Vak 111
^jiy......c?' -aafcâ'aj»»â^
- - ⢠â --------
,EN
IN HET LK'HT GESTELD NAAK DE REDEVOERINGEN
lt;*)
Kardinaal LAYIGERIE
EN DE BERICHTEN VAN
c X c00
- lt;gt;amp; x d u ^TrS
M
»: |S i t'l l!|i
il
ii f
li.
MISSIONARISSEN EN REIZIGERS.
! [11
3iaat fict %)uihcd
w
HUMANUS.
01tc-t -pot/'t-cc-t -vait S.Stiv. Qiicizdvnaat Saincj-et-ic.
7
k ?
A f
A w
^ 4
DEUK EN UITGAVE VAN
VAN JÃASTFjIGT EN VEf OEVEjt. - AfHEJW.
gvss^-
ii« 138
iw
DE ME1ANDEL IN AFRIKA
EN ZIJNE GRUWELEN,
IN HET LICHT GESTELD NAAR DE REDEVOERINGEN
van
Kardinaal LAYIGERIE
EN DE BERICHTEN VAN
MISSIONARISSEN EN REIZIGERS.
|
diaaz fict ^Dn ibcfi van |
1)1 Lquot; l i ihlM ''' i OoiTVMitr iWoordcnsisj |
HUMANUS.
snei.i'eesimuk. â Van Mastrigt en Verhoeven. â Arnhem.
EEN NOODKREET
zoo doordringend en huiveringwekkend als de wereldgeschiedenis slechts zelden vermeldt, doortrilt in deze dagen Europa. In het midden der negentiende eeuw, de eeuw van beschaving en verlichting, van algemeene menschen-liefde, zien wij het werelddeel, welks gebied gedeeltelijk door verschillende Europeesche Staten tot hun eigendom verklaard is, voortdurend ten tooneel strekken van gruwelen en wandaden, die wij ons in zulk een omvang en zoo afgrijselijk zelfs ddar niet konden voorstellen. Moord, brand en verachting der eerste rechten van den mensch heerschen in dat land; de slavernij ontvolkt en verwoest geheele provinciën; wat niet op vreeselijke wijze vermoord wordt, is veroordeeld het bestaan voort te sleepen in een toestand erger dan de dood.
Het zou een groote dwaling zijn te veronderstellen, dat de slavernij door de Mogendheden geheel is afgeschaft, of dat zij ten minste nog slechts in geringen en minder yerschrikkelijken omvang bestaat. Er zijn in Afrika nog streken van kolossale uitgestrektheid, waar de slavenhandel niet alleen met al zijne gruwelen wordt voortgezet, maar juist thans meer bloeit dan ooit te voren. Afrika was vele eeuwen bij ons Europeanen slechts bekend als het zwarte, ondoordringbare vasteland, maar in later tijd is het aan den moed en de volharding van den mensch gelukt, verkeerswegen in het binnenland te vinden; reizigers, in den dienst der wetenschap en van den handel, missionarissen, het Evangelie verkondigende, dringen dagelijks verder door, en, terwijl zij ons van den eenen kant
4
talrijke inededeelingen doen, die den ondernemingsgeest aansporen dadr te zoeken, wat ons het vaderland ontzegd heeft, anderzijds ontwaren wij weder afgrijselijkheden, waarbij ons, wanneer wij mensehelijk gevoelen en denken, het bloed in de aderen dreigt te stollen. Daar, in die oorden, maakt de beneden het dier gezonken mensch jacht op zijne medemenschen; daar vergiet hij uit geldzucht, ja ter bevrediging zijner bloeddorstigheid, stroomen van onschuldig bloed; daar wordt de vreedzame bewoner van zijn akker, uit zijn hut, uit zijn familiekring gesleurd, om als slaaf onder afgrijselijk lijden honderden mijlen voort-o-edreven en verkocht te worden.
O
Met diepe smart schreef onze H. Vader Leo XIII in zijn Encycliek van 5 Mei 1888 aan de Braziliaansche Bisschoppen over de nog altijd bestaande slavernij in Afrika volgender wij ze:
«Al heeft ook de menschenhandel ter zee opgehouden, op het land wordt hij nog al te dikwijls in al zijne gruwzaamheid uitgeoefend. De Mahomedanen stellen namelijk ten onrechte voorop, dat de Etiopiërs en andere soortgelijke volkeren nauwelijks iets hooger staan dan het redelooze dier, en slechts met afschuw kan men de laagheid en onmenschelijkheid dier lieden beschouwen. Onverhoeds vallen zij als roovers, verwoestend en plunderend, in de dorpen der niets kwaads vermoedende Etiopiërs; mannen, vrouwen en kinderen worden gevangen genomen, gebonden weggevoerd en met geweld naar de afschuwelijke slavenmarkt gesleept. Uit Egypte, Zanzibar en gedeeltelijk uit Soedan, als de stapelplaatsen, worden deze afschuwelijke tochten ondernomen. In lange rijen trekken met ketenen beladen mannen voort, ellendig gevoed, onder voortdurende mishandeling. Zij, die te zwak zijn om deze mishandeling te verdragen worden gedood; zij, die het doorstaan, worden met anderen als kudden ten verkoop gesteld en voor den hardvochtigen, onbeschaamden kooper gebracht. Zoodra een slaaf verkocht is, wordt de man van
zijne vrouw, worden de kinderen van hunne ouders weggerukt. De verkochte wordt aan de slavernij overgeleverd, eene harde, vreeselijke slavernij, waarbij hij zich niet aan Mahomed's wet kan onttrekken. Met de diepste smart hebben wij het nog onlangs van diegenen vernomen, welke zelf deze schande en afschuwelijkheid met tranen in de oogen aanschouwd hadden, en met hunne verhalen stemmen de berichten overeen der hedendaagsche ontdekkingsreizigers in Afrika. Uit hun getuigenis besluiten wij, dat jaarlijks 400.000 negers als vee verkocht worden. De helft van dezen bezwijkt uitgeput op de wegen, zoodat de reizigers in die streken het pad met hunne beenderen bestrooid vinden.quot;
Aldus Leo XIII, wiens woord alleen voor ieder Katholiek eene overwegende waarde heeft. Maar deze glorievolle Paus, wiens hart niet alleen voor de zijnen, doch ook voor alle lijdenden en bedrukten met warme liefde klopt, laat het niet bij klachten blijven; hij acht het tegenwoordig tijdstip, nu de Europeesche Mogendheden hare heerschappij in Afrika meer en meer bevestigen, nu zij in zekeren zin dit werelddeel onderling verdeeld hebben, gunstig, om eene groote beweging tegen die afschuwelijkheid in het leven te roepen en daardoor rechtstreeks bij te dragen tot verlichting van het lot dier millioenen on-gelukkigen. Tot een ieder, die een menschelijk hart in den boezem draagt, wendt de Paus zich als hij uitroept :
«Moet men niet bij de gedachte aan zulke ellende geroerd worden? Wij, die als Plaatsbekleeder van Christus, van den liefde vollen Redder en Verlosser der wereld, ons zoo zeer verheugen over de vele en roemvolle verdiensten der Kerk, jegens allen, die onder rampspoed zuchten, wij kunnen ternauwernood uitdrukken, welk een medelijden Ons aangrijpt met die ongelukkige volkeren, hoe wij met eene alles omvattende liefde de armen naar hen uitstrekken, hoezeer wij wenschen hun alle verlichting en hul|) te verschaffen, opdat zij, na met de slavernij
6
der meDSchen tevens die van het bijgeloof te hebben afgeworpen, eindelijk den éenen waren God kunnen dienen, onder het zoete juk van Christus, en met ons aan het goddelijk erfdeel deelachtig worden. 0 mochten toch allen, die door macht en heer schappij uitmunten, allen, die het recht der volkeren en dat der menschelijlcheid heilig houden, allen, die belang.stellen in de uitbreiding van den katholieken godsdienst, gehoor gevend aan onze vermaningen en smeekingen, eendrachtig met alle krachten medeiverken ter onderdrukking, verhindering en geheele vernietiging van dezen schandelijken en misdadigen handel.quot;
En de stem van Christus' plaatsbekleeder heeft niet vergeefs weerklonken. God heeft voor het groote werk een Apostel opgeroepen, die de macht van zijn eigene, langdurige ondervinding in de schaal kan werpen, en aan wier:s waarheidsliefde nog niemand het gewaagd heeft te twijfelen. Nauwelijks heeft de stem van Leo XIII weerklonken, of reeds is de hoogbejaarde, door den last van een 25jarig episcopaat bijna terneergedrukte Primaat van Afrika, Mgr. Lavigerie, Aartsbisschop van Karthago, Algiers en Tunis, Kardinaal der H. Roomsche Kerk op weg naar Home, om als een tweede St. Bernard den zegen en de onderrichting van den Paus af te smeeken en verbolgens de wereld in te gaan, om den nieuwen kruistocht te prediken, den kruistocht tegen de verdierlijkte slavenhandelaars, wier onmenschelykheden, wier wandaden met hare treurige gevolgen hij in zijne onmiddellijke nabijheid gezien en ondervonden heeft. Wij zijn hem gevolgd naar Parijs, naar Londen, naar België, waar hij zich overal tot de machtigen en invloedrijken, zoowel als tot de menschheid in het algemeen wendt, om den bodem te bewerken, opdat het zaad der woorden van Leo XIII ontkieme en goede vruchten drage.
Wie den verheven man Gods gehoord heeft, wie getuige was hoe de eerwaardige Herder met eene van smart trillende stem om medelijden, hulp en redding smeekte voor
7
zijne mishandelde schapen, wie hem hoorde, hoe hij met vurigen blik de zelfzuchtige wereld toeriep: Wat hebt gij met de gaven des geluks uitgericht, die God u geschonken heeft, hoe vervult gij den christenplicht, om den bedrukten hulp, den in ongeloof versmachtenden het licht des Evangelies te brengen ?... diens borst moest ineenkrimpen, en wel niemand, die hem hoorde, zal weigeren de bede te vervullen, welke de Kardinaal tot allen richt.
Maar ook de ijverigste prediker voor een goede zaak kan niet overal zijne stem doen hooren. De geestdrift, die hij opwekt, blijft binnen enge grenzen beperkt, als ze niet ver buiten den kring zijner toehoorders wordt gedreven. Zijn bewijzen, zijn beden, zijn smeekingen zijn gericht tot allen. Maar in verhouding hebben slechts weinigen het geluk gehad, den eerbiedwaardigen grijsaard te zien, om hun geestdrift aan den bliksem zijner oogen te doen ontvlammen, en zijne bezielende taal in hun hart te laten doordringen. De verspreiding zijner klachten en smeekingen is eene eerezaak voor de pers en wij kunnen het der katholieke dagbladpers ter eere nageven, dat zij binnen de haar getrokken grenzen veel ter bevordering van dat werk heeft bijgedragen; zelfs de niet-ka-tholieke, onpartijdige pers heeft erkend, dat het streven van den grijzen Bisschop aller ondersteuning waardig is.
Wanneer wij het thans ondernemen, de voornaamste beweeggronden voor den door Leo XIII en zijnen Kardinaal ondernomen veldtocht ter vernietiging Viin de slavernij in een geschrift in een duidelijken, voor iedereen begrijpelijken vorm te verzamelen, dan geleidt ons de wensch, den verheven apostel der slavenbevrijding te hulp te komen, zijne woorden, zoowel als de daden, waarop zij steunen, zoover mogelijk te verspreiden en ook van onzen kant een bescheiden aandeel te nemen in een werk, dat duizenden tot geluk en een geheel werelddeel tot nut zal strekken.
8
Kardinaal Ii.aYigerie over de slavernij in Afrika.
Indien wij liet gezegde door de op waarheid steunende getuigenissen van missionarissen en reizigers willen bewijzen, dan komt op de eerste plaats aan Z. Em. Kardinaal. Lavigerie liet woord toe. De redevoering, welke hij in de kerk van St. Sulpice te Parijs heeft gehouden, zal velen onzer lezers reeds bekend zijn; wij kiezen derhalve die, welke de onvermoeide voorstander der men-schelijkheid en beschaving op den 31 Juli 1888 in de Prinsessehal te Londen voor een uitgezocht publiek van geleerden en menschenvrienden gehouden heeft. Na in de inleiding over de verdiensten van Engeland en der Engelsehe ontdekkingsreizigers ter vernietiging der slavernij in Azië en Amerika gesproken te hebben, gaat de redenaar voort:
âNadat de slavernij in Amerika afgeschaft en in de Roode Zee en den Indischen Oceaan het slavenvervoer naar Azië verhinderd was, was de ijver der Christen volkeren bekoeld en de verontwaardiging, welke de hand der vorsten bestuurde, verdwenen. Men scheen er niet meer aan te denken, dat er nog slavernij op de wereld bestaat. Men vergat zelfs de slavernij der Muzelmannen, die in de naburige Staten nog voortduurt, al is het onder schijnbaar gematigder vorm. Doch eensklaps â nu ongeveer vijftien jaren geleden â vernam het Engelsehe volk door zijne reizigers, dat de slavernij met eene onbeschrijflijke wreedheid nog bestaat in het tot dusverre bijna onbekende middelgedeelte van Afrika. Engeland heeft het aan de christelijke wereld bekend gemaakt en van haar maatregelen gevorderd ten behoeve van mil-lioenen ongelukkige schepselen, die wel is waar niet hetzelfde geloof als wij hebben, maar toch, even als wij, kinderen Gods zijn.
Aan het hoofd van hen, die tot dezen nieuwen krijg
9
opriepen, stond de onrersaagde, edele Livingstone. Als oud-Afrikaan, heb ik niet kunnen nalaten, liet graf van den grooten navorscher in de grafkelders van Westminster te bezoeken. Hij is begraven te midden van Enge-lands groote mannen, en men heeft billijk gehandeld, want Livingstone is door zijn moed, zijn vernuft en de zelfverloochening van zijn leven, de roem van deze eeuw en van zijn land geworden. Maar wilt gij erfgenamen van zijn roem wezen, dan moet gij ook de volbrengers van zijn laatsten wil zijn. Daarom heb ik met tranen in de oogen de laatste door hem geschreven woorden gelezen, die woorden, welke Engclands Eegeering hem tot grafschrift heeft gegeven : «Ik kan niets meer doen â schreef hij in zijne verlatenheid en den dood nabij â dan wenschen, dat de mildste zegeningen des Hemels op hen nederdalen â zij mogen dan Engelschen, Amerikanen of Turken zijn â die er toe bijdragen, dat de verschrikkelijke geesel der slavernij van deze aarde verdwijne!quot;
Als een nieuwe getuige verschijn ik thans voor u. Het is mijn doel niet terug te komen op datgene, wat gij reeds door uwe of door de Duitsche schrijvers weet. Maar tegenover zulke vreeselijke beschrijvingen kan men dikwijls de waarheid er van betwijfelen, en Livingstone zelf heeft de vrees uitgesproken, dat men hem van overdrijving zou beschuldigen. De twijfel echter in zulk een zaak is verderfelijk, want hij brengt besluiteloosheid voort, en die besluiteloosheid beteelcent den ondergang van Middel-Afrika. Als wij de vernietiging der inboorlingen laten voltooien, dan is later alles nutteloos. Wat thans noodzakelijk is, is de overtuiging dezer afschuwelijkheden in de geesten te vestigen, en om deze overtuiging onwankelbaar te maken, moet men nieuwe getuigenissen aanbrengen, die met de oude overeenstemmen. Ik kom derhalve van mijne zijde om getuigenis af te leggen voor dat gedeelte van Afrika, waar mij de verkondiging van het Evangelie is toevertrouwd. Doch dit getuigenis is niet alleen het
10
mijne. Ik heb in de streken, waarvan ik spreken wil. eene groote menigte ooggetuigen. Het zijn mijne zonen, de missionarissen van Algiers, of, zooals ze door het volk in Afrika genoemd worden, de witte paters van Algiers.
Toen ik in dat land kwam, het is thans meer dan twintig jaren geleden, zag ik spoedig in, dat, wilde ik mijn werkkring niet beperken tot de Mahomedaansche landen, welke tot dien tijd bijna ontoegankelijk voor het Evangelie gebleven waren, ik moest doordringen tot de hei-densche volkeren in het binnenland. Ik zag echter ook in, dat ik alleen spoedig bij zulk eene onderneming zou bezwijken. Ik verzamelde dus eenige jongelieden, brandend van het reinst verlangen naar het apostelambt. In den beginne had ik er slechts drie, heden tel ik driehonderd levenden: paters, broeders, novicen of gezellen. Honderd, de roemrijkste van hen, zijn dood. Elf hunner hebben hun bloed als martelaren vergoten, de overigen zijn onder het klimaat, de ziekten, de ontberingen en vermoeienissen bezweken. Het zijn de berichten van deze getuigen, die gij heden hooren zult na alles, wat u reeds bekend is.
Om niets te verwarren en nauwkeurig die deelen van Afrika aan te duiden, waarop deze getuigenissen betrekking hebben, moet ik u vooreerst zeggen in welke streken zich mijne missionarissen gevestigd hebben. Zij bewonen sedert langer dan tien jaren de woestijn Sahara en het gebied der groote meren, van den oorsprong van den Nijl af tot het zuiden van Tanganika, alsook de Belgische hoogvlakte Congo. Van daar schrijven zij mij, en van die uitgestrekte landstreken wil ik u melding maken; mogen reizigers en missionarissen, die op andere punten wonen, ook van hunnen kant Europa mededeelen, wat zij daar zien.
