ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HANDBOEK

VOOK PK

VERZORGING EN KENNIS

VAN

GANZEN, ZWANEN EN EENDEN

ocr page 6

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

!C*

3088 872 5

ocr page 7

ö'c

li

HANDBOEK

VOOR DE

VERZORGING EN KENNIS

VAN

Ganzen, Zwanen en Eenden

T)OOR

R. T. MAITLAND

Officier v. d. Orde der Eikenkroon, Ridder v. d. Kroonorde van Italië. Ond-Direcieur v. h Kon. Zoölog. Botan. Genootsch. ie 's- Gravenhage. Eereiid van het Kon. Zoölog. Genootsch. nNatura Artis Magistral te Amsterdam. Lid van het Provinc. Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, enz.

Met 35 Afbeeldingen

GROOTENDEELS NAAR DE NATUUR GETEEKEND DOOR

A. LE GRAS

amsterdam Tj, VAN H O L K E M A

BIBLIOTHEEK DIERGENEESKUNDE UTRECHT

ocr page 8
ocr page 9

OPGEDRAGEN

AAN

HET BESTUUR EN DE LEDEN

VAN HET

KONINKLIJK ZOÖLOGISCH BOTANISCH GENOOTSCHAP

te 's GSJVJENIUGE

ocr page 10

BIJ GELEGENHEID DER VIERING

VAN DESZELFS

r IJ F EN TWINTIGJARIG BESTAAN

DOOP.

DEN SCHRIJVER

ocr page 11

VOORBERICHT.

Dit Handboek heeft zijn ontstaan to danken aan den vereerenden wenscli door Z. M. onzen geeerhiedigden Koning geuit, namelijk dat wij in onze moedertaal een werk mochten bezitten aan de kweeking en de kennis der Zwemvogels gewijd, en dat Z. M. gaarne zoude zien dat de ondergeteekende, als schrijver van het Hand- en Standaardboek voor den Hoenderliefhebber, zich met deze taak wilde belasten.

Mijne tienjarige studie der natuurwetenschappen te Leiden (van tot 1854) en tvel hoofdzakelijk der dierkunde onder leiding van mijn hooggeachte leermeesters Prof. J. vak dek, Hoeven en de HU. Temminck en Schlegel van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden, mijn werkkring gedurende 10 jaren {van IS~gt; 't tot 1864) hij het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam en mijne betrekking gedurende 16 jaren, {van iS64 — 1880) als Directeur van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap te 's-Gravenhage, en van dien tijd tot heden een dagelijks bezoek aan de rijke diergaarde en musea van Natura Artis Magistra, alsmede mijne vele relation met verschillende vogelkweekers in ons vaderland en in den vreemde, gaven viij den moed mij aan dezen arbeid te wagen en de hoop te koesteren aan de verwachting van Zijne Majesteit, naar mijn beste vermogen, voldaan te hebben, en alzoo iets te hebben mogen bijdragen tot bevordering van een tak van nijverheid, die velen onzer landgenooten zoude kunnen ten goede komen.

De ganzen fokkerij, die in Duitschland, Frankrijk en Engeland eene hoogst belangrijke vlucht genomen heeft, wordt bij ons, met uitzondering van een paar onzer oostelijke Provinciën, (Overijsel en Gelderland), bijna geheel verwaarloosd, terwijl er toch nog zoo vele daartoe geschikte en tot ander doel bijna waardelooze terreinen in ons vaderland te vinden zijn, die op

ocr page 12

vookbericut.

deze wijze voor den grondbezitter rentejevend te maken zijn en den pachter of huurder eene behoorlijke winst zouden hunnen verschalden.

Wij weten, dat de eenvoudige landlieden, can wie men de uitoefening der ganzenteelt moet verwachten, niet lezen; voor hen is dit Handhoek dan ook niet geschreven, wijl de opwekking, aanmoediging en raadgeving tot dit nieuwe bedrijf moeten uitgaan can de groote Landeigenaren en Ge-meente-Best u ren ten platte lande. Hoofdzakelijk om dezen daarin te gemoet te komen is dit Handboek in het licht verschenen met den vurigen wensch, dat dit doel moge bereikt worden en dat dit er toe moge bijdragen om menigen bewoner, van het platteland, builen zijn gewoon bedrijf, nog eenige buitengewone voordeden uit het houden van Ganzen en Eenden te doen trekken.

vm

Voor zooverre de in dit handboek vermelde soorten, hetzij levend in de diergaarde, hetzij opgezet in 't museum van hel Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam voorhanden waren zipi de beschrijvingen naar de natuur genomen; mijn oprechten dank aan den lieer Dr. G. F. Westekman, den algemeen geacht en directeur van dat Genootschap, die mij de gelegenheid daartoe verschafte. Ook aan de Hoeren K. N. Swierstra conservator en H. Koller adjunct-conservator en preparateur bij het Museum ben ik dank verschuldigd, daar zij, op mijne uitnoodiging, alle door mij gemaakte beschrijvingen der verschillende soorten nogmaals met de voorwerpen zelve hebben vergeleken ; van vele wenken dier Hoeren zijn door mij gebruik gemaakt, waardoor voorzeker mijn arbeid veel in waarde zal gewonnen hebben.

Amsterdam.

DE SCHRIJVER.

ocr page 13

INHOUD.

Bladz.

. xvii

EERSTE GEDEELTE.

Cultuur der zwemvogels.

i. over zwemvogels in' 't algemeen.

1. Kenmerken van de groep der zwemvogels niet zijde

Inleiding .

lings gekamde of getande bekken........................................3

'2. Xut der zwemvogels................................................................/t

3. Ganzen- en Eendenjacht..........................................................g

4. Rroeden in vrijen natuurstaat................................................12

5. Invloed van den mensch op het vormen van rassen... li

11. verzorging.

♦ 1. Ganzenfokkerij............................................................................17

2. Zwanendriften............................................................................22

3. Eendenfokkerij........................................................................24

4. Vijvers en Eendenkommen....................................................28

5. Winter- en Nachthokjes..........................................................33

C. Broeihokjes en Legmandjes....................................................3G

7. Voerbakken en voeding..........................................................30

, 8. Voedsel..........................................................................................37

9. Verzending..................................................................................41

ocr page 14

INlIOül).

Bladz.

CEBREKEX.

1. Ouderdom....................................................................................43

2. Onvruchtbaarheid........................................................................44

3. Onnatuurlijke broeilust............................................................i(gt;

4. Strijdlust........................................................................................46-

5. Wegvliegen Leewieken............................................................47

C. Verkeerd staan der vlengclslagpennen................................50

ZIEKTEN.

1. Behandeling der zieke dieren................................................51

2. r.uien............................................................................................53

3. Uittering.....................................'......

4. Draaiziekte en Vallende ziekte..............................................5i

5. Kramp en Hheumatisme..........................................................5(

G. Verlamming................................................................................5'

7. Verstopping tier Vetklier........................................................■'

8. Gebreken der mannelijke Geslaclitsdeelen........................51

9. „ „ vrouwelijke „ ........................5'

-10. Legnood........................................................................................Cl

11. Huikwaterzuclit....................................................C0

12. Verstopping. Hardlijvigheid......................................................G

13. Buikloop. Vogel-cholera............................................................'j

li. Snot. Oiphteritis..........................................................................G1

15. Miltvuur of Anthrax................................................................0

10. Blaarziekte....................................................................................ö

17. Beenbreuken................................................................................7

18. Wonden........................................................................................7

19. Bevriezen der Poolen................................................................7

20. Verdrinken....................................................................................7

21. Vergiftiging..................................................................................'

22. Hulp- en Geneesmiddelen voor z%iellt;e vogels....................7

VIJANDEN EN PARASIETEN.

*1. Viervoetige dieren....................................................................8

2. Vogels..........................................................................................8

3. Visschen........................................................................................8

4. Luizen............................................................................................8

5. Ingewandswormen......................................................................?

ocr page 15

INHOUD.

lihtilz.

C. Bacteriën......................................................................................84

*-

VI. EIEREN.

1. Eierproductie................................................................................87

2. Droedeieren..................................................................................89

3. Schouwen van eieren................................................................90

4. Bewaren „ „ ..............................................................91

5. Verzenden „ „ ..............................................................92

VII. VOORTTELING.

1. Natuurlijk broeden.................................. 93

2. Kunstmatig „ .................................. 102

3. Verzorging der jongen............................... '103

A. van tamme zwemvogels....................... 103

B. „ vreemde „ ....................... 105

VIII. VETMESTING.

1. Natuurlijk vetmesten van Ganzen.................... 107

2. Kunstmatig „ „ „ .................... 108

3. Vetlever-ontwikkeling bij Ganzen.................... 109

4. Gerookte Ganzenborst............................... 1 !2

5. Vetmesting van Eenden............................. '112

C. Inzouten van 't vleescb der zwemvogels............. 113

IX. PLUKKEN DER VEEREN EU LEVENDE VOGELS................. Ui

X. TIJDSVER DEE LING VOOR DE DAGELIJKSCIIE WERKZAAMHEDEN.

1. Zomerdienst........................................ 117

2. Winterdienst....................................... 119

XI

ocr page 16

INHOUD.

TWEEDE GEDEELTE.

Beschrijving der rassen en soorten.

A. Tamme of nuttige zwemvogels.

I. TAMME GANZEN. Clildz.

ö. Gewone tamme ganzen.............................. 123

h. Toukmse ganzen.................................... 125

c. Emder ganzen...................................... 120

cl. Pommersche ganzen................................ 127

e. Krulveer-ganzen.................................... 128

f. Russische ganzen................................... 129

g. Italiaansche Reuzen-ganzen.......................... 130

h. Tamme Knobbel-ganzen.............................. 130

11. TAMME ZWANEN.

a. Gewone Zwanen..................................... 131

h. Witgeboren Zwanen.......................... ...... 132

III. TAMME EENDEN.

a. Gewone eenden..................................... 133

h. Krombek-eenden.................................... 134

c. Kuif-eenden........................................ 131

cl. Fluweel-eenden..................................... 135

e. Italiaansche eenden................................. 130 ♦

f. Rouaan-eenden...................................... 137

;/. Duclairs-eenden...................................... 138

h. Engelsche eenden.................................... 139

i. Zweedsche eenden.................................. 140

k. Pinguin-eenden..................................... 140

l. Peking-eenden...................................... lil

«i. Kwaker-eenden..................................... 142

n. Tamme Muskus-eenden.............................. 142

XII

ocr page 17

INHOUD.

B. Zwemvogels in den vrijen natuurstaat levende.

GANZEN.

Bladz.

1.

Ekstergans

Anseranas melanoleuca (Lth.) Less. Austral.

144

2.

Gew. Spoorwlek-gans Plecti-opterus gambensis (L.) Stepii.

W. Air.

14(gt;

3.

Rüppels „ „

„ l!iiepi)eliii Sclat.

0. Afr.

117

4.

Zwarte „ „

„ niger Sclat.

W. Afr.

148

5.

Intl. Zwartrug-gans Sarcidlornis melanonota (Penn.) Forst. 0. Ind.

149

ü.

Amerik. „ „

„ carunculata l.ielit.

Z. Amer.

150

7.

Vosgans

Chenalopex aegyptiacus (L.) Steph. N. Afr.

151

8.

Orinocogans

„ jubatns (Spix) Wagl.

Z. Amer.

152

9.

Iloendergans

Coreopsis Xovae llollandiae Lath.

N. lloll.

151-

10.

Knobbel-gans

Cygnopsis eygnoïdes (L.) Brandt.

China

156

n.

Grauwe gans

Anser cinereus Mey.

N. Eur.

158

12.

Zaad gans

„ segetum Bechst.

II

160

13.

Akker-gans

„ arvensis Brehni.

II

162

li.

Barvoeter-gans

brachyrhynchus Bartl.

II

163

15.

Gewone Kolgans

„ albil'rons Gmel.

II

164

1G.

Kleine Kolgans

„ erythropus (L.) Gmel.

II

165

17.

Oostindische gans

„ inrlicus (Lath.) Gmel.

0. Indië

166

18.

Sneeuw-gans

„ hyperboreus (Gmel.) Pall.

X. Pool

167

19.

Rotgans

Bernicla brenta (Pall.) Steiili.

X. Eur.

169

20.

Brandgans

„ leucopsis (Lom.) Steph.

II

171

21.

Roodhals-gans

„ nificollis (Pall.) Steph.

II

172

22.

T rompetter-gans

„ canadensis (Lin.) Boie

X. Amer.

174

23.

Kleine id. id.

„ Hutcliinsii (Gray.) Rich.

U

175

21.

Sandwich-gans

„ sandwichensis (Gray.) Vig. Sandw. Eil.

176

25.

Magellaan-gans

„ magellanica (Gmel.) Gray.

Z. W. Amer.

177

26.

Chili-gans

„ dispar (Gray) Phil.

II

178

27.

Grijskop-gans

„ poliocephala (Gray) Bumi.

II

179

28.

Roodkop-gans

„ rubidiceps Sclat.

II

181

29.

Falklands-gans

„ antarctica (Gmel.) Steph.

II

182

30.

Andes-gans

„ melanoptera (Eyt) Gray

II

183

31.

Gemaande gans

„ jubata (Lth.) Steph.

Nieuw Holl.

184-

ZWANEN.

32. Geelbek-Zwaan Cygnus musicus Bechst. N. Eur. 18G

33. Kleine wilde zwaan „ minor (Pall.) Keijs en Bias. N. Amer. 187

XIII

ocr page 18

IKHOÜD.

Bladz.

3i.

Knobbelzwaan Cygnus olor (ferus) Lin.

N. Eur.

188

34*

Wilde witgeboren dito

immutabilis (ferus) Yarr.

//

189

35.

Trompetler-zwaan

buccinator Rich.

N. W. Amer.

190

36.

Zwartnek-zwaan

nigricollis (Gmel.) Sclat.

Z. W. Amer.

191

37.

Zwarte zwaan

atratus (Lth.) Vieill.

Nieuw Holl.

192

38.

Zwaangans

coscoroba (Mol.) Gray

Z. W. Amer.

193

1

XIV

III. ZOETWATER-EENDEN.

39.

Weeuwtje

Dendrocygna viduata (L.) Swains

W. Indië.

195

40.

Zwartbek-Boomeend

„ arborea (L.) Swains

II

196

41.

Secroen-eend

„ autumnalis (L.) Eyt.

II

198

42.

Javaansclie Boomeend

„ arcuata (Cuv.) Bonp. Java

199

43.

Groote Boomeend

„ major Jerd.

O. Indië.

200

44.

Manilla-eend

„ vagans Eyt.

Molukk.

201

45.

Itosse Boomeend.

„ fulva (Gmel) Baird.

Brasil.

202

40.

Austral. Boomeend

„ Eytonii Gray.

Nieuw Holl.

203

47.

Bergeend

Tadorna vulpanser Flem.

N. Eur.

205

48.

Gewone Casarca

n

rutila (Pall.) Buie

O. Eur.

207

49.

N. Holl. Casarca

;;

tadornoïdes (J. amp; S.) Sclat.

Nieuw Holl.

208

50.

N. Zeel. Casarca

/;

variegata (Gmel.) Sclat.

Zeel.

209

51.

Javaansclie Casarca

n

scutulata (Mull.) Sclat.

Java

211

52.

Kaapsclie Casarca

n

cana (Gmel.) Sclat.

Z. Afrik. quot;

212

53.

Badja-eend

n

Hadjah (Garn.) Eyt.

Molukk.

213

54.

Muskus-eend

Cairi

ia moschata (L.) Fiom,

Surin.

214

55.

Lepel-eend

Spatula elypeata (L.) Boie

N. Eur.

216

50.

Wilde eend

Anas

boschas Lin.

Europa.

219

5quot;.

Amerik. Wilde eend

M

obscura Gmel.

N. Amer.

221

58.

Koperwiek-eend

//

specularis King

Chili

222

59.

Australische eend

//

superciliosa Gmel.

Ind. Arch.

223

CO.

Gcelbek-eend

tl

xanthorhyncha Forst.

Z. Afrik.

224

61.

Vlekbek-eend

II

poecilorhyncha Gmel.

O. Indië.

225

6-2.

Bosékop-eend

II

caryophyllacea Lath.

Java.

227

63.

Mellers-eend

II

Melleri Sclat.

Madag.

228

64.

Gewone Smient

Mareca penelope (L.) Steph.

N. Eur.

229

05.

Amerik. Smient

II

americana (Gmel.) Steph.

N. Amer.

231

06.

Cbilisclie Smient

II

chiloensis (King.) Eyt.

Chili.

232

67.

Australische Smient

II

punctulata (Cuv.) Gray.

Ind. Arch.

233

•»

IV.

V

ocr page 19

*

INHOUD. XV

Jz- Bladz.

88 C8. Krak-eend Chaulelasmus strepera (L.) Gray. N. Eur. 234

89 C9. Gew. Pijlstaart-eend üafila acuta (L.) Leacli. „ 236

90 70. Chilische Pijlstaart „ spinicauda (Vieill.) Gup. Chili. 238

91 _ 71. lloodbek-Pijlstaart „ erythrorhyncha (Gmel.) Hartl. Z. Afr. 239

92 72. Bahama-eend „ bahamensis (L.) Hartl. W. Indië. 2'tO

93 73. Carolina-eend Aix sponsa (L.) Bole. N. Amer. 242

74. W aaier-eend „ galericulata (L.) Boie. China. 2i-4

75. Zcmertaling Querquedula circia (L.) Stepli. Europa. 247

95 76. Wintertaling „ crecca (L.) Steph. N. Eur. 249

96 77. \. Amerik. Taling „ discors (L.) Steph. N. Amex'. 251 ^8 78. Braziliaansche Taling „ Brasiliensis (Gin.) Bnp. Brasil. 252 99 79. Chilische Taling „ flavirostris (Vieil.) Burm. Chili. 253 )0 80. Chineesche Taling „ falcata (Gm.) Gray. N. China. 254 )t 81. Japansche Taling. „ formosa (Geo.) Steph. Japan. 256 '2 82. Australische Taling „ gibberifrons (Mull.) Buil. Molukken. 257 )3

)5 IV. DUIKER-EENDEN.

17

jg 83. Kuif-eend l'uligula cristata (L.) Steph. N. Eur. 239

^ 84. Topper-eend „ marila (L.) Steph. „ „ 261

1 85. Kleine Topper-eend „ mariloïdes Vig. China 263

2 80. Valinger „ ferina (L.) Steph. N. Eur. 263 cj 87. Kroon-eend „ rufina (Pali.) Steph. N.O. Eur. 265 /( 88. Witoog-eend „ nyroca (Guld.) Schl. Europa 266 q 89. Kaapsche Duiker „ capensis (Cur.) Schl. Z. Afrika 268 g 90. Bril-eend Clangula glaucion (L.) Brehm. N. Eur. 209 I 91. Rosébek-eend Metopiana peposaca (Vieil) Bnp. Chili 270 , 92. Vliesbek-eend Malacorhyncha membranacea (Lth.) S\v. Australië 273

3

, V. ZEE-EENDEN.

i

} 93. Weekbek-eend Hytnenolaimus malacorhynchus (Gm.) Gray N. Zeel. 274

^ 94. Stoomboot-eend Camptolaimus cinereus (Gm.) Gray Chili 276

'. 95. Pioei-eend Erismatura iobata (Shw.) Bnp. Nieuw Holl. 278

' 90. Eider-eend Somatoria mollissima (L.) Leach. N. Europa 280

97. Ijseend Harelda glacialis (L.) Leacli „ „ 283

' 98. Groote Zee-eend Oidemia fusca (f..) Flem. „ „ 286

! S9. Zwarte „ „ nigra (L.) Flem. „ „ 288

ocr page 20

INHOUD.

BUulz.

100. Groote zaagbok Mergus merganser Lin. „ „ 290

101. Middelste „ „ serrator Lin. „ „ 292

102. Nonnetje „ albellns Lin. „ „ 294

DERDE GEDEELTE.

Alphatoetische naamlijsten van alle in dit Handboek beschreven

Zwemvogels.

A. Holland sc he namen..................................... 299

C. D ii i t s c li e „ ..................................... 304

C. F r a n s c h e „ ..................................... 311

Ü. Engelse he „ ..................................... 315

E. Latijnsche „ ..................................... 319

XVI

ocr page 21

INLEIDING.

Met de samenstelling van dit werkje is liet geenszins ons doel geweest eene volledige geschiedenis der zwemvogels in geheel huren omvang te geven, maar alleen een Handboek ten dienste van hen, die zich met de teelt en verzorging dezer vogels wenschen onledig te houden.

Onder de door ons te behandelen zwemvogels verstaan wij de soorten, behoorende tot de groep bij welke do bek langs de randen met franjes of tandjes voorzien is en wier voedsel hoofdzakelijk aan het plantenrijk ontleend wordt, zooals: Ganzen, Zwanen en E e n d e n. Evenwel hebben wij ook de Duiker- en Zee-eenden, die meer dierlijk voedsel nuttigen dan de echte zoetwater-eenden, er bij opgenomen, daar zij, hoewel dierlijk voedsel niet geheel kunnende ontberen, in gevangen staat zich voor een groot deel aan plantaardig voedsel, als brood, granen, gekookle aardappelen en verder keuken-afval enz. gewennen en overigens als sier- en jachtvogels voor ons waarde hebben. Reeds zijn er tegenwoordig meer dan 200 tot bovenbedoelde groep

ocr page 22

INLEIDING.

behoorende soorten beschreven en bij naam bekend. Van deze zullen wij slechts in dit werkje alleen die soorten behandelen, van welke tot heden gebleken is dat zij voor den gevangen staat geschikt zijn, terwijl de overige meer in de Musea op hare plaats zijn. De behandeling der overige zwemvogels, zonder franjes of tandjes langs den bek, meer tot de ware zeebewoners behoorende, als: Meeuwen, Pelikanen, Futen, Alken enz., die uitsluitend vischetend zijn en op welke, wegens hun naar vischtraan smakend vleesch, bijna geen jacht gemaakt wordt, hebben wij achterwege gelaten, daar zij, behalve openbare inrichtingen als groote diergaarden enz., door bijzondere personen nimmer er op nagehouden worden.

Wij hebben gemeend onzen arbeid in drie gedeelten te moeten splitsen. liet eerste gedeelte zal het nut, de verzorging, de ziekten, enz. enz. der zwemvogels behandelen, terwijl het tweede gedeelte aan de beschrijving der verscbillende rassen en soorten zal gewijd zijn; in dit gedeelte zullen, behalve de verschillende tamme rassen, alleen die soorten (102 in getal) beschreven worden, van welke proefondervindelijk gebleken is dat zij geschikt zijn om in gevangen staat te kunnen gehouden worden. Mochten zeer vele dezer soorten uit een oeconomisch oogpunt beschouwd niet tot de nuttige dieren behooren, met beleid gekweekt, kunnen zij den eigenaar vrij belangrijke winsten bezorgen, daar zij in 't buitenland zeer gezocht zijn en door F ranse hen, Engelschen en Belgen bij voorkeur

XVIII

ocr page 23

INLEIDING.

uit ons land getrokken worden. Onder andere noemen wij als voorbeeld alhier de Zwarte- en Zwartnek-zwanen, alsmede de Carolina- en Waaier-eenden, die menig kweeker dezer dieren bij ons te lande in de laatste jaren vrij belangrijke winsten opgeleverd hebben.

Duidelijkheidshalve is van elk geslacht, tot welke deze soorten behooren, eene afbeelding gegeven. Voor elke soort afzonderlijk kwam ons zulks minder noodzakelijk voor, daar de soorten zich onderling slechts doorgaans door ondergeschikte afwijkingen in kleur of teekening onderscheiden, welke in woorden kunnen teruggeven worden, zooals wij zulks in elke beschrijving afzonderlijk hebben getracht te doen, tevens met opgave van haar oorspronkelijk vaderland, alwaar zij in vrijen natuurstaat worden aangetroffen.

Met veel zorg hebben wij zooveel mogelijk getracht alle namen in 't Hollandsch, Duitsch, Fransch en Engel sch te vermelden, onder welke zij bij ons of in den vreemde bekend zijn. Plaatselijke namen of volksnamen zijn niet uit gezonderd, daar het ons voorkomt dat zulks niet alleen ge-wenscht, maar hoogst nuttig is; immers veelal wordendoor handelaren bij voorkeur de minder algemeen bekende namen van een dier gebruikt om hunne waar aan den man te brengen; de kooper daarop vertrouwende ziet zich dikwerf zeer teleurgesteld in zijne hoop iets vreemds te zullen ontvangen, terwijl hij eerst te laat ontdekt dat hem, onder eene hem vreemde benaming, iets werd toegezonden, dat hij mogelijk zelf reeds lang bezat.

XIX

ocr page 24

XX INLEIDING.

Met de Latijnsche of wetenschappelijke en systematische namen is door ons eveneens gehandeld.

Namen die van de ecne taal in de andere als het ware woordelijk vertaald zijn en geen burgerrecht in die taal verkregen hebben, alsmede zoogenaamde boekennamen zijn, als door het gebruik niet geijkt zijnde, onvermeld gebleven.

Eene menigte namen kunnen om verschillende redenen als onnoodige ballast beschouwd worden; wij hebben daarom in elke taal dien naam, aan wiens behoud, als de meest gebruikelijke, wij de voorkeur geven voorop geplaatst, terwijl de overige moeten vermeden worden.

Het derde gedeelte bestaat uit vijl' alphabetisch gerangschikte naamlijsten, meer dan 2009 namen bevattende, welke bij de beschrijving der soorten vermeld zijn. Deze lijsten zullen, bij het raadplegen van deze bladzijden, het opsporen van eene of andere soort, onder welken naam ook, zeer vergemakkelijken.

ocr page 25

EERSTE GEDEELTE

CULTUUR DER ZWEMVOGELS

ocr page 26
ocr page 27

HOOFDSTUK I

ZWEMVOGELS IN 'T ALGEMEEN.

Kenmerken van de Groep der Zwemvogels met kamvormig getanden bek.

De zwemvogels bezitten eigenaardig gevormde pooten, doordien hunne toonen door zwemvliezen onderling verbonden zijn; ze kunnen zich bijzonder gemakkelijk in 't water bewegen. Hun bek of snavel is meestal zacht, platachtig en vrij breed en eindigt in een breede hoornachtige kromgebogen punt; alleen de zaagbekken maken hierop eene uitzondering, daar deze een smallen snavel hebben. De bek der zwemvogels, behoorende tot de groep die wij hier wenschen te behandelen, is langs de randen tandachtig gekamd; de tanden der bovenkaak vallen om den anderen tusschen die der onderkaak in, en vormen alzoo te zamen bij gesloten bek eene soort van zeef, door welke bij het opnemen van voedsel in het water, deze vloeistof aan alle zijden uitstroomen kan, en alzoo slechts de vaste en voedende bestanddeelen in de maag komen.

ocr page 28

'2. Nut der Zwemvogels.

Het nut der zwemvogels is velerlei. Behalve dat zij veel bijdragen tot verlevendiging en versiering onzer vijvers en wateren, is hun vleesch zeer smakelijk en hoog geschat. Een jonge goedgevoede gans weegt levend 10 halve Kilogrammen en kost minstens ƒ 4.—, alzoo 40 cent per Va KGr.; een tamme eend van 3/2 KGr. kost ongeveer ƒ 1.20 of eveneens 40 cent per Va KGr. De prijs van het rund- ot' varkensvleesch is gemiddeld insgelijks 40 cent per Va KGr. Wanneer men bij Ganzen en Eenden het afval in aanmerking neemt, zoo is het vleesch van deze hooger in prijs dan van 't rund; daarentegen kosten eerstgenoemde minder aan voeding dan het gewone slachtvee. Een jonge gans van 8 maanden oud is volwassen, eone eend van 10 maanden eveneens, terwijl het rund (met uitzondering der kalveren) meer dan één jaar voeding en verzorging vereischt, voordat het ter markt kan gebracht worden; daarenboven moet het vee nog minstens gedurende een gansche winter op stal gevoederd worden, terwijl zulks bij het slachtgevogelte niet het geval is en de voeding hiervan gedurende den zomer zeer weinig kosten vereischt daar het zulks grootendeeis zelf weet op te sporen. Ook kunnen Ganzen en Eenden in betrekkelijk weinige dagen tijds vetgemest worden, waardoor zij aanmerkelijk in waarde stijgen.

De eieren der zwemvogels zijn zeer gezocht, vooral voor het toebereiden van allerlei soort van gebak, terwijl hunne veeren en dons van hoogere waarde zijn dan die der hoenderachtige vogels, daar zij wegens hare bijzondere

ocr page 29

veerkrachtige zachtheid deze verre overtreffen en tot het vullen onzer hoofdkussens en bedden bij uitnemendheid geschikt zijn.

Oude mest van watervogels, gedroogd en tot poeder gebracht en, om hare scherpe werking te louteren, met andere meststoffen vermengd, is eene uitmuntende meststof tot bemesting onzer landerijen; versch verzamelde ganzen- of eendenmest moet nimmer onmiddellijk op het land gebracht worden, daar zulks te scherp en te brandig is. Dat vogelmest niet voor de beste Guano behoeft onder te doen, hebben met zorg genomen proeven bewezen, mits aan het verzamelen en do behandeling dezer meststof behoorlijk zorg gewijd wordt. Als men den prijs der Guano tot maatstaf neemt, vertegenwoordigt de vogelmest alleen in hot Groot-Hertogdom Baden, volgens liet ^Monatblatt des badischen Vereins fur Gefiü-gelzucht,quot; eene som van 50 a 75,000 gulden jaarlijks aan waarde.

Do Ganzenfokkerij, zooals die in 't bijzonder aan de oostelijke grenzen van ons land als in Gelderland en Overijsel met goed gevolg gedreven wordt, verdient in alle opzichten ook in andere daartoe geschikte streken (b. v. langs de Maasoevers in Noord-Brabant en in Limburg) ten zeerste aanbevolen te worden. Lage en drassige heidevelden, buitenwaarden enz., die bijna tot geen cultuur van welken aard ook dienen kunnen en daardoor weinig waarde bezitten, zijn bijzonder daartoe geschikt, voornamelijk wanneer zij het eigendom der omliggende gemeenten zelf zijn en tegen eene kleine tegemoetkoming tot het laten weiden van ganzen worden afgestaan. Door

ocr page 30

6

deze teelt zal jaarlijks menig kleine boer een niet te versmaden winst kunnen verwerven.

Ook hun die in de onmiddellijke nabijheid van uitgebreide watervlakten wonen is het ten zeerste aan te bevelen een aantal geleewiekte eenden in half vrijen staat in die wateren te laten rondzwemmen. Deze kosten gedurende den zomer bijna niets aan onderhoud, daar zij haar voedsel in de vrije natuur overvloedig vinden kunnen; en in 't najaar opgevangen zijnde, leveren zij bij verkoop in de groote steden eene ruime winst op.

Daar ons vaderland bijna in alle richtingen door kanalen, vaarten en slooten doorsneden is en groote met waterplanten sterk begroeide, stilstaande wateren, als meeren, poelen, veenplassen, enz. bezit, zoo is bijna geen land beter geschikt tot het kweeken van zwemvogels dan het onze; vooral het in onze slooten zoo ruimschoots voorkomende eenden kroos is een bijna onontbeerlijk voedsel, daar dit bij liet kweeken van jonge eenden als het ware een hoofdvereischte is. Zulks is dan ook de voorname reden, waarom de teelt van de vrij kostbare Waaier- en K a r o 1 i n a - e e n d e n en andere met goed gevolg door vele liefhebbers ten onzent gedreven wordt en winstgevend is; zij worden bijna alle tegen goede prijzen voor het buitenland opgekocht. Als bewijs hiervan kunnen wij aanvoeren, dat de Heer P. J. Polvliet te Rotterdam alleen gedurende de 15 jaren aan het jaar 1872 voorafgaande, volgens opgaven van den Heer A. Geoflroy Saint-Hilaire, Directeur van den Jardin d'Acclimation te Parijs, de volgende kostbare zwemvogels gekweekt heeft als:

ocr page 31

1700 Karolina-eenden,

1200 Waaier »

91 Bastaard »

500 Bahama s 98 Zwarte zwanen,

26 Zwartnek s Volgens den Heer Geoffroy vertegenwoordigden de gekweekte Eenden eene waarde van 90,000 Francs

j Zwanen » » 15,000 »

te zamen eene waarde van 105,000 Frs. of 50,000 Gld.

Behalve bovengenoemde Eenden en Zwanen werden door den Heer P. nog een groot aantal kostbare Fazanten cn andere Hoenderachtige vogels gekweekt, die een verkoopsom van ƒ 10,000 opgeleverd hebben; alzoo met de zwemvogels te zamen een ontvangst van ƒ 60,000.

Volgens billijke berekening van den Heer Geoffroy bedroegen de uitgaven voor verzorging, voeding, huurwaarde, renteverlies, enz. (5,800 francs per jaar of 87,000 francs (ƒ 41,000) per 15 jaren tijds; deze som van de 60,000 Gulden afgetrokken, wijst een winst van 25,000 Gulden aan, d. i. bijna 1700 Gulden per jaar.

Bovenvermelde opgaven, uit het Bulletin mensuel de la Sociéte d'Acclimatation 1872 geput, gaat natuurlijk niet verder dan tot het voorjaar van dat jaar, hoewel de Heer Polvliet nog tien jaren langer, tot aan zijn dood, voortging zijn winstgevende liefhebberij voort te zetten.

Be inrichting van den Heer Polvliet vele jaren achtereen van nabij gekend hebbende, hebben wij alle reden te verklaren, dat de becijfering der winsten door den-Heer Geoffroy zoo matig mogelijk gesteld is, zoodat wij met

ocr page 32

8

recht onderstellen mogen, dat de winsten in werkelijkheid hooger mogen geschat worden, wel minstens op 2500 in plaats van 1700 Gulden per jaar, zooals mede door den Heer Geoffroy zelf getuigd wordt.

Als oud-directeur eener diergaarde, aan wier hoofd ik gedurende 16 jaren gestaan heb, gevoel ik mij gedrongen hier aan te stippen, dat groote openbare inrichtingen, als zoölogische tuinen enz., onmogelijk zulke belangrijke winsten kunnen afwerpen. De hoofdreden, waarom de Heer Polvliet zoo bijzonder slaagde, moot gezocht worden in de volkomen rustige omgeving, waarin zijne kweeke-lingen zich voortdurend bevonden ; gedurende den paartijd werd slechts als bij uitzondering en bijzondere gunst aan enkele vrienden door hem de toegang tot zijn tuin verleend. Daarentegen worden in publieke inrichtingen van dien aard de dieren voortdurend door vreemde gezichten verontrust, waarom zij aldaar zoo weinig productief zijn. Alleen de zoölogische tuin te Antwerpen maakt hierop eene uitzondering, doch deze heeft ook eeno afzonderlijke inrichting, uitsluitend voor kweekerij bestemd en welke voor het publiek niet toegankelijk is.

3. Ganzen- en Eendenjacht.

Ons land wordt door zwemvogels gedurende hun trek-tijd in 't vóór- en najaar somtijds in overgroote menigte bezocht, terwijl de personen, die van de jacht op deze vogels een beroep maken, en zij, die er verder handel in drijvèn, op eene goede winst rekenen kunnen.

Behalve een groot aantal ganzen en eenden in tammen

ocr page 33

staat gekweekt, levert ons vaderland nog honderdduizendtallen wild gevangene op, die des winters uit het hooge Xoorden tot ons komen, en die voor een groot gedeelte per stoomboot over Rotterdam en Harlingen naar Londen en Huil verzonden worden. De jacht op deze vogelen moet met de meeste omzichtigheid plaats hebben, daar zij uiterst waakzaam en achterdochtig zijn en altijd een hunner op den uitkijk gesteld hebben, die bij het ontdekken van den minsten onraad, do overige A'oor het dreigend gevaar waarschuwen, waarop allo zich onmiddellijk in de lucht verheffen en op de vlucht gaan.

De Ganzen jacht heeft gewoonlijk des winters bij vriezend weder plaats met schietgeweer, terwijl de jager, bij voorkeur des avonds bij helderen maneschijn, de in het veld neergestreken ganzen tracht te onderkruipen. Op deze jacht gebruikt men doorgaans een geweer met zeer langen loop, algemeen onder den naam van ganzenroer bekend, en is de jager bij aanwezigheid van sneeuw bij voorkeur in 't wit gekleed. In Friesland, Overijsel, Gelderland, Utrecht en in 't Gooiland, voornamelijk nabij de uitmondingen van de l.Tsel en de Eem, niet ver van de boorden der Zuiderzee worden de wilde zwanen en ganzen, vooral bij vriezend weder en wanneer het land met een dikke sneeuwlaag bedekt is, met slagnetten gevangen; door daartoe ai'gerichte lokganzen worden zij tot neerdalen op de gevaarlijke plek verleid. De gemiddelde prijs van aldus gevangen ganzen is, naarmate zij grooter en zwaarder zijn, ongeveer ƒ 1.50 tot ƒ2.00 per stuk. Bij strenge en langdurige winterkoude worden meer ganzen gevangen dan bij zachte winters.

ocr page 34

10

als wanneer zij minder naar de zachtere zuidelijk gelegen landen trekken.

Rotganzen, Br andganzen en Zee-eenden worden in de Zuiderzee tusschen Wieringen, Tessel en Vlieland, op ondiepe met wier begroeide zandplaten, dikwerf meer dan honderd stuks op éénen dag met slagnetten gevangen; door Baanzwemmers of Roepers worden de voorbijtrekkende scharen tot neerdalen verlokt; geraken zij niet onder de slagnetten, dan worden zij in gedeeltelijk boven en in het ondiepe water aan staken gespannen, schakels gedreven en vallen al zoo in handen hunner belagers.

De eenden jacht geschiedt gedeeltelijk met schietgeweer door jagers, meestal elk afzonderlijk in een roeibootje geplaatst en door een helper langs de rietvelden in de veenplassen voortgeroeid, terwijl de wilde eenden door zoogenaamde Schieteenden uit de lucht tot het afdalen in het water verleid worden en alzoo onder het bereik van het geweer des jagers geraken. Een goed gedresseerde hond is hij de eendenjacht onontbeerlijk, het zij om het wild uit het riet, waarin het zich over dag verschuilt, op te drijven, of wel na aangeschoten te zijn daaruit te halen en aan zijn meester te brengen. In die streken van ons land, waar uitgestrekte,'langs de hoorden dicht begroeide veenplassen aanwezig zijn, wordt de eendenjacht op groole schaal gedreven door middel van zoogenaamde eendenkooien. Deze bevinden zich in de nabijheid dier veenplassen en wel aan het einde van kromloopende slooten, die aan de kanten dicht begroeid zijn en in die plassen uitmonden, terwijl zij naar achteren

ocr page 35

11

toe al nauwer en nauwer worden ; het oeverhout wordt over de sloot gewelfswijs saamgevlochten, of deze wordt met dek netten van boven afgesloten. Aan het einde van dergelijke sloot, achter de laatste kromming, is een groot en sterk fuikachtig net geplaatst, dat door groote hoepels uitgespannen gehouden wordt; dit net sluit zich bij zijne opening aan een ander aan, dat met het deknet verbonden is. De wilde eenden worden door lokeenden en roepers, uit de lucht tot afdalen in het water en verder in de sloot gelokt, zonder dat zij gevaar bespeuren, wijl de kanten der slooten niet staande rietmatten voorzien zijn, waarachter zich de kooiker schuilhoudt en door kijkgaten in do matten zich van den stand van zaken vergewist. Een daartoe afgericht hondje, langs den waterkant loo-pende, weet de eenden door zijn voortdurend keffen steeds vooruit te drijven, totdat zij eindelijk den plotseling verschijnenden kooiker achter zich ziende, al vluchtende in de fuik geraken.

Op deze wijze worden in het najaar en gedurende de wintermaanden eenige honderdduizenden eenden gevangen, die tegen den prijs van 0.70 a 1.25 Gulden, naarmate van het seizoen en de overvloedige vangst,per stuk verkocht worden.

Een groot aantal dezer eenden wordt doorgaans dood en ongeplukt naar Engeland verzonden, alwaar zij zeer gezocht zijn, terwijl de overige in onze steden door poeliers en détail verkocht worden. Gedurende de maanden October en November worden de kooieenden ook levend in manden verpakt, die elk ongeveer 40 stuks bevatten, en alzoo per stoomboot naar Engeland vervoerd.

Vele dier wilde eendsoorten, als Va lingers, Smien-

ocr page 36

12

ten. Talingen, Pijlstaarten, Bergeenden enz., worden in levenden toestand, meest over Rotterdam, tegen goede prijzen voor Fransche rekening naar Parijs verzonden, ten einde tot versiering van de vijvers der kasteelen en buitenverblijven in Frankrijk te kunnen verstrekken. Wij betreuren, het, dat bij onze landgenooten dergelijke liefhebberij, die ten onzent zooveel minder kostbaar zoude zijn, zoo weinig wordt aangetroffen; immers wat is schooner dan een uitgestrekte waterpartij op hare oppervlakte door een tal van verschillend gekleurde zwemvogels groepsgewijze te zien verlevendigd.

4. Broeden in vrijen natuurstaat.

Zwanen en Ganzen broeden nimmer in wilden staat bij ons te lande; zulks geschiedt uitsluitend in de meer noordelijk in Europa gelegen streken; alleen in het midden der provincie Friesland broeden als bij uitzondering jaarlijks enkele paren wilde ganzen. Onder de in ons vaderland in vrijen natuurstaat voorkomende eenden tellen wij, behalve de gewone wilde eenden, Smienten, Talingen, Krakken, Slobben, Pijlstaarten en Bergeenden, die bij ons, doch slechts éénmaal per jaar broeden. In Maart treedt de paartijd in, als wanneer elk mannetje of waard, met het door hem uitverkoren wijfje zich van de overige eenden afzondert, terwijl zij zich over dag zooveel mogelijk tusschen het riet verscholen houden. Op een hoven het water uitstekenden rietpol le midden der veenplassen of dergelijke onherbergzame oorden broeit de eend; het nest, dat uit droge biezen bestaat, wordt door haar van binnen

ocr page 37

13

rijkelijk met uit haar borst geplukt dons en zachte veeren bekleed; in dit zacht bed legt zij van 10 tot 16 eieren, die bij het verlaten van het nest door de moeder met het dons behoorlijk tegen de koude bedekt worden, liet mannetje blijft steeds op eenigen afstand het nest en de broedster bewaken, om bij den minsten onraad haar bijtijds te kunnen waarschuwen. Sommige wilde eenden geven er de voorkeur aan hare eieren op hoornen in verlaten kraaien- en eksternesten te leggen cn deze aldaar uit te broeden; zulks ziet men b. v. in het Soerensche bosch op de Veluwe. Daar jonge eenden reeds na den eersten dag van hare geboorte het water opzoeken om zich te voeden, — wat uit den aard van het voedsel en den bouw van den bek der moeder, door deze niet kan geschieden, — zijn ze verplicht kort na de geboorte het nest te verlaten, willen zij niet van honger omkomen. Hoe zulks uit hoog in de hoornen geplaatste nesten geschiedt, is tot heden nog niet duidelijk; sommigen beweren, dat beide ouders de jongen het eene na liet andere in hun bek naar het water dragen; anderen, dat de jongen zich uit het nest naar beneden laten vallen: door de dikke laag dons,waarmede de jonge eenden omhuld zijn, beschut, zouden zij zonder eenig letsel hekomen te hebben den grond bereiken. Wat van een en ander waar is, blijft nog steeds een raadsel; mogelijk geschiedt zulks wel op beiderlei wijze, naar de eischen der omstandigheden. De bergeenden broeden in de duinen en zandrijke stroken in verlaten konijnenholen, somtijds op uren afstands van eenig water. Tot heden heeft men nog niet kunnen waarnemen, hoe deze jonge, op het land betrekkelijk hulpelooze diertjes, het water

ocr page 38

14

bereiken. Men moet onderstellen, dat de ouders de jongen in den bek wegvoeren; hunne pooten toch zijn ongeschikt de jongen vast te houden, terwijl die der jongen niet toestaan zich aan vader en moeder vast te klemmen, zoo deze ze op hunnen rug in de vlucht zouden willen medevoeren.

5. Invloed van den menscti op het vormen van rassen.

Bij alle tamme- of huisdieren, die sedert eeuwen onder den invloed van den mensch gestaan hebben,komen verschillende rassen of onderlinge afwijkingen voor, die dikwerf zoo belangrijk zijn, dat dieren, hoewel tot dezelfde soort behoo-rende en uit dezelfde oorspronkelijke stamouders ontsproten, in de verste verte niet meer op elkaar gelijken; denken wij b. v. hier voor een oogenblik aan een Ulmer-dog, een Terre-neuve hond, een Hazenwind, een Poedeleneen Mop. Dergelijke belangrijke rasverschillen vinden wij ook bij het tam gevogelte, als de Hoenders en Duiven; daarentegen komt zulks niet zoo ingrijpend voor bij de tamme zwemvogels: liet bepaalt zich bij ganzen en eenden hoofdzakelijk tot verschil van kleur, de witte kleur namelijk, die men zoowel bij ganzen als eenden aantreft; bij de laatste evenwel vindt men nog geheel zwarte (Fluweel-eenden) en enkele parelkleurige en bonte. Somtijds treft men ook eenden aan, die met eene, gewoonlijk witte kuif getooid zijn of wel die een sterk gebogen bek hebben (Poolsche eenden) en andere (Pinguin-eenden), wier pooten meer achterwaarts geplaatst zijn, dan gewoonlijk het geval is, waardoor zij genoodzaakt zijn bijna recht over-

ocr page 39

i 5

eind te loopen, zooals zulks bij de Pinguins het geval is.

Door zorgvuldige kweeking en voeding heeft men in sommige streken het gewicht der ganzen en eenden zeer weten op te voeren, zooals zulks het geval is bij de Tou-louse-ganzen, alsmede bij de Rouaan- en witte Engelsche eenden; daarentegen heeft men nog andere, namelijk de Kwaker-eenden, die bijzonder klein blijven. Gedurende den Krim-oorlog zijn voor het eerst uit Sebastopol naar Engeland ingevoerd witte ganzen (Donau-ganzen), die zich van de gewone tamme ganzen onderscheiden, doordien zij zeer lange gekrulde rugveeren bezitten, welke somtijds zelfs langs den grond slepen. De hierboven aangehaalde afwijkingen zijn de eenige, die wij bij onze gewone tamme ganzen en eenden aantreffen. Bij onze tamme zwanen, van welke de jongen gedurende hun eerste levensjaar grauwe veeren en dons hebben, vindt men een ras, dat reeds van de geboorte af aan, geheel wit is. Bij de uitheemsche watervogels treffen wij alleen onder de Chineesche Knobbel-ganzen en de Zuid-Amerikaansche Muskus-eenden afwijkingen aan, namelijk bij beide vinden wij eene zuiver witte variëteit; van de Muskuseenden treft men somtijds donkere of lichtere havana-kleurige voorwerpen aan.

Uit bovenstaande regelen blijkt ten duidelijkste, dat de invloed van den mensch op gedaante en kleur der zwemvogels niet van zulk een ingrijpenden aard is geweest, als wel bij andere dieren in tammen staat het geval is, waar dikwijls zelfs de inwendige bouw, namelijk het skelet, soms aanmerkelijke wijzigingen ondergaan heeft. Zeer zeker is zulks hoofdzakelijk daaraan toe te

ocr page 40

lü

schrijven, dat dc zwemvogels niet zoozeer onder's men-sciicn onmiddellijken invloed staan, maar altijd nog eene soort van halve onafhankelijkheid hebben weten te behouden en van hunne verzorgers in den regel niets weten willen, dan wanneer zij door honger gedreven worden; zoo spoedig hebben zij dezen niet gestild, of zij verwijderen zich onmiddellijk daarna tot op vrij grooten afstand, naarmate zulks ter hunner beschikking staat.

ocr page 41

HOOFDSTUK 11.

VERZORGING DER ZWEMVOGELS.

i. Ganzenfokkerij.

I)c Ganzenfokkerij kan sleclits met goed gevolg uitgeoefend worden in streken, daartoe als bij uilzondering geschikt.

Wanneer men de ganzenfokkerij wil uitoefenen op besloten erven, bij gebrek de ganzen op gescliikte uitgestrekte terreinen te laten weiden, dan moet zij op beperkten voet gedreven worden, daar de gans slechts in de vrije natuur goed tiert en voordeel afwerpt. Jonge ganzen van ongeveer 8 dagen oud kosten gemiddeld 40 a 45 cents per stuk; gedurende de eerste 5 weken moet men ze voeden met zemelen, brood, havergort enz.; zulks kost dagelijks ongeveer 3 centen per dier, alzoo in 5 weken ruim één Gulden. Vóór en aleer cene jonge gans tot talelge-bruik geschikt is, verstrijken er ten minste nogmaals 10 weken, en hoewel zij alsdan meer eten dan vroeger, is zulks evenwel niet duurder, daar zij alsdan meer groenvoer nuttigen dan op jongeren leeftijd; zij eten evenwel toch nog

2

ocr page 42

18

voor 3 conlon daags, alzoo in dien lijd weer voor ten minste /2 per stuk. Op den leeftijd van 3 a 4 maanden is de prijs eener gans ongeveer /2 a /quot;2.50, terwijl zij zelf 3 Gulden aan voer gekost heeft. Op boerenerven, waar het voer niet behoeft aangekocht te worden en waar veel afval van bladgroenten en aardvruchten voorkomt, kan de voeding veel goedkooper plaats hebben; doch men zorge steeds nimmer meer ganzen te houden dan men goedkoop voedsel geven kan. Do jonge ganzen van het eerste broedsel moeten bijtijds ter markt gebracht worden, wijl wanneer zij in 't najaar zouden moeten vetgemest worden, zij alsdan te veel aan voer- zonden kosten.

Daar de volwassen ganzen, behalve van haver en gerst, wortelen en knollen, hoofdzakelijk van groen plantaardig voedsel leven, zoo is de goedkoopste wijze om ze te onderhouden, ze in 't vrije veld te laten grazen; daartoe zijn laaggelegen moerassige heidevelden on buitenwaarden, tot het grazen van vee van weinig waarde, zeer geschikt; goede weiden en grasvelden zijn de ganzen onnut, daar zij het veld door hare uitwerpselen tot het weiden van ander vee onbruikbaar maken. De goedkoopste wijze om ganzen te voeden is zo langs openbare wegen en slooten haar eigen voer te laten opzoeken; doch daar ganzen, die geheel aan zichzelve worden overgelaten, veelal veld- en tuinvruchten beschadigen, zoo is het raadzaam in elk oord waar vele ganzen gehouden worden eene gemeenschappelijke ganzen-weide aan te leggen, alwaar zij onder toezicht van kinderen, zoogenaamde ganzenhoeders ofganzenhoedsters gesteld zijn, en door welke zij, evenals eene kudde schapen door den herder, des morgens heen en des

ocr page 43

19

avonds terug gevoerd worden; bij het huiswaarts keeren weten de ganzen ieder haar eigen woning terug te vinden, zooals zulks ook hij de schapen het geval is. Wanneer de ganzen aan zichzelve overgelaten, nergens schade kunnen aanrichten, kan men ze gerust zonder toezicht laten; zoo zij tegen den avond op geregelde tijden gewoon zijn te huis gevoed te worden, zullen zij niet in gehreke blijven op den bepaalden tijd thuis te zijn. Hoewel do ganzen ongaarne te water gaan om te zwemmen, zoo is echter zuiver water om te drinken en zich te baden eene noodwendige behoefte voor haar en mag haar nooit ontbreken; zonder dit kwijnen zij, en om deze reden moet een ganzenweide langs den zoom van een water gelegen zijn; ook moet zij met eenige boomen beplant wezen, die haar schaduw geven.

Jonge tamme ganzen van ten hoogste G weken oud worden in Maart en April te Enschedé en Goor op de markt aldaar door ganzenboeren ter verdere opfokking aangekocht. Een groot aantal van deze worden echter voor Engelsche rekening aangeschaft en verpakt in manden (twee lagen hoog), waarvan elke laag in 2 vakken is verdeeld; ieder vak of afdeeling bevat vijftien vogels, alzoo 00 ganzen in eéne mand, die per stoomboot over Rotterdam naar Engeland verzonden worden om aldaar verder tegen Kerstmis en Nieuwejaar vetgemest te worden. Overigens hebben in 't najaar groote ganzenmarkten bij ons te lande plaats, en wel op den len Maandag in November te Zutfen „ n 2en Donderdag Deutichem

// // 2en Vrijdag „ u // 3en Dinsdag u

n Zwolle „ Deventer.

u

u

ocr page 44

20

Aldaar worden op die dagen 1000-tallen van volwassen ganzen verhandeld en voor een goed deel door opkoopers voor Engelsche rekening aangekocht; door elkaar gerekend wordt van 25—30 cents per Va KG. besteed. liet gemiddeld gewicht dier ganzen is 4 KG. per stuk.

Het mannetje, de Gent of G a n z e r i k, onderscheidt zich van het wijfje, eenvoudig Gans geheeten, hoofdzakelijk doordien het iets zwaarder gebouwd is; liet staat hooger op de beenen, hoeft een dikkeren hals en bezit een krachtiger cn lager klinkende stem; ook heeft do Gent een minder neerhangenden buik dan de Gans.

De leeftijd der ganzen laat zich beoordeelen naar de kleur van bek en pooten, die bij jonge dieren Meeker van kleur is dan bij oudere; ook kan men zulks aan den gorgel waarnemen, die, hoe ouder het dier is, zich ook des te harder of meer verbeend laat aanvoelen. Verder is de buik bij jonge ganzen nog rond, daar de hangbuik eerst met de jaren toeneemt.

Eén Gent is voor acht a tien ganzen voldoende.

Ganzerikken van 2—Sjarigen leeftijd zijn de vruchtbaarste voor de voortplanting. De Ganzen kunnen wol wat meer jaren tellen, doch boven de 40 jaren moet men ze liever niet meer laten broeden, hoewel er voorbeelden bekend zijn, dat ganzen van 20 tot 30 jaren op dezen hoogen leeftijd noch twee malen per jaar met goeden uitslag gebroed bobben.

Wanneer een Gent eenigen afkeer voor eene of andere Gans toont te bezitten, dan verwijdere men dezeverstoo-telinge, daar deze afkeer zich nimmer herstelt.

Sedert jaren lang hebben onze ganzenboeren zich bijna

ocr page 45

uitsluitend op de teelt der gewone grauwe tamme ganzen toegelegd, zooals hunne voorouders zulks plachten te doen; aan verbetering van het ras is door hen nimmer gedacht. Hoog tijd wordt het, dat hierop de aandacht gevestigd worde. Wanneer een intelligente en ondernemende ganzenfokker zich door aankoop van een of meer Ganzerikken van edel bloed, als die behooronde tot de rassen der Toulouse-, Embder- of Pommersche ganzen wilde trachten zijne Ganzen-familie te verbeteren, dan kan hem, zoo zulks met beleid geschiedt, bij voorbaat reeds een gelukkige uitslag voorspeld worden. Hierboven hebben wij gezien, dat het gemiddeld gewicht der gewoonlijk ter markt gebrachte ganzen ongeveer op 4 KG. kan geschat worden ; zonder twijfel kunnen de door kruising verbeterde nakomelingen op 5 a fi KG. gerekend worden, en als deze volgens denzelfden maatstaf namelijk ii 30 cent per Vi KG. verkocht worden, geeft zulks een prijs van ƒ 3 a ƒ 3.50 per vogel, terwijl zijne ganzen hem vroeger slechts ƒ2 of/quot;2.50 opbrachten, afgezien nog van hare hoogere waarde door verbetering van haar vleesch in eiken mogelijken zin, waardoor haar prijs nog aanmerkelijk hooger kan geacht worden te zijn. Bij een bestaanden troep volwassen ganzen moet men met beleid een of meer nieuwe ganzerikken toevoegen, daar deze gewoonlijk door de anderen vijandig zullen behandeld worden. Het best doet men in't voorjaar eieren, bij voorbeeld van Embder ganzen, aan te schaffen en deze gelijktijdig met die der gewone ganzen uit te laten broeden; op die wijze komt men zonder al te groote uitgaven in 't bezit van goede fokganzen.

Wat verdere Verpleging, Ziekten, Vijanden, Eierproductie

ocr page 46

22

Voortteling, Vetmesten on 't plukken der Ganzen betreft, dit zullen wij hierna ter gelegener plaatse behandelen.

2. Zwanendriften.

De Zwaan is zeer nuttig in vischvijvers, daar hij het voortwoekeren der waterplanten beperkt door tie jonge scheuten te verorberen en daardoor als het ware het dichtgroeien dier vijvers ten nadeele der visschen voorkomt; visschen zelf worden door de zwanen niet verslonden. Eendenkroos wordt vooral door jonge zwanen gaarne gegeten, zoo ook allerlei waterinsecten, slakken enz. die zij, dank zij hare lange halzen van den bodem van het water weten op te nemen.

De Zwaan kan uitsluitend een watervogel genoemd worden; hij komt weinig op het land en loopt zeer ongeschikt; daarentegen is hij een zeer geoefende zwemmer.

Hoofdzakelijk wordt de Zwaan ten onzent als siervogel onzer vijvers zeer op prijs gesteld; ook in de grachten van vele onzer steden, in de vijvers onzer grootere en kleinere parken en buitenverblijven ziet men deze prachtige dieren aan de hoede van het publiek toevertrouwd, dat zulks dan ook met voorliefde waarneemt. Heeds sedert eeuwen was het gebruik zwanen in de wateren oin de stadswallen en in de grachten om kasteelen en burchten vrij te laten rondzwemmen; bijzondere wetten beschermden deze vogels tegen den moedwil of de baldadigheid van dezen of genen ruwen poorter of buitenman.

Om de ver afgedwaalde zwanen van andere te kunnen onderscheiden, werd er eertijds op hunnen bek met een

ocr page 47

gloeiend brandijzer oen of ander merk ingebrand; van deze, voor het dier zeer pijnelijko operatie is men echter teruggekomen ; tegenwoordig worden zij gemerkt door om hun hals een metalen ring aan te brengen, die met een wapen of naamcijfer gemerkt is.

Voor zooverre ons bekend is, worden de zwanen nergens bij ons te lande op zoo groote schaal gekweekt, om er voordeel van te trekken, dun alleen in de waterrijke streken van Noordholland en wel in 't bijzonder in de Purmerpolder, de Rijp, de omstreken van Hoorn, Edam enz., alwaar zij, •on voornamelijk het zoogenaamde witgeboren ras, in vrij groote hoeveelheid gekweekt worden ter wille van hunne kostbare wille veeren, die tegen goede prijzen door rondreizende opkoopers worden ingekocht. Vele dezer zwanen worden 's winters levend uit Purmerend naar Amsterdam verzonden, aldaar gedood, geplukt en het vel met het dons er op afgestroopt, dat, na terloops toebereid te zijn, vervolgens te Leipzig bij gelegenheid der jaarmarkt aldaar verkocht en tot bont voor handmoffen; manteltjes enz. verwerkt wordt. Zij gelden alsdan 5 a 8 Gulden per vel; in dezen handel worden duizenden Guldens omgezet en hij is bijna uitsluitend in handen van Israëlieten. Het vleesch der gevilde zwanen en ganzen ziet men des winters te Amsterdam, op de openbare markten en in kelderwoningen in achterbuurten, ten gerieve van den kleinen burgerman te koop hangen of wel meestal des Zaterdagsavonds onder de bezoekers, a 10 cents het lot, in herbergen verloten.

liet vleesch van jonge zwanen is zeer smakelijk; dat van oude moet, nadat do huid afgestroopt is, een paar dagen in azijn gelegen hebben voordat men het braden wil. Hoezeer

ocr page 48

24

1

de zwanenteelt nog voor weinige jaren in Noord-Holland zeer in bloei was, is zij echter in de laatste jaren zeer alge-nomen, wijl nieuwe wetten op liet recht van het houden van zwanendriften In die streken dezen tak van nijverheid zeer belemmeren. Zulke beperkende wetten waren echter hoogst noodzakelijk in 't belang der eigenaren van landerijen grenzende aan die der groote zwanendrift-houders, daar hun eigendom door die vogels op den langen duur zeer benadeeld werd; tegenwoordig mag niemand meer in die streken zwanen of ganzen houden, tenzij hij over een vrij uitgebreid terrein water en land te beschikken heeft.

3. Eendenfokkerij.

Waar den mensch veel water, als veenplassen, polder-slooten met sterk begroeide boorden enz., ter beschikking staat, kan de eendenfokkerij mot voordeel gedreven worden, daar de eenden onder al liet pluimvee de minste oppassing vereischen. Zoo men groote wateroppervlakten mist en men de eenden uit de hand moet voeden, dan kosten zij licht meer dan zij opbrengen; in 't eerste geval zoeken zij voor het grootste gedeelte van het jaar haar voedsel zelf, zoodat haar onderhoud betrekkelijk weinig of bijna niets kost. Daar de eenden in tuinen en velden enz. geen schade aanrichten, doch integendeel door het verdelgen van slakken, wormen en insecten eerder nut aanbrengen, zoo kan men ze in groote tuinen en buitenplaatsen, van vijvers en groote waterpartijen voorzien, met voordeel en ter versiering der omgeving vrij laten rond-loopen. In de omstreken van Oost-Zaan en Purmerend,

ocr page 49

25

alsmede in die van Enschedé en Goor wordt de eenden-fokkerij op groote schaal gedreven. Na half April worden uit evengemelde streken 100.000 tallen jonge eenden over Rotterdam levend naar Engeland verzonden om daar verder te worden opgekweekt; zij worden, bij ongeveer 40 stuks te zamen in platte manden verpakt, per stoomboot verzonden.

De W a ar d e n onderscheiden zich van de E e n d e n doordien zij iets zwaarder zijn — de kop is een weinig dikker, de hals langer —en voornamelijk doordien zij gedurende den paartijd boven hot begin van den staart een paar naar boven en voorwaarts gekrulde veeren bezitten; bij de gekleurde rassen zijn de Waarden fraaier gekleurd en hebben op kop, hals en vleugels eeno bijzonder rijken metaal-glans. liet geluid van den Waard is eenigszins heesch, lager in toon en zwakker dan van dc Eend, die met heldere stem in hoogere en lagere toonen steeds haar draek, draek laat hooren.

Tot voortteling is een Waard voorSa lO Eenden voldoende; deze moeten ongeveer den leeftijd van 3—G jaren bereikt hebben: jonger of ouder zijn zij minder vruchtbaar.

De eenden beginnen reeds te leggen in 't begin van Maart en gaan daarmede tot de maand .Mei toe voort, zoo zij ten minste behoorlijk gevoed worden en zij zich op haar gemak bevinden. Gedurende dien tijd moet men de eenden in het oog houden, daar zij gaarne hare eieren op verscholen en verafgelegen plaatsen verbergen willen; somtijds verliezen zij ze zelfs in 't water. Ten einde hier tegen zooveel mogelijk te waken, is het raadzaam reeds met het begin van het voorjaar de eenden, 3 a 4 malen daags, doch steeds weinig te gelijk te voeden, en wel

y

ocr page 50

2G

altijd in de nabijheid waar men ze gaarne zoude zien broeden. De eenden kunnen, zoo het broeden er geen verstoring in brengt, van Maart tot Mei 50 a GO eieren leggen, van welke de schaul eenigszins licht groenachtig van kleur is. Gekookt zijnde wordt het eiwit niet zoo vast als dat der kippeneieren ; in den handel worden zij ook minder goed betaald, hoewel hun door koek- en pasteibakkers boven de laatste de voorkeur gegeven wordt.

In het voorjaar plaatst men dicht aan den waterkant de algemeen bekende lleschvormige eenden-manden, vanbinnen met een weinig hooi of stroo voorzien, waarin tevens een paar porseleinen kunsteieren gelegd worden, om als het ware de eenden uit te lokken hare eieren bij deze te leggen. Dagelijks worden de versch gelegde eieren weggenomen tot hot tijdstip dat de eend broedsch is geworden, als wanneer men haar 8 a 12 der laatstgelegde eieren teruggeeft om die te laten uitbroeden; men raadplege verder Hoofdstuk VIT, art. 1.

Wanneer de eenden éénmaal daags op een bepaalden tijd, door een haar bekenden persoon, onder het laten hooren van hetzelfde lokgeluid of gefluit op één en dezelfde plaats atm den waterkant een weinig haver, eenige korstjes brood of ander voer toegeworpen wordt, zoo is men verzekerd, dat zij altijd op denzelfden tijd, terzelfder plaatse zullen aanwezig zijn en alzoo dagelijks onder toezicht van den eigenaar staan, terwijl zij bij dergelijke gelegenheid des. verkiezende gemakkelijk kunnen opgevangen worden.

De eenden, die de kleur der wilde hebben, zijn sterker dan de overige; bij deze en de zwarte eenden is de bek donker olijfgroen. Bij de witte en lichtgekleurde rassen is

ocr page 51

dc bek geel of geelachtig groen. Bij alle zijn de pooten rood.

Onze gewone lamme eenden bezitten zeer goede eigenschappen, waaronder hare onafhankelijkheid van den mensch en hare ongevoeligheid voor elke weersverandering behooren. Door voortdurend voortkweeken uit dieren van dezelfde stamouders herkomstig zijn echter vele van haar ontaard, leveren een kleinen bout, en wat hare eierpro-ductie betreft, deze is niet bijzonder groot.

Ten einde een sterk ras te verkrijgen tegen weer en wind gehard, moot men eieren van wilde eenden door tamme eenden laten uitbroeden en de daaruit verkregen wijfjes laten paren met mannetjes van edeler ras.

Zoo men lammeeenden kruist, de grauwe met een Rouaan-waard, de witte met een Schotschen waard, dan verkrijgt men dieren, die zich gemakkelijk laten mesten, een betrekkelijk kolossnal sewicht bereiken en wier vleesch bijzonder smakelijk is. Daarenboven zijn deze gekruiste eenden betere eierlegsters dan de gewone tamme en veel minder gevoelig voor koude enz. dan de zuivere llouaan-en Schotsche eenden.

Dc uit deze kruising verkregen vrouwelijke eenden paart men weder met een llouaan- of Engelschen waard, waardoor men eindelijk eenc generatie verkrijgt, die van de oorspronkelijke stamvaders bijna niet meer te onderscheiden is.

Heeft men eenmaal een ras verkregen, over welks eigenschappen men alle reden heelt tevreden te zijn, dan moet men in de eerste plaats zorgvuldig waken, dat geene waarden van minder zuiver bloed zich onder dc eenden mengen.

ocr page 52

28

en daardoor op hare nakomelingen, zelfs voor een zeer geruimen tijd, een hoogst nadeeligen invloed oefenen.

De eenden kunnen ongeveer een tiental jaren oud worden en tot dien leeftijd nog vrij goede eierlegsters zijn ^ doch die, welke uitsluitend tot tafelgebruik bestemd zijn, vooral de waarden, moet men, zoodra zij volwassen zijn ter slachtbank brengen; ouder wordende zijn zij minder malsch van vleesch en hebben daarenboven meer aan voer gekost, dan strikt uoodig was om ze tot hare volle waarde te brengen.

4. Vijvers en Eendenkommen.

AVaar natuurlijke wateren, als veenplassen, polderslooten enz. ontbreken, moet men daarin voorzien door voor de zwemvogels vijvers ter hunner beschikking in te richten. Op grootc buitenplaatsen zijn deze doorgaans altijd aanwezig, en zelfs dikwerf genoeg van vrij groote oppervlakte, doordien op dergelijke plaatsen meerdere vijverszijn, door sierlijk slingerende beekjes of slooten met elkaar verbonden. Deze wateren mogen niet te diep zijn en moeten bij voorkeur met waterplanten en eendenkroos begroeid wezen, daar een en ander, alsmede de daartusschen levende waterslakken en insecten een hoofdvoedsel voor de zwemvogels uitmaken.

Hoezeer voor ganzen minder wateroppervlakte verlangd wordt dan voor zwanen of eenden, daar zij minder gaarne zwemmen dan deze, zoo hebben zij er echter groote behoefte aan om zich meermalen daags te kunnen baden; zonder dit kunnen de ganzen niet gezond blijven.

ocr page 53

29

Indien de randen of boorden der vijvers uit grasvelden bestaan, welke in sierlijke bochten en zacht glooiend het water omzoomen, dan moeten er bijzondere maatregelen genomen worden, hoofdzakelijk vlak langs de waterlijn, om het voortdurend uitvreten der kanten vooral door de eenden te voorkomen, daar deze bijna zonder rusten, dag en nacht door, met hun bek den door het water doorweekten grond tot modder verwerken oin er wormpjes uit te zoeken; deze modder wordt door het water opgelost en in de diepte weggespoeld, waardoor overal langs de kanten gaten ontstaan, die hoe langer hoe meer invreten en veel land doen verloren gaan.

Ten einde hierin te voorzien, worden die grasranden doorgaans door houten beschoeiingen tegen het wegspoelen beschut. Indien de waterkant niet al te gloeiend is en de waterstand niet aan groote afwisseling in rijzen en dalen is blootgesteld, doordien men zulks naar behoefte door duikers kan regelen, zoo verdient het de voorkeur langs de waterlijn eene bestrating van afgekeurde straatkeien uit de steden, 5 a 0 rijen hoog aan te brengen, en wel zoo dat de grootste helft zich in het water onder de waterlijn bevindt; deze bestrating mag echter niet te steil gemaakt worden, opdat de eenden gemakkelijk uit het water tegen den wal kunnen opklimmen om zich aldaar eene wijle te verpoozen. Zoo men verhinderen wil, dat de vogels zich te ver van hot water verwijderen, voornamelijk wanneer men meerdere rassen of toornen bezit die steeds onderling strijd voeren, dan kan men hierin voorzien, door op eenigen afstand van het water op den wal een haagje te maken, bestaande uit wilgentakjes ter

ocr page 54

30

dikte van een pink en ter lengte van ongeveer 0.75 meter ol' 272 vt., boogvormig met de beide einden 0.15 meter diep in den grond gestoken, in 't midden van elke boog met de volgende weer beginnende; deze bogen mogen natuurlijk niet zoo hoog zijn, dat de eenden er onder-ol'tus-schendoor kunnen kruipen. Zijn de eenden nog jong of van klein ras, zoodat zij overal kunnen doorsluipen, dan nemo men een aantal dunne ijzeren staafjes van 5 a 0 millimeter dikte en elk van 0.30 M1. of 1 vt. lengte; deze staafjes worden op afstanden van 5 centim. van elkaar langs de rij gebogen wilgentakjes, ongeveer 0.10 M1. diep, loodrecht in den grond gestoken. Na eenigen tijd beginnen de wilgen-takjes te groeien en blad te maken en alzoo als bet ware in een a twee jaren tijds, na behoorlijk gesnoeid geweest te zijn, een laag dik en levend haagje te vormen, voldoende om de watervogels in hare wandelingen te beperken. Wanneer er ruimte toe bestaat en de glooiing breed genoeg is, verdient bet aanbeveling de gebogen wilgentakjes niet in eene rechte maar in een golfvende lijn om het water to plaatsen, waardoor alles een meer sierlijk voorkomen zal verkrijgen en hot zelfs mogelijk wordt bloemperken in het gazon tegen beschadiging der vogels te beschutten.

Wil men in 't water afzonderlijke afdeelingen maken om verschillende toomen of paren zwemvogels van elkaar af te zonderen, dan is het Engelsch gegalvaniseerd en machinaal vervaardigd vlechtwerk met mazen van 5 centim. (2 Eng. Dm.) middellijn het meest doelmatige daartoe; doch men moet nauwkeurig zorgdragen, dat dit vlechtwerk tot goed op den bodem of diep in de modder reikt, zoodat de eenden er niet onderdoor kunnen duiken, hetgeen zeer

ocr page 55

31

gevaarlijke gevolgen zoude kunnen hebben, daar, wanneer een vogel op een of andere wijze onder water beklemd raakt, hij noodwendig verdrinken moet.

Zeldzame en kostbare soorten van eenden, welke geleewiekt zijn, geeft men gewoonlijk een met hek- of vlechtwerk van 0.60 (2 vt.) hoogte omrasterd loopperk van eenige □ Ms. oppervlakte ter beschikking; in dit perk, dat met grof zand of fijne grind moet bedekt zijn, bevindt zich in het midden eene zoogenaamde eendenkom ; naarmate men meer of minder dieren in één en hetzelfde perk wil huisvesten, moeten het perk en de kom ook grooter zijn. Graszoden zijn in een dergelijk perk geheel onnut, daar zij door de platte voeten der vogels toch worden doodgetrapt. Een houten kuip van I meter middellijn en ]/2 meter diepte, met den bövenrand gelijk met den beganen grond in de aarde ingegraven, zal in de meeste gevallen blijken voldoende te zijn. Kommen van grootere afmetingen voor Zwanen en Ganzen bestemd moeten bij voorkeur gemetseld zijn, met den bodem eenigszins hol en niet plat, om te voorkomen, dat de bodem door eventueele drukking van het grondwater zoude opgeperst worden, zoodra de kom zelf geen water mocht bevatten. Deze eendenkommen moeten altijd tot aan den rand toe met schoon water gevuld zijn.

Zoo men meerdere soorten van eenden te gelijk wil houden, dan is het verkieselijk elke kom door eene waterdichte leiding, (waardoor zeer geschikt de min kostbare asphaltbuizen aan te wenden zijn) met de naast aangrenzende te verbinden, en, indien de ligging van het terrein of de inrichting zulks veroorloven, in de eerste kom

ocr page 56

versch water in tc laten on bij do laatste kom dit te laten uitstroomen. Op deze wijze bekomen de dieren voortdurend versch water en wordt voel handenarbeid bespaard, daar, indien het water niet doorstroomend is, elke kom op behoorlijke lijd, ten minste tweemaal per weck, moet leeg-geschept en gereinigd worden; zuiverheid van het water is steeds cene hoofdvcreischte voor do gezondheid der dieren.

De groote rijkdom aanvoeren bij zwemvogels maakt, dat zij aan een vrij sterke vorst weerstand kunnen bieden; men ziet onze gewone tamme rassen dikwijls zelfs gedurende de felste winters geheolo dagen en nachten achtereen op de sneeuw en liet ijs rondloopen en uitrusten, of in open vakken hoen on weer zwemmen of slapen, zonder in het minst van koude of wind te lijden. Bij vriezend weder houden de zwemvogels, wanneer zij talrijk genoog bij elkaar zijn, gezamenlijk door hunne voortdurende bewegingen het water om zich heen open en bevinden zich daarbij veel boter, dan wanneer men ze in een stal of schuur opsluit. Hoe meer men onze tamme zwanen en eenden in hun element, als kinderen der natuur, aan zichzolvo overlaat, des te minder worden zij ziek en bereiken een hoogen ouderdom. Hoe moor men zo opsluit, zooveel to eerder worden zij zwak en ziekelijk. Blijkt het bij sterke vorst, dat de pogingen dor vogels onvoldoende zijn om het water zelf open te houden, dan moet men ze daar in te ge-moet komen door een gedeelte van het ijs, wanneer het nog dun is, voor hen te breken en zoo noodig zulks meermalen daags te herhalen. Het gebroken ijs moet men niet langs de kanten van het geopende vak ophoopen, maar

ocr page 57

under hot ij.s wcgsluwen ol'op ecnigen afstand verwijderen ; zoo men zulks naliet, zoude men na langdurige vorst daarvan veel ongemak ondervinden, daar men alsdan langs de randen van liet wak allengs een zeer lastigen ijsdam zoude zien ontstaan, die eindelijk de dieren zoude verhinderen om uit liet water op den wal te kunnen komen.

Het is onnoodig hier aan te stippen, dat zwemvogels uit wanne streken hij ons ingevoerd, hoezeer zij tegen koude zeer goed bestand zijn, echter nimmer aan vorst zeil' mogen blootgesteld worden, daar bij hen lichtelijk de pooten bevriezen en tengevolge van dien afsterven, zoo men de dieren niet door ze op te sluiten daartegen beveiligde.

Winterstallen en Nachthokjes.

Zugen we in liet vorige artikel, dat onze gewone tamme' watervogels goed tegen winterkoude en zelfs tegen vorst bestand zijn, zoo is het echter niet onverschillig ze tegen sneeuwjachten en noordoostenwinden, door het plaatsen van rietmatten en afdaken, waar de gelegen!leid zich daartoe aanbiedt, te beschutten.

Hoezeer de zwemvogels uil lunmen aard liet water be-minnen en dit als liet ware hun natuurlijk element is, zoo is voor hen niets nadeeliger dan een vuile natte bodem. In liet water hebben zij steeds gelegenheid zich rein te houden, en daar hunne veereu met eene dunne vetlaag, uit de vetklier boven den staart afkomstig, voorzien zijn, zijn deze tegen natworden beschut, terwijl liet lijf zelf door het droge dons en de zich daar-tusschen bevindende luchtlaag als door een bijzonder

3

ocr page 58

34

sleclitwarmtegeleidend omhulsel beschut en warm gehouden wordt. Zoodra de zwemvogels zich eenigen tijd achtereen op onreinen en vochtigen bodem moeten bewegen, worden de buikveeren als met eene laag vuil besmet, die, voortdurend vochtig blijvende, de dunne vetlaag der buikveeren doet verdwijnen en verhindert dat er nieuwe lagen opgebracht worden, waardoor de veeren zelf aan nat-worden zijn blootgesteld en niet meer tegen koude beschutten, tengevolge waarvan de dieren aan ingewandsontsteking sterven. Om die reden moeten de vloeren in stallen, schuren of onder afdaken, waar vele zwemvogels bij elkaar worden gebracht steeds droog en rein gehouden worden, door ze steeds van droog en zuiver stroo te voorzien. Daar de uitwerpselen der zwemvogels bijzonder scherp en nat van aard zijn, moeten die vloeren niet uit hout maar uit klinkersteenen of tegels bestaan, welke bij voorkeur mot eene goede laag asphalt bekleed moeten zijn; deze vloer moet nabij den ingang een weinig afbellend zijn, opdat bij het schrobben hot vuile water gemakkelijk verwijderd kunne worden. Deze stal geve men bij een breedte van 4 a 5 meter, in het midden een hoogte van 21/.,, langs de kanten van Va meter; de lengte is afhankelijk van het getal vogels, die men er in wenscht te huisvesten : voor ganzen wordt ongeveer O.öO x 0.50 centimeter (172 Vierk. voet), voor eenden 0.30 x 0.30 centim. (1 Vierk. Vt.) oppervlakte per stuk berekend. Daar gewoonlijk de sterkere dieren de zwakkere steeds plagen en zelden met rust laten, is het noodig den stal in afdeelingen van ongeveer 2x3 meters te splitsen; deze verdeeling kan het eenvoudigst geschieden door het plaatsen van rietmatten,

ocr page 59

echter hot best door kranjangs op houten raamwerk gespannen ; in 't midden late men alsdan eon pad ten dienste van den eigenaar of diens knecht. Het dak moot met losse pannen belegd zijn, zoodat de uitwasemingen der dieren vrij ontsnappen kunnen ; langs de houten zijwanden worden, op 1 Meter afstand boven den grond, groote valluiken aangebracht, die des daags kunnen opengezet worden om ruimschoots licht en versche lucht in den stal te kunnen toelaten. Het behoeft niet gezegd te worden, dat alle mogelijke voorzorgen moeten genomen worden om liet indringen van Katten, Bunzings, quot;Wezels, Ratten enz. te voorkomen, die des nachts eene groote slachting onder de dieren zouden kunnen aanrichten. Bij het opsluiten der vogels ver-lieze men nimmer uit het oog, dat koude lucht in de verste verte niet zoo nadeelig voor hen is, dan lucht welke door de uitwasemingen der dieren bedorven is; daarom liever k o u, d an w a r m te met b e d o r v en 1 u c h t.

Tot huisvesting van zeldzame en kostbare soorten, als vreemde zwanen, ganzen en eenden, geve men dezen, die gewoonlijk paarsgewijs gehouden worden, tentvormige huisjes tot verblijf; deze huisjes, gewoonlijk zonder bodem doch van zuiver legstroo of turfstrooisel voorzien, hebben aan de voorzijde, die naar het water toegekeerd is, eene A'rij ruime poort of toegang, die des nachts behoorlijk kan afgesloten worden. Voor een paar vreemde ganzen moeten dergelijke huisjes ongeveer één vierkanten meter oppervlakte bij 1 meter hoogte hebben; voor fijne en kleinere eendsoorten is 0.50 a 0.30 vierk. Meter, naar grootte der soort, voldoende.

ocr page 60

36

6. Broeihokjes en Legmandjes.

Wanneer men in de winterstailen in de hoeken en legen de wanden hier en daar 2 of 3 bossen stroo tegen elkaar aan met de ledige uren naar boven, een weinig schuins recht overeind zet, zoodat op den bodem tussclien de schoven en den wand eenige ruimte blijft, dan zullen deze schuilhoeken door de zwemvogels bij voorkeur uitgekozen worden om aldaar hunne eieren te leggen. Daar hoofdzakelijk Karolina- en Waaiereenden en vele andere soorten in vrijen natuurstaat gewoonlijk in holle boomen nestelen, moet men deze in den paartijd kleine hokjes ter beschikking geven om daarin hunne eieren tc leggen. Voor de gewone vrij rond zwemmende tamme eenden zijn de algemeen bekende ileschvormige legmandjes, hier en daar langs den waterkant geplaatst en bij voorkeur onder de struiken verborgen, zeer aan te bevelen. (Zie verder Hoofdstuk VII, handelende over voortteeling).

7, Voerbakken en Voeding.

De meeste zwemvogels, zooals zwanen en eenden, in half-vrijen staat ronddwalende, zoeken gedurende den zomer hun voedsel zelve voor het grootste gedeelte in het water op; desniettemin moeten zij tenminste éénmaal daags op bepaalde plaatsen een weinig gevoerd worden. Gedurende den winter en in het voorjaar, wanneer de plantengroei in 't water zich nog niet ten volle ontwikkeld heeft, moet men de dieren ven voedsel voorzien, hetgeen ook

ocr page 61

37

liet geval is met de zeldzame soorten, die afzonderlijk gebonden worden. Dit voeren geschiedt meestal door het voedsel de dieren uit de hand in rt water toe te werpen. Beter is het echter, orn niet onnoodig voedsel te vermorsen, het voor de dieren bestemde voer hun in met water gevulde aarden schotels voor te zetten, of wel in houten bakken, waarvan de bodem voor een gedeelte met zink, dat met kleine gaatjes doorboord is, voorzien moet zijn; deze bakken worden aan een paar paaltjes in 't water dicht bij den wal zoodanig bevestigd, dat zij naar willekeur hooger of lager onder water kunnen geplaatst worden; op deze wijze bespaart men veel voer, doordien kraaien, musschen en ratten er niet bij komen kunnen. Eene korte verplaatsbare loopplank geeft den verzorger der dieren gelegenheid bij deze stellage te kunnen komen.

8. Voedsel.

Daar alle zwemvogels hun voedsel in het water opzoeken, zoo zijn hunne bekken ongeschikt voor hard voeder, waarom zulks altijd in geweekten toestand moet gegeven worden of in kleine stukjes moet gesneden of gehakt zijn, zoodat deze gemakkelijk in eens kunnen doorgeslikt worden.

Ganzen voeden zich, zoo zij vrij kunnen rondloopen, hoofdzakelijk met gras en de fijne worteltjes van allerlei laag groeiende kruiden. Daar zij het gras met wortel en al uit den grond rukken zijn zij in weiden, grasvelden en voornamelijk op pas bezaaide akkers, alwaar het zaad begint te ontkiemen en het jonge groen zich boven den

ocr page 62

38

grond begint le vertoonen, zeer gevreesde gasten, daar zij den ganschen oogst in weinig tijds doen verloren gaan, waarom het hoogst noodig is ze steeds, wanneer men ze laat rondgrazen onder toezicht van een ganzenhoeder te stellen, die met cenc lange dunne gard gewapend elke weerspannige tot huren plicht weet te brengen. Zoo er in het vrije veld voor de ganzen geen voer meer te vinden is, geve men ze waardelooze koolbladen, het lof van knollen, klaver, gras, brandnetelbladen, kleingesneden wortelen en knollen, gekookte aardappelen enz. enz., terwijl men bovendien 's morgens en 's avonds een weinig haver ot' gerst en gebroken maïs ol' boekweit, waarbij men in heet water geweekte zemelen en gebroken aardnotenkoeken benevens wat pulp (afval der beetwortel-suikerfabrieken) voegen kan, dooreengemengd op aarden schotels ter harer beschikking moet stellen; men zorge er echter voor van dit voer niet meer te geven dan door de dieren achtereenvolgens kan genuttigd worden, zoodat er niets overblijft, daar zulks slechts dienen kan om de zoo gevaarlijke waterratten aan te lokken.

Een goedkoop en tevens voedzaam voedsel voor ganzen bestaat uit:

O.'iö KG. Moutkiemen 0.50 „ Zemelen als dit met heet water tot een dikke pap aangemengd en bekoeld is, wordt daaraan toegevoegd.


0.50 „ gekookte aardappelen, vooraf behoorlijk gekneusd.

De moutkiemen moeten droog bewaard worden en stofvrij gemaakt zijn.

Gedurende den legtijd moeten de aardappelen meer op

ocr page 63

den achtergrond staan en door gerst cn vleeschbeschuit vervangen worden.

Z w a n e n, welke bijna voortdurend te water zijn, voeden zich uitsluitend met waterplanten en de zich daar-tusschen bevindende kleine diertjes, als slakken, insecten larven enz. enz. Hetzelfde voer, dat voor de ganzen door ons werd aanbevolen is ook voor de zwanen dienstig, doch men voege daarbij in stukken gebroken en goed doorweekt vleeschbrood, onder den naam van honden- of hoenderheschuit overal verkrijgbaar, terwijl de kleingesneden wortelen enz. moeten vervangen worden door fijngehakte of geschrabde wortelen, daar zwanen minder groote stukken kunnen slikken dan de ganzen.

Aan Eenden is, evenals aan varkens, alles zonder onderscheid even welkom, zoowel in versehen als in geheel bedorven toestand; zoowel vleesch als visch, wormen, bladgroenten en vruchten. Gedurende de zomermaanden vinden zij voldoend voedsel in het water, vooral wanneer zulks rijk aan kroos is; zoo dit er in ontbreekt moet het uit andere wateren en slooten aangevoerd worden. Vooral is zulks noodzakelijk voor de zeldzame uitbeem-scbc eendsoorten als AVaaier-, Karolina-, Bahama- en andere eenden; voor deze worden een paar malen daags eenige handen vol kroos in het water der eendenkommen geworpen. Ton einde gedurende de wintermaanden steeds eendenkroos voorhanden te hebben, late men in 't najaar, zoodra de nachtvorsten beginnen in te vallen, zulks met schepnetten uit daarmede rijk bedeelde heldere wateren, nimmer uit onzuivere cn sleclit riekende ondiepe slooten, opvisschen onverder in manden, als oude wijnmanden enz.,

ocr page 64

40

op vorstvrije, doch luchtige plaatsen bewaren. Nimmer ^

moet men het te bewaren Uroos op groote hoopeii te gelijk werpen; dit schijnt wel eenvoudiger to zijn, doch spoedig zal in dergelijke hoopen gisting en daarna bederf ^

en rotting ontstaan, waardoor allo voedende waarde verloren gaat.

Tegen den tijd dat de zeldzamere eenden aan 't eierleggen gaan, moet men zo dagelijks rijkelijk met aardwormen voeden, daar zulks veel invloed op do vruchtbaarheid der eieren uitoelent. Dos winters voege men aan het gewone voedsel, vooral des avonds, nog wat hennepzaad toe, hetgeen zeer verwarmend is. Men boude immer in 't oog,

dat goed gevoede dieren heter de winterkoude weerstaan dan magere en slecht gevoede.

Door Edm. Pfannenschrnidt to Emden wordt sedert 4»

eenigen tijd een dierlijk voedsel onder den naam van Gar-nelen-schrot 1) in don handel gebracht, dat als toevoer voor in kleine perken opgesloten eenden ten zeerste idle aanbeveling verdient; het bestaat uit gedroogde kleine steurgarnalen, die in den mond dor Eems in ovorgroote menigte gevangen worden.

Meikevers, die men in sommige jaren in Gelderland enz. bij millioenen bekomen kan, in den oven gedroogd on tusschen ander voer gemengd, leveren voor de eenden een kostelijk en goedkoop voedsel op.

«?gt;

Tamme eenden, die gewoon zijn in de nabijheid van boerenwoningen in ondiepe en vuile slooten rond te zwem-

') Door toezending van 50 Pf. (/0.30) in postzegels aan bovenstaand adres kan men S'/j ons van dit voer tot proef ontbieden.

ocr page 65

41

men, moeten voordat zij geslacht worden, eemgc dagen te voren gespeend zijn, door ze gedurende dien tijd met haver te voeden, die in een schotel met veel zuiver water geweekt is; hierdoor wordt haar vleesch veel smakelijker.

D u i k- en Z e e-e enden, die bijna uitsluitend van dierlijk voedsel leven, moeten gevoerd worden met in kleine stukjes gesneden visch, vischafval, en hoofdzakelijk met het zooeven gemelde garnalen-schroot benevens met in water geweekte vleeschbeschuit. Dit voedsel wordt hun in het water toegeworpen, waarin zij hot in de diepte duikende, weten te bemachtigen.

0. Verzending.

Wij hebben reeds op bladz. 11 gezien, hoe de zwemvogels, voor de consumptie en den handel bestemd, bij vele te zamen in korven ingepakt verzonden worden. Met de verzending van meer kostbare soorten moet men, ten einde gedurende de reis geen schade te bekomen, met meer zorg te werk gaan. De manden moeten hoog genoeg zijn, dat de dieren er in recht overeind staan kunnen, zonder zicli het hoofd te stooten, en tevens zoo ruim dat elk dier zich er vrij in bewegen kan; deze korven worden bij voorkeur uit licht mandenwerk gemaakt met staande stijltjes, die zoo ver van elkaar verwijderd zijn, dat de dieren zonder zich te bezeeren den kop door de traliën kunnen steken om hunne, buiten aan de mand gehechte, zinken drinken voerbak te kunnen bereiken. Men zorge steeds dat de dieren, voordat zij voor de verzending opgevangen worden, vooraf behoorlijk gedrenkt en gevoed zijn; meteenig goed

ocr page 66

vochtig gemaakt brood in den voerbak en water in hunnen drinkbak kunnen zij aldus toegerust eene reis van 24 uren zonder ongemak doorstaan, onder dien verstande echter dat het uitgestorte drinkwater met tusschenpoozen van 3 a 4 uren aangevuld worde. Aan den geadresseerde zende men bijtijds een bericht, met verzoek zijne dieren bij aankomst onmiddellijk in ontvangst te nemen. Dieren, hoewel van dezelfde soort, doch die niet aan elkaar gewoon zijn, moet men nimmer in een en dezelfde mand verzenden, tenzij zij door een tusschenschot van elkaar gescheiden zijn. De manden moeten langs de buitenzijde behoorlijk met grof linnen bekleed zijn, om de vogels gedurende de reis voor tocht enz., te beschutten; do bodem der mand wordt met eene goede laag hooi of stroo bedekt.

Bij aankomst ter bestemder plaatse laat men do dieren in hunne korf eerst wat tot zichzelve komen en van de gedurende de reis doorstane angsten bekomen, terwijl door wegneming van het behangsel der mand, de dieren mot hunne nieuwe omgeving kunnen kennis maken; eerst daarna late men ze dooi- het openen der mand op voorzichtige wijze zich daaruit verwijderen. Alsnu geve men de dieren zoo spoedig mogelijk gelegenheid zich door baden te reinigen van de gedurende de reis aan de veeren aangehechte meststoffen, voor en aleer deze volkomen hard en droog zijn geworden. Nadat zij zich goed gebaad hebben, geve men ze hun gewoon voer, waarvan men te gelijk met de kennisgeving van afzending mededeeling heeft ontvangen.

ocr page 67

HOOFDSTUK III.

GEBREKEN DER ZWEMVOGELS.

1. Ouderdom.

Zwanen kunnen een zeer hoogen ouderdom bereiken; zoo wordt er verhaalt, dat te Alkmaar een aan de stad toebehoorende zwaan in 107ü gestorven is, om wier hals zich een ring bevond voorzien van liet jaartal 1573; in 1839 stierf in het St.-Jamespark tc Londen een zwaan, die in 't jaar 1770 geboren was en alzoo eene 70-jarigen leeftijd bereikt had. Hebben de zwanen haren vollen wasdom al sedert eenige jaren bereikt, dan is hun leeftijd niet meer te bepalen; echter hoe harder de bek en de huid dor pooten zijn, des te meer jaren kan men hun toeschrijven.

Van de gewone knobbelzwaan is bij éénjarige dieren de bek zwart en de voeren grijs; met het 2tlo jaar begint de bek geelachtig roode vlekken te vertoonen, terwijl de voeren wit met grijs gemengd zijn; eerst met het 3tlc jaar zijn zij geheel wit met roeden bek.

Van ganzen bestaan er voorbeelden, dat zij nog op 30-jarigen leeftijd vruchtbare eieren gelegd hebben.

ocr page 68

44

Eenden bereiken nimmer den hoogen leeftijd der zwanen en ganzen, hoogstens worden zij 10 jaren oud. Jonge zwemvogels onderscheiden zich van de oude, doordat liet rood aan bek en pooten meer naar liet gele trekt, terwijl zulks bij de volwassenen hooger rood van kleur is; bij de soorten met zwarte bek en poolen ziet men bij de jongen als het ware een violette tint doorschemeren. Evenals bij de zwanen zijn hek en pooten alsmede de luchtpijp bij de jonge ganzen en eenden zachter dan bij de oude voorworpen; wanneer men een der groote slagpennen uit den vleugel van een volwassen vogel uittrekt en het ondereind, de spoel, waarmede de veer in de huid ingeplant was, week en van binnen met bloederig vocht gevuld vindt, dan is de vogel nog jong; is dit gedeelte daarentegen ledig en droog dan is zij tenminste één jaar oud. Hoe moer bij ganzen de buik over den grond sleept, des te ouder zullen zij zijn.

J. Onvruchtbaarheid.

Veelal ziet men bij zwemvogels, voornamelijk bij buiten-landsche soorten, dat de wijfjes bijna geen eieren leggen, en zoo wel, dan blijken de eieren bij liet bebroeden onvruchtbaar te zijn. Veelal moet de oorzaak daarvan gezocht worden in de omgeving van de dieren zelf; gewoonlijk hebben zij gedurende den paartijd en reeds lang te voren geene rust genoeg gehad, doordien zich elk oogenblik vreemde gezichten vertoonen om hen te aanschouwen; voornamelijk is dit eene hoofdreden, waarom in openbare dierentuinen de vogels zooveel minder productief zijn dan bij bijzondere

ocr page 69

personen. Eene andere reden moet men zoeken in het voed-.se), dat de dieren eenigen tijd voor en gedurende den rij-en broeitijd gegeven werd; zulks moet gedurende dezen tijd vooral voor eenden, rijk aan eiwithoudende bestanddeelen of van dierlijken oorsprong zijn, als; vleesch, beschuit, haver, maïs, zemelen, wormen enz. De meerdere kosten, aan liet duurder voer uitgegeven, wordt ruimschoots vergoed door den verkoop der gekweekte jonge dieren. Indien in een perk meerdere voorwerpen van eene en dezelfde soort vereenigd zijn, en een van deze de andere niet met rust laat, moet deze onmiddellijk worden afgezonderd. Zoo men meerdere perken tegen elkaar aangrenzende bezit, en een paar huurlieden voortdurend met elkaar in twist zijn, dan moet door bet plaatsen van rietmatten enz. tegen de afscheidingen tusschen beider perken voorkomen worden dat zij elkander zien; zoo de gelegenheid zich daartoe voordoet, is het nog beter een van beide toornen naar een ander gedeelte van het terrein te doen verhuizen, waar zij elkaar •.niet meer zien kunnen. Zoo de dieren, tegen den rij- en broeitijd verschijnselen toonen, dat zij aanleg tot vet worden bezitten, moet men zuinig zijn met !t geven van aan zetmeel rijk voedsel, als granen, brood, zemelen enz.; in dit geval voede men zijne dieren hij voorkeur met groen-voer, vleesch-beschuit, eenig gehakt vleesch of visch, wormen, insecten enz. Somtijds ontstaat de onvruchtbaarheid door ouderdom of een of ander organisch gebrek; in deze gevallen kan men er onmogelijk in te gemoet komen, en handelt men het verstandigst het dier te mesten en te slachten, tenzij bet tot eene der kostbare soorten behoort, in welk geval men het nog als sier-

ocr page 70

40

vogel ter opluistering van vijver ol' park in liet leven laten kan.

Heelt men reden de toenemende onvruchtbaarheid zijner vogels toe te schrijven aan verzwakking van het ras, door dat steeds met afstammelingen van dezelfde stamouders herkomstig heeft voortgekweekt, dan moet men noodwendig het bloed ververschen iloor den Gent of Waard, met een uit een geheel vreemde familie te verwisselen.

3. Onnatuurlijke Broeilust.

Men ziet menigmaal ganzen en eenden gedurende den broeitijd een bijzonderen lust aan den dag leggen om steeds in 't nest te blijven liggen. Zulke broedlustige dieren neme men van haar nest en zette haar buiten de zon in't gras, door eene kleine omheining ingesloten, die zij niet verlaten kunnen; men geve haar twee ofdrie dagen achtereen, volop water en voornamelijk licht verteerbaar voedsel als bladgroenten, kroos, gesneden wortelen gebroken vleesch-beschuit enz. enz.

4. Strijdlust.

Meest alle mannelijke zwemvogels zijn onderling bijzonder strijdlustig, zoodat men in den regel geen twee genten of twee waarden in eene kleine ruimte bij elkander kan voegen: de sterkste zoude spoedig den zwakkeren vermoord hebben. Alleen wanneer beide partijen zich eerst aan elkaar gewaagd hebben en het gebleken is dat zij even sterk en tegen elkaar opgewassen zijn, en de ruimte waarin zij zich bewegen vrij ruim is, zullen zij elkaar

ocr page 71

47

vermijden en ontzien en daardoor in vrede leven. Vooral het vechten in 't water kan voor de zwakkere partij hoogst noodlottige gevolgen hebben, daar de sterkere van zijn vijand steeds den kop onder water tracht te houden met het doel dezen daardoor spoedig nog meer te verzwakken en eindelijk te verdrinken. Bij zulke vechtpartijen moet men spoedig tegenwoordig zijn, om de vechtenden to scheiden, wil men geene ilooden hebben.

Hoofdzakelijk zijn het de buitenlandsche ganzensoorten, die bijzonder strijdlustig zijn en geen levend wezen in hare nabijheid dulden.

5. Wegvliegen. (L e e w i e k e n.)

Gewoonlijk zijn de zwemvogels, mits zij goed verzorgd worden, zeer mak van aard en maken zelden van hunne vleugels gebruik; alleen bij sommige eenden en voornamelijk bij buitenlandsche soorten, die men niet vertrouwen kan, is het noodzakelijk door het verminken der vleugels hun het vliegvermogen te ontnemen, om daardoor te voorkomen, dat zij ontsnappen of bij andere stamverwanten komen, waar hun mogelijk een slecht onthaü te wachten staat, waar zij of omgekeerd zelf mogelijk veel schade zouden kunnen aanrichten.

Om dit vliegen te verhinderen heeft men velerlei middelen uitgedacht. Ten eerste het k o r t w i e k e n. Uit bestaat in liet gedeeltelijk wegknippen der groote en kleine slagpennen aan eenen vleugel; de 3 of 4 eerste groote slagpennen laat men staan, om den vogel bij gesloten vleugels niet te zeer te ontsieren. Dit voorbehoedmiddel is slechts van

ocr page 72

lijdelijken aard, daar na eiken ruitijd weder nieuwe slagpennen de kortgeknipte vervangen, zoodat alsdan de vogels weer moeten opgevangen worden om opnieuw dezelfde behandeling te ondergaan; daarenboven kan een gering verzuim om hierin bijtijds te voorzien, oorzaak zijn van het verlies van een ol' ander kostbaar dier, dat men ongaarne zoude willen missen.

Hel uittrekken der si a g p c n n e n, behalve dat zulks zeer pijnlijk voor hel dier is, geelt nog minder waarborg dan hel kortwieken, daar de uitgetrokken slag-pennen spoedig weder door nieuwe vervangen worden, waardoor de vogels hun vliegvermogen weder terugbekomen.

Een alles afdoend middel om een vogelliet vliegen onmogelijk te maken bestaat in het leewieken. Dit is eene operatie, bestaande in liet wegnemen met het mes van de beide vleugelgeledingen, aan welke de groote slagpennen bevestigd zijn ; zulks geschiedt in liet gewricht zelf. Deze operatie vereischt eenige oefening en veroorzaakt vrij lievige nabloeding en eene wond, die eenige dagen behoeft voordat zij geheeld is.

Hetzelfde Joel kan men bereiken door bij de jonge dieren, zoodra zij '2 of 3 dagen oud zijn, met een sterk, doch b o t nagelschaartje (liefst niet met ecu scherp, wijl luer-rnede eene sterkere bloeding tc duchten is) de twee laatste geledingen van eene der bekle vleugels in liet zoogenaamde schoudergewricht, eigenlijk handgewricht, weg te knippen; daar het beenstelsel bij zulke jonge dieren nog steeds van kraakbeenachtigen aard en de wond zelf zeer klein van oppervlakte is, bepaalt zich het bloedverlies gewoonlijk

ocr page 73

49

r tot 1 of 2 droppels blued en is de wond zoo klein, dtit zij

binnen twee dagen tijds geheel genezen is. liet jonge dier ondervindt zoo weinig leed van deze operatie, dut het, gt; Jia losgelaten te zijn, zich onmiddellijk naar zijne moeder

spoedt en geen het minste blijk geeft, dat hem iets pijnlijks overkomen is.

Deze methode is door ons gedurende de zestien jaren, toen wij Directeur van den Dierentuin te 'sGravenhage waren, en door vele anderen, aan wie wij ze aanbevolen hadden, met den besten uitslag bij hoenderachtige en bij zwemvogels in practijk gebracht; nooit hebben wij er ongunstige resultaten van ondervonden. Wil men echter deze bewerking met goeden uitslag bekroond zien, dan moet men ze bij de diertjes zoo jong mogelijk in toepassing brengen; wan-pr neer zij eenige weken ouder zijn en do groote slagpennen

zich beginnen te ontwikkelen, zijn alle deelen van den vleugel zoozeer met bloed overvuid, dat alsdan aanmerkelijk bloedverlies te duchten is. Wij kennen een geval, dat eenige jaren geleden de eigenaar van drie jonge zwarte zwanen, huiverig deze jonge diertjes aan cene volgens zijne meening zeer pijnlijke operatie te onderwerpen, daarmede wachtte, totdat zij lialf volwassen waren ; de gevolgen cr van waren, dat één uur na de operatie twee der jonge zwanen ten gevolge van verzwakking door bloedverlies in 't water omkwamen, terwijl de derde nog gelukkig bijtijds gered werd.

4

ocr page 74

50

6. 't Verkeerd staan der slagpennen.

Dit is een gebrek, dat, voor zooverre wij weten, zich eerst in de laatste jaren (vooral bij het ras der Rouaan-eenden) vertoond heeft; het is een aangeboren kwaal, die zich reeds onmiddellijk bij de geboorte vertoont, en bestaat in het naar buiten en naar boven gekeerd zijn der slagpennen van beide vleugels. Zijn de dieren volwassen, dan lijkt alsof de eend zich met naar boven geslagen roeiriemen in het water voortbeweegt. Wil men om eene of andere reden dergelijke wanstaltige dieren niet onmiddellijk dooden, dan moet men ze ten minste evenals hier boven gezegd is de twee buitenste vleugelgeledingen met de schaar wegknippen.

ocr page 75

HOOFDSTUK IV.

ZIEKTEN.

1. Behandeling der zieke dieren.

Hoe meer het dier in tammen staat onder den menschen verkeert en van dezen afhankelijk is, zoo veel te meer is het aan velerlei ziekten blootgesteld ; men denke b. v. aan onze honden, paarden, runderen, hoenders enz. De zwemvogels echter, hoewel steeds onder ons beheer zijnde, zijn bijna altijd in een staat van halve onafhankelijkheid, waardoor bun ziek zijn minder kan ontdekt worden dan bij de hoenderachtige vogels.

Zoodra een vogel door lusteloosheid en gebrek aan eetlust doet vermoeden dat hij ziek is, moet men hem van de gezonde afscheiden en behoorlijk in 't oog houden, om te kunnen ontdekken wat zijn kwaal zoude wezen; in de eerste plaats lette men vooral op de hoeveelheid en den aard der meststoffen naar welke men de voeding regelt, hetzij door ze droog (stoppend) of groen (openend) voer te geven. Als hoofdstelregel moet men aannemen, een dier

ocr page 76

nimmer onder behandeling te nemen voor en aleer men vast overtuigd is te weten door welke kwaal het dier aangetast is: het is altijd bewaarheid geworden, dat het beter is tegen eene onbekende kwaal niets te doen, dan daartegen verkeerde ja soms zeer tegenstrijdige middelen aan te wenden.

In 't algemeen is het het verkiezelijkst een krank dier, indien men om bijzondere redenen geen hoogen prijs op zijn behoud mocht stellen, liever bij den eersten aanvang eener ziekte te slachten, daar het dan voor keuken ot verkoop nog eenige waarde bezit, terwijl bij langduriger ziek zijn spoedig vermagering intreedt en het dier alzoo alle waarde verliest.

Men geve deze dieren eene warme, luchtige (niet tochtige) en zuivere verblijfplaats, benevens doelmatige voeding en drinkwater met het mixtuur van Douglas voorzien; dit mengsel beslaat uit 25 Gram ijzervitriool en SVa Gram zwavelzuur in één liter water opgelost, hetgeen geschikt langen tijd in eene bierkruik kan bewaard worden; van deze oplossing wordt dagelijks ongeveer één eierlepel vol bij eiken liter versch drinkwater ge-mengden dit alzoo in een platten aarden schotel onder hun bereik gesteld Deze oplossing heeft hoofdzakelijk ten doel de kiemen van schadelijke organismen, die zich in het drinkwater mochten bevinden, onschadelijk te maken.

Zieke dieren moeten in eene beperkte ruimte opgesloten worden, waardoor zij beter kunnen waargenomen en behandeld worden. Met eene oplossing van 2Va liter car-bolzuur op 12 tot 15 liters (een gt;/2 emmer vol) water worden dagelijks de wanden en vooral de bodem van het

ocr page 77

verblijf besprenkeld, om zooveel mogelijk de ontwikkeling van besmettelijke ziekten te weren.

In de volgende regelen zullen wij de meest voorkomende kwalen der zwemvogels bespreken, met opgave van der-zelver behandelingen zoo mogelijk genezing. Tal van ziekteverschijnselen, die door een leek op geneeskundig gebied niet kunnen waargenomen worden, als meer tot de inwendige organen behoorende, gaan wij stilzwijgend voorbij, daar hare bespreking alhier tot geen doel zoude lijden.

2. Het Ruien.

Hoewel bet ruien niet zoozeer eene ziekte dan wel een natuurlijk verschijnsel is, dat jaarlijks periodiek wederkeert, willen wij er echter hier ter plaatse, als do meest geschikte er gewag van maken, wijl de dieren gedurende dien tijd eenigszins in abnormalen toestand verkeeren. Daar de stofwisseling gedurende den ruitijd bijzonder groot is, moet aan de dieren het meest voedzame voedsel verstrekt worden, alzoo minder groenvoer, dan wel Haver, of Gerst, Mais, Zemelen, Vleeschbeschuit, Boekweit, Hennepzaad enz. Eenden geve men bij voorkeur meer vleeschbeschuit dan de ganzen; aan deze daarentegen liever haver dan gerst.

Ganzen en Zwanen veranderen weinig in kleur ten gevolge van het ruien, hoewel zij in dien tijd voor een groot gedeelte van veeren wisselen. Eenden daarentegen bekomen na den rui een geheel ander kleed dan vroeger : de Waarden gelijken dan doorgaans zoozeer op de Eenden, dat men ze bezwaarlijk van elkaar onderscheiden kan.

ocr page 78

Waarden en Eenden in 't voorjaar geboren beginnen eerst omstreeks September te ruien, iets vroeger of later naar gelang van hunnen leeftijd; doch dit najaars-ruien is slechts eene gedeeltelijk.

Volwassen eenden beginnen eerst in de laatste helft der maand Mei te ruien: aan de borst en op den rug ziet men het eerst de kleuren veranderen. In weinige dagen tijds vallen bij den Waard de eigenaardige krulveeren boven den staart uit en grauwe veeren vertoonen zich het eerst om de oogen ter vervanging van de prachtig groene. Ongeveer eene maand later is geen enkel veertje met groenen metallieken weerschijn meer op den kop en aandenhalste ontdekken. Tegen het eind der eerste week van Juli is elke prachtig gekleurde veer van den Waard verdwenen en vervangen door grauwachtig bruine, gelijk aan die der Eend, doch iets donkerder van kleur. In de eerste dagen van Augustus beginnen deze veeren op hare beurt weer allengs uit te vallen, en omtrent half October heeft de Waard weer opnieuw zijn prachtkleed verkregen. Het gevolg is, dat men gedurende de zomermaanden Juli en Augustus nergens een Waard ontmoet in het kleed, dat hem anders zoozeer van de vrouwelijke Eend onderscheidt.

De witte vogels hebben gedurende den ruitijd minder glans op hunne veeren dan gewoonlijk, terwijl de zwart gekleurde tamme eenden alsdan eene meer vuilbruine tint bekomen.

ocr page 79

55

3. Uittering.

Meermalen ondervindt men, ondanks alle voldoende voeding, dat de dieren steeds magerder en magerder worden; ontwijfelbaar moet de oorzaak daarvan gezocht worden in een gebrek der borst- of buikingewanden. Wijl daarin niet kan voorzien worden zoolang men de oorzaak er niet van kent, moet men deze dieren slachten voor en aleer zij geheel uitgeteerd hun eigen dood sterven en alsdan voor de consumptie niet de minste waarde hebben. Hoe langer men het slachten van dergelijke dieren uitstelt, hoe meer de eigenaar schade bekomt, daar al het voedsel dat men aan dergelijke dieren geeft als volstrekt onnut weggeworpen moet worden beschouwd.

4. Draaiziekte. Vallende ziekte.

Evenals bij de hoenders ziet men ganzen en eenden somtijds als dronken rondwachelen, in 't rond draaien, en •Somtijds plotseling neertuimelen: de oorzaak dezer verschijnselen is doorgaans ophooping van bloed in de hersenen, dikwerf ook wonnen in de ingewanden. Lergelij ke zieke dieren moeten op een frissche, eenigszins donkere en rustige plaats opgesloten worden, en men zorge steeds, dat door het geven van zacht groenvoer en kroos en behoorlijk water, gemengd met het mixtuur van Douglas (hladz. 52) de ontlasting bevorderd wordt; het geven van droogvoer als Gerst, Maïs enz. moet vermeden worden. Indien de draaiziekte ontstaan is .door eene uitwendige be-

ocr page 80

56

leediging van den schedel, bijv. door een slag of stoot, dan moet men eveneens als boven gezegd is handelen: indien er binnen 3 a 4 dagen niet de minste beterschap te bespeuren is, doet men het verstandigst het dier te slachten na het vooraf door sterk voeren eenigszins gemest te hebben.

Is de oorzaak der kwaal te wijten aan de aanwezigheid van ingewandswormen, dan geve men den vogel wormverdrijvende middelen. (Zie Hoofdst. V, art. 5.)

5. Krampen en Rheumatisme.

Dikwijls ziet men, dat sommige vogels door kramptrekkingen in nek en pooten overvallen worden: alsdan ziet men den hals sidderend heen en weer schudden en den kop soms geheel ter zijde trekken, zoodat het rechter- of linkeroog naar boven gewend wordt. Gewoonlijk zijn deze aanvallen slechts kort van duur en gaan deze verschijnselen weer over. Dit lijden, dat ook aan de pooton wordt waargenomen, is van rheumatischen aard: droge warmte, voor zooverre die kan gegeven worden, is het eenigsto middel dat men kan aanwenden. Zoo de verschijnselen echter van hevigen aard zijn, moet men tot het slachten van het zieke dier overgaan.

Zoo eenig lichaamsdeel vooral in de gewrichten sterk gezwollen en pijnlijk is, dan moet men zulks met behulp van een penseel dagelijks met jodiumtinctuur insmeren. Zoo er huiduitslag op volgt, moet men er een paar dagen mede uitscheiden en het lijdende deel met vaseline insmeren en zoo noodig hot been met watten omwoelen.

ocr page 81

57

C. Verlamming.

Onder jonge zwemvogels, gewoonlijk die van weinige dagen oud, bespeurt men menigmaal, dat zij moeielijk loopen kunnen en als het ware telkens ineenzakken: dit euvel moet gewoonlijk daaraan geweten worden, dat de pootjes bij hen te zwak zijn om hun lichaam te dragen. Aan deze diertjes geve men gelegenheid om, nadat zij gebaad hebben, zich onmiddellijk in droog, niet warm zand, te kunnen laten opdrogen; voortdurende koude vochtigheid aan de poolen is de oorzaak dezer kwaal. Deze jonge dieren, die gewoonlijk zwak van gestel zijn, moet men sterk met veel eiwithoudend voedsel, als vleesch-brood, gehakt vleesch, gemalen boekweit enz. voeden, en tusschen hun voer een paar gram phosphorzure kalk strooien, waardoor het beenstelsel in de pooten zeer zal versterkt worden.

7. Verstopping der vetklier.

Op de stuit even boven don staart bevindt zich een vetachtig uitwas, do zoogenaamde vetklier, met eenige poriën voorzien, door welke bij eenige drukking dezer klier een olieachtig vet wordt uilgedrukt; dit vet wordt door den bek van den vogel uitgeperst en vervolgens over de veeren uitgesmeerd, waardoor de veeren tegen het nat worden behoed worden. Voor zwemvogels, die een groot gedeelte van hun leven in het water doorbrengen, is het bijna een levenskwestie dat deze klier hare functie

ocr page 82

58

behoorlijk verricht. Dikwerf komt het evenwel voor, dat zij daarin ten achter blijft, doordien het vet te taai wordt om te kunnen worden uitgenepen en de klier alsdan in verzwering overgaat; zulks kan spoedig ontdekt worden, daar de vogel in dezen toestand voortdurend met den kop over de stuit strijkt. Bij onderzoek blijkt dan, dat de vetklier gevuld is met een dunne gele door dc huid schijnende etter; deze moet verwijderd worden door de huid op de dunste plaats met een scherp en puntig mesje te openen en den etter uit te drukken, waarna alles behoorlijk wordt uitgewasschen mot het wond- en verband-water, (bestaande uit een oplossing van 1 deel S a 1 i c y 1-zuur in 100 deelen water met toevoeging vani0 deelen Glycerine.) Ingeval het vet, dat de klier bevat, geheel verhard is, moet men, na eene insnede in de klier gemaakt te hebben, den inhoud met een spatelvormig lepeltje uitscheppen en daarna alles van binnen met zuivere vaseline of slaolie inwrijven en de wond buitenwaards gelijk boven gezegd is met sal icy Iz uur uitwasschen; daarna kan aan het dier dc vrijheid hergeven worden.

8. Ontsteking der mannelijke geslachtsdeelen.

Na volbrachte paring gebeurt het somwijlen bij Genten en Waarden, dat zij het mannelijk lid niet binnen hun lichaam kunnen terugtrekken en dit hun langs den grond nasleept. In zulk geval moet men het dier te hulp komen.

Het lid dient in do eerste plaats door wasschen met koud water, waarin een weinig zout of azijn opgelost is, van alle aanklevende onreinheden gezuiverd te worden; hierop wordt het met zoete olie ingesmeerd, waarna men

ocr page 83

59

het voorzichtig en zacht met de vingers binnen den endeldarm tracht terug te dringen.

Zoodra het lid behoorlijk teruggebracht is, wordt de endeldarmopening met een weinig fijn zout ingewreven, door een bevochtigden vinger in wat zout te dompelen en daarmede de aarsopening inwendig in tc smeren.

Is zulks geschied, dan wordt het dier op eene afgezonderde plaats volkomen rust gegeven, waarin het een paar dagen gehouden wordt, ten einde het paren gedurende dien tijd te voorkomen.

9. Ontsteking der vrouwelijke geslaohtsdeelen.

Ontsteking van den eierstok komt bij Ganzen en Eenden enkele malen voor. Zij ontstaat gewoonlijk in 't voorjaar tegen den legtijd; de voornaamste oorzaak ervan is te sterke vetontwikkeling, ten gevolge van te rijke voeding gedurende den winter. Zij heeft doorgaans kanker ten gevolge, doordien de onrijpe eitjes in hunne ontwikkeling gestoord en voortdurend saamgedrukt worden, waardoor zij afsterven en zoogenaamd koudvuur of kanker en eindelijk den dood veroorzaken.

Wanneer uiterlijk gezonde en betrekkelijk nog jonge vogels ondanks goede voeding in 't voorjaar kleine en daarna nog kleinere eieren beginnen te leggen en spoedig daarop met het eierleggen geheel uitscheiden, mag men aannemen, dat de eierstok ziekelijk is aangedaan. Daar voor deze kwaal op geen herstel meer te hopen is, moeten de daarmede aangetaste dieren bijtijds gedood worden, daar hun langer leven niet anders dan voortdurend verlies oplevert.

ocr page 84

GO

Somtijds is de werkzaamheid van den legdarm, in welken het ei zijne harde schaal verkrijgt, eenigszins gestoord, waardoor de kalkachtige korst of schaal ora het ei niet wordt afgezet; dergelijke schaallooze eieren worden in de wandeling windeieren geheoten. De door deze kwaal aangetaste dieren geve men minder groen, maar daarentegen meer kalkhoudend voer, als granen enz., bij welke men nog een paar Gram phosphor zure kalk voegen kan. Mocht een en ander niet helpen, zoo kan men aannemen, dat er een organisch gebrek bestaat, en zoo de vogel niet tot eene zeldzame of kostbare soort behoort, moet hij, na gemest te zijn, geslacht worden. Dit moet insgelijks geschieden, zoo een gans of eend kleine of kromme eieren met dikke schaal en zonder dooier, zoogenaamde hanen- eieren legt, daar zulks een bewijs is, dat er een gebrek in den eierstok aanwezig is.

Na hevige persingen bij het eierleggen, voornamelijk wanneer het ei buitengewoon groot is, ziet men een gedeelte van den legdarm naar buiten treden. Zulks kan ook geschieden bij optiooping van harde meststoffen in den endeldarm, waaruit zij door persingen van het dier niet kunnen verwijderd worden, terwijl zij een zeer sterken prikkel op de darmwanden uitoefenen. In het laatste geval moeten de harde meststoffen met een lepelvor-mig spateltje verwijderd worden. Zoo er zich geene vaste stoffen meer in den darm bevinden, begint men het naar buiten gedrongen gedeelte met lauw water, waaraan eenige wijnazijn is toegevoegd, zuiver af te wasschen, en de gezwollen slijmhuid met slaolie in te smeren, om daarna het uitgezakte gedeelte met de duimen en de beide eerste

ocr page 85

Cl

vingers van beide handen met beleid en voorzichtigheid binnen de aarsopening terug te duwen: hiermede gaat men te werk alsof men een handschoen, bij welke eene dei-vingers het binnenste buiten gekeerd is, wenscht in orde te brengen. Als het uitgezakte gedeelte behoorlijk op zijne plaats is teruggebracht, dan wordt de darm inwendig met zout ingewreven ; dit geschiedt door den bevochtigden wijsvinger in fijn zout te dompelen en daarna in de aarsopening in te voeren. liet spreekt vanzelf, dat deze behandeling slechts bij versch ontstane gevallen van nut kan zijn; zoo er sporen aanwezig zijn van begin van koudvuur (blauwachtige, roode of violette, ja zelfs zwarte vlekken), dan is 't het beste het lijdende dier onmiddellijk te slachten.

Een vogel die, zooals boven gezegd is, pas onder behandeling geweest is, moet op eene eenigszins donkere plaats een paar dagen lang opgesloten worden met het doel, hem tot rust te brengen en tegen de vervolging van anderen te beschutten. In de eerste dagen geve men veel groen weinig droog voer en behoorlijk water om te baden.

10. Legnood.

Onder dezen naam verstaat men de moeielijkheid, die een vogel heeft om zich van een ei te ontdoen, gewoonlijk veroorzaakt doordien een betrekkelijk te groot ei in 't laatste gedeelte van den eierleider beklemd blijft zitten, zoodat men het, indien men de klink een weinig opent, ziet zitten, zonder dat men het met de vingers kan uit-

ocr page 86

62

halen. In dit geval is het beste middel om, na den vogel op den rug gelegd en den legdarm met zoete olie ingesmeerd te hebben, twee gewone lange haarspelden van 0.10 M. lengte te nemen en die, de een boven, de ander onder, tusschen het ei en den darmwand, met het gebogen einde naar boven in te schuiven. Alsnu tracht men het ei door den buikwand heen met den duim en twee vingers te omvatten en door langzaam draaien en drukken naar beneden te werken. In den regel glijdt het ei spoedig langs de gladde baan naar buiten; zoo dit niet mocht lukken, bore men met de meeste voorzichtigheid, met een boortje met driekante punt een gat in de schaal, waarna dit gat zooveel mogelijk moet vergroot worden om den inhoud van hot ei te doen uitvloeien; daarna trachte men de ledige eierschaal door drukken en knijpen te verbreken: is dit gelukt, dan zal het ei door persingen van den vogel spoedig te voorschijn komen. Laten deze persingen na haar werk te verrichten, door verslapping der samentrekkende spieren, dan moet men ze weder opwekken door het invoeren van een weinig keukenzout in den anus.

•11. Buikwaterzucht.

Bij vogels ziet men somtijds het achterlijf in betrekkelijk korten tijd zich buitengewoon vergrooten, totdat het bijna op den grond sleept. Indien men bij dergelijke dieren den buik onderzoekt, voelt men dat de buikholte met eene groote hoeveelheid vloeistof gevuld is.

Buikwaterzucht moet bij deze dieren als ongeneeslijk

ocr page 87

G3

beschouwd worden, daar zij het gevolg is van buikwanden darmvlies-ontsteking, of wel van ontaarding van lever, darmvlies of nieren.

De door deze kwaal aangetaste dieren moeten zoo spoedig mogelijk geslacht worden, wijl zij door uittering weldra elke verkoopsvaarde verliezen. Het aftappen van het water, door eene opening in den buikwand te maken, is eene nuttelooze operatie, daar de kwaal daardoor zelf niet hersteld wordt en de vochtsophooping zich spoedig weer opnieuw vertoont.

Zoodra men bij de zwemvogels, behalve een ei in den onderbuik, een groot gezwel in den buik voelt, moet men het spoedig slachten, daar zulks meestal tot buikwaterzucht, of in elk geval tot groote vermagering kan aanleiding geven.

12. Verstopping. Hardlijvigheid.

Hoezeer deze kwaal bij de hoenderachtige vogels niet zeldzaam is, komt zij bij de zwemvogels, ten gevolge hunner eigenaardige levenswijze, minder voor; alleen Ganzen, wanneer zij lang met droog voer, haver, gerst, maïs enz. gevoerd geweest zijn, lijden daaraan.

De kenmerken van verstopping zijn: aandrang tot afgang met persingen, hoewel met weinig of zonder eenig gevolg; de dieren zien er treurend uit, de veeren staan eenigszins overeind en elk voedsel wordt geweigerd.

Indien de veeren aan do darmopening blijken vastgekleefd te zijn en alzoo deze afsluiten, moeten zij losgeweekt en zoo noodig met eene schaar rondom weggeknipt wor-

ocr page 88

64

den. Zoo er mest-ophooping in den darm zichtbaar is, moet deze met een lepeltje of spateltje verwijderd worden.

In den regel dient men aan deze ongestelde dieren inwendig een paar theelepels vol ricinus- of Ame-rikaansche olie toe, terwijl men in den endeldarm een weinig sla- of boomolie inspuit.

Het aanwenden van een lavement geschiedt bij dieren hot gemakkelijkst door middel van do tegenwoordig algemeen verkrijgbare elastieke injectie-spuitjes, van welke ieder vogelkweeker ten minste voortdurend een paar in voorraad moet hebben.

Bij de toepassing van inspuitingen moet men vooral voorzichtig zijn de darmen niet te kwetsen; en bij vrouwelijke dieren moet men oppassen, dat men zich met de opening van den eierleider niet vergist.

13. Buikloop. Vogelciiolera.

Indien de buikloop zicli slechts bepaalt tot het meer dan gewoonlijk ontlasten van dunne, doch overigens gezond uitziende drekstofien, dan geve men de dieren bij voorkeur droog in plaats van groen voer en zette ze zooveel mogelijk op eene tochtvrije plaats, zoodat zij togen koude goed beschut zijn.

' Veelal kan de buikloop een kwaadaardig en besmettelijk karakter aannemen, ten gevolge waarvan hij in ernstige gevallen honderden slachtofl'ei-s kan aantasten; en eene geheele hofstede van gevogelte ontvolken; in dergelijk geval noemt men deze ziekte Cholera. Zij tast behalve de hoenders ook de zwemvogels aan; vooral de ganzen zijn er zeer aan onderhevig.

ocr page 89

C5

Zoodra ilc cholera zich onder liet gevogelte vertoont, verraadt zij zich onmiddelijk doordien de aangetaste dieren cr treurig en slaperig beginnen uit te zien, zij verliezen hunne krachten en vluchten niet wanneer men ze opjaagt; de ontlastingstoflen zijn zeer waterig en geelachtig groen gekleurd; hek en pooten worden gewoonlijk rooder van kleur en de dood treedt dikwerf weinige uren na de eerste verschijnselen in. Bacteriën (zie Iloodst. V. art. G) zijn tie oorzaak dezer ziekte en van den dood der dieren. Deze wezens ontwikkelen zich in 't darmkanaal, gaan verder in liet bloed over en vermeerderen zich door het geheele lichaam op eeno voorbeeldelooze snelle wijze en berokkenen door bloedontaarding don dood.

Zoodra men deze gevaarlijke en hoogst besmettelijke ziekte ontdekt, moet men liet aangetaste dier aanstonds van de overige al'zonderen en bij voorkeur onmiddelijk slachten en ontwijden en met de nieesle zorgvuldigheid er voor waken, dat hunne uitwerpselen niet met het voedsel en den drank der overige in aanraking komt; mocht men echter er aan twijfelen dat dit evenwel reeds geschied is, dan moet zulks op eene of andere wijze vernietigd of verwijderd worden, zoodat geen vogel er meer van nuttigen kan; de plaatsen door de zieke dieren met hun mest besmet, moeten behoorlijk gereinigd en met C a r b o 1 z u u r w a ter (1 deel op 30 deelen water) ontsmet worden.

Indien het aangetast dier tot eeno kostbare soort mocht behooren, dan kan n,en beproeven het te genezen door middel eener inspuiting in don endeldarm inet lauwe melk, waarbij 4a 5 droppels Laudanum toegevoegd zijn;

ocr page 90

66

2 i 3 uren later wordt deze inspuiting op nieuw herhaald doch met niet meer dan met '2 a 3 droppels laudanum.

Gezond gebleven vogels, doch die met de zieke in aanraking geweest zijn geve men water uit aarde schotels te drinken dat met het Mixtuur van Douglas vermengd is. (pag. 52)

In geval van Bloeddiarrhee zijn evenals bij Cholera,, inspuitingen met L a u d a n u m zeer aan te bevelen.

13. De Snot. Diphteritis.

De onder deze naam algemeen bekende ziekte van het hofgevogelte kan men in goedaardige en in kwaadaardige onderscheiden.

De goedaardige snot is het gevolg van gevatte koude en daardoor ontstane lichte ontsteking der ademhalingswegen; in dergelijk geval tranen de oogen en vloeit uit de neusgaten een waterig vocht; de dieren schudden den kop, niezen en snakken met open bek naar lucht. Warmte en beschutting tegen tocht en ruwe weergesteldheid zijn de eenigste geneesmiddelen tegen deze ongesteldheid die gewoonlijk van zeli' geneest.

De kwaadaardige snot, diphteritische keelontsteking,, is van zeer boosaardigen en besmettelijken aard. Bij deze ziekte, ook wel ten onrechte kanker genoemd, ontwikkelen zich in mond- en oogholte knobbels, die met een korrelige, kaasachtige massa gevuld zijn. Dergelijke aangestoken dieren doet men het best onmiddelijk te slachten en kop en hals te verbranden of diep te begraven, zoodat geene andere vogels daarmede in aanraking kunnen komen.

ocr page 91

07

waardoor de besmetting algemeen verspreid zoude worden. Mocht evenwel de eigenaar hoogen prijs stollen op het behoud van een of ander dier, dan moet de mondholte tweemaal daags met behulp van een penseel met eene oplossing van i Gram Ni t r as Ar gen t i c r ys t a 11. op 50 Gram water ingesmeerd worden; indien er knobbels in de monden oogholte aanwezig zijn moeten zij met een scherp mesje geopend worden en de daarin vervatte kaasachtige stof door uitdrukken of uitscheppen met een aun houten spateltje verwijderd worden, hierna wordt de wond uit-gewasschen met liet zoogenaamde verband water, bestaande uit; 1 Gram S a 1 i c y 1 z u u r op -100 Gram zuiver water, waarbij 50 Gram Glyzerine toegevoegd is. Zoo de wond wijd gapende is, moeten hare wanden met behulp van een of twee door de wondranden gestoken spelden, waarom een weinig naaigaren gewonden wordt, tegen elkaar gehouden worden, zoodat zij zich gemakkelijk aan elkaar kunnen hechten.

Stal en alles waarmede het zieke dier in aanraking geweest is moet met eene oplossing Va Kilo Carbolzuur op 12 ü 15 liter kalk water afgewasschen worden.

14. Miltvuur of Anthrax.

Eene der noodlottigste hoewel bij ons te lande vrij zeldzame ziekte van het hofgevogelte is liet Miltvuur. Men herkent haar door haar spoedig verloop, somtijds is tusschen begin der ziekte en den dood ter nauwernood een half uur verloopen, gewoonlijk echter gaan 24 uren daarmede heen, terwijl men hier en daar knobbels en

ocr page 92

68

puisten of wel koudvuurplekken, voornamelijk op de voeten ontdekt.

De door miltvuur aangetaste dieren ziet men plotseling ziek worden, een bloedig slijm vloeit uit neus, mond en darmopening; onder stuiptrekkingen en verdraaiingen van kop en hals sterven zij in zeer korten tijd, gewoonlijk gaat er met het verloop der ziekte een dag of 24 uren heen. De aangetaste dieren hebben in den beginne een onregelmatigen, waggelenden gang, zij zijn zeer treurig en zwak, zij laten met gebogen rug de vleugels hun-gen en hebben een afkeer aan het zwemmen, bij elke beweging zakken zij als verlamd ineen. De zwemhuid tus-schen de toonen begint alsnu te zwellen, zij wordt bloedrood met blauwe of violette plekken, die spoedig in koudvuur ontaarden, dergelijke plekken worden ook op den bek waargenomen.

De lijken van aan miltvuur gestorven vogels zwellen zeer spoedig op en gaan bijzonder snel in rotting over; bij miskroskopisch onderzoek van het bloed vindt men daarin eene overgroote menigte staaf bacteriën (Bacillus antliracis), de besmettende oorzaak van het miltvuur.

Het voorbehoedmiddel tegen het miltvuur bestaat in het verwijderd houden der vogels van aan miltvuur lijdend of gestorven vee; verder passe men op het aangetast gevogelte toe, strenge afzondering der zieke dieren van de gezonde; vernietiging der aan miltvuur gestorven dieren door die diep te begraven of bij voorkeur te verbranden; zuivering der hokken met dosinfecteermiddelen als Carbolzuu r enz.

Het miltvuur komt oorspronkelijk bij het pluimgedierte

ocr page 93

C9

niet voor, doch het ontstaat door besmetting veroorzaakt doordien liet gevogelte in aanraking geweest is met een aan miltvuur gestorven rund, waarom het hoogst noodzakelijk is de lijken van aan miltvuur gestorven dieren te verbranden of wel zoo spoedig en zoo diep mogelijk te begraven, na ze vooraf met ongebluschte kalk en met G a r h o 1 z u u r w a ter te hebben overdekt, ten einde elke smetstof, die vele jaren lang haar besmettend vermogen behoudt, te vernietigen.

15. Blaarziekte.

liet besmettelijke mond- en klauwzeer van het vee kan zich ook aan het hofgevogelte mededeelen, om welke reden ganzen en eenden met de besmette dieren niet in aanraking mogen komen.

Bij met deze ziekte besmette zwemvogels treft men gewoonlijk blazen en blaren op de zwemvliezen der voeten alsmede in de mond- en keelholte aan. Daar do aangetaste pooten der dieren, het gaan zeer pijnlijk maken, zoo nemen zij een zeer eigenaardigen gang aan; zij loo-pen voorzichtig met hoog opgetrokken boenen, somtijds is de pijn zoo hevig dal de dieren voortdurend blijven liggen en niet loopen willen. Zoo er blaren in den mond aanwezig zijn dan weigeren de dieren le eten, daar zulks hun zeer pijnlijk is en in welk geval hun zacht geweekt of gekookt voer moet voorgezet worden.

Deze ziekte duurt gewoonlijk 8—14 dagen en herstelt zich gewoonlijk van zelf.

De Blaarziekte van het vee wordt op de zwemvogels over-

ocr page 94

70

gebracht, doordien zij drinken en slobberen uit emmers waaruit liet ziek vee gedronken heeft of doordien zij gelegen hebben op hooi of stroo dat bij deze in gebruik geweest is.

Aangestoken dieren moeten volkomen rust hebben daar het rondloopen de kwaal aan de pooten verergert. Indien na het scheuren der blaren diepe wondplekken op de voeten overblijven, moeten dezen met eene dunne oplossing van Salicylzuur in water en G 1 y c e r i n e (zie bladz. 07) gewasschen en daarna met een laag C o 11 o d i-u m, gedekt worden, door zulks met een penseeltje er over heen te smeeren.

10. Beenbreuken.

Bij zwemvogels, vooral bij ganzen, komen beenbreuken meer aan de voorste ledematen (de vleugels) dan aan de achterste (de poolen) vroor en wel hoofdzakelijk ten gevolge van hunne strijdlust onder elkaar en boosaardigheid jegens menschen en dieren, bij welke vijandelijke bejegeningen zij gewoonlijk van hunne vleugels gebruik maken en deze dikwerf zelf in stuk slaan. Ter herstelling van het gebroken lichaamsdeel is het noodzakelijk dat door spalken de gebroken beenderen worden ondersteund, maar tevens dat de gcheelc vleugel door windsels 2 a 3 weken lang tegen het lichaam gedrukt gehouden wordt. Het is onvoldoende slechts de gebroken vleugel alleen in te zwachtelen, zulks moet met beide te gelijk geschieden, daar de beweging die het dier met den gezonden en niet inge-zwachtelden vleugel kan maken, de zwachtels van het gebroken lid zoude losmaken. De beide uiteinden van eene breede zwachtel van groflinnen, mot twee gaten

ocr page 95

71

voorzien, door welke de pooten van het dier kunnen gestoken worden, worden op den rug van het dier te zamen genaaid, zoodat de beide vleugels onbewegelijk tegen het lijf aangehouden worden.

Een gebroken vleugel laat zich herkennen doordien het dier dat lichaamsdeel niet kan gebruiken en voortdurend laat hangen; bij nauwkeurig onderzoek voelt menbijeene doelmatige beweging, dat tie beide einden van hot been op de gebroken plaats tegen elkaar wrijven en zelfs een hoorbaar geluid van wrijving kunnen veroorzaken.

Bij de behandeling van beenbreuken aan do pooten worden in de eerste plaats do hinderlijk zijnde veeren weggeknipt. Do over elkaar geschoten beeneinden moeten, door uitrekken, weer zuiver tegen elkaar aangebracht en in dien toestand gehouden worden; zulks geschiedt door, om hot gebroken been een stevige koker van zwachtels te maken; hierbij gaat men als volgt te werk: eerst omwikkelt men liet goed in zijne positie gehouden gebroken been met eenc wolion zwachtel, hierover brengt men een lange smalle katoenen zwachtel aan, die in waterglas gedrenkt is; tusschen elke laag dezer laatste zwachtel wordt oen fijne laag van gipspoeder gestrooid en het dier rnoet verhinderd worden zich te kunnen bewegen zoolang het verband nog niet volkomen hard droog is. Dit verband moet ongeveer 3 ii 4 weken blijven zitten, gedurende dien tijd beeft men niets anders te doen dan zich van tijd lot tijd te overtuigen, dat het verband niet al te knellend is aangelegd en hier of daar geene zwelling veroorzaakt, of wel dat het verschoven mocht zijn.

Zoo eene beenbreuk met uitwendige verwonding gepaard

ocr page 96

72

gaat, door welke de gebroken beender-uiteinden doorheen steken, dan is de genezing aan zoovele bezwaren verbonden dat het raadzaam is liet dier zoo spoedig mogelijk te slachten,

18. Wonden.

Deze komen bij de zwemvogels minder voor dan bij het overig pluimgedierte, daar de vorm van den bek bij deze het zich onderling verwonden niet toelaat, alleen ganzen maken bij het vechten van den bek gebruik.

Bij huid- of vleeschwonden worden deze onmiddelijk met zuiver water schoon uitgewasschen; na de omliggende veeren die de wond bedekken weggeknipt te hebben, wordt de wond gebet met het verbandwater (zie pag. 07). Bij wijd gapende wonden worden de wondranden met spelden tot elkaar gebracht, dit geschiedt door twee of meer spelden naarmate de wond grooter is, door de tegenover elkaar gelegen wondranden der verscheurde huid te steken, en door lisvormige omwikkeling van elke speld mot naaigaren tot elkaar te brengen; na 4 a 5 dagen tijds zijn de randen weder aan elkaar gegroeid en kunnen de spelden uitgetrokken worden, waardoor de draad van zelf loslaat. Over de wond wordt eenelaag Colt odium aangebracht en de vogel voor eenige dagen door opsluiting verhinderd te water te gaan.

Bran d w o n d e n komen uit den aard der zaak zelden bij zwemvogels voor, echter kan zulks plaats hebben bij een uitgebroken brand in stal of schuur waarin zich dergelijke dieren bevinden. Zoo de brandwonden niet van te

ocr page 97

73

grooten omvang zijn, worden zij met eene dikke 3 ü 4 dubbele laag C o 11 o d i u m bedekt.

Indien men des zomers te vreezen heeft dat vliegen de eene of andere wond met hare eieren (waaruit de made ontstaan) zouden verontreinigen, moeten zij benevens de omliggende veeren met verdund Garbolzuurwater bevochtigd worden, de sterke lucht vanhet carbolzuur zal de vliegen ver verwijderd houden.

19. Bevriezen der pooten.

Hoezeer de in ons klimaat te huis behoorende soorten van zwemvogels zelden aan bevroren pooten lijden, zoo komt zulks echter hij langdurige en strenge winters niet zeldzaam voor bij die soorten welke uit de warmere landstreken herkomstig zijn; heeft men echter redenen te vreezen dat eenige veerlooze deelen van de winterkoude geleden hebben, dan moet men dergelijke dieren nimmer onmid-delijk in een verwarmd lokaal hrengen, maar op eene plaats waar de vorst niet kan doordringen; de bevroren deelen worden alsnu met sneeuw of koud water duchtig ingewreven en daarop met Vaseline ingesmeerd,hetgeen een paar dagen achtereenvolgens ties morgens en 's avonds moet herhaald worden. Eerst nadat de bevroren geweest zijnde deelen een paar uren ontdooid zijn,kunnen do dieren in een matig verwarmd lokaal overgebracht worden. Zoo men deze eenvoudige voorzorgsmaatregelen niet behoorlijk in acht neemt, zullen de bevroren lichaanrtsdeelen weldra afsterven en afvallen. Indien ondanks alle genomen voorzorgen eenig deel blijkt bevroren te zijn, doordien het sterk opgezwollen en onnatuurlijk van kleur gc-

ocr page 98

74

worden is, dan moet het met behulp van een penseel of kwastje ingesmeerd worden met i deel Salpeterzuur zilver (N i t r a s a r g e n t i) in 20 a 30 deelen water opgelost, vertoonen er zich echter hier en daar afgestorven plekken van welke de huid zich aflost, dan diene men deze ontvelde plekken even met helsche steen (L a p i s infernalis) aan te strijken.

20. Verdrinken.

De hoofdoorzaak van het verdrinken van een of anderen zwemvogel moet gezocht worden in de omstandigheid dat het dier, op de eene of andere wijze met den kop onderwater gehouden en het daardoor de ademhaling belet wordt. Dikwerf geschiedt zulks door het vechten onder elkaar, voornamelijk in den paartijd bij de ganzen, als wanneer de sterkste de zwakkere, door den kop onder water te houden, tracht te verdrinken; eene andere oorzaak is liet beklemd geraken onder water; om zulks zooveel mogelijk te verhoeden moet men zorg dragen dat in wateren voor zwemvogels bestemd, het raster of vlechtwerk, dat als afscheiding dienen moet, zoodanig ingericht zij dat geen dier, bij het onderduiken en bij pogingen van ontvluchting, op eenigerleiwijze kan beklemd raken; daarom moeten de tralies van eenig rasterwerk zoo ver van elkaar verwijderd zijn, dat de kop van een of anderen zwemvogel gemakkelijk doorheen gestoken en teruggetrokken kan worden, of omgekeerd dat het geheel onmogelijk is om dat lichaamsdeel tusschen de tralies of mazen door te steken; indien eenige separatie tot den grond toe

ocr page 99

75

moet reiken, drage men vooral zorg dat zulks zoo diep onder den modder zij, dal geen vogel daaronder door kan duiken, waardoor noch het ontsnappen noch hot beklemd raken mogelijk wordt. De op eenen ofandere wij ze onder water vastgeraakte dieren moeten onmiddelljk uit hunne netelige positie verlost worden, zonder dit sterven zij binnen weinige minuten; is men er spoedig bij, en geelt het geredde dier in de eerste oogcnblikken nog geen teeken van leven, dan moet men niet onmiddelljk alle hoop op behoud verloren geven, menigmaal ziet men dat de ademhaling langzamerhand wederkeert, waardoor het leven gered is. Zoo noodig kan men ook de ademhaling kunstmatig te gemoet komen door liet verdronken dier met uitgestrekte hals, op borst en buik te loggen en de rug met kleine tusschenpoozingen voorzichtig zaam tc drukken on hiermede eenigen tijd vol te houden, waarna men dikwerf de ademhaling van zelf ziet terugkeeren. Het nat worden der vee r e n is een gebrek dat voor watervogels de allernoodlottigste gevolgen hebben kan. Vele eenden ziet men in gezonden toestand onder hel water door, duiken en eenige oogcnblikken later weer aan de oppervlakte verschijnen en wel als het ware in volkomen droogen toestand, alle veeren zijn ondanks de onderdompeling volkomen droog gebleven. Deze bijzondere eigenschap van de veeren der watervogels hebben zij tc danken aan liet olieachtig vet waarmede zij voorzien zijn, en dat door de vetklicr boven den staart afgezonderd wordt en door den vogel over alle veeren heen in eene dunne laag uitgespreid wordt.

Ten gevolge van opeenhooping van een groot aantal

ocr page 100

70

zwemvogels in een te beperkte ruimte worden deze, de een door den anderen, geheel bemorst. De dunne vetlaag over de veeren verdwijnt en deze zelf worden alsdan voor vocht en water min of meer hoogst gevoelig, zoodat de veeren van dergelijke dieren, zoo men zo in dien toestand te water laat, volkomen nat worden en zij zelf moeite hebben zich boven water drijvend te houden. Een hoofdeigenschap van ilrooge veeren is dat zij een bijzonder slechte warmtegeleider zijn en daardoor het dier volkomen tegen koude beschut; daarentegen zijn de natte veeren oorzaak dat door warmteverlies de zwemvogels in 't water van koude omkomen-, de op deze wijze verkleumde dieren moeten door warmte, liefst zonnewarmte, weer tot zichzelve gebracht worden. Dergelijke dieren laat men niet eerder weder te water gaan dan nadat liet go-bleken is, dat de veeren weer door eene behoorlijke vetlaag voorzien zijn.

21. Vergiftiging.

Vergiftigingen door mineraal vergift komen bij de watervogels zeldzaam voor, tenzij zulks met kwaad opzot geschiedt als door Kattekruid, Phosphorus, Sublimaat enz. daarentegen zijn vergiftigingen door het eten van schadelijke planten en vruchten niet zeldzaam; is de vergiftiging niet van ernstigen aard dan volgt spoedig genezing uit zich zelfs; is zulks daarentegen wel het geval, dan kan niets daartegen gedaan worden dan eene afwachtende houding aan te nemen, en het dier intusschen 2 ö, 3 theelepels vol A m er ik aan sc he- of Ricinusolie in te

ocr page 101

geven. Kan men ingeval van vergiftiging er weinig meer aan doen, door oplettendheid daarentegen kan men veel gevaar voorkomen. Zoo zorge men in de eerste plaats dat uil het water waarin zwanen en eenden rondzwemmen de zoo giftige U o 11 e K e r v e 1 of \V ate r scheerling uitgeroeid worde; de verschijnselen van vergiftiging door Dolle Kervel bestaat in het waggelend als dronken rond-loopen der dieren die er van gegeten hebben, zij latende vleugels hangen en krijgen kramptrekkingen, waarbij de hals zich onwillekeurig zijwaarts en achterwaarts buigt, de pooten strekken zich uit en onder stuiptrekkingen treedt de dood in.

liet eten van b e s c h i m m e 1 d brood en ander dergelijk voer kan doodelijke gevolgen na zich sleepen, zoo ook het nuttigen van giftige c h a m p i g n o n s, vooral de vlie-genzwam (A g a r i c u s m u s c a r i u s) is zeer gevaarlijk liet eten van granen waarin veel brand of m o e d e r-k o o r n in voorkomt, alsmede van te veel w ikke n veroorzaakt bij ganzen darmontsteking. Men moet er ook behoorlijk voor waken dat de ganzen niet de bessen op kunnen eten van de N a c h t s c h a d e, van het B i 1 s e n-kruid en van het Bitterzoet die allen giftig zijn; men doet het best deze onkruiden in streken waar ganzen grazen zorgvuldig uit te rooien, ook do groene zaad-v r u c h t e n d er a a r d a p p e 1 e n zijn hoogst nadeelig. Harige rupsen in groote hoeveelheden door eenden gegeten zijn voor dezen zeer nadeelig, daarom moet men deze vogels van die plaatsen waar dergelijke rupsen in menigte voorkomen, zooals zulks gedurende enkele jaren het geval zijn kan, trachten verwijderd te houden.

ocr page 102

72

gaat, door welke de gebroken beender-uiteinden doorheen steken, dan is de genezing aan zoovele bezwaren verbonden dat het raadzaam is het dier zoo spoedig mogelijk te slachten,

•18. Wonden.

Deze komen bij de zwemvogels minder voor dan bij het overig pluimgedierte, daar de vorm van den bek bij deze het zich onderling verwonden niet toelaat, alleen ganzen maken bij het vechten van den bek gebruik.

Bij huid- of vleeschwonden worden deze onmiddelijk met zuiver water schoon uitgewasschen; na de omliggende veeren die de Avond bedekken weggeknipt te hebben, wordt de wond gebet met het verbandwater (zie pag. 07). Bij wijd gapende wonden worden de wondranden met spelden tot elkaar gebracht, dit geschiedt door twee of meer spelden naarmate do wond grooter is, door de tegenover elkaar gelegen wondranden dor verscheurde huid te stoken, en door lisvormige omwikkeling van elke speld mot naaigaren tot elkaar te brengen; na 4a 5dagentijds zijn de randen weder aan elkaar gegroeid en kunnen de spelden uitgetrokken worden, waardoor de draad van zelf loslaat. Over de wond wordt eene laag CoUodium aangebracht en de vogel voor eenige dagen door opsluiting verhinderd te water te gaan.

Brandwonden komen uit den aard der zaak zelden bij zwemvogels voor, echter kan zulks plaats hebben bij een uitgebroken brand in stal of schuur waarin zich dergelijke dieren bevinden. Zoo de brandwonden niet van te

ocr page 103

73

grooten omvang zijn, worden zij met eene dikke 3 a 4 dubbele laag C o 11 o d i u m bedekt.

Indien men des zomers te vreezen heeft dat vliegen de eene of andere wond met hare eieren (waaruit de made ontstaan) zouden verontreinigen, moeten zij benevens de omliggende veeren met verdund Carbolzuur water bevochtigd worden, de sterke lucht vanhet carbolzuur zal de vliegen ver verwijderd houden.

19. Bevriezen der pooten.

Hoezeer de in ons klimaat te huis behoorende soorten van zwemvogels zelden aun bevroren poolen lijden, zoo komt zulks echter bij langdurige en strenge winters niet zeldzaam voor bij die soorten welke uit de warmere landstreken herkomstig zijn; heeft men echter redenen te vreezen dat eenige veerlooze deelen van de winterkoude geleden hebben, dan moet men dergelijke dieren nimmer onmid-delijk in een verwarmd lokaal brengen, maar op eene plaats waar de vorst niet kan doordringen; de bevroren deelen worden alsnu met sneeuw of koud water duchtig ingewreven en daarop met Vaseline ingesmeerd, hetgeen een paar dagen achtereenvolgens des morgens en 's avonds moet herhaald worden. Eerst nadat de bevroren geweest zijnde deelen een paar uren ontdooid zijn,kunnen de dieren in een matig verwarmd lokaal overgebracht worden. Zoo men deze eenvoudige voorzorgsmaatregelen niel behoorlijk in acht neemt, zullen de bevroren lichaamsdeelen weldra afsterven en afvallen. Indien ondanks alle genomen voorzorgen eenig deel blijkt bevroren te zijn, doordien het sterk opgezwollen en onnatuurlijk van kleur ge-

ocr page 104

74

worden is, dan moet het met behulp van een penseel of kwastje ingesmeerd worden met 1 deel Salpeterzuur zilver (N i t r a s a r g c n t i) in 20 a 30 deelen water opgelost, vertoonen er zich echter hier en daar afgestorven plekken van welke de huid zich allost, dan dienc men deze ontvelde plekken even met helsche steen (Lapis infernalis) aan te strijken.

20. Verdrinken.

De hoofdoorzaak van het verdrinken van een of anderen zwemvogel moet gezocht worden in do omstandigheid dat het dier, op de eene of andere wijze met den kop onderwater gehouden en het daardoor de ademhaling belet wordt. Dikwerf geschiedt zulks door het vechten onder elkaar, voornamelijk in den paartijd bij de ganzen, als wanneer de sterkste de zwakkere, door den kop onder water te houden, tracht te verdrinken; eene andere oorzaak is het beklemd geraken onder water; om zulks zooveel mogelijk te verhoeden moet men zorg dragen dat in wateren voor zwemvogels bestemd, het raster of vlechtwerk, dat als afscheiding dienen moet, zoodanig ingericht zij dat geen dier, bij het onderduiken en bij pogingen van ontvluchting, op eenigerleiwijze kan beklemd raken; daarom moeten de tralies van eenig rasterwerk zoo ver van elkaar verwijderd zijn, dat de kop van een of anderen zwemvogel gemakkelijk doorheen gestoken en teruggetrokken kan worden, of omgeke'erd dat hel geheel onmogelijk is om dat lichaamsdeel tusschen de tralies of mazen door te steken; indien eenige separatie tot den grond toe

ocr page 105

75

moet reiken, drage men vooral zorg dat zulks zoo diep onder den modder zij, dat geen vogel daaronder door kan duiken, waardoor noch het ontsnappen noch het beklemd raken mogelijk wordt. De op eenen of andere wijze onder water vastgeraakte dieren moeten onmiddelijk uit hunne netelige positie verlost worden, zonder dit sterven zij binnen weinige minuten; is men er spoedig bij, en geelt het geredde dier in de eerste oogenblikken nog geen teeken van leven, dan moet men niet onmiddelijk alle hoop op behoud verloren geven, menigmaal ziet men dat de ademhaling langzamerhand wederkeert, waardoor liet leven gered is. Zoo noodig kan men ook de ademhaling kunstmatig te gemoet komen door het verdronken dier met uitgestrekte hals, op borst en buik te loggen en de rug met kleine tusschenpoozingen voorzichtig zaam te drukken en biermede eenigen tijd vol te houden, waarna men dikwerf de ademhaling van zelf ziet terugkeeren. Het nat worden' der v e e r e n is een gebrek dat voor watervogels de allernoodlottigste gevolgen hebben kan. Vele eenden ziet men in gezonden toestand onder hel water door, duiken en eenige oogenblikken later weer aan de oppervlakte verschijnen en wel als het ware in volkomen droogen toestand, allo vecren zijn ondanks de onderdompeling volkomen droog gebleven. Deze bijzondere eigenschap van de voeren der watervogels hebben zij te danken aan het olieachtig vet waarmede zij voorzien zijn, en dat door de vetklier boven den staart afgezonderd wordt en door den vogel over alle veeren heen in eene dunne laag uitgespreid wordt.

Ten gevolge van opeenhooping van een groot aantal

ocr page 106

70

zwemvogels in een to beperkte ruimte worden deze, de een door den anderen, geheel bemorst. De dunne vetlaag over de veeren verdwijnt en deze zelf worden alsdan voor vocht en water min of meer hoogst gevoelig, zoodat de veeren van dergelijke dieren, zoo men ze in dien toestand te water laat, volkomen nat worden en zij zelf moeite hebben zich boven water drijvend te houden. Een hoofdeigenschap van drooge veeren is dat zij een bijzonder slechte warmtegeleider zijn en daardoor het dier volkomen tegen koude beschut; daarentegen zijn de natte veeren oorzaak dat door warmteverlies de zwemvogels in 't water van koude omkomen; de op deze wijze verkleumde dieren moeten door warmte, liefst zonnewarmte, weer tot zichzelve gebracht worden. Dergelijke dieren laat men niet eerder weder te water gaan dan nadat het gebleken is, dat de veeren weer door eene behoorlijke vetlaag voorzien zijn.

21. Vergiftiging.

Vergiftigingen door mineraal vergift komen bij de watervogels zeldzaam voor, tenzij zulks met kwaad opzet geschiedt als door Kattekruid, Phosphorus, Sublimaat enz. daarentegen zijn vergiftigingen door het eten van schadelijke planten en vruchten niet zeldzaam; is de vergiftiging niet van ernstigen aard dan volgt spoedig genezing uit zich zelfs; is zulks daarentegen wel het geval, dan kan niets daartegen gedaan worden dan eene afwachtende houding aan te nemen, en het dier intusschen 2 ü 3 theelepels vol Amerikaanscbc- of Ricinusolie inte

ocr page 107

77

geven. Kun men ingeval van vergiftiging er weinig meer aan doen, door oplettendheid daarentegen kun men veel gevaar voorkomen. Zoo zorge men in de eerste plaats dat uit het water waarin zwanen en eenden rondzwemmen de zoo giftige Dolle Kervel of W a t e r s c h e e r 1 i n g uitgeroeid worde; de verschijnselen van vergiftiging door Dolle Kervel bestaat in het waggelend als dronken rond-loopen der dieren die er van gegeten hebben, zij latende vleugels hangen en krijgen kramptrekkingen, waarbij de hals zicli onwillekeurig zijwaarts en achterwaarts buigt, de pooten strekken zich uit en onder stuiptrekkingen treedt de dood in.

Het eten van b c s c h i m m e ld brood en ander dergelijk voer kan doodelijke gevolgen na zich sleepen, zoo ook het nuttigen van giftige c h a m p i g n o n s, vooral de vlie-genzwam (A g a r i c u s m u s c a r i u s) is zeer gevaarlijk, Het eten van granen waarin veel brand of m o e d e r-k oo rn in voorkomt, alsmede van te veel wikken veroorzaakt bij ganzen darmontsteking. Men moet er ook behoorlijk voor waken dat de ganzen niet de bessen op kunnen eten van de Nachtsch a d e, van het B i 1 s e n-kruid en van het Bitterzoet die allen giftig zijn; men doet het best deze onkruiden in streken waar ganzen grazen zorgvuldig uit te roeien, ook de groene z a a d-v r u c h t e n d e r a a r d u p p e 1 e n zijn hoogst nadeelig. Harige rupsen in groote hoeveelheden door eenden gegeten zijn voor dezen zeer nadeelig, daarom moet men deze vogels van die plaatsen waar dergelijke rupsen in menigte voorkomen, zooals zulks gedurende enkele jaren het geval zijn kan, trachten verwijderd te houden.

ocr page 108

78

22. Hulp- en Geneesmiddelen voor zieke vogels.

Elke vogelkweeker dient steeJs voorhanden to hebben.

a. Een zeer scherp ponnemesje.

b. Een sterke schaar.

c. Een paar Gutta-percha injectiespuitjes.

d. Een paar penseelen voor het besmeeren metcollodiutn en Jodium.

e. Een paar meiers rokkenband — 3ll2 centim. breed, voor zwachtels.

f. Gips 1/2 Kilogram in een goedgesloten stopflesch te bewaren.

lt;j. Waterglas 300 Gram.

h. Sla- of zoete olie en fijn zout.

i. Amerikaansche- of Ricinusolie, 30 Grm.

k. Vaseline Va Kilogr.

1. Jodiumtinctuur 30 Gram.

m. Laudanum quot;10 a 20 Gram in een fleschje met opschrift vergift.

n. Coliodiuin, 30 Gram in flesch mot goedsluitende glazen slop.

o. Een stukje Lapis infernalis in een penneschacht bevestigd en in oen lleschje met lijnzaad bewaard.

p. Salpeterzuur zilver (Nitr. argent.) 3 Gram in 30 Gram water opgelost.

NB. Bij gebruik te verdunnen met 2 a 3 maal zooveel water naar omstandigheden.

q. Wond- en verbandwater, beslaande uit;

Salicylzuur i Gram, opgelost in 100 Gram water en daarbij toegevoegd, 10 Gram Glycerine.

ocr page 109

79

r. Waschwater en desinfecteer-middel: Carbolzuur 4 a 5 Kilogr. bij gebruikmaking neemt men 35 Grm. Carbolzuur op elke liter water.

s. Mixtuur van Douglas, dit bestaat uit Yzervitriool (Sulph. ferri) 25 Grm. opgelost in 1 Liter water, voeg hier langzaam bij 3Va Grm. Zwavelzuur (Acid. sulpb.) dagelijks hiervan een eierlepel vol bij elk liter drinkwater toe te voegen.

N

ocr page 110

II O O F Ü S T U K V.

VIJANDEN EN PARASIETEN.

Do zwemvogels zijn wegens hunne eigenaardige levenswijze, namelijk grootere vrijheid in hunne bewegingen, aan meerdere vijanden blootgesteld, dan het overige hof-gevogelte, dat meer onmiddelijk onder bescherming van den mensch staat; onder deze tellen wij

1. Viervoetige dieren,

als Honden, K a 11 e n, V o s s e n, B u n z i n g s, Ma r t e r s, AV ezel s, lï a 11 e n enz. Vooral onder jonge dieren kunnen zij somwijlen een groote slachting aanrichten, waarom deze hulpelooze wezens met de moeder des nachts behoorlijk moeten opgesloten zijn, op plaatsen die voor hunne vijanden ontoegankelijk zijn. Ratten en quot;Wezels zijn als eierendieven zeer te vreezen

2. Vogels,

als: allerlei Roofvogels, Kraaien en E k s t e r s.

ocr page 111

81

■vooral kraaien zijn wegens hare verregaande brutaliteit ^cer tevreezen, daar zij zwemmende jonge puien in de onmiddellijke nabijheid der moeder weten te bemachtigen, om zich terstond daarna met hare prooi in de lucht te ver-hefien. Kraaien en eksters moeten evenals de ratten als groote eierdievcn beschouwd worden, liet schietgeweer is liet beste middel om ze een weinig in toom te houden.

ü. Visschen.

Onder deze moeten s n o e U e n, groote baarzen en palingen genoemd worden, die de jonge puien hij de puoten weten te grijpen en ze onder water te verdrinken. Vijvers, in welke men jonge eenden enz. wenscht op te kweeken, moeten vooraf van deze waterwolven gezui-verd worden.

4. Luizen.

De luizen, welke bij de zwemvogels worden aangetroffen, voeden zich niet met het bloed dezer dieren, maar uitsluitend met het afknagen hunner wetachtige huidschubben, vooral nabij de wortels der veeren en van liet dons. Alleen wanneer zij in groote hoeveelheden voorkomen kunnen zij dooi' hare bewegingen en gekriebel op de huid lastig worden. Reine nachtverblijven en nesten is het beste middel tegen deze parasieten.

Bij de Zwanen komt slechts ecne soort van luis voor, ■namelijk de O r n i t h o b i u s C y g n i.

De Ganzen worden geplaagd door:

6

ocr page 112

82

L i p e u r u s j e j u n u s liij wilde Ganzen,

Trinaton conspurcatum „ tamme „ ,

n 1 u r i cl u m « „ n • Bij de Eenden vindt men :

L i p e u r n s squall d u s bij wilde Eenden,

D o c o p h o r ii s icterodes „ tamme „ ,

„ a d u s l ii s // u u

5. Ingewandswormen.

Evenals iille dieren worden ook de watervogels door ingewandswormen gekweld, die, wanneer zij in grooten getale voorkomen, hunne gezondheid scliade doen en veelal oorzaak van vermagering zijn; men ontdekt ze bij bet leven der dieren, door ze in de mest der vogels op te sporen.

Het eenvoudigste middel om de aangetaste dieren van deze lastige gasten te verlossen, is ze een weinig van het M i x t u u r van Douglas (zie Hoofdst. IV, n0 22, s.) in hun drinkwater te mengen; men neme daartoe eene zekere boeveelheid van het mixtuur en verdunne dit met eene tiendubbele hoeveelheid water, dat bun als drank wordt voorgezet. Eén of twee uren nadat de dieren gedronken hebben geve men ze een eetlepel vol Amerikaans eb e olie in. Zoo de wormen zich in het darmkanaal bevinden, komen zij spoedig mot de ontlastingsstoffen naar buiten; zoo noodig kan het middel na één of twee dagen weer herhaald worden. Zoo de wormen in de luchtpijp mochten voorkomen en groote benauwdheden veroorzaken, laat men bet diei door een helper vasthouden en den bek met vooruitge-

ocr page 113

83

strekten kop en hals openhouden; zoodra de patiënt lucht tracht in te ademen ziet men de luchtpijpopening wijd gapen. Dit oogenblik wordt to baat genomen om eensklaps eene veer, waaraan slechts aan hot topeinde de zachte dwarsveertjes gelaten zijn, in de luchtpijp in te voeren en al draaiende onmiddellijk terug te trekken, waardoor meestal do wormen mot de veer naar buiten komen, ot' door hoesten worden uitgedreven, liet is bijna onnooilig hier te melden, dat de geheele operatie zeer behendig en in enkele seconden moet afgeloopen zijn, om den vogel niet te doen stikken.

De bij do watervogels waargenomen ingewandswormen behooren tot de volgende soorten. Zoo vindt men:

in de Luchtpijpen van Ganzen en Eenden Sclero stoma

s y n g a m u s.

in de Luchtpijpen der Bergeenden Monostomum vulp-

a n s e r i s.

in de Neusholten der Ganzen Monostomum in u tab i le. // den Slokdarm „ n Strongylus nodularis. u „ // u Eenden M o n o s t o m u m 11 a vu rn.

,/ ,/ „ en maag van Ganzen en Eenden F i 1 a r i a

unci n a t a.

/z n // // „ l)ij Eenden Tropidoccra

i n f 1 a t a.

in klierachtige Knoiibeltjes bij Eenden E u s t r o n g y lus

Lu b i f o x.

in den Eierleidor der Eenden Dist om um ovatum. „ de Darmen van Ganzen en Eenden D i s t o m u m ecii i-

n a t u m.

„ „ „ ,, ,, „ „ Taenia laceolata.

ocr page 114

84

Ganzen en Eenden Taenia s i n u o s a. Eenden u malle u s.

u E c h i n o r h y n c h u s pol y-

m o r p h u s. „ A in p h i s t o m a e r r a t i c u m. „ Ascaris crassa.

Talingen Trichosoma brevlcolle. der Ganzen S t r o n g y 1 u s tenuis. „ „ M o n o s t omuiu attenu-

a t u m.

n „ en Eenden Monostonium

v e r r u c o s u m. u n t/ u II e t e i a k i s

di spar.

6. Bacteriën.

Onder de minst zichtbare, doch inderdaad niet onder de minst gevaarlijke vijanden van het dierenrijk en alzoo ook van de vogels moeten wij alhier de allerkleinste wezens vermelden, die tot heden hekend zijn, namelijk de tegenwoordig zoo druk besproken bacterie n. Men kan ze naar hunne vormen verdoelen in

Kogelbacteriën.

blaat //

Draad „

Schroef „

Deze plantaardige, tot de s p 1 ij t z w a m m e n behoo-rende wezens zijn oneindig klein en kunnen slechts met behulp van buitengewoon sterk vergrootende microscopen waargenomen worden. Uit deze wezens bestaat de smet-

in de Darmen van

n n

u // '/

// u n

If II H

u n n

„ den Blinddarm

u u quot;

ocr page 115

85

stof der Cholera, D i p h t e r i t i s, P o k k e n, B o r i-B e r i, II o n cl s cl o l h e i d, M i H v u u r en vele andere voor menschen en dieren zoo gevaarlijke en besmettelijke ziekten. Tlua vernielende invloed op het dierlijk organisme moet gezocht worden in hunne ongeloofelijk snelle vermenigvuldiging, welke binnen weinige uren tijds in liet menschelijk en dierlijk lichaam plaats vindt.

Om zich een denkbeeld te kunnen vormen van het wonderbaarlijk snelle voortplantingsvermogen der bacteriën, laten wij hier de berekening volgen van de ontwikkeling der meest gewone of B a c t e r i tt m T e r m o, die zoozeer de rotting van alle dierlijke on plantaardige stoffen bevordert: zij is Vaoo millim. lang, en Viooo millim. breed; 633 millioen bacteriën zijn er noodig om eene ruimte van 1 Kub. millim. er mede te vullen; G30 milliarden wegen te zamen i Gram. Do bacteriën vermenigvuldigen zich door deeling, vanwaar de naam van splijtzwammen lior-komstig is. Het Bacteria m T e r m o verdeelt zich, volgens de waarnemingen van Cohn, reeds één uur na de geboorte in twee individuen; elk van deze in het volgende uur eveneens in twee stuks; zoo voortgaande is hun getal in 24 uren tijds tot 10 millioen geklommen, te zamen '/40 Milligram wegende; na 48 uren of 2 dagen bedraagt hun aantal reeds 280 liillioen, 442 Gram wegende; den derden dag is hun aantal 5000 trillioen sterk, die 7 Va millioen Kilogrm. zouden wogen. Zoo er aan deze ongehoorde woekering door hoogere macht zelf geen paal en perk gesteld werd, zouden alle levende wezens zoowel dieren als planten in zeer weinig tijds geheel van de aarde verdwenen zijn.

Door inenting met kunstmatig gekweekte en alzoo min-

ocr page 116

86

der schadelijk werkende, met bacteriën bezwangerde stoffen, oenc wetenschap van den nieuwsten tijd die wij hoofdzakelijk aan den Franschen geleerde Prof. Pasteur te danken hebben, komt men meer en meer op weg om bovengenoemde gevaarlijke en meesUd doodelijke ziekten evenals de pokken door inenting te voorkomen of in allen gevalle minder gevaarlijk te maken, door aan liet verloop der ziekte een meer goedaardig karakter te ver-leenen.

Volledigheidshalve hebben wij hier de bacteriën onder de vijanden van do zwemvogels vermeld, omdat zij zulk eene groote rol spelen in meest alle besmettelijke ziekten van menschen en dieren.

ocr page 117

HOOFDSTUK VI.

EIEREN.

4. Eierproductie.

Indien de eierproductie het hoofddoel zijn zal van Eenden te houden, dan moet men die vogels uitkiezen, die veel en groote eieren leggen, zooulsde Rouaan-, de Enge 1 s c h e- en do Peking-eenden. 1 let gewicht der eieren van de verschillende rassen van zwemvogels verschilt van 40 tot 100 en meer Grammen, hoewel het gemiddeld gewicht op 55 Gram kan bepaald worden. Vogels, die vele en groote eieren leggen, moet men van tie overige afzonderen. Aan de eieren dezer dieren wordt tolverdere voortplanting de voorkeur gegeven en uit de daaruit verkregen jongen worden de beste uitgezocht om do eieren van deze opnieuw weder te laten uitbroeden.

Gewone hoereneenden blijven lut haar 8ste of lOtio jaar vruchtbaar; zij leggen bij behoorlijke verzorging en goede voeding 70 tot 80 eieren per jaar; de veredelde rassen, zooals hierboven genoemd, veel meer; er zijn zelfs gevallen bekend, dat ééne eend tot 225 eieren in een jaar gelegd

ocr page 118

88

heeft. De opbrengst van een dier kan somwijlen 4 of 5 malen die van een ander overtreflen; zoo verkrijgt men dikwijls bij gelijke voeding van den eenen vogel 3 tot 4, van den anderen 10 tot 15 Kilogr. eieren per jaar.

Eendeneieren zijn zwaarder dan kippeneieren, zij hebben een aanmerkelijk hooger vetgelialte en bezitten eene grootere voedingswaarde dan die der kippen. Daar zij niet zoo fijn van smaak zijn als kippeneieren zoo brengen zij bij verkoop minder dan deze op, hoezeer zij voor keukengebruik en door banketbakkers zeer gezocht zijn. Wanneer echter de eenden in vijvers uitsluitend met gerst, maïs, brood enz. gevoed worden, behoeven hare eieren voor die der kippen geenszins onder te doen; sommige menschen schenken zo zelfs de voorkeur.

Bij goede voeding en gunstig weder beginnen damp; eenden reeds in Maart te leggen, en wanneer men dagelijks de eieren tot op één na wegneemt, gaan zij daarmede voort totdat zij uitgelegd en broedsch geworden zijn.

Zoo de ganzen goed gevoed zijn, kunnen zij tot driemaal 'sjaars eieren leggen, elke leg uit 12 eieren bestaande; en zoo men tie versch gelogde eieren onmiddellijk verwijdert en slechts oen kunstei in 't nest laat liggen, kunnen zij het tot 40 of 50 eieren per jaar brengen.

Ganzeneieren wegen 100 tot 190 Gram per stuk; de vrij dikke schaal weegt van 22 tot 28 Gram. Do eieren der eenden wegen 55 of 00 Gram; de schaal weegt Vio van het gewicht van het ei.

Eene bijzondere zorg moet men er aan wijden om de-ganzen en eenden te wonnen hare eieren in een bepaalden hoek van stal of schuur, voor haar altijd toegankelijk, te

ocr page 119

89

leggen, door zc met het uitstrooien van een weinig stroo tot hot maken van een nest aan te sporen. Zoo zij ééo-maai ergens haar eerste ei gelegd hebben, zullen zij ook de overige op dezellde plaats leggen.

2. Broedeieren.

Eieren voor liet broeden bestemd moeten dagelijks uit liet nest genomen worden, terwijl men den datum on den naam van liet ras ot' de soort er onmiddellijk opschrijven moet, om verwarring te voorkomen; deze eieren moet men op eene koele plaats bewaren. Het best worden zij in platte hakken of schuiflaadjes bewaard, waarvan de bodem met eene dikke laag droog stroohaksel of boekweitdoppon bedekt is. Hier worden zij op zijde, evenals zij in het nest liggen, neergevlijd; het plaatsen op oen der uiteinden is tegennatuurlijk en alzoo schadelijk. Deze aldus bewaarde eieren moeten dagelijks omgekeerd worden; gemakkelijk kan men dit controleeren, door zorg te dragen, dat den eenen dag al de zich op do eieren bevindende aanteekeningen omtrent legtijd, soort enz. naar boven, den anderen dag naar onderen gekeerd zijn.

Wijl do ouderdom der eieren op don duur dor hebroe-ding van invloed is, — oudere komen later uit dan versch gelegde — zoo is het raadzaam bij elk broedsel die eieren uit te zoeken, welke achtereenvolgens gelegd zijn. Hoever-scher het ei, hoe heter voor de behroeding. Eieren meer dan drie weken oud moet men in den regel als ongeschikt voor do bebroeding beschouwen.

Groote eieren van korten, ovalen vorm leveren door-

ocr page 120

90

gaans de grootste en sterkste jongen, waarom deze voor bebroeding de voorkeur verdienen.

Eieren van de eene of andere zeldzame soort, (.lie door toeval een weinig gebarsten of gekneusd zijn, kunnen dikwerf noch met goed gevolg uitgebroed worden, indien men op de gekwetste plaats, zoo spoedig mogelijk, met rauw eiwit een stukje vel van een gekookt ei afkomstig er overheen plakt, en daarover weer eene dubbele laag collodium aanbrengt, zoodat er geen lucht binnen in bet ei kan indringen.

?gt;. Schouwen van eieren.

Ten einde zich te overtuigen of eieren verscb dan wel lang geleden gelegd zijn, dompele men ze in water, waarin 125 Gram keukenzout op 1 liter water is opgelost. Zakken zij hierin tot op den bodem, zoo zijn zij denzelfden dag gelegd; de eieren van den vorigen dag bereiken don bodem niet; zijn zij drie dagen oud, dan drijven zij midden in de oplossing; eieren ouder dan vijf dagen drijven op de oppervlakte; hoe hooger de eieren drijven, des te langer is het geleden, dat zij gelegd zijn. Eieren, die in water zonder zout bovendrijven zijn om bebroed te worden en meestal ook voor de consumptie ongeschikt.

Eieren, die na een paar dagen bebroed geweest te zijn, en tegen het licht gezien, nog doorschijnend blijken te wezen, moeten uit het broednest verwijderd worden; deze kunnen echter nog gekookt, in de kouken of tot voeding van jonge vogels, van nut zijn.

ocr page 121

91

4. Bowaren van eieren.

Eieren, die men cenigen lijd, om in dc keuken te go-brui kon, bewaren wil, moeten tegen afwisseling van warmte en vorst beschut blijven, waarom zij op koolc plaatsen b. v. in kelders enz. dienen bewaard te worden.

üo in den laatston tijd gelogde eieren zijndaartoe het meest geschikt. Men bewaart zo gewoonlijk in zoogenaamde Keulsche potten, doch nimmer moor dan 50 tot CO te gelijk in éénen pot, en wel in lagen, door lijn stroohaksol of boekweitdoppen van elkander afgezonderd, terwijl de inhoud van den pot onder kalkmelk (kalk in water opgelost) moet ondergedompeld zijn. Do op deze wijze behandelde eieren kunnen van af de maand Juli tot hot laatst van den daarop volgenden winter bewaard worden; alleen drago men zorg, dat de putton met den datum van hunne vulling voorzien zijn, zoodat niet de September-eieren liet eerst gegoten worden en dio, welke b.v. in do maand Maart geconserveerd zijn bot laatst aan dc beurt komen.

Wil men verhoeden, dat de dooiers der eieren naar eene zijde doorzakken, zoogenaamd doorliggen, dan moeten zij dagelijks omgekeerd worden. Dit geschiedt het gemakkelijkst door de eieren ten goUdo van ongeveer 100 tot 150 stuks in een kistje van ongeveer 0.50 M. lengte, bij 0.30 M. breedte en 0.30 M. hoogte, onbeweeglijk tusschen boekweitdoppen in te pakken : dit kistje vorder daarmede geheel aan te vullen en met een vast deksel behoorlijk te sluiten; door een dergelijk kistje dagelijks om te keeren, worden natuurlijk al de zich daarin bevindende eieren

ocr page 122

92

gelijktijdig gekeerd, hetgeen groot tijdverlies bespaart.

Wil men de eieren een zekeren tijd lang droog bewaren, dan is liet een eerste vereischte, ze met de eene of andere vernislaag te bestrijken, die voor vocht en lucht ondoordringbaar is, als: met eene dunne laag W as, Ü1 i e of andere vette stoffen, of wel C h 1 o r o f o r in of W a t e r g 1 a s, om ze daarna in fijn houtskoolpoeder te rollen en in te pakken. Het in den laatsten tijd zoozeer aangeprezen bestrijken met 1 Gram Sal icyl zuur op 100 Gram (1 ons) water is gebleken onvoldoende te zijn, ten minste zoo men de eieren voor een reis naar Indië wenscht te conserveeren. Door sommigen wordt aanbevolen do eieren gedurende 24 uren in eene oplossing van 50 Gram Borax op 1 Liter water te leggen, ze daarna af te drogen en in zemelen of doppen te verpakken; op deze wijze behandeld beweert men ze maanden lang goed gehouden te hebben; in eene oplossing van dit zout zelf bewaard, zouden zij na maanden even frisch smaken als in het begin.

5. Verzenden der eieren.

Bij hot inpakken van eieren voor verzending bestemd, voornamelijk van broedeieren, kan men niet voorzichtig genoeg te werk gaan. Onvoorwaardelijk is hot noodig, zelfs voor kleine afstanden, elk ei in boomwol of watten en daarna in papier te wikkelen; de alzoo ingepakte eieren worden laagsgewijze zonder elkaar te raken in een ledig sigarenkistje gevlijd en de bodem daarvan alsmede de tusschenruimte tusschen do eieren met boekweitdoppen of zemelen aangevuld on met een laag dezer stof over-

ocr page 123

!)3

dekt; hierover legt men een vel papier, volkomen zoo groot als de oppervlakte van het kistje, waarna meneene tweede laag eieren inpakt enz. Uij het dichtspijkeren van het kistje moet men zeer voorzichtig te werk gaan en er zoo min mogelijk stootende of schokkende bewegingen aan geven, daar zulks voor hroedeieren hoogst nadeelig is, waarom het vastbinden van hot deksel mot bindtouw de voorkeur boven het dichtspijkeren verdient. Zoo brood-eieren over een1 grooten afstand moeten verzonden worden en daardoor dikwerf verandering van reisgelegenheid (overladen) moeten ondervinden, is het zeer aan te bevelen het kleinere kistje in een veel grootere in te sluiten, zorg dragende, dat het van alle zijden zoowel onder als boven, voor en achter, links en rechts in eene zachte veerkrachtige stof, als stroo, hooi enz. goed ingepakt zij, zoodat liet zich onmogelijk verplaatsen kan.

Eieren voor consumptie bestemd eisclien minder voorzorg voor hunne verzending; alleen drage men zorg, dat gedurende de reis niet een enkel ei breken kan, nocli dat zij door het onophoudelijk schudden gedurende liet transport, voornamelijk per as, en wanneer het paknia-teriaal uit doppen, zemelen of zaagsel bestaat, zich verplaatsen kunnen, waardoor meerdere ruimte ontstaat en de eieren langzamerhand naar boven komen, ten gevolge waarvan men hij bet openen van de kist de kans beloopt geene eieren, maar wel eene eierstruif te vinden. Mocht bij strenge vorst eene bezending eieren, ter comsumptie bestemd, bevroren aan haar adres worden bezorgd, dan laat men die langzaam ontdooien in een lokaal, waar de temperatuur zich even boven het vriespunt bevindt; nog

ocr page 124

94

beter is liet, de eieren in koud water gedurende enkele uren te laten liggen, totdat zij alle behoorlijk ontdooid zijn. Te snelle ontdooiing zoude de schaal van elk ei doen barsten. Dergelijke eieren moeten zoo spoedig mogelijk verbruikt worden, daar zij anders weldra daartoe volkomen ongeschikt zouden zijn.

ocr page 125

H O O F D S T U K VII.

VOORTTELING.

1. Natuurlijk broeden.

Bij liet uitzoeken van fokdieren moet bijzonder gelet worden op gezondheid, vroegtijdige ontwikkeling der voordeel aanbrengende eigenschappen, en de beste omzetting der toegediende voedingsmiddelen in nuttige producten, als vleesch, eieren en veeren.

Eene hoofdvoorwaarde bij de watervogels om te paren en te broeden bestaat hierin, dat zij de omgeving waarin zij leven, door langdurige kennismaking er mede, als volkomen veilig beschouwen. Van eerst onlangs aangekochte ot' verhuisde dieren behoeft men nimmer in de eerste weken bevruchte eieren te verwachten; om welke reden deze dieren, voornamelijk de zeldzame en kostbare soorten, na de maanden Maart of April niet meer mogen verplaatst worden. Tamme rassen van zwemvogels gevoelen zich spoedig te huis, wijl zij makker zijn dan de wilde en voornamelijk wanneer zij op jeugdigen leeftijd verhuisd zijn, in welk geval zij binnen korten tijd zich volkomen op hun gemak gevoelen.

ocr page 126

90

De tamme Zwanen, die uilsluitend paarsgewijs leven, broeden bij voorkeur in 't open veld op plaatsen uit welke zij oen onbelemmerd uitzicht hebben. Reeds in Maart beginnen zij haar nest te bouwen, waarom men ze reeds vóórdien tijd van liet noodige bouwmateriaal rijkelijk voorzien moet; zulk een nest heeft dikwijls een Meter in middellijn en bestaat uit eene groote hoeveelheid wortelen van waterplanten, riet, biezen en stroo. Zij bouwen haar nest liefst op een klein eilandje, dikwijls zelfs half in 't water, in welk geval eene groote massa van bovengemelde stoffen op elkaar gestapeld wordt. Van boven is dit nest zeer plat. Zij leggen er gewoonlijk van 0 tot 8 lichtgroene eieren in, die van eene vrij ruwe schaal voorzien zijn; gewoonlijk wordt om den anderen dag een ei gelegd. Het wijlje broedt alleen; zoodra zij daarmede aanvangt, plukt zij zich zelve veel veeren en dons uit de borst om haar nest er mede te bekleeden. Het mannetje blijft op korten afstand het wijfje en hel nest bewaken en weert eiken indringer, zelfs menschen en honden in woede en met den meesten moed af. Zij broeden gewoonlijk slechts éénmaal per jaar; de broedtijd duurt gewoonlijk 'i weken lang, iets korter ol iets langer, naarmate de luclitsgesteldheid kouder of warmer is.

De uitgebroede jongen, die met grauwachtig groen dons bekleed uit liet ei te voorschijn komen, blijven nog 24 uren lang in het nest om te drogen en zicli te verwarmen, vóórdat zij zieli naar liet water begeven. Bij ruw weder zoeken zij onder de vleugels der moeder bescherming, zoolang voor hen aldaar nog ruimte is; zoodra zij grooler worden, maken zij voor zich zelf ligplaatsen in de onmiddellijke nabijheid van hun geboortenest; wan-

ocr page 127

97

neer zij van het zwemmen vermoeid zijn of zicli in het water koud gevoelen, klimmen zij op den rug der moeder cn weten zich aldaar volkomen te verbergen, terwijl deze bedaard blijft rondzwemmen.

In de eerste herfst zijn bek en pouten loodkleurig en de knobbel op den bek is nauwelijks te zien, hoewel bij de jonge mannetjes meer dan bij de jonge wijfjes; overigens is de kleur over het geheele lichaam bruinachtig aschgrauw, terwijl de vleugels vuilwit zijn. Inliet 2ejaar worden de bek geel en de veeren wit met blauwachtig grijs gemengd. Eerst in het 3e levensjaar worden zij zuiver wit; hierop echter maakt het zoogenaamde witgeboren ras eene uitzondering, daar liet, na het eerste donskleed verloren te hebben, onmiddellijk witte veeren bekomt.

De Z warte, Zwartnek- en Coscoroba-Z wanen enz., die meer aan beperkte ruimte gewoon zijn, laat men bij voorkeur onder een tentvormig afdakje broeden. Wanneer het wijtje eenmaal vast zit te broeden,kan men op korten afstand van het nest een rietmat van ongeveer 1 V, meter hoogte recht overeind plaatsen welke slechts aan de waterzijde open is; hierdoor worden de dieren togen ruw weder of harden wind zeer beschermd.

Indien eene Zwaan hare eigen eieren niet wil uitbroeden of gedurende den broedtijd die om de eene of andere reden verlaat, dan moet men die eieren verder door eene gans of kalkoensche heii laten uitbroeden, en de jongen in eene beperkte ruimte niet eene waterkom in 't midden, ■onder bescherming van hare broedster laten opgroeien, totdat zij genoegzaam gegroeid zijn om aan hun eigen lot te kunnen overgelaten worden.

7

ocr page 128

98

De Tamme Ganzen zijn gezellige dieren, aan één gent of ganzerik kunnen 8 tot 10 ganzen tot gezellinnen gegeven worden. Wanneer eene gans gedurende den intei voornamelijk 's nachts in een góed-warmen stal overwinterd heeft, begint zij reeds in de eerste dagen van Februari lust tot broeden te vertoonen, hetgeen men gewaar kan worden, doordien zij stroohalmpjes enz. opzoekt en in. den bek daarmede rondloopt, teneinde een nest te bouwen. Alsnu moet men zorg dragen, dat er eene voldoende hoeveelheid lange en korte stroohalmen enz. te vinden zijn in de nabijheid der plaats, welke zij als broedplaats uitgekozen heeft. Wil men haar op eene bepaalde plaats of in een stal of schuur laten broeden, zoo make men in eene mand een ruim nest voor de broedster gereed, dat uit stroo, droge biezen, brandnetels enz. moet bestaan. Het nest moet op den vlakken bodem gelegen zijn, anders-zoude het te vreezen zijn, dat de broedster bij het in- en uitgaan het nest geheel uit elkaar zoude werken, A\aaiin zij aanleiding zoude vinden het voorgoed te verlaten. Dit nest wordt door do broedster van binnen rijkelijk voorzien met voeren, die zij zich zelf uit borst en buik geplukt heeft; daarenboven verliest de gans gedurende den broedtijd eene vrij groote hoeveelheid veeren, die door haar tot dat zelfde doel zorgvuldig opgezameld worden, en tevens ook om te kunnen dienen om er de eieren mede te bedekken zoodra zij het nest verlaat. Zoodra eene gans desnachts op haar nest blijft liggen, is zulks een bewijs dat zij broedsch is. In elk nest geve men nu 13 tot 15 eieren ter bebroeding; de broedtijd duurt evenals bij de zwanen 28 tot 30 dagen lang. Tweejarige ganzen broeden beter

ocr page 129

99

dan oudere. Op eenigen afstand van het nest wordt een schotel met water en geweekte gerst tot voer geplaatst, zoodat de gans het nest verlaten moet om een en ander te bereiken en zich tevens van haar mest te ontdoen ; hierdoor voorkomt men, dat de eieren bevuild worden. Gedurende don broedtijd eten de broedende ganzen weinig, evenals andere vogels gedurende dien tijd. Ten einde de broedende gans eene ongestoorde rust te bezorgen, moet hare broedplaats door eene omheining of dergelijke teaon de nieuwsgierige bezoeken van andere ganzen beschermd zijn. Zoo de schaal van een of ander ei mocht blijken te hard te zijn, zoo moet men met het breken daarvan het jong behulpzaam zijn, zonder het diertje zelf er uit te halen. Zoodra eenige jongen reeds geboren zijn, neme men deze van onder de moeder weg, daar het te vreezen is, dat dc broedster, de beweging der jongen voelende, de nog onuitgekomen eieren zoude verlaten. Deze wegge-• nomen jongen plaatst men zoolang in eene met wol gevulde mand, terwijl zij verder met een doek gedekt worden ; nadat alle eieren uitgekomen zijn, geeft men de weggenomen jongen aan de moeder terug.

Bij gebrek van broedende ganzen kan men hare eieren zeer geschikt door eene kalkoensche hen laten uitbroeden.

De uit den vreemde ingevoerde zeldzame en kostbare soorten hierachter onder nquot; !—31 beschreven, worden gewoonlijk slechts paarsgewijze gehouden in beperkte ruimten, met een waterkom in het midden en een tentvormig hokje van ongeveer één □ meter oppervlakte en een meter hoogte, dat met eene ruime poortvormige opening aan de voorzijde voor-

ocr page 130

100

zien is, die bij koud weder 's nachts kan gesloten worden ; in dit hokje bedekke men den bodem met stroo en late den nest-bouw verder geheel aan het dier zelf over. Slechts weinige soorten van uitheemsche ganzen zijn geneigd in gevangen staat te broeden; de meeste echter doen het slechts bij uitzondering en hoogst zelden. Indien een paar éénmaal ergens gebroed heelt en de dieren niet verhuisd worden, zoo zullen zij zulks elk jaar herbalen; om deze reden moet men nimmer lichtzinnig zulke paren van de hand doen, daar zij bij wijze van spreken, in hunne soort onbetaalbaar zijn; doch zoodra men ze in een ander hok of op eene andere plaats overbrengt, is het te vreezen, dat zij in de eerste jaren niet meer broeden zullen.

De T a m me E e n d e n beginnen reeds vroeg in 't voorjaar, namelijk in de maand Maart, te paren (te rijden) en alsdan kort daarop alsmede in April eieren te leggen; de broedtijd duurt evenals bij de andere zwemvogels ongeveer eene maand.

Men laat in den regel de vrij rondzwemmende tamme eenden hare eigen nestplaats uitkiezen; men kan ze echter daarin te gemoet komen door ze eemge zoogenaamde eendenmanden ter beschikking te stellen. Deze broeimanden kan men, op staken bevestigd, even boven de oppervlakte van het water plaatsen of wel op den vasten wal niet ver van den waterkant verwijderd. In het nest door eene eend uitgekozen laat men tegen het einde van den legtijd twee eieren liggen, zorg dragende na eiken leg het oudste ei weg te nemen. Zoodra de eend het nest niet meer verlaten wil, geve men haar 9 tot 13 eieren, in

ocr page 131

101

den laatsten tijd gelegd, ter bebroeding. Gedurende den broeitijd, die ongeveer 4 weken duurt, vereischt de eend eenigezorg, daar het noodigishaar voedsel en drank in de nabijheid van haar nest te plaatsen. Het beste broedselis altijd liet eerste: de zomerwarmte draagt er zeer veel toe bij de goede ontwikkeling der jongen te bevorderen, terwijl de na-jaarskoude en de langere nachten de ontwikkeling der laatste broedsels vertragen, niettegenstaande de meeste eenden de gewoonte hebben hare eieren in het nest met het zich daarin bevindend dons en veeren te dekken, zoodra zij hel voor eenige oogenblikken wenschen te verlaten.

De zeldzame en kostbare eendsoorten als Ka rol ina-, Waaiereenden enz. enz., welke in beperkte ruimte verblijven, geve men kleine hokjes zonder bodem, van eene kleine opening voorzien, om daarin hare eieren te leggen. Op een geschikt plekje in een hoekje van het perk, liefst met eenig struikgewas of lage boompjes beplant, als palmof andere 's winters groen blijvende boompjes (nimmer Taxis, daar deze giftige eigenschappen bezit), wordt de grond een weinig hol uitgekrabd en met fijn stroo belegd; hierover plaatst men het bodemloos hokje. Door dagelijks dit op te lichten kan men zich overtuigen of er een ei gelégd is, dat men wegneemt en door een ander waardeloos onbevrucht of kunstei vervangt. Deze weggenomen eieren worden met zorg op eene frissche, volkomen vorst-vrije plaats bewaard. W anneer men er 7 of 9 van verzameld heelt, worden deze bij voorkeur aan een broedsch Kwakereendje ter bebroeding toevertrouwd, daar de uitslag op deze wijze beter te vertrouwen is, dan wanneer de moeder ze zelf zoude uitbroeden, wijl deze dikwerf

ocr page 132

102

genegen is het nest voorliet einde van den broedtijd voorgoed te verlaten. Zoo men geene broedsche Kwakereendjes ter beschikking heeft, dan kan men do eieren door een broedsch Krielkippetje laten uitbroeden.

2. Kunstmatig broeden.

Onder kunstmatig broeden verstaan wij het uitbroeden van eieren door kunstmatig aangebrachte broedwarmte van 31 tot 32Graden Réaumur, 40' Celsius oflO-i3 Fahrenheit zonder dat tusschenkomst van een broedenden vogel een vereischte is. Onverschillig of de eieren groot zijn, als die van Zwanen en Ganzen, of kleiner, als die der eenden of kippen, de vereischte broedwarmte blijft voor alle dezelfde.

Deze broedmachines. Incubators geheeten, zijn van zeer verschillende samenstelling, hoewel zij meest alle door warm water op den vereischten warmtegraad gehouden worden. Er bestaan vele soorten van incubators, naar do wijzigingen door de verschillende fabrikanten aangebracht; men heeft ze van onderscheidene grootte, naar gelang van het aantal eieren, dat men wenscht uit te broeden; zoo bestaan er, die bestemd zijn voor 25, andere voor 1000 eieren te gelijk. Welk van de verschillende systemen de voorkeur verdient zal nadere ondervinding moeten leeren, daar men het ten deze opzichte nog niet eens is.

Evenals met alle dergelijke zaken is veel oefening en ondervinding noodig, om naar behooren met eene broedmachine te kunnen omgaan, ten einde er goede resultaten mede te verkrijgen. Wij van onze zijde hebben er steeds de voorkeur aan gegeven om langs den natuurlijken weg, dat is door

ocr page 133

103

■de vogels zei t', eieren te laten uitbroeden; alleen hebben wij ■er groot nut van ondervonden, gedurende den broedtijd eene kleine broedmachine voortdurend op de vereischte warmte in gereedheid te hebben, om bij voorkomende gelegenheid cene broedster te kunnen vervangen, die om de eene of andere reden, hetzij vrijwillig of onvrijwillig, hare taak in don steek liet. Hoe men met eene broedmachine moet omgaan zullen wij hier niet in bijzonderheden vermelden daar zulks geheel afhangt van het systeem, dat men zich aangeschaft heeft; daarenboven wordt bij de allevering van elke machine een gebruiksaanwijzing gevoegd, in welke allo vereischte inlichtingen gegeven worden.

Bij elke broeimachine is het een onmisbaar vereischte tevens cene kunstmatige klokhen (Couveuse), dat is een door heet water verwarmde Kuikenren, te bezitten; ■deze bestaat uit eene inrichting met verwarmingsbuizen voorzien, onder welke de jonggeboren diertjes gedurende de eerste dagen nadat zij het ei verlaten hebben, bij ongunstig weder of gedurende den nacht, de hun onmisbare warmte vinden kunnen. Men behoeft niet te vreezen, dat de vogels, in eene broeimachine geboren, zwakker van aard en gestel zouden zijn, dan die onder eene moeder zijn uitgebroeid; de ondervinding heeft schrijver dezes bewezen, dat ten dien opzichte niet het minste verschil bestaat.

3. Verzorging der Jongen.

A. Tamme z w e m v o g e 1 s.

Jongen van vrij rondzwemmende Zwanen en Een-

ocr page 134

104

den, gewoonlijk Pielen genoemd, kunnen veilig geheel aan de leiding en verzorging der moeder overgelaten worden. .Met deze voorop zwemmen zij in alle richtingen rond en weten reeds onmiddellijk nadat zij het nest voor het water verwisseld hebben hun eigen voedsel, dat voornamelijk uit kroos en uit allerlei aan de oppervlakte van het water rondfladderende vliegjes en mugjes bestaat, op te sporen. Gedurende den tijd, dat de Pielen nog zeer jong zijn, geve men ze des morgens en 's avonds op bepaalden tijd wat geweekt vleesch, beschuit, korstjes brood enz., dat men ze op bepaalden tijd en steeds ter zeilde plaatse, liefst in de nabijheid van liet woonhuis, in 't water toewerpt.

Jonge tamme Ganzen moeten altijd onder de hoede en bescherming van den mensch staan. Indien het warm en droog weder is kan men de jonge gansjes met de moeder op eene grasweide in 't vrije laten; doch men zorge er A-oor ze niet aan te sterke zonnehitte zonder eenige bescherming daartegen, als schaduw van boomen en dergelijke, bloot te stellen, hetgeen ze dooden zoude. Bij koud en regenachtig weder moet men moeder en jongen opgesloten houden; ook moet men zorg dragen, dat de jonge dieren zich niet met de volwassenen kunnen vermengen,, daar deze ze vijandig zouden behandelen. Zij worden gevoed met grofgemalen gerst, zemelen of grind, boekweit, gebroken maïs, vleeschbeschuit enz., een en ander vooraf in 't water behoorlijk geweekt, waar men wat fijngehakte brandnetels, koolbladeren, afval van bladgroenten enz. tusschen mengt. Zoodra het broedsel grooter geworden is geve men ze twee malen daags, 's morgens

ocr page 135

105

en 's avonds, grove zemelen en gebroken gerst en maïs-in water geweckt. Hiermede wordt voortgegaan, totdat de langste vleugelslagpennen zoo aangegroeid zijn, dat deze zich boven den staart beginnen te kruisen; eerst dan begint men ze met groenvoer te voeden, als; allerlei bladgroenten, kleingesneden aardappelen, wortelen, rapen enz. enz.

B. Vree m d e Z w e m v o g e 1 s.

Jonge Ganzen, Zwanen en Eenden, tot zeldzame en kostbare soorten behoorende, moeten in beperkte ruimte opgesloten blijven, zoodat men ze gedurende den nacht en bij ongunstig weer met hunne moeder gemakkelijk in een nachthok kan drijven. Zoolang zij nog geene veeren hebben worden zij gevoed met in water geweekt en in kleine, dobbelsteentjes gesneden kruim van brood, hardgekookte eieren en brandnetelbladen, alles fijn door elkaar gehakt, waarbij men een weinig zoogenaamde miereneieren voegen kan. Als de Pielen 2 lot 3 weken oud zijn, geve men ze geene gekookte en ook geene miereneieren meer, daarentegen goed geweekte vleeschbeschuit, met eenden-kroos en zoo mogelijk kortgesneden quot;aardwormen vermengd. Eerst nadat zij 4 lot 5 weken oud geworden zijn, kan men ze gebroken maïs, gerst of boekweit geven, alles met kroos in een aarden schotel met water gemengd. Gedurende de eerste jeugd der Pielen moet men bijzonder zorg dragen, dat de bodem waarover zij rondloopen niet slikkerig, maar zandig zij; terwijl de aarden schotel, waar hun met water gemengd voer zich in bevindt, indien hij wat diep mocht zijn, op den bodem met een paar

ocr page 136

IOC

platte stcenen moet voorzien wezen, om te voorkomen, dat de diertjes den buik al te nat en door de modder vuil zouden maken, waardoor lichtelijk darmkoliek kan ontstaan. Zoodra de jonge dieren het water verlaten hebben, moeten zij zich onmiddellijk op eenen zandbodem kunnen bewegen, waardoor do buikveeren spoedig droog worden. Zoodra het eerste donskleed voor de veeren heeft plaats gemaakt, gaat men er geleidelijk toe over om de jongen het voer der volwassen vogels te geven. Tot dien tijd toe moet men ze voortdurend tegen guur weder beschermen; zijn de veeren eenmaal goed ontwikkeld, dan is zulks geen vereischte meer.

ocr page 137

II O O F D S T U K VIII.

VETMESTING.

1. Natuurlijk vetmesten van Ganzen.

De hoofdvoorwaarden voor het mesten van ganzen zijn: •le volstrekte rust,

2c d u i s t e r n i s,

3e b ij z o nde r e en overvloedige voeding. Ten einde dit doel te bereiken worden de dieren, zoodra voor hen in 't vrije veld niets meer valt op te sporen, in de maand November in een donker verblijf bijv. in een stal of schuur in niet ruime hokjes opgesloten, zoodat zij zich niet volkomen recht kunnen oprichten. Een en ander moet zoowel wat den bodem der hokjes als de lucht betreft steeds met zorg zuiver gehouden worden. De maand November is de tijd om do ganzen vet te mesten; men begint met ze, zoodra de buikveeren beginnen los te laten en uit te vallen, den buik kaal te plukken en ze op te sluiten, zoodat zij zich weinig bewegen kunnen, terwijl zij overvloedig eten en drinken bekomen. De stilte in dit verblijf, voor de ganzen gedurende den mesttijd bestemd, moet zoo min mogelijk door eenig gedruisch verstoord worden

ocr page 138

108

cn ontoegankelijk zijn voor het geluid van andere vrij rond-loopende ganzen. Indien men ze later dan November wilde beginnen te mesten, zoude alles weggeworpen geld zijn, daar zij spoedig zouden aanvangen te ruien en daarna eieren te leggen, waardoor het mesten geen doel zoude treffen. Het gewone voer, dat men de te niesten vogels in een houten trog of bak voorzet, bestaat uitsluitend uit meelspijzen, als gerstemeel, maïs-meel en boekweitmeel enz. met melk tot een dun deeg samengemengd; drinkwater moet steeds overvloedig voorhanden zijn. Gedurende de eerste dagen eten de opgesloten ganzen elk oogenblik zeer veel, maar na ongeveer 3 weken begint de eetlust te verminderen, en zoodra men bespeurt dat zij dien geheel beginnen te verliezen, moet door tusschen-komst van den mensch het voer in de maag gebracht worden; dit noemt men kunstmatig vetmesten.

2. Kunstmatig vetmesten van Ganzen.

Zoodra men bespeurt dat bij de opgesloten ganzen de eetlust begint te ontbreken, worden zij gestopt, en wel in den aanvang tweemaal, daarna driemaal daags. Zulks geschiedt door middel van een blikken trechter, welks pijp ongeveer 15 Centim. lengte en 2'/2 Centim. middellijn heeft cn waarvan hot benedenuiteinde schuins afgesneden en afgerond is en tevens voorzien van een smal gesoldeerd randje om bij het invoeren het kwetsen van bek of keel te voorkomen. Met de linkerhand wordt de in den slokdarm ingebrachte trechter vastgehouden en met de rechter wordt langzamerhand het voer

ocr page 139

109

door den trechter naar Linnen gevoerd. Met eenige tusschen-poozingen biedt men het dier uit een schotel wat drinken aan. Zoodra men aan den krop voelen kan dat deze gevuld is, scheidt men met het voeren uit; binnen een maand zijn de ganzen op deze wijze vet geworden en hebben elk een gewicht van 8—10 kilo bereikt.

Uij het vetmesten van ganzen bereikt men eenmaal evenals bij alle vet te mesten dieren een grenspunt van al te groote vetheid of verzadiging, hetwelk men niet overschrijden mag, wijl anders de dieren weder aanvangen te vermageren en eindelijk sterven zullen. Men heelt berekend ongeveer een kwart tot een halt' mud maïs of gerst voor vetmesting noodig te hebben, terwijl de tijd daartoe ver-eischt ongeveer 3 tot 4 weken bedraagt.

Oude ganzen worden niet zoo licht en spoedig vet als jonge. Indien er onder de te mesten ganzen zich enkele bevinden, die op eene of andere wijze zich onrustig too-nen, dan moeten deze van de overige afgezonderd worden.

Zoodra een vetgemeste gans begint te ruien, moet zij onmiddellijk geslacht worden: het is een bewijs, dut de voeding van het dier het toppunt bereikt heeft en dat de natuur van het dier zich van de overdadige vetzucht ontdoen wil.

3. Vetleverontwikkeling bij Ganzen.

In 't bijzonder en met nadruk wonschen wij hier onze vaderlandsche plattelandsbewoners, vooral die onzer zuidelijke provinciën op hel vetmesten van ganzen, als een winstgevenden tak van nijverheid opmerkzaam te maken;

ocr page 140

110

worden de vette ganzenlevers ter nadere bewerking, oin er Paté de foie gras van te vervaardigen, voor een groot deel uit Toulouse naar Straatsburg gezonden, uit Noord-Brabant en Limburg b. v. zoude zulks wegens den korteren afstand gemakkelijker en minder kostbaar kunnen geschieden.

Hoofdzakelijk in de omstreken van Straatsburg (in den Elzas)alsmede in die van Toulouse legt men er zich op toe de ganzen zoodanig te mesten, dat bij haar de lever zich tot buitengewonen omvang ontwikkelt. Om dit doei te bereiken koopt elke plattelandsbewoner in die streken legen het najaar eene magere gans, die in een klein hokje opgesloten wordt, waarin zij zich niet kan omkeeren. De bodem van dergelijk hokje bestaat uit latjes, die een weinig van elkaar af staan, om den mest te laten doorvallen; aan de voorzijde is eene opening aangebracht om den kop er te kunnen doorsteken; daaronder bevindt zich een kleine trog, die altijd met water gevuld moet zijn en waarin, als bederfwerend middel een paar stukken houtskool ronddrijven. Ongeveer 30 kop maïs is tot voeding van eene gans gedurende eene maand voldoende, als wanneer het dier naar wensch gemest is: hiervan wordt eiken avond ongeveer 1 kop geweekt, waarvan de ééne helft den volgenden morgen, de andere helft den volgenden avond wordt ingestopt. liet overige van den dag drinken en slobberen ze in hunnen trog naar hartelust.

Ongeveer na drie weken mengt men bij de maïs een paar lepels vol papaverolie. Als er ongeveer eene maand, om is, wordt men gewaarschuwd door een kussentje van vet, dat zich onder eiken vleugel vertoont, of liever door

ocr page 141

Ill

de moeielijke ademhaling van het dier, dat hot tijd is het te slachten. Zoo men zulks niet deed, zoude men gevaar loopen dat de gans vanzelf in haarvet zouden stikken. Alsnu blijkt het, dat de lever een gewicht van 1k tot 1 kilo bereikt heeft, terwijl het vleesch veel smakelijker geworden is. Daarenboven levert de vogel bij het braden 1 '/2— 2V2 kilo vet (ganzenolie) op, dat bewaard zijnde tot het stoven van groenten gedurende den winter zeer gezocht is.

Onder de zes gemeste ganzen zijn er doorgaans slechts vier, en wel de jongste, die in alle deelen aan de verwachting van den mester voldoen. Gewoonlijk worden de te mesten ganzen gedurende den mesttijd in den kelder of in eene andere slecht verlichte plaats gehuisvest.

Eertijds had men de wreedaardige gewoonte de dieren met de poolen op eene plank vast te spijkeren en ze de oogen uit te steken; gelukkig is men tegenwoordig van deze barbaarsche handelwijze teruggekomen.

Bij het vetmesten moet men nimmer te zuinig met het voer zijn; de ondervinding heeft geleerd, dat de beste ganzen, zoo men ze uit eigen beweging naar hartelust laat eten, nimmer meer dan 5 tot 0 kilogr. zwaar worden, terwijl die, welke na behoorlijke behandeling met bijvoeging van olie gemest zijn tot 10 kilogr., de Toulouse-Ganzen zelfs tot 25 of 2G kilogr., kunnen bereiken. Dit overwicht bestaat uit vet ter waarde van 80 Cents het kilogr. Eene volkomen goed gemeste gans is minstens 3 tot 4 Gulden meer waard dan een half gemeste; hieruit blijkt, dat de waarde van het uitgespaarde voer nimmer kan opwegen tegen het verlies, dat men door deze bezuiniging beloopt.

ocr page 142

112

4. Gerookte Ganzenborst,

Hoofdzakelijk in de Noord-Pruisische provinciën Hannover en Pommeren maakt men van de ganzenteelt zeer veel werk. Het ganzenvleesch komt er zelfs in zulke groote hoeveelheid voor, dat men er op maatregelen bedacht werd, dit vleesch op min kostbare wijze tegen bederf te bewaren en in den handel te brengen. Hieruit is een nieuwe tak van industrie ontstaan, die reeds een belangrijk handelsartikel oplevert, namelijk de toebereiding van Ganzenborsten, welke op de volgende wijze geschiedt. Het borstbeen benevens de daaropzittende borstspieren worden van den romp afgelicht, daarna eenige uren in koud water met zout gelegd en met droge zemelen sterk en droog gewreven, en daarna met de dik daarop zittende zemelen 8 tot 10 dagen lang in koude rook gehangen. De rook mag niet heet zijn, oin liet vet niet te doen smelten en afdruppelen. Na dien tijd wordt de gerookte borst nog 8 tot 14 dagen lang op eene koele en luchtige plaats tot verder drogen opgehangen, waarna zij .in den handel kan gebracht worden. Onze Noordoostelijke provinciën G r o n i n g e n, O v e r ij s e 1 en G e 1 d e r 1 a n d zouden voor deze industrie zeer geschikt zijn, zoo men er zich met beleid op wilde toeleggen.

5. Vetmesten van Eenden.

De tot vetmesten bestemde eenden worden op duistere, doch frissche plaatsen in hokjes bij 8 tot 10 stuks te gelijk

ocr page 143

113

opgesloten, zooilat zo weinig beweging hebben;'s morgens en 's avonds worden zij gepild met gekookte maïs ol' met boekweitgort in melk aangelengd. Gedurende deze bewerking stikken somtijds enkele eenden, doch zoo men ze onmiddellijk den hals afsnijdt en daarop laat uitbloeden zijn ze even goed als de andere tot tafelgebruik geschikt. Gedurende 14 dagen duurt deze vetmesting. Zoodra de staart waaiervormig blijft uitstaan en niet meer kan samengevouwen worden, is zulks oen toeken dat men met voeren moet ophouden, daar bet dier voldoende vet geworden is. Daarop laat men ze baden en worden zij geslacht. Door deze behandeling neemt evenals bij de ganzen de lover belangrijk in omvang toe.

G. Inzouten van 't vleesch der zwemvogels.

Een paar dagen nadat de vogels geslacht en geplukt ot ge\ lid en ontweid zijn, worden zij over de borst open-gespouwen ; te gelijker tijd worden de dijen en vleugels weggenomen en met het vleesch dat op den buik en de borst gevonden wordt, benevens hals, rug en staart alles te zamen gedurende 14 dagen onder zout ingepekeld; daarna worden zij in portion verdeeld en in aarden potten bewaard. Vooraf echter moet bet vleesch met eenige kruidnagels en laurierbladen gekruid worden; zoo men er een weinig salpeter toevoegt, verkrijgt het vleesch ecne fraaie roode kleur.

8

ocr page 144

HOOFDSTUK IX.

HET PLUKKEN DER VEEREN BIJ LEVENDE ZWEMVOGELS.

Bet plukken der veeren Lij levende vogels wordt zonder eenig letsel iloor deze verdragen, ten minste wanneer liet ter geschikter tijd en behendig geschiedt cn wel zoo, dat men van eiken vleugel slechts 4 of 5 slagpennen en van den romp alleen de zachte veeren van den buik en. de borst, alsmede die van onder de vleugels wegneemt, doch de draagveeren, die tot steun der vleugels dienen, spaart.

In sommige streken van Duitschland plukt men de oude ganzen van 5 tot 0 malen per jaar; des zomers bij voldoende voeding alle 8 weken, des winters bij minder voedsel alle -10 weken éénmaal. Elke pluk levert voor 30 centen aan veeren op, alzoo per jaar minstens voor ƒ 1.50. Gewoonlijk houdt men 1 gent en 2 ganzen dos winters ter voortteling over; de landlieden weten zeer goed, dat hoe ouder de ganzen zijn, des te meer waarde de veeren verkrijgen. Acht tot twaalf ganzen leveren per jaar veeren genoeg op tot vulling van één bed. Bij goede voeding zijn de veeren in 8 tot 10 weken tijds rijp en volwassen en laten zich gemakkelijk uitplukken; laat men ze langer zitten, dan kunnen

ocr page 145

zij slechts met geweld uitgetrokken worden, wat voor het dier zeer pijnlijk is.

De veeren der jonge vogels zijn rijp om geplukt te worden, wanneer de slagpennen der vleugels zicli over den staart beginnen te kruisen; alsdan vangt de ruitijd aan, en dezen moet men vóór zijn, zoo men veeren wil winnen ; liet plukken moot als een kunstmatig ruien beschouwd worden. Zwemvogels voor de voortteling bestemd, moeien nimmer geplukt worden, daar zulks hen zeer verzwakt.

Eene onrijpe veer is aan de spoel week en bloederig, eene rijpe daarentegen heeft eene volkomen harde en droge spoel. Slechts geoefende vrouwenhanden moeten de levende vogels plukken; ongeoefende veroorzaken pijn en takelen ile dieren duchtig toe. Groote veeren moeten slechts stuk voor stuk of hoogstens paarsgewijze uitgetrokken worden; de kleinere alsmede do donsveeren vloksgewijze en wel zooveel te gelijk als tusschen duim en wijsvinger kan gegrepen worden. Een hoofdvereischte is, dat de draag-veeren langs de flanken, die tot steun der vleugels dienen, gespaard blijven.

Gedurende den leg- en broedtijd moet men de vogels niet plukken. Goed en veel voer is alsdan hoofdvereischte.

Nadat eene jonge gans 2 malen geplukt is, wordt zij gemest; zoodra de veeren voor de derde maal rijp zijn, wordt zij geslacht en nog warm zijnde gepinkt.

De beide eerste pluksels leveren elk 30 centen op, bet derde 50 centen, al zoo te zamen voor Xquot; 1.1 Oaan veeren, terwijl de gemeste gans, van 5 KGr., eene waarde van/quot;3.00 heeft.

Het plukken der jonge ganzen geschiedt gewoonlijk in Juni en in 't begin van Augustus, alsmede onmiddellijk na

ocr page 146

11G

de slachting. Nadat de dieren geplukt zijn, moet men ze één of twee dagen lang verhinderen in 't water te gaan, totdat de huid minder gevoelig voor koude geworden is.

Na het plukken moeten de dieren bijzonder goed gevoerd worden, opdat zij spoedig en volkomen weer nieuwe veeren bekomen. Do veeren van goed gevoede ganzen en eenden hebben eene hoogere waarde dan die van slecht gevoede. Veeren, die voor don handel eenigo waarde zullen hebben, moeten aan levende vogels ontnomen zijn, of wel onmiddellijk na hunnen dood en wel voordat zij koud geworden zijn.

Veeren van witte vogels hebben uit den aard der zaak eene hoogere waarde, dan die van donker gekleurde.

De geplukte veeren moeten in een bakkersoven, waaruit het brood pas verwijderd is, gedroogd worden ; zonder deze bewerking zouden zij spoedig door roofmsecten aangetast en vernield worden.

Behalve de zachte en donsveeren van den romp kan elke gans nog 10 groote vleugelpennen van verschillende qualiteit leveren ; die uit den rechtervleugel verdienen als schrijfpennen de voorkeur. Tegenwoordig, nu de veeren schrijfpennen door stalen zijn vervangen, hebben de ganzen-schachten die waarde niet meer, als wel vroeger het geval was; thans dienen zij hoofdzakelijk tot het vervaardigen van mondstukken voor papieren sigarenpijpjes enz., en tot andere doeleinden in de industrie.

Bij Zwanen en witte Ganzen worden onmiddellijk nadat zij geslacht zijn, de veeren van den romp geplukt; doch het dons iaat men op de huid zitten, welke met dons en al word afgestroopt en alzoo in den handel gebracht.

ocr page 147

IIOOFDSTUK X.

TIJDYERDEELING VOOR DE DAGELIJKSCHE WERKZAAMHEDEN.

1. Zomerdienst. (April—October)

Voor m i d d a g.

0—8 Uur. Bij het krieken van den dag worden de

gedurende den nacht opgesloten dieren vrijgelaten; men geeft deze hun voeren zij worden zoo noodig van versch water en legstroo voorzien.

8—9 Uur. Do vrij rondzwemmende Zwanen en

Eenden nabij huis te lokken, door ze eenig voer toe te werpen; dit moet gedeeltelijk in 't water en gedeeltelijk op het land nabij den waterkant geschieden. Hierbij heeft men gelegenheid de vogels te tellen om te zien, of er ook één. of meer op het appèl ontbreken.

9—10 Uur. Nesten en legmandjes onderzoeken, of

er eieren in gelegd zijn en deze daaruit wegnemen, hoewel er altijd minstens

ocr page 148

118

één, heizij een waardeloos of wel een kunstei, daarin moet blijven liggen.

10—12 Uur. Deze tijd kan gebruikt worden om naar

omstandigheden groote eendenkommen uit te schrobben en leeg te laten loopen, om zo daarna opnieuw met versch water te vullen.

De vet te mesten vogels te pillen of te stoppen.

N a m i d d a g.

1—5 Uur. In de tusschenuren zich steeds over

tuigen, of alles naar wensch gaat en of er nergens ongemak of wel behoefte aan een of ander bestaat, voornamelijk bij opgesloten broedsters en pielen, of wel in den meststal enz.

lt;3—7 Uur. Voer gereedmaken, als maïs, gerst enz.

breken of malen, met zemelen mengen en in water gedurende den nacht tot den volgenden morgen le weeken zetten.

7—8 Uur. Evenals van 8— 9 u ur 's voormiddags de

vrij rondzwemmende vogels aanlokken en voeren.

Zoo noodig de zeldzame vogelsoorten en jonge dieren opsluiten, om zo gedurende den nacht tegen elk gevaar van ruw wéér of voor schadelijk gedierte te beschutten.

ocr page 149

119

2. Winterdienst. (November—Maart).

V ooi' m i d d u g.

lt;3—7 Uur. Voorbereidende maatregelen voor het

toebereiden van het voer, gedurende den dag benoodigd, als: het snijden van kool, wortelen, knollen enz, en zulks mengen met het den vorigen avond toebereidde voer.

7—8 Uur, Dichtgevroren wateren, bijten, zwem

kommen en vogelperken van sneeuw of ijs bevrijden.

y—'J Uur. De in hunne nachthokken opgesloten

vogels vrijlaten, hun voer en zoo noodig, vooral bij strenge vorst, in platte schotels drinkwater geven.

D—10 Uur. De nachthokken luchten en den mest ver-

. wijderen; ze daarna behoorlijk van droog legstroo voorzien, alsmede de sneeuw en liet ijs uit bijten en zwemkommen buiten de perken wegvoeren, zoodat een en ander de dieren niet hinderlijk zijn kan.

10—12 Uur. Zie Zomerdienst.

N a m i d d a g.

1—3 Uur. Over alles moet een wakend oog ge

houden worden; zulks is zelfs's winters meer noodzakelijk dan 's zomers.

ocr page 150

120

3—4 Uur. De dieren moeten voor den nacht nog

eens gevoerd en nogmaals van drinkwater voorzien worden, om zo daarna behoorlijk in hun nachtverblijf op te sluiten.

4—5 Uur. Nadat alle vogels naar eisch verzorgd

zijn, moet het voer voor den volgenden dag gereedgemaakt worden, als: vleesch-brood, maïs en boonen breken, gerst en boekweit kneuzen en alles tezamen met zemelen in kokend water tot den volgenden dag te weeken zetten.

NB. Alle gemetselde zwemkommen, benevens aarden drinkschotels mogen bij vriezend weder des nachtsgeen water bevatten, daar zij zeer zeker stuk zouden vriezen.

ocr page 151

TWEEDE GEDEELTE.

BESCHRIJVING

DER

KASSEN EN SOOETEN.

ocr page 152
ocr page 153

N U T T I G E UITSLUITEND IN TAMMEN STAAT VOORKOMENDE Z W E M V O G E L S.

Ia. GEWONE TAMME GANZEN.

Hollandsch. De mannetjes; Gent, Ganzerik; (Friesch) Garre. Do wijtjes; Gans; (Friesch) Goes, in't meervoud Giesen. Do voor de jacht afgerichte ganzen heeten Lokganzen; om Loosdrecht Woudganzen.

Duitsch. Hausgans, Martinsgans; de Gent Ganse-i'ich, Ganser, Ganter, Ganerd.

Frarisch. Oie domestique; de Gent Jar.

En gel sell. Common Goose; de Gent Gander; de jongen Gosling, Gull.

Korte h e s c h r ij v i n g.

B e k, helderrood met witten (nimmer zwarten) nagel aan de punt.

P o o t e n, geelachtig rood.

De Gent onderscheidt zich van do Gans, doordien hij grooter is en eene niet zoo sterk ontwikkelde huidplooi

ocr page 154

124

onder den buik heeft; de hals is dikker en de pooten zijn langer. Hij heeft verder een sterkere, lagere, kwakende stem, die hij de Gans honger van toon en meer gillende is.

Kleur der v e e r e n.

Grauw. Men vindt ze volkomen gelijk in kleur aan de wilde Grauwe Gans. (Zie No. H).

Bont met donkergrauwen kop, hals en rug, terwijl vleugels, borst en buik wit zijn.

11 o s o f r o o d a c h t i g.

G r ij s.

Witte ganzen zijn de meest gezochte, daar zij wegens hare witte veeren liet meeste voordeel afwerpen.

Enkele malen ziet men ganzen met eene kuif op den kop, in Duitschland Kuppengans geheeten; deze kuif is slechts als toevallig te beschouwen en is op de jongen niet overerfelijk.

Onder de locale variëteiten der tamme ganzen, in Duitschland hoog geaclit, moeten wij hier nog voornamelijk vermelden ,/lie Bisser of bayerische Grans'7 benevens „die nngarische Gansquot; uit 11 o n g a r ij e en //die m'ahrische Gansquot; uit liet markgraafschap MUhren in O o s te n r ij ksch S i 1 e z i ë .

ocr page 155

125

Deze guns heelt niet zulk eene rechte houding als de Emder gans, docli eene meer ineengedrongen gedaante, terwijl de buik, vooral bij de gans, bijna over den grond sleept. Dezen hangbuik ziet men reeds bij jonge dieren van nog geen 10 dagen oud. Kleur on teekening gelijken veel op die der wilde ganzen, doch is donkerder van tint. Schedel, nek en vleugels zijn donkergrijs, naar den rug en de borst toe lichter wordende; tie buik is geheel wit. Men vindt ook geheel zuiver witte Toulouse-ganzen.

Deze ganzen worden spoedig volkomen vet en kunnen alsdan het gewicht van inKGr. bekomen, terwijl haar vleesch zeer malsch is. Als zij op eene bijzondere wijze gemest

lb. TOULOUSE-GANZEN.

ocr page 156

126

worden, ontwikkelt zich tie lever bij haar tot eenen buitengewonen omvang en is alsdan als Paté de foie gras algemeen bekend. (Zie bladz. 110).

De Toulouse-ganzen leggen van alle ganzen de meeste eieren, die echter veelal onbevrucht zijn.

Voor de voortteling zoekt men sterke, niet vette dieren uit, die zeer levendig, waakzaam en strijdlustig zijn.

Ic. EMDER GANZEN.

Zij zijn zuiver wit met donker vleeschkleurigen bek, helderblauwe oogen on boog oranjeroode pooten. De houding is vrij rechtopstaande, vooral bij den gent; bij vette dieren bereikt de buik bijna den grond.

Voornamelijk in de provincie Hannover wordt de teelt van dit ras op groote schaal gedreven; zoo ook in de laatste jaren in Engeland, waar zij onder den naam van Irish Goose tegen Kersttijd ter markt gebracht worden.

Dit ras wordt zeer zwaar: 3-jarige Genten bereiken somtijds een gewicht van 16 KGr., de Ganzen van 12—13 KGr. Voor de voortteling geeft men echter aan ganzen van iO KGr. de voorkeur.

Haar vleesch is zeer smakelijk en malsch, zoodat zij zeer gezocht zijn om gemest te worden.

De kruising van een Emder gent en eene Toulouse gans is zeer aan te bevelen. De weinig eieren leggende Pom-mersche gans geelt meteen Toulouse-gent een bastaard, die, wat gewicht, eierproductie en geschiktheid tot broeden betreft, de voorkeur boven een harer stamouders verdient.

ocr page 157

•127

De alhier bedoelde bastaards zijn gewoonlijk wit, met grauwen kop en bovenhals, benevens eene grauwe vlek langs de zijden op de hoogte der heupen. Ongemest wegen de genten 10—13 KGr., de ganzen 8—10 KGr.

Id. POMMERSCME GANZEN.

Deze zijn doorgaans geheel wit of met grauwen hoven-kop, of wel wit en grauw gevlekt; zelden zijn zij geheel grauw. Overigens onderscheiden zij zich van andere rassen, doordien zij grooter en langer zijn en gemakkelijk vet worden; de met haver gemeste ganzen bereiken togen het begin van October 7i/2—0 KGr. gewicht, bij langer voortgezette mesting nog veel meer. Zij leggen slechts weinig eieren, broeden in 't algemeen vrij slecht en verliezen bij de voortplanting buiten haar vaderland spoedig de haar kenmerkende eigenschappen. Haar vleesch is zeer malsch; de borsten worden gerookt in den handel gebracht onder den naam van „pommersche Gansebrüstequot; en zijn als délicatesse zeer gezocht.

ocr page 158

128

H o 11 a n d s c h : Donau gans.

Duitsch: Locken Gans. Astrakan Gans. Strupp-oder Seiden Gans.

Fr an sell: Oie frisée du Danube, Oio de la Crimée.

Engelsch; Sebastopel Gooso. Danubian Goose.

V a d e r 1 a n d: gedurende den Krimoorlog in E n g e 1 a n d en Frankrijk ingevoerd en van daar verder verspreid.

Bek en poot en geelachtig rozerood.

De veeren van den romp zijn zuiver wit; hoofdzakelijk die van den rug en vleugels zijn zeer lang en slap en in alle richtingen gekruld, zoodat de vogels er uitzien alsof zij

Ie. KRULVEER-GANZEN.

ocr page 159

129

tegen den loop der veeren in uit een nauwen zak gehaald zijn; de veeren slepen doorgaans over den grond. Men heeft ook grauwe Donau-ganzen, doch deze zijn minder gezocht dan de ■\vitte. De schacht der veeren heeft op enkele plaatsen de bijzondere eigenschap in de lengteas gespleten te zijn om meer naar de punt der veeren toe zich weer tot eenen stam le vereenigen.

De Donau-ganzen verlangen veel water, om zich voortdurend behoorlijk te kunnen reinigen, en bij voorkeur een zandigen bodem. Zoo haar verblijfplaats slikkerig is, worden hare lange hangende veeren spoedig smerig en de dieren zelf daardoor zeer onooglijk; zijn zij daarentegen behoorlijk rein, vooral de witte, dan zijn deze ganzen werkelijk siervogels.

If. RUSSISCHE GANZEN.

Duitsch: Russische Riesengans.

Deze ganzen zijn grooter hoewel niet zwaarder dan de gewone tamme ganzen en bezitten tie kenmerken van deze vermengd met die der knobbelganzen, daar zij bastaarden zijn uit beide ontsproten. In 't Zuiden van Rusland is dit ras algemeen verspreid, doch het bezit geene bijzondere eigenschappen, die liet wenschelijk zoude maken het elders in te voeren.

9

ocr page 160

130

Ig. 1TAL1AANSCHE I! EUZ ENG AN Z EN.

Dit rus onderscheidt zicli van de overige, doordien de pooten en hals zeer lang zijn, zoodat de dieren betrekkelijk veel lioogev zijn dan die van alle andere rassen, hoewel zij wat de vleeschmassa betreft bij goedgevoede ganzen in gewicht ten achter blijven, Zij hebben veel overeenkomst met de voorgaande ot' Russische ganzen.

Ih. TAMME KNOBBELGANZEN.

Duitscli: Chinesergans, Trompetergans.

Fransch: Oie de Guinée, Oie de Siam.

Engel sch: Chinese Goose, Hongkong Goose.

De Kop is tusschen bek en voorhoofd met een grooten knobbel en de keel met eene hangende huidplooi voorzien. Van dit rus kent men 4 variëteiten, als:

var. a Grauwe, met zwarten hek en dito poolen. n Ij „ u zwarten „ „ roode v (Honkong Giese)

^ c n // rooden ,, ,/ ,, u

n d witte „ rooden „ „ „ „ (Oie de Siam)

De meest algemeen voorkomemie kleur der veeren is die der variëteiten a, b, c, namelijk grauwachtig bruin evenals bij wilde knobbelganzen, (zie No. 10). Verder heeft men er zuiver witte (var. d), bij welke tie oranjeroode bek met dito knobbel en pooten een sierlijk elïect maken; in F ra n k-rijk worden deze met den n: am van Oie de Siam onder-

ocr page 161

131

scheiden; in de Provincie Rheinhessen, alwaar zij in groote menigte voorkomen, lieelen zij Rheingans, Wette-rauer gans en Sehwanengans.

De knobbelganzen laten zicii gemakkelijk vetmesten en leveren alsdan niet alleen veel, maar tevens smakelijk vleescb op en zijn bovendien goede eierlegsters.

11a. GEWONE ZWAAN.

Holland sch : Tamme zwaan.

Duitsch: Gemeiner Schwan, Hockersehwan, Zahme

Schwan, Stumme Schwan, en Elbeschwan.

F r a n s c h: Cygne a bee rouge, Cygne a tubercules.

Engelseh: Common Swan.

Deze sierlijke, zuiver witte vogel met zijnen vuurrooden bek en zwarten knobbel nabij het voorhoofd is algemeen bekend en brengt zeer veel hij ter verlevendiging der groote vijvers in parken, alsmede der walgrachten van vele onzer .steden, waar men deze prachtige dieren ongestoord ziet rondzwemmen.

Do jongen zijn gedurende 2 maanden met een licht grijsachtig dons bedekt; daarna verkrijgen zij lichtgrauwe veeren, die eerst na 1 Va jarigen leeftijd bij het ruien door zuiver witte worden vervangen. Rij jonge dieren is de bek loodkleurig blauw, met zwarte punt en eene zwarte streep aan weerszijden, de pooten hebben do kleur van den bek.

ocr page 162

432

lib. WITGEBOREN ZWAAN.

F r a n s c h: Cygne né blanc.

Engelsch; Polish Swan.

Latijn; Cygnus immutabilis, Yarr.

Deze is eeue variëteit van onzen gewonen tannnen zwaan, van welke liij zich echter onderscheidt, doordien hij bij het eerste ruien het donsveeren nestkleed reeds onmiddellijk tegen witte veeren verwisselt. De pooten of zwemvliezen van deze variëteit zijn loodkleurig grijs met licht vieeschkleurige tint, terwijl zij bij de gewone zwanen meer zwartachtig grauw zijn; deze loodgrauwe vieeschkleurige tint behouden de pooten het gansche leven v^n het dier door, zoodat dit een uitnemend kenmerk is om deze variëteit zell's op hoogen leeftijd te kunnen onderscheiden. Dikwerf worden door onkunde gewone zwanen met wit geborene gepaard; bij deze vermenging ziet men veelal, dat een gedeelte van het broed onmiddellijk het witte kleed aanneemt, terwijl het andere gedeelte der jongen nog een geruimen tijd lichtgrauw van kleur blijft.

Deze witgeboren zwanen schijnen oorspronkelijk bij ons te lande t'huis te behooren en wel hoofdzakelijk in de Provincie Noord-Holland tusschen de steden Alkmaar, Hoorn en Edam, alwaar zij nog voor weinige jaren in groote menigte gekweekt werden met het doel hare vee-ren te oogsten en ter markt te brengen. In het buitenland schijnt deze variëteit weinig bekend en daarom zeer gezocht te zijn.

Enkele malen wordt deze variëteit des winters in wilden stnat aan onze kusten aangetroffen.

ocr page 163

133

Ilia. GEWOME TAM,Ml-] EENDEN.

II o 11 a ad sc h; Hoereneend, Hokeend; het mannetje heel waard ot' woerd. (Friesch) Einefoegel; de jongen noemt men Pielen of Puien.

Fransch: Canard; de eend Cane; de jongen Canetons, Barboteurs.

Engelsch: Common Duck; de jongen Ducklings.

D u i t s c h: Hausente.

Latijn: Anas tooschas domestica.

Kleur der veeren;

1. Boereneenden hebben kleur en teekening volkomen gelijk aan die der wilde eenden, (zie no. 50).

2. Bonte eenden.

3. Isabel-kleurige.

4. Witte, met oranjegelen hek en pooten (Canard hollandais).

5. Zwarte

Tamme eenden ziet men hijna bij elke boerenhofstede door slooten omgeven, in vijvers en in alle wateren onder dagelijks toezicht van den mensch gesteld. Vooral de Boeren- en bonte eenden treft men het meest buiten de steden aan, waar zij meestal, somtijds op aanmerkelijken afstand van de hofstede, vrij rondzwemmen en als het ware in halfvrijen natuurstaat leven.

Tamme eenden, voor de eendenjacht als lokvogels afgericht, heeten schiet- of lokeenden of roepers; zij zijn grauw van kleur en hebben een krommen bek. Verder onderscheiden zij zich door de stem : deze klinkt als een lang-

ocr page 164

134

gerekt kwaaaak-kwaaaaak, in tegenstelling van die der kwakereenden. Daarenboven zijn zij bijzonder tam en aan elkaar gelieclit, waardoor zij voor deze jacht bijzonder geschikt zijn.

De Waarden ot' Woerden zijn onder alle eenden op het eerste gezicht herkenbaar, doordien zij boven aan het begin van den staart een paar sterk opwaarts gekrulde veertjes bezitten; ook is, evenals bij de ganzen, zijn stem schorder, bij de eend meer schetterend van klank.

JIIc. Ki ll-EENDEN.

D u i tsch: Haubenente, Kuppenente, Sehopfonte.

Fr a n scb : Canard huppé.

Engelse h: Crested common Duck.

Sommige eenden hebben den kop somtijds met een zeer volle, ronde, bolvormige kuif voorzien. Vooral witte kuif-eenden, en blauwgrijze eenden met witte kuiven zijn werkelijk zeer sierlijke vogels, voornamelijk wanneer de kuiven goed ontwikkeld zijn. Men vindt ook grauwe, bonte en zwart gekleurde.

lllb. Kr.OMBEK-EENDEN. Hollandscli: Poolsche eend.

Engelsch: Curved billed Duck, Hookbilled Duck. Fransch: Canard polonais. Canard sabreur.

ocr page 165

135

Latijn: Anas adunca L.,— platyrhynchus L.,— cur-virostra Pall.

Van deze bestaan er twee variëteiten namelijk: a. witte, met licht rooskleurigen on sterk gebogen bok

(Canard polonais).

Igt;. zwart- en witbonte met kuif en loodkleurigen krommen bek (Canard sabreur).

c. blauwgrijze met dito gekleurden bok.

Deze laatste treft men niet zelden in de provincie N oo r d-Il o 11 a n d aan.

11M. FLUWEELEENDEN.

H O Hand sell: Spaansche eend.

D U i t s c h: Smaragdente.

Franse h: Canard Labrador.

Engelsch: Black East-Indian Duck, Black Cayuga Duck, Buenos Ayrean, Black Brasilian, Labrador Duck.

Deze eenden zijn in alle doelen volkomen zuiver zwart met prachtig groenen metallioken weerschijn. Men vindt onder dit ras eene groote en eene kleine variëteit; de Engelschen noemen do kleine Black East-Indian Ducks, de groote Cayuga Ducks.

Na twee- of driejarigen leeftijd bekomen de keel en kop bij de lluweeleendon, die oorspronkelijk in de jeugd zwart waren, een helder witte kleur.

De fluweeleenden zijn zeer vruchtbaar, het vleesch is

ocr page 166

136

uitmuntend; de eieren zijn doorgaans donkerder gekleurd dan die van de overige eenden, namelijk zeer lichtgrauw (als berookt) van kleur.

Ille. ITALIAANSCHE EENDEN.

Duitsch: Italienisehe Ente.

De kleur is wit; de bek is kort, breed, eenigszins gebogen, roodgeel van kleur; de pooten zijn hooger rood. Er zijn er ook grauw van kleur; deze gelijken volkomen op onze gewone Boeren- of hokeenden.

Do romp is rond en zwaar gebouwd, bereikende soms een gewicht van 2 Va KGr.; hals en pooten zijn kort. Dit ras laat zich gemakkelijk vetmesten, terwijl het vleesch ervan tot het smakelijkste van dat van alle eendénrassen behoort.

Als eierlegsters komen deze eenden ook zeer in aanmerking: men heeft voorbeelden, dat 5 eenden van Januari tot Augustus 580 groole eieren legden, niettegenstaande er twee eenden waren, die in dien tusschentijd gebroed en hare jongen grootgebracht hadden en alzoo niet eierleg-gend waren.

Dit ras werd in 187G voor hel eerst in Duitsch land (te Dortmund) uit Zwitser 1 and ingevoerd.

ocr page 167

137

De kleur der veeren is volkomen gelijk aan die onzer wilde eenden, doch het lichaam is veel grooter en langer dan van onze gewone tamme eenden; zij worden wel 41/2 maal zwaarder dan hare stamouders de wilde eenden. De huik van do eend sleept bijna over den grond; het vleesch van dit ras is ook malscher en alzoo smakelijker dan dat onzer inlandsche rassen. Do hek moet helder geel met een klein groenachtig tintje zijn; een donker gele of loodkleurige bek is een gebrek, llouaan-eenden van 8

IIU. ROUAAN-EENDEN.

ocr page 168

138

maanden oud kunnen onder goede verzorging een gewicht van 10 KGr. bereiken. Tot verbetering onzer gewone grauwe Boereneenden, rnoet bijzonder aanbevolen worden bij die eenden in plaats van een gewonen waard, een waard van liet Ilouaansche ras te voegen, onder de anderhalf jaren oud.

De Rouaan-eenden zijn tevens zeer goede eierlegsters en laten zich gemakkelijk en spoedig vetmesten.

I lig. DUGLAlR'S-EEXDElSr.

F ranse li: Canard de Duclair.

Deze behooren tot een nieuw ras, in Normandië gekweekt nit de vermenging der Rouaan-eenden met de lluweeleenden. Zij zijn bijna even groot en zwaar als eerstgenoemde, doch veel donkerder, zwartachtig bruin van kleur, met witte keel en krop; de bek is groenachtig zwart, de pooten zijn naar liet roode trekkende. Bij den waard zijn kop en hals evenals bij de wilde eenden met een groenen metallieken weerschijn voorzien.

NB. In hel gebergte van Zuidelijk Frankrijk wordt onder den naam van Canard des montagnes eene eend gefokt, die nog grooter zijn moet dan de Rouaan-eend en dezelfde kleur en teekening der Duclair's-eenden heeft.

ocr page 169

133

De Engelsche of Schotsclie eenden heblien wat hunne lichaamsvormen betreft veel overeenkomst met de Fransche of Rouaan-eenden, met dit verschil dat zij zuiver wit van veeren zijn, terwijl de hek licht rooskleurig als de kleur der nagels van den mensch, en de pooten helder oranjekleurig zijn moeten.

De voornaamste kweekplaats dezer eenden is in de omstreken der stad Aylesbury ; jaarlijks worden van daar voor meer dan lU millioen gulden naar de markt van Londen verzonden.

Zij zijn bijzonder tegen ongunstig weer gehard, worden spoedig volwassen en zeer zwaar, daar zij 4 tot 5 KGr.

Uil,. ENGELSCIIE EENDEN.

ocr page 170

140

bereiken kunnen, terwijl het vleesch zeer fijn, malscli en smakelijk is; bovendien behooren zij tot de vlijtigste eierlegsters onder de eenden en overtreffen daarin vele kippen, daar zij 100 en meer eieren, van 70—100 Grm per stuk, leggen. Ook bezitten zij een zeer rijk, fijn en zucht dons.

III'. ZWEEDSCHK EENDEN.

Bij dit ras zijn kop, hals, rug en vleugels zilvergrauw of paarlgrijs van kleur, terwijl keel, borst en buik zuiver wit zijn. De Zweedsche eenden zijn grooter van stel dan onze gewone 1 lokeenden en onderscheiden zich van deze, doordat zij spoediger vet worden en hoofdzakelijk goede eierlegsters zijn.

In de provincie Nourd-li ol land en wel in 't bijzonder in de omstreken van Purmerende, ziet men een ras van eenden, dat met de Zweedsche eenden veelover-eenkomst heeft en aldaar bij voorkeur gekweekt wordt wegens rijkdom aan veeren en voordeelige eierproductie.

Ilik. PiN( 11 IN-EENDEN.

De kleur der Pinguin eenden gelijkt op die der Boeren-eenden, doch de pooten staan meer'achterwaarts geplaatst, waardoor zij recht overeind gaan en een bijzonder sterk

ocr page 171

141

waggelenden gang hebben; terwijl de vleugels weinig ontwikkeld zijn, zoodat zij moeielijk kunnen vliegen. Op het water gevoelen zij zich het meest op haar gemak.

llll. PEKING-EENDEN.

Deze zijn voor ongeveer 8 of 10 jaren herwaarts uit China naar Europa ingevoerd. Zij onderscheiden zich door hare kolossale grootte en massieven lichaamsbouw ; zij zijn als het ware onder de eenden, wat de Cochin-china's onder de hoenders zijn.

De veeren zijn wit; de bek en pooten óranjegeel; de romp is lang gestrekt met rechtopstaande borst; de rug is naar den staart toe sterk dalende met opwaarts gerichten staart; de kop is dik met eenigszins gekrulde veeren in den nek.

Zij worden gemakkelijk en spoedig gemest, bereiken een beduidend gewicht en overtreffen in quantiteit van vleesch alle overige eendenrassen, in qualiteit daarvan staan zij echter eenigszins ten achteren bij dat der Engelsche en Piouaan-eenden, daar haar vleesch ietwat grol'van draad is. Daarentegen zijn zij beste eierlegsters.

ocr page 172

142

lllm. KWAKER-EENDEN.

H o 11 a n d sc h: Kwakertje, Roepertje.

Duitsch: Zwerg-Ente.

F i' ;i ii s c h; Canard mignon.

E a g e 1 s c h: Call-Duek.

Deze eemljes onderscheiden zich van de overige tamme eenden door hunne geringe grootte: men zoude ze de krielen in de eendenwereld kunnen noemen. Hoe kleiner zij zijn en hoe korter hunne bekken, des te hooger worden zij geschat. Men vindt ze in twee kleuren, namelijk:

1. grauw, gelijk aan die der Hoereneenden;

2. zuiver wit met oranjegelen bek, die liet meest gezocht zijn. De Kwakereendjes zijn de waakzaamste en luidruchtigste

van alle eenden; hun gekwaak hoort men op grooten af-stand, om welke reden zij ook op de eendenkooien als lokvogels veel dienst doen.

Behalve dat zij hoofdzakelijk tot versiering van vijvers in onze tuinen dienen, worden aan haar door onze kweekers van Waaier- en Carolina-eenden de eieren dezer zeer gezochte eendsoorten ter hebroeding toevertrouwd, hetgeen zij met veel toewijding en liefde verrichten.

llln. MUSKUS-EENDEN (Tamme)

Hollandsch: Turksehe eend, Kaapsche eend, Dogeend, Bergeend,

ocr page 173

143

Duitsch: Bisam-Ente Tiirkisehe Ente.

Franseh; Canard musqué, Canard d'Inde.

Kngelsch: Muscovy Duck. Musk Duck.

De bek is zwart met roode vlekken, tusschen de neusgaten en het voorhoofd met een vleeschacluigen knobbel voorzien. Wangen, voorhoofd en oogranden zijn met roode vleeschachtige uitwassen begroeid; bij de wijfjes zijn de wangen met veeren bezet en alleen nabij liet voorhoofd kaal. Ook is liet wijfje veel kleiner dan de waard.

In gevangen staat komen zij in verschillende kleuren voor, als;

1. Glimmend zwart- en without, evenals de wilde mus-kus-eenden, (zie no. 43).

2. Geheel glimmend zwart zonder eenig wit.

3. Havanakleurig.

4. Zuiver wit met vuurrooden bek, knobbel en wangen; deze zijn voorzeker de fraaiste van alle.

Eene variëteit heeft gekrulde veeren op den kop en langs den nek. Ten onrechte beweert men, dat het vleesch dezer eenden niet eetbaar is wegens een eigenaardigen muskusreuk; in tegendeel is dat der één-tot tweejarige vogels zeer smakelijk en malsch.

De muskus-eenden hebben een loggen vorm en bijzonder sterk waggelenden gang wegens baar zwaar en lang lijf en korte pooten. Zij zijn zeer twistziek, zoodat zij bezwaarlijk in een kleinen vijver met andere eenden kunnen gehouden worden, daar zij deze bijna nimmer met rust laten.

ocr page 174

144

B.

ZWEMVOGELS IN DEN VRIJEN NATUURSTAAT LEVENDE. I. EKSTERGANS.

Anseranas melanoleuca Less.

Du it sc h: Spaltfusz-Gans.

Fransch; Oie pie, Oie a pieds demi-palmés Engelsch: Black and wliite Goose.

Latijn: Anas melanoleuca Lth.,— semipalmata Lth. Clioritopus semipalmatus Eijt.

ocr page 175

145

Vaderland: Zuidelijk Niéuw-Holland.

Kenmerken: Hek' groot, geelachtig rood, mot groot en witten nagel aan de punt; washuicl bloedrood, welke zich over het voorhoofd en de oogen uitstrekt.

Pooten geelachtig rood met zeer lange teeiieu, die slechts voor de le helft met zwemvliezen zijn voorzien.

Kleur der voeren: zwart; alleen de schouders, middenrug en buik wit.

Lengte: 0.70—0.75.

Aanteekeninqen: in 1855 werd voor het eerst deze soort in den Zoölogischen tuin te Londen ingevoerd, later nog een lOtal exemplaren, doch zij hebben er nooit gebroed.

10

ocr page 176

14 6

'2. SPOORWIEKGANS. Plectropterus gambensis Steph.

Duitsch: Sporengans, Gambische Gans.

Fransch; Oie de Gambia.

Engelsch: Spur-winged Goose.

Latijn: Anas Gambensis Lin., — spinosa Vieill.

Anser gambensis Bris.

Vaderland: Westelijk Afrika. Abessinië.

Kenmerken: Rek en pooten rood; hot mannetje met

ocr page 177

147

een i'oodcn knobbel boven het vooi'hool'd; vleugels met 2 doornachtige sporen gewapend.

Kleur der oecren: zwart met groenen en purperen weerschijn; wangen, kin, krop, mantel en huik wit.

LewjU: 0.90—0.95.

Aanteehen'nujen: Sedert 18:50 in Huropulevend ingevoerd heelt zij er evenwel nog nooit gebroed.

3. RÜPPELLSGAXS.

Plectropterus Rüppellii Sclat.

U u i t sc h : Nordliche Sporengans.

Mn gel sc h; Riippell's Spur-winged Goose.

Latijn: Cygnus gambensis Rüpp. p. p.

Vaderland: Noord-Oost Afrika.

Kenteekenen: Deze soort onderscheidt zicli van de vorige ol gewone spoorwiekgans, doordien de knobbel boven het voorhoofd sterker ontwikkeld is. Aan weerszijden van tien hals op de hoogte der keel ziet men eene vlceschkleurige naakte vlek. liet zwart van de borst strekt zich verder over den buik uit dan bij de gewone soort.

Aaateekenhuj: Zij is iets grooter, docli veel zeldzamer dan de gewone; de Zoölogische tuin te Londen verkreeg in •1858 twee ganzerikken, naar welke deze soort door Sclater het eerst beschreven is; bijna 20 jaren later bekwam deze inrichting een derde exemplaar van den Jleer J. M. Cornély te Tours. Thans is een mannetje dezer soort in de diergaarde te Amsterdam aanwezig.

ocr page 178

148

4. ZWARTE SPOOPiWlEKGANS.

Pleetropterus niger Sclat.

I) li i L s c 11: Schwarze Sporengans.

Engelscli: Black Spur-winged Goose.

Vaderland: Kust van Zanzibar.

Kenteekenen: Bek en oogranden bloedrood, doch zonder knobbel op den bek.

Romp: Geheel zwart met metallieken glans ; alleen het middengedeelte van den bulk als ook de onderstaart en een streepje onder de oogen zijn wit.

Aanteeken'uilt;jen: lu 1876 werden twee genten dezer nieuwe soort te Londen in de diergaarde aangebracht.

Ook deze soort vindt men levend in den Zoölogischen luin te Amsterdam.

ocr page 179

5. ZWAirmiJGGAXS. Sarcidiornis melanonota Forst.

1) li i t S c h : Höckergans.

Fransch: Oie bronzée, Oie eaboue.

Engelsch: Black-backed Goose, Indian Wattle Duck. Latijn: Anas melanonota Penn. — tricolor Bod. Anser melanotus Bon.

Plectropterus melanotus Shaw.

Sarcidiornis Africana Eyt.

Vaderland: Vaste land van Indië,

Kenmerken: Bek zwart, bij den gent met een grooton aan weerszijden platgedrukten knobbel voorzien. Pooten zwart. Nekveeren sterk gekruld.

ocr page 180

150

Kleur der veeren: Kop, Hals, Borst en Buik wil; het wil van kop en bovenhals met kleine zwarte veertjes doormengd.

Bug, vleugels en staart zwart met groenen cu purperen weerschijn; veeren der flanken of draagveeren grijs met smalle witte runden.

Lengte: 0.05—0.70.

Aanteeken'nijen'. Jn 1837 voor het eerst in den „Jardin des Plantesquot; te Parijs ingevoerd, later enkele malen te Londen. In gevangen staat schijnt deze soort niet te broeden.

6. AMElllKAANSCHE ZWABTBUGGANS.

Sarcidiornis caruneulata Licht.

Engelse li: American Black-backed Gooso, American Wattle Duck.

Latijn; Sarcidiornis regia Bnp,

Vaderland: Brazilië.

Kenmerken: Deze soort onderscheidt zich van de Indische door ile zwarte kleur der vleugel-draagveeren en der zijden van het lichaam, terwijl de knobbel op den bek ook minder groot is dan bij eerstbedoelde.

Aanteeheningen: Deze soort is vrij zeldzaam en werd in 1870 in den Zoologischen tuin te Londen voor hel eerst aangevoerd.

ocr page 181

-151

H o 11 andscli: Egyptische gans.

Duit sell; Nilgans, Fuchsgans,, Entengans.

Fransch: Oie d'Egypte., Oie de montagne. Engelsch; Egyptian Goose.

Latijn: Anas Aegyptiaca Lin., — varia Bechst. Anser varius Bechst.

Bernicla Aegyptiaca Eyt.

Chenalopex varius Brehm.

Vaderland : Noord-Afrika. Griekenland.

Kenmerken: liek en pooten rood; een stompe hoornach-lige punt aan de buiging der vleugels.

7. VOSGANS. Chenalopex Aegyptiacus Steph.

ocr page 182

152

Kleur der vee ren K o p en h a 1 s vuil wit, over de oogen een bruine dwarsstreep en over het midden van den hals een breede roodbruine halsband; rug donker; borsten llanken licht grauwachtig bruin met smalle gegolfde zwarte dwarsstreepjes als gewaterd, op de hoogte van den krop met een donkerbruine dwarsvlek getec-kend (bij de eend is deze vlek kleiner dan bij den waard); vleugels met witte schoudervlek, kleine slagpennen zwart met groenen weerschijn, groote slagpennen en staart zwart met bruine onderdekveeren; huik vuil wit met bruine tint.

Lewjte: 0.05—0.70.

Aanteekeningen; Sedert meer dan eene halve eeuw in Europa ingevoerd vindt men ze in diergaarden algemeen verspreid, alwaar zij ook geregeld broeden. Ten opzichte van allerlei dieren is zij zeer twistziek van aard waarom men zo steeds van andere moet afgezonderd houden.

8. ()R INOCO-G A N S.

Chenalopex jubatus Wagl.

Hollandsch: Amerikaansche Vosgans.

Fransch; Bernache a camaille blanc, Oie de l'Ore-noque.

Engelsch: Orinoco Goose.

Latijn: Anas jubata Spix.

Anser pollicaris 111., — polycomos Cuv. Chenalopex polycomos Less.

Chenonetta jubata Brandt.

r

ocr page 183

153

Vaderland: Brazilië

Kenmerken .• Bek zwart, P o o t e n rood, Ne k met maauachtig verlengde veeren.

Kleur der weren: Kop, Hals, Krop en voorste gedeelte van den mantel vuil wit.

S c h o u d e r s, M a n t e 1 en B o r s t rossigrood.

B u g groenachtig zwart.

Vleugels met de dekveeren groenachtig zwart; doch die, welke het dichtst bij den rug gelegen zijn, zijn voor | gedeelte helder wit; de groote vleugel-dekveeren hebben een purperacbtigen metallieken glans; slagpennen bruinachtig zwart.

Staart met de onderste dekveeren wit en de stuur-pennen bruinachtig zwart.

Lengte: 0.80—0.85.

Aanteekenbujen; Sedert -20 jaren is de Zoölogische tuin te Londen meermalen in 't bezit dezer soort geweest, doch zij heeft er nimmer gebroed.

r

)

4

ocr page 184

Kenmerken'. Bek zwart met citroengele gezwollen was-huid; Pooten vleeschkleurig rood met zwarte voeten.

Kleur der veeren : Zacht blauwachtig grijs met zwarte oogvormige vlekken op rug en schouders; vleugel-slagpennen zwart; staart zwart.

T.enqte 0.75 — 0.80.

ocr page 185

Aanteeheningen: Deze gans is in 1830 voor het eerst levend in Londen ingevoerd. Zij wil in de ruimte vrij rondloopen en teelt alsdan gemakkelijk voort; in kleine ruimten opgesloten broedt zij niet. Zij is boosaardig en twistziek van aard, zoodat zij geene andere dieren in hare nabijheid duldt; zelfs groote honden worden door haar aangevallen en verjaagd.

ocr page 186

156

Duitseh; Chinesische Gans, Schwanengans.

F ran sch: Oie a tubercule, Oie de Guinée.

Engelsch: Chinese Goose, Swan Goose.

Latijn: Anas cygnoides Lin., — cygneus Bodd., — Australis Lin. —• orientalis Lin.

Anser cygnoides Pall.

Vaderland: Noordelijk Azië, Siberië, China.

Kenmerken: Bek en pooten zwart; aan den wortel van den bek nabij hel voorhoofd bij den gent met een groeten, bij de gans met een kleinen zwarten knobbel voorzien.

10. KNOBBELGANS. Cygnopsis cygnoides Brandt.

ocr page 187

Kleur der veer en: Schedel, Nek en Borst grauwachtig bruin. Voorhoofd, met oenen smallen witten band boven den bek. Wangen, kin, hals en keel wit. Rug en vleugels donker grauw niet lichtere randen om de veeren, waardoor zij zich als geschubd vertoonen.

Aanteekeningen .• De echte wilde knobbelganzen worden hoogst zeldzaam levend in gevangen staat aangetroffen; voor korten tijd ontving het Koninklijk Zoölogisch Genootschap te Amsterdam een paar dezer soort en wel onder den naam van Anser grandis Pall. In gevangen staat zijn zij vrij algemeen (zie n0 I h) en bij de oudere ornithologen bekend onder den naam van Anser Guineensis Briss.. — Hispanicus Marsigli.

ocr page 188

158

IIo 11 andscli; quot;Wilde gans, Schierling, Groote schier; . Groote Witgat (G r o n); Goes, Giesen (Fr i esch); Koenekraan ('t land van Kuik).

Duitsch: Graugans, Wildgans, Marzgans, Heckgans.

F ranseh: Oie saiivage, Oie cendrée.

Engelse li: Wild Goose, Gray legged Goose.

Latijn: Anas anser Lin. — ferns Gmel.

Anser sylvestris Br. — palnstris Flem. — vulgaris Pall.

Vaderland'. Noord Europa en Azië. Broedt aan de oostelijke grenzen van gematigd Europa, enkele zelfs tot in het midden der Provincie Friesland. Bij strenge winters bezoeken zij troepsgewijze de meer zuidelijk gelegen lan-

11. GRAUWE GANS. Anser cinereus Meyer.

ocr page 189

150

den alsook ons vaderland on koeren in Maart en April naar hel Noorden terug.

Kenmerken : Uok geelachtig vleeschkleurig, met witte nagelvormige punt aan liet eind van den bovenbek.

Pooten licht vleeschkleurig.

De grootste onzer inlandsclie ganzen.

Kleur der veeren: Kop ellen grauw, nabij het achter-hootd het donkerst, aan het voorhoofd soms met een smal wit randje geteekend.

Hals bruinachtig grauw, langs den nek liet donkerst; de veeren aan weerszijden der hals cimligen in rossig witte punten.

Rug zwartachtig grauw door lichtere randen om de veeren als geschubd.

Borst aschgrauw, hier en daar door eon enkel zwart veertje als gevlekt.

Buik evenals de borst; onderbuik zuiver wit.

Vleugels : dek- of schoudei'veeren blauwachtig grijs met lichtere randen; groote slagpennen grauw zwart met witte schachten en dito randen.

Staart: stuurpennen grauwzwart, elke veer wit aan de punt en met witte randen voorzien.

Leiifjte: 0.80 a 0.85.

Aanteekenincj •. Ue echte wilde gans wordt slechts zelden in gevangen staat aangetroffen en doorgaans door tamme vervangen. Zie hiadz. 123—130.

ocr page 190

Hollandsch: Hietgans, Sehiergans, Zwartkop, Zwarte gans, Kleine grauwe gans. Grasgans; Weenk, Wink,

quot;Weenkies (Gron.)

Duitsch; Saatgans, Bohnengans, Moorgans, Roggen-gans, Zuggans. Sclmeegans, Hagelgans.

F ransch: Oie des moissons.

Engelsch: Bean-Goose.

Vaderland: Noordelijk Europa en Azië. Gedurende de wintermaanden bij ons in vrij groote vluchten op den trek in kleiachtige streken op bouw- en weilanden.

Kenmerken-. Bok zwart met een roodachtig gelen dwarsband over het midden tusschen de neusgaten en de zwarte nagelvormige punt geteekend; onderkaak nabij den kop veel dikker en hooger, en de kop zelf dikker en grover dan bij de akkerganzen.

Pooten oranjegeel van kleur met de voeten kleiner

dan bij de volgende soort.

1 GO

ocr page 191

161

Kleur der veeren: als bij de grauwe gans, doclidevleu-gel-dekveeren zijn meer bruinachtig grauw dan blauwachtig grijs zooals bij de vorige soort.

Lengte: 0.75—0.80.

Aanlee/cening: Hoewei 's winters in grooten getale gevangen, worden zij weinig in 't leven gespaard en met de overige gevangen ganzen als dood wild in den handel gebracht en doorgaans naar Engeland vervoerd.

11

ocr page 192

162

Ho 11 a ii ds c li: Groote rietgans.

Du i t SC h: Ackergans, Feldgans.

Vaderland: Evenals cle wilde en Zaadgans leeft zij in t noorden van Europa en Azië, terwijl zij gedurende de wintermaanden meer zuidwaarts trekt en alsdan ook ons vaderland bezoekt. In Engeland schijnt zij onbekend le zijn.

Kenmerken: Veelal met de Zaadgans verward en door velen slechts als eene verscheidenheid van deze beschouwd '); doch zij onderscheidt zich van deze doordien de kop fijner gevormd is.

1) In do diergaarJo vuu het Kon. /oölo^. Genootsclicip * „Nutuni. Artis Magistra,quot; te Amsterdam worden gedurende 3 a 4 achtereenvolgende jaren in denzelfden vijver i- Zaad- en 4 Akkerganzen in gevangen staat gehouden; voortdurend houden zij zich groepsgewijze van elkaar afgezonderd, zonder zich onderling te vermengen, t geen voorzeker voor do zelfstandigheid der soort pleit.

13. AKKERGANS Anser arvensis Brehm.

ocr page 193

ica

Bo ven bek geelachtig rood met zwarte punt aan het einde en eene dergelijke zadelvlek boven de neusgaten; Wj jonge dieren is de bek zwart met eene roode dwars-streep tusschen de punt van den bek en de neusgaten, zoodat bij de oudere de roode, bij de jongere de zwarte kleur aan den bek de overheerschende is.

Poot en oranjekleurig (bij jonge dieren meer naar't gele trekkende) en naar evenredigheid met hoogere pooten en grootere voeten dan bij de Zaadganzen.

Kleur dei' veer en; als bij de Zaadganzen.

LeiKjte: als die der Zaadganzen.

Aanteekeninrj: wat wij van de Zaadgans zeiden is ook op deze toepasselijk.

■14. BARVOETERGANS Anser brachyrhynchus Bartl.

Hollandsch; Kleine Rietgans, Blauwpoot, Meiker. D u i t s c b ; Kurzschnabelgans.

Fransch: Oie a bee court, Oie a pieds pales.

E n g e 1 s C h: Pink-footed Goose.

L a t ij n: Anser brevirostris Thien. — obscurus Brehm. — phoenieopus Bartl. —pallipesde Sel. — roseipes Sohl.

Vaderland: Noord-Europa en Azië5 gedurende den lierlst en den winter bezoekt zij ons vaderland.

Kenmerken; Bek bijzonder kort, slechts 0.05 lanp, met smallen rooskleurigen dwarsband.

ocr page 194

162

Vaderland: Evenals de wilde en Zaadgans leeft zij in t noorden van Europa en Azië, terwijl zij gedurende de wintermaanden meer zuidwaarts trekt en alsdan ook ons vaderland bezoekt. In Engeland scliijnt zij onbekend te zijn.

Kenmerken-. Veelal met de Zaadgans verward en door velen slecbts als eene verscheidenheid van deze beschouwd '); doch zij onderscheidt zicli van deze doordien de kop fijner gevormd is.

1) In de diergaarde van het Kon. Zoölog. Genootschap : „Natura Artis Magistra,quot; te Amsterdam worden gedurende 3 ïi 4 achtereenvolgende jaren in denzelfden vijver i Zaad- en 4 Akkerganzen in gevangen staat gehouden: voortdurend houden zij zich groepsgewijze van elkaar afgezonderd, zonder zich onderling te vermengen, t geen voorzeker voor de zelfstandigheid dor soort pleit.

ocr page 195

iG3

Bovenbek geelachtig rood met zwarte punt aan het einde en eene dergelijke zadelvlek hoven de neusgaten ; hij jonge dieren is de bek zwart met eene roode dwars-streep tusschen de punt van den hek en de neusgaten, zoodat hij de oudere de roode, hij de jongere de zwarte kleur aan den hek de overheerschende is.

Poot en oranjekleurig (hij jonge dieren meer naar't gele trekkende) en naar evenredigheid met hoogere pooten en grootere voeten dan hij de Zaadganzen.

Kleur der veer en; als hij de Zaadganzen.

Lemjte: als die der Zaadganzen.

Aanteekening: wat wij van de Zaadgans zeiden is ook op deze toepasselijk.

14. BARVOETERGANS Anser brachyrhynehus Bartl.

Hollandsch: Kleine Rietgans, Blauwpoot, Meiker. D u i t s c h: Kurzschnabelgans.

Fransch: Oie a bee court, Oie a pieds pales.

E n g e 1 s c h: Pink-footed Goose.

L a t ij n; Anser brevirostris Thien. — obscurus Brehm. — phoenicopus Bartl. — pallipes de Sel. —roseipes Schl.

Vaderland: 9jooi'tl-Eiiro|ia en Azië; gedurende den herfst en den winter hezoekt zij ons vaderland.

Kenmerken: Bek hijzonder kort, slechts 0.05 lang, met smallen rooskleurigen dwarshand.

ocr page 196

164

Poot en rooskleurig.

Kleur der veeren: Als bij de Zaadganzen, doch met de veeren aan den hals meer naar het bruingrauwe trekkende.

Lengte: 0.05—0.70.

Aanteekening: In gevangen staat heeft de Barvoetergans slechts enkele malen en wel in Engeland gebroed.

15. KOLGANS.

Anser albifrons Gmel.

Hollandsch: Spotter, Noordsche wilde gans, Bonte Kol, Schierkol, Klik.

Duitsch: Blassgans, Laehgans, Polnische Gans, Weisz-stirngans, Seegans.

F r a n s c h: Oie rieuse.

Engelsch: White fronted Goose, Laughing Goose.

Latijn: Anser Bruchii Brehm, — intermedins Naum, — medius Tem.

Vaderland: Noord-poolstreken. In den herfst en gedurende den winter bezoeken zij, somtijds in grooten getale, de lage moerassige streken van ons vaderland.

Kenmerken: Bek vleeschkleurig rood van kleur met witte nagelachtige punt aan het einde; langs het voorhoofd een breede witte band.

Poot en: Oranjerood; bij de jonge meer geelachtig.

ocr page 197

1G5

Kleur der veer en: Kop bruingrauw, hij volwassen dieren met een breeden witten band over liet voorhoofd, die aan de achterzijde zwart gezoomd is ; bij jongere dieren is deze witte band smal, bij zeer jonge ontbreekt hij geheel.

Hals: bruingrauw evenals de kop.

Rug: zwartachtig bruin mot grauwbruine randen om elke veer.

Borst: grauwachtig bruin, doch lichter dan de hals.

Buik: als de borst, doch met groote ineenloopende zwarte vlekken geteekend; achterbuik wit.

Vleugels: grauwachtig bruin met lichtere randen om de veeren en blauwachtig grauw aan boven- cn ondervleugel. Slagpennen, zwart.

Staart: zwart met witte zijranden en punten.

Lengte : 0.70—0.75.

Aanteekening: geen voorbeeld is er tot nu toe bekend dat de Kolgans in gevangen staat gebroed heeft.

-10. KLEINE KOLGANS.

Anser erythropus Gmel.

H o 11 a n d s c h: Dwerggans, IJslandsche Kolgans, Blaffer.

D u i t s c h: Zwerggans, Schwalbengans.

F r a n s c h: Oie naine.

E n g e 1 s c h: Little Goose.

Latijn: Anas erythropus Lin.

Anser cineraseens Brehm, — minutus, Naum., — pygmaeus Brehm. — Temminckii Boie.

ocr page 198

166

Marilochen erythropus Reich.

Vaderland: Koude streken van Noord-Europa en Azië; trekt 's winters naar liet zuiden en bezoekt alsdan in kleinen getale somtijds de kleistreken van ons land, alwaar zij veel zeldzamer is dan de gewone Kolgans.

Kenmerken-. Kleur en teekening als bij de gewone Kolgans; de oogranden zijn citroengeel; de vleugeleinden reiken iets verder over de punt van den staart, terwijl zij bij de Kolganzen die niet bereiken.

Kleur der voeren: Als bij de Kolganzen, doch de witte band over bel voorboofd is breeder en loopt verder over den schedel dan bij deze.

Lemjte: 0.50—0.58.

Janleekenimi: Deze soort wordt zelden in diergaarden aangetroffen en beelt er nog nimmer gebroed.

17. OOSTINDISCHE GANS.

Anser Indicus Gmel.

Duitscb: Indische Gans.

Fransch: Oie de l'Inde.

Engelsch: Bar-headed Goose.

Latijn: Anas Indica Lath., — undulata Bonn. Bernicla Indica Gray.

Eulabea Indica Reich.

Faderland: Oost-Indië.

ocr page 199

1G7

Kenmerken: Bek geel inet zwarten nagel aan de punt; poolen geel.

Kleur der veer en ; K o p wit met een zwarten band aan weerszijden boven de oogen, welke beide banden zich op het achterhoofd in eene schuine richting vereenigen; in den nek, achter liet ineenloopen der banden, eendrie-boekige zwarte vlek.

Hals: bruingrauw met aan weerszijden een witte streep.

R ii g: lichtgrijs. Stuit wit.

Borst: evenals de rug.

Buik: wit, boven de pooten bruingrauw.

Vleugels: kleine slagpennen zwart.

// groote „ grijs.

Staart: boven grauw, onder wit.

Lengte : 0.75—0.80,

Aanteekening: Deze soort, sedert 1845 ingevoerd, heeft enkele malen in de Zoölogische tuinen van Antwerpen en Berlijn gebroed.

18. SNEEUWGANS.

Anser hyperboreus Pali.

Hollandsch: Sneeuwgans.

Duitsch: - Schneegans, Hagel-, Polar-, Nordische-,

Schlekkergans.

F ranse h; Oie de neige Engelsch: Snow Goose.

ocr page 200

1G8

Latijn: Anas hyperborea Gmel.

Anser altaatus, — coerulescens Cass., — nivalis.

Forst., — niveus Briss.

Tadorna nivea Brehm.

Chen hyperboreus Boie.

Chinochen hyperboreus Reich.

Vaderland: Noordelijk Azië en Amerika; zij is enkele malen bij strenge winters, doch zeldzaam, in Noordelijk Duitschland waargenomen

Kenmerken: Sneeuwwit met zwarte slagpennen; bov en-bek en pooten vleeschkleurig, onderbek zwart; bij jonge dieren zijn borst, rug, vleugels en staart blauwachtig grauw van kleur; de bek en pooten purperachtig grauw.

Lengte : 0.70—0.75.

Aanteekening: Deze gans wordt eerst sedert het laatste tiental jaren in gevangen staat in tie Zoölogische tuinen aangetroffen en behoort nog steeds tot de meer zeldzamere soorten.

ocr page 201

169

H o 11 a n d s c h: Ringelgans, Pauwgans.

Duitse li; Ringelgans, Baum-, Bernikel-, Brand-

Brent-, Kloster-, Meer-, Möneh-, Rotgans.

Fransch; Le Cravant.

Engel sch; Brand-, Brent-, Glatter-, Road-, Rat Goose.

L a l ij u ; Anas Brenta Pali., — Berniela Lin., — micropns Brehm, — pallida Brehm.

Anser melanopsis M. Gill., — torquatus Friscb. Berniela eollaris Brehm, — glaucogaster Brehm, —

torquata Brehm.

Brenta Berniela Briss., — Monaeha Brehm. Chenalopex Berniela Less.

19. ROTGANS. Berniela Brenta Steph.

ocr page 202

170

Vaderland: Noordpoolstreken, alwaar zij broedt; in 't najaar en vooral bij strenge winters komt zij in grooten getale langs de noordelijke kusten van ons land voor, alwaar zij zich met zeeplanten en wonnen voedt.

Kenmerken : Bek kort en evenals de pooten grauwachtig loodkleurig; kop, hals en krop zwart, bij de oude vogels met een witten halsring geteekend.

Kleur der veer en: Kop zwart.

Hals, nek en krop zwart; aan weerszijden van den bovenhals vindt men een dwarsveld of ring, bestaande uit wit gestreepte veeren.

Rug en Borst donkergrijs; bij enkele lichtgrijs met lichte randen om de veeren.

B u i U: voorbuik als de borst, onderbuik wit.

Vleugels donkergrijs, slagpennen zwart.

Sta a r l met over den staart reikende witte dekveeren en zwarte stuurpennen.

Lengte: 0.60—0.05.

Aanteekenimj; In gevangen staat is zij zeer vreesachtig, zoodat zij door vogels die veel kleiner zijn dan zij zelve op de vlucht gedreven wordt. Haar voedsel, dat uit brood, zemelen en gerst bestaat, moet haar afzonderlijk gegeven worden, daar zij eerder van honger zal omkomen dan haar voedsel tegen andere vogels verdedigen. In tegenstelling der ware ganzen is zij een echte zwemvogel. In vrijen natuurstaat gevangen is haar vleesch somwijlen eenigszins sterk van smaak; in gevangen staat echter wordt zulks door voeding met plantaardig voedsel

ocr page 203

171

veel verbeterd. In gevangensclKip lieet't zij nog nimmer gebroed.

20. BR ANDGANS.

Bernicla leucopsis Steph.

HoJlaadsch: Dondergans; Tongergoes (Friesch). Duitsch; Brandgans, Baumgans, Bernakelgans, Non-nengans, Nordgans, Seegans, Schottische Gans, Weiz-wangige Gans.

Fransch; Bernaehe, Bernacle, Nonette.

Engelscb: Berniele Goose, Tree-Goose, Clakis. Latijn: Anas leucopsis Tem., — erythropus Gmel. nee Linn.

Anser leucopsis Bechst., — Bernicla Pall, nee Lin. Brenta leucopsis Gray.

Chenalopex leucopsis Less.

Leucopareia leucopsis Reich.

Vaderland: Noordpóolstreken. Zij verschijnt bij strenge vorst op den trek in kleinen getale of bij paren langs tie zeekusten vooral onzer noordelijke provinciën.

Kenmerken: Bek en pooten zwartachtig grauw. Kop wit, met zwarte streep over het achterhoofd.

Kleur der veeren : Kop wit met zwarte teugelstreep aan weerszijden van den bovenbek tot aan de oogen reikende, het achterhoofd van de kruin tot in den nek met een zwarten band geteekend.

ocr page 204

•172

Hals en Krop zwart.

R u g en Mantel zwartachtig grauw met witte randen om de veeren.

Borst en B u i k wit met bruine randen om de vee-ren, die de flanken bekleeden.

Vleugels: Dekveeren grauw met witte randen; de kleine slagpennen helder aschgrauw met zwarte, witge-zoomde punten; de groote slagpennen bruinachtig zwart, op het breedste gedeelte helder aschgrauw.

Stuit zwart.

Staart met de boven en onder dekveeren wit, en met de steunpennen zwart.

Lenfjle: 0.64—0.G7.

Amiteekeninrj: In gevangen staat teelt zij gemakkelijk voort, en haar vleesch is alsdan zeer smakelijk ; in vrijen natuurstaat voedt zij zich meer met lagere diersoorten dan met planten, waardoor haar vleesch alsdan sterker van smaak is dan van de echte ganssoorten, welke meer uitsluitend plantaardig voedsel nuttigen.

21. ROODHALSGANS.

Bernicla ruficollis Steph.

11 oil and sc h; Russiehe gans.

Duitsch: Rothhalsgans, Bunte Nordgans, Mopsgans,

Möppelgans.

Fransch: Bernache a cou roux.

E nge 1 SC h: Redbreasted Goose.

ocr page 205

173

Latijn: Anas rufieollis Gmel., — torquata Gmel. nee Lin.

Anser rufieollis Pall.

Brenta rufieollis Gray.

Chenalopex rufieollis Less.

Vaderland: Aziatisch Rusland. Zij wordt zeer enkele malen des winters op den trek in noordelijk Duitscldund en ons Vaderland aangetroffen.

Kenmerken: Bek betrekkelijk zeer klein en evenals de pooten zwartachtig grauw.

Kleur der neren.: Kop en nek zwart, voor de oogen een ronde witte en over de ooren een langwerpige roodbruine vlek; keel en krop roodbruin-, al het roodbruine is met een witten rand scherp afgeteekend of omlijst.

Rug en stuit zwart.

Borst zwart, met de draagveeren der vleugels halve-maansgewijze wit gerand.

Buik wit.

Vleugel: dekveeren mat zwart, welke aan de punt wit eindigen, waardoor tevens dwarsbanden gevormd worden; slagpennen zwart.

Staart: boven en onder dekveeren wit, stuurpennen zwart.

Lengte: 0.50—0.55.

Aanteekening: Zij wordt zelden in gevangen staat levend aangetroffen en is daarom zeer gezocht en zeer hoog in prijs.

ocr page 206

22. TROMPETTERGANS. Bernicla Canadensis Boie.

Ilollandsch: Canadasche gans.

D u i t s c h: Canadisehe Gans, Kanadische Schwanengans.

Fran sell: Oie du Canada, Oie a Cravate.

Engelse li; Canada Goose.

Latijn; Anas Canadensis Lin.

Anser Canadensis Gmel., — parvipes Cass. ?

Brenta Canadensis Gray.

Cygnopsis Canadensis Gray.

Cygnum Canadensis Steph.

Leucobleph.aron Canadensis Baird.

Vaderland: Noord-Amerika. Zij vliegt 's winters enkele malen over naar Westelijk Europa.

Kenmefkeii: Hals zeer lang als die der Zwanen. Kop zwart met een breeden witten band voor de wangen, welke zich onder de keel uitstrekt.

Kleur der ceeren: Rug grauwbruin met lichtere randen om de veeren.

Vleugel: dekveeren als die van den rug; slagpennen zwart.

Buik wit.

Staart met witte dekveeren en zwarte stuurpennen.

Lengte: 0.85—0.90.

ocr page 207

175

Aanteekeniny: In gevangen staat niet zeldzaam. Om te broeden verlangen zij veel ruimte, waarin zij vrij kunnen weiden; in engere ruimte opgesloten broeden zij nooit. Men beweert, dat bet vleesch van de Trompetter-gans smakelijker is dan dat der gewone ganzen, en dat bastaarden, geboren uit beide soorten, spoediger vet worden, lt;lan zulks bij de tamme ganzen bot geval is.

'23. KLEINE TROMPETTKRGA NS.

Bernicla Hutchinsii Rich.

D u i t s C b : Kleine Canadagans.

F ranse b: Oie de Hutchin.

En ge 1 sc b: Hutchins Goose.

Latijn: Anser leucopareius Brandt Bernicla leueopareia Gmel.

Vaderland: Noordelijk Noord-Amerika.

Kenmerken : In alle deelen in kleur en teekening geheel gelijk aan de gewone Trompettergans, doch aanmerkelijk kleiner. In gevangen staat is zij veel zeldzamer dan deze. In 't jaar 1860 werd zij voor liet eerst in de diergaarde te Londen ingevoerd.

ocr page 208

170

'24. SANDWICHGANS.

Bernicla Sandwichensis Vig.

i)uitsch: Sandwichs Gans.

F r a n s c h; Bernac he de Sandwich.

Eng el sch; Sandwich-Island Goose.

Lat ij n ; Anser Sandwichensis Gray. — Hawaiensis E. S.

Brenta Sandwichensis Gray.

Leucopareia Sandwichensis Beich.

Vaderland: Sandwich-eilanden.

Kenmerken-. Bek en Poot en zwartachtig bruin.

Kleur der veereu : Kop: Schedel, wangen en kin zwart.

Hals rossig aschgrauw, van onderen nabij tien krop door een donkeren halsring begrensd.

Romp blauwachtig aschgrauw met de veeren donkerder geschubd.

Krop en borst bij het wijfje rossig bruin.

Vleugels donker aschgrauw; slagpennen grauwachtig zwart; dekveeren met een lichten buitenrand en daarop-volgenden binnenrand.

Buik wit.

Staart: dekveeren wit, stuurpennen grauw zwart.

Lengte : 0.75—0.80.

Aanteekeniiuj: Sedert -1832 in Europa ingevoerd heeft deze gans in verschillende diergaarden jongen voortgebracht; de broedtijd valt in de laatste helft van Maart tot half Mei. Zelden gaat zij te water.

ocr page 209

477

'25. MAGELLAAN-ÜANS.

Berniela Magellanica Gay.

D u i t s c h : Magellanische Gans.

F r a n s c h : Bernache de Magellan.

Engelsch: Upland Goose, Painted Duck.

Latijn: Anas Magellanica Gmel., — leucopteraGm.,— picta Gm.

Brenta Magellanica Gray.

Chenalopex leucoptera Less.

Chloëphaga Magellanica Eyt.

Vaderland; Falklands-eilanden.

Kenmerken: Ganzerik wit met zwarte dwarsstrepen op den bovenrug; pooten zwart. Gans bruin met zwarte dwarsstrepen; pooten helder geel.

Kleur der veer en: Bij den Gent zijn k o p, h a l s, k,r o p, borst en b u i k, on der r u g en sta a r t zuiver wit; ondernek en bovenrug wit met zwarte gegolfde dwars-streepjes geteekend; vleugels met de groote dekveeren donkergrauw, schouders wit, groote slagpennen zwart, met bronzen spiegelvlek, de kleine wit; staart zwart met witte boven- en onderdekveeren.

Gans. Al het wit van kop en romp bij den gent is bij de gans door helder bruinrood vervangen, terwijl de zwarte gegollde dwarsstreepjes zich over den benedenhals, voorrug, krop, borst en buik vertoonen; langs de llan-

12

ocr page 210

178

ken en de onderzijden van het lichaam gaan de streepjes meer in zwarte banden over.

Vleugels en staart als bij den gent.

Lemjte: O.üö—0.70.

Aanteekeniiujen: Deze gans werd eerst in 1857 door Kapitein Morre te Londen levend ingevoerd; in 1861 werd aldaar een tweede paar aangebracht; in 1803 werden in de diergaarde aldaar de eerste jongen geboren, hetgeen sedert dien tijd nog verscheidene malen heeft plaats gehad. Bij zorgvuldige behandeling telen zij gemakkelijk voort, zooals meermalen gebleken is.

26. CIULI-GANS.

Bernicla dispar Phil.

Du i t sch : Chilenische Gans.

Fransch: Oie de Chili.

Engelsch; Chilian Goose.

Latijn; Brenta dispar Gray.

Chloëphaga dispar Sclat.

Vaderland: Chili.

Kenmerken : als bij de vorige soort, doch steeds kleiner. Bij den gent zijn onderhals en liet geheele onderlijf met zwarte dwarsstreepjes voorzien.

ocr page 211

179

Kleur der veeren : Üij den Geul, zijn onderhals, voorrug, krop, borst en onderlijf wit met zwarte gegolfde dwarsstrepen en banden geteekend, overigens als bij de Magellaan-gans.

De Gans gelijkt volkomen op het wij tja der vorige soort, doch het bruin is minder helder, de onderbuik nabij den staart helder wit, en de poolen zijn donkerder geel dan bij deze.

Lenyle: O.CO—0.(35.

Aanteekeinnyen: ilet eerst in 1871 te Londen ingevoerd, en daarna meermalen in andere diergaarden van Europa. Een gent dezer soort heeft met een wijfje der vorige in 1875 jongen geteeld; sedert echter niet meer.

-21. GIIIJSKÜP-GANS.

Bernicla poliocephala Burm.

Duitsch: Graukopf Gans.

F ran sc li: Bernache de Magellan a tête grise. Engelsch; Ashy-headed Goose.

Latijn; Anser poliocephalus Schle., —■ leucopterus Licht.

Anser inornatus (fern) Gray.

Bernicla Chiloënsis Phil, et Landb.

Chloëphaga poliocephala Gray.

Chloëtrophus poliocephalus Bann.

ocr page 212

180

Vaderland: Patagonië, Chili.

Kenmerken: Helder bruin met zwarte dwarsstreepjes geteekend; kop grijs, bek zwart, voeten oranjegeel.

Kleur der vee ren: Kop en hals loodkleurig grijs, nabij het voorhoofd en wangen het lichtst, naar de horst toe donkerder.

Rug kastanjebruin met zwarte dwarsstrecpjes geteekend; stuit roest-bruin.

Borst en Buik wit; vleugeldraagveeren met zwarte randen gezoomd.

Vleugels met witte schoudervlek en groenen spiegel; kleine slagpennen wit, groote slagpennen zwart met groenachtige buitenvlag.

Staart: bovendekveeren zwart, onderdekveeren rossig, stuurpennen zwart.

NB. Het wijfje is aan den gent gelijk.

Lengte: 0.60—0.(55.

Aanteekeningen: In 1858 werden in de diergaarde te Londen de eerste exemplaren dezer soort ontvangen, alwaar zij meermalen gebroed hebben.

ocr page 213

181

28. ROODKOP-GANS.

Berniela rubidiceps Sclat.

D u i t s c h ; Rothkopf Gans.

Franseh: Bernache de Magellan a tête rousee.

Engelsch: Ruddy-headed Goose.

L a t ij n: Anser rubidiceps Schleg.

Anas inornatus King.

Berniela inornata Gay.

Chloëphaga inornata Sclat., — rubidiceps Sclat.

Chloëtrophus rubidiceps Bann.

Vaderland'. Chili en de Falklands-eilanden.

Kenmerken: Kop en bovenhals helder roodbruin.

Kleur der veer en: Kop, bovenhals en stuit roodbruin.

Rug, borst en buik vaal geelachtig bruin rnetzwarte randen om de veeren.

Vleugels: schouder-dekveeren wit, 2de rij vleugeldek-veeren zwart, 3de dito wit; groote slagpennen zwartachtig bruin, spiegel groen.

Staart aan de bovenzijde zwart, van onderen wit.

Aanteékenincy. In 1860 werden in de diergaarde te Londen 2 paren dezer soort van de Falklands-eilanden ontvangen, die er meermalen gebroed hebben. In gevangen staat telen zij gemakkelijk voort.

De gent maakt oen fluitend geluid, de gans als dat eenei' eend; overigens zijn zij aan elkaar gelijk.

ocr page 214

18-2

'29. FALKLANDS-GANS.

Berniela antarotica Steph,

Duitsch: Falklandgans.

F r a n s c b: Oie antarctique.

En ge 1 sc h; Kelp Goose.

Lat ij n: Anas antaretica Gmel., — ganta Forst., Anas hybrida Mol., — Magellanica Sparm.

Brenta antarotica Gray.

Chenalopex antarotica Less.

Taenidiestes Magellanica Reichenb.

Vctderland: Chili en Patagonië.

Kenmerken: Hek zwart bij den gent, rood met witten nagel bij de gans; poolen geelucbtig oranje bij beitle.

Kleur der roeren ■. Bij den Ganzerik: zuiver wit; slagpennen met zwarte punten.

Hij de Gans: Sciiedel grauwachtig bruin; wangen, keel en hals zwart met fijne witte dwarsstreepjes; krop en borst zwart met witte dwarsbanden. Ilug, stuit, onderbuik en staart wit.

Vleugels met (le eerste rij dekveeren zwart, de tweede rij benevens de kleine slagpennen wit, de groote slagpennen zwart, aan de buitenvlag met groenen glans een groene spiegelvlek vormende.

Lenrjte: 0.00—0.65.

ocr page 215

183

A anleehenhuj: Deze soort is in gevangen staat hoogst zeldzaam. De Zoölogische tuin in Londen heeft slechts een enkel exemplaar er van bezeten en wel in 't jaar 1868.

30. ANDES-GA.NS.

Bernicla melanoptera Gray.

D u i t s c h : Andengans.

Fransch: Oie a ailes noires.

Engelsch: Andean Goose.

1. a t ij li: Anser melanopterus Eijt., — anticolus Tsch., — montanus Tsch.

Bernicla anticola Gray.

Brenta melanoptera Gray.

Chloëhpaga melanoptera Bonp.

Oressochen melanopterus Bann.

Vaderland'. Chili, Peru.

Kenmerkeit: Bek rood met witten nagel aan de punt. Poot en oranjerood.

Kleur der veer en: Wit; vleugeldekveeren zwart met groenen weerschijn; groote slagpennen met violette buitenvlag, welke eene spiegelvlek vormen; kleine slagpennen wit; staart zwart.

ocr page 216

184

Lernjte: 0.75—0.80.

Aanteekeniwjen: De dierentuin te Londen heeft van 'S71—1877 vijf paren van deze gans bezeten, doch zij hebben er nimmer gebroed.

31. GEMAANDE GANS.

Bernicla jubata Steph.

D ii i t s c h : Spiegelgans.

Fransch; Oie a crinière.

Engelsch: Maned Goose; Wood-duek.

Latijn; Anas jubata Lth.

Anser jubatus Schl.

Chlamydauchen jubatus Bonp-

Vaderland: Nieuw-Holland.

Kenmerken: Bek en pooten zwart; de nek met zwarte stijve veertjes voorzien, die aldaar eene soort van manen vormen.

Kleur der veer en: Kop en hals zwartachtig bruin.

Borst zwart en wit gevlekt.

Rug blauwachtig grijs met twee overlangsche zwarte strepen geteekend.

Flanken grauw mot (ijne donkere gegolfde streepjes als gewaterd.

ocr page 217

185

Vleugels: groote slagpennen grauwachtig zwart, met groenen spiegel; kleine slagpennen zwart met wit aan de punt der veeren, waardoor als het ware twee witte banden gevormd worden.

Buik zwart.

NB. Bij de gans zijn de kop grauwachtig bruin, de maanveeren in den nek bruin; boven en onder de oogen bevindt zich een wit streepje; de buik is wit.

Lengte: 0.G0—0.05.

Aanteekeningen: Sedert i 864 te Londen ingevoerd heeft men ze aldaar en in andere Zoölogische tuinen meermalen bezeten, doch zij hebben in gevangen staat nog niet gebroed.

ocr page 218

186

Ho 1 la ml sc li: Deen; Kloekzwaan (Friesch); Hoel-zwaan (Gron.)

Duitscli: Singschwan, Wilderschwan, Bruchsehwan.

F ran sell: Cygne sauvage, — a bee jaune, — chanteur.

En gel sell; Hooper Swan, Elk, Wild Swan, Whistling Swan.

Latijn: Anas cygnus ferus Lin.

Cygnus ferus Bay, — melanorhynchus Wolf, -— Xanthorhinus Naum.

32. WILDE ZWAAN. Cygnus musicus Bechst.

ocr page 219

-187

Vaderland: Noord-Europa; bij strenge vorst op den trek in kleinen getale langs onze kusten en binnenzeeën.

Kenmerken'. Zuiver wit; bek zwart, doch aan den wortel, van het oog tot aan de neusgaten, met een citroengele washuld voorzien; pooten zwart.

Lenyte: -1.50.

Aanteehenincj: Wordt enkele malen in gevangen staat hier en daar, hoofdzakelijk in diergaarden, aangetroffen. Jn gevangenschap heeft deze zwaan voor zoover bekend is slechts drie malen gebroed en wel in -1839, 1841 en 1842 in den Zoölogischen tuin te Londen.

33. KLEINE ZWAAN.

Cygnus minor Keijs. Bias,

Duitsch: Zwergschwan, kleine Singschwan.

F r a n s c h : Cygne de Bewick.

Enge 1 sch : Bewicks Swan.

Latijn: Cygnus olor minor Pall., -— Altumi Baed.,— Bewickii Yarr., — Islandicus Brehm, — melanorhi-nus Naum.

Vaderland: Noord-Amerika, IJsland, Siberië ; komt ook des winters op den trek langs onze kusten en op onze zeeboezems voor.

ocr page 220

188

Kenmerken: Kleiner dan de gewone wilde zwaan, terwijl de gele washuid boven aan den wortel van den bek de neusgaten niet bereikt en somtijds bij oude mannetjes slechts uit een gele ronde vlek aan weerszijden van den bek bestaat.

Lengte: 1.25—1.30.

Aanteekeningen: De kleine zwaan wordt hoogst zelden in gevangen staat aangetroffen, daar zij slechts als bij toeval gevangen en doorgaans onmiddellijk gedood worden. In de diergaarde te Amsterdam leven tiians 3 exemplaren dezer zeldzame soort.

34. WILDE KNOBBEL-ZWAAN.

Cygnus Olor Ltn. (ferus).

Hollandseh: Wilde roodbek-zwaan.

D u i t s c h ; Gemeiner Schwan.

F ran sc h: Cygne a bec rouge.

Engelsch: Common Swan.

Latijn: Anas olor Gmel., — cygnus Lin.

Cygnus gibbus Bechst., — sibilus Pall., — Urwinii Hume.

Olor cygnus Bonp.

Vaderland. Noordoostelijk Europa en Siberië. Bij

strenge winters trekken zij zuid- en westwaarts en he-

ocr page 221

189

zoeken alsdan ook de groote zeeboezems langs onze kusten zooals bij de monden der Schelde en Maas, benevens de Zuiderzee enz.

Kenmerken-. Geheel zuiver wit; bek hoogrood aan den wortel en de punt benevens met een dito knobbeltje nabij het voorhoofd ; pooten zwart. De jonge vogels zijn asch-kleurig met licht loodkleurige bek en pooten.

Lemjte: 1.50.

Aanteekeningen : Het valt moeielijk te bepalen, of de bij ons in de vrije natuur gevangen knobbelzwanen werkelijk tot de wilde behooren dan wel ontsnapte en verwilderde tamme zijn.

34*. WILDE WITGEBOREN ZWAAN.

Cygnus immutabilis (ferus) Yarrel.

Vaderland: Noord-Europa

Kenmerken: Zuiver wit; pooten en zwemvliezen zilvergrauw, niet zwart als bij de vorige soort. De jongen zijn reeds op éénjarigen leeftijd geheel wit en niet grauw.

Lengte: 1.30.

Aanteekeningen: Het is steeds nog twijfelachtig, of deze vogel als zelfstandige soort, dan wel als afwijking ten

ocr page 222

190

gevolge van domesticiteit of van albinismus moet worden beschouwd. Voor het eerste pleiten de gevallen, dat zij van tijd tot lijd in vrijen natuurstaat worden aangetroffen; onder andere zijn door den lieer Ed. Pfannen-scumidt te Emdcn in de winters van 1883, 1885 en 1888 vier stuks in de Wadden tusschen Oost- en West-Friesland geschoten. Waren deze nu in tannnen staat gekweekt en ontsnapte vogels, dan wel dieren in vrijen natuurstaat geboren'?

Daar, voor zoover mij bekend is, alle geschoten Wit-geboren zwanen jonge dieren waren, pleit zulks voor de onderstelling, dat zij in tammen staat waren geboren.

35. TROMPETTER-ZWAAN.

Cygnus Buccinator Rich.

Duitsch: Trompeter Schwan.

Engelsch; Trumpeter Swan.

Latijn: Olor Buccinator Wagl., — Cygnus Pasmori Hincks.

Vaderland: Canada.

Kenmerken: Bek en pooten zwart; washuid zwart met eene punt tot de oogen reikende.

L e n (jte: 1.30 —1.40.

ocr page 223

191

Aanteekenitujea: In I8C6 voor het eerst in Londen in-voerd, het eerste paar broedde in 1870 cn sedert jaarlijks tot 187G.

36. ZWA UTiNEK-Z WAAN.

Cygnus nigricollis Sclat.

D u i t s c h: Schwartzhals Schwau.

Fransch: Cygne a eou noir.

K n g e 1 s C h: Black-necked Swan.

Lat ij n: Anas nigricollis G-mel., — melanocephala Gmel.

Cygnus melanocephalus Vieill.

Fadcvland: Chili.

Kenmerken: Mek zwart met witte nagelpunt cn rooden vleesciiknobbel nabij den kop. Pooten bleek roodachtig.

Kleur der veeren: Wit; kop zwart met een witten band over de oogen tot op den schedel; hals en nek zwart.

Lengte: 1.25—1.30.

Aanleekenincjen: Door Lord Derby werd in 1851 op zijn kasteel Knowsley bij Liverpool het eerste paar zwart-nek-zwanen ingevoerd. Kort voor 1870 kocht de Heer P. J. Polvliet te Rotterdam in de Diergaarde te Antwerpen voor de som van /' 1200 een paar dezer vogels; in 1870

ocr page 224

192

bekwam hij daarvan 5 jongen, in 1871 9 in 1872 11 en zoo vervolgens 10 tot 15 jongen per jaar.

Deze soort treft men tegenwoordig, zelfs bij particuliere liefhebbers, niet zelden aan; zij zijn mak van aard en telen vrij goed in gevangen staat voort, mits zij over eene ongestoorde rustplaats om te nestelen kunnen beschikken. Hoewel tegen ons klimaat bestand is deze soort echter zwakker dan de zwarte zwaan, zoodat zij bij strenge winters tegen de felle koude moeten beschut worden.

37. ZWARTE ZWAAN.

Cygnus atratus Vieill.

D u i t s c h: Schwarzer Schwan.

Fransch: Cygne noir.

Engelsch: Black Swan.

Latijn: Anas atrata Lth., — Plutonia Shaw.

Anser Novae Hollandiae Bonn.

Chenopis atrata Wagl.

Vaderland: Nieuw-Holland.

Kenmerken; Bek bloedrood met witten nagel en witten dwarsband nabij de punt. Pooten rood. Groote vleugel-dekveeren sterk gekruld.

Lengte: 1.30.

i-. .v

ocr page 225

193

Aanteekenincjen; In 't begin dezer eeuw werden de zwarte zwanen voor liet eerst levend in Europa door Keizerin Josephine op Malmaison ingevoerd; in 1831 ontving de Zoölogische tuin le Londen voor het eerst een paar, aldaar hebben zij jaarlijks gebroed. In 1858 schafte de Heer P. J. Polvliet te Rotterdam zich een paar zwarte zwanen aan; tot 18G1 bezat hij slechts één paar en later tot 1803 twee paren, v;m welke hij te zamen in die 5 jaren tijds 98 jongen grootbracht.

Deze sierlijke vogel laat zich gemakkelijk in gevangen staat houden en ook voortkweeken.

De zwarte zwanen worden veelvuldig in gevangen staat in vijvers bij particulieren aangetroffen en zijn volkomen aan ons klimaat gewend (geacclimatiseerd).

38. ZWAANGANS.

Cygnus Coscoroba Gray.

Duitsch: Koskoroba-Schwan.

F r a n s c h; Cygne anatoïde.

Engelse h: Coscoroba Swan.

Latijn; Anas Coscoroba Mol.

Anser caadidus Vieill., — Coscoroba Bonat.

Cygnus anatoides King., — Chionis 111., — liyper-boreus d'Orb.

Coscoroba Chionis Bnp.

Olor Coscoroba Gray.

Pseudolor Chionis 111., — Coscoroba Gray.

13

ocr page 226

194

Vaderland'. Chili, Pat agonie.

Kenmerken: Bek karmijnrood, pooten donker rozerood; houding meer op die der ganzen dan op die der zwanen gelijkende; staart in eene punt eindigende.

Kleur der veeren: Zuiver wit, groote slagpennen met zwarte punten.

Lengte: 0.80—0.85.

Aanteekening: In 't jaar 1870 werd het eerste paar Coscoroba's in den Zoölogischen tuin te Londen ingevoerd; zij blijft nog steeds tot de meer zeldzame en kostbare zwemvogels behooren, daar zij in gevangen staat tot nu toe nog niet heeft voortgeteeld. Deze soort gelijkt op het eerste gezicht zeer veel op de sneeuwgans, doch zij is onmiddellijk herkenbaar aan hare roode bek en pooten, die bij de sneeuwgans oranjegeel zijn, terwijl de staart van deze breed en rond afgesneden uitloopt en die van de zwaangans in eene punt eindigt.

ocr page 227

195

39. WEEUWTJE. Dendrocygna viduata Sw.

Hol land sc h; Witwangige Eoomeend. Duitsch: Nonnenente.

1' r a n s c h: Canard de maragnan.

Engel sch: White-faced Tree-Duck.

Latijn: Anas viduata Lin., — personata Wied. Dendronessa viduata Wagl.

Faderland; Suriname, Brazilië.

ocr page 228

196

Kenmerken: Kleine rechtopgaande gtins; bek zwart, voor den nagel van den bek met een lichten blauwgrijzen ring geteekend.

Kleur der veeren: Schedel, Wangen, Kin en Keel zuiver wit.

Achterhoofd en nek zwart.

Mantel zwartachtig bruin met lichte rosachtige randen om de veeren.

Krop en V leugeldekveeren kastanjebruin.

Borst, Buik en Rug zwart.

Flanken en Stuit grauwwit met zwarte dwarsstre-pen geteekend.

Slagpennen en Staart zwart.

Lemjte: 0.45.

Aanteekeningen: In 1835 voor het eerst in Londen uit Brazilië ingevoerd. Deze eend houdt zich zeer goed in gevangen staat, hoewel zij er nog nimmer gebroed beeft; alleen heeft zij te Berlijn eieren gelegen welke bleken onvruchtbaar te zijn. Alle boomeenden zijn zeer gevoelig voor vorst, voor welke zij moeten beschut worden.

40. ZWABTBEK-BOOMEENP. Dendrocygna arborea Swains.

Duitsch: Kubaïsche Baumente. Fransch: Canard percheur.

ocr page 229

197

E n g eIS c h : Black-billed Tree-Duck.

Latijn: Anas arborea Lin.

Dendronessa arborea Wagl.

Vaderland: Antillen.

Kenmerken: Bek en poot en zwart.

Kleur der veeren: Schedel bruin, naar achteren toe donkerbruin.

Wangen en Keel licht bruinachtig grauw.

Benedenhals vuil-wit met kleine zwarte streepjes.

Borst rossig grauw met donkere vlekken.

Flanken zwart met lange grauwe witte vlekken.

Buik en onderstaartveeren grauw wit met ronde zwarte vlekken.

Rug bruinachtig grauw met lichtere randen om de veeren.

Stuit en staart zwart.

Vleugels: elke dekveer met een klein rond zwart vlekje; slagpennen donkergrijs, aan de einden in zwart-grauw overgaande.

Lengte: 0.i5.

Aanteekening: Deze soort, in 1831 het eerst te Londen ontvangen, is sterker dan de overige boomeenden en beter tegen de winterkoude gehard dan deze; in gevangen staat teelt zij gemakkelijk voort.

ocr page 230

198

41. SECROENEEND.

Dendrocygna autumnalis Eyt.

Hollandsch; Roodbek-Boomeend, Citroeneend.

D u i t s c h ; Herbstente.

F ran scli; Canard a bec rouge, Dendroeygne a bee rouge.

Engelsch: Red-billed Tree-Duck.

Latijn; Anas autumnalis Lin.

Dendronessa autumnalis Wagl.

Vaderland: Brazilië en Suriname.

Kenmerken : Bek helder-rood met zwarten nagel aan de punt.

Po o te n rozerood met kleine zwemvliezen aan de voeten.

Kleur der veeren: Kruin en onderhals vuil roestachtig bruin, langs den nek een bruin-zwarte streep. Wangen, Keel, Voor rug en Borst grauwgrijs. Rug donker kastanjebruin, de zijden lichter dan de hals. Ruik en Zij veeren zwart.

^ leugels: schouder-dekveeren wit; kleine slagpennen wit, groote zwart.

Staart pen non zwart; de onderste dekveeren wit met zwarte vlekjes.

Lengte: 0.40.

ocr page 231

199

Aanteekeningen : In 1831 te Londen het eerst aangebracht, is zij sedert in vele diergaarden van Europa ingevoerd; zij blijft goed in 't leven, doch broedt niet in gevangen staat.

42. JAVAANSCHE BOOMEEND. Dendroeygna arcuata Bnp.

Duitsch: Indisclie Baumente.

Fransch: Canard a lunules.

Engelsch: Indian Tree-Duck.

Latijn: Anas arcuata Cuv., — Javanica Horsf, — caryophyllacea Lath.

Dendroeygna minor Bnp.

Dendronessa caryophyllacea Wagl.

Ehodonessa Reich idem.

Mareca awsuree Syk.

Vaderland: Java.

Kenmerken: Bek en Pooten zwart.

Kleur der veeren Schedel helder-bruin.

Wangen, hals en krop licht aschgrauw.

Borst en buik roodachtig bruin.

Mantel en rug zwart met goudgele randen om de veeren.

Vleugels: de kleine dekveeren kastanjebruin, de groote grauw, slagpennen grauwachtig zwart.

ocr page 232

200

Flanken vaalbruin met lichte schachtpennen.

Staart grauwzwart met roodbruine bovenste en geelachtig bruine onderdekveeren.

Lengte: 0.40.

Aanteekeningen: Deze soort is vrij zeldzaam in ge-vangen staat en wordt door den Zoologischen tuin te Londen en te Amsterdam slechts in enkele exemplaren bezeten; zij broedt niet in gevangenschap.

43. GROOTE BOOMEEND.

Dendroeygna major Jerd.

Duits c h: Madagassische Baumente.

Engelsch: Larger Tree-duek.

Vaderland: Vasteland van Indië.

Kent eek enen: Als de vorige of Javaansche boomeend, doch grooter en meer wit onder keel en kin.

Kleur der veer en: Schedel en nok donkerbruin.

Wangen, hals, krop en borst geelachtig bruin.

Rug en mantel zwart met geelbruine randen om de veeren.

Buik roestkleurig bruin.

Flanken bleek isabelkleurig met zwarte zijstrepen langs elke veer.

ocr page 233

201

leugels; kleine dekveeren roodachtig kastanjebruin, de groote zwartbruin.

Lengte-. 0.47.

Aanteekeningen: De Zoölogische tuin te Londen ontving in 1867 een paar dezer boomeenden van den Jardin d'Ac-climatation te Parijs.

44. MANILLA-EEND.

Dendrocygna vagans Eyt.

Engelsch; Whistling Teal.

Latijn: Anas badia Mull., — latirostris Bonp.

Dendrocygna Gouldii Bonp.

Faderland: Celebes, Java, Manilla.

Kenteekenen: Evenals no. 42, doch iets grooter en met witte dekveeren op den staart in plaats van geelachtig bruine.

Kleur der veeren: Schedel en nek donkerbruin.

Wangen, kin, keel en krop wit; borst met donkerbruine vlekjes.

Rug glimmend purperachtig zwart; om elke veer een bruine rand.

ocr page 234

202

Buik roestbruin, achterbuik witachtig met zwarte vlekjes bezaaid.

Flanken vuil-wit met zwarte zijstrepen.

Vleugels; kleine dekveeren kastanjebruin, slagpennen grauwzwart.

Staart: buitenste dekveeren wit met zwarte vlekken of bandjes; onderdekveeren vuil-wit.

Lengte: 0.45.

Aanteekeningen: Eene soort, die, hoewel in Neêrlandsch Indië vrij algemeen in gevangen staat gehouden, hoogst zeldzaam naar Europa wordt overgevoerd.

45. ROSSE BOOMEEND.

Dendrocygna fulva Baud.

Duitsck: Gelbe Baumente.

Engelsch: Tulvous Tree-_Duck.

Latijn: Anas fulva Gmel., — bicolor Vieill., — collaris Merr., — sinuata Licht., — virgata Gray. Dendrocygna virgata Gray.

Dendronessa fulva Wagl.

Nyroca fulva Gray.

Vaderland'. Brazilië, Californië, Mexico.

Kenteekenen: Bek grauw met zwarten nagel; poot en grauw.

ocr page 235

203

Kleur dev veeven; zwart met rossigbruine randen om de veeren.

Wangen en hals lichter, nek met een zwartbruine streep.

S c h o u d e r- en m a n t e l v e e r e n zwart met een breeden rossigen scberpgeteekenden rand voorzien.

Flanken rossig met eene breede overlangsche lichtgele streep, die met zwart omzoomd is.

Vleugels: dekveeren donker roodbruin.

Lengte: 0.45.

Aanteekeningen: In 1867 voor 't eerst te Londen ontvangen; in -1872 hebben zij er gebroed; het nest was met lange grashalmen overwelfd.

46. AUSTRALISCHE BOOMEEND. Dendrocygna Eytoni Gray.

Hollandsch: Nieuw-Hollandsche Boomeend. Duitsch; Gelbfüazige Baumente.

Engelseh: Eyton's Tree-Duck.

Latijn; Dendrocygna versicolor Hartl. Leptotarsis Eytoni Gould.

Faderland: Nieuw-Holland.

ocr page 236

204

Kenmerken-. Bek zwart mei oranjegele punt.

Pooteii oranjegeel.

Kleur der veer en: Schedel en nek donkerbruin.

Wangen, Hals en Krop geelachtig bruin.

Kin en Keel wit.

Borst roodachtig bruin met zwarte dwarsbanden.

Rug en mantel bruinachtig zwart.

Vleugels en mantel olijfkleurig bruingrijs,deveeren met lichtere randen afgezet.

Buik helder isabelkleurig.

Flanken licht isabelkleurig met zwarte zijstrepen afgezet.

Lengte: 0.45

Aanteekeningen: In 1867 ontving de Zoölogiscbe tuin te Londen 2 stuks levend uit Sydney, in i880 opnieuw een ander exemplaar. Vroeger heeft Lord Derby op Knows-ley deze zelfde soor-t mede bezeten. Zij heeft in gevangen staat nog niet gebroed.

ocr page 237

205

Uuitsch: Brandgans, Branden te, Bergente, Erdente, Erdgans, Grabente, Kraclitente, Fuchsgans, Loch-gans, Wühlgans, Krie'sente, Wühlente.

Fransch: Tadorne, Herclan (Picardie).

Engelscli: Sheldrake, Burrow Duck, Bargandes, Pirennet.

L a t ij n : Anas Tadorna Lin,, — cornuta Gm., — Damia-tiea Gm. - subterranea Scop.

Tadorna cornuta Brehm., — Belloni Steph., — familiaris Boie, — gibbera Brehm., - littoralis Brehm., - maritima Brehm., - schach ramann Brehm. Vulpanser tadorna Kaup amp; Bias.

47. BERGEEND. Tadorna vulpanser riem.

ocr page 238

200

Vaderland: Zeekusten van Noord- en 'West-Europa,

's winters op poelen en plassen. Broeit in de duinen in verlaten konijnenholen nabij de monden van de Maas en de Schelde, alsmede op onze noordelijke eilanden; op Rottum broeit zij in groote menigte, na het uitroeien der konijnen, in kunstmatig voor haar ingerichte holen.

Kenmerken: Een eenigszins opgebogen karmijnroode bek, bij het mannetje met een knobbel nabij het voorhoofd voorzien.

Pooten vleeschkleurig.

Kleur der veer en: Kop en bovenhals donkergroen tnet metallieken weerschijn.

Borst en v o o r r u g met een br eeden rossig-rooden band omgeven.

Krop, Rug, Buik en onderborst zuiver wit; in het midden van borst en buik een smalle zwarte streep.

Vleugels; Schouders zwart; kleine dekveeren wit; groote dekveeren groenachtig metalliek, een spiegel vormende; kleine slagpennen rossig-rood; groote slagpennen zwart.

Staart wit met zwarte punten.

Lengte : 0.55—0.60.

Aanteekeningen.- Deze soort, in 't buitenland zeer gezocht, behoort tot de fraaiste onzer inlandsche eenden. Zoo men ze onderaardsche gangen ter beschikking geeft willen zij nog al eens in gevangen staat eieren leggen en die uitbroeden. Gewoonlijk echter tracht men tusschen half Mei

ocr page 239

207

en half Juni in de vrije natuur gezochte eieren op te koopen, om die door gewone hoereneenden te laten uitbroeden.

48. CASARGAEEND.

Tadorna rutila Boie.

Duitsch: Rostgans, Rostente, Puchsente, Zimmtente,

Citronenente, Rotheente.

Fransch: Tadorne Casarka.

En gel sell: Ruddy Sheldrake.

Latijn: Anas easarea Lin., — rubra Gmel., — rutila Pall.

Anser casarca Vieill., — erythroceplialus Gmel. Casarca rutila Bnp.

Tadorna casarca Mae Gil.

Vulpanser rutila Keys. amp; Bias.

Vaderland: Zuid-oostelijk Europa, Levant, Egypte.

Kenmerken'. Bek en Pooten zwartachtig grauw.

Kleur der veer en: geheel helder geelachtig bruin. Kop en hals vuil-wit naar het rosse overhellende; de hals bij het mannetje boven den krop met een smallen zwarten ring geteekend.

Rug donker geelachtig bruin met fijne, zwarte gegolfde dwarsstreepjes als gewaterd.

ocr page 240

208

Vleugels: kleine of schouderdekveeren wit; groote dekveeren zwart met lichtgroenen spiegel; slagpennen zwart met groenen weerschijn.

Staart zwart.

Lengte: 0.55.

Aanteekeningen: In 1850 voor het eerst te Londen in den Zoölogischen tuia levend ontvangen. Deze is een zeer sterke vogel, die in gevangen staat zich goed schikken kan en gemakkelijk voortteelt. Gewoonlijk zijn zij zeer twistziek van aard, zoodat men ze in den regel van andere dieren moet verwijderd houden.

49. NIEUW-HOLLANDSCHE GASARGA. Tadorna Tadornoides Sclat.

Duitsch: Australische Brandgans.

Engelsch: Australian Sheldrake, Mountain Duck. Latijn; Anas tadornoides Jard. amp; Selb.

Casarca tadornoides Eyt.

Vaderland: Nieuw-Holland,

Kenmerken-. Bek en poo ten zwart, de bek een weinig opwaarts gebogen.

Kleur der veer en : Kop en Hals zwart, onder aan den

ocr page 241

209

hals niet eenen smallen witten ring voorzien, welke door ■eene veel breedere rosse gevolgd wordt, die zich over den voorrug en over den krop uitstrekt.

Rug en buik zwart, met eene groote menigte fijne, gegolide lichtbruine streepjes gewaterd.

Stuit, staart en onderbuik zwart.

Vleugels: Kleine- of schouder-dekveeren wit.

Grroote dekveeren zwart met groenen weerschijn.

Groote slagpennen zwart.

Kleine slagpennen met debinnenvlag kastanjebruinen de buitenvlag blauwachtig grijs.

Lengte: 0.55.

Aanteekeningen: In 1862 te Londen voor liet eerst ingevoerd; later werden nog meerdere exemplaren ontvangen, doch zij hebben er nimmer gebroed.

50. NIEUW-ZEELANDSCHE CASARCA.

Tadorna variegata Sclat.

Duitsch: Schwarze Puchsgans.

Fransch: Canard de Paradis.

Engelsch: Variegated Sheldrake. Paradisean Duck. Latijn: Anas variegata Gmel. — cheneros Forst. Anser variegatus Bonn.

Casarca eastanea Gray, — variegata Gray.

14

ocr page 242

210

Vaderland'. Nieuw-Zeeland.

Kenmerken: Bek en pooten zwart.

Kleur der veeren: Bij den Waard kop, hals, stuit en staart zwart met groenen weerschijn.

Rug, borst en buik zwart met fijne grauwachtig bruine lijntjes gewaterd.

Onderbuik donker kastanjebruin.

Vleugels: Kleine dek- of schouderveeren zuiver wit.

Groote dekveeren zwart met metallieken glans.

Kleine slagpennen zwart met de buitenvlag kastanjebruin.

Groote slagpennen grauwachtig zwart.

Bij de Eend: Kop en hals wit.

Rug, borst en buik donker kastanjebruin met enkele grauwe bruin-gewaterde veeren doormengd; overigens als de waard.

Lencfte: 0.60—0.65.

Aanteekeningen: In 1863 voor het eerst in Londen ingevoerd en van daar over andere diergaarden verspreid. Zij broedt gemakkelijk in gevangenschap.

ocr page 243

211

51. JAVAANSCHE CASARCA.

Tadorna scutellata Sclat.

Engelsch: White winged Sheldrake.

L a t ij n: Anas scutulata Mull.

Casarea leueoptera Blyth.

Vaderland: Java.

Kenmerken: Bek en Puoten geel.

Kleur der vee ren.- Kop, hals en kleine-of scho u de r-dekveeren wit.

Groote vle.ugel-dek veeren grijs met zwarte punten.

Kleine slagpennen mat blauwachtig-grijs, met witte buitenvlaggen.

Overige veeren chocoladebruin.

Mantel, borst en buik benevens de staart-dekveeren min of meer met witte spikkels als geschubd.

Lengte.- 0.50—55.

Aanteekeningen: In 1851 ontving de Zoölogische tuin te Londen 2 exemplaren dezer soort, doch later zijn geen andere meer ingevoerd.

ocr page 244

212

52. KAAPSCHE CASARCA.

Tadorna cana Sclat.

Hollandse li; Bergeend (bij de Kaapsche boeren.)

Duitseh: Graukopflge Puchsgans.

F ran seh: Canard a tête grise.

E n g c 1 s c h: White fronted Sheldrake.

Latijn: Anas cana G-mel., — aegyptiaca var. Lath., — montana Forst.

Casarca cana Bnp.

Vaderland: Zuid-Afrika.

Kenmerken: Zij gelijkt zeer veel op de gewone Cascarca eend (No. 48).

Kleur der veeren-. De rossige grondkleur is veel donkerder, de bruin-roode halsring bestaat bij beide seksen, bij den waard is deze ring donkerder van kleur dan bij de eend. De hals boven dezen ring benevens de kop zijn rosachtig grauw bij den waard, niet bij de eend.

Lengte.- 0.55—0.60.

Aanteekening: Het eenige vrouwelijk exemplaar dat door den Zoölogischen tuin te Londen in 4 851 op Knowsley bij Liverpool werd aangekocht, heeft mét aanverwante soorten verschillende bastaarden voortgebracht.

ocr page 245

213

53. RADJAH EEND.

Tadorna Radjah Eyt.

Engelsch: Radjah Sheldrake.

Latijn; Anas Radjah Garn., — leneomelas Garn., — Radjah Eytoni Reich., — radjah Gray.

Vaderland: Moluksche Archipel.

Kenmerken-, Bek en poot en rood; geen knobbel op den bek.

Kleur der veeren: Kop, hals, borst, buik wit.

Krop met een zwarten smallen band geteekend.

R u g, m an te 1 groenachtig zwart, naar het donker roodbruin trekkende en door kleine zwarte gegollde lijntjes als gewaterd.

Vleugels: kleine- of schouder-dekveeren wit, groote dekveeren groenachtig metalliek, aan de punten wit, die te zamen eenen witten band vormen. Groote slagpennen zwart.

Staart zwart, bovendek veeren wit, onderdekveeren wit met fijne zwarte gegolfde dwarsstreepjes gemengd.

lengte: 0.50—0.55.

Aauteekeningen: Te Antwerpen in 1886 en op Beau-Séjour nabij Tours in gevangen staat aangetroffen. Deze soort blijft nog steeds hoogst zeldzaam, hoewel zij ten zeerste verdient ingevoerd te worden.

ocr page 246

214

D u i t s c h: Bizamente, Moschusente.

F r a n s c h: Canard musqué.

E n g e 1 s c h: Musk Duck, Brasilian Duck.

Latijn; Anas moschata Lin., — merianae Shaw., — regia Molin., — bioolor Don., — purpureoviridis Schim.

Cairina sylvestris Steph.

Hyonetta moschata.

Vaderland: Brazilië, Suriname.

Kenmerken: aangezicht voor en om de oogen naakt, bloedrood van kleur; poolen vrij kort cn grauwachtig zwart.

54. MUSKUSEEND. Cairina moschata Flem.

ocr page 247

215

Kleur der vee ren: Donkergroen met metallieken weerschijn ; alleen de beide schoudervlekken zijn wit.

Lemjte: 0.70—0.80.

Aanteekeningen: Hoe algemeen ook voorkomende in tammen staat (zie Illn) zoo is deze soort evenwel in echt wilden staat vrij zeldzaam; enkele malen, als in 1851, 1881 en 1882, werd zij als zoodanig te Londen geïmporteerd. In Frankrijk is zij minder zeldzaam.

ocr page 248

216

Hollandsch: Slobbe, Slobbereend, Lepelbek, Breed-

bek, Schildeend.

]) u i t s c li; Loffelente, Breitschnabel, Spatelente, Schild-ente, Pliegenente, Mückenente, Taschenmaul, Ra-schenkopf, Scholbente, Moosente, Murente, Leppel-schnute, Seefasan.

Franse h: Souehet, Beo en cuiller, Rouget de Rivière E n g e I s c h: Shoveller.

Latijn: Anas clypeata Lin., — muscaria Lin., — Mexieana Lth., — platalea Vreill., — platyrhynchus Retz., — rubens Gmel.

Rhynehaspis brachyrliynchus Brehm., — capensis Smith., — elypeatus Leach., — maculatus Jard.,—

55. LEPELEEND. Spatula clypeata Boie.

ocr page 249

217

macrorhynehus Brehm., — platyrhynelius Brehm., — pomarinus Brehm.

Clypeata macrorhyncha., — platyrhyncha., — bra-chyrhyncha, — pomarina Brehm.

Spatula capensis Eyt.

Vaderland; Noord- en Midden-Europa. Bij ons te lande Lroedvogel, alwaar zij gewoonlijk in liet riet en in de weilanden nabij plassen en polderslooten broeit.

Kenmerken: Bek aan de punt sputelvormig verbreed, blauwzwart van kleur.

Poot en geelachtig rood.

Kleur der veeren: Kop en Hals groen met inetallieken glans.

Krop en Onderbuik wit.

Borst en Buik roodachtig bruin.

Rug groenachtig zwart.

Vleugels: kleine vleugel- ofschouderdekveerenblauwachtig grijs; groote dekveeren verlengd, smal, en wit, te zamen een witten band aan den bovenrand van de groene spiegelvlek vormende; groote slagpennen grauwzwart.

Staart: Grauwzwart met witte zijveeren.

Waarden in den ruitijd en de eenden grauwachtig bruin met zwart-bruine schubben. Vleugels als boven, doch minder helder van kleur.

Lengte: 0.45—0.50.

ocr page 250

218

Aanteekeningen: Pas gevangen zijnde wennen de lepeleenden zich niet gemakkelijk aan den gevangen staat; gewoonlijk verhongeren zij liever dan het voedsel dooide mensch haar toegeworpen aan te nemen; nadat zij zich echter gewend hebben, zijn zij gemakkelijk te houden.

ocr page 251

219

Holla ndsch: Stoereend,Rijgeend, Eeinefoegel(Fricscli) Duitsch: Wilde Bnte, Marzente Stockente, Spie-gelente Blauenente, Blauspiegel, Blumente, Gras-ente, Blasente, Hagente, Stosente, Moosente, Ratsch-ente, Schaupelente, Sturzente, Stutzente.

F r an sell: Canard sauvage.

Engelseh: quot;Wild Duck, Mallard, Greenhead.

Latijn; Anas fera Briss., — archiboschas Brehm,— subboschas Brehm., — conbosclias Brehm.

5G. WILDE EEND. Anas Boschas Lin.

ocr page 252

220

Vaderland: Noord- en Midden-Europa, Azië en Amerika. Gedurende den winter in menigte op den trek op onze groote binnenwateren, voornamelijk in de noordelijke provinciën. Zij broeden tusschen struiken in drassige gronden, doch ook wel in verlaten ekster ot'kraaiennesten. onverschillig of ilie hoog of laag in de hoornen zijn, alsmede in de toppen van knotwilgen en in akkermaals-bosschen, zooals zulks langs ile Veluwezoorn doorgaans wordt waargenomen.

Kenmerken.- Bek grauwachtig groen, p oo t en steenrood

Staart, bij den waard, aan den wortel met een paar opwaarts gekrulde veertjes voorzien.

Kleur der veeren: Bij den waard: Kop en Hals goudgroen, onder deze kleur een witte halsring.

K rop purperbruin.

Bomp grijs met fijne zwarte dwarsstreepjes.

Vleugels met zwart-blauwen spiegelvlek, welke van boven en onderen tusschen een paar witte banden is ingesloten.

Staart met boven- en onder-dekveeren zwart, staart-pennen wit.

Bij de eend: Kop, hals en romp licht-bruin; elke veer op korten afstand der randen met een zwarten zoom geteekend.

Vleugels gelijk aan die van den waard.

NB. Onze gewone wilde eend, die ook in N.-Amerika voorkomt, wordt door de natuurkundigen van dat land als eene bijzondere soort beschouwd onder den naam van

ocr page 253

221

Anas glocitans Aud., — Breweri Aud., en — Auduboni Bnp.; voorwerpen dezer soort van de Sandwich-Eilanden herkomstig, werden door G. L. Bonaparte Anas Freycinetii gedoopt.

Lengte.- 0.53—0.G0.

AanteekeningGevangen, en voornamelijk door het uitbroeden door tamme eenden van gevonden eieren, worden de wilde eenden zeer spoedig tam en verwijderen zich zelden op grooten afstand van het water, dat hun tot verblijf is aangewezen.

57. DONKERE EEND.

Anas obscura G-mel.

D u i t s c h : Dunkle Ente.

Fransch: Canard obscure.

E n g e 1 s c h : Dusky Duck, Black Duck.

Vaderland; Oostelijk Noord-Amerika.

Kenmerken: Bek groenachtig grauw. Poot en geel.

Kleur der vee ren: Donkerbruin elke veer afzonderlijk met lichtere randen omzoomd.

Wangen en hals grauwachtig bruin, met donkere lijntjes gestreept.

ocr page 254

222

13oven de oogen een lichtere streep.

Spiegel der vleugels glimmend blauw, met violetten weerschijn en van boven en van onderen door een zwarten rand begrensd.

Lengte.- 0.55—0.60.

Aanteekeningen; In 1850 le Londen ingevoerd, heeft deze soort aldaar meermalen gebroed ; zij verlangt ruim water.

58. KOPERWIEK-EEND.

Anas speeularis King.

Engelsch; White-marked Duck.

L a t ij n : Anas ehaleoptera Kittliz.

Vaderland: Zuid-Chili, Patagonië.

Kenteekenen: Bek groenachtig zwart; poot en geel.

Kleur der veer en: Kop en hals zwart, met eene groote helder witte vlek op de wangen en onder de kin, die aldaar een halven halsband vormt.

Achter nek grauwbruin.

Romp: van boven grauwzwart met metallieken weerschijn en rosse randen om elke veer van onderen veel donkerder en meer naar het rossige trekkende, met roodbruine dwarsstrepen over de borst.

ocr page 255

223

Vleugels: kleinedekveeren wit, spiegelvlak schitterend koperkleurig met een flmveelzwarten witgeranden band begrensd.

Lengte.- 0.55.

Aanteekening; Van deze nieuwe soort, in 1876 voor het eerst beschreven, ontving de Zoölogische tuin te Londen in Mei 1881 een levend exemplaar, waarschijnlijk het eenigste, dat tot nu toe in Europa is ontvangen.

59. AUSTRALISCHE EEND.

Anas superciliosa Gmel.

Duitsch; Australische Wilden te.

Fransch: Canard a soureils blanes.

Engelsch; Australian Wild Duck.

Latijn; Anas leucophrys Forst., — Mulleri Bnp., — Santwichensis Bnp.

Vaderland: Indische Archipel en Australië.

Kenmerken: Bek blauwachtig grijs met zwarten nagel aan de punt; poot en geelachtig bruin met bruine zwemvliezen.

Kleuren der veer en: Romp, grauwachtig bruin met lichtere randen om de veeren.

ocr page 256

224

Wangen, keel en eene streep als eene wenkbrauw boven de oogen vuil wit van kleur; eene donkerbruine streep loopt van af den bek dwars over de oogen heen.

Vleugels met glimmenden, groenen spiegel, welke van boven en van onderen met een zwarten band begrensd is.

Lengte-. 0,55—0,00.

Janteekeningen: In den Zoölogischen tuin te Londen m I8G0 voor het eerst ingevoerd. Zij is eene vrij sterke vogel die de gevangenschap zeer goed verdraagt, zich er m op haar gemak gevoelt en gemakkelijk voorteelt, /ij zwemt graag en houdt zich veel in 't water op.

GO. GEELBEK EEND.

Anas xanthorhyncha Forst.

Duitsch: Gelbschnabelente.

F ranseh: Canard a bec jaune.

Engelsch; Yellow-billed Duck, Guilbac.

Latijn; Anas flavirostris Smith, — Rüppellii BI.

Vaderland; Zuid-Afrika.

Kenmerken: Bek hooggeel met zwart aan do punt en boven de neusgaten.

Pooten rood.

ocr page 257

225

Kleuren der veeren: Romp grauwbruin met lichtere randen om de veeren.

Kop en hals bij den waard zwartgrauw, bij de eend veel lichter van kleur.

Vleugels: groote dekveeren in 't midden wit, aan 't eind met zwarte punten; spiegelvlek schitterend groen in een zwarten band en wit randje eindigende.

Lengte: 0.50—0.55.

Aanteekeningen: In 1851 door den Zoölogischen tuin te Londen bij Lord Derby op Knowsley aangekocht.

In de laatste jaren is deze soort meer algemeen geworden, zoodat men ze meermalen bij liefhebbers aantreft. In ge\ angenschup teelt zij gemakkelijk voort en is tegen ons klimaat goed bestand; in 1809 werd het eerste paar in Nederland ingevoerd door den Heer P. Polvliet te Rotterdam en voor 250 francs te Antwerpen aangekocht.

61. VLEKBEK-EEND.

Anas poeeilorhyncha G-mel.

Duitsch: Buntselinabelente.

Fransch: Canard a bec taeheté.

Engelsch: epotted-bllled Duck.

Fiaderland: Engelsch-Indië.

15

ocr page 258

■220

Kenmerken: Bek zwart met gelen dwarsband nabij de punt en een heldergele vlek aan weerszijden bij bet begin van den bovensnavel.

Poot en geelachtig rood.

Kleuren der veeren: Kop en hals grauwachtig grijs, kruin donkerder van kleur, over de oogen een lange bruine dwarsstreep.

Borst grauwachtig grijs met donkerder vlekken.

Buik als de borst doch donkerder van kleur.

Bug grauwachtig zwart met grauwbruine randen om

elke veer.

Vleugels: Grootste dekveeren grauwachtig zwait met den rand van de buiteuvlag wit. Grootc slagpennen grauwzwart.

quot; Spiegel metalliek grauw, met een zwarten band van boven

en van onderen begrensd.

Kleine slagpennen grauw met witten en zwarten ban

nabij de punt.

Staart grauwachtig zwart.

Lemjte: 0.50—0.55.

Aanteekenimy. Bij de eend ontbreekt de gele vlek aan den

bek. In 1851 op Knowsley Gardens aangekocht door den Zoölogischen tuin te Londen; in 1868 bekwam dezelfde inrichting verscheidene mannelijke en in 1875 verscheidene vrouwelijke exemplaren direct uit Indië, die er later vele

malen gebroed hebben.

In de laatste jaren is deze soort evenals de vorige meei

algemeen verspreid.

ocr page 259

227

C2. ROSEKOP-EEND.

Anas caryop hyllaeea Lth.

Duitsch: Rosenkopfente.

f' ransch: Canard a tête rose.

Enge 1 sch : Pink-headed Duck.

Latijn: Anas erythrocephala Bonn., — Javanica Horsf., — Rhodonessa caryophyllacea Reich.

Vadei'land: Bengalen.

Kenmerken: Bek vleeschkleurig, nabij den kop hetdon-kerst, aan de punt loodgrijs.

Poolen zwartgrauw, rood doorschijnend.

Kleuren der veeren: Kop en hals tot aan den krop fraai hvacintlikleuriet.

« O

Romp donker chocoladebruin met talrijke, zeer lijne, lichtbruine, gegolfde dwarsstreepjes geteekend.

Vleugels; bovenvleugelrand witachtig; groote slagpennen gedeeltelijk met rosachtige tint, middelste slagpennen rosachtig wit, de kleine zwartachtig met lichten groenen weerschijn.

Groote vleugeldekveeren evenals de kleine slagpennen.

Lengte: iets minder dan die der wilde eenden.

Janteekeningen: in 1874 werd het eerste paar dezer soort in den Zoölogischen tuin te Londen ontvangen, dat er echter niet lang geleefd heeft.

ocr page 260

228

63. MELLERS-EEND.

Anas Melleri Sclat.

Engelsch: Meller's Goose

Latijn: Anasxanthorhyncha E. Neut., — Morelu Grandid., muscarinus Vinson.

Faderland: Madagascar.

Kenmerken: Bek zwart; poot en geelachtig rood.

Kleur der veeren : Kop bruin met zwarte overlangsche

streepjes geteekend.

[V u g zwart met bruine randen om de veeren.

Borst en buik bruin met eeue zwarte centraal-vlek

op elke veer.

Vleugels; bruinachtig zwart met de groote slagpennen lichtbruin gezoomd; kleine slagpennen goudachtig groen, welke kleur door twee zwarte bandjes van boven en v an ondereren begrensd wordt; verder eindigt elke pen in een

helder-witte punt.

Staart evenals de rug gekleurd.

Lengte: 0.22.

Aanteekeningen: Deze soort, in 1864 ontdekt en beschreven, is eerst sedert een paar jaren in Europa levend ingevoerd en behoort alzoo tot de meer zeldzame soorten.

ocr page 261

229

Hollandsch: Tluiteend, Halve eend; Smink (Gron.);

Smunt (Frieseh).

D u i t s C h : Pfeifente, Mittelente, Blassente, Speekente

Schmünte, Pipane, Pipente, Seeelster, Weiszstirn. F r a ii s c h: Canard siflaeur.

Engelsch: Wigeon, Whewer, Whim.

L a t ij n: Anas Penelope Lin., — Kagolka Gm., — mela-nura Gm., — flstularis Briss.

Vaderland: Noord-Europa; 's winters op den trek somtijds in overgroote menigte bij ons te lande, alwaar ook enkele overwinteren en in 't voorjaar broeden.

64. SMIENT. Mareca Penelope.

ocr page 262

230

Kenmerken-. Bek blauwachtig grauw met zwarte punt en onderbek.

Poot en grijsachtig blauw.

Kleur der vee reu .■ Kop en hals grootendeels roodbruin, voorhoofd en kruiu licht okerkleurig

Krop vaal purperbruin.

Borst, buik en kleine vleugeldekveeren wit.

Bug en flanken grijsachtig wit, door zwarte streepjes als gewaterd.

Vleugels: Spiegelvlak bij den waard donkergroen, van boven en van onderen zwart gezoomd.

NB. I3e eenden en jonge waarden hebben den rug donkerbruin met rosse randen om de veeren, bovendien op den nek en de schouders eenige dwarse vlekken; krop en zijden 'van den romp roestbruin met vale roestgele

randen om de veeren.

Spiegel vlek der vleugels bruinzwart met zwarte zoomen langs den boven- en den onderrand.

Lengte; 0.50.

AanteekeniiKjen; Onder onze inlandsch wilde eenden is deze eene der soorten die liet meest in gevangen staat voorkomt; zij is een sterke vogel en enkele malen geneigd in gevangenschap voort te teelen.

ocr page 263

231

05. AMERIKAANSCHE SMIKXT.

Mareca Americana Steph.

Fransch: Canard de la Louisiane, — de Jensen, Marèque Amérieaine.

Engelseh: American Wigeon, Baldpate.

Latijn: Anas Americana Gmel., — icariotis Licht.

Vaderland ■. Noord-Amerika.

Kleur der vceren: Kopen Jjovennek witaclitig met donkere vlekken geteekend, tlio echter op voorhoofd en kruin ontbreken; over den kop aan weerszijden, van het oog tot aan den schedel, eene donkere metalliek groene streep.

Krop en rug grauwachtig wit, met kleine zwarte streepjes als gewaterd.

Vleugels; schoudervlek wit, splegelvlek metalliek groen met een fluweelzwarten band.

Lengte 0.50—0.53.

Aanleekening: Eene soort, die men slechts zelden in gevangen staat aantreft.

ocr page 264

232

66. CHILISCHE SMIENT.

Mareca Chiloënsis Eyt.

Duitscli; Chilische Pfeifente.

Franseh: Canard siffleur du Chili.

Engelsch: Chiloë Wigeon.

Latijn: Anas Chiloënsis King, — parvirostris Merr., — sibilatrix Pöpp.

Vaderland: Chili, Patagonië.

Kenmerken: Bek en poot en grauwzwart.

Kleur der veer en: Kop: achterhoofd en nek metalliek purperachtig groen; voorhoofd, wangen en keel wit.

Hals zwartachtig bruin.

Krop met witte en zwarte dwarsbandjes get eekend. Borst en Ij nik wit.

Flanken rosachtig geel.

Hug- en mantelveeren zwart met witte randen. Vleugels bruin met de kleine dekveeren wit, de middelste (spiegelvlek) lluweelzwart en wit aan de basis, slagpennen zwart.

Staart zwart met witte dekveeren.

Lengte: 0.50.

AanteehenuKj: In 1870 het eerst te Londen ingevoerd; van daar is zij in meer andere diergaarden verspreid geraakt. Zij broedt gemakkelijk in gevangen staat.

ocr page 265

233

67. AUSTRALISCIJE SMIENT.

Mareca punctulata Gray.

Duitsch: Kastaniënente.

Fransch; Canard maron.

Engelsch: Chestnut breasted Dnck.

Latijn: Anas punctata Cuv.

Mareca castanea Eyt.

Vaderland: Nieuw-Holland.

Kenmerken: Bek en poot en loodgrauw.

Kleur der veer en: Kop eu voorhelft van den hals zwart met groenen metaalglans.

Mantel- en schouderveeren zwart met smalle rosse randen.

Krop, borst en buik kastanjebruin met groote zwarte vlekken op de flanken.

Stuit aan weerszijden met een groote witte vlek ge-teekend.

Vleugels: buitenste groote dekveeren wit, de overige vaal donkerbruin; kleine slagpennen zwart, sommige nabij den rug met groenen weerschijn.

Staart met zwarte dekveeren.

Lengte: een weinig grooter dan de zomertaling.

Aanteekeningen: In 1865 het eerst in Europa ingevoerd, werd zij later nog enkele malen overgebracht; zij blijft steeds zeldzaam en heeft nog niet in gevangen staat gebroed.

ocr page 266

234

Holla ndsch: B-oepereend, Krust, Kreest, Halve eendvogel.

Duitsch: Schnatterente, Locker, Schnarrente, Lar-menente, Mittelente, Nesselente, Seherrentlin, Weisz-spiegel.

Fransch: Chipeau, Bruyant, Eidenne.

Engelsch; Gadwall, Gray Duck, Hodge.

Latijn: Anas strepera Lin., — Alexandrina Gmel.,— cinerea Gmel., — Kekusckha Gmel., — subulata Gmel., — platyrhynchus Bay., — sausari Forsk.

ü8. KHAKEEND. Caulelasmus strepera Gray.

ocr page 267

235

Chaulelasmus Americanus Bnp., — Capensis Bnp., — cinereus, Brehm.

Chauliodus strepera Eyt. Ctenorhynchus strepera Agass.

Vaderland; Noord- en Midden-Europa, Azië, Amerika

Op den trek bezoekt zij in kleinen getale ons land, overwintert er somtijds, terwijl enkele paren er lilijven broeden.

Kenleekenen: Bek zwartachtig grauw, bij de eenden vuilgeel langs de randen; pooten oranjerood met zwarte zwemvliezen.

Kleur der voeren:- Kop (schedel) grauwzwart, wangen en hals licht grauwachtig bruin, met donkere stippen.

Rug, mantel, krop en flanken grauw met zwarte dwarslijntjes geteekend.

Borst en buik wit.

Vleugels met de kleine dekveeren donker roodbruin, de groote dekveeren zwartachtig; witte spiegelvlek.

Staart grauwachtig wit, met de boven- en onderdek-veeren zwart.

Lengte: 0.55—0.G0.

Aanteekeningen: Do eenden alsook de jonge waarden gelijken veel op de gewone wilde eend, maar zijn steeds kleiner en hebben een witte, geen groene spiegelvlek.

De Krakeend wordt in gevangen staat spoedig even mak als de gewone wilde eend; sommige zelfs gaan in dien staat tot broeden over.

ocr page 268

'236

Hollaiidsch: Langhals (te Amsterdam.)

Duitsch: Spieszente, Spitzente, Pfeilschwanz, Pijl-stertz, Pfeifente, Lerchenente, Fasanente, Nadel-schwanz, Schwalmente, Schwalbenente, Schnepfente, Mittelente, Pihw'ane.

F r a li s c li: Pilet, Pennard, Canard faisan, Paisan de mer, Coq de mer, Canard a longue queue.

Engelsch: Pintail, Sprigtail, Cracker.

Latijn: Anas acuta Lin., — caudacuta Ray., — eau-data Brehm., — longicauda Briss., — alandica

09. PIJLSTAART-EEND. Dafila acuta Leach.

ocr page 269

Sparm,, — Sparmanni Lath., — Dafila Americana Bnp., — eaudacuta Steph., — longicauda Brehm. Phasianurus acutus Wagl.

Quei'quedula eaudacuta Maclj.

Trachelonetta acuta Kaup.

\aderland: Noord- en Midden-Europa, Azië en Amerika.

's Winters op den trek, evenals de Smient: somtijds in overgroote menigte op de Wadden en op groote veen-plassen. Enkele broeden hier te lande.

Kenmerken'. Bek blauwachtig grauw; poot en zwartachtig grauw; de middelste staartpennen in eene punt verlengd.

Kleur der veer en: Kop, keel en nek donker kastanjebruin met purperen glans.

Krop, zijden van den hals benevens de buik wit.

R u g, m a n te 1 en 11 a n k e n paarlgrauw met kleine zwarte gegolfde lijntjes gewaterd.

De grootste dek veer en langs den rug zeer lang en spits, over de schachten zwart, langs de randen wit gezoomd.

Kleine dek veer en over de schouders muisvaal, van achteren met rossen rand.

Slagpennen: de groote donkergrauw, langs de randen iets helderder; de kleine grauw met de buitenvlag metal-liekgroen met purperen weerschijn en een zwarten dwars-band vóór de witte uiteinden, waardoor de spiegel zich groen met zwarten en witten band van achteren vertoont.

ocr page 270

238

Staart wit met zwarte dekveeren en twee zeer lange, spitse, zwarte middelste veeren, die ver over de eigenlijke staart uitsteken.

Lengte: 0.65.

Aanteekeninyen: Wordt dikwerf in gevangen staat gezien, daar het eene fraaie vogel is, die volkomen goed in ge-vangen sUuil leeft en zelfs hier en daar gebroed heeft.

70. cmuscHfc; pijlstaart.

Dafila spinicauda Bnp.

D u i t S c h : Spitzschwanzente.

F r a n s c h: Pilet du Chili.

E n g e 1 s c h; Chilian Pintail.

L a t ij n : Anas spinicauda, Vieill., — eaudaeuta Burm.,

— oxyura Mey.

Dafila Urophasianus Selat.

Erismatura spinicauda Gray.

Vaderland: Chili.

Kenmerken: IVe k zwart nabij den wortel, aan beide zijden geel.

Poot en loodkleurig.

Kleur der veeren : Schedel donker roodbruin met zwarte vlekjes.

ocr page 271

289

Krop vuil-wit met enkele verspreide zwarte puntjes.

Borst en flanken met zwarte grauwbruin gerande veeren.

Buik wit, van onderen lichtbruin gewolkt.

Rug bruin met het midden der veeren zwartachtig.

Vleugels aan de buitenzijde bruin; spiegelvlek zwart met metallieken glans, van boven en van onderen door een vaalwitten band ingesloten.

Lengte: 0.50.

Aanteekeniiuj: In 1851 werd een wijlje dezer soort op Knowsley bij Liverpool verkocht. Sedert werd deze soort niet meer ingevoerd dan na 1870, toen er 8 stuks te Londen werden ontvangen, die er verscheidene malen gebroed hebben. Van deze stammen alle exemplaren af, die men thans in diergaarden hier en daar aantreft.

71. 1 lOODBEK-PIJ LST A AU T.

Dafila erythrorhyncha Har tl.

Duitsch: Rothsehnabelente.

Fransch; Canard a bee rouge.

E n g e 1 s c h; Red-billed Duck.

I.atij n ; Anas erythrorhyncha Gm., — pyrrhorhyneha Forst.

Poecilonetta erythrorhyncha Eyt.

Querquedula erythrorhyncha Bnp.

ocr page 272

240

Vaderland: Zuid-Afrika.

Kenmerken: Bek helderrood. Poot en grauw.

Kleur der veer en: als bij de volgende soort of Bahama-eend, doeli in 't algemeen bleeker van kleur ; alleen de wangen en keel zijn wit; kleine slagpennen rossig wit metsmallen zwarten groen glimmendendwarsband (spiegel).

Lengte: 0.50—0.55.

Aanteekening: In 1851 kocht de Zoölogische tuin te Londen 5 stuks dezer soort op de veiling der menagerie van den Graaf van Derby op Knowsley bij Liverpool. Deze hebben er enkele malen gebroeid, doch hebben geen afstammelingen nagelaten.

72. B AHA MA-EEND.

Dafila Bahamensis Hartl.

D u i ts C h: Bahamaente.

F ra n s c h : Canard de Bahama.

Engelsch; Bahama Duck.

Latijn; Anas Bahamensis Lin., — flmbriata Merr.,— ilathera Bonn., — rubrirostris Vieill., — urophasi-anus Vig.

Dafila TJrophasianus Eyt.

Phasianurus Vigorsii Wagl.

ocr page 273

241

Poeeilonetta Bahamensis Eyt.

Vaderland: Suriname, Brazilië, Westindisehe Eilanden.

Kenmerken: Igt; c k zwart, nabij liet voorhoofd uan weerszijden lot onder de neusgaten eene bloedroode vlek.

Pooten zwart.

Kleur der vee reu : Kop, schedel, nek, rug, horst ■en buik grauwachtig bruin, elke veer in 't midden grauwachtig zwart, waardoor die deelen gevlekt schijnen.

Wangen, kin en keel wit.

\ leugels zwartachtig bruin inet groenen spiegel van hoven en onder inet een lichtbruinen hand afgezet.

Staart effen lichtbruin.

Lengte: ü.50.

Aanteekenincjen: Door den Zoölogischeu tuin te Londen in 1851 op Knowsley aangekocht. Zij teell gemakkelijk voort en is tegenwoordig algemeen verspreid.

Omstreeks 1860 werden deze eendjes het eerst op het vasteland van Europa ingevoerd en kort daarna door den floer P. Polvliet door ruil verkregen, van welke hij het li- jaar 4 jongen bekwam, bet volgende jaar 17 en later lot zelfs 60 stuks per jaar.

rn

ocr page 274

242

73. CAR0L1NA-EEND. Aix Sponsa Boie.

J3ii itsc li: Brautente, Waldente, Sommer-, Plumente. F ra n sc h: Canard Carolin, — de la Caroline. K n gel sell: Wood Duck, Summer Duck.

Latijn; Anas Sponsa Lin., — aestiva Briss. Aix promissa Brehm.

Dendronessa Sponsa Swains.

Cosmonessa Sponsa Reich.

Lampronessa Sponsa Wagl.

ocr page 275

243

Vaderland'. Noord-Amerika,

Kenmerken: Rek rood, met zwarten zadel en nagelpunt. Een in den nek afhangende puntige kuif.

Kleur der weren: Kop zwartachtig bruin met groenen weerschijn, een witte streep van af den bek over betoog tot aan de punt der kuif, oen tweede dito streep van af het oog tot dezelfde punt.

Wangen, nek, rug en staart zwartachtig bruin.

Kin, keel en buik wit.

Krop rood kastanjebruin met langwerpig driehoekige witte vlekjes, nabij de schouders begrensd door een witten en een zwarten halve-maanvormigen band.

Zijden van den romp vuilwit met fijne dwarsstreepjes gewaterd; naar achteren toe ontspringen onder de vleugels eenige vrij lange, sikkelvormige, in 't midden witte, langs do randen zwarte veeren.

Vleugels: dekveeren met blauwgroenen weerschijn; slagpennen grauwachtig zwart.

Onderbuik nabij den staart rood kastanjebruin.

liet wijfje gelijkt veel op dat van de Waaier-eend, doch het is grooter, minder vlug en levendig; de schedel heeft een zwartachtig groenen weerschijn en het oog staat te midden van een witte vlek; de groene spiegelvlek op de vleugels is grooter dan bij de Waaier-eenden.

Lengte: 0.50.

Aanteekening: In 1830 kocht de vader van den door

ocr page 276

244

ons reeds meermalen genoemden Heer 1'. Polvliet te Rotterdam liet eerste paar dezer eendjes, voor slechts ƒ 35 het paar; sedert kweekte laatstgenoemde meer dan 100 stuks jongen per jaar.

üe broedtijd vult van hult Mei tot halt Juli.

74. WAAIER-EEND.

Aix galerie ulata Boie.

Ho 1 landsch; Mandarijn-eend.

ü uit sell: Mandarinente.

Frunsch; Canard mandarin, — a éventail, Sarcelle

de la Chine.

Engelscli: Mandarin Duck.

L a t ij n: Anas galericulata Lin., — querquedula Chinen-sis Briss.

Cosmonessa galericulatan Kaup.

Dendronessa id. Swains.

Lampronessa id. Wagl.

Fadedand: China, Japan.

Kenmerken : Bek en Poot en rood; twee groote rechtop stuande waaiervormige veeren boven den rug uitstekende.

Kleur der veeren: Schedel met breede tot ver over den nek zich uitstrekkende kuil, welke nabij het voorhoofd uit zwartgroene, daarachter uit licht kastanjebruine en

ocr page 277

eindelijk zwartachtige veeren bestaat; gezicht van af den bek over de oogen tot het achterhoofd wit.

Hals: onder de wangen tot nabij den krop zeer lange smalle roodachtig kastanjebruine losse veeren, die met de kuifveeren ineensmelten en waardoor kop on bals zich bijzonder dik vertoonen.

Krop van de helft van den bals tot het begin der Ijorst, benevens voorrug en staart donker kastanjebruin.

Borst en Buik witachtig; aan weerszijden tusscben den krop en vleugels eenige zwartgerande veeren; boven de llanken, die geelachtig bruin met lijne gegolfde dwars-lijntjes gewaterd zijn, ziet men twee witte zwartgerande dwarsbanden.

Vleugels: boven deze steken twee groote breede kaneelkleurige en waaiervormige veeren uit; slagpennen vaalzwart met lichtere buitenvlag.

Lengte: 0.50.

Het Wijfje is kleiner en levendiger in houding en beweging dan dat der Carolina-eenden; kuif iets langer en om het oog geene breede witachtige randen als bij de vorige soort, doch daarentegen alleen een gebogen smalle witte streep achter bet oog.

Lengte: 0.50.

Aanteekeniug: In 1847 werden de eerste Waaier-eenden direct uit Japan te Rotterdam aangevoerd en door den lieer Criellaakt aldaar voor 500 Gulden het paar aange-

ocr page 278

24G

kocht. De Heer Polvliet kocht later voor 300 Gulden één paar, van welke hij liet le jaar 2 jongen kweekte; het 2e broedsel van 13 stuks gelukte eveneens; in het 3e jaar verkreeg hij er 1G, in de volgende jaren kweekte hij 90—100 stuks per jaar, eens zelfs 120 stuks. De Heeren Kamphuizen te Gouda en Van Hoek te Leiden en anderen waren tusschen de jaren 1860—1875 niet minder gelukkige kweekers van Waaier- en Garolina-eenden. Gewoonlijk werden zij bij ons te lande door de diergaarden te Parijs en Antwerpen, per broedsel van een geheel jaar te gelijk, aangekocht en door die van Londen zelfs boven alle andere kweeksels voorgetrokken wegens hun Hink en krachtig voorkomen.

In 1800 kwam de Heer P. Polvliet door aankoop in 't bezit van oen paar bastaarden (Canards plombieres de la Chine) van welke hij in 2 jaren tijds 91 jongen teelde, die wegens hunne minder schitterende kleuren weinig aftrek vonden, weshalve deze teelt opgegeven is.

ocr page 279

247

Hol lands ch: Stareend; Teling, Schierteling (Priesch).

Duitsch: Knackente, Halbente, Kernell, Klafeli, Knarrente, Krieckente, Krüzele, Rothhalslein, Schaek-ente, Schnarrente, Sommerhalbente, Sommerkrieck-ente, Trasselente, Zirzente.

Fransch: Sarcelle d'été, Criquart, Criquet, Marca-nette, Racanette.

E n g e 1 s C h: Garganey Teal, Crucket Teal, Summer Teal.

Latijn: Anas Cireia Lin., — Querquedula Lin., —

75. ZOMEUTALING. Querquedula Cii-cia. Steph.

ocr page 280

248

Arabica Gm., — Balbul Porsk., — humeralis Muil. Querquedula aestiva Briss., glaucopterus Brehm., — humeralis Gray, — scapularis Brehm. Cyanopterus Cireia Eyt.

Pterocyanea Cireia Bnp., — humeralis Bnp., — querquedula Bnp.

Vaderland: Europa, Oost-Indië, Noord-Afrika. Zij broedt algemeen op plassen en groote wateren van Zuid-Holland en Noord-Brabant; enkele blijven bij ons overwinteren.

Kenmerken: Bek zwartachtig; pooten groenachtig grauw.

Kleur der veeren: Kop, schedel tot in den nek bruinzwart en van af de oogen aan weerszijden door eene witte streep begrensd.

Wangen en zijden van den hals purperbruin met fijne, witte streepjes in de lengte geteekend.

K i n enkel zwart.

Krop tot over de borst rossig geel met zwarte halvemaanvormige dwarsstrepen.

Huik wit, flanken en onderbuik met fijne, dwarse grauwe streepjes als gewaterd.

Hug grauwachtig bruin, met lichtere randen om de veeren.

Vleugels; de achterste schouderdekvederen zijn zeis-vormig verlengd en zwart met grijze randen en witte schachten. Schouderveeren licht blauwachtig grijs. Spiegelvlak zwart met blauwachtigen weerschijn, van voren en achteren met een witten rand begrensd.

ocr page 281

Staart; grauwachtig bruin, onderdekveeren wit, met ronde, donkere vlekjes geteekend.

Lengte: 0.35—0.40.

Aauteekeningen: In gevangen staat worden zij zeer spoedig mak, doch gaan niet gemakkelijk tot broeden over, tenzij zij ruime en rustige vijvers met door riet en biezen dicht begroeide boorden ter beschikking hebben.

70. WINTERTALING.

Querquedula Creeca Steph.

IIo 11 a ndsc h: Schijftaling, Fransche taling; Kriekje, Piepteling (Friesch).

Duitsch: Krickente; Kricke, Krugente, Krugelente, Franzente, Sehapsente, Kleine Spiegelente, Kreutz-ente, Sehmielente, Murentlein. Sorentlein, Wachtel-entclien, Gi'anentchen, Drossel, Trösel, Trasselente.

Fransch; Sarcelle d'hiver, Petite sarcelle, Sarcel-line, Arcanette, Halbran, Garsotte, Garganey.

Engelsch: Common Teal.

Latijn: Anas Creeca Lin., — Novae Hispaniae Gmel., — hina Gmel., — rnbens Less., —- glocitans Flem. Querquedula minor Briss., —- Mexioana Briss,, —-creccoides Brehm, — subcreeea Brehm. Pteroeyanea Creeca Gray, — Mexieana Gray. Nettion Crecca Kaup.

ocr page 282

250

Vaderland: Europa, Azië,Noord-Afrika, Noord-Amerika.

Komt in 't voor- en najaar in grooten getale op den trek in ons land; sommige zwerven gedurende den winter rond. Zij nestelen in kleinen getale in 't hooge gras, riet en biezen langs de kanten van plassen, vaarten enz.; enkele paren broeden ook op lage gronden inet elzen en wilgen begroeid.

Kenmerken-, de kleinste onzer inlandsclie eendsoorten.

Bok zwart. Poot en grauw.

Kleur der veereu : Kop en de bovenhelft van den hals donker kaneelkleurig bruin met een goudgroene streep, die om de oogen breed beginnende zich in een punt tot op de helft van den nek uitstrekt; deze groene streep wordt door eenen smallen witten rand omlijst,die tevens van .af de oogen langs den bok tot aan de kin zich uitstrekt.

Krop wit met kleine zwartbruine niervormigevlekken.

Borst en Buik witachtig.

Bug, Mantel en Flanken wit met zwartachtige gegolfde lijntjes als gewaterd.

Vleugels: Schouders grijs, spiegelvlek metalliek groen, van voren wit van onderen zwart gezoomd. Boven de groene spiegelvlek ziet men enkele verlengde witte veeren.

Staart vaalbruin met de onderdekveeren wit door een zwarten dwarsband van den buik gescheiden.

Lengte: 0.32—0.37.

Aanteekening: Evenals de zomertaling laat ook deze

ocr page 283

251

zich gemakkelijk tam maken en broedt onder gunstigè omstandigheden van hegin Juni tot half Juli.

77. NOORDAMERIKAANSCHE TALING.

Querquedula diseors Steph.

F ranselt: Soucrourou, Sarcelle de Cayenne.

Engelsch: Blue Winged Teal.

Latijn: Anas diseors Lin.

Querquedula Americana Briss., — Virginiana Briss., — inornata Gosse.

Cyanoptera diseors Eyt.

Pterocyanea diseors Bnp.

Vaderland: Noórd-Amerika.

Kenmerken: J!ek zwart. Poo ten geelachtig rood.

Kleur der veeren: Kop en nek zwart met eenehreede lialve-maanvormige witte vlek aan weerszijden over de wangen en voor de oogen; de zijden van den schedel met purperen weerschijn. Homp rossig bruin met zwarte vlekken als dicht bezaaid.

Vleugel: Kleine of schouderdekveeren ellen grijsachtig blauw, laatste rij der middelste dekveeren lancet-vormig met vuilwitte strepen over de lengteas van elke veer.

Spiegelvlek bronsachtig groen.

ocr page 284

252

Lengte : 0.38—42.

Aanteekenincj: Eene suorl die slechts enkele malen in gevangen staat te Parijs geleefd heeft; in Londen en bij ons te lande kwam zij nog niet levend voor.

78. BRAZILIAANSCHE TALING. Querquedula Brasiliensis Bnp.

Duitsch; Brasilianisehe Krickente.

F ransch; Sarcelle du Brésil.

Engelsch: Brazilian Teal.

Latijn: Anas Brasiliensis Gmel.; — Ipecutiri Vieill. — notata 111., — Paturi Spix.

Mareea Brasiliensis Gray.

Querquedula erythrorhyncha Eyt. — Ipecutiri, Gray. Nettion Brasiliensis Kaup.

Vaderland: Brazilië.

Kenmerken-. Bek en Pooten geelachtig rood; bek bij de eend bruinachtig.

Kleur der veeren'. Kop rosachtig bruin; nek zwartachtig bruin; zijden van den hals grauwachtig bruin. 11 ug rosachtig bruin met lichtere randen omdeveeren. Borst iets rossiger van tint dan de rug, met kleine zwarte vlekjes.

ocr page 285

Buik grauwachtig bruin.

Flanken met zwarte vlekken op de draagveeren.

Vleugels: schouders lluweelzwart. Groote slagpennen zwart met goudgroene buitenvlag. Kleine slagpennen met groote witte punten. Spiegelvlek goutlgroen, aan den achterrand met een zwarten dwarsband.

Staart lluweelzwart.

Leiiiile; 0.35—0.40.

Aanteekening : In 1804 voor't eerst in Londen ingevoerd. Later meermalen aangebracht zijnde heeft deze soort hier en daar in gevangen staat gebroed.

79. (JHILISCIIE TALING.

Querquedula flavirostris Burm.

Duitsch: Chilenische Krickcnte.

Fransch: Canard a beo jaune et noir.

Engelse li: Chilian Teal.

Latijn: Anas flavirostris Vieill., — Azarae Merr., — creecoides King., — georgica GmeL, — oxyptera May., — Xanthorhyncha Forst., — Nettion flavirostris Kaup.

Querquedula angustirostris Phil. amp; Landsb., — creecoides Eyt., — gloeitans Eyt., — oxyptera Tsch.

ocr page 286

Vaderland'. Chili.

Kenmerken: Bek citroengeel, langs de bovenzijde en aan de punt zwartachtig. Pooten groenachtig zwart.

Kleur der ceeren: Kop en Hals met talrijke donkerbruine dwarsstreepjes op licht grauwbruinen ondergrond.

Krop, Borst en Buik doorzaaid niet niervormige bruinzwarte vlekken op rossig witten ondergrond.

Bugvee ren met bruinzwarte middenvlek en lichtbruine randen.

Vleugels met de middelste slagpennen zwart, aan de punt wit of rosachtig; enkele der achterste met de bui-tenvlag goudgroen, eene dito spiegelvlek vormende.

Lengte: 0.35—0.40.

Aanteekenuifj: Sedert 1871 enkele malen in Londen ingevoerd; doch zij heeft er nog niet gebroed.

80. CHINEESCHE TALING. Qnerquedula falcata Gr.

Duitsch: Siehelente.

Fransch: Sareelle a faiicilles, — de Java.

E n g e 1 s c h: Falcated Teal.

Latijn: Anas falcata Gm., — falcaria Lath,, — drepa-

ocr page 287

nopteros Meiss., — Javana Bodd., — Javanensis Bonn., — multicolor Scop.

Eunetta falcata Bonp.

Querqiiedula Javanensis Bonp., —multicolor Swinh.

Vaderland: China.

Kenmerken: J5ok zwart, met cone kleine witte vlek nabij het voorhoofd. Pooten blauwachtig zwart.

Kleur der voeren De schouderdekveeren zijn bijzonder sterk sikkelvormig verlengd; het achterhoofd en de nek zijn met eene kleine kuif versierd.

Kop bruin met goudgroenen weerschijn.

Hals wit met goudgroenen dwarsband.

Romp zwart met witte gegolfde streepjes.

De sikkelvormige schouderveeren tot aan de punt der staart reikende zijn zwart, in het midden over de lengteas wit gestreept.

Staart met zwarte boven en onder dekveeren; de zijdelingsche staartpennen isabelkleurig.

Vleugels grauw met zwarte spiegelvlek.

Lengte: 0.60.

Aanleekening : In 18G4 werden 3 paren dezer soort te Londen ingevoerd, die er echter niet gebroed hebben.

ocr page 288

250

81. JAPANSGHE TALING.

Querquedula Formosa Steph.

Duitscli; Gluckente, Japanische Krickente.

F ranseli: Canard Formose.

Engelscli: Japanese Teal.

Latijn: Anas Formosa Geo., — baikal Bonp., — bima-culata Penn., — glocitans Pall., — picta Ell., — torquata Pall.

Eunetta bimaculata Bonp., -- Formosa Bonp.

Vaderland: Japan.

Kenmerken : Bek en Poolen zwart met smalle, zwart en roodbruin gestreepte, voeren over den rug.

Kleur der veeren: Schedel zwartachtig bruin, met geelachtig bruin fijn gespikkeld. Van af den schedel, aan weerszijden van den nek, loopt eene sikkelvormige metaal-groene vlek van onderen door een witten halsring begrensd.

Wangen en Keel geelachtig bruin.

Kin zwart met eene dito streep van af het oog tot de punt der zwarte kinvlek.

Borst purperachtig grauwbruin met kleine zwarte vlekjes, van boven naar onderen op rijen geplaatst.

Buik wit; flanken donker zilvergrijs; achterbuik onder bij den staart zwart, meer naar den rug toe door eene witte streep afgezet.

P.ug donker bruinachtig grauw.

ocr page 289

257

Vleugels: schouder, dekveeren zeer lang en spits met de buitenvlag met een zwart- en roodbruine streep over hare gansche lengte. Over den schouder loopt eene witte dwarse streep. Spiegelvlek groenachtig zwart met een zwarten en witten rand al'gezet.

Lenrjte: 0.40.

Aanteekening: Deze soort werd reeds sedert eenige jaren uit Japan in Europa ingevoerd, alwaar zij gemakkelijk voortteelt. In •1871 kocht de Heer Pol vliet te Antwerpen 3 paren a 440 francs (II. 200) per paar, waarvan hij verscheiden jongen gekweekt heeft.

82. AUSTRALISCHE TALING.

Querquedula gibberifrons Buil.

Duitsch: Weiszkehlige Ente.

Franseh: Sarcelle d'Australië,

Engelsch: Slender Duck, Müller's Duck.

Latijn: Anas gibberifrons Miill., — gracilis Bull., — muta Müll.

Mareca albigularis Hum.

Nettion gibberifrons Kaup.

Vaderland'. Moluksche Archipel.

Kenmerken: Bek en Pooten donker hoornkleurig,

17

ocr page 290

258

voorste gedeelte der onderkaak geelachtig; voorhoofd gewelfd.

Kleur der veeven: Kop en Hals met zwarte streepjes en vlekken op lichten ondergrond.

Kin en Keel helderwit.

Borst en Buik donkerbruin met breede lichte randen om elke veer.

Rug als boven, doch met smalle lichte randen.

Vleugels: groote dekveeren bruin aan 'tbegin,verder geheel wit; kleine slagpennen zwart met witte of rosse uiteinden; spiegelvlek zwart met groenen metaalglans, van boven door een breeden, van onderen door een zeer smallen witten band begrensd.

Lengte: 0.40—0.45.

Aanteekeningen: In 1879 werden te Londen 18 stuks ingevoerd, van welke één paar er 3 jaren later gebroed heeft. Deze soort blijft nog steeds tot de meer zeldzame behooren.

ocr page 291

259

Holladdsch: Kamduiker, Kareend; Jolling(Friesch). D u i t s ch : Reiherente, Haubenente, Mohrente, Toppe, Beigerente, Zopfente, Schopfente, Kuppenente, Schwarzkopf, Schliefente, Strauszente, Strauszmohr, Sohupsente.

Fransch; Morillon, Jacobin.

En gel sell. Tufted Duck.

Latijn: Anas cristata Lin., — Fuligula Lin., — co-lymbus Pall., — scandiaca Gmel., — arctica Leach, — notata Bodd., — latirostris Brünn., — leucotis Herm. Aythyia Fuligula Boie.

Glaucion minus Briss.

83. KUIFEEND. Fuligula cristata Steph.

ocr page 292

2G0

Fuligula patagiata Brehm.

Pulix cristata Gray.

Nettarion cristatus Baird.

Nyroca Paligula riem.

Platypus Puligula Brehm.

Vaderland: Noord-Europa en Noord-Amerika. Op den

trek in 't voor- en najaar in groote vluchten op onze groote plassen, meren enz.

Kenmerken: Bek blauwachtig grauw, aan de punt zwart. Poot en loodkleurig grijs met zwarte zwemvliezen. Kop met een over het achterhoofd hangende losse kuif. Spiegel zuiver wit.

Kleur der veeren: Kop en hals zwart met violetten weerschijn.

Krop bruinzwart met bronzen weerschijn.

Rug, staart en onderbuik zwart.

Borst en Buik zuiver wit.

Vleugels als de romp met helder witte spiegelvlek.

Het wijfje is op de bovendeelen donker grauwbruin, op de zijden lichter, op het midden van borst en buik benevens den spiegel der vleugels wit; op den kop een kleine hangende kuif.

Lengte: 0.40—0.45.

Aanteekeningen: Zij worden in den herfst en het voorjaar op de groote binnenwateren in Friesland in groote menigte

ocr page 293

261

met netten levend gevangen en meestal over Rotterdam naar Frankrijk en Engeland verzonden. In gevangen staat leven zij zeer goed. Enkele zelfs teelen in die toestand voort; zulks geschiedt alsdan gewoonlijk in de maanden Juni en Juli.

Deze soort verwekt gemakkelijk bastaarden met andere kleinere eendsoorten.

84. TOPPEREEND.

Fuligula Marila Steph.

Hollandseh: Veldduiker, Rouwbandje.

Duitseh: Bergente, Bergtauchente, Bergmoorente,

Alpenente, Asehenente, Mohrente, JVEoderente, Mu-schelente, Sehaufelente, Schimmel, Taucherpfeifente.

Fransch: Milouinan.

Engelsch: Scaup Duck, Broadbill, Bluebill, Shuffler.

Latijn: Anas Marila Lin., — frenata Sparrm., —

subterranea Scop.

Aythia Marila Bnp., — Islandica Brehm.

i!

Fuligula Gesneri Ray, — Islandica Brehm.

Fulix Marila Gray.

Nettarion Marila Baird.

Nyroca Marila Plem.

Platypus Marila Brehm, — Islandicus Brehm.

Vaderland: Noord-Europa en Noord-Amerika. In 't

ocr page 294

262

voor- en najaar in vluchten op meren en plassen bij ons te lande, doch niet zoo algemeen als de Kuifeend.

Kenmerken: evenals die der Kuifeenden (n0. 83), doch zonder kuif in den nek.

Kleur der veeren: Kop zwart met groenen metaalglans.

Hals, K r o p en Voor r u g zwart.

Rug en mantel wit met fijne gegolfde zwarte dwars-strepen.

Buik wit, onderbuik met dwarsstrepen.

Stuit en staart zwart.

Vleugels bruinachtig zwart met witten dwarsband of spiegelvlek.

Het wijfje gelijkt op dat der Kuifeenden, doch rug en schouderveeren zijn met gegolfde witte en donkerbruine streepjes als gewaterd; rondom den bek van het voorhoofd tot de kin ziet men een witten band, over de ooren eene lichte grauwbruine vlek.

Lcnrjte: 0.40—0.45.

Aanteekeningen: Zij wordt enkele malen gevangen, doch niet in zulk een groote menigte als de Kuifeenden; in gevangenschap leeft zij zeer goed, doch wil alsdan niet licht voorttelen.

ocr page 295

263

85. KLEINE TOPPEREEND.

Fuligula mariloïdes Vig.

Engelsch: Lesser Scaup Duck, American Scaup Duck, Chinese Scaup Duck.

Latijn: Fuligula affinis Eyt., — minor G-irard. — Tulix affinis Baird.

Vaderland: Noord-Amerika en Japan. Als bij toeval langs de kusten van Europa; eenmaal werd een wijfje, den 21 Dec. 1859, aan 't strand bij Katwijk geschoten.

Kenmerken-. Zeer nauwverwant aan de gewone Toppereend, doch kleiner; de kop met purperen in plaats van met groenen metaalglans; het wit der groote slagpennen bereikt niet den achterrand der kleine. De flanken zijn met talrijke fijne zigzag-lijntjes geteekend en niet wit.

Lencjte'. 0.35—0.40.

Aanteekeningen: Zeer zeldzaam in gevangen staat, daar zij gewoonlijk met de gewone Toppereend verward wordt.

86. VALINGER.

Fuligula ferina Steph.

Hollandsch: Tafeleend, Eoodkop, Roodhals-eend.

ocr page 296

264

D u i t s c h: Tafelente, Tafelmoorente, Braunkopf, Roth-

hals, Rothkopf, Rothmohr, Sumpfente, Quelje. F r a n s c h: Milouin.

Engelsch: Pochard, Redheaded Wigeon, Blue Poker, Duneur.

Latijn: Anas ferina Gmel., — rufa Lin., — intermedia Jaub., — erythrocephala Gmel., —ruficollis Scop. Aithya ferina Kaup.

Aythyia ferina Boie, — Americana Bonp., — erythrocephala Brehm.

Aristonetta ferina Baird.

Fuligula Americana Eyt., — Homeyeri Bacd. Nyroca ferina Flem., — Americana Gray.

Vaderland '. Noord- en Midden-Europa, Noord-Amerika.

In groote menigte op onze plassen en meren in September en October, en van Maart tot Mei. Zij broeit aan de oevers van groote binnenwateren tusschen riet, struiken, hoog gras enz.

Kenmerken: Bek zwart met blauwachtigen dwarsband. Poot en loodkleurig met zwarte zwemvliezen.

Kleur der veeren: Kop en bals donker kastanjebruin. Voor rug en krop zwart.

Rug, mantel, borst en buik helder aschgrauw met talrijke fijne zwarte streepjes gewaterd.

Vleugels; scbouderveeren als de rug, slagpennen zwartachtig zonder spiegehiek.

Stuit en staart zwartachtig.

ocr page 297

De wijfjes zijn ongeveer als die der Toppereenden (n0. 84), doch de kop en hals zijn lichter van kleur; het wit om den bek alsmede de witte spiegelvlek ontbreken. Borst en buik zijn bruinachtig grijs.

Lengte: 0.45.

Aanteekeningeu: De Valingers houden zich zeer goed in gevangen staat; ook zijn zij op vijvers niet zeldzaam, doch-willen er niet gemakkelijk broeden.

87. KROONEEND.

Fuligula ruflna Steph.

D u i t sC h: Kolbenente, Rothkoplente, Rothhals, Roth-kopf, Gelbschof, Brandente, Bismatente, Karminente. Fransch: Siffleur huppé, Brante roussatre. Engelsch: Red-crested Whistling Duck, Red-crested Pochard.

Latijn: Anas ruflna Pall., — erythrocephala Gmel. Aythyia ruflna Macg.

Netta ruflna Kaup.

Mergoides ruflna Eyt.

Callichen ruflna Brehm., — ruflceps Brehm.

Vaderland: Zuidoost-Europa, Zuid-Siberië. Wordt zeer zeldzaam en als het ware verdwaald bij ons gevangen; zij broedt aan de Kaspische zee en aan de oevers der Wolga tot bij Sarepta.

ocr page 298

266

Kenmerken: Bek bloedrood. Pooten steenrood; bij het wijfje vuilgeel; de zwemvliezen zijn zwart. Kop van den waard met een kuif van recht overeind staande haarfijne veeren voorzien en nek grauw.

Kleur der veeren: Kop tot op de helft van den hals fraai roodbruin; kuif meer naar het geelbruin trekkende.

Hals: het onderste gedeelte, alsook krop, buik en staart zwart.

Flanken wit.

Vleugels en mantel grijsachtig bruin met witte schoudervlek; spiegel grauwachtig wit.

Lengte: 0,55—0,60.

Aanteekeningen: Eerst sedert de laatste 15 jaren wordt deze soort in gevangen staat aangetroffen; zij weerstaat de gevangenschap zeer goed en teelt er zelfs in voort. De prijs er van is steeds vrij hoog.

88. quot;WITOOG-EEND.

Puligula Nyroea Sehl.

Duitsch: Weiszauge, Brandente, Moderente, Moor-

ente, Sumpfente, Braunkopf, Don-Eate.

Fransch: Milouin d'Afrique, Sareelle d'Egypte. E n g e 1 s c h: White-eyed Duck, African Teal.

Latijn: Anas Nyroca Guld., — Africana G-mel., —

ocr page 299

267

peregrina Gmel., — G-melini Lath., — Glaucion Pali.

nee. Lin., — leueophthalmus Tem., — ferruginea

Retz., — gattair Gmel., — lucida Gmel., — scandiaca

Gmel., — Skoora Brünn., — leucopsis Naum., —

Dussumieri Naum.

Aithyia Nyroca Boie.

Aythyia leucophthalma Brehm.

Aristonetta leucophthalma Baird.

Nyroca leucophthalma Flem., — obsoleta Brehm.,

— Afrieana Gray.

Vaderland: Noord- en Midden-Europa.

Op hare zwerftochten in 't voor- en najaar bezoeken zij, hoewel in kleinen getale, onze ruime binnenwateren.

Kenmerken: Bek loodkleurig blauw alsook de poot en, zwemvliezen zwart. Oogen helder wit. Spiegel vlek wit.

Kleur der vee ren: Kop, hals en krop roodbruin met een smallen zwarten ring onder aan den hals.

Borst en onderdekveeren van den staart wit.

Bug donker bronsachtig bruin.

Vleugels grauwachtig grijs met witte spiegelvlek; flanken zwartachtig bruin met lichtere randen om de veeren.

Al het roodbruin bij liet mannetje wordt in den winter door grauw en bij het wijfje door grauwbruin vervangen; kop en hals effen, krop, borst en flanken geschubd, nabij den wortel van den bek een smal randje van witte veeren. Bug en vleugels als bij het mannetje.

ocr page 300

268

Lencjte: 0.40.

Aanteekeningen: Hoewel zeldzamer clan de drie vorige duikereenden worden zij echter hier en daar ingevangen staat en zelfs broedende aangetroffen.

89. KAAPSCHE DUIKER.

Puligiila Capensis Schl.

Engelsch: Brown Duck.

L a t ij n: Anas Capensis Cuv.

Nyroca brunnea Byt.

Aythyia Capensis Bonp.

Vaderland: Kaap de Goede Hoop.

Kleur der veeren; Borst en Buik grauwachtig bruin. Kop en Hals zwartachtig, op de zijden in het bruin-roode overgaande.

Mantel en Schouders met parelwitte stippels.

Lengte: 0.45.

Aanteekeningen: Van deze hoogst zeldzame soort is slechts éénmaal eene eend te Londen levend aangevoerd geweest; deze heeft er verscheidene jaren lang geleefd.

ocr page 301

Hollandseh: Knob, Bolder, Beider, Brilduiker, Zeeduiker, Klapwieker.

Duitsch: Brillenente, Dickkopf. Goldauglein, Vier-auglein, Klangente, Klingelente, Klinger, Klapper-ente, Quakente, Quaker, Schreier, HoMente, Scheck-ente, Kobelente, Knobbe, Köllje, Schellente, Spatelente, Marmeluk, Baumente.

F r a n s c h: Garrot, Canard pie.

Engelsch: Golden eye, quot;Whistle Wing.

La t ij n: Anas Clangula Lin., — Glaucion Lin. nee Pali.,

any

90. BRILEEND. Clangula Glaucion Brehm.

ocr page 302

270

Anas melanocephala Herin., — hyeinalis Pall., — peregrina Gmel., Fuligula Clangula Kaup.

Clangula vulgaris Plena., Amerieana Bnp., — clirys-ophthalmos Flem., — peregrina Brehm., — leuco-melas Brehm.

Byeephala Americana Baird. Glaucion Clangula Kaup.

Vaderland: Noord-Europa, Azië en Amerika. Op den

trek op onze binnenwateren somtijds vrij algemeen.

Kenmerken: Bek zwart, bij de eenden en jongen met een gele dwarsstreep tusschen de neusgaten en de punt. Poot en licht okergeel met zwarte zwemvliezen.

Oogen helder lichtgeel.

Kleur der veer en: Kop zwart met groenen metaalglans, aan weerszijden van den bek een ronde witte vlek.

Hals, krop en borst wit.

R u g en staart zwart, mantel wit.

Vleugels: groote dekveeren en kleine slagpennen wit, groote slagpennen zwart.

^Vijfjes met den kop en bovenhals vaalbruin; rug, krop, flanken en schouders loodgrauw, de rug naar den staart toe donkerder wordende, terwijl krop en schouders met wit gemengd zijn.

Lengte: 0.45

Aanteekeningen: In gevangen staat is deze duikereend niet zeldzaam, doch wil alsdan niet licht broeden. In de vrije natuur broeden zij in holle boomen.

ocr page 303

271

Duitseh : Rosenschnabelente, Eothschnabelente. Fransch; Canard a bec rosé.

Engelsch: Rosy-billed Duck.

Latijn; Anas Peposaca Vieill., —Metopias Pöpp., — altaipennis Licht.

Aythya Peposaca Gray.

Fuligula Metopias Gray., — Peposaca Schleg.

Vaderland ■ Chili.

Kenmerken: Bek bij den waard purperachtig-bloed rood met zwarte punt, nabij het voorhoofd een vleesch

91. ROSÉBEK-EEND. Metopiana Peposaca Vieill.

ocr page 304

272

achtig kussen; de P o o t e n geelachtig steenrood.

Kleur dev veeren: Kop en nek zwart met groenen en violetten metallieken glans.

Hals, Keel en Krop glimmend zwart.

Borst en Buik lichtgrauw met talrijke kleine gegolfde zilvergrijze lijntjes.

Rug en mantel donkergrauw met tallooze kleine uit witte stippen bestaande gegolfde streepjes geteekend.

Vleugels: slagpennen zwart met groenen metallieken weerschijn; spiegelvlek wit.

Staart: van boven als de slagpennen, van onderen wit.

Eend: Bek en Pooten zwartachtig; Romp helder bruin, Rug en Vleugels donkerbruin; Krop en Flanken roestkleurig; Keel, Borst, Buik, Stuit en Spiegel wit.

Lengte: 0.55—0.60.

Aanteekeningen: In quot;1867 werden te Londen één waard, in 1870 3 paren ingevoerd, die er bijna jaarlijks in de maanden Juli en Augustus gebroed hebben.

ocr page 305

273

92. VL1ESBEK-EEND. Malaeorhynchus membranaeeus Swains.

Fransch: Canard a bee membraneux.

/En gel sell; Pink-eyed Due's.

Latijn: Anas membranacea Lth., — fasciata Shaw., — iodotis Less., — malaeorhyncha Gm. Malacorhynchus fasciatus Wagl.

Rhynehaspis fasciata Less., — membranacea Stepli.

Vaderland : Nieuw-Holland. Nieuw-Zeeland.

Kenmerken: Bek zeer lang en zwart; bovensnavel van af het midden tot aan de punt aan weerszijden van een in breedte toenemend vliesachtig aanhangsel voorzien.

18

ocr page 306

274

Kleur der veeren: K o p aschgrauw ; om het oog, vooral aan de onderzijde eene bruine zwarte vlek, alsmede in den nek; tusschen beide vlekken in en achter het oog een klein rooskleurig vlekje.

Krop, voorrug en zij vee ren door vuilwitte en zwarte dwarsstrepen als met banden geteekend.

Achterrug en mantel donker vaalbruin met zeer kleine gele puntjes gestippeld.

Vleugels; zonder spiegel, groote slagpennen als de achterrugveeren; kleine slagpennen dito, doch met witte punten.

Staart bruinachtig zwart met een witten dwarsband aan den wortel.

Buik vuilwit met smalle grauwbruine randjes om de veeren.

lengte: 0.50.

Aanteekeninrien: Deze soort is hoogst zeldzaam en is voor zoover bekend slechts éénmaal levend in Europa ingevoerd geweest.

93. WEEKBEK-EEND. Hymenolaimus malacorhynchus Gray.

Duitsch: Weichschnabelente.

Fransch: Canard a bec mou.

Engelsch: Soft-billed Duck.

ocr page 307

275

Latijn: Anas malacorhyneha (G-m.) Forst.

Puligula malacorhyneha Reich.

Malacorhynchus For ster or um Wagl.

Vaderland: Nieuw-Zeeland.

Kenmerken: Bek vleeschkleurig met kleinen zwarten nagel aan de punt en zachte randen nabij het einde van den bek.

Kleur der veer en : K o p grauw met groenen metallieken weerschijn en met roode vlekken geteekend.

Romp grauw.

Vleuge-ls grauw met zwartgerande kleine slagpennen.

Lengte: 0.45.

Aanteekeningen: In 1876 werd deze soort door de Acclimatation Society of Otago (N. Zeeland) aan de Zoological Society te Londen ten geschenke gegeven, doch zij heeft er niet lang geleefd.

ocr page 308

276

94. STOOMBOOT-EEND. Camptolaimus cinereus Gray.

Duitsch: Riesenente.

F r a n S c h: Canard aux ailes eourtes.

Engelseh: Loggerhead Duck, Racehorse Duck. Latijn: Anas cinerea Gm., — brachyptera Lath., — pteneres Forst.

Fuligula cinerea Schleg.

Micropterus brachypterus Darw., — cinereus Less. Oidemia patagonica King.

Tachyeres cinereus Owen.

ocr page 309

277

Vaderland: Chili, Patagonië.

Kenmerken: Bek tamelijk hoog; Pooten en Vleugels zeer kort, de naakte vleugelbocht met twee spoor-achtige knobbels gewapend.

Kleur der veeren: Kop, Hals en 't midden van Borst en Buik wit.

Krop, Flanken, Bug, Staart en Vleugels grauw, de laatste met een witten dwarsband.

Bij de Eend zijn kop en hals lichtgrauw.

Lengte: 0.70—75.

Aanteekcningen: Een enkel exemplaar van deze eend werd voor het eerst in 1861 te Londen ingevoerd, een tweede in 1882.

ocr page 310

'278

Duitsch; Ruderente, Scharbenente.

Engelseh: Musk Duck.

Latijn: Anas lobata Shaw., — carunculata Vieill. Biziura lobata Leaeh., — Novae Hollandiae Staph. Hydrobates lobatus Tem.

Vaderland: Australië.

Kenmerken: Bek en Poot en zwart.

Een ronde, platte, vleezige, zwarte huidplooi onder de kin bij den Waard.

Kleur der veeren: Kop, Hals, Borst, Rug, Flanken

95. ROEI-EEND. Erismatura lobata Bnp.

ocr page 311

279

en Stuit bruinachtig zwart met eene groote menigte gegolfde streepjes geteekend, die bij den Waard witachtig bij de Eend geelachtiger van kleur zijn.

Buik vuilwit met donkerder vlekjes als gespikkeld.

Vleugels: slagpennen zeer kort, grauwachtig zwart.

Staartpennen grauwzwart.

De Eend gelijkt volkomen den Waard, doch de huidplooi onder de kin is veel kleiner.

Lengte : 0.60—0.65.

Aanteekening ■. in 1882 bezat de Zoölogische tuin te Londen 2 exemplaren dezer soort.

ocr page 312

280

96. EIDER-EEND. Somateria mollissima Leach.

D u i t s c h : Eiderente, Eidergans, Eidervogel, Edder-

gans, Aedarvogel.

Engelsch: Eider Duck.

F r a n s c h: Eider, Oie a Duvet.

Latijn: Anas mollissima Lin., — Cuthbertii Pall,, — Anser mollissimus Bonn., — lanuginosus Briss. Fuligula mollissima Bonp.

Somateria Cuthbertii Eyt., — Danica Brehm,, —

ocr page 313

281

Faroënsis Br. — Islandica Br., — Leisleri Br., — Norvegiea Br., — planifrons Brehm.

Platypus mollissimus Br., — Leisleri Brehm. Patyurus borealis Brehm.

Vaderland: Noordelijk Europa, Azië en Amerika. Jonge voorwerpen verdwalen somtijds in 't nnjaar naar onze kusten tot zelfs in de Zuiderzee.

Kenmerken: Bek groenachtig zwart, zoo ook de Poo-ten, van welke de zwemvliezen zwart zijn. Het voorhoofd is niet gewelfd, zoodat dit met den bek bijna een rechte lijn vormt. ])e veeren der wangen verlengen zich puntvormig over den bek tot nabij de neusgaten toe.

Kleur der veeren: (Bij den Waard in den zomer). Kop wit met eene zwarte streep, die op het voorhoofd aanvangt, zich boven den schedel in tweeën verdeelt en zich tot over de oogen uitstrekt; achter de oogen, over de ooren en den nek ziet men eene lichte zeegroene vlek.

Hals, mantel en schouderdek veer en helderwit.

Krop rossig vuilwit.

Borst, Buik, Slagpennen en Staart zwart.

De wijfjes en jonge mannetjes zijn donkerbruin van kleur met geelbruine randen om elke veer; op de vleugels ziet men een van boven en onder witgerande zwarte spiegelvlek. De quot;Waarden in het winterkleed gelijken de wijfjes, doch zijn in 't algemeen donkerder van kleur en hebben eene lichte geelbruine streep, die zich van af het voorhoofd, over de oogen tot in den nek uit-

ocr page 314

282

strekt. Bij allen is de buik eenigszins zwartachtig van tint.

Lengte: 0.60—0.70.

Aanteekeningen: In gevangen staat zijn de Eidereenden zeer zeldzaam. Hoewel zij zich er vrij wel in schikken kunnen en zelfs tot broeden overgaan, zooals enkele malen in den Zoölogischen tuin te Londen gebleken is.

ocr page 315

283

Hollandsch: Wintereend.

Duitsch: Eiseute, Eisschellente, Winterente, Islan-derente, Schwanzente, Langschwanz. Spitzschwanz, Pihlstaart, Kurzschnabel, Kirre, Gadelbusch, Haniek, Angeltasche, Klashanick.

Fransch; Miclon, Sarcelle de Feroë.

Engelseh: Longtailed Duck.

Latijn: Anas glaeialis Lin., — hyemalis Lin., — mi-elonia Bodd., — brachyrhyneha Beseke., — leueoce-phala Beehst., — cineraseens Bechst., — Ferroënsis Brehm., — Sawska Lep.

Fuligula glaeialis Bonp.

97. IJSEEND. Harelda glaeialis Leaoh.

ocr page 316

284

Clangula glacialis Boie., — Paberi Brehm., — bra-ehyrhyncha Brehm., — megaurus Brehm.

Harelda longicauda Leach., — hiemalis Brehm., — Faberi Brehm., — brachyrhynchus Brehm., — megaurus Brehm.

Querquedula Ferroënsis Brehm.

Pagonetta glacialis Kaup.

Platypus glacialis Brehm.

Crymonessa glacialis Mac-Gr.

Vaderland: De Noordpoolstreken van Europa, Azië en Amerika. Bij strenge winters enkele malen aan onze Kusten en in de Zuiderzee.

Kenmerken: Bek zwart, op de bovenkaak een oranje-roode vlek, bij de eenden en jongen minder zichtbaar. Pooten loodkleurig met zwarte zwemvliezen.

De beide middelste staartpennen bijzonder lang en uitstekend.

Kleur der veer en: Kop en Hals des zomers wit, over de wangen een grauwe, onder de ooren een zwarte vlek, die in een lichtbruine punt eindigt.

Buik wit.

Krop, Borst, Rug en Vleugels zwart.

Mantel 'swinters bruinachtig zwart.

Staartpennen: de beide middelste zwart, de buitenste wit.

Bij de wijfjes ontbreken de verlengde middenveeren

ocr page 317

285

van de staart. Bek zwart, Kop en Hals wit, alleen de schedel en een ronde vlek onder het oor zijn grauwachtig; Rug en Krop grauwbruin met donkerder schubben.

Lenijte: zonder de verlengde staartpennen 0.45—0.50.

Aanteekeningen: Hoewel deze soort voor zoover bekend is nog niet in gevangen staat gezien werd, zoo zoude het zeer wenschelijk zijn, dat er pogingen werden aangewend om ze bij strenge winters (waarin zij enkele malen aan onze kusten voorkomen) te vangen en aan de gevangenschap te gewennen; als siervogels zouden zij eene zeer gewaardeerde aanwinst voor binnen- en buitenlandsche Diergaarden zijn.

ocr page 318

286

98. GROOTE ZEE-EEND. Oidemia fusca Flem.

Hollandsch: Bruine Zee-eend. Zwarte noordsehe duiker.

Dui tsch : Sammtente, Sammetente, Moorente, Braun-spiegelmoor, Sammettauchente, Fliegenente, Tur-pane.

F r a n s c h; Double macreuse.

Engelsch: Great Blaek-Duck, Velvet Duck, Velvet Scoter.

ocr page 319

287

Latijn: Anas fusca Lin., — atrata Pall. —fuliginosa Bechst.

Fuligula fusca Bonp.

Melanitta fusca Brehm., — Hornschuehi Brehm., — megapus Brehm., — platyrhynchus Brehm., —vel-vetina Baird.

Platypus fuscus Brehm.

Oidemia Hornschuchi Brehm., — megapus Brehm., — platyrhynchus Brehm., — velvetina Bairs., — Deglandi Bnp.

Vaderland: Noord-Europa en Azië. Op den trek des winters langs onze zeekusten en op onze groote binnenwateren, doch minder gemeen dan de volgende soort.

Kenmerken; Bek breed en zwart, bij den waard is de bovenbek oranje, behalve boven de neusgaten waar hij zwart is; pooten bij den waard hoogrood, bij de eend groenachtig grauw met zwarte zwemvliezen. Spiegel-vlek wit.

Kleur der veer en: Deze soort onderscheidt zich van de volgende hoofdzakelijk door de witte spiegelvlek, door een witte vlek over het onderste ooglid bij den waard gedurende den zomer en door een witte of lichtgrauwe vlek voor en achter het oog bij de eend en jonge waarden.

Lengte: 0.50—0.55.

Aanteekenlngen: Leeft zeer kort in gevangen staat.

ocr page 320

288

99. ZWARTE ZEE-EEND.

Oidemia nigra Flem.

Hollandsch: Wigstaart, Noordsche eend, Zwarte Bergeend.

D u i t s c h: Trauerente, Schwarze ente, Mohrenirate.

F r a n s c h ; Macreuse.

Engelseh: Scoter, Black Diver.

Latijn: Anas nigra Lin., — atra Pall.,— cinerascens Bechst., — Fuligula nigra Bonp.

Melanitta nigra Boie, — nigripes Brehm., — mega-urus Brehm.

Oidemia gibbera Brehm, — nigripes Brehm, — mega-urus Brehm., — leucoeephala Flem.

Vaderland: Noord-Europa en Azië. 's Winters op den trek zeer gemeen langs onze zeekusten en op onze binnenwateren.

Kenmerken: Bek zeer breed, zwart met een oranje zadelvlek over de neusgaten. De Waard draagt een oranje knobbel tusscben voorhoofd en bek.

Poot en grauwzwart met zwarte zwemvliezen.

Kleur der veer en; Geheel volkomen zwart. De Wijfjes en jonge Waarden, of die in 't winterkleed zijn, zijn grauwachtig bruin met donkerder vlekjes als geschubd, de zijden van den hals onder de oogen, alsmede de keel en in 't midden van borst en buik zijn in de lengteas grauw-wit.

De wijljes zijn steeds door lichter bruine kleur van

ocr page 321

•289

de quot;Waarden te onderscheiden; haar bek is tusschen de neusgaten en de punt zonder zadelvlek; de Waarden zijn in den overgang minder geschubd en zwartachtig grauw, in plaats van donker bruingrauw, overigens als de wijfjes.

Lengte: 0.45—0.50

Aanteekeningen: Deze soort leeft slecht in gevangen staat; als bij uitzondering gelukt het echter met enkele exemplaren deze aan de gevangenschap te gewennen, doch het is noch nimmer gelukt ze tot broeden te brengen, daar zulks uitsluitend boven de GO3 Noorder-breedte plaats heeft.

19

ocr page 322

290

Hollandsch: Zaageend, Zager, Duikergans, Rosé-waard.

Duitsch: Grosze Sager, G-ansesager, G-ansesagetauclier, Ganstaucher, Tauchergans, S'ageente, Seeraehen, Strausztaucher, Kobeltaucher, Kneifer, Kariffer, Kuriffer, Mereh, Winternörks, Ganner, Seerabe, Schnarrgans, Bottervogel, Stechente, Bieberente, Biebertaucher, Haubentaucher, Aeschente, Tiger., Vielfrasz, Seekatz, Seegeisz, Musehelkönig.

F r a n s c h: Harle eommun.

-100. GROOTE ZAAGBEK. Mergus Merganser Lin.

ocr page 323

291

E n g e 1 s c h : Goosander, Jack-saw, Dun-diver, Sparling fowl.

Latijn: Mergus Castor Lin,, — aethiops Scop., — americanus Cass., — orientalis Gld., — rancedula Vieill., — rubricapillus Briin., — squamatus Gld. Merganser Castor Bonp., — einereus Briss., — Gulo Steph., — Rayi Leach.

Vaderland : Noord-Europa en Amerika. In 't gure jaargetij vrij algemeen op den trek langs onze kusten en groote binnenwateren.

Kenmerken: Bek smal, sterk zaagsgewijs getand, ongeveer even lang als de middelste teen, hoogrood van kleur met eene zwarte streep overlangs den rug van den bek.

Pooten oranjerood.

Kleur der veeren: Kop en Bovenhals zwart met groenen en purperen weerschijn.

Hals (onderhelft). Krop, Schouders, Borst en Buik licht rozerood.

Rug door fijne witte en zwarte gegolfde streepjes zilvergrauw.

Mantel en groote Slagpennen zwart.

VIeugeldekveeren en kleine Slagpennen zuiver wit.

Staart donkergrijs.

Wijfje en Waard hebben in den ruitijd kop en bovenhals donker kastanjebruin; rug, krop, flanken en staart donkergrijs; onderhals, borst en buik wit, de kleine slagpennen zuiver wit.

ocr page 324

292

Lengte: 0.70—0.75.

Aanteeheningen: In gevangen staat kunnen zij slechts in vijvers gehouden worden, waar zij het hun toegeworpen voedsel, uit kleine vischjes bestaande, al duikende opsporen. Eenmaal aan gevangenschap gewoon en goed op voer zijnde, zijn zij sterke vogels.

101. MIDDELSTE ZAAGBEK.

Mergus serrator Lin.

Hollandsch: Pinduiker.

Duitsch: Mittlere Sager, Sagetaucher, Sageente, Stechente, G-anzetaucher, Strausztauclier, Tauclier-gans, Taucherkiebitz, Meerrachen, Seerachen, Schlich-ente, Schlugente, Langschnabel, Fischtreiber, Nörks, Seekatz.

Fransch: Harle huppé.

Engelsch: Red-breasted Goosander.

Latijn: Mergus serratus Lin., — imperialis Gmel.,— leucomelas Gmel., — niger Gmel.

Merganser eristatus Briss., — leucomelas Briss., — niger Vieill., — serratus Steph.

Vaderland: Noord-Europa, Azië en Amerika. Zij is veel gemeener dan de groote Zaagbek en in het gure jaargetijde dikwijls zeer menigvuldig aan ons zeestrand en op de binnenwateren.

ocr page 325

293

Kenmerken: Kleiner dan de vorige soort; achterhoofd gekuifd, de hoogroode bek langer dan de middelste teen en zonder zwarte streep over den rug van den snavel; poot en geelachtig rood.

Kleur der veeren: Kop en Bovenhals zwart met groenen weerschijn; Krop, Midden hals lichtbruin met donkerder vlekken bezaaid.

Rug en Mantel zwart.

Flanken, A c h t e r r u g en S t a a r t donker zilvergrauw, met tallooze fijne gegolfde witte en grauwe streepjes geteekend.

Vleugels met de kleine en groote Dok veer en wit, doch aan de punten zwart getopt. Kleine Slagpennen wit, groote slagpennen zwart.

Wijfjes en Mannetjes gelijken in den ruitijd bijna volkomen op die van de groote Zaagbek, doch zij zijn steeds kleiner en onderscheiden zich door dunneren en langeren bek en door de zwarte punten aan liet einde der groote vleugeldekveeren, waardoor als het ware eene zwarte dwarsstreep over het wit der vleugels loopt.

Lengte.- 0.55—0.C0.

Aanteekeningen: evenals die der voorgaande soort.

ocr page 326

294

102. NONNETJE.

Mergus albellus Lin.

Hollandseh: Weeuwtje, Scheft.

D u i t s c h ; Zwergsager, Kreuzente, Möventaucher, Elstertaucher, Rheintaucher, Merehente, Sch'ackente, Sternente, Rheinente, Wieselentchen, Nonnenent-chen, Nonneli, Eisentli, Mövendücker, Wieselkopf, Weisse Nonne, Düfker, Weisser Sager, Eistaucher.

Fransch; Piette, Harle plette.

Engelsch: Smew, White Nun, Vare Wigeon.

Latijn; Mergus asiaticus Gmel., — minutus Lin., — amatorius Eimb,, — glaeialis Brünn., — furcifer Gmel., — mustelinus Gmel., — pannonicus Scop., — nigricollis Beehst., — stellatus Brünn.

Mergellus albellus Selby, — minutus Brehm. Merganser albellus Vieill., — minutus Vieill.

Vaderland: Noord-Europa. Broedt binnen de Noord-poolkringen; komt in gure jaargetijden op den trek langs onze kusten en op onze binnenwateren voor, doch nooit in grooten getale.

Kenmerken: Dit is de kleinste der Zaagbokken, met blauw-grij ze bek en p o o t e n, doch met zwarte z w e m v 1 i e z e n.

Kleur der veeren.- Kop wit, een vlek van het oog tot den bek en de onderste Kuifveeren zwart.

Hals, Krop, Borst en Buik wit.

ocr page 327

295

Rug en twee zijdelingsche dwarsstrepen van den voor rug naar den krop loopende zijn zwart.

Mantel wit.

Flanken zilvergrauw gewaterd.

Vleugels met de groote Dekveeren en kleine Slagpennen wit met breede zwarte topeinden, waardoor twee zwarte banden op het witte veld ontstaan. Groote slagpennen zwart.

Staart grauw.

De mannetjes hebben in den ruitijd een donker kastanjebruinen kop en nek; kin, keel, borst en buik wit; rug, mantel, krop en flanken donkergrijs; de vleugels als boven omschreven, doch bij het wijfje zijn de kleine vleu-geldekveeren donkergrijs en niet wit.

Lengte: 0.40—0.45.

Aanteekeningen: Dit sierlijke eendje lioudt zich bijzonder goed in gevangen staat, wanneer het slechts ruim water ter beschikking heeft om zijn voedsel al duikende te kunnen bemachtigen.

ocr page 328
ocr page 329

DERDE GEDEELTE.

ALPÏÏABETISCHE NAAMLIJST

VAN ALLE IN DIT HANDBOEK BESCHREVEN

ZWEMVOGELS.

ocr page 330
ocr page 331

A. HOLLANDSCHE NAMEN.

A.

Akkergans..................

Amerikaansche smient......

„ vosgans......

„ zwartrug-gans

„ wilde eend...

Anaatje....................

Andesgans..................

Australische eend..........

„ smient........

„ taling.........

Aylesbury-eend.............

B.

Bahama-eend...............

Barvoeter-gans..............

Beider......................

Bergeend = (Muskus-eend)..

„ (Kaapsche)...

„ (Zwarte).....

Blaffer................

Blauwpoot............

Bleekpoot-zwaan.......

Boereneend............

Bolder................

Bonte Kol.............

Boomeend (Australische)

(groote)......

„ (Javaansche).

No.

Boomeend (X.-Ilollandsche).. 40

„ (Roodbek)................41

„ (Rosse)......................45

„ (Witwangige)..........39

„ (Zwartbek)................40

j Brandgans....................................20

j Braziliaansche taling................78

; Breedbek..................................55

Brilduiker....................................90

„ eend..................'. 90

i Brumkop....................................90

Bruine duiker............................98

C.

: Canadasche gans........................22

„ „ (kleine).... 23

Carolina-eend..............................73

Casarca-eend..............................48

„ . (Javaansche)..............51

„ (Kaapsche)....................53

„ (Nieuw-Hollandsche) 49

„ (Nieuw-Zeelandsche) 50

Cayuga-eend................................Hid

Chili-gans....................................26

Chilische pijlstaart....................70

„ smient....................06

„ taling........................79

Chineesche taling......................80

Citroen-eend................................41


ocr page 332

300

D.

So.

Deen............................................32

Dogeentl......................................IIIn

Donaugans................................Ie

Dondergans..................................'20

Donkere eeml............................57

Duclairs-eeml..............................Illg

Duiker (zwarte)..........................98

Duikergans..................................100

Dwerggans.......... ............16

E.

Eend (tamme)............................lila

„ (wilde)................................56

Egyptische gans........................7

Eider-eond..................................96

Eine (tamme)..............................lila

„ (wilde)................................56

Einefoegel (tamme)..................Illa

„ (wilde)....................56

Ekstergans..................................1

Emdergans..................................Ic

Engelsche eend..........................lllli

Eik (tamme)..............................IIIa

„ (wilde)................................56

P.

Falklands-gans........................29

Fluiteend....................................6i

Fluweeleend..............................Illd

Fransche eend............................Uil'

„ taling..........................76

G.

Gans (grauwe)............................11

„ (tamme)............................Ia

„ (wilde)................................11

Xo.

Gans (zwarte)..............................12

Ganzerik......................................la

Garre............................................Ia

Geelbek-eend..............................60

„ zwaan..........................32

Gemaande gans..........................31

Gent...............................Ia

Giesen (tamme)..........................Ia

„ (wilde)..........................U

Goes (tamme)..............................Ia

„ (wilde)................................11

Grasgans......................................12

Grauwe gans..............................11

„ „ (kleine)................'12

Grijskop-gans..............................^7

H.

Halve eend..................................6i

„ eendvogel........................68

Hoelzwaan..................................32

Hoendergans..............................9

Hokeend......................................HIa

llongaarsche eend....................lila

I.

Italiaansche eend......................Ille

„ reuzengans..........Ig

J.

.lapansche taling......................81

Javaansche boomeend..............'i2

.lolling..........................................83

K.

Kaapsche duiker........................89

„ eend..........................IIIn

Kamduiker................................83


ocr page 333

301

No. I

Kamgans.................. 5 |

Kar-eend.................. S3

Kastanje-eend.............. 67 j

Keizereend................. Illli

Kiapwieker................. 90 |

Klik....................... 15 !

Kloekzwaan................ 32

Knob...................... 90

Knobbelgans (tamme)....... Hi

„ (wilde)........ 10 I

Knobbelzwaan.............. 3i j

Koenekraan................ 11

Kol (bonte)................. 15 |

Kolgans.................... 15

„ (kleine)............. 16 [

„ (Uslandsche)........ 16 ;

Koperwiek-eend............ 58 |

Krak...................... 08 |

Kreest..................... 68

Kriekje..................... 70

Krombek-eend.............. 1111)

Krooneend................. 87

Krnlveer-gans.............. Ie

Krust...................... 68

Kuifeend (tamme).......... HIc

„ (wilde)............ 83

Kuifgans................... Ia

Kwakereend................ IHni

Kwakertje.................. 11 lm

L.

Lachgans........quot;....................15

Langhals......................................69

Lepelbek-eend..........................55

Lepel-eend..................................55

Lokeend......................................lila

Lokgans........................................Ja

M.

No.

Magellaan-gans..........................25

Mandarijn-eend..........................74

Manilla-eend..............................44

Meiker..............................11

Muskuseend (tamme)................lllu

„ „ (wilde)................54

N.

Naumans kolgans......................15

Nieuw-liollandsche boomeend 46

„ „ casarca .. 49

eend..........59

gans..........31

Nieuw-Zeelandsche casarca. 50

Nonduiker...............■.. 102

Nonnetje......................................102

Noord-Amerikaanscbe taling. 77

Noordsche eend........................98

„ gans........................15

O.

Oostindisclie gans........... 17

Orinoco-gans............... 8

P.

! 1'auwgans....................................19

| Paradijseend................................50

i Pekingeend..................................1111

j Piel (jonge eend)....................lila

Piepteling....................................76

| Pinduiker.......■....................101

j Pinguineend................................llli

1 Pommersche gans....................ld


ocr page 334

302

Poolsche eend..............

Puul (jonge eend)..........

Pijlstaart eend..............

„ (Chilische).........

„ (roodbek)..........

Pyrenaeën-gans......■......

R.

Radjah-eend................

Pieuzengans (Italiaansche)...

Rietgans...................

„ (groote)............

„ (kleine)............

Ringeend...................

Ringelgans.................

Roeieend ................

Roepereend................

Roeper....................

Roepertje..................

Rood bek-boomeend.........

„ pijlstaart..........

„ zwaan............

Roodbals-eend..............

» gans..............

Roodkop-eend..............

„ gans..............

Rosébek-eend..............

Rosékop-eend..............

Rosé-waard...............

Rosse boomeend...........

Rotgans....................

Rouaan-eend...............

Rouwbandje.................

Rouweend..................

Ruepells-gans..............

Russische gans............

„ liuisgans.........

S.

Xo,

i Sandwichgans.............. 24

Schelt..........................................102

Schiergans.................. 12

„ (groote).......... 11

Schierkol................... 15

Schierling.................. li

Schierteling................ 75

Schieteend..................................HJa

Schikleend..................................55

Schotsche eend..........................Illh

Schijftaling..................................76

Secroeneend................................41

Sikkeltaling..................................79

Slobbe........................................55

Slobbereend........................55

Smient..........................................64-

„ (Amerikaansche)............05

„ (Australische)..................07

„ (Chilische)........................00

Smink..........................................05

„ (groote)............................05

Smunt..........................................05

Sneemvgans................................18

Spaansche eend........................llld

Spoorwiek-gans............. 2

„ „ (zwarte)..... 4

Spotter..........................................15

Stareend......................................75

Stoereend....................................50

Stoomboot-eend..........................94

Surinaamsche taling................77

T.

Tafeleend....................................80

Taling (Australische)................82

„ (Braziliaansche)..................78


ocr page 335

303

No.

Taling (Chilisehe)......................79

„ (Chineesche)..................80

„ (Fransche)......................76

„ (Japansche)....................81

„ (Surinaamsche)..............77

„ (N.-Amerikaansche)... 77

„ (winter-)..........................76

„ (zomer-)..........................75

Tamme eeml..............................lila

„ gans.....................Ia

Teling (winter-)..........................76

„ (zomer-)............................75

Tongergoes..................................20

Toppereend................................84

„ (kleine)....................85

Toulouse-gans............................Ib

Trompetter-gans......................'2-2

„ „ (kleine)............23

Trompetter-zwaan....................35

Turkselie eend..........................Illn

V.

Va linger......................................86

Vekkluiker..................................84

Vlekbek-eend..............................01

Vliesbek-eend............................92

Vosgans........................................7

„ (Amerikaansclie)..........8-

W.

Waard..........................................lila

Waaiereend................................74

Weekbek-eend............................93

Weenk..........................................12

Weenkies....................................12

Weeuwtje....................................39

Xo.

Wigstaart....................................99

Wilde eend................................56

„ gans..................................11

„ „ (Xoordsche)..........15

„ zwaan............................33

Wink............................................12

Wintereend................................97

„ taling..................................76

Witgat (groote)..........................11

Vutoog^eend................................88

Witwangige boomeend............39

Woerd..........................................ilia

Woord..........................................Illa

Woudgans....................................Ia

IJ.

Useend.................... 97

IJslandsche kolgans......... 16

Z.

Zaadgans....................................12

Zaagbek (dubbele)....................100

„ (groote)........................100

„ (middelste)..................101

Zaageend......................................100

Zager............................................100

Zeeduiker....................................90

„ eend (groote)........................98

„ (zwarte)......................99

Zomertaling................................75

Zwaan (bleekpoot-)..................11b

„ (geelbek-)........................32

„ (kleine)............................83

„ (knobbel-)........................34

„ (roodbek-)........................34

„ (tamme)..........................Ha

„ (wilde)..............................32


ocr page 336

304

No.

Zwaan (tamme witgeboren).. lib

„ (wilde „ ).. 34*

Zwaangans..................................38

Zwartbek-boomeend................40

Zwarte bergeend........................99

„ gans................................12

„ Xoordscho eead..........98

No.

Zwarte zwaan..............................37

Zwartkop-gans............................12

Zwartnek-zwaan........................30

Zwartrug-gans............................5

„ „ (Amerikaansche) 6

Zweedsche eend........................Illk


B. DUITSCHE NAMEN.

No.

............13

............7

............100

............84

............30

Angeltasche................................97

Aschenente..................................84

Astrakan Gans............................Ie

Australische lïrandgans............49

„ Wildente..............59

B

Bahamaente................................72

Baumente....................................90

„ (gell)e)..................45

„ (gelbfüzige)................46

„ (indische)....................42

„ (kubaisohe) ..............40

„ (madagassische).... 43

Baumgans....................................19

........................................20

A.

Ackergans.......

Acgyptische Gans.

Aeschente........

Alpenente........

Andengans.......

No.

Bayerische Gans............ Ia

Dergente................... 47

..................... 84

Bergmoorente.............. 84

Bergtauchente.............. 84

Bernakelgans............... 20

Bernikelgans............... 19

Bieberente................. 100

Biebertaucher.............. 100

Bisamente (wilde)........... 54

„ (zahme).......... HIn

Bismatente................ 80

Blassente................... 04

Bliissgans.................. 15

Blasente.................... 50

Blauenente................. 50

Blauspiegel................. 50

Blumenente................ 50

Bohnengans................ 12

Bottervogel................. 100

Brandente.................. 47

.................... 87

.................. 88


ocr page 337

305

No.

Drandgans....................................19

„ ....................................20

......................................amp;

(australische)............i9

Brasilianische Kriekeute..........78

ilrauue Spiegelmoor................98

Uraunkopf....................................86

....................................88

Brautento....................................73

Dreitschnahel..............................55

„ Kopf....................55 [

Brentgans....................................19

Brillenente..................................90

Bruchsclnvan..............................82

Buntschnabelente......................01

C.

Canadische Gans........................22

„ (kleine)..........23 |

Cliilenische Gans......................20 ;

„ Kriekente..............79

Cluneschergans..........................Hi

Chinesische Gans......................10

Citronenonte................................48

D.

Dickkopf......................................90

I )onente......................................88

Drossel..........................................70

Uuclairsente................................Hlg

lliifke............................................102

Dunkleonte..................................57

E.

Eiderente......................................90 !

Eidergans....................................90

Eidervogel....................................90

No.

Eisente..........................................97

Eisentli........................................102

Eisschelente................................97

Eistaucher..................................102

Elbeschwan................................Ila

Elster entclien............................102

Elster taucher..........................102

Emdenergans..............................Jc

Entengans....................................7

Entente........................................47

Erdgans........................................47

Elk........................ 50

P.

Fatklandgans............... 29

Fasanente.................. 09

Feldgans................... 13

Fischtreiber................ 101

I'liegenente................. 55

............. 98

/; .................

Franzente.................. 70

Füchsente.................. 48

Fuchsgans.................. 7

.................... quot;

„ (graukopflge)...... 53

„ (sehwarze)......... 50

G.

Gadelljusch................. 97

Gambisclie Gans............ 2

Ganerd..................... la

Gamier..................... 100

Ganser..................... la

Gansericli................... la

Gansesiiger................. 100

................. 101

Gansesiigetauclier........... 100


20

ocr page 338

I.

30G

No.

Ganstaucher................................100

Ganter..................... la

Gelbe Baumente......................44

Gelbluszige „ ......................46

Gelbrothe Ente..........................48

Gelbschabel Ente......................60

Gelbschof..................................87

Gluckente..................................81

Goldauglein..............................90

Grabente......................................47

Grabgans....................................47

Grasente......................................56

Grauentchen................................76

Graugans....................................11

Graukopf-Gans............................27

Graukopflge Fuchsgans............53

Guineische Schwanengans... 10

H.

llagelgans....................................1-2

..................................18

Ilagente........................................56

Halbente.....•........................75

llanick..........................................97

Haubenente (zahme)................lllc

„ (wilde)................83

Haubengans................................la

Haubentaucher............. -100

Haiisentc....................................Ilia

llausgans....................................la

Heckgans....................................11

Herbstente..................................41

Ilockergans................................5

llockerschwan............................11a

Hoblente......................................90

Hiihnergmis................................9

No.

Indische Baumente..................42

„ Gans............................17

Islander Ente............................97

Italienische Ente......................life

J.

Japanische Kriekente..............81

K.

Kanadische Schwanengans .. 22

Kariffer........................................100

Karminente................................87

Kasarka........................................48

Kastaniënente............................67

Kernell........................................75

Kirre............................................97

Kliifeli..........................................75

Klangente ..................................90

Klapperente................................90

Klaschanick................................97

Kleine Ente.............................76

Kleiner Singschwan..................31!

Klingelente................................90

Klinger........................................90

Klostergans..................................19

Knackente..................................75

Knarrente....................................75

Kneifer..............................100

Knobbe........................................90

Knobelente..................................90

Kobeltaucher..............................100

Kolbenente................................87

KOllje............................................90

Koppengans................................9

Koskoroba Schwan....................38

Krachente....................................47


ocr page 339

307

Xo.

Kreuzente..................................70

..................................102

Kricke..........................................76

Krickente....................................76

Kiieckente..................................75

„ (Brasilianische).. 78

„ (Clülenische)..........79

„ (Japanische)..........81

(kloino)..................76

„ (sommer)..............75

Kriickente..................................73

„ (kleinej....................76

Krugelente................................76

Krugente....................................76

Krüzele........................................75

Kubaïsche Baumente................40

Kurifler........................................loo

Kurzschnabel-Ente....................97

Kurzschnabel-Gans....................14

Kurzschwanzige-Ente................97

Kuppenente (zahme)................ure

„ (wilde)..................83

Kuppergans................................ja

L.

Locligaiis......................................15

Larmenente................................68

Langhals......................................68

Langsehabel..............................101

I-angschwanz............................97

Leinor..........................................68

Leppelgans................................=5

Leppelschnute............................55

Lerchenente..............................69

Lochente....................................47

Locligans......................................47

Lockengans................................Ie

No.

Locker.................... 68

Löffelente....................................55

M.

Miihrische Gans..........................ja

Miirzente......................................5C

Miirzgan.s......................................(|

ifagellanische Gans..................25

llandarinente............................74

Marraeluk.. ..............................qq

Martinsgans................................j;l

Meergans....................................[g

ileorraclie.................................jqj

Merch............................................100

Morcliente....................................iqo

Mittelente....................................64

(kleine)....................08

„ (graue)......................69

iloderente..................................34

..................................88

Mönchgans..................................-jg

ilöppelgans................................21

.Mövendiicker..............................102

Möventaucher............................102

Mohrente....................................§4

....................................99

Moorente......................................gg

....................................88

....................................98

Moorgans......................................12

iloosente....................................55

Mopsgans....................................21

Moschusente (wilde)................54

„ (zahme)............Illm

Mückenente................................55

Murente......................................55

Murentlein..................................75


ocr page 340

308

.\0.

Q

Muschelente................................84

Muschelkönig..............................100

N.

Nadelscliwanz............................09 !

Nesselente..................................08 i

Nilgans........................................7 j

Nonneli........................................102 i

Nonne (weisse)..........................10-2 ,

Nonnen entclien......................102

Nonnenente .........................39 !

Xonnengans................................20

Nordgans......................................20 ;

(bunte)......................21

Nordische Gans..........................18

Nörks..........................................101 !

O.

Orenoco gans............................8

P.

Pfeifente......................................04

........................................eo

„ (Chilisclie)..................06

l'feilschwanz..............................09

„ (kleine)................97

Pipane..........................................64

Piepente......................................64

Pihlstaart....................................97

Pihwiine......................................69

Plumente....................................73

Polargans....................................'18

Polnische Gans............. 15

Pommersche Gans.......... Id

Pylstertz................... 69

Pyrenaeën Gans............ lb.

Quakente......................................90

Quaker..........................................90

Quellje..........................................86

E.

Uaschenkopf..............................55

Ratscliente..................................56

Ueigerente.....................83

Reiherente................................83

ISeiher-Taucliente ..........

„ Stockente....................83

Rheinente....................................102

Rheingans....................................10

Rheintaucher ............................102

Riesenente..................................94

Riesengans................................la

„ (Russische)............li'

Ringelgans..................................19

Róschen......................................55

Roggengans ..............................12

Rosenkopf-Ente......................62

Rosenschnabel-Ente................91

Rostente......................................48

Rostgans......................................48

Rotgans........................................19

Rothe-Ente................................48

Rothe-Gans................................11

Rothhals......................................86

Rothhals-Ente............................86

Rotiihals-Gans............................21

Rothhalslein................................75

Rotlikopf......................................87

Rothkopf-Ente............................87

Kothkopf-Gans............................28

Rothmohr....................................86


ocr page 341

309

Xo.

I! o tliscli n abel-E nte....................71

....................91

Ruder-ente..................................95

llussische Riesengans..............If

S.

Saatgans......................................li

Sageente....................................100

Siiger (mitüere)..........................101

„ (weisser)..........................10quot;2

Siigetauclier................................100

................................101

Sammetonte..............................98

Sammet Trauerente..................98

Sanchvichs-Gans........................'24

Schackente..................................75

......................................10-2

Scliallente....................................55

Schapsente................................70

Scharbenente............................95

Scliaufelente..............................84

„ ..............................50

Sclieckente................................90

Scliellente..................................90

„ ..................................55

Sclierrentlein............................68

Scliikiente..................................55

Schimmel....................................8't

Schlikkergans............................18

Schliefente..................................83

Schlizente................................101

Sclilagente..................................101

Schniielentc..............................70

Schmünte.................. 64

Hciiuarrente................ 08

„ ................................75

Schnavrgans................ 100

Xo.

Sclniatterente..............................68

Sclmeegans..................................12

..................................18

Schnipfente..............................69

Schollente....................................55

Schopfente..................................HIc

......................................83

Schottische Gans......................20

Schnpsente..................................83

Schwalbenentc..........................69

Swalbengans..............................10

Schwalmente..............................69

Schreier........................................90

Schwan (Bruch)..........................32

„ (Gemeiner)..................34

„ (Hoeker)......................Ila

„ (Scliwarzhals)...... 36

„ (Schwarzer)................37

„ (Stumme)....................Ha

(Wilder)........................32

Schwanengans (Guineische).. Ih

„ ^ ..............io

„ (Kanadische). 22

Schwanzente..............................97

Schwarze Fuchsgans................50

„ Seeente....................98

„ Sporengans..............4

Sclnvarzer Schwan....................37

Scharzbals „ ....................30

Schwarzkopf...............................83

Seeelster......................................64

Seefazan......................................55

Seegans........................................15

........................................20

Seegeisz......................................90

Seekatz........................................100

Seeracbeu....................................100


ocr page 342

310

Ko.

Seerachen....................................lol

Seidengans..................................[e

Siclieleate....................................80

Singsclnvan.....•....................32

„ (kleino)..................33

Smaragdente..............................mu

Smunt..........................................6i

Sommerente........................73

Sommerhalbentc......................75

Sommerkrickente......................75

Sorentlein....................................76

Spaltfuszgans..............................1

Spatelente....................................55

....................................00

Speckente.................. 04

Spiegelente..................................56

„ (kleine)....................76

Spiegelgans..................................31

Spiessente....................................60

Spitzente......................................09

Spltzscluvanzeiile......................70

......................97

Sporengans..................................2

„ (nordliche)..............3

„ (schwartze)............4

Stecliento....................................100

....................................101

Sterneutc....................................io-2

Stockente....................................56

Stoszcntc......................................56

Strauszente..................................83

Strauszmolir................................83

Strauszfaucher..........................100

............................101

Stmppgans..................................ie

Sturzente......................................56

Stutzente....................................56

No.

Sumpfente..................................86

„ ..................................88

T.

Tafelente......................................80

Tafelmoorente............................86

Taschenmaul..............................55

Tauchenle..................................101

Tauc hergans................................100

Taucher Kiebitz........................101

Taucherpfoifente......................84

Ticher..........................................100

Toppe............................................83

Toulouser Gans..........................Ib

Trasselente..................................75

„ (kleine)....................76

Trauerente..................................98

Trösel..........................................76

Trompeter gans..........................Ili

Trompeter schwan....................35

Tnrkische Ento..........................illu

Tnrpane........................................98

U.

Ungarische Gans......................In

V.

Vielfrasz......................................100

Vierauglein..................................90

W.

Wachtelentchen........................76

Waldente....................................72

Weichschnabelent..................93

Weiszauge..................................87

Weiszkehlige Entc....................82

Wciszspiegel..............................68


ocr page 343

311

No.

Weiszstirn................ 6i

Weiszstirngans............. 15

Weiszwangige Gans......... 20

Wetterauergans............. Hi

Wieselentchen.............. 102

Wieselkopf................. 102

Wilde Ente................. 50

Wilde Gans................ 11

Wilder Sclnvan............ 32

Winterente................ 97

Winternorks................ 100

Wiihlente.................. 47

Wiihlgans.................. 47

c.

A.

No. I

Ailes courtes (Canard aux).. 9i ,

„ noires „ „ .. 30 ,

Antarctique (Oie)........................29

Arcanette......................................76

Aylesbury (Canard dquot;)..............Illy

Australië (Sarcelle dquot;)..............81

B.

Bahama (Canard de)..................71

Barbarie „ „ ..................lllm

Barboteur..................................Ilia

Bee court (Oie a)......................14

„ en cuiller............................55

„ jaune (Canard a)................62

„ jaune et noir (Canard a) 79

Z.

No.

Zahme Ente................................Ilia

„ Gans..............................Ia

Zachmer Sclnvan......................Ha

Zimmtente..................................48

Zirzente........................................75

Zitronenente................................48

Zopfente........................................83

Zuggans........................................12

Zwergente....................................Him

Zwerggans..................................16

Zwergsiiger..................................102

Zwergschwan..............................33

NAMEN.

No.

Bee noir (Canard a)..................40

„ „ (Cygne a)..................32

„ rosé (Canard a)................91

„ rouge „ „................41

» „................71

» „ (Cygne a)................31

Bernache (la)..............................20

„ a camaille blanc.. 8

„ „ cou roux..............21

„ de magellan............25

„ „ „ a tète grise 27

„ „ „ „ „rousse 28

„ „ Sandwich............24

Bernaele (le)..............................20

Brantre roussatre......................87

Brésil (Sarcelle du)..................78

Bruyant (Canard)........................68


ocr page 344

312

C.

No.

Caboue (Oie)................................5

Canada (Oie clu)........................2-2

Canard aux ailes noires .... 30

„ „ rouges--------94

„ d'Aylesbury..................IHg

„ de Bahama..................72

„ „ barbarie........IHm

„ a bee jaune................00

„ „ „ et noire. 79

„ „ „ raembraneux. 92

„ » mou..................93

„ „ „ noir....................40

„ „ „ rosé..................91

„ „ rouge................41

„ „ „ „ ................quot;1

„ „ „ taclieté............61

„ bruyant........................68

„ de la Caroline............73

n „ „ Chine................74

„ Chipeau........................68

„ domestique..................Ilia

„ de Duclair..................IHg

„ a Eventail..................74

„ Faisan..........................69

„ Formose......................81

„ hollandais....................Ilia

„ liuppé............................illc

„ de i'lnde......................11 In

„ „ .lense......................65

„ „ Labrador................Hid

„ a longue queue ... 69

„ a iunuie......................42

„ Mandarin....................74

„ de Maragnan..............39

„ maron............ 67

,, de Miclon....................97

No.

Canard ilignon............. lllm

„ des montagnes..........Illg

„ musqué domestique llln

„ „ sauvago... 54

„ normand......................lllf

„ obscure........................57

„ de Paradis..................50

„ „ Peking....................Ill I

„ Percheur......................40

pie................................90

„ pinguin......................111k

„ plombière....................74

„ polonais........................111b

„ de Rouen....................Illf

„ Sabreur........................111b

„ sauvage........................56

„ Siffleur..........................64

„ „ du Chili. . . 60

huppé............87

„ a sourcils blancs... 59

„ „ lète grise................53

„ „ „ rose..................62

Cane (la)......................................Ilia

Caneton (le)................................Ilk

Caroline (Canard do la)..........73

Casarca (Tadorne)......................48

„ varié..............................50

Cayenne (Sarceile de)..............77

Cèréopse cendré (le)................9

Chanteur (Cygne)......................34

Cliili (Oie de)............................26

„ (Pilet de)............................70

Chine (Sarceile de la)............74

Chipeau (Canard)......................68

Coq de mer (le)........................69

Cou noir (Cygne a)................36

„ roux (Bernache a)............21


ocr page 345

313

.No.

Cravant (Ie)..............................19

Cravate (Oie a)..........................22

Crimée (Oio de la).......... Ie

Crinière (Oie a)......................31

Criquart (lei................................75

Criquet (le)..................................75

Cygne a bee jamie....................32

„ „ „ rouge (domcst). Ila

„ „ „ „ (sauv.).. 3't

„ Chanteur...............32

„ a cou noir......................30 -

„ anatoïde..........................38

„ de Bewick......................33 '

„ domesticfiie....................Ila i

„ né blanc..........................lib !

„ noir..................................37

„ san vage..........................32

„ a tubercule....................Ila

D.

Danube (Oie dn)........... Ie |

Dendrocygne a bee rouge... 41

Duclair (Canard de)................Illg

Duvet (Oie a)............................90

E.

Egypte (Oie dquot;)............. 7

„ (Sarcelle dquot;)..................88 |

Eider (1)......................................96 I

.

Eté (Sarcelle d')........................75 {

Eventail (Canard a)..................74

P.

Faisan de mer..........................69

Faucilles (Sarcelle a)..............80

Formose (Canard)......................82

G.

Xo.

Gamble (Oie de)........................2

Garganey (le)............................76

Garrot (le)....................................90

Garsotte (la)..............................76

Guinée (Oie dei..........................10

H.

llalbran (le)................................76

llarle commun..........................100

„ liuppé................................101

„ piette................................102

Herelan (le)..............................47

Hiver (Sarcelle dquot;)....................76

I.

Inde (Canard de 1quot;)......■.. . 'illn

„ (Oie „ „)....................17

J.

Jacobin (le)................................83

Jar (le)..........................................fa

Java (Sarcelle de)....................80

Jense (Canard de)....................65

L.

Labrador (Canard du)..............Hid

Louisiana( „ de la).... 65

Lunule ( „ a)................42

M.

Macreuse (la)..............................99

„ ( „ double)..............98

Magellan (Bernaclie de)..........25

„ a tète grise (Bernaclie de)..............27


ocr page 346

314

Magellan a tête rousse (Ber-

nache de).......

Mandarin (Canard)..........

Maragnan (Canard de).......

Marcanette (la).............

Maréque amérlcaine)........

Maron (Canard).............

Miclon ( „ de)...........

Mignon( „ )...........

Milouin (le).................

„ d'Afrique...........

Miloulnan (le)..............

Molssons (Oie des)..........

Montagne (Oie de)..........

Montagues (Canard des).....

Morillon (le)................

Masqué domestique (Canard), sauvage ( „ ).

N,

Nonnette (la)...............

Normand (Canard)..........

Nyroca ( „ )...........

O,

Oie

antarctique.............

n

:ï alles noires..........

H

a bee court............

.//

bronzée...............

caboue.................

ji

du Canada .............

cendrée ...............

du Chili................

a cravate...............

„

de la Crimée...........

a ermière..............

du Danube.............

.No.

Oie domestique..........................la

„ a duvet................................90

„ d' Egypte............................7

„ d' Einde-............................Ic

„ friséé....................................le

„ de Gamble..........................2

„ „ Guinée............................10

„ t, „ (domestique.. Hi

„ do Hutcliin..........................23

„ d' Inde..................................17

„ des moissons......................12

„ de montagne......................7

„ naine....................................10

„ de neige..............................18

„ de rOrenoque....................8

„ Pie......................................1

„ a jiieds deml-pahnés.... 1

„ „ „ pales......................li

„ de la Pomméranie............Id

„ des Pyrenees......................lb

„ rieuse....................................15

„ sauvage................................11

„ de Slam..............................Hi

„ de Toulouse........................lb

„ a tubercule......................10

P.

Paradis (Canard de)..................50

Pennard (le)................................69

Percheur (Canard)....................40

Pie (Canard)................................90

„ (Oie)......................................]

Pieds demi-palme's (Oie a).. 1

Piette (la)....................................102

Pilet (le)......................................69

„ du Chili..............................70

Plombière de la Chiiie(Canard) 74


ocr page 347

No.

Polonais (Canard)......................IIIc.

Pommeranie (Die de la)..........Id

B.

liacanette (la)............................75

Ridenne (la)................................08

liieusc (Oie).....................15

Rouget de rivière......................55

S.

Sabreui- (Canard)........................I lie

Sandwich (Bernache de).... 24

Sarcelle d'Australie..................82

„ du Erésll....................78

„ de Cayenne................77

„ „ la Chine................74

„ d' Egypte....................88

„ d' Eté..........................75

„ a fauciües..................80

No.

Sarcelle de Féroë....................07

„ d' hiver......................7G

„ de Java........................80

„ (petite)..........................70

Sarcelline (la)............................70

Sillleur (Canard)........................01

„ du Chili........................0G

„ huppé..........................87

Souchet (le)................................55

Soucrourou (le)..........................77

Sourcils blancs (Canard a).. 59

T.

Tadorne........................................47

„ Casarca......................48

ïête grise (Canard a)..............53

» rose ( „ „).....6-2

Tubercule (Oie a)....................10


D. ENGELSCHE NAMEN.

A.

No.

American Scaup Duck............85

Andean Goose............................30

Ashy-headed Goose..................27

Australian Shelldrake..............49

„ Wild-duck..............59

Aylesbury Duck........................Illh

B

Bahama Duck............................72

Baldpate......................................05

No.

Bargander....................................47

Bar-headed Goose......................17

Bean Goose..............................12

Bernicle Goose........................20

Bewik's Swan............................33

Black-backed Goose................5

„ „ „ (American) 0

„ billed Treeduck..............40

„ Braszilian Duck..............Hid

„ Diver................................99

„ Duck..................................57


ocr page 348

316

No.

Black-Duck (Great)..................98

„ East-Indian Duck... . lllil

„ necked Swan..................36

„ and White Goose..........1

„ spunvinged-Goose .... 4

„ Swan................................37

Blue-bill......................................84

„ Poker................................8C

Brantgoose..................................19

Brentgoose................................19

Brazilian Duck............................54

Brondbill......................................84

Brown Duck................................89

Buenos-Ayres Duck..................Hid

Burrow Duck..............................47

C.

Call-Duck....................................Illm

Canada Goose............................22

Cayuga Duck..............................Hid

Cereopsis Goose........................9

Chestnut-breasted Duck..........67

Chilian Goose..............................26

„ Pintail............................70

Chiloë Wigeon............................66

China Goose................................Hi

Chinese Goose............................10

„ Scaup Duck................85

Clakis............................................20

Coscoroba Swan........................38

Cracker........................................69

Crested common Duck............IIIc

Crucket Teal..............................75

Curved-billed Duck..................Illb

D.

Danubian Goose........................le

Xo.

Diver (Black)..............................99

Dnck (Common)..........................ilia

„ (Wild)................................56

Duckling......................................Ilia

Duncur........................................86

Dun-diver......................................100

Dusky Duck................................57

E.

East-Indian Duck (Black).... Hid

Egyptian Goose..........................7

Eider Duck............ .... 96

Elk................................................32

Eyton's Tree-duck....................46

F.

Franch Duck (little)..................Illm

G.

Gadwall Duck............................68

Ganderquot;..........................................la

Garganey Teal............................75

Glatter Goose..............................19

Golden-eye..................................90

Goosander....................................100

Goose (Common)........................la

„ (Danubian)......................Ie

„ (Wild)..............................11

Gosling..........................................la

Gray Duck....................................68

„ legged Goose....................11

Greengoose..................................la

Greenhead..................................50

Guilbec........................................60

Gull.......................


ocr page 349

317

H.

No.

O.

Xo.

Hongkong Goose........................Hi

Ilookbilled Dupk........................Illb

Hooper Swan..............................32

Hutchins Goose..........................23

I.

Indian Tree-Duck......................42

„ Wattle Duck................5

Irish Goose..................................Ic

J.

Jac-saw........................................96

Japanese Teal............................81

K.

Kelp-Goose..................................29

L.

Labrador Duck..........................Hid

Laughing Goose..........................15

Lesser Scaup Duck..................85

Little Goose................................'16

Loggerhead Goose....................91

Longtailed Duck........................07

M.

Mallard........................................56

Mandarin Duck..........................74

Maned Goose..............................31

Mellers Duck..............................63

Mountain Duck..........................49

Midler's Duck............................82

Muscovy Duck............................Hln

Musk Duck (domest)............Hln

„ „ (wild)....................54

Orinoco Goose............................8

P.

Peking Duck............................HI 1

I'inguin Duck..............................IHh

Painted Duck..............................25

Paradisean Duck........................50

Pink-eyed Duck........................92

„ -footed Goose......................14

„ -headed Duck....................62

Pintail..........................................69

„ (Chilian)..........................70

Pirennet........................................47

Pochard........................................86

Poker (IJlue,)................................86

I'olish Swan................................lib

R.

Race-horse Druck......................94

Radjah Shelldrake....................53

Red-crested Pochard................87

„ „ 'Whistling Duck. 87

Rat Goose....................................19

Red-billed Duck........................71

„ „ Tree-duck................41

„ -breasted Goose..................21

„ „ Merganser.... 101

„ -headed Wigeon................86

Road Goose................................19

Rodge..........................................68

Rossy-billed Duck......................91

Ruddy-headed Goose................28

„ Shelldrake........................48

Rueppell's Spurwinged Goose 3


ocr page 350

318

S.

No.

Sandwich-Island Gooso............24

Scaup-Duck................................84

„ „ (American)............83

„ „ (Chinese)................85

„ „ (Lesser)..................85

Scoter (Common)......................99

„ (velvet)............................98

Sebastopol Goose......................le

Schelldrake..................................47

„ (Australian)..............49

„ (ruddy)......................48

„ (variegated)..............50

„ (white-fronted).... '52

„ (white-winged).... 51

Shoveller....................................55

Shuffer........................................84

Slender Duck..............................82

Smew............................................102

Snow Goose................................18

Soft-billed Duck........................93

Sparling-fowl..............................100

Spotted-billed Duck..................61

Sprigtail........................................09

Spur winged Goose....................2

„ (Black).... 4

Summer Duck............................73

Summer Tael..............................75

Swan (common)........................Ila

„ (Trumpeter)....................35

„ (wild)................................32

„ Goose................................10

T.

Tame Swan................................II

Teal (African)..............................89

„ (Rlue Winged)..................77

No

Teal (Brazilian)..........................78

„ (Chilian)..............................79

„ (Common)............................76

„ (Falcated)............................80

„ (Japanese)..........................81

„ (Summer)............................75

„ (Whistling)..........................45

Treeduck (Black-billed)............40

„ (Eyton's)....................46

„ (fulvous)......................45

„ (Indian)........................42

„ (Larger)......................43

„ (Red-billed)................41

„ (white-faced)............39

Tree-goose..................................20

Trumpeter Swan......................35

Tufted Duck..............................83

U.

Upland Goose..............................25

V.

Vare-Wigeon..............................102

W.

Wattle-Duck (American)..........6

„ „ (Indian)..................5

Whewer......................................64

Whim............................................64

Whistle-wing..............................90

Whistling Duck (Red-crested) 87

„ Swan .'....................32

Teal..........................44

White-eyed Duck......................88

„ -faced Tree-duck............39

„ -fronted Goose................15

,, ,, Schelldrake... 50


ocr page 351

319

Xo.

White-marked Duck................58

„ Nun....................................10-2

Wigeon........................................6i

„ (American)..................65

„ (Chiloe)............................GO

„ (Red-headetl)..................86

Wild Duck..................................56

No.

Wild Goose................................11

„ Swan..................................32

Wood Duck................................31

a a ................................73

Y.

■ Yellow-billed Duck..................60


E. LATIJNSCHE NAMENquot;.

A.

No. j

acuta Lin. (Anas)......................69

„ Leach (Dalila)..................69

„ Kaup. (Fraclielonetta).. 69 |

acutus Wigl. (Phasianurus).. 69

adunca Lin. (Anas)..................Illb

aegyptiaca Lath. (Ana's)............52

„ Lin. (Anas)............7

„ Eyt (Bernicla).... 7

aegyptiacus Briss. (Anser)... 7 „ Steph. (Chenalo-

pex..........................................7 j

aestiva Briss. (Anas)................73

a ii (Querquedula i . 75

aethiops Kaup (Mergus)..........100 j

affinis Eyt. (Fuligula)..............85 \

„ Baird (Fulix)....................85

africana Gmel. (Anas)..............88

„ Gray. (Nyroca)............88

„ Eyt. (Sarcidiornis). .. 5

alandica Sparm. (Anas)............69

albatus Cass. (Anser)..............18

albellus Lin. (Mergus).......102

No.

albellus Selby (Mergellus)... 102 „ Vicill. (Merganser).. 102

albifrons Gmel. (Anas)............15

„ Bechst. (Anser)...15

albigularis Hume (Mareca) .. 82

albipennis Licht (Anas)..........91

alexandrina Gmel. (Anas*.... 68

Altumi Baed. (Gygnus)............33

amatorius Eimb. (Mergus)... 102

americana Gmel. (Anas)..........65

„ Bonp. (Aythyia)... 86

„ Baird. (Bucephala) 90

„ Born. (ClanguIaV. 90

„ Bonp. (Dafda).... 69

„ Eyt. (Fuligula)--------86

„ Stepb. (Mareca)... 65

„ Gray. (Nyroca)... 86

„ Briss.(Querquedula) 77

americ. Bonp. (Chaulelasmus) 68

„ Cass. (Mergus)......100

anatoides King. (Cygnus) .... 38 angustirostris Phil. (Querquedulai..........................................79


ocr page 352

320

No. I

No.

anser Lin. (Anas)......................11

antarctioa Grael. (Anas)..........29

„ Steph. (Bernicla).. 29

„ Gray. (Brenta)..........29

„ Less. (Chenalopex) 29 !

„ Reich. (Taenicliestes) 29

anticola Tsch. (Anser)..............30

„ Gray. (Bernicla)________30

arabica Gmcl. (Anas)................75

arborea Lin. (Anas)..................40

„ Swains. (Uendrocygna) 40

„ Wagl. (Dendronessa). 40

archiboschas Brehm. (Anas). 56

arctica Leach (Anas)................83

arcuata Cuv. (Anas)..................42

„ Bnp. (Dendrocygna). 42

„ Wagl. (Dendronessa) 42

„ lieicli. (Rhodonessa). 42

arvensis Brehm. (Anser)..........13

asiaticus Gmel. (Mergus).... 102

atra Pall. (Anas)........................99

atrata Pall. (Anas)....................98

„ Lath. (Anas)....................37

„ Wagl. (Chenopis)..........37

atratus Vieill. (Cygnus)............37

Auduboni Bonp. (Anas)............50

australis Lin. (Anas)..................10

„ Swains. (Cereopsis). 9

autumnalis Uin. (Anas)............41

„ Eyt. (Dendrocygna). 41 „ Wagl. (Dendronessa) 41

awzuree Sykes. (Mareca).... 42

Azarae Merr. (Anas)..................79

B.

badia Mull. (Anas)....................44

bahamensis Lin. (Anas)............72

bahamensis llartl. (Dalila) ... 72

„ Eyt. (Poecilonetta) 72

baikal Bonn. (Anas)..................81

balbul I'orsk (Anas)..................75

Belloni Steph (Tadorna)..........47

bernicla Lin.;(Anas)..................19

„ Briss (Brenta)..............19

„ Less. (Chenalopex).. 19

„ Pall. (Anser)................20

Bewickii Yarr. (Cygnus)..........33

bicolor Don. (Anas)..................54

„ Vieill. (Anas)................45

bimaculata Penn. (Anas) .... 81

„ Bonp. (Eunetta).. 81

borealis Brehm. (Somateria). 9G

boschas Lin. domest. (Anas). Ilia

„ Lin. fera. (Anas) .... 5li

brachyptera Lath. (Anas).... 94 brachypterus Darw. (Microp-

terus)........................................94

brachyrhyncha Besek. (Anas) 07

„ Brehm '(Clangula) 97

(Hare Ida). 97 „ ,! (Clypeata) 55 brachyrhynclms Brehm (Rhijn-

chaspis).................. 55

brachyrhynchus Bartl. (Anser) 11

Branta = Brenta........... 19

brasiliensis Gmel. (Anas).... 78

„ Gray (Mareca)..... 78

„ Bonp.(Querquedula) 78

brenta Pall. (Anas).......... 19

„ (Bernicla)............ 19

brevirostris Heck. (Anser)... 16 „ Thien. (Anser)... 14

Breweri And. (Anas)......... 56

Bruchii Brehm (Anser)...... 15


ocr page 353

321

No.

ijnauiL'a Eyt. (Kuligula)..........80

„ Eyl. (Nyroca)............89

buccinator Rich. (CvLrnus).. . 35

„ AVagl. (Olor)..........:i3

C.

canrulescens Lin. (.Vnser) ... 18

cana Gniel. (Anas)....................52

„ iionp. (Casarca)..............52

„ Sclat. (Tadorna)..............52

canadensis Lin. (Anas)............22

„ Gmel. (Anser)________22

„ lioie (Jiernicla) .. 22

„ Gray (lirenta).... 22

„ lirandt(Cygnopsis) 22

„ Steph. (Cygtius).. 22 „ liaird. (Leucoble-

pharon)....................................22

candidus Vieill (Anser)............38

capensis Cuv. (Anas)................80

„ iionp. (Aylliya)..........80

„ Cnp. (Cliaulelasmus) 08

„ Sclileg. (Fuligula).. 88

„ Smith.(Uliijnchaspis) 55

„ Eyt. (Spatula)............55

carunculata Vieill. (Anas)... 95

„ Licht. (Sarcidiornis) C

caryophyllacea Sund. (Anas). 42

„ Wagl. (Dendronebsa) (32

„ Reicli. (Illiodonessa) 62

caryophyllaea Sund. (Anas).. 42

casarca Lin. (Anas)..................48

„ Vieill (Anser)..............48

„ M. Gill (Tadorna).... 48

castanea Gray. (Casarca).... 50

„ Eyt. (Mareca)............07

canrlacnta Iturm. Anas).... 70

No.

caudacuta Kay (Anas).!..........CO

„ Steph. (Dalila);............GO

„ M. Gill.(Querquedula) GO

caudata Hurm. (Anas)..............CO

chalcoptera Kitzl. (Anas) .... 58

cheneros I'orst (Anas)..............50

cliinensis Erisch. (Anas)..........If

castor Lin. (Mergus)................100

„ Iionp. (Merganser)..........lOU

chiloönsis 1'h. amp; Landb. (iier-

nicla)......................................27

chiloönsis King (Anas)............GG

„ Eyt. (Mareca).... CC

chionis iionp. (Coscoroba)... 38

„ 111. (Cygnus)................38

„ 111. (Pseudolor)............38

chrysoplithalinus Steph. (Clan-

gula).................... 00

cinerascens Rechst (Anas)... 97

„ lieclist (Anas)... 99

„ lirehin (Anas)... 1G

cinerea Gmel. (Anas)................C8

cinereusGray.(Camptolaimus) 9i

„ Schleg. (Euligula) ... 9'f

„ King (Micropterus)... 9i-

„ Gray (Tachyeres).... 94

„ Mey. (Anser)..................II

„ Cuv. (Cereopsis)..........0

„ ]irehm.(Chaulelasmus) CS

„ liriss. (Merganser).... 100

„ (knncslicus (Anser)... I

„ /'crifs Gmel. (Anser).. II

circia Lin. (Anas)......................75

„ Eyt. (Cyanopterus).... 75

„ Iionp. i I'terocyanea)... 75

„ Steph. (Qnerquedula).. 75

clangula Lin. (Anas)................00


21

ocr page 354

322

Xo.

i-langula Kavip. (Fuligula).... 90

„ Kaup. (Glaucion)— 90

clypeata Lin. (Anas)................55

„ Boie. (Spatula)............55

„ Leach. (Rhijnchaspis) 55

coerulcscens Cass. (Anser).. 18

collaris Merr. (Anas)................45

„ Brehm. (Bernicla)... 19

colymbus Pall. (Anas)..............83

conboschas Brelim. (Anas)... 56

cornuta Gmel. (Anas)..............47

„ Brehm. (Tadorna)... 47

coscoroba Mol. (Anas)..............38

„ Bonot. (Anser).... 38

„ Gray. (Cygnus).... 38

„ Gray. (Olor).....% 38

„ Gray. (Pseudolor). 38

erecca Lin. (Anas)....................70

„ Kaup. (Nettion)............7ö

„ Gray. (Pterocyanea).. 76 „ Steph.'(Querquedula). 76 creccoides Brehm. (Querquedula)..........................................76

creccoides King. (Anas)..........79

„ Eyt. (Querquedula) 79

cristata Lin. (Anas)..................83

„ Steph. (Fuligula).... 83

„ Gray. (Fulix)................83

„ Baird. (Nettarion)... 83

cristatus Briss. (Merganser).. 101

curvirostra Pall. (Anas)..........Illb

Ciithbertii Pall. (Anas)..............96

„ Eyt. (Somateria).. 96

cygnoïdes Lin. Anas)..............10

„ I'all. (Anser)............10

„ Brandt (Cygnopsis) 10

cygneus Bodd. (Anas)..............10

No.

cygnus Lin. (ferus) (Anas)... 34

„ Bonp. (Olor)................34

D.

damiatica Gmel. (Anas)............47

danica Brehm. (Somateria)... 96

Deglandi Bonp. (Oidemia)... 98

discors Lin. (Anas)..................77

„ Eyt. (Cyanoptera)... 77 „ Bonp. (Pteorocyanea) 77

„ Steph. (Querquedula) 77

dispar Phil. (Bernicla)..............26

„ Gray. (Brenta)................26

„ Sclat. (Chloëphaga).... 26

domestica (Anas)......................Ilia

„ (Cairina)....................11'

domesticus (Anser)..................la

„ (Cygnus)................Ha

drepanopterus Pall. (Anas).. 80

Dussumieri Naum. (Anas).... 88

E.

erythrocephala Bonp. (Anas). 62

„ Gmel. (Anas)... 86

„ Gmel p. p. (Anas) 87

„ Gmel. (Anser)... 48

„ Brehm (Aythyia) 86

erythropus Gmel. (Anas)..........20

„ Lin. (Anas)............16

„ Gmel. (Anser).... 16 ■ „ Reich, (llarilo-

chen)........................................16

erythrorhyncha Gmel. (Anas) 71

Haiti. (Dafila) 71 „ Eyt. (Poecilo-

netta)........................................71


ocr page 355

323

No.

No.

erythrorhyneha Donp. (Quer-

quedula)..................................71

erythrorhyneha Eyt. (Quer-

quedula)..................................78

Eytoni Gray (Dendrocygna).. 40

„ Goulil (Leptotarsis)... 46

„ Reich. (Radjah)............53

P.

Faheri Brehm. (Clangula).... 97

falcaria Latli. (Anas)................80

falcata Pall. (Anas)....................80

„ lionp. (Emietta)............80

„ Gray (Qucrquedula).. 80

lamiliaris lioïo (Tadorna).... 47

faroënsis Brehm. (Somatcria) 96

fasciata Shaw. (Anas)................92

„ Less. (Rhyncliaspis). 92 fasciatus Wagl. (Malacorhyn-

chus)..........................................92

fera Briss. (Anas)........................56

ferlna Lin. (Anas)......................86

„ Boie (Aythyla)..............86

„ Baird. (Aristonetta)... 86

„ Stcph. (Fulignla)..........86

„ Klem (Xyroca)..............86

ferroënsis Brehm. (Anas).... 97 „ Brehm (Qucrquedula) ..........................................97

ferruginca Betz (Anas)..............88

„ Retz (Xyroca).... 88

ferus Gmcl. (Anser)..................H

„ Ray (Cygnus)..................32

fimbriata Mcrr (Anas)..............72

fistularis Briss. (Anas)..............64

flavirostris Smith (Anas)..........CO

„ Vieill. (Anas) .... 79

(lavirostris Kaup. (Nettion)... 79 „ Burin (Querque-

dula)............................................79

forraosa Geo. (Anas)..................81

„ Bonp. (Kunetta)... . 81

„ Steph.(Querquedula) 81 I'orsterorum Wagl. (Malaco-

rhynchus)................................93

frenata Sparm. (Anas)..............8i

Freycineti Bonp. (Anas)..........50

fuliginosa Bcchst. (Anas)..........98

fulignla Lin. (Anas)....................83

„ Boie (Aythya)..............83

„ Flem. (Xyroca)............83

fuligulus Brehm. (I'latyiius) .. 83

fulva Gmel. (Anas)....................45

„ Baird (Dendrocygna) .. 45

„ Wagl. (Dendronessa).. 45

„ Gray. (Nyroca)................45

fusca Lin. (Anas)........................98

„ Boie (Malenetta)..............98

„ Flem. (Oidemia)..............98

fuscus Brehm. (Platypus).... 98

G.

galcriculata Lin. (Anas)............7'p

I Sole (Aix)............7i

„ Kauji. (Cosmo-

nessa)........................................74

galericulata Swains. (Dendronessa)........................................74

galericulata Wagl. (Lampro-

nessa)........................................74

gambensis Lin. (Anas)....... 2

„ Briss. (Anser)..... 2

„ Steph. (Plectropte-rus)...................... 2


ocr page 356

32't

Xo.

gamhensis Riipp. (Cygnus).. 3

ganta Forst. (Anas)....................29

gattair Gmel. (Anas)..................88

gcorgica Gmel. (Anas)............79

Gesneri Ray (Fuligula)............81

gibbera Brelim. (Oidemia)... 99

„ „ (Tatlorna)... 47

gibberifrons Mi'ill. (Anas)..........82

„ Kanp. (Xelticin).. 82 „ Huil. (Querque-

dula)..........................................82

gibbus Uecbst. (Cygnus)..........34

glacialis Lin. (Anas)..................97

„ Boie (Clangula)..........97

„ MacG. (Crymonessa) 97

„ Bonp. (Fuligula) .... 97

„ Leach. (Ilarelda).... 97

„ Kaup. (Pagonetta).. 97

„ Brohm. (Platypus) .. 97

„ Brünn. (Mergus).... 97

glaucion Pall. (Anas)................88

„ Lin. (Anas)..................90

„ Brebni. (Clangula) . 90 gla\icogastcr Brohm. (Berni-

cla)............................................19

glaucopterus Br. (Qucrqued.) 75

glocitans Aud. (Anas)................50

„ Flem. (Anas)..............70

Pall. (Anas)................81

„ Eyt (Anas)..................79

Gmelini Lath. (Anas)................88

Gouldi Bonp. (Dendrocygna). 44

gracilis Bull. (Anas)..................82

grandis Pall. (Anser)................10

griseus Vieill. (Anser)..............9

guineönsis Briss. (Anser)..........10

gulo Steph. (Merganser).... iflO

H.

Xo.

hawaïensis Eyt. (Anser)............24

hiemalis v. hyemalis........

hina Gmel. (Anas)......................76

hispanicus Mars. (Anser).... 10

Uomeyevl Baod. (Fuligula)... 86 Hornschuchi Brehm. (Mela-

nitta)..........................................98

Hornschuchi Brehm.(Oidomia) 98

humeralis Mull. (Anas)............75

„ lion p. (Pterocya-

nea)............................................75

humeralisGray. (Ouerquedula) 75

llutchinsii Beich. (Bernicla). 23

„ (Iray. (Brenta)..........23

„ Baird. (Leucoble-

pharon)....................................23

hybrida Mol. (Anas)..................2Sgt;

I hyemalis Pall. (Anas)................90

„ Lin. (Anas)................97

„ Brehm. (Ilarelda).. !gt;7

hyperhorea Gmel. (Anas)________18

hyperboreus Pall. (Anser).... 18

„ Boie. (Chen)________18

„ Beich. (Chino-

chen)..........................................18

hyperboreus d'Orb. (Cygnus) 38

I.

icariotis Licht. (Anas)..............65

ilathera Bonn. (Anas)..............72

immutabilis Yarr. (dom.) (Cygnus) .................... Ill)

immutabilis Yarr. (fer.) (Cygnus)..........................................Si*

I imperialis Gmel. (Mergus)... 100

j indica Lath. (Anas).......... 17


ocr page 357

325

iudica Grav (Bemicla)......

17

L.

„ Reich. (Eulabeia).....

17

indicus Gmel. (Ansei)......

17

lanuginosus Briss. (Anser)...

inomata Sclat. (Cliloëphaga).

28

lalirostris Bonp. (Anas).....

„ Gosse.(Querquedula)

77

„ Bri'm. (Anas)......

„ Gray. (Bernicla)....

28

Leislori Brehm. (Platypus)...

inornatus King. (Anser).....

28

„ Brehm. (Somateria)..

„ Gray. (Anser)......

27

leucocephala Bechst. (Anas).

intermedia Jaub. (Anas).....

80

„ I'lem. (Oidemia)

intermedins Xaum. (Anser)..

15

leucomelas Brehm. (Clan-

iodotis Less. (Anas).........

92

gula).............

ipeceturi Vieiil. (Anas)......

78

leucomelas Gmel. (.Mcrgus).

„ Gray. (QuerqueUula)

78

„ Garn. (Anas)....

islandica Brehm. (Somateria)

90

leucopareia Gray. (Bernicla).

„ Crebm. (Anas).....

84

leucopareius Brandt (Anser).

„ Brehm. (1'uligula)..

84

leucopbrys Forst. (Anas)____

„ Brehm. (Watypus)..

84

leucophthalraus Tem. (Anas).

„ Brehm. (Cygnus)...

33

„ Baird. (Ari-

J.

stonetta)..................

leucophthalmus Brehm. (Ay-

javana Bodd. (Anas).........

80

javanensis Bonn. (Anas).....

80

leucophthalmus I'lem. (Xy-

„ Bonp. (Querquedula)

80

roca).....................

javanica Horsf. (Anas) ......

42

leucopsis Naum. (Anas).....

„ „ variet. (Anas)

41

„ quot;Tem. (Anas).......

» (Anas).......

02

„ Bechst. (Anser)....

jubata Lath. (Anas)..........

31

„ Steph. (Bernicla)...

„ Steph. (Bernicla).....

31

„ Grav. (Bronta).....

„ Gray. (Brenta)........

31

„ Less. (Clienalopex)

„ Bonp. (Clilamydauchen)

31

„ Beich. (Leucopareia)

„ Brandt. (Chenonetta)..

8

leucoptera Gmel. (Anas)____

jubatus Spix. (Anser).......

8

„ Less. (Clienalo

„ Sclileg. (Anser).....

31

pex) .....................

„ Wagl. (Clienalopex).

8

leucoptera Blijth. (Casarka)..

K.

leucopterus Licht. (Anser)...

leucotis llerm. (Anas).......

kagolka Gmel. (Anas).......

04

littoralis Brehm. (Tadorna)..

kekuschka Gmel. (Anas).....

08

lobata Shaw. (Anas)........

ocr page 358

326

No.

lobata Leach. (Biziura)............95

„ Bonp. (Erismatura)... 95

lobatus Tern. (Hydrobates).. 95

longicauda Briss. (Anas)..........09

„ Brehm. (Datila)... C9

„ Leach, (llarelda). 97

lucida Gmel. (Anas)..................88

M.

macrorhyncha Brehm. (Cly-

peata)........................................55

maerorhynchus Jard. (Bliyn-

chaspis)....................................55

maculatus.Iard. (Rhynchaspis) 55

magellanica Sparm. (Anas).. 29

„ Gmel. (Anas).... 25

„ Gray. (Bernicla). 25

„ Gray. (Brenta)... 25

„ Eyt. (Chloëpliaga) 25 „ Reich. (Taenidie-

estes)........................................29

major Jerd. (Dendrocygna)... 43

malacorhyncha Gmel. (Anas). 92

„ Forst. (Anas). 93

malacorhynchus Reich. (Fuli-

gulus)........................................93

macrorhynchus Gray. (Ilyme-

nolaemus)................................93

mansuetus Ray (Cygnus).... Ila

marila Lin (Anas)......................8i

„ Bonp (Aythijia)..............84

„ Steph (Fuligula)............84

„ Gray (Fulix)....................84

„ Raii-d (Xettarion)..........8i

„ Flem (Nyroca)................84

„ Brehm (Platypus)..........84

mariloïdes Vig (Fuligula).... 84

Xo.

maritima Brehm (Tadorna).. 47

medius Tem (Anser)........ -15

megapus Rrehm (Melanitta).. 98 „ „ (Oidemia)... 98 megaurus „ (Clangula).. 97

„ „ (llarelda)... 97

„ „ (Melanitta). 99

„ „ (Oidemia). . 99

melanocephala Herm (Anas). 90

„ Gmel (Anas).. 30

melanocephalus Vieill(Cygnus) 30

melanocorypha Mol (Anas).. 30

melanoleuca Lath (Anas).... 1

„ Less (Anseranas) 1

melanopsis Maclz (Anser).... 19

melanoptera Gray (Bernicla). 30

„ „ (Brenta).. 30

„ Roup (Chloëpliaga) 30

melanopterus Eijt (Anser)... 30 „ Rann (Oresso-

chen)........................................30

melanorhinus Naum (Cygnus) 32 melanorhynchus W.amp;M. (Cygnus)............................................32

melanonota Penn (Anas) .... 5

„ Forst (Sarcidiornis) 5

melanota Gmel (Anas)..............5

melanotus Bon (Anser)............5

„ Rüpp (Sarcidiornis) 5

„ Sha\v(Plectiopterus) 5

melanura Gmel (Anas)............04

Melleri Sclat (Anas)..................03

membranacea Lath. (Anas).. 92 membranaceus Swains (Malacorhynchus). 92 „ Steph (Rhynchaspis..........92


ocr page 359

327

merganser Lin. (-Mergus)....

Merianae Shaw. (Anas)......

metopias Popp. (Anas)......

„ Gray. (Faligula)....

mexicana Lath. (Anas).......

„ Gray. (Pterocyanea) „ Griss.(Qiierquedula)

miclonia Bodd. (Anas).......

micropus Brehm. (Anas).....

minor K. amp; Bl. (Cygnus)....

„ Bonn (Olor)...........

„ Bonp. (Dendrocygna)..

„ Gir. (Fuligula)........

„ Briss. (Querquedula) ..

minus Briss. (Glaucion).....

minutus Naum. (Anser)'.....

„ VieiU. (Merganser).. „ Brehm. (Mergellus).

„ Linn. (Mergus).....

mollissima Lin. (Anas)......

„ Bonp. (Fuligula).. „ Leach. (Somateria) mollissimus Bonn. (Anser)...

„ Brehm. (Platypus) monacha Brehm. (Brenta)...

montana Forst (Anas).......

montanus Brehm. (Anser)...

„ Tsch. (Anser).....

Moreli Grandid. (Anas)......

moschata Lin. (Anas)........

„ Flem. (Cairina).... „ Sund. (Hyonetta).. „ Domestica (Anas)..

Mülleri Bonp. (Anas)........

multicolor Scop. (Anas).....

„ Swinh. (Querquedula) muscaria Lin. (Anas)........

No.

muscarinus Vinson (Anas)... 63

musicus Bechst. (Cygnus).... 32

„ Wagl. (Olor)..............32

mustelinus Gmel. (Mergus).. 102

muta Müll. (Anas)....................82

N.

niger VieiU (Merganser)..........100

„ Gmel. (Mergus)..............100

„ Sclat. (Plectropterus).. 2

nigra Lin. (Anas)......................99

„ Bnp. (Fuligula)................99

„ Flem. (Oidemia)............99

nigricollis Gmel. (Anas)..........36

„ Gray. (Cygnus)... 36

„ Bechst. (Mergus). 102

nigripes Brehm (Oidemia).... 99

„ „ (Melanetta).. 99

nivalis Forst (Anser)................18

nivea Brehm (Tadorna).......18

niveus Briss. (Anser)................18

Novae llispaniae Gm. (Anas). 76 „ „ (^Pterocyanea)......................................76

Novae Hollandiae Bonn.

(Anser)......................................37

Novae Hollandiae Steph. (Bi-

zinra)........................................95

Novae Hollandiae Lath.(Cere-

opsis)........................................9

norvegicaBrehm. (Somateria) 96

notata Bodd. (Anas)................83

„ 111. (Querquedula)... 78

nyroca Guld. (Anas)..................88

„ BairJ. (Aristonetta... 88

„ Boie. (Aythyia)............88

„ Gray. (Fuligula)..........88


ocr page 360

328

O.

No.

obscura Gmel. (Anas)..............57

obscurus Urehm. (Anser).... li

oljsoleta Brehm. (Nyroea)... 88

olor Gmel. (Anas)....................34

„ Gray (Cygnus)..................3i

orieiitalis Lin. (Anas)................10

„ Gould. (Mergus) .. 100

oxyptera Meij. (Anas)..............7'J

„ Tsch. (Querquedula) 79

oxyura Meij. (Anas)..................70

P.

pallida Drelim (Anas)................19

pallipes Selys (Anser)..............14

palustris Flcm. (Anser)............11

pannonicus Scop. (Mergus).. 102

parvipes Cass (Anser)..............22

parvirostris Merr. (Anas)..........06

Pasmori llincke (Cygnus).... 35

patagiata Brehm. (Fuligula).. 83

patagonica King (Oidemia).. 'J4

paturi Spin (Anas)....................78

penelope Lin. (Anas)................C4

„ lionp. (Mareca).... (54

peposaca Vieill. (Anas)............91

„ Gray. (Aythyia)--------91

„ Sclileg. (Fuligula). 91

„ Bnp. (Metopiana).. 91

peregrina Gmd. (Anas)............88

(Anas)..........90

„ Brehmer (Fuligula). 90

personata Wied. (Anas)..... 39

perspicillata................ 39

„ Lin. (Anas)..... 99

„ Beicli. (Oidemia) 99 phoenicopus Bartl. (Anser)... 14

No.

picta Gmel. (Anas)....................25

„ Ell. (Anas)........................81

planifrons Brehm. (Soraateria) 00

platalea Vieill (Anas)..............55

platyrhynchus Liu. (Anas) ... llib

„ Ray. (Anas)... 03

„ Uetz. (Anas).. 55 „ Brehm. (Clype-

atus)..............55

„ lirehm. (llhyn-

chaspis).... 55 „ Brehm. (Mela-

nilta)..............98

„ Brehm. (Oidemia) 98

plutonia Shaw (Anas)..............37

poecilorhyncha Gmel. (Anas) 61

poliocephala Burm. (Bernicla) 27

„ Gray.(Chlüëpliaga) 27 „ Bami. (ClilOL'lro-

phus)..........................................27

pollicaris 111. (Anser)................8

polycomos Guv. (Anser)..........8

„ Less. (Chenalopex), 8

pomarina Brehm. (Clypeata).. 55 pomarinus Brehm. (Rhynchas-

pen)..........................................55

promissa Brehm. (Aix)............73

pteneres Forst (Anas)..............94

punctata Cuv. (Anas)................67

punctulata Gray. (Mareca)... 67

purpureoviridis Schinz. (Anas) 54

pygmaeus Brehm. (Anser)... 10

pyrrhorhyncha Forst. (Anas). 71

Q.

querquedula Lin. (Anas)..........75

„ Bnp.(l'terocyanea) 75


ocr page 361

R.

liarljali r.ani. (Anas)........

„ Eyt. (Taüorna).......

rancetlula Yieill (Mergus)....

Ravi Leach. (Merganser).....

regia Mol (Anas)............

„ Ronp. (Sarcidiornis)...

roseipes Schleg (Anser)......

rnbens Gmel. (Anas)........

„ Less. (Anas)........

rubidiceps Scbl. (Anser).....

„ Sclat. (Rernicla).. „ Eyt. (Chloëphaga) „ Bann. (Chloëtrophus)

rubra Gmel. (Anas)..........

rubricapillus lirünn. (Mergus) rubrirostris Vieill. (Anas)....

Rneppellii lil. (Anas)........

„ Sclat. (Plectrop-

terns)....................

rufa (.in. (Anas).............

rufescens Urehm. (Anser).... ruficeps Brelim. (Callichen)..

ruficollis Scop. (Anas).......

„ Gmel. (Anas)......

„ Pall. (Anser).......

„ Stepli. (Bernicla)..

„ Gray. (Brenta).....

„ Less. (Clienalopex). „ Bnp. (Rulibrenta)..

rufina Pall. (Anas)..........

„ MacG. (Aytliyia).....

„ Urehm. (Callichen)...

„ Steph. (Fuligula).....

„ Eyt. (Mergoides).....

„ Kaup. (Xetta)........

rutila Pall. (Anas')...........

a a'j

No..

rutila Bnp. (Casarca)........ {S

„ Boie (Tadorna)....... 48

„ Keys. amp; Bias. (Vulpanser) 48

S.

sandvicensis Bnp. (Anas).... 59

sandwichensis Gray. (Anas).. 25

„ Vig. (Bernicla) 25

„ Gray. (Brenta). 25 „ Beicli. (Leu-

copareia)..................................25

sausari Forsk. (Anas)................68

sawska Lep. (Anas)..................07

scandiaca Gmel. (Anas)..........88

scapularis Brehm. (Querque-

dula)..........................................75

Schacli-Baman Brelim. (Tadorna)..................■. 47

scutulata Mull. (Anas)..............51

„ Sclat. (Tadorna)______51

segetum Gmel. (Anas)............12

„ Bechst. (Anser).... 12

semipalmata Lath. (,\nas)________1

semipalmatus Eyt. (Clioristo-

pus)..........................................1

serrator Lin. (Mergus)............101

serratus Steph. (Merganser).. 101

„ T.in. (Mergus)............101

sibilatrix POpp (Anas..............06

sibilus Pall (Cygnus)................34

sinensis Frisch (Anser)............Hi

„ Steph. „ ............10

„ Briss. (Querquedula) 74

sinuata Licht (Anas)..............45

skoora Brünn „ ..............88

Sparmannii Lath „ ..............09

specularis King „ ..............58


ocr page 362

330

No.

spinicauda Vieill(Anas)............70

„ Bonp (Dafila)--------70

„ Gray (Erismatura) 70

spinosa Vieill (Anas)................2

.sponsa Lin „ ..............73

„ fioie (Aix)...............73

„ Reich (Cosmouessa). 73 „ Swains (Dendronessa) 73

„ Wagl (Lampronessa). 73

squamatus Gould (Mergus)... 100

stellatus Briinn „ .. 102

strepera Lin (Anas)....................68

streperus Gray (Chaulelasmus) 68

„ Swains (Chauliodus) 68

„ Agass (Stenorhynchus) 68

subboscha-s Brelim (Anas)--------56

subcrecca „ (Querquedula) 76

subterranea Scop (Anas).... 47

„ ... 8i

subulata GmclJAnas)................68

supcrciliosa Gmel „ ..............59

sylvestris Briss (Anser)............11

„ Stepli (Cairina) ... 54

T.

tadorna Lin (Anas)....................47

„ Kp. amp; Bl. (Vulpanser) 47

tadorno'ides Eyt (Casaica).... 49 „ Sclat (Tadorna). 49 „ .lard amp; Selb

(Vulpanser) 49

Temminckii Boie (Anser).... 16

torquata Gmel (Anas)................21

Pall „ ..............82

„ Brelim (liernicla).. 19

torquatus Friscli (Anser) .... 19

tricolor Bodd (Anas)..................5

U.

No.

undulata Bonn (Anas)..............17

urophasianus Vig „ ..............72

„ Eyt (Dafila)... 72

„ Sclat (Dafila).. 70

Urwinii Hume (Cygnus)..........34

V.

vagans Eyt (Dendrocygna)... 44

varia Bechst (Anas)..................7

varius „ (Anser)................7

„ Brelim (Clionalopex).. 7

variegata Gmel (Anas)'..............50

„ Gray (Casarca).... 50

„ Sclat (Tadorna)... 50

„ Gmel (Vulpanser). 50

variegatus Bonn (Anser)..........50

velvetina liaird (Melanetta) .. 98

„ Cass (Oidemia).... 98

versicolor Marl (Dendrocygna) 46

viduata Lin (Anas)....................39

„ Swains(Dendrocygna) 39

„ Wagl (Dendronessa). 39

Vigorsii Wagl (Phasianurus). 72

virgata Gray (Anas)..................45

„ Gray (Dendrocygna.. 45

virginiana Briss(Querquedula) 77

vulgaris Pall (Anser)................11

„ Flein (Clangula).... 90

vulpanser „ (Tadorna)..........47

X.

xantliorliinus Naum (Cygnus) 32 xanthorliynclia Forst spec 51

(Anas) 60

„ spec 257

(Anas) 79


ocr page 363

VERBETERINGEN.

adz. 45 regel 5 v. b. Vleesch, Beschuit lees Vleesclibeschuit.

47 „ 8 v. o. weg te laten waar zij.

07 „ 13 v. b. 50 lees 30.

104 „ 1 v. b. a c h t e r li e t w o o r d gewoonlijk toe te-

voegen Puien of.

143 „ 13 v. b. 43 lees 54.

153 „ 3 v. b. maanachtig lees manenaclitig.

174 „ 10 v. b. Gray lees Brandt.

180 „ 9 v. o. voeg bij Geelbek-zwaan.

199 „ 11 v. o. Beicb. idem lees idem Beich.

202 „ 0 v. b. buitenste lees bovenste.

11 v. o. Baud lees Eaird.

209 „ 7 v. o. voeg bij Hollandsch: Paradijseend. 214 „ 0 v. o. Scbim lees Scliinz.

210 „ 7 v. b. Scholbente lees Schollente.

219 „ 5 v. o. Schaupelente lees Schaufelente.

221 „ 9 v. o. tusscben te voegen Hollandsch: Rouweend-

228 „ 3 v. b. Meller's Goose lees Meller's Duck.

„ 4 v. b. Neut. lees Newt.

237 „ 4 v. b. Maclj. lees Mac. G.

240 „ 8v. o. tusschente voegen ilollaiidscli: Anaatje.

249 „ 10 v. o. Granentchen lees Grauentehen.

ocr page 364
ocr page 365
ocr page 366
ocr page 367

-

I

i'S

t

fV- ■ -

f

'.f rfSsSB

? 'I

quot;__

Â¥

[1:

ocr page 368