LUIMIGE 1 VOORDRACHTEN |
00r6enofnieerpersonesj|
benevens eene Verzameling
BRU1LOFTSLIE DJ E S /1
e n B R UILO FTSTE L E G R A M WEN.
4? Vermeerderde.en Verbeterde Druk
OjP IDE BB/TJUjO^I',
i
VAK irs Mo.vr/y OP DE BRUILOFT.
LUIMIGE VOORBRACHTEN
VOOR
ÃÃN OF MEER PERSONEN,
BENEVENS EENE VERZAMELING
BRUILOFTSLIEDJES EN BRUlLOFTSTElEffiMME».
4e VERBETEHOE DRUK.
âºoo§gooo-
AMSTERDAM,
J. VLIEGER.
INHOUD.
EERSTE AFDEELINGr.
j
Voordrachten voor één Persoon.
--
^0, Bladz.
1. Huwelijks-oratie. Afgewisseld met muziek en zang 1
2. Humoristische Huwelijkspreek. Afgewisseld met
muziek en zang..........5
3. De oude Vrijer. Met een mand waarin een bier
glas met deksel..........8
4. De Schildwacht. Met een ratel en lantaarn . . 10
5. De Huisdokter. Met een kistje waarin een stuk
worst en een flesch wijn.......H l
6. De Kleermaker. Met een schaar en el. . . . 13
7. De Zandman. Met een zakje zand op den schou
der ...............15
8. De Liedjeszanger...........-17
9. De Speelman. Met een viool.......19
10. Het Engagement.............
H. Mijne keus.............25
12. Huwelijkswensch. In den trant van Cats . . . 27 '13. Huwelijkswensch. Lord Merrimac.....30
INHOUD.
No. Bladz.
14. Huwelijkswensch...........32
15. Huwelijkspredikatie, met gezang......34
16. Huwelijkspredikatie, met gezang......39
17. Na regen, zonneschijn.........43
18. Toespraak aan Bruidegom en Bruid .... 47
19. Toespraak aan Bruidegom en Bruid .... 50
20. De Marketenster...........53
21. Zoo min, zoo zeker, en eer wordt.....55
22. Zoo min..............57
23. De oude Vrijster...........58
24. De Waarzegster...........61
25. Samuel Vlieg, alias Sjmool Muggie.....64
26. De Declamator............67
27. Eene Vriendin der Bruid........74
28. Eene Vriendin der Bruid........76
29. Eene Vriendin der Bruid........77
30. Eene Vriendin der Bruid........79
31. Eene Vriendin der Bruid....... . 80
32. Eene Vriendin der Bruid........82
33. Een bloemenmeisje..........84
34. Een goed Vriend...........86
35. Een goed Vriend...........89
36. Een klein meisje...........91
37. Een klein meisje...........91
VI
INHOUD.
vri
TWEEDE AFDEELllSG. Voordrachten voor twee en meer personen.
Bladz.
No.
1. Hulde aan Bruid en Bruidegom (Door eenige
Dames) .
2. Bedenkingen .
3. Huwelijkswensch
4. De Vier Jaargetijden.........-109
5. Waarachtige historie der Vrijaadje van een jonk
man en eene jonge dochter en de gevolgen
112 123 130
daarvan ......
G. Twee keukenmeiden
7. De Oude en de Nieuwe Tijd
8. Germaansche Priesteressen of de Profetie van
Velleda.............13G
9. Liefde, Vrede en Vreugde, met een Bijvoegsel 139
10. Twee jeugdige Zigeuner Vrouwen.....145
11. Grootvader Proza, met de zeven dagen der Week 149
12. De Poëzie met de Zeven Kunsten.....157
13. Twee Bloemenmeisjes.........168
DERDE APDEELING. Bruilofisliedjes.
1. Lof des Huwelijks..........171
2. Hulde aan den Bruidegom (Notaris of Secretaris) 172
93 99 103
INHOUD.
'⢠Blatlx.
i. Aan Bruidegom en Bruid (Neger-Engelsch Brui
loftslied) ................
. Japansch Bruiloftslied.........175
. Aan Bruidegom en Bruid........177
. Aan Bruidegom en Bruid........-179
Aan Bruidegom en Bruid........180 V0(
Aan Bruidegom en Bruid........182
Aan Bruidegom en Bruid........183
Aan Bruidegom en Bruid........186
Huwelijks A. B. C..........188
Reislied..............190 £
Aan Bruidegom en Bruid........102 i
VIERDE AFDEELING. Bruilofts-telegrammen......
ingen .ers â v iio zie einden Ue zi( sn zon toen n Toe
1) D(
* chapsl t. angen egnen a« Go
EEESTE ^FDEELING. VOORDRACHTEN VOOR ÃEN PERSOON.
No. 1. HUWELIJKS-ORATIE.
â Afgewisseld met muziek en zang. ')
Zeer Hoog Vereerde Gasten en Gastinnen!
Gij zult mij wel willen toestemmen, dat een bruiloft e meest verschillende en de minst treurige gewaarwor-ingen bij de gasten doet ontstaan. Zoo gevoelen de ou-ers van het jeugdig paar zich zeker hoogst gelukkig, lie zich nu kunnen verblijden in het geluk van hunne anderen, die nu met zekeren trotsch op hen het oog slaan, üe zich daarbij hun eigen vroolijke bruiloft herinneren én zonder twijfel ook denken aan de dagen hunner jeugd, toen men nog de menuet danste en zong:
Toen grootvader eenmaal mijn gvootmoeder nam, enz.
4) De hier aangehaalde liederen zijn te vinden in: Gezel-⺠óhapsliederen, of uitgezochte verzameling van Nederlandsche t. angen met de in gebruik zijnde melodieën en piano-accom-ftgnement Iste en 2de Bundel, uitgegeven door D. Noothoven ax Goof, te Leiden.
1
2
Men zou bijna niet kunnen gelooven, welk een vroo-lijke stemming een bruiloft bij de ongehuwde jonge dames doet ontstaan. Zij nemen natuurlijk hartelijk deel in het geluk der lieve bruid; doch zoodra die gewaarwording voorbij is, krijgt soms eene andere gewaarwording de overhand. Wel komen zjj er openlijk voor uit, dat de bruid er met haar bruidskrans allerliefst uitziet, doch maken bij zich zelve de opmerking: Ook mij zou zulk een bruidskrans niet kwaad staan; ik zie er toch ook wel aardig uit, ik zou eiken dag ook wel naar het echtaltaar kunnen gaan, maar ach â
Wat wordt het laat, de klok slaat acht, enz.
En als zjj dan de woorden van dit liedje bij zich zelve herhaald hebben, ach, dan zuchten zij, dan drukt het haar zoo zwaar op het harte, dat de rozentijd der jeugd zoo spoedig voorbijgaat, en dat er eenmaal een tijd zal komen, dat zij zullen moeten zingen;
Blijf o hoop! mijn lot verzoeten, enz.
En wat de gehuwde dames betreft, zij nemen altijd hartelijk deel in het geluk van een jeugdig paar. Zij toch hebben reeds ondervonden, dat lief en leed in het huwelijk afwisselt, dat er daarin vele blijde maar ook minder blijde dagen kunnen aanbreken; doch zij weten ook dat een net hoedje haar zeer goed staat, en dat de pantoffel in hare handen een zeer gevaarlijk wapen is. Hoe menigeen van de hier aanwezige dames denkt niet met vreugde aan hare dochters, en berekent daarbij in stilte, hoevele jaren er nog wel voorbij moeten gaan, voordat haar kind ook door den huwelijkskrans gesierd -zal worden; waarbij zich echter eenige zorgen van haar
3
meester maken, want zij weet wel dat de heeren thans niet meer instemmen met het liedje:
Arm en nedrig is mijn hutje, enz.
De gehuwde heeren, vooral zij die reeds 15 of 20 jaren in het huwelijksbootje hebben gezeten, kunnen gewoonlijk een spottend lachje bij een huwelijksvereeni-ging niet onderdrukken, want zij weten wel, dat niet alles goud is wat er blinkt, zij weten wel dat er over het lieve gezichtje der bruid, ook wel eens een wolkje van ontevredenheid kan heengaan, vooral dan, wanneer aan een verzoek om een nieuwe japon of hoed, niet spoedig voldaan wordt; zij weten wel, dat het bedeesde meisje spoedig eene gebiedende vrouw kan worden en hoe spoedig de huiselijke vrede verbroken wordt. Zich zeiven troostend, zingen zij dan:
Niets is op deez aarde bestendig, enz.
Van huiselijke vrede gesproken. Wanneer die soms verbroken wordt, dan ligt de oorzaak daarvan altijd bij de heeren, nooit bij de dames. Waarom geven de hoeren niet wat meer toe? Een rechtschapen man en vader moet van gomelastiek zijn, hij moet toegeven en zich laten trekken, om niet te zeggen: uittrekken. Slechts in hoogst zeldzame gevallen is het recht aan zijn zijde, slechts zelden pruttelt eene dame zonder oorzaak, maar als dit gebeurt, dan gaat haar gemaal dood bedaard op de kanapé zitten en zingt:
Schept vreugde in 't leven, enz.
De jeugdige heeren, voor wie een bruiloft een leerschool, een voorbeeld ter navolging zijn moest, och, zij
1'
4
zijn de onverschilligste en vcrstoktste sujetten. In plaats van naar de stem van hun hart te luisteren, luisteren zij liever naar dansmuziek; in plaats van in de oogen der meisjes te staren en er eene te kiezen, kijken zij in den spiegel en kiezen de fijnste wijnsoorten uit. Zij zijn nu eenmaal zoo, ik kan er niets aan veranderen. Wanneer echter een jeugdig heertje het meisje zijner keuze meent gevonden te hebben, wanneer hij haar zoetsappig in de oogen kijkt, hare hand hartstochtelijk drukt en geen eeden hem te duur schijnen te zijn, dan zingt hij: Gij, gij ligt mij aan 't harte, enz.
Eindelijk kom ik tot de bruid. â Zeer hoog vereerde vrienden en gasten, verg toch niet van mij, hare gedachten en gewaarwordingen te schilderen, want zij kunnen beter gevoeld dan in woorden uitgedrukt worden.
Thans wend ik mij tot den bruidegom. â Gij allen zijt zeker wel verlangend te weten, want hij thans denkt. Hij denkt:
Meisje, kom, kom, kom, kom aan mijn groene zijde, enz.
Hooggeachte feestgenooten. Ik hoop zeer, dat gij mijne toespraak slechts voor datgene zult nemen, wat zij is â een aardigheid. Toch wil ik u wel zeggen, wat gij op 't oogenblik denkt. Gij denkt:
Komt, broeders, nog een glaasje, enz.
5
No. 2. HUMORISTISCHE HÃWELIJKSPREEK.
Afgewisseld met muziek en zang i)
Zeer geachte Toehoorders en Toehoorderessen!
Ik heb zeer langen tijd er ernstig over nagedacht, op welke wijze ik mijn toespraak het best zou kunnen inleiden, en eindelijk ben ik tot het besluit gekomen, om mij daartoe van de muziek te bedienen. Dat doet men immers ook bij opera's en andere openbare amusementen, en zoo begroet ik u dan allen met het lied:
Bij het klinken der lokalen, enz.
Bij alle feestelijke gelegenheden komt aan het schoone geslacht de voorrang toe, niet alleen als een bewijs van galanterie, maar ook als een bewijs van attentie. En dat terecht! want zij (de schoonen van het schoone geslacht namelijk) zijn de bloemen, die de tuinen van ons leven zóó liefelijk sieren, dat wij daardoor de onaangenaamheden van de winterdagen vergeten! Geen wonder dus, dat de heer.... (naam van den bruidegom) er ook zoo over gedacht heeft en zich tot mejuffrouw.... (naam der bruid) gericht heeft met de woorden:
Gij-, H'j tyt quot;lij aan 'l harte, enz.
't Spreekt wel van zelf dat deze woorden niet zonder gevolgen zijn gebleven, doch het is wellicht niet bekend,
1) De in dit stukje aangehaalde coupl«tten zijn allen te vinden in het reeds genoemde werkje: Gezelschapsliederen, enz.
6
dat mejuffrouw N. N. reeds ns verloop van korten tijd den heer N. N. deze plechtige verklaring deed:
Of ik u liefheb? vraag het de sterren, enz.
De jongelui waren het nu spoedig met elkander eens, â of, zooals men wel eens zegt: Een hart en éene ziel, of, zooals vader Vondel dat zeer pikant heeft uitgedrukt met de woorden:
Twee harten gloeiend aaneengesmeed, Aaneengeschakeld en verbonden In lief en leed!
Zonder twijfel dacht ieder voor zich:
Ach, waart gij maar de mijne, enz.
Doch niet alzoo dachten papa en mama, die met het oog op een aanstaanden schoonzoon, wel eens met elkander zullen hebben gezongen:
Het noodigst meubel onzer dagen, enz.
De toekomstige schoonzoon daarentegen was van een geheel andere gedachte, die zijne schoone toekomstige altijd begroette met de woorden:
Van alle meisjes hier op aard, enz.
Natuurlijk had mejuffrouw N. N. niets beters te doen, dan haar geliefde zoo spoedig mogelijk de verzekering te geven van hare innigste hoogachting en toegenegenheid. Zij deed dit op de volgende wijze:
Och, was ik toch het licht der maan, enz.
Zoo bleef den toekomstigen schoonouders niets anders over dan de banden, door Amor rondom het jeugdig
7
paartje gesmeed, door Hymen nog vaster te laten maken, en met elkander te zingen:
'k Zal Galopijn mijn dodder gevenf enz.
En wij, hoog vereerde feestgenooten, wij kunnen nu niets beters doen, dan de echtvereeniging van het jeugdig paar zoo feestelijk mogelijk te vieren en onze beate wenschen voor hen uit te spreken in het lied:
Schept vreugde in 't leven, enz.
Ook geloof ik, dat het onze plicht is, het jeugdig paar toe te wenschen, dat de huiselijkheid hare geurige bloemen steeds voor beider voeten zal strooien en op hunne tafel zal plaatsen, en dat de heer gemaal nooit zal zeggen:
Dag, vrouwlief, 'k ga ter Societeil enz.
Neen, wij wenschen het jeugdig paar van ganscher harte zegen en voorspoed toe, zoodat de tegenwoordige jonge man nooit als vader zal behoeven te zingen:
De lange dag is weer voorbij, enz.
quot;Wij willen echter hopen dat gij, jeugdig paar, vele jaren lang eiken dag zult kunnen aanheffen.
De liefde blijft den sshepter zwaaien, enz.
8
No. 3. DE OUDE VRIJER.
MET EEN QROOTEN MAND, WAARIN EEN BIERGLAS MET DEKSEL.
Als jongling werd ik eens verliefd
Op eene lieve meid,
Schoon was zij, doch bij al haar schoon
Kwam wel wat ijdelheid.
Zij zei geen ja, zij zei geen neen;
En zoo liep 'k zuchtend om haar heen.
Geschenken nam zij heel graag aan.
En keek er vroolijk in; â
»Ik mag je lijden, goede vriend,quot;
Sprak zij, »doch met de min,
ïOch, dat heeft zulk een haast nog niet, »Het trouwen geeft soms veel verdriet.quot;
Ik had ontzachlijk veel geduld,
Ik dacht aan Jakob, die Wel zeven jaren vrijen moest
Naar haar, gij weet wel wie. En toen hij lang had gevrijd,
Kreeg hij toch nog een andre meid.
Doch ik werd ouder met elk jaar,
En ging dat nu zoo voort.
Dan was ik reeds een oude vent Eer 'k iets nog had gehoord.
9
Ik drong dus aan op kort bescheid, En zij â sprak met bevalligheid:
»Kom morgen weder, beste vriend.
Wacht nog slechts eenen dag.'' â O, denk ik aan die vrouwelist,
Dan treft mij nog die slag.
Ik kwam, doch in de nette zaal Vond ik haar niet, wel deez' bokaal.
Een naaister echter zeide mij
Dat 't antwoord er in lag.
'k Deed 't deksel open en jawel,
't Papier kwam voor den dag.
Ik las daar tot mijn groot verdriet: »Aan trouwen, vriendje, denk ik niet!quot;
Toen kreeg ik vreeselijk het land
Aan 't vrouwlijke geslacht.
En aan mijn edel, kloppend hart
Werd 'n doodwond toegebracht. Ik scheurde het papier tot gruis En droeg den â grooten mand naar huis.
En sedert geeft dat leelijk ding
Mij alle dagen pijn.
Ik ging en kwam, ik kwam en ging.
Tot eindelijk maneschijn Mijn jeugdig hoofd geheel omkranst. En 't rimplig voorhoofd niet meer glanst.
40
Toen dacht ik; ja, het eerste paar
Dat vroolijk trouwen gaat, Krijgt dezen mand van mij present,
En ook wat er in staat, 'k Hoop dat 't u welgevallig zij; Geluk er mee en â denkt aan mij!
No. 4. DE NACHTWACHT.
MET EEN RATEL EN LANTAARN.
Welk een spectakel zoo laat in den nacht!
In koffiehuizen voor hooge en lage standen
Ziet men niet een gaspit meer branden.
En elke man heeft zijn vrouw naar bed gebracht.
Wat beteekent dan hier dat helsche leven?
Dat moest jelui laten, of éen wenk door mij gegeven,
En je ziet je allen omsingeld door de wacht. â
(Na een kleine pause.)
Maar wat duivel? wat zie ik? â Hé, wel aardig bedacht, Hier is het waarachtig wel uit te houden,
't Heeft wel iets van een bruidspartij of zoo wat. Nu wilde ik wel dat ik er ook maar zat.
Het paartje moet ik toch eens van nabij beschouwen.
{Hij komt nader met zijn brandende lantaarn.)
Waarlijk, al zeg ik het zelf, 't ziet er aardig uit. Ik dien nu toch ook wel mijn compliment te maken.
{Hij buigt op bespottelijke wijze.)
H
Veel geluk met je huwelijk! â Ik zal je huis, Met sabel en piek gewapend, goed bewaken; Met nieuwjaar krijg ik dan wel een jas of buis,
Doch â gij zult het dan wel goed met mij maken. Want bij mij sterft van zelf rot en muis.
Doch, 't is mijn tijd, ik moet verder, hoe ongaarne. Slaapt wel!
(Tot anderen.) Jelui kunt nu ook wel naar huis gaan!
(Tot het bruidspaar.)
Een nachtwacht weet wel wat er moet gedaan. Daarom, opdat er liefit zal zijn op uw paan.
Vereer ik u als geschenk mijn lantaarn!
No. 5. DE HUISDOKTER.
MET EEN KISTJE WAARIN' EEN STÃK WORST EN EEN FLESCH WIJN.
Gezondheid is de grootste schat
Zegt Salomo, de Wijze,
Zij geeft ons altijd nieuwen moed
Op onze levensreize.
Dus is zij voor een jeugdig paar Wel 't allerbeste jaar op jaar.
Als huisarts ben ik aangesteld Mijn hulp u aan te bieden,
12
En wat een arts voor 't beste houdt,
Dat moet ook trouw geschieden. Neem dus dit kistje bij 't begin, Probate middlen zijn er in.
Neemt beiden dan een deel daarvan
Des morgens vóór uw werken. Dat houdt u beiden op de been,
Dat zal u steeds versterken.
En dan per slot voor u pleizier Een halven liter beiersch bier.
Drinkt 's middags ook een glaasje wijn.
Maar altijd na het eten;
Laat het maar van de beste zijn
En niet te krap gemeten.
Dat doet en maag en spieren goed En is probatum voor het bloed.
Des avonds geen te zware kost.
En dan te bed vóór achten.
Daarbij uw hart voor kou bewaard
En andere noordsche machten; Dan blijft gij een gelukkig paar En wordt voor 't minste honderd jaar!
13
No. 6. DE KLEEDERKAKER.
MET EEN SCHAAR IN DE BENE, EN EEN EL IN DE ANDERE HAND.
Hij leve, wien het snijderbloed
In zijne longen heeft,
En die bij schaar en vingerhoed
Zoo hoogst gelukkig leeft.
Hij leve die een snijder heet En die zijn el en schaar Bewaart met eedlen snijdersgeest Voor onheil en gevaar.
Ik verzoek n wel, mijne heeren en dames, mij eenig respect te bewijzen. Gelieve te bedenken, dat ik het ben, en weet gij wel wat dat zeggen wil? Als gij het niet weet, dan zal ik het u spoedig verklaren.
Des snijders roem is groot voorwaar,
Ook die van zjjn geslacht,
Want Adam in het paradijs /
Wordt zelfs daartoe gebracht.
Zooals het oud verhaal toch luidt.
Maakte Adam voor zijn vrouw En voor zich zeiven rok en vest En broek, vooral niet nauw.
Pardonnez moi: Kunt gij me ook zeggen, of ik hier terecht ben in de beroemde kleermakers-werkplaats, waar een naad genaaid is, waarvan men zegt, dat er
14
gedurende 50 jaren geen steek van zal los gaan? Ha, ha! ik geloof dat ik die beide aartskunstenaars reeds gevonden heb. Ik maak u wel zeer onderdanig mijn compliment!
Ja, ja! gij maakt den rechten naad,
Bewijst ons zeer veel eer.
Want werk zooals gij hebt volbracht
Dat rafelt nimmermeer.
Den snit hebt gij ook goed gevolgd,
't Is alles goed, voorwaar,
Dus prijs ik u, zooals 't behoort,
Bij deze vriendenschaar.
Waarom bedankt gij mij niet voor mijn bewijzen van hulde? Ik wil het u vergeven, want wellicht begrijpt gij de beeldspraak van mijne geestvolle toespraak niet. Let dan wel op mijne verklaring !
De beide deelen zijn uw hart,
De liefde maakt den naad,
De blauwe zijde is de trouw,
Die houdt als ijzerdraad.
Ja, zulk een werk is zeer probaat,
Heeft nooit van scheuren last,'
Want wordt de stof ook al wat oud. Het naadje blijft toch vast.
Hebt gij het nu begrepen? Goed, heel goed! Ik verlang geen dank. Vergunt mij echter mijne wapens, ten bewijze mijner onbegrensde hoogachting, voor uwen troon neder te leggen!
15
Geachte Bruid, uw eigendom Zij voortaan deze schaar. De Bruidegom ontvangt mijn el En â gij zijt beiden klaar. Vereerd door uwe hooge gunst,
Ga ik nu hier van daan, En hoop dat uw begonnen werk Nog jaren mag bestaan!
No. 7. DE ZANDMAN.
MET EEN ZAKJE ZAND OP DEN SCHOUDER.
Hij roept ;
'k Ben aangeland,
Van d' overkant Met fijn wit zand Voor eiken stand.
Tot het bruidspaar.
Gij schijnt u beiden zeer lekker te gevoelen. Nu, dat is geen wonder! Wat is toch aangenamer dan het bewustzijn bij zich om te dragen, dat men getrouwd is, of liever, dat men pas getrouwd is. De Bruidegom toch heeft zijn zin; hij wilde in de fuik, en nu is hij er in. Anderen die er in zijn, wilden er wellicht weder uit. Doch dat gaat zoo gemakkelijk niet.
Hoewel ik dus ontdek dat hier een bruiloft gevierd wordt, wil ik toch de vraag tot u richten of gij ook
16
best fijn wit zand noodig hebt? â Niet? â Wéét wel wat gij zegt, want met zand kan men veel toedekken, wat tot het verledene behoort, en dat tegenwoordig minder aangenaam zou zijn! Om iets te noemen, al die kleine oneenigheden, die er wel eens tusschen man en Trouw plaats hebben, wanneer de vrouw om geld voor het huishouden vraagt, en de man antwoordt, dat hij heden juist zeer toevallig wat extra slecht bij kas is.
Men moet dus het zand niet al te gering achten, want behalve de bovengenoemde eigenschappen van het zand, kan er nog van gezegd worden, dat 't het begin en einde is van alle bestaan! Zand is aarde, en wat is ie mensch? Ook aarde! En wat wordt er van hem als hij sterft? Alweder aarde! Waarop zijn vele mensche-lyke plannen en werken gebouwd? Op zand! En wat strooit men ons, zoolang wij leven, in de oogen? Zand! Overal is dus zand, tot zelfs in de oogen.
Ik heb daarop een liedje gemaakt, dat ik echter wegens het zand dat in mijn keel is, niet zal zingen, maar slechts zal voordragen.
Zoodra een mensch wordt op deez aard geboren, Trekt hem het noodlot aan zijn beide ooren, Met sprookjes wordt het kind in slaap gewiegd. De man door schijn, die dikwijls hem bedriegd.
En dat noemt men dan zeer prozaisch: zand in de oogen krijgen!
De knaap droomt altijd van geluk op aarde, Eu hecht aan kleine zaken groote waarde; De jongeling dweept met een hart van stroo. En menig meisje, och, 't doet ook alzoo.
17
Maar later beginnen zij erg in de oogen te wrijveH. Misschien was er wel zand in gewaaid.
De man streeft voort en laat zich door niets hindren, Hij hoopt nog altijd op 't geluk van kindren;
En als de krachten van den grijsaard gaan vermindren. Dan troost hij zich met zalig wederzien.
En och, de man, wiens gezicht reeds zoo zwak was, had ook nog zand in zijn oogen gekregen.
Al 't goed der aarde heeft niet veel te beteeknen; quot;Waartoe men ook nog geld en roem kan reeknen; Maar liefde, waarheid, ja, dat is het hoogste goed. Dat brengt het koudste hart in lichten, laaien gloed.
Nu zegt wellicht iemand uwer: zand in de oogen! Ik zeg het evenwel niet!
'k Hoop echter dat geen zand ge in 't oog zult klagen, Hoe ook het stof rondom u moge stijgen,
En dat vooral het lieve, jeugdig paar Bevrijd moog blijven van dat lastige gevaar!
No. 8. DE LIEDJESZANGER.
De huisknecht heeft mij hier gezonden, Hij sprak: »zing, en ge ontvangt veel geld,quot;
2
â¦
â¢18
Ik ging, want in deez dure tijden,
Ben 'k zeer op dubbeltjes gesteld.
(Zingende met accompagnemement van Piano.)
Geld is een nuttig ding, enz.
Ik geloof dat ik hiermede het bewijs heb geleverd dat ik wel in staat ben het gezelschap voor eenige oogen-blikken te veramuseeren. Ik reken dus verder op uwe onverdeelde aandacht, en zal mijn taak voortzetten met u datgene in bezielde en bezielende accoorden te doen hooren, wat er thans in het hart van Bruid en Bruidegom omgaat:
{Zingende)
Gij, gij ligt mij aan 't harte, enz. 1),
Na verloop van eenigen tijd echter, wordt dat lied doorgaans afgewisseld met een ander, dat een geheele verandering in den huihoudelijken toestand te kennen geeft. Dan zingt men aldus:
(Zingende)
't Wordt duider, mijn Roosje, kom speel nu niet meer, enz.
Wanneer man en vrouw eenige jaren in het huwelijksbootje hebben geschommeld, dan wil de een wel eens hierheen en de ander daarheen sturen. Hoe licht ontstaat er dan een kleine oneenigheid! En hij of zij zingen dan :
(Zingende)
Geen. liefde is de eerste min gelijk, enz.
1
Dit en de volgende Liedjes zijn te vinden in het reeds genoemde werkje: Gezelschapsliederen, enz.
19
Somtijds denkt de heer gemaal, dat hij nog student of Trijgezel is, en komt dan 's nachts ton twee of drie uur thuis, wel wat laveerende, maar hij komt er toch. Soms gebeurt het, dat hij hij dat laveeren nog een liedje neuriet, zoo iets van:
(Zingende) Och, mijn lieve Augmtin, enz.
Ten slotte nog een woordje: Ik wensch dat het jeugdig paar het geluk en het genoegen van het huwelijksleven vele jaren mogen smaken, dat het niet alleen zijn zilveren maar ook zijn gouden echtvereeniging moge vieren, en dat een reeks van kleinkinderen dan een dolle pret mogen hebben als zij hun grootvader en grootmoeder zien dansen.
