bijvoegl. ntamw. in den vergrootenden trap gebruikt men dan, niet als. Ook na niemand, niets, nergens, nooit. Geef van elk een voorbeeld.
- In welken trap staat het bijvoegl.nw. in de volgende uitdrukkingen? Zet hiervoor een samengesteld bijvoegl.nw. in de plaats zoo zwart als pik, zoo sterk als ijzer, zoo bleek als do dood. zoo stil als de dood, zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed, zoo rond als een bol, zoo blauw als de hemel, zoo koud als ijs, zoo zwaar als lood, zoo dicht, dat de lucht er niet door kan, zoo blank als de lelie , zoo droog als kurk â als been , zoo snel als een pijl.
- ISO. Vorm den vergrootenden en den overtref enden trap van: vroeg, laat, dor, tinnen, boos, doornat, straks, zuiver, verlegen, traag, beklad, valsch, driestemmig, Spaanscb, klaar, luchtig, mondeling , guur , gepast, stram , plomp , vermetel, rad.
De laatste zes dezer bijvoegl.nw. moet gij in den vergrootenden of in den overtreffenden trap in cenen zin laten voorkomen.
- 100« Schrijf het volgende versje in proza en plaats de bijvoegl nw. in den vergrootenden trap.
Een kinderhart moet zijn Als de lelie zoo rein ,
Als de dauw zoo klaar,
Als de spiegel zoo waar.
Zacht en teer als de roos ,
Als de vooglen altoos Zoo blij.
VOORBEELD. Een kinderhart moet zijn reiner dan de lelie, enz
- iel. Maak flinke zinnen, waarin de volgende bijvoeglijke naamw. voorkomen ; donzig , bedeesd , achtbaar , sober , verminkt, tastbaar, eerloos, eerlijk, eerzuchtig, eentonig, onbewoond.
- 161. a. Vul het ontbrekende aan, waar zulks noodig is.
Lang... tijd beweende de goede vrouw de... plotseling.. . dood
van'_ haar... dierbaar... echtgenoot. Door laster en kwaadspreken brengt men zijn... naaste. .. gevoeliger... en ongeneeslijker...
T. S. 2 C 4
50
wonden toe, als (dan) door het staal. Bij die. .. achtenswaardig. . . ambtenaar werden door de. . . opgeruid... volkshoop de glazen ingeworpen. Na een... rusteloos... arbeid van meer als (dan) een half... dag, kon ik eindelijk een... kort... poos rusten. Langs de... geheel... weg stond een onafzienbaar.. . drom van menschen de komst des geliefd... vorst... af te, wachten. Uw... laatst... keurig... gesteld... brief heb ik aanstonds aan uw... oudst... broeder gezonden. Een. .. moedwilliger... knaap als (dan) hij , heb ik zelden (zeldzaam) gezien. Wat mag er toch in die... zorgvuldig... toegedekt... schotel zijn? De H. Joannes, de bemindsl... leerling des Heer.. ., is de. .. eenig.. . Apostel, die een. . . natuurlijk... dood gestorven is. Zoodra de... waar... schuldig... zijne misdaad beleden had , gebood de.. . rechter de.. . onrechtvaardig .. beticht.. . in vrijheid te stellen. De.. . onschuldig. . . strekt hij tot ergernis, de... boos... stijft hij in het kwaad. Een buitengewoon... vruchtbaar.. . oogst vergoed(d)e rijkelijk het misgewas d... vorig.. . jaars. Men houd(t) Rothschild voor de. ... schatrijkst.. . man van Europa. Grootvader is in d. .. hoog... ouderdom van zes en tachtig jaren overleden ; ik verzoek u d... dierbaar... overleden.. . iu uwe gebeden gedachtig te zijn. Het is een heilzame gedachte voor de overleden. .. te bidden.
- VRAGEN. 1. Wat duiden de bijvoegl. naamw. aan ? 2. Welke bijvoegl.nw. blijven altijd onveranderd ? 3. Een schipper , die op Amsterdam vaart, heet een Amsterd.. . schipper; koek, die te Deventer gebakken wordt, heet Dev......koek.
4. Wanneer is een bijvoegl. naamw. als zelfst. naamw. gebruikt ?
5. Krijgen de bijvoegl. naamw. en de onbep. telw. als zelfst. naamw. gebruikt, in 't meervoud altijd eene n? 6. Welk woord is weggelaten in den zin: Welke hoeken leest gij liever, Fransche of Duitsche? 7. Wat zijn hier Fransche en Duitsche ? 8. Geef een voorbeeld, waarin heide bijvoeglijk, en een ander, waarin het zelfstandig gebruikt is. 9. Hoeveel trappen van vergelijking [zijn er? 10. Hoe worden ze genoemd? 11. Zijn er behalve de bijvoegl. naamw. nog andere woorden , die in den vergrootenden en in den overtreffenden trap gebruikt worden ? 12. Welke bijvoegl. naamw. hebben geen trappen van vergelijking ? 13. Geef op 10 bijvoegl. naamw., waarvan de vergrootende en overtreffende trap altijd door meer en meest, omschreven worden.
61
Het Telwoord.
103. 1. Eén vogel in de hand is beter dan tien
in de lucht.
2. Wij waren met ons aohteu.
3. -A.n tier half kilo thee moet nog betaald
worden.
4. Op een schip is maar één groole mast.
5. üJenijSfe vogels kunnen zwemmen en heeten
daarom.....
6. Sommige dieren slapen dengeheelen winter.
7. Velen verkwisten den kostbaren tijd.
8. hen eersten April 1572 werd Brielle
door de Watergeuzen ingenomen.
9. Z)« tweede, cte flertle ra tiende
boom zullen geveld worden.
10. Be achtste, de twintigste en de
een en veertigste paal moeten
geverfd worden.
11. Ben hoeveelsten hebben we vandaag ?
12. Bat heb ik u al voor den izooveelsten
keer verboden.
Woorden, die de hoeveelheid der dinges aanwijzen, heeten.... Men kan de hoeveelheid der dingen bepaald of onbepaald aandniden.
Sommige telwoorden duiden niet de hoeveelheid, maar slechts de rangorde der dingen aan. Zulks kan ook bepaald of onbepaald geschieden.
Wijs in bovenstaande zinnen aan , welke woorden het juiste aantal der dingen bepalen. Ze heeten daarom .... behaalde telwoorden, ook grondgetallen.
Wijs ook die, welke op eene onbepaald wijze het aantal aanduiden. Men noemt ze.....
Hoe worden de telwoorden genoemd, die slechts de rangorde der dingen aanwijzen ? Toon die ook in bovenstaande zinnen aan. Welke doen zulks op eene onbepaalde wijze P Kent gij er nog meer P
52
Welk woord moet in den achtsten zin achter eersten gedacht worden P Hoe worden de rangschikkende telwoorden van de grondgetallen afgeleid F Welk is het telwoord in den vierden zin P Waardoor onderscheidt het zich in het lezen en gewoonlijk ook in het schrijven van het lidwoord? Zijn vierde en achtste ook rangschikkende telwoorden in drie vierde gulden , vijf achtste meier ?
Uit den tweeden zin ziet gij , dat de meervondsvorm der telwoorden en is.
- 164. Maak zinnen, waarin de volgende telwoorden als rangschikkende voorkomen : een , drie , zes, een en twintig , driehonderd , twee duizend.
Onderstreep de telwoorden, die in de volgende versjes voorkomen.
De ouderdom komt met gebreken,
En wie zeven kruisjes telt,
Weet er doorgaans van te spreken.
Toch is vader Kras een held.
Wie hem vóór zijn eigen huisken
Zoo zijn pijpjen rooken ziet,
Denkt sekuur: â hij jokt één kruisken ,
â Zeventig ? .. . . dat is hij niet 1quot;
A. J. de Bull.
En toen de woning klaar was,
Verborgen tusschen 't groen ,
Verhief zich beider zingen
In 't geurig Meiplantsocn.
Het was na weinig dagen ,
Dat uit den eierdop Vier kleine vinkjes kropen ,
Als roosjes uit hun knop.
A. L. de Rop.
- 1C5£5. Schrijf het volgende zonder fouten. De getallen, die er in voorkomen, moeten in woorden geschreven worden. Onze wei(ij)de en die van onzen buurman zijn verkocht; beide(n) hebben een aardig sommetje opgebrag(ch)t. De(n) 21 Januari 1793 werd de ongelukkige Lodewijk XVf, koning van Frankrijk, op het
53
schavot onthoofd. Napoleon Bonaparte overleed de(n) 5 Mei 1821, op het eiland St. Helena , in het 52e jaar zijns levens. Hebben we vandaag de(n) twintip;s(e(n) ? Gisteren was het dB(n) «egen-tiende(d). Deze beide(ii) kinderen zijn we(e)ien ; geef beide(n) eene aalmoes, '/j gulden is 60 cent. Ge moet op 1 '/j gulden niet zien. Als één schaap over den dam is , volge(ü) de aiidere(i.) van zelf. Mooi, dat zijt ge boven velen ,
Slank en statig buiten kijf,
Kostbaar dons bedekt o(w) lijf;
Maar wat kan dat andere(n) sche(o)len ?
Zie die(n) kleine(n) nag(ch)tegaal,
Grauw en poover in de veereu ;
Maar , wat kan hij kwiukele(e)ren ;
Zwaanlief, hél dat's meer dan praal.
J. P. Heije.
lOO. Die atlas kost mij vijf gulden.
Ik heb twee nieuwe guldens in mijn zak. Als ik den atlas met twee rijksdaalders betaald heb, dan kan ik toch zeggen, dat hij mij vijf gulden kost. Waarom ?
Wat beteekenen twee guldens in den tweeden zin P Zoo is er ook verschil tnssohen tien kilo thee en tien kilo's thee; â honderd man en honderd mannen ; â 5 liter en 5 liters, enz.; ook tusschen vele boeken en veel boeken ; â weinige vruchten en weinig vruchten. Waarin zou dit verschil bestaan ?
Men zegt: het is zes uur of uren ; â te drie uur of te drie uren ; â het is bij vijven, 10 minuten voor achten , enz.
ItiT'. De rangschikkende en de onbepaalde telwoorden staan dikwijls als de bijvoeglijke naamw. vóór de zelfstandige naamw. en worden dan ook evenals de bijvoeglijke naamw. verbogen ; b. v.
1. Het eerste jaar. De vele rampen.
2. Des eersten jaars. Der vele rampen.
3. Den eersten jare q/quot; Den velen rampen.
het eerste jaar.
4. Het eerste jaar. De vele rampen.
54
1 Kent gij ook gevallen , waarin het rangschik
kend telwoord achter het zelfst.nw. komt te staan ?
Men leze niet: Willem III (Drie), Karei V (Pijf), van Lode wijk XIV [Veertien); â maar Willem de Tierde, Karei de Vijfde, van Lode wijk den Veertienden.
Gij ziet alzoo, dat in dit geval de rangschikkende telwoorden juist zoo verbogen worden, alsof ze vóór het zelfst. naamw. stonden.
lOO. In de vorige les zagen we, dat vooral de onbepaalde telwoorden menigmaal als zelfst.nw. voorkomen en dan ook als zoodanig verbogen worden.
ITO Honrtertfen, ja duizeuden menschen, waren in een oogenblik op de been. Mtillioeueo sterren schitterden aan het uitspansel.
In deze beide zinnen zijn honderden, duizenden en millioenen zelfst.nw. ; ze staan in de plaats van honderdtallen van , duizendtallen van , enz.
Drietal, dozijn , paar, gros, snees en stijg (= 20) zijn ook zelfst. naamw.
- liquot;!. Maak drie zinnen, waarin geheel, half, gansch , vóór het zelfst.nw, komen en 3 , waarin ze er achter staan,
VOORBEELD. Geheel de stad was op de been.
Ik heb het vers geheel opgezegd.
m ITS. Schrijf de volgende zinnen zonder fouten en vul het ontbrekende aan. De getallen moeten in woorden uitgedrukt worden.
Deze baal weegt driehondeid ....â Die balken zijn 16 v. .. . lang en 1 '/j v. ... breed. â De ij(ei)kineester heeft in de heiberg hieruaast 12 liter.. geij(ei)kt. â Wij noemen ons talstelsel bet tiental .. ., omdat in onze wijze van tellen het grondtal tien is.
â Deze bak bevat 15 liter... olie. â Ik had niet gedacht, daar zooveel vrouwen en zoo weinig man . . . aan te treffen. â Weldra stond een leger van 60.000 man ... ouder de wapenen.â Onder de rege(e)ring van graaf Floris 11 begonnen de kruistog(ch]ten.
â Nadat de Fransche republikeinen hunne(u) koni(n)g Lodewijk XVI onthoofd hadden , verklaarden zij achtereenvolgens aan verscheiden vorsten van Europa, en ook aan onze(n) stadhouder Willem V , den oorlog.
55
Wat kregen We eeu zegen Van rust en gemak 1 Ach , dui2ende(n) arme(n),
Ze dolen en kermen En hebben geen dak !
Uit Beaga.
- In welken naamoal staan de cursief gedrukte woor
den ? Waarom ?
Hij hoort der vooglen morgenlied,
Dat blij Gods lof vermeldt,
Terwijl zijn oog naar boveo ziet,
En 't hart, dat zooveel vreugd geniet,
Dien dankhren zang verzelt.
VRAGEN. 1. Wat duiden de telwoordeu aan? 2. Hoe noemt men de telwoorden, die het aantal der dingen of de rangorde niet bepaald aanwijzen ? 3. Welk is de meervoudsuitgang der telwoorden? 4. Welk verschil is er tusschen zes guldens en zes gulden ? 5. Geef een voorbeeld, waarin een onbepaald telwoord zelfstandig gebruikt wordt. 6. Geef een voorbeeld, waarin een rangschikkend telwoord zelfstandig gebezigd is. 7. Wanneer staan de rangschikkende telwoorden achter het zelfst. naamw. ? 8. Hoe worden ze dan verbogen? 9. Wat heieekeniduizenden in; duizenden Engelen omringen den troon van God ?
Voornaamwoorden. â Bijvoeglijke en zelfstandige.â Persoonlijke vooriiaamwoorden.
irs. i.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Willem , moeder heeft den zieke bezocht. 11« heb u nog niet bij hem gezien. Jan, hier is my n boek, daar ligt het uwe. Deze jongen is vlijtiger dan die. quot;Wie roept daar, en -wat zie ik?
Hier is de hond, die verloren was. Degene , die liegt, wordt gestraft. Sr klopt iemand aan de deur.
56
Ia den eersten zin is de naam van het onderwerp en het voorwerp nitgedrokt, zij zijn met den naam genoemd ; in den tweeden niet. â Hier dnidt ik den persoon aan, die spreekt, maar noemt hem niet; en de naam Willevb en zieke is vervangen of wordt aangeduid door u. en faem.
De woorden, die de zelfst.nw. vervangen of personen en zaken aandaiden, heeten voornaam woorden.
Wijs ze in bovenstaande zinnen aan.
Ib, u en bem , (2e zin) duiden den persoon aan, die spreekt, den aangesprokene en een 3⢠persoon.
Mijn en li we (3e zin) dniden de bezitters aan.
Deze en die (l6 zin) wijzen personen aan.
quot;Wie en -wat (5e zin) tragen naar een persoon en eene zaak.
Die (6e zin) verbindt een bijvoeglijken zin met een naamwoord , waarop Let betrekking heeft.
Degene (7e zin) kondigt eene bepaling aan, waarmee het een bepaalden persoon aanduidt.
Iemand (8e zin) duidt een persoon aan, maar onbepaald.
Wij hebben hier das zeven verschillende soorten van voornw., die wij afzonderlijk nog nader zullen leeren kennen: persoonlijke, bezittel ij ke, aanwij-zende, vragende, betrekkei ij ke, bepalingaankondigende en onbepaalde voornw.
IT'Ã. 1. Deze lei is gebroken.
2. Dezen willen dit, genen dat.
3. Mlfn oom is vertrokken.
4. Die hoed is tan mij (de mijne).
Ontleed deze zinnen. Deze, mijn en die bepalen hier lei, oo»i en hoed. Ze hebben veel van bijvoegl. naamw.
Anders is het met dezen , dit, genen , dat, mij en de mijne. Deze staan niet als bepalingen bij de zelfst. naamw. , maar geheel op zich zelve. Gij ziet alzoo, dat sommige voornaamw. nu eens lgt;fl vo**I jjli , dan zelfstan-dig gebruikt worden.
57
quot; ⢠Wijs in het volgende aan , loelkj voornaamwoorden
bijvoeglijk 1 en welke zelfstandig gebruikt zijn. Wij weten, dat de dood ons eenmaal zal overkomen ; maar niemand weet den dag of het uur. Als gij iets tegen uwen naaste gehoord hebt, laat het bij u sterven. Zooeven schreef men mij , dat mijn jongste zusje deze week hare eerste H. Communie zal doen. Dit schrift bevalt mij beter dan dat. Heeft uwe zuster haar opstel al af? Neen, ik zal haar zeggen, dat zij het u dezen avond moet geven. Dwaze jongen, altijd uwen eigen zin willen hebben , knorrig en gemelijk zijn, als men u berispt of u op uwe gebreken opmerkzaam maakt; â waarlijk , dit staat u in het geheel niet mooi.
- Maak zinnen, waarin ons, haar, hun en dat bij-
voeylijk, en andere, waarin deze woorden zelfstandig gebruikt zijn.
l'T'tf. Welk voornaamw. gebruikt de spreker, wanneer hij zich zelren bedoeltP Welk, als hij van zich zeiven en van anderen spreekt? Welk, als hij den hoorder of aangesprokene bedoelt? Welk, wanneer hij iemand anders dan zich zeiven of den hoorder bedoelt ? Ik is het voornaamw. van den eersten persoon enkelooud; wij van den eersten persoon meervoud. Gij is de tweede persoon enkel- en meervoud. Vroeger was de tweede persoon enkelvoud du (doe).
Het voornaamw. van den derden persoon is hij voor het mannelijk, zij voor het vrouwelijk, liet voor het onzijdig geslacht, en zij voor het meervoud van alledrie de geslachten.
Deze woorden heeten persoonlijke voornaamw. Toch staan ze dikwijls in de plaats van dieren en levenlooze voorwerpen. Geef hiervan een paar voorbeelden.
Ip^O. In plaats van gij zegt men ook jij, je, u en voor het meervoud jelui, ook wel eens jullie (eigenlijk gijlieden]. Zoo ook voor den l'n en 3en persoon meervoud wullie en zullie. Wat zou dat beteekenen ? Wien spreekt men aan met jij , je? Wien met U of UEdele ?
Voor mij, wij, gij, zij zegt men ook me, we, ge, ze , en voor ik menigmaal 'k. Waar treft men dit laatste gewoonlijk aan ?
58
- 1S1. âLiefste duif ken , zei de jongling,
â Waarom zits du hier zoo treurig,
En zoo verre van dijn gaaiken ,
En zoo verre van dijn nestken ?
Heeft wellicht een wreede jager Nest en gaaiken di ontroofd ?
J. van Beebs.
Zet voer de hier gebruikte v nor naam w. andere in de plaats.
. De voornaamw. ondergaan evenals de zelfst. naamw. buigingen. In de volgende zinnen komen de drie personen in 't enkel- en meervoud in de verschillende naamvallen voor.
Ekeste pebsoon enkelv. Mebevocd.
1. 11« bemin mijno ouders ^Vif leeren onze les.
2. Heer, erbarm u mijiiei-. Wees ouzer indachtig.
3. Leen mij uw mes eens. Zeg het oii!S.
4. Meester roept my. Hadt gij ons gezien?
Tweede pebsoon enkel en meeevoud.
1. Oö steekt den draak met mij.
2. De Heer zal zich uwer ontfermen.
3. Dat zal ik u betaald zetten.
4. Waarom groet hij u niet P
Debde pebsoon enkelvoud.
1. 11 ij, (zij) verbeeldt zich te veel.
2. Ik zal zfjueir , (harer) gedenken.
3. Hem , (haar) zijfc gij eerbied schuldig.
4. Wij kennen hem , {haar) al sedert lang.
Debde pebsoon meebvoüd.
1. Z|j , (zij) zijn bet nimmer eens.
2. Drie hunneK', (harer) waren er bij tegenwoordig.
3. Dit is liun , (haar) een doorn in het oog.
4. Een groote ramp heeft beu , (haar) getroffen.
Geef nu zelf een ander voorbeeld van eiken naamval.
Ziehier, hoe het persoonlijk voornaamw. het verbogen wordt.
59
Enkelvoud.
Meervoud.
Zij , ze. Hunner. Hnn , ze. Hen, ze.
1. Het.
2. Zijner.
3. Het.
4. Het.
1Ã3- Wie gebruiken wjj , in plaats van ik?
In plaats van den tweeden naamval mijner, onzer, uwer, zijner, harer, hunner, gebruikt men ook wel eens mijns, â ons, uugt;s , zijns, haars, huns. De 2e naamval wordt echter gewoonlijk omschreven. Hun staat voor aan hen.
In plaats van haar zult ge wel eens ontmoet hebben.
Dit heeft vooral in deftigen stijl en in gedichten plaats.
- IS»!:. Schrijf de verbuiging der persoonl. voornaamw. eens geregeld op.
- 1H5. Wijs in het volgende versje de voornaamw. aan, en zeg, in welken naamval ze staan.
Toen greep de wroeging hem in 't hart,
Hij sloeg zich op de borst:
â Vergeld mij sprak hij , â kwaad met goed , En zead me een laafdrank in den gloed , Ter lessching van mijn dorst.quot;
Messcheet.
- 186. Plaats in de volgende zinnen de ontbrekende voornaamw. en schrijf zonder fouten. Waar zijn uwe broeders? Zeg .. . , dat ik gekomen ben om ... te bezoeken en ... eene aangename tijding mede te deelen. Wie heeft de aarde uit het niet te voorschijn geroepen? Wie heeft ... het vermogen geschonken, om bloemen en planten uit ... schoot te doen ontkiemen ? Is het niet de algoede Hemelvader, die ... kinderen niet alleen schenkt, wat ... noodzakelijk is , maar ook ruimschoots voorziet in alles, wat ... het leven kan veraangenamen ? Als mijne nichten komen, zal ik ... gelukwenschen met het herstel van ... vader. Als gij die boeken niet beter bewaart, zullen ... spoedig versleten zijn. He,, welk eene fraaie roos 1 Mag ik . .. afplukken ?
- ISO. a. Vervang het cursieve door een voornaamwoord of door er met een voorzetsel. â De muizen hebben de boeken afgeknaagd. De onderwijzer gaf den leerlingen de belooning. De barbier
60
vertelde den heer het voorval. Jan bracht een ruiker mede voor de zusters. Hoeder liet Anna de boodschap doen. De hoeken werden Jan en Willem door den knecht gebracht. Het kind verloor het boek. Gij staat op het tapijt. Zijt gij een liefhebber van apfitlfn ? Vader heeft met den dokter reeds over de behandeling gesproken De kogel is door de hand heeogedrongen. Alle menschen hielden den smid voor den dader. Antoon bedankte Mina en Cato voor de moeite. De knecht haalde het paard uit den stal, ging op het paard zitten en reed met het paard wej. Vader en moeder reden met oom naar de stad. Vader en moeder reden met den wagen naar de stad. Eerstdaags ïal ik bericht ontvangen van Jan , van Mietje, van het meisje , van het kind. De knecht haalt het hooi van den zolder. In dat boei heb ik de verhalen gelezen De muziek is door den kunstenaar met goed gevolg beoefend geworden. Het kind haalde den brief uit den lessenaar.
VOORBEELD. Het haalde hem er uit.
IS'7'. 1. Ik zelf heb het gezien.
2. Mij, a aielven heeft hij beleedigd.
3. Wij, zij zei ven waren er tegenwoordig.
4. Hij heeft het ons , hun zeiven verzekerd.
6. Zij zelve onderrichtte haar kind.
Het woordje zelf, dat dikwijls bij de persoonlijke voornaamw. en zelfst. naamw. gevoegd wordt, dient slechts ter versterking. Het wordt ook als een persoonlijk voornaamw. beschouwd.
Wanneer wordt het zeiven? Wanneer zeloe ?
1W». 1. Hij heeft zicli bezeerd.
2. Hij heeft tiem bezeerd.
3. Zij hebben zicli veel moeite gegeven.
Dit zich is een persoonlijk voornaamwoord van den 3'n persoon.
Welk verschil in beteekenis is er tusschen den l'n en den 2tn zin 'f Zich wordt dns gebruikt in plaats van .... om dubbelzinnigheid te vermijden.
In welken naamval staat het in den eersten zin P En in den derden ? Kan het ook in den eersten naamval staan ?
Welk verschil is er tusschen : Zij bezeerden zich en zij bezeerden el kan tl er P
61
Komen de quot;persoonlijke voornaamw. bijvoeglijk of zelf-fitandig voor P
quot; Vul dit nog eens aan. Hij heeft zich zeW ... al de
rampen op den hals gehaald , waaronder hij gebukt gaat â Wij moeten onz ... evenmensch als ons zelv .. . bemioueQ. â Gij moet uw evennaaste als ... zelv... liefhebben. â Men verhaalt van Maria Louisa, koningin der Belgen, dat zij ... menigmaal zelv .. . naar de hutten der arme(n) begaf, om ... te troosten en ... rijke aalmoezen te schenken. â â Mijn zoon,quot; sprak de priester tot den booswicht, â heb medelijden met ... zelve ... en met ... grijze(n) vader; haast ...., .... leven te verbeteren , en de barmhartige
God zal........ontfermen.quot; â Als gij ... des avoads ter rust
begeeft, vraag dan ... zelv ... af, hoe gij den afgeloopen dag doorgebracht hebt.
- lOO. Maak 2 zinnen, waarin zelf en zich in den 4en naamval enkelvoud en 2, waarin ze in den 3fn naamv. meerv. voorkomen,
â lOl- VRAGEN. 1. Waartoe dienen de vooruaamw. ? 2. Waaraan ziet gij, of een vooruaamw. bijvoeglijk of zelfstandig gebruikt is? 3. Waarom is iemand een onbepaald voornaamw. ? 4. Welk voornaamw. gebruikte men vroeger voor den 2eQ persoon enkelvoud? 5. Wanneer spreekt men iemand met Z7aan in plaats van met gij ? 6, Hoe is de 3e naamval van den 3en persoon enkelen meervoud voor het mannelijk , en hoe die voor het vrouwelijk geslacht? 7. Wanneer gebruikt men heur voor haar? 8. Geef een zin, waarin ze voor haar gebruikt is. 9. Waartoe dient het woordje zelf? 10. In welken naamval komt zich nooit voor? 11. Welk verschil is er tusschen hun en hen?
62
Bezittelijke , Aanwijzende, Bepaling-aankondigende , Vragende en Onbepaalde Voornaamwoorden.
lOS. 1. Uw boek lag in m li non lessenaar.
2. Zön vader en ha.a.r broeder zijn boezem
vrienden.
3. Mijn zusje heeft haren voet bezeerd.
4. Onze brieven zijn vermist, maar tie uwer
zijn reeds bezorgd.
5. De mijnen zijn allen weloarend.
De beasittelijlse voornaamw. wijzen aan, of iets aan den I1quot;, 2quot;quot; of 3,n persoon toebehoort. Hoe ze verbogen worden , weet gij reeds. (Zie bladz. 41.)
In den eersten zin kan men niet zien, of de bezitter mannelijk of vrouwelijk is ; in den 2ei1 en 3,n zin wel. De derde persoon heeft daarvoor verschillende vormen.
In den 4fn zin staat de awe, in den 5e,1 de mijnamp;n ; vanwaar dit verschil P Wie worden hier verstaan door de mijnen? Gij weet het, ofschoon het er niet bij staat.
Zondt gij ook in den 4fn zin weten , wat door de uwe bedoeld wordt, als het woord brieven niet voorafging P
De zelfst. bezitt. voornaamw. krijgen dns alleen dan eene n in alle naamvallen van het meervoud , wanneer daaronder huisgenooten of betrekkingen verstaan worden; b. v. de onzen, der onzen, den onzen , de onzen.
Overigens worden de bezittelijke voornaamw., zelfstandig gebezigd, juist verbogen als de bijvoegl. naamw. (Zie bladz. 39). b. v, de mijne, des mijnen, den mijnen, den mijnen ; de mijne , der mijne , den mijnen , de mijne ; enz.
- 103. Vul in de volgende zinnen het ontbrekende aan :
Gaarne zou ik raijo paard eenige dagen in uw .. . stal zetten , want het dak van den mijn ... moet hersteld worden. â Toen Jakob ziju einde voelde naderen, ont.bood(t) hij zijn zoon Jozef.
_ Vóór zijn ... dood schonk hij zijn . . . kinderen de(n) vader-
lijke(n) zegen. Uwe fruitboomen hebben veel minder van de rupsen geleden dan de onz. .. â Welke vreugde maakte zich van hen (hun) meester, toen zij de hun... behouden aantroffen! â Inden
63
tuin haar.. . raders staat een allerliefst priëeltje, waarin zij met haar. . . . broeder menig genoeglijk uurtje doorgebrag(eh)t heeft. â⢠Frits , leen mij(n) uw. ... atlas even ; ik heb de(n) mijn.... niet bij de hand. â Hebt gij gelezen, dat Zijne Majesteit gisteren avond in .... hoofdstad wedergekeerd is ? â Waarom is dat meisje zoo treurig? â Verleden Vrijdag is hare moeder overleden en thans is ... in gevaar h . . . vader te verliezen , die ernstig ongesteld is. â Vergeef uw ... vijanden het onheil, dat zij u(w) berokkend hebben, en vergeld hen (hun) kwaad met goed.
- 194. Maak zinnen , waarin de mijne, het hare , de onze, de hare , het zijne in den 3cn , en andere , waarin ze in den lfquot;-gt; naamval enkelvoud staan.
Maak vervolgens die zinnen meervoud.
lOö 1. Igt;©iBe knaap ziet er slordiger uit dan flie.
2. Xgt;it raam sluit beter dan dat.
3. Ues^e oever der rivier is niet zoo steil als
4. liezen of genen zullen het wel weten.
Ziehier de nan wijzende voornaamwoorden.
Welke aanwijzende voornaamw. gebruikt de spreker om de dingen aan te wijzen, die het dichtst bij hem zijn P Welke voor die verder af zijn P Welke zijn in de bovenstaande zinnen bijvoeglijk, en welke zelfstandig gebruikt P Hoe zouden wij dezen en genen in den 4'11 zin ook wel kunnen noemen ?
löe. De aanwijzende voornaamw. worden verbogen ala het lidwoord. Die wordt echter in den 2'quot; naamval enkelvoud diens; b. v. De daden diens mans zullen door iedereen geprezen worden.
Rembrandt en Vondel hebben beiden een onsterfelij-ken naam verworven; deze als dichter, gen© ah schilder.
Wie wordt hier verstaan door deze? Wie door gene?
64
lOS» Hoeveel knikkers hebt gij? Ik heb er nog tien. Dit er is hier ook een aanwijzend voornaamw. ; het is zooveel als der = daarvan. Dit der hoort men in de volkstaal nog wel eens gebruiken; b. v. Hoeoeel hebt gij der?
Is er ook een aanwijzend voornaamwoord in: Er is een boom omgewaaid.
lOO. Wat kan men in de plaats zetten voor aan dit, aan dat, van dat, van dit, uit dat, uit dit, enz. P
aOO. Sommige bijwoorden, dienen ook om iets aan te wijzen; b. v. Hier, tiaar wordt een huis gebouwd. Ginds is de aanlegplaats der stoomboot. Daardoor heeft hij zich in 't verderf gestort.
