Vak 153
/()^ ZfS
J. VAN VONDEL'S
TREURSPEL
PITER EN PADWELS.
-^7
HAARLEM.
Snelpersdrukkerij van het St. Jacobs-Godshuis. 1889.
PERS0NAG1EN.
Simon, Toveraer. i â
â } (iCCHlen.
Elymas. *
Marcellus. i Leerlingm der Apostclrv, paleishc-Rufillus. ( ambten.
Peter. i ,
_ Apostels.
Pauwels. )
Rey.
Agricola, Opperste der priesters. Aertsofferwichelaer.
Domitius Nero, »le Keizei-.
ai;kippa, zijn Opperste Linus, Sint Peters nazaet.
Bonze Geesten, zwijgende.
PETER EN PAUWELS.
Het Eerste Bedrijf.
Simon Toveraer. â Elymas.
simon.
Ick Siraon Toveraer boor hier, van 's Afgronts stoel,
Door. 's aertrijx ingewant, te keel uit van den poel,
Waer in de Ridder sprongli, die neder quam te paerde, En sleepte zoo de pest, van boven, onder d'aerde.
Wat uur mag 't zijn? my dunckt de sterren staen in keer. De stille midnacht ronckt, en glijt op 't roncken neer.
Waer sammelt Elymas? waer blijft mijn schiltknaep achter?
elymas.
Ick volgh op meesters spoor, al valt mijn tret wat zachter.
De werelt leit nu stom, in haren eersten droom.
Waer ben ick, meester? Zegh, wat ruischt hier voor een stroom?
simon.
De Roomsche Tiber, trots op zoo veel trotse wereken , Op Neroos nieuwe stat, die, met driehondert kereken, En smoockende outers , dient den grooten Lucifar , Die onverzoenbaer noch den Hemel tarten dar.
/5 Maer och! ick tsidder, och !
elymas.
Ghy deist, wat doet u yzen?
simon.
My dunckt, ick zie yet langs dien dooisen schouwburgh ryzen. Die eeuwigli tuigen kan , en eeuwigh tuigen zal
Van miju geknackte heup en onvergeetbren val ;
En hoe ick, uit de lucht, na 't zweven heen en weder,
Voor Keroos voeten, plat geploft van boven neder ,
Gaf 't Galiieeseh gebroet, en des Gekruistens naem Gewonnen spel, in 't endt de Hel mijn' lesten aêm , En ziel, op .'t hantgeklap en schateren der scharen. My thans noch toegedaen , met beelden , en altaren,
Gewijt tot Simons eere. O, schouwburgh, daer gy staet, 'k Herdenck nu aen die smack; een koorts, een grilling gaet En rijt door al mijn leên, nu ick dees plaets genaecke.
ELYMAS.
't Hervoelen van die smart geeft sporen aen de wraecke, Die ons ter Helle uitdrijft, en uit den helschen gloet, Om deze wraeckkoorts eens te koelen met het bloet Der Hooftapostelen , ons vyanden , en vloeckers :
Om al 't verlies betaelt te zetten , met veel woeckers; 'tWelck duyzentkunsteuaers des naeren afgronts voeght, Die zich, aen u en my, volkomentlijck genoeght.
SIMON.
Samariën getuight , door 't dorp van mijn geboorte, Dat Gitthon heet, hoe jongk, verlooft aen Plutoos poorte, Ick daer de haalertjoon kreegh listigh aen de koort; ïot dat een Phlips my trots quam leggen boort aen boort, En dreef de geesten uit, en goot op mans en vrouwen Zijn water; strax begon mijn aenzien te verflouwen;
Dies was het oock geraén te mommen met die grijns ; Ick (om ons zwarte kunst te witten, met veel schijns Van heiligheit) vont goet het Looft te laten dompelen ; Zey zuchtende amen, op zijn vragen, op zijn mompelen; Begafme aen 's leeraers zijde , en gaepte naer die stem : ïot dat de lantsman oock quam van Jerusalem, 'k Beproefde schalck hun trouw met schatten te bekooren , Om 'tvolck door wonderheên te leiden by zijn ooren: Dan laes! 't was al vergeefs, en moeite en list gespilt; Want Cephas voer my slrax al vloeckende in den schilt.
Zy togen voort. lok kuiste, om de oogen te benevelen, In schijn hun wondren na, en prediken, en prevelen, En schoeide meesterlijck op eenen zeiven leest Van Vader, of van Soon, of dien onzichtbren Geest, Æquot;lt;' Om zoo een ruimer wegh , naer 'tbarnend hof, te banen , Voor Kruisgezinde, en Joon, en mijn Samaritanen;
Want veder houdt den trant, gelijck hy is gewoon ,
En op wat spil mijn kloot wil draein, hy draeit schoon. Mijn vrouw Selene noemde ik Moeder aller dingen , :) CZy baerde d'Englen : om haar schoon gestalt vergingen De muuren van Priaem : zy was 't verdoolde schaep , En Simon's Hemels kroost. Zoo wieghde ick elck in siaep. Zy trat als Pallas t ick kou Jovis biixem handelen;
Of gingh, als watervooght, droogs voets op 't water wandelen : -f Schiep weite en tarwe uit steen: brack poorten van metael; Keeck voor en achter uit, als Janus : wist een zael Met koningklijck tapijt door schimmen te behangen ; ï'onthalen te bancket, met spel en maetgezangen,
Mijn disgenoot, die (wat hy zagh , of gade sloegh)
Niet zien kon , wie de spijze, in goude vaten, droegh Ter tafel ; noch wat hant de pezen streelde , en snaren; Noch uit wiens mont de wint quam iu de fluiten varen. Ick broght Samariën in 't harnas , op de been.
Het heir schoolde , aen den voet van Garizim , by een ; Om Moses Heilighdom te zien ten bergh uit graven ,
Daer hy 't quansuis begroef: maer daetlijok zagh men draven Den heilgen heuvel op Pilatus rnitery ,
Die al mijn maght vertrapte, en vlamde felst op my.
ELYMAS.
Maer ghy ontslipte hem, en quaemt in'tendt naer 't Westen. SIMON.
Ick kreegh in inijn gewout deze oude en strijtbre vesten , Daer allerhande slagh , zoo 't Galileesch als Jootsch En Heidensch , onder een , my aenbadt, als yet groots , Ja wierookte, als een God; en zwarmde en zwierde, als muggen,
ïontom mijn beelden; een in 'tmidden van twee bruggen, ïn een op Quirinael ; maer , Peter, uit zijn droom Opschietende al verbaest, komt hevigh naer den stroom Pan Rome streven; wy, voor dat gezicht, aen 't schuilen, 3elijck, voor 't morgenroot, de vledermuis , en d'uilen , [n een Cimmerisch hol, of blinde moortspelonck ,
Daer nimmer zon noch maen, noch eenigh starlicht blonck.
ELYMAS.
My heught uw vlught van Rome; en 't ongeluck is ouder Dan 't mijn, te Paphos, daer ick om den Stedehouder, Den schrandren Sergius, oock tegens Sauwels beet , Wel eer Gamaliels scholier, die , fel en heet ,
My scholt een vrucht van Styx, doortrapt, en valsch, en wrevel En, schuivende op mijn oogh een nacht, en dicken nevel , Kreeg zoo het Cyperscli hooft al smeeckende aen zijn snoer Men denck, wat wraeck ick toen dien wreeden weiflaer zwoer lot tuigen strecken my zoo veel geterghde vloecken, Gebraeckt uit mynen mont, zoo veel vergalde boecken , Gespogen uit mijn pen , die nergens spaert noch schroomt Den naem , die al ons vlught zoo kort houdt ingetoomt.
SIMON.
Ick , sedert Claudius bezocht de bleecke scharen ,
Hervatte 't werck, zoo ras al 't puick der toveraren , Gedaghvaert, wert onthaelt van Neroos hof, en troon. Die, zoet op toverkunst, Jnpijn stack naer zijn kroon. Toen most de magre strot van Peters kudde bloeden , En blaeckeren. Ick groeide, in 't bitterst van dat woeden , En leerde elck wieroockvat noch afgodt te versmaên , En onder water door, en boven water gaen , Om 't martelen t' ontvliên ; en kon mijn list. verbloemen , Ja, liet my naer den naem van dien Gekruisten noemen. Wiens benden, op het punt van storten, en in last. Om bystand jammerden , schier doot , en afgevast.
Dees tweelingen, om my de vleugels eens te korten , Geweckt door dit gekerm en kryien , qnamen storten ,
Een yder uit zijn oort, als stroomen , herwaerts aen. Ick wederstootze; maer wie kon hun wederstaen ? , Zy deden my de ziel, met bloet en galle, braecken;
O spijt! ick voel, ik hoor mijn heupebeen noch kraecken. Ick storté al tuimelend, met ziel en lichaem, neer Ter aerde, en myne ziel, geprest ten lyve uit, weêr Van d'aerde in Plutoos poel : en blijft dit ongewroken Wy kregen last op nieuw Apoatelmoort te stoken. /.'â ''Op, Elymas ! nu sla die u met blintheit sloegh!
Hitst Nero weder op: ghy kent zijn' aert genoegh.
Maer toef, waer blijft al 't spoock, gereet om op te trecken ? 'k Zal stampen, dat het dreunt, en al den drommel wecken. Mijn leerkint, volgh mijn stem! Op, Geesten, klooft den gront /^/ Der aerde! Sammelt ghy? 'k Verdaegh u met mijn' mont. Of stamp iek te vergeefs, met recht op u verbolgen ? Op, Spoocken, 't was bestemt, ghy zoudt uw' leitsman volgen.
ELYMAS
Zy komen. D'aerde loeit, en tsiddrend berst van een; Nu braecktze zwavelvier, en roock, en stof, en steen; ,Daer zijnze.
SIMON.
Wellekom , o nimmerslapende Ickers , Zielmoorders , bloetraên, stokebranden, aertsverklickers, Trauwanten. die, gespitst op't schijnschoon, valsch en wreet. Den Godt des afgronts dient, en stapt in zijnen eedt; Verblijt u, want ghy zult, met ons, uw kromme krauwels Nu wasschen, in het bloet van Peter, en van Pauwels, Die hier, in hechtenis en ketens, dagh en nacht.
Vast morren, naer de lucht, gebeden, zonder kracht. Ghy zult u heden met dien vetten buit vernoegen. Dit zijnze, die u staègh uit 's lichaems schorsen joegen , Y En heerschten over doón en spoocken, zonder tal,
IS'iet eens in een gewest, maer stadigh overal.
Dit zijn de knevlers zelfs, die ons Schriftuur verbrandden. Dit zijnze, die ghy sloeght in boeien, en in banden,
Ilolpt gceslen, steenigen, Tcrbannen. reis op reis.
erspreit ghy u door stadt: beveelt ons twee 't palais. bedrijft, gelijck noch korts, wat ongemeens, wat wonders, erwringt yet; breeckt yet: speelt met hagels blixems donders. rei'baest, hitst op, deurspooekt de kercken onzer Goön. erockent wat ghy kunt. De kans stont noit zoo schoon, ïhy naer de Flamens. Ghy naer priesters en Vestalen. ïhy naer vernuften, die op losse starren dwalen-,
n dryven met den kloot des hemels nimmer moê.
Jhy al u best naer vee- en vogelwichlaers toe.
3 helden, laet u niet verbluffen van een stercker.
ïhy holpt 't gehaete paer in dien benaeuden kerckcr: Volvoert uw opzet nu, met ohverganckbren lof,
~n steekt de horens op, in spijt vau 't hemelsch hof. 'e Hemel zelf verlaet zijn eigene afgezanten.
Ghy eet d'Apostelschap allengs, aen alle kanten ,
Door zaegh, of zwaert, of stoet, of steen, of koort, of druck: Een hooge dagh voltoye al 't voorige geluck.
lek woed in Neroos hof; verspreit ghy u, by driften.
*t Lust Simon, Simon nu, zoo fijn als meel, te ziften; Dat al de weerelt zie, hoe reuckeloos , hoe stout De Hemel kercken, op zoo krancke zuilen, bouwt :
Op dat geen maght zoo groot verschijn, voor *s menschen ogen, Waer tegens 's Afgronts maght en kracht niet op zou mogen. De haen, vol slaeps, klopt noch de slapers niet aen 't oor. [ck streek een heldre maen by duister; â dat's u voor!
ELY MAS.
Wel meester, waer blijf ik? wat oort wort my bevolen ? SÃMON.
Nu vraeg niet; volgh mijn toorts, zoo kunt ghy niet verdolen.
Margellus. â Rufillus.
MARCELLUS.
Is meer dan tijdt, om naer 't gevangenhuis te gaen, En komt Rufil noch niet ? 't wort spa.: daer komt hi j aen. Tree nader, o Rufil! tree nader zonder schroomen
â 9 â
lek ben Mareellus, die « heimlijk hier deed komeu Om tzamen 't grootsehe werk , dat ons.... Waer gaet gy heen ?
KÃFILLUS.
Wel zoon, wat is er gaends? wy spreken nu alleen.
MAHCELLUS.
Nu naer de Vaders toe, waer henen ick u leide , Die nieraant nader, tot verlossing van hun beide, 1 ) Kon kiezen dan Rufil, wiens yver brant als vier ;
Nadien hy 't leerkint is van Pauwels ; ick, scholier En zoon naar het gemoedt, van onzen Bisschop Peter.
RUFILLÃS.
Tot noothulp in gevaer verkoost ghy nieraant beter . Dan my myn zoon, maer hoe? wat durf uw jeught bestaen ? O reuckelooze jeught! dit kan niet wel beslaen.
MARCELLUS.
