ocr page 1

(5V.

»Xs)

•©

' , ' • * * * * * * * * ' * r • ♦ • • • • ........ ... . . . . . . . .

• .................................

quot;^T

quot;k

f

Ié)

if\

NAAR DE HEILIGE BOEKEN VAN HET ZUIDELIJK: BOEDDHISIIE VOOR EUROPEANEN BEWERKT EN MET AANTEEKEMNGEN VOORZIEN

SUBHADRA BHIKSCHOE.

Uit het Duitsch verlaald door en met voorwoord

VAN

van /ioufgn.

2c veel vermeerderde uitgaaf.

ARN i TEM—NIJMEGEN,

G- E B lis. E. amp; M. C O H E N.

. gt; i---**----------_____—*v:

» ■ (er ' •-- • • ....... ££

ocr page 2
ocr page 3

-

ili

.

■

.

_

ocr page 4
ocr page 5

DE LEER VAN BOEDDHA.

ocr page 6
ocr page 7

lquot;t

DE LEER ÏAK BOEDDHA,

NAAR DE HEILIGE BOEKEN VAN HET ZUIDELIJK BOEDDHISME VOOR EUROPEANEN BEWERKT EN MET AANTEEKENINGEN VOORZIEN

DOOR

SUBHADRA BHIKSCHOE.

Uit het Duitsch. vertaald door en met voorwoord

VAN

Mr. S. YAU HOUTEN.

....................... ..................... 0 L

2fi vppI vprmpprrippflp nitnaaf

f

2e veel vermeerderde uitgaaf.

/$'

É

—i /

GEB E,s. E. amp; M. COHEN.

. S - H 5

ocr page 8
ocr page 9

DB LEER VAK BOEDDHA.

NAAR DE HEILIGE BOEKEN VAN HET ZUIDELIJK BOEDDHISME VOOR EUROPEANEN BEWERKT EN MET AANTEEKENINGEN VOORZIEN

DOOK

SUBHADRA BHIKSCHOE.

Uit het Duitsch vertaald door en met voorwoord

VAN

Mr. S. VAI ÏÏOIJTM,

S £

2e veel vermeerderde uitgaaf.

/o

ARNHEM—NIJMEGEN,

G E B Es. E. amp; M. COHEN.

! —I /

ocr page 10
ocr page 11

VOOR W OORD.

S. v. H.

Nu de eerste uitgaaf van dit werkje, naar de eerste Duitsche uitgaaf van den te Brunswijk bij C. A. Schwetschke amp; Sohn verschenen „BuddhistischerKate-chismusquot; bewerkt, was uitverkocht, eischte het doel van die uitgaaf een herdruk. Het bleek mij echter, dat de schrijver in de volgende uitgaven vele en belangrijke veranderingen had gebracht, die eene nieuwe bewerking vorderden. Aan dezen eisch heb ik te eerder voldaan, omdat de veranderingen doorgaand de strekking hebben, om het wijsgeerig karakter der leer op den voorgrond te doen komen en het werkje dus thans aan mijn doel, wijsgeerige vorming te bevorderen, nog beter voldoet dan in de eerste redactie.

25 October 1897.

ocr page 12
ocr page 13

VOORWOORD VAN DEN VERTALER BIJ DE EERSTE UITGAAF.

Tot de vertaling van het boekje, hetwelk ik bij dezen den lezer aanbied, ben ik bewogen door de overtuiging, dat de verspreiding daarvan een moeie-lijk en belangrijk vraagstuk oplost, n.1. op welke wijze het mogelijk is, voor de theologische africhting van ons volk eene wijsgeerige vorming in de plaats te stellen. De oplossing van dit vraagstuk ligt, naar het mij voorkomt, in het aanleeren van eene tweede godsdienstleer nevens de voorvaderlijke. Wie in de leer van twee religiën onderricht is, zal er van zelf toe geleid worden, minder gewicht te hechten aan datgene, waarin zij onderling verschillen — aan het legendarisch bijmengsel, waarmede de wijsgeerige waarheid in elke daarvan is samengegroeid, — aan de beeldspraak, waarin die waarheid is uitgedrukt, — aan de personen, die gezegd worden die waarheid het eerst of het best verkondigd te hebben. Daarentegen zullen de denkbeelden, die aan beide leerstelsels gemeen zijn, des te vaster in rede en ervaring gegrond blijken te zijn.

ocr page 14

8

Om nevens de hier heerschende kerkelijke stelsels tot algemeene leerstof verheven te worden, schijnt mij geene religie zoo uitnemend geschikt als het Boeddhisme, zooals het in dit vraagboek is uiteengezet. Het geeft van Boeddha's leer een ander begrip, dan ik mij daarvan, trouwens zonder bronnenstudie, gevormd had, en dit zal ook wel het geval blijken te zijn met velen, die tot dusver niet in de gelegenheid waren, deze leer tot een opzettelijk voorwerp van onderzoek te maken. Het verschil kan grootendeels zijne verklaring vinden in de mededee-ling van den schrijver in zijne voorrede, dat hij alle bijwerk weggelaten heeft, waarmede het bijgeloof en de kinderlijke phantasie der volken de Boeddhistische leer in den loop van tientallen eeuwen hebben opgesmukt. Werd deze methode op de leer van Jezus toegepast, dan zouden er ook andere vraagboeken het licht zien, dan thans in de leerkamers onzer geestelijken gebruikt worden. Zoo als het in dit boekje geschetst wordt, is het Boeddhisme inderdaad in hoofdzaak eene wijsbegeerte. De schrijver is dit onderwerp volkomen meester en zijne aanteekeningen verraden eene grootere bekendheid met den toestand der geesten in christelijke kringen in het avondland, dan men bij een oosterschen wijsgeer zou verwachten.

Hoe ingenomen ik ook met dit werkje zij, ik deel des schrijvers meening niet, dat de leer van Boeddha de religie der toekomst in Europa zou zijn. Wie niet nadenkt, blijft natuurlijk bij den godsdienst zijner •yaderen, en wie zich door eigen nadenken aan den

ocr page 15

9

traditioneelen godsdienstvorm ontworsteld heeft, stelt zijne geestelijke vrijheid op te hoogen prijs, om licht weder de leer van eenen wijze als de waarheid aan te nemen. Hij heeft verleerd de vraag, wat waar is, te vereenzelvigen met de vraag wat deze of gene wijze geleerd heeft.

Bovendien heeft de leer van Boeddha m. i. te zeer voor de hand liggende leemten en gebreken, om bij uitsluiting van elke andere, door nadenkenden te worden aangenomen als de ware leer. Haar hoeksteen, de leer der wedergeboorte, is een geniaal uitgedacht middel om het egoïsme te beteugelen en berusting te kweeken in eene onrechtvaardige lots-bedeeling in deze wereld, maar zij is toch, wel beschouwd, eene volmaakt onbewezene en onbewijsbare phantasie. In het lijden van rechtvaardigen en de aardsche heerlijkheid van onrechtvaardigen ziet de schrijver voor ieder, die er niet moedwillig het oog voor sluit, een ononistootelijk bewijs voor de leer der wedergeboorte (noot bij vraag 129). ') Naar mijn oordeel ten onrechte. Logisch is dit bewijs slechts

In deze noot, thans bij No. 124, heefc de schrijver de woorden »het onomstootelijk bewijs, dat er eene eeuwige gerechtigheid, eene wedergeboorte bestaatquot; veranderd in reen bewijs voor de zedelijke noodwendigheid der wedergeboorte'', en hij werkt aldaar en in de noot bij No. 125 zijn denkbeeld verder uit. Tevens zegt hij, èn aidaar en elders, dat hij niet wil twisten met hen, die zulke waarheden niet inzien. Eene voor de hand liggende bedenking tegen de leer der wedergeboorte heeft hij in Nos. 121 en 122 der 5e uitgaaf willen oplossen door opneming van het hieromtrent in het Boeddhisme als afdoend beschouwd antwoord. In mijn oog is dit antwoord slechts

ocr page 16

IO

aanwezig, indien vaststond, dat individueel lijden altijd met schuld van hetzelfde individu gepaard gaat en moet gaan; eene onbewezene veronderstelling, die haren oorsprong heeft in eene miskenning van de verhouding van het individu tot grootere organismen en het heelal zelf. Evenmin als het lijden aan eenig onderdeel of orgaan van eene plant, dier of mensch zijnen oorsprong in schuld, d. i. gebrekkige werkzaamheid juist van datzelfde deel behoeft te vinden, evenmin is zulks met elk individu of deel van het maatschappelijk organisme noodwendig het geval. Bovendien kan het Boeddhisme te minder van eene ongelijke en schijnbaar onrechtvaardige lotsbedeeling der individuen den hoeksteen van eene bewijsvoering maken, daar die ongelijkheid zoo goed als geheel ligt in dingen, welke volgens diezelfde leer geene

een «Lückenbüsserquot;, een stoplap om de scheur te bedekken. Logisch moet de Boeddhist er iets op vinden, om de geboorte in de zichtbare wereld, door hoogst natuurlijke oorzaken en in overeenstemming met die natuurlijke oorzaken, tevens als een schakel voor te stellen van eene geheel andere causaal-keten, die in de reeks der wedergeboorten van eene andere individualiteit zichtbaar wordt. Maar die logische verklaring als eene ware verklaring aan te nemen, kan ik zelf niet en zou ik ook niet van anderen kunnen verwachten. Evenmin kan ik op grond der logische waarheid, dat als er geen Parinirwana was er ook geen uitweg uit de wereld der verschijnselen zou zijn (vgl. No. 136), dit punt van de Boeddhistische leer als juist aannemen. Dit doet echter niets te kort aan de waarde van den catechismus als middel om de geesten voor wijsgeerige waarheid ontvankelijk te maken, en van christelijke en kerkelijke vooroordeelen, die er in de jeugd worden ingeprent, te zuiveren.

ocr page 17

11

waarde hebben en slechts van het streven naar het waarachtige, eeuwige heil afleiden (zie aanteekeningen bij Nos. 68 en 105).

In de leer der wedergeboorte en in de Boeddhistische opvatting der gerechtigheid staat, naar mijn oordeel, het individu te zeer op den voorgrond, en die fout plant zich inzonderheid ook voort in de Boeddhistische zedeleer. Bij alle verheerlijking der zelfverloochening vertoont deze zich aan het critisch oog als aanbeveling van een hoogst verfijnd egoïsme. Aan de volmaking en verlossing van zijn eigen ik moet ieder zijne geheele kracht wijden. Zelfs het weldoen aan anderen is middel om den weldoener verdienste te doen verwerven (noot bij vraag 172). Doel en nut der weldaad ligt alzoo in het gevolg voor den gever. Voor het zoo vruchtbare beginsel der solidariteit is in de Boeddhistische zedeleer geene plaats, en het vindt daarin evenmin eenen wijsgee-rigen grondslag. Voor familie- en staatsleven ontbreekt elke zedelijke basis. Prins Siddhattho onttrekt zich aan hooge staatkundige en maatschappelijke plichten en sluipt als een misdadiger weg van vrouw en kind. Het leed der zijnen weegt bij hem niet; dezen zijn natuurlijk, wijl hij een prins was, voor broodsgebrek beveiligd, maar bij het gezin van meni-gen volgeling moet ook gebrek het gevolg zijn van zijne toetreding tot de broederschap der uitverkorenen. De houding van Jezus tegenover zijne familie, die steeds zoo menigen geloovigen Christen onaangenaam trof, heeft hare voor de hand liggende verklaring in het Boeddhistische voorbeeld.

ocr page 18

Wij westerschen zijn niet meer gewoon, het individueel lijden als noodwendig gevolg van individueele schuld te beschouwen. Wij kennen het sociale organisme, waarvan het individu eene cel is, en wij weten, dat de gezondheid van het geheel eene voorwaarde is voor het welzijn van allen; — dat eener-zijds veel individueel lijden het gevolg is van alge-meene oorzaken, van onrecht, slechte wetten, gemis aan organisatie der maatschappij op den grondslag der gerechtigheid en solidariteit, in een woord van sociale schuld, en dat anderzijds het lijden van zoo vele natuurgenooten en de door hen gepleegde misdaden een gevoel van onbehagen in de geheele maatschappij verwekken, hetwelk ook aan de schijnbaar gelukkigen de rechte levensvreugde beneemt. In de erkenning van het beginsel der solidariteit bezit onze westersche moraal eene krachtiger kiem voor rechtsvorming — zoowel in de verschillende staten als tusschen de volken onderling — dan ik in de hooge individueele idealen van het Boeddhisme heb kunnen ontdekken.

Naar de tegenwoordig veel verbreide, ook in dit boekje aangenomen meening heeft het Christendom aan het Westen eenige kruimkens der Oostersche wijsheid doen toekomen, vermengd met het alliage der achterlijke Israëlitische godsleer. Dat het Christendom een sterk alliage van dien aard heeft, waarvan geen spoor in het Boeddhisme gevonden wordt, zal de lezer van dit boekje zelf dadelijk ontwaren. Gesteund door de verspreiding van het Boeddhisme, mogen wij hopen er in te zullen slagen, het Westen

ocr page 19

van die dwaalleeringen te bevrijden. Maar in de Israëlitische maatschappij leefde in den bekrompen vorm der stamverwantschap het zedelijk beginsel en het bewustzijn der solidariteit. De Israëliten waren een uitverkoren volk, geene onsamenhangende massa uitverkoren en verloste individuen, zooals eene Boed dhistische Sangho. Dit zedelijk beginsel overnemende en in kosmopolitischen zin ontwikkelende, kwam de Paulinische leer als grondslag van rechtsvorming en sociale ontwikkeling ver boven het Boeddhisme te staan. Dien vooruitgang zal het Westen niet mogen prijs geven.

In het algemeen zal ook de splitsing van de aanhangers eener leer in wereldlijke aanhangers, die arbeiden, en uitverkorenen, die van liefdegaven leven, in ons Westen niet licht populair worden. Ons ge-lijkheids-bewustzijn wraakt zulk eene splitsing. Hoe veel er aan dat ideaal nog moge ontbreken, eischen toch onze westersche denkbeelden, dat ook het arbeidsleven van de hoogste en edelste beginselen als doortrokken worde, en laten zij niet toe, dat de besten zich aan den maatschappelijken arbeid onttrekken en van bijeengebedelde giften leven. In de vernietiging van den kastegeest en de zedelijke verheffing van het arbeidsleven streeft onze maatschappij naar hoogere sociale idealen, dan het Boeddhisme. Wel wordt in het Boeddhisme het individueel ideaal hooger opgevoerd, maar de afwezigheid van elk sociaal ideaal komt daardoor slechts te scherper aan het licht. Mochten de tijdsomstandigheden ooit of

ocr page 20

H

ergens eichen, dat groepen uitverkorenen zich aan de wereld onttrekken, Christelijke gemeenten, als zich o. a. in de 16de eeuw vormden en die zoowel het familieleven als het arbeidsleven in hoog aanzien hielden, zouden een beter model opleveren dan de Boeddhistische Sangho, waarvan ons Westen eene navolging heeft leeren kennen in de kloosters der bedel-orden.

Ten slotte mis ik in dezen catechismus eiken ethischen grondslag voor de kunst. In verhooging van de schoonheid van het tegenwoordige leven stelt het Boeddhisme, als pessimistische religie, natuurlijk geen belang; voor eene kunst, die verheft en veredelt, schijnt in Boeddha's geest geene plaats te zijn geweest. Ik zie dan ook niet in, hoe aan de kunst, als middel van waardig levensgenot, de haar toekomende plaats kan worden verschaft, zonder met den pessimistischen grondtoon van het Boeddhisme ') in strijd te geraken.

Ook die grondtoon zelf kan in ons Westen bezwaarlijk sterken weerklank vinden, zoolang wij de illusie mogen koesteren, het meerendeel der kwalen, waarvan de aanblik Siddhattho zoo overweldigend aangreep, te ku nnen overwinnen, zoodat daarvan alleen de dood overblijft. De dood echter wordt, als hij het

') In de 5e uitgaaf No. 152 wordt de aanwezigheid van dien pessimistischen grondtoon bestreden. Blijkbaar berust dit echter op een ietwat ander begrip van het woord pessimistisch.

ocr page 21

ÏS

natuurlijk einde is van een leven, waarin het nuttige en aangename vereenigd waren, ook zonder diepe wijsgeerige studiën nu reeds algemeen veeleer als de broeder van den slaap dan als een koning der verschrikking beschouwd. Het is dus onzeker, of de aarde nog een tranendal zijn of schijnen zal, als alle lijden, dat afgewend worden kan, zal hebben opgehouden; ook zal hebben opgehouden door aanneming eener gezonde wijsbegeerte en zedeleer ten aanzien van de plaats, die het streven naar zingenot en aardsche goederen in het leven behoort in te nemen ? Zoolang deze proef niet met ongunstigen uitslag genomen is, zal de geest van het Westen niet vatbaar zijn voor algemeene aanneming eener pessimistische leer.

Redenen te over, dunkt mij, om aan het Boeddhisme slechts een succes als leerstof, niet als religie te voorspellen. Maar het eerste ook in hooge mate. Niettegenstaande de leemten en gebreken, die ik daarin meen te ontdekken, — eene meening, die natuurlijk in het oog van den oosterling slechts verraadt, dat mij het licht der waarheid nog niet is opgegaan, —- kan ik niet genoeg aanraden, dit boekje te lezen en te herlezen. Niemand zal dit doen, zonder zijn gezichtskring te verruimen, en wegens de hooge verhevenheid van het Boeddhistische individueele ideaal, zal de overweging der in dezen catechismus vervatte leeringen ook den beste niet kunnen schaden.

S. van Houten.

Gravenhage, 5 September 1888.

ocr page 22

VOORWOORD BIJ DE VIJFDE UITGAAF.

Deze korte uiteenzetting van de grondtrekken van het Boeddhisme is uit de oudste en betrouwbaarste bronnen, de Pali-Soettas van het Tripitakam, geput en bevat geest en kern der echte Boeddha-leer, onder weglating van alle bijwerk, waarmede scholastieke geleerdheid van latere tijden de woorden des meesters heeft omgeven en het bijgeloof en de kinderlijke phantasie des volks deze hebben opgesmukt.

Toen in 1888 de eerste uitgave van dezen Boed-dhistischen Catechismus het licht zag, waren er wel is waar reeds wetenschappelijke werken genoeg over het Boeddhisme, maar zelfs in de beschaafde kringen van Duitschland kende men de zuivere leer van den Boeddha Gótamo nauwlijks bij name en er waren weinigen, die in deze oudste en edelste wereldreligie iets anders zagen dan eene lang vergane en afgedane curiositeit uit de geschiedenis der beschaving en der religie, en niet eene levende, thans als voor 2400 jaren geldende waarheid. In dezen toestand was de „Boeddhistische Catechismus'' baanbreker

ocr page 23

17

Zijn vervaardiger waagde de poging, aan de ruimste kringen van ontwikkelden belangstelling in te boezemen voor de grootheid en schoonheid der Boeddhistische wereldbeschouwing, haar bekendheid en aanzien te verschaffen en vrienden en aanhangers er voor te winnen. Hij werd daarbij geleid door de vaste overtuiging, dat de echte Boeddha-leer van vér strek-kenden invloed moet zijn op het geestelijk leven van onzen tijd en hare verspreiding in den edelsten zin zendingswerk der beschaving is.

Wanneer thans de vijfde uitgaaf van den Catechismus het licht kan zien, wanneer in deze weinige jaren reeds eene geheele reeks van schrijvers in boeken, brochures en opstellen voor en tegen het Boeddhisme partij getrokken heeft, wanneer overal vergelijkingen tusschen het Christendom en het Boeddhisme gemaakt worden, wanneer de Kerk dezen nieuwen tegenstander met bezorgdheid begint aan te zien en Keizer Willem II het zelfs noodig achtte, door eene allegorische teekening de Europeesche Christenheid tot een gemeenschappelijken strijd tegen het indringende Boeddhisme op te roepen, zoo blijkt uit dit alles voldoende, hoe juist de schrijver gezien heeft. De verheven leer van den Indischen wijze begint machtigen invloed op allen die nadenken uit te oefenen en hunne wereldbeschouwing te veranderen.

Naar buiten bemerkt men daarvan wel is waar nog niet veel; de stroom is in de diepte dikwerf 't sterkst. Maar de Duitsche Keizer heeft richtig ingezien, dat de Christelijke kerk van geene zijde zoo ernstig gevaar dreigt, als van de leer van den Indischen Ko-

Boeddha. 2

ocr page 24

i8

ningszoon uit den stam der Sakyos. Alleen onbekendheid daarmede leidt hem er toe, deze leer als eene rampzalige, verderf verspreidende macht te beschouwen.

Wel is de door Boeddha verkondigde waarheid eene verwoestende macht, maar zij vernietigt niet de heiligste goederen der Europeesche volken, maar slechts de dwaling, den waan, het bijgeloof en de geestelijke en zedelijke slavernij Slechts zij hebben reden om zich hierover te beangstigen, in wier voordeel het is, als er in plaats van licht duisternis heerscht.

De leer van Boeddha wendt zich tot allen, die niet van vreemde genade zonder eigen verdienste het heil verwachten, maar die moed en kracht genoeg hebben op eigen beenen te staan, die de stoutheid hebben, niet te willen gelooven maar weten, niet blind het gezag te volgen, maar voor zich zelf te denken. Zij is de ware troosteres en leidsvrouw van hen, die niet in stoffelijken vooruitgang en verhoogd materieel levensgenot het hoogste doel van het bestaan zien, maar, afgestooten dooiden wilden strijd om bezit en genot, dien de zelfzucht steeds onmeedoogender voert, en onbevredigd door de leeringen der heerschende godsdiensten, naar een ruimer gezichtspunt, een hooger doel en een vasteren grond verlangen, dan hun de leerstelsels en mythen van het Christendom of zelfs de, trots hare schitterende uitkomsten toch steeds tot de wereld der verschijnselen beperkte, nooit in het wezen der dingen doordringende wetenschap geven kan.

Voor dezen is dit Boeddhistische vraagboek ge-

ocr page 25

19

schreven. Als zij het goed lezen en verstaan, zullen zij er in vinden wat zij zoeken: eene leer, die zonder leerstelsel en vormendienst, in overeenstemming met de natuur en hare wetten, de hoogste, geest en hart beide bevredigende waarheid in zoo eenvoudig kleed bevat, dat zij ook voor hen, die niet met meer dan gewoon verstand zijn bedeeld, verstaanbaar is, terwijl zij toch tevens zulk eene diepte heeft, dat zelfs de wetenschappelijk en wijsgeerig gevormde Europeaan, toegerust met alle geestelijke gaven eener hoog opgevoerde beschaving, niet gemakkelijk tot haren diepsten grond doordringt.

Niemand wane, met de leer van den Indischen wijze spoedig klaar te komen. Al het groote is moeielijk en het inzicht heeft vele graden. Iedere erkende waarheid is slechts de trap tot eene hoogere, nog niet erkende.

Alleen hij die, hierop lettende, den „Boeddhistischen Catechismusquot; leest, leest hem op de rechte wijze.

En zoo moge dan het licht der wereldbestralende leer, hetwelk uit het verre Oosten, van waar toch alle licht is voortgekomen, thans zijne stralen naar het Westen toezendt, zich zegevierend uitbreiden, tot welzijn, heil en verlossing van allen.

ocr page 26
ocr page 27

INLEIDING.

1. Welke religie1) belijdt gij?

Ik ben een Boeddhist.

2. Wat verstaat men onder een Boeddhist P

Iemand, die Boeddha als het Licht der wereld, als hoogsten leider en meester van alle levende

1

) Onder Europeesche geleerden is dikwijls de vraag gerezen, of het Boeddhisme meer den naam van religie dan wel van wijsbegeerte verdient. Inderdaad is het beide; — de verhevenste zedelijk-religieuse leeringen zijn daarin met de diepste wijs-geerige inzichten tot één onafscheidelijk geheel verbonden. Het Boeddhisme schenkt zijnen aanhangers inzicht in den aard van het heelal en de daarin heerschende wetten en krachten, het ontsluit den mensch de kern van zijn binnenste, toont hem zijne ware, buiten dit voorbijgaande aardsche leven liggende hoogere bestemming, verlicht zijn geest, wekt de in hem sluimerende zedelijke krachten en aanleg, doet in hem de aandrift tot het goede en edele ontvonken en stelt hem in staat, door ernstig streven en nauwgezette opvolging der voorschriften het

ocr page 28

wezens vereert, de door hem verkondigde leer voor waar houdt, en wiens ernstig streven is, hare voorschriften na te leven.

3. Hoe wordt men Boeddhist?

Door een vrij besluit. Niet door geboorte, nationaliteit of ras ; ook niet door wijding, doop of eenige andere bindende plechtigheid ; het Boeddhisme toch bezit noch de macht van een staats-godsdienst, noch eene hierarchie. Wie overeenkomstig óe leer van Boeddha leeft is Boeddhist, onverschillig of hij tot eene Boeddhistengemeente behoort, of niet. De toetreding tot zulk eene gemeente heeft plaats door eene eenvoudige wilsverklaring en het uitspreken der toe-vluchtsformule.

hoogste doel van elk levend wezen, de zaligheid, de verlossing, het Nirwana, te bereiken. In zoover is alzoo het Boeddhisme eene religie

Het is echter tevens eene wijsbegeerte, want het verlangt van zijne aanhangers geen blind geloof, maar eene door eigen na-vorschen, eigen onderzoek en ernstig nadenken gevormde en bevestigde overtuiging. Zijne leerstellingen hebben haren grond niet in den wil van eenen onbegrijpelijken God Schepper of in eene bovennatuurlijke openbaring, maar in de voor allen kenbare natuurlijke geaardheid van de wereld en het leven. Het zoekt den boosdoener niet door bedreiging met eeuwige straffen vrees aan te jagen, maar het nog door aardschen waan verblinde oog des dwalenden ziende te maken, opdat hij in staat zij de waarheid te leeren kennen, en het brengt hem die er oprecht naar streeft, langs den weg van geestelijke ontwikkeling en zedelijke zelfvolmaking, tot een standpunt, waarop al het vergankelijke als wezenlooze schijn achter hem ligt, en bij het heldere inzicht in de waarheid vooroordeel, twijfel en waan verdwijnen.

ocr page 29

23

4. Hoe luidt de toevluchtsformule P

De toevluchtsformule (Tisaranam) luidt; Ik neem mijne toevlucht tot Boeddha. Ik neem mijne toevlucht tot de leer (Dhammo). Ik neem mijne toevlucht tot de broederschap der uitverkorenen (Sangho).