Om te beginnnen met de voornaamsten, de missionarissen der Sahara, deze getuigen dat de slavernij daar nog altijd in denzelfden omvang heerscht als eertijds, in
11
alle streken van Noord-Afrika, die ten zuiden der Euro-peesche koloniën liggen. De slavenjaclit heeft plaats in alle oorden tot in de nabijheid van den Niger, waar de negers nog niet allen tot den Mahomedaanschen godsdienst overgegaan zijn. In alle steden binnen Marokko zijn slavenmarkten, waarheen de slavenhandelaars hun karavanen voeren. Nog voor korten tijd, voor nauwelijks vijf jaren, bestonden deze markten in de op de kust gelegen steden, zelfs in Tanger tegenover Gibraltar. Wanneer zij sedert dien tijd voor onze blikken naar de steden van het binnenland gevhicht zijn, dan weet gij, aan wien men dit te danken heeft: aan den eerbiedwaarden secretaris van de Vereeniging 1), die ons heden hier vergaderde, die door zijn oprechte en verpletterende klachten die lage handelaars gedwongen heeft, hun werk beter te verbergen. Maar in het binnenland hebben de markten nog plaats; men ziet daar meermalen in het jaar, hoe de Muzelmannen in het openbaar in hunne behoefte aan menschelijk âveequot; voorzien. Hetzelfde geldt voor de oasen der Sahara, namelijk voor die, welke zich op de grenzen van Algiers, Tunis, Tripolis tot aan Egypte bevinden.
Om de waarheid te zeggen, en niets dan de waarheid, de beperkte slavernij van die streek bezit niet het karakter van een voortdurende menschenslachting, zooals, naar ik bewijzen zal, op de hoogvlakten in het hart van Afrika het geval is. Als de slaven eens gekocht en in de huizen der Mahomedanen opgenomen zijn, worden zij tamelijk menschlievend behandeld. Het is in het belang der heeren de slaven niet te laten omkomen, die zij wegens het verre vervoer duur moeten betalen. Mogelijk ook dat het naburig Europa den slavenkooper verschrikt, uit vrees dat de zuchten en kreten der offers tot onze ooren mochten doordringen.....
1) Mr. Allen, secretariB der Anti slavery Society.
12
Doch eene omstandigheid doet dezen menschenhandel een afschuwelijk karakter aannemen: het is de reis door de Sahara, die met de menigte vrouwen en kinderen, welke mede gesleurd worden, geheele maanden duurt. Eene verschrikkelijke reis, over het gloeiende zand, onder eene brandende zon, in een land, waar dikwijls de voedingsmiddelen en nog meermalen het water ontbreken Voor de slavenhandelaars is er geen gebrek, doch de gevangenen ontvangen ternauwernood zooveel, dat zij niet van honger sterven en door hnn dood de handelaars de winst ontnemen, die dezen van hen kunnen trekken. Het zijn meestal de Arabieren van den stam der Touaregs, die deze menschenkudden begeleiden. Hun harten zijn even hard als het ijzer van de punten hunner lansen, en een handvol ongekookte gierst met een teug water des avonds is alles, wat zij den slaven geven, die als trekossen met hun verschrikkelijk juk beladen, den ganschen dag voortliepen. jSTedervallen is zooveel als den dood vinden; het geoefend oog van den slavenhandelaar erkent terstond, of hij er in slagen zal het offer ter markt te brengen of niet. Ziet hij, dat het doel niet bereikt zal worden, dan verspilt hij zijn levensmiddelen niet aan den ongelukkige; een slag met een knuppel en het offer blijft liggen, dikwijls nog levend. De hyena's en de jakhalzen verslinden het vleesch en laten de verbleekte beenderen liggen, die als wegwijzers dienen naar de markten. Intusscheu is de slavenhandel in de Sahara en de provinciën van het noorden, waarvan Tombuktoe het middelpunt is, niet te vergelijken met dien van de hoogvlakten van het binnenland. Vooral van deze moet ik tot u spreken. Daar zijn onze missionarissen thans getuigen van wandaden, die een geheel werelddeel dreigen ten onder te brengen.
Voor ongeveer twintig jaren wist men nog niet met zekerheid, hoe het er in het hartje van Afrika uitzag. Men sprak er van als van eene onbewoonbare, on vrucht bare woestijn. Thans heeft men echter het tegendeel
13
ondervonden, en mijne missionarissen bekrachtigen het mij iederon dag, dat het juist het schoonste deel van Afrika is. Men had ten onrechte beoordeeld naar de kustlanden. Wel is waar is het klimaat ongezond, dikwijls doodelijk, de arbeid zwaar, bijna onmogelijk voor den Europeaan. Toen men echter verder doordrong, kwam men tot de overtuiging, dat het middelpunt van Afrika zich op twee hoogvlakten verheft, waarvan de eene 2 ^ 3000 voet boven den spiegel van den oceaan, en de andere, buitengewoon groot, duizende mijlen lang is en gemiddeld 2 tot 3000 voet boven de eerste, dus 4 a 5000 voet boven den zeespiegel ligt. Deze bede hoogvlakten, die ieder jaar op gezetten tijd door den milden regen vruchtbaar gemaakt worden, bezitten groote meren, overvloedige waterbekkens, die de milddadige natuur heeft doen ontstaan. De vier groote rivieren van Afrika met hunne ontelbare bijrivieren, hebben haar oorsprong in deze groote meren, en het zijn deze, welke die streken zoo schoon en vruchtbaar maken. De hooge ligging matigt den gloed der zon. Aan de oevers van het Nyanza- en Tanganika-meer stijgt de hitte op den dag niet hooger dan 32 graden (Celsius) en des nachts daalt de temperatuur tot 17 a 18 graden. De grond bevat een zeldzamen rijkdom. Ik spreek niet van de talrijke mineraalmijnen, wier sporen men er vindt en die der nijverheid rijke winst beloven, ik spreek slechts van den landbouw. Door water en zon begunstigd, brengt de grond zonder moeite alles voort, wat noodzakelijk is voor het levensonderhoud. Overal, waar water vliet, zijn jaarlijks vier oogsten mogelijk. Dit hebben onze missionarissen zelf ondervonden met de tarwe, die zij verbouwen, ter bereiding der H. Hostiën. De wouden zijn zoo schoon en majestueus, dat ze de bewondering der reizigers opwekken. Deze vereenigde rijkdommen moesten natuurlijk eene talrijke bevolking lokken, die er zich dan ook na verloop van tijd vestigde. Nergens in Afrika zag men meer en sterker
14
bevolkte dorpen. Daar heerschte vrede; de gezinnen leidden eene aartsvaderlijke levenswijze, vuurwapens waren onbekend; men vond ze slechts in de kuststreken of aan de oevers van de Zambesi, waar de Portugeezen ze ingevoerd hadden.
Treurig noodlot! Terzelfder tijd, waarop â voor 25 jaren â de groote navorschers en de eerste missionarissen die streken betraden, om er geloof en beschaving te brengen, kwamen er ook de slavenhandelaars aan, waarschijnlijk onderricht door de lieden, die den reizigers als gids hadden gediend. Zij kwamen van Egypte en Zanzibar.
Hunne aanvoerders zijn de Mestiezen, een verschrikkelijke volksstam, voortgesproten uit de verbinding der Mahomedanen en negers, die op de kusten wonen. Zooals hun naam ((Muzelmannenquot; aanduidt, dragen zij den negers, die zij beneden het redelooze dier stellen, een diepen haat en verachting toe, en het erfdeel dat zij hun toekennen, is: de slavernij of de dood. Onmenschen als zij zijn, zonder geweten en zonder gevoel, even verachtelijk wegens hun dierlijke misdaden als hun gruwzame wreedheid, rechtvaardigen zij het Afrikaansche spreekwoord: «God heeft de blanken en de zwarten geschapen, doch Satan zelf schept Mestiezenquot;.
Onze paters kwamen dus voor 12 jaren in de hooggelegen binnenlanden te Tabora, aan het Tanganika- en Nyanza-meer en op de hoogvlakte van Congo: het werk der vernietiging had reeds een aanvang genomen, zij zagen, hoe het zich uitbreidde en achtereenvolgens alles verwoestte. Die schoone streken waren aanvankelijk voorraadschuren van dubbelen rijkdom voor de Mestiezen, Het leven was er goedkoop; ivoor, het voornaamste voorwerp van hun handel, vond men er in menigte; men was het nog niet zoo ver komen halen. In sommige provinciën, zooals in Manyema, vond men het zoo overvloedig, dat men zich van de olifantstanden bediende om de tuinen
15
te omheinen. De ivoorhandel werd de oorzaak tot den ondergang van dit ongelukkig land. Men -was niet tevreden het voor billijken prijs te koopen of met geweld te nemen, het moest ook naar de kusten worden overgebracht. In dat gedeelte van Afrika is er geen ander vervoermiddel dan de menschen. De wegen zijn slechts smalle paden, de huisdieren bezwijken onder de beten der Tsetsen 1).
Om menschen te bekomen, maakten de handelaars slaven. Het onbillijkbte voorwendsel was voldoende, om den strijd te beginnen, d. w. z. van te voren beraamde bloedbaden aan te richten. Zonder medelijden of verschooning overvielen de roovers eene vreedzame bevolking, vermoordden, wie zich verdedigden, boeiden de overigen en dwongen de menschen met bedreigingen en geweld, tot aan de kusten als lastdieren te dienen, waar zij dan tevens, met het ivoor dat zij gedragen hadden, verkocht werden.
Dit was het begin der ellende, maar hebzucht en bloeddorstigheid brengen den mensch tot een woede, die slechts met geweld kan beteugeld worden. De geschiedenis der heidensche tirannen heeft het ons genoeg getoond. Dezelfde bloeddorstigheid, dezelfde verachting van het menschelijk leven onteert in onze dagen Afrika's binnenlanden. Onop-houdelijk wordt daar de bevolking als 't ware weggemaaid; het eene dorp na het andere, de eene provincie na de andere en weldra is alles met ruïnen en bloed bedekt. Onze missionarissen van Tanganika schrijven ons, dat er geen dag voorbijgaat, waarop zij geen karavanen van die on-gelukkigen ontmoeten, die voortgedreven worden als kudden. Langzamerhand zijn allerwege slavenmarkten geopend en thans zijn het vooral de vrouwen en kinderen die er verkocht worden. Sedert het ivoor zeldzaam geworden is, heeft men geen mannen meer noodig voor het vervoer; zoodra deze kunnen, verzetten zij zich bovendien tegen hun nieuwe meesters en zij worden dan even als het vee doodgeslagen. Het is onmogelijk deze afschuwelijk-
1) Een insect, welks beet voor hot rundvee doodelijk is.
heden te beschrijven, de gruwelen van zulk een jacht overtreften alles, wat de menschelijke verbeelding zich kan voorstellen. Geen bladzijde der geschiedenis kan van zulke slachting, van zulk eene geringachting van menschenbloed melding maken. Het brengt te weinig winst aan, als men de lieden voortslepen, met moeite verder brengen en voeden moet, tot zij de slavenmarkt bereikt hebben. Het is de vrouw en het kind, die op de markt in plaats van den man te koop aangeboden worden. Zwak, vreesachtig deinzen zij terug voor de gevaren en wisselvalligheden van de vlucht. Men koopt ze dus zonder vrees, de vrouwen voor grenzelooze buitensporigheden, de kinderen om de vrouwen aan te lokken. Sedert dezen handel in handen is van de aan de veelwijverij overgegeven Muzelmannen, is de lage ontucht zelfs der opperhoofden niet te beteugelen. Men heeft machtige opperhoofden gezien, zooals Mtessa, en thans Muanga, koning van Uganda, die er gelijktijdig 1200 vrouwen op na hielden. De arn ste Muzelmannen hebben altijd meer dan éene vrouw. De prijs der slaven in de binnenlanden van Afrika is zoo laag, dat ieder in staat is dezen afschuwe-lijlsen hartstocht te bevredigen. Men ontvangt tegenwoordig op zekere plaatsen eene vrouw voor een geit en een kind voor een zak zout. Dit moet ons geenszins verwonderen. De geit moet men voeden, het zout moet uit de zoutkeet gehaald worden; vrouwen en kinderen behoeft men slechts te boeien; ja, het is zoover gekomen, dat in de binnenlanden van Afrika de mensch de losprijs, het geld is voor de geringste inkoopen.
Reeds zijn vele millioenen menschelijke schepselen in den loop der laatste vijf en twintig jaren ten gronde gegaan. Maar de verwoesting krijgt steeds grooteren omvang, en de cijfers, die onze missionarissen thans aangeven, overtreflen nog die door Cameron over Zambesi en Nyanza aangegeven. Cameron echter, die wegens zijn jarenlange ondervinding alle vertrouwen waardig is, schatte reeds in
17
zijn tijd het aantal slaven, die alleen op de markten der binnenlanden verkocht werden op 500.000! En het derde deel er van komt op ellendige wijze om, eer zij nog de markt bereikt hebben!
Voor het overige is hij hier, om zijn getuigenis en de volkomen overeenstemming onzer meeningen te bekrachtigen. Juist toen ik mij hierheen wilde begeven, ontving ik nog een brief van hem, en ik verzocht hem mij te vergunnen dien openbaar te maken 1).
Maar niet alleen wordt het aantal slaven grooter, ook de wreedheid wordt immer gruwelijker. Als vroeger de roovers eene niets kwaads vermoedende bevolking teisterden, waren zij tevreden mede te nemen, hetgeen in hun handen viel. Thans vernemen wij tooneelen van ooggetuigen, die moeielijk weer te geven zijn. De duivelachtige schaar omringt de hooge velden, waarin de zwarten gevlucht zijn en steekt die in brand. In het land der zon verrichten de vlammen spoedig hun vernielend werk. Weldra verheffen zich van alle kanten kreten van schrik en vertwijfeling en alles, wat niet door de vlam aangetast of door den rook verstikt wordt, vlucht naar buiten en valt in de handen der beulen, die de eenen dooden, de anderen boeien. Gij zult dergelijke verhalen in de berichten der reizigers vinden en u niet meer verwonderen, als volkrijke, vruchtbare provinciën in het hart van Afrika in ellendige woestenijen veranderd zijn , waarop sleehi s de get eenten der inwoners getuigenis afleggen van de bedrijvigheid, den vrede en de werkzaamheid, die er eertijds heerschten.
Wij zien dus in korten tijd de totale ontvolking van Centraal-Afrika tegemoet. Als overwegingen van men-schelijk medegevoel Europa niet roeren, dat het dan ten minste bedenke, voor welke bezwaren het a n zal als het eenmaal winst wil trekken van deze door de natuur zoo begunstigde streken. Is de inheemsche bevolking
1) Dezon brief vindt mon hierachter.
2
18
eenmaal vernietigd, dan zal den blanke alle arbeid, landbouw en nijverheid onmogelijk worden, daar hij de handen der zwarten mist. Zonder inlandsche bewoners zal de reiziger zelfs noch voedsel, noch onderkomen meer vinden. De welige plantengroei zal de smalle paden doen verdwijnen, die hij heden nog volgt. Zóó is het thans gesteld, en dat hebben wij van de toekomst te wachten. Ik herhaal het nogmaals in de volle kracht mijner overtuiging: Wanneer Europa niet spoedig met geweld een einde maakt aan die gruwelijke toestanden, zoo zal het binnenland van Afrika binnen weinige jaren niet meer dan een wildernis zijn.
Zonder twijfel zijn het de regeeringen van Europa op de eerste plaats, die verplicht zijn, Afrika te redden. De eerbiedwaardige president van deze Vereeniging heeft, eer hij mij het woord gaf, u er aan herinnerd, hoe de Mogendheden te Weenen in 1815 en later te Verona (1822) «plechtig de verplichting op zich hebben genomen, geene slavernij in de wereld meer te dulden.quot; Maar zij moeten daartoe ook den wil hebben. En waarom zouden zij dien niet hebben? Is er een edeler, grooter, verhevener werk? In welke quaestie kan men met meer eer en gemakkelijker overeenstemmen dan in deze, waar het geldt zulk een verschrikkelijk kwaad uit te roeien en de grootste schandvlekken der 19e eeuw uit te wisschen ?
Het is waar dat de Europeesche regeeringen aan Afrika denken, maar schijnbaar slechts in zooverre als zij mee-nen dat het in hun voordeel is. Te zamen komen en zich door een pen nestreek op de kaart nieuwe rijken toe kennen, is gemakkelijk gedaan; maar de christelijke Staten kannen niet vergeten, dat zij met het recht ook den plicht op zich nemen. De voornaamste natiën der wereld: Duitschland, Frankrijk, Engeland, België, Portugal en Italië, hebben in onderlinge overeenstemming haar tegenwoordige en toekomstige rechten op Afrika vastgesteld en geproclameerd. Daarmede hebben zij plichten
19
jegens dit land op zicli genomen en de eerste daarvan is: cle inboorlingen niet hulpeloos te laten omkomen en niet weder die streken ontoegankelijk te laten maken, welke door de reizigers voor de beschaving geopend zijn. Het is in haar eigen belang. Maar als de stem van het belang niet genoegzaam tot de ooren der Mogendheden doordringt, daar zij met andere zorgen bezig zijn, dan moet men ze dwingen den kreet van het medelijden en der erbarming te hooren. En daartoe is het noodzakelijk dat deze kreet uit de borst van allen en een ieder met zulk een geweld weerklinke, dat hij gehoord moet worden
Dit werk komt zonder twijfel vóór alles toe aan de w Anti-Slavernij-Veieeniging«, die ons heden onder bescherming van den Troonopvolger verzameld heeft. Maar eene vereeniging van mannen, hoe machtig zij ook is, kan niet alles doen, en, waarde dames, een werk van barmhartigheid en erbarming is vooral het uwe. Gij weet beter dan de man den weg tot het hart te vinden, daar gij gevoeliger zijt dan hij. Doch deze oorzaak is niet de eenige, waarom ik uwe medewerking inroep. De offers der slavernij in Afrika bestaan thans bij voorkeur uit vrouwen en kinderen. Mijne missionarissen herhalen het in al hun berichten. Nog nauwelijks eenige dagen geleden ontving ik hier te Londen een brief van onze missie in Tanganika, waarin de Overste woordelijk zegt: wMen verkoopt hier slechts vrouwen en kinderen, de mannen worden vermoord.quot; Ik aarzel niet te zeggen, dat bij deze verdeeling van het lot de vrouwen veel meer te beklagen zijn dan de mannen. De mannen worden terstond door den dood verlost, de slavernij bereidt echter aan de vrouwen en kinderen duizend dooden; zij levert ze weerloos in de handen harer beulen over als werktuigen ter bevrediging der laagste hartstochten en gruwzaamste wreedheid. Hoor slechts wat een pater mij voor twee jaren schreef:
«Gedurende den regentijd der Masika waren de velden
20
der naburige vlakten (van Tabora) in een slijkaclitig moeras veranderd. Het was onmogelijk verder te gaan zonder in de modder te zakken Desniettegenstaande beval een neger uit het naburige dorp zijne vrouw (slavin), daar bout te gaan zoeken voor het avondeten. Zij ging, maar nauwelijks was zij op het veld, of zij begon reeds te zinken en was spoedig tot onder de armen in het slijk geraakt, zonder zich er uit te kunnen helpen en gedwongen onbewegelijk te blijven om nog niet dieper te zinken en in het slijk om te komen. Haar klagende stem riep om hulp, maar de voorbijgangers lachten er mee. Toen de man zijne vrouw niet zag terugkomen, ging hij zoeken met een knuppel in de hand, zonder twijfel om te slaan. Hij vqnd haar in dien beklagenswaardigen toestand, maar deed niet de minste moeite om haar te helpen. Van verre wierp hij haar een stok toe, met de hoonende woorden: «als gij wilt, moogt ge u er mee verdedigen tegen de hyena's, die gedurende den nacht komen.quot; Daarna ging hij rustig naar huis. Den anderen morgen was er niet het minste spoor van de ongelukkige vrouw meer te vinden.quot;
Bestijgen wij echter de gruweltrappen hooger. Een onzer paters bericht met afschuw, hoe een koningske van Boekoembi hem op zekeren morgen op den eenvoudigsten toon verhaalde: «Ik heb dezen nacht vijf mijner vrouwen vermoordquot;, alsof het iets zeer alledaagsch was!