De jongkheit past wat stouts , en staot niet licht verlegen. Bedaeghtheit, rijp van brein, wil wieken, overwegen, En waeght niet wightighs, voor zy 't wis en zeker ziet , En 't stuck hobbe in haer maght: maer neen, zoo gaet het niet 'In zaecken van belangh. 'k Misprijs niet raet te vragen : Maer altijt suffen, altijt wieken, nimmer waegen ,
Bedrijft, bedijt oock niet.
RÃFILLUS.
'tls waer, doch wat kan 't schaên , Dat mijn zwaermoedigheit den wegh (wil 't helpen) baen' Ten kereker? hindert het, gevaerlijckheên te myden? ⢠f' Zy grijnzen, niet van een, maer schier van alle zyden, Zoo gruwlijck, dat mijn oogh hier naulix door kan zien , Doch zoo ghy 't u getroost, in Godts naem, 't moet geschiên.
MARCELLUS.
Ay, zet geen zwarigheit, aleerze wort gehoi*en !
RUFILLÃS.
Ghy wilt dan, eer wy gaen , wel eerst mijn inzicht hooren ?
MARCELLUS.
leer gaarne, vader; zegh, wat maectt u hart bedeest ? RÃFILLUS.
ly vreest niet ydel, die by tijdts voor 't uiterst vreest: Vant mist die toght, ghy helpt de Harders gladt om't leven, luu kudde aen nieuw gevaer ; hoe menigh zal' er sneven, )ie nu noch veiligh duickt!
MAKCELLUS.
Wel vader, vaer zoo voort.
HUPILLUS.
ihy zijt noch jongk, mijn kint: maer ick heb noit gehoort, loe yemant uit dien muil des moortkuils zou geraken, ly slaght de Hel, die weet van slicken, niet van slaken, )at Marmertijnsche hol, of is 't u onbekent ?
t Is rotssteen stael metael al wat' er klinekt ontrent : jimente muuren, ijsre staven, kopre deuren.
Can uwe teêre hant die breken, buigen , scheuren ? )f draeght ghy Samsons kracht verbergen in uw hair ? K meent ghy, slechte knaep, zoo sluick van middel, daor Te wringen door den muur , waer in geen zon kan schynen Us voor een halleve uur, en qualyck zonder quynen l^an 't alverquickend licht? Zoo is 't 'er niet gestelt.
t Zijn dubble traliën : 't zijn weroken voor geweit.
MAKCELLUS
Beschrijf den kereker niet: dat's tijdt en tong versleten Poor my, die menigmael vervarssing, dranck , of eten, 3f brief, of artseny aen dees gevangens braght.
2ijn onge vingers teer, dit yzertuigh heeft kracht, Die sleutels.....
RÃFILLUS.
Hoe, Marcel, door wien of ditgeluckte? Wie was zoo koen, die dit in wasch of potaerdt druckte ? Wie smede op vormen juist de rechte wederga?
MARCELLUS.
Nu onderzoet-k niet scherp, dit baert min nut, dan scha.
Zegh op, wat vreest ghy meer?
BUriLLUS.
't Gebas der wackre lionden; Het wachthuis, daer ontreut; de schiltwaeht en de ronden; Het volek, dat 's nachts langs straet te doen heeft by geval; _En niet van éénen kant, ick scbrick van overal,
. V oor mijn gedachten zelfs , en wat men niet zou droomen.
MARCELLUS.
'k Wil ront gaen in de zaeck, zoo hoeft ghy min te schroomen. De hondert oogen, die den kereker gade slaen,
Ja , bey de hoofden zelfs , Proces , Martiniaen (Door wonderheên verlicht, daer Peter, opgesloten, ^ Hen met zijn eige hant, gezalft heeft, en begoten,
Toen hy de bronaêr sloegh in dien Tarpeeschen gront) Begunstigen dit stuck , geen' lasterlijken vondt ,
Nadien men 't Capitool geen onheil pooght te brouwen.
RUFILLUS.
Maer waerom bezight men hier mans , niet liever vrouwen .. Of maeghden ? blyven wy op zulck een' aenslagh t'huis ! Mariën hielden stant by 't graf, ja onder *t kruis ,
Daer mannen angstigh vliên , en nagels speer en doren , Gelijck veel zwaerden, een Lievrouwehart deurboren.
En of 't misluckte, 'i is gevaerlijcker voor mans.
Jl-O De maeghden acht men minst; want waegen die een kans, 't Heet wyvenyver: 't geeft geen omzien, niet met allen.
MARCELLUS.
De keuze is nu eenmael op u en mij gevallen !
Ghy zult op schiltwacht staen, ik dring den kerker ia.
RUEILLUS.
Nu kniel, op dat men 't werek aldus met Godt begin :
âVerlosser, die, om elck te lossen, U liet vangen En binden, en nu zit, aen 's Vaders zy, behangen Met eenen mantel , rijck van Goddelijcken gloet,
Waer voor al 't zichtbre licht zijn stralen strijcken moet: Ghy Samson , die den mont des Afgronts op kost sparren ,
â 12 â
ien roof ontweldigen, en slepen naer de starren ; p 'tgrimraigh brullen van 't kranekhoofdigh helsch gedrogt, at, tegens üwe stem, een wijl niet kicken moght:
Heilaut, moedigh ons, om nergens voor te zwichten. rerlos en redt die beide Apostolijcke lichten ,
p 't schreien van Uw bruit, op 't jammerlijck geklagh an haar , die ongetroost dit pack niet dragen magh.
ntruck Uw hooftkerek niet den steun der hooftpylaren, e dragers van het dack , waer ouder wy vergaren, egunstigh onze hoop. Zoo 't anders is verzien,
7y rusten in Uw' wil, die moet vooral geschiêu!quot;
Peter. â Pauwels.
PETER.
O waekerste van alle vogelen ,
Die my uit 's misdaets dootslaep kraeit,
En drijft, door 't klappen uwer vlogelen ,
De zon aen, die zich Oostwaart draeit , â
J En langkzaem naer de kim komt ryden ,
Terwijlze alreê bekommert is .
Om d'ijsre traliën te myden Der Mamertijnsche vangkenis ;
Die vasthoudt, in haer holle kaken ,
Den weiflaer, dien 't van 't harte kon.
Al willends wetends te verzaken Den glans der onderdruckte zon ;
Een zon, die aller blinden oogen Genezen quam ! â Getrouwe haen,
^ i Ghy kraeit , eer noch dees doeck kan droogen Alweer op elcke wang een traen. Ghy morghenwecker , leert my schreien Gcduurigh , eer de Morgenstar De seheemring, voor dien glans , gaet spreien, Waer tegens ick niet opzien dar ;
Waer tegens ick niet op kan beuren
Dit rompligh schrompligh aengezicht ; D'ooghappels, weeck en bliut van treuren , Bezwalkt, beschaamt, en schuw van 't licht. Heb ick hun noch niet uitgekreten .
Die waert zijn Godt noch zou te zien ?
Heb ick mijn tong niet afgebeten,
Die, om gevaer en smaet t'ontvliên ,
Verlochende den rechten hoeder,
壉 72/Verzwoer het al t'onnozel lam,
Dat smetteloos van zyne moeder Ter w eerelt, al de weerelt quam In bloet en hartewater baden ,
Zich offeren op 't kruisaltaer ? â
JL/i O Paeschlam , ick holp u verraden,
In 't onweer van die wreede schaer.
De kusser van 's Verzoeners wangen Verriet maer eens der menschen zoen:
Mijn inont, na dat liy was gevangen, â ' Verriet , helaes ! hem driemael, toen Hy vast bespot wiert , en bespogen.
Erbarm u myner : zie om laegh :
Alziende Waerheit, straf mijn logen :
Verzwaer de ketens , die ick draegh.
J/TWat woorden liet ick my ontslippen!
Verzaeckte ick zoo mijn' Godt, mijn Heer ! Wat last ren schonden deze lippen !
Ick nock , ick berst, ick kan niet meer.
Mijn geest bezwijckt; ick zijgh ter neêr.
PAUWELS.
Ay mêgevangen , staeck dit nocken , staeck dit stenen , En laet my sluimeren; of zult ghy eeuwigh weenen , Om 't strnickelen der tonge? om zoo een woort , dat stil De lippen los ontglipte, uit zwackheit, niet met wil? Wat andera heeft de raont, wat anders 't hart gesproken. Ghy ziet, van hartewee , verkniest , verout, gebroken.
â 14 â
)it kerraea , nacht op nacht, verzwackt den ouderdom , Versteurt den slaep , of maeckt mijn nachtgebeden stom. ck schouw (want tranen uit berouw tot zuivring strecken 'an een bevleckt gemoedt) u rein Tan deze vlecken.
PETEK.
lijn amptgenoot, ick weet, ick reek uw taey gedult 'e lang, door 't moeielijck vernieuwen van mijn schuit, oo menigmael de haen aeu 't sluimrigh hart komt kloppen. iVat raet? mijn hartaêr berst, in 'teerst allengs by droppen, 'an korter , drop op drop ; dan gietze beecken uit; 'n schrey ick niet, zoo is 't alleens of 't hart my sluit. Ly medebroeder, laet mijn tranen ruim gaen weien.
iaet my mijn dootvergrijp ophalen; laet my schreien! â PAUWELS.
oo klagen 't hart verlicht, vaer voort met uwe klaght. PETER.
De nacht vermaent my weêr aen 's Heilants jongste nacht, Waer in d'Aertspriesters zelfs, schijnheilige Ouderlingen, En Schriftgeleerden hem , met stael en stocken , vingen Door d'opgeruide schaer, en dien Iscarioth ,
Verkoopende , om wat gelts, zijn meester, en zijn' Godt. Ick trof in 't hondert , met den korten krommen degen , M aer als vergeefs: elck vloot, en Simon stont verlegen , Verlaten, en most zien, tot stervens toe bedruckt, Hoe deerlijck Jesus daer zijn oogen wert ontruckt, Eu stéwaert in gesleept; 'k zagh om : elck was geweken, k Had nu door Meesters last den bouwer opgesteken , En twijflende of mijn trouw hier mede moght volslaen , Volghde al beducht de torts en nachttroep achter aen , Gelijck een dwalend lam al blatende deu harder , En 't siddrend voor den wolf, dan dichter, dan wat verder. Helaes! zy sleurden 't Lam in 't priesterlijcke hof.
Ick zagh dit, en verdroegh 't; vergreep ick ray niet grof? Och och, ick heb... och och!
PAÃWELS.
Ghy hadt u vroom gequeten.
â 45 â
PETEK.
lek stijgh de trappen op, daer 't hof, op Godt gebeten , Krioelt, en woelt, en galmt, en lastert, zoo versteurt, En Kaïphas quansuis de kleedren rijt, en sclieurt. ! 'k Hoor spuwen in 'tgeziclit, en klincken voor die wangen, Waer aen zy 't dootzweet zien, by roode drupplen, hangen ; âNu Christus, propheteer: wie klopt u voor den mont?quot; â Een meiskeu, dat my, in de voorzael, zitten vont,
Stoof op: âdit's oock van 't slagh, die twist en oproer zoecken !quot; Ick schrick, verzaeck mijn' Heer, verdoem mijn ziel met vloefken. Noch eenmael, en noch eens; en daetlijck kraeit de haen, En Jesus ziet my stijf met straffende oogen aen , Die dringen in de ziel; waer was ick toe gekomen !
Het hart wou op de tong, die liet zich naulix toornen, Wee my, ellendigh man! erbarm u mijns, o Heer!
Wee my, helaes, och och!
PAUWELS.
Mijn broeder, schrey niet meer.
PETEK.
O haen! De dagh wou op: my docht mijn hart wou sluiten. Ick gingh, beklemt om 't hart, ten hove uit, recht naer buiten. Mijn stille schuilspelonck ontvouwen mijn verdriet, In 't eerst met stom misbaer: geluit slaen kon ik niet, Ick sloegh voor deze borst; begon het hair te rocken Uit mijnen visschers baert; verzuchte, roeckte aeu 'tnocken, Aeu 'troepen op het lest, lagh plat op 't aenzicht neêr. Zoo koudt, gelijck een visch, langs 't Galileesche meer , Noch zieltooght, op den kant des oevers, vóór zijn sterven. Als die zijn element, het water, niet kan derven. Ick schreeuwde : o, waterbron des levens ! help my doeli Aen water : help mijn oogh aen tranen ; is'er noch Wat hoops, wat levens voor mijn ziel, in zilte plassen! Maer neen, die vloeckvleck is met tranen niet te wassen. O mijn vermetelheit; wat heb ick my beroemt Van voorstant! heiige diseh, en spijs, die my verdoemt! O bloei, o dranck, o kelk! hy spelde 't al te veuren.
â 16 â
sleutels, wat poortier vertrouwt men 's HeraeU deureu ! ena, genft, gen»! â Toen schreide iek, vlaegh op vlaegh, ijn oogen root en dick, en harde 't schreien staégh. aet tuigen van mijn' rouw, om mijn' bezweken yver, ie Starrebron, by 't hol: die zuivre en klare Vyver.
Peter, was dat pal, gelijck een pyler, staen!
n kon een maeghdeken een' man in 't veldt verslaen?
