-
BIBLIOTHEEK I DIERGENEESKUNDE UTRECHT
DE PAARDENRASSEN.
3 /ssyé'
D, F, van Ijsveld.
m nur
DOOR
E. A. L. QUADEKKER,
Kapitein-paardenarts.
.,-1
y
ENGELSCHE PAARDEN.
ERVEN B. VAN DER KAMP.
1896.
â GRONINGEN.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2427 289 4
Stoom-Handelsdrukkerij, Erven B. van der Kamp, Groningen,
VO O RWO O R D.
Toen mij, als redacteur van het weekblad Hippos, door eenige abonnés gevraagd werd eene beschrijving te geven van de verschillende Enropeesche paardenrassen, heb ik gemeend aan dat verzoek te moeteji voldoen.
Daar in Nederland thans, uit het oogpunt van fokkerij, meer dan ooit het oog op Engeland gevestigd is, kwam het mij gewenscht voor met de Engelsche rassen een aanvang te maken.
Als leiddraad hebben, naast eigen ervaring, oudere en nieuwere Engelsche werken gediend.
De uitgevers van Hippos meenden, dat deze beschrijving ook iv aar de had om in brochurcfonnaat omgezet te worden, en zoo kwam dit boekje tot stand.
Indien het den Nederlandschen paardenfokkers welkom kan zijn en iets koude bijdragen tot vermeerdering hzmner kennis der paardenrassen, dan zon ik daarin voldoende erkenning voor mijn arbeid vinden.
Haarlem, Jamiari 1896.
De Schrijver.
I
ENGELSCHE PAARDEN.
De Clevelandsche bruinen en Yorkshire koetspaarden.
De Clevelandsche bruine, ook wel eenvoudig Clevelander genoemd, (in het Engelsch Cleveland Bay) is een der oudste van de Engelsche paarden, ofschoon de naam waaronder het nu bekend is, van betrekkelijk jongen datum is. De vroegere naam was âthe Chapman or pack horsequot;, en onder dezen naam was het tot voor eenige jaren bekend in de meer afgelegen dalen van Yorkshire, waar het voor het grootste deel gefokt werd. Deze naam duidt echter ook op zijn vroegere bestemming.
De fokkerij van deze paarden was zeer bloeiend ten tijde toen de wegen der meer afgelegen gedeelten van Engeland eigenlijk niet veel beter waren dan zware landwegen, en het geheele bedrijf dier streken met die paarden verricht werd.
Daar de Clevelander levendig en krachtig is, werd hij destijds gebruikt als werkpaard in de boerderij, als wagenpaard om graan of andere marktwaren naar de groote steden te brengen, en ook om den eigenaar ter kerk of markt, feest of kermis te voeren.
In het heuvelachtige Devonshire en in het noordelijk ge-
8
deelte van Yorkshire bleven zij het langst aanwezig, en thans vindt men alleen nog in Noord-Yorkshire en de omliggende districten iets wat eenigszins op de type van het oude âChapman horsequot; gelijkt.
Over de eigenlijke origine der Clevelanders bestaan zeer veel verhalen. Volgens Prof. Low zou de Clevelander het resultaat zijn van een goed overlegde kruising van volbloed-hengsten met de zwaarste Vlaamsche merriën. Het is vreemd, dat deze theorie werkelijk geloof gevonden heeft, daar het extérieur van den Clevelander op de onwaarschijnlijkheid van zulk een afstamming wijst, omdat vooral de bouw der ledematen zoo is, als die van afstammelingen van Vlaamsche paarden nooit gezien worden. Daarbij kunnen, volgens Dr. Knox, kruisingsproducten geen vast type voortbrengen, en de producten van zulke dieren keeren in het derde of vierde geslacht, zoo niet vroeger, tot de type van een der oorspronkelijke ouders terug.
Vreemd is het nu, dat op te merken valt, dat deze terugslag meer naar de slechtste der oorspronkelijke ouders, dan naar de beste overhelt. Het feit nu, dat de fokkerij der Clevelanders zich in type uiterst constant toont, is dan zeker een onwederlegbaar bewijs tegen de theorie van Prof. Low over de origine van deze soort.
Van uit een ontleedkundig oogpunt beschouwd is er in zeer veel punten een groote overeenkomst tusschen het volbloed en den Clevelander. Zij hebben dezelfde zuivere, droge bee-nen , dezelfde elegante verschijning, dezelfde vrijheid van beweging en, ofschoon in iets afwijkenden graad, ongeveer dezelfde constitutie en volharding. Het feit dat ook het Yorkshire koetspaard vast in type en kleur zich vererft, geeft recht om aan te nemen, dat er een overeenkomst van type bestaat tusschen volbloed en Clevelander.
De meest waarschijnlijke theorie omtrent de origine der
9
Clevelanders schijnt dan ook te zijn, dat zij ontstaan zijn uit oorspronkelijk in het zuiden van Engeland aanwezig geweest zijnde paarden, en vermoedelijk heeft in vroegere eeuwen een vermenging met Oostersch bloed plaats gehad. Voor deze theorie pleit zeer veel. Immers het is een feit, dat ten tijde der Romeinsche overheersching er krachtige en temperamentvolle paarden in Engeland aanwezig waren. De zware oorlogswagens van dien tijd moeten bespannen zijn geweest met paarden van taille, groote kracht en met een zekere actie. Julius Ceasar was dan ook zóó ingenomen met de Engelsche paarden, dat hij er eenige mede naar Rome nam. Nu beweert men, dat, voordat Ceasar in Engeland kwam, er Oostersche paarden naar Engeland gebracht waren.
Het is bekend, dat de Phoeniciërs een aanzienlijken handel dreven met de bewoners van het zuidelijk en zuidwestelijk gedeelte van Engeland, en nu is het verre van onwaarschijnlijk, dat zij ook enkele hunner inlandsche paarden hebben overgebracht tot verkoop of ruil, te meer toen zij bemerkten, dat de Engelschen veel van paarden hielden.
De overeenkomst in type, die tusschen den Clevelander en het Devonshire pakpaard bestond, wordt aangehaald tot staving van de theorie, dat de eerste een afstammeling is van het oude Britsche paard. In Yorkshire en Devonshire is het type van het oude paard het langst blijven bestaan, omdat daar dit type meer op den voorgrond trad dan elders en ook omdat in Yorkshire en Devonshire men als het ware meer het nationale paard wilde behouden. Het Oostersche bloed, dat de Phoeniciërs zouden geïmporteerd hebben, zou dan bestaan hebben in Barbarijsche hengsten. Dat deze hengsten gekruist zouden zijn met inlandsche merriën, ligt voor de hand en het feit, dat in de zuidwestelijk heuvelachtige streken en in de noordwestelijke dalen er tot voor korten tijd twee soorten van paarden bestonden, die in veel opzichten in type
IO
en karakter met elkander overeenstemden, bewijst zeer sterk, dat deze twee soorten een en dezelfde origine moeten gehad hebben, en dit feit geeft in hoofdzaak den nekslag aan de theorie van een kruising tusschen het volbloed en het zwaargebouwde karpaard.
Ook de meening, die wel eens uitgesproken is, dat de Clevelander ontstaan zou zijn uit een vereeniging van Deensch bloed met volbloed is bepaald onjuist.
Afstappende van de verschillende theoriën omtrent de origine der Clevelanders, komen wij tot het feit, dat reeds sinds tweehonderd jaar een soort van paarden bestaat, dat levendig en krachtig is, met zeer sterke, droge beenen. Ongelukkigerwijze hebben de lieden, die eertijds deze paarden fokten, hun fokwijze niet geboekstaafd, en wat dus eigenlijk van de vroegere historie der Clevelanders bekend is, berust op overleveringen. Zoo verhaalt Mr. Lumley Hodgson, dat hij bij het aankoopen van jonge paarden in het oostelijk gedeelte, oude lieden hoorde spreken over de prachtige âbaysquot; âClear of bloodquot;, die door hun voorvaders werden aangezien als een zuiver product, dat er reeds was lang voor de dagen van Darley- en Godolphin Arabian. In de âGeneral View of the Agriculture of the North Ridingquot;, komt onder anderen ook het volgende voor; âYorkshire is reeds overlang beroemd door zijn paardenfokkerij, en in ieder deel van dit district fokt men paarden voor rijtuig en zadel. In het noordelijk deel van het dal York is het paard te licht van beenen geworden voor het gebruik als landbouwpaard. Dit is ontstaan door er te veel âracingbloodquot; (bloed van renpaarden) in te brengen, maar er worden daar de beste rijtuig- en zadelpaar-den gefokt. In Cleveland zijn de paarden zwaarder van beenen, zij zijn mooi, goed gebouwd, zeer sterk en levendig en leenen zich bijzonder tot ploegwerk en voor rijtuigdiensten.quot;
Dat omtrent de waarde van dat âracing bloodquot; niet altijd
11
zulke gunstige denkbeelden bestaan hebben als tegenwoordig bewijst eveneens een curieus artikel uit âthe Gentleman's Magazine.quot;
De schrijver sprekende over wedrennen zegt: De oorspronkelijke bedoeling van dit vermaak was niet alleen ter bevordering van de sport, maar om het fokken van een goed soort paarden voor werkelijk gebruik te verkrijgen, en de prijzen werden ook met die bedoeling gegeven, daar de paarden verplicht waren een zwaar gewicht te dragen, maar helaas! hoe zijn deze bedoelingen veranderd. Onze edele soort van paarden wordt nu verzwakt door eene vermenging met Turken en Arabieren, juist als onze moderne adel en hoogere standen verleid worden door de verwijfde manieren uit Frankrijk en Italië! Dit werd geschreven op het midden der 18e eeuw.
Het oorspronkelijke Engelsche paard bezat in ieder geval snelheid en volharding, even zoo goed als kracht.
Wat nu betreft de introductie van volbloed in de Clevelan-ders, zoo moet dit waarschijnlijk geschied zijn in het midden der vorige eeuw. De oudste naam die er te ontdekken is, als zijnde van een volbloedhengst, is Traveller. Veel pedigrees van andere hengsten gaan terug tot op dezen naam, maar dan houdt het op. Een pedigree van dien Traveller is er niet, doch die naam zoo dikwijls terugvindende schijnt het een goed bekend en zeer gewaardeerd paard geweest te zijn, en werkelijk heeft er een volbloedhengst van dien naam in het midden der 18e eeuw als dekhengst gewerkt in de buurt van Yarm, midden in de streek waar de Clevelanders het meest gefokt werden. Eigenaardig is de mededeeling, dat Travelier zoo goed als voor niets dekte, een verschijnsel dat destijds meer voorkwam daar er meerdere bekend zijn die slechts voor enkele guinjes dekten. Traveller zou geboren zijn in 1735 en won van de zes rennen er vier. Hij was ook de vader van Dainty Davy, van Squirrel en van Lass of the Mill. Over
12
het algemeen nu wordt Traveller aangezien als de volbloed-hengst die meer qualiteit in de paarden daar ter plaatse zou gebracht hebben.
In het midden en op het laatst der 18e eeuw, ook zelfs nog in het begin dezer eeuw, werd in Cleveland al het landbouw-werk gedaan door de Clevelandsche bruine. Die streek zag er toen wel wat anders uit als tegenwoordig, er was toen veel meer weiland en de Clevelander was sterk genoeg om al het werk te doen. Inderdaad, het is een nog niet bepaald uitgemaakte kwestie, of in de eerste tien jaren van deze eeuw in Cleveland zelf het zware werkpaard wel bekend was.
Door de oorlogen, die een gevolg waren der Fransche revolutie, stegen de prijzen van tarwe en andere granen zoo enorm, dat alle boeren aanvingen met koren te zaaien daar waar het maar groeien wilde, en zich haastten om een groot deel van het beste weiland om te leggen tot bouwland. Ja zij waren zelfs daarmede nog niet tevreden. Gronden, die zuur en vochtig, en schijnbaar onvruchtbaar waren, werden omgewerkt en bezaaid met tarwe. Zoo'n snelle ommekeer als deze bracht natuurlijk ook een verandering te weeg in het vervoer. De boeren die op grootere afstanden der steden woonden, en hun graan somtijds twintig Engelsche mijlen ver, over vrij slechte wegen moesten vervoeren, begonnen nu voor dit werk uit te zien naar een zwaarder en sterker paard. Bovendien bleek het, dat het weiland dat men omgezet had in bouwland op vele plaatsen zwaar kleiland was, en ook daarvoor meende men noodig te hebben een zwaarder soort van paard.
Door dezen ommekeer in zaken, begon men de Clevelandsche merriën te kruisen met die karpaarden die men maar krijgen kon, met een resultaat dat al spoedig deed zien, dat het ten nadeele was der edele Cleveland bay.
Ongeveer terzelfder tijd deed zich een andere omstandigheid
13
voor die nog meer schade deed. Het werd mode om dikke groote paarden vaak meer dan 1.70 M. hoog voor de rijtuigen te spannen, en om aan de heerschende mode te kunnen voldoen, werden de fijne Clevelandsche merriën gedekt door plompe, hoogbeenige volbloedpaarden. Deze twee fokwijzen, die zoowat tegelijkertijd werden toegepast, maakten spoedig een eind aan de fokkerij der zuivere edele Clevelanders.
Dat kruisen van de plompe volbloeds met de Clevelandsche merrie had ook volgens Mr. Lumley Hodgson nog een ander nadeel, n.1. het verbreiden van cornage. Het scheen dat die slechte volbloeds met hunne fijne, zooals Hodgson het uitdrukt, ârainbow necksquot; (regenboogvormige halzen) zeer veel aan deze kwaal lijdende waren, en daar zeer velen van hen als dekhengsten werden aangehouden, zoo is het lang niet onmogelijk dat dit een der oorzaken is waardoor ook nog heden ten dage onder de Yorkshire Coachpaarden en onder de Clevelanders cornards gevonden worden.
Omtrent de thans nogal eens voorkomende cornage, ook bij de Clevelanders, wordt door sommigen beweerd, dat dit gebrek vroeger, dat is vóór de kruising met volbloed, niet voorkwam. In hoeverre dit juist is, is natuurlijk niet na te gaan, daar het onderzoek op dergelijke gebreken destijds niet zoo was als tegenwoordig. Men was toen ook nog niet zoo goed overtuigd als thans dat cornage erfelijk is. Bovendien zou waarschijnlijk menig paard, dat destijds âsoundquot; verklaard werd, het thans op eene keuring treurig afleggen.
Ondanks de twee ongunstig inwerkende bijna alles over-heerschende factoren, waardoor het Clevelandsche paard met ondergang bedreigd werd, waren er enkele degelijke boeren, die toch van den edelen Clevelander geen afscheid konden nemen. Onder deze was Tommy Masterman een dergenen, die zich tot levenstaak stelde het terugkrijgen van het oude Clevelandsche ras. Hij voor zich behaalde hierin schitterende
14
resultaten, wat door zijn vrienden en huurlieden dan ook erkend werd, zoo zelfs dat zij hem hiervoor een getuigschrift gaven, in den vorm van een zilveren cup ter waarde van f 120. Op deze cup stond gegraveerd, dat deze Mr. Masterman werd aangeboden uit dankbaarheid voor de edele fokhengsten, die hij aanhield. Er stond o.a. ook de naam Skyrocket op, en het schijnt dan ook dat deze hengst een der besten geweest is van Mr. Masterman. Ook Mr. John Richardson van Lang-barough Hall bij Great Ayton was een groot fokker, en offerde vrij wat geld op om de qualiteit der Cievelanders te verbeteren.