- SOI. Plaats in de volgende zinnen de weggelaten aanwijz. voornaamw. De leeuw eu de woU zijn beide(n) roofdieren ; .. . . treft men aan in koude streken , '... bewoont bij voorkeur de verzengde' luchtstreek. Als gij ... weg volgt , zult ge spoedig te B. komen; maar .... zou u hoe langer hoe verder van .... plaats brengen. Zijn de ooievaars al in 't land ? Ik heb .... nog geen enkele(n) gezien. Mij dunkt, dat ze... jaar zeer laat komen. Ziet gij daar . .. twee reusachtige eiken ? .. . behoort mij(n), maar ... heb ik .. . zomer verkocht. Weet gij ook , wat daar voorgevallen
is? Neen; .... zeggen dit,......Kinderen, sprak de stervende
vader, wij zullen elkander wederzien aan .... zijde des grafs. Maurits werd opgevolgd door z. . . broeder Frederik Hendrik ; ... maakte zich weldra zeer beroemd door de verovering van verscheidene steden. De zomer en de winter hebben beide hunne genoegens ; de armen echter hebben meer reden zich te verheugen over ... dan over ... Karei en Antoon zijn van school gekomen ; .. heeft zijn tijd goed besteed , maar ... is eeu rechte weetniet gebleven. De Romeinen verklaarden den Karthagecs opnieuw de(n) oorlog , ofschoon . .. zich aan de vernederende voorwaarde onder, wierpen , welke . .. hen (hun) oplegden.
65
1. Ik acht dengene hoog, die niets vreest dan God alleen.
2. Zulke leerlingen, die nimmer opletten, zullen weinig vorderingen maken.
3. Zoodanige menschen, die vuur in de eene en water in de andere hand dragen, kan ik niet achten.
4. Oedeon beval zijnen soldaten hetzelfde te doen , wal zij hem zagen verrichten.
Gij bemerkt, dat de voornaamwoorden in bovenstaande zinnen ook personen of zaken aanwijzen. De a a e-wijzende voor naamwoorden, die wij in de voorgaande' nummers behandelden , gaven alleen te kennen , of iets al of niet in onze nabijheid was-, in bovenstaande zinnen wordt de aandacht gevestigd niet alleen op de plaats, waar de personen of zaken zich bevinden , maar ook nog op eene hoedanigheid op eene bepaling, die volgt, of soms wel voorafgaat. Zonder die bepaling, mist het voornaamwoord zijne beteekenis. Als ik zeg. Zulke boeken moet gij niet lezen; dan is daaronder te verstaan : ah die gij daar ziet, of iets dergelijks. Deze voornaamwoorden doen alzoo denken aan eene bepaling , van welke zij hnnne beteekenis ontvangen; men heet ze bopalingf-aaukondigende -roornaani woorden. Degjene, hetgjene, diegene, datgene, zijn altijd van eene bepaling vergezeld ; bij zulke , zoodanige, dusdanige, dergeiyke, dezelfde en hetzelfde wordt de bepaling soms verzwegen.
SOS. Hij, die onmatig is, ondermijnt zijne gezondheid. Hem, die mij bedriegt, durf ik mijn vertrouwen niet schenken. Ik vond er zijn broeder en dien van Hendrik.
Zouden hij, hem en dien in deze zinnen ook bepalingaankondigend zijn P Waarom?
- ^O' Ir. Vul de zinnen aan , welke tot bepaling dienen, en onderstreep de iepalingaankondigende voortmamw. Dezelfde vertaling, ...., heeft mijn broeder verleden Dinsdag gemaakt.â Zulke boomen......worden omgehouwen. â Degene, .....zal eene
T. S. 2 a 5
SO«.
66
groote belooning ontTangen. â DenzelfJe(n) arme(n)...... heb ik
gisteren eene aalmoes gegeven. â Ik heb nog nooit zulke pennen
gehad, .....â Foei, «Jurft gij datgene doen.....â Zulke
vrienden, die ..., zijn de waie(n) niet. â Hij , die..... moet
voelen. â Hem ,..., geef ik eene belooning.
- SOS. Wat beteekenen de volgende zinnen ?
Jan meldde zijnen vriend, dat deze hem vooreerst niet moest verwachten-â â â â , dat diens zoon bij hem ziek geworden was,
â â â â , dat hij zijn paard duur verkocht had.
â â â â, dat hij diens â â â â
â â â â, dat hij hem verwachtte.
SO O. 1. Wie heeft die vraag beantwoord?
2. quot;Wat â wilt gij?
3. Wat voor een boek hebt gij daar?
4. quot;Welben raad hebt gij hem gegeven?
5. Hoedanigje werken leest gij?
6. Welle een geleerd man!
Wie, wat, enz. zijn vragfende voornaamw» Waarom? Welke van deze zijn bijvoeglijk? Welke zelfstandig? Wat zegt men in de plaats van aan wat, in wat, op wat, uit wat, naar wat, enz ?
SO-y. De bijwoorden hoe, waar, wanneer worden ook dikwijls gebrnikt, om naar iets te vragen. Ze heeten daarom vragende bijwoorden.
SOSgt; de 2e naamval mannelijk enk. van wie ie wiens, de 3quot; naamval wien en de 4e ook wien.
SO O. 1. Er is iemand , die u overal ziet.
2. Ik heb iets in de hand.
3. Het boek bevalt mij uitmuntend; heden kan ik liet echter niet ter hand nemen , omdat ik bet te druk heb.
4. Wat er ook gebeure, wie er ook kome,
ik stoor mij aan niemand , â ik zal alles zeggen.
5. Bdten heeft u geroepen.
67
Gij weet reeds, waarom bovenstaande voornaamw. onbepaalde genoemd worden.
Wat zondt gij in den l'u zin in de plaats van iemand knnnen zetten P En wat in den 2⢠zin voor iets ? Waarom zijn wat en wie in den 4quot;gt; zin geen vragende voornaamw. ?
In den 3'quot; zin komt het driemaal voor; waar staat het als onbepaald voornaamw. F Wat is het in de beide aftlero gevallen P
Beproef eens, of gij een zin vinden kunt, waarin men als voorwerp of als bepaling voorkomt.
Men is dus altijd.... Men mag ook zeggen :
wordt verzocht, hier niet te rooken, te praten, enz.
Dit is eenmaal zoo aangenomen. In welken naamval staat het hier ?
- SlO. Plaats in de volgende zinnen de ontbrekende voornto, . . . hebben wij de uitvinding van het kompas te danken ? â . . . verhaalt van Julius Cesar, dat .... bij het zien van een standbeeld van Alexander den Grooten begon te weenen. â Toen
........ de reden daarvan vraagde, antwoordde hij : ... had in
mijnen ouderdom reeds de wereld overwonnen , en ik heb nog .... gedaan. â .... tuin heeft hij van u(w) gekocht, ... of .... ?â .... boek leest gij daar? â... vraagde aan Maurits, ... de eerste veldheer van zijn tijd was , waarop .. . ten antwoord gaf: Spinola
is de tweede.â Als gij ... goeds gedaan hebt, moet......niet
bekommeren over ......van u(w) zal zeggen of denken. â ...
wat besmeurd is , zal den Hemel binnengaan. â Het is u(w) niet geoorloofd, .... goed te stelen , .... te benadeelen , of in 't algemeen .... onrecht te doen.
In welke naamvallen staat iemand in den laatsten zin ?
- 21X. Maak zinnen , waarin wie , die , niemand , welke , het in den derden naamval staan , en andere^ waarin wie , die , deze, wij , hij in den tweeden naamval voorkomen.
Zeg, tot welke soort van voornaamw. de cursief gedrukte behoor en en in welken naamval zij staan.
Zijns naasten feilen bits te doemen,
De minste fout een misdaad noemen ,
Is iets, wat algemeen geschiedt.
68
Maar zelf behoorlijk steeds zijn plichten Met vlijt^in alles te verrichten ,
Dit is het, wat men zelden ziet. ^
Anslijn.
Mijn boejem jaagt, mij bruist het bloed,
Een vlam doorwoelt mijn borst:
Zeg t grijze , die het weten moet 1 ^
Wat blnscht of koelt het best dien gloed;
Wat laatnis stilt, dien dorst ?
Ik volg een droombeeld wijd en zijd Het is 't Geluk gewis 1 Het lokt en wuift, maar vlucht altijd.
Eer 't nog te omarmen is.
Zeg , grijze , die het leeren mocht!
Langs wat verborgen spoor De schooue vluchtling opgezocht,
Die ik alweer verloor ?
i _
Dat was 't Geluk niet, neen , mijn zoon I Het was niet, wat 't w scheen :
Dat droombeeld, met die lauwerkroon Was aardsche Roem alleen.
Verneem wat licht aan 't eind van t pad ,
Mijn twijflend oog bescheen ;
De ontdekking is een kostbre schat!
Dat elk het wist en 't nooit vergat;
Geluk en Deugd is één!
_ S13. VRAGEN. 1. Aan welke bezittelijke voornaamw. kan men zien , of de bezitter van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht is ? 2. Wie worden verstaan door de mijnen, de zijnen, de onzen. enz. ? 3. Moet men zeggen ; Mijne broeders en «ie uwe of de uwei»? 4. Breng deze en gene ineen zin te pas. 5. Doe dit ook met lt;jene en ijeene. 6. Hoe zoudt gij wat noemen in de volgende zinnen : Dat is quot;Wilt beter geschreven Er ligt 'W at onder mijn boek. AA at hebt gij daar gelezen ? De weduwe van Sarepta had nog wat meel in een tonnetje. 7. Tot welke soort van voornaamw. behoort degene ? 8. Welke vragende voornaamw. worden altijd zelfstandig en welke bijvoeglijk gebruikt? 9. Wat is het in: Mijn boek is weg, weet gij Hot ?
69
10. Verbuig in het enkel- en meervoud: deze goede man, mijn boek, onze meid. 11. Hoe is de 3e naamval van het vragend voornaamw. xoie ? 12. Hoe de 2e naamval van het aanwijzend voornaamw. dim?
-*****-
Samengestelde zin. â Voegwoord. â Betrekkelijk
Toornniiinwoord. )t-
Ik heb dezen morgen mijn boek verloren.
Dezen morgen heb ik mijn boek verloren.
Mijn boek heb ik dezen morgen verloren.
Heb ik dezen morgen mijn boek verloren ?
Dit zijn alle goede zinnen. Nu eens staat het onderwerp voorop , dan de bepaling.
Zijn deze zinnen goed ? Ik dezen morgen mijn boek verloren heb. Gij ziek Kaart. Zooals ze hier staan , deugen ze niet. De woordschikking is verkeerd.
1. Het teeken werd gegeven. De klas begon.
2. Ik leer mijne les. Gij doet niets.
3. De struisvogel heeft vleugels. Hij kan niet vliegen.
4. Gij hebt uw werk te haastig gemaakt. Het deugt niet.
Ziehier verscheidene eenvoudige, of liever enkel vou-
dige Kinneu. Men noemt ze aldus, wanneer zo slechts ééne gedachte uitdrukken.
Verbind de beide zinnen, die naast elkander staan, tot één enkelen zin en onderstreep het woordje, waardoor gij ze verbonden hebt; b. v. Het teeken werd gegeven, en de klas begon.
Slö. Een zin, die uit twee of meer enkelvoudige zinnen bestaat, noemt men een samengesteldeim zin.
310. Welke woorden hebt gij gebruikt, om bovenstaande zinnen samen te voegen P Deze woorden worden daarom voeg?vroorden genoemd.
70
Somtijds dienen de voegwoorden ook om deelen van een zin, nl. twee of meer onderwerpen, gezegden of bepalingen te verbinden; b. v. Be tijgen, zoowel als de leeuwen, behooren tot de verscheurende dieren. Ãet paard loopt en hinnikt. De hoornen dragen niet alleen bladeren, maar ook vruchten. Ik zag hem noch in de kerk, noch in de school
Wijs in deze zinnen de voegwoorden aan en zeg, welj|e deelen van den zin zij verbinden.
Xil'y. Keeren wij nog eens terug tot de zinnen: 1.2,3,4. (Nu 211.)
Door de samenvoeging is er in de woordschikking geene of bijna geene verandering gekomen. De enkelvoudige zinnen zijn na de verbinding goede, op zich zelf staande zinnen gebleven. Wanneer nn twee of meer enkelvoudige zinnen zoodanig tot een samengestelden zin verbonden zijn, dat elk voor zich nog een goede zin blijft, dan zegt men, dat ze nevenschilsbeult;l verbonden zijn; d. i. ze staan onafhankelijk naast elkander. Wat betee-kent dat ?
- SIS. Maak samengestelde zinnen, waarin de enkelvoudige verhonden zijn door de voegwoorden : en , ook , bovendien , maar . doch , of â want, bijgevolg, dus , daarom.
SilO. 1. De reiziger vertrok, zoodra hij zijne zaken afgedaan had.
2. Ik ben tevreden, als ik mijn plicht gedaan heb.
3. De ziel is verhevener dan het lichaam, omdat
zij onsterfelijk is.
4. Het licht der sterren verbleekt, zoohaast de
de dageraad aanbreekt.
5. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat het u
welga.
6. Toen de aarde droog was, ging No'é uit de
ark.
7. Als gij u niet spoedt, zult gij te laat komen.
Ontbind deze samengestelda zinnen in enkelvoudige.
In elk dezer samengestelde zinnen vindt ge één zin,
71
waarvan de woordschikking zóó veranderd is, dat het geen goede, op zich zelf staande zin meer is. Als gij ze ontleedt, zult gij zien , dat de veranderde zin de voornaamste niet is, maar slechts tot bepaling dient van den anderen.
De voornaamste zin heet hoofdziii ; den anderen, dj^ geen op zich zelf staande zin meer is, noemt men afliaiilsel|}keii of ondergesctiikten zin. Waarom? Wie is aan een ander ondergeschikt?
53S30. Ik zal komen , wanneer hij gaat.
Van dezen samengestelden zin is ik zal komen de hoofdzin , â hij gaal de ondergeschikte zin. Is hij gaat dan geen goede op zich zelf staande zin P Tot zoover wel; doch vnl hem eens aan door een of meer bepalingen, of plaats het werkwoord eens in den volmaakt of meer dan volmaakt verleden tijd, dan znlt ge zien, dat het wel degelijk een ondergeschikte zin is, omdat.....
Uit den 6⢠en 7en zin (N0 219) blijkt, dat het voegwoord niet altijd tnsschen de beide zinnen staat.
- SSJl. Maak samengestelde zinnen, waarin de enkelvoudige verbonden zijn door de voegwoorden : dat, evenals, alsof, zoodat, toun, als, indien , alvorens , wanneei', nadat. Plaats de 6 laatste voegwoorden aan het begin van den zin.
Verbind de volgende zinnen door een passend voegwoord. Pilatus verklaarde Jesus onschuldig , .... veroordeelde hij
Hem. â Gij kunt komen.....gij wilt. â .... Jeruzalem verwoest
is, leven de Joden verstrooid over de geheele aarde. â Deze boom heeft niet gebloeid , .... zal hij ook geene vruchten dragen. â Herodes poogde het Kind Jesus te dooden , .... het gelukte hem niet. â De ouders beminnen hunne kinderen; .... moeten zij hun dikwijls iets weigeren. â .... de geneesmiddelen dikwijls bitter zijn , moet men ze toch innemen. â Jesus had Judas tot apostel geroepen, .... werd Hij door den ondankbaren leerling verraden. â De velden zijn met rijp bedekt, .... moet het dezen nacht zeer koud geweest zijn. â .... de Wijzen de ster zagen , begaven zij zich op weg. â Het is zeker, .... wij allen eenmaal sterven zullen ; .... het is onzeker, .... dit geschieden zal.
Welke zijn nevenschikkend, welke onderschikkend verbonden ?
73
- sas. it. Verbind de volgende enkelvoudige zinnen tot samengestelde. Hij heeft geen goed gehoor. Hij zingt valsch. â Hij heeft een goed gehoor. Hij zingt valsch. â Hij leest goed. Hij zingt slecht. â Toon u dankbaar jegens uwe ouders. Uwe ouders zijn uwe grootste weldoeners. â De arme sukkelaar is doodzwak. Hij wil gaan werken. â Ik heb het u beloofd Ik zal het u geven. â Uw verzoek is billijk. Ik sta het u toe. â Uw verzoek is onbillijk. Ik sta het u toe. â Uw verzoek is billijlc. Ik kan het u niet toestaan. â De zon verlicht de aarde. Zij is eene bron van warmte. â De afgodendienaars aanbidden vele goden. Zij kennen den waren God niet. â De aarde is eene planeet. Zij ontvangt haar licht van de zon. â Iedereen wil gaarne gelukkig worden. Weinigen gebruiken daartoe het ware middel. â Gij zegt het. Ik geloof het. â Men heeft het mij verhaald. Ik geloof het niet. â Besteed den tijd der jeugd goed. Hij is kostbaar. â De tijd is kostbaar. Hij wordt door velen verkwist. â De tijd is kostbaar. Gij weet het. â Hij is arm. Hij is vergenoegd. â Een vonk is klein. Een vonk kan een grooten brand veroorzaken. â Geleerdheid is goed. Deugd i^ nog beter. â Het regent somtijds. De zon schijnt. â Stel uwe gezondheid niet roekeloos in gevaar. De gezondheid is een groote schat, â Wij weten. De tijd i» kostbaar. Wij verkwisten den tijd. â Gij hebt mij niet verstaan. Gij hebt niet geluisterd.
VOORBEELD. Gij hebt mij niet verstaan , omdat gij niet geluisterd hebt,
⢠223. Ontbind de volgende samengestelde zinnen in enkelvoudige. Wijs ook de hoofd- en de ondergeschikte zinnen aan. Hebt gij gehoord , dat men te Vlissingen een standbeeld voor De Rnyter opgericht heeft ? Als gij uw werk zoo haastig en slordig maakt, zullen er veel fouten in blijven. Zoodra ik gehoord had, dat mijn vriend aangekomen was, ging ik hem bezoeken. Onderweg vernam ik, dat hij ernstig ongesteld was. Zoodra de jonge eenden uit de eieren komen, kunnen ze reeds zwemmen. Hoevele jaren zijn verloopen , sedert hij afscheid van ons nam ?
Wij waren zoo gelukkig ,
En speelden heel den dag;
En moeder lachte minzaam,
Als zij ons bezig zag.
73
Dit boek is veel te duur; bovendien is bet slecht ingebonden^ Eert uwe ouders, opdat hun zegen over u kome; want de zegen der ouders bouwt het huis der kinderen op, doch hun vloek breekt het af..
VOORBEELD. Hoofdzin; Hebt gij gehoord?
Ondergeschikte zin : Men heeft te Vlissingen een standbeeld voor De Ruyter opgericht. â
Voeg één of meer ondergeschikte linnen bij de volgende hoofdzinnen. De soldaten namen de vlucht. Jeans bad voor zijne benlen. Hugo de Groot vertrok naar Frankrijk. Wist gij niet? Napoleon werd naar St. Helena verbannen. Leert uwe les. Nooit had ik kunnen deuken. Eert uwen vader en uwe moeder. Ik zal gaan. Die boom zal niet groeien. Zult gij het doen ? De trein kwam aan. De werklieden hernamen den arbeid. Gij zult u ongelukkig maken. Ik zou het u niet gegeven hebben. Waarom liept gij weg? God zou Sodoma en Gomorrha gespaard hebben.
SSC5. 1. De heer, die daar wandelt, is ome burgemeester.
2. Het landgoed, dat gij daar ziet, behoort
hem toe.
3. De trein, waarmede ik vertrekken
moet, 7iadert reeds.
4. Oindsche berg, wiens kruin zich tot in
de wolken verheft, it de hoogste nan het geheele land.
5. Wat waar is, moet eenooudig zijn.
6. Ik geloof, hetgeen gij zegt.
7. VV ie niet wil hooren, moet voelen.
Ontbind dezo samengestelde zinnen in enkelvoudige. Door welke woorden zijn deze verbonden P Die, dat, wiens, wie, wat hebben we reeds als voornaamw. leeren kennen. Hier doen ze echter dienst als roegwoorden; d. i. zij verbinden een ondergeschikten zin met den hoofdzin , en tevens wijzen zij terug op een of ander woord uit den. hoofdzin.
Zulke voornaamw. heeten betrekkei ijUe»
74
Waarop heeft die in den eersten zin betrekking P Zeg dit ook van de andere betrekkelijke voornaamw. Waarvoor staat waarmede in den derden rin in de plaats P
33«. Somtijds wordt het bepalingaankondigend of het betrekkelijk voornaamw. weggelaten. In welke van
bovecBtaando zinnen liigt;eft dit plaats P Wie in den laat-sten zin , staat in de plaats van......P
SST'. Ziehier de verbuiging van het betrekkelijk voornaamw. die. Vul tevens de zinnen aan.
Makkelijk. Vbodwelijk.
1. De man , cïi« ... 1. De vrouw, cli» ...
2. De Ruyter, â wiens... 2. De roos, -wier...
3. Laurens Koster, wïeii... 3. Maria,â(aan wie)...
4. De boom , dien ... 4. De keik , die ...
Onzijdig.
Het boek , dat . ..
Het huis , -weibs ...
Het kind , â (aan hetwelk) . .. Het paard , dat. ..
Meeevodd.
1. De menschen , die...
2. De kinderen, wier ...
3. De armen , -wien . ..
4. De weiden , die . ..
In welke naamvallen wordt het betrekkelijk voornaamw. die niet gebruikt P
In plaats van aan wat, op wat, in welken, uit welken , enz. gebruikt men, zooals we vroeger reeds zagen, de bijwoorden waaraan, waarop, waarin, waaruit, enz. Zulks doet men voornamelijk, wanneer deze op zaken betrekking hebben , als ; de pen , waarmede .. .; het huis, waarin ... enz. Maar men zegt: mijn oom, aan wien .., niet waaraan.
1.
2.
3.
4.
75
SSO, Het betrekkelijk voornaamw. moet altijd zoo dicht mogelijk staan bij het woord, waarop het terugziet â¢of betrekking heeft; anders ontstaat er somtijds dubbelzinnigheid ; b. v. Hier hebt gij lekkere koekje» voor moe broertjes en zusjes , die versch gebakken zijn.
Wat hebt gij hierop aan te merken P Hoe zondt ge dezen zin beter schrijven ?
- S330. Maak 6 samengestelde zinnen, waarin de enkel, voudige door de betrekkelijke voornaamw. dien, wien, wat, hetgeen-welke , wier verbonden zijn,
S31. Wij laten nu nog een overzicht volgen van de verschillende soorten van samengestelde zinnen.
De zinnen , waaruit een samengestelde zin bestaat, zijn ne-vengeschikte zinnen, als ze alle van gelijken lang zijn, als ieder op zich zelf eene gedachte uitdrukt, «n men ze tot losse op zich zelf staande zinnen maakt door eenvoudig de verbinding weg te laten, bijv. Be koning bezocht onze stad en hij verbleef er drie dagen. Ik bood uugt; broeder mijne diensten aan, maar hij wilde niet geholpen zijn. Zend deze kleederen aan die arme familie, want hare behoefte es groot.
Is één der zinnen de hoofdzin en dient het overige tot bepaling, dan komt het voor, dat de bepalende zin den dienst doet;
a. van een bijvoeglijk naamwoord: De man, die tevreden is, leeft gelukkig. (De tevreden man). Een huis, dat niet bewoond wordt, verslijt spoedig. (Een onbewoond huis). Men noemt ze bj}voeg^lylse zinnen.
b. van een b ij w o o r d; dus als bepaling bij het werkwoord ; bijv: Toen ik mijn werk gereed hai, maakte ik eene wandeling, (tijdsbepaling bij maken) Men schonk hem eene belooning , wijl hij zijn plicht getrouw vervuld had. (bepaling van oorzaak bij schenken) Zulke zinnen heet men t»y-woordeiyke zinnen»
c. van een zelfstandig naamwoord; alsdan faeeten dezinnen natuurlijk zelfstandige zinnen. Kunt gij zeggen, welken dienst de cursief gedrukte zelfst. uw. doen iu de volgende zinnen :
76
1quot; Uwe komst verheugt mij. Zij n e genezing wordt door ons gehoopt.
2° Die man is soldaat. Die jonge leugenaar werd een-bedrieger.
3° Ik betreurde zij n vroegtijdigen dood. Men ontraadde hem een lan ge r verb lij f in die ongezonde streken.
Zoudt gij nu door de volgende zinnen met de bovenstaande te vergelijken ook kunnen uitmaken , welke van de volgende afhankelijke zelfstandige zinnen onder--werpsusiuneii, voorwerpszinnen en ge-zejordesasinoeu moeten genoemd worden P
Dat gij gekomen zijt, verheugt mij. Ik betreurde, dat hij zoo vroegtijdig gestorven was Die man is, wat hij uiterlijk schijnt. Men ontraadde het hem, dat hij langer in die ongezonde streken zou verblijven. Die jonge leugenaar is geworden, wat ik altoos gevreesd heb. Bet wordt door ons gehoopt, dat hij nog genezen zal.
Als gij de voorbeelden van samengestelde zinnen nog eens naziet, zult gij bemerken, dat men vóór de betrekkelijke voornaamwoorden en vóór de voegwoorden , die zinnen verbinden, eene komma plaatst. Voor het verbindende en laat men ze echter gewoonlijk weg. Ook in opnoemingen van verschillende personen en zaken gebruikt men de komma, behalve voor het woordje «». Soms vervangt de komma, het verbindingswoord tusschen de zinnen : 't Paard, dat kreupel is in 't gaan , moet wat eerder op de baan. God beschikt de omstandigheden vaak zoo, dat wij troost en vreugde vinden, waar wij enkel leed verwachten. Willem , Hendrik, Cornelis en hun vader vertrekken met den eersten trein. Woorden wekken , voorbeelden trekken^ Eet blinkend Stavoren verviel ,â â
Eet wrekend zand weerde elke kiel.
- 333. Maak 5 samengestelde zinnen, waarin hel voegwoord door eene komma of kommapunt vervangen is.
Ook 5 , die beslaan uit een hoofdzin en een ondergeschikten, door een roegwotrd verhonden.
77
- S34-» Maak de volgende verkorte enkelvoudige zinnen tot volledige. Hij, de eenige steun zijner ouders, werd ziek. Afgemat door den zwaren arbeid, verlangde hij naar rust. Die krijgsman, zoo dapper , stierf den heldendood voor 't vaderland. Het is niet mogelijk allen te behagen. Die dag , zoo schoon , keer' dikwijls weer 1 Geknakt als dorrend riet , ligt ginds een mast. Tevreden legde hij het hoofd ter ruste. Onbezorgd voor de toekomst, begaf hij zich op weg.
Schamel hutje , grijs van dagen ,
Half beroofd van 't dekkend riet,
Half gesloopt door tijd en vlagen ,
'k Schaam mij uw bewoning niet.
Daar , op d'onbewogen plas ,
Vastgeboeid in 't oevergras Met fluweelen koorden ,
Lag een schuitje , licht gebouwd ,
Rein geschilderd , rijk aan goud Om de bruine boorden.
- Oefeningen ter ontleding en bespreking.
Wie de zonde doet , haat zijoe ziel. Omdat de hoovaardige engelen tegen God opstonden, werden zij in de hel gestort. Zoodra de tijding van de aankomst des konings zich verspreidde , kwam jong en oud op de been. Hij hoopte, dat zijne misdaad ongestraft zoude blijven. De drie jongelingen werden in een gloeienden oven geworpen , omdat zij weigerden het gouden standbeeld van Nabu-chodonosor te aanbidden. Driemaal rukte de vijand tegen de verschansingen op ; maar driemaal ook werd hij met groot verlies teruggeslagen. Jongeling, vergeet niet, uwen tijd wèl te besteden. Gij hebt mij beloofd , morgen bij mij te komen. Op den brandstapel herinnerde «ich Kresns de woorden , die Solon hem weleer toegesproken had. God ziet u, waar ge u ook bevindt. Zoodra wij geboren worden, beginnen wij te sterven. Het leger trok af, na de vestingwerken geslecht te hebben. Zooals de ouden zongen, piepen de jongen. De gedachte, dat gij uwen plicht volbracht hebt , moet u voldoening schenken. Toen ik onlangs te Utrecht was, toonde men mij het huis, waarin Paus Adrianus VI geboren is. Men ziet op geen turfje, als men in 't veen is.
78
Vertrouwen op God en een vlijtige hand Verschaffen tevredenheid in eiken stand.
Als Meimaand schenkt een nieuwen dos r Dan juicht 't gevederd koor in 'tbosch.
Machtige Schepper, U heb ik te danken gt; Dat ik ontwaakte gezond en verheugd.
De heilige eendracht is het zout, Dat huis en stad in wezen houdt.
Kort is de winterdag,
Korter de vreugd ;
Daarom die leven mag ,
Leve verheugd.
Nooit zal men zien , dat overvloed Den mensch geruster leven doet:
quot;Want overvloed is zóó van aard ,
Dat hij begeerte of vreeze baart.
Men kent den ezel aan zijn ooren ; De dwaze is aan zijn spraak te hooren.
De donder , die a\ razend brulde , En woud en veld met schrik vervulde , Rolt nu niet meer door 't blauw azuur.
Hem , die een klein verlies niet acht, Wordt groote schade toegebracht.
79
Een rein geweten siddert niet,
Daar '1 kwade voor een schaduw vliedt.
Zooals men hier op aard zal zaaien , Zal men in 't eeuwig leveo maaien.
't Open roosje , rijk van blad , Zei aan 't nog gesloten knopje, Dat aan 't zelfde steeltje zat: Zie eens, dik , onaardig propje , Zie, hoe luisterrijk en schoon Sprei ik al mijn schat ten toon.
Een jonker, jager in zijn hart,
Moest, tot zijn smart,
Zijn have en erf verkoopeo ,
En al zijn bosschen en kasteel Geheel
Zien slechten en zien sloopen.
Hij stak nog eens den horen op,
Liep in galop De kamer heen en weder.
Voorbeelden van ontleding.
1. Titus wilde den tempel van Jeruzalem sparen, maar een soldaat stak dien in brand. Samengestelde volzin, bestaande uit twee neven--geschikte zinnen, die door het voegwoord maar met elkander verbonden zijn.
Titus.................onderwerp.
wilde sparen............gezegde.
den tempel van Jeruzalem.....uitgebreid voorwerp.
van Jeruzalem...........bepaling van tempel.
een soldaat.............onderwerp.
stak in brand............gezegde.
dien.................voorwerp
2. Ik wist, dat gij uwe les niet zoudt kennen. Samengestelde volzin f bestaande uit een hoofdzin en een ondergeschikten zin die door het voegwoord dat met elkander verbonden zijn.
80
Ik wist................Hoofdzin.
dat gij uwe les niet zoudt kennen Ondergeschikte voorwerpszin,
voorwerp van wist.
Ik...................onderwerp.
wist..................gezegde.
9ij..................onderwerp.
zoudt niet kennen..........gezegde.
uwe. les................uitgebreid voorwerp.
..................bepaling van les.
3. Uw knecht, wien gij alles toeoerlrouwt, die u steeds vleit, zal u ongelukkig maken. Samengestelde volzin , bestaande uit één hoofdzin en twee ondergeschikte zinnen , die door de betrekkelijke voornaamw. wien en die met den hoofdzin verbonden zijn.
Vu) knecht zal u ongelukkig maken. Hoofdzin.
wien gij alles toevertrouwt. . | Bijvoeglijke zinnen , dienende tot
die u steeds vleit........ i bepaling van knecht.