Viel mackelijeker 't lijf, verkleumt van kou te warmen, an, met gevaer van 't lijf, uw' Meester te beschermen, ch och, wee mij 1 Helaas wat kan een ydle schrick!
pauwels.
hy zijt, op verre na, zoo schuldigh niet als iek,
ie zelfs de kleederen des steenigers bewaerde,
aer Steven storte met een hagelbuy ter aerde,
n, van godtvruchtigh bloet, besprengkelt, paers en root, y lachen zagh, wee my ! in zyne onnoosle doot,
aer 't lijok, half levend, lagh geplet van harde kaien. aet Simon zwygen : laet de bittre Sauwels schreien, ien Christus uit de lucht die gruwelen verwijt.
hooft van 't lichaem zelf, waer in Ghy sterft, en lijdt; glans, had Ghy een' strael in mijn gezicht geslagen. Eer bey deze oogen noch dien martler storten zagen! Die Heilig badt voor ons , en steegh de woleken deur. De steenen werden root, mijn wreetheit hiel haar kleur. Mijn handen, hebt ghy ook doornagelt den Gekruisten? Wee my, wee my, wee my! Wie klinckt my daer met vuisten Zoo fel in 't aengezicht? O, Nachtgeest, zijt ghy dat? Sla toe, 'k verdien noch meer : iek zit van bloet bekladt. Verneder dezen worm, eer hy zich verhoovaerdigh ;
Vernoegh aen die gena; â ben iek haer anders waerdigh. Och och, gen Ti, wee mij, helaas , gena, och och !
Marcellijs. - Peter. - Pauwels. - Rufillus.
rufillüs.
Wat kermen hoort men daer? wat wil dat steenen toch?
MARCELLUS.
Wy naeckeu lief gevaer eu dienen niet te sammelen.
PfiTEll.
Wie spreekt'er ?
MARCELLUS.
Hoor, ay hoor die ijsre ketens rammelen! My dunckt iek ken die spraeck; hou schiltwacht, in dien hoeck; Verneemt gliy ronde of volck, zoo brem eens; hou u kloeek. De maen komt op, wiens schijn my luttel kan behagen. Het licht is zelden vrient van heimelijcke lagen. â Dat gelt, in Jesus naem !
PETER.
Hoe gaen wy ? slim, of wel?
Waer sleept men ons by nacht ? wie leit ons ?
MARCELLUS.
Ick Marcel
Uw zoon naer het gemoet. Ick bid u, volglit te gader;
Ay oude Vader, volgh ; ghy mede, o goede Vader,
In dezen achterhoeck, eu uit den maneschijn,
In schaduw van dien muur; dat zal wel veilighst zijn.
De schiltwacht heeft den slaep vry gulzigh ingedroneken.
'k Verneem noch geen gewag; ay hoor dien waehthontroncken
Voor dezen drempel. Lof zy u, Emanuël,
Die dit beleit. Dit schijnt geen menschelijck bestel.
Het zou niet hinderen al schuilden wy wat verder.
O Jesus , U zy lof; o, aller herdren Herder!
Nu Vaders, gunt my, dat ick miju verlangen blusch ,
Dees hantboey eens ontsluit. Laet my betyen. Sus !
Een dalende Engel zy mijn hulp, en medewereker.
PETER.
Ghy draeght de sleutelreex van kluisters, en van kereker, Mijn kint, wat droom is dif ? wat durft ghy op u laên! Wie vordert u tot zulck een zorghelijck bestaen?
MARCELLUS.
De vijftigh zielen zelfs, gezalight van uw handen ,
Ter stede daer ghy zuchte, om 't knypen dezer banden;
2
â 18 â
De Roomsche kudde zelf, van Peters staf geweit,
En al wat, nacht en dagh , om zijn verlossing sclireyt, En vast, en waeekt, en bidt (daer zy ter sluick vergaren) Dat d'Opperherder wil zijn' Onderharder sparen , Ten minste nog een wijl; gedooght dan, en gehengt Te volgen, hant aan hant, alwaer Marcel u brengt In 't onderaertsche hol, by zoo veel aengezichten, En kennis, om hen door uw wederkomst te stichten, Te stereken in deu atrijt uw strydende gemeent.
My dunckt ick hoor alreê, hoe 't hol van blyschap weent. En galmt, terwijl ghy schijnt twee starren in het midden: Dies volght my, op mijn bede, of liever op hun bidden.
PETER.
Zoo Jesus dit behaegh, hy zende een Engel neêr:
Hy sluit' den kereker op, en helpe ons, als weleer.
MAllCELLUS.
Godt bezight Engelen, of dienst van zwacke menschen. PAUWELS.
Maar Englen weten best, of 't nut is 't geen wy wenschen. MAKCELLUS.
De menschen holpen u weleer ter goeder uur.
PAUWELS
Uil geen gevangkenis, maer van Damascus muur.
MARCELLUS.
Uit een gevangkenis van vesten, dicht gesloten.
PETEK.
Waer Christus staêg gevlugt, zijn bloet waer noit vergoten. MAKCELLUS.
Het hooft most bucken, tot verheffing van zijn leên.
PETER.
De leden met hun hooft zijn lot- en kruisgemeen.
MAKCELLUS.
De kudde treurt, wanneer de herder is ontslapen.
PETEE.
De vrome herder zet zijn leven voor zijn schapen.
MARCELLUS.
Wanneer 't de noot vereischt, dan zwicht hy voor geen doot. PETER.
De grootste Harder smeet zich willich in die noot.
MAKCELLÃS.
De grootste Harder leert de kleensten 't kruis ontvluchten. PETER.
Maer onder en aen 't kruis daer bloeien schoone vruchten. MAKCELLÃS.
Ontydigh kruis brengt wrange en bittre vruchten voort. PETER.
quot;t Is altijdt kruistijdt j kruis is 't schoonst dat my bekoort. PAUW ELS.
Ick roem in Christus kruis, ja, sterven is mijn leven. PETER.
Wat heeft mijn vlught wel eer al ergernis gegeven I MARCELLUS.
Uw leven stutte Godts vervolghde en wanckle schaer.
PETER.
Mijn nazaet, roept my Godt, neemt deze schaepskoy waer. MARCELLUS.
Als Godt u roept, dan kan de nazaet haer bezorgen.
PETEE.
Waertoe dit uytstel dau ? waertoe gedraelt tot morgen? MARCELLUS.
De kinders scheiden van den vader tijdts genoegh.
PAUW ELS.
De vader zag lang grijs; hy scheit nu niet te vroegh. PETEE.
D'Olijfbergh zagh ons van dien lieven meester scheiden.
â 20 â
MAHCELLUS.
D'Olijfbergh zagh ook hoe bedrukt zijn jongers schreiden. PETER.
Wy scheidden evenwel, getroost en onbevreest.
MARCELLUS.
Zijn Engel (rooste u strax, daerna de Pinxtergeest.
PAÃWELS.
Die zelve Geest kan u oock troosten, en verquicken. MARCELLUS.
Nn is het vluchten nutst, tot dat vry 't kunnen schicken. PAUWELS.
't Geen nut en oirbaer schijnt past strax een yder niet. MARCELLUS.
Zich zeiven reuckeloos te werpen in verdriet ?
PETER.
Men eert den Heilant zoo, door tranen, bloet en wonden. MAR.CELLUS.
Stroit rozen voor het zwijn: worpt perlen voor de honden. PETER.
Wat roos wat perlen heeft Godts wijsheit niet gestroit! MARCELLUS.
Noch bleef de boosheit blint, hartneckiger dan oit.
PAUWELS.
Dat zal ha^ in den dagh des oordeels overtuigen.
MARCELLUS.
Uw kinders kryten, om uw leering noch te zuigen.
PAUWELS.
Zy zijn nu groot: hun dient geen meick, maer slercker spijs. PETER.
Misgunt men ons die rust, in 't hemelsch paradijs ?
MARCELLUS.
Zy hoopen daer met u te rusten, zonder ende.
â -21 â
PAUWELS.
Wat houdenze ons dan hier gebonden aen ellende?
MARCELLUS.
Uit liefde, en een gemoedt van droefenis beknelt.
PAOWELS.
Men moet ten Hemel zoo instormen met gewelt.
MAHCELLUS.
De Hemel staet alleen niet op Toor martelaren.
PAÃWELS.
Ons voorbeelt quam aldus den Hemel ingevaren.
MARCELLUS.
Hy had zijn Midlaers ampt voltrocken hier beneêu.
PAUWELS.
Wy hebben hier den strijt, ons opgelett, Tolstreên.
MARCELLUS.
Gedenckt ons andren dan, die hier noch moeten strijden. PETER.
Wie triomferen wil, leer strijden, sterven, lijden !
MARCELLUS.
Zy strijden moediger daer hoofden voor hen treên.
PAUWELS.
Wy treden nu vooruit: waertoe dan dit gesteen ?
PETER.
Ga, zoon, ga en ontlast die naer uw komst verlangen !
Wy geven op een nieuw ons wederom gevangen ;
Zoo raeckt noch ghy, noch wacht, noch niemant in verdriet.
MARCELLUS.
J / Heeft dan mijn trouw vergeefs gelegentheit bespiet ?
Vergeefs het lijf gewaeght, om u het lijf te bergen? Och vaders! vaders och! hoe kunt ghy ons dit vergen ? Is dan Marcel, ja, al de kudde u niet meer waert? Ten minste volgh my na in 't hol, daer 't al vergaêrt,
â '22 â
En wacht, en treurt, wat om uw uitkomst is verlegen : Kn kaa u niemants raet noch liefde daer bewegen ,
Noch houden uit den muil van 't gapende gevaer,
Zoo keert van waer ghy quaemt, o al te vierigh paerl 'k Hoor onraet, zoo my dunckt, van volck op stract, of ronden. Ick bidde u om de vijf quetsuren , de vijf wonden, Om speer en nagels, om de scherpe doornekroon, Gevlochten om het hooft van Godts verdruckten Zoon, Bcwillight aan Marcel zijn hartelijcke bede,
Of (weigert ghy te gaen) ick treek, ick sleep u mede.
kufiltus.
Is 't hier noch dralens tijdt? het schemerlicht breeckt aen. Ick hou van veer de wacht, en kan uw spraeck verstaen. De loste ronde komt; ghy zult het stuck ontdeeken. De Vaders weigren meê te gaen : men moet hen trecken.
Rey.
Zang.
Voor Jesus' naem, en Caesars Eijck, ' â Het zij in sterven , of in leven,
Staen wy gereet, een yegelijck Zijn eer en eigen Eecht te geven ,
Door schuldige onderdanigheit;
Gelijck wy Gode en Caesar zwoeren , 5 'f j En, met een wettigh onderscheit, Ons tweederhande wapens voeren, D'onzichtbare , om de blinde maght Des Afgronts Christelijek te keeren ; De zichtbare, om ge welt, met kracht T'/ ' Der armen, van 's Rijx hals te weeren, Van 't Capitool, en al den Raet; â Dit past een Christensch Koomsch soldaet.
â 23 â
Tegenzang.
Die zelve Caesar zal we! haest Ons nieuwe Kidderschap bestoken; pquot; Æâ Op datze, van de doot verbaest,
Jupijn met wieroock ga beroocken,
En dea gekruisten Vorst verzweer ,
Haer hoop, en zekerste betrouwen ; Den Vorst, die d'Afgoón preeekt tor néér En tempels leert van harten bouwen,
Waer in hy leest door Zynen Geest,
Veel min gedient met goudt, en marmer, Dan met een ziel, die zucht, en vreest, En keert den levenden beschermer A ! Haer aenschijn toe, haer' rugh Jupijn. Waer zal dan Christus ridder zijn ?
Toezang.
AI stonden wy, met heele benden, Gekerstent, blanck in 't harrenas , En dat'er slechts een schrede was In 't midden , tusschen moortellenden En 't Heidensch offren, naer den sleur; Wy koren Christus voor den keur; Wy lieten zygen weer en wapen,
De pylen , speeren, zwaerden slapen , En offerden, als tamme schapen, Ons willigh op aen 't weerloos Lam, Dat stom van zelf ten outer quam.
Het Tweede Bedrijf.
Aoricola. â Aertsofferwighelaer.
agricola.
AertsofferwicheUer , hou op van meer te spellen , Uit zoo veel feeckenen , als ghy ons komt vertellen ,
Met die daer buiten staen; ons gruwt van dit verslagh. Al wat men , nu te nacht, en oock voorhenen , zagh Op d'aerde, of in de zee, of aen de lucht, gebeuren; Beduit verandering, cn komt den Godtsdienst steuren, Met eenen 't gantsche Rijck, de wyde weerelt door ; 't En zij men 't slangenest en nieuw gebroetsel smoor, Eer 't met vergiffen fant den hiel der Priestren tarte , En aenvliegh; maer wie treckt den Godsdienst nu ter harte?
AERTSOFFERWICHELAER.
Dat komt op Csesar , 't hooft der Heiligheden , aen.
AGRICOLA.
Zoo lijdt de Godtsdienst last, en kan niet langer staen: Want hoe zou die in 't Rijck der Koperbaerden bloeien ? De derde outgrootvaêr dorst 's Aertspriesters maght besnoeien; Vereerende eerst aen 't volck den priesterkeur, waer mê Zijn heilooze afkomst nu, op des Hooftpriesters stê ,
Vast pronckt, en stadigh uit om d'outers te verdrucken , Betoont, tot ons verdriet, dat hem der oudren nucken Noch zitten in den aert, wanneer hy 't out geloof Verdelght, het Heilighdom den krijghsliên geeft ten roof. Ziet koor noch kercken aen, acht alles onverboden , En smelt in krijghssoudy de goude en zilvre Goden , Ja, d'Opperschutsgoön zelfs, met al wat Rome stut. En sterckt; al wort de buick der schatkiste uitgeput, En 't schamel volck den rugh, door schatting, ingetreden ; Hy durft aen overdaet hun zweet en bloet besteden .
Oock 't Priesterlij eke gout, gespaert in tijdt van noot.
AERTSOFFERWICHELAER.
Eerwaerde Agricola! zijn moedtwil, al te groot,
Beschaemt Salmoneus zelf; wie kan dien hoogmoet temmen ?
AGRICOLA.
Die durft wel in de bron van Mars den Vader zwemmen , 't Gewyde water daer ontwyden, door de smet Van zijn onzuiver lijf, geplaegt in 't krancke bedt.
