.......
.....^^SO®BSlFsgt;iWi^aEE®^BWi^*to$i^S»
|
0m:4 | |
|
|^Ã |
;' â â quot; |
|
ws.*)*'-* quot;-.-Ajfr | |
|
yM^ | |
|
«projrah* | |
:v;Mp
FEE S T GAV E
HENRI VAN DER MARCK, Roermond 1895.
-^-5
'-mm
:mÃ.
o.///
r-
' li
FEESTGAVE
aangeboden aan de leden dek
in het Diocees van Roermond,
bij gelegenheid van
HET JUBELFEEST,
ap van de H, Familie
â ïj
;
GEHOUDEN IN DE /ViARIA- /Vi U N STE R KE R K
te
ROERMOND,
dcu 10 ©eceiiiamp;ez. 1894
yVl A R I A â JA\
door
J. E. H. MENTEN.
'$0
HENRI VAN DER MARCK, Roermond 1895.
ZIJN DOORLUCHTIGE HOOGWAARDIGHEID quot;3\/IOJ4$eigKEUR
F. A. H. BOER MANS,
Bisschop van Roermond,
DEN HOOGEN EN VADERLIJKEN BESCHERMER
(ê
DER H. FAMILIE IN ZIJN DIOCEES,
EERBIE DIGST
OPGEDRAGEN
HET HOOGE EEEST.
De Aartsbroederschap der H. Familie vierde jongstleden, 10 December, een heerlijk feest.
Limburg, het diocees van Roermond, dat er trotsch op gaat, den edelen stichter der gezegende instelling onder zijne zonen te tellen, zou in de mijterstad Roermond, in de oud-prachtige Maria-Munsterkerk, het gouden jubelfeest herdenken, den dag waarop de eerste steen gelegd werd van het grootsche gebouw, dat weldra honderdduizenden een toevlucht zou verleenen en heil en zegen aanbrengen aan Kerk en Maatschappij.
Pinkstermaandag 27 Mei 1844, 's avonds ten 7' 2 ure, had de eerste vergadering plaats te Luik, Rue Hors Chateau.
Het jaar 1894 bracht dan het gulden jubilé. Prachtig werd het gevierd te Luik in de Kerk van de Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser, de wieg van de Aartsbroederschap.
Honderden pelgrims, van geheel Nederland saamgestroomd, verdrongen zich in de ruime Kerk. De pontificale Mis werd opgedragen door Z. D. H. Mgr. Wulfingh.
Ieder diocees zou echter een bijzonderen feestdag vieren, een openbare plechtige dankbetuiging aan den Allerhoogste, die door de Aartsbroederschap zoo oneindig veel goeds aan Nederland bewees, en aan elk diocees zoo tallooze weldaden schonk.
De grijze kerk, den gevel in vlaggentooi, een waar juweel van architectuur, had haar feestgewaad aangetrokken. Rijke draperiën daalden sierlijk uit een machtige kroon; bloemen èn groen èn licht wedijverden om den luister van Gods huis te vermeerderen,
6
en op het hooge koor, rijk met tapijten belegd, waren de plaatsen bereid voor Z. D. H. den Bisschop van Roermond en Zijn Hoog Eerwaarde Assistenten.
Langzaam vulden zich de hallen en galerijen met breede scharen van mannen en jongelingen, de medalje der H. Familie op de borst, in vrome ingetogenheid, terwijl een talrijke priesterschaar, H.H. Directeuren der verschillende Congregatiën, op het hooge koor had plaats genomen. Het was een indrukwekkend gezicht, dat allen, die het geluk hadden tegenwoordig te zijn, onvergetelijk zal blijven.
Later zullen wij met een kort verslag uit de Roermondsche nieuwsbladen, deze feestgave besluiten.
Wij willen eerst onzen lezers het beeld voorstellen van den stichter der H. Familie.
EEN GROOT MAN.
DE RIDDER.
Henricus Hubertus Belletable, werd den 8 April 1813 te Venloo geboren. Hij sproot uit een echt vrome, katholieke familie, en van zijn prilste jeugd leidde hij een waar godsdienstig leven. In hem werd bewaarheid, op rijpen leeftijd, zelfs te midden van al de gevaren van den militairen dienst in de kazerne, het woord der H. Schrift, sde man zal steeds bewandelen, de wegen zijner jeugdquot;. Hij was buitengewoon rijk begaafd èn naar ziel èn naar lichaam. Een ridderlijke figuur.
Het was een bekend woord onder zijne makkers sde trouwste oogen in het schoonste gelaatquot; dat is Belletable, de schoonste officier van het regiment. En dan een echt militaire houding, een fiere gang, welke die sierlijke gestalte droeg en die hem zoo bijzonder onderscheidde,
In hem was niets ordinair, alles even uitstekend en de adel der ziele straalde uit die geheele verschijning.
En die ridderlijke man had ook in groote mate die eigenschap, welke slechts bij uitstek begaafde en door God gezegende menschen kenteekent: de bescheidenheid. Voegt daarbij een plichtbesef, een onwrikbare nauwkeurigheid in alles wat »dienstquot; kon heeten, zoo dat zijn naam spreekwoordelijk was geworden, en gij ziet voor u oprijzen het beeld van den Man, door de Voorzienigheid voor de hooge en heilige zending bestemd, om de H. Familie in het leven te roepen. Maar een kinderlijke godsvrucht bezielde den modernen kruisvaarder, een godsvrucht van zoo diepe overtuiging, door zulk een levendig geloof gedragen, dat zij hem als met het zilveren schild der onschuld
dekte, onverwinnelijk maakte, «onkwetsbaarquot; voor alle verleidingen, alle verlokkingen der zonde en der wereld.
Hij kende de bron van de macht der deugd. Hij kende het Brood der Engelen, en den Wijn, die de maagden voortbrengt.
Dikwijls, soms meermalen in de week, zaagt gij hem naderen tot de tafel des Heeren, en dat met een ingetogenheid zoo groot, met een moed zoo fier, met zulk een verachting van alle men-schenvrees, dat men hem wel noemen mocht »den Ridder zonder vrees noch blaam.quot;
Nooit anders dan in uniform, verscheen hij in de kerk. Voor hem zeiven was het een onderpand van trouwe, zoowel aan den Koning der Koningen als aan Belgie's vorst, wien hij den eed van getrouwheid had gezworen.
»Krijgmanskleed, krijgmanseer,quot; placht hij te zeggen.
Maar wat een stichting ging van hern uit, wat een voorbeeld gaf hij overal en aan iedereen. »Alles voor God,quot; dat was zijn leus.
Met kinderlijke liefde bezield voor de lieve Moeder Gods, was hij Maria's zoon, en dat zoo onverdeeld, zoo eenvoudig en zoo oprecht, dat deze nieuwe Bernardus, ging hij een Moeder-Godsbeeld voorbij, haar eerde met woord en groet en gebed, terwijl hem de tranen soms in de oogen schoten.
Voor de werken van de groote moeder Theresia, de Heilige van het H. hart, de grootmoedige hervormster der Carmelieten, had hij een vooringenomenheid, die misschien opvallend zou geweest zijn, was het niet dat die reine geest en dat reine hart geheel bijzonder gemaakt waren, om de trotsche vlucht te volgen van deze Vrouwe, die wel eens »de Adelaar der Aseese,quot; door de Spanjaarden genoemd wordt.
Dat was het ware voedsel voor Belletable's geest.
Zoo als zijn lektuur, zoo was ook zijn gezelschap.
Voor dien man stond het Seminarie te Luik, waar hij in garnizoen lag, open. Dat was de tijd zijner zoo innige vriendschap met zijn Limburgschen, Venloschen vriend, thans de doorluchtige kerkvoogd van Roermond. Daar telde hij zijn beste vrienden, èn in ernstige gesprekken, èn in onschuldige scherts, vlogen daar de uren voorbij.
Voor hem was het een ware uitspanning naar het Seminarie te kunnen gaan en daar werd zijn binnenkomen met luid gejuich begroet.
In dien Ridder woonde de ziel van een Apostel.