5. Welke zijn het doel en de beteekenis van het plechtig uitspreken van deze toevluchtsformule?

Hij die deze formule uitspreekt, wil daarmede voor de geheele wereld getuigenis afleggen, dat hij Boeddha voortaan als zijn leermeester en voorbeeld kiest; dat hij in de leer het samenstel en de onveranderlijke grondbeginselen ziet van alle waarheid en gerechtigheid, gelijk mede den weg tot zelfvolmaking en verlossing; dat hij de broederschap der uitverkorenen beschouwt als de eerwaardige navolgers van Boeddha en als de ware beoefenaars, verkondigers en uitleggers der leer.

6. Is deze toevluchtsformule voor alle Boeddhisten verbindend P

Voor allen zonder uitzondering, hetzij zij tot de broederschap der uitverkorenen behooren en diensvolgens het leven van een bedelmonnik (Bhikschoe, Samano) gekozen hebben, of wereldlijke aanhangers (Oepasakos) zijn.

Evenwel is het uitspreken der toevluchtsformule eene vrije gelofte en ontstaan daaruit slechts zedelijke verbintenissen. Rechtsplichten van welken aard ook zijn daaraan niet verbonden.

ocr page 30

24

7. Hoe noemt men de heilige drievuldigheid, aan wier leiding de Boeddhist zich door het uitspreken der toevluchtsformule toevertrouwt?

De drie leidsterren, want deze heilige drievuldigheid licht ons in de duisternis van ons aardsche leven voor, gelijk de sterren den schipper, die zich in den nacht op de door storm bewogen zee bevindt, en leidt hem, die zich er getrouwelijk naar richt, door den woesten oceaan van onwetendheid, begeerte en lijden naar de haven van den eeuwigen vrede.

Daarom houdt de Boeddhist vol vertrouwen, dankbaarheid en eerbied het oog op de drie leidsterren gericht en zegt met een vroom gemoed ;

Eere zij den heilige, den overwinnaar der wereld, Boeddha;

Eere zij der heilige, reine, verlossende leer;

Eere zij der broederschap der uitverkorenen.

ocr page 31

BOEDDHA.

8. Wie is Boeddha?

De zelfvolmaakte en verlichte, reeds in dit leven verloste, in de hoogste mate goede, heilige en wijze verkondiger der waarheid en stichter der Boeddhistische religie.

9. Is Boeddha een God. die zich aan de menschen geopenbaard heeft?

Neen.

10. Of was hij een godsgezant, die ter aarde is nedergedaald, om den menschon het heil te brengen ?

Neen.

11. Was hij dan een mensch?

Ja, hij was een mensch. Maar een mensch, gelijk er in vele duizenden jaren slechts eens een geboren wordt, een van die verhevene overwinnaars

ocr page 32

24

7. Hoe noemt men de heilige drievuldigheid, aan wier leiding de Boeddhist zich door het uitspreken der toevluchtsformule toevertrouwt?

De drie leidsterren, want deze heilige drievuldigheid licht ons in de duisternis van ons aardsche leven voor, gelijk de sterren den schipper, die zich in den nacht op de door storm bewogen zee bevindt, en leidt hem, die zich er getrouwelijk naar richt, door den woesten oceaan van onwejendheid, begeerte en lijden naar de haven van den eeuwigen vrede.

Daarom houdt de Boeddhist vol vertrouwen, dankbaarheid en eerbied het oog op de drie leidsterren gericht en zegt met een vroom gemoed :

Eere zij den heilige, den overwinnaar der wereld. Boeddha;

Eere zij der heilige, reine, verlossende leer;

Eere zij der broederschap der uitverkorenen.

ocr page 33

rt'

BOEDDHA.

8. Wie is Boeddha?

De zelfvolmaakte en verlichte, reeds in dit leven verloste, in de hoogste mate goede, heilige en wijze verkondiger der waarheid en stichter der Boeddhistische religie.

9. Is Boeddha een God. die zich aan de menschen geopenbaard heeft?

Neen.

10. Of was hij een godsgezant, die ter aarde is nedergedaald, om den menschen het heil te brengen ?

Neen.

11. Was hij dan een mensch?

Ja, hij was een mensch. Maar een mensch, gelijk er in vele duizenden jaren slechts eens een geboren wordt, een van die verhevene overwinnaars

ocr page 34

26

en voorlichters der wereld, welke geestelijk en zedelijk zoo hoog boven de dwalende en lijdende mensch-heid uitblinken, dat zij in de kinderlijke verbeelding van het volk „godenquot; of „godsgezantenquot; schijnen te zijn.

12. Is Boeddha een eigennaam?

Neen, Boeddha is de aanwijzing van een inner-lijken toestand of eene geestesgesteldheid.

13. Wat beteekent dan dat woord?

De Verlichte; het duidt een mensch aan, die door eigen kracht den hoogsten graad van kennis en zedelijke volmaaktheid verworven heeft.

14. Hoe was Boeddha's ware naam?

Siddhattho was zijn geboortenaam.

15. Wie waren zijne ouders?

Koning Soeddhódano en Koningin Maya.

16. Ovor welk volk heerschte Koning Soeddhódano?

Over den Indischen stam der Sakyos ^1).

') De Sal;yos behoorden tot de groote Arische volkengroep, tot welke ook de Europeesche natiën — Germanen, Romanen en Slaven — behooren. De door hen bewoonde landstreek lag n noordoostelijk lnd:ë, aan den voet van het Himalaya-gebergte en de hoofdstad Kapilawatthoe ongeveer 150 kilometer ten noorden van de stad Benares aan de rivier Róhini.

ocr page 35

27

17. Wanneer werd prins Siddhattho geboren ?

Op een Vrijdag in het jaar 623 voor het begin der christelijke jaartelling.

18. Weten wij iets naders over de geboorte en de jeugd van Boeddha ?

Zeer weinig met zekerheid. Maar de legende bericht ons daarover uitvoerig; evenals bij alle groote godsdienststichters heeft zij de geboorte en de jeugd van Boeddha met allerlei wonderbare gebeurtenissen en dichterlijke toevoegselen opgesmukt.

19. Wat verhaalt ons de legende P

Reeds bij de geboorte van Prins Siddhattho voorspelden de Brahmanen, die als priesters en sterre-wichelaars aan het hof van koning Soeddhódano leefden, de verhevene bestemming van het kind. Hunne voorspelling luidde : Indien Prins Siddhattho den troon beklimt, zal hij een koning der koningen, een wereldbeheerschei' worden ; indien hij echter van den troon afstand doet en het leven van een asceet verkiest, zal hij een wereldverwinnaar} een volmaakte Boeddha worden.quot;

En de boetedoener Kaladéwalo kwam uit de wildernis van den Himalaya toesnellen, wierp zich voor het kind neder en sprak: „Waarlijk, dit kind zal eenmaal een in den hoogsten graad volmaakte Boeddha worden en aan de menschen den weg der verlossing wijzen.quot; En hij weende, wijl hij wist, dat hij bij

ocr page 36

28

zijn hoogen leeftijd dien tijd niet meer zou beleven. ')

20. Was koning Soeddhódano ingenomen met Kaladéwalo's voorspelling P

Geenszins. Hij zocht zelfs door alle hem ten dienste staande middelen hare vervulling te verhinderen, want hij wenschte dat prins Siddhattho een wereldheerscher zou worden.

21. Door welke middelen trachtte hij dit doel te bereiken ?

De Brahmanen hadden hem gezegd, dat de Prins door den aanblik van het lijden der menschen en der vergankelijkheid van het aardsche zou genoopt worden, de wereld te ontvlieden. Daarom weerde de Koning alles uit de omgeving van den prins, waardoor deze bekend had kunnen worden met 's menschen lijden en met den dood. Hij omringde hem met alle genietingen en alle vorstelijke weelde en

l) Brahmaansclie boetedocners, kluizenaars cn asceten bestonden in Indië reeds vele eeuwen voor de geboorte van Boeddha. Zij leefden ten deele te zamen in het woud in kleine bamboezen hutten, zich wijdende aan de studie der heilige mystieke geschriften (de Upanischaden) der Veden, ten deele in holen en bij boomen als kluizenaars. Vele ook leefden als asceten zonder vaste woonsteden, togen van plaats tot plaats, verschaften zich voedsel door bedelen aan de deuren en onderwierpen zich aan de vreeselijkste zelfpijnigingen, om alle zinnelijke aandoeningen met geweld in zich te dooden, de ziel van alle aardsche banden los te maken en tot vereeniging met den eeuwige. Brahma, te geraken.

ocr page 37

29

glans, om hem zoo vast mogelijk te doen hechten aan de wereld. De voortreffelijkste leermeesters onderwezen hem in alle kunsten en wetenschappen en in de voor den zoon eens konings passende ridderlijke bekwaamheden. Toen prins Siddhattho den jongelingsleeftijd had bereikt, liet zijn vader hem drie paleizen bouwen, een voor elk Indisch jaargetijde — het heete, het koude en den regentijd. Alle drie waren met de grootste pracht ingericht; zij waren omringd door uitgebreide tuinen en bosschen, waarin heldere vijvers, omkranst door lotosbloemen, koele grotten, ruischende bronnen en bloembedden van uitgezochte schoonheid. In deze tuinen en bosschen bracht de prins zijne jeugd door, maar hij mocht ze niet verlaten en aan armen, zieken en grijsaards was ten strengste verboden, ze te betreden. Zijne omgeving bestond uit zonen van de edelste geslachten des lands.

Reeds in zijn 16e jaar gaf zijn vader hem prinses Yasodhara tot vrouw en buitendien was, zooals toen bij Indische vorsten gebruikelijk was, een groot aantal schoone, in dans en muziek ervaren meisjes steeds bereid hem te vermaken.

22. Hoe was het mogelijk, dat de prins te midden van al deze heerlijkheid en genoegens het plan kon vormen de wereld te ontvlieden P

Bij zijne toeren in de tuinen en parken had hij vier ontmoetingen, die een beslissenden invloed op hem hadden en hem met den waren aard van het leven bekend maakten.

ocr page 38

3°

23. Welke waren deze ontmoetingen ?

Die met een gebrekkigen, onder den last dei-jaren gebukten grijsaard, — met een met ettergezwellen bedekten zieke, — met een in staat van ontbinding verkeerend lijk en met een eerwaardigen bedelmonnik.

24. Welken indruk maakten deze ontmoetingen op prins Siddhattho ?

Zij schokten hem diep. Hij kreeg daardoor inzicht in de vergankelijkheid en onwaarde van het leven. De bedriegelijke en snel voorbijgaande genoegens, welke door ouderdom, ziekte, smart en dood als op den voet gevolgd worden, verloren hunne bekoorlijkheid voor hem. Voortaan meed hij alle vermakelijkheden ; het inzicht rijpte in hem, dat het leven geen begeerenswaardig goed, maar veeleer een kwaad is, en dat het dwaas en edele naturen onwaardig is, de genietingen des levens na te jagen. Al zijn streven werd van dezen tijd af op een hooger doel gericht *).

f) Terwijl prins Siddhattho eens in het park een rijtoer maakte,

— zoo verhaalt de legende, — bemerkte hij plotseling eenen gebrekkigen ouden man, wiens rug gebogen was onder den last der jaren, en die op een stok leunende zich met moeite voortsleepte. Siddhattho vroeg verwonderd zijn bediende Tschan-no, welk een wonderlijk wezen dat was, en Tschanno antwoordde, dat het een grijsaard was. — «Werd hij in dezen staat geboren ?quot; vroeg de prins verder. — »Neen, heer, eens was hij jong en blozend als gij.quot; — «Zijn er meer zulke grijsaards ?quot; vroeg de prins met klimmende verbazing. — «Zeer vele, heer !quot;

— lEn hoe kwam hij in dezen beklagenswaardige!! toestand ?quot;

ocr page 39

3i

25. Welk was dit doel?

Hij wilde de oorzaken van de menschelijke ellende, van geboorte, lijden, ouderdom, dood en wederge-

— »Het is de loop der natuur, dat alle menschen, die niet op jeugdigen leeftijd sterven, oud en gebrekkig worden.quot; — «Ook ik, Tschanno ?quot; — «Ook gij, heer!quot;

Dit voorval stemde den prins zoo weemoedig, dat hij beval, naar huis terug te rijden, daar hij alle behagen in de schoone omgeving verloren had. Eenigen tijd later kreeg hij bij een nieuwen rijtoer een melaatsche in het oog, en toen Tschanno hem op zijne vragen ook omtrent dezen inlichting gaf, werd hij zoozeer aangedaan, dat hij van dien tijd af alle vermaken vermeed en zich over het lijden des levens in ernstig nadenken begon te verdiepen. Na verloop van eenigen tijd had hij de derde verschijning. Hij zag een lijk aan den weg liggen, dat reeds in staat van ontbinding verkeerde Ten heftigste geschokt, keerde hij dadelijk naar huis terug, uitroepende: »Wee mij, wat baat alle vorstelijke glans en pracht en alle genot, als ik daardoor niet voor ouderdom, ziekte en dood bewaard word! Hoe ongelukkig zijn toch de menschen! Is er dan geen middel, voor altijd een einde te maken aan het lijden en den dood, die op iedere geboorte telkens op nieuw volgen?quot;

Deze vraag hield hem sedert dien tijd onafgebroken bezig. Het antwoord gewerd hem eerst bij een volgenden uitgang. Toen verscheen hem een bedelmonnik, in het gele gewaad, dat de Boeddhistische broeders dragen, in wiens eerwaardige trekken de volkomen vrede van zijn binnenste duidelijk te lezen stond. Diens voorkomen wees den door de raadselen des levens gekwelden prins den weg, op welken hij er de oplossing van te zoeken had. Van dat tijdstip af rijpte in hem het besluit, de wereld te verlaten en den weg te bewandelen, dien ieder inslaan moet, als hij naar de volmaking streeft.

Dit allegorische verhaal is blijkbaar van latere vinding, maar vol diepe waarheid; het leert ons, dat het enkel de erkenning van de vergankelijkheid en onwaarde des levens is, die ontvan-

ocr page 40

32

geboorte1) doorgronden en het middel vinden om daaraan een einde te maken. Hij besloot het voorbeeld van den bedelmonnik, die hem verschenen was, te volgen, de wereld te verlaten en in de wildernis te gaan.

1

) De leer der wedergeboorte, dat is der telkens herhaalde belichaming van de individualiteit, van het innerlijke wezen des menschen, is de oudste en eerwaardigste waarheid, welke het menschelijk geslacht heeft leeren kennen; zij is de met de menschheid ontstane wijsheid of religie, die zich als van zelf aan ieder opdringt, wiens verstand niet beneveld is door vroeg ingeprente dwaalleeringen en vooroordeelen. In den godsdienst van alle beschaafde volken, de joodsch-christelijke en de ma-homedaansche alleen uitgezonderd, vormt zij den hoeksteen, op welken alle overige leeringen steunen. En zelfs in christelijke landen heeft zij trots kerkelijke tegenwerking en dreigende vervolging in het geheim bij vele groote geesten ten allen tijde aanhang gevonden. Zij alleen vermag ons te genezen van den waan, dat de mensch een schepsel is, dat door de willekeur van een God uit het niet in het aanzijn is geroepen en hem voor een geschenk van zoo twijfelachtige waarde als het leven is, ook nog dankbaar moet zijn. De leer der wedergeboorte alleen geeft den mensch zijne ware vrijheid en zelfbepaling terug, die met het geloof aan een almachtigen God-Schepper ten eenenmale onbestaanbaar zijn; zij alleen heeft haren grond in ware gerechtigheid en slechts door haar wordt het schoone woord van den edelen Jezus van Nazareth tot waarheid: »Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien.quot; De leer der wedergeboorte alleen geeft ons eene oplossing van het raadsel van ons bestaan, verklaart op bevredigende ivijze, waarom de rechtvaardige dikwijls arm en veracht is, terwijl de slechte rijkdom

ocr page 41

26. Viel dit besluit hem gemakkelijk?

Neen; hij moest immers afstand doen van alles wat de menschen gewoon zijn als het hoogste geluk op aarde te beschouwen: van den koningstroon, van macht, eer, rijkdom en alle daarmede verbonden genietingen en zelfs van de samenwoning met zijne geliefde vrouw en zijnen zoon Rahoelo, dien prinses Yasodhara hem geschonken had.

en eer geniet, en geeft ons een antwoord op de in vertwijfeling door millioenen gepijnigde menschenharten te vergeefs ten hemel gerichte vraag, waarom wij zooveel moeten lijden. Zij schenkt ons daaromtrent licht, door ons te doen inzien dat ons innerlijke wezen even onvatbaar is voor vernietiging, als de stof en de natuurkrachten. Met vrijen wil, door den levensdrang omstrikt, hebben wij ons in dit leven begeven en het van den eersten aanvang der dingen af tot op den huidigen dag in eeuwig wisselende gedaanten voortgezet. De dood is geene vernietiging, nog minder eene bevrijding of voleinding, maar slechts de overgang uit een versleten vorm in een anderen. Wie er een genoegen in vindt te leven, zij gerust: geen God of duivel kan hem het leven ontrooven. 's Menschen lot is alleen het uitvloeisel van zijn innerlijk wezen, van zijn eigen wil, welken nog tallooze wedergeboorten wachten, in welke hij de vruchten zoowel van zijne goede als van zijne slechte daden plukken zal. Wie echter in waarheid genoeg heeft van het telkens hernieuwde leven met zijn lief en leed, dien stant de weg tot verlossing open. Hij bewandele dien slechts met vasten wil en zal dan door eigen kracht dat verheven eindpunt kunnen bereiken, waar de uit haren aard noodwendig beperkte, door leed en schuld gedrukte individualiteit zich geheel in het Nirwana oplost. Hierin ligt de zaligheid, de eeuwige vrede, naar welken alle levende wezens bewust of onbewust verlangen en dien zij, door waan bevangen en misleid, niet kunnen vinden. Boeddha. 5

ocr page 42

34

27. Zochten zijn vader en prinses Yasodhara hem niet van zijn voornemen af te brengen P

Hij deelde het hun niet mede, maar gaf er de voorkeur aan, heimelijk te vlieden, omdat hij vreesde, dat de smeekgebeden van zijn ouden vader en de tranen van zijne vrouw hem in zijn besluit aan het wankelen zouden kunnen brengen ^1).

In een nacht, terwijl alles sliep, stond hij stil op, wierp een laatsten afscheidsblik op zijne niets vermoedende slapende vrouw en zijn kleinen zoon, wekte Tschanno, liet dezen zijn lievelingspaard Kan thako zadelen en reed weg. Onbemerkt kwam hij de wachters aan de poort voorbij en rende, zoo snel als zijn paard vermocht, in den duisteren nacht voort.

Toen hij, op den top van een heuvel gekomen, nog eens op zijne vaderstad terugzag, kwam Maro, de verzoeker, tot hem. Deze toonde hem de omliggende landen, vestigde nog eens zijn oog op de aanlokkelijkheden van koninklijke macht en glans en beloofde hem de wereldheerschappij als hij zijn voornemen opgaf2). Boeddha wees den verzoeker met verachting af. Zijn besluit stond onherroepelijk vast. „Doch van dat tijdstip afquot;, zoo heet het in de legende, „volgt Maro den volmaakte op den voet, in de hoop, dat hij toch nog gelegenheid moge vinden, hem ten val te brengen.quot;

1

') Koningin Maya leefde niet meer; zij stierf zeven dagen na de geboorte van den prins.

2

) Maro, de verzoeker en vorst der wereld, de demon der hartstochten, der genietingen en van den dood, speelt in de

ocr page 43

35

28. Hoe oud was prins Siddhattho, toen hij in de wildernis gingp

29 jaren.

29. Waarheen ging hij het eerst P

Naar de rivier Anoma. Daar sneed hij met zijn zwaard zijn lang en schoon haar af, overhandigde den getrouwen Tschanno zijne wapenen, zijne sieraden en zijn paard en beval hem, daarmede naar Kapilawatthoe terug te keeren en den koning en prinses Yasodhara omtrent zijn lot gerust te stellen. Nadat Tschanno hem verlaten had, bracht hij nog zeven dagen in eenzaamheid aan den oever der Anoma door, geheel in zijne overpeinzingen verdiept en hoogelijk verheugd, den eersten en gewichtigsten stap tot bereiking van zijn doel gedaan en de boeien van het wereldsche leven afgeworpen te hebben. Daarna verruilde hij zijne kleeding met die van een voorbijtrekkenden bedelaar en begaf hij zich naar

Boeddhistische legende ongeveer de rol, die Satan, de vorst der duisternis in de Christelijke vervult. Naar de evangelische legende werd ook Jezus in de woestijn door den duivel in verzoeking gebracht, gelijk Boeddha door Maro. In het algemeen komt de levensgeschiedenis van Jezus volgens de evangeliën zoo opvallend in de hoofdpunten met de hier kortelijk medegedeelde levensgeschiedenis van Boeddha overeen, dat onwillekeurig de gedachte zich opdringt dat de Boeddha-legende voor de vervaardigers der evangeliën als model gediend heeft voor Aiiinne levensgeschiedenis van Jezus.

ocr page 44

36

Radschagaham, de hoofdstad van het koninkrijk Magadha ^1).

30. Waarom begaf hij zich daarheen?

In de nabijheid van Radschagaham leefden twee brahmanen, Alaro Kalamo en Oeddako, die in den roep van hooge wijsheid stonden. Bij deze werd hij als leerling opgenomen onder den naam van Gotamo.

31. Wat leerden deze Brahmanen?

De een leerde, dat men door gebeden, offers en religieuse gebruiken van allerlei aard de ziel kon

') Met dezen gewichtigen stap houdt de legendarische voorgeschiedenis van Prins Siddhattho op en begint de voor de wereldgeschiedenis beteekenisvolle loopbaan van den asceet Gotamo, dien zijne tijdgenooten den Verlichte, den Boeddha genoemd hebben. De Volmaakte zelf heeft zich tegenover zijne jongeren slechts in het voorbijgaan en in korte, eenvoudige woorden uitgelaten over de gronden, die hem bewogen hebben de wereld te ontvlieden. Uit deze mededeelingen blijkt duidelijk, dat deze legende geen verdichtsel, maar eene dichterlijke voorstelling van eene werkelijke gebeurtenis is.

Zoo heet het in het Madschima Nikayo:

«Twee doeleinden zijn er, o jongeren: het heilige doel en het onheilige doel. Zoo zoekt iemand, die zelf aan geboorte, ouderdom, ziekte, dood, lijden en zonde onderworpen is, wat evenzeer aan geboorte, ouderdom, ziekte, dood, lijden en zonde onderworpen is, namelijk : vrouw en kind, knecht en maagd, huis en hof, goud en zilver. Dat, o jongeren, is het onheilige doel.

«Ook ik, o jongeren, handelde aldus, toen ik nog naar de waarheid vorschte, toen ik nog geen Verlichte, geen Boeddha

ocr page 45

37

louteren en door goddelijke genade tot verlossing geraken.

De ander, dat de weg tot het heil is te vinden in het verzinken in mystiek peinzen en onmiddelbaar aanschouwen.

32. Kon Gótamo zich met deze leer vereenigenP

Neen. Hij maakte zich alle kennis der brahmanen eigen en nam ijverig deel aan hunne religieuse oefeningen, zonder daardoor nader bij het doel van zijn streven te komen. Spoedig werd hem duidelijk, dat de wetenschap der brahmanen ijdelheid was en niet tot verlossing van lijden, dood en wederge-geboorte voerde.

was. Toen rijpte bij mij de gedachie, in plaats van het vergankelijke en leedbrengende, dat ik als onheil had leeren kennen, de bevrijding van geboorte, ouderdom, dood, lijden en zonde, de onvergelijkelijke zekerheid, het Nirwana na te streven. Dat is het heilige doel.

»Zoo trok ik na eenigen tijd, jong, sterk, onvergrijsd, in den eersten bloei van den mannelijken leeftijd, tegen den wil mijner klagende en weenende ouders, met afgeschoren haar en baard en in een geel gewaad gekleed zonder dak de wereld in.quot;

En op eene andere plaats ging hij, nadat hij zijnen jongeren verhaald had van den glans en den overvloed, die in zijne paleizen heerschte, aldus voort;

»Zulk een rijkdom, o jongeren, omgaf mij ; in zulk eene heerlijkheid leefde ik. Toen ontwaakte in mij deze gedachte: hoe dwaas zijn de weerzin en afschuw der menschen bij het zien van een afgeleefden grijsaard, een zieke, een lijk. Zij kee-ren zich tegen hen zelf, daar ook zij aan ouderdom, ziekte en dood onderworpen zijn. — Met die gedachte, o jongeren, verloor ik al den moed der jeugd.quot;

ocr page 46

33. Wat deed hij na deze mislukte poging?

Er waren nog andere brahmanen, beroemde religie-leeraren, die geloofden, dat de askese, de al-geheele gewelddadige vernietiging van alle zinnelijke begeerten, den wil en de hartstochten, de ware weg tot de verlossing was. Gótamo besloot het nu met de naleving hunner voorschriften te beproeven. Te dien einde trok hij zich in een dicht woud bij Oeroe-wela terug, en wijdde hij zich in de eenzaamheid aan de hardste boetedoeningen en zelfpijniging'). Spoedig verbreidde zich de roep van zijn heiligen levenewandel en kwamen vijf lotgenooten tot hem, die naar hetzelfde doel streefden als hij. Met bewondering voor de geestkracht en volharding vervuld, met welke Gótamo zich aan zelfkastijding wijdde, bleven zij bij hem, in de verwachting, dat hij zeker daardoor te eeniger tijd der verlossing deelachtig zou worden. Dan wilden zij zijne leerlingen worden.