TJw knecht.............uitgebreid onderwerp , enz.
4. Gij zegt, zulks niet te weten. Samengestelde volzin, bestaande uit een hoofdzin en een verkorten ondergeschikten zin.
Gij zegt..............Hoofdzin.
zulks niet te weten, d. i. dat gij Ondergeschikte voorwerpszin ,
zulks niet weet.........voorwerp van zegt.
Gij.................onderwerp , enz.
Voorbeeld van taalkundige ontleding.
TJw........bijvoeglijk bezittelijk voornaamw., mann. enk., 1® nv.
knecht.....soortnaam , mann. enk. , le nv.
wien.......betrekkelijk voornaamw., 3e pers. enk. mann., 3e nv.
gij........persoonlijk voornaamw. , 2e pers. enk., le nv.
alles......onbepaald voornaamw. , 4e nv.
toevertrouwt zwak overgankelijk werkwoord , aant. wijze, tegenw. tijd, 2e pers. , enk.
die........betrekkelijk voornaamw., 3e pers. enk., mann., le nv.
u..........persoonlijk voornaamw., 2e pers. enk., 4« nv.
steeds......bijwoord.
vleit.......zwak overgankelijk werkwoord , aant. wijze tegenw,
tijd , 3e pers., enk.
zal........onregelmatig hulpwerkwoord, I aant. wijze. le toek. tijd.
maken.....zwak overgankelijk werkw. ) 3e pers. . enk.
u.........persoonlijk voornaamw., 2e pers. enk., 4e nv.
ongelukkig. . bijvoeglijk naamw., enk., 4® nv.
81
- SiftG. VRAGEN. 1. Wanneer is een zin enkelvoudig? 3. Wanneer samengesteld? 3. Waardoor worden de deelen ïan een samengestelden zin met elkander verbonden ? 4. Wanneer zijn twee of meer zinnen nevenschikkend verbonden ? 5. Waaraan kan men een ondergeschikten zin altijd kennen? 6. Waartoe dient de ondergeschikte zin ? 7. Noem eenige voegwoorden , die altijd hoofdzinnen met ondergeschikte verbinden. 8. Ook eenige, die altijd nevengeschikte zinnen verbinden. 9. Waardoor worden de voegwoorden dikwijls vervangen ? 10. Waartoe dienen de betrekkelijke voornaamwoorden? 11. Hoe is de 2e naamval van het betrekkelijk voornaamwoord die voor de verschillende geslachten ?
Het Werkwoord. â Vervoeging.
SST'. Onder de rededeelen is het werkwoord het voornaamste.
Het ondergaat verschillende veranderingen naar gelang van de wijze, den tijd en den persoon, waarin het gebruikt is.
De verschillende veranderingen, die de werkwoorden ondergaan , noemt men vervoeging.
Wijl men het werkwoord hieraan met zekerheid kan kennen, zegt men wel eens : Een werkwoord is een woord, dat vervoegd kan worden.
Tot voorbeeld volgt hier de vervoeging der werkwoorden leeren, zuchten en zenden.
ONBEPAALDE WIJZE. Zochten.
Zenden.
Leeren.
TEGENWOORDIG DEELWOORD.
Leerend(e). Zuchtenlt;J{e). Zendencl(e).
VERLEDEN DEELWOORD.
|
Geleerd. T. 8. |
Oezncht. 2 c. |
Gtezonden. 6 |
X
AANTOONENDE WIJZE.
TEGENWOOBDIGE TIJD.
Ik leer. Ik zacht. Ik zend.
Gij--1. Gij--. Gij--1.
Hij--1. Hij--. Hij--1.
Wij--en. Wij--en. Wij--en.
Gij--1. Gij--. Gij--1.
Zij--en. Zij--en. Zij--en.
ONVOLMAAKT VERLEDEN TIJD.
Ik leerde. Ik zuchtte. Ik zond.
Gij--det. Gij--tet. Gij--1.
Hij--de. Hij--te. Hij--.
Wij -den. Wij--ten. Wij--en.
Gij--det. Gij -ââtet. Gij--1.
Zij--den. Zij--ten. Zij--en.
VOLMAAKT VEELEDEN TIJD.
Ik heb geleerd. Ik heb gezucht. Ik heb gezonden.
enz.
MEEB DAN VOLMAAKT VEELEDEN TIJD.
Ik had geleerd. Ik had gezacht. Ik had gezonden.
enz.
EEBSTE TOEKOMENDE TIJD.
Ik zal leeren. Ik zal zuchten. Ik zal zenden.
enz.
TWEEDE TOEKOMENDE TIJD.
Ik zal geleerd Ik zal gezacht Ik zal gezonden hebben. hebben. hebben.
enz.
EEBSTE VOOBWAABDELIJK TOEKOMENDE TIJD.
Ik zou leeren. Ik zou zuchten. Ik zou zenden.
enz.
TWEEDE VOOBWAABDELIJK TOEKOMENDE TIJD.
Ik zou geleerd Ik zou gezucht Ik zou gezonden hebben, hebben. hebben.
83
GEBIEDENDE WIJZE.
bnkelv. Leer. Zucht. Zend.
MBBEV. Leert. Zucht. Zendt.
AANVOEGENDE WIJZE.
tegenwoohdige tijd.
(Dat) ik leer©. (Dat) ik zuchte. (Dat) ik zend».
.. gij--et- .. gij--et. â gij--et.
.. hij--e. â hij--©. â hij--e.
,, wij--en. â wij--en. â wij--en.
.. gij--et. â gij--©t. â gij--et.
» zij--en. â zij--en. â zij--en.
onvolmaakt tkh1bdkn tijd.
(Dat) ik leerde. (Dat) ik zuchtte. (Dat) ik zonde, gij--det. â gij--tet. â gij--et.
hij--e.
wij--en.
gij--et.
zij--en.
hij--»le. â hij--te.
wij--den. â wij--ten.
gij--det. â gij--tet.
zij--den. â zij--ten.
|
ff |
gy |
--et |
ITQ |
ff |
gy |
|
ff |
hij |
--e ( |
r ® , o- |
ff |
hij |
|
ff |
WIJ gij |
--eni --et ] |
1 ^ |
ff ff |
WIJ gij |
|
ff . |
ZIJ |
--en |
ff |
zij |
volmaakt vebiieden tijd.
(Dat) ik hebbe ^ (Dat) ik hebbe , CDat) ik hebbe
-et )â â gij--et
j» hij e * q â wij--en(
» gij--et
â zij--en
mbbr dan volmaakt veeleden tijd.
(Dat) ik hadde (Dat) ik hadde (Dat) ik hadde geleerd. gezucht. gezonden.
enz.
S38. Wat verstaat men. door den stam , of den quot;wortel van een werkwoord? Wat door den wor-telklanli P
S330. Werkwoorden, die niet van wortelklank veranderen en waarvan het verleden deelwoord op d of t
84
eindigt, zijn geiyUvloeiend , of at wak; bijr.: werken , werkte , gewerkt ; â spitten , spitte, gespit.
Zulke werkwoorden, die wel van wortelklank veranderen en vooral waarvan het verleden deelwoord op en eindigt, noemt men ongeil yk vloeiend, of sterk ; bijv. : drinken , dronk , gedronken ; â loopen, liep , geloopen ; nemen, nam, genomen. Merkt gij nog verschil in de klankverandering , wat aangaat de 3 opgegeven sterke werkwoorden P
Tot welke soort van werkwoorden rekent gij de volgende : loopen , drijven, zitten, zetten, drinken, drenken, vallen, vellen , vragen , bakken , jagen , lachen , stelen , treffen , hef en, laden , laten , scheppen, plegen , stijven F
S40. Waaraan kan men hooren, of ik moet schrijven gebouwd of gebouwt, geloofd of gelooft ? Hoe is altijd de vorm van den lfn, 2En, en 3,n persoon enkelvoud van den tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs ?
Hoe vormt men den onvolmaakt verleden tijd der zwakke werkwoorden P
S-41. Er zijn werkwoorden, die in de vervoeging van de regels der zwakke of sterke vervoeging afwijken ; men noemt ze onireg?elma.ti££. Alle andere werkwoorden zijn regelmatig.
Toon aan, waarin de volgende werkwoorden onregelmatig zijn :
Hebben, ik heb â gij hebt â hij heeft â hij had, hij heeft gehad.
Zijn. ik ben â gij zijt â hij is, ik -was, ik ben geweest.
Zullen, ik zal â gij zult â hij zal.
Willen, hij wil.
Kunnen, ik kan â gij kunt â hij kan.
Doe hetzelfde met de volgende werkwoorden : moeten, zien, gaan, mogen, komen , weten, houden, staan, slaan, doen, zoeken, denken, brengen , verliezen , vriezen , eten en koopen.
Tot hiertoe hebben wij gezien, dat, als wij letten op de vervoeging, de werkwoorden kunnen vedeeld
85
worden in regol malice en onregelmatig-e* r of in gelijItvloe5iâ¬3ucle (zwakke) en on@:eli|li;-
vloeien do [sterke) werkwoorden.
Bereiden, ramp;\zen , lamp;Vden , vielen , plotten r enz. zijn za k ; berijden , rijzen , lijden , vermij Jen, grepen , enz. zijn sterk. Welken regel kunt gij hiernit afleiden ? Stijven, bedijken, verrijken en eenige andere maken hierop eene nitzondering. Waarom? Denk eens na, van welke woorden ze afgeleid zijn.
- Flaats de cursief gedrukte werkwoorden in den tegen-wo or dig en tijd der aantoonende wijze. Gij mogen medegaan, als gij u spoedig aankleeden. Eng en moeilijk is de weg, die ten Hemel leiden; breed en gemakkelijk die, welke ten verderve voeren. Ik houden mij met zulke beu*elarijen niet op , maar besteden liever mijnen tijd aan nuttige bezigheden. Men houden zich in dit huisgezin ijverig bezig : de vader bebouwen het land , de moeder verrichten allerlei huiswerk , naaien , breien , bereiden de spijzen of verzorgen hare kinderen. Gij vervelen u , omdat gij uwen tijd niet nuttig aanwenden ; nu ondernemen gij dit, dan dat, maar gij volhouden niet. De afgodendienaar vereeren en aanbidden houten of steenen beelden. Wie binnentreden daar de zaal? Ik kennen dien heer niet. Men melden mij , dat mijn broeder zich thans beter bevinden. De dag aanbreken , het morgenrood kleuren den oostelijken hemel, de zon rij (ei) zen statig boven den gezichteinder, geheel de schepping ontwaken tot een nieuw leven. Wat raden gij mij in deze omstandigheid te doen ? Wat beduiden dat geroep V Als gij uw vertrek een paar uren uitstellen, dan rij (ei) den ik met u mede. Gij benei(ij)den uw makker, daarom verblijden gij u over het mislukken zijner pogingen. Ik wedden. , dat gij het niet kunnen, al pochen gij ook op uwe behendigheid.
De rups, die aan het koolblad knagen,
Het wormpjen in de peer.
Kermen , als gij 't uitsnijden of vertreden :
Misgunnen men ons een enklen beet,
Daar ginder groeien nog meer.
- Flaats de cursief gedrukte werkwoorden in den onvolmaakt verleden tijd. Ik kunnen gisteren niet met u medegaan. Juist bereiden ik mij voor de les, toen oom aankomen. W. kennen
86
hem niet meer, zoozeer zijn hij veranderd. Het schip liggen reeds geruimen tijd voor anker, maar kunnen niet afvaren, omdat de tegenwind aanhouden. Eindelijk keer en de wind ; het teeken tot vertrek worden gegeven. Zacht glijden het trotsche vaartuig over den wijden waterspiegel. De passagiers begroeten voor het laatst de vaderlandsche kusten, die langzaam uit hunne oogen verdwijnen» Na een tocht van verscheiden maanden landen zij in de haven van Soerabaya. Op den terugtocht hebben men echter met allerlei moeilijkheden te kampen. Eene kwaadaardige koorts uitbreken onder de bemanning, waarvan verscheidenen bezwijken. Bovendien ontstaan een hevige brand , dien men slechts met moeite kunnen blusschen. Eindelijk stranden het geteisterde vaartuig op de Afri-kaansche kusten. Een jeugdig soldaat zich in het jongste
gevecht een onsterfelijken roem ; hij dooden en kwetsen vele vijanden, bespieden geheel alleen hunne stellingen , redden zijn kapitein het leven en sterven eindelijk den heldendood voor 't vaderland. Gij verrichten uwe taak met onoplettendheid, doen noodelooze vragen, ophouden alvorens uw werk gereed zijn en storen uwe makkers, daarom worden gij gestraft. Ik wachten meer dan een uur, maar de vrienden verschijnen niet. Gij benijden uwen vriend , daarom verblijden gij u over het mislukken zijner pogingen.
De bakker en zijn meelge knechts Doen ook maar, wat hun goeddunken slechts ;
Want als 't klein volk hun luiren zien ,
Komen 'tuit den schoorsteen voor den dag.
Ze halen het meel Van zolder of deel ,
Ze ziften en kneden 't,
Ze wegen en doen 't,
Ze schuiven 't In 'd oven ;
Ze stoken den gloed op ,
En passen er goed op ,
Tot bij het kraaien van den haan ,
De baas 't versch baksel klaar vinden staan.
Goeverneue.
- Plaats het cursieve werkwoord in den aange
wezen tijd. t == tegenwoordige, o â onvolm.ver leden% quot;V = volm. verledea tijd of verleden deelwoord. God verheffen t dengene, die
87
zich vernederen t. Wanneer ik daar nog fen oogenblik langer vertoeven V htulft), zou hij leVer {h)erkevnen'V htVüm. Waarom wenden O gij u niet tot mij, toen gij u in nood bevinden O ? Hoe luiden O het bericht, dat onlangs door vele dagbladen verspreiden quot;V is ? Uwe kleederen zijn zoo bemorsen v , dat gij u behooren O te schamen , aldus iu dit gezelschap te ver9ch(ei)ijnen. Men beweren t , dat de goederen van den schuldige(n) verbeur(t) verklaren v zijn. Wie heeft zulks beweren V ? De sneeuw beschutten t de planten tegen de(D) strenge(n) vorst. A!s mea stilzwijgend iets onkennen t, schudden t men slechts met het hoofd. Gelukkig ontvlieden O hij in tijds het gevaar. Waaraan hebt gij hel geld besteden V , dat ik u onlangs zenden O ? Ik heb het aanwenden v tot verschillende liefdadige einden. Dan hebt gij het goed aanwenden V. Wat beduiden t die rook , die daar op-stfeijijgen t ? De Romeinen breiden O hunne bezittingen over bijna de geheele toenmaals bekende wereld uit. De vorst dulden O niet, dat men hem vleien O.
Dan knappen t en kraken t het, spatten t in sprankels heen en weder, En sissen t als pulver, zijgen t in vonken lijnrecht neder ; Vernieuwen t, zijn glans, hervatten t zijn luister, vlammen t,
(en vlieden t,
En bidden zinken t hij neer, die 'tprachtig vuurwerk zien t.
- £2*4: ö. Bezig de volgende vormen der werkwoorden in korte zinnen, lijd , leidt, leid, schut, schud, schudt, went, wendt, verwent , verwend , duldt, verwijt. verweet, verwijdt, verwijdde , bereide , bereidde , bereidt, bereid , berijdt , bereed, reed , reet, ontsteld , ontstelt, hekent, bekend , bekendet, ete , atet.
- S246. 21- Breng de volgende werkwoorden in goede zin-nm in den onvolmaakt verleden tijd te pas : nederiijgen , stijven, spruiten , houwen, houden, bevelen, prijzen, afscheiden, aanbinden, vergelden , overreden.
S3 4'?'. Thans restigen wij uwe aandacht op het gebruik der werkwoorden en merken op, dat in de volgende zinnen de werkwoorden schilleren, aanbreken, ondergaan op zich zeive het gezegde vormen en dus het voornaamste denkbeeld in den zin uitdrukken: Be morgenster schittert aan den hemel. De dag breekt aan. De maan gaat in het westen onder. Men noemt ze daarom wel zelfstandige werlcwoorden.
88
S48. Hebben, z ij n en z n 11 e n in de zinnen : Hebt gij van nacht goed geslapen ? Zijl gij in het water gevallen ? JFij zullen u gaarne helpen , maken niet op zich zelve het gezegde uit; zij heipen slechts de andere werkwoorden vervoegen ; men noemt ze hulpwerli-woordon, en wel hulpwerkwoorden van tijd; hebben en zijn zijn de hulpwerkwoorden van den verleden tijd; zullen is het hulpwerkwoord van den toekomen den tijd.
Zijn de werkwoorden hebben en zijn ook hulpwerkwoorden in de volgende zinnen : Wij hebben twee oogen. Ook de zon heeft hare vlekken. God is. Er is een hemel. Jan is in den kelder. 11 ij is ziek. Wij zijn ziek geweest. Als het geen hulpwerkwoorden zijn , waartoe moet men ze dan rekenen?
S40. Wil men te kennen geven, dat het onderwerp de handeling verricht of bedrijft, dan bedient men zich van het werkwoord alleen en men zegt: Jan slaat zijn hond. Be meester onderricht den leerling. God beloont onze goede vgt;erken. Hij zal gezien hebben. Zulke zinnen staan in den bedryveilden vorm.
Als men daarentegen wil te kennen geven, dat het onderwerp de handeling ondergaat of lijdt, dan kan men zulks niet met het werkwoord alleen. Men heeft daartoe de hulp noodig van het werkwoord worden, dat daarom den naam draagt van : liulpwerk'woord van den Ijjdeuden vorm. De hond wordt door Jan geslagen. De leerling wordt door den meester onderricht. Onze goede werken worden door God beloond. Hij zal gezien (geworden) zijn.
Zijn de volgende zinnen lijdend of bedrijvend. De boosdoener is gestraft. De kermis is afgeloopen; de kramen zijn opgeruimd. Waar is hel hulpwerkwoord van den lijdenden vorm ?
Is worden ook een hulpwerkwoord in: De haren-worden grijs. Door schade wordt men wij».
Bij het overbrengen van een werkwoord van den bedrijvenden in den lijdenden vorm , of omgekeerd.
89
moet men acht geven op den tijdt waarin het staat: Jan heeft u geroepen, â Gij zijt door Jan geroepen (getoorden.) De visscher redde hem â Hij werd door den visscher gered. Ik zou hem geholpen hebben, â Bij zou door mij geholpen zijn. Knnt gij ook deze zinnen lijdend maken: Men heeft hem geroepen. Men heeft zeer schoon gezongen ?
- SSO. Breng deze zinnen van den bedrijvenden in den lijdenden vorm over. â De vink bouwt een nest. De baaien verslinden vele visscben. Wij betalen onze schulden. Ik za°j bet. De meester verbeterde mijn opstel. Waarom velde de houthakker den boom ? De landman heeft den akker beploegd en bezaaid. Wij hebben u alles gegeven. De dood heefi hem in de lente zijns levens weggemaaid. Wie heeft den tempel van Jeruzalem gebouwd? De koopman had den prijs te hoog gesteld Hij zal de les opzeggen. Zal de koning zijn smeekschrift aannemen ? Morgen zal ik de fouten verbeterd hebben. Zou zij mij uitnoodigen ?
Handel evenzoo met de volgende. Tante breit eene kous. De zon verlicht de aarde. God zal ons allen eenmaal oordeelen. De jager heeft eenen haas geschoten. Ik zal u vroegr wekken. De landman had den akker bezaaid. Wij zouden u niet gekend hebben. Komulus en Kemus stichtten Rome in 754 vóór Chrisfus. Men heeft in Nieuw-Holland goud ontdekt. De duivel bekoorde onze eerste ouders in het Paradijs. Zou hij uwe vraag wel beantwoorden ? Wanneer moet ik u afhalen ? De inwoners der hoofdstad bereidden den koning een plechtigen intocht. Zij hebben mij slecht behandeld. Wie heeft u geroepen ? Ofschoon God ons aanhoudend met weldaden overlaadt, bedroeven en belce-digen wij Hem toch dikwijls. Zijne broeders volgden hem naar Parijs, alwaar hij een huis gekocht heeft. Wien beminde Jakob het meest ? Meu moet God beminnen. Men bouwde 7 jaren aan den tempel van Jeruzalem.
Wild jagen De vlagen Den regen daarheen.
Bereisde Koel zag op zijn tochten Geweldig veel...........
- Breng de volgende zinnen in den bedrijvenden vorm over. Algemeen wordt door ons gehouden, dat het letterschrift
90
door de'Pheniciers uitgevonden is. De getuigen werden door den rechter geboord. Niemand wordt binnengelaten. Een allerliefst tuintje wordt door mijn broeder acbter zijn huis aangelegd. In het laatst der vorige eeuw weid ons land door de Franschen veroverd. Hij zal goed door ons ontvargen worden. Gisteren werd een dief naar de gevangenis gebracht. Gij zoudt het glas niet gebroken hebben als gij voorzichtiger geweest waart. Deze steenkolen zijn ons door een Amsterdammer schipper bezorgd. In het vervolg zullen ze ons door een anderen geleverd worden. Een trotsche eik is dezen nacht door een storm ontworteld. Het plan tot het bouwen der brug was door onze ingenieurs ontworpen. Iedere les wordt ons door onzen onderwijzer verklaard. Deze opstellen zijn door hem zeiven verbeterd.
fiSCS. Welk verschil bestaat er in de spelling tus-aoben de gebiedende wijze enkelcoud en meerooud ?
Zou men den l,n en den 3tn persoon ook in de gebiedende wijze knnnen gebruiken ?
Daar zit een leerling met de armen over elkander. Hij heeft nog niets uitgevoerd. Het is, alsof hij met open oogen droomt. Op eens ontwaakt hij uit zijne mijmering en zegt tot zich zeiven : Laat ik mijn werk beginnen ! Hij gebiedt zich zeiven, of liever hij spoort zich zei ven aan.
Laat ik (beginnen) is das de vorm van den Iquot;1 persoon enkelvoud der gebiedende wijze.
Ook de 3e persoon wordt op dezelfde wijze met laten gevormd. JLinten is alzoo het hulpwerkwoord der gebiedende wijze. Wat beteekent diti'
Ziehier de geheele gebiedende wijze :
Laat ik beginnen.
Begin.
Laat hij beginnen.
Laten wij beginnen.
Begint.
Laten zij beginnen.
UB4:. 1. Ik moet schrijnen.
2. Hij w i 1 niet studeer en.
3. Gij m o o g t spelen.
4. Gij kunt lezen.
91
5. Wij laten ons photografeeren.
6. Zij durven niet blij Ben.
Eenige werkwoorden behoeven altijd een ander werkwoord in de onbepaalde wijze bij zich. Zonder dit werkwoord hebben zij geene volkomen beteekenis. Men noemt ze daarom bulpbetioeveode werkwoorden.
Verklaar dit woord eens
Uit het voorafgaande blijkt, dat, als men op het gebruik der werkwoorden let, deze kunnen onderscheiden worden in: werk woorden s
hulpwerkwoorden (van tijd. van den lijdenden vorm, van de gebiedende wijs), hulpbehoevende werkwoorden en koppelwoorden.
- SsiS5. Plaats de cursief gedrukte werkwoorden in de gebiedende of in de aanvoegende wijze. Bemoeien u niet met zaken, die u niet aangaan. Gerechtsdienaai-, dragen zorg, dat de dief niet ontsnappen. Mietje , geven dien armen man wat te eten , opdat hij zijnen honger stillen en niet van gebrek bezwijken. Jezus zeide tot zijne leerlingen: â Waken en hidden, opdat gij niet in bekoring vallen.quot; Mijn jongen, doen dat niet; gaan liever awe les nog eens nazien , opdat uw onderwijzer over u tevreden zijn. Mogen de Hémel dit ongeluk verhoeden 1 God bewaren mij daarvoor* Ik wenschte wel, dat gij beter luisteren en uwen tijd i^oed besteden. Mannen, zijn gereed I blijven op uwen post, en geven wei acht, opdat de vijand u niet verrassen. Ik wil, dat niemand zich van zijne plaats verwijderen. Gaan heen , luiaard , en verschijnen' niet meer onder mijne oogen. Ik wenschte , dat hij het doen-Izaak zeide tot Ezau : â Nemen uwe wapens en gaan uit; en als gij op de jacht iets vind(t), brengen het mij, opdat ik het eten en u zegenen, eer ik sterf.quot;
Jongens, kijken eens, dat zal gaan I
Haasten u , reppen u , vegen de baan 1
- SÃO. Schrijf het volgende zonder fouten. Wie heeft miju schrift zoo bemor3(t) ? Jan , ga(an) eens even Da(a)r de(n) buurman en zeg(t) hem , dat ik hem deze(u) middag hier verwacht. Gij hebt mij niet gelooft(d), toen ik u de waarheid zeid(d)e; nu â onderviad(t) gij de gevolgen uwer eigenzinnigheid. Eijke(n), wend(t) «we oogen niet af van den arme(n). Zoo even lag ik mijn potlood
92
oi) de(n) lessenaar , en nu is het verdwe(e)nen. Wie heeft het ge-Itaapt(d) ? Willem, als gij het hooi binnengehaald(t) hebt, breng(t) dan het paard na(a)r de wei(ij)de. De timmerman heeft gehameit(d), geschaafd(t), geboord(t), gezwoegd(t) ea gezweet; de man is vermoeid^) en afgetobt(d). Is die(n) oude(n) soldaat erg gokwetsd(t) ? Neen zijne(n) linkerarm is slechts eeu weinig gekneusd(t). De onoverwinnelijke vloot, bemand(t) met 20.000 koppen, werd(t) door de Engelsche(n) en Nederlanders , maar nog meer door de(n) storm, vrees(3)elijk gehavend(t) en verstrouid(t). Na ve(e)le jaren een zwervend(t) en ongebonden leven gelij(ei)dt, «ijne goederen verkwi3d{t) en zijne eer en goeden naam verloren te hebben, is de ongelukkige zoon eindelijk naar het ouderlijke huis wederge-keerd(t). Leouidas antwoord(d)e den Perzers, toen deze(n) eischten, dat hij de wapens zoud(d)e overgeven : kom(t) en haal(t) ze. Waarom heeft men die(n) sloot verbreed(t) en den dijk opgehoogd(t) ? Ik heb mij gespoe(i)d(t), zooveel ik maar kon, maar het baat(t)0 mij niet, de voorstelling was geëindigd(t), toen ik aankwam. Ik kon u welh ofschoon gij n zelf(v)en onkenbaar tracht(t)e(t) te maken ?
JSÃT'. Wanneer men acht geeft opdebeteekenis der werkwoorden , dan bemerkt men aanstonds, dat sommige werkwoorden een lijdend voorwerp bij zich hebben. Zeg ik: Deze leerling bemorst zijne boeken , dan is in dien zin: zijne boeken het lijdend voorwerp ; de boeken ondergaan of lijden de handeling; na afloop daarvan zijn het 4e-q/forsle boeken geworden. Men zegt dat de handeling bemorsen op de boeken is overgegaan. Bemorsen is daarom een overgjanlielijlc werkwoord.
In den zin : De zon schittert aan den hemel is geen voorwerp te vinden , wijl er niets of niemand is , die de handeling schitteren ondergaat. Deze handeling gaat niet op een voorwerp over; het werkwoord schitteren is on-overgan kelilk.
Overgankelijke werkwoorden komen menigmaal zonder lijdend voorwerp en dus als onovergankelijke voor : b. v. Bij spreekt dikwijls zonder na te denken. Wie roept daar zoo hard ? Bet glas brak. De deur sluit goed* Dat fruit zal geheel bederven.
Zijn leven, blijven , slapen ook overgankelijk in de vol-
93
gen do zinnen : Sommige insecten leven slechts een enkelen dag. Ik heb den geheelen nacht geslapen. Blijf een oogenblik hier. Wat is in deze zinnen eigenlijk weggelaten ?
Zondt ge door eene kleine verandering van de onovergankelijke werkwoorden gaan , zorgen , weenen, zitten, leven, waken, varen , legeren overgankelijke kunnen maken 'i
Welke van de volgende werkwoorden zijn oïevgan-kelijk, en welke onovergankelijk ? kmipen , vreezen, liegen, dwingen , klagen , afwenden , beleven , bevelen, pochen, wenden, razen, dreigen , lijden , sluipen , ontbreken , lachen , staan , bewandelen , komen , vorderen , vertreden , naderen, vervaardigen , houden . bekomen , sterven , sluiten , schelden , doen , bezitten , ontkomen , eischen , verstaan , vragen , gehoorzamen , omgeven , vergelden , treden , wandelen , bezinnen.
- SSO. Maak zinnen, waarin de volgende werixooorden asvc-gankelijk en andere, waarin ze onovergankelijk voorkomen steken, smelten , buigen , bijten , koken , verminderen , drukken , veranderen , bewegen, verschieten, drijven.
VOORBEELD. De herder dreef de kudde naar de weide.
Hout drijft op het water, omdat hei soortelijk lichter is.
SOO. 1. De moeder wascht het kind.
2. Ik snijd mij.
3. 6 ij hebt u verbeterd.
4. Zij wascht zich.
5. Vader snijdt het brood.
6. Hebt gij uw werk al verbeterd?
Alle werkwoorden , die in deze zinnen voorkomen, zijn overgankelijk. In de zinnen 2, 3 en 4 verricht het onderwerp de handeling en ondergaat die tevens; m. a. w. de handeling keert tot het onderwerp terag. In de andere zinnen is dit niet het geval.
Wanneer de handeling door het onderwerp verricht en te gelijk ondergaan wordt, dan noemt men dit den terug; werkenden vorm der overgankelijke werkwoorden.
Sommige werkwoorden komen nooit anders dan in den terugwerkenden vorm voor, zooals : schamen, vergissen , bezinnen, ontfermen, enz.
94
SOI. 1. Het regent.
2. Het vroor hard.
3. Het sneeuwt geweldig.
4. Hel is hoog tijd, het luidt voor de H. Mis.
5. Het ontbreekt hem aan ijver.
Ziehier nog eene bijzondere soort van werkwoorden; in
deze zinnen wordt alleen gezegd, dat er iets gebeurt, of dat iets is, zonder dat er ook een persoon wordt genoemd, die de handeling verricht. In de plaats daarvan staat het onbepaalde voornaamwoord liet. Kan men deze werkwoorden ook anders gebruiken dan in den 3en persoon enkelvoud ? Men heet ze oiijjtTf-iooiil jjlio orlt-â woorden. Alle andere werkwoorden zijn persoonlijke. W aarom P
Ontbreekt ook het onderwerp bij de werkwoorden spijten en bevallen in de volgende zinnen; Het spijt mij, dat uw oom ziek is. Het bevalt mij zeer, dat hij bevorderd is ?
De ondergeschikte zin is eigenlijk het onderwerp; wij noemden zulke zinnen reeds onderwerpszinnen. Is het voornaamwoord het hier een onbepaald voornaamwoord P Toch gelijken zulke werkwoorden op onpersoonlijke: Zoudt gij ze bijv. in den len persoon kunnen gebruiken P Men noemt ze schijnbaar onpersoonlijke werkwoorden.
Geef nog vier voorbeelden van zulke onderwerpszinnen. Kunnen de plaatsvervangende onderwerpen vooraan ook gemist worden P
- S203. Maak 5 zinnen, waarin een terugwerkend en 5 andere, waarin een onpersoonlijk werkwoord komt.
- ££(34, Beproef eens, of gij hij regenen, sneeuwen en hagelen een voorwerp kunt vinden.
St5S. 1. Het werken valt hem lastig.