DE APOSTEL DER WERKLIEDEN.
Van den beginne af aan, streefde hij er alleen naar, zijn mede-menschen goed te doen. Hij woonde zoo uiterst mogelijk eenvoudig, zijn kamer geleek op de cel van een kloosterling. Hij leefde zoo sober, kwam met zoo weinig uit, dat hem zijn dage-lijksch onderhoud niet meer dan een halven frank kostte.
Alles wat hij overhield, en met zoo angstige zorg bespaarde, gebruikte hij voor aalmoezen, maar in de eerste plaats voor den aankoop van goede boeken, die hij onder het volk bracht.
Priesters in de zielzorg werkzaam, en die hij wist dat gaarne boeken voor hun parochianen zouden aangeschaft hebben, hadden zij over de middelen kunnen beschikken, ontvingen van onbekende zijde geheele kisten met boeken, om uit hun dorp de slechte lektuur te weren.
En om zulks te kunnen doen, sliep hij op stroo, droeg hij katoen in stede van linnen, had hij niets dan zijn uniform en vermeed met de grootste zorg alle uitgaven.
Gij kent nu den man, ziet hier zijn werk.
Belletable was kapitein der genie en geplaatst te Luik aan de kanongieterij.
Het was in het jaar 1844.
Luik wemelt van werklieden.
De revolutionnaire geest, die van Frankrijk in 1789 overwaaide, en in België zooveel slachtoffers maakte, keerde met de verslagen Fransche legerscharen niet terug naar het rampzalig schoone land, van het slagveld van Waterloo.
In België bleef hij en broeide niets dan onheilen en rampen.
Na de tweede omwenteling van 1830 werd het een proefveld,
10
van het liberalisme. De laatste kiezingen hebben de vruchten geleverd en getoond. Het liberalisme is weg, vervlogen en begraven, en de anarchie trok in triomf de raadzalen binnen van het land.
De godsdienst werd hevig aangevallen, de priesterschap aangerand, de Kerk op sluwe wegen vervolgd onder het masker der vrijheid. Op alle wijzen zocht men den invloed van den priester afbreuk te doen, en wantrouwen tegen Kerk en priester te zaaien in het hart der werklieden, der hardbeproefden, der on-gelukkigen dezer wereld, der onterfden van de Maatschappij.
Om ze tot hun prooi te maken en tot misleide handlangers van hun werk der helle, moesten zij, zoo wilde het de vrijmetselarij, aan kerk en priester ontvreemd worden.
Zij moesten bedrogen, misleid worden en den godsdienst hun door valsche redeneeringen ontfutseld.
Want zij weten het wel die valsche vrienden, dat in de Kerk alleen de redding is der maatschappij, dat zij»deArkequot; is door God gebouwd tot dat werk der redding, en zij, die daartoe mede moeten werken, aan dat groote werk en tot dat heilig doel alle offers moeten brengen, dat zijn de priesters
Dit keer zou het een ander soort van priester, een ander soort ook van soldaat zijn.
Noemde zich niet de H. koning Lodewijk van Frankrijk ïGods sergeant.quot;
Belletable zag de treurige verwoestingen, die het ongeloof verrichtte in deze kern der Maatschappij; hij zag hoe ze in de strikken vielen, welke de verleiding hun spande, hij zag ze te gronde gaan met vrouw en kind in den dubbelen afgrond der ellende en der goddeloosheid.
Naar ziel en lichaam 1
Voor het ongeloof is niets heilig, niet de deugd der vrouwe, niet de onschuld des kinds, â de gouden moederkroon zoo min als de zilveren kinderkrans.
In het belang eener hartelooze industrie, die alleen op eigen voordeel bedacht was, werd de arme werkman uitgeperst, al het bloed uit de aderen.
Maar helaas! helaas! liet men hem dan ten minste nog zijn ziel.
Liet men hem nog den godsdienst, zijn troost bij leven en sterven, de godsdienst, die hem sterkt en opbeurt in zijn leed, zijn licht in droevige dagen, die hem zijn zwaar kruis deed dragen in de hoop op de vergelding daar boven.
11
Neen men schudde den werkman uit, zoo als de bandieten den argeloozen reiziger en men wierp hem uitgeplunderd langs den weg, van alles beroofd. Dan buigt zich wel de priester, de barmhartige Samaritaan, liefdevol tot hem neer, â maar de arme wil niets van hem weten, â want met den bittersten haat jegens hem, zijn eenigen redder, goot men het verbitterde harte overvol.
Dat alles zag, begreep en overwoog Belletable. Maar waar het middel vinden, de redding ?
Hij vroeg om licht, bij Hem die de waarheid is, de weg en het leven.
Aan den voet der altaren knielde hij soms uren lang voor het Allerheiligste, dat in Luik dag en nacht, zonder onderbreking, altijd in eene kerk ter aanbidding is uitgesteld.
En hij vond licht.
Hij wilde werken voor den werkman, en ziet! Naast hem knielde dikwijls een werkman in den kiel, op de trappen van het altaar.
Dien had God gezonden.
Joseph Aegidius Jongen, zoo heette de werkman.
Eensdaags, stond Jongen op en verliet de kerk. Belletable volgde hem op den voet. Op straat sprak hij hem aan. De werkman wilde zijn gezelschep ontwijken â die schoone officier en die werkmTva.!
Maar zij waren voor elkander gemaakt en bestemd.
Neen 1 riep Belletable, neen, gij blijft hier, vriend, ik ben een werkman aan de kanongieterij, een werkman zooals gij.
Kort voor Pinksteren greep deze ontmoeting plaats.
Een tweede volgde op Pinkster-Zondag.
Er werd geklopt aan de deur van Jongen.
Twee mannen stonden er voor.
Belletable en een werkman, met name Hacken.
De officier herkende dadelijk in Jongen zijn jongstgemaakte kennis
Hacken voerde het woord.
^Mijnheer Belletable,quot; zoo sprak hij, sheeft plan om eene godvruchtige vereeniging van werklieden te stichten en hij vraagt of wij hem willen bijstaan in dit goede werk. Eerst moeten wij hem helpen om een twaalftal deelgenooten te zoeken. Die twaalf werklieden zullen als twaalf apostelen werkzaam zijn, het moeten mannen van geloof en van goeden wil zijn, die hun plicht liefhebben en een goed voorbeeld geven. Zóó zouden
12
zij andere werklieden tot zich trekken, die weer nieuwe afdee-lingen van twaalf leden konden vormen. Allen zouden wij er ons op toeleggen den werkman aan dronkenschap en losbandigheid te onttrekken door hem terug te brengen tot den godsdienst en zijn lot te verbeteren ..
Men beschouwde dit voorstel als een ingeving des hemels, en het vrome driemanschap beraadslaagde met een hopend hart.
Helaas ! waar zou men vergaderen ?
De kapitein bezuinigde zoo als gezegd, wat hij kon. Hij bewoonde een kamertje, dat, bij zijn ijzeren veldledikant, nauwelijks plaats bood voor een zestal personen.
Wat nu gedaan ?
Terwijl hij met Hacken deze moeielijkheid besprak, stond Jongen te peinzen.
Hij zag stil voor zich uit.
Een gelukkige, half schalksche glimlach speelde om zijn lippen. Eensklaps zonder een woord te zeggen, stiet hij tegen een deur, die in het vertrek uitkwam, waar zij bijeen waren, en de beiden anderen zagen met zalige verbazing een tweede kamer, groot genoeg om een klein aantal personen te kunnen opnemen.
Zij was als een kapelletje.
Een klein huisaltaar prijkte met een Moeder Godsbeeld, te midden van bloemen en kandelaars.
Het was voor Jongen een waar offer geweest, zijn klein heiligdom af te staan.
Maar hij rekende nooit, wanneer het de eer Gods gold.
En Belletable ?
ȟat is het! zoo iets juist, â dat is het, wat wij zoeken !quot;
Hij trad de kamer binnen, naderde tot het Altaar en viel op de knieën om God den Heer voor deze gunst te danken.