34. Hoe heetten deze vijt asceten ?

Kondanyo, Bhaddiyo, Wappo, Mahanamo en

Assadschi.

!) Deze plaats, waar Boeddha zich vele jaren aan zelfkastijding wijdde, en waar hij ook het licht der waarheid vond, werd later Boeddha-Gaya, d. i. het kluizenaarsverblijf van Boeddha, genaamd. Tempels en kloosters werden daar gebouwd, die duizend jaren later, toen het Boeddhisme in geheel Midden- en Oost-Azië aangenomen was, door talrijke monniken bewoond werden en eene voorname plaats voor bedevaarten van pelgrims uit alle Boeddhistische landen waren. Nog heden ten dage wijst een vervallen tempel, die thans weder gerestaureerd en tot middenpunt der Boeddhistische propaganda gemaakt zal worden, de gewijde plaats aan.

ocr page 47

39

35. Hoe lang duurde het verblijf van Gótamo in het woud bij Oeroewela?

Ten naastenbij zes jaren. De krachten van zijn lichaam slonken steeds meer en meer weg door aanhoudende zelfpijniging, vasten en waken, maar hij volhardde in zijn streven. Eindelijk, terwijl hij eens des nachts in diep gepeins op en neder liep, stortte hij plotseling, ten gevolge van algeheele uitputting, bewusteloos neder, zoodat zijne metgezellen hem voor dood hielden. Na eenigen tijd kwam hij echter weder bij.

36. Ging hij toen nog voort met zijne ascetische oefeningen ?

Neen. Hij kwam tot het inzicht, dat de askese nooit tot heil en verlossing leiden kan. Hij had bijna zijn leven ten offer gebracht en toch het doel, de geestelijke en zedelijke zelfvolmaking, niet bereikt '). Hij gaf daarom alle eigenlijke kastijding op

') Niet alleen de verhevene stichter der Boeddhistische leer, maar ook vele Christelijke heiligen uit vroegere eeuwen moesten door eigene ervaring tot de kennis komen, dat askese niet tot het heil leidt. — «Door enkel het vleesch te dooden,quot; zegt Nagaséno, de groote apostel van het Boeddhisme, «bereikt men zelfs geene gelukkige wedergeboorte, veel minder nog de verlossing.quot;

En in het Djammapadam wordt van de askese gezegd: «Een mes, bij zijne snede aangepakt, wondt de hand. Onrichtig uitgeoefende askese leidt op het pad, dat naar beneden voert.quot;

Diensvolgens verwerpt het Boeddhisme ook alle zelfkwelling en gewelddadige «dooding van het vleeschquot; als nutteloos en

ocr page 48

42

van menschelijke zwakheid overwonnen waren en de diepe vrede van het Nirwana zijn hart vervulde, verhief zich zijn geest tot de verhevene hoogte, op welke den daarnaar strevende het volle licht ten deel valt. ') Hij had zijn doel bereikt: de sluier was van zijne oogen gevallen, de hoogste kennis van het heelal erlangd. Hij was een volmaakte, een Boeddha geworden.

metele, die op het punt staat eene poging te doen liem de heerschappij over de harten der menschen te ontrukken. Alle elementen woeden. De donder rolt, de bliksem flitst, de aardbeving doet den grond bewegen, d; regen valt in stroomen en dreigt alles te verdrinken, een orkaan ontwortelt aan alle zijden de zwaarste boomen en van de bergen rollende rotsblokken dreigen den wijze te verpletteren, die te midden van al deze verschrikkingen kalm en gelaten en zonder zich te bekommeren over het gevaar zijne overpeinzingen vervolgt. Geene vreeze des doods kent hij meer. Ten slotte grijpt Maro naar zijn laatste en gevaarlijkste wapenen. Hij zendt zijne tooverachtig schoone dochters Radscha, Arati en Tanha (wellust, haat en levensdrang) op hem af. Terwijl de omgeving in een feeënlandschap verandert, wenden zij alle denkbare kunstgrepen aan, om den de wereld ontvliedenden asceet te omstrikken en in hare netten te vangen. Doch Gotamo doorziet haren waren aard en wendt zich met afkeer van de verleidelijke gestalten af. Daarmede is de strijd beslist. Maro vlucht in vertwijfeling; hij voelt zijn troon wankelen. De wereldverwinnaar heeft hem de heerschappij over de menschenharten ontrukt.

lt;) Onder verlichting is in den zin van het Boeddhisme geen wonderbare of mystieke, door den invloed van bovennatuurlijke goddelijke macht veroorzaakte verandering te verstaan, maar een onmiddellijk doorzien der waarheid, een intuïtieve blik in den diepsten aard der dingen, die zich slechts in graad, niet in wezen van de intuïtie van den genialen kunstenaar onderscheidt en daarvan slechts een hoogeren trap vormt.

ocr page 49

43

39. Had hij nu de oorzaken van de menschelijke ellende, van geboorte, lijden, ouderdom, dood en wedergeboorte leeren kennen ?

Ja. Voor hem opende zich, gelijk het in de heilige boeken heet. het reine onbenevelde oog der waarheid, en hij leerde de oorzaak kennen van het ontstaan en vergaan der wezens, van lijden, dood en wedergeboorte, maar tevens ook het middel, aan alle lijden een einde te maken, den onafgebroken kringloop van geboorte en dood te ontgaan en de verlossing, het Nirwana, te bereiken.

40. Hoe lang vertoefde hij onder den bodhi-boom ?

Zeven dagen vertoefde hij onder den boom, geheel in zich zelf gekeerd. Daarna stond hij op en ging naar den Adschapalo vijgenboom (boom der geitenhoeders). Daar kwam bij hem deze gedachte op: „Ik heb de moeielijk bereikbaie, heilbrengende, zaligmakende waarheid, die alleen den volmaakten wijze ten deel valt, leeren kennen. Zal ik liaar verkondigen? Met het najagen van wereldsche dingen houden de menschen zich op; daarom behooren zij op aarde en vinden zij daar hun lust. Zij zullen de zedelijke wereldorde, de wet der aaneenschakeling van oorzaak en gevolg niet willen begrijpen, en de leer ten aanzien van het afleggen van den wil om te leven, de tenietdoening van de begeerten en verlangens, den weg der verlossing zullen zij niet willen

ocr page 50

44

hooien. Ga ik de leer verkondigen, het zal mij slechts moeite, leed en teleurstelling baren.quot;1)

41. Schonk Boeddha aan deze bedenking gehoor?

Neen. Hij wees haar af als eene hem onwaardige zwakheid. Het medelijden met de dwalende en lijdende menschheid bewoog hem, nog den last te aanvaarden van eene lange aardsche loopbaan en van de zware taak eens verkondigers der waarheid.

42. Wat geschiedde vervolgens?

Boeddha bleef nog drie weken onder den boom der geitenhoeders, terwijl hij de zaligheid der verlossing genoot en in zijn geest zijne leer in bijzonderheden uitwerkte. Gedurende deze 28 dagen, nadat hij een Boeddha was geworden, bleef hij geheel alleen en genoot hij spijs noch drank. Daarna echter stond hij op en sprak; „Geopend zij voor allen de deur des heils; wie ooren heeft, hoore de leer en betrachte haar!quot;

43. Aan wien verkondigde hij het eerst zijne leer ?

Aan de vijf asceten, die zoo lang bij hem

lt;) Deze natuurlijke opwelling in Boeddha's gemoed wordt in de legende weder gekleed in het allegorisch gewaad eener verzoeking van Maro. De volksgeest streeft er overal en ten allen tijde naar, zulk eene innerlijke opwelling en strijd aanschouwelijk voor te stellen als eene dramatische gebeurtenis. De Boeddhistische legende is echter steeds zeer doorzichtig.

ocr page 51

vertoefd en hem verlaten hadden, toen hij de zelfpijnigingen opgaf.

44. Waar vond hij hen weder?

In een bosch bij de stad Benares, in het wildpark Isipatanam, in het Migadayo-kluizenaarsverblijf.

45. Waren de vijf asceten geneigd, zijne leer te hooren ?

Zij waren voornemens, dit niet te doen, daar zij hem als een afvallige beschouwden, maar de hoogheid van zijne persoonlijkheid, de verhevene uitdrukking van zijn gelaat maakten zulk een diepen indruk op hen, dat zij zich huns ondanks voor hem bogen en vol eerbied naar zijne woorden luisterden.

46. Hoe wordt deze eerste prediking van Boeddha geheeten ?

De „verkondiging van de zedelijke wereldordequot; of „de vestiging van het rijk der eeuwige gerechtigheid.quot; Deze prediking bevat de grondtrekken der geheele leer: de vier heüswaarheden ').

47. Welken invloed had deze prediking op de vijf asceten 'r

Zij erkenden Boeddha als den Wereldver-lichter en wenschten zijne jongeren te worden. En de Verhevene nam hen als de eersten op in de

') Zie deze vier heilsvvaarheden onder de afdeeling: Leer.

ocr page 52

46

broederschap der uitverkorenen (Sangho) zeggende; „Zijt gegroet, broeders. De leer is verkondigd. Weest voortaan heilig in uwen levenswandel, om aan alle lijden een einde te maken.quot;

48. Wie van de vijf jongeren kwam. het eerst tot volledige kennis der waarheid?

De grijze Kondanyo. Hem ging het reine, onbenevelde oog der waarheid open en hij bereikte den graad van Araha'). Spoedig volgden ook de vier anderen.

49. Verwierf Boeddha zich in Benares nog meer jongeren?

Ja. De eerstvolgende bekeering was die van Yaso, een jongeling uit een aanzienlijk geslacht. Maar niet slechts brahmanen, edelen en voornamen hoorden het woord van den Verhevene, ook het volk; want hij maakte geen onderscheid van kaste, rang of stand, zooals de brahmaansche priesters deden, maar predikte het heil aan allen, die genegen waren hem te hooren. Na vijf maanden bedroeg het aantal jongeren reeds zestig, buiten de wereldlijke aanhangers. Daarop had de uitzending der broeders plaats.

50. Wat verstaat men onder de uitzending der broeders ?

Boeddha vereenigde de broeders om zich en

') Een Araha is iemand, die den vierden en hoogsten graad van heiligheid en daarmede het Nirwana bereikt heeft.

ocr page 53

47

beval hun, ieder afzonderlijk uit te gaan in de wereld en de verlossende leer overal te verbreiden. *)

51. Met welke woorden geschiedde dit?

Boeddha sprak tot de broeders: „Gij zijt vrij van alle banden, goddelijke en menschelijke. Gaat dan uit, broeders, trekt rond en predikt de leer, tot heil en redding van alle levende wezens, uit medelijden met de wereld, tot vreugde, zegen en heil voor goden 1) en menschen. Er zijn velen die rein van hart en goed van wil zijn, maar zij gaan ten verderve, als zij de verlossende leer niet hooren.

1

) Het Boeddhisme loochent noch beweert bepaaldelijk het bestaan van goden; het heeft ze eenvoudig niet noodig, noch als steun voor zijn zedeleer, noch tot bereiking van verlossing. Wie aan goden gelooven wil, mag dit doen; hij mag slechts niet voorbijzien, dat de goden, als alle levende wezens, vergankelijk en aan wedergeboorte onderworpen zijn, ook al telt hun leven bij millioenen zonnejaren en dat een tot verlossing gekomen heilige, boven allen echter een Boeddha, ver boven alle goden verheven is. — Hier worden onder goden de goden der brahmanen bedoeld, die trouwens even als de overige goden, die in alle werelddeelen worden aangebeden, dringend behoefte hebben aan verlossing door de toenemende redelijke kennis van het menschelijk geslacht.

ocr page 54

48

Deze zullen uwe aanhangers en belijders der waarheid zijn.

52. Bleef Boeddha van nu af in Benares ?

Neen; hij keerde naar Oeroewela terug. Daar leefden in hutten in het woud vele Brahmanen, die de heilige vuren onderhielden en de in de Veden voorgeschreven offeranden verrichtten. Tot dezen predikte hij over het verterend vuur der zinnelijkheid, der hartstochten en begeerten en onder hen verwierf hij zich vele jongeren en aanhangers.

Vervolgens trok hij voort naar Radschagaham, waar hij koning Bimbisaro en een groot aantal edellieden bekeerde. Zoo breidde zich de heilaanbrengende leer steeds verder uit.

53. Ging hij nooit weder naar zijne geboorteplaats

Kapilawatthoe terug?

Van Radschagaham ging hij naar Kapilawatthoe en de roem van zijne werken ging hem vooruit. Maar hij nam zijn intrek niet in het paleis des konings, maar bleef met de broeders, die hem vergezelden, in een bosch buiten de stad, gelijk de orde der broederschap voorschrijft. Koning Soeddhódano en al zijne mannelijke verwanten kwamen hem daar begroeten. Toen zij hem echter gekleed zagen in het slechte gewaad van een Bhikshoe (bedelmonnik), met kortgeknipte baard en hoofdhaar, schaamden zij zich over hem.

Den anderen morgen nam Boeddha zijne aalmoe-

ocr page 55

49

zenschaal ') en ging-, overeenkomstig het gebruik bij de broederschap, in de stad, om aan de huisdeuren zijn voedsel in te zamelen. Toen de koning, zijn vader, dit vernam, snelde hij naar hem toe en sprak op verwijtenden toon: „Mijn zoon, waarom doet gij mij zulk een smaad aan, als een bedelaar gaven te verzoeken?quot;

Boeddha antwoordde; „Groote koning, zoo was van oudsher het gebruik bij mijn geheele geslacht.quot;

Koning Soeddhóhano begreep echter den zin van dit antwoord niet en riep uit: „Wij stammen af van een geslacht van koningen en krijgers; geen hunner heeft zich ooit zoo diep vernederd, aan de huizen om brood te bedelen !quot;

Toen glimlachte de Verhevene en zeide: „Gij en de uwen, gij beroemt u met recht, afstammelingen te zijn uit een geslacht van koningen. Mijne voorvaderen echter zijn de Boeddha's van vroegere eeuwen, en dezen deden als ik.'' 1)

1

) In ver verloopen tijden, in welke de geschiedvorsching niet meer in staat is door te dringen, traden evenzeer wereldver-lichtende Boeddha's op, die de verlossende leer verkondigden, want even als dwaling, schuld en lijden is ook het heil steeds aanwezig. Nooit ontbreekt het den mensch, die ernstig naar kennis der waarheid en verlossing streeft, aan de middelen om zijn doel te bereiken. Telkens, wanneer de zuivere leer dreigt Boeddha. ±

ocr page 56

5°

Daarop zweeg koning Soeddhódano, nam Boeddha bij de hand en geleidde hem naar het paleis.

54. Wenschte Boeddha zijne vrouw en zijn zoon Rahoelo niet weer te zienï

Nog ten zelfden dage begaf hij zich naar prinses Yasódhara, vergezeld door twee zijner jongeren. ') Toen zij hem als bedelmonnik gekleed voor zich zag staan, vermocht zij geen woord te zeggen, maar zonk voor hem neder, omvatte zijne knieën en weende bitterlijk.

Toen hief Boeddha haar op, troostte haar en onderwees haar met liefderijke woorden in de leer. En zijne woorden vonden een goede plaats in haar hart.

En toen Boeddha weggegaan was, kleedde Yasódhara haren zoon Rahoelo in zijn beste gewaad en zond hem tot den Verhevene, 2) ten einde de prins

geheel verloren te gaan en de menschheid gevaar loopt in zinnelijke begeerten en geestelijke duisternis te verzinken, wordt ook een nieuwe Boeddha geboren. De laatste dezer Boeddha's, het licht van onzen tijd, was juist de Boeddha Gótamo, tot wiens volgelingen wij behooren.

1) Geen lid der broederschap mag zonder begeleider in het huis eener vrouw gaan.

-) De «Verhevenequot; is eene dikwerf gebruikte aanduiding van Boeddha. Een groot aantal dergelijke komen in de heilige boeken van het Boeddhisme voor, die alle eene hoedanigheid van Boeddha uitdrukken. Zoo wordt hij genoemd: «Sakya-moeniquot;, de wijze uit den stam der Sakyos; de «Heiligequot; en de «Gelukzaligequot;, omdat hij vrij is van allen wil om te leven, van alle hartstochten en begeerten, en de «Volmaaktequot;, omdat hij na langen strijd tegen dwaling en aardsche gezindheden

ocr page 57

SI

zijn vader om zijn erfdeel zou vragen. De knaap trad voor Boeddha en zeide: „Mijn vader, ik zal eens koning zijn en den troon der Sakyos beklimmen. Geef mij daarom mijn erfdeel quot;

Toen nam de Verlichte hem bij de hand, geleidde hem buiten de stad naar het Nigródho-bosch, waar hij met zijne jongeren zijn verblijf had opgeslagen en sprak tot hem: „Mijn zoon, gij begeert van mij een erfdeel, dat vergankelijk is en lijden medebrengt. Zulk een erfdeel heb ik niet meer te geven. Maar de schatten, die ik onder den boom der kennis verworven heb, mogen ook de uwe zijn. Dit is het geestelijke erfdeel, dat ik u vermaak; dit kan u niemand ontnemen.quot;

En daarop beval hij Saripoetta, Rahoelo op te nemen in de broederschap der uitverkorenen.

Behalve Rahoelo werden nog vele van Boeddha's verwanten in de broederschap opgenomen, onder hen Anando, Dewadatto, Oepali en Anoeróeddho.

55. Wie waren, buiten de laatstgenoemden, de uitstekendste jongeren van den Verlichte ?

Saripoetto, Moggallano en Kassapo.

de volmaaktheid heeft bereikt; de «Verlichtequot;, omdat hem onder den boom der kennis het hoogste inzicht ten deel viel; de «Wereldverwinnaarquot;, omdat hij Maro, den vorst dezer wereld, der zinnelijke liefde, des doods en der duisternis, den verzoeker der schepselen, heeft overwonnen ; en eindelijk het «Licht der wereldquot;, omdat hij niet enkel zich zelf verlost, maar ook de heilsleer gepredikt en het licht der waarheid over de geheele aarde heeft doen schijnen.

ocr page 58

52

56. Hoe lang vertoefde Boeddha in Kapilawatthoe ?

Hij verbleef er de vier regenmaanden van het tweede jaar van zijn optreden als leeraar. Daarna nam hij afscheid, om elders zijn werk voort te zetten.

57. Hoe lang predikte Boeddha de leer?

Tot aan zijn dood, in het geheel gedurende 45 jaren. In dezen tijd trok hij gedurende acht maanden van elk jaar van dorp tot dorp, van stad tot stad en van land tot land, steeds omgeven door eene schaar van jongeren en overal het volk onderwijzende door prediking, vermaning en gelijkenissen. De vier maanden van den regentijd bleef hij op dezelfde plaats, hetzij in de woning van een aanhanger of in de tuinen en bosschen, die door rijke aanhangers aan de broederschap ten geschenke gegeven waren 1).

58. Waar hield Boeddha zich het meest en het lielst op ?

In het bamboebosch (Weloewanam) bij Rad-schagaham, vroeger een park van Koning Bimbisaio,

1

Dg regentijd is in Indië de tijd van het wederontwaken van het dieren- en plantenleven. Men kan zich in noordelijke landen moeielijk een denkbeeld maken van den ontzachelijken rijkdom der ontwikkeling, in de eerste regendagen, van dieren-en plantenkiemen, die gedurende de verdorrende droogte van het heete jaargetijde in een soort doodslaap, te vergelijken met den winterslaap in het noorden, hebben gelegen. Het is dan feitelijk onmogelijk op woud- en veldwegen ook maar een schrede te doen, zonder planten- en dierenlevens te vertrappen. Daarom rustte Boeddha tijdens het regenseizoen en beval hij aan zijne jongeren, dit ook zooveel mogelijk te doen.

ocr page 59

53

hetwelk deze aan de broederschap geschonken had, en in het Dscheta-bosch (Dschetewanam) bij Savatthi, eene gift van den rijken koopman Anathapindiko. In beide waren kloosters (wiharos) voor de Bhikshoes gebouwd. Deze plaatsen zijn in de geschiedenis van het Boeddhisme beroemd geworden; hier toch was het, dat de Verhevene de meeste der in de heilige boeken opgeteekende waarheden verkondigde.

59. Schoot de leer van het Boeddhisme in die

45 jaren vaste wortelen'?

Ja. De roem van Boeddha en de heilaanbrengende waarheid breidden zich krachtig uit. Duizenden personen uit alle standen, mannen en vrouwen, legden de hoogere geloften af en traden als bedelmonniken (Bhikshoe, Samanen) of nonnen (Bhikshoeni) tot de broederschap toe, en talloos velen werden wereldlijke aanhangers van den Verlichte. ')

!) Het Boeddhisme telt nog tegenwoordig, ofschoon sedert 1500 jaren de uitbreiding dezer leer tot stilstand is gekomen, meer aanhangers dan het Christendom van alle kerkgenootschappen te zamen, namelijk 450 millioen, nagenoeg 13 van de gezamenlijke be.voners der aarde. Eene eeuw voor Christus geboorte waren de jongeren van het Licht der wereld reeds in westelijke en oostelijke richting ver buiten de grenzen van Indië doorgedrongen en in de stad Alexandrië in Bactrie telde het Boeddhisme vele broeders en wereldlijke aanhangers. Het is daarom ook nauwelijks aan twijfel onderhevig, dat Jezus van Nazareth, wiens leer innerlijk zoozeer met het Boeddhisme overeenkomt, van zijn 12de tot zijn 30ste jaar, uit welk tijdperk van zijn leven de evangeliën niets weten te berichten, een leerling van de Boed-dhistische monniken was en onder hunne leiding den graad van Arahd bereikte, en daarna naar zijn vaderland terugkeerde

ocr page 60

54

60. Had Boeddha gedurende zijne werkzaamheid als leeraar niet te lijden van de vervolging en vijandschap van de zijde der heerschende brahmaansche religie?

Neen; want aan het echte Brahmanisme is, evenals aan het Boeddhisme zelf, alle onverdraagzaamheid tegen andersdenkenden, alle religieuse geestdrijverij vreemd Maar een van zijne eigene jongeren trad tegen hem op.

61. Wie van zijne jongeren deed dat?

Dewadatto. Deze werd door eerzucht verblind ; hij wilde in de plaats van den grijzen meester de leiding der broederschap in handen nemen, en toen hem dit niet gelukte stond hij Boeddha zelfs naar het leven. Alle aanslagen echter, die hij tegen den Verhevene ondernam, mislukten.

om aan zijn volk de verlossing brengende leer te verkondigen.

Deze leer van Jezus is later verminkt en met dwalingen uit de Joodsche wet vermengd geworden. De grondwaarheden van het Christendom dragen echter, gelijk het geheele optreden van zijn stichter, de duidelijke kenmerken van haren Boeddhistischen oorsprong en de liefderijke Nazarener, dien ook ieder Boeddhist gaarne vereert, was een Araha, die het Nirwana bereikt had. Thans echter is in Europa de tijd weder aangebroken, waarin de westelijke nakomelingen der Ariërs de reine onvervalschte leer van Boeddha kunnen hooren en aannemen. Deze leer is voor Europa de religie der toekomst; alleen deze leer is geene geloofszaak, als de andere «geopenbaardequot; godsdiensten, maar eene leer van waarheid en overtuiging, de religie van den vrijen, edelen, zich zelf vertrouwenden mensch, die noch goddelijke genade begeert, noch goddelijken toorn vreest en den rechter over zijne daden alleen in eigen hart, in eigen beter inzicht vindt.

ocr page 61

33

62. Weten wij iets van Boeddha's laatste levensdagen en dood?

Ja. Het Maha-Parinibbana-Soettam, of het boek van het ingaan van den Verlichte tot den eeuwigen vrede (Parinirwana) geeft ons daaromtrent uitvoerig bericht.

63. Wat bericht ons dit boek ?

Teen het Licht der wereld in ziin tachtieste jaar was, voelde hij zijne krachten afnemen. En hij zeide tot Anando, die hem steeds vergezelde, ') „Anando, ik ben oud van jaren, een grijsaard; de maat mijner dagen is vol en mijne omwandeling op aarde nadert haar einde.quot; Dit vervulde Anando met groote droefheid en hij smeekte den Meester, nog langer op aarde te blijven. Boeddha echter verbood hem, dergelijke taal te voeren en zeide: „Heb ik u niet dikwijls geleerd, Anando, dat het in den inner-1 ij ken aard ligt van alle dingen, hoe lief en dierbaar die ons ook zijn, dat wij er van moeten scheiden, ze verlaten en er ons van losrukken? Alles wat geboren, geworden of ontstaan is, draagt de noodwendigheid van ondergang in zich; hoe alzoo zou het mogelijk kunnen zijn, dat een mensch, zelfs al ware hij een Boeddha, niet stierf? Er kan geen toestand van eeuwigen duur zijn. Heden over drie maanden

') Anando was de persoonlijke metgezel van Boeddha geweest van het tijdstip af, waarop hij in de broederschap opgenomen was. Hij was diegene onder de jongeren, dien de Meester wegens zijn kinderlijk gemoed, zijn zacht liefderijk hart en zijne aanhankelijkheid boven alles lief had.

ocr page 62

56

zal de Volmaakte tot den eeuwigen vrede ingaan. Daarom, broeders, aan wie ik de door mij erkende waarheid verkondigd heb, maakt u die ten volle eigen, leeft dag aan dag en uur aan uur in haren geest en verbreidt ze in mijne plaats, opdat de reine leer lang besta en bewaard blijve. Wie trouw den weg der heiligheid bewandelt en zich daarvan niet laat afbrengen, die zal veilig deze levenszee doorkruisen en geraken tot dat verhevene doel, waar alle lijden eindigt.quot;

En ofschoon de Verlichte ziekelijk was en door smarten werd gekweld, ging hij toch nog van dorp tot dorp, overal de broeders en wereldlijke aanhangers om zich vereenigend en tot onwrikbaar blijven op het pad des heils vermanend.

In Pava rustte hij in het Mango-bosch van Tschoen-do, een man uit de kaste der smeden. En toen Tschoendo dit hoorde, kwam hij vol blijdschap aansnellen, verzocht Boeddha ten zijnen huize en bood hem rijst, zoet brood en een gerecht eetbare paddestoelen aan.

i) »Paddestoelenquot; en iet »vleesch van een wild zwijnquot; gelijk de gebruikelijke vertaling is.