CMaer wat ontziet zich een, die raet om laegh durf zoecken,
â '25 â
Door toverofferand , by Ongoon , en by Vloecken Die godtlooze, overtuight in zij n' verwaten geest.,
Tradt huiverigh te rugge , op 't Eleusijnsche feest,
Van die geheimenis, zoo raa hy hoorde roepen: â /£ âVertreckt, misdadigen! vertreekt, besmette troepen!quot; â
AERTSOWERWICHELAER.
't, Valt langkzaem, eer de plaegh des Hemels op hem druip. Maer op dat midlerwijl dees pest niet dieper kruip In 't ingewant des staets, en glip door al de leden In 't Rijck; is 't noodigh 't hooft van zulcke nieuwigheden , Aen 't groeien dagh op dagh, te plettere te treên:
Gelijck Pilatus dat, in 't hooft der Joodsehe stcên , Vermorselde op een rots; hoewel die vruehtbre droppen Nu grimmen, als een oogst, met giftige adderskoppen, 't Is noodigh, dat'er een, uit onzer aller naem, â Den Vorst hierom begroet
AGR.ICOLA.
Maer wien acht ghy bequaem ; Door wien wordt 's Keizers hart voor ons verzoek gewonnen ?
AERTSOFFERWICHELAER.
't Wil er best als de vooghdes van Vestaes kuische nonnen. Die onbesproke ziel, en Moeder, hierom badt,
Zij, die 't Trojaensch altaer bewierooekt, met heur vat. Het welck voor Vesta smoockt: haer Godtheit aengenamer Om haer, die toeganek heeft in heur geheimste kamer. En wie 't Palladium alleen wort toebetrouwt;
Om haer, die 't eeuwigh vier met voetsel onderhoudt , En, nacht en dagh, bewaeckt: Vooghdesse der Vestalen, Uit welcker aengezicht de kuischeit met haer stralen, D'onzuiverheit beschaemt, en ontuchts geilen nacht:
Heur lippen hebben 't hart des Vorsten in haer maght. Heur woorden binden hem, gelijck vergulde schakels; En Nero hoort heur stem, als goddelijcke orakels, Hy schonck haer 't Recht om naer 't Olympisch feest te gaen. Het bijl- en bondelrecht blijft voor heur hairbant staen.
â 26 â
De Burgemeesters zelfs, de Schouten, en Raetsheeren Gaen uit den wegh voor haer; wou zy zich eens verneêren , Tot froost des Priesterdoras, dat nergens heul aen vint, 4^ En stroit zoo vruchteloos zijn klaghten in den windt. Dit eerloos rot zou zich niet langer durven reppen. D Aertspriesters zijn alleen de Goden, die haer scheppen : Dies ga ze ons t'zamen voor, en roep heur Vader aen.
AGRICOLA.
Noemt ghy hem vader, om dat vaderlijck besteen,
Sj Dat vaderlijcke hart aen Rubria beweezen ?
Zoo maek' haer Vesta strax vry vaderlooze weezen.
Hoe lang is 't, dat het oogh van zijn bedorve ziel Op deze Roozemont, 't godtvruchtigh schepsel, viel,
Daer zy te koore quam, met neergeslagene oogen, En kaecken, root van schaemt; de zinnen opgetogen Tot moeder Cybele; haer Grodtverloofde mont Gepropt van lof; het hart van niemants min gewont. Als van d'Altaergodin, voor wie men haer zagh knielen Met zulck een nedrigheit, dat alle nonnezielen Ontstaecken , door die vlam des yvers, en dat vier , Uitstralende uit gebaer, gelaet, en Hemelzwier Van haer, die nu niet scheen op d'aerde te verkeeren,
Maer in een' gloet van geest en Godtheit te verteeren. De schaker vatte dit, hy streeck ten tempel uit, t En zwoer die witte duif te plucken als zijn buit.
Och, och ! zwijg stil, ocli zwijg! wat noemt ghy hem een' vader. Dien nonneschender, dien altaervloeck, dien verrader!
AERTSOFP ER WICH EL AER.
Geweldenaer, dat kan niet ongestraft vergaen.
AGRICOLA.
Hem quam, in onze kerek, noch korts een tsidderinge aen: f D ontheiligde Godin scheen neder, uit den hoogen.
Te dalen, en ontstelt te waeren, voor zijn oogen.
Bezoedelt van die maeghde- en tempelschendery :
Want waer hy gaet, of staet, het brein is nimmer vry
- '27 â
Van 't wroegend schellemstuck; wat stoft liy op deu stamme Der Juliëa, door wien, daer Troje stond in viarame, Ons heilighdom van Veste, ons Haisgoón zij li geberght! Waer heeft Ancliises zoon de Goden oit geterght?
Vloot d'eerste van 't geslacht, toen 't oude Troje roockte, Hy zij de lest, die 't vier in 't nieuwe Troje stoockte! O tempelen der Ooon , vergaen in roock en stof,
Waer sliep de blixem, dat die 't godtloos hooft niet trof?
aektsoff ellwichelaer.
Vergeet, vergeet uw leet, laet ydle klaghten varen ,
Kom gy dan zelf te hulp ons liaertsteên en altaren. Verzelsehap mijnen sleep, naer 't hof van Caesar toe; Op dat men zoo 't gevaer van erger brant verhoê ,
Nadien de Hemel schijnt ontsteken, en verbolgen.
agricola.
Ga voor; eu ik zal u, met mijne priesters volgen.
Nero. â Agrippa.
nero.
Wat of 't verbolgen weer van dezen nacht beduit ?
agrippa.
De Luchtgoón borsten met hun gramschap t*effens uit. nero.
'£ Op hooge heuvels felst, en d'allersteilste wercken.
agrippa.
Jupijn schept lust doorgaens te dondren op zijn kercken. nero.
Bestormt de Godtheit 'tgeen haer zelf wiert toegewijt ? agrippa.
Het zwanger aertrijck gingh in arrebeit van spijt.
nero.
Het steende, en quam in 't endf al tsidderende aen 't baeren.
â 28 â
AGRIPPA.
Uw kamerdeur sprong op : gy zaeght yet gruwzaems waeren. NERO.
k Heb den Samaritaen, in mijnen droom, gezien.
AGRIPPA.
Wat komt d'ontruste Geest, in Csesars hof, bespiên ?
NERO.
Den schouwburgh, daer hy plofte, afgrijsselijck vervloecken. AGRIPPA.
Of zijn geknackt gebeente en dorre schenkels zoeeken.
NERO.
Hy had het noch gelaên op 't Galileesch gebroet.
AGRIPPA.
Gebroet, 't welck hem, by nacht te Rome, waeren doet. NERO.
De wraeckzucht laet dien Geest niet in den Afgront slapen. AGRIPPA.
Die bezight hem, als een van zijn getrouwste knapen.
NERO.
Hy vont nochtans geen trouw by 't vliegend draeckenspoock. AGRIPPA.
Dat blies, als iEtna , fel, ten neus uit, vier en smoock. NERO.
Het voerde hem om hoogh : wy zagen 't met ons allen. AGRIPPA.
Het voerde hem zoo hoogh , om laegh te laten vallen.
NERO.
Zoo tuimelde Ikarus , te stout in 't stout bestaen.
AGRIPPA.
De Galileër won 't van den Samaritaen.
NERO.
Dat prevelen had kracht, noch meer dan toverrymen.
T â '29 â
1
AGlllPl'A.
Toen streden twee genans, en Symen won 't van Syraen. NERO.
Die doode Symen eischt den levenden van my.
AGRIPPA.
Dat's d'oorzaeck, raem ick recht, van al dees spooekery. NERO.
Vernoeght die aen geen straf van kercker, en van keten?
i AGRIPPA.
't Is negen maenden leên , dat hy heeft vast gezeten.
NERO.
De boey en kerker zijn beletsels van veel quaet.
AGRIPPA.
'k Geloof niet, of hy zaeit al zittende zijn zaet.
NERO.
De kercker wort bewaeckt van wakers, en soldaten.
»! AGRIPPA.
Zoo naeu niet, of ter slnick wort yemant ingelaten.
NERO.
De waeokers tsidderen nochtans voor ons gebodt.
AGRIPPA.
Wat durven krijghsliên niet, uit gunst, of om genot ? NERO.
Of Sybillisten noch te zamen durven scholen ?
AGRIPPA.
Zy nestelen by nacht in kelders, kuilen, holen. * NERO.
, Daer steeckt de middaghzon hun niet te heet op 't hooft.
AGRIPPA.
Zy groeien nochtans aen: 't verboón wort liefst gelooft. NEEG.
De gansche werelt lacht om zulcke razernyen.
i
â 30
agkippa.
Zy zelfs belachen elck , in 't bitterst van hun lyen.
nero.
Dat jongste lachen quam daerna op schreien uit.
^ agftlppa.
^ Noch wert hun dolheit eer gesteven, dan gestuit.
nebo.
Heeft yeraant lust aen 't kruis het lijf te laten doemen ? agrii'pa.
Het kruis is 't eenigh heil, waer in zy durven roemen. nero.
Vergeef hun vry dien roem in 't aengehaelde kruis. agrippa.
Ik zie, Agricola komt hier naer 's Vorsten huis.
nero.
3 Hy zoeckt gehoor, ick zal met u hem hier verbeiden.
agrippa.
Ick zie een heelen sleep van mannen hem geleiden.
nero.
t Zijn Priesters , Flamens , vee- en vogelwichelaers. agrippa.
Het schijnt, zy hebben 't hooft vol onweêrs, vol gevaers. nero.
Zy kraeien onweer, eer het onweer is geboren.
» - ^ agrippa.
D'Aertspriester stapt vooruit; verwaerdigh hem te hooren.
Agricola. â Nero.
ag ricola.
Der Goden Vader neem den Vorst in zijn gena!
nero.
Die wake zelf om u, Mynheer Agricola!
AGBICOLA.
Be Godtheit van Jupijn , en Juuo met Minerve
Verletten Ctesar , dat hy lang de starren derve:
Dat Rome lang geniet zijn tegenwoordigheit,
Waer van de Eaet en 't Volek niet zonder tranen scheit.
KERO.
Uit liefde en treek tot Raet, en Volck, en burgeryen, Bemin iek hen, die ons den Hemel zelf benyen,
Ten beste van 't gebiet; sta op met dezen stoet,
En spreeek vry overendt; wat pynight uw gemoet?
AGRICOLA.
De slaperige Nacht, van mankop overladen ,
Was ruim ten halveu wege , en reedt met zachte raden. Die nimmer kraecken, stil en knickebollend neer, Als Vestaas nonnen 't licht met geurigh voetsel weêr Verquickten, naer den plicht, waer in zy noit ontbraecken. 't Vergulde koorgewelf, vol weerglans, seheen te blaeeken Van d'onverzuimbre vlam; en niemant loock een oogh, Maer zong, of las, of badt, en sloegh 't gezicht om hoogh. Wat beurt'er? een gedruis komt kruipen door den drempel Eu spoockt, en dwarrelt vast, rontom den wackren tempel. Een lucht, die, recht naer 't vier haer' keer allengskens nam Verwaeit in 't eerst, doorklooft daerna die klare vlam. En slorptze op 'tlest; als had een geest dien gloet gezopen De nonnen, op dat spoock, aen 't schreeuwen, voort een 't lopen De tempel galmde naer, op 't maeghdelijck gekerm : O Moeder Vesta, neem uw dochters in uw scherm !
Valt hier, op sluimeren of slapen, 'tminst vermoeden, Aertspriester, straft ons vry met augelen en roeden! O schendigh lasterstuck ! och schreit vry overluit,
Mijn kinders ! och och och, ons heiligh vier ging uit! â
K£EO.
Ick houd haer buiten schuit, het spooekte in Vestaes koren Alleen niet, maer Jupijn liet zich daer boven hooren; 't Onbluschbaer vier lagh , meer dan eenmael, uitgedooft.
- 3iJ -
AG1UC0LA. %
. De blixem trof Minerve en Jupiter op 't hooft,
V' In hun gewijdt gebouw, gingh dal en heuvel strijclen, Verzengende al de stat, of meer dan veertien wij eken ; Verbrande 't worsteiperck, ontsloot Augustus graf. Het heerlijek Zegebeelt viel onlangs elders af. â ^ 't Gelauwerierde hooft van Nero smolt tot klompen.
Natuur, nae 't zwanger gaen, broght hoofdelooze rompen En dubble hoofden voort; een duive baerde een slang 't Getroffen aertrijek schudde, en dreunde, in 't breê, in 't lang, Van hier in Asiën, en smeet de steen ter aerde. / , De zon verborgh haer glans; 't welek duisternissen baerde, Jj-'b En ons liet dolen, op het midden van den dagh. Een offerreede stier, daer 't vier op 't outer lagh ,
Versmeet het zout, en meel, met wreveligen horen;
Ontvloot des priesters bijl; ea, loeiende van toren, , Wert, na veel hollens , veer van 't outer neêrgevelt. Een yslijck voorspoock, dat geen lichte rampen spelt. Het dier, met hooft aen been, huilt oproer, leert ons waken. De zee, met storm op storm, afgrijsselijck aen 't braecken Van zegedroghten, joegh de visschers dootsch van strant. De Schouwburgh loeide, en 't hof; de Hemel stont in brant. En gloeide, meer dan eens, van langgestaerte starren , Die met haer bloedigh hair den staet van 't Rijck verwarren. Augustus wagen (als bewust van eenigh quaet)
Hiel in de renbaen stant, voor 't aenzicht van den Raet, Die d'elephanten zagh verbaest staen , en verslegen. 0 ^ 5 Van Alba quam het bloet by beecken neêrgestegen ; De blixemstrael, gelijck een gulzige Harpy,
Beroofde 's Vorsten disch van zyne leckerny ;
Al teeckens, die doorgaends van quaet tot erger neigen, En, met een grimmigh oogh, den zuivren Godtsdienst dreigen, gt; JMet eenen Csesars stoel; 'ten zij men eens ontwaeek. Met Elamens ga te rade, of volgh Gods wicbelspraeck ; Die, nitgeleert op klanck en merck van 's Hemels letter , Het liehaem dezer stadt wil zuivren van dien etter.
