ocr page 1

5«*-

Stoifftettpawmtttif

mit

amp;

ÜBtttigeu unb ÜBerfc^iaigen

%•gt;

i'

für bie

aiJittelflaffen fyöljerer 2ct)tanftolten

bon

% Sco^ioïï»

M'

^1

IDferte Huflage.

3 i ■

ocr page 2
ocr page 3

W. H. de uRlJS

3liiif(|ctt0rcniincttf

mit

Üknjjeu unb Üöcrfe^uugcn

für bie

i 11 c (f I a) f e n 1} ö f) c r e r 2 c () x n u ft alten

üon

% Sco^o(ï) gt;3].

\^

W i e r t c H u f (a g e.

r'-'.x'S ' \Vi

/lt;k-

/ ^ /

^ \

33 r e b a, i\ v-8. 'J?ieuitien[)uijê, 1895.

\ jl '

- £ • 6 r lt;» '■ '

ocr page 4

Alle exemplaren moeten geteekend zijn door den Schrijver.

ocr page 5

V O O R B E II1 C H T.

Zooals de lilcl — slechts indirect ciyen rinding — reeds aanduidt, is dit buek bestemd, een soort ran schakel te vormen tnsschen de „Inleidingquot; en het „Lehrbuchquot;. Moeielijk teas het de grenzen te trekken, tusschen welke het zich had te heiregen: aan de eene zijde mocht het in de Inleiding, aan den anderen kanl in het Lehrbuch niet te diep ingrijpen. Naar mijn rermogen heb ik getracht te dezen opzichte het rjiiste milieu,'quot; te houden, waardoor het hoek ook — ja even goed — bruikbaar is voor leerlingen, die een ander werkje hebben bestudeerd, en tevens een zooveel mogelijk afgerond geheel vormt. Me dankt, dat met de Zwischengrainmntik een begin zou kunnen worden gemaakt in het tweede semester van het 2de studiejaar, of met den 3den cursus van hoogere burgerscholen en ggnmasiën.

Over de indeeling van de leerstof behoeft weinig gezegd te worden. Wie bij moza'ikwerk zweert en na elk regeltje een paar thema's ter verwerking wenscht, zal met dit hoek niet wegloopen. Immers deze lepel maat heb ik, als minder noodig voor den 3den cursus, niet toegepast. Mocht echter iemand meenen, dat S pag. theorie te veel is (h.r. pag. oO—38_), en dat het verkieslijker geweest ware, de Eigennamen met bijbehoorejide thema's van het Lidwoord te scheiden, eilieve, wat weerhoudt hem een paar Ihema's (32 en 33) te laten vertalen, voor en aleer hij tot het Lidwoord overgaaf. Hetzelfde geldt van de Werkwoorden. Wie liever eerst de zwakke werkwoorden afhandelt, rertale Aafg. (13 en 01, alvorens met de sterke vervoeging te beginnen.

Sommigen zullen het aantal thema's en oefeningen wat groot, anderen wellicht niet groot genoeg vinden; mogelijk houdt ook deze of gene ze voor wat lastig of pittig. Zooveel meen ik te mogen verzekeren, dat ze noch ondoordacht neergeschreven, noch grootendeels nageschreven zijn, vele aphorismen bevatten, die iets te denken geven en zich hij voorkeur op 't veld dei' Umgangssprache bewegen. Moeielijk is het, niet zelden zelfs onmogelijk, het iedereen naar den zin te maken:

ocr page 6

maar hiernaar te streven is, meen ik, de eerste plicht van ieder, die een schoolboel' schrijft. Schiller's zoo dikwijls kwaHJk hegrepen woord: „Vielen (jefcillen ist schlimm* kan hier slechts ten dcele toepasselijk worden geacht.

Aan de vroeger geuite zienswijze aangaande het geven der taalregels in het Duitsch (zie voorbericht „Inleiding') blijf ik getrouw, al moge eene tegenovergestelde leer, meer of minder avodictisch verkondigd, haar aanhangers en belijders vinden.

Eventueele wenken van welwillende zijde hoop ik met erkentelijkheid mij ten nutte te maken. Mijn danl' te dezer plaatse aan mijne geachte collega's, de hit. Altena uit Nijmegen, en Deelman uit Deventer, die zich de moeite wel hebben willen getroosten, het manuscript nauwkeurig na te lezen, en mij door hunne op- en aanmerkingen ten zeerste aan zich hebben verplicht.

Breda, April 1888.

.1. LEOPOLD Hz.

BERICHT VOOR DEN DERDEN EN DEN VIERDEN DRUK.

Deze druk (de 3de) heeft, evenals de vorige, slechts geringe wijzigingen ondergaan. Uier en daar zijn wederom kleine leemten aangevuld of onjuistheden verbeterd; — tevens zijn sommige thema's gesplitst (zoo de nÜS. 29, 30 en 31 en 12!)—130), terwijl eene thema geheel nieuw is (nquot;. 5!)). — Ten gerieve van hen, die 't wenschelijk achten, dat elk onderdeel der besproken theorie onmiddellijk toepassing vinde, is meermalen het nummer der verlangde thema's en oefeningen in de theorie opgegeven.

Ook de 4de oplaag is nagenoeg onveranderd gebleven. Hier en daar zijn kleine verbeteringen aangebracht, terwijl het aantal thema's over den JïonjunftiD met één is vermeerderd.

Juni 1892, Juni 1895. J. L.

ocr page 7

.öaujjtiuovt okt SuBftautit).

A. (§cfrfjlcrfjt ober (Seuuê.

Sn ben mciften fatten jtuar ftimmt bo§ föcidjfecïjt bev Subftantiüc in ben Êetbcn Spraken üfierein; bic 3aï)l bcr 3(6n)eirf)ungcn jeboef) iff Segton. Söir moïïcn UerfudOcn, bic midjtigftcn Unfcrfc^icbe üficrfidjflid) 3u)ammen= jufivingen.

sJJlanuItff) fiub (nod) ber jyonu):

I. Sic meifien e i u) i 11) i g e u SSörtcr 1), befonberê bic akrbalfttimmc. Sicfc ütcget gift im affgcincincn au^ für unjere Sprake.

93oti ben 5n()(rctff)cu 3luênaf)mcii unb Stbroctójungcn nonnen wir:

2ic «rftcit, arbeid m. bic Suft, lust m. bic Sdjvift, het schrift,

bic gomt, vorm m. bic Sïadjt, nacht m. bic Spur, het spoor,

bic (Slut, gloed m. bic Dïot, nood m. bic Utjr, het uur, horloge,

bic Sadjt, het jacht, bic 5|}flicï)t, plicht m. bic Söanb, wand nr.

bic .ftoft, kost m. bic Sttjnuitf;, smaad m. bic Qa^l, het getal,

bic Soft, last m. bic Sd;nur, het snoer, bie Scit, tijd m.

Sficil, bijl w. ba§ S)rcicc! driehoek, m. bo§ fiinn, kin w. ba§ Soot, boot w. bo§ Sap, kaap w. ba§ ftuic, knie w.

1

1

$ierju getjbren (eTbftDcrftanMicf) mcf|t SBijrter luie: gr au, a)!ogi) jc. [Seamen Weibfidjet ^5ev)onen]j ii-' uE), ® ei§ jc. [^ïarnen njci6ïid)er Sicrc]; fSdjluciii. ^Jferb, © dj a f, jc. [Scjeidjmmgen ber aUgemeinen ©attimg, of)ne Serücffidjtigung bcê (ücfdjledjtê] ^atb. Sa mm, 5ïinb :c. [tauten für ba§ 3unge, nod) Uneutmicfeïte, bei benen baê @ejd)Icd)t im6etücffid)tigt btsibt]; Suft, Sunft, 's)Jrad)t: SBab, @rab 3C. luetdje bei bem lueibfidjcu ©efdjïedjt ober bei ber Seïlination augegebcn loerben.

ocr page 8

■ ■ ■ • ■ ■ —

bas Sob, lof m. ba§ ïïïoê, maat w. bas ffllnul, muil m.

ba§ Cl, olie w. bnë 9(c(), ree w. ba§ SieD, zeef w.

35oit ben m ii n u l i d) e n bcutj^cn anbci'cS @e)(I)lcd)t (jaben, nonnen mir:

bn§ SEÏjor, poort w. ba§ Sl'cvft, werf w. ba§ Qclt, tent w. SZBörtcvn, bic bei itnê cin


bcr ^cut, het park, bcr ipion, het plan, bcr ^loti, plaats w. ber 5Punft, het punt, bcr 9ïaum, ruimte w. bcr üicim, het rijm, bcr Saai, zaal w. bcr ©aft, het sap, bcr Scfjluji, slot, be-(sluit,

bcr Sc£)ncc, sneeuww.

®er 33ad), beek w. bcr gladjS, het vlas, bcr glcijj, vlijt w. bcr 5nquot;B, vangst w. bcr glug (bcr 35öf(cl), (vlucht w. bcr groft, vorst w. bcr §irid), het hert, bcr Sctjm, klei w. bcr Soljn, het loon,

ber 33cid)(u{i, het besluit bcr !Pejud), het bezoek bcr betrag, het bedrag ber 33etrug, het bediog bcr33e«)eis (bcr®clcg), het be-(wijs.

bcr föeinng, het gezang bcr ©cidjtnocf, de smaak m. bcr ©ennnn, de winst w. iber (vnijdjluj;, het besluit bcr (fniltrnrj, het ontwerp bcr gmpfnng, ontvangst, w.

GE

ENT

ER

ber SJcrfeljr, het verkeer bcr Skrluft, het verlies bcr ffierrat, het verraad ber SBerftnnb, het verstand ber SBcxtrng, het verdrag bcr fficrmeiB, het verwijt.

93egier (®egicrbe): — bic ®cburt,

ber DJiartt, markt w.

II. 23ci weitem bie SJicfjtjal)! bcr herbal [tamme, bie mit einer 3S o r f i 10 e ncrbunbcn finb [be, ge, cv, cut. Der]. IDie midjtiöfteu finb;

$cr «efetjt, het bevel bcr SBcgtnn, het begin 2E lt;( bcr Scgriff, het begrip bcr SBcrid;!, het verslag ber 58cfitj, het bezit

ber Srtrag, opbrengst w. ' ®cr ®ertianb, het verband \ ber ajcrbndjf, de verdenking w. VER^ bei; ®er')rufe' liet verdriet % ber herein, de vereeniging ber fficrfnll, het verval ber Serglcid), het vergelijk s3lu§nal)mcu: ^os s?cfiecf') sic

bcr grfjuü, het schot, bcr Sdjlnntmn, het (zwam, spons w. bcr €d)ïiiuli, het vuil, bcr €d)raciB, het zweet, bcr Spccf, het spek, bcr Sporn, spoor w. bcr Staub, het stof,

(stuifzand), bcr Stoff, stof w. bcr S3er§, het vers.

$er ©cbraud), het gebruik bcr ©cnufi, het genot ber ®crud), de reuk m. $cr grfülfl, uitkomst w.

(het succes ^ ber (irintj, vergoeding w.

*) etui, koker; vooral lepel en vork (met of zonder foedraal).

ocr page 9

3

iie ©cïiiilb, bie ©cfaljv, bic @effalt, bic ®cl»a!t; — bug (Mot, ®c[)ör, •®ett)el)r, ©cmüt, ®clgt;cin, ®efd)rci, ©cioiil)! unb mcï)r ffidjlitfie (®.'l6); —' Soö fficrbot, SScrbcdf, SBcrljöt, ffierlicg (kerkerhol) unb Sic Scvnunft (rede. -denkvermogen).

III. £ie meiftcu sJlDIeitungen ouf =01, --er unb =cu, roie:

$cr SSJUrfcI (dobbelsteen), bcr etadjet (angel), bcr 9iüf)cl (slurf), ber glügct; — bcr ©ompfer (stoomboot), bcr ïljalcr, bcr Splitter ■(splinter), bcr 31nfcr, bcr ginger, bcr SBoIjrcr; bcr Scgcn, bcr Sfiogcn, ier Dfcjcn, bcr Dïutjcn (het nut), bcr ïropfen, bcr «'Jagen.

®icfe finb oud) bet unê notttjicgcnb mannlid); bic Sluéna^mcn 1) in bcibcn Spradjcit finb eiber iiirfit feiten Peri'djicbcn. 3i!ir iicnnen:

3(uf cl: $ie 93ibel (bijbel), bic iKcgcl,

bic (Sidjcl (eikel), bic êct)ü}je[ (schotel),

bic ftngel (kogel), bic SBurjcl (wortel).

ÜDicfe SSörter finb bei unê utannlid). —

$tc Sattel (dadel), ©abel, bic êidjd sikkel,

bic gabel, bic ®onbc(, bie ïafel, bic ïrommel,

bic aiiufdjcl (schelp, mossel), bic ai'affcl (wafel).

Ticfe SBorter finb and) bei unê in ei bi id). —

?luf cv: $ic tfeber, bic Wouer, bic Cttcr,

bic $aucr (duur), bic gdjutter (= bic Sldjjcl).

3)iefe SEörtcr finb bei nnê m a n n (i d). —

$ic «bcr. Slufter (oester), bic ffiuttcr, bie geber, bie Scber, Scier (lier), bic Scitcr (ladder), bie .Rammcr, bie 9iatier (adder), bic Qitljer.

®icfc SBörtcr finb oud) bei nnfi meiblid). —

ïnê Slltcr, ouderdom m., leeftyd, bas llfer, oever m.

ba§ Sanncr, banier w. ba§ Ungel;cucr, het monster, ge-

ba§ gieber, koorts w. (drocht,

baë Safter, ondeugd w. ba§ Scpter, schepter m.

bo§ 93ïuftcr, het monster, model, baê Simmer, kamer w.

ÏÏufiaÜig ift nod) bnê @efd)Ied)t fulgenber aförtcr:

SKmojen, aalmoes w. Sffiicicf, wezel m.

1

®ie meificn Sluênofjmtn finb in foljenbent atcim, bcr nad) Sclictcn crlrcitert teerbrn .lonn, 3iijamtiu'ngcbrQcl,t:

®ie S-odct, ScSer, SBilicl, bic Sommcv, Sanjri, Sïutdieï, Sïaucr,

bic l$id)cT, SBur^eï, bie 9ïötter, §eci;c!, 'X aucr unb Jraucr,

bic Sutter, Seiiimer, SSoffcI, bie Sifter, ïïiiimuer, Oper, Oeier,

bie (ëdiadjtet, i'citer,. (Staffel, bic Slra|el, Orgel, Srommet, Seier.

bic Snoet, Syfffet, ijobet,

bie -tafel, gdjüffel, @aDet.

ocr page 10

4

bo§®cf)QrmüljeI,schermutselingw. bo§ Shibet, troep zwijnen, hon~ ®ic Sibcl, het ABboek, (den. —

bie Shimmer, hot nummer, Öic 3nic(, het eiland,

2;ei- lücfadcn, hot genoegen, wel- bic Orgel, hot orgel,

(behagen, bie Siffer, hot cijfer. —

ber Siirm ober Carmen, het alarm, Scr haven w.

(leven, ber Sdjaben, schado w.

IV. ®ie ^Ibfeitungen auf =19, ■id), =virf), =IIiiö, mie 5. 23..

3:ci- pfennig, Seiiig (sijsje); ber firaniet) (kraanvogel); ber grüf)ling (ber Senj), ber ^cinfling (vlasvink), §eting, Sperling (ber Spalj) zc.

Slnmcrf. Sicfc atcgeï gitt im QKgcmeinen and) für ba« 9ïiebcrïanbifd)c — infofern tuir bieje (Snbungen fennen.

UÖciDIid) finb bic Subftantiüc auf =ci, =te, =11119, =fjctt. =ïcit, bic 8ad)uamcii auf =c unb =t unb bic^vemb-

lüövtcr auf 'ic, =if, =ioit, =tiit, wie 3. 23.

Öic 33roucrei, brouwerij, bie Secfe, deken; zoldering,

bic Scfymcidjelei, vleierij. — bie SBette, weddenschap w. bie Snrnung, waarschuwing, bic aBaf)rl)cit, Sidjcr^cit,

bie Dicigung, bic SBerbrcitung; — bic ■Öciterfeit, vroolijkheid,

bie Sreunbjdjaft, ©rofjdjaft; bic ïïia§fe, het masker,

bie giudjt, vlucht, bie aöefte, het vest,

bie ®cf)lad)t, veldslag m. bic (Jlje, de echt m.

bie Dladjl, bic ^flidit, bic aBarme, warmte;

bie Sal)rt, bic Slntunft; bic s3J!onnrd)ic, bic gobrit,

bie iölüte, bloesem m. bic ïlation, Seine ÏUajcftat etc. bic Statte, plaats w.

2(uuua()iucu:

®a§ ^ctidjaft, het cachet [grcmbluort, feine ïlblcitung init=)d)oft]. ba§ Inge, ba§ @nbe, ber griebe, ber Sunte :c. (S. 16);

ba§ (irbc, erfenis w. ber fyroft, ber Saft, ba§ SBerft (S. 2),_

ber fiafe, kaas w. bo§ (Sift, hot vergif.

anm. ®ct Suft (geur), ber S)ut|l mib ba« ^ef' (cahier; hecht) finb Serbat* ft a mme.

Siirfjlirf) fiub bie meiftcu Softer auf =fn(, =icl, =tum, =niê, fo luie and) cine 2(uja()( ciufiiOige, uic(rf)c =cv im plural. uc()men (bo® ©tab, bas 3imt, :c.), luofübcv fpiitev. — 23eifpie(e: $08 Scbicljal, het noodlot, plur. boë ©cfiingniê, gevangenis w., (lotgevallen, ba§ (ïrcigniê, gebeurtenis w.,

ocr page 11

5

'ba? gcfjcuint (= bas Ungefjeuer),

ba§ Dfatjcl, het raadsel,

ba§ Ü6erBIei6(c(, overblijfsel,

ba§ SBiStum, gürftentum;

S(u§naf)men;

®ic ïrübfol, droefenis w.,

bie Scidjfel, dissel m.

bcr Slöpfcl, kurk w., stop w.

ber Srrtutu, dwaling w.,

bcr 9!eirf)tunt, rijkdom m.

bic SBebröngniS, verdrukking, be-(nauwdheid,

Hnmerf. Sini^c SBörtcr ouf -nis tocvbcn fSdjIidi f^etraucfjt, tucnn fic eincn @egen= ftonb bcjcidmcn (alfo lontret finb), imb ireitlid), lucnn fic eine (Sigsnfdjaft obec ^ianbtiing fubftantiBierai (alfo a 6 ft c a f t finb). ®o I)eifit bic ÊripQrnio fooiet toie: bie grfparung; baS GrjpatniS fo Biel luie: bie gparpfeimige, baê gr= fpartc.

$!(IÖ ïlrgerniê ift bic Saije, iucld)c jirgcr ober Slnflofj ervegt; Sic 3h'0eïni§ (de ergernis) ift ba8 ®cfü^I (aud): bcr Srgct).

®as Êrfenntnië (bcê SKid)tcr«) ftimmt init unferm uitspraak iibcrein; ilic Gvfenntniê (bes Sutcn «nb bes Söfen) tjeiüt kennis, inzicht.

5iad} bcv SBcbcutnng finb tnaun(tcf) (wie ki unS); ®ic karnen bcv S a H'eêseiteu 1), bcr HUonatc 2), bcr êteiueS), ber 2Binbe4) unb ber SJiüitjeu 5) 5.23.

ber grüïjlinü, ber Sauuar, ber $iamant, ber gofjn (Sübminb in ber igdjiueij), ber Sirotto (Scirocco), bcr ©ulben ic.

weiölii^ (lüie bei uitS):

®ic Sïamcn ber 3 i f f e ^ n, ber SOi u) i f i n ft r 11= m e 111 e unb bcr ^ a () r 5 e u g c (aii^er benen anf =er), 3.23.

$ic 6in§( bie 3lct)t; bie giebel (vedel), bic Siolinc (ober) ©eigc, bic Crgcl, bic Slarinette, bie £io()oc (ober) Cboc, bie Seicr; bie Satfc, bie ïïrtgg (brik), bie Sarfjt (het jacht).

?lnSna()mcn:

® a § 93Dot (S. 1) bag §orn, hoorn m.

1) ^cr Senj (voetifdi), lente w. 2) 2cï 9)ïonat (soctifd) TOonb), maand quot;vv. 3) 2ic SüBn, lava w. 4) 2ic S3riie, bries w. 5) $ie Wart, ^ronc, ©ublone (dubloen m.), 2ira, ïpiftofc.

bas SegrQÊniê, begrafenis w., ba§ .§inbernis, hindernis w., het beletsel.

ba» SBer^altniê, betrekking, verhouding.

bic S3eiorgni§, bezorgdheid, bic ËrlaubniS, het verlof, permis-

(sie,

bic ginfterniê, duisternis, bie ïöilbniê, wildernis.

ocr page 12

6

b e r ftafjn 1 rA„:v,A f Eequot;o, SSiotonccH (o).

ber 9ïac^eit ) i oo , ft(oüier, bo» ^iano.

ber ïviangcl

farfjlitfj (wie bei un§):

®ie meiften S a m m e I it a m e u uub ê t o f f n a m e n,. unb bie uueigentüc^en Subftantioe, 5. 93. bas §cer, bas sBoif,

ba§ ©ebirge, bn§ (Sctfcin; ba§ Sfirot, bas ^Iciid), ba§ §eu, ba§ Slupfcr ba§ Slc^ unb 2Bc(), baê leibige (nare) silbcr.

5(it§itaf}men:

bcr 2cl)m, Sconce, Sc^rcomm, £c()H)eiB, Staub, £toff. Sped (5. 2) unb-Jïa)c {£. 4).

bcr 9(cis (j. unten), bcr ïorf turf,

bcr Sanb, het zand, bcr g^utt, het puin,

bcr ®d)(amm, het slijk, ber SSatb = ber Sorft,

ber Stafjl, het staal, ber iffiein, wijn m,

bcr ïf)oit, klei-, pijpaarde,

23on befonbever '.ffiirfjtigfcit finb fofgcnbc uier Stcgetn:

a) 'JMmtlidj im ®eiitid}eit, it) e i b l i im sJtxieber(an= bifc^en, finb bie karnen ber ^elb-- unb ® avtenfrü^te, unb bie meijten sJiameu a n ê I a n b i i d) e r ^robutte; 3. 23.

bcr Siogncn, rogge w. bcr .fioffee, koffie w.

bet üBcijcn, weit, tarwe w. ber 2:()ee, bcr ^quot;tfer,

ber SReiS, rijst w. bcr Salpeter, het salpeter,

bcr kool w. ber Siru)), siroop w.

ber 9i()aliarf)er, bcr ïieffcr, ber Sdjmefcl, zwavel w.

bcr Spinal, spinazie w. ?(bcr: Sic ®cr)te.

b) vi)l(iun(irfj im ®.f fad)lid) bei nnS, finb bie karnen bei' § i m m e 1 ê 0 e 3 C U b e U (windstreken): $cr 3!orbcn, ber Sffieften, bcr Süben; {tütïTiorbsimbsZBeftwinSncwöiiutii)): bcr 4}ïorb, ber 2Bcft ie.

c) IilÖciOItrfj im m ö n n U d) bei into, finb bie kanten ber 33 ei um e, mit ÏUtattafjme Don: ber ^om, bcr gtiebcr, §o(ünber (vlierstruik); nilb bei lilt» UOU ; linde, spar, tamarinde, tamarisk, bie meibüd) finb.

d) im 2)., meiblid) bei nn», finb bie 9ïamen ber ®ud)ftnben; ®a§ 11, bas ss, ba§ 3.

311111 ®^hi§ bemerfen mir, bag cinigc SBörtcr jc nad) ber SSer= fdjicbcnfjcit bcê @eid)(cc^tê eine öcrfdjicbcnc 33cbcutung fjabcn:

ocr page 13

7

$cr Sanb (cinc§ 93u^e§), b a § ïattb = a) het lint, b) boei

(öic Seffel),

ö e v Snucr, de boor, b o § (bcv) 93aucr, kooi (Der fulfig),

ber ffljor, liet koor, rei m. (ge-b a § Kljor, koor (plaats der zan-

zang), (gers),

bcr 6rt)p, de erfgenaam, ba§ Êrbe (= bic grbj^ait), deer-

(fenis,

hex het gehalte, b a ê ©cIjqü, de jaarwedde, het

(traktement,

b e r 'Öarj, het gebergte, b n § .'garj, het hars,

bcr §ut, hoed m., bit Cut, de hoede,

b e v Sïisfer, kinnebak vr., de b i e fiicfer, soort van pijnboom, kaak vr., (mastboom,

bcr fiunbe, klant, bic Sï'imbc, het bericht,

bcr 2citer, leidsman, b i c Seiter, ladder vr.,

b c v 3Kongc(, het gebrek, gemis, b t c Wnngcl, de mangel m., b a § 9Jiart, het merg, b i c SJiart = a) muntstukje, b)

(grensgebied,

b c r Warirf), de marsch m., b i c Warjcf), moerassig land, bcr 3kta, de rijst vr., bag Siciê, het rijs,

bcr Sdjilb, het schild, ba§ Scl)ilb, het uithangbord,

b e r Sec, het meer, b i c £cc, de zee (= bn§ fflïccr).

ber£pro)ic,detelg,afstammeling-, bic êpvojfc, de sport,

b a § Steucr, het roer (v. schepen), b i e ©tcucr, de belasting, b e r 2:i)or, de dwaas, b a § ïijor, de poort,

b c r SBcrbicnft, het weekloon, de b a § ®crbicnft, verdienstelijkheid, (verdienste, (ftj. mérite.

3 « f a m m c it (] c f c (3 tc Subftnntiüc fjabcn baS ®ci^lcd)t if}rcS ©ruubroorteê, 5. 23. b a § fyvnucnjimmcr, bic fflJannspcrjou, ber 5(u-gcitblicf, b e r §o(ïjmut, (ibctmut, ®leic^mut ic. — 'ihtënnijmcn:

!£cr ïci(, aOcr: flaö ©cgcnteil, ba§ Gr6=, 3gt;orbcr=, §intettcit. — $ic abcr: Brr ïibfc^cu. — 2!as SBort, abcr: Öic Dlntroort. —

$cr SJat, abcr : Sic §eirat. — Sic 53ccrc, abcr: Bcr Sorbccr. —2)ie 2Bocf)c, ober: Scr TOittmocf).

fjolgcnbc 7 Suianimcnicljungcn mit 3)2ut finb wciblict): bic Utnmut, $cinut, ©rofemul, Sangmut, ©anftmut, Srijrocrmut, !ffici)iitut.

Ülümgctt uub Ükrfc^mtgctt.

1. trgenb ciuc 9tege( ober cut §ilf§mittet au,

toobuvd) ba» ©c)d)(cd}t bcr folgenbeu 2Sörter beftimmt

ocr page 14

8

ïücrben faun, unb flnmmrc bic iikrfe^mtg nut bent @c--fdjïedjte im 9Jiebertanbi)d)en cin:

öicbulb

Öerbft

ïtbcr

Sirotto

Sottct

33 adj

©ejeflfcfjaft

2d)(nd)t

SSetbruB

©rofec

ïcppid)

Sd)Ing

SacOt

Öafen

SBiefcl

fioffee

Sianmnt

S3ejd)tu)j

SJertrag

Staub

©ulbcn

®d)ut!

Sd)incttcrliiig

Sitb(en).

2. $aëfc(6c Don:

efic

2Bcfte

®cigc

SScrlieB

ffirunncn

ïöeftcu

Saat

®cv(uft

©df)lüi)el

Crgcl

$cmut

SJernunft

©cvip^c

Sop

SBistum

2aftcv

Sdjüffct

©cfnflcn

6id)c

Spinat

3ïal)rung

ïïntroort

£cdc

@ef)nlf.

3. Sie fet)Ieubeii jonnen 511 evgöujcu:

SWnrt mug auê b .. . sJJot cin ... ÜTugcnb niadjcn. — ïfadj gc^ ttjan ... Sfrbeit ift gut ni^en. I) 3c fcfinm^cr b .. . 9iad)t, jc fdjöncr b ... ïag. — §ord)cï nu b ... 21snub fjört fetu... cign... ®d)Qub. — S)... ^cit (jnt gtügcl. — 2Bivf b ... SBcÜ nidjt fo loeit I;tmocg, bajj bu ... uirfjt micber Ijolcu föuutcft. II) Spilj ... iiiun, fcöfc.. . Sinn, fagt cin Spridjmott. — gein ... gtcifs • • • (Sen.) bavf fid) jeber lüljmcn. — @ut... Slufang ift l)nlb . .. Slrbcit. — Surg ... Suft, lang ... 9icuc. — Sfficun b .. . ^Dïajj Doü i)t, fo (auft ... ü6cv. — 93ic( ^iinbc Ijcben (cid)t cin ... 8aft. — ® ... ©timinc b . . . •pflidjt foil jcbennann gc()ord)cu. — D ... ©djnee Ia§t fid) nid)t in... Dfcu (®ot.) tvodnen — III) D ... ©porn tc()rt b ... 9Jog («cc.) tvaben. — (Sin 0tn()( biid)f b ... onber... — iïiirj... giebt and) lange ^abcn. — 0taub

bïcibt ®taub, unb lucnn ... biö 511111 ^iuiuict füegt. — giebt Seutc, bic auê cin ... 2)tücfe cin ... (SIcfaut... iuad)cn. — 3cbc... 3I(ter (jat fcinc greuben unb Scibcn.

4.

Sdjreit) 25 SBörtcr auf, bic im Scutfctim cin anbereS (Scfd)(cd)t ^atieu a(§ bei uity, unb bejcidjuc baë ©e)d)(cd)t iu ben bcibeu êprad)cn.

ocr page 15

5.

3 u ü b c r f e ti e n:

I) Deze kleine boek loopt in gindsche rivier (flcc.) uit 1). — De gloed der zon brandde ons op het hoofd (acc.), de hitte was niet te verdragen: het zweet parelde ons op het (iEat.) voorhoofd, en onze kleederen waren met stof en vuil bedekt. — quot;Wie water met een zeef wil (o.) scheppen, of soep met een vork wil eten, zal de moeite niet beloond vinden en verdient den naam van dwaas (mit untcft. art.). — Is het bedrog ontdekt? Ja, men heeft valsche dobbelsteenen in zijn vestzak ($at.) gevonden. — Hot bekendste van alle voorgebergten is ongetwijfeld de Kaap de Goede Hoop (@eii.). — Het hout van den ceder, vooral van den Libanon, is beroemd; deze soort van (o.) boom levert hars (s. 7.) en eene welriekende olie, die veel overeenkomst heeft met terpentijnolie. — II) De olifant heeft een slurf, de bij heeft een angel, de musch heeft vleugels, de arend heeft wieken en klauwen en het zwijn heeft een snuit. — Hl) Het antwoord van dezen dwaas gaf stof tot (511:11) lachen.

— Het bedrag van de erfenis overtrof de verwachtingen van den erfgenaam. — Het verbruik van aardappelen is (fjot) in den laatsten 2) tijd zeer toegenomen. — Men moet niet met het hoofd tegen (negen) den muur 3) loopen 4).

1) münben. 2) (ctjterer. 3) SBanb. 4) rennen.

6.

2ie fe^teuben Normen ju ercianjcu:

I) Gin flciu... ©crniim ift ofl bcffcr cin grog. . — 2Bo Oemalt 9icd)t Ijat, ()at b ... Sicdjt teiu... ©eiualt. — 2Bo fcin ... Softer ift, bn ift fcin . .. ïngcnb. — II) Gin bof... SOïaut ift fdjavfcr olê cin Sdjiucvt. — 2Bcnn b ... 9Jot am böd)ftcn (ift), ift b ... .'pilfe nm nad)ftcn. 2Bic man in b ... 2Batb (sicc.) fdjrcit, fo fcljaüt cê uncbcr fjcrnuë. — ®?nn ficljt b ... Splitter im frcmbctt 2(ugc, b... 23nlfcn im eigenen nber nirf)t. — ©tet... ïropfen l)i)()(t b ... ®tein. — D .. . 25cvftanb fommt nidjt Dor ben 3a()vcn.

— III) 3eb ... lt;Sd)lof; fnnn man öffnen mit ein . . . golbnen ScfyÜiffcf. — S3ict fiövnlein madjen ein ... §aufen. — fiein ... SlntiDort ift aud) ein ... Slntrcort. — IV) ^cin ... 9fcge( o()nc

ocr page 16

10

SluSiioIjme. — V) SBcr b ... Scrn effen itiiH, miiG b . .. ^iujj fnacfen. — ® ... Sifter fotl man cf)rcn, b ... -Sugenb (sat.) fott man raefjven. — Der cine Ijat b .. . ©ennj;, bcr anbeve b ... 33ei'-bvitg. — 25 ... Enbe fcönt b .. . ffierf.

7.

3u überfe^en:

Hebt gij het verslag van den secretaris gelezen? — Neen, maar de lof, dien mijn oom den secretaris toezwaaide, heeft mijne nieuwsgierigheid gaande gemaakt. — Mijn neef heeft het besluit opgevat, vaandrig te worden. — De verdenking rust op den tuinman (®at.), maar waar is het bewijs ? I) Men heeft den vermisten zilveren schotel met daarbijbehoorende lepel en vork en bovendien een eigenaardig cachet gevonden. — Het verraad der vijanden heeft een oogenblik gezegevierd. Onze verliezen zijn groot, het getal der gesneuvelden bedraagt eenige honderden. Ook de generaal is gevallen, drie kogels hadden het lichaam van den held doorboord. — Geen roos zonder doornen, geen koren zonder kaf, geen rook zonder vuur, geen mensch zonder gebrek. — De ouderdom gaat voor. — II) Geene tijding, goede tijding. — De bijbel wordt doorgaans de heilige schrift genoemd. — Het loon der deugd is tevredenheid. — Na een langen marsch kwamen de vermoeide jagers aan een huisje (2icc.) met een uithangbord; van vreugde blies een van hen op (in) den hoorn (aicc,), een ander wierp den hoed in do lucht, een derde hief een lied aan ter eere van het druivensap. — Berouw, brandspuiten en goede gedachten komen gewooniyk te laat.

8.

De traan, eene soort van (o.) dikke 1) olie, wordt uit het spek van verschillende dieren, vooral van walvisschen (att.) en robben, en uit de lever van den haai verkregen 2); ook kleinere vissollen, zooals haringen en sardijnen 3) leveren traan. — De rijst, het uitsluitend voedingsmiddel van (uon) millioenen menschen, wordt in vele streken van Azië, in Zuid-Europa en Amerika verbouwd 4). — 1) Het orgel is het grootste muziekinstrument en wegens zijn krachtigen toon bij uitnemendheid voor (sum) kerkgebruik geschikt 5). Het oudste in Duitschland bekende orgel werd in (o.) 1361 in Halberstadt vervaardigd 6). — Het woord triangel betee-

ocr page 17

11

kent niets anders dan (alë) driehoek en is de naam van een stalen slaginstrument in driehoekigen vorm; bij doelmatig gebruik kan de triangel een eigenaardig effect hebben. — De-voorzichtigheid is de moeder der wijsheid. — Het succes is de. vader des roems. — II) De bruine beer is na 7) den ijsbeer het grootste roofdier van Europa. Vroeger was het gematigde klimaat zijn vaderland; thans echter wordt 8) hij nog slechts in de wouden van Oost- en Noord-Europa, gelijk mede (jo roic) in de Pyreneeën gevonden 8).

1) birffliiffig. 2) gewinnen. 3) êarbciïcu. 4) anbaucn. 5) gccignet. C) bauen. 7) niidjft. 8) rcff. Somt.

9.

I) De leeuw, de beer, het hert, de kameel, de ree, de aapr de adder, het kameleon, de wezel, de vos, de mier, de krekel en vele andere dieren spelen in menige fabel (Sat) eene rol. — Waar geen ondeugd is, daar is ook geen deugd. — II) Den boom kent men aan zijne vruchten (Sot.). — Wanneer de maat. vol is, loopt zij over. — Wie de ladder houdt, (zegt een spreekwoord) is even schuldig als (mie) de dief. — De oudste vertaling des bijbels is de Alexandrijnsche 1), welke naar de 70-vertolkers 2), die door (»on) koning Ptolomeus 3) Philadelphus met dezen arbeid belast werden, Septuaginta genoemd wordt.— Hebt gij het concert van gisteren 4) bijgewoond? Neen, hoe-zou ik! In de zaal (Eat.) was geen enkele plaats onbezet: elke poging om.(o.) een plaatsje te veroveren mislukte; daarop heb ik den heer B. nog een bezoek gebracht 5). — Het verstand komt niet vóór de jaren (Sat.). — In den laatsten tijd heeft zich in vele plaatsen eene gymnastiekvereeniging gevormd-deze vereenigingen zijn naar veler meening veel nuttiger dan de zoo hoog geprezen vereenigingen tot dierenbescherming 6).

1) Qlejranbnnifd). 2) Solmctidjcr. 3) ^totemauê. 4) Slöj. (Inleiding^ 'S. 133). 5) abftatten ober macfjeit. 6) 2:ierjct)uljucmn.

10.

Übcr b ... ®efd)macf (acc.) Ia[;t fid) nidit ftreiten. — I) 33d| ... ©efcClfdiait öcrbirbt gutc Sitten. — 23öi... @ounnn ift f^nctt batjin. II) 3cb... SSogct jutgt, raic itjni b. .. ©d)uabc[ gciundjfetr ift. — III) 9Bcnit b ... 93Jau§ fatt ift, fo fdjiuccft b ... 2)fcf)f bitter. — ©ie s3)Jaufe licbctt b . .. Spccf. — ïlïan foil fid) nnd) b . .. S^ccfe ftrccfcn. — ÏOJnn foil fcin Sid)t nid)t untcr b . .. 0^cffct

ocr page 18

12

ftcHcn. — IV Sdjitftcr, blcib bci bcin. .. Jciftcn. — ^ïcin fo ftfjicf, cr finbct fein ... ïccfef. — ^cin .., feftcr . .. SWaucr olS Sinigf'cit. — 2Bn!irI)cit gicbt fuvj... Scfdjcib, jiigc mnd)t cicf 9Jcbcn§. — SKflit foil fcin ... Iccv ... Strot) brefdjen. — 3D... gemciit... fiicicr, and) ^öfyve ober Sicntaum genannt, liefcrt Ïcï= pcntiit, sJ(ii(5= unb 33vcimt)o[,v — jpanbracrt t)nt cin .. . gotbn.. . 93obcii. — 3) ... @cl)ntt bev 93canitcn ift bebciitcnb cr()ö[)t luovbcrt, jegt finb fic ïor b ... bittern SJinngcI (Xoi.) gei'djii^t.

11.

De boom des levens en de boom der kennis 1) hebben gemeenschappelijke 2) wortels, maar zij hebben verschillende jaargetijden. Wanneer do bloesem aan den boom des levens verwelkt 3), rijpt de vrucht aan den boom der kennis. — Eéne zwaluw maakt geen zomer, ééne kraai geen winter. — I) Een mager vergelijk, zegt zeker (mit an.) spreekwoord, is beter dan een vet proces 4). — Des menschen leven hangt aan een draadje. — Lediggang is het begin van alle ondeugden (®cmt. »or). — Menigeen moge het verraad beminnen, den verrader haat iedereen. — Wanneer het verstand niet met een sterken wil verbonden is, gelijkt het op (o.) een blinkend zwaard, dat in de scheede zit 5) en tot speeltuig (mit art.) dient. — II) Op de werf (SMt) van mijn oom bevindt zich eene bark, eene stoomboot, eene roeiboot en een jacht. — Waar komen de koffie, de thee, de peper en de rijst van daan 6)7 — Menigeen ziet den splinter in het oog ($»t.) van zijn buurman maar den balk in sijn (hu) eigen oog merkt hij niet. — III) Elk sleutelgat is een paskwil op de menschelijke eerlijkheid (9icc.). — De armoede is geen zoo groot ongeluk, als velen denken, en de rijkdom geen zoo groot geluk, als de arme gewoonlijk meent (fllaubt).

1) Krtcnntnië. 2) gemcinjam. 3) tuclf tucvbcn. 4) her ïpvojcfe. 5) ftcctt. 6) i«of)cr.

12.

Wie het bezit niet kent, die kent ook het verlies niet. — Do arbeid is het beste geneesmiddel tegen alle ziekten en tegen alle ellende. — I) De bedelaar dankte ons nauwelijks voor 1) de aalmoes, die wij hem gaven. — Waar zijn de hee-ren geweest? De een ging op de vischvangst (ace.), de ander op de vogelvangst uit, maar beidon kwamen zonder buit

ocr page 19

13

terug. — „De zoon dor wildernisquot; is de titel van een fraai Duitsch tooneelstuk. — De plaats, van waar do predikant in de kerk (Sat.) iets verkondigt, wordt do kansel genoemd. — De bloesem van den vlierstruik maakt slaperig 2). Het woord •Öolunöei' wordt meer in betrekking tot 8) de plant in 't algemeen, glicbcr met betrekking tot den bloesem gebruikt. Deze struik heeft een gerimpelde 4) bast 5), geelachtig, hard hout en een weeke pit. — Het oproer heeft aan vele burgers groote schade, berokkend; vermoedelijk zullen zij schadevergoeding eischen. Ik vrees, dat deze 0) niet aan allen zal toegekend worden. — Wie de bevoegdheid mist. mag geen onderwijs geven. — De hoogmoed is eene ondeugd, de deemoed is eene deugd. — II) Het verwijt is de uitdrukking van ons misnoegen 7) over den misslag van een ander.

1) fiir. 2) irfjfafjücfjtig. 3) in SSejug nuf. 4) gcfurcfjt. 5) Otinbc. ü)i Vert. dezelve. 7) Umuillc.

B. ïcfünatiou itub 'JMjrjnfjtótlbuug.

ffiie (ici unS wcrbcn and) im ®eiitfd)cn bic Subftnntiüc cntmcber jtaif ober jdiumri) bctfinicrt (fkfticrt). Die ft a r f c n ©ubft. bilben ben ©enitio ber burdj Stntjangung Don § ober cö,

mtb ben Dnttu Ijiinfig burd) c. — 3)ie fd) innemen Subft., bie tm Dentfdjen Dtel 5a()(reid)er jinb a(ê bet un§, netjmen in ben abljcin^ gigen gaden (Sa[nê) ber Stn^af)! n ober CU; im '^htral Ijaben {ie auêna()mê(0'3 biefe Snbung.

33 c i i p i c L

(ïtnjaf)!. Tl cl) vj a () (. (Sinjafjt. Ml c t) v 3 a 1) (.

1 9!. Scr 2)ïann bic Wanner 1 ®er DJÏcnid) bie SJienjdjcrt

t: j be§ 9Jïannc§ ber 3J!dnner 1 be§ ffllcnjdjcn ber 9)Icnicï)cn !=. 1 ®. bent 93tannc ben Wannern ^-jbem TOcnjcljeu ben ÏRenjdjen f ben fflïann bic DKanner. ' ben Wenjdjen bic 9D}cnjd)cn. ïtnmerf. 1. Scc ©cnitiu (£-1113. bet ftarfen ©ubft. nimmt int allge= inenten btoR 8, wenn bit§ SBort auf cine t o n ( 0 j c ober j d) tu a d) t 0= n t g e Stlbe, ober auf ctnen SB 0 f a t auëgc()t; 3. 93. des Mantels, des Atems, des Regens, des Rektors, des Abends, des Monats, des Königs,. des Jünglings, des Schicksals, des Reichtums, des Sees.

ocr page 20

14

Eer $atio nnrft alsbaun and) baS c ab.

5tnmcrf. 2. £ic luciDlidjcn 2i!örtcr Mcikn in bcr gin;af)( famt(id) it no c rönber t unb bilbcn bic biê nuf einige

■3luSna(;incii rcgclma^ig burd) Stnfjangung non cn ober n.

illlJUCX'f. 3. i'ïcin cinjigc? jiidjlidjcS 2Bort betfinicit idjiuat^.

SBafjrenb roir für bic SJÏctjrjQljt nur jluci (ïnbungcn I;o6cn, bic nod) basu f)aiififl nad) ^Bclietcn angcl)dngt TOcrbcn [appels, appelen; zoons, zonen]; ^ot bic bcutjc^c Spvadjc Srct «crjdiiebcnc fflirijrjaljlcnbungcn, bic nut qu§= naljniëmcifc ucnoc^jdt locrbcn büifcn; — oknbrcin Mcikn jiorf) Dicle •©ubft. in bcr aMjrjat)! unucrönöcrt.

9!ad) bcr SBcvidjicbcnfjcit bcr ^lurnlbilbung tcilt man bic Subftantiuc gcHJötjnlitl) in 4 fttaficn cin.

Sie 1c ftlaffe euKjcilt bic 2Börter, iucW)c if)re iUcefirjaf)! bltvd) C Difben, 3. 23. bcr fiopf, bic ftöpfc; bcr gufj, bic güBc; bic ■Canb, bic ^finbc; bcr ïlnn, bic Slrmc; bic 9!ufj, bic 92ü))c.

_ S^ie 2tc .«(offc entficllt bie JBörter, tuddjc (] a r fcinc e-nblUU] befommcil, 5. 23. bcr §o6c(, (schaaf), 'bic f)o6c[; bas Ufcr, bic Ufcr; bcr «pfet, bic «Ipfct; bcr ffiagen, bic 93Jagcn; bcr Sutnpcn, bic Cumpcn.

®ie 3tc SHaffc biejenigen, meldjc im plural =cr neïjmcn, 3. 23. ba0 CauS, bic §Sufcr; bcr ï)ïann, bic 93ïaniier.

ïie 4tc .ftlnffc ciitf;a(t bie SÖörtcv, nicldje =cn ober it

Tietpen, 3- 23. bas Slugc, bic ?lugcn; bcr Staat, bic Siaatcn.

$aufig tritt qI6 ^cnnjcidjcn bcr STicfjrjaliiionn nod) bcr llllllnilt ■^inju.

Eicjc $Iura(forntcn ïnfjen fict) überbic brei ©cfdjlc^lcr foIgcnbcr= ntaBcn Bcrtcilcn.

Kegel: ®te iuetiltrfjcii SBortev taben cn ober

[nad; tonloicn Silbcn] n; 3. 2?. bic grau, Sraucn; bic 9!id)tc( 9iid)ten quot;bic @a6c(, ©abdn.

ocr page 21

15

u ê it n I) m e ii;

1) foïgcnbc 34 ber Icn Piaffe, bic alle beu Umlaut ïjaöcu:

Die Angst (pl. Angste), die Ausflucht, die Axt, die Bank, die Braut, •die Brust, die Faust, die Frueht, die Gans, die Geschwulst, die Gruft ^grafkelder), die Hand, die Haut, die Kluft, die Kraft, die Kuh, die Kunst, die Laus, die Lult, die Lust, die Macht, die Magd, die Maus, die Nacht, die Naht, die Not, die Nusz, die Sau, die Schuur, die Stadt, die Wand, die quot;Wurst, die Zunft (gilde), die Zusammenkunft.

2) Sic lüciiigcn auf =ntö unb =fttl (s. Seüe 5).

3) tgt;ie Mutter Unb bic Sodjtcr, vlur. bie smatfer, bic ïbcfytcr.

Regel: Sic iiiiinuftrfjcu SÖörter tjef)örcii 511 bcr len ftlaffc; fie tiabcu c unb beu Umlaut*).

s)l u 3 u 0 () m c u:

1) bcr 2cn ftloffc gcfjövcn bic mciftcn nuf --tl, =cn, :cr; fic Ijobcn gclubljnlict) ben Umlaut uidjt t)- coi-ioc Scite).

2) 3u bcr Sen Silaffc, mit llnitnut, gcljörcn elf:

Der Geist (die Geister), der Gott (die Götter), der Leib, der Mann, der Ort, der Band, der Strauch, der quot;NVald, der Wurm, der Vormund, der Bösewicht, unb aud) der Irrtum, der Reichtum.

3) 3u bcr 4cu illaffc (oI)uc Umlaut) flut jmölf:

Der Mast (die Masten), der Lorbeer, der Psalm, der Schmerz, der See, der Stachel, der Staat, der Strahl, der Zier at, der Zins; uub Gevatter, Vetter, Nachbar uuö Unterthan.

4) 3u bcr ftfjluadjcn 2)cïüuatiou gepren a) bic auf c, mie: der Aflfe, der Knabe, der Preusze, der Eabe, der Busse etc.

b) folgcubc 20 ciujilbigc: Der Ahn, der Bar, der Christ, der Fink, der

*) CljUC Umlaut Mctbcn : Der Arm (die Arme), der Ambosz (die Ambosse), -der Anwalt, der Brautigam, der Dolch, der Dachs, der Grad, der Halm, der Huf, der Hund, der Laut, der Monat, der Pol, der Pfad, der Punkt, der Tag, der Schuh, der Star (spreeuw,) der Stoff, der Strolch, der Orkan, der Ozean; — der Beruf, der Besuch, der Versuch, der Verlust, t) $cu Umlaut bcfommcu folgcubc 18:

Acker, Apfel, Boden, Schnabel, Garten, Faden,

Halen, Graben, Ofen, Mangel, Mantel, Laden,

Hammer, Hammei, Vogel, Nagel, Sattel, Schaden.

SEBcitcr uod) baê jdd)Iid)c Kloster, uub bic ^cïmaubtidjaftêuamcu Bruder Vater uub Schwager.

ocr page 22

16

First, der Graf, der Geek, der Held, der Herr, der Hirt, der Lump'), der Mensoh, der Mohr, der Narr, dev Ochs, der Prinz, der Schenk (tapper), der Spatz, der Thor (imb): der Bauer, der Hagestolz, der Vorfahr.

Slum. ®ct S r i c b c, bcr Sunt c, bcr ® e b a n f e, bcr 03 [ n u 6 c, bei 9Ï a in e, bcr i I (e, ludtfic ab unb ju aud) mit n Borfommcn, finb im bcr Kinjafjt ft n r f des 5-tiebeu«, guntcn?, jc); im Eatiu unb

Slccujotit), tnic aud; in bcr fflïcljrjatjl, finb fie j cf) to a d;.

Regel: $ie fiirfjltrfjcn ÜSörter geboren and) 311 bcr len Mfnn'c; fie nefimeu f ei n e n 11111 (a u t.

u § it a C) m c it:

1) 3u öcr 2fn Ji( aite (o^nc Umlaut) bic auf -d, =011, =«, bic 5Bcr= tlciucrungêrabrtcr (auf =d)cn unb =lcin) unb bic ÏOörlcr auf einitbcr3JorfiI6e 50C, 3. das Rndel, das Wappen, das Ufer, das Handchen, das Kniiblein, das Gebirge, das Gebaude.

2) 3u bcr Sen ft 1 a ff c (mit Umlaut) gut f c rf) 3 i g, tote and) bic auf turn:

das Aas (die Aser), das Amt, das Bad, das Band, das Bild, das Brett, das Bueh, das Bach, das Dort', das Faeh, das Fasz, das Feld, das Geld, das Glas, das Grab, das Gras, das Haupt, das Haus, das Horn, das Korn, das Kraut, das Land, das Loch, das Maul, das Nest, das Pfand, das Bad, das Beis, das Schild (£. 7), das Schlosz, das Sohwert, das Thai, das Warns, das Weib 1'). — sMt flC: das Gemach (kamer), das Gemüt» das Geschlecht, das Gesicht, das Gespenst (spook), das Gewand.

3) 3it toer 4cn Sïtaffc (o^nc Umlaut) nur ficficn:

Das Ange, das Bett, das Ende, das Hemd, das Ohr, das Leid, das Herz (@en. Herzens, ®at. Herzen).

EREMDW ÖRTE R.

(ÏÏufg. 25 unb folgcnbc).

Regel: Sic m a nit lichen 5pcrfoitcititamcit finb f d) lü 0 d) (of)ttc Hut (out).

33ct|pic(c:

9gt;aiaU ftojnf ^iibngog

£1)101111 3icbc(l 5(ftrolog

1

Grïldrc baé 9?ctfratfeï: (f2Baö Tiaben ©efdngniêunb ^apiermüfjïe (jemeinfom?quot; 33cibe, fnnuueïn dumpen.

ocr page 23

17

$ropf)Ct fiolfegc ftnbctt ïlrc^itctt;

9(bjutont ©cogro^l)

SOÏonor^

ïlrc^ont

SIfttonom

SirtuoS

Sbiot

^fnlofotifj

©ïjmnafiofl

SlbDotot $cmotvat Kroot; Stubcnt

Surijl

5DJijantJjro});

(Ffjirurg Siefrut.

9)Jaic()inift; 3c|uit;

3ïuênnf)men: i. ©te mit (Snbungcn auf {, r, n, unb mit f)odj;onigem =or 1) gefjörctt gu ber len ^(affc (o^ne Umlaut). — 33eifpicle:

Dei- General, der Kaplan (pi. Kaplane), der Kapitan, der Notar, der Secretar, der Offizier, der Ingenieur. — ^terju Qud) einigc Sac§= namen, urie: der Kanal (Kaniile), der Altar (Altiire).

ïïttmcd. (Sinige finb nnrf) bcr 9{cgcl fcfjlOttrfj. ®ie8 finb:

der Bar])ar, der Husar, der Kor sar, der Tatar, der Ung^r; der Titan, der Ulan, der Veteran; der Diakön; — 5U ber 4,cn filaffe ge()Örcn; der Konsul (pl. Konsuln), der Tribun, der Diimon.

Regel: Die m ii n n H d) e n ©afnamen ^aCicit im ral c, o () u e Umlaut. — 23eiipic(e:

5)Cl* Dialekt, der Kontrakt, der Dialog, der Katalog, der Kolosz (Ko-losse), der Kapaun, der Eómpasz (Kompasse), der Disknrs, der Accent, der Genitiv, der Prozesz (Prozesse), der Rubin etc.

Shtênaljmcn; Die auf nilt unb it unb grnl)!) unb cinigc anbere ftnb fd)lviad); 5. 33. der Diamant, der Elefant, der Foliant, der Kon-sonant; der Stalagmit, der Stalaktit, der Telegraph, der Paragraph; der Kornet, der Planet, der Obelisk, der Quotient; — ju ber 4ten Alafie geboren: der Globus (Globen), der Atlas (Atlanten).

Regel; Sic ) ö dj I i dj e n ©afnamen (jaben im ^piurai

c, 0 0 n c Umlaut. — Seifpiclc: Das Citat, das Dekret, das Paket,

das Quartett, das Motiv, das Substantiv, das Krokodil, das Telegramra, das Diplom, das Instrument, das Metall etc.

^htaitafimeit:

1) Das Hospital (Spital) unb das Regiment JU bcr 3'quot;' ftlaffc.

2

1

S)ie mit fdjrtadjtonigcm -or gcf)örcn ju ber 4ten Sloffe, wie: der Hektor, der Pastor, der Konditor, der Inspektor etc. (^ïur. die Rektoren, die Pastoren etc ). ïhirf): der Alligator.

ocr page 24

18

2) ®ie auf =um, =tum =euin, =uum ^abcn en, bie auf =al, =il (auger Srofobit) [)abcn =ieu. — Seifpicfe: Das Verbum (Verben), das Datam (Daten), das Gymnasium (Gymnasien), das Partizip(ium) (Partizipien), das Museum, (Museen), das Individuum (Individuen), das Kapital (Kapitalien), das Beptil (Reptilien).

3) ©ntge anbcrn [jabcit geiuöïjnlid) CU; wtr nenneit; das Drama (Dramen), das Dogma (Dogmen), das Epos (Epen), das Statut (Statuten), das Verb(nm) die Verben, das Interésse (Interessen), das Insekt (Insek-ten), das Juwel (Juwelen).

Slnmeilung. 35ick grembmörtcr, bie baé nuêliinbtfdje ©eprcigc an bei; ©tint tvagen, ne^men tm plural é; J. 93. Banquiers, Chefs, Cousins, Bassins, Billets (oder) Billette, Honneurs, Lieutenants, Lords, Ladies, Portraits; bcjonber» bie öofalifdj auêlautenbcn, ïuie: Papa (Papas), Coupé, Sofa, Motto, Komma, Thema (audj: Kommata, Themata) etc. — $ie meiblicfjcn auf C Ijofien ade n, 3. 93. Damen, Mappen, Oden etc.

Stllttlkmerfungcn.

(?(ufg. 30 unb 31).

1) gofgenbe Sufiftantioe ^okn im ®eutic^en eine ^(uratform,

bie un§ obgetjt: Sic Slnlagcn (aanleg), bie Sh'tieitcn (werkzaamheden), bie §attbar6citcu (dameshandwerken), bie Cotfuungen (verwachtingen), bie yrcuben (genoegens), bie Slnfiinge (beginselen), bie ©eniijjc (genietingen), bie llntevjd)iebe (punten van verschil), bie (ïfjen (maaltijden), bie ?(nbenfen (souvenirs), bie SJebettfen (bezwaren, gemoedsbezwaren), bie Grbbebeu (aardbevingen), bie Srf)reibcn (brieven). —

Sludj im ©ingular fe^ïeu unS: baë SBerge^eit (het vergrijp) pi. bic S8erge()crt, bag SSerbrec^en (misdaad) p(. bie S8erbi-ec()en.

Umgete^rt gebraud)en bie ©eutfdjen itid)t ober bod) nur feiten bie ^(uvalfofin me^rever ©ubftantioe, bie bei unê bie fflïcljrjaljl regelmatig bilben. ®ic mic^tigften finb;

$o§ gigentum — DDJj. SBefitjtümer, SBciitjungen. 1)

ba§ Glenb — „ Srangfafe; (= tegenspoeden) a[Biticriuartig=

bie (Sunft ber fi'D()[ bie Sift

feiten.

„ (Suuftbejeiguugen, ©unftermeifungen. „ Sïo^ltöpfc.

„ 9ianfe, finiffe, Kunftgriffe, (fetten giften).

1

8ie6ev atê: Sigentiimer; we81jaMgt;?

ocr page 25

19

ber ffltorb — 9JÏ3. SObvbtfjatcn (feiten ffllorbe).

bte 93Jü^c — „ ïeniüfjungcn, Wüfijeligfciten.

bev 93lunb (ooit gtüffen, „ Dliünbungen; aiitf) (= vuurmonden) geucr=

flanonen) - ^(ünbe.

ber ^art — „ ïportanlagen.

bie $cirt — „ S^merjcn, Seibcn.

ba§ Unterneljmen — „ Uitternetimungen.

(onderneming).

ba» sBcrjprccfjcn (be- „ SSeriprc^ungen.

lofte) —

35on benjcnigen (Sit6ftantiüen, beren fe^enbe Söïc^vjq^ in betbcn ©^roc^en burd) anbere gonncn erfegt imrb, nenncn mir:

$er ïïetrug — 9Jf3. Söetrügcreicn (bedriegerijen).

baë S06 — „ Cobfprüdje, 2o6eëetf|e6ungen (loftuitingen),

ber ïob^ — „ Sobeêfafle, gtcrbefatte (sterfgevallen),

ber Aroft ^ — „ 2röftungcn, ïroftgrüitbe (vertroostingen), ber Skrbrufj — „ SJerbnejjüdjfeiten (verdrietelijkheden), ber ÏOitte —■ „ SBiüenêauBerungen (wilsuitingen),

bte — „ 3ufIud)t§ortc (toevluchtsoorden).

33(0)3 in bei' ÜRefjrja^lfonn tommen üov: Sic SBeintleiber (pantalon), bic SBriefjdjaften (brieven, papieren), bic Seriën (vaeantie), bie ©ciüljrcn (vergoeding, loon, salaris), bic ®efc()tDifier (broers en zusters), bic SSolfen (wei, hui), bie Dïiiftern (neusgaten), bie 3ï(tnfe (de kuiperijen), bie gdfjtantcn (strijdperk unb perken), bic Sreber (beestenvoeder, draf), bie SCrÜntmer (puinhoopen), bic Seitlauffe (tijdsomstandigheden), unb meiftenS bie karnen ber brei rfjrifïlidjen gefte; Cftern (Paschen(, ^fingften (Pinksteren) unb aïgt;eif)itad;tcn (Kerstmis), uielrfje jebod) baê S3er6 and) in ber Sinjcdji bei fid) tin6cn fönnen; atóbonn finb (ie Borwiegenb in e i b i i d).

2) SOï a n n bilbet in ber Sebentnng 33 a f a 11 ben ^(nrat anf CU [Wannen]. 3n ^ufannnenfe^ungen gcf)t 2K a n n meiftenê in ? c 111 e iiber, 5. 33. Sanbntann, Cantileule, Sanbslcute (landgenooten), Kouf-, Simmer--, ebcdcutc, ®ei^nft§=, igcc=, gpicl=, §auptleutc ic. 9ïur roenn baS @ e) d) I e t ober bie 3 n b i ö i b n a I i t a t ober and) bie 20 ü r b e I)croorgef)oben luerben foil, ift ©fanner gc= brandjlidjer ober and) notinenbig, 5. 33. Gfjcmunn, Gtjemiinncr, 5'ii0e(= manner, Se^nmfinner, Sd)ul;maititcr ($oIi3iftcit), Srfjulmnnncr, ®tnat§= manner, Stro^mnnner, Siormnnncr. — Unb mit Unterfdjieb ber 33ebeu= tung: (ï^emanner unb g^eleute; Sienftmannen, Sienftmanner (bestellers, pakjesdragers), Siettft (cute (Siener).

ocr page 26

20

3) 'JJad) einem 3aWgt;D0i:te verben bie n i rf) t id e i 6 li d) e n 3al)ts, SDÏajs» unb ©erot^têbcfttrnmungen ni^t pturalifiert, j. S3.

lïïnf F u s z dick, drei S c h r i 11 lang, zwei P f u n d schwer, hundert M a n n, zehn B u c h Papier, Tier F a s z Bier, es kostet 15 Pfennig,, zehn Gr ad Kiilte, hundert Stück Nadeln, zwei P a a r Sehuhe, ein Gewicht Ton drei Centner etc. 3(ud) bic lïiei6tid)Cn, töcfdje nid)t auf C nuêlautcn, bcf|n(ten gern bic ©njaljlform bei, 3. S. drei Hand breit; fünf Masz Wein; hundert Mark. — 2I()CV: sechs Ellen Tuch, Tier M e i 1 e n weit, acht F 1 a s o h e n Wein.

StnmCVt. Wiin fngt : Es standen zwei Flaschen und acht Glaser auf dem Tiseh unb; Die Flasche hat acht Glas Wein und kostet zwei

Mark. iöio fid) bicê erftcircn ?

4) gofgenbe ©ubftantioc ^aben cine jwcifac^c plural1 form jur Scjei^nung cincS Untcrfd^iebeê in bcr 93 e b e u t u n g:

$o§ Sanb. S8 ii n b c r (linten).

2)oê ®iiig. ® i n g e (dingen, zaken).

®cr SfuR- S ü B e (SBrvertei(e).

®në ®eiicf)tet: ®ciic^=

ter f(^ncibcn (trekken).

ïas §orii. ö ï n c r (horen, hoorn): ®ie ftiefi mit ben $öt= netn. $ie Oager fiicljcn in bie $ötnct.

$cr öabcn. 2 a b c n (winkels).

ÏOê iionll. Scinber (afzonderl. staten of rijken): $ic Canber 6uropa§.

ÏClquot; Drt. D r t c r (bepaalde plaatsen, dorpen, steden).

$cr «trous. Straufie (StrSu= Bcr) bouquetten.

$oê SÖSort. SBörter (ftonj. mots).

® a n b e *) (boeien, banden): $ie 93üiibe bc§ ©cfangcnen; bie ®anbc ber fjreunbjdjaft.

Singer (dingetjes; öcrfleinernh

ober öcrac^tlicf)).

g u jj c (Cangemojj): D!ad) GKen,

nic^t nndj guBcn rennen.

® e i i d) t e (gezichten, verschijningen).

§ o r n e (§ornarten). ftommt ni^t «iel »or.

2 o b e n (vensterluiken). 2anbc(deelen van een rijk; aut^ bidjtcrii^ iür 2anbcr); 2)ie Ucrcinigtcn 9!ieber(anbe.

O r t e (onbepaald = oorden, plaatsen); 93ïan fann nidjt an graei Crten juglcirfi fein.

© t r a u B e (struisvogels).

28 o r t e (franj. paroles).


1

!Bic S3 ü n be ijl bic 'Melirja^tfotm son bcr Sanb (S. 2- 6). $ic 8 an ben tion bie S3 o. n b c (eincê Siüatbê).

ocr page 27

21

§efd)(cd)t imb ^c^rja^ïöilbung.

13.

ïcile bie ftavfcn 0ubftanti«e nad^ ben 4 ^taffen ctn.

14.

De wezel is een klein roofdier en heeft veel overeenkomst met den marter. — De kraanvogel geldt dikwijls voor het beeld der waakzaamheid. — Het sijsje is groen, de raaf is zwart, de nachtegaal is grijs; zijn gezang is fraaier dan zijn pluimage. — De eikel groeit aan den eik (Sat.), de dadel aan een soort van (o.) palm, en de druif aan den wijnstok. — Het vilt, een soort van dicht en verward 1) weefsel van dooreengestrengelde 2) haren, dient tot vervaardiging van (oon) hoeden, dekens, zolen en andere voorwerpen. — De som der drie hoeken 3) van een driehoek is twee rechte hoeken 3). — Weet gij niet, wat men een vers noemt? Ja, elke regel 4) van een gedicht draagt dezen naam. — De hemellichamen, tot welke ook onze aarde behoort, zijn bollen. Gij hebt zekerlijk wel een bewijs 5) voor de bolvormige gedaante 6) der aarde geleerd? — De vaste sloten dei-ridders werden burgen genoemd. De onderaardsche gevangenis, welke zulk een burg bezat, heet in de Duitsche taal: tgt;Q§ SBcrlieB, waarschijnlijk, wijl de gevangene, die in dezen kerker zuchtte, als (a(§) verloren moest beschouwd worden.

1) mitt. 2) buvcf|etiiaiibetjcf)[ingen. 3) bcr ïöintct. 4) Qcilc. 5) Skiueté. 6) tugelformigc ©cjtatt (ober) fiugclgcftalt.

15.

©djreibe ben beftimmtcn 9ïrttfc( Bor unb bie ^Muralfovm (jinter fotgenbe SSörter, rco mügltd) mit Stngabe cineê ^rinjipê ober einer SRegel;

9tyfet — £)o6eI — ^jerj — 35oraiun'j — 01jr — ®enu§ — ©ebirge — ©etualt — @ejïd)t — Ddjê — ^ferb — £)rt — 33ad) — SBef^Iug — 35ei-Iuft — Suft — SBatb — ïljor — ©abet — Soot — SKanget — 9?Q()t — ïfjat — Srgebniê — Siêtum — — ^reube — ïfjaf — ï^aler — ^(ofter.

ocr page 28

22

16.

93erroanb(e bic cingcffammertc Sinja^fonn in bic SDtc^rja^fovm:

33iele (§unb) finb bcS §ofcn ïob. — ®cr (So^c) ©rfjeq ift bei; (ÜJJauS) ïob. — (Sügc) tjokn fitrjc (58cin). SWan foü bic (^ei'(e) nidjt üor bic (©au) «crfcn. — geucr imb Söaffcr [inb 5gt;»ci gutc (®icner), nbcu f^timmc (^cvr). — ®ott gicamp;t (Sdjuttcr) na^ bcr 33iu'bc. — Httc (^u^) finb (®a(b) gcrocfcn. — Suft unb ?icbc finb bic CJiükt)) 5U gro§cn (ïljat). — (giftf)) ffingt man mit (ïïngcï), (SOÏcnfc^) mit (Sffiovt). — ^lrbcit ^at bittere (SBurjct), abcr füÊc (gruist). — ScfnS nanntc bic (^^anfacr) 6(inbc (33linbcn(citcr). — 200 (grofd)) finb, ba finb and) (Stordj). — 3n bcr 9Jot finb attc (®ut) gcmcin. — kleine (SOÏauê) (jabcn and) (0(;r). — Sin §irt muf? fcinc (®d)af) tcnncn. — (iffiinbmütjlc) faun man nid)t mit (93tafc6a(g) trcibcn. — SJïan mug bic (geft) feiern, mie fic fatten. — 3Ber fcinc ($d)u(b) bejafjtt, oerbcffert fcinc (®iit). — 23 c ff er (Sfct) trcibcn atê fclber (Sacf) tragen. — 53ict (Sodj) uerfaljen ben 23rei. — SÖBenn man fcin .. . Ulntroort geben fann ober mitt, jucft man bic r2(^» fel). — ïBerben bic (ïag) langer, fo mirb bic Sa(te ftrenger. — ®ic grö§ten (Stümpcr) ma^cn bic mciften (©pan). — ®cr 2Bcg jur §öttc ift mit guten (25orfa§) gepflaftcrt. — (23orurteit) finb (§)in= berniê) auf bcr ^ennbafjn bc§ Seben§.

17.

©c^reibe bic 14 nnmerierten ©ci^c auS ben früljcrcn nieber(dn= bif^cn Stufgaben auf [S'J08. 5, 7, 8, 9, 11, 12] mit ^(uralific* rung bcr ©ubftantioc.

18.

(Sbenfo bic 12 numerierten @a(3e auê ben bcutfdjen ^ufgaben (9J08. 3, 6, 10).

19.

Kaken noemt men die beenderen, welke de tanden dragen; de bovenkaak is onbeweegbaar, de benedenkaak laat zich met behulp der kauwspieren in verschillende richtingen (Sat.) bewegen. — Oesters zijn schaaldieren; zij behoo-

ocr page 29

23

ren tot de weekdieren 1). In het jaar 1867 werden alleen in Parijs voor bijna twee millioen francs oesters verbruikt. Vele plaatsen hebben hare welvaart aan de kunstmatige 2) oesterteelt te danken. — Het vlas wordt om 3) het olierijke zaad en de vezels van den stengel verbouwd 4). De gedroogde stengels worden door repelen van de zaadhuisjes 5) bevrijd; later worden door roting 6) de houtachtige bestanddeelen losgemaakt 7), en na het drogen door braken en zwingelen verwijderd. De zuivering wordt eindelijk met behulp v,an kamvormige hekels voltooid. Het fijnste vlas komt uit Ierland en Vlaanderen; van alle Buropeesche landen echter brengt Rusland de grootste hoeveelheid voort. Het vlas is een teere plant; de vlasoogst kan dus spoedig mislukken. Hieraan herinnert het Duit-sche spreekwoord:

3Jlan lol! ben Slodjë nirfit loScn,

9)}an it)n beun am fttoben.

1) 5Dlo(lu?.fcn. 2) fünftüd). 8) fjalÉer (ober) wegen. 4) fultilmrcn. 5) bte Samentapicl. 6) (ytiulnis. 7) (octern.

20.

Önnblc mit fotgenben SBörtern, mie in 2ïufg. 15:

ilïarflt — ^ immer — 9Juimncr — •punft — firaut — Saut — SmiS — $fab — 23ab — ®d)ilb — ÏÏRalcr — ®cmüt — ®e= fnng — Dfeu — — §err — — ©djuftev — 9?eft —

9teft (m.) — gudjê — Ddjë — ®d)(ag — Sdjladjt — ®d)ü(|el— Sff)Iüffc( — 3rvtum — Sorf) — Soc^.

21.

De struisvogels leven in de eenzaamste 1) en dorste streken van Afrika. Hunne eieren zijn zeer voedzaam en worden vooral door (oon) de Afrikanen met graagte gegeten; ook hetvleesch aten de Romeinen, met een sterke saus toebereid. Een struisvogelei 2) weegt doorgaans hij de 3) drie pond en wordt gemiddeld met (o.) 24 hoendereieren ($at.) gelijk gesteld 4). Alleen het mannetje levert de fraaie witte veeren, die sedert langen tijd als hoofdtooisel 5) onzer dames zoo gezocht zijn. De struisvogel loopt sneller dan een paard en laat zich berijden, maar (ober) niet besturen 6).

Onder alle dieren ($at.), die hunne jongen zoogen, is de mol het eenige, dat zijn voedsel in donkere gangen onder de aardoppervlakte (Eat.) zoekt 7). Hij zuivert den grond van veel

ocr page 30

24

ongedierte, dat de wortels der gewassen afknaagt en geheele velden in een woestijn (3icc.) zou veranderen. Derhalve doen (handelen) de boeren verkeerd, wanneer zij de mollen, die op hunne rooftochten ($at.) den grond doorwoelen, vervolgen en dooden. — Het eerste lid van de samenstelling DJiauliuurf heeft niets met het substantief b a ê 931 a u I te maken 8), zooals bijvoorbeeld de eerste helft van 't woord 9)ï o u I e f e I; het is eene verminking van het oude woord molte, dat aarde betee-kent 9).

1) öbe. 2) ©traufjenei. 3) naï)c on. 4) idjaljen. 5) fiopijd)muct. (S}g(. §ouptj(^muctj. 6) (enten. 7) nadjgeljen (mit Satio). 8) tf)un (ober) fdjaffen. 9) fjeifet (obet) 6ebcutet.

22.

@ieb Den cingeflammcrtm ©ubftantiücn bic i(;ncit gebü^renbe SMctjqatjlfovm:

®te (•S^iel) bcr (Sinb) finb nacf| bcm Sdtcr fcljr Oerfc^iebcn. kleine (Subben) Iteben bie (©tccfenpfcrb) unb flcine (iBagcn), bic gröfjent ^aben (9ietf), (^reifet), (0d)u||ei-) ober (S^ncütugel) (®i-ad)e) unb (gii^bogen). — ®ic (bitter) tnigen (§ann)'d)), (Sdjilb), (Speer) unb brcite (lt;Sdjrcctt). — Die (9?ad)tci0 bcr (fcieg) übcnuicgcn bei trcitcm bie (SBorteil). — 3eber 9)tcnfd), jebcr ©taitb f)Qt feinc (S8c= l'djwerbe): aud) bic (S^itier) Ijabcn Pietc (©djimengfeit) unb (§in= nevnié) ju ubcnuinben. SBie frol) finb fic, meun nad) (anger 9(n= fpannung tfjrer (fivaft) bic f)crrlid)en gcricn i()ucn mit (S3evgnugen) aner Sïrt (oijnen. — ®ic (Spridjinort) [tellen gcmöljnlid) (3Bn()i^eit) in (i8i(b $at.) bnr. (Scifpiel): i)in'(^ uiete (©treid)) faüt aud) bic f^merfte ©dje. Scere (ïonnc) ober (Sa§) fliugcn 3Iuê frembem 9to^r ift gut (quot;Pfcifc) fdjncibeit. SEBer mit jungert (^fcvb) pflügt mad)t trumme (i^urdje). — (ïifdjlcr) unb (®rcd)ê(cr) mtffen aué bcm ^otje bcr (23trfc), baS feftcr unb claftif^cr ift a(ê baê bcr (gic^te), (Stube) unb (®eibc), (ïtfd)), ($tul)l), (Srug), (Dofe) unb bcr= glcidjat (Sat^e) ju fertigen. — S)ic (Sartoffel) finb im 16ten 3:at)r= ^unbert burd) bic (Spanier) auê Slmcrita ^evübergetommen. — ®ie Oviefe) finb befaunttid) bic fc^nctlftcn ©djlittfdjuljdiiufcr). — @c= baube ^abcn (Waucr), (3immcr) tjabcn (SEBanb). SSanncr ncnnt man bic §ccrfal)nc, urn rueldjc fid^ ciu friegcrifd)e? 3lufgcbot fam» me(t. 3:n frü^ern (3cit) raurbc baê beutfdje Sfeidjê^cer burd) bie (Wanner) bcr (§crjog), (®raf), (9Êcid)êftabt) unb 9feid)«(fi-eit}err

ocr page 31

25

gcBUbet. ?c(jtere ^ie§cn 58annev(()erv). — (3)?ariquot;cf)) rocvhcn bic frut^tbaren (^nnbftric^) bcr norbbcittftfjen ïiefcÊcne gcnannt, bic bcm SJÏccrc burrfj (Sinbcidjung) abgciuomtcn luurbcn.

23.

De spreeuwen zijn grappige vogels; zij klepperen als de ooievaars, kwaken als de kikkers en fluiten gelijk de straatjongens; ook kunnen zij leeren praten en zingen. — De vis-schen zijn met schubben bedekt; in plaats 1) van beenderen (nut s2(rt.) hebben zij graten, en in plaats van beenon of vleugels hebben zij vinnen. Zij ademen niet door longen, maar (jonbcrn) door kieuwen. De snoeken, die veel in de rivieren en meren van ons werelddeel voorkomen, zijn gulzige roofdieren; niettemin leveren zij, evenals de karpers, de baarzen, de alen, de haringen enz. een smakelijk voedsel. — De insekten hebben zes gelede pooten 2) en aan don kop twee voelhorens. De spinnen onderscheiden zich van de insekten, doordat 3) zij acht beenen hebben en bijna volkomen 4) uit de eieren kruipen 5) zonder eerst in larven en poppen (sicc.) te veranderen 6). Aan het achterste gedeelte 7) van haar lichaam hebben zij zes a (Ms) acht wratten, uit welke 8) de draden voor (311) hare kunstige weefsels of netten komen 9). — De verschillende graansoorten behooren tot de grassen; zij hebben holle, van (niit) geledingen 10) en knoopen 11) voorziene halmen en lange smalle bladeren. Van de graansoorten noemen wij: de rogge, de spelt, de gerst, de haver, de rijst en de maïs, ook Turksche tarwe 12) genoemd. — Eikels en beukenoten zijn een goed voeder voelde zwijnen.

1) jlatt. 2) Vert. voeten. 3) Vert. daardoor dat. 4) «oflftönbig. 6) Ijerauiïrtccfyen. 6) fidj umjuiuonbeln. 7) één woord (pag. 7). 8) benen. 9) ijertoovfommen. 10) Vert. leden. 11) bev ftnoten. 12) tür= fiidjer SBctjen.

24.

De olijfboomen zijn voor (0.) de bewoners van zuidelijk Europa (atit.), bovenal voor de Italianen en Grieken, even veel 1) waard als voor ons de onschatbare ooftboomen. Uit de vrucht wordt de bekende olijf- of boomolie geperst, die vooral als slaolie wordt gebruikt; van (nns) het hout worden de fraaiste meubels vervaardigd. De olijftak is het zinnebeeld des vre-des. — Op (on) de plaatsen 2), waar de treinen stoppen, opdat

ocr page 32

26

personen kunnen in- en uitstappen en waren op- en afgeladen kunnen worden, quot;bevinden zich stations. — Steden, waarin veel kooplui wonen, heeten handelssteden. Zij liggen doorgaans aan groote rivieren (®nf.), daar men zware lasten 3) liet best te scheep van de (o.) eene plek 2) naar de andere kan brengen. De dingen, welke de kooplieden ten verkoop aan-bieden 4), worden waren genoemd, terwijl de huizen of ruimten, waarin deze in groote menigte worden bewaard, magazijnen 5) heeten. De bewoners der landstreken, die niet genoeg voortbrengen 6), kunnen door den handel hunne behoeften bevredigen. — De burchten, die in de middeleeuwen door (oon) de ridders bewoond werden, zijn bijna alle in ruïnen verkeerd 7): hunne vertrekken 8) zijn thans sombere holen, de poorten zijn door (mit) puin en struikgewas versperd, de hooge torens zijn vervallen, en de grachten zijn droog en vol woekerend onkruid, dat zich om de neergestorte 9) steenbrokken kronkelt.

1) ckn)o trie(. 2) Crt. 3) ^nft ($. 1). 4) auëÊietcn. 5) aBavciilogcr. 6) f)cv= «orbringen. 7) in ïrünniicr tierroaniidt. 8) ©emadj. 9) ïjeruntcrftiirjen.

25.

©djreibe ben bcftimmtcn Slvtifel uor unb ben ©cnitiu Sinjal)! unb ÜJJeljrjnl)! Ijintcr folgcnbc ©ubftantiüc:

hornet — Ouartctt — Snnat — ©cncrat — Veteran — Saplan — ©poé — Siolcft — ^jiifar — ®iamant — 9fcpti( — ^rofeffov — SDfajor — ®amc — fionfut — Dküjt' — ©cnitiu — ©ubftantiü — ^rojejj — ^Jotar.

26.

Jonge schapen heeten lammeren, jonge koeien heeten kalveren, jonge paarden veulens, jonge zwijnen biggen, jonge kippen kuikens en jonge menschen kinderen. — Deze schilders hebben fraaie schetsen in hunne portefeuilles paleizen, kasteelen, hutten, wouden, rotsen, woestijnen, bergen, dalen, zeegezichten, ik heb allerlei ontwerpen gezien. — De arme schipbreukelingen moesten zich verscheidene kleedingstukken aanschaffen; zij kochten hoeden, dassen, boordjes, vesten, jassen, broeken en schoenen of laarzen. — Gymnasiasten worden studenten en later geneesheeren, predikanten, advokaten of leeraars. — De bestuurders 1) der grootere kloosters heeten abten, die der kleinere heeten proosten, priors of superieuren 2). — Vijf regimenten hebben aan den slag ($at.) deelgenomen; de verliezen zijn groot.

ocr page 33

27

maar de overwinning is beslissend 3). In de hospitalen bevinden zich vele soldaten en verscheidene officieren; ik geloof twaalf tweede luitenants 4), tien eerste luitenants 5), drie kapiteins en twee majoren. — Do diamanten worden door de glazenmakers gebruikt om glas te snijden 6); wanneer zij geslepen zijn, heeten zij briljanten of juweelen. Na 7) den diamant zijn de robijnen, eene soort van (o.) rood edelgesteente 8), de hardste delfstof.

1) Sin SBorgefetjter. 2) Superior (4e fit.). 8) Vert.: eene beslissende. 4) ©efonbelieutennnt. 5) SPremicrHcutcnant. 6) 311111 ©laëfdjnciben. 7) Sincfjft (mit Sat.). 7) ©belftein (vlur.).

27.

De Nederlanden overtroffen in de en eeuw alle

Europeesche landen in (an) volksvlijt en rijkdom, daar zij sedert de kruistochten (Sat.) de stapelplaats voor den nieuwen handelsweg van de Middellandsche Zee naar 't noorden vormden. — Na de verdrijving van ïarquinius (art.) werden twee consuls, in 't eerst pretors genoemd, voor (aui) een jaar (2icc.) gekozen.— De Perzen leefden in de vruchtbare bergstreek ten noorden 1) van (non) de Perzische Golf. Nadat zij een poos 2) onder de heerschappij der stamverwante Mediërs gestaan hadden, vestigden zij in 't midden der 6lt;io eeuw vóór Christus' 2) geboorte een machtig rijk, welks (beffen) stichter de beroemde Cyrus, eerst de verwijfde Mediërs, daarop de Lydiërs en eindeliik de Griek-sche koloniën onderwierp. — Aan de westkust van Sleeswijk bevinden zich 4), omspoeld 5) door (oon) de golven der Noordzee, verscheidene eilanden (pag. 3), overblijfselen eener samenhangende strook lands 6), welke een prooi 7) van de zee is geworden. De grootste (Somtmr.) dezer eilanden zijn deels door (burdj) dijken, deels door duinen tegen (»or) de golven ($at.) beschut, die dagelijks nieuwe pogingen schijnen te doen 8) om de laatste brokken in te zwelgen. De kleinere eilanden, zoogenaamde Halligen, noch door kunst noch door natuur beschermd, zijn voortdurend aan 't geweld der baren prijsgegeven en worden zeer vaak, in de wintermaanden zelfs wel tweemaal op (an) één dag overstroomd.

1) norblid). 2) langere 3eit. 3) Êljriftt. 4) finben fic(). 5) umflutet. 6) Sanbftrecfe. 7) Slïaub (ber See jum 9!.). 8) Vert. te maken schijnen.

28.

Men heeft verschillende soorten van elektromagnetische

ocr page 34

28

telegrafen: het meest in gebruik (3itt.) is de door (uon) den Amerikaan Morse uitgevonden druktelegaaf, waarmede een geoefend ambtenaar 1) in eene minuut (®ot.) 80 tot 100 letters 2) kan telegrapheoren. — Planeten zijn sterren, die zich in bijna cirkelvormige banen om de zon bewegen. — Wie een' moor blank 3) wil wasschen, beproeft liet onmogelijke. — De (o.) heer B. is landschapschilder, zijn broer dekoratieschilder en zijn neef is schilder van uithangborden 4). — Een muisje knaagde 5) de sterke draden van een net stuk 5) om daardoor een' leeuw, die hem eens het leven geschonken had, uit de gevangenschap te bevrijden. — Het accent ligt in vele Fransche woorden, op de laatste lettergreep (Sat.). — Op de levenszee is het verstand 't kompas, maar de hartstocht 6) is de wind, die ons voortzweept 7). — De bewoners van Zwitserland heeten Zwitsers, die 8) van Spanje heeten Spanjaarden, die van Napels Napolitanen en die van Schotland Schotten. De karakters dei-meeste nationaliteiten zijn meer of minder uiteenloopend 9). Hoe heeten de bewoners van Zweden, van Portugal, van Engeland, van Turkije, van Kusland, Pruisen, Bohemen, Pomme-ren, China, Japan, Europa en Azië ?

1) cin Scantier. 2) ber Shidjftatic. 3) locig. lt;t) ent SBort. 5) jernogen. 6) £cibcn)djnff. 7) fortpeitfcfjctt. 8) bic. 9) ücrjtfiicben.

29.

Krokodillen en alligators zijn reptiliën en uiterst gevaarlijke dieren. — Katalogussen zijn lijsten van boeken of kunstvoorwerpen, die bij opbod verkocht 1) worden. — 'Weet gij, welke lieden men paedagogen noemt? „O ja, dat zijn menschen zonder kinderen.quot; Hoe komt gij er bij 2)! Een paedagoog is iemand, die veel over de opvoeding heeft nagedacht: hij behoort dus tot de philosofen. — De oudste zoon van dezen huzaar is virtuoos op (mit Soti») de violoncel (£. 5), zijn jongste zoon zal fluitist worden. — De kapelaans hebbén de altaren, de generaals hebben de vaandels ingewijd. — De kozakken zijn Kussen; de ulanen, ruiters met lansen, sabels en karabijnen 3) gewapend, zijn Duitschers of Oostenrijkers; janitsaren vond men vroeger in Turkije ($ot.); kurassieren met helmen, pallassen 4) en pistolen treft men in verschillende legers (®at.) aan; veteranen vindt men overal. — Weet gij wat men een dekreet noemt? Natuurlijk weet ik dat, of houdt ge mij soms 5) voor een idioot? — Twee der zoons van dezen adjudant zijn kadetten, de beide anderen zullen studenten worden. — Pastoors en predikanten 6), advokaten en juristen, philosofen en litteratoren.

ocr page 35

29

allen hebben gymnasiën of seminariën bezocht. — Monarchen en demokraten, tirannen en demagogen zijn geen vrienden. - De conducteurs moeten de kaartjes der reizigers knippen.

1) ücrfteigcrn. 2) ÏBaS faüt bit cin! 3) ber Combiner. 4) bcr ^olfajcf) (o^ne Uml.). 5) etma. 6) 5Prebigcr, ïpfnrrcr, (bismcilen:) $rabifant.

30.

Processen moeten er (o.) zijn, mogen zij ook niet altijd in 't belang zijn van 't recht, ze zijn althans in 't belang der advo-katen. — Een beschaafd man spreekt geen bepaald dialekt. — In het woord ($at,) (cbenbig ligt het accent op de tweede lettergreep. — Demonen waren, volgens (norf)) het volksgeloof, geheimzinnige wezens, die invloed hadden op de lotgevallen (3(cc.) der menschen. — De consuls waren in Rome tijdens 1) de republiek 1) de beide hoogste staatsambtenaren. — Een der vreeselijkste aardbevingen had in 't jaar 1755 plaats: de stad Lissabon, de groote, prachtige residentie, werd met al hare kerken, torens, paleizen en monumenten verwoest. Meer dan 60000 menschen gingen bij deze ramp 2) te gronde. — Planeten en kometen (staartsterren) zijn hemellichamen; tot de hoofdplaneten behoort ook onze aarde. — Wanneer Pinksteren gekomen is, zal ik u de beloofde bouquetten zenden. — De dochter van onzen rector heeft aan de zuster van onzen notaris eenige fraaie souvenirs gezonden. - Deze knaap schreef het woord Sfiotcr even 3) goed met verdubbelden konsonant als 't woord aflutter. En hij had er hezicaar in 4), het eerste woord te verbeteren; immers: „ik heb vader (airt.) even lief als moeder (art.)quot; zeide hij. — Bunzings zijn een soort van (o.) marters en geduchte vijanden van hoenders (airt.) en duiven.

1) lonljrenb. 2) bic amp;otaftropf)e. 3) ckn fo. 4) SBebenfen trngen.

31.

Tegenspoeden van allerlei 1) aard verhinderden ons, het voorgestelde doel te bereiken. — Het zwaarste leed (pi.) kon den moed en het vertrouwen van den vromen man niet aan het wankelen brengen. — quot;Welke pen is in staat alle ellenden des oorlogs te beschrijven! — Ondanks hunne vroeger gedane (modjen) beloften hebben de roovers de eigendommen van den

1

9Jut in fotgeiiben acfjt gremittöïtetn auf -ik Ijot biefc gnbutig ken Son; DupKit, Fabr//-, Kathol 11:, Kntih, Mus«7j, PoliÖ, KephVc, Eepublïi; fonft immer bic tortetite Silk.

ocr page 36

30

edelmoedigen graaf niet gespaard. — De grappenmakers hadden de oude vuurmonden met kooien toegestopt. — Eerst hebben zij wegens bedriegerijen gevangen gezeten; thans moeten zij twee moorden begaan hebben. — Dit paard is bijna twee handbreed hooger dan dat van mijn broer. — De soldaten — er waren er (o.) meer dan 300 man — hebben tien vaten bier «n drie ankers wijn uitgedronken. — Zwakke kinderen worden soms met wei gevoed. — De roofzuchtige Kroaat daagde den ulaan in 't strijdperk ('ïicc.), maar werd overwonnen. — Pyra-miden en obelisken zijn oud-egyptische gedenkteekenen. — Het quotient noemt men de uitkomst eener 2) deeling. — quot;Waarom trekt gij zulke leelijke gezichten? Omdat ik van avond 3) de rol van harlekijn moet spelen. — Deze jongeling heeft een uitstekenden aanleg Otur.) en zal de verwachtingen zyner ouders niet beschamen; thans echter smaakt 4) hij de genoegens van de vacantie. — Kerstmis brengt de geheele familie weer bijeen. — In uw eigen belang raad ik u, de brieven en papieren (cin ÏBort) weg te sluiten. — Een Duitsch rijmpje 5) zegt:

Kome Paschen, wanneer zij wil,

Zij komt toch altijd in April (stvt,).

1) aller. 2) ba» fyacit. 3) ï)cutc ?l6cnï). 4) gcntcijcn. 5) SReimfprud).

3ic (Hacunamcu mtb bic Wofitimi.

I. Schlinntion.

(sJ(ufg. 32 unb 33).

1. ï)fit bcm Strtifcf öei'bunben, Wcibcn ©gcnnamen floj:ionlt;ï=

(o3 (der Buhm des groszen Bismarck); O I) tt e Strtitcf gcbrmidjt, bilbett bie ^crfoucnnamcn int affgemcincn bert ©cnitiu bcr Sinja^l mit § (Schillers Gedichte, die Gedichte Schillers, Klarchens Matter, Annas Schwester, Sapphos Leier). 3n bdt ailbei'n ScifltS bktbcit jic gciüötjnlid) unücranbert.