»De Heer is met ons en zijne lieve Moeder ook, riep hij in vervoering uit: »God zij gedankt! In zijn naam vooruit!quot;
Hacken en Jongen waren zijn getrouwe helpers.
Zij kenden hunne makkers en onder dezen eenigen, die zij wonnen voor hun vereeniging.
Een der eersten was Olivier Gerard.
Zooveel mogelijk zullen wij de namen der eerste deelgenoo-ten nauwkeurig opgeven.
Tot de stichters der H. Familie te behooren, is een soort van adeldom.
lii
Ãn nu naderde de hooge, groote dag.
De dag der instelling, der oprichting van de H. Familie.
Die dag, welke met gulden letters mocht geboekstaafd worden in de jaarboeken der geschiedenis der kristelijke familie, was de
27 Mei 1844, Pinkstermaandag.
Toen werd ten 7% ure 's avonds door Belletable geleid, de eerste vergadering der H. Familie gehouden.
Acht mannen vormden die edele heilige kern, want: C. Nelis sen, A. Martens, P. Rouma en T. Viering waren tot de eersten toegetreden.
Men bad den Rozenkrans.
Dat was het begin.
Toen stond Belletable op en sprak.
Ziet hier hetgeen hij zeide :
»Mijn vrienden, wij moeten een verbond maken, wij moeten »vereenigd werken tot welzijn van onze gelijken. Gij ziet even »goed als ik, wat er omgaat, gij ziet in welken treurigen staat s-het grootste gedeelte der werklieden leeft. Een groot getal sgt;is zeker ongelukkig door eigen schuld. Zij vluchten den ^Godsdienst, die alleen in staat is hen te ondersteunen en hun »den troost te verschaffen, die zij noodig hebben, zij werken »op Zondag, houden Maandag, en verteeren in de herbergen »het geld wat noodig is voor het gezin, zij hebben volstrekt xgeen zorg voor de opvoeding van hunne kinderen. En hoeveel rellende is er dikwijls in hunne gezinnen ? hoeveel gebrek ? «hoeveel wanorde ? hoeveel twisten en godslasteringen ?.... »Welnu, mijne vrienden, indien gij wilt, wij kunnen veel goed »aan onze ongelukkige broeders bewijzen ; wij zullen hun goede «voorbeelden geven; wij zullen hun lot verbeteren door hen »terug te brengen tot godsdienst en plicht. Tracht, mijne vrien-sden, nieuwe leden aan te werven voor ons doel en laat ons «allen te zamen werken aan de verbetering van het lot der «huisgezinnen van werklieden door den godsdienst, en door «hen tot God terug te brengen,quot;
Dat was de eerste vergadering.
De H. Familie was gevestigd.
DE H. FAMILIE.
De H. Familie was dus opgericht.
Men vergaderde, â zooals thans nog te Luik, â 's Maandags 's avonds om half acht.
Nieuwe leden voegden zich bij de eersten.
Hun namen waren: M. van de Berg, J. Post, A. Bya, P. Pholien.
Het getal der Apostelen was bereikt.
Want Apostelen waren het, zoo ijverden zij voor de groote verheven zaak der H Familie, die, hetzij ook gezegd, van toen af aan juist dezelfde bleef, en nu nog dezelfde is.
De vergaderingen dragen ook nog hetzelfde karakter, en hebben op dezelfde wijze plaats : Rozenkrans bidden, geestelijke lezingen, vrome vermaningen en opwekkingen, godvruchtige verhalen.
Dit laatste deed Belletable zelve.
Het was roerend den officier te zien in groot uniform staande voor het kleine altaartje, en zijn brave vrienden uit den werkmansstand tot volharding aanmanend.
Maar de beproeving naderde.
Belletable werd in een ander garnizoen, naar Huy, geplaatst.
Het was een droevige mare.
De militair kon niet dan gehoorzamen.
Dat wist hij, dat wilde hij: zijn plicht voor alles.
Hij bekommerde er zich niet om, wat de regeering geleid had in deze, toen voor allen, zoo raadselachtige garnizoens-verandering.
15
Toen hij voor het laatst stond en sprak voor zijn dierbare broeders, was hij diep ontroerd en tranen weenden in zijn stem. »Zij zouden volhoudenquot;, zeide hij, sop den weg eens ingeslagen, en in den geest zou hij altijd met hen vereenigd blijven en men zou elkander trouw op de hoogte van alles houden.quot;
Men hield trouw woord.
Hacken verving Belletable bij het houden en leiden der H. Familie.
Hij was door God bestemd, de vereeniging in stand te houden.
Een soort van tweede stichter.
Jongen, de vrome, waarlijk heilige timmerman, die zoo leefde naar zijn voorbeeld in de H. Familie, ook zijn H. Patroon.
Jongen was de derde.
Een heilig driemanschap.
Ondertusschen bleef het getal der leden hetzelfde, toen in November, eenige maanden na Belletable's vertrek, zich vele nieuwe leden aanboden.
Het huiskapelletje was te klein.
Waar nu naar toe?
Of zou men van elkander scheiden en uiteen gaan ?
Neen! het moest eene familie blijven.
Men had elkander te lief.
Gods voorzienigheid straalde thans zoo schitterend door in de bescherming der H. Familie, dat wij niet dan diep getroffen, deze korte geschiedenis neerschrijven.
Hacken had soms ter afwisseling en tot meerdere stichting der broeders, een Pater Redemptorist medegebracht, die een korte vermaning richtte tot de leden.
Zou men niet aan de Paters van den Allerheiligsten Verlosser vragen, om in hun kerk te mogen vergaderen?
Men deed het, en werkelijk openden zich de poorten der kerk voor de vrome leden der H. Familie, die eerst in een kapel en later, door het groot aantal leden, in de kerk zelve moesten vereenigen.
Mocht de huiskapel van Jongen, het toevluchtsoord heeten in den beginne, â deze kerk is waarlijk de wieg der H. Familie te noemen, en de orde van den Allerheiligsten Verlosser schonk hier en bijna overal de leiders en vaders door God gewild aan de H. Instelling.
GODS ZEGEN TN DE H. FAMILIE. groei en bloei
Toen zetelde op den troon van den H. Lambertus, in het H. Luik, de dochter van de Romeinsche Kerk, »Legia sancta, romanae ecclesiae filiaquot;, â een prelaat uitstekend door de grootste eigenschappen van geest en hart.
Bisschop Cornelius Richard Antonius van Bommel, een
Nederlander. ..........vr
Alles in de geschiedenis der H. Familie schijnt van Nederland te moeten komen.
Zijn adelaarsblik begreep en overzag al het goede, dat de H. Familie kon stichten onder zijn diocesanen met alleen,
maar in de geheele wereld.
Zooals alle mannen, priesters vooral, wier optreden van doorslaande beteekenis is geweest voor Kerk en volk, had hij op twee punten vooral zijne opmerkzaamheid gevestigd.
De kinderen en de werklieden, het onderwijs voor beiden,
de teederste zorg voor allen.
Hij nam de vereeniging met kinderlijke liefde op, zegende
en bevoordeelde ze op alle wijzen.
Maar dat was hem niet genoeg.
Moet iets vruchten dragen voor de Kerk en '^ts geroepen grooten invloed uit te oefenen in e were , c er de zegen over nederdalen van den opvolger van Petrus,
's Heeren Stadhouder op aarde. 7 ..
Eerst richtte hij de vereeniging Kerkelijk op, den , April
1845.
17
Voortaan zou zij »de H. Familiequot; heeten.
De statuten werden tweemaal na elkander goedgekeurd, den 2 Februari 1847 en 28 Juli 1850
Toen wendde zich de groote Bisschop naar Rome,
Pius IX straalde toen in al zijn grootheid op den stoel van Petrus.
Ook hij, de groote Opperpriester, door God verlicht, nam de vereeniging met liefde op. ook hij zag in, het oneindige goed, dat er voor het volk Gods uit deze instelling zou geboren worden, hij verhief haar tot Aartsbroederschap en verrijkte haar met een waren schat van aflaten.
Nu kon niets de machtige ontwikkeling meer tegenhouden.
Het was een grootsche stroom geworden, die zijne wateren, als de stroom des levens in het Paradijs, naar de vier hemelstreken voortstuwde, en overal leven en vruchtbaarheid verbreidde. Weldra telde de H. Familie hare leden bij honderdduizenden over de geheele wereld.
De familie, waarvan de vader, de man, het hoofd is, ziet naast hem de Kristelijke vrouw, de moeder.
Haar mochten die weldaden niet onthouden worden.
Nauwelijks had de mannenafdeeling onder de aanvoering van Hacken haar stillen triomftocht naar de Kerk der Redemptoristen gehouden, of in dezelfde nederige huiskapel zag men in 1847 vrome vrouwen zich vergaderen.
De echtgenoote van Jongen, een ijverige Kristelijke vrouw, bijgestaan door de niet minder Kristelijke vrouwen, de Tombay, Hacken en Pennings vormden de eerste afdeeling der vrouwen.
Joseph Augustinus Jongen, stierf te Luik 1849, ^6 Augustus, m den van God gezegenden ouderdom van 82 jaren.
Uit zijn mond hebben de schrijvers over de H. Familie al wat zij weten van het ontstaan en de eerste geschiedenis.
Het was een patriarchale figuur.
Wij zeiden dat God hem scheen bestemd te hebben om de taak van den H. Joseph, bij het ontstaan dezer H. Familie te vervullen.
Hij heeft ze trouw vervuld, die heilige taak, en in het vrome driemanschap, Belletable, Jongen, Hacken, komt hem de tweede plaats toe.
God nep ze in de orde, waarin zij door de goddelijke Voorzienigheid aangewezen waren, om deel te nemen aan het groote werk.
2
18
En Belletable?
Wel mocht hij den groei en bloei der H. Familie beleven.
Want de Aartsbroederschap breidde zich bij zijn leven nog over de grenzen van België in zijn vaderland uit.
Helmond was de bevoorrechte eerste, in het jaar 1851. Toen volgden Maastricht en Nijmegen : 1852. In 1853 Tilburg met twee parochiën »Het Heikequot; en »Het Goirkequot;.
Van de vrouwen-afdeelingen is die van Maastricht misschien de oudste. Ook zij dagteekent eigenlijk van 1852, â draagt toch het kostbare vaandel bij gelegenheid van het veertigjarig jubilé geschonken, de twee jaargetallen 1852 â 18Q2.
Zoo ging het voort naar alle zijden en thans telt de H. Familie alleen in ons vaderland, verre meer dan honderdduizend leden.
In zijn laatste jaren, hij werd niet oud, had de groote held van dit verhaal den troost, den bloei te aanschouwen, maar niet lang. Hij zag de eerste gulden oogsten prijken op het veld door hem ingezaaid en stierf te Huy, als stadskommandant den 5 December 1855, twee en veertig jaar oud.
Maar de H. Familie plantte zich voort, zooals die boom der keerkringen, welks takken zich neerbuigen tot den bodem om er wortel te schieten en op te gaan om nieuwe boomen te vormen in onuitputtelijke vruchtbaarheid, steeds verbonden met den moederboom, in oneindige verscheidenheid, in steeds dezelfde eenheid.
Te Huy werd hij begraven.
Lang bleef op het kerkhof aan den oever van den blauwen Maasstroom, zijn graf onbekend en ongeëerd.
Het was een droevige ondankbaarheid.
Dat zou anders worden.
En te Huy, waar hij rust, en te Venloo, waar hij geboren werd, prijkt een monument hem ter eere.
Op het kerkhof in de stad langs de blauwe Maasbergen rees een gedenkteeken op, om de plaats aan te toonen waar de groote weldoener der Kristelijke familie, de Kristelijke ridderlijke held, de vrome krijger, het toonbeeld van den Kristen Man, rust in afwachting der glorie van de opstanding.
En te Venloo, in zijn roemvolle geboorteplaats, de stad der groene vlakten, heeft men hem een monument opgericht in de parochiekerk, alwaar hij het H, Doopsel ontving en inging tot het kristelijk leven.
19
Het werd plechtig onthuld bij gelegenheid van het eerste congres der H. Familie, in tegenwoordigheid van talrijke leden en de feestrede werd uitgesproken door Z. D. H. Monseigneur Boermans, bisschop van Roermond, en den boezemvriend zijner jeugd.
Het was een hulde zijner waardig.
Dit is een korte schets van het leven van Henricus Hubertus Belletable, oprichter der H. Familie, van de beknopte geschiedenis der H. Aartsbroederschap in de eerste vijftig jaren.
Laten wij sluiten met de spreuk, die het geheele leven van dezen Kristen held samenvat:
Aan God alleen zij eer en glorie I Soli Deo honor et gloria!
2*
A. M. D. G. Mariak et Joseph
âQuod minimum est majus est omnibus olcribus et fit arbor, ita ut volucres coeli veniant et habitent in rami's ejus.quot;
«Het kleinste onder alle zaden, wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels komen en wonen in zijne takken.
Mattheus XIII, 32 vers.quot;
Alonscigncnr,
HoogEerwaarde, Zeer Eerwaarde Heer en.
Geliefde broeders in de H. Familie Jezus, Maria en Joseph.
Het was een heerlijk feest, dat voor eenige weken gevierd werd in het heilige Luik, de zetelstad van den H. Lambertus.
Toen waren er vijftig jaren verstreken, dat in een armoedig vertrek, op den hoek eener volkrijke straat, in een toen afgelegen wijk der groote stad, eenige mannen vergaderd waren voor een klein huisaltaar, prijkende met een eenvoudig Mariabeeld.
Zij baden den rozenkrans, geknield rondom een hunner, die de uniform droeg van een kapitein der genie.
De officier bad voor.
Toen stond hij op. Hoe straalt van innig geluk en heilige geestdrift het mannelijk oog, het edele schoone gelaat en hoe ernstig klinkt de moedige, mannelijke taal.
Hoort! hij spreekt 1
«Vrienden! wij moeten een verbond sluiten, om den werkman te redden die verloren gaat, verloren meestal door zijn eigen schuld. Hij vlucht den godsdienst, die hem alleen den steun en troost bieden kan, dien hij noodig heeft om niet te gronde te gaan.
Den Zondag ontheiligen zij door hun werk, en den volgenden dag verkwisten zij in treurige uitspattingen, hun geld, hun loon, het brood, het leven hunner kinderen; hunner kinderen, die volslagen verwilderen, omdat de ouders hunne heiligste plichten verwaarloozen 1
2i
gt;Wat een toestand! wat gebrek en ellende, wat een wanorde, twist en godslasteringen, wat een ongeluk 1quot;
Broeders ! wij kunnen onze ongelukkige medebroeders redden, door onze voorbeelden, onze woorden, hun lot verbeteren en hen terugbrengen tot godsdienst en plicht, en door godsdienst en plicht, tot het geluk 1quot;
Hij, die zoo sprak, was de edele Henri Hubert Belletable, kapitein der genie te Luik. Die man, een toonbeeld van een katholiek man. Broeders, de glorie van Kerk en staat, de weldoener der menschheid, de redder van den werkman en dus der maatschappij, was een Limburger en onze zusterstad Venloo mag met recht trotsch zijn, op den roem van dezen edelsten harer zonen.
De kristelijke arbeidersfamilie zou te gronde gaan, de Kerk zou ze redden door een harer zonen.
Wie zou hier niet uitroepen met liefde en dankbaarheid in het hart: !gt;ol Kerk van Christus, gij zijt waarlijk onze moeder, de teedere moeder der volkeren. Wordt het menschdom een nieuwe wonde geslagen, een nieuw geneesmiddel houdt gij steeds gereed, voor alle kwalen de genezing, voor alle rampen de troost Zoo begeleidt gij het menschdom, den reiziger op den weg der eeuwen, trouw en liefderijk 1 O, waarlijk, een moeder zijt gij en gij alleen 1
De H. Familie bestond.
Vijftig jaren zijn verstreken sinds dien grooten dag.
Het plantje is een reuzenboom geworden. De volkeren der aarde komen een toevlucht zoeken quot;aan den voet van den bree-den stam, geplant in den maagdelijken en vruchtbaren bodem der Kerk, onder de bescherming der machtige kruin, zoo rijk bevracht met bloesem en vruchten.
De nederige bron is een machtige stroom geworden, in welks levengevende wateren, de geslachten der aarde hunnen dorst komen lesschen,
En thans broeders! van daag mogen wij jubelen uit volle borst, Onze dankliederen mogen feestelijk schallen door de grijze gewelven dezer eenig schoone, zoo prachtig en zinnig gesmukte kerk! Het H. Misoffer, het dankoffer bij uitstek, moge onzen dank betuigen den Allerh oogste.
Van daag zijn wij saamge stroomd uit alle oorden van het bisdom, en neergeknield rondom onzen hoogvereerden kerk-
22
voogd, Belletable's boezemvriend der jeugd, om aller gebeden te vereenigen tot één dankgebed.
Ja! heden zijn wij hier gekomen, ten feest- en jubelgetij, voor alle weldaden aan dit diocees in dit gouden tijdperk door de Aartsbroederschap der H. Familie geschonken.
Zij zijn waarlijk zonder tal.
Heden, â wat treffend samengaan, â heden jubelen de engelen met ons mede. Het is op dezen dag, zes honderd jaar geleden, dat zij met hunne handen het heiiig huisje van Nazareth, van Recanati, waar het rustte, brachten door de lucht naar Loreto, alwaar het thans vereerd wordt.
Het heilige huis, de heilige woning, het heiligdom der H. Familie, Jezus, Maria, Jseph, â de woning, de haardstede waarbij Zij vertoefden, het dak waaronder Zij verbleven. Het H. Huis, die arke des verbonds, ook der nieuwe wet.
O, H. Huis, getuige aller geheimen van het verborgen leven van Jezus en der H. Familie 1 Hoe ging het ons door het hart, toen wij knielen mochten binnen Uwe muren, die Jezus hadden aanschouwd, Maria en Joseph hadden gezien, het heiligste, het verhevenste, het gezegendste familieleven, een goddelijk leven.
O! broeders, wanneer zou men u beter spreken kunnen van de H. Familie, de Aartsbroederschap en uwe eigene familie dan op den huidigen dag 1' Laten wij dan in weinige eenvoudige woorden zien, hoe de Aartsbroederschap der H. Familie is ingesteld om de kristelijke familie te redden, hare grootsche taak trouw volbracht heeft, en daar de maatschappij op de familie gegrondvest is, uit familiën bestaat, zij dus ook de maatschappij redde van een zeker verval, zoodat de Aartsbroederschap een evenzoo bij uitstek maatschappelijke als kristelijke instelling moet genoemd worden.
Monseigneur 1 niet dan op het hooge, uitdrukkelijk verlangen van Uw Doorl. Hoogwaardigheid, hebben wij deze taak op ons genomen, in weerwil van den veelvuldigen last, die op ons rust. Het is voor ons een groote eer, maar het treft ons diep, in Uwe tegenwoordigheid het beeld ontworpen te hebben van den vriend uwer jeugd, zijn lof en den lof der providentieele instelling te verkondigen, voor U, die in zijn geboorteplaats bij de onthulling van het monument hem toegewijd de warme hulde bracht van stad èn diocees èn Kerk.
O, het verwondert ons niet, dat Gij de Aartbroederschap een
23
zoo warm hart toedraagt. Wij brengen U onzen eerbiedigen kinderlijken dank voor de eer Uwer tegenwoordigheid bij dit ons, ja nog meer Uvv jubelfeest, onzen dank voor uwe vaderlijke genegenheid en hoogepriesterlijken zegen.
H. Familie, beschermster onzer Aartsbroederschap, zegen dit ons priesterwoord, ter grootere eer van God, tot heil der zielen en der H. Familie.
De H. Familie bewaart den waren kristelijken geest in hare leden en hunne huisgezinnen, door het voorbeeld, de bescherming en de voorbede van de H. Familie : Jezus, Maria, Joseph.
Dan zullen de echtgenoot en vader, de moeder en gade, de kinderen ook, te zamen in trouw plichtbesef, een ware kriste-lijke familie vormen, een waar kristelijk leven leiden.
Het kristelijk leven rust echter op een drievoudigen grondsteen, op drie gouden zuilen, op de goddelijke deugden van geloof, van hoop en liefde, zoo als de familie bestaat uit drie hoofdbestanddeelen, de vader, de moeder, en het kind.
Het geloof is de kracht, de moed, het karakter, de strijd, â dat is de taak van den man, van den vader.
In de hoop is de verzachtende troost, de opbeuring, de genezende balsem, â zij is als de zending der echtgenoote, der moeder.
En het kind is de liefde. Zoóals het bloed in het hart en uit het hart stroomt, zoo gaat van het kind een stroom van liefde uit, die vader en moeder onderling en beiden in het kind, hun vleesch en bloed, verbindt.
I. HET GELOOF.
Wij zeiden dat de man, de vader, het gezag, den moed, de kracht, het karakter vertegenwoordigt, â de taak van het geloof.
Hij vereenigt in zich, het patriarchale, het koninklijke, het priesterlijk gezag. God plaatste een drievoudige kroon op het vaderhoofd. Hij is de drager van liet gezag in het huisgezin. Aan de uitoefening van dit gezag, heeft de Heer den plicht der gehoorzaamheid verbonden, op leven en dood in zekeren zin. »Eert vader en moeder, opdat gij lang en gelukkig inoogt leven op aarde,quot; zoo heet het in de gulden grondwet van het menschengeslacht, de tien geboden.
24
De man, de vader, het hoofd der familie moet leven in en door het geloof. gt;Justus ex fide vivit.quot; Op het geloof moet zijn handel en wandel rusten. Het geloof moet de onwankelbare grondveste, het onverwinbare schild zijn der familie, de burcht, de borstwering, waarin en waarachter het huisgezin niets te vreezen heeft.
Het geloof moet in den vader belichaamd zijn. Met het heiligst gezag omkleed, als met een koningsmantel, staat hij daar in het licht van een goddelijke zending, door heilige eigenschappen van Gods wege uitgedost. Hij spreekt van uit het geloof. Zijn woorden zijn een soort van Gods woord. Hij gebiedt, hij verbiedt met Gods gezag, en de sanctie Gods gaat volgen voor de zijnen: »opdat gij lang moogt leven op aarde.quot;
Maar dan alleen doet de kristelijke man zijn plicht in den vollen zin des woord, wanneer het geloof zijn woorden bezielt, zijn daden richt, zijn leven beheerscht èn aan den haard èn in het openbaar, èn onder de zijnen èn onder de vreemden.
De vader vertegenwoordigt ook den moed, de kracht, het karakter.
Kristelijke familievader, gij moet optreden voor uw geloof. Helaas! wij leven in een tijd van karakterloosheid, van zedelijk verval, van lafhartigheid; karakter hebben, kleur bekennen, zijn geloof verdedigen, voor zijn geloof ridderlijk strijden is mannen-â is vaderplicht.
Het geloof moet leven aan den huiselijken haard, wil het huiselijk geluk niet ontbreken.
Wee den lafhartigen vader, die zijn geloof verzaakt! Zijn kinderen zullen hem verzaken op hun beurt, en zijn straf en vloek zal zijn het ontaarde, verachtelijke ras van zonen, dat zal opstaan op den ontheiligden bodem der familie.
Teeken met het teeken des geloofs, met het kruis, uw huis en huisgezin, kristelijke vader, zoo als de kerk u geteekend heeft van den beginne, en de engel der wrake, der straffe Gods, zal uw drempel voorbij gaan, met zijn vlammend zwaard. Steun op uw geloof, en uwe kinderen zullen u eeren en gehoorzamen, en de orde zal heerschen in uw huisgezin, met den vrede en de tevredenheid.
Laat u voorlichten door het geloof, over de opvoeding uwer kinderen, waak over uw kinderen, opdat zij het geloof behouden,
25
voedt ze op in het geloof. Alles moet wijken, geldt het hun kostbaarste schat, het geloof. Weg met eer en rijkdom, weg met alle voordeelen naar de wereld, wanneer hun geloof gevaar loopt.
Hun het geloof te bewaren is uw heiligste verplichting, ongeschonden moet gij hun overgeven, den schat des geloofs, dien gij van uw braven vader, uw vrome moeder hebt ontvangen. Wee u, indien uw zoon aan uw sterfbed kan treden en zeggen: sVader! ongelukkige vader, wat hebt gij gedaan met het heilig erve uwer kinderen ?quot;
Maar wat zeg ik, Broeders ! wie onzer draagt niet diep in de ziel die heiligste aller heilige overtuigingen ? Wie zou niet om zijn geloof, alles ten ofter brengen, volgaarne, tot het leven toe? Naar het voorbeeld van den H. Joseph, het opperhoofd der H. Familie, wie zou niet vluchten in de woestijn, in de ballingschap, om Jezus, ons geloof te redden, voor den Herodes onzer dagen, de valsche wereld, met hare beulen en volgelingen en valsche profeten ?
II. DE HOOP.
In den familiekring, zoo zeidon wij, vertegenwoordigt de moeder de echtgenoote, de kristelijke hoop. Zij is als het zinnebeeld dezer heilige deugd, De hoop gloort als een sler-renkroon met zachten glans, stil en lieflijk om het hoofd der kristelijke gade en moeder.
Eer zij de reine hand, met maagdelijke schuchterheid legde in de hand des bruidegoms, was zij de ster der hope, voor zijn levensgeluk.
En toen zij aan zijne zijde wandelde, door het leven, hoe was zij zijn hoop, hoe werd zij zijn tweevoudige hoop voor de toekomst, Hoe vlocht zijn vaderoog moedeikronen om het hoofd der dierbare vrouw. En toen die hoop verwezentlijkt werd en God de Heer met ongekende weelde, onbegrepen zaligheid, zijn hart had overstroomd, toen hij er stond met zijn eerste kind aan het hart, en een dankbaren blik op haar die he!.quot;, dat geluk had geschonken, was dat een jubelen in zijn ziel ter eere der jonge moeder. En zij was de hope van vader en kind.
Zoo bleef zij de hoop van het huisgezin, de zoete sterre, die was opgegaan op den weg des levens voor man en kinderen.
Haar leven is hopen en vertrouwen op God, op de menschen
26
ook, om God. In haar hart brandt de vlam der heilige liefde en de hoop geeft altijd nieuw voedsel aan dat henielsche vuur. Haar geheel leven is een gestadig offeren, zij is zelve het voortdurende offer; zich zeiven verloochenen eiken dag, elk uur, elk oogenblik, is hare natuur, haar geluk.
De hoop maakt ook haar fterk, de zwakke vrouw. De man mag rillen van angst en schrik, terugdeinzen voor dood en gevaar, niet de moeder. Zij ontrukt haar kind aan den scherpen leeuwenklauw, haar kind aan het harte vlucht zij over de ijsschots heen, â sprakeloos zich ten offer wijden, kan alleen de vrouw.
Die hoop geeft haar die kracht, die ah erwinnende, die nooit vertwijfelende, die steeds levende kracht.
Broeders ! treft het ongeluk, als een bliksemstraal bij helderen hemel, het huisgezin, volgen de slagen keer op keer, staat hij radeloos, de man, laat hij de forsche armen moedeloos zinken, naast hem staat zij, de engel der hoop. Zij buigt zich tot hem neer, woorden van opbeuring fluistert zij hem toe en nieuwe kracht daalt er in het moêgestreden hart. Met nieuwe levenskracht bezield staat hij op: ik ben gereed, gij hebt gelijk, neen I nooit den moed verliezen, zoo spreekt hij en hij is gered, o, Broeders, wie onzer heeft zijn moeder niet lief gehad ?
Wie herinnert zich haar niet als de engel zijns levens? Wanneer alle onze pogingen faalden, alle hoop in rook verging, valsche vrienden ons verrieden en verkochten, haat en nijd gepaard met lage huichelarij en laster ons te gronde zochten te richten, wie was het die ons troostte met zoete woorden van hoop, ons opbeurde ten nieuwen leven, ten nieuwen strijd, ons moed gaf tot nieuw streven, wie anders dan zij, de moeder, ons zoo dierbaar, en altijd door die zoete hemeldauw de hoop, die neerzeeg met hare woorden in het arme gefolterde hart.
Vader, hier tegenwoordig, herinnert gij U de droeve stonden, toen de bleeke dood kwam en uw kinderen wegrukte uit uw armen, niet bij machte om hen te verdedigen, toen gij hen zaagt wegdragen uit uw huis, als een gedeelte van uw hart, â weet gij nog hoe lang gij neergezeten waart, in diepen rouw, bij de ledige wieg, naast elkander in stilte? â en wie was het, die het eerst haar tranen droogde en uwe tranen mede, en u ten hemel wees, waar uw kindje, een engel des Heeren, u was voorgegaan, â was zij het niet, en sprak die hand, die naar omhoog wees, niet van de hoop des weerziens daarboven ?
Herinnert gij u nog de bitterste smart uws levens, toen gij stond bij het sterfbed der eigen dierbare moeder. Was het toen niet alsof het leven stil stond in u en rondom u? Ach! de ster der hope was uitgebluscht op den weg uws levens, gij stond als in het duister, nu zij niet meer lichtte aan uwe zijde.
Zij is het, die den sterken man, geschokt tot in het diepst zijner kracht, wankelend in de beproeving, staande houdt met den arm der hope, zoo als het klimop in zijn groene armen den boom, den koning der wouden klemt, en hem vrijwaart van den val, bij het loeien van den storm.
En de Kerk heeft zulks begrepen. De H, Maagd, de moeder van het H. huisgezin, het toonbeeld aller moeders, noemt zij ze niet, de ster der zee, de ster der hope, save Maris stella,quot; â groet haar Bernardus niet met het zoete »onze hoopquot; »spes nostraquot;, en kroont de H. Ephrem niet al dien roem der liefde, dat onbegrensde vertrouwen, met dien echt moederlijken eeretitel »spes desperantium,quot; hoop van hen, die geen hoop meer hebben.
III. DE LIEFDE.
Wij zegden, dat de moeder nooit vertwijfelt. Wij voegen er bij, dat zij nooit vertwijfelt, omdat zij zoo zeer bemint. De bron van hare hoop, de bron van hare liefde, is haar kind.
Daarom vertegenwoordigt het kind in het huisgezin de liefde en zulks op drievoudige wijze:
De liefde van vader en moeder onderling, beider liefde tot het kind, en des kindesliefde tot de ouders.
Tusschen vader en moeder staat het kind, de liefdeband tus-schen beiden, de oorzaak van hun geluk, de reden van hun liefde. In hun kind, als in een brandpunt, treffen al de liefdevlammen van beide harten saam, versmelten als tot één vuur. De liefde van het kind is het eenige loon van vadertrouwe en moederliefde. Zij willen niets anders, zij zoeken niets anders dan hun kind, zijn geluk en zijn liefde.
Wat zijn de ouders voor het kind? Alles. Wat moet het kind zijn voor de ouders ? Alles, o, die heerlijke alles offerende, alles lijdende, zich in alles verloochenende liefde der ouders! Voor niets deinst zij terug. Geen offer valt hun te zwaar, geen last drukt hen te zeer, geldt het hun kind. Zij brengen zich zeiven gaarne ten offer op het heilige altaar der liefde. Dat offeren,
28
dat lijden, dat stage offeren en lijden en beminnen, dat is hun leven, hun geluk. Het is de heiligste afspiegeling der liefde Gods, der liefde van den Gekruisigde, die zijn leven gaf voor zijn vrienden !
Broeders ! rijst in dit plechtig oogenblik niet voor uw geest op, het onovertreffelijke, het onvergelijkelijke zoete beeld der lieve, goede vrouwe, die in u, haar kind het geluk haars levens vondt. Hoe voeldet gij steeds dat geheel de liefde van haar hart in u bestond, in u wortelde, in u leefde, op u hoopte.
Maar die liefde eischt dankbaarheid. Die liefde legt dure plichten op en die plichten zijn ; wederliefde, gehoorzaamheid en eerbied. Het zijn de gouden vruchten, die schitteren aan dien boom der liefde, geplant door de hand der ouders in het hart van hun kind. Zonen hier tegenwoordig, kinderen der kristeüjke familie, blikt op naar Nazareth, daar prijkt uw voorbeeld, het goddelijk Kind, en op den zoom van zijn kleed staat geschreven: »erat subditus illis,quot; hij was hun onderdanig.
Waar de vader door hel geloof, zoo onwrikbaar de grondvesten vestigde in de aarde, waar de moeder zoo de muren hecht en sterk en hoog deed oprijzen in kristelijke hoop, om er dan door het trouwe minnend kinderhart op het altaar der liefde de heilige vlam te laten ontsteken, â wat een gelukkig, volzalig huisgezin zal dat heiligdom bewonen, en hoe zullen de engelen Gods, de wacht houden bij dien heiligen haard.
Hoe vreeselijk ook de slagen der beproeving, des ongeluks ook mogen wezen, die dreunend neerploffen op dit huis, zij zullen niets vermogen tegen die stalen grondvesten, niets tegen die hoop, die hooger streeft, die niet voor de aarde leeft, niet voor geld en goed, maar voor de eeuwige goederen, â niet voor de wereld en hare ijdelheden, maar voor den hemel daarboven, â⢠niet voor het genot, het wufte, dat als rook vervliegt, maar voor het onvergankelijke, de ziel en hare eeuwige zaligheid.
Ouders, die in den geest des geloofs en der hoop uwe kinderen wilt lief hebben en opvoeden, ziet steeds deze spreuk vlammen boven de wieg, zoowel als boven den levensweg uwer kinderen; Uw kinderen hebt gij van God; God zal eens van u rekenschap eischen voor de zielen uwer kinderen. Kinderen, leeft en woont in het ouderlijk huis, alsof op den drempel en op elke wand u tegenstraalde het groote gebod â het gebod
29
der levensvergelding: »eert vader en moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.quot;
Voorwaar, Broeders, zulke families, waarlijk kristelijke families, die het voorbeeld der H. Familie steeds voor oogen hebben, zijn de hechtste steun van het gezag in de maatschappij, waar alle gezag van God komt, »omnis potestas a Deo,quot; ook van de orde die tot God leidt, s.ordo ducit ad Deum.quot;
Uit zulke huisgezinnen zullen die rampzalige oproerlingen niet voortspruiten, welke de fakkel der revolutie plaatsen op de barrikaden met broedermoordende rechter, en de wapenen zwaaien tegen Staat en orde, medebroeders en medeburgers.
7Jj zullen het niet zijn, die met helsch vernuft verdelgings-werktuigen uitvinden en met vervloekte hand rondslingeren, onschuldigen ten wissen dood en vreeselijken ondergang.
Zij zullen het niet zijn, welke als apostelen van een godde-looze anarchie, die noodlottige leerstellingen zullen verkondigen, die alles bedreigen wat heilig is: Altaar en Troon, godsdienst en vaderland, familie en eigendom ; de verblinden, de rampzaligen, die optreden onder de onheilspellende vouwen der roode vlag, die steeds wappert op den weg des ondergangs.
Neen, Broeders, wanneer ooit de wereld zich splitsen zal in twee legers en kampen, dan zullen zij staan bij de heilbanier van het geloof, des kruizes, plechtig ontrold ter verdediging der heiligste goederen der maatschappij; onverwinbaar gewapend met den helm des geloofs, het zilveren schild der hope, het vlammend zwaard der liefde ; zij zullen strijden en sterven, indien het moet, voor God, Kerk en Vaderland, de beste kristenen en de beste burgers.
Dan zal het blijken meer dan ooit, dat de Aartsbroederschap der H. Familie, een bij uitstek kristelijke, een bij uitstek maatschappelijke instelling is.
Dat was onze taak op dezen onzen jubeldag, onze taak en als een lied van dank.
Broeders! dat zult gij zijn, mannen des geloofs, levend in en door het geloof, uwe kinderen opvoedend, uw huisgezin opbouwend op het geloof. Dan zal God met u zijn. Zijn zegen zal nederdalen over u. Uwe kinderen zullen opgroeien, zooals de ioten van den olijfboom, om den disch van den familievader, en de vreemdeling, die des weegs gaat, zal uitroepen: zoo wordt de man gezegend, die den Heer vreest. »Sic benedicetur homo qui timet Dominum.quot;
30
En nu, geliefde Broeders, in dit plechtig uur, op dezen zoo treffenden jubeldag, een dankbare bede tot God, eer van avond de feestelijkheden gesloten worden, door het machtige danklied der Kerk: Te Deum laudamus I
U, o Heer, U danken wij, dat gij zoo grootsche gedachten hebt gegeven in de harten van de eenvoudigen van geest, zooals in het hart van den edelen Belletable. Den Heer zij dank, dat Hij de kleine beginselen, tot zoo reusachtige ontwikkeling en bloei heeft gebracht I den Heer zij dank, voor al de weldaden, waarvan Hij Limburg en ons deelachtig maakte in dit gulden tijdperk. Hem alleen zij eer en glorie. »Soli Deo honor et gloria!quot;
Dan, Broeders, van hier een blik naar Rome, naar den keizerburcht, het Vatikaan, de gevangenis van den grooten Leo, den Paus der werklieden, den Koning der H. Familie. Hem de groet, de bede van ons hart, Hem den kreet der liefde. Hem zij dank eer en glorie.
Wij danken ook in uw naam. Broeders, onzen doorluchtigen Kerkvoogd, uw hoogen Beschermheer, die door Zijne tegenwoordigheid, dit feest wilde opluisteren ten bewijze van zijn vaderlijke liefde voor de Aartsbroederschap,
O, vader in Christus! mede uw schoonste kroon, zijn deze uwe zonen, scorona patris filii.quot; Zij bidden tot God, dat Hij hun grijzen bisschop nog lange jaren verleene, tot groei en bloei van het diocees. Ad muitos annos 1
Maar ook u zij onzen dank, u allen, priesters des Heeren, zoo bereidwillig gekomen om deze plechtigheid door uw bijzijn te ver-hoogen, den H.H. Direkteuren vooral voor al hun ijver en zorgen.
Maar wat zeg ik? Neen u. Broeders der H. Familie, u zij ons laatste woord, onze laatste dank gewijd; onze dank voor uwe trouwe opkomst 1 dat is een schitterend voorbeeld van geloof.
Blijft trouw met uwe huisgezinnen in het geloof, in de hoop en de liefde, weest trouwe leden der Aartsbroederschap, uw familie zij in waarheid het trouwe evenbeeld der H. Familie, dan zult gij zijn en blijven, de roem der Kerk, de vreugde van Limburg, de eer van ons volk. »Tu gloria Jerusalem, tu laetitia Israël, tu honorificentia populi nostri.quot;
Dan zult gij eens deel maken van de eeuwige H. Familie daarboven en zullen wij ons allen weerzien bij Jezus, Maria en Jozef. Dat zij zoo! Amen.
AARTSBROEDERSCHAP DE H. FAMILIE.
Het vijftig-jarig bestaan der schoone stichting van den grooten Venloonaar Henri Belletable, in leven officier der Genie, werd jl. Maandag in onze stad herdacht.
Al de Limburgsche afdeelingen der H. Familie hadden afgevaardigden naar Roermond gezonden, om daar met den grootsten luister het jubilé te vieren in tegenwoordigheid van Z. D. H. Mgr. F. Boermans, die eenmaal de boezemvriend was van den onvergetelijken Belletable.
Men zou te zamen komen in den tempel des Heeren, die terecht Roermond's trots uitmaakt, in het monument, waarop de bisschopsstad mag roemen, omdat er geen tweede van schooner architectuur bestaat.
De oude Maria-Munsterkerk was in feestdos gestoken.
Een smaakvolle hand wist groen en bloemen, vaandels, trofeeën, chronicums en vlaggen zonder tal aan te brengen; alles der H. Familie ter eere! Honderden brandende kaarsen verspreidden een schitterend licht om den troon des Allerhoogsten.
De plechtige Hoogmis met pontificale assistentie, werd opgedragen door den Hoogeerw. Heer P Gorten, Deken-Plebaan der Kathedraal. Als diaken en subdiaken fungeerden de Zeer-eerw. Engels, pastoor van Maasbracht en Sarton, kapelaan der St, Mathiaskerk. De HoogEerw. Heer Mgr. Hoefnagels, President van het Seminarie, adsisteerde Z. D. H. den Bisschop, en de Weleerw. Heer M. Bauduin, Rector, fungeerde als ceremoniemeester.
32
Na het Evangelie betrad de ZeerEerw. Heer E. Menteil, pastoor der St. Mathiaskerk te Maastricht den kansel, om er in keur van taal de feestrede uit te spreken.
Naar het voorbeeld van de Heilige Familie, Jezus, Maria en Jozef, moest het kristelijk familieleven zijn ingericht, betoogde de welsprekende redenaar.
Het geloof moet in den man, den echtgenoot en vader zijn; volgens het eenige en ware geloof zal hij zijn kinderen opvoeden, hen inprenten de vreeze des Heeren en een reinen levenswandel.
De vrouw moet de hoop zijn. Bij al de wederwaardigheden des levens, zij het de zwakke vrouw, die den echtvriend met sterke hand moet ondersteunen.
Het kind is de deugd der liefde eigen. Zijn ouders moet het beminnen en hun de wederliefde schenken, waarop zij recht hebben.
De rede van Pastoor Menten maakte op de breede schare van mannen en jongelingen een diepen indruk
Het koor der H. Familie, onder direktie van den heer P. Léger zong een mis van Singerberger Met voldoening kunnen wij verklaren, dat het zangkoor zich uitmuntend van zijn taak kweet. De Eerw. Broeder Chrysostomus, die zoo dikwijls de feesten der H. Familie opluisterde, bespeelde op meesterlijke wijze het orgel.
Na den hoogdienst vergaderden de Z. E. H H. Direkteuren in de hun gastvrij geopende zalen van het Bisschoppelijk Collegie ter eerste samenkomst. Hier werd bepaald dat er jaarlijks een bijeenkomst zou plaats vinden, om over de belangen van de H. Familie te beraadslagen, en de Z. E, Heer Pastoor Menten, bij acclamatie, tot algemeenen Voorzitter benoemd
Te 2 uur namiddags trokken de leden der H. Familie in plechtigen optocht naar de Kapel van O, L. Vr. in 't Zand.
De fanfare kwam de processie halverwege de kapel tegemoet en bracht hare schoonste muziekstukken ten gehoore.
Ruim duizend mannen en jongelingen, waaronder een 28-tal eerw. heeren geestelijken, direkteuren van de Aartsbroederschap der H. Familie en gezellen-vereenigingen, maakten deel uit van den stoet.
Met den rozenkrans in de hand, luidop biddende, trokken deze echt kristelijke mannen naar het genadeoord van de Lieve
33
Vrouw in 't Zand. Aldaar werden de gebeden verricht, welke telken Zondags in de bijeenkomsten uitgesproken worden, en vervolgens een plechtig lof gezongen door den ZEerw. heer Hillen, pastoor van Venraai.
Het zangkoor van de H. Familie en van de jongeüngen-vereeniging deed hier wederom zijne welluidende stemmen hooren.
De ZEw. pater Boomaers C S S.R. hield de feestpreek, en ontwikkelde daarin de volgende gedachten.
Het is billijk, dat het vijftigjarig bestaan der H. Familie gevierd wordt op dezen dag, omdat het juist heden 600 jaren geleden is, dat te Santa Casa, het H. Huisje van Nazareth op wonderdadige wijze naar Loreta, aan de Adriatische zee, werd overgebracht.
Het is billijk, dat het jubilee te Roermond gevierd wordt, omdat het hier is, waar de vriend der jeugd van Belletable, Mgr. Boermans zetelt, die de H. Familie zijn trots, zijn steun noemt.
Een tweede reden geeft Roermond recht op deze onderscheiding, In deze stad rust immers het heiligdom van O, L, Vr. in 't Zand, dat sinds eeuwen door Limburgs katholieke bevolking vereerd wordt, en zijn gevestigd de zonen van Al-phonsus, die de Aartsbroederschap der H. Familie het eerst onder hunne bescherming genomen hebben,
Na het zingen van het Te Deinn, werd door al de aanwezigen het Tantum Ergo aangeheven.
En hiermede was deze schoone feestdag ten einde.
JUBELLIED.
Laat de nieuwe zangen galmen Die van dankb're liefde walmen 1 Klinkt, o zilvren jubelpsalmen,
Onze kerkgewelven door 1 Waar sinds volle vijftig jaren,
Christen leden zich vergaren,
En hun lied met de Eng'len paren / ^ Als een heilig kinderkoor.
(Koor.)
Nazareth! o Nazareth 1
Huis van arbeid en gebed,
Waar de Maagd met Joseph woonde,
Waar zich Jezus' liefde toonde,
Voor die uitverkoren Twee, ( ^
Deel ons Jezus' liefde meê ! (
O Maria 1 Joseph 1 Beiden Mocht gij Jezus' kindsheid leiden 1 Heilig drietal nooit te scheiden 1 Uwen naam, en beeld, en leer,
Houden wij omhoog geheven Als het vaandel van ons leven; Gij blijft in ons hart geschreven j ^ Als der huisgezinnen eer 1 '
(Koor.) Nazareth 1 o Nazareth 1
35
Joseph I in wien de arbeid zegen Door uw Jezus heeft verkregen,
U heeft God, door Pius Negen, Kerkbeschermer ons gesteld !
Tot ons aller troost verheven.
Parel van het huwelijksleven,
Bruidegom der Maagd gebleven, . ^ Hoor het lied, dat ons ontwelt! i (Koor.) Nazareth! o Nazareth 1
Schat van Christus' uitverkoor'nen 1 Blanke lelie tusschen doornen ! Zondenvrij van de geboor'nen 1 U, ontvangen zonder smet,
Zij ons feestlied opgedragen,
Om uw harte te behagen En den Heer door U te vragen, , ^ Dat Hij onze zielen redd' 1 I
(Koor.) Nazareth 1 o Nazareth 1
Jezus' Hart vol zalig lijden,
Wil in deze droeve tijden Ons van 't ongeloof bevrijden,
Giet Uw vlam in ons gemoed 1 Wil ons in dit aardsche leven,
Trouw aan onze vaan gebleven 1 Ware Christendeugden geven, /
Stralend als een3zonnegloed 1 (
(Koor.) Nazarath 1 o Nazareth !
Wij, die 't schoonst Gezin vereeren, Met Paus Leo jubileeren.
Vragen aan den Heer'der Heeren : »Schenk uw Bruid de zegepraal 1 Blijf ook Limburgs Bisschop sparen; Schenk hem nog een reeks van jaren 1quot; Smeeken deze^ Christen-scharen, i ^ , In der liefde dankbre taal. ' ns'
(Koor ) Nazareth 1 o Nazareth !
36
Drietal 1 U klinkt jubel tegen ; Volle vijftig jaren zegen Hebben wij van ü verkregen I Schitter voor ons hart en geest 1 Dat uw heil vaan blijve zwieren, Dat we uw beeltenis versieren En met Englen vreugde vieren j Eens het eeuwig Jubelfeest 1 \ (Koor.) Nazareth! o Nazareth 1
â Vj '!
111 â¢â â â liiiilil
â -.-cf
v-quot;'
SSlrlifl:' pSpji i;
.'V -f i
i â iii â â¢â , l;.quot; L .'⢠V'
' :â ⢠â¢â¢/ 'r ., v,; â -
WltMl
mMr:^ [ MWIPPP
ffliifsiiii