â 33 â
Wacr uit een stanek verrijdt, die allen Goón verdriet,
Wier gramschap blusehbaer is, indien men voor zich ziet. NERO.
Wal zuiveroffer zou dees vesten kunnen vagen ?
AGRICOLA.
Dit Galileesche rot, grontoirzaeck aller plagen;
Men vang dat offer strax van zyne hoofden aen :
Hoewel 't gerecht van daegh behoorde stil te staen.
NERO.
De heiige Claudius, mijn vader, heeft de Joden Met hunnen aenhangh, streng en hardt, de stat verboden: Wy, tegens 't Christensch schuim, de Vloecken opgeprest. En Stadts gestichten brant, met godtloos bloet, gelescht. Door dat weerspannig bloet, gemengt met kool en asschen, Zijn alle vlecken rein en zuiver afgewasschen.
De Goden brouwen ons, om '1 magere getal â Een deerlijck overschot! â geen wijder ongeval.
AGRICOLA.
Een ongedoofde kool, waer onder winden stoocken,
Gaet vreesselijcker aen, nae't smeulen, en nae 'tsmoocken; Geen zorgelijcker brant dan eeu verborgen gloet.
De minste vonck, wanneer men 't alderminst vermoedt, Verdelgt een groote stadt. Geen euvel staet te vreezen Zoo zeer, als 't geen men slof verwaerloost te genezen, En dickwils komt om lit, ja om het gantsche lijf 'En leven van den mensch; dees aenhangh treckt zoo stijf Het snoer van zijnen droom, in 't beckeneel begrepen; Dat die in 't eerst het volk allengs met zich zal slepen, Daer na Augustus zelf en zoo den heelen staet.
Dees kancker kruipt al stil in 't hof, en in den Raet. De keurebenden gaen niet vry van zulcke koortsen.
NERO.
Men diende zich van hun by nacht in stê van toortsen, En brande schoon 'er uit dien stoockebranders aert. Ghy zijt voor ydel spoock, en schijn en schim, vervaert!
3
â 34 â
AGRiCOLA.
Zy dreigen 't bloeiend Rijck met Jootsche wichleryeu lt;4 T Van 't wonderlijck beloop der werellheerschappyen ,
Verbeelt door zeker beelt van vierderley metael;
De voeten slechtst van stof, gemengt uit leem en stael;
En hoe een kleine steen, maer zonder liant gereten Van eenen bergli, dat beelt te pletter heb gesmeten,
i -gt; En groeide tot een bergh , ja, tot een* wereltkloot.
Wat Rome hoopt of niet, hun hoop is ruim zoo groot.
NERO.
Een krancke troost, indienze ellendigh zijnde yet hopen.
gt; AGRICOLA.
Zy hebben al het Rljck, zoo wijdt het paelt, doorkropen,
En stat en lant alom in rep en roer gebraght;
Als haters van de Goón, en 't menschelijck geslacht.
Zoo schelt hen Asiën, de Nijl met al zijn Goden,
En al het onroomsch bloet; zoo schelden hen de Joden En Grieckeu, en wat, van Jerusalem tot hier.
Ons kerckzeên viert, en volght; oock Moor en Arabier.
Ifr Dit zijnze, die ons Goód en Csesars diensten weigeren,
En halssterck nner de lucht, als nieuwe reuzen, steigeren.
De Priester van Jupijn heeft, met gekransten stier.
Dees Galileers geviert. Diane trilde schier,
In 't hollende Ephesus, op haer gewyden drempel.
Athenens grijze schooi, noch Pallas wijze tempel Zijn naulix van die smet gelaten ongeschent.
NERO.
T'Athenen staen de school en kerck noch overendt.
Wie bouwt van 't slechte brein ons dus een wereltsch wonder? *
' i
AGRICOLA.
Hoe slecht men't acht, hier duickt wat groots, wat heerschlust '5 Geveinsde ootmocdigheit is dubble hovaerdy, (onder.
Die walght van 't laegh, en vlamt op maght en lieerschappy En rijckdom, onder schijn van alles te versmaden;
â 35 â
Terwijl al KroDsus' schat liaer schatzucht kan verzaden Noch stoppen; zee noch lant die scepterzucht bepaelt.
NERO.
De zon van Rome is tot die laeghte niet gedaelt,
Dat eenigh licht zich, aen de lucht, durf openbaren, Op 't godlijck spoor, waer langs August quam opgevaren. Oock staet ons nootlot vast, en schiet een schot hier voor.
AGRICOLA.
De Nazarener zaeit bedeckt de weerelt door r' 't Verwaten zaet: den oegst, die t'effens op zal komen. Een oudewijveklucht, verzieringen en droomen Geraecken in 't geloof. Het lichtgeloovigh volck Acht Wichlaer noch Sybil, Hetrus noch Hemeltolck,
Noch drievoet noch gordijn, noch Delphis noch zijn kooren; Maer loopt dien onbesuisde, als Godts orakel, hooren, En ziet hem na den mond, die knaeght Apolloos eer;
Zijn riem ontbint de koorts; men zet de baren neer En bedden in zijn schim, als gafze dooden 't leven. Een visscher dreight quansuis ons Goden, datze beven, â¢f'⢠Wy schopten doorgaends uit iEgypters, en Chaldeén,
Oock korts ons Stoïcijns : en lijt men dees Hebreen ? Beguichelaers van 't graeuw ?
NERO.
Wat's aen dit paer bedreven? AGRICOLA.
Niet veel, wert dagelix hun' aenhangh niet gesteven, Te water en te land, met brieven, of met boon;
Gezwore lasteraers van Godsdienst, en van Goón.
Maeck ons d'aenleiders quijt, waer aen dees zwarmen hangen. Ghy hebtze in uw gewout: maer waer toe dient dit vangen, Indien men t'elckens spaer den vorst van 't horzelnest r Verplet dit hooft: verstroy dee^ onderaertsche pest,
Gewoon , by al wat rot, en zielloos aes te groeien. Wat snoot, wat schendigh is wil hier wel t'zamenvloeien , Daer 't licht in aenzien stijght, 't en zij het werd gebluscht.
â 36 â
Nu spreeck ick niet als met den naezaet van August,
Maer den Hooftpriester zelf, wien 't vierigh past te waken, 5* Als 't oogh der goddelijcke en menschelijcke zaken;
Op dat men 't hemelsch Recht toch niets ontreck ter sluick, Door 't sloffen in 't aeloud voorvaderlijck gebruick, En aenwenst van yet nieuws, zoo driftigh en onzeker. D oprechta Numa stelde u tot een yvrig wreker En rechter over al, wat zich te buiten gaet.
Ghy zijt de kopre zuil, op wien de Godsdienst staet,
Waer by dees Stad, gesticht tot een vooghdes der volcken, Achthonderd jaren stond, en uitsteeckt door de wolckcn, Met haer' geblutsten helm, en vreesselijcke speer;
Yoor wie de koningen op 't aenzicht vallen neer; Of treuren, hangends hoofds, getemt door nederlagen, En slepen d'ijsre boey, voor haren gouden wagen.
Zy bid u, zy beveelt u dezer, beider straf;
Zy roept: och keert die schant van mijn altaren af En kercken! Draegh toch zorgh voor kerckzeên en geboden Van Numa. Laet niet toe, dat Rome, een stoel der Goden, En aller heiligheit, onteert werde, en ontwijt,
Door dees wanschapenheên , gebroetsels van den Nijt; Die loos ontveinzende zijn aengebore nu eken ,
Dat goddelijck cieraet u van de kruin wil rucken. En heerschen op dien troon, u wettigh toegeleit.
Stadhouder van Jupijn, en van zijn Majesteit,
Ghy ziet, hoe onze en al der Priestren oogen leken :
Nadien de tong bezwijekt, laet aller tranen spreken.
NERO.
Nu, Vader, zijt getroost; 'k heb u verzoeck verhoort. A grip, men vaer terstont met dees gevangens voort.
Rey.
Zang.
Geen Gallen leiden lest de Stad in kolen, O neen; rnacr ingeboren bloet
Zag stil en met een' koelen moet,
jj Zijn torts zes etraael langh gaen ommedolen; Dan in de dalen, dan gezwint om hoogh, De bergen op, de starren lieten.
Met gloende tongen; roock verdieken,
En smook verdunnen, onder 's hemels boog; ' De vlam dan weder flackren, als herboren.
Door 't overslaen, van rack in rack.
Hier gaf een hof of kerck eenquot; kraek :
Daer borsten muuren ; ginder slorte een toren. Het volek aen 't bergen , ginswaert op, dan hier, y-'quot;Maer al vergeefs. Vuleaen voer spelen,
En teerde op stats twee derde deelen.
Geleeck toen Rome niet een zee van vier ? O ydelheid der hoven,
Aen lucht aen asch aen roock aen stof verstoven ! Tegenzang.
y-s/ Ky. zoet op 't hlaecken, pastopklaght nocli kryter Schept adem in dat vierprieel,
Een deerlijck kostelijck tooneel;
En stelt op 't kermen der gemeent zijn cyter. j Hy ziet den Tiber nu voor Xanthus aen ,
j Waer in de hrant zijn weerga schildert.
Hy ziel het volck, verbaest, verwildert.
Op straten , daecken , 't onheil tegenstaen ; Of bleecke wanhoop in den viere springen; Den kleinen neef, aen Panthus' bant,
4'ff Vast rucken naer 't Sigeescbe strant;
Gedrang van schimmen dootsch te poort uit dringen En sticht op 't bernen vast, in zijnen zin, Een nieuw palnis, en schooner straten.
Zijn brein , aireede als uitgelaten ^ ' P Met bouwen, brockt'er koninckrijcken in: En , hooger in zijn wapen ,
Acht alle dingh om een alleen geschapen.
â 38 â
Toezang.
Op smoockeud puin, en kool, noch ougedooft Zit zijn Quiriner, van gedult berooft, () Met jammcrlijck misbaer.
De handen in het hair ,
Bestroit mot gruizige aseh ;
Eu schreit een' bittren plas.
Of knarssende op zijn' tant,
(j : s' Vervloeckt den stokebrant,
Die, om de wraeck te sussen ,
De glimmende asch durf blussen
Met Christensch bloet,.dat eeuwig klaegt,
Door duizent dooden heengejaegt
Met ongemat gedult :
Maer ieder schuift de schuit
Op een', die 't nu ontschuldighde getal,
Gehaet als godloos overal,
Verdoet zijn' lust, niet hunliên , te geval.
Het Derde Bedrijf.
Marcellus.
maucellus.
Nu springt van vreugt mijn hart, ontboeit van duizent zorgen. Ick heb, ter goeder uur, d'Apostels juist geborgen,
Toen hun die donckre wolek des doots hing over 't hooft. O Engel, die hen leide, o leitsman, zijt gelooft.
Ick zagh al bevende van achter, hoe zy traden Ter poorte uit, door de wacht; hoe was mijn geest beladen! Hoe hing aen yeder hair, van angst, een druppel zweet ! Al wat my voorquam green afgrijslijck, wreêr dan wreet. k Geloof, dat Engelen des wakers oogh misleidden : Of sluiers, dun van mist, om 't hooft der Helden spreiden.
â 39 â
Zy raeckten Teiligh uit; hun uitgangh viel my zuur,
Die, al beklemt om 't hart, liep fcijcken op stats muur, Zoo Teer het oogh , op 't spoor van Appiua, kon reicken j 'k Vernam geen onraet raeer, noch eenigh droevigh teicken , Tot datze uit mijn gezicht, met druppelen bedouwt, Verdwenen, daer de steen des mijlpaels schiltwacht houd. Hoe zwaerlick kon men hen tot deze vlught bewegen! Wat dronck de dorstige aerde een* al te bittren regen Van tranen, eer de drang der vromen hun gemoed Kon scheuren van die schaer; by wie zy ziel en bloed, En lijf en leven zich getroosten op te zetten;
Te vliegen, zonder achrick, in d'uitgespanne netten. Hoe queet zich Aquila, Metel , Lucijn , Priscil;
Hier Titus, Lukas; daer d'aenhoudende Plautil.
Wat zocht hun Cletus niet, wat Clemens in te scherpen. Hoe pooghde Linus daer hen over staegh te werpen. Nu springt mijn hart van vreugt; wat moeite en zweet bet kost, Zy zijn, ter rechte tijt, uit doodsgevaer verlost.
Kan ick mijn blyschap wel verzwelgen, ofte heelen ?
Wiens trouwe zal mijn mond zijn blyschap mededeelen ?
Pkteh. â Pauwels. â Marcellus.
peter.
Hier zijn wy wederom.
pauw els.
Dal geld zo recht naer 't hof.
mahcellos.
O Jesus , wat komt hier? wie geeft my weder stof
Tot schricken? zijt Ghy 't zelf? of is 't uw geest, mijn Vader?
O Vaders, zijt Ghy 't zelfs?
PAUWELS
Versehrick niet: trê vry nader.
MAIU ELLÃS.
Wat reuckeloosheit voert u in den jongsten nood ? Och , gaet niet voort; ghy gaet in een gewisse dood.
â 40 â
FAUWELS.
Die zoeken wy.
MARCELLÃS.