Vreemd is het, dat van zoo'n fokker eigenlijk maar éen hengst zeer dikwijls genoemd wordt, n.1. Drainer. Van deze Drainer stammen zeer veel Cievelanders af.
Is er van de andere hengsten van Richardson weinig bekend, zooveel te meer echter van zijn merriën, en hij trachtte deze vooral zoo goed als het mogelijk was te fokken.
Door dergelijke pogingen gelukte het werkelijk om den naam der Cleveland Bay's weder in eere te herstellen en tot 1S67 bloeide het ras zeer voorspoedig en een tweede achteruitgang of verval scheen zeer onwaarschijnlijk.
Fokkers zooals Hansill, Thomas Peart, John Smith, Robinson Watson en anderen fokten zeer vele en edele exemplaren. In 1867 kwam er echter een reactie en, zonderling genoeg, het was alweer het zware karpaard, dat deze reactie veroorzaakte.
De Clevelaudsche ijzerhandel was buitengewoon toegenomen en bereikte na ettelijke jaren zijn toppunt. Met de uitbreiding van dezen handel werd de vraag naar zware paarden, die in staat waren die zware vrachten over de wegen gemakkelijk te verplaatsen, met ieder jaar grooter en grooter en de prijzen die voor zulke paarden besteed werden, waren vaak exorbitant hoog.
De fokkerij van die âCarthorsesquot; begon nu ongeveer ter-
IS
zelfder tijd enorm vooruit te gaan en dit was natuurlijk een drang te meer om tot het fokken van dergelijke zware paarden over te gaan, terwijl de goede, edele Clevelander meer en meer werd verwaarloosd. De buitenlanders kochten zooveel als mogelijk was nog de besten en zij die hunne merriën behielden, fokten er hunters uit. Clevelanders werden, op een enkele uitzondering na, niet meer gevraagd, prijzen werden er niet meer voor uitgeloofd en het scheen, dat deze soort bestemd was om uit te sterven.
Men zegt wel eens dat de redding het dichtst bij is als de nood op het hoogst is, en zoo dit in de paardenfokkerij van toepassing kan zijn, zien wij in de geschiedenis der Clevelanders dit bewaarheid.
Ten tijde, toen de Engelschen over het algemeen de Clevelander met eenige minachting beschouwden, ontstond in Amerika het denkbeeld, dat die soort het paard was, dat zij in hun land noodig hadden, en juist toen de zonnige dagen der Clevelanders zoo goed als geteld waren, en het een moeilijkheid geworden was om een paar echte Clevelanders te vinden, ontstond, aanvankelijk in het klein, de handel met Amerika, die later zulke groote afmetingen heeft aangenomen. In de dalen van Whitty en meer naar de Oostkust van het Noorder district van Yorkshire, waren de Clevelanders nog aanwezig.
De conservatieve boer uit die streken was altijd trotsch geweest op zijn Clevelanders, die van vader en grootvader her met de familie waren opgegroeid en deze lieden konden de Clydesdalers maar niet met goede oogen aanzien. Zoodra er maar weêr vraag naar was, zag men de Clevelanders weer te voorschijn komen, wel niet in groot aantal, maar toch gaandeweg meer en meer. De herleving van de algemeene belangstelling in Clevelanders dateert van 1,883. In het voorafgaande jaar nog had Mr. Parrington de meeste moeite gehad om op het programma der York-meeting van de Royal
i6
Agricultural Society een prijs te zien uitgeschreven voor Cleveland bay merriën.
Toen de tentoonstelling gehouden werd, was er in de klasse âCleveland bay maresquot; slechts één ingeschreven.
Deze eene was Mr. W. D. Fetch's Fanny, een merrie die hij verkocht aan Mr. Pease en die daarna een plaats kreeg in de stoeterij te Brookfield.
Fanny, de eenige tentoongestelde, de eenige representante van haar ras, was een extra goede merrie en de jury kende haar dan ook den eersten prijs toe. In het officieel rapport stond dan ook âonly one entry, very good.quot;
Fanny was toen acht jaar oud en âfull of bloomquot; en had een extérieur en een gang, zooals weinig bezoekers der tentoonstelling voor dien zagen. Geen wonder dan ook, dat Fanny de algemeene attentie trok.;
In hetzelfde jaar werd de aandacht ook nog getrokken door Mr. Codlings Blossom en Mr. Welfords Madam. Ook deze twee waren Clevelanders met een goede pedigree en wat meer zegt, met goede gangen en âremarkable quality.quot;
Door deze zaken werd op het laatst van 1883 do algemeene attentie weêr gevestigd op de Clevelander.
In Januari van het daaropvolgende jaar (1884) werd de âCleveland bay horse Societyquot; opgericht en hiermede was voor goed het fokken van edele Clevelanders weêr bevestigd.
Sedert dien tijd is het aantal zeer toegenomen. Op zeer veel plaatsen is men weêr begonnen met het fokken der Clevelanders. In Northumberland,, in Hampshire, in Essex en in de buurt van Londen worden goede fokkerijen van Clevelanders gevonden.
Wat volgens sommigen opvallend is, is dat de qualiteit gaandeweg verbeterd is. Meermalen is opgemerkt dat paarden, die 10 jaar geleden gemakkelijk tot de prijsvvinners behoorden, dit nu niet meer zouden zijn en menig jurylid heeft
17
erkend, dat de jonge Clevelanders in hoogere klasse tehuis -hoorden dan de vroegere. Dit is zeer zeker een groote voldoening voor de tegenwoordige fokkers, en het is te hopen, dat er geen derde maal een reactie ten nadeele van dit paard zich zal opdoen.
De Clevelander is en wat het exterieur betreft èn wat de qualiteit aangaat een goed paard. Zijn hoogte wisselt tusschen 1.60 en hoogstens 1.68 M. Hij is laag op de beenen, met schuine schouders, sterke rug en lendenen, mooi en sterk kruis en lange, goed gespierde dij en schenkel.
Inderdaad, de sierlijkheid der lichaamsvormen, de goede soliede stand op voor- en achterbecnen zijn onderscheidingskenmerken voor deze soort. Het hoofd der Clevelanders is wat plat, doch het is goed droog en wordt goed gedragen. De beenderen, gewrichten en spieren van het geheele lichaam zijn krachtig. De pijpen der Clevelanders komen in veel opzichten overeen met die der volbloeds en Arabieren. De vorm en omvang van dit been, en de zuiverheid der daarlangs loopende pezen teekent deze overeenkomst. In adel neemt de Clevelander een eerste plaats in onder de paarden in Engeland.
De actie van den Clevelander is een van zijn voornaamste punten. Een knieactie, zooals de Hackney , heeft hij niet of althans zeer weinig, en dit weinige is doorgaans nog verkregen, door training. Maar de beweging van den schouder is excellent, zoowel in stap als in draf, en in dezen laatsten gang niet ongelijk aan dien der volbloeds.
De spronggewrichten worden goed gebogen en het achterbeen krachtig onder den romp gebracht. Daar hij een langen schuinen schouder en lang kruis heeft, staan boeg en zitbeen-quot;-nobbel ver van elkaar; hij staat dus over veel grond en dit waarborgt een goede pace in het werk.
Daar de Clevelander ook voor landbouwwerk gebruikt moet
2
18
kunnen worden, dient hij niet te licht te zijn. Omtrent eenige afmetingen in zijn lichaamsdeelen kan men oordeelen, als men de beschrijving leest van een Cleveland hengst, die Mr. J. B. Lloyd in Gloucestershire in 1827 hield. Deze hengst had op volwassen leeftijd de volgende afmetingen: hoogte 1.62 Meter, omtrek vlak onder de knie 25 cM. Zulk een omvang onder de knie ziet men nu niet meer, deze hengst was dan daar al
bijzonder breed.
Zooals de naam reeds aanduidt, is de kleur bruin met zwarte onderbeenen; een kleine kol en een weinig witte haren aan de hoefballen van een der achterbeenen zijn nog geen teekens van vreemd bloed, maar worden eenvoudig als schoonheidsgebreken beschouwd.
Bij de lichtere bruine vindt men nog al eens een aalstreep. Over de ware bruine kleur is men het nog niet altijd eens. Men zegt dat goudbruin de eenige goede kleur is, en dat een donkerder kleur wijst op de vermenging met vreemd bloed. Dit laatste gaat echter niet altijd door. Van goudbruin tot donkerbruin is maar een kleine sprong, en het is daarom zeer moeilijk om een vooroordeel tegen donkerbruin met succes te verdedigen dit is zeker waar, dat goudbruin de meest
geliefkoosde kleur is.
De constitutie van den Clevelander is van bijzonder goeden aard. Hij behoeft niet vertroeteld te worden in zijn opvoeding, hij doet zijn werk jaren en jaren lang, en er zijn wellicht weinig paardensoorten die zoo'n taai leven hebben en zoo
vruchtbaar zijn.
Over het algemeen genomen is de Clevelander een der nuttigste paarden, en in Amerika noemde men hem destijds dan ook âthe utility horsequot;. Hij kan alle werk doen, met uitzondering van het zware karwerk. Voor den ploeg, op middelmatig zwaar land, werkt hij beter dan de Shire of Clydesdaler, daar hij veel vlugger is en zijn temperament doet hem zelfs
19
na den moeilijksten arbeid nog tehuis komen met het hoofd in de lucht en hoog gedragen staart. Zelfs op de zware klei beweert men, dat hij bruikbaar is. Naar aanleiding daarvan bestaat een zeer aardige anekdote, die bewijst hoe hoog men den Clevelander in zijn eigen land schat. In het eerste gedeelte van deze eeuw verhuisde een boer van Darlington naar Northumberland, en als een zaak die van zelf spreekt, nam hij zijn Clevelanders mede. Nu was Northumberland eigenlijk de bakermat der zware en sterke karpaarden en de bewoners dier streken waren trotsch op hun fokkerij van zware paarden. Al spoedig lachten zij den nieuwen buur met zijn lichte paarden uit en allerwege werd met hem den spot gedreven.
De nieuwe buur liet zich dat echter maar niet zoo welgevallen, en op een goeden dag daagde hij alle boeren tot een ploegmatch uit. Zijn uitdaging werd spoedig aangenomen en over de condities was men het al even gauw eens. De condities waren de volgende: Iedere partij zou den volgenden Maandagmorgen een paar paarden brengen en rA] zouden ploegen van Maandagmorgen aan een stuk door tot Zaterdagavond: Het paar dat in dien tijd het meeste land beploegd had zou winner zijn. De inzet van iedere partij was £ 50.
Des Maandagsmorgens begon de wedstrijd, maar voordat het Woensdagavond was hadden de zware paarden er genoeg van en de Clevelanders werden als overwinnaars gedeclareerd.
Het is best mogelijk dat dit verhaal waarheid bevat, doch dit geeft ons nog geen recht om hierdoor te durven zeggen, dat de Clevelanders ook de geschikte paarden zijn op de zware kleigronden; zij zijn veel beter geschikt voor lichter werk en vooral voor dat, waarbij het op wat meerdere vlugheid aankomt. In vroeger tijd is de Clevelander bij gelegenheid ook wel eens voor hunter gebruikt, maar met de snelheid, zooals er thans achter de honden gereden wordt, is dat werk voor Hem afgeloopen. In hoofdzaak blijft de Clevelander een mooi
20
rijtuig- en dog-cartpaard en al is het niet zoo verheven in gang als de hackney, het is een mooie verschijning in het tuig met een ruimen gang.
Meermalen is door Engelsche fokkers beweerd, dat ieder paardenras, uitgezonderd volbloed, door een kruising met Clevelanders verbeteren moet. In hoeverre deze bewering steekhoudend is, is moeilijk na te gaan. Zij die met deze soort willen kruisen, moeten vooral exemplaren er uit zoeken met goede schouders. De meening dat men voor tuig- of karpaarden geen schuine schouders noodig heeft, is niet juist. Een goed schuin geplaatste schouder verhoogt niet alleen da symétrie in het paard, maar verbetert enorm den gang der voorbeenen.
Bij den aankoop van Clevelandsche merries zoeke men een breede merrie die laag op de beenen is, met schuine schouders en sterke lendenen; zulke zijn er gemakkelijk te vinden en zullen in de fokkerij niet tegenvallen, en wat de hengsten betreft, lette men ook vooral op de ligging van den schouder, daar men vooral bij het fokken van handelspaarden op de actie moet letten.
Het Yorkshire koetspaard dankt zijn oorsprong (volgens Hodgson) aan de mode om groote hoogbeenige paarden voor de rijtuigen te gebruiken, een mode die, zooals wij reeds zeiden, verderfelijk was voor de edele Clevelanders. Hoe slecht die mode nu ook was, toch is er een type van paard uit ontstaan dat zich vrij constant in type en kleur vererft.
Sedert de oprichting van de Yorkshire coach-horse society in 1886 is de qualiteit veel verbeterd. Men heeft de beste Yorkshire coach merries laten dekken door Clevelandsche hengsten met actie en het resultaat is altijd bevredigend geweest.
Het Yorkshire koetspaard is van niet zoo'n oude origine als de Clevelander, ofschoon het toch reeds voor bijna honderd
jaar bestond. In de oude beschrijvingen is het dikwijls moeilijk na te gaan wat men eigenlijk bedoelt, daar men meermalen dezelfde hengsten vindt aangegeven èn als Coach horse èn als Clevelander.
In vroeger jaren heeft men het Yorkshire koetspaard veelvuldig met volbloed gekruist. Zoo b.v. in de pedigree van Quintessence komen vijf volbloeds voor en in die van Prince Arthur, de eerste prijswinner van de Yorkshire show, eveneens drie volbloeds.
Het Yorkshire koetspaard zou men kunnen beschrijven, als te zijn een Clevelander met meer volbloed qualiteit. Het hoofd is kleiner dan van den Clevelander. Over het algemeen gelijken zeer veel Coach-paarden op volbloeds. De gangen der Coach-paarden zijn goed, ofschoon ook hier de actie der Hackneys ontbreekt. Wat de kleur betreft, hierop is men even kieskeurig als bij de Clevelanders en ook hier is bruin de hoofdkleur. Yorkshire koetspaarden zijn voor landbouwwerk niet zoo goed geschikt als de Clevelanders, ofschoon er op lichtere gronden voor hen werk genoeg te vinden is, waardoor zij voldoenden arbeid opleveren om hun kost te verdienen.
Sedert de instelling van het stamboek voor Cleveland Bay's en voor Yorkshire coach-horses, heeft men beide soorten met meer zorg gekweekt en het verschil tusschen deze twee soorten is door het groote publiek meer en meer erkend. Het Yorkshire koetspaard wordt het meest gefokt in de buurt van York en Selby als ook in Howdenshire.
DE HUNTER.
In Engeland is het ontegenzeggelijk het volbloedpaard, dat de grondvester is van alle halfbloedpaarden. De volbloeds geven de beste hengsten voor de hunters, de hacks, de troepenpaarden, alsmede voor die tuigpaarden die gefokt worden van Hackney's, Clevelanders en Yorkshire koetspaarden.
Als jachtpaard gaat er eigenlijk niets boven volbloed, ten minste als de ruiter niet al te zwaar is. Zoo lang echter zijn gewicht met zadel en overige tuigdeelen niet boven de 80 kilo gaat, kan hij gerust een volbloed in het jachtveld rijden, en als hij eenmaal een goede volbloed daarbij gereden heeft, zal hij niet licht terugkeeren tot een halfbloed. De gemakkelijke, veerkrachtige galop van het volbloed voldoet ieder zoo, dat men desnoods zijn leefregel, met het oog op niet zwaarder te worden, er naar zal inrichten. Met de bedoeling om te dienen als hunter worden echter geen volbloeds gefokt, ja men kan eigenlijk, wat de hunter betreft, niet spreken van een bepaald type. Het is zeer zeker waar, dat veel volbloeds als hunter gebruikt worden, en een voor rennen niet genoeg snelheid hebbende volbloed kan een uitstekende hunter zijn. Men zou dus kunnen zeggen, dat het Engelsche jachtpaard (Hunter) is bf volbloed öf halfbloed. In Engeland onderscheidt men ze in hunters voor licht- en voor zwaar gewicht. Wat den hengst voor het fokken van hunters betreft, kiest men steeds den volbloed of althans een die bijna volbloed
23
is, want een kleine afwijking in zijn pedigree sluit hem, als hij overigens in alles voldoet, niet uit voor die fokkerij. De ervaring heeft geleerd, dat middelmatig groote hengsten beter voldeden dan zeer groote. Het spreekt vanzelf dat zij in de eerste plaats âSoundquot; moeten zijn, evenzoo als onberispelijk van beenen. Hengsten, die bewezen hebben goed te zijn in het jachtveld, verdienen de voorkeur, en het is niet zoo noodig dat zij rennen gewonnen hebben als wel, dat zij getoond hebben goede springers te zijn, want de geschiktheid tot springen is dikwijls een familie-eigenschap evenals temperament, snelheid enz.
Er zijn in Engeland wel eens stemmen opgegaan om Arabische hengsten te gebruiken voor het fokken van hunters. Engelsche fokkers van naam zeggen echter dat, indien een paard goed is van vorm en maaksel, het noodige gewicht kan dragen en zeer goed springt, het er voor den gebruiker weinig toe doet hoe het gefokt is.
Hij die echter fokt voor den handel, moet die soort fokken die men het best kan verkoopen, en uit Arabieren en Hunter-merries zal in den regel slechts een Hunter voor licht gewicht komen.
In deze fokkerij hecht men vooral aan de merrie zeer groote waarde, en wil dat zij vooral zal uitmunten. De ervaring toch heeft geleerd, dat het fokken met slechte, weeke merries tot resultaat heeft, dat de producten daarvan nog juist goed genoeg zijn om een slagers-sjees te trekken, en soms daartoe nog niet eens geschikt zijn, en natuurlijk tegen een uiterst lagen prijs verkocht moeten worden. Dat dergelijke fokkers dan klagen over de tegenvallers in de paardenteelt, zal wel niemand verbazen; het zou immers een wonder mogen heeten indien het anders was. Zelfs als de grootste zorgvuldigheid in acht wordt genomen, als beide ouders juist zóó zijn als men ze gaarne heett, dan nog is er een zeker procent dat tegenvalt, en dit
24
procentcijfer wordt des te grooter hoe slordiger men is in de keuze der merries. De fokkerij in Engeland is voor ons Nederlanders een goede leerschool, en het nagaan van het ontstaan en de wijze van fokken der paarden aldaar zal menigeen nuttig zijn. In de fokkerij van Hunters heeft men, vooral wat de merries betreft, velerlei proeven genomen. In de hoop, kracht met model te vereenigen werden volbloed-hengsten gepaard met zware werkpaarden, en de veulens hiervan weder met bloedhengsten. De resultaten waren echter niet best en na de tweede kruising kwamen er allerlei vormen te voorschijn. Anderen hebben volbloeds gekruist met lichtere werkpaarden en hiervan waren de uitkomsten wel iets beter. In vroeger dagen, toen de fokkerij van hunters in Ierland op zijn best was, werd steeds de lersche landmerrie met haar zuivere beenen gebruikt. Vijftig jaar geleden waren de zware werk paarden in Ierland nog niet aanwezig. Langzamerhand zijn na dien tijd Clydesdaler- en Shire-horses geïntroduceerd, om de plaats in te nemen der inheemsche merries, en sinds dien tijd zijn de lersche hunters niet meer wat zij vroeger waren.
Voor het fokken van hunters wil men vooral een krachtige, diepe, goedgebouwde breede merrie uit een volbloed afkomstig, of er zeer na aan verwant en met zoo weinig mogelijk slechte vaders in haar stamboom. Het liefst fokt men hunters voor zwaar gewicht en deze worden, als zij in het veld bewezen hebben goed te zijn, ook duur betaald. Nu zijn dergelijke, die werkelijk van goede kwaliteit zijn, schaarsch. In een lersche courant van 18S6 stond: âDat onze paardenfokkerij in de laatste vijf en twintig jaar zeer veranderd is, bewijst de schaarschte aan paarden die â14 stonequot; (1 stone = 6.3 kilogram) en de aanwezigheid der groote menigte die 12 stone kunnen dragen.quot; Op de tentoonstelling in 1885 der Royal Dublin Society, waar zeer aanzienlijke prijzen voor hunters uitgeloofd waren, had men de volgende inschrijvingen :
25
Zwaar gewicht hunters âup to 15 stonequot;, 5 jaar oud, 64 inschrijvingen;
Hunters van 13 stone 7 ibs, (14 ibs = 1 stone) tot 15 stone, 5 jaar oud, 97 inschrijvingen, en
Hunters van 12 stone tot 13 stone 7 ibs, 5 jaar oud, 143 inschrijvingen.
Vergelijkt men dit nu met de tentoonstelling van 1876, dus tien jaar vroeger, dan ziet men, dat toen in diezelfde klasse waren ingeschreven respectievelijk 15 stone klasse 25, 13 stone 7 ibs klasse 46 en 12 stone klasse 30. In die tien jaar was dus het fokken van licht gewicht hunters predomineerend geworden.
Op de tentoonstelling te Nottingham in 1888 waren er 12 zwaar gewicht hunters en 17 van 12 stone â te Hull in 1889, II zwaar gewicht en 21 licht gewicht hunters â te Islington in 1889, 21 voor 15 stone en 28 in de middelklasse en 25 in de licht gewichtklasse.
Licht gewicht hunters vindt men dan ook genoeg, zwaar gewicht daarentegen zeer weinig en het blijkt uit alles, dat het fokken der laatsten veel moeilijker is dan het verkrijgen der eerste.
Een bepaalde beschrijving te geven van het model van de Hunter, gaat niet, daar hij eigenlijk geen vast type heeft. In het algemeen kan men zeggen, dat hij moet zijn een paard van taille, met vooral krachtige lenden, lang en breed kruis, lange, goed liggende schouders, lange dij en schenkel, zeer krachtige gewrichten, korte pijpen met tamelijk schuine kooten, goede hoeven, aangenamen mond en goed temperament en vooral met een goede veerkrachtige galop en rustig springer zijn.
Nu is er nog verschil in welke streek men wil gaan koopen, daar in sommige gedeelten meer over vlak land, in andere meer over allerlei hindernissen gereden wordt, en zoo vindt
26
men in Ierland vooral de lersche wallen, die vaste beleidvolle springers verlangen. Dit is trouwens als het ware een vaste eigenschap van een lerschen hunter, dat hij secuur springt, en in een oogenblik de hindernis en het daarachter liggende terrein heeft overzien.
In een artikel over âHunterhengstenquot; zegt Walter Gilbey, het volgende:
âEr is geen twijfel, of de tegenwoordige volbloed is voor ârennen en tot reproductie van snelle paarden beter dan hij âooit te voren was, doch de groote wijzigingen in de regels âen voorschriften van de âTurfquot; zijn schuld, dat hij minder âgeschikt is geworden voor het fokken van paarden voor zwaar âgewicht, voor tuigpaarden en soldatenpaarden.
âHet veranderde stelsel van rennen en de gewijzigde condities hebben een klasse renpaarden doen ontstaan, die zeer âverschilt van den volbloed der vorige eeuw.
âWij hebben nu paarden die snel tot ontwikkeling komen, âmaar ook zeer snel van de âTurfquot; verdwijnen.
âTegenwoordig zijn er geen dozijn races van eenig belang, âdie boven twee Engelsche mijl geloopen worden.
âDe gewone afstand is van 6 furlongs (i Engelsche mijl = 8 âfurlongs) tot een, en een en halve Engelsche mijl en bij uitsondering zijn er enkele âWelterracesquot;, die nog door de âbetere klasse geloopen worden.
âHet gemiddelde gewicht, dat thans het renpaard draagt, âis van 8 tot 9 stones. In zeer weinig gevallen wordt dit âgewicht overschreden. Deze regeling geeft een kans tot âwinnen aan de goede, maar ook aan de minder goede, daar âsnelheid hier de voorkeur heeft. Op tweejarigen leeftijd wor-âden zij reeds beproefd, en die geen snelheid genoeg hebben âworden uit de training genomen om verdere kosten te sparen.
âIn een voor eenige jaren plaats gehad hebbende discussie âis beweerd, dat tot verbetering der paarden voor gemengd
27
âgebruik men niet te lang gebruik mag maken van hengsten, âuitsluitend voor de renbaan opgekweekt. Deze meening âwordt thans gedeeld door vele sportsmen, temeer daar het âeen bewezen feit is, dat verschillende der beste âfour-milequot; âsteeplechase paarden niet rein gefokt zijn, maar ook ander âbloed naast volbloed in hun aderen hebben. Dit is b.v. het âgeval met steeplechasers van grooten naam zooals: Roman âOak, New Oswestry, Zoedone, St. Galmier, Heather en Maricn-,,bad. De eerste won verschillende rennen in 1891 en de âgroote race (AJ 2000) te Manchester in 1892. In de lijst der âGrand Nationalwinners, vindt men er meerdere die geen zuivere pedigree hebben. Zoo b.v. Pathfinder (winner in 1875), âZoedone (in 1883), Old Fox (in 1886), Gamecock (1887) âFrigate (1889), Ilex (1890) en Come away (1891).
âIn het begin van deze eeuw was de mededinging in rennen âvoor geheel Engeland anders dan tegenwoordig. Toen was âhet voor 4-jarige, dragende 10 stone 4 ibs =64.8 kilo; voor â5 jaar oud 11 st. 6 ibs = 72 kilo en voor oudere paarden â12 stone = 75.6 k.; bovendien werd de ren over 4 Engelsche âmijl = 6432 Meter geloopen. Dergelijke rennen waren voor âfokkers een groote prikkel om te trachten paarden te fokken âvan goede taille en omvang en zoolang als er prijzen, alsmede âQueen's Platesquot; gegeven werden voor paarden die âzwaar gewicht konden dragen, werden er sterke volbloeds âgefokt.
âVele jaren geleden was onze fokkerij van werkelijk maat-âhebbende rijpaarden en goedgegebouwde, actie vertoonende ârijtuigpaarden, zeer gebrekkig geworden.
âOm in dezen toestand een verbetering te brengen zijn âeen groot aantal paarden van het buitenland ingevoerd gewor-âden en groote sommen geld zijn terecht gekomen in de âzakken der buitenlandsche fokkers, die eigenlijk bij Engelsche âfokkers behoorden. In het jaar 1892 overtrof gedurende de
28
âeerste 6 maanden van het jaar, de invoer, die van de zes âeerste maanden van het vorige jaar met 3932 paarden. In âhet geheel werden van Januari tot Juli 1892 in Engeland âingevoerd 12343 paarden en in die maanden in 1891 8411.
âZeer curieus is het, dat wij in den laatsten tijd juist hetzelfde gedaan hebben als in de jaren van 1154 tot 1702. âOm dit te bewijzen, leze men het interessante artikel: âAnti-âquity and Progess of Horse racingquot; in de sporting magazine âvan 1810. In dit artikel wordt het ontstaan der Engelsche ârennen beschreven. Het artikel zegt:
âEerst na de regeering van Hendrik II (1154) begonnen âGentlemen, onder andere takken van sport, ook de snelheid âhunner paarden tegen elkander te beproeven. Men begon âtoen, met het oog op de snelheid alleen, zeer fijne paarden te âfokken. Dieren die tweede, derde of vierde in snelheid waren, âwerden eenvoudig als onbruikbaar beschouwd. Deze gewoonte âbleef bestaan tot aan de regeering van Koningin Anna (1702) âtoen een âpublic-spirited Gentlemanquot; dertien plates of beurzen âmet geld uitloofde voor rennen die zouden gehouden worden âdaar, waar de Kroon dit aangaf. Sinds dien tijd werden âdie rennen dan ook genoemd âKing's of Queen's, Plates 01 âGuineas.quot; Aan deze gift was echter de conditie verbonden, âdat iedere hengst, merrie of ruin zou dragen 12 stone en âdan drie heats over 4 mijl moest winnen.
âDoor deze methode werden er spoedig sterkere en meer âbruikbare paarden gefokt en indien nu zoo'n paard de âgui-âneasquot; niet kon winnen, was hij toch sterk genoeg voor een âhunter.
âNu ontstonden er paarden die, hetzij vol-, driekwart ot âhalfbloed in staat waren ieder gewicht te dragen, en waar-âdoor de paardenfokkerij in Engeland als de beste bekend âwerd.
âHet fokken van hunters is van bijzonder belang voor En-
29
âgeland en in geen eeuw is het denkbeeld om te komen tot âvolmaaktheid grooter geweest dan in deze. Ongetwijfeld is âde wensch van ieder, om fraaiheid van lichaamsvormen met âde grootste bruikbaarheid te combineeren. Om deze paarden âte fokken dient men eenig model voor het type te hebben, âom daarna te kunnen ageeren. Nu zijn er zeer zeker meer-âdere schilderijen van beroemde hengsten, ook zelfs buiten âhet volbloed, die in het eerste of middengedeelte dezer eeuw âdienst deden als dekhengsten, om daardoor te krijgen paarden âdie zwaar gewicht konden dragen en die ook voor het tuig âgeschikt waren.
âOnder de schilderijen van oude hunterhengsten is er âeen die Pantomine heet. Deze Pantomine wordt beschreven âals âa favourite hunterquot; en behoorde aan den heer David âMarjoribanks Robertson. De moeder er van wordt beschreven âals geen volbloed, en zijn vader was Grimaldi, die tot een âras van hunters zou behoord hebben dat uitgestorven was en âbekend was voor âhigh courage, honesty and stoutness.quot;quot;
In hoeverre er nu iets waar is van zoo'n vroeger ras van hunters is niet goed na te gaan, en behalve in het Sporting magazine is er niets van te vinden. In ieder geval blijkt het toch, dat het fokken van zwaar gewicht hunters steeds een loterij blijft.
In de laatste jaren gebruikt men de breede lersche merrie er voor, waarvan men de beste exemplaren uitzoekt, en hij die dan ook goede hunters wil koopen, wende zich tot Ierland. Het is bovendien de hunter in Ierland, die uitmunt in het springen. Nu zegt men wel dat hij geen actie heeft en het is waar, de actie der Hackney's heeft hij niet, en er zijn er ook die in draf hun voorbeenen zoo weinig hoog oplichten dat zij aanstooten, maar die hunters welke goede schuine schouders hebben, lichten hun voorbeenen hoog genoeg op om ook een vlotten draf te eraan.
3°
De lersche hunter heeft bovendien een groot uithoudingsvermogen en zijn snelheid is in zeer veel gevallen nog niet gering te achten. Hij die echter zoo'n paard koopt om er ook mede te draven, beproeve hem in draf en moet vooral op de schuine ligging van den schouder letten.
Een embarras du choix zal men wel niet hebben, als men wat actie verlangt, maar er zijn er toch wel. In ieder geval is zeer aan te raden, om bij koop ze onder het zadel te probeeren, want dikwijls valt een hunter die in zijn extérieur tegenvalt in 't gebruik erg mede, en kleine schoonheidsgebreken kan men bij hem gerust over 't hoofd zien.
Het fokken van hunters wordt in geheel Engeland zeer aangemoedigd, en dit vooral door de Royal Commission en de Hunters improvement Society, die ieder jaar aanzienlijke prijzen uitloven. Op de tentoonstelling te Dublin vindt men de hunter sterk vertegenwoordigd en hij die van dit paard meerdere exemplaren bij elkaar wil zien, wordt een uitstapje daarheen ten zeerste aanbevolen.
DE VOLBLOED.
Een beknopte beschrijving te geven van het volbloedpaard, met duidelijke omschrijving ervan, is niet zoo gemakkelijk. Ieder zal wel weten, dat een paard slechts dan als volbloed beschouwd wordt, als het ingeschreven is in het studbook en dus zoowel van vaders- als van moederszijde van volbloed afstamt. Het bloedpaard, hoe rein ook, is echter toch een dier uit een gemengde teelt, dat wil zeggen, er is een tijd geweest dat het niet bestond, ja dat er in geheel Engeland geen paard te vinden was, wat in uitwendig voorkomen op de moderne Engelsche volbloed geleek. Dit in al zijn bijzonderheden te beschrijven is wel wat omslachtig en om de geschiedenis van den volbloed te kennen is het voldoende om te beginnen ten tijde van Koning Karei II.
Immers welke soort van paarden het waren, die Julius Caesar zoo âen extasequot; brachten , doet er voor ons weinig toe, genoeg dat wij weten, dat zij zóó goed waren dat hij eenige exemplaren er van medenam.
Toen de Romeinen zich in Engeland vestigden, vonden zij het noodig tot bewaring der rust, een aanzienlijke cavalerie te doen overkomen en de paarden dezer krijgslieden zijn zonder twijfel gekruist met de inlandsche, waardoor het Engelsche paard zijn eerste vermenging met vreemd bloed kreeg.
Of deze kruising eene verbetering was of niet, is onbekend, doch het feit dat er gekruist werd is een bewijs voor 't geen
32
hierboven gezegd is, dat het bloedpaard uit een gemengde teelt afstamt, te meer daar er niet enkel paarden uit Italië, maar ook uit Frankrijk en Spanje bij waren.
Bovendien wordt beweerd dat tijdens het verblijf der Romeinen in Engeland reeds de eerste importatie van Oostersch bloed plaats had, en Severus wordt genoemd als de Arabier die in Yorkshire zou gedekt hebben.
Deze geschiedenis echter behoeft nog nadere bevestiging, en veel waarde moet er dan ook niet aan gehecht worden. Waarschijnlijk meer waarheid bevat het verhaal, dat Hugo Capet, zijn hof makende aan Ethelwitha, de zuster van Koning Athelstan, aan deze laatste een geschenk zond, bestaande uit eenige duitsche ârunning horsesquot;. Dit geschenk was behalve een aandenken aan het spoedig te voltrekken huwelijk, ook tevens een huldeblijk voor het beteugelen van den opstand in zijn rijk. Doch welke ook de reden geweest is, vrij zeker kan men zeggen, dat de inlandsche paarden ook met deze nieuwelingen gekruist zullen zijn.
In de vermelding van dit geschenk wordt het eerst gesproken van ârunning horsesquot; en men zou hieruit moeten opmaken, dat zij van een lichter slag waren dan de inlandsche, ofschoon de geschiedenis ons geheel en al onwetend laat, welk soort eigenlijk die ârunning horsesquot; waren. In ieder geval werd er toen ter tijd vreemd bloed in Engeland ingevoerd.
Men zegt dat het paard van Willem de Veroveraar een Spaansch paard was, en Roger de Boulogne, Earl von Schrews-bury, heeft Spaansche paarden op zijn boerderijen ingevoerd.
Ongetwijfeld zal nu dat vreemde bloed wel meer of minder het extérieur van het inlandsche paard gewijzigd hebben.
De eerste nauwkeurige mededeeling van de invoering van Oostersch bloed vindt men tijdens de regeering van Hendrik I. De geschiedenis vermeldt ook, dat Alexander I, Koning van Schotland, een Arabisch paard schonk aan de kerk van St. Andreas.
33
Zoo verhaalt men ook. dat Richard Leeuwenhart twde Arabische paarden bezat. Eduard III kocht vijftig Spaansche paarden, meenende dat hun bloed de inlandsche paarden aanzienlijk zou verbeteren. Men zegt, dat hij er spoedig berouw van had, omdat ieder paard hem niet minder dan ongeveer f 160.â kostte. Deze Koning was zonder twijfel een sportman , hij had renpaarden en was doordrongen van de belangrijkheid om in Engeland een lichter en sterker paard aan te kweeken dan de zware dieren, die destijds bestemd waren de zwaar bewapende soldaten ten strijde te voeren.
Een van de hoogere ambtenaren van Hendrik VIII had den titel van âMaster of the Barbary-horsesquot;, maar of deze titel nu werkelijk een bewijs was voor het bezit van Barbarijsche paarden of dat het slechts een benaming was voor des Konings renpaarden, is niet met zekerheid bekend. Wat zeker is, is dat Hendrik VIII paarden invoerde uit Turkije, Spanje en Napels, doordat de Markies van Mantua hem eenige edele merriën zond en de Hertog van Arbino hem een hengst aanbood. Welke veredeling of verbetering deze paarden nu teweeg brachten is onbekend gebleven. Met de troonsbestijging van Koningin Elisabeth trad er voor de paardenteelt een beter tijdperk in. Wel is waar vervielen voor een groot gedeelte de rennen, maar een compensatie daarvoor werd gevonden in de groote verbetering in de fokkerij door Barbarijsche en Spaansche paarden, die gevonden werden op de schepen, door Lord Howard van Effingham buitgemaakt. Het schijnt dat in den loop der verschillende regeeringen meermalen aan de vorsten of vorstinnen van Engeland vreemde paarden als cadeaux geschonken werden. Zoo bracht de ambassadeur Sir Thomas Edmonds een half dozijn Arabische paarden mede.
Een dezer dient genoemd te worden n.1. âMarkham Arabianquot;. Het schijnt dat deze vooral als renpaard zou moeten dienen,
34
doch hij viel in zijn snelheid bitter tegen. Hij werd getraind maar .... won geen enkele race, en zonderling genoeg heeft ook geen zijner kinderen ooit gewonnen. Vóór Markham Arabian waren, zooals gezegd is, reeds meerdere Arabieren ingevoerd, doch van geen hunner zijn bijzonderheden bekend, en dat dit nu wel met deze Markham Arabian het geval is, vindt zijn oorzaak in het feit, dat de Hertog van Newcastle hem zag en op alles behalve vleiende wijze over hem sprak.
In dien tijd waren er in Engeland paarden die, wat snelheid betrof, het tegen de buitenlanders konden volhouden. Een der Engelsche schrijvers zegt ons van dien tijd: âWelke natie heeft, wat snelheid betreft, een paard gefokt dat het Engelsche overtrof?quot; âToen de beste Barbarijsche paarden in hun bloeitijd waren, zag ik hen te Salisbury geslagen door een zwart Engelsch paard en dit werd later geslagen door een paard, genaamd Valentine. Deze Valentine is nooit overwonnen en was zoowel van vaders als van moederszijde een zuiver gefokt Engelsch paardquot;.
In zijn beschrijving over het Engelsche paard drukt deze schrijver zich ook zeer eigenaardig uit. âVroegere schrijvers, zegt hij, hebben gezegd, dat het Engelsche paard is een groote, sterke knol, diepribbig en dikbuikig, met sterke beenen en goede hoeven, beter geschikt voor karvverk dan voor 't zadel. Nu weet ieder Engelschman wel, hoe onwaar dit is. Het ware Engelsche paard, dat gefokt is op een goeden bodem, is groot en breed, het hoofd ofschoon niet zoo fijn als van de Arabieren en Turken is droog, lang en van goed model, zijn hals lang en sterk, de rug breed en sterk en al zijn ledematen zijn breed, droog en van goede gewrichten voorzienquot;.
Nu, een paard met een droog hoofd, een goeden rug en beste beenen heeft zeer zeker alle eigenschappen van een goed paard.
Tijdens de regeering van Karei I, klaagde Sir Edward Harwood over de schaarschte van sterke paarden en gaf als
35
reden daarvoor op, dat er te veel lichte en snelle paarden gefokt werden voor de rennen. Deze klacht bewijst in ieder geval, dat er destijds reeds renpaarden bestonden en, dat deze zelfs met zorg gekweekt werden.
Onder Karei I bracht de hertog van Buckingham een paard naar Engeland, dat bekend is onder den naam van Buckingham Turk, en dat later verkocht werd aan Mr. Helmsley en van toen af genoemd is Helmsley Turk. Het schijnt dat deze niet gerend heeft, maar voor de fokkerij gebruikt is, want zijn naam is te vinden in het Stud-Book.
De treurige gebeurtenissen, die in dien tijd in Engeland voorvielen, waaronder ook de executie van den Koning, hadden op de paardenfokkerij geen gunstige uitwerking, maar Cromwell was slim genoeg om in te zien dat het 't land zeer veel voordeel zou aanbrengen, indien de algemeene aandacht van Europa op de in Engeland gefokt wordende lichte cavaleriepaarden zou gevestigd worden, en hij had dan ook zijn eigen stoeterij en renpaarden. Cromwell vond in dit opzicht in Mr. Place een specialiteit voor de fokkerij der paarden, en kreeg door hem den hengst White Turk.
Uit het kort overzicht hier gegeven van het Engelsche paard heeft men kunnen lezen, hoe de inlandsche Engelsche paarden in type veranderd moeten zijn, door het kruisen met verschillende vreemde paarden die van tijd tot tijd naar Engeland zijn overgebracht, en dat er oorspronkelijk in Engeland paarden geweest zijn met zooveel snelheid, dat zij het tegen de Oos-tersche paarden durfden opnemen.
Hoe deze paarden verkregen zijn is niet bekend, doch men beweert dat zij uit Ierland kwamen, wat het curieuste in deze fokkerij is. Voordat de zware koudbloedige paarden in Ierland ingevoerd werden, had Ierland een zwaar paard, maar met zuivere droge beenen en hieruit fokte men de hunters voor zwaar gewicht en snellen gang. Hieruit zou men dus al kunnen
36
afleiden, dat het renpaard van die dagen goede lijnen bezeten heeft.
Daar er nu in dien tijd over paarden niet veel geboekstaafd werd, en wat er nog was bij de vele twisten verloren is geraakt, zoo is een nauwkeurige kennis van het paard van die dagen eenvoudig onmogelijk. Het eenige wat met zekerheid neêrge-schreven kan worden is, dat er oorspronkelijk in Engeland verschillende soorten van paarden waren en dat van tijd tot tijd het inlandsche paard gekruist is met verschillende vreemde paarden; en zoo stonden de zaken tijdens de Restauratie.
Het schijnt dus ontegenzeggelijk een vaststaand feit te zijn, dat Engeland, Schotland en Ierland van af den vroegsten historisch bekenden tijd een best paard hadden, dat in alle opzichten voldeed aan de eischen van die tijden.
Koning Karei II is eigenlijk de stichter van den tegen-woordigen volbloed. Nu wordt er echter wel eens beweerd, dat er na de troonsbestijging van Karei II een geheel andere fokkerij is ontstaan als voor dien tijd aanwezig was, doch een bepaald bewijs hiervoor is nergens te vinden en veeleer mag men geneigd zijn aan te nemen, dat hij eenvoudig het fokken van snelle paarden uit Oostersche hengsten voortzette.
Ofschoon Jacob I en Karei I reeds Oostersch bloed importeerden, zoo kan men toch nergens vinden dat zij veel Oostersche merrien invoerden. Karei II daarentegen gelastte zijn âmaster of the horse': Sir John Fenwick, die tevens een fokker voor eigen persoon was, om eenige beste Oostersche merrien te gaan halen, de beste die hij vinden kon. Sir John, die den weg om aan Oostersch bloed te komen zeer goed wist, volbracht zijn taak met eere. Hij ging naar Tanger en kwam terug met vier Barbarijsche merrien, (volgens andere schrijvers acht), waaronder echter een Arabische en éen Turksche merrie was. Deze merrien kregen den naam van âRoyal maresquot;. Jammer genoeg heeft men aan eenige van hare
37
afstammelingen ook dien naam gegeven, zoodat eigenlijk het juiste getal van de oorspronkelijke verloren is gegaan.
Feitelijk is de moderne volbloed in den tijd van Karei II bedacht en gevormd, en het is een der meest frappante voorbeelden, dat het paard in zijn lichaamsvormen is te veranderen naar bepaalde inzichten en naar bepaalde behoeften.
Sir John Fenwick bracht van zijn reis echter niet enkel de Royal mares mede, maar ook tegelijker tijd eenige Oostersche hengsten ; en van dien tijd af werd er gestadig Oostersch bloed in Engeland ingevoerd.
Welk succes nu uitgegaan is van die Koninklijke merricn is niet bekend. Met zekerheid weet men alleen, dat een dier merrien kort na haar aankomst in Engeland het leven schonk aan een hengstveulen, dat den naam van Dodsworth kreeg, en dat dus een zuivere Arabier was. Verschillende hooge dignitarissen importeerden nu ook Oostersche hengsten, waaronder Lord Gullen en Lord Connay het grootste aandeel hadden. Na den dood van Karei II werden de Royal mares en meer andere zijner paarden publiek verkocht. De moeder van Dodsworth werd door Mr. Child gekocht voor 40 guinjes en eenige der andere kwamen in handen van Mr. John D'Arcy, die te Sedbury een stoeterij had. Deze Lord D'Arcy importeerde nu nog een paar beste Oostersche hengsten, genaamd D'Arcy's White Turk en D'Arcy's Yellow Turk, en deze hengsten werden nu met afstammelingen van de Koninklijke merriën gedekt.
Volgens het âStud-Bookquot; werden er ongeveer 176 Oostersche hengsten in Engeland ingevoerd van af Jacob I, en 24 van dit aantal kwamen in Engeland aan onder de regcering van Koningin Anna.
Onder deze 176 zijn er 3, die blijkbaar een groot verervingsvermogen bezaten, daar wij hun namen het meest genoemd vinden en ieder hunner als 't ware een bepaalde familie onder de volbloeds inneemt.
3«
De eerste dezer emimente vaders was Byerly Turk â aldus genoemd, omdat hij door kaptein Byerly gedurende Koning Willem's tocht door Ierland als rijpaard gereden werd. Op welk tijdstip dit paard in Engeland gekomen is, is niet juist bekend, waarschijnlijk in 1689.
Byerly Turk dekte niet veel; hij was de vader van Sprite, van Black Hearty en Archer, van Basto en Grasshopper, alle goede paarden.
Onder de regeering van Koningin Anna (1702â1714) kwam de tweede der groote stamvaders in Engeland, n.1. Darley Arabian. Deze hengst werd ingevoerd door den heer Darley uit Yorkshire. Hij was de vader van Childers en van Almanzor, een zeer goed paard, verder van Cupid, Brisk, beiden beste paarden, van de vlugge Daedalus, van Dart, Skipjack, Manica en Aleppo, bekende flatracers ofschoon uit minder goede merriën. Darley Arabian dekte behalve de merriën van Mr. Darley niet veel.
De derde beroemdheid was Godolphin Arabian, een bruine hengst, met wat wit aan de achterbeenen. Of dit een Arabier of een Barbarijsch paard was is niet goed bekend, vermoedelijk behoorde hij tot de laatsten. Deze Godolphin Arabian moet eigenlijk afkomstig geweest zijn uit Barbarije en op de een of andere wijze te Parijs gekomen zijn. Men had daar echter niet veel met hem op en voor een zeer geringen prijs kwam hij daar terecht om dienst te doen voor een waterkar. Hier werd hij opgemerkt door een Engelschman, die hem voor weinig geld kocht en meenam naar Engeland; deze verkocht hem weer aan Mr. Coke, die hem in zijn stoeterij als probeer-hengst gebruikte voor den hengst Hobgoblin. Op een zekeren dag scheen Hobgoblin minder goed gehumeurd, weigerde althans de merrie Roxana, en nu werd daarbij Godolphin Arabian toegelaten. Mr. Coke had van deze copulatie niet de minste verwachting. Uit Roxana kwam Lath te voorschijn
39
en het bleek al spoedig dat deze verre supérieur was boven alle anderen. De naam van Godolphin Arabian was door dit toeval voor goed gemaakt en opvallend mag het zeer zeker genoemd worden, dat de beste volbloeds in hun afstamming allen het bloed van dezen hengst hebben, o. a. ook de moeder van Eclipse.
Deze, de beste der drie, stierf in 1753 op 29 jarigen leeftijd.
Behalve deze drie komen ook meermalen de volgende namen in het âStud-Bookquot; voor; Greyhound, de vader van Goliath en Favourite.
Curwens Bay Barb, een geschenk aan Lodewijk XIV vnn Muley Ismaël, Koning van Marocco, werd door den heer Curwen naar Engeland gebracht.
Toulouse Barb, was de vader van Bagpiper en Blacklegs en meer anderen. In ieder geval blijkt echter het eerstgenoemde Trio den meesten invloed gehad te hebben. Ontegenzeggelijk heeft dit drietal enorm veel goeds uitgewerkt, maar toch moet men hen nu niet alle eer van het volbloed geven, want zeer zeker hebben de merriën hieraan ook hun deel. Bekend is het, dat er oorspronkelijk in Engeland beste paarden waren en dat de Engelsche zelfs de Oostersche paarden in snelheid en volharding overtreffen.
Gaat men dan ook de afstamming der volbloeds nauwkeurig na, dan ontwaart men dat een gedeelte van hun bloed niet van Oosterschen oorsprong is.
Mr. Joseph Osborne in zijn âBreeders Handbookquot; bewijst dit, en zegt zelfs dat het vrouwelijke bloed in dit ras van 't hoogste belang is geweest.
In de pedigree van de beroemde Eclipse kan men dit vrij gemakkelijk nagaan. De vader van Eclipse was Marske en in de pedigree van Marske vindt men Snake door Lister Turk, uit een dochter van Hautboy, maar de naam van die dochter van Hautboy wordt niet genoemd en was waarschijnlijk
4°
een inlandsche Engelsche. Ware deze merrie een Oosterschc geweest, dan zou haar naam opgeteekend zijn geweest. En zoo zijn er tal van paarden die in de vrouwelijke linie werkelijk Engelsch bloed hebben.
Wat nu de beste families betreft, ontsproten uit het edele drietal, zoo vindt men in 't âStud-Bookquot; de volgende daaromtrent aangegeven.
Uit Beyerly Turk ontstond Herod, dat een fameus paard was, en Jigghem. Deze dekte in Lincolnshire, totdat een zijner zoons, genaamd Partner, op 6-jarigen leeftijd hem verving. Onder de beste zonen van Herod vindt men Highflijer, Woodpecker, Florizel en Phenomenon. Tot deze familie behoort ook Sir Peter, Selim, The Flying Dutchman, Gladiator en Wild Dayrell. Terwijl door de vrouwelijke linie hiertoe behooren Bend'or, Robert the Devil, Speculum, The Bard enz.
Van Darley Arabian stamt af Eclipse, Pot-8-os-, Wholebone, Whisker, Touchstone, The Baron, Stockwell en Hermit. Van Godolphin Arabian, Matchem, Conductor, Melbourne, West Australian enz.
Omtrent de afstamming van Engelsche volbloedpaarden kan
O O i
men zich altijd overtuigen in het âStud-Bookquot;, waarvan Mr. Weatherby in 1791 het eerste deel uitgaf.
Niet altijd waren nu de wedrennen in Engeland zooals zij thans zijn. De prijs van een ren ten tijde van Jacob I was een bel, die onder Karei II veranderd werd in een bowl, dat de eigenlijke oorspronkelijke King's Plate was. Onder George II (1727â1760) werd de zilveren bowl veranderd in een beurs met geld en wel een met 100 guinjes, en nog heden ten dage heet deze prijs de Queen's Plate. In die dagen was echter de zucht tot het winnen van rennen en het fokken en grootbrengen van paarden voor dat doel niet zoo zeer om het geld, maar meer om de rivaliteit tusschen huurlieden en tusschen verschillende provincies, zoo b.v. tusschen de Noordelijke en
4i
Zuidelijke. Het was dus vooral te doen om de eer der overwinning en niet om het geld. Gelukkige tijd! Destijds had men ook geen sportbladen om de uitslagen te vermelden, en het eenige wat aangehouden werd waren renkalenders.
In 1720 waren er 27 matches te Newmarket, en voor ruim IOO jaar werden er rennen gehouden in het Theobald 's Park te Enfield, te Croydon en te Epsom, terwijl onder Karei II Newmarket werd, wat het sinds dien tijd gebleven is, n.1. het hoofdkwartier van de rennen.
Van af het begin der iSe eeuw behoorden rennen tot de uitspanningen in Yorkshire, dat altijd vooraan stond wat paarden en ruiters betrof. Weatherby geeft in het tweede deel van zijn eerste âStud-Bookquot; de pedigrees van meer dan 200 hengsten en merries van 1721 â1759- Het meerendeel van deze zijn Oostersche, alleen Basto schijnt de eerste En-gelsche hengst geweest te zijn.
In 1715 werd geboren Flying Childers, een kort gedrongen paard. Hij was van Darley Arabian uit Betty Leedes. Hij liep alleen te Newmarket en sloeg daar alle paarden van zijn tijd. Er wordt beweerd dat hij drie mijl, 6 furlongs en 93 yards, in 6 min. en 40 seconden liep.
In 1764 zag Eclipse het levenslicht, hij was van Marske uit Spiletta, van vaderszijde stamde hij af van Darley Arabian, van moederszijde van Godolphin Arabian. Hij was vos en tamelijk hoog en lang. Naar het extérieur te oordeelen, zou hij niet hard loopen, doch hij logenstrafte dit in alle opzichten. Hij werd nimmer overwonnen en kreeg nooit zweep- of spoorslag.
Eclipse kwam eerst met zijn 5e jaar in training en bleek in snelheid en volharding een fameus paard te zijn, de snelste van dien tijd. De schilderijen die van hem bestaan, geven allen aan dat het was een dier van hooge kwaliteit en groote kracht.
42
Dat het bezit van een dergelijk paard gaandeweg de wensch werd van velen, was niet te verwonderen, en de fokkerij van âracingbloodquot; nam hand over hand toe. Toch moet ik er op wijzen, dat, toen het Engelsche volbloedpaard bedacht was, de smaak der fokkers eigenlijk niet uitsluitend naar snelheid was. De jachten hadden een vraag doen ontstaan naar âwell-bred horsesquot; en ongeveer tegen het einde der achttiende eeuw was de vraag naar volbloed hunters die gewicht konden dragen zeer groot, een vraag die is blijven bestaan, ja feitelijk is toegenomen. De kleinere races in de graafschappen waren meestal het gevolg van het bestaan van âhunt-clubsquot;. De rivaliteit tusschen de verschillende graafschappen was zeer groot, en de zin naar het bloedpaard breidde zich meer en meer uit. Oorspronkelijk alleen bij den hoogen adel tehuis behoorende, zag men ze al spoedig bij landheeren en ook bij boeren, te meer daar men aangemoedigd werd door de vraag naar snelle âroadstersquot; en rijtuigpaarden. Iedere provinciale hoofdstad, zooals Exeter, Salisbury, Leicester, Chester en York, had nu al spoedig, evenals haren schouwburg en hanengevechten, ook hare rennen.
De Yorkshires reden tegen de Lincolnshires, die van Cheshire tegen die van Welsh en die van Chester tegen de Lancashires. Ja er was zelfs strijd tusschen de Yorkshires onderling, terwijl tusschen de bewoners van Noordelijk â en van Zuidelijk Engeland een zeer vinnige rivaliteit bestond. Destijds was dan ook het jagen te paard, over ieder soort van land, in Engeland een volkssport geworden zooals men het voordien nimmer zag.
Tot ongeveer de eerste vijfentwintig jaren van deze eeuw was er een groot aantal renpaarden toegelaten die geen volbloed waren, maar op de âturfquot; bekend stonden als ,,H Bquot; (halfbloed) of âcocktailsquot;, die als zij tegen volbloed liepen een zekere gewichtsvermindering kregen. Het stelsel van gewichtsontheffing is later opgeheven, omdat het aanleiding gaf tot
43
fraudes, daar men een volbloed liet doorgaan voor een halfbloed als zij dezelfde kleur hadden. De bedoeling er van was destijds, om als 't ware aan de boeren een aanmoediging te geven om hun merriën te doen dekken door bloedpaarden, om daardoor de kans te hebben een renpaard te verkrijgen of wel een hunter.
Uit Childers en Blaze ontstond Sampson, het sterkste paard dat ooit te voren geloopen had, Sampson was 15 'l2 âhandsquot; hoog en hij was een krachtig, kort bloedpaard, ofschoon zijn reputatie als renpaard niet zoo groot is geweest. Dit is te opvallender, daar hij de grootvader was van Mambrino, die in 1763 geboren werd en in zijn tijd als een der beste en meest vaste dravers gold. Weatherby beschrijft Mambrino als ,,a moderate race-horsequot;. Nu was Mambrino de vader van Messenger, die naar Amerika uitgevoerd is en daar in werkelijkheid de stamvader geworden is van de beste harddravers. Noch Sampsom, noch Mambrino blonken dus uit als renpaard, maar hun eminente draf heeft zich vast vererfd tot zelfs in het verste nageslacht; voorzeker een bewijs hoe sommige familie-eigenschappen onverwoestbaar zijn.
Wat nu het eigenlijke renpaard zelf betreft, heeft men meermalen het idee verkondigd, dat het thans aanwezige volbloed niet meer is wat het oorspronkelijk was, noch in snelheid noch in uithoudingsvermogen. Om dit met z.ekerheid te kunnen zeggen, dient men de snelheid van vroeger en die van thans na te gaan.
In 17 21 liep Flying Childers te Newmarket de 3 Engelsche mijl, 4 furlongs en 93 Yards in 6 min. 41 sec., dat is de Engelsche mijl in 1.50 en onder een gewicht van $8 kilo, ja hij schijnt in de Beacon Course de Engelsche mijl afgelegd te hebben, ook onder 58 kilo, in 1.47. De afstand was hier nog grooter. Dit record is nog verbeterd door Mate hem, die de Engelsche mijl in 1.44 aflegde, maar onder 54 kilo.
44
In 1846 won Pyrrhus I de Derby in 2 min. 55 sec., dat is de Engelsche mijl in 1.56*3, daar de Derby Course 1 Engelsche mijl lang is.
De gemiddelde tijd van Flying Dutchman (1849), Daniel O'Rourke (1852) en Ellington (1S56) is nog minder snel, n.1. over de 11j2 Engelsche mijl 3 min. 2 sec. en 3 min. 4 sec.
Kettledrum, Blair Athol, Merry Hampton en Ayrshire maakten een beteren tijd, daar zij dienzeltden afstand aflegden in 2 min. 43 sec. of de Engelsche mijl in i.482/3.
De s'Leger werd in 1888 gewonnen door Seabreeze in 3 min. 11 *!- sec., dat is de Engelsche mijl in 1.45
De Goodwood stakes werd in 1891 gewonnen door White Feathers in 2 min. 3'/20 sec- ^e Engelsche mijl.
Indien nu deze records werkelijk juist zijn, dan is het ook zonder twijfel waar, dat de moderne renpaarden het in uithoudingsvermogen afleggen tegen hun voorvaders van voor 140 jaar, en dus niet zulke goede âstayersquot; zijn.
Immers Matchem liep gedurende meer dan 4 Engelsche mijlen met een snelheid grooter dan ooit door eenige andere Derbywinner over anderhalve mijl is vertoond. En zoo het waar is, dat Childers en Matchem met die snelheid dien grooten afstand hebben afgelegd, dan waren zij niet enkel stayers maar ook âflijers.quot;
In Baily's Magazine zegt echter Admiraal Rous, dat het tegenwoordige Engelsche renpaard beter is dan dat van 1750, en die waren weer beter dan die van 1650 en hij baseert zijn redeneering hierop, dat de Engelsche paarden sneller zijn dan de Arabische, omdat in 1885 Jambic het over 3 Engelsche mijl te Newmarket gemakkelijk won van Asil. En wat betreft de kwestie, dat onze renpaarden geen stayers meer zouden zijn, zegt hij, dit is niets anders dan een kwestie van gewoonte. We loopen nu niet meer over 4 Engelsche mijl, maar loopen ook een grooter aantal malen per jaar, doch indien we ons
45
weer gingen toeleggen op de 4 mijl, zou het blijken, dat onze volbloeds wel degelijk nog stayers waren.
In ieder geval zijn er ook thans nog twee meeningen, en zij die overtuigd meenen te zijn dat het Engelsche renpaard is achteruitgegaan, strijden dan ook voor een wederinvoering van Arabisch bloed. Van den anderen kant nu vindt dit even krachtige bestrijding en voor 't oogenblik schijnt de meerderheid er niet voor te zijn.
Nu moet men echter ook niet vergeten, dat het volbloed niet enkel en alleen als renpaard van belang is. Zeer zeker is voor menigeen het volbloed eenvoudig de machine om geld te maken of om geld te verliezen, maar er zijn anderen, die met de rennen niets te ruiken hebben, en die het welzijn van het volbloed evenveel, zoo niet meer ter harte gaat. Immers het volbloed is onmisbaar voor de fokkerij van hunters, van hacks, van polo ponies, en van het grootste deel der tuig-paarden en, last not least, van de militaire paarden.
Indien men dan ook de rennen zou willen opheffen, zouden er terecht duizenden zijn, die daartegen opponeerden, omdat een der bedoelingen der rennen is de fokkerij te verbeteren. En dit is werkelijk zoo, want door goede bloedpaarden te bezitten, verbetert men in Engeland bijna ieder soort van paard.
Hoe ziet een volbloed-paard er nu wel uit ? Die vraag zou voor vele lezers zeer zeker onbeantwoord kunnen blijven, :maar toch willen wij trachten er eene omschrijving van te geven.
Het volbloed is een fijn, hoogedel paard van flinke maat en breedte, geen hoog, smal dier. Grofheid, in welk deel ook, maar vooral in hoofd, hals en schouders, mag er niet zijn.
Het oog moet zijn groot, helder en ver open, en vooral geen grove haren er rondom, daar juist het niet aanwezig zijn van zulke grove haren het bewijs is van adel. Het voorhoofd breed en vlak tusschen de oogen. Tamelijk groote en
46
recht opstaande ooren. Het geheele hoofd moet duidelijk alle beenderen in hun verheven lijnen doen zien en in alles iets edels vertoonen. Zeer gaarne ziet men groote neusgaten en een wijden keelgang.
De hals moet zijn lang en goed gespierd, zonder daarom grof te worden. Een korte hals gaat veelal samen met ronde, logge schouders. Een korte hals is bepaald een zeer slecht iets in een volbloed paard. In het algemeen kan men bij het volbloed wel zeggen, dat kortheid ook in de meeste gevallen een gebrek is.
Nu mag men hier uitzonderen den rug en (5e lenden. De romp van den volbloed moet zijn diep in de borst, een goede rug, goed gespierde lenden en niet al te kort opgesloten tegen de heup. De snelste, alsook die het meeste gewicht kunnen dragen, vertoonen zich altijd als wat minder gesloten in de flanken. Het voornaamste punt zit in de achterhand en hier vooral verlange men een groot en afstand van de heup tot de hak met goede spronggewrichten.
Het kruis mag een weinig schuin zijn, daar ook deze vorm bij de beste renners voorkomt. De schouders moeten lang zijn en schuin liggen, terwijl bij goede lengte van rug en lenden de afstand van de boeg tot aan de punt van de bil als 't ware nooit te groot kan zijn.
De voorbeen en tot aan de knie breed en lang, van knie tot koot kort en droog, de pezen hard. De kooten tamelijk lang en schuin, de hoeven zoo goed als maar mogelijk is.
Indien de borst breed is en het dier met de voorbeenen ver uit eikair staat, dan is het geen renpaard.
Een vlugge, beste renner moet hebben een diepe, maar smalle borst. Fisherman b.v. was smal in de borst en liep toch ruim.
De meest voorkomende kleur is bruin of vos. Zeer veel volbloed-paarden zijn wat wij noemen overbouwd. Zij hebben
47
dan toch allen een goed gevormden sclioft, maar hebben het hoogste punt van 't kruis zooveel hooger staan, omdat dij en schenkel zoo lang zijn, wat zij voor hun groote snelheid zoo hoog noodig hebben. Het Engelsch volbloed is inderdaad het fijnste, fraaiste paard en heeft in de meeste landen van Europa reeds tot verbetering der bestaande paardenrassen bijgedragen.
DE HACKNEY,
Indien men de positie ingenomen door den hackney van den tegenwoordigen tijd, vergelijkt met die van een honderd jaar terug, dan moet dit de verbazing opwekken zelfs van de grootste bewonderaars. Het is inderdaad eerst sedert de laatste jaren, dat de hackney, zooal niet als 't ware geheel herleeft, in allen gevalle bevrijd werd uit den verwaarloosden toestand, waarin hij door de zorgeloosheid of onwetendheid van Engelsche fokkers geraakt was.
Deze uitdrukking is misschien hard voor een volk dat zóóveel genegenheid voor paarden toont, maar toch is er geen andere te bedenken voor een overigens in alle opzichten bedrijvige natie, die jaren lang de goede eigenschappen van een der beste soorten van inlandsche paarden niet kende.
Dat de hackney geen populariteit kon verkrijgen, omdat er niet mede te dobbelen was, is zeker eer in het voor- dan in het nadeel der fokkerij, maar indien de Engelschen, evenals de Amerikanen, de harddraverijen als een sport beoefend hadden, zou voorzeker een groot gedeelte der aantrekkelijkheid van het volbloed overgegaan zijn op den hackney. Het is hoofdzakelijk aan de bemoeiingen der âHackney horse Societyquot; te danken, dat dit paard ontkomen is aan de duisternis die het tot voor eenige jaren omringde, en de hoogere plaats die het toekomt heeft ingenomen onder de Engelsche paarden.
Dat de pogingen van deze vereeniging ten volle gewaardeerd worden door de natie, bewijst het feit, dat Hare
49
Majesteit de Koningin als beschermvrouwe daarvoor optrad, terwijl onder de namen der presidenten, die meegewerkt hebben tot haar bloei, Z. K. H. de Prins van Wales in de eerste plaats genoemd moet worden.
Edoch, koninklijke en adellijke bescherming, hoe onschatbaar groot ook hare waarde is, heeft toch geen kracht genoeg om in zake paarden, deugden daaraan toe te kennen, die op de proef gesteld, blijken zouden niet te beantwoorden aan de verwachtingen daaromtrent gekoesterd, en evenals alle anderen had de hackney, ondanks zijn vorstelijke bescherming, het bestaan zijner goede hoedanigheden te bewijzen. Dat dit paard zijn vrienden rijkelijk den verleenden steun vergoed heeft, bewijzen zeer zeker de groote sommen die er voor besteed zijn en worden, en meer dan dat nog, het jaarlijks toenemend aantal inschrijvingen voor de voorjaarstentoonstelling der vereeniging te Londen. Immers toen deze vereeniging in het jaar 1885 haar eerste tentoonstelling hield, bevatte de catalogus slechts 123 hackney-inschrijvingen en 8 jaren later, in 1893, was dit aantal tot niet minder dan 383 geklommen, in 1896 zelfs tot 442, en dat, laat het er bij vermeld zijn, ondanks de groote aankoopen jaren achtereen van uit Amerika en andere landen. De grootste voldoening voor de Engelsche fokkers is ongetwijfeld de overtuiging, die gaandeweg meer en meer veld wint, dat deze soort, door en door kerngezond zijnde, zich in de meeste streken kan vererven. Al is het nu waar dat de hackney eerst sedert de laatste jaren naam gemaakt heeft, zoo moet men toch niet denken, dat het een paard zonder geschiedenis is. Der vermelding verdient zeer zeker de verdiensten voor de hackney's van een gedeelte der fokkers in Oost-Engeland en der vlakten van Yorkshire, die reeds, geslachten terug, het goede oude bloed, hun door hun vaderen nagelaten, als een schat bewaarden , en wier getrouwheid en toewijding aan den hackney thans
1
So
gouden vruchten voortbrengen als een passende belooning voor hunne volharding en toewijding in de dagen dat de hackney niet in aanzien was.
Deze lieden behielden die soort, zij fokten het zuiver, niet enkel uit een zekere genegenheid, maar uit ware overtuiging van de goede eigenschappen, en groot zal ongetwijfeld hun blijdschap geweest zijn bij den triomf over vooroordeelen en onwetendheid.
Dat de hackney ongelukkigerwijze het slachtoffer van deze twee vijanden was, is een feit, dat niet weerlegd behoeft te worden, maar dat dit paard thans een zeer hooge en onaantastbare positie heeft ingenomen en gemakkelijk iederen aanval die op hem gedaan wordt kan doorstaan, is evenzeer een feit. In Engeland vooral waren het de beschermers van het volbloed die zich tegen den hackney verklaarden, doch zij wisten vermoedelijk niet, dat in de aderen der dieren die zij verachtten, voor een deel hetzelfde bloed stroomde, als in die van hunne uitverkorenen, n.1. het bloed van Darley Arabian en zijn illustre afstammelingen.
Er wordt wel eens beweerd dat het volbloed alleen zuiver is, en dat de hackney slechts een halfbloed is, maar dan is hij toch een bastaard met een buitengewoon lange pedigree, die in zeer veel gevallen even ver door te voeren is als van het volbloed. Bovendien is het moeilijk aan te nemen, dat de hengsten Darley Arabian en Godolphin Arabian uitsluitend toegelaten zouden zijn tot âgalloping maresquot;, integendeel er zijn zelfs een groot aantal bewijzen, dat dit niet het geval was, en in de achttiende eeuw werden lichte merriën die goed draafden, ook voor hooge prijzen verhandeld.
Mr. Henry T. Euren, de secretaris der Hackney Horse Society, een ijverig voorstander van alles wat betrekking heeft op de hackney's, heeft in de naamlijsten der âNorwich Jlfer-cury de oorsprong opgezocht der oude âShalesquot;, een paard
Si
dat nis de grondsteen van het stud-book beschouwd wordt.
Shales, volgens een advertentie in âNorwich Mercuryquot; in April 1773 en Maart 1773, was de vader van Scots Shales, die tegen een dekgeld van een guinje per merrie, en een shilling voor den staljongen, dekte, en wordt gehouden te zijn van een zoon van Blaze. Blaze door Childers uit een âwell bred hunter marequot;. Blaze werd geboren in 1733, en had tot vader Flying Childers, wiens moeder was Grey Grantham door Brownlow Turk uit eene merrie door den hertog van Rutland's Black Barb.
Van de vele zoons van de Oude Shales, werden Driver en Scots shales de pilaren van het Stud-book en vele der beste hackneys van den tegenwoordigen tijd stammen van dezen af. Bijvoorbeeld de beroemde hengst Fireaway van Mr. Triffit was van Achilles van Fireaway (Scott's) van Fireaway (Rams-dale's) van Fireaway (Burgess) van Fireaway (Westt's) van Fireaway (Jenkinson's) een zoon van Driver.
Flet is jammer dat van den beginne af aan geen aantee-kening gehouden is van de afstamming der hackneys, daar we ons nu moeten tevreden stellen met brokstukken van verhalen hier en daar geschreven.
John Lawrence spreekt in zijn verhalen veelvuldig van een soort van paarden welker karakteristieke eigenschappen geheel overeenkomen met de hackneys. In zijn âPhilosophical and Practical Treatise on Horsesquot; zegt hij dat in vroeger dagen âthe horses for the saddle were nags, amblers, pacers, stirrers, âtrotting horses, hobbies, great horses, or horses for the buff âsaddle, hunting horses, coursers, race horses,quot; terwijl hij er aan toevoegt dat de namen die men er nu aangeeft zijn âroad âhorses, riding horses, saddle horses, nags, Champman's horses, âHackney's, hacks, ladies horses or pads, hunters, running âhorses, racers, gallopers, welter horses, managed horses, âchargers, troop horses, post horses, trotters, canterers, horses
52
âwhich carry double, cobs, galloways, ponies and mountain-âmerlins.quot;
Deze ingewikkelde lijst van soorten nader te ontleden is voor 't moment niet noodig, daar het ons voldoende is er op te wijzen, dat hij ook van hackneys spreekt, ofschoon dit honderd jaar geleden is.
In zijn âHistory of the Riding Horsequot; spreekt hij ook weer over de hackney als een aanzienlijke en waardevolle soort en bespreekt hem in een adem met de roadster, eene benaming die waarschijnlijk daar voor het eerst gebruikt is, ofschoon in 1600 Hackluyt spreekt van een ^roaderquot;.
Naar alle waarschijnlijkheid heeft men in de vorige eeuw, sprekende over paarden, de benamingen hackney en nag afwisselend gebruikt, en sedert dien tijd zijn zij blijven bestaan en worden dan ook in verschillende deelen van het land zonder onderscheid gebruikt voor paarden van dezelfde soort. Volgens Mr. H. F. Euren's zorgvuldig, naar de beste bronnen samengestelde inleiding van het eerste deel van het stamboek der Hackney Horse Society, is de benaming iiag de oudste naam voor het rijpaard en dit woord is afgeleid van het Angel-Saksische woord hnegan.
Later hebben de Normandiërs bij hun komst in Engeland er het woord haquenée of hacquenee van gemaakt en reeds in 1303 is dit woord te vinden. Uit een uittreksel van de âVision of Piers Plowmanquot;, geschreven in 1350, haalt Euren het volgende aan: âac Hakeneyes hadde thei none, bote Hakeneyes to hyre.quot; Het woord Hakenye hier gebruikt bewijst dus de oudheid ervan, alsmede het algemeen gebruik dat er toen reeds van gemaakt werd, doch het is jammer, dat er nergens détails te vinden zijn die inlichtingen geven, welke soort van paarden er bepaald mede bedoeld werden.
Dat Oost-Engeland, al is het thans niet de bakermat der Hackney's, in alle geval de streek was, waar paarden van een
S3
bepaalde soort in de 15e eeuw in hoog aanzien waren, is te bewijzen door eene aanhaling uit een brief van Mevrouw Margaret Passen, die aan haar echtgenoot schreef dat âthere be bought for you three horses at St. Faith's Fair, and all be trotters, right fair horses â God save them â and they be well keeped.quot; Dit nu bewijst minstens dat er te dien tijde in Norfolk een bepaald type van paard was dat als âtrotterquot; (draver) bekend was.
In die oude tijden bestond er, evenals nu, vrij wat verschil van meening omtrent de waarde van paarden. Zoo betaalde in 1462 Lord Howard voor een schimmel nag £ I, 16 s, 8 d, en deze diende dan nog wel tot een cadeau aan den koning van Frankrijk. Acht jaar later echter waren de prijzen voor goede paarden opgeloopen tot £ 75. In 1435 kocht Sir John Falstolfe te Yarmouth twee rijpaarden voor zwaar gewicht tegen M, 11 '/2 per stuk, dat destijds als een goede prijs werd beschouwd.
Gedurende de regeering van Koningin Elisabeth, die behalve goed vorstin ook een âgood sportswomanquot; was, bereikte ook de literatuur een hoogen trap. Bekend is het, dat in dien tijd de onsterfelijke Shakespeare tot roem kwam, doch minder bekend zal het zijn dat Harer Majesteits natuurkundige, Dr. Caius, de eerste was die in het Engelsch een boek uitgaf over honden, en dat ook onder Hare regeering het eerste Engelsche boek over paarden uitkwam, geschreven door Master Blundeville van Newton Flotsham in Norfolk. Blundeville was ontegenzeggelijk zeer enthousiast over de paarden van zijn land, dat komt in zijn werk zeer sterk uit, een boek dat hij met zeer veel moeite en onder bezwarende omstandigheden schreef. Hij was een groot voorstander van de paardenfokkerij gebaseerd op wetenschappelijke gronden, doch verdedigde dapper de rechten der Engelschen om in de keuze der paarden vrij te blijven. Hij was wars van alle verplichte keuringen of
54
aanwijzingen. Tot het fokken van goede dienstpaarden raadde hij aan merriën te gebruiken, âvan een flinke maat, sterk gebouwd, breed en mooi, en die overkruis draven, want het is niet noodig dat zij telgangers zijn.quot;
Over de taille van het oude paard vindt men bij de verschillende schrijvers al zeer weinig. Alleen in het werk van den hertog van Newcastle wordt gezegd âdat men niet bang behoeft te zijn van in Engeland kleine paarden te krijgen, daar de koude en vochtigheid van het klimaat en de vruchtbaarheid van den bodem eerder te groote paarden doen ontstaan.quot;
Zoo'n gezegde beteekent nu wel niet veel en omtrent de ware maat zegt het eigenlijk niets. Beter kan men het nagaan uit de oude documenten. Zoo stond er in 1725 in de âNorwich Gazettequot; een advertentie, dat een schimmelhengst hoog 14 hands, ter dekking stond en twee jaar later vindt men in de âNorwich Mercuryquot; de beschrijving van een ruin van 15 hands, en dit geeft ons aanleiding om aan te nemen dat de hoogte der hengsten was van 13â14 hands, 1 hands = o. 1012 Meter, 1 hands = 4 inches. Na dien tijd vindt men gaandeweg gewag gemaakt van grootere hengsten. Vermelding verdient het feit dat tot voor korten tijd in de hackneyklasse op de jaarlijksche tentoonstelling van de Royal Agricultural Society van Engeland, alleen toegelaten werden paarden niet hooger dan 15.2 hands. Gelukkig is deze bepaling thans vervallen.
In het begin van deze eeuw moeten er toch ook eenige groote hackney's geweest zijn, daar b.v. het Stud-Book vermeld, dat Fireaway (West's) meer bekend als âSilver-tailed Fireawayquot;, die in 1807 geboren werd 16 hands hoog was, terwijl Phenomenon Fireaway, een zoon van hem, 16.2 hands hoog was. West's Fireaway was een achterkleinzoon van de oorspronkelijke Shales, een Norfolk paard. Zijn moeder was eene dravermerrie van Pagan van Spectator. Pagan's moeder
55
was van Blank en deze van Godolphin Arabian. Spectator was van Arab en deze van Alcock's Arabian. Hieruit blijkt dus ook weer dat de hackneys evenals de volbloeds Arabisch bloed in hun aderen hebben.
Wat de hoogte der hackneys betreft, is het toch opmerkelijk dat de beste hengsten, 't zij als dek-, 't zij als tentoon-stellingshengsten niet hooger waren dan 15.2 hands = 1.568 Meter. Fireaway v. Triffit had deze hoogte, Denmark van Mr. George Bourdiss was even hoog, zoo ook de beroemde, onlangs (29 Januari 1896) gestorven Danegelt. De beroemde hengst Reality van Mr. W. Flanders, de winner van de eerste Elsenham Challenge Cups voor hengsten, aangeboden door Sir Walter Gilbey, had ook deze hoogte, de fameuse Black Prickwillow en zijn zoon Confidence waren ook niet hooger.
Genoeg, in 't kort is dus aangetoond, dat de hackney reeds in zeer oude tijden bekend was, alhoewel eerst sedert de laatste jaren in meerder aanzien gekomen. De vraag is nu met welke bedoeling werd de hackney dan oorspronkelijk gefokt, en is er bij toeval uit vroegere beschrijvingen ook te ontdekken wat als het zuivere type van Hackney beschouwd werd.
Ook hier helpt Mr. Henry F. Euren ons op den weg, daar hij in zijn inleiding van het eerste deel van het stamboek rondweg zegt, dat âthe construction of railways had a speedy effect on the breeding of hackney horses.quot; Deze omstandigheid nu, het feit dus dat de spoorwegen als 't ware de fokkerij bevorderden, geelt wel eenigszins eene verklaring voor den geringen steun, dien deze soort van de zijde der fokkers een paar eeuwen terug ontving.
Voordat Stephenson's uitvinding het groote publiek ten goede kwam, moesten de boeren uit alle landstreken te paard naar de markt gaan, en het was geen ongewone zaak voor hen om op één dag 50 of 60 Engelsche mijlen af te leggen. De Engelsche landbouwer nu, wat men ook van hem denken
56
moge, is altijd geweest een stevige, tamelijk zware boer, en bijgevolg moet het paard dat hem droeg, een krachtig gebouwd dier geweest zijn. Wat meer is, dat dier kon ook geen luiaard zijn, want tijd is kostbaar, des te meer wanneer marktbelangen er mede gepaard gaan, waaruit men gereedelijk kan afleiden dat dit boerenpaard sterk en vlug geweest moet zijn. Wat de snelheid van de hackney's betreft, moet hier al dadelijk er bij vermeld worden, dat bij beoordeeling van hen niet uitsluitend de draf maar ook de wijze van gaan, zijn âstylequot; in aanmerking moet komen.
Nu zijn er maar weinig paarden die het zouden volhouden om een ganschen dag lang met een zwaren man op hun rug te blijven draven, terwijl er aan den anderen kant ook maar weinig menschen gevonden worden, die dit kunnen volhouden, en vandaar dan ook dat gemakkelijk aan te nemen valt, dat dit paard ook vroeger althans snel kon draven. Uit de verhalen die er over de hackneys bestaan, moet men aannemen dat het een harddraver was. Zoo zou Driver, de zoon van Shales, de vader geweest zijn van eene merrie die 15 Engelsche mijl in het uur afdraafde, daarbij 15 stone gewicht dragende, terwijl van Shales zelf gezegd wordt, dat hij er 17 in het uur aflegde. Pretender legde op vijfjarigen leeftijd met 16 stone op zijn rug 16 E. mijl in het uur af, terwijl in 1801 Read's Fireaway de E. mijl afdraafde in 2 m. 49 sec.
Onder de records van nog vroeger datum, die dan aangegeven worden als bewijzen van de vlugheid der Engelsche paarden, moeten wij gewag maken van het record van Phenomena.
Phenomena was een merrie, die tot vader had de harddraver-hengst Othello, terwijl haar moeder een Norfolkmerrie was, die de 17 E. mijl binnen het uur aflegde. Phenomena was slechts 14.2 hand = 1.467 M. hoog, en draafde in het jaar 1800, zijnde toen 12 jaar oud, de 17 Engelsche mijlen in 56
57
minuten. Toen men dit record in twijfel trok, herhaalde zij den match en verbeterde het record zelfs tot op 53 minuten, aldus gelijkstaande met 1 minuut 56 seconden de 1000 meter. Als een gevolg van deze snelheid werd zij tot een match over I9s/2 E. mijl binnen het uur uitgedaagd tegen een inzet van 2000 guinjes. Toen Phenomena echter in een proefrit de 4 Engelsche mijl afdraafde binnen 11 minuten, aldus een record makende van 1.425 min. de 1000 meter, durfde de tegenpartij de match niet aan en betaalde rouwgeld.
Toen deze fameuse merrie, als 't ware eene koningin onder de hackney's, 23 jaar oud was, draafde zij haar 9 Engelsche mijl nog in 28'/j minuut.
Phenomena kreeg in haar leven vele meesters, waaronder ook de hertog van Leeds, die voor haar, toen zij op 't toppunt van haar glorie was, 1800 guinjes betaalde.
Zooals het vaak gebeurt, ging het ook Phenomena; toen zij oud werd, werd zij niet meer gerespecteerd en vond op een van de verkoopingen te Londen eindelijk genade in de oogen van de heeren Daniel en den eerwaarden dominee Asley, die haar voor M 7 kochten. Zij diende den dominee nog trouw; tot op een zekeren dag de dood plotseling een einde maakte aan haar leven.
In het Hackney-stamboek staat een kleinzoon van haar, n.1. Phenomenon (Jacob's) 578.
Uit de hier medegedeelde verrichtingen van eenige hackneys blijkt dus, dat zij reeds van af vroegen datum harddravers waren, althans zeer snel konden loopen, en deze snelheid was dan ook een noodzakelijk iets, wilde de Engelsche boer tijdig ter markt zijn. Deze weinige mededeelmgen mogen voldoende zijn om aan te toonen, welk een snelheid er in den hackney zat, reeds ten tijde toen hij als 't ware minder bekend was.
Het doel waarvoor de hackney gehouden en gefokt werd, was eertijds een ander dan tegenwoordig, en met de veran-
58
dering in zijn bestemming is feitelijk ook wel zijn model veranderd. Immers, in den tegenwoordigen tijd, de dagen van stoom en electriciteit, zal geen enkele dikke boer, ja zelfs geen lichte, er over denken om zijn marktwaren te hangen achter aan het zadel op zijn paard, en gesteld, dat er werkelijk nog zulk een excentrieke boer te vinden was, zou vermoedelijk toch zijn betere helft er voor bedanken om bij hem op dat zadel plaats te nemen. Mr. Euren heeft dan ook gelijk door te zeggen, dat de verbreiding der spoorwegen van enormen invloed geweest is op den hackney.
Meerdere dagen achtereen, of zelfs een geheelen dag te paard te reizen, komt tegenwoordig al even zeldzaam voor, als dat men een halve eeuw terug dagen achtereen in 't spoor zat, wat nu wel het geval is. Van daar dan ook, dat de tegenwoordige hengsten er krachtiger gebouwd uitzien, terwijl die van vroeger dagen er meer als bloedpaarden uitzagen. Men kan echter toch ook niet ontkennen dat, indien men uitsluitend op adel in den hackney Iet, een groot gedeelte van zijn werkelijke waarde misschien zou verloren gaan. Een grof, slecht gefokt dier zal zeer zeker door een hackney-fokker steeds vermeden worden, tenzij zijn pedigree in alle deelen zuiver is en zijn diensten verlangd worden voor een lichte of minder edele merrie, doch men vergete van den anderen kant ook niet, dat een al te fijne, als volbloedpaard er uit ziende hengst, ook slechts fijnere nakomelingen zal produceeren. De gevaarlijke klip, de scylla, is hier zeker het eischen van te veel adel, die helaas te dikwijls ontaardt in weekheid, doch bij het vermijden van die klip, zorge men niet te vallen in de draaikolk de Charybdis, die hier bestaat in het verlangen naar al te veel omvang en dan vaak ontaardt in grofheid. Het ware type van hackneyhengst is dan ook een krachtig gebouwd dier, laag op de beenen, breed en tamelijk zwaar, met een intelligent hoofd, een fraaien goed gebogen hals,
59
sterken reclitcn ru^, en schouders zoo goed als zij maar zijn kunnen. Dat de hoeven en de spierontwikkeling best moeten zijn, spreekt van zelf, want het is buiten kijf, dat een dier dat daarin mankeert, niet in staat is den gevraagden arbeid te doen, en al is hij in alle andere opzichten nog zoo'n best exemplaar, indien zijn hoeven niet deugen, is hij in werkelijkheid waardeloos.
Het hoofd van zoo'n hackney is breed tusschen de oogen en wordt naar den mond toe gaandeweg smaller, de oogen zijn groot en helder glinsterend, niet weggetrokken in de oogkassen, maar vurig blikkende om op de omstanders den indruk te doen ontstaan van kracht, van intelligentie en van moed verbonden met adel.
Een zeer smal, vrouwelijk uitziend hoofd is in een hackney-hengst altijd te verwerpen, even als een te grof en groot hoofd. De eerste vorm duidt gewoonlijk op gebrek aan kracht en intelligentie, gepaard aan weekheid, en de laatste komt meestal voor bij een traag temperament, terwijl de goede hackney daarentegen een zeer vurig temperament heeft. In éen woord, het hoofd moet geproportioneerd zijn aan de grootte van het dier, want een klein hoofd, dat over 't algemeen het meest gaarne gezien wordt, zal b.v.goed passen bij een hengst van I.50 M., doch bespottelijk groot schijnen bij een van 1.45 M.
De ooren moeten slechts middelmatig groot zijn, rechtop staan en puntig uitloopen, ofschoon er ook wel dieren prijzen gewonnen hebben, die voorzien waren van oorschelpen die werkelijk een konijn niet zouden ontsierd hebben.
De hals moet een tamelijke lengte hebben, van boven goed gebogen, van onderen recht, en aan het hoofd niet grof, maar toch ook niet al te smal, daarentegen aan de borst breed. De schouders van den hackney moeten zijn als die van een rijpaard, n.1. vrij van alle overtollige vet en grofheid, zij moeten goed schuin liggen, terwijl het schouderblad zeer lang moet
öo
zijn opdat men door de groote getande spier een machtige verbinding zou krijgen tusschen voorbeen en romp. Zijn de schouders kort en smal, dan verliezen ook de spieren te veel aan lengte en breedte, en alleen lange en breede spieren kunnen den hackney die buigzaamheid, bewegelijkheid en vrijheid van schouders geven, waardoor hij zoo beroemd is.
De rug recht, sterk en niet te lang, terwijl de lendenen zeer compact behooren te zijn. Het kruis zij lang en zoo krachtig mogelijk, zonder daarom grof of al te fijn te worden. De ribben goed rond en in de flanken goed gesloten.
De voorbeenen kort, doch zeer sterk, boven- en onderarm dik en gespierd, breede gewrichten en beneden de knie breed en sterk, de kooten van een tamelijke lengte, tot waarborg voor de noodige elasticiteit in den gang, en de hoeven van de allerbeste hoedanigheid en recht onder de beenen geplaatst.
De achterbeenen moeten zeer sterke dijen en schenkels hebben, met breede, goed gebogen spronggewrichten met groeten afstand van heup tot hak.
De staart hoog ingeplant, moet als het paard in actie is, sierlijk gedragen worden. Beziet men zoo'n hackney stilstaande, dan valt het op hoe soliede hij op voor- en achterbeenen staat. Daar waar hij het voorbeen neêrzet, staat hij er op alsof hij door den grond wil duwen. Hier geen waggelen in de knie, geen ontspannen in den kogel, vast en onwrikbaar staat hij met korte maar staalharde pezen. Zelden zag ik dien stand fraaier dan bij den nu bijna twintigjarigen Pullaway, van den heer van Wickevoort Crommelin.
Ofschoon kort in het middenstuk, is zoo'n hackney toch lang, en juist dat lange en dat laag op de beenen zijn is bij hem karakteristiek. Lang door zijn eminente schuine schouders en zijn krachtig, wonderlijk schoon en lang kruis, waardoor boeg en zitbeensknobbel ver, zeer ver van elkander
6i
liggen. Laag op de beenen bij een hoogte van 16 hand, doordat de borst enorm diep is, waardoor zekerheid verkregen wordt voor groote longen en een groot hart, onmisbare factoren voor uithoudingsvermogen.
Deze korte beschrijving moge voldoende zijn om eenig denkbeeld te geven van de lijnen die in een goeden hackney aanwezig moeten zijn. Die meerdere hackneys bijeen wil zien bezoeke de voorjaarstentoonstelling te Londen.
Hierboven gaven wij eene beschrijving van den bouw van den Hackney. Nu is het altijd moeilijk om in woorden weêr te geven hoe eigenlijk het paard gebouwd moet zijn om te kunnen voldoen aan alle eischen, en vaak komt men dan ook eerder achter het ware, door eenige paarden te zien. In de beschrijving is ook gezegd, dat de Hackney een draver is, maar nu moet men toch niet denken dat men een goede zou hebben, als men een harddravenden hackney van het beschreven model in handen kreeg, maar waarvan de actie gebrekkig was. Dit is althans zeker, dat zoo'n hackney in de oogen der Jury van een hackney-tentoonstelling weinig genade zou vinden. Inderdaad, ieder paard verliest meer dan de helft van zijn waarde, indien het gebrekkig is in de actie, ofschoon er in de actie van dieren een even groot onderling verschil is als in de wijze van gaan der menschen.
Onder de zoogenaamde warmbloedige paarden neemt de hackney als 't ware een eenige plaats in, daar hij zelden galoppeert, maar wat zijn locomotie betreft, zich bepaalt tot stap en draf. Deze laatste gang is bij hem zoo karakteristiek, dat men gerust kan zeggen dat hij sneller kan draven dan galoppeeren; daarbij is zijn draf zuiver, geen telgang of drieslag. De hackney excelleert werkelijk door zijn regel-matigen draf, de regelmatige opeenvolging der hoefslagen, het een â twee â drie â vier klinkt bij hem zoo vast, als
62
men het zelden zal hooren, en geen enkele fokker van deze soort zal zich dan ook laten overreden, om het zonder zoo'n draf te doen. De actie van een hackney verschilt in quali-teit evenals alle andere dingen in de wereld, terwijl zeer zeker ook ten opzichte van die actie, de meeningen der juryleden uiteen kunnen loopen. Doch hoe die meeningen nu ook mogen verschillen, men zal nooit een prijs geven aan een dier met duidelijke stijve schouders, terwijl er ook al zeer weinigen zullen zijn, die met zoo een zouden willen fokken. Bij ieder soort van paard let men bijzonder op schouders, knieën en kooten, dat zij in den gang vooruitgebracht worden, maar bij geen enkele soort is de werking der schouders zoo eminent als bij de hackney's.
Indien hij geen lange, schuine en zeer bewegelijke schouders heeft, kan men ook niet verwachten, dat hij de voor-beenen, bij hoog oplichten, ver zal doen vooruitgrijpen. Bij dergelijke krijgt men eenige knieactie, dat wil zeggen een buigen der knieen, maar geen gang en zoo iets heeft geen nut, wanv. indien een draver niet sterk vooruitgrijpt, is al het fraaie van zijn gang verloren. In de keuze van een hackney moet het een conditie sine qua non zijn, dat hij in alle opzichten vrije schouders met voor uitgr ij penden gang heeft. Op dit laatste, het vooruitgrijpen, dient bijzonder gelet te worden, daar dit alleen, bij actie, nut aanbrengt.
Een goede knieactie, 't spreekt van zelf, verhoogt 't succes van ieder paard, en hoe hooger zij opgelicht worden, mits het bovenstaande, het vooruitgrijpen van het geheele voorbeen, er mede gepaard gaat, des te meer zal het dier bewonderd worden. Men vergete echter niet, dat overdreven knieactie, zonder vooruitgrijpen, ten nadeele van den gang, en hoe fraai het ook toeschijnen moge, geen deugd is.
Het fraaie der schouderbeweging van den hackney mag geen reden zijn om 't gewicht van de koot over 't hoofd te
03
zien. Te korte, steile kooten, geven iets stootends, langere en schuin liggende daarentegen iets veerends. De kooten zijn dan ook werkelijke medewerkers van de schouders, en alleen bij goede schuine schouders en schuine kooten zal men dien lichten veerenden gang krijgen, die zoo ge-wenscht is.
De heup-, knie- en spronggewrichten zijn de gewrichten die de actie der achterbeenen regelen, en het kootgewricht mag hierbij ook genoemd worden. Het kniegewricht moet goed gebogen worden, doch de hoofdzaak komt aan op het buigen der hakken (spronggewrichten). Indien deze goed gebogen en dan goed onder den buik naar voren getrokken worden, dan gaat hij over veel grond en indien nu zijn dijen broekspieren krachtig ontwikkeld en ontdaan zijn van overtollig vet, dan zal hij machtig marcheeren. Veel hackneys hebben de neiging om met de achterbeenen wat wijd te loopen, wat niet mooi is, ofschoon men het vaak ziet bij snelle paarden; zoo is het bekend dat b.v. flying Dutchman met de achterbeenen buitengewoon wijd liep. De neiging tot wijd loopen, ofschoon leelijk, is nog geen reden om een hackney ongeschikt te verklaren, en bovendien kan het zeer dikwijls een oorzaak hebben in een minder goede leerschool in zijn jeugd, vooral indien men hem te jong te veel heeft aangezet tot snel gaan. Paarden die de hakken naar buiten draaien (billardeeren) of meer of minder koehakkig zijn, koope men niet, daar dit voor een hackney die per se vierkant moet gaan, een bepaald gebrek is.
Waar men verder vooral op dient te letten, dat is op den stap. Er zijn helaas tegenwoordig veel hackney-hengsten die slecht stappen en dit is te meer te bejammeren, daar zij dit gebrek vererven. Een opvallend goede stapper moet de hackney-voshengst Ganymede zijn, die in 1S88 geboren en een ^oon is van âDanegeltquot;. Paarden die een goeden ruimen stap
64
hebben, zijn in de meeste gevallen ook goede dravers, doch het omgekeerde is niet altijd waar. Nu zegt men wel dat de hackney niet als rijpaard behoeft te dienen, maar alleen als tuigpaard en als zoodanig meer de draf dan de stap in aanmerking moet komen, doch men moet niet over 't hoofd zien, dat voor een goeden ruimen stap met voor- en achter-beenen, gegevens in de hoekstelling der beenderen noodig zijn, die ook in den draf voordeel kunnen aanbrengen.
Een zaak van belang bij hengsten is ook het temperament. Een mak paard met veel temperament zal steeds een hoogere waarde hebben dan een vicieus dier, dat herhaaldelijk poogt zijn eigenaar of verzorgers de beenen stuk te slaan. Nu is het een eigenaardig iets in de hackneys, dat men er zelden van nature kwaadaardige dieren onder aantreft. Het gebeurt wel dat door slechte behandeling in de jeugd, hetzij van de zijde der knechten of misschien van den kant des eigenaars, de dieren een minder aangenaam temperament krijgen, doch door een dergelijke bejegening zou ten slotte de meest kalme natuur in opstand geraken. Vooral in de jeugd dient men zacht met hen om te gaan, en past men dit toe, dan behoort het tot de hooge uitzonderingen dat een hackney vicieus is.
Summa summarum moet de hackney-hcngst zijn een zeer sterk gebouwd dier met breede zuivere gewrichten, zoowel in voor- als achterbeenen, terwijl zijn adel duidelijk zichtbaar moet zijn, zonder schade te doen aan zijn forsche ontwikkeling.
Wat de keuze van een hackney-merrie betreft, zij men voorzichtig hier niet altijd adel te stellen boven alles. Men zou allicht geneigd zijn om dan een merrie die b.v. driekwart volbloed was, te verkiezen boven een lage, diepe, zwaar gebeende merrie, die schouders en hakken weet te bewegen en te buigen, en volgens haar pedigree toch van hackneys afstamt. In den regel is men geneigd bij te fijne merries de
6S
compensatie te zoeken in een zwaarderen hengst, hopende dat de zwaardere beenen van den hengst in 't veulen teruggevonden worden. Doorgaans ontaardt dit nu nog al gauw in grofheid, d. w. z. men zoekt een te groven hengst, en grofheid in den hengst moet vermeden worden. Indien het dan ook niet strikt noodzakelijk is, fokke men niet met merricn die men liever niet ziet, maar trachte eerst een betere te krijgen. Nu het oog meer en meer hier te lande op den hackney gevestigd wordt en men wellicht ook tot den aankoop van hackney-merriën wil overgaan , moet men goed bedenken, dat er geen koren zonder kaf is, en dat er dus ook wel minder goede hackney-merriën zijn; hier ook vooral zoeke men de beste,
maar vooral.....de sterkste uit, want het âfortes creantur
fortibus et bonisquot;, (alleen de sterke geeft een sterk nageslacht,) is ook hier van toepassing en die in het al te fijne vervalt, komt allicht in het meer weeke. Bij de keuze van een goede degelijke merrie moet men niet te nauw op den prijs letten, want goede waar is duur. Geef voor een goed paard een goeden prijs en âyou will never regret your bargainquot;.
5
DE HACK.
Alvorens over te gaan tot de beschrijving der koudbloedige Engelsche paarden, dient nog met een enkel woord gewag gemaakt te worden van de Hack, van Engelsche tuigpaarden en van de Engelsche ponies.
De Hack.
Op bladzijde 22 hebben wij bij de beschrijving van den hunter gezegd, dat de volbloeds de beste hengsten geven voor de hunters, de hacks, de troepenpaarden, alsmede voor die tuigpaarden, die gefokt worden van Hackney's, Clevelanders en Yorkshire koetspaarden. Hieruit zou men allicht geneigd zijn te denken, dat de hack een op zich zelf staande variëteit was, en van den hunter enorm veel in voorkomen verschilt. Niets echter is minder waar dan dit en het verschil tusschen een hack en een hunter is zoo gering, dat Sir Francis Head daaromtrent zeide âto metamorphose a hunter into a hack is chiefly effected by the bridle.quot; Het meerendeel der Engelschen verlangt dan ook, dat een hack gebouwd moet zijn als een hunter; en dat laat zich gereede-lijk verklaren, want als men door hunters te rijden gewoon geraakt is aan die groote lengte voor het zadel, aan die goede schouders en die veerende actie, dan is het onmogelijk om te gaan zitten op een paard dat voor het zadel te weinig lengte (korte dikke hals) heeft, al heeft het ook een nog zoo'n fraaien stepgang.
67
Om langs den weg te rijden, het is waar, behoeft men niet zoo'n machtig paard als de hunter, die dienen moet om over allerlei hindernissen met gemak heen te gaan, maar hij die toch wat smaak voor paarden heeft, verlangt toch minstens, dat de hack de lijnen van den hunter heeft, zelfs al zou men tot een 14 hands polo-pony komen. Nu verlangt men evenwel dat de hack meer actie heeft dan de hunter, en dit mag ook, mits de machtige lijnen van den hunter er niet aan opgeofferd worden. Hoogsteppende hacks zijn echter geen alledaagsche verschijningen, men kan gerust zeggen dat zij schaarsch zijn.
Vervalt men in wat kleiner soort, dan krijgen deze al gauw den naam van Cob. Het is vreemd, aan welk soort van paarden men zoo al den naam van Cob geeft, en een juiste beschrijving wat een Cob eigenlijk voor een paard is, vindt men nergens. Dit is zeker, dat men maar zelden Cobs ziet die beantwoorden aan de eischen van een goede hack. Zelfs op tentoonstellingen zijn bijna de meeste Cobs wijdhakkige dieren met zwaar overladen schouders, met weinig adel en met een droevige actie, en die alleen de bewondering van hun eigenaars bezitten, omdat zij de voorknieën wat hooger oplichten dan een ander paard.
De Cob, als een soort hack beschouwd, moet in al zijn lijnen volmaakt zijn, vooral goede schouders bezitten, een goede wijze van gaan en een zekere hoeveelheid adel. Een engelsch schrijver drukt zich als volgt daaromtrent uit;
âIndien een Cob in één uur 4 Engelsche mijl kan stappen, en zonder veel inspanning in één uur 6 of 10 Engelsche mijl kan afdraven, en zoo rustig en kort kan galoppeeren, dat hij 5 Engelsche mijl in het uur aflegt, dan moet zijn eigenaar, als het een bemiddeld man is, hem nooit weg doen, want zoo een vindt hij niet gauw terug; is de eigenaar een arme drommel, laat die dan, wat de verkoopsom betreft, zijn mond zoo ver
68
open doen, dat het hem een goed inkomen voor een geheel jaar bezorgt. Deze omschrijving is niet onaardig, want werkelijk , hacks die zóó goed zijn, zijn hoogst zeldzaam en met geen goud te betalen.
Vaak is de opmerking gemaakt, dat een park-hack beter afgericht moet zijn dan een hunter. Dit is in zoover waar, dat een hack door en door gehoorzaam moet zijn aan de verschillende hulpen, want een die plotseling stopt of schielijk uitwijkt voor een of ander onverwacht iets, zou den ruiter wellicht alras in een minder aangename positie brengen. Een hack moet dan ook goed afgericht, maar vooral onder alle omstandigheden door en door mak zijn.
Het is zelden of nooit, dat de hack dienst moet doen in een zeer snelle pace, en op zijn snelheid komt het dan ook minder aan, meer echter op de wijze van gaan. Een hack moet een goede stapper zijn en niets mag nagelaten worden om hem dat te doen worden. Hij moet steeds vlot stappen, zonder op het bit te hangen en daarop steun te zoeken, de voorhand moet hier dus ook in stap onbelast zijn. Indien een paard te hard stapt voor een ander paard, kan men het gemakkelijk wat inhouden, maar indien het een trage stapper is, gaat het moeilijker hem tot een vluggeren stap aan te zetten, daar hij dan allicht vervalt in een trippelgang, waardoor ten slotte het geduld van den meest kalmen ruiter verloren gaat.
Zoo moet de hack ook een vlotten, ruimen draf kunnen gaan, zonder in het harddraven of in den galop te vervallen. En wat dezen laatsten gang betreft, verlangt men dat de hack langzaam maar vast kan galoppeeren.
Sidney in zijn book of the horse zegt: âthe park hack is essentially an ornamental animal.quot; En op dat sierlijke komt het veel aan, want hij kan in staat zijn om het zwaarste gewicht te dragen, sterk zijn als een olifant, maar om aanspraak te kunnen maken op den naam van âparkhackquot; moet
09
hij elegant zijn. Grof mag hij nooit wezen. Zal het werkelijk een park-hack zijn, dan moet het in zich combineeren âperfection of graceful form, graceful action, exquisite mouth and perfect manners.quot; Hij moet verder intelligent zijn, want zonder intelligentie, al heeft hij ook den mooisten vorm, den besten gang, kan hij niet aangenaam zijn om te rijden. Hoe meer hij het volbloed nadert hoe beter.
Het hoofd van den hack moet het oorstersche type hebben, de hals lang en goed gebogen, de schouders licht, lang en schuin. De lendenen kort en gesloten in de flanken, het kruis een weinig schuin en ietwat rond, niet sterk afhangend. Manen en staart goed vol en de laatste moet goed gedragen worden, terwijl de haren er van zacht en fijn moeten zijn. Daarbij vier zuivere, goed gebouwde en goed geplaatste beenen, de kooten wat langer dan van een hunter. Indien met zoo'n model nu nog samengaat een diepe borst en een goede wijze van gaan, in stap en draf en in galop, dan heeft men wat men noemt een park-hack.
Het zal veelvuldig voorkomen, dat men een rijpaard een hack noemt, maar of er veel zijn, die aanspraak kunnen maken op bovengenoemde beschrijving, is nog te betwijfelen.
De gegeven beschrijving der Engelsche warmbloedige paarden, sluit als het ware in zich de in Engeland aanwezige soorten van tuigpaarden. Het spreekt immers van zelf, dat al rijdt men in Engeland nog meer te paard dan in eenig ander land van Europa, de verschillende soorten van paarden toch ook gebruikt kunnen worden voor het rijtuig. Het is echter niet hetzelfde voor welk rijtuig zij moeten dienen. Of hierop nu wel altijd genoeg gelet wordt is te betwijfelen, want vaak ziet men hier te lande een kameel van een paard een licht rijtuigje trekken, of omgekeerd een klein dier voor een grooten en zwaren wagen. Bij de keuze van tuigpaarden geldt bovendien ook nog de vraag, welk werk moeten zij doen. Is
70
het noodig om in een zeer korten tijd over een afstand van 3 of 4 kilometer naar een station te rijden, dan zou men zeer verkeerd doen door een paar hooge steppers te koopen, en wil men van den anderen kant alleen in een stad of in een park wat rondrijden, dan moet men geen harddraver nemen.
Voor een landauer dient men paarden te hebben van minstens 1.60 M. hoog en nu is het verder een kwestie van smaak of men wil hebben meer het huntertype, of wel meer de Cleveland bay of Yorkshire koetspaard. In zeer veel gevallen zal men met den hunter voor het rijtuig zeer goed kunnen volstaan, hij heeft een snellen gang en veel kracht, ofschoon hij weinig actie heeft. Die meer actie voor zijn tuigpaarden verlangt, zoeke onder de Yorkshire koetspaarden. Doorgaans zijn de hengsten, die gebezigd worden tot het fokken van tuigpaarden, Clevelanders, Yorkshire koetspaarden of volbloeds, ook somtijds wel Hackney's, terwijl de merriën van dezelfde soort of halfbloedmerriën met wat meer dan gewone actie zijn. Voor een Victoria of Phaeton komt de hackney zeer in aanmerking. De forsch gebouwde hackney, (niet al te klein) met een niet overdreven actie, kan werkelijk voor het rijtuig bewondering wekken. Wat de actie betreft, bedenke men wel dat ook voor tuigpaarden de regel geldt, dat hooge steppers niet snel loopen, en hij die groote afstanden moet afleggen en daarvoor hooge steppers wil gebruiken, zal wel spoedig ontwaren, dat de beenen dier steppers het op de lange reizen niet best uithouden.
De Hackney.
Quadekkek, Paardenrassen. 1. Eng. paarden.
Shetlandsche pony.
Quadekker, Paardenrassen. I. Eng. paarden.
PON Y'S.
Het beschrijven van de afdeeling pony's, brengt zeer eigen aardige moeilijkheden met zich mede. In de eerste plaats toch is het niet gemakkelijk om bepaald aan te geven, wat men onder een pony verstaan moet, vooral niet met het oog op de verschillende soorten, die in verschillende districten van Engeland gefokt worden. Velen beweren, dat alles wat beneden 15 hands (1.50 Meter) is, een pony genoemd moet worden, doch deze bewering is niet juist. In de tweede plaats zou men het haast de oplossing van een puzzle kunnen noemen, om een weