.vgt; ^ t
Keur var] Heiligerjleveris.
SERIE II.
III.
Leven van ien H. Tiiiceiitlus a Paalo.
VAK /-?
KEUR VAN HEILIGENLEVENS.
Serie II.
III.
ireven van den Ji Yincentius a f aulo
Stichter van de Congregatie der Lazaristen en der Liefdezusters.
BEWERKT DOOR
J. F. J. CORNELISZ. Roomsch-KatEóliek Priester.
Beugen op-Zoom, JAN A. G. JUTEN.
IMPRIMATUR
Bergis ad Zomam, 8 November 1898.
M. P. W. SMITS, rector, ad hoc delegatus.
Verklaring van den Schrijver.
Om te gehoorzamen aan het decreet van Paus ürbanus VIII, uitgevaardigd in de vergadering van de algemeene Inquisitie der H. Roomsche Kerk van 13 Maart 1625 en bevestigd 5 Juli 1634; volgens de verklaring van datzelfde decreet, gegeven door voornoemden Paus, den 5deu Juli 1631; getuig ik hiermede, dat ik aan alle in dit boekje medegedeelde wonderen, openbaringen, gunsten â¢en andere gebeurtenissen, zoowel als aan de titels van Heilige of Gelukzalige aan nog niet heilig of gelukzalig verklaarde personen gegeven, slechts menschelijk gezag wil toekennen. Behoudens de gevallen, die, in deze, reeds door den Apostolischen Stoel, van Wien ik mij den gehoorzamen zoon verklaar, zijn bekrachtigd of nog zullen bekrachtigd worden. Diensvolgens onderwerp ik mij en alles wat in dit boekje geschreven is, aan het oordeel der Kerk.
S1. Eustachius-dag, 1896.
J. F. J. CORNELISZ, R. K. Priester.
1.
JI. Vine, ii Paulo II, 3.
VOORWOORD.
Hierbij bieden wij den godvruchtigen lezer de levensgeschiedenis aan van een Heilige, wiens naam dezen zomer op veler lippen was in ons vaderland. Nog versch ligt het in aller geheugen, hoe, van 22 tot 24 Juli, te's Hage, het vijftig jarig nederlandsch bestaan gevierd geworden is der âConferenciën van den H. Vincentius a Paulo.quot;
Over den H. Vincentius a Paulo zal dit boekje den lezer onderhouden. Die man der Voorzienigheid verdient allen tot voorbeeld gesteld te worden; ieder Katholiek, moet in onze dagen van afgunst tegenover de bezittende klasse, kennis nemen van zijn door ware naastenliefde verheerlijkt leven.
Bovendien is zijn apostolische arbeid, die, in den grond der zaak, veelal op zijn medelijden tot de ongelukkigen berustte, wel waard dat wij er onze aandacht op vestigen. âSinds den tijd der Apostelen,quot; zegt de groote Geschiedschrijver Rohrbacher van hem, âis er misschien niet één mensch, niet één Heilige geweest, die meer diensten aan de Katholieke Kerk bewezen heeft, dan deze H. Vincentius a Pauloquot; Om het halfuitgedoofde Geloof aan te wakkeren, schiep hij eene vereeniging van
') Rohrbacher. Hist. Univ. de 1'Eg Use. L. 87. § 4.
VOORWOORD.
Missiepriesters (Lazaristen), die nog heden ten dage, in Europa zoowel als in de missie-landen, op het zegenrijkst werken. Om de meerdere heiliging van Geestelijken en Leeken te bevorderen, stelde hij de later alom bekend geworden geestelijke afzonderingen in, d;e retraites heeten. Om de jeugdige Levieten tot de volmaaktheid van hun toekomstigen priesterstand op te leiden, vestigde hij in Frankrijk de Seminaries; hoogere en lagere scholen, die zich binnen weinig tijds over geheel het katholieke Europa verspreidden. Om de arme, ongelukkige zieken te helpen en naar ziel en lichaam te redden, stichtte hij de nooit genoeg geprezen Congregatie der Liefdezusters (füles de Gharité), wier onovertroffen hulpvaardigheid en heldenmoed tot op onze tijden de bewondering wegdraagt van Christen, Muzelman en Heiden, aan de vier hoeken dei-wereld. Om de arme weggeworpen kinderen van Parijs in het leven te behouden, wist hij een Vondelings-Ge-sticht te voorschijn te roepen, naar welks model, sindsdien, in vele steden der Christenheid, toevluchtsoorden voor die ellendige verstootelingen opgericht geworden zijn.
Bij al dien overmatigen arbeid vond hij nog (om niet van zijne eigen heiliging te spreken) den tijd, zeer velen tot de volmaaktheid te brengen; te zorgen voor de krankzinnigen, voor de ouden van dagen, voor de jongedochters wier deugd gevaar liep, voor de bedelaars, voor de galeiboeven en voor het vrijkoopen der christen-slaven; den tijd, om aan geheele provinciën onderstand te doen toekomen, en dezelve herhaaldelijk van den hongerdood te redden en hare ellende jaren achtereen te verzachten en te lenigen.
Welnu, laten wij met aandacht het leven van dezen man der Voorzienigheid lezen!
Behalve de vele lessen die wij van hem ontvangen rullen van ware heiligheid, zullen wij vooral twoe'deug-
IV
voorwoord.
v
den van den H. Vincentius leeren, die ons, in onze zelfzuchtige en haast ongeloovige tijden, van het allergrootste nut kunnen zijn. Die deugden heeten; Liefde tot den evenmensch, om God; en, Vertroutoen op 0. L. Heer, zonder wiens hulp wij niets kunnen, maar met wiens krachtdadige tusschenkomst wij zelfs het schijnbaar onmogelijke zullen verrichten.
H. Vincentius a Paulo, bid voor mij en voor mijne lezers; verkrijg ons een weinig van uwe allesvermogende liefde tot God, en van uwe overvloeiende naastenliefde!
De Schrijver.
EERSTE HOOFDSTUK.
Jeugd van den H. Vincentius a Paulo, zijne studiën,
zijn priesterschap; hij wordt als slaaf te Tunis verkocht.
De H. Vincentius a Paulo, de waarachtige hervormer en redder van het diepgevallen Frankrijk der 17® eeuw, de groote weldoener van zijn vaderland, de trooster van alle armen en ongelukkigen, aanschouwde, op Dinsdag na Paschen van het jaar 1576, het eerste levenslicht in het Fransche dorpje Pouy. Dat onaanzienlijk gehucht ligt kort bij d'Acqs (Dax), eene oude bisschopsstad van Gascogne; in de uitgestrekte heidevelden beneden Bordeaux, tusschen de Gironde en de Pyreneën. Zijn vader Joannes üe Paul ^ en zijne moeder Bertranda de Moras behoorden tot den kleinen boerenstand; maar, hunne reine zeden, hun onberispelijk gedrag, hun groote eenvoud en rechtvaardigheid schonken hen een voornamen adeldom in de oogen van God.
De Heer wilde, dat deze groote Heilige uit nederigen stand geboren werd. Daardoor zou het, bij den reuzenarbeid dien hij tot redding van Frankrijk en het heil der Maatschappij moest volbrengen, duidelijk blijken, hoe zijn werk niet het voortbrengsel is van menschelijke kracht, maar een schepping der barmhartige en almachtige Voorzienigheid.
God had den deugdzamen Joannes de Paul en de godvruchtige Bertranda de Moras zes kinderen geschonken,
') De Fransche woorden cfe Paul beteekenen in 't Hollandsch: van Paulus. Hieruit blijkt, dat de Latijnsche naam a Paulo, die ook Pauli geschreven zou kunnen worden, vertaald moet worden: zoon van Paulus, Pauluszoon of Paulusz. Hadde de Heilige dus in Nederland gewoond, dan hadde hij gelieeten Vincentius van Paulus, of Paulusz, of Paulussm.
8
waarvan onze Heilige de derde zoon was. Gelijk in elko behoeftige familie bijtijds partij getrokken wordt van de ontluikende krachten der kleinen, zoo was het ook in dit huisgezin; zoodra zijne jaren zulks gedoogden, werd Vincentius met het hoeden der vaderlijke kudde belast. Toen, met de eerste ontwikkeling des verstands zich eenige zedelijke eigenschappen in het kind begonnen te vertoonen, bleek het, dat al die gesteltenissen zich ten goede neigden. Onder die goede hoedanigheden moest, toen reeds, op de eerste plaats genoemd worden, zijne groote liefde tot de armen. Indien iemand een blik in de toekomstige tijden had mogen slaan, voorwaar, hij zou in dat jeugdige kind bereids den lateren apostel der naastenliefde erkend hebben ; den man, die eenmaal het van gebrek omkomend Frankrijk aan zijn barmhartigen boezem zou verwarmen. Gebeurde het, dat Vincentius van den molen terugkwam en niets anders te schenken had, dan gaf hij den behoettigen eenige handvollen meel. Zijn brave vader, die hem heimelijk bespiedde en een heilig welgevallen had in die goede hoedanigheden zijns zoonsr heeft hem, zoo verre wij weten, nooit daarover berispt.
Ongeveer twaalf jaar oud, had de brave jongeling, door meer dan andere kinderen van zijn leeftijd te sparen, dertig Fransche stuivers bijeengegaard, die hij zijn wettig eigendom noemen kon; eene som, voor zijn ouderdom, de afgelegen streek zijner woonplaats en de geldverlegenheid van het einde der 16® eeuw, zeer aanzienlijk te noemen. Daar ontmoet hij een arme, die, zijns inziens, aan alles gebrek heeft; aanstonds loopt hij naar huis, zoekt zijn schat op en stort dien onverdeeld, tot den laatsten penning, m den schoot van den ongelukkige.
De Hemel teekende deze heldendaad met gouden letteren op ia het Boek des Levens. Wie weet, was het niet deze daad, in het oog der wispelturige wereld mo-
9
gelijk een gewone kindergril, maar voor God eene oefening van de hoogste deugd, die Vincentius' roeping tot het Apostolaat der naastenliefde voor goed vestigde; die hem zelfs de genade verwierf een Heilige te worden? Zeker is het, in ieder geval, dat zijne nauwgezetheid om aan elke genade, die God hem in zijne kinderjaren gaf, mede te werken, nieuwe gunsten des Heeren over hem deed nederdalen. O, indien de ouders, de moeders vooral, die met de eerste zedelijke vorming der kinderen belast zijn, toch eens begrijpen wilden, hoe iedere gebruikte genade nieuwe genaden aftrekt; terwijl iedere vrijwillige verwaarloozing derzelve, door steeds minder geestelijke gunsten gevolgd wordt! Wat zouden zij dan, met de uiterste zorg, waken, alle gelegenheid tot deugd en vroomheid in hunne kinderen, met beide handen aan te vatten ! Wat zouden wij dan zeldzamer het ellendige gezegde hoeren: âDie kinderen zijn nog te jeugdig; later, later zullen wij ze gemakkelijker tot de deugd vormen!quot; Wat zouden wij dan meer in merg en been katholieke kinderen aantreffen, die, als de jaren der bekoringen en van de aanlokselen der wereld komen, reeds standvastigheid genoeg bezitten zouden, om alle gevaren met kloekmoedigheid te doorworstelen; om te blijven staan in de deugd, daar, waar nu velen, helaas, in geloof en kuischheid bezwijken! Neen, ouders, uwe kinderen zijn nooit te jeugdig om tot het goede opgeleid te worden! Zoodra zij eenig besef voor het zedelijke toonen, moet gij hun geest en hun hart tot God brengen, op eene wijze die zij verstaan kunnen; en daarmede doorgaan, zoolang zij onder uw gezag staan !
Met dat medelijden van Vincentius voor alle armen en ongelukkigen, straalde ook vroegtijdig eene groote helderheid van geest in hem door. Hij bleek verstandiger te zijn dan andere kinderen van zijn leeftijd ; weshalve
10
zijne ouders dachten goed te doen, hem te laten studeeren. Wel zag de vader niet weinig op tegen de kosten, die een langdurig lager en hooger onderwijs van zijne niet al te ruime geldmiddelen vergen zou; maar later, meende hij, zou zijn zoon die onkosten wel op de eene of andere manier, uit de vrucht zijner studiën, vergoeden. Hi] legde hem dan, voor of even nadat hij zijn- 13® levensjaar bereikt had (1588), ter school bij de Minderbroeders-Franciscanen van Dax. De Heilige verslond daar als het ware de moeilijkheden, die eerstbeginnenden gewoonlijk vinden in het aanleeren van hun geheel vreemde talen en wetenschappen; zijne leermeesters waren meer dan tevreden. Nadat hij vier jaren gestudeerd had, was de Overste der Minderbroeders niet weinig gesticht over Vincentius' zedigheid, zijne onschuld en zijne in het oog vallende ontwikkeling.
Toen hij, bij gelegenheid, den lof des jongelings aan den Heer de Commet verkondigde, een beroemd advokaat te Dax, die tevens vrederechter was van Pouy, de geboorteplaats des Heiligen, was deze brave man zeer ingenomen met hetgeen hij over zijn jeugdigen onderdaan vernam; aanstonds stelde hij hem aan (1592), tot huisonderwijzer zijner kinderen. Van dat oogenblik tot aan het tijdstip zijner hoogere studiën, hield de Heilige op zijn vader ten laste te zijn.
Het leeraarschap in het huis van mijnheer de Commet vroeg wel veel tijds; maar de vlugheid van Vincentius stelde hem in staat, met die bediening, toch geregeld zijne studiën bij de Franciscanen te vervolgen. Deze vergden nog ongeveer vijf jaren.
In dat tijdsverloop begonnen zich Vincentius ware deugd, zijne ingetogenheid, zijne voorzichtigheid en zijne vroegrijpe wijsheid meer en meer scherp af te teekenen; velen dergenen die met hem in aanraking kwamen.
11
achtten hem tot het heiligdom des Heeren geroepen. Ook mijnheer de Comraet, die beter dan anderen Arin-centius in zijn omgang had kunnen gadeslaan, was van hetzelfde gevoelen. De Heilige verdubbelde derhalve zijne gebeden en raadpleegde herhaaldelijk zijne Oversten ; eindelijk besloot hij priester te worden. Hij ontving de kruinschering {tonsuur) en de kleinere Orden te Dax, in zijn eigen bisdom (1596); daarna vertrok hij om aan de bloeiende hoogeschool van Toulouse, mede in zuidelijk Frankrijk, zijne godgeleerde studiën te doen. Alhoewel zijne Geschiedschriivers ons weinig, zeer weinig hebben opgeteekend over dezen tijd zijns levens, kan het niet anders, of aller hoogschatting voor zijne talenten en eerbied voor zijne deugd, moeten hem gevolgd hebben te Toulouse en aan de wereldberoemde universiteit van Sarragossa in Spanje, waar hij vóór zijn priesterschap eenigen tijd doorbracht. Op de gewone wijze ontving hij, met eenige tusschenruimte het Subdiaconaat, het Diaconaat en het H. Priesterschap (1598 â 1600). Te zeggen met wat voorbeeldigen ijver Yincentius zich tot het ontzagwekkend priesterschap voorbereidde, valt niet in ons plan. Zulks kan echter genoegzaam afgeleid worden uit de omstandigheid, dat hij, de Apostel van Frankrijk, weinige jaren later (zooals wij verder zullen beschrijven), Frankrijk's priesters tot de volmaaktheid opvoerde, juist, door de nauwkeurigste voorbereiding tot de heilige Wijdingen als middel te bezigen.
De algemeene roep zijner geleerdheid en zijner braafheid deed, aanstonds na zijne priesterwijding, de oogen der Groot-Vicarissen van zijn eigen bisdom te Dax op hem vallen. Zij beriepen hem tot de bediening dei-parochie van Tilh, eene voorname pastoorsplaats; eene bediening dus, die hem allicht met de talenten waarover hij beschikken kon, tot hoogere eereposten gebracht zou
12
hebben. Maar de Heer, die alles vooruitziet en alles regelt volgens zijne alwijsheid, had grootere inzichten met den toekomstigen Heilige; Hij zou hem roepen tot een anderen, meer vruchtbaren werkkring. God wilde niet, dat hij de luister worden zou van ééne enkele parochie, later misschien van één enkel bisdom; neen, Vincentiua moest de vader worden van alle armen, de man die met de alles bezielende warmte der goddelijke liefde waarvan hij blaakte, Frankrijk tot inkeer zou doen komen en de wereld door zijn reuzenarbeid herscheppen ten goede. Het gebeurde, niet zonder de bijzondere leiding der Voorzienigheid, dat terzelfder tiide, van Rome uit, een ander priester tot pastoor te Tilh benoemd werd. Zoodra hij deze omstandigheid vernam, erkende de Heilige daarin Gods leiding; aanstonds verzaakte hij aan zijne mogelijke rechten en besloot hij, zijne hoogere studiën nog drie jaren door te zetten. Om de nalatenschap van zijn intusschen gestorven vader niet verder te drukken, verhuisde hij voorloopig naar het stadje Buset. Daar zou hij les geven aan de zonen van voorname familiën, en zoo voortaan geheel in eigen onderhoud voorzien.
Deze arbeid werd zichtbaar door God gezegend; na weinige weken kon hij reeds met zijne leerlingen naar Toulouse terugkeeren, om er, steeds anderen onderwijzend, zijn eigen godgeleerde studiën aan de hoogeschool door te zetten. Te Toulouse, waar zijne wetenschap en zijne deugd aan velen bekend was, stelden zich meerdere jongelingen van de hoogste kringen onder zijne leiding. Het zou moeilijk te verklaren zijn, hoe Vincentius bij de groote vorderingen die hij, zooals blijken za', in eigen studie maakte, nog tijd vinden kon om met de hem eigen nauwkeurigheid de opvoeding van anderen op zich te nemen. De oplossing van dit vraagstuk moet gezocht worden in de volmaaktheid zijner levenswijze. Toen
13
reeds, vóór en na zijn priesterschap, leidde de heilige jongeling dat leven van een boetvaardige, dat hij, al zijne jaren door, zou. volhouden. Zeer vroeg stond hij op; zeer laat begaf hij zich te bed, om op eene harde legerstede de hoogst noodige verkwikking in den slaap te vinden.
Eindelijk, drie jaren na zijne priesterwijding, zijne godgeleerde studiën geëindigd hebbende (1630), werd hij tot Baccalaureus gepromoveerd. Te dezer gelegenheid maakt de geleerde schrijver, Mgr. Guérin, de volgende opmerking'). Duidelijk ziet de lezer uit Vincentius' vroege, niet aangenomen benoeming tot de voorname parochie van Tilh, uit het langdurig tijdsverloop, dat de talentvolle jongeling aan de studie besteedde en uit den hoogen graad van Baccalaureus dien hij behaalde, dat deze geenszins zoo onwetend was als de nederige man in 't vervolg van tijd gaarne deed voorkomen. Verre van hen verwijderd, die zich verheffen op het weinigje dat zij van de wetenschap bezitten, verborg hij, geheel zijn leven, waar hij zulks vermocht, de uitgestrekte kennissen, die hij met Gods hulp door langdurige inspanning verkregen had.
Alhoewel de jeugdige priester op dit tijdstip zijns levens reeds boven anderen in deugd en volmaaktheid uitmuntte, had hij nochtans nog niet dien trap van volmaaktheid bereikt, waartoe de Heer hem riep. En toch â alleen een Heilige kon de zware taak volbrengen, die God aan VinCentius op de schouderen wilde leggen. Daarom trad de Voorzienigheid, ais ik mij zoo mag uitdrukken, gewelddadig tusschenbeide; de man Gods had nog ééne wetenschap aan te leeren, de ware wetenschap der Heiligen. Deze bestaat in de beoefening der nederigheid, van bet geduld, van de zachtmoedigheid, van de naastenliefde, â onder alle omstandigheden en tegenover allen.
') Mgr. Guérin. Petös Bollaiidistes. 19 Jnillot.
14
Door velerlei wederwaardigheden, zal de Heer een werktuig van Vincentius maken in zijne hand ; een werktuig zóó gewillig, dat armoede en rijkdom, geringheid en wereldsche grootheid, gezondheid en ziekte, vervolging en eerbetoon hem volmaakt onverschillig zullen worden, in zooverre zij niet dienen kunnen om zielen voor God te winnen.
Korten tijd nadat hij zijne studiën volledig geëindigd had (1605), werd aan Vincentius gemeld dat een zijner vrienden, bij testament, hem ongeveer vijftien-honderd Fransche Livres had nagelaten; hij reisde derhalve naar Marseille om dat geld te innen Nadat hij alles geregeld had, nam hij op verzoek van een edelman uit Languedoc, met wien hij overnacht had, zijn terugweg naar Toulouse, waar hij nog altijd woonde, over zee. Nauwlijks voor goed van land gestoken, werd de boot waarop zij reisden, door drie Turksche kaperschepen overvallen en alle opvarenden gevangen genomen. Na vele voorloopige mishandelingen werden ze als slaven op de openbare markt van Tunis in Afrika verkocht; de Heilige kwam in handen van een visscher, die hem aanstonds, dewijl hij de zeelucht slecht verdragen Kon, overdeed aaneen geneesheer. Deze, een groot scheikundige, gebood hem zijne verschillende vuurovens te onderhouden; overigens behandelde hij hem zeer menschelijk. Langzamerhand leerde de geneesheer zijn slaaf waardeeren en genegenheid toedragen ; helaas, die genegenheid werd voor den Heilige een bron van vele teleurstellingen. De geneesheer, reeds
') Het Fransche Livre (pond) wordt heden ten dage franc genoemd ; het heeft ongeveer de waarde van onzen halven gulden. Dewijl echter het geld, tijdens het leven van den H. Vincentius drie tot viermaal schaarscher was dan tegenwoordig, zoo kunnen wij de hier aangehaalde som vrüelijk op minstens vijfduizend franken schatten van onze munt. Deze bemerking is ook toepasselijk op de geldsommen, die hier en daar verder genoemd zuHen worden.
15
oud van jaren, bood hem al zijne schatten, de openbaring zijner kunstgeheimen en de volkomen vrijheid, op de eenige voor-waarde, dat hij zijn H. Geloof verzaken en Mahomedaan worden zou. Welk een voorstel! In altijddurende slavernij, na den dood zijns meesters misschien in harde slavernij, zijn leven te moeten slijten; of, rijk te zijn, vrij en van allen geëerd! En dat, door slechts uiterlijk zijn God te verzaken! De heilige slaaf, vurig biddend tot Maria, de hulpe der Christenen, twijfelde geen oogenblik; met verontwaardiging sloeg hij het voorstel van den bekoorder af en verzocht dezen, als hij eenige achting voor hem koesterde, dat ontwerp nooit meer aan te roeren. Vincentius' standvastigheid nam intusschen niet weg, dat hij den prikkel der bekoring in al zijne zwaarte gevoeld had. Een jaar later stierf de geneesheer. Zijn neef en erfgenaam verkocht Vincentius aan een renegaat, geboortig van Nizza in Savooije op de Italiaansche kust gelegen Zoodra deze den Heilige bezat, deed hij hem naar zijn temat overbrengen; een soort van keizerlijke boerderij, die hij, om zijne geloofsverzaking, van de regeering had kunnen huren.
De ligging dezer buitenplaats, in het diepe der woestijn, sloot alle hoop op ontvluchting buiten. Maar Gods voorzienigheid, die alles naar zijne hooge wijsheid beschikt, wilde juist deze eenzaamheid tot zijne wonderbare wegen gebruiken. De echtgenoote van den renegaat, eene geboren Mahomedaansche, kwam, misschien om hare verveling in dit afgelegen oord te verzetten, misschien uit
') Een renegaat is eigenlijk iemand, die het ware, het Roomsch-Katholieke Geloof verzaakt. Het wordt echter, in meer engeren zin, bijzonder toegepast op de Katholieken, die Christus in het openbaar afzweren om Turk of Mohamedaan te worden. Door zoodanige Geloofsverzaking beloopt een renegaat de allerzwaarste kerkelijke straffen.
16
nieuwsgierigheid naar de levenswijze der Christenen, nn en dan naar den veldarbeid omzien dien de Heilige verrichtte, Op den duur kon zij niet genoeg zijn geduld, zijne zachtaardigheid en zijne vlijt bewonderen; hoedanigheden, die klaarblijkelijk uit een hooger beginsel voortvloeiden. Meerdere malen ondervroeg zij hem over zijn godsdienst, deszelfs feesten, gebruiken en plechtigheden ; eensdaags zelfs verzocht zij, dat hij eenige geestelijke liederen zou zingen uit zijn vaderland. Toen hief Vin-centius den 136sten psalm aan; het treurlied der Joden in de Babylonische gevangenschap. Nauwelijks kon hij daarbij zijn snikken inhouden; welsprekende tranen liepen er over zijne wangen. Daarna gedachtig, dat zijne lieve Moeder Maria de nieuwsgierigheid dezer Mahomedaansche vrouw tot zijne redding kon gebruiken, zong hij nog het overschoone Salve Begina.
Door de smeekende zoetheid dezer liederen getroffen, verklaarde do vrouw aan haar gemaal, niet te begrijpen waarom hij zulk een verheven godsdienst verloochend had. De renegaat wist niets te antwoorden; hij zweeg. Maar zijn met kracht ontwaakt geweten zweeg niet; reeds den eerstvolgenden morgen deed hij Vin-centius bij zich ontbieden, en deelde hem met zijne gewetenswroegingen ook het voornemen mede, zoo spoedig mogelijk, in zijn gezelschap, uit Tunis te willen vluchten. Deze vlucht was, indien hij zich oprecht en voor goed be-keeren wilde, om vele redenen hoogst noodig; de Turken zouden zijn terugkeer tot het eens afgezworen Christendom met onteerende pijnigingen en den dood gestraft hebben.