Pater Levesque, vroeger missionaris in Uganda, heeft mij zelf het volgende verhaald: Op zekeren dag bevond hij zich aan het hof van koning Mtessa en wachtte in het voorhof op audiëntie bij den vorst. Eensklaps zag hij, hoe de deuren van den Brazah (koninklijke zaal) met gedruisch geopend werden en twee gewapende soldaten verschenen, die eene arme slavin, vrouw des konings, bij de voeten voortsleepten. De koning had bevolen, haar de ooren, den neus en eindelijk het hoofd af te houwen, daar zij op audiëntie te luid gesproken had. De veroordeeling werd terstond in het hof voor de oogen der
21
luenigte voltrokken. De merg en been doordringende kieten der ongelukkige werden door de omstaanders met luid gelach beantwoord.
Deze afscLuwelijkheden aan het hof van den koning van Uganda, die 1000â1200 vrouwen houdt, worden ook door den reiziger Speke bevestigd. In zijn werk: «De bronnen van den Nijlquot;, zegt hij op bladzijde 327:
«Sedert eenigen tijd woon ik binnen de omgrenzing der koninklijke residentie, en de gebruiken aan het hof zijn dus voor mij geen geheim meer. Doch zal men mij geloo-ven, als ik verzeker, dat er sedert ik van woning veranderd ben geen dag is voorbijgegaan, waarop ik niet een, twee, soms drie dezer ongelukkige vrouwen, die den harem van Mtessa uitmaken, heb zien ter dood brengen. Met een strik om het gewricht der hand, door de lijfwacht ter slachtplaats gevoerd of gesleept, uiten deze beklagenswaardige schepselen, met oogen vol tranen, hartverscheurende kreten: Hai Minange! (O heer!), Kbakka! (Mijn koning), Hai Nyavio! (O moeder) en niettegenstaande deze hartverscheurende kreten tot het openbaar medelijden gericht, verheft zich geen hand, om haar aan den beul te ontrukken, ofschoon men hier en daar op zachten toon de schoonheid dezer jonge offers hoort roemen!quot;
Christen vrouwen van Europa! Uw werk is het overal deze gruwelen bekend te maken en de verontwaardiging der beschaafde wereld daartegen op te wekken. Laat uw echtgenooten, uw vaders, uw broeders geen rust, bezweert de overheid, die gij, dank uw deugden, uw vermogen en uw betrekking, in den Staat bezit, te verhinderen, dat het bloed uwer zusters nog langer vergoten worde. Als Grod u het talent van schrijven heeft gegeven, gebruik het dan ten dienste van zulk een zaak, gij vindt er geen die heiliger zijn kan.Vergeet niet, dat het werk eener vrouw, de roman: «Oom Tomquot;, in alle talen der wereld overgebracht, het zegel drukte op de bevrijding der slaven van Amerika.
22
En welk is thans het practische doel, waartoe zich op dit oogenblik de Staten van Europa moeten vereenigen? Ik herhaal het kort en duidelijk: er moet geweld gebruikt worden ter afschaffing van de slavernij in Alrika. Het kwaad is te ver geworteld en verspreid, dan dat men het nog op andere wijze zou kunnen bestrijden, eer het werk der vernietiging volbracht is.
Door overreding kunnen de missionarissen wel enkele volkeren bekeeren, maar zij zijn niet talrijk genoeg, om hun werkzaamheid in de geheele uitgestrektheid van Mid-del-Afrika te doen gevoelen Eer dat geschieden kan, zal de snel vorderende verwoesting alles verdelgd hebben.
Hetzelfde zeg ik van de weldadigheid voor het vrijkoo-pen der slaven. Velen hebben in het gevoel van grootmoedig medelijden dezen weg voorgeslagen. God beware mij er voor, de christenen van dit gevoel, dat zoo zeer van hun geloof getuigt, af te houden. Maar waar zal men van den eenen kant de middelen vinden, om zooveel slaven vrij te koopen, en loopt men van den anderen kant niet juist door het vrijkoopen gevaar, de hebzucht der slavenhandelaars aan te moedigen? Als de verkoop verzekerd en winstgevend gemaakt wordt, zoo zal de menschenjacht daarin een nieuwe oorzaak tot grootere uitbreiding vinden
Ik herhaal het nogmaals, geweld is noodzakelijk, een gewapend leger, natuurlijk alleen ter verdediging bestemd.
Men heeft immers de ondervinding opgedaan bij den overzeeschen slavenhandel, alles was vergeefsch tot op den dag, waarop de Fransche, Engelsche en Amerikaansche schepen een onverbreekbaren slagboom vormden. Maar voor den slavenhandel te land zijn deze schepen niet toereikend. Men moet, naar het denkbeeld van generaal Gordon, barrières in het land oprichten, die de karavanen den weg naar de landen, waaruit de slaven gehaald worden, versperren; verder eenige lichte troepen vormen, die overal kunnen heentrekken, waar deze eerlooze jacht plaats vindt. Dit is de meening van ieder, die weet, hoe
23
het in Afrika gesteld is; eene meening, die ook nog heden de Commandant Cameron in zijn brief uitspreekt.
Laat ons het geval aannemen, dat de Mogendheden, die dikwijls verschillende inzichten en belangen hebben, zich niet kunnen of willen verstaan, dan â ik zeg het met dezelfde beslistheid en met dezelfde vrijmoedigheid â dan gaat die plicht van de regeerders op de christen volkeren over. En zij kunnen dezen plicht vervullen, men ziet het aan de christelijke missiën, welke den regeeringen geen belang inboezemen en die de volkeren op zich hebben genomen. Waarom zouden zij hetzelfde ook niet doen voor een werk, dat zich uit zyn aard niet geheel aan de uitbreiding des Geloofs aansluit? Waarom zou persoonlijke opoffering niet in staat zijn, te volbrengen, wat de regeeringen niet zouden kunnen ondernemen ? Deze hebben tot nu toe nog niemand naar de hoogvlakten van Centraal-Azië gezonden. Waarom zouden bijzondere vereenigingen, zooals de middeleeuwen die zagen, geen mannen kunnen uitzenden, die de zwarten leeren, hoe men zich tegen moordenaars en roovers verdedigt?
Heeft Stanley ons niet bewezen, wat een man, een enkel man, door eenige honderden zwarten ondersteund, met moed en volharding kan verrichten ? Heeft niet Emin Pacha begrepen, hoe men eene gewapende macht moet vormen en leiden om in zijn gebied de orde te handhaven? Ik zou u nog een meer bescheiden held, een vroegeren hoofdman der pauselijke zouaven kunnen noemen, die reeds bijna negen jaren alle ontberingen, alle inspanningen en gevaren onder den equator trotseert, om een klein leger van zwarten op te leiden, en door zijn moed en zelfopoffering de hem omringende stammen beschermt. Zijn naam is Joubert. Anderen zouden hem kunnen navolgen, zij zouden op zich zelf hun ondernemingen kunnen beginnen, of zich zooals vroeger tot een gemeenschappelijken veldtocht vereenigen. Zulke lieden ontbreken niet onder u, reeds bij mijn aankomst in Londen heb ik voorloopige
24
aanbiedingen ontvangen. Werden deze aanbiedingen viermaal verdubbeld, liadden wij op de verschillende punten van bet binnenland van Afrika lieden zooals Stanley, Emin Pacba en Joubert, bet vraagstuk ware opgelost. Want hetgeen ons ontbreekt zijn niet, zooals menigeen denkt, talrijke legers; het zijn mannen, op zich zelf staande, maar machtig door dapperheid en ondernemingsgeest, bekwaam de zwarten zoo te oefenen, dat zij hun vijanden weerstand kunnen bieden en bekwaam ze te leiden.
Iets onontbeerlijks intusschen zal hun en ook ons ontbreken en dit tot stand te brengen moet van nu af aan de taak van ieder zijn. De heldhaftige moed, de kracht om gevaren en moeielijkheden weerstand te bieden, zijn niet ieders erfdeel, de weldadigheid daarentegen is ieders plicht, en hier gebiedt ze de noodzakelijke hulpmiddelen te leveren voor die mannen, welke bereid zijn bloed en leven ten offer te brengen.
Zij kunnen niet beter tot dit werk bijdragen, dan zich bij de Vereeniging aan te sluiten, die ons heden verzameld heeft. 'Niets staat de oprichting van zulke vereenigingeu in andere landen in den weg. Herinner u slechts dat op dit oogenblik, waarin ik tot u spreek, het bloed in stroomea vloeit op het vasteland van Afrika. Herinner u dat het slechts van Europa afhangt een einde aan die gruwelen te maken, en dat het voor God en de geschiedenis verantwoordelijk zal zijn, wanneer het dien plicht verzaakt Het is negentienhonderd jaar geleden, dat de wereld uit den mond van een volk, dat met één woord het vergieten van onschuldig bloed kon verhinderen, de woorden van onverschilligheid, van zelfzuchtigheid en vrees hoorde: rZijn bloed kome over ons en over onze kinderen!quot; Ja het bloed vloeide, maar het volk dat het deed vergieten, verloor alles wat een volk verliezen kan, zijn eer en zijn vaderland, en heden zien wij, hoe het naar alle windstreken versj^reid is. Zijn wij op onze hoede, dat het in Afrika vergoten bloed niet een dergelijkeu vloek
25
over Europa afroept Moge God dat deel der aarde van den geesel des verderfs bevrijden Moge Hij het redden, door de Mogendheden een edel besluit te doen nemen en uit den schoot van het christenvolk offervaardigheid en christelijken moed te doen ontspruiten.quot;
Tot zoover de Apostel van Afrika. Het is bijna on-noodig er een woord bij te voegen. Om onze lezers in-tusschen een nog dieperen blik van afgrijzen te doen werpen in de door den Kardinaal beschreven toestanden, voegen wij er verder nog eenige getuigenissen van missionarissen en ontdekkingsreizigers bij, gedeeltelijk uittreksels, gedeeltelijk in hun geheelen omvang. Op de eerste plaats laten wij de beide brieven volgen, waarvan de Kardinaal in bovenstaande rede gesproken heeft.
Brief van den Engelschen onderzoeker van Afrika Cameron.
Aan Z.Em. Kardinaal Lavigerie.
Monseigneur!
Ik zie met groote vreugde dat Uwe Eminentie naar Londen gekomen is, om ons Engelschen het vraagstuk van den slavenhandel ter harte te doen nemen.
Gedurende de drie jaren van mijn reis door Afrika ben ik dikwijls getuige geweest van het lijden, dat de slavenhandel veroorzaakt en vroeger heb ik vier jaren voortdurend jacht gemaakt op de Dahous (vaartuigen), die slaven naar Azië vervoerden. De meeste dergenen, die thans nog aan de afschuwelijkheden van den slavenhandel denken, meenen, dat dit vraagstuk slechts het sla-venvervoer ter zee betreft, en dat de rampzaligen op het
26
land geenszins zoo mishandeld worden en niet zoo ongelukkig zijn.
Monseigneur! Ik heb de slaven op de Arabische Dahous gezien met de knieën tegen de kin gebonden, bedekt met wonden en zweren, stervend wegens gebrek aan spijs en drank, de dooden aan de levenden geboeid, en daarbij woedden de pokken, die met hunne vernielende besmetting de ellende nog vermeerderden!
Maar dat is nog niets in vergelijking met de gruwelijkheden, die men op het land ziet: verbrande dorpen, vermoorde mensehen, die hunne woonstede verdedigden, geheele verwoeste provincies, verkrachte vrouwen, kinderen stervend van honger! Heeft eene moeder vergunning gekregen, haar kind met zich te nemen, en bemerkt de onmenschelijke negerdrijver, dat de arme, zwakke vrouw niet tegelijk haar kind en den haar opgelegden last kan dragen, dan slingert hij het kind tegen den grond en verplettert het voor de oogen der moeder! Duizenden dier arme lieden moeten zelf den zwaren buit dragen, die de wreede roovers hun ontstolen hebben; zij worden gedwongen stervend en met wonden bedekt voort te gaan, en behalve hun last dragen zij nog een juk om den hals, even als bij ons de trekdieren.
Als de tocht onderbroken wordt, verschaft hun dit niet de minste verlichting. Zij zijn gedwongen hun heeren een onderkomen te verschaffen en zich dan dikwijls, zonder iets gegeten te hebben, in koude en regen ter rust te begeven. Als een arme slaaf den eenen voet niet meer voor den anderen zetten kan, neemt men hem niet het juk van den hals, integendeel, men laat het hem behouden, om hem een wissen dood te doen sterven. Dikwijls worden mannen en vrouwen, die in dezen toestand aan den weg blijven liggen, nog levend door de wilde dieren verscheurd, en toch zijn die dieren minder bloeddorstig, dan degenen, die de armen zonder hulp doen sterven.
Sommigen, die don slavenhandel te land willen verdedi-
27
gen, zeggen, dat hij noodzakelijk is voor den ivoorhandel. Ik weet wel, dat vele Arabische kooplieden, die ivoor uit Afrika halen, tevens slavenhandel drijven, omdat de hulp van vrije lieden hun voor het vervoer van het ivoor ontbreekt. Maar de hiervoor gebruikte slaven maken nog geen tiende deel uit van de zwarten, die men tegenwoordig als slaven verkoopt. De negerjagers, die de missiën van Schotland en de Europeesche koloniën van Nyassa zooveel schade aandoen, zijn noch Arabieren, noch ivoorhandelaars. Het zijn verdierlijkte Mestiezen, die slaven rooven, om een lui leven te leiden en zich aan hun beestachtige genoegens te kunnen overgeven. Zij vinden thans gelegenheid, hun buit aan lieden te verkoopen, die het zich ten plicht hebben gemaakt, w vrije landverhuizers,quot; te vinden. Alle Mahomedaansche landen en zelfs eenige heidensche, zwarte volkeren, koopen thans slaven en denken weinig aan ivoor.
De slaven, die vroeger een bijna vrije markt in Egypte vonden, worden thans naar het gebied van Tripolis en naar het zuiden der Barbarijsche Staten overgebracht, midden door de Sahara, waarvan het zand met hun gebeente bezaaid is.
De voornaamste inlandsche opperhoofden, zooals Karugo en Maranga, organiseeren dikwijls, zonder daartoe door buitenlandsche slavenhandelaars te worden aangespoord, slavenjachten uit louter genoegen. Zoo wil spoedig de eene neger den anderen als eigendom bezitten, en het denkbeeld der slavernij dringt den Afrikaan in het bloed. Ik moet er bijvoegen, dat alle stelsels, waarmede men de slavernij bemantelen wil, nutteloos zijn; of men de slaven nu «vrije landverhuizers,quot; of //leerlingen,quot; of nog anders noemt, het is alles onder een anderen naam hetzelfde en bevordert de slavenjacht m de binnenlanden van Afrika. Als deze stelsels niet geheel veranderd of afgeschaft worden, zal het ons nooit gelukken het misdrijf overal te onderdrukken. Als thans de regeeringen
28
den slavenhandel te land niet met geweld beletten kunnen, zooals de Engelsche regeering vroeger aan de westkusten van Afrika gedaan heeft en op de Eoode Zee nog doet, dan blijft er niets over, dan dat lieden van allen godsdienst en van alle landen zicb vereenigen, om expedities naar Afrika te zenden, wier eenig doel is de onderdrukking der slavernij. Eenigen (b. v. de missionarissen) kunnen voor dit doel met zedelijke middelen arbeiden, de meesten echter moeten zich van andere wapens bedienen. Als wij aan de groote meren en op andere punten van het binnenland goed gewapende en goed gedisciplineerde troepen hadden, dan zou het ons spoedig gelukken het vervoer der slaven naar de verafgelegen landen te beletten. Tot nu toe heeft niemand iets gedaan om dit doel te bereiken, maar een honderdtal Europeanen zouden het Nyansa-meer kunnen beheerschen en hetzelfde geldt voor de andere groote meren en voor eenige hoofdplaatsen aan de hoofdwegen. Duitschland voert sinds korten tijd heerschappij over een groot gebied in Afrika, maar tot nog toe bewijst niets zijn wil, om het lijden van degenen te lenigen, wier souverein het geworden is.
Ik hoop. Monseigneur, dat U gelukken zal, een levendig belang voor dit vraagstuk op te wekken en middelen te vinden tot onderdrukking van den slavenhandel. De mensch, dien het gelukt den negerstam zijne vrijheid te verzekeren, zal de waardigste dienaar Gods zijn, dien de wereld ooit gezien heeft.
Ontvang enz.