De dwaling is op de volgende wijze ontstaan. In de Pali-teksten heet het gerecht, hetwelk Tschoendo den Volmaakte voorzette, «Soekaramaddavamquot;. Reeds de oudste Indische uitleggers verstonden het woord niet recht meer; de eigenlijke, vermoedelijk plaatselijk gebruikelijke zin was verloren gegaan. sSoekaroquot; is wild zwijn, ever; «maddavamquot; is week, aangenaam, smakelijk; de verbinding van beide woorden laat echter in twijfel. Trots vele daartegen sprekende gronden nam men ten slotte vrij algemeen aan. dat er slechts vleesch v.m een wild

ocr page 63

57

Boeddha at van deze paddestoelen en beval den smid daarvan niet aan de jongeren te geven, maar de rest in de goot te werpen. En nadat hij Tschoendo door religieus onderricht had verheugd en gesticht, vervolgde hij zijn weg naar Koesinara.

Op weg werd hij door een hevige ziekte overvallen en felle smarten kwelden hem, maar de Verhevene, sterk van geest en zich zeiven ten volle beheer-schende, verdroeg ze zonder klagen. Spoedig echter werd zijne zwakheid zoo groot, dat hij zich onder eenen boom aan den weg moest nederzetten. En hij zeide tot Anando: „haal mij water, Anando, ik heb dorst.quot;

Anando voldeed aan zijn verzoek en Boeddha dronk en werd verkwikt.

Nu kwam toevallig de jonge Póekkoeso, een koopman van den stam der Mallas, met eene karavaan van wagens voorbij. En toen hij den Volmaakte onder den boom zag zitten, naderde hij hem eerbiedig, groette en boog zich voor hem. Vervolgens beval hij

zwijn bedoeld kon zijn. Dit steunt echter op een misverstand. Men moet niet vertalen »iets smakelijks van het wild zwijnquot; maar iets aangenaams, smakelijks voor het wild zwijnquot;, vrij vertaald zoo iets als «everslustquot; of «wildzwijnsvreugdquot;. Dezen naam had men ten tijde van Boeddha in Magadha aan een soort eetbare paddestoelen gegeven, die door de Indische wilde zwijnen, evenals door de Europeesche de truffels, gretig gezocht wordt. Onder de door Tschoendo voor den Volmaakte toebereide paddestoelen bevonden zich eenige giftige. Boeddha merkte dit op. Zoo heeft men ook eene ongedwongen verklaring, waarom hij den smid beval, den jongeren het gerecht niet te dienen, maar de rest als oneetbaar weg te werpen.

ocr page 64

58

aan een zijner bedienden, een paar gewaden van glinsterend goudweefsel te brengen en zeide: „Meester, bewijs mij de gunst, deze gewaden van mij ten geschenke aan te nemen.''

Boeddha antwoordde: „Geef mij een der gewaden, Póekkoeso, en het andere aan Anando.quot;

Toen kleedde Anando Boeddha in een der gewaden van goudweefsel, maar toen dit was gedaan, scheen het zijn glans geheel verloren te hebben.

Hierop riep Anando vol verbazing uit: „Heer, Uw aangezicht is zoo stralend en van u gaat zulk een licht uit, dat dit gewaad van glinsterend goudweefsel zijn glans geheel verloren schijnt te hebben.quot;

En de Verlichte antwoordde en zeide; „Het is, gelijk gij zegt, Anando. Tweemaal gedurende zijne aardsche loopbaan straalt van den Volmaakte licht uit: in den nacht, in welken hij tot de hoogste kennis komt, en in dien, in welken hij tot den eeuwigen vrede ingaat. ') En heden nog, Anando, in de derde nachtwake, zal het Parinirwana van den Volmaakte komen.quot;

Daarop stond de Verlichte op, als had hij nieuwe krachten bekomen, en ging met de jongeren, die bij hem waren, naar het Sal-bosch der Mallas bij Koe sinara, aan den oever van de Hiranyavati. En hij zeide tot Anando:

•I) Uit deze gebeurtenis heeft de legende eene «Verheerlijkingquot; gemaakt, terwijl de ccnvoud:ge letetkcnis van htt verhaal toch voor de hand ligt. Voor het geestelijk licht, dat van het gelaat eens Boeddha afstraalt, verbleekt natuurlijk alle aardsche goudglans. Maar d.' groote menigte is altijd belust op het wonderbare.

ocr page 65

59

„Ik bid u, Anando, leg mij een kleed over de rustbank tusschen de beide Sal-boomen. Daar wil ik mij nederleggen.quot;

„Gelijk gij wenscht, Meester,quot; antwoordde Anando, en hij bereidde den Volmaakte eene ligplaats op de rustbank tusschen de twee gelijke Sal-boomen met het hoofd naar het noorden. En Boeddha legde er zich op neder. En ziet. De beide Sal-boomen stonden in vollen bloei, ofschoon het daarvoor het jaargetijde niet was; als een regen vielen de bloesems op den Verlichte, en hemelsche zangen weerklonken in de lucht.

Toen sprak Boeddha:

„Ziet, welk een schouwspel. Hemel en aarde doen hun best, den Volmaakte te eeren. Toch is dit niet de ware vereering, de ware prijs, de ware verheerlijking, die den Volmaakte toekomt. Alleen diegenen onder mijne jongeren en aanhangers, die steeds in den geest en in de waarheid leven en getrouwelijk de voorschriften van een rechtschapen levenswandel opvolgen, geven den Volmaakte de ware eer, den waren prijs, de ware verheerlijking ').

f) Het wonderbare der gebeurtenis is blijkbaar bijzaak en slechts de zinnebeeldige vorm, waarin de aanhangers nadrukkelijk er aan worden herinnerd, dat Boeddha zelfs goddelijke eer, aan zijn persoon bewezen, gering schat, — dat men hem niet door lof, prijs en dank, door hoogdravende woorden en ijdel vertoon eert, maar enkel en alleen door trouwe behartiging zijner leer. Wel is het helaas waar, dat in Boeddhistische landen en elders, de groote hoop steeds aan het eerste de voorkeur geeft; den Meester te prijzen toch is gemakkelijk, hem na te volgen moeielijk.

ocr page 66

6o

En de Verhevene wendde zich nogmaals tot de jongeren en zeide: „Wellicht zullen na mijn heengaan eenigen onder u denken: Nu is de mond des Meesters stom, wij hebben nu geen leider meer! Maar zoo moogt gij niet denken, broeders. De leer, die ik u heb verkondigd, en de voorschriften voor een vlekkeloozen levenswandel, die ik voor u heb vastgesteld, zullen uwe gidsen en leidslieden zijn, als ik niet meer bij u wezen zal.quot;

En na eene wijle verhief Boeddha nogmaals zijne stem en zeide:

„Broeders, gedenkt steeds mijne vermaning: al wat ontstaan is, is vergankelijk; streeft onverpoosd naar de Verlossing!quot;

Deze waren de laatste woorden van den Verlichte. Daarop verloor zich zijn geest in de diepten van innerlijke verzonkenheid, en toen hij dien trap be-bereikt had, waarop alle voorstelling en denken ophoudt, en het zelfbewustzijn volledig uitgedoofd is, ging hij tot het hoogste Nirwana in.

Voor de oostelijke poort van Koesinara verbrandden de edelen van de Mallas het lichaam van den Wereldverlichter met de eerbewijzen, die slechts eenen Koning bewezen worden.

I 1

ocr page 67

rt'

De leer (Dhammo).

64. Wat is de leer?

De leer is de door Boeddha erkende en verkondigde waarheid en wereldorde, zooals zij door de overleveringen der Arahas ons is bewaard en in de heilige Schriften geboekstaafd.

65. Hoe heeten de heilige schriften der Boeddhisten ?

De drie Pitakas of verzamelingen van boeken: Soetta-Pitakam, Vinaya-Pitakam en Abidhamma-Pi-takam.

66. Welke is de inhoud van de drie Pitaka's ?

Het Soetta-pitakam bevat de leerredenen, predikingen en uitspraken van Boeddha, die zoowel voor

ocr page 68

de Bhikshoe als voor de wereldlijke aanhangers (Oepasakos) bestemd zijn, gelijk mede een aantal gelijkenissen en spreuken ter nadere toelichting der leer.

Het Vinaya-pitakam bevat de voorschriften en regelen van gedrag voor de broederschap der uitverkorenen, de Bhikshoe en Samanen.

Het Abidhamma-pitakam bevat religieus-wijsgeerige, psychologische en metaphysische verhandelingen uit lateren tijd. Het is ten deele eene latere scholastische bewerking van oudere teksten en slechts voor geleerden ten volle verstaanbaar.

67. Bevatten deze drie verzamelingen van boeken goddelijke openbaringen ?

Neen, er zijn geen goddelijke openbaringen. Dat de waarheid den bevoorrechten of begenadigden door een God of engel ingegeven of geopenbaard zou worden, is eene bewering, die door het Boeddhisme ten eenenmale verworpen wordt. Nooit hebben menschen andere openbaringen ontvangen, dan uit den mond van die verhevene leeraars van het menschdom, die zich door eigene kracht tot de hoogste geestelijke en zedelijke volmaaktheid omhoog geworsteld hebben, en die men om die reden wereld-verlichtende Boeddha's noemt. De laatste dezer wereldverlichters was de Boeddha-Gótamo; wat deze gezien en verkondigd heeft, is in de drie Pitakas vervat.

ocr page 69

63

68. Waarom hebben wij zulke wereIdverlichtenie

Boeddha's noodig'?

Wegens ons lijden en onze onwetendheid i). Want het lijden en de nietigheid des levens wekken wel in edele naturen de innige begeerte naar verlossing, maar onze onwetendheid verhindert ons, door eigen kracht den weg der verlossing uit deze Samsaro te vinden. Daarom is er een Meester noodig, die ons den weg wijst.

69. Wat is Samsaro?

Samsaro is de wereld, in welke wij leven, de

[) Dewijl wij den waren aard der wereld en der menschen niet kennen, en in onkunde bevangen zijn ten aanzien van de heerschappij dei' zedelijke wereldorde, worden wij steeds op nieuw verstrikt in schuld, die als boete het lijden van eene wedergeboorte eischt.

Dewijl wij door aardschen waan verblind zijn, streven wij naar dingen, die slechts in onze verbeelding waarde hebben en in ierdaad meer leed dan genot veroorzaken, schatten wij het nietige en ijdele hoog, bedroeven wij ons over gebeurtenissen die onze deelneming onwaardig zijn, en verheugen wij ons over hetgeen ons schaadt of zelfs oorzaak van ons verderf wordt. Dewijl wij de ware kennis missen, hangen wij ons hart aan aardsche, vergankelijke goederen, wikkelen wij ons in strijd en o.igemak om te bestaan, en verliezen wij ons ware heil geheel uit het oog. Zoo is ons geheele leven eene onafgebroken keten van onvervulde wenschen, dwalingen en teleurstellingen, die zeer smartelijk zijn, van hartstochten en begeerten, die onbevredigd blijven of als zij voor korten tijd gestild zijn, gelijk slecht genezen wonden steeds op nieuw opengaan, onze lichamelijke en geestelijke krachten ondermijnen en ons in een toestand van voortdurend lijden houden, uit welken de onwetende en verblinde geen uitweg vindt.

ocr page 70

64

wereld van dwaling, schuld, geboorte, lijden en dood het is de wereld van ontstaan en vergaan, van eeuwige' verandering, van teleurstellingen en smarten, van den onophoudelijken kringloop van wedergeboorten.

70. Welke is de oorzaak van geboorte, lijden, dood en wedergeboorte ?

Het is de in ons allen werkende wil om te leven het streven naar individueel bestaan in deze wereld of in eene wereld hiernamaals (hemel of paradijs).

71. En waardoor kan men aan lijden, dood en wedergeboorte een einde maken P

Door het opgeven van den wil om te leven, door in zich het streven naar individueel bestaan in deze of eene andere wereld te dooden. Daarin ligt de bevrijding, de verlossing, de weg tot den eeuwigen vrede.

') Ue uitdrukking »wil om te levenquot; (Tanha) beteekent in het Boeddhisme niet alleen wat men gewoonlijk onder den 6e-wusten wil verstaat, maar den in alle wezens (ook dieren en planten) wonenden, deels bewusten, deels onbewusten «levensdrangquot;, de som van alle zelfzuchtige neigingen, aandoeningen, begeerten, sympathieën en antipathieën, welke het behoud van ons leven en het verkrijgen van welbehagen en genot ten doel en gevolg hebben.

Deze beteekenis van het woord moet den lezer steeds voor den geest staan.

ocr page 71

65

72. Wat verhindert ons dan, don wil om te leven op te geven en de verlossing te erlangen?

Onze onwetendheid (awidsché) '), onze verblinding, ons gebrek aan ware kennis.

73. Welke kennis is het, die tot heil en verlossing leidt?

De kennis der vier heilswaarheden, die Boeddha ons verkondigd heeft.

74. Noem mij de vier heilswaarheden!

Het zijn deze vier; De waarheid van het lijden; van de oorzaak des lijdens; van de opheffing des lijdens; van den weg, die tot opheffing des lijdens voert.

75. Verklaar mij deze vier heilswaarheden nader!

Hoor te dien einde de eigene woorden van Boeddha:

„Dewijl wij de vier heilswaarheden niet kennen

') Onwetendheid (awidscha) is de ons allen aangeboren wijze van opvatting der dingen, waardoor wij de vergankelijke, nietige, eeuwig ontstaande en vergaande wereld der verschijnselen beschouwen als het wezenlijk zijnde, en ons derhalve gretig daaraan vastklemmen, terwijl wij het eeuwige, onvergankelijke, nooit ontstaande noch vergaande voor een bloote hersenschim houden. Maar wien het rechte inzicht is ten deel gevallen, die weet, dat dit leven in geenen deele het ware zijn is, maar een onophoudelijk worden en vergaan en nieuw ontstaan, een voortdurend wisselen van alle materieele, zedelijke en geestelijke toestanden onder voortdurend strijden en lijden.

Boeddha. r

ocr page 72

66

en begrijpen, broeders moeten wij zoolang den droe-vigen dorren weg der wedergeboorten telkens op nieuw afleggen. En welke zijn de vier heilswaarheden? De waarheid van het lijden, de waarheid van de oorzaak des lijdens, de waarheid van de opheffing des lijdens en de waarheid van den weg, die tot opheffing des lijdens voert.

Zoodra men nu deze vier waarheden ten volle heeft leeren kennen en begrijpen, verdwijnt de wil om te leven; het streven, 't welk naar vernieuwd leven leidt, wordt uitgedoofd en de kringloop der wedergeboorten houdt op ').

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden; van hetgeen ons lief is gescheiden te zijn is lijden; met hetgeen ons afkeer wekt vereenigd te zijn, is lijden; niet te erlangen wat men begeert is lijden. Kortom, het bestaan als afzonderlijk wezen (als individu, als ik) is uit zijn geheelen aard niets dan lijden.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van de oorzaak des lijdens: het is de wil om televen, het streven naar bestaan en genieten, hetwelk van wedergeboorte tot wedergeboorte leidt en nu in dezen, dan in genen vorm en gedaante zijne bevrediging zoekt. Het is het streven naar bevrediging der hartstochten, het streven naar individueele gelukzaligheid in het tegenwoordige leven of in een leven hiernamaals.

Aldus, broeders, is de verheven waarheid van de opheffing des lijdens: Het is de volkomene vernieti-

lt;) Maha-Parinibbana Soettam.

ocr page 73

6;

ging van den wil om te leven, van het streven naar bestaan en genieten. Men moet dien overwinnen, zich daarvan ontdoen en losmaken, daaraan voortaan geene plaats laten.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van den weg, die tot opheffing des lijdens voert: het is het door mij ontdekte verhevene pad, welks acht deelen heeten: het rechte weten, rechte willen, rechte spreken, rechte doen, rechte leven, rechte streven, rechte denken en rechte inkeeren in zich zelf.

Twee dwaalwegen zijn er, broeders, welke degeen, die naar verlossing streeft, niet bewandelen mag. De eene, het jagen naar bevrediging van hartstochten en zingenot, is laag, gemeen, vernederend en verderfelijk ; deze is de weg van de kinderen der wereld. De andere, de zelfkwelling, de askese, is naar, pijnlijk en nutteloos. De middenweg alleen, dien de Volmaakte gevonden heeft, vermijdt deze beide dwaalwegen, opent de oogen, verleent het rechte inzicht en leidt tot bevrijding, tot wijsheid, tot volmaaktheid, tot het Nirwanaquot; ').

76. Wat is Nirwana?

Een toestand van gemoed en geest, in welken

De niet-boeddhistische lezer zal niet gemakkelijk kunnen vatten, welke som van diepe kennis en religieus-wijsgeerige waarheden in deze weinige stellingen van het Ohamma-Tschakka-Pawattana-Soettam samengevat is. Voortgezet ernstig nadenken daarover kan daarom niet genoeg aanbevolen worden. Niemand mag hopen, den waren aard van het zijn en de verheven leer van Boeddha recht te verstaan, alvorens hij ten volle doorgedrongen is in den diepen zin en beteekenis der vier heilswaarheden en hare verre strekking geheel heeft leeren doorzien.

ocr page 74

68

de wil om te leven, alle streven naar bestaan en genieten is uitgedoofd, en daarmede elke hartstocht, elk verlangen, elke begeerte, elke vrees, elke booze neiging en elke smart. Het is een toestand van volkomen innerlijken vrede, vergezeld van onomstoote-lijke zekerheid der bereikte verlossing, een toestand, dien woorden niet kunnen beschrijven en waarvan de verbeelding van den wereldschgezinde zich te vergeefs eene voorstelling tracht te vormen. Slechts hij, die het door eigen ondervinding heeft leeren kennen, weet wat Nirwana is.1)

1

) Over Nirwana heerschen bij de meeste Europeanen, niettegenstaande de zoo dikwijls door geleerden van naam daarvan gegeven juiste verklaring, nog steeds wonderlijke begrippen. Nirwana heet, woordelijk vertaald: uitgedoofd zijn, uitgewaaid zijn, — als eene vlam, die de wind uitwaait, of die uit gebrek aan voedsel uitgaat. Daaruit heeft men merkwaardigerwijs meenen te mogen afleiden, dat Nirwana het niets beteekent. Dat is eene dwaling; veeleer is Nirwana een toestand van hoogste geestelijk zijn, van welken trouwens niemand, die nog in aardsche boeien bekneld is, zich eene voldoende voorstelling kan vormen.

Wat echter is in het Nirwana uitgedoofd of uitgewaaid? — De wil om te leven is uitgedoofd, het streven naar bestaan en genot in deze of eene andere wereld; uitgedoofd is de waan, dat stoffelijke goederen eenige innerlijke waarde of duur zouden kunnen hebben. Uitgewaaid is de vlam der zinnelijkheid en begeerte, voor altijd uitgewaaid het flikkerende dwaallicht der «ikheidquot;. Wel leeft de volmaakte heilige, de Araha (want slechts een zoodanige kan het Nirwana reeds in dit leven bereiken) nog in het lichaam voort, want het gevolg van de dwaling en de schuld van vroegere geboorten, dat reeds ingetreden is en zich in het tijdelijke zichtbaar vertoont als levend lichaam, kan niet vernietigd worden ; maar het lichaam

ocr page 75

69

77. Beteekent Nirwana hetzelfde als verlossing?

Ja, het is de reeds in dit leven bereikbare verlossing, de geheele vernietiging van begeerte, boozen wil en waan.

78. Kan ieder menseh reeds in dit leven het Nirwana bereiken?

Slechts zeer weinigen. De meeste menschen zijn, door de nawerking van hunne daden in vroegere levens, van zoo gebrekkige geestelijke en zedelijke geaardheid, dat nog vele wedergeboorten noodig zijn, eer zij zoover zijn gelouterd, dat zij de verlossing deelachtig kunnen worden. Maar eene wedergeboorte onder gunstige omstandigheden kan ieder bereiken, die er ernstig naar streeft.

79. Hangt dan onze wedergeboorte alleen van ons zeiven af?

Ja, enkel van onzen wil. Deze wil om te leven '),

is vergankelijk, en de ure slaat spoedig, waarin het verdwijnt. Dan is er niets meer overig, dat nogmaals eene wedergeboorte zou kunnen te weeg brengen en de Araha gaat tot den eeuwigen vrede, tot het Parinirwana, het Nirwana na den dood, in.

Parinirwana is wel is waar naar de opvatting van andere godsdienstleeraren en van het wetenschappelijke materialisme algeheele vernietiging, volkomen oplossing der individualiteit, want in het Parinirwana blijft niets over, dat op welke wijze dan ook, onder het menschelijk begrip van «bestaanquot; valt. Van het standpunt echter van dengene, die Araha is geworden, is veeleer de wereld met al hare verschijnselen het )gt;nietsquot;', een spiegelbeeld, eene veelkleurige zeepbel, een beangstigende droom, en Parinirwana beteekent voor hem »het ingaan in het ware zijn,quot; in het eeuwige en onvergankelijke, waar geen onderscheidenheid, geen strijd en geen lijden meer is.

') Hier moet er nog eens uitdrukkelijk op gewezen worden.

ocr page 76

7°

(tanhaj die ons allen vervult en de kern van ons wezen uitmaakt, is de eigenlijke wereld-scheppende kracht, datgene wat andere religies zich als God verpersoonlijkt denken; hij is de oorzaak van ons be-

dat de beoefenaar van het Boeddhisme den owil om te levenquot; d.i. de ons aangeborene levenslust, levensdrang of de gehechtheid aan het bestaan, geenszins verwarren moet met den bewuslen wil. De bewuste wil maakt slechts een klein deel uit van den wil om te leven in zijn geheelen omvang, namelijk dat deel, hetwelk onder ons hersen-bewustzijn valt; van het grootste deel echter van den wil om te leven worden de planten en dieren zich nooit, de mensch zich slechts zeer gebrekkig bewust; hij uit zich alleen als blinde, instinctieve drang, als hardnekkige liefde tot het bestaan, ah streven om alles te zoeken wat het aanzijn aangenaam en vrij van smart maakt en alles te ontvlieden, wat dit bedreigt en schaadt. Vele zoogenaamde pessimisten b.v., die voorgeven het leven te verachten en wier bewuste wil zich van den lejenwoordigen toestand, waarin zij zich bevinden, afwendt, zijn dikwijls in den waan bevangen, alsof zij den »wil om te levenquot; hadden overwonnen. Het is er echter ver af, want hunne zelfzucht, hunne gehechtheid aan vermaken en genietingen, hun gebrek aan zelfverloochening en welwillendheid, hunne bitterheid, bewijst dat de onbewuste levensdrang nog in hen werkzaam is en zeer zeker eene hernieuwde wedergeboorte bewerkstelligen zal. Ten deele geldt hetzelfde van de vromen en ge-loovigen bij alle godsdiensten. Wel schatten zij het aardsche leven gering, omdat hun geloof dit medebrengt, maar zij streven des te vuriger naar een individueel voortbestaan in een hemel of paradijs.

Het werkelijke uitdooven van den wil om te leven openbaart zich alleen in het volmaakte ontbreken van zelfzucht en in zelfverloochening, geduld in lijden, afwezigheid van alle begeerten (toorn, haat, nijd, boosaardigheid, streven naar rijkdom, wellust, hoogmoed, gierigheid, ijdelheid), ware gelijkmoedigheid, oprechte welwillendheid jegens alle levende wezens en in het niet-begeeren van loon voor goede daden, hetzij in deze of eene latere wereld (hemel of paradijs).

ocr page 77

7i

staan en onze wedergeboorte en in waarheid de schepper, onderhouder en tegelijk vernietiger van alle dingen, de ware drieëenheid.

80. Hangt de wijze en geaardheid van onze wedergeboorte evenzeer van ons zeiven af?

Ja. De wijze en geaardheid onzer wedergeboorte wordt bepaald door ons Karma.

81. Wat is Karma ?

Karma is ons werken; onze verdiensten en onze schuld in zedelijken zin. Heeft onze verdienste de overhand, dan worden wij in eene hoogere orde van wezens of als mensch onder gunstige omstandigheden wedergeboren; maar hebben wij zware schuld op ons geladen, dan is het noodwendig gevolg eene wedergeboorte in lageren vorm en rijk in lijden.

82. Zijn niet onze daden het natuurlijke gevolg van ons aangeboren individueel karakter?

Zeer juist. Maar dit aangeboren karakter zelf is niets anders dan het product van ons Karma, d.i. van al ons denken, spreken en doen in vroegere levensloopen '). Wij zijn op elk tijdstip van ons be-

') Ons geheele zijn en wezen is het gevolg van hetgeen wij gedaan hebben ; onze daden hebben het verwekt, onze daden hebben er gestalte aan gegeven. Wie uit een boozen wil spreekt of handelt, dien volgt lijden, gelijk het wiel den voet van het trekdier volgt. Wie echter uit een goeden wil spreekt of handelt, dien volgt gelukzaligheid als een schaduw, die hem nimmer verlaat. (Dhammapadam). — Mijne daad is mijn bezit; mijne daad is mijn erfdeel; mijne daad is de moederschoot uit welke ik werd geboren. Mijne daad is het geslacht, waaraan ik ver-want ben ; mijne daad is mijn toevlucht (Angoettara Nikayo).

ocr page 78

72

staan precies dat, wat wij zelf van ons gemaakt hebben en genieten en lijden steeds juist wat wij verdienen.