No. 9. DE SPEELMAN.
MET EEN VIOOL
Ik trok steeds rond van stad tot stad,
Om allen te vermaken ;
Geen wonder dat men juicht en zingt
Als men mij ziet genaken.
Wilt gij op deze bruidspartij
Als speelman me engageeren ?
Dan zal ik u met mijne kunst Recht vorstlijk amuseeren.
2*
20
Ik ken veel liedjes groot en klein, Op aangename wijzen,
Waardoor ik mij reeds menigmaal Door vorsten hoorde prijzen.
Een jeugdig paartje vindt daarin Altijd een groot behagen.
Geen wonder dus dat men mijn spel Op elk festijn komt vragen.
Als gij 't verlangt, dan wil ik u Daarvan een proefje geven!
Zoo ken 'k een lied, geheel gemaakt Voor 't echtelijk leven.
Het is een lieve melodie Die harten kan verblijden.
Geheel geschikt voor eiken stand En ook voor dure tijden!
{Spelende of zingende') Schept vreugde in 't leven, enz. ').
Wie schept in 't leven meerder vreugd, Dan twee verliefde harten?
Die vreezen niet voor 's levens druk Nog voor de levenssmarten.
Neen, eiken dag dien 't paar geniet Bij 't lot van stervelingen,
!) De hier aangehaalde liederen zijn te vinden in het reeds genoemde werkje: Gezelschapsliederen, enz.
21
't Zij nu eens duister dan weer licht, Hoort men het vroolijk zingen:
{Zingende)
Of ik u liefheb, vraag het de sterren, enz.
En is een jaartje dan voorbij,
Wat al veranderingen!
Toch hoort men daar op blijden toon Het wiegeliedje zingen:
{Zingende)
Slaap uu, mijn jongske, van 't spelen zoo moe, enz.
Zijn vijf en twintig jaren eens In 't niet daarheen gevlogen,
Dan hoort men daar toch nog een lied. Van blijdschap opgetogen:
{Zingende)
De liefde blijft den schepter zwaaien, enz.
Ja, dan moog nog het lieve paar Te samen vroolijk klinken,
En met een breede vriendenschaar Al zingende ook drinken.
{Zingende)
't Is weer avond, Julia, enz.
'k Beveel mij daartoe nedrig aan.
Al ben 'k dan ook een grijze,
22
Dan zing ik vroolijk weer een lied, En wel op deze wijze:
{Zingende) Waar han men. beter zijn, enz.
No. 10. HET E6A6EMENT.
Hoe komt toch 't gelukkig paar Zoo vertrouwlijk naast elkaar?
Ja, zoo vroeg ik menigmalen Bij de volle feestbocalen.
Als er bruiloft werd gevierd In een zaal met groen versierd.
't Antwoord dat ik daarop vond. Spreek ik vrij uit in 't rond.
Weet gij 't beter uit te leggen, Nu, dan moogt gij het wel zeggen. Ik verklaar hier pertinent:
't Komt door het Engagement.
Ja, dat is een wondre zaak;
Toch geeft die zeer veel vermaak. Vraagt gij echter naar de gronden Hoe die twee elkander vonden? 'k Antwoord, voor geen strijd beducht: Zoo iets zit er in de lucht!
23
Hoe men 't huwelijk dan blameer, Vrijerij den nek toekeer,
Velen zelfs bij Pan hoort zweren. Om zich nimmer te engageeren. Vrienden, och, gelooft het vrij, 't Wordt toch eindlijk vrijerij.
'Oude vrijers, zegt mij dan.
Zwoert ook gij wellicht bij Pan?
Wilt gij soms alleen gaan dolen Als de vossen zonder holen.
Daar u dan geen enkel oord,
Gij aan niemand toebehoort?
»Ach, wat is die vrijer oud,
«Veertig jaar en niet getrouwd!quot; Dat 's de taal die gij moet hooren. Juist, want 't beste is reeds verloren, 't Eerste fieurtje is van u af.
Weldra stuift gij weg als kaf.
Kiest dan, want er is nog keur.
Menig bloempje, schoon van kleur, Staat nog in den tuin te prijken,
Waar gij niet zoo scherp moet kijken. Oude vrijers kiest toch uit,
Kiest fluks eene lieve Bruid!
Jonge Dames, luistert nu,
Want 'k heb ook een woord voor u. Gij zult toch wel niet beweren Dat ge u nooit zult engageeren.
24
Lnistert dus bedaard naar mij â
Vóór 't begin der vrijerij.
Als een heer met zeer veel wind,
Zegt, dat hij u teer bemint,
Dan moet gy niet declareeren Dat ge u wel wilt engageeren;
Niet zoo op dien eigen stond,
Blij zijn dat ge een minnaar vondt.
Neen, maar zeg dan: kom Mijnheer, Op een andren tijd eens weer;
'k Zal de zaak eens overwegen,
Och, gij maakt mij zoo verlegen,
Want ik leef nog zeer content.
Zonder een egagement
'k Weet wel, 't hart zegt dan reeds: Ja,
'k Min u ook, etcetera,
Maar dat wil toch zoo niet wezen;
Mooglijk wordt het zoo na dézen,
Na een honderd jaar of tien,
Als wij niet meer kunnen zien.
Zorgt dat vóór de vrijerij,
't Hart toch niet te keurig zij.
Zegt dus nooit: Bonjour Mijnheer, 'k Wacht nog, 'k dank u voor die eer. 'k Heb den tijd nog wel een jaar.
Want het jawoord valt mij zwaar.
25
Want als later niemand daagt, Niemand u om 't jawoord vraagt, Dan zou 't u misschien berouwen, Dat gij dan dien heer zaagt trouwen, Die u minde tot den dood En u zijne liefde bood.
Dames, vraagt dus niet te veel,
Ieder krijgt geen Koningsdeel.
Komt een jongeling u vragen Samen 's werelds last te dragen, Pakt hem, want die veel begeert,
Ziet zich nooit geëngageerd!
No. 11. MIJNE KEUS.
Ik roem de koene Hasselaar,
Ik prijs haar moed en trouw. En wensch zoo kloek een heldenhart Volgaarne aan iedere vrouw.
Maar als ik ooit een meisje kies,
(Gesteld ik kreeg zoo'n gril), Dan aoek ik nooit een Kenau uit Die altijd vechten wil.
Neen, in zoo'n singulier geval Kies ik een bloode maagd,
26
Die liever kust en wordt gekust, Dan scherpe wapens draagt.
Want wie voor eigen veiligheid Een Kenau kiezen zou,
Die legge een grooten bulhond aan, In plaats van eene vrouw.
Ik spreek ook hier van Schuurmans lof. Den roem van 't vaderland,
En breng mijn nedrig eerbetoon Aan zulk een kloek verstand.
Doch nimmer wordt mijn hart bekoord Door zulk een wijze maagd,
Die slechts geleerdheid zoekt en wenscht, Maar naar geen liefde vraagt.
'k Verlang een meisje, wel niet dom. Maar ook niet diep geleerd,
Dat liever over minnen praat Dan in het Grieksch studeert.
W ant wie zijn gansche leven door Van Plato hooren wil.
Die kieze dan een paedagoog Met snuifdoos en een bril.
Ik spreek tot lof der schoonste vrouw Die ooit op aard bestond,
Met lippen als een bloedkoraal En rozen om haar mond.
27
Doch wat 't geschiedboek ons verhaalt
Van eene Grieksche vrouw,
Die door haar schoonheid was beroemd, Bepaalt mijn keus niet gauw.
Zij toch kreeg minnaars bij de vleet,
Zoo waar een heele hoop,
En ging toen in het nachtelijk uur Met een fluks op den loop.
Wie dus alleen door schoon bekoord.
Zijn wensch verkregen heeft.
Diens heil blijft altijd wankelbaar.
Zoolang zijn vrouwtje leeft.
Iets minder schoon dan 't Grieksch profiel.
Meer zedig opgetooid,
Wensch ik een meisje dat mijn pad Met bloemen overstrooit!
No. 12. EÃWELIJKSWENSCH.
IN DEN TRANT VAN VADER CATS, VOOR TE DRAGEN IN OUDERWETSCH KOSTUUM.
Ik groet u, jonge man, en ook u, jonge vrouwe, Die plechtig aan elkaar beloofd hebt goede trouwe.
28
Ik spreek op ouden trant mijn vrome wensehen uit, Zoo a, la Vader Cats, voor Bruidegom en Bruid.
(Met groote deftigheid^) Eilacy, goede lien, wat hebt ge toch begonnen?
Hebt gij dat houwlijkswerk te zamen wel bezonnen? Al is het dat gij lacht en stoeit en spelemeit En dartelt van pleizier â uw vrijheid zijt ge kwijt. Eerst gaat het nog zoo wat; dan is het kussen, kozen. En vrijen zonder end, ja, vrijen zonder blozen.
Maar als het eerste keind door meester is gehaald. Dan op uw matte leên geen zoete rust meer daalt. Dan komen zorgen aan; het keind moet in de kleeren, En als het grooter wordt, dan moet het ook wat leeren. En bleef t nog maar bij een, maar 't gaat nog als
(weleer,
Is een schaap op den dam, dan volgen spoedig meer. Die komen dan bij nacht met hunne zilver kelen Voor uwe beddestee een vroolijk liedje kweelen;
En op den helderen dag vervullen zij uw huis.
Door hun gestaag krakeel, met leven en gedruisch.
{Sprekend.)
Dan,... ja, dan mijne goede vrienden, is het een geheel ander tooneel in uw huis geworden. V erdwenen is dan de regelmaat en orde die er in het eerste jaartje overal heerschte. Bovendien brengen baker, min, keukenmeid, werkster, naaister enz., zoo veel drukte aan, dat manlief noodzakelijk hier of daar heen moet, welke gezegde noodzakelijkheid des al niet te min minder nood-
29
zakelijk schijnt geworden te zijn, sedert er tot assistentie van de vrouw des huizes een jufvrouwtje gekomen is, ervaren in het stijven en strijken, enz. Ja, de getrouwden onder jelui weten er alles van. Lijdzame verdraagzaamheid en verdraagzame lijdzaamheid wordt er gevorderd on den lieven vrede te bewaren en te blijven roemen in de onuitsprekelijke zoetigheden van den heiligen huwelijken staat. En....
Doch zulk een gek geval, dat willen wij niet hopen; Ik zeg; in 't houwelijk is ook veel vermaak te koopen. Die maar niet hard van kop, niet stijf van zinnen is, Maar boterzacht van aard, die vindt dat zoete wis. Houd daarom, echte man, uw echte wijf in eere,
Bemin haar als uw vleesch, bemin haar in den Heere. Gij hebt goed uitgezien, het is een aardig dier.
En uit haar lodderoog vlamt dartel minnevier.
En ik en weet niet wat ik beter u zal raden, O schoone echtevrouw, dan dat gij stil uw paden Aan zijne zij betreedt in alle vromigheid.
En hem als uwen Heer, steeds onderdanig zijt.
Leeft zoo tevreden en gelukkig met elkaar.
Leeft vroobjk, prettig voort, leeft samen menig jaar. Geniet de zaligheid van 't ondermaanscbe leven, En wandelt met elkaar langs schoone wandeldreven. Leeft eerlijk, vroom en vroed in onderlinge pais.
En zoo gij zingen wilt, zingt samen op één wijs!
30
No. 13. HDWELIJKSWENSCH.
LORD MERRIMAC SPREEKT, ALS ENGELSCHMAN ZEER OPZICHTIG GEKLEED.
I wensch good ivning jou, meladies en mineeren, I am soo frij om hier bij you te compareeren;
Want 'k zien een bruiloft kraag. â Doch vooraf: sa-
(lueetsjen,
En heit you wellikom op deuze convokeetsjen.
(Hij zet zich in postuur.)
I have een kroote reis van zevenhundred dagen Kemaakt in Oost en West, â niet in een skip of wagen, Maar op mijn beide foet â en ook in 't kolde Noord, V\ aar smerig Eskimo vriend Franklin het vermoord. Die menschen wonen daar in hut van sneeuw en ijs. En eten walvisch-spek met peper en radijs.
I lust die poespas niet; ook kreeg 'k daar winterfoeten, En door dat noorderlicht heel kroote zomersproeten. I ben toen mit een skip dwars door de zilte baren Naar Kaap die Koede Hoop in korten tijd kefaren. En heb daar toen kekraaf in modder, klaai en zand. En toen kefonden een zeer kroote diamant,
Wel van een kilo zwaar, zoodat 'k ben nou fiks rijk. En 'k foor keen Salomon en foor keen Rotschild wijk. 1 -king toen verder naar het land fon die Chinezen Om by den Taikoen mooi tractaatjes voor te lezen,
Maar foor die mooie frouw las ik piscicultuur,
En sprak daar ofer al die krachten der natuur.
31
Zij fonden mooi die kracht en froegen ook bewijzen, I heb die aanketoond. En o, wat skoone prijzen Heb al die Dames mij kekefen toen daarfoer!
Ben toen kekaan naar Bali, Sunda, Sinkapoer En naar Batavia, heb koffie daar kedronken En met den krooten Heer keketen en kedronken. â
Ikke heb toen ook nog veel moois kezieu bij Myer, In die kroote café chantant â O die Maleier,
't Isse een koed folk, die wil werken foer wat geld, Isse ook meer op eten dan op slagen gesteld.
Hebbe ook kesien een kroot feest in Bengalen,
Daar zingen die Ladies zoo mooi als nachtegalen. Zij hebben ook kedanst, een patertje langs die kant, En een mooi nekorinnetje kreep mij bij die hand En die zeide: O ikke vind you zoo charmant!
Die folk heb keen burgemeester om te trouw,
Men isse daar frij om te nemen Len vrouw,
Zij zek daar de man: Ga je mee. Griet of Ka?
En die vrouw zek nooit neen maar altijd ja. â
I ben toen per luchtballon te Japan kekomen.
En heb voor de Bruid en Bruidegom moois mee kenomen
{Hij overhandigd een geschenk.)
Kaik, dat kan je in je huishoud wel kebruik,
't Isse alles echt, als je daar maar aan ruik.
I hoop dat je dat lang time moogt aanschouwen En dat die Bruigom pleizier sal heb met zijn vrouwen Ikke wil zeg, mit sijn vrouw. Na 25 jaar,
Weest dan nog kesond en een beautiful paar!
32
No. 14. HÃWELIJKSWENSCH.
Zoo is dan het uur yerschenen,
Dat u samen mocht vereenen,
Waarde Bruidegom en Bruid; Nimmer mocht ik zoo gevoelen 't Dichtvuur in mijn adren woelen; 'k Stort het dus in -woorden uit.
't Huwelijk is een groote zegen...! Maar daar sta ik al verlegen,
'k Noem het dus een groote fuik; Want gelijk de vischjes wringen,
Ziet men ook de menschen dringen, Naar der vadren oud gebruik.
Alles wil dat fuikje binnen,
En daar op zijn beurt beginnen Wat de vader ook eens deed;
Later wil men retireeren.
Maar dat gaat niet, en, och Heere, 't Is gevangenschap en leed.
Gij, die u hebt laten trouwen.
Mocht het nimmer u berouwen Bat gij 't fuikje binnenloopt. Bruigom, lef toch op mijn wenken Nu ge uw vrijheid weg gaat schenken En die vrijheid duur verkoopt.
33
't Bruidje wil wel 't fuikje binnen,
Maar â wil dit toch wel bezinnen â
Nimmer komt gij er weer uit; Vruchtloos is en blijft uw wringen, Vruchtloos al uw smeeken, zingen,
Denk daar wel aan, schoone Bruid.
Maar als ik goed heb gekeken.
Heeft men 't huwlijk vergeleken,
Bij een keurig kippenhok,
Waar men onder vele zaken.
Die een hok voor kippen raken.
Vindt een makkelijken stok.
k Hoop dat ge in dat hok, mijn vrinden, Altijd voer genoeg zult vinden,
En een goeden loop daarbij;
Want, ik wil het ronduit zeggen,
Zulks bevordert 't eierleggen.
En maakt ook de kippen blij.
Leef dan, hoogst gelukkig paartje,
In dat hok nog menig jaartje;
Steeds omhuld door zonneschijn; En voor roovers en voor dieven.
Die uw heilstaat zouden grieven,
Moog gij steeds beveiligd zijn.
Kakelt lustig dan, mijn vrinden,
Steeds beschut voor koude winden,
Kakelt voort met blijden mond;
3
34
Ziet ge eens kiekens dan na dezen, Dan zult gij wel blijde wezen Dat gij zulk een hokje vondt.
Hoe men 't huwlijk dan moog noemen, Zeker zult ge uw heilstaat roemen,
In een fuik of kippenhok,
Als u 't schoonste deel van 't leven Vele jaren word' gegeven.
Op een makkelijken stok!
No. 15. HUWELIJKS-PREDIKATIE.
yoor te dragen in zwarten mantel, witte breede
bef en steek met groote punten.
Bruid en Bruigom en gij Vrinden,
Vroolijk hier bijeen vergaard.
Heil en vrede, welbeminden,
Blijft een oogenblik bedaard;
Want een paartje liet zich trouwen.
Waar ik veel belang in stel,
En nu volgt het bruilofthouwen,
En dat is geen kinderspel.
Dus aandachtig, lieve vrinden En vriendinnen! gij vooral.
Gij zult veel te leeren vinden In hetgeen ik zeggen zal.
35
Doch met ernst moet dit geschieden.
Neemt dus allen eerst uw glas,
Drinkt op 't heil der jongelieden,
Zulks komt hier vooral te pas.
Dat is water op uw molen,
Echte proevers die gij zijt,
En ik zweer u bij mijn zolen,
Dat mij zulks oprecht verblijdt.
Om ons verder recht te stemmen Tot het plechtig trouwsermoen.
Moet gij bij het lustig zingen Mond en keel goed opendoen.
Uen gelieve dus te zingen het 1ste vers van fa Arcadische Internationale gezangen. Op de wijze.- Colin, enz.
Heft aan, een lied voor 't jeugdig paar. Dat door het huwlijk is verbonden.
Wij wenschen dat het voor altijd Den waren heilstaat heeft gevonden.
Dat nimmer leed hun schouder druk.
Geen groote zorg hun heil moog storen.
Maar steeds een helder brandend licht. Op hunne paden blijve gloren, {hit)
{Sprekend.)
Gij verloofden, wilt thans hooren
Met attentie bovenal,
Luistert met aandachtige ooren Naar hetgeen ik zeggen zal.
S'
't Is bekend bij 't heele zoodje,
Ieder weet het in bet rond.
Dat bet scbalkscbe Cupidotje Uwe barten beeft gewond.
Uwe barten!... ja, beminden,
Ja, geliefden, bloost niet meer;
Allen zijn bier Amors vrinden.
Allen geven bem steeds eer.
Komt, een juicbtoon aangeheven,
't Zij ter eer van 't jeugdig paar! Wenscben wij dat 't lang moog leven. En gelukkig met elkaar!
Men gelieve, het 2de vers van de meer genoemde Jrcadücks gezangen aan te heffen, op de wijze van: Wien Neer-landsch Hoed etc. De koster zal inmiddels de kaarsen snuiten en de glazen vullen.
Wien 't bloed nog warm door d'adren vloeit, Van melk en water vrij,
Wien 't feest van gulle vreugde ontgloeit, Verbeff' den zang als wij.
Hij drink met ons vereend van zin.
Den vollen beker uit.
En stemme met ons feestlied in
Voor Bruidegom en Bruid! {his).
(Sprekend.)
Ja, wi] zijn thans opgetogen,
Allen zijn thans goed gemutst.
37
En ik zie aan 's meisjes oogen,
Dat zij gaarne wordt gekust.
Komt, voldoet aan dat verlangen,
Maar met mate, niet te vaak,
Voor den mond, niet op de wangen;
Juist, zoo is 't naar aller smaak. Stop nu! ho! Zeg oude vrijer,
En gij jonge, smaakt u dat?
Maakte u dat liet hart niet blijer
En gevoeldet gij niet wat?
Waarde hoorders, welbeminden,
Liefde is een zeer groote schat; Gasten, Bruid- en Bruigomsvrinden, 'k Hoop dat gij zulks goed bevat, Meisjes, knapen, jong van jaren,
En gij allen, ongetrouwd,
Eenmaal zult gij het ontwaren,
Welk een heil een huwlijk brouwt. Vraagt het aan gehuwde lieden.
Vraagt het elk getrouwden man. Welk een vreugde d' echt kan bieden,
Wat het huwlijk schenken kan. Ja, ik zeg en 'k houd het staande:
Liefde geeft genot op aard.
Liefde maakt een nietig bleekveld
Tot een schoonen rozengaard. Ongelukkig de verwaande
Die vaak zegt: 't is malligheid. En dat trouwen is maar gekheid, 't Heeft er velen reeds misleid.
38
Neen, wij -willen anders handlen,
Wandlen op de huwlijksbaan;
Komt, heft daarom allen met mij Nog een nieuwen feestzang aan.
De goê-gemeente zmge dan het 3lt;le vers van het hedotlde gezang: Bij het klinken der bokalen, enz. De kotter zal intmschen dt doven wat oprakelen en zorgen dat de respective keélen niet droog worden.
{Sprekend.)
Bruid en Bruigom nooit volprezen,
Weest aandachtig, jonge liên,
Moogt gij steeds gelukkig wezen,
'k Hoop zulks later ook te zien.
Vrijen kunt gij weergaas aardig.
Gij verstaat dit met elkaar;
In die zaken zijt gij vaardig,
Blijve 't zoo, gelukkig paar.
Maar ik vraag thans in precentie Van de gasten hier vereend:
Antwoord volgens uw concientie,
Ernstig, eerlijk, welgemeend.
Staat dus op van uwe stoelen,
Geeft elkaar de rechterhand.
En verklaart mij uw gevoelen:
Wenscht gij thans den huwelijksband?
Zult ge elkander steeds beminnen,
Hartlijk minnen voor en na?
Wilt gij saam de reis beginnen?
Zegt, wat is uw antwoord?
(Bruid en Bruigom zeggen hier: Ja!)
39
'k Wensch u 's hemels besten zegen.
Nauw vereende man en vrouw!
Heil en voorspoed lache u tegen,
Vuurgloed bij de 'winterkoö.
En hiermede, waarde vrienden,
Eindig ik mijn huwlijkspreek;
'k Hoop dat er aan uwe vreugde Dezen avond niets ontbreek!
'Jerwijl ik zoo vrij zijn zal, de Bruid te bedanken voor haar attentie en de jonge dames in ons midden verzoeken mij straks eens lekker te kusten, willen wij ten slotte zingen het 4do ten van de meergenoemde Arca-disehe zangen op de wijze: Colin, enz. aldus:
Geniet wat 't leven schoons kan biên,
Plukt op uw weg een schat van bloemen.
En wat wij gaarne willen zien,
Is dat gij in uw heil blijft roemen.
Geluk dan vrienden, pas vereend,
Lang leef de Bruigom met zijn Bruidje,
Hij voer haar op een kalme zee.
Veel jaren met zich in zijn schuitje! (bis).
No. 16. HDWELIJKSPREDimiE.
VOOR TE DRAGEN IN COSTÃUM ALS No. 15.
Waarde Heeren en Dames! Geachte Toehoorders eo Toehoorderessen!
In deze ure zal, zooals algemeen bekend ia, de plech-
40
tige hirwelijksvereenigmg van het jeugdig paar plaats hebben. Doch alvorens tot de bedoelde plechtige huwe-lijksvereeniging over te gaan, willen wjj eerst eens even met elkander aandachtig bepeinzen:
ie. Wat het huwelijk is?
2e. Wat het huwelijk in zich sluit?
3e. Wat het huwelijk uitwerkt?
Als gij wel zoo goed wilt zijn om mij bij de ontwikkeling van deze drie hoofdpunten uwe welwillende aandacht te schenken, zal ons samenzijn alhier u allen tot nut en voordeel strekken.
In de eerste plaats dan: Wat het huwelijk is?
In de tegenwoordige eeuw, die men wel eens de verlichte negentiende eeuw genoemd heeft, maar die toch van achteren bekeken nog niet verlicht genoeg is â in de tegenwoordige eeuw, zeide ik, wordt vooral veel kennis van zaken vereischt. Dat ontdekt men vooral bij de examens der adspirant schoolmeesters, waarvan er zoo-velen met hangende pootjes naar huis moeten gaan, natuurlijk, omdat ze niet genoeg op de hoogte waren-Van op de hoogte zjjn, ook wel de hoogte hebben, gesproken, ik moet u doen opmerken, dat ik deze uitdrukking alleen in streng wetenschappelijken zin bezig. Ik weet toch dat men zich dezen avond of morgen van deze uitdrukking zal bedienen, om eene zaak aan te duiden, die volstrekt niet door mij bedoeld is, als veroorzaakt door het onmatig gebruik van de vrucht deswijn-stoks en veroorzakende hoofdpijnen, misselijkheden en duizelingen, waartegen geen Hoffsche Malzbonbons of Urbamispillen iets helpen.
41
Doch â om tot mijn onderwerp terug te keeren â wij zouden dan onderzoeken wat liet huwelijk eigenlijk is.
Opdat dit met orde geschiedde, moet ik u allereerst en voornamelijk op Adam wijzen. Hij toch was, volgens de nieuwste onderzoekingen van Darwin, de eerste mensch, dien wij in zijn Paradijs het best kunnen vergelijken bij een rentenier op zijn villa. Maar toch kwam hij tot de overtuiging dat het paradijs zonder vrouw eigenlijk geen paradijs was. Hij voldeed dus gaarne aan het voorstel ran een professor in de ontleedkunde om uit zijn, dat is, uit Adams ribstuk een vrouw te fabriceeren.
En hoewel Adam later, tengevolge van de overgroote nieuwsgierigheid van zijne echtgenoote, geboren von Rib, het recht op het Paradijs verloor, heeft hij in onderscheiden dagbladen bij zeer gemotiveerde adressen verklaard, dat het oneindig beter is eene vrouw te hebben zonder paradijs, dan een paradijs zonder vrouw.
Het zal wel niet noodig zijn, om, na het betoogde, de waarde der vrouw breedvoerig aan te toonen.
De echt is dus, zooals gij vernomen hebt, eene zeer oude instelling, zelfs nog ouder dan de krijgskunst, welke, wel beschouwd, niets anders is als een onvermijdelijk gevolg van het huwelijk.
Alvorens tot de ontwikkeling van het 2lt;ïe gedeelte mijner rede over te gaan, zouden wij eerst eens kunnen zingen. Heffen wij dan met elkander aan het Istlt;= vers van het Sociaal-democratische gezang. De koster zal inmiddels eens kijken of er wei olie in de lampen is.
Ach, wat zou de wereld wezen, enz. ')
') Te vinden in het genoemde werkje: GezelschapBliederen, enz.
42
Wat dan het tweede gedeelie mijner rede betreft, waarin ik u zou aantoonen, wat het huwelijk in zich sluit, of, om meer duidelijk te spreken, wat men zoo al te doen en te laten heeft, natuurlijk als getrouwde man en Trouw, â ik kan daaromtrent zeer kort zijn.
De tijden toch zijn voorbij, dat een man een groot aantal vrouwen had, want men is tot de overtuiging gekomen dat één man aan ééne vrouw volkomen genoeg heeft. Zelfs zijn er voorbeelden die leeren, dat één man aan één vrouw nog ve«l te veel heeft.
Doch dat zij maar in 't voorbijgaan gezegd. Het huwelijk sluit dan in zich om te streven naar eenheid.
Man en vrouw worden door den echt één echtpaar, en men spreekt van echtgenooten als van één geheel. Het is wel zeer te bejammeren â en ik hoop dat deze mijne woorden iets tot verbetering mogen bijdragen â het is wel zeer te bejammeren, zeide ik, dat de vrouwen over 't algemeen dit niet genoeg inzien en begrijpen en dientengevolge menig man slechts voor een vierde gedeelte tellen, hoewel hij toch rechtens een half, dat is, twee vierden is. Dit heeft ten gevolge dat er in zoo menig echt zoo licht een breuk ontstaat.