2. Het is noodzakelijk te leeren.
3. Mijn leeren is spelen.
4. Ik wensch te vertrekken.
5. Wij eten om te leve n.
In elk dezer zinnen komt een werkwoord voor in de
95
onbepaalde wijze. In den eersten en in den derden zin zijn echter werken, leeren en spelen geen werkwoorden meer, maar..... Waarom?
Als gij deze zinnen ontleedt, zult ge zien, dat het werkwoord in de onbepaalde wijze na eens als onderwerp, dan als gezegde, dan als voorwerp of bepaling voorkomt.
Somtijds staat het werkwoord alleen; een ander maal is het voorafgegaan door te of om te.
SOO. Wat is het voorwerp in de volgende zinnen P
Ik zie den molen malen. Wij hoorden de klok luiden. Ik voelde mijn bloed in de aderen koken.
Wat zie ik? den molen â ja, maar nog meer: ik zie ook het malen. Den molen malen is dus te zamen het voorwerp van zien.
Vul de uitdrukking den molen malen eens aan tot een volkomen zin : b. v. Ik zie, dat de molen maalt. Wat is nu het voorwerp van zi$n ? Zulke zinnen noemt men 'voorwerpszinnen, gelijk wij reeds gezien hebben.
- . Maak van het gecursiveerde een voorwerpszin :
Ik vernam zijne bevordering met vreugde. Vader meldde mij gisteren zijne behouden aankomst. Nimmer zal ik de lief de mijner ouders vergeten. Tobias beval zijnen zoon naar Raguel te reizen. Hij zeide hem cenen bekwamen gids te zoeken. De aangeklaagde bewees zijne onschuld. Ik hoop mijn vader hij mijne tehuiskomst gezond aan te treffen. Bij het vernemen dier tijding verlangde de arme moeder zeer haren zoon nog eenmaal in hare armen te drukken. Vertel mij uwe lotgevallen. Hoort gij het schreien van dat arme kind niet? Wij zagen den man komen. Deze reiziger denkt in vier dagen te Rome aan te komen. Weet gij de schuilplaats van den armen banneling ? De schalksche knaap beproefde den meester te misleiden. Ik verklaar u zulk werk niet te willen aannemen. Belooft gij mij morgen te betalen ? Belooft gij mij morgen te betalen ? â¢
⢠SOS. Maak ondergeschikte zinnen, die als voorwerp staan (voorwerpszinnen) hij elk der volgende werkwoorden : melden, hooren, meenen , bevelen , weten , geiooven , denken , berichten , gelasten.
- SöO. Verander of verkort den voorwerpszin tot een. eenvoudig voorwerp.
96
Ziet gij niet, dat gij u vergist hebt ? Ik had al lang voorzien, â¢dat hij sterven zou. Weet gij, waar de burgemeester woont ? Niemand bespeurde, dat hij vertrok. Vader gebood mij , dat ik komen zonde. Alle toeschouwers zagen , dat de ongelukkige neerplofte. De onderwijzer toonde ons allen duidelijk aan, dat de aarde rond is De overheid beval, dat de dief in hechtenis genomen zoude worden. Men meldt ons , dat oom zal overkomen. De nieuwsbladen melden, dat de oorlog uitgebroken is. Koop niet, wat overtollig is. De veldheer eischte, dat de stad zoude overgegeven worden. Kunt gij bewijzen , dat hij onschuldig is ? Hoort gij , dat het dondeit ? Verlaagt gij , dat ik overkome ? Eensklaps zagen wij , dat de wagen langs het huis voortrolde. Men kon voorzien , dat het weer veranderen zou. Wij gisten, dat vader lang zou uitblijven. Wij hoopten, dat hij herstellen zou. Hebr gij vernomen , dat wij vertrekken zullen ? Boodschap hem , dat zijn zoon ongesteld is.
VOORliEELD. Ziet gij tiwe vergissing niet ? Ik had zijn dood al lang voorzien. Weet gij den burgemeester wonen, of : Weet gij â de woning van den burgemeester ?
S'T'O. De vormen lezende, kokende ; gelezen en gekookt â¢noemt men de deelwoorden van lezen en koken en wel de twee eerste tegenwoordige deelwoorden en de twee laatste verleden deelwoorden.
Uit de uitdrukkingen ; kokende soep , een lezende jongen , het gelezen verhaal en de gekookte spijzen blijkt, dat deze vormen deelen in de beteekenis van een werkwoord en in die van een bijvoeglijk naamwoord. Kunt gij dat verklaren ?
S71. Ik wil, dat hij kome.
Wij wenschlen, dat gij a b e t e r d e t.
Zeg het hem , opdat hij het w e t e.
Ontleed deze zinnen. In welke wijze staan de werkwoorden : komen , beteren , voeten ?
Uit deze voorbeelden ziet gij , dat de aanvoegende wijze gebruikt wordt:
1°. lu ondergeschikte zinnen (voorwerpszinnen) na de werkwoorden willen en wenschen. Hetzelfde heeft ook plaats na beoelen , verlangen , begeer en , zorgen of zorg . dragen en eenige andere. Geef van elk een voorbeeld.
97
2» Na het voegwoord opdat.
3° Nog wordt de aanvoegende wijze gebraikt in enkel-vondige zinnen, die een wensch uitdrukken; BT v. Leve de koning ! God zegene u !
Deze zon men kunnen beschouwen als ondergeschikte zinnen, waarvan de hoofdzin ik wensch weggelaten is.
In plaats van kome en wete kan men in bovenstaande zinnen ook zeggen komen zal, weten mag. In welke wijze staan komen en weten nu P
Van de voorwaardelijke wijze behoeft ge vooreerst niets te weten.
£21'Si. Wat hunne vorming betreft, wordende werkwoorden verdeeld in stamwoorden, afgeleide en samengestelde woorden.
De sterke werkwoorden zijn over het algemeen stamwoorden , als loopen, zingen , vangen, zitten enz.
Van welke woorden zijn de volgende werkwoorden afgeleid : warmen , huizen , verhoogen , lichten , zwermen , innen , beamen ?
Kent gij ook samenstellingen met vangen , zien , staan , lezen ?
SI'S. Bedekken, geleiden, herhalen, onthouden, verjagen, wanhopen.
Zijn deze woorden afgeleid of samengesteld ?
13«, ge, her, out, ver en w»iii zijn voorvoegsels.
Anders is het met
1. uitnemen , doorzoeken , onderhouden , overhandigen , doorhalen, ondergaan, overkomen, doorschouwen, doorlaten, overreden, ompraten , omgorden , wedergeven, wederstaan.
2. huishouden, logenstraffen, raadplegen, beeldhouwen,, liefkoozen, kortwieken, dwarsboomen, knipoogen, stampvoeten, reikhalzen, watertanden, glimlachen, w e d ij v e r e n.
3. acht slaan, acht geven , oorlog voeren , plaats hebben , plaats grijpen, vertrouwen stellen , vermaak scheppen, den spot drijven , de wacht houden , het bed houden.
T. S. 2 c. 7
98
De werkwoorden van N° 1 en 2 zijn samengesteld. Waaruit P
Welke zijn scheidbaar, welke onscheidbaar samengesteld P
In N° 3 ziet gij uitdrukkingen, die men werkwoordelijke uitdrukkingen noemt. In deze is het werkwoord met het ander woord zoodanig verbonden, dat ze te zamen maar één denkbeeld uitdrukken. Neem het werkwoord alleen, en ge krijgt eene geheel andere beteekenis.
_ *2^4. loon aan, dat gij de beteekenis der in N» \ en 2 gespatïêerde werkw. verstaat, door deze injlinke zinnen te gebruiken.
m ^Maak goede zinnen , waarin doorhalen, omriugen, overtuigen , overleveren , omkeeren , geschieden , mistasten , beraadslagen , misgunnen , aanbidden , plaats grijpen , dwarsboomen en gadeslaan in den volmaakt verleden tijd voorkomen.
VOORBEELD. Hij heeft het erg verbruid, daarom heb ik hem eens duchtig doorgeha aid.
«ayö. Nog verdienen opmerking de werkwoorden vellen , zetten, drenken, leggen, wekken, voeren.
Wekken beteekent doen waken, voeren â doen varen (dat vroeger ook rijden beteekende), enz.
S37quot;7/. Welke eigenaardigheid bemerkt gij aan de volgende werkwoorden trappelen , klapperen , klingelen , stotteren , wentelen , enz.
Bestaat er verschil tusschen trappen en trappelen, krabben en krabbelen, enz.
_ S'J'S. In de volgende zinnen zijn hebben en zijn uitgelaten. Vul ze eens in. Ik----gisteren naar Rotterdam geweest
en .... den geheelen weg gereden. â En gij ? â Ik .... even naar Utrecht gestoomd. â Wat .... gij bezweet 1 â Geen wonder ; wij .... uren lang gewandeld ; ik .. . . mij afgetobd en .... zoo vermoeid, dat ik niet meer kan.â----gij geloopen of gereden?
Ik .... er zachtjes heen gewandeld. â Hij .... in minder dan een uur naar P. gegaan. â Dat is bijna ongelooflijk. Ja , maar hij .... geloopen als een postpaard. â Foei, .... gij n niet geschaamd, zulks te doen ! â Die goede meid----zich vandaag weer afgesloofd.
. a. Breng de volgende werkwoorden in goede zin
nen in den onvolmaakt verleden tijd te pas : nederzijgen, stijven,
99
spruiten, houwen, houden, bevelen, prijzen, afscheiden, aanbinden, vergelden, overreden.
quot; S'T'O. Schrijf zonder fouten en plaats de ie ekens. Nabij het eiland Moskoe op de kust van Noorwegen trefdt meu de ge-varelijke maalstroom aan. Hij neemt regelmatig elke zes uren in onstuimigheid toe en af en rigt zich alzoo naar eb en vloed. Van den hooge Helsegger die in de nabijheid licht kan men de vreese-lijke stroom in zijne geheele lengte eu breedte overzien. Alle scheepen die in zijn bereik komen worden in den afgrond mede-gesleept en op de tallooze klippen die zich iu de diepte bevinden verbreizeld De ijsbeer dien het waagt Laar de eilanden te overzwemmen mag onder hevig gebrul den sterksten wederstand bieden het baadt hem niet. Onder de gestolene voorwerpen die men bij dezen man gevonden heeft bevind zich ook de goude horloge die verleede donderdag eensklaps uit uwe kamer verdwenen was. De man die hij al zijn vertrouwen geschonken had heeft hem laag behandelt. Hen die gene enkele fout in dit opstel gelaten hebben zal gewis eene belooning gegeeven worden. Vrientjes, overlees het nog esns.
- SiSO. VRAGEN. 1. Hoe kau de onbepaalde wijs in een zin
voorkomen? 2. Geef een voorbeeld, dat de onbepaalde wijs als voorwerp staat. 3. Waarom is straffen een zwak werkwoord ? 4. Waarom zijn mogen en vriezen onregelmatig ? 5, Welke hulpwerkw. hebben wij om de tijden der werkwoorden te vormen ? 6. Is dit ook in het Fransch het geval? 7. Wat kan het werkwoord zijn nog anders zijn dan een hulpwerkw. ? 8. Wanneer is een werkwoord overgankelijk? wanneer onovergankelijk ? 9. Wanneer komt een werkwoord voor in den lijdenden vorm ? 10. Welk is het hulpwerkwoord van den lijdenden vorm ? 11. Geef voorbeelden , dat worden geen hulpwerkwoord is. 12. Welke verandering ondergaat een zin, als hij van den bedrijvenden in den lijdenden vorm wordt overgebracht? 13. Wat is een onpersoonlijk werkwoord?
14. Kent gij ook twee soorten van onpersoonlijke werkwoorden ?
15. Kent gij werkwoorden, die van andere werkwoorden zijn atgeleid ?
100
Bijwoord â Voegwoord â Voorzetsel â Tusschenwerpsel.
â¢gt;15^1, i. Gij hebt lanjsasaaM geschreven.
2. Die sigaren zijn w oou duur.
3. Hij heeft bö^onder goed gewerkt. Langzaam in den eersten zin is een by woord,
omdat.................ju
De beide andere zinnen zullen we eens wat nader beschouwen.
Wanneer ik zeg: die sigaren zijn duur, dan ken ik de hoedanigheid duur aan die sigaren toe. Duur is hier alzoo
......... Maar alle sigaren zijn niet even duur ; m. a. w.
alle sigaren bezitten die hoedanigheid niet in denzelfden graad. Ze kunnen zijn : duur , zeer duur, buiten-ooi» duur, te duur, veel te duur, enz.
Zeer, buitengewoon , te, veel te , enz. drukken den graad eener hoedanigheid uit en zijn ook by woorden.
Dat is ook het geval met ruim , uiterst, niet genoeg en zoo in: Qij leest ruim hard, uiterst hard, niet hard genoeg, zoo hard; â en met bijzonier in den derden
zin.
- SSS. Maak zinnen , waarin goed , hard , gemakkelijk dagelijks, vergeefs, toch, waar als bijwoorden voorkomen. Breng daarna de 5 eerste als bijvoeglijke naamw. in goede zinnen te pas.
Oij goed, uw broeder zingt beter,
maar uw zusje zingt het best van allen.
Gij ziet, dat men van bijwoorden ook trappen van vergelijking kan vormen. Gaat dit met alle B Beproef het eens.
Sommige bijwoorden drukken eene tijdsbepaling, andere eene plaatsbepaling uit; nog andere drukken eene bevestiging, eene ontkenning, een twijfel, enz. uit, b. v. weldra , eens , altijd, nimmer , vroeg , laat, enz. â hier, daar, nergens , overal, onderweg , voorop , enz. â ja, zeker , gewis , stellig , nog , neen , niet, geenszins , waarschijnlijk,
misschien, enz.
101
Hoe zondt gij met ens en willens, van ganscher harte, heinde en verre (veer), in aller ijl, te xamen, onver-richter zake, keer op keer, ten slotte noemen P Zij hebben dezelfde beteekenis als de bijwoorden; men noemt ze gewoonlijk bijwoordelijke uitdrukkingen.
De volgende schrijft men aan elkander: inderdaad, metterdaad , mettertijd, ternauwernood, tevergeefs , vandaag , opnieuw en eenige andere.
quot; SS O. Maak zinnen, waarin de volgende uitdrukkingen voorkomen-. wijd en zijd, heinde en verre, uitermate, van lieverlede, te berge, in aller ijl , te recht, om het zeerst, om het hardst, onverrichter zake.
Welke bijwoorden komen in de volgende versjes voor ? 't Was op een zonnigen zomerdag ,
Dat tusschen twee schelven hooi Een ezel vlak in het midden lag;
Wat lag er die ezel mooi!
Eerst keek hij rechts , toen keek hij links,
En scheen maar niet te weten,
â Zoo geurig toch was elke schelf â
Van welke hij zou vreten,
Tot hij ten leste droef genoeg,
Met wijden mond aan 't balken sloeg ,
Hia I Hia 1 Hia 1 En toch lag hij zoo mooi Tusschen twee schelven hooi.
J. van Lennep.
Als wijsgeer deftig te beklagen De zedeloosheid onzer dagen ,
Is iets wat algemeen geschiedt;
Doch zelf, niet slechts het misbruik haten ,
Maar zijn geliefde zwak te laten :
Dit is het, wat men zelden ziet.
Anslijn.
quot;Wild jagen De vlagen Den regen daarheen.
102
Hoe trillen de daken ,
Hoe schudden en kraken De muren vaneen I
Vit Braga.
J388. Toen wij de samengestelde zinnen behandelden, hadden wij reeds gelegenheid te wijïen op de vo eg-woord e n. Men noemt aldus die woorden, welke zinnen of deelen van zinnen verbinden, zonder tot een derzelve te behooren.
Is het woordje dat een voegwoord in de volgende zinnen P Geef tevens rekenschap van uw antwoord.
Ik vernam, dat mijn oom ziek was. Het bericht, dat ik ontving , was helaas, waar. De tijding , dat hij heter werd, schonk mij veel vreugde. Men antwoordde hem, dat hij nog een uur moest wachten. Bet antwoord , dat ik mocht vertrekken , was mij welkom.
. De voegwoorden en en dat doen niets dan zinnen aaneenvoegen ; zij duiden niet aan , in welke betrekking de zinnen tot elkander staan ; men kan ze weglaten, zonder dat de beteekenis van het geheel verandert.
⢠JiOO. Laat de voegwoorden dat en o/weg uit de volgende zinnen en let daarbij op de teekens :
God beveelt ons, dat wij vader en moeder moeten eeren. Jozef vroeg zijnen broeders , of zijn vader nog leefde. Mijn vriend vertelde mij , dat hij zijn vader in drie jaren niet gezien had. Willem zegde den knecht, dat deze hem om vijf uur moest wekken. Mijn vader vroeg mij, of ik voor hem een brief naar de post wilde brengen. Ik antwoordde, dat ik het gaarne zou doen. Als gij iets heden nog kunt verrichten, zeg dan nooit, dat gij het morgen doen zult. De heer zeide tot zijn knecht, dat hij eerst voor het paard moest zorgen en daarna het rijtuig moest gereed maken , want dat hij om tien uur wilde vertrekken en niet gaarne te laat in de vergadering wilde komen.
SOI. De voegwoorden, die nevengeschikte zinnen verbinden, noemt men nevenschikkend; hoe zondt ge nu de voegwoorden heeten, die ondergeschikte zinnen met den hoofdzin verbinden P
103
quot; Voeg een afhankelijken zin bij de volgende hoofd-
zinnen :
Wij kunnea heden niet uitgaan , omdat......
Men spant zich in om iets te leerea , opdat......
Ik zal u dit geheim mededeelen , mits......
Volbreng de geboden uwer oudera , tenzij......
Ofschoon deze knaap...... maakt hij geene vorderingen.
Blijf hier , totdat.....
Men mag des Zondags niet werken, tenware.....
Aangezien...... zullen wij spoedig vertrekken.
Ik wil niet, dat gij met hem gaat, vermits......
- SOS. Gebruik nog als voegwoorden in goede zinnen : behalve, wijl, terwijl, want, of, hoewel, hoezeer, indien, daar.
2304. 1. Toen begon hij te weenen.
2. Ik verliet de stad, toen de morgen aanbrak,
3. Waar woont de burgemeester ?
4. Hij zoekt het geluk, waar het niet te tinden is.
Wat is toen in den le° en toaar in den 3en zin ?
Hoe komen ze in beide andere zinnen voorP
Gij ziet alzoo , dat sommige woorden nn eens als bijwoord , dan als voegwoord gebrnikt worden.
quot; SOS. Plaats in het volgende de weggelaten bijwoorden.
Wie had dat ... kunnen denkon?â ... gewonnen, ... geron-öen. â .... kwam hij binnen , nam .... eea stoel en ging .... zitten. â Pharao gehoorzaamde .... aan het bevel van God. â .... meende men, dat de aarde stilstond; ,... houdt men .. . het tegendeel. â Jezus leert ons, dat wij . . . moeten bidden. â De aarde wentelt zich .. . om hare as. â De goddeloozen genieten
......meer voorspoed dan de goeden.â ... zou God dit toelaten ?
â Dat komt er van , als men ... luistert; ... hebt gij alles . ..
gedaan. â Als gij ... geluisterd hadt, zoet er uw werk......
uitgezien hebben. â Ik beken ..., dat gij gelijk hebt, en zal zorgen . ., ... op te letten. â Zou dat .. . mijn vriend N. zijn? .., dat is... mogelijk. â ..., hij is het. â ... wonen de Eskimo's f â ... en ... werd Willem de Zwijger gedood ? â Zijt
gij ... hersteld ? â ... maar ik kan.........gaan , mijne
beenen zijn......stijf. â ... maakt het de zieke ? â ... zal
104
hij dezen nacht sterven. â Ik weet . .., dat ik .,. sterven ral; maar ik weet .., ... of * â¢.; daarom moet ik mij ... bereid houden, opdat de dood mij......overvalle.
JsJOO. 1. ffij zaten in den tuin onder eenea lindeboom.
2. Hij teas gisteren lgt;ij ons.
3. Ondier de les moogt gij niet spelen ; gij
kunt dit na. den schooltijd doen.
4. Wees vriendelijk jegens uwe makkers.
5. De zoon van den burgemeester heeft een
verzoekschrift voor mij opgesteld en aan den koning gezonden.
De woordjes in, onder , bij, na , jegens, van, voor en aan zijn voorzetsels»
In en onder in den eersten zin staan in eene bepaling van plaats, onder en na in den derden zin in eene bepaling van tijd. Zij vormen echter niet op zich zelve een dergelijke bepaling, maar hebben daartoe de hnlp van een ander woord, meestal een zelfst. naamw. of een voornaam w. , noodig.
Waarin verschillen ze dus van de hijieoorden ?
Wat zijn voor, boven, door in de volgende zinnen P Mijn horloge loopt voor. Die heer woont boven. De wagen rijdt door.
Uit den vierden en vijfden zin blijkt, dat de voor-ïetsela ook andere betrekkingen dan van plaats en tijd knnnen uitdrukken; doch wederom niet zonder behulp van een naamwoord,
SOT. Door middel van, in weerwil van, ten behoeve van, ten aanzien van, met behulp van, bezijden van, enz. zijn woordverbindingen of uitdrukkingen, die den dienst doen van voorzetsels.
m SOS. Beproef eens, of gij deze in goede zinnen kunt te pas hrengen. Vervang vervolgens de drie eerste door een enkel voorzetsel.
105
SÃO. In welken naamval staan altijd de naamw., die met het voorzetgei eene bepaling uitmaken P Dat dit vroeger niet het geval was, kant gij nog zien aan de volgende uitdrukkingen: binnenslands, buitendijks, voorshands ; ten huize , van den lande, in der minne , enz.
300. Welk verschil is er tusschen na en naar, voor en vóór P Toon dit aan door een voorbeeld.
- 301. Maak zinnen , waarin beneden , voor , buiten , uit t te a/s b ij woorden voorkomen en andere, waarin deze woordjes voorzetsels zijn.
- SOS. Vervang in de volgende zinnen de voorzetsels door andere, die ongeveer dezelfde beteekenis hebben. Gedurende het H. Misoffer moet men eerbiedig zijn. Hij is om zijn moedwil gestraft. Dat is ongeveer een jaar geleden. Ter oorzake van den oorlog staat de bandel stil. Die twistzoeker is uit het huis gezet. Zij draagt een gouden ring aan den vinger. Ieder gaf volgens zijn vermogen. Men greep hem bij de baren. Hij heeft bij de honderd jaren geleefd. Neven ons huis staat de beurs. Hang de schilderij tegen den muur. Die beide oudjes spreken altijd van den goeden ouden tijd. Arnhem is bekend om zijne fraaie ligging. Hoe oud en zwak hij is, hij gaat toch nog trouw ter kerk. Binnen de stad heerschte de vreeselijkste ellende. Hij werd gedood door middel van een werpspies. Nijmegen ligt aan de Waal.
- -50-5- Gebruik de volgende bepalingen in zinnen :
In het Zuiden. Ten zuiden. Te huis. In huis. In het huis. Uit de voeten. Aan de voeten. Onder den voet. Op den voet. Aan tafel. Aan de tafel. Op weg. Op den weg. Op het land. In het land. Te iand. Aan boord. Aan den boord.
- 304. Verbeter de fouten en plaats de teekens, waar deze ontbreken. Aan den boom die gij daar ziet hongen verleden jaar zooveel appels dat de takken omboogen. Naar de zondvloed werdt al zeer spoedig afgoderei gepleegd. Vriendje, luistert naar mijn raad, vermeldt het gezelschap van die booze makker. Gij moet nimmer vergeten voor en na den maaltijd te bidden. Voor de mensch bestaat er geen zoo zwaren last dan den tijd, wanneer hij niet weet hoe die te besteedden. De morgen brachtten wij door in de schilderachtige streek aan de voet van gindse berg. Karei den vijfden ge-bruiktte servetten, van amianth vervaardigt. Het keukenzout word
106
op verscheidene plaatse uit de grond gedelft en daarna in de zoutkeet gezuivert. Waar vindt meu de vooroaamste zoutmijn van Europa ? De polijpen groeien bij duizende aan dezelfde stam als bladen aan de boom. Zij roeidden ons met hun driën naar de stad. Toen de Israëliten zich de toorn van God op de hals gehaald hadden baadden Mozes en Aaron vóór hun en God liet zich bewegen en vergaf hen hunne misdaad. Gij ziet niet goed naar; wij zijn aan de voet der laatste bladzeide. Duizende menschen keekea er naar.
30S. Ziehier eenige tneschenwerpsels : ha! hoezee ! hoera! helaas! ach! och! ai! bah! foei! brr! st! â pof! klets! plomp! krak! bons! klingeling! enz.
Waarom worden ze tnssohenwerpsels genoemd P Van alle rededeelen zonden we deze het best kunnen missen.
Welke drukken een gevoel van vreugde uit ? Welke van droefheid? Welke van afkeer P Welke eene klanknabootsing P
- 306. Zet in de plaats der 'puntjes een passend ius$chen-toerpsel. ... 1 dat doet zeer 1 â ...! Zijt gij daar, mijn jongen ! â ... ! daar lag hij 1 â ..., ... 1 daar brak de plank , en onze waaghals tuimelde hals over hoofd in het water. â ... 1 moest de dood hem zoo spoedig uit ons midden wegrukken 1 â ... 1 niet gepraat 1 â ... hoe vuil is dat 1 â ...! ik ijs nog, wanneer ik er aan denk.
- «EfcOT''. VRAGEN. 1. Waartoe dienen de bijwoorden? 2. Welke bepalingen kunnen ze uitdrukken? 3. Noem eenige bijwoordelijke uitdrukkingen. 4. Laat buiten in een zin voorkomen als hijwoord en in een anderen zin als voorzetsel. 5. Maak een zin, waarin waar als bijwoord, en een audtren, waarin het als voegwoord voorkomt. 6. Van welke soort van bijwoorden kan men trappen van vergelijking vormen ? 7 Bijwoorden en voorzetsels dienen beide om bepalingen uit te drukken , maar waarin verschillen ze van elkander ? 8. Na gebruikt men in eene .... bepaling, naar in eene .... bepaling. 9. Waartoe dienen de voegwoorden? 10. Noem 5 nevenschikkende en 5 onderschikkende voegwoorden. 11. Kent gij woorden, die als bijwoord en als voegwoord , en andere, die als voorzetsel en alg voegwoord dienst doen ?
107
EENIQE OEFENINGEN TEE HEEHALING.
- Maak zinnen , waarin de voornaamw. hij , gij , zij {meervoud) in den, 2en naamvalâen andere, 10aarim^ {vrouwelijk meerv.) , zij (mannelijk meerv.J , die en zich in den naamval voorkomen.
- 300. Maak zinnen i waarin wijs, ziek, goed, veel, deze, andere bijvoeglijk, en andere, waarin deze woorden z e If-s t an di g gebruikt zijn.
- 3lO. Vul het ontbrekende aan en schrijf zonder fouten.
De zon , . .. licht wij niet ontberen kunnen, en......zoo groot
toe8chij(ei)nt, is nochtans eene der kleinste .... sterren. â .... brood men eet, . .. woord men spreekt. â Zij zouden het zelf... gedaan hebben, indien de(n) tijd hu(e)n niet ontbro(o)ken had. â De staak, ... ik mijne slingerplanten gebonden had(t), is omgewaaid^). â De palmboom, ... men slechts in warme landen aantrefd(t), berei(ij)kt eene aanzienlijke hoogte. â Vermij(ei)dt het gezelschap van hen , . . . u tot het kwaad tracht(t)en te overha-löu- â Omdat Napoleon zeer heers(ch)zuchtig was, heeft hij zich zelf ... en andere(n) vele onheil(l)en berokkend(t). â Huygens en Bilderdijk ziju beide(n) beroemde Nederlanders ; ... is een onzer grootste dichters, ... hebben wij de uitvinding der slingeruurwerken te danken. â De(n) man , ... gij met weldaden overladen hebt, ... gij zelfs eenmaal het leven gered(t) hebt, heeft u zeer slecht behandelt'd). â Het verdroot(d) zijne(n) vrienden zoo lang te moeten wachten. â Deze(n) arme(n) man is genood(t)zaakt met de zijDe(n) een goed heenkomen te zoeken. â Sommige(n) meenen, ^at een staartster een ongeluksbode is. â De(n) hond des prins... ziet gij hier afgebeeld(t). â Maria wond(t) haar Goddelijk kind in armoedige doeken en legde Het in eene kribbe.
- 311# Vul in het volgende de lidwoorden , bijvoegl. naamw. en voornw. aan. Wie beschrijft d. . . schrik, d. .. zich van de zijn... meester maakte, toen zij het bericht van zijn... treurig. .. dood vernamen. De landman bewerkt d. .. akker met d... ploeg, en d... egge. De kleine Anna gaf d... hongerig... arme(n) haar.. _ boterham. Deze jongen draagt een... katoen... kiel. Aan een schip heeft men een.. . houten... kiel. De weide was omringt(d) door een... breed... sloot. Bij het flauwe schijnsel van een... klein... lantaarn onderscheidden wij een ongelukkige(n), badende in zijn bloed. Een kind is zijn... ouders liefde en gehoorzaamheid
108
verschuldigd(t). De geneesheer beval, d. . . zieke(n) niet in z. , -slaap te storen. Onz... buitengewoon.. . zwaarlijvig. .. koetsier maakte eene zijwaarts... beweging en viel van de. .. bok. Al mijn aanhouden was vergeefs... Ik had tevergeefs. .. op zij oe hulp gerekend. Door een.. . verbazend... groot... tunnel ging het nu voorwaarts... Dagelijks... hernieuwt d... goed... man zijn aanzoek om een jaarlijks... pensioen. Hij is overal de(n)zelfde(n) , zoowel in d... huis(s)elijk... kring als in d... omgang met zijn. . . meerder... of minder.. .
- 312. Zet voor het cursieve een voornaamwoord in de plaats. Is dit uw werk ? Neen, het ia niet mijn werk, maar het toerk van mijn broeder of mijne zuster. Ik ben over uwen brief en over den brief van Agnes beter voldaan dan over den brief van Jan. Laat aan uwe vrienden de boeken eens zien, over welke boeken ik uwen vrienden gesproken heb. Als ik den ring vind, zal ik den ring aan de nichtjes zenden. Ik heb Herman en Fnts een geschenk gegeven: Herman een album en eene passerdoos-Zend den tuinman de bloemen maar terug, de bloemen bevallen mij niet. Zeg aan de fruitvrouw, dat de fruitvrouw dezen avond de aardbeziën brengen kan. Die arme man is met de vrouw en de kinderen van dien armen man aan de uiterste ellende ter prooi-De meiden verweten den knechten, dat de knechten de meiden niet geholpen hadden. Zeg aan de meid, dat de meid spoedig de kinderen naar de school moet brengen. Lees mij den brief eens voor. Lees uwen vader den brief ook eens voor. Oom heeft ons een bezoek gebracht met den broeder van oom en de vrouw van den broeder. Groet tante van mij, en zeg tante, dat ik tante eerstdaags verwacht. Groet de neven van mij , en zeg aan de neven , dat ik verlangend ben , de neven te zien. In uwen tuin staan meer hoornen dan in mijnen tuin.
- 313» Laat glijden, kruiden, bespeuren, berusten, bespieden , graven , ontduiken , aandoen, nagaan , bevinden en slagen in goede zinnen in den onvolmaakt verleden tijd voorkomen.