Lovett-Cameron, C. B. D. L.
Commander Rlc.
29
Uittreksel uit een brief van pater Yincke van de Missie Kitanga aan het T anganika-meer.
Daar ik mij voor korten tijd in Oujiji bevond, moet ik eenige woorden daarover zeggen. Maar ik gevoel mij niet in staat eene beschrijving van deze stad te geven, zooals ik ze gezien heb, en mijne pen weigert alle afschuwelijkheden te melden, die daar gepleegd worden. Oujiji is de meest bevolkte Arabische stad van het Tanganika district. Hier komen op den weg naar Zanzibar alle slaven-kara-vanen aan uit het binnenland; hier verzamelen zich alle Mestiezen om te beraadslagen, naar welke kanten en in welke streken zij hunne strooptochten zullen ondernemen, en van hier uit gaan alle troepen, die thans Manyema overstroomen, en dit eenmaal zoo bevolkte land geheel zullen verwoesten. Het is waarlijk een Sodoma, het tooneel van alle misdaden, ondeugden en aruwelen. Welk een ongeluksdag voor Afrika, de dag, waarop de Muzelmannen hun voet in de binnenlanden zetten. Want met hen zijn tegelijkertijd hun zedelooze godsdienst, hun verachting voor de negers, hunne ondeugden en hunne schandelijke kwalen binnengedrongen, welke tot dien tijd bij de zwarten onbekend waren.
Vroeger reeds had ik meermalen de markt van Oujiji bezocht, maar toen waren de slaven minder talrijk en kon men dezen afschuwelijken handel niet in zijn geheele verschrikkelijkheid zien. Bij mijn laatste bezoek echter was de stad met slavenkaravanen uit Manyema, Ma-runga, Ouvira en Oubuari, in den volsten zin des woords, als overstroomd. Door den grooten toevoer waren de slaven zeer goedkoop; men kwam ze mij voor spotprijzen aanbieden, maar bijna allen schenen geheel uitgeput door inspanning en ellende, stervend van honger; velen zouden volstrekt niet in staat zijn geweest, over het meer de
30
missie te bereiken. Ik was zoo arm dat ik helaas bijna allen moest afwijzen, ik had ternanwernood geld genoeg, om die gevangenen vrij te koopen, voor welke ik gekomen was en wien ik de voorkeur moest geven, wijl zij reeds onderricht van ons ontvangen hadden.
Het plein was geheel bezet met slaven: in lange rijen stonden zij geboeid, mannen, vrouwen, kinderen in verschrikkelijke wanorde, eenigen met koorden, anderen met ketenen aan elkaar verbonden. Verscheidenen, die van Manyema kwamen, had men de ooren doorboord en er dunne koorden doorheen getrokken, waarmede zij aan eikaar gehouden werden. Op de straten ontmoette men bij iederen pas levende geraamten, die zich met moeite, steunend op een stok, voortsleepten. Zij waren niet meer geketend, daar zij toch niet meer konden ontvluchten. Ziekte en ontbering stonden op deze ontvleesde trokken te lezen, en alles duidde aan, dat zij meer uit honger dan door ziekte den dood nabij waren. Aan groote lit-teekens en versche wonden op hun rug zag men terstond, hoe slecht zij door hun meesters behandeld waren, want om hen tot voortgaan te dwingen, spaart de slavendrijver de roede niet. Anderen, uitgestrekt op de straten of bij het huis van hun meester, die hun geen voedsel meer liet geven, omdat hij hun dood voorzag, wachtten op het einde van hun ellendig bestaan. O, hoe bloedt het hart van den missionaris bij het aanschouwen dezer ongeluk-kigen, die niet eenmaal den troost der hoop hebben op een leven hiernamaals, als hij bedenkt, hoevele zielen er verloren gaan, wijl het aan arbeiders ontbreekt voor het werk der bekeering en aan geld voor hunne bevrijding!
Maar beter nog dan op de markt en in de straten zouden 'wij de vreeselijke gevolgen van dezen afsehuwe-lijken handel zien op eene onbebouwde plaats, die tus-schen de 'markt en den oever van het meer ligt. Deze ruimte is het kerkhof van Oujiji, of om duidelijker te spreken, de plaats, waar men de doode en stervende slaven
31
neerwerpt. De hyena's, die in het land zeer talrijk zijn, vervullen de rol van doodgraver. Een jong Christen, die de stad nog niet kende, wilde zich naar den oever van het meer begeven, maar op het gezicht der ontelbare lijken, die als gezaaid langs den weg lagen, half door hyena's en roofvogels verscheurd, week hij ontsteld terug; zulk een tooneel kon hij niet aanschouwen.
Op mijne vraag, die ik tot een Arabier richtte, waarom de lijken in den omtrek van Oujiji zoo talrijk zijn en waarom men ze zoo in de nabijheid liet liggen, antwoordde hij mij op zulk een onverschilligen toon, alsof het de eenvoudigste zaak der wereld betrof: «Vroeger waren wij gewoon de lijken op die plaats neer te werpen en iederen nacht sleepten de hyena's ze weg; maar dit jaar is het aantal dooden zoo groot, dat deze dieren er van walgen; zij hebben zich het menschenvleesch tegengegeten! !!quot;
Uit het dagboek van eene Missie-Stichting.
Kibanga, 3 December 1887.
De voormiddag bood niets ongewoons aan; tegen den middag echter bemerkten wij op de heuvels rondom onze stichting negers, die de vlucht naar ons namen. De eerst aangekomenen verhalen ons, dat een slavenroover, een opperhoofd der Mulatten uit het Westen van Tan-ganika, hun woonplaats overvallen heeft. Vele inboorlingen, die van de missie verwijderd wonen, vluchtten met hun have tot ons. Aanvankelijk meenden wij dat het slechts een loos alarm was, zooals in deze streken dikwijls voorkomt, maar tegen 8 uren zagen wij in de verte, op de hoogte aan gene zijde van de Luwu-rivier, de grens van het gebied onzer missie, een troep gewapende Mestiezen en negers in westelijke richting voorbijtrekken. Al onze nieuwgedoopten vluchtten in allerijl naar ons toe.
32
Het zijn hoofdzaVelijk de Mahomedaansche soldaten, die in de ons omliggende landstreken deze strooptochten maken. Twee onzer kinderen hebben zij geroofd. Spoedig werden alle maatregelen genomen. De Tambe (de wal, die onze missie omringt) wordt gesloten en de negers onzer missie ontvangen munitie. Ongeveer 20 hunner, aan wier hoofd de pater Overste en pater Vincke, gaan de plunderaars tegemoet, om ze aan te houden en rekenschap te vorderen van hun inval in het gebied der missie. De overigen, met pater Gruil-lemé en broeder Hieronymus, bewaken het huis en brengen de vluchtelingen tot rust. Op ongeveer 250 meter van onzen wal gekomen, stoot onze voorhoede op de Eoega-Roegas (bandieten), die met een roode vaan de dorpen doortrokken, alles, menschen en goederen mede-gesleurd hebben en nu juist eenige verstrooide vluchtelingen vervolgen. Men roept hun toe, stand te houden en boden te zenden, om mede te deelen, waarom zij komen en wie hen zendt In plaats van te antwoorden, slaan zij eene andere richting in en gaan op marsch naar een ander dorp aan het Tanganika-meer. Spoedig daarop verschijnt een andere troep van ongeveer 150 man op de heuvels van den Luwu en sluit zich bij de eerste aan.
Wij waren ongeveer tien minuten van ons missiehuis verwijderd. Daar wij ons niet verder waagden, maar de menschenroovers vóór alles wilden beletten in onze eigen woonplaats binnen te dringen, gaf de pater bevel tot den terugtocht, die in goede orde en zonder door de bandieten lastig gevallen te worden afliep. Middelerwijl hadden al de arme wilden van het land, die vertrouwen in ons stelden, hun toevlucht tot ons genomen, daar zij wel wisten dat zij anders, zooals altijd, tot slaaf gemaakt of onbarmhartig vermoord zouden worden. Anderen waren op het meer gevlucht of hadden zich in het hooge gras verborgen. De paniek onder de vrouwen en kinderen onzer missie was groot, doch zij vertrouwden op God en
83
baden. De pleegkinderen uit het weeshuis baden in de kapel de rozenkrans, terwijl de vrouwen in den hof van de Tambe, al de luin bekende gebeden opzegden. De mannen van onze christelijke dorpen ontva.ngen ruimschoots ammunitie, doch tevens het bevel den toegang tot onze Boma (verschansing) te verdedigen, ingeval een nieuwe aanval mocht plaats hebben en liever de laatste patronen door de schietgaten der omwalling, die gelukkig klaar was, te verschieten, dan de vrouwen en kinderen, wier lichaam en ziel wij voor het Christendom gewonnen hadden, of de arme inboorlingen, die tot ons gevlucht waren, in de handen der roovers te laten vallen. In-tusschen beproefden wij met den vijand te onderhandelen , om te vernemen, of Mahomed, die zich onze vriend noemt, inderdaad zijn lieden bevolen heeft, de missie te plunderen, en of hij van Said Bargasch, den sultan van Zanzibar (wiens dood toen nog niet bekend was) niet het bevel had gekregen ons te eerbiedigen.
Onze bevolking bestond uit ongeveer 100 man, die van geweren voorzien waren (waaronder een dozijn snelvuur-geweren, echter met weinig patronen), ten naastenbij 200 wilden met lansen gewapend, 3 a 400 vrouwen en evenveel kinderen, met inbegrip van ons weeshuis, in 't geheel omtrent 1000 man.
Wij staan dus op schildwacht en bewaken onzen heuvel, terwijl wij ons onder Gods hoede stellen. Maar de nacht breekt aan; de Wangwana bezetten zonder een schot te lossen de omliggende dorpen en rooven alles wat zij vinden. Met onze ver treffende geweren hadden wij hen gemakkelijk bij hun plundering kunnen bemoeilijken, maar het was van meer belang voor ons niet hen te onderhandelen , om te vernemen, wat wij voor onze christenen konden hopen of verwachten. Ditmaal hoorden zij naar ons geroep en antwoordden dat zij werkelijk lieden van den Arabier Mahomed waren en de aanvoerder der troepen spoedig zou komen. Inderdaad kwam de aanvoerder
3
34
omstreeks 6 y.2 uur en daar hij zelf niet tot ons kon komen, wegens ware of voorgewende pijn aan het been, zond hij ons een briefje met het bericht, dat zijn meester van Said Bargasch bevel had gekregen, niet bij de blanken te plunderen en dat zijn troep slechts kwam om de negers van het land te bevechten. Tevens zond hij ons eene inlandsche vrouw, de schoonmoeJer van een onzer christenen, die in een der plaatsen gevangen genomen was. Den volgenden morgen, zoo liet hij ons zeggen, zou alles geregeld worden ....
Zondag, 4 December.
Goddank! De nacht was rustig, de wachten hadden niets mede te deelen, er heeft geen alarm plaats gehad. Wij lezen vroeg onze H. Missen, tegen 7 uur begeven zich de pater provicaris en pater Vincke naar een der dorpen, die gisteren verlaten zijn, tot den aanvoerder der ruovers. Deze hoofdman van Mahomed is een Mulat van kleine gestalte, tusschen 25 en 30 jaren, met kleinen, zwarten baard en zeer donker uitzicht. Nauwelijks in de hut binnengeleid, vraagt hem onze pater provicaris of hij aldus de bevelen van den Sultan van Zanzibar uitvoert, door bijna onder onze muren het land te verwoesten. De aanvoerder put zich uit in verontschuldigingen, en zegt dat hij zijn lieden bevolen heeft, niet bij ons te plunderen en onze kinderen niet te vervolgen... zijne ongedisciplineerde bandieten hadden waarschijnlijk het land van Para met het onze verward, geheel tegen zijn wil. De pater verlangde nu dat men ons de beide geroofde pas gedoopte kinderen zou teruggeven, hetgeen ook geschiedde. Dank de vastberadenheid van den pater, bleef men in goede verstandhouding, en de aanvoerder verbood zijn lieden, iets op onzen grond aan te raken, zoowel als hij van onze lieden vorderde, alle indringers te verjagen.
Bij het afscheid van den pater beloofde Bwana Masudi
35
tegen den namiddag een tegenbezoek te zullen brengen. Hij komt inderdaad met zijn gevolg, een twaalftal roovers; uit voorzichtigheid laten wij echter dezen niet binnentreden. De arme hoofdman had bij deze gelegenheid zijn galacostuum aangedaan: een langen, rooden rok, zooals de lakeien of Zwitsers der groote heeren in Europa dragen. Hij babbelt veel en antwoordt op onze talrijke vragen naar de plaatsen, die hij verwoest heeft, naar den Buando van het Noorden, de meren van Kiro en Kangaro, Manyema, Unyabemba en TJbudjewe, enz. Hij bedelt evenals alle lieden van zijn stam; wij weigeren op hoogst beleefde wijze de gevraagde patronen en staan hem een paar pantoffels, oude schoenen en een leege flesch af, welke laatste hem bijzondere vreugde verschaft.
Maar des avonds zijn wij op onzen heuvel getuige van het treurige tooneel eener slavendrijfjacht in de ons omringende streken; de dorpen staan in brand, overal vluchten de vervolgden naar het meer. De bandieten keeren terug, beladen met hoenders, geiten, pakken met visschen, mutana, enz. Een troep van ongeveer dertig roovers doorkruist voor onze oogen de hoogten en laagten aan de rivier Maongolo, waar zich de arme vluchtelingen verborgen hebben; zij keeren terug, terwijl zij vrouwen en kinderen geketend voor zich uitdrijven. Het is een verschrikkelijk schouwspel! Men zou deze hardvochtige bandieten kunnen ter neer schieten, maar dat ware een open krijg en de missie zou verloren zijn. Ach, wanneer zal toch de eene of andere Europeesche mogendheid besluiten, dezen vervloekten slavenhandel met alle daaruit voortkomende ellende te vernietigen? Een detachement van honderd goed gewapende Europeesche soldaten, aan het klimaat gewoon, zou in den tijd van veertien dagen, met deze geheele verschrikkelijke horde (een hoop van 2 a 800 roovers), die over alle landen van Tabora, over Oujiji tot aan Manyema en langs geheel het Tanganika-gebied tot aan het Albert-Nyatiza-ineer haar verschrik-
36
kin gen verspreidt, afgerekend hebben Doch wat kunnen wij, arme missionarissen, anders doen, dan tot God bidden voor de arme zwarten en hun ergste vijanden, de
Arabieren en Mulatten
Op den avond van dezen treurigen Zondag, dien wij nooit zullen vergeten, zond de pater Overste, pater Vincke naar het kamp der Arabieren, om te eischen, dat men dra een einde zou maken aan deze wandaden, en de troepen zoo spoedig mogelijk zou laten vertrekken, opdat onze christen negers naar hunne woonplaatsen, waar bijna alles verwoest was, konden terugkeeren. De aanvoerder, die niet bekwaam is, orde te houden in de rijen zijner schurken, beloofde den volgenden morgen vroeg te zullen aftrekken, en liet ons de keuze, uit de offers van dezen dag zooveel vrouwen en kinderen vrij te koopen, als wij konden betalen. Alles, wat wij bezaten, werd er voor gebruikt. Stel u de vreugde der uitverkorenen voor, die naar hun haardstede mochten wederkeeren, maar denk ook aan de wanhoop der arme ongelukkigen, wien geen bevrijding ten deel viel en die met geweld, luid schreeuwend, geboeid werden voortgesleept. O waarom bezitten wij geen geld genoeg om ze allen te kunnen bevrijden!
Maandag, 5 December.
Nogmaals God zij geloofd! Hedenmorgen 7 uren zijn de lage moordenaars van onze vreedzame bevolking onder een stortregen afgetrokken, de verwenschingen van alle inboorlingen met zich nemend. Zij waren omtrent 300 in getal; de slavenkaravaan vormde de treurige achterhoede. Eene arme oude vrouw klemt zich in het voorbijgaan aan de kleedereu van broeder Jozef vast en bidt schreiend, haar te helpen; hij kan niet en als een redeloos dier wordt zij met het koord om den hals voortgetrokken ..... Wij konden haar niet vrijkoopen.....
De rij was tamelijk lang, reeds toen de regen had opge-
37
houden kon men de achterhoede nog zien; wij wenschen hun noch een vaarwel noch een tot wederziens toe. De onmenschen zijn thans in het gebied van Ubembe gevallen, en reeds van verre teekenen de vlammen hun marsch.
Deze treurige rooftochten laten niets levends achter; alle dorpen, waar wij nog voor drie dagen catechismusonderricht gingen geven, zijn thans verwoest en ontvolkt.
Eene arme vrouw, die door de Rouga-Rougas gevangen was genomen, stierf voor onze oogen. In wanhoop had zij weerstand geboden en zich niet willen laten boeien; een bandiet richtte koelbloedig zijn pistool op haar en doorschoot haar de borst. Zij viel doodelijk gewond terneer en eenige minuten later bracht zij een dood kind ter wereld. Wij namen de in vreeselijke smarten krimpende vrouw op en droegen haar naar onze missie. Zij had reeds een weinig catechismus-onderricht gehad; wij spraken haar van den Hemel en het doopsel, zij verlangde er naar en
stierf kalm als christin..... 0 God, wie zal ons uit
deze vreeselijke toestanden redden!...
Pater Moinet,
van het gezelschap der missionarissen van Algiers.
Uittreksel uit de berichten van Livingstone,
wMen beweert dat in sommige streken de slavernij mild en weldadig is; de Boeren verzekeren, dat zij de beste heeren zijn.. . maar men kan moeielijk een wijze bedenken, hoe zij hun slaven nog meer kunnen doen lijden..