Onthoudt dit wel, mijn aandachtige hoorderessen, en vergeet niet dat het ook uw dure plicht is om naar overeenstemming en eenheid te streven.
En gij. Bruid en Bruigom, laat u toch nooit om den tuin leiden door dezulken, die in verheven woorden en beeldspraak u iets voorleuteren en die den echt met zon en maan vergelijken, 't Is bespottelijk! Gaat de maan niet eiken avond uit als de zon thuis komt? En komt
ir...: . â .Xv^.
43
zoo iets abnormaals in een fatsoenlijken ecLt wel te pas ?
Neen, ik hoop dat bij u verwezenlijkt zal worden, wat vader Vondel zoo schoon heeft gezegd:
Waar werd oprechter trouw Dan tusschen man en vrouw Op aard toch ooit gevonden;
Twee zielen gloênd aaneengesmeed Aaneengeschakeld en verbonden In lief en leed.
Tot verversching van het gehoor zal het zeker niet ondienstig zijn, als wij eerst nog eens met elkander zingen. Laat ons dan aanheffen het 3116 vers van het meergenoemde Sociaal-democratische lied, aldus :
Gij, gij ligt mij aan 't harte, enz.
Ik wil nu ten slotte nog betoogen wat het huwelijk uitwerkt.
Om u daarvan eenig bewijs te leveren, verzoek ik u nog eens te willen denken aan het allereerste, oorspronkelijke huwelijk, de geleerden zouden zeggen; het oer-huwelijk, dat bij gebrek aan bruilofsgasten zeker niet erg geanimeerd zal geweest zijn, en ook niet bijzonder fideel, aangezien Aaltje, de volmaakte en zuinige keukenmeid, nog niet bestond en vader Noach den edelen wijn nog niet had uitgevonden.
Maar dit zij slechts in 't voorbijgaan gezegd. De uitwerkselen van het eerste huwelijk liggen voor de band, aangezien er volgens de laatste volkstelling 1400 mfl-lioen menschen op de wereld leven.
Van u, als behoorende tot het menschelijk geslacht,
44
zal dan ook naar alle menschelijke berekeningen gezegd worden: Ende zij gewonnen zonen en dochteren!
En dat heeft ook zijne goede en aangename zijde, al is dan de biefstuk wat duur en al krijgt men geen kalfskop meer voor een bang gezicht.
Dat de vader- en moedernaam aan ons vereenigd paar dan veel vreugde moge veroorzaken, en men van hen tot in lengte van dagen moge zeggen: Het is een gelukkig huisgezin! Voorts bestrale u en de uwen het licht van Venus en de zachte glansen van Fortuna, terwijl alle bekende en onbekende planeten u haren weldadigen invloed mogen doen ondervinden! Zoo zij het!
Besluiten wij deze plechtige bijeenkomst door het aanheffen van een gemeenschappelijk slotvers, dat u zal worden aangeboden.
De koster zal inmiddels eenige flesschen Champagne ter beschikking van de gasten stellen, ten einde, bij gebrek aan Armstrong-kanonnen en dondermachines, een welluidend salvo te doen hooren. Men zinge dan het volgende, op de wijze van Colin:
Geluk, gij jong vereenigd paar.
Geluk, nu 't huwlijk is gesloten!
Gij zijt nu altijd bij elkaar;
Dat wij uw heil steeds zien vergrooten!
Het helder licht der blijde zon,
Bestrale uw paden allerwegen.
En op u daal bestendig neer.
Des hemels milden besten zegen! (bis).
45
No. 17. NA REGEN, ZONNESCHIJN.
Na regen komt er zonneschijn!
Dat is een woord,
Van ouds gehoord.
Ga Trij naar 't zoele morgenland, Of naar het barre Noorderstrand;
Woon vrij aan Tiber, Nijl of Rijn: Na regen komt er zonneschijn!
Welk lot deez aard den mensch soms biedt. Vreugd of verdriet.
Dat weet men niet;
Dat alles keert als eb en vloed. Na 't zure volgt somtijds het zoet. De wereld is geen rampwoestijn: Na regen komt er zonneschijn!
Is 't middagmaal niet al te ruim,
De visch niet gaar.
De saus wat raar,
De mosterd duf, de sla met zand,
Slik op maar; 't zal licht naderhand, Geloof me vrij, wel beter zijn:
Na regen komt toch zonneschijn!
Is vrouwtje-lief wat stuursch en bits,
Dat's inderdaad Een leelijk kwaad.
Maar, vriend, och, val maar wat in lij,
46
Want spoedig is die bui voorbij, En 't wijfje zacht weer als satijn: Na regen komt toch zonneschijn!
Schreeuwt 't kleintje 's nachts wat al te luid, Courage vrind!
Och, 't arme kind Heeft mogelijk wat pijn in 't lijf.
Zing lustig maar tot tijdTerdrijf:
Lief kindje fijn, lief kindje mijn, Na regen komt er zonneschijn!
Is somtijds ook uw beurs wat plat,
Uw hoed wat kaal.
Uw rok wat vaal.
Dra gaat ge daar weer deftig heen, Geheel in 't nieuw van top tot teen. Misschien nog wel in hermelijn. Na regen komt toch zonneschijn!
Ontrooft je een zotskap eer en naam. Och, arme bloed.
Hou moed, hou moed!
Niet allen zijn toch even zot,
Misschien keert morgen reeds uw lot. En scheurt het donker wolkgordijn. Na regen komt er zonneschijn.
Wat leed u kwellen moog op reis, Stap moedig voort Bij wat u stoort.
47
En wordt gij soms eens moedeloos,
Denk dan aan 't woord uit d'oude doos, Gebruik dat als uw medicijn:
Na regen komt er zonneschijn!
No. 18. TOESPRAAK AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
VOOR TK DRAGEN IN LANGEN ZWARTEN JAS TOT BOVEN TOEGEKNOOPT, BREEDE WITTE DAS EN PRUIK.
Bruidje, Bruidje, wat moet ik hooren,
Groote grut, wat vangt gij aan?
Lieve schepsel, ook al trouwen,
'k Ben zoo waar met je begaan.
Och, wat ben je toch begonnen?
Dat je 't toch niet goed doorziet!
Waarom eerst niet goed bezonnen?
't Huwlijk is zoo'n vetpot niet.
Dat is velen reeds gebleken....
Eerst is alles mooi en fraai,
Maar nauw zijn er weinig weken
Heengevloden â hou je taai!
In 't begin is 't: Geve schatje!
Bron van mijne zaligheên,
Aardig duifje, lekker boutje!
Maar dan later: â och, loop heen!
Bleef het nog maar bij die woorden,
Och, ik zweeg, me lieve ziel.
Maar ik weet het van me nichtje Dat er soms wat anders viel.
48
En dan gaat je man de deur uit,
's Avonds één uur nog niet thuis; Aan 't biljart kunt gij hem vinden
Of aan 't kaartspel: 't is een kruis! Maar dat kruis is nog te dragen,
Zijt gij nog maar zoo alleen,
Doch er komen andre plagen Met de kindren om u heen.
Twee, drie, vier â ik zou nog zwijgen,
Maar licht vijf, zes, zeven, acht, Mooglijk zult ge er dertien krijgen...
Schoone toekomst die u wacht! En dan op de schel nog passen
Als je man de deur uit is.
Want de meid is ook gaan krassen
Met een vrijer, dat's gewis.
Als ge een oogwenk staat te praten
Of de deur gaat opendoen.
Kan de kleine Jan 't niet laten Om te snijden in zijn schoen.
Piet staat in je kraag te knippen
Of gooit speelgoed in je bed.
Kleine Gerrit is gevallen,
Hein drinkt koffie uit zijn pet. Mie scheurt bladen uit de boeken, Handlend over Neêrlandseh taal, Willem staat er bij te vloeken
Als een oude korporaal.
Was dit alles, 'k zou nog zwijgen,
Maar er is nog zooveel meer.
49
Groote zorgen, kleine zorgen,
Altijd, altijd in de weer.
Pieter heeft zijn broek bezoedeld.
Jan geen klep meer aan zijn pet, Hein moet nieuwe schoenen hebben.
't Jurkjen is te klein voor Bet. 't Is gescheurd en vol met vlekken,
Willem vraagt een nieuwe kiel, 't Is maar niets dan werken, zwoegen.
Och, hoe klaar je 't, lieve ziel. En daarbij nog kousen mazen,
Voor je kindren, voor je man. Ja, somtijds zijn pijp nog stoppen.
Als hij 't door zijn werk niet kan. Lieve schepsel, wat begin je,
'k Ben zoo waar met je begaan, Maar ik zie wel aan je houding;
Niets neemt gij nu van mij aan. Ja, gij laat mij nu maar praten.
Stoort u aan mijn lessen niet.
En gij lacht maar en gij denkt maar:
't Is een gek die 't daarom liet. Ja, zoo zijn die lieve meisjes In ons dierbaar Nederland;
En zij hebben groot gelijk ook;
Drinkt dus op den Echtenstand!
50
No. 19. TOESPRAAK AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
VOOR TE DRAGEN IN LANGEN ZWARTEN JAS, WITTE DAS EN PRUIK.
Wat hagel zie ik hier, zal men hier bruiloft houên? Is men dan soms zoo dwaas om toch maar weer te trouwen? Die jeugd, die dartle jeugd, zij weet niet wat zij doet. Wie weet hoe zwaar dit paar dien grap bezuren moet!
{Treedt nader?) Laat praten wie er wil, laat haspelen en spinnen, Ik houd hem voor verblind, die voor dat zoete minnen Zijn vrijheid en zijn rust, zoo maar ten beste geeft. En zich in boeien slaat, in plaats van vroolijk leeft. Weet gij wel dat gij thans iets anders moet verrichten Dan kussen, streelen of een minneliedje dichten?
Het is toch meestal zoo, 't behoeft wel geen betoog, Slechts zelden heeft -de jeugd de toekomst op het oog. Men merkt het eerst te laat, als men reeds is gevangen. De min is een harpoen en daar blijft veel aan hangen. En vraagt ge wat ik wil, ik zal 't u doen verstaan, G| zit toch in de knip en hebt de boeien aan.
Hoort, verstaat en merkt het recht,
'k Leer u d' inhoud van den Echt.
Zorgen moet gij nu gaan leeren.
Zorgen voor den kost en kleeren.
Zorgen voor het meublement.
Zorgen dat men is content.
Zorgen voor de tafeldoeken.
51
Zorgen voor papier en boeken.
Zorgen yoor den luiermand.
Zorgen voor fluweel en kant.
Zorgen voor een bed en deken,
En wat verder mocht ontbreken.
Zorgen voor karpet en mat,
Zorgen voor een hond en kat.
Zorgen ook voor de gordijnen.
En voor kindren die verschijnen.
Zorgen voor een minnevrouw.
Zorgen voor een wiegetouw.
Zorgen ook voor vleesch en mes.
Zorgen voor een fijne flesch.
Zorgen voor het schoorsteenvegen En om alles af te wegen.
Zorgen ook voor turf en hout.
Zorg voor kaarsen, zeep en zout.
Zorgen om de wasch te stijven.
Zorg voor boenen en voor wrijven.
Zoi^j dat men 't koper schuur.
Zorgen ook voor licht en vuur.
Zorg voor hemden en voor rokken, Zorgen ook voor zwavelstokken.
Zorgen voor een flinke maagd,
Die de kamers netjes vaagt.
Zorgen dat geen muizen knagen,
Zorgen voor een kinderwagen.
Zorg om vroeg naar bed te gaan.
Zorgen om vroeg op te staan.
Zorgen om veel front te maken.
Zorg voor duizend andre zaken,
4*
52
Die 'k nu maar niet noemen zal,
Want het geeft toch niemendal.
En ondanks al die zorg, laat men zich samenknoopen, Maar later, en te laat, dan gaan je de oogen open; Dan ziet men wat ontbreekt, dan merkt men wat er faalt, Dan komt er zorg op zorg, zooals 'k heb afgemaald. â Doch stop wat, verder niet! Ik zou nog zooveel mallen Dat 't Bruidspaar al zijn moed geheel zou laten vallen. Dus uit een ander vat of met een andre kraan; Wij keeren 't blad eens om, en dan, dan zal 't wel gaan. De min is toch ook goed, gij helpt elkander dragen. Gij deelt thans ach en wee, en waarom zoudt ge klagen? Is 't zoet niet dubbel zoet als gij het samen smaakt? Is 't leed niet minder zwaar als het u beiden raakt? Dus vroolijk er op los; houd moed, vereenigd paartje. Dan ziet ge uw heil vergroot met ieder snellend jaartje. Ga zoo met moed in 't hart op 's levenspad steeds voort. En nooit worde uw geluk door tegenspoed verstoord
Zie zoo, nu is het wèl, nu zal 'k mijn les maar enden. Gij dacht het wellicht niet dat 'k op dien boeg zou wenden. Maar toch een sticht'lijk woord mag ook wel op zijn tijd; Want 't is hier op deez' aard niet enkel malligheid. Dus, vrienden, goeden nacht. Als gij eens in wilt schenken Dan zullen wij de Bruid en Bruidegom gedenken!
53
No. 20. DE MARKETENTSTER.
VOOR TE DRAGEN IN 'ï BEKENDE KOSTUUM; EEN RIEM OVER DEN SCHOUDER WAARAAN EEN KLEIN VAATJE,
Bonsoir, mijnheeren! 'k Ben wat laat,
Maar 'k kon niet vroeger komen;
Z(3o even kwam ons regiment De wallen binnen stoomen.
Vergeef mij dus mijn laat bezoek,
En gij ook, eedle vrouwen.
Die ik hier op dit trouwfestijn Zoo vroolijk mag aanschouwen.
Gij allen ziet aan mij, wie 'k ben,
Och ja, slechts Marketentster,
Gekleed in rood katoenën rok,
Met zwart fluweelen spenster.
Nu vraagt soms de een of de ander wel: Wat heb je toch te zeggen?
Welnu, geachte vriendenschaar,
Dat zal ik uit gaan leggen.
Wanneer iemand een meisje trouwt,
Dien kan men vergelijken
Bij iemand die een vesting neemt Of die een vlag doet strijken.
54
Ik weet wel dat als men 't probeert Zoo'n vesting aan te grijpen,
De scheen soms blauw wordt door 't gedrang, Door 't stooten of door 't knijpen.
Doch wat daarbij ook is gebeurd,
De Bruigom roept: victorie!
En smaakt nu na een heeten strijd Een welverdiende glorie.
'k Wensch u geluk, o dapper held.
Ge hebt je flink gehouwen;
Het gansche leger zal je daad.
Als heldendaad beschouwen.
Al vlogen kogels om u heen,
Al suisden de granaten,
Al vlogen de houwitsers rond.
Gij hebt ze vliegen laten.
Geluk dan met die dappre daad.
Gij wist van geen bezwijken;
Het eermetaal moog op uw borst Ter moedbelooning prijken!
Gij, Bruidje, die veroverd zijt,
Och, zit toch niet te pruilen.
Misschien zou menig een met u Terstond wel willen ruilen.
Want hij die u zoo kloek verwon.
Zal in geen cel u sluiten;
55
Of in een donkre kazemat U vruchtloos laten fluiten.
Neen, als een schoon verkregen prijs Zal hij alom u toonen.
En zeggen: kom, als vrije vrouw,
Bij mij in 't tentje wonen!
'k Wensch u ook met dit feest geluk, Nooit moge 't u berouwen
Dat gij u aan hem overgaaft,
En dat gij nu gaat trouwen.
Ontvang van mij dit souvenir,
(Zij overhandigd een Surprise in den vorm van veldfiescJi).
En wil aan mij eens denken;
Ik zal van avond u ter eer Een extra glaasje schenken.
(Zij groet op militaire wijze en vertrek#).
No. 21. ZOO MIN, ZOO ZEKER EN EER WORDT
dit stukje kan men voordragen of zingen op
wijze; quand tout rénait a l'espérance.
Zoo min als Leiden ligt in Polen
En Petersburg aan Katwijk's strand,
56
Zoo min het water uit de duinen
Als teer en zwavel helder brandt;
Zoo min men visch vangt in jenever,
Zoomin 'k een schildpad rennen zag, Zoo min de kippen mosterd eten.
Zoo min verdriet mij dezen dag.
Zoo zeker als het thans een bruiloft
En dus een blijde feestdag is,
Zoo zeker dat men hier genoegen
En vreugd smaakt aan deez blijden disch; Zoo zeker als een man geen vrouw is,
Zoo zeker komt hier ook een end.
Zoo zeker als een vrouw geen man is, Zoo zeker ben ik hier content.
Eer gaat de Bruigom walvisch vangen
Aan Nova-Zembla's barre kust.
Eer gaat het Bruidje naar een klooster En legt zich daar op stroo ter rust;
Eer ziet men apen braaf studeeren.
En kikkers dansen op een bal.
Eer vangt men baars in onderbroeken Eer ik dit feest vergeten zal!
57
No. 22. ZOO MIN!
Zoo min als vlooien kunnen vliegen, Zoo min als baarzen kunnen liegen, Zoo min men roet mengt in den wijn Bestemd voor 't vroolijk trouwfestijn!
Zoo min een meisje nooit wil trouwen, Zoo min 'k een rok draag zonder mouwen, Zoo min het hier vervelend is,
Zoo min de zon lijkt op een visch!
Zoo min studenten geld besparen.
Zoo min een haas gaat spelevaren.
Zoo min men koffie drinkt met traan Zoo min 'k hier op mijn hoofd ga staan!
Zoo min de bakers niet meer praten. Zoo min matrozen bitter haten,
Zoo min men op een holle zee Een wals gaat maken of carré!
Zoo min men kikkers ooit ziet zweten. Zoo min als apen oesters eten,
Zoo min een vloo een beer verslond. Zoo min vergeet ik dezen stond!
5
«!
No. 23. DE OUDE TRUSTER.
VOOR TE DRAGEN IN OUDERWETSCH DAMESCOSTUUM, MET CORNET, GEPOEDERD HAAR EN BRIL. EEN SLU1T-MANDJE OF CARABIES AAN DEN ARM.
Ik wensch de Heeren en Dames genavond met mekaar, En inzonderheid het jeugdig, allerliefste paar.
Getrouwd, niet waar? Ja wel, dat heb ik vernomen, Och, lieve hemel, waar ben jelui toe gekomen?
Maar wat ik zeggen wil, wat maak jelui een spectakel. Als ik niet beter wist, dan dacht ik aan een mirakel. Ik hoorde niets anders dan zingen en lollen en schreeuwen. Dat bizonder veel had van 't geluid van uilen en spreeuwen. Ik dacht zoo bij mijn eigen: och, och, wat een verschil,
IWat ging dat in mijn jonge jaren toch ordentlijk en stil. De bruid dorst nauwlijks haar oogen op te slaan. En de bruigom was doorgaans zoo bleek als de maan. De gasten zongen een paar van die eerzame zangen, Zoo van Phylis en Dora en van 't christelijk verlangen. Maar dat wordt alles thans veroordeeld, bespot.Wat ging dat in mijn jonge jaren toch ordentlijk en stil. De bruid dorst nauwlijks haar oogen op te slaan. En de bruigom was doorgaans zoo bleek als de maan. De gasten zongen een paar van die eerzame zangen, Zoo van Phylis en Dora en van 't christelijk verlangen. Maar dat wordt alles thans veroordeeld, bespot.
En men noemt die liedekens een prul en een vod. Thans moet er zoo iets van Wijntje en van Trijntje wezen En van andre malle dingen, die in de krant staan te lezen. O, die heilige bedeesdheid van vroeger, ze is heelemaal
(weg,
Men noemt alles bij zijn naam, 't is zonde dat ik 't zeg.
Maar wat ik eigenlijk zeggen wou tot het paartje Dat getrouwd is â Wacht maar â over een jaartje
59
Dan spreken wij elkaar nog wel nader, mijn schat, En dan zeg je misschien: o lieve hemel, had Ik toch maar naar de wijze lessen willen hoeren Van die oude juffrouw, â nu is mijn heil glad verloren. Ja, me lieve mensch, dat komt van die prille jeugd. Waarvan ik altijd blijf zeggen: zij heeft waarachtig geen
(deugd.
Was je vroeger eens bij me gekomen, ik had je gezegd: Pas toch op de mannen, meest allen zijn zij slecht.
Hadt jij. Bruidje, niet moeten bedenken dat het een
(Heer is
Die kwam vragen om je hart en wat er nog meer is? Hadt ge je niet moeten schamen tot over, tot achter je
ooren
Toen je daar zoo kort bij je een mannenstem moest
(hooren ?
Een man! Heb ik van me leven! Ik dorst er nooit naar
(te kijken.
En als die me had aangeraakt, had ik wis moeten beswijken.
Maar dit alles is nu te laat, je hebt nu een man.
Hadt mijn voorbeeld gevolgd: ik heb een poesje, dat kan Den geheelen avond mij pleizierig bezig houwen. Dat geeft mij dan kopjes en pootjes en dan gaat het
(mauwen.
Allerliefst! En als het even naar buiten moet gaan, Dan komt het gauw terug, want het is bang voor de
(maan.
En omdat alles nu te laat is, wil ik je toch toonen Hoe je met je man â o foei â samen moet wonen.
60
Opdat je ten minste nog wat schik hebt in je leven, En je den heelen dag niet zit te zuchten of te beven. Toon ten eerste, mijn schat, dat je nog een wil bezit. En noem nooit iets wit, omdat je man xogt; 't is wit. Houd je man ten tweede zooveel mogelijk thuis.
Want dat uitgaan, lieve schepsel, 't is voor de vrouw
(een kruis.
Lees hem 's avonds wat voor uit stichteljjke boeken. Uit Vondel of Cats. En kijk vooral in de hoeken Of hij er ook een bitterflesch op nahoudt, want in dat
(geval
Weet ik niet hoe ik je toestand noemen zal.
Toon je dus geparfumeerd, och neen, gefriseerd,
Neen, dat ook niet, ik meen geëmanpiseerd.
Je weet wel wat ik meen, dat kan je nog behouwen. Dan heb je later wellicht geen berouw over 't trou-
(wen.
En daar je huisvriend, of hoe je je man ook noemen zult. Later soms mocht klagen over de een of andre schuld. Die je in de haast gemaakt hebt bij je leverancier Van eieren of biefstuk, of bij den manufacturier â
Kijk hier. hier heb ik een kookboek voor je meege-
(bracht,
Daar staat van alles in, van worstenstoppen en van de
(slacht â
Zie, dan moet je maar wat lekkers voor hem bakken. Dan zal dat zure gezicht van zelf wel weer zakken. Is het koud, maak dan wat warme kandeel,
Die is versterkend met een en kost niet heel veel.
Kijk, me lieve schaap, zoo zou ik doen met Heeren,
61
't Helpt misschien -wel niet, maar je kant het toch pro-
(beeren.
Gebruik het verder met gezondheid. â Nu, geluk, jeug-
(dig paar,
Wel te rusten! â o foei! Wat wordt ik duizelig en
(raar.
No. 24. DE WAARZEGSTER.
VOOR TE DRAGEN IN WIÃ GEWAAD, HANGENDE HAREN EN STAF IN DE HAND.
Welkom is het nachtlijk uur mij,
Want bij maan en sterrenpracht Voel 'k een geest in mij ontwaken Die mij licht schenkt en ook kracht.
Hoe het duister de aard moog dekken,
Toch ontwaar ik hooger licht, 't Licht van wetenschap en kennis. Waar al 't duistere voor zwicht.
'k Heb die wetenschap verkregen
Uit het oude wonderland,
Uit Egypte, waar mijn vadren Leefden in dea priesterstand.
Wat zij op de rotsen griften Of op de papyrus-rol
62
Met de heiige hyroglyp'aen Zoo van zin als inhoud vol.
Hoe zij 't menschlijk lot beschreven
Uit den loop van 't firmament, En de toekomst gingen spellen, Dat is alles mij bekend.
Wilt gij dan uw toekomst kennen.
Jeugdig, pas vereenigd paar, 'k Kan u die terstond verklaren, En u wijzen op gevaar.
Bruigom, 'k zie thans in uw blikken,
Dat gij hoogst gelukkig zijt.
Nu ge een levenspad met bloemen Voor uw blik ziet uitgebreid.
Maar die bloemen van het leven.
Zij verwelken, o zoo ras.
Stormen doen haar 't hoofdje buigen En â daar liggen zij op 't gras.
Bruidje, ja, uw fonklende oogen
Spellen mij uw heil, uw vreugd, Zeggen mij dat ge in uw heilstaat U met hart en ziel verheugt.
Maar gelijk in zomerdagen;
't Zonlicht achter neevlen schuilt. En de donder luid gaat romlen,
En de stormwind giert en huilt;
63
Zoo gaat het ook in 't menschlijk leven.
Licht en duister wisslen af,
Bloemen bloeien, bloemen kwijnen Van de wieg tot aan het graf.
Doch de loop van de planeten
Die uw leven hier beneên Regelen naar hare wetten,
Zegt: Meer heil dan tegenheên!
Ja, een lichtglans zag ik heden
Om u beider levensster,
Die daar langen tijd bleef schittren,
Daar in 't Oosten, hoog en ver.
En dat beeld zal waarheid wezen Als ge elkander slechts bemint.
Als gij, Bruigom, in uw Bruidje Voortaan slechts uw alles vindt.
Dan moog 't zonlicht nederdalen,
Bliksems flikkren, fel en zwaar.
Donders romlen, stormen loeien, â
Voor uw heil is geen gevaar.
Blijft de liefde bij u wonen,
Die verbant dan angst en pijn,
En tot aan uw dalend zonlicht Zult gij hoogst gelukkig zijn!
{tul verhooging van het effect zou men bij haar vertrek den donder hunnen nabootsen en eenig bengaalsch vuur ontsteken).
64
No. 25. Samp;MDEL VLIEG.
alias: sjmokl muggi.
voor te dragen in oud kostuum, met een grooten hoedendoos, joodsch dialkct.
Heb je wat te sjaggelen? â O Heere bewaar! Vereks-
(keseer
Ik dacht hier een auxie was, op men eer,
Maar het laikt wel een bruiloft. Zeg, ga je hier trouwen?
[treedt nader). Bij me zalige Rachel, wat pen dat mooie vrouwen! En dat is zeker de Bruid. Nou, Bruigom, me kombliment. Je bent zeker met zoo 'n boutje wel content. Nou zullen de Heeren en Dames wel vragen:
Wie pen je? En wat heb je daar te dragen?
Wie 'k pen? Ik hiet Samuel Vlieg.
En dien naam draag ik terecht, as ik niet lieg. Me lieve Rachel noemde me altijd haar Muggie, En klopte me dan zoo lief op mijn ruggie.
Waarom ze me zoo noemde weet ik niet,
Ik sthak toch niet en gaf haar geen verdriet.
Zooals die leelijke muggen zomers in 't bed,
Die zich vergasten aan je bloed en je vet.
Maar enfin! zij is dood en begraven.
En rust nu bij al die goeden en braven.
En vraag je nou wat ik doe? ik koop ouw kleer, En loop met me vraggie door wind en weer En zet dat zoo hier en daar even neer.
65
Dan kaik ik es rond en jawel, op mijn eer.
Daar hoor ik een: pst! en daar zie ik een meid,
Met een groot poezel voor, heel breed en heel wijd.
En die zegt dan: Muggie, zeit ze, kaik es hier.
Hier heb ik wat voor je: vodden en scheurbabier.
Maar 't bennen geen vodden, 't is een kleed van Mevrouw,
Dat wat uit den smaak is en om 't middel wat nauw.
't Kan toch gepeuren dat een mensch wat groeit.
Vooral als hij zich met de fizika pemoeit.