83. Op welke wet steunt dit?

Op de wet der oorzakelijkheid, de grondwet van alles wat geschiedt. Even als in het physische en stoffelijke, zoo brengt ook in het geestelijke en zedelijke elke oorzaak met noodwendigheid het daarmede nauwkeurig overeenstemmende gevolg voort. Aan deze natuurwet vermag zich geen levend wezen te onttrekken; zelfs de hoogste goden zijn er aan onderworpen. Op deze natuurwet berust, even als de physische, ook de zedelijke wereldorde, de verzoenende gerechtigheid in het menschenleven en in de geheele wereld ').

l) Strenge, onveranderlijke gerechtigheid heerscht in het geheele rijk der levende en der levenlooze natuur. Met noodwendigheid draagt elke slechte en elke goede daad haar vrucht. Geen genade van een persoonlijken god kan den door gewetensangst gekwelden boosdoener voor de gevolgen zijner slechte daad redden; geen willekeur van een heerscher van hemel en aarde kan den goeden mensch het loon zijner verdienste ontnemen of verminderen. Vandaar zegt het Dhammapadam: »Noch in de verten van het onmetelijke wereldruim, noch in het midden van den Oceaan, noch in de diepste bergkloven vindt gij eene plaats, waar gij de vrucht uwer booze daden zoudt kunnen ontvlieden.quot;

Met hen, die de zedelijke wereldorde ontkennen, twisten wij niet. Het geldt hier eene grondwaarheid, die niet bewezen, maar slechts gevoeld en aanschouwd kan worden. Wie op het standpunt der groote menigte staat, die in den mensch slechts een natuurproduct ziet, wat hij uit zuiver physisch oogpunt ook

ocr page 79

73

84. Welk is het onderscheid, tusschen Tanha en

Karma.

Tanha of de wil om te leven, is de oorzaak, die tn het algemeen ons bestaan en onze wedergeboorte bewerkt; Karma is datgene, wat de bijzondere wijze en geaardheid van ons bestaan en onze wedergeboorte bepaalt, alzoo onze gestalte, onzen aanleg, de wereld in welke wij leven, ons leed en onze vreugde. Karma is onze daad, ons individueel karakter, en tevens dat wat in andere godsdienstvormen leiding Gods, voorzienigheid of noodlot heet. ')

is, kent slechts eene zijde, de buitenzijde der wereld. Voor hem echter, die diep genoeg het wezen der dingen doorziet, onthult zich de natuur als ons werk, als het spiegelbeeld van ons eigen wezen. Zij kan derhalve ook nooit in tegenspraak zijn met onzen innerlijken toestand en de een zal reeds daar het heerschen eener verzoenende gerechtigheid en eener hoogere harmonie opmerken, waar de ander slechts een niet te ontwarren chaos, een spel van bloot toeval, een schreeuwende disharmonie ziet. Zoo hangt in den grond der zaak ook hier weder alles af van de mate onzer eigen kennis en zedelijke ontwikkeling.

') Het is eene zeer mbeielijke taak, den in geheel andere begrippen opgevoeden Europeaan het Karma begrijpelijk te maken, en in korte trekken is dit nauwelijks doenlijk Het geldt hier in te dringen in een der diepste en vruchtbaarste grondwaarheden van het Boeddhisme. Veel zal reeds gewonnen zijn, als de beoefenaar steeds voor den geest houdt, dat het Karma geen van buiten (zoo als een god) werkende, maar eene innerlijke, in het hart van ieder levend wezen zelf wonende kracht is. Wie diep genoeg vermag door te denken, zal ten slotte tot het punt geraken, waar voor zijn oog ons doen, ons Karma, ons individueel karakter, ons lot en de zedelijke wereldorde tot ée'n samenvloeien.

ocr page 80

74

85. Wordt de mensch alleen op deze aarde wedergeboren ?

Neen, er zijn tallooze bewoonde werelden in de onmetelijke ruimte, op welke ten deele lagere, ten deele hooger ontwikkelde wezens dan de mensch leven. Op al deze werelden kan eene wedergeboorte plaats vinden.

86. Zijn de wereldlichamen onveranderlijk?

Neen ; alle zijn, even als de aarde, voortdurend aan verandering onderworpen. In de geheele levende en levenlooze natuur heerscht eindelooze wisseling. Werelden ontstaan, ontwikkelen zich en vergaan weder — zoo is van eeuwigheid tot eeuwigheid de wereldorde.

87. Is de wereld uit het niets ontstaan?

Neen. Uit niets kan nooit iets worden of ontstaan.

88. Heeft een God-schepper haar door zijn wil in het aanzijn geroepen?

Neen, er bestaat geen God-schepper, van wiens genade of wil de wereld afhangt. Alles ontstaat en ontwikkelt zich door en uit zich zelf, krachtens zijnen eigenen wil en overeenkomstig zijne innerlijke natuur en geaardheid (zijn Karma). Een persoonlijke Godschepper is slechts eene vinding van de onwetendheid der menschen. De Boeddhisten echter verwerpen ten eenenmale het geloof aan een persoonlijken God

ocr page 81

75

en houden de leer van eene schepping uit niets voor eene dwaling. ')

89. Heeft Boeddha niets geleerd over het eerste begin en het einde van het heelal?

Neen.

90. Waarom niet ?

Wijl dit buiten het bereik ligt van het men-schelijk verstand (transcendent is), en zelfs al ware zij in woorden mede te deelen, deze wetenschap de geestelijke en zedelijke ontwikkeling der menschen toch niet bevorderen zou, omdat zij noch leidt tot opheffing van het lijden, noch tot heil, verlossing of Nirwana. Phantasie, verstand en abstracte rede zullen steeds tevergeefs pogen, een begin van den tijd, een grens der ruimte, een ontstaan van het zijnde,

») De «Schepping» is voor den Boeddhist slechts de vernieuwing van een ondergegaan wereldlichaam of wereldstelsel. De ondergang van werelden wordt door natuurkrachten en cata-strophen van verschillenden aard veroorzaakt; op een bepaald tijdstip zijn zulke veranderingen echter altijd beperkt tot een klein gedeelte van het heelal. De eigenlijke innerlijke oorzaak van deze verwoestingen is de opgehoopte, tot eene groote hoogte aangegroeide schuld der levende wezens, hun ongunstig Karma. De vernieuwing van verwoeste werelden heeft haar oorzaak in hun gunstig Karma. Zulke verwoestingen en vernieuwingen van wereldlichamen hebben voortdurend in de onmetelijke ruimte plaats. De nieuwere Europeesche natuurwetenschap staat in dit opzicht — wat betreft de buitenzijde van het verschijnsel — precies op het standpunt, hetwelk de Boeddhisten sedert 2400 jaren hebben bereikt.

ocr page 82

76

van de wereld en van het individu te denken of zich voor te stellen.

91. Zoo is dan eene verklaring van de laatste geheimen van het zijn onmogelijk ?

Ja, omdat geene vormen van het eindige, waartoe ook de gedachte en de taal behooren, het oneindige; geene bepalingen van tijd het tijdlooze, het eeuwige, vermogen uit te drukken; geen tot de reeks van het oorzakelijke behoorend denken het oorzaaklooze, in zich zelf zijnde vatten kan. En waar men het in andere religiën toch beproefd heeft, heeft dit ijdel streven tot niets geleid, dan tot nietige bespiegelingen, zinledige beweringen, phantastische verdichtselen, strijd, misverstand, ja zelfs oorlog, moord en gruwelen, alzoo in plaats van waarheid, heil en vrede slechts dwaling, onheil en lijden ten gevolge gehad. Daarom zweeg Boeddha over deze dingen en verbood hij ook zijne jongeren zich er mede bezig te houden1).

1

) «O jongeren, laat u niet als de werelclschgezinden in met gedachten als: de wereld is eeuwig, of de wereld is niet eeuwig; de wereld is eindig, of de wereld is oneindig. Richt uw nadenken veeleer op het lijden, op het ontstaan van het lijden, op de opheffing van het lijden en op den weg, die tot opheffing van het lijden leidt.» (Samyoetta Nikayo).

Zonder begin en zonder einde, o jongeren, is deze Samsaro. Onnaspeurlijk is het begin der wezens, die in onwetendheid bevangen en door den levensdrang gedreven, van geboorte tot geboorte ronddwalen. Wat, denkt gij, is meer, het water in de vier groote zeeën of de tranen die gevloeid en door u vergoten zijn, sedert gij op dezen verren weg ronddwaaldet en jammer-

ocr page 83

77

92. Zullen wij deze geheimenisson nooit vernemen?

Nooit zoolang wij als individuen gebonden zijn door den levensdrang. Maar ieder, die de leer van Boeddha heeft begrepen en opvolgt, kan tot bevrijding van de boeien van het eindige, tot verlichting en verlossing komen, als wanneer dan bij het licht der algemeene kennis des heelals het innerlijke wezen der dingen voor hem zal worden ontsluierd en de raadselen zullen opgelost worden, waarmede hij nu nog zijn door den individueelen levensdrang beperkt verstand te vergeefs plaagt. Hij moet slechts

det en klaagdet, omdat u ten deel viel wat gij verafschuwdet en niet ten deel viel wat gij lief hadt ? Den dood van vader, moeder, broeder, zuster, kinderen, het verlies van verwanten en goederen, de kwalen der ziekten — dat alles hebt gij sedert onheugelijke tijden geleden en daarover hebt gij meer tranen vergoten dan er water is in de vier groote zeeën.quot; (Samyoetta Nikayo).

Gelijk blijkt uit deze en vele gelijksoortige plaatsen in de leerredenen van Boeddha, heeft de Verhevene niets verkondigd van een ontstaan der wereld, van een schepping, van een eerste begin of iets dergelijks. Hij versmaadt het, zijne moraal en zijne leer der kennis te bouwen op droombeelden of verdichtselen. Hij neemt het bestaan der wereld en der levende wezens aan als een feit; hij vraagt niet: hoe ontstond de wereld, van waar het zijn? maar alleen: wat is dit zoo raadselachtig leven, welk doel heeft het, waarheen leidt het ? En daar hij heeft ingezien, dat het steeds slechts tot lijden, s'rijd, ouderdom, dood en opnieuw geboren worden leidt, dat het een voortdurend worden en vergaan, een eindelooze smartelijke kringloop is. zoo wijst hij den weg ter bevrijding. Den jongeren echter, wien dit niet voldoende is en die niet eerder ver-

ocr page 84

78

ijverig naar kennis streven en met vasten wil

het achtdeelige verhevene pad der uitverkorenen betreden ^).

93. Hoe heeft dit op de rechte wijze plaats ?

Door tot de broederschap der uitverkorenen toe te treden, de wereld te verlaten, en alle krachten te besteden aan het bereiken der hoogste doeleinden,

94. Vermag een ieder dit?

Ieder vermag het, die ernstig -wil,1) maar de

1

) Menigeen zal met den besten wil in zijne tegenwoordige geboorte geen zichtbaren vooruitgang maken, omdat hem te veel boos Karma uit vroegere levensloopen in den weg staat. Wel verre echter van moedeloos den strijd op te geven, behoort hij des te ijveriger naar innerlijke loutering te streven en niettegenstaande alle teleurst?lllngen zich niet te laten afbrengen van zijn besluit, om de zedelijke volkomenheid te verwerven. Alleen

ocr page 85

79

meesten willen de wereld en hare bedriegelijke genietingen niet opgeven.

95. Kunnen ook degenen, die in het wereldsche leven blijven, de verlichting en verlossing bereiken ?

Neen. dat is onmogelijk. Reeds in dit leven het Nirwana te bereiken is slechts voorbehouden aan hen, die het achtdeelige verhevene pad ingeslagen hebben 1), alzoo aan den Bhikschoe. De Oepasakos kunnen slechts eene gunstige wedergeboorte erlangen.

daardoor kan hij het nu nog oppermachtige ongunstige Karma in zóó ver overwinnen, dat hij, zoo dan niet in deze, toch in de naastvolgende geboorte onder betere omstandigheden, zoo buiten als in hem, tot het doel kan naderen. Gelijk in het physische en materieele, zoo zijn ook in het geestelijke en zedelijke vastberadenheid, moed, geduld en nimmer verslappende volharding de eenige waarborgen voor welslagen. Men vergete niet, dat zelfs een Boeddha nog zes jaren van onafgebroken inspanning noodig had, om het inzicht en de bevrijding te erlangen-

') De in het wereldsche leven blijvende Oepasakos kunnen in het gunstigste geval den derden trap van heiligheid bereiken, Anagamin worden, d. i. een zoodanige die niet op de aarde terugkeert. Zij zijn wegens hun zedelijke verdienste niet aan eene slechte wedergeboorte onderworpen, maar worden dan na hun dood wedergeboren in eene der hoogste lichtwerelden en gaan van daar, na het verkrijgen van het verlossend inzicht, in het Nirwana in. Intusschen is het voor iemand, die in het wereldsche leven blijft, buitengewoon moeielijk, Anagamin te worden, daar de verzoekingen en verstrooiingen te veelvuldig zijn. Overigens is het- noch het gele ordekleed, noch de opvolging der vormelijke voorschriften, dat den Bhikshoe van den Oepasako onderscheidt, maar alleen de gezindheid, de reinheid, het inzicht.

ocr page 86

So

96. Waardoor onderscheiden zich de Oepasakos van den Bhikschoe?

De Oepasakos of aanhangers der leer leggen slechts de vijf algemeene geloften af en streven er naar de in het Sigalowada-Soettam gegeven voorschriften betreffende een rechtschapen en welwillenden levenswandel naar hun beste weten op te volgen. Zij blijven echter in de wereld en vervullen getrouwelijk hunne verplichtingen als familielid en staatsburger. De Bhikschoe, de eigenlijke jongeren van Boeddha, doen ten volle afstand van de wereld, treden in de broederschap der uitverkorenen, leggen de tien geloften af en richten hun leven geheel in naar de in het Vinayo vervatte voorschriften.

97. Welke zijn de vijf geloften der Oepasakos'?

De vijf geloften (Pantscha-Silam) luiden als

volgt:

Ik beloof:

1°. geen levend wezen te dooden of te kwetsen1);

Dientengevolge kan men, zonder door eene vormelijke opneming tot de broederschap der uitverkorenen toegetreden te zijn, toch het leven van een Bhikschoe leiden en tot de heilige broederschap behooren. Immers heet het in het Dhammapadam:

»Wie zijn hart bevredigd en zijne zinnen beteugeld heeft, kuisch en in vrede met alle wezens leeft en jegens een ieder welwillend is, die is in waarheid een Bhikschoe, ook al loopt hij niet in diens ordekleed.quot;

f) Deze eerste en voornaamste gelofte omvat oalie levende wezensquot;, dus niet enkel de menschen. Wie moedwillig dieren doodt, kwetst of kwelt, is geen aanhanger van den Verlichte en kan geen aanspraak maken op eene wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden.

ocr page 87

8i

2°. niets te nemen, dat mij niet toebehoort of vrijwillig gegeven wordt;

3°. alle uitspattingen en onkuischheid te mijden;

4°. niet te liegen, bedriegen of lasteren;

5°. mij te onthouden van alle opwekkende en ver-doovende genotmiddelen ').

98. Welke zijn de voorschriften omtrent een rechtschapen en weiwillenden levenswandel in het Sigalowada-Soettam gegeven P

De ouders moeten hunne kinderen in het goede opvoeden, hen van het slechte terughouden, hun iets passends laten leeren, hen met raad en daad bijstaan, hun hun erfdeel niet onthouden.

De kinderen moeten hunne ouders gehoorzamen, getrouwelijk alle kinderlijke plichten vervullen, het ouderlijk goed niet doorbrengen, de ouders ondersteunen als zij oud en gebrekkig zijn, zich in allen deele waardig maken hunne erfgenamen te zijn en steeds hun aandenken in eere houden.

De leerling moet den leeraar achten, hem navolgen, hem zijn eerbied met woord en daad betuigen, zijne lessen opmerkzaam aanhooren.

De leeraar moet den leerling tot het goede en ware leiden, hem naar zijn beste krachten in de wetenschappen onderrichten, over hem waken.

Deze gelofte wordt in haren geheelen omvang slechts ge-eischt van den Bhikschoe. De wereldlijke aanhanger behoeft van het matige gebruik van bier en wijn en dergelijke geen afstand te doen, voor zoover daardoor zijn geestelijke of lichamelijke gezondheid geen schade lijdt.

Boeddha. 6

ocr page 88

82

De man moet zijne vrouw met liefde en achting behandelen, haar trouw zijn, haar tegenover een ieder hoog houden en het haar niet laten ontbreken aan kleeding en sieraden overeenkomstig haar stand.

De vrouw moet het huishouden in goede orde houden, vrienden en verwanten gastvrij ontvangen, haar man trouw zijn, zijn goed bijeenhouden en met vlijt en ijver alle plichten als huisvrouw vervullen.

De vriend zal den vriend en metgezel zoo behandelen als hij zelf door hem wenscht behandeld te worden, hem steeds vriendelijk en voorkomend bejegenen, zijne belangen behartigen, zijn goed met hem deelen, hem van onbedachtzame stappen terughouden, hem als hij in nood of gevaar verkeert, een toevlucht aanbieden en hem in het ongeluk trouw bijstaan.

De meester moet voor het welzijn zijner dienaren en gezellen zorgen, door hun geen arbeid op te leggen, die hunne krachten te boven gaat; hij moet hun behoorlijk loon en voedsel verschaffen, hen ook bij ziekte onderhouden, hun van buitengewone winst een deel doen toekomen, hun voldoende vrije dagen toestaan.

De dienaren en gezellen moeten ten allen tijde met opgewektheid en ijver hun arbeid verrichten, tevreden zijn met hetgeen zij daarvoor ontvangen en nooit van hun meester kwaad spreken.

De zvare aanhanger van het Boeddhisme moet den Bhikschoe zijne vriendelijke gezindheid in gedachte, woord en daad doen blijken, hen steeds in zijn huis welkom heeten en hen voorzien van dat-

ocr page 89

83

gene wat zij voor hun levensonderhoud behoeven.

De Bhikschoe en Samanen moeten de aanhangers van het doen van onrecht trachten terug te houden, hen ten goede vermanen, hun waarlijk welgezind zijn, hen in de leer onderrichten, hun twijfel wegnemen en hun den weg tot eene gelukkige wedergeboorte wijzen.

99. Welke vrucht draagt do opvolging der vijf geloften en der voorschriften omtrent een rechtschapen en welwillenden levenswandel P

Hij die deze getrouwelijk vervult, zal op aarde bij alle goeden achting genieten, van veel lijden en smart verschoond blijven, een rustig geweten hebben en met zijne naburen in vrede leven. Zijne kennis zal toenemen en hij zal in gunstiger omstandigheden wedergeboren worden. Nog hooger is in-tusschen de verdienste van dengeen, die gedurende langeren of korteren tijd, minstens echter op de wekelijksche rustdagen (Oeposatha), de acht geloften (Atthanga-Silam) houdt.

100. Welke aijn de acht geloften P

Bij de vijf genoemde komen nog deze drie:

Ik beloof:

6°. mij van het gebruik van spijs op onbehoorlijken tijd te onthouden, d. i, na het middagmaal geen spijs meer te nuttigen;

7°. mij te onthouden van het dansen, van het zingen van wereldsche liederen, van het bezoek

ocr page 90

82

De man moet zijne vrouw met liefde en achting behandelen, haar trouw zijn, haar tegenover een ieder hoog houden en het haar niet laten ontbreken aan kleeding en sieraden overeenkomstig haar stand.

De vrouw moet het huishouden in goede orde houden, vrienden en verwanten gastvrij ontvangen, haar man trouw zijn, zijn goed bijeenhouden en met vlijt en ijver alle plichten als huisvrouw vervullen.

De vriend zal den vriend en metgezel zoo behandelen als hij zelf door hem wenscht behandeld te worden, hem steeds vriendelijk en voorkomend bejegenen, zijne belangen behartigen, zijn goed met hem deelen, hem van onbedachtzame stappen terughouden, hem als hij in nood of gevaar verkeert, een toevlucht aanbieden en hem in het ongeluk trouw bijstaan.

De meester moet voor het welzijn zijner dienaren en gezellen zorgen, door hun geen arbeid op te leggen, die hunne krachten te boven gaat; hij moet hun behoorlijk loon en voedsel verschaffen, hen ook bij ziekte onderhouden, hun van buitengewone winst een deel doen toekomen, hun voldoende vrije dagen toestaan.

De dienaren en gezellen moeten ten allen tijde met opgewektheid en ijver hun arbeid verrichten, tevreden zijn met hetgeen zij daarvoor ontvangen en nooit van hun meester kwaad spreken.

De zvare aanhanger van het Boeddhisme moet den Bhikschoe zijne vriendelijke gezindheid in gedachte, woord en daad doen blijken, hen steeds in zijn huis welkom heeten en hen voorzien van dat-

ocr page 91

83

gene wat zij voor hun levensonderhoud behoeven.

De Bhikschoe en Samanen moeten de aanhangers van het doen van onrecht trachten terug te houden, hen ten goede vermanen, hun waarlijk welgezind zijn, hen in de leer onderrichten, hun twijfel wegnemen en hun den weg tot eene gelukkige wedergeboorte wijzen.

99. Welke vrucht draagt do opvolging der vijf geloften en der voorschriften omtrent een rechtschapen en welwillenden levenswandel P

Hij die deze getrouwelijk vervult, zal op aarde bij alle goeden achting genieten, van veel lijden en smart verschoond blijven, een rustig geweten hebben en met zijne naburen in vrede leven. Zijne kennis zal toenemen en hij zal in gunstiger omstandigheden wedergeboren worden. Nog hooger is in-tusschen de verdienste van dengeen, die gedurende langeren of korteren tijd, minstens echter op de wekelijksche rustdagen (Oeposatha), de acht geloften (Atthanga-Silam) houdt.

100. Welke aijn de acht geloften P

Bij de vijf genoemde komen nog deze drie:

Ik beloof:

6°. mij van het gebruik van spijs op onbehoorlijken tijd te onthouden, d. i, na het middagmaal geen spijs meer te nuttigen;

7°. mij te onthouden van het dansen, van het zingen van wereldsche liederen, van het bezoek

ocr page 92

8ó

105. Kan Boeddha ons niet door zijne eigene verdienste van de gevolgen onzer schuld verlossen P

Neen. Geen mensch kan door een ander verlost worden. „Geen god en geen heiligequot;, zoo leeren de heilige boeken, „vermag eenen mensch voor de gevolgen zijner slechte daden te beschermen.quot; Ieder moet zijne eigene verlossing bewerken. Boeddha heeft ons slechts den weg gewezen, hoe ieder zijn eigen verlosser worden kan.

106. Waarom is geene verlossing door een plaatsvervanger mogelijk?

Omdat gerechtigheid het grondbeginsel is van alles wat geschiedt; omdat niet de willekeur van een

genomen moeten worden. Deze altijddurende strijd kan slechts gevoerd worden ten koste van onze lichamelijke en geestelijke krachten. Hoe meer wij alzoo aan onze begeerten en neigingen bot vieren, des te sterker worden zij en des te meer nemen tegelijkertijd onze krachten af, die toch het eenige middel zijn om te genieten. Alzoo: toeneming onzer begeerten en gelijktijdige vermindering van de middelen om ze te bevredigen — dat is de onverbiddelijke natuurwet, waaraan zulk streven onderworpen is. Het moet daarom voor ieder, die er ernstig over nadenkt, duidelijk worden, hoe dwaas het is, zingenot na te jagen, daar het onmogelijk is daardoor het zoo hevig begeerde geluk te bereiken.

Daarom heet het in het Dhammapadam :

Hoe kunt gij lachen, vreugde scheppen op deez' aard' Die slechts uit 't vuur van lage driften leven gaart ? Gij kwijnt in duisternis, die eeuwig u omgeeft.

Wanneer gij naar het licht, dat haar verdrijft, niet streeft.

ocr page 93

87

god, maar strenge regelmaat in het heelal heerscht. Dat de schuldelooze de zonden van een schuldige op zich zou kunnen nemen en de boosdoener door genade van de gevolgen zijner daden worden bevrijd, is eene dwaze bewering 1) die op algeheele miskenning der zedelijke wereldorde berust. Schuld en lijden, verdienste en loon wegen steeds tegen elkander op.

107. Waardoor maakt men zich in zedel'jken zin verdienstelijk ?

Door getrouwe vervulling der geloften in gedachten, woorden en daden, door ijverig streven naar kennis, bovenal echter door gerechtigheid en welwillendheid jegens alle levende wezens.

108, Wordt de verdienste voornamelijk bepaald naar de uitwendige handeling, de zichtbare daad?

Integendeel. Geene uitwendige handeling is op zich zelve verdienstelijk; de verdienste hangt in hoofdzaak af van de innerlijke beweegredenen, van de reinheid van den wil. De daad is slechts daarom van gewicht, wijl zij het van buiten zichtbare kenteeken is van de innerlijke geaardheid des gemoeds en van de wils-richting en het inzicht van den dader.

') Gij zelf zijt het, die het booze doet; gij zelf zijl het, die er voor lijdt. Door eigen inspanning verwerft gij verdienste; door eigen inspanning ontheft gij u van schuld. Belading met schuld evenals heiliging zijn uw eigen werk. Niemand kan een ander bevrijden (Dhammapadam).

ocr page 94

88

109. Geef hiervan eens een voorbeeld.

Iemand kan veel geld besteden tot ondersteuning der broederschap, tot leniging der armoede of voor instellingen van algemeen nut en toch daarom zijn heil weinig of niets bevorderen, namelijk als hij dit alles slechts doet om eer en aanzien bij de menschen te verwerven. Zoo iemand ontvangt zijn loon reeds in dit leven in het aanzien, dat hij zich verwerft, en heeft overigens geene verdienste verworven. Wie daarentegen goed en mild is met het doel, zijne zelfvolmaking te bevorderen en onder gunstiger omstandigheden wedergeboren te worden, verwerft verdienste, waarvan hij de vrucht in de naastvolgende geboorte genieten zal. De hoogste verdienste verwerft echter degeen, die, zonder loon in deze of eene volgende geboorte te verwachten, den met hem levenden wezens goed doet, uit zuiver medelijden, uit reine, door geene zelfzuchtige nevenbedoeling verontreinigde welwillendheid. Een zoodanige is dicht bij het Nirwana en zeker van eene wedergeboorte in eene der hoogste lichtwerelden.

110. Wat moeten wij alzoo doen, om ons ware verdienste te verwerven?

De zelfzucht overwinnen, het kwade nalaten, het goede volbrengen ^1).

') Het kwade mijden, het goede doen, zijn hart van hartstochten reinigen — dat is de leer van alle Boeddha's.

Niemand laken, niemand kwetsen, overeenkomstig de voorschriften in onthouding leven, matig zijn in spijs en drank, alleen slapen en wonen en zijne gedachten naar het hoogste richten — dat is de leer van alle Boeddha's. (Dhammapadam).

ocr page 95

89

lllp Waarom moet de zelfzucht overwonnen worden?

Dewijl de zelfzucht (het egoïsme) de hoofdbron van al onze dwalingen, dwaasheden en slechte handelingen, en de voorname hinderpaal tegen het doen van het goede is.

112. Wat is eene goede handeling?

Elke handeling, die geschiedt met het reine doel, het welzijn van andere levende wezens te bevorderen en hun lijden te verminderen.

113. Wat is eene slechte handeling?

Elke handeling, die gedaan wordt met het doel, andere levende wezens te krenken, hun nadeel te doen of leed te veroorzaken.

Voorts elke zelfzuchtige handeling, die slechts voor het eigen welzijn geschiedt, zonder dat men zich er om bekommert, of zij anderen leed veroorzaakt.

114. Er zijn toch ook zelfzuchtige handelingen, die niemand anders benadeele.j?

Zulke handelingen zijn noch goed noch kwaad te noemen. Bevordeien zij des handelenden tijdelijk welzijn, dan zijn zij verstandig, dienen zij tot zijne zelfvolmaking, dan zijn zij wijs. Schaden zij hem echter naar lichaam of geest, dan zijn zij dwaas.

In den grond der zaak ontspringen echter alle zelf-

ocr page 96

9°

zuchtige handelingen, ook als zij niemand benadee-len, uit de gehechtheid aan de individualiteit en staan zij daarom aan het bereiken van het hoogste doel in den weg.

115. Bestaan er plichten jegens zich zei ven P

Neen. De leer van de plichten jegens zich zeiven of van den „plicht van het zelfbehoudquot; is slechts eene bemanteling der zelfzucht

116. Is het onrecht, den vijand kwaad met kwaad te vergelden?

Ja, het is onrecht kwaad met kwaad te vergelden 2). Dit is den edelen, naar volmaking stre-venden mensch onwaardig. De wereldlijke aanhanger (Oepasako) mag zijn recht langs wettelijken weg zoeken, doch dit geschiede zonder haat of bitterheid jegens den tegenstander. Den Bhikschoe echter, die

') Elk levend wezen heeft een recht op zich zelf en de vrije ontwikkeling zijner krachten. Dit recht wordt beperkt door den plicht tegenover anderen; deze plicht kan van den mensch eischen, dat hij zijn leven spare, maar dit kan nooit de «plicht tegenover zich zelfquot;, dien het egoïsme steeds slechts voorwendt, wanneer het in 't gedrang geraakt.

quot;-) Hij heeft mij bedrogen, geslagen, te gronde gericht. Bij hem, die zulke gedachten in zijn hart koestert, zal de haat nooit ophouden. Want haat wordt niet door haat overwonnen ; haat wordt door liefde overwonnen ; zoo is van eeuwigheid her de orde der dingen. (Dhammapadam).

Verwin den toornige door zachtmoedigheid, den booze door goedheid, den gierige door mildheid, den leugenaar door oprechtheid. (Dhammapadam).

ocr page 97

9i

van de wereld afstand heeft gedaan, staat dit niet vrij. Hij laat den boosdoener over aan de eeuwige gerechtigheid en schenkt hem zijne vergiffenis en zijn medelijden, want de booze zal in deze of de naast-volgende geboorte voor zijn onrecht moeten boeten, en des te zwaarder, naarmate hij thans luider juicht en zich tegen het betere inzicht met meer verstoktheid verzet.

117. Moet de verstokte boosdoener eeuwig voor

zijne slechte daden boeten?

Neen. Geene tijdelijke schuld, hoe zwaar ook, kan eeuwige straf ten gevolge hebben. ^1) Eene wereldorde, die dit toeliet, ware onrechtvaardig, ja wreed. De zedelijke wereldorde echter, die Boeddha ons verkondigd heeft, heeft haar steunpunt in de eeuwige gerechtigheid en daarom vindt elke slechte daad ook slechts de daarmede overeenstemmende tijdelijke vergelding in deze of eene volgende geboorte.

1

Loon en straf, verdienste en schuld zijn eigenlijk overdrachtelijke uitdrukkingen, ten einde bij onze beperkte mensche-lijke voorstelling te passen. De wereldorde kent in den diep-sten grond loon noch straf, verdienste noch schuld, gerechtigheid noch ongerechtigheid. Alles is noodwendig en natuurlijk gevolg van het eigen juist of verkeerd inzicht, willen en doen. Rechte kennis van de wetten onzer eigene natuur en van het heelal en gehoorzaamheid aan deze physische, zedelijke en geestelijke wetten is diensvolgens de eenige weg tot bevrijding van lijden en tot bereiking van den eeuwigen vrede, van het Nirwana, van het verhevene doel, dat ligt buiten de grenzen van goed en kwaad, schuld en lijden, buiten de grenzen van alle denken en voorstellen en buiten alle wetten en vormen van het eindige.

ocr page 98

92

118. Bestaat er iets radicaal of absoluut kwaads ?

Neen. Al het aardsche is betrekkelijk, alles heeft slechts beteekenis in verhouding tot iets anders, ook het zedelijke goed en kwaad. Beide uitdrukkingen beteekenen slechts een sterkeren of minderen graad van het egoïsme van een levend wezen, welks bestaan in levenswil en onwetendheid wortelt.

Geen levend wezen, hoe diep het in zelfzucht en onwetendheid verzonken zij, is van de verlossing uitgesloten. Elk vermag, — zij het dan ook eerst door eene lange reeks van wedergeboorten — tot het inzicht en tot de volmaking te komen, mits het slechts wil. Anderzijds is geen wezen, hoe goed en edel ook, van de verlossing verzekerd, voordat het het Nirwana bereikt heeft. Zoo lang ook nog slechts het geringste overschot van levenswil en onwetendheid voorhanden is, kan steeds nog instorting plaats vinden.

Want alle doen, het goede zoowel als het slechte, blijft in de sfeer van het eindige en brengt daar niet buiten. Tot het Nirwana leidt slechts het losmaken van het doen en de volledige overwinning en totale vernietiging van den levenswil door het inzicht.1)

') Zich losmaken van het doen bcteekent niet in volledige werkeloosheid verblijven, maar niets meer uit zelfzuchtige beweegredenen doen. Onzelfzuchtige handelingen in dienst en tot welzijn van anderen zijn los van ons; van eene daad, die wij zuiver met het oog op anderen doen, die onzen raad, onzen troost, onze hulp behoeven, en zonder de minste gedachte aan aardsch voordeel of eenige hoop op belooning hiernamaals, zijn wij innerlijk los. Zij vermeerdert ons Karma niet. Inzicht

ocr page 99

93

119. Bestaat er geen hel en geen hemel P

Neen, niet in den zin, dien Christenen, Joden en Mohammedanen daaraan hechten. Wel echter zijn er donkere werelden van pijn en vertwijfeling, in welke geene straal van verlossende kennis doordringt. Daar moet de met zware schuld beladene zoolang verblijven, totdat hij de vrucht zijner booze daden heeft genuttigd. Dan voert hem zijn goed Karma (zijne verdienste) tot eene wedergeboorte als mensch, in welke hem opnieuw de gelegenheid gegeven wordt tot het inzicht en door een rechtschapen levenswandel op het pad des heils te komen. — Evenzoo zijn er lichte werelden van vreugde, waar de goede, maar nog niet voor de verlossing rijp geworden mensch de vruchten van zijne deugd en verdienste geniet. Heeft hij echter die vruchten genoten, dan moet ook hij, dewij! de wil om te leven en ongedelgd Karma nog bij hem voorhanden is, als mensch terug naar de aarde, i)

in Boeddhistischen zin beteekent niet een bloot weten met het verstand, dat geen invloed heeft op 's menschen karakter, maar dat intuïtieve doorschouwen, dat diepe vatten van het werelden menschenraadsel, op grond van uiterlijke en innerlijke ervaring, dat eene volledige verandering van het denken en gevoelen, eene algeheele innerlijke wezensvernieuwing veroorzaakt.

l) Degene, die de vier heilswaarheden heeft leeren kennen, zal daarom noch naar aardsch geluk, noch naar een leven in de lichte hemelwerelden verlangen, maar alleen naar de verlossing, den eeuwigen vrede. Want zoolang de individualiteit, de Dikheidquot; niet overwonnen en opgeheven is, zoolang zijn ook lijden, geboorte en dood niet opgeheven. Zelfs de engelen en goden (zoo kan men de in de lichte werelden levende wezens noemen)

ocr page 100

94

120. Worden de misdaden der ouders bezocht aan hunne kinderen?

Neen. Dit zoude in strijd zijn met de eeuwige gerechtigheid. Voor vreemde schuld behoeft niemand te lijden. De bijgeloovige meening, dat een God de zonden der ouders op de onschuldige kinderen wreekt, steunt op algeheele miskenning der zedelijke weield-orde.

121. Maar wij zien toch, dat de kinderen doorgaans op de ouders gelijken in lichamelijke en geestelijke eigenschappen, dat zij goede en slechte neigingen, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede van hen erven. Is dit niet met de leer van het Karma in tegenspraak ?

Neen, het bevestigt haar. Want juist omdat ons innerlijk wezen, ons individueel karakter op dat onzer ouders gelijkt, zijn wij hunne kinderen geworden. Wijl wij op het oogenblik onzer wederbelichaming met geen ander levend wezen zoodanige overeenstemming hadden als met onze ouders, zijn wij juist bij hen geboren. Gelijke oorzaken nu brengen gelijke gevolgen voort; de innerlijke overeenstemming in wezen tusschen de ouders en de kinderen wordt van

zijn aan ontstaan, dood en wedergeboorte onderworpen. Al hetgeen veranderlijk is, is echter ook vol lijden. Daarom zegt het Dham-mapadam; Beter dan alle koninkrijken der aarde te beheerschen, beter dan bewoner der hemellichamen te zijn, beter z:lfs dan heer van dit gansche heelal (God) te worden, is het doen van den eersten stap op den weg der bevrijding.

ocr page 101

95

zelf zichtbaar in hun uiterlijk, hunne neigingen en lotgevallen.

Maar eene „overervingquot;, d. i. eene overdraging van lichamelijke en geestelijke eigenschappen, van goed en kwaad, geluk of ongeluk van de ouders op de kinderen op de wijze, als het materialisme ze zich voorstelt, heeft in geenen deele plaats. Overerving is in den grond der zaak slechts een naam voor het wetenschappelijk onverklaarbare feit, dat ouders en kinderen vele eigenschappen gemeen hebben. De juiste verklaring daarvoor vinden wij alleen in de leer van het Karma en de wedergeboorte.

122. Hoe is dan het zich ook dikwijls voordoend onderscheid tusschen ouders en kinderen verklaarbaar P

Door een en dezelfde wet, want de kinderen zijn, trots alle overeenstemming met de ouders, toch zelfstandige individuen; zij hebben hun eigen Karma en moeten daarom nevens de eigenschappen, waarin zij met hunne ouders overeenstemmen, ook vele andere bezitten, die hun zelfstandig toebehooren. Komen nu in het tegenwoordig leven deze laatste meer bijzonder tot ontwikkeling, dan schijnen de kinderen in het geheel niet op de ouders te gelijken.

De sterkste overeenstemming tusschen ouders en kinderen bestaat van zelf slechts op het oogenblik der bevruchting; van de geboorte af gaat ieder levend wezen zijn eigen ontwikkelingsgang, welke dikwijls met dien der ouders geenszins evenwijdig loopt.

ocr page 102

96

123. Hoe is het met het heerschen der eeuwige gerechtigheid te vereenigen, dat dikwijls de rechtvaardige en goede op aarde veel moet lijden ?

Hij boet voor de nog ongedelgde schuld, die hij in vroegere levens op zich heeft geladen. Het is het gevolg van zijn ongunstig Karma, dat juist nu tot rijpheid komt.

124. En hoe is het te verklaren, dat de slechte en onrechtvaardige op aarde dikwijls in hoog aanzien staat en alle vreugde der aarde geniet P

Dat is het gevolg van de verdienste in vroegere geboorten, zijn gunstig Karma. Als hij echter de vrucht zijner vroegere verdienste genoten heeft, zal hij ook in deze of de volgende wedergeboorten de bittere vruchten van zijne slechte daden moeten smaken.')

') »De slechte daad is niet als frissche melk, die tnel stolt, maar als een smeulend vuur onder de asch. Onbemerkt smeult het voort, totdat het plotseling uitbreekt en het bedriegelijke gebouw van het geluk, waarin de boosdoener zich veilig waant, doet instorten,quot; heet het in het Dhammapadam.

De ongelijkheid in het uitwendige levenslot op aarde, en de schijnbare onrechtvaardigheid, die daarin gelegen is dat goede menschen dikwijls met zwaar lijden bezocht worden, terwijl de slechte in heerlijkheid en vreugde leeft, levert voor ieder nadenkende een bewijs voor de zedelijke noodwendigheid der wedergeboorte. Dat dit onmetelijke en bewonderenswaardige wereldgebouw niet het spel van een blind toeval kan zijn, doch slechts het resultaat is van regelmatig werkende krachten; dat regelmaat en verzoenende gerechtig-

ocr page 103

97

125. Brengt niet het toeval ons in ons leven dikwijls geluk of ongeluk zonder onze verdienste of onze schuld.

Er bestaat geen toeval. Slechts onze kortzichtigheid en ons gebrek aan inzicht doet ons voorvallen, die met onze tegenwoordige daden en bedoelingen niet onmiddellijk samenhangen en voor ons geheel onverwacht en onberekenbaar waren, als „toevalquot; beschouwen. Reikte ons inzicht in de natuur der dingen ver genoeg, dan zouden wij weten, dat alle schijnbaar toevallige gebeurtenissen in werkelijkheid met ons door eene lange keten van oorzaken en werkingen verbonden zijn, waardoor zoowel de aard der gebeurtenis, als het tijdstip van haar intreden met noodwendigheid bepaald zijn. '•j Deze keten van

held tot elkander staan als physische en geestelijke feiten, alzoo in den grond een en hetzelfde zijn, eens van buiten en eens van binnen gezien — dit is eene waarheid, waarvoor niemand bij ernstig nadenken en gerijpt inzicht het oog sluiten zal. Met hem, die deze waarheid loochent, twisten wij niet. Voor hem, die haar erkent, volgt daaruit met noodwendigheid, dat schuld en lijden, verdienste en geluk ten volle met elkander moeten overeenstemmen. Wanneer wij alzoo den goede zien lijden en de oorzaak van het lijden niet in de handelingen in dit leven kan gevonden worden, zoo moet zulks het gevolg zijn van schuld in eene vroegere belichaming. Waar welvaart en vreugde met slechte gezindheden samengaan, moet verdienste uit eene vroegere geboorte voorhanden zijn. Hier is geen uitweg; wie eene zedelijke wereldorde erkent, zal, als hij logisch vermag door te denken, ook gedwongen worden tot de overtuiging van de waarheid en werkelijkheid der wedergeboorte.

■1) Als een man op het oogenblik waarop hij uit zijne huisdeur treedt, door een vallende dakpan gedood wordt, dan bestaat Boeddha. 7

ocr page 104

98

oorzaken en werkingen reikt evenwel meestal diep in vroegere geboorten terug. De eerste schakel daarvan was eene verdienstelijke of schuldige daad in ons eigen verleden.

126. Waartoe brengt ons deze overtuiging?

Den ongelukkige brengt zij tot de erkentenis, dat hij wegens zijn lijden noch goden noch menschen, noch de wereld noch het toeval, ook geen duivel of demon, maar alleen zichzelf moet beschuldigen; zij voert hem tot het inzicht, dat de bron van al zijn lijden de eigen verkeerde daad, de eigen verblinding is en dat eene grondige, duurzame verbetering niet door uitwendige middelen, door verbetering der levensomstandigheden, maar alleen door een innerlijken ommekeer en door streven naar waarheid bereikt kan worden.

er tusschen het naar buiten gaan van den ongelukkige en het vallen van de dakpan geen zichtbare oorzakelijke samenhang. Beide gebeurtenissen, het naar buiten gaan van den man en het vallen van de dakpan, behooren tot geheel afgescheidene ketenen van oorzaken en gevolgen. Wij noemen daarom den dood van den getroffene toevallig en hij is zulks ook voor zoover de buitenzijde der gebeurtenis betreft. In werkelijkheid loopen echter de beide gescheiden ketenen van oorzaken en gevolgen op e-mig punt in het verleden te samen en hebben zij daar een gemeenschappelijke oorzaak. Deze is eene slechte daad van den gedooden man in eene zijner vroegere geboorten en er bestaat een zedelijke samenhang — niet tusschen de dakpan en zijn naar buiten treden — maar tusschen een vroegere handeling van den gedoode en den hem thans '.reffenden ge-welddadigen dood, die eene noodwendige, niet te ontwijken werking van zijn Karma is.

ocr page 105

99

Den gelukkige echter voert deze overtuiging tot ware bescheidenheid, tot een rechtvaardig en welwillend gebruik van zijn stelling en zijn rijkdom. Wanneer hij toch niet voortdurend er naar streeft, zijn verdienste te vermeerderen, wanneer hij tot hoogmoed en zelfoverschatting, hebzucht en hardvochtigheid vervalt, zoo zal, wanneer de vrucht van vroegere deugd en verdienste opgeteerd is, reeds in dit of het naastvolgende leven ellende en lijden het gevolg zijn, terwijl de door hem verachte arme en mindere wellicht eene vreugdevolle geboorte te gemoet gaat.

127. Kan men zich niet door zelfmoord aan de gevolgen zijner misdaden onttrekken?

Neen. Aan de eeuwige gerechtigheid kan zich niemand onttrekken, hare werking is onverbiddelijk en almachtig en haar ontsnapt niemand. Vandaar heet het in het Dhammapadam: „Noch in de verten van het onmetelijke wereldruim, noch in het midden van den oceaan, noch in de diepste bergkloven vindt gij eene plaats, waar gij de gevolgen uwer booze daden zoudt kunnen ontvlieden.quot;

128. Is de zelfmoord een onrecht of eene zonde P

De zelfmoord is, tenzij voor zoover daardoor verplichtingen tegenover andere menschen geschonden worden, geen onrecht, want elk wezen heeft een onvervreemdbaar en onbetwistbaar recht op zijn eigen leven. Maar zelfmoord is eene zeer dwaze handeling, daar hij eenen levensdraad met geweld afsnijdt, die met noodwendigheid dadelijk weer aangeknoopt wordt,

ocr page 106

IOO

en wel meestal onder nog ongunstiger omstandigheden, dan die welke de zelfmoordenaar in zijne verblinding tracht te ontvlieden.

129. Waarom onder ongunstiger omstandigheden?

Omdat ons lijden alleen het gevolg van onze eigene dwaling en schuld is. Zoolang daarom de dwaling niet voor helder inzicht heeft plaats gemaakt en de schuld niet geboet is, kan men tot geene wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden geraken. Wie dit inziet, zal alle lijden geduldig dragen en zijn best doen, door een rechtschapen levenswandel, oprechte zelfkennis en goede daden zooveel verdienste als eenigszins mogelijk is te verwerven, opdat hij eener wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden waardig worde. Wie zich echter dwaselijk door zelfmoord tracht te onttrekken aan het lijden, dat toch tot zijne loutering dient, bewijst daardoor, dat hij van de zelfkennis nog ver verwijderd is, en dat hij den wil mist, goed en wijs te worden. In blinden waan vernietigt hij het lichaam, het vluchtige, vergankelijke, zichtbare hulsel, dat hij voor zijn ware wezen aanziet, en betreedt daardoor het naar beneden leidende donkere pad, dat, in verdere voortzetting, hem tot eene wedergeboorte in eene der werelden van lijden en vertwijfeling voert. ')

') Dit geldt niet in dezelfde mate van iederen zelfmoordenaar, maar alleen van dezulken, die zich dooden om de straf voor begane misdaden te ontgaan of uit vertwijfeling, dat hunne

ocr page 107

IOI

130. Wat wordt dan eigenlijk in ons wedergeboren ?

Onze individueele wil om te leven, alzoo ons zedelijk karakter, onze individualiteit. Deze maakt de kern van ons wezen uit en verschaft zich na de vernietiging van ons stoffelijk lichaam, op grond van de voorhanden Tanha en Karma, een nieuw, dat met zijn aard nauwkeurig overeenstemt.

131. Is niet deze individueele levenswil of individualiteit hetzelfde wat men „zielquot; noemt?

Neen, niet hetzelfde. Het geloof aan eene onsterfelijke ziel, d. i. een ondeelbaar, eeuwig en onvergankelijk wezen, hetwelk in het lichaam slechts zijne tijdelijke woonplaats zou hebben opgeslagen, houdt het Boeddhisme voor eene dwaling, voortgevloeid uit onbekendheid met de ware geaardheid van

vurige wenschen niet vervuld worden. Dikwijls genoeg ontspruiten zelfmoorden uit edele beweegredenen. Zij, die uit edele motieven vrijwillig het leven afleggen, betreden niet het naar beneden voerende pad. Niettemin ligt ook dan aan den zelfmoord steeds eene dwaling ten grondslag, eene miskenning der zedelijke wereldorde, en de gevolgen kunnen mitsdien nooit gunstig zijn. Slechts degene, die in dit leven het Nirwana bereids bereikt heeft, alzoo een Araha, kan, daar zijn Karma ten volle is uitgeput, ten allen tijde vrijwillig de wereld verlaten. Een zoodanige zal het echter niet doen, maar denken als Saripoetto: »Ik verlang niet naar den dood, ik verlang niet naar het leven ; ik wacht tot de ure slaat als een knecht, die zijn loon verwacht. Ik verlang niet naar sterven, ik verlang niet naar leven ; ik wacht tot de ure komt, met bewustheid en helderen geest.quot; (Miiinda Panha).

ocr page 108

I02

het zijn en van de levende wezens.!) Het Boeddhisme leert geene „zielsverhuizingquot;, maar de vernieuwing van het individu in de materieele zichtbare wereld op grond van zijn levenswil (Tanha) en zijn zedelijk karakter (Karma).

132. Is wellicht het „Ikquot; identiek met de ziel?

Neen. Ook het „ikquot; is geen blijvend wezen, geene onstoffelijke substantie, maar een toestand, die uit de vereeniging der vijf Khandos geboren wordt.

') Het zoo algemeen verbreid geloof aan eene sonsterfelijke zielquot; in ons, d i. een individueel, met kennis begaafd, van andere wezens verschillend, geschapen of geworden en niettemin toch eeuwig wezen ontstaat hoofdzakelijk uit het egoïstische verlangen naar persoonlijk voortbestaan. Dit bijgeloof is alzoo een uitvloeisel van den verblinden wil om te leven en behoort daarom tot de «tien boeienquot;, welke den mensch aan het leven vastketenen en de verlossing verhinderen.

In te zien, dat het in den grond der zaak de individualiteit is, met hare aan die van andere individualiteiten vijandige behoeften en wenschen, die al het lijden der wereld veroorzaakt, — dat mitsdien individueel willen en streven uit zijn aard zelf verkeerd en onzalig is en het het best is de individualiteit gewillig prijs te geven, — dat beteekent een grooten, ja den grootsten stap op den weg der kennis gedaan te hebben.

De menschen willen echter tot eiken prijs hunne individualiteit behouden; vandaar het aanzien der godsdiensten, die het eeuwig voortbestaan der individualiteit beloven; vandaar de nimmer eindigende strijd om het bestaan ; vandaar alle leed, alle jammer, waarmede het leven vervuld is; vandaar de tegenstand tegen de verlossing.

»De individualiteit is een brandend vuur, o jongeren, en waardoor wordt het ontstoken ? Door liefde, haat en waan.quot;

(Mahavaggo).

ocr page 109

i03

133. Wat zijn de vijf Khandos ?

De vijf elementen van de gehechtheid aan het bestaan : de belichaming (roepam); het gevoel (ve-dana); de waarneming (sanja); de onderscheiding (sankharo); het bewustzijn (vinjanam). Door het samenwerken der vijf Khandos ontstaat de voorstelling der veelvormige buitenwereld en tegelijk die van het „ikquot;.

In den dood houden de vijf Khandos op, — in de wedergeboorte ontstaan zij opnieuw door de werking van het Tanha en het Karma. Met haar een nieuw „ikquot;, eene nieuwe vergankelijke persoonlijkheid.

134. Zoo is dan het wezen, hetwelk wedergeboren wordt, een geheel ander, dan dat hetwelk gestorven is?

Zoo kan het den mensch toeschijnen, die zich nog in den toestand der onwetendheid bevindt en zijn persoonlijk „ikquot;-bewustzijn als zijn ware wezen beschouwt, maar hij, die de kennis der waarheid heeft erlangd, weet dat zijn waar, innerlijk, niet tot de tegenwoordige vluchtige verschijning beperkt wezen zijn Tanha en Karma is en dat zijn „ikquot;-bewustzijn, hetwelk hij telkens deelachtig wordt, met de fakkel te vergelijken is, welke de wandelaar op een donkeren weg ontsteekt, om zijn pad te kunnen zien. Als hij ze niet meer noodig heeft, dooft hij ze uit, en bij eene volgende nachtelijke wandeling ontsteekt hij een nieuwe.

Zoo is, al wisselt het „ikquot;-bewustzijn, het indivi-

ocr page 110

I04

dueele wezen, hetwelk in eene geboorte het goede of booze doet en in eene volgende geboorte daarvan de vruchten plukt, volkomen hetzelfde.

135. Hoe lang leeft de individualiteit in steeds nieuwe belichamingen voort?

Totdat de volledige kennis der waarheid en de zedelijke loutering, het in dit leven bereikbare Nirwana verworven is. Dan lost zij zich na den dood van het laatste lichaam in het Parinirwana op.

136. Wat is Parinirwana.

Van het Parinirwana kan men zich geene voorstelling maken; het ligt buiten de grenzen van elk kenvermogen, valt buiten elk begrip. Men kan noch zeggen dat het is, noch dat het niet is, omdat geen enkele vorm van het zijn op het Parinirwana toepasselijk is.

„Er is, o jongeren, eene plaats waar geen aarde is noch water, licht noch lucht, noch oneindige ruimte noch eindelooze tijd, noch een bestaan in eenigen vorm, noch voorstelling noch niet-voorsteliing, noch deze wereld noch eene andere. Daar is geen ontstaan of vergaan, sterven of geboorte, oorzaak of werking, verandering of stilstand.

„Er is, o jongeren, iets ongeborens, onontstaans, ongewordens, ongevormds. Bestond dit niet, dan zou er geen uitweg zijn uit de wereld van het gewordene, ontstanei gevormde.quot;

Zoo spreekt de Meester in het Oedanam.

ocr page 111

los

137. Hoe komt het, dat wij geene herinnering hebben van eenig vroeger doorloopen leven?

Dewijl wij door aardschen waan zijn verblind, de sluier der onwetendheid ons oog bedekt, wij vast aan onze individualiteit verbonden zijn en ons daardoor van onze hoogere natuur in het geheel niet of slechts zeer onvolkomen bewust worden.1) Wij leven

') Het geheugen behoort tot het phenomenale deel van ons wezen, tot de Khandos die door den dood ophouden verbonden te zijn. Het kan alzoo niet in eene volgende geboorte overgaan, evenmin als onze verworven wetenschappelijke kennis of kunstvaardigheid. Hebben ook niet dikwijls grijsaards, als hun hersen-vermogens verzwakken, het grootste deel van 't geen zij beleefd hebben reeds voor hun dood vergeten ? Hoe zal dan de herinnering blijven, nadat door den dood de hersenen geheel zijn vergaan en bij eene volgende geboorte nieuwe daarvoor in de plaats treden ? De fakkel van het beperkte individueele bewustzijn verlicht steeds slechts den tegenwoordigen weg (bij de tegenwoordige belichaming); zij is geen zon, die hare stralen over het wereldstelsel uitzendt. Niettemin is dat wat wij nagestreefd, geleden, ondervonden en in hoogeren zin geleerd hebben niet verloren, want de som van al onze ervaring en ons weten wordt ons eigen als wilsrichling, als verhoogde bewust-zijns- en erkennings yeschiklheid en wordt in de naaste geboorte als aangeboren aanleg zichtbaar.

Mocht iemand willen tegenwerpen, dat het gemis van herinnering een bewijs is voor het niet wedergeboren zijn, dan bedenke hij, dat niemand van den tijd zijner conceptie tot aan zijne geboorte bewustzijn heeft en dat hij onbetwistbaar gedurende dezen tijd reeds een individueel leven had. De bewuste herinnering begint bij het meerendeel der menschen eerst met het vierde of vijfde jaar, slechts enkelen weten zich nevelachtig eenige vroegere gebeurtenis te herinneren. En hoe gewichtig zijn toch voor ons later leven, voor onze geestes- en karakterrichting juist die volkomen vergeten gebeurtenissen en indrukken der eerste kinderjaren!

ocr page 112

io6

in het lichaam in een staat van gebondenheid of in ketenen, van welke zij, die naar de verlossing streven, zich juist trachten te bevrijden. Ons leven gelijkt een droom.

138. Maak dit door eene gelijkenis duidelijk.

Wij hebben des nachts droomen. In deze zijn wij nu eens bedelaar dan eens koning, nu eens gevangen, arm, met lijden en gevaren bedreigd, dan weder door het geluk begunstigd en vol vreugde. En toch is het hetzelfde „ikquot;, hetwelk in den droom al deze gestalten aanneemt.

En voorts: in den droom van den eenen nacht herinneren wij ons niet wat wij in den anderen gedroomd hebben. Ontwaakt zijnde, herinneren wij ons de droomen van vele nachten. Juist zoo is het met elk vroeger doorloopen leven. Het is steeds dezelfde individualiteit, welke in veranderde gedaante wedergeboren wordt; elke geboorte is een droom van dezen individueelen levenswil, nu eens verschrikkelijk, dan vol vreugde. Zoolang wij ons in een dezer levens-droomen bevinden, herinneren wij ons de vroegere niet. De geestelijk en zedelijk volmaakte echter, de Boeddha of Araha heeft uitgedroomd. Hij is de ontwaakte en herinnert zich al zijne vroegere geboorten. 1)

Deze kennis wordt echter eerst verkregen, wanneer

1

Het is een Boeddhistische leering, dat het zelfbewustzijn telkens slechts die zijden der individualiteit verlicht, welke in elke bepaalde geboorte tot ontwikkeling komen, en alzoo geenszins de individualiteit in hare volle diepte doet kennen; dat integendeel nevens het beperkte »ikquot;-bewustzijn van den tijdelijk

ocr page 113

IQ/

de „tien boeienquot; geheel afgelegd zijn en de definitieve bevrijding van het leven verkregen is.

139. Welke zijn de tien boeien ?

1°. De waan, dat het ik of de ziel onsterfelijk is.

2°. De twijfel of er een zedelijke wereldorde en een weg tot verlossing bestaat.

3°. Het bijgeloof, dat religieuse gebruiken, gebeden, offeranden, kerkbezoek, vereering van reliquiën, bedevaarten of al dergelijk ritueel en ceremonieel tot verlossing leiden.

4°. De zinnelijke hartstochten en begeerten.

5°. Haat, kwaadwilligheid jegens de met ons levende wezens.

6°. Liefde voor het aardsche leven.

7°. Verlangen naar een toekomstig leven in den hemel of het paradijs.

8°. Trotschheid.

9°. Geestelijke hoogmoed.

io0. Onwetendheid (Awidscha).

140. Dragen boete en berouw niet ook bij tot onze zelfvolmaking en verlossing?

Ja, maar door boete en berouw alleen wordt niets bereikt, want de eeuwige gerechtigheid laat zich niets afdingen, afsmeeken of afdwingen.

bereiktev ontwikkelingsvorm er nog een individu-bewuslzijn bestaat, dat de geheele reeks der doorloopen ontvvikkelings-trappen omvat, doch als het ware latent blijft en eerst na bereiking van het Nirwana te voorschijn treedt, wanneer begeerte, kwaadwilligheid en waan, die zijne ontwikkeling verhinderden, ten volle vernietigd zijn.

ocr page 114

io8

Het berouw heeft slechts in zoover waarde, dat het de levendig gevoelde erkenning onzer schuld in zich sluit en ons aanspoort, het onrecht en leed, hetwelk wij anderen hebben aangedaan, naar onze beste krachten weder goed te maken en ons voortaan verdienste te verwerven. Berouw echter, dat niet tot handelen leidt, is volmaakt nutteloos, evenals jammeren en weeklagen.

Even nutteloos is elke boete in uiterlijke dingen '), d. i. het opleggen van de eene of andere straf, zelfkwelling of iets dergelijks. Het ware berouw van den Boeddhist openbaart zich in het moedig bewandelen van den weg des heils, en zijne ware boete in de onderdrukking der zelfzucht, der hartstochten en begeerten.

141. Leerde Boeddha, dat slechts aanhangers van zijne religie de verlossing kunnen bereiken?

Neen. Boeddha verkondigde de heerschappij der zedelijke wereldorde en der eeuwige gerechtigheid. Niet de toetreding tot eenige religie beslist over 's menschen lot, maar alleen zijne innerlijke waarde, zijne gezindheid, zijne daad, de graad zijner kennis, kortom zijn zedelijk karakter. Dit is geenszins van de belijdenis van een religie afhankelijk, ofschoon deze, bij een vast geloof, er een gunstigen of on-gunstigen invloed op kan uitoefenen.

') Niet kastijdingen, niet het scheren van het hoofd, niet bidden, vasten of boetedoening, niet het leven in armoede reinigt dengene. die zijne begeerten niet overwonnen heeft.

Wat baat u uw geschoren hoofd, o dwaas, wat uw versleten gewaad ? In uw binnenste woont boosheid, doch uw uiterlijk huichelt heiligheid. (Dhammapadam).

ocr page 115

lop

Ook andersdenkenden kunnen daarom de verlossing bereiken; slechts is het voor hen veel moeielijker en het gevaar, het doel te missen, zeer groot.

Met hen is het als met iemand, die een foutieven wegwijzer volgt. Na lang ronddwalen in alle richtingen, door moerassen, woestijnen en wouden, over bergen en dalen kan ook hij misschien nog het doel bereiken. Wie echter een goeden wegwijzer volgt, behoeft slechts rechtuit te gaan en niet van den aangewezen weg af te wijken, om vlug en gemakkelijk tot het doel te komen. De ware wegwijzer is alleen Boeddha.

142. Is het geloof aan Boeddha ons bevorderlijk op den weg des heils?

Het geloof heeft weinig waarde, omdat het niet op eigen oordeel en onderzoek steunt. Door het bloote geloof bereikt men niets; vrij maakt alleen de door eigen inspanning en strijd verworven overtuiging. Niet geloovigen, maar erkennenden en wetenden moeten wij worden. Daartoe geven ons het leven en de leer van Boeddha het voorbeeld en den leiddraad. ^

') De zoon van Kesa uit Kalamo kwam tot Boeddha met de klacht:

«Meester, ieder priester en ieder monnik predikt mij zijn geloof als het eenige ware en veroordeelt dat der anderen als valsch. Twijfel kwelt mij; ik weet niet naar wiens woord ik zal luisteren.quot;

Boeddha antwoordde:

»Uwe twijfelingen zijn gegrond, Kesapoetto (zoon van Kesa). Hoor mijn oordeel:

«Geloof niets op hooren zeggen; geloof niet aan overleveringen,

ocr page 116

I IO

143. Hoe ia de verhouding van het Boeddhisme tot de belijders van andere religies P

Het beveelt ons, alle menschen, van welk ras, nationaliteit of geloof zij ook mogen zijn, als broeders lief te hebben, de overtuiging van andersdenkenden te ontzien en zelfs allen woordentwist over religieuse dingen te vermijden. De Boeddhistische leer is vervuld van den geest der reinste verdraagzaamheid; nooit en nergens is ten behoeve zijner uitbreiding bloed vergoten, nooit heeft het, waar het overwicht erlangde, andersdenkenden vervolgd of onderdrukt. Wie de waarheid niet inziet of niet hooren wil, schaadt slechts zich zeiven en wekt bij den Boeddhist medelijden, geen haat.

144. Velen houden de milde geest en denkwijze der Boeddhisten voor zwakheid. Is het waar dat het Boeddhisme de kracht tot handelen ondermijnt ?

Den verblinde mag het zoo schijnen, want het Boeddhisme verlamt inderdaad de ruwe, dierlijke

omdat zij oud en uit lang verloopen tijden tot ons gekomen zijn ; geloof niets op grond van geruchten of omdat de menschen het zeggen: geloof niets bloot op grond van het geschreven getuigenis van eenigen ouden wijze ; geloof niets op grond van daarvoor sprekende vermoedens of omdat gij lang gewoon zijt het voor waar te houden ; geloof niets op het bloote gezag van uwe leeraren en geestelijken.

»Wat na eigen ervaring en onderzoek met uwe rede overeenkomt en zoowel tot uw eigen welzijn en heil, als tot dat van alle andere levende wezens dient, neem dat als waar aan en leef dienovereenkomstig.quot; (Angoettara Nikayo).

ocr page 117

111

kracht tot handelen, die zich in het hartstochtelijk jagen naar bezit en genot, in den wilden, meedoogen-loozen strijd om het bestaan uit, daar het leert, dat niet op den weg van materieelen vooruitgang en verfijning van het uiterlijke leven het heil te vinden is'), maar alleen door geestelijke en zedelijke ontwikkeling. Niettemin gaat de Boeddhist niet zonder strijd door het leven. Hij strijdt alleen op eene andere kampplaats — in plaats van de buitenwereld is die in zijn eigen binnenste; ofschoon met de wereld in vrede en daardoor schijnbaar werkeloos, worstelt de Boeddhist onverpoosd en met oproeping van alle hoogere en edele krachten tegen de zelfzuchtige neigingen van zijn hart en de verlokkingen der zinnen. Dat is de kracht van den waren Boeddhist — en deze strijd is moeilijker, edeler, hooger en voor de menschheid vruchtbaarder, dan de gevechten en overwinningen van alle veroveraars en koningen, welke de wereldgeschiedenis opteekent. 1)

1

) «Grooter dan wie duizend maal duizend vijanden in den slag overwint is de man, die zich zelf verwint. Waarlijk hij is de grootste der overwinnaars.quot; (Dhammapadam).

«Strijders, strijders, o Heer, noemen wij ons; in hoever zijn wij dan strijders ?quot;

»Wij strijden, o Bhikschoe, daarom zijn wij strijders.quot;

»En waarom strijden wij, o Heer ?quot;

»Wij strijden om hooge deugd, om hoog streven, om hooge wijsheid. Daarom, o Bhikschoe, heeten wij strijders.quot;

ocr page 118

I I 2

145. Zijn gebeden, offeranden en de inachtneming van religieuse gebruiken tot bereiking van het Nirwana noodig?

Neen, gebeden en offeranden, in den eigenlijken zin des woords, zijn er in de Boeddhistische religie niet. Niettemin zijn het opzeggen van spreuken, het lezen der heilige geschriften, het aanhooren van leerredenen en dergelijke handelingen van hooge waarde, indien zij met waren ootmoed geschieden, omdat zij den moed der geloovigen in uren van verzoeking verhoogen en sterken, het vertrouwen in eigen kracht en in de leer bevestigen en den inkeer in zich zeiven bevorderen. Alle uiterlijke religieuse gebruiken hebben hetzelfde doel. Zij zijn voor de wereldlijke aanhangers noodig en onontbeerlijk, om hen steeds aan de ware beteekenis van het leven te herinneren, hun geest van de verleidingen der wereld af te trekken en hun steeds het hoogste doel voor oogen te houden.

Wie echter den weg der verlossing reeds betreden heeft en als Bickschoe nog slechts voor de geestelijke ontwikkeling en zelfvolmaking leeft, heeft zulke hulpmiddelen niet meer noodig. ')

') Welwillend van hart, rechtvaardig en goedig te zijn is de hoogste religieusiteit. Hem, die dit weet, schijnen alle uiterlijke gebruiken en leerstelsels slechts als krukken voor de gebrek-kigen, die niet op hun eigen voeten kunnen staan. Helaas behoeven de meeste menschen zulke geestelijke en zedelijke krukken. De geestelijk vrije echter werpt ze weg, zoodra hij

ocr page 119

quot;3

146. Eischt de leer de vereering van afbeeldingen, standbeelden of reliquiën van Boeddha of zijne jongeren?

Neen. Boeddha leerde, dat dergelijke gebruiken niets tot de verlossing bijdragen, maar daarentegen licht tot bijgeloof en dwaling leiden.

147. quot;Welke is dan de reden, dat de Boeddhisten de standbeelden van Boeddha met bloemen versieren en daarvoor wierook branden?

Om door een zichtbaar uitwendig teeken hunne vereering en dankbaarheid jegens den Wereld-verlichter te toonen. Zulk een gebruik is dan ook niet verwerpelijk; wie echter meent, daardoor eene bijzondere verdienste te verwerven of zelfs daardoor nader tot de verlossing te komen, verkeert in dwaling.

148. Gebeuren er wonderen?

Neen. Een wonder in den strengen zin des woords ware een willekeurige verbreking der natuurwetten door een of ander bovenmenschelijk wezen. Zoo iets kan niet plaats hebben. Het Boeddhisme

de kracht in zich gevoelt, zonder uiterlijke hulpmiddelen zijn weg te kunnen vervolgen.

In dezen zin zeide de Volmaakte kort voor zijn dood tot de jongeren:

»Weest uw eigen licht, weest uw eigen toevlucht — zoekt geen ander! Houdt vast aan de waarheid als uw toevlucht, verlaat u op niemand dan op u zelf alleen. Zij die nu en na mijn dood hun eigen licht en hun eigen toevlucht zijn, op eigen kracht en waarheid vertrouwen en die zich bij het onverpoosd streven naar volmaking op niemand dan op zich zelf verlaten — deze onder mijne jongeren zullen het hoogste doel bereiken.quot; (Maha-Parinibbana-Soettam).

Boeddha. 8

ocr page 120

114

leert, dat alles zonder uitzondering naar onverbrekelijke wetten geschiedt. Aan deze wetten zijn zelfs de hoogste goden onderworpen.

149. Er zijn toch echter gebeurtenissen en voorvallen, die ons onverklaarbaar zijn?

Ja, zeer vele. Zulke gebeurtenissen hebben plaats overeenkomstig natuurwetten, die nog voor ons verborgen zijn, maar waarvan Boeddha wist, dat zij volkomen met die wetten strooken. Men mag zulke gebeurtenissen en voorvallen dus slechts in overdrachtelijken zin wonderen noemen.1)

150. Waarin bestaat het voorname onderscheid tusschen de leer van Boeddha en andere religiën ?

Het Boeddhisme leert de hoogste goedheid en wijsheid zonder eenen persoonlijken god ; een hoogste

1

Voor den Afrikaanschen neger of den A-nerikaanschen Indiaan is b.v. de telegrafie een wonder, ter vijl wij de natuurwetten en natuurkrachten kennen, waarop zij steunt. In dezelfde verhouding als de wilde tot de telegrafie, staan de onwetende Indiërs en Europeanen tot voorvallen en verschijnselen, die hun onverklaarbaar zijn. Ook zij gelooven dan licht aan een wonder. De graad van wondergeloof pleegt bij den mensch doorgaans in omgekeerde verhouding tot zijn inzicht te staan. Hoe kleiner het inzicht, hoe grooter het wondergeloof.

ocr page 121

ii5

kennis zonder openbaring; eene zedelijke wereldorde en rechtvaardige verzoening, die op grond van natuurwetten en ons eigen wezen met noodwendigheid voltrokken wordt; een voortduring onzer individualiteit zonder eene onsterfelijke ziel; eene eeuwige zaligheid zonder eenen plaatselijken hemel; de mogelijkheid der heiligmaking, zonder eenen plaatsvervangenden heiland; eene verlossing, van welke ieder zelf de bewerker is en die door eigen kracht en reeds in dit leven en op deze aarde kan worden bereikt, zonder gebeden, offeranden, boetedoening en uiterlijke gebruiken, zonder gewijde priesters, zonder bemiddeling van heiligen en zonder de werking van goddelijke genade.

151. Welke is in weinig woorden de geest en

kern der geheele leer?

Drang naar bevrijding van de boeien der individualiteit, van geestelijke, zedelijke en physische banden; drang naar verlossing van de nietigheid en het lijden van het stoffelijk bestaan en de juiste aanwijzing ter bereiking van dit doel.!)

Gelijk de wereldzee, o jongeren, overal doordrongen is van den smaak van het zout, zoo is deze leer en belijdenis op elke plaats doordrongen van den geest der verlossing (Tschoel-lawagga).

De wil om te leven is de ergste van alle ziekten, de individualiteit het grootste kwaad. Wie van dit inzicht diep doordrongen is, die ziet in het Nirwana de hoogste gelukzaligheid.

Dezen heilzamen raad geef ik u allen, die hier verzameld

ocr page 122

ii6

152. Is deze geest en kern der leer niet pessimistisch P

Noch pessimistisch, noch optimistisch. Pessi-mismus en optimismus zijn uitersten, vandaar eenzijdig en even ver van de waarheid verwijderd. Boeddha leerde de waarheid, die in het midden ligt. Het individueele leven is nietig, vol leed, rijk aan dwalingen, teleurstellingen, lichamelijke en geestelijke smarten, reeds van de geboorte al onderworpen aan den dood. Dat is de pessimistische zijde der waarheid. Maar wij zijn niet genoodzaakt dit bestaan door alle tijden te doen voortduren, wanneer het ons niet meer behaagt. Wij kunnen door eigen kracht de bevrijding en verlossing bereiken. Dit, maar ook alleen dit, geeft recht op eene optimistische opvatting.

De stemming van den Boeddhist, bepaaldelijk van den Bhikschoe, is geenszins eene droefgeestige; aan

zijt: roeit den levensdrang met den wortel uit, opdat de god des doods (Maro) u niet telkens weder breke en breke, gelijk de storm het riet.

Wie vervuld is van den levensdrang, is als het wild in den strik. Daarom overvvinne de Bhikschoe den levenslust en streve hij slechts naar dooding der hartstochten.

De wijze beschouwt noch ketenen noch strikken als boeien, maar rijkdom, edelgesteenten, vrouw en kind, in een woord alles wat hem aan het leven bindt. Daarom laat hij dat alles, met zijn lief en leed, varen.

Geef op wat achter u ligt, geel op wat u de toekomst belooft, doe afstand van het tegenwoordig genot, wanneer gij de overzijde van de levenszee bereiken wilt. Hebt gij u geestelijk geheel vrij gemaakt, dan zult gij niet weder aan geboorte en dood onderworpen zijn. (Dhammapadam).

ocr page 123

117

klachten over het leed der aarde en aanvallen van wereldsmart geeft hij zich niet over. Ernstig in dit ernstige leven, maar vol innerlijke blijmoedigheid en vertrouwen, vervolgt hij standvastig den weg des heils, die leidt tot het doel, waar alle lijden en alle dwaling ophoudt. Moge zijn leven den wereldschgezinde, den verblinde vol van ontberingen en vreugdeloos schijnen, hij zelf geniet in het bewustzijn, op den weg ter voleinding en verlossing te Z!jn; in toenemende vrijheid van begeerten en in de reine erkenning der waarheid eene zaligheid, die ver boven alle zinnelijke genietingen gaat. ^

*) Wie de waarde van ernstig nadenken heeft leeren kennen, vindt daarin zijn waar geluk. Hij verheugt zich in het weten der uitverkorenen.

Streef niet naar de ijdelheden der wereld, niet naar een leven vol liefde en lust. De denkende mensch heeft in overvloedige mate vreugde.

In de eenzaamheid van het woud is het goed zijn. Waar de wereldling, die zinnelijke genietingen najaagt, geen vreugde vindt, daar bloeit zij voor hem, die zijne hartstochten overwonnen heelt.

De Bhikschoe, die de ware kennis heeft, verlangt zelfs niet naar de vreugde des hemels. Slechts in de overwinning van alle begeerten en neigingen vindt hij de ware gelukzaligheid.

Zalig zijn, die niet haten. Laat ons daarom te midden van hen die ons haten, leven zonder haat.

Zalig zijn de reinen. Laat ons daarom onder de onreinen in reinheid leven.

Zalig zijn, die vrij van begeerten zijn. Laat ons daarom onder de begeerigen vrij van begeerten leven.

Zalig zijn zij, die niets hun eigen noemen. Zij zijn aan de licht-goden gelijk, die van gelukzaligheid leven.

Gezondheid is de kostbaarste schat, tevredenheid de grootste

ocr page 124

118

153. Zijn al deze leeringen vervat in de heilige boeken (de drie Pitakas) P

Deze en nog vele andere, die Boeddha ons verkondigd heeft.

154. Werden de heilige boeken door Boeddha zelf vervaardigd of geschreven ?

Noch door Boeddha zelf, noch door een der Bhikschoe, die persoonlijk van Boeddha onderricht ontvangen hadden. Het was destijds in Indië geene gewoonte, godsdienstige en wijsgeerige waarheden in geschrifte te bewaren. Zij werden den leerling door den onderwijzer mondeling medegedeeld en hem door voortdurende herhaling, woord voor woord en zin voor zin, letterlijk ingeprent. Op deze wijze werden zij van geslacht tot geslacht voortgeplant. ') Zoo ging

rijkdom, een trouw vriend de naaste verwant, Nirwana de hoogste zaligheid.

Zoet is de eenzaamheid en de vrede des harten; zoet is het vrij te zijn van vrees en begeerte ; zoet is de dronk uit den beker der heilige leer.

De aanblik der uitverkorenen schenkt vreugde, met hen samen te leven gelukzaligheid. Sluit u daarom aan bij de wijzen, bij de geestelijk hoog staanden, de wetenden, de ge-duldigen, de hartstochteloozen, de uitverkorenen.

Leef steeds in hunne nabijheid gelijk de maan in gezelschap der sterren. (Dhammapadam).

') Omtrent het verwonderlijke geheugen der Indische Brahmanen luiden de berichten van alle Europeesche geleerden, die zich met Indische taal en wijsbegeerte bezig houden, overeenstemmend. Max Müller, een der grootste levende autoriteiten op dit gebied, beweert, dat als alle geschrevene en gedrukte Brahmaansche

ocr page 125

ii9

het ook met de leeringen van Boeddha. Eerst verscheiden honderden jaren na Boeddha's dood werden de heilige schriften in den vorm, waarin wij ze thans bezitten, op palmbladen opgeschreven, na de derde groote vergadering der vijfhonderd Theros (oudsten der broederschap) te Patalipoetta onder de regeering van koning Asóko.

155. Wie was Koning Asóko?

Een der machtigste vorsten van Indië. Hij regeerde van 259—222 voor Christus geboorte, nam zelf de leer van den Verlichte aan en streefde er naar, het Boeddhisme over de geheele aarde te verbreiden. Nog ten huidigen dage leggen de steenen tafelen, waarop hij de zedelijke voorschriften van het Boeddhisme beitelen liet, van koning Asóko's werkzaamheid getuigenis af en zijn naam staat bij alle Boeddhisten in hoog aanzien.

156. Is er een esoterisch Boeddhisme, d. i. eene geheime Boeddhistische leer, die niet te boek gesteld, maar alleen door overlevering onder de Arahas bewaard is?

Neen. Boeddha heeft geene geheime leer verkondigd, maar „den weg der bevrijding voor allenquot;; Brahmaansche geheimzinnigheid, mysticisme, occul-

boeken plotseling vernield werden, niettemin de heilige schriften woord voor woord en letter voor letter gemakkelijk weder terug te krijgen waren, daar de Brahmanen ze van buiten kennen. Nog tegenwoordig is het bij hen gebruikelijk, dat de leeraar zijne wetenschap mondeling aan zijne scholieren overlevert.

ocr page 126

120

tisme en esoterisme, deze schuilhoeken van bijgeloofen bedrog, worden door hem verworpen. Eerst nadat het Boeddhisme zich over geheel Indië had verbreid, en naar China en Tibet drong, ontstonden nevens de reine leer onder den invloed van Brahmaansche bespiegelingen ook mystisch-phantastische wereld- en leerstelsels, die als een ontaarding van het oorspronkelijke Boeddhisme zijn te beschouwen. ^1)

') «Aan drie dingen, o jongeren, is de heimelijkheid eigen, niet de oprechtheid: aan de vrouwen, aan de priester wijsheid en aan de valsche leer.

«Drie dingen, o jongeren, schijnen voor de geheele wereld en niet in het verborgene: de maan, de zon, de door den volmaakte verkondigde leer en wereldorde. Deze drie, o jongeren, schijnen voor de geheele wereld, niet in het verborgenequot; (An-goetara-Nikayo, izge Soettam).

Toen Anando den stervende i Boeddha vroeg of hij vóór zijn verscheiden nog eenige laatste openbaringen had mede te deelen, antwoordde de Volmaakte:

»Hoe meent gij dat Anando ? Verwacht de broederschap dat van mij ? Ik heb u de waarheid verkondigd, zonder het onderscheid tusschen exoterische en esoterische leer (algemeene en geheime leer) te maken. Ik ben niet als die leeraren met ge-slotene hand (de Brahmanen), die het beste terughouden.quot;

Tot verklaring moet hier bijgevoegd worden, dat de leiders van de talrijke Brahmaansche secten hunne diepste wijsheid niet aan alle jongeren pleegden te verkondigen, maar slechts aan weinige bevoorrechten, dikwijls slechts in hunne stervens-ure aan dengene, dien zij tot hun opvolger als leider der secte hadden uitverkoren.

Uit den boven aangehaalden Soettam, even als uit het scherpe afwijzende antwoord, dat Anando op dit punt van Boeddha verkrijgt, blijkt ontwijfelbaar, dat de Volmaakte geene geheime leer verkondigd heeft en dat alles wat zich

ocr page 127

121

157. Bevatten de heilige boeken niets anders dan

zuivere waarheid P

Alles wat de heilige boeken leeren over de religie, over het lijden des levens, over onze schuld en den weg der verlossing is zuivere waarheid. Daarnevens echter bevatten zij veel wat niet juist is.

158. Heeft dan Boeddha ook dwalingen geleerd P

Neen, een Boeddha leert niets, wat verkeerd, onjuist of' onwaar is. Maar in den loop der tientallen eeuwen, die sedert zijn voorbijgegaan, zijn in de pitakas eenige boeken en plaatsen opgenomen, die er niet in behooren en in deze bevindt zich menige dwaling.

159. Welke boeken en plaatsen zijn dit ?

Die welke over het ontstaan der wereld, over den vorm en de gesteldheid der aarde, kortom over de natuurwetenschap handelen. Voorts die, welke

noemende adepten van deze richting onder den naam van esoterisch of geheim Boeddhisme in omloop brengen, eene vinding van lateren tijd is

1) Het Boeddhisme heett niet ten doel natuurwetenschap te leeren; het heeft niet te doen met den uiterlijken schijn der dingen, maar met hun innerlijk wezen en staat daarom tot de wetenschap noch in vijandige, noch in afhankelijke stelling.

De ontwikkelde Boeddhist staat tegenover de natuurwetenschap volkomen vrij van vooroordeel, onderzoekt hare resultaten, zonder dat eenige religieuse bedenking invloed op hem heeft, en neemt hare leeringen aan, voorzoover zij hem juist voorkomen. Europeesche geleerden vinden daarom in Boeddhis-

ocr page 128

122

een mystischen of occultistischen inhoud hebben. Deze plaatsen zijn gemakkelijk als latere toevoegse-len te erkennen, daar zij met de grondwaarheden der leer in tegenspraak zijn.

Deze toevoegselen bevatten geene woorden van Boeddha en geen Boeddhist is verplicht ze voor waar te houden.

160. Vermits alles wat ontstaan is ook vergaan moet, is dan niet ook Boeddha's leer vergankelijk '?

Boeddha's leer zal niet vergaan, zoolang het heelal bestaat, want haar geest is de eeuwige waarheid zelve, die in de aardsche vormen van woord

tische landen steeds een vriendelijk onthaal en een aandachtig gehoor.

De Boeddhist weet. dat de wetenschap, als al het aardsche, veranderlijk is, geleidelijk vooruitgaat en vele nuttige en groote dingen leeren kan, welke men in Boeddha's tijd niet wist; dat echter anderzijds, hoe ver de wetenschappelijke ontdekkingen mogen voortgaan, onmogelijk iets aan het licht kan komen, dat tegen de woorden van Boeddha strijdt. Naar de Boeddhistische opvatting is de wetenschap de aardsche zuster der eeuwige waarheid. De wetenschap verheldert ons verstand en maakt het ontvankelijk voor de hoogere kennis; de eeuwige waarheid echter, die Boeddha geleerd heeft, leidt tot verlichting en verlossing.

Wie de vier heilswaarheden ten volle heeft leeren kennen en begrijpen, kan zijnerzijds de wetenschap missen, terwijl de uitgebreidste wetenschappelijke kennis, van het standpunt der hoogere waarheid bezien, nog altijd tot het niet-weten (awidscha) behoort, daar het niet leidt tot verlossing van het lijden en van de wedergeboorte.

ocr page 129

123

en begrip ingekleed en in den persoon van den Wereldverlichter levend geworden is.

Haar uiterlijke vorm en inkleeding is echter vergankelijk; in eiken, naar duizenden jaren tellenden, leeftijd van het menschelijk geslacht wordt een nieuwe Boeddha geboren, die de leer van het lijden en de verlossing in een nieuwe voor zijnen tijd passende inkleeding verkondigt.

ocr page 130

De broederschap der uitverkorenen (Sanglio). ')

161. Wat verstaat men onder de broederschap der uitverkorenen?

Onder de broederschap der uitverkorenen (Sangho) verstaat men de vereeniging van allen, die als ware jongeren en navolgers van Boeddha de wereld verlaten en het verhevene achtdeelige pad der bevrijding en verlossing betreden hebbtn.

') Het woord «Sanghoquot; is hier met broederschap der uitverkorenen vertaald, ofschoon deze vertaling het begrip niet volkomen juist teruggeeft. De Sangho is de broeder-vereeniging van alle Bhikschoc en Samanen, de ware jongeren en navolgers van Boeddha. Noch voor Bhikschoe, noch voor Samano vindt men in het Duitsch een volkomen passend woord. Bhikschoe beteekent letterlijk bedelaar. De Bhikschoe zijn echter geene bedelaars in den modernen Europeeschen zin van dit woord, dat in Europa eene vernederende en onteerende betee-kenis heeft. Met Samano daarentegen wordt diegene aangeduid,

ocr page 131

125

162. Wie heeft het recht tot deze broederschap toe te treden P

Ieder, zonder aanzien van ras of kleur, van rang, stand en geslacht, die met woord en daad het vaste besluit te kennen geeft, voortaan alleen de verlossing te willen nastreven en wien om geene der bij de inzettingen bepaalde redenen de toetreding verboden is.

163. Wie worden door de inzettingen van opneming uitgesloten?

Allen die met besmettelijke of ongeneeslijke ziekten behebt zijn; kinderen beneden 15 jaren; slaven

die zich ten behoeve zijner geestelijke ontwikkeling van alle wereldsche genietingen onthoudt, alzoo een asceet in hooge'-beteekenis. Het ware wellicht het eenvoudigste en doelmatigste Bhikschoe doorgaand door «bedelmonnik» te vertalen, gelijk hier en daar in den tekst is gedaan, doch ook daardoor zou misverstand ontstaan zijn, vermits de Bhikschoe geene bedelmonniken in den christelijken zin van dit woord zijn, daar zij geene gelofte van gehoorzaamheid jegens eene geestelijke overheid afleggen. Bhikschoe met priester te vertalen, gelijk vele Europeesche geleerden hebben gedaan, gaat in het geheel niet aan, want de Boeddhistische Bhikschoe hebben geenerlei priesterlijke wijding of voorrechten. Er bleef daarom niets anders over, dan zich te behelpen, zooals het hier is gedaan, daar in de heilige boeken de Bhikschoe of Samanen ook dikwijls de sAriyostc, de edelen of uitverkorenen genoemd worden, en dit het best met hunnen aard en hunne stelling te midden der groote volksmassa overeenkomt. Want de verhevene achtdee-lige weg is niet voor de armen van geest, maar voor de edelen, de hoog strevenden, die de stoffelijke genietingen van het leven verachten en alleen naar waarheid en bevrijding verlangen; voor de geestelijk sterken, die de waarheid kunnen verdragen en hun leven daarnaar richten.

ocr page 132

126

en lijfeigenen, zoolang zij niet op wettige wijze de vrijheid hebben verworven; allen, die van overheidswege vervolgd worden, zoolang zij niet van rechtsvervolging ontslagen zijn of hunne straf ondergaan hebben; schuldenaren, zoolang zij hunne verplichtingen niet zijn nagekomen; soldaten en beambten, van welken rang ook, zoolang zij in dienst zijn, en minderjarigen, zonder verlof van hunne ouders of voogden.

164. Op welke wijze heeft de opneming in de broederschap plaats ?

Door het aannemen van het gele gewaad van de Bhikschoe. Dit „uitgaanquot; (Pabbadscha) uit de woonplaats in de woningloosheid, uit het wereldsche leven in de teruggetrokkenheid van het klooster of in het kluizenaarsleven is de eerste voorbereidende stap. De nieuweling (Samanéro) heeft dan onder opzicht van een geestelijken leeraar (Oepadschayo) of leider (Atscharyo). dien hij onder de broeders zelf kiezen mag, een proeftijd door te maken, voordat hij als volgerechtigd lid der broederschap opgenomen wordt.

165. Welke plichten heeft de Samanéro tijdens zijn proeftijd te vervullen P

Van den dag af, waarop hij het gewaad heeft aangenomen, is hij onderworpen aan alle verplichtingen der broeders. Hij moet zich geheel onttrekken aan het gewoel der wereld, de tien geloften streng in acht nemen, zich ijverig wijden aan de studie der heilige

ocr page 133

127

schriften, aan zelfbespiegeling en ernstig nadenken, de inzettingen en voorschriften omtrent een reinen levenswandel en zedelijke tucht getrouwelijk opvolgen en nog slechts het ééne doel nastreven, door vastberaden voortschrijden op het verhevene achtdeelige pad, de bevrijding, de verlossing, het Nirwana te bereiken.

Nadat de Samanéro in de rechte uitoefening van alle geloften, inzettingen ea voorschriften onderricht is en zijn proeftijd onbesproken ten einde gebracht heeft, volgt in eene plechtige vergadering der broeders door den oudste of overste (Thero) zijne opneming (Oepasampada) als Bhikschoe.

166. Hoe luiden de tien geloften voor de broederschap ?

1°. Ik beloof geen levend wezen te dooden of te kwetsen.

1°. Ik beloof, niets te nemen wat mij niet behoort of vrijwillig gegeven wordt.

3°. Ik beloof, in algeheele kuischheid te leven. ^

*) Voor den Bhikschoe is het leven in volkomen kuischheid noodzakelijk, echter niet omdat de intieme omgang met de andere sekse onrecht of zonde zou zijn. De mensch, die de natuurlijke aandrift volgt, begaat geen onrecht, zoolang hij daarmede niemand kwetst of benadeelt. Doch elk zinnelijk genot heeft zijn oorsprong in den zelfzuchtigen wil om te leven en het genot van geslachtelijk verkeer is de sterkste uitdrukking van dien wil. Geen ander genot verzwakt in zulke mate de geestelijke en zedelijke krachten, waarover de Bhikschoe de volle beschikking moet behouden, om de verlossing te kunnen bereiken.

ocr page 134

128

4°. Ik beloof, steeds de waarheid te spreken, niemand te beliegen, te bedriegen of te lasteien.

5°. Ik beloof, mij van alle dronken makende, opwekkende en verdoovende genotmiddelen te onthouden.

6°. Ik beloof, niet te eten buiten de voorgeschreven tijden. ^1)

7°. Ik beloof, mij te onthouden van het dansen, het zingen van wereldsche liederen, het bezoek der openbare tooneelvertooningen en muziekuitvoeringen, en in het algemeen van alle wereldsche vermakelijkheden.

8°. Ik beloof, mij van ijdelheden te onthouden, en het gebruik na te laten van sieraden van allerlei aard, van welriekende wateren, zalven en oliën.

9°. Ik beloof, het gebruik van weelderige bedden te vermijden en op eene harde, lage legerstede te slapen.

io0. Ik beloof, steeds in vrijwillige armoede te leven.

167. Waarin bestaan de inzettingen voor de broederschap ?

In de door Boeddha gegevene voorschriften voor een reinen en heiligen levenswandel, die vervat zijn in het Vinayo. Zij kunnen in hoofdzaak in vier afdeelingen worden samengevat:

1°, Voorschriften, die betrekking hebben op de uitwendige tucht en orde.

,) Na den middag mogen de Bhikschoe geen vasten kost meer gebruiken.

ocr page 135

129

20. Voorschriften, voor de juiste aanschaffing en het gebruik van levensmiddelen, kleederen en andere noodzakelijke levensbehoeften.

3°. Regelen, hoe zich te gedragen ter overwinning van zinnelijke begeerten en hartstochten.

4°. Hulpmiddelen ter bereiking van hoogere geestelijke kennis en zelfvolmaking.

168. Welke zijn de acht deelen van het verhevene pad ?

1°. De rechte kennis; vrij van vooroordeelen, bijgeloof en waan.

2°. Het rechte willen ; den edelen verlichten mensch waardig.

30. Het rechte ivoord; goedig, eenvoudig, waarachtig.

40. De rechte daad; vredelievend, rechtschapen, welwillend en rein.

5°. Het rechte leven; een zoodanig, dat aan geen levend wezen nadeel of schade toebrengt.

6°. Het rechte streven; onverpoosd en onder inspanning van alle krachten op overwinning van onwetendheid, van de begeerten en van den wil om te leven gericht, alleen het hoogste doel in het oog houdend.

7°. Het rechte denken; rechte tegenwoordigheid van geest, rechte herinnering van alle goede voornemens en gemaakte ervaringen in het oogen-blik der zwakheid of verzoeking.

8°. Het rechte in zich zelf inkeer en; met de zinnen, het waarnemings- en denkvermogen zich geheel

BOEDDHA. 9

ocr page 136

13°

van de buitenwereld afkeeren, en opgaan van het zelfbewustzijn en den wil in de reine kennis der waarheid.

169. Kan iemand na de opneming nog weder uit de broederschap uittreden?

Ten allen tijde. De Boeddhistische leer en de voorschriften der broederschap kennen geen „eeuwigequot; gelofte noch dwang. Wie terug verlangt naar de genietingen der wereld, kan aan den overste zijn zwakheid bekennen. De broederschap houdt hem niet terug, en de uittreding staat hem dan rechtens vrij, zonder dat hem daardoor eenige smaad treft.

Den Bhikschoe of Samane echtar, die het gewaad dat hij draagt en de heilige gemeenschap, tot welke hij behoort, onteert, door zich aan zware overtredingen der geloften schuldig te maken, treft de hardste straf, die de voorschriften kennen: zijne uitstooting uit de broederschap.

170. Mogen de broeders naar goedvinden hunne woonplaats kiezen ?

Neen, zij moeten of in kloosters (Wiharos) of als kluizenaren in het woud leven.

') De vrouwelijke leden der broederschap (Bhikshoeni) wonen natuurlijk in eigen kloosters te samen. Het leven in de eenzaamheid is haar niet geoorloofd, en zij zijn steeds aan het toezicht van de oppersten der broederschap onderworpen.

ocr page 137

i3i

171. In welke verhouding staat de broederschap tot de wereldlijke aanhangers?

In eene zuiver zedelijke, in geene uitwendige verplichting wortelende verhouding. De broeders moeten voor de wereldlijke aanhangers levende voor beelden van onthouding, zelfverloochening en heiligheid zijn, hun op hun verzoek de leer verkondigen en uitleggen en hun in alle levensomstandigheden, waarin zij opbeuring en troost behoeven, geestelijken raad en bijstand schenken, gelijk Boeddha deed, wiens jongeren zij zijn.

172. Hoe moeten de wereldlijke aanhangers zich jegens de broederschap gedragen ?

Zij moeten aan de broeders de hun toekomende achting en eerbied bewijzen en voor hun onderhoud (voeding, kleeding, woning enz.) zorgen. Daardoor verwerven zij zich verdienste en bevorderen zij hun eigen welzijn in deze en volgende geboorten. ')

173. Heeft de broederschap geestelijke macht over de wereldlijke aanhangers?

Neen. De Boeddhistische leer kent noch banvloek, noch boeten, noch uitwendige tuchtmiddelen

l) Het schenken van giften aan de broederschap is voor den wereldlijken aanhanger geen splichtquot;. Wat hij geeft, geeft hij vrijwillig, geleid door de overtuiging, dat hij daarmede zijn eigen welzijn bevordert. Naar de Boeddhistische leer is niet de Bhikschoe den Upasako dank schuldig voor eene ontvangene gift, maar laatstgenoemde dcngene die de gift aanneemt, omdat deze hem de gelegenheid schenkt, zich door het uitoefenen der weldadigheid verdienste te verwerven.

ocr page 138

132

voor de wereldlijke aanhangers. Maar de broederschap wijst met een Upasako, die zich schuldig maakt aan zware zedelijke vergrijpen, of die Boeddha, de leer of de broederschap smaadt, alle gemeenschap af door voor hem de aalmoezenschaal om te keeren, d. i. hem onwaardig te verklaren, voortaan aan de broeders gaven te schenken.

174. Hoe moet naar de woorden der leer de ware Bhikschoe zijn?

„Wie, tot het doen van het goede voorbereid en gewillig,quot; zoo leeren de heilige schriften, „naar dien staat van hoogsten vrede, het Nirwana, verlangt:

„die zij zonder valschheid, rechtschapen en nauwgezet, in woorden zacht, vriendelijk, bescheiden, tevreden en weinig behoevend, zonder zorgen, rustig van hart, zonder aanmatiging, zonder begeerte;

„hij doe niets laags, leve steeds naar de heilige leer en voorschriften in gedachten, woorden en daden, hij bevestige in zich de kennis der vier heilswaarheden en bewandele onkreukbaar het verhevene, acht-deelige pad;

„voorspoed doe hem niet juichen, tegenspoed niet treuren; waardeering make hem niet hoogmoedig, smaad en vervolging mogen hem niet ter neder drukken; steeds beware hij de gelijkmoedigheid van hem. die van zelfzuchtig willen vrij is;

„hij zij steeds indachtig, dat niet het gewaad den Samane maakt, noch de opvolging in uiterlijkheden van de geloften en voorschriften, noch het leven in

ocr page 139

133

eenzaamheid, armoede en nederigen stand, noch het weten en de geleerdheid. Alleen wie vrij van alle zinnelijke neigingen en begeerten en rein van hart is en de zelfzucht overwonnen heeft, is een der ware jongeren van den Verlichte ;

„daarom streve hij slechts naar innerlijke volmaaktheid ; hij kweeke in zich de kennis der waarheid, de gelijkmoedigheid en de welwillendheid;

„hij zij jegens alle levende wezens, in deze en volgende werelden, zwakke en sterke, lage en hooge, goede en booze, nabijzijnde en ver verwijderde, jegens allen zonder onderscheid welgezind;

„hij misleide niemand, bedreige niemand, verachte niemand, krenke niemand. Gelijk eene moeder op haren eeniggeborene, zie hij vol medelijden en welwillendheid op alle levende wezens; eiken dag, elk uur bevestige hij in zich deze gezindheid;

„gelijk een diep bergmeer, helder en effen, zij het gemoed van hem, die het verhevene, achtdeelige pad bewandelt;

„want wie vrij van bijgeloof en waan, van hoop en vrees, hartstocht en begeerte, liefde en haat, in rein heid wandelt, het streven naar bestaan geheel overwonnen heeft en de kennis der waarheid heeft verworven, zal aan het lijden en aan de wedergeboorte ontkomen en in het hoogste Nirwana ingaan.quot;

ocr page 140

132

voor de wereldlijke aanhangers. Maar de broederschap wijst met een Upasako, die zich schuldig maakt aan zware zedelijke vergrijpen, of die Boeddha, de leer of de broederschap smaadt, alle gemeenschap af door voor hem de aalmoezenschaal om te keeren, d. i. hem onwaardig te verklaren, voortaan aan de broeders gaven te schenken.

174. Hoe moet naar de woorden der leer de ware Bhikschoe zijn?

„Wie, tot het doen van het goede voorbereid en gewillig,quot; zoo leeren de heilige schriften, „naar dien staat van hoogsten vrede, het Nirwana, verlangt:

„die zij zonder valschheid, rechtschapen en nauwgezet, in woorden zacht, vriendelijk, bescheiden, tevreden en weinig behoevend, zonder zorgen, rustig van hart, zonder aanmatiging, zonder begeerte;

„hij doe niets laags, leve steeds naar de heilige leer en voorschriften in gedachten, woorden en daden, hij bevestige in zich de kennis der vier heilswaarheden en bewandele onkreukbaar het verhevene, acht-deelige pad;

„voorspoed doe hem niet juichen, tegenspoed niet treuren; waardeering make hem niet hoogmoedig, smaad en vervolging mogen hem niet ter neder drukken; steeds beware hij de gelijkmoedigheid van hem. die van zelfzuchtig willen vrij is;

„hij zij steeds indachtig, dat niet het gewaad den Samane maakt, noch de opvolging in uiterlijkheden van de geloften en voorschriften, noch het leven in

ocr page 141

133

eenzaamheid, armoede en nederigen stand, noch het weten en de geleerdheid. Alleen wie vrij van alle zinnelijke neigingen en begeerten en rein van hart is en de zelfzucht overwonnen heeft, is een der ware jongeren van den Verlichte ;

„daarom streve hij slechts naar innerlijke volmaaktheid ; hij kweeke in zich de kennis der waarheid, de gelijkmoedigheid en de welwillendheid;

„hij zij jegens alle levende wezens, in deze en volgende werelden, zwakke en sterke, lage en hooge, goede en booze, nabijzijnde en ver verwijderde, jegens allen zonder onderscheid welgezind;

„hij misleide niemand, bedreige niemand, verachte niemand, krenke niemand. Gelijk eene moeder op haren eeniggeborene, zie hij vol medelijden en welwillendheid op alle levende wezens; eiken dag, elk uur bevestige hij in zich deze gezindheid;

„gelijk een diep bergmeer, helder en effen, zij het gemoed van hem, die het verhevene, achtdeelige pad bewandelt;

„want wie vrij van bijgeloof en waan, van hoop en vrees, hartstocht en begeerte, liefde en haat, in rein heid wandelt, het streven naar bestaan geheel overwonnen heeft en de kennis der waarheid heeft verworven, zal aan het lijden en aan de wedergeboorte ontkomen en in het hoogste Nirwana ingaan.quot;

ocr page 142

Uitgaven van Gebr. E. amp; M. COHEN, Arnhem en Nijmegen. D R A P E R.

Geschiedenis van de worsteling tussclien Godsdienst en Weten-.schap. Opnieuw bewerkt door Mr. P. F. Hubrecht fl?25

Prof. Kuenen erkent in Draper's taal «niet die van een vijand van den «godsdienst, veeleer van een voorstander, die daarom juist prijs stelt op «zijne zuiverheid en zijne ontaarding betreurt.quot; Hij wijst er op dat de schrijver wel gewaagt van de verandering der godsdienstige windselen onzer maatschappij, maar dat hij geenszins zegt of bedoelt dat zij deze zal afleggen.

Voorstander van wetenschap schetst Draper hare worsteling met leerstellige kerkelijke geloofsbelijdenis, doch laat altijd den godsdienst met vrede. Eén enkel ongodsdienstig woord wordl in zijn boek te vergeefa gezocht. Hij schrijft: »de wetenschap schenkt ons grootscher inzicht in het heelal «en leert ons eerbiediger opzien tot God.'' Godsdienst die wetenschap uitsluit, past in zijne denkbeelden evenmin als wetenschap die godsdienst versmaadt. Hij veroordeelt noch bestrijdt wetenschap zonder godsdienst, evenmin godsdienst zonder wetenschap.

B E N E K E.

Zielkunde voor Nederland bewerkt, f0,75

Gedeeltelijke inhoud : De zinnen van den mensch — Vermogens en prikkels

_ Indruksels — Geheugen — Vasthoudingskracht — Ontstaan der be-

giippen — Oordeelskracht — Besluiten — Hartstocht — Bewegelijke elementen — Overvloeiing — Krachtige en zwakke zielebeelden — Onaangename aandoeningen — Afkeer, afschuw — Groepen en reeksen

_ Doel en Middel — Willen, wenschen — Gevoelsfactoren — Omvang

der gevoels-acten, fiischheid van het gevoel — Begeering, gevoel — Waarneming — Helderheid, donkerheid, onduidelijkheid (verwardheid) — Waardeering — Trappen van goed en kwaad — Onzedelijkheid, bedorven wii — Plicht, geweten — Vrije wil — Dankbaarheid, gunst, krenking — Eer en roem — Genegenheid en afkeer — Hoop en vrees — Bewustzijn en Opgewektheid — Bewustwording — Onwillekeurige invallen — Geheugen, herinnering en voorstellingen der verbeelding — Slaap, a,00m — Inwendige zinnen, inwendige waarneming — Van het Ik — Over rede en redevatbaarheid — Kracht en stof, ziel en lichaam — Noodzakelijke scheiding der ziel van hel lichaam, dood ; voortduring van de ziel na den dood. _

SCHOPENHAUER.

De vier hoeksteenen der wereld. De dood. — Het leven. De Vrouwen. — De Godsdienst. 4 deelen in 2 bundels, bewerkt en met vele belangrijke aanteekeningen door D. Kiehl. in 2 stem-pelbanden f3gt;90

Inleiding tot Schopenhauer's Werken :

De tijd zal komen dat wie niet weet wat ik over een onderwerp gezegd heb daardoor zal toonen een weetniet te zijn.

ocr page 143
ocr page 144
ocr page 145
ocr page 146