//De Boeren weten bij ondervinding dat het onmogelijk is, volwassenen in slavernij te houden; de vlucht is te gemakkelijk om ze te kunnen beletten. Daarom bemachtigen zij jonge kinderen, die hunne ouders vergeten en zich aan de lijfeigenschap gewennen...quot;
38
i/Een Pombeiro had acht tamelijk schoone vronwen aan eene ketting, die hij naar het Matiamvo-gebied voerde om ze voor ivoor te verkoopen..
a... Deze slavenhandelaars behonden bij iederen aanval de overhand. Men behoeft zich daarover niet te verwonderen. Het kruit maakt hen almachtig. De negers met pijl en boog gewapend, kennen slechts den strijd in hinderlaag; in het vrije veld gelijken zij het handelsschip, dat door een oorlogsschip wordt overvallen...quot;
ii... De talrijke nieuwe graven toonen aan, hoeveel offers deze ramp reeds gevorderd heeft, en onder de nog levenden bevinden zich honderden, die op geraamten gelijken. .. Als men van afstand tot afstand deze treurige teekens der wreedheid van menschen jegens hun mede-menschen ziet, dan drukt u het gevoel der machteloosheid terneer en gij zendt een stil gebed tot God op, opdat het uur moge komen, waarop alle menschen broeders zullen zijn____quot;
«15 October. In het dorp Katosi aangekomen, vonden wij ongeveer dertig jongelieden, die allen het juk der gevangenen om den hals droegen, dat men ngoriquot; noemt. Geheel uitgeput hadden de ongelukkigen beproefd te slapen, maar de drukking van de r goriquot; verhinderde het hun...quot;
.......Na eenige oogenblikken meldde Mobamé ons, dat
een slavenhandelaar juist door het dorp trok, om zich naar Têté te begeven. Zouden wij ze bevrijden? Onze bagage en werktuigen der expeditie waren in Têté; het was te vreezen dat men ons uit wraak alles zou ont-rooven. Intusschen besloten wij dezen afschuwelijken handel te verstoren. Eenige minuten later verscheen een groote menigte mannen, vrouwen en kinderen met ge-
39
boeide armen, die elkaar in lange rijen voorttrokken. Met geweren gewapende zwarten liepen er voor, er achter en er langs. Toen zij ons echter bemerkten, gingen zij zoo snel het bosch in, dat wij nauwelijks hun roode kousen en hun voeten zagen Slechts de aanvoerder bleef op zijn post; een onzer opperhoofden herkende hem en drukte hem vriendelijk de hand. Het was een slaaf van den vroegeren commandant van Têté; wij zelf hadden hem vroeger in onzen dienst gehad. Oj) de vraag, vanwaar hij de slaven had, zeide hij ze gekocht te hebben, doch toen wij de gevangenen ondervroegen, antwoordden zij allen, behalve vier, dat zij gevangen genomen waren in den strijd. Intusschen verdween de aanvoerder. De gevangenen, die met ons alleen waren gebleven, vielen op hunne knieën en klapten luid in de handen, om ons hunne dankbaarheid te toonen.... Vele kinderen van vijf jaren en jonger waren er bij. Een kleine knaap zeide in zijn kinderlijken eenvoud tot een mijner lieden: «De anderen knevelden ons en lieten ons verhongeren; gij bevrijdt ons en geeft ons te eten; wie zijt gij toch en vanwaar komt gij?quot; Twee vrouwen had men daags te voren dood geslagen, omdat zij beproefd hadden hare boeien te verbreken. Aan de overigen zeide men dat hun hetzelfde lot zou ten deel vallen, als zij pogingen deden om te ontvluchten. Een ongelukkige moeder, die weigerde een last te dragen, omdat zij dan haar kind niet dragen kon, moest het aanschouwen, hoe men haar kind een kogel door het hoofd schoot. Een man, die niet verder meer kon gaan, werd met een bijl gedood.....quot;
a.....Onze weg leidt door groote volden, de maïs en
de boonen zijn rijp, maar er is niemand meer om ze in te halen . .
n..... Eene Barotsé, een jong en schoon meisje, dat
weigerde een man te huwen, die haar niet beviel, werd
40
door den hoofdman aan slavenhandelaars uit Benguela verkocht. Toen zij zag dat het ernst was en men haar verder wilde voeren, nam zij een lans; doorboorde zich er mede en viel dood terneer.quot;
...... O waarom kunnen wij geen nauwkeurige beschrijving geven van de gruwelen van dezen menschen-handel, niet nauwkeuriger het getal aangeven der men-schenlevens, die jaarlijks verwoest worden ? Wij gevoelen het, als slechts de helft dezer afschuwelijkheden bekend was, werd de verontwaardiging en het medelijden zoo groot, dat deze helsche handel spoedig verdwijnen zou, hoe groot de offers daartoe ook wezen mochten. Doch het juiste aantal ontbreekt ons; als wij slechts het aantal opgeven van dit deel van Afrika, kan de lezer daarna eene berekening maken. De overste Eigby, Engelsch consul te Zanzibar, zeide ons dat alleen uit de streek van de Nyazza jaarlijks 19.000 slaven de tolgrens passeeren; hieronder zijn, wel te verstaan, niet begrepen diegenen, welke van de Portugeesche reede verzonden worden. En de gevangenen, die men uit hun land medevoert, maken slechts een klein gedeelte van de slachtoffers uit Een duidelijk denkbeeld van dezen handel kan men slechts vormen als men dien ziet; daar heerscht de duivel in levende lijve. Voor eenige honderden, die men gevangen neemt, worden duizenden gedood of sterven aan hunne wonden, terwijl de vluchtelingen van honger en ellende omkomen .... De talrijke geraamten, die langs de wegen liggen, welke naar ledige dorpen voeren, getuigen genoeg van de verschrikkelijke menigte menschenlevens, die opgeofferd worden. Na hetgeen wij met eigen oogen zagen, zijn wij vast overtuigd, dat, om éénen slaaf te bekomen, ten minste vijf menschen worden opgeofferd, die bij de jacht bezwijken. Wilden wij echter het door Chire aangegeven getal tot grondslag onzer berekening nemen, zoo zouden wij zeggen
41
dat door elkaar niet een tiende deel der offers levend verkocht worden. ...quot;
a.....Het aanschouwen dezer woestenij, met nienschen-
beenderen als bemest, deed ons begrijpen dat het onmogelijk zou zijn, een geregelde verbinding met deze streken aan te knoopen, zoolang de menschenhandel, die vreeselijke landplaag, niet verdwenen is.quot;
Uit Stanley's werk: nVijf jaren aan den Congoquot;, ont-leenen wij (Hoofdstuk XXVI) de volgende aanteekeningen:
......Den anderen morgen nadat wij twee uren op
marsch geweest waren, herkende ik de plaats, waar een dorp lag, dat ik op mijn kaart van 1877 met den naam Maouembé had aangeduid. Doch in 1877 lag het dorp door sterke verschansingen ingesloten, terwijl er thans zelfs de kleinste hut niet meer van bestaat. Toen wij naderbij kwamen, konden wij nog de overblijfselen van eenige banaanboomen en de sporen der voetpaden onderscheiden, die van den oever der rivier naar het dorp leidden, maar er was geen levend wezen te zien. Een brand had alles vernield. Het dorp had opgehouden te bestaan, alsof zijn aanwezen slechts een droom geweest ware. Wat was er dan intusschen voorgevallen?
Een weinig verder trok een andere verschijning onze aandacht. Twee of drie groote schuiten, met het eene einde in den grond gegraven, stonden in haar geheele lengte rechtop aan den oever der rivier, evenals gespleten, uitgeholde boomstammen. Wat beduidde dit phan-tastisch tooneel ? Slechts de Arabieren konden zulk een zwaar werk uitvoeren; deze schuiten, die daar als schildwachten stonden , verrieden dat de slavenjagers beneden den Stanley-waterval verschenen waren!
Later vernamen wij, dat hier iu deze thans woeste
4,2
streek vroeger het dorp Yomburri had gestaan. Kort daarop zagen wij op denzelfden oever een nieuw tooneel van verwoesting en ellende: eene geheele verbrande stad, neergevelde banaan boom en en weder de onheilspellende grafsteenen in den vorm van schuiten. Maar hier waren ten minste nog menschelijke wezens, die ons eene verklaring van deze tooneelen konden geven. Ongeveer 200 inboorlingen waren voor de puinhoopen neergehurkt Eenigen hielden hun hoofd in de handen verborgen, anderen staarden wanhopig voor zich uit, de kin op de hand steunend, weer anderen aanschouwden ons met wezenlooze uitdrukking. Hun blikken schenen te zeggen: «De wreedheid der menschen is over ons gekomen ; wij hebben alles verloren, onze bezittingen, ons geluk, onze hoop. Welk kwaad kunt gij ons nog aandoen; wij hebben zooveel geleden, dat gij geen grootere wreedheden bedenken kunt.quot;
Ik gaf aan Yambila bevel, de ongelukkigen te onder vragen. Een grijsaard stond op, terneergedrukt door wanhoop, en begon ons de geschiedenis van hun ongeluk in de kleinste bijzonderheden te verhalen. Het stadje was geheel onverwacht door een bende overvallen, die met woest geschreeuw en oorverdoovend geweergeknetter de lucht vervulde. Deze roovers hadden alle bewoners, die uit de brandende hutten poogden te ontvluchten, ver-worgd; niet een derde gedeelte van de mannelijke bevolking bracht het er levend af en de meesten der vrouwen en kinderen werden voortgesleurd. God weet waarheen.
«En in welke richting zijn de misdadigers afgetrokken?quot; liet ik vragen.
«De rivier op; er zijn sedertachtdagenvoorbijgegaan.fr
«Hebben zij alle dorpen verbrand?quot;
«Alle, zonder uitzondering, aan beide zijden der rivier.quot;
Tot zoover de mededeeling van den oude. Op den morgen van den 17 November hielden wij ons aan den oever een oogenblik met houthakken bezig, toen eens-
43
klaps iets de rivier afdreef De voorhoede roeide er heen en een onzer lieden bemachtigde het raadselachtige voorwerp. O schrik! Het waren twee vrouwen lij ken, met een koord aan elkander gebonden! En naar alle waarschijnlijkheid was de misdaad nog geen 12 uur geleden begaan. Terwijl wij nog over deze afschuwelijke daad nadachten, en op de rivier verder voeren, bemerkten wij op eenmaal eene menigte witte voorwerpen. Met behulp van mijn verrekijker erkende ik eene menigte tenten. De Arabieren van Nyangué waren in onze nabijheid. Een oogen-blik was ik in hevigen strijd met mij zei ven. Ik gevoelde mij onwederstaanbaar aangespoord de bedrijvers van zooveel misdaden en moorden te tuchtigen. De herinnering aan de beroofde en verbrande huizen, aan de arme men-schen, die uit hun woningen gesleurd waren, aan dien grijsaard, in zijne smart zoo spraakzaam, en aan de lijken der vrouwen, die midden in den stroom verteerden, dat alles riep om wraak. Maar het overleg kwam weldra. Welke aanspraken had ik om in Afrika als rechter op te treden? En van welk nut zou het zijn de schuldigen te straffen? Al deze misdaden waren bedreven, de asch der verbrande hutten was koud, de grond had het bloed der offers gedronken. En toch bevonden er zich nog gevangenen in de macht hunner roovers; nog was er smart te lenigen, nog tranen te drogen, wier bron nog lang niet uitgeput was... Voor het overige, welk nut kan ons later deze streek aanbrengen, als wij toelaten dat de barbaren die zoo verwoesten?
Wij landden en sloegen ons leger een weinig hooger op dan de Arabieren, en eenige minuten later wisselden onze bewoners van Zanzibar levendige handdrukken met de Manyema's, de slaven van Abed-ben-Alim, die deze streek overrompeld hadden om hun heer nieuw ivoor en nieuwe slaven te brengen. Deze horde van bandieten â want een beteren naam verdienden ze niet â⢠plunderde onder commando van verschillende aanvoerders, van wel-
44
ken de vooruaamsten Karema en Kiboeroe heetten. Zij hadden 16 maanden geleden de stad TJané Kiroendoe, op 50 meter afstands van Vinya Njara gelegen, verlaten. Elf maanden lang hadden zy de geheele streek tusschen den Congo en den Loebiranzi verwoest en hetzelfde verschrikkelijk werk wilden zij thans tusschen den Biyerré en Uané Kiroendoe ondernemen. Een blik op mijn kaart toonde mij, dat de bewuste streek, op den rechter- en linkeroever, eene oppervlakte heeft van meer dan vijf en twintig duizend vijfhonderd vierkante kilometers â 3200 vierkante kilometers meer dan Ierland â en eene bevolking van ongeveer een millioen zielen bevat.
Het kamp der roovers was ongeveer 125 meter van het onze verwijderd en door een staketsel beschut, dat uit de overblijfselen der verwoeste huizen van Yangambi opgericht was.
In het midden der besloten ruimte verhieven zich een aantal tenten, die een oppervlakte van ongeveer 100 vierkante meters besloegen, aan den oever telde ik 54 schuiten, die â naar hunne grootte te rekenen â ieder wel 10 tot 100 personen konden bevatten. Het kamp was letterlijk volgepropt met menschen Aan alle kanten ziet men troepen negers, onbeweeglijk of ronddolend, stil en droevig, die een sprekend contrast vormen met de witte mantels der Arabieren. Onder de afdaken ziet men naakte lichamen in alle houdingen, een ontelbare rij van ongelukkige slapenden; kleine kinderen, bij welke men nauwelijks het geslacht kan onderscheiden, doordien de ledematen nog niet genoegzaam ontwikkeld zijn; hier en daar eene troep oude vrouwen, gebogen onder den last van korven, gevuld met kolen of bananen, geleid door twee of drie bandieten met karabijnen gewapend. Toen ik het tooneel nader beschouwde, bemerkte ik, dat de ongelukkigen allen boeien droegen, de jongelieden hadden haken om den hals, die door middel van ringen met andere haken verbonden waren, zoodat er telkens twintig gevangenen bij
45
elkander liepen. De kinderen , die ongeveer tien jaren oud waren, droegen om de beenen koperen ketenen, die hunne bewegingen bemoeilijkten; de moeders droegen kortere ketenen, waaraan de kleinere kinderen bevestigd waren. Niet een enkel krachtig man bevond zich onder de gevangenen.
Volgens hun eigen opgave voerden de menschenjagers slechts 2300 gevangenen met zich. En toch zijn zij als een geesel, zonder medelijden doodend en verwoestend wat zij ontmoetten, een geheel land doorgetrokken, grooter dan Ierland; 118 dorpen, 43 groote gemeenten uitmakend, zijn verwoest, en dit vernielingswerk heeft den onmenschen slechts 2300 slaven, vrouwen en kinderen, en omstreeks 2000 olifantstanden opgebracht.... Het groote aantal lansen, sabels en wapenen van alle soort, die zich bij den buit bevinden, duidt aan, dat honderden mannen, die weerstand boden, in den strijd gevallen zijn. Indien wij aannemen dat elk der 118 dorpen slechts eene bevolking van duizend personen telde, dan hebben de Arabieren slechts twee procent tot hun gevangenen gemaakt, en indien wij verder aftrekken, wat nog op marsch bezwijkt, dan kan men aannemen, dat deze bloedige rooftochten hun helden niet meer dan een procent der bevolking aanbrengen.
De booswichten verzekerden mij, dat verscheidene slaven evengroot in getal als die, welke men nu vervoerde, reeds in Nyangué waren aangekomen. Deze vijf expedities hebben het uitgestrekte gebied, waarin wij reizen, verwoest en ontvolkt. Minstens 10.000 slaven werden voortgesleurd. En daar de helft er van sterft, zijn er in Nyangué, Ki-roendoe en Vibondo slechts ongeveer 5000 aangekomen, een half procent van de bevolking. En hoeveel bloed werd vergoten, hoeveel menschenlevens opgeofferd om zulk een uitslag te verkrijgen!
Laten wij de vreeselijke balans opmaken. In de bewuste 118 dorpen hebben de Arabieren 3600 slaven gemaakt.
46
Zij moesten derhalve minstens 2500 weerstand biedende mannen ombrengen; verder zijn 1300 hunner gevangenen van wanhoop, honger en ziekte omgekomen. Vervolgens heeft het gevangennemen van 10.000 slaven door de vijt ondernemingen aan niet minder dan 33.000 mensehen het leven gekost! En wat zijn het voor slaven, die ik voor mij zie en voor wie vaders, echtgenooten en broeders hun bloed vergoteni' Zwakke vrouwen, kleine kinderen!... Om een vierjarigen knaap in boeien te slaan, heeft men geheele huisgezinnen van zes personen omgebracht!____quot;
De droevige tooneelen der voorgaande bladzijden zullen voldoende zijn, om den lezer een flauw denkbeeld te geven van den afgrijselijken druk, waaronder de negers smachten, van den afgrond der ellende, waaruit zij wanhopig de handen uitstrekken, niet alleen naar den hemel en tot de missionarissen, maar tot ieder hunner medemenschen, terwijl zij schreien en weeklagen : ;,Redt, redt ons, wij vergaan!quot; En voorzeker, wiens hart zou gevoelloos kunnen blijven, bij het lezen dezer regels? Als wij echter van ieder mensch zonder uitzondering veronderstellen moeten, dat bij zulke tooneelen den wensch bij hem opkomt, afdoende hulp te verleenen, hoe veel te meer geldt dit dan niet voor onze christen en katholieke geloofsgenooten. Ons, katholieken, leidt daarbij niet alleen het medegevoel, er komen zeer gewichtige andere beweeggronden voor ons in aanmerking.
Onze H. Vader, Leo XIII, verklaarde het den 5 Mei luide en plechtig vcor de gansche wereld, dat onder alle giften, die men hem bij zijn jubilé had aangeboden, geen zijn hart zoo zeer verheugd had, als die, waarbij men den slaven in Brazilië de vrijheid hergaf.
Waarde lezer, welk eene edele aansporing ligt in deze woorden voor het hart der getrouwe zonen van ons aller beminden Opperherder! Nog is het jubeljaar niet voorbij,
47
nog is liet tijd, dit schoonste feest der Katholieke Kerk voor immer te verheerlijken en wel daardoor, dat wij nog in dit jaar den grondsteen leggen voor een werk, dat bestemd is duizenden jaren vruchten te dragen en den naam van Leo XIII voor immer diep in de harten der menschen te griffen. Moge de bevrijding der Afrikaansche slaven dagteekenen van het jubilé van Leo XIII.