Tien volle maanden verliepen, voordat er zich eene gunstige gelegenheid ter ontvluchting aanbood ; toen scheepte de renegaat zich met den H. Vincentius a Paulo in, op een allerkleinst scheepje. De onderneming was
17
uiterst gevaarlijk; maar, geen nood! Het kleine huikje had den redder van Frankrijk aan boord, den grooten apostel der naastenliefde! Daarom beschermde de Moeder des Heeren, Zij, die niet te vergeefs door de Kerk als âstarre der zeequot; wordt aangeroepen, den Heilige en den hem vergezellenden boeteling door haar machtigen arm. Veilig bereikten beiden Aigues-Mortes, op de Fransche kust (1607), van waar zij doorreisden naar Avignon. Daar verzoende de pauselijke Vice-Legaat den berouwvollen geloofsverzaker met de oude moederkerk.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Heilige wordt opnieuw en herhaaldelijk beproefd.
Zijne benoeming tot pastoor van Clichy bij Parijs.
Nadat zijn opvolger, die juist een dier dagen te Avignon aankwam, zijn post aanvaard had, nam de Vice-Legaat den wederkeerenden Vincentius, wiens hooge deugd hij doorschouwde, op zijne terugreis mede naar Rome. In die hoofdstad der Christenheid hield hij hem twee jaren bij zich, huisvestte hem in zijn eigen paleis, en deed hem aan zijne tafel aanzitten. Wat al schatten van genade heeft de Heilige in die schijnbaar nuttelooze jaren vergaderd? Wie zal ons zeggen, hoezeer hem toen de H. Geest verlicht, hoezeer Deze toen zijn hart versterkt heeft tot alle goed? Wij weten het niet. Wat wij echter wel weten, is, dat wij Vincentius later zullen terugvinden als den apostel van Frankrijk; een apostel, die volle vijftig jaren zichzelven vergeten zal, om alles voor allen te worden, opdat hij allen voor zijn Meester, voor Christus, moge winnen!
Wat hem te Rome aan tijd overbleef, besteedde de
H. Vine, a Paulo II, 3. 2.
18
zalige man ernstig aan de herhaling zijner godgeleerde studiën van Toulouse en Saragossa. Spoedig werden ook te Rome, evenals vroeger te Dax en te Toulouse, zijne talenten, zijne volmaaktheid en zijne heiligheid door sommigen naar hunne wezenlijke waarde geschat; Frankrijk s gezant bij den H. Stoel, de kardinaal d Ossat, schonk hem zoozeer zijn vertrouwen, dat hij hem met eene belangrijke maar geheime zending belastte bij koning Hendrik IV. De Heilige vertrok derhalve van Rome naar Parijs (1609), om voor goed in Frankrijk te blijven.
Te Parijs huurde.hij, in de voors ad St. Germain, eene woning kort bij het gasthuis Lei Ghatité. \ an stonde af, nog vóór dat 'hij een vasten werkkring zou verkrijgen, wilde hij den tijd die hem van verderen arbeid overbleef, benuttigen, om de armen en ellencligen van dat groote Hospitaal te bezoeken, bij te staan, en naar ziel en lichaam te helpen en te troosten.
Door zijne langdurige gevangenschap in het barbaarsche Tunis, had Yincentius geleerd wat lichamelijk lijden is. Maar,' die overgroote ellende was nog niet voldoende geweest, om hem op den trap van volmaaktheid te stellen waartoe God hem wilde opheffen; daarom zou de Heer hem nogmaals beproeven. Ditmaal zou de beproeving echter niet zijn lichaam aantasten, maar zijn goeden naam en de rust van zijn geweten. In het huis dat hij in de voorstad St. Germain bewoonde, verbleef hij in ééne kamer met zekeren rechter uit het dorp Score bij Bordeaux, die tijdelijk te Parijs vertoefde. Dezen man werden, toen hij op een morgen dat hij ongesteld te bed lag en Vincentius zeer vroeg was uitgegaan, door een apothekersbediende, die hem de noodige medicijnen bracht, vierhonderd Fransche kronen ontvreemd. Eerst later den diefstal bemerkend, dacht de rechter niet meei aan den bediende, maar betichtte aanstonds den Heilige; deze had
19
geen enkel middel om zijne onschuld te bewijzen, en bepaalde er zich dus toe, alle schuld te ontkennen. Nu werd de man uit Score, die wel eenigzins ter goeder trouw dwaalde maar onrechtvaardig was in zijne verdere handelingen, zoo boos, dat hij in woede ontstak en Vin-centius belasterde bi) zijne Oversten, bij vrienden en buren, en bij allen die naar hem luisteren wilden. De Heilige wierp al zijne bekommering op God en verdroeg, zes jaren lang de valsche beschuldiging, zonder zich ooit aan wien ook te beklagen, maar te meer bij God zijn troost te zoeken.
Wat eene les voor ons. Lezer, die, als wij op de eene of andere wijze valschelijk beticht worden, ons ergeren, in toorn losbreken, tegen onze beschuldigers haat opvatten ; of althans, indien wij tot de meer deugdzamen be-hooren, ons bovenmate bedroeven. Helaas, wat zorgen wij niet veeleer, na ons, zooals het geoorloofd is, op bedaarden toon verdedigd te hebben, eene uitkomst bij God te zoeken in het gebed! Bij dien Lieven Heer, die somwijlen alléén helpen kan; en, die zeker helpen zal, wanneer wij ons met vertrouwen op Hem verlaten! Daarbij, mocht, tot ens eeuwig heil, God het beter achten dat wij tijdelijk onder verdenking blijven, dan nog zal Hij gelatenheid schenken en onderwerping aan zijn aan-biddelijken Wil. Dit zien wij in den H. Vincentius. Zes jaren later geschiedde het, dat de diet, die Parijs in-tusschen verlaten had, te Bordeaux voor een nieuwen diefstal gevangen genomen werd. Toen begon zijn geweten te spreken; hij liet den rechter van Score ontbieden en beleed dezen zijne schuld. Op het eigen oogenblik schreef de rechter, die thans zijne onverantwoordelijke roekeloosheid tegenover een braaf priester inzag, aan Vincentius een langen brief; hij erkende daarin zijn ongelijk, vroeg den Heilige oprecht vergiffenis en berichtte, dat hij.
20
om vergeving te bekomen, gereed was van Bordeaux naar Parijs te reizen. Daar zou hij dan, aan Vincentius' voeten neergeknield, rouwmoedig eereboete doen. Onnoodig te zeggen, dat de Heilige, die zich nooit op den rechter van Score verbitterd had, den man met alle goedwilligheid geruststelde.
Laten wij hier de opmerking neerschrijven, dat de teleurstellingen van de soort die wij zooeven verhaalden, Yincentius dagelijks meer en meer aan God vasthechtten. Door de nauwkeurige medewerking aan de vele genaden, die, ter wille van dat voor den Heer gedragen lijden, hem als overstroomden, begon hij langzamerhand de wereld oprecht te verachten en zich onvoorwaardeli/jk aan Gods H. Wil te ondencerpen. In de vreeze dat men hem, indien hij zijn eigen naam, Vincent de Paid bezigde, voor een edelman zou aanzien, gebruikte hij, van zijne aankomst in Parijs af, enkel zijn doopnaam en liet zich derhalve Monsieur Vincent (Mijnheer Vincentius) noemen. Slechts onder dien naam is de H. Vincentius a Paulo, tijdens zijn leven, alom bekend geweest; zoowel in Frankrijk als in de overige landen van Europa. Maar, verborg hij zijn naam, zijne deugden en zijn waarlijk apostolischen ijver kon hij niet verbergen; daarom viel, in het begin der regeering van Lodewijk XIII, het oog der koningin Margaretha van Valois op hem. Zij deed hem op den staat van haar dienstpersoneel inschrijven en benoemde hem tot haren gewonen aalmoezenier.
Intusschen was voor Vincentius de tijd aangebroken zijner hardste beproeving. Aan het Hof der koningin Margaretha, waar hij, zijns ondanks, nu en dan moest verwijlen, had hij betrekking aangeknoopt met een Doctor in de H. Godgeleerdheid. Misschien, om dezen man te beproeven, misschien om hem voor eenige tekort-
21
komingen te straffen, misschien om aan onzen Heilige de gelegenheid te geven tot het doen eener sinds de tijden van den H. Apostel Paulus ongehoorde heldendaad, liet God toe, dat de hooggeleerde Doctor groote twijfelingen kreeg tegen het H. Geloof. Zijne bekoringen werden zoo hevig, dat de ongelukkige haast wanhopig, en eindelijk, door overmatige inspanning, gevaarlijk ziek werd. Yiucentius gevoelde zich door liefde gedrorgen, den armen priester van zijn onuitstaanbaren last te bevrijden; met krachtdadige gebeden smeekte hij God, den man van alle bekoringen te ontlasten ; en, indien zulks zijn aanbiddelijke Wil was, dezes wederwaardigheden op hem, Vincentius, over te brengen.
De Heer, die in zijne ondoorgronde,ijke raadsbesluiten, alles leidt tot zijne glorie en de zaligheid der menschen, verhoorde het gebed van zijn dienaar. Aanstonds heerschte er eene volmaakte kalmte in het hart van den Godgeleerde, gepaard aan een inr.igen geest van godsvrucht; maar, aanstonds ook, gevoelde de Heilige de hevigste stormen over zijne ziel komen. Ja, zijn strijd zou geweldig zijn! Edoch, hij was een dier reuzen in het geestelijke leven, die tot den kamp gereed zijn, op wat dag, wat uur, wat wijze het den Heer behaagt dien te laten komen; met heldenmoed stelde hij zich op, tegen alle aanvechtingen van den Satan. In de hoop, met meer zekerheid te zullen overwinnen, nam hij, behalve tot het veelvuldig gebed en de harde boetedoening, tot twee eigenaardige hoofdmiddelen zijn toevlucht.
Om zijne hersenen niet al te veel en nutteloos, zooals dikwijls bij zulke bekoringen geschiedt, te vermoeien en uit te droogen, bezigde Vincentius als eerste hoofdmiddel een eigenhandig geschreven geloofsbelijdenis; deze verborg hij, onder zijne bovenkleederen, op zijn hart. Na vervolgens alle met het Geloof strijdige gedachten in het alge-
22
meen verworpen te hebben, maakte hij met O. L. Heer het verbond, â dat hij, hoe verward ook overigens, verondersteld wilde worden aan alle ongeloovigheid te verzaken, zoo menigmaal hij zijne geschreven geloofsbelijdenis met de hand zou aanraken. Bovendien trachtte hij, zoo vaak hij van dit middel gebruik maakte (hetgeen niet zeldzaam was), zijn geest zachtjes van de bekoring af te leiden. Zijn tweede hoofdmiddel bestond daarin, dat hij de eigen aanvallen des duivels benuttigde, om den Satan afbreuk te doen. Zoo dikwijls hij bekoord werd, trachtte hij dadelijk. God nog ijveriger dan te voren te dienen. Deze dienst des Heeren bestond vooral, in Jezus te vereeren in den persoon zijner armen; daarom bezocht hij, meer nog dan te voren, het groote gasthuis La Gharité, dat in zijne buurt gelegen was.
Langer dan drie jaren streed Vincentius, op die wijze, onverpoosd voort. Het waren jaren vol bitterheid; jaren, waarin hij den strijd volhield zonder morren, zelfs zonder de kalmte te betreuren waarvan hij vrijwillig afstand gedaan had. Maar het waren ook jaren van het grootste geestelijk voordeel; jaren, die de laatste hand legden aan de eigenschappen welke God van hem vorderde voor zijn aanstaanden, allesomvattenden werkkring. Door den aanhoudenden strijd gevoelde hij langzamerhand de begeerte in zich levendig worden, zich nog inniger aan. dien Jezus te hechten die ook eenmaal alles ten offer gebracht had; de begeerte, zich geheel wej te schenken aan Gods armen, die vaak zoo bedroefd zijn, zooveel druk en lijden ondervinden. Zóó waar is het, dat God de bekoring slechts toelaat, tot de glorie zijns Naams en het meerdere voordeel onzer arme zielen. O, wonderbare beschikking des Heeren! Nauwelijks is Vincentius' begeerte om zich voor goed aan de armen te geven tot een onherroepelijk besluit overgegaan, of aanstonds houden
23
alle duivelsche aanvechtingen op; voorgoed is de apostolische man van allen twijfel tegen het Geloof bevrijd, voorgoed vindt hij den zielevrede terug, en verschijnen hem alle goddelijke waarheden in een bijzonder helder licht.
Niet lang nadat de Heilige van Rome naar Parijs was verhuisd, had hij den Eerw. Heer de Bérulle leeren kennen; een der grootste mannen van zijn tijd, den Insteller der Fransche Oratorianen of volgelingen van den H. Philippus Nerius Toen hij eenige jaren later, door zijn voorval met den rechter van Score en de ongelukken van den Doctor in de Godgeleerdheid aan het Hof van koningin Margaretha vermaand, duidelijk inzag, hoe een priester niet met leeken te zamen verblijven maar zich zooveel doenlijk uit de wereld moet terugtrekken, vroeg en verkreeg hij verlof, bij de Paters Oratorianen te mogen inwonen zonder Ordenslid te worden. Van het oogenblik zijner intrede in dat Huis, liet hij zich, wetend dat wij allen blind zijn in eigen leiding, door den Heer de Bérulle als door een zichtbaren engel besturen. Wat die man Gods voor hem geweest is en hoe hij den Heilige tot de hoogste levensbeschouwing heeft opgevoerd, kunnen wij genoegzaam begrijpen, als wij nagaan, dat hier een Heilige tot een Heilige sprak; als wij weten, dat Vincentius' raadgever een der grootste meesters van het geestelijk leven geweest is.
Toen, eenigen tijd daarna, de parochie van Clichy bij Parijs openviel, meende zijn bestuurder, dat voor A^inceu-tius de tijd van het werkend leven in den wijngaard des Heeren thans was aangebroken. De wensch van den
') Deza man, de Stichter der Oratorianen van den H. Philippus Nerius in Frankrijk en een der godsdienstige hervormers van zijn tijd, is later, Kardinaal geworden, in geur van heiligheid gestorven. Hij was de biizondere vriend en vooral de zielsbestierder van den Yincentius a Paulo.
24
Eerw. de Bérulle was den zaligen man een gebod ; weshalve hij aanstonds naar Clichy verhuisde. God riep hem op, om zijn reusachtigen arbeid te beginnen (1612). Zoo-verlaat dan de geleerde priester, wien, naar men zegde, reeds een bisdom was aangeboden, de aalmoezenier der koningin Margaretha, de vroegere gezant van kardinaal d' Ossat bij koning Hendrik IV, als de geringe dorpspastoor eener kleine parochie, zonder tegenstrib-beling, ja, met een heilige vreugde, de hoofdstad van Frankrijk! O verheven nederigheid !
Binnen weinig tijds bewees de Heilige wat hij later, wanneer zijn werkkring zich meer zou uitbreiden, voor Frankrijk, voor hetgansche menschdom worden zou. Geheel Clichy en omstreken, dat door den langdurigen oorlog, die vooral de omgeving der hoofdstad geteisterd had, ook geestelijk zeer onderkomen was, werd onder zijne wijze leiding als eene vereeniging âvan engelen op aarde.quot; De voorschriften van het Concilie van Trente gedachtig, begon hij met, door een herhaald pastoreel bezoek, zijne parochianen te leeren kennen. Op den kansel trok hij aller gemoederen tot zich door de zalving, waarmede hij Gods goedheid voorstelde; in den biechtstoel en in bijzondere gesprekken wist hij de bestaande misbruiken aan te wijzen en door krachtdadige midde'en te verbeteren. Daarbij was hij, in handel en wandel, een nieuwe H. Paulus, die door zijne daden den Geloovigen onophoudelijk toeriep: âIk bid u, broeders, weest mijne navolgers, gelijk ik het ben van Christusquot; (1 Cor. 4 16). Dag en nacht bad hij ; hij bezocht de zieken, ondersteunde de armen, troostte de bedrukten, bracht de twistenden tot elkander en bevestigde den vrede in de huisgezinnen. Om aan den Godsdienst meerderen luister bij te zetten, en om meer godsvrucht aan te kweeken, herstelde hij de kerk van Clichy van hare fondamenten uit;
25
hij riep ook verschillende Stichtingen in het leven, die, in het verloop van tijd, de grootste vruchten voortgebracht hebben. Vooral bevorderde hij, naar best vermogen, den eeredienst der H. Maagd, door het instellen der Broederschap van den H. Rozenkrans; niet minder den eerbied van het Allerheiligste Sacrament, door het gebruik der veelvuldige communiën. Langzamerhand begonnen hem zijn parochianen als een vader en als een heilige te vereeren.
DERDE HOOFDSTUK.
Optreden van den H. Vincentius in de familie de Gondi.
Eerstelingen zijner beroemde bekeeringsmissiën.
Instelling der Broederschap van Liefdadigheid.
Met den ijver van een apostel, zooals wij zagen, arbeidde de Heilige in de geringe parochie van Clichy bij Parijs. De tijd naderde echter, dat God hem een meer uitgebreiden werkkring schenken wilde; God zou hem gaan stellen op eene plaats, waar hij gelegenheid vinden zou, zijn waren missiearbeid te beginnen en de hoogste werken van barmhartigheid te beoefenen.
Het was te dier tijde onder de voorname edellieden gewoonte, zich uit een der Geestelijke Orden een priester te kiezen, die, als huisleeraar, hunne kinderen in alle deelen van den Godsdienst moest onderwijzen en tot de deugd opleiden. De Heer Philips Emmanuel de Gondi, graaf van Joigny en Generaal-Overste der Staats-Galeien, een der voornaamste Fransche edelen, begaf zich naar den Eerw. Heer de Bérulle en verzocht hem een braaf en degelijk priester tot dergelijk doel te willen aanwijzen Dewijl de hoogadellijke geboorte der drie kinderen van den
26
graaf de Gondi deze tot de eerste waardigheden in de Fransche monarchie bestemde, en bijgevolg van hunne opvoeding het wel of wee van den Staat voor een groot gedeelte kon afhangen, dacht de heer de Bérulle aan Monsieur Vincent (de H. Vincentius), van wiens deugden de roep over de grenzen der parochie van Clichy was doorgedrongen. In deze keuze van zijn raadgever zag de Heilige, als naar gewoonte, de stem van God. Meen echter niet. Lezer, dat het hem niets kostte zijne geringe parochie te verlaten.
Luister, hoe Vincentius zelf, in een ziiner eenvoudige brieven, zijn afscheid verhaalt. âTreurig gestemdquot;, schrijft hij ongeveer, âverliet ik de kleine kerk; mijne oogen stonden vol tranen. Snikkend gaf ik mijn laatsten zegen aan de mannen en vrouwen, die ik, voor het aanschijn des Heeren, inderdaad oprecht bemind had! Ook mijne geliefkoosde armen waren aanwezig; zij vooral deden mijn hart bijna breken. Daarna ging ik met mijn nederig huisraad bij mij, den weg op naar Parijs, waar ik, na ondersweegs de raadgevingen van den heer de Bérulle te hebben ingewonnen, den 25sten Januari in het Huis der de Gondi's aankwam (1613). Dat Huis scheen mij eene geheel onbekende wereld toe; alles schitterde er als aan het Hof; en dat voor mij, die uit de eenzaamheid kwam. Maar, ook in de groote steden kan de mensch de afgetrokkenheid vinden, te midden der verstrooiingen. Men wees mij eene schoone kamer aan; ik leefde er als in eene cel, mij slechts met mijne bezigheden onledig houdendquot;
') Dat de Heer do Bérulle goed gezien had, wat de belangrijk-heid betreft der opvoeding van de kinderen De Gondi, blijkt onder meer hieruit: dat de oudste later hertog en Pair van Frankrijk geworden is, de tweede niets minder dan kardinaal der H. Koom-sche Kerk. De derde stierf op jeugdigen leeftijd. Vincentius bleef, met eene korte ODderbreking, twaalf jaren by deze fanailie inwonen.
27
Wil de Lezer weten, welke de omgang des Heiligen was met de huisgenooten der doorluchtige familie, dan leze hij de volgende, kinderlijke woorden; woor pen, waarin deze zelf dien omgang verhaald heeft, in een schrijftrant, als sprak hij van een derden persoon. Hij meldt ons: âDat hij iemand gekend heeft, die in een hoogaanzienlijk Huis, voor zich en voor de andere bewoners, zeer veel geestelijk voordeel deed, door steeds den Heere Jezus te sden in den persoon van den heer des huizes en de H. Maagd Maria in den persoon van dezes gemalin; daardoor bleef hij altijd ingetogen en nauwlettend in al zijne handelingen en woorden, en won hij de toegenegenheid van alle inwonenden en alle dienstdoendenquot;.
Spoedig kregen de echtgenooten de Gondi een vertrouwen in den Heilige, dat met den dag toenam; deze maakte daarvan gebruik om beiden meer en meer naar den weg der volmaaktheid heen te leiden. Eens dat d3 heer de Gondi, die overigens een waar Christen was, zich door de on elukkige gewoonte van zijn tijd had laten medeslepen om een tweegevecht (duel) aan te gaan, en dit den Heilige met zekerheid bekend geworden was, wist deze hem vol-genderwijze daarvan terug te houden. Nadat allen zich uit de huiskapel, waar hij zooeven de H. Mis had opgedragen, verwijderd hadden, behalve de graaf, wierp Vincen-tius zich voor de Gondi op de knieën met de woorden: âU zult mij, mijnheer, wel veroorloven, dat ik in alle nederigheid een enkel woordje tot u spreke! Ik weet van goederhand, dat gij voornemens zijt een tweegevecht aan te gaan; welnu, in den naam mijns Zaligmakers, dien gij in mijne handen aanbeden hebt, verklaar ik u, dat Hij, als gij uw misdadig voornemen niet achterlaat, zijne rechtvaardige straf over u en uw nageslacht zal laten komen!quot; Daarna ging hij bedroefd heen, zonder verder antwoord af te wachten. De graaf vergaf de beleediging
28
van zijn tegenstander en liet voorts zijne wraakzucht varen.
Overigens was het Vincentius' uiterste zorg, zich met niets te bemoeien, dan met de opvoeding der kinderen, waarvoor hij beroepen was; hij leefde zoo afgetrokken en eenzaam, dat hij nooit in de tegenwoordigheid der ouders verscheen, zonder daartoe te zijn uitgenoodigd. Maar, ook die genoegens der eenzaamheid wist hij aanstonds af te breken, als zijn evennaaste, op welkdanige wijze ook, zijne hulp behoefde. Steeds zorgde hij voor den vrede tusschen de dienstboden, troostte hen wanneer zij ziek waren, en bewees hun dan met eigen handen de geringste diensten ; eenige dagen voor de hooge feesten, riep hij ze te zamen en onderrichtte hij ze in het mysterie van den feestdag die gevierd zou worden. Mevrouw de Gondi, van het een en ander onderricht, was uiterst verheugd, toen zij inzag, welk een beschermengel zij in hare familie had opgenomen; een heilige, die noodzakelijk telken dage nieuwe zegeningen over haar dak en hare onderdanen moest aftrekken. Zij koos hem tot biechtvader en leider van haar zeer angstvallig geweten
Om zijne drie leerlingen te onderwijzen, volgde Vincentius de hoogadellijke familie naar hare landgoederen ; beurtelings naar Villepreux, Joigny, Montmirail, Folleville en andere plaatsen. Daar besteedde hij, met do bijzondere goedkeuring der bisschoppen en der plaatselijke pastoors, zijn vrijen tijd aan het geestelijk onderwijs der dorpskinderen, de prediking voor de volksscharen.
') Francisca Margaretha de Silly, gravin de Gondi, was een der braafste vrouwen van haar tijd. Alhoewel zij den stand haars echtgenoots in de groote wereld moest blijven volgen, bestond haar leven in het uitoefenen van alle goede werken. Vooral zorgde zij uitstekend voor de 8000 onderdanen van de goederen der de Gondi's, zooals wü zien zullen; de armen waren hare bevoorrechteJiinderen.
29
het biechthooren en het toedienen der H.H. Sacramenten, maar vooral aan het verzorgen der armen en der behoefti-gen. Te midden van dat dagelijks wederkeerend apostolaat, bekommerde hij zich nooit over de gaande en komende edelen; noch over de feesten of andere geruchtmakende bijeenkomsten, die de stand der de Goiidi's met zich medebracht. Inderdaad, hij leefde in hunne verschillende kasteelen en paleizen, als in eene cel van het strengste klooster.
Het was tijdens zijn eerste verblijf onder deze familie (1616), dat de zalige dienaar Gods op een hunner landgoederen (die niet minder dan achtduizend zielen telden) de reeks zijner nuttige en nooit meer onderbroken missiën begon onder het volk; missiën, die later, door zijne leerlingen voortgezet, het aanschijn van het door veelvuldige en langdurige godsdienstoorlogen diepgevallen Frankrijk voor een goed deel zouden herscheppen. Hij bevond zich namelijk op het kasteel van Folleville in het bisdom van Amiens, toen hij plotseling naar Gannes geroepen werd, op een paar,uur afstands gelegen, om daar een oud man bij zijn overgang naar de eeuwigheid bij te staan. Uitdrukkelijk had men den Heilige geboodschapt, dat de zieke een zeer godvreezend mensch was. Maar God, zegt een van Vincentius' beste levensbeschrijvers die harten en nieren doorgrondt, zag in den deugdzamen grijsaard niets dan een grooten, verouderden zondaar; een zondaar, wiens geweten met vele misdaden bezwaard was, vroeger uit schaamte verzwegen. Spoedig bemerkte Vincentius, dat de man hoogstnoodzakelijk eene algemeene biecht moest spreken, van geheel zijn leven. Door de goedheid en de liefde, waarmede hij hem voorlichtte, overwon de ongelukkige zijne valsche schaamte; rouwmoedig en legde hij al de ellende zijner ziel bloot op eene
*) Collet. Vie de S. Vincent de Paul. Nancy, 1748. Deux vol. in 4o.