S)ic auf etnen ^ M' ^n u 1 (3, ftf), ft, J, I) jcbod) fönncn «er» ft^ieben befjaubelt werben. — a) ü)Jan geDraurfjt (iuic tci uné) Wo ben p o ft v o p I), roa« bcfouberS 6ci ^atntltClUKtmeu bcr gaü ift (Colambus' Reisen. Musaus' Miirchen, Steffens' quot;Werke: Bratus'Tod, The-

ocr page 37

31

tis' groszer Sohn). b) ÜKan gebrauc^t ben ïïrtifct, maê infonber® Ijeit gc)cl)ic()t, icenn üon ^erfoncn cmê bem naffifdjen 3lllertum bie 9tcbc i|t (der Tod des Sokrates (ober Sokrates' Tod), die Kraniehe des Ibykus, die Lustspiele des Terenz; Herkules, dei' Sohn des Zeus und der Alcmene; das Schaf trat vor den Zeus; sei mir gesegnet, Vogel des Jupiter), c) SOicm umfc^veibt ben ©cnitiü mittelê bcr ^rcipofition Jjon (Die Anhanger von Husz, die Werko von Gervinus, die Sehwanke von Hans Sachs). lt;1) SWatt tjiingt bic Gmbuitg eilè nu. 3)ieS gefd)ief)t ober

fa ft nur norf) bet 33ovnamcn unb in bcr Umgnngêfpradjc (Fritzens. Bücher, Maxens Ehrsucht, Horazens Gedichte).

anmcct. Settere gnbung luitb aud) im Geroöt)nlid)eii Sebin nod) oft bei weibtitfjen eigeii-= namen auf e gebvaudjt, j. 8. 3nticn8 SBIumcn, ©op^ienê 5BïanteI, SMatienS unb Suifenê ïïüttjer.

iffio bic SBejeidjmmg bcê quot;JaHcê mit ©djimengfeitcn üevburtben ift, nimmt man ben ïïrtifcl §i(fe; 58. Kain ersching den Abel. Ich habe (den) Karl dem Wilhelm empfohlen. Hat Fritz dem Heinrich eine Uhr geschenkt?

2. (2tc[)t cin 2itcf (ober cin a()n(id)eê SBeftimmunggmort) uor bcm (Stgcnnamcn, fo loevbcn fie otó jufammcngc^örig (a(ê cinc (Sin= Ijeit) bctvadjtct, unb nur bcr 9Jame roirb beflinicrt; 5. 33. Prinz

Alexanders Tod; die Briefe Vetter Johanns; Fürst Bismarcks Bubm; Bitter Budolfs Heldenschwert.

aSenn aber bcr Zxtd mit bem ftef)t, fo blcibt ber Sigen-

name unflcftiert J J. S. Der Tod des Prinzen Alexander, der Buhm des Fürsten Bismarck.

Stcfjt ber ïitct (ober bie g(eid)lucrtige Scftimmung) narf) bcm ©igennnmen, fo lUCrbe beibe flcfticrt; J. 23. Der Buhm Bismarcks, des Keichskanzlers; der Tod König Karls des Groszen, des Dritten etc.

3. ïritt bie Seftimmung felbflanbig auf, fo bajj fic burd) cin Nomina üon bem beftimmten SEBorte getrennt rairb, fo (jcijjt btefelbc Stppofttio». ©ie ftefjt in bcmfelben ^ïafuê alê baê non t^r bc= ftimmtC SEBort. — 33eifp. Wilhelm, der dritte König der Niederlande, ist 1890 gestorben. Wer bewundert nicht Geibels, des edlen Dichters, LiederI Karls des Zweiten, Königs von Spanien, nachster Erbe war 1699 gestorben. Schiller wurde in (zu) Marbach, einem württembergischen Stadtchen, geboren. Za Dionys, dem Tyrannen, schlich Moros, den Dolch im Gewande.

9(ud) luenn bic ^Jartifel a(ö uorange()t, gitt bicfeS ^rtnjip; 3. S3.

Ich, als altester Sohn, habe zu befehlen. Mir, als altestem Sohne, sollt ihr gehorchen.

ocr page 38

32

4. Steden mcljrcre ^evfoncnnanien ginter cinanber, fo iticrben fie n(8 cine Sin^cit aufgefagt imb fomit irirb nur ber le^te be= tlinicif; 5. 58. Christian Fürchtegott Gellerts Fabeln, die Begierung Maria Theresias.

5. ®ic fad)Ii^cn gaubcr» unb Cttêlltttlieu nctjmcn tm ©cnitio ê, am beften ancf), lucnn ber 3(vtife£ «ovangc^t; 3. ©. Engiands Macht, die Lander Europas, Asiens; die Zukunft des jungen Amerikas (Amerika).

©ei benen auf einen 3iWaut ^cr narfjülgenbe ©eniti» burdj DOll unil'rfjvieben, ober bitrd) ^iinjufiigung eineS ©attungênamenê anêgcbVÜcft, J. 33. Die Festangswerke von Mainz, Ton Paris (ober b e l' Stnbt SKninj). 50?an fagt mrf)t: bet saifet SRuêionM k. fonbevn:

der Kaiser von Baszland, Deutschland etc.

II. PlEl)r)nljlbill)uiig.

(«ufo. 34)

®ie mannlirfjen (Sigennaraen neljmen gett)ö()n(id) »c, biciueib=

I i d) e n =EU(lt); 5- 58. die Sokrate, Fucbse, Wilhelme, Hanse, Krasme, Maxe; die Charlotteu, Marien, Leonoren, Adelheiden (ciud) lUO^I: Adelheide).

3(ijcr: ®ie mannlidjen auf =e(, =cnt, =CU unb =cï geboren ju bcv 2cn ^(affe (tigt. ®. 14) unb bleibeu beét)atb unoeranbert;

58. die Michel, die Jochem, die Ruben, die Peter, die Schlegel, die

Schiller. — ïtud) bie üofalifd) auêfautenben bleiben meiftenS UUDercinbert; 33. die Levi, die Hölty, die Goethe, die Seneca; — bic frembfpvadjigen aber unb bie auf ft unb 0 neljnien geioöfjnlidj §53. S3, die Bourbons, die Tassos, die Annas, die Sappbos.

Innt. 1. ®ie f(affifd)en karnen auf =0 unb =t0 ^aben =nc ober and) =11011 (die Catone, Scipione, Ottonen); bie Ollf =(15 Itltb =05 ^abcn gCVUÖfjnÜd) c (die Hereulesse, Jonasse).

ainm. 2. 3ur 33e5eid)nung bei' familie roirb, befonbevê in ber Untgangêfpradje, gern =S alë ^(uralenbung ange^angt; 3. S3.

lEaaMM

«MM

ocr page 39

33

Ich war bei Fischers. Müllers haben heute Abend grosze Gesell-schaft. ^öif gebvaurfjcn atêbann ben 'ilrtifd.

2) c t 51 r t i f c l.

('Jlufg. 34 uub 35.)

3)ci- Slrtifcl, biefcS geringftc untcv ben SBcftimmmüvtcrn 1), metdje üoi' bnê ©ubfianttD trctcn tonnen, irirb im ®eutfd[)en (unb bieg gilt befonberu uon bcm b c ft i m m t e n Ivtitef) m c () v gebraudjt n(S bei un?, lueif ber S)eutid)e bei lueitem nidjt fo oft icie mir ben SafnS buret) ^rapofitionen umfdjveiben barf. — SBit; mollen blog b;c puntte, in benen bie ®^roeftei-fprad)cn eon einanber a b id e i= d) c n, betjonbetn.

®er 9Irtife( cilt ftet)t

a) uoi' ^ei-fonennnmen, luenn biefc ganj a 11 g e m c i n gefnfjt lücrben; — icir bebiencn nnê atêbann bev ^rapofition van; 3. ^3. ünter tlem Titel eines Diktators, eines Regenten; die Würde eines Bürgermeisters. das Amt eines Notars.

b) uor einigen Slbfettiocn, bie ofö |öd)lid)e ©ubftantioc gebrnnrfjt, ben 23 eg riff ganj n n b e ft i m m t auSbdicfen; mir bebienen un8 otêbann gemotjnlid) eineê Stboerbê; j. 93. Er hat mir ein Langes und Breites darüber gesprochen (= lang en breed). Ich will dich eines Bessern belehren (terechtwijzen, dat beter beduiden). Die Stiefel

3

1

33 e ft i m m 10 ö r t e r fjeifjen int aflgcmctncn adc bctlinicrbarcn SlBBr= ter, bic oor bn§ Subft. treten tonnen uub uidjt, mie ba§ 3( b j e f t i B, cine gigeufdjaft nusbrürfen; c§ gctjörcn alfo fjierju : 1) ber 3( r t i t c I ; 2) bie attributiöen g ü r m ö r t e r; 3) bie 3 a b l tu ö r t e r. $ie ® e f I i n a t i o n be§ ?lrtifc(§, be§ beftimmten (Ber, Sie, BoS) jo mie bc§ unbeftimmten (cilt, cinc, cin), luitb a[§ bctannt «ornusgefeljt. 6» ^ fci bier blofi ermnljiit, bajj btejenigeu SBcftimmmörter, wcld'e wie ber beftimmte ï(rt. bettinieren, Doll ft au big b i e g c n b e uub bicjeuigeu, meldde mie ber unbeft. 3trt. betfiuiereu, mangel f; aft biegenbe SSeftimmmorter genauut mevben.

ocr page 40

34

sind mir um ein kleines zu grosz (= een beetje). Darüber belehrt uns die Geschichte eines (des) weiteren = breedvoeriger, inhetbreede.

2lnm. 3m floraVaratio gi-braudjt man tieber ben (left. Slrtifet; 3. S. SBir woUen des naljctcit ouf ttc Zai)t cingctieu (haar grondiger behandelen). Ter 9ïrl)nct (pradi des bteiicron übtt jc. (=: breedvoerig). — SBei b c 1 e [) t en jcbod) ift ein acbiamlilidjct.

5)cr 2(vtite( cttl luivb incggclnffcn nor ^lDjcftiucn, bie etneut Subft. Bovangdjen, iuclc^eé in aÜgcmcincv Sebeutung gcbraud)t ift; berganjcSluébnicfentfprid)!cincm 3. 3?. 9J!it frotjem 2)!ute (met een blij gemoed), mit jc^tuerem Jpcrjeu (met een bezwaard hart), bei flutcr iiounc jein (in een goede luim zijn), mit trauviger sJ)!icnc (met een treurig gezicht) ctc.

®aquot; kftimmtc 2trtifc( ftel)t im Scutjcfjen mo reit bcniclben iuccv lafjen:

A) mit b c t c r m i n n t i ö e v ilraft; B) blojj alê § i 1 f {■-m i 11 c 1 juc 33qcirf)nung bcê JnHcS (aifo oïine ffitaft). SBir g eb raus c^en aïêbaitn van unb aan.

A) 9JJit betenniutttiuer iïrait ftef)t ber beft. 3lrt. (bejonberê im len, 3quot;' unb 4en gall);

1) oor fêiflcnuamen «OU Vertonen nuê unfrer nart);quot;len Utnge= bung, foiüobl ton Sefannten als Serraanbten; 33. Der Wilhelm (ben bu ja fimift) ist gekommen! Hast du der Marie das Buch ge-schenkt'? Wir gehen erst zum Karl und wollen nachher (We Sophie besuchen.

■2) nor 4gt;cnuanbtitl)0ftsnamcil (Sater, «iuttcr, Cntel, ïaute ic.) }ur 3tnbcutung eben bet 43ctannt= unb 2.!erraanbtfd)aft b. 1). ber 33 e= ft i m m 11) e i t. ifiBir 'JiieberlanOer bctrarf)ten btefe y21nbeutung alê tiberflitfjig unb taffen b e ê I) a I b ben 31rt. fort; v 33. Der Papa hat's gesagt. Der Onkel kommt. Die Tante hat uns versprochcn etc. — Qbeufo: Es geht dich audi an, wenn des Nachbarn Hans brennt (Spridim.) = als buurmans huis in brand staat.

?ïiim. 3n atjnïidkr SBeifc fleljen karnen dou ©cgenftanDcn ol)iic SIrtiïet, beren SScrtjaïts nig ^iuii ©ubjefte (bem 23efi^er) fciner naljern 51nbeutung (burd) ein ^ofi'eii'iüVronomen) bebavf. @01(1)6 ©egenftanbe fmb infonber^cit iiïeiber, 28 af f en, 0 d) m u cf i a d) e n u. bi](. 5 v-8. Er hing (hansfte) Tschako und Siibel an das Portemanlcau, setzte Hut und Stock in die Ecke, wusch Stirn und Wangen etc. Oft ba** 25erb in berartigen ©a^en tranfitio, unb tritt bcc ^cfil;.er be3 Snd)ol)jeItê in jvorm eine^ 2)iitiüilt; auf, fo ift ber beft. 2lrtifcï no twen big; wir gebraud)cn ïiebcr bn^ ^offef-fiopronom n; 5. 23. Wollen Sic mir den Rock bürsten,die Pfeifestopfen (mijn rok. mijne pijp) etc. Er hat mir die Uhr gestohlen. Ich habe mirdenFusz verstaucht.

ocr page 41

B) 2Itó blogoé .öilfêmtttcl ,ytr iöcjctrfjltung bcè (a6(;aiigtgeit) iïflfllö [®cii., $at. unfi Slccufatio, natürlirf; n t d) t im 9iominatt3]:

1) oor giflCItnamen aus bem t ( a i I i i d) c 11 9( 11 c r t u m. ■Dïotroenbig i|t int ©cnitiu. bei- ïïvt., ii'cnn fid) bicfc ^Jomcn nut einen cnbcn, unb bcr @cn. folgt; — fonft ift audi l)icr 5 gebvaudjlidjcr. 3m Sat. unb Iccufatiü ift bcr ïïvtikl bclicbt, ob--gtcifft llidjt nofmenbig. (SBgl. Sijcnnamen, S. 31).

Seüpidc: Der ïod des Lconidas (ober: Leonidas' Tod); die Flucht des Xerxes; die Riinke (listen) des Odysseus. — Die Schriften des Cicero, die Worte des Seneca, die Thaten des Scipio (ober: Cicero's Schriften etc.). — Eumaus war seinem Herrn, dem Odysseus, von ganzer Seele ergeben. Die Karthager schickten den Kegulus nacli Rom. Hannibal erinnerte den Scipio an den Wechsel des Glücks.

ïïnmert. Sc[)r betiefat ber öeöraiid) beê tcionbcr^ im 9ïccufatiü, loemi

man cin tlaifiiclicé (jct)r berüfimtce) JBetf, ober audj ciit Sclirbudi burd) bdi 9Jamen btö Sctfafferê bcjcidinct; j. 33. Wer von Ihuen liat den Homer, den Nepos, den Teil gelesen? Ich kanu den Ileyse auswendig.

2) nor (Sattuugsiiamcu. ®icfc finb goiüöfjnlid) aUgcmcincr ober abftraftcr sJ?atur; 3. S8. (® e it i t i u) ïljriinen b c r greure (van vreugde), cin Scidjcn b c r ïrauer (van rouw), etn 33cwci§ bcr (yrcunS= jdjaft (van vriendschap), ba§ ©cfül)l bcr Sonfbarfeit (van dankb.), cin 33ilö beê SommcrS (een toonbeeld van ellende), 2lgt;ortc beë ïroflcê (van troost), bic ftunft bcr Scrflefiung (van veinzerij) etc. — (2) at tot) SBir waren bcr finite, ber ®efal)r ausflcjcljt (aan koude etc. blootgesteld). 3dj 3ict)c SEcin bem SBajjcr Bor (ik geef de voorkeur aan wijn boven water).

Sctöcn jcbod) füld)c ©ubftantine mit cincm 3(bjcttiu «erbunben, fo fann baS Hbjcftio ba» SJcrfjciltniê auêbrüdcn unb ber 2(rtifel fovlbleibcn. — 23g[. Thriinen aufrichtiger Freude, ein Zeichen tiefer Trauer, ein Beweis inniger Freundschaft, ein Bild end-losen (flott: cnblojcê) Jammers etc. Ich ziehe Wasser schlechtem Weine vor. Wir waren drohenden Gefahren ausgesetzt.

3) 33dv ben 9ïanien ber 2)? o n a t e, fo mie and) ber Sag e, roenn lettere metjr adgemein, a(u SBejeidinung einer ^eriobe auj» treteu ; 5. 33. Geschrieben im Januar. Sei der April auch noch so gut. Er schickt dem Schiifer Schnee auf den Hut. demand in den April schicken. Er kam Anfang August und blieb bis in den

ocr page 42

36

Oktober. Das Korn wird lm August eingeerntet. — Der Sonntag ist der Ruhetag. Am Karfreitag gehen wir nicht aus.

3t6cr (cüiptiid)): Anfang Mai, Mitte August, Ende Dezember.

3nm ®d)tuffe bcmcrfcn loir I. bag in cinjctncn giitlcn ir i r ben 2(rtitd gcbraudjcn, luo bic ®eutidjcn bcnfctbcn nit^t fenncn, n. I. a) nndj bcm ?(nvcbcmort Mijnheer, luenn bor ïitef folgt (Hcrr Hauptmaun, Herr Baron etc.) imb b) nod) bcm unbcftimmtcn alleë (Al het volk, vee, al de ellende = SlücS i'olt, nücê 55icf), atte§ Sknb).

II. bnji ber beft. Stmfel im Deut|d)en gein mit ber fotgenben 'Prapofltion O e V f d) m i t ^ t (ich sasz im Zimmer, am Kamin, beim Onkel, blickte ins Feuer, schaute zum Fenster hinaus).

SEemt nber ber Slvtifet b e t e r m i n a t i u e ober b e m o n ft r a= tine Sraft imb bamit eine ft ei rt ere Setonung als bie 'priipo» fition befommt, ift bie 3l'fö1quot;1quot;enjie[)ung (Sontraftion) nid)t geftattet.

gjfmt oergieidje: Die Kinder spielten im Garten, im Garten meines Groszvaters. Sie spielten in dein Garten, welcher an den Kirchhof stöszt. — Er stand am Fenster. Er stand an dein Fenster, wo friiher seine Schwester so gern sasz (au bcraicIOcn gctifirv, 100 :c).

Ich bin heiser vom Lesen. Von dem Lesen bin ich ganz heiser geworden (d. h. etwa: oon bem cwigen Seicn, Sïbl. van dat, van zulk lezen), — Ich spreche nicht von dem Wilhelm, ich meine einen andern(öcm ift giirwort). Von dem Wilhelm hatte ich so etwas nicht erwartet (= van dien Willem). Nicht vom Wilhelm, sondern vom Peter war die Rede.

2luS biefen unb dfjnlidjen SSeifpielen fiefjt mnn, bag ber beftimmte SIrtitet unb baS bemonftrat. gürroort Icid)t in einanber übergefjen.

Sei unê ift eine berartige ^ufammen^iefjung nur mit te erfaubt unb mögti^. — Unfre jonnen te, ten, ter ftimmen oft mit ben beutfdjen gormen ^ u, 5 u m, 511 r überein, 5. 8. in: fic§ jur 3!ut)c bcgcticn (ter ruste), juni $obc «crurtcilcit (ter dood), baê t()ut nid)t§ jur Sndje (ter zake), jur Oöllc fa()ren (ter helle); ju gufj, ju ^ferbc, 311 Sc^iff; 311 C»i(fc lommen, ju (jute fommen, ju Sdjanbcn ma= djen, ctn Sieutcnont jur êcc, etc.

SKnuctdjcnb finb:

Sum Sönig crwö^Icn (tot), jum S]urjc{)ein (te), jum 3«tucrtrct6 (tot), jum ©cfjmcigen bringen (tot), fid) jur aBcl)re ftetlcn oïlquot; icljcn (te), jur SBarnung btcncn (tot), jur Qrou nefjmen (tot), etc.

ocr page 43

37

3[)m ju (ïljrcu, ju ©efoKcit = ter eere, ten gevalle. — glrous [tel)t mir ju Sicnftcn (5111 Serfügung), {oimut mir ju Cf;ven (ter), ge()t uur ju §crjcn (ter); ju '-öoiicit TOerfen (ter aarde), gut ju gufic jein (flink ter been), jem. ju gaKc bringen (ten val) cic.

93efonber8 nor iu c i b 11 d) e it ©ubftantiücn mi vb gcrn bcr Slrtifcl gebrand)t unb mit ju fontrnljicrt; 58. jur 33cftatigung (tot staving), jur 35crul)igung (tot geruststelling), jur 93crcitung (tot, ter bereiding), jur Siciuigung (tot zuivering), cr jwang mtc^ jur?lnnaf)mc (tot aanneming) :c. :c. a'gt. obcn.

sJJüd| merfc man fid):

lm Ernst, im Scherz, im Zorne, im Namen des Königs, in der Stille, auf die Seite gehen, im Gegensatz zu (in tegenstelling met), aufs neue, com Hörensagen, im Stande sein, auf der Strasze, auf dem Wege etc., iuo loir ben 3lrtitc( n i d) t gebraudjen.

Umjcfjrciamp;uitö bes (Scuitius.

i'oit ben uielcn Slrten ©enitiuc üerbient bcr ïeKungêgenitiü, bcr fogenannte ^lU'tltiüe ©cnitiu, befonberê 58cad)tung, lucil er int ®cnt|d)en geiuöfjnlid) umf^riebcn inerben tann, ja fogar biêincifen umfd)rteben roerben m u jj (burc^ Don, 1) nid)t feiten and) bnrd) untcr ober a n ê).

®te Um)d)rcibung ift n o t in c n b i g, incnn bie uon etnanber ab()angtgcn iöörter -pronomina ober 3 a t)'ö rt e r finb; g. 33. Wer von (u n t c r) euch (wie uwer), jeder van uns, lumdert von ihnen, keiner von (untcr, aus) allen; een van ons = ciner Don nns*. — 3n anbern giitten ift Umfd)reibung crlaubt. lt;So fagt man beibe»: Zwei meiner Freunde (unb) von meinen Freunden; einige der Giiste (unb) von den Gasten, eine Flasche des besten Weines (unb) von dem besten Weine.

33ei -L)Jcnge= unb 9lrtbc5etd)nungcn la§t man gcrn jebeê Skrbin» bungSmittel meg. So fagt man gen)öt)n(id): Eino Menge Bücher

1

©er ©cnitio brücft f)aiifig (Sigcntuni, ScfiVS i». f). 3 ufQiumenQC^örigtcit auö : bie Slciiter bcö Saumeé (bic ju bcm S. geboren), brei meiner fjrcunbc (bie 311 in. SSx. geboren).

!Die ^rapofition von Oc\eicl)nct l)aiifig cine Sntfernung ober Srennung: bie Sïatter con bcm 23anme (Qbgeriffcn), brei oon mcincn 5^quot;inben (uon ben anbern getrennt),jc^n ö 0 n l)unbcrt (abgejogen).

3lnv bcm Umftanbe, ba{j Sremuing ofterë cine frii^ere Sercinignng b. I). cinc 3115 fammcngeljörigtcit üorausfe^t, lagt fid) bie Umfd)rci6ung maneer ©cnitioc burd) von crfïarcn. (95gt. and) ©, 148).

ocr page 44

38

(after and)) von Büchern; eine Masse Personen (olun) von Personen ; eine Anzalil Kinder (obcv) von Kinilern: ein Haufen Krieger (otici) von Kriegern; eine Art Blumen (oöcv) von Blumen, ein Glas Wasser, ein Dutzend Stahlfedern etc.

Slnmert. 1. ïritt ein Slbjeftio «or cin bcrnrtigeS Sutft., fo luirb baéfclbc entiuebcv, n(ê @ e n i t i U, ffcfticrt (Eine Menge guter Biiclier, eine Art russischer Pelze, ein Glas kalten Wassers, ein Dutzend feiner Stalilfedern) ober, alö cine 2ïrt p p o ) i t i o n, bcr SOfcngcbqeidjiuing untergcorbnct; bicê ift gcfcraufl)(id)cv, unb in bcr 5' i n 3 a f) t jm- 9iegct geiuorben, 3. 33. Eine Menge alte(r) Böcher. Ein Glas kaltes Wasser erfrischt. Ein Glas guter Wein ist nicht zu verschmahen. Gieb mir ein Glas guten Wein. Ein Dutzend feine Stahlfedern etc. — 33ci ben n(ê Subftantioc gc= braucfitcn Jlbjcftiocn (jingegen ift ber umtmfcl)nc6cne ©cniiiü gc= ('.rflud)(id)Cl'; 5. 93. Eine Anzalil Geistlicher. Eine Menge Toterund Sterbender.

2tnmcvE. 2, (®i'rat. 31 it. 2. 35, 2). Sag in fofiicnbfn 3!uêbriidcn (uit!) bic UmW)tei6mig erlnnbt ijl, lafit fid) mi8 i^rct Vartitioen Diatur cvtliirni: Gin UltioU von gicftcr, ein @efiil)[ o o n tinbifdicm §o(l)mut, ein .pand) uon @d)W;rnnit (een zweem van zwaarmoedigheid), cin 'Jlnflng uon Sdittarmcrei (een zweem van dweepzucht) ein Stugcn» btid uon SluSgeloffenficit, eine Slnwonbtung (vlaag) oon SEBotinfinn.

Qui iibvigcit ift UmfdjvcUning bcê ©cnitioS nntmenbig, lucntt f c i n o n b c r c ê ÏÏJJ i 11 c I juv 53c^cidmung bcS ^ïafuS üorfjonben ift.

So uor 0iibftanti»cn in bcr sDM)r1Q()( d1)iic Stvtifcl (1st das die Frueht von zwanzig Jahren Arbeit? Das Leben von Tausen-den war in Gefahr), Bov D I't ê n a m C u nut cincn ^iidjlaut (s. (Si.iennamcn ft) unb Bar cirtcm anbcvn ©cnitio; 33. Sind Sie ein Freund von des Grafen jüngstem Bruder (— beë 33nibcrê bes @rnfcn). Ich bin ein Bewunderer von Schillers Gedichten. — Unb lucêfmll) ift bic llmfdjmbung cniuinfdit in Saf-cn roic; Es bedurfte des ganzen Ansehens von Wilhelm und dessen Freund. Das war ein Vorbote von dem drohenden Einsturz des ganzen Gebiludes. (5. Sa1:!!).

ötgcminmeu, 3tp})ofition unb ^trtifcf.

32.

Karei de Stoute, zoon van Filips den Goeden, hertog van Bourgondië, was door erfenis en aankoop 1) de rijkste vorst van Europa geworden. — De kroning van koning Otto den eersten vond den (am) 8 Augustus 936 in den dom 2) te Aken

ocr page 45

39

plaats. — Aken moest (jolltc) volgens het plan van Karei den Grooten een tweede Rome worden. — De bedevaarten naar het beloofde 3) land, welke sedert Constantljn den Grooten uit 4) alle christelijke landen ondernomen werden, waren ongestoord gebleven, zoolang de Arabieren beheerschers van Jeruzalem waren. — Frederik de Groote was een tijdgenoot van koning Lodewijk XIV van Frankrijk, van Keizerin (art.) Maria Theresia en van Keizer (art.) Jozef II van Oostenrijk. — Koning Hendrik V van Engeland, die zijn vader (®at.) Hendrik IV in de regeering opvolgde 5), was een vorst met (oon) ongewone gaven en buitengemeene energie. — Hendrik VIII, zoon van Hendrik VII (®e»- oor) was een hartstochtelijk, grillig en despotisch vorst. — Ingevolge 6) den wensch van zijnen stervenden vader, Willem den Veroveraar, werd Willem II, naar de kleur zijner haren de Roode genoemd, in Engeland tot koning (art.) verheven, terwijl zijn oudere broeder Robert zich met Normandie (art.) moest tevreden stellen 7). — Albrecht I van Oostenrijk, de oudste zoon van Rudolf van Habsburg, geraakte 8) eerst door den val 9) van Adolf van Nassau op den troon. In het jaar 1308 werd hij door zijn neef 10) Johan van Zwaben, wien hij zijn erfdeel onthouden had, vermoord.

•1) ftauf. 2) SJlüniter. 3) gclol'l (tócr) «crïjetBcn. 4) non... nu§. 5) fotflcn. 6) gcmSfe (Dcm SBuni'dje. .. gcmfiB). 1) bcgnügcn. 8) gdcingcn (fcftnw o). 9) Stiirj. 10) 9icftc (ote) SBruberëfoljn.

33.

Met Commodus, den omnenschelijken zoon van Marcus Aure-lius 1), begint eene reeks van (non) ruwe en wreede keizers, die bijna allen door pretorianen verheven en weder ten val gebracht 2) werden, en slechts bij wijze van uitzondering 8) een natuurlijken dood (@m.) stierven. — Socrates, de,zoon van Sophroniscus, een beeldhouwer, en van Phaenarete. eene vroedvrouw, werd in het jaar 464 v Chr. 4) geboren. Na vele jaren als model van echt menschelijke deugden in Athene te hebben geleefd, werd hij door drie onbeduidende vijanden voor het (o.) gerecht gedaagd, daar hij de staatsgoden gehoond, nieuwe godheden ingevoerd en de jeugd verleid zou hebben ((jabc). — De Peloponesus 5), het groote zuidelijke schiereiland van Griekenland, is naar Pelops, den zoon van Tantalus en Dione genoemd. — Syracuse, eene in (o.) 735 v. Chr. gestichte Korin-tische kolonie, bereikte het toppunt van macht (art.) onder Dionysius I (404—368). Vijfentwintig jaren later bevrijdde de

ocr page 46

40

edele Timoleon de stad van (non) de heerschappij van den despotischen Dionysius II. — De Krim 5) is een deel van Rusland, de Elzas van Duitschland en de Aargau van Zwitserland. — Het grootste gedeelte van de Lausitz behoort tot Pruisen. — De Wetterau, eene vruchtbare strook lands 6) tus-schen Vogelsberg en Taunus, heeft haren naam aan (non) de Wetter {fem.) ontleend.

1) ffliarc ^lurél. 2) flilrjcn (oiet) ju Salie bringen. 3) auënoljmsmcije. 4) Bor Eljrifto (ober) gtjriftuë. 5) ïtjcma 28. — 6) 2aubftrid).

34.

Van de vijf Willems, die onder den titel van stadhouder in onze geschiedenis ($at.) voorkomen, zijn Willem I en Willem III de beroemdste. — Eene menigte van burgers werd door de Spanjaarden als een kudde schapen ter slachtbank geleid; ge-heele scharen van arme veroordeelden bestegen schavot of brandstapel. — Wie van ulieden heeft eene belooning ontvangen ? Hij heeft ieder van ons iets gegeven; de hoogste onderscheiding evenwel is aan den neef van uw vaders eersten bediende te beurt gevallen. — De omstreken van Parijs kunnen zich in (au) schoonheid met die 1) van Londen meten. — De dom 2) van Worms is een der oudste van Duitschland. — De belegering van Metz begon in 't midden van Augustus en duurde tot het einde van October 1870. — Onder de Duitsche keizers zijn 3) zeven Hendrikken, vier Otto's, twee Rudolfs en drie Frederiks. — Onder de Scipio's zijn vooral twee zeer beroemd. — In de bijbelsche geschiedenis komen verscheidene Simons, Judassen en Maria's voor. — Konradijn, de veelbelovende zoon van Koenraad IV, werd in (o) 1268, op bevel van Karei van Anjou, den broeder van Lodewijk den Heilige van Frankrijk, te Napels terechtgesteld. — De overstrooming heeft veel schade aangericht; al het vee is op sommige plaatsen verdronken. — Ik houd van een glas frisch bier. Ja, maar een glas goede wijn is ook niet te versmaden. — Weet gij zeker, dat de man op straat is 4) aangevallen? Neen, ik heb het van hooren zeggen; hij moet (fofl) zich dapper hebben 4) te weer gesteld, maar eindelijk ter aarde zijn 4) geworpen. Moge de straf, die de ellendelingen zullen 4) krijgen, anderen tot waarschuwing dienen. — In ons leesboek komen verscheidene gedichten van Tollens en van Jan van Beers voor. Aan welken van deze beide dichters geeft gij de voorkeur?

1) benen. 2) ®om nt. 3) gieÊt e§. 4) ïrnS .^tlfsücrfi f o ( g t int Dleknjalje.

ocr page 47

41

35.

De Bukowina, een Oostenrijksch kroonland, was vroeger een deel van (üon) Zevenbergen en werd in (o.) 1482 door den vorst van Moldavië, Stephan V. veroverd. — (Aan) Loreley (Sot.), het bekende lied van Heine, ligt eene sage tot grondslag 1). — Het ongeluk van dien edelen man ging hun allen na aan 't (ju) hart. De pogingen tot zijne bevrijding bleven wel is waar in 't begin zonder gevolg, maar toen de beurs ter beschikking gesteld en het tekort, ten (im) bedrage van 1000 gulden betaald werd, gaf men hem zijne vrijheid terug. — Het heeft verbazend geregend: op (an) verscheidene plaatsen is het koren gaan liggen 2). — Hannibal, den ondergang van zijn vaderland voorziende 3), hoopte Scipio tot een minnelijke schikking 4) over te halen ; hij herinnerde deii grooten Eomein aan de wisseling van 't geluk, die zich in hem, den overwinnaar van (6ct) Cannae, zoo treffend bevestigde, en deed alle mogelijke voorstellen — maar Scipio eischte de onvoorwaardelijksce onderwerping en 't gesprek bleef zonder gevolg 5). Kort daarop werd het lot van 't arme Karthago bij Zama beslist. — Een der schoonste pleinen van Londen is Trafalgar Square, dat door de gedenkzuil van Nelson, den populairsten held van geheel Engeland, wordt heheerscht 6). — Wie in drift (toorn) handelt, gaat in storm onder zeil. - In een aanval van koorts is de ongelukkige uit het venster gesprongen. — Wat hebt gij bij do ver-kooping gekregen? „Eene massa oudo boeken, waarvan ik jo misschien een dozijn cadeau doe!quot; Zal ik per as of te scheep komen om ze te halen? — „In naam des konings!quot; riep de politicagent, terwijl hij den marskramer in de borst (acc.) greep, „gij zijt mijn gevangene.quot; Deze stelde zich te weer en kon eerst bedwongen worden, nadat een paar flinke soldaten een handje mee hadden geholpen. — Zijt gij te voet gekomen? Ja, ik ben wel (jioar) niet jong meer, maar toch nog goed ter been. — In vergelijking met zijn broer is hij een talent en toch heeft ook hij het buskruit niet uitgevonden. — Gemiddeld sterven in deze stad wekelijks 80 menschen.

1) 511 ©ruube. 2) lid) lagevn. 3) die . . . voorzag = tier . . .

bor()erjaf). 4) 511111 gütüdien SBcrglcirf). 5) crfolfilos. 6) ïïlftiuc gonn: t»eld;eu ... überragt.

ocr page 48

42

»

J)(i§ G-igcttfdjaftsiuort ober ^bjcftiu.

A. Scfliuatioii.

Sin unb baSfcIk 9t»jcftip inii'b faalb ft a r f, ba(D i d) m a cigt; bctliniei't.

Starf, lüenn e» bic ©nbungen be« t) e ft i m m t c it sJt r-t i f e (§ nimmt; fdjiuorf), rocttn ciu 23eftimmiuovt bic ®e= jd)Ied)t'3-- unb .Rauivcubutt^cit er()a(t. idnuarfic Slsjcttio (jat cu im 151 u r a (, im @cn. unb Dot. fingutnr unb ïïcc. mtiimt. fing.

Unb roann mujj ba» Slbjcftio felbft bic Snbungen netjiucn, (obet (mit onbercn sBotttn) luann ift c§ ft art? SSdtit cnttucbcv fiai fctlt iBcitimmwort uor bemicltieit [tef)tr obev bic flcnonêloic ^ornt cincê mangcltiaft bicgcnbcn 23 c ft i m m lu ü r t e §.

^ QÏ. 33$u6note).

6 i n 3 a ï; (:

9ïom. lt;Hcc.

friid;c Suit, friirfjer Suit, fri)d)cr Suft, friictjc Slijt.

6iu altcS ÖauS.

9iom. Gin otter §ut.

friirf)er SScin, frijnen 2Beine§, ftiftficm SBcinc, frijdjen SCBein.

iriidjeS i'ier, friidjen i8ierc§, friidjcm ïicrc, frifd)c8 83ier.

ï) ! c () r 3 a I) (:

friictje SBcine, 33icre ctc. friidjct SBeine, 53icve, iviict)cn Söcincn, Söiercn, itijcI)C SÖeine, ïicrc.

9i. 31.

6 i nj a f) I:

ffien. ëincS ntten (puteê, $at. cincm nttcit Öute, ïtcc. cincn ntten .^ut. 9Ï. ïcr n(te Öut, ®. ÖcS alten £iutea, ®. Öcm alten C»ute, 3(. ben atten ^ut.

e

bic iriidje Suft, ber irifdjen Snit, ber friid)cn Suft, bic frifdje Suft.

ba3 atte ^nuê, beo alten Vaufcê, bcm alten .Cinufe, boS alte §nu§.

®en. eincê atten §nufe§, 2at. eincm ntten ftnuie.


ocr page 49

4:i

c I) r 3 a I) I :

^ i I Xic alten §ilfc, fiiiujcr, :c.

S i 6i. Ucr alien §iite, :c.

I ®. Ben altcn fiiitcn jc.

2tu3 bicfcn 33ciipic[ctt crgiebt fid), biifj baS Stbjctliu narii bem unbeftimmten 2lvtiEe(, unb beéfjatb nud) narf) mctll, öcilt, feilt, uufer, cucr, iljr, fctu abiucd)l'clttb ft n v f Itnb I d) m a d) Mor» tommt; mit anbern SBovtcn: bay cê (icmijtljt bcflinicrt luirb — 3u \uc(d)en ^ïafuS ift ba-S Sïbjcïttö ft a v t, in luctdicn fdiiuad)?

Srftarc mtb begrl'mbe bic govmcn beS SlbjcEtiuê in folgenbcn Sa^cn unb Stuêbvucfcn:

6r jcljric au§ ü o ((c m ^atje. 6r murbc auf f r i) d) c v 2:£)at cttnppt. (Jr ift foft imntcr frofjer 2aunc. Sclifl finb, bic reine5 yerjeus jinb. $cr §8rner muntrer fttang trat mein laujdjenBcS Cfjr. — SIHIift bu uidjt bie §erbc locten nut be§ .ÖorneS m u n t e r m ftlang ? hunger ift ba§ fc^arffte Sdjtoert. Cunger ift ber Sdjinerter jdjarfftes. — ér jpajierte mit nieiner fronten Bdjfflefter treuer fjreunbin. 3d) fiabe bent Setter unb beficn ö 11 e ft e m grcmib aUe§ crjatjlt. 3d) tjnlie itjin oUcS ©ute gemiinjefjt. (Sott ift ber ©eber odes @utcn. ér l)at mir ettuoS Sdjoncs gejdjentt. Sold) cin 33eifpiel muf; @utcö rcirfen.

Stnmcrf. 1. ^it rocldjcr 53cmcrhmg uorau(a(U bie S3crglcid)ung ber ©cnitioformen fing. con: f r i f d) c r ffiein, f r i f d) c ê 231 c r unb r c i n e ê § e r 5 ?

2. Xie ftnrfc ©cnitiuform bcê ïtbjeftiU'S ift bic ültcic; fie tommt nuv nod) in ci(tcrtüm(id)ctt ober abucrbicHen Sluêbriicfctt nor; man tl)iit nm beften bic f d) tu a d) c iyonn anyncenbcn, 3?. Soi guten (oben) gates Mutes (goedsmoeds); or ging stellenden (ober) steliendes Fuszes mit; er trank ein Glas kalten Wassers (iüd)t;) kaltes (£. 38); vierten Bandes erstes Heft (nid)t:) viertes etc.

(£tef)cn mc[)cerc s2(bjeftiue oor cinem ©ubftantiu, fo racrben fic auf biefelbe SSeife unb jinar mie bnê erfte ?lbjeftiti betüniert; 93. ein nlteë, baufaltiflcS after mertroiirbiges ^aus;

cinc-3 alten, baufalligen nber mertrolirbigen -Oauieê;

3d) jprod) Bon einem alten, baufalligen if. ^auje;

,i«)ei alte, baufiilligc aber merfiuiirbige •Önujer;

(ïr cvjatjltc Don ber 3erftBrung alter, baufalliger after nievtraiirbiger •Oaujer; won ber Scrftorung jroeier altcn, baufalligen :c.

ocr page 50

44

Stefjcn 5 in c i obci' m c [; r SBeftimmmöi-tci- glctt^EIt ^luttgcë »or cinem Subft, fo luerbett fie famt(irf) ftavf bcflinicvt; bnS Slbjeftiö ridjtet fid) nad) bcm lekten Seftimmtóort; 3. 23.

(ï i n 3 a I; 1: 9K e ^ r 3 0 ^ t:

DL $tefer mcin gutcr Stcunb Slicje nicirtc gutcn Jyi'cunbe

05. bicjeS mctnc§ gutcn Srcunbcê bicfcr mcincr gufcu Stcunbc $. bicfcnt metnem guten fyrambe bicien meinen guten fjreunben ïl. bicfcn meinen guten greunb. bieje nieine guten greunbe.

3i. ï(. sJtne bie)e unfre jdjöncn ffiiidjer aller biejer unjrer „ „

®. allen biefen unfren „ S8üc£)ern.

Slnmerf. -3)1 abcr baö jroeitc Scftinimtrort bcm erften übcrgc= orb net, fo bag cê ben Slrtitcl Dor fid) leibct, fo luirb cê luie cin mjehiü 6ctrnd)tet imb be^nnbclt, 3. 58.

9i. Sieje» uiele ©elb 9!)!ein einer 33ruber

öi. biefeë » i e I e n ®clbe§ meine§ e i n e 11 33rubet§

S. biefent ü i e I e n ©elbe meinem e i n e n sfiruber

SI. biejeê uiele fficlb. meinen e i n e n 33ruber.

9L Seine roentgen fyreunbe @. feiner roentgen fyreunbe ®. jeinen roentgen ^reunben SI. jeine roentgen Sreunbe.

Dieses rote Gold. Mein kleiner Bruder. Seine treuen Freunde. SrHiirc bic iDcflinationéformen in: Aller dieser Verrat ist aufgezehrt. —• Um dieser ihrer Schuld willen bin icli bestraft worden. — Geh hin in dieser deiner Kraft. — Ein solclies Auftreten ist ohne Beispiel.

93oit befonberer 5öid)tigfcit ift bic 23c()anb(iiiu] brr ïlbjcttiüc, bic i it 0 ft a it t i 0 i f d) gct)raiicf)t iwcrbcu: bic Scutfd)cu namiid) bcfionbetn fic wie Slbjcfttuc, luir al§ $ u b ft a u t i u c.

SOÏan ucrgletd)c:

6 t n 3 a I) t;

9i. (iin armer (Sefangener Een arme gevangene

®. eineë armen ®efangenen eens armen gevangenen

$. einem ormen ©efangenen eenen armen gevangene SI. einen armen ©efangenen. eenen armen gevangene.

ocr page 51

45

93J c f) r j a [j l.

3}. arme ©cfangene

armer ©efangenen 1) ®. armen ©efangeuen 31. arme ©cfangene.

arme gevangenen van arme gevangenen

armen gevangenen arme gevangenen.


Qa, tut ®cutid)cit luerben mancf|c ïïbjcftiue nnb ^avtijipicn, bie bet un8 Döfltg 511 ©ubftantioeit gcioorben finb, nod) immer mie Slbjcftiuc be^anbe(t. — SSetfptele; iler englisclie Gesandte, ein englischer Gesandter; ein treuer Beamter (fiir: Beamteter), zwei treue Beamte; dieser deutsche Gelehrte, ein deutscher Gelehrter; dieser gelehrte Deutsche, ein gelehrter Deutscher: unser Bedienter will Reisender werden; diese Verbannten sind Elende (deze bannelingen zijn ellendelingen), manch elender Verbannter ist kein verbannter Elender.

Stmuerf. 1. 3lUcr, maurfjCV, foldjcr unb in 3(uéi'ufitngen lUClrfjClquot; bfeibeu öfterS unflefticrt; ) 0 1 rfi unb lu c 1 d) üor beut unbeft. tli'lifel immer, 5. 33. All dieses Volk (neben:) alles dieses Unglück; bei all deinem Elend (oïcr:) allem deiuem Elend; ieh spotte all deiner Drohungen (ober:) aller deiner Drohungen; manch edler Mann (otier:) mancher edle Mann; manch edlen Mannes (ober;) manches edlen Mannes; manch edlem Mann© (ober:) manchem edlen Manne; solch ein guter Mann (ober:) eiu solcher guter Mann; in solch heiszem Wetter; solch schönes Obst etc.; welch freches Beginnen! Welch ziigelloser Trotz! Welch ein Mann!

Sütutcrf. 2. 9iege(uidi]ig bleibcn u n fl e f t i e r t (raie im Sfies bedanbifdjen): a) bie priibifotiu gebrnudjten Hbjeftine: 3. 33. Die Rose ist rot; b) bnS erftc Don ^mei SIbjctUücn, bie burd) ein Sinbcjeidjen öereinigt finb, 3. 23. der deutsch-französische Krieg, die österreichisch-ungarischo Monarchie; c) bie fdjeinbarcn 3(b)efs tioe, reelege mittetê ber ®nbitng =cr uon D r t S n a nt e n gebilbet finb, 3. 23. Der Kölner Dom, das Straszburger Munster, die Berliner Universitat etc. f) d) bie Slbjeftioe g (t n 3 nnb 1) a f b, tuenn fie otjne ïïrtitel fteljen (s. ®. 85, 11).

2Inmcrt. 3. 3n tieten jpricl)iüürt(id)enf ootfötiimïicf)en 9ieben§orlcn, nud) 6ei Sid)tem, trirb baö es beö fii^lidjcn, ja örêraeiïcn er bcö manntidjen @cfd)ïed)t§ abgcftrcift;

1

2)ic ftarfe Sovm (auf r) mirb nid)t gctirauc^t.

t) ^ötner, SBiencr, Serlincc :c. finb cigentlid) ©ubftantiue, nnb stoat ©enitiöc (die Universitat der Berliner — ober — der Berliner üniversitilt); beêf)otO metben fie and) mit 2)i a j n ö t e I n geid)rieamp;en.

ocr page 52

46

5. S Lieb Weib, Heb Kind; Gut Gesprach kürzt den Weg. Musz ist ein bitter Kraut. Ein unniitz Leben ist ein früher Tod. — Klein Roland, du mein teures Kind. — ebenio ttemi bo8 Slbjettio btm Subft. nadigcflcllt ttirb (nut in (5)eliid)tEii) 5. S. O König Kar!, raein Bruder hehr! Eöslein rot. Er nat ange-legt die lUistung blank.

Stcigcrunfi ((Srabiuanbluuo) bcr SlbjcftiDc.

^ompavotiu unb Supcrlatiu lucvhctt im ®cut)d)cn burd) bicfelbcn Snbungen Oejeidjnct a(8 tin sJaebcr(anbi)d)cn; bcr ^ompnratiu burc^ =CV/ bei' ©upcrlntiu burrf) ft. — sJJuv mcrfe man fid) J-ofgcnbcê:

a) 'J?ad) ciucm un^ natft b unb t (til) loivb bem ft ein c üovgcfe(jt, menn bic [c(5tc ©ilbe betont ift, 5. 33. Der reichste und stolzcste Fürst, das reinste und frischeste Wasser; der mildeste, gewissenliaftcste und geliebteste Richter. — 3lbcv: die blendondsten Farben, die glilnzendsten Siege, die gebildetsten Miinner. — Grosz I)at gcluöbnlid) grüszt.

b) golgcnbc 3(bjcftiuc befommen im Sompnvntio unb im Snpcr=-Intiu ben U m t a u t:

ïllt unb arm —• fait, flug, front unb marm —■ jung, idjarf unb

naB -— Ijod), tial), l)ort unb blafj — arg, bumm — rot unb fnimm — fcljmarj unb bang — grojj, ftarf, furj uub lang.

silumcrfungeit.

1 llnrcjjctoltifjifl finb: gut (bcffcr, beft), bod) ((jöljcr, tjöc^ft), nat) (naf)cr, nSc^ft), unb bie Slbocrbicn: b a l b (cl)er, etjeft), g c r u (licbev, am (iebftcn), — 2B c n i g Ijat ]omol)l iu eniger, menig ft atê m t n b e r, m i n b e ft.

2. ,3ur 33erftarfung beS S 0 m p a r a t i 0 « bienen bic Slbucr» bien; u i e (, m e i t, bebcutcnb (aanmerkelijk), 11 n g (e i di, bei ra c i t c ut: juv SSerftarfung be6 ® u p e r I a t i u •§ bicncn : ra c i t a 11 5, bei m e i t e m (verreweg) unb bcr ©enitiu alter,

23. Er ist viel (bedeutend, ungleich) groszer als sein Freund. Sie ist bei weitem klüger, die kliigste; sis übertlifft ihn bei wci-tem an Klugheit, ist weitaus die Kliigste etc.

3. (Sbenfo mie bei unê mug im Deutid)en bcr fiomparatio 11111= fdjricben raerben, menn jraci Gigcnfdjaften, bie e i n c m ©egen-ftanbc gemein finb, mit einanber öergli^en rocrbcn. -Dian fage a(fo: Diese Bank ist raehr lang als breit. Das ist m e h r witzig (geestig) als wahr; (nid;t; liinger, witziger).

ocr page 53

47

3m übriflcn liebt bcr ©cutjctjc bic Umi^reibuiiflcn iiirf)t. £u iafltn mir ,3. gcrn: de meest beminde vorst; hij ontving mij op de meest vriendschappelijke, meest welwillende wijze; dit zijn de meest gezochte modellen etc.; öcr Scutjdjc iagt: geliebtest, freundschaft-liclist, wohlwollendst, gesuchtest etc. — Sjt ober au» Ï3ubllaiit3iüci= (ic^ten ober bei einem ^artijip Umid)rctbung bc§ gupcrlntius nötig uScr erwUnjc^t, fo gebrautbt cr: a in m e t ft e n ober i m ï) 0 d) ft en 6) r a ö c, 3. 53. Solche Geistlosigkeiten sind mir am meisten (im hüchsten Grade) verhaszt. Er ist- am meisten russischgesinnt. Das micli am meisten Verdrieszende dabei ist, dasz etc. 1)

4. SBenn bie 95ergleid)ung fid) nur nuf 3 m e i ©egenftcinbe bejiebt, gcbraud)t bic bciitid)c £pvad)c (roic nud) bic englifdjc) ben ft 0 in p a r a t i u. 3. !ö. Wer ist jünger, Karl oder Philipp? ftarl ift ber jiiugerc (de jongste), oljü ift ^ljiltpp ber altcrc. SI. miö iö. finb ueneift; lel; te reide laatste) tommt jebod) bolb 3iU'üct.

5. ®cv nböcrbinle 0upcvIatio, n)c(rf)ci' fid) nuf ip a n b= 1 u n g e n unb 3 u ft d n b c bcjic^t, lui vb burd) nnt (bet unê buvd) bet) bcjci^nct j. 33. Er scblaft am langsten, iszt ara meisten und arbeitet am wenigsten.

939!. ®ie fingt am ft[)önftcii, [ie ift bic fd)önftc (de schoonste), fic ift am fd)önftcn (het schoonst1, incnn fic Icididt.

6. SöiSmeilen tommt bei unS cin Slbjeftiu ober ïlbucrb tu ber Syorm cinc§ SuperlatiuS nor, ol)iic ben l)5d)ften förab 311 beseicfincti. Sieje ^bjetioe finb (aud) im Scutfdjen): best imD gemifje Sufnmmetiieliuiigeu nut aller; allerliefst, allerprettigst, allerbekwaamst etc. Xte uerbicn finb ; hoogst unb u i t e r s t. Sffiire b e ft in : inein bester Freund cin gen)öf)iilid)cr Superlatio, )o biivfte biefes ^viibitat uur auf cinc ctn3igc ^erfon nngemcnSet lucrben; c§ beifit beft ober nidjts anbcrcS alê j c f) v gut. (Sbcnjo bebeutet a 11 e r 1 i e b ft nidjtè nnberc-3 nlS f c () r t i c b ; unb bic Vlbucibien I) b d) ft unb a u f; e r ft ne()men bie Stelle bc§ 'ilbDerb-j f c l) r ein.

eoltf)c ©uperlatioformen nun (beft, iuijjevft, jc.), weldje nid)t ben 1} ö cb= ft c n, fonberu nur cinen I) 0 ï) c n ®iob ber gigenfdjoft bejetdjnen, bilteu ben fogennnnten abfolulctl £ u p e r I a t i U. Siefer Superlatiu (bejoti' bcr§ ber SI b'0 c r b i c 11) ift im ©eutfcljen nidjt fo feiten ol§ bei uii§, roie folgenbe ïcifpielc sur (Scnügc 3cigen:

Hochverehrtester Hen ! Ihr ergebenster, gehorsamster Diener.

1

Siadj ber tonlolct! (Jniung geniigt and) im 2eutfcf)cn cinfadjeê t sur Silbung lie? (unumfd)riebcncn) lt;giiüer(atiü3: der praktischte Arzt ,die barbarischte Sprache, lt;]ie malerischten Aussichten etc.

ocr page 54

48

Er bat micli flehentliclist, instiindigst (= dringend). Danke freund-lichst, innigst, lierzliclist, bestens, schönstens (Sgt.; hoogstens). Solcho Vergehen werden strengstens {gcbrauiiliclict: anfs strengste) bestraft. Er winkte mir und ich folgte ihm pflichtschuldigst.

Sicje einfadjen gormcn tommcn jcbod) metjïcnS mit ben prapofittonellcn SBcrbinbungen a u f §, i m, 3 u m uor, otjnc bcstjalb bic ïïcbcutung cinc§ abiolutcn SuperlotiDS 511 «evlicrcn, 5. 53. Er dankte mir anfs herz-lichste, empüng mich aufs freundlichste; sein Bruder jedoch em-pfing mich nicht z u m freundlichsten und dankte mir nicht i m geringsten (ontving mij niet a 1 t e vriendelijk en dankte mij geenszins).

7) Stbuerbium evenzoo, fjaufig Berfürjt ju even, bient 6ci unë jur ®ejctci)nung cincr ÖMcidKjcit; bic Scutjc^cn icbicncn fid) folgenber ïlbocrbicn: ebenjo ... ols (oin iu i c), fo ... QlS (otier m i c) unb glci^. So bnrf nidjt fovtbtcibcn. — ® t c i d) roirb flebraudjt, meun bic S?crglci= d)ung inncrtjalb bcr (Srcnjen cinc§ cinjigcn ®Qt;c§ ftattfinbet, mit anbeten ïSortcn: menn bic ucrglidjcitcu ©egcnftanbc üerbunben finb unb ba§ Sgt;erb beêljalb in bcr ^ I u r a Iform ftcljt.

S3ci)pide: Er ist cbenso grosz als sein Bruder (ist). — Hütte ich so viel Geld als er (bat), ich würde das Hans kaufen. — Heinrich und Peter sind Freunde, sie sind gleich alt, haben gleick viel Geld etc.

8. 9?ad) cincm ^ompavatiu ftefjt rcgelmaÊig baS 33crglcid)uiigê= luort alö v 33. Er ist gebildeter als sein Vetter. — IDCnn baS mc^rfat()e 3l,iammcnf':oBcn Bon a's uenuiebeit mevben tnu§, fc(3t man bCIUt, «te 3. 23. in : Als Jüngling war er schoner denn als Mann.

(£iutflc SBcmcrfuitöeit üöcr bic SSitDuiig bcr 3(bjcftiüc.

93on ben 9ïad)l'i(6cn, lucEdje tm jDcutfdjen jur 23Ubung abgclei= tctcr 2(bjc!tit)c biencn [Onr, fjaft, CU, ifl, irf)t, iidj, ïtrf),

fttttl] erfürbern folgenbe cine jpe^iellc @rraal)nung;

•Oaft entfpridjt a) unfevm heftig, in: mannhaft, heldenhaft, ernsthaft; b) unferm achtig in; fabelhaft, fieberhaft {koortsachtig), knabenhaft {jongensachtig), nasclihaft {snoepachtig), riitselhaft, schü-lerhaft, wohnhaft, zweifelhaft u. e. m.

e) unfenn zaam in: dauerhaft, tugendhaft;

d) unferrn lijk in: krankhaft, untadelhaft (onberispelijk).

ocr page 55

49

e) unfcnu ig in: spaszhaft [grappig), vorteilliaft, mangelhaft.

^lj ift bic am ^aufigftcn gckaudjte 9fad)iquot;i[6e unb mirb infonberfjeit jur Silbung n c it c r Slbjcftiue, üorjugêiDcifc udit 31 b ö e r 6 i c it, bcnu^t. — SOïan oergkidje; voor, vorig (nor, oorifl), toenmaals, toenmalig (önmals, bamalifl), voormaalx, voormalig (efjcntals, uor= ntotë, ef)emn(tg, Botmalig), heden, huidig (fjcutc, t;cuttg), over, overig (üamp;er, üfirig) rait fofgenbert beutfcfjcn Silbungen: bald, baldig; bisher, bisherig; nachher, nachherig; gestern, gestrig; jetzt, jetzig; sonst, sonstig; sofort, sofortig; dort, dertig; hier, hiesig; obon, obig; diesseits, diesseitig; jenseits, jenseitig. [Auf baldiges Wiedersehen! Seine bisherige Thatigkeit hat reiche Früchte getragen. Die gestrigen Feierlichkeiten sind nacli Wunsch abgelaufen. Obige Bemerkungen waren mir neu. Das hiesige Bier gefallt mir nicht],

SBafjrenb jrj ben S3 c f i (3 beö ©tonnnbcgriffcê auêbrücft, bcjeiclj» net id)t bfoj; cine ?(1) n I i cfi f e i t mit bcmfelbcn. 9Scnn man bic Slbjcftiüc auf itf)t unb ifl mit ben Stof fabjeftioen auf CU (ern) jufommcnftettt, betommt man cinc SIrt .fttimay. — 93?an ücrg(cid)c; eine steinichte Birne ('jif)nticl)teit)( ein steiniger Weg (Sefig), ein stein ernes Haus (au8fc[)tie6tict)ct Sefiij). — Gbenfo : wollichter Schnee, ein wolliges Tuch, wollene Kleider.

Cntfpvidlt a) imfenn sch (isch), j. s. baurisch (boerseh), jüdisch, irdisch, auslandisch, afrikanisch, frankisch, englisch, spanisch, arabisch, abgottisch etc.

b) unfenn Ijk, 8. dichterisch (dichterlijk), tierisch (dierlijk), stadtisch (stedelijk, steedsch),

c) unferm achtig: kindisch, herrisch (kommandeerend, volkst. bazig).

Idjtenn fyade giebt i f cf) bcm ^Ibjeftiu eine ungünftige, ücractjtlidje ®ebeutung. SScnn in iem ®cgcnftanb, Bon beffen Sïamen biefe Gnbung ein Slöjettio Êilbet, eine SDÏifiJjung Bon ®utem unb Söfem liegt, fo te^rt 1 i ba§ ©ute, i j rf) ba§ 93öfe Ijerüor. — Sgl. kindlich uni) kindisch; herrlich unb herrisch; launig {geestig, luimig) unï launisch [nukkig), altvaterlich (in gutent Sinttc: tmtriovdjatifd)) unb altvaterisch (unadit* lid): attfrantifd), ouderwetsch) ;c.

Son greunb, 5? rub er, Jvurft, ffiott etc. tnerben Blofj ïlbjcftiüe auf =1 i gebiliet, tncil in bent ©lantmbegriff nur ®ute§ liegt; an R ü u b e r, B u b e, H 011 e, ï e u f e 1 jc. faun nur bic Gnbung i f d) angeljiingt luerben (freundlich, brüderlich, fürstlich, göttlich; rllube-

4

ocr page 56

riscli, biibisch, hüllisch, teuflisch]. Üöorum jagt man: abgöttisch, UnJcisch, heuchlerisch, ahergliiubisch ?

SKc^verc Slbjettioc anbern Ujre 33ebeutung meljr ober meniger, jc nndjbcm cinc anbere sJfad)[i(6e angc^öngt tóivb. SBir nenncn fotgenbe:

1. ®loub()ttft, oln'ifid). fllfiubifl- — © I a u 6 ï) a f t (slaufittilrbifl) ift etne ^cvjoii, ein Seuge; g 1 a u b 1 i ct) finb jcins a«ovtc, ift icine ?lu§= iagc; glaubig ift manner Gtjvift. SBgl. aberglöub i i d). — SBaS tann bcr Satj; „Nicht jeder Glaubiger ist ein Glilubigerquot; bebcutcn?

2. (vriift, crnftljnft, cvuftlid). — (S r n ft ift cinc ^cvfon, c r n ft= Hef) cinc Strafc, cin ScnuciS; ic^ mcine c§ crnftlirf). — (ïrnftt)aft wirb, wie c r n ft, uon ^erfoncn gcfagt unb entfpridit unferr. deftig.

3. ©crjfinft, tjcvjlid), Ocïjig. — •Cgt; c 131) a f t (= tp.ijcrjt, mutig) cntfpvidjt unjcvnt onvervaard, onversaagd; Ij c 15 (i d) unfcriu hartelijk: I) c r 3 i g tjeifjt fo Uiel oI§ ; innig gcliebt (teerbemind), 3. 23. Aucli der lierzliafteste Krieger liebt seine herzigen Kinder recht herzlich. Hartig (uon ©pcijeii, ïanbidjoftli^) = tjcijljaft.

4. ftriintlifi), ti-oiifl)Qft. — ft r ei n 11 i dj loir» Bom fiörpcr, frnitt= fjaft Bom ©ciftc gcfagt; 3. 33. Dieser kranklicke Mann hat lcranlchafte Einbildungen.

5. «djdölid), idjaBljQjt. — S d) a O 1 i dj (©egenfab: Bortcilfjaft) cnt= fprid)t unferm schadelijk; f d) a b t) n f t bcbcutct gebrekkig, bouwvallig, caduc; 3. 33. Unreifes Obst ist der Gesundheit schiidlich. Schadhafte Bader knarren am meisten. Schadhafle Gebiiude musz der Maurer, schadhafte Zahne musz der Zahnarzt ausbessern (herstellen, repareeren).

6. (smpftliblid), cmpfiiiDiani. — (ï m p f i n b t i d) cntjpridjt uufcvm gevoelig, 'ontvankelijk; empfinbjam = overgevoelig (obtr aiid;) valschgevoelig, sentimenteel; 3. 33. Es ist emphndlich (vinnig) kalt. Sei etwas vorsichtig, denn er ist sehr empfindlich [lichtgeraakt, kitteloorig). — Er wurde empfindlich, als man ihn einen empfind-samen Narren schimpfte.

7. gurditbor, fiivdjtfam. — g u r d) t b a r ift na^cju glcidjbcbcutcnb mit f ü r d) t c r 1 i d) unb cntfpridjt unjerm vervaarlijk, vreeselijk, ontzagwekkend. gur^tfam t)ci6t schuw, vreesachtig, hang, 3.33. Als

ocr page 57

51

oinor von don Scliülern den Lowen f u r c li t s a m imd den Hasen furchtbar nannte. haben wir fiirchterlich gelacht.

8. !$|iariom, fpdrlirij. — @ p a v j a m cntflirii^t unjevm sprtar-saam, f p n r li cf) ift jynonyin mit Siirfti n unb nlfo glcid)6eseutcnb mit unjerm karig, sober, schamel, schaars(ch); 3. 93. Selbst der sparsamsto Mann kann mit diesera spiirlichen Gehalt nicht auskoinmen {toekomen). Das Zimraer war nur s p a r 1 i c h er-leuchtet.

9. Siriitbar, fidjtlirij. — 93ci6c ?li)jc!tiue fönnen bei un§ burd) zichtbaar wicbcrflegofaen werben: j i ^ t 6 0 v jebocf; bebcutct: was gcjdjcn merben faun, iidjtlid), maS gejefjen merben mujj (blijkbaar, kennelijk); letjtcrcs ift meiftcnS Slbösrb: 3. 53. Der Mond ist heute Abend nicht s i c h t b a r. Er ist s i c h 11 i c h abgemagert. Er erbrach den Brief mit sichtlichem Unwillen (icrevel).

10. öicifdtffj, fleiftig. — 53eibc ilbjettiuc merben burrf; lt;/eestelijk iUier= jeljt; gei ft lid) ober bejieljt iicf) meljr nuf ba§ Slufeere (©egcnfali: meltlid)), g c i ft i g nuf bn§ Snnere (©egenjats: förpcrlicf)); 3. 93. Dieser Geist-1 i c li e weisz durch seine Predigten die geistigen Bedürfnisse seiner Zuhürer zu befriedigen. — Geestrijke dranken = geifligc ©etrcinfe. — Geestig = unt)tg; geestigheid = ber ÏÖilj. —

11. Gtii^ig, cilijclli: (Sr ift eindig in feiner 31 tt = eenig in zijne soort. Sebcr 93nnb öicfes SBevteS roirb einjeln oevfnuft, ift cinjcln fiiuflic^ (= afzonderlijk, op zich zelf). — Ser (Sinjelnc mufite int finnipfe gegen bie uier Qeiube crliegen (bezwijken).

2n§ (iinjclluefen = ba§ 3nbiuibuum. Sic Êinjelljoft = Qellenljnft (eenzame opsluiting, cellulaire gevangenis).

12. ÖciDig, IciSliri). — Ü c i b t g (jnt eine ungünftige 53cbeutung unb cntfpridjt unferm naar, ellendig, l e i b 11 d) bebeutet tamelijk, passabel, gewoo)i; 3. 93. Der leidige Hagel hat die Ernte vernichtet. Der leidige (oud): schnöde) Mammon bat ihn zu dieser That ver-führt. — Ich erhielt filr meine Mühe eine leidliche Vergiitung. Dieses Bild ist leidlich gemalt. —

Tetlinntion bes

3G.

Srgcinjc in ben folgeubcn ®iil?ctt bic Stbiehiu^gleyion.

(®ut) ffictn bebavf feineê Svanjcê. — Sin (mager) 93erg{cid) ift

ocr page 58

be if er ntö ein (fett) ^vojcr. — Sin (rüt)m(td)) Sob ift beffer olê ciu (fd)anb(i^) Seben. — (Svumm) $0(5 brennt fo gut mie (gera= be.) — ®er 3JJcnfc[)en (ebelft) SIcinob ift bic gvciljeit. — Sei (gut) iffiinbe ift gut fegdn. — ®ic (ftarf) ©tröuiung 3itiang baS 3)antpffd)iff p bebeutenb (Inngfamer) @onge a(§ auf (offen) (see. — 9luf (oielbetreten) gupfteig rocicf)ft fein ®ra§. — ©iegfrieb war ein (juug) 9D?ann »on (f^ön) @efta(t, (fraftig) San, (auj3ergen)öf)n= lift)) ©titrfe, (ritterlid)) ©emanbt^eit unb (fütjn) SKute. ®r unb ®ietnd) Oon 93ern fiub bie 2iebling§gefta(ten (gevmanifd)) ^elben; biJjtung. — ^erjog Sruft Ban ©djmaben war ter Stieffofjn (^önig fionvab ber 3roeite)- — (f1'quot;1^) ©^'ad)cn md)t tennt, fagt

©oetfje, lücit} nid)t§ üon feiner (eigen). — SDÏit (gvofj) ^erren ift nid)t gut fd)ergen. — 3{uê (fremb) §nilt if1 gut piemen fdjneiben. Sluê (anber) Scute foofl) Scutet ift gut gefjrcu. — (guvdjtfaui) Scute fliel}cn Dor if)rem (eigen) ©fatten. — Unfer (ebel) 9?nd)bar ()at fid) bie 3Id)tung (all) enuorben. — ü)ïit (emfig) gteiye Idfjt fid) (@rof;) crrcid)en.

37.

Gestrenge heeren regeeren niet lang 1). — Oude boomen laten zich niet buigen. — Goede lieden zijn niet altoos wijze lieden. — De beste ouders hebben soms ontaarde 2) kinderen.

— Met stompe messen kan men niet snijden. — Wie het geringere versmaadt, moet somtijds het geringste voor lief nemen.

— Ieder is zich zelf do naaste. — Goede raad is duur. — Een gezonde weet niet, hoe rijk hij is. — Kwade voorbeelden bederven goede zeden. — Doode honden bijten niet. — Menigeen is rijk geworden, omdat hij als een arme leefde. — Er gebeurt niets nieuws onder de zon. — Door nietsdoen 3) leert men kwaad doen. — In troebel water (0.) is het (0.) goed visschen.

— De gierigaard 4) is een rijke bedelaar. — Wie in het kleine niet trouw en eerlijk is, die is het in 't groote ook niet. — De lof der vleiers is gevaarlijk; groote waarde echter heeft de lof uit den mond van degelijke, doorziende 5) en welmeenende mannen. — Bevindt zich een schip in (auf) volle zee, ver van de kust, zoo kan het bij sterken bouw en flinke 7) besturing 8) veel verdragen; maar in de nabijheid van de kusten is het bij hevigen storm dikwijls reddeloos verloren. — Van een'

ocr page 59

53

gestorvene zegt men wel: hij is den weg van alle vleesch gegaan.

1) (cmgc. 2) ungevotcn. 3) DSirfjtstfjun. 4) ein ®ci3tgcr. 5) einiicf)t§= öoU. 6) fjod). 7) gcfcfjicft. 8) güljrung.

88.

De Byn wordt in 't algemeen als Duitschlands schoonste stroom beschouwd 1), niet zoozeer 2) wegens zijn helder, groen water als wel (o.) wegens de vruchtbaarheid en schoonheid zijner oevers. — Den ouden Duitschers was de eik een heilige boom. — Onder onze inheemsche boomen (Sat.) komt 3) aan den prachtigen eik de eerste plaats toe. — De spaarzame geeft zijn gold alleen voor noodige dingen 4) uit, de gierigaard stelt 5) zijn hoogste geluk 6) in het bezit (sscc.) van doode schatten. — Een dwaas kan meer vragen dan tien wijzen beantwoorden. — Valsche vrienden prijzen, wat ware in (au) u berispen. — Kwaad moet met kwaad eindigen. — Dat is het koninklijk recht van het goede (zegt een groot denker), dat het uit het (o.) kwade iets (o.) goeds weet te halen 7), en de vloek des kwaads, dat hot al het goede tot het kwade misbruikt. — Deze Duitscher is een Pruis en een groot geleerde, maar niet alle Duitschers zijn Pruisen of groote geleerden. — In menigen gevaarlijken strijd, te midden van stapels doodon en gewonden, hoeft de oude bediende mij trouw ter zij gestaan. — Armen en rijken, voornamen en geringen, allen moeten sterven. — Een goed vriend is meer waard dan honderd bloedverwanten. — Wie zonder kennis (ptut.) zijne meening uit, is gelijk aan den blinde, die over de kleuren wou oordeelen. — Het karakter der meeste menschen bestaat uit eene mengeling 8) van goede en kwade eigenschappon.

1) anjctjcn (ober) ftctvarfjtcn. 2) iowot)!. 3) gclnifyrcn. 4) Sadje. 5) jeljcii. 6) ©(iicfjcltgfcit. 7) jicljcn. 8) Skrmijdjung.

39.

erganjen;

ÜSor (gut) mit (bö|quot;c) oergilt, jagt Salomo, non beffen §aufe tuirb (böK) nidit laffcn. — (ticffer) ift ber ^cinb bcê (gut). — Spvid) uic ctroaS (böfe) Don eiuem 53?enfd)cn, menu bu eê nic^t gem if; meigt, uub ugt;euu bu eS gemif; ireijjt, fo frogc bid): rearum

ocr page 60

54

crjaljlc id) cê? — 3Iuf eincn (grob) geljört ctn (gvob) Scit.— @I)vt bic (Icbcnb), nid)t8 Ijat Dom 2o6 bcr (tot). — ^citcr (fagt cin ®^rid)«)ort) fcingt mit nn' b. f). nuS ctiuaS (gering)

tann (gvojj) cntftcf)cn. Dft bringen (Hein) Uifad)en (grof;) ®irfun= gen pernor, ift (gering) bie SBiege beê (grof;)- — ®C1; ('bel) ïïicnid) ftrebt immer nad) (()ö[)cr) •, cS genügt if)m nid)t, nuf (biefetbe) Stufe (®at.) ftcf)cn ju bleiben. — 5S giebt 9}?enfd)cn, bic gar nid)t irren, weit fie fid) nid)t« (nernimftig) borfe^en. — ftVtfcr gricbrid), (cin) bcr (cbelft) g-urften, [)atte fid) bic Sicbe (üict) erroorben — Unfre 9Jad)barin ift mit bc8 ©rafen (jüngft) Sod)tcr befreunbet. — Unfer (treu) 33cbientcr unb meincê SBruberS (jüngft) ®ö£)nd)cn luerben bem (reifenb) ba« ©cteit geben. — Der ®icgc (göttlid)ft) ift bnS 93er= gebcn. — 3)në Seben (fagt ®d)il(cr) ift bcr Oüter (l)öd)ft) nid)t; bcr Übcl (groet) aber ift bic (£d)utb.

40.

(unb ttompimition.)

De goede God laat zijn zon opgaan over boozen en goeden (3icc.) en regent over rechtvaardigen en onreclitvaardigen (Jicc.). — De gravin van D. is eene edele vrouw, die in alle stilte uit zuivere menschlievendheid veel goeds verricht (= doet), en wegens hare strenge vroomheid (@cn.) vooral hij de geestelijkheid in groot (= hoog) aanzien staat. — Uw jongste bediende is een knoeier en tot niets goeds bruikbaar. — Wat baat ons, arme lieden, uw medelijden, wanneer niemand ons te hulp komt! — Hoe verschillend zijn de doeleinden 1), welke de reizigers van huis (fjinauS) drijven! Velen zijn ambtshalve gedwongen te reizen; anderen zoeken hunne kundigheden uit te breiden 2); lijders 3) en herstellenden 4) hopen in een andere landstreek door den invloed van lucht en water de vurig verlangde genezing te vinden; weer anderen reizen uitsluitend voor (jum) pleizier. — Bij de aanvaarding der regeering riep Lodewijk XI vele door zijn' vader verbannenen 5) terug; ook werden vele veroordeelden begenadigd. — Hoe meer ingespannen 6) de arbeid, hoe heerlijker de ontspanning. — Italië, in vele kleine republieken (acc.) verdeeld 7), was gedurende de XIV en XV eeuw de schouwplaats van bestendige burgeroorlogen. Desniettegenstaande was het 't rijkste en beschaafdste land

ocr page 61

van Europa; vooral 8) de Noorditaliaansche steden waren buitengemeen rijk door het uitsluitend bezit van den handel op den Levant 9). — Hooge betrekkingen 10) maken groote men-schen grooter en kleine menschen kleiner.

1) her SroccE. 2) erwcitcrn. 3) cin Seibcnbcr. 4) cin (Scnejcnber 5) ein licruncicncr (ober) fficrtianntcr. 6) anfleftrengt (nicl)t iratfcl)riebcii). 7) teilen. 8) namcnKid). 9) teoantifcf). 10) Stelle.

41.

Booze tongen zijn scherper dan zwaarden. — De middelweg 1) is de beste. — De sterkere moet den zwakkere (Sot.) helpen. — De jongste bedelaar moet den zak dragen. — De deugdzaamste menschen zijn niet altijd de gelukkigste. — Hoe dommer de mensch, hoe grooter dikwijls zijn geluk; een Duitsch spreekwoord zegt: „do domste boeren hebben do grootste aardappelen.quot; — Eén musch 2) in de hand is boter dan tien op het dak. — Hamburg is de gewichtigste 3), grootste en rijkste havenstad van Duitschland, zoo al (roenn) niet van het geheele Europeesche vastland. — Geen liefde is sterker, is inniger, dan die der ouders jegens (.ju) hunne kinderen. — De wijste leermeesteres is de natuur. — Hoe langer de dagen, des te korter de nachten. De kortste dagen hebben wij in December, de koudste gewoonlijk in Januari. De meimaand 4) was warnier, maar ook natter dan Juni. — De zwartste kersen zijn de rijpste. — Iedere dame wil den kleinsten voet hebben, maar op den grootsten voet leven. — Mijn rijke buurman heeft eene villa in een der bekoorlijkste streken van ons land gekocht. Zijn zoon zal waarschijnlijk een dor geleerdste artsen worden en zijne dochter is het knapste 5) meisje, dat ik ken. — IJzer is harder dan goud, maar lichter dan platina. — Onder de vls-schen (ïat.) is de haai de vraatzuchtigste on onder de vogels is de havik de vlugste. — De arme kent zijne (bloed)verwanten beter dan de rijke.

1) SDÏittetftrajjc. 2) Sperling. 3) Èebcutenb. 4) SDÏai. ö) fjiibirf).

42.

De zoetste druiven hangen het hoogst. — Het langst onthoudt men, wat men in zijne jeugd heeft geleerd. — Honden, die het meest blaffen, bijten het minst. — Het zwaarst te dragen is de ellende, die men zich zeiven te wijten heeft 1). —

ocr page 62

56

Eon der zekerste kenteekenen van onverdiende 2) armoede is de poging, om (o.) de armoede te verbergen. — Des avonds 3) is de reuk van vele bloemen het sterkst. — Wanneer de nood het grootst is, is de hulp nabij 4). — De karavaan trok door de meest woeste 5) streken van het buitendien reeds zoo onherbergzame land en was blootgesteld aan den heetsten gloed der tropische middagzon. — Welke staf is de zwaarste? De bedelstaf. — Mijn broer heeft zeer belangstellend 6) naar uwe gezondheid geïnformeerd en laat u hartelijk (otfol. suprrt.) groeten. — Uw buurman is een van do bekrompenste menschen. die ik ken, en houdt zich zelf voor een der mtstekendsten der geheele stad. — Wanneer wij ten spoedigste vertrekken, kunnen wij de naaste stad nog vóór zonsondergang bereiken. — Wie is de oudste van ons beiden? Wij zijn even oud, niet waar? Neen, ik ben even oud als uw broer, en deze is minstens drie jaar jonger dan gij. — Ik mag 7) mij niet over den burgemeester (stee) beklagen; hij heeft mij hoogst vriendelijk behandeld en is steeds druk in de weer 8) mijne belangen te bevorderen. Dat verwondert mij ten hoogste 9). — Deze goudsmid behoort ongetwijfeld tot de leepste lieden; of hij ook tot de nauwgezetste mag gerekend worden, dat is eene andere vraag.

1) fclfcftocrjdjulbct. 2) tinucrjdjulbct. 3) bc§ ?l6cnb§ (ober) niu Wiciiti. 4) ïlbuerb. ©upcrl. »ou naf). 5) wüft, öbe. 6) angclcgcnütd) (otiot. gupcr! ) 7) bavf. 8) Clfngft 9) (oSev) ten zeerste = l)öct;lid). (aSorum

nictjt pcljffcnê?)

43.

De roos is de beroemdste aller bloemen; zij is even schoon van kleur als liefelijk van reuk. — Wie het laatst (sulcljt) lacht, zegt zeker spreekwoord, lacht het best. — Het beste, wat het leven biedt, kan men niet koopen. — Van alle uitvindingen is wellicht (u)oï)l) geen enkele gewichtiger dan die der boekdrukkunst; zij heeft in nog grootere mate dan de uitvinding van het buskruit bijgedragen 1), een nieuwen tijd in 't leven te roepen 2). — De Duitsche letterkunde kan op twee bloeitijdperken öo-genS); tot de scheppers van het laatste (ffomp.) behooren onder anderen Klopstock en Wieland. — Persdelikten worden in sommige landen ten strengste gestraft. — Deze luiaard gaat vroeger dan de anderen te bed 4) en staat het laatst op. — Tot de gezegendste landen van Europa behoort in menig opzicht ons klein vaderland. — Als veldheeren zijn Hanibal en Napo-

ocr page 63

ov

leon even groot; wie van (uon) beiden als mensch liet hoogst (Somp.) staat is zeer moeielijk uit te maken 5). — Meer nog als trouwe vriend dan als uitmuntend geneesheer verdient de (o.) heer A. de achting van alle stedelingen. — G-roote daden ontspruiten 6) meestal uit een uitstekenden aanleg (plur.); toch ontbreekt het niet aan middelmatige talenten (Sot.), die iets (o.) degelijks hebben voortgebracht 7), wanneer namelijk lust en liefde met het ernstige streven verbonden waren.

1) Vertaal: daartoe bijgedragen. 2) fjcr6eifüf;vcn. 3) t)at. .. aufju-loeifcn. 4) letterlijk. 5) citticfjeiben. 6) I)er»or0cf)en. 7) leiflcn.

44.

Alle Pruisen zijn Duitschers, maar niet alle Duitscliers zijn Pruisen. — Mijn vriend is tot afgevaardigde (sa-t.) gekozen; ook zijn vader was afgevaardigde. — Kent gij dien beroemden geleerde? Ja, ik heb de eer; ik schat hem evenwel hooger als geleerde dan als mensch. Vroeger was hij ongeloofelijk kinderachtig en in menig opzicht zeer bijgeloovig; het (o.) laatste is wellicht het gevolg van ziekelijke inbeelding. — Gelijk de beste spijs, overmatig genoten, schadelijk wordt, evenzoo kunnen ook goede eigenschappen door overdrijving hare goede zijde verliezen en in ondeugden (2(cc.) verkeeren. — Is de burgemeester van deze plaats (abj.) een beminnelijk man? Neen; zijn kommandeerende (bazige) aard (SJBcjcn) heeft de gemoederen zijner ondergeschikten van hem vervreemd. — Verleden week bezochten wij een mijner vroegere kennissen; zijn voorkomen was zoodanig veranderd, dat ik hem nauwelijks herkende en in 't begin voor een vreemde hield. Hij was lichamelijk en geestelijk ziek geweest en zichtbaar vermagerd; geen spoor vond ik meer van zijn vroegere levendigheid, geen enkele geestigheid kwam over zijne lippen (stee.). — In de twee laatste jaren heb ik veel smartelijks ondervonden. — Heeft uw broeder de pijnlijke 1) operatie gelukkig doorstaan? — De oude vorst wordt met eiken dag nukkiger en zonderlinger 2), zoodat zijne bedienden niet meer weten, wat zij met hem moeten 3) beginnen.

1) i dj m c r j 1 i cï) (innevtidj), f dj m c r 3 f) a f t (förpcrltdj, pf)t)it)d)), 3. S. idimerjlidjc (ïrja()rungcn, GrjSfjlungm unb bfll. — ©djinerjljofte Söunbcn, Cperationen. 2) munbedtd). 3) follen (achter).

ocr page 64

45.

De heidenen — of gelijk velen ze betitelen — de afgodische heidenen worden dikwijls ongeloovigen genoemd. — Deze oude Duitscher is een oprecht, geloovig christen; als schuldeischer oefent hij gaarne geduld. — Heht gij het lijvige boek met den beschadigden band bij (}u) den binder gebracht? Ja, bij onzen lijvigen buurman. — Mijn in A. woonachtige neef heeft een werkzaam aandeel in (an) de zaak (®at.) genomen; hij heeft zich altoos door arbeidzaamheid onderscheiden. Ook door goedhartigheid: nog nooit heeft hij iemand eene dadelijke beleedi-ging toegevoegd. — Hazen zijn vreesachtige, leeuwen vrees-inboezemende dieren; Gerard evenwel, de bekende leeuwen-dooder, trad den woudkoning (2-nt) onvervaard te gemoet. — Wie slechte tanden heeft en steenachtige peren wil eten, moet niet over kiespijn gaan (o.) klagen. — Hoe zijn de feestelijkheden van gisteren afgeloopen? Zeer naar wensch. — Als ge uitgaat moet ge een wollen doek omslaan, 't is vinnig koud.

_ Deze man is zeer kitteloorig en nukkig en maakt zich

daardoor niet zelden belachelijk; voor eenige dagen maakte hij zich in een gezelschap over eene kleinigheid zóó boos, dat allen in een vreeselijk gelach uitbarstten. Zijn broeder is een geheel ander man; deze is een enthousiast, een dweper, en vervalt wel eens tot (in) sentimentaliteit (ace.) of zwaarmoedigheid. Die nare sentimentaliteit moet hij bestrijden, want zij behoort tot de ziekten des geestes (siij.), die gevaarlijk kunnen worden.

4(5.

©cbraudic fofgcnbcê ®iit^cnb 9(hjcfthjc in ffetnen Sfi(5cn: ficbcrfjaft — bi§f)ci-i(i — naftl)f)aft — gciftig — furdjtfQm — ungloublid) — ungfaitbig — fdjabljaft — fjicfig — baucvf)aft — fidjtfid) — fpiu'iict).

ocr page 65

Jqö ^iiviDovt oïicv ^vouomcu.

A. ïiiC' perfonlidjC ïyüviuoit CPcrfonaliironomcn).

1. 3)a8 pcriönlic^e gitnuort irirb fotgenbenncife beffinicrt; 1 e e r i o n: 2e 5)3 c r j o n;

itd) —I mir „ I bu w ( i(;rtd) —I mir „ I bu w ( i(;r

meincr (ir.cixty unjer quot;c j bctner (bcin) g,] cucr

mir uti'3 .S j bir gt;§~j eurf)

mid) § ( uit» ' j bid) Is f cud)

3c Verjon:

6 i n j a 0 1: 931 e I) r j a f) (:

-el er _i fie _ lc§ fie

'■5 j icincr (jein) \B ] i£)rer ~ ïïcincr (fein) ifjtcr

;i j i()m -quot;s j il)r tgquot; jt^m itjiien

- ( iljtt ~ f fie (cs fie

2. Die afteren ©euitfoformcn m c i n, bcin, f c t n fommen mil' in geraiffen SlnSbrüden nnb k't Sicljtern «or; j. 33.

Der Herr hat dein nocli nie vergessen, Vergisz, main Herz, audi seiner nicht. — O, schone mein.' rief der Unglücklioho. — Das Vergiszmeinnicht blliht im Vorhorgenen.

3. 3n beu 93cvbinbung nut m c g e n, f) a l b e n nnb in i i (e n fdjalten bie ©entidjen bfog t ober ct cin, wir ut, 3. 23. meinetwegen, um deinetwillen, unserthalben (voor mijn part etc.) S'bcnïo : n m dessent willen: Das ist der Mann, um dessentwillen wir uns keine Mühe haben verdrieszen lassen.

4. ^uvcbeiUOli (urjprünglid) Sn für bic ©injaljt, ifjr für bic aMjrjal)!) f)tit eine gan^c ®cfd)iditc bnrd)gcinnd)t. ©djon tm iïlïtttelafter begnnncn bie ^ttrften fid) unr ju nennen, nnb luurben bemgema§ nut bcr 2)f e f) r 3 a f) Ifornt ^fjr nngerebet. ®iefeê Sïjr luirb je tit menig ineljr gebvnurf)t; fceim 55 0 I f nnb tm flnffifdjen 5) r n m a (©optff, scvuev :c.) trifft man eS nod) an. — 3in nongen 3:at)r()nnbert fam bie Sitte anf, jemanb nut bent ^ünuovt ber Sten

ocr page 66

GO

^crfon cm^urcbeit, anfongS in bcr gin^afjü fpater in her ©idjqaf)!» form. ®cr ©cbraudj bcr SKc^rjntjtforra (Sic) ift fcit (ange iibcratt biuërungcn; cin grcmber, iuc(cl)er S)citt)d)(anb befudjt, tl)ut am boften jcbermouu, ilinber auégcuommcu, init 2te onjurcbcu,

SBonn mirb benn bll gcbraudjt ? 3m ®cbet, jroifdjen ^inbern unb ©(tern, jlnifdjcn ®ujfreunbcn (!)• [). gtennbe, tie Sriibcvidiaft obet SdjmoIItó gctnmtcn tiaOen), in bcr ^abel unb in a(ten Spridjtuortcrn unb 0priid)cn; J. 33. Vater unser, der du bist im [limine]! Sprich wenig mit andern, viel mit dir selbst. Du solist nicht stelilcn. Godenke deines Todes!

Sic mirb immer mit einer 'DJojnêfet gefdjrieben (2ic, ^ljrcr, 3Illicit, Sic), — fo mie überhaupt jebcê perfönlidje günuDrt, tuenn eê in e i n e r onbern^unt'tion gcbraudjt roirb, alê vuofür eö u r f p r ü n g (i d) b e ft i m m t ift (3. 93. -3 f) r unb SB i r für bie Gin^alji).

5. sJ?ad) bem bejie^enben gümortc beiquot;, merben bie 9Jominati»e beê ^ünuüvtS ber lei1 unb 2tcquot; petton (and) bic pfiidje gomt Sic) gelBC^ntid) micberfjolt. go fagt man: Ich, der ich dein Freund bin, werde dich nicht verlassen. Wir, die tvir deine Freunde sind, werden etc. Du, der du mein Freund bist. wirst etc. ihr, die ihr meine Freunde seid, [ihr] werdet etc. [Ultb aly ijöflidje ïlnrebe, foraol)( für baê uiannï. alê für baê meibl. ®efd)(ed)t, fo motjt für bie Gin3al)l alê für bic iDïef^atjI]: Sie, der S i e mein Freund sind, werden mioh nicht verlassen. Sie, die Sie meine Freundin sind, werden etc. Sie, die Sie meine Freunde (Freundinnen) sind, werden etc. — S)ic 2Biebert)oIung non Sic barf nidjt unterblcibcn.

Wnm. $a0 Bor bem bqieticnhen fyürwortc flcl)enbe pronomen luirb gcitiö^nlid) wcggelafien, meun bic angcrcbctc Verjon auf nubcre Sl'Jeijc gc= nonnt ober bcjeidjnct ift; 3. S3. Vater unser, der du bist im Himmel (ftatt du, der du). Unb mit Borangeftetttem Sielatioialj: Die du mit Ahren dich krilnzest, blonde Ceres, habe Dank! Der du von dom Himmel bist, süszer Friede, komm in meine Brust! (©ocHje).

G. Sclbft cntfpridjt a) itnfcrm zelf. zelre, b) unferin zelfs (?(bBcrb). ■Sn ber erften SScbeutung roirb biërociicu baê fcierlid)c unb unaban» bcrlidjc f e I b e r, in bcr 5rociten 23cbeutung gern fogar gebraudjt.

ocr page 67

01

33eiipidc: Ich selhst (selbor) habe es ihm erziililt. — Er wollte dem Freunde alles, selbst (sogar) das Leber, opfern. — Alle Minister kamen, der König selbst (selber) kam sogar mit.

7. (Sè cutipndjt a) unfcrm het, b) uuferm er, j. 93. Es regnet, es blitzt. Es ist schönes Wetter. — Es wird getanzt, es wurde hocli gespielt. Es giebt gute und schlechte Menschen. Es war ein-mal ein König. Es zogen drei Ritter zum Thore hinans.

93ead)ten«iücrt ift roeitcr ber ©ebrand) ooit es an ber Sptge be§ ©o^c«, afö g r a m ut a t i f d) e 8 Subjcft, 5111- Slnfünbigung bcS wirklichen ober I 0 g i)' d) c tt ©ubjcfteê. ©obalb cin anbereê ffiort an bic ©pitje bcê ®a(3e§ Iritt, öerfrfjiüinbet cjï.

-Oiatt üerg[eid)C; Ks batte ein Mann einen Esel. Es lebe dor König! Es kleidete sie diese Toilette vortrefflich. Es ist nicht allen Bitumen eine Rinde gewaohsen. — Ein Mann batte einen Esel. Der König lebe I Diese Toilette kleidete (oik-r:) vortrefflich kleidete etc. Nicht allen Biiumen ist etc.

?(ud) fteljt cS Diet Ijiiufigcr al§ 6ci un§ jur SBcjdi^uung uon dwaS Un6efanntem, oft Un{)cimlicf|cm, mie in foltjenben Siiljcn;

Ajövft bu nidjfs? Slöel), e§ idjleidjt Ijeran, id) f)örc e§ auf ber ïreppe, c§ fafet jrfjon an bic ïfjür!... l'ajjt ui« flicf;cn! — 3d; tonnte nirfjt tuiöer)quot;tef)cn, c§ rig nürf) fort.

Snblid) fommt cè ofê abgcfürjte gorm non b e S, beffen tior, 5. Ö. Ich bin es müde. Er ist es nicht wert. Ich bin esznfrieden. Er wollte es kein Wort haben. Da hing ich und war mir's mit Grausen bewuszt (Schiller).

8. ®aê rücfbejügHdjc gürroort firf) (ba8 3i c f t e y i ö p r 0 n 0= m e n) inirb im ®cutid)en im atïgemcincn ebenfo gebraud)t mie bei unê; nur merfe man firfj breierlct:

a) ba§ ftrfj md)t feiten mit ber a f t i 0 e n ^orm Uerbunbeu mirb, 100 loir eine paffiue gorm fjaben. — 5Dfan uergleidje: Sdjlüjjct Ijnt fid) gefunben (la clef s'est trouvée) unb; de sleutel is gevonden [geworden], 6§ frocjt ftc^ unb wordt gevraagd. 2)n§ Ucrftct)t fid) = cela s'entend. ®ertt)egncr Sienft beloont fid) and) Ucrlocgcn (moet ook met vermetelheid worden beloond.)

b) bag eS biêroetfen fte[)t, mo mir eS meglaffen; 3. 93. Es tanzt, spricht sich hier leicht. Wie herrlich schliift es sich in solchen Betten. — ^id) umfetjen = omkijken; fid) cinberrt = veranderen; fid) fürdjtcn = vreezen ; fid) bebanfen (bei etnent) = iemand bodanken (SS;)!, cinem banfen); ftd) retmen = rijmen etc.

ocr page 68

c) bag ftd) fjauftg an bic ©telle be» r c c i p r o t e u giinumtS etnanber trilt, 3. 33. Die Freunde sahen sich verwundert an; darauf unarmten sie sich. Was sich liebt, das neckt sich. Sie werden sich, wir werden tins bald schreiben, wiedersehen etc.

Sich ftctjt alio niiijt 6(06, Wenn Subjett uub Objelt cine imtgt; bicietbc ifevfon (Sndje) ftnb, fonbern autl) oft, ttcnu Subjctt irab COJeft wecfifelweifc iljrc 3foUen tauidjcn.

93em. 2Bemt fidj in beravtigen Sciljcn and) n!§ Sfcflcriupvon. gefnBt raerben tann, ge6raucf)c man e i n a n b e r, 3. 93. Die. Madchen liebten, putzten, bewunderten einander (nidit fic^). —- Söiéloeitcn luerbcn licibc $ronomina ucrbunbcn, 3. 93. Sie halfen sich einander. — Sett)ftBcr= ftiinblid) tann e i n a n b e r and) foitOlcihcn.

9. (yiltailbev luivb goiuotjnlitl) aïê untr enn 6 are ^ufam» menfegung bc()anbclt, auger iut ©enitio; jo fagt man bcibeS; Sie halfen (sich) einander, lachten liber einander unb : sie halfen einer dem andern, lachten einer iiber den andern. — 3m (Senitit) löft man bie 3ulnmmcn!eÖun9 9en)öl)tUirf) auf, 3. 33. Sie spotteten einer des andern, schwuren einer des andern Tod zn rachen.

10. ®ie unfiefti m mten ^erionalpronomcn iemand, niemand, fjei^en im 3). jcmaitö, uiciltOlib unb ctttCV, feiltCV; lofetere gorm ift befonberS in ber llmgnngéfpradjc Deliebt. -3 e m a n b unb n i e= manb bfeiben ira 3)atio unb Stccufatiu gcmöfjnlid) unfleftiert; bie gonncn j e m a n b e m, j e m a n b e n Eomiucn aber nid)t feiten Dor. (Sine r unb f e i n e r Ijabcn bie «oüftiinbige 3^eï(iuation.

t3ciïpic(e: Er hat noch nie Jeinands Ehre geschilndet. — Trau niemand (niemandem) hier als mir. Ich kenne hier niemand (nie-manden) anszer ihm. 1st einer der es besser weisz, der rede I Was man nicht weisz, macht einen (einem) nicht heisz.

Sem. Sic Unbeftimmtfjeit biejcS fyimtiortca luirb nod) gefteigert bureb ^injufügung umi irgcnO, 3. 93. Hat irgend jemand je so etwas gehort (iemand ter wereld). Wenn irgend einer besser weisz, der rede! — 9ludj mit anbern SBörtern wrbinbet fid) btcicS ïtboevb jur 93 e r a 11 g c m e t n e r u n g be» SBcgriffe», 3. 93. Wenn ich nur irgend einen Ort wuszte, wo ich sicher ware! Er hat sich irgendwo, an irgend einem Orte, versteekt. Hat nicht irgend jemand (irgendwer) irgend etwas für mich abgegeben? Hat er dich irgend wie beleidigt'? (25g(. franj. qui que co soit, quoi que co soit, quicor.que, quel-conque). — Wenn es mir irgend möglich ist, komme ich morgen (= eenigszins).

ocr page 69

63

11. Iedereen ift tm 2)ont[d)cn jcöcnmuill (Qtn. jcbcrmnunê); menigeen ift m a n d) c r ober m a n cf) c r SQf a n n.

Untcrfcljicb jiDiidjcn: jebcrmann itnb jcbcr 1ÜJann.

B. ïas lieril)ail]cirtci(öc iyiinuovt CPoffefliupi-Dnomcn).

1. Sic bcfiganjeigcnben giinoörter finb: mciu, öetu, feilt; Ullfci', CUCr, ÜJV. Die 3ie ^Ci-fou luivb and) I)icr nut grojjera StnfangSbudjftabcn gefdpefien, luenn bicfclfac nfê Ijöfüdjc Stnrebe fid) nuf bic ^iucite ^Clfoil bcjicljt.

S3cvgkid]c: Icli weisz, dasz sie ihr schönes Haus verkaufen wollen (und), dasz Sie Ihr schünes Haus verkaufen wollen. — ®icb bic jtoci iöcbcutungcu bc§ folflcubcn Saljcé: Sie, die Sie Ihr Haus ver-kauft habeu, verlassen wolil unsere Stadt?

ïlnnt. Saf; cr in unjer unb eucr nidjt (mie in bicfer, jcnct jc.) 58 t c g u n g senbung ift, fonbern j u m ütf o v t c g c f) ü r t, braudjt woljt nidjt roieöcrtjolt 311 mcrbcn. — ïJlan ucrgtcidje bic SiomiuatiBc: dieser König, unser König mit beu ©cuitiucu: dieses König, unseres (unsres) Künigs.

2. Die ^offcffiüpi-onomcn luerben wie bcr unbcftimmlc Strtifcl befliniert. — Ol)ne ©ubftantiu gebvaudjt, Ijabcn fic bic fdjiuadjc ober bic ft arte govm, jc nadjbem fic mit bcm beftimmten 2lvt. ober o(}ne benfclben ftctjcn. — SBctgtcidie: Sein Loos ist meines (unb) sein Loos ist das meine. — yjad) bem beftimmten 3trt. luirb Die burcl) t(J Berïangcrte gevit gcbrattd)t. —- SSevjIeidje: Dieser Garten ist gröszer als meiner, unserer (unb) als der meinige, der unsrige.

3. 9Jad) bcr Populo (koppelwoord) fte()cn bic üoflctt gorntcu (meiner, mcinc, mcineg; bciner, beinc, beincS; unjcrer, unjerc, unjercë zc.) nur bann, lucmt ba» Subjeft baê @cfd)!ed)t nid)t be ut (id) bejeidj» net; fonft gebrnud)t man regclmafjig bic unfleftierten g-ormen: mein, b e i n, f e i n, it n f e r, e it e r.

5)ie 3te ^3erfon 3ï?e^rjal)t i () r jebod) ftefjt immer mit bent 2tvti!cL

53eifpie(c: Wessen Hut ist das? Er ist mein. — Wessen Kappe ist das ? Sie ist dein (ober) von dir. — Wessen Buch ist das ? Es ist mein, dein (von dir). — (HJJit bem unbeftimmtcn c*): Wessen Hut ist das? Es ist meiner. Wessen Kappe ist das? Es ist deine (die deinige) etc.

ocr page 70

64

Sötc IfiÈt fid) nun crfliircn, bnB man auf bie Sragc: „Wessen Haus ist das?quot; joluol;! mit: „Es ist mein' als mit; ,Es ist meinesquot; cmtnjorten fann ?

Stnmerf. @ u 6 ft a n t i ö i) d; gcfiraudjt — b. T). oljnc SBejtefjung auf cin frü^cr genannteS SubftantiB — wcrben bic ^offefjiBpronomen mit 33!aju§tc( gcfdjricticn, 3. 5S. Jeder time das Seinige (feine Sdjulbigs feit). Ich ging mit den Meinigen (de mijnen) spazieren.

4. 3)nê ki unS unöermciblt^e Mijnheer mivb im 35cutf^en fc^r feiten ge6raui)t, namürf) nur bann, menn man weber Sitet nof) 9?araen bcr nngevebeten ^erfon iuei§. — ®er 3)eiitirf)c uer= binbet baê SBort -öcrr mit bem Stel ober bent 9ïainen, 3. 58. Dominé, kapitein mag ik uitgaan? ©eiT ^pfari'Cl', §evr §auptmann, barf id) nuSgefjen ? — SSgt. aurf): „§err §auptmann $. inünfc^t bcr gnöbiflcn ^rau fcine Stufmartuug 3U madjen. (SBgl. ©. 36, 1 a).

9?Ddj fet bemerft, a) bcijj ber 3)cutfd)c anf fein ja ober uctll nidjt baê SSort § e r r folgett ta^t. 9Bir nennen ein einfadjeê ja ober neen unljöffirf) unb ternen frf)on früf), bay eê anftiinbig fei ju fogen: ja mijnheer, ja mevrouw etc. Sin ®eutfd)er antmortet einfnd) mit ja ober nctu, ober mit: ja, £jerr ^pfarrer; nein, §err ^profeffor :c. b) baf; baê 53eftimmmort (gürtoort ober Irtitcl) im ©entfdjen UOï ben Jiteln §crr, Si-'nugt; grant ein fteljt, maljrenb reir baëfelbe fofgen taffen. 25gL Mijnheer uw broer, 3()r fyxv SBruber; mejuf-vrouw uwe zuster, 3t)rc Srciulcin Sd)iuefter; [mijnheer] de baron heeft het bevolen, ber §err ïïaron (ber gnabige £icrr 53aron) tjat e5 tiefo£)len.

ïac' iyünuort (pronomen).

($■ a § 5per)onaIpron. unb ba§ 5Poi) ef)iepron.)

47.

„Ontferm u mijner!quot; riep de bedelaar op (in) hartversclieu-renden toon (Xat.); maar de meesten gingen hem 1) voorbij, zonder hem een aalmoes te geven, ja zelfs zonder hem (3icc.) aan te zien, omdat zij wisten, dat hij zijn ongeluk aan zich selven had te wijten 2). Het arme kind had niemand, die

ocr page 71

65

zich zijner aantrok; eindelijk heeft zich onze goedhartige notaris er over ontfermd. — Bezondig u niet aan anderen (Sat.) door een liefdeloos veroordeelen 3), opdat gij niet zelf veroordeeld wordt (aonj. lt;|3töfen«). — Ik, die voorheen zooveel weldaden van uwen onvergetelijken vader heb ontvangen, zal ii (Eat.), zijn' eenigen zoon, bijstaan, zoodra gij hulp («vt.) noodig hebt 4). — Admiraal de Ruyter was een held ter zee, wiens weerga slechts zelden wordt aangetroffen. - Gisteren hebben eenige jongens mijn klein zusje voor de grap 5) hare lei ontnomen. Van 6) morgen vroeg hun de onderwijzer; Heb jullie haar haar eigendom reeds teruggegeven? — Wees zachtmoedig jegens anderen, streng tegen u zeiven. — Mag ik van avond uitgaan? Voor mijn part ja, wanneer ge maar tijdig terugkeert. — De natuur ligt voor ons als (toic) een opengeslagen boek; het komt er maar op aan, of (baft) wij er in weten te lezen 7). — Onze eeuw sticht 8) zooveel monumenten, dat de aarde ten gevolge van al die 9) gedenkteeke-nen (®a:.) weldra geen plaats meer zal hebben voor 10) een eenvoudig vergeetmijnietje.

1) Vert. aan hem (Dat.). 2) jdÈft tierjdjutbct (jatte. 3) Bcrtinmincn. 4) bebürfen (Oen.). 5) jum gpoft. 6) = heden. 7) Vert. te lezen verstaan. 8) fdjen, cmdjten. 9) Oor lautcr. 10) fiir (ober) ju.

48.

Kanut, de beroemde koning, die over Engeland en Denemarken heerschte, wandelde op zekeren dag 1) langs den (am) oever der zee. De hovelingen, die hem omringden, prezen 2) hem als den koning der koningen, wien (öcm) zoowel de zee als het land moest (^riif. fionj.) gehoorzamen. De koning, een godvruchtig man, werd innerlijk vertoornd 3) over deze lage vleierij; zwijgend spreidde 4) hij zijn purperen mantel (cin aöort) op den (om) oever uit, ging 5) erop zitten 5) en sprak tot de zee: „Het land. waarop ik zit, is het mijne; tevens ben ik de beheerscher der zee; daarom, o zee, gebied ik u te blijven, waar gij zijt, en gij golven, terug! zeg ik u; nadert 6) mij niet!quot; Maar de zee spotte met zijne bevelen (@en.) en wies al (o.) hooger en hooger, tot zij zijne voeten omspoelde. Daarop ($q) keerde zich de edele vorst tot zijne ontstelde hovelingen en zeide; „Gij ellendige vleiers, waar is nu mijne macht? Hij (bcr) die hemel, aarde en zee heeft gemaakt, is de koning dei-koningen en de heer der heeren; ik ben slechts een zijner

5

ocr page 72

knechtenquot;. — Wee hem (bent), die den vleier zijn oor leent en -wee den vleier, die zijnen gebieder het hart poogt te vergiftigen ! - Ieder het zijne, dan krijgt gij het uwe en ik het mijne. — Ieder mensch moet zijn plicht nauwgezet vervullen, gij den uwen, ik den mijnen. — 't Zou veel beter gaan in de wereld, als niet ieder altijd op anderen en bijna niemand op zich zeiven lette.

1) cine§ ïageS. 2) preijcn. 3) crgrimmen. 4) Êreitrn. 5) zette zich op denzehen. 6) natiën.

49.

Srft of)ue, bann mit cè:

Ieder is baas 1) in zijn eigen huis. — De ijdelheid leeft van de kruimels 2), die van de tafel des roems vallen. Geen eik valt bij den eersten slag 3). — De lafaard 4) dreigt slechts, waar hij veilig is. — Niemand is zoo sterk, of (o.) hij vindt een sterkere. — De deugdzame mensch sterft, maar de deugd zelve is eeuwig. — De beste voerlui rijden wel eens buiten (au§) het spoor. — Menigeen lacht, terwijl hem het hart bloedt. - Geven is zaliger dan ontvangen 5). - Niet allen slapen, die de oogen dicht 6) hebben. — Ieder mensch heeft zijn zwak (gebrek) 7). — Een enkel mensch kan niet alles weten.

1) 93ïei)ter. 2) bet 93ro|antc. 3) Stvcid). 4) cin gctger. 5) Vert. nemen. 6) ju. 7) ïlbcr.

50.

Siitje ju bilbcn, in benen bie ^ronDmina IHR unb SIE in allen Sebentungen Dovfonimcn, mit genauer Scjeidjnung bcr icbeS= maliqen gunftion.

51.

grft in ®ujform, bann in bet fjoflidjcn Slnrcbe.

Hebt gij mijnheer D. gisteren gesproken? Neen, hij was net uitgegaan, om u een bezoek te brengen; hij wilde (geloof ik) u voor uwe medewerking 1) bedanken (S. 61). — Toen ik verleden week uwe beide neven ontmoette, vroegen zij mij («cc.) naar u en naar uwe zuster. Ik heb hun uwe groeten en do hare overgebracht. Ik dank u (Ent.); ik beloof u, hun spoedig te zullen (o.) schrijven. — Hebt gij nog geen bericht van uwen oom ontvangen? „Ja, hij wil mij, mijne broers

ocr page 73

67

en mijne zusters met een bezoek vereeren 2).quot; Hij had mij reeds medegedeeld, dat hij U, hun en haar wilde fionj.) schrijven. — Kent gij die heeren niet? „Neen, kent gij ze misschien?quot; Wel zeker, en gij moet ze ook kennen: twee van hen zijn nog verleden jaar met u in de diergaarde geweest. Heb ik van mijn leven 3)! quot;Wat zijn ze dan veranderd! Gaat ge mee, om hen te begroeten?quot; Neen, ik heb geen tyd, maar ik verzoek u (ace.), ze van mij te groeten. — Gij, die rijk met aardsche schatten bedeeld zijt, zult die arme menschen geen gebrek laten lijden.

1) 932itirnrfung. 2) beesten. 3) Cab' id) nicin Scbfag!

52.

Eigenlijke nationale trots (c i n ÏBort) is ongerijmd en belachelijk, maar liefde tot zijn vaderland is de (o.) plicht van iedereen. — Twee hanen vochten met elkander op leven en dood. Toen de stryd beslist was, liep de overwonnene weg (boöon), om zich te verschuilen. De overwinnaar vloog op een naburig dak en verkondigde zijne zege met luider stem. Maar zie, een havik bemerkte den trotschen kraaier, schoot naar heneden 1) en verscheurde hem. — Zondags ga ik met mijne kinderen wandelen; mijn buurman Maandags met de zijne. — Groet de uwen ten hartelijkste van mij. — Wiens horloge is dit? 't Is het mijne. — Is mijnheer uw vader thuis? 't Spijt mij zeer, mijnheer Müller, papa is zooeven uitgegaan. Wilt U niet binnenkomen?quot; Dank u, juffrouw Betsy, ik zal (mifl) vanavond nog even komen (o.) aanloopen. — Hebt gij den brief zelf geschreven? Ja, niet alleen zelf geschreven, maar zelfs zelf 2) bezorgd. — Dat deze zaal veel door het publiek gebruikt wordt, verwondert mij niet: het danst, spreekt en zingt er bijzonder gemakkelijk. — Heeft iemand ter wereld 3) ooit zoo iets beleefd! — Mocht dese of gene 3) in mijne afwezigheid een of ander 3) boek brengen, leg hot dan op mijn werktafel. — Gij zult, zegt Mozes, u geen heeld 4) noch eenige 4) gelijkenis 5) maken. — Gijlieden, die zegt, dat gij God lief hebt en uwen broeder haat, zijt leugenaars. — Gij, edele heer, die mij kent, zult toch niet gelooven, dat ik aan die schandelijke daad (Eat.) schuldig ben? De laagste menschen zijn zij (öie), die niet ook in anderen eeren, wat zij in zich zelve prijzen.

1) Ijcruntcr, ïjcrnb. 2) Wij zouden liever zeggen; in persoon. 8) mit i r 0 c n b. 4) ba§ 53ilbni§. 5) ba§ ©Icicfints-

ocr page 74

68

C. 2ay fjiuiöcifcilöc Ori'muort (bas ïcmonftvatiopv

1. Sic Scmonflratina finb: bei' (bic, baé), bttfct (biefe, biej'eê), jcncr (jcne, jeneS), ioId)CV (foWie, fotc{)c«), bci's iiie=, bnéjelk unb berglctrfjcn. — 2113 (jinraeil'cnbeS güvroort luirb beiquot; betont; uoi'= liert e8 ben Son, fo finft e8 511111 bfofjen Slrtifel f)erab. (Sqt- s. 30, id.

2. DER, foi- cincm ©nbftantio ftef)cnb, mirb roie bev beftimmte 2t r t i t e I bcfliniert, J. 53. Der (betont) Gedanke brachte micli zur Verzweiflung. Kennst tlu die Frau? Nein, dis nicht, abei ilne Nachbarin habe ich öfters gesprochen. Willst du das Haus kau-fen? Nein. das eben nicht. — Den Schurken werde ich schon kriegen! Bemühen Sie sich nicht weiter, mit dem Starrkopf werden Sie doch nicht fertig.

DER, 1 u 6 ft 0 n t i ö i l' d) gebrancfit, mci^t in 3 Safuê uon ber DcHinntion beê beftimmten Slïtitetê ab: ber ©cnitio gin^t ift beijeu (bisweiten bcê), weibl. bcïdl, ber ©enitin 9JJ e f) r 3 a f) I

tantet beren, ber 2) a t i u SRc^rjafjI bene».

Scifpiete; Hier haben Sie Geld. „Bitte, behalten Sie es, ich branche dessen (es) nicht.quot; Ich habe Ihre Frenndin und deren Tochter gesehen. - Haben Sie Cigarren gekauft? „Nein, ich branche deren nicht; ich haben deren genng.quot; (®3t. ®. 73 obcn). — Solche Leute? Nein, denen traue ich nicht. — Dem kann man anhören, dasz er ein Ausliinder ist; (p(ur.) Denen kann man anhören etc.

3. ïciien unb beren ftel)en im ®euti(f)en öfterê, ino imr bnê ^offeffiopron. gebrouwen; 3. S. Sic ïprodj über bic gran unb beren (hare) fiinber, über ben TOann unb bef jen (zijne ober diens) greunbe über bnë §nuê unb bei jen «cwotjner.

5[iim. SBiSweilen ftct|t bei im8 baS p er) b n I. Sürworl, wo im $ciitM)cn mit ba»

t; i n 10 e i f c 11 b c Sürwott ertoubt ift. - [®M) bie Scifvirte unter 2, unb ogl- ba« bc« tErminatite gütwort 3].

4. 2eï=, bie=, baéjelbe cnt^nd)t a) unjerm dezelfde (hetzelfde), b) bem nerolteten dezelve (hetzelve). 3n ber er|tcn SSebeutung ijt eö beiuonftratiöcê unb bctcrminatiöcS gürroort, in ber jroeiten eine 2trt tBer)ona(pronomcn ber 3tcn ^erfon; 5.33. Mein Bruderschneb mir, dasz derselhe Schwindler, welcher mich betrogen, auch ilm habe prellen (afzetten) wollen; derselhe sei aber auf fnscher Thf ergriffen und dem Gericht überantwortet.

3Ï18 pcrjönli^eê giirwort ratrb ber», bxe=, ba«lelbe ge-

von.)

ocr page 75

69

braiidjt urn ctwaige 3mci!3cuti9fquot;tclt 3U öevmeiben, j. 23. Sie be-

suchte meine Sekwester, sobald sie erfohren batte, das dieselbe (oicr; diese) verlobt sei. — (Vf, jtc, Cö bCjieljcn fid) int ^öïtgang bei' Su'bc nuf baS ®ubjcft, bet', bic=, bnéfdk auf baê Objctt Scjug nuf (ebtofe ©cgenftanbe gebraudjt man fjaufig b c r-, b i c-, b a S1 e 16 e; befonberê ftatt nad) *Pi'npofittonen.

Scif^iclc: Karl und Wilhelm haben ihre Freunde abgeliolt; dieselhen (ob«r diese) ■vvollten mit ïhnen spazieren gehen. Meine Sehwester besitzt die Biicber; wenn Sie sie um dieselhen bitten, wird Sie Ibnen dieselhen gern leihen. ($te müvbc I)ier nid)t fdjiin tlingcn). Kennen Sie seine Mutter nicht ? Haben Sie sie (okr dieselhe) nie gesehen? Das ist ein prachtvoller Roman; ich habe eine halbe Nacht in demselben (er in) gelesen, — Heilig sei jedem das Vater-land und jeder bereit für dasselhe Gut und Blut zu lassen! — 2Bo c8 nber iud)t beftimmt nötig ift, Dcrmcibe man baê plumpc, fdjrocrfatlige b e r= bic-, b a 8 f e I 6 c uub fagc 3. 2?. licber: Das ist mein Hund, Pferd, meine Violine; ich will ihn, es, sie ver-kaufen atê ; denselben, dasselhe, dieselbe.

5. ïcrgleidjcu ift unbeïlimerbar unb fommt faft nur tm plural DOV, 3. 93. Dergleichen Fehler habe ich nie gemacht; (Kin^nl)!:) einen derartigen Fehler begeht man selten. Dergleichen niedrige Arbeiten muszte die verarmte Griifin nun selbst verrichten.

6. über folrfjClquot; (=C =03), unb mcldjcr ficf) ©. 45.

6in foldjer ïïlann, cin Üi'ort. So(c^ cincm 93tcnicf)cn [cincm

foldjcn 9)Jenid)en] barfft bu Sein SBertraucn nidjt jrf)cnfen. — (Boii) cin Gnbc naljm fold; ein §clb! SBcId) tronrigcê Cooê!

D. ïas bctciminntiuc tfürwovt.

l. ïcn 9famcn 35 e t cr m i n a 11» p r 0 n0 m c n ev^alt bnê Ijinracifcnbc gürroovt, rocnn c8 bic Slufmerffamtcit anf ben @egcn= ftanb als cincn n a I) e r ju beftimmenben tjinlenft. $icfc nafjere Scftimmung fofgt in cincm 9t e I a t i» f a § e; j. 93. Kennst du denjeniyen nicht, welcJter dir das liucii gexchicl-t h(d ? (Sieftttitifag).

93ci unë fü^rt baê bctcnninatiöc yünrort ben ric^tigen 9ïamcn hepalinguunhondigend voornaamwoord [aBarum ift Wcfe ïïcncmuing atê tid)= t' 9 3» t)C3eid)nen?

ocr page 76

70

3l(ê beterminotbe Oüvroörtcu merben gcbvauc^t; bei1 (bie, baê), bcriciltgc (bie-, baêjenige), berfclbc (bie=, baêfclbe) (Seite cs unb eo) unb iolc^cr (=C, =C3).

2. Sci', fubftantioifcf) gcbraudjt, biefelbe ®eflinattün atë baö bcmonjlratiuc b e v, auêei- im @ e n 11 i o bcr SDÏe^rja^. ®ie= fer lautet bci'dquot;; J. 33. Das Loos derer (bctjenigen) ist zu beklagen, die sich selbst nicht erniihren können. Ich kehre (stoor) mich wenig an die Meinung derer, denen man nichts recht machen kann.

3. 2Bir ÏJicbeitanbei' gcbraudjen gent ba8 pcijöulid)c giirroort bcï Sten quot;ipcrfon afê ïietcnninatiDpronomen; btcê ijl im Ecutjdjcit burdjauê ni^t geftattet *) 3. 93. Hij (roeibl. zij), die anderen bedriegt, bedriegt zich zeiven; zij, die anderen bedriegen, bedriegen zich zelve. üDiefe unb al)nlid)e ©ö^c fönnen auf brei ücrfdjiebene ffieifen luiebergcgeben merbcn: a) Berjenige, welcher (wcitit. bicjcnigc, wefdjc) anberc betrügt, Êclrügt fid; felbft; Diejenigen, welche onbere etc.; b) Der, welcher onbere etc.; die, welche anberc etc.; c) IFer anbcre bc= trücjt etc. Settere jjorm (bie mit lUCï) ift ber fiüqe ^aI6er ju empfefjtert, loenn baö beterminatioe unb ba8 retatice günuort in b e m f e I b e n ftetjen.

Slnbere Scifpiele: Zijne gedienstigheid deed hem de liefde van hem (van hen) verwerven, die hem eertijds vijandschap toedroeg (toedroegen), ©cine ©ofiilligfcit gemann ifjin bie Sicbe b c j j c n (pint. bcrer, ber jen tg en), ber (bic) if)nt ftüt;cr feinbüd) gefinnt toar (maren). — Wee he*i (hun), die als banneling ver van zijn geboortegrond moet (moeten) rondzwerven! !ll*cb bcm, ber ol§ Söcrbnnntcr (wtur. 2Bcb benen, bie alé JBerbanntc), fern uon ber §cimat umf)crtrrcn muR (müjien) 1 ®er ïïijdjof erteilte aden benen, weltfje bic Sïapciïe beju^ten, cincn Otertögigen ïlbloB- — Hem prijs ik, die zijne plichten nauwgezet vervult; ben lobe idj, ber jeine SPffidjtcn geroiijenfjaft erfüflt. Sbenjo

1

Swar trcten Cï unb bcv in ben neridjicbencn SajuS nidjt feiten Bcrbunbcn auf, wie 3. 93. in folgenben Siitjen: So starb Sokrates! Er, der seine Mitbürger so sehr geliebt, muszte den Schierlingsbecher austrinken. Ihm, dessen Herz nur Liebe kannte, ihm, dem man so viel verdankte, wurde der Giftbecher gereicht!

Gr (iljnt jc.) ftefjt f)ier aber nidjl ftatt ber, berjenige ic.: es ift ^tcr rctncS ÏJJ c r f 0 n a (pronomen, lueit e§ fid) auf eine beftimmte, «orfjer ge= nannte 5pcrfon bejiefjt.

ocr page 77

71

toon ©cidjcn: ik vertrouw op 't geen gij zegt; id) troue bcm, \xtaS bu l'ogft.

2Inin. 3n obijen Sa^en !onn notütlic^ audj b c r», b t e«, b a «i e n i g c gebtQU(f)t n)cr= ben. ®iefe langere, idjlc^enbe, ungetenle gotm Ijebt ben ju 6cfytci)cnben ©egcnftaiib fetjt ncuf)brü(IIiif) IjerDot.

4. Scr=, bie=, bdöjcuigc cntfpridjt ootlftiinbig unferm degene, hetgene (die, datgene), nul' baf; cê tm 2)cut|c()en aucf) objcttiöifrf) gebraudjt luivb, 5. 8. Derjenige Maler, welcher, etc., diejenige Künstlerin, welche etc., dasjenige Ereignis, welches etc-

D. Saè fragenbe ^ürioort (3ntemigatiupnmomcn).

1. ®eut)'(^e unb Sïtcberlcittber gebrnudjen nis öntccrogatiupro» nomina biefclben SBörter, namltd); loer? (wie?) — Wtö 1 {wat?)— lUtt3 für? {wat voor?) — WClt^Ct? {welk? ivellce?)

2. ÜBer (®en. mejfen) fragt nad) ^erfonen, o()nc

fi^t auf ober ®efd)Ied)t; fi'ngt nad) ©adjen. — 225 c r unb tu a 8 roerben nur fubftantiuifd), iu a 8 für, m a 8 f ü t c t n, melder nur abjcttioii'd) gebraudjt.

ÜBcifpick; Wer ist dieser Herr? Wer sind jene Herren'? — Wer ist diese Dame? Wer sind diese Damen? — Was ist das? — Was sind diese Manner? — Wer ist im Vorzimmer? Ein Offizier. Was für einer? Ein Oborst der Ulanen. Weiszt du nicht wWitv?— Wessen Feder is das?

StnmcvE. Sm 'Dcutfdjen mirb Wer (9ïominatiti) tm plural mit fcincm anbern 33erb alê mit feilt uevbunben; bei unS fte^t wie aud) mit nnbern SSevbcn. ®ci- ®cut)d)c gebraudjt a[8bann entroeber bic 5DZe^rja()(fovmcn be8 35erbê mit lücldjc (maS für) yeiltc ober bic Sinjafjt» form mit al(C'3; le^tcreê ffiort entfpridjt alêbann unferem al; 3. Wie komen er van avond al zoo? Söclcfjc Scutc lommen f)cute 9l6cnb? (ober:) 2Bcr tommt beun ïjeutc 'Jlbcnb a(lc§? Kent hij u ook al? Wat weet ik, wie mij al kennen! 2ïïa§ tucifj id), roer nflcê mid) ïcnnt? — (Sc((. Waar ben jullie al zoo geweest; gt;00 jcib i()r alle» getucjcn?) — Wie zitten daar in 't prieel? ïöetdjc (roa§ für) 2eutc fitjen bort in ber £au6e ?

3. ?(t)nlid) roic bicê unb jcnc§ luivb aud) lt)cl^c§ a(ê iSubjeft fiaufig mit etner 3)1 e () r 3 a f) t unb mit nid)t:ittd)lid)cn SEörtevn uerbun= ben; 3. 58. Welches ist dein Freund? Dies ist mein Freund. —

ocr page 78

72

Welches ist deine Schwester'? Dies ist meine Schwester. — 3Bcr ben Unterfdjicb im Diicbetl. ()cvausiü()lt jtnii^cn: Dit is mijn vriend, mijne zuster imb: Deze is mijn vriend, mijn zuster, bcr loivb nud) ben Unterfdjicb anjugebcn mijicn, metier tm Seutjdjcn beftet)t jiuijdjen: Dies ist main Freund unb : dieser ist mein Freund; 3tuijd;cn : Welches ist dein Freund unb: welcher ist dein Freund?

4. ®ei- ®atiu wem? roirb nur »on ^perfonen gcbvauc^t; ber 35atiD i'on luaê? tommt fomit nidjt üor. — 93?it cincv pofition Dcrbunben, öcrf^miljt (roic bei unê) ba8 gürmort maö mit bevfelbcn, iuoburrf) bic fogennnnten ^ronaminnlabocv» b i c n cntftc()cn, roic: iu o v a n, ra o b u r d), id o m it, m o B o r, ID O f ü l', 1D O 5 U etc., 93. AVoran denkst du? Womit kann er sein Verbreehen sühnen (goedmaken)? Wozu nützt all das Gerede? Wofür interessieren Sie sich doch?

Stmn. 1. Xemiod) faun was bEt Spv5t)o(ition in imfleïtitrter govm folgen, ttenn ein beftimmtcr So^teit nodibviicttirf) t;eniotQel)ü6cn ober bet ©egenfo^ 311 einet quot;13 e r ) 0 n Wjotf bejcidinet wevben foil, mie j. 33. in: Er schreibt bisweilen mit Schwefel-hölzelien. -Mit vas?quot; — Allabendlich sitzt er im Eimcr. In vas?quot; Nun ja, so hciszt die Bierhalle. — Eür vas man die Welt ansieht, das ist sie einem. (SSgl. SüBofür fctjeii ©ie mid) eni?) — An vein und an was soil ich ineinen Zorn auslassen ?

üïiim. 2. Xie ^lliamaitliieL-ungen va ar turn, daaraan, irerben bei utiv gent jur Se= jeidimmg einos SattauedjaliniffeS gebrand)!: wo ran uttb bar an nieraalê. Sir (agen 5. S. Waaraan heb ik die eer te danken? Daaraan wijt hij zijn ongeluk, wijdt hij al zijn kracht e!e. ®er ïeulidje ninmit ein Subftantio (pnfig baê SBort It ra ft a n b) ju ^ilfe, ober ie Ld baê gürttort b e r f e 1 b e, wenn ein Subft. voraitgc[)t, 5. 9. Welchem Umstande verdanke ich die Ehre? (oder:) Was versehafft mir die Ehre? Er liebt sein Vaterland und widmet demselben sein Leben.

5. 2Bic bei un3 ivat, ftel)t im ®cutfd)cn nidjt feiten luns ftntt iBQVUin? 3. 93. Was weint ihr (— ineö)? Was rennt das Volk ? Was schaust du mich so angstlich an ? — 3Iud) fle()t iu a 8 nianrfjuial im Sluêvuf (nbt. wat, wat een); ebtev jebocb finb iu e 1 d) e r (a1, =6) unb luie, ra i e f o (= hoe): 3. 93. Wat is Gods goedheid groot! Sïöie nroij ift @ottc§ ®üte! Hoe zacht sluimert het kind op moeders schoot! SiMe foiift (ober) mie jo jnnft jd)luiiiniert (ober) trie id)Iunimcrt bnë fiinb jo janft nuf ber 9J!utter Sdjoft! — Wat is 't weer tocli slecht! 2i!aë ha§ SlBettcr bod) jdjledjt ift! Och, -wat hadden we 't toch goed! ïld), tnaë Ijatten wir eê bod) gut!

6. ®ic fvagenben ^ürroövtei' tuerben im ®eittid)en raie im 9ïbl. nu^ al8 u n b c ft i m m t e ^ürraörter gebrauc[)t. 3I)ve 9?atur atê gragtoörtcr fdjliept ben 93egviff bcr Unbeftimmtf)cit in fid); fvagt man bocfi nict)t nad) b c ft i m m t c n ^erfoncn unb ®ad)cn.

ocr page 79

73

S3ct)'pictc; 1st wer {= jemand) unter Ihnen, der sicli Srgert? Es redo, wer da will. — Sueliten Sie mich? „Nein.quot; Sie suchen doch wen. — Merkst du nas? (= etwas). Sie glauben kaum, nas fiir üescliichten er uns aufgetischt hat. — Soil ich etwa Cigarren für Sie bestellen'? Nein, ich habe noch welche (2. 68). So, hat er wieder Geld? Hat er sich wo (= irgendwo) welches geborgt?—Welche ijl gcbraudjlidjer als deren. — [fifccr was fu'Ej lueiter iaê tcjictieiibe giivro. 4].

E. Xas bc.pcljcnbc giinuort (^fclaticpvonomcn).

1. 311» k^icljonbe gümörtcr gctn'oud)t bic beutfdje Spradjc; a) bic fragcnbcn günuörtcr )UCl', 11)ay unb Wclrfjci'; b) baê I)in= iBciicnbc ^üvreort bei' (bic, boê).

Sïnm. Unferm faiêttjeiïen at^ Oicïntiü^ronomen üortonnncnbcn hoctlaniy entfpvid)t bcutidjc ï) erg I ei dj en, 5. iB. Ik zag daar huizen, hoedaniye men bij ons zelden aantreft: id) fal) bort ^aufer, bergteic^en man bei nnö fcïtcn antrifft.

2. gtatt bcv ©cnititiformm in e I c{) c r unb lucIrfjcS geOraiicljt man bcijcu unb bcvcil (mcibt. imb ïBïttjtjotii); bfo^ nad) •priipofitioncn ift W c t d) c r, ra c I d) e ê fot)r ttblid), ioic 3. 33. in: Die Ver-schwörung, wegen welcher er verhaftet wurde etc.; das Ruder, niittels welches man das Boot lenkt etc. — SBcêljalb miijjcn fouft bicjc ®cnitt»iormcn «cnnicbcn merbcn?

3. ïci* (bic, baé) fjat bicfclbe g-Icyton nlê baS Ijinttjcifcnbc bcr (bic, baë); bcv @cn. ift alio ÖCÏCII. — ®ic ï)ct(i» nation bcê nicbcrlanbifdjcn 9u'ïatiü? die ift cinc unuotlftcinbigc: @cn. unb ïatiu locrbcn buvd) bic betreffen ben gormen bcê Enters rogatiupronomcnS gebilbet; and) ber Slccnfatio nad) $ r ei p 0 f \-t i 0 n c n lautet wien, wie.

Scifpiefc: Dat is de man, die mij geholpen heeft, toiens wijsheid mij leidde, wien ik mijn geluk te danken heb, dien ik nimmer zal vergeten, ja, voor wien ik mijn leven zou willen geven. $aé ift bcr 93Jann, ber mir flefjotfeu (jat, bef jen ÏBeistjeit mid) leitete, bem i(^ mein ®Iüct tierbanfe, ben td) niemat» Dcrgcffcn merbe, ja für ben id; mein 2e6cn tjinjufleben bereit Inn. — SMjrja^t: $n§ finb bic ÏÏJanner, bic (iucld)c) mir gcfioljcn (jaben, beren..., benen..., bic..., für b i e etc.

4) ÏBariim barf man nid)t fngen; Sal §aus, was ich gekauft habe ?

ocr page 80

74

— Sffietl m a § fi(§ nur auf UnbcftimmteS ober auf cinen gonsen Satj bejieljt (Sgt. Stag. ptm. 6); 3. SB. ïlfleê, K a § er iogte, mar crtogcn. gr erjiifjlte un§, bojj er smanjig §ui^e gejc^offen, ir a ë ifjm ïeiner gloubte (= wat, hetgeen). — Sïennocf) barf ei fidj auf ba§ beftimmenbc b a §■ (öaêjenige) bejietjen, 3. 93. Das, was man als Kind lernt, behalt man am liingsten. Das ist es, teas ich meine.

©ieje grcibcit ift bcim ©cbroud) son tticr nii^t geftatfet; b e r, met ift ebenjo menig beutjd) a[§ die, tvie nieberliinbifd) ift; man fagc: Der, welcher (derjenige, welcher) mir hilft, dem will ich auch wieder hellen (Sfll. l)ci« bctermin. gütw. 3). — ©eniigenb unb gebrttucf)(icf)er ift jebocf) ber ©ebraucf) Bon maö unb roer ftatt ber matteren Soppelform: ba§, ma§; ber, meldjer, 3. SB. IFas man in der Jngend gelernt hat, behiilt man am liingsten. Wer sich in Gefahr begieht, kommt darin um. Der Narben lacht, wer Wunden nie gefiihlt. Wessen Brot ich esse, dessen Lied ich singe. Wem nicht zu raten, dem ist nicht zu helfen. IVen er anblickte, der zitterte.

21:1 m. 2Bet unb rans oercinigm in obigen SiiCcn bic glinttioncn b£8 Xetcnuamtiu= unb beS 3tc(atioprcinoincn§.

5. ®ie jufammcngefc^tcu Siclatiupronomina lüOïCUI, lUül'ltllf, rooblirtf), toorin, tuomit ctc. — biefogenanten ^3ronomtnaU aböcramp;ten ober c I a 110 a b 0 c r 61 c n (s. 74, 4) — rccrbcn im ©eutfe^en im attgemcincn cbcttfo gcbraudjt mic bet imS; ftc bc= ^ic^cn fid) nuf ctraaê U n b 0 ft i m m t e é, auf ©ad)begrtffe ober nuf g a n J e ©Ci^C, 5. 8. Alles, womit mich Gott gesegnet, steht Ihnen zu Diensten. Das sind Sachen, woran niemand raehr denkt. Womit man sündigt, dam it wird man gestraft. Der Vor-sitzende brachte die Sache zur Abstimmung (in stemming), wodurch dem Streit ein Ende gemacht wurde.

(StiuaS ftveuger jebod) ift ber ®cutfdjc alê mir. 9J?it Sejug auf beftimmte ^Jerfoncn mirb cr bie ^ufammcufctjungcu nid)t gem gc= braudjen; audi «crmeibct cr baê 9ielatiuabt)erb, meun bem ©ubftantio ein 2) e t c r m i u a t i 0 oornngcljt. So fdjreibt cu u i d) t: Der Freund, womit etc. Das Kind, woven; die Frau, wobei etc f 0 u b 6 I' U: Der Freund, mit dem (welchem); das Kind, von dem; die Frau, bei welcher ich waschen lasse. 2(bciquot; beibeS: Lies soldie (diejenigen) Bttcher, aus denen (unb) worans du etwas lernen kannst etc.

6. 9?ad) Senenuungcn con Drt, ,3 e i1 0^cr SBcife fc(3t ber Seutfdjc an ®telle ber 3ufammenfc?un9e!t woran, m 0 v a u f, m 0 r i n :c., bie mir gebraudjeu, meiftenS bie cinfadjen Stboerbien

ocr page 81

75

WO, ba unb lüic; rail- fegcn biSrociten dat; j. 23. Die Fabel ver-setzt uns in Zeiten, wo (in denen) die Tiere noch sprechen konnten. Es vergeht kaum ein Jahr, wo (= in bem) nicht irgend ein groszes Unglück stattfindet. O Much dem Tag, da ich dem Blenden mein Vertrauen schenkte! Die Art, wie er sich ausdrückte, verriet den Auslander. Die Art und Weise, wie (in welcher) er sich benahm (zich gedroeg), bekundete den Weltmann.

7. $ie afelatiupronomina mcricn bloR fufiftantioifdj gc6raurf)t; nm- tommt m c t d) e r mit b e m gubftantio Dcrbunbcn Oor, locldjc» bn§ SBorangcfjcnbe flleidjiam jufammenfoBt, 3. S3. Er sagte „guten Tag, meine Liebenquot;! wélchen Grass wir freundlich erwiderten. Wir sprachen über Schiller, Goethe, Bilderdijk nnd Byron, ivelche groszen Dichter {welcher groszen Dichter Werke) uns so oft in Ent-zilckung gebracht batten.

Ü 5 e r f c ti 11 n g c n.

53.

(f)intt)eiienb unb fragenb).

Wat gij mij verleden week in vertrouwen (art.) verteld hebt is geen geheim meer; ik heb dezen en genen over de zaak hooren spreken 1). „Wie kan het geheim verklapt hebben?quot; Uw buurman en zijn oudste zoon, geloof ik. — Waar en van wien hebt gij dien fraai en hond gekocht? Ik zou er ook wel soo een 2) willen koopen 1). — Ziet gij dien heer daar? Hem heb ik mijne redding te danken; hij stond aan de overzijde op den 3) oever en sprong, toen hij mij mot den dood zag worstelen, in den snel vlietenden stroom en bracht mij met levensgevaar op het droge. „Wolk een man! Dergelijke edelmoedige daden verdienen beloond te worden.quot; — Willem heeft mij een en ander 4) van de avonturen van dezen reiziger medegedeeld; door wiens schuld de wakkere man is omgekomen, weet nog niemand. — Hendrik heeft met dien man daar en een van diens kennissen twist gehad. „Wat was de aanleiding?quot; Waarom vraagt gij dat? „Omdat ik het haast niet (taum) geloo-ven kan; Hendrik ontwijkt eiken strijd, zoolang hot maar eenigszins mogelijk is. — Welke hoed is de uwe, deze of die? „Geen van beide.quot; En van wie zijn die handschoenen? „Die behooren mij.quot; — Waaraan heb ik de eer van uw bezoek te danken? „Ik wilde u aan onze afspraak herinneren.quot; O ja (adj ja),

ocr page 82

76

daaraan had ik in 't geheel niet meer gedacht ! — Waarop beroemt hij zich? „Op zijn vlijt.quot; Nu te schamen behoeft hij zich daarover niet. Hij legt zich 5) op de studie der botanie toe en wijdt daaraan zijne beste krachten. — Wat is het weer dezer dagen toch slecht! — Hebt gij nog sigaren? „Ja, mijnheer, ik heb er nog; welke soort bevalt u het best?quot; — Wat doet 6) gij daar? „Dat gaat u niemendal aan.quot; Wat zijn er toch beleefde menschen op Gods aardbodem 7)!

1) $a§ untcrgeorbtieic SBcrb folgt. 2) bcrartig (ober) io cincr. 3) ?lb= jctti» uon jen feit 311 tnlicn. 4) = dit en dat. 5) pd) Beliegen nuf (mit Siccuf.). 6) mortjen, treiten. 7) (frbe.

54.

Welke vogels hebben noch veeren, noch vleugels? — Wie zijn die dames? „Ik ken slechts eene, die met de lange struisveer : dat is de jongste dochter van den burgemeester hier.quot; (•Hbj.). En wie zijn die heeren? „Vraag excuus, die ken ik niet.quot; En wie wandelen daar aan de overzijde van de rivier? „Wat voor vraag! Dat zijn immers uwe eigene dochters.quot; En wie vergezelt ze? „Mijn jongste broer.quot; — Wat voor boeken hebt gij gekocht? „De werken van Ebers en Eckstein.quot; Eckstein? Dien ken ik niet. „Wat, kent ge diens werken niet? Dat verwondert mij.quot; — Ik heb stalen pennen noodig; heb gij er nog? — Ik zou toch wel eens willen 1) weten, wat voor landsman die zonderling is. „Wien bedoelt gij ?quot; Hem daar met dien ouden vilten hoed (ein Sffiort) en dat roode vest. „O, dat is de veelbesproken Amerikaan, die zoo veel geld stuk slaat.quot; Hij moet diep in schulden steken. „Dat is zoo niet, 2) gij vergist u.quot; — De waarlijk edele mensch gevoelt meer vreugde, wanneer hij weldaden uitdeelt, dan wanneer hij er ontvangt. — Zeg mij, met wien gij omgaat en (jo) ik zal (toitl) u zeggen, wie gij zijt. — Wat voor wijn drinkt gij het liefst? „Ik drink in 't algemeen geen wijn.quot; Hoe is 't mogelijk! —Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat 3) ook aan een ander niet. — Ik word beroemd, riep de verwaande vent uit, ik weet niet, wie mij niet al kennen! — Wie komen er van avond zoo al ? Wie hebben zoo al beloofd te zullen komen? 4) De Müllers en Meiers, geloof ik. — Wie niets vreest, kan licht een booswicht worden ; maar wie 5) te veel vreest, wordt zeker een slaaf.

1) tnödjte. 2) be 111 ijt nirfjt jn. 3) Vert. dat doe. 4) jugeiagt. 5) ivie vóór maar.

ocr page 83

00.

(beteminatiu iiitb Oe^iefienb).

Hoe noemt gij hem, die in den vreemde moet leven en zijn geboortegrond niet weder mag betreden! — Zij, die bij alles, wat zij doen, slechts hun eigen voordeel beoogen, worden egoïsten genoemd. — Alleen hij, wiens hart vrij is van schuld en zonde, kan een gerust geweten hebben. — De heer Tasten-hauer gaf onlangs een pianoconcert. De wildeman sloeg er drie kwartier lang op los; iedereen verveelde zich. „Hoe is het mogelijk,quot; fluisterde mij iemand in het oor, „dat er toch nog menschen zijn, die zich gelukkig zouden achten dit gebeuk te kunnen hooren.quot; — Och kom (zei ik), dat meent ge niet, wie dan? — Wel, zij die doof zijn.quot; — Wie honig eten wil, moet het gonzen der bijen verdragen. — Philosofen of wijsgeeren worden zij genoemd, die na lang denken tot de slotsom komen, dat de raadselen des levens ... onoplosbaar zijn. — Arm is niet hij, die weinig bezit, maar die veel noodig heeft (bebürfcn). Wie op zijn ouden dag armoede moet lijden, die is te beklagen. — Wat het oog niet ziet, bezwaart het hart niet. — Wee hem, wiens hart geen behoefte aan liefde of vriendschap gevoelt! Voor hem moet de wereld een woestenij zijn. — Ik beklaag het lot van hen, wien reeds vroeg de dierbaarste betrekkingen door den dood werden ontrukt. Laat ons het aandenken van hen in eere houden, die door de stichting van weeshuizen de ellende dergenen lenigden, die hulpeloos achterbleven. — Er zijn geen erger dooven, dan zij, die niet willen hooren, geen onbevattelijker menschen, dan zij, dio niet willen verstaan. — Spaar dezulken (@en.), die weerloos vluchten! - Doe wel (®utes) aan hen, die u beleodigd hebben.

5G.

De edele menschenvriend, van wien ik u onlangs vertelde, wiens lof alom werd verkondigd en wien duizenden een lang en gelukkig leven toewenschten, is verleden week onverwacht gestorven en gisteren begraven. Zelden of nooit heb ik eene zoo treffende plechtigheid (®at.) bijgewoond, zelden eene lofrede gehoord gelijk die, welke onze oude burgemeestei bij de geopende groeve hield. Alle aanwezigen waren diep geroerd; menigeen, die zich anders wellicht daarover zou geschaamd (@cn.) hebben, pinkte een traan weg; ieder scheen in den

ocr page 84

voortreffelijker! man, wiens overschot zooeven aan den schoot der aarde was toevertrouwd, een vriend of broeder te hebben verloren. „Eust zacht!quot; — met deze woorden eindigde de spreker — „rust zacht, dierbare vriend, die ons allen ten (ein) voorbeeld waart, wiens grootste genot het was, geluk en vrede te verspreiden, dien wij nimmer zullen vergeten.quot; — quot;Wij stonden op een heuvel {;ilnl)öf)e), aan welks voet zich do schilderachtige stad uitstrekte, die wij zooeven hadden verlaten en welker torens en koepels vriendelijk glinsterden in de morgenzon. Eerst genoten wij het vergezicht, dat ons de omgeving aanbood, en zetten ons daarop onder een reusachtigen beuk (®ot.) neer, wiens breede takken zich boven onze hoofden (Sot.) welfden en een schaar van woudzangers herbergden, wier vroolyke liederen in ons, die de natuur niet minder beminnen dan do kunst, zeer dankbare toehoorders vonden. — De vreugde ($lur.) van anderen is voor (o.) ieder, wiens hart vrij is van nijd en afgunst, een bron van rein genot. — quot;Wien God een ambt geeft, dien geeft Hij ook verstand. — quot;Waar het hart vol van is, daarvan vloeit (gcljf) de mond over. — Wat gij wilt, dat u de menschen doen zullen (jollen), doe dat ook aan hen.

57.

3 u r 2B i e b e r ï) o I u n g.

.Niet aan een ieder zijn dezelfde talenten geschonken; de eene heeft deze, de andere weder andere gaven ontvangen; sommigen munten in geen enkel opzicht uit. — Waai' komt het van daan 1), dat gij u zoo dikwijls verveelt en uw broer bijna nooit? Houdt gij u dan (bcnn) niet met een of ander 2) werk bezig ? — Hebt gij eenig 2) recht hoegenaamd ook 2) om (o.) mij (acc.) dit te vragen of mij van luiheid (Oen.) te beschuldigen? — Aan alle menschen behagen is onmogelijk en zeker ook niet gewenscht; maar hij, die aan niemand bevalt, is waarlijk niet te benijden. Nu, daar is hij dan ook zelf de schuld van 3). — Hebt gij niemand, die zich uwer aantrekt? Ja; mijnheer B. heeft zich over mij en mijne kinderen ontfermd; aan hem heh 4) ik naast 5) God het leven van mij en de mijnen te danken 4). — Gedenk onzer ook in den vreemde 6): wij, die allen zielsveel met u op hadden 7), zullen u nimmer vergeten. — Eéne deugd is er, waarop zich geen mensch kan beroemen.

ocr page 85

79

„Welke is dat?quot; De bescheidenheid; want beroemt hy zich daarop; zoo bezit hij haar niet meer. — Hoe vaart gij 8)? „Ik dank u, ik gevoel mij veel beter.quot; En hoe gaat het mejuffrouw uwe zuster? „Ook haar is hetverbiyfinScheveningen goed bekomen.quot; Nu, ik wensch u (o.) van harte geluk. — Berisping en straf kunnen alleen hen beteren, wien ze niet onverschillig zijn. Dat spreekt vanzelf. — De sprookjes verplaatsen ons in de tijden (ace.), waarin de dieren konden spreken. Vertrouw niet op hetgeen hij zegt; hij is een van die menschen, van welke men zeggen kan: wie zich op hen verlaat, die is verlaten. Onlangs nog beloofde hij mij, zijn invloed ten gunste van onzen vriend te willen aanwenden 9), hetgeen ik weet dat hij niet gedaan heeft.

1) moljer. 2) mit t r g c n b. 3) icfjulb (cin nn ciner Soctjc. 4) Dcrtion= fcn. 5) ndctjft (mit ®at.). 6) bie grembe. 7) grofic Stiicfc nuf etnm tjaltcn.

8) SBie geijt e§ 3^ncn? SBie befinbm Sic jid)? SBic ift SScfinben?

9) gdtenb mac^ett 511 moïïett.

58.

©cflimcrc nnd) unb neben cinanber ((finjafit unb baö

2Sort beiquot; in ben Bcrfdjicbcncn 33cbcutiingcn imb gunttioncn, n. 1. 1) nlê 6 c ft. 21 r tit el; 2) al§ I)intöeifenbcê ^ ü nu 0 r t [a) mit cincm Subft., b) nöeinftclienb]; 3) dê ® eter min a tic» pronomen [a) mit eincm ©ubft., b) aBcinfteI)cnb]; 4) ntê tie= ^ie^enb eë güriDovt.

33ilbc Sö^e, in benen ber ©enitio imb ïatiii, ginjal)! unb SOÏeljvjafyl, uovfommen.

59.

quot;Wat is het weer toch slecht! 't Heeft, geloof ik, den gan-schen nacht gesneeuwd en gestormd. „Ja, ik hoor, dat de trein, die volgens het spoorboekje 1) te (0.) 8 uur moest aankomen 2), ten gevolge van aanzienlijke sneeuwophoopingen ongeveer een half uur van 't station op de rails is blijven liggen.quot; — Zeg eens 3), wat scheelt er eigenlijk aan? Je ziet alles behalve vriendelijk uit je oogen. — , Ja, ik ben gebelgd over de manier, waarop mijnheer Müller mijn zoon heeft behandeld; zijn hardheid en grofheid zijn niette vergoelijken.quot; — Zoo, meen je dat (0.)? Dan ben je slecht ingelicht. Je zoon quot;Willem heeft zich dermate aan

ocr page 86

80

de goede vormen bezondigd en den heer Müller op een zoo onfatsoenlijke manier toegesproken, dat ik in (an) uwe plaats (2ot.) liever amende honorable zou willen 4) doen dan het optreden van mijnheer Müller te laken. — „Wat? En de slungel vertelde mij, dat hij zich geen schuld bewust was! 5) Ik dank je hartelijk voor je rondborstigheid en zal hem behoorlijk onder handen nemen. — Wat ge schijnt, zeide Macchiavelli, dat ziet iedereen; wat ge zijt, weten weinigen. — Wie zich zelf goed kent, zal zeer spoedig andere menschen leeren kennen 6). — Wel hem, wiens grootste genoegen het is anderen vreugde te bereiden. — Hoe noemt men hem, die den geheelen dag in de herberg doorbrengt? Een herbergier.quot; — Wie van jullie kan mij drie dieren noemen, die in Afrika leven? „Ik, meester!quot; Wel, 7) spreek op (o). „Twee apen en een papegaai.quot; — Tijd is geld, geld is macht, maar alleen voor hem, die den tijd weet te besteden en liet geld weet 8) te gebruiken.

1) faljrpïonmaijtg. 2) eintrcffcn fottte. 3) ®u. 4) modf)te (achter (ntten). 5) jet. 6) Vert. kennen leeren. 7) mof)(aii. 8) n-eet aan quot;t slot.

ïae ^aljlumt ober Wumevolc.

®te 3a^lDövtcr fönnen fofgonbcnucife cingcteiit merbeu: iöejtimmte ^af)huöi-tcr. Unkftimmtc .Snijfoörtcr.

1. §011^1= ober ©runbjaljfcn (Hoofdgetallen).

Sinê, jmet, brot, oiev, fimf, 3eber ({cglitfjer), mandjev, einigc, fed)S, ftebcn, at^t, ncun, jc^n, etüdjc.

etf, jJiDÖtf, brcijcljn, ïcdjjcljll, (Sicfc briirfen etnen 3 a t) 1 6 e= ficbjcfjlt, jwanjig, fünfjig, fcd)= Sr 1' f ail§)'

jiij, j'tcb(en)5tg, fjunbert, brei()un= Straaê, ganj, ()alb, nid)tS. bert, taufenb, fünftnufenb, million. (Siefc briicfcn etnen 93i n 6 6 e=

gtiff ons).

SIK, gefamt, famtlirf), fein, einu geê, «iel, mcljr, raentg, genug.

(®tefc brücfen 6alb einen SafyU bolö cincn SKafebcgriff nus).

2. Drbmmgêjntjtcn (Ranggetallen).

®er (bic, baê) cvfte, jraeite, ®er wieviiclfte (irieBidte)? ®er bvittc, ted)fte, arfjtc, jc^nte, f)un= foüielfte. ®cr Ic^tc.

bertfte.

ocr page 87

81

3. ®oppctungêja[)[cn (Verdubbelgetallen).

(Stnfttcf) (eenvoudig), cinf a U 2)?cf)vfncf), nielfcicf), mannigfni); t i g (onnoozel); jiDcifa^, jiöct» tielf a 111 g, mannigf a 11 i g. fiiltig ctc.

4. ©attungê* ober Slvtjatjlen (Soortgetallen).

Sinerlct, 5gt;Tjeiei-=, breter», 3(flevlei, ader^anb, mait^crki,

üierci'», fjunberteilci. uiclerfct, mckdianb.

5. 2Bicberf)olung§:afl(en (Herhalingsgetallen).

©nmaï, jcfjnmaL (TOebert. 9}?ancf|mn[, uiclmal, aöemaf.

-keer, maal, -werf). (ïïbD. uic'malê, oft, nicmals).

6. Setlung«= ober S8nirï)5a()[cn. (Breukgetallen).

Sin i)iüb, cin brittel ($rittc[), (3Iu§cr half finb bic ïïntd)» ein niertct (SBiertet), ein joelen im 9ïicbcrL ben Orbmmgê»

jigftel, cin ^unbertftel (ober: ja^Ien g(eid)).

^unöcrtteil).

7. 33ertei(uitg§5a{)(en ober biftributtoe 3n')toörter.

3e 5tuei unb jroei (twee aan twee),

je brei (ober) ju je brei (bij drieën),

je ber brittc (telkens de derde).

23cmcrfungcn ükr bic 33i(bimg bev Qn^wörtcv.

a) S i e b 3 e () n unö i i e 6 3 i finb gc6vaucf)[td)cr als bic üoKcu gormen; f ü n f 3 c b quot; «nb f ü n f 3 t g, bic in ber llmgangsjpradjc oft ten Umlaut ücrUercn, merben am beften mit bent Umlaut gebrnud;t.

b) £ie C r b u u n g § 3 a f) I e n tuerben Don jidci bi§ neunjcfjii huid) §in3ufügung non t, uon 3 w a n 3 i g ob burd) Slnbcingung bon ft «on ben ®runb30É)lniörtern gebilbet. — 93Jan merfe fidj, bag bol £d;[uK=c in 3 tt e i t e, b r i 11 e jc. in folgenben SBerbinbungen roegfaÏÏf; Er ist der zweitdlteste, der drittletzte der ganzen Klasse (op één na de oudste, op twee na de laatste). Er sasz auf der zweithüchsten Stufe der Treppe etc.

c) 2;ie $oppelung§3ablcn w er tien Surd) faltig gebilbet. Sen Umlaut jebod) entbebren nmnnigfnltig unb bas tird;licbc SBort J:rei= faltigfcit (Drievuldigheid). $ie un§ fo gelaufigen 9?ilbungcn auf -Toud (veel-, meer-, honderdvoud) fommen im Seutfdjeu faft uur in b i e 6 i n f a It unb bie Sorgfalt dor.

■JtUocmcinc ïBemerfungcn.

1. 6quot;tnS ift bic unabanbertidje gorm ber unbennnntgt; t

ocr page 88

(Sin'ocit, 3. 33. Einmal eins ist eins. Dieses Kind kann schon das Einmalems (tafel van vermenigvuldiging). Die Gloeke liat eins, ein Viertel [auf] eins (121/4), ein Viertel vor eins geschlagen. Es ist fünf Minuten nacli lialb eins. Dieses Kind ist mein Eins und Alles. Er starb im Jahre achtzehnhundert und eins.

On übertragcner 33cbcutung c t n ê fo tgt;ict roic g I e i rf)=

g i ( t t g, e i rt e lquot; I e t, 3. 23. Es ist mir alles eins, ob icli Geld habe oder keins.

23or etnem ©ubftcmtb [tef)enb, mirb cill afê bcr unbcftimmtc ?Irtttel befliniert. ®ic öoüftanbigc ©cfünation f)at cS, menn cS fid) nuf ein üovl)cvgc£)enbe8 ober nndjfolgenbeê êubftantiu bejie^t; ebenfo, menn cê atê ©ubftnntio nuftritt.

SScifüicIe; Ein Mann, kein Mann. Eine Krahe macht keinen Winter. Sie sind eines Herzens, ein es Sinnes. — (31IS 31 b j c t t i ö :) Der eine siit, der andre schneidet. Was dem einen recht (ist), ist dem andern billig. Ein Buch und noch eins machen zwei Bücher. — Einem der Kaufleute ist eins seiner Hiiuser abge-brannt, erziihlte mir eins der Kinder. — 1st er so einer r Einer kann nicht alles. — Einem wie dem andern, so geschieht keinem Unrecht. — Er ist ein Kind gegen unser einen. — Man musz eins ins andro rechnen.

?Inm. Slit bcvfelbe ocrÈmiben 6tei()t cin meiftenê iraftcltiert: SBit ttotjncn in cin unb bemfeïöcn §aufe, in ein unb bcrfeïöcn @tabt.

2. Sluci unb Örci merben im ®enitiu unb Satiu bismcilcn flctticrt (zweier, dreier; zweien, dreien). 9}ïan iet ober fporfam im ©ebrnud) bicier gornicn unb ucrmeibc btejelben, recnn ber fiajuê auf auberc ÏBciie nucjebeutct ift. So iagt man jroav: Aus zweier Zeugen Mund wird uns die Wahrheit kund, aber nirf)t: Aus dem Mund dieser zweier Zeugen, Weit bieder ben fiajuë genügenb bejeidjnet. £0 jagt man: Was zweien zu weit, ist dreien zu eng; unb ftatt bc§ gett)M)n= lidjern: Die Vereinigung ztveier machtigen Heere fann man aud) zwei machtiger Heere jd)veibcn 1). — 3m Xflttii ift nad) ^pra^ofitioncn bie glerion jluar eine belicbige: von (aus) zwei Übeln (ober:) von zweien Übeln soli man das kleinste wahlen. — ®ebraud)lidjev aber ift: Er reiste mit zwei Knaben unb drei Frauen a[§: mit zweien Kna-ben etc.

1

SBaê ift minbet gut in folgenbem auê ber gbln. 3eitimg: ®Jan ^at bcim Sidtte

Slueier grofjer cïeftrifd)ev dampen bic ganse ^tarfit Ijinbwrd) gearbeitct.

ocr page 89

83

amp;) öctbc roirb vcgcfmafng a(§ Slbjcftic bctfinievt; j. S8. Beide Brüder gingen aus. Das Leben beider (beider Briider) stand auf dem Spiele. Beiden ist die Rettung gehingen. Unser beider Leben war in Gefahr etc. Ons beider leven enz.

3n bicfcn SBeifpicIen bejcidjnct bcibc cinc nid)t

fcftcn jebod) fajjt c8 jroci ©cgcnftanbe ober ^anbfungcn ató cincn ctn^igcit SScgviff jufammen; nföbann Ijat cê unabanberlicf) bic gorm bcê fiirfil. ®cfcl)ïeditê bcibcö (bei imS immer heide); 5. 23. Soil icb lesen oder scbreiben? „Dn muszt beides.' — Was gefiillt dir am besten, Zeicbnen oder Malen? „Beides gefallt mir.quot; — Welches von diesen zwei Gemiilden gefallt dir? „Beide gefallen mir.quot; Haben Sie Bilder oder Bücher gekauft? „Beidesquot;. — Haben Sie gespielt oder gesungen? ,Beidesquot;. — Goethe war heides: Dichter und Staatsmann.

4) Sic ®runb3af)(en fönnett in gennfien gaflcu pluraltiicvt merben:

a) ntê gitiernamen, 3. SB. Zwei Einsen und drei Achten bilden die Zahl 11888; b) luenn cin juücljörigcë Sutiftanti» iu öu-bantcn 311 cvgön3cn ift, 3. 93. Alle viere von sieh strecken (d. li. die vier Beinc, oder audi; Hiinde und Fflsze); mit scchsen fahren (met de zes); aWc iieutie werfen (alle 9egel); mit zehnen nimmt er's auf (d. h. zehn Personen); er kam urn fünf'e (ober) fünf (d. h. Uhr). $ic mit ^ifl gcbilScten 3nl)I= luortcr blcibcn 31t)ar getobIjnlid) uiiBerönbert (alle vierzig tlohen), in gewijjen ïlusbtüctcn jebo^ ift hie Spiuralform getrciudjücf), 3. 9?. in; Er ist hoch in den siehziyen, aber noch rustig (kras, flink); sein Brnder niihert sich don sechziyeH. — DJÏnu jngt glcid) gut: er nimmt es mit zwanzigen oI§ mit zwanzig auf.

?lnnt. ?l(§ iiicïjlirfje £ u 6 ft a u t i u e fjoten puntert uub tauienb int HStnroI =c: •Ciimbertc, ïaufeube finb gefallen (ober;) §unbertc Sclboten fiefen. (9?gl. honderden, duizenden: oud): boê 3Qt)rt)imlicvt, 3oljrtaii(cnb).

5. ®ie @nbung =cv nn ^a^ttoörtern fann ncrfdjiebencS 6c» }eid)ncn:

a) 0;in flatter S5ier3iger = een goede veertiger: eiu angetjenber Öünfsiger (vooraan in de vijftig); b) 2Bir tranteu eine gtafdje ad)t= imbfie(i3iger (b. tj. SSein oom 3- 187»); c) 6r ift im Stnfong ber brcifjigcr, ber bïcifiigev 3aïire geboren (3. ». im 3ot)rc issi); d) $ic SaW 542 bc= ftc()t aus jraei G i n e r u, uier 3 e t) n e v n imb fünf § u n b e r t e r tt; e) 6r gab bem 93ettler eiuen Sedjfer (b. 1). cin ecdifpfcnnigftad) unb jtoei Sreier. (®9Ï. unfer vijftiger fiir rijksdaalder).

ocr page 90

84

6. M (ader, nüe, QÜcê) roirb ftovf beftmievt; oor bcm bc» ftimmten Krtitet ober nor cinem gümovt bfcibt c« mcifteuê unüer* cinbcrt, 5. 33. Aller An fang ist schwer. Alle Mühe war umsoust. Alles Volk strömte herbei. Alle lieben ihn. Er ruderte nut aller Kraft. Er ist alles in allem. Sie ist zu allem brauohbar. All (alle) seine Eeinde bewuuderten ihn. Mit all seinem Gelde ist er doch nur ein armer Mann. — (SS3I. ®. S6, I, b; ®. 45, Stnm. 1).

7. s4gt;icl unb menig blcibcn unflefticvt, roe-m fic cinen 2« e n= g c b e g v i f f, einc 9JJ a i f e bejcid)ncn; bie glcyion nefjmen fie fjaufig, befonberö im @en. unb iBcnn fic eincn 3 a M b c-g r i f f auêbvücfcn.

23oiipic(e; Viel Menschen trinken mehr als tvenig Menschen. Viele Menschen riihmen diesen Wein, nur wenige tadeln denselben (iljp.). Viel (ober) viele Köche verderben den Brei. Mit vieler Mühe quot;\vurde er ^erettet. Das Unternehnien ist mit vieler Gefalu ver-bunden. 2lbcv beficr; mit raentg ®cfal)v n(ê: mit weniger Gefahr. (ffinvum?)

©ubftantiuifd) gcbvnudjt luevben u i c I unb menig itniner flcfs tiert, loenn fic cinen ^5erfoncnbcgrxtf bcjcidjncn. Es spra-chen viele (velen) über vieles; ich lernte aber dabei nicht viel. Wenige haben das Wagnis versucht. Das Leben vieler war in Gefahr. _ . . ,

8. DJlcOrcre (verscheidene) fcilUtltfl)C, ^C|lUUtC, CtUnJC

eiuiflc, jeber (% -ë), maudjer (=e, =§) «ci-bcn «ie abjettbc

bcflinicrt. ® i n i g c « brücft (roie m c n i g c ê) eincn SDÏapegviH au«, 5. 23. Ich habe dir einiges, nur weniges zu sagen.

9. (finmal mit bctontcm ^afjliuovt bebeutct; nur cin c i n 5 i= g e ü mal; mit bctonter jraeitcr Silbe: Ctllft, nbl. eens, ereis. 3n bcr Uiugangéfpvadjc mirb baê tonlofe cill nic^t feiten mcggclaffcn; 5. 23. Einmal ist keinmal. Es was einmal ein Konig. Das ist nun mal nicht anders. Ein fiir allemal = eens voor goed.

(Sicb ien Untcrjdjicb art, öcn Sic Sonuerkgung in folgenben «ötjen Ijcrbcifüljrt: Ich will es noch einmal (unb) noch einmal versuchen. Wir haben uns schon einmal (unb) schon einmal geschneben.

10. Öfllt) luirb im allgemcincn ebenfo gebraudjt mie unfer half. Sgt. Ein' halber Apfel. zwei und eiue halbe Meile, ein halbes Dutzend, anderthalb Eier (anderhalf ei). Vier mit ein halb multi-pliziert giebt zwei. Die Halfte von ein halb ist ein viertel.

ocr page 91

85

ïtfit onbcïti Sofjlcri oerbunben, fann cin Ijalb unflettiert Mcibcn. So ^aflt man beibe»; in dreiundeinlialb (drei und ein halb) Tagen (unto in drei und einem halben Tage. — Sas 5?crb ricfjtet fii) olio nac^ bem f t e i t i e r t e n SBort [) a ( 6 (eê ftcljt mitfjin in bcr ® i n 3 a () 1); fileiit () a 1 b unflefticrt, fo ridjtet c» p; nacf) bent Bornnge^enbm 3aI)(roDrt.

11. 93or fadjlicljcn ? ii u b c r= unb OrtSnnmcn Mcibcn ^ n ( b unb 9 a 11 5 unflefticrt, 5. 23. halb Europa, in ganz England. — Stud) c t n lu c n t g, c 110 a S, ein paar, ein b i d) e n bteiben uiroeraubert, meil fie fitr ein e i n 5 i g e S 2Bort geiten.

ïlnm. ipanr loirb mit eincr 9]kju§fet ciejcfjiicbcn, menn e§ jur 9?e= jeicfjiiunci »on jroci 5ujammcngct)firigen ©cgenftiinbcn bient. S5gl. Ein paar Eier, Birnen (ö. t). einigc) unb: ein Paar Handschuhe; Marie und Wilhelm wurden ein (gltickliches) Paar. (3]gl. franj, une paire, une couple).

Xn* gt;-Jai)huovt (Numerate).

60.

Van twee kwalen moet men de kleinste kiezen. — De heer ziet met één oog meer dan de knecht met vier. — Een vader kan gemakkelijker tien kinderen onderhouden, dan tien kinderen één' vader. — Het leven is maar kort; het bestaat uit slechts vijf letters en als men 't omkeert is het niets dan een nevel. — Wi] kunnen niet allen over één kam scheren, wil zeggen; Wij kunnen niet alle menschen op een en dezelfde wijze (flcc.) behandelen. — Bijgeloovig ben ik niet, zeide eens een snuggere bol, maar ik weet bij ondervinding, dat wanneer dertien personen bij elkander aan tafel gezeten hebben, er (o.) altijd één bij geweest is, die vóór de anderen stierf. — Kunst en wetenschap, zegt Goethe, zijn woorden, die men zeer vaak gebruikt, maar wier onderscheid zelden goed wordt begrepen; men gebruikt dikwijls het (0.) een voor het andere. — Hoewel de haring millioenen menschen tot voedsel dient, vermindert het getal dezer visschen niet merkbaar. — De rijke rijdt met de vier, groote heeren rijden soms met de zes; maar wie rijdt met zeven? — Het getal 7213 bestaat uit drie eenheden, een tiental, twee honderdtallen en zeven duizendtallen. Twee eenen, drie tweeën en eene vier vormen het getal 112224. — Niet

ocr page 92

86

allen zijn vrij, die met hunne (@en.) ketenen spotten. — Zeven boeren zaten eens bijeen. Zij wisten wel dat zij met hun zevenen waren, en toch wanneer zij begonnen te tellen, kwamen zij altijd maar tot (6i§) zes. „Ik ben ik,quot; zeiden zij, „en jij bent een, twee enz. Zoo kwamen zij nooit tot zeven. Na lang nadenken vonden zij eindelijk een middel om dit moeilijk vraagstuk op te lossen. Zij staken allen hun vinger in de boter en zoo vonden zij zeven gaten.

61.

Deze man is tot alles bruikbaar; allen waardeeren hem dan ook en velen bewonderen hem. — Menigeen noemt oen geluk, wat anderen een ongeluk noemen. — Hoe oud meent gij dat mijn oom is? „Wel, ik houd-hem-voor een goeden zestiger.quot; Dan vergist gij u, hij is vooraan in de vijftig. — Uit den mond van twee getuigen hoort men de waarheid. Nu ja, maar voeg er bij: uit den mond van twee eerlijke getuigen. - Twee wachten gemakkelijker op één, dan één op twee. — Do beide violisten werden door verscheidene roevers overvallen, maar hebben zich zoo dapper geweerd, dat de schurken moesten afdruipen. Sedert is beider naam op veler lippen. Nu, zij hebben getoond, dat zij beide; schermen en vedelen goed verstaan, dat zij den degen even goed als den strijkstok weten te hanteeren. — Velen kunnen meer dan een enkele vermag. — quot;Weinigen zijn in de wereldsche dingen zoo onbedreven als mijn geleerde vriend: hij meent bijv. dat men voor een paar gulden een paar goede laarzen kan koopen. — Hoeveel is de helft van een kwart? In hoeveel vierdeparten kan ik zeven en een hal ven appel verdoelen? — Veel van 't geen ik in mijne jeugd geleerd heb (o ). ben ik vergeten (mit Ij a 6 e n). — Wien veel gegeven is, van dien zal ook veel geëischt worden. — Goethe was beide: dichter en staatsman. — Deze vereeniging van menschenvrienden beoogt het welzijn van allen, die zonder hunne schuld (th. 42) in ongeluk en ellende geraakt zijn. Verscheidene personen uit mijne omgeving zijn tot deze vereeniging toegetreden. — Bij de laatste prijsuitdeeling traden de leerlingen twee aan twee 1)' de zaal binnen; om den anderen 2) kregen zij een boek of een prent.

1) jc jtoct unb smet. 2) jc eincr urn ben nnbern.

ocr page 93

G2.

Het gevecht was zoo bloedig, dat van elke 1) drie man maar één ongedeerd terugkwam. — Hoe laat is het 2)? 't Heeft zooeven half één geslagen. Dan gaat uwe pendule achter (nad;); 't is kwart voor één. — Met klokslag van drieën 3) vertrokken wij en kwamen 5) precies om zes uur 4) op onse bestemming aan 5). — Weet gij hoeveel die fabriek jaarlijks afwerpt? Door elkander gerekend (5. 82) eenige duizenden, vermoed ik.quot; Niet minder dan twintig duizend gulden! „Hoor eens, beste vriend, maak dat den eersten boer den besten 6) wijs; meer dan tien duizend kan de winst niet zijn.quot; — Waar woont de heer B. thans? ,Sedert vier weken woont hij met mij in een en hetzelfde huis; eiken middag gaat hij met twee jongens en een klein meisje wandelen.quot; Daaraan erken ik hem; hij houdt veel van 7) kinderen, en dat meisje is zijn een en alles. — Van de ingeleverde opstellen was het uwe het beste, het mijne was o}} één na het beste. 8) „Hoezee! dan krijg ik van vader eene fraaie velocipède.quot; Ge zult zeker nog een der beste wielrijders worden. — „Hoeveel is 60 min 20?quot; vraagde de onderwijzer. En daar de knaap zweeg, voegde hij er bij: „Als je van 3 twintigpenriingstukken twee verliest, wat hebje dan in den zak?quot; „Een gat,quot; antwoordde de leerling. — Toen de soldaten nauwelijks drie en een halve mijl hadden afgelegd, waren er reeds vijf en twintig, de (o.) een na den ander, door de hitte bevangen, neergevallen. — Gisteren is er (o.) brand in een der kazernes uitgebroken; al het volk stroomde toe (fjcrki), verscheidene spuiten wierpen dikke waterstralen in de woedende vlammen, maar alle moeite was vergeefsch. De eene helft van 't gebouw is in een puinhoop veranderd. Ook moet een dei-spuitgasten, een nog krasse man, diep in de zestig, bij de ramp zijn omgekomen.

1) (ober) de — jc. 2) 2Bie jpcit ift c§? 2iMc Biel lU)rt)tc§? 3) Sdjlac] brei. 4) ïpunJt jecfiê Uljr. 5) eintreffen. 6) bcr erfte Èefte. 7) auf (?kc.) ober Bon. 8) ber jiBeitfcefte.

ocr page 94

88

$cüiüort ober ^cïöum.

A. ïic ^onjiiöattou.

I. Sd)roacf)c Conjugation.

(2(itfg. 63 imb 64).

®ic itf)iunrf)e Conjugation umfapt bicjcntgcn SBerben, uielc^e ben Stamm unoerönbcrt (affen unb im 3 in perfectum auf (c) tc, im j ra e 11 c n '■JB a r 1151 p auf t (ct) auêgcfjcn. — -SnfoVücit ftimmt bic bciitic^e ®pi:ad)c mit bem Dïicberl. überein.

.^u bcad)tcn abci' ift gofgcnbcê:

1. S)ie erfte ^erfon Gin^af)! ^at rcgclmcigig c, 3. 33« ich

habe. icli rede, icli suche. (S6cn)ü bei' 3 lit p e I' a t i D, 5. S3. Höre! Rede! Suche!

2. !Dte 5 mei te ^enon (Sin^af)!, bie unê abtjanben gcfonunen ift, [jat bic ^erfonalcnbung ft, 5. du hörst, du redest.

3. imperfectum unb 5 m e i t e ê -p a r t i 3 i p babeu immer t; bet unê nur nad) parten fionfonanten [ch,f,k,p,s,t], 3?g(.

prte, ftraftc, ftrebte, ertöfte, Icgtc, lachte; gdjöi't, geftvaft, cjcftvcfet, getcgt, ge(acf|t :c. unb: ik lioorrfe, strafte, streefde, verloste, legrfe. lachje; gehoon/, gestraft, gestreefd, gelegrf.

4. 35or jebcm t, gt;ocW)eê bonter ben ®tamm tritt, bfcibt jur grleirtjtcrung ber 3tuêfpvad)c baS uvfprünglidje c ft cl) en, meun bcr Stamm auf b ober t auélautct; 5. 33. Ich melde, er meldet; ieh achte, er achtete, er ist geachtet; er redet, wir töteteu, sie leisteten; mit ausgebreiteten Armen etc.

Ülnm. ffiir tofien in fotc()cn (yatfen bic *pcrjcina(rabung einiatf) weg; bet ®eutfct|C Wilt fte beutlirf) t)ören taffen, unb fe^t beêfiotb bas nrfvtüngtidje e toiebft in feine SJccfjte ein.

5. 2luê eben beut ©ruube mi vb bcr Gnbung bcr 5 to c i t c n ^3erfon Siuja^I ciu c oovgefc^t, menu ber Stamm auf citten 3 ^ f d)' I a it t ober auf il, t auêgcfjt; 3. 33. du hassest, speisest, tanzest, beschützest, meldest, achtest etc.

ilnm. S!er(jteicl)e bie Snvctlatioc: buntest, hartest, hübschest, heiszest, geliebtest etc. etc.

ocr page 95

89

G. @cl)t ber ©tanim auf 5)op^cIfonfonan5 nuê, fo 6(eiben bie ^iuct Sonfonarttcn u n g e t r e n n t, 33. Er brüllt, knurrt, klafift, trifft, brummt, packt, foppt, laszt, schwimmt, keimt, nennt, du hassest.

23ci ben SBcrbcn auf cllt unb ent (eigcntti^ -elen, -eren) ift ju £)C= mcrfcn, baij im 3 n b i f a 11 e bnê c vor t uitb r, im ^ 0 n j u n f= tiu baê auogcftojjcnc c nach l unb r Dor()crr)d)t. ÜJJan ucrg(cid)e;

jiiBifntiu. Jtonjuufüu.

3d) idjmcidjle, jittre 3d) id)mcid)lc, jittrc

hu ic§mcirf)el|quot;t, jittcrft bu Idjmcidjlcft, jittrcfl

cr jd)mcid)ett, jittcrt cr id)nicid)lc, jittrc

mir irf)mcid)cln, jittcrn loir td)meid)lcii, jittrcn

if)t jdjincidjclt, jittcrt il)r id)mcid)lct, jittrct

fte idjmcidjcln, jittcrn fic jdjincidjlcn, sittrcil.

jTag j ra e i t c 'ipavtijip öcrlievt bic SSorfilbc fjc: «) uor tonlojcn ober bod) jdjiuacljtonigcn Gtlben, 5. SB. erlaubt, wiederholt, unter-drückt etc.

b) lucim bn-3 Ikvb auf =iercu auêge()t, 5. 93. Ich habe studiert und nacblier spaziert. Wie lange bat der Fürst regiert?

Slnnt. 1. SBcrbcu Bertiert fle, lucnn eiS alê §iIf§mort be§ ^affiDums auftvitt. — Sïflt. Er ist gesandt worden. Er ist Gesandter geworden. — Er ist gesund geworden. — Er ist gescbickt worden (unb) geworden. Unterjdjicii ?

3(nm. 2. $ie ffierben ntit bcr i'djwadjtonigcn SJorfilfie 111 i B werben gcmöfjnlid) oljnc 15 e gcbrauc^t, 3. 58. Der Versucli ist miszlungen. Ev bat seine Macht miszbraucht und die Besiegten miszbandelt.

© dj m a d) finb tm ©eutfdjen bie bei unS ftarfen 93erben; b n n= u e n (verbannen), b r a u e n, f r i e cj e n, I a d) c n, f d) e n f e n, b e f d) e r e u, f ti n n n e n unb f d) lu e I g e n, j. 93. Er bat Arrest gekriegt (ticber; hekommen), sein Bruder ist verbannt. Er wurde auf die Folter gespannt. Ich stehe mit ihm auf gespanntem Fusze. Dieses Glück war mir leider nicht bescbert (beschoren). Er lachte und schwelgte im überflusz und schenkte keinem etwas. Verzwolgen (door de zee) = i)crid;(ungcn.

II. Startc Conjugation.

jDie ftarfen 93erben bifben iljr imperfectum (^rateritum) faft

ocr page 96

90

nuênofymtoê, ba? 5 in c 11 c $ a r 115 i p öftcrê burd) 35 e r a u b e= rung b e ê Stammoofalê. Daê 2te ^jJart. [jat bic QÊnbung CU.

2öcil bie SerroanMung bcè (Stammootatê b t a u t merben Die ftarfen 93erba and) ablautenbc 33erba genannt.

ï)ie Sitbnng bcê SmpcricctumS unb beê 2t!n ^artijipê jtimmt fonarf) mit bem niebcvliinbifdjctt ©pradjgctivnud) übevcin. — golgenbc brei 'Mtimci^ungen jcbod) finb fetjr bcad)tenêrocrt:

a) 2)ie 2'« unb 3*« s-Pevfon Singular oom ^rafcuë beë Snbifatio» I a u t c n u m, ober fte ocrioanbeln ba§

nïiprÜngtid)C C in i, 5. 23. ich trage, du tragst, er tragt; ich fange, du langst, er fangt; ich breche, du brichst, er briclit; ich berge, du birgst, er birgt; ich nehme, du nimmst; ich trete, er tritt etc.

ïïnm. 3ft bet SBotal gebcljnt (lang), fo MjrciM man ie. Sie§ bctrifft bic folejenben SSerbcn: ich befehle, du befiehlst; ich lose, er liest; ich sehe, du siehst; ich stehle, er stiehlt und (nad) cider JBirnjd)) nurf): ich gebe, du giebst (neben: gibst).

b) S)a§ 3mperf. bc§ ^0njnn11io§ loivb ooit bem Smpcrf. be§ Snbifatioê bnrd) II m I a u t n n g (wmn bicjcibc mbfliid) ift) nnb burd) 5lnf)angung ooit c gebübet, 5. 33.

ich trug, wenn ich trüge; er sprach, damit ich sprache etc. 2ïnm. 2Sefd)e jtrei Söebeutungeu f)abcn: ich trüge, ich führe?

c) Ser S m P e ^ a t ^ü 9C^ ^röien§ beê 3llbij

fatioê, ()at aber nie ben U m I a n t. 2)aê c, lucldjcö bic

ld|road)cn Scrbcn f)nbcn, ift aud) bet ben ftarfen nnjibvdudjlid) cin= gcfiit)rt inorbcn, a n r e r bei benen, bie c in i oerroanbetn; j. 8. komme! wisse! bleibe! falie! — nimm! sprich! befiehl! gieb (gib)! fflïcljrjafjt: komrat! wiszt! bleibt! fallt! nehrat! sprecht! ;c.

Slnm. 1. IVerd'/n [)at werdc! unb nebcn sieh! be|tef)t baS bid)» tcnid)e (bcmonftratioe) siehe.'

3lnm. 2. golgenbc SSerba lautcn im frajenê nidjt urn; j a f f e n, r u f c n, I) a u e n, i a u g e n, j n a u b e n, j dj r a u b c n unb bic jnm ïeil id)road) getoorbcnen: tab en (uitnoodigen), ma t)= ten, f n 11 c n, i a t 3 c n, j p a (t c n.

?(nin. 3. Siejenigen ftarfen 23erben, iceidic im ^rafenê 3nb. Umlaut ober i befommen, idjaltcu nad) b, t fcin c ein. ®o fagt man: ich gelte, du giltst (nidjt; gi(te|t), er gilt; du hiiltst, er halt; ich rate, du ratst, er rat; ich trete, er tritt etc.

ocr page 97

91

'SJacf) cinein 3 ' 1 4 ( a u t blcibt cft iquot; ber fcicrtirficn ©djvcibavt beibcfjaltcn [du issest, missest, schmilzest, liesest, liissest, waschest], im 3l[Itag3fti( {ebotï) fattt ba? c gciïiö^n(id) auê [du iszt, miszt, schmilzt, liest, laszt, wascht].

Übcvftd)tlid)feitS^a[bcr (affeit luir bte gcbvaud)Iid)ften ftavfcn 93cr6a in jroci groËen ©ruppcu fofgcn. 5)10 ©vuppc A cnttjiitt bicjcnigcn SScrbcn, roeldje in ben Jpauptfovmcn gan5 ober bod) na^e^it mit bem quot;JJicbcrtanbiidjcn übereinftimmen; @ruppc B cnt^cift bic herben, iue(d)c inef)i- ober lueniger oon ben entipredjcnben niebei'ldnbijdien a b ra e i d) e n.

® r u p p e A.

E(I)

0

0

^mpevatiu

Scroegen (bcracgt) 1)

beroog

bewogen

bemege

Bewegen

feiten (ev ficiit)

tod)t

gefodjten

fidjt

vechten

flccfjtcn (n- fiid)t)

flodjt

geflodjten

flid)t

vlechten

(llimmen

glomm

geglommen

glimme

glimmen

fltmmen

tlomm

getlommen

ftimme

klimmen

nietten (meift)

motf

gemolfen

melte

melken

pf'egcn (pffegt) 2)

PfloB

gepflogen

pflege

plegen

ïdjeren (fdjert)

ï^or

geidjoren

idjere

scheren

ïctjtndjen (idjmitjt)

ï^motj (®. 97) gcjrfjntüljen

Wmitj

smelten

jrfjmarcn (M)ttavt)

idjinor

gcjd)moren

ïdjivicire

zweren

idjmören (fdjluStt)

)d)luur

geidjiBoren

id;iröve

zweren

id)tDeUen (icfiroidt)

fdjroofl (S. 97) gcjdjrooücn

ic^wid

zwellen

roiegen (wiegt)

mog

gewogen

wiege

wegen.

E

A

0

93cfet|[cn (bcfie^tt)

befaf)!

befofjlen

befiefjt

bevelen

berftcn (birft, bctfiet) borft, borft

geborften

birft, berfte

bersten

breiden (btiid)t)

brojd), brajd)

gebrojdjen

brijd)

dorschen

fommen (tommt)

lam

gefommen

tomme

komen

ncf)nicn (nimmt)

nQ()m

genommen

nimni

nemen

jpredjen (ipticl)t)

fprad)

gejpro^en

ïprid)

spreken

ftcc^en (ftidjt)

ftad) (®. 97)

geftod)Cit

ft id)

steken

ftef)len (itifljit)

ftd;!

geitof)(en

ftief)!

stelen.

E

A

E

(ïfjen (iüt)

ciB

gegefien

iB

eten

freifeu (frigt)

froB

gefrefien

frtjj

vreten

geneien (geneft)

gena§

genefen

genefe

genezen

ocr page 98

92

lcietl (lieft)

Ia§

getejen

Iie§

lezen

mcjjen (mi6t)

mag

gemeffen

nttfi

meten

fe^cn (fieljt)

taf)

gefefjen

fieï)

zien

trcten (tritt)

Irat

getreten

tritt

treden

(tegen (liegt)

lag

gelegen

licge

liggen

ïiitten (Sittet)

bat

gebeten

bitte

bidden

fitjcn (fitjt)

fafi

gejeiien

fitje

zitten.

IE

0

0

ie ober ui

S3tctcn 4)

bot

geboten

biete

bieden

ffiegen

flog

geflogen

fliege

vliegen

flieï)en

flol)

gefloten

flielje

vlieden

fliefien

PB

gefloifen

ftiefee

vlieten,vloeien

frieren

fror

gefroren

frtere

vriezen

geniefjen

genojj

genöjfcn

genteBe

genieten

gieficn

göB

gegöffen

gieBe

gieten

tiïjieBen

!cf)sB

gej^offen

fd)ieBc

schieten

fieben

iicbetc (l'ott)

gejotten

fiebe

zieden

lt;6e)triiflert (fiir: trtc=

(bc)trog

betrogen

(bc)trüge

bedriegen

öcrbricBctt (gen) Bsrbröjj

DerbrSjjen

oerbricBe

verdrieten

tierlieren

tcrlor

uerloren

Uerliere

verliezen

3iet)en

3og

gejogen

jie^e

[tiegen] toog

93tegen

bog

gebogen

biege

buigen

ïncdjcn

ïröd)

gefrotfyen

friese

kruipen

liigen (ffit: (icgen) log

gelogen

lüge

liegen

rieden

röd)

geroken

riedje

ruiken

fetufen (er föuft)

M

geiotfen

faufe

zuipen

iaugen(®.902tnm. 2) jog

gefogen

t'auge

zuigen

l'cfjieben

l'djob

gei(f)Dbcn

fdjiebe

schuiven

fdjlicBen

I'c^IoB

gejdjlSjien

fdjlieBe

sluiten

ÏprieBcn

Ipïöfi

geftiröjfen

fprtcBc

spruiten

ftiefien

ftob

geftoben

ftiebe

stuiven

triefen

troff

getroffen

triefe

druipen.

A

U

A

gatjren (fa^tt)

futjr

gefaljrcn

faf)re

varen

graben (gtafit)

grub

gegraben

grabe

graven

mafjlcn (maijlt) 5)

mat)ttc

genialjlen

nial)lc

malen

i(f)arfeit (Wafft) 6)

jdjuf

gefdjaffen

fdjaffe

scheppen

jdjlagen (ftfjlagt)

j^lug

gejc^lagcn

inlage

slaan

ftct)eu füt ftanben)

ftanb (eig.ftunb) geftanben

fte^e

staan

trngen (trSgt)

trug

getragen

trage

dragen.

ocr page 99

93

A

I(1E)

A

!8atfcn (batft)

but (boette)

gebacten

boete

bakken

btajen (btaft)

blieS

gebtofen

blafe

blazen

Èratcn

briet (brotcte)

gebroten

brate

braden

faden (fdut)

fiet

gefoden

foiïe

vallen

fangen (fiingt)

fing

gefangen

fange

vangen

^oltcn (^üït)

tjielt

gei)olten

ïjalte

houden

gangen (tiüngt)

ï)ing

geljangen

tjonge

hangen

ge[)cn (für gangen)

9ing

gegangen

gct)c

gaan

Ijouen (^out)

I;icb

gebauen

t)aue

houwen

laufen (lüuft)

lief

gelaufen

loufe

loopen

roten (cat)

riet

gerofen

rate

raden

rufen (ruft)

rief

gerufen

rufe

roepen

ftojjen (ftbÈt)

ftiejj

geftoBen

ftoÊe

stooten.

® r u p p e

B.

SBinben *)

bonb

gebunben

binbe

binden

finben

fanb

gefunben

finbe

vinden

geüngen

gelang

getungen

gelinge

gelukken

flingen

tlang

gctlungen

tlinge

klinken

ringen

rong

gerungen

ringe

worstelen

i(ï)lingen

fcf)tang

gefd;Iungen

fe^linge

strengelen

(oer))(finjinben (öer)ic()n)onb

(»et)fcf)rcun=

fvn

(ucr)frf)nnnbe verdwijnen

fc^mingen

fefjloong

vCli

gefc^mimgen

ft^minge

zwaaien

fingeit

fang

gefungen

finge

zingen

finten

font

gefunten

finte

zinken

fpringen

fprang

gefprungen

fpringe

springen

trinten

tront

getrunten

trinte

drinken

überminben

übenuanb

überluunben

überroinbe

overwinnen

roinben

wanb

getmmbcn

minbc

winden

jreingen

jroang

ge3iuungen

sminge

dwingen.

93eginncn 7)

begonn

begonnen

beginne

Beginnen

geroinnen

geroann

gewonnen

geroinne

(ge)winnen

rinncn 7)

ronn

geronnen

rinne

^cirt. geronnen

*) ÏSit bcmcrtcn 6ei ben Setben 6 in ben, fin ben etc. 6iê roer f er. (ie Sloffe), bag natf) Derbcnjpeltent Sïafat (mm, nn) ober 9ïafat fflonfoncmt (nd, ng, nk) bcr nr» fVitiingCidje StanimBotaï e (j. S. in bergen) in i iiticrgetjt. — Son ben Setben lt;mf eine Xasalverbimlung fjaben mcfiretc im amfjetf. ffionj. ü; bie mit Doppelnasal tjaben b. (Sgt. ®eite 96 amnert. 7). 2[nd) im ^arti^ip f)aben ïeljtcrc Serba ben Sotat BcrWanbelt; u (5. S. in gebunben) Witb 0 (5. S. in g c f d) ro 0 ra m en).

ocr page 100

94

idjronnmcn

fcfimamnt

gefcfiioommen f(|tt)tmm(e)

zwemmen

finnen 7)

fann

gefonnen

finne

zinnen

jjjinnen 7)

fpann

gefponnen

fpinne

spinnen.

SBergcn (tirgt)

6arg

geborgen

birg

Bei gen

geiten (gilt) 7)

galt

gegolten

gilt

gelden

I)clfcn (tjitft) 7)

Ijalf

gcf)oIfen

fjtlf

helpen

idjetten (idjitt)

idjolt

gefdjolten

}d,ilt

schelden

fterben (ftivbt) 7)

linrb

geftorben

ftirb

sterven

üerberfcen (muitbt) 7) öerborfi

Uerborben

uerbivb

ver-bederven

roevben (luitbt) 7)

luarb

geiuorben

mirb

dingen (naar)

mcröen (roirb) 7)

roovb, murbe

geraorben

merbe

worden

lueïfen (mirft) 7)

marf

geiBcrfen

roirf

werpen

(er)icl)vccfcu (tttidt)

(er)fd)raf(©. 97) (ei')id)roden fdjricf

schrikken

treffen (tvifft)

traf

getroffen

triff

treffen

f;c(ien (f)o6t) 8)

{)0b

gefjoben

ï)ebe

heffen

(er)lö)d)en (fiMit) 9)

erlofd)

erlofdjen

erlijd)

uitgaan, -dooven

tueien (webt) 10)

mob (mebte)

gemoben

niebe

weven

gcic{)cï;cn (gcfd)tct)t)

geict)al)

gejdjeljen

e§ geid)et)e

geschieden.

§b. i,

Dcieberl. e (ee):

53 ci fi en

bife

gebiffen

beifee

bij ten

(»er)bletd;en 11)

(uer)blid)

(oerlblidjen

(»er)bleic^e

verbleeken,

sterven

gleirf)en

glid)

geglidjen

gletdje

gelijken

glciten

glitt

geglitten

gleite

glijden

greifen

flviff

gegriffen

greife

grijpen

fnetfen

ïniff

gefniffen

fneife

knijpen

leitien

litt

gelitten

leibe

lijden

pfeifen

Pfiff

gepfiffen

pfeife

fluiten (pijpen)

teiÈen

rif;

geriffen

reijje

rijten, scheuren

reiten

ritt

geritten

reite

rijden (te paard)

frf)(eicfien

fd)lid)

gefdjlidjen

fdjleidje

sluipen

fijleifen

i^iiff

gefdjliffen

fdjleife ,

slijpen

fdjmeiBen

fdjmiB

gejcbnüfjen

jdjmeijje

smijten

frfjneiben

fdjnitt

geidjnitten

fdjneibe

snijden

fcfjreiten

fdjritt

gefdjiitteu

id)reite

schrijden

ftreicfjen

ftrid)

geftridjen

ftreidje

strijken

weidjen

luid)

gewtdjen

iucid;e

wijken.

©b. ic, 9cbt. e (ee)

93(ei6en

blieb

geblieben

bleibe

blijven

gebeitjen

gebiel)

gebicl)cn

gebeilje

gedijen

ijeijjen 12)

fjieB

geljeiijen

I)eiBe

heeten

ocr page 101

leifjen

liefj

gelieven

teilje

leenen

nieiben

mi eb

gemieben

meibc

mijden

preifen

^vie§

geptiejen

preife

prijzen

reibcn

tieb

geriebcn

reibe

wrijven

fdjeiben 12)

fdjieb

gcidjiebcn

fdjeibe

scheiden

fdjeinen

fdjicn

gefdjienen

f^eine

schijnen

fcï)rciben

fdjricb

gcfd)vicbcn

fdjrcibe

schrijven

idjreicn

jdjrie

gefefjtieen

fd)rci(e)

schreeuwen

fd)meigen

fd)H)ieg

gef^miegen

fdjmetge

zwijgen

fpeien

fpie

geipieen

fpeie

spugen, spuwen

fteigeit

ftieg

geftiegen

fteige

stijgen

treiben

trieb

getrieben

tveibe

drijven

Bcrmcijen

uermieê

oermiefen

«ermeife

verwijten ;

verwijzen, verbannen

tucifen

mie»

gemiefen

mcife

wijzen

jeifjen

gejicfjen

Seifje

betichten

2aben (lakt, labt) 12) lub

gelaben

labe

laden

maffen (nwdift)

gt;mid)§

gemad)icn

mad) fe

groeien, wassen

luafdjen (wafdjt)

mujd)

gemajdjen

mafdje

wasschen.

Wnmerfunöcn.

1) üSciuegcn ift uur ft a r f in ber Scbeutung : ju cinem {yntidjlufj Ècftimmcn, uernntafjen (nopen, overhalen tot).

2) j^flcgcn (= Wcriorgen) ift Moimicgcnb jrfjiuarf) (er pflegte den ftrnntcn); ober: or pflog Rat, Rücksprache mit seinem Bruder.

3) SBicgcn in ber ®cbeutung f d) a u f e l n (wiegen, wiegelen) ift al§ Scnominatiu nalurlid) fdjinad). — Diehen mie gen (= wegen) 6c= ftel)t ein Serb magen (fin- wegen), welctjc» befonberê in übertragener Sfiebeutung gebraud)t wirb. Smperf. unb ^artijip finb toornriegenb ft art; 3. 33. Er wiegt, wog die Waren ab, hat die Waren gewogen. Er hat meine Vorschlage reiflich erwogen (overwogen). Dieser Gennsz wog beinahe den Schnierz auf. überwog den frühern Schmerz. Man musz die Stinimen uügen, nicht ziihlen. (ïrft Wiige, bonn Wage! —

4) 33ci $id)tern unb altern Sd)riftftellcrn finbet man bet biefen herben [5c fllajjc) biêmeilen im ^rajens 2i£ unb 3tc *j3crfon ging. ben Sipl)= t()ong cu, ftatt ic, 3. 53. (StijiKer:) Der König r/eheuf. Das ist seine Beute, was da kreucht nnd fleugt (= friedjt unb fliegt). — Kanaan wird gepriesen als ein Land „darin Mileh und Honig fleuszt.'

ocr page 102

96

5) i'ialjlcn (auf bcr 9Jlü()fe) ift noc^ ftart tm 2«n ïpavtijip; malen (jcfjilbcrn) ift icfjwarfj.

b) (arijaffcit (= frartj. créer) ift ftart [Gott schuf die Welt]; in icn anöcrn 33cbeutungen ift e§ fdjwa^ [Er hafc Rat geschatft; sie haben ilin aus dem Wege geschatft etc.].

7) 93 c g i n n e n, r i n n e n, finnen, f p i n n e n unb gewinnen fjaben im Smpctf. beë iïonjunttio§ ö ober ö, tjaufig aui^ fi e f e ^ (c n nnb e m p f e tj [ e n; g e 11 e n ^at gemötinlicf) ö; ro e r b e n t)nt ü; and) bei Ij e l f e n, ft c r 6 e n, öerberben, m e r b e n nnb w e r f e n ift ü fef)r gebrauctilid) unb ju cmpfctjlcn.

8) §ebcn (jat nicfjt fetten (befonberS bei $ict)tern) im SPrateritum u [er hub an und sprach etc.] $a§ urfpriingtidje a bc§ ^artijipi finbet fid) nur nod) in bem 'Jlbjettiu erfjaben [das ist über allen Zweifel erhaben],

9) Ené tranfitioe löfilicn (oii§löfd)en) ift fd)road), 3. 33. Sic gcmtrocfit löiilt, Ibfdite ben Sranb. Si)ftl)e ba» geuer (au§)! — 3n intranfitiUer 33e= beutung ift befonberê crlöfi^cn gebriiu^ti^, 3. 33. $te Siamrac ctlifdjt (lifdjt), e r ï 0 f d), ift fdjon e r ï o f d) c n. —

10) aSScbcn mirb oft f m a d) gebranc^t; bic ftarfen gormen finb ebler.

11) 331 e i ^ e n ift gcm5t)nlid) fd|ioad) [sie bleichte die Leinwand] ; and) e r b (e i d) e n, u e r b l e i d) e n, im Sinne »on e r b t a f f e n (ver-bleeken); figürlid) für g e f t 0 r b e n gebrandit, ift ba§ ^artijip ftart (0 e r b 1 i d) e n).

12 §ciftcn nnb f^ciBen bilbeten fritter eine Klaffe ber ftarten Serba (bic 10'e). 3n bem ïlbfetttu b e f d) e i b e n fiat fid) baë ci beë atten ^ar= tijips no(^ crt)altcn. (3Jg[. erhaben, 2lnm. 8).

13) SJoDcn ift in beiben 33cbeutungen (laden, noodigeu) ftart; in ber öebeutnng noodigen ift ba§ 5prafenê nic^t feiten, bn§ Smperf. bi§= loeiten fdjroad).

(Sinige 33cvba finb bei unS f m a d) gonorbett, iBii^renb fid) bie ftarfe govm, mcntgftcnê bei bem ^artijip, im ©eutfrfjen bc= ^auptct t)at. 2)ic toi^tigften finb;

b r e f d) e n (brafe^ obct brofd), gebrofdjen), flatten obet erfdjaften (fd)allte ober fdjoft, erfd)oïïen), f preien (fd)ne, gefd)ricen), gefd)ct)en (gefdiat), gef^efjen), g eb ei ^ en (gcbict), gebieden), teil) en (liet), geiteen).

^um ®c()1ug bemerfen mie, bag e8 im $eutfd)ett metjrere SScrba giebt, bie firf) 511 cinanbcr eerljalten mie bei unê drinken «nb vallen

ocr page 103

JU drenken itnb rellen. Vellen (= doen vallen) ift blirrf) Umlnutung non vallen, drenken (= doen drinken) ebenfo bui'd) Umfautling öort bent afteren ^riitevitum drank gebifbet. Sotrfje S5evba finb f tf) m a rf) unb verben S a u f a t i d a genannt. 93on ben beutfdjen Saufatitien nennen imr: tranfen (= ttinien mad)En), brein gen (= btingtn mad)cn), f) ei n g e It, [)enfen (= fiangen madicn), frfjUicmmcn = ftf)h)immcti madicn), f e n f e n (= finten modjen), f p l' e tl g e n (= ^ringen ntadien), C C r f d) lü c n b C n (== oetiditóinbcn mndjen), CtnfdjtSfern (= doen inslapen). — Si^nüd) Ber^nlten ftcf) e r t n f t c n unb e r» fatten, paften unb f} eft en.

Seifpiele; 2)cr ®aum f i e l; bcc Öoljacter f a 111 c ben SBaunt. — Sft bo§ Siel) tdjon getrönft worben? 3a, e§ ^at fdjon getrunfen. Scr tycinb f p r e n g t e Sen ^PutBcrturm. $te 5)3u[ticnninc sprang in bic Suft. — ®er $te6 b r a n g in bo§ gintmer, wir abcr b r ö n g= ten i()it miebct I)inau§. — Ser 3ïocï t) a n g t, fling an ben 5ïagel; irf) fiafie bcniclbcn (ifjti) an ben DJagct gefjSngt. $cr 9]iörber ift gefjangt (lic6et g e I) e n 11) toorben.

2)iefcr ^raffer tjat aftc§ uerfebwenbet (verkwist), bic ganse ®r()= Maft ift o e r f rf| it) u n b e n. - Cbgtcirf) cv gut f dj id i m m c n tonntc, ift er bennoef) crtrunïcn; bie SBeflen Ijaben fcinc Scidje an ben Stranb g e f d) w e m nt t. $ic ebcne ift gan,? ü b c r f dj ro e m tn t. — 9)tan f en f t ben ©arg (doodkist) in bic ®ruft, man fenft cin ©djiff, man fentt ben 33(id (neerslaan), ba§ ©aupt (laten zakken). ®ie eintonige fflïufit f d) t a f e r t e bic Subörer cin. — 3d) ^abc mid) c r I 8 11 e t (kou gevat). — fêommt geid)minb Ijerein, fonft c r t a 11 e n bie Spcifen.— ©cin ÏÖIicï fjeft etc fid) auf ben g e i n b. ïtfler Stugcn Ij a f t e t e n an bcr idjönen ©cftalt. gr ift ein SJIann, an bent fein TOafcI (smet) I) a f t c t (kleeft).

(gintge 93erba finb ftarf ober fd)iund), je nadjbem fte tntran= fitiö ober trnnfitin gebroudjt merbeit. 2Bir nennen fofgenbe bier: quenen (= wellen): gine SEbriinc q u i 111 au§ ibrent Sïugc. 9hi§ ben Sctfcn q u o I ( ber Sacb- $ic DDÏagb q u c I (t c bic érbfen (in de week zetten).

fdjmeljcn: $er ©djncc f cb in i t 3 t, ift g c f db m o ï 3 c n. ®ic Sonne f cb m e 131 ben ©dincc, bat bie ©cbneemaffe g c f d) m e 131.

ftOrcifcit: ®ei bem ?(nblid fd)rnt er surücf. Gr erfdjridt (eidjt. Öabe icb bid) uicfleicbt e r f tb r c ct t ? Su fiebft c r f d) r 0 d c n au§.

f^njcUcn: Ser ffiinb ertjebt fid), ba§ Seget f cb ro i t ï t. TOein redjter ïade ift angcf (b » 0 (t e n. $er SBinb f d) m e ([ t e bic ©egel, bat fie g e f dj m e 111.

7

ocr page 104

98

23ci ftedjcu (ftavf) unb ftcrfcn (i^mad)) licg1 bic ®atï)e nnbevê-® t c d) c n ()ciBt: cin Sod) ober etne SBunbc madjcn, cinboI)vcn; ftedcn ^eigt: fid) irgcnbwo befinbcn (= steken) unb tranfitb: f)incint()itn, ivgenbiuo befcltigcn. — SBcifpicIc: S:ie gdjlangc fticïjt. $er SRörbcr crftad) ben 3icijcnbcn. 9lud); in See ftc^cn. — SBo t)Qft bu f)cute geftecft ? Gï [tccttc baë Sdjwctt in bie Srfjcific, in ben weidjen 33oben, bie fiofarbe anf ben §ut, Die! ®elb in baë ©eidjaft etc.

Umcgelmiiftigfcitcn in bci Conjugation.

golgenbc 18 SScïbcn (6 1 5 6) jeigett gvöjjcvc ober tki» neve 2lbweid)itngcn üon ben 3icge(n;

I. ®ie ijilfêuerben beê SOfobuS; fönncn, mögcn, biirfen, juüjjen, jollen imb loifien. — 8°' biefen 35evben, bie miv ge=

tt)Öf)nIid) a(S werkwoorden met opgesclioven verleden tijd, bie ®eutfd)en alê ^3 r a t e r 11 o»^ r a f en tia bejeid)nen, ift baë uvfprüng» li^e ^rateritum jnm ^rafenë geworbcn. ©aji bie gormen id), f a n n, id) mag, e r b a r f, er wei f; :c. eigentüd) ^tciterita finb, jeigt am beutlid)ften bie 3'= ^evfon Sin^eit, weld)e feme ^Jerfonalenbung l)at. (i^t. er fam, ipracf), ie,). — Sludj iu o (I e n ift um-egelmajjig.

Snbif. r a i e n §.

3d) (er) fann mag barf ntnB bu fannft mogft barfft mufet imflft

loir fönnen tnögen bürfen müjien tuollen

3 m p e r f. OPrdteritum).

3d) (er) tonnte, modite, burftc, mufjie, wollte,

3 m V c r f. ft o n j.

3d) (cv) ïonnte, inöd)tc, bttrftc, niüBte, wodte,

2te8 $ a r t i 3 i V-

gefonnt, gemodjt, geburft, gemuit, gctóollt, (iotten), gemufit.

sjjnmcvf. 9)lit bent 3niinitiu cincê anbcvn Scitoovtcê uevbunben, nimmt ba§ 2 e üpavtijip uorwiegenb bie govnx bc§ 3nfinitiü§ an, 3. S3. Ich habe kommen wollen, mussen. Ich habe ihn nicht strafen mogen, Icön-ncn. — Sm ©vunbc obev ift bicfe 3nfiniti»fovnt nid)ts anbevc-3 als etu ft a r f e § ^avtijip mit aOgemovfener SSovfitbe.

fo(I lueijj

follft ttieifet

follen loiffen

foflte, tuufjte

fottte, tuüfjte

ocr page 105

99

II. i»cin, Ijnfici'f t^un; — Dtinfjen, Bcnfcu.

6in I)a6e tfjue — bringe, bcnfe

luar t)attc tljat — Êradjtc, bad;tc gcroeien, gcfjabt, gcttjan, — ge6racf)t, gebaat.

III. Srcnncn, fcniicn, ncnncn; —rennen; — (enScn, tDentcn.

brenne, fenne, nenne, — renne, — fenbe, tticnbe, brannte, fanntc, nannte, — rannte, — fanbte, toanbte, gebrannt, gcfannt, genannt, — gerannt, — gcjnnbt, gemanbt, Xjttipf.fionj. brennete, fennete, nennetc, —renncfe, —fenbctc, wenbete.

3(niuetf. Söon j e 11 b c n unb to e n b e n fommen int 3 m p f- S n b i t. wie aurf) im $ o r t. bic jonnen nut c Ijaufig Bor, befonberi in B e ï= h) c n b c n (ouf) besteden (aan), anlnenbcn (aanwenden, toepassen).

Ïaê UcitUJOrt (SBerbum).

63.

@c(5c ba3 35cif) i;i bic paffenbe Jform:

Ser Söiue (brittten), bcr 2öoIf ((jcukn), bcr Scir (Bvummcn), baê ®tf)mcin (grimden), bcr §irfd) (fdjrcicn), baS Sdjnf (bloEcn), ber (Sfel (infjncn), bcr gurfjê (ffaffen), bcr |)iinb (tnurren) unb (beücn), bie 3ic9e (mccfern), bie 2JfauS (piepen), bcr |)at)n (frafjen), bie ^ennc (gacfcvn) unb (g(itcffcn), bcr Stabc (friidjjen), ber ©tordj (t(appcrn), bie @anS (fdjnattern), bic ïaubc (girren), bie Sïac^lignU (floten), ber Sperling (jimtidjcrn), bic 3?icne (fummen), baS §eim= djen (jirpen), bie Sifabe ((^ritten). — ®ie ®d)tüffeïbtume luirb fo genannt, lueU [ie ben ^ïü^ting (eröjfncn). — ©iytuS V, ber berü^mte ^abft, ()at iu feiner Ougenb bic Sdjafe (f)üten). — 2Ber baê Sfeine nidjt (ndjtcn), bcr (befommen) oud) baê ©roye nidjt. — 2Bic oft Ijat biefer eble 3)?ann ben 2Irmcn cine Übcrrofdjung (berciten), teie oft Seibcnbc anê bcr 9!ot (rettcn), iuic öicte STfjvanen [)nt er (trocf= nen), wie me(c Sranrigcn (tvöften)! Unb (jat er immer ®ant (cm» ten)? — (©fanben) bem nic^t, ber bir (fdjmei^eln). SBcnn bn tic i'üge ((jaffen), fo (f(iet)en) bcm .öcudjlcr roie bem Sd)ineid)Iev. — (5Serreifen) bu fd)on [jciite? Oa, iucnn bn mid) abcr (beg(eiten), wiH idj biê morgen bfcibcn. — Sin 0d)iUer (ncnncn) untcr ben fteigerungêfö()igen ffiortern and) bic 3n^tv|örtcr. ir§a{t!quot; (fngen)

ocr page 106

100

bet Server, „bie 3a^gt;uörter? (bennen) mir boif) einmat ein Öci» ipieï.quot; 0ofovt (erroibern) bcr jimgc ©pvadjfovftfiei;; .gtriatr^g, jiunn» jigcr, am jroan^igftcn. — ®ic man firf) (betten), fof^iaftman. iffiaS man btv (fcfieiiten) ()at, barfft bu nidjt tabctn. — „(®et|en) f)in sur 'Hmeifc, bu gouter, fief) tf)re iöeiie unb (terncn),quot; alio (lauten) etnev ber Spriicfie $a(omo'8.

64.

Een arme vrouw had een kip, die alle dagen een ei legde. Met één ei was zij evenwel niet tevreden; daarom mestte zij het dier en hoopte dagelijks twee of drie eieren in het nest (®at.) te vinden. Maar door het overmatige voêr werd de hen te vet en hield op met (ju) leggen. — De gierigaard schraapt geld en goed doelloos bijeen; de verkwister daarentegen brengt het er (o) doelloos door; vermijdt, mijne vrienden, deze beide uitersten, en leeft gelijk het een wijs mensch betaamt. - Laat u niet door aardsche nietigheden beheerschen, bestrijd uwe hartstochten en handel altoos zoo, dat gij u\\e daden kunt verantwoorden. — Wat vergt gij (du) van mij! Zou (collie) ik den man (Bat.), die mij zijn geheele vertrouwen geschonken heeft, met ontrouw en ondank (be)loonen ? — Menigeen bemint het verraad, maar ieder haat den verrader. De dood vraagt noch naar leeftijd noch naar (o.) stand; hij komt ongenoodigd en dikwijls zeer onverwacht. - Wie zijne hand in (mit stit.) bloed baadt, moet ze met tranen wasschen. - Toen ik een kind was, zegt de Apostel Paulus, sprak ik als een kind. Schaam u nooit, anderen te vragen; want door viagen woidt men wijs (tiug). Wees moedig en standvastig in het ongeluk en matig in het geluk (Sustine et obstinei) — In Rusland worden meer misdadigers verbannen dan opgesloten. — Eendracht, zegt een Daitsch spreekwoord, bouwt het huis op (o.), tweedracht haalc het omver. - De luistervink steelt met de ooreu. - Beschaafden overtuigt, onbeschaafden overreedt men. -Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt (Sonj. spriifenê).

65.

Gij verrast mij, zelde de grijsaard, toen zijn kleinzoon hem in de slaapkamer gelukwenschte. Ik dank je voor de schoone wenschen, die ge ml) aanbiedt en beloof u, dat we na het ontbijt een pleizierritje 1) zullen maken. - Ge zljt tocli niet te voet

ocr page 107

101

gekomen? „Neen, ik ben gevaren 1).quot; In (an) uwe plaats was (souj.) ik liever gereden 1). — Deze schrijnwerker heeft zijn ge-heele leven door hard gewerkt, en zijn vlijt is gezegend geworden. — De geneesmiddelen, die de dokter mij heeft voorgeschreven, hebben goed gewerkt — De klank des hoorns schalde door het bosch en vervulde het pas ontwaakte voge-lenheir met vrees en schrik. — Zeg niet alles, wat gij weet, maar weet altijd, wat gij zegt. — De sneeuw is op het gebergte gesmolten; daarom zijn de rivieren zoo gezwollen 2). — Waar is het fraaie hondje gebleven, dat ge anders 3) altoos bij u hadt? Het arme beestje is dood. Verleden week hapte het naar vliegen en ving eene wesp, die hem in de keel stak. De keel zwol zoodanig op, dat het arme schepsel binnen weinige uren (Sot.) stierf.quot; — De lente, het schoonste jaargetijde, begint in Maart (bl. 35). De zonnestralen worden warmer, de sneeuw smelt, de boomen botten uit, het gras ontspruit opnieuw, de tuinman zoowel als de landman brengt tuinen en velden in orde 4), de leeuwrik stijgt kweelend 5) ten hemel, in het loover slaat de nachtegaal, en ooievaar en zwaluw zoeken hunne oude nesten weer op (auf).

1) r e 11 c n (^u ¥fsrb), fatten (tm SBagen ober Sdjifi). 2) an= jdjiDeUen. 3) jonft. 4) befteücn. 5) nmbeln.

66.

@cl3c bag 5krb in bic pafienbe 5ürni-

©lücflid) ift, mcr (ocrgcffon), luaS bod) nic()t ju anbcvn ift. — @in •|5i-opt)ct (geiten) uivgcnbS meniger, alê in feinem S3atevlanbe. — Sine §anb (roaid)en) bie anbere. — SBer juerft (tommen), (malden) juerft. — 2Benn bid) jemonb ()d)elten), ()d)e[tcn) nidjt luieber. — 2Benn baê Söiev ju lange liegt, (oerberbeu) cê. — 2Ba8 man fid) fetbft (erroerben) ('^«t.) (gelten) inef)i', ató maê man (ererbeu). — (iBevfen) baé 23ei[ nid)t fo reeit Ijimueg, baf; bu e§ nid)t loieber l)olen (fönnen) (3mpf. sonj.). — 55on jemanb, ber (fortlaufen), fagt man and): er (reiden) auS, er (fneifen) auS, er (nef)menj ^leigauê, er (mad)en) Seine, er (ergveifen) baê ^pafenpanier, er ()ud)cn) ba8 2öeite, er (fd)Iagen) fid) feitiuaitS in bie 33iiid)e [Jiudj im 3mpf. unb tm ^artijip], ®cr le(3te 2Iuébriid ift bem ©djluyucrS beê befannten @e= bic^teê uon Seume: „ber SBilbequot; (entnel)uien). — 33on jemanb, ber unbei'ugt atteS unter)ud)t, fagt man; 2r (ftecfen) feine 3!afe in

ocr page 108

102

nüeê. — ^Bott cinem Ükvmütigcn (t)ctBcn) cS: Ïcï §ofcr »!gt;quot; §aber (ftedjcn) — ffiir (bcijjcn) unê nuf bic Sippcn, fagtc mcin grcuub unb mcinte: 'Mr (cntfjaltcn) mit SOÏü^e un3 bcê Sadjcnë. — 3^ ^abc immer fagen ^ören, bag ®ct)arrlid)feit attcS (übenuiuben) «»«gt;•), (ücrlieren) (amper.) bcê^olb ben SQhit nidjt unb (ringen), bis bir bcr ©ieg ju tei( (roerben). — SBoS id) öorgeftern (geiuiuneu), f)abe id) geftern roieber (oerlieren). — (?eibeu) bit, bajj bid) eincr (taffen) (■Prdf. aoui.), fo ((eiben), baf; er bid) ju 33oben (roerfen) (W.Soni.).— •i3er bio ?citer (fjalten), ift fo fd)utbig ra ie ber Dieb. — 9ïot (teunen) tein ©ebot, fagt cin ©pridjraort, unb ein anbeceê: 9?ot (bred)en) Sifen (quot;ïquot; aud);) 9fot (leuren) beten. — id) nid)t umffen), (mnd)en) mid) (mit) nid)t I)cif3. — SOJandjer (triiumen) fo lange «om ©litcf, biê er eS fdjliefjlid) (oerfdjlafen). — (?(uffd)ieben) (lt;part) ift nid)t (auf^eben) (^«t).

67.

Koning Pepijn, vernemende 1) dat velen hem wegens zijne kleine gestalte bespotteden, liet eens de groeten van zijn rijk bijeenkomen en beval, dat men een wilden stier binnenbrengen en een hongerlgen leeuw op dit dier (2icc.) loslaten zou (folic). Dit geschiedde. De leeuw stortte zich woedend op den stier, pakte hem bij den nek en wierp hem op den grond. — Toen (ba) wendde zich de koning tot (on) de hem (o.) omringende 2) hovelingen en sprak; „Rukt nu den leeuw van den stier af (fjinroca) of doodt hem op den stier!quot; Maar niemand roerde zich; ieder was ontzet over dezen zonderlingen elsch. — Eindelijk prevelden eenigen: „Dat vermag Immers niemand, geen mensch, die zulks zonwagen 3) te ondernemen.quot; — Zwijgend steeg Pepijn van zijn troonzetel en trad In het strijdperk. Hij haalde 4) zijn breed zwaard uit de scheede en met één' slag scheidde 5) hij den kop van den leeuw, met een tweeden den kop van den stier van den romp. Daarop stak hij het zwaard weder In de scheede, stapte kalm en waardig naar (ju) zijn zetel terug en ging zitten. Vervolgens wendde hij zich wederom tot zijne hovelingen met de woorden; „Wat dunkt 6) u, verdien ik uw meester te zijn?quot; — Als door den bliksem getroffen 7) vielen de toegesprokenen ter aarde, en — niemand waagde het in 't vervolg 8) weder over des konings gestalte te spreken, laat staan 9) te spotten.

1) Vert. Toen P. vernam (erfufjr). 2) umftcfjcnb. H) Smpf. fionj.;

ocr page 109

103

achter untevncfjmcn. 4) 5te()cii. 5) trcnnen. 6) mcincn. 7) rüfjrcn, treffen. 8) ^tnfort. 9) gefdjweige.

68.

Do dief werd op heeterdaad betrapt, en ondanks zijn tegenspartelen naar (in) de gevangenis gesleept. — Menig spreekwoord behelst oeno treffende waarheid; er zijn er echter ook, die in vele gevallen (Sat.) onheil souden kunnen (fönnten) stichten. Ik verzoek u, nog de volgende spreekwoorden of spreekwoordelijke zegswijzen in het Duitsch (ïïcc.) te vertalen: Een gegeven (fdjenfen) paard ziet men niet in den bek (3lcc.). De appel valt niet ver van den stam. Wie niets aan den hoek steekt, die vangt ook niets. Hoogmoed komt vóór den val ($at.). Het vuur begint met vonken. Met spek vangt men muizen. Wie zich in gevaar begeeft, komt licht daarin om. Blusch bij tijds, eer het vuur het (juin) dak uitslaat. Vergeet den arme (®cn.) niet, wanneer gij een vroolijken dag hebt. — De karakterlooze hangt den mantel naar den wind (letterlijk). Verdraagt in andoren, wat gij in uzelven voortdurend moet (müffen) bestrijden. Leugen en huichelarij verdraagt geen edel hart. Wat niet is (o.) te mijden, dat moet men lijden. Wat men in de jeugd geleerd heeft, onthoudt men het langst; met andere en kortere woorden: Jong gewend (gemofjnt), oud gedaan. — Verscheurende dieren moet (fofl) men niet tergen.

Wat heeft die arme man geleden en gestreden! Eerst is zijne lieve vrouw gestorven; nauwelijks een half jaar later verdronk zijn oudste zoon, en voor weinige weken werden hem de beide jongste kinderen door het vreeselijke roodvonk ontrukt. Slechts één kind Is hem overgebleven en — dit is blind.

69.

©ebvaudje itt Siigcn:

3)ie 3mpcvfccta toon; Dcifjcil, fjcifjdt, ftfjumitmcn, fiufcn, ftcljlcu, mclben, fjeben, fetben, luevben, fdjueibeu, fiicfjcn, irfjiciten, fltcöeu, flicljeu unb (licfjen.

70.

Dat de leugenaar en de dief onder ééne deken liggen en beiden ten slotte zich zelf verraden, is eene algemeen erkende waarheid. Het (o.) volgende kan tot staving van deze waarheid dienen:

ocr page 110

104

Zekeren edelman had men zilverwerk uit een kast gestolen en 't was hem onmogelijk den dief (®nt.) op 't spoor te komen. Eindelijk liet hij allen, op wie (Slee.) maar ecnigszins verdenking 1) kon vallen, bij (311) zich in zijne kamer komen. „Onder jullie,quot; aldus sprak hij de lieden aan, „onder jullie bevindt zich bepaald de dief, en ik zal hem direct weten te ontdekken!quot; Daarop beval hij hun, zich gezamenlijk om de groote tafel te scharen 2), die midden in de kamer stond, bromde allerlei onverstaanbare woorden, sloeg met een stok nu eens op de tafel, dan In de lucht, en gebood hot dienstpersoneel, nu eens eene hand, dan weer beide handen op te steken, op één been te gaan (0.) staan, zich te bukken en icat dies meer zij 3). Eindelijk toen hij d^cht (glauMe), dat hunne verwachting genoeg gespannen wTas, en allen hunne attentie geheel en al op zijn commando en op zijn hokus-pokus gevestigd hadden, gelastte hij hun, de hoofden onder de tafel te steken. Toen (Sa) zij dit gedaan hadden, vroeg hij snel (rojcf)): „Heb jullie allemaal de hoofden onder de tafel ?quot; „Ja mijnheer,quot; antwoordden allen. — „Do dief ook ?quot; „Ja,quot; antwoordde de rijknecht.

1) ivgenb etn SBcrbadjt. 2) ficl) fteflen. 3) bergtcidjcn

71.

®cl)rauc[)c in ©ö^ctt:

2'c ^5ortijip Bon: frfjrcicit, Ijcifjcu, bitten, Dctcu, (}e= bcil)cu, raten, gevnten, uerbricfjen, uergefjen, pfeifen, (etbei!, jneiben, luerben, labeit, fitjen.

72.

Wie zijn hoed lang wil dragen, neme dien alleen voor (doi) eerlijke lieden (Sat.) af. — Daar men de gebreken van anderen gemakkelijker ziet, dan zijne [Die] eigene, verwijt men somtijds zijnen medemensch een gebrek, dat men zelf bezit, zonder dat men het weet. — De kameel is de grootste rijkdom van den Arabier; hij is het schip, op hetwelk ($at.) deze door de woes tijnen vaart. - Zou (Soflte) het waar zijn, dat de koning aan dien man een ridderorde geschonken heoft? O, dat is boven allen twijfel verheven. — De tranen liepen 1) hem langs de wangen 2), toen hy vernam, in welk gevaar zich zijn vriend bevond (spraf. Sonj.); hij rende naar het strand, om zoo (tuo) mogelijk hulp te bieden, maar kwam helaas te laat. Het schip was

ocr page 111

105

reeds verdwenen; de gratige diepte had alles verslonden,geen levende ziel was aan 't verderf ontkomen. Toen hij in een der lijken, die door de golven aan 't strand werden gespoeld, zijn ouden makker herkende, ontsnapte 3) een smartkreet aan zijn borst. Diep bewogen bukte hij zich over den doode (3icc.), streek hom een paar malen over het kille voorhoofd (acc.), sneed hem daarna met bevende hand een der bruine lokken af, stak deze in den boezem en verliet met langzame schreden het tooneel 4) van jammer en dood.

De ezel, oorspronkelijk een schoon, levendig en vlijtig dier, dat nog heden ten dage in sommige streken niet ver bij het paard ten achter staat 5), ja dit soms overtreft, gaat bij ons voor het zinnebeeld van onnoozelheid en domheid door 6). Desniettemin neemt 7) menig verstandig man dit dier tot voorbeeld, wanneer hij zich voor de herhaling van een begane fout wil wachten. Een ezel, zegt hij, stoot zich geen (ntcf)t) tweemaal aan denzelfden steen (sicc,).

1) rinncn. 2) bic ïïacfen fjeruntcr. 3) fid) cnlringen. 4) Sdjau^lati. 5) I)iniev etnem {gcgeu cinen) juilicfftctjen. 6) geiten (a i s ober f ü r). 7) met fid).

SInmevfung. ÏBenn ciu Onfinitiu mit cinem beï ^ilfêjcinuortcr tonnen, moge n, m ü f f c n, b ü r r e n, m o 11 c n, f o li e n, taffen; luie aud) uüt Ijören, f c 1) e n, l) elfen, ui a d) e n obci' temen üerbunben ift, fteijt in jufammengefe^ten 3citf0imeu ba« ^itfêjeitiöort (baS untergeoi'bnele 33erb) im Seutfdjen IjiutCV, bei unê üOl- bcm Qnfinitiü (bem §Quptueib). — ssgi. siufg. 53, 1.

33etfpie(e ; Hij heeft niet kunnen komen, willen schrijven, etc. 6r l)at nic^t lommen tonnen, f dj r e i 6 e n lo 0 11 e n. — Dat had gij niet mogen doen, niet moeten toelaten etc. $a§ I)atten Sie md)t 11) u n b ü v f e n, nid)t 3 u I a f f e n f o tl e n etc. — Hebt gij niets hooren komen, laten zeggen, voelen kruipen, zien aankomen, lee-ren vergeven'? ^)o6cn ®ie nicfjts fommen l)ören, fogen laffen, frieten fütllen, anfomnien fel)cn, uerjeitien lernen (ocet) gelernt?

©aêfetbe gitt für bie ÏBoi-tfotge beê e b e 11 f a Ij e ê (ogi, aufg s-i); ba8 untergeorbnete 35erb (baS fonjngierte S5evb) ftel)t geiuöljniid) am ■ @nbe, aud) bei t) a b e n, f e i n unb m e r b e n, iuo mir grö^ere 5reit)eil l)abcn.

53eifpie(e: Ik hoop, dat gij mij ztdt helpen. 3d) ()offe, bajj bu mir Ijelfen m i r ft. Hij beloofde, dat hij alles zou beproeven talles te zullen beproeven), om u te dóen overwinnen. 6r Merjprad), bnfe er

ocr page 112

100

dies tierfuefym m e r b c (a((c= ocrfudjcn 3 u mollen), urn bic^ fiegen 3U m a d; e n. — Ik geloof niet, dat hij u zoekt te misleiden; ik heb hem hooren zeggen, dat hij alles voor u wilde wagen. 3dj g(au6e nidjt, bas cr 2ie ju taujrfjcn iu^t: idj fjntie ifjn jngen Ijörcn, bag er o(Ic= filr Sie magen m 0 11 e, bajj cr ofle§ für ©ie 311 magen bereit fei etc. Ik geloof, hem te kunnen vertrouwen; id) glaubc tf)m traucn 3 u tonnen.

73.

®Uff)e nitê cini.qcn bcr fi'litjcm Stufgabm ®a(3e, in bcneit 93ct= jptcle biefei' abmeiijenben ®ovifo(gc ju finben finb, unb jinav nuê ïïï1. 48 brei, auö 53 fiinf, auS *Jir. 57 jïoci, au5 5Jr. 59 fedjê, anê 5?c. G5 jrooi, quS 9^. 68 jmci unb au8 9Jr. 72 jroci Sa^c.

74.

Sctse ba3 33evb in bic poffenbc ^orm:

ÏÏBcr jmei ^ajcn jugtei^ (t)e^en), (fangen) gar fcincn. — 2Ber mit golbnen Ongein (fdjicfêen), bcr (treffen) gcroijj. — SBaS ba9 ?(ugc nid)t (fcfjcn), (betrüben) baS ^crj nid)t. — SOJnn (fdjlagcn) nuf ben Satf unb mcint ben @fel. — 23on jemanb, bcr bn8 @ute mit bcm Sdjlcdjtcn (wegmerfen), (tjeijjen) c8; cr ()at bnê 5tinb mit bem SBabc (auSfd)littcn). — SRcincn geinben ^nbc id) (ocrjci^cn) unb üon mcincn greunben 3(bfd)icb (nefymen); jetjt (fijnncn) id) rntjig fterben, (fpredjen) (3m|jf.) bcr ®rciê, (fenfen) bnê §aupt auf bic 33ruft unb (uerfdjeiben). — Gr l)nt über bic ®d)nur (Ijaucn), fagt ein Spridjroort; b. I). cr (jat ba8 ÏRag übcr(fd)rcitcn). — S3on cincm, bcr o()ne beftimmten 31BCC^ un^ Ijai'bclt, fagt man:

cr (f^icjjen) in3 33(auc tjincin; t)icrau8 (taffen) fid) bcr 2Bi(3 be§ bilïarbfpictcnbcn Stubcntcn ertlarcn, bcr auf bic Scmcvfung fcincë Satucrabcn: cr (ftojjen) (iïJta( stonj.) micbcrljolt inê 23lauc tjincin, (ant= mortcn): „3mmcr bcffcr afö inê ®rünc, benn baS (foftcn) 50 SOtarf. — Ter SWorbcr (jat fid) fclbcr bem ©cridjtc übcr(ant»ortcn); cr (empfinben) (3mpf.) furd)tbnrc ©cffiiffcnöbiffc, cr (tragen) — mie man oft fagt — bic |)ö[(e im 93ufcn. — {yür ben ïob ift tein Srant (mad)fcn). — Die greube, bic bir auê ciner eb (en ï()at (cnoad)fcn), ift ()imm(ifd)cr Sïatur. — SBcnn bu bc8 Worgcnê (ermadjcn), (überfinnen) ben Tag, fagt bcr ®id)tcr nou ^(aten. — Ter 33atcr f)at bir (ocrbictcn) ju ()ord)cn. Taê (miffen) i^, i^

ocr page 113

107

f)a6c i()m (gcfjov^en) uub bc»()n(6 nidjt (fjordjen). — 2Bcim bu feincn fcfjte^tcn 9fnt nid)t bcfolgt (fjnamp;on), roarft bu nidjt in S3erle= gcn()cit (gcratcn); feiten (gernteni, iboju er -(raten). — 3m 3(iifang (fdjaiien) @ott §immel unb Srbe; nu3 nid)tê I)nt er nfleö (fd)nf= fen). — 2)ic 9taukr ()abcn ben •polijiftcn auê bem SBcgc (|d)afs fcn). — 3d) (mogen) (3nn)f. sfonj.) bod) luiffen, luaê ber 2BiI(}e(m (fd)affen), jngte mein 93ruber, (treten) iu'ê ^immer unb (finben) i()n fdjlafen. — 2Ber ben 93ogen 511 ftraff (fpannen), ([prengen) benfelben. 3quot; f'ran (ipcinnen) (-i^rt.) jer(ipringcn) ber 93ogen.

©intgcé ütcr bic SSilöiinij bcv 3gt;erku.

A. !gt;l6Ieitlllig. 93on ben SBorfilbcn, bie jur 93i(bnng abgcleitctei: 93erben btenen [Oc, ge, Cl', cut, UCl', intft, unb JCf] öerbienen cr unb ^cr eine befonberc (Snuatjnung.

Br fommt bei unS uur in 5 93er6en, im Deutid)en bei fetjr bieten SScrben üor. ®iefe 93or)'i(be bejeidjnet:

1) eine 9ïic^tuug oon uitten nnd) oben (roic unfer op), 3. 23. errichten (cin ©entmal), erbauen (eine fiivcfje), erziehen, auferstehmi, (opstaan uit den dood) etc. ober ooit innen nadj ernjjen (mie unfer uit): erfdjöpfen (loVputten). ergiejjen (uitstorten), erftredeu (uitstrekken), ermiiijten (uitkiezen), erfinben (uitvinden) jc.

2) bnS ©eraten ober (tronfitfo) baö 93crfetjen in eincn 3u|tnnb (ügf. unfer ver), 3. 23. sich erbosen (boos worden), cryrii-nen, er rijten (blozen), erstarren (ö. fj. gtüii, rot, ftarc w c r ïi c n): — erbittern, erklaren, erneuern (ö. tj. Dittcr, tlar, neu ut ad) en), erliiutern, erniedrigen, erquicken, etc.

3) bn8 (Srreid)en eincö ©egenftanbeê, nlfo oft ein 23efout= ntcn burd) bie §anblung, 5. 23. erf echten (ben Sieg), erstarmen (bie fjeftung), erklettern (belt S3crg), erheiraten (ein finpital). 23gt. Wie ich auch reiclite, ich konnte es nicht ecreichen (ergreifen). — Wir rieten lange hin und her, konnten es aber nicht en-aten. — Das Wasser ist gefroren und viele Fische sind erfroren. — (ïbenjo ; eilen unb o-eilen (achterhalen) langen uub erlangen, spiihen und erspahen, ringen unb erringen, betteln unb erbetteln etc.

entfprid)t unferm uiteen, stuk, kapot, 5. 23. Das Glas zersprang, die Seifenblase zerplatzt; unb 'ronfitiö: zerspreng en zersohlngen, zerschmettern, zerreiszen etc.

ocr page 114

108

B. 3u)antmcufcl]uug. ®ic mit Stbuevbien jufaramcngefeötett SBcvbn finb juin groeten ïcifc trennbnv, line bei unê. — ^gl. Icli rate es dir ah. Die Sonne ging auf, unter. loh wohnte der Versammlung bei. Er hielt den Atem an, den Mund zu, brachte kein Wort heraus etc. etc. — Kr versprach mir h i n z u g e h e n, bald zurückzukehren (wiederzukehren) und den Freund mitzu-bringen etc.

Slnmevt. 1) ©upin (her önfinitiü init JU) foId)cr Skrben rairb, mie bie Söoifpicle jcigen, in einem ffiorle gefdjrieben.

2lnin. 2). ®on ben mit mieber ju[ammengefe^ten S3erben ift li) i e b e r f) o I e n (herhalen) immer, mtb roteberl) oliën (weerklinken, weergalmen) meijtenS untrennbar.

3) Die mit nu unb Dor finb bei unê biémeilen untrennbar; im jCcutjc()en finb fie immer trennbar. — 2)00 bie ïrennbarfeit uub Untrcnnbnrfeit mit ber iBetonung nnb geiuöf)n(id) nud) mit ber SSebeutimg juiauimenfjangt, barf als befannt uorau3ge)c(3t luerben 1).

2,?g(. aanbidden unb ftllbeten (ik aanbad, id) betctc nn); aanschouwen unb aU)d)auen; voorspellen, voorzeg'gen unb üorljericigen; voorzien unb DorljCl'feïjen [Das habe icli schon langst vorherge-sehen]; voorkomen uub ^uUOl'fouuiieu (Gij voorkomt mij, ik won net hetzelfde doen; ®ie lommen mir juuor, id) muUte eben basjdbe tljuu).

Untrennbar mit bem 33erb «erbunben finb uur luibci' unb Ijiiitci'-SBegen ©etonung unb 83ebeutung finb folgenbe 3uinmil,cu'quot;ct?un9cn mit ginter befouberê beadjtenémert; l)interj)leifacn (bie Ajintevblic: benen, de nagelaten betrekkingen) (jinterliriltgen (einem eine Dindj: ric^t, — fijn. überÈringen), l)intergct)en (misleiden), l)iuterlftfien (nalaten bij overlijden), l)intevtl'Ciben (uevljinbern, Deveitcln).

23a(b trennbar, balb untrennbar, je nad) ber ïonkgung, finb bie mit ïiurdj, üOciquot;, UUl unb untci* ,5ufammengefc(jten 55erbeuft); bie mit burd) unb uni bleiben, befonberê in ber l)öt)ern Stilart, Ijdufiger mit bem 5J5erb uerbunben als bei unê, — ïSeifpicle:

1

2öir crinucrn f)ier an bic in ber «Inleidingquot; bciprod)enen 3eitn)örter; ö u r d) r e i i e n, burd) ft ed) en; ü b c r I a u f e n, ü b e r j e ^ c n ; u n t e r b r ü (f e n.

ocr page 115

109

$urrfj6rcff)cn. (Sr 6racf) ben Stocf burdj, f)at ifjn burc^gcfirp^en, 6cr= ju^tc it)rt butc^jubre^en. Sie Sonne 6riri)t burrf) (bie SBoIIcn).

5tg. Sr burt^firoc^ aKe £cf)ranfen (ging alle perken te buiten), f)Qt nffe Stronten burdjbtorfjen etc. — (ïbenjo: burdjbofjren, buvcf)= fterfien, burc^ftogen, buvd)icf)neibcn ic.

®ur^flaftertt. ^er ©djmetterling ift burd) ben ©arten gefïattcrt, Ijat ben ©arten burdjflattert. — (Ebenjo: burdjcilen, burdjreiten zc.

Üücvbcifcn. ïrnge ben Sorb md)t fo offen, bede ein ïud) über! (ober) überb e d e ifjtt mit etnem Sudj.

UbcTfi^rciben. Siefer Sd)riftfteKer fiat fid) überarbeitet (overwerkt) ^ jid) überfdirteben (doodgeschreven, b. t). te veel), gtreidjen ®ie baé Ubergcfd)tiebene wieber au§ (b. (). het er boven geschrevene).

llbei'fcfjcn. ®er ga()vmann toivb un§ überieljen (ober) über ben Stuji fetjen. aCir mollen biejen Satj tn§ granjöfiidje überi e ij e n, Ijaben benfetben in§ 5rnn3öitid)e überj e ij t (übert rage n).

Umflcditcii. Siejer ftranj mug uingeffodjten, btefer Sluffatj umgeid)rtc= ben merben (b. ij. aufs neue, ndl. = over), gein mit ftrcinjen umfIocf)= tcne§ .fiaupt ragte über alle Ijinaus.

llmgcljen. ®ef)ft bu mit foldjen TOcnfc^en urn? — 5(ber, fo ge^en mir um (b. t). madjen wie cinen Umtoeg). 3n bieiem ©djtoffe foil e§ umgeïjen (spoken). — (ït Ijat bas ©efetj umgangen (ontduiken), bie ©efaljr, cine filippe (vermijden). (3u überjetjen:) Leider haben wir dié Kunst mit Menschen umzugehen so weit getrieben, dasz aus ihr eine Kunst geworden ist, die Menschen zu umgehen.

Umjic^cn. (ïinen UJaum umjiefjen (omver). ÏÜir finb oorige SBot^e umgejogen (= verhuisd). Sffiir maren burdjnafjt unb mugten un§ untjiefjen (b. f). umlteiben) = anders. — $er ^einb [)at ben SBalb umjógen. (ïiu ©emitter umjog un§ Don allen êeiten. 2)er ©immel fjat fid) umjogen.

UnterbinDcii. ®ie Straber fatten fid) ganbaten untergebunben. $cr ïlrjt !)at bie 5pul§aber unterb u n b e n (afbinden).

Untcr^alte». Ser SBcin f'oB ^erauê, man brauc^te bie ©efaRe nnr u n t e r 3u()alten. gr bemüftie fid), bie ©afte ju unterf) alten.

Untcridjlagen. DDJit untergefd)Iogencn SIrmen (Seinen) ftanb (fai) er bor ber $f)ür (over elkander), ©er untreue SBebiente ()at bic ©eiber un= ter) d) I a g e n (verdonkeremaand).

3tnmerf. 1. Door bejeid)net oft ein u n it n t e r B r o cf) e n e ê

gortfa^ren, Durc^ niemai?. ©n^e mie fotgenbe: Lees maar

door! Hij stoorde zich aan niets en schreef bedaard door etc.

ocr page 116

110

Übcvfc(3t nion 5. 23. fo; Lies nur weiter, nur zu! Er kelirte sich an niclits und fuhr rullig fort zu schreiben,

2) Um ift alio, roic obigc 33ci)pictc jctgcn, t r c n n 6 a r, lucnn eê a) omver, b) anders, c) een omweg maken bcbcutct.

3) Om in bcï SBcbcutung rond cntfpvidjt bem bcutfdjcn fjerum, biêraeitcn umtjcr, j. 23. Hij zwierf, doolde om. @r ftrcijtc, irrte Return (uuifjer). — In een kring omdraaien in cincm (im) fircifc f)cr= umbrctjcu. Ik vertrouw die menschen niet, die zoo bij je omsluipen, bic jo um eincn IjcrumjctjIeidKn (bie jo umljetjdjtcicficn). Die kinderen springen den ganschen dag in den tuin om, int fötu'tcu ()cruin.

4) Over bcjcidjuet Ijaufig cine roicbci-()o(tc Sfjatigkit; üOcï wivb in bicfcr 2?ebcutung faftnurmit arbcttcn uevbunben; 3. 23. Schrijf (Lees) dat nog eens over! Je moet dat opstel overschrijven. 2ie§ ia§ nod) cinmat (burd))!, 'Sic nuificn ben ^ïufjatj umfdjrciamp;cn. (SBflt. umi d) r e i b c 11, 3. 33. etnen ïtusbvud). gpatcr (jat bcr ®id)tcr ba§ Stoma iiticra v 6 e i t c t (omgewerkt).

23on ben untrciinbai' nut über suiammengcfc^en Sciben, bic cincm SJiebcvIönbcï aufföCtig erfdjeinen raüffcn, cntrocbcr buvd) bic SBctonung ober buvd) bie 23ebcutung ober burd) beibcê, nenneu mir:

übcvcilltiuoïtcn (bem iscïidjt = übcrUefcvn) (flnfg. 74), üfcci'BtC; ten (eincn ttbevb. = ein ^ötjcrcê ®ebot t()un nl« cv, b. f). iemand afmijnen, (fis- ttbcvtvcffcn), übevQCbcn (j. 23. ®ricfc), übevbringen (Stief.', Scfc^ie K.), übcrflcljcn unb übevfdjtagen unb übcvipvtngcn (= orerslaan), übcvfjOlcn (inhalen, voorbijsnellen), übevloifen {over-laten), iibcvMlOcfjcn (@elb jc. om'maken), übcvltefjuicn (op zich nemen; overvragen), übcrfcUbcn (oDcrzendon), übevtvagen (otrrdragen, overzetten) (S. 109), ü6cilD(ld)en (bewaken, waken over), fid) übcv= HJCficn (otcr) [id) mit ciitcm übcviu e v f c n (ruzie krijgen).

23cijp. Ich that ein Gehot, mein Vetter aber überbot mich. Dieser Maler überhietet alles, was hisher geleistet worden (is voortgebracht). Er übergah, überreichte mir den Brief, das Faket und überliesz uns die Sorge für die Weiterbeförderung (verdere verzending), -— Wir wollen diesen Punkt stillschweigend ühergehen. Wir dürfen diese Stelle in dem Briefe nicht über-schlagen (= nicht üherspringen). Ich hitte, das meinem Vor-giinger bewiesene Vertrauen auf mich übertragen zu wollen. Die Fosten üherschlagen (-— begrooten). Das Pferd hat sich überschla-gen = is achterovergeslagen.

ocr page 117

Ill

23on ben mit uiltcv .jufammcngcfc^tcn:

unfevblci6cn (achterwege blijven), iiutcvörcdjcu (storen, afbreken), mtterjodjcn (oon Sod) = juk), untci(tt||en (nalaten), untcv» liegen (bezwijken), unterfagen (frj. interdire), untei'ftfjrcibcit (onderteekenen).

93etfpie(o: Nichts unterbracli die Stille des Waldes. Ein lautes Gejubel unterbracli den Redner. — Das kann nicht unterbleiben, das darfst du nicht unterlassen. — Er unterlag (erlag) bcr Krank-heit. Das unterliegt keinem Zweifel (lijdt). — Bis jetzt war inir das Rauchen erlaubt, heute ist mir dasselbe (es mir) arztlicherseits untersagt (worden).

75.

De Duitschers hebben een prachtig gedenkteeken ter herinnering aan den oorlog met Frankrijk opgericht. — Deze kerk is in de 14e eeuw (op)gebouwd en later door brand ten deele vernield; voor eenige jaren is zij weer vernieuwd. — Toen hij deze woorden las, werd hij boos; tweemaal las hij den brief over, scheurde dien daarop aan stukken en verklaar-de, dat hij nog nooit zulk een brutaliteit beleefd had ('?riii. Sonj.). — De vijanden hebben de vesting stormenderhand genomen (c t n SBort) en eene schitterende overwinning bevochten; de wreedheid echter, waarmede zij vele inwoners behandelden, had achterwege kunnen blijven. — Wij beklouterden de steile rots en bereikten eindelijk den top van den berg; dat wij zeer vermoeid, ja uitgeput waren, behoef ik u wel niet te zeggen. — Aanbid het vuur honderd jaren lang, zegt Goethe, en val er in (fjtnein), zoo verslindt het u met huid en haar. — Hij heeft zijne aangebedene een fraai bouquet gezonden: mijne nicht heeft het haar overgereikt. — 't Is zoo gekomen, als gij voorspeld hebt: de gevaarlijke dief is ontsnapt; hij is door den muur gebroken en over de rivier gezwommen; niemand heeft hem kunnen achterhalen. In zijne cel had hij een briefje achtergelaten, waarin de hoogwijze gemeenteraad met spot wordt overladen.—quot;Werp de bijl niet zoover weg, dat gij ze niet weer kunt halen (bi. 8 no. 3); hoe dikwijls heb ik u dit spreekwoord herhaald! Nauwelijks hadden wij de schaatsen ondergebonden, of (als) do bediende gaf mij een brief over, die mij dwong terug te keeren. — Cicero voorkwam de samenzwering (Sat.) van Catilina dooide inhechtenisneming der eedgenooten. — Do generaal heeft

ocr page 118

112

het commando overgenomen.—Deze koopman overvraagt zijne klanten en schijnt niet in te zien, dat hij daardoor zijn eigen zaak benadeelt.

70.

De spionnen, die op het punt stonden de rivier over te steken, om den vijand ons geheim plan over te brengen, werden verrast, gegrepen en aan den krijgsraad overgeleverd. Een van hen hoopte te paard te ontkomen, maar het ros steigerde en sloeg achterover. — Heeft de notaris u het stuk ter hand gesteld? „Ja, maar ik weet niet of ik het zal (foil) onderteekenen.quot; Dat moogt ge niet nalaten. „Maar indien daaruit onaangenaamheden voor (o.) mij voortvloeiden 1)?quot; Laat dat (vóór) maar aan mij over; de geheele verantwoordelijkheid neem ik op mij. — De knapen zetten den schotel vol eieren op het vuur; plotseling sprong de schotel en de eieren borsten uiteen. — Zijn de vijanden geslagen? „Ja, en velen hunner zijn verslagen. Een gedeelte der vervolgers (^sart) drongen in het slot, waar zij in (on) ruwheid zelfs de Vandalen overtroffen 2) hebben; alle vazen en spiegels werden kapot geslagen, en de familie-portretten met de bajonetten doorstoken; het kasteel weergalmde van het geraas.quot; — Het water züpelt door den bloempot; ik raad u, er (o.) een schaal onder te zetten. — Wat is hij voor een man? Hij heeft eene korte en cjedrongene 3) gestalte, een breeden nek en gespierde armen. — De ijverige man had zich overwerkt en zich dientengevolge eene doodelijke ziekte op den hals gehaald; ik beklaag de nagelaten betrekkingen. „Zeker 4) verliezen zij veel in (an) hem, maar hij laat een aanmerkelijk vermogen na; ik geloof, dat de nalatenschap op een half millioen wordt begroot.quot; Ik wist niet, dat hij zooveel overgespaard 5) of verdiend had. — Wanneer gaat (o.) gij verhuizen? „Overmorgen.quot; Is het waar, dat het in uw nieuw huis spookt? „Licht mogelijk; maar ik weet goed met spoken om te gaan.quot; — Deze zeepzieder heeft getracht de wet te ontduiken en de kommiezen misleid.

1) ermocfiien au§ (3mw'. ffonj.). 2) iiècrbieten. 3) untcrietjt. 4) frciltd). 5) edibricicn. (Hoeveel hebt gij owgehouden, is er overgebleven ? = iöie mei f)a6en Sie nocf) iibrig, ift it brig geblieben?).

ocr page 119

113

tl.

SUbe SiUje in benen folgenbc «crfien, fonuitjt trennBar a(ë untrennbar oorfommen:

bur^mfen, buvcfjlcfcn, burdjiutljen, burdjbrcdjen, buvdjftccfjcn, ü6cr= beden, ü6crfe(jcn, überfa^ren, (fid)) übcruicrfen, übevjte^en; mngefjen, umrennen (onder deu voet), inufdjiffen, umjiefjen; unterbinben, unter= ftctten (fig. = ootausfetsen, onnc^mcn), unb btojj unti'cnnbnr: unterfaffen, unterjodjen, imteijagen.

2)ic ^ilf^cvBcn be§ ^obii§.

Son bcit ^iffuUerben beS ïlcobitS bejeidjnen föjiliCIt, biil'fcit unb uiögeu cine SDJ ö g 1 i rf) t c i t; miiffcil, ioltcil unb luollcil

eine 9Ï o t w c n b i g f e 11. ^ierju tomuit nod) (affeit, weïdjcê bnlb eine SDÏogüdjteit, bntb eine Dïotmenbigfeit nuêbrüdt.

I. Unfer kunnen cutipridjt bem beutfdjen föniieit. — 5?uï mcïfe man fid):

a) baf] füliltcn nud) ftcfjt, mo loir kennen gebrnudjen, in: Ik ken mijne les; icf) fann nteine Seltion. Hij kent het geheele gedicht van buiten; er fann ba§ flanjc ®ebid;t auëroenbig.

b) baf; in SOJoglidjfeitSfal'en isie: Hij lean ziek zijn (= hij is mis-schien ziek). Er Iconden drie jaren verloopen zijn, toen etc. (= er waren misschien etc.) föuneit flemen fann, mögen abei* gebrau^= (id)er i|t. Ei gt;Hüy (ïl)of)[) krank sein. Es inochten di'ei Jahro vergangen sein. — GÊbenfo : Dat kan wel zoo wezen = üDaê mag iroljl fein.

'Jlnmerf. Sa8 fceliclite: dat han niet (= dat is niet mogelijk, denkbaar etc) barf n i rfi t fo im Seutfdicn «iebergegebeii reerljen. ï)ïan fage: bas gc^t nid)t, bas ge^t nidjt an, ba8 ift nidjt nuiglicf) jc.

8

ocr page 120

114

IT. Mogen luirb (icüb burdj billquot;feil *) balb burdj utögcu, 6iê= ircifcn bnrc^ foiïctl roicbcrgcgebcn.

Ge moogt van avond uitgaan; bu barfft ()euic ?lbcnigt;

au»c)el)en. [3d) (ober etn anbercr) ïrlaube eê].

Wij mogen trotsch zijn op zulk een vader; mir b ü r f e n Mogen ftolj jein auf jo(d) cincn Sater [ïCir fjabeu tie fitttid)e greifjcit].

Mag ik daarop rekenen (= kan ik) ? Surf id) bcunuf redjncn (ober) midj barnuf «crlaffcn?

flirten. Mag ik de heeren om de kaartjes verzoeken? $orf id) bie §emn um bic Sillcts Mttcn ? (ïiocf) tiöflici)er: $ ü r f t e ic^ :c.) Dat hadt ge niet mogen doen (moeten, behooren). Saè

f)atten Sic nidjt tf;un bürfcn (ftaitct: foücn).

Ge moogt van avond uitgaan (n.1. voor mijn part; 't kan mo niet selielcn). $u magft t)cute ?Ibcnb au§get)cn (ober ju §au)e Meibcn).

Dat mag (kan) hij doen. wat gaat liet mij aan (b. I). Laat bij het maar doen). ®o§ mng cr tfjun, llüd) nid)t nn.

Dat moge (mag) goed zijn, maar prettig is't niet. SaSmoj

(moge) gut jein, aber angcnel)ni ift e§ nicf|t. (Sgt. teen©. 117). Hij mag (moge) een braaf man zijn (toegevende zin), maar ik mag hem toch niet. (ïr m a g cin braucr DJlann ïcin (sïonjÈifiDfat), benuoe^ mng id) i()n nid)t (mng id) it)n nid)t Icibcn). — Ik mag hem niet zien; td) mng if)n nid)t ïcfjcn. — $cr ormc 9]ïnnn tunr i^ttrnd) unb f)ungtig, abcr ficttctn m d d) t c er nid)t. — n g ft bu feinc ftnrtoffeln; (lusten, houden van).

Sefonberê tm frater, bcê ^onjuuftiüê: ttf) lUÖrfjte = ik zou willen, trek hebben, 3. ïï. 3d) barf nid)t fo oft auëgctjen, n(s id) wol)! nindjtc. aömn id) an bicfe traurigc öjcj^trf)tc bente, ba mö^tc i(^ lucincn. — Sgt. Stufg. 54.

2Inmerf. Mögen ftcï)t in iSonjcïi'iüialscn (cinraumenben @ai;cn) mciftenê im3nbita= ti», mogen im Sonjunftio; 5- S. 3d) bin überjengt, bag ct bcr Sdjutbige ift, mag cr bie SEljat lengnen ober nid)t (= moge hij, hij moge etc.). — $era mag fein wie it)m trotte, id) ertanbe ei nidtt. ('t Moge daarmee zijn, zooals 't wil :c).

Mogen niögcn.

trek hebben, willen, lusten.

Mogen Mocht het weer slecht zijn, dan kom ik niet. S 0111 c ba§ SBcttcr id)Icd)t fein, fo fomme id) niebt. - Mocht zich dat geval voordoen, dan enz. £ 0 111 e bcr öW cintrctcu ioiïcu. )0 K' (§ )pot{)etiid)cr Safe). 3?gt- Sluffl. «2.

♦) Unfer durven wirb burd) wagen ober sich getrauen toiebergegebcn, 5. ». Ik durf niet, id) wage e8 nid)t. Ik durf er niet in; id) wage mid) nid)t ^inein. Hij durfde niet voor de waarheid uitkomen ; cr getraute fid) nid)t, bic S!Baf|r[)eit ju geftc^en.

ocr page 121

115

Slnaicr!. Über m ogen uttb f o 11 e n in ter inbireften ïliebc, wo bte bi^Ite etnc Sm= Veratiofonn fiat, fief): Sonjunttio.

III. Zullen unh moeten.

Zullm f)at jinei fet)i' öerft^iebenc 33ebcutungcn, bic in bcibeti fotgcnben 0a(5cit beutlid) ()evBovtrctcn: lh sal (incrbe) morgen komen. Gij zult (joll)t) niet stelen.

Zullen = wcrben ift DtojjeS Silfscerö her ünfunft; znllen = fottcn bcjciimet eme moratifdie Siotmenbigteit (zedelijke verplichting).

viOlleu fcgt cin aöoÜÉit UDrauS, fei cê mm baj^ biefcê SÏ-oÜcn öon einer ■perion, uon einem ©cfetjc ober con ciner ®ittc nuêgc^t ober f)erritf)rt; cê bejcidjnet aI[o cine 23crpfndjtiing. — iffiir gcbrnild)en Ijicr bnlb zullen, bn(b behooren, balb dienen; nud) oft moeten.

Seifpicle: (zullen) 35n mill ft nidit fdjracigcn? ®u folt)t fdimcigen (e§ ift mcin SB i 11 c).

(moeten, behooren, dienen) ®it iolltcft nid)t fo Biel plaubcm. (®cr ïlnftonb, bic ®orficf)t ctc. mill cê nicf)t).

(behooren, moeten, dienen) fiitlbev foUc» iljrcn Gftcrn gc()Ord)cn.

(moeten) 3cbcr fjat feine 3tufgabc (taak): id] foil für bic Slitmcn forgcn, bn foüft bic §ü^ner füttcrn. — $31. aui) 114 o6en.

9Jtü|fcu brürft eine mc[)r aKgeraeinc, oft cinc natürtidjc 9?ot= tticnbigteit auê, 3. 23. 2lHe 9J?cnfd)en lllüffcil ftcrbcn. (25gl. ®cr ÏRörbcr fol( iterben). — ®ic miifjeil mir fotgcn (es ifi nötig). ©ie foHCIl mir fofgen (icf) iüiü, öefefjte eö).

■gt;(11 obigcit Seinen (ffinter foUen :c., Ocber tjat feine StufgaJe :c.) tflntt (Tltd) mttffen )tcf)cn; uur gebraudjen fogar gern moeten. — 3)er35cut5 f^c abcr gebraudit m ü f f e n nirfjt, lucnu nad) jcmaitbê ÜM,-(Cll gefragt tui vb J luir fegen bn(b moeten, bn(b zullen.

23g(. Mie nwet eerst lezen, Mijnheer? jpcrr Sefjvcr, lucr foil jucrjt (efen? Zal (moet) ik maar beginnen?*) SoK id) nur be= ginncn ? — Wat moet dat heteekenen? yBa5 fott baê ficillen ?

(loaê wiUft bn tamit?).

SBeitcr ftcfjt foKcit:

1) 3it ®ii(5en, bic auf cinc früfjcr gemadjte SSernbrebnng (eineatrt

) An» luiberfinnige willen (1c ïperfon f i u g.), bnê bet un» immer me^r cinrciBt [ Wil ik maar beginnen ?], ift ber beutfe^en S^va^c fremb.

ocr page 122

116

1

ÏÏJoUen) JUVÜcfracifett, 5. 23. Wij zonden elkander bij 't station aantreffen. SCBir i 0 111 c n un§ am 93atjn§of treffen.

2) SBcnn na^ ber ïlïeiimng, nad) bcr ïtnfidjt etneê Slnbcrn ge» fragt luirb (in fogenanntcn bcfxbcratiöen Svagen) 5. 23. Soli ich gehen oder zu Hause bleiben? Ich weisz nicht, ob ich unterzeichnen soil (th. 76). Soil te es wahr sein, dasz sc. (th. 72).

3) Qn Sft^en, bte auf beï 2ïuSfage ïïnberer, ober auf cincm Oerüdjtc beru[)cn (men zegt, men wil dat); J. 23. $er ^rinj jolt (racet) gcfcifjrlid) frnnf fein. — (ïr j o 11 an ®ift jjeftorbcn icin.

9Kan bcadjtc unb «evgkirf)c nod) folgenbe Safjc;

Wie zou er ziek zijn! (b. Ij. er is niemand ziek). 2Ccr ) 0 111 C trant fein! Hij komt niet, zou hij misschien ziek zijn ? S 0 11 t f er iuo[)[ trant l'ein? De luiken zijn dicht: wie zou er dood zijn? Die gcnfterlaben finb gefd)(oifen; ircr raag geftorben fein? Hij moet zeer ziek wezen. Sr f 0 11 jcljr trant jein.

SoKcn fte()t nid)t;

1) 3n ©at|en mie : Ik zou net in den trein stappen, toen mij een brief overhandigd werd. - ®cm Scntlfyn fef)It eine fefte gorui für ben „verleden toekomenden tijd1'; er brüd't ben Segriff auf oerfdjiebene 'Beife auê; 5. 23. Ich wollte ehen cinsteigen, als mir ein Brief eingehandigt wurde (oSer:) Ich stand (war) im Be-griff einzusteigen, als etc.

2) 3n 23erbinbung mit 311. — Te zullen roirb entraeber burcf) 1 u wollen, ober burd) 511 raüffen miebergegeben; ober aud) — iBaê meiftenS gef^ief)! — man laêt einfad) baS £itf8oerb roeg; 3.23. Hij beloofde mij te zullen komen, gr ueriprad) mir 311 tommen (ober :gt; fomnten 3U mollen. Hij vreesde te zullen sterven. Sr fürdjtete fterben ju müffen.

3um ©d)IuB erhjal)neit mir nod) ^raeieriei:

1) ^Ül'fCtt ftet)t nid)t feiten (befonberê nad) nid)t, nnr ober taum), lüo mir behoeven ober hehhen fe^en; 5. 23. 2ie bürfcn nur befet)(cn = Gij heit maar te bevelen. 3d) barf nirfjt (taum) baran benten, jo merben mir bie Stugen fcud)t- Ik behoef er slechts aan te denken, etc. $aê war ein ganjer Seri! SBenn bie Spfetbc in uollcm 9ïcnncn maren, fo b u r f t e er nur madjen; S3rr! unb aui ein= mal ftanben fie loic bie SKauern.

2) ÏÖollcn ftet)t im 2)cutfd)en f|aufiger alö bet nnê jur Se^eic^» nung einer jufiinftigen §anbliing, befonberê nad) bem gürroort ber

ocr page 123

117

Cl'ft en ^erfon, J. S. Dat zal ik wel in orde brengen; baê U)HI icf) fdjon beririjtigen, bcforgen. We zullen tijdig present zijn, reken daarop! 2Bir tuollen unê rcditjcitig cinfinben, ccrlajje bi^

bnvtlllf. (®i^ micfi Stufg. 52 unb 54).

9)?cl)ïcrc .^ilfêoerben bcê SWobuê icerbcn im $cut[d)cn gebraut^t olê govm bcr § i) f 11 d) f c i t ober bcr 23 c)' d) c i b c n f) c i t. 33cifp. bütfcn j beimini im ©ie bütftcn I fid) geirrt fjakn. Gij É O n 1! C It l 0ic tönntcn gt; zoudt het mis kunnen

mögcit \ SonjunttioS: ©te möd)tcn \ hebben.

lu o U e n («tê iiöftiijcr SmpevatiBciustinid): ©ie mollen mir gütigft nütteilcn, mann baè jjeft ftattfinben mirb. Ge zult toch wol zoo goed willen zijn, — mag ik u vriendelijk verzoeken etc. — 2er ■Qcvr lu o 11 e boef) criucigen, bnf; iet) nur ein armer Srfjlucïer (stakker) tnn.

l'afjcn luivb ebenjo gebrnudjt luie unfer laten; j. 23. Bitte, lassen Sie ihn hereinkommen. Schweige nnd lass(c) ihn sprechen. Laszt ihn nur gewiihren (begaan). — ^JJur bendjte man, bag boS ^ilfêjeitiuovt I a f f c n nic ben Nominatie nad) fid) ncljmcn fanu -). SöL'C luie folgenbc; Laten wij spoedig heengaan, laten we het uiterste beproeven merben tmebcrgcgeben burd): Laszt uns bald hingehen (= Gehen wir); laten wij ons verheugen in ons lot. Laszt uns unsres Schicksals uns freuen! Laat ik dat boek even halen. Lassen Sie mich das Buch einmal holen.

S!nm. Siiditct fid) bic Sluffotierung nut cm e ine Spetjon (cineu SusftEimb), ifiraaitaïfc1 nut 511 jweien, |o licitjt cê: Lasz uns.

STnv gebraudjen gem laten in fonjeffiücn ©ci^cn, mo ber ®cutfdjc inÖflC» liebt, 5. 23. Laten ze mij haten, als ze mij maar vreezen; 111 i3 si e n fie micl) Ijajjeit, inenn fie mid) nur fürdjten. (Oderint, dum metuant). 3tf) glaube nic^t, baB er Sï)nen boS leii^t üerjeifjen itnrb. „ïïl a g er (immerljtn)! SBgi- ©. 114.

Saë Subjeft be§öon taffen aM)öngtgeu35erB§(3nfimtiö) ftef)t im c c u) a t i ü f); 5. 23.

1

SBenn lassen fo oict Ijci^t atê 5 u t a f f e n, tornt fcIDjlBErftanblid) and) ber ïJommatio folgen, 3. i*. in SoUttt wie: Lassen wir die Groszen um die Erde lösen (Sch.). [9Hcl)t: 8affeti toil loim]. Lassen wir ihn zu Worte kommen (Fischer). ) Mud) bei uttS, obgteid) cielc fid) itt biefem lt;PimItc itten.

ocr page 124

118

$!er £cf)nEibcr lieg j e t n e n £o()n cin ftleiö nmiien. [Xer Sofyi nmd)t bas

fflcib; So^n ift alio ©utjelt Don mad) en].

Wcin Sater ücr m i ct| bic Seituna »ot(cfcn. [3d) la« bic 3citnngl. ®er Surft liejj b i e Wufifantcn aufftnelen. [®ie ajufifanten joieten],

gr lieg m t tf) nii|t§ uon bcr Sa^c mcrfen. [34 merite nidjiêJ.

(fr Ucfe c§ b t e 2eute füfilcn. [®ie Seutc füpeni.

©ie licB mi^ bic Silber iet)en. [3d) fit) biefetfien].

3ft jebod) mit bem 3nfimtiu eine ^erfon (®ad)e) uerbunben, bic bic ipanbïung nic^t f el 6 cr ocnirf)tct, fenbern ju beren ©unftcn bic §anb(ung gefc^ie^t, fo fte^t bicfe ^eijon (Snd)e) im ïotiö: $cr ©raf tiefj f e i n c nt © o I) n e ein SÏIeib nmdjen.

2Ba()rcitb mciner Krantfjeil licB iet) nür bie Scitung oorlefen. $cr gürft lief) ben ® a ft c n jum ïanj ouffpielcn.

ör lieg mid) (uub) er lief; mir ben ^ergang (toedracht) erjöljlen.

ïic .^ilfööcvoeil bcr .ftoitjugatiou (tjnben, fein, luerbcn).

.^Obcit unb jcitl fletjen fdjicr überaÏÏ, idü aud) rair bie jeitraörtei' hehlen unb zijn gebraudjen. — gofgcnbcê büvftc jebod) Seac^tung öerbtenen;

1. 3)te (fubjeftioen) 33eiba b e g i n u en, a n f a n g e n, for U f a b r c it unb a u f f) ö r e n; a 11 c r n, a b n c f) m e n unb 3 uj n e I) m e n, audj (j c i r 01 e u, e i n f d) t a g e n unb u e r g e f f e tt merben mit IjaÜCll uerbunben, meun «cnigftcnö cine £ ^ a t i g f c i t, nit^t beftimmt cin beftc^enbciquot; ^uftanb, angebentet merben foil. — Seifp. Was hast du begonnen, angefangen! Wir haben angefangen (begonnen, fortgefahren) Deutsch zu lernen. — Das Spiel hat aufge-hört. Das Fieber hat abgenommen (nachgelassen), nicht zugenommen. Er hatte erst spiit geheiratet (er ist verheiratet). Er hat in zehn Jahren wenig gealtert. Ich habe alles rein vergessen. Der Blitz hat eingeschlagen.

2. Scgcgnen (ontmoeten), errijten (blozen), ein gel) en (aangaan) ftcljen gemöfjnlid) mit feilt; 3. 33. Ich bin ihm (er ist mir) begegnct. Wir sind die Wette eingegangen. — Warum bist du errötet?

3. .^aben unb fein merben, befonberê nad) bem ^avti^ip, uidit feiten meggelaffen, meun eê ber SBobHaut empfieblt unb bie 2)eutlid)fcit nic^t oerbietct. — 2Bir Ijinmicberum unterbrücfen

ocr page 125

119

biêroeilcn ba§ §ilfëüei-6 worden; bicê ift im ®eut)'d;cn it i dj t crfaubt, fo lange ba3 ■partijip bcut(id) cine ïljatigfnt bcjcic^nct.

Seifpicfe; .ftaum iedjS SBotficn, nndjbcm ba? $ud) gebrurft worbcn [roar], mar bnsjclbc Bergriffen (uitverkocht). SSBenu Sic bert Slrmftcn (stumper) gcicl)en [Dattcn], fatten Sie 932itlci6 mit iljm geïjabt. — SBcnn bie 5iot am t)öd)[ten (ift), ift bie §ilfe am ncidjftcii. — Dat dient gezegd, gewaagd enz. Sa» mujj gejagt, getuagt id c r b e n. Hij moet uit den weg geruimd, gr muf? bei Scite gcjdjafft m c r b e n.

2Ii!mctt. $ev Sdjiiter fei rait bcr gorttaffung beiquot; §ilfscerba Ijafien unb fcin auf icirtcr Sut imb ite^iie fict) oor, fie nur bann 511 imterbrücfen, roemt groei g(etd]C gormen, c^ne !)en)orragciibe Setommg, tieben einanber ftel)en. 3n bem ©a^e: „Was gethan ist, ist gethanquot; wave bie SSeglaffmig non i ft unftott[)ait, toeif ber Soit mefjt ober roeniger auf biefcm 2Sbït(i)cit rut)t.

78.

Deze schilder zal het tot iets groots brengen: wij mogen trotsch zijn op zulk een kunstenaar. — Ik mag morgen avond uitgaan, en beloof, u te zullen afhalen. „Mag ik daarop rekenen?quot; - Hebt gij hem permissie (mit 9ltt.) gegeven, dezen brief te schrijven? Dat hadt ge toch niet moeten doen. — Deze knaap heeft een buitengewoon geheugen; hij kent vele gedichten van buiten. — Houdt gij niet van dien man? „Neen, ik mag hem niet zien.quot; Nu, 't zou wel kunnen (am^f. fionj.) wezen, dat gij in dit opzicht niet alleen staat. — Deze koopman is niet zeer beleefd; zelden hoort men hem zeggen: „Mag ik u verzoeken? Wilt ge zoo beleefd zijn?quot; Doorgaans is 1) het: Ge moet dadelijk dit of dat doen. — Ik verveel mij geweldig? „quot;Wat 2) iku(o.) bidden mag, spreek toch niet van verveling! quot;Wil ik u wat voorlezen ?quot; — De burgemeester heeft de vlag 3) uitgestoken; zou er wat bijzonders aan de hand 4) zijn? Ik weet het niet; misschien wordt er wel een bruiloft gevierd. — Als we geen water hadden, zeide zeker professor (art.), dan konden wij niet leeren zwemmen, en hoeveel menschen zouden dan wel jammerlijk moeten verdrinken! — quot;Wij zouden net naar 5) de komedie gaan, toen vader een brief kreeg, die een treurige tijding bracht. „Ik moet thuis blijven,quot; zeide hij, jullie kunt wel alleen gaan.quot; Neen, vader, zeide ik, dat kan niet; wanneer gij thuis blijft, hebben wij ook geen trek om (0.) uit te gaan.

1) (jeifit. 2) fflenn. 3) gaf)nc. 4) (00. 5) in.

79.

iPdd)e ^raft l)abcit bic §ilféüer6a in folgcnbcn Sajcn;

SBirb er fommen? ÏRuj; er fommen? ®o(I er lommen? —

ocr page 126

120

Sic m ü f 1 c n cin ©liiêrfjcn mit miv trinfcn. 333n5, ©ie fdjüttetn ben Sopf? ©te foUen mit mir Irinïcn, fagc id). — 2Ber cin @e(cf)vtci- luerbcn milt, m n § ffoijjig l'cin. — „®ei- SBcrrater foil ftcrkn!quot; rief bcr gclbljcrr, „unb giuaï I'oglcicf); er barf fcinc ©tnnbe mcf;r Icben!quot; — 0 o H bcr Sricf nod) fjente beforgt iuer= ben, p inng er gïcid) gnr ^oft. — 3d) ge()e nid)t fo oft nuê, a(ê id) iuof)I in ö d) t c. — -Od) bat il)n, er m ó d) t e mid) granjofifdi Icrncn laffen. — 9Jid)t iiia()r, cS m o d) t c bod) wol)! bcffcr fein, ba§ ©ie ba6 Meibcu lieden. — SOÏ o d) t e er bod) balb gurttcffet)» ren! — 2Ber mod)te fid) mit ©riüen pCagen? — 2Bie alt er mar, mcifj id) nid)t, er m o d) t e etmaê jünger fein a[S ©ic. — Surfte id) ©ic nm 3[)rcn merten SJamen bitten? — XiefeS ©emalbe b ü r f t e ju ben fdjönftcu Seiftungen (scheppingen) bcr 5cgtjcit gercd)net merbcn. bürften ©ic fid) irren.

80.

De vijand was bijna door de poort gedrongen, toen de belegerden liet verraad bespeurden, ijlings toeschoten en na een vreeselijken kamp de troepen terugdrongen. — De verrader, die zich door de vlucht poogde te redden, werd gegrepen eu opgehangen (S. 97). „Is er (o.) bij dat gevecht veel bloed vergoten ?quot; — 't quot;Was een ijselijk schouwspel, ik mag er niet aan denken.

Gaat gij van avond mee naar de komedie? „Ik mag er niet aan denken, hoe (jo) gaarne ik zou willen. Gisteren avond heb ik kou gevat, en moet nu, zegt de dokter, twee dagen thuis blijven.quot; Nu, dan heb ik ook geen trek.

Hebt gij iets naders over hot verdwijnen (£. 97) van den heer M. vernomen? „Ja, hij moet eerst zijne geheele erfenis verkwist (©. 97), later schulden gemaakt, en ten slotte dienst in't Fran-sche leger genomen hebben.quot; Dat kan wel wezen. Toen ik hem de laatste maal sprak, was hij zeer gedrukt; hij zal mogelijk (mogen) reeds toen een besluit genomen hebben. Toen ik hem zeide, dat hij aan de gevolgen van zijne verkwisting behoorde (sptöf. Sonj.) te denken, schoen hij eerst boos te willen worden en mompelde hij: Ieder diende voor zijn eigen deur ($at.) te vegen 1); maar toch reikte hij in 't volgende oogenblik mij de hand, zeggende 2): Gij kondt wel (bürfen) gelijk hebben, — maar 't is helaas reeds te laat Bij deze woorden wendde hij zich om en ging weg. — Hoe pijnlijk moet dit voor zijn oom ■en voogd zijn, een man op wien geen smet kleeft (5. 97). —

ocr page 127

121

Wees nooit voorzichtiger, dan wanneer gij moogt doen wat gij wilt.

1) fetjvcn. 2) unb jagtc (ober) mit ben ÏBortcn.

81.

De deugd, zegt een wijsgeer, is niet een weten, maar een willen. — Wie niet werkt, zal ook niet eten. — Niet ieder kan zich door buitengewone daden onderscheiden, maar ten nutte van 't algemeen 1) werken 2), dat kan en behoort iedereen. — Wie niet hooren wil, moet voelen. — Wanneer men van de menschen plichten eischt en hun geen rechten wil toestaan, moet men hen (acc) goed betalen. — Zeker spreekwoord zegt, dat men recht moet (spraf. Sonj.) doen en niemand ontzien. — Een ander, dat men moet (l'röj. aonj.) laten loopen, wat men niet kan (id.) tegenhouden. Wederom een ander: dat men om (wegen) de rupsen den boom niet mag omhakken. — De raaf is een zeer weetgierig schepsel; zij onderzoekt de heetste pap, probeert het smeer 3) van den schoenpoetser, zoowel als de giftige kleur (ctn SBort) van den schilder, en zoo kan (mogen) het wel eens gebeuren, dat zij haar ijver met een (o.) vroegtijdigen 4) dood boet. — Mijn neef is niet gekomen, hoewel hij mij geschreven had, dat hij ons heden wil ($rai. Sonj.) bezoeken. Misschien heeft het ongunstige weder hem afgeschrikt (mit mogen). — Voor ditmaal, sprak de rechter, komt gij met eene kleine geldboete vrij 5): mocht gij u evenwel weer aan een dergelijk vergrijp schuldig maken 6), dan zullen zich de deuren van de gevangenis voor u openen. — Moogt gij hem niet lijden? „Neen, ik vertrouw hem niet, en in 't algemeen geen menschen, die iemand niet flink in de oogen (2icc.) durven zien. Dat spijt mij zeer; gij moest niet zoo wantrouwend zijn en mij gelooven, wanneer ik u zeg, dat ge u vergist, „'t Moge zijn, zooals't wil, ik moet bewijzen van zijne rechtschapenheid gezien hebben, eer ik hem mijn vertrouwen kan en mag schenken.quot;

1) gemcmniUjig. 2) njirfen. 3) bie SBtdjje. 4) frül). 5) baoon. 6) fid) (iCcttio.) etmaS ju ©d)ulbcn to mm en laffen.

82.

Zou hij komen, wat denkt gij? „Ik denk, dat hij niet zal komen.quot; Mocht hij wegblijven, dan zal ik hem een behoorlijk standje toedienen 1). — Indien gij, zeide zijn vader tot hem.

ocr page 128

122

indien gij aan iets dergelijks ($at.) durfdet deel nemen, mocht ge mij een maand lang niet weer onder de oogen (5icc.) komen 2); bovendien zoudt ge mij ten zeerste 3) bedroeven. „Vader,quot; antwoordde de jongeling met half neergeslagen oogen 4), „ge behoeft u niet ongerust te maken, ik zal thuis blijven.quot; — „Mocht toch de uitslag 5) van 't examen gunstig voor mij zijn! Wees maar niet bang 6); gij moogt u door geen (mdit) hersenschimmen laten ontmoedigen. — Gij hebt (behoeft) maar te bellen, dan zal de bediende u brengen wat gij noodig hebt (behoeft). — Is de dag van uw vertrek al bepaald? „Ja, ik moet mij den 20 Januari inschepen en kan dus tegen 1 Februari in Marseille zijn.quot; Nu, ik zal wel zorgen, dat de post te Marseille wat voor u heeft. — Die 7) onder de vogels (Sot.), welke het hoogst kon (Sonj. Ompf.) vliegen, zou koning zijn. — Hebt gij soms 8) geheimen voor (uor) mij? Dat zou ik niet heel vriendschappelijk vinden. „Moet dan de eene vriend den anderen alles mededeelen wat hij weet?quot; Ja, dat diende hij te doen, wanneer geene gelofte hem het zwijgen heeft opgelegd. En als dat het geval is?quot; Dan moet hij natuurlijk zwijgen. „Laat ons dan liever over wat anders praten.quot; — Wanneer gij verhit zyt, moogt gij geen koud water drinken. — Lood moet men niet op het goudschaaltje leggen. — Laat u het booze niet overwinnen, maar overwin het booze door het (o.) goede. — Mag hij uitgaan ? Ik meende, dat gij hem dit verboden hadt. „Hij mag doen, wat hij verkiest 9), ik verbied hem nooit weer iets.quot; — Mag ik u om een kopje koffie verzoeken? „Met of zonder melk 10) (room)?quot; Zonder, als ik u verzoeken mag. — De Komeinsche keizers lieten hun persoon door soldeniers bewaken, die zich voor deze hunne diensten duur lieten betalen.

1) Qcljötig bic Scmtcn tcjcn. 2) Ircten. 3) fe(jr. 4) mit fjdfigcienficn ïlidcn. ö) bcr 9lit§itf)Iag, bcr ^(usfafl. 6) iingftUdfi. 7) bctjcnigc. 8) etttm. 9) roaê it)m Miebt. 10) i^trnrs ober weiti, oljnc 9Jït(d) (Saijm) ober mit (Satjuc).

83.

Een onderwijzer zeide eens van een zijner vroegere leerlingen: Hij was zoo lui, dat als hij eens was 1) begonnen te stu-deeren, hij zeker te lui zou geweest zijn 1), weer uit te scheiden. — „Laat toch eens wat van u hooren,quot; schreef mij mijn vriend: „als ge nog langer zwijgt, begin ik haast te gelooven, dat ge uw oude vrienden vergeten zijt.quot; Ik antwoordde hem,

ocr page 129

123

dat ik bij ontvangst van zijn schrijven net aan (o.) een brief begonnen was en dat ik hoopte Ij, dat hij mijn zwijgen niet kwalijk zou (mBge, mödjte) nemen. Tevens heb ik hem laten weten, dat ik hem zou 2) bezoeken, zoodra de koude wat was 2) afgenomen. — Menig dichter laat de helden, die hij uit de geschiedenis gekozen heeft, woorden zeggen, waarvan (@cn.) zij zich nooit bediend hebben. „Mag hij zulks dan niet doen?quot; Daarover durf ik mij niet uitlaten. — Je moet niet al te goed zijn, zeide Willem tot zijn jongeren broer, en je zulke dingen niet ongestraft laten zeggen. Mocht hij zich weer zulke grove uitvallen veroorloven, laat hem dan eens voor goed merken, dat gij u niet laat beleedigen. — Laat gij uwe kinderen reeds Fransch leeren? „Ja, en wanneer zij hot opgegevene goed gekend 3) hebben, laat ik ze fraaie platen en teekeningen zien. — Zoodra de winter voorbij is, laat ik mij een nieuw zomerpak maken. — Waar en wanneer hebt gij mijn neef (Eat.) ontmoet ? In Amsterdam, voor 4 dagen; hij was slechts weinig veranderd 4) en ook nauwelijks verouderd. Hij liet u en do uwen hartelijk groeten. — Wanneer heeft uw vriend zijne betrekking 5) aanvaard? — De bloem heeft lang gebloeid, thans is zij verflenst 6). — Verwacht wat van den mensch en hij zal uw vertrouwen waardig willen worden. — De oogleden zijn de gordijnen 7) van het geweten.

1) Smpf. fionj. 2) ^rcij. Konj. 3) fönnen. 2) fid) iinbcrn. 5) Simt. 6) Bevblütjt. 7) bcr Borljong.

^ic 2öcifctt ober Ml

®cr ^nbifutiü ober bic 333 i r f I i d) Ê e i t ê f o r m nnb bcr ^mpevatto ober bie 33 e f e Ij I ê f o r m luerbcrt im üDeutjdjen ebenfo gebraucfyt roie bei urté. ïfur ber ftonjuilttil) ober bie quot;Dï ö g I i dj f e 11 ê f o r m bietet mandje ©djimerigfeiten, ireit ber» f e I b e A) oft ftetjt, mo uur tljn meiftenê üevnadjlaffigcn, B) in gewiffeu gallen oorfommt, reo wil- gar nidjtS non einem Sonjunf* tio Ijerau8füf)ten.

ocr page 130

124

Sicfc jroci -punfte (A utib B) njoHcn mir ctraoS eingcljcnbcr Be» |prcd)en; — juevft jcbod) bic giille furj angcben, in benen tieibe ©pradjen ttbercinftimntcn.

25er fionjunttio, olê bic fyorm bcr 3J i d) t w i r 111 d) f c 11, fte^t im 2)eutïd)cn mie im 9ïieberlanbif^en:

1. 3n SÖUUftfjfiiljCUs): GS ïcbe bcr fiönig! £, ircirc cr nid)t fleftorben!

2. 3n dturduutuitd^faljcn (fionjcifinJatjeu, toegevende zinnen), bic oft mit luer... aud), mie... aud), maê...aud), luenn... nnd), ober mit Ullb (= al) onfangen: Wer das sagt, ist ein Lügner, er sei denn, wer er set. — Wie man es auch mache. was man anch thue, man kann nicht jedermann befriedigen. — Wann er auch komme, er wird mir willkommen sein. — Er wird seinen quot;Willen durchsetzen und müszte (al moest) es sein Lehen kosten. — Es konte, was es wolle.

3. 3n SBcbiltQUIIjlsfnljcn (fiontutionaljcilicn). ^pier bcru()t bic 93enuirt(id)ung ber Sliiéi'ngc nuf eincr nid)t crfüütcn Scbingung; fonad) brücfcn biefe ©0(36 bn8 ©egenteit non bcr 3Birt(id)fcit nuê; J. 93. Wenn ich Geld hiitte, ginge ich anf Reisen (b. 1). 3rf) f)atic f c i n fficlb nnb flc()c n i d) t). Wenn Wünsche hülfen, waren alle Menschen reich (iic finb co nber n i d) t, ffieil S5Bünfcf)c n i t fjelfen). Ware er nur früher gekommen! (fo tjeitte er jeincn SSntcr nod) ntn Scbcn getroffen). Sgt. i.

3ft bic Scbingung (ober getmuet) bic 33 o r n u § f c 1; n n g cine Id i r != I i d) e, b. 1). fann fic in Grfüllung gcf)cn, fo ftcljt in bent .^auptfatj, mie in bent Slebenfn^c (Scbingungêfciljc) bcr Sjnbifati»; 3. 33. Wenn es regnet, wird man nasz. Wenn du nicht gesiit hast, wirst du nicht ernten. —

4. 3n ■jyiuftlfaljcu CJlbBevbioIfSljen be§ 3 me des), bic burd) baf} unb bamit, unb in ben 0 erg leid)enben ©ö^cn (ÜKobatfa^cn) bic burd) a(3, ob, ntei ïüClUt, toic wenn eingeleitet roerbcn; 5. 33. Er heschleunigte die Reise, da mit er nicht zu spat kcime. Dasz die Hand gesichert b 1 e i b e, faszt man Kohlen an mit Zangen (atteg 2tiri4)W.) 1). Erliegtmir vor denl'üszen, aZs war's ein Stiick ven mir.

1

®Ian Èmdjtc bie 3 e'tf01 me n ï1quot; 'n ^en ^quot;luWülien [er bcidileumgtc,

man fajjt].

ocr page 131

125

[Sr ift c« abcr uid|t.] — Er that, als oh (als wenn) er zu Har.se ware. St ift ater mcl)t ju ^aufc.]

'JInmert. 3n ben SiiOeu untcc 2 uiib 4, nicl)t feiten audi in benen nnter 3, üeLimd)Iai= figen toir ben Soninnltio. — 2Iud) im Seutfdjen fteljt mandjet S-inalfag im 3nbilatiu.

A. 3n folgenbcrt beibcn gallen fteljt bo« beutfdje 33erb oft im ^ïonjunftiu, ba§ nicbevlanbifdjc gcgt;uö[}nüd) im Snbifatiö:

I. $,n bem 9tc6cuia^c (Objcftfa^), lucun ba§ 5igt;cv0 bcé yaupt)alie§ eine Sljatigfeit auSbriicft, beren (Srfolg ctu uu= beftimmter, ober jiucifel^aftcr ift, aïfo narf) Scrbcit mie: befeh-

len. gebinten, wollen, f ordent; loilnschen, hitten, verlangen; koffen, verniu-ten, erwarten, erlauben, dulden, zulassen unb bergteidjen. — 3ft bod) yueifctyaft, ob gefdjietjt idoS man luünfdjt, befiefjlt, Ijofft, crlaubt etc.

0ci|pie(c : Ich wünsche nicht, dasz er komme (kommt). Ich will, befehle, fordre, dasz es sofovt geschehe (geschieht). — Veidangen Sie, dasz man die Bücher sofort bringe? Ich hoffe, dasz er sich bessere (bessert). Sie duldet, gestattet nicht, dasz er sich entferne (entfernt). — [Sief) unlen Slnin.].

II. Sn bem Siebenfa^e, roemt baS 23erb be» ^aupt-ia|ey eiu unbeftimmte» Êrfeuueu ober eine fubjeftiue (b. (). rein perföntidje) ©mpfinblllig aitêbritcft. — SBetfpiele:

Als sie erfuhr, dasz ich ein Hollander sei, war sie sehr erfreut. — Da er bemerkte, dasz der Feind gut bewaffnet sei, zog er sich zurück. Ein Igel spürte, fühlte, dasz sich der Winter nahe [Saé .^ollcinbctjcin, baê Semoffnetjein, bic Stnnaljcrung be§ 9Bintci-§ evidjeinen ()icr nidjt atê $ () a t j a d) e n; „jicquot;, „erquot; unb „bcr Sgclquot; tönntcn firf) ja geirrt ()abctt].

SInmert. ®tc{)t bnS vegtcrcnbe 3c'tlüort ™ ^rfttcritlim, f» folgt meiftcnS bcr Sonjunftiu; nut^ nad) bcr 2cn uilb 3cn ^cv'iou beS ^3 r a f e n 8 ift bcr Sonj. gebraud)Iid)cr alê nnd) bcr len ^er = fott beê ■pröfcnê. — SJergleidje bic Scifjiicte nnter I. „Ich wünsche, dasz er Tcommt* ift fetjr gebraud)(id); aber man fagt: „Ich wünschte, dasz er kiltne.' (Sbenfo; „Ich überdenke, wie der Brief am besten einzurichten sei (ober) ist; ncticn; Ich überdachte, wie der Brief am besten cmzurichten niörc. — Unb nnter II; „Ich erfahre, dasz sie eine Hollilnderin i s t.;' „Ich spüre (er ipiivt), dasz sich dor Winter n a h t.quot;

®d)tie§Itd) fei nod) bemerft, bnjj bcr SonjunfttB, unb jnjar ba8 ^rateritura, geroöljntid) fte^t:

ocr page 132

126

a) in ben Dïebenfa^cn, bic üon cincm ncgatioen ^auptfa^c (mci)tcnê mit fo) abtjangcn : Koin Meister so gut, der noch nicht zu lernen hiitte. (Sluberc Scifpiclc in 3Iufg. 84).

b) in ben ncgatioen goIgcfa(3cn (Sonfeïutiofö^en), bic burdi

brtf} cingefeitct werbcn unb bem 3Ibücramp; ju im ^nnptfa^c cnt=

fpredjen; Ich bin zu arm, als dasz ich mir den Luxus erlauben könnte. (inhere 33eifpic(e in Slufg. 84).

B. S)ie ©eutfdjert gebraudjeu ben ft o n j un f t i d, luir beu Snöifatiü, in ber ilibircïtcil iKck. 3)ic inbireftc 9iebe cntftcljt, locnn id) bic SBorte eineS anbern oon lltetncttt ©tanb= punfte au3 miebcv^olc. — ®ie ainfütjvnnggjcicfjcn ober @önfc= füBdjen („quot;)• ioc(^c bie bireftc 3tcbe einfdjliegen, fatten in ber inbireften 9iebc natürlid) locg.

(S8gl. (Sr fagtc: „3d) 6in ïranfquot;. Er sagte, dasz er krank sci (ober) Er sagte, er sei krank. — 3d) fragte if)rt: „ftommft bu morgen?quot; Ich fragte ihn, ob er morgen komme (3nbirefter fyragcialj). — Sic antmortcten: „JBir luerbcn fommenquot;. Sie antworteten, sie loarden kommen (ober;) dasz sie kommen ■vvürden.

3« ber inbireften Sicbc fann man and) bicjenigcn Safe red)nen, bie nid)t eten baë ©cfprod)ene, fonbern ba8 (Scbftrfjte, baf ©ClllCinte miebergeben; 5. 53. Meinst (denkst, glaubst) du, dasz es nocli heute regnen teerde? Sokrates wurde verurteilt, weil er die Jugend verderhe (b. I). tocit bie 9tid)ter mcinten, gtaubten, be= l)ailpteten, fngten, bai3 er te.). Er blieb lieber zu Hause, weiier sich doch nur langweilen Icönne, b. f). locil er glanbte, meinte, baj} :c.).

Slnmcrï. SSergïcidjc foïdje Sd^c mit bcrartigen «Sa^en unter A. II.

®aê fonjngierte SScrb ber inbireften 5Rcbc fte^t geiDöt)ntid) in ber sprafcitöform beë ^onjunftiüé, J. 23. Er sagte, er komme be-stimmt (dasz er bestimmt komme). Sie behauptete, er dilrfe nicht wegbleiben (dasz er nicht wegblciben dilrfe). Er schrieb, dasz er hoffe kommen zu können und das Buch mitbringen teerde. — SEBir gcbrand)en Ijier bie Smperfeftform (^rateritalform) bcê 3nbitatio§: kwam, mocht, hoopte, zou. ®er ®eut[(^e abcr laj^t baê SScrb in ber ^3 r a f e n 8 f 0 r m bfeiben, einerlei ob baê 93erb bcê ©anptfo^cê im $ra[enê, ^ratcritnm ober perfectum ftc^t:

Er sagt, dasz er krank sei. — Er sagte, dasz er krank sei. —

ocr page 133

127

Er wird sagen, dasz cr krank sei. — Er wird fragen, hat gefragt ob icli krank sei.

Wan mcrEe fid) afccr ^ofgenbeê: 33emi bic ^rafeitêformeit beë ^onjuuftioa mit benen begt;3 Snöifatiöa jU)ammen= fatten, toenbe man bie ^ratentatformen an. — SBgf. Scf) fagtc: „Orfj [jabc cS vein öergcffcnquot; unb: Ich sagte, dasz ich es i-ein vergessen Juitte (oder: ich hatte es rein vergessen), — ®ie Sovm Ijabc gc[)ört bcm 3 n b i f a t i o foinof)! atê bom 8. o n= j u n f 11 ü an unb faun alfo nid)t jur Sc^cidjunung bcS Ic^tcrn biencn. — Sgt. cDenfo: Wir sagten (erklarten, behaupteten): _ Audi wir werden zeitig da seinquot; unb; wir behaupteten, auch wir iviirden zeitig da sein (ober:) dasz wir zeitig da sein wiirden. — Er bat uns, wir mijchien noch eine Stunde bleiben; wir jedoch erwiderten. wir müszten gleich abreisen, wir diirften nicht langer warten etc. [ober: dasz wir gleicli abreisen müszten etc.]. Er sagte mir. der grosze Berg, an dessen Eusz ich stunde, sei der weltberühmte Broeken. ($cinc).

ïlnmerï. Set Smperatiti bcr bireften 9tebc roivb in bcr inbircf= ten Siebe mit §ilfe bcr Cilfsocrbcn mogen unü (bem tncïjr (jebictcubcn) fotten ou»Bebrüctt; 3. SB. Er sagte: Bitte, vergessen Sie es nicht. Er sagte (bat), wir mochten es ja nicht vergessen. — „Laszt die Gefangenen herein!quot; Der Richter befahl, man solle die Gefangenen hereinbringen.

®ie obigc 9tcgct über beu ©cbraud) bcr $ r a f e n 11 n f» unb $ r a t c r i t a Ifonuen in bcr inbireften Stcbc tüirb md)t immer befolgt; fe()L- oft trifft man ^Jratcritalfonucu an, iro nad) bcr 9iegcl uur bic ^rafeutiatfonncn rid)tig waren; 5. 33. Man hat mirgesagt, die deutschen Frauen waren gebildeter als wir. (§cinc). Mein Freund klagte mir, dasz er die Stelle nicht bekommen h iitt e (habe). (SöiïinannS).

Sïnmerïung. ïliaii bebiene fid) bcr Prateritalformen. tnenn bcr Ontiatt bcr inbireften 9iebe alê entfdjicben faïfd), afê er logen fotl ^ingeftefit luerbcn, nnb bcö Onbif n= t i ö rtcnn berfeïbe atê aügemein rid)tig, alê ob je ft id feftftef)enb bejeicljnct iucr= ben foü. 3. 23. Er firzühlte mir, er //«^edie Arbeitbeendet; seine Schwester ober versicherte, er hahe noch gar nicht angefangen.

Üöi'fi^aïb njcd)feTn in folgenbem Salje Onbifatiu nnb ^lonjunftiu ab: Ich versichere Ihnen (Sie), dasz er der Schuldige ist, dasz er das Verbrechen begangen hat, mogen die andern schwören, dasz er nicht schuldig sei, dasz er die That nicht verübt hahe.

ocr page 134

128

©cftlujjÊemci'tungcn. I. Saê O m p c r f e f t her bireften ïRcbe gefjt in bcr inbivettcn 9u'bc (natürlid)) in bnê ^erfeft ükr O'. Süifg. 90).

2. ®ic 'ipriiteritalformcn bcS fionjunEtitiê, njctdje fdjon in bcr birettcn 9icbe oorEommen, roerben (natürlid)) in ber inbireften 9iebe 6ei6e^alten (f. 2litfg. 91).

84.

1. ©utf)c auê 32» 83 brei, cmS 9?° 81 Dier unb auS ben 92^ 74 unb 80 einen ®al| mit inbireEter Sïebe, unb fdjreibe biefclkn ratf.

2. Segrünbe ben ©ekandj ber ^onjunttioformen in folgenben ©ci^en;

SBenn man aüe @efei|e ftubieren folltc, fagt ©oet^e, fo l)atte man gar feine ^eit fie ju übertreten. — ^n bem gaulen fagt ©afomo, er folic jur Slmeije gcf)cn itnb Don ifjr (crnen. — Sê Iief;e fid) aüeS trefflid) fd)[id)tcn, fönntc man bic ©ad)cn jroeimaE ocr= rieten. — ÏÏJEandjer SOtenfd) ()anbclt fo, atê ob er nie ftcrben mü§tc. — Unb böte er mir and) bic §alfte feincr 9ïcid)tümer, rief ber braüc ÏOfann entrüftet au§, id) tl)atc cS md)t; benn ronö plfe cS mir, roemt id) bic ganjc 2öe(t gcroönnc unb naf)inc ©d)aben an mciner ©eele? — Ser Üönig forbcrt, bafj ber 93cfcï)[ fogteid) üoU= ^ogcn rocrbc. — Sein ©d)mcr, ift fo f)er6, baB i()n bic ^eit nid)t übcrroönbc 1). ïïiemanb ift fo gelcfirt, bag er nod) nit^t ju terncn f)attc. 1) fenne fcinen SRenfd)cn, ber gcroiffcnf)after roarc, 1) atê bein SBruber. QS giebt fcin ®cfiif)t, baS oon unferm SBcfcn fo un» ^evtrenntid) roare, atë ba8 bcr grei^eit, fagte gricbridj bcr ©rojje. — Sief er 2Jiann ift 511 gcijig, at6 bafj er and) nur cinen pfennig rocggcgcbcn t)attc. 2) @r roar 51: fcf)r ermübet unb abgcfpannt, ats baB mir auf neuen ©trapa^en t)attc 2) @efcttfd)aft tciften tönncn. — ®eu mDd)te id) bcneiben, cr fei §crr ober ^tncdit, ber mit feinem S08 jufricben ift. — 2Benn e§ feine üöüften gabc, fo gcibc cê feine Oafen.

1) unb 2); ïïgl. bie 2d)luB6cmcrfimgcn (a unb b) Scite 126.

ocr page 135

129

85.

^jcmble cbcnfo mtt fofgenbcn Sa(jen:

iöenn atte gutctt ^anbfungctt bcfoljnt raürben, fo gciDe cê ba(b teinc Xugenb moljr. — «ebe, nfö müfjtcft bu cung leóen; (ebe, alê müBteft bu morgen ftcrben. — Reiner ift fo rad), ba§ er nor bem 53cttelbrob fid)er racirc. — i'Bcntt Oranien bem 9iate ®gmont3 ge» folgt mare, jo ^atte er ^ugleid) mit bie)cm fein Seben rcrloren. — 2Sie )ef)r er fid) aud) anftrenge, mit öiefer 3hifgabe tmrb er of)ne §ilfe nidjt fertig. sJhin, fo f)offe id), bag bu itjm ^etfen inerbeft (roirft). — „3Ser(affen ©ie biefen Unglüctüdjen nidjt,quot; rief id) nuê, „bamit er nid)t oerjroeiffe.quot;

ïgt;ie römifdjc @efd)id)te erja^ft Bon bem Sonful 9iegu(ui5, ba§ biefer con ben .ftartfjagern gefd)(agen inorben unb in @cfangeiifd)aft gcraten fei; bag ifjn bie Sart()ager nad) 3Jom gefdiicft (jcitten, bamit er fetne Sanbêkute jum grteben roten möge, bn§ aber ber ^onfuf, in ber ÜJMnung, er tonne feinem Saterfanbe fo am beften bienen, burd)au8 nid)t a(ê ^riebenêbote nufgetreten fei. Gr müffe jur ^ort5 fe(jung beê Sriegeë raten, fagte er im ©enate, ireil bie Sart£)a= ger o^ne @c(b unb ïru^pcn feien, feinen tnd)tigcn gelb^errn met)r befagcn unb nur geroinnen moKten; o^nefjin, bc!)auptete er,

miipten bie gefaHenen ^rieger geradjt mcrben unb roürben bie 9iömer burd) Stnnatjine ber ^riebenébebingungen ifjren firiegê= ru§m einbiiBen. — ïgt;ie 9fömer tjaben erja[)(t, bag jReguIuê bei feiner 9iüdfef)r unter auêgefud)ten Dïartern f)ingerid)tet roorben fei; neuere ©d^riftfteller jebod) öerftc^ern, bafj man aüeê bieê für eine romifdje @vbid)tung paften bürfe. —

86.

Ten tijde van Alexander den Grooten verspreidde de beruchte zeeroover Diomecles alom schrik en ontsteltenis. Eindelijk werd hij gevangen genomen en voor den Macedonischen koning (-iicc.) gebracht. „Vermetele!quot; - aldus sprak Alexander hem 1) aan, „hoe durft gij het wagen, de geheele zee en bovenal de kusten der Middellandsche zee onveilig te maken en alles te roeven, wat onder (in) uw bereik 2) komt?quot; Zonder de minste ver-

9

ocr page 136

130

legenheid antwoordde de zeeroover: „ Wnl, 3) machtige koning, ik doe het enkel en alleen om 4) mijn voordeel. Doch, wijl ik maar één schip heb en mij dus slechts van een geringen buit kan meester maken, heet ik zeeroover en word ik veracht en vervolgd. U echter, die een geheele vloot tot uwe beschikking hebt en geheele koninkrijken vermeestert, u noemt men Veroveraar, u looft en roemt men. In het wezen der zaak echter bestaat er tusschen ons beider handwerk geen verschil.quot; Dit kloeke antwoord beviel den koning zoodanig, dat hij Diomedes in (?:cc.) zijn dienst (pl.) nam.

Dezer dagen las ik in een wetenschappelijk werk, dat wij ons het gebaar tot bevestiging (art.) nauwelijks anders dan een knikken met het hoofd (©en.), dat der ontkenning nauwelijks anders dan een hoofdschudden konden voorstellen, daar ons Europeanen — volgens de meening van Darwin - dit gebaar als 't ware aangeboren was. De geleerde schrijver beweerde daarentegen, dat de Oosterlingen en vooral de Arabieren van Syrië bij het bevestigen het hoofd schudden en bij ontkenning het hoofd in de hoogte (3icc.) wierpen. — Bijna evenzoo 5) moet het met het wenken gesteld zijn. Terwijl wij den persoon, dien wij ivillen wenken, 6) den rug der hand toekeeren en hem als 't ware naar ons toe 7) zoeken te trekken, moeten de Zuid-Italianen, de Oosterlingen en de meeste eilanders 8) der Zuidzee de mot de vlakke zijde naar onderen gekeerde hand plotseling «aar heneden bewegen, 9) zoodat wij geneigd zouden zijn 10) te meenen 11), dat eene afwijzing bedoeld was.

}) i()n {vóór Alexander). 2) 93creid) (£. 2) 3) (H. 4) um — roillcn. 5) sï(l)nHc(). 6) bcr Jpevcmsuttintcnbc. 7) Ijerati. 8) Snjulcmer. 9) Ijerab» idjncflcn. 10) mogen. 11) glauftcn.

87.

(Scgc ba8 SBcdi in bic paffenbe gorm;

OtI) öcrlangc unb cvmarte, baj3 jcbcrnmnn ffinc Sdjulbigtcit (tljun). — ®er Scttelfacf fagt trie, tr (^aben) gemig. Sato iroUte, bajj Savtfjogo jcrftört (locvbcn), wei! cr fürd)lctc, bn§ bicfer ®taat wiebcr ju Svciftcn (fommen). — ®ulbc ni(^t, baf! ciquot; Scfjmcicfjiei' baë bcincê greunbeê (oevgiften). — (Sin gciuifjcê Spvidjnjovt fagt, bafe bie Scingc 1) bic Saft (tragen). — „^icle gut,quot; ricf ©efïleï bcra angftüdjcn ïcll ju, „jicte gut, baf? bu ben Slpfel (tref=

ocr page 137

131

fen.quot; — Sffiir gingen rafdjev, bamit roil- fcfineöer an'fi (fotn5 men). — ®er Ung(ücflic{)e fleste hie @Dtt()eit nn, baf; fie itp ^)ilfe (fdjicfen) ober einen 3tnêroeg (roeifen). — iffiir fpielten nid)t, roeil roir füidjteten, bag roiv bag ®e(b (uerlieren) unb unfve 9ïeife nirfjt fortfe^en (tonnen). — Sir fiofften, bay er balb (tommen) unb nnê ^)ilfc (bringen); aHein er fam nidjt. — ®ie geinbe bc= forgten, roir (raerben) bei nad)tlidjer Stitle it)r Sager überfaüeu. — ©djifler )agt, bag ber 'Xid)ter nidjt einem jeben gu gefatten ftrc ben (follen); roenn er cê nur roenigen redjt (ntadjen), fo (tonnen) •er jufrieben fein; alien 311 gefatlen (fein) fdjlimm 2). — 2l(ê er mid) fragte, roeffen §anb grower geroefen (fein), bie §anb lt;Sd)\U terS ober ®oelt)eê, nnb id) bie 2lntroort fd)nlbig btieb, fagte er, baj? eê bie ^)anb @octt)eê geroefen (fein), roeit èdjitteré „^anb» ]d)ut)quot; nidjt liber @octt)e« „^auftquot; (get;cn). — Xie ^arifaer nnb ©abbneaer forberten, baf; OefuS ein ,3cid)en öom ^immet (taffen).— 3}fofcé oertangte, bag bie Sêractiten anS ?igt)pten (roegjietjcn) (3mvf.). — SJBir (roerben) nnê oft unfrer fd)önften ^anbtungen fd)amen, roenn bie 2Bett bie 33eroeggrünbe (fetjen), roetd)e fie t;er= Borriefen. — 9)?an (fotten) fid) bie 2}ïcnfd)at nid)t atê gar jn gnt üorfteHen, fagt ein ^tjitofopt), benn baburd) (gef)en) man ber @efat)r auê bem SBege, bicfetbeu nad)l)cr gar yi fd)ted)t 311 finben.

1) Siicbcvt. het einde. 2) ïebaif luol)( ber Grtlcivung.

87*.

Een vader zeide op zekoren dag tot zijn zoon, een jongen medicus, dat deze, als hij dan toch volstrekt als specialiteit wou optreden, liever tand- dan oordokter moest worden, daar de mensch 32 tanden en maar twee ooren had. — Tot een wel-gedanen geneesheer zeide eens iemand: Dokter 1), wanneer het uwen patiënten zoo goed gaat als u, dan gaat het u slecht. — Op de aanmerking van een dienstmeisje, dat hij vreeselijk slecht woog, antwoordde zeker winkelier 0!lrt.), dat hij dit om harentwil 2) deed, wijl ze daardoor minder 3) had te dragen. — Zijn er zulke menschen? Ik las onlangs van een professor, die bij een schipbreuk naar (an) den nabijzijnden oever was gezwommen, maar zich onmiddellijk daarop weer in de golven gestort, en met groote inspanning zijne vrouw uit het vochtige element gered had. Op de vraag van den verwonderden kapi-

ocr page 138

132

tein, waarom hij niet direct zijne vrouw aan land had gebracht, zou de verstrooide geleerde hebben geantwoord: „Maar ik moest toch eerst mijzelf redden!quot; — Een vader zeide eens tot zijne dochter, die hem iets voorlas, dat zij met meer nadruk moest lezen. „Maar papa,quot; merkte het meisje op, „daar staat toch duidelijk: Nadruk verboden 1quot;

Het is goed, dat de toekomst voor (o.) ons verborgen is. Want zoo (rocnn) wij wisten, dat zij ons ongeluk bracht, (io) zouden wij wanhopen, daar wij alsdan geen mogelijkheid zouden zien, het te vermijden; de bestendige gedachte daaraan zou ons alle vreugde ontrooven 4), en ons weerhouden, krachtige en doelmatige middelen tot afwending van het dreigende onheil te nemen 5). Hadden wij daarentegen de zekerheid, dat ons geluk en zegen te wachten stond, dan zou onze energie verslappen, onze ijver verkoelen; wij zouden de handen in den schoot leggen en daardoor het genot missen 6), dat met de moeitevolle wegruiming van vele hindernissen is verbonden.

1) pag. 36, pag. 64. 2) pag. 59; (obec:) iljr juücb. 3) Icidjtcr. 4) raubcn. 5) crgreifen. 6) of derven = cntbcfiren.

88.

Mijn broer klaagde, dat het gebruik van den ftonjunttiu iigt; het Duitsch voor hem een steen des aanstoots was. Toen ik hem vroeg, hoe hij tot deze ontmoedigende meening gekomen was, hief hij vele jeremiaden aan: men had (zeide hij onder anderen) met moeite eenige regels geleerd en zich wijs gemaakt, dat men nu behoorlijk beslagen was; vol moed toog men aan 't werk (ace.) en . . . En (viel ik hem in de rede) 1) men verneemt later, dat men nu hier dan daar tegen de taal gezondigd heeft, hoe nauwgezet men den regel meent te hebben toegepast. — Ik had moeite, mijn broer (Sot.) te doen inzien 2), dat het vooral op het gebied van den conjunctief bijna onmogelijk was, vaste 3) regels op (an) te geven, en dat men beginnen moest het grondbegrip, waaruit de zoo gehate 4) regels meer of minder onmiddellijk voortvloeiden, volkomen 5) in zich op te nemen. Ik herhaalde hem, dat de conjunctief de Mogelijkheidsvorm wordt (tDirb) genoemd, en dat hij (dezelve) dus gebezigd moet (?taf. fionj.) worden, zoodra men de niet-wer-kelijkheid van een handeling of toestand wenscht te doen uitkomen; wat b. v. het geval is bij veronderstellingen, in toegevende zinnen, in doeluitdrukkende zinnen enz. Verder zette ik hem uiteen, dat — behalve in de „indirekte Redequot; — de

ocr page 139

133

Praesensvormen eene handeling aanduiden, die wel is waar werkelijk kan zijn of worden, maar het nog niet is of behoeft te zijn, en dat de vormen van den verleden tijd eene handeling voorstellen, die eene meer of minder rechtstreeksche tegenstelling met de werkelijkheid vormt.

1) SBort (ïlcc.) 2) tiegvciflidj mncficit. 3) bcftimmt. 4) ocrfjaBt. 5) Bott= ftanbig.

3 0 V t ( C li U U (}.

89.

Eenige dagen later kwam mijn broer weer bij (ju) mij, om mij {®ot), zooals hij zeide, te danken voor de moeite, die ik had willen nemen. Duidelijk, verzekerde hij, zag hij nu in, waarom in de volgende zinnen de conjunctief, hetzij 1) in den Praesensvorm, hetzij 1) in den praeteritalen vorm stond: ®ic gigur abcd fci cin ïrapej, cc jei bic Oö()C- Icbc ber Sötlifl! ÏSiivc cr nur ju ■Viaujc gct)(ic6cu! SBcnn cr Pfjarattcr (jiittc, nafjmc cr fctn ïllmojcn art. S)o§ f)aitcjt bu nidjt uittcrlafi'cn bürfcn. 3rf) mare faft in» ®aifer gcfaflcn. ©r fcfiric, nl§ ob cr am Spicf; ftiifc. Veroorloof mij echter, vervolgde hij, eene opmerking: Ik las dezer dagen, dat er (o.) verschil was tusschen de zinnen: „®cr ^lrjt glaubt, bajj id) tranf bin,quot; en „Ser ïlrjt glaubt, baü iti) franf fci; dat namelijk de spreker in den eersten zin het (o.) met den dokter eens zou zijn, in den tweeden evenwel niet. Nu, dat begrijp ik heel goed: maar herhaaldelijk heb ik zinnen aangetroffen met een indicatief, die volgens dit grondbegrip conjunctief had moeten wezen. Zoo zou iemand kunnen zeggen: „®cr ïfrjt glaubt, baf; irf) franf bin,quot; ook wanneer hij zich zelf voor gezond hield. — Ik betuigde 2) mijn broer (Sat.) mijne vreugde over zijn flink 3) nadenken en vei--telde hem, dat de indicatief dikwijls gebruikt wordt (vooral na werkwoorden als: Ijoffcn, glaubcn, crroartcn, fürdjtcnenz.enz.), wanneer er volstrekt geen gewicht op de uitdrukking 4) van de wijze wordt gelegd; dat men in 't algemeen den conjunctief — behalve in de inbircttc 9!cbc — niet zonder bepaalde reden 5) moet aanwenden en dat deze wijze, die bij ons weinig meer voorkomt, in het Duitsch sterk aan 't afnemen is.

1) c§ fci bcnn , .. ober. 2) auëfprcdjcn. 3) tüdjtig. 4) 33c,;ctc()nung ('Mcc.). -5) ®runb.

90.

33cmcrfung. 33gl. ©.128. ïnê 3 m p c r f c c t u m bet bircf»

ocr page 140

134

ten 9vebc ge()t in ber inbirefton 3iebe in ba« ^crfcctum nOer; ^ 23-Sic frafltc mid): „ÏÖatum f n m ft bu nirf)t früfjcr V' Sd) autmortetc: „3c() f o n n t e nid)t fvüf)cr tommen, rocit bie 9)luttcr franf ro a r.quot; — (3nbircft :)■ Sic fragte mid), warum id) nidjt frü^er gefommen jei. 3d) antmortete, bnB id) nid)t friifjev fjfittc (fiit fiabe) tommen tonnen, nseil bie Wutter tvant gemejcn (i e i). [ffianim Dattc ncbcn fei?]

25ennnnblc in bic inbivcftc 9febe;

„ffltmim lacficn Sic, lucnn id) üorbcigefjc?quot; fragte mic^ cin ?0?obcgc(f, a[S cr mcin ^enftev pnffiertc. Od) cnaibcvtc fragenb; „2Bai-um geticn ®tc oorbci, racnn id) Iad)e?quot; — „sJJun 1),quot; fragte ber ®ottor ben 93auent, „mie ftnb bie 3ge( 3^rer gran bctommen?quot; „Qn,quot; 1) antmortete ber 0d)laumcier: „brei f)nt fie fd)on gegeffen,. aber ben uierten b ringt 2) fie nid)t f) i n u n t e r.quot; — 9)?cin SB ruber fragte mi^; „®e(d)eê ^ferb fie()t l)inten fo gut luie uorne?quot; 3d) antmortete: „Sin blinbeê 3)quot;. SDarauf fragte id) it)n: „ÏBann tann man ®affer in einem ©iebe tragen?quot; @r antmortete: „quot;©aS tann man, roenn eê gefroren ift.quot; — Snfar fagte: „3d) tarn, fa!), nnb ftegte.quot; — ^anluS fagte: „Da id) ein fiinb roar, rebete id) mie ein Stinb.quot; — „Tic .ftunft,quot; fagt @oct()e, „tann niemanb förbcrn ais ber iDïcifter. ©önner förbcrn ben ^ünftler nnb baê ift red)t unb gut; aber baburdj roirb bie Snuft nid)l gcförbcrt.quot; — Sin §err fragte cine ®amc, nad)bem er fid) fd)on einc Sigarre nngc= jünbet t)attc: „SDÏein graufcin 1), geuiert ©ie baê 9ku^cnaud)?quot; 3)ie ®aine antmortete: „3d) mcig e6 nid)t; bis jcljt I)at nod) nie ein jperr in mciner ©egenroart geraud)t.quot; — „®cib t)efd)eibcit in curen gorberungen,quot; fagte bcr Sater ju uné; „benn roer ju niet roill, erf)a(t gcroD()n(id) rocnigev, ntê er ju ocrlaugcn baê 9kc^t ()attc.quot; — Sin rocifer üïïann fagte ju feincn '£d)ü(ern: „Srrocrbt end) ®ütcr, bic, roenn 3^r (g^iffbrud) Icibct, mit end) anê ?anb fd)iuimmen.quot; — ïïttifa fagte uon ben ©ermancn: „Sic roerben nie I)crrfd)en lemen, roeit fic nie fjaben gcf)orc^cn temen.quot;

1) gaat in ber inbircttcn 3ïcbc natürlid) weg, fo tnie and) jebeë ?ln-icbeirovt.

2) l)tniintcr6ringen = er door krijgen. (Sgt;g[- (ïtwn§ nidjt übcr'§ ^erj bringen tonnen; einen S'edcn nu§ bem fileibe tjerausbringen; cin 0(^(0^ nid)t nufbringen tonnen etc.).

3) 3n cincn OoKftanbigen £atj ju oeriranbeln.

ocr page 141

135

91.

Die inbircfte 9Jebc in bie bivette 511 cenuanbcln.

2Bir baten unfrcn jnngcn ^rciinb, cr möge unS bnê ©pric^mort: „Sanger Spieler, alter Settlerquot; erflaren. 2Ber fid) )c[)on frii^ an baê ©piel geinö^ne, meinte er 1), in bem erftarfe bie ^eibenjdjaft; er terne ben SRüjjiggang [ieben nnb fange aümci^Iid) an, bie Hrbeit al8 cine geinbtn ju betrapten. quot;Muf biefc 9Bei)'e bringe er fein SBermogen burd), gerate unöermerft in Sürftigfeit, imb muffe a(S ©reis bie 2Bot)(tf)atigfeit anberer Sïïenfc^en in 9(nfprud) netjmen. — 9I[é er feine Slufgabe geloft tjatte, erfudjte er uné, mir mödjten aud) ifjm etiuaS, 5. S. cinen 3Bi§ erjcüjten. ®a eqdf)(te benu 2BiI[)c{m, mie eiue Dame iljrer 9Jai)terin, ïlfamenê Sifette, befü^leu l)obc 2), fie fottc eiit Du^enb ïafdjentltdjer faumen imb biefelben ungefaumt juriiefbringen, fobatb fie gefiiumt feien. — §einrid) ei^citjite üon ein paar Dieben 2), bie auf bic ga'tige beê ®erid)t8= prafibenten, mie fie baju gefommen feien, ben Sirt nidjt uur urn ein Ü)ïittag«effen ju betrügen, fonberu i()m aud) nod) baê 33eftecf fortjutragen, unnerfroren antroorteten, fie (jatten baéfelbe nerEaufeu moUen, bamit fie ben SBirt bejagen fönnten 5). — Sar( erjcifjlte 4) non einem 23ett(er, ber auf bic normurfênotle SBemerfung cineS §errn, baf; er fid) fdjamen folie langer ju bettefn, meit er bod) oor Eurjem einen 53crmaubten beevbt, ber iljm ein ffeineê 93ermögen ()in= terlaffen f)abe, ermiberte, bajj baS mil ber Srbfdjaft aücrbingê feine 9tid)tigteit ()abe, baf) er abcr bcé^atb nid)t ... faulenjen bürfc. — 0d)lief^id) erjafjEtc id) uon einem 'X^eaterbefuc^er, ber auf bie grage, me^aEb er mof)[ meine, ba bod) bie Scene nid)t fo rü()renb fei, antmortetc, bajj er über fein Siutrittêgelb meine. — 9?npo(eon I fagte, boj} baê ein fonberbareê S3udj fein mü§te, in bem feine Sügen ftanben. — Dief er @t)rcnmann bel)auptete, ba^ er baê md)t tt)un mürbe, menn man iljm and) goftme Serge uerfprac^e 5).

1) Gt jngte: „SSer fic^ jdjon frü^ etc.quot;

2) 3. 33. Sijctte, i(f| bitte Sic (ober) §ter Sijettc, f^aben Sic cin ^uljcnb jc.

3) 3. S3. 6r erjntjlte JyolgcnbeS: $cr ©eridjtsprafibent fragte zc.

4) 3. 93. fiarl erjaïjüe Solflcnbeg: „®in §crr fngte :c.

5) SSflt. Sd)[ui;6cmertung 2 (geite 128).

ocr page 142

136

ï c v 3 n f i ii 11 i D.

3)cr Qnfinitio tvitt tm Dcutjcfjen, cbcnfo luie bei unê, hatb a U tcinfieljenb nlê £ub|tantio nuf (Das Turnen erhitzt; das Essen unreifer Friichte ist schiidlich; das Essen ist kalt geworden), baib in 33cibinbung mit anberu 35crben, unb jruar meiftcnê in 58e= gfeitung ber ^rapofition (]u.

Seifpiefc: Su fannft (magft, foflff) fldjen. (ïv fling (ritt, ful)r) f p o 5 i e r c n. 6r madjfe mid) I a d) e n, j 111 e v n k. 6r tnoflte mid) g ( a u li e n matsen, tiafe ic. (ir (jat nid)t avbcitcn mollen. — ït^o (jnft bu lügcn Icrnen (gebrandilicliev: gclevnt); luer I)at bid) lügcn leïjren (gtbraucii» tidier: gelctjrt)? •tinft bu ntd)t§ rnufdicn f)ören, füegen jcljcn'! (h' half mir avbeiten. 3d) I)offtc, il)n reilen 5 u f ö n n c n unb t)criud)tel bn§ ®d)iff 3 u etrcid)cn. §öquot;e auf ju f pielen unb fange nn 511 arbeiten. — Sgt. nod): Jin gefjeijten Stuben id)lafen ift nngefunb unb: (f5 ift ungejunb in gebeijten Stuben ju id)laten.

ïtnmerf. 1. $er Jyufinitiü mit 311 inirb oft ba§ Supiu (supinum) genannt.

Slnmerf. 2. e i f; e n (= bevelen, heeten) I)at ben Snfinitio 0 1) n e ju bei fiib; bci0 Subjett Piejc? SufinitiDê fte()t im Stccujatio. 9)lan «er= gleid)e: Er hiesz mich das Pferd bringen (unb:) Er liiesz mir das Pferd bringen. — (spgt. loiJen, S. 117).

2)ei4 Ocbraudi beê Snfinititiê ift in fotgenben fatten in ben bci= ben gpradjen öcvfdiicben:

I. 43et ben Seibcn hlijvm, doen, gaan, gelieren, pogen, trachten, vermogen, zoeken Ultb darren (= nmgen, firf) gctrnucn $• 114) ftcljt

ber Suftuitiü ftatt öc? ',iueitcu im X-cutidien bfcibt

ba§ 'partijip bcibe[)a(tcn.

3gt;gt. Hij is blijven zitten -= er ift fitjen g e b l i e b e n. Ik heb liern doen weten = id) t)nlie i()nt 311 nuffen ge tl) au (ober if)n niiffen Inffen) Hij is gaan wandelen = er ift fperjieren g ego n gen. Hij heeft het niet gelieven te doen ^ c§ b11' 'bm quot;'tb* b e 11 e b t e® 3U tl)un Hij heeft mij zoeken (pogen, trachten) te misleiden = er bot mid) 311 taufd)en g e f u d) t (oerfud)t, getrndjtet). Ik heb het niet durven pro-beeren — id) !)citie e§ nid)t 311 oerfud)en g e ro a g t.

II. Gaan, komen unb blijven, infonbcif)eit gaan, merben bet unê oft alê cinc 9(rt l f S u c r b a öor Snfinitivicn gebranc^t; gaan unb komen yir 23c^eid)nung cincr bcginnenben ober bcoovftc»

ocr page 143

187

Ijenbcn §nnblimg (ogf. fran^. aller), blijven jur Scjci(f)nung cincr rovtbaucvnbcn ïfjiitigfeit. — ®ic« ift im ®eutfd)cn nur feiten ber jyaU. Wcficil luivb nur nut roentgen Onfinitbcn oevbunben (f)aupt= iarf)lirf] mit f p a 3 i e r e n, jagen, f d) I a f e n unb b c 11 e I n) unb brücft atêbann immer nod) cine SSeiuegung, ein ©etjen auS; fotttltlCIt luirb fn)t uur mit ju liegen, ju ft e f) e n unb 511 1 i (5 e n üerbunben. ((h- ficl unb fam nuf beu Siücfcn 5U lieden; cr font nebcn micf) 511 fiijcn, 311 ftctjcn); Mciklt fte!)t nur mit gangen, f i t? e u, 1 i e g e u, )t e d e n, ft e f) e n unb m 0 f) n e n, bic eine 9iu()c auSbrürfen.

33ei «jeitern bie meiften Sage, mo gaan, Urnen unb Uijven nor cinem Sufinitiu ftefien, müffen im ®eutfd)en anberê miebergegeben luerben. 23alb (iigt man gaan einfad) meg, balb gefcraud)t man ro 0 l (e n, batb g e f) e n mit nadjiolgenbem u n b, amp;a(b g c I) e n (unb f ommen) mit ju ober utll Jll Cmenn nam(id) ber 3ufini= tiü aï§ 3'c t .gcfnilt merben faun), ober man roaljft (befonberë bei b [ e i D e u) ftatt befi oufinitioê eine anbere fyorm.

SOïan prüfe fofgenbe Seifpiete unb ttbe biefelben ein:

Daarop gingen zij hem uitplunderen, barouf plünberten (joflcn) fic t()n aus. Ik zal eens even gaan hooren (informeeren), id; mitt mid) cinmal ertunbigen. Gaat gij ons verlaten, moflcn £ie mis Bcrlaffcn? Ik ga mijn vriend bezoeken, id) flctje nieincn Srcunb 31! befudjen. Ik ga een boek hoopen, iet) geïje um ciu 93ud) ju faufen. Ik ga wat werken, id) flefje au Sic 'Jlrbcit De avond gaat ber ?l6cnb ïommt

tjeron, brid)t (jcrein. Pas op, het kruit gaat aanstonds ontploffen, bal ^uluer luivb fllcid) crplobicreu. Men gaaf direct beginnen, man loirb glcid) nnfangsn (beginnen) Hij ging in den hoek staan, ging op den stoel zitten; er fteflte fid) in bic éde, fcljte fid) auf ben gtuljl. — Hij Tcwam ons waarschuwen, cr fam un§ ju mnrucn. Kom mij afhalen, to mme unb I)oIc mid) a!). Ik hen te weten id) fyabc licruommcn,

(obcv) in ®rfal)tung gcbrad)t. Hij is komen te overlijden, er ift mit ïobc abgegangen. — Hij bleef doorpraten, cr fu^r fort ju plaubern. Hij bleef mij aankijken, cr blictte mid) unuerlunubt au (ober: fuf)r fort :c.). Hij bleef zich verzetten, cr blicb luibcrjpcnftig. Hij bleef weigeren, cr bcbarrte bei feiner SBcigcrung. Hij bleef leven, cr blicb nilt 2cbcn. Het hljft maar regenen, e§ regnet beftiinbig (ober) in cinem fort.

ITL 23ci nnö fte()t ber Qnfiuitin tjanfig n(ê 3(ttviBjlt HOI cilicill

(Sitbftantlï), 5- 93. De te lezen hoeken zijn verzonden. —

ocr page 144

138

3)icfcr Snfinitio, roeleer bic Scbcutung eineS ^artijipS ber 3 u t u n f t (jat, nimmt im ®cutf(^cn bic gorm bcS cvftcil ^ar= ti.Üpé art; 5. 33. Die zu lesenien Bücher sind versandt. Das ist ein leicht zu erfiillenier Wunsch. Die zu Uherivindenien Hinder-nisse schreckten ihn nicht ab (Sgt. Stufgabe 86, fi).

IV. sJhir narf) öl'ci ^rapofitioncn fnnn im ®euffcf)cn baê 2 u p i n ftc^cn, namlid) nad) oljIIC, ftfltt imb HUI; bei un» anjjcvbcm uocf) nad) door, met, na, van unb nad) alvorens unb ten einde.

33cifp. Otiue zu (jrilszen verliesz er das Zimmer. Statt selbst zu kommen, schiekte er den Bedienten. Um eine Mücke zu verhren-Hen, braucht man keinen Scheiterhaufen anzuzünden.

Ïl6cr : Alvorens te handelen, diendet gij uwen vader te raadplegen. 6()c (bc»ot) Sic I)onbeIn, follten Sie 3()rcn Skater ju üïote jictjcn.—■ Door zoo te spreken, zoudt gij velen krenken. SB c n n £ic )o jpra= d)cii (obtr) buvd) biefe SSBortc roürbcn Sic uielc tviinfen (b e b t n g e n b). — Vrouwen en kinderen liielpen den brand blusschen, door water aan te dragen: SBeibcr unb ftinber fjolfcn ba§ geucï 10)d)en, i n b e m fie SBaffcv Ijerantrugeu (®runb). — Hij begon (eindigde) met te verzekeren, dat hij een eerlijk man was; cv fing banüt an ()c()loü, cnbctc bamit), baf; cr Bcrfidjcrte, (ober:) cr fing mit bcr SBcrfidjerung an, baft jc. — Na allen gegroet te hebben, verliet hij 't gezelschap; narf)bcin cr alle gegriigt (jatte, WcrlicB cr bte ©ciclljdjaft. — Wel verre van zich te verbeteren, werd hij met den dag slechter. Si'cit entfernt, ba|; cr fid) befferte, wurbc cr tiiglid) irfjlcdjtcr. — Ten einde cntfpridjt bem bcut= jd)cn um (mit Snfinitiu) unb bamit (S. 124, 4).

V. SS5ii' fe^cn bic 'picipofition om oft unnötigcnreifc üov ben Snfinitio; beï ®cntfd)c gc6raud)t im aügemeinen nnr bann UJll JU 1), lucnn mirtlid) ber 3 ,u c ^ ö c r ï () a t i g f c i t auêge» briieft merben fo(( unb miv a(fo ten einde gebraud)cn tonnen ; 3. S8. Er kam, um ein Zimmer zu mieten. Wir zogen nach Hom, um den Pabst zu sehen.

•3n Sn^on mie: De generaal besloot om den vijand aan te vallen en trachtte mij over te halen, om getuige van den aanval te

1

ïlud) tit ucrfüvjtcn fionjctutiBftiljcn (gevolgaanduidende zinnen) ftc()t um ju, menn c§ fidj auf bie »or()crgc()enbcn 'Jlbucrbicn genu g, fo ober ju (icjic^t; 3. 58. 3d) ()a('e Ö5c(b genug (ober) id) bin teid) genug, um cin €gt;aiiê ju faufen. (ïv ift, cr benft 311 cbc(, um fid) ju vad)cn. (®gt. lt;B. 126, b).

ocr page 145

139

zijn, bte 6ci im8 (eiber oft gertug ootfommen, ift om minbeftenê ttbeifliijfig; im ®eutfd)cn luirb cê in io(rf)cn gnt nidjt gc=

braudjt. Sbcufo luenig nacf) ©ubftantiöen unb ïlbj ef tilu-n, J. 33. irt; Ik heb geen tijd (trek, lust) om hem te bezoeken ; mijn doel was om op jacht te gaan. Zijt ge bereid (geneigd, gewillig) om mede te gaan ?

VI. quot;Jfnd) staan, zitten, liggen unb loopen bejeidjnct bei 11 nê baö Supin öfterS eine gteidjjeitige ^anblitng; bieDeuU fdjen f'ennen biefe gortn nid)t; fie gebvnn^en bie gleidjjeitigc ©prudjfovm (b. (). (onjugiertc goviu) ober ein lcj partijip.— S8gl. Hij lag te slapen = cr lag unb )d)(tef. Ik zat te spinnen voor mijn deur = id) jaR unb jpann nor meincr 2;f)ür (oScr) iEpinncnb fog t(^ btt. Hij' liep te spelen = cr lief unb fpielte. — Spaben bieje 3eits mörter i()re eigcntlidje 93ebentung ganj üerloren, fo (cijjt man fie im ®eutfd)en gen)ö()ntid) unüberfegt; 5. S8. Lig toch niet te zaniken! •Ö ö r c büri) nuf ju quengetn. Hoe lang hebt ge nu al op die teeke-ning liggen knoeien? SBic Inngc haft bu nun fdjon an bcr 3cid)niing hcrumgcftümpcrl ? Hij lag te zieltogen; cr lag in ben ld;ten Sügcn. Staat ge n weer te vervelen? Öangrocilft bu bid) jdjon roiebcr? Wij hebben een uurtje staan (loopen, zitten) praten. 28tr Ijabcn cin Stünbdjen geplaubert.

ïas ^avtijip.

9(ud) oom ^artijip gilt, maê mir fo oft roieberfjott fjaben, ba§ niimlid) ber ©ebrand) beêfelbeit im groten unb ganjen in ben bei» ben 3prad)en übereinftimmt. @0 ftefjen bie ^artijipien;

1. alS attributine Slbjeftiue; bcr fpiclcnbe finabc, ba§ gc= ftpfjlcnc ®clb.

2. alS prabifatioe 3(bjeftioe: $ie Sdjlodjt war entfdjcibcnb; bcr Clublid war entjüdcnb. $er ®d}(iiifcl ift ncrlorcn.

3. als SlJïittct jur 33 e r f ü r 5 u n g aböerbiater 9?eben= f ö § e; Seinen ©egnern ben Dtüden m c n b c n b, Bcrlicf; er ben Saai. ®a finft er an'S Ufer unb toeint unb flefjt, bic §anbc jum 3cu§ er f)06en.

Slud) iriirb bas le ^Partijip (bedrijvend deelwoord), lucld)c§ feiner sJ?atnr nad) ttftiüC 33ebcutung (jat (ber fingenbc Sogcl) mcilcn in p a f f i 3 e in ® i n n e gebraudjt, mie umgcfeljrt baê 2e ^3 a r t i 3 i p {lijdend deelwoord), mel^eS feiner 9?atur nad)

ocr page 146

140

m'fhje 33cbeutung [)at, in aftiöcm 0innc; 3. 23. Ginc ftiH* idjiMetHcntie Scbingung, cine Jitjcnbe 2c6cn§wei!c, cine jc^minbelnte cinc iclftftrebcnbc Sorausietjung, bie betreffenbc S3cï)örbc (de betrokken autoriteit), fnljvcnbc ^nbe (roerend goed) etc. — (ïin ftubicrtcr nnb uerbicntcr fflcann, ein cfjvüergcifcncr Sdjurfc, cinc Setrübte Dtadjridjt, 3Bil|eInt her ÏBcrirfjmicRcne ctc.

■Dfan bcadjtc fo(gcnbc Untcvfrfiicbe:

I. Der ^irabifatine ©cbvaucf) bcS 1™ ^artijtyê ift im ®cutid)cn tiicl b c f rf) r a n f t c r a(S bet nnê; ftatt beffen neljme man ein 9( b j e f t i d ober and) cine ©prudiform beê ^eitmortê; 3. 23. Hij is bijziende, welvarende, sukkelende, herstellende = cr ift furjfidjtig, gefunb, njotjlnuf; cr friintclt, beffert fid) (ober gcbraudjlidicv:) er ift nuf bcm SBcgc icr 33cf)crung. Dat is toch vervelend = baS ift afier longtocilig. Hij was zoekende, slapende, wakende, stervende = cr fudjtc, fdjücf, roadjtc, lag nm ïobc ctc.

II. ®a6 ]c ^Partijip niinmt niematê c, mie itnter llmftanben f»ct nnS; bngegen fann cê, f d) e i n b n r prabitatiü gcbvnudjt, bic ^(cjrion beê attributincu ?(bjeftiD§ befoinmen, 3. 23. $cr 9Inblicf war cin überrofdjenber. $cr ©icg mar cin cntid)cibcnber, Bcbcntenber. $er 3nf)alt ift folgenber (= als volgt).

III. $ic SBertürjung bev Stbnerbinffaljc burd) bn8 lc •pni-ti3ip ift im ®eutfd)cn md)t fo geinö^nïid] mie bei unê; oftevê ift ber ©ebrand) eincr Sonjunftion noi^u^icijcn (n f ê, i n b e m, m a f)= r e n b, l» e i I); 3. 23- Verleden week in het bosch wandelend, ontmoette ik ctc. ïlt§ id) horige SBocijc int SCciIbc fpnjicrtc, bcgcgnctc id) :c. De roover, inziende dat voor hem geene genade te hopen viel, wilde de hand aan zich zeiven slaan. ÏÖcil cr cinfal), baf; für itjn fcinc 65nabc 311 poffen fci, molltc bcr 9!nubcr .fianb an fic^ felbft (egen. — Zijne vrienden nog een laatst vaarwel toeroepend, snelde hij de deur uit. Jynbcnt cr fcincn greunben nod) cin Icljteê Ccbcroof)! juricf, ciltc cr t)inau§. Mij een boozen blik toewerpende, verwijderde hij zich. Sr entfernte fid), inbem (wiiljrcnb) cr cincn böfcn ^Btid auf ntid) loarf. Al keuvelende en wandelende bereikten wij het dorp. ®eitcr= getjenb (=marfd)icrcnb, sipajicrcnb) unb Vtnubcrnb crrcidjtcn loir ba§ Sorf. tptaubcrnb ntarfcf)icrtcn Uur wetter unb crrcid)ten fo baê Sorf. 5nt (unterm) ©etjen plaubernb :c. Snbcm mir fo ptaubcrnb »citermorfd)ier= ten 2c.

Stnê bent ïefeten 23cifp. erfie^t man, baf; in bcravtigen Seinen

ocr page 147

141

bei- Öi'braud) beg ^nrtijipê nicl)t öerpönt ift. 3Juc{) bcr ïcutfrfje l'agt gein:

Welir und Waffen von sieh werfend, machten sie sich aus dera Staube (uit de voeten). Ein lustiges Liedchen pfeifend, scliritt er durch das Zinimer. Den Betrug fürchtend, zog er sich zurück.

SBeftimmte SRegeln fann in biefcm puntte bic ©rammatif nirfit gebcn; fie ocvbictct abei: ben ©ebrand) bcr -Participia üon fcill, Ijaüeil nnb bcr mobttfctl •OilfeüeiDcit (Gehoord hebbende, dat etc. Niet kunnende zwijgen en niemand willende beleedigen, ging hij weg).

IV. SBoit benjenigen SBerben, melrfjc im ©entten blog cinctt 3)atiu regieren, fomit i n t r a n f 11 i o finb (j. S. banten, bienen, broken, fjclfen etc.), fann fetn pcv[ön(id)cê ■pajfiDitm gcbilbct werben, eben )'o lucnig alg 5. 8. non ben intranfitiöen SSerbcn m 0 fi n e n, f d) ( a f e n, blltl)cn :c. — 5J?an fage beé[)aib ja nidjt: „Der geholfene Mann, der gehuldigte Fürst, von seinen Freunden geholquot; fen, entkam erquot; unb berg(eid)cn sJfur gefolgt unb g e f d) m e i» d) e (t fommen ab nnb ju in pnffiocm $innc nor. — (®ic^ treiter:

bte 2)atioöcrbcn).

92.

Handelen, zegt Goethe, is gemakkelijk, denken moeilijk, naar het gedachte handelen is lastig. — Vol vroomheid \) dwepen is veel gemakkelijker dan goed handelen. — Het zekerste middel om te worden bedrogen is, zich voor slimmer dan anderen te honden. — Het aankomen is gewoonlijk aangenamer dan het vertrekken. — Ik ging wandelen, mijn broer deed een wandelritje en mijn neef maakte een watertochtje 2). — Hoewel hij heerlijken wijn in den kelder had liggen, heeft hij ons geen glas durven schenken. — Hebt gij niemand zien komen? Neen, maar ik heb iemand hooren komen. — Willen 3) wij gaan lezen of zullen wij muziek maken? Zooals A) ge wilt; ge weet dat mij alles onverschillig is, mits 5) wij ons amuseeren. — Mag ik u, mijn jonge vriend, een goeden raad geven? „Welzeker, waarom niet?quot; Gij moet u (ïut.) afwennen, (van) iemand in de rede te vallen; ophouden met iedereen te verzekeren, dat gij te eerlijk zijt, om te liegen; nooit beginnen met u zeiven te prijzen, alvorens belasterd te zijn; nooit een gezelschap verlaten. zonder de lui behoorlijk gegroet te hebben; altoos . . . „Asjeblieft, schei nu maar uit; ik zal (mir) deze vier punten

ocr page 148

142

gaan opschrijven, en terugkomen, wanneer ik deze gebreken heb afgelegd.quot; - Men heeft mij verteld, dat uw broer ziek was; is dat waar? „Wel 7) neen! Kijk, daar staat hij voor de deur met den burgemeester te praten. Laten wij ons 8) bij de heeren gaan voegen 9).quot; ik moet mij excuseeren, ik moet naar huis, de avond gaat vallen.

1) cmbacfjtig. 2) SlHr crinnern, Sa li bet $eutid)e nidjt nur itrnjicren A e ï) t, jonbcrn aud) jpajiercn v c i t e t unb i ei 1) r t. Kleine fiinber tBcv= tien oon ber 3lmme ipajteren n e t r a fl c n, §unbe roevben ipajieren jc f ü 1) r t. 3) ^ier ift id o 1 1 e n ieljr vidjtifl. Sïii!. ®. 115- 4) mie. ; ) locnn . .. nur. 6) weêfjalti. 7) unüben'etjt (ober) o ; (ober) wel neen = mit nidjtcn. 8) ffiir IDolfen un§. 9) fid) cinem anjdjiicijcn (ober) Ijinjutvcteu.

93.

't Is soms moeilijk den rechtschapen man van den huichelaar te onderscheiden; immers (bodj) de (o.i laatste streeft er naar, den brave in alles (Sat.) na te bootsen en speelt zijne rol niet zelden met talent. De menschenkenner weet echter spoedig den schijn van het wezen te scheiden en den huichelaar te ontmaskeren. — Het verheugt mij, U bij mij te zien. Ga zitten, als 't u blieft 1), en doe alsof gij thuis waart. „Helaas, ik kom 2) niet om te blijven praten, maar om afscheid te nemen.quot; Gaat gij ons dan verlaten? „Ja; mijn vader, die — zooals ge weet — in Semarang woont, heeft mij verzocht over 2,) te komen, ten einde de leiding der zaken op mij te gaan nemen. Sedert oom (•»quot;.) is komen te overlijden, is ook vader (flrt.) sukkelende 4); ik vrees, dat het erger met hem is, dan ik uit de brieven kan opmaken.quot; Het spijt mij zulk treurig nieuws te moeten hooren; laat ons het beste hopen. Vaarwel en laat mij zoo spoedig mogelijk iets van u en de uwen weten. „Ik beloof u, dat ik niet in gebreke zal blijven 5) en wensch u alles goeds. — an-neer gij zoo blijft doorwerken, zult gij eindigen met ziek te worden; men kan ook het goede overdrijven 6). „Gij kondt wel gelijk hebben, ik dank u voor uwen vriendschappelijken raad. En om u te bewijzen, dat ik dien op prijs weet te stellen 7), zal ik beginnen met u voor te slaan, hedenmiddag een flinke wandeling te gaan doen.quot; TJaar ben ik blij om 8): ik beloof u, tegen twee uur bij u te zullen (o.) zijn. „Dat is zeer vriendelijk van u; anders was ik ook gaarne u komen afhalen.

1) bitte (vóór). 2) (eiber fonnne id) (ober:) id) tomme letbet. 3) f)ci= iiber. 4) sukkelende zijn S. 140 I. 5) cvnmnfleln. 6) bes ©uten ju Dief Kjun. 7) jrfjcitjen, imirbigen. 8) = dat verheugt mij.

ocr page 149

143

94.

Uw Amerikaansche vriend schijnt ons voor tamelijk onnoozel te houden; althans hij tracht nu mij dan anderen dingen ivijs te maken 1), die aan Münchhausen herinneren. „Welnu, wat weerhoudt u, hem (Hcc.) met gelijke munt te betalen 2) en iets te verzinnen, dat nog sterker is?quot; Ik zal het probeeren, maar vrees te zullen blijven steken.

Waar is uw boek? „Het is waarschijnlijk op tafel (an.) blijven liggen; als gij een oogenblikje 3) wilt wachten, zal ik het gaan halen.quot; JSfu, ik zal hier even blijven staan; als ge te lang blijft, ga ik zitten.

Sommigen vreezen. dat er hedenavond weer een opstootje zal plaats grijpen, maar ik ben te weten gekomen, dat de te nomen maatregelen de lawaaimakers wel zullen bedwingen. — Waar zijn wij de vorige maal blijven steken? vroeg de onderwijzer. Wij stonden op het punt, antwoordde de oudste dei-leerlingen, den zin: „Hij heeft mij pogen te bedriegenquot; in het Duitsch te vertalen. Als 't u blieft, zeide de onderwijzer, wilt gij probeeren zulks (bas) te doen en tevens opgeven, wat voor eigenaardigheid hierbij in 't oog dient te worden gehouden 4) ? -Een vlieg, die op een wagen was gaan zitten en bemerkte, dat de vlugge paarden groote stofwolken deden opvliegen 5), riep overmoedig uit: Kijk 6) eens, wat voor stof ik opjaag 7).

1) = doen gelooven. 2) letterlijk te vertalen. 3) Scr $cutjrf)c t)at M incitem nidjt fo Bid Sinünuttuformcn al§ loir; and) Ijicr: ?lugcn= blief ober: einen (jalben ïïugenfilief. 4) beocfjteit, int Sluge bcfialten. 6) aufroirbeln. 6) jcf)en (amvcr. spiut.). 7) maefjen.

95.

Al pratende en wandelende bereikten wij de hofstede, waaide boer, dikke rookwolken voor zich uitblazende 2), ons stond te wachten. Hij heette ons (acc.) welkom in zijne woning ($ot.), en mij de vereelte hand reikende, verzocht hij mij (2icc.) in den leuningstoel (®ot.) plaats te nemen. Wetende dat eene weigering hem grieven zou, voldeed 3) ik aan do vriendelijke uitnoodiging. Hij vroeg mij (acc.), of wij allen welvarend waren, en toen ik bevestigend antwoordde, was hij zeer blij. „Ook wij,quot; zeide hij. een flesch wijn op tafel (art.) zettende 4), , ook wij hebben geen reden tot klagen; mijn zoon, die een tijd lang gesukkeld heeft, is

ocr page 150

144

thans herstellende en zal weldra weer de oude zijn.quot; Zoo keuvelend en nu en dan quot;een teug nemende 5) uit de ouderwetsche glazen, sleten we heel gezellig den namiddag en verlieten tegen den (o.) avond het gastvrije huis. De brave gastheer stond, ons herhaaldelijk een laatst vaarwel toewuivend, aan het traliehek voor zijn huis. — De slag was beslissend (mit art) en de vijanden zijn gevlucht. Jammer, dat de dappere generaal ook gewond werd; ik vernam zooeven, dat hij stervende is. — „Hoe!quot; riep hij, de handen van (uor) verwondering ineenslaande 6), hoe, kent gij den veelbesproken vreemdeling?quot; Ja, antwoordde ik, sedert gisterenavond. Maar gij zoudt mij verplichten, met hem niet als mijn vriend te beschouwen. Hij heeft zich onmogelijk gemaakt. Onze taal slechts ten deele verstaande en meenende, dat men hem beleedigde, slingerde hij ons de zonderlingste verwijten naar (an) het hoofd. Wij keken hem verwonderd aan. De vreemdeling, inziende, dat hij te veel gezegd had en geen ongelijk willende bekennen, verliet het gezelschap, zonder iemand te groeten. — Al wachtende kregen wij honger 7) en verzochten den kastelein om een avondeten. Dit werd ons gebracht onder de stilzwijgende voorwaarde (Eat.), dat wij het ruimschoots zouden betalen. — Al doende leert men 8).

2) f)inblajeu. 3) ftolgc (cijïcn. 4) ftcllen. 5) tfjun. 6) jujammenfdjlagcn. 7) übcr Scm SBartcn routbeu mir fjungrig. 8) Übung mnc^t ben ïlïctfler.

^ic ÜHcgicrung OMtion) bcr $cramp;cn unb bcr ^IbjeftiUc.

311 c u f a t i u.

Übcr ben ©ebraud) beê ïtccufatiöS a(S (Srgan^ung üieter 33evbcn fönncn luir unë fuvj faffen; ft^icr überatt rao roir biefeit ^afuê anirenben, ftefjt er au^ tm Deutirfjcn, namlic^: al'é Sbjeft bei tr a n ft 11 o e n herben, alê Siefleyicipvonomen bei ben (echten) veffeyioen 33crben, unb a(§ ^rabifat (bepaling van gesteldheid) bei ben 33er6cn beê e n n e n S. Settere finb: ncuncu, jtf)CltCIt,

ocr page 151

145

f(f)imi)fcu, frfjmiifjcn, tituficrcu ober betitclu; loeiter: ndjtcn, fillbcn, glaitbcn, Vl'Ctleu, lunfjncit, rüljlltcn nnb einige anbeve; unb rait flinjutretenbci- ^rapofifion (nl^ ober für): c (; r c n, o c r= e t) r c n, betrapten, f d) i (b c r n, f c n n c n, c v f c it n e n, n c t) m e n, f) a (t e n, ertfaren, auégebcn; j. S. Ich nnnnte, hiesz, ylaubte, tvahnte, pries ilm meinen Freund. Er hat dich einen Esel (jeachimpft, gescholten etc. Ich ehre, verehre, betrachte, l-enne ihn als meinen Retter. Ich erhlilre, halte ihn für einen Ehrenmann.

2iU(^ bie 3 SBerba: Icfjl'cil, bitten unb frngcit lucibcn oft mil etnein boppcltcn 2Iccit)ottu (einen bcr © a c unb cinert beï ^ e r= | o n) öcrbnuben. 8ei bitten nnb f v a g e n abcr ift bo« ®ncfiob= jett geiüöfjnlid) ein nnbcftimmtcö ^ a f) (= ober ftü r m o v t; befon» berê fceliebt i|t bie Slntnüpfnng bnrcf) bie ^rnpofitionen nut nnb liatlj, fegtereê bIo§ bet f r a g e n.

öeifpiele : Alte Hunde ist schwer bellen lehren (®0riHw.). Ich hitte dich nur eins, nur dies. Hast du mich nichts zu fragen ? — SBaS tc^ frage, bn« mill id) angegeben loifien, ra o n a d) id) frogc, biivüber oevlange id) ^luêfnnft (Sonbcrè). ^rngen nad] =

lui) erfunbijen nad;. — Ich hat ihn um die Erlaubnis etc. um Entschuldigung, Verzeihung etc.

, nennen mir nod) einige unpcriönlid)en gonnen, ido

bie ^erfon iin Slccnfatio fte^t; es angstigt mich (obci) mich angstigt {]. -ö. [ein Slnêbleiben), es ürgert mich (ober) ntid) örgert (3. S. 'ein Stia^roeigen), etiuaê ekelt mich an (staat mij tegen); es be-fremdet, wundert, krünkt, freut, rent, schmerzt, verdrieszt, langweilt mich; mich schlafert, mich dilnkt; es diirstet, hungert, geliistet mich; es betrifft mich, es geht mich nid)t tm gevingften an; es giebt Qute

sit u f g a b e n.

90.

Den 9?oniinatit) (roo nötig) in ben paffenben Safuê 311 beman» befn unb bann bie STufgabe ju überfe^en.

(Diefev Sönig) nennen tiiele (ein ffieifer), anbere jebod) fd)ttnpfen (er) (etn ï^or); (roer) fott man glauben? — $a8 Dberfjaupt

10

ocr page 152

146

einer 9icpu6Itf ncnnt man (cin ^rafibcnt). — ®ic 9)hif)amcbancr gallen ÏRu^ameb füï (bcr gröÊte ^roptjet). — Ï8cf[.(gcs) (bcv üiat) rocifer Scute; roer (Jein 9ïnt) fotgcn raiü, (bev) ift aud) itidjt ju I)elfcn. — 2Bie (bcr Ü3fann) ? 3rf) faun (bu) (|cin 9!amc)

nidjt ncnncn; nuv lueiê id), baj] jebevmann (cr) a(ê (cin @l)vcn» mann) bctrad)tct unb ic^ (cr) a(ê (cin 3)ïonid)cnfrcunb) ucrcl)rc. — Êê giebt (fcin argcrcr üaubcr) nlê ben, bcr nid)t (jörcn initl, unb (fcin ungclcfjrigcr ÏRcnj'd)) alê roer nic^t oerftc()cn gt;üiü. — „^aben ©ie (bcr ©d)ufter) bcja^tt? t)quot; sJfcin, id) iniü (er) aber gïcid) morgen (bie 9ted)nung) bejagen. „ï)aê inirb (cr) freuen, beun er braudjt baS ®c(b unb longt eS nidit, (©ie) urn baêielbc ju bitten.quot; — „2öa« I)at cr (bu) gerragt?quot; (Sr fragte (id)), ob id) (id)) gcjtcrn Slbcnb int Sweater and) gclangincift l)dttc. „Unb vuaS ()aft bu (cr) gcantroortct?quot; ®nf? (id)) biefe grage befrembe, lucil baê ©tiicf (id)) fe()r gefaücn (jatte. „SaS mar nad) (mein iperj) gefprodjen; id) drgere (i^) immer über bie 3;red)()cit foldjer ()oc^nafigcn SBurfdjen. — SÖfein jüngfter Sruber ift (öiele) im ©d)immmen übertegen; ber 35atcr fe(bcr I)at (cr) biefe niit3lid)c Sunft gelcf)rt; jein 3tuêblciben angftigt (bic 2)Juttcr) je^t nid)t me^r. Dorige 2Bod)c t)at er

(ein '^inb) bo« Seben gerettct. 3ebcr Sftcnfd) foflte ^raimmen

[lerncn]' Cê rCUt immei:' ba^ ^ (bie ®cteScnt)ci1)' (biefe Snuft) mcidjtig ju rocrben, nid)t bejfer bennet t)abe. — 2Ber biet fc^lSft, (ber) ld)(afert oicl. - (®cr giebertrante) friert aud) im ©ommer. — 9ïur (ber Ungcrcd)te) gefliftet nad) (frcmbeS ®ut).

97.

Hoe noemt gij hem, die meent alles beter te weten dan anderen? „Een betweter.quot; En wil ik u eens zulk een betweter noemen? „Met genoegen, wanneer ge mij maar niet zoo noemt.quot; — Hoe moet ik een minister betitelen? „Ieder minister draagt den eeretitel Excellentie; het verwondert mij,

*) 5 O I g e n rcflievt ben Satiu, b e f o 1 g e n ben Wccujatiu.

f) 2öte bet un§ ftet)t bejatilcn jo moI)[ mit bem «ccujoti» ber Verjon alê ber ®a^e. Sïur wcmi b c i b e Objefte jujammentreten, fteï)t bal ^crionenobjctt im $ a t i u.

ocr page 153

147

■dat gij zulks (sas) niet weet.quot; — Indien uw oog' u ergert {zeide Jezus), zoo ruk liet uit en werp het van u. — Alles ergert hem (mit es), ja hij ergert zich 1) dikwijls over het geluk van anderen. Dat vind ik een treurigen karaktertrek. — Ik beschouw hem als een zonderling; wat ons beangst maakte, ■scheen hem te amuseeren, en wat ons deed lachen, boezemde hem vrees in. Verwonder u daarover niet, lieve vriend, de arme man is soms niet wel bij 't hoofd. — „Hebt gij ooit honger en dorst geleden?quot; Ja, eenmaal in mijn leven; ik ril nog, als ik daaraan denk en ik kan mij (Hat.) nauwelijks voorstellen, dat er ook maar één gierigaard zou zijn (;é gicfit), die uit vrekkigheid honger en dorst zou willen lijden t). — „Hoe _groot is de aarde?quot; vroeg mij iemand, die zich voor knap wil uitgeven en zich over de verlegenheid van anderen verheugt. Groot genoeg, antwoordde ik hem, om eene menigte zotten te herbergen. - „Hebt gij uwe les goed gekend?quot; Ja, ik heb al de regels, die de onderwijzer mij vroeg, opgezegd. „Het verheugt mij, zulks te hooren.quot; — Wat zijn er toch beleefde menschen! Toen ik den koetsier, die van den bok gevallen was, deelnemend vroeg, of hij zich ook bezeerd had, ant-quot;woordde de kerel: Dat gaat u niemendal aan!

ï c r ® c n 11 i ü.

('Jlufg. 98 unb 99).

3t(ê (Srganjung ooit Söcrbcn unb Slbjeftioen fonimt ber ©cuitio bet ttitS n u v feltcit mdjr oor; aud) tm Dcutf^en f)at bicfer SafuS oict SBobett Bedoven. gehort in ben meiften giitlcn bet p o e t i=

1

Sgt. bie unperjönti^en unö periönttdjen gormen folgcnbcr ®erbcn: 9)!icf) a r g e r t bic Sadjc. 3cï) cirgere mid) iiber eine (au cincr) gadje. 93ïid) o e r I a n g t nad) Siufjc. 3d) ucrlange nad) 3!uf)c. — 93}id) t ü nt» nt c f t baë Sdjidjat bcr armen fiinber. fiitmmve bid) um bid) jelbft. — 9}iid) iti u n b c r t (ö n g ft i g t) )cin ?ïu§6(ci6en; id) ttunbrc, angftige nii^ über fcin Stuêblciben. 5)!id) freut bein ®lüd; it^ freue tnid) iiber bcin ®Iüd. —• (33gl. aud) bie anbeve 9ïote).

t) ïöenn ba§ Subjeft als m i I (f it r 11 d), al§ i e I b ft b e m u jt t l)anbetnbe ^erfon auftritt, ift bie perjöntidie fjorm beê S5erb§ uorjus 3cif)en {id) {)ungre, bürfte, :c.).

ocr page 154

148

f dj c n ober a 11 c r t ü m I i d) c n 2 p r n rf) c obcv g e m i f f c n

e b c n S a v t c n nn unb luiro )cf)r oft buvd) ^rapofitionen um)d)riebcn ober burd) ben bclicbteu 21 c c u )' a t i u cifc^t.

Tinjj bcr Slccufntio fo oft an bic ©tolk beê ©cnitiuê tvitt, lagt fid) aii3 bcm Umftanb cvMaren, t njj bcibe SafuS bnê Qjd bev §anblung be3ctd)ncn; bcr ©enitiu mc()r aflgcmcin, f)aufig n b= ft r a f t; bcr 2(ccufatiü n(ê bcftiuimte ^erfon ober t o n t r c t e-©adje.

SOfan ncrglcidjc: Der Kranke hedarf (begehrt, entbehrt) dor Hilfe, des Trostes. Er hedarf (braucht) einen Knecht. Zum Schrei-ben hedarf (braucht) man eine Feder. — O, nimni der Stnnde, der Gelegenheit wahr! Durch das Fernrohr nehmen wir Berge (llcc.) und Thüler auf dem Monde icahr. — Veryisz der Beleidigmig; der empfangenen Wohlthaten aber vergisz nimmerraehr! Ich habe die Jahreszahl, seinen Narnen rein vergessen. — Schont seiner Jugend, seiner Unschuld! Du muszt dic/i, dein neues Kleid, deine Augen schonen.

®cf)r gcbraud)lid) and) ift bic llmfd)rcitning burd) cinc bcr ^rapofitionen «on, aué, lueflcii, iibcr; auf, on, für, ju; 5. 33.

Er wurde seines Am/es entsetzt und des Landes verwiesen (= ron seinem Amte, aus dem Lande). Ich bin meiner Sache gewisz (= ron meiner Sache). Er schamte, freute sich dieser That (= üher diese\ wegen dieser That). Die Diener harrten seines Winks (— auf seinen Wink). Ich gedenke nur schaudernd Jewer Tage. Ich erinnere mich jener Tage nicht mehr (= denke an jene Tage). Dieser Maim ist keines edlen Gefühls fiihig, er ist zu allem fiihig. Es lohnt sich der Miihe nicht. Hat man dich nicht belohnt für deine Mühe?

Die 33crfaa, iricldje mit bem ©enitio öerbunben merben tonnen, finb A. iutronfltiü, b. 1). fie I)ahcn biofj cinen (Scnitio als grgan^ung bet fid): B. reflcriü, b. f). fic luerben aufjcrbem mit öerbunben; C. traufitil), b. (). fic erforbern aufjer bcm p c r-f ö n t i d) e n ^ïccufotioobjcft nod) cin f a d) I i d) e ë Dbjett iiu ® e n i t i D.

A. golgcnbc INTRANSITIVA tommen — and) in ber ge» möbnlidjcn ©d)nftfprad)e — nid)t feiten mit eincm ©eniti» «or; kbürfcn, kaudjen, enuaïjncn, gcbcnfcii, geucfen, waljv-

ocr page 155

149

neïjlttCU, loni'teu; unb in gcroiffen 9tuébiücfen aud) : gcittefjClt, Ijavrcu, latljcu unb fpotteu, Icbcn unb ftevkn, ucrgcilcn.

Scbiilfcu unb braurfjcit (mit abftvnftcm Objeft nidjt fottcn till @cn.). Seiii). fietj a. 14S. — Ik behoef u niet te zeggen, id) brandje bir iiid)t ;,n fagcn.

(h'lUafjUCII (= gewag maken van, spreken over oft mit @ c n.; = noemen, opsommen mit c C U f a t i «): Er hat Sie und Iliren Bruder gar nicht erwahnt. — Wie ward der Königin er walmt (in welken zin werd over de koningin gesproken)? Ehe ich weiter gehe, musz ich ei nes Umstandes erwiihnen.

(Scbcufcn (cMcr nocf) als benfen), Gedenke des Todes. — Gedenke des Sabbathtages (2 aio). 20.). Ich habe seiner nicht gedacht. — ■Su'ï) 2. 148 imb Slufg. 57.

(Scucfeu (= bevallen mit @cn.); Sic ift cincê SinbcS gcncfcn. ©Olllt mit l)Dii; Ich bin von der Krankheit genesen. — 3n t v n n f i t i u c m Sinnc gebcaudje man fjcilcil.

aöoïjntcfjmeu (fie§ ®. us).

SBJavteU (= SeootftcSen oft mit ®cn.; = waarnemen nidjt feiten, = verplegen biéineilcn mit ®en.); 33. Es wartete unser noch ein barter Kampf. Wer ein Amt hat, der warte des Amtes! Die Mutter wartete (tJfteate) des (den) armen Knaben. — W b e r ; Ich habe lange auf dich gewartet.

©Cttiefien : des Lebens, der goldnen Freiheit. Stber: Speise und Trank, das Leben, eine gate Erziehung etc. genieten.

.Öorrcit (= ungcbuliiig warten) @en. Jüicbev bidjterifd): Meine Seele

harret des Herrn ; gemöljnlid) auf: harret auf den Herrn. (Siel) aud) ©. 148).

Sarfjcn unb fpottcn (= uitlachen, verachtelijk of tartend neerzien op, a'fo in figiu'üdjer 23cbeutung, mit ©en.; fonft mit ü b e r ober m 11); Ich lache deiner Drohungen ! Nicht alle sind frei, die ihrer Ketten spotten (betten = ®f[oOevei). — Er lachte üher den Witz, spottete mit meiner Verlegenheit.

SeBen unb ftcröcn (nur in ein paar ftef)enbcn 9tebcnêarteu mit @en.) : Er lebt der Hofïnung, des Glaubens, (baj} bicê uid)t gefd)ef)e). Kein Bettler ist je Hungers gestorben (t) 0 lquot; §ungev) sptidjio.

ocr page 156

150

SBcrgcffen, scifp ©cite i48.

B. Sinigc EEFLEXIVA ftcf)cit rcgc(ma§tg mit bcm ©cnltiü, bcfonbcrê: firf) anitcfjmcn, fitf) bcbtciicn, ftrf) kmiirfjtiflCH, fttf) cntlcbiflcu, fitfj rüfjmen, ftrfj ucrjclicn, ftcfj üerfttfjern; — nidjt io gcbriludjlid) jtnö: ) i c n t a u [: c r n, fid) c n t f) a 11 e n unb fid) e ii t f d) I a g c n; — mit auf quot;quot;b iificr ftc^cn oft: f i d) f r c u c n, f i d) erbarmen unb f i d) f d) ii m e n ; mit 3fccufntiü fte[)t fe[)r oft fid) er inn er n (Scittj. ®. us) S:n§ 9ie-fleruipronontcn ftc()t tm 'Jtccujott».

Seifpiefe: Er hat sich der venvaisten Kinder atigenommen. (®icïgt; stufü. 4 7 unb 57). Soldier Mit tel darf sich kein Elirenmann bedienen.

Dor Feind hat sich der Stadt bemachtigt. Ein unbehagüohes Ge-ftthl hemiichtigte sich meiner (maakte zich van mij meester). 2ïufq. 86,

Du hast dich dein er schweren Aufgahe (moeilijke taak), deines Auftrags tretflich entledigt (zich kwijten van).

Seines F leiszes darf sich jedermann riihmen, hrauclit sich keiner zu schamen 1).

Ehe sie sich dessen versahen (er op verdacht waren), wurden die Rauber umzingelt und gebunden. Einer solchen Grausamkeit liiitte ich mir nicht zu dem sonst milden Mann versehen (van hem verwacht, achter hem gezocht).

Die Polizei versicherte sich des Verbrechers. Du kannst dicb seiner Treue ver si chert halten.

Sinnoerwanbt (in wie fem ?) finb folgenbe fünf 93erba:

(ïr bat fic^ jein es SicdjtcS cntouBcrt (ober bcgcÊcn). (5)cbvii*cb-litbcr: Gr bat auf basfclbc o e r 3 i t c t. — ® i e f e r SBünjcbe ()a(ic id) nüd) entaufeern müffcn {= id) babe fie niüffen fabreu laffen).

20ir tonntcrt unê b c § £ 0 d) c n ê, b e r ï I) r a n e n taum cntl)altcit (enuc()ren). (ïr muB fid) b e § 20 c i n c §, beu ftarfen (Sctriinte entbalfcn. 6ntirf)lat)C iicb b i c f c r traurigcu ® e b a n f e n!

(inb(id) Ijabe id) inid) b e § brlictenben ® c b e i m n i f f e §, alter 33er-pflitbtungen, crlebigt.

1

® i d) f d) a m e n (dcjI. ( a d) e n unb f p 0 11 e n) bat flctubbnlid) baS ebtere Cbje!t, ireldjeê eineu btcibenben 3uft«nb ober eine (Hgenfcbaff be= Sei^rtet, in bent ® e n. bei fid); bo§ fontrete Cbfeft ober bie SBcncnnung einer oorübergebenben §anblung ftebt geti)öbnli(b mit li b e r.

Sg[. Der reichgewordene Emporkömmling schiimt sich seiner armen Eltern (b. [)• ihrer Armnt). Der Vater schamte sich iiber das unanstcindige Anftreten seines Sohnes. — Schiime dich deines Jland-teerfes nicht (b. b- lt;3eines Standee), schiime dich über eine tinedie That*

ocr page 157

151

C. Die ui id) tig ft on unb gcbraudjlidiftcn TRANSITIVA mit bcm ©enitit) finb: auflaQeu, ki^ulbiflen, jcUjcu; kldjicu, krouBeu, entbinbcii, cntlniien, enticljcn, frcifprerfjcn unb loc'iprccfjcn; üOerfiiljïcu unb überjcugcn; ücrftrfjevn, ücrweifcu, luüvbiflcn.

Seifp. Er ist des Verrats, des Diebstabls angeklagt, beschuldigt (biêiDfitcn bejid)tigt) worden.

Welcher (wer) imter euch kann mich einer Sünde zeihen?' (Soti. 8 : 46). — Welcher Sünde zeiht dicli dein Gewissen? (SdiiBer).

Ich will dich ei nes Besscrn belehren (n terechtwijzen, dat eens beter beduiden). 'S. 33, b.

Man hat ihn seines teuersten Gutes, seiner Freiheit, beraubt.

Sntbinben (fafl nut in: Jem. seines Eides (ober: von seinem Eide) entbinden. — Die Frau ist eines (von einem) Knahen ent-bunden. (%(. genofen, 5. 149).

(? It t I a i i e n, fnft nnr in: Er warde seines Amies (Dienstes) ent-lassen. Sonft mit au§, v Er wurde a us seiner Haft, aus dem Gefiingnisse entlassen. Bgt. 3. MS.

yU)nlid) Dcrljiilt cê fid) mit ciltjdjcn (ficf): ncnucifcn). ®onft mit Dolt.

quot;5 rei», t O S f p lquot; C d) e n; Er wurde der Schuld, des Mordes frei-, losgesprochen. '2lud) mit DOlt (von der Schuld).

Ü b e r f ü t) v e n (einer Böfen J()at), ü 6 e r 5 e u g e n [tton] einer 2Bat)rt)cit; Anfangs leugnete er die That; es kostete uns aber wenig Mühe ihn seiner Liige (der Schuld) zu überführen.

S3 e r f i d) e r n : Er hat mich seiner Freundschaft (Teilnahmc etc.) versichert (obcc minbev cinbringlict):) Er hat mir seine Freundschaft etc. versichert. 50can fagt heibeé: quot;Snê öerfid)ere id) bid) unb: bil'.

33 e r IV) e i f en: Er wurde seines Andes (seiner Würde) entsetzt und des La mies verwiesen. — ©embtjnlid): ftllö bcm ?flnbe ®. 148.

SS Ü r b i g e n (verwaardigen, waardig keuren): Er wiirdigte mich keines Blickes. — aibcr: Ein Kunstwerk zu wlirdigen vermag nicht jedermann = naar waarde schatten, waardeeren.

ocr page 158

152

ï c v ï n t i».

3)er ®atio ift bet Safnê bcr p e r f o u (i d) e n 8 c t e i f i= gung, b. f). er bejetdamp;nct bic ^cvfon, meldde bei ber ïfjatigfeit intereffiert i|t, beren SJorteil ober 9?ad)tei(, f ü r ober g e g e n melrfje bicfelbe gefd)iet)t. Seifp. Er half mir, stand mir bei. Dor General hat mir den Urlaub bewilligt. Du hast mir die Freude ara Spiel verleidet (= verdorben). Der Redner erbat sich (verzocht vooi- zich) Stille und verbat sich 1) alle starenden Ausrufe.

ïïud) luenn baê batioifdje Objcft cine ® a dl e ift, luirb bieic ®ad)e afê leb en big, af? empfinbenb gebnd)t; ogl. j. 93. Er dient dera Vaterlande, er trotzt der Gefahr (ober dem Feinde), er gleioht dor Eiche (ober seinom Bruder), er weicht der Über-macht etc. etc.

2llleê bieö ijt aud) auf ben ©ebrand) beê 'Datiu» im 'Jïieberlan» bifd)en nninenbbor. — 3lbiueid)enb jebod) uom je^igen 'Jfiebevlan= bifdien regieren fotgenbc 33erba ben Xatiu:

Öcifcn, baitfcn, bicitcn, fliatulicvcu,

lyröueit, frommelt, foliicn, foitbulicrcit,

Sroljcn, fludjcu, flrollcit, imponicicu,

©enitgen, tnrtjen, tranen.

sJhiljcn, ftfjabcn, IjnlDiiicii, gereirijen,

(Stttnbcn, fdjmeirfjcfn, rnfcii, jürncn, fllcitljcn,

sJJofjcn, ftenern, wcljren, minfen, luetdjcn.

3(nmcrÊ. I. grom m e n unb n ii ö c n (nuljen) entfpredjen unferm baten; f d) a b c n ftel)t and) bei unê mit bem Xatio; begegnen (mit f e i n) f)at ben ®atio, mie ontmoeten bei nnê, menn e» mit zijn tonjngiert mirb.

2lnm. 2. golgenbe 2? cv ba fönncn raegetr ifjvcr SBcbcutnng felbftucrftanblid) and) mit cincm Satio öerbnnbcn roerben:

nfjiicln = zweomen naar, idjWödjer a(ê glcidjen; maiij)cln, ncünrficn, fejleii (mangelen, ontbreken, falen); ncbitljrcn, jicmcn, gcjicmcn, {= toekomen, betamen); gclitiflcn, fllürfcn, ficrattn, tniBOIürfen, miBliitBcn, fcljli^logcn (= gelukken, mislukken); tlingcln, [i)cU

1) verzocht verschoond te blijven van.

ocr page 159

153

Icn, (leitfdicn unb bcvgï. (»gt. rufen); lo^ucn (oat. oergcltcn); iui((= füfjTCIt (= inwilligen.)

33 e i) p i c I c;

$ir n ii Ij t (fro m m t) e» nicfjt unb milquot; faun eê i ^ a b c n.

SK-'o bift bu i^m (ift cr Bir) 6c= g c g n e t ?

g§ fcf)ltc mir nn Q5ebu(b, iljm man geit c e§ an ©clb, unb Sir g c 6 r ti rf) e§ an 3cit.

$iir gelingt (g(ittfl) aflc§, mir m i fj g (ü cf t (nügltngt) aïïe§, atteS i d) (ii g t mir f c M-

(ïr 11 i n geit e Scm SBebienten, ^ f i f f Öcm §unbe.

6r m i U f a fj r t c mir, meincr ®itte.

So 1 o Ij n t c mir tiev Unbantfiare bic ©uitfat.

gr broljte, (jalf, g r o II t e, biente, idjmeidjeltc, loinfte, 5 ü r n t c mir.

Gr b a n f t c mir in ber Devlnnb= lidjften SBcije, als id) if)m 5U jeincm ©cburtstagc g r a t u I i e r t e.

ÜBoIIeu Ste mir ouf mein 2i!ort nidjt g I a u b e n ?

3a, id) glauóe 3 1; r e[n] ïïö o r t e[n].

$aa SSerbcrbcn n a I)t, n a I) t j i c^, n a I) e r t i i tl) uniern 9J!auern.

Saffet bie fiinbi'cin ju mir fDmiucit unb tu c I) r e t iljncit md)t, iprad) 3eju§.

®er ÏBeltling front {ciiien 2ci: bcnfdjaiten (ögl. btcncu).

U baat het niet en mij kan het schaden.

Waar hebt gij hem ontmoet? Waar is hij u tegengekomen ?

Het ontbrak mij aan geduld, hem aan geld en u mankeerde het aan tijd.

U gelukt alles, mij mislukt alles.

Hij belde den bediende, floot den hond.

Hij was mij ter wille, stond mijn verzoek toe.

Zoo vergold de ondankbare mijne weldaad.

Hij dreigde, hielp mij, koesterde wroh tegen mij, diende, vleide, wenkte mij, was toornig op mij.

Hij dankte mij uiterst beleefd, toen ik hem met zijn verjaardag feliciteerde.

Wilt C4e mij niet op mijn woord gelooven ?

Ja, ik geloof uwe woorden.

Het verderf (lt;le ondergang) nadert onze muren.

Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert zeniet, sprak Jezus.

De wereldling viert (aan) zijn hartstochten bot.


ocr page 160

154

$icic 3;f}at gereikt Sir nirf|t juv 6^rc.

JBir roollen ïicm Umfug fl c u e r n. ïer Sdjiffcr fteuert ÖaS S ct) i T ï-ï r n u e Seitcn nid)t, bic Sir f cf) m e i dj c l n.

$cr ''ïfnrrct ()at Jaéf $aar getraut.

ÏS c i rf) ft bu mil-, fo wctcfjc iefi Sir. (siJtitfim.).

Deze daad strekt u niet tot eer.

Wij willen die ongepastheden tegengaan.

Vertrouw hen (dezulken) niet, die u vleien.

De predikant (pastoor) heeft het paar ingezegend.

Gaat gij voor mij uit den weg, dan doe ik het voor u.


2Bic fdjort ®. 141 bemerft roorben, bürfen bic 35crbcn mit bcm 2)atiB nid)t in bn» p e r f ö n 11 ^ e $ a f f t o gefc^t werben. Ter jDatio b 1 c i b t immer ®atiü «nb barf ntc()t (mie ter ÏUcufotiD) in cincn 3?ominatio BeviBanbcIt merbcn. So menig man j. S. fagen fann: „ber gefjoiftne 'BJann, bas genante $au«quot;, cbenio menig lucirc ei'laiibt;

Ër wurbe gef)oIfen, genjiiitt; baö £auS wurbe gcnolit etc.

12i5iU man bennod) baê batbifdje Cbjeft an ber Spige beS ©ageö mit ro e r b e n gebraudjen, fo ne!)mc man bie u n p e r f ö n t i d) e 5orm bcê $ a f f i ü n m S, mit ober o()ne C3; 3. ®. Ihm wurde geholfen, mir wurde gedankt; es wurde ihm gehuldigt, gezürnt. — 3m atlgemeinen aber fei man febr iimfid)tig mit fofdien |yor= men, mei( ber ®entjd)o itjnen meiftcnê gern aii8 bem 2Bcge gcl)t.

Stnm. ^ 01 q c n unb and) f d) m c i d) e I n tommen im ^affioum nid)t feiten aïê Sran^ fitiüa üor: Gefolyt von seinen Trabanten, schritt der Prinz etc. Fürsten wollen geschmeichelt sein. — 5Iiid) fagt man im geit)ö^ntid)en Seben: Sei dafür herzlich gedankt.

inele 9?erbcn (befonberê bie intronfitioen), bie trennbar mit nb, ou, anf, bei, cln, eutgeflcu, unrf), ob, imtcr, öor, öoran,

Dorfjer, JU (unb untrcnnbac mit) luiiiCl- jufautmengefe^t finb, regieren ben Datin.

2} e i f p i e (e:

Söie fönncn roir bent Übelftanbe Hoe kunnen wij dat ongemak abf)c(fen? 93g(. fteuetn. (dien verkeerden toestand) verhel

pen ?

®cr .ft'ijnifl bnt feinem Soljne icinc De koning heeft zijne rechten 9}cd)tc (bn§ 9!ci^) a b g c t r e t c n. aan zijn zoon afgestaan.

ocr page 161

155

SBenn cr mic^ mit ciner S3ittc an= ge^t, 3. 33. mir (mit ciner ®itte) urn ©etb anlicgt, unb id) il)m bci= f p r i n g en (fteifteljen) roift, ma§ gcf)t ba§ Sic on? (Sgt. ©. 145).

5n ber ®dju(c muB man gut a u f= paffen — Sic Üiaulier fjabenbent 9ïeiicnben a u f g c p a 6 t.

SBomit fnnn id) (3[)ncnj n u f= marten (biencn) ?

Scr Sd)uljmann tarn mir atcm= Io§ entgegen; er ^attc ioeben einem Sicbc nad)gcftcUt (einen $ieb ucrfotgt).

50ïcin SBruber liegt bem Stubi= um 0 b (osvlcgt fid) auf iaS Stubium); meiner ®d)meftcr liegt bic ganjc Soft bc§ .^QuSmcfenS o b.

Gr tragi mir bicSrcintung nod) immer naib. So, er triigt lange nod) (is haatdragend).

SBer cincm herein, ciner Slnftolt BorfteI)t, roirb ber S5orftc[)er (ï)or= ftonb oto ïïiitglicb beë SJorftanbê) genannt; roer einem SSercin b e i= t r i 11, wirb 93iitglicb bcsfclben.

$n§ un ter liegt lcincm Stoeifcl.

Ser ^lbjntant ritt ben Solbaten Boron (uorauf).

$aê fannft bn mir bod) nid)t im 6rnft J u m u t c n!

3d) {)attebem fd)iuad)cn @rei§ nid)t fo »iel Énergie jugetrout, bofe er ber unbanbigen DIJenge fyurdji einjuflöfien ticrmod)t l)iittc. Sfgt.

fidl o c r (e 1) e n, S. 130.

Strebc (eifre, ol)mc) gutcnS8or= bilbern nod), m i b c r ft c f) e ben

Als hij een verzoek tot mij richt, b. v. mij (met het verzoek) om geld aanklampt en ik hem wil bespringen, wat gaat dat U aan?

Do roevers hebben den reiziger opgewacht, op hem geloei d.

Wat mag ik U aanbieden?

De politieagent kwam mij ademloos te gemoel; hij had zooeven een dief nagezeten.

Mijn broer legt zich op de studie toe; op mijne zuster rust de geheele zorg voor de huishouding.

Hij kan mij die krenking nog altijd niet vergeven; (ober) hij heeft nog altijd eene grieve tegen mij.

Wie aan 't hoofd eener ver-eeniging, eener inrichting staat, wordt de directeur (het hoofd, bestuur) genoemd; wie tot eene vereeniging toetreedt, wordt er lid van.

Dat lijdt geen twijfel (is aan geen twijfel onderhevig).

De adjudant reed voor de soldaten uit, reed vooraan, voorop.

Dat kunt ge toch niet in ernst van mij vergen!

Ik had niet zooveel geestkracht (energie) achter dien grijsaard gezocht, dat hij de ban-delooze menigte vrees (ontzag) had kunnen inboezemen.

Streef (volg) goede voorbeelden na, weersta de aanvechtingen


ocr page 162

150

^tnfe^fungen (löicv CciSenf^aftcn unb van booze hartstochten en laat Injj inr ntd;tê Don bummen Sc^TOatjern u niets door domme schreeuwers

«inreben (©Eocnfats: auêrcbett) wijsmaken (in 't hoofd praten) ctc. enz.

9turf) Ullperfimlitfje 3Jci-6cn wei-ben mit bcm 3)atiü (6n(b mit 6afb o()ne cs) Bcrbiinbcn.

illjllt iitii' (obet) m t r a I) n t l), cê licliebt i()m (i()iu kliebt), eS bmiflt mir (miv bangt), miï (niitl)) bcilft 2), mir grant (e5 grant mir), e§ cfclt mir (obct mid)) 3), cgt;3 frfjjütllbclt mir, c§ tl'ÖHUtt mir, mir ro i r b a n g ft, m i v i ft m o () ( (angft= lid), fonberbav) 5 u tyl 111 e, unb nod) einige.

S3eifpic(e: 9Jiir a i) n t nidjts (Sutcs. — 53 c 1 i c 0 t c§ 3f)nen ^lot; ^u ncfjiiu'ti ? — b e n f t mir norf), baü er in bcr SÜBicgc lag. — TOr 6 a n g t Dor beincnt Srof)cn nic^t. — 6§ e f c 11 mir (mir cte(t) uor att bent Unfinn. — 93!ir g r a u t Dor bcm $obc. — 6§ jd)itnnbcltc mir, a(§ id; in bic jii()c (steile) ïicfc Ijinabblidte. — 31)1' m n r b c a n g ft um ba§ arme .Uinb.

®a« Sicflcpinjrouomcii ftet)t im ®atiD bei: ftdj aumafjcn, fitfj nuéDebtiipn, üd) ciutiillicn, ftrfj erbittcn, nnb ftdj dci^ öittcit (®. i52), fttf) mcrïcn, ftrf) Dovncljmcit, fidj Dorftellcn, |lrfj bcufcil (frj. se figurer), ftd) ^Uijicljcit nnb meiftenê and) bei

ftrfj getrauen ($• 130, 1).

33eifp. SffiaS majjoft bu b i r au ! SBas Mtbeft bu b i r cin ! 9Jlcrte b i r bo§, unb nimm b i r nic cttnaë oor, toa§ bu nid)t ju ënbc bringen fönntcft. 3d) Ijabe in i r bic Jreifjeit, ba§ 0!cd)t auêbebungen (bedongen, voorbehouden), bic Stttbt ju ocrlajfcn.

3lbjeftii)c mit (Scnittu unb ïatiü.

I. ©CllitiU. Die meiften Semerfnngen, bie mir bei ben S5or= ben marfjten, gelten and) fitr bie Stbjeftiöe, mefdje eine Srganjnng im ® e n i t i u evforbern ober bod) [)aben tonnen. -Sein4 oft tritt an bie ©telle beS metjr bidjterifd)en ober a(tertüinlid)en ©enitiöê ber 31 c c u f a t i ö ober eine (Srganjnng mit '^3 r a ^ 0 f i t i 0 n e n;

1) ik heb een voorgevoel van. 2) mij heugt. 3) ik walg (van).

ocr page 163

157

lucnn nion nirfjt oovjictjt, cin SScrb 511 gcfaraudjcn. $c()r admuirfj1 lic^ ift fccr ©cnitiu bet ben 2lbjeffiüen:

kbüvftig, ciitflcbeuf, gctDtiilig, fuubig, Icbig, tcilljaftlig), «Dcvfjobcu, Dcrlufttg; 5. SB. (ir ift b c r i 1 f c k-bUrftig (f)ilfêbebürf= tig. ®v Êebarf bcr §tlfe). ®ei bel Sobcê cingcbent (Oebenie bcê Zoieil). $cv Siener mar bcê SBcfcl)Ië jcluarfig (verwachtende), gr ift uiclcr Spra= djen funbig (machtig). Si? mor bcê ©djrcibcuê unfunbig unb mad)te bcsljalb nur cin fircuj. 3d) mar mciner Sin 11c, mein er je 16 ft nid)t ntef)r mad)tig. — Siejer (ï[)rc roerbcn roir niemal» teil()nftig merben. 3el3t bin id) aller SBerpftic^tungcn überljoben ((ebig)! Scr fyitrft ift beë ï^roneê Berluftig erfliirt (vervallen van). Si e f e s SB 0 r= t e i I § bin id) nun an^ Berluftig gegangcn (is mij na ook ontgaan).

@ r I a u 6 t, unb in gewiffen Stuöbriicfcn fog ar gebraudjlid), ift bcr ©cnitio bei;

a n f t d) 11 g l), berouwt, e i n i g, f a Ij i g 2), [} a b Ij a f t, 10 ê, m ü be, f n 11, f d) u I b t g, fid) c r, it b e r b r ü f f i g 3), s e r b a d) t i g, m e r t unb m it r b i g. 33iêmei(cn aud) bei f r 0 f) unb f r e i.

S3eifp. @r meinte, al§ er be§ elterlid)en ®ad)e§ anfi^tigwurbe (ba0= fetbe erblidtc, bemertte, gcmafjrte). 3d) bin niir (mid)) feiner ®d)ulb berouRt. Sffiir murben balb tjanbelleinig (fjanbelëeinë). Siefer (ïlenbe ift teineë ebeln ®efü()lë fal)ig, er ift ju aHem föfjig. (fnblid) ift man ber ®icbe ()ab()aft gemorben. SJiein Sreunb mar nur jmei ïage in ber Stabt, id) fonnte t () n (feiner) taum f)abl)aft merben *). $er llnglücf(id)e f r e u t e fid) beë natjcnben ï 0 b e ë; er mar beë 2 e b e n ë unb 2 e i b e n ë miibe, f a 11, iiberbrüfftg. [3d) bin, fagte er, b i e falid)en greunbe miibe unb baë müfte fieben fatt; id) merbe frotgt; jein, menu id) bic Öeutc los bin unb mill ein befjereë 2cbcn anfangen]. ©lauben Sic, bag er beë 3gt;ertatë id)ulbig ift? 3a, id) bin mciner ©ad)e gemife. 3ür bicfe SJlittcilung bin id) 3f)''cn Sonf fd)ulbig. (ïr ift aud) beë S i c b ft a t) 1 ë 0 c r b a t i g. - gr ift b c i n c r nii^t mürbig, er ift beiner ïldjtung nid)t racrt (gr ift tcincn St^uB. Spulocr mert). g r c i (bcr Sorgcn), f r 0 t) (beë Scbcns).

1

SBcnn baë Cbjett ein pronomen ift, l)at eë (aud) bei mandjem 58crb) mc()r 9tcigung 311 bcr ©enitioform alë cin Subftantio. 33ci nnë pafet bicfcë ^rinjip bcfanntlid) auf aUe ©enitiBBcrbcn.

ocr page 164

158

11. ^ath). 5Dïit bem T)atiu ftc^en id)icr aüe Stbjcftioc, hic im ^Hcbcrlanbijdjctt biefen fiafuë erforbevn, 3. S. angenehm, unan-genehm; begreitiich, uubegreiflich; erkliirlich, unerklarlich; dankbar, erkenntlich, gnadig, gunstig, lieb, wert, nachteilig, vorteilhaft, nützlich, schuldig, unterthanig, willkommen, zugethan etc.

S3on ben jcfjr gemöönltd)crt ïlbjcftiuen, bie für Süeberlönber met)r ober luenigcr jdjtuievig jein fönnten, nennen roir:

afiti'ünnig (eincr partei — merbcn), iilmlirf) (weniger ftart aïêgtetcï); ®. 154 Stnm. 2), bcqnctn unb unbcquem (gemakkelijk en ongemakkelijk of lastig), crinncrlitj (öns ijt mir ntrf)t erinnerlid)), crroiinjdit (ber 3u= fnl(, ber 9J!nnn tam mir jetjr erwünjcfjt b. I) gelegen jrj. a propos), fcinb (vijandig), ()ïom (boos op : bin ber S^iinne nidjt jo grom, alê it() bent §eu^ter Mn), gcfaUig (ltia§ ijt 3()nen gefiillig, wat belieft u?) gcloufig (6ie beutjrf)e Sprake ijt if)m jef)r geliiujig, hij spreekt vloeiend Duitsch); Remap (er ïebt unb tleibet jid) jeinem Stanbe ge= inciB), ncluad)jcn (er ijt jeinem ©egner nid)t geiuad)jen, biejer ijt iljnt üDcrlcgen = de baas af), (jlci^fliiltiij (onverschillig), rcc^t (bie Suris» 4)rubenj lueiB jionr gciDötjnlid) loaê 9{cd)t ift, bejlo jeltener aber roa» red)t ijt. S®ns bem einen r e d) t, ift bem anbern fiiütg), Iciö (c§ Kjut mir leib, baji Sie meiner gorberung nid)t g e r e d) t ju jein münjdjcn) 1), Ü6cl (mir luirb übet, toenn id) baran bente), ticrfiapt (Sdjmeicbler jinb if)m [bi§ in ben ïob] DerljaRt), ucrflSiiölitf) (ber SHebner mar nidjt allen Derftcinblid), b. ï). verstaanbaar voorj etc.

21 ccuf a11ö unb (S cuit iD.

98.

Iedereen acht dezen grijsaard hoog, velen eeren hem als een vader, sommigen vereeren hem als een hooger wezen. — „Wü bekreunen ons niet om uwe blufferij!quot; riep de moedige krijger den grootspreker toe, die uit de slagorde was getreden, om den dappersten der vijanden uit te dagen. „Wij lachen met uwe dreigementen, die alleen kinderen vrees kunnen inboezemen (S. 155). Maar daar uw geschetter mij verveelt, ja tegen de borst stuit, wensch ik u niet langer te sparen! Gij hebt op uwe kracht en op uwen moed gestoft, welaan, verdedig u!quot; Een angstig gevoel maakte zich van

1) dat ge aan mijn rechtmatigen eisch (vordering) niet wenscht te voldoen.

ocr page 165

159

ons meester, toen wij de beide krijgers de zwaarden 1) zagen kruisen; maar lang, dat verzeker ik u, behoefden vrij niet op den uitslag te wachten. Eer de grootspreker er op verdacht was, vloog hem het wapen uit de hand en lag hij, zoolang hij was 2), op den grond. De edelmoedige overwinnaar doodde hem echter niet: hij greep 3) hem met zijn ijzeren vuist in den nek en beval hem te binden. Daarop ging hij weg 4), zonder den ander met een blik te verwaardigen. Welken indruk dit tooneel 5) op de toeschouwers (aicc.) maakte en hoezeer de kloeke daad des dapperen de tegenstanders met ontzag vervulde, kunt gij u (rat.) voorstellen (ï. 156).

Deze geschiedenis, die ge — dat moet ik bekennen — goed verteld hebt, herinnert aan David en Goliath, aan den strijd tusschen Hektor, den zoon van Priamus, en Ajax, den zoon van Telamon, en aan het gevecht tusschen de Horatiërs en Curia-tiërs, hetwelk ten gevolge had, dat Alba Longa zich aan de overwinnende Romeinen onderwierp.

1) ^linge. 2) bcr Siinflc nad). 3) foffcn. 4) jctnes 2Bec((e)§. 5) bie ©jcne, ber 'Muftritt.

it n b ï a t i D.

99.

Die cingcflammcrten 9{ominatiöc iu bie ^affcnbc gorm ju bnn= gen; nnd)f)cr ju überfc^on.

3d) erinneve (id)) faum (aïïe Umftanbc) bicjcfi berüfjmten ^ampü'8. Qd) l)offc, ba^ bu (ineine Uminffcntyeit) nid)t fpottcn merbeft, menu id) (bu) hitte, (id) ciu SBeffevcê) ju belet)ven.quot; — 3m ©egenteil, cS ift (ic^) einc mat)re greube, (bu) einen Oefallen tl)un ju tonnen; D()ne (bie) 9?e6enumftanbe (Snua()nung ju tljuu, mill id) (bu) baê 2Bid)tigftc mitteilen. — Der fiegreidje 9iömer — bu mirft (bu) bot^ evinnern, ba§ bev unöcrrounbete ^oratier bie fdjmei' uenuunbeten, (er) üerfoïgenben, getrennten Suviatier, U)cld)e (er) bei roeitem nid)t gcroac^fen roaren, einen nar^ bem anbren erfta^ — ging ftolj (bnê ^ecr) poran nad) ber ©tabt jurüd. 2tm ï^ore begegnete (er) fcine ©djroefter, bie (einer) bet gefaüenen

ocr page 166

160

SKbatiev öcrfobt (imt satio) gcrocfcn. iöic bicfe (hnS ©craaub) i()reS @e(icbten, non i()i- felbft gcunrft, untcr ben SicgcSjcidjcn itjreê SBrubcrê erbücfte (anfiii)tifl reatb), fing fic laut ju jomincrn art, nanntc fdjmcrjti^ flagcnb (bcr gcliebfe 9famc) unb ricf racincnb, bajj (fie) jegt attcs gkidjgültig fci unb fic (ba8 Scbcn) nie roicbcr fvo() iucr= beu Eönnc. blagen erfaitterten (bcr ficgeétruntenc S3nibcr)

beimagcn, ba^ er (fie) mit fetnem nod'. bfuligcn ®d)rocrte nicbcr= ftie§. „@c()e ^in ju beincm ©cliebten!quot; ricf er, „bic bu (bic toten Srüber unb bcr Icbcnbc unb bcin SBaterlaub) öergcffeu tanuft!quot; — (@in jeber) graute öor beiu Sdjiucftermorbcr unb bicfcr inurbc jum ïobc oerurtcilt. (Der arme 5Sater) gelang eê (er) ju rettcn; ba§ 93oIE molltc i[)it nid)t (fcin legtcê ^ïinb) berauben unb bcgnügte fid) bnmit, baf; bcr ©djulbige ooit beu Siftoren mit (öerljuClteê @cfid)t) untcr ciner 3lrt bon ©algen burd)gefüt)rt murbe.

100.

Hoeveel tijd en moeite kost 1) het zelfs begaafden men-schen niet, in de schilderkunst ($Qt.) goed te leeren zien! Vraag het aan de meesters op dit gebied ($at.), en zij zullen u verzekeren, dat zij eiken dag weer nieuwe schoonheden ontdekken in stukken f), die zij honderden malen hebben beschouwd. Niet minder moeilijk is het goed d. i. oplettend te lezen. — Nuttelooze zorg maakt vroeg oud; wat baat het u te klagen over dingen, die eenmaal zoo zijn en niet veranderd kunnen worden. Wie, vraagde Jezus, wie is er (o.) onder ulieden, die aan zijne lengte eene el kan toedoen 1)? — Menig beschermheer heeft de kunst geschaad, terwijl hij den kunstenaar voordeel aanbracht 2). — Dit portret lijkt sprekend 3) op uw broer. Wel (6i) hoe komt ge er hij 4). Als ge zegt, dat het op mijn broer gelijkt (ftonj.), gaat ge, mijns inziens, reeds te ver. Maar wat de gestalte betreft, daarin moet ik u gelijk geven 5), lijkt hij hem precies. — Na het geld geteld te hebben, zond ik den bediende uit, om den koopman te betalen.

1

ftofien fommt fomof)! mit bem ïtccufati» at§ mit bcm Satio bev ICerfon uor.

t) ©cutjct): „in stukken ontdekken, diequot; etc. gbenfo in bem foI= genben ©aije: „over dingen te klagen, diequot; etc.

ocr page 167

161

Deze beweerde, dat er (o.) drie gulden aan de som ontbrak en eischte, dat ik hem het ontbrekende zou betalen. Toen ik overeenkomstig (s. 158) de waarheid (vóór) verzekerde, dat ik den bediende de volle som had uitgeteld, bekende deze, wien het angstig te moede werd (S. 156), dat hij de drie gulden achtergehouden had, om een zijner vrienden bij te springen. „En hoe hebt gij met den oneerlijken bediende gehandeld ?quot; Ik heb hem niets verweten, hem ook niet van diefstal beschuldigd, maar heel eenvoudig uit mijn dienst ontslagen. — Niemand, zegt Goethe, is meer slaaf, dan wie zich voor vrij houdt, zonder het te zijn. Wien geldt dit verwijt? Durft gij mij dat niet zeggen ?

1) jufdjcn moge. 2) nüljcu. 3) tptedjenb aljutirf) fefjen (ober) jptccfjcnbc ïlfjnlit^tcit Ij a 6 en mit. 4) lonë föllt Sfjncn ein. 5) Êcijïtnnnen, redjt gcficn.

101.

sBcnminblc bic cingetfcmmcrtcn 9?ominattüc mo nötig in bon ridjtigm Snfuê unb üÊcrfe^c.

(®ci- 9(vme) mongefl »ic(, (bcr ©cijige) alïcS. — (Der fkijjigc Samftev) fcfjabct bei1 SZBinter nidjt. — 3)ic ©efunben bcbüvfen (btr Slqt) nidjt, a6cr bic .ftrnnfen. — SBer (fcinc Scibcnfd)aftcii) front unb (jcbeë @clit|t) fcincê §crjcnê n)iüfnf)vt#), mit bcm luirb cö eiit fcfjliuimcê (Snbe neljmcn. - Wan bmi (fcin TOcnfdj) ctmaS Ungebü^didjeö jumutcu (@. iss). _ (®erjcnige), njeti^ci- firf) (cine ®rf)iilb) bcumjjt ift, afjnt nidjtö ®utc«. — SBcldjcr untcr eud), fprad) SefuS, fann mid) (cinc ©ünbc) jeifjen? — fflïnfic (bu) fcinc 9icd)te nu, bic (bu) nid)t juftcfjcn; lunë (bn) gebüfjrt, mc^r borfft bn nid)t forbcvn ober beanfprudjen. — (SDÏfineer) cfclt »ou Spcifen, bic (anbere ?cntc) anflfommcn finb. — 9(iid) (ftorfc êerjen) grant oor bcm 9(nb(icf cincS (s^fadjtfclbeê. — ®8 gc= jicmt (bn) nid)t (bcin SBrnber) ju brotjcn, nud) meniger (cr) ju Jttrncn, am aUcrmcnigftcn (cr) 511 fhtdjen. — 3ft cö (bcv Inpfcvc

11

1

2icie= juiammengefeljte 5Ber6 ift (rf)iuadj. — ^lutf) fotgenbe 53er6en: beauftragen, be^crbergen, bemitleiben, ratfdjtagen, ocv= a nl a ff en u. e. m. finb fcfjluacf) af§ Senomutatiua. „33ea uf trogenquot; ift fetne Sujammenietjung mit trngen; e§ ift cine 3( b Ieitnng Bon Wnftrag, luie „bemitteibenquot; «en SRitteib etc.

ocr page 168

162

gelbfyen) gctungen, (bie fre^ctt (Smpiker) 'gitrd)t einjuflöjjcn V f,®a8 unterlicgt (tein ^weifel): id) glaube fogar, bajj cr ftc üoÜ» ftanbig ju ^aarcn gctrieben.quot; — Sfficr fclbftanbig ift, atjmt ungern (anbcve) nad) 1); ïfjoven abcr a^mcn gcrn (berü^mte SOfanncr) in all t()i-en ©ebörbcn nad). SHeinc Sinbcr madjen (af)mcn) gent (bic ©cbavben) beu Srroa^fcneit nad); cin tudjtiger bungling af)mt (ftrebt) (cbk Scanner) nad), cr af)mt fbaê 93oi'bi{b) bcé SOÏciftcrê nad). — 3?nn, wie ift eê (®ic) auf 3()rer ïïfrifaveife ergangen ? SSic ^at e^ (Sie) benn bei ben ÏÏöitben gefaüen ? „0 baê finb ganj gemütlidje Seute, — bie rooüten (id)) jum @ffen babe^atten. — SOÏan ^at mir evja^It, baj^ ber güvft üon 33. (feine partei) abtrünnig gemoïben imb infolgebeffen (bei; ï^ron) öerluftig evftart fei. „Sitte, meffen ©ie (joId)e JReben) feinen ©lauben bei; ber gürft [)at (l'ein ®oI)n) bie Stegientng abgetreten urn, (atle (gov» gen) ïebig, feine ïage in 9fuf)e ju befdjlie^en. — Daê, loaê luie (unfre ^reunbe) md)t ju Siebe t^nn wollen, t()un tüiï (nnfre geinbe) oft jura Stog. — (33öfe 3;()at) fotgt (böfer ?ot)n).

102.

Boor den oprechton menseh wordt elke leugen verfoeid V)-, den lafhartige is elk beletsel welkom, den luiaard valt (ift) ook de geringste inspanning lastig, den angstvalligen menseh komt bijna alles verdacht voor. - Eén ondankbare, geloof mij, schaadt tien anderen. Mijn oom, die vroeger om ongelukkigen te helpen, zich het noodige uit den mond zou bespaard hebben, is zoo dikwijls bedrogen (geworden ©. 118, 3), dat hij sedert lang bijna iedereen wantrouwt, die hem met een of ander verzoek nadert, en niet zelden lieden onaangenaam bejegent, die zulks niet verdienen, ja weigert hen bij te staan, die inderdaad hulp behoeven. Ik ben blij, zegt hij doorgaans, dat ik de lui kwijt (lol) ben. — Over zijn arbeid behoeft zich niemand te schamen; de geringe man, die ophouden wil fabrieksarbeider of ambachtsman te zijn, omdat hij zich daarvoor schaamt, maakt zich en

1

V'lnrtinljmcn = cincm al» SJorbilb folgcn ï)at ben Satio ; in ber S3cbcutung „nadjbilbcn, nodj m a rf) enquot; (nabootsen, nadoen, naiipen) l)at c§ ben WccujatiD: Grosze Geister suclien einem Vorbilde nacli-zustreben, kleine pflegen es blosz nachzualimen.

ocr page 169

163

den zijnen door zijn erbarmelijken nijd hot leven onaangenaam •en voedt de sociale beroeringen. — Geen eeriyk man mag en wil zich van oneerlijke middelen bedienen. — Wie zijn weldoeners niet dankt, die is de genoten weldaden niet waard; wie zijn weldoener met ondank loont is een ellendeling. — Wie aan den drank verslaafd is 2), die is weldra verloren. — Uw buurman wordt (= is) van diefstal verdacht, maar ik kan haast niet aan (an) zijn schuld (sicc.) gelooven. „Het spijt mij, dat ik van eene andere meening 3) moet zijn. Reeds als knaap ontvreemdde hij zijn vader alles wat onder (in) zijn bereik kwam, •en hoewel hij zich later voor een eerlijk man uitgaf, heb ik hem toch nooit vertrouwd; ik acht hem tot alles in staat.quot; Maar stelt gij u den man niet te slecht voor? „Ik wenschte, dat ik mij vergist had; zooveel is zeker, dat de deurwaarder hem gisteren do dagvaarding overhandigd heeft.quot;

1) ifjnt ift ucrtjaRt. 2) bent ïvunt ergebcn jein (ober) bcr ïruntjudjt Jtönen. 3) anberer ?lniid;t.

103.

®ci- §imb 5cid)nct ftdj burcf) ®c(ef)ngtcit, Outmütigfcit, ïreue, Starfe unb fdjarfen ©entd) auê. (Sr fdjmcidjeU (fein fommenber ^cïv), tvcigt (bcrfcttie) bic empfangene Strafc nidjt nacï) unb blcibt lt;bic genoffenen ffiofjltijaten) (angc cingcbenf. Sr gel)ört (icin .'pen) gan^tid^ au, fommt, roemt biefer (cv) ruft, pfcift ober nur luinft, ocrtcibigt (cv), ftctjt (cv) in jcbcv ©cfaljv 6et, unb Mcibt (cv) bis jum ïobc crgcbcn. — 3n, bic 33ci)ptctc fiub gav uic^t feiten, bajj bic ïveuc eineê §unbcS (bev Üob) beë gclicbtcn §cvvn übevbauertc. ■ÏBiv evioaljucit [)iev (bic fd)öue Segcnbe), mcMjc kvidjtct, baü bic SBiubjpicte bcê evmovbctcn ®vafcn gfoviê V (bnê @va6) i^vcê ©cvvn nidjt oevloffcn luoüten ; — jcbevraaun n)et§, roie bic SBad)fnmEeit fcineS §unbcê (bcv ^vinj bon Dvanicn) baS Seben vcttetc, alê fidj bev üftcndjclmovb ([cine ©djiDcüc) na()tc. (®aS bcfaunte ©cbic^t) bon ïoïïcnê; „Hondentrouwquot; luoHcn ioiv nuv bcUöufig (Sviuaf)= nung t^un unb jum (Sdjütjj cinc ©efdji^te evjatjten, bic nculid) in jDcutidjlanb ftatt fanb unb (feiuc) bcv altcvn unb neucvn 3eitcn rocidjt. @in ?ofomotiofuf)vcv fudjtc ucvgcblid) buvd) bic 2)ampf(ifcifc (cin tant bctïenbcv §unb) bon ben ©djicnen 5U entfevnen; bicfev tunv uid)t fovt^ubvingen unb luuvbc übcvfafjvcu. ®(eid) bovauf ^ic(t ■bev 3U3 linb feci bag bag tveue Siev cin jtrif^cn (bn8

ocr page 170

164

©eletfe) fdjafenbcê ^inb beraadt (jatte. — ©o ctmaë fann man taum ofjnc ^Rü^rung lefen, unb bu braucfjft (bit) (bic S^riine) nic{)t ju frfjamen, bic (bu) im 3(uge quiHt; baS 2icr ift (bicfelbc) roert.

104.

Gij hebt u uitstekend van uwe moeilijke taak gekweten (S. 150), zeide de vorst tot zijn eersten minister, dezen de hand drukkende. U is het gelukt, menigen verkeerden toestand 1) te verhelpen; door wijze wetten zijt gij schandelijke misbruiken tegengegaan (S. 154) en hebt velen van drukkende zorgen bevrijd 2); u zelf hebt gü de rust ontzegd, om anderen rust te verschaffen. Ik dank u en wenschte, dat ik u voor (o.) uw© offervaardigheid kon beloonen. „Ge weet,quot; antwoordde de bescheiden grijsaard, „gij weet, o vorst, dat ik niet aan vleierij gewoon en wars ben van alles wat naar huichelarij zweemt. quot;Waarom vleit gij mij dan? Gedachtig aan mijne plichten, heb ik gedaan wat ik aan U en het rijk schuldig was; mocht ik, die mij mijner zwakheden en tekortkomingen bewust ben, iets tob stand hebben gebracht, dan zal dit gelijk elke goede daad zijne belooning in zich dragen. Intusschen is het groote vertrouwen, dat gij mij hebt waardig gekeurd en de dankbaarheid van velen uwer onderdanen mij het schoonste loon. Mag ik iets voor mij bedingen (2. 155), eer ik u verlaat, o vorst, dan (ju) bid ik u, mijner te gedenken en mij in mijne eenzaamheid jaarlijks eenmaal met een bezoek te vereeren 3). — Heeft uw broer het examen gedaan 4)9 „Ja, maar hij is helaas niet geslaagd.quot; Wat, is hij gezakt? En ik meende, dat hij zich zoo ijverig op de studie had toegelegd en bijna zeker van zijne zaak was? „Ja, hij heeft sterk geblokt, maar kon aan de eischen niet voldoen.quot; Dat is mij onverklaarbaar.

1) ÜMftnnb, SKiBftanb (misstand). 2) übcrfjeDcn. 3) Bccfjten. 4) mndjcn.

105.

Spaar hij tijds 1), dan (jo) hebt gij in den nood. De oorlog spaart noch den rijke, noch den arme, ja zelfs niet de wieg des kinds. — De bedelarij wordt langzamerhand eene (= tot eene) ware landplaag, wanneer zij niet wordt tegengegaan. — Met vaste hand stuurde Willem Teil de boot door de opgeruide

ocr page 171

165

golven. — Wilt gij mij, een grijsaard, de menschen loeren kennen? Leer, o jongeling, u zelf kennen, en begin met u zeiven te wantrouwen. — Wie de menschen blindelings vertrouwt, wordt dikwijls bedrogen. De geestelijke, die het bruidspaar inzegende, is dezelfde, dien wij verleden week in Amsterdam ontmoetten. — Het leven, zegt Jean Paul, is gelijk aan 2) een boek; dwazen doorbladeren het vluchtig; de wijze leest het met bedachtzaamheid, daar hij weet, dat hij het maar eenmaal lezen kan. — Vele kinderen lijken op hun vader; mijn vriend Hendrik evenwel lijkt 3) niets op zijn vader. — Sommigen 4) noemen dezen redenaar een volksleider, anderen 4) een volksverleider; wien moet men gelooven? — Noem mij uw besten vriend (jroci Sonnen nut 510« Söcbcut.). — De arbeider is zijn loon waard. Deze man is uwe achting niet waardig; ronduit gezegd, hij is geen schot kruit waard. — Hebt gij uw jongen vriend reeds met zijn verjaardag gefeliciteerd? Ja, ik heb ook zijne ouders gelukgewenscht. — Hobt gij onzen goeden geneesheer gecondoleerd? Neen; ik las in de courant, dat men van brieven van rouwbeklag wenschte verschoond te blijven 5). — Heeft die kerel u gedreigd? „Ja. maar ik lach om zijne dreigementen.quot; Dat is goed 6), maar ik zal hem zijne brutaliteit inpeperen. — Help anderen, dan zult ook gij geholpen worden. — Machtige heeren worden somwijlen door hen gevleid, die den arme en zwakke bespotten of verachten. Zulke menschen zijn niet voor edele opwellingen vatbaar.

1) in bcr Qcit. 2) gteidjcn. 3) ÏUjnüdjtcit Ï)a6fn, al)ne(n. 4) 2)te cincn — bic anbern. 5) Men wenscht etc. ïïcileibêbviefe loerben Ser= fcelcn. 6) recfyt.

53emerfung. ÏÖic muB man jdjretben : Er trat mir auf den Fusz ober mich auf den Fusz. Der Wind blies mir (ober) mich ins Gesicht.

91Jan untcriudje erft, ob man mit einem IranfitiBen ober intranjitioen 3}erb ju Hjun ^abe. SBIafen ift intranfiti», c§ fonn (jier aljo non mid), tioti einem Wccujatioobjeft, gar niefjt bie 9icbe feilt. — DJÏan fage: Der Wind blies mir ins Gesicht. Er zupfte mir am Armel.

3ft baé ^erb tranfitiu, fo gebraudje man ben c c u j a t i B, toenn ■Da§ Dbjeft ol§ §auptja^e, ot§ prapofitionate

Söeftimmung Ijingcgcn alë 91 e b e n j n d; e erjdjeint. 3n biefem gatte fann man unS jioor ^injubenten.

So fagt man: Der Arzt schnitt mir in den Finger. (6r roitt nid)t

ocr page 172

16C

mi dj, ionbcvn ben ginger jdjneiben; Singer ift .§auptïocf)e). — Der Hund bisz mich ins Bein (Ser •yunb (}nt ni i cf) gebifjen unb 3iuar inë SSein).

gbenjo: Er traf den Xagel auf den Kopf.

Sei vorsichtig, schneide dich nicht in die Hand.

Unb mit Unterid)ieb ber S3ebeutunfl: der Hund trat mir auf den. Fusz. Mein Freund trat mich auf den Fnsz (3. 33. urn mit citt Seinen 3U gebcn).

3u uftcrfcljen:

106.

't Zou dwaas van u zijn, wanneer gij den toekomenden tijd' als een u toekomenden tijd woudt gaan (0.) beschouwen. — Wie aan (auf) eene zaak (ace.) zorg en vlijt heeft besteed, dien zal zij ook juist daardoor dierbaar (lieb) zijn geworden; hij zal zich over zijn werk verheugen, gelijk een moeder zich over haar kind verheugt. — Blijf in het geluk uwe zwakheden indachtig en vergeet in het ongeluk uwe waardij niet; het eerste bewaart u voor (uor) hoogmoed, het andere voor wanhoop. — Een marter — 't kan ook een vos geweest zijn — heeft van nacht eenige[n] van onze kippen den kop afgebeten. — Waarom hinkt gij? Die vlegel daar heeft mij zoo op den voet getraptgt; ik had hem haast een tik om de ooren gegeven 1). — Gisteren heb ik mij in het oog gestooten en vandaag heb ik mij met het pennemes in den vinger gesneden. — Nog steeds klinken mij de heerlijke tonen dezer viool in het oor (ace.). — De wind blies den armen soldaat in 't gezicht en jaagde 2) hem de oogen vol stof. — Gij kunt hem vertrouwen, ge behoeft hem niet op de vingers te zien. — De grijsaard vatte het arme kind bij de hand en kuste haar teeder op het voorhoofd (ace.); zij sloeg hem de armpjes (tein ®imin.) om den hals en keek hom zoo hartelijk in de oogen (ace.), dat hij besloot voor (für) haar te zorgen. — Deze laarzen zijn mij te nauw, zij drukken mij op de wreef (ace.). — Mijne zuster trok 3) mij aan de mouw (Sat.) en wees 4) met den vinger op de personen (ace.), die ons huis naderden. — Hij wilde nog iets zeggen, maar kon geen woord over de lippen (acc.) krijgen 5); hij drukte mij zwijgend de hand en stapte in den trein (acc.). — De rook der akelige cigaretten bijt mij zoowel op de tong als in de oogen. — De hond van onzen buurman heeft mij in het been gebeten. — De dokter klopte mij op don schouder (acc.) en wenkte mij hem te volgen. — Onze vriend

ocr page 173

167

is van onze partij afvallig geworden en heeft zich bij onze tegenstanders aangesloten. Dat spijt 6) mij; hij heeft zich zeker door schoone beloften laten misleiden.

1) eincm einê ginter hie Cf)ven geben (ober) il)m ctn jïopfnüjfe öcraÈrcicljcn (ober) tljn oljrfeigen, etc. 2) trcibcii. 3) jupfcn. 4) beutcn. ö) bringen (v2iuffl. OO). 6) Icib tfjun.

ïae 3(b«crfiium ober Umftnubijiuoit.

Xic Si(bung het ïïboerbien finbet im 2)cutftf)en auf btefclbc 2!Bei|e ftatt o(ê bei unS (Ugi. morgens, flngs; diesscits, stromab, schriftlioh, wahrlich, schwerlich, höchstens, bestens, vergebens, eilends, gerne, manchmal, einfach, vollanf, woran etc.); nur bei'= luenbet bie beutfdje Sprarfje nid)t bie 3) t m i n u t i oenbungen jur 33iibung Bon Slböerbien, wie unr 3. 23. in zachtjes naderen, zoetjes aan, warmpjes toedekken, kalmpjes of stilletjes leven.

33on ben «erfdjiebenen 9(vten njoüen miv nad)ftc()enb bic n)id)= tigften 2lb»erbien beipvedjen.

I. ^tbüerbieu beö Drtcö (bes 9{ttmneé).

1. Mufjcii, Ijinten, inneti (brinnen), obcii, untcn, üorn (öovne) finb 3lbberbicn; fie flemen aïïein. — 'Jtufjeiquot;, Ijilltci', in, Übei', Ulltcv, DOl' finb ^rapofitioucn; fie ftetjen nor eincm Subft. ober 'pronomen. — Slfan ocrgtcidjc:

leb stand aiiszen, er sasz drinnen beim Feuer (unb;) leb stand auszer dom Hause nnd er sasz in dom Zimmer. — Hinten im Garten steht ein Sommerhauschen, vorn im Garten eino Laube (unb :) Ifinter dem Garten liegt der Wald. — Wir wohnon untcn, vorn an der Strasze; der Förster wohnt drauszen, ganz ohen.

2. 3luf nnb offcit. 2111 f bc^eidtnet bn6 (Sröffnen, alfo bic Apnnblnng; 0 f f c 11 bagegen baê (Sroffnctfcin, ben ^itfianb. ®o fagt man:

Ich mache die ïhür auf; ober: die Thür ist, stebt off en.

3. £gt;cr unb Ijilt. §er brüdt einc Slnncifjcrnng ju bcm ©prc= d)enbcn, t) i n cine Sntfernung non bemfclben nnê, 3. 2?. Komm ber! Gehe hin.' Wo kommen Sieher? (Woher kommen Sie?) Wo ge-hen Sie bin? (Wohin gehen SieV). — 3)aéfclbc gilt Pon ben mit f) e r imb ^in jufammengefe^ten 2lb«crbicn: fjcrilUë,

ocr page 174

168

Ijmuif, Ijtitmif; Ijcmu, fjtiietn; fjcmD, IjiuaD; Ijcnmlcr, ^inuntcr; 5. 93.

Wer klopft da? „Icli, dein Bruder.quot; Komm nur herein! „Willst du nicht lieber ^craMskomraen?quot; Nein, icli darf niclit/(i)i«i(sgehen. ,Nun, da musz ich schon /twiemgehen.quot; — Das Wasser ist tief; gestoni flel ein Kind hincin, es sank bald hinunter; ein Schiffer brachte das Kind wieder heraiif, zog es wieder heraus etc.

Stmneït. 1. 3tt figürfitfjer 93ebeutung, racnn bcr 9(uêgangê» puntt bcr nirfjt ^nnblung unbcadjtet btcibt, ftcfjt regels

ntojjig JjCf, 5- 23. Der Angeklagte hat sich /lemi/sgerettct. Ich habe ein Buch /lewMsgegeben. Die Backer haben den Preis bedeu-tend //erabgesetzt. Er ist ganz /(ernH/ergekommen, er ist jetzt ein Bettler. Ein Gebet /tersagen, eine Seite des Buches henm/erlesün. — Das kommt auf dasselbe heraus.

ïtnmcvf. 2. Oft merben (jcr unb Ijin jur ^cröorfjcbung bcê 1Rid)tungê6cgriffe3 mit ben t r e n n b a r jufammcngefe^teu herben öerbitnbcn, j. 93.

Lieve schipper, vaar mij over, fnfjr micfi I) i nübev, Itebev Sdjitfcv. De avond viel in, bcr ïtbcnb brad) herein. De vogel vloog het venster in, jitm genfter 1; c r ein. (ïv mad)tc baê Simmer auf itnb jdjlujj jni(^ l) i ncin 1). Gij moet er nog wat geld bijleggen Ijinjulcgcn 1). Hij kwam de trap af, er tam bic ïreppe f)crab (fjinab). Hij vluchtte ver weg, cr flolj lucit f; t nrocg. Wij reden den berg af, imr fu£)rcn ben 53cvg 0 i nuntcr.

Sfnm. 3. SZBirb baS Objcït, baé 3'c' ^idjtung, nud) ^cnannt, fo lüicbcrtjott man bic cntfprcdjcnbc ^rapofition gern Oor bicfent Dbjctt, J. 93. Die Störche fliegen (zielien) iiber das Meer hinüber. Das Wasser strömt ins Haus iiinein. Es bewegte sich eine Gestalt langsam ins Zimmer herein. Der Künstler weisz aus dem rohen Steine herrliche Statuen Aera«szubilden. Wir wurden durch mehrero Zimmer hindurch geführt. Die Kinder sprangen urn mich herum. An die Wand wurde ein Plakat «Hgeschlagen. Unb mit JU: Der Wagen fuhr sum Thor herein, hinaus.

®tc ijJrapofition bfcibt fort, roeun bic 9ii(5tung oon unten nad) obcn ober umgcfcfjrt nngegeben loirb. (Beifpietc oten, «nm. 2)

4. .§er»m( umtjcr. § c r u m bcjeic^nct eine SSciocgung urn eincn Ocgcnftanb, u m t; c r eine Seiocgung nac^ ocrfdjicbcncn

1) KR blciOt in foldjen SJerbinbungen imiibcrfctjt.

ocr page 175

169

9ttc!jtungcn ; 3. 93. $tc 33ögcl flogen urn ben 33aum ï) c r u m (= heen). 3{ing§ u ni f) cr ertönte SBogelgejang. SBir lonnten ba» i^mere 3tob nicf)t I) e r u mbringcn (rondkrijgen). 9!acf) bem ©titer luurben bic Gigarren I) c r u mgeteidjt. SejuS jog int Sanbe u in I) c r {rond) unb pvebigtc

(©. oud) (S. 110, 3).

t'Inm. 5)ie Sebeutung Bon ^ er urn tritt oft nicfyt id)arf ^evuor; iiid)t feiten brücft eö cin auö, 5. $8. Er warf (schwenkte) sein Pferd herum.

5. Sarciu unb bavin, luorciu unb luonn. Parein, 10 0 r e i n fte()cn auf bic grage lu o t) t n ? unb briirfen beê^alb cine 9fid)tung au§ (roie bic ^rövofifion in, roemt bicje bcnSJccuiati» erforbert); barin, gt;u o r t n ftcfjcn auf bic grage 100 ? unb bc= jeiAiien jomit cinc 9hif)e (roie bic $rap. in, roemt btefc eincn Satiu erforbert). 9Sg(. Er nalim sein Schwert und fiel dnrein {licbcï: ijinein, tjgl. otcu Slum. 2). Hier ist der Brief, es steht wörtlich so darin. Worin besteht die Tugend V — Er ist eine reizbare (prikkelbaar) Natur, du muszt ihm nicht da rein roden. Er sohauto (blickte) so traurig, finster, mutig drein. (SqI. Stufg. 50).

ïlntn. $orein roirb rocnig gebraurtjt, roorettt UDct) rocniger. — 3n ,3U)antniengcic(3ten Serbcn iji ctn bie geroöfjnlic^e Somt; 3. 33. eintreten, «inführen, einsammein; Eintritt, Einfahrt, Einflusz etc.; nber; in= liegenbcS ©djreiben (SHScêOaib ?) — Unb rocsf)alb finb bie gorntcn (Siu= roobnet unb cinl;etntijd; neben Snjajj (Snjaife) unb iitlanbi)dj nic^t 3U Dcrteibigcn ?

II. Stböcrbicn ber ^cit.

1. $anu unb beun, lUOUU unb lucmi. — ® a n n antiüor» tct auf bic grage it) a n n? unb bcftiinint immer bie 3°^; benu bient bfoü jur 93crftarfung( 3. 93. 2B a u u moQcn Sic abrcifcn ? „®annquot;. bonnen ®ic benn nod) nid)t ein paar Sage luartcn? „^Jein, beun bann ift cS ju fpat.quot; 9Jun, irenit eê iuub, fo (b a n n) mitt fc^iceigcn. — (üfcet beun nad) Sompat. ®. ®. 48, s). ®ann unbmann = nuen dan, luofür aud); ab unb 5U, t)in unb niicbcr, gefegentlid} (af en toe, te hooi en te gras).

2. Srfjou bcbeutet ni4t nur reeds, al, fonbevn and) teel; 5. S. 't Is al (reeds) laat, eS ift fd)on fpat. 't Is al wel! Sdjon gut! Dat zal wel gaan, baê luil'b fd)on gc!)cu. Ik zal er wel alleen komen, id) roerbe (lüitt) fc^on attcin Ijintommen.

3. Sonft cntfprid)t nnfenn anders unb bebcutet alfo a) efjcmafó fritter, b) anbernfaHë; 3. 93. Alles ist hier anders als so»slt;. — Was fehlt dir? „ Ich habe Zahnschmerzen. Sonst nichts? , Willst du

ocr page 176

170

mich toll machenquot;? Packe dich, sonst werfe ich dich hinaus.quot; — Umfonft a) fo Dief alê gratis (uncntgdtlirf), of)nc (SntgcÜ),

b) a(ê vruchteloos, tevergeefs; j. 23. So etwas thue ich gern um-sonst (uncntgcltlidj). Wir haben alles mögliche versucht, aber umsonst (vergebens).

4. Smmcr bcbcutet a) immer, altijd ober altoos, J 58. -3cf) bleibe immer bei bir: b) eenigszins (ogl. irgenb, ©. 62); 5. 23. Er half mir so brüderlich, wie mir immer (irgend) müglich.

5. ^orljtll fjeigt zooeven, daar straks, 5. 93. Hast du jetzt schon vergessen, was ich vorhin sagte? —

Voorheen = eljematë, üormalê, efjebem, norbem.

III. ^(boerbien ber Söeife.

1. 3U8 itnb luie. — 9Btc brnut{)t man in 25ergfeid)itngen; eê be= ^eidjnct cine ?i^nlid)feit (overeenkomst), 5. 93. Das Schiflf fiog dahin wie ein Pfeil. Er spricht, wie (so wie) er denkt. Er ist ebenso stark wie ich. — 3((ê brücft ooCiige ®fcid)l)eit, ©ncrlei^eit (Qbcntitcit) OUê ; Ogt. Schon als Kind sprach er tiie ein Mann; als Mann handelt er wie ein Kind. — Ich ehre ihn als meinen Vater. Ich ehre ihn wie meinen Vater. — Der Vater tragt den Schmerz al ft Mann, die Mutter wie ein Mann.

211 i ftcl)t ineiter nad) Somparaticcn, nnd) a n b e v ê unb nad) 25errteinimgcn, 5. 93. Er ist starker als ich. Er spricht anders, als

er denkt. Niemand (onbevS, tein onbcrct) als er würde so sprechen, (oter; Niemand würde so sprechen, wie er). — 9}ad) jfl unb ÏOlrf) ftcfjt alê gemöljnfid), wenn bev @rnb bcftimint mirb unb bie ïil)nti^= feit n[S 9Jebeninrf)c erfdjeint; Bg(. Er studiert ehen so wie ich (b. f). ouf bitfelbe SSciic). Er studiert so eifrig als möglich, so eifrig, als er kann. Er ist ebenso klug als stark.

Saljc mie folgeitbc: -Hij is even beminnelijk als vorst, als als mensch; ik schat hem even hoog als vriend, als als leermeesterquot; niiijjen nrir tiatürlid) uermetben; mir tfjun am beften Sett einen Saljteit in einen fioni= paratiü ju UerlDanbeln: „Hij is niet minder beminnelijk als vorst dan als mensch.quot; $er ®euticf)e brnudjt iole^en Siiljen nidjt auê bem SSefle ju flefjen, weit er bie beiben Sergleirfjungitinrtiteln 0I8 unb luie jebraudien fann : 6r ift ebenio (iebenSroiirbig a(§ 9Kcnic^ m i e grofe n l § $icf)icr. $i)l- b e n n, S. 48, 8

2. ^veilirf) beb:utct a) zeker, welzeker, wel ja, unb f|Qt até= bnnn 6ejn()cnbc Svaft; b) wel is waar, zeker; j. 9?. Sie fomniea

ocr page 177

171

(jcutc ïlbcub root;! nidjt? „gi-cilirf), ja freilid).quot; — 6^ ift trcilirf) (jiuat) jpiit genug, n6er nod) nidjt ju ipcit.

3. 5ft entftmdjt 1) unfcnn ja; 2) unfcrm immers; 3) iinferm vooral, toch woral. 3n bcï (eljtcn SScbcutung (jat cë ben jpauptton.

SBcifp. §algt;cn 2ic S()re SBorje Bcvloren ? „3a.quot; $aë ift ja entjetslid;.— SSergeffen Sic ja (vooral) nic^t, itjn oon mir ju grüBen. — Unb jetjt, fallen Sic mid) ja nidjt longer nuf.

IV. s3tbuer6ieu beë ©rabeë.

1. (vtioa f)ciÈt a) fo Die[ luie u u g C f il t) r (ongeveer, omstreeks), b) nue soms, altemet; J. 23. 2Biv f)attm eüoa 3 Stunbcn gcfafjien, nl§ bie $f«be bur^gingen. §abcn 2ic fid) ctma oevlctjt (bezeerd)? — §icr ift bcr Sricf; foil id) i()n etwa erbtcc^en?

2. (Snv (oft mit ganj Dcvbunben) a) geheel en al, heel, heele-inaal; b) zeer, grootelijks, schromelijk: c) zelfs (fognv); oft i]! eê bIo§ Scrftarfung; nidjt feiten folgt }U.

93eifp. Sft er reic^? „6i loos, cr ()at gor tein SSennögen!quot; Sa? ift bod) g n r ju ftart! llnb man crjii^Ite mir, bafe if)m cine gor (gor ju) groBe (ïr£)fd)oft ^ugcfallcn fci. „SBiltft bu mii^ gar jum 2ügncr ma^en? 3d) micbert)ote: cr fccfilit gor nidjts.quot; Deun, ba I)oft bu bid) gor fc()r geirrt. — $a§ ift bod) gar ju fd)öit (= wunbcrfdjön)! —- liefer $augc= nid|t§ l)at fcincn uevbienten i.'o!)n betommen, unb bu luiflft it)n nod) gar entfd)ulbigcn, bu ficbaucrft i()n nod) gor (fogar)!

Slum. 3n letjteier SBebcutung fte()t auc^ raol)! b o 11 e n b §, 3. ®. S)u roiöft if)n nod) oollcnbé cnifdjulbigcn !

3. iiDcrljoupt, tut allgcmciucn. ®icfe beibcn Umftanbêraör» ter entfpvedjen iinfenn in (over) 't algemeen; ü6er()aupt jeboc^ bejie^t fid) nuf etronö 35orf)evge()enbeê, nn ireldjeS fid) bnnn bnS gofgenbe «ernKgemeinernb nnl'djliegt; 5. 93. Haben Sie das schone Buch gelesen'? „Nein, ich lese iiherhaupt nicht viel.quot; — C()nc bie fyrnge, müfjtc ()tcr i ut o 11 g e m e i n c n fte()en, fo 3. 3?. in bcr 93c= fjouptung: Xie ®ouern lefen im odgcmcincu menig. — Jetzt lacht das Kind wieder und soeben weinte es jammerlich; bei Kindern dauert überhaupt der Schmerz nicht lang (3?gl. oud) ^lufg. 81).

ïné ^böcvbium.

107.

's Morgens on 's avonds doe ik een wandelingetje 1), overdag moet ik werken. Somtijds ga ik 's avonds een vriend bezoeken.

ocr page 178

172

maar blijf' zelden of nooit langer dan tot elf uur uit. Mocht een van ons soms (IV) niet aan den tijd denken, dan zegt de ander: Wordt het niet zoetjes aan tijd om (o.) op te breken? Morgen moeten wij weer vroeg aan 't werk (atcc.).

De kinderen hebben heden volop genoten: nu eens waren zij boven, dan weer beneden, nu eens binnen, dan weer buiten. Een half uur lang ging het trap op trap af; later hoorde ik ze voor op straat (avt.), eindelijk achter het huis in den tuin. Aan de appelen en peren die achter in den tuin staan,

hebben zij zich te goed gedaan.

Waar komt die vreemdeling vandaan? „Uit 't zelfde land, waar gij heen gaat.quot; Hij is dus een Engelschman? „Ja, en tevens een mensch, zooals men maar zelden aantreft. Overal waar hij komt 2), is hij welkom.quot; Nu, dan hoop ik bij gelegenheid kennis met hem 3) te maken; ik heb hem tot hier toe alleen in 't voorbijgaan gezien.

Wanneer vertrekt gij ? „Uiterlijk overmorgen, althans wanneer er (o.) niets bijzonders gebeurt.quot; En ik meende (glauben), daar straks van uw broer vernomen te hebben, dat ge eerst Zaterdag wenschtet te vertrekken? „Nu, dan heeft hij zich schromelijk vergist; ik moet, als 't eenigszins mogelijk is4), reeds overmorgen in A. zijn; anders was 't heel wel mogelijk dat ik het doel van de reis miste.

Kimt gij mij den naasten weg naar B. wijzen? „Welzeker, kan ik dat. Ge gaat maar altijd rechtuit, ongeveer een kwartier uur gaans (o.), tot ge rechts een boerderij vindt; dan slaat ge links af, tot ge een groot korenveld bereikt; het pad hierdoor brengt u regelrecht naar het dorpje.

1) fcin $iminutui. 2) § e v unb I) i n iDctbcn int Seutjdjcn nut bcm ■Sïidjtunfliöcrb oerbunbcn: Waar heb ik mijn boek gelegd ? = 21* o f) i n ï)obe id) mem 23udj gctegt? 3) = zijne kennis. 4) nngcbt.

108.

(Srganje bic fef)tenben gcvmctt (Ijcr, [)in; ein, in; nor, Dorn(e) etc.).

1. 3cf) I)attc bic 3;[)ür mcineê ^immerS —gcmadjt imb ivofltc cbcn —cintvetcn, aiê cin Dicb —auêftürjtc, bie Srcppe untcr unb jur JpauStljiii- — ouêfiog. — 2. 3}cr frcunbtidjc £)cit vief bic ^iitbcc ju fid) —ein; bicfe bliebett aber (buiten) fteljen, roeit fie

ocr page 179

fidj md)t —cinrangten. — 3. 2Bu' ftiegcn ben ©erg —cuif, gingen um baê Oefjofj (heen) unb fanben baê Sd)(o[;. — i. 2)ie ennat= teten iïnegcr feitcf)ten ben §üget —an; bie geinbe, bic (boven) nuf bent @ipfe( ftanben, ricfen —unter: „fiommt nnv —an! mie furc^tcn nnê nidjt!quot; — 5. 9feit(icf) (jat man einen ©raben um baê ©d)Ioj5 (heen) gqogen; id) molïte —über fpringen, fiet aber — ein, unb milquot; mit augerftei' Sfnftrengung lourbc i^ unebeu —auêgejogeu. — 6. ®oU id) ju bir —unter getjen, ober fommft bu —anf 511 mir ? !Da8 fommt auf cinê —auë 1). — 7. ®ie Snudjer taffen lief) ru^ig in bie ïiefe —unter; ebenfo fteigt ber Sergmann be^erjt in ben (Sd)ad)t —ab, um baS Sq —aufjubeförbern. — 8. Gé jog ein furd)t6areS ©emitter am §immet —auf; brofjenbe Sli^e fd)offen —06, unb ber Stegen plakte —unter. — 9. §aben $ie bie Slftenftüde gelefen, §err sifotar ? sJ?ein, id) I)abe nod) faum einen 33ticf — eingeinorfen. — 10. 9J?eine gelbflafd)c f)at einen 9iNii3 be= tommen: after 2Bein ift —auêgelecft. — 11. Sie niet @e(b befonu men ®ic (terug)? ») — 12. ®ie 9ti^tcr f)aben uid)tS au« if)m —auêbringen fönnen. — 13. 3d) bin boc^ neugierig ju fe[)en, mo baê f) ■—auë mill. ÜDaS gefjt ©ie nid)t an; ®ie braud)en fid) md)t bar— ju mifdjen. — 14. gr fe(jt feinc ©fücffeügteit bar—, mirb fie afcer nidit bar— finben. — 15. 2)a8 ift nun einmal nidtt anberê, füge bid) bar—.

109.

1. ®ie ©timmung, mor— mid) biefe siujjerung nerfe^te, [ajjt fid) md)t befd)reiben. — 2. 'Der §unb webefte um feinen ^)ervn (heen), nadjfjer fprang er beftenb an i()m —nuf. — 3) 3^ meinte, baf; er juut i()or —auS gegangen fei; g(eid) barauf aber tam er um bic gcfe (heen) mir entgegen. — 4. ®ie 9?ad)t brad) —ein, fo bai} mir, arme SBerirrte, un§ uic^t auê bem finftern 2Ba(be — au?= fiuben tonnten. — 5. ®er 23ar mirb an einer fiette (rond) gefüf)rt; mit biefem Tiere jie^t ber Seft^er int ?anbe (rond). — G. Der ÏBinb treibt bie S[Rii()tenf(üget (rond). — 7. Der 2Binter ftreut (Siê unb ®rf)nee (in t rond). — 8. Der 33crg, ber ift mein Sigentum, ba jiefj'u bie ©türme ringê—. — 9. Diefer Dannenbaum befdiattet

1

()ernu§. f) (jinanS (heen).

ocr page 180

174

t)nê Scmb —. 10. ®ie fiinber trciben fid) ben gattjen ïag auf bcr ®trn§c —. 11. §'nt— i|n 9Jacfcn tvng er cineu ,3°^? i ©tirnljaar mar uncfj too— geftvidjen. — 12. Der 5(U,''tL1Pf f'au^ öo— im Sorribor, bn8 fiinb fd)(ug f)int— über unb ficl — ein; mir fonnten bie gtedei: faum luiebcr — nuêbringen (siufg. so). —

13. (3u crfliircn:) Stember. „Sic, Snnbêmaim, luie tommt cS, ba§ baê groÊe ®orf f)ter eine fo tfeine iïirdje [jat? Da fönnen bie ?cutc bod) unmöglidj aüe [)ineingef)eit?quot; Souev. „3a freilid), ^)od)= luürben, luenn bie Seute aüe I)ineingiiigcn, ba gingen fie nid)t alle ()inein; iuei( fie abev nid)t afle f)incingel)en, gefyen fie nöe fjineinquot;. —

14. (Singegangen). §err 9}., ÏÏUtgüeb bcr geheimen 'Polijei, te[)rt eine» 9lbenbë fpat, a(ê nur nod) eiiqeüie katernen ben 2Bcg cr^eHen, nad) §aufe. 2luf einmat entbccft er an eineiit bcr Sanbelaber etrooê SBeigeê, cin ■pinfat. — „§a bie Sd)urfen! ©eiwifc ein $amp[)(et bcr ©ojiatiftcn ober nod) tirger!quot; ïï?it bicfem ©ebanfen fdjreitet er auf ben fianbelaber ju, {[ettert [)inan unb tieft bei bcm ®d)einc ber Saternc bie furje aber inljaltfdjroere 2Barnung; grifd) ange= ftrid)en.

110.

De rechter poogde 1) te vergeefs iets uit den beklaagde te krijgen. — De kinderen konden het zware wiel niet rondkrij-gen. — De knaap opende de doos, in de meening, dat zijne moeder er een stuk koek had ingelegd, en ... er vloog een vink uit en de tuinkamer binnen. — „Waar hebt gij het boek gelegd'?quot; Meent ge soms, dat ik het gestolen heb? Ik heb het in den koffer gelegd en het moet er nog in liggen, als niemand het er uitgenomen heeft. — Wat vergt ge van mij! „Ik verlang niets, waarin een :,ian van eer niet zou mogen toestemmenquot; 2). Ik kan niet nalaten 3), ü mijne deelneming te betuigen; ik kan mij geheel en al in uwen toestand indenken. — De regen plaste naar beneden en stroomde den kelder binnen; de knechts moesten het water er uit pompen. — Mijn broer heeft de prenten uit het boek gesneden en aan den wand geplakt. — Gisteren zat ik voor 't raam en keek naar buiten 4), verdrietig omdat de dokter mij verboden had uit te gaan. Daar ging Willem met drie andere vrienden mijn huis voorbij. Zoodra hij mij zag, riep hij mij toe: „Kom toch beneden! wij gaan naar buiten! De boot ligt klaar: wij roeien naar de overzijde en dan . .

ocr page 181

175

„Schei maar uit!quot; riep ik naar beneden, „alle moeite is ver-geefsch; ik mag er volstrekt niet uit, maar verwacht jullie onmiddellijk na den terugkeer op mijn kamer. Vergeet dit toch vooral niet.quot; „Dit beloven wij plechtig!quot; riepen allen. En zij hebben woord gehouden, 's Avonds vertelden zij mij, dat zij overgevaren en in 't bosch gegaan waren, de hoogte hadden bestegen enz. — Wat (rate) ziet ge er uit 5)! Waar hebt gij gezeten? Ik heb minstens twee uren in 't bosch omgedwaald; door het kreupelhout, door poelen en plassen heb ik mij een weg moeten banen; het water loopt mij de laarzen uit. — Het lichte, zegt men, drijft6) boven; kunt gij de beteekenis van dit spreekwoord vinden ? 7) O, dat is eene kleinigheid 8) voor mij. — Gevaren zijn als bergen; in de verte weet men niet hoe groot ze zijn.

1) @. 135, I. 2) mitligcn (öavein). 3) kunnen nalaten = um()itt fönncn. 4) tjinnuê. 5) er uitzien = ausfeïjen. 6) jdjroumncn. 7) f)evau§= (ober) ïjinauëfinben. 8) ent CctdjtcS (®gt. ®. 33, b).

111.

Tijdens den oorlog van 1870—71 werd een wachtpost, dien de Duitschers te Fontenay hadden achtergelaten, plotseling door Fransche scherpschutters overvallen, die eenigen der soldaten doodden en de overigen gevangennamen. Vóór zij weder vertrokken, lieten zij de spoorwegbrug in de lucht springen. — Een der Duitsche soldaten, die voor dood bleef liggen, was enkel gewond. Hij kwam weldra tot bewustzijn, en dacht toen onmiddellijk aan een trein met mannen van de landweer, die binnen kort zou aankomen, en dan ongetwijfeld bij de vernielde brug moest verongelukken. Zonder om (an) zijne pijnlijke wonden (ace.) te denken, sleepte hij zich tot aan de brug (atcc) en wist den trein door allerlei noodseinen tot stilstaan te brengen. — Joseph Pott, zoo heette de wakkere soldaat, overleefde zijne wonden; maar een arm en een been moesten hem afgezet worden. Een der personen, die zich op den trein bevonden, gaf den redder van zijn leven eene som van 3000 Mark. Van staatswege ontving Pott geenerlei belooning. Maar onlangs heeft de keizer aan de weduwe en de kinderen van den braven man een klein pensioen toegekend.

Een betere beiooning vond de held van een ander voorval. Een der keizerinnen, toen nog prinses van Pruisen, was

ocr page 182

176

eens op reis en had aan het station te Dessau heet water voor haar stoof noodig. Een adjudant snelde met een knecht naar de wachtkamer om het te halen. Helaas I het water was net gebruikt om koffie te zetten. — Een kleine neer, die bij't buffet stond, riep: „Wat! is er geen water!quot;, nam de kan met kokende koffie en ledigde deze in de stoof, voor de oogen der vele reizigers, die nu van den verkwikkenden drank (Jtcc.) moesten afzien. — Die man, de heer Cohn, werd later bijzonder schatmeester des keizers. — Welke nuttige les is uit deze twee verhalen te trekken? Het is voordeeliger te zorgen, dat eene prinses geen koude voeten heeft, dan honderden medemenschen voor (oor) verongelukken te bewaren.

Wjaltuigluovt ober bic

$)ic ^röpofitioncii, rcefdje bet itnê nur auSna()mêtt)ci[e cinen au» bent a(ê ben e i e r t e n gall regieren 1), merben im ®eutfd)eit batb mit bent 3lccufatiB, tmlb mit bent ®atiB, bnlb and} mit bent ©enitiü oerlmnbeit.

S)en 91 c c u f a t i B regieren :

biivdj, füv, oljnc, urn, (icgcn, unkr.

®en ® n t i b regieren:

mit, itnri), iiiirfjft, nebft, famt, Bei, icit, üott, ju, juwibcr, entgege», auö, aufjcv, gemiifj, gcgenüDcv, juniidift.

Slnmcrt. 3 it to i b c r, g c m ei B, gegenüber, j u n ei d) [t imb c n t g c fl c n f)alicn bie Grgcinjung (bic Dhgienmg) gcrcötjnlicf) Bor jicfj, entgegen immer; 3. 3?. Er handelte dem Gesetze zuwider (tegen), geraiisz (overeenkomstig). Er sasz mir gegenüber, stand mir zunachst, kam mir entgegen.

SUnBcdjfctnb ben ® a t i B itnb ben 21 c c it f n t i B regieren:

nu, auf, fjiuter, ncDeu, in, iiOer, uutcr, Dor unb jiuiftfjeu.

2(nincrf. Üöcr bic ^vapofitionen, hjctcfje ben ©enitiö regieren, fpatcr.

1

Te fteïjt mit bent 2) a t i 0; — in gemiüen abocrbieflen 35et6inbiiu= gen unb Suiammcnicljungen nurf): in (in der tijd, in den beginne), met (mettertijd), na (naderhand), op (op den huize), uit (uitermate), van (van den bloede) etc.

ocr page 183

A. 91 c c n I a t i D.

JÜl' bejcidinct (mie 6ci uné): 1) 3tcl(üertretuug (= a n fta 11);

2) (ïrfa^ ober Skrgütung, oft mit bcr 9?c6enbcbeutung: im 311= tereffe Don, 511 ©unftcu bc§ ©cnanntcn (Scgenfat; mi bcr);

3) cine 93cf^raiihtng.

-Beiipicle; Der Redner trat für seinen Bruder auf. (JBetdje ^inci Scbcutungcn ?). Er starb fiir's Vaterland. — Das war die Belohnung ftir moine Mühe! — Wer nicht für midi ist, der ist wider mich. Icli habe das Much für dich, für 2 Gulden gekauft. — Ich habe das Fttr und Wider (pro et contra) gut erwogen 1). — Ich für meine Person bin damit einverstanden. Mann ftir Mann, Stück für Stiick.

SiHbcr kjcictmet cinc fcinblidjc, nnberftrcBcnbe, gcgeil cine nad) ctmnê t)inftrebcnbe, bnlb frcunblidjc (= jegens) balb mid) fcinblidje 9iid)tuitg, 23. Wider (ober) geyen den Strom schwimmen. Er ist freimdlich gegen jedermann f)-

On üBcrtragcncr 93cbeutuiig briirft flCfleil 1) cinc 2Inna()crung, 2) cinc 33ergtcid)img auê; 5. SB. ©cgen elf ll^r (= tegen) waren flcgen 80 ^erjonen jugegen. (Scgen (= bij) i()n bin id) nur ein Stumper.

ftcfjt mciftenS n(8 31 b ti c r b in 3Serbinbung mit nicf)rcrcn '^riipofitioncn (bis nu, biê nuf, bis 311 ctc.); n(S ^rapofition ftcljt c8 5. S8. in ; Ich bleibe bis niichsten Sonntag.

lint ftc[)t in gemiffen 2luébnitfêfonncn oor bem (ogifdtcn ©ub» jeft; 5. S. ift bod) ein fd)öne§ Sing u m § 2ad)en (= Sas Sad)cn ift Dod) ;c.). 6§ ift eine buntmc Sadie u nt ben beutfe^en groten 5(nfang§bud)= ftaben. — 33g(. fvanj. que: C'était un grand héros que Napoléon.

?Jïit t) c r 11 m oerbunben cntfpvi^t bicfc -pvapofition unferem om en bij; 5. 58. $a§ CiauS rairb if)m auc§ urn 1000 Staler t)eruin getoftet ()aben. 3a, er f)at fo ein taufenb Staler unb b r u m () e r u 111 bafitr bejaijtt.

12

1

3n Sufommenfe^ungen: ^iirbitte, Siirfprad)e, giirmorf, befiirworten (eine fert'on), beBorlDOrten (tin Sud)).

t) ?'it Qufammenfe^ungen ift wiber fe()r gebrauctjtirf) (= weder, weer, tegen)-. wibetftel)en, ÏOiberftanb; loiberftreben, n!iberfat)ren, 2i3iberiad)er (ogl. ®egner), iniberfpted)cn ete. — Sonft tommt eê bei meitem nid)t fo oft oor wie gegen.

ocr page 184

178

B. 2oth).

9tu^cr fte()t vcge(maj3tg mit bcm ® a t i o. Stof; in ben ïïiiê= brüdcn : auszer Stand setzen (QSogcujciij: in beu Stanb fetjen) unb : etwas auszer allen Zweifel setzen i)at eê ben 2(ccuiatiu ; ben ©emtio in ben fteijenben SSerbinbungen: auszer Landes gehen (buitenslands) auszer Hauses (waschen lassen) = buitenshuis.

Wcbjt unb fault entiprorfjen unfenn benevens, met; — f a m t jebod) bejeidjnet eine engere SBerbinbung, eine innigere 3uiamlucn5 getjörigfeit; — jur SBerftarfnng tritt nid)t feiten mit ^inju ; ^ 23. Er hat die Scliafe samt den Lammern verkauft. Die Diebesbande wurde samt iliren Helferslielfern aufgelioben (met hare handlangers opgelicht). Das Schift' samt (mitsamt) der Ladung ist verloren.

iöci bcjeidjnet eine i)ïu()e ; Itari), wie and) ju, eine ;)iirf)tuiu]. — 33aê ift Uttel) eine © a e ober ein D r t, bei ju

eine 'iP e r 1 0 n A'); j. 58. Er sasz bei mir, auch sein Bruder setzte sich zu mir. Er kam spat nach Hause, zog nach Hamburg, zu seinem Oheim etc. Gtroaê JU Ürf) ftecfen = hij zich steken.

Slum. 1. S3iëmcilcn ent)pndjt 6ci cincr nnbern ^rapofition bei uns. ©o 3. 53. in: 6ê fteljt bei Sir (hot staat aan u); er roar idjon bei Snljren {op jaren); er infe bei Sffiaifer unb S3vot gefantjen (o^ water en brood).

ïlnm. 2). 3n geroijjen abuerbiolcn Slcrbinbungen fte(}t aud) ju uor ©adjnamen, 3. 33. in : Er ging zu Bette, zur Ruhe, zu Tisch, zur Schule, von Haus zu Hans, von Ort zu Ort, zu Grunde etc (S8f)(. 3.36). Oft roirb e§ mit ben ïlbücrbicn {) e r n u é, 1) i n a u §, t) e r e t n, b i n e t n etc. oerbunben ; 3. 93. Wir spazierten zimi Thor hinaus, hinein, etc. (SSflt. baê Jlboetl) ®. 168).

q[S ©uperlatio ift ftörfer at§ n n d) (ugl. na, naast);

93. Nach Goethe ist wohl Schiller der gröszte deutsche Dichter. Nachst Gott habe ich meinen Eltern am meisten zu danken. Was ist nachst einer festen Gesundheit das hochste Gut? Kachst den

*) ©tetjt n a d) Oor ^erjonennomen, ja f)at c§ eine anbere 93ebcutung. 9$gl. (Sr id)tdtc jcinen Scbienten 311111 ïli^t (unb:) Gr jdjirtte n a d; bcm Slrjt (b. I). om den dokter).

ocr page 185

179

Masern ist der Keuchhusten wohl die allgemeinste Kinder-kranklieit.

a rf) ft bcjeid)nct dfo bic unmittclbarfte DJötjc (= ganj ualjc, bicijt), bcfonbevê in übcrtragmer Scbcutung. 93ïit ju «erbunbcn | JUUatfjft] tuivb cê aut^ in cigcnttidjci' Sebcutung gcbraudjt; 5. 33. Kr stand mir zuniichst. Dem Kaiser zuniichst erblickte ich seine reckenhafte Gestalt. — (Unb n(ê 3(ö0crb) : Zuniichst (= allereerst) musz man für das Not'.vendige sorgen. dann mag man an das Angenehme denken.

Jliflll ftimillt mit van iibEvetn: Ich sprach von der Saelie: einer ron uns hat es gethan ; der Apfel flel von dem Baume ; ron wem hast du den Brief erhalten ? — Qn cincr 23cbcutmig jcbodl tcnncn imr bicfc ^vcipofition nid)t, n. (. yir Slnbcutung bc§ fvü= I)cnt Subjcftê in pmuücn Sagen; 33. Wei- hat das Schieszpul-ver erfimden? (^5afiiö); Von wem ist d. S. erfunden worden? — Die Franzosen haben viele Schlösser zerstört. (^affiü:) Viele S. sind von den Franzosen zerstört worden.

Soil Qbev nid)t bic tfjiitigc, fclbftbcraufjtc ^cvfon (ober eaije) b. f). bcr llrl)cbcr, fonbern bag 5DJittc(, bcr ffiog ober eine n a t ü v f i rf) c llïfadje bejeidjnet lucrben, fo jteljt tiui'ri) i J. 33. Das Schieszpulver ist durch einen'Zufall erfunden worden. Viele Schlösser sind durch Stürme, Erdbeben etc. zerstört worden.

33crg(eid)ung : Siejcr 33nef ift « o n m i v gcjdjricbcn, unb b u r d) mcincn Dieffen abgegeben luorben. — 3d) fjabe ben 33ricf u o u i[)m (Utiprung) b u r d) cincn Sfiotcn (ffliittci) crljallcn. — Stevbcn foil er burd) (Sift ober Sold) u o n biejer meiner §anb. — Sic llnglüdlirtjen finb nidjt «on i!)nt (fetfijl,unmittelfiov) fonbern burd) ifjn (nuf fein 3lnftifteu Don anbern) I)ingcfc^(ad)tet.

binnen bat mil- nod) 3 e i 11 i d) c 33ebculimg ; 5. 33. hi hu en drei Monaten, binnen kurzem.

Sinmber (S- ®. itg): Er hat meinen Wünschen zuwhier gehandelt. Der Wind war uns zmcider. Solehe Grobheiten sind mir zuirider.

ocr page 186

180

3 u ü b c r f c ^ c u.

112.

Ia Januari (art.) 1748 werd te Leipzig Lessing's blijspel „De-jonge geleerdequot; met groeten bijval ten tooneele gebracht. Sedert dezen tijd werd zijn naam met eere in de Duitsche letterkunde (Sat.) genoemd. — „Voor het vaderland en tegen de dwingelandij !quot; Met deze leus wierpen zich de dapperen den vijand te gemoet en drongen hem tot aan de grenzen (flcc.) terug. -Hoeveel hebt gij voor die duiven betaald? „Drie gulden min drie stuiver. Vindt gij dit te veel ?quot; Ik voor mijn hoofd 1) zou er niet zooveel voor gegeven hebben. — Goede boeken zijn de beste vrienden. Wie uitstekende boeken leest, heeft omgang met de beste mannen en de diepste denkers. — Menigeen is-door het spel arm en ongelukkig geworden. — Het huis van mijn neef is door den bliksem getroffen. — Kent gij soms eenige van de jonge lui, die tegen de wet hebben gehandeld en gerechtelijk vervolgd 2) worden? „Neen, maar ik vernam zooeven door een toeval, dat Willem niet tot de schuldigen behoort en dat drie der belhamels op water en brood gevangen zitten.quot; — Door tijdigS) toegeven en door zachte woorden laat. zich dikwijls meer bereiken dan door hardheid en gestrengheid. — Door wien is het buskruit uitgevonden? — Het schip worstelde 4) uren lang tegen den vreeselijken storm en de hevige branding; eindelijk werd het door de woedende golven tegen de rotsen geslingerd. Het schip is met de lading dooide diepte verzwolgen; van de bemanning is een gedeelte, in de eerste plaats door de tegenwoordigheid 5) van geest (één woord), van den kapitein, gered. - Na(ast) den ijsbeer is de bruine beer het grootste roofdier van Europa. — Allereerst dient gij voor het noodzakelijke te zorgen; eerst dan moogt gij aan het aangename (acc.) denken.

1) 2cit (n.). 2) ncridjtlicf) belangt. 3) redjtjeitig. 4) tampfen. 5) bic ©egenmort.

113.

Uwe ongesteldheid komt van uwe bovenmatige inspanning, zeide de dokter, om wien ik gezonden had, terwijl hij bij mij ging zitten; door rust en ontspanning, vooral door nu en dan

ocr page 187

131

«eno flinke wandeling te doen, zult gij uwe gezondheid spoedig herkrijgen. En waarlijk, binnen veertien dagen was ik weer sgeheel de oude. — Na de lente is de herfst het aangenaamste der jaargetijden. — De koning zal zich naar de hoofdstad begeven; eenige heeren benevens vele bedienden zijn reeds voor-uitgereisd. In wolk hotel (Sat-) zal hij zijn intrek nomen? — Sedert den oorlog van 1870 behoort de Elzas tot Duitschland. — De weg naar de hel is met goede voornemens geplaveid (aufg. ie). Wie op (ju) alles ja zegt, heeft geen vijand, maar ook geen vriend. — „Wat zal er van (aul) je worden!quot; riep de vader vol wanhoop uit. „Ge zijt voor (ju) niets geschikt! Ik zal je naar •een boer zenden, dan kunt ge leeren ploegen en eggen!quot; En wat meent ge, dat er van dien knaap geworden is? Thans is hij professor in de geschiedenis 1) aan een der grootste universiteiten (®ot.). — De kroonprins staat den regeerenden vorst het naast. — Sedert het begin van April woon ik tegenover de kerk. — Ieder voor zich, zegt een spreekwoord, en God voor ons allen. — De marter heeft de kip benevens do eieren opgegeten 2). — Na den diamant is de robijn de hardste delfstof (stufcr. 26). — Zulke uitdrukkingen stuiten elk fatsoenlijk man tegen de borst. — De marskramer (th. ss) gaat van plaats tot plaats, van huis tot huis, om zijne waren uit te venten 3). — Hij is reeds op jaren: by (S- m) hem zijt ge nog een jongeling. Blijft hij nog eenigen tijd ten uwent? Ja, waarschijnlijk tot aanstaanden Zaterdag. — Alles is verloren, behalve 4) de eer. — De oude Romeinen waren buiten twijfel 5) do wreedaardigste menschen der wereld.

1) prof. in de geschiedenis = ^rofeijov Bcr ®eid)icfitc. 2) freffen. 3) fcübieten (ober) uusbieten. 4) nufeer. 5) ol;nc Sraeijcl (obcv) 3tt)eifcI§o()nc.

C. ïflttD itub quot;Jlccufatiü.

sJln, auf, fjintcr, ncbcn, in,

Übcr, mitcr, nor «nb jimfrfjcn

®td)en mit bcm 91 c c u j a t i o,

ICentt man fragen fann: ÜÖoljiu sïïcit bcm D a t i u ftcl)n fic fo,

®a§ man nnr fann fragen: ïliJo ! 3. 53. Wo wohnt er? Er wolint a/i der Ciiaussee, auf dein Sclilosse,

ocr page 188

182

hinter der Kirche, neben mir, in der Stadt, über einem Keiler (= boven i, uuter diesem Daehe, vor dem Thore, zwischen zwei Wirtshausern.

Wohin geht er'? Er geht «»/' die Jagd, in das Dorf, über die Brücke, vor die Thtir. Er setzte sich neben mich, an den Tisch, zwischen die zwei Freunde, hinter den Bürgermeister. Er steilte sich vor mich (Wquot;), trat hinter den Stuhl, schlich !sich) in das Hans etc. — nod): Uer Rock hiingt an dem Nagel; ich biinge den Koek an den Nagel. — Ich kam spiit in die Stadt; ich kam spiit in der Stadt an.

itniii. ÏDJan beadjtc unb ucrgleidjc bic 33cbcutung ber Scihuörtcr in obigen Saljcn.

Der 3) n t i d fte()t atfo, roemt eine ein SSenueifen au

einem Crte, — ber Slccufatio, inenn eine ï)ii((jtiniö, eine auf ein gcii^tcte 33eiueguitg bejeirfjnet inirb.

ïïnmerf. 3ft bic Skmcgung cinc 3 i c 11 o i c, finbet fie filof; an cincm Drte ftatt, fo folgt fclamp;ftucrftanblicf) ber Eatio. ffigl. Er spazierte. im Ciarten (Wo?). Er arbeitet im Garten. Er geht im Zimmer (aufund ab, bin und ber). Er sitzt im Zimmer.

31 ber md)t immer (a§t fid) ber fiafuS biird) ÜOo I unb iWoIjill erfragen. SefonberS menn biefe 9 ^rapofitionen in übertragener Sebeutung gebrnudit raerben, muf; man yir Seftimmnng beê ^aHeS 311 onbern §ilf8mittetn feine nctjinen.

I. ®ic raumddje Sebeutnng ge[)t in eine jeitlidje ubeiv luie benn ber jn nncf) ein ^iautlt ift.

SRan uergleidje: 3d) gclje in bic £d)ule (naar school). 3^ ge()c inë acf)tjcl)nte 3a()r. (ïr fid in ben förabcn. 3Jicin ©cburtStag fottt in bic gcvicn. 3d) id)Itci untcr eincr (ïid)c, in cincr §angcmattc. 3d) )d)licf untcr ber ^rebigt, in ber TOiitagsftunbc.

Qn foldjen Sii^en erfragt man ben 'ïmtiü nid)t mit roo ? fonbern mit mann? 5. 33. 2er ÏÏÏorb wurbc ncrübt (mjo?) in bicjem SÏBalbc, nor bent S^orc, untcr ber (Sid)c; (nmnii?) im oorigen 3nf)tc, oor uier ïl!od)cn, untcr ber 9icgicrung be-S oorigen fionigê.

II. 3luf ^uftiinbc übertragen, bejeidjnet ber Slecufntio eine 53 e r a n b e r it n g be8 cin Ü hergeven üon bem einen 3uftanbe i'1 ben anbern, alfo bnS Cvntftcfjcil eineS nenen 3uftnnbcS ober 33er()iiltnifl'e?.

ocr page 189

183

93cijpick: Jesus verwandelte Wasser in herrlichen Wein. (Sgl. Er ;lt;osz Wasser in Jen Wein). Dieses Ereignis verkehrte seine Trau-rigkeit in die grüszte Freude. Das Kind fiel (ober) die Mutter sang das Kind in einen sttszen Sclilaf. Eis lust sicli in reines Wasser auf. Das Glas zerbrach in tansend Stüclce. Er weihte midi in das Heheimnis ein.

[ïurrfj ön§ !ll!unbcr, Surd) ba§ (ïrciguiê cntftnnb ctttiaS 9!cuc§; ba» ïtinb ging in einen onbern 3 « ft'i « ^ iiber; efcenjo ba§ 6i§ etc.].

TTT. aBertn beu 9i i d) t u n g ê b c g r t f f auf ben (§ci)t über» tragen lüirb, ftc[)t natür(id) bcv Slccufatiu.

5DJan ucrgl. Ich schreibe an meinen Freund. Ich denkc an meinen Freund. Er kam, geriet iinter die Soldaten. Er kam. gerictauf den Gedanken etc.

(gbenio ; Icli erinnerte ihn an die herrliche Zeit. Uhland versetzt iins in das Mittelalter. Wir sannen auf Mittel, die Sadie ins reine zu bringen. Auf diesen Umstand babe icli gar nicht geachtet. Be-reite dich auf' das Auszerste vor. Er kelirt (stoort) sicli gar nicht lt;(« [künmiert sieh nicht um] die Meinung der Leute. Ans Vaterland, ans teure, scliliesz dicli an!

IV. Set acit= unb sJJi(lijbeftimmungcu luirb bic @ v c rt 3 c, cinerlei ob errei^t ober überfcfyritten, burd) ben Slccufatio bcjeidjnet. Oft tritt baê Stbocrb bis Ijinjit. (a'gt. ®. 177).

Seijpictc: Das Wasser stieg uns bis an, bis über die Knie. Wir tanzten bis an den lichten Morgen. Er trank das Glas bis auf den letzten Tropfen ans. Alle bis auf einen (op één na) wurden belohnt. Sein Ruhm reicht bis an die Sterne. Die Hiiuser schienen bis in die Grundfesten zu wanken. Er ist klug über (boven) sein Alter. Dieses Kunstwerk ist über mein Lob erhaben. — Unser Garten miszt 60 Fusz in die Liinge und 25 Fusz in die Breiie. Das Heer war an, war über zehntausend Krieger stark.

114.

iïenuanble — ibo rtötig — ben 9?omtnatiu in ben paffenben gaU.

4Bir fajjen an (ber runbe ïifrt)}, a(ê ein Spcrüng in (baê uier) flog imb fit^ auf (ber Dfenfimê) fetjtc. ®er Heine SBilljelm iDollte baê ïierd)en in (ein fleiner Söfig) fperren unb brad) in (ein lauteS ÜBeinen 11) au?, a(ê ber SBogel luieber ()innuéflog. — Ungc» betenc @afte fetjt man t)inter (ber Xifd)). — 21(S id) in (baê mer) trat, bat er mid), ben ©toef in (bie ®cfc) ^u ftcüen unb ben

ocr page 190

184

SOÏantet auf (ber ©tuljl) ,511 legen. — ©eftent ()at er fid) in (ber ginger) geidjnitten unb ^eute ift er mit (bie 9ïa[e) gegen (baS ^utt) getaufen. — 95on Senten, bic alleê öerfe^rt anfnngen, ^cij;t eê, baf; fie bie ^ferbe f)inter (ber SBagett) ober bie Ocfjl'en ginter (ber ^pflug) fpannen. — Die 33nrg luurbe in (ïriimmer) geïegt unb ber j'djöne ^palaft in (ein ©djuttfjaufen) öenranbett (II). — ÏRan blaft fo Innge in bie (Slfcfje), bis einem bie gnnfen in (bie 9{ugen) ftieben. — Sommt ber 93elt(er anf (ber ®ant), fo luirb er ftolj luie Sönig Sant. — Der ÜJJonb trat ()inter (bie SEBolfen), öerf^roanb (mo?) fjinter (bie 2Bo[Êen). — ®er gtegeï fteUte fid) Uor (ic^) f)in unb bliefte mir ober micf) unoerfdjamt in (baê (Sefidjt). — ®er Scorer fdjreibt bic Slufgabe an (bie SSanbtafel), ber ®d)ü(cr in (baê §eft). — Qu (baS SDJcnfdien^erj) finb öieïe Siefen, in (bie) tein Senfblei fyin» abreid)t. — 2lfê id) il)m biefe SBorte in (bn8 £)Ijr) rannte, fprang er entfe^t in (bie §öt|e). — 2tuifd)nb ncnnt man bie Stnêfefcung einer jeljt anêjnfü^renben §anbtnng nuf (eine fünftige —

SBenn jemanb ge()t in (baê beffere ?anb), cntfte()t ir)of)( eine ?ücfe in (bie 2öe(t), tfeiner ober gröijer je und) bcê 93!cnid)en 0tnnb unb Scbentung; aber fd)neü ift bie Südc jugemadjfen in (bic 2BcIt), f^netler nod) a(S ba§ ®raê n)ad)ft auf (baS @rab) beê S)at)ingc= fd)iebenen. 9lbcr in (baê §eq) bteibt bie 2üdc, blciüt eine ffiunbe ^uriid.

115.

Kent gij de gelijkenis van den man, die goed zaad op zijn akker zaaide, maar wien een vijand des nachts 1) onkruid onder de tarwe strooide? Ge kunt haar in het evangelie van Mattheus 2) vinden. — De korenbloemen groeien tusschen de rogge. — IJdele menschen zien graag in den spiegel («jo^in?); in den spiegel (rao?) toch zien zij hun eigen beeld. — Toen de vreemdeling zijn scherpen blik op mijn vriend richtte, ging deze achter mij staan. — Waar hebt gij deze geschiedenis gelezen? In het boek, dat gij aan mijn broertje geleend hebt, en in hetwelk gij zelf uw' naam hebt geschreven. — Ga niet op dien stoel zitten! Zet u liever naast mij. — Spreid 3) het laken over de tafel (flcc.), zeide de moeder, en zet het theegoed, dat daar in de kast staat, er op 4). — „Wie denkt niet gaarne aan de dagen zijner kindsheid!quot; riep hij uit, terwijl hij zich tot (an)

ocr page 191

185

mijn vriend wendde. „Ik niet.quot; antwoordde deze, „want dan •denk ik aan dagen van ontbering en verlatenheid.quot; Bij deze woorden kwamen 5) hem de tranen in de oogen. —quot;Wie moet (muft) lezen? „De beurt is aan mij.quot; G-ij vergist u, gij komt eerst later .aan de beurt. — Wij willen deze fraaie plaat aan den wand plakken; mij dunkt zij zal aan dezen wand goed staan 6). — Onze trouwe bediende is sedert twee dagen aan 't ziekbed (9fcc.) gekluisterd; ik heb dadelijk om (©. its) den dokter gezonden en Frans met het recept naar den apotheker gestuurd. — Hebt gij uwe boeken in den koffer gepakt? „Neen, zij liggen nog ■op mijn schrijftafel.quot; „Wil (®. iió) ik ze in den koffer leggen?quot; Om den dood niet 7); intusschen dank ik u voor uw vriendelijk aanbod. — „Hoe zijt gij achter het geheim gekomen?quot; — Ik kroop in de kleerkast, waar ik mij goed verstopte; daarop drukte ik het oor tegen (an) den wand en... „Foei, gij zijt toch geen luistervink ? Denk aan het spreekwoord: De luisteraar •aan den wand, hoort zijn eigen schand.quot; (flufg. 3).

1) be§ 0JQcf)t§ (obcv) nad)t=. 2) 9}ïatt()öi. 3) (n-eiten. 4) = op dezelve. 5) tieten (ober autt)) fonnnen. 6) ficfi gut ausnctjnien. 7) tei Seibe

IKi.

Wanneer men een oordeel over iemand (-Jtcc) wil vellen, moet men op de omstandigheden letten (III), die invloed op :zijn karakter kunnen gehad hebben; anders maakt men zich licht aan partijdigheid (Oen.) schuldig. —Weet gij, waar KOrner gevallen en begraven is? Hij is bij Gadebusch gesneuveld en onder een eik bij het dorp Wöbbelin begraven. Op zijn graf heeft men een monument opgericht; maar, wanneer dit gedenk-teeken in stof (gaü?) zal zijn vervallen, dan nog zullen zijne ■krachtige liederen voortleven in den mond van het volk, voor welks vrijheid hjj goed en bloed veil had 1). — De koude wind blies mij in 't gezicht; daarom wikkelde ik mij in den mantel ■en trok den flambard over de oogen. - Aan wien hebt gij den brief geadresseerd? „Natuurlijk aan uw' vader.quot; Dan zult ge lang op een antwoord moeten wachten, want vader is sedert vier dagen uit de stad en komt zeker niet vóór aanstaanden :Zondag terug. — Op (an) den bepaalden dag werden de prijzen onder de leerlingen (flcc.) verdeeld. — Ik stel 2) mijn geheele vertrouwen op u. — Hij trok zijn voorhoofd in diepe plooien en vestigde 3) zijne donkere oogen op zijn tegenstander. — De moeder ging bij (an) de wieg zitten en zong het kind in een zoeten slaap. — Mijn verjaardag valt in de Paaschweek; we

ocr page 192

1S6

kunnen dit feest dus in den huiselijken kring vieren. — Heeft deze trein aansluiting met (an) den sneltrein, die om tien uur vertrekt 4)? — Na driemaal aan de deur te hebben geklopt zonder antwoord te hooren, trad ik de kamer binnen.

1) feil fjnben (ober) in Ine Spanje idjlciflcn. 2j jctjen. 3) Ijcftcn (Sal S.ot). 4) abgetjcn.

117.

Stel u in (an) mijne plaats en raad mij, wat in deze omstandigheden te doen is. „Gaarne, lieve vriend, maar ik kan over de zaak niet oordeelen, vóór gij mij in alle bijzonderheden ingewijd hebt.quot; Welaan, ik zal u alles haarfijn 1) vertellen. — Deze boer heeft hij de 2) tien jaar geprocedeerd en het proces in laatste instantie gewonnen. — Onze tuin strekt zich tot aan de rivier uit: van het prieel uit heeft men een heerlijk gezicht op den stroom en op de heuvels aan de overzij'S). — De eerlijkheid van dezen notaris is boven mijn lof verheven (IV);. over zijn gebrek aan beleefdheid wil ik niet klagen. — Is uw vriend gisterenavond in de stad aangekomen? Helaas neen, ik vrees, dat er (o.) iets in den weg is gekomen. — Do vreemdeling droeg een lang tot over de knieën, ja tot bijna op de enkels afhangend 4) kleed van üjne stof.— Wij hadden al over het (rnibeft. art.) uur gewandeld, toen wij aan eene herberg kwamen, voor welke een grijsaard op een zodenbank zat. Wij stapten op hem toe en herkenden in hem (Xat.) den beroemden tooneelspeler B. — Vroeger woonde hi| in de residentie; op raad (Jirt.) van zijn zwager is hij in (nad)) dit stadje gaan wonen 5) en sedert oenige maanden woont hij naast mij. — Menschen, die zoo in 't wild praten, als hij. passen niet in fatsoenlijk gezelschap (mibcfi. art.); hij mengt zich in alles, spreekt over alles een oordeel uit en weet eigenlijk niets. — Mijn kamer grenst onmiddellijk aan 't atelier van mijn broer; door een reet van de deur 6) kan ik hem voor zijn ezel 7) zien zitten. — Hoe vaak is men in de groote Russische steden niet al achter wijdvertakte samenzweringen van nihilisten (cin sffiort) gekomen! — Op het hoofd had zij een muts, hierover (over deze) 8) een capuchon. — Drie droppels in den drank 8) zijn reeds voldoende. — Er ligt iets geheimzinnigs over het wezen 8) van dezen vreemdeling.

1) bi§ auiij •VHiar. 2) an. 3) 'Jlöjctti». 4) (jcva'ncidjcnii. 5) ülicrficbetn. 6) Stfjürjpaltc. 7) 2'affclci. 8) t)in;ii;iifcrntai: gcjcflcn, gcgoffcn, gcbrcitet.

ocr page 193

187

5(uf itnb übcv l)nben in übcvtrogcucv söcbcntung cinc 9fcigung ^um 3lccuffttiu.

ïfïnn ucrglcidjc: fivgcvc, freuc mid), riidjc mid) übcr cinc 2nd)c. 3d) iirgcrc, cvgöijc mid) on cincr £nd)c, rad)c mid) an cincr ^crion. — ^n Bicjcm gallc tomme id) iüd)t; tiicin ®vubcr abcr fommt nnf jcDcu gnll. — (ir l)Qt mid) anfs frcunblid)itc bciuirict; cv I)at om )d)önftcn gejungen (Sgl. $.47). ^11 luclrfjcr Söcije juli id) bic Sad)c bcl)oubcln ? 'Jtuf Bicjc aikijc tommcn luit nidjt 511111 Sid-

Sbcnjo; Ich weinte, ersclnak, betriibte micli, wunderte mich ïther sein Wegbleiben. IcU recline, ziihle, vertraue, verlasse mich auf dich.

riniünbcvfjcit ftcfjt bei nuf unb iibci' bcr 2iccu(nliu:

1) menu bicjc ^icipofitioncn gur Umfdjvcibung cincê ©cnitiu» ober ®atiDDciquot;l)altiiiflcS bicnen; 5. 9^. Icli lache, spotte, schiime mich Ober sein Benehmon. ich bin böse auf ihn, vertraue nicht auf ihn (einem böse sein, einem trauen).

2) wenn ctiuas ^quot;fünftigcê bejctd)nct luirb:

Vber einige Tage komme ich zurück, ich will dich auf den Sonntag besuchen. Er nahm Abschied auf viele Jahre. Ich freue mich auf )iu'in Geburtsfest. Man innsz seine Arbeit nie auf den andern Tag verschieben; versparen aber soli man manches auf den andi-rn 'l ag.

Slnm. Srüdt übcr cinc 0)Icid)3eitigfcit an§, jo ftctjt cs mit bent Satiu; 3. 33. Über dein Lesen schlief ich ein. I'ljcr dem Suchen nach dem rechten Wege verliert man seine schönste Zeit. Über dem Warten (al wachtende) wurde ich hungrig.

23oi' l)at cinc 'JJeigung jum ïntil), unb jiuar bcionbcvS:

1) iScnn ein ÜilovjUG abei' ^Ori'dllfl (= boven) be^cidjnet luirb; :. 23. Er hat sich ror den andern ausgezeichnet. Darauf konimt es vor allen Dingen an. Hat er nichts vor dir voraus (bij, op)?

[SL!gl. übcr jitr 33c3cid)nung cincr lt;ticnid)aft: £er ftönig I)cirid)t übcr bo§ 2anb, regiert übcr ïaujcnbe, gcbictct übcr bo§ Öcer, i'icgtc übcr ben fycinb].

2) 2Bcnn eê «ov cinciu Snbftnntiu ftcl)t, bnê ctiuaS ^ u v d) U c v r c g e n b c é, ober bic luirfenbc Uifadjc cincr n n ra i 11 f ü r= (i rf) c n Sicgnng anbentet. — 23eiiüie(c: Er doh. wich, erschrak ror dem Eeinde. Mir grant ror dem Tode. Man warnt ror 'i'aschen-dieben. Ihm ekelt ror Spinnen. Man ist nirgends sicher ror ihm.

ocr page 194

188

Er veibarg sich vor der Polizei. Bewahre micli vor solchen Freunden. ('Jtud; al» G 1) v f u r d) t einflogcnb:) Vor solchen Leuten nclime ich gorn den Hut ab. — Er zitterte vor Angst, vor Kiilte, ror über-groszer Freude. Ich errötete vor Scham, war auszer mir vor Zorn. Er sieht den Wald vor lauter BiUunen nicht.

Slnm. 3ft bic faufnle Siöirfung teine unwillfiirlidje, ^iingt biejeltc uon bem aOillcn bc§ Subjcfts ab, jo gctn-nuc^c man aitS; 3. 33. Ich schwieg cms Achtung, Liebe etc. fiir den Greis. Ams Notwehr, aus Barm-herzigkeit, aus Mitleid hat er es gethan.

ftcl)t mit bem ïotil):

1) nad) 5gt;cv6en, bie cin Snip finben a\iêbviicfcn (asgt. s. is? oDen) 5. 58. fid) iirgern, fid) ergbtjen, fid) mcibcn, ©cfallcu l)abcn an finer Sad)c.

2) jni' SIngnbc eincê e n n 5 e i e n ê, 93. $cn Sogcl cvtennt man nn f c i n c n Qcbcrn.

3) ^ur Srgfinjung bcö ^rabifaté, befonbevê eineö 21 b j e f t i 0 5. 2)ic'8 gilt nud) non ill. — Scifpiete: Er leidet an der Brust, starb (tn- seinen Wunden, nahm an Kraf/c« zu (ober) ab, hinderte mich am Spiel. — Es fehlte (mangelte) an allem. — In de hl Punkteirren Siesich. Ich habe mich in ihm betrogen. Er ttbt sich im Klavierspielen. In seinem Eache ist er ein Meister, an Fleisz ist er allen überlegen. An Gestalt sieht er seinem Bruder ahnlich; an Grösze sind sie sehr verschieden, etc. etc. — 3lud) im nbticrbialcn ©upcrlatio (2.47).

ftc^t nod) mit bem ®ntio: 1) 311 v SSejcidinung bcr SBcife (in biefer Sïïkije, er fpvadi in einent l)crrifd)en Sone, im Sd)er3 jc.): 2) jur Stngaóe beffen, luovin etmaê b c ft e () t; (ir vcbct gevn in ®il-bern; feine firanft)eit beffetjt bloB in ber Sinbilbung.

118.

Vele menschen zijn bangl) voor spinnen en toch zijn deze dieren even nuttige als merkwaardige schepselen, over wier kunstvaardigheid 2) men zich niet genoeg kan verwonderen. — Menig redenaar is in de eerste oogenblikken na zijn optreden voor een talrijk publiek nog niet op zijn gemak 3); veel minder verlegen 3) zijn doorgaans de getuigen, die voor den rechter (Sat.) moeten verschijnen. — De dochter van Herodias danste voor den koning en zijne groeten, en bracht door hare kunst de toeschouwers in verrukking. Met welk verzoek trad zij kort daarop

ocr page 195

189

voor den koning? — Vrees en ontzetting gingen voor den vijand uit 1); want men wist, dat zijne wreedheid alle hoop op genade zou afsnijden. — „De rijken hebben toch veel bij de armen voor,quot; zeide hij op knorrigen toon. „Dat zit in prachtige koetsen of op vurige rossen, kleedt zich in fluweel en kostbare zijde, stort zich van 't eene vermaak in 't anderequot; .... En — viel zijn broer hem in de rede — en maakt dat anderen van pure afgunst niet kunnen slapen. „Slaat 4) dat soms op mij?quot; Natuurlijk op wien anders! — Deze toonkunstenaar is een meester in zijn vak, vooral op de violoncel; vroeger overtrof hij zijne makkers in (an) vlijt en volharding; thans steekt hij door zijn meesterlijk spel boven zijne kunstbroeders uit. — God beware mij voor mijne vrienden! riep de bedrogene uit; tegen mijne vijanden zal ik wel op mijne hoede zijn. — Deze man schept behagen 5) in veel, wat anderen de haren ten berge doet rijzen 6); zelfs wanneer er iemand zal terechtgesteld worden, is hij de eerste om (bcv) zich aan het ijselyk schouwspel te verkwikken 7). Ik heb mij meer dan eens aan dien man geërgerd. — Wij stonden verbaasd over de heerlijke wijze, waarop de kunstenaar een stuk van een der grootste meesters voordroeg. — Jezus sprak dikwijls in beelden en gelijkenissen, opdat zijne schoone lessen des te dieper in 't gemoed der toehoorders zouden doordringen (3ra))f. Sonj.).

1) fidj fürdjten. 2) Ö3cici)ictlid)tcit. 8) (einigenuoBcn) befangen (verlegen, bedremmeld), Bcrlcgcn. 4) getjen nuf (ober) gelten. 5) (Jreube (ober) ©efallcn finben an. 6) ju Serge treifcen. 7) roeiben (otct) ergötjen.

119.

yofgeube $a^c mit bcv ^rapojitioit au nadj ben nicbcvi. pofitioncn bij, in, langs, naar, op, tegen, tot ju gvuppicrcn:

Ter Sag, cm bem bee ebie üDïantt Deftattct rourbe, imvb mir

1

ïei öor ... ijcr, ncOcn ..., ()lt;% flinter ... 0quot; (Bor) ■ ■ • UorDci (uorüber) ftefjt bie ©rgnnjung int ïatiu; aurij gemofjnüd) bei au Ijilt. . . (fjinab, (jerab, ijerauf :c.) 3. 53. Er elite vor dem König her, ritt nehen dem Grafen her, spazierte hint er dem Vater her, scliritt schweigend an mir vorbei. — Dor Dieb kroch (schlich sich) an den Hiiusern hin. — Der Salpeter trotf an der Wand herah. Der Hnnd sprang an mir herauf. Vor Verzweiflung liiitte ich an den Wiinden hinanflaufen mögen. Das Blut lief ihm am Bücken hinunter.

ocr page 196

190

unöcvgejUirf) bteiben. — ^ittcvnb uor 20ut fajjtc er fcincn ©cgncr an beiben ®rf)u(tevn unb rijj tl)n 51: iöoben. — 2)n8 3(nt(i^ in bic §anbc gebiücft, lct)ntc cv nu cinem Saumftamm. — 2ic roilben Snaben ranntcn bi3 fjod) nit bic Serge ^innuf. — ©cfjen ®ie bod) nirf)t on meiner lljüï öorbei; feljen ©ie fid) an ben fjauSlidjen ^crb. — Sr t)at immer ctioaS an meiner 3Irbeit auêjufe^en (an^ufteflen) = aanmerken (op). — Sa3 ©niubftücf gi.f)ört mir; menn 2ie ein 9ied)t an baéfelbe 311 fjaben glanben, fo menben ®ie fid) an baS ®crid)t. — SBenn i[)n jemanb nu feincr Q[)rc franft, fat)rt feinc .panb glcidi an ba§ Sdjmert. — ïaS Ïliaïdjcn Hebte bie 33ilber an bie 2Banb. — 2ln feincr ©telle iriürbe id) ganj nnberS l)anbc(n; anftatt abju» marten, mürbc id) energifd) eingreifen. — ïer ^at)n jerfdjcUte an ben gelfen. — 23o unb mann roerben mir nn» treffen? 3(m 53a()n()of unb jmar am '27f'cquot; biefcê ÏÏfonat?. — Sdfajar marber 5luêgclaffenftc; an ferfem Übennut t()at cr cS aflen anbern ju-eor. — 5)cr §irfd) jittertc am ganjen ?eibc, a!S er ben ?ömen erblicfte. — 2)er cine 9Iffe ftürjtc l)cruntcr unb ^appeltc am Soben; ber nnbre flettcrte an bem ©ei( ()eruntcr unb fprang an mir ()erauf. — grü()cr mo()ute cr in bem fdjönen ^aufc am ÏÏJJaittc; feine SBerfd)rocnbung jcbod) (jat i()n an ben SBcttclftab gekadit. — Diefe 3iingfran (jat i£)re3 @(cid)cn nid)t an roimberbarcr ©d)ön» ()eit. — ®ie fa§te ben $rug am Senfet unb ging an ben 23run= ncn. — @r fcgte finnenb ben Singer an bic 9?nfc unb fagte: Od) laffe mid) nid)t an ber 9Jafe l)crumfü(}ren (naêfül)rcn). — 2Bcif;t bn, maê idi nm meiftcn an i()m bcmuubre? — 3(n §cr;citógüt.: nbertrifft er feinen 53ruber, an 33crftanb fommt cr i()m g(eid). — :5)er 33er(uft betrcigt an 1000 SWarf. — ©ie ()abcn bcm armen ÏOfann baê 3J?cffer an bic S'efjle gcfc^t. — ®cr Siegen flatfd)t, bie ©d)fö§en fd)(agcn an baS ^enfter. — Daê Shit riefcltc bcm ©etroffenen au ben ©djfafen f)ciitnter.

120.

33ermanb[e beu eingeÊlammcrten ^ominatio in ben paffenben .fiafu?.

Unter (baê uad)t(id)e 9uiubgcflngct), (bic »erid)icbcnen Slrtcn) »on ®u(cn, ragt ber mad)t:gc Ufjit in (auffatlige 2Bcife) iibcr (bie fd)U)dd)ern ©attungêgcnoffcn) fjcrüor; au SOJut unb ©tdrfe (Saü?)

ocr page 197

191

ftcl)t er bcm ïïbter lucnig nad). — SÜBcr auf (cine (Earfjc) Sovgc unb ^kitï BcriBcnbct f)at, bcm roirb fic aud) cben baburd) lieb gc^ morbcn fcin (stufg. iog). 3n (jctne 2[vbett) finbet er ^tg(eid) feincn ©enujj unb feine SSeïoIjnung. ®ic)c f^rcube an {baê 3SoIl6vad)te) fennt her §anbraerfer nid)t, rceldier auf SScga^Iung (i?aii?) arbeitet.— SOÏan gouö^nt fid) an (met), and) an (baêjenige), an (baê) man fid) anfangê örgerte. — 3d) 5)ueif(e 1) an (feine ïïufridjtigfeU).— ®cr ntd)t mef)r an (fdfcftlofe ?iebe) unb Sreuc g(aubt 1), ber ift 311 behagen. — -Sn ffdjiuicrige BSKc) fannft bit bid) auf (id)) »er= iaffen; racnbe bid) nur ruf)ig an (id)), an (mcin guter SBiflc) luirb c§ uid)t fc[)(en, inenn (bu) nid)t gefiolfen mirb. — S)icfe gefn()rlid)e Sfjeorie bürfen ®ie nidit auf (bic ^rayiê) anitienben. — ®er ftarfc l'Iumcnbuft ruirfte beraufd)enb auf (meinc 9tcrncn). — ®cin Onfel 1)8(1 grope ©tiirfe auf (ber Snabc) nidjt roaf)r ? „3a, cv ()at etuen barren an (ber 3unge) gefreffen, mie man iuot)( cinmal fagt ©eit geftern aber ift cr fd)limm auf (cr) ju fpredjen. — 2Bir Vuarteten nod) immer auf (cr), mit jcber Minute ftieg bic llnrufic liber (fein Stuêbkibcu). 3d) blirfte in (bic ;j;ad)tj Ijinauê: bic (^aê= liditer fpiegciten fid) in (bic trüben 9iegcn[ad)en) bcê ^ffaftevê unb jeigten mie fdimaq ber ^jimmct über (bic Stabt) f)ing. — 2Bir ftimmtcn mit in (ba8 ?icb) ein, baê non (bic Drget) berabbrauftc unb in (baê) .fninberte üon Stimmen einfieten. — Sr fefste fid) in (fein 3immcr) in (baê gautcuU) unb ftütjtc traurig ben ^opf in (bcibc öanbcquot;). 3((§ id) mid) tröfteub au (cr) uianbte unb über (bic T.Irfad)c) fcincê (SdjmcqcS ju fpred)en begamt, f)ob er jmar ben ®opf in (bie £)öf)e), fd)ien aber auf (meinc 9Bortc) gar nid)t ^u ad)tcn. — 3n (niele Sd)u(en) mirb in (unfre ïagc) ju öict geïebrt unb ju menig gefernt unb ju öiel in (bic SBcite unb SSreite) anftatt in (bie ïiefe) gegangen.

1) SBer 3 m c t f e H ift mie ein 3 r r e n b e r, er ()at tcin fcftcë 3 i el im ïtuge, mie berjentge melder g I a u b t.

121.

In de Julische Alpen, en wel in het hertogdom Krain, ligt hot beroemde Cirknitzer meer, van oudsher het wonder en raadsel dezer landstreek. Dit meer, ongeveer drie vierkante mijlen groot, is rijk aan visch (pl.) en watervogels, en wordt door negen dorpen

ocr page 198

192

en twintig kerken ais't ware ingesloten. Ten noorden 2) verheft zich het SlivinitZagebergte, ten westen en zuiden de groote Javornik. Bij aanhoudenden regen neemt het in (an) omvang (S«ii'?) toe, maar bij zeer droog weer verdwijnt zijn water 3) in den geheirazinnigen schoot der quot;benedenwereld, trouw vergezeld van het watergevogelte en het visschenheir 4). Zoodra dit wonderbare verschijnsel zich voordoet, luiden de omliggende 5) dorpen de klokken (o.), om zoo 6) mogelijk nog een gedeelte der vis-schen machtig?) te worden. Van uur tot uur zakt de waterspiegel, want een menigte gaten in den bodem 8) van het meer verzwelgen zijne wateren 3). Onderaardsche holen van (non) onmetelijken omvang, tot in wier binnenste nog nooit een menschelijk oog vermocht door te dringen, nemen ze op, en weldra vallen de zonnestralen op den drogen bodemS). En de^ werkzame 9) mensch maait gras, waar hij anders 10) vischte ^ hij zaait tarwe op de plaats, waar kort te voren de visschen stoeiden. Wanneer evenwel de tijd der menigvuldige regens ll)' en onweeren aanbreekt, dringt het water met geweld uit de bodemgaten naar boven (fjercuif), en binnen 24 uren is de groene vlakte wederom in een golvend meer herschapen.

1) g(cicf)iam. 2) nörhlid). 3) baê ©cmaiier. 4) bic (jijcfic. 5) umtjcr (?(bu.). 6) wo. 7) I)a6f)aft (®. isquot;). 8) ©runb. 9) riiljvig. 10) jonft. 11) iHcgcngufi.

122.

23 liegt oft an (bic ^jnuêjudjt), bajj jemanb fpatcr in (baê 3ucf)t()au«) tommt. — SEÖcr llnglücf i'ott (jobcn, ftolpcrt im @rafc, faflt nuf (bcr 9iücten) unb brid)t bic 9ïafc. — Gö fdjidt fid) nidjt, mit (baê SJfcffcr) ju effen. Sbcnfo lucnig fd)irft cê fid), bic .fiicinbe in (bic ^ofentafdjen) 511 ftccfcn, ober bic 3)auuien in (bicStrmlöc^er) ber SEBefte 5U trngen. — 3)cr ift nidjt immer glücflidj, auf (ber) bic jDïcngc mit 9icib Wirft. — giebt Untf)oten, über (n3c(d)c) fcin ®ra§ wadjft. — 2ïnê man an quot;(bic) ®aat erfpart, oerliert man an (bic èrntc). — SDfan foÜtc nidjt allcê an (ein Sag) burd)bnngen, fonbern etrooS auf (bcr anbere ïag) öerfparen. — Sor (anbere) «crantiDortct man mandje?, waS man uor fi4 fetbit nidjt Berantraorten fann. — ÜDic Spradjc laf;t fid) nidjt in (bic 3iuangêjacfc) iogifdjcr 9fcgcln cinfdjnüvcn, mei! eben aïïcê bei (fic) in (fteter glu§) ift unb einê in (ba? anbere) übergcfjt. — 0ie {)ic[t ben So^f untcr (bcr biefe 2Bnffcvftvai)I), ber if)r über (baS @efid)t)

ocr page 199

193

itnb nu (bic langen ioctcn) fjinayffo^. — .Qrf) fveue nüdj ouf (nictrt ©cbuvtêtag), benn nuf (bajcU-c) finb nü mcine greuube ju (idj) gclabcn. — ®a« ffeinc ^iub fpraug nn (bcr ricfigc Sater) ciupor unb nl3 bicfer ben Siobiing in (bie 2Iime) fdjlog imb auf (bie

^tivn) füjjte, önë mutiüiüige ®ing itjn nn (bei' 33avt). _

9luf (ein tuorriger 31 ft) gehort cin berber ^ci(. — llngebeteuc @a|te get)oren untcr (ber ïifdj). — Stuf (bie ©efa^r) [;in (af), Cit ju Inngireifen, ipiü idj -Ofjnen aüeê biö iu'S ciu^ctne crjafjfen. -- Sic oft fjaben geringe llrfndjeu cntfd)eibcnbcn gin» finj; nuf (bie (Sntmicftung) eineö iBaumcê! ®er gtid) eincê 3n= feftê, bn» fein Si in (bie fiitofpe) an (bie Spi^e) einer Sanne (egt, faun ben ftatt[idjen 23aum ju (cin «rüppd) inndjen. — 25ie(e Seutc bilben |id) etmaS nuf (iljr Stnnb) ein, nnbere finb ftolj nuf (i(jr 3(dc(), luieber nnbere braugen fid) in (ber 3gt;orbcrgrunb), lucU fic bie JlB;i^f)cit mit (ï'öffcl) gegeffen ',11 I)nben gfnuben, nnbere enbltd) lucrfcn fid) in (bie 93ruft), iuei( fic reid) finb. — gê liebt bic iffidt bas ®tra()(enbe 511 f^roarjen unb baS grf)abene in (bcr Staub) 311 jic^n.

123.

33cgrünbe ben ©ebrand) bc5 iïafuS in fotgenben ®d(~en:

®er DptimiêmuS baut 23rücfen über fo mandjeu Slbgrunb, nor bem bcr ^effinüSmuö ratfoS bnftcl)t. — Sic aBe(t!)crrfd)nft ber üiömcr beruste ~) jum gröjjtcn ïeite nuf bem §elbeninut nnb ber gei)tigcn ©röjje, uietdjc bicfelbcn in feiten ber @efaf)r unb bcê UngUicfS nn ben -tng legten. — 2Bcr nn ben 2i3cg bant I)at inelc SWcilter. — Sci ben aften ®cutfdjen ftügtcn bic 9ud)tcr i()r llrteil ind)t auf gcfd)ricbene ®efc(je fonbern nuf bnê $erfommcn. l) — Stuf iuc(d)cn ©runben beruf)t 3f)re 3(nfid)t? — ®aê aiojj bciêt in bic i^tange, bcr gifd) bciijt nn bic 3(ngcl. — 2Bir nmfjten in ben fauren 2lpfc( beiden. — ©ic ftüjjte fid) auf cine fn(fd)e 9(nnal)ine. — 3d) ()nbe mid) in if)m gctnufd)t; id) [)atte §aufcr auf fcine gf)r-Iid)fcit banen mögeit unb ba I)at er mid) f)interê 8id)l gcfu^rt. — 3n ivic(d)cm @afl()üfe ift er eingefcf)rt? 3d) gfaubc, baf; er in bcr

*) 33ci benden ftcljt nuf regctniaBig mit bem Entiu (®gt. s. nc, 3) ■ bei (fid)) gvünHcn, (fidj) ftiiljcn ge»öf;n(i^ mit bem ÏIccufntip.

13

ocr page 200

194

Srone obgcftiegen ift. — Sr flanb nn bcr Sörüftung 2) gdet)nt( bic Sïniie übci' bcr Snift üer^rcinft. — Od) bin nuf alle SaÜc gcfajjt 3) unb lucrbc mid) iit ba« Unucrmciblid)c fügen (fd)icfcn).

_ 3)u fi^cft fo ftitl uub in bid) gcfctjrt; maê fc()It bir ? 5(d), ïctjrc

bid) nidjt ait mid). — 2Sir maren in ciner Unterrcbnng kgrüfen 4), alS bcr gürft in ba8 ^immcr eintrat; glcid) trat in bcr Un= tcr()oltung cine ^aufe cin. — S)ic pauéfran nötigte bie _@a|te, am ïifdje ^al3 ju nefjmen; and) mid) nötigte fie an ben Stfd).— SJotanb fiiljrte feincn fdjiucr uerrounbeten @efaf)rtcn Oliuicr au cinen einfamen Drt, fjob if)n fanft com Sattd in baê @raS unb lagertc it)n in ben ©djotten einer S9ud)c. 3)arauf ritt cr ut baö @efcd)t jurüd, vücfte ben ®d)Ub biö an ba8 Sinn empor imb fturmte auf bie gcinbe cin, bie entfetjt ftofjen, mie bcr ^irfd) nor ben Apunben. - ®ic aCcflcn fdjmettcrtcn baS edjiff an bie Set= fen; baê Sd)iff fdjeiterte an ben stippen. - 3d) uctjme cê nid)t libel, baf; man cinen Serbruf;, meldjen id) nidjt üerfdjidbet f)abc, an mir auêlajjt; meun man mir uur nidjt auf baê Seibf)o^ fd)reibt, maê anbere ongerid)tct. — $ic dutter manb SBhunen in cinen ^ranj uub fd)(ang bem Sinbe benfetben in bie fd)öu gc= franfelten §aare. - Xk Scamteu erfcunt man an ifjrer Uniform.

_ 2)aS mar cin neueS 23(att in feincn Sovbecrfran^ 5). 9Iuo

bem 9icgcn in bie ïraufc 5). —SaS ijl 2Baffcr auf feinc 9Jai()(e ój.

1) overlevering, oude gewoonte. 2) borstwering, balustrade. 3) voorbereid. 4) gewikkeld. Sd) war efteti auf bcr Sicijc begrtffen - op reis, bezig met reizen. 5) Sfll. ïlufg. 117, 8.

SBcmerfung. 1. Sei gemiffen herben fann mit Untcrfd)icb ber 93ebcutinig bie Srganjung bafó mit bcm ?(cciifatii) ba(b mit bem Satin ftcfjcu. — So fagt man 5. 93. 6r wurbc in Sic föeiclljrfjaft aufgc= nommcit (burd) 5lbftimmnng ober 93at(otage) uub: Grluuvbcfrcunbhd) i„ Bcr fficicdjcfjaft aufgenommen (ontvangen). - $00 Itugc uèci^ic Unglüdtidjcn jufammen (.mb sctWmetterte ,ic) unb; £a§ quot;Jquot;

Öcï jjamilic sniammen, gliidltdjcmcijc oftnc fte 3quot; ncrleljcrt. ^cl) f)a6t uiet au iljn Dertoren (beim Spiri) unb; 3d) fjak met an iftm ucrlorcn feincn Sob = iquot; hom). - Sic ftatje Oertrocf, firf, nt ter e ^^ '^^Scn (oïet bem) Cfen. - 3d) 6efte()e auf mem er gorberung (—^atte ia ,

ocr page 201

195

blijf er op staan) unb (biêracilen:) 3d; Êcftefie auf bic SBoüsiefjung (btingc auf - dring er op aan), ^g!. oud): Jlucifdn unb g[nu6en. (Stufg. 120N

Som. 2. 58iéiuetlcn loirb bcr SïirfjtungéOcgviff burcf) dn Ijinju» tietcnbcö 2(bt)ci'£) nngegcDcn; alébonn ftcljt bie -prcipofition t)ov= iuiegenb mit bem 2)atiu; bei UovDci, D0l'ü6er unb Ijillbliri^ immer. — 9}?an uergfcicfjc:

Cs uor mid; f)in (unb:) cr ftcflte cê Dor mir nuf ben ïijdj. •O ) jetjte mid) auf bas SoMo. 3d) licK (fcljtc) mid) nuf bem So?l)a ntebcr. 3d) fdjrcik (noticre) ciiüaS in ba§ SBud). 3d) jd)vei6c (notiere) etmas in bem 33ud)e an. Scr 3u)d)nucr tritt tn§ ïtjentcr.$er Sdjaufpicter tritt im ïf)cntcr nuf. SJinn fteütc bie SBilbfnuIe in ben -Pnrt. yJian fteflte bie gtntuc im ^avf auf. gr ging, fdjlid) (fid)) an 11111 er m Caufc uoramp;ei. £cr Snmpfer ful)r untcr her 33rüde f)inburc^.

124.

Öicb ben Untcrfdjicb jmifdjen folgenben Sa^en nn:

®cr nnarlige ^inabe luuvbe in bnê Sobenjimmer (cin)gcfdjfoffen (uni:) in bem «obcri^immcv cingcfdilDffcn. — gr fc(5tc fidj jnjifdien bie beibcn greunbe (I)in); cr )c§tc fic^ jmifdjctt ben bcibcn greun» ben (ntebcr). — Sein Sinn fte()t (ridjtet fid)) auf bas Orbifc^e. 2lUeS ftcfjt nuf bem ©pief. — iJBir mugten auf ben Sampfer (unii.)^ auf bem -tampfcr marten. — (5r meinte üamp;er bent ©rabe ber lieben 95httter. gr meinte über bas früfjc ®rab feineê Sieb* lingê. — ®cr ©artner pflanjt an ber 2Banb (mo?). ®cr ©art-ner ^ pflan^t bie 9feben an bie 2Banb. — Sit? föft fid) in reinem SSaffer auf. gis föft fid) in reineê SBaffer auf. — 9Knn pfauberte über bas gffen (unb;) über bem gffen (= lua^renb). — ®er 9iau^ I;ing( ^ [ag mie eine SBüIfe über (boven) bcr ©tabt. ®cr 9Jaud) üerbreitete |id) über (over) bic Stabt. — ®aS cingfttidjc ^inb t)iclt fid) an bem 33atcr (feft). 5)er unbengfame SDÏann fjalt fic^ ftreng au fcincn ©runbfag. 3d) Ijaftc mid) an bid), an bcin 33erfpredjen. — •3d) jtief; mid) an ben ^uy (beê Sifdics). 3d) fticf; mid) am ^u^e. — ®er armc finaGe ^atte bic ganje 9Jad)t über bicfer grage f^tafloS gelegen; er fjattc über biefe yt'ige ben gangen üDïorgen gegrübeït.

ocr page 202

196

■it—

D. ©cut til).

Unmcit, mtttel8(t) froft unb lodfjtcnt),

lout, BcrmÖBc, imgca^tct,

obcrljalö unb unterl)alD,

imicr^alb imb ouBcrtjalb,

fiicëjcit, jcnjcit, ()al6cit, lucgcn,

flatt aurf) Iaii()S, julolgc, trolj [tefjen nut bcm ® c n i 11 u obcL- nuf bic grage ra ef f e n?

®od) ift f)tei- nidjt ju ücvgcfl'cn,

bag bet bieiert lekten brei and) bei' 2) n t i ö rid)tig fci.

Dtefe 33cr()attni«roörtei- m it lien ntê u it c rf) t e fn-apofitionen 6e= tvadjtet raerben, raeit fie entraeber «on Subftantiuen ober non Slbjef. tiöen gebilbet finb; einige finb ^nrtiypien, raie; mnljrcnb, itngeac^tet. SPeifpiete : tittels cincê ed)(üiie(s Bffnct man bie $f)ür (=tmrd) öa» gjiittet beê).

graft incine§ S(mle0 gefiictc id) :c. (bnrd) bic Sraft = krachtens).

Cout cinc§ Sricfeê (plut. laut briefen) = «ad) bcm Saut, naar luid van, luidens).

S8 e r ut ö 9 e fcinc§ 3icid)tum§ fann er es unterne()ntcn = uit

hoofde van. door.

ttuf af)nlid)e ffieife laffen ftd) aitbere ^rapofilionen tllben. Sci)r

aebraud)lid) finb: ,, t m

Inqefi^ts bei ïobcS, bc§ Seinbeê entfanf tf)iit bet Jcut (in t aangezicht van, tegenover). 2Bie fannft bu angefi^tS bicjer Al)at= fad)cn nod) Icugnen (met die feiten voor oogen) .J 51 nl fife lid) meines ed,rei6en§ :c. (nad) ÏÏnlaB üon, naar aanlei-dins; van).

SBebnfê ber errid)tung einel ®enïmat§ (junt Seljttf, ten behoeve). Sn mitten be§ Simmeri, ber Seinbc (tn ber ÜKitte ber, te midden). Scitcnê ber SRegietung (non geiten ber, van den kant der).

gS5tr bemerten nod);

1) baf} jufolflC mit bcm ®ati« [tef)t, wenn bic grganjttng üor= anaebt. 33g(. Meinem Wunsche znfolge. Zufolge memes Schretbens.

2) baB IjttlÜCll nad) cinctn pronomen, ljall).r nad) ctncm ©ubftantio o()nc 93eftimntnng?raort ftefjt. - SSgt. Seinet^atfren but id)

■ I

p! i '

!

1 i

I

ocr page 203

]97

getommen (urn bcinctrailleu); greiuibjdjuftêijoIÈer bin icf) gefomnten. Gf)ven()a[6er = eershalve. 9lnftanl)5()al6er = fatsoenshalve, welstaanshalve. ®cjunb()cit5f)a(6cr = gezondheidshalve.

S) baü Clltlailjj mciftcnS bctr Slccufatiu u o r [idi, banrt unb rcnnit ben ©etiitiü n n d) [idj t)nt; 3. S8. Wir zogen den Flusz entlang (unb) entlang des Flusses.

3 u ü b e v i e li c it.

125.

Door middel van gelukkige speculatiën heeft zich deze koopman binnen 1) weinige jaren een aanzienlijk vermogen verworven. — Naar luid van dezen schuldbrief heeft hij de som binnen drie weken 2) te betalen. — Het kerkhof ligt meestal midden in het dorp, terwijl de stedelijke begraafplaatsen 3) buiten de stad liggen. — Lofwaardig is de bescheidenheid, met welke van den kant der critiek dit kritieke punt is behandeld.

Niet ver 4) van de rivier, die langs het grafelijk slot stroomt, verheft zich een schilderachtige heuvel, waarop volgens overoude sagen een tempel moet gestaan hebben. — Krachtens het gesloten verdrag trokken de inwoners met hunne draagbare have uit do stad. — Trots den hevigen storm en ondanks 5) de waarschuwingen hunner vrienden waagden zij zich op het meer. — Door middel van het buskruit laat men rotsen springen. — Welk land ligt aan dezen kant der Pyreneeën? Welk land ligt aan de overzijde van dit gebergte? — Luidens een gisteren ontvangen 6) bericht bestaat er van den kant der regeering (jeen bezwaar tegen 7) de goedkeuring van het ontwerp. Vermijd den omgang met menschen, die ter wille van den snooden mammon tot alles bereid zijn. — Om des lieven vre-des wil bid ik u uit te scheiden en de eendracht niet te verstoren. — Uit hoofde van 8) eene ernstige ongesteldheid moest hij thuis blijven en een ander in [ar] zijne plaats benoemen. In plaats van hem zal nu zijn vriend met de opdracht vereerd worden. — Krachtens de wet behoort het halve vermogen aan de kinderen. — Ouder gewoonte 9) gaat hij eiken Zondag tweemaal ter [in bic] kerk. — Ingevolge het bevel van den generaal

ocr page 204

198

moeten zich de troepen marschvaardig houden; dientengevolge 10) zullen wij onze bijeenkomst moeten uitstellen.

1) inncdjalb, binnen. 2) 3nncr£)alb unb n nBcrbnlb (audj laut unb ro a 1; r e n ö) ftcfjen nidjt ielten mit bcm S a t i b, fcejonbcïS trenn bcr ©eniti» an bem regierten ÏBovte ntd)! bejetcfjncn IfiBt; 3. 93. laut SBriefeit, ma^renb (inncrljalb) Bicv Satjrcn ctc. —8) bcr jyrtcbfiof (ober) ®otie§= ocfev. — 4) Unrocit, unfern. Sicje 311)01 ^rfipofit. tonnen aiufj jcljv gut al§ ïlbocrbien mit non gebrand)! merben. — 5) ungeacfjtet. Sie Ërganjung lann foiuoljt oor al= Ijinter ber ^rtip. ftefjen.—6) eingefjen (ober) einlau= fen. 7) c§ ftc()t einer Sadje nid)t§ tm ÏCegc. 8) inegen. 9) mit ïjalber. 10) iniolgebefjcn.

126.

Vele Ieren zoeken hun fortuin buiten hun vaderland, in de hoop aan de overzijde van den Oceaan de welvaart te vinden, die hun geboortegrond hun niet vermag te geven. — De stoombooten zijn of raderbooten, door middel van schepraderen, of schroefbooten, die door middel van eene tusschen schip en roerl) onder water liggende schroef worden bewogen. — In weerwil 2) van alle vertoogen bleef hij bij zijn voornemen. — Hij is een wispelturig mensch, hij draait trots den besten weerhaan. - Ondanks alle pogingen tot redding verdronk de ongelukkige ten aanschouwen 3) van eene tallooze menigte. — Weet gij, hoeveel uren Dordt boven het stadje Gorinchem ligt? „Ge bedoelt zekert), hoeveel Dordt beneden Gorinchem ligt?quot; Natuurlijk. — Welstaanshalve heb ik hem een bezoek gebracht. „Dan zal hij u natuurlijk met een tegenbezoek vereeren.quot; Voor mijn part; ik zal hem overeenkomstig zijn stand ontvangen. — Tegenover deze feiten durfde hij zijne schuld niet langer loochenen. — De dom van Keulen ligt niet ver van het station en te midden van eene hem nauw insluitende massa huizen (ein asovt); hieraan is het wellicht toe te schrijven, dat het reusachtige gebouw, een wezenlijk gevaarte, zich niet zoo majestueus voordoet 5) als men zich voorgesteld had. — Ten gevolge van hare lichtheid 6) drijft de kurk op het water. — Vroeger gebruikte men ganzepennen in plaats van stalen pennen 7) CUrt.). — Mag ik mijne nicht in plaats van mijne zuster medebrengen? Ik heb er niets tegen 8), maar ik vermoed, dat Willem er anders over denkt 9). — Laten we in plaats van koud bier liever warme pons drinken. — Ik heb van wege het slechte weer niet kunnen komen; niet dat ik, wat mijn persoontje betreft, zoo bang voor een regenbui ben, maar om 10)

ocr page 205

199

mijne zuster mocht ik het niet wagen. — quot;Waar bevindt zich uw broer; ik heb hem sedert verscheidene weken niet gezien. „Hij bevindt zich helaas om redenen van gezondheid sedert drie maanden in Davos.quot;

1) Steuer (£. 7). 2) trclj. $icie ^rfipojition ftd)t oft mit ben kjonberS meun fie fjcvausforbcrnbc .ftrajt I)at. 3) nrtflciirfjts. 4) Sit meinen itiof)!. 5) fid; au§ne§men. 6) öcicf)tf)cit. 7) ®tat)tfcber. 8) nidjtè iaflcflcn. 9) anberer SRetnung ift. 10) = wegens.

3 it v i c b e r () o 1 u u g.

127.

Xte cingeffammcrtcn SJonunotiüc finb in ben ridjtigm ^nfuS ju fcljcn.

3n (bic SDïittc) bcê Dongen ■3a()v()unbertS Icbte in c}?ariê eiit reidjer Snufmann, 9ïainenê 93iiot, luelrfjcr auê (übcvfdjnjcngfi^c SieDe) 511 (feinc beibcn Södjter) 6ci beren (glei^jeitige Serfjeivatung) fein gei'nmteS 33evmögen unter (fie) teilto, firfj uur üovbetjnftcnb, einen ïag bei (biefe) unb ben folgenben bei (jene) ju fpeifen. 3Ba[)venb (einige SBorfjen) ging ba« gut; aümci^id) nber unb mit (jeber Sag) beuttirfjer mevfte ber alte 93ïann, bojj man (er) übev= brüffig mar (fei), unb Oereute nun bitter feinc ^anblungémeife. (Sin reidjer greunb) ffagte er jein Seib, unb biefer, ein fhiger SOJann, öeriprad) (er) ju Ijelfen. 33üot, fagte er, foüe feinc Södjter unb ®d)n)iegci')c[)ne ju (ein feierlidjeê ®aftmaf)l) labcn. ®icfcr bciolgtc (ber 9tat). 9Ba()reub man bei (ïifd)) fog, fdjidte ber greunb mie jufönig ju (er) unb licfj anfragen, ob er (er) oiencid)t fttr (furje wi' fünïjig taujenb ^pfunb Sterling auê()clfen tönne,

er — ber ft re unb — t)abe gcrabe einen 3Ecd)ieI in (biefer SBetrag) ju berfen. „9ied)t gern,quot; berfe^tc 33not; „ouf 2Bunf^ (gaa?) ftet)t (er) nod) ine()r ju ®ienften.quot; SDamit ging er in (ein 9Jebenjimmcr), [)o(tc baê @c(b, luctdjeë (er) fein grennb öorfjer ju (ber o,rie^) mitgegeben, unb jaf)(te eS in ©egenmart (gaii?) fciner @aftc (ber Sote) f)in. SBnê bic für @efid)ter madjten! SDiefer 33organg beraieö (fie) ja, baf; ber 33atcr, (ber) fie arm gtaubtcn, nod) über (fo(offa(c Summen) ücrfügc. — 3{n (ber fotgcnfcc ïag) mar 23üot p(ö(5lid) micbcr ein angenc^mer ®aft bei (fie) gemorben; man fdjlug fid)

ocr page 206

200

faft urn (er), benn jebc partei bejiuccfte baS 2r6c aflcin ait fid) {Sa«?) ju rcijjcrt. 0o bvntf)te bei- ©reis ben 9{cft fcincS ?obcnö in (grogc 23cf)aglirf)fcit) ju. 9?arf) (fcin Sob) tounten bie Softer unb Sdjiuicgcrfofjne faum bic 3°'' crinavten, iuo bag ©cvidjt (fie) bctt sJ?ad)[af5 auét)anbigte. ®cv fdjmcve haften murbc gefiffnet, abcr — o trittrc 5nttaufd)ung — ftatt (baS ©o(b) fanb man nur 3ic9cI5 ftciue, unb auf (cin 3cttc0/ welder obcaauf lag, ftaub gefdjvieben; Sin 93atci- foil niematê ju (fcinc ScOjeitcn) fcin Scrmögcn auS (bie |)anbc) geben.

3)ic[e luafjre ©cfdjidjte ennncrt an (eine bcravfigc), luctdje £f)a= fefpeave in (fcin 2)rama) 5Ï i n g ? c a r in (uniibcrtroffcnc Sfikifc) kf;anbc(t.

128.

,3quot; übevfegen unb bic ^rityofitionen, luctdje Horn Scutfdjcit uci'= fdjicbcn finb, ju untevftmdjen;

Sein 33cncf)tucn ift untcv aKcc SBiivbc, untcr adev iiritif; fagen ®ie i()m, bag cr mir nidjt «tcbcr untcr bic Hiigcn trctc. „3a, abet auf mid) luiö cr gar nidjt f)örenquot;. — 3Ber cS gut in fcincm 35atcr= tanbe ()at, ber braud)t nid)t in cin anbcrcS ?anb 511 jic()cn. — 2Bir motten bicfen ?e()rftoff auf bic brei blaffen öerteifen. — SBcnn it)r atte trcu 511 mir f}aftct, ricf ber gclbljcrr, fo mevben luir bie ^cinbe nidjt nur in bie Snge treiben, fonbern uotlftanbig in bie Studjt fd)(agen. — 2)?cinft bit mirflid), bag bu ein 9icd)t an bie Srbfcbait f)atteft? Silbc bir bod) nidjtê auf beinc 9ied)lfd)affenf)cit cin: *)öre licber auf bic SBarnung cincê U)o[)(mcincnbcn ^reunbeê unb tierjid)te auf bein «cnucintlidjcS 9ied)t. — @r ()at fcinc greunbe auf cinigc ïagc eingctaben; atte finb getommcn biê auf cincn, ber fid) entfd)utbigcit Iie§. „DaS taf;t fid) crffaren! $er filjt bci SBaffer unb 33rot gefangen.quot; — .^einrid) ift auf baS Spict oerfeffen; über feincn Sar ten Ucrgigt cr attcê. Hub fcin 33cuber arbeitct iibcr fcinc Sriiftc; ben ganjen Sag fifct cr fiber feinen 33fid)crn; nod) gc|tcrn 9(benb fd)(ief cr nor Sjjfibigfcit fiber fciiter 2lrbcit cin. — Siefcr 9J?ann pfaubcrt fo gern, bajj er Seutc, bic ^ttm 23efitd) bei i^m finb, oft faum ju ÜBorte fommcu (iijjt. — SBcnn Ste biefc-S •|d)öne 23tid) ungelcfcn bei lt;£eite (cgcn, bringen Sic fid) nut cincn

ocr page 207

201

()ol)cn ®enu{5. — ®or nrme S3ntcr ift nuf beu ïob franf, unb fciit Sotjn, bei' üom ©erttft fjeruntergeftiiv^t ift, foü iit ben lekten ^ügen liegen. 33or einer Stuubc luar ber 3üng(ing nod) am ^eben. — Sa er veidj unb mcidjtig luav, fjanbefte er fd)(ed)t au feincn frütjevn ijreunben; jc(3t, ba er ganoid) f)cvunter gefommeit ift, wenbet er ff dj an ftc unt §i(fc. „3a, waê foü man bajit fagen?quot; — 2S ftefjt bei Qfjncit, bem 23cbvangten ju fjetfen; roentt Sie fo für i()u ein» genommen finb — irf) möc[)tc fagen — für ifjn fcfjtuiirmcu, fonnen ©ie fid) fcfiiuerlid) juvücfjiefjen. —

2(13 iöinbcwoit obci' öic iloujuuftioit.

Diejenigeu ^onjunttiouen, meldje jur 93erfnüpfutig nou ,§aul3U fa(3eu bienen, (jeifjen 6 c i o r b n c n b c ober ! o o r b i u i c r e n b c (nevenschikkende) Sonjunftioucn; bic Salje finb exnanber D e i g e^ o r b u e t ober f o o r b i n i e r t (nevengeschikt) unb bUbeu cine

Salibcrbiubiutö.

©iejenigen Sonjuuftionen, meldje cineu 9ïebcnfa§ mit einem §auplfa(5e üerbinben, luerbcn u u t e r o r b u e u b c ober f u b o r b U ui er cube (onderschikkende) fioninuftioueu genannt; bie 0 a (je fiub einauber uutevgeorbnet ober f u b o r b i u i c r t (ondergeschikt) unb bitben eiu Sflijflcfiiiie.

$ie beiorbneubeu .Sonjunftioneu finb e d) t c Sonjunftionen, raenn fir, gar feineu Sinfluf; auf bie SSortfteïïung (9Sortfo(ge) beS Sa^eS fjabeu; afö uned)t merbeu fie betradjtet, meun fie — lui? bie Wbüerbien — eiuc 3nucrfiou beS SubjeftS ueranfaffen; j. S3.

(ed)t): Er spielte iind icli sang. Ich lileibo hier, deun der Onkel kommt.

(unedjt): Er sprach, dahcr schwieg ich. Der Onkel kommt. des-halh bleibe ich.

Mnmevl. 9iid]t iiacï)jiml)iiieii ift bft @e6vaiicf| Ooit und atv imcii)tc8 (abocrOtaleê) !Qmlt; ietoort. aïian fd|vcibc; Sr toav au5 ^pariS cieamp;iiniq unb fcin S5nlcv Ocljami. 6c ift jum Sauotmamt Oefövbevt tootbcn imb bie Santcrabcn gratuticrcn it)m. (31 i d) t: ttnb tjict} fein SSater Soljann; unb gvotulicren if)iu bic STamcrabcn.

®ie beiorbneubeu üonjuuftioiten fiub:

1) enucitcrilbe (anreifjeube, jufammenftetteube) ober fopulatiuc

ocr page 208

202

(aaneenschakelende): unb, oud), aujjerbem 1),überbieë 1), jubcm 1), nidjt uur .. . joubcru aurf), lucbcr ... uuct).

cintcilenBc ober ^artitiuc: tcif§ ... tcilê, cincrjeitê .. . nnbcv(er)= fcit§, crftcu§, jtticitcuê ac.

3) nuBt^licfecnSc ober ïiisjunftiBc: ober, cuttrcbcr... ober.

4) ciitncgcnfc(K'i®f (cntgegcnftclïcnbc) ober aÖBeriatiUc: ober, nftcin, foubcru, bodj, jcbod), bcuuorfj 2), g(eid)iuoI)l 2), l)tnflegen, bejfenuuge-ndjtet 3), ni(f)têbe|ton)entger 3), Dtelmefir [veeleer).

5) firflrünbenïic ober faufalc (redengevende): benu, uninliri).

6) (bqiucrfcnbc) ober finolc: bnrum, beswegeu, bnju.

7) fülgerutle ober fanfrfutiuc (gevolgtrekkende): fD'rt'icf;, beSf'alti, aljo, barunt, baljer 4), jomit 4), ionac^ 4), mitfjin 4).

8) ciltrdumcnSc ober foiiicffioc (toegevende): jwor, luotjl, freitirij.

9) cillfdjronfenlic ober Tcflviftiuc (beperkende): iufouieit, iujoferu.

10) jcitbcftimmenïic ober temporale: bamalê, baun, 311001-, bornuf :c.

11) ocrfllcid)ciific ober fomlmratiue: jo, nlfo, etienjo.

12) ortbcftimmcnSc ober (ofalc: bn, bafjer, ba(;in.

®teieI6cn ©ebanfcnocrijaltniffc, gt;vc(i)c buvrf) bic 8 (efjtgcnanutcn

^onjunftioncit bcjcidjnct werben, fann man nurf) buret) uiitcrorh=

ncnbe ^onjunttioncn onbeutcn.

5) ®ic untcrgcorbnctcn ^ 0 11 f a Ifiige rccvbcit cingctcitct buret): ttietl 5), ba 5) unb tubem.

0) 3)ic ^ i quot; a f fciljc burcf;: baiuit imb ba§ (£. 124).

7) ®ic iK 0 n f c E u t i üja^c (gofgcfiijjc) burd): baf;, jobnB (mib ncga^ tio bnrdi) ju. . . al§ bag. (2. 138 gufjiiote unb 126).

8) ®ie ^ 0 n 5 c f f i tifSfje burcf); otnnotjt, oln^eid;, objcfiou, inie loofjl, lueun gleid) 6).

9) ®ic 9Ï e f t r i f 11 U|'at3C burd) : iuiofern, iujowcit, i'oroett, tuoferu, uur baÊ.

10) ®ic ïcm^oralfcige burd); oI§, ba, mie, inbem, cfje, teBor,feit, fcitbem.

11) ®ic 25crgtcid)ungêialje burd): rate, oI§,fo, je... je, je...bejïo.

12) ®ic Sofalfaljc burd) ; rao, woI)in, raotjer.

®cr Sd)ü(cr ncrjudjc non jeber biefer 8 Saljarten jrect {ober metjr).

1) bovendien, buitendien, daarenboven. 2) niettemin. 3) desniettegenstaande, des ondanks, niettemin. 4) dus. 5) dewijl, wijl, omdat, daar, (aangezien, nademaal, vermits). C) ofscboon, alhoewel.

ocr page 209

'203

Scifpictc oufju^vcibcn, unb jroau nBiüccf)icfnb als ®a^ü e r 6 i n=

bung unb a(ê Sngg e f ü g e; ctm fo;

■fiaufafeê SJcv^aftmê.

23ciorbrtenb : 3cl;t jmeifle irf) nic^t mcljr; bcnn icfj fjaDc c§ mit eigncn Slugen gcicljcn 1).

Untci'orbncnb: 3ctit jmciflc trf) iiidjt metjr, mcil id) c§ mtt eigncn?lugcn gcfcfjcn ()aüc 2).

S3ci:f)ciïtrtiê bcr ©nfcfjranfung.

23ciorbncnb : Sic kibcit SBrübcv glctdjcn fid); n u r ijl bcr cinc ctronS fltöBcr.

Unteïovbnenb : Sic bcihcn ffirübcr gleizen ficf), nuv baf; bcr cincdwa§ gröBcr ift.

ïemporaleê 35crf)öïtniS.

53ciorbncnb ; Seine fflïntfcr ift geftorben; icitbcni irnnert cr.

Untcrorbnenb : @r trauert, icit (icitbcm) jetne ®uttcr gcfiorbcn ift.

33cr()ii(tniS bcr 35crglcti)ung.

93ctorbncnb : ^uf 9ïegcn folgt Smincnjcfjcin; fo tucifjfctn Jyrcubc nnb 2cib.

Untcrorbncnb: greube nnb 2cib tuccfjiefn int Scbcn, mie (fo nnc) Bon-ncnjrfjcin nnD Sicgen iucif)(cln.

23catI)tcnSiucrt für 9Jicbcr(anbcr ift bejonberê bcr ©ebrand) ioU genber Sonjunftioncn :

I) aScSer • ■ • • nodj; 5. 3?. Er konnte weder dureh Drolningen noch (lurch Versprechungen znm Wanken gebraolit werden. Dor ticizhals wird weder seines Reichtums froli, noch gönnt er andern den Genusz desselben.

©rflrccft fid) bic SBerneinung über mct)r a[§ jmci Satjglicber ober Sciije, fo loirb nod) wiebertjolt: Weder Thriinen me/t Seufzer noch Bitten vermochten ihn znm Wanken zu hringen.

1) Dk ©ïicbcr cincr SaljOcrbinbing iuerben mciftonS burd) cin Scmifofon getrennt; bic bcê £at?gefügc§ mciftcnS burd) cin Somma.

2) ®tc SBortfteüung bc» 9ïcbcnfa^eS untcrfdjcibct fid) uou bcr bcê lP)autlti(1t?c3 babuvd), baf? ba§ fonjugierte 2gt;cr6 (baë verbum finitum) in bcr Sicgct bic t e ^ t c 0 t c 11 c einnimmt.

ocr page 210

204

II. CniliucBcr.... oDcr, 3. S?. Gë sa't entweber 311 fiegcn ober ju [tevfien. gntmeber bu ober er.

III. *1(601' cntfpridjt im nügcmcincn urtfvcm maar ober doch; gcl)t after cine SJernctnung Boiler unb rairb ber Ouljalt bitfeS ©afjcê buvJ) ben fofgenben Snij ganjlid) nufgetjobcn, g(cid)= fam öernidjtct, fo gebraudjt man foilbcm.

SJflt. Er ist reich, aher geizig. Ev ist nicht reicli, sondern arm. — Er ist gekomraen, aber zu spiit. Er ist nicht gekomnion, aber sein Bruder hat ihn entschuldigt. Er ist nicht gekommen, sondern zu Hanse geblieben. Er hefiohlt es nicht, sondern er wünscht es. Er hofiehlt es (zwar) nicht, aber er wünscht es (vielmehr wünscht er es).

SBicImcfjl' (veeleer, liever) brücft cincn utc( f^road)crn ©egenfag au8 nl8 fonbern; cé Oc^cidjnct ötclmcfjr cinc 33ericf)tü g u n g unb luivb nidjt feiten mit f 0 n b e r n ceriunbcn; 5. 93. Du hast nicht zu befehlen, sondern vielmehr zu gehorchen. Er ist nicht müszig gewesen, vielmehr liat er alles mogliche gethan. Es ist nicht sowohl Bosheit als vielmehr Dummheit. Du hast nicht Ursache, dich über ihn zu beklagen; vielmehr solltest du ihm(obet) du solltest ihm vielmehr dankbar sein.

iJllleiu ftefjt immer an ber ©pi(3c beê (ooflftcinbigcn) Seizes, lueldjer cincn Giinuanb (bedenking) entljiitt; cë f'ann oft mit nnr üevtau)d)t luerben; j. 33. Er ist zwar reich; allein er gönnt kei-nem etwas (nur gönnt er etc.). Ich hatte ihn bestiilimt erwartet, allein er kam nicht (er kam aber nicht). 91 6 e r fanit überall für allein gefelst inerbcn — nidjt unigcfel)i't.

IV. OF tüirb im 2)cut|c^cn feljr ocijd)icbcn lutcbergcgcOen:

1) bnvrf) ober, 2) buvdj cniUJCber, 3) bm-d) ot) (5111- (Sinleitung Bon inbiveftcn yragefiiyen S. 126); 5. 93. Er fragte micli, ob ich gehen oder ob {dan of) ich bleiben wolle. 4) ®uvd) ein 9ï c ( a t i» Bum, J. 93. Ik ken niemand, of hij heeft zijne gebreken; id) fenne feinen, ber ind)t ietne fyeljler Ijiitte. Geen meester zoo geleerd, of hij heeft nog te leeren; ber nidjt nod) 311 lemen tjiitte. 5) SlU'd) io (6e= fonber» nad) fan 111) 3. 93. fiaunt Ijnfien fie ®e[b gelöft (ingebeurd), fo öergeuben fie e§ nud) imeber; 6) burd) ofjIIE bftfj (SonfctutiBfaJ}): Daar gaat geen dag voorbij, of hij schrijft een brief; c§ Uergeljt tein ïcig, oljnc baü et einen Skief fdjreibe (nctoöfjnt. idireifcl). 7) bnvd) bllf|, fief) ?(ufg. 84, S. 128.

ocr page 211

205

v. Jyall'i, tm 5-ti(ïc (bat?) imb lucun auberê (= -wanneer althans) biencn jur Sinfü()vung ciucS Sonbitionalfn^c?. $ic nllgc» mcinftc kbingcnbc fionjnnftlon ift kfaittttlitf) WCUU; 5. 23. Falls (im Falie dasz) er sich ■widersetzt, durft ihr Gewalt gebrauchen. Es soil nicht geschehen, xcenn anders ich es verhindern kann (obcv jugleid) einj^rcinfcnb): -wofern ich es verhindern kann. Das müssen Sic sich noch erinnern können, wenn anders Ihr Gedaditnis nicht gar zu kurz ist.

VI. 2o ftc()t, raic Itufcï ZOO, oft jur ÏÏntniipfung cincê kbingtcn ober cincS cinraumcnbcn (ügl. VII); 5- 23. Wenn alle gut en

Handlungen helohnt würden, so (zoo, dan) giibe es hald keine Tugend mehr. Sin bcr Spi(jc bcS fccbingcnbcn ®a^c§ akv ift fo ucrnltct, luit fc^CU gern coo; J. S. Zoo (wanneer) ik niet kan komen, (zoo) zal ik u schrijven. SBcnn (fntts) iet) iiidjt totnmen tnun, (io) luid icf) bir jcfjretben.

9Inm. -Sn cinigon lucnigcn 23cv6inbiingen ftcf)t 1U0 für lu c n n {= zoo), bcfonbciu mit inöglid) itnb nicl)t; 5, 23. Ich will Ihnen, wo mögllch schon morgen, das Niihere berichten. Du solist gehorchen, wo nicht, so weiszt du was dir bevorsteht. 9hld) in; 2Bo mir rcc^t ift = als ik 't wel heb.

9frtd) t'aillU ftetjt fo ober alé ('lufa. 75); 5. 23. ftnunt crblidtc cv feincn gfrcunb, fo ciltc cv auf it)rt 311 (oigt;«) qIs; er auf ifjn 3uci(tc.

lt;2ü [tc^t lueitev an bcr Spigc berjenigen ^onjcffiufiitjc, bic bei uiiS mit hoe anfanocn; 5. 23. Hoe kalm hij ook was, bij dat gezicht verloor hij zijne bedaardheid. $0 ïuf)ig cv entrf) luav, bei bc:i: ïlnblict Devfor cv fcinc gnffung. — (SS fann f)ier abcr aud) Wie fte()cn ; J. 23. Ein einzelnes Buch, wie (so) dick es audi sein mag, macht noch keine Bibliothek.

Vil. AL (= ofschoon, hoewel, alhoewel) cntfprid)t boni beutfdjeu uttb, lucu», menu aud), obgfcirf), menn oleirt) imb fllci^. (Sa1- ® 1-i'

2 unb 4).

23cifpic(c: Scv 93ïcnjd) ift frei gefd§affcn, ift frei, unb (al) nutvbc cv in ficttcn gebovcn. — Al boodt gij hem alle schatten der wereld, hij zou zijn woord niet breken, llnb bötcft bu iljin nllc Sdjnlje bcr 2Sc(t (ober) Unb menn bu it)m n u nflc Sd)al;e bötcft, cr tuüvbc (bennod)) fcin ÏBort iiid)t 6icd)cii (Slufg. 84). Al weet ik (ook) weinig van de theologie, toch weet ik wat een eerlijk man betaamt; rceif; id) glcid) ttcn'g (oi.v) ob glcid) id) menig oon bcv ï^cotogic lociB, fo lueifj id) bod) raai cinem c^v'id)cn 9)Jannc jicmt.

ocr page 212

206

$ic Söeriinbung oftglcidj (aud) objcfjuii) roirb im Seutjrfim ntdjl |e(ten aufgelöft. 35g[. obcn : Oh ich gleich wenig weisz, etc. SaS trcn= nenbe SBort ift meiftenê ein pronomen.

\ III. .^IIÏICIU itnb luafjlCIti) Ijaben lu')pvüng(id) cine temp O' rate 93ebeutung ; 3. 23. Er las, wührend ich schrieb. Gar leicht gehorcht man einem edlen Herru, der überzeugt, indem er uns be-fiehlt. Sicfe jeitlirfje 23ebcutung gcf)t in cine m 0 b n f e iifccv, m. a. SB.: i n b e m (fiiêiucilcn aud; ra a f; r c n b) 6ejeid)nct oud) cine bic §aupt[)anb(nng Segtcifenbc 9JeDen[)nnb(ung ; 3. 23. Er entfernte sich, indem (wahrend) er einen wütenden Bliek auf mich warf. ssgf. nud); ©ar (eicl)t gcfjovcfjt man :c.

Siefc mobate 23ebentnng gc[)t bei i n b e m oft in cine fnii)fllc, bei tu a f) r e n b in cine abDCVftttiüC (entgegenfe^enbe) über.

23eifp. 3 n be nt er pfetljdjncd nadj ber Stabi ritt, rcttcte er fic bon bent Untergang = door pijlsnel naar de stad te rijden etc. — 3d) fann ötjncn bo§ iBud; nic^t geben, inbem (roeil) id) eê meinen 33rübcr öetjprudjcn |a6c. Kt ift ein gutfjerjiger 9J!anii, loeierenb jein SJruber leidjt aufbrauft. ïïiete TOcnfdjcn jagen nadj 9!cid)tüment, in ii (j r e n b anbere fie gar nidjt adjten. (35gt. tnbeffen, ïfufgabe 130).

IX. 23Dn ben Scmporalfonjnnftionen nenncn inir:

9113 (bn) = toeu, lueilll = wanneer imb luie = zooals, toen.

bcjieljt fid) auf cine cinmalige §anb[ung in ber 25ergan= gen^cit (franj. lorsque); lueilll bejicljt fid) auf cinc jeitlid) unbe--ftimmte §anb(ung unb frfjlicfjt oft cinc SBiebcr^otung in fid); jote bejicf)t fid) Dormicgcnb auf bie ©egenraart, barf aber aud) ooit ber 23ergangcn()cit gebraudjt luerbcn (= toen), luenn biefe fid) an ctiuaS u n nt 111 c t b a r g 0 (g c n b c § anfdtliefjt.

23cifpielc: er eintrat, ging ich hinaus. Wenu (allemal wenn) er eintrat, ging ich hinaus. Da ich ein Kind war (sagt Paulüs), da redete ich wie ein Kind. Wie er mich erblickt, eilt er auf mich zu. Wie er mich erblickte, eilte er auf mich zu.

SBarunt nirfjt wie flalt als in: 2lï^ JpamüÖQÏ ©ogiml eroöertr, ftaub ev im 28ftcu Oa[|rc. 2t(8 toiv t)eimtel)vtcn, war fdjon alleê abjcïaufeit.

X. Voor en aleer = efjC Hllb tlCUOl'. (23gl. alcorens ®. 138, IV).

XI. Unfer cinfd)ranfenb=abucrfatme» gügeroort tenzij, ten ware = mits) cntfpridjt bcm bcutfd)cn c 5 f e t b e n n, e ê w ei r c benn; and) ftdjt oftcrê bfof; beult. — 23eifp. Man sucht

ocr page 213

207

niemand hinter der Tlüir, es sei deun dasz man selbst daliinter gestanden liabe (über gebriiudjlidjcv) man habe denn selbst daliinter gestanden. Die Nürnberger hangten keinen, sie liiitten ihn denn. Traue keinem, du habest denn einen Sclieffel Salz mit ihm gegessen.

XII. $cr ^cutjdjc gebi'iuidjt iaé gvuntmngebenbc mctl gent meljr ober meniger pleonaftijcf), menu ba runt, bes me gen lunnngefjen ; 3. 3?. Man sollte einen Menschen nicht darum so streng tadeln, weil er über-eilt gebandelt. Eben desweyen briclit die Wolke, weil es nicht zur rechten Zeit regnete. — SiSir )cljcii meifteuS dat.

3 u ü b c r i e li c n:

129.

Nocli geld, noch bedreigingen, noch beloften konden den trouwen dienaar aan het wankelen brengen. — Doe eerst 1) uw plicht en zoek vervolgens 1) uitspanning en genot. — God maakte twee lichten, oen groot en een klein; het groote om den dag, het kleinere licht om den nacht te regeeren; bovendien schiep hij de sterren. — Uwe pogingen zullen niet alleen vruchteloos blijven, maar gij zult daarenboven uwe vrienden in gevaar brengen; van den eenen kant dreigen u verdriet en teleurstelling, van den anderen kant miskenning en ondank. — Wij zijn groote wijsgeeren voor anderen, maar niet voor ons zelve. — Men moet de verdiensten van den mensch niet beoor-deelen naar zijne groote gaven, maar naar 't gebruik, dat hij daarvan maakt. — Richt u niet naar de meesten, maar naar de besten. — De menschen zijn dikwijls in staat tot grooter dingen dan zij volbrengen; maar de omstandigheden der meesten geven geen aanleiding tot ongewone daden. — Toen Xerxes een ontzaglijk leger bijeengebracht had, hoopte hij de Grieken md gemak 2) te overwinnen 3); maar (ttHein) weldra moest hij ondervinden, dat hii zich in zijne verwachtingen be-drggen had. — Niet veel inkomen maakt een huis rijk, maar een' verstandig beheer 4). — De honger, zegt een Duitsch spreekwoord, kykt den vlijtige wel eens in zijn huis; maar de arbeidzaamheid gooit hem de deur uit. — Hij bezit een groot vermogen en geniet de algemeene achting; toch is hij niet gelukkig (desniettegenstaande, niettemin is hij niet gelukkig). Alhoewel hij rijk en gezond is, toch is hij 5) niet tevreden. — Hoezeer (VI) het mij spijt, u te moeten bedroeven, toch mag

ocr page 214

208

ik niet nalaten, dit teedere punt aan te roeren. Ik verzoek 6) u dus vriendelijk, mij geduldig aan te hooren.

1) Vert. Eerst doe .... dan zoek. 2) (cidjt. 3) übcrloinbcn. 4) 2Bict= jdjaft. 5) io ift cv boef;. 6) erjudjen (ober) iittcn.

130.

De hemel betrok en de donder rommelde reeds in de verte; desniettegenstaande wilden de reizigers hun weg vervolgen. quot;Wij daarentegen hieven er op staan 1), dat zij bij ons zouden overnachten, en na eenig tegenstribbelen lieten zij zich overreden. — Al verstond ik niet alles wat hij zeide, toch begreep ik wat hij wilde. — Slaapt de meester, dan droomt de knecht.— Het verstand kan achten, maar niet beminnen. — Niet door spreken, maar door handelen en zwijgen kenmerkt zich de ware grootheid. — Ik had wel is waar geen hoogen dunk van zijne bekwaamheden; niettemin had (Sonj. ampf.) ik zulk eene onwetendheid niet bij hem vermoed. — Koningin Christina van Zweden zeide eens, dat zij uit liefde voor de (juv) gerechtigheid wel is waar slechts zelden misdadigers begenadigd, maar ook nooit een enkelen veroordeeld had, zonder daarbij tranen te storten. — Hij heeft mij beloofd te zullen komen; intusschen 2; schijnt het, dat hij ons te vergeefs wil laten wachten. — Terwijl 3) wij met de paarden bezig waren, trokken de knechts den wagen uit de sloot. — De rechtspleging straft, maar zij kan het geleden onrecht niet ongedaan maken. — Niet zelden ziet men, dat lieden, die door geen uitstekende eigenschappen uitmunten, bijzonder4) bemind zijn; terwijl) van lieden van grootere verdiensten de omgang weinig gezocht wordt, al moge men ook in hunne afwezigheid met achting van hen spreken. — De naam Polen komt eerst in de 10de eeuw voor. De oudere Poolsche geschiedschrijvers weten wel is zvaar 5) van vroegere gebeurtenissen te verhalen, maar deze zijn historisch volstrekt niet bewezen (gewaarborgd) 6).

1) lüir kftanben barouf. 2) inbeffen. 3) inbem (ober) inbeffen. 4) öo» jiigltd). 5) freilid;. 6) Ècglaubigt, Bcrïmrgt.

131.

Een grondige menschenkennis leert men niet uit boeken, maar slechts door innige kennismaking met verschillende personen en zorgvuldige waarneming 1) van de verschillende

ocr page 215

209

karakters. — Ik vrees den vleier niet, veeleer veracht ik hem. - Hij peinsde en overlegde - of liever, hij peinsde en overlegde niet, daartoe was zijne denkkracht te zeer geschokt; hij kon nog alleen zuchten en wenschen. - Oude vrienden moet men niet verkoopen; want men weet niet hoe de nieuwe uitvallen 2). - De moordenaar moet sterven, want bloed eischt bloed. - Met volle teugen drinken wij de vleiende leugen, terwijl wij slechts dropsgewijze de bittere waarheid inslikken'. — De overwinningen der Eomeinen legden wel is waar den grond 3) tot hunne overmacht, maar daarmede tevens van hun zedelijk verval 4). - „Die laarzen knellen mij vreeselijk,quot; zeide iemand tot zijn schoenmaker. „Dat heb ik met opzet gedaan 5)quot; - antwoordde deze — „opdat gij niet zoo licht het betalen zoudt vergeten.quot; — Opdat de naar buiten stroomende 6) lucht genoodzaakt worde, de stembanden van het strottenhoofd in trilling (pte.) te brengen 1), moeten de stembanden dicht hij 8) elkander liggen en moet de stemspleet dus nauw zijn. — „ Wel vrouw!quot; 9) zeide een leerjongen, die niets dan aardappelen te eten kreeg 10), „gij meent waarschijnlijk, dat Columbus Amerika alleen daarom ontdekt heeft, dat (= opdat) gij de leerjongens met aardappelen zoudt kunnen doodvoeren.quot; — Ofschoon hij de middaghoogte des levens reeds had overschreden, was hij nog in 't volle bezit (ein aOorf) van zijn mannelijke kracht (c i n ÏBort). Hij was ongetwijfeld eens zeer schoon geweest en kon thans nog daarvoor doorgaan, nu (uw) hij reeds aan den drempel des ouderdoms stond. Zijn zoon was van alles het tegendeel, en toch geleken (Sat.) zijne trekken merkwaardig 11) op die des vaders.

1) !Bcobnd;tunfl. 2) ncraten. 3) tcgrünbcn. 4) gnfiittli^unfl. 5) modjcn. 6) auëftrömcn. 7) ucijctjcn. 8) natje an. 9) grau ÜKctfferin. 10) bcfommen. 11) nuffattenb.

132.

Wanneer gij een goeden raad wilt hebben, vraag dan [foj niet uwe vrienden, maar uwe vijanden, en____doe het tegendeel. — De door Necho uitgezonden Feniciërs zagen de zon in het noorden; zij moeten dus (bijgevolg) den kreeftskeerkring gepasseerd 1) zijn. — De sterren zijn of vaste sterren öf planeten of kometen. De trawanten nu zijn noch kometen, noch vaste sterren; das moeten zij tot de planeten behooren. — De aarde is een bol; bijgevolg is steeds slechts liare2) helft door de zon

14

ocr page 216

210

verlicht. — Zijn er ook rooskleurige katten? Ja, namelijk do witte, aangezien er ook witte rozen zijn. — Er zijn witte rozen en witte katten; bijgevolg zijn er ook rooskleurige katten. — Vele menschen hebben eerst medelijden met een ander, wanneer zij weten, dat hij verloren is. — Er zijn menschen, die niet eerder hooren, voor 3) men hun de ooren afsnijdt. — Zoodra wij de brandklok hoorden luien, spoedden wij ons naaide plaats des onheils 4). — Niet zoodra was het bericht van den dood des keizers bekend geworden, of de vlaggen werden halfstok geheschen 5). — Toen een kunstvriend een gevreesden kunstrechter vraagde, wat deze op zekere schilderij aan te merken had, antwoordde deze na langdurige 6) beschouwing van 't meesterstuk: „Dat elke fout -ontbreekt.quot; — Wat het ivoord alleen 1) niet vermag, dat bewerkt dikwijls het voorbeeld, daar het niet slechts eene^es geeft, maar tevens de mogelijkheid van uitvoering (sitt.) doör de daad bewijst. — De leeuwerik zingt, terwijl hij opwaarts stijgt 8). — Toen Saul moest vluchten en, door vijanden omringd, geen uitkomst moer zag, beval hij zijn wapendrager hem te doorsteken, opdat hij niet in de handen der Filistijnen zou vallen; daar echter deze het niet durfde doen (o.), stortte hij zich in zijn eigen zwaard.

1) I)inou§tomntcn it6er. 2) tl;rc (ober nadj tem Subft.) bcrjclbcn. 3) als t)i§. 4) ïïranbjtcitte. 5) auffjtffen. 6) lang (Somp.). 7) ba§ blojjc ÏÖort. 8) fid) in bic Suft (2üftc) fdjniingen.

133.

Waar niets is, daar heeft de keizer zijn recht verloren. — Toen de ongelukkige deze jobstijding vernam, borst hij in tranen uit, terwijl wij hem zwijgend op eenigen afstand gadesloegen. Eindelijk wendde hij zich tot (an) ons, maar scheen zich eerst een poosje to moeten bezinnen, eer (voor en aleer) het hem duidelijk werd, wie wij waren en met (in) welk oogmerk wij gekomen waren. — Wij mochten niet uitgaan, voor en aleer wij ons werk hadden voltooid. — De bewoners van Zwitserland waren sedert de oudste tijden een vrij volk. — Sedert het weer beter is geworden 1), is de koorts van mijn broer afgenomen. — Vóór drie jaren is hij naar Indië vertrokken en heeft sedert niets van zich laten hooren. — Hoe minder de mensch beheerscht wordt door den wil van anderen, des te meer moet hij zich zelf beheerschen. — Voor slechte menschen is het aangenaam te vernemen, dat anderen even

ocr page 217

211

slecht zijn als zij. — G-elijk een verscheurend dier lichter wordt overmand dan een zwerm insecten, zoo ook is het gemakkelijker, zeldzame en groote verzoekingen te overwinnen dan de kleine, die eiken dag terugkeeren. — Cicero was als redenaar veel 2) grooter dan als staatsman.

1) iid) fiefiern. 2) Iici meiteni.

134.

Indien gij het leven lief hebt, verspil dan den tijd niet, want uit tijd bestaat immers het leven. Hoeveel meer tijd dan noodig is verkwisten wij niet door den slaap, daarbij vergetende 1), dat een slapende vos geen hoen vangt en dat wij in 't graf nog tijd genoeg hebben om (o.) te slapen. — Hoe meer ge slaapt, hoe minder ge leeft. — Hoe langer men leeft, hoe ouder men wordt. — De dames wandelden in 't park; ondertusschen bezichtigden wij de schilderijenverzameling, die onze verwachting verre overtrof. Hoe verder wij gingen, hoe meer onze verwondering toenam. Onderwijl was het laat geworden, zoodat wij ternauwernood bijtijds thuis kwamen. — Niet overal, waar water is, zijn kikvorschen; maar waar men kikvorschen hoort, is water. — quot;Wij bespeurden, dat de vreemdeling ons gadesloeg, hoewel hij den schijn aannam 2) van opmerkzaam te lezen (baB er ze.). — Indien het hoofd het licht des harten is, dan (io) is het hart het leven van 't hoofd. — Zekere menschen zouden waarschijnlijk deugden hebben, zoo zij geld bezaten. — Do twijfel, of men elkander (S. gi) ooit zal weerzien, maakt menig afscheid zwaar. — Keeds in de oudheid is er over gestreden 3), of men overal en onder alle omstandigheden de waarheid moet zeggen of niet. — Of ge wilt of niet, ge moet mee. — Geen boek is zoo slecht, of er valt (= is) iets uit te leeren. — Toen Ik hem vraagde, of zijn hond ook trouw was, antwoordde hy: „Trouw? Of Idj.'4). Ik verzeker u, hem 5) kunt ge gerust uwe portemonnaie in den bek geven, — hij zal er geen penning uitnemen ü). — Vertrouw niemand, tenzij gij een schepel zout met hem gegeten hebt.

1) unb Uerge||en. 2) fid) ben sJlnid)etn gcfien. 3) ftrciten (mit roorbcn). 4) UnS oB! 5) fyinmetjenb. 6) er inirb 31)ncn nidit — tiefjmcn.

135.

Gelijk Julius Caesar en Karei de Groote, de heide stichters

ocr page 218

212

van een keizerrijk, zal de heldengestalte van Wilhelm von Hohenzollern 1), den eersten Duitschen keizer, door alle eeuwen heen (o.) schitteren 2). En ons, — zoo gaat de diep ontroerde schrijver van het opstel voort (zie de Keulsche Courant van 9 Maart 1888) — en ons, zijne tijdgenooten, zal men benijden, dat wij de groote historische gestalte in vleesch en bloed onder ons hebben zien wandelen 3). Want hij was niet minder beminnelijk 4) als mensch dan groot als heerscher: eigenschappen, die niet steeds met elkander verbonden zijn, zooals de stichter der Pruisische koningsmacht, de groote Frederik, bewijst, wiens ruiterstandbeeld onze groote keizer in zijn slot bestendig voor oogen had. Wilhelm I leefde niet gelijk Frederik meestal 5) in afgezonderdheid, maar vertoefde gaarne te midden van zijn volk en scheen een persoonlijk vriend van den geringste zijner onderdanen. — Al doet de mensch ook alles, wat zijn plicht van hem eischt, al streeft hij ook nog zoo ernstig en ijverig naar volmaaktheid, hij houdt toch nooit op een onvolmaakt wezen te zijn. — Wat God doet, dat is welgedaan, al moge het ook dikwijls anders schijnen (ofschoon). — Nauwelijks waren (®. us) de Romeinen begonnen, het oosten 6) te onderwerpen, of het overwonnen land wreekte zich door de liefde tot pracht, overdaad 7) en verwijfdheid, die het den overwinnaars inboezemde. — Nauw nog is de sneeuw gesmolten, of de sneeuwklokjes steken 8) hunne kopjes naar boven. — Wanneer aan de schoonheid de prijs toekwam en niet aan de kracht, dan was (ware) do pauw de koning der vogels. — Hoe ongelukkig gij ook zijn moogt, ge zult allicht anderen vinden, die nog ongelukkiger zijn dan gij.

1) Sic!) baê ïööctei'Uerjeit^niS, ^lufg. 32. 2) (culten. 3) manbclit. 4) ScrfjattniS ber ©leicfjfjcit (ebEnfo liebetómiitbig etc. sgl. ®. ito). 5) jumcift. 6) ber Orient (ober) bal 93Jovgen(anb. 7) Üppigfeit. 8) ftrecfen.

ocr page 219

Sövtcvticr jcidjuU.

3.

•Öordjcr luisteraar, luistervink. — Dicue ($. 4) het berouw. — ge()Oirf)cn gehoorzamen. — bcv fynben draad. — bic (yrcubcn de genoegens.

5.

gindsch jcne, =r, =§. — rivier f. bcr fytuÊ. — gloed (£.1) —hitte •Ötljc (S. 4). — parelen SPcrlen. — zeef (£. 2). — wil scheppen jdjbpfcn t»m. — soep Suppc. — moeite 93iii()c. — beloond bclo()nt. — dwaas ïljor {idjwcicl)) g. 7. — dobbelsteen (£, 3). — bekendste bc= fanntcfic. — vestzak m. S£Seftentnfd)e. — het voorgebergte bos ilgt;or= gebirge. — ongetwijfeld imgcjlueifelt. — ceder 6eber (£. 6, c). — soort bic ïlrt (ober in eincm ïöort:) SSauiliort. — welriekend !Uof)(ricd)clib. — overeenkomst Stljnlirfjtcit. — terpentijnolie ïcrpcntinbl (S. 2); beim SBoItc oft; Aicnöt, (ogt. Sufg. io). — olifant (ïlcfant.—slurf (S. 3). — bij SMcnc. — wiek Sdjminge, bcr Jjittid). — klauw m. Jïroïïc. — snuit tn. S^nau^c. — erfenis (ê. 7). — overtreft übertrifft, übcrftcigt. — verwachting grwortung. — het verbruik ïïerbrnurf) (S. 2). — aardappel bic SJortoffct (bcr (ïibnpfct). — toenemen juncljmcn. — hoofd bcr Sïojif.

6.

fflïnut (S. 2). — ftct bestendig, aanhoudend. — (au5)l)Df)tcn uithollen. — bcr ftern pit f. kern f. — tucljvcn in toom houden.

ocr page 220

214

jf

i.

i te!

secretaris Sefretnr. — toezwaaien jpenben. — nieuwsgierigheid bic 3Jcuciier. — gaande maken rege niadjen. — besluit Ëntjrfjlutj (£. 2).— opvatten foffen. — vaandrig gafjnricï). — tuinman ©iirtner. — vermist uernuBt. — daarbijbehoorend jugetjörig. — bovendien aujjcr= bent. — eigenaardig cigentümlid). — zegevieren fiegen. — sneuvelen fallen. — doorn bet $ont (pl. Söciter ober Somen). — koren bQ§ ftorn (baê (Setveibe). — het kaf bic Sprcu. — het gebrek bcr yeljlct. — tijding bie 3carf)ricf)t. — doorgaans gciuöijnlic^. — vermoeid ermübet, tiiitbc. — uithangbord S^ilb (3. 7). — blies fitejj. — aanheffen ait= ftimmen. — berouw (sJïufg. 3). — brandspuit geucrifi'i6 (£• 4). — gedachte f. bcr ©ebnnfc ($. l(i).

■ ■

I

S i.r

traan f. bcr £f)Von. — verschillend ucrjcfiteben. — vooral 6cion= berë, jumat. — walvisch bet ïl'alttjcf), bcr ïöal. — rob m. bic SioÊbc. -lever üeOei' (£. 3). — haai bcr .§ai. — uitsluitend ausïd)lieBlic(). — streek bic (Scgcnb. — bij uitnemendheid Dorjugsmciic. — kerkgebruik 4iitd)cngcbvaud). — beteekenen bebcutcn. — stalen ftnl)lcni[cn |. — driehoekig breterftg. — doelmatig jtDcdmtifjig. — het effekt ber Ltjïctt. — voorzichtigheid bic iüorjidjt ['JKIc Suiamiitcnjctjungcn mit =fi(J)t finb met6lid)]. — gematigd klimaat bie gemöfjigte Sonc (ober) bn§ gem. ftlinta. — de Pyreneeën bic 5|St)rcnncn.

9.

ree (S. 2). — adder, fabel, wezel, etc. ($. 3). ■— het kameleon bn§ 6()aiiiciIcon. — vos ber ~ mier bie ïlmcijc. — de krekel

bic ®rif(c, baë Cteintdjen. — rol iKoüc (®. 4). — loopt zij over liiujt c§ iibcr. — even cbenjo. — belasten bcQuftragcn. — concert ba§ ffon; 3crt (ober) fionjert. — bijwonen betioofjnen (mit Eatis). — hoe zou ik! mie jolllc id)! — plaats f. *4-sInli (£• 2). — poging f. Skrjitd) (£. 2).— mislukte ntifelnng, nüBglüdtc. — gymnastiekvereeniging ïurnöcrcin (£. 2). — vormen ftilbctt. — meening 3Rcinung, Slnjic^t.

10.

©cidimad (S. 2). — ber Seiffen leest f. — bcr Sdicifcl schepel, korenmaat. — bcr ïopf pot. — bcr 3?cjd)cib het bescheid, antwoord,— brcid)cn dorschen. — DJutjtjofj timmerhout (in biejem vurenhout).— Cic^ntt (S. 7). — tiebeutcnb aanmerkelijk.

M1

Ir \\l

| ff

JL

ocr page 221

215

11.

wortel (2. 3). — verschillend ('iluffl. 8). — het jaargetijde bie ^af)VES,jcit, (()icv audi;) ^erioDc. — bloesem {$. 4). — rijpen mfctt. — zwaluw Sic SdjluaKu'. — zomer Sominer. — kraai bic Kvaf)c. mager mager. - vergelijk (£. 2). - vet feit. - hangt I)cinflt. -draadje giibdjen (rat). — lediggang Wilfeiagang. — Jiet begin bcr ^lufani], ^cgiitn. — menigeen maneer. — verraad (ö. 2)^ haat (jaf.t — iedereen jebcviuann, cin jcbcr. — de wil ber 2Bittc (S. 16). ■ gelijken glcirfjcu (mit ïatic). — blinken blintcn. — scheede erf)cibc (Sat). —'speeltuig bo0 Spic(,;cug. — werf (e. 2). — bevindt kjin» bet. — splinter (ïlufg. 6). — buurman ?iacf)(inv. - gat ba§ Serf), paskwil ba§ ^asquitl. — armoede bic ïlrimit (tcinc Suij. mit 93hit).— gewoonlijk gclinüjnlid).

12.

bezit, verlies ($, 2). — hot geneesmiddel ^trjuci (2.4). — ziekte ftrniit()cit. — ellende f. ba§ (Slcub. — nauwelijks fnum. — aalmoes (2 3). — vangst (2. 2). buit m. SBcutc. — titel bcv Jitcl. t(Toneelstuk 2d)auiincl, Srnma. — plaats (2. 2) — predikant ^rc» bigcv ^iavrev. — verkondigen «evtiinbigen. — kansel m. bic ftanjcl (£.quot;31. — vlierstruik (2. 6) - pit CHufg. 6). - hot oproer bcr M(uirul)r. — berokkenen jufügcn. — vermoedelijk ucrmutlid). —- schadevergoeding êdjnbcncviali (2. 2). — eischenforbern. — vreezen fürdjtcn. — toekennen jucrfcnncn. — bevoegdheid bic s.Bcfugni§. — missen cnt= (,c()rcn. — mag bavf. — het onderwijs bcr llntcrridjt. — geven gebctl (ober) ertcilcn. — hoogmoed (2. 7). — uitdrukking bcr ^lusbrud. misslag bcr 5c()ttritt, bo§ 93crgct)cn.

14.

Wezel m. (2. 3). — overeenkomst (?(ufg. 5). — marter bcr TOar-t,er, _ geldt gilt. — waakzaamheid aSndjiamtcit. — sijsje (2.4). — nachtegaal m.' bic 3Jad)tigall. — grijs grnu. — pluimage bus ©cficber. —

eikel teidjcl (2. 3). — groeit ffifidjlt. — palm ^olmc. — druif ïniubc.—

wijnstok ber Sfficitiftocf. — vilt n. bcr gilj. — dicht bidjt. — weefsel bas ®ewc6c. — haar ba§ §aor. — vervaardigen ucrfcrügen. — hoed bcr .flut. — som 2umme. — driehoek m. $rcicrt (s. 1). vers (2. 2). — hemellichaam bcr Öinimelslbrpcr. — tot welke 5U benen, behoort geftbrt. —- bol m. ,ringel (2. 3). — geleerd gclernt. burg m bie 55utg — onderaardsch imtcrirbifd). — waarschijnlijk ttinï)r= id)cinti^. — kerker bcr Kertcr. - zuchten ieufsen. - beschouwen betrapten.

ocr page 222

216

16.

Jrfjlimm ^slecht, kwaad. —- bie SBiitbc = bic 2aft. _ 5ldjic[ —

Sdjultcr (c. 3). bet ®or|alj het voornemen, plan. — liflaftern plaveien.

19.

kaak, boven-, benedenkaak fiiefcr, D6cr=, Unterlicfer (S. 7). --been (bot) bcr finorfjen. — tand ber — onbeweegbaar untic=

— behulp §i[fe. — kauwspier bic (bev) ftaumustcl. — oester («. 3). schaaldier Sdjalfier. — behooren geljörcit. —• verbruiken uerbraurfjen.^ — plaats Crt (S. 20). — welvaart aöo^faljrt. — teelt bic Sudfjt (a. 4). — te danken hebben Bevbonfen. — olierijk ölrcid;. — het zaad bcr Samen {bic ® a a t = het graan, hot gezaaide). — vezel f. bic Safer. — stengel Stengel. — drogen troctucn. — repelen riffetn. houtachtig t^oljig. — braken bvedjen. — zwingelen fct|lt)in= gen. verwijderen entferncn. — zuivering Diciuigung. — hekel §ccf)el (o. 3). — kamvormig fammförmig. -— voltooien Uoflenben. — Ierland 3rlanb. — Vlaanderen Stanbern. — Europeesch europnijd). -— hoeveelheid Duantitöt (£. 4). — voortbrengen erjeugen, probujicreii.— teer javt. mislukken ('jfufg. 9). — oogst m. (ïrnte.

21.

struisvogel Straujj (i. 20). — dor bitrr. —voedzaam natjrfjaft.— vooral (sJlufg. S). Afrikaan 5lfrifaner. — met graagte gern. — Romein Sibmer. saus bic ^auce. — wegen tuiegeii. — doorgaans caiifg. 7). — gemiddeld buvd)id;iüttlid), im Suvdjfdjnitt. —veer fyeber -(S. 3). — sedert feit (Sat.). — berijden reitcn, bereiten. — zoogen faugen. — mol ber Waultmirf. — het eenige ba§ eiitjige. — het voedsel Dialjrung. - gang ber @ang. - oppervlakte Cberffcidje. — zuiveren reinigen. - grond «oben. - ongedierte baê Ungcjicfcr. — het gewas ba§ ®eit)ad)§. — afknagen abnagen. — woestijn Sffiüfte. — veranderen wrinonbeln. — verkeerd ucrtcfjrt; of tljöridjt = dwaas.— rooftocht bcr Oiaubjug. — doorwoelen buvdjuiüt)[en. — vervolgen uci-folgen. — dooden toten. — helft §alfte. — verminken tierftümnieln.

99

ber Slcif hoepel (in cinigcit ©egenkn reep). — ber ,ftreifc( tol. — bcr todjuffcr knikker. ber ^rad)e vlieger (in ben nörbtidjcn ^Jrooinjcn oud) draak). — ber gtiijbogen flitsboog, pijlboog. — gerien (2. 19). — bcr Streid) slag. — ba§ Siotjr riet. — ynrdje de voor. — ïije^ler schrijn-

ocr page 223

217

werker. — Srctfister draaier. — gti^te spar.—SBeibe wilg (autfj weide).— bcr firug kroes, beker. — 93anner (S. 3).

23.

spreeuw Star ($. 15). — grappig bvoiïig, toinijd). — klopperen ïlappctn. — ooievaar bcr ®iovd). — kwaken quntcn. — kikker bcr Srojcf;. — fluiten pfctfen. — straatjongen Qjajjcnjungc, ©affcnbuDc. — praten fprcdjen. — loeren Icvnctt (urn enbe). — seliub 2d)u()pc. — graat ©rcite. — been (ftj. jambe) boS S3cin. — vleugel glügel. — vin Slofje. — ademen ntmen. — long Vunge. — kieuw fticmc. — snoek bcr £)ed)t. -— meer (S. 7). — voorkomen Borfommen. — gulzig gierig, gefrajjig. — niettemin bennod;. — leveren liefern. — karper ber Starpfcn. — baars bcr SBarjd). — aal bcr Slat (pi. olmc Umlaut). — smakelijk jc^modtjaft. — geleed gcgücbcrt. — voelhoorn tjut)(t)DVtt. — spin ispinnc. — larve Saroe. — pop 5)5uppe. — wrat SBarjc. — draad Saben (B. 15). — graansoort bie (Setreibcart. — liol t)ot)t. — voorzien uevicfjcu. — smal fdjmat. — spelt ©pelj, Spelt (£. 6). — gerst ffierfte (s. 6). — haver f. §afer m. — maïs 33ïat§. — beukenoot bie Söudjectcr, SBudjmijj. — voeder baê öuttcr.

24.

olijfboom Ölboum, Cliue, Cltucnbaum. — bovenal namentlid;. — Italiaan ^tatiener. — Griek ©viedje. — onschatbaar itni^citjfiar. — ooft ba§ Cfift. — persen preffen. — salade, sla f. galat (S. 6). — gebruiken licitutjen. — meubel bas 51iö6el. -— vervaardigen fertigen. — olijftak bcr Ctjwcig. — zinnebeeld ba§ Sinnbilb, baS Sljmbol. — trein bcr Sus- — stoppen Ijalten, anljaltcn. — in-, uitstappen ein=, au§= ftcigen. — waar 21'ave. — laden laben. — station bic Station; (niet alle gebouwen er bij): bcr 3)at;nl)of. — te scheep ju Sdjijf. — ten verkoop juin ilkvfauf. — menigte 93!engc. — bewaren bcitialjren, auf= bcmatjren. — behoefte f. ba§ 5?cbürftti§. — bevredigen bcfnebigcu. — burcht SBurg ('Jlufg. 14). — de middeleeuwen ba-S SJiittclaltcr. -— somber btifter. — hol §öf)le. — hot puin bcr ©djutt. — struikgewas ba§ ©cftrüpp. — versperren Ucripevren. — gracht ©rnlien. — woekerend onkruid inui^ernbeS Unfraut. — brok bcr SJrodcn. — zich kronkelen fid) fdjliingcln.

2G.

veulen ba? 5lillen. — de bigge baê geïfel. — kuiken .f{üd)(ein. — schets Sfijje. — portefeuille ba» ^Sortcfeuillc, bie 9)lappc. — het

ocr page 224

218

paleis tier $a(aft, im= ^alaiê. — rots f. bcr (jetê (gdjen). — woestijn ('Jlufg. 21). — het zeegezicht bic £ccaniicf|t. — schipbreukeling bcr S^itf= briidjigc. — zich aanschaften fidj Qntrf)niicn. — das f. Oolêbinbc. — boordje bcr Stagen. — jas bcr Siocf. — laars ber Stiefel. — leeraar Sefjrer, ©ojcnt. — abt ?Uit. — proost ïgt;ro(ift, ^propft. — prior ïprior (4e — verscheidene mcljrcre. — glazenmaker ©lajcr. — geslepen gcfrf)liifcti. — briljant ber SBrillont (id)wa(f)). — delfstof ba§ Dlïincral (S. 18).

27.

eeuw f. ba§ 3n()r()ünbevt. — volksvlijt f. ber ©cloerbsfleifj, bic !8c= ttiebfamfcit. — stapelplaats Stapelplatj. — vormen bilben. — verdrijven Dertrcibcn. — pretor Arator (4e ft!.). — gekozen flcwaljtt. — Pers bcr $er|er. — bergstreek ©cbirgëgcgenb. — golf f. ser 9J!ecr= bujen. •— heer-schappij ^errjcbnft. — stamverwant ftammBcrwnnbt. — Mediër SJlcber. — vestigen grünben. — het midden Slütte (£. 4), — stichter ©lifter. — verwijfd ucrrocidjlictjt. — kolonie Kolonie. — kust bie ftüfte. — Sleeswijk SdjlcSmig. — golf bic Stut, ïl'etle. — Noordzee ^ïorbfee. — overblijfsel bcr Überrcft. — samenhangend jufannnen» tjiingenb. — dijk bcr Samni, bcr Scid). — duin $üiic. — beschutten fdjüljcn. — zoogenaamd fogennnnt. — inzwelgen Uerfd)tin= gen. — poging Skrfud) (S. 15). — Halligen .^alligen. — noch ... noch weber. . . nod). — voortdurend fortttatjrenb. — baar SJÖogc, at'eltc. — prijsgeven prei§gcbcn. — overstroomen überjdjmemnten.

28.

druktelegraaf ber Srudtctcgrobf). — het meest om meiftcn. — uitvinden cvfinben. — geoefend geübt, crfat)ren. — minuut Dünutc. — ster f bcr Stern. — cirkelvormig freisförnng. — baan bic ®af)n. — wasschen mojdjeu. — beproeven Bcrjucbcn. — landschapschilder l'nnbjdjaftëtnalcr. — schenken febenfen (Wmadi). — gevangenschap öjefangenjdjaft. — Zwitserland bie Sdjwcij. — Zwitser Sdjwcijcr. — Spanje Spanicn. — Napels 9fcnbcl. — Napolitaan DJcapolitnncr. — Schotland Sdjotttanb. — Schot Sdjotte. — het karakter bcr K()a= rnttcr (pl. K^arottéce). — nationaliteit 9}attonaIitat. — Zweden Sdjmcben. — Engeland gngtanb. — Turkije bic ïürtei. — Rusland Sfufjlanb. — Pruisen s4.lreuf;en. — Bohemen ®öt)men. — Pommeren ^ommcru (de Pommeraan ber S4S o in nt e r ift fdjmad)). — Chinees bcr Ktjincfe. ■— Japanner (of) Japannees Sapaner. — Azië ïljien (tier ïlfiat).

Stnm. ®ie Sianbernanten mit bent ïlrtitct finb meiblicb, namentlid) bie auf ti, j. 58. bie Sdjioeij, bie t*quot; Caufilj, bie Shim, bic Ï0?olbau

ocr page 225

219

(Moldavië), bic Ufröne, bie Somltarbct. — ïtusnoljmcn: ber (bal) Gfafj, ber 5Peloponnc§, ber Vlorgau, ber ï^arj.

29.

ba§ firotobit unb ber SlIIigalor ($. 17). — uiterst iiuBerft. —lijst f. bas 33et3eicf)ni§. — het voorwerp ber ©egcnflaiiD. — opvoeding (ïr= jiefjung. — hehooren gefjören. — fluitist fylötift. — het vaandel Safine. — inivijden cinttici()en. — lans ünnje. — sabel f. ber Siibel.— gewapend bemaifnet. — Oostenrijker Cfterreidjer. — janitsaar 3aiül= fctjar (fdiroad)). — kurassier ftürajfier. — seminarium ba§ Seminar (le .ftl.). — conducteur S^affner. — kaartje Sas billet (B. 18), bie Satjrfarte. — knippen coupteren, morfteren, burcI)locf)en.

30.

In het belang int Sntereffc. — althans Kienigften§. — beschaafd gebilbet. — bepaald bcftimmt. — lettergreep gilbe. — het geloof bet ®laube (S. 16). — geheimzinnig getjeimnisooll. — Rome Stom. — de ambtenaar ber SBeamte. — vreeselijk furcfjtbor. — aardbeving (,£. 18). — plaats hebben ftattfinben. — residentie bie Sieiibeuj. — verwoesten jerftören. — staartster ber Sdjroeifftern. — beloofd Ber= iprodjen. — verdubbelen uerboppetn. — verbeteren Derbeffern. — immers . .. zeide hij = fagte er boc^. — even ebenfo. — bunzing ber SIti» (le »!!.). — geducht gefürcf)tet.

31.

verhinderen »erl)inbern. — voorgesteld Dorgeftecft. — bereiken cr= retd)en. — aan het wankelen jum SBonfen. — in staat zijn imftanbe ?ein. — edelmoedig ébelmütig. — sparen jdjonen. — grappenmaker SpaBmadjer. — toestoppen oerftopfcu. — moeten joden. — begaan tterüben. — het anker Sinter (S. 3). — wTei (©. 19). — voeden na()ren. — roofzuchtig raubiüdjtig. — dagen (uit-) forbern. — overwinnen bc= fiegen. — Egyptisch agljptijd). — deeling Sioifion. — harlekijn Öar= lefin (mit iin6eft. 3lrt.). — uitstekend auègejeiclmet. —Sllllagc sing, bejie^t fid) ouf beftimmte ftünfte ober SSifjenidjaften; egt. er Ijat bebeutenbe ïlnlagen, mit: er fjat Slnlage für 93hiiil :c. — beschamen befdiamen. — bijeenbrengen juiammenbringen, — wegsluiten BerjdjlieBen.

32.

stout fiiljn. — Bourgondië 93urgünb. — erfenis ($. 7). — volgens nad). — het plan bie Sfbiicf)!. — bedevaart 2Ca(lfa()rt. — onder-

lli

ocr page 226

220

nemen untcrnefjmen. — ongestoord ungeftört. — zoolang jo lange. — Arabier SIraber. — buitengemeen ungemein, aujicigcmbljnltcf), auBcr= orbentlid). — hartstochtelijk [cibcnic^aftlid). — grillig grittcn[)aft. — veroveraar Qtroberer. — kleur tyn'bc- — verheven (^art.) erljobcii. — Normandië bic ïiormnnbie. — $cr Slteftc Sctjn ilhtbolfB uon £gt;a6§burg. — [iEBenn bet nad) von ftefjcnbe 'Jiame ben iöefiy ober ben Ott bcv §er!imft bcjcidjiict, fo iBivb bet oor bet !Ptn|)ofUioii ftctienbe Sïame ftettievt]. — Zwaben Sdjluobcn.— erfdeel (S. 7). — onthouden Dorcntljoltcii. — vermoorden crmorbcn.

33.

onmenschelijk unmcn)rf)lirf). — reeks Siciljc. — ruw rol). — wreed guutfam. — pretoriaan SPrfitovioncr. — verheften ertjeben. — beeldhouwer 53ilb[)aucr. — vroedvrouw .yebammc. —Na te hebben geleefd nr.c^bcm cr gelcbt fjatte (Inleid. S. 160). — model ba» 93ïufter (2. 3). — Athene ïltfjén. — door Don. — onbeduidend unbcbcutcnb. —gerecht ba? ©cridjt. — dagen (quot;Jtufg. 31). — hoonen lier()bt)ncn. — verleiden uerfü()ren. — Pelopone.sus (?(ufg. 28. ®. 218). — het schiereiland •t'albtnicl (£. 4). — Sl)ratuë. —stichten grünbcn. —kolonie (ïlufg. 27).— bereiken (ilufg. 31). — toppunt bcr ©ipfel. — bevrijden befreien, SBc= freiung. — heerschappij (ïlufg. 27). — de Krim (ïlufg. 28). — ontleend entleljnt.

34.

stadhouder £tattf)alter. — kudde §erbe. — ter slachtbank leiden gur (a^ladjtbanf jüfjren. — schaar bie Sc(;ar. — bestijgen befteigen.— schavot ba§ Sdjafott. — brandstapel ber gdjeitertjaufen. — onderscheiding ?(u§jcid)nung. — evenwel jeborf). — een bediende eiu 9?c= bicntcr. —• te beurt vallen ju ïeü luerben, jufallcn. — omstreken llmgcgenb. — meten mejfen. •—belegering ïelagenmg. — veelbelovend IjoffnungëUoII. — terechtstellen f)innd)ten. — overstrooming (ïlufg. 27). — schade bcr Sdjaben. — aanrichten anridjten, nenniadjcn. — verdronken ertrunfen. — versmaden ($. 38). — ellendeling ciit Glettber. — krijgen befommen. — waarschuwing ÏOarnung (£. 36).

35.

Moldavië CJlufg. S8). — Zevenbergen Siebcnbürgcn. — poging ('Jlufg. 27). — bevrijding ('Jfufg. 33). — in het begin anfang§. — wel is waar jluar. — het gevolg (ürfolg ($. 2),. — maar toen nis abcr. — beurs S3Brie. — beschikking SJcrfügung. — het tekort bal Scficit. — bedrag (S. 2). — verbazend crftaunlid). — regenen regnen. — overhalen bereben. — overwinnaar Siegcr. — bevestigen jeigen, bclualjven (Sonj. lt;ptafenê). — een voorstel doen cinen Surjdjlag madjen. — maar

ocr page 227

221

alfcin. — eischen ('Kufg. 12). — onvoorwaardelijk unbcbingt. — het gesprok bic Unterrebung. —- beslist entjcf)ieben (3iifin. cntidjeibcn). — het plein ^Matj (.S. 2). — gedenkzuil Senfjiiule. — populair ^opuliir. — zeil baê 2cgcl. — uit het venster jum Scnffct §inauê. — verkooping Serfteigerung. — gekregen cvftanbcu (uon: crfWjett). — cadeau doen ic^cnfen. —■ per as ju Sffiugcn (of) per Sld^fe. — politieagent (S. 19).— marskramer •Sjauftcvcv, ïabuletttramer. — bedwongen tejiuungen. — flink (janbfeft, tiit^tig. — een handje meehelpen §anb nut antegen. — in vergelijking met im Skrgleirf) mit. — buskruit bn§ ^utuer. — gemiddeld (quot;.'lufg. 21).

36.

gerabc recht. — ber Steig het pad. — ©emanbtfjeit vlugheid, behendigheid; gemakkelijkheid. — fuvdjtjnnt (£. 50). — ber ®(f)atiett schaduw f'. — emfig (oou Smeife) noest.

37.

gestreng geftreng. — buigen btegeit (fig. beugen). — stomp ftumpf. — gering gering. — iets voor lief nemen m 11 etrooS üovlieb nefjmen. — naast nac^ft. — duur teuer. — kwaad böje. — bijten fieifien. — er gebeurt e§ geicl)ie()t. — leeren (ernen. — troebel trüfa (im Strüben). — bedelaar 93ctt(cr. — de lof bas Cob. — vleier Sdjmeidjler. — waarde ber SÜBert. — degelijk tiid)tig, gebiegen. — welmeenend rootjlmeinenb. •— ver roeit. — bouw ber ®aii. — verdragen uertragen. — nabijheid ïïalje. — hevig fjeftig. — reddeloos rettungêtoë.

38.

in 't algemeen im attgemeinen. — stroom ber Strom. — helder flor. — inheemsch cinfjeimijd). — plaats Stelle. — spaarzaam jpar= jam. — schat ber Sdjalj. — beantwoorden beontioorten. — valsch faljd). — prijzen loben. — berispen tabetn. — eindigen enben. — vloek ber gludj. — te midden inmitten. — stapel bec Öaufen. — een gewonde eiit SJermunbcter. — ter zijde 3111quot; Seite. — voornaam Bórnefjm. — kennis (kunde) £fenntui)fe; kennis maken SBetaniitjdjoft mac^en; (een goede) kennis ein SBetannter. — gelijk gleid) (mit ®atio), ober: mie.

39.

lojfen — meidjen. — ber fflolj blok, bonk (hout). — ber fieit wig. — e§ genügt het is genoeg, voldoende. — bic Stufc trap m. — fid)»or = jcljen zich voornemen. — ba» (Selcit geben uitgeleide doen.

ocr page 228

222

40.

opgaan nufgcljcn. — regenen regnen. — rechtvaardig gcredjt. — stilte Stille. — zuiver rein. — menschlievendheid 93Jenjcf)enIteIic, humaniteit. — streng ftreng. — vroomheid fyvommigtcit. — geestelijkheid ®eiftli(t)teit. — aanzien iaê Slnjcljen. — knoeier ^fufdjer, ©tiimpcr. — bruikbaar brnuc^bnr, nnftellig. — baten frommen. — medelijden bas 9Jlitleib. — verschillend Berfdjicben. — ambtshalve amtltiatber, bcrufsfjalber. — vurig verlangd Ijcifi erfefint. — genezing Ociluug, (Senefung. — uitsluitend (?lufg. 8). — pleizier bos SHevgnü= gen. — aanvaarding ber ïlntvitt. — begenadigen begnabigen. — ontspanning Gv()Dlung. — schouwplaats £d)auplatj. — bestendig beftcinbig. — desniettegenstaande befienungeadjtet. — Italiaansch itatienijcfj (ober) italifd).

41.

zak bcr Sacf. — deugdzaam (2. 48). — hoe. . . des te (hoe) je... befto (je). — aardappel OJlufg. 5). — vastland gefthmb, ber Continent. — innig innig. — leermeesteres Setyrerin. — villa 2anb= {)au». — bekoorlijk reijenb. — streek (^lufg. 8). — platina bos Slatin. — haai ber §ai. — vraatzuchtig gefraBig. — havik ber ^abidjt. — vlug jdjneK.

42.

hangen fjangen. — onthouden (icljalten. — blaffen beden. — ellende ('üutg. 12). — kenteeken fiennjeidien. — armoede ('Jlufg. 11).—poging ('Jlufg. 9). — reuk ber ©erud). Suft. — verraad (£. 2). —karavaan bie Kavauane. — buitendien, bovendien (?lufg. 7). — onherbergzaam unwirtlid). — gloed (S. 1). — middagzon DJUttagëjonne. — staf bcr ®ta6. — informeeren jicf) erfunbigen. — bekrompen bejdjrantt. —hij houdt er ïjatt. — uitstekend (?lufg. 31). — vertrekken obreijen, uer= reijen. — zonsondergang Sonnenuntergong. — minstens (= althans) ïlufg. 30. — zich beklagen fidj bcflagen. — belang Snterejje (S. 18). •—■ bevorderen beförbern. — het verwondert mij e§ (ucr)iuunbevt mid). — goudsmid Qiolbid)mieb. — leep jdjlau, flug, gejdjeit. — nauwgezet gennj)enf)aft. — rekenen redenen.

43.

gewichtig uiiditig. — boekdrukkunst 33udjbvucfett«n[t, iev ®ud)= bruct. — maat (S. 2). — buskruit ba§ SdjieBpulucr CJlufg. 35). —

ocr page 229

'223

letterkunde bic Sittevofuv. — bloeiperiode SBlütcpcmitc. — schepper Stopfer. — persdelict 6a§ ^re(;uevget)en. — sommige einigc. — luiaard iJaulpelj. —• gezegend gejcgnct (jegnen). — opzicht ^infidjt (Dat.) — stedeling Stcibtcr, êtabtbeioofjncr. — ontbreken fcfjlcit, ntan= gein. — middelmatig inittclmiiBig. — degelijk (*-!lufg. 37). — namelijk namlitf).

44.

een afgevaardigde eiti Stbgcorbncter. — kiezen möljlen. — opzicht (iluig. 43). •— het gevolg bic 5o!gc. — overmatig im Übermofjc. — geno-tcn genofjen. — overdrijving Ubcrtrcibung. — verkeeren in fid) Ucvfcljrcn in. — vervreemden van iem. cinctu cntfvcmbcn. — een ondergeschikte ciu Untergcbcncv. — het voorkomen ba» 31ubcvc. •— veranderen fid) önbern (mit ijabcn). — nauwelijks iaum. — herkennen luicber ertennen. — in 't begin anfangê. — het spoor (3. 1). — levendigheid 2ebl)oftig= feit. — ondervinden crfat)ven. — doorstaan übcvftctjcn.

45.

de heiden bcr •'Qeibe. — betitelen titulicrcn, bctitcln. — oprecht oufrid)tig. — oefenen üben. — lijvig (van boeken) ftottlid), bid,; (van personen) torpulcnt, mo^lbcleibt, bctjiibig. — woonachtig luo()nI)aft. — werkzaam tljötig. — aandeel bcr X'lntcü. — zaak f. ba» ©efdjaft. — arbeidzaamheid Kvbcitfamtcit, ïtjiitigtcit. — goedhartigheid (i5utf)cr= jigtcit. — dadelijk tt)ütlidj. — toevoegen jufiigcu (SJgl. ïlutg. 12). — vreesinboezeinend furdjtbar. — te gemoet entgegen. — kiespijn bei» 3af)mucl). — feestelijkheid geftlid)fcit. — omslaan umfdjlagcn. — belachelijk Iad)evltd). — gezelschap ©cfcllfdjaft. (S. 4). — zich boos maken fid) erbofen. — enthousiast Gntfjufiaft. — dweper gdjmarmcr. — vervalt ucrfallt. — zwaarmoedigheid (S. 7). — naar Icibig. — bestrijden bcfampfen.

47.

zich ontfermen fic^ erbarmen (mit ©en.). — hartverscheurend Ijerj» jerretBcnb. — aalmoes (S. 3). —- ik wist id) imifjtc. — zich aantrekken fid) anne[)mm (cincS Slinbcs). — zich bezondigen fid) Ocrfünbigen. — liefdeloos licbloa. — voorheen ct)emal§, früfjev. — onvergetelijk un = ucrgcRlid). — wiens gelijke, wiens weerga bcffengleid)cn. — lei bic ®d)icfertafc(. — ontnemen ncfjincn, iucgncljmcn. — vroeg fragtc (mit Scc.). — wees fci. — zachtaardig fanffmütig. — jegens gegen. — tijdig jcitig. — openslaan auffd)lagen. — er op aankomen barnuf anfont' men. — plaats (i. 2). — eenvoudig einfad;.

ocr page 230

224

48.

Denemarken ®ancniovf. — hoveling .^öfling. — omringen umgc: ben, umringen. — moest gehoorzamen geftovc^en inüijc. — godvruchtig gotte§(iird)tig. — laag nicbertradjtig, niebrig. — vleierij Sdjnieicfjc: lei. — uitspreiden nusfireiten. — het purper ber ^urpur (S. U). — golf f. ÏMe, ïi'ogc (i'sl. 2Iufg. 27). — wassen matfjien (miirfjS). — omspoelen umipülen, beneljen. — zich keeren tot fit^ menben an (mit ace.). — ontsteld beftürjt, entiet)t. — ellendig clenb. — leenen leifjen. — poogt te vergiftigen 311 uergiften judjt.—nauwgezet {?Iufg. 42). — vervullen erfüüen. — letten op ad)tcn nuf (mit acc.).

49.

dreigen brofjen (einem). — veilig jidjer. — voerman gutjrmnnn. — rijden faljtcn. — spoor ba§ fficlcijc (ontsporen entgleifen). — terwijl inbem, tuafjrenb. — bloeden binten.

51.

bezoek ($. 2). — brengen madjen, bringen; deftig: abfJattcn. — ontmoeten begegnen (einem). — overgebracht übetbradjt. — tijding (tlufg. 7). — beloven werfpredjen. — verleden jaar umigei (oergangencé) 3n()r. — diergaarde ïiergnrten, joologif^er ©artcn. — veranderen ($. si miten.) — begroeten begrüjjen. — verzoeken bitten (mit acc.). -aardsche schatten ffilitcflgüter. — bedeeld gefegnet. — gebrek lijden bnrben.

52.

trots ber Stolj. — ongerijmd nngereimf. — belachelijk (ïlufg. 45).— plicht (S. 1). — vechten feesten. — strijd ber Jtnmpf. — beslist ent-jdjieben ('Jlnfg. 35). — overwinnen (51ufg. 30 u. 35). — zich verschuilen fid) Uerfteden, jid) Herbergen. —- naburig benadjbart. — verkondigen (llufg. 12). — zege f. ber Steg. — luid laut. — havik (quot;Jlufg. 41). — bemerken bemerfen, eripnf)cn. — kraaier jhatjer. — verscheuren jer^ reijjen. — het spijt mij id) bebnure. — binnenkomen fjereinfonunen. — komen aanloopen ooripredjen. — publiek ba§ 5Publitunt. — verwonderen (^lufg. 42.). — gebruiken benuljen. — bijzonder ungemein, fefir. — beleven erleben — mocht foflte. —- afwezigheid 'ilbroejenfjeit. — werktafel f. ber SlrbeitStifcf). — liefhebben lieben. — leugenaar Siügner. — laag (quot;ilufg. 48).

ocr page 231

225

53.

verleden (JIuffl. 51). — vertrouwen SSertrmien. — geheim baê ®e= f;cimiti0. — verklappen ausplaubmi. - te danken hebben (31ufg. 19).— dood bcr ïob ; dood (Slbj.) fot. — worstelen ringen. — snelvlietend rcifjonb. — bracht 6rflcf)te. — droog trocfcn (3tcc.). — edelmoedig ébel= rnütig. avontuur tias Slbenteuer. — wakker tuacfcr, — kennis (Jlufg. 38). twist bcr lt;;trcit. — aanleiding bic SBcvanlapung, bcr Vliilajj. — ontwijken ausrocidjcn, au§ bem SBcgc gefjen. — afspraak Scraamp;rcbung, 2(6rebe. — in 't geheel niet gar nid)t. — zich beroemen fid) villjmcn (rait @m). — botanie bic ëofanif. — dezer dagen bicfcr ïngc. - het bevalt mij c§ geföftt mir. - aangaan ongcfjcn (ntid), btdj). — niemendal nid)t int geringften. - beleefd I)öfïid).

54.

noch... noch (quot;Jluig. 27). — struisveer Straufefcber (£. 3). -vraag excuus entfd)ulbigen Sic. - vergezellen bcgleitcn. - stalen pen Sta()Ifcbcr J£. 3). — zonderling bcr Sonbcding. — bedoelen iim= nen. — vest (S. 2). — Amerikaan ïlmerifancr. - stuk slaan nufgcljcit laifcn.^ — moet iott. — steken ftccfcn. — zich vergissen fid) irren. — waarlijk iBaI)r()aft. — gevoelen entpfinben. — uitdeelen auêteitcn. — omgaan unigc!)cn. — in rt algemeen ü6cr()Qupt. — verwaand cingc(nl= bet. — vent itcrl. — slaaf Sflaoc.

55.

in den vreemde in bcr grembe. — geboortegrond (®. 70). - betreden fictreten. — het voordeel bcr SBorfeil. — beoogen im ?(uge I)o(ien, bejloccfen. — gerust ni()ig. — onlangs nculid). — wildeman aöübling, aBilbemonn, ffianbate. — kwartier iüicrtclftunbc. - er op los slaan bcuauf fo§id)Iagcix (ober) ïüêpaufcn. — zich vervelen fid) Iang= roeilcn. - in het oor fluisteren in'ê Cfjr fliiftern. - toch nog bentmd). -gebeuk @cl)nmnicr, §animern. — te kunnen liooren {vertaal:) jioo-ren te kunnen. — och kom ei luas! — gonzen funnnen. — ver-dragen leiben. - wijsgeer (cin) Sffidtmeifer. - denken gorfc^cn, $in= nen, ®enfcn. — tot de slotsom komen fyernusfinben. — raadsel (£. 5). — onoplosbaar unlösÊnr. — op zijn ouden dag im liter. - bezwaren befdjroeren. — woestenij ginöbc, aBuftcnci. - dierbaar teucr. - betrekkingen SSermanbte. — ontrukt entriffen. —- in eere in 6^vcn. — stichting ©rünbung. — weeshuis 3Baifcnf)nu§. — lenigen linbern. — hulpeloos f)i(f(ê)!o§. — achterblijven f)inter6Ieibcn (iinltcnnbor). — onbevattelijk unge(ef)rig. — sparen id)oncn. — weerloos it)cI)r(D§. — vluchten flie()cn — beleedigen bdc'bigcn.

15

ocr page 232

226

5G.

alom üfieratl, aflütieraïï. — lof (Shifg. 57). - verkondigen (9luffl. 12). — duizenden Saujcnic. — onverwacht unermartet. — begraven 6c= nroticn, bcerbiflen, Beftattcn. — plechtigheid geicrüdjtcit. - lofrede Sobvcbe. — geopend gcöfinct. — groeve (Srubc.—aanwezig anrocfenb. — wegpinken iucgmijd)cn. — in den voortreft', man (Sntiu). — hot overschot bic fterMidjcn Sicftc. — toevertrouwd was [an]uertvaut luorben.— eindigen idjlicfteit. — voorbeeld SGovbilb. — verspreiden ücrbrciten.-schilderachtig malevif^. — zich uitstrekken.firf) auêbctjncn. — koepel m. bic ftupbcl- — glinsteren gliljcrn, flimmern, glanjcn. —het vergezicht gcruiicf)t ('ilufg. 7), bic iBilta. — aanbieden bnrbictcn. — reusachtig ricfig, ricjcnljaft. — tak bcr gwcifl- — welven roötDcn. - herbergen 6cf)crbcrgcn. — vroolijk lu)tig, muutcv. - nijd bcr ïicib. - afgunst Wijjgunft. — bron bic Cucflc.

57.

schenken jdjcnïcn (Wwad)). — gave föabc. — uitmunten fid) aus^ jci^ncn. - opzicht (SUifg. 43). - zich bezig houden jid) bcidjaiti= g,rt, _ behagen gcjaltcn. — gewenscht ermunjdjt. — er is c§ giebt.— zich beroemen op (?lufg. 53). — gevoelen fiil)(cii. — het verblijf bcr Stuicntljalt. — bekomen beionimen. — gelukwenschen gva-tulicrcn (cincm). — berisping bcr Sabel. — beteren beijern. — onverschillig gïeidjgültig. — sprookje ba§ fflJcirdjcu. - vertrouwen etc. (3. 71). — verplaatsen (£. 75). — onlangs (ïlujg. 55). — ten gunste ju (Sunftcii-

59.

sneeuwen ^d)ucicn. — stormen ftlivnicu. ten gevolge iu ^yolgc. aanzienlijk bctriicBttid). — sneeuwophooping Scf)nccanï)auïung. station (thema 24). - rails bo§ ©clcijc. - Ik ben blijven liggen id) bin liegen gebliebcn. — wat scheelt er aan? SBoê tjaft bu? — alles behalve uidjts lucniger cil», — uit de oogen zien bvcinjdjauen.— gebelgd ungcïjaltcn, cntïüftct, cnipövt (-ftlinuit). hardheid -'Ocivte. grofheid ©roMjcit. - vergoelijken beidpnigen. - inlichten untev= rieten. — dermate bermoijen. — zich bezondigen aan (thema 47). — onfatsoenlijk unonftönbig, uujdjicElid). - toespreken nnrcbcn. - plaats ©telle. — amende honorable doen urn (ïntfdjulbigung bitten. optreden Stuftrcten. - laken taSctn. - slungel Sdjüngcl. — rondborstigheid Slufridjtigïeit. — behoorlijk gdjörig. — onderhanden nemen «otrtcfjinen. - wel hem rooi)! bent. - het genoegen ba§ SBcrgnügcn. —

ocr page 233

herberg SButsljauê. — herbergier (Saftiöivt. — papegaai bet ^apa= gei. — alleen Motgt;, nur. — besteden benuljen.

60.

kwaal (a. 82). — ondorhouden ernötjren. — omkeeren umtet)= ren. — kam öer ftamiit. — scheren jdjeren. — snuggere bol ®d)lau= ïopf, — bij ondervinding burd) grfnl)rung. — aan tafel ju ïijdje. — het onderscheid bcr Untcridjicb. — begrijpen ticrfte^cn. — verminderen abnefjmen. — merkbaar niert(id). — rijden fofjren. - keten bie fictie. — bijeen ficijammen. — begonnen te tellen (vertaal:) te tellen begonnen. — moeilijk {djluer, uemidelt. — vraagstuk bie Slufgabc, bos problem. — oplossen Iö)en. — staken ftectten.

61.

bruikbaar 40). — waardeeren fc^aljen. — zich vergissen

(ïtufg. 54). — er bijvoegen tjinjufügen. — violist Siolinipieler. — zich weren fidj wedren. — afdruipen nbjiefien. - sedert ieitbcm. — schermen ferfjtcn (S8c(l. 52). — vedelen gcigen — strijkstok bcr ïogen. hanteeren füfyven. — wereldsch lueltlid^. — onbedreven unerfaljren. verdeelen in yerteiieit iu (mit 3lcc.). — beoogen (s2tufg. 55), — toetreden tot eene vereeniging eincm herein Êeitretcii. — prijsuitdeeling ^reiëau§tci(ung. — prent f. ba-3 9?ilP.

62.

bloedig btutii; (aber:) faltblütig. — ongedeerd un»er)eï)rt. — pendule USenbeluljr, Stanbutje (S. 1.). — vertrekken («lufg. 42). - afwerpen abluerfen. — vermoeden uermuten. — winst f. ©eminn (2. 2). — inleveren einliefcrn. — hoezee Ijurrn. - velocipede ba§ SJelocipcb. — wielrijden Siabfotjvcr. — min weniger. — afleggen juvüctlcgen. — bevangen bcfangen. — brand baë ocuer. — kazerne .(foferne. — spuit Spnl;e. — te vergeefs uergebens, umjonft. — puinhoop ber Sc^utt= Ijaufcn. — veranderen ('-Uufg. 21). — spuitgast Spriljenmonn. — ramp f. ber llufaiï. — omkomen umfontmen.

63.

gvunjeii knorren. — {liiffeti keffen. — girren kirren. — jttntjdjern kwinkeleeren. — §etnic^eit huiskrekeltje. — Gifabe boomkrekeltje. — Stnicijc mier.

ocr page 234

228

64.

kip ba§ §uf)n. — evenwel abcr, jebotf;, fllcic^roo^l. — mesten maften. — overmatig üfiermaÊig. — voer baê jutter. — uitscheiden ouf()ören. — bijeenschrapen jujammenvaffen. — doelloos jwccfloS. — verkwister ïïcric^reeubcv. — doorbrengen uergcubcn, burefytringen. — daarentegen (jingegen, bagegen. — betamen gejiemen, jicmcn. — nietigheden bcr ïanb. — bestrijden (ïtufg. 45). — hartstocht m. bie Üeibcniijaft. — verantwoorden uerantmortcu. — vergen van iem. cincnt ctmaë jumuten. — leeftijd b a § Siller. — noch ... noch (Slufg. 27). — ongenoodigd ungelaben. — spreken reben. — standvastig ftanbljoft. — misdadiger SJcrbrcdjcr. — opsluiten einiperren. — eendracht bie 6in= trodjt. — luistervink Öovc^er. — overtuigen üÊerjeugeu. — overreden überreben. — omverhalen nicberreifien. — oordeelen ridjtcn.

65.

verrassen überrafrfjen. - grijsaard ©rei». — gelukwenschen gva= lultercn (eincm), begliidnninfctjen (einen). — aanbieden (Slufg. 56) tncten.

— ontbijt baS Sriiljftiid. — pleizierritje ber Spojierritt. — schrijnwerker 'Sdjrcincr. — werken (arbeiden) =ar6eiten; w erken (uitwerking hebben) = luivten. — zegenen (ïlufg. 43). — geneesmiddel CJlufg. 12)

— voorschrijven Ucrjcfirettien. — vervullen erfüllen. — pas ontwaakt {fo)eben erroadjt. — schrik ber Sijvccïen. — sneeuw {£. 2). — beestje ïier, S:icrtl)cn. — happen jdjnappcn. — wesp bie ÏSefpe. — keel bic flexie ('JIcc.). — zoodanig bermaBeit, bergeftolt. — schepsel ba§ ®e= fc^öpf. — jaargetijde (Slufg. 11). — uitbotten nu§icf)lagen. — ontspruiten tjcruoriimcjjen. — loover baê Snub. — zwaluw ïdjroallic.

66.

93ct)arrli(f)fcit volharding. — vingen worstelen. — fdjlieBlid) ten slotte. — aufidjieben uitstellen.

67.

Pepijn ^ipin. — wegens raegen (mit ©en). — gestalte bie ©eftnlt. — bespotten Merl)öl)neit, üeripotten. — bijeen jujammen. — binnen (jerein.

— hongerig t)ungrig. — loslaten (ostajjen. — zich storten fid) ftur= jen. — pakken fofjen. — nek bet 92acfen. — op den grond ju ïobeti (Slufg. 66). — rukken rcii;en. — zich roeren fid) regen. — ontzet entfeljt. — zonderlinge fonberbar. — eiscli Quniutung (Slufg. 64). — eindelijk juleljt. — prevelen murren. — strijdperk (£. 19). — scheede ®d)eibe. — romp ber Sliumpf. — stappen fdjreitcn. — kalm ru()ig. —

ocr page 235

229

waardig tmirteUott. — vervolgens tmrauf, tmnn. — wederom H)ie= bcriim. — meester Öeiv. — toegesproken angerebct. — ter aarde jur (irbc.

68.

op heeterdaad betrappen auf frijdjcr SIjat crtappcn. — ondanks unflcadjtct (rait 0cn). — tegenspartelen bcr SBibcrftnnb, tia§ ®trau= 6cn. — sleepen fdjlcppcn (in b o ê @cf.). — behelzen entljatten. — onlieil stichten Unt)eif fttftrn. — verzoeken (3lufg. 51). — paard ber ®au(. ■— hoek vischhoek Scr (bic) ïïndct (2tcc.) — val m. bcr Solt (muizenval f. bic 9J!aujcfaHc). ■— blussehen löidjcu ($. 96). — bijtijds fiei jciticl. — verdragen ertragen. — voortdurend fortloaljrcnb.

— lijden Icibcn. — onthouden (Stufg. 42). — verscheurend reifeenb. — tergen reijen. — wat luie. — strijden ftrcitcn, ffimpfert. — roodvonk baë Srfjarlarijficbcr. — overblijven übrig blciticn.

70.

deken (B. 4 unb s3lufg. 10). — ton slotte (ïtufg. 66). — algemeen aUge= mein; outf) jattjom (voldoende). — staving 33eftcittgung. — zilverwerk baê Silftergcrat. — kast bcr Srfjranf. — bepaald bcftumiit, cntjdjicbcti. — direct gfcid), iofort, auf bcr StcÜc. — gezamenlijk fiimtlidj. — midden in de in bcr iltittc bes. — onverstaanbaar imBcrfffinblid;. — nu eens. .. dan weer fialb ... Imlb. — dienstpersoneel ba§ $tcn[tpcrjonn(, ba§ @c)inbe. — opstekenI)c('cn. — bukken Mictcn. — attentie Slufmcrffamfcit. — geheel en al gatij unb gar. — commando bas Siommanbo (31cc). — hokuspokus bcr §o{u§pofu«. — vestigen ricf)tcn. — gelasten gcbictcn, 6cfcI)Icn. — allemaal alle. — rijknecht 9iciitncrf)t.

72.

gebrek bcv fjcfjlcr. — verwijten uotluerfen. — medemensch 93Ht= menjcf). — kameel bo§ fiatucl. — Arabier (Stufg. 32). — ridderorde bcr (9iittcr)orbcn. — schenken ucrlcifjcn. — verheven (S. 96). — vernam (ïlufg. 67). — het strand Sci' Straub. — helaas Icibcr. — gratig gierig. -— verslinden (verzwelgen) ucridjlingcn. — levend lel'énbig, Icbcnb. — het verderf baS SBcrbcrben. — makker öiefcifyrtc, ftamcvab (idjroadi). — smartkreet Sdjmerjcnsicfjrei, ÏOcIjruf. — kil cisfalt. — lok Cocfc. — boezem bcr SSujcn (3lcc.). — levendig lclif)aft. — heden ten dage Ijcutc ju Sage, I)eutjutagc. — zinnebeeld ('Jlufg. 24). — sommige cinigc. — onnoozelheid bic Ginfalt. — desniettemin troljbcni.

— verstandig Dcruünftig. — voorbeeld ®orbilb. — begaan begeren. — zich wachten voor jid) (;ütcu Dor (mit ïatio).

ocr page 236

230

74.

l)6l;en jagen. — ousjdjiittcn uit-, leeggieten. — Berjctljcn vergeven.

— actjrfjetöcn sterven. — erirac^jcn voortvloeien.

75.

oorlog firtcg (acc.) — brutaliteit Srccf)()cit, Sfirutalitfft. — beleven ctlehcn (fielebcn = bezielen). — schitterend glcinjenb. — wreedheid ®raujamfcit. — steil ftcil. — rots (quot;Jlufg. 26). — top icr ®ipfcl. —uitputten erjd)0pfcu. —- behoeven brnud)en. — verslinden frcijcn (ucr= fc^ünger). — bouquet (S. 20). — ontsnappen entnnjdjen. — cel Settc. — briefje öcv Settel. — achterlaten juriictlojfcn. — gemeenteraad ©emcinbcrot. — overladen übevjdjütten. — schaats f. ber Sd)titt= fd)u(). — samenzwering lierjdjtuörung. — inhechtenisneming 3gt;crf)af= tung, 3nf)afticrung. — eedgenoot (ïiSgciioifc, ein SBcrfdjmorncr. — overvragen übernéftmen, überfórbern. — zaak öa§ ®c)d)aft. — benadeelen ïdjnbcn (mit $atiD), (ïintrag tt)un (mit £atiu).

7G.

spion Spion (l' .ftL). — op het punt staan int 93egriff ftefjcn. — steken feljen. — het plan bcr ïgt;(nn. — krijgsraad ber ftïicgsvnt. — steigeren fid) baumen. — ter hand stellen eintjSnbigcn. — onderteekenen unterjeic^nen — onaangenaamheid llnannc()mlid)feit. — voortvloeien (ïlufg. 74). — verslaan et!d)Ifigcn. — Vandaal SSanbalc. — vaas SBajc. — familieportretten '.U^ncnbilScr. — bajonet bas 93ajondt. geraas ©etbje. — zijpelen jidcvn. —bloempot ber ÏÏlumentobf. — schaal Senate. — gespierd neroig, musfulö». — dientengevolge infolgebefien.

— zich op den hals halen iid) jujie^en. — aanmerkelijk betradjtlid).

— vermogen SSennögen.—begroeten uernnjdjtagen, id)öt;en.—zeepzieder Seifenfieber. — kommies ber Steuerbeomte.

78.

kunstenaar SUinftlcr. — permissie (ïrlaubnia (£. 5). — geheugen ba§ ©ebfldjtnië. — opzicht (Eat.) '.'lutg. 43. — zich vervelen (^luig. 55). — verveling bte Sangeroeile. — uitsteken ausfteden. — bruiloft bic Öod)ieit. — vieren fetern. — dan ja. — jammerlijk jammerlid). — komedie bnS ïfjenter.

80.

poort f ba§ $f)or. — belegeren bctagern. — bespeuren betner= fcn. — ijlings citcnbs, [)ier: raid), id)ncft. — toeschieten berbeieiten. —

ocr page 237

231

troep m. bie ïruppc. — grijpen ergrcifen. — ijselijk griijïücf). — kou vatten fid; crfiiltcn. — vernemen ucrncfjmcn, cvfafjrcn. — ten slotte ('Jlutg. C6). — dienst $knftc(pl.). — gedrukt gcbrücft (van boeken; Sicirucft). — een besluit nemen etnen (fcincn) (ïtttidjluj; fnifcn. — liet gevolg bic öo'S6 (ïiflt. Slufg. 35). — boos worden jirf) ercifern, iirf) crboien. — mompelen murmeln. — pijnlijk peinltrf).

81.

wijsgeer Wjilojopt), ent SÏBeltnjciicr. — werken (?(ufg. C5). — zich onderscheiden jicf) imterfc^eibcti. — eischen forbern. — toestaan 3U= gefteljeii. — ontzien fdjcucn. — tegenhouden ttllj()altcn. — omhakken uin= Ijacten. — weetgierig iBtjjöegierig. — onderzoeken crprobcn. — pap f. bcv i'vei. — probeeren Bcrjurfjen. — schoenpoetser Sd)u()putjcv. — boeten büBcn. — afschrikken nbjdjrecfcn. — geldboete (Setbftrafc. — liet vergrijp ba§ Sgt;crgc(jcn, bcr gcfjltriit. —in 'talgemeen überljoupt.— flink fret, imfiefangen (ugl. Slufg. 33). — dat spijt mij ba§ ifjut mtr Icib. — wantrouwend mtBtrautjd). — rechtschapenheid 9iccf)ttrf)affcn= (jcit, SBicberfcit.

82.

denken meinen. — iets dergelijks 2. 69. — bovendien nujicrbcnt.

— zich ongerust maken iid) bcunruljigen. — hersenschim bo§ .§irii= gcjpinft. — ontmoedigen entmutigen. — vertrek bic '•übrctie. —inschepen cinjdjiffcn. — zorgen dat bafiUquot; forgen, baf;, —opleggen aufevlcgcn.

— verhit erfjiljt. — overwinnen überroinben. — kopje ïnijc. — soldenier Sölbncr.

88.

lui fauf. — zeker gcroifj, cntjcbtebcn. — uitscheiden auffjören. — ontvangst f. bcr (ïmpfang. — kwalijk nemen iibcl ncl)mcit. — tevens 'lUglcitf). — zoodra fobalb. — zich uitlaten fid) austaffen. — uitval quot;jlusfad. — zich veroorloven fid) cdaubcit. — eens voor goed (£. 84. i».)

— voorbij uovüber. — pak (kostuum) Scr 'ilitjug. — aanvaarden nti= frcieii. — ooglid ba§ 3!ugenlib.

84- unb 85.

fd)lid)tc!i vereffenen, in orde brengen, schikken. — entviiftct verontwaardigd (ugl. 'aufg. 59). — £c()abcn neljmeu schade lijden. — ijcib bitter, scherp. — bie Sirapaje vermoeiende tocht, vermoeienis. — bie ÏRarter marteling, foltering. — iriigcu overwegen, zich bezinnen..

ocr page 238

232

86.

verspreiden ucrtrcücn. — berucht bcrürfjtigt, Ucmifcn. — alom Qltcntljolbcn, übcraff. — ontsteltenis (ïntjcljcn. — vermetel öenneffen, Uermcflcn. — durven wagen = magen, ftrf) unter[tcl)cil. — bovenal in= jonberf)eit. — onveilig unficfier. — enkel en alleen cinjig unb nllcin. — zicli moester maken van, vermeesteren fief) (cincr Sailjc) ticmiidjligcn. — beschikking (ïlufg. 35). — in het wezen der zaak im ©vunbc (gc= nontmen). — verschil bcr Untcvjrfjieb. — kloek iminn(td), mutig. — bevallen gcfaïïcn. — zoodanig bctniajjcn. — dezer dagen (sJlufg. 53). — het gebaar bic ©eSicrbc. — bevestigen bejagen. — knikken uttfen. — ontkennen uerneinen. — schudden jdjütteln. — als 't ware fllcidjjom. — daarentegen (itufg. 64). ïlurf): baljingcgcn. — oosterling Cricutalc, SJÏorgcnlanbcr. — vooral Iicfonbcrë, junial. — gesteld zijn (met) jidj Dcrljaltcn (mit). — wenken lotnfen (cincm). — toekeeren jutcljrcn. — vlak flad). — afwijzen abtocijcn. — bedoelen mcincn, beabfidjtigen.

87. *

op zekeren dag cine§ ïngca. — medicus TOcbijincr. — specialiteit ©pejialift. — oordokter Cljvcuavjt. — welgedaan bcf)abig, lunl)lbdcibt. -aanmerking S3emci'fung. — wegen lutcgen. - winkelier fiiümer, êpc= 3ereit)iinb(cr, Sobcnbeftljcr. — onlangs nculid), unlöngft. — nabijzijnd ltalgt; — zich storten fid) ftiirjen, fid) merfen. — vochtig fcudjt. — kapitein fin^ntiin. — direct iofort. — verstrooien jcrftrcucn. — opmerken bcmerfen. — wanhopen Bcrjiuctfeln. — bestendig bcftcinbig. — weerhouden ab^oltcn. — doelmatig jmedmafiig. — te wachten staan bcoorffefjeu, (of) befdjert jein (beschoren). — verslappen ucijdjfnfii'n. — verkoelen crfaltcn. — wegruimen bejeitigen.

88.

aanstoot bcr ïlnftoÈ- — ontmoedigen (^lufg. 82), ntebcrfdjlagcn. — jeremiade Sevcmiabe. — aanheffen anftimmcn. — zich wijsmaken fid) (Sat) eiitrebcu. — behoorlijk gcljorig. — beslagen bcfdjlngcn. — aan 't werk tijgen fid; an bic Arbeit iitadjcn. — zondigen fiinbigen, üerftofjeu. — toepassen (£. 89). — onmiddellijk unmittelbar. — voortvloeien f)cr»orgcf)cn. — doen uitkomen t)cniovf)cben, Ijcvaortrctcu laifcit. — veronderstelling Wnna^mc, SSorauSfetjung, ■Ötjpolfjcfc. — uiteenzetten auëcinanberfc^cn, cvtlarcn. — behalve aufjer. — aanduiden bcjcid); ncn. — rechtstreeks unmittelbar, biamctral. — tegenstelling bcr ©cgciifalj.

89.

veroorloven (ïtufg. 83). — vervolgen fortfafjren. — opmerking

ocr page 239

233

33cmcrfuiig. het verschil öcr llnterjcfjieb. - namelijk iiiim(irf) (na= mcntürf) = voornamelijk, bij name). — spreker ber Sicbcnbc. — het met iem. eens zijn mil jcmottb einuerftanben jein. — herhaaldelijk lineberljolt. - gewicht loggen op ÏBcvt legen nuf. — aan 't afnemen zijn int Slbne^mcn Begriffen jein.

90 Ultb 91.

ber 3gel (SBlutigel) bloedzuiger. — Siefi (S. 2). — förbcrn bevorderen, vooruitbrengen. - ©önncr beschermer. — fd)iutmmen drijven, zwemmen. — erftnrten sterk worden (Saufatio: Berftcirfcn, tgl. ®. 97). — 3)iirftigfeit behoeftigheid. — in Slntyrucf) netjmen in beslag nemen.; zich wenden tot, zich beroepen op. - eiitc ïlufgafic löfcn eene taak volbrengen. — ber 21'il; aardigheid, geestigheid. — crjurfjen = bitten. — unBCïfvoreu doodleuk. — aUerbtngg wel is waar. — fnulenjen den luiaard uithangen, luilakken.

92.

lastig imbequem. — dwepen fdjtBfirmen. — zeker ficfjcr. — slim ge= fdieit. - hoewel of)g(eid), obiuoljl, tuicmoijl. - muziek maken TOup ntadjen, inufijieren. — onverschillig (3. 82). — amuseeren anuifieren. — welzeker freilirf;. — zich afwennen ficf) ($nt.) a6geiuöf)neii. — belasteren uerfemnbeu. — behoorlijk geljortg. — asjeblieft fcitte. — afleggen aWegen. — kijken guefen, teijeu. — zich escuseeren fid; entirfiu(= bigen (SBgl. 5tufg. 59). - Stmme min.

93.

huichelaar ^cudjfcr. — nabootsen nnrfjnfjmcn (mit ®at.). — talent ba» .Latent, ba§ fficjrfjict. — scheiden irfjeiben. — ontmaskeren entlav= ben. — liet verheugt mij e§ freut mid). — leiding jjüfjrnng. — op zich nemen (ƒ. 110, 4). — erg jetjtimm. — opmaken abnefjinen. — alles goeds {z.. 43). — gelijk hebben vcd)t l^atien. — voorslaan üorjdjfagen. — anders jonft.

94.

tamelijk (vrij) jiemlidj. — onnoozel einfiiltig (2. 81). — herinneren erinnern an (mit Stee.). — weerhouden ('Jlufg. 87*). — verzinnen ev= finnen, erbcntcn. — probeeren uerjudjen, profiieren. — blijven steken (a. 186, II). — opstootje ber ïumult, ber 9(uflauf. — lawaaimaker ivraiuallmadjer, ^tiibauntacBer. — bedwingen Banbigen, Be^tuingen, Be-jci^men. — op het punt staan hu Skgriff ftefien (fein). — opgeven

ocr page 240

234

anflcbcn. — eigenaardigheid (Hgcntümlidjteit. - overmoedig üfiermütig (aCcr: mutig)-

95.

liofstede (boerderij) ba§ ®e()öft(e), bic ïïïeierei, bcr 3)?eterI)of. — welkom nntttómmcn. — vereelt jcfjmielig. — plaats nemen $(olj iicf|= men. — weigering SBeigerung. — grieven friintcn. — uitnoodiging ©inlabung, Slufforberung. — bevestigen \?lufg. 86). — reden Utjacfjc. — ouderwetsch altmoiijd), altfrantifd) (5. 49). — slijten «crftringcn, ju» bringen. — gastvrij gaftlicf), gaftfrei. — gastheer ffiaftgcfier, Oiaftmirt. (quot;Bgt. Jlufg. 69). — toewuiven junnrfeit. — traliehek ®iftcrt[)iuquot;, bn§ (Sittcv. — jammer idjabc. — slingeren jc^lcubern. — verwijt bcr !Sor= murf. — ongelijk bekennen fcin Unrccfjt ciugcftctjcn — kastelein ïBirt. — avondeten Mcnbeften. — ruimschoots rcirf)Iid).

90.

ungc(cf)tig onbevattelijk. — fjrccfjïjcit brutaliteit, onbeschaamdheid. — fjodjnniig neuswijs, wijsneuzig. — cin (jtcbcrfrnnfcr een koortslijder. — gclüften; Cafj bid) nidjt gduftcn bcincê Siiidjftcn .§aufc§ = gij zult niet hegeeren uws naasten huis.

97.

betweter SBcjicrnnficr. — met genoegen mit 5!crgnügcn. — eere-titel bcr 6()vcntitcl. — excellentie (ïrccttcnj. — uitrukken ausrcifjcn. — trek 3iiS- — amuseeren crgöljcn (3?gl. ïlufg. 92). — inboezemen einflofjcn. — niet wel bij 't hoofd zijn nicf)t bei ©innen fcin, nirf;t bei ïrofte fcin, Dcrrücft jein. — vrekkigheid bcr ©cij. — knap gefdjeit. — zich uitgeven fid) nusgeben (für). — zich verheugen over fid) freuen über (2!cc.) tjicr licbcr: fid) tucibcn an (Sat.). — herbergen icficrticrgcn. — opzeggen Ijerfagen. — van den bok vallen som S3ocf ï)crunterfaKcn. — deelnemend tcilncfjmcnb. — zich bezeeren fid) ücrlctjcn.

98.

Ik bekreun mij daarom niet = midj fümmert bie Sad)C gar nid)t, id) 6cad)tc eliuas nid)t, ïcl)rc mid) gar nid)t an bic Sad)c. — blufferij 5Praï)(crci, 9!u[)mrcbigfcit, ©vofifprcdjcrci. — grootspreker ïkafjlcr, 5!ral)ll)aii3, ®roBf()rcd)cr, 9JJaiilI)clb. — slagorde êd)lad)torbnung. — dreigement $ru[)ung. — geschetter SJiarftfdjrcicrci, ^ra()lcrci, 2Sinb= innd)crci, Sicnommiftcrci. — iets stuit mij tegen de borst = ctina§ empört midj, cfdt mid) an, ift mir (biê in bic Scclc) siitüiber. — angstig bttlcinmcnb. — stoffen op pval)fcn nut, fid) riifjmcn, fid) brüftcn mit. —

ocr page 241

verdedigen Bevtcibigcn. — kruisen frcujcn. — uitslag ïïusflang. — kloek mannfjnft. — tegenstander ölcgner. — met ontzag vervullen imponieren. — bekennen geftdjcn. — ten gevolge hebben jur golge Ijaben, Urjacfjc merbeti.

100.

begaafd (icgabt. — schilderkunst SDÏalerei. — meester SJïeifier. —■ veranderen fliibern. — beschermheer ©onnev. — mijns inziens incincS Srarfjtens. — precies lijken gleizen. — uittellen auSjiitjtcn. — achterhouden 5urücfbcljnlten, untcridjfagcn {£. 109). — handelen met iemand uetfoljrcn mit einem (mit (cin), jcm. be^nnbeln. — bekennen (Slufg. 98).— verwijten Boïtocrfen. — heel eenvoudig gan.j cinfarf). — gelden geiten (f)ier mit Xatiu).

101.

.Öamftcr hamster (zeker knaagdier). — ungcluiljrlidj onbetamelijk. — k'Qniprudjett aanspraak maken op. — ju ^nnven treikn tot zijn (hun) plicht brengen. — einer Snd)e ®[au6en fietmcffcn aan eene zaak geloof slaan.

102.

oprecht ('üu'a. 45). — lafhartige Singling, cin Scigïjcrjigcr. — angstvallig cingftUrf). — zich het noodige uit den mond besparen fid) öa§ üiotige ant ïïlunbe obbarfien. — wantrouwen mijjtrQUcn (Xnt.). — bejegenen bctjanicln. — inderdaad in bcr ïljnt. — ambachtsman •fianinucrfer, §anbtuert§mann. — erbarmelijk erbftrmlid;. — beroering ®ü()lerci. — ontvreemden cntiucnben. — het bereik SBercid) (S. 2). — deurwaarder ®crid)t§botc. — dagvaarding SSorlabung.

103.

bas 3Btnb)pieI windhond. — ?}?cucf)clniorb sluipmoord. -— (u'itaufig terloops, en passant. — bie Sdjicncn de rails. — bringcn krijgen (aufg. 90). — ba crgab ficf) toen bleek.

104.

zich ontzeggen fitf) Bcrfagcn. — offervaardigheid Cpfcrfveubigteit. — bescheiden Êcidjcibcn, oniprurfjêlus. — gewoon zijn aan eincr Sadje (@en.) geiuotjnt jein (and) mit an unb fotgciibem $atio). — wars abgcncigt (mit ® a t.). — zweemen naar nljntidj jctjen (Bgt. Stufg. 100). — zwakheid Sdjmadjc. — tekortkoming llnjulcingüdjfeit. — tot stand brengen ,iU ilanbe (ju SÖege) firingcn. — loon bcr 2ol)n. — intusschen in3»i= jdjen, inbefjcn. — slagen bur^fommen. — zakken burdjfallen. - blokken odjjcn, fdjanjcn, [liijfeln. — aan de eischen voldoen ben ?hifor= berungcn geniigcn (obtr) cntjprcdjen.

ocr page 242

'236

105.

sparen (geld) fparen, cvjpaven; (iemand) jc^oncn (fcisincileti mit Gen., ge» itiö[)!t(id) mit Ace.). — wieg iic SBicfle. — noch... noch lucbcr ... noc^.— bedelarij ïïetidci. — langzamerhand nadjgevnbc, n(Imnf)(id). — land-l^laag 2anbp(age. — opgeruid tobcnö, ungeftüm. — blindelings 6linb= lin^ë. — bruidspaar Sörautpaar. — doorbladeren buvdjMnttcrn. — bedachtzaamheid Bei' 53cliad)t. — leiden füfjvcn; verleiden ucvtüljrcn. — ronduit ficrabcnuS. — feliciteeren. gelukwenschen gratutimn (S. 152), I'en'iictiBlin)(l)cn ('Jlufa. 6ri). — brutaliteit (3'iiig. 96). — inpeperen (betaald zetten) Ijeinijaïjlen (einem etiuas); — aucf): cinem ctrcnS gebenfcn; eincm ctiua§ nustrctamp;eu (= afleeren). — opwelling ïluftDaflung.

106.

dwaas t()in-id)t. — toekomend füitftig. — toekomen jutommeii. — besteden (E. 99). — zwakheid (quot;Jtufg. 104). — waardij bcr SBcrt. — wanhoop ücrjlDciflutig. — hinken I)infen. — vlegel QIcge!, 2ump. — pennemes fjebenneffcr. — teeder(lijk) jiirtlirf). — armpjes (tcin 5)iiiii = nutiu). — kijken Mictcn. — besluiten fid) cntjcfjIicBcn. — nauw eng.— wreef bcr Spann. — mouw bcv Slrmcl. — stappen flcigcn. — akelig ïeibig, BcrljaÈt. — sigaretten (Sigaretten. — tegenstander ©cgner. — zich aansluiten bij iemand fid) einem anidjlicjjcn.

107.

overdag am ïnge, tngsnOer. — zoetjes aan narfjgerabe. — opbreken aufficedjcn. — volop uollcmf. — trap op trap af treppauf treppal). — zich te goed doen fidj gütlid) t[)un. — in 't voorbijgaan im S8orbei= geljen. — uiterlijk jpateftens [Qm Simte non uitwendig = 1) ciuBcrlid), 3. ®. Sd) fjnte mict) auBniid) Dcrteljt; 2) öufjer (nur attrilmttt)), 3. S3, ein» auf;cre SBevIctjimg ; 3) bn§ Stllfjere, bo§ siuêjefjen, 3. 83. Urteite nidjt nadi Sem SiuÊcrn; ein gefimbeêaiugereê CJluSfelicn)ifteineSnUjfefjlimg. — althansincnigftenS-.—gebeuren pajjicren. — schromelijk (£. 171). — eenigszins (5. 170, 4 unb S. 62). — rechtuit gerabeauê. — rechts red)t§, redjterfjanb. — boerderij CMufg. 95). — links finf§. — afslaan nfifeicgen, nl)id)(agen. — regelrecht jdjnuvftracEê, gerabentucges. — (9t e g e 1 r c d) t (regelridjtig) = naar de regelen der kunst, kunstmatig; lig(. tunftgeredjt, fdjulgeredjt, bü()tiengeixd;t k.).

108, 109.

©eljolj bosschage, geboomte. — feuten hijgen. — neulid) (unliingft, jüngft) onlangs. — beljerst (£. 50). — tyerauffceförbern naar boven brengen. — Slftenftüdc acten, papieren. — Siifj scheur, barst. —

ocr page 243

237

fccrfcljcn brengen (eigentt. verplaatsen). — mcbcln kwispelstaarten. — fic^ tretben slenteren, zwerven (Ijicr aucti:) spelen. — §3(^roUrben ift bcr ïitet, mit lent geiftltdje Öcrrcn angcveSct merben. — cingegnngcn (ober) (jeretngefaHcn er ingeloopen. — anftreirfjcii verven.

110.

beklaagde SlngeMagter. — doos bie Sdjarfjtcl. — koek bcr ftudjen. — koffer bcr (bns) Koffer. — vergen van (£. 155). — man van eer 6t)rcnmanit (obct) 9)tann uon (ï()rc. — deelneming Seünatjmc. — zicli indenken fid) I;incinbciitcn (in cinc 2ad)c). — plassen plntfcfjcrn. — pompen pumpen. [De pomp is stuk = bic ^ urn pc ift enfjiuct. De pomp is leeg = bcr Sörunncn ift leerj. — plakken f(c6cn. — raam bn§ fycnftcr. — verdrietig nerbroffen, Berbricfjlid). — zoodra (itufg. 83). — klaar 6ercit. — roeien rubern. — volstrekt burdjou?. —onmiddellijk gleic^. — terugkeer m. bic 9!üc{fe()r. — plechtig beloven gdotien. — kreupelhout b a § Sidi^t. — poel ipfütjc. - plas bic Sndjc. - banen 6of)ncn. — in de verte in bcr gcrnc.

111.

tijdens jur 3stt (bes). — wachtpost bcr SEBadjtpoftcn. — achterlaten Surüdlaffen. — scherpschutter bcr Sdjavffdjuljc. — spoorweg die 6tfcn6al)n. — enkel ttloê. — bewustzijn SBefinnung. — landweer Sic Sonbitjrfjr. — verongelukken Bcrunglücfcn. — pijnlijk {3lufg. 44). — noodsein bas Dïotftgnat. — tot stilstaan 311m g.tc[)cn. — overleven Ü6crlc6cn. — afzetten abnetjmen. — van staatswege »on Stoot5= megen. — geenerlei fcincrlei. — een pensioen toekennen (cincm) cin ®nabcngc[;a(t bewilligen, — toen noch bantnlS nod) (ober;) bomaligc. — stoof tJuBloarmcr. —• snellen eilen. — wachtkamer bcr SBnrtcfanl. — koffie zetten iïaffce ntodjen (ober) fodjen. — buffet ba» ïuffett. — kan •Sanne. — ledigen (ccren. — afzien van ucrjidjtcn auf (S. 150). — schatmeester Sdjaljmeifter. — les 2el)re. — voordeelig (®. 49).

112.

blijspel Suftfpiel. — bijval bcr 93cifafi. — ten tooneele brengen auffüljren. — dwingelandij Üljronnci. — leus Cofung. — min n)cni= ger. — door den bliksem Bom 331ilje. — belhamel 2cii()ammc(, SictbclBfitfircr. — toegeven nadjgcfien. — zacht fanft. — hardheid (ïtufg. 59). — gestrengheid Strenge. — hevig tjefiig. — branding 53ranbung. — slingeren jdjtcubevn. — lading Cabnng. — verzwelgen perfcfilingen. — bemanning SBemannung.

113.

ongesteldheid llnrooljtfein. — bovenmatig nknniifjig. — inspanning

ocr page 244

238

(ïïlufg. 108, 5). — ontspanning ÊrljDlunfl. — zijn intrek nemen n(i = fteigen. — eggen ecjgen. — tegen de borst stuiten ('ilufg. 98). — ten invent (a costi) Dei Sfjncn. — quot;wreedaardig graujain.

114.

■DfenfimS schoorsteenmantel. — Sdjuitljaufcu (ïlufg. 62). — SaS Sentbiet peillood. — SJufjdjub uitstel. — ausjeljen uitstellen, verschuiven. — 2ü(fc leemte.

115.

liet zaad ber (£anic(n); (Sgl. S. iigt;. 2Inm.). — tarwe ber SBetjen. — sti'ooien fircuen. — evangelie baê (juangclium. — korenbloem fiorn= tilumc, Pljane. — rogge ($. 6). — laken ba§ ïud). — theegoed ba§ Sijcegejdjivr. — kast ber Sdjvaiit. — kindsheid ftinbtjeit. — beurt 3!cil)c. — plaat 33ilb. — mij dunkt mid) biintt (ju ®. 145). — kluisteren feficln. — het recept ba§ 3!ejcpt. — intusschen inbeffcn, in5»n= |c()en. — aanbod bas 51 n c r 6 t e t e n. — zich verstoppen fid) ucrftectcn.

116.

vellen fallen, auêipvcdjcn. — letten op adjteu auf, ieadjtcn. — partijdigheid ïportcilic^feit. — begraven (^lufg. 56.) — sneuvelen fallen.

— vervallen DerfnKen. — flambard g^ln})pf)ut. — verdeden Mrteüen.

— plooi bie jjalte. — paaschweek Dftetmodje. — kring ber fivet». — aansluiting ber ïlnjt^hiB (SIcc.).

117.

zich stellen fic^ icl3en. — plaats Stelle. — vóór efje, beuor, eïje imb tieoor (voor en aleer). — bijzonderheden Ginjelfyeiten. — proce-deeren projebieren. — proces (S. 17). — instantie bic ^nftanj. — zich uitstrekken fid) au5bcl)nen. — gezicht Uluëfid)!. — stroom ber Strom. — gebrek ber sJ3Jangel. — enkel ber Snöe^el. — stof (2. 2).— herberg (Hufg. 59). — zodenbank iKafentianf. — stappen fd)reiten. — tooneelspeler Sdjauipteler. — residentie Sïefibenj. — zwager £d)mn= ger. — in 't wild praten in§ Slaue Ijinein fd)tt)al;en (otct) plaubern. — passen paffen, geljören. — zich mengen firf) mifd)en. — grenzen ftofjen grenjen. — onmiddellijk unmittelamp;ar. — atelier ba§ Sitelier, bie SSertftatt.— vertakt Perjlücigt. — voldoende zijn genügen. — capuchon bie Sapuje.

118.

toch bennod). — redenaar 9tebner. — verrukking gntjiicfung. — verzoek 33itte. — ontzetting ba§ Gutfeljen. — afsnijden al)fd)neibcn. —

ocr page 245

239

knorrig mlivrijcf) (ciit fnovvigcr Sïft = knoestig). — koets bic Sutjdjc.

— vurig fcurig. — fluweel bcr ênmt. — kostbaar fojifmr. — vermaak Suftbartcit. — in de rede vallen inS 2l!Drt (in bie 'Jicbc) fallen.

— puur lanter. — afgunst SJJijigunjt. — toonkunstenaar fflhifiter, Sontiinfttcr. — violoncel (£. 5). — makker bcr (Scfciljvfe, iïnmcrab. — volharding bic ïlusbauev. — uitsteken {jciBorrogcn. — meesterlijk nieiftcrljaft. — terechtstellen I)inricf)tfn. — ijselijk ('Jlufg. 80). —schouwspel ï!ln(ilic{. — verbaasd staan ftauncn. — voordragen Bortrageu. — les Scfjrc.

120.

11 ()u schuifuil. — jctbftlo-) onbaatzuchtig. — bic Sprariê praktijk. — 6erouii^cnb bedwelmend. — jdjlimm slecht.

121.

van oudsher Bon jcï)cr. — vierkante mijl Cuabratmcilc. — aanhoudend antjaücnb.— toenemen gelBinncn,3uncI)men. —omvang Umfang.— geheimzinnig gcljeim, ge()cimnisBoll. — beneden-vvereld Untcrroclt. — vergezellen bcgkitcn. — gevogelte ©cflügcl ('Jlufg. 119). — wonderbaar iBunbcrbar. — verschijnsel grfdjcinung. — zich voordoen cintvctcn. -- luiden Iciutcn. — zakken jinfcn. — verzwelgen Ber= jdjlucfcn ■ ojt. Slufg. 72. — onderaardsch untcrirbifd). — onmetelijk uncrmcB= lid). — het binnenste bn§ Snnerfte. — maaien mftljcn. — kort te voren lurj Borijer. — stoeien (dartelen) jid) tummcln. — menigvuldig I)au= fig. — golvend wogcnb. — herscheppen Bcrioanbcln, ümjdjaffen.

122, 123.

ftulpcvn (ftvaudjeln) struikelen. — fid) jdjicfm voegen, passen, betamen. — Sroangêjacfc dwangbuis. — ftct ('Jlufg. 6). — gluf, (fig.) beweging. — fnorvig (?lufg. 118). — bcrti hard. — 6i§ tn'ê cinschtc tot in kleinigheden (détails). — Ainofpc knop. — Slrüppcl invalide. — (ïr ï)at bie SiBcisl)cit mit Söffdn gegcffcn; hij heeft de wijsheid in pacht. — gciftig (£. 51). — S(nna()me onderstelling, hypothese. — I)intcr§ Sii^t fü()rcii misleiden. — ntifieigen afstappen (ïlufg. 113).— Berft^röntt gevouwen, over elk. geslagen. — notigen noodigen (met aandrang); noodzaken. — fdjmettevn werpen (met geweld). — fd)ci= tcrn schipbreuk lijden. —- ftcrMjolj kerfstok. — tcaujcln, friseeren, kappen. — ïraufc drop. — SBaffer; wit fagcn: koren. —unartig stout.— Sobenjimmer zolderkamertje. — ©nmbjal' grondstelling, beginsel.

ocr page 246

240

125.

speculatie ïpefulation. — aanzienlijk (letrcidjtlict), cvtlccïlirf). -schuldbrief Sdjitlbjdjehi. — kerkhof bcr ftirdjtjof. — tenvijl tüa()i'cnb.— stedelijk ftcibtijd). — lofwaardig loDensiniirtiig. — cntiek bic firitif. — kritiek (hachelijk) Ijcitcl. — grafelijk graflitf). — schilderachtig ma= (cri)d). — overoud uralt. — verdrag (5. 2). — draagbaar tragfior. — have §algt;e. — waarschuwing Sikrnung. — laten springen (3. 07). — Pyreneeën (ïtufg. 8). — goedkeuring ©enefimtgung. —ontwerp gntrourf ($. 2). — snood jdjnöbc, Ictbig. — eendracht gintrodjt. — verstoren ftörcn. — ongesteld (?(ufg. 113). — ernstig (S. 50). — benoemen crnennen. — opdracht bcr Sluftrag. — vereeren bceljrcn. — behooren gcMrcrt. — marschvaardig marjdjbcreit. — uitstellen (51ufg. 114).

126.

Ier Srliinbcr. — fortuin fölücf (fortuinzoeker ©tiitfërittcr). — welvaart bic 28ol)lfoï)vt. — geboortegrond heimat (S. 4). — stoomboot Sampfcr, Sainpfidjijf, ©ampffcoot (5. 1). — raderboot Siabbninpfcr.— scheprad Sdjnufdrab. — schroef boot Srfjmuticnbampicv. — roer Stcucr (©. 7). — bewegen (ictncgcn (£. 95). — vertoog SBorftcflung. —voornemen SSorljaficn, SJorjalj. — wispelturig tBettcrmcnbijd), launijd), lnu= ncn()aft. — weerhaan aöinbfaljne (SBctter^ofin). — poging SJcrjudj (©. 15). — tegenbezoek ©egenbefud). — feit ïfjatfadje. — loochenen Icugncn. — dom bcr S)om. — station (Sïufg. 59). — hieraan (@. 72 ïtnm. 2j. — een wezenlijk gevaarte ciu witfli^er ftoIoR. — ten gevolge (uithoofde van) Ucrmögc (ober) jufolgc. — drijven f^mimmen. — kurk bcr ^ïorf. — pons bcr ^unjd). — mijn persoontje mcinc 2S?crig= feit. — regenbui bcr ilfcgcnjdjaucv.

127 unb 128.

übcrfcOracnglid) overdreven. — übctbrüifig (S. 157). — bcr SBorgnng voorval, feit. — Dcrfügcn beschikken. — bn§ S3cncl)mcti het gedrag. — ucrjidjfcn auf afzien van. — Ber)e)jcn auf (crpidjt auf) verzot op. — fid) um ctmaij Bringcn (ogt.) fid) um'§ 2c6cn iringen. —- ba§ ®crüft stellage. — Ijcruntcrtommcn (familiar: auf ben §unb fommen) aan lagerwal geraken. — ficbrcingcn benauwen, in de engte drijven, vervolgen. — jdjimitmcn dwepen.

129.

licht bas Sidjt (Cidjtcr). — miskenning 9]cv!cnming. — ondank Unbanf. — richten rid)tcn. — aanleiding itcranlafiung (ülufg. 53). — ontzaglijk

ocr page 247

2-11

ungeljeucr. - ondervinden evfafircn. - bedriegen lauden. - inkomen Lintommen. kijken gurfen. - het spijt mij idj bebnure, c§ tljut mir leio. — punt (8. 2). — aanroeren berüt)ren.

130.

betrekken fid) um3tef)en. - rommelen gvotten. — vervolgen (den weg) fortjetjen. — overnachten übcrnnd^ten. - tegenstribbelen (Subfl.) SBiberflnnb; (Serb) fid) ftrtiuben, fic^ |pemn (Stufg. 68). - overreden bere= ben. - meester Jperr. — hij droomt cr traumt. - verstand (S. 2). - zich kenmerken ficfj fennjeicfinen. - grootheid ©röBc. - hooge dunk f)ot)C Jceimmg, —- bekwaamheden Sabigtciten, .ftenntnifjc (^lufg. 38). — onwetendheid Unroiffenfieit. — begenadigen begnnbigen. — (tranen) storten Bergiefeen. - rechtspleging 9ie^t§pflcge. - geleden erlitten. -ongedaan imgc)rf;cf)cn. — bezig zijn bejcfjaftigt jein. - uitstekend tjet* Borrogcnb. - afwezigheid (3Jufg. 52). - geschiedschrijver ®eid)tct|t= Idjretber. - gebeurtenis SBegebenfjeit, boê greigniê.

131.

grondig grünblid). - peinzen finnen. - schokken cvf^üttern. — zuchten feufjen. — teug 3ug. - dropsgewijze trobfenloeifc. - inslikken tgt;er)d)lucfen (ogt. Slufg. 121). — kwellen brücfen. - met opzet mi t gleife, norfiiljlid), geftiffentlidf). — noodzaken nötigcn (ogt: aufg. m). — stembanden sttmmbflnber. - strottenhoofd ficfjlïobf. — trilling ®d,imn= gung. — stemspleet Stimmriljc, Glottis ƒ. - leerjongen Sefjrbube, Cefjrjungcn. — doodvoêren totfüttern. — doorgaan voor gelten für — drempel m. bie StyweUe.

132.

kreeftskeerkring ber aBcnbcfreiS be§ firebfeë. - vaste ster gijftevn -trawant ber ïtnbanf. - bol fiugel (S. 3). - verlichten beleudjten -roosWeung rofenfarbig. - afsnijden («ufg. 118). - brandklok 3euer= Qlocfe, «ranbgtorfe. — Imden tauten ((auten = klinken, 3. lt;8. 2)a§ (autet mdjt übel). - zich spoeden etten. — vlag gafjnc. - halfstok ^alb» majt. — aanmerken (^(ufg. 119). — beschouwen betrachten. — be-werken bemirten. - omringen unuingen (09I, aufg. 45). - uitkomst •Muëmcg, Dietfung, ïtuëtunft. — [auêfunft crteitt bet gjfltat 3i. inlichtingen te bekomen bij -], wapendrager ffikffentrager. - doorsteken crftcdjen. -Filistijn ï)3()iHftev. — zich storten firi; ftütjcn.

133.

jobstijding .S^iobêpoff, §iobêbotj(^aft. — uitbersten nus!)recf)en (sJlufg.

16

ocr page 248

242

114). — op eenigen afstand in ciniger ©nttcrnunci. — gadeslaan (ic= obndjlen. — poosje SBeildjcn. — duidelijk t(ar. — oogmerk ^(fifirfjt. — voltooien üollenben, beenben. — overmannen Ubennonncn. — zwerm bev Scftluarm. — zeldzaam (frj. rare) jclten. — verzoeking SBcrjud^unjj.

134.

bezichtigen licfidjtigcn. — verzameling Sammlung. — overtreften übertreffen. — ternauwernood faum, mit genauer ïiot. — hoofd Stopf- — gerust rut)ig.

135.

ontroerd gerüljvt. — voortgaan fortfaf)ren. — stichter SBegrünber. — ruiterstandbeeld Sïeitcvftoubbtlb, =ïtatuc. — bestendig beftfinbig. afgezonderdheid ?l6gcjd)Iüjicnl)eit. — vertoeven tucilcn. — te midden van inmitten. — volmaaktheid Sl!óflfommenl)eit. — verwijfdheid il'cid): lid)feit. — pauw bcv ''•l-'fau (pl. — en).

ocr page 249
ocr page 250

Uitgaven van P. B. NIEÜWMÏÏUIJS te Breda.

ONDERWIJS:

A. WÜRTZ, Geschiedenis der chemische theorieën

van Lavoisier tot op onzen tijd........ƒ0,90

A. DOELEMAN, Onze bezittingen in Oost en West. » 1,40 W. H. HASSELBACH, Beknopte Stilleer, Rhetorica

en Poëtica, 2e druk.............. 1,25

W. H. HASSELBACH, Overzicht der Stylleer. . . » 0,40 Peof. CARL KOPPE, Meetkundige vraagstukken,

ontleend aan de Planimetrie, 4e druk......» 0,35

J. LEOPOLD Hz., Nederlandsch-Hoogduitsche klanken zinverwante woorden, 3e druk . ......» 2,75

(Homoniemen, Paroniemen en Synoniemen.) J. LEOPOLD Hz., Honderdvijftigtal Homoniemen . » 0,60 J. LEOPOLD Hz., Lehrbuch der dentschen Sprache,

46 druk .............. . . . »2,25

J. LEOPOLD Hz., Anfgahen nnd Übersetznngen,

3e druk .................»0,65

J. LEOPOLD Hz., Zwischengrammatik, 4e druk . . » 1,75 J. LEOPOLD Hz., Inleiding tot de Zwischengrammatik en het Lehrbuch der dentschen Sprache,

10e druk.................. 1,25

J. LEOPOLD Hz., Practische oefeningen, ter vertaling in en uit het Hoogdnitsch, 3e druk . . gt; 0,50 J. LEOPOLD Hz., Allereerste gronden der Suitsche

taal, 2e druk............ . . . »0,50

P. A. R. BEEKMAN, Oefeningen op den tweeden druk van

Leopold's Nèd.-Hoogd. klank- en zinverwante woorden. » 0,60 P. A. R. BEEKMAN, Opgaven ter vertaling in het

Hoogduitsch, le Verzameling. 2e druk.....» 0,60

P. A. R. BEEKMAN, Opgav'en ter vertaling in het

Hoogduitsch, 2e Verzameling........» 0,60

B. VAN DER ESCH, Proeve eeuer bewerking der

oefeningen op Leopold's klank- en zinverwante

woorden.............. . . . »0,65

T. O. G. VALETTE, Handleiding voor de Hoogd.

Orthographic met woordenlost........» 0,65

Wiskundige formulen ) . ........»0,35

. f ®P carton gedrukt.

Idem in omslag ) .....»0,40

M. C. VAN ROÜVEROT VAN NIEUWAAL, Het Ma-

leisch in de kazerne. Gesprekken en taalregels. » 0,90 A. A, TER HAAR, Het laatste Schoolboek . . . . » 0,50 J. VAN VEEN Jr. en W. BROUWER, Rekenen en

Meten. Serie Rekenboeken, le st.......» 0,20

id. 2e st.......» 0,20

id. 3e st. ..... . »0,25

id. 4e st. ....... » 0,25

id. 5e st.......»0,25

id. 66 st.......»0,20

id. 7e st...... . »0,20

id. Antwoorden. 6e st. . . . . . . »0,10 id. id. 7e st.......» 0,10