En ten tweede, waarde lezer, kan een katholiek onverschillig blijven bij het beschouwen van dien eerbiedwaar-digen grijsaard, die nog in zijn ouderdom alle bezwaren trotseert en den pelgrimsstaf ter hand neemt, om Europa den kruistocht tegen ontmenschde horden te prediken? Welk een groot offer brengt deze man, die lang genoeg heeft gearbeid om zijne oude dagen in rust te kunnen eindigen, en welk een gering offer verlangt hij daarentegen van ons, als hij verzoekt, hem en zijn werk met een penningske te steunen? Deze groote man is de roem zijner eeuw, de nog schitterender roem van zijne Kerk; zal het nageslacht van hem zeggen, dat hij groote dingen volbracht heett en nog grootere zou hebben kunnen doen, indien niet juist diegenen hem in den steek hadden gelaten, op wier hulp hij recht had te hopen? Het ware eene schande voor onze eeuw en eene nog grootere schande voor ons, katholieken, wien voor alles het gebod heilig zijn moet: Bemin uwe naasten! â Neen dat mag, dat zal niet zijn! En als het woord waar is, dat diegene vooral onze naaste is, die onze hulp het meest noodig heeft, dan is dit gebod zeker van toepassing op de arme zwarten in het hart van Afrika. Zij hebben onze hulp in dubbel opzicht noodig; ten eerste om hun leven en hunne vrijheid, ten tweede om hunne ziel te redden, die nog in de duisternis van het heidendom gehuld is. Het eene wordt door liet andere verkregen. De lichamelijke weldaad, die wij bun bewijzen, zal hun hart tot het Christendom trekken en wij zullen de hooge voldoening smaken, te zien, hoe onze milde giften, hoe klein zij mogen
48
zijn, duizend- en millieenvoudige vruchten zullen voortbrengen. Er is nauwelijks een volk, dat gemakkelijker tot liet Christendom neigt, dan de neger, en met welk een standvastigheid en overtuiging de zwarten getuigenis van hun geloof weten af te leggen, daarvan heeft ons de christenvervolging in Uganda van het jaar 1886 wonderbare bewijzen geleverd. Wie gelegenheid had, voor twee jaren in de desbetreffende berichten te lezen, hoe nieuwgedoopten, ja zelfs negers, die nog niet gedoopt waren, volwassenen zoowel als kinderen, voor het Christendom met vreugde den dood ondergingen, gevoelde zich onwillekeurig verplaatst in de tijden der eerste christenen, doch is tevens tot het bewustzijn gekomen, dat ook de neger onder zijn zwarte huid een goed hart bezit, hetwelk klopt voor het allerhoogste goed, en dat daar in Afrika zich voor het Christendom een buitengewoon vruchtbaar veld voor de meest uitgestrekte werkzaamheid bevindt. Daarom moeten wij ons des te meer en te ernstiger thans de vraag stellen: wZullen wij die volkeren, die slechts van ons hulp kunnen verwachten, aan hun beulen overlaten? Zullen wij een geslacht van honderd millioen zielen laten verdelgen, nog eer het onzen missionarissen mogelijk zou zijn, ze tot het Christendom te brengen? Zullen wij toestaan dat men onze nieuwgedoopten en diegenen, die reeds onderricht ontvangen, onder de oogen der missionarissen vermoordt, of wat nog erger is, hen aan de dweepzucht der fanatieke, bij den Koran zwerende Muzelmannen overlevert en daarmede de reeds ontspruitende kiem van het christelijk geloof verstikt? Waarde lezer, en vooral gij, waarde lezeres, wier hart reeds verteedert bij den aanblik van gewone ellende, beantwoordt gij deze vraag.
Het voorgaande was reeds geschreven, toen de Kardinaal zijn redevoering in Brussel hield. Hij had juist nieuwe berii h-ten van zijne missionarissen ontvangen, die nieuwe wreedheden vermeldden. Wij zullen er nog drie van aanhalen.
49
Een der paters die te Brussel kwam, verhaalde, dat hij op het Congo-gebied getuige geweest was van de begrafenis van een hoofdman; met hem begroef men echter twintig levende slaven!!!
Een andere pater ontving bezoek van een hoofdman, en deze vei zocht den pater hem eens weder te bezoeken. «Indien gij komtquot;, zeide de wilde, om den pater te overreden, «zal ik acht levende vrouwen voor mijn huis laten verbranden.quot; Dit scheen hem een bijzonder eerbewijs, of wel het grootste vermaak te zijn!
Een andere hoofdman, Menka genaamd, bezit een geheel muziekcorps, waarbij vooral veel tamboers zijn. llij vindt echter, dat trommelstokken geen goeden klank voortbrengen. Wat doet nu do wreedaard!' Hij houwt zijn slaven de handen af en laat ze met de verminkte armen de trommels slaan!!!
Genoeg hierover; men zou duizenden bladzijden vol kunnen schrijven, wilde men alle wreedheden der slavenhouders en slavenjagers opteekenen. Ook tot ons zijn de woorden van den Kardinaal gericht, die hij in Brussel tol zijne toehoorders sprak: «Begrijpt gij thans, waarom ik van mijn vaderland gekomen ben, om mij tot het christelijk en beschaafd Europa te wenden? Is het mogelijk dat een Bisschop, die zulke dingen weet, geen middelen zoekt om ze weg te nemen?quot;
Wij voegen er bij : Is het mogelijk, dat het christelijk en vooral het katholiek Europa den Kardinaal hulp weigert en deze wandaden doet voortduren? Neen, en nogmaals neen! Afdoende en spoedige hulp vordert het gebod der humaniteit en nog meer het gebod des Christen-doms; onze H. Vader Leo XIII zond zijn waardigen afgezant in de wereld, om haar op te vorderen met gewapende hand den afschuwelijken handel te weren ; reeds zijn Frankrijk, België, Engeland en Duitschland gereed, zou Nederland achterblijven?
Keeds meer dan eens is er op gewezen, dat men in het
4
50
toegankelijk maken van Afrika in den tegenwoordigen tijd een uitvoering van het plan der goddelijke Voorzienigheid kan bemerken, om ook van de arme zonen van Cham den vloek weg te nemen, die sedert de misdaad van hun stamvader op hen drukt. Het heidendom is duisternis, het Christendom is licht, en dit licht zal voortaan ook over het «duistere werelddeelquot; stralen, waarop de oogen der gansche wereld gericht zijn. Zou men niet mogen aannemen, dat de gruwelen van den slavenhandel onmiddellijk daartoe zullen bijdragen, aan de binnenlanden van Afrika geregelde toestanden en de prediking van het Evangelie te brengen? Gods wegen zijn wonderbaar, doch Hij vordert van ons, dat wij onzen plicht doen en wat Afrika betreft, is tegenwoordig onze heilige plicht : Ondersteuning der pogingen van den H. Vaderen van zijn eerwaardigen afgezant Z. Em. Kardinaal Lavigerie.
Ieder volgens zijn wijze; wie in zich de eigenschappen van een Stanley, een Emin Pacha of een Joubert gevoelt, wie den degen en het geweer hanteert en vrij over zijn persoon kan beschikken, wie naar lauweren streeft in een edelen strijd, hij moge zijn naam zetten op de lijst dergenen, die reeds de roepstem van den Kardinaal beantwoordden, en zich gereed houden voor het oogen-blik, waarop men een beroep op hun moed zal doen.
Zooals wij gezien hebben, is het werk niet onuitvoerbaar. Alle anderen echter en vooral gij, waarde lezers en lezeressen, hebt bemerkt wat de plicht der naastenliefde verlangt. Ondersteuning door vrijwillige geldelijke offers van hen, die voor het lichamelijk en geestelijk welzijn der arme vervolgde medemenschen leven en gezondheid op het spel zetten Als een paar dozijn mannen van de daad in Europa de trom roeren, een klein aantal bekwame lieden om zich heen scharen, die zich met hen aan de militaire opleiding der negers wijden; als alle millioenen van Nederland, Duitschland, Oostenrijk, Frankrijk , Engeland, België, Italië en de overige landen,
51
kraclitig bijdragen, 0111 Jen te vormen negertroepen wapenen en ammunitie te verschaffen, dan zal de slavenjacht spoedig eene onvoordeelige onderneming worden en de mensehheid en het Christendom zullen eene groote overwinning behaald hebben.
Doch, gelijk de Kardinaal zoo nadrukkelijk predikt, spoedige hulp is noodig. Laat ons dus spoedig aan het werk gaan. Laat ons overal het verhaal der wandaden verspreiden, laat ons vooral zorgen, dat dit boekje in de handen komt van ieder christen; mannen, vrouwen, meisjes, allen vinden er iets in, wat hun bijzonder belang inboezemt, wat hun medelijden opwekt. En de lectuur is zeker zoo belangrijk, als die onzer «boeiende romans,^ welke dikwijls slechts dienen om het hart te pantseren met het harnas van egoïsme en genotzucht.
En is men eenmaal algemeen bekend met den toestand in Afrika, dan heeft de schrijver van dit werkje zijn doel bereikt, dan is de grond voorbereid; het zaad, waaruit christelijke opvoeding zal ontkiemen, is uitgestrooid en met Gods hulp zal het rijkelijk vruchten voortbrengen.
Het is de taak niet van den schrijver, voorstellen te doen, op welke wijze wij het best het gebod der christelijke liefde, dat ons zoo ernstig op het hart gedrukt wordt, in dezen vervullen kunnen; hij is slechts de bode, die u, waarde lezer, den wil Gods, den innigsten wensch van den H. Vader, de smeekingen van den Apostel van Afrika, den hulpkreet van onze arme negers bekend maakt. Doch een wensch zou hij gaarne uiten, namelijk dat alle katholieke mannen en vrouwen zich spoedig tot een grooten bond vereenigen, welks leuze is : Geen slaven meer! Met vereende krachten doet men wonderen, en onze tijd kenmerkt zich door eene geheele bijzondere neiging tot vereenigen; moge deze neiging de dageraad der vrijheid en beschaving voor de arme, beklagenswaardige bewoners van het ongelukkige Afrika worden.
België beeft den kruistocht begonnen. Evenals Godfried
52
van Bouillon aan het hoofd zijner Belgen ten heiligen Lande toog, en den Turken het graf van onzen Verlosser ontweldigde, zoo zal ook nu weder het katholieke België aan het hoofd van den nieuwen kruistocht staan. De Kardinaal heeft honderd wakkere mannen opgeroepen, die uit geestdrift voor de heilige zaak, niet uit lust voor avonturen, den strijd willen beginnen. Met hen hoopt hij den slavenhandel aan het Tanganika-meer uit te roeien. De kosten, omstreeks 1 millioen francs, verwacht hij van de milddadigheid der raenschenvrienden in België. Doch dit is nog maar een begin, en betreft slechts een punt op den Belgischen oever van het Tanganika-meer, een klein gedeelte van Afrika. Het doel der overige beschaafde wereld is dus aangeduid. Haar taak is het den Kardinaal in staat te stellen, niet alleen aan het meer van Tanganika, doch op alle punten, waar de slavenjacht en de slavenhandel gedreven worden, kleine aideelingen op te stellen, en hem, in één woord, van de noodige middelen te voorzien, om zijn reddingswerk overal te beginnen en te voltooien. Het offer dat gebracht moet worden is groot, doch gering voor de enkelen, als de bijdrage algemeen is, en daarenboven is het loon onmetelijk grooter. Met een gulden redt men een menschenleven.
rr Mogen allen,quot; zegt de Engelsehman Cameron, wdie wenschen dat de slavenhandel uitgeroeid word, medewerken en door hun woord, hunne giften, hun wilskracht diegenen te hulp komen, aan wie men de onderneming kan toevertrouwen. Mocht men den missionnarissen in Afrika waardige medehelpers zenden, die bereid zijn hun leven aan de opgenomen taak te wijden. Niet door redeneeringen , niet door geschriften kan Afrika herboren worden, doch slechts door daden. Wie zich in staat gevoelt, daartoe hulp te verleenen, dat hij het doe. Niet ieder kan reizen, apostel of koopman worden, doch ieder kan den lieden, welke door zelfopoffering of door hun beroep daarheen gevoerd worden, broederlijk hulp verloenen!«
53
Dit woord van den Engelschen protestant is niet uienw meer, docli eerst heden is er nitziclit dat het op den rechten prijs zal worden gesteld. Maar laten wij er spoedig gehoor aan geven, laten wij zonder aarzelen antwoorden op de roepstem van den H. Vader, van zijn Kardinaal en van onze ongelukkige broeders. Iedere dag kost aan vier amp; vijf duizend van hen het leven en de vrijheid; laten wij van woorden, van teekenen van verontwaardiging overgaan tot daden. Er bestaan zooveel ver-eenigingen, die zich aan de bevordering van menschlie-vende en katholieke doeleinden wijden, laten wij eene nieuwe vereeniging stichten â ik sluit mij hier aan bij den wensch, dien de katholieke pers reeds meermalen heeft uitgedrukt â die in het bijzonder de afschaffing der slavernij in haar vaandel schrijft. Van weldoen is nog geen volk verarmd, vele kleine bijdragen vormen groote sommen, zooals voor zulk een machtig en vruchtbaar werk noodig zijn. Met droefheid en tevens met fierheid herinneren wij ons bij het schrijven dezer regels een helaas te vroeg ontslapen, edelen jongeling uit den kring onzer bekenden, wiens medelijden met de arme negers en hun treurigen toestand zoo groot was, dat hij nog in de laatste dagen van zijn leven tot de grootste spaarzaamheid besloot, om zooveel ongelukkigen als mogelijk was uit hunne ellende te kunnen bevrijden, zonder daarom de overige werken van christelijke liefde te verwaarloo-zenj â zijn naam is Herman, graaf van Stainlain-Saalen-stein, wiens beeld den schrijver van dit werkje bij de samenstelling daarvan voor oogen heeft gestaan en dat hij hier als een treffend voorbeeld voor allen heeft opge-teekend, wien God aardsche goederen en â een warm hart voor het lijden hunner medemenschen gegeven heeft. Zooeven nog lees ik dat de edelmoedige gravin 20,000 francs in naam van haar gestorven zoon voor den iinieuwen kruistochtquot; ter beschikking stelde en daardoor wel het schoonste gedenkteeken voor den overledene oprichtte, dat men bedenken kan.
54
Het vraagstuk van den Slavenhandel op de XXXYste Algemeene Vergadering der Duitsche Katholieken te Freiburg.
Als eene zeer srunstiafe beschikkins; moet men het be-
O O O
schouwen, dat Kardinaal Lavigerie zijn kruistocht juist op een tijdstip begon, waarop het katholieke Duitschland zich gereed maakte te Freiburg in Breisgau zijne gewone jaarlijksche legerschouwing te houden. Deze Algemeene Vergaderingen geven het aanzijn aan en zijn de drijfveeren van alle groote werken, waarvoor het katholieke Duitsche volk geestdrift gevoelt; eene onderneming, die daar hare wijding ontvangen heeft, staat diep geworteld in het hart van het katholieke volk.
Deze overtuiging heeft dan ook den Kardinaal doen besluiten, zich in een lang gedenkschrift tot den Katholieken-dag te wenden, daar hij tot zijn grooten spijt niet persoonlijk in Freiburg kon verschijnen. Wij moeten er ons mee vergenoegen datgene uit dit belangrijk document weer te geven, wat in de voorgaande bladzijden nog niet medegedeeld en besproken is.
Naar het voorbeeld van zijn heiligen voorganger op den aartsbisschoppelijken zetel van Karthago, den H. Cyprianus, die aller weldadigheid inriep om de gevangenen, welke door de barbaren waren medegevoerd, vrij te koopen, wendt de Kardinaal zich tot alle christenen en smeekt om medelijden voor zijne ongelukkige negers. Duitschland, zegt hij in zijn brief aan den president van den Katholieken-dag, kan niet achterblijven, en hij begroet met vreugde de pogingen, die men reeds nu aanwendt om eene katholieke Vereeniging op te richten tot wering der slavernij. De rechtvaardigheid verlangt, dat Duitschers het werk der onderzoekers van Afrika, waarvan v. d. Decken, Heuglin, Gerhard Eohlfs, Schweinfurt, Vogel, Beurmauj Lenz en Nachtigal genoemd worden, onder
O O
hunne besclierming nemen; de eer van Duitscliland vordert, dat in een werelddeel, waarvan reeds belangrijke streken tot het Dnitsche rijk behooren en andere later daartoe zullen behooren, aan zulke toestanden een einde wordt gemaakt. De roepstem van onzen H Vader noodigt ons uit tot dit werk en deze stem volgen is gewetensplicht, evenzeer als wij het aan de eer van den christennaam verschuldigd zijn, tot afschaffing van den schandelijken menschenhandel naar ons vermogen bij te dragen.
De Kardinaal doet verder zien, hoe de Duitschers met de in Afrika verworven rechten ook verplichtingen op zich hebben genomen. In het Congo-verdrag van Berlijn hebben de Mogendheden, die belang stellen in Afrika, zich uitdrukkelijk ten plicht gesteld voor het behoud dei-inboorlingen te waken, hun zedelijken en lichamelijken toestand te verbeteren, mede te werken tot de afschaffing der slavernij en vooral van deu slavenhandel. Elke der Mogendheden verplicht zich alle middelen aan te wenden , die in hare macht zijn, om aan dezen handel een einde te maken en hen te bestraffen, die er zich mee bezig houden.
Hooren wij thans, wat de Kardinaal over het gebied mededeelt dat onder Duitschlands beheer staat. De Dnitsche invloed vangt aan in het oosten en het westen aan de kust van den Indischen Oceaan en strekt zich uit tot aan het meer van Tanganika; in het zuiden en noorden strekt hij zich uit van de vroegere bezittingen der Por-tugeezen tot aan de streken door de Engelschen in den jongsten tijd verworven. «Nu ken ikquot;, schrijft de Kardinaal, «behalve Opper-Congo geen gebied van Afrika, dat meer door de gruwelen der slavernij onteerd wordt, dan dit. Dit bewijzen de berichten der missionarissen, die in de laatste tien jaren daarheen werden gezonden en waaronder zich vier Duitschers bevinden, (de P.P. Schynze en Hirth en de broeders Baumeister en Blum). De eerste reizigers, die deze streken bezochten, roemden hare schoonheid en vruchtbaarheid; de provincie Ussa-
56
gara vooral is bijzonder geschikt om er koloniën te stichten, zoodra er slechts middelen van verkeer komen (Daar zijn de eerste Dnitsche koloniën aangelegd.) Toen echter kwamen er troepen slavenjagers uit Zanzibar, die dood en schrik over de geheele streek verspreidden. Reeds Livingstone schetst in zijn bericht over de onderzoekings-reizen aan den Zambesi een treffend beeld van de eens zoo bloeiende en bevolkte provincie, waar hij later nog bijna alleen geraamten vond. Al worden thans in dit gebied geen slavenjachten meer ondernomen, daar er bijna geen negers meer zijn, zoo trekken toch juist uit het Duitsche gebied groote troepen Muzelmannen uit om dit schandelijk bedrijf uit te oefenen. Tabora en Oujiji, het eene in IJnyanyembe, het andere aan den oostelijken oever van het Tanganika-meer gelegen , zijn hunne hoofdplaatsen. Daar verzamelen zij zich en vandaar uit verwoesten zij de binnenlanden van Afrika; van het zuiden van het Nyassa-meer af tot aan het noorden van het Tanganika-meer is geen neger voor hen beveiligd. En zij haasten zich om met hun werk klaar te komen, eer Europa de vervolgden te hulp komt, eer Duitschland tijd vindt, zijne eerste troepen naar de laagvlakten van het binnenland te zenden. De brieven, welke de Kardinaal in den jongsten tijd ontvangen heeft, melden, dat men aan de groote meren verwittigd is van het voornemen der Europeesche Mogendheden om Afrika onderling te verdeelen, terwijl men weet, dat er geen oogenblik meer te verliezen is.
Al hebben nu wel is waar op dit oogenblik de men-schenjachten op het Duitsche gebied opgehouden, de Kardinaal brengt daartegen in, dat de slavenmarkten, de wegen, langs welke slaven-karavanen gezonden worden, de stapelplaatsen, vanwaar uit zij naar Azië gevoerd worden, op Duitsch gebied liggen. De gruwelijkste slavenmarkt in geheel Afrika is die van Oujiji, waarvan wij reeds op bladzijde 30 melding maakten, en Oujiji behoort
01
aan Duitschland! Daar, op Duitsch gebied, is het dat de hyena's het menschenvleesch tot walgens toe hebben gegeten! !!
Niet veel beters kan men van Tabora zeggen dat eveneens in het bezit der Duitschers is. Daar gaat de men-schenwaar in de handen van wederverkoopers over, daar heeft, evenals in Oujiji, de Sultan van Zanzibar zijne agenten, die den slavenhandelaar openlijk hulp verleenen.quot;
Welke plichten hebben nu in het bijzonder de katholieken van Duitschland ten opzichte van de toestanden in hunne Afrikaansche provinciën?
Deze vraag beantwoordt de Kardinaal volgenderwijze:
Het zijn dezelfde plichten, welke de katholieken van alle andere Staten van Europa hebben. Laten wij ze in twee woorden samenvatten. De katholieken moeten de regeering door nauwkeurige mededeelingen op de hoogte houden van de afschuwelijkheden der slavernij in Afrika, en haar tot handelen dwingen; verder moeten zij haar persoonlijk en stoffelijk hulp verleenen bij de onderdrukking der slavernij.
Zoolang Europa de wandaden niet kende, vermochten de katholieken der verschillende landen niets daartegen. Alvorens hun vaderland de heerschappij over eenige deelen van Afrika verkregen had, hadden zij geen bijzondere plichten te vervullen. Doch het ware een gruwel thans niet te willen handelen, het ware vloekwaardig nu nog te willen zwijgen.
«Of zoudt gij, roept de Kardinaal uit, nog langer zonder rillen de echo dier slachtingen kunnen aanhooren? Zult gij willen toestaan, dat duizenden menschelijke wezens tot de slavernij veroordeeld en beroofd worden van hunne vrijheid, hot eerste goed van den menschi' Dat men ze voortsleurt naar de markten, waar zij van ellende en ontbering omkomen, dat men hen in booten op elkander hoopt, hen naar alle vier de hoeken der Mahomedaansche wereld verstrooit , dat men aan de kinderen de moeders
58
ontrukt, oin zich van de eenen zoowel als van de anderen tot scliaamtelooze buitensporig-heden te bedienen?
Ja, laat ons alles zeggen. Wilt gij deze schande voor de geschiedenis op u nemen? Moet God eens het bloed uwer broederen van u vorderen? Wilt gij, dat Hij op den dag des oordeels tot u zegge : «Gaat weg van Mij! Ik werd verdrukt, en gij zijt Mij niet te hulp gekomen; Ik was gevangen, en gij hebt Mij niet verlost; Ik was ziek en gij hadt geen medelijden met Mij; men heeft mijn bloed vergoten en gij hebt het laten vloeien!quot;
Zonder twijfel zult gij dan antwoorden : «En wanneer Heer hebben wij üquot; verdrukt gezien, in slavernij, ziek, bebloed?quot; Doch het zal Hem genoeg zijn U te antwoorden : «Met de zwarten, met uwTe zwarten heb Ik geleden, en door hen te verlaten hebt gij Mij verlaten.quot;
Hebt gij vergeten, katholieken, wat ons de de H. Paulus leert, namelijk dat, wanneer een lid van het groote lichaam der Christenheid lijdt, alle anderen moeten medegevoelen? â Ik wil niet veronderstellen, dat zulk eene onverschilligheid in het hart van een enkele uwer zetelt, waar het het lijden, de slavernij en den dood van zooveel millioenen menschen geldt. Daarom wend ik mij tot u, gij hebt eene stem, laat ze donderend weerklinken, totdat ze gehoord worde. Medeleden der pers, dient gij als echo's van de klaagtoonen, welke van gene zijde der zee tot u doordringen! Het zijn de stemmen van twee millioen menschen, die jaarlijks op Afrikaanschen bodem ten gronde gaan!
Dat is een plicht; doch wilt gij dezen plicht goed vervullen, dan moet hij zich niet tot enkele pogingen beperken. Die pogingen moeten met vereende kracht worden aangewend. De regeeringen hebben zich plechtig verbonden deze heilige zaak te verdedigen. Dat zal u moed en vertrouwen inboezemen. Hoe zou men kunnen aannemen, dat zij na zulke beloften gedaan te hebben te kort zullen doeu aan de plichten van den godsdienst en der
59
menschelijkheid, dat zij een samenwerken tot zulk een doel zouden willen verhinderen ?
Welke practisclie bemoeiingen zondt gij in de eerste plaats van de openbare macht vorderen?
Ik heb elders reeds aangeduid, wat zij zonder moeite zouden kunnen doen, indien zij wilden. Ik zal het wagen dengenen, die in de nieuwe gewesten het beheer voeren, den raad van mijne bescheidene, doch langdurige ondervinding te geven Het is voor de Mogendheden eene gemakkelijke zaak, het voortduren van het bloedvergieten in de binnenlanden van Afrika tegen te gaan. Zij behoeven slechts den maatregel te nemen, dien Frankrijk in Algiers genomen heeft, namelijk, den Arabischeu Muzelmannen en Mestiezen in het binnenland het recht te ontnemen wapenen te dragen.
Men vraagde eens aan een Mahomedaanschen slavenjager, hoe hij in het hart van Afrika doordrong en wie de beheerscher van dat land was. «De souverein van de binnenlanden van Afrika,quot; antwoordde hij, op zijn geweer wijzend, nis het kruit!quot;
Nooit heeft iemand een juister antwoord gegeven, en wanneer de beheerschers van dat uitgestrekte gebied de juistheid daarvan niet begrijpen, zullen zij zien dat weldra de barbaren in hun plaats regeeren.
Men verbiede dus den Mahomedanen wapens te dragen in een Staat, waar zij bovendien slechts vreemdelingen zijn, want zij komen van Zanzibar, Egypte, Indië of Arabië. Men verbanne ze, als zij het verbod niet naleven, en in korten tijd zal het geheele binnenland van Europeesch Afrika van de drie- of vierhonderd duivels â in geheel Centraal-Afrika zijn er niet meer â bevrijd zijn. Hetzelfde zeg ik van de negers, die op den menschenmoord zijn afgericht en in dienst der Mahomedanen het bloed in stroomen vergieten Bezat ik eene andere macht dan die van het gebed, ik zou het recht om wapenen te dragen in het algemeen slechts aan heu toykonnen, die daar -
60
toe van de overheid de opdracht of ten minste eene for-meele goedkeuring hadden ontvangen. Dat is een grondstelling van het openbare recht. In Europa oefent men dat recht reeds uit op hen, die slechts jacht maken op vogels, en in Afrika zou men in treurige verblinding deze wet niet aan zulke lieden opleggen, die in het openbaar de goddelooze menschenjacht houden?
Is dat eenmaal geschied, dan zal het niet noodig zijn ginds talrijke legers heen te zenden. Wil men geregelde troepen gebruiken, dan zijn vijfhonderd man voldoende voor ieder der door de Europeesche Mogendheden in bezit genomen streken. Hun taak moet niet zijn alles tegelijk te bezetten, of alle verdachte streken te doorkruisen, doch slechts hindernissen, barrières op te richten op al de punten, waar de karavanen moeten voorbijtrekken, als zij, zoowel langs de kust als door het binnenland, naar de slavenmarkten trekken. Gordon verlangde niet meer lieden om den slavenhandel op den Nijl onmogelijk te maken; Cameron verlangde er slechts honderd om de hoogvlakten van het Nyassa-meer te bewaken; ik verlang er ook niet meer voor het Tanganika-district. Aan deze troepen moest bevel gegeven worden, het verbod van het wapendragen te doen gelden, zoodra zij Mahomedanen en Mestiezen met hunnen menschelijken jachtbuit ontmoeten, en in korten tijd zouden de roovers in Afrika zijn uitgeroeid.
Wel te verstaan, ik spreek niet van Soedan, waar men zich midden in de Staten der Muzelmannen bevindt, waarvan de vorsten den slavenhandel gezamenlijk voor eigen rekening drijven, noch van Egypte, waar in den tegenwoordigen tijd de Mahdi den Nijl en een gedeelte der kust beheerscht. Duitschland heeft daar geen direct belang bij. Ik spreek slechts van het hart van Afrika. De volkeren zijn daar heidensch; Mahomedanen zijn er tot nog toe slechts in kleinen getale doorgedrongen, maar die er zijn, zijn ware duivels. In het gansche gebied van Opper-Congo, dat zij geheel willen verwoesten, tellen zij
61
in 't geheel nog geen honderd man ; aan het generzijds van den Ugogo gelegen gedeelte van Duitsch-Afrika nog niet het dubbele aantal; eveneens treft men er op de hoogvlakten der groote meren tot aan het Nyanza-meer niet meer dan tweehonderd aan. Het is er dus slechts om te doen vijfhonderd Muzelmannen te ontwapenen en ze daarheen terug te drijven vanwaar zij komen, doch hierbij is het noodzakelijk zich de woorden van Cameron te herinneren: «Niet door spreken en schrijven, doch slechts door daden kan Afrika beschaafd gemaakt worden. .
Kan dus de Staat geweld gebruiken, dan moet men hem daartoe aanmoedigen; kan hij het echter niet, dan moet hem grootmoedig de arm van christelijke vrijwilligers verleend worden. Men heeft van godsdienstige en militaire orden gesproken, ik zelf sprak er van, doch die zouden eerst later nuttig kunnen zijn. Eene godsdienstige vereeniging heeft langen tijd ter ontwikkeling noodig, en als men den tegenwoordigen toestand der zaken laat voortduren, zal Afrika spoedig ontvolkt zijn.
Zooals ik intusschen reeds bemerkt heb, zijn er niet alleen mannen, doch ook geldmiddelen noodig en wat dit betreft moeten alle christenen den Staat te hulp komen, zooals zij dit voor de missiën, werken van barmhartigheid, enz. doen.quot;
De Kardinaal wenscht ter uitvoering dezer plannen het oprichten van eene Anti-Slavernij-Vereeniging en voegt er ook het afschrift der statuten bij van eene dergelijke vereeniging, die in Engeland bestaat. Het zou te ver voeren, die hier weer te geven; is eenmaal de vereeniging opgericht, dan zal het den leiders geoorloofd zijn, voor Duitschland passende statuten te ontwerpen of de Engel-sche na te volgen. Eén ding echter willen wij van te voren opmerken: Het lidmaatschap mag niet zooals in Engeland van eene vastgestelde hooge jaarlijksche bijdrage afhankelijk zijn, want ook de minder bemiddelde moet deel kunnen nemen aan het humane werk.âVervolgens
62
wijst de Kardinaal er op, dat met de onderdrukking van den slavenhandel het doel der vereeniging nog niet ten volle is bereikt. Het doel der vereeniging is idet slechts het inzamelen van het noodige geld ter uitrusting en uitzending van expeditiën, het blij vei de doel er van is, door herstelling der thans verstoorde sociale orde in het binnenland van Afrika, de slavernij voor altijd onmogelijk te maken. Ten gevolge van de invallen der Mahomedanen, van de menschenjacht, het vluchten der bevolking, het bewapenen van geheele stammen ten behoeve hunner opleiding voor de slavenjacht, is alle vroegere orde verstoord; alles zweeft in de lucht. De vroegere r.rde bestaat niet meer, en om die te herstellen, moet de geheele sociale toestand hersteld worden. Dat is het hoofddoel van de katholieke Anti-SIavernij-Vereeniging, zoodra er, door geweld te gebruiken, paal en perk zal zijn gesteld aan het bloedvergieten en het verspillen van menschenlevens.
Na het vernietigen van den slavenhandel, komt het er op aan, de verstrooide kudden weer te verzamelen, daaraan vastheid, veiligheid en vertrouwen te geven, en ze tot den arbeid aan te sporen. Bereids is door eene Duit-sche stichting in de nabijheid van het kustland het begin gemaakt, en hare werking heeft zich reeds verder naar het binnenland voortgeplant.
In het Tanganika-gebied ziet men de verstrooide bevolking zich weder om onze missionarissen verzamelen. Daar woont een Duitscher aan wien de Kardinaal een eereblijk wil toekennen. Het is een eenvoudig broeder uit het diocees Wurzburg, met name Hieronymus Bau-meister. Zijn eenvoud en geduld, zijne bekwaamheid als landbouwer zijn zonder weerga. Hij leert den zwarten te arbeiden, leert hun, hoe zij hunne woningen moeten bouwen, geen ellendige hutten, doch sterke, duurzame huizen uit steen. Geene bijzonderheid ontgaat hem, //Broeder Hieronymus,quot; zoo schreef onlangs een missionaris, «is er
63
terstond mee bezig een prachtig steenen huis te bonwen. Een lichte laag kalk zal het beschntten voor de verwoestingen, die door de stortregens, welke wij gedurende zes maanden in het jaar te doorstaan hebben, worden veroorzaakt. Als het God belieft zullen wij het huis spoedig kunnen bewonen. De goede broeder zal juist te rechter tijd naar Kabua, 10 kilometers van hier, kunnen gaan, om de runderkudde, die wij daar hebben, te exploiteeren. In deze kolonie is een catechumeen, de oude Saburi, een vroegere slaat van Munje-Heri, met eenige wilden . ..quot; Hoe heeft zich deze kolonie gevestigd^ Langzamerhand verzamelden zich de gevluchte negers weder om de missionarissen en de broeders, die het land bebouwden. Iedere dag bracht nieuwe zwarten aan, die uit ondervinding wisten, dat zij bij de witte paters veilig waren voor de slavenjagers. Aldus heeft zich eene bevolking van verscheidene duizend zielen in een streek gevestigd, die voor tien jaren slechts een woestijn was Het komt er thans op aan stichtingen zooals deze te vermeerderen en inrichtingen voor weezen en verlaten kinderen te vestigen. Men kan daarbij handelen, zooals in Tabora aan het Tanganika-meer, of zooals de paters en broeders van den H Geest bij hun eerste oprichtingen te werk zijn gegaan. «Dat zou, zegt de Kardinaal, na de hoofdzaak, de onderdrukking van den slavenhandel, de bekroning van het werk zijn, zooals ze voor Duitsch-Afrika geschieden kan door de Anti-Slavernij-Vereeniging, wier oprichting ik van harte wensch.quot;
De eerbiedwaardige Kerkvorst doet ten slotte het volgende beroep op het hart der katholieken:
«Dit land, waarover ik zoo juist gesproken heb, deze grond van Oost-Afrika, die door het bloed zijner zwarten doorweekt is, moet u eerbied inboezemen. Hij is met recht de grond der martelaren, en gij kunt hem niet aan de heerschappij der barbaren prijs geven. Een en twintig katholieke missionarissen zijn er reeds gevallen. Drie
64
hunner hebben hun bloed op Duitschen grond aan het Tanganika-meer vergoten, toen zij een arm slavenkind verdedigden en het aan zijn roovers ontrukken -wilden. Een vierde missionaris, en wat gij zeker nog niet weet, een Duitscher, broeder Max Blnm, uit het diocees Wurzburg, werd bij Tabora op wreede wijze vermoord, door dezelfde barbaren, wien hij gelijktijdig licht en loven wilde brengen. Tot loon voor zijn bloedigen dood heeft hij het eeuwig leven verworven. Hij rust in die aarde, waarvan hij in den naam van God en van het katholieke Duitschland bezit nam, eer de politiek u die aanwees. In naam van dezen bescheiden, vromen en moedigen martelaar bid ik u, katholieken van Duitschland, dit volk voor hetwelk hij gestorven is, niet hulpeloos over te laten aan de onmenschelijke wreedheden der slavenjagers.quot;
Zooals niet anders te verwachten was, heeft de Alge-meene Vergadering in Freiburg de oproeping van den eerbiedwaardigen Vorst der Kerk met een luid, door geheel Duitschland weergalmend quot;ja!quot; beantwoord. Wij kunnen niet nalaten, de verhandelingen hierover in het kort weer te geven.
De graaf von Loë had het volgende voorstel ingediend:
i/De Algemeene Vergadering neemt niet bijzondere vreugde en dankbaarheid akte van de bemoeiingen en pogingen van den H. Vader en van Kardinaal Lavigerie, om een einde te maken aan den tot schande der men-schen nog in vollen bloei zijnden menschenhandel in Oost-Afrika. De Algemeene Vergadering verklaart het voor een eerezaak van het katholieke Duitschland het menschlievende en beschavende werk naar vermogen te steunen. Zij uit de hoop, dat de regeeringen, de verplichting, die zij met onderlinge overeenstemming op zich genomen hebben, om in de onder hun beheer staande koloniën van Afrika den slavenhandel te onderdrukken, in den geest van het Christendom zullen nakomen en
65
spoort Duitsclilands katliolieken aan, de daartoe strekkende pogingen naar vermogen te steunen.quot;
De voorsteller wijst er op, hoezeer de H. Vader bij gelegenheid van de audiëntie der Afrikaansche katholieken Kardinaal Lavigerie heeft aangespoord den strijd tegen den slavenhandel te openen.
Nog bedraagt het aantal der slaven, die jaarlijks in Afrika verhandeld worden, 500.000, en het zesvond daarvan komt op marsch of bij het gevangennemen om. Het is moeielijk thans een geschikten vorm tot het beginnen van den kruistocht te vinden. Het is echter de plicht der katholieken, den Kardinaal voor zijn edel voorgaan den innigsten dank te betuigen en het verlangen uit te drukken, dat de regeeringen hare plichten nakomen.
Ter verdediging van zulk een edele zaak mocht onze hoogvereerde aanvoerder Dr. Windthorst niet achterblijven. Zijne woorden werkten krachtdadig in Freiburg en zullen overal werken, waar een katholiek hart klopt.
«Dat men de slavernij moet tegenwerken en deze schandvlek in onze, naar het heet, zoo humane eeuw moet worden afgewasschen, daarover, zegt hij, kan geen twijfel bestaan. De vraag kan slechts gesteld worden, of men terstond zal overgaan tot het oprichten van eene Anti-Slavernij-Vereeniging. Eigenlijk behoort ieder Duitsch man van zelf tot die vereeniging, anders zou hij zijn Duitsche en vooral zijne christelijke gezindheid verloochenen. Het is zeer regelmatig dat in het voorstel ook een woord van herinnering tot de regeeringen gericht wordt. Die regeeringen^ welke vloten hebben, zouden zeer goed in staat zijn, met krachtige hand, op eens een einde aan de zaak te maken. (Levendige bijval.) Ik beschouw het als een groote verdienste van den Kardinaal, dat hij opnieuw zijn blik naar dezen schandelijken handel gewend heeft. Ik zou wenschen hier tot hem de bede te richten naar . alle hoven te gaan, die door hunne vloten op de zaak een directen en krachtigen invloed kunnen uitoefenen.
06
Wij kunnen ons in deze zaak natuurlijk slechts tot de katholieken wenden, ik twijfel echter niet, of ook alle andere Duitschers zullen bereid zijn deze bedoelingen te steunen. Het behoorde ten eerste het werk te zijn der geheele pers, op deze pogingen de aandacht te vestigen ; dit ware van meer nut dan de uitvoerige toelichting van andere zaken. Toen ik het voorstel voor de eerste maal zag, was het mij niet beslist genoeg; na het nogmaals gelezen te hebben, ben ik van meening veranderd. Het voorstel is doelmatig en geheel in overeenstemming met den tegenwoordigen toestand De geheele bevolking moet in kennis gesteld worden van hetgeen hier te bereiken valt. Wanneer de Rijkskanselier daarop opmerkzaam werd, zou hij gewis met de hem eigen energie de zaak aanpakken en iets doen, wat den gezamenlijken Duitschers uit het hart genomen is ... Dat ik het woord genomen heb, zal men verontschuldigen als ik zeg, dat ik twee pleegzonen in Afrika heb, aan wie men mijn naam geschonken heeft.
Thans moet er mij dus veel aan gelegen zijn dat ook de andere Afrikaansche jonge negers namen van ons bekomen en ik zou gaarne zien dat men den volgenden knaap ffLöwensteinquot; noemde.quot;
De volgende redenaar. Pater Greyer, die met twee zijner zwarte pleegkinderen verschenen was, gaf een zeer gunstig getuigenis van den negerstam.
«Men heeft beweerd dat de neger niet voor beschaving vatbaar is,quot; zeide hij. «Dat is valsch. Er zijn onder hen zeer talentvolle koppen. Wij hebben er verscheidenen bij ons, die verschillende Europeesche talen vloeiend spreken en schrijven, en ook een zwarten priester, die doctor in de Godgeleerdheid is. Men moet echter de negers volgens Afrikaansche gewoonte en wijze opvoeden. Het grootste gevaar, niet slechts voor den negerstam, doch ook voor het werk der missie is de Islam, die een uitgestrekte propaganda uitoefent. De omgang met de volwassen negers
67
van het binnenland is veel gemakkelijker, dan het werk in den door den Islam veroverde streken. De zending, welke de Islam vervult, wordt gekenmerkt door de slavernij. Zoo lang de Islam bestaat, zal ook de slavernij bestaan. Voor hem is de slavernij een soort van godsdienst. De Mahomedanen zijn van meening, dat de neger door God zelf tot den verkoop bestemd is. In urenlange gesprekken heb ik beproefd aanzienlijke derwischen ervan te overtuigen, dat ook de neger een ziel heeft. Zelfs de deftige Egyptische heeren in Cairo, die in frak en glacéhandschoenen rondwandelen, zouden zich niet schamen terstond den negerhandel te drijven. De slavernij in Egypte is wel is waar in het openbaar verboden, in 't geheim echter bestaat hij nog in grooten omvang. Den missionarissen alleen zal het niet gelukken, hier op voldoende wijze te helpen. Daartoe is.de hulp der Euro-peesclie mogendheden noodig. Wij van onzen kant zullen met den kreet «Nigritië of den dood,quot; moedig voortwer-ken voor den negerstam. Op den dag, waarop deze ontrukt zal zijn aan de barbaarschheid, aan de slavernij, zal ons het negervolk te ere moet komen met den kreet: //Gegroet,
o o ~ J
gij bevrijders; alle vrijheid komt van het Christendom !quot;
Hiermede hebben wij den lezer alles voorgesteld, wat er in deze beperkte ruimte ten gunste der negers te zeggen valt. En het is inderdaad meer dan genoeg, om een menschelijk, gevoelig hart te doen besluiten, het zijne te doen, om een einde te maken aan die gruweldaden, aan die vreeselijke ellende. De Algemeene Vergadering in Freiburg heeft het, op den kreet van den H. Vader en van zijn Afgezant in naam van geheel het katholieke Duitschland, als eene eerezaak verklaard, deze onderneming te steunen en wel ten eerste door op de regeering te werken, en ten tweede, door hart en hand te openen, om met vrijwillige giften de uitvoering en voltooiing der onderneming mogelijk te maken.
68
En nu, waarde lezer en waarde lezeres, willen wij u nogmaals aan het woord van Cameron herinneren, dat niet door woorden, doch slechts door daden de bewoners van Afrika gered kunnen worden.') Moge dus ieder doen, wat zijn hart hem ingeeft, waartoe hij zich in geweten verplicht gevoelt, dan zal de innigste wensch van onzen H. Vader vervuld worden, dan zullen alle pogingen van den eerbiedwaardigen Primaat van Afrika niet vergeefsch geweest zijn, en voor duizenden medemenschen, die aan het verderf overgegeven waren, zal de dageraad van vrijheid en beschaving aanbreken. Moge God, die door Zijn plaatsbekleeders tot het werk heeft doen aansporen, den voortgang er van zegenen, het tot een goed einde brengen en degenen, die er toe helpen, duizendvoudig vergelden.
Munster i. W,, September 1888.
HUMANUS.
') Hier gaat in de oorspronkelijke Brochure een aansporing vooraf tot de katholieken van Duitschland om, ingevolge de opwekking van Kardinaal Lavigerie, spoedig en krachtig de handen ineen te slaan tot stichting eener Anti-Slavernij-Vereeniging. Al werd tot nog toe eene dergelijke oproeping tot ons, katholieken van Nederland, niet gericht, dit behoeft, dit mag geen reden voor ons zijn, om bij zooveel ellende werkeloos toeschouwer te blijven. Wij kunnen reeds nu daadwerkelijk getuigen het heldhaftig streven van den Apostel der negers op prijs te stellen en te willen steunen. Reeds sinds eeoige jaren toch bestaat hier te lande het ^Liefdewerk van den H. Aügustinus en de H. Monica.quot;
Dit Liefdewerk, opgericht door Z. Em. Kardinaal Lavigerie, voorzien van de hooge goedkeuring van en verrijkt met vele aflaten door H.H. H H. Paus Pius IX en Paus Leo XIII, heeft ten doel : 1°. de bekeering van tweehonderd millioen ongeloovigen in Afrika, waarvan omtrent honderd millioen afgodendienaars zijnj 2°. door gebeden en goede werken de geheele wereld en vooral de Christelijke moeders te vereenigen en tot belangstelling op te wekken voor den grond, waarep de H. Augus-tinus en zijne heilige moeder Monica geboren zijn en geleefd hebben. Men wordt lid van het liefdewerk en bijgevolg deelachtig aan de aflaten, er aan verbonden, door in te teekenen op de Annalen der Afrikaansche Missiën.
Alle gewenschte inlichtingen kan men bekomen bij den eerw. pater Bernardinus, Instituut St. Louis te Oudenbosch, door wien iedere bijdrage voor dit liefdewerk in dank wordt aangenomen. Ook de verschil, lende kath. dagbladen, met name De Tijd, nemen giften voor Kardinaal Lavigerie in ontvangst. (Vert.)
69
Kardinaal Lavigerie en zijn werken.
De eminente Kerkvoogd en mensclienvriend, wiens naam thans in alle vijf werelddeelen weerklinkt, werd in liet jaar 1825 te Bayonne geboren. Bij den heiligen doop ontving hij de namen Karei Martial Allemand. Hij is de zoon van een vroegeren tolbeambte. Na schitterende studiën trad hij in het groot seminarie van Saint-Sulplce te Parijs en ontving er de H. Wijdingen. Daarna verkreeg hij een professoraat in de Kerkgeschiedenis aan de universiteit der Sorbonne te Parijs.
Nadat in 1860 bloedige botsingen tusschen de Christenen en Mahomedanen in Syrië waren uitgebroken, werd Professor Lavigerie als speciaal gezant daarheen gezonden, waardoor hij in het openbaar leven trad en in hooge betrekkingen met het keizerlijke hof kwam. In 1862 droeg de Paus hem op voorslag der regeering het bestuur over het bisdom Nancy op, om hem reeds Tier jaren later tot Aartsbisschop van Algiers te benoemen. Zonder twijfel was het eene hoogere ingeving, die den Maarschalk Mac Mahon, toen gouverneur van Algiers, bewoog, hem aan Keizer Napoleon voor te stellen voor den ledigen aarts-bisschoppelijken zetel. Door den Maarschalk gepolsd, had de toenmalige Bisschop van Nancy geantwoord: nGij slaat mij eene zending vol moeite en arbeid voor, een bisschopszetel, die in elk opzicht staat onder dien, welken ik thans bekleed, eene waardigheid, die mij in ballingschap voert en mij dwingt, alles te verlaten, wat mij dierbaar is; gij meent, dat ik daar meer goed zou kunnen uitrichten dan een ander. Een Bisschop, Maarschalk, kan op zulk een voorslag slechts dit ééne antwoord geven: wik ben bereid tot het smartelijkste offer, dat men van mij vordert en als de Keizer mij oproept, zal ik niet aarzelen, wat het mij ook moge kosten.quot;
Het zou ons te ver voeren alle grootsche stichtingen van den buitengewoon werkzamen en voor de zielen
70
ijverenden Opperherder te vermelden. Zeer spoedig moest hij een strijd met Maarschalk Mac Mahon doorstaan, die overigens volgens instructies van hooger hand handelde. Het betrof de verdediging van het recht, dat ieder Bisschop, iéder priester, ieder christen kan doen gelden, het Evangelie te prediken aan hen, die het niet kennen en het werk Gods op aarde uit te breiden; hij wilde zijne werkzaamheden tot over de grenzen der Fransche koloniën uitstrekken, waartegen zich de regeering aanvankelijk verzette. De Maarschalk werd overwonnen en de Katholieke Kerk verleende den Bisschop hare goedkeuring, die zoo fier getoond had, wat het zeggen wil: een Bisschop in de uitoefening van zijn gewetensplichten te willen hinderen.
Dank den ijver van den nieuwen Primaat werd het diocees van Algiers hersteld; opleidingsgestichten voor de geestelijkheid, zoowel als voor de jeugd, rezen als uit den grond op, de religieuze orden bloeiden weder; de congregatiën der .'/witte patersquot; en der missiezusters zijn zijn eigen schepping. Nieuwe pastorieën werden in grooten getale gesticht en op de provinciale conciliën door Mgr. Lavigerie opgeroepen weerklonk de echo der tradities van den H. Cyprianus en den H. Augustinus.
Doch het eigen en vruchtbaarste werk van dezen grooten man was de vestiging der missiën in de onder den equator gelegen deelen van Afrika. Voor alles is dit een werk dat eene groote toekomst heeft. Terwijl de Fransche kolonisten van Algiers in hunne goddeloosheid en onverschilligheid volhardden, terwijl de Mahomedanen in hunne dweeperij verstokt bleven, luisterden de arme zwarten naar het woord der witte paters, die den weg door de uitgestrekte woestijnen niet schuwen en alle gevaren trotseeren om hun het rijk Grods te verkondigen. Wie is niet geroerd door het tooneel der plechtige audiëntie ter gelegenheid van het jubilé des Pausen, waarbij de Kardinaal den Jubilaris op den Stoel van Petrus zijne eerste negers uit het binnenland van Afrika voorstelde? Juist
71
was de Encycliek van den Paus tegen den slavenhandel verschenen en de Kardinaal maakte zich tot tolk der gevoelens zijner negers om Imnnen dank te uiten voor de groote weldaad, dat zij door de hulp der missionarissen uit hun banden bevrijd werden, terwijl helaas nog honderd millioen hunner stamgenooten naar deze verlossing smachten. Leo XIII maakte zijn oproeping bekend aan de Mogendheden en aan allen, die in staat zijn iets te doen ter bevrijding der negers; hij beval den missionarissen aan al hun krachten , ja hun leven daarvoor veil te hebben en zooveel slaven vrij te koopen, als slechts mogelijk was. «Maar vooralquot;, ging Z. H. voort, «rekenen Wij op U, Heer Kardinaal. Wij kennen uw vurigen en verstandigen ijver; Wij weten, wat Gij tot nu toe gedaan hebt en Wij vertrouwen, dat Gij niet eerder uw werk zult staken, alvorens Gij Uwe groote ondernemingen tot een goed einde gebracht hebt.quot;
In 1880 werd Tunis met de Fransche bezittingen ver-eenigd en de metropolitaanzetel van Karthago hersteld. De Kerk had op nieuw hare heerschappij gevestigd op den grond, welke haar toebehoorde, en die haar slechts door brutaal geweld ontrukt was. Reeds in 1882 begroette Afrika zijn eersten Kardinaal. In 1886 offerden de Afri-kaansche missiën aan God de eerste vruchten van hunnen arbeid op en de katholieke wereld vernam met vreugde en verbazing, dat de negerstammen van Uganda bloedgetuigen konden aanwijzen, die door de opgeruimdheid, waarmede zij voor hun geloof marteling en marteldood verduurden, naast de martelaars van de eerste christen tijden kunnen gesteld worden.
Dat is een onvolledig en slechts zeer zwak beeld van het werk van dezen man, die in waarheid den eeretitel van Apostel van Afrika verdient. Doch ook hij heeft moeten ondervinden, hoe hij miskend, beleedigd en veracht werd, en dat wel juist van die zijde, waar men alle reden had, hem te danken en bij te staan. In Frankrijk is het tot
een spreekwoord geworden, dat deze Bisschop meer tot eer en voor den invloed van zijn vaderland gedaan heeft, dan geheele legers. En welk was het loon? Vermindering van zijn bovendien zoo karig inkomen, schrapping en inkrimping der staatstoelagen voor zijne kweekscholen der geestelijkheid, waardoor hij genoopt werd zich tot de milddadigheid te wenden om het begonnen werk te knnnen voortzetten De heerschende, ongeloovige, priesterhatende partij geeft met een lichtzinnig hart millioenen voor den bouw van den Babylonischen toren op de eerstvolgende wereldtentoonstelling en zij weigert eenige honderdduizenden francs aan den man, wiens naam alleen het prestige van zijn volk op het vasteland der zwarten in stand houdt.
Tot heden heeft Kardinaal Lavigerie met roem en goed gevolg voor onze H. Kerk en voor zijn volk gearbeid Zijn nieuwste arbeid echter beweegt zich in ruimer kring; het geldt de algemeene menschelijkheid, het behoud der volkeren, die nog aan geene Mogendheid onderworpen zijn; hij arbeidt in het belang van alle beschaafde volkeren, die aanspraak maken op Afrika; daarom heeft hij het recht, buiten de grenzen van Frankrijk zijne stem te verheffen en al degenen tot medewerking op te roepen, die nog een medelijdend hart in den boezem dragen en gevoel hebben voor'rechtvaardigheid. De woorden van Kardinaal Lavigerie, die wij in deze bladzijden hebben medegedeeld, zijn ternauwernood een aanduiding van den in werkelijkheid gruwelijken toestand der dingen. Doch zij verwekken de hoop, ja geven de stellige verzekering, dat hulp nog mogelijk is. Het is misschien het laatste, doch tevens het schoonste werk, hetwelk den edelen man vergund zal zijn te ondernemen; weuschen wij, dat het met het eerste moge zijn, dat hem mislukt.