Nou, ik bekaik dat kleed en zeg: sjoofle massematten,
't Is al wat oud en van voren vol spatten.
Enfin, 't gaat in den zak. En als menheer dan vraagt:
Dat kleed, die japon, die je vroeger hebt gedraagt
Waar is die, me schat? â Och, zegt de jufvrouw, de motten
Hebben tot mijn spijt er an geknabbeld of rotten â
En zoo roept een heer me ook wel eens an.
Zoo had ik het laatst met een deftig man,
Dien ik niet noem, want ik wil niet kombromitteeren.
Ik handel alleen in oude en nauwe kleeren.
Jood, zeidie â maar ik zee, ze noemen me Mug â
Nou. Mug dan, en gaf me een tik op men rug.
Kaik, zeidie, die jas wordt wat khaal. â
Khaal, zei ik, wel mijnheer, 't is een skandaal
Dat een mensch van uw kwalideit en fezoen,
Zoo'n jas nog aan zen lijf zou willen doen. â
Maar die jas was niet khaal, 't was contrarie,
Lijpie, me zwager, draagt em nog, 't was maar larie. â-
Wel man, zei zen vrouw, waar is je jas?
Die sthond je verleden jaar nog zoo kras.
Me jas, zeidi, me beste lieve schat,
Daar heb ik een klein ongelik mee gehad,
5
66
Die is blijven stheken tusschen 't portier yan de coupé, Toen ik er uit ging, ging me jas niet mee.
Ziedaar, geëerde Dames en zeer vereerde Heeren, De geschiedenis van een koopman in ouwe kleeren.
Hier is dus een nuttig lid van de maatschabbij.
Heb je iets te sjaggelen, kom dan maar bij mij.
Maar je zult wel zeggen: Mug, je bent onpcleefd. Omdat je an de Bruid en de Bruigom niet wat geeft. Onpeleefd? ik onpeleefd? God bewaar me daarvoor, Neen, Muggie weet wel waar hij vliegen moet, hoor. Ik zal je 't pewijzen. Kaik es hier, lieve Bruid, â Bruigom, neem me niet kwalijk, het woord moet eruit, Want je Bruid is lief. Als ik â nou enfin, 'k pen niet gek. En je weet wel, een kat past niet bij spek.
En een Jood ook niet, maar hij lust het daarom wel. Nou enfin. Kaik hier, ik heb hier een mooien hoed. Allerlaatst model, en die staat je waarachtig goed. En voor den Bruigom heb ik er ook een, kaik hier,
(menheer.
Die staat je ook probaat, wat verlang je nu meer?
(Be beide hoeden moeten hiaten model zijn).
Ik hoop dat je die hoeden lang moogt dragen.
En dat je bevrijd moog plijven van vele plagen. De zegen van boven daal als plasregens neer.
Maar niet op je hoeden, want ze pen niet van leer. Geniet samen lang de vreugde van 't leven.
En heb je negosie, och, roep me dan even.
quot;Wordt 't jassie wat khaal of een kleedje wat nauw.
67
Je weet het, die kwalen verhelp ik heel gauw.
En khan ik je helpen in nood of gevaar,
Geloof me, dan pen ik, Sjmoel Muggie, steeds klaar.
No. 26. DECLAMATOR.
VOOR TE DRAGEN IN ZWARTEN ROK, HOOGE STAANDE BOORDEN EN WITTE DAS. KOMT ZEER PEDANT BINNEN.
Ik heb de eer u te salueeren,
Edele Dames en Heeren.
Ik gevoel mij zeer vereerd.
Dat 'k hier ben geïnviteerd.
{Diepe buiging).
Het moge mij hier dan ook gelukken Om u te ontgloeien en te verrukken.
Door mijne gepaste gesticulatie Die :ik appliseer met veel gratie.
Ik heb die kunst vele jaren bestudeerd En dikwijls con amore getracteerd.
Bij Heeren Rederijkers ben ik zeer gezien Die mij altijd de grootste rollen biên.
Doch ter zake. Ik wil nu maar beginnen Om door mijn voordracht te streelen uwe zinnen. Het onderwerp is van dramatischen aard En voor verliefde harten zeer veel waard.
68
Het is getiteld: Eginhart en Emma i)) uit 11611 Van Karei den Groote, vermaard wijd en zijd.
(Slaat de armen wijd uit).
(Sprekend).
Het bedoelde dramatische gedicht, waarvan ik u slechts de schoonste en hardroerendste passages zal voordragen â om van u en van mij niet al te veel te vergen, â luidt dan aldus:
Zij hadden elkander zoo lief als het licht,
(Zet een zoetsappig gezicht).
De dochter en knaap van den keizer;
{Barsch gelaat).
Hij fraai als Apollo naar lichaam en geest.
Zij schoon als Diana van trekken en leest.
(Trekkende beiceging).
Zij vrijden te zamen, om 't zoetst en om 't meest. Men weet het, de jeugd is niet wijzer!
(Hevig schudden met het hoofd).
De knaap van den Keizer was schrijver van 't Hof. Zoo rad met de pen als met beenen;
(Snelle beweging der voeten).
Hij stuurde dus Emma's bekoorlijke hand
(Houdt de hand omhoog).
En leerde haar schrijven op zwierigen trant.
69
Met bloemen en strikken gemaald op den rand
{Beweging de)' armen ah van molenroeden).
En beelden er voor en omhenen.
{Dezelfde beweging, nu horizontaal).
't Gebeurde eens op zekeren winterschen stond
{Huiverende beweging).
Dat Emma weer les nam in 't schrijven: »Kom liefste!quot; â zoo sprak hij, »u\v binnenst vertrek
{Wenkt met beide armen).
«Verschuile ons! dat daar ons de liefde bedek,
{Horizontale beweging der beide uitgestrekte armen).
«En de eenzaamheid ons er ter wachter verstrek, «Uw deugd zal mij heilig daar blijven.quot;
{Trekt de schouders op).
»Neen!quot; zegt zij. «Ja!quot; zegt zij, en geeft hem zijn zin {Schud en knikt hevig met het hoofd).
Dat 's immers, zoo denkt zij, te wagen.
{Alsof hij een wagen stuurt).
Nu spelen zij dartel met lippen en lonk,
{Wijst op zijn lippen en oogen).
En zagen niet eens dat het maanlichtje blonk,
70
En voelden niet eens dat een gloeiende vonk
{Alsof hij zich brandt).
Hun boezems ontstak lichterlagen.
{Stekende heiceging op zijn lord).
{Sprekend).
En wat er nu verder gebeurde, geachte Heeren en Dames, dat kunnen wij ons wel voorstellen, vooral als wij bedenken dat het verliefde paar door de volle maan beschenen werd, die daarbij wellicht een scheef gezicht trok.
{Trekt een scheef gezicht).
De dichter van het stuk zegt zeer bescheiden:
Het roosje brak af, want de steel was zoo teer. â
{Alsof hij iets doorbreekt).
Maar eensklaps ontwaakt slaan zij 't oog naar de lucht, {Klapt in de handen en kijkt naar boven).
En zien door het raam naar beneden:
{Bukt en ziet naar den grond).
Daar zien zij het hofplein met sneeuw overvlokt. »Weg!quot; roept zij. »Weg, zoetert!quot; en siddert en
(nokt;
{Alsof hij iemand rcegjaagd, daarna bevend).
»Neen, blijf!quot; zegt zij. «Blijf hier,quot; geschud en geschokt, {Alsof hij iemand bij den kraag pakt en schudt).
71
»De sneeuw verklapt zeker uw schreden!quot;
{Klapt in de handen)*
(Sprekend).
Goede raad was nu duur. Beiden staan nu te beven en te sidderen van koude en angst. Want o, als papa Karei de Groote nu eens kwam! Maar â zoo vervolgt de dichter. â Maar liefde is veel sterker dan nooden en dood.
{Heft zijn heide handen als vuisten omhoog).
«Ik red u,quot; sprak Emma, «mijn beste!
«Kom, klim op mijn schouders; ik draag u van hier {Wenkt met heide armen, klimt op een stoel en tilt iets op)
«En spring door de sneeuw met een luchtigen zwier,
{Springt vluy van den stoel).
«Dan klappen de stappen toch niet als van vier,
{Klapt in de handen, stapt heen en weer en steekt vier vingers omhoog).
«Zoo vlucht ge uit deez' hoflijke veste!quot;
{Wijst op zijn vest).
{Sprekend).
Na veel tegenspartelen klimt Eginhart eindelijk op de schouders van Emma en gaat zoo het slotplein over. Doch eensklaps hooren zij een stem, die hun toedon-dert: «Wie is daar?quot; Dat was een malle historie, nog v maller omdat Papa keizer Karei de Groote 's avonds te voren wat veel chocolaad gedronken had en dien ten
72
gevolge niet best slapen kon. Hij hoort dat gerucht, stormt naar beneden en ziet
Zijn dierbare spruit door zijn knecht hem ontschaak^ En bezig zijn roem hem te ontvoeren.
Hij vatte den knaap als een tijger zijn prooi,
{Ahof hij rerwoed iemand aangrijpt).
De woedende keizer en vader;
(Steil een woedende voor).
Hij duwde en hij stiet zijne spruit van zich af.
{Duwende en stootende beweging met de armen.)
En wenschte zich zelv' en zijn kind in het graf, En kerkerde kind en verrader.
{Sprekend).
Den volgenden dag, daar had je de poppen aan 't dansen. De 1ste en 2de kamer werden subiet bijeengeroepen, de Keizer verklaarde het geheele gevalletje, en na re- en dupliek, na tal van amendementen werd er besloten dat beiden zouden binnenkomen, om te vernemen dat de schrijver gedood en dat Emma haar levenlang zou opgesloten worden.
Daar kwamen ze. â «Wie van jelui,quot; sprak de keizer met een vreeselijk boos gezicht, »wie van jelui is het eerst met die malligheid begonnen?quot;
73
»Ik, vader,quot; sprak Emma. â »'k Vraag wel excuus, keizer,quot; hernam Eginhart, »ik ben begonnen.quot; â »'t Is niet waar, vader, hij liegt,quot; sprak Emma weder, «ik heb hem het eerst in zijn arm geknepen.quot; waarna Eginhart weder bij kris en kras volhield, dat hij Emma het eerst een kus had gegeven. Dat was een moeielijk geval. De leden der 1ste en 2de kamer keken elkander al eens aan, haalden de schouders eens op, maar durfden toch geen nieuw amendement voorstellen. En
De Keizer verkropte, zoolang hij maar kon,
{Alsof hij met moeite iets doorslikt).
't Gevoel voor hun smeeken en kermen.
Daar borst hij op eens in een tranenvloed uit:
{Zet een paraplui op).
«Ontboeit en ontkluistert mijn knaap en mijn spruit.
»'k Vereen ze te zamen als Bruigom en Bruid.
»Komt, kinders! valt saam in mijn armen!quot;
(Wenkt met heide armen en houdt die daarna alsof hij iets wil opvangen).
Zij vallen verhemeld den vader aan 't hart,
{Wijst omhoog en daarna op zijn hart).
En kussen zijn voeten en beenen.
â {Wijst op zijn voeten).
De vreugd klemt hun tong aan 't gehemelte vast;
{Wijst op zijn mond).
74
Maar 't hart dat zich juichend in tranen ontlast,
(Brengt een zakdoek aan zijn oogen).
Spreekt fraaier dan woorden gepunt en gepast,
{Wijst op de punten van zijn hoorden).
En gingen toen juichende henen!
(Verwijdert) zich zingende)
No. 27. EENE VRIENDIN OER BRUID.
(Bij het aanbieden van een mirtekrans).
IN DE LENTE.
De lente komt Met geur en pracht, De bloemen gaan weer leven, Die aan het veld Van sneeuw bevrijd Een vroolijk aanzien geven.
Bij lentes licht Vlecht men een krans Of plant ze in glazen kelken, Waarbij men hoopt Dat al die glans Niet spoedig zal verwelken.
Maar ach, hoe ras Ziet men zich dan
75
Maar al te zeer bedrogen,
Want al dat schoon Is na een week Oeheel en al vervlogen.
Docli lentes kracht Vlocht thans voor u Een krans van schooner bloemen; Een liefdekrans Op wiens bezit Gij jaren lang moogt roemen.
Ik, uw vriendin,
Vlocht dien voor u.
Nooit moog zijn schoon verdwijnen, Maar ieder jaar Met nieuwen gloed Rondom uw hoofd verschijnen.
Neem dan dien krans Vol lentegloed,
Dat hij lang bij uw prijke; Dat nooit zijn schoon Door 's werelds rouw Of levensstormen wijke!
Mijn hart heeft aan Elk bloem en blad Een wensch, een beê verhonden; Denk bij uw heil Dan ook aan haar Die 't kransje heeft gewonden!
76
No. 28. EEN VRIENDIN DER BRUID.
Velen hebben u hun wenschen
Reeds doen hooren op deez' dag y Ik wil ook mijn wenschen uiten Nu 'k u hier begroeten mag.
'k Moet u zeker wel niet zeggen,
Dat ik deel in uwe vreugd,
En dat zich mijn hart en ziele Op deez' blijden dag verheugt.
Mocht gij immer schoone bloemen
Op uw levenspad zien staan, Die niet als het gras verwelken. En die door geen storm vergaan.
Maar gij zult ook zorg ontmoeten.
Welk een leven kent die niet, Doch â gij zult het ondervinden â Zorg geeft niet altijd verdriet.
Zorg als huisvrouw vele jaren
Met een lachje op het gelaat; 'k Kom dan ook eens bij u kijken, Hoe het met uw zorgen gaat.
Smaak de vreugde vele jaren Van een blijden, eigen haard.
77
Meer dan goud en zilverglanzen, Meer dan vorstenkronen waard.
Deel in 't zoete van het leven, Met uw echtgenoot en vrind.
Die u als zijn gade liefheeft,
Dien gij meer dan alles mint.
Rijklijk dale 's Hemels zegen,
Over heel uw huis en goed,
Zegen, die uw mond doet juichen, En uw harte danken doet.
En nu wil 'k mijn wensch besluiten, Waarde Bruidegom en Bruid;
Dat de toekomst blijde dagen Voor u beiden in zich sluit!
No. 29. EEN VRIENDIN DER BRUID.
EU HET AANBIEDEN VAN EEN KOFFIE- EN THEESERVIES OF EEN FRAAÃEN KOP EN SCHOTEL.
Zoo zal ik voor de laatste maal
U als een bruid ontmoeten.
Want rijst de zon weer in het oost, Dan kan 'k als vrouw u groeten.
- Het meisjesleven is voorbij,
Dat schoone deel van 't leven.
78
Waarin zoo menig blijde dag U, lieve, werd gegeven.
Geluk, dat thans een krans u siert Van overschoone bloemen.
En dat gij door uw vriendental U Bruidje nog hoort noemen.
Dra zit gij aan uw eigen haard.
Wil ons daar niet vergeten.
Al moet ge als vrouw nu zorgen gaan Voor drinken en voor eten.
Laat 't vriendsehapsbloempje met zijn geur Steeds in uw woning prijken;
By ons, daar kunt gij vast op aan, Zal vriendschap nimmer wijken.
En daar ons de een of and're zaak Aan vrienden soms doet denken,
Wil ik u als een souvenir
Deez' kop en schotel schenken.
Als gij dan 's morgens koffie drinkt. Dan moet gij niet vergeten.
Dat ik u mijnen morgengroet Door dezen dronk laat weten.
En als uw echtgenoot en vriend Zich wenscht te restaureeren.
Dan kunt gij hem in dezen kop Wat lekkre thee offreeren.
79
Zijt gij soms zelf niet al te wel,
En wilt gij pijn gaan stillen, Welnu,, drink dan uit dezen kop Wat vlier of wat kamillen.
En is uw echtgenoot soms uit,
En wordt het dan wat spade, Welnu, drink dan tot tijdverdrijf Een kopje chocolade.
En mocht soms door een ongeluk,
Deez' kop en schotel breken. De vriendschap tusschen u en ons. Zal toch niet zijn geweken!
No. 30. EEN VRIENDIN DER BRUID.
BIJ HET AANBIEDEN VAN EEN SUIKERVAAS
Zoo is dan het uur verschenen,
Dat met blijdschap u vervult.
Waarop alles om u henen In een lichtglans is gehuld.
'k Neem ook deel in deez' uw heilstaat
En in 't geen ge op aarde ontmoet; 'k Wensch daarom dat gij steeds rozen Op uw levensweg begroet.
Ja, ik wensch dat ge in uw leven, Vrede, vreugde en heil geniet,
80
En dat ge in uw levensbeker 't Zoet u aangeboden ziet.
Maar bij al die zoetigheden
Die het levenspad u biedt,
Falen toch do tegenspoeden Van het aardsche leven niet.
Wordt dan soms de bittre droppel
In uw levenskelk geplengd,
Dan zij 't liefde, die de suiker Tot verzoeting daarin mengt.
'k Bracht daartoe dit vaasje mede Met een enkle bloem omkranst. Waarbij 'k wensch, dat 't na veel jaren, Vrij van alle breekgevaren,
Met een zilver bloempje glanst!
No. 31. EEN VRIENDIN DER BRUID.
BIJ HET AANBIEDEN VAN EEN SLEUTELMANDJE.
Zoo is eindlijk 't uur genaderd.
Dat 't meisjesleven voor u sluit;
Dra zult gij een huisvrouw heeten.
Maar thans nog groeten we u als Bruid.
Geluk dan met die wisselingen;
De weg dien gij nu saam zult gaan,
81
Moog zooveel mooglijk effen wezen,
Zoo effen als een kegelbaan.
Doch laat 't geluk u niet verwarren,
Bij uwe nieuwe levenstaak;
Blijf altijd aan uw plicliten denken Bij scherts en huiselijk vermaak.
Neem dan 't symbool van vrouwenwaarde, Dit mandje door mijn hand getooid;
De sleutels die daarin behooren Ontbreken in dit mandje nooit!
Dan zal uw echtgenoot u prijzen,
Die zich op u verlaten kan;
En die door uwe zorg zal blijven Een vroolijk, recht gelukkig man.
De sleutel der provisiekamer Blijve immer onder uw beheer.
En lang zie gij met welgevallen Op uwen wintervoorraad neer.
De kast tot berging van het linnen.
Zeer net gestapeld lang» den kant,
Met tal van groote en kleine zaken,
Blijv' steeds gesloten door uw hand.
Aan de armen zult ge een gave bieden, Bewogen met hun treurig lot;
Maar wijs houdt gij 't bespaarde potje. Zoo als 't betaamt, steeds achter slot.
6
82
Zoo zal men u als huisvrouw prijzen,
Wijl 't mandje aan uwe zij steeds staat,
Waaruit ten blijk van uw attentie Een sleutel nooit verloren gaat.
Den sleutel van het huis, o Bruidje, Die soms zoo zwart en roestig ziet,
Och, laat dien maar aan uwen echtvriend. Geloof me, hij misbruikt dien niet.
Blijft gij uw huis dan zoo besturen. Dan vindt uw man ook daarin vreugd,
Waaruit zich 't waar geluk ontwikkelt, Dat u nog meer dan goud verheugt,
Dan staat zijn hart steeds voor u open Bij alles wat het leven biedt;
Dat is voor u een veilge haven Waarin ge uw heil verzekerd ziet.
Draag dan als huisvrouw lang dit mandje Met alles wat daarin behoort;
En 't huislijk heil dat ik u toewensch, Zij nimmer door een ramp gestoord!
No. 32. EEN VRIENDIN DER BRUID.
BIJ HET AANBIEDEN VAN EEN SIERLIJKE ENVELOPPE, WAARIN 12 VEL GEORNEERD POSTPAPIER.
Ja, Vriendin, 'k heb ook met vreugde Aan dit schoone feest gedacht.
83
En na wikken en na wegen Ook iets voor u meegebracht.
Eerst wilde ik een kransje vlechten, Maar dit is zoo ras verdord,
En die bloemen, eerst zoo lieflijk.
Duren toch gewoonlijk kort.
Vruchten wilde ik u vereeren,
Maar hoe zou 't met vruchten gaan?
Als gij die hadt opgegeten,
Was het met de vreugd gedaan.
Wenschen wilde ik ook al schrijven. Wat mijn hart voor u besluit.
Maar 'k bedacht mij spoedig weder : Wenschen spreek ik liever uit.
En zoo ging het met veel zaken,
Altijd was er weer een Maar,
En zoo kwam ik met mijn gave Na veel talmen toch niet klaar.
Eindlijk had ik het gevonden,
'k Vroeg mij af: zou niet papier
Waarop niets nog is geschreven,
't Best zijn voor de vrienden hier?
En zoo bied ik u die blaadjes,
Twalef zijn er, lieve Bruid;
Wil mij elke maand dan melden 't Heil dat zich voor u ontsluit.
Cquot;
84
Wel is dan 't papier verschreven
Als een jaarkring is voorbij, Doch het recht om meer te zenden Houd ik liefst geheel aan mij.
Moog ik steeds van u vernemen
Dat gij zeer gelukkig zijt,
E* dat de echtstaat voor u beiden Duurzaam heil heeft toebereid!
No. 33. HET BLOEMENMEISJE.
'k Heb mij dan toch niet bedrogen, 'k Ben hier waar ik wezen moet;
Toch ben ik nog wat schroomvallig Bij het brengen van mijn groet.
Maar, komaan, geen moed verloren.
Dat is ouderwetsch en mal,
Ik breng hier toch ook mijn gave, Moogljjk wel de best van al.
{Treedt nader).
Zijt gegroet, gij Heeren, Dames,
'k Zou haast zingen tot uw lof,
Maar in plaats daarvan breng 'k bloemen Versch geplukt in Flora's hof.
'k Breng viooltjes rijk van kleuren, Schittrend met een donker oog,
85
En een schat van andre bloomen,
Die het licht aan de aard onttoog.
'k Leg die als een gave neder Op het sierlijk echtaltaar,
Als bewijs van hulde en achting Jegens het rereenigd paar.
't Roosje, koningin der liefde.
Faalt bij mijne bloemen niet;
Onvolmaakt toch zijn bouquetten,
quot;Waar men 't' roosje niet in ziet.
En zoo mag ik verder zeggen:
't Huis beteekent ook niet veel.
Waar der bloem geen plaats gegund wordt, 't Zij een groot of kleiner deel.
(Tot de Bruid).
Mag 'k u dan 't bouquetje geren Dat ik blijde voor u vlocht?
'k Heb de fijnste, schoonste bloemen Voor u. Bruidje, uitgezocht.
't Moog een beeld zijn van uw leven Dat gij op deze aard geniet;
'k Weet wel, bloemen zijn verganklijk,
Maar op 't brooze let ik niet.
(Tot den Bruidegom),
'k Wil ook u mijn gave schenken,
Bruigom, op uw trouwfestijn,
86
Nu wij allen hier vereenigd Blijde met de blijden zijn.
Wil het mij niet kwalijk nemen,
Dat ik mij recommandeer,
Bloemen kunt gij bij mij vinden,
Zelfs bij allen wind en weer.
(Zij ziet in haar mandje).
Maar ik heb nog meer te geven;
Dames, die 's voor u, die schat;
En de Heeren kregen ook iets.
Als ik maar meer bloemen had.
Maar ik wil hun toch iets geven; 'k Geef u, heeren, thans mijn groet.
En ik wensch van ganscher harte: Zie steeds bloemen voor uw voet.
No. 34. EEN GOED VRIEND.
MET KEN POFFERTJESPAN.
Ja, vrienden, op dit huwelijksfeest
Ziet gij mij laat verschijnen,
Maar 's avonds loop 'k zoo snel niet meer Als hazen en konijnen.
Maar 't i» toch beter laat dan nooit, Wil mij dus even hooren,
87
Oelukkig paar, nu gij uw ster Met hellen glans ziet gloren.
O, welk een bron van zaligheid
Staat er nu voor u open,
Uw hart heeft zeker nu niets meer Te wenschen of te hopen.
Oij hebt een paradijs op aard.
Met duizend schoone bloemen, Gevonden in elkanders hart;
Veel stof dus om te roemen.
Maar wat een mensch zoo al niet kan
Hier in deze aardsche dreven,
Hij kan toch niet van maneschijn Of bloemengeuren leven.
Neen, neen, dat wil nog maar niet gaan,
Hoe men het ook probeere, Dat kunstje kan geen philosoof Op aarde ons immer leeren.
Geen wonder, want het stoflijk Ik
Heeft liever vaste spijzen.
Dan geuren die door zonnegloed Zoo snel naar boven rijzen.
Er moet zoowat van alles zijn.
Om 't maagje te gerijven.
Dat als een dwingland of despoot Zijn wet ons voor blijft schrijven.
88
't Verlangt niet altijd vaste kost,
Geen erwten, spek of boonen, O neen, het zal met andre waar' Zich ook tevreden toonen.
't Versmaadt gebak en taartjes niet,
Op feest- en blijde dagen, En daarom. Bruidegom on Bruid, Ging 'k naar een taartpan vragen.
Die sier uw keuken jaar en dag.
En zult ge een feestje houën,
Nood hem dan ook die u deez' pan Gaf op uw dag van trouwen.
Dan praten wij eens met elkaar.
Van overoude tijden.
En zalig zal 't mij zijn te zien Den heilstaat van u beiden.
En als de meid dan taartjes bakt.
En gij een fleseh wilt geven, Dan laten wij den rozengeur Voor andren om te leven!
4!
89
No. 35. EEN GOED VRIEND.
BIJ HET AANBIEDEN VAN EEN PIIOTOGRAPHIE-ALBÃM, WAARIN DE PORTRETTEN DER BRUILOFTSGASTEN.
Vereenigd Paar, na weinig tijd
Gaan wij dit huis verlaten,
Waar wij aan dezen gullen disch Zoo recht genoeglijk zaten.
Wordt onze hartewensch vervuld,
Dan wacht u vreugd in 't leven, Dan worde u voorspoed en geluk Van hooger hand gegeven.
Wanneer gij later dan eens denkt
Aan vroegre blijde dagen,
Dan komen wij, uw vriendenschaar.
Eens audiëntie vragen.
En goed zal het ons allen zijn.
Wanneer wij mogen hooren.
Dat uwe heilstaat blijft bestaan, Met hellen gians blijft gloren.
Doch daar het somtijds u niet voegt
Uw vriendenschaar te ontvangen, Voldoen wij op een andre wijs Volgaarne aan uw verlangen.
90
(Overhandigt het Albuwï).
Hier vindt ge uw vrienden bij elkaar Geteekend naar het leven;
Mij zelv' heb ik daar ook een plaats Heel nedrig in gegeven.
De namen van het vriendental Heb ik niet opgeteekend,
Die staan misschien reeds in uw hart; 'k Heb daar iets op gerekend.
Wanneer gij dan in later tijd, Ons allen zult aanschouwen,
Dan rijze voor u beider blik Dit prettig uur van trouwen.
Daaraan, geloof me, jeugdig paar, Blijft ieder onzer denken
Als aan een tijd die u op aard Het grootste heil kon schenken.
En komt dan eens uw zilvren feest Na vijf-en-twintig jaren.
Dan moogt gij op uw vriendenschaar
Met blijden lach nog staren!
91
No. 30. EEN KLEIN MEISJE.
RU HET AANBIEDEN VAN EEN KRANSJE EN EEN LEKSTEE KEN', WAAROP : VERGEET MIJ NIET.
'k quot;Wil het Bruidspaar ook iets geven,
Allereerst een bloemenkrans,
Die, o Bruid, uw hoofd moog sieren Met een zachton schoonen glans.
'k Bied u daarna nog dit teeken.
Waarop ge iets geschreven ziet. Wel bekend maar niet verouderd,
't Is het woord: Vergeet mij niet!
No. 37. EEN KLEIN MEISJE.
BIJ HET AANBIEDEN VAN EEN KRANS EN LUCIFERSDOOSJE.
'k Groet u, Yrienden, nu gij beiden
In den echt vereenigd zijt:
En im wil ik u verklaren Dat mij dit ook aeer verblijdt.