Ick sterf; ghy lioeft haer niet te zoecken. Zy komt u t'huis van zelf, en loert uit alle hoeekeu Der stede, och Vaders! och, wat jaeght u stêwaert aen ? De krijghsliên zoecken u : want Caesar had verstaen , Hoe ghy, ter sluick, by nacht, met list waert uitgebroken. De wakers lijden last , indien het word geroken ,
Wie uwe boeien heb door zijne trouw geslaeckt.
De Hel heeft heiligh en onheiligh opgemaeckt,
Om Neroos gramschap, die gedooft scheen, weer t'ontsteken; En houd het voor gewis â uw vonnis leït gestreken. Proces, Martiniaen zijn (zoo men zeit) alreê,
Ontboden voor Agrip, op 't missen van u twee.
't En zij die beide van uw uitkomst reden geven En klaer bescheit, 't is omgekomen met hun leven.
PETER.
quot;Zoo stellen wy ons best voor hunliên in, als borgh.
MARCELLUS.
Och Vaders, duickt terstont, verlost mijn hart van zorgh ! Het uiterste gevaer leerde u mijn trouw beproeven;
En komt ghy my daer voor zoo hartelijck bedroeven? Wee my! wat ga ick aen ? och, mannen, vlught van hier! FAUWELS.
J l Rechtfchape hopliên past te volgen de banier
En standert, dien zy trouw, in 't heiligh water zwoeren; Te vechten, daer het hooft des heirs hen aen wil voeren. Wy keeren in den strijt, door Christus eigen last.
MARCELLUS.
Wat tael is dat? hier zijn verborgentheên aen vast.
FAUWELS.
De Hertogh van Godts heir gemoete ons beide weder. MARCELLUS.
Mijn hart word koud, ick zwijm: och, zet my hier wat neder!
â 41 â
PETER.
Marcellus, zijt gerust, 'tis nu geen treurens tijd.
MARCELLUS.
Wie jaeght wederom in 't bangste van den strijd ? 1
PAUWELS.
Wy zeggen Christus stuurt zijn boden herwaert henen. Wy hoorden Jesus stem; Hy is ons zelf verschenen.
MARCELLUS.
Verhaelt dan waer, en hoe de Heilant u ontmoet.
Beschrijft my zijn gedaente, en geef mijn hoop wat voet.
PETER.
Zoo ras wy beide ontrent den eersten mijlpael quamen,
En voor noch achter ons yet zorgelijx vernamen ,
Begon een zwarte wolck, een dicke donkre lucht.
Te daelen op den w^egh , van waer een zware zucht,
G-elijck van een ter dood bedroefde, zich liet hooren.
Toen quam ons een gesteen tot driemael toe ter ooren. y Wy hielden, op *t gesteen en zuchten, t'zamen stant,
En vatten, wat beducht, malkandren hant aen hant.
Terwijl de zinnen dus vast opgespannen waren ,
Begon die bruine wolck allengskens op te klaren (Gelijck de hemel in het kriecken van den dag).
Tot datm'er in en door, en yct in roeren zag,
't Geen nacr yct menschlijx zweemde; en wy, die vierigh baden. Vernamen na een poos den Kruisvorst, overladen Met zijn altaer, liet kruis, dat van de schouder hing;
Een last, waer onder hy gekromt en buckend ging.
En hijghde al ademloos; terwijl de dorens pramen â¢* 't Gekroont en hangend hooft; de pijnelijcke stramen
De doorgeslage borst vast leken , en het zweet Vermengen met zijn bloet, dat in den zoom van 't kleet Komt vloeien, langs den hals door 't hair, door al deleden; En sleept al zij pende de geesten naer beneden.
De mout stont op van pijn , de lippen zwollen dick ,
En paers, en blaeuw . 't gezicht gaf glinsterende een' bliek
â /j.'2 â
Van water, hier en daer noch drupplende op de wangen. De wiuckbraeuw zackteop 'toogh, en scheen verslenst van 'than-Men zagh gedult, gemengt niet pijn en moedt, in Hem. (gen. V In 't kort, Hy kroop, gelijck weleer Jernsalem,
En drie Marien, en wat noch zijn' kruisgangh deerde , Hem zagen , in dien schijn , toen Hy zich ommekeerde , En aen dien vrouwesleep , een dun en teer getal , D'aenstaende straf voorzey , en Stats gedreighde val.
MARCELLUS.
O. Jesus ! gaet uw geest in die gestalte waren?
D Olijfbergh zagh U zoo niet op de woleken varen.
PETER.
Noch zoo verkeerde Hy , op Thabor , in een zon ,
Waer tegens mijn gezicht en oogh niet opzien kon.
PAUWELS.
Noch zoo verscheen Hy my , die kerekers klingen koorden Gereet had , om zijn volck te martelen , te moorden.
PETER.
Zoo scheen zijn staet verkeert, op een bedruckte wijs.
Mijn hairen staen te bergh, ick stockstijf, koudt als ijs; t Vermanme in 't einde, en vraeg: mijn Heer, mijn Godt, waer
(henen ?
Waer leit uw reis, mijn troost? hy antwoorde eerst met stenen, Geborsten uit een hart, dat van benaeuwtheit sluit.
Ten leste borst zijn stem, doch flaeuw en heesch, dus uit: Dat gaet naer Rome, om my noch eens te laten kruissen. Strax hoorde ick, in de lucht, gesnor van vleuglen ruisschen. En al 't gezicht verstoof, verdween, voor mijn gezicht,
Door Jesus aenzicht dus geheldert, en verlicht.
Dat moedight my ter doot; men keert daer op te stouter Naer Stadt, daer Godt ons eischt ten offer, en ten outer.
MARCELLUS.
Och, anders sehickt de mensch, en anders schickt het Godt !
â 43 â
PET EK.
D'Alziende spelde my dit kruis, dit marfellot, '⢠Al overlang; niet lang na dat, aen 't hout ontslapen. En 't nare graf ontruekt, zijn koy, zijn kudde schapen. Niet eens, maer driewerf, bleef bevolen mijnen staf.
Toen hy my liefde verghde , en ick hem antwoort gaf; Mijn trouwste leerling, sprack de Meester, die noit ruste, Gy gorde u, in uw jeught, en gingt, waer 't u gelusle; Maer in uw' ouderdom zult ghy, dees handen laugh Uitstreckende, en gegort van andren , uwen gangh Eens zetten derwaert, daer 't hun lust u heen te leien. Nu wort dit rijp ; die kelck was my van toen bescheien. 'tWil tijdt zijn, dat ick eens verhuize uit 's liehaems tent, Godt roept my tot dit kruis. Mijn baen is afgerent.
PAUWELS.
En ick voorzagh al langh mijn offerand genaken.
Miju loopstrijt zal terstont het vrolijck einde raecken. My dunckt, 'k verander al in goddelijck gestalt!
MARCELLUS.
En ick gevoel , helaes! hoe bitter 't scheiden valt.
PETER.
Nu zoon, nu staeck dien rouw, en vollegh ons niet verder. Gehoorzaem Linus nu, verwillight tot een' herder.
Nadien hem Clemens 't lot van mijnen zetel gunt. Verquickt u onderling , ten beste dat gy kunt.
D'Alziende waeckt met troost voor zijne schare, in 't midden Van allerley verdriet; wy zullen voor haer bidden, 't Is noodigh dat wy gaen , daer Godt ons henen zent.
MARCELLUS.
Ick hoop u evenwel te spreken vóór het endt,
En scheide, maer met smert; och Vaders, ghy gaet sterven. â Och och, wat valt het zwaer uw aengezicht te derven! Doch niettemin, nadien 't mijn Koning!) zelf gebiet; Volbrengt zijn noodtgebodt; gaet heene, ick houde u niet. Ick hinder 't niet; gaet heen , 't gedy tot Jesuseere.
_ 44 â
't Zy veive tlat men u in 't heilig opzet keere.
De wettige eigenaer van lijf en ziel alleen Is God; die eisclit ze beide. O Vaders, gaet dan lieen, Als offerlamraers , naer die slaglitbanck , u besehoren. Wy zijn tot zulck een kroon niet altemael geboren.
Ac.iiippa. â Proces. â Martiniaen.
AGRIPPA.
Men vont geen breuck, aen muur noch poort, noch eenigh slot Des kerckers. O wat hoon! dit schijnt in ernst gespot Met Caesar, dat men durf zijn halsgevangens slaken, In spijt van 't wachthuis zelf, daer zoo veel oogen waken. Ick heb Proces gedaeght, en oock Martiniaen ,
De hoofden van de waclit; hoe euvel wil 't vergaen , Indienze beide niet van 't onheil reden geven ?
lek zweer, gansch Rome wil van zulck een straffe beven ; Wanneer ick quot;t al, wat hier om heind was of ontrent, Ten nutten spiegel stel: gelijck men is gewent ïe straffen al de geen, die zoo meineedigh handelen , En , eerloos in den aert, voor trouwe dieuaers wandelen. Daer komenze ; 'k zal eerst, uitvarende al gestoort, En gasiaende elx gebaer , hen vatten woort voor woort ; Of ick ze listig kon verbluffen , of verstricken.
Meineedigen , durft gy, en zonder eens te sebricken , y quot;Verschijnen voor Agrip , dien ghy te leure stelt?
Wanneer ghy, omgezet, en omgekocht met geit. Of errefvyanden des Eoomschen Keizers gunstig ,
By nacht gevangens slaeckt, zoo meesterlijck en kunstig, Terwijl de meester slaept, op uw gezwore trouw,
) Veel vaster dan op muur, of slotwerek , of gebouw I Dat stuck sou mensehen min dan logge honden passen: Die wecken , in gevaer , den meester noch met bassen , En janken, daer ghy zwijgt , als in den wijn versmoort. Ick zweer . . .
PROCES.
Noch heeft mijn Heer onse ouschult niet gehoort.
- 45 â
ag1uppa.
Wat onseliult grijpt hier plaeta ?
martiniaen.
Ten minste hoor ons spreken.
AGRIPPA.
Wat spreken? zeght my flux, wie heeft dit stuck besteken?
Peter. â Pauwels. â Agrippa.
PETER.
Myn Heer, iek ben die man, om wien ghy u zoo steurt. PAUWELS.
Men schuif de schuit op my, indien hier is verbeurt. AGRIPPA.
Zeght op, hoe hebt ghy 't lijf des kerekers klaeuw ontwrongen ? PETER.
Ick vondt den kereker op, en ben zoo uitgesprongen. AGRIPPA.
Wie bootst de sleutels na ran 't naeuw onsluitbre slot ? PETER.
Wat sluitbaer is, ontsluit d'Almogentheit van Godt.
AGRIPPA.
Zijt ghy ons Goden dan en 't heiligh Recht ontwossen? PAUW ELS.
't Valt mijn Verlosser licht, zijn dienaers te verlossen. PETER.
't Is om de streek van zes eu twintig jaer geleên. Dat Caesar Claudius den scepter van Judeen En heel Samariën Herodes gaf te dragen ;
Die, om den blinden haet der Joden te behagen,
Het hooft van Godts gezant dorst rollen in het stof. En my, een' slechten roof, den toren tan zijn hof.
â 46 â
En acht paer wakers, gaeuw als afgsrechte valcken , Vertroude, op dat men hem zou mompen noch verschalcken. Jerusalem hiel feest; mijn kudde vaste, en badt Den Heilant aen om hulp , toen ick gevangen zat.
De nacht gaet voor den dagh, die my ten toon wil stellen. Veel vege teeckens niet dan dootse rampen spellen.
Twee ketens binden 't lijf wel vast; de geest blijft vry. De wacht bewaert de poort, een krijghsman elcke zy : Wanneer het duistre hol des kerckers wort. beschenen Van 't licht des Engels, die my weckt, en. roept; ga henen! Schiet aen, omgort uw kleet: treek ras de schoenen aen. Ick strijck de kluisters at', en stel my om te gaen,
Als in een' zoeten droom, door d'eerste en tweede wachter. Mijn leitstar stapt vooruit; ick volgh haer' glans van achter, En koom aen d'ijsre poort, die opspringt voor mijn oogh. Ick kies de stat; de Geest verdwijnt, en vlieght zoo hoogli, Als d'offerande stijght van myne danckbre lippen.
PAUWELS.
Ick raeckte in hechtenis, in 't Macedoonsche Phlippen, Om een waerzeggeres, by den gebedestroom,
Door Jesus' grooten naem, verlost van 's Afgodts toom, Waer by haer heeren lang geen magre winst genoten. Ick zat'er in den stock met Silas 's nachts gesloten. Het bloet droop langs het streng gegeesselt lichaem af. De lippen roerden vast, en zongen; 't zingen gaf Een' goddelijcken galm , die boven uit den toren ,
Recht opsteegh door de lucht, door zoo veel Hemelkooren , In 't juichend Paradijs ; daer ick met lijf en geest, Ot, buiten 't lijf, met geest of zinnen ben geweest.
Terstont begon de gront, op d'aendacht der twee bidderen , Gelijck van schrick geraeckt, te daveren, te tsiddereu:
Toen volgh de 't rammelen van koper yzer stael.
De deuren knarsten eerst op tanden van metael, En sprongen echter op , cipier en wakers wacker. De stockbewaerder, bang voor my, voor mynen macker. Stuck op, en, wanende dat al de kereker vlood.
â 47 â
Greep 't uitgeruckte zwaert, en dreighde zich de dood. lek riep: verschooti uw ziel : wy zitten hier te zamen. Hy vloogh met licht'er in , en wiesch ons roode stramen , En viel ons bey te voet, met zijn herboren huis , Het welek, vol blyschap, roemde iu Christus doot en kruis.
AGRIPPA.