- 314. Welke van de volgende werkwoorden zijn overgankelijk ? nalaten \ schitteren , vertrappen , stotteren , wanhopen , sterven , heeten , vallen, ontvallen , letten , verwerpen , ontsteken, rusten , uitrusten , verontrusten , betwisten , vermoeien , snellen , vertragen, gaan , vergaan , ondergaan , flikkeren , begeleiden , verzinnen , hangen , ophangen , twisten , tergen , zwijgen , dorsten , aarzelen , verzwijgen , talmen.
109
- Bezig de volgende vormen van werkwoorden in korte zinnen : houdt, houwt, houd , wast, wascht, bad , baadt, baadde , bade, luidde , luidt, luid , verdroot, besteedt, besteed , besteedde , wonddeu , wonden , wond , won , smeedt, smeet, verweet , verhoedde , vertoeft, vertoefd, pleegt, placht.
- 3lO. Maak de volgende zinnen lijdend. Mannen, hervat uw werk I Een heer vroeg mij den weg naar het dorp. Hij 2eide, dat hij den brief bezorgd had. Aanstaanden Zondag zullen wij u bezoeken. Zijn vader trok het land uit De vorst heeft veel schade aan onze veldvruchten veroorzaakt. Hoe menig uur hebt gij reeds verbeuzeld. Maak deze zinnen lijdend. Nooit had ik zooveel menschen bij elkander gezien. Op den avond vóór zijnen dood stelde Jezus het H. Sacrament des Altaars in. Het heeft den geheelen nacht geregend. Ik geloof, dat uwe moeder mij roept.
- Sl'y. In de volgende samengestelde zinnen moet de ondergeschikte zin vooraan geplaatst worden. De vogelen hernamen hun gezang, zoodra het onweer voorbij was. Vader zal komen , als hij kan. Toen Judas zag, dat Jezus veroordeeld was, gaf hij zich aan de wanhoop over. Ik moest terugkeeren , omdat ik mijn geld vergeten had. Die man verdient streng gestraft te worden , indien hij zich werkelijk aan die misdaad schuldig gemaakt heeft. Later zult gij eerst recht beselfen, wat gij aan uwe goede ouders te danken hebt. Ik zal gaan , omdat gij het wilt. Stel niet tot morgen uit, wat gij heden doen kunt; want de dag van morgen is onzeker. Werp uwe oude schoenen niet weg, vóór ze versleten zijn. Ik kan niet gelooven, dat hij het gedaan heeft. Gij hebt niet opgelet, daarom weet gij het niet.
- 31©. Ontbind het volgende versje in zinnen, en zeg, welke soort van zinnen het zijn. Ontleed het ook taalkundig.
Onlangs ging ik langs een pad,
Door de velden, naar de stad.
Toen ik daar een boer ontmoette ,
Die mij nauwelijks zag of groette ;
Want hij had het bijster drok ,
Draafde en zwaaide met zijn stok,
Om zijn schapental te keeren ,
Van een smallen dam te weren;
Eén reeds was er over heen.
Van Sandwijk.
BEKNOPT OVERZICHT
DER
NEDERLANDSCHE SPRAAKKUNST.
1. Een zin of volzin is eene in woorden nitge-drukte gedachte.
2. De hoofdbestanddeelen van een ïin zijn : heten der-werp en het gezegde. â Het onderwerp i» datgene, waarover men gedacht heeft, en het g^ezeg^de duidt aan , wat men van het onderwerp heeft gedacht.
Het onderwerp is gewoonlijk een zelfst. naamw. â een woord als zelfst. naamw. gebruikt â of een voornaamw.
Het gezegde is:
een werkwoord, wanneer van het onderwerp gezegd wordt, dat het eene handeling verricht of ondergaat: Be zon
schijnt. Jan wordt gestraft; â een zelfstandig naamw. of bijvoeglijk naamw., wanneer van het onderwerp gezegd wordt, wat het is , of hoe het is : Deze man is soldaat; hij is gezond en sterk.
Opmerking. Het koppelwoord dient om het naamwoordelijk gezegde met het onderwerp te verbinden : zijn , worden . blijven , heeten , schijnen , lijken.
3. Woorden , die als nadere omschrijving aan het onderwerp of aan het gezegde worden toegevoegd , noemt men bepalingen: Een gehoorzaam en godsdienstig kind wordt door Ood en mensch bemind.
4. Eene bijzondere bepaling is het voorwerp. Het voorwerp in den zin is de persoon of de zaak , die de handeling ondergaat, welke door het onderwerp wordt verricht: Be leerling schrijft een b r i ef.
Ill
Opmerking. In zinnen als: Jan is een brave jongen. Mijn broeder wordt soldaat. Die man schijnt een groot geleerde. â komt geene handeling voor; daarom zijn de woorden jongen , soldaat, geleerde geen voorwerpen. Kunnen dele woorden gemist worden ? Ontleed deze zinnetjes.
5. Een zin kan uitdrukken een oordeel, eene vraag, een w e n s ch of een gebod. Daarom onderscheidt men :i
1quot; Oordeelende zinnen .- De zon schijnt.. Eet vriest. Oij studeert niet.
2» Vragfeude binnen; Schijnt de zon? Vriest het ? Studeert gij niet ?
3° quot;Wenschencle zinnen; Scheen de zon! Vroor het toch / Studeerde hij toch !
4° Oebiedende» zinnen.- Leer uwe les. Ga heen. Help mij eens eten.
Opmerkingen, a. In gebiedende zinnen is het onderwerp meestal verzwegen.
b. De aanspreking staat buiten den zin ; zij wordt in de ontleding voorop genoemd : Jongen, leer uwe les. Karei, gij moest mij eens heljien. Ik beklaag u, arme man.
c. In elliptische zinnen heeft men eenige woorden weggelaten, om zich alzoo met meer kracht uit te drukken. Stil zitten t Geen moed verloren ! â
6. Een zin heet onbepaald , wanneer hij alleen een onderwerp en een gezegde bevat: De vogel vliegt. Ood sterft niet.
Komen in het onderwerp of in het gezegde, of in beide ééne of meer bepalingen voor, dan noemt men den zin bepaald of uitgebreid: Uw neef wordt priester. Hij was steeds een deugdzame jongeling, Z ij n e ouders verheugen zich over z ij n geluk.
Opmerking. De bijstelling is een bepaling, die een anderen naam noemt voor het bepaalde woord : Jan, de timmer--man, gaat uit werken.
7. Een zin is bedrijvend, als het onderwerp de
112
handeling bedrijft of verricht: De zon schijnt. De vader schrijft een brief.
8. Een zin is IJfdend , al» hst onderwerp de handeling ondergaat of lijdt: Deze sommen worden door ons ge-maakt. Zij zijn voor hunne dapperheid beloond.
Opmerkingen. 1° Als men een bedrijvendeu ziu lijdend maakt, wordt het voorwerp vau den bedrijvenden zin onderwierp in den lijdeuden : De vader straft den ovgehoorzamen knaap. â De ongehoorzame knaap wordt door den vader gestraft. Het ondericerp wordt eeae bepaling , voorafgegaan van door. â Men lette bij het lijdend maken op het gebruik der tijden.
2° Willem wordt timmerman. Hij is in de laatste jaren veel sterker geworden, zijn geen lijdende zinnen, omdat er geene handeling in voorkomt.
3° Er wordt gezongen. Er is hier gerookt, zijn niet lijdend zij drukken slechts het bestaan der werking uit.
9. De Nederlandsche taal heeft 26 letters, die tezamen het alphabet uitmaken. â De c , q , x , en y , komen alleen voor in vreemde woorden, en in namen van verouderde spelling : quitantie, Euydecoper , Klerkx.
10. Men verdeelt de letters in klinkers en medeklinkers.
Een UlinUer is eene letter, die op zich zelf kan
worden uitgesproken ; de klinkers zijn: a., e, i , o, ia i en de letterverbindingen : oe en en.
Opmebking. ei, ij gt; ni, ©u., au, aal, ooi, ©en,
i©U , oei, noemt men tweeklanken.
Een tnedelilinlter is eene letter, die alleen met een klinker verbonden, kauworden uitgesproken: lgt;, c, q, f, li, It, enz.
11. Eene lettergreep is een woord of een gedeelte van een woord, dat met ééne enkele opening van -den mond kan worden uitgesproken.
12. Men verdeelt de woorden :
a. ten opzichte van hunnen dienst in
113
â den zin (in de rede) in de volgende 10 soorten , re-lt;i©cl«3©l«5n genoemd: 1. lidwoorden, 2. zelfstandige naam' woorden, 3. bijvoeglijke naamwoorden , 4. telwoorden , 5. voornaamwoorden , 6. werkwoorden, 7. bijwoorden, 8. voorzetsels, 9. voegwoorden , 10. tusschenwerpsels.
b. ten opzichte der veranderingen of buigingen in: verbuïgfbure : 1. lidwoorden, 2. zel/st.naamw., 3. bijv. naamw., 4. voornaamwoorden, 5. werkwoorden , 6. sommige telwoorden en bijwoorden; â on-verhuiglgt;ar« .â 1. voorzetsels, voegwoorden, tusschenwerpsels , 2. de meeste bijwoorden.
Opmerking. Over de âspellingquot;, zie bladz 13.
Het gebruik der âhoofdletter s,quot; zie bladz. 15
13. Ten opzichte hunner vorming verdeelt men de woorden in :
a. Stamwoorden, die niet van andere woorden zijn gevormd: pijn, groot, vallen, aan, enz.
b- A-fjjreleide woorden, die van andere woorden zijn gevormd; rechtstreeks zooals: zang van zingen; loop van loopen; of door voor- of achtervoegsels, zooals : gebouw, pijnlijk.
Opmerking. De voornaamste voorvoegsels zijn: lgt;e , her, on, ont, ver, wan, en aarts. De voornaamste achtervoegsels zijn: aard, aar , naar , erd, ier , nier , er ; â es, ster, in ; â el, dom , schap , sel, te , ling; â je , lio of leen; â lijlc , loos, baar, zaam , achtig , i «;â , sch ; â en
c. Samengestelde woorden, die onfstaan zijn door de vereeniging van twee woorden, die elk op zich zelf in gebruik zijn, of het vroeger waren:
drinkglas , handhaven.
Opmerking. Een samengesteld zelfst. naamw. bestaat nit twee deelen, waarvan het eenc dient tot bepaling vau het andere. Het bepaalde woord is het voornaamste deel; hiernaar regelt T. S. 2 o. 8
114
zich het geslacht der samenstelling: tuindeur, landmeter. Men merke op , dat oogenblik en kerkhof onzijdig zijn , en woorden als brekespel, langoor, enz. mannelijk of vrouwelijk naar gelang van hunne beteekenis.
14. Zelfstandige naamwoorden zijn na-men van werkelijke zelfstandigheden of van hetgeen als eene zelfstandigheid wordt voorgesteld: huis, mensch, engel; â geloof, gezang , koude.
15. Men verdeelt de zelfst. naamw. als volgt:
Zelfstandige naamwoorden.
Namen van werkelijke zelfstandigh â Denkbeeldige zelfstandigheidsn. Voorwerpsnamen. â Stofnamen.
Soortnamen. â Eigennamen.
16. Een voorwerpsnaam is de naam van elk afzonderlijk voorwerp : boek , school, slad, koning.
17. Een stofnaam is de naam van eene stof, als : hoter, w(liei', klei , visch , steen.
Er is verschil tnasohen : Hij vangt visch, en hij vangt een visch.
18. Een denkbeeldige zelfstandigheids, naam (abstract zelfst. naamw.) is de naam van iets, wat niet op zich zelf bestaat, maar in of aan de voorwerpen wordt waargenomen ; lengte, schoonheid , geblaat.
19. Een soortnaam is een naam, die aan eene geheele soort van voorwerpen gemeen is : paard , kegt;k , jongen. Men noemt ze ook yemeene zelfst. naamwoorden.
20. Een eigennaam is de naam, die aan een persoon of zaak gegeven wordt, om ze van andere van dezelfde soort te onderscheiden: Willem, Rome, Filax.
Opmerking, Woorden, die in het enkelvoud eene verzameling van personen of zaken aanduiden, noemt meu verzamelwoorden: gezelschap , kndde , gebergte.
21. De verkleinwoorden worden gevormd door je, tje , etje , pje , Ue , sUe , of sUeu te voegen
115
achter het zelfstandig naamwoord; b. v. hondje, stoeltje, tangetje, raampje , bloemke , stokske of stoksken.
De meerlettergrepige zeifat. nw. op toonlooze ing veranderen de £? in 1lt; ; b. v. ketting, kettinhje; daarentegen, wandelingetje.
22. De zelfstandige naamw. hebben drieërlei geslacht; zij kunnen zijn mannelijli, vrouwelijk of onzijdig'.
Over de kenmerken der geslachten. Zie bladz. 22 en 23.
23. Gemeenslachtige zelfst. naamw. zijn persoonsnamen, die mannelijk of vrouwelijk zijn, naar gelang zij een mannelijken of vrouwelijken persoon aanduiden : bloedverwant , getuige , echtgenoot, leerling.
Opmerking. Sommigen nemen lt;k aan, wanneer zij een vrouwelijk persoon aanduiden.
21. Het meervoud der zelfst. naamw. wordt gevormd door de uitgangen : n , en, s, eren, of ers : boden., boomen , lepel», foWeren of «Wers.
Opmebkino :
1°. De zelfst. naamw. op eene toonlooze e bekomen in het meervoud alleen eene n : ziekte, ziekten ; â dus niet hoogten», ziekten».
2°. Zelfst. naamw. op f of s veranderen dezen medeklinker veelal in v of as; b. v. graf, graven ââ doos, doozen. üitgbzokdeed : paus , kruis, kous, kers , kaars,, lans , kans , spies , spons , pols , prins , gids , struis , wals.
3° Zelfst. nw. uitgaande op een enkelen medeklinker , voorafgegaan door een korten klank , die in het meervoud kort blijft, verdubbelen den slotmede, klinker : klok, klokken â vonnis , vonnissen â as , assen. â Echter: vat, vaten â hof, hoven, en enkele andere.
4°. Zelfst. nw. op ie bekomen in het meervond ën , wanneer de klemtoon op ie valt, en alleen eene n , wanneer ie den klemtoon niet heeft: knie,
116
/Uieën â tralie, iraliëa â relikwie, reli-iwieën â consistorie, consistoriün.
S-, Zelfst. nw. op sch, voorafgegaan door een korten klank, verdubbelen de s in het meervoud: Jiesch, Uesschen â hosch, bosschen â v l e e s c h, v l e e z e n,
6°. Zelfst. nw. die met ma.n zijn Bamengesteld en een beroep of stand aanduiden, vormen hun meervoud op lieden: tuinman, tuinlieden. Maar men zegt: Noormannen , Muzelmannen , driemannen , Franschen.
25. Sommige zelfst nw., hebben tweeërlei meervoud , in den regel met verschil van beteekenis: tafels en tafelen ; _ /cleeden en kleederen; â vaders en vaderen , â zoons en zonen; â knechts en knechten; âbladen en bladeren; letters en letteren; â enz.
26. De volgende woorden hebben een onregelmatig meervoud:
a. de woorden op heid: schoonheid, waarheid.
b. de volgende woorden : lid, gelid, schip , smid, stad en koe.
27. Alleen in het meervond komen voor : gebroeders , gezusters , hersenen , mazelen , onkosten , inkomsten , zeden , Alpen, en «enige andere.
28. Geen meervoud hebben:
a. de stofnamen : boter, vleesch.
b. vele denkbeeldige-zelfstandigheidsnamen: versland , berouw.
29 Uidwoorden zijn woorden, die aanduiden, of het zelfst. naamw. eene bepaalde of eene enkele zelfstandigheid noemt.
Men onderscheidt:
lidwoorden van bepaaldheid: de en het lidwoord van eenheid: een.
30. Door naamvallen verstaat men de vormen, die de lidwoorden, de naamwoorden en eenige telwoor-
117
den aannemen, naar gelang van hunnen dienst in den zin.
JEen woord staat in den ©ei'ssten unamval :
1° Wanneer het onderwerp is in den zin; b. v. Daar wuont de oom nan Willem.
2quot; Wanneer het als gezegde voorkomt: b. v. Hendrik is de beste leerling der school.
3° Als aanspreking: b. v. Beste vriend, ik moet u iets mededeelen.
4» Als b ij stelling van een zelfst. nw. in den eersten naamval; b. v. Alexander , de g r o o t e veroveraar, stierf in den jeugdigen leeftijd van 32 jaren. Dat is Laurens Koster, de uitvinder van de boekdrukkunst.
31. Een woord staat in den 2'quot; of Squot;1 naamval, wanneer het eene bepaling uitmaakt, die door het voorzetsel van of aa.u kan worden omschreven: De werking der pomp. â Willems vader. â Geef dit uwe moeder. â Ik dank u mijnen tegenwoordigen welstand.
Opmeekinq. a. De tweede naamv. komt voor achter de werkwoor-deo : ontfermen , eriarmen , zich schamen , zich herinneren , euz.
6 De tweede naamval wordt ook soms omschreven door gedurende, in of op ; des daags, des nachts.
c. De derde door voor: Hij zond mij een boek. Ik heb hem een nieuwen hoed gekocht.
32. De mannelijke en onzijdige zelfst. naamw. nemen in den 2el' naamval enkelvoud eece s aan, behalve vorst, prins, graaf, mensch , heer , hart, paus, bode en eenige andere, die in den 2equot; naamval op en uitgaan.
De vrouwelijke zelfst. naamw. blijven in het enkelvoud onveranderd, behalve wanneer ze vóór het bepaalde woord staan : Het kleed der moeder. â Moeders kleed, waarheidsliefde.
33. Ben woord staat in den vierden iiaa.ni-val :
1» Wanneer het voorwerp is in den zin: Dien man heb ik gisteren gezien.
118
2quot; Wanneer er een voorzetsel voorafgaat: Hij staat in den tuin,
3° Wanneer het eene bepaling van tijd, van maat, gewicht of van waarde uitdrukt: Set gebeurde den volgenden dag. De bank is een halven meter breed. Het boek kost een halven gulden.
4° Wanneer het eene bijstelling is van een woord in den 4tn naamval: Het leven van Alexander, den g r o o t e n veroveraar, las ik met veel belangstelling.
Opmerking. De bijstelling staat altijd in denzelfden naamval als het woord , waaraan ze is toegevoegd.
Over de verbuiging *der lidwoorden, zelfstandige naamw,, bijvoeglijke naamw., enz., zie blz. 39 en volgende.
34. Bij voegfljjUe naamwoorden zijn woorden, die hoedanigheden noemen van personen of zaken: T)e gladde ijsbaan. Het weder is guur. â Sommige bijvoeglijke naamw, duiden de stof aan, waarvan de dingen gemaakt zijn; men noemt ze stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden: houten lepels,) z i l-veren tafelgerief, een lakensche jas.
35. Het bijvoeglijk naamw. neemt eene n aan:
1° In den 2en, 3!n en 4equot; naamv. van het mannel ij k enkelvoud, en in den 2⢠en 3ei1 naamval onzijdig enkelvoud.
2° Nooit in het vrouwelijk enkelvoud.
3° In het meervoud alleen in den 3en naamval.
Opmerking. Er is ouderscheid tusschen : een groot man en een grootd man ; â een oud soldaat en een oudamp; soldaat, enz.
36. Onverbogen komen voor:
1° De bijv. naamw,, die een deel van het gezegde uitmaken : Deze menschen zijn rijk.
2° De bijv, naamw,, die volgen op het woord, dat ze bepalen: God almachtig. Zij zongen een lied, schoon en liefelijk als de akkoorden der hemelingen.
119
3° De stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op en: gouden horloges.
4° De bijv. naamw. op er, die van plaatsnamen zijn afgeleid : Edammer kaas.
5° De deelwoorden op en; b. v. Eene gebroken ruit.
37. E3n bijv. naamw., zelfstandig gebruikt om personen aan te duiden, bekomt eene n in den 2ea naamval mannelijk enkelvoud en in het geheele meervoud. De schatten des rljlten moeten worden aangewend om den arme te ondersteunen. Zalig zijn de armen van geest.
38. Door trappen -van verhel ijlciiij; verstaat men de vormen der bijv. naamw., waardoor de graad der hoedanigheid wordt uitgedrukt.
Er zijn drie trappen van vergelijking : «3e stellende trap: groot, dik; de vergrootende trap : grooter, dikker; en de overtreffende trap: grootst, dikst.
39. De vergrootende trap wordt gevormd door er of der ; de overtreffende door st of t; bijv. o arfer, duurAtirr â o«afst kortst, wijst.
40. Goed, kwaad, veel en weinig hebben onregelmatige trappen van vergelijking.
41. De bijwoorden van hoedanigheid, en sommige bijwoorden van plaats, t ij d en hoeveelheid hebben ook trappen van vergelijking; Hij schrijft fraai, fraaier, het fraaist â ver, verder, het verst â laat, later, het laatst â veel, meer, meest.
42. De volgende bijv. naamw. hebben geene trappen van vergelijking :
1° Die van eigennamen zijn afgeleid: Transch, Amster-damsch.
2° de stoffelijke bijv. naamw.: gouden, lakensche.
3° de samengestelde bijv. naamw., die eene vergelijking aanduiden : ijskoud, sneeuwwit, pikzwart.
4'' de bijv. naamw., die met een telwoord zijn samengesteld : driestemmig , viervoudig. %
lt;5° die van tijdnamen zijn afgeleid : wekelijksch, jarig.
120
43. Na een bijv. naamw. in den vergrootenden trap volgt dan, niet als: Goud is zwaarder dan lood.
lt;14. Tolwoor-tleii zijn woorden , die de hoeveelheid of de rangorde der dingen aanduiden. â Zij worden verdeeld in hoofdgetallen en ranggetallen. Beide soorten knnnen zijn bepaald of onbepaald: vijf, zestien; â vele, verscheidene;â zesde, achttiende; hoe-veelste, zooveelste.
45. De ranggetallen en de onbepaalde telwoorden , die als bijv. naamw. voor de zelfst. naamw. staan, worden ook als de bijv. naamw. verbogen.
46. De ranggetallen of bijv. naamw., die achter den naam van vorsten staan, worden verbogen, alsof ze er voor stonden : Het 'even van Alexander den Groolen. Hij verhaalde van Lodewijk den Zestienden.
47. De onbepaalde telwoorden worden met n geschreven , als zij in het meervond voor personen gebrnikt zijn :: Velerx zijn geroepen , weinigen uitverkoren.
48. Men schrijft: honderden, duizenden, vijanden sneuvelden, Deze woorden zijn hier zelfst. naamw. ; het volgende zelfst. naamw. staat in den 2'quot; naamval:
fele honderden menschen waren toegestroomd om ons te zien vertrekken.
49. AroomMJtm wooxquot;tlon zijn woorden , die personen of zaken , of eenig kenmerk daarvan aanduiden.
50. De voornaamwoorden worden onderscheiden in: 1» persoonlijke â 2° bezittelijke â 3° aanwijzende â 4° bepalingaankondigende â 5° vragende â 6° betrekkelijke â 7°
onbepaalde voorn.w.
51. Men noemt de voornaamwoorden zelfstandig,, wanneer zij personen of zaken aanduiden, I k heb het gezegd. Wat zoekt gij daar ? Indien zij ter bepaling bij een zelfst. naamw. staan, noemt men ze b ij v o e g 1 ij-ke voornaamwoorden.
52. Fersooniyke -voornaamwoorden.
121
dienen om den spraakkunstigen persoon aan te duiden ; dat is den spreker {le persoon), den aangesprokene (2e persoon), of een ander persoon of zaak, waarover men spreekt (3e persoon).
Zij zijn : IU , quot;Wö , â Gr ij , (j ij , j o , n , j e 1 u i , j uil ie) â Hij, zij, het.
Zie de verbuiging der persoonlijke voorn.w. op hladi. 58 en 59.
53. In den zin: zij hebben zich bezeerd, duidt het persoonlijk voornaamwoord zich aan, dat het voorwerp dezelfde persoon is als het onderwerp; hot werkwoord bezeeren is dus wederkeerend gebruikt; in zulke zinnen heet zich quot;tvederheorenti voor-naani-v» oorrt. Welke voornaamwoorden komen bij wederkeerende werkwoorden in den lin en 2in persoon ?
Zeg ik: Zij hebben eikandeir bezeerd, dat is: elk den anderen, dan geef ik to kennen, dat de handeling wederkeerig is; dit persoonlijk voornaamwoord heet daarom ook wederlceerigf â voorua.aiïi woord,
54. Het persoonlijk voornaamw. zelf wordt dikwijls tot versterking bij de zelfst. nw. en voornaamwoorden gevoegd. Men kan het in alle naamvallen onveranderd laten. â of wel den vorm zelve gebruiken, die als een/oijv. nw. wordt verbogen. â Zelfs is een bijwoord
Over de verbuiging van zelf, zie blz. 60^
55. Bezitteljj Ico voornaam w oor don zijn voornw., die aanduiden, of iets aan den eersten, tweeden of derden persoon toebehoort. Zij zijn : naijii, ons, uw, zijn, ha.ar , hun.
56. Men schrijft de mijnen, de onzen , wanneer men daarmede bloedverwanten of huisgenoolen bedoelt; in andere gevallen de mijne , de onze, enz.
57. De «ïn van den 3en en 4fn naamval mannelijk enkelvoud wordt vaak weggelaten: Hij heefteen rijken oom. Ik heb het z ij n broeder gegeven. Dit heeft nooit plaats bij het bezittelijk voornw. ons.
122
58. Ons, hun en haar kunnen als persoonlijke en bezittelijke voornw. gebruikt worden : Geef ons heden ons dagelijksch brood. Ik geef hun het loon voor hun werk.
Zie verder over de verbuigir g der bezittelijke en aanwijzende voornw. op bh. 41.
59. A.aii wijzend© voornaam woortlen
zijn voornw., die te kennen geven, of de personen en zaken al of niet in onze nabijheid zijn. Zij zijn : deze , dit, die, dat, â grene.
Verlangt gij deze boeken o/' d i e P Neen , deze niet, die ook niet; maar gene.
60. Deze en gene, zelfstandig gebruikt, wijzen vooraf genoemde personen of zaken aan ; deze is hetzelfde als laatstgenoemde, gene als eerstgenoemde:
Izadk had twee zoons , Ezau en Jakob ; deze werd door de moeder , g e n e door den vader het meest bemind.
Opmerking. 1» Men gebruikt dezen en genen in het meervoud voor personen , niet voor zaken.
2° In : der/iafoe , ik hel er tien , destó/ofs , desiare-dig komt de 2e nv. van die en dat voor.
Cl. Beigt;aIine;aanliondig;'ende voornw.
zijn voornw., die eene bepaling aankondigen, van welke zij hunne beteekenis ontvangen. Zij zijn degene» hetgeen, â diegene, en datgene; zulke, dezelfde, hetzelfde, zoodanig, dusdanig , dergelijls.
Vermijd degenen, die kwade gesprekken voeren. Zulke boeken, die geest en hart bederven , zijn gevaarlijker dan de pest. Hebt gij daar niet hetzelfde boek als Karei?
62. De voornw. hij , zü en die kunnen ook als bepalingaankondigend voorkomen ; H ij , die tevreden is , is rijk. Hier is de hoed van mijn vader en die van oom Willem.
63. Vragend© voornaam w oorden zijn voornaamwoorden , die dienen om naar personen of zaken
123
of naar hoedanigheden derzelve te vragen. â Tot deze soort behooren: wie, wat, welke, linetln-nigje en wat voor een. Men verwarre deze woorden niet met waar, wanneer, hoe enz., die eene bepaling van een werkwoord nitmaken en dus bijwoorden zijn.
64. Betrekkelijke voornaam woorden zijn voornw., die een bijvoeglijken zin met een hoofdzin verbinden : Noem mij den man, die u dat verteld heeft. â Zij zijn: lt;lie, dat, wie, wat, welke en hetwelk.
65. Het betrekkelijk voornaamwoord is onderwerp, voorwerp of bepaling van den afhankelijken zin. Hierin verschilt het van het voegwoord, dat alleen de zinnen verbindt, zonder een deel nit te maken noch van den eenen, noch van den anderen.
Over de verbuiging van die en dat als betrekkelijk voornaamwoord zie blz. 74.
66. De voornaamwoorden wie en wat, als verkortingen van al wie , al wat, doen den dienst van een bepalingaankondigend voornaamw. met een betrekkelijk voor-naamw.: Wie liegt, bedriegt. Wat gij doet, is goed.
67. Na het bepalingaankondigend voornaamw. hetgeen blijft het betrekkelijk voornaamw. weg: Hetgeen gij zegt, is zeer waar.
68. Onbepaalde voornaamwoorden zijn voornaamw., die de personen of zaken op eene onbepaalde wijze aanduiden.
Als zoodanig komen voor: het, men , iemand, niemand , iets en niets.
69. Het voornaamw. het kan als bepaald en onbepaald persoonlijk voornaamw. dienst doen: Bat boek is het mijne, ik heb het van mijn oom gekregen. Het regent.
70. Alen komt alleen als onderwerp voor.
71. De bijwoorden er in, er van, waarin, waarover, daarvan, daarmede vervangen een voornaamwoord met een voorzetsel en worden voor zaken gebezigd.
124
72. Men verdeelt de zinnen in ©nliolvouöi^fo en isaiMoiigrtsstelcIe. Een zin is enkelvoudig, wanneer hij slechts eene enkele gedachte bevat: Door moed en volharding komt men groote moeilijkheden te booen.
Een zin is samengesteld, wanneer hij bestaat uit de verbinding van twee of meer zinnen tot een geheel: Jozef vergaf de beleeiiging, die zijne broeders hem hadden aangedaan. God verhief htm, nadat Hij hem eerst diep vernederd had.
73. Zijn de deelen van een samengestelden volzin van gelijken rang, dan heeten ze neven^escliiltt® zinnen.
Men kent de nevengeschikte zinnen hieraan , dat ieder op zich zelf een behoorlijken zin vormt, wanneer men de verbinding weglaat: Ik ging hem bezoeken, maar ik vond hem niet te huis. Willem is naar huis gegaan, want zijn vader is ziek. â Hij is naar huis gegaan , omdat zijn vader ziek is.
Wat merkt ge op bij de twee laatste zinnen?
74. Zijn twee zinnen zoodanig vereenigd , dat de ééne een deel uitmaakt van den anderen , dan heeft men een samengestelden volzin , die bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikten of afhankelijken zin. Ik hoop , dat gij komen zult. Be mensch, die zondigt, verwoest zijn eigen geluk.
75. Men onderscheidt de volgende soorten van afhankelijke zinnen ;
a. Onderwerpssainnen, dat is, zulke, die den dienst doen van een onderwerp : Zij n e komst verheugt mij. Dat hij gekomen is, verheugt mij. Het verheugt mij, d at hij gekomen is.
b. Voorwerpszinnen, zinnen, die den dienst doen van een voorwerp: Willem verhaalde mij zijn weder-varen, Willem verhaalde mij, wat hem overkomen was.
c. CS-ezegfdeszinnen ; dit zijn zinnen , die den dienst doen van een zelfst. nw., of bijv. uw. , dat als gezegde voorkomt: Ilij schijnt een braaf jongeling te zijn, maar hij is niet, wat hij s c hij n t.
125
d. Bijvoe^jjIjjlie zinuen, zinnen, die den dienst doen van een bijvoeglijk naamw.: De goedi vader onioing den verloren zoon mei vreugde. â De goede vader onloing met vreugde den zoon, dien h ij verloren had.
e. Iïwoorlt;1 «-lij «i zinnen, zinnen, die den dienst doen van eene bijwoordelijke bepaling : Ik antwoordde hem ternlond na mij n e tehuiskomst. â Ik antwoordde hem terstond, nadat ik van mijne reis was tehuis gekomen.
76. Sen -werkwoord is een woord, dat vervoegd kan worden. Het stelt eene werking alg werking voor. â In deze zinnen: Schrijven is eene schoone kunst, â en Uw schrift is veel te stijf, wordt de werking als eene zelfstandigheid voorgesteld; schrijven en schrift zijn zelfst. naamw.
77. De werking kan worden voorgesteld als gebeurende (tegenwoordig), als gebeurd zijnde (verleden) of als nog moetende gebeuren (toekomend.)
78. Om de handeling als gebeurende voor te stellen , heeft men slechts één vorm ; deze is :
Igt;«» tegenwoordige I yd : Ik wandel. Hij schrijft. De verleden tijd heeft drie vormen. De ouvoInna.a.kt verletten tyd : Ik wandelde. Hij schreef.
Igt;e volmaakt verleden tyd: Ik heb gewandeld.
Hij heeft geschreven.
De meer dan volmaakt verleden tyd :
Ik had gewandeld. Hij had geschreven. De toekomende tijd heeft vier vormen: De eerste toekomende tyd : Ik zal wandelen.
Hij zal schrijven.
De tweede toekomende tyd : Ik zal gewandeld hebben. Hij zal geschreven hebben.
De eerste voor waardelyk toekomende tyd: Ik zou Kandelen. Hij zou schrijven. De tweede voorwaardeiyk toekomende tyd: Ik zou, gewandeld hebben. Hij zou geschreven hebben.
126
79. De werkwoorden hebben vormen om aan te dniden, hoe de spreker de gedachte wil opgevat hebben. Deze vormen heet men wljasen.
80. De werkwoorden hebben vijf wijzen: De om bepaalde , «le aan to on en de, de gebiedende, de -voorwaardelijlie en de aanvoegende wijze.
81. Een deelwoord is een woord, dat deelt in de beteekenis van een werkwoord en een bijvoeglijk naamwoord.
82. Er zijn twee deelwoorden : het tegenwoordig deelwoord: kokende soep, â de vliegende vogels, â een bloeiende roos; â het verleden deelwoord: Bit huis is afgebrand, â naast elkander gebouwde huizen.
83 Het tegenwoordig deelwoord wordt gevormd door end achter den stam van het werkwoord te plaatsen: bloeiend, spelend; het verleden deelwoord door ge vóór en en , d of t achter den veranderden of onveranderden stam te voegen : gehoord, gestraft , gevangen , gezongen.
84. Het voorvoegsel ge blijft weg bij de werkwoorden met de voorvoegsels: be, ge, her, ont en ver.
85. Bij de scheidbaar samengestelde werkwoorden komt ge tusschen de deelen der samenstelling : huishouden , huis g e houden , aanvallen, aan g e vallen.
86. De werkwoorden worden verdeeld :
a. naar de vervoeging in: aswaUlse (gelijkvloeiende) en sterke (ongelijkvloeiende); ook in regelmatige en onregelmatige.
b. naar hunne beteekenis in: overgankelijke en onovergankelijke.
Voor de vervoeging der werkwoorden zie men blz. 81 en volgende.
87. Een zwak werkwoord is znlk een werkwoord , dat in de vervoeging nergens van wortelklank verandert; ââ het verleden deelwoord gaat uit op d of t, naar gelang de onvolmaakt verleden tijd de of te heeft: ik hoor, ik boorde, ik heb gehoorA. â ik leef, ik
127
leefde, ik heb geleeflt;\. â ik straf, ik drafts, ik heb gestraft,.
88. Een werkwoord is sterk, wanneer het verleden deelwoord op en uitgaat. â De wortelklank verandert altijd in den onvolmaakt verleden tijd en dikwijls in het verleden deelwoord : ik zing , ik zong , ik heb gezongen. â ik loop, ik liep , ik heb geloopen.
Opmerking. Bakken , lachen , bersten , enz. zijn sterke werk -woorden met een zwakken onvolmaakt verleden tijd.
89. Een werkwoord is oure^elma.tig', wanneer het in een of meer vormen van de regels der zwakke of sterke vervoeging afwijkt.
90. De onregelmatige werkwoorden zijn :
Brengen. houden. plegen. willen.
denken. komen. staan. zien.
doen. koopen. slaan. zijn.
dunken. kunnen. vriezen. zoeken.
gaan. moeten. verliezen, zullen.
hebben. mogen. weten.
91. Overgankelijke werkwoorden (transitieve) zijn dezulke, die een lijdend voorwerp bij zich hebben : Jan leert zijne les. De meid kookt aardappelen.
Onovergankelijke -werkwoorden (intransitieve) zijn dezulke, die geen lijdend voorwerp bij zich hebben : Mijn vader slierf vóór 10 jaren. Uw oom komt de volgende week. Be aardappelen koken.
92. De knipwerk woorden worden onderscheiden in :
1° Hulpwerkwoorden van den t ij d: hebben en zijn (verleden tijd); zullen (toekomende tijd.)
2° Het hulpwerkwoord van den 1 ij denden vorm : worden.
V
3» Het hulpwerkwoord van de gebiedende wijs:
Opmkrkikg, Moeten, willen, mogen, kunnen behoeven een ander werkwoord om een volledig gezegde uit te maken : Hij moet schrijven. Ik wil blijven, enz. Daarom heet men ze wel eens hulplbelioeveilde quot;werkwoox-den
128
Meu noemt deze werkwoordeu hulpwerkwoorden v a n d o w ij z e , als zij aanduiden , op welke wijze de spreker de werking wil opgevat hebben. â b. v. Hij mag zo, slim zijn, als hij toil; Hij moge (aanvoegende wijze) enz.
93. Tei-u{ïwerllelllt;io quot;vrerU woorden
zijn dezulke, die voorkomen met een voornaamwoord in den 3en of 4en Daamval, dat denzelfden persoon aanduidt
als het onderwerp.
94. Men heeft noodweiidigf terugfwer-Uendo -werliwoorden als: zich schamen, zich ontfermen, zich aanmatigen enz., en toevallig te-riigjwerliende als: zich icasschen, zich verontschuldigen.
95. OnpersooniyUe w«?rU w oor «ien drukken alleen uit, dat eene werking geschiedt, zonder dat men zich daarbij een persoon of eene zaak als werker voorstelt.
Er zijn echte onpersoonlijke werkwoorden: Eet regent. Het vriest. Bet is koud. Het luidt, enz., en scbynbaar onpersoonlijke werkwoorden: Het verheugt mij, hem weer te zien. Het spijt mij, dat hij ziek ts.
96. ba voorvoegsels, die dienen om afgeleide werkwoorden te vormen , zijn : toe , ge , her , out, quot;ver en wan: bedekken, geleiden, herhalen, onthouden , verjagen , wanhopen.
Door achtervoegsels worden afgeleid: klepperen van kleppen; â stotteren van stoeten ; â trappelen van trappen; enz. Zulke werkwoorden duiden eene herhaling van dezelfde werking aan. â Ploegen, lichten, witten , beitelen, hameren , innen , uiten zijn afgeleid van ploeg , licht, wit, beitel, hamer , in, uit.
Door klankwijziging zijn afgeleid: vellen (doen vallen); â drenken (doen drinken); â zetten (doen zitten) -enz. Zulke werkwoorden duiden het veroorzaken wan eene werking aan.
97. Samengestelde werkwoorden bestaan
iuit:
een b ij w o o r d en een werkwoord : overkomen, ondernemen , opvallen, misdoen.
129
een zelfst.nw. en een werkwoord: zegeoieren , radbraken. een b ij v o e g l.nw. en een werkwoord : schoonmaken , voltooien.
twee werkwoorden; spelevaren.
In de vervoeging worden de deelen der samenstelling somtijds gescheiden, als in : teruggeven, innemen, (scheidbare samenstelling); soms blijven zij vereenigd, sis in : voltooien , raadplegen , (oüscheidbare samenstelling.)
Sommige werkwoorden met door, onder en over samengesteld, zijn nu eens scheidbaar, dan weder onscheidbaar : doortrekken, onderhouden, overioegen.
98. Bijwoorden zijn woorden, die de beteekenis van een werkwoord, een bijvoeglijk naamw. of een ander bijwoord nader bepalen. De koning verjaart m o r g e n.
Bat huis is t a m e 1 ij k bouwvallig, Gij schrijft zeer mooi.
99. Men onderscheidt:
1° Bijwoorden van tijd: morgen, gisteren, wanneer.
2° Bijwoorden van plaats: ginds, hier , waar.
3» Bijwoorden van hoedanigheid: duidelijk spreken, slecht schrijven.
4» Bijwoorden van graad: zeer, tamelijk, vrij, buitengewoon.
5° Bijwoorden van bevestiging en ontkenning: ja,
neen , geenszins.
100. De woordverbindingen , die den dienst doen van bijwoorden , noemt men bijwoordelijke uitdrukkingen: van ganscher harte, in aller ijl, keer op keer, ten slotte, enz. In de taalkundige ontleding worden zij niet gescheiden.
101. Voorzetsels zijn woorden, die met een zelfst, naamw. of eenig ander rededeel verbonden worden om daarmede eene bepaling uit te maken : Deze stad ligt aan de zee. Hij maakt zich verdienstelijk jegens mij. Ik ga n a a r boven.
T. S. 2 c. 9
130
102. De voorzetsels regeeren den ^quot;naamval. â Vroeger was dit niet altijd het geval, gelijk blijkt uit: mei-t er tijd, vet 71 goeder hand, uit dien hoofde, met dien verstande, te mijnen opzichte , enz.
103. Het verschil tusschen een b ij w o o r d en een voorzetsel is, dat de bijwoorden op zich zelf eene bepaling uitmaken , en de voorzetsels niet: Bij zit voor de deur. (voorz.) De hnecht bvefigt hst tijtuig voor. (bijw.)
104. Voegfwoorden zijn woorden, die zinnen of deelen van zinnen verbinden, en te kennen geven, welke betrekking tusschen dezelve bestaat: Be mensch bestaat uit ziel en lichaam. Vertrek spoedig, opdat gij nog voor den avond te huis zijt.
Sommige woorden worden nu eens als bijwoord, dan weder als voegwoord gebruikt. â Over het verschil tusschen een voegwoord en een betrekkelijk voornaamw., zie n0 65.
105. Men onderscheidt ze in nevenschikkende en onderschikkende, naar gelang zij nevengeschikte of ondergeschikte zinnen verbinden.
106. Tussehen werpsels zijn uitdrukkingen van het gevoel of klanknabootsingen : ach! o wee! helaas! koezee! â pst, plons, klets. Zij maken geen wezenlijk deel van den zin uit, maar worden als tusschen de woorden ingeworpen. â
107. Men plaatst eene Uonama, :
1°. Bij opsommingen , wanneer de verschillende woorden niet door en, of verbonden zijn; b. v. Ik leerde daar lezen, schrijven en rekenen. Zij doen niets dan spelen , praten of slapen.
2«. Vóór en na eene aanspreking; b. v. Ik geloof, mijn vriend , dat gij ongelijk hebt.
3°. Vóór en na eene bijstelling; b. v. Columbus, de ontdekker van Amerika , was een Genuees.
4o. Gewoonlijk tusschen twee nevengeschikte zinnen, en tusschen een hoofdzin en een afhankelijken zin , vooral dan , wanneer deze laatste door een betrekkelijk voornaamw. verbonden zijn; b. v.
131
De mensch wikt, maar God beschikt. Nimmer zal ik de weldaden vergeten , die gij mij bewezen hebt.
,108. De kommapunt plaatst men gewoonlijk vóór de voegwoorden maar , want, daarom , nochtans, enen-wel , dus, daarentegen, wanneer deze groote zinnen verbinden ; b. v. Jan uwe ouders hebt gij na God alles te danken, wat gij zijt en wat gij hebt; daarom kunt gij hun nimmer genoeg erkentelijkheid bewijzen.
109. De dubbelpunt wordt geplaatst vóór de letterlijk aangehaalde woorden van anderen, â en vóór eene verklaring, opsomming, enz.; bijv. God sprak: âHet worde licht.quot; Nederland telt verscheidene aanzienlijke steden, ah: Amsterdam , Rotterdam , enz.
110. Men plaatst eene punt :
1°. Aan het einde van een zin.
2». Achter een woord, dat verkort is, b. v. zelfst. naamw. , enz.
111. Het -vraa^teelsen vindt men na eene recht-streeksche vraag ; b. v.: Hoe laat is het ?
112. Het uitroepin^steeken wordt geplaatst na een tusschenwerpsel, dat tot uitroep dient, en gewoonlijk ook aan het einde van zulk een zin ; b. v.: Helaas ! ware ik in zijne plaats gestorven !
P ----Oquot;
STÃLOEFEHÃHGEN.
1. Vul de volgende zinnen aan. Als gij misdaan hebt, dan berispt of straft men u , opdat... De tuinman begiet zijne bloemen, opdat.... De Batavieren stonden tegen de Eomeinen op, omdat .... De landman bemest
den akker, opdat____ Kinderen , ook gij kunt sterven ,
ofsi-hoon____ De stad wordt versterkt, opdat---- De
stad wordt versterkt, omdat .... De stad wordt versterkt, ofselioon .... Spreek zacht, opdat .... Spreek
zachter, want____ Spreek luider, opdat .... Spreek
luider, anders____ Men legt het vlas eenigen tijd in het
water, opdat ____ Men plaatst bliksemafleiders op
hooge gebouwen , opdat deze niet .... Zijne zaken zijn
achteruitgegaan, omdat......Waakt en bidt, zeide de
Zaligmaker tot zijne Apostelen, â opdat---- Maak dit
netjes en oplettend af, opdat .... Ik zal het doen, omdat ....
S. Zeg van de volgende personen of zaken , wat zij zijn of waren Isaïas Vondel. Malta. Jupiter. De Euyter. Eem brandt. Luther. Etna. De H.Lucas. Eome. Nero. De H Stephanus. De Mont Blanc. Wodan. Cyrus. Eubens. Dokkum. De H. Michael. Abraham. Hune-bedden. Mozes. De Amazonen. De Mont Everest of Gaurisankar.
VOORBEELD. Iscüas was een profeet van het Oude Verbond.
3. Gebruik de volgende woorden en uitdrukkingen in goeie zinnen: voorspellen, krakeel, in 'tverschiet, wijd en zijd, fladderen, ontglippen, lotgenoot, man en muis, dobberen, spiegelglad , verstommen , bont en blauw , onversaagd.
Men kan dezelfde zaak op verschillende wijzen uitdrukken. In plaats van : Duizenden vijanden sneuvelden in den slag kan men ook zeggen :
133
1. Duizenden vijanden bedekten het slagveld.
2. De slay kostte duizenden vijanden het leven.
3. Duizenden vijanden verloren het leven in den slag.
4. De vijand liet duizenden lijken op het slagveld achter.
Ziehier nog een ander voorbeeld :
1. De lichigeloovige wordt gemakkelijk bedrogen.
2. Mie alles gelooft, wat men verhaalt, wordt licht bedrogen.
3. liet is gemakkelijk een licht ge loovige te bedriegen.
4. Wie alles voor goede mant aanneemt, zal dikwijls bedrogen worden.
â 4. Geef nu zelf den inhoud der volgende zinnen op drie of vier verschillende wijzen terug.
Wij verheugen ons zeer over uw herstel. 1. üw herstel... 2. Het doet ons veel genoegen . dat ... 3. Uwe genezing ver.... 4. Wij .. .. u hersteld te zien.
Be zieke is gestorven. 1. De zieke is .... 2. De zieke ie .... 3. De .... het tijdelijke met het eeuwige .... ^.....®en beter leven .... 5.....den laatsten adem...
Tien waar dienaar van Maria kan niet verloren gaan.
1.....wordt----zali^. 2. Hij , die Maria____3. Wilt
gij zalig worden, ... 4. Maria zal niet gedoogen , ... . 5. Het is nog nooit gehoord , ....
ö. Handel evenzoo met de volgende zinnen.
De Ruyter werd ie Vlis sin gen geboren. 1. De Ruyter aanschouwde .... 2. Vlissingen is .... 3. Vlissingen mag zich beroemen , .... 4. De !Ruyter kwam ....
Het wordt dag. 1. De dag____2. De nacht____3. De
zon .... 4. De dageraad .... 5. Het morgenrood ....
Onze troepen hebben de overwinning behaald. 1. verslaan. 2. op de vlucht jagen. 3. de zege bevechten. 4. zegepralen. 5. zegevierend uit den strijd terugkeeren.
Doe dit ook nog eens met de volgende. Vergeet niet, God voor de genoten weldaden te bedanken. Een leugenaar wordt niet geloofd , al spreekt hij de waarheid. Alexander de Groote veroverde vele rijken.
. Zet in de plaats der cursief gedrukte woorden of uitdrukkingen andere, die nagenoeg hetzelfde beteekenen. Een
134
Engel verloste den H. Petrus uit de gevangenis. Deze gruwzame handelwijze verbitterde alle weidenkenden. De lage volksklasse geraakte in beweging. Verscheidene jaren gingen voorhij, alvorens zijne boeien geslaakt werden. Wie uwer beseft de teedere liefde der ouders voor hun kroost ? Earel V hield zich in zijne eenzaamheid onledig met het maken van uurwerken. Het sein tot den aanval werd gegeven , en de strijd begon. Stel alle pogingen in het werk, en ik verzeker u, dat het allengs beter zal gaan. Het geschil is vereffend ; de haat heeft plaats gemaakt voor eene bestendige vriendschap. Met roem overladen kwam hij naar zijne haardstede weder.
8. Breid de volgende punten uit tot een goed verhaal.
Db dankbaee Lbeuw.
Een ridder (Godfried de la Tour), die deel had genomen aan den eersten kruistocht, reed eens door een bosch van Palestina. âHoorde een angstig gehuil. â IJlde er heen. -â Een slang had zich om het lijf van een leeuw gekronkeld. â Hij doodt de slang. â De leeuw likt hem de hand-
_Wil hem niet meer verlaten. â Volgt hem als een
hond, zonder iemand leed te doen. â Eenigen tijd daarna wil de ridder naar Frankrijk wederkeeien. â Begeeft zich naar de haven. â Geen schipper wil den leeuw opnemen. â Hij is genoodzaakt hem achter te laten. Spijt. Hij vertrekt. â Onrust van den leeuw. â De leeuw springt in zee, â zwemt het schip achterna, bezwijkt van vermoeienis. â Een wild dier beschaamt menigmaal den mensch.
O. Schrijf hel volgende over en plaats naast de cursief gedrukte woorden het tegenovergestelde: oude schoenen ; oude lieden; nieuwe maan; versch bier; scherpe hoek; scherp mes ; scherpe stem ; scherp verwijt; rechte lijn ; het rechte woord; grof papier ; grove fout; die banden zijn los ; losse bewegingen; op een lossen toon ; aanblazen ; onthouden; zorgeloos; wij leven; wat heerscht hier een leven; het
recht is aan mijne zijde; gij meent met recht, dat.......
gij verheft u; zijne beurs verliezen; het spel verliezen.
135
10. Geef den inhoud der volgende zinnen nog eens op verschillende wijzen terug, als in Nquot; 4, enz. Wij zullen allen eens voor Gods rechterstoel moeten verschijnen* Zelfs de vijanden der Kerk kunnen Leo hunnen eerbied niet weigeren.
11. Verbind de volgende enkelvoudige zinnen door een passend voegwoord tot samengestelde. Oza werd met den dood gestraft. Oza had de ark aangeraakt. â Hij wreekte zich niet. Men zette hem tot wraak aan. â Wij moeten aai onze ouders gehoorzamen. Onze ouders bekleeden bij ons de plaats van God. â De Israëlieten namen Jericho in. Jericho was met hooge en sterke muren omgeven.â De ledigheid is nadeelig voor de ziel. De ledigheiji is nadeelig voor het lichaam. â De eerste poging is mislukt. Ik geef den moed niet op. â De maan verlicht de aarde. De maan verwarmt de aarde niet. â Het is warm. Ik heb koude voeten. â De Franschen zijn dapper. De Franschen werden in 1870 door de Pruisen geslagen.
IS. Verklaar de beteekenis der volgende woorden: ring. vinger, huisheer, huiswerk, huishond, bandhond, kiespijn, zeetocht, wetenswaardig, brandspuit, lentebloempje, feestlied , stoomwagen.
VOORBEELD. Ringvinger â De vinger , waaraan men gewoonlijk den ring draagt.
13. Maak samengestelde zinnen, die door de volgende voegwoorden verbonden zijn : terwijl, dewijl, opdat, omdat, dat, evenwel, niet alleen .... maar ook, dus , daarenboven , toch , doch.
14. Breid het volgende uit.
De Vos en de Eaaf. (Fabel.)
Eene raaf zat in een boom en hield een stuk kaas in don bok. De vos bemerkt zulks, â verzint eene list om zich van de kaas meester te maken. Hij vleit de raaf; â prijst de pracht harer vederen, enz. ; wenscht ook hare bekoorlijke stem te hooren. (Laat den vos hier spreken.) De raaf, door deze vleitaal gestreeld , opent den bek-De kaas valt. Heintje grijpt haar, â dankt beleefd, en geeft tot afscheid nog eene nuttige les. Welke P
136
1C5. Laat de volgende woorden in twee verschillende be-teekenissen voorkomen: begaan , inspannen , verzetten , inroepen , vergeven , lezen , bekomen , inlaten.
VOORBEELD. Kunt gij een armen grijsaard de stramme hand om eene aalmoes zien uitsteken, zonder met tijn lot begaan te zijn ?
Geen wonder, dat dit pad zoo hard is , hel wordt aanhoudend begaan.
IS. a. Ontbind de volgende samengestelde zinnen in enkelvoudige. De akker, waar de schat gevonden is, ligt niet ver van hier. De regen viel in stroomen neder, maar drong niet diep in den grond. Het is zeker, dat gij u vergist hebt. Het spreekt van zelf, dat nu de-kans verkeken is. Al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt ze wel. Ik kan u niet zeggen, ot hij er geweest is. Stoutweg loochende hij, dat het zijn werk was. Is dat nu de teekening, waaraan gij zooveel tijd besteed hebt P Hij is een man, zooals ik er nog weinigen gekend heb. De zinnen, die gij ontbindt,. zijn samengestelde zinnen. De wijsheid, die gij uit de-boeken leerdet, moet in uw hart geschreven staan. In het andere leven wachten ons schatten, die eeuwig blijven, die niemand ons ontnemen kan. De beste stuurlui staan aan wal en turen door hun vuisten, loch hield haar vlag zich op en dekte land en zee. Allen-begrepen het, hij alleen niet. De hond staakt zijn geblaf, keert knorrende naar zijn hok en legt zich weder te slapen. Wij weten allen, dat er een God is, die het goede beloont en het kwade straft.
VOORBEELD. De akker ligt niet ver van hier. Op den akker is de schat gevonden. â De regen viel in stroomen neder. De regen, drong niet diep in den grond.
ie. Opstel. De Lindeboom.
Waar hij staat â oud â dikke stam , vol namen â hoog â ver uitgespreide takken â nesten â eene bank van graszoden rondom den voet van den stam â zomeravonden â vertellen â zingen.
Thans gaan wij den inhoud van een dichtstukje in proza wedergeven. Gij moet u daarbij niet te zeer aan de woorden houden. Zorg slechts, dat gij den zin goed teruggeeft.
137
Ziehier een paar voorbeelden.
Aan de Jeugd.
Besteed den dieren tijd Bij dagen en bij nachten ,
Terwijl gij in nw krachten
En on versleten zijt.
Het schijnt, jong en ervaren En zijn niet wel te paren ;
Maar 't is een valache schijn:
Men kan wel jong van jaren En oud van nren zijn.
Hutgens.
Maak steeds een goed gebruik van den kostbaren tijd , terwijl gij nog jong en krachtig zijt. Het schijnt, dat jeugd en ervarenheid niet goed samen kunnen gaan; doch dit is zoo niet; immers men kan wel weinig jaren tellen en toch vele uren nuttig besteed hebben.
Wat is een sneeuwvlok ook niet klein!
En toch kan ze ons doen beven ;
Want schoon ze voor onz' adem vlucht,
Straks rijst een berg, dien ieder ducht,
Blijft vlok aan vlok maar kleven;
En stort die berg in 't vruchtbaar dal,
Bedolven wordt dan door zijn val.
Wat zich verheugde in 't leven.
M.
Al is een sneeuwvlok zoo klein en licht, dat wij ze kunnen wegblazen, toch kan ze ons doen beven. Immers indien de eene vlok aan de andere blijft kleven, dan vormt zich ten laatste een berg, waarvoor iedereen beducht is. Stort zulk een berg in 't vruchtbare dal neder, dan verplet hij door zijnen val, al wat daar leeft.
ITquot;. Handel nu eoenzoo net de volgende.
Een jonker, jager in zijn hart,
Moest tot zijn smart
138
Zijn have en goed rerkoopen ,
En al zijn bosschen en kasteel Geheöl
Zien slechten en zien sloopen.
J. van OosTEEWIJK Bbâ¬YN.
18. Wat is een regendrop niet klein !
Kn toch , wie kent zijn krachten ?
Want vloeien droppels tot een stroom , Ze ontwortlen dra den zwaarsten boom; Ja , wat wij nimmer dachten ,
Zij sleuren dijk en dammen voort ,
En in een oogwenk is verstoord Het werk van voorgeslachten.
10. Ontmoet een trotschaard met veel splint Zijn ouden , maar niet rijken vrind â
Hij heeft zijn naam vergeten ;
Maar had hij uit gebrek aan poen Den bijstand van zijn vriend van doen â Hij zon zijn naam wel weten.
B. van Meübs.
ÃO. Gezondheid is de grootste schat,
Die meer dan geld en goed bevat â
Het wordt zoo vaak vergeten ;
Maar als men ziek te kermen ligt,
Of pillen slikt met naar gezicht,
Dan wordt het wel geweten.
Dezelfde.
SI. Vul de tolgende zinnen aan, net inachtneming van den nadruk. Deze appelboom heeft ieder jaar overvloedig
vruchten gedragen, maar ..... Deze appelboom heeft
ieder jaar overvloedig vruchten gedragen, maar .....
Deze appelboom heeft ieder jaar overvloedig vruchten gedragen, maar..... Mijn vriend durfde zijn bediende den
brief niet medegeven , daarom..... Mijn vriend durfde
zijn bediende den brief niet medegeven, daarom .....
Mijn vriend dnrfde zijn bediende den brief niet medegeven , daarom..... TJw nieuw leesboek bevalt mij niet,
maar ..... Uw nieuw leesboek bevalt mij niet, maar
139
..... Uw nieuw leesboek bevalt mij niet, maar..... Uw
nieuw leesboek bevalt mij niet, maar..... Ofschoon uw
nieuw leesboek mij niet beoalt......
22. Venang de cursief gedrukte woorden en uitdruk-kingen door synoniemen, d. i. door woorden, die nagenoeg dezelfde beteekenis hebben. Ons vaderland was eertijds een gemeenebatt, zooals Zwitserland en de Vereenigde Staten. Het zal nog een geruimen tijd duren, alvorens dit heerlijk gebouw voltooid zal zijn. Hadden de Joden gehoor gegeven aan de voorspelling hunner Godsgezanten , dan zouden zij zich zoovele onheilen niet berokkend hebben. i)e veldheer , beducht voor een onvoorzienen aanval der vijandelijke troepen, liet in aller ijl verschansingen rondom de stad aanleggen. De nacht viel in, alvorens de bannelingen een onderkomen gevonden hadden. Ben dronk koud water, in Christus' naam aan den behoeftige gegeven , zal zijn loon niet missen. Die man is zeer bedreven in zijn vak. Wij zijn in 't hartje van den winter. Het geschut werd op de wallen geplant. De treurmare van het overlijden des geliefden vorsten verspreidde zich ras door het geheele land. Ik zal u onbewimpeld zeggen , wat ik er van denk.
23 Geef den inhoud der volgende zinnen op verschillende mjzen terug. God is de schepper van het heelal. â De vijand heeft de stad verbrand. â De warmte doet de vruchten rijpen. â Gij ziet slecht.
2^L. Maak de volgende enkelvoudige zinnen tot samengestelde. Het voorjaar is droog geweest. Vele granen zijn mislukt. â De zwaluwen vertrekken. De winter nadert. â Gij leest boeken. Die boeken passen u niet. Ik heb het u uitdrukkelijk verboden. â Philips II sloot de haven van Lissabon voor de Nederlandera. Houtman ondernam een tocht naar Oost-Indië. Die tocht had de beste gevolgen. â De hitte zon onverdraaglijk zijn. De zon bevond zich dichter bij de aarde. â Gij gaat op reis. Ik zou het gaarne weten. Ik ben van plan mee te gaan. â Alexander, keizer van Eusland , stierf. Alexander was op reis. â Hij heeft een zwak gezicht. Hij wil zich van geen bril bedienen. â Hij heeft een zwak
140
gezicht. Hij bedient zich van een bril. â Hij is niet zwak vau gezicht. Hij draagt een bril.
SS. Breng in proza ooer :
De beide Kikvoeschen.
â Groeide dat verwenschte riet Hier slechts aan den oever niet,
Dan had ik van alle zijden , langs de wiegelende golven. En den bloemenrijken zoom Van den koelen waterstroom 't Heerlijkst uitzicht!quot; riep mismoedig , ontevreden,
half bedolven.
Onder bieze en lisch en riet, â
Eens een kikvorsch tot zijn moeder. â âKind!' was t
antwoord , â klaag toch niet ^ Dat gij hier niet verder ziet,
Daar een reiger alle dagen Hier komt jagen ,
En het riet,
Dat u hindert in het uitzicht, ja , tot ergernis verstrekt, TJ en mij juist voor de blikken van dit roofziek dier bedektquot; Mr. Moddebmas , naar Pfeffel.
SO. Maak een opstel over De Mcsch.
Zij onderscheidt zich noch door vederpracht, noch door eene schoone stem â grauw rokje â stompen bek â kijkt onbeschaamd uit de oogen â is de straatjongen onder de vogels â aanhoudend twist onder elkander â zij maken een leven op straat, dat hooren en zien vergaat â onbeleefd â kijkt door het venster â houdt van guitenstreken
_ kaapt zonder verlof erwten, de beste kersen is niet
bang â drijft den spot met u, als gij ze wilt verschrikken. Toch bemin ik ze â zij houdt ons gezelschap , wanneer de andere vogels ons verlaten â gevoelt dan berouw over hare dieverijen â wordt beleefd en stil â smeekt zoo dringend om een kruimeltje â pas komt de lentezon weer leven op aarde brengen, of de musch keert tot hare vroegere levenswijze terug. â
141
VS?quot;. Tat is hel tegenovergestelde nan de cursief gedrukte woorden en uitdrukkingen: oalsch zingen ; een ralsche vriend; een valsche parel; een koude dag ; een koud onthaal; een 2ure appel; een zuur gezicht; een pr;/'uitzicht; uweznster is vrij, wanneer zij zich in een gezelschap bevindt; de dief is weer vrij ; een vrij volk; een gebod onderhouden; cene ontzette stad ; eene vreemde taal; vreemde personen ; iemand vrijspreken ; iets afkeuren ; helder water ; eene heldere lacht; eene heldere stem; eene levende musch; een levendig kind; afzonderlijk gebed; eene gelukte onderneming ; het vnnr is uit; vader is uit.
Vul de volgende zinnen aan-. Wij moeten ... onze
vijanden..... onze vrienden beminnen. â Onze eerste
ouders aten van den boom der kennis van goed en kwaad, .... God het hun verboden had. â Ik zal komen, ... ik mijn werk afheb. â Nu kan ik rrij spelen,... mijn werk is af. â Die mensch leeft, ... hij niet behoefde te sterven. â ... gij koud water drinkt,... gij bezweet zijt, kunt gij licht ziek worden. â Drinkt niet plotseling koud water, ... gij erg bezweet zijt; ... zoudt gij u licht eene zworn ziekte op den hals kunnen halen. â Ik heb wel eens koud water gedronken ,... ik erg bezweet was ; . .. ben ik niet ziek geworden ; .. . dit is geen reden om het andermaal te doen. â Het vuur is den mensch onontbeerlijk; .. . kan het hem groote schade veroorzaken. â De kameel is een leelijk dier; evenwel ... â Het lichaam sterft, maar ... â Ofschoon wij üod niet kunnen zien , ... â Verscheurende dieren treft men niet alleen in warme landen, maar ook... â De vervolgers der H. Kerk hebben allerlei pogingen in het werk gesteld om ze te vernietigen, maar ...; want Christus heeft beloofd, dat ... â
2amp;. Geef den inhoud der volgende zinnen op verschillende wijzen terug. Wijl Floris V zich het lot der burgers bijzonder aantrok , werd hij door de edelen gehaat. Verzint , eer gij begint. Men treft niet zelden armen aan, die meenen, dat rijk zijn en gelukkig zijn hetzelfde is.
142
30. Laat de volgende woorden in flinke zinnen in twee verschillende beteekenissen voorkomen: hof, voet, beurs, post, hoofd , ziel, stam , vorst, lot, stroom.
31. Opstel.
Opstand dbe Batavieeen tegen de Eomeinen.
Huim 100 jaren droegen zij het juk der Eomeinen ; â zij staan op; â Wanneer? â Waarom Pâ Wie zet hen tot den opstand aan P â Claudius Cmlis haalt eenige naburige volksstammen over; â brengt den Eomeinen herhaalde verliezen toe; â wordt door de zijnen verraden; â is genoodzaakt vrede te maken; â Waar? â Met wien P â
33* Breng hel volgende in proza over.
Wat is een menschenhand niet klein !
En toch wat groot vermogen Bespeurt men niet, waar men vereend Tot, wat het zij , de handen leent;
Wie blijft niet opgetogen,
Ziet hij de reuzenwerken aan ,
Die krachtvol nog te prijken staan ,
Schoon eeuw aan eeuw vervlogen !
M.
33. Waarvan zijn de volgende woorden afgeleid? omkantelen , rentenieren, verschuilen , ontluiken , ondergang , overnachten, vertolken, verwilderen , verdacht, verdienste , gehoorzaam , mondeling, ontmaskeren , schriftelijk.
Gebruik de cursief gedrukte woorden in goede zinnen.
Zeer dikwijls gebruikt men een woord in eene beteekenis, geheel verschillend Tan die, waarin het gewoonlijk voorkomt. Zoo spreekt men b. v. van een steenen hart, van een gapenden afgrond, van eene lachende weide. Wat beteekenen deie uitdrukkingen ? Evenzoo zegt men wel eens van iemand , die roerloos staat, dat hij aan den grond vastgenageld is ; van een ander, dat hij de kamer uitvloog , enz. Zulk eene beteekenis noemt men eene figuurlijke of overdrachtelijke.
Hier volgen nog eenige voorbeelden , waarin woorden in hunne
143
|
eigenlijke of gewone, j en andere , figuurlijke beteekenis voorkomen. Het kind sluimert zacht. De koe loeit. Het vuur aanblazen. De boom bloeit. |
waarin dezelfde woorden in eene De wind sluimert. De loeiende storm. Den opstand aanblazen, Eene bloeiende stad. |
Amsterdam telt ruim 400.000 zielen. Onze vloot telde 60 zeilen,
In deze beide voorbeelden zijn ziel en zeil ook figuurlijk genomen in plaats van .... en .... Aldus gebruikt men dikwijls een deel van iets voor het geheel; b. v. eene vloot, bemand met 5000 De Spanjaard is verslagen, in plaats van de Spanjaarden. Nederland treurde over den dood van Willem II.
Waarvoor staat Nederland hier in de plaats ?
34. Geef nu eens op, teaar in de volgende zinnen het cursief gedrukte woord in de eigenlijke, en waar het tn eene figuurlijke beteekenis gebruikt is. Hebt gij Vondel gelezen P De Paus draagt eene drievoudige kroon, tiare genoemd. De aarde dronk het bloed van den onschuldigen Abel. Lodewijk Philips verloor de kroon van Frankrijk in het jaar 1818. De dorst naar goud is de oorzaak van vele gruwelen geweest. Kastielje kromp terug voor Maurits' heldendegen. (Verklaar dezen zin.) Zijn hart bloedde bij het gezicht van zooveel ellende. Woedend trekt hij den degen, snelt toe en doorboort den wreedaard het hart. Het leger versmachtte van dorst in die uitgestrekte woestijn. Deze overwinning baande hem een weg tot den troon. In den Hemel zullen wij elkander wederzien. Bij vriend en vijand oogstte hij lof in. De vijand poogde met een aanzienlijk leger de stad te omsingelen. De Hemel behoede u voor zulk eene daad. Het staal beeft een einde aan zijn leven gemaakt. Als uw vijand dorst heeft, laaf hem; is hij in nood, help hem. Die man heeft een stalen geheugen. Nero was een tijger. Hij heeft den degen met de pij verwisseld. (Wat beteekent dit F)
3{5. Vul de volgende zinnen aan. Ofschoon hij niet rijk is,... â ..., toch stond hij pal. â ..., maar niets was in staat den brand te blusschen. â De jonge kunste-
144
naar had aanvankelijk met vele moeilijkheden te kampen , maar ... â Wie zoa darven loochenen, dat ...P â..., indien het niet te laat geweest was. â Hij is te verstandig , om ... â Het zal u niet berouwen , wanneer ... â .... doch tevergeefs, hij wilde naar mij niet luisteren. â Mijne hulp kon niet meer baten , want ... â .... toch laat hij zich niet raden. â Niettegenstaande de vele rampspoeden , die hem getroffen hebben , ... â Ofschoon die jongeling geene geleerde opvoeding ontvangen heeft, ..
3O. Handel eoemoo met het volgende: ..., doch alras bleek het, dat hij den verrader gespeeld had. â Ik beu de man niet, om . . . â Of hij van den aanslag kennis
droeg.....maar zeker is het, dat... â ..., opdat het
u later niet berouwe. â ..., alsof hij het te Keulen had hooren donderen. â Gij spreekt juist, alsof ... â ..., want zijne inkomsten zijn niet groot. â ..., toch zijn zijne inkomsten niet groot. â Indien zijne inkomsten grooter waren , ... â Do ziekte was zoo ernstig , dat... â⢠Niettegenstaande de ziekte ernstig begon te worden , ----â
Duid het mij niet ten kwade, dat ... â Omdat ..., zal ik het u niet ten kwade duiden. â Wijl het gisteren regende , ... â Terwijl het gisteren regende , ...
3'?'. DE Eik.
Soort. Kenmerken. De eik is oen der schoonste en nuttigste onzer woudboomen. Hij onderscheidt zich door zijnen rechten , krachtigen stam en zijne knoestige takken, die met hunne ingesneden bladeren eene uitgestrekte kroon vormen.
Nut. De vrucht van dezen nuttigen boom, eikel genaamd , is niet eetbaar , maar zeer geschikt tot het mesten van zwijnen ; daarom houden zich in het najaar vele arme lieden met het verzamelen dezer kleine vruchten onledig. Het eikenhout is eene der beste en duurzaamste houtsoorten, die wij hebben. Men gebruikt het tot het bouwen van woningen, tot het vervaardigen van meubelen, snij- en beeldwerk en tot den aanleg van spoorwegen. Takken, wortels en spaanders leveren eene uitmuntende brandstof. De schors wordt in het voorjaar
115
afgeschild, vervolgens gedroogd, gemalen en door de looiers als run voor de bereiding van het leder gebruikt.
Bijzonderheden. In Spanje, Italië en andere znidelijke landen treft men den kurkeik aan, wiens bast het bekende kurk oplevert. Slechts weinige boomen bereiken zulk een hoogen ouderdom als de eik. Men treft er aan van honderd tot tweehonderd jaren. Eertijds vond men ook in ons land uitgestrekte wouden van reusachtige eiken. Zij waren bij onze heidensche voorouders, evenals bij vele Germaansche stammen, het voorwerp eener goddelijke vereering. In de schaduw dezer woudreuzen stonden hunne altaren ; daar ook hielden zij hunne godsdienstige feesten en volksvergaderingen. Thans worden de eiken in onze streken hoe langer hoe schaarscher, vooral sedert men met den aanleg van spoorwegen begonnen is.
De eik is het zinnebeeld van de kracht en de trotsch-heid. ^Nimmer buigt hij zijne fiere kruin voor het geweld der stormen , maar . .. breekt.
Maak volgens dit voorbeeld een opstel ooer den Den.
Soort. Kenmerken. Kegelvormige gedaante ; hooge, rechtopgaande stam; â regelmatig geplaatste , dicht bij den grond uitschietende takken; â naalden in plaats van bladeren. â Nut. Pijnappels : daarin de zaden met een vliesje voorzien, opdat de wind ze zou kunnen medevoeren en voortplanten ; â timmer- en brandhout; veel gebruikt.âBijzonderheden. Verschillende soorten : greinen, (in Noorwegen ; masten voor schepen); ceders, (duurzaam hout); cipressen, (op kerkhoven, zinnebeeld der onsterfelijkheid, omdat ze altijd groen blijven). â De den houdt veel van een drogen grond ; dennenbosschen. â Ook bij buitenplaatsen om hun blijvend groen.
Gebruik de volgende woorden eens in goede zinnen, in eene figuurlijke beteekenis; koken , vuur, vliegen, zee , ziel, gouden, doorklieven. Frankrijk, schepter, vonkelen, (wordt in de figuurl. beteekenis fonkelen), slaap , ijzeren, het vaderland , stroom , vrucht.
VOORBEELD. Op het hooren dezer woorden begon hel bloed in zijne aderen te koken.
T. 8. 2 c. 10
146
«JO, jfat beteehenen de volgende uitdrukkingen ? De heesters kleeden zich in 't groen. Vergeefs wemelt er tal van krijgers. Eene onherbergzame streek. De wintervorst legt zijn schepter neer. Daar rijst het tintiend starrenheer. En de aarde zwijgt. Antwerpen, gij zijt de wieg van mijn dierbaar kroost. Nederland torst niet langer het jnk der vreemden. Zijne boeien werden geslaakt.
30. a. Ontbind de volgende mmengestelde zinnen in enkelooudige. Ik vernam een klagenden toon, die nit het geboomte klonk, en jammerlijk was om te hooren. â Waak, opdat de dood n niet onvoorziens overvalle. â De lange nacht is traag, en sleept zich langs zijn baan , en rekt zijn nren nit. â Dit is eene lea , die u dikwijls te pas zal komen. â Wat baat het, dat alle menschen n prijzen, als nw geweten u beschnldigt. â Niemand weet, of hij den dag van morgen beleven zal. â Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn knepen. â De natnnr is een schoon en eenvoudig boek, waarin iedereen lezen kan. â Er zijn menschen , die opspringen, wanneer zij een geweerschot hooren. â Wanneer men een steen in het water werpt, ontstaan er kringen , die telkens grooter worden, en eindelijk wegsterven. â Scherpe dorens steken zeer, doch kwade tongen nog veelmeer. â Hij naakt, ontdekt zijne prooi, steekt zijne nagels nit en wet zijn tanden. â Ik weet niet, of gij mij begrepen hebt. Een mensch, die niets kan zwijgen, gelijkt aan een geopenden brief, dien iedereen kan lezen. Ofschoon wij overtuigd zijn , dat de tijd kostbaar is , verliezen wij toch vele kostelijke oogenblikken. â
Ik bouw mij zelf een zijden graf,
En spin mijn eigen leven af;
Dan neem ik uit dat graf de vlucht, En fladder vroolijk door de lucht.
VOORBEELD. li vernam een klagenden toon. De klagende toon klonk uit het geboomte. De klagende toon was jammerlijk om te hooren.
147
^O. Virbind de volgende enkelvoudige zinnen tot samengestelde. De dokter geeft den zieke geneesmiddelen. De zieke geneest. â De roos is een der fraaiste bloemen. De roos riekt zeer aangenaam. â De zon staat reeds hoog. Het zal spoedig middag zijn. â Men noemde Kardinaal Mezzofanti een taaireus. Kardinaal Mezzo-fanti sprak en schreef meer dan 50 talen, â Holophernes werd door Judith gedood. Holophernes sliep.â De glans der sterren verdwijnt. De dag breekt aan. â Titus wilde den tempel van Jeruzalem sparen. Een soldaat wierp een brandend hout in den tempel. De tempel brandde af- â Hij is geen waar vriend. Hij vleit mij. â Op een enkelen dag verloor hij het geld. Hij had dat geld met zooveel moeite gewonnen. â De aarde was droog. Noë verliet de ark. Noë droeg den Heer een dankoffer op.â
41. Opstel. Het ei van Columbus.
Columbus (wie hij was) vond vele benijders. â Dezen trachtten zijnen roem te verminderen. â Zij zeiden, dat de ontdekking maar bij toeval geschied was, dat iedereen zulks had kunnen doen, enz. â Eens bevond C. zich met verseheidenen dezer lieden aan tafel. â Hij vraagt , wie hunner een ei recht op de tafel kan zetten. â Ver-geefsche pogingen. â C. drukt de schaal een weinig in f en het ei staat. â â Zoo hadden wij het ook wel gekun-nen.quot; â Zeer zeker ! Het is hiermede juist als met de .....; gij had het kunnen doen, maar ik heb het gedaan.
4^5, Wat beteekent ontlecleit ; b. v. een zin ont* leden? Wat beteekent lezen in aren lezen? â Wat is een uit^elezeu boek ? â Welk woord kunt gij hier voor uitgelezen in de plaats zetten P â Wat is eene keurbende? Waarvan is keur afgeleid F
43. Laat straal, ontmaskeren, koud, onsterfelijk, moeder, rijp, bekleeden en vervoeren in hunne eigenlijke en ook in eene figuurlijke beteekenis voorkomen.
Een wijs man noemt men wel eens in figuurlijken zin een Salomon ; een sterken man, een Herkules ; â Jeruzalem, de heilige Stad; â een kanon , een vuurmond, enz.
148
Zeg nu eens, waarvoor de volgende figuurlijke uitdrukkingen in de plaats staan.
De bode der lente; het teeken onzer verlossing; de koninklijke profeet; de vader der leugentaal; de gevederde zangers ; de dagtoorts; de Prins der Apostelen ; de lente des levens; de wachter der aarde; het Brood der Engelen; de vorst der Nederlandsche dichters; de avond des levens ; het vunr des hemels ; het scheepje van den H. Petrns; onze laatste rustplaats.
lt;4rBgt; Breng in proza over.
De vogel zingt in 't morgenuur Het mooiste , let maar op ;
De bloem geurt zoeter 's morgens vroeg Dan 's avonds uit haar knop.
Zoo is 't met mij en iedereen Ook eveneens gesteld ;
Des morgens leert men vlugger, dan Als de avond ons verzelt.
En 't spreekwoord wordt eerst recht gevat Bij 't licht van d'uchtendstond ;
De morgen heett een schat van goud En rozen in den mond.
A. L. DK EOP.
4 O. Wat is de beteekenis tan de volgende figuurlijke uitdrukkingen of spreekwijzen. Iets van A tot Z navertellen. Het bed honden. Van eene vlieg een olifant maken. Voor iemand door het vuur loopen. Te diep in het glas zien. Daar is al gras over gegroeid. Hij heeft het achter de mouw. Zich uit de voeten maken. Iets aan het licht (aan den dag) brengen. Een raad in den wind slaan. Hij gaat den kreeftengang. Den spijker op den kop slaan. Eene kat in den zak koopen. Een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen. Olie in het vuur werpen.
VOORBEELD Eene zaak van A tot Z navertellen â Iets navertellen van 't begin tot het einde.
149
â¢4='?⢠Breng de volgende woorden en uitdrukkingen in goede zinnen te pas : hals over hoofd , teleurstelling, redeloos , reddeloos , radeloos, noodeloos , have en goed , gijzelaar, op de keper , een oog in 't zeil honden , graad , graat, gelag, gelaat.
Verbind de volgende losse zinnen tot een of meer samengestelde. De blinden kunnen over den vorm der dingen sleuhts oordeelen door het gevoel. Het gevoel is bij de blinden gewoonlijk zeer fijn. â
De luchtballons werden uitgevonden door de gebroeders Montgolfier te Annonay. Te Annonay werd in 1783 de eerste luchtballon opgelaten. De eerste luchtballon had 35 voet in doorsnede. â
Kome werd in 754 vóór Christus door Eomulus en Eemns gesticht. Rome ligt aan den Tiber. Home was eertijds de hoofdstad van het Romeinsche rijk. Rome is thans de zetel van het zichtbaar Opperhoofd der H. Kerk. Rome is thans de hoofdstad der christenheid.
. Waaraan zijn de volgende woorden afgeleid? bete (eene bete broods), aandacht, misdaad, ingang, misverstand, sierlijk, standvastig, weldadig, vullen, uitspraak, aanklacht.
Gebruik ondermijnen, dood, gloeien e» bloeiend in goede zinnen in de eigenlijke en in de figuurlijke beteekenis.
Wat beteekent ont in ontdekken , ontplooien en wat in ontbijten en ontbranden P
BI. Opstel. De Eikel en de Pompoen.
Een man, (ongeleerd, maar waanwijs) rustte uit in de schaduw van een eik. â Hij ziet in de nabijheid eene plant, waaraan groote pompoenen hangen. â Beschouwt vervolgens den fleren , breedgetakten eik. â Geeft zijne afkeuring te kennen. â Waarom Fâ Een eikel valt hem op den neus, â pijn â bloed. â Hij ziet zijne dwaasheid in. â Besluit. â
Wat beteekenen de volgende spreekwoorden ? Schoenmaker , blijf bij uw leest. Hoogmoed komt vóór den val.
150
Keulen en Aken zijn niet op éénen dag gebouwd. Wie met pik omgaat, wordt er mede besmet. Ais het kalf verdronken is, dempt men den put. Het beste paard struikelt wel eens.
63. Toon, dat gij het verschil kent iusschen de volgende woorden , doov ze in goede zinnen te gebruiken : uitvinden en ontdekken ; mond en muil; bek en snuit; vliegen en fladderen; buit en prooi; kostbaar en kostelijk; gebouw en woning ; ambt en ambacht; de diamant en het diamant.
VOORBEEIjD. Columbus ontdekte Amerika in 1493. De uit' vinding der zakuurwerken hebben wij te danken aan Feter Helle van Neurenberg.
S'A. Zet voor de volgende woorden één, twee of drie synoniemen in de plaats : verdichtsel, misdaad , monarch , noodzaken , gade , noodlijdend , oneenigheid , wildernis , beroep, getooid, strijd, inwilligen (een verzoek), verhaal, ontzield, ontroerd.
GS, Breng in proza over.
De Slotenmakeesknecht.
Een slotenmaker had een knecht,
Niet bijster vlug ter hand ,
Wanneer hij aan de schroefbank stond ;
Maar vlug was hij ter tand.
Gezeten aan den middagdisch ,
Dan kon hij ze allen aan ,
Dan was hij aan den slag 'het eerst En had het laatst gedaan.
âMaar, Jochem,quot; â zei hem eens zijn baas,â
â 'k Begrijp dat ding niet recht;
Zoo lang ik leef, is 'twaar geweest,
Wat ons het spreekwoord zegt:
Zoo traag ter hand , zoo traag ter tand.
Dat komt niet uit bij jon:
Je vijlt, je vijlt zoo lui, zoo lui,
En eet zoo weerga's gauw !quot;
151
âWel, ik begrijp dat drommels goed!quot; â
Herneemt de knecht met vuur; â
â Het eten dnurt hier één kwartier ,
Het vijlen veertien uur ;
Veronderstel reis, baas, ik at Hier veertien uren lang :
Dan was 'k aan tafel oven lui Als ginder aan de bank.quot;
B. van Meubs.
Ver klaar de cursief gedrukte woorden en uitdrukkingen.
a Daar ziet men 't bloode haasje loopen; Ginds zeilt de havik in de lucht, De klokhen raast en is beducht,
Dat hij haar komt beur kiekens stroopen ; De tortel kirt , de zwarte lijster fluit; Men hoort langs 'tveld de beesten loeien, Terwijl de dag begint te gloeien ,
En langs hoe meer zijn licht te spreiden uit.
I. Luyken.
1. Geef een synoniem van bloode. Ook het tegenovergestelde. 2. Is dit bijvoegl. naamw. hier wel gepast P Waarom? 3. Wat beteekent zeilen in de eigenlijke be-teekenis ? 4, Waarom zegt men van den havik, dat hij zeilt P 5. Van welke vogels zou men dit nog kunnen zeggen ? 6. Geef een synoniem van raast en van beducht. 7. Wat is dat in den vierden regel P 8. Waarom gebruikt de dichter in dezen regel nu eens haar en dan heur ? 9 Ontleed deze beide woorden taalkundig. 10. Wat beteekent hier stroopen? Wat een slrooper f 11. Kunt gij ook het verschil opgeven tusschen stroopen en stelen ?
12. Waarom zegt men van de tortel, dat ze kirt, van de kat, dat ze miauwt, van de muis, dat ie piept, enz.?
13. W aarom zegt de dichter, dat de dag begint te gloeien ?
14. Zegt men ook in proza: langs hoe meer ? 15. Zijn licht te spreiden uit. Is dit goed gezegd ? Waarom gebruikt de dichter het dan? 16. Vu!, het uitgelatene in den laat-fiten zin eens aan, zoodat het een volkomen zin wordt. â
152
SO. Gebruik de volgende woorden in den gewonen en figuurlijken zin : smelten , schat, ontsteken , blind , slaaf, zetelen, stapelen, folteren, jak, rol, wonen, verpletterd.
07'. Geef het volgende grafschrift op den zeeheld Kobtb-niae op twee of drie verschillende wijzen in proza terug.
De groote Kortenaar, de schrik van 's vijands vloten ,
De ontslniter van de Sont, ligt in dit graf besloten.
G. Bbandt.
SS. Opstel. Oobdebl Gods ovee Balthazab.
Onder Balthazar of Belsazar, een der opvolgers van Nabuohodonosor, werd Babylon door Cyrus belegerd. â De Babyloniërs hielden de stad voor onneembaar. â Gevolg : zorgeloosheid. â Op zekeren nacht gaf Balthazar een feestmaal. ââ Dronkenschap. â Onteering der heilige vaten. â Algemeene ontsteltenis. â Eene hand schrijft met vurige letters de woorden : Mane, Thekel, Phares. â Niemand weet de beteekenis. â Daniël ontboden. â Hij verklaart den zin dezer woorden. â Denzelfden nacht wordt de stad iDgenomen en Balthazar gedood.
SO- Maak de volgende enkelvoudige zinnen tot samengestelde. David heeft 40 jaren over Israël geregeerd. David was een man naar Gods hart. David heeft ons schoone liederen nagelaten. Deze liederen worden psalmen genoemd. â
Stel geen werk tot morgen uit. Gij kunt het werk heden doen. De dag van morgen is onzeker. â
De paden waren niet met gras omzoomd. De paden waren met roode en witte madeliefjes omzoomd. De roode en witte madeliefjes leverden een bevallig gezicht op. â
«O. Gebruik de volgende woorden en uitdrukkingen in goede zinnen: arglistig, ongeveinsd, in de asch leggen, uiten , torsen , opwellen , kleinood , eeuwenheugend , beraad , leus (of zinspreuk), ter dege , verdichtsel, te berge.
Ol. Geef eenige woorden op, die afgeleid zijn van kennen en denken, alsook eenige van kunnen en hooren.
153
G2* Geef eene verklaring van de volgende spreekwoorden. Beter een half ei, dan een ledige dop. Eene vette kenken maakt een magere benrs. De pot verwijt den ketel, dat hij zwart is. De kruik gaat zoolang te water, tot ze eindelijk breekt. De kleederen maken den man-De kleederen maken den man niet. A.Ue dingen hebben twee handvatten.
OS a. Daar reisde een Man â ('tis ver van hier Voor jaar en dag gebeurd) â
Zijn rug was krom, zijn baard sneeuwwit.
Zijn schaamle rok gcsühenrd ;
Door 't avondduister liep zijn baan Op 't hntjen van een wednw aan.
Behoefte woont daar bij de Vlijt;
Maar gastvrij is 't onthaal;
Geen laafnis faalt den reiziger,
Geen krachtherstellend maal, En 't leger, voor hem toebereid ,
Heeft, die 'them bood, zich zelve on tzeid.
Staking.
1. Waarvoor staat 't in den eersten regel in de plaats? 2. Hoe is de vergrootende trap van sneeuwwit ? 3. Geef twee synoniemen van schamel. 4. Door 't avondduister liep zijn baan. Wat beteekent dat? 6. Verklaar de beteekenis van den 7quot; regel. 6. Wat is gastvrij? Is het afgeleid of samengesteld P 7. Geef een synoniem van onthaal, laafnis , faalt, leger, krachtherstellend. 8. Waarop heeft die in den laatsten regel betrekking? 9. Verklaar de laatste twee regels.
ÃSÃ. b. 1. Ontbind het bovenstaande in zinnen. 2. Breng het in proza over.
03. De Olifant. {Voorbeeld.)
Soort. Kenmerken. De olifant, het grootste landdier, behoort tot de dikhuidige zoogdieren. Het zware lichaam wordt door vier vormelooze pooten ondersteund, die op zuilen gelijken. Zijn tred is log en zwaar. Hij heeft lange, afhangende ooren, buitengewoon kleine oogen
154
en een kleinen staart. Twee lange, opwaarts gebogen hoektanden geven hem een dreigend aanzien. Opmerkenswaardig is zijn lange snuit, dien hij in alle richtingen wenden kan; daarmede verricht hij ongeloofelijke zaken , zooals wij dagelijks in onze diergaarden zien kunnen; maar ook daarin ligt zijne verbazende kracht. Zijne kleur is aschgrauw : witte olifanten worden slechts zelden aangetroffen. Zijne huid is zoo hard en dik, dat een geweerkogel daarop afschampt; slechts hier en daar is zij met kort haar begroeid.
Vaderland. Levenswijze. Het vaderland van den olifant is Afrika en Indië; ook op Ceylon treft men ze ia groote menigte aan. Zij leven veelal troepsgewijze in uitgestrekte wouden, en voeden zich met planten. Groot zijn de verwoestingen , die de olifanten menigmaal in de rijstvelden aanrichten; wat zij niet verslinden, dat vertrappen ze met hunne logge pooten. Ofschoon de olifant van natuur wild en kwaadaardig is, laat hij zich gemakkelijk temmen, en bewijst dan den mensch verschillende diensten.
Hut. Men gebruikt hem als last- en rijdier. Op zijnen mg bevestigt men tenten, waarin soms verscheidene personen plaats nemen. Ook richt men hem af tot de tijgerjacht. De beide groote hoektanden leveren het bekende elpenbeen of ivoor, dat vooral in de binnenlanden van Afrika een belangrijk handelsartikel uitmaakt.
Bijzonderheden. Om de olifanten te vangen bedient men zich van verschillende middelen. Nu eens drijft men ze door het aansteken van vuren en het maken van groot genas naar eene afgepaalde ruimte, waarin ze door tamme olifanten gelokt worden; dan jaagt men ze in overdekte kuilen. Eertijds werden deze dieren vooral tot den oorlog afgericht, zooals blijkt uit de geschiedenis van Pyrrhus en van Hannibal.
Maak volgens dit voorbeeld eene beschrijving van den Walvisch.
Soort. Geen visch ; ademt door longen; levende jongen. Kenmerken. Het grootste van alle dieren j onge-
155
veer 20 a 30 meter; werden vroeger veel grooter; waarom P de kop, het derde gedeelte; geen tanden, maar baarden; platte staart, waarmede hij eene buitengewone kracht kan nitoefenen; kleine oogen; spuitgaten; â zwemt zeer vlug; kan hoogstens een kwartier onder water blijven. â Verblijfplaats. De noordelijke zeeën; trekken meer en meer naar 't hooge Noorden. Vangst. Sterke schepen en verscheidene booten; harpoenen; voorzichtigheid; eertijds veel door de Nederlanders beoefend. â Nut. Traan , balein.
O 4 Verklaar de beteekenis van hel volgende versje.
Keaciitige Baden.
fieinier is met zijn stramme leden Naer A kens baden toegereden ;
Daer heeft hij geld en sael en peerd In alle vrolickheid verteert.
Siet wat de wateren vermogen :
Hij is te peerd na 't bad getogen En op zijn voeten weergekeert.
C. Hutgens.
Schrijf het eens in de tegenwoordige spelling.
Ãf5. Zei voor de cursief gedrukte woorden en uitdrukkingen synoniemen in de plaats. Rustig zette hij den onderbroken arbeid weder voort. Hij is buiten kijf een schrander man. Mijn vriend verkeerde in een benarden toestand , daarom kon ik zijn verzoek niet van de hand wijzen. He jengdige Ignace Wils heeft zich door zijne heldhaftige daden een blijvenden roem verworven. Sedert wan neer is het kasteel gesloopt P Op den jongsten dag zal alles geopenbaard worden. Hij bespiedde al mijn doen en laten. De regeering was ten einde raad. De ruiters, die zich nu zonder gids bevonden, doolden den geheelen nacht rond, zonder dat zij er in slaagden den rechten weg te vinden. Wat beoogt gij hiermede P Hij vloog op den minsten wenk van zijn meester.
156
OÃ. Geef den inhoud van hel volgende versje in proza weder.
Leeuweeikjbn.
't Vogelken zonder kommer Vindt ge te midden des velds Verre van vliet en lommer,
Verre van wilg eu els.
In een mach verborgen Is 't metterwoon gevest,
Vliegt in den vroegen morgen Blij nit het warme nest;
Heft zich omhoog ten hemel Op wieken frisch gespierd,
Denkt aan geen laag gewemel,
Steigert en tiereliert.
Dautzenbebg.
De lelie is het zinnebeeld der onschuld; d. w. ï. de onschuld wordt afgebeeld of voorgesteld door eene lelie. Evenzo» stelt een geraamte met eene zeis of een schedel den dood voor, enz.
Oquot;?1. Zeg nu eens, waarvan de volgende dingen zinnebeelden zijn. Een anker. Een kelk op een grafzerk. De leenw. Een olijftak. Een lanrier- of lauwerkrans. De driedubbele kroon of tiare. Een kromstaf. Een zand-looper met vleugels. De roos. Eene vrouw met eene weegschaal in de hand. Een palmtak of zwaard in de hand van sommige Heiligen. De zwarte kleur. Een pijlbundel in een wapen (b. v. van Nederland). Het zwaard, waarmede het hart der H. Maagd doorboord is.
OS. Verklaar de volgende woorden: waanwijs, buitensporig , betoomen , beschaven , watermolen , weerhaan , hinderpaal, armband, schijnheilig, reisgenoot, lotgenoot, breek waar, koopwaar.
GO. Gebruik de volgende woorden nog eens in goede zinnen : spraak , inspraak , aanspraak , uitspraak , opspraak, toespraak, voorspraak.
Van welk woord zijn ze alle gevormd?
157
ONDERWEEPEN VOOE, OPSTELLEN.
â yo. Eeestnacht.
Punten. Vondel zingt; âO, Kerstnacht, schooner dan de dagen!quot; Waarom is die heilige nacht zoo schoon P â Beschonvr het Goddelijk Kindje in zijne kribbe. Vergelijk den armoadigen stal, den donkeren nacht, het harde stroo, de schamele doekjes , de verlatenheid , waarin de Zoon van God wil geboren worden , met hetgeen Hij in den Hemel geniet. â Waarom wilde Jezus zich zoo diep vernederen? Omdat Hij ons bemint. â Wat zeggen u de tranen in de oogen van het Goddelijk Kind P â Het strekt zijne handjes naar n uit. Waarom P Het wil een Kerstgeschenk van u ontvangen. Wat zult gij Het geven P â Beschouw ook Maria en Jozef. Zij zijn verheugd en bedroefd tevens. Verklaar dit. Kniel met hen voor het kribje neder. Spreek het Kindje Jezus aan. Hoe behoort de godvruchtige Christen het Kerstfeest door te brengen P
TX- Hetzklfde onDekwebp.
Punten, 't Is middernacht. â JJe geheele natuur is doodstil. â 't Is, als had zij een voorgevoel van de gedenkwaardige gebeurtenis, die weldra zal plaats grijpen. â 'tls duister om ons heen. â Slechts met moeite onderscheiden wij vóór ons eene grot, die tot beestenstal dient. â Kondom kudden, die met hare herders in diepen slaap gedompeld zijn. â Slechts enkele waken. â Eensklaps verschijnt een heldere glans boven dep stal. â Drommen van schitterende Engelen. â Loflied. â Wat is er geschied P â Treden wij den schamelen stal binnen. â Welk een schouwspel ! â Wat vertoont zich daar aan ons oog ? â Wie is dat lieve, machtelooze Kind P â Wie zijn de beide andere personen P â Welke gevoelens moeten in dezen heiligen nacht ons hart vervullen P
Tfi. Aanbidding dkb Wijzen.
Punten. Jezus is geboren! â Hij heeft reeds de arme herders tot zijne kribbe geroepen. â Hij is voor allen
158
geboren. â Hij roept ook allen tot zich. â Eene buitengewone ster verschijnt aan den hemel. â Iedereen ziet ze. â Slechts de Wijzen volgen den roep der ster. â Wat zij zeggen. â Toebereidselen tot de reis. â Moeilijkheden. ââ â Aankomst te Jeruzalem. â Teleurstelling.â Bij Herodes. â Zijn angst. â Zijne arglistigheid. â De Wijzen op weg naar Bethlehem. â Aankomst.â Wat ze vinden. â Gevoelens , die hen bezielen. â Hoe gelukkig zij zich gevoelen, omdat zij getrouw geweest zijn aan de stem van God, die hen riep. â Geschenken. â Betee-kenis. â W aarschuwing van den Engel. â Zij keeren langs een anderen weg naar hun land terug.
yü. Kjndeemooed tb Bbthlbhem.
Punten. Ongerustheid van Herodes wegens het lang wegblijven der Wijzen. â Goddeloos besluit. âZendt in stilte soldaten uit. â Aankomst der bende. â Ontsteltenis der bewoners van Bethlehem. â Wreedheden. â Vreese-lijk bloedbad. â Vertwijfeling der moeders, â Toch is het goddelooze plan mislukt. â Een engel was den H. Jozef verschenen. â Had hem bevolen, met Jezus en Maria naar Egypte te vluchten.
betmoft te Cana.
Punten. Jezus en Maria uitgenoodigd. Gepaste vroo-lijkheid der gasten. â Verlegenheid van het bruidspaar. â Maria bemerkt zulks. â Zegt het aan Jezus. â Antwoord van Jezus. â Wat Maria tot de bedienden zegt. â Jezus laat zes steenen kruiken met water vullen. â Verandert dit in kostelijken wijn. â Verwondering van den hofmeester en der genoodigden. â â Het eerste wonder van Jezus, gedaan op het verzoek zijner H. Moeder. â Wat leeren we hieruit P
TS. Opwekking van Lazaeus.
7'6. Doodsteijd en gevangenneming tan Jezus.
ft. Nedkedaling van den H. Geest ovee de Apostelen.
159
TS. De Keekkl en de Miee (Fabel).
Punten. Een zorgelooze krekel had het schoone jaargetijde met zingen doorgebracht. â Niets voor den winter verzameld. â De ijverige mier integendeel had gedurende den zomer een rijken voorraad voor den winter opgedaan. â De winter komt. â De krekel lijdt gebrek. â Naberouw. â De mier begeeft zich naar hare welvoorziene voorraadkamer. â De krekel meldt zich aan. â Vraagt eene aalmoes. â De mier zendt hem met bitteren spot weg. â Was dit liefderijk ? â Men moet voor de toekomst zorgen
TO. De Vos en de Bok. (Fabel).
Punten. Vos en bok sluiten vriendschap. â Gaan samen op reis. â Dalen in eenen put af om hunnen dorst te lesschen. â Hoe er nit te geraken. â üaad van den vos. â Belofte van wederzijdsche hulp. â De vos er uit. â Laat den bok in den steek. â Bespot hem nog bovendien. --Wat men van valsche vrienden te wachten heeft.
SO. De Eik en het Eiet. (Fabel).
Punten. Een eik en een riet staan in de nabijheid eener beek. â De eik spot met de zwakheid van't riet.â Boogt op zijn eigen kracht en sterkte. â (Laat hem spreken) â Het riet hoort deze grootspraak aan, glimlacht en zwijgt. â De wind verheft zich. â Wordt een hevige storm.â De-eik wil niet buigen. â Biedt eenigen tijd wederstand , en breekt. â Het zwakke riet buigt zich , â heft het hoofd weder op, â buigt zich opnieuw. â Da storm heeft uitgewoed. â Het riet is ongedeerd. â De eik ligt verbrijzeld. --Besluit.
81. De Vos en de Ooievaae. (Fabel).
Punten. Een vos noodigt een ooievaar ten eten. â Dient.-een heerlijk gerecht voor in een platten schotel. â Verlegenheid van den ooievaar. â Heintje doet zich te goed. â Lacht om zgne schelmenstreek. â De ooievaar noodigt den vos later op zijne beurt uit. â Een kostelijk gebraad in kleine stukjes, voorgediend in eene vaas met langen.
160
hals. â Wijd genoeg voor Langbeens bek, te eng voor Seintjes snuit. â De ooieraar laat het zich goed smaken. â Noodigt den vos uit, toe te tasten. â Bedankt hem. voor de eer. â Heintje keert nuchter huiswaarts.â Met den staart tusschen de pooten, hangende ooren,
beschaamd, door een ooievaar bedrogen te zijn.--Vroeg
of laat krijgt de bedrieger zijn loon.
De Molenaab , zijn Zoon en de Ezel.
83. De Wolf en de Ooievaar.
84. De Veouw met den melkpot.
85- ZELFOPOFFEBINa VAN VaN ScHAFFELAAB.
Punten. Seeds meer dan 100 jaren hadden de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten het burgerbloed doen stroo-men. â Nu eens was de eene , dan de andere partij overwinnaar. â In Utrecht moesten de K. het onderspit delven. â Zij werden overal vervolgd. â Eene kleine bende met J. v. 8. aaa 't hoofd verschanste zich in den toren van Barneveld. â Wederstaat de aanvallen van een veel sterkeren vijand. â De H. maken toebereidselen om den toren in brand te steken. â Aanbod der H. â De K. slaan het af. â Toespraak van V. S. â Hij werpt zich naar beneden. â Afgemaakt.
80. OvEBWINTEBIKG op NoVA-ZEMBLA.
8'7'. Ontsnapping van Hugo de Gboot.
88. Moobd deb De Witten.
8amp;. Gestrafte IJdelheid.
Punten. Een knaap (naam, hoedanigheden , ijdel) had een fraai horloge met gouden ketting ten geschenke ontvangen. (Van wien P Bij welke gelegenheid P Hij had er zoozeer naar verlangd.) â Iedereen moet het zien. â Gaat naar de jaarmarkt te L. â Wil tegen den raad zijner ouders het horloge medenemen.â Waarom? âOp de jaarmarkt ontstaat een gedrang. â Waardoor? â Een .zakkenroller ontfutselt hem zijn horloge.â Later kwam â het uit. â Spijt van den knaap. â Les van den vader.
161
OO. Een roekeloos jongeling, die zich op het nog zwakke ijs gewaagd had, is verdronken.
Beschrijf den jongeling. Een waaghals. Hij wordt vooraf gewaarschuwd. Omstandigheden, die zijn dood voorafgaan en volgen.
«1. Een dengdzaam jongeling laat zich dooreen kwaden makker verleiden, om naar de herberg te gaan. (Wie de jongeling is. Door zijne ouders bij een schrijnwerker geplaatst. ïlaad bij het afscheid. Vele gezellen. Ge draagt zich aanvankelijk goed. Wordt bespot. Laat zich eindelijk overhalen.) Wordt langzamerhand een dronkaard. Verteert zijn geld. Dikwijls dronken. Wordt meer en meer ongeschikt tot het werk. Door zijn baas gewaarschuwd. Geldgebrek. Pleegt een diefstal. In de gevangenis.
OS. De Gans.
Soort. Zwemvogel. â Wilde en tamme. â Kenmerken. Dik, zwaar lichaam; â platte bek; â geen staart; â pooten met zwemvliezen ; â kleur; â waggelende gang. â Nut. Eieren, vleesch, dons. â Bijzonderheden. Vangst. Kooiman; â kooi; â afgespannen ; de tamme lokken. â De eidergans op IJsland. â Eertijds schrijfpennen. â
03. De Eimeel.
Een groot geschenk voor .... â Waarom P â Draagt soms eene geheele familie op zijn rug. â Schip der woestijn. â Melk, vleesi-h, huid, haar. â Voorbeeld van matigheid en geduld. â Zwaar beladen. âlt;- Door 't zand. â In do brandende zon. â V erdraagt honger en dorst. â Gaat voort. â Spant zijne laatste krachten in. â Valt neer. â Sterft. â
O 4. Db Zwaluw.
OS. Dk Hen.
OO. Het bendiee.
OOP
na-
ikt
n, eg
e gt;-
a t 9 I
l
I I
P
lquot;
T. S.
2 c.
11
brieven.
1. Amsterdam , 6 Juni 18 . .
Waarde Rudolf,
Wil ik eens raden, wat gij denken zult, als gij dezen brief ontvangt?-Dat is vast de tijding, dat Gerard morgen of overmorgen komt. â Zeg nu eens , of ik niet goed geraden heb. Tot myn spijt moet ik u echter zeggen, dat gij u dan vergist hebt.
Ik schrijf U juist om U te melden , dat het bezoek . waarnaar ik nog veel meer verlang dan gij, uitgesteld is tot ... ja, ik weet het zelf nog niet juist; maar toch zeker tot over acht of veertien dagen. En waarom dat, zult ge zeker vragen. Hoor eens , mijn
goede Dolf. . , , ,
Gisteren avond kwam vader later dan gewoonlijk van het kantoor. Bij het binnenkomen keek hij mij zoo aardig aan, dat ik aanstonds merkte, dat er iets bijzonders gaande was. Spoedig kwam e groote woord er uit, en van blijdschap sprong ik wel drie voet
hoog 't is heusch waar 1
Vader heeft dezen middag tijding uit Antwerpen ontvangen van iemand, met wian hij groote zaken doet. Deze verzocht vader eens spoedig over te komen, wijl hij hem over gewichtige aangelegenheden spreken moest. Vader vertrekt morgen-ochtend en ... Gerard mag meegaan. Niet waar, zulke buitenkansjes vallen iederen dag niet voor.
163
Ik heb nu maar eene spijt, namelijk, dat ik voor 't oogenblik geen geyolg kan geven aan uwe vriendelijke uitnoodiging. Maar uitgesteld is niet afgesteld. Zoodra ik van de reis teruggekeerd zal lijn, kom ik bij U. Gij zult er ook niets bij verliezen; want ik zal ü alles vertellen, wat ik gezien, gehoord en ondervonden heb.
Moeder verzoekt mij een handje te helpen, om een en ander voor de reis in orde te brengen.
Vaarwel dus, mijn waarde Rudolf! Groet s. v. p. uwe ouders en zusters voor
Uwen vriend Gerard.
2. Delft, i Maart 18...
Lieve Anna,
Wat heb ik van U gehoord ? Ia het waar, dat gij naar de kostschool gaat ? Dat had ik niet gedacht. Waarom hebt gij er niets van gezegd, toen gij verleden week hier waart ? Dat vind ik niet mooi van ü. Meld mij nu eens spoedig, wat er van de zaak is. Indien gij er werkelijk heengaat, vertel mij dan eens naar welke, wanneer gij vertrekt, of er van uw kennissen zijn, enz. enz.
Gij hebt zeker wel gehoord, wat er met Leeutje de Winter gebeurd is ? Ik kan U niet zeggen, hoezeer dit treurig voorval mij getroffen heeft. Zij was altijd zoo gezond, zoo vroolijk en van iedereen bemind. Verleden Donderdag was ik nog met haar op een partijtje bij Juffrouw van Bergen. Zij was de ziel van het geheele gezelschap, en nu is zij reeds twee dagen dood 1 Gij moest eens zien, hoe bedroefd hare ouders zijn. Hare moeder weent den geheelen dag.
Ik zou haast vergeten te vragen , wanneer Louisa van Zwolle terugkomt. Als ik mag, kom ik over, zoodra ze thuis is. Vergeet nu niet, spoedig te schrijven. Mijne hartelijke groeten, enz.
Uwe vriendin
Agues.
164
3. Kuilenburg , Augustus 18. . .
Geliefde Oom en Tante,
Hartelijk dank voor uvre vriendelijke mtnoodiging. U kuut wel denken, hoe ik in mijn schik was, toen ik gisteren uwen brief ontvinquot;. Ik heb zoo dikwijls gedacht aan de prettige dagen ⢠dl® â k gedurende de vorige vacantie bij u mocht doorbrengen. Geen wonder dus , dat ik alweer naar Eikenheuvel verlang. ,
Is Mevrouw Liedrop nog altijd bij U ? Hoe gaat het met hare oogen ? Ik veronderstel, dat zij beter «jn , wijl ü mij daarvan niets geschreven heeft. Aanstaanden Dinsdag begint onze vacantie Ik zal U schrijven, op welken dag ik kom Mag Willem mij dan weer met den schimmel komen afhalen? ., Tk
Nogmaals dank, lieve Oom en Tante, voor uwe zal gedurende deze weinige dagen nog eens terdeeg mij a best doen. en hoop ü dan een paar flinke prijzen te kunnen toonen
Mag ik U verzoeken , Mevrouw Liedrop mijne beleefde groeten
aan te bieden? ^ neefje
Ernst.
4. Vucht, 26 Juli 18...
Waarde Barend ,
Vindt ge 't niet vreemd, nu al een briefje van mij te ontvangen,
terwijl ik U gisteren pas bezocht heb?
Gij zult wel gissen , dat de eene of andere bijzondere omstandigheid hiervan de oorzaak is. Ziehier dezelve.
Gisteren avond bemerkte ik, dat ik mijn mooi sigarenpijpje, hetwelk gij wel kent, kwijt was. Ditgt;^t mij zeer, te meer, omdat het een cadeautje van miju peetoom is, en vader mij herhaalde malen op het hart gedrukt heeft, hetzelve goed te bewaren Eer meende ik, het onderweg verloren te hebben ; maar nu valtmijin dat ik het gisteren middag, toen men ons kwam ^p^orhet diner, op de vensterbank van het tuinkamertje heb^rgelegd. Gelief eens te zien, of dit zoo is. Geef het dan «. v. p. met onz^p
A
165
lcnucht mede , die morgen ?oor zaken in de stad zijn moet. Ik zal hem bij u aansturen.
Ik bedank U, alsook uwe goede ouders en uwe beide broeders nogmaals voor het gulle onthaal en het genoegen , dat ik bij U heb genoten , en blijf steeds
Uw toegenegen vriend Frits.
Eerwaarde Ileeroom ,
Voorzeker mag ik niet i alaten UEerw. bij hetr begin van dit jaar mijne heilwenscheu aan te biedeu. Uwe goedheid en liefde maken het mij ten plicht.
De goede God scheuke UEerw. gezondheid en krachten om eene lange reeks van jaren werkzaam te kuunbu ziju aan het heil der zielen , die aan uwe zorgen zijn toevertrouw^ Zooveel ik kan , zal ik door mijne zwakke gebeden den zegen des Heeren over uwe heilige bediening afsmeeken. Bovenditn zal ik ook dit jaar weder mijn uiterste best doen , om mij door een goed gedrag en door aanhoudenden ijver in mijne studiën uwe goedheid en liefde waardig te toonen.
Hoe gaat het thans met-uwe gezondheid, Eerwaarde Heeroom? Is UEerw. weer geheel hersteld ? Ik wenschte wel, dat U eene zoo goede gezondheid genoot als ik. Toen vader mij onlangs bezocht, was zijn eerste woord: Wel, Jan, wat zie je er goed uit I Jongen, wat wordt ge toch groot en dik ; je zult me spoedig boven 't hoofd groeien 1
Met de studie gaat het ook wel. Vader zal UEerw. zeker wel verquot; teld hebben, welke plaatsen ik bij de laatste composities gehad heb.
Mag ik UEerw. verzoeken, mij in uwe gebeden indachtig te zijn, opdat God mijne studiën zezene en ik mijnen ouders en UEerw. veel genoegen moge verschaffen ?
Ontvang , beminde Heeroom , dezen heilwensch als een bewijs van den eerbied en de liefde , die U toedraagt
Uw toegenegen neefje Jan van den Berg.
Oudenbosch . 1 Januari 18. ..
166
Hier volgen eenige opgaven voor brieven , die ge nu zelf eens moet uitwerken. Tracht zooveel mogelijk een goed begin en alot aan uwe brieven te maken. Het is echter veel beter, zoo maar te beginnen, of zooals men zegt, met de deur in 't huis te vallen , dan eiken brief aan te vangen met die zoutelooze en versleten uitdrukkingen, als: Met vreugde neem ik de pen op.... Het vreugde
ga ik ü weer een briefje schrijven----Daar het alweer een gerui-
men tijd geleden is , sedert ik U geschreven heb----enz.
Zeg eenvoudig en ongekunsteld, wat ge te zeggen hebt, juist zooals ge dit mondeling zoudt doeu. Dit ziet men zoo gaarne, vooral van kinderen en jongelieden.
Zorg echter altijd, dat uwe brieven goed gesteld, zooveel mogelijk
tonder fouten, netjes geschreven en vooral vrij van inktvlakken zijn.
Q-r. Clara zal den.....hare eerste H. Communie
doen. Hare ouders zullen alsdan een feestje aan de familie geven. Zij noodigt namens hare oudeis hare nicht Cato hiertoe uit. Zij is blijde , dat die gelukkige dag reeds zoo nabij is. Zij verzoekt Cato, eens hartelijk voor haar te willen bidden.
OS. Antwoord. Cato wenseht Clara geluk met het groote voorrecht. Zij zou zoo gaarne aan de vriendelijke uitnoodiging van Clara gevolg geven en getuige van haar geluk zijn; â maar hare oudere zuster is voor germmen tijd afwezig. Nu moet Cato hare moeder, die ziekelijk is, gezelschap houden en helpen. Zij zou die zorg nie gaarne aan vreemden overlaten. Zij zal des te vuriger voor Clara bidden.
O», Ander antwoord. Cato bedankt Clara voor hare vriendelijke uitnoodiging en neemt die met genoegen aan. Zij wenseht haar geluk. Zij zal daags te voren met den
trein van____uren komen.
Betzelfde mor jongens. A. kan tot zijne spijt met ko-men, wijl hij een ongemak aan de knie gekregen heeft. De dokter heeft hem eene rust van minstens veertien dagen voorgeschreven.
lOO. Frits is sedert een paar weken bij den heer S. in den winkel. Hij meldt zijnen ouders, hoe hij zich in
167
zijne nieuwe betrekking bevindt. Hij gevoelt nu, wat het is, de ouderlijke zorg te moeten missen. Zijn heer is aeer vriendelijk evenals de juffrouw. Er zijn nog vier andere bedienden, allen ouder dan hij. De oudste is -Frits zeer genegen; â helpt hem in alles terecht; â is een braaf jongmensch. Er is veel werk , maar toch niet te veel. Hij belooft zijn vader, de vermaningen, die deze hem bij het afscheid gegeven heeft, getrouw te znlien nakomen. Hij vraagt naar de gezondheid zijner ouders, enz.
lOl. De vader van Antoon is na eene langdurige ziekte overleden. Antoon deelt die treurige tijding aan zijn vriend Herman mede. Hij meldt hem, wanneer dit treurig voorval plaats had; beschrijft de laatste oogen-blikken zijns vaders. Droefheid zijner moeder en van zijne broeders en znsters. Hij gevoelt nu beter dan ooit, wat een goede vader is. Hij verzoekt H., den dierbaren overledene in zijne gebeden indachtig te zijn. Hij zendt hem een bidprentje.
Antwoord. Herman heeft met leedwezen de treurige tijding vernomen. Hij deelt in de droefheid van zijnen vriend. Hij belooft, aan het verzoek van Antoon te zullen voldoen. Hij zou thans gaarne bij Antoon willen zijn, om hem te troosten. Hij verzoekt Antoon diens moeder, enz. zijne hartelijke deelneming te willen betuigen.
103 Antwoord op den tweeden brief. Zie bladz. 163.
Anna is niet minder getroffen dan hare vriendin over het plotseling overlijden van Leentje. Wat kan men weinig staat maken op eene goede gezondheid P
Het spijt haar , dat anderen haar voor geweest zijn. Zij was juist bezig met schrijven, toen zij den brief van Agnes ontving. Niemand kan het haar verteld hebben dan Dientje S. , aan wie zij het daags te voren gezegd had. Zij had er de vorige week nog niets van kunnen zeggen, omdat hare ouders haar eerst verleden Zondag hun besluit medegedeeld hadden. Zij gaat naar het pensionaat te W. Zij zal er verscheidene kennissen aantreffen.
1C8
Het is een schoon gebouw , fraai gelegen , enz. Louisa komt waarschijnlijk den .... terug. Anna zal er Agnes aanstonds kennis van geven. Zij verlangt naar haar bezoek.
Geef aan uwe ouders of aan een vriend eene be-sehrijving van een bezoek van SI. üicolaas.
XOS. Earel meldt zijnen ouders, dat het hem op het kantoor van den Heer G. niet bevalt. Mijnheer G. is wel goed voor hem; â maar de beide klerken, die met Karei op 't zelfde kantoor zijn , gedragen zich slecht. Karei heeft vernomen, dat in den manufactuur-winkel van den Heer B. een jong bediende gevraagd wordt. Hij heeft veel lust voor dit vak. Hij vraagt zijn vader om raad.
lOO. Jan verheugt zich , dat zijn vriend goed geplaatst is als leerling bij een goudsmid. Drukt zijne spijt uit, dat hij voortaan hot gezelschap van zijn vriend moet missen. Verzoekt hem een en ander over zijne nieuwe betrekking te schrijven. Verlangt dikwijls tijding van hem te ontvangen. Zal hem geen enkel antwoord schuldig blijven.
lOT'. Doortje heeft van hare ouders een brief ontvangen, waarin haar gevraagd wordt, hoe het met hare verkoudheid gesteld ia ; â of zij nog onder dokters handen is; â of zij nog altijd levertraan gebruikt; â of zij er nog zulk een tegenzin in heeft; â hoe het met het borduren gaat; â of zij het kussentje, waaraan zij gedurende de vacantie begonnen was , al gereed heeft; of zij reeds van iemand der familie bezoek ontvangen heeft.
Beantwoord dezen brief eens voor haar.
Betzelfde voor jongens. In plaats van naar borduren, wordt hier gevraagd naar het teekenen. In plaats van het kussentje stelle men eene teekening, waarmede de leerling zijn grootvader op diens verjaardag verrassen wil.
lOS- Nieuwjaarswensch aan ouders.
Zeg hun, dat gij u met genoegen kwijt van den plicht, dien de beleefdheid van elk welopgevoed mensch vordert; dat de wenschen , welke gij hun thans uitdrukt, dezelfde
169
zijn , welke gij iederen dag voor hun tijdelijk en eenwig-geluk vormt. Bedank hen voor al het goede en de vele bewijzen van liefde, die gij in het afgeloopen jaar weder van hen ontvangen hebt. â Beloof hun, dat gij niet zult ontbreken aan den plicht, dagelijks voor hen te bidden, opdat God hun een lang en gelukkig leven schenke en hun rnimschoots rergelde, al wat zij u gedaan hebben.
lOO. Hetzelfde onderwerp.
Zeg hun , dat gij vandaag aan velen een zalig nieuwjaar toewenscht, maar dat niemand daarop meer recht heeft, dan zij , die uwe grootste weldoeners zijn, die u zoozeer beminnen; â dat het u spijt, de gevoelens, die u bezielen, niet beter te kunnen uitdrukken. â Wat gij hun toewenscht. â Wat gij zult doen om hunne liefde en zorgen nu reeds te vergelden. â Hoe gij dit later zult doen. â Verzoek hun dezen hartelijken wensch te beschouwen als een gering bewijs uwer kinderlijke liefde en erkentelijkheid. â Vergeet ook de huisgenooten niet.
HO. Nieuwjaarswensch aan een oom of tante.
Het doet u genoegen, dat de eerste dag des jaars u zulk eene goede gelegenheid aanbiedt om hun een bewijs uwer liefde te geven. â Gij doet zulks vooral gaarne, omdat zij u zooveel bewijzen van genegenheid gegeven hebben. â Wensch hun eene duurzame gezondheid, den zegen des Hemels over hunne ondernemingen (hunnen handel), een lang en gelukkig leven. â Zeg hun, dat gij hoopt hun dit bewijs van genegenheid nog menigmaal te mogen geven.
111- Aan een nader op zijn verjaardag.
Dat gij geen almanak noodig hebt, om u dezen dag te herinneren. â Wensch hem geluk met de vermeerdering zijner jaren. â Gij wenscht vurig hem nog lang te mogen bezitten. â Gij herinnert u heden vooral de vele weldaden , die gij van hem ontvangen hebt. â Wat gij, znlt doen om die eenigszins te vergelden. â enz.
170
113» Op de» verjaardag eener moeder.
Hoe het u spijt, heden niet bij haar te zijn. â Wat ge zoudt doen ; wat ge haar zoudt zeggen. â Hoeveel recht zij heeft op uwe liefde. â Hoe gij dit nu nog beter gevoelt. â Gij zult haar iteeds bewijzen van uwe liefde geven. â Waardoor. â Wat gij eiken dag uws levens, maar vooral heden , voor haar van God vraagt.
113. Verhaal in een brief aan uwe ouden, aan een broeder of zuster, of aan een vriend een of ander voorval, waarvan gij getuige geweest zijt, of dat in de plaats , waar gij u bevindt, voorgevallen is; b. v. Een dronkaard is des avonds in de gracht gevallen en verdronken.
114. Een kind, (hoe oud, enz.) dat op straat speelde , is onder het wiel van een rijtuig geraakt. Oorzaak. Welke gevolgen.
116. Een onvoorzichtige knaap had vuurwerk afgestoken, (met kruit gespeeld) en zich het aangezicht deerlijk verbrand. Bijna blind.
Uq, Viering van het patroonfeest of den verjaardag van een Directeur of Overste; â of de beschrijving van «en ander feest.
Betrekkelijk het adres van een brief moet ge het volgende m acht nemen.
Schrijf het adres altijd net en duidelijk. Den naam van den persoon , aan wien de brief gericht is, en van de plaats, waar hy â woont, schrijve men een weinig grooter De regel, waarin de naam van den persoon staat, moet ongeveer in het midden van lt;le enveloppe staan en zoo mogelijk vol zijn.
Ziehier, hoe men het adres gewoonlijk inricht.
171
W'/zt.
%£/*£(/. ^éeer amp;». amp; enc/namp;f
^féoopófaoaé n0 65
ütferc/a-m.
!â '^beet'eer-w. 'ztëetr ff van amp;p. Jho. ^ëneaéer en- ^ëadfaw
6ry,en.
Cprov. N.-H.)
Ven We£lt;U lt;¾erpe/eerden. ffiêeer
tyamp;. Stemden.
jfóec/. êamp;octo-r,
{framnj^en.
INHOUD.
Toorhericht.
Oordeel. â Zin. â Verzwegen onderwerp.......5
Onderwerp en gezegde. â^Bepalingen. â Uitgebreide zin. . 7
Letters. â Lettergrepen. â Woorden........H
Spelling. â Hoofdletters. . ...........13
Stamwoorden, afgeleide en samengestelde. â Toor- en achter-
Ret zelfstandig naamwoord. â Soortnamen en eigennamen. â
Verkleinwoorden. â Geslacht der zelfstandige naamwoorden. 21
Getal der zelfstandige naamwoorden.........27
Bet lidwoord. â Naamvallen. â Eerste naamval. ... 29
Tweede , derde en vierde naamval..........34
Verbuiging der lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden , enz.............3®
Het bijvoeglijk naamwoord.............
Het telwoord.................^
BLADZ-
Voornaamwoorden. â Bijvoeglijke en zelfstandige. -^Persoon-
lijke voornaamwoorden...............
\fieziitelijke Aanwijzende, bepalingaankondigende ^vragende en
onbepaalde voornaamwoorden...........62
Samengestelde zin. â Voegwoord. â Betrekkelijk voornaamwoord. ....................
Het werkwoord. â Vervoeging...........81
Overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden.â Bedrijvende,
lijdende en terugwerkende vorm. â Onpersoonlijke werkxo. 92 Bijwoord. â Voegwoord. â Voorzetsel. â Tusschenwerpsel. .100
Beknopt overzicht der Nederlandsche spraakkunst.....110
Stijloefeningen.................132
Brieven...................162
-=OSXS^lt;30
Ter Drukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis zijn de Tolgende taalwerken nltgegeren:
De Kleine Taalvriend. Taaloefeningen voor de lagere school. 4®, 2®, 3® en 4« Stukje.
Taal en Stijl. Eerste Cursus, ten dienste van de laagste , klasse van R. K. Opvoedingsgestichten en voor de Lagere Scholen. - t
Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en Stijl leu Cursus.
Taal en Stijl. Tweede Cursus, ten quot;dienste der \ middelste klasse van R. K. Opvoedingsgestichten en ⢠der Scholén voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs.
Oefeningen ter herhaling en uitbreiding yan het geleerde in Taal en Stijl, 2® Cursus. â¢
Taal en Stijl.. Derde Cursus (Spraakkunst en Stijl-lieer), ten dienste der hoogste klasse van R. K. Opvoedingsgestichten en . andere inrichtingen van onderwijs.
| Taal en Stijl. Derde Cursus. (Oefeningen.)
Kleine Spraakkunst voor dé twee laagste klassen van kweekscholen voor ouderwijzere. ;
1.
â â 'i â V , X : â f.,-
..V
-t
. V
â¢; i â v
'â¢u-
.ii
k V .:V::
v/^V
J â f. _i
â . -1
â¢V.
iv i j
â¢Ã¯ :
. ~r
l/'
m
o,w-'
fi 'â
., J'
A'V
1
'.â¢/ V
rquot;' .l X
â 5 l
/;â â¢â¢(⢠v'
lt;.gt;1 .
\ â
/ M
/ â . U
' ; â â ⢠f
A ' A I