Bruidje,quot; ,wil deez krans ontvangen,
't Zijn wel bloemen die ik bied.
Maar ik weet dat men bij 't Bruidje quot;t Liefst zeer schoone bloemen ziet.
92
En u, Bruigom, geef 'k dit doosje
Is 't soms duister in het rond, Och, ga dan maar even strijken En 't zal helder zjjn terstond!
TWEEDE AFDEELING. VOORDRACHTEN VOOR TWEE EN MEER PERSONEN.
No. I. HULDE AAN BRDIO EN BRUIDEGOM.
DOOR KENIÃE DAMES UIT VERSCHILLENDE LANDEN. (Men kan naar welgevallen kiezen).
ALLEN.
{Zingende op de wijze: De wereld is in rep en roer.)
Met stoom gaat 't nu de wereld door.
Hetzij per stoomboot of per spoor,
Geen zee houdt nu meer tegen;
Maar overal ziet men gelegd Zelfs viaducten, sterk en hecht,
En goed gebaande wegen.
Zoo komen wij zelfs uit het Noord,
Waar 't zonlicht slechts een poosje gloort,
Uit 't Oosten en uit 't Westen.
Maar ook verlieten wij het zuid,
Ter eer van Bruidegom en Bruid,
En geven iets ten beste.
94
GRIEKSCHE DAME.
{Spreekt).
Ik kom uit het land der Grieken,
Uit het oud klassieke land,
Waar de mirte en rozen geuren,
Van den bloeienden Levant.
'k Bracht een fleschje uit die streken
Mede voor de lieve Bruid,
Dat de heerlijkste der geuren,
Rozenolie, in zich sluit.
Helder moog uw leven wezen
Als het blinkende kristal,
Lieflijk als deez fijne geuren
Schoon als Tempe's prachtig dal!
TURKSCHE DAME.
Ik kom uit Bagdad's schoone streken.
Waar geen der mannen ons vertrouwt. Waar wij soms moeten beven, siddren.
En men ons achter tralies houdt.
'k Ben hier gekomen om te aanschouwen
De ware vrijheid van de vrouw.
Haar blijden staat, haar groote rechten. Verheerlijkt door de liefde en trouw.
Hier is haar paradijs ontsloten.
Hier is haar lot zoo schoon en goed.
Hier vindt zij 't waar geluk des levens.
Hier vindt zij bloemen voor haar voet.
Deez sjaal heb 'k voor u meegenomen.
Behoud die als een klein geschenk,
05
Zij komt uit Cachmir's verre dreven.
Als gij die draagt, o, 'k bid u, denk Dan dikwijls, blij door liefde en trouw. Aan 't treurig lot der Turksohe vrouw!
INDISCHE DAME.
Uit Golkonda's verre dreven,
Waar natuur haar schoon verspreidt, Ben ik op uw feest gekomen.
Dat mij in de ziel verblijdt.
De aarde biedt daar vele schatten.
Goud en schittrend diamant.
Die niet slechts de Bruid versieren.
Maar den vorst ook van het land. Als bewijs van mijne hulde
Bied ik u thans ook iets aan '), Met den wensch dat vele bloemen
Op uw paden mogen staan.
Neem het als een klein bewijsje
Van de vriendschap van mijn hart. Dat aan u zal blijven denken,
't Zij in blijdschap, 't zij in smart!
ITALIAANSCHE DAME.
Ik verliet Italie's dreven,
Waar de oranjeappel bloeit.
Waar de Zefir met de bloemen
gt;) Het geschenk kan bestaan in een broche, armband of iets dergelijks.
96
Op de velden speelt en stoeit.
Waar het zonlicht glanst en schittert,
Aan den blauwen hemeltrans,
Waar de liefelijkste geuren
Stijgen uit den bloemenkrans Toch heb ik dat land verlaten
Om te gaan naar 't koude Noord, Om u op dit feest te groeten
Waar uw Bruidskrans lieflijk gloort, 'k Bracht van daar iets voor u mede, Bloemen zijn het, schoon en fijn.
{Zij overhandigd een mandje met bloemen).
Mogen die met hare kleuren
't Beeld steeds van uw leven zijn!
FRANSCHIC DAMK.
Uit Parijs ben ik gekomen,
Uit het prachtige Pargs,
Dat naar waarheid wel kan heeten
't Ware vrouwenparadijs.
Daar toch voeren wij den schepter,
Al is 't ook in kleine hand,
Daar toch oefent zij haar invloed
Krachtig uit op stad en land.
Daar valt vaak, van liefde dronken,
Menig heer voor ons te voet.
Daar gevoelt hij zich gelukkig
Als de vrouw hem vluehtig groet.
Daar ook fladdert menig heertje
97
Als oen vlinder om ons rond,
Daar vernemen vele dames
Dierbare eeden uit hun mond.
En zoo prijs ik Hollands heeren,
Die niet zoo lichtvaardig zijn,
Maar standvastig in hun liefde, Al veroorzaakt dit ook pijn.
Daarom noem ik u gelukkig,
Lieve Druid, nu gij als vrouw,
Steeds het heil zult ondervinden Van de Nederlandsche trouw.
Leeft dan jaren lang vereenigd.
En â dit vraag ik u als gunst â Wil dit klein geschenk aanvaarden, Voortgebracht door Fransche kunst.
{Zij overhandigd een vaas of iets dergelijk* van Sèvres porcelthi).
ZWITSERSCHE DAME.
\
Op de bergen, in de dalen
Van mijn lieflijk Zwitserland,
Prijkt een schat van schoone bloemen
Voortgebracht door Godes hand.
Ja, daar kan men 't lieflijk heeten.
Daar versterkt de zuivre lu«ht.
Daar verkwikken duizend geuren.
Daar is schoon nog 't kleinst gehucht. Bergen die ten hemel rijzen Geven^'t zwakke leven kraclit.
n
98
Doen het bloed weer eneller vloeien
En verleenen moed en macht.
Slechts met moeite kon ik scheiden
Van dat schoon en lieflijk oord,
Waar natuur met hare gaven,
Oog en hart altijd bekoort,
Daarheen voel ik mij getrokken.
Doch alvorens heen te gaan,
Biedt ik u de schoonste gave Van mijn Vaderland hier aan!
(Zij overhandigt een houquet).
VROUW UIT LAPLAND.
Ik kom uit Lapland's dorre streken,
Waar sneeuw en ijs het leven doodt.
Waar nooit Natuur haar schoone gaven
Aan Bruidegom of Bruidje bood.
Hoe schoon moet 't echter daar wel wezen.
Waar struik en heester sierlijk bloeit,
Waar vrucht, door 't zonlicht mild gekoesterd,
Zoo lieflijk aan 't geboomte gloeit. Hoe treurig echter is ons leven
Daar in 't koude barre Noord.
Waar lange nacht en strenge koude De levensvormen wreed verstoort.
Gelukkig kan ik u dus noemen,
U, lieve Bruid, die 't land bewoont Dat door het zonlicht mild gekoestert.
Den arbeid op het veld beloont.
Verwacht van mij dus geene bloemen,
Toch heb 'k voor u iets meegebracht,
99
Iets dat bij koude u moog beschermen Of bij de guurheid van den nacht!
(Zij overhandigt eenig bontwerk).
No. 2. BEDENKINGEN.
VOOU TE DRAGEN DOOR TWEE PERSONEN, A EN B ; DIE EEN WEINIG AANGESCHOTEN BINNENKOMEN.
A tot B.
'k Kan mij toch maar niet begrijpen,
Dat de Bruidegom het waagt,
Zich in 't huwlijk te begeven.
Had hij ons om raad gevraagd____
B.
(tot den Bruidegom).
Waart gij eerst bij ons gekomen.
En hadt ons gevraagd om raad,
't Woord zou dan geweest zijn: trouw niet, Eer 't voor eeuwig is te laat.
{Beiden herhalen de vier laaide regels, zingende op de wijze van: Eene kleine wonderschoone, de vier laaide regels).
A.
Wilt gij, Bruigom, van mij weten Waarom 'k tegen 't huwlijk ben?
â¢100
't Is oradat ik sedert jaren
Al zijn voor en tegen ken.
'k Wil uw toekomst profeteeren,
Bruigom, om een anker wijn,
Dat gij 't later toe zult stemmen;
Wil dus op uw hoede zijn!
{])c vier laatste regels als boven en zoo vervolgens).
B.
Heden zit gij naast uw Bruidje,
En zij dartelt, stoeit en lacht;
Strijkt u kozend langs de wangen,
Is zoo minzaam, lief en zacht.
Maar dat ligt in d'aard der meisjes;
Zoo, zoo nemen zij ons beet;
Is de knoop eenmaal bevestigd,
Dan is zij baas eer je 't weet.
A.
Dan begint het lieve leven;
Twee, drie weken gaat 't nog al,
't Is nog in de witbroodsweken.
Maar wat dan gebeuren zal!
Nauwlijks zijn die heengevloden,
't Mondje krijgt een andre plooi;
Gij denkt: zou hier iets aan hapren.
En gij keuvelt o zoo mooi!
B.
In het net ben je gevangen,
O zoo listig aangelegd.
101
Naar de maan is nu je vrijheid,
Hoe je 't verder overlegt.
Mooie praatjes â alles larie,
Gij zit deerlijk in het nauw,
Wilt ge uw recht eens laten gelden â Och â daar valt je vrouwtje flauw.
A.
Dus â maar zoete broodjes bakken, 't Is nog niet het ergst van al;
Daaglijks komen er soms zaken Die 'k hier maar niet noemen zal.
Van uw geldbeurs zal 'k ook zwijgen, Maar die moet er daaglijks an,
Want je vrouw moet kraagjes hebben En de reekning krijg jij, man.
B.
Na een jaar â 't is licht te denken â Komt een dochter of een zoon,
En gij hoort u «Vaderquot; noemen; 't Kindje wordt u aangeboón.
En de baker of een ander
Uit een zegenwensch voor 't kind.
En â gij zult het ondervinden â 't Eind van alles is uw splint.
A.
't Kind wordt grooter eu braaf lastig, 't Is verwend, dat hoort er bij.
102
Maar nu kunt ge er ook op reeknen
Dat nw nachtrust is voorbij. In 't begin is 't: «manlief, wilt ge eens
»Even wiegen voor je vrouw?quot;
Later: sgij ligt maar te slapen,
»Trek toch ook eens aan het touw!quot;
B.
't Ergste willen wij niet denken,
'k Hoop dat 't nooit gebeuren zal; Maar het is toch niet onmooglijk â
Is 't een tweeling bij geval!
O, wat zou je dan wat hooren.
Luide duo's in den nacht!
Maar dat is de vrucht van 't huwlijk Dat u nu aoo tegenlacht.
A.
'k Zie wel, gij laat ons maar praten.
Hoort naar de vermaning niet; 't Bruidje lacht eens en ze denkt maar
't Is een gek die 't daarom liet. 'k quot;Wil dus met een wensch besluiten
Bij een vollen beker wijn:
't Huwlijk moog voor u een oorzaak Van het hoogst genoegen zijn!
103
No. 3. HÃWELIJKSWENSCH.
VOOR TE DRAGEN DOOR DEN LIEDJESZANGER DORIS VAN BIGGELEN, ZIJN VROUW TRIJNTJE VAN BAARDWIJK EN HUN NEEF BRAM DROOGLEVER, IN DAARTOE PASSEND KOSTUUM.
Bram. {Alleen).
Ik wensch de Heeren en Dames allemaal een goeden avond, en je moeten de groetenis hebben van mijn oome Doris van Biggelen en van mijn meue Trijntje van Baardwijk en van mijn ook, en die laten je wetem als dat ze zoo even hier gearriveerd bennen, en als dat ze hoord hadden als dat hier van avond een extra groote bruiloftspartij zou gegeven worden. Nou, daar mijn oome en meue miserabel mooi kennen zing«n, al zeg ik het zelf, zoo wouên ze, als de Bruid en Bruigom het permiteeren, wel eens effies hier komen.
Maar de Heeren en Dames zeilen misschien wel vragen: wie ben je? en wie is die Doris van Biggelen en die Trijntje van Baardwijk? Kennen we voor dat slag van vreemd volk onze deur zoo maar openzetten?
Weest gerust, Heeren en Dames. Om met me eigen zeivers te beginnen. Ik hiet Bram Drooglever. En waarachtig, me vader had me geen beter naam kennen geven. Want droog dat me lever is, miserabel, al zeg ik het zelf. Nou, me vader kwam toen heel subiet te sterven en toen zei mijn oome: Bram, zeidie, je most nou
104
maar met ons meegaan, dan ken je ons wat helpen zingen en dan heb je de kost om 't kauwen. Dat's goed oome, zei ik. En zoo, Heeren en Dames, ben ik in dienst gekomen van het allerbeste, allerbraafste en alleredelste paar dat er op de wereld leeft en dat ik nu de eer zal hebben aan het publiek voor te stellen.
(Hij roept aan de deur: oome, meue, jelui kent nou wel kommen, hoor. â Men hoort nu Doris en zijn vrouw op een igen afstand schelden en razen Bram verklaart dit, door te zeggen, dat zij hunne minnedichten nog eens repeteeren).
DORIS EN ZIJNE VROUW.
Doris.
De Heeren en Dames gelieven wel acht te geven op het voordragen van een nieuw minnelied, dat op een aangename wijs door ik en me vrouw zal worden gezongen. Vrouw, doe je best, dénk er om!
Beiden.
{Op de wijze van: 't Geld is een nuttig ding.)
Geachte vriendenschaar,
Die u thans bij elkaar Hier op dit feest bevindt En vroolijkheid bemint.
Wil thans naar onze liedren hooren.
Waarin wij blij van zin Bezingen huwlijksmin,
105
Die schoon blijft gloren En moet bekoren.
Bram. (Op de wijze van de vier laatde regel»)
Waarvan dit paar gewis Een treffend voorbeeld is,
Waar min blijft gloren;
Dit moet bekoren.
Beiden.
Een zuiver echtverbond,
Op liefde slechts gegrond,
Is zeker meer ons waard Dan al het goud der aard,
En zal steeds schoone vruchten dragen. Men leeft geheel vereend,
En 't zij men lacht of weent.
Men slijt zijn dagen
Dan zonder klagen.
Bram. (AU boveii).
Men knijpt en schopt en slaat,
En scheldt en vloekt en praat Van 't huis uitjagen.
Wat schoone dagen!
Beiden.
U, Bruigom! wenschen wij 1 lat ge altijd even blij Op 's levens groote zee,
106
Met wisslond wel en wee In 't huwlijksbootje u moogt bewegen. Geen storm of hooge nood Bedreig uw huwlijfcsboot;
Wil maar goed sturen Naar baak en vuren!
(Hij drinkt uit de fltmrh). Bram.
Kijk zelf ook maar goed uit. Pas op je zwakke schuit,
Want anders ga je Nog1 naar de haaien.
Beiden.
Geluk, o schoone Bruid!
Dat niets uw vreugde stuit!
Leef met uw echtgenoot Als waart ge in Abrams schoot, Nu zuivre liefde u mocht vereenen. Ja koningin van 't feest.
De liefde is steeds geweest Een band op aarde Van groote waarde.
{Zij drinkt).
Bram.
De zangeres van 't feest Is 't allergrootste beest.
107
Dat op deez aarde De hemel spaarde.
Beiden.
Voorwaar, het huwelijk Wordt eerst door kindren ryk; Het eerste jaar een zoon,
Dan een dochter, engelschoon. Dat zal de vreugd van 't huis vermeeren Want kindren zijn een schat Op 't aardsche levenspad ;
't Deugt niet, mijn heeren,
Als zij mankeeren.
Bram.
Ze zijn een groote schat,
Daar ze op ons levenspad De noppen weeren Van onze kleeren.
Beiden.
Wat is de toekomst schoon.
Nu gij op zachten toon.
Dra hoort den vadernaam En ook den moedernaam! Wat onbeschrijflijk heil op aarde.
Geniet dat voorrecht lang,
Bij nacht- en wiegezang.
En leert uw bloeden
108
Toch vroeg het goede!
{Beiden drinken).
Bram.
Ja, leert ze matigheid
Die 't hoogst geluk verspreidt,
Dat gij, mijn vrinden,
Bij hen kunt vinden!
Beiden.
Nu is ons feestlied uit,
O Bruidegom en Bruid!
Blijft vrij van elk gevaar,
Voor onheil en bezwaar.
De Hemel moog u zegen geven!
Leeft opgeruimd en blij Zoo aan elkanders zij.
En blijft u warmen Bij het omarmen!
{Zij vertrekken, waarna wen Doris zijne ontevredenheid hoort te kennen geven over het deelde zingen van zijne vrouw).
Bram. {Naar de deur wijzende).
't Leeft opgeruimd en blij Zoo aan elkanders zij.
Ik wensch u. Bruidje,
Een beter schuitje.
Maar, neemt me niet kwalijk, Heeren en Dames, ik
109
moet me naam eer aan doen, al zeg ik het zelf. Ik wil dus tot afscheid een vol glas ledigen op de zalige toekomst van Bruidegom en Bruid! Lang mogen zij leven!
No. 4. DE VIER JAARGETIJDEN.
VOOR TE DRAGEN HOOR 4 DAMES. EEN HEEK, DEN ÃIJÃ VOORSTELLENDE, ZEGT EEN WOORD TER INLEIDING.
Kostuum der Lente: Licht grijs, versierd met voorjaarsbloemen.
» van den Zomer: Wit, versierd met rozen. » van den Herfst: Witte rok, pensé blouse, versierd met korenaren.
» van den Winter: Witte rok, zwarte blouse
versierd met dennetakjes.
» van den Tijd: Wijden zwarten mantel, llt;*igeH baard, in den hand een zandlooper.
De Tijd.
Wij komen nedrig u begroeten,
Geachte Bruidegom en Bruid,
En zalig is 't ons n te ontmoeten Nu de Echtverbintnis u omsluit. Ik ben hier met mijn kroost verschenen;
Gij ziet hier Lente en Zomer staan En Herfst en Winter. En hun paan
no
Richtte ik, de Tijd, nu herwaarts henen. Aanschouwt in hen een zinnebeeld
Van 't geen u eenmaal wacht in 't leven; 'k Heb aan mijn kroost deez last gegeven; Geeft aan dit paar wat 't meeste streelt!
De Lente.
Wil dan de hemel mij verhoeren,
Dan treft geen snerpend wee uw hart. Dan blijv' voor u een lichtglans gloren.
Dan buigt ge 't hoofd niet neer door smart. Neen, lieflijk als de Lentemorgen,
Die 't hart van vreugde kloppen doet,
Zij alles wat gij hier ontmoet.
Geen zucht ontglippe uw borst door zorgen! En wijkt dat lieflijk lentebeeld.
Dan zij een zomer met zijn kleuren.
Met al zijn bloemen en zijn geuren Door Hooger hand u toebedeeld!
Da Zomer.
Uw zomer schenke u schoone dagen.
Waarin geen vrees voor storm bestaat, Noch voor die vele levensdagen.
Die rimpels groeven op 't gelaat.
Neen, heldre lucht en bloemengeuren, Verblijden steeds uw oog en hart, Verbannen van uw huis de smart.
En doen uw 't hoofd steeds opwaarts beuren. Zóó zij voor u uw zomertijd.
Ill
Waarin gij 't leven moogt genieten,
En uwe dagen kalm steeds vlieten,
Aan vriendschap, liefde en deugd gewijd t
De Herfst.
Een Herfst moog uwen zomer kronen,
Die vruchten voor het leven geeft,
Waarbij de kracht bij u blijft tronen,
Zoodat gij voor geen herfstwind beeft, 't Is waar, wel korten dan de dagen. Wel daalt er soms een stortvloed neer, Maar zie, daar rijst het zonlicht weer. En weg zijn dan die onweersvlagen.
En zulk een toekomst, lieve Bruid, Bekoorlijk door het lichtgeflonker.
Op groen en geel, op licht en donker.
Zij 't wat mijn hand voor u besluit!
De Winter.
Geniet ook 's levens winterdagen,
Al buigt uw hoofd dan wat ter aard. Al moet ge een kroon der grijsheid dragen.
Zoo n kroon is zeker ook iets waard. Daarbij moog 't licht u steeds omzweven Van liefde, dat zoo koestrend schijnt, Van vriendschap, waardoor veel verdwijnt,. Dat wolken aanbrengt voor het leven.
Zoo blijve dan uw heilstaat groot; Uw winterdag met heldren hemel,
Bekroond door schittrend stargewemel En door een lieflijk avondrood!
-112
De Tijd.
Zoo hebt gij dan het woord vernomen,
Door ieder Jaargetij geuit;
O! mocht dat woord tot waarheid komen,
Tot heil van Bruidegom en Bruid. Stond 't in mijn macht, ik zou die beden Vervullen, ja, elk uur en dag.
Die 't jeugdig paar verrijzen zag. En bannen al de tegenheden
Maar 'k sta ook onder hooger macht, Wat die beveelt dat moet gebeuren.
Maar 'k hoop dat na de zomergeuren Een Herfst en Winter tot u lacht!
No. 5. DE WAARACHTIGE HISTORIE DER VR1JAADJE VAN EEN JONKMAN EN EEN JONGE DOCHTER EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
VOOR ÃE DRAGEN DOOR 2 OF MEER PERSONEN IN HET KOSTUUM VAN LIEDJESZANGERS, ZOO MOGELIJK MET ACCOMPAGNEMENT VAN EEN IIAIiSfONIKA. MEN KAN DE VERSCHILLENDE TAFEREELEN OOK OP EEN TABLEAU AANSCHOUWELIJK VOORSTELLEN.
Een der zangers zegt tot inleiding het volgende: Geachte Heeren en Dames, daar we vernomen hebben, als dat hier een deftig gezelschap bij mekaar zit, zoo bennen we zoo vrij ons zelfs aan het gezelschap
113
voor te stellen, hopende als dat uwé ons wel permissie zal geven tot het voordragen van eenige toepasselijke feestliederen, allen veel betrekking hebbende op de vrij-aadje van een jonkman en een jonge dochter en de gevolgen daarvan, waardoor wij het geachte gezelschap hopen te zeilen verameseeren. En zoo zeilen we dan subiet beginnen met het
Eerste tafereel
of de eerste kennismaking.
wijze; Colin, een brave boerenzoon.
Aanhoort, geachte vriendenschaar.
Vriendinnen en ook gij genooden. De levensschets van hem en haar,
Wier beeldnis u hier wordt geboden.
't Was op een groote trouwpartij,
Dat Amors pijl hun hart kwam treffen; En daar kwam alles ook nog bij,
Wat ieder uwer kan beseffen, {bis.)
Naar waarheid meldt u hier ons lied De lotgevallen van dit paartje,
Die na die bruiloft zijn geschied,
En ons bekend zijn op een haartje.
En verder toon u elk tafreel Hoe zich de zaak heeft toegedragen,
Ja, naar de waarheid van dit stuk Moogt gij de heele wereld vragen, {bis).
(Sprekend).
Men kan zich gemakkelijk voorstellen, geachte Heeren
114
en Dames, hoe men zich wel te moede is, als men door zoo'n scherpen pijl van Amor eens eventjes in zijn hart geprikt wordt. Men zegt dat de zoodanigen niet meer slapen kunnen, maar in een voortdurenden droomenden toestand verkeeren, waarin zij allerlei rare gezichten zien. Doch, enfin, dat is hun zaak. Het hart van onzen jonkman in quaestie was dan ten gevolge van dien be-wusten prik miserabel erg opgezwollen, zoodat hét zich noodzakelijk eens moest ontlasten, dat dan ook aan een vriend, onder het gebruik van een bittertje, gebeurde, zooals het
Tweede tafereel.
je doet zien, waarbij de jongman zegt:
(wijze : Eene kleine wondemchoone.)
O, mijn vriend, wat zalig leven!
Zulk een meisjen op te doen,
Is aan elk maar niet gegeven.
Maar ik sta op mijn fatsoen.
Zij zal mij niet meer ontsnappen, \
Eenmaal wordt zij mijne vrouw, I ... Morgen wil ik tot haar stappen i En haar zweren liefde en trouw. |
{Sprekend.)
De vriend, die met alle attentie naar de ontlasting van dat volle hart geluisterd heeft, zegt daarop het volgende :
(O/i dezelfde wijze).
Ja, je bent een ferme kerel!
En wat nu de zaak betreft,
115
Ik ben blij dat jij zoo'n perei,
Zulk een aardig meisje treft.
Spoedig trouwen, o wat pretje Rijst er daardoor in 't verschiet,
Neen, geloof me, zulk een vetje Dat verzaak ik zeker niet.
(Sprekend.)
Dat de bedoelde jonkman hartstochtelijk naar het voorwerp van zijne vurige liefde verlangde, dat kennen we allemaal gemakkelijk begrijpen, want we bennen ook eens zoo mal â ik wil zeggen ook eens zoo smoorlijk verliefd geweest. Hij keek dus naar alle kanten uit, zooals het
Derde tafereel
u klaar en duidelijk doet zien, waarbij hij zijn smachtend verlangen in de volgende woorden uitspreekt:
(op de wijze: Lieve schipper).
O mijn engel, toon u even,
Uw vertoeven valt mij hard,
Gij staat in mijn hart geschreven,
Uw gemis baart mij steeds smart.
Zou haar moeder 't soms beletten, 't Vrouwmensch met dien grooten bril.
Om een voet op straat te zetten,
Als zij mij bezoeken wil?
'k Dacht haar zeker hier te ontmoeten,
Maar dat is jandori mis.
{bis.)
8*
210
Mocht ik haar maar even groeten,
Dat was zalig, ja gewis!
{Sprekend.)
Maar eindelijk, daar ontmoeten ze mekaar toch, zooals het
Vierde tafereel
u doet zien. Wat er toen tusschen die beide benevelde â ik wil zeggen, tusschen die tusschen hemel en aarde zwevenden jonkman en jonge dochter verhandeld werd, zal Let volgende lied u doen hooren. De jonkman zegt;
(op dk wijze : Schilder 'k kou mij zelf eens zien.)
Hoe gelukkig ben ik toch,
ü alleen te ontmoeten;
Langen tijd heb ik gezocht Even u te groeten.
O, voel toch mijn boezem slaan En mijn hartje tik tak gaan.
Niets bekoort mijn zinnen Dan u te beminnen!
iSprvkend.)
De jonge dochter, die deze brandende liefdesverklarinff
o
met groote oogen had aangehoord en hem wel in de rede had willen vallen, maar misschien nog liever in zijn armen, zegt:
{Op dezelfde wijze.)
Och, mijn vriend, 'k min u zoo teer Met de heetste liefde.
117
Och, dat ons toch nimmermeer 't Afccheidnemen griefde.
Als het hier maar kermis is,
Houden wij di« saam gewis;
Zoo zal ons het leven Ware vreugde geven!
{Sprekend.)
We kennen allemaal heel gemakkelijk begrijpen, dat de oude lui van de jonge dochter wel zoo ietwat hadden opgemurken. De jonge dochter toch droomde 's nachts bij ongeluk wat luid, ze lustte 's ochtends der boterham met koffie niet, at 's middags maar één aardappeltje, enfin, ze was en deed heel anders. Maar de ouwe lui begonnen eindelijk te begrijpen dat ze in der jonge jeugd ook wel eens wat raar geweest wassen en wat raar gedaan hadden. Enfin, eindelijk moest het hooge woord er uit. Hou je van dien jongen? vroeg er vader. Ja vader, zei ze, ik vind hem wel aardig. Nou, dit alles doet het
Vijfde tafereel
je allen heel duidelijk zien. En wat haar vader en moeder toen zeien, zeilen we nou laten hooren
(op hf wijze: 't Hart is een kluchtig ding.)
Och ja. ik ben tevreê
En 'k zeg nu gaarne mee;
Heil u, mijn beste kind,
Met hem die u bemint.
't Geluk verzelle uw beider schreden.
118
Blijv' steeds uw echte stand In reine min geplant. ,
Dit zij op heden 1 U
Mijn wensch en bede.
{Sprekend.)
Haar moeder wil toch ook een duit in 't zakje gooien, â ik^wil zeggen, ook een ernstig woordje spreken. En terwijl de jonge dochter daar staat alsof ze zeggen wilde: ik zalAhet nooit weer doen, zelt;ft Mama:
{Op dezelfde wijze.)
Nu ja, ik merk het wel,
Het is een ernstig spel;
Neem dus mijn woord maar aan:
Ga saam op 's levens baan!
En 't zal mij altijd zeer verheugen
Als het u wél moog gaan
Op 's levens kronkelpaan; I
Nooit moog het trouwen i {bis.)
U beiden rouwen. '
{Sprekend.)
Nou riep de jonkman Victorie! en de jonge dochter riep ook Victorie! O, wat een pret, om nou altijd met mekaar gearmd te mogen loopen en elkander met groote verliefde oogen te mogen aankijken. Maar de jonge dochter had gesproken van de kermis, waarbij het vóór de kramen zoo licht, maar achter de kramen zoo donker is. Nou, de kermis kwam, en daar gingen de jonge lui naar toe, zooals het
119
Zesde tafereel
je doet zien. â Toen ze zamen in de poffertjeskraam geweest wassen en daar samen een glas pons gedronken hadden, gingen ze samen naar bed â ik wil zeggen naar huis, en zongen onderweg het volgende lied: (Op de wijze: Eene kleine wo7iderschoone.)
O, wat zaligheid te zwerven
:s Avonds op de donkre straat,
Als Papatje en Maraatje
Klokke tien naar bed toe gaat.
Ja, dat is ons hoogst genoegen j En vooral bij kermistijd, f
Waarop iedereen gaat zingen. 1 Door die groote pret verblijd. /
(Sprekend.)
Maar wie blijft er nou altijd vrijen! We weten allemaal wel dat dit volstrekt niet te pa» komt. Er moet eens een eind aan komen, aan 't vrijen namelijk. Enfin, het hooge woord most er al weer uit. De jonge dochter zag er wel verschrikkelijk tegen op om tot haar moeder van trouwen te praten, maar 't moest toch gebeuren, want de jonkman drong er ook sterk op an, op trouwen namelijk. En wat er toen tusschen moeder, die van trouwen al genoeg wist, en tusschen de dochter, die van trouwen nog niets wist, voorviel, toont u het
Zevende tafereel Wat de moeder toen zei, zeilen wij je laten hoeren. (Op de wijze: 't Harl it em kluchiig ding.)
Och kind, wat praat je toch.
Het heeft de tijd wel nog;
-120
Je bent nog veel te jong,
'k Had liever dat je zong,
Je moest nog een jaartje wachten...
(Sprekend.)
Van â wachten wil de jonge dochter echter niets weten, want.... Enfin, ze vat moed en zegt tot haar bezorgde moeder;
Een jaar duurt nog zoo lang.
En 't wordt mij soms zoo bang,
Bij lange nachten Zou ik versmachten!
{Sprekend.)
De moeder gaat in hare verlegenheid naar haar man, wien zij het onuitsprekelijk verlangen van de dochter om te trouwen mededeelt. âJa, zei haar man, wat zal ik je zeggen, wat jong is trouwt graag, en wat oud is snuift graag. Hoe was je zeivers? Enfin, na veel deliberatie en consultatie wordt de trouwdag bepaald en bruiloft gehouwen, zooals het
Achtste tafereel
je nu met al zijn kleuren doet zien. Op dit bruidspaar,
dat je daar zoo fideel bij mekaar ziet zitten, zeilen we
je nog een liedje laten hooren: (Op de wijze; Wien Neërlandsch bloed.)
Geluk o Bruidegom en Bruid,
Nu gij vereenigd zjjt,
Nu 't helderst en het schoonst verschiet. Uw beider hart verblijdt.
121
Zoo heften wij dan op dit feest
Een blijden feestzang aan,
En wenschen met een vromen zin:
Uw heil moog lang bestaan!
{Sprekend.)
En wat er nu sedert de dagen van Adam, zaliger gedachtenis, gebeurd is, dat is ook met dien jonkman en jonge dochter gebeurd. Na verloop van eenigen tijd zei de man tot zijn vrind, den dokter: Och, je moest eens even bij ons komen, me vrouw heeft soms zoo'n afge-razenden kiespijn. Enfin, de dokter zei, dat de juffrouw maar wat kamillen moest drinken, want dat ze wat last had van besloten winden. Nou, dat deed ze. Maar wat eigenlijk de oorzaak was, dat doet het
Negende tafereel
je heel aanschouwelijk zien, waar je dokter en meester, baker en vuurmand en honderd andere zaken meer, onder anderen ook een klein kindje, vertegenwoordigd ziet, waaromtrent we het volgende lied zeilen doen hooren. (Op de wijze: Gij, gij ligt mij aan '/! harte.)
Ja, ja het echte leven Van, van hem en van haar.
Zal, zal wis vruchten geven Als ik dit kindjen aanstaar.
â¢la, ja, ja, ja, als ik dit kindjen aanstaar.
En, en wat wij ontdekken.
Zoo, zoo als het hier blijkt,
Is, is dat 't zijn trekken
122
Sprekend op vader gelijkt,
Ja, ja, ja, ja, sprekend op vader gelijkt,
Kom, kom, wieg dan de kleine.
Zing, zing vroolijk en zacht.
Tra, la, traladelijne,
Slaap, slaap, kindje, goê nacht.
Tra, la, tra, la, kindeke slaap, goeden nacht.
{Sprekend.)
En zoo heb ik dan de eer om je ten slotte te wijzen op het
Tiende of laatste tafereel
dat ons het vereenigd paar na 25 jaar voorsteld en dat ons doet zien, dat het bij het eerste kindje niet gebleven is. Ze vieren daar hun zilveren bruiloft, waar er 10 kinderen, 25 kleinkinderen en 38 achterkleinkinderen zoo van zelf bij binnen gekommen. Op die heugelijke gebeurtenis willen wij tot besluit het volgende slotvers zingen. (Op de wijze: Colin, een brave boerenzoon.)
Zoo viert het paar hun zilvren feest.
Omringd door kindren en door vrinden. Die aan den zilvren bruiloftsdisch
Het paartje nog hoel blozend vinden.
Zoo leven zij genoeglijk voort
En smaken nog veel blijde dagen.
Begunstigd door het heerlijkst lot,
Bevrijd van storm en onweersvlagen, {bis.)
{Sprekend.)
En hiermede hebben wij de eer het geacht gezelschap ons compliment te maken en verzoeken om ieders gunst en recommendatie.
123
No. 6. TWEE KEUKENMEIDEN.
Bet {ontmoet Trui.)
Zoo Trui, al an de loop? Moet je soms suiker halen?
Trui. (boos.)
Och neen, me lieve Bet, 'k was juist aan 't koffie malen, Daar komt mevrouw met groot lawaai de keuken in. â Nu, dacht ik, dat gaat goed, dat is oen mooi begin. â Trui. zegt ze, loop eens gauw en breng dit kleine pakje Naar 't huis waar bruiloft is, toe, ga maar in je jakje, En zeg : het compliment van mij, dit 's voor de bruid. â Zoo gaat het eiken dag. Nauw ben 'k de veeren uit, Of 't is weer 't oude liedje; Trui, zal je daaraan denken. En zal je dat ook doen! âHoor, Bet, die vele wenken Zoo op je nuchtre maag, bevallen mij maar niet.
Bet.
Och ja, me lieve ziel, het dienen geeft verdriet. Ik heb 't reeds honderdmaal gezegd en 'k wil 't herbalen,
Dat je in den ouwen tijd niet hoorde van dat malen Van Juffrouw die en die. Maar hoor eens beste meid. Die tijden zijn voorbij; 't is nou een andre tijd. De meeste juffertjes die heden toch gaan trouwen, Ze' weten wel van bals, maar niet van huis te houwen. Ze hoeren wel de klok, maar waar de klepel hangt. Dat is haar onbekend, dat is wat veel verlangd. Ze hebben wel eens iets van natte wasch vernomen,
â 4
li-
â J 24
Maar denken er niet aan, hoe dat die droog moet komen. Ze meenen dat het werk geheel van zelf maar gaat.
Trui.
Zoo is het, lieve mensch, en sta je eens op straat Om naar een officier of een soldaat te kijken,
Dan is het: Trui, kom hier, denk liever aan het strijden. â
En als ik dan weer strijk, wat hoor 'k dan, lieve Bet? Pianospel! â Mevrouw heeft zich dan neergezet In plaats van iets te doen of denken aan het eten. Zoo had ik laatst een grap, 'k had 't rundvleesch glad
(vergeten.
Daar kwam mevrouw weer an: Gauw, Trui, je vleesch
(brandt aan.
Doe er wat boter bij, want anders zal 't niet gaan. â Ik deed er boter bij, maar 'k zag wel 't kon niet baten, En onder etenstijd, daar hoorde ik zeer luid praten. Ha, ha, de beer is los, zoo dacht ik, en ja wel: »Je denkt niet aan je plicht, wel aan 't pianospel. »Het vleesch is half verbrand, het is geen menscheneten, »Wie weet wat turf en hout daar roekloos is versmeten. «En kijk die saus toch eens, het lijkt wel stroop of roet.quot; Zoo sprak mijnheer erg boos, en toch is hij zoo goed.
Bet.
Zoo, is hij anders goed? â Maar k moet gelijk hem
(geven.
Ik zeg: een goede vrouw geeft doorgaans een goed le-
(ven.
Ik keer het stuk maar om. Als ik eens was getrouwd
125
En 'k zag dan dat mijn man ook zulke dingen brouwt Die schaadlijk zijn voer 't huis, dan zou ik ook wat
(zeggen.
Het is dan meer dan tijd een spaak in 't wiel te leg-
(gen. â
Ik' had laatst ook een grap. Verbeeldt je, 's avonds
(te acht â
Je weet wel wie er dan om 't huis loopt en daar
(wacht. â
Nu, 'k keek eens even uit en â slechts een enkel praatje Hij is een flinke vent al speelt hij geen soldaatje,
Daar riep mevrouw heel luid: kom Bet, de deur moet
(dicht.
Je weet daar houd 'k niet van, pas maar op vuur en
(licht!
Trui.
't Is zonde! Zei ze dat?
Bet.
Ja, mensch, dat moest ik hooren; Ach, van ons leven gaat de beste tjjd verloren!
Trui.
Dat zeg ik met je Bet, en 'k voeg er ook nog bij: Ze gunnen ons niks meer wat vroolijk maakt en blij. Van vrijen willen zij geen enkel woord meer weten, Maar zijn hun eigen jeugd, hun vrijen glad vergeten.
Bet.
Daar zeg je een woord van pas. 't Is makkelijk gezeid; Dat vrijen wil ik niet, het is maar malligheid.
Men is toch niet van hout, van stokvisch of van leder.
126
Trui.
Wel neen 'k, waarachtig niet. En, kijk eens, met mooi
(weder
Dan komt er die en die, dan rijdt men vroolijk uit, Men gaat naar buiten toe of varen in een schuit. En dan de jonge lui, o Bet, bij 't stargeflouker Dan knijpen zij de kat, heel erg soms, in het donker.
B et.
Daar weet ik alles van. O Trui, als 'k klappen wou. Dan hoorde je heel wat, 'k verassereer je, nou!
Maar och dat raakt me niet, dat moeten zij maar weten, Ik pas ook op me zelf, dat heb ik nooit vergeten.
Trui.
'k Wou dat mevrouw zoo was, zooals mijnheer, die
(man,
't Is zonde dat ik 't zeg, maar ja, daar houd ik van. Laatst wou hij mij een zo,en in schemeravond geven. Ik zei; pas op mevrouw! u doet me waarlijk beven. Maar 't hielp niet, lieve mensch, hij ging bedaard zijn
(gang
En zoende mij heel fiks op lippen en op wang.
Bet.
En liet je dat begaan?
Trui.
Och, Bet, wat zal 'k je zeggen Je moet zoo 'n kleine grap niet zondig uit gaan leggen. Mevrouw is juist niet mooi, maar zij had heel veel
(geld
En op die bijzaak is toch elke man gesteld,
En je begrijpt....
127 Bet.
Dat's klaar, het kan nooit schade wezen.
Maar laat mij toch eens zien, wat staat er wel te lezen Op 't pakje dat je daar nog in je handen houdt ? Trui.
Och, dat is voor de bruid, die heden is getrouwd. Getrouwd! verbeeld je Bet, dat wij ook eens gaan varen In 't schuitje van de min op wiegelende baren!
Bet.
Dat is voor ons geen kost, 't is alles veel te duur; De doofpot, die is goed voor al ons minnevuur! Trui.
Wil 'k je wat zeggen Bet?
Bet.
Wel ja, laat mij eens hooren! Trui.
Voor ons is hier de kans op beter glad verloren,
Het is hier werken voor en 't blijft hier werken na. Ik geef de maan er van, 'k ga naar Amerika!
Bet.
Zeg, schepsel, ben je dol? Wou jij je land verlaten? Trui.
Maar denk toch, lieve Bet, wat kan dit land mij baten?
Bet.
Maar, drommels, 't is zoo ver en dan die groote zee ? Trui.
Och, gekheid, malle meid, de wind heb je altijd mee.
128
Zeg, weet je dat je daar wel driemaal meer kunt krij-
(geii
Voor driemaal minder werk en zesmaal mmder hjjgen? En nog wat. Luister eens. Er is daar ook een stad, â Ik las het onlangs zelf in 't advertentieblad â
Maar niet van spreken hoor â daar was gebrek aan
(vrouwen.
De rijke heeren wilden daar wel gaarne trouwen.
Maar eet eens van een bord waar niemendal op is. .Ie kunt nooit weten Bet. Zeg, heb ik het zoo mis?
Bet.
Je praat waarachtig goed.
Trui.
En nog wat. al die heeren. Die kunnen daar 't getal van vrouwen ook vermeeren Dat doet men hier zoo niet, men heeft aan een ge-
(noeg....
Bet.
Genoeg? Soms nog te veel. â Wel grut, wat zeg je
(daar?
Maar Trui, is het wel zoo? is het wel alles waar?
Trui.
(jeloof me, lieve mensch, ik heb het zelf gelezen, En wat je toch zoo leest, dat zal wel waarheid wezen.
Bet.
Ja, dat zal wel zoo zijn. Maar vraag eerst nog eens
(goed.
Trui.
Natuurlijk, maar de zaak eiseht wel een beetje spoed.
429 Bet.
Dat vat ik. Nu, ik zal er rijplijk over denken;
En als mevrouw mij niet wat hooger huur wil schenken, Dan ga ik met je meê,
Trui.
Dat's flink gesproken. Bet! Wie weet hoe gauw je dan een Damesmuts opzet. â Maar nu wordt het mijn tijd.
(tot de Bruid.
Voor 't Bruidje dan dit pakje. Vergeeft het allen mij, dat ik hier kom in 't jakje. Want, weet u, mijn mevrouw heeft soms wel eens een
(gril,
En in zoo'n oogenblik weet zij niet wat zij wil. [k wensch het jeugdig paar van harte heil en zegen!
Bet.
't Geluk dat ons ontvliedt, zij steeds door u verkregen. Maar wellicht vinden wij 't, hetzij dan vroeg of spa. Aan d' overkant der zee, daar in Amerika!
9
â¢130
No. 7. DE OUDE EN NIEÃWE TIJD.
VOOR TE DRAGEN DOOR TWEE DA1IES, WAARVAN DE EEN, DE NIEUWE TIJD, ZEER MODERN GEKLEED IS, TERWIJL DE ANDER, DE OUDE TIJD, IN EEN KOSTUUM DER VORIGE EEUW YERSCHIJNT.
De Nieuwe Tijd.
O foei, wat is 't ondragelijk heet, Wee, die haar parasol vergeet.
{Omziende.) Maar hemel, wie komt daar toch aan? 't Lijkt wel een schepsel uit de maan! 'k Zag zoo iets in mijn leven nooit, Een vrouw met zulk een kleed getooid. Maar stil, â zij komt waarachtig hier â Nu, dat belooft ons veel pleizier!
De Oude Tijd.
{Nijgende). Ik wensch u goeden dag, Juffrouw.
De Nieuwe Tijd. Dag vrouwtje.
De Oude Tijd.
(Verbaasd.)
Vrouwtje?! â 'k Ben mevrouw.
131
De Nieuwe Tijd.
O, pardonneer, ik zag u nooit.
{Ter zijde.) Wat toch bespotljjk opgetooid â
Gij komt toch zeker ver van hier?
De Oude Tijd.
Ja, neen,quot; zoowat een dag of vier.
Ik kwam hier met de trekschuit aan Om naar een trouwfestijn te gaan Van mijn geliefde nichtje Kee,
Die zal gaan trouwen, weet uwé.
Ik ben haar tante, de Oude Tijd.
Maar zeg mij nu toch wie gij zijt.
{Zij smift.)
De Nieuwe Tij d.
De Nieuwe Tijd, zoo is mijn naam.
Bekend ter goeder naam en faam.
De Oude Tijd.
Ei zoo, gij komt uit Frankrijk schier.
Daar houdt men ook van zooveel zwier.
De Nieuwe T ij d.
Uit Frankrijk? Menseh, hoe denk je er aan Ik woon sinds jaren aan de Zaan.
Slechts Brussel heb ik eens gezien. Ik donk, zoo vóór een jaar of fien. Wij reden daar per spoor toen heen. En dachten toen zoo aan 't verleên,
9*
432
Waarin men dagen noodig had Tot reizen naar een dorp of stad,
Terwijl men nu in korten tijd Van Amsterdam naar Brussel rijdt.
De Oude Tijd.
{Verbaasd.)
Wat blieft? âWat blieft?âWat blieft uwé? Doet dan de trekschuit niet meer mêe?
De Nieuwe Tijd.
Och, Oude Tijd, schei nu toch uit.
Wie reist er nu nog met een schuit! Die hebben nu voor goed gedaan,
Men vliegt nu langs een ijzren baan.
De Oude Tijd.
Hoe zegt u? Vliegen? Groote grut!
De Nieuwe Tijd.
Ja, vliegen, ja! 't Is of je dut!
De Oude Tijd.
Nu, nu, bedaar maar. Nieuwe Tijd!
Maar zeg nu zonder malligheid:
Hoe ben je toch zoo gek gekleed?
De Nieuwe Tijd.
Als ik die vraag aan u eens deed
De Oude Tijd.
Aan mij? Is die japon niet goed?
Of scheelt er soms wat aan mijn hoed?
133
Of zit mijn kraag misschien wat scheel Waarvoor ik vijf zesthalven geef?
De Nieuwe Tijd.
Hoeveel?
De Oude Tijd.
Wel, vijf zesthalven, mensch. Maar toe, voldoe nu aan mijn wensch! Hoe ben je toch zoo gek gekleed?
De Nieuwe Tijd.
Ik gek gekleed? Och ziel, je weet,
Zoo 't schijnt, niet dat het zoo behoort. Men kleedt zich thans zoo in dit oord,
Het is een dagelijksch gewaad.
Waarin thans iedre dame gaat.
De Oude Tijd.
Wat blief? Draagt men dit ook in huis?
De Nieuwe Tijd.
Wat denk je, schepsel, jas of buis?
De Oude Tijd.
Maar moet je daarin werken gaan ?
De was dient dan toch ook gedaan.
En kijk je daarin naar den pot?
En boen je daarin deur en schot.
En maak je daarin hoofdkaas, pens Of stop je zoo je worsten, mensch?
134
En kan je zoo bij 't strijken staan En in zoo 'n kleed aan 't stijven gaan?
De Nieuwe Tijd.
Hou op toch met die malle praat!
De Oude Tijd.
Ik zeg eenvoudig waar 't op sttaat. Als jij zoo met dien rommel loopt, Is 't of je band en lint verkoopt.
Is dat nou nog een huislijk kleed? Als je mijn dochter was, ik sneed Die franje dadelijk er af En 'k liet je manglen tot je straf.
Maar ach, ik ken het liedje wel. De huislijkheid, dat is maar spel.
De Nieuwe Tijd.
'k Verwacht van u geen compliment, 'k Geef voor uw rommelzoo geen cent. Is dat nu nog een kleederdracht?
Geen wonder dat men u belacht! Uw ihoed lijkt wel een kolenbak,
En uw japon een ouden zak.
In 't kort, je bent een vooglenschrik!
De Oude Tijd.
O, Goón, sta bij! Dat's vreeslijk! Ik?____
(Zij snuift.)
De Nieuwe Tijd.
Wat stop je daar toch in je neus?
133
De Oude Tijd.
{Boos.)
Dat raakt je niet. Dat is mijn keus, 'k Zal doen en laten wat ik wil,
Ik stoor mij aan geen nuffen gril.
Maar let eens op wie 't laatste lacht! Ik heb tien kinders groot gebracht,
Maar nooit was het een vuile boel,
Geen broek lag er ooit op een stoel.
Maar 'k weet wel hoe het heden gaat, Men danst nu liever op de maat Of zit te tinglen op 't klavier,
En maakt daarmee een groot getier.
Maar kijk eens in de hoeken rond.
Of in de kasten, op den grond!
't Is alles rommel wat je ziet,
En in de keuken komt men niet.
De Nieuwe Tijd.
Je wordt voorwaar vervelend, mensch! Loop rond met al je worst en pens. Je weet van dezen tijd niets af.
Ga maar naar huis of â naar je graf! -Een enkel woordje tot besluit.
Gericht tot bruidegom en bruid;
Gelooft dat schepsel toch maar niet. Want dan was 't leven slechts verdriet. Voldoet aan de «ischen van den tijd, Dam raakt gij nooit uw achting kwijt.
136
Gaat lang te zaam op 's levensbaan, En ziet daar vele bloemen staan!
De Oude Tijd.
Ik merk het al, ik kom te laat.
Maar toch zeg ik waar het op staat. Bemint elkander steeds getronw. De vrouw haar man, de man zijn vrouw; Want wat er ook op aard verdwijn. De liefde moet toch blijvend zijn!
No. 8. DE GERMAANSCHE PRIESTERESSEN
OF
de profetie van Velleda.
VOOR TE STELLEN DOOR EENIGE DAMES, WAARVAN DE GROOTSTE ALS VELLEDA OPTREEDT. KOSTUUM; WIT KLEED, DOOR EEN GOUDEN BAND OM HET LICHAAM SLUITENDE EN ROOD MANTELTJE. ALS HET JAARGETIJDE ZULKS VEROORLOOFT, KAN DEZE VOORSTELLING IN DE OPEN LUCHT PLAATS HEBBEN.
Koor van Priesteressen.
{Zingend op de wijze van Gezang 13.) Hoe schoon is toch het rijk der aard Doer Wodan's hand gegrond.
137
«
Wanneer 't in lichtglans is gehuld Bij nacht of morgestond,
Hoe schittert het in lentetijd Door bloemen rijk van pracht,
Voorwaar, dan geeft het een bewijs Van Wodan's groote macht.
Maar ook wanneer de stormwind giert. En over 't vlak der aard
Door bosschen en langs velden vliegt Met teugellooze vaart.
Zoo is wat men op aarde ziet Een beeld van 't menschlijk lot.
Waarin èn licht èn duister heerscht, Geregeld door een God.
En wat ons daarin beiden zal,
Dat zegt Velleda's mond.
Door Wodan's hoog bevel gedaald Op deez' gewijden grond!
V e 11 e d a. {Sprekend.)
{Het koor schaart zich Ier rechter en ter linker zijde.).
'k Breng een groet u van de goden Uit Walhalla's heiligdom.
Waar het feestmaal werd gehouden Van den dappren strjjderdrom.
Vroolijk zag men neer op aarde WTaar de mensch hun wil volbracht,
138
Om het kwade te overwinnen,
Steunend op der goden kracht.
Luid sprak Wodan toen ter eere Van het heilig echtverbond,
Dat op aarde werd gesloten Waarin hij genoegen vond.
Ga, zoo sprak hij, ga Velleda,
Breng aan 't jeugdig paar mijn groet,
Zeg het dat het vele bloemen Prijken zien zal voor den voet.
Op mijn gunst kan het steeds hopen, Ik bescherm het door mijn kracht!
Wat hun vreugde kan verhoogen. Zij door mij hun toegedacht.
Moet het soms op aarde strijden Evenals mijn heldendrom,
Eenmaal zal 'k den strijder kronen In Walhalla's heiligdom!
Het koor.
{Z'mgend als hoven.)
Heil u, Velleda, die het woord Van Wodan hebt geuit,
Een woord van zegen en van heil,
Voor Bruidegom en Bruid.
Heil u, o afgezant der goón. Wij juichen om uw woord.
139
Door ons als Wodan's profetie Met blijdschap aangehoord.
En heil ook aan het jeugdig paar,
Zie zegen op uw stee;
Uw heil sta als een rots zoo vast Te midden van de zee.
Met Ask en Emlla ') smaakt gij lang
Het leven op deez' aard,
En eens zij in Walhalla u De beste plaats bewaard!
No. 9. LIEFDE, VREDE EN VREUGDE.
Kostuuln: de Liefde: roze kleed met rozen versierd, een rozenkrans in het haar, draagt als geschenk een mirtenkrans.
» de Vrede: lang wit kleed met palmbladeren versierd, witten sluier door een gouden diadeem opgehouden; draagt als geschenk een lichtscherm door een palmtak bedekt. » de Vreugde: een kleed met allerlei bloemen versierd, verschillende bloemen in het haar, gouden gordel; draagt als geschenk een beker op twee servetbanden, die door bloemen tot een beker vereenigd zijn.
De eerste mensclien volgens de Noordsche fabelleer.
1
-140
De Liefde.
Als men een eigen haard gaat bouwen, Waar men 't geluk steeds moge zien.
Daar nadren wij altijd vereenigd. Om onzen zegen aan te biên.
De Vrede.
Wij maken hutten tot paleizen En strooien bloemen in het rond,
Wij doen de welvaart weer herleven Op den door krijg verwoesten grond.
De Vreugde.
Hoe doodsch moet elke plaats wel blijven Die ons steeds uit haar midden bant!
Elk scheepje zal wis eens bezwijken ⢠Dat ons geen plaats geeft in het want»
De Liefde.
Gij allen zult ons zeker kennen;
Ik bracht den Bruigom tot zijn Bruid,
Ik deed hen van elkander droomen. En fluist'ren wat het hart besluit.
Ik heerschte in hunne jonge harten,
Drong daaglijks daar wat dieper in, En volgens 't ambt mij opgedragen,
Deed ik hen juichen door de min.
De Vrede.
Dat deed gij en uw werk droeg vruchten, Gij hebt hun harten nauw vereend,
141
Doch door mijn invloed, dien 'k liet gelden, Werd er geen traantje meer geweend. Want waar de Liefde heeft gezaaid.
Daar steeds de palm des Vredes waait!
De Vreugde.
En -waar de Vree haar vaan gaat zwaaien, Daar blijft de Vreugd niet verre staan;
En zoo ben ik met mijn vriendinnen Ook naar dit huis'lijk feest gegaan.
Waar Lielde is ziet gij ook de Vreê, En met die Vrede kom ik meê.
De Liefde.
Nu gij een eigen haard gaat bouwen,
Zijn wij verschenen op dit feest,
Om u een rozenpad te wijzen
Waarop gij schoone bloemen leest!
De Vrede.
Blijft immer dan elkaar beminnen, Dat Liefde's zegen u bekroon,
Opdat mijn arm u ook moog schragen, En Vrede in uwe harten woon!
Do Vreugde.
Dan kan ik u het beste geven,
Een kostlijk goed van veel waardij,
En zoo gevoelt gij u den Hemel In 't vluchtig leven reeds nabij!
142 De Liefde.
{Overhandigt haar kram).
Wilt dan nu mijnen wensch vernemen:
Mijn klaur moog immer de uwe zijn,
Laat deze krans uw hoofd versieren Op dit uw heug'lijk trouwfestijn.
Het rijk der Liefde is voor u open,
Wees daarvoor dankbaar en verblijd ;
En aan het werk der ware liefde.
Zij voortaan nu uw kracht gewijd; Dan spreidt gij zegen in het rond Tot aan uw laten avondstond!
De Vrede.
En volgt gij het gebod der Liefde,
Dan kroont mijn zegen ook uw huis,
Dan zult gij nooit den last gevoelen Van 't elders pijnlijk drukkend kruis!
{Overhandigt haar geschenk.)
Wil dan deez' palm van mij ontvangen Tot dekking als de stormen woên,)
Bewaar dien, want waar Vreê blijft heerschen Daar zal de Vreugde ook 't hare doen!
De Vreugde.
Ja, 'k wil voortdurend bij u wonen En dan verlichten eiken dag;
Veel vreugde moogt gij steeds beleven,
Bij 't wappren van de vredevlag!
143
{Zij overhandigt haar geschenk.)
'k Zet dari den beker aan uw lippen,
Door Liefde met een bloem bekranst, En laaf u met mijn nectargaven.
Terwijl uw heilzon vroolijk glanst.
Een bittre beker blijv' steeds verre.
Kan 't zijn voor altijd uit uw huis;
En zie op uwe blijde woning,
Neen nooit, een onheilspellend kruis!
Wil ons dan aan uw haard ontvangen.
Wij willen gaarne bij u zijn.
Dan zal nog meenge dag gelijk zijn Aan dit uw heuglijk trouwfestijn!
HET VOLGENDE KAN ALS BIJVOEGSEL OP flET VOORGAANDE STUKJE GEBEZIGD WORDEN.
(een knaap komt binnen wet een orooten papieren
zak, waarin een1ge rozenbladeren en een horloge-hanger in den vorm van een pantoffel.)
't Is waar, zij hebben goed gesproken
Die Dames in haar staatsiekleed,
Maar ik wil nu toch ook wat zeggen, En 'k hoop dat gij dat niet vergeet.
'k Vraag: wat is liefde, vreugd^en vreê.
Komt het Geluk niet met haar mee?
144
't Geluk deed u elkaar eens vinden,
't Geluk verbond u in den echt,
'i Geluk verliclfte uw levenspaden Als gij althans de waarheid zegt, De vreugd die gij te zaam genoot Werd door 't geluk altijd vergroot.
Ik wensch u dus met korte woorden;
Altijd ontzachlijk veel geluk.
Dat het met eiken dag vermeere En onderdrukke 's levens druk.
En voor u beiden blijve op aard Altijd het hoogst geluk1)ewaard!
Had ik Fortuna's gave en goedren.
Ik bracht een rijk geschenk u aan,
Doch nu heb ik voor unlets anders Dan â zie een handvol rozenblaan.
{Hij werpt die op het Bruidtpaar.)
Maar 'k voel toch nog iets in dien zak.
Kijk maar eens. Bruid, op uw gemak.
{Hij overhandigt den papieren zak aan de Bruid.)
Ja, kijk maar goed; wat gij zult vinden Houd dat tot morgen maar bedekt;
Laat dan uw man het eens aanschouwen, En zeg dan vroolijk, opgewekt:
»Deez schepter zullen wij saam zwaaien, »A1 siert ons dan geen hermelijn;
145
«Dan zullen wij door liefde's grondwet »Voortdiirend hoogst gelukkig zijn!
No. 10. TWEE JEUGDIGE ZIGEÃNER-VROÃWEN.
(BEIDEN DItAGEN 'ï ZELFDE KOSTUUM, DOOR KLEUR SLECHTS VERSCHILLEND, DE EEN : ROOD EN ZWART, DE ANDER : ZWART EN ROOD, 13. V. ZWARTE ROK, MET ROODE EN GOUDEN STREPEN BEZET,
ROODE BLOUSE, WAAROP ZWARTE FIGUREN. VOORTS EEN BONTE SJAAL MET AFHANGENDE FRANJE OM HET LICHAAM.)
De Vroolijke.
Kom toch, vriendin, laat ons eens kijken
Hier in deez' hel verlichte zaal.
Waar alles spreekt van vreugde en bljjdsehap En waar men zit aan 't vriendenmaal.
De Ernstige.
Het spijt mij dat wij ongeroepen
Verschijnen in deez' vriendenkring. De kunst toch die wij saam beoefnen Is, naar men zegt, een onnut ding.
lS^e.
Kom, dwaasheid, wil nu maar niet vreezeo. Men heet ons welkom op een feest;
â¢10
14G
Ik zal wel voorgaan, in mijn leven
Ben 'k op een feest nooit bang geweest.
2de.
Neen, 'k ben niet bang, 'k wil u vertrouwen.
Ik weet wat plaatsen gij steeds kiest,
Maar denk dat een eenvoudig meisje Den moed bij Heeren soms verliest.
ls'e.
Welaan, ga vroolijk met mij mede.
En denk maar aan die Heeren niet,
Denk liever aan ons alvermogen,
Dat in de toekomst helder ziet.
Wij zagen toch veel hemelteekens:
De Orion was gehuld in licht.
Voor wiens gevreesd en drillend wapen Elk dubbelhoofdig monster zwicht.
2de.
't Is waar, wij zagen reeds veel landen.
En veel gevaar trotseerden wij, â
En waar wij samen ook verschenen Daar was men opgewekt en blij.
Toch mochten wij het paar niet vinden
Dat door het huwlijk is vereend; Wij moeten dus nog verder zoeken Terwijl de maan haar licht verleent.
147
1ste.
i
Wat praat ge toch van verder zoeken!
Mijn scherpe blik vond reeds de Bruid,
Den weg tot haar heb ik gevonden,
Gij weet, ik kijk altijd goed uit. â
Zij is de schoonste van die Dames,
De vreugde troont op haar gelaat;
Ze is als het beeld dat vol van gracie
Op 't doek zoo schoon geschilderd staat. â Den moed kan ik -dus niet verliezen,
In tegendeel, want 'k weet, zij geeft Mij vrijheid hier te profeteeren Wat mij haar ster verkondigd heeft. â
{Zij nadert Bruid en Bruidegom en le-ziet nadenkend de hand van beiden.)
Hoe schoon en zacht! â Gelukkig zult ge
Voor langen tijd op aarde zijn, â Een ongekende heilstaat wacht u.
Dat zie ik aan deez rechte lijn.
2ile.
Vertrouw haar niet, 't geluk maakt sprongen
WTaarmee het dikwijls ons ontvliedt;
En is het eenmaal ons ontweken,
Terug komt het zoo spoedig niet.
Doch 't blijft steeds weg waar Liefde's engel
Zich nimmer met 't Geloof vereent.
Waar niet de Hoop haar kracht kan toonen,
Of ons geen hulp en bijstand leent.
148
l8^.
Kom, houd toch op met zedepreeken,
Gy past niet op een trouwfestijn;
Het jeugdig paar kan u ontberen,
't Zal door zijn deugd gelukkig zijn.
Doch stoor mij niet en laat mij spreken; Hun toekomst is in licht gehuld;
Want 't paar zal steeds gelukkig wezen Dat 's levens taak met vreugd vervult!
(Tot het Bruidspaar.)
De Liefde hlijve u steeds verbinden,
De Hoop doe vroolijk voorwaarts gaan,
't Geloof verleene u beide krachten Op 's levens duistre kronkelpaan.
En stormen, ja, gij weet het allen, Die heerschen ook wel eens op aard,
Dat is nu eenmaal zoo besloten.
Die vliegen soms met woeste vaart.
Maar toch zal 't Bruidje niet gaan suffen. Steeds moedig zal zij voorwaarts gaan,
Als trouwe gade zal zij waken Voor elk gevaar op 's levenspaaa.
En zoo aal iedereen haar prijzen,
Haar lof zal stijgen boven peil;
Haar man zal op zijn hand haar dragen; Want zij, zij is zijn vreugd, zijn heil!
ïde.
Ja, zoo zal 't zijn wanneer het harte Met liefde slechts vervuld zal zijn,
149
En zoo zal elke dag u wezen
Een blij en vroolijk trouwfestijn. â En gij, die om de Bruid en Bruigom Aan dezen disch u vroolijk schaart, Gelukkig zult gij allen wezen
Als gij de liefde in 't hart bewaart!
No. 11. GROOTVADER PROZA.
MET DE ZEVEN DAGEN DER WEEK,
Kostuum:
Gr. Proza; Ouderwetech kleed, grooten pruik en een bezem in de hand.
Maandag: Een halve maan aan het voorhoofd, en een zeepkop in de hand als geschenk.
Dinsdag; Een helm op het hoofd en een weegschaal als geschenk.
Woensdag: Een grooten strooienhoed op het hoofd en een mand. waarin bruidsuiker, aan den arm als geschenk.
Donderdag: Met eenige bliksems aan het voorhoofd, en een hamer en tang als geschenk in de hand.
Vrijdag: Met een mirtenkrans op het hoofd, en een grooten vleeschvork in de hand.
Zaterdag; Als werkster gekleed met 'een stoffer en wnjfdoek in de hand.
Zondag: Elegant gekleed, met een grooten koek als geschenk.
150
Grootvader Proza.
{Zwaait met den hezem). Laat andren zich maar vroolijk maken
Met dicht of toonkunst, poëzij,
Ik houd niet van die malle fratsen,
Ik noem dat alles: aperij.
Er is iets anders te verrichten
Dan dat getingel op 't klavier,
Dan boeken lezen, versjes maken, â
'k Geef om die rommelzoo geen sier. Zeg, moet de mensch dan ook niet eten?
Of kijkt men soms de biefstuk gaar? Of wordt de hutspot, erwten, boonen
En groote gort van zelf soms klaar?
Ik laat die malle kunsten loopen.
Zij geven toch geen daaglijksch brood; Zij spreken wel van rozengeuren,
Maar na dien geur komt dra de nood.
(Hij wijst op zijn gevolg).
Ziet daar, dat is een ander volkje,
Wel niet zoo preutsch en niet zoo fijn, Maar dat bij avond en bij morgen
Steeds tot uw dienst gereed zal zijn.
Zie, dat is Maandag, dat is Dinsdag,
En dat is Woensdag met dien mand, Dan Donderdag en dan nog Vrijdag,
Die met dien vleeschvork in de hand. En Zaterdag dat is die werkster,
Zoodat de Zondag die daar naast haar,
151
Geen enkel stofjen ergens vindt.
Gij moet nu niet gaan kritiseeren,
Maar hooren wat een ieder zegt,
Niet met die woorden van stadhuizen,
Maar zuiver Hollandsch, slecht en recht. â Kom, Maandag, jij moest maar beginnen.
Bied uwe diensten nu maar aan. ââ¢
(Ongeduldig.)
Komaan, wat sta je toch te dralen.
Je tong is toch niet naar de maan?
Maandag.
Welaan, ik wil dan vrij hier spreken,
Zoo als 't een Werkdag steeds betaamt,
(Tot de Bruid.)
En 'k breng hier ook iets voor u mede
Waarover ge u, zoo 'k hoop, niet schaamt. Het is een zeepkop, want gij weet het.
Ik zorg steeds voor do natte wasch,
En zeep moet er toch daaglijks wezen
Al brengt die somtijds wat geplas.
Zoudt ge over dit geschenk u schamen?
Neen, want waar men geen zeepkop aiet Daar wijkt de vreugde allengs ter deur uit.
En binnen komt het grootst verdriet.
Wees dus op Maandag altijd vroolijk.
Want zoo die tweede dag der week Begint, zoo zal de week ook wezen:
Wees dus nooit 's Maandags van uw streek.
152
Want zijt gij op dien dag van wasschen
Niet wel of soms uit uw humeur,
Dan zal t de heele maand zoo wezen,
Pas dus maar op, gij hebt geen keur. Belangrijk dus die dag, die Maandag,
Hij brengt wat drukte en leven aan;
Dat gij zijn werk lang moogt besturen.
Maar nooit met 't woord; Loop naar de maan
Dinsdag.
Ik groet ook het jeugdig paar,
Met deez blijde vriendenschaar.
Maandag had een ernstig woord,
Zooals ge allen hebt gehoord.
Maar ik heb toch ook nog iets,
Wel niet veel, maar meer dan niets. Dinsdag is een groote dag Dat ik hier wel zeggen mag;
Want het is een dag van Recht,
Weeg dus af, steeds goed, nooit slecht!
(Zij geeft haar geschenk.) Deel dus loon uit of wel straf,
Waartoe 'k u die weegschaal gaf.
Zorg dat de evenaar daarbij Altijd in het huisje zij.
Dan gaat 't in uw huis ook goed. En smaakt vrede in uw gemoed!
Woensdag.
Uwe dienstmaagd wil ik zijn,
Flink en vroolijk, klein maar rein.
153
Koopen kan ik, o, zoo goed,
'k Weet toch waar men wezen moet,
Voor de boter, brood en mee!.
Koffie, suiker en kaneel.
'k Zal steeds op uw voordeel zien.
En beginnen met te biên.
'k Keer een cent wel zesmaal rond.
Spelden raap ik van den grond.
En dat mandje, licht en fijn,
Moog van vriendschap 't teeken zijn!
(Zij geeft haar geschenk).
Zie daarin steeds overvloed,
Alles wat er wezen moet.
En hebt gij soms wat besteld.
Vraag uw man dan maar om geld. â
Donderdag.
In het menschhjk huisgezin,
Kom ik ook de deur soms in.
Zwaai mijn donderbeitel rond En schiet bliksems in den grond.
En door zulk een straal van vuur,
Grootsch bij 't werken der natuur,
Jaag ik ieder voor mij uit.
Die iets kwaads in 't hart besluit.
Donder, bliksem moet er zijn,
Maar niet op een trouwfestijn!
{Zij geeft haar geschenk
Is u somtijds iets te heet,
154
Dat gebeurt toch zoo ge weet,
Nu, gebruik dan deze tang,
Kan het zijn, veel jaren lang.
Moet gij soms een spijker slaan.
Laat het op zijn kop dan gaan.
Want raakt gij den spijker niet,
Dan bezorgt ge u veel verdriet. â
Vrijdag.
In den overouden tijd Was de Vrijdag toegewijd,
Aan de deftige godin Freia, de godin der min.
O bedenk dit, jeugdig paar.
Zit ge op Vrijdag bij elkaar,
Denk dan wat die dag beduidt En wat Vrijdag in zich sluit.
Zij geeft haar geschenk.)
Voelt gij soms wat pijn in 't hart.
Och. mijn vork gaf u die smart.
Maar die pijn bedaart wel weer,
Leg u maar gerust ter neer.
Lach niet, dat mijn vork dit deed,
Amor schiet, zooals ge weet.
Doch ik steek. â Maar och, de pijn. Zal toch wel dezelfde zijn.
Vijdag dus, die dag van min,
Rijze voor uw huisgezin Nog veel jaren achtereen.
Vrij van droefheid en geween.
155
Tot hjj u met blij gemoed Eens als zilver paar begroet! â
Zaterdag.
Heb je nu genoog gepraat?
Denkt dat Zaterdag hier staat. Al dat babblen geeft je niet,
Niets dan kommer en verdriet. Kan jelui je dan nooit spoon?
Is er niet genoeg te doen? Och, kwam ik niet in het huis. Wat ontstond er dan een kruis! Orde zag je er zeker niet.
Die door al dat babblen vliedt. Maar gelukkig kijk ik rond Naar de kleeden op den grond, Of ge uw plicht wel hebt gedaan, Of ge ook ledig hebt gestaan, Of gij met een vlugge hand Wel gewerkt hebt met verstand. En hebt gij u goed verweerd Dan is ook mijn vreugd vermeerd. 'k Loop dan vroolijk door het huis. In den kelder zelfs incluis.
O wat een groote zaligheid Als dan alles glans verspreidt! Als in keuken of op haard,
Zelfs geen spatjen is gespaard. En de kamers, groot en klein. Allen even netjes zijn.
â 156
Ja, dan komt de Zondag vrij,
Alles vindt zjj dan op zij.
[Geeft haar geschenk.)
Zie, hier heb 'k iets voor de meid.
Bij haar nutte bezigheid.
Want wat ook een huis besluit,
't Stof moet er toch daaglijks uit! â
Zondag.
Wordt mij zoo de weg bereid.
Dan is wachten ijdelheid.
En zoo ziet gij mij hier staan Om straks naar de kerk te gaan.
Want dat hoort er toch ook bij, Hoe vervelend het ook zij.
En is straks de kerk dan uit,
'k Nood dan Bruidegom en Bruid,
Bij mij op de koffie uit.
Met 'n likaurtje tot besluit.
Want gjj weet het huis is schoon,
Alles is er uit gevloón Wat er niet in wezen mag.
Door de zorg van Zaterdag.
{Geeft haar geschenk.)
Ziet, dit bracht ik voor u mee,
Zit gij soms eens met uw twee.
En krijgt gij dan geen bezoek.
Eet dan saam een stukje koek.
457
En wat gij dan samen deeit.
Zij van 't huwlijk 't ainnebeeld!
Grootvader Proza.
Wat zegt ge, Heeren en gij Dames,
Is al mijn volk niet bij de hand?
Hij, die ze minder acht dan kunsten.
Voorwaar, die mensch heeft geen verstand!
No. 12. DE POEZIE MET DE ZEVEN KUNSTEN.
DE POëziE TREEDT ALLEEN OP, IN EEN WIT KLEED WAAROVER EEN ROODE SJAAL, ZILVEREN GORDEL OM HET LICHAAM, OP HET HOOFD EEN GROENE KRANS, EEN BOUQUETJE IN DE HAND, ACHTER HAAR EEN DONKERE DRAPERIE,
DIE HARE GESTALTE DOET UITKOMEN.
De Poëzie.
Zachtkens gedragen door dartlende koeltjes, Zweefde ik langs burchten, kasteelen en wal, Mocht daar de zingende vogels begroeten, Raakte de bergen ook aan met mijn voeten, Kuste de bloemen in 't vriendlijke dal.
Doch lang kon ik daar niet toeven en dralen, 'k Moest nog naar elders, naar lieflijker oord.
158
Waar een paar harten door d' echt zijn verbonden. â Wellicht heb ik nu dat plekje gevonden Waar 't licht der liefde bij feestglansen gloort.
{Tot het Bruidspaar.)
Kan ik met mijn gaven
Heel het menschdom laven;
Geven nieuwe kracht 3
Aan elk nieuw geslacht,
k Wil ook u gedenken,
U mijn gaven schenken.
Maar 'k kom niet alleen,
Tot deez feestzaal heen;
Want waar ik mijn schreden
Heen richt hier beneden,
Daar verschijnt altijd
't Koor mij toegewijd.
't Is het koor der Kunsten,
Die door mijne gunsten
Bloeien op deez aard,
Waar het oog ook staart.
'k Wil ook u ontmoeten.
En aan uwe voeten
Smeeken om uw gunst
Tot bloei der Kunst!
Zij scJiuiJt nu de draperie ter zijde. Kaardoor de vertegenwoordigers der kunsten met hare attributen zich in schoone groepeering vertoonen, als volgt:
.159
in een grieksch licht grijs gewaad, met gouden en donkergroene koorden bezet. Het haar versierd met paarlen en een roos. In de hand een palet en penseelen. Als geschenk een schilderij.
Een lang wit kleed, paarsche sjaal met goud afgezet, gouden gordel, een krans van laurierbladen op het hoofd en in de hand een lier. Als geschenk een boek.
Lang wit kleed, licht blauwe sjaal met zilver gegarneerd, zilveren gordel, bloemkrans op 't hoofd. In de hand een fluit. Als geschenk een rol muziek.
Geel kleed, rijk met bloemen versierd, bloemkrans op het hoofd. In de hand een tambourin. Als geschenk een waaier.
Rood kleed met goud afgezet. Diadeem op het hoofd. In de hand een masker. Als geschenk een schel. Lang bruin kleed, met zilveren gordel. Op het hoofd een muurkroon en in de hand een winkelhaak. Als geschenk een marmeren ornament. Lang wit kleed, gouden gordel. Om het hoofd een breeden gouden band, in de hand een hamer, als geschenk een buste.
Schilderkunst ;
Dichtkunst:
Toonkunst :
Danskunst;
Tooneelkunsï :
Bouwkunst :
Beeldhouwkunst ;
160
De Poëzie
Hier staan de Zustren dan vereenigd,
Geheiligd op 't gebied der kunst;
Het doel van haar voortdurend streven Is: 't schoon door 't leven heen te weven; Verblijdt haar daarom door uw gunst!
De Sch ijl derkunst, [treedt eertige schreden vooruit).
Ik wil in duizend beelden Vervlogen vreugde malen,
En wat gij zult begeeren,
Ook zelfs het alledaagsche,
Dat geef ik frische kleuren,
En werk met licht en schaduw.
Gij zult mijn werk wel kennen,
Daar ik in uwe kringen Reeds dikwijls ben verschenen;
't Verleden en 't toekomend,
En 't beeld van fantasiën,
Dat toover 'k met mijn kleuren.
{Zij geeft haar cadcavx.)
Zie zelf maar dit tafreeltje.
Of ik hier mijn penseelen Wel al te veel ging prijzen?
Gij kent toch wel die boomen.
Waaronder gij gingt mijmren En aan uw echt gingt denken.
't Moog lang uw huis versieren En steeds aan mij doen denken,
161
Die door mijn verf en kleuren Zooveel genot kan schenken!
De Dichtkunst. {Als boven.)
Terwijl 'k de macht zich boven 't stof te heffen Reeds dikwijls in uw schitt'rende oogen zag,
Voel 'k mij gelukkig nu ik in deez ure U op dit feest vereend begroeten mag.
Verwacht van mij thans geen verheven zaken,
Ik zweef altijd door 't idealenrijk;
Een enkel woord moog dan genoegzaam wezen
Van vriendschap, liefde en van mijn gunst ten blijk.
U breng ik dan mijn groet bij 't feestlijk jublen, Een heilgroet uit dat verre en schoone land.
Waar liefde bloeit en waar de mirten geuren.
En waar mijn macht 't oneedle steeds verbant.
{Zij geeft haar cadeau.)
quot;Wil dit geschenk dan uit mijn hand ontvangen. Het brenge mij voortdurend voor uw geest;
En 't beeld van heil waarop gij saam gingt staren. Zij werklijkheid tot op uw gouden feest!
De Toonkunst.
Gaat saam bij Harmonie,
Vereenigd door het leven.
Aan wie dan ook het roer In handen zij gegeven.
11
162
Een krachtig schoon accoord Zij steeds uw doen en laten;
Geen zorg ontstem dien toon, Wat kan dat zorgen baten?
Doch zoo die zorg niet vrij kt, Dan wil 'k u bijstand bieden,
Wellicht dat 'k door mijn kracht Die aardsche zorg doe vlieden.
Gij kent toch wel de macht Die ik op ieders harte
Voortdurend oefnen mag.
Al is 't vervuld met smarte.
Ik voer het hemelwaarts Op zachte Melodiën,
En stil de grootste smart Door mijne Fantaziën.
't Verdriet verjaag ik ook Door lieflijke Cantaten,
En waar ik rust ontdek Daar speel ik mijn Sonaten.
Ontdek ik vreugd en scherts, Dan speel ik Potpouriën;
Voor mannen van de kunst Mijn schoonste Symphoniën.
163
{Zij geeft haar cadeau.
En U bied ik met vreugd In deze zalige ure,
Mijn heilwensch en mijn groet In Huwlijks-Ouverture!
De Danskunst. (Tot de Toonkunst).
oorwaar, gij hebt veel schoone zaken Bij uwen heilwensch opgenoemd,
Kn niemand kan het zeker laken Wanneer gij uwe gaven roemt.
Maar gun mij ook eens even 't woord,
Mijn werkkring dient toch ook gehoord.
{Tot het Bruidspaar?)
Ik leer de jeugd het groeten, nijgen,
En ook de schoone Menuet,
Waarbij 'k op houding van het lichaam
En van de voeten ernstig let.
Opdat alzoo mijn eedle kunst Voortdurend deel in ieders gunst.
Ook onderwijs 'k de Polonaise,
Waarbij bet zijden kleed zoo ruischt.
Als de muziek met blijde tonen
Zoo vroolijk door de balzaal suist.
En wil men dan een Polka zien.
Dan help ik jonge en oude liên.
11*
-164
En hoor ik dan een walstoon klinken,
Waarbij men vlug in 't ronde zwaait, En lieflijk d' arm om 't lichaam strengelt
En zoo vereenigd voorwaarts draait;
Dan zie 'k mijn macht en heerschappij, Dan voel 'k mij opgewekt en blij.
Zoo ook bij snelle galoppades.
Bij contradans en cotillon.
Waarbij 'k mijn tooverstaf liet werken En telkens weer iets nieuws verzon. Ten blijk dat 'k aan bevalligheid Geheel mijn leven heb geweid.
(Zij geeft haar geschenk.)
En gaat gij dan een bal bezoeken.
Neem dan deez' waaier in de hand; Ik weet, gij kunt dien goed hanteeren.
Gij zwaait die vaardig en galant.
Uw leven zij dan vroolijk, blij.
Gelijkend op een danspartij!
De Tooneelkunst.
Dat gij het bal en vroolijke concerten In 't huwlijksleven niet verzaakt,
Dat is mijn wensch, want wissling van tooneelen Verjaagt de zorg, wanneer die soms genaakt.
Doch wil ook mij uw gunsten somtijds schenken, En luistert naar de klank van deze schel.
165
Wanneer mijn tempel 's avonds is geopend En ik mijn staf zwaai bij 't betoovrend spel.
Daar zult gij zien het leren met zijn vormen, Met vreugd en scherts, met bitterheid en smart,
Hoe soms de misdaad plotsling wordt ontsluierd; Hoe vreugde daalt in 't diep bewogen hart.
Kan ik daar op het hart van velen werken,
Het gloeien doen voor 't sehoone en voor de deugd,
Het sluiten voor 't soufleeren van den Booze,
En nuttig zijn voor Ouderdom en Jeugd.
Dan zie 'k mijn wensch. mijn hoogsten wensch bevredigd, Want 'k zie mjjn kunst voor velen nuttig zijn;
Dat streelt mij meer dan het uitbundig juichen,
Dan 't handgeklap bij 't vallen van 't gordijn.
(Zij geeft haar geschenk.)
Wil dan deez' schel als zinnebeeld ontvangen Van 's levensspel dat u nu beiden wacht,
Waarvan 't tooneel steeds hel verlicht moog wezen, Maar nimmer 't beeld van droefheid of van nacht!
De Bouwkunst.
En als in Zondags morgenstond De stem van mijne klok u roept.
En gij u tempelwaarts begeeft Waar orgeltoon uw harten treft,
166
En waar een lange zuilenrij Zich zoo vol majesteit verheft,
Dan legt gij voor den Hemelheer De beê van 't hart ootmoedig neer.
Maar in dien tempel groot en hoog,
Waar gij dan bidt als man en vrouw,
Waar gij God dankt voor 't levenslot Door Zijne hand u toegedeeld.
Als gij die werken ziet van steen,
In vroeger eeuwen opgebouwd,
En waar uw oog de kunst ontmoet.
Dan breng 'k u daar mijn welkomstgroet.
{Zij geeft ham- geschenk.)
Aanschouw ook hier wat ik vermag,
Het siere lang uw woonvertrek,
Het doe u denken aan mijn hand Die aan den steen zelfs schoonheid geeft. Volharding overwint dus veel;
Bedenkt dat beiden altijd wel.
Wanneer ge in 't leven iets ontdekt,
Dat door zijn hardheid zorg verwekt!
De Beeldhouwkunst.
Terwijl mijn Zustren zich beijvren
Bij 't bieden van een feestgeschenk.
Wil ik ook eindelijk nog toonen Dat ik in liefde aan u gedenk.
167
(Zij geeft haar geschenk.)
'k Bied u deez' buato van den Koning,
Mij dunkt, ik deed een goede keus.
Voor hem zal ook uw hart wel kloppen,
Zijn heil is immers ook uw leua.
Bescherm dan waar ge u moogt bevinden,
De Beeldhouwkunst zoo hoog vereerd. Die leven aan den steen kan geven En 't knagen van den tijd trotseert.
Haar werk moog steeds uw hart ontgloeien.
Voor het verheevne van de kunst,
Opdat haar rijk voortdurend bloeie Door volks- en ook door vorstengunst.
Blijft langen tijd blijde onderdanen
Van Neerlands Vorst die ons regeert.
En eiken dag ziet ge uwen heilstaat En ook uw voorspoed steeds vermeerd!
De Poëzie.
Laat dan nu uw blik steeds staren
Op het schoone van de kunst.
En verblijdt haar te allen tijde
Door uw voorspraak, door uw gunst.
Hebt steeds oog en hart voor alles
Wat de kunsten komen biên,'
Dan zult gij 't genot van 't leven Met elk uur vermeerderd zien!
168
\
No. 13. TWEE BLOEMENMEISJES.
VOOR TE DRAGEN DOOR 2 MEISJES TAN 40â12 JAAR. KOSTUUM : KORT WIT KLEEDJE, MET ROOD EN ZWART GEGARNfiERD, GROEN LIJFJE MET GOUDEN ORNAMENTEN, BLOEM-KRANSJE OP HET HOOFD.
ALS GESCHENK EEN FRAAIE BOUQUET.
De Oudste.
'k Hoop dat de Heeren en Dames,
Die hier zoo blij vereenigd zijn,
't Niet kwalijk nemen, dat wij even
Hier komen op dit trouwfestijn. Wij hoorden toch van feesten, trouwen ;
Kom, dacht ik, derwaarts moet ik heen, Wij Kochten toen naar 't beste kleedje â
De Jongste.
't Is alles nieuw van top tot teen. De Oudste.
Wij willen toch zoo gaarne toonen Dat ons uw heil ter harte gaat.
169
En zoo ben ik dan hier gekomen Met zusje die hier n*ast mij staat.
De Jongste.
Wij hebben ook iets meegenomen!
De Oudste.
Wij brengen ieder een bouquet, Die gij wellicht als schoon zult roemen, Als gij slechts op de bloemen let.
De Jongst#.
Die gaven zult gij niet versmaden.
Wij plukten die toch zelve af, En bloemen zijn de schoonste gaven Van af de wieg tot aan het graf. Beschouw die dus als onze hulde Die wij u brengen op dit feest, Waarop uw vrienden zijn verschenen Met opgewekten blijden geest.
De Oudste.
Zoo waagden wij het hier te komen In dezen kring zoo groot als blij. En hopen dat die kleine gave Door u ook aangenomen zij.
Het zijn wat rozen en viooltjes En â zooals gij daarin wel ziet,
170
Een klein maar toch heel aardig bloempje,
Men noemt het hier Vergeet-mij-niet. En voorts^wat kleine groene blaadjes
Die na een vijfentwintig jaar Met zilverglansen mogen prijken.
Als gij eens zijt een zilver paar!
De Jongste.
De Hemel moog u beiden geven Een blij en hoogst genoeglijk leven,
Die zij 't, die u geluk verleent;
Totdat wij eens als jonge vrouwen U als een zilvren paar aanschouwen. Als thans door liefdes kracht vereend!
DERDE AFDEELING. BRUILOFTSLIEDJES.
No. 1. LOF DES HUWELIJKS.
(wijze: Be Wereld is in rep en roer.)
De beker ga nu vroolijk rond Op dezen blijden avondstond,
Ter eer van onze vreugde, (bil.)
Maar ook ter eer van 't jeugdig paar Dat na 't verlaten van 't altaar
Ons door zijn komst verheugde, (bis.)
't Is alles liefde op 't wereldrond. Bij dieren zelfs men liefde vond;
Dat is ons klaar gebleken, (6is.)
Toen 't minnend musschenpaar op 't dak Al piepend tot elkander sprak,
Bij 't doen van guitenstreken, (bis).
-172
Een kater loopt ook -w el eens rond,
Vooral bij laten avondstond,
En hoopt op 't rendezvontje, (bis.) En spreekt dan minnend: miau, miau, miau Al is hij blauw en bont Tan kou,
'k Heb u zoo lief, mijn zoetje! (Ms.)
Zoo leve dan de blijde min,
In ieder menschlijk huisgezin.
En ook bij 't jeugdig paartje, (bit.) Zoo leven zij te zamen voort,
Terwijl hun heil niet wordt gestoord, Gelukkig menig jaartje! (bis.)
No. 2. HULDE AAN DEN BRUIDEGOM.
(notaris of secretaris.)
(wijze: De Wereld is in rep en roer.)
Van vele dingen op deez aard Is zwijgen soms twee kwartjes waard, Mijnheer de Secretaris, (7«i.)
(Geachte Heer Notaris)
Maar spreken doet toch ook soms mee Op de bewogen levenszee. â
Spreekt gij dan steeds wat waar is! (ilt;s.)
De mensch, hij zij dan jong of oud,
Is niet van koekdeeg of zoethout.
173
Zeer -waarde Secretaris; {bis,)
(Geachte Heer Notaris)
Hij moet ook eten op zijn tijd. â
Het lot u op deez aard bereid
Zij â eten wat goed gaar is! {bis.)
Maar als men eet, 't zij ham of worst, Wordt men wel eens gekweld door dorst. Geachte Secretaris, {bis).
(Zeer waarde Heer Notaris)
Dan drinkt men water, bier of wijn. Die troebel of verschraald soms zjjn,
Doch drinkt gij slechts wat klaar is! (bis.)
En o wat treft ons vaak verdriet,
Door een ons opgezegd crediet.
Vereerde Secretaris, {bis.)
(Geachte Heer Notaris)
Doch bij al 't leed dat de aarde geeft,
Blijft gij, zoolang gij samen leeft.
Bevrijd vooral wat naar is! {bis.)
En scheren â o, wie scheert er niet.
Zooals gij alle dagen ziet.
Geschoren Secretaris, {bis.)
(Geschoren heer Notaris)
Maar neem nu ook het mes ter hand, En breng het schuim naar alle kant. En scheer dan ook waar haar is! {bis.)
174
No. 3. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
NEGER-ENGELSCH BRU1LOFTSLIEÃ. ZOO GETROUW MOGELIJK IN HET HOLLANDSCH OVERGEZET.
(wijze: Muf, bluf, etc.)
Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem, Lang moge onze Bruigom leven,
Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem. Komt zingt nu met luider stem.
O wat is de Bruigom blij Nu hij 't Bruidje heeft verkregen, En daarom ook wenschen wij, Heil hem in elk jaargetij!
Tsjam, tsjem, tsjiri, tsjam, tsjem. Lang moog onze Bruigom leven,
Tsjam, tsjam, tsjiro, tsjam, tsjem. Komt, zingt nu met luider stem.
O wat is het Bruidje blij.
Nu zij heden ook mocht trouwen, En daarom ook wenschen wij Dat zij steed» gelukkig zij.
Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem, Lang moog ook het Bruidje leven, Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem. Zingt dan nu met luider stem!
175
O wat is 't een aardig Paar,
'k Zag nooit flinker in mijn leven, Ja, het is van zessen klaar.
Als zal blijken na een jaar. â
Tsjam, tsjam, tgjiri, tsjam, tsjem, Lang moog dan het paartje leven, Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem. Zingt dan nu met luider stem!
Dat het steeds gelukkig zij,
Ja, dat willen wij ook hopen.
Dat het op de levensbaan Steeds voorspoedig voort moog gaan. Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem. Lang moog het gelukkig wezen.
Tsjam, tsjam, tsjiri, tsjam, tsjem, Hun geluk moog lang bestaan!
No. 4. JAPANSCH BRUILOFTSLIED.
wijze: Al is ons Prinsje etc.
Komt heffen wij een feestzang aan, â tsjing, tsjang, Want zoo moet 't op een bruiloft gaan, â djing, djang. Ter eer van 't huwlijk klinke ons lied.
Dat ons zooveel genoegen biedt,
Tsjing tsjang, â psjing psjang, â tsjing tsjang. {his.)
176
Hoe prettig toch zoo'n bruiloftsmaal, â tsjang, tsji,
En zulk een vriendelijk onthaal, â psjang, psji.
De vreugde straalt uit elks gelaat.
Terwijl de wijnflesch naast ons staat,
Tsjang tsji â psjang psji, â tsjang tsja. (bis.)
De Heeren alleen.
En wat de vreugde nog vermeert â tratsj, sja,
Is dat men zich hier niet geneert â poetsj, kwa,
Elk geef dus rechts en links een zoen
Zooals de Japanneezen doen.
Hats sja â poetsj kwa â hats sja. (bis.)
De Dames alleen.
Wij danken, Heeren, voor die eer, â psjing, ksja,
Zoo'n zoentje, och, het doet geen zeer, â ratsj, tsja.
Wij zien daarin een gunstbewijs
En stellen dat op hoogen prijs,
Pjang ksja â rats pna â pjang ksja. (bis.)
Allen.
Lang moog het huwlijk dan bestaan, â ho, tsjé, Al moet daarbij ook veel gedaan, â kji, pksjé, Want zonder bruiloft wordt men saai En 't leven zoo ontzettend taai,
Ho tsjé â kja pksjè â ho tsjé (bis.)
Men trouwe dus maar lustig voort, â kjeng, kjang! En geve Bruiloft zoo 't behoort, â sjeng, tjang.
177
Dan smaakt men nog eens vroolijkheid,
En leeft door de gezelligheid,
Kjeng kjang â sjeng tjang â kjeug kjang! (iis.)
No. 5. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
wijze: TVien Neêrlandsch bloed etc.
Allen.
U, Bruid en Bruigom, geldt deea' zang, Nu gij vereenigd zijt;
Wij hopen dat gij u zeer lang In 't heilrijkst lot verblijdt.
Zoo heffen wij dan tot begin Een blijden feestzang aan,
En wenschen u door huwlijksmin Een zalig, blij bestaan! {bis.)
Dames.
Ter eere van den Bruidegom Verheffen wij ons lied;
Terwijl hij zich niet zijne Bruid
Verheugt in 't schoonst verschiet.
Gezondheid wenschen wij hom toe En sterkte bij zijn plicht.
En dat voortdurend hem bestraal
Het meest verblydend licht! (bis.)
gt;
12
178
He eren.
Gij, Bruid, zijt 't voorwerp van ons lied,
Gij aan een bloem gelijk. Wij wenschen dat gij in uw hof
Nog vele jaren prijk'.
Geen stormwind drukke 't hoofd ter neer.
Geen hagelslag 't gemoed,
Maar heldre lucht en zonneschijn Vermeer uw levenszoet!
Allen.
Treedt samen dan nu lustig voort.
Geeft steeds elkaar de hand.
En zorgt dat bij het keukenvuur Het minnevuur ook brandt.
Dan vindt gij 't grootst geluk op aard,
Dan is 't u wèl en goed.
Dan smaakt gij vree steeds in uw huis En vrede ook in 't gemoed!
â 179
n
No. 6. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
(met accompagnement van een turksche trom.)
wijze: lek bin der doctor Eisenbart.
solo: Ik groet u, Bruidegom en Bruid,
allen: Wiede wiede wied bom bom.
solo: Wat ziet ge er toch tevreden uit,
allen : Wiede wiede wied bom bom.
solo: Ik merk; je hebt in 't huwljjk schik,
allen ⢠Wiede wied jonkheirasa.
solo: Dat zegt mij uw tevreden blik,
allen: Wiede wiede wied bom bom.
Gloria, victoria,
Wiede wiede wied bom bom bom bom.
Gloria, Victoria,
Wiede wiede wied bom bom!
[In de volgende coupletten zinge de Solo en het koor als boven.)
Wij allen wenschen u ook heil,
En splint ver boven 't burger peil,
't Geluk zij stuurman op uw boot.
Gezondheid kleur uw wangen rood.
Krijgt gij bij toeval ook een kind,
Dan ga 't dien spruit ook voor den wind,
Die 't zalig huwlijksheil vergroot,
Al schreeuwt het soms zijn wangen rood.
12*
180
Hebt nooit gehaspel met een meid,
Of een die met dragonders vrijt;
Hebt nooit een kachel die steeds rookt Of koffiewater dat nooit kookt.
't Ga alles dan bij u op tijd,
Nooit zijt ge schaar of sleutels kwijt.
Nooit val bij u de lamp op zij.
Nooit eet gij aangebrande brij.
Voorts wenschen wij u op den duur. Steeds 's levens zoet maar nimmer 't zuur, En dat gij 't hoogst geluk op aard Moogt vinden aan uw eigen haard!
No. 7. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
wijze: Wie praalt aan 't hoofd der heldenstoet.
Allen: Zeg Bruigom, mint ge uw bruid als
(vrouw?
De Bruigom: O Ja!
Allen: Zult gij haar altijd zijn getrouw? De Bruigom: O Ja!
Allen: Zult gij haar leiden waar zij gaat, Uw liefde toonen met de daad? De Bruigom; O ja, o ja, o ja! {his.)
181
AU en: En, Bruidje, wilt gij hem als man?
De Bruid; O ja!
Allen: Gij weet er dus reeds alles van?
De Bruid: O ja!
Allen; Zult gij bij alles wat hij doet.
Heel huislijk zijn en lief en goed?
De Bruid; O ja, o ja, o ja! {bis)
Allen; Zegt, zult gij twisten, schelden slaan? Beiden: Wel neen!
Allen; Kijkt ge ooit elkander donker aan? Beiden; Wel neen!
Allen: En geeft ge als de een verkeerd gaat
(doen,
Dan wel iets anders als een zoen? Beiden: Wel neen, wel neen, wel neen! (bis.)
Allen.
Wij hebben 't allen aangehoord, o ja.
En 't is nu alles zoo 't behoort, o ja. Zoo willen we dan verder gaan En nomen thans hun huwlijk aan.
O ja, o ja, o ja! {bis.)
Wij keuren dan het Bruidspaar goed, oja En wenschen hun des huwlijk» zoet, o ja, De band die om hen is gelegd.
Wordt telkens vaster nog gehecht.
O ja, o ja, o ja! {bis.)
182
No. 8. AAN BRÃIDEGOH EN BRUID.
ZINGEN DOOR 2 OF MEER PERSONEN IN HET KOSTUUM VAN OUDEKLEERKOOPERS, MET BEGELEIDING VAN VIOOL OF HARMONIKA. JOODSCH DIALEKT.
(wijze: In de Nes daar moet je wezen.)
Hosse maaie! Lhaat hons zingen
Hop deus jhongeluis bartij,
Strakkies zelle wij ook sphringen En what anders nog daarpij.
Hosse maaie,
Hosse maaie,
Mozes, Nathan, what een pret, Nah, Leip, hik begrijp What er wordt op touw gezet.
Hosse maaie, honze Rhabbie
Houdt nou strhakkies nog de breek, 't Is van avond ghroote sjabbi,
'k Wou het was zoo heel de week. Hosse maaie, enz.
Nah, what kaikt de Pruigom sjimpel,
't Ia of hij niet tellen khan,
Maar dat sjhal wel handers worden, Stjraks weet hij er alles van!
Hosse maaie, enz.
183
En what ziet de Preit verlegen, Nah, 't is of ze kiespijn het,
Maar 't is vreemd ook Preit te wezen, Dat'» geen halledaagsche bret.
Hosse maaie, enz.
Mhaar we whillen toch wat wenschen:
Leeft gelukkig met elkaar,
En plijft nog zeer vele jaren Een charmant gelukkig paar!
Hosse maaie, enz.
Plijft vrij van die dingsigheden
Die je geven veel verdriet.
En dhat je na twalef jaren Twalef kindren om je ziet!
Hosse maaie, enz.
No. 9. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
tk zingen door 2 of meer personen in het KOSTUUM van liedjeszangers.
wijze : Be wereld is in rep en roer.
De wereld is een schouwtooneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zjjn deel.
Dat is ons steeds gebleken, (bis.)
Want ieder danst zijn hopsasa,
184
En ieder zingt zijn tralala,
Doch heeft daarbij ook streken, (bis)
Toen Bruigom nog in 't wiegje lag En nauwelijks het daglicht zag, Had hij nbg geen gebreken. {6is.)
Toen danste hij geen hopsasa,
En zong ook nog geen tralala.
Hij wist nog van geen streken, (bis.)
Doch pas was hij het wiegjen uit, Of aan de moeder van den guit Was spoedig iets gebleken, (bis.) Al danste hij geen hopsasa.
Al zong hij nog geen tralala,
Toch had hij reeds zijn streken, (bis.)
Wat later ving het leeren aan, En Bruigom zou naar school toe gaan, Daar zat hij dagen, weken, (bis.)
Daar danste hij geen hopsasa En zong geen vroolijk tralala.
Doch had al vele streken, (bis.)
Want was het leerensuur voorbij. En was hij in de jongensrei,
Dan is het klaar gebleken, (bis.)
Dat hij graag danste hopsasa,
En zong een vroolijk tralala.
Bij 't doen van jongensstreken, (bis.)
185
En dra werd Bruidegom een Jan, En ving de tijd van werken an. De kindschheid was geweken, (hu.) Hij danste wel geen hopsasa,
Maar zong bij 't werk toch tralala. En hield nog van geen streken, (iis.)
Toen hij bereikt had twintig jaar. Werd het hem om het hart zoo raar, Hij had wat rond gekeken, {bh.)
Toen sloeg zijn hartje hopsasa,
En tikte vrooljjk tralala,
Hij kreeg verliefde streken, (bis.)
Hij vond in 't eind een hupsche maagd Die, nadat hij haar had gevraagd. Gehoor gaf aan zijn smeeken. (hm.) Toen sprong hij blijde hopsasa,
En zong ook vroolijk tralala,
En dacht toen aan geen streken, (i/s.)
Zoo trad hij met verheugden zin Het schomlend huwlijksbootje in, En dorst van land te steken, (hin) En met zijn bruidje, hopsasa Zong hij een vrooljjk tralala,
Bjj 't doen van huwlijksstreken. (4«.)
Vaart dan nu samen lustig voort. En ziet gij hier of daar aan boord Somtijds een touwtje breken, (éts.)
186
Verliest geen moed, danst hopsasa, En maakt het en zingt tralala. Dan is dit kwaad geweken,
Door uwe wijze streken!
No. 10. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
jte ZINGEN DOOR 2 OF mler PEUSONKN, IN HET KOSTUUM VAN OUDt; KLEERKOOPEns, JOODSCH DIALEKT.
wijze ; O vader Abram.
O vader Apram,
Wij zijn gezet op de oude wet,
Awaai, what vreugde Op zoo'n pruiloftspret.
O Mozes, goede peste heer.
Zie gunstig hop deez' pruiloft neer.
Dat die u welgevallig zij,
O vader Apram, enz.
De Pruigom, knap van l[jf en leen,
En met zijn Preitje pest te vreên.
Die staat, zoo as je plieft te zien.
Thans onder de gepodcn.
O vader Apram, enz.
Het Preitje mede zeer content.
Met zulk een flinken fermen vent,
137
Is wel door Kupido gewond,
Maar dat zal wel genezen.
O vader Apram, enz.
Och ja, zoo gaat het altijd voort, Ze vrijen nu maar ongestoord,
En zelfs ziet men in maneschijn Ook kleine Smousjes vrijen.
O vader Apram, enz.
De meisjes ook van zessen klaar, Die vrijen ook al, vrijen maar. Op Sjabbes kan je dat zelfs zien,
Zelfs in de Synagoge.
O vader Apram, enz.
Maar 't jonge Baar, nu bas getrouwd, Is niet te jong en ook niet te oud, Brecies zooals het wezen moet, Om daar wat van te wachten.
O vader Apram, enz.
Dus, sjorem, sjorem zingen wij, Dat dit verbond gezegend zij. Gezegend ook het nageslacht,
Dat dus dit Baartje leve!
O vader Apram, enz.
â¢188
No. 11. HÃWL1JKS A. B. C.
GEZONGEN TER EERE VAN BRUIDEGOM EN ERUID.
WIJZE: A. B. C.
A. B. C. D. E. F. G.
't Loop den Bruigom altijd meê, Voorspoed willen wij hem wenschen, En ook achting voor da raenschen, Nimmer kenne hjj verdriet,
Immer stijge zijn crediet.
E. F. Gr. H. I. J. K.
Dat 't de Bruid voorspoedig ga. Altijd vindt zij goede meiden, Nimmer ken zij slechte tijden. Het geluk woon in haar huis. Waarop men nooit zie een kruis.
I. J. K. L. M. N. O.
Bruigom wees toch nimmer bloó. Heeft er iemand soms veel praatjes, Och, dat praten vult geen gaatjes, Gooi zoo'n bluffer over boord. Voordat hij uw heil verstoort.
M. N. O. P. Q. R. S.
Bruidje hoor nog deze les:
489
Komt u soms een vriend bezoeken, Quasi met wat mooie boeken,
Neem die boeken dankbaar aan. En daarmee zij 't afgedaan.
Q. R. S. T. U. V. W.
Bruigom nog een woord of twee. Zit gij 's avonds bij uw vrouwtje, Och trek dan ook eens aan 't touwtje, Drink des noods een fijne flesch,
Maar denk aan de huwlijksles.
T. U. V. W. X. Y. Z.
Straks komt 't einde van deez' pret. Maar het waar geluk van 't leven Zij n ongestoord gegeven:
J£n wat ge ook ziet vergaan,
Uw geluk blijv' steeds bestaan!
190
No. 12. REISLIED.
ter eere van bruid en bruidegom..
wijze : Be wereld is in rep en roer.
Komt heffen wij een feestzang aan, Nu 't Paartje dra op reis zal gaan,
En laat ons afscheid drinken, (iis.) Ja, eer men zulk een reis aanvaardt,
Voor menig jaartjen op deez' aard.
Moet men toch eerst eens klinken, (iis.}
Reeds ligt het schip geheel gereed, Dat men «de goê verwachtingquot; heet
Dien naam mag het wel dragen, (bis.} En vraagt gij wat de lading is.
Slechts enkel liefde, puik en frisch,
Zooals men hoort gewagen, (bis.)
Het voert een flinken Kapitein,
Zijn naam toch moet De Vrede zijn,
In 't sturen zeer bedreven; (bis.) De Vriendschap is er ook aan boord Om dienst te doen met touw en koord. En bij het zeilenreven. (bis.)
«Vooruit!quot; roept straks de kapitein, «De vlag in top, zoo moet het zijn,
191
«Wij gaan een reisje wagen.quot; (bis.) En ziet â daar vult de wind het zeil, Die 't schip nu voortstuwt als een pijl, En immer voort blijft jagen, (bis.)
Wij wenschen u dus goede reis. En zingen op bekende wijs :
«Voorspoedig moogt ge reizen, (bis.) «Een storm beloope nooit uw schip, «Een ijsberg of een blinde klip Doe nooit uw harten ijzen.quot;
Neen, voor den wind ga 't lustig voort, Tot aan de haven Koper oord.
Om daar eens uit te rusten, (bis.) Van daar richt het den steven blij. Bij heldre lucht en gunstig tij.
Tot aan de Zilverkuste[n. (bis.)
En hebt ge daar wat opgedaan. Dan moogt ge alweder verder gaan.
Bij gustig tij en stroomen, (bis.) Totdat gij met de vlag in top En jublend op het ruime sop,
In 't Goudland zijt gekomen! (lis.)
192
No. 13. AAN BRUIDEGOM EN BRUID.
wijze: O Moeder de Zeeman.
Ja, Bruidje, wij zingen,
Wij zingen nu vroolijk u ter eer,
Ja Bruidje, wij zingen Nu vroolijk en tot uw eer.
Wij wenschen u zegen en voorspoed op aard. Dat gij steeds voor leed en verdriet blijft gespaard. En dat gij met manlief uw dagen met vreugd Moogt slijten in eer en in deugd!
Dus Bruidje, wij zingen En juichen nu vroolijk u ter eer.
Ja, Bruidje, wij zingen En juichen nu u ter eer!
Heil ook onzen Bruigom,
Voor hem klinke thans een jublende toon, Lang mooge hij leven.
Voor hem klinke een blijde toon. Wij wenschen hom allen van harte geluk,
Dat hij met zijn Bruidje veel bloemen steeds pluk', Dat voor hem bij alles wat wisselt op aard Voortdurend geluk blijv' bewaard!
Dus heil onzen Bruigom,
Voor hem klink thans een jublende toon,
193
Lang moge hij leven,
Voor hem klinke een blijde toon!
Lang leev' dan het Paartje,
Door vriendschap en door liefde vereend, Lang leev' dan het Paartje,
Door liefde en vriendschap vereend, 't Verblijdendste zonlicht zij immer hun deel Langs bloemrijke paden, bij voglengekweel, En wat er rondom hen ook moge vergaan, Hun heilstaat blijve immer bestaan!
Lang leev' dan het Paartje,
Door vriendschap en door liefde vereend. Lang leev' dan het Paartje,
Door liefde en vriendschap vereend!
VIERDE AFDEELING.
BRUILOFTS-TELEDRAMMEN.
Ik wcnsch den Bruigom en zijn Bruidje Veel voorspoed in het Huwlijksschuitje!
Het hart vol min, de hemel rein, Zoo moog 't steeds bij dit paartje zijn!
Het allergrootst geluk op aard,
Bloei steeds voor u aan eigen haard!
Wij ook stemmen blij van zin
Met uw aller juichtoon in,
En vereenen ons altijd
Met een troost aan 't Paar gewijd!
195
Lieflijk tooit de mirtekrans!
Maar Jdie schoone zachte glans Wijk toch eens voor zulk een gloed. Als men bij het goud ontmoet!
Ik wensch met hart en ziel en mond, Veel zegen op uw Echtverbond!
Om 't jeugdig Paar mijn groet te brengen Zal ik een vollen beker plengen, Met geestdrift drink ik dien dan uit, Ter eer van Bruidegom en Bruid I
Het groen van d'edlen mirtekrans Verandere eens in gouden glans!
Lang moog het paartje leven,
Vereend door liefde en trouw, Lang leve het gelukkig Als echte man en vronw!
Al kan ik u hier niet ontmoeten, Toch wil ik u als vriend begroeten,
196
En wensch u op uw trouwfestijn: Uw huwlijk moog gezegend zijn!
Van jaar tot jaar stijge uw geluk en zegen, En op dien wensch moet gij uw glazen leegen!
Aan 't jeugdig, hoogst gelukkig paar, Voortdurend heil nog zestig jaar!
Was ik in staat u heden te begroeten, Ik strooide tal van bloemen voor uw voeten!
Neem toch de wenschen aan Die eenge jonge lieden,
Op dit uw huwlijksfeest Uit 't verre land u bieden I
Wij leggen op uw feestaltaar Een enklen wensch oprecht en waar, Deez' naamlijk: dat de loterij Met 't hoogste lot u gunstig zij!
Door zonnegloed en maneschijn Moog steeds uw pad verhelderd zijn!
197
Ik weet niet wat 'k u wenschen zal In 't ondermaansche tranendal;
Maar ja, geen traan door leed geschreid, Maar wel door pret en vroolijkheid!
De stormen van den herfst Doen nooit uw schoorsteen vallen, Dan kwam er roet in huis,
En â dat is 't gekst van allen!
Uw heil zij als een eik,
Die stormen kan verdragen, Uw toekomst als de lucht In schoone zomerdagen!
Uw heden is met groen omtogen, Uw morgen zij daaraan gelijk,
Terwijl uw toekomst met de glansen Van goud en zilver lieflijk prijk!
Een leven, blij door zonneschijn, Moog jaren lang het uwe zijn!
Dat 't lot u altijd gunstig zij In 's levens groote loterij!
â¢198
De Lente geve u vreugd, De Zomer blijde dagen, De Herfst zijn keur van vrucht, De Winter rf^«»vlagen!
/