Ghy, trouweloozen, zoeckt uw' moetwil te verbloemen,
Maer zult vergeefs op kruis en doode Goden roemen ; Trauwanten , boeit Proces, en boeit Martiniaen ,
Op dat men boezem zulck een lastcrlijck beataen.
Verleert dit vluchtigh paer zijn vlught met scherpe roeden. En leidt het dan voor ons; men koelt die koorts met bloeden.
Rey.
Zang.
Hoe menigh Christen zagen wy Aen 't kruis al levend hangen ,
En d'oogen met verlangen '. ,y Naer Christus slaen , getroost en bly ? Hoe menigh, in een hartevel Of borstelen gesteken ,
En by een wilt geleken ,
Veratrecken voor een guichelspel Der wreetheit, zoet op Christenjaght, Met losgelate houden,
Te godloos aengeschonden Op Godts geduldighste geslacht ?
Hoe menigh werd in 't diereperck Den luypert voorgeworpen ,
Verhit om bloet te slorpen?
Aldus voltrock de dagh zijn werck.
Tegenzang.
Maer 's avonts gaet het vieren aen Met menschep. , die op staken
â 48 â
J? q f- Ge.spit, als faekels blaker.,
En in geteerde rocken braên,
Of' flackeren in wassekleên.
Hoe gloeien 's Vorsten hoven Van vier, gelijck een oven!
l-if O Was 't Heidensch hart toen stael of steen,
Dat het niet smolt in zulek een' gloet? Ons docht, wy zagen Engelen Zich in die vlamme mengelen.
Wat schaei vol geuren rieckt zoo zoet /X Voor Jeans, als die bittre smoock Van zijne liefste panden ?
O zalige Offeranden !
O Godtbehaeghelijeke roock i
Toezang.
Nu geven willigh zich ten roof J /gt; De standaertdragers van 't beproeft geloof;
Kiet, als ons Deciën, om eigen roem ,
Van korten duur, gelijck een bloem;
Maer om Godts eer. Wat klinkt'er beter?
En niet te min de Faem Met liaer bazuin zal zwellen op hun' naem , En eeuwigh zwanger gaen van Pauwels , en van Peter.
Het Vierde Bedrijf.
Rufillus. â Marcellus.
hüfillus-
Och zoon! helaas, ick hoor het snerpen van de roén , marcellus.
Zoo most de Hemelsche om den Aertschen Adem bloên, Eer liy in 't rechthuis van den rechter was verwezen.
â 49 â
; p Zijn sframeu liebben ons, ter goeder uur, genezen. Och, spaert d'onnozelen! o hartepijn, o smart!
rufillus.
Och al t'onmenschlijck slaen, dat grizelt door mijn hart! Och geesaels, stramen och ! och, kostelijcke wonden !
MARCELLUS.
Och pylers, die nu houdt geknevelt, en gebonden
.De hooftpylaren zelfs van 't rijzend hooftgebouw ,
Gemetst met bloedigh kalek; die proef doet van zijn trouw
Veel beter dan tiras: tyrannige pylaren,
Het kan gebeuren, dat ghy, over duizent jaren,
Noch tuigen streckt van 't leet, 't welck 's Hemels eerste boon
Nu uitstaen onversaeght; daer hun de martelkroon
Alree zoo troostelijck van verre straelt in d'oogen;
Een kroon, die, tegens gout en diamant gewogen,
Den prijs behoudt; wel hem, die zulck een kroon verkiest,
Daer Caesars lauwerkrans zijn' luister by verliest.
RUFILLUS-
Het geesselen houdt op: men zal met huu voort doorgaen. MARCELLUS.
Kom, laet ons, naer de poort van Ostie, vast voorgaen. Af. Agrippa. â Peter. â Pauwels.
AGRIPPA.
Nadien dit paer om strijt 's Gekruistens aenhangh stijft;
Al 't Rijek in oproer houdt; zijn razernyen drijft;
Verbastert Stats gewoonte, en Numaes oude zeden;
Veroirzaeckt Simons val, door schendige gebeden;
Ons Joffers tot vervloeckte eu blinde Hymens raet;
En sleept in 't vloeckverbont den amptheer en soldaet,
En wat het listigh kan betovren, en belezen ;
Zoo wort het bey ter doot, in 's Vorsten naern , verwezen:
De Bethsaïder sterve, als slaef, aen 't kruis gehecht;
Den ïharser gun men 't zwaert, uit kracht van 't burgerrecht.
4
â 50 â
PETER.
Hoe lieflijck klinckt die stem! Tan waer komt my die zegen ? De neêrgedaelde is, langs die ladder, opgestegen,
Door alle heemlen heen, ten Hemel; o mijn Godt! /) Van waer komt my dit goet, dit onverdiende lot?
O sleutel Tan het Kruis, ontsluit ray 's Hemels denren. Wien van ons twaleftal moght zulck een eer gebeuren ? Ick kus die schoone doet; hoe maecktze my gelijck Den koningh, die, dat langs, zich zette in 't hooghste Rijek.
PAUW ELS.
Zoo weit, ter goeder uur, de moede ziel ontbonden
Van 's lichaems lastigh pack, en vaerl, door lieTe wonden,
Haer' oirsprongh te gemoet, gelijck een HemelTlam.
De heilighste , die oit Tan vrouw ter weerelt quara,
En d'allergrootste ziel, en zuiverste in Godts oogen,
Voer zoo ter lialaaér uit, naer d'onbezwalckte bogen;
Terwijl de romp vast bloede, in zijn gevangkenis ,
En 't lachend hooft de wraeck verzade , op 's konings disch.
Zoo tradt sint Jacob voor, hy moedight my, in 't knielen.
Soldaten, helpt my strax by 't zalig (al der zielen.
En ruckt de sabel vry kloeckmoedigh uit de scheê.
PETER.
'k Verzoeck slechts op August één vriendelijeke be ! En wenschte, met meer smaet, en smert en pijn te sterven.
AGKIPPA.
Laet hooren, leit liet zoo , dat kunt ghy licht verwerven. PETER.
) 'k Heb mijn' gekrnisten Vorst verlochent, in zijn noot, Uc My zelf onwaert gemaeckt aen d'eere zijner doot.
Het triomfeerend Kruis; en wensch die schuld te boeten. Men hang my dan om hoogh ten hemel, by de voeten En met dit sehuldigh hoofd, dien Godtvergeten mond, Die driewerf God verzwoer, beneden, naer den grond, ' Als een die wel verdien ten afgrond neêr te daelen,
â 51 â
Versteken van den glans der zaligende straelen.
Dit's 't eenigh dat iek bid : vergun my die gena !
AGRIPPA.
Zy wort u toegestaen; nu voort, en rept u dra; Dit Krijghsvolck wacht, om u naer 't hoogh gerecht to leiden. /Æ//) Trauwanten, leid hen wech, men quist slechts tijd inet beiden.
Rey.
Zang.
Och , of 't geoorlooft waer, Op 't Apostolisch spoor , te blussen Zijn' yver , met godtvruchtigh kussen Der voetstappen van 't lijdzaem paer ; /Æ,â¢â /- En elcken voetstap, met
Bedruckte tranen , te besprengen ;
Ja , tranen met hun bloet te mengen ,
En uit te storten ons gebed ;
Daer dat doorluchtigh root / â ' Zal vloeien , uit zoo heilige aderen.
O Stad , heelt een wolvin uw Vaderen Geleekt, gezooght; waerom verstoot Ghy , grimmiger van aert,
Dees Vaders? Och! waer sleept gy henen / - ' De Meesters, die, met eedier steenen, Uw muuren trecken Hemelwaert,
Van waer uw Godtsdienst, door de woleken, Wort toegeblazen allen volcken !
Tegenzang.
Het Heidensch Rome most â¢
Van outs, door bloet, zijn grootheit baren En oorloogh blazen zoo veel jaren :
Dat heeft van Remus af begost :
â 5(2 â
Van dat de broeder sloegh Ter neder zijnen vollen broeder : ///gt;quot; nu l®3' de zoon zijn moeder,
Die hem, haer hoop, ter weerelt droegh, En zette in top Tan 't Rijck.
Zou, die zijn moeder zoo durf loonen, Dan onze Vaders noch verschoonen , /J) quot; Zoo was hy niet zich zelf gelijck ;
Maer 't Christensch Rome moet Door martelbloet zijn grootheit baren, En worstelen door veel gevaren. Ons Vaders stichten nu in bloet Een nieuwe stadt, die , door hun lyden , Meer wint, dan d'oude, door haer strijden.
Toezang.
Dat's meer dan op zijn Persiaens gestreên,
Eh deizende de kans
En onverwelckbren krans
Geruckt van 't hooft der trotse mogentheên.
Nu neemt uw' toevlught niet,
In 't uiterste verdriet,
Naer Capitool, of Jovis vogelen ,
En goude standertgoön :
Zoeckt heul aen Jesus' troon,
In schaduw van d'Apostlen, en hun vlogelen.
â 53 â
Het Vijfde Bedrijf.
Agrippa. â Nero.
AGRIPPA.
De Vorst, die onlangs speelde Orestes, droef en dol, En vluchtigh voor de wraeek, speelt nu zijn eigen rol ; Maer in der daet, en niet in schijn, van sehrick gedreven . Druckt uit, hoe veel de schijn en 't veinzen scheelt van 't leven. De vlam , in 't rotte bloet ontsprongen, knaeght het vlcesch. Hy hijght naer zijnen aêm, de spraeck luit schor, en heesch ; De tong slaet yzerklanck , en slibbert onder 't spreken. Al 't aengezicht, gelijck met dootverf overstreken ,
/â ? Ziet bleeck, en blaeuw, als lood, en hier en daer gevlackt.
Nu steeckt hy 't hooft omhoogh, nu hangt het hooft, en zackt Zwaermoedigh naer beneên, tot dat hy raeckt aen 't schricken Om 'tkraecken van een deur, en opschiet, en twee blieken, Zoo root als vier en bloet, aen alle zyden slaet ' j'y En opspalckt, en al 't hair recht op te berge staet Om zijn verbeeldingen ; dan tsidderen de leden,
Het koude zweet breeckt uit, en, van zijn schim bereden Verdaeght al 't hofgezin te hoop, met ope keel, Hoe schichtigh is dit hof gedraeit, als een tooneel Hoe 's Vorsten staet verkeert! Wat wil die plaegh beduien? Daer komt hy weder aen, en heeft het hooft vol buien. De waeekers wij eken hem; een yeder maeckt zich t zoeck. Best zie ick 't veiligh aen, en sla hier om een' hoeek.
NERO.
Oeh , -berght Orestes! â Och, waer henen? /Waer berght hy 't lijf, in doots gevaer?
Wie steeckt die moorttrompetten daer?
Trompetter , blaest ghy uit Mycenen ?
Of klinckt dit van Misenen af?
54 â
Wat Vloeckeii komen my verrassen? / * ty' Verrijst de Wraeck uit moeders assen, En uit het moedcrlijeke graf?
Och, troost Oresfes in zijn lyen! â Nu weet hy nergens geen verblijf. Och, berght den bangen balling 't lijf! /Waer vliet hy voor dees Razernyen ?
'k Zie, op den gront van Plutoos poel, De geesten, die ons 't licht benyen, Gepynight om hun sehelmeryen ,
Bontom dien zwart beroockten stoel. /â¢f O'i 't Is nacht, ick hoor de vlammen kraccken 't Aeloude Troje staet in brant,
Aen dezen, aen den andren kant;
Of brant hier Rome, en al zijn daecken? Heb ick of Sinon brant gesticht?
Wat woelen hier al dootse zielen.
Die om mijn lijf, als byen, krielen; â Houdt op, ghy steeckt naer mijn gezicht! â
Zeght op, wat zijt ghy voor gezellen? Beschuldiglit ghy den rechten man ? Men maeck' er weêr een nachttorts van, Of steeck hen strax in dierevellen.
Neen , Vesta leït my hier aen boort,
Om hare dochters . versch geschonnen ; / Ick was verslingert op uw Nonnen , / y ; O Moeder, zijt ghy noch gestoort ? â
Wat raet? ick hoor haer leeuwen brullen. Ick vrees dat scherpgewet gebit,
Die keelen , brandende en verhit;
Ay ziet, hoe zy hun staerten krullen!
Daer roept mijn moey, daer Claudius,
Mijn vader zeif: daer schreeuwt mijn moeder, En gemalin ; daer komt mijn broeder, D'onschuldige Britannieus ! â
Heb ick u lielsch vergif geschonken ?
â 55 â
Dacr kust het dootshooft van Pauliju Mijn' meester, in bedruckten schijn,
Of is hy 't niet? of ben ick droneken?
Het regent lijcken, uit de lucht. Een veitgeschrey klinckt van Britanje ;
Daer worpt zich Galba , op, in Spanje;
Daer ziet men, hoe d'Armener vlught, Met alle mijn keurbendelingen,
Voor den verbolgen Persiaen.
Orestes, tast u zei ven aen:
Pe burgers komen u bespringen.
Dat's Thrasea : ick zie den Rnet; De Ridders, 't Volck , en vrye, en slaven. Ick hoor de kleppers herwaort draven , Met al wat moederslagers haet.
Zy komen my uit Argos jagen.
Zijn 't Galileeschen? ja, gewis:
Of zeil men dat dit Castor is ,
En Pollux , van den wint gedragen ?
Ghy Goden , die gelauweriert ,
In witte zyde, om laegh komt zacken, En hant aen hant, met pallemtackcn ,
Aldus gesceptert nederzwiert;
Wien zoeekt ghy in dees aertsche hoecken?
AGR1PPA.
Nu , dunckt my , is het sprekens tijdt; Nadien zijn droom geen steurnis lijdt, Zal ick hem best aldus verkloecken:
Die twee gebroeders zoecken u;
Ghy moet op zee, naer 't Noorden, dwalen. En 't kerckbeelt van Diane halen.
Wat beeft ghy voor uw oom--, zoo schuw ? Ghy moet dat beelt aen Vesla brengen. Zoo luit uw zuiverofferles.
â 56 â
lek ben uw leitsman Pylades ; â
G-eef my de hant.
NERO.
lek zal 't geliengen.
Linus. â Marcellus.
LINUS.
y s'Godvruchtige Marcel! wat tijding brengt ghy nu?
MARCELLUS.
Och , Vader Linus ! och ! Godt hoede en zegene ui Nu wey met 's voorzaets staf dees nagebleve schapen , Gelijck zijn' naezaet past; d'Aertsherder is ontslapen; Het lichaem rust aen *t hout, de ziel in Jesus schoot.
LINUS.
Zy leeft by Godt; hy storf een kostelijcke doot.
Zaeght ghy hem, onder t juk van 't kruis, zijn schouders buigen ?
MARCELLUS.
Geduldighlijck : ick kan hier levend van getuigen ,
Als een die onder 't kruis in 't alleruiterst stont.
LINUS.
Wy haecken om 't verslagh te scheppen uit uw' mont. MARCELLUS.
De krijghsliên brengen hem, door 't volck, met Pauwels, buiten De poort van Ostie , gebonden, en besluiten 't Verwezen paer van een te scheiden, op het lest;
En een' in 't Joodsche, en een' in 't Christensche gewest , Tot aenwas van meer smaets, te helpen om het leven. (.gt;â Toen zagh men mont aen mont, en borst aen boezem, kleven: Toen klapte kus op kus , als 't op een scheiden ging ,
Daer elck aen 's anders hart, gelijck geketent, hing. De blyde Paulus sprack tot Peter: .,u zy vrede , , O grontsteen van de Kerck, o wachter in Godts stede , ) O mont der herdren van 't verstroide Christendom !'* â
â 57 â
Eu. Peter tegens hem blygeestigh wederom :
,,0 licht der Heidenen , o leistar aller vromen ,
Nu ga in vrê , daer Q-odts verstroiden t'zamenkomen ; Een oogenblick gedult ; wy zien malkandren weer.
y/?./- Zoo worstelt men in 'tstof, om onverwelkende eer!quot; â Hierop trat Pauwels voort recht uit, getroost, en blijde ; En Peter welgemoedt terugh , naer d'overzijde Des Tibers , en den bergh van Janus; daer de Joon Hem grimden te gemoedt, en nepen met dien hoon , / 'Waer mee hun ouders eer zijn levend voorbeelt nepen, 't Welck , afgemat van pijn, zy 't moorthout zagen slepen. Hier wert d'Apostel, als naer een tooneel, gebrnght,
Op dat d'erfvyantschap van 't menschelijck geslacht (Zoo taistren Heidens toch besneên, en kruisgetuigen)
D'een, uit des anders bloet en gal, moght honigh zuigen. De stramme Vader klom den heuvel op , om hoogh ;
Gelijck een Avontstar, wanneerze, naer den boogh Des hemels, uit de zee, haer zoonen aen komt leiden; Terwijl de kimmen licht en schemeringen scheiden. / Hy schoot hier, op den top des berghs, zijn kleedren uit. Noch twiste de soldaet om zulck een' slechten buit! â Men knoopte om 't middellijf een decksel, grof van draden , Toen viel hy, om zijn wensch ten volle te verzaden, Met hart en mont op 't kruis, en gaf het kus op kus, En vatte 't in den arm, en sprack verheught aldus : â
LINUS.
Wat sprack 't Orakel, op den drempel van zijn lyden? MARCELLUS.
âZijt wellekom, mijn kruis , belooft van lange tyden ,
Door d'onbesmette tong, aen my, die wel beken,
Dat ick meer straf, en niet dees glori waerdigh ben Van mijn' verzworen Heer, in 't sterven, te gelijcken. Noch, met het hooft om laegh, den Hemel aen te kijcken. Zijt wellekom, mijn kruis, aenvaerd dit snoode pack Van 't sterflelijcke lijf, waer in veel jaren stack
â 58 â
Een ziel, die hnre schuit niet met Jjaer hloet kan boeten : Iai Ontfnng het niet te min, met doorgeslage roeten,
En streek een zoenaltaer, van waer ick Godt behaegh ,
Door J es us oogen, die my straften hier om laegh.quot; Zoo welkomt hy zijn doet, en, keerende ten leste Zich om, geeft zynen rugh het lange hout ten beste, iV' En yeder arm een endt van 't dwarshout. De soldaet Klinckt d'ijsre spijekers door de handen heen , en slaet De voeten plat op een; dat kloppen kraecken knarssen , Door zenuwen en been, gingh t'elckens door mijn harssen , Ja, door mijn schrillend hart, en moorde het gemoedt: Terwijl het dorstigh gras vast slorpte 't roockehd bloet, Dat uit de wonden scheen het zant te willen laven.
Zoo ras de schup het loch in d'nerde had gegraven,
ïeegh 't krijghsvolek met gewelt aen 't rechten van den stam. Doch avrechts , als zijn pack: dit hing alreê : dat quam Op aèr en zenuw aen , en opende drie sluizen \ an vleesch, waer uit meer bloets, al schuimende, quam bruizen. De Kruishelt zagh van bloet besprengkelt en bespat:
Noch kreet hy niet van pijn, maer steende slechts, en badt. Men zagh in 'taenschijn (och, een stiehtelijck aenschouwen!) ' Yet pijnelijx , omstraclt van blyschap en betrouwen.
De stam kreegh steun; de Heldt goot, met een heesch geluit. En hijgende van dorst, dit jongste orakel uit :
LINUS.
lek luister naer den mont van Christus' Stedehouder. MAKCELLUS.
âMijn broeder Andries, neem gewilligh op uw schouder Het kruis , u toegeleit van boven , gelijck my.
Ick volgli mijn bedtgenoot, my voorgetreên ; en ghy,
Mijn dochter Petronelquot; (de Vader loecli met de oogen De maegd toe, die hy zagh bedruckt de kaken droogen) âZult, Ier gewenschter uur, den rijeksten bruidegom In d'armen vallen, als een ongerepte blom.
Noch vijl'uiael vijftigh jaer wil 't reegneu inadeldroppen,
â 50 -
Tot dat het snoer vnn driemael negen Bissehopskoppen, Voh'egen , Godt beweegh, die, door een hemelsch post, Den grooten heldt vcpweekt, die mijnen Stoel verlost V Y' Van 't bloedigh Heideusch juck, dat duizenden besehreidden. Dees tempels zullen dan , gesloten voor den Heiden,
Gansch onverhindert voor den Chrislen , open staen ,
Wien deze goude tijdt en weelde dier wil staen,
't En zy men bidde en waeeke, eer klaeuwen, onder 't wrijten, ⢠Den nadeloozen rock verwoet in flarden rijten , Godtsjaramerlijek gesleurt van beeren, uit liet sneeuw Opstuivende ; en ten buit van Agars yzere eeuw.
Ocb Jesus ! liael ons t'huis, eer wy dien storm beleven !quot; â Zoo biddende wort hem een dolek in 't hart gedreven , Van een Romains soldaet, die wacht hielt, netfens't hout. Tok viel een poos in zwijm , en lagh'er , doot en kout ,
Voor 't kruislijck uitgestreckt, en weet naeu, van wat magen Of vrienden ick, voor doot, ten bergh af ben gedragen.
Rufillus. â Linus.
RUFILLUS.
O sluier, versch besprengt van 't uitverkoren vat,
En zijn welrieckend bloet, o, doeck'
LINUS.
Wat doeck is dat ?
RUFILLUS.
Die 't Licht der Heidenen voor d'oogen wert gebonden. LINUS.
O kussenswaerde doeck! â Waer hebt ghy dien gevonden ? Geef hier dat pant der strnx van 't lijf ontkleede ziel! En melt ons, ccdle zoon, hoe deze ceder viel.
HUFILLUS
'k Ontmoette, omtrent de poort, den heengeleiden Vader; Die, myne tranen ziende, en tredende wat nader.
â 60 â
Een' doek (om zijn gezicht te blinden , en dien liy Terstont lierlevren zou) noch vorderde van my ,
Zoo willigh, als bedruckt; de Stat liep leêgh van menschen , (?0 Nieuwsgierigh naer zijn doodt; ick volglide hem met wenschen, Eu strax te roabaer na , den Tiber langs , in 't veldt, Om 't heerlijck endt te zien van Godts manhafsten Heldt, Die onder 't henegaen vermurwde drie soldaten ,
Longijn , Acest , Megist , gereet den hals te laten,
ft'f Voor hem, die 'tgrat' zijn aes, den Doot zijn' schicht benam. ! Zoo dra men nu te Gutte, aen 't Salvisch water, quam,
Sprack Vader, in den ringh des krijglisvolx : âhier is 't ende Der loopbaan , na veel drux en doorgesolde ellende.quot; Hy vouwt, vol moedts, en heft de handen naer de lucht, gt;0 Met een tot Jesus 't hart, en roept Hem aen en zucht: âHier sta ick, om den slagh der sabel te verbeiden, Die strax het hooft van 't lijf, en lijf cn ziel zal scheiden. O Jesus! laet uw bloet afwasschen d'oude vlack Van wreetheit, met wiens spits ick Godt naer d'oogen stack, tl zelf naer 't hart, door 't hardt verdrucken uwer leden. Hebt ghy in 't uiterst noch Godts wanden verbeden, Verbidt oock my, niet waert te storten, t'uwer eer,
Mijn Christenslagtig bloet , het welk gy nimmermeer Moet eischen van de handt, die snackt om dat te drincken.quot; (ft Zoo badt de Heldt. My docht, men zagh een' Engel blincken Uit zijn gezicht; my docht, men hoorde een Engels stem; Wat aertsch wat menschlijck was verdween aireede in hem. Hy nu, uit vleesch en bloet, bykans in geest herschapen, ^ Verbont zijn gryze hooft, en knielde; wy vergapen, v Vergeten ons; hy roept; ,,Godt reickt my d'armen toe; De weerelt is mijn kruis : ick ben de weerelt moê!quot;
De Wreetheit, op dat woort, met schitterenden zwaerde ïrof toe, en onvoorziens lagh 't hooft geploft ter acrde. En sprong noch driemael op; men hoorde een fijn gepiep, Als of de mout, vol lofs, noch driewerf Jesus riep.
My docht ick merkte om 't hooft een' glans van gloênde tongen. En uit den zantgront sprongh een ader, met drie sprongen,
Daer 't hooft gehuppelt had: en wonder was 't, dut elck, TJit dien onthoofden haU, zijn bloet, als versche melck, ' f Zagh stralen in de lucht. Och och, hy leit getroffen!
My dunckt, ick voel hel hooft noch op mijn boezem ploffen, Noch bonzen op mijn hart! â Daêr leit de kerckpylaer, Die zulck een' zwaren last droegh vijfmael zeven jaer;
Neen neen, hy leit noch niet, maer staet, gelijck voorhenen. In 't ryden naer de stat is my zijn geest verschenen ,
Veel grooter dan men hem in 't leven had gekent. Hy braght my dezen doeck, een' troost in mijn client. Och, jongelingen, mans! och, weeuwen, maeghdcn, vrouwen ! Och schreit, gy zult voortaen zijn aenschijn niet aenschouwen, Noch hooren Gods trompet; nu is het schreiens tijdt. Och weezen, weent met my: wy zijn ons Vaders quijt!
linus.
Der weezen Vader leeft, die zal u niet vergeten,
Daer, in een' ring van licht en Serafijns gezeten,
Hy in kristal vergaêrt uw tranen, versch geschreit.
Triomfen worden daer Gods Helden toegeleit.
Wier zielen, in den schoot des heils, van daegh herboren, Gansch onbenevelt zien, gantsch onbekommert hooren, In dien gedurigen zielkittelendeu lach ,
't Geen, onbegrepen, oor noch oogh noit hoorde, of zagh, jï : Dai is 't volmaeckte Schoon, waer van al 't schoon komt stralen, Wy zullen, hier beneên , zijn Heiligen betalen Onze allerleste schuit; ga. Titus , Lukas , ga,
En volght naer Ostië Lucijn, de Eaetsvrouw, na;
Beveelt Sint Pauwels romp de kelder van haer hoeve , Zoo eerlijck als ghy mooght; en troost en zalft dees droeve. Ghy , blakende Marcel , tast den Gekruisten aen , En balsem, en begraef het lijck, op Vaticaen;
Daer 's Vorsteu renbaen roockt, zijn lustprieelen bloeien. Ick zie Godts zwarmen , van vier winden , t'zamenvloeien, Te Rome. aen wederzy des Tibers , daer 't gebeent Der Martelaren slaept , begiftigt , en beweent,
En jaerlijx, met een vlaegh van tranen, overgoten ;
- 62 -
Terwijl de lastermont, gestopt en toegesloten,
Verbaest staet en versuft voor menigh wonderwerck, En Vaticaen de lucht te moet vaert, met zijn kerck , Vol wieroox, vol gezangs van opgetoge zielen , Om 't gralaltaer, waer voor gekroonde koppen knielen , Godtvruchtelijck vertreên rijxappel, zwaert, en kroon , En spreien 't purper aen den voet van 's Visschers troon : Wanneer (Hierusalem in roock en stof vervaren) Des weerelts Uooftstat steunt op bey dees hooftpylaren Der Kercke, en ziet, hoe 'tal, wat hacr die kroon benijt, Zijn hart knaeght, en vergeefs op diamantsteen bijt! â'
Gloria in excelsis Deo.