30
wijze, zooals hij het. misschien nooit en zeker sinds vele jaren niet gedaan had. Aanstonds ontstond er zulk een orn-mekeer in het hart van den man, die nog drie dagen leefde, dat hij aan allen openlijk zijne vroegere ellende betuigde. Toen Mevrouw de Gondi hem bezocht, hoorde zij uit zijn eigen mond de volgende woorden. âAch, Mevrouw, ik was reeds verdoemd, maar de goedheid van Monsieur Vincent heeft mij tot eene algemeene biecht gebracht!quot; De om-mestaanden waren door deze bekentenis zeer getroost; niet aldus de door God uiterst verlichte vrouw. Op haar kasteel teruggekeerd, ontbood zij den Heilige en zegde hem: âMijnheer, ik heb uit den eigen mond van den zieke, dien gij gered hebt, de zaken vernomen gelijk zij zich hebben voorgedaan. Ik deel in het geluk vaii dien man; maar, zeg mij eens openhartig, vreest gij niet dat vele andere mijner onderhoorigen, over wier zaligheid ik mij verplicht acht te waken, zich in dezelfde omstandigheden kunnen bevinden?quot;
Lezer, geeft hier de waardige gravin de Gondi niet eene vingerwijzing, aan velen die in overheid gesteld zijn? Neen, zij was niet, de brave vrouw, gelijk sommigen die meenen deugdzaam te zijn, maar die om moeite te vermijden, al te gaarne vergeten dat zij, evengoed als over hunne kinderen, ook, volgens tijd en omstandigheden, over hunne onderhoorigen te waken hebben; vooral over hunne inwonende ondergeschikten. Ja, katholieke meesters en oversten, al leeft gij in eene eeuw, waarin, helaas, te velen de ellendige stelling aankleven, âdat iedereen zichzelf moet helpenquot; ; toch blijft voor u de natuurwet bestaan en Gods voorschrift, die beide om het hardst roepen, dat ge, op straffe van zwaar tegen het gebod der rechtvaardigheid of der liefde te zondigen, zooveel mogelijk voor het eeuwig heil t^e zorgen hebt dergenen, die aan uwe zorgen zijn toevertrouwd.
31
Ik wil hier niet uitweiden over de plichten, die, ook in zake van Godsdienst, dikwijls op de schouderen drukken der werkgevers in het algemeen. Maar gij, vaders, moeders, oversten, die inwonende knechten en dienstmaagden hebt. gij zijt verplicht te waken over hun gedrag, hun bezoek der godsdienstoefeningen, hun voldoend gebed, het ontvangen der H.H. Sacramenten; in één woord, over hun handel en wandel, hun omgang met elkander en met anderen, in huis en buitenshuis. Gij, en ook de werkgevers, moet weten wat er in uw huis en in uwe werkplaatsen omgaat, wat er gesproken, wat er verhandeld wordt; God zal u éénmaal ter verantwoording daarover oproepen! Laten wij nu tot onzen Heilige ^ v terugkeeren.
Het opwekkend woord der gravin, meer nog d lische aandrang zijns harten, waren voldoende man Gods weinige dagen later (1617), op den van S. Paulus-Bekeering, in de parochiekerk van Folle-ville te doen prediken over de noodzakelijkheid der boetvaardigheid, de voorbereiding tot de biecht, het nut der algemeene biechten en de wijze waarop deze met voordeel gedaan kunnen worden; in één woord, over de ware bekeering der zondaren. Meer dan ooit, sprak hij met zalving, aandrang en duidelijkheid; de uitkomst was boven alle verwachting. Na zijne predikatie kwam er zulk een menigte boetelingen tot hem, om door eene algemeene biecht den staat huns gewetens voor goed in orde te brengen, dat Vincentius zich genoodzaakt zag, andere priesters als helpers te ontbieden. Na Folleville kregen de overige aan de familie de Gondi onderhoorige dorpen hunne beurt; en wel, met even goed gevolg. Dat was het begin der Missiën, die Vincentius en later zijne geestelijke zonen, de Lazaristen, niet opgehouden hebben in Frankrijk en vele andere landen van den aardbol, te geven.
lutusschen begon men den Heiligen in de familie dei-de Gondi's zooveel voorkomendheid te betoonen, en behandelde men hem met zoodanigen in het oog loopenden eerbied, dat de nederige man vreesde, bekoord te zullen worden door hoovaardigheid en eigenwaan. Derhalve vluchtte hij, in de maand Juli van evengenoemd jaar, in het geheim weg, met het voornemen in de eene of andere verlaten streek het H. Evangelie te gaan verkondigen. Regelrecht begaf hij zich naar den Heer de Bérulle, verzocht dezen de familie de Gondi te mogen verlaten, en deelde hem zijn voornemen mede. Hij kwam bij zijn raadgever aan, als door God gezonden. Er lag te dien tijde in oostelijk Frankrijü eene landstreek, die, om uit haar doodslaap op te staan, inderdaad een waarlijk apostolischen missiearbeider behoefde. Die landstreek was La Bresse (Bresse-land) in de Vogeezen; bij name de stad Chatillon-les-Dombes. Bijna veertig lange jaren had Chatillon, dat toch ruim tweeduizend zielen telde, geen eigenlijken herder gehad; daarbij was er het Protestantismus uit Geneve, dat brandpunt der Calvijnsche dwaalleer, overgewaaid, en had er met het Geloof ook de zeden der inwoners in den grond bedorven.
Ten einde raad, wendde het Kapittel van Lyon, waartoe Bresse-Land behoorde, zich tot den heer de Bérulle en zijne Oratorianeu. Toen deze er over nadacht in den hoogen nood te voorzien, zond God hem den H. Vincen-tius toe. Op het eigen oogenblik was zijne keuze gereed ; hij kende geen beteren arbeider in 's Heeren wijngaard en verzocht Vincentius derhalve zich naar Bresse-Land te begeven. Als altijd was dit verzoek van zijn leidsmanen raadgever voor den Heillige eene stem uit den Hemel; aanstonds reisde hij af. Te Chatillon-les-Dombes aangekomen, waar zelfs de pastorij verwoest lag, onderzocht hij eerst, zonder iets verder te doen, nauwkeurig den
S3
toestand van zaken. Hij bevond dezen ernstig, zeer ernstig; groot toch was er de goddeloosheid, groot de onverschilligheid, groot de kettersche onwetendheid. Maar, op God vertrouwend, zou hij toonen, wat een waar apostel vermag. Vijf of zes priesters die hij daar aantrof, vormde hij tot een soort Congreganisten, die hem, voortaan kloosterlijk levend, op de meest geschikte wijze bijstonden. Zelf nam hij, ' met den Eerw. Heer Louis Girard, een doctor in de Godgeleerdheid, wiens alom gekende naam in Bresse-land een goeden klank bezat, ziin intrek bij een Calvinistisch edelman, Messire de Beynier, die hen zeer voorkomend quot;behandelde.
Daarna begon Vincentius zijn bekeeringswerk, met, volgens een vastgestelden regel, tweemaal daags een gedeelte van zijne kudde te bezoeken. Wat hij verder, na zijn gewone priesterplichten, aan tijd overhad, besteedde hij voor de studie der platte taal van het volk (patois) en voor den biechtstoel. Vooral zorgde hij, dat de kerkelijke diensten met de uiterste nauwkeurigheid en den allergrootsten eerbied geschiedden. Aroorts verbande hij de noodlottige danspartijen en sommige buitensporigheden, die, tot dan toe, den dag des Heeren en andere feestdagen onteerd en den duivel niet weinig voetin de parochie gegeven hadden. Op den kansel legde hij zich in het bijzonder toe op het onderwijs des volks. Hij zal dat gedaan hebben, met al de kracht eener heilige welsprekendheid; steeds zorgend, hardheid en persoonlijkheid te vermijden, en, ook na de vreeselijkste waarheden, ten slotte de gemoederen door vaderlijke zalving tot zich te trekken. Om aan zijne , woorden meer kracht bij te zetten door eigen voorbeeld, offerde hij zich geheel en al op; aanhoudend bad hij voor zijne afgedwaalde schapen, bezocht hij de zieken, bracht hij troost aan de bedroefden en stond hij de behoeftigen bij.
Het kon dus niet anders, ofmet Gods genadige hulp, moest
H. Vine, a Paulo II, 3. 3.
3-i
deze eertijds goddelooze stad, door den onafgebroken arbeid van Vincentius en zijne medearbeiders, langzamerhand een ander aanzien krijgen. Na twee maanden begonnen de gewone Geloovken, voor zooverre zij niet aan den R. K. Godsdienst verzaakt hadden, met ijver volgens de voorschriften van het H. Evangelie te leven ; dagelijks hadden er onder hen in het oog loopende bekeeringen plaats. Eenige dezer bekeerlingen kwamen onder de leiding van den heiligen man, zelfs tot een leven van ware boetvaardigheid en versterving. Onder dezen muntte vooral uit zekere graaf de Rougemont, die vroeger, als een bekend liefhebber van tweegevechten (duels), voor de minste kleinigheid naar zijn degen greep. Hij bekeerde zich oprecht, schonk vele goederen aan de armen, en maakte van het kasteel dat hij bewoonde een Gasthuis, waarin hij later met eigen hand de zieken bediende. Door zulke voorbeelden, en, in het algemeen, door de stichting die uitging, zoowel van Vincentius-zelf, als van de nu volijverige Katholieken, bekeerden zich ook eenige door de ketterij afgedwaalde geesten. Onder de aanzienlijken, die tot de oude Moederkerk terugkeerden, noemen wij Vincentius' gastheer, Messire de Beynier, en de familie de Garron.
Laten wij nu overgaan tot een liefdewerk, dat de goedkeuring aller eeuwen zal wegdragen; een liefdewerk, dat, alhoewel het Vincentius' werk is en blijft, toch, door het rusteloos werken van twee adellijke dames van Chatillon, tot evengemelde klas van zeer deugdzame bekeerlingen be-hoorend, den eersten stoot ontving. Het gebeurde op zekeren feestdag, eenigen tijd na hare bekeering, dat een dezer dames Vincentius, op zijn weg naar den kansel, verzocht, een huisgezin, dat op een halfuur buiten Chatillon woonde, dringend aan de liefdadigheid zijner toehoorders aan te bevelen. Dat huisgezin bevond zich in de meest bedroevende om-
35
standigheden ; bijna alle huisgeuooten lagen er ziek te bed, en er was aan alles gebrek. De liefdevolle man volbracht het verzoek; hij roerde de Geloovigen in die mate, dat vele hunner na den kerkdienst, niet zonder volle handen, de behoeftigen gingen bezoeken. Na de Vespers begaf zich ook Vincentins-zelf daarheen, door eenige parochianen vergezeld. Dat groote aantal liefdadigen op zijn weg ontmoetend, loofde hij openlijk hun ijver; in het geheim zijner ziel echter, kon hij de wijze waarop zij dien ijver getoond hadden, niet loven. Zie, dacht hij, hier is veel deugd, veel naastenliefde ; maar van wijsheid is die niet vergezeld. Voorloopig zullen deze lieden geen gebrek lijden ; doch weinige dagen later, als de liefde verkoeld is, zullen zij ongetwijfeld weer tot hun eersten toestand vervallen. Te huis gekomen, begon hij na te denken, hoe deze ongelukkigen, en anderen na hen, voor goed geholpen konden worden. Hij riep eenige der voornaamste en deugdzaamste vrouwen van Chatillon bijeen, van welke hij wist, dat zij de armen wilden en konden ondersteunen. Dezen openbaarde hij zijne plannen en beloofde haar, nadat hij bijval gevonden had, dat hij een voorloopig Reglement zou opstellen. Vervolgens nam hij, in een vurig gebed, zijne toevlucht tot God, en vervaardigde hij den beloofden Regel, waarvan de volgende de hoofdtrekken zijn. In elke parochie, waar de Broederschap van Liefdadigheid (dit zou de later beroemde naam van dit liefdewerk worden) zal worden opgericht, mag slechts een éénmaal vastgesteld getal zeer deugdzame medewerksters benoemd worden. Eene dezer, als tijdelijke Overste optredend, moet over de werkzaamheden en de naleving van het Reglement waken; zij zal aan den Directeur (hier voorloopig de H. Viucentius) rekenschap verschuldigd zijn. Er zullen alleen zulke werkende leden worden aangenomen, die daartoe het verlof krijgen van
36
hare echtgenooten of ouders; opdat zij door hare liefdediensten nooit overlast aan eigen huisgezin berokkenen, ïsaar het model van Christus, die voor alle eeuwen een voorbeeld geweest is van waarachtige liefdadigheid, zullen zij zich vormen.
Uit deze laatste voorwaarde volgde rechtstreeks, dat de leden der Broederschap vooral te waken hadden, over het zieleheü der armen en behoeftigen; daarom moesten zij zorgen, dat hare 1 efde, die met lichamelijke ondersteuning begint, doordringe tot de zielen. Op die wijze zouden zij den zieken en derzelver huisgezin, door tijdelijke hulp, de grootere weldaad van het zieleleven verschaffen. Deze modelbroederschap, die, evenals de meeste Stichtingen van den H. Vincentius a Paulo, spoedig in vele parochiën werd opgericht, heeft zich tot op onze tijden in menigvuldige steden en dorpen van Frankrijk en Italië bestendigd ; bij name, in de provinciën Lotharingen en Savooije. Wij zullen hier, kortheidshalve, niet verder verhalen van de zegenrijke werking, die de nieuw-ingestelde Broederschap te Chatillon-les-Dombes afwierp; nu en dan echter zullen wij noodzakelijk den invloed moeten mede-deelen, die hare instelling in andere steden uitgeoefend heeft op de openbare liefdadigheid.
Men zou haast geneigd zijn te zeggen, dat God Vincentius naar Chatillon gezonden had met het voorname doel, er de gelegenheid te vinden, die voor geheel Frankrijk inderdaad nuttige Broederschap van Liefdadigheid in te stellen. Weinige dagen toch, nadat deze voor goed haar beslag gekregen had en zij zegenrijk begon te werken, riep Hij den Heilige naar de familie de Gondi terug. Daar, en daar alleen was voorloopig zijn werkkring; daar, en daar alleen, zou de Heer hem in de gelegenheid stellen zijne grootsche Stichtingen, die nu. na tweehonderd en vijftig jaren, nog groeien en bloeien, tot
37
stand te brengen. Wij zouden hier de beweegredenen kunnen aangeven, die er Vincentius toe brachten naar eene vroeger ontvluchte familie terug te keeren ; de kortheid van dit werkje gedoogt het echter niet. Genoeg, hij meende dat zulks Gods uitdrukkelijke wil was. Vol aandoening en dankbaarheid, voor hetgeen hem de Heer in de-gelukkige bekeering der stad geschonken had, verliet hij Chatillon-les-Dombes; zijne parochianen bleven weenend en treurend achter. Maar hoe ook zijne parochianen en het geheele land aan hem hechtten. God wilde dat de Apostel der Naastenliefde grooter ellende zou gaan lenigen; van nu af toch, zou Hij der wereld toonen, wat één enkel persoon, indien, zijn hart van de ware zelfopoffering bezield is, doen kan voor een geheel koninkrijk, ja, voor de geheele wereld
VIERDE HOOFDSTUK.
Verscheiden missiën. Vincentius wordt Algemeen Aalmoezenier der Fransche Galeien; zeldzaam voorbeeld zijner zelfopoffering.
In het Huis de Gondi weergekeerd, gaf de tleilige missiën in die dorpen aan deze familie onderhoorig, die tot nu toe nog niet bezocht waren. Daarna ging hij naar Montmirail; op het kasteel, .waar de de Gondi's alsdan
') Een eerste voorbeeld daarvan zagen-wij te Clichy, het tweede in zijn zegenrijk werken hier te Chatillon. De Lezer zal de heele uitgestrektheid van dit tweede begrijpen, indien hij weet dat Vincon-tius de bekeeringdezer stad, zooals wij haar beschreven, bewerkte in den korten tijd ww vierquot;maanden, in Augustus 1617 begon hij zijn apostolaat aldaar; voor Kerstmis, van hetzelfde jaar, was hij te Parijs terug. Edoch, wij zullen grooter zaken van hem aanschouwen.
38
vertoefden. Dewijl hij voortaan slechts een algemeen toezicht had uit te oefenen over de opvoeding der reeds ouder geworden zonen van den graaf, gebruikte hij, zoo vaak hij buiten was, zijn overtolligen tijd, evenals vroeger, voor de armen en de ongelukkigen. In eigen persoon leerde hij ook nu de kinderen der behoeftigen den Catechismus; hij biechtte allen die zich aanboden, bezocht en troostte de zieken, deelde alom de rijke aalmoezen der gravin uit, en wekte iedereen op tot den eeredienst van Maria.
Op het einde van den winter (1618), keerde Vincentius met de familie de Gondi naar Parijs terug. Aanstonds was hij ook daar de ijverige apostel; geen -enkel oogenblik tijds, geene gelegenheid ten goede, liet hij ontglippen. Ditmaal viel zijn arbeid op een onmetelijk veld; hij had zich ten taak gesteld het lot der Fransche galeiboeven zooveel mogelijk te verbeteren, en hun, vooral door de vertroostingen van den Godsdienst, een meer mensch-waardig bestaan te verschaffen. Deze ellendige misdadigers, hetzij dat ze voor goed te Parijs moesten verblijven, hetzij dat ze later naar de havenplaatsen, Marseille, Bordeaux, Brest of La Roebelle opgezonden zouden worden, waren te Parijs opgesloten in onderscheiden kleinere tuchthuizen, die meer van onderaardsche holen en spelonken, dan van fatsoenlijke gevangenissen hadden. Door ongedierte verteerd, door wanhoop en ondeugd tot het uiterste gebracht, sleepten die buiten de maatschappij gestootenen hunne dagen; allerellendigst was hun toestand naar lichaam en ziel De Heilige begon zijn arbeid
') De galeislaven, later veelal galeiboeven geheeten, thans niet meer in denzelfden zin bestaande alhoewel vaak met denzelfden naam genoemd, waren of werkelijke slaven, of (gelijk hier) misdadigers, meestal tot altijddurendendwangarbeid veroordeeld. Hun dwangarbeid bestond daarin, dat zij. met riemen aan de roeibanken
39
met hen dagelijks te bezoeken en allerhande diensten te bewijzen; hij moedigde hen aan, troostte hen als een medelijdende vader, en verzorgde, voor zoover hem zulks toegestaan werd, ook hunne lichamelijke behoeften met moederlijke teederheid. Spoedig bemerkte hij, dat hun toestand niet blijven kon, zooals hij was; die toestand toch was geen menschwaardige toestand meer. In zijne gevoelvolle ziel rijpte derhalve een plan van verbetering; een stout plan, dat alle in Parijs verblijvende galeiboeven in één gebouw wilde veieenigen. Daar zou hij, door die van allen veriatenen een dragelijker lot te verschaffen, ook langzamerhand hunne diep bedorven harten voor betere gevoelens trachten te openen.
Hij deelde zijne plannen mede aan den heer De Gondi, die, zooals wij zagenr Generaal-Overste van alle Fransche galeien was. Deze machtigde hem, een groot gebouw, kort bij de S. Rochuskerk in do voorstad S. Honoré, te huren, en er, onder gewapend geleide, zijne ongelukkige beschermelingen te laten heenvoeren. Yincentius' ijver werkte wonderdadig; binnen weinige weken werd de nieuwe kerker betrokken, die in het oog der galeiboeven een paleis geschenen moet hebben. Daar, nadat iiij al zijne lieve kinderen bij elkander vergaderd had. werd hij alles voor allen ; geheel zijn beschikbaren tijd gebruikte hij om hen te troosten, in den Godsdienst te onderwijzen,
vastgeklonken, de Staatsschepen (galeien) die geen zeilgelegenheid hadden, door roeien moesten voortbewegen. Lat werk was uiterst vermoeiend; op den langen duur, haast ondragelijk. Daarbij waren de opzichters gewoonlijk zeer hardvochtig; in de meening, dat zij anders van lieden die geen toekomst meer hadden, geen gehoorzaamheid erlangen zouden. Wanneer die ongelukkigen aan land vertoefden, moesten zij, met een kogel aan het been, den hardsten slavenarbeid verrichten. Hunne verblijfplaatsen, zoowel de voorloo-pige als die in de zeesteden, waren ellendige hokken, een mensch onwaardig.
40
en ook lichamelijk bij te staan door hun lijden te verzachten. Nu en dan gebeurde het zelfs, dat hij zich onder hen opsloot en des nachts niet naar huis terugkeerde;, dit, mede in een tijd, dat het huis van besmettende ziekte verdacht werd. Wanneer hij zich door anderen arbeid verhinderd zag hen te bezoeken, stelde hij den Eerw. Heer Portail in zijne plaats ; deze was een allerbraafst priester, die aan Vincentius zijne roeping tot den geestelijken stand dankte en daarom met hart en ziel, zoolang de Heilige leefde, aan hem verknocht bleef. Ook de Eerw. Heer De Bélin, de kapelaan der familie De Gondi te Villepreux, ondersteunde hem krachtdadig in zijn geestelijken arbeid. Beiden woonden in dat Hospitaal dei-galeiboeven en lazen er de H. Mis.
Volgens zijne gewoonte was de liefdadigheid voor Vincentius een middel om tot verbetering van het hoog ere, het zieleven, te komen. Binnen weinig tijds veranderde het aanschijn dier vroegere hel; de menschelijke duivels, zoo lang verhard tegen de straffen en bedreigingingen van hardvochtige beulen, waren niet bestand tegen de ware vaderliefde van een weldoener. Eindelijk zagen zij duidelijk in, dat er nog harten op aarde waren, die medelijden bezaten; dat er nog een God in den hemel was, die alles vergeven zou wat zij tegenover de maatschappij misdreven haddenT indien zij slechts, van hun kant, hunne harten voor zijne goddelijke barmhartigheden wilden openen. Vele galeiboeven spraken, onder een vloed van tranen, hunne alge-meene biecht en bekeerden zich oprecht; anderen hielden op te vloeken en uiterst wederspannig te zijn, en werden, tegen veler verwachting, ordelijk en ondergeschikt. Toen de koning. Bodewijk XIII, de heerlijke vruchten vernam die Vincentius onder de Parijsche galeiboeven geoogst had, benoemde hij hem, bij Open Brieven, tot koninklijk aalmoezenier over alle Franschegaleien. Alhoewel deze betrekking
41
hem onder de geestelijke hoogwaardigheidbekleeders des Rijks plaatste, nam de nederige man de bediening aan, ter wille van zijne ongeluküige kinderen. Waarlijk, hier moeten wij aan het woord van den Apostel der Heidenen denken: âDe liefde van Christus dringt ons!quot; (2 Cor. 5. 13.) Hij, die alle aardsche grootheid ontvluchtte, stelt zich, uit enkel naastenliefde, op eene hoogte vanwaar zijne deugden aan allen zichtbaar moeten worden.
De Heilige was dus voorloopig op den wachtpost gesteld waar God Zelf hem geroepen had; laten wij zien, wat hij verrichtte. Om den waren toestand der ooiiogsgaleien beter te leeren kennen, wilde hij voorloopig, zonder zich aan wien ook bekend te maken, de gevangenissen te Marseille bezoeken (1622). Daar aangekomen, vond hij een toestand, die, minstens, de vroegere Parijsche toestanden evenaarde. Helaas, die ongelukkigen, dubbel beklagenswaardig om den last hunner ketenen en hunne goddeloosheid, wisten van de Wet des Heeren zooveel als niets meer; het leven hiernamaals hadden de meesten moedwillig vergeten. Velen brachten den dag en den nacht door met Hemel, aarde en duivel te vervloeken ; hunne verblijfplaatsen waren inderdaad eene afspiegeling der hel, waar men ook Gods naam slechts hoort noemen om dien te lasteren en te onteeren.
Het was ter gelegenheid van dit bezoek dat Vincen-tius de heldhaftige daad verrichtte, die, door zijn levensbeschrijver Collei verhaald, de geheele wereld door bekend geworden is. In Marseille aangekomen, gaat hij, om uit eigen oogen te zien, over en weder naar de verschillende oorlogsgaleien en naar de gevangenissen op de reede. Eenklaps bevindt hij zich voor een galeiboef, die, wetend hoe zijne gevangenschap vrouw en kinderen in altijddurende ellende gedompeld heeft, zich aan eene onbeschrijfelijke wanhoop overgeeft. Tot in het diepst zijner barmhartige ziel bewogen met het lot van een man, die
42
misschien meer ongelukkig dan misdadig is, overweegt de Heilige wat hij doen kan om dezen arme te helpen. Goede raad is duur; alles wat zijne verbeelding hem voorspiegelt, is of onuitvoerbaar, of niet krachtig genoeg om zulk eene naamlooze ellende te lenigen. Eensklaps gedenkt de held, die, in het beoefenen zijner liefdewerken, voor eenigen stelregel de woorden der H. Schrift gekozen heeft, âAllen ben ik alles, geworden, opdat ik allen mocht zaligmakenquot; (1 Cor. 9. 22.), hoe de Zaligmaker der wereld, Jezus Christus, het niet beneden zich geacht had de gedaante van een dienstknecht, van een slaaf, aan te nemen. Hij meldt zich bij den Officier der wacht, en smeekt dezen, de plaats van den ongelukkigen galeiboef te mogen innemen. Wanneer God wil dat een volmaakt mensch, dat een Heilige, eene daad verricht die ten voorbeeld zijn zal aan alle komende geslachten, dan weet Hij ook de geschikte middelen daartoe te gebruiken. Tegen zijne verwachting stemt de Officier zonder eenige moeite in de plaatsvervanging toe, niettegenstaande quot;V incentius het priesterkleed draagt. Stel u voor. Lezer, hoe hem met een ijzeren keting een kogel om den voet gesmeed wordt; hoe hij te midden van het uitvaagsel der wereld dwangarbeid moet verrichten ! Zijn er nog verhevener voorbeelden noodig, om u tot het beoefenen der naastenliefde uit te noodigen? Van u wordt niet zooveel gevorderd; maar, ik smeek li, ach, vergeet toch, na dit heldhaftig voorbeeld, uwe lijdende broederen niet! Hebt ge veel, geef clan veel aan de armen en be-hoeftigen; hebt ge weinig, deel ook van dat weinige mede. God ter wille! Het duurde eenige weken, voor dat de zalige man uit zijne boeien ontslagen werd; zulks geschiedde zelfs niet, dan nadat men hem herkend bad. Dit nog, zou niet zoo spoedig geschied zijn, hadde niet Mevrouw De Gondi, die vurig verlangde zijne,helpster
43
te zijn in de reuzentaak die hij op zijne schouderen genomen had, brieven van den Heilige verwacht die maar niet komen wilden. Een ongeluk vreezend, liet zij een allernauwkeurigst onderzoek instellen, waardoor de volle waarheid aan het licht kwam. O, ongeëvenaarde grootheid eener waarachtige naastenliefde ! O, engel op aarde, engel van barmhartigheid, H. Vincentius van Paulo; leer ons toch de ware middelen vinden om de ongeluk-kigen, zelfs met moeite, naar ziel en lichaam te helpen ! Twintig jaren later, toen de Missiepriesters van den Heilige, de Lazaristen, zich te Marseille gevestigd hadden, sprak heel de stad nog met bewondering over de heldendaad van hun Stichter.
Zoolang hij te Marseille verbleef, en ook later te Bordeaux, gebruikte hij zijn meesten tijd om zijne vroegere medebroeders in de straf te bezoeken. Alsdan sprak hij tot hen met vaderlijke toegenegenheid, hoorde hunne klachten aan, trachtte troost in hunne verharde gemoederen te storten, besproeide met tranen hunne ketenen ; alsdan omhelsde hij hen, en deelde hun de aalmoezen mede, die hij op vele plaatsen voor hun onderhond ea de verzachting in hun lijden had ingezameld. Dikwerf ook smeekte hij de Officieren, die ongelukkigen met menschelijkheid te behandelen ; niet moedwillig hunne smarten te vermeerderen en hun niets op te leggen wat het jaargetijde niet gedoogde, hetzij bij verschroeiende hitte, hetzij bij on-verdragelijke koude. Waar hij zieken onder hen aantrof die niet naar een hospitaal mochten worden overgebracht, verzorgde hij ze zelf; dan verbond hij hunce wonden en deelde hun geneesmiddelen uit. Bovendien bewerkte hij bij Kardinaal Richelieu l), dat er een groot
') Armand du Plessis, hertog van Richelieu, bisschop van Lueon en Kardinaal van de H. Eoomsche Kerk, is de grootste Staatsminister dieti Frankrijk, ja, misschien Europa, ooit bezeten heeft.
44
Gasthuis voor de zieke galeiboeven gebouwd zou worden; Lodewijk XIV verrijkte deze Stichting naderhand met voldoende inkomsten. Het gevolg van al die liefdewerken bleef niet uit. Spoedig kon hij eenige missiën aan de gevangenen geven; missiën, die duizendvoudige vruchten voortbrachten in de harten van lieden, vroeger naar ziel en lichaam verloren.
Toen, in het eerstvolgend jaar (1623), met het oog op de oproerige Hugenoten van La Rochelle, de oorlogsgaleien naar Bordeaux verplaatst werden, ging Vincentius aanstonds derwaarts. Door de goede zorgen des aartsbisschops van Bordeaux ondersteund, had hij het geluk, ook te dezer plaatse een algemeene Missie te kunnen geven aan alle galeiboeven. Nu verdubbelde hij, zoo mogelijk, nog zijn ijver en zijne zorgen; hij nam uit de verschillende kloosters der stad twintig priesters tot zijne hulp, met dien verstande, dat op ieder schip twee priesters de oefeningen leidden, de sermonen hielden en biecht hoorden. Hij zelf was overal tegelijk, om de on-gelukkigen te vertroosten en de priesters voor te lichten. Te verhalen van den overvloedigen geestelijken oogst dien de ijver dezes waren Apostels vergaderde, hoe vele algemeene biechten er gesproken werden, hoevelen, na God vroeger' afgezworen te hebben, nu weder trcost in den Godsdienst vonden, het zou ons te ver van de levensbeschrijving des Heiligen afvoeren. Dat het hem bij al zijn bovenmatigen arbeid niet aan vertroostingen ontbrak, die hem dagelijks meer tot werken voor God aanspoor-
Gednrende zijn twintigjarig bestuur (1622 â 1642) in naam van den zwakken Lodewijk XIII, hoeft Richelieu zeer veel strijd moeten voeren ; zoo tegen de Rijksgrooten als tegen buitenlandsche Vorsten. Deze strijd eindigde voor Frankrijk, met hot vestigen der haast absolute Monarchie. Vaak zal de naam van den almachtigen Kardinaal nog in dit boekje genoemd worden. *
45
den, spreekt van zelf. Onder andere, had hij het geluk, te Bordeaux, een Mahomedaan te bekeeren tot het ware Geloof.
Een Schrijver van onze dagen, die zegt zijn âLeven van den H. Vincentius a Panloquot; naar Collet te hebben opgesteld lascht te dezer plaatse een bezoek in, dat de Heilige van uit Bordeaux aan zijne familie gebracht zou hebben. Hij schrijft ongeveer het volgende. Ten tijde dat de Algemeene Aalmoezenier der galeien in bovenge melde stad verbleef, in de nabijheid van het ouderlijke huis (wat hij waarschijnlijk in drie-en-twintig jaren niet bezocht had), reisde hij heen naar Pouy bij Dax. Hij was voornemens zijne overgebleven bloedverwanten in de deugd te versterken en hun te boodschappen, dat zij, dewijl zij door Gods gunst toch leven konden, nooit eenige ondersteuning van hem moesten verwachten. In zijn dorp gekomen, nam hij zijn intrek bij den pastoor, een zijner naastbestaanden; dezen zoowel als zijne geheele familie stichtte hij door zijne innige godsvrucht, zijne matigheid en zijne verstervingen. In de parochiale kerk van Pouy, waar hij gedoopt was, vernieuwde hij in het openbaar zijne doopbeloften; daarna wijdde hij zich opnieuw aan den Heer, zonder eenige terughouding. Op den dag, dat hij vertrekken zou, ging hij blootsvoets naar de van zijne kindsheid af veelgeliefde bedevaartsplaats van 0. L. Vrouw de Buglose, anderhalve mijl van Pouy gelegen; zijne broeders en zusters met hunne kinderen, zijne overige bloedverwanten, bijna alle inwoners van het dorp, armen en rijken, vergezelden hem. In het heiligdom van Maria droeg hij, met den hem eigen eerbied en vlammende liefde, eene solemneele Hoogmis op; daarna onthaalde hij zijne bloedverwanten aan een be-
') Viu de S. Vinzent de Paul, rédigée a'après Collet. 4e Edition In 18». Lille, Le.ort. 1860.
46
scheiden feestmaal en openbaarde hun zijn voornemen, nooit meer naar dit afgelegen gedeeltequot; van Frankrijk te zullen wederkeeren. Bij het afscheid zegende hij allen en bezwoer hen met kracht, nooit te pogen den nederigen stand te verlaten, waarin het Gode behaagd had hen te plaatsen; de vernederingen toch, die hij voor zich en de zijnen van den Heer verlangde, waren de kostbaarste genade die hij ooit van God had afgesmeekt.
Mij dunkt, Lezer, het kan niet anders of de Schrijver van het kleine boekje waaruit ik deze bijzonderheden geput heb, moet de ware gevoelens van den H. Vincen-tius a Paulo hebben medegedeeld; gevoelens, die wij in al zijn doen en laten terugvinden, gevoelens eener nederigheid, die hij geheel zijn leven in de hoogste mate beoefend heeft. Maar dan mag ik vragen: verschillen deze gevoelens niet veel van die der meeste Ouders, der zeer christelijke Ouders zelfs? â Ik stel voorop dat het niet ongeoorloofd is zijne kinderen, bij zijn dood, welge steld, ja, vermogend achter te laten. â Waarheid blijft, in-tusschen, de eigen uitspraak des Zaligmakers: âHoe moeilijk is het, dat zij die op het geld betrouwen, in het Rijk Gods ingaan!quot; (Mare. 10. 24). Juist omdat de rijke zich zoo gemakkelijk aan het geld hecht of van het geld misbruik maakt, zullen de minder bezittenden, gelijk de bloedverwanten van onzen Heilige, meestal met geringer moeite den hemel, en, in den hemel, een hoogeren trap van zaligheid bemachtigen, dan zij die van rijkdommen overvloeien. Helaas, voor hoevelen zijn de wispelturige rijkdommen die doornen uit het Evangelie van den Goeden Zaaier, die het zaad van Gods genade verstikken door de overmatige zorgen en de afmatting der vermaken ? Is er niet menigeen die in minder overvloedige omstandigheden verkeerd hebbende een hoogen zetel in den hemel bemachtigd zou hebben; terwijl hij nu,
47
als rijkaard, of verloren gaat, of nauwlijks de hel ontvliedt? Laten wij daarom, Ouders, allereerst zorgen voor de ware rijkdommen onzer kinderen, die heeten: eene deugdzame opvoeding, volledige kennis van den R. K. Gods-diens1-, standvastigheid in het Geloof te midden der on-geloovigheid van onzen tijd, liefde voor de armen, en â vooral â eene liefde tot God zóó groot, dat zij hen verheft boven de gevaren, die de rijkdommen steeds met zich brengen! Denken wij daarna sieclds aan aardschen welstand; opdat, indien wij, zooals ons op rechtvaardige wijze geoorloofd is, schatten zouden nalaten, onze kinderen geleerd hebben deze met mate te gebruiken, zonder eigen heiliging en den onderstand der behoeftigen te vergeten. Wee echter de Ouders, die, fortuin bezittend of dit met rusteloozen arbeid vergaderend, hunnen kinderen (met verwaarloozing der eenig ware, der godsdienstige opvoeding) van hunne jeugd af niets anders leeren dan de genoegens der wereld na te jagen! Zulke ouders verdienen den eerenaam van Katholiek niet; moordenaars als zij zijn van de zielen hunner kinderen, voor dewelke zij eenmaal eene strenge rekenschap zullen moeten afleggen. En toch? Wat zien wij in onze dagen, onder eigen oogen, geschieden ? Hoevele ouders, van huis uit tot een braaf en Katholiek geslacht behoorend, gedenken nauwelijks dat zij Katholiek zijn. Indien zij nog, voor hun uiterlijk fatsoen, hunne allernoodzakelijkste plichten nakomen, dan is al hun overige tijd voor de wereldsche vermaken. Mijn God! Welke vermaken vaak! Met verspilling van groote geldsommen, terwijl de armen mogelijk te vergeefs snakken naar de broodkruimels die van hunne tafel vallen, voeden zij hun kinderen op als echte wereldlingen; deze brengen zij in alle gevaren en laten ze, bij hun overlijden, veelal diep bedorven achter. Indien dan diezelfde kinderen later
48
sterven, op dertig- tot tachtigjarigen leeftijd, zonder ooit ernstig aan een toekomstig leven gedacht of iets degelijks voor de Christelijke Maatschappij gedaan te hebben, moet dan dat alles maar goed zi/jn bij God? Neen, dan duizendmaal gelukkiger, reeds op deze wereld, de Ouders die bij tijds hunnen kinderen inprenten, dat al het aard-sche niets is! Dat de ware vrede der ziel, door de deugd te verkrijgen, alleen hun aandacht waardig is; niet de vele aardsche rijkdommen die zij hen nalaten! Zorgt, Ouders, nu het nog tijd is; opdat gij u later niet te vergeefs, voor hier en hiernamaals, beklaget!
VIJFDE HOOFDSTUK.
Vincentius en de armen van Macon. De Heilige wordt bestuurder der Visitandienen; hij sticht zijne Congregatie der Lazaristen.
Hoe meer de H. Vincentius toenam in de volmaaktheid zijner werkelijk bovenmenschelijke naastenliefde, zegt zijn uitvoerigste levenbeschrijver. Mgr. Abelly ^), te meer ook verschafte God hem de gelegenheid en de middelen om die liefde te beoefenen. Het scheen, als leidde de Voorzienigheid dezen barmhartigen Samaritaan aan de hand, om hem heen te voeren naar de plaatsen, waaide wonden der ellende het diepst geslagen waren ; landde hij in zulk een plaats aan, dan verliet hij haar nooit zonder duidelijke sporen van zijn verblijf na te laten. Op een zijner reizen kwam hij, door Gods toedoen, in de stad Macon, gelegen op de grenzen van Bourgogne en het Lyonneesche. Langs alle straten en wegen vond hij diepongelukkige armen verspreid, die de kerkdeuren belegerden om eene karige aalmoes machtig te worden,
1) Abelly. Vie de S. Vincent de Paul. L. I. Chap. löquot;.
49
zonder dat zij er aan dachten, de kerk-zelve binnen te gaan, om hunne plichten waar te nemen of de HH. Sacramenten te ontvangen. Diep ontroerd door zooveel lichamelijke en geestelijke ellende, besloot de Heilige eenige dagen te Macon te verblijven, om met Gods hulp te trachten, zulke wraakroepende toestanden te verbeteren.
Nauwelijks hadden de meergegoede inwoners der stad zijn voornemen geraden, of zij lachten hem openlij kuit langs de straten; wat Vincentius zich voorstelde te doen, meenden zij, was een onbegonnen, hopelooze arbeid. Zijn eerste en noodigste werk was, de Geestelijkheid en de Stadsregeenug te winnen; opdat zij hem helpen zouden. Vervolgens, den goeden uitslag der Liefdadigheidsbroederschap van Chalons-les-Dombes gedachtig, stelde de Heilige eenige godvruchtige vrouwen aan voor de vrouwelijke, en eenige brave mannen voor de mannelijke behoeftigen. Aanstonds begonnen dezen de armen te bezoeken en hun ondersteuning, vertroosting en geneesmiddelen te verschaffen. Toen iedereen, na weinige dagen, de ordelijke regeling zag, waardoor driehonderd armen zonder bezwaar der stadskas, door vrijwillige bijdragen der goedgezinden, gevoed en gekleed werden, moest de algemeene opinie zich wel wijzigen. Duidelijk zagen Macon's inwoners nu in, dat zij met een man der Voorzienigheid te doen hadden; alle tegenstribbeling hield op. Vincentius eindigde met de armen tot de beoefening van den Godsdienst terug te brengen. Binnen een paar weken was hij zooverre gekomen, dat al wie uit de ruim toevloeiende aalmoezen bedeeld wilde worden, alle maanden tot de H. H. Sacramenten moest naderen. Drie weken ternauwernood na de eerste intrede van dezen apostel der naastenlief de, had de stad een geheel ander aanzien. Toen steeg de bewondering voor Vincentius' arbeid en de eerbied voor zijne heiligheid ten top; zekeren morgen zelfs zag hij
H. Vine, a Paulo II.
50
zich verplicht in alle vroegte de stad te verlaten, om de openbare eerebewijzingen, die stedelingen en Overheid hem brengen wilden, te ontgaan.
Omstreeks dezen zelfden tijd had de H. Franciscus van Sales, de veelbeproefde bisschop van Geneve, in Parijs eene afdeeling gesticht zijner Zusters- Visitanclienen; der Orde, aan welke weinige jaren later de Openbaring van Jezus' goddelijk Hart gedaan zou worden. Wie echter moest de zichtbare engel zijn, die deze nauwlijks en met groote moeite geplante bloem tot wasdom, tot bloei zou brengen, te midden der nog aanhoudende stormen ? Welke geestelijke bestuurder kon den waren geest van Jezus Christus (die de jeugdige Orde boven allen deed uitschitteren) te midden der groote, woelige hoofdstad van Frankrijk ontwikkelen en bestendigen? Na ernstig voor eene goede keuze tot God gebeden te hebben, meende de H. Franciscus van Sales, die toch in de kennis der zielen zeer verlicht was, niet beter te kunnen doen, dan de leiding der kleine uitverkoren kudde op te dragen aan Monsieur Vincent, dien hij kende; een man, die, volgens zijn oordeel, openlijk alle kenteekenen van den wijzen en heiligen zielzorger en herder vertoonde. De groote bisschop van Geneve belastte hem derhalve met die zware taak; eene taak, in het verloop der jaren, bijzonder door God gezegend (1621).
Wie ter wereld, intusschen, achting voor hem hebben mocht, waren het ook mannen als de bisschop van Geneve endergelijken, Vincentius-zelf beschouwde zich als een nietswaardige zondaar. Dag en nacht bad hij; hij droeg haren boetekleederen, hij kastijdde zijn lichaam en omgordde het met ijzeren ketingen, hij vastte dikwijls, en sliep altijd op stroo. Dat alles hield hij voor noodzakelijk, om nederig te kunnen blijven in de minder en meer verheven waardigheden, die hem langzamerhand op de schouderen gelegd
51
werden; op die wijze poogde hij tevens de genaden te verkrijgen, die hij behoefde om zijne zware verplichtingen tegenover allen volmaakt na te komen. Met dergelijke gevoelens van kleinheid in eigen oogen en door al die hulpmiddelen geschraagd, heeft hij, alhoewel vaak te vergeefs trachtend zijne taak aan anderen over te doen, de geestelijke dochters van den H. Franciscus van Sales te Parijs tot aan het einde zijns levens bestuurd, en haar vele en groote diensten bewezen. Tijdens dat langdurig bestuur had de H. Joanna de Fremiot, baronesse van Chantal, de medestichteres van de Orde der Visi-tandienen, het geluk, Vincentius in het Parijsche klooster te ontmoeten. De Heer schijnt haar door die ontmoeting, voor beiden vol troost en vol geestelijke verlichtingen, op den dood te hebben willen voorbereiden. Vijf weken latei-stierf zij in geur van heiligheid te Moulins in Frankrijk ; op haren terugtocht naar het hoofdklooster van Annecy in het hertogdom Savooije. In twee schitterende visioenen, waarvan een op het oogenblik van Joanna's dood, heeft God aan Vincentius getoond, hoe de reeds gestorven Franciscus van Sales haar tegemoet kwam, en haar den hemel binnenleidde (1641).
Wij zullen, om niet te lang te worden, hier niet het getuigenis bijvoegen, dat Vincentius over het heldhaftig leven der H. Joanna de Chantal heeft afgelegd; wel echter, wijl dit tot ons klein werkje behoort, datgene wat uit den mond der Zusters-Visitandienen van de kloosters te Parijs en te St.-Denis over onzen Heilige is te boek gesteld. âWij kunnen met alle zekerheid verklarenquot;, zegden de Zusters van Parijs, âdat ons verscheiden keeren eenige haast wonderbare zaken overkomen zijn tijdens Vincentius' bezoeken of kort daarna. Aanstonds toen hij ons dien liefdedienst voor het eerst bewees, verloste hij, als in één oogwenk;, eene onzer zusters van zulk eenen hevigen gewetensangst,
52
dat haar lichaam er onder gebukt ging en zij bij allen die haar zagen, deernis verwekte; na hare genezing is die zuster vele jaren Novice-meesteres en Overste geweest. De groote liefde die hij betoonde in het verlichten van de smarten zijner evenmenschen, deed hem zichtbaar lijden, voor het geval dat eigen ongesteldheden hem belette de zieke zusters die naar zijne komst verlangden, te bezoeken en te troosten. Op zekeren dag dat eene eenvoudige werkzuster, wier deugd hij zeer hoog schatte en die veel ziek was, zoodat zij met een zware koorts te bed lag, hem getuigde dat zij zeer gaarne gestorven zou zijn, kwam hij nader en zegde haar: Zuster, het is nog geen tijd! Daarna maakte hij met zijn duim een kruisje op haar voorhoofd; aanstonds gevoelde de lijderes zich genezen, en heeft, sinds dien, noch koorts noch pijn meer gekend. Dewijl hij in zichzelven alle mogelijke toestanden van het menschelijk bestaan doorleefd had, ziekten, vernederingen, bekoringen, troostte hij degenen die iets dergelijks ondervonden gewoonlijk met op te merken, dat ook hij zulke ellende verduurd had, maar er door God van verlost was; de Heer zou hier gewis dezelfde gunst willen verleenen. Heb dus geduld, mijn kind, was zijn slotwoord, onderwerp u aan Gods wil, en gebruik dit of dat middel! Toen eene andere werkzuster hem eens opmerkte, dat zij te ruw van geest was om zich met geestelijke zaken bezig te houden, dewijl men haar te huis gebruikt had om haars vaders vee te hoeden, antwoordde hij haar: Maar zuster, dat is ook mijn eerste ambacht geweest; ik heb zelfs de varkens gehoed! Omdat echter zulke zaken ons nederigheid leeren, zullen wij juist daarom te bekwamer zijn voor Gods dienst! Heb derhalve moed!quot;
Vooral muntte deze nederige en zachtmoedige Heilige uit,r in het vernederen van hoovaardige zielen; 'hij deed
53
zulks nochtans steeds schertsend, zoodat zij de waarheid gevoelden zonder zich te zeer beleedigd te achten. Maar wee dengenen, die vrijwillig aan de gehoorzaamheid te kort gekomen waren in zaken van gewicht! Dezulken berispte hij op zoo vernederende wijze, dat zij zich als vernietigd gevoelden; en wel verplicht waren, na te denken, hoe het hun vergaan zou in het schrikverwekkend oordeel Gods, dewijl zij nu reeds sidderden op de stem van een eenvoudig priester.
Behalve van de Yisitandienen is de H. Vincentius, in vroeger en later tijd, ook de bestuurder of minstens de raadgever geweest van verschillende andere kloosterorden. Wij noemen de Ursulienen van het bisdom van Beauvais; voorts, de Dochters van het H. Kruis, die aan arme dorpskinderen onderwijs verstrekten en de behoeftigen voorthielpen. Dezen kloosterlingen werd hij zelfs een tweede vader, dewijl hij hare Stichting van den ondergang redde, ten tijde dat velen haar wilden opheffen als hebbende geen genoegzame reden van bestaan ; de H. Vincentius was, als door den H. Geest daartoe gedrongen, gelijk Mgr. Abelly zegt, van een tegenovergesteld gevoelen. Eindelijk noemen wij nog, de Dochters der goddelijke Voorzienigheid. Dezer leid:ng nam hij op zich, en na den dood der Stichteres, Mevrouw de Pollilion, ook hare bescherming; hij trachtte toen zelfs de noodzakelijkste fondsen bijeen te krijgen voor derzelver onderhoud. Deze Congregatie diende tot toevluchtsoord aan de vele jonge dochters die in het gevaarvolle Parijs, door armoede, onvoldoend toezicht of slecht gedrag der ouders, de kans beliepen voor eeuwig hare ziel te verliezen.
Van het oogenblik af. dat de gravin de Gondi de haast wonderdadige vruchten zag, die de zalige man door zijne missiën te Villepreux, Joigny, Montmirail en andere harer landgoederen bewerkt had, meende zij niet beter het
54
geestelijk belang barer onderdanen te kunnen behartigen, dan door deze missiën, minstens alle vijf jaren te geven, te bestendigen. Daartoe deed zij met Vincentius de noodige stappen, en wees zestienduizend livres aan tot bestrijding der onkosten Toen alles geregeld was, zag de Heilige om naar eene geestelijke Orde, die het fonds met de vijfjarige verplichting zou willen aanvaarden. Tevergeefs klopte hij aan bij de Jezuieten, de Oratorianen en andere kloosterlingen; allen hadden een oogenschijnlijk goede reden om het aanbod van de hand te wijzen. Klaarblijkelijk was hier de vinger Gods-, die wilde dat de Apostel van Frankrijk door deze moeilijkheid genoodzaakt zou worden, de schoonste zijner Stichtingen in het leven te roepen. De stichting namelijk der Lazaristen; missionarissen, die dag en nacht gereed zouden zijn, om het arme volk over geheel Frankrijk en daarbuiten het H. Evangelie te verkondigen. Toen mevrouw de Gondi den slechten uitslag zijner pogingen vernam, herinnerde zij zich, hoe jaarlijks verschillende priesters en godgeleerden van naam Vincentius op zijne missiën hadden bijgestaan; daarom was zij van oordeel, dat er in of buiten Parijs slechts een toevluchtsoord, een soort klooster noodig was, om eenige der waardigste mannen tot eene Congregatie van Predikers te vereenigen. Langzamerhand zouden zich dan van zelf nieuwe priesters bij ben aansluiten, waardoor de nog te stichten Congregatie, met Gods hulp, zou voortduren. Zij wist, dat Vincentius dergelijke zaak tot een goed einde kon brengen; maar, dewijl zij den nederigen man kende, meende zij voorzichtiger te handelen er vooreerst niet met hem over te spreken. Zij vergenoegde zich derhalve voorloopig, met er haar echtgenoot en dezes broeder, die aartsbisschop van Parijs was, mede in kennis
^ Ongeveer 45000 francs of ruim 21000 Hollandsche guldens van omen tijd; volgens de noot in het 2e Hoofdstuk. *
55
te stellen. Beiden zagen in dat voorstel een der groote werken Gods, tot het heil der menschheid; beiden verlangden vurig, dat de Heilige zich met de uitvoering van het plan zou belasten, en zich aan het hoofd zou stellen der nieuwe Congregatie. Ze kwamen dan overeen, dat zij alle drie er Vincentius over zouden onderhouden. Aan zooveel aandrang, vooral aan het verlangen van zijn bisschop, kon noch wilde de man Gods weerstaan. Mgr. de Gondi schonk hem het Collegie Des bons enfants, waarover hij beschikken kon, tot eerste verblijfplaats der nieuwe Stichting. Dat Collegie was een arm en verlaten gebouw, met eene uiterst geringe kapel en eenige half vervallen kamertjes; alles gelegen in eene buurt waar de meeste huizen op het invallen stonden. Maar, Vincentius' nederigheid verlangde niet meer
Op een der dagen van de maand April opende de apostolische man het Collegie (1625); die dag is steeds, in de Huizen der Lazaristen, als Stichtingsdag in eere gebleven. De Heer en Mevrouw de Gondi, die nu niet meer met vijf-jarige missies maar met een geheel nieuw te stichten Congregatie te doen hadden, verhoogden de vroeger gestelde som van zestienduizend Fransche ponden op veertigduizend (ongeveer honderdtachtig duizend francs van onzen tijd); en stortten deze, in gereed geld, in de handen van Vincentius. Toen Mevrouw de Gondi,
') Dit Collegie Des bons enfants (der goede kinderen) is latei-omgeschapen in het Seminarie van .St. Firmin. Als zoodanig heeft het in de kerkelijke Geschiedenis een glorievollen naam gekregen, doordat er, in een der beruchte Septemberdagen van het Eevolutiejaar 1792, vijf-en-zeventig aan het Geloof getrouwe priesters als martelaren gevallen zijn. Tegenwoordig is het een gouvernementeel Blinden-Instituut. Toch, alhoewel de btaat bijna godloochenaar is, wordt er de H. Vincentius vereerd als een der weldoeners van Frankrijk; met eerbied onderhoudt men de kamer die de Heilige eenmaal bewoonde.
56
twee maanden later, gestorven was, betrok hij zelf, met eenigzins afgedwongen toestemming van haar achtergebleven echtgenoot, het armoedige Collegie. Nu eerst bevond hij zich, waar hij van natuurswege toe neigde, in de volle eenzaamheid eens kloosters. Daar leefde hij, voor zoover zijne bezigheden hem niet buitenshuis riepen, met den Eerw. Heer Portail (van wien wij reeds spraken), te midden van Parijs als in eene verafgelegen woestenij. Gelijk alle werken van den Heilige, droeg ook deze Stichting, die nochtans een werk der eeuwen worden zou, het zegel van den eevvoud in haar eersten werkkring. Nog van een derden priester vergezeld, trok Vincentius met gemelden medewerker van dorp tot dorp ; in eigen onderhoud voorziende, om niemand tot last te zijn. In zijn eigenaardigen stijl beschreef hij in later dagen, toen zijne Congregatie reeds een groote uitgebreidheid gekregen had, dien toestand volgender wijze.
âWij gingenquot;, zoo schreef hij, door de bisschoppen der verschillende bisdommen gemachtigd, zonder verderen omslag, het H. Evangelie aan de armen verkondigen, op de manier waarop O. H. Jezus Christus zulks gedaan had. Dat was ai ons pogen; God daarentegen deed, wat Hij van eeuwigheid af, besloten had te zullen bewerken. Hij gewaardigde zich eenigen zegen aan onzen arbeid te schenken; andere brave Geestelijken die zulks zagen, kwamen zich bij ons voegen, en verzochten bij ons te mogen blijven. Dezen echter kwamen niet allen te zamen, maar op onderscheiden tijd. Hemelsche Zaligmaker! Wie had ooit durven denken, dat alles worden zou zooals het nu is? Hadde iemand mij zulks in den aanvang gezegd, ik zou hem voor een spotter gehouden hebben. En toch, zóó was het, dat God een begin met ons Gezelschap {de Lazaristen) wilde maken!quot; Inderdaad, niets is zoo gering als de geest dien Vincentius aan
57
zijne nieuwe Congregatie inprentte en achterliet; hij wilde bepaald, dat de nederigheid haar grondslag zijn en blijven zou. Hij vermaande zijne leerlingen, zich als de gering-sten dergenen die de bediening van het H. Priesterschap uitoefenen te beschouwen; vooral, steeds de nederigste werkzaamheden voor zich uit te kiezen, als daar zijn: onwetende dorpsbewoners den Catechismus te leeren, kleinen kinderen met moeite de beginselen van den Godsdienst in te prenten, zich als helpers aan de dorpspastoors aan te bieden, ja, zelfs de dienaren te zijn van galeiboeven, van lastige armen, van weerzinwekkende behoeftigen.
Langzamerhand voegden zich verscheiden priesters, waaronder vele uitmuntend door deugd en wetenschap, bij de kleine Congregatie; daardoor konden onderafdee-lingen gesticht worden in de Fransche provinciën, in Spanje, Polen, Savooije, Piëmont, Genua en andere Italiaansche Eepublieken. Koning Lodewijk XIII verleende der nieuwe Stichting Open Brieven van verlof en bescherming (1627). Paus Urbanus VIII benoemde den Heilige tot eersten algemeenen Overste (1632), machtigde hem een Regel op te stellen, en bekrachtigde de Congregatie onder den naam van Vereeniging van Missiepriesters. De volksmond echter noemde Iwn Lazaristen; naar hun lateren zetel, het Prioraat van St. Lazarus, kort bii Parijs. Het is onder dien naam van âLazaristenquot; dat zij nog heden zoowel te Parijs als in verre gewesten zegenrijk werken; niet het minst, naar des Stichters voorbeeld, onder de galeiboeven. Een werkkring wordt hun, met het goedvinden der bisschoppen in wier bisdom zij arbeiden zullen, aangewezen. Deze bestaat in het houden van missiën in steden en dorpen, het geestelijk onderwijs der ongeletterde menigte, het opvoeden der kinderen in de christelijke leer, het veelvuldig biecht hooren, het beslechten van alle vijandschap tusschen
58
familiën of bijzondere personen, het ondersteunen der armen. Niet weinigen van de besten onder hen zijn, in het verloop der tijden, aangewezen geworden, om groote en kleine Seminariën te besturen tot de opleiding der Geestelijken. Nog tijdens het leven van den Heilige, hebben de Lazaristen ook een begin gemaakt met het Evangelie te verkondigen in de overzeesche landen en ouder de Heidenen.
Zooals wij reeds aanstipten, heeft de Congregatie dei-Lazaristen in den letterlijken zin des woords ontelbare vruchten voortgebracht; vruchten, die, na Gods goedheid aan den waren prtesterli/jken geest te danken zijn, dien de Heilige Stichter zijnen zonen heeft ingestort. Met dien geest, tenzij het Gode, die den wasdom geven moet, anders behaagde, moest noodzakelijk het aanschijn van Frankrijk en vele andere landen als vernieuwen. Een der hoofdbeginselen van dien geest, is neergelegd in een der stelregelen, die Vincentius aan elk der zijnen herhaaldelijk op het hart drukte: âIeder leerling zal zorgen, steeds in andere personen O. H. Jezus Christus te aanschouwen; daardoor zal hij, met gewisser zekerheid, zijn hart opgewekt gevoelen tot allen liefdedienst voor alle menschen!quot; Mgr. Guérin geeft, over den zin van dezen stelregel, den volgenden uitleg.
De Heilige zag den Zaligmaker als hoofd der Kerk in den Paus, als bisschop en aanvoerder der herders in de bisschoppen, als leeraar in de leeraren, als priester in de priesters, als kloosterling in de religieuzen, als heer-scher in de koningen, als edelman in de adellijken, als rechter of staatkundige in de Overheidspersonen, de stadsvoogden en de regeerders. Ja zelfs, dewijl het Eijk dei-hemelen in de H. Schrift vergeleken wordt met een koopman, beschouwde hij Christus ook als zoodanig in alle handelslieden ; als werkman in de arbeiders, als arme in de behoeftjgen, als kranke en stervende in de ziel-
59
togenden en zieken. Op die wijze Jezus erkennend in alle staten en standen, en in alle levensomstandigheden, .....wekte hij zich op om in ieder persoon den Zaligmaker der wereld te eeren, te beminnen, en naar zijn uiterst vermogen te dienen. Hij vermaande de zijnen, en al degenen, die, aan wien ook, hulp moesten verleenen, desgelijks te doen; daardoor zouden zij hunne liefde tegenover den naaste, standvastiger maken en tot meer volmaaktheid opvoeren.
ZESDE HOOFDSTUK.
Geestelijke afzondering der Wijdelingen; instelling der wekelijksche Conferentiën. De H. Vincentius roept de groote en kleine Seminariën in het leven.
Terzelfder tijde dat God zoo groeten wasdom gaf aan Vincentius' Stichtingen, vergat deze waardige man ook niet de belangen des Heeren; dit, noch in zijne reeds op zich genomen bedieningen en verplichtingen, noch op meer dan één nieuw arbeidsveld. Het was den man Gods niet genoeg zijne Lazaristen in het leven geroepen en tot de volmaaktheid der waarachtige naastenliefde te hebben opgewekt; hij wilde, evenals zij, ook zelf arbeiden en hard blijven arbeiden voor God.
Gelijk do H. Carolus Borromeus de opleiding dei-Geestelijkheid, vooral in het aartsbisdom Milaan en in Noordelijk Italië, verbeterd heeft, zoo is het de glorie van den H. Vincentius a Paulo geweest, hetzelfde in Frankrijk gedaan te hebben; dit, door de geestelijke afzonderinfj (retraite) der Wijdelingen te bevorderen, en grootere en kleinere Seminaries in het leven te roepen tot opleiding dei-toekomstige seculiere priesters. Het was eene treurige
60
daadzaak, dat in de eerste helft der Zeventiende Eeuw het schoonste gedeelte van het beschaafde Europa, door aanhoudende binnen- en buitenlandsche oorlogen, in de grootste stoffelijke en zedelijke wanorde geraakt was; bij name waren in Frankrijk meerdere godsdienstoorlogen gevoerd. Een der gevolgen dezer ellende was, dat degenen die tot het H. Priesterschap moesten worden toegelaten, niet altijd genoegzame geleerdheid en volmaaktheid bezaten, om, als werkers in den wijngaard des Heeren, âhet zout der aardequot; te kunnen zijn. Vaak had de Heilige met vele hooggeplaatste Geestelijken, onder wie de bekende bisschop van Beauvais, Mgr. Potier de Gesvres, dienon-gelukkigeu toestand betreurd en besproken. Toen deze laatste op zekeren dag Vincentius' gevoelen, over wat er te doen stond, rechtstreeks afvroeg, antwoordde de Heilige, dat men om volmaakte priesters te krijgen, eerst nauwkeurig zou moeten toezien, of zij die zich aanboden de noodige kennis bezaten en genoegzame waarborgen voor roeping en deugd; vervolgens, zou men zich moeten beijveren, de toegelatenen met alle zorg tot het H. Priesterschap voor te bereiden.
Mgr. Potier dacht eenige dagen over die raadgevingen na. Zich later weer in het gezelschap van Frankrijk's apostel bevindend, deelde hij dezen mede, dat het zijn voornemen was, alle Wijdelingen onder zijn persoonlijk toezicht in eene heilige afzondering te vergaderen; daar, verre van het gewoel der wereld, zou hij hen onderwijzen en de zware verplichtingen des priesterschaps voor oogen houden. Eensklaps riep nu de H. Vincentius uit: âO, Monseigneur, dab is eene gedachte die de goede God u ingegeven heeft! Voorwaar, dusdanige afzondering is een uiterst geschikt middel, om uw bisdom langzamerhand geheel te hervormen!quot; Vóór dat zij scheidden, voegde de bisschop den Heilige, die zoo iets geenszins ver-
61
wachtte, de woorden toe: âWelnu, Mynheer Vincent, maak n gereed om zelf die oefeningen te komen leiden; stel de Orde der afzondering op schrift en kom in de maand September, vijftien tot twintig dagen voor de Wijdingen, naar Beanvais!quot; Nadat Mgr. Potier op den gewonen tijd, de examens had laten afnemen en de Wijdelingen beproefd had, opende hij persoonlijk de geestelijke afzondering. Deze werd voortgezet door Vincentius, bijgestaan door de Doctoren der H. Godgeleerdheid Messier en Duchesne. De Heilige bepaalde er zich toe, de tien geboden Gods op de eenvoudigste wijze te verhandelen. Hij deed dit met zooveel juistheid, duidelijkheid, zalving en hoogere verlichting, dat alle Wijdelingen en een dei-Godgeleerden hunne algemeene biecht bij hem wilden spreken. De uitkomst was bewonderenswaardig; het was alsof de Heer, die alle werken van zijn zaligen dienaar zegende, dit werk van Vincentius met nog overvloediger genade bedauwde.
Ook de aartsbisschop van Parijs, Mgr. de Gondi, stond verwonderd. Hij ontbood den man der Voorzienigheid en gelastte hem, de Wijdelingen van zijn aartsbisdom tijdelijk op te nemen in het Collegie Des bons enfants, en daar, op de wijze van Beauvais, geestelijke Con-ferentiën voor hen te houden (1631). Van dien dag af, werden er, vóór iedere H. Wijding, zeventig tot negentig Wijdelingen in genoemd Collegie opgenomen. Deze geestelijke afzonderingen, te Beauvais en te Parijs begonnen, verspreidden zich spoedig over alle bisdommen van Frankrijk; later over dezes grenzen, in Italië, te Bergamo, Genua, Rome. In onze tijden is zelfs in alle Diocesaan-Statuten, welke te Rome zijn goedgekeurd, de verplichting opgenomen, dat alle Geestelijken, vóór iedere groote Wijding, tien volle dagen in afzondering moeten doorbrengen.
62
Arele der Geestelijken die onder Vincentius'leiding met zeer veel vrucht het priesterschap ontvangen hadden, verlangden vurig de daarbij verkregen genaden te bewaren en te vermeerderen; zij wendden zich derhalve tot den Heilige. Deze vereenigde hen nu, wekelijks, in zoogenaamde ïcetenschuppelijke Conferentiën of studie-vergaderingen. Eens in de week, gewoonlijk Dinsdags, verzamelde hij hen in St. Lazare 1) en zorgde, dat daar ernstige verhandelingen gehouden werden over eigen heiliging, het bewerken der zaligheid van anderen, en zekere studievragen die geregeld opgegeven werden. Daar leerden de Parijsche priesters elkander kennen, elkander voorlichten, elkander helpen, en hun leven en bediening tot zekere volmaaktheid brengen. Menigeen van hen die in Vincentius tijd naam hadden onder de Geestelijkheid, als deugdzaam en geleerd, hebben deel van deze Conferentiën uitgemaakt. Door haar werden de grootste mannen der Zeventiende eeuw gekweekt; uit haar zijn heiligen en geleerden gesproten, aartsbisschoppen, bisschoppen, presidenten van groote en kleine Seminariën, kanunnikken,en pastoors. Dat, niet voor Parijs alleen, maar voor geheel Frankrijk, zelfs voor vreemde landen. Wij willen hier noemen, den in geur van heiligheid gestorven Stichter van Saint Sulpice, Mr. Olier; den eerbiedwaardigen Bourdoise, die de kerkelijke tucht in Frankrijk herstelde; den Eerw.
') Het Huis Saint Lazare, dat de Heilige intusschen tegen zijn zin genoodzaakt geweest was aan te nemen, was een zeer uitgestrekt klooster, in de nabijheid van Parijs; eene zoogenaamde Prieuré (een Prioraat). Hierheen had hij, het Collegie Des bons enfants eene andere bestemming gevend, zijn hoofdzetel overgebracht. Nog bestaat S. Lazare in onze dagen; maar de Staat heeft er beslag op gelegd en het in eene staatsgevangenis voor vrouwen omgeschapen.
63
Heer André Duval V, den Oprichter van het bekende Seminarie des Missions Etrangères; Bossuet, den beroemd-sten aller Fransche kanselredenaars. De kardinaalminister Richelieu ontbood zelfs den Heilige, om hem met de instelling dezer wekelijksche Conferentiën en de groote vruchten zijner Congregatie geluk te wenschen.
Bij gelegenheid van deze audiëntie, sprak Richelieu den grooten man voor het eerst. Na dezes heengaan getuigde hij aan de hertogin d'Aiguillon, dat hij in hem meerder deugd en hooger verlichting gevonden had, dan de algemeene faam hem reeds toeschreef. Vele malen, na dezen dag, deed hij hem bij zich komen, ten einde hem aan te moedigen in het voortzetten van zijn reuzenarbeid, en zijn raad in te winnen bij het bezetten dei-bisdommen; hij wist immers, dat er onder de Conferentieleden allerwaardigste mannen waren, en dat Vincentius hem de beste kon aanwijzen. Om Gods eer te bevorderen en het heil der Kerk, stelde de zalige man in die oogenblikken zijne nederigheid ter zijde; hij deelde dan aan den Kardinaal in het geheim den naam der meest geschikten mede, terwijl Richelieu ze met eigen hand opteekende. Nooit echter heeft hij, aan wien ook, laten doorschemeren, dat hij den almachtigen Eersten-Minister van voorlichting gediend had; noch ook, dat deze zijne raadgevingen opvolgde. Zelfs de leden der Conferentie hebben dat slechts na zijn dood vernomen. Twee andere, zeer waardeerbare voordeelen, ten slotte, wierpen de Parijsche Conferentiën nog verder af. Ten eerste, hielden de beste leden dezer Vergadering, nu en dan missiën in de Gasthuizen van Parijs en elders; missiën, die de heilrijkste vruchten droegen. Ten tweede, werden, om hare
V Deze Duval was een bijzondere vriend en een raadgever van den H. Vincentius.
64quot;
glorievolle werking, spoedig, naar het model der Parijsche, alom in Frankrijk, in de verschillende bisdommen, dergelijke Conferentiën opgericht; Confereutiën, die op hare beurt, niet weinig tot den bloei der Fransche Geestelijkheid hebben medegewerkt.
Vincentius' arbeid tot het herstel der ware priesterlijke volmaaktheid, dien hij begonnen had door de geestelijke afzondering der AVijdelingen en vermeerderd door zijne wekelijksche Conferentiën, was voor den algeheelen ommekeer ten goede van het Fransche volk niet voldoende. Hij wilde de Geestelijkheid in hare taak nog verder helpen, door ook de gewone Geloovigen de gelegenheid tot geestelijke afzondering te verschaffen. Reeds vroeger was hij daarmede in het klein begonnen, in zijn Collegie Des bons enfants; nu hij echter zijn groot Huis betrokken had, opende hij voor allen de deuren van St. Lazare en riep hij, met daden, geheel Parijs, geheel Frankrijk de woorden des barmhartigen Heilands toe: âKomt tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en
Ik zal u verkwikken !----Want mijn juk is zacht en
mijn last is licht!quot; (Matth. 11. 28â30). Goddank! Velen luisterden naar die roepstem des Heiligen; in gi oote scharen kwamen zij naar Vincentius' klooster opdagen, om de lang ontbeerde rust hunner zielen terug te vinden. Die uitgestrekte ruimte bood een toevluchtsoord van de volstrekte eenzaamheid, kort bij het woelige Parijs; twintigduizend boetelingen kwamen er tijdens Vincentius' leven. De hoogste adel, hovelingen, priesters, burgers, handwerkslieden, landbouwers, deelden er te zamen de eenvoudige maaltijden ; werden er met eenzelfde edelmoedige liefde ontvangen, en woonden er dezelfde geestelijke oefeningen bij. De vromcen van Parijs hielden op gelijke wijze hare afzondering in het Huis der Liefdezusters, van welke wij in het volgend Hoofdstuk verhalen
zullen; maar ook de Geloovigen van andere steden en landen vonden in andere plaatsen een dergelijk toevluchtsoord. Al de Huizen zijner Congregatie stonden voor datzelfde doel open; de meestbezochte bleven intusschen die van Parijs en van Rome. Wanneer dan die nieuwbekeerden of in de deugd bevestigden in eigen omgeving terugkeerden, verspreidden zij langs alle zijden den goeden geur van Christus en werkten ze, op hunne beurt, mede tot de wedergeboorte van het diepgevallen Frankrijk. O macht van den aposto-lischen ijver! Dat alles bewerkte één man; maar een man der Voorzienigheid !
Stonden de deuren van St. Lazare op boven omschreven manier open voor velen, voor anderen waren zij op eigenaardige wijze gesloten. De Heilige had namelijk, door verregaande liefde tot den evenmensch gedreven, de rust zijner kloosterlingen opgeofferd aan twee der beste werken van weldadigheid; het verplegen van krankzinnigen en het verbeteren van onhandelbare jongelingen. Wat eene weldaad voor de maatschappij, in een tijd, waarin het krankzinnigenwezen allerminst ordelijk geregeld was! Wat eene weldaad voor de ongelukkige jongelingen, die, op verzoek der ouders, door den sterken arm van den Staat onder de leiding der Lazaristen gesteld werden! 't Was niet genoeg dat zeer velen, haast allen, als geschikte jonge mannen aan de samenleving werden teruggegeven; neen, er zijn er zelfs onder dezen eenigen geweest die zoodanig braaf geworden zijn, dat zij laterals priesters, als kloosterlingen, als leden der Rechtbank hebben uitgeblonken.
Hadden Vincentius' reuzenkrachten reeds veel gedaan voor de wederopheffing van het Fransche volk, toch, het ontging den scherpen blik van den man Gods niet, toch was hij nog niet gekomen waar hij zijn wilde. Steeds bleef het eene onomstootelijke waarheid, dat de Geestelijkheid
H. Vine, a Paulo II, 5-
66
zooals wij gezegd hebben, âhet zout der aardequot; is; daarom moest zij nog meer gelouterd, nog meer volmaakt worden. Hij wilde derhalve tot den wortel doordringen; hij verlangde dat de jongelingen die eenmaal het Heiligdom zouden binnentreden, van kindsbeen af onttrokken zouden worden aan de gevaarvolle wereld. Daarom begon hij, met in St. Lazare, een algemeen Seminarie op te richten voor de leerlingen die neiging gevoelden zich aan zijne Congregatie (de Lazaristen) te verbinden; daarin nam hij studenten op van allen ouderdom (1637). Vervolgens veranderde hij het Collegie Des bons enfants in een klein Seminarie voor toekomstige wereldlijke priesters; dit schoeide hij op de strengste eischen van het Concilie van Trente, en nam er slechts kinderen aan van ongeveer twaalfjarigen leeftijd. Hiermede vergenoegde hij zich echter niet. Zeer zeker, op den duur van jaren zou men de braafste, de geleerdste, de waardigste priesters kweeken; maar wat zou men doen in den tusschentijd, bij zoo nijpende behoefte? Eensdaags weder bij Kardinaal Richelieu zijnde, stelde de H. Vincentius dezen voor oogen, dat Frankrijk zonder veel moeite, en in een gering tijdsverloop, een aantal waardige en goed onderwezen priesters hebben kon; daartoe behoefde de machtige Kerkvorst slechts te zorgen, dat in ieder bisdom een Groot Seminarie werd opgericht. Daar zouden degenen die binnen korteren of langeren tijd de heilige Wijdingen moesten ontvangen, eerst één tot twee jaren geoefend kunnen worden in alle deugden; men zou er tevens de Godgeleerdheid kunnen onderwijzen en de toekomstige Levieten bekwamen in de H. Liturgie, den kerkzang, het toedienen der H.H. Sacramenten, het geven van Catechismus voor het volk, de prediking, enz. Richelieu bewonderde opnieuw het doorzicht van den nederigen priester en keurde zijn voorstel goed; om hem naar best vermogen te onder-
67
steunen, schonk hij hem zelfs duizend kronen, ter voorziening in de eerste onkosten (1642). Aanstonds stichtte Vincentius nu in het Collegie Des bons enfants, het eerste Parijsche Seminarie; voorloopig met tweejarigen leerplicht. Spoedig echter werd de toeloop aldaar zoo groot, dat hij zich verplicht zag, het daar tevens gehouden Klein-Seminarie naar het ruimere St. Lazare over te brengen. Toen Frankrijk's bisschoppen deze heerlijke uitkomsten aanschouwden, wilden zij allen, als om strijd, een Groot-Seminarie bezitten; velen hunner gaven het bestuur ervan in handen der Lazaristen. Het is haast ongeloofelijk hoe wonderdadig, ook dit werk des Heiligen ingegrepen heeft in de degelijke vorming der Fransche Geestelijkheid, en daardoor in de zedelijke verbetering der geheele natie en die van andere volkeren. Weinige jaren later reeds waren deze Groot-Seminariën overgeplant in alle naburige landen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De Heilige stelt het Genootschap zijner wereldberoemde Zusters van Liefde in. Herhaalde missiën bij het leger te velde.
Door de zegenrijke werking der Broederschappen van Liefdadigheid (eerst te Chatillon les-Dombes, later te Macon ingesteld) daartoe genoopt, had A7incentius zijnen missionarissen in last gegeven, deze zelfde Broederschappen zooveel mogelijk op te richten in alle dorpen waar zij missie gaven. Dit geschiedde natuurlijk met toestemming en medewerking der plaatselijke pastoors, en volgens de Regels die de Heilige zelf eenmaal daarvoor geschreven had. Zij werkten zegenrijk en werden langzamer-
68
hand uitgestrekt tot kleinere, later ook tot grootere steden; de dames van den hoogsten rang vonden er zekeren geestelijken roem iu, zich op die manier de dienstmaagd der armen te tooneu. Toch baarden die Broederschappen, door hunne menigvuldigheid en de niet zeldzame onbeholpenheid der dorpsleden, den Heilige veel zorg, kommer en arbeid. Maar ten bekwamen tijde zond God hem, kort na den dood van Mevrouw de Gondi, eene andere dame toe van hoogen huize. Deze zou hem niet alleen in zijne liefdewerken steunen, maar tevens zijne medestichteresse worden in een groot werk ; een werk dat als het ware, het noodzakelijke aanhangsel was van zijne Stichting der Lazaristen. Ik bedoel het in het leven roepen van het Genootschap zi/jner wereldberoemde Liefdezusters. Die godvruchtige dame was mevrouw Legras, geboren Louise de Marillac. Na den dood van haar echtgenoot, Antoine Legras, geheimschrijver der koningin-moeder Maria de Medicis, nam zij Vincentius tot biechtvader en bereikte, onder zijne leiding, in weinige jaren de hoogste volmaaktheid. Reeds voor dien tijd had zij zich veeltijds voor de armen opgeofferd; maar nu besloot zij, zich onherroepelijk en geheel aan den dienst der behoeftigen te wijden. Inderdaad, zij is de moeder aller ellendigen geworden, gelijk onze Heilige er de vader van geweest is.
Nadat deze haar vier volle jaren onder zijne leiding beproefd had, gaf hij haar, om ze tot meerderen aposto-lischen arbeid voor te bereiden, de opdracht verschillende der bovengenoemde Broederschappen te gaan bezoeken (1629). Zij doorreisde derhalve vele bisdommen. Hier wist zij wat te verbeteren, daar meerderen ijver in te storten, eldeis nieuwe krachten aan te kweeken; naar de mate der verschillende behoeften. Daarbij gaf zij zeer beduidende aalmoezen, en richtte ze hier en daar nieuwe broederschappen op. Na zich, zooals de Heilige het haar had
69
voorgeschreven, van de toestemming der plaatselijke Herders vergewist te hebben, hielp zij de armen voort, onderwees ze de onwetenden en de kinderen en bezocht zij de zieken. Te Parijs teruggekeerd, waar ook, vóór korten tijd, door den Heilige in verschillende parochiën de Broederschappen der Liefdadigheid waren opgericht, zette zij daar hare liefdewerken voort. Intusschen bleek het maar al te spoedig, vooral te Parijs, dat de dames der allerhoogste standen, die vaak de Broederschappen bedienden, zich niet altijd aan hare liefdewerken konden overgeven zooals zij zulks verlangden en de dienst der armen het vereischte. Daarom begon Vincentius, na eerst nog eene mislukte proeve genomen te hebben met daartoe onderwezen vaste plaatsvervangsters, eenige gewone jonge-dochteren te verzamelen, die, niet geneigd tot het huwelijk, wegens hare armoede in geen klooster konden worden opgenomen, maar toch gaarne bereid waren zich geheel aan.den dienst der armen weg te schenken.
De eerste weinigen, drie of vier in getal, die hij bij wijze van proefneming aannam, stelde hij onder het bestuur van mevrouw Legras; deze huisvestte ze in haar eigen woning (1633). God zegende die eerste pogingen; het getal dei-meisjes nam toe, zoodat zij aldra eene kleine vereeni-ging vormden. Het voornaamste werk van mevrouw Legras was, hare leerlingen tot hoogere geestelijke volmaaktheid op te leiden, zonder welke hare harde roeping op den duur gevaarlijk en onmogelijk zou blijken; het tweede, de jongedochteren tot geschikte ziekediensters te vormen. Zij moesten immers aan de haar toevertrouwde zieken desnoods de walgelijkste diensten durven bewijzen, bij de kranken de nachtwake houden, niet terugschrikken voor besmetting en verpestende dampen van ziekenzalen of armoedige woningen, noch weigeren de on-geneeselijkste lijders te verplegen. Indien deze plichten
70
reeds zwaar schijnen voor krachtvolle mannen, wat te zeggen wanneer dergelijke taak gelegd wordt op de schouderen van zwakke vrouwen; vrouwen, in later dagen, vaak van de hoogste geboorte? De geschiktheid van mevrouw Legras, gepaard aan het wijze bestuur van den Heilige, maakte van hare eerste leerlingen zulke zedige, zachtaardige en tot alle plichten der naastenliefde bekwame armenverzorgsters, dat ieder die haar in heur werkkring zag, met de grootste bewondering vervuld werd. Hare volmaaktheid noodigde andere onschuldige zielen uit, zich bij de nieuwe ziekenverpleegsters aan te sluiten. Spoedig nam derzelver aantal ziender-ooge toe; klaarblijkelijk rustte des Heeren zegen op eene Stichting, die, door twee volmaakte zielen ontworpen, aan ontelbare ongelukkigen voor tijd en eeuwigheid redding zou aanbrengen. Nog tijdens het leven der beide Stichters waren er meer dan vijf en twintig onderaf-deelingen to Parijs, en ruim dertig in andere steden en dorpen van Frankrijk gevestigd.
Ziedaar een der geheimzinnige wonderen van Vincentius' arbeid. De man had er zelfs niet aan gedacht, de Stichter te willen worden eener Congregatie, die naderhand de meest uitgebreide zou zijn van alle Vrouwenvereenigingen die ooit bestaan hebben. Toen het aantal der ziekediensters zoodanig vermeerderde, dat zij van hel dorp la Ghapelle, een half uur buiten Parijs, een groot gebouw in de hoofdstad moesten betrekken (1642), schreef de Heilige voor zijne geestelijke dochteren die verheven Regels en Gonstitutiën die heden nog aller verwondering wegdragen. De aartsbisschop van Parijs keurde deze goed, en verlangde dat de nieuwe Congregatieleden den naam van Liefdezusters (Flt;Wes rfe Cföante') zouden dragen. Dewijl des Heeren zegen nog dagelijks haar getal vergrootte, beval Vincentius, dat zijne zusters ook andere verplich-
71
tingen dan ziekediensten op zich zouden nemen. Daarom hebben zij niet verloop van tijd ook de vondelingshuizen verzorgd, onderwijs gegeven aan meisjes (vooral aan arme en verlaten kinderen), de galeiboeven verpleegd, de missionarissen op hunne verre tochten gevolgd, de zieken en gewonden op het slagveld bijgestaan Gemelde Regels en Constitutiën zijn gedeeltelijk algemeene, die door alle Zusters onderhouden moeten worden ; gedeeltelijk bijzondere, voor den verschillenden Staat die de bijzondere on-derafdeelingen moeten beleven. Zij ziin zes in getal. De eerste Regel is voor degenen die de zieken der parochiën bijstaan; de tweede voor die onderwijs geven; de derde voor de Zusters der vondelinghuizen; de vierde voor
') Verre van in bare werkzaamheid te verslappen (volgens de gewoonte der meeste menschelijke instellingen), hebben de Liefde-znsters van den H. Vincentius a Paulo in onzen tild noghoogere vlucht genomen; zij hebben zich letterlijk verspreid over den ge-heelen aardbodem. In 1855 hadden zij meer dan negenhonderd Stichtingen, waarvan vierhonderd-vijf-en-tachtig gasthuizen. Vele hospitalen in Frankrijk, België, Zwitserland, Italië en Duitschland, worden door haar bediend. Zegenrijk is haar naam bekend in Algiers, Tunis, Mexico, de Vereenigde Staten, de katholieke landen van Zuid-Amerika, het verre Oosten, China, Korea, Japan en Tongking; zelfs in het barbaarsche Syrië en Aziatisch-Turkije. De bekende Krim-Oorlog heett den ijver en den heldenmoed van dit heilige keurkorps in al zijne glorie doen schitteren. Mets meer wonderbaar, niets treffeiider dan de voorbeelden van geloof, godsvrucht, zelfverloochening, onderwerping en heldenkracht, die deze Christelijke maagden te midden van de beroering der belegeringen en de besmetting der aanstekelijke ziekten voor Sebastopol getoond hebben. Nog meer. De Turksche Sultan Abdoel-JIedjid, die niet spoedig geroerd was, noemde haar âEngelen van liefde, uit den hemel op aarde gezondenquot;. De Geschiedschrijver Rohrbacher verhaalt zelfs, dat de minder ontwikkelde Turken en Arabieren, door de bovennatuurlijke opofferingen der Liefdezusters in den waan gebracht, met allen ernst meenen dat zij Engelen des hemels zijn; vaak vragen zij haar, op wat manier zij van daar neerdaalden.
72
haar die de dames der Broederschap van Liefdadigheid in het St. Lodewijks-Gasthuis van Parijs moeten helpen; de vijfde voor die de zieke galeiboeven oppassen; de zesde, eindelijk, voor haar die in de overige hospitalen des rijks de zieken verplegen. Elk dier afzonderlijke Reglementen wijst op de gevaarlijke gelegenheden, die de Liefdezusters in haar hijzonderen werkkring te vermijden hebben; op de te nemen voorzorgsmaatregelen, en op de verschillende zienswijzen, naar welke zij zich in de verschillende omstandigheden moeten gedragen.
Met enkele woorden willen wij de volmaaktheid aantoo-nen, aie de Heilige in deze bijzondere voorschriften heeftneer-gelegd. Kiezen wij daartoe de vermaningen, die hij, in den eersten bijzonderen Regel, geeft aan de Zusters, die de zieken dei parochiën bijstaan; dat is, die de lijders aan huis gaan oppassen. Zijne woorden luiden ongeveer als volgt: âOverwegend dat deze Religieusen niet in een klooster zijn opgesloten, dewijl dat in geenen deele met de bezigheden harer taak kan samengaan; bedenkend, dat zij aan meer gevaren blootgesteld zijn dan echte kloosterzusters, daar ze voor verblijf meestal de woningen der zieken hebben, voor cel gewoonlijk slechts een gehuurd huisje, voor huiskapel de parochiekeik, voor klooster de openbare straten der stad, voor kloosterslot de gehoorzaamheid, voor tralies de vreeze Gods en voor sluier de heilige zedigheid ; besluit ik, dat zij dezelfde, ja, meerder deugd moeten bezitten dan kloosterlingen die een streng slot bewonen. Derhalve zullen mijne Religieusen trachten, zich in genoemde openbare plaatsen te gedragen met evenveel ingetogenheid, evenveel terughoudendheid, evenveel stichting, als de werkelijke kloosterzusters achter hare muren .... Daarbij zullen zij alle voorzorgen moeten gebruiken, om op de volmaaktste wijze de zuiverheid des lichaams en die des harten te bewaren lquot; Kan het
73
iemand verwonderen, dat eene Congregatie met een allernederigst begin, door zulke regelen de uitgebreidheid verkreeg die wij reeds aangaven; dat zij binnen weinige jaren den aardbodem omvatte?
Het is haast ongeloofelijk hoeveel arbeids de oogen-sclüjnlijk onaanzienlijke Vincentius, zoowel door zichzelf als door zijne Lazaristen, verricht heeft. Alhoewel hij zich nooit op den voorgrond drong en zich nooit, wat men noemt, met een andermans zaken bemoeide, vatte hij toch met beide handen de gelegenheden aan die de goddelijke Voorzienigheid hem als opdrong, om op velerlei plaatsen het goede te doen en zijne allesomvattende werken van barmhartigheid tot stand te brengen. In het jaar 1634 herschiep hij geheel en al het St. Lodewi/jks-Eospitaal van Parijs; waar jaarlijks tot vijf-en-twintig-duizend zieken verpleegd werden. Ook daar stelde hij eene afdeeling in van de Broederschap der Liefdadigheid. Deze telde binnen korte jaren tweehonderd leden ; meestal dames, voortgekomen uit de bloem van den Parijschen adel. Onder haar zag men mevrouw Goussault; mevrouw d'Alligre, echtgenoote van Frankrijk's kanselier; de bekende mevrouw Pollalion; de hertogin van Mantua, naderhand koningin van Polen; en andere baronessen, hertoginnen en prinsessen. Door de allerdoelmatigste raadgevingen waarmede Vincentius deze dames onderrichtte en door de handleiding die hij voor haar deed drukken, gepaard aan de mildheid en den voorkomenden zielenijver dezer hoogadellijke ziekenverpleegsters, werden de ruimste vruchten ingeoogst. Vele oude zondaars verlangden zich oprecht te bekeeren en eene algemeene biecht te spreken; ouder hen bevonden zich zevenhonderd-en-vijftig personen die het katholiek Geloof omhelsden, deels Lutheranen, deels Calvinisten, deels Turksche zeelieden. Deze zelfde dames hebben den Heilige nog verder in de moeilijkste
74
omstandigheden ter zijde gestaan, ook w zijne grootste werken: o. a. in zijne ondersteuning van het uitgemergeld Lotharingen ; in het stichten en onderhouden van zijn vondelingshuis; in het uitzenden zijner missionarissen naar Madagascar en andere, zoowel heidensche als protes-tantsche landen; in het tot stand brengen van het St. Regina-Gasthuis (S. Reine) in het Bourgondische bisdom van Autun, waar geheel Frankrijk heenliep om de vele mirakelen, die aan het graf der H. Regina geschiedden ; â en in andere werken van den hoogsten godsdienstzin en de verstreikende gevolgen ten goede.
Het jaar 1636 was voor Frankrijk alles behalve bemoedigend. Terwijl 's konings legerscharen, met de Nederlanders en de Zweden, in België, de Rijn-Provinciën, Lotharingen en Baden tegen de keizerlijke troepen vochten, drongen eenige vijandige oorlogsbenden door Picardië het departement der Seine binnen, veroverden de stad Corbie en schenen Parijs te willen aantasten. Troepen om Parijs en omstreken te verdedigen waren er niet. Daarom deed Lodewijk XIII, gesteund door kardinaal Richelieu, de trom roeren; het Huis van St. Lazare was het aanwervingsoord. Geheel dat gewijd Gesticht was vol wapenen, van onder tot boven; de bevelen der officieren en de klank der trompetten werd er van 's morgens tot 's avonds gehoord. Hieruit bleek, dat Vincentius den plicht om het Vaderland te verdedigen als een heiligen plicht beschouwde; tevens, dat de man uiterst ingetogen leefde. Te midden van al dat krijgsrumoer, bestuurde hij als gewoonlijk zijne Con-gegratie en bereidde hij zijne leerlingen voor, tot hun apostolischen arbeid; alsof hij en de zijnen zich in de grootste eenzaamheid bevonden. Naarmate de troepen gevormd en geregeld werden, vertrokken zij naar hunne bestemming. Kort daarop ontving hij in naam des
75
konings, die van meening was dat niets zoozeer Gods zegen over zijne wapenen zou aftrekken als de braafheid zijner scharen, het bevel, twintig zijner medebroeders naar het leger af te zenden om er missiën te geven. Alhoewel het Fransche 'leger een katholiek leger was, liet het toch, evenals alle legers van dien tijd, heel wat aan godsdienstigheid te wenschen over. Wel was, naaide mare liep, de pest in het leger uitgebroken; maar deze omstandigheid was eene reden te meer voor Vin-centius' oprechte zonen, hun vertrek te verhaasten. Hij gaf hun voor dezen missie-veldtocht een nieuwen Regel, te lang om hier mede te deelen; één punt alleen wil ik er van aanstippen, volgens de mededeeling die Mgr. Abelly ons daarvan geeft. Mijne missionarissen, zoo schreef de Heilige, âzullen zich voorstellen, dat, kunnen zij niet alle zonden uit het leger wegnemen. God bun wellicht de genade schenken zal, van derzelver getal te verminderen. Hetgeen hier op neer komt, alsof men zegde : moest Christus anders nog honderdmaal gekruisigd worden. Hij zal het nu misschien maar negentig keeren wezen; moesten er anders, om hare slechte gesteldheden, duizend zielen verloren gaan, men zal met den bijstand van Gods genade en barmhartigheid zijn best doen, dat er, (minstens) eenigen van dat getal gered worden.quot;
Binnen weinige weken hadden de missionarissen, door Vincentius' aanhoudende gebeden en den genoemden Regel ondersteund, vierduizend soldaten gebiecht. Onder hen waren er velen, die, met openbare teekenen van berouw, hun leven oprecht beterden. Tijdens de veldoefeningen der legerafdeelingen, die iederen dag een ander kamp betrokken, ijverden de missionarissen, met toestemming der bisschoppen, om de Geloovigen der parochiën waar zij zich bevonden, te evangeliseeren en tot biechten aan
76
te zetten. Velen derhalve, burgers zoowel als landbouwers en soldaten, stierven slechts door de pest of het zwaard, nadat zij door de Lazaristen voor den hemel gewonnen waren. Duidelijk zag de H. Vincentius in, dat de meesten dezer slachtoffers van den gruwelijken oorlog, zonder de voorbeeldige werkzaamheid zijner priesters, eene eeuwige prooi der hel geweest zouden zijn. Daarom dan ook waren er, onder al de handelingen zijns levens, weinige, die hem meer troost bezorgden dan de missiearheid zijner geestelijke zonen te midden der Fransche legerscharen; een arbeid, waarvan hij zelf zich de meeste verdiensten mocht toerekenen, dewijl hij, na God, er de eerste oorzaak van geweest was.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Vincentius ondersteunt de door den oorlog uitgeputte landstreken ; hij staat koning Lodewijk XIII bij in zijn sterfuur.
Een der liefdewerken dat den Heilige ook voor de oogen der groote wereld deed schitteren (alhoewel hij, zooals altijd, alleen uit zuivere liefde tot God en den evenmensch handelde), was de ondersteuning die hij verschafte aan vele door den oorlog uitgeputte landstreken. De volgens sommige Schrijvers wonderdadige manier waarop hij deze zaak tot een goed einde bracht, vergt, dat wij er hier meer van zeggen.
Op het einde van de eerste helft der Zeventiende eeuw waren sommige der schoonste Fransche provinciën tot den bedelstaf gebracht; eerst om de herhaalde godsdiensttwisten, toen om de burgeroorlogen, daarna om de verschillende veldtochten tegen de Duitschers en den Keizer. Beurt
77
aan beurt had vriend en vijand Franche-Comté, Champagne, Picardië en andere Fransche landen platgetreden, gebrandschat en uitgemoord. Ook hét aan Champagne grenzend en op dezen tijd nog onafhankelijk hertogdom Lotharingen, vroeger een der meest welvarende streken van Europa, lag sinds 1639 onmachtig terneder; de steden Metz, Toul, Verdun en Bar-le-Duc waren der vernietiging nabij. In vele steden vond men personen van stand, soms van adel, die tot de grootste behoeften vervallen waren; zelfs waren er moeders, zooals verschillende geschiedschrijvers ons vermelden, die, gelijk eenmaal bij den ondergang van Jeruzalem, door waanzin gedreven, hare kinderen slachtten om het eigen leven te rekken. De armen stierven met duizenden; niet zelden langs den openbaren weg. Soms ontmoetten de verschrikte reizigers troepen van meer dan vijfhonderd uitgehongerden, die, menschelijke geraamten gelijk, een ellendig bestaan voortsleepten. Zoo hooggerezen kwalen hadden, om maar eenigszins gelenigd te kunnen worden, inderdaad de liefde en de apostolische werkkracht noodig van een H. Yin-centius.
Nauwiijks was de toestand van zaken hem te Parijs geboodschapt, of hij trachtte, tot twee malen toe, hier en daar gelden in te zamelen. Toen er nieuwe klachten kwamen van degenen die hij met die gelden naar Lotharingen gezonden had, riep hij de hulp in der Dames van Liefdadigheid, onder wie de allerhoogstgeplaatste van het S. Lode wij ks-Hospitaal. Deze muntten uit door stand en door milddadigheid: zij konden derhalve, en wilden ook hulp verstrekken. Vincentius behoefde slechts, in de hem eigen taal des harten, den nooddruft der ongelukkigen te schilderen.
Door hare hulp gesteund, niet echter zonder zichtbare tusschenkomst Gods, hield de zalige man eenige jaren, tot aan den Munsterschen Vrede (1648), duizenden en
78
duizenden ia het leven; ontelbare scharen, waarvan er, zooals vriend en vijand getuigt, zonder zijne tusschen-komst zeer velen gestorven zouden zijn. Mgr. Guérin zegt uitdrukkelijk, dat men de bovenmenschelijk groote hulp die Vincentius bood, niet kan uitleggen zonder mirakelen aan te nemen. Op hetzelfde oogenblik dat Frankrijk zijne troepen uitzond tegen de Duitschers (legerscharen, die liet uitgeputte Lotharingen tot eene woestenij maakten), deed hij zijne Lazaristen en zijne Liefdezusters optrekken ter hulpe van het rampzalige land. Hunne handen waren gevuld; aalmoezen, kieede-ren, koren, geneesmiddelen deelden zij uit, in naam van hun zaligen Vader. Zoodra deze te Parijs wederom eenige aanzienlijke sommen bijeen had, zond hij aanstonds, telkens op nieuw, een bode om die gelden over te brengen. God beschermde de overbrengers op zulke n het oog loopende wijze, dat die omstandigheid, nu nog gelijk toen, beschouwd wordt als aan het wonderbare te grenzen. Werkelijk, in die tijden van bovenmenschelijke ellende, kon men van Parijs niet ongedeerd Lotharingen bereiken; losbandige soldaten, struikroovers, moordenaars, stelden de voorbijgangers op rantsoen of plunderden ze geheel uit. Te midden van al die gevaren, heeft de Eerw. Heer Matthieu Renard, een van Vincentius' priesters, drieënvijftig reizen gemaakt naar het tooneel des oorlogs, zonder eenig ongeval. Meestal had hij zware geldsommen in goud bij zich; van twintig tot dertigduizend franken (van dien tijd) en meer. Sommen, voor die eeuw van schaarschte aan geld, zeer aanzienlijk. Nu moge het al waar zijn dat die priester, zooals de Schrijvers ons melden, een zeer schrander man was, en dat hij zich als de allerarmste bedelaar vermomde; nog meer waar is het, dat hij, zonder de bijzondere hulp des Heeren, nooit zoo iets tot stand had kunnen brengen.
79
Ziehier wat de bekende Rohrbacher van deze reizen zegt. Somtijds gebeurde het, dat hij, deeluitmakend van transporten die overvallen en uitgeplunderd werden, zelf de vlucht kon nemen. Andere keeren, dat, als hij den weg aflegde met particuliere personen en hij zich door Gods leiding van hen verwijderde, zijne gezellen aanstonds van al hun bezit beroofd werden, terwijl hem niet het minste ongeval overkwam. Meer dan eens heeft hij, zoodra hij roovers of zwervende soldaten ontmoette, zijn geldzak in het een of ander boschje neergeworpen, waar hij hem naderhand terug vond; onderzocht men hem bij die gelegenheid, dan werd hij spoedig als een bedelaar doorgelaten.
Eens dat hij vier-en-dertig duizend franken bij zich had, werd hij door een ruiter aangehouden, die hem, met het pistool in de hand, dwong, voor zich uit te gaan tot op eene plaats waar hij, door anderen niet bespied, hem zou kunnen onderzoeken. Bemerkend dat de man, achteruit keek, wierp hij plotseling zijne beurs weg. Een honderdtal schreden verder, begon hij beleefde buigingen tegen den ruiter te maken, zorg dragend met zijn hakken diepe sporen in den muilen grond te drukken, die hem later tot teeken zouden dienen, waar hij ongeveer zijn geld terug kon vinden. Hij vond het inderdaad weder, nadat hij, aan den rand van een afgrond, terdege doch te vergeefs doorzocht was. De Eerw. Heer Renard was zelf ten volste overtuigd, dat hij onder Gods bijzondere bescherming stond; tevens, dat hij die genoot, om wille der gebeden en der verdiensten van zijn heiligen Overste. Mgr. Abelly zegt, dat Vincentius op bovenvermelde wijze tot zestienmaal honderdduizend Fransche ponden uitdeelde; maar Collet meent, dat die sommen veel hooger geweest moeten zijn, en dat bovengenoemde drager ze schatte op twee millioen francs. Daarbij valt nog
80
op te merken, dat deze sommen het cijfer aanwijzen van het geld, dat hij in goud naar Lotharingen zond; wij moeten er den verderen onderstand in kleederen, granen, geneesmiddelen enz. nog bij tellen, welker inkoopsprijs ook zeer hooge geldsommen verslonden zal hebben
Met den onderstand dezer uitgehongerde provinciën alleen, vergenoegde zich de groote apostel der liefde niet. Hij verschafte ook, te Parijs zelf, onderdak, kleederen, voeding en onderhoud aan de Lotharingsche priesters en de vrouwelijke kloosterlingen, die door den oorlog uit hun vaderland verdreven waren; voorts deed hij de jonge-dochters uit den beteren stand, wier deugd door de oorlogsellende gevaar liep, en de verlaten weezen naar Parijs komen. Daarbij vergat hij de verarmde Lotha ringsche edelen niet: noch de Engelsche en lersche ballingen, die, door den overweldiger Cromwell om hun Geloof verjaagd, bij de in al hun ongelukken nog herbergzame Franschen een toevluchtsoord gezocht hadden. Nog liet Vincentius het niet bij dat alles; hij beproefde wat alleen een Heilige kan en durft beproeven. Hij snelde heen naar Richelieu en wees hem, met allen verschul-digden eerbied maar dringend, op het oneindig aantal misdaden dat de oorlog met zich bracht; hij schilderde hem, met schrille kleuren, de ellende van het Fransche volk en de nadeelige gevolgen die voor Kerk en Staat uit de eindelooze beroeringen moesten voortkomen. Daarna wierp hij zich op de knieën, en smeekte met een door oprecht medelijden overkropt gemoed, dat de almachtige minister des konings toch een einde zou maken aan den wreedaardigen Europeeschen oorlog. Richelieu nam zijn
') Volgens dp vroeger gegeven noot, zou die som, volgons Collet iets minder dan zeven millloen franken van onzen tijd geweest zijn; ongeveer dup. drie-en-een-half millioen Hollandsehe guldens.
81
1
voorstel goedgunstig op, beloofde te doen wat hij kon. Tegelijk echter deelde hij hem mede, dat het einde van den noodlottigen strijd volstrekt niet van zijne macht, alleen, maar van vele omstandigheden en van vele hooggeplaatste en gekroonde hoofden afhing, zoo buiten als binnen het rijk.
Misschien zal de Lezer zich verwonderen, dat een man, die van huis uit niets bezat dan een zeer geringen stand, zulke groote zaken kon doen, en aangelegenheden tot een goed einde kon brengen die vele millioenen franken (van onzen tijd) verslonden. Men vergete niet dat de H. Vincentius, na een reeds veertigjarigen, openbaren priesterarbeid, zijns ondanks bij alle Franschen bekend geworden was en in het hoogste aanzien stond; bovendien, dat God-Zelf de harten der gevers tot hem neigde. Velen noemden hem, reeds op dit tijdstip, den Heilige ; zij beschouwden hem als door den hemel gezonden, om Frankrijk's nood en ellende eenigermate te verzachten. Zooals we schreven, was hij zelfs bij kardinaal Richelieu, Frankrijks veelvermogenden kanselier, zeer gezien; ook aan het Hof, al trachtte hij het Hof zooveel doenlijk te vermijden, was hij goed aangeschreven. Koning Lodewijk XIII koesterde voor hem de grootste achting en schonk hem zijn vol vertrouwen.
Een blijk te meer van dit laatste, was, dat Vincentius aan het sterfbed van dien deugdzamen en zeer lijdenden koning geroepen werd (1643). Had voor den Heilige iedere ziel, ook die der geringen, de grootste waarde, toch was hij er van overtuigd, dat hooggeplaatste personen en die met aanzienlijke betrekkingen bekleed zijn, een zwaardere verantwoording aan God te geven zullen hebben. Het was, in die gevoelens, dat hij koning Lodewijk te St. Germain-en-Laye bij Parijs in diens laatste levensmaanden, vooral in diens laatste levensdagen, bijstond met al de
H. Vine, a Paulo II, 3. 6.
82
geestelijke zorgen die hij hem kon bewijzen. Vincentius onthield den vorst, die veertig jaren tegen den dood geworsteld had, het ernstige van zijn toestand niet; met zijne gewone zalving sprak hij hem woorden van vertroosting toe, en bracht hij hem tot zulke onderwerping aan de inzichten des Heeren, dat geheel het Hof den koning bewonderde! In de laatste dagen verliet hij hem geen oogenblik; vele malen deed hij den prins het hart tot God verheffen, en akten van leedwezen en onderdanigheid aan den goddelijken Wil verwekken. Hij bracht hem zelfs zoo verre, dat, toen de geneesheeren aan Lodewijk XIII verklaarden dat hij nog slechts weinige oogenblikken te leven had, deze, zonder eenig teeken van vrees, uitriep: âMijn God, ik onderwerp mij aan uwe beschikking, en wel, uit geheel mijn hart!quot; Enkele minuten later gaf hij, in de armen van Vincentius, den geest. Gelukkige dood van een godvruchtig vorst, in de armen eens Heiligen!
Xa den dood des konings trachtte Vincentius de ontroostbare koningin-moeder, met redenen uit den Godsdienst geput, zooveel mogelijk op te beuren. Daarna spoedde hij zich, nog denzelfden dag, heen naar Parijs, om het gebed voor hunne Majesteiten te verzoeken. Behalve eene solemneele uitvaart, die hij in St. Lazare deed houden, gelastte hij al zijne onderhoorige priesters, het H. Sacrificie voor de zielerust des overleden konings op te dragen. Maar hij vergat ook de koningin-moeder niet, die een regentschap ging aanvaarden, dat een der moeilijkste tijden uit de Fransche geschiedenis geweest is.
Nadat Anna van Oostenrijk als regentes was opgetreden, stelde zij aanstonds een hijzonderen Raad in voor de zaken van Kerk en Godsdienst. Tevens verlangde zij dat Vincentius openlijk, als president, deze vergadering zou voorzitten, en haarzelve zou voorlichten bij het bezetten
83
der bisschopszetels en andere kerkelijke beneficies. Wel had onze Heilige onder Lodewijk XIII, aan Richelieu en den koning reeds de grootste diensten bewezen; maar tot nu toe was alles, zonder officieele benoeming, meer in het geheim gegaan. Ku echter drong de Regentes er op aan, dat hij zijn nieuw ambt in het openhaar zou uitoefenen. De man Gods deed wat in .zijn vermogen was, om dezen eerepost te ontvluchten; daarom verklaarde hem de koningin, die hem als een Heilige vereerde en ongaarne zijn steun en zijne voorlichting wilde derven, dat zulks haar bepaalde wil was. Dit duidelijk uitgesproken bevel was voor hem eene verklaring des Heeren; hij nam zitting. Maar, een-maai benoemd, deed hij met zooveel kracht zijn plicht, dat, zooverre het aan hem lag, de geestelijke waardigheden slechts aan de waardigsten gegeven werden. Dit deed den grooten Fléchier zeggen, âdat het Fransche Episcopaat aan Vincentius al zijne heerlijkheid en zijn roem te danken heeft.quot;
Ook in andere zaken van groot belang, raadpleegde hem de koningin-moeder. Nooit sprak de zalige man over de koninklijke gunst waarin hij stond; zelfs weerde hij, uit nederigheid, elke woordspeling die tot zulke gesprekken kon leiden, 'iijdens de tien jaren dat hij deze hooge bediening uitgeoefend heeft (tien jaren van geweld voor zijne nederige deugd), smeekte hij, zooals hij later aan, een vertrouwd priester mededeelde, dagelijks in de H. Mis den Heer, dat deze hem van dat gevaarlijk eereambt zou verlossen. Niettegenstaande zijn weerzin, ontving hij alle personen die zich bij hem moesten aanbieden, met vriendelijke voorkomendheid; alles, zonder aanzien des persoons, wikkend met de schaal van Gods geboden. De groote macht die hem op deze wijze verschaft werd, gebruikte hij nooit voor eigen nut of dat zijner Congregatie. Daarentegen benuttigde hij zijn invloed bij de
84
regentes, bij Mazarin en de andere rijksgrooten, om de bisschoppen, de mannen- en vrouwenkloosters en de abdijen zooveel mogelijk van dienst te zijn in kerkelijke aangelegenheden.
Het was tijdens zijne zitting in genoemden âRaad voor het bestuur van kerkelijke zakenquot;, waarschijnlijk kort na 's konings afsterven (1644), dat Frankrijk met de grootste zijner rampen in dit ongelukkig tijdvak, des Heiligen ontijdigen dood, bedreigd werd. Dezes reuzenarbeid, zijne boetedoeningen, het gebrek aan rust voor een zeventigjarige, maar vooral zijn nameloos martelaarschap, doordat hij, de verdienstlooze in eigen oogen, de raadgever der regentes zijn moest, â dat alles te zamen, was machtiger dan zijn goede wil en bracht hem op den rand van het graf. Hij werd zoo ernstig ziek, dat zijne geestelijke kinderen niet anders meer dan den dood verwachtten; allerhande geloften werden er aan God en de H. Maagd gedaan voor zijn behoud. Een van Vincentius' leerlingen, de jeugdige priester Antoine Dufour, lag gelijktijdig met den Heilige op het ziekbed. Hij bad God, zijn jeugdig leven te nemen in de plaats van dat zijns geestelijken vaders, die nog zoo nuttig zijn kon voor de geheele H. Kerk. Aanstonds na dat gebed begon Frankrijk's apostel in beterschap toe te nemen, terwijl de heldhaftige jongeling blijkbaar in krachten afnam en spoedig daarop stierf. Deze daadzaak, die aan het wonderbare grenst, zal ons nog meer een mirakel toeschijnen, als wij van zijn Levensbeschrijver Collet vernemen, dat op het stervensuur van Antoine Dufour, middernacht, er driemaal op Vincentius' deur geklopt werd. Zijne zieken-dieners openden, maar vonden niemand. Toen begon de Heilige, met een zijner Congreganisten, het âOfficie der Overledenenquot; voor dien jeugdigen priester te bidden; dit, nog vóór dat iemand hem dezes overlijden had medegedeeld.
Bij al zijn arbeid, het besturen zijner Congregatie, het benoemen van bisschoppen en andere geestelijke waar-digheidsbekleeders, het bezoeken der galeiboeven en der armen, het regelen der Broederschappen van Liefdadigheid en het verzamelen van aalmoezen voor de door den oorlog uitgeputte landen, vond Vincentins nog tijd, om alom het oog gevestigd te houden op het heil der zielen en het instellen van nieuwe liefdewerken. quot;Waar er zielen in nood waren, ⢠daar was hij in eigen persoon aanwezig, of door zijne geestelijke kinderen, de Lazaristen. Aldus zond hifj zi/jne missionarissen, op verzoek van de Romeinsche âCongregatie tot voortplanting des Geloofsquot;, naar het barbaarsche en onherbergzame Madagascar; hij zorgde voor een missiepost te Tunis, waar vele christenslaven, door wanhoop in gevaar zelfmoordenaars of geloofsverzakers te worden, voortaan martelaren werden ter wille van den Godsdienst hunner vaderen. Geholpen door de Dames der Liefdadigheid, zooals wij reeds zagen, stichtte hij ook het Hopital-Jcsus en een Godshuis voor twintig oude mannen en evenveel oude vrouwen, die zonder hunne schuld tot armoede vervallen waren. Ook legde hij de kiem tot het latei-beroemd geworden groot armenhuis van Parijs, la Sul-petrière; eene inrichting, waar, met verloop van tijd, duizenden leniging naar ziel en lichaam zouden ontvangen. In de eerste jaren der minderjarigheid van Lodewijk XIV, wist hij strenge plakkaten te verkregen tegen de godslastering en het tweegevecht; het laatste euvel vooral, had, niettegenstaande de wetten van sommige koningen, in de laatste tijden weelderig voortgewoekerd. Ook tegen de vrijheid van drukpers, waardoor de staatsberoeringen vaak langdurig werden onderhouden en een gevaarlijk karakter aannamen, trok de man Gods, in den Raad waarin hij zitting had, met zooveel klem te velde,
86
dat de handelooze en zedelooze pers niet weinig besnoeid werd. Mede door zijn toedoen, werden, in denzelfden tijd, de schandelijke en zedelooze tooneelvoorstellingen geheel en cd afgeschaft, waardoor jong en oud in het Parijs dier dagen tot in den grond bedorven werd. Ook de Staatsgevangenen der Bastille, die tot dan aan hun lot overgelaten geweest waren, kregen op zijn verzoek een vasten hulppriester, die hen hun lot geduldiger deed verdragen en hen voorbereidde om, na hun straftijd, als betere leden der maatschappij op te treden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Vincentius' gedrag tijdens de troebelen der Fronde;
zijne dagelijksche levenswijze. De Heilige sticht het Parijsche vondelingshuis.
Nauwlijks was de Westphaalsche vrede geteekend (1648), die Europa tot herademing bracht en ook voor Frankrijk een tijd van voorspoed had moeten doen aanbreken, of er ontstonden nieuwe en zeer noodlottige binnen-landsche troebelen. Helaas, deze vierjarige allergrootste verwarring, bekend in de Fransche Geschiedenis onder den naam van La Fronde (1649â1653), en een latere oorlog met Spanje die tot 1660 duurde, bezwaarde het arme uitgeputte land nog meer ! Tijdens de troebelen had Vincentius, zoowel persoonlijk als in de goederen zijner Congregatie, die ook de goederen zijner armen waren, veel te lijden. Steeds trok hij, tegen het gevoelen van vele oproerige edelen, partij voor de Regeering ; als zijnde zij de partij der orde en der wettige door God gestelde macht. Toen de jeugdige koning en zijne moeder naar St. Gerrnain-en-Laye gevlucht waren, volgde hij hen kort
â
!i
87
daarop naar dezelfde plaats ; dit echter met het uitdrukkelijk doel, bij de koningin-regentes den vrede te bewerken. Hij vermocht nochtans voor het oogenblik niets uit te richten; aangezien de omstandigheden daartoe nog niet geschikt waren. Er bleef hem dus niets anders over dan zijn gewone weg, dat is, God vuriglijk en onophoudelijk te bidden, dat deze in zijne oneindige barmhartigheid den vrede zou herstellen; daarenboven trachtte hij zooveel mogelijk goed te doen. De ellendige tijdsomstandigheden hielden hem derhalve geen oogenblik terug van zijn alles-omvattenden arbeid; hij vergat eigen ongelukken en die zijner Congregatie, om te meer aan het lichamelijke en zieleli/jden te denken van de arme bevolking van Frank-rijk's hoofdstad en provinciën. Dagelijks gingen zijne priesters, die de vroegere liefdewerken in Lotharingen nog niet ontwend waren, van dorp tot dorp; deze leidden lastdieren aan de hand, beladen met allerhande levensmiddelen, kleedingstukken en medicijnen, om die uit te deelen waar nood was. Menig behoeftig huisgezin dankte ook nu weder aan Vincentius' vaderzorgen zijn behoud; zulks, op hetzelfde tijdstip dat meer dan een Lazarist, door overmatige vermoeienis, groote ontbering of besmettelijke ziekte er het leven bij inschoot.
Zoowel in deze onzalige dagen als in andere gelegenheden, ook wanneer hij in de best gemeende zaken werd tegengewerkt, bleef Vincentius geduldig, blijmoedig, en volmaakt met Gods H, Wil tevreden. Dit moge niemand onmogelijk toeschijnen. Niet alleen immers dat hij in die dagen reeds een groot Heilige was, maar hij leefde daarbij als in God verslonden. Zelfs waar hij met de meest verstrooiende bezigheden overstelpt werd, hield hij, om mij aldus uit te drukken, steeds één oog op den Heer geslagen. Zoovele malen verhief hij zijn ha t tot God, dat men gerust zeggen kan, dat hij voortdurend en on-
afgebroken bad. Wat ook de Heer over hem komen lietr goed, slecht, onaangenaam, verkwikkend, onverwacht, vooruitgezien, gemakkelijk of ingewikkeld, alles beschouwde hij als komend van een Vader die over hem waakte; een Yader, die dat alles alleen zóó en niet anders wilde, tot zijne eeuwige glorie en de zaligheid van vele zielen. God mocht hem lijden overzenden, wederwaardigheden, aanvechtingen des duivels, tegenspoed, z ekte of vervolging der menschen; welnu, de Heer wilde zulks of liet het althans toe, Vincentius wilde het dus ook, om God. Zonder ophouden haakte hij naar het innerlijke leven met Christus en naar het uur van scheiden; het uur, waarop alle gevaar voorbij zou zijn. Vaak, in de stilte van den nacht of voor het Tabernakel, verzuchtte hij met den H. Paulus: âVoor mij is het leven Christus, en het sterven een gewin!quot; (Philipp. 1. 21). Van daar dat hij menigmaal heete tranen stortte over de ellende dezer wereld, en de geestelijke ellende die hij nog in zijne ziel meende waar te nemen. Steeds was zijne hoop als een anker in den hemel gevestigd; die goddelijke deugd van hoop, die koninklijke hoop,, die hem boven allen en alles verhief. Werd hij geprezen, dan bracht zijne nederigheid alle verdienste tot God terug; werd hij veraederd, dan vei heugde hij zich en beschouwde hij die vernederingen, als evenveel kostbare genadegaven die hem de gelegenheid boden zichzelf meer en meer te overwinnen. Zoo was het inderdaad. De minste vernedering gaarne om God verdragen, kost iedereen meer dan de verhevenste beoefening der deugd; daarom juist brachten Vincentius' vernederingen, aan veelvuldige verstervingen en aanhoudend gebed gepaard, den Heilige tot den hoogsten trap van deugd en volmaaktheid,
Keeren wij nu. Lezers, een oogenblik in ons zeiven. Helaas! Waar is, in onze dagen, de kostbare deugd van
89
nederigheid nog te vinden? Ik denk hier niet eens aan de grootste aller ondeugden, de hoovaardigheid; die toch brengt sommige zielen, als eene straf Gods, vaak tot de vreeselijkste, meestal vleeschelijke zonden. Helaas, ook de brave personen die openlijk getuigen dat zij de deugd hoogachten, ja, lieden, die naar de volmaaktheid streven, kunnen soms niet één enkele vernedering verdragen. Gewis, het is meer dan gemakkelijk, in de stilte des harten, in de overweging, in het gebed, te verlangen, te beloven zelfs, nederig te zullen zijn; te meenen dat men voortaan alles zal kunnen verdragen. Arme zielen, nauwlijks komt de bekoring, nauwlijks wordt gij tegengesproken, beknibbeld, uitgelachen, belasterd, of al uwe volmaaktheid is weg, al uwe voornemens zijn vergeten; alleszins een bewijs, dat de hoogmoed nog niet in u gestorven is. Wilt gij inderdaad voortgang maken in de deugd, wilt gij Jezus waarlijk aangenaam zijn, verdraagt dan eene beleediging, houdt uw mond vastgesnoerd, zelfs daar, waar gij val-schelijk beschuldigd of belasterd wordt. Gelooft vrijelijk, wanneer men u ten onrechte beleedigt, en de eer van God of de zaligheid van den evenmensch eischt niet dat gij spreekt (hetgeen zeer zeldzaam zijn zal), zoo verdient gij meer met één enkelen keer zulks stilzwijgend te verdragen, dan een heelen dag in volle zalving des harten te bidden en te vasten op water en brood. Maar, het kost moeite ! Welnu, wilt gij, mijne Lezers, volmaakt worden, wilt gij uw Jezus waarlijk beminnen, vraagt Hem dan de deugd der stilzwijgende nederigheid; ook, waar gij beleedigd wordt. Oefent u daarin, niet één keer, maar dagelijks, telken male opnieuw; al zoudt ge niet zeven, maar zeventigmaal zeven keeren van meet af moeten beginnen.
Een der bekende voorstellingen van den H. Yincentius a Paulo, teekent ons dezen man der Voorzienigheid als
90
eeu allereenvoudigst gekleed priester, die in de plooien van zijn mantel een schamel gedekt wichtje draagt; meestal bevindt zich, bij die voorstelling, nog een tweede van koude verkleumd kindje aan de voeten des Heiligen, dat zijne armpjes naar hem uitstrekt. Ziedaar het portret van den zaligen man, als redder der vondelingen; een portret, waarop hij volkomen recht heeft. Inderdaad, Vincentins is de voedstervader en de redder geweest van een ontelbaar aantal door de maatschappij weggeworpen kinderen, die hij het H. Doopsel toediende en voor wier echt christelijke opvoeding hij zoig droeg door oprichting van zijn vondelingenhuis.
De Lezer die eenigzins met de Geschiedenis dei-Zeventiende eeuw bekend is, weet hoedanig, vóór dat de Heilige zich die arme wezens aantrok, het lot was der vondelingen in eene wereldstad als Parijs, waar jaarlijks in dezen tijd van oorlogsverwarring en godsdienstige onverschilligheid, door de verregaande liefdeloosheid of armoede van ouders zonder geloof en zonder zeden, drie tot vierhonderd kinderen te vondeling gelegd werden. Gebeurde het dat de politie zich met die weggeworpen schepseltjes moest belasten, dan was het rekken van hun ellendig bestaan, de eenigste weldaad die de Stadsregeering hen verschafte. Eene hardvochtige weduwe toch (die zelve getuigd heeft, dat zij nooit eenig kind heeft iateu doopen) en eenige andere personen zonder hart en zonder deugd, moesten in dat geval voor hun onderhoud en hun welstand zorgen. Het grootste aantal stierf na korteren of langeren tijd; en zulks niet zelden door de hand der bewaaksters, met goud omgekocht of door ongeduld daartoe aangezet. Die het leven behielden, behielden dat meestal tot hun eeuwigen ondergang; tenzij eenige barmhartige huismoeders zich over hen ontfermden en de diep ongelukkige wezens eene
91
brave opvoeding verschaften te midden barer eigen kinderen.
De H. Vincentius aanschouwde nauwlijks dezen diepge-wortelden kanker der Parijscbe wereldstad, of hij werd er tot in het binnenste zijner barmhartige ingewanden door geroerd. Aanstonds verzocht hij eenige dames der Liefdadigheid zich liet lot dier kleinen, zooveel doenlijk, aan te trekken. Zij begonnen, aan zijne roepstem gehoor gevend, met het openbaar vondelingshuis, la Couche genaamd, te bezoeken; het bleek niet voor verbetering vatbaar te zijn. Daarom besloten zij, voorloopig twaalf kinderen uit dat huis aller ellende te verlossen; om de H. Voorzienigheid Gods te eeren, wierpen zij het- lot over al de kleinen (1638). De gelukkigen werden geplaatst in een klein huisje buiten de stadspoort St. Victor, onder de leiding van mevrouw Legras en eenige barer Liefdezusters.
Langzamerhand kwam er hulp en geldelijke onderstand ; toen werd het getal der uitverkorenen grooter. Zoo dikwijls de Heilige gelegenheid kon vinden, kwam hij zijne lieve kinderen bezoeken; dan moedigde hij de Liefdezusters aan, in baar verdienstelijken doch zeer moeitevollen arbeid. Ook hijzelf nam zijn aandeel in deze aangelegenheid, en niet het minste. De Schrijver van het korte leven des Heiligen, dien ik op het einde van het -ie Hoofdstuk heb aangehaald, schrijft te dezer plaatse ongeveer als volgt. Meerdere malen zag men hem, in het winter-nachtelijk uur, door de meest afgelegen wijken van het besneeuwde Parijs rondzoeken, om de weggeworpen kindertjes op te nemen. Vond hij er een of meer, dan wikkelde hij die ongelukkige schepseltjes in zijn mantel en snelde, soms onder zijn last zwoegend, naar het armoedige verblijf buiten de S. Victor-poort om ze aan de engelen der Liefde over te geven. Men verhaalt dat de barmhartigheid des Heiligen zoozeer op prijs gesteld werd
92
in geheel Parijs, dat hij eens, des nachts door gewapende gauwdieven aangevallen, slechts zijn naam behoefde te noemen om hunne bedreigingen in dankbaarheid te doen verkeeren; de misdadigers vielen op hunne knieën en vroegen hem om zijnen priesterlijken zegen. Ziehier een kort uittreksel uit het Dagboek der eerste tijden, door een der godvruchtige dames bijgehouden (1639). Deze weinige woorden zijn, in hun eenvoud, een monument voor Vincentius; een monument, dat meer uitdrukt dan staal of marmer zouden kunnen doen.
22 Januari. Mynheer Vincent komt om elf uur des avonds; hij brengt ons twee kinderen. Het een kan zes dagen oud zijn, het andere is grooter. De ongelukkige kleinen weenden.
26 Januari. De arme Mr. Vincent treedt binnen, verkleumd van koude. Hij brengt een kind van eenige jaren mede; een lief schepseltje met blonde haren en een merkteeken op den arm. O God, wat moet zijne moeder een steenen hart gehad hebben, om zoo'n klein lief kind weg te werpen!
1 Februari. Mgr. de aartsbisschop is van daag hier geweest. Zoo iets is noodig, want wij hebben groote behoefte aan alles; het werk gaat maar zachtjes aan, en Mr. Vincent houdt geen rekening met de gelden, waar er spraak is van nieuwe kleinen op te nemen.
7 Februari. Er heerscht een scherpe wind. Mr. Vincent kwam ons heden bezoeken; hij komt altijd te voet. Onze Overste verzocht hem wat te rusten ; maar hij is dadelijk naar zijne lieve kleinen heengeloopen. Het is aandoenlijk om zijne zoete woorden tot de kinderen te hooren; zij luisteren naar hem als naar een vader. Maar hij verdient het ook, die goede Mr. Vincent. Ik zag hem vandaag weenen, een der kleinen was gestorven. âAchquot;, sprak hij, âhet is een engeltje geworden, maar toch valt
93
het mij hard, het kind niet meer te zien!quot; Tot hiertoe de aangehaalde Schrijver.
O, gij, weldoeners volgens de negentiende eeuw, die den schoonklinkenden naam van philantropen draagt, treedt hier toe en leert, wat beminnen is om God! Neen, niet om roem of eer voor de ijdele wereld te vergaderen, niet om van anderen gezien te worden, maar om in stilte gelukkigen te maken, arme zwervelingen te redden voor het oog van den God die alles ziet, terwijl de wereld het niet weet; dat is de ware liefde! Dat, tot het uiterste doorvoeren, kan alleen een Heilige der katholieke Kerk! Maar ook gij, die, in navolging van den H. Vincentius, uwe liefdewerken doet voor God en niet voor de wereld, treedt toe; want hier kunt gij nog veel leeren. Leert van den zaligen Apostel der naastenliefde, uw evenmensch te beminnen niet omdat gij daar geneigdheid toe gevoelt, maar, omdat God het zoo van u verlangt. Indien gij aldus om God bemint, dan zult gij niet heden uwen naaste helpen en het morgen achterlaten, al naar de mate uw luimen zulks voorschrijven; maar gij zult steeds het gebod der liefde volbrengen, ook waar het moeite kost, iederen dag, ieder uur. Dan zult gij uwen evennaaste tegemoet komen, ook, waar anderen van uwe liefdediensten onkundig blijven; ook, waar gij ondank voor loon te wachten hebt. Dan zult gij tevens, overal waar het mogelijk is, denken aan de zielen der ongelukkigen, die eeuwig leven moeten ; en u niet bepalen bij het lichaam, dat eenmaal sterven zal.
Het volgend jaar (1640) riep de Heilige alle dames die eenige belangstelling in het Werk der vondelingen getoond hadden, te zamen. Toen werd er besloten, bij wijze van proefneming, alle kinderen zonder uitzondering op nemen. Na dat besluit zocht hij verscheiden welgestelde personen te bewegen, gelden af te staan voor die arme.
94
ongelukkige schepselen. Hij ontving veel; van de koninginmoeder zelfs twaalfduizend franken (van dien tijd) jaar-lijksche renten. Toen echter, eenige jaren later (1648), de jaarlijksche onkosten tot veertigduizend pond liepen, en de tijdsomstandigheden door de ophanden zijnde troebelen der Fronde dagelijks benarder werden, begonnen de dames der Liefdadigheid zich te laten ontmoedigen. Daarom riep hij haar in eene buitengewone vergadering bijeen, en hield hij eene lange redevoering, die hij ongeveer aldus eindigde.' âUwe naastenliefde en uw christelijk medelijden, mevrouwen, hadden u vroeger doen besluiten, de arme kleine vondelingen als het ware tot uwe kinderen aan te nemen. Sinds hunne eigen moeders naar de natuur ze hebben weggeworpen, zijt gij hunne moeders geworden naar de genade; en nu, nu zoudt gij er eensklaps over nadenken, op uwe beurt de ellendige schepseltjes te verlaten die aan alles, naar ziel en lichaam, behoefte hebben? Welnu, het zij zoo! Houdt op hunne beschermsters te zijn! AVeet echter wel, dat gij, op hetzelfde oogenblik waarop gij die kinderen aan hun lot overlaat, de rechters wordt die hen ten doode doet opschrijven ! Derhalve bedenkt u ; bun leven en hun dood ligt in uwe handen! Ik ga de stemmen opnemen van allen die hier vergaderd zijn. Het is tijd te weten of de meerderheid uwer die ongelukkigen redden wil; of de meerderheid deze vondelingen tot den dood veroordeelt, dan wel verlangt dat zij leven zullen! Trekt gij uwe hand terug, zoo is hun ondergang waarschijnlijk; zeiven hebt gij in vroeger dagen gezien, welk hun lot is! Oordeelt dus!quot;
Geen twijfel aan den uitslag. Deze gevoelvolle woorden van een man die zelf alles opofferde voor anderen, maar hier, zonder de krachtige hulp der. Dames van Liefdadigheid niets vermocht, raakten aller harten; niet
eene die tegenstemde. ISTeen, allen besloten, wat moeiten en schatten het kosten zou, de vondelingen te blijven verzorgen. Eenigen richtten zich zelfs tot het Hof; in naam des jeugdigen konings, Lodewijk XIV, werd haar het kasteel van Bicêtre geschonken. Dewijl de lucht daar echter te scherp was, huurden zij een groot gebouw op het uiteinde der voorstad St. Lazare, waar zij de kinderen aan een twaalftal van Vincentius' Liefdezusters toevertrouwden. Dezen leerden de kleinen eerst spreken en bidden ; vervolgens de beginselen van den Godsdienst. Bij het toenemen der jaren onderwezen zij zeiven de meisjes, en plaatsten ze de jongens als leerling in eenig ambacht; zoo werd voor allen degelijk gezorgd, totdat zij in eigen onderhoud konden voorzien. De Dames eindigden met een groot vondelingshuis te bouwen in de voorstad St. Antoine, op zulk een voet, dat het onderhoud der kinderen jaarlijks hon-derd-en-vijftig duizend Fransche ponden van dien tijd vergde. Ten tijde van den Schrijver Collet, werden ei-meerdere duizenden verpleegd.
TIENDE HOOFDSTUK.
Verheven deugden van den H. Vincentius a Paulo.
Zijne laatste werken en dood; zijne heiligverklaring.
Alhoewel de H. Vincentius niet ophield te werken, ook na de Stichting van het laatste zijner groote instellingen, het vondelingshuis, maar arbeidde zoolang het dag was, moeten wijzelven wel eindigen met te verhalen over de uitwerkselen van zijn apostolischen zielenijver; wilden wij al de wonderwerken der naastenliefde mededeelen, die dezen man der Voorzienigheid in zijn leven van vier-
96
en tachtig jaren gewrocht heeft, voorwaar, wij zouden boekdeelen moeten vullen. Bepalen wij ons derhalve met hier nog de beschouwing bij te voegen van eenige zijner meest in het oog vallende deugden, om met zijn kostbaren dood en zijne heiligverklaring te eindigen.
Dewijl het Geloof de grondslag is van alle waarheid, hield Vincentius deze goddelijke deugd terecht voor den grondslag waarop hij het gebouw zijner volmaaktheid, zijner heiligheid moest optrekken. Voor het Geloof, heeft hij bange dagen doorleefd als slaaf te Tunis; in den tijd dat een liefdevol maar dwalend meester hem zijn dierbaarst pand wilde ontrooven. Voor het Geloof, heeft hij vier jaren lang de verschrikkelijkste bekoringen bevochten. Voor het Geloof, heeft hij zijn vaderland vele malen te voet doorloopen van dorp tot dorp ; de kinderen leerend, de volwassenen vermanend, niet Katholieken alleen te heeten maar als Katholieken te leven. Voor het Geloof, heeft hij zijne Congregatie ingesteld; opdat zijne leerlingen het schoonste land der wereld. Frankrijk, door hunne aanhoudende missiën, zouden bekeeren, zouden verbeteren, deugdzaam zouden maken. Het Geloof eindelijk, was zóó levendig in hem en zóó werkdadig, dat het al zijne woorden, werken en gedachten verlevendigde, beheerschte en regelde ; het Geloof deed hem oordeel vellen, zijne plannen opmaken en ten uitvoer brengen. Nooit vroeg hij zich af, wat de wereld ivel denken zou, zeggen, doen; zijn woord was alleen, wat wil God, wat schrijft zijne Wet, zijn Evangelie voor?
Eene tweede hoofddeugd des Heiligen, die noodzakelijk uit de eerste voortkwam, was de goddelijke deugd van Hoop-, eene deugd, die zich openbaarde in zijn onwankelbaar vertrouwen op den Heer. Ja, zijn vertrouwen in God was sterk genoeg om hem, gelijk ook andere Heiligen dat gedaan hebben, somwijlen te doen hopen
97
tegen alje menschelijke hoop in. Allergeringst van afkomst, arm als een bedelaar, minste onder zyne medepriesters, heeft hij ontelbare zaken van het allergrootste nut tot stand gebracht; zaken, welker uitvoering geen koning of bisschop, met al hunne macht, mogelijk achtten. De arme Vincentius echter begon ze niet alleen, maar door zijn wonderdadig vertrouwen op den barmhartigen Vader des hemels, heeft hij ze, voor het heil van een onnoemelijk aantal zielen, tot een goed einde geleid. Door en met God, heeft hij instellingen in het leven geroepen, die voor het menschelijk zelfvertrouwen niet levensvatbaar waren. Hij heeft aan het landvolk missionarissen gegeven, aan het leger aalmoezeniers, aan de galeiboeven helpers en vertroosters, waar die ontbraken; hij heeft den armen eene Broederschap van Liefdadigheid bezorgd, aan de zieken en vondelingen Zusters van liefde, aan de Heidenen geloofspredikers; de Fransche Geestelijkheid heeft hij tot de volmaaktheid des priesterlijken levens gebracht, hunne bisschopszetels met heiligen bezet; geheele ⢠provinciën, eindelijk, heeft hij met brood verzadigd, hospitalen heeft hij opgericht, krankzinnigen verzorgd, onverbeterlijke jongelingen tot brave burgers opgevoed ......! En waarom heeft één mensch dat alles
kunnen doen; één mensch, dien reuzenarbeid tot stand kunnen brengen? Omdat die mensch, die Heilige, noch op zichzelf, noch op menschelijke krachten gebouwd heeft; maar op den Heer. die zijn toevlucht was. Op God, die nooit de smeekingen verwerpt van degenen die waarlijk in Hem hopen!
Die overmaat van vertrouwen nam telken dage grooter afmetingen aan, omdat Vincentius zijn God ook oprecht beminde. Inderdaad; hij had den Heer lief, en, om Hem, ziin evenmensch in zulk eene mate, dat die liefde hem geheel beheerschte. Van daar, dat hij alle oogenblikken
H. Vine, a Paulo IT, 3. 7.
98
zijns levens poogde, God ook door anderen te doen beminnen. Van daar, dat hij, al de dagen zijns bestaans, als beginsel huldigde: âDat iemand, wil hij den Heer in groote zaken behagen, zich tot gewoonte moet maken, Hem, uit de volheid des harten, ook in kleinere dingen te dienenquot;. Voorname zaken immers geschieden somwijlen uit eigenliefde ; kleine en onaanzienlijke slechts uit ware liefde tot God, dewijl zij onopgemerkt blijven. Van daar, dat, als hij predikte of over godsdienstige zaken in het algemeen sprak, zijne woorden, hoe eenvoudig en nederig overigens, overvloeiden van de zalving der goddelijke liefde; van eene liefde, die als een stroom uit zijne beminnende ziel losbrak en alles, wat weerstand bood, in de harten zijner toehoorders overweldigde. Van daar, dat hij, zooals geheel het leven des Heiligen wat wij verhaald hebben, getuigt, zich niet tevreden stelde met woorden alleen. Neen, zijne liefde was werkdadig; derhalve beval hij, dringend en herhaaldelijk aan zijne leerlingen: âDat zij God in het zweet huns aanschijns moesten beminnenquot;. Zoo leeraarde hij; zoo deed hij ook zelf.
Onder zijne verdere deugden muntte vooral uit, zijne alomgekende zachtmoedigheid. Toch had deze deugd hem veel gekost; hij verkreeg haar alleen door langdurig gebed, waakzaamheid en aanhoudende oefening Maar hij verkreeg haar in zulke mate, dat de H. Vincentius a Paulo vrijelijk (met den H. Franciscus van Sales) de zachtmoedigste meusch zijner eeuw genoemd raag worden. Soms moest hij achtereenvolgens uiterst beschaafde en geestige, daarna zeer onontwikkelde en slecht opgevoede menschen te woord staan; toch bleef hij bij beiden zichzelf gelijk, noch vleiend, noch hard, noch ongeduldig, noch teekenen van verveling gevend. Hij scheen het evenbeeld te zijn van onzen goddelijken Heiland, bij dezes omwandeling op aarde.
99
De wereld, zooverre zij de wereld is waarover de Heer het âweequot; heeft uitgesproken, verachtte hij uit den grond zijns harten; hij haatte de grootheid, de voornaamheid, den roem, de gezochtheid, zonder nochtans de personen zeiven te minachten. Voor zich en do zijnen was hij geheel onthecht aan de zaken dezer aarde, en beminde hij de heilige armoede en de nederigheid zooveel hij maar kon. Zijne kleederen waren meer dan eenvoudig, meestal zeer versleten en armoedig; zijne kamer was ellendig om aan te zien. Deze laatste bevatte noch haardstede, noch meubelen; twee strooien stoelen, een houten tafel, en een ledikant zonder bedgordijnen waren al zijn huisraad. In het ledikant bevond zich enkel een stroozak, een hoofdpeluw en ééne deken. Zijn kostelijkst en meest bemind sieraad was een eenvoudig kruis, maar een kruis dat getuige geweest is van zijne gebeden, zijne tranen, zijne boetedoeningen en zijn lijden; een kruis derhalve, dat meer waard was dan de gouden versierselen der koningspaleizen. Vincentius' zucht naar armoede kwam voort uit zijne zucht naar versterving; beide deugden waren tweelingsznsters in hem. Zijne verstervingen bracht hij te pas, waar zulks gevonden kon worden; in en door alles, bracht hij zichzelf dagelijks aan God ten offer. Hij verstierf zich in zijne oordeelen, in zijn wil, in de geneigdheden zijns harten, in zijne zintuigen, in eten, drinken, houding en slapen ; in een woord, in al de vermogens van zijn lichaam en zijne ziel. Wel bezat hij eene zekere aangenaamheid in de samenspraak, wel wist hij veel en had hij veel gezien ; maar de geneigdheid tot spreken (meestal eigen aan personen die deze hoedanigheden bezitten) wist hij, om God, meesterlijk te onderdrukken en aan de versterving dienstbaar te maken.
quot;Wij kunnen, wegens ons beknopt bestek, onmogelijk doorgaan, met over de andere deugden van Frankrijk's apostel
100
uit te weiden; wij zwijgen dus van zijne boven allen lof verheven kuischheid, van de eigenaardige wijze waarop hij steeds in Gods tegenwoordigheid wandelde, van zijn aanhoudend gebed, van zijn mistrouwen in eigen wijsheid, eigen kracht, enz. Overigens hebben wij reeds enkele dezer deugden hier en daar in ons werkje verhandeld. Wij willen hier echter nog een kort woord aan toevoegen, over zijne liefde tot Maria en tot Jezus in het li. Sacrament des altaars. Allervurigst beminde hij zijne lieve hemelsche Moeder van zijne kindsche jaren af; zoo mogelijk nog meer na de zichtbare bescherming, die Zij hem in zijne slavernij en bij zijne vlucht uit Tunis verleend had. Daags voor hare feestdagen vastte hij, en deed hij eenige verstervingen en andere goede werken, om zich tot baar feest voor te bereiden. Op de feestdagen-zelve droeg hij steeds eene plechtige H. Mis op, als de omstandigheden het veroorloofden; hij celebreerde dan met zoodanige gevoelens van godsvrucht, dat men duidelijk bemerken kon, hoe hoog hij zijne lieve Moeder Maria vereerde. Wanneer zulks mogelijk was, las hij de H. Mis in hare bevoorrechte kapellen of aan de altaren haar toegewijd. Een der voornaamste artikelen van den Kegel dien hij aan zijne leerlingen achterliet, schrijft voor: lo. Dat zij iederen dag, met de noodige aandacht en godsvrucht, iets bijzonders ter eere van Maria doen moeten. 2o. Dat zij, zooveel het in hun vermogen is, de deugden van Maria zullen navolgen ; vooral hare nederigheid en hare zuiverheid. 3o. Dat zij, overal waar het gevoegelijk kan geschieden, den eeredienst van Maria in de harten hunner toehoorderen zullen aankweeken. |
Meer nog muntte de H. Vincentius uit, in liefde tot heti H. Sacrament. Met de meeste ingetogenheid las hij de II. Mis ;i sommigen die hem niet kenden, zegden, nadat zij hem het|
101
H. Sacrificie hadden zien opdragen, dat hij wel een heilig man moest wezen, â anderen, dat zij een engel aan het altaar meenden te zien. Wanneer zijn allesomvattende werkkring hem een oogenblik verpoozing liet, snelde hij heen naar het tabernakel, om zijn verborgen God te aanbidden. Een ooggetuige deelt ons mede, dat zijne oprechte godsvrucht en zijn eerbied, zich daar openbaarde in de wijze waarop hij zich gedroeg. Immer lag hij dan op de knieën, maar met zulk eene nederige houding, alsof het scheen, dat hij zich tot onder de aarde wilde vernederen; men zou gezegd hebben, dat hij inderdaad Ons-Heer met zijne lichamelijke oogen aanschouwde. Toen hij, in zijn hoogen ouderdom, de H. Mis niet meer kon lezen, communiceerde hij dagelijks met gevoelens, die aan allen eene geestesverrukking toeschenen, tiet gevolg van dat eucharistisch leven was, dat hij bij de zijnen, en bij al degenen die hij over het geestelijke leven onderhield, er steeds op aandrong, toch te zorgen Jezus dikwijls en icaardig te ontvangen. Zien wij nu nog, hoe zijn overgang was van de aarde naar den hemel.
Toen de heilige grijsaard tachtig jaren oud geworden was, begon zijne gezondheid langzamerhand af te nemen. Alhoewel van nature zeer sterk gebouwd, waren zijne krachten grootendeels gesloopt door zijn eeuwigdurenden reuzenarbeid, zijne jarenlange apostolisclie reizen, en de gestrengheden zijner boeteplegingen en verstervingen. Daarbij openbaarde zich, omstreeks denzelfden leeftijd, behalve andere ongesteldheden, ook eene op gezette tijden terugkeerende koorts; nacht op nacht onderging hij daardoor zulke afmattende zweetingen, dat deze hem geheel ondermijnden. Toch bleef hij regelmatig te vier ure des morgens opstaan, de H. Mis lezen, en eene langdurige overweging houden. Toen hij zijn twee-en-tachtigste levensjaar bereikt had, hield hij eene solemneele Verga-
H. Vine, a Paulo II, 3. S
102
dering zijner leerlingan in het Huis St. Lazare te Parijs. Tot nu toe, bad hij wel voorschriften aan zijne Lazaristen gegeven, maar geen eigenlijken Congregatie-Regel; vooraf immers had hij degelijk willen onderzoeken, welke behoeften naar ziel en lichaam zijne kinderen in het werkzame leven zouden hebben. Maar nu, nu hij zijn einde voelde naderen, wilde hij hen niet als hulpelooze weezen achterlaten. Hij gaf hun daarom in deze Vergadering ieder een afdruk zijner Statuten, en vermaande hen met de meest vaderlijke teerhartigheid en het gezag van een apostel, deze voorschriften nauwkeurig te onderhouden; dan zouden zij met zekerheid zichzelven heiligen, en vele anderen ter zaligheid brengen. Waarlijk, Vincentius' Regel, waarvan wij terloops in dit werkje den geest hebben doen doorschenreren, goed nageleefd, is in staat de Lazaristen tot volmaakte priesters te vormen, hen met zekerheid te bewaren van het ongeloof der allesaf-brekende nieuwere tijden, en hen met vrucht, niet alleen aan de zaligmaking maar aan de heiligmaking van zeer vele volkeren te doen arbeiden. Eenige jaren na des Heiligen zaligen dood, heeft Paus Clemens X opnieuw Vincentius' Stichting, en waarschijnlijk ook in het bijzonder dezes Regel, bekrachtigd.
Alhoewel de koorts dag en nacht den heiligen dienaar Gods bleef plagen, en derhalve zijne nachtelijke legerstede eerder eene martelplaats dan een rustbed genoemd moest worden, wilde Vincentius nooit door den dag de ontbre kende nachtrust inhalen. Al te zeer was hij overtuigd, dat de tijd der eeuwige rust aanstaande was; daarom wilde hij rusteloos bidden en arbeiden, zoolang liet dag was. Eindelijk nam het zwellen zijner beenen en zijner voeten, dat zich reeds tijdens zijn verblijf bij de familie De Gondi vertoond en hem nooit meer geheel verlaten had, in die mate toe, dat hij, om de onuitstaanbare
103
smarten te verdragen, al het geduld van een Heilige noodig had. Overal ontstonden er etterende wonden, die, nadat zij des nachts toegegaan waren, hem bij de verzorging van den volgenden ochtend zooveel pijn veroorzaakten, dat zij zijn einde zeer verhaastten.
Bij al die zware ongesteldheden en lichamelijke verzwakking, verhief zijn geest zich als boven de mensche-lijke natuur. Hulpeloos gelijk hij was, bleef hij toch zelf zijne Lazaristen en Liefdezusters van uit zijne ziekenkamer besturen, als in de beste dagen zijns levens. Toch bleek het voor ieder die hem bezocht duidelijk, dat dit slechts een bovennatuurlijk pogen was van de wilskracht eens Heiligen; zijne dagen waren geteld. Slechts later heeft men vernomen, dat hij zich sinds achttien jaren dagelijks op den dood had voorbereid. Eindelijk kwam deze, doch niet als een dief in den nacht. quot;Wat zou de dood er hier ook bij gewonnen hebben? De strijder was gereed, en had, vele jaren reeds, verlangd ontbonden te worden en met Christus te zijn. Den 25sten September (1660), tegen den middag, werd de slaperigheid die hem tengevolge zijner lijdensnachten en zijner groote zwakheid sinds eenige dagen overviel, zichtbaar grooter. Ondanks zijn toestand, hoorde hij den volgenden dag, een Zondag, de H. Mis en communiceerde hij; zooals hij iederen dag gewoon was, sinds hij het H. Sacrificie des Altaars niet meer kon opdragen. In zijne kamer teruggekeerd, overviel hem zijne slaperigheid opnieuw. Wanneer men hem wekte, antwoordde hij met alle vriende-lijkheid ; maar, een oogenblik later sliep hij weer. De geneesheer, die na den middag kwam, beval dat men den zaligen man het H. Oliesel zou toedienen ; blijkbaar naderde hij de grenzen van het betere Vaderland, voor welks toekomstig bezit hij tachtig lange jaren als een held gestreden had. Des nachts, kou men hem alleen
104
nog voor eenige oogeublikkeii tot bewustzijn brengen, door hem van God te spreken; deed men dat, dan leefde hij een oogenblik geheel op. Nadat hij zijne Congregatie en de Dinsdagsche Vergadering gezegend had, stierf hij den volgenden morgen ten vier ure ; uitgaande als eene lamp, die gebrek heeft aan olie. Zijne schoone ziel vloog ten hemel, op hetzelfde uur dat zijne leerlingen met hunne overweging begonnen; op het uur, waarop hij, sinds veertig jaar, den H. Geest over zich en de zijnen had afgetrokken.
Plaatsgebrek dwingt ons het verhaal achter te laten van de algemeeno deelneming over geheel Europa, in den slag die Frankrijk getroffen had ; alsmede dat van Vincentius' plechtige begrafenis, in de Kerk van St. La-zare. Zijn grafsteen luidde: âHier rust de eerbiedwaardige Vincentius a Paulo; priester. Stichter en eerste algemeene Overste der Missiepriesters en Stichter der Liefdezusters. Hij stierf 27 Sept. 1660; in zijn 85ste levensjaarquot;. De algemeene roep van heiligheid dien Vincentius over bijna geheel de wereld genoot, bevestigde zich langzamerhand door mirakelen, die onder zijne aanroeping geschiedden. Op bevel van Rome opende kardinaal de Noailles zijn graf, den 18 Februari 1712; men vond zijn lichaam geheel ongeschonden, zonder eenigen reuk. In 1729 werd hij gelukzalig verklaard; in 1786 onder het getal der Heiligen gesteld in Gods Kerk. Wanneer de Lezer nauwkeuriger overweegt hetgeen wij in dit boekje verhaald hebben, dan zal hij moeilijk in iemand meerder godsvrucht vinden, levendiger geloof, vastere hoop, vuriger liefde, heldhaftiger geduld, meer werkda-digen ijver, heiliger levensgedrag, meer onthechting aan al het aardsche, dieper nederigheid, dan in den PI. Vincentius a Paulo. Zien wij, ten slotte, wat de Heilige ook voor Nederland geweest is!
105
BESLUIT.
De Conferentiën van den H. Vincentius a Paulo, in Nederland.
In den jare 1832 sloten eenige studenten, die van buiten naar Parijs gekomen waren voor hunne studiën, een vriendschapsbond op de deugd geschoeid; het bijzonder doel was, hunne zielen voor de smetstof der groote en goddelooze stad te vrijwaren en eenige liefdediensten te verrichten. Daarom bestond hun werkkring als gezelschapsleden, in gezamenlijk geestelijke lezingen te houden, elkander door het gesproken woord ten goede te versterken, en den Imiszittenden armen onderstand te verleenen uit penningen op eigen onderhoud uitgespaard. Dit laatste goede werk volbrachten zij met zulk gevolg, dat zij reeds in 1835 een vast Reglement konden opstellen ; daarin werd de apostel der naastenliefde, de H. Vincentius, als voorbeeld en beschermer aangenomen. Toen trad bovengenoemde Vereeniging in het volle licht, onder den naam van Conferentie van den H. Vincentius a Paulo tut hulp der huiszittende armen. Ook toen nog bleef het hoofddoel eigen heiliging; het eerste nevendoel het voorthelpen van huiszittende armen. De Parijsche Vereeniging vond spoedig navolgers in andere plaatsen; navolgers, die met den ijver ook het Reglement der Parijzenaars overnamen. Aldus ontstond langzamerhand de eigenaardige vorm, der nu over haast heel den aardbodem zegenrijk werkende Conferentiën van den H. Vincentius; vereenigingen van brave leeken, die, na eigen heiliging, ook waken over den zieletoestand der hun toevertrouwde arme huisgezinnen, op hetzelfde oogenblik dat zij zorgen voor dezer lichamelijke behoeften. God gaf buitengewonen wasdom; het teedere plantje groeide op tot een boom.
106
welks spruiten (nadat Paus Gregorius XVI de Yereenr-ging had goedgekeurd en niet aflaten verrijkt) spoedig in naburige landen wortel schoten. Sinds dien hebben Pausen en Bisschoppen, herhaaldelijk, hunne hooge ingenomenheid met het godgevallige werk betuigd.
Ook Nederland had het geluk, reeds in 1846, twee tot drie, en weinig jaren later een zeer uitgebreid aantal Conferenties van den H. Vincentius a Paulo in vele steden en sommige grootere dorpen gevestigd te zien. Volgens eene statistiek (dit eigen jaar, ter gelegenheid van het gouden jubilee der Nederlandsche Conferentiën uitgege ven) is sedert haar bestaan uitgedeeld, tusschen veertien en vijftien mülioen gulden aan tweehonderdvijftig-duizend arme gezinnen. Dat was de stoffelijke onderstand in Nederland. Maar wie zal de zegeningen kunnen opsommen, die deze Vereenigingen over het zieleleven dei-ar men van ons Vaderland gebracht hebben? Hoevelen hebben zij van het eeuwig verderf teruggebracht? Hoe-velen, door het woord hunner liefde, opgeheven uit den poel van zedeloosheid en geestelijke ellende ? Hoevelen verlost van doffe onverschilligheid, ten opzichte hunner eeuwige bestemming?
O gij, katholieke Nederlandsche Jongelingschap, die deugdzaam genoeg zijt om deel uit te maken van het edele keurkorps der Conferentiën van den H. Vincentius a Paulo, talm niet langer in het doen van het goede; laat u opnemen in de rijen van die oprechte en ware vrienden der armen, en breng â door uwe stoffelijke hulp â vele verdwaalden ter zaligheid!
EINDE.
J. M. J. V.
INHOUD.
Bladz.
I Jeugd van den H. Vincentius a Paulo, zijne studiën,
zijn Priesterschap; hij wordt als slaaf te Tunis
verkocht ............... 7
II De Heilige wordt opnieuw en herhaaldelijk beproefd. Zijn benoeming tot pastoor van Clichy bij Parijs...............17
III Optreden van den Heilige in de familie DeQondi.
Eerstelingen zijner beroemde bekeeringsmissiën. Instelling der Broederschap van Liefdadigheid . 25
IV Verscheiden missiën. Vincentius wordt Algemeen
Aalmoezenier der Fransche Galeien; zeldzaam
voorbeeld zijner zelfopoffering.......37
V Vincentius en de armen van Macon. De Heilige wordt bestuurder der Visitandienen; hij sticht zijne Congregatie der Lazaristen......48
VI Geestelijke afzondering der Wijdelingen, instelling
der wekelijksche Conferentiën. De Heilige Vincentius roept do groote en kleine Seminariën in het leven................59
VII Vincentius stelt het wereldberoemde Genootschap
zijner Zusters van Liefde in. Herhaalde missiën
bij het leger te velde..........67
VIII De Heilige ondersteunt de door den oorlog uitgeputte landstreken; hij istaat koning Lodewijk XIII bij in zijn sterfuur.........76
IX Vincentius' gedrag tijdens de troebelen der Fronde;
zijne dagelijksche levenswijze. De Heilige sticht het Parijsche Vondelingshuis.......86
X Verheven deugden van den H. Vincentius a Paulo.
Zijne laatste werken en dood; zijne heiligverklaring ................95
BESLUIT. De Conferentiën van den H. Vincentius a Paulo in Nederland..........105
A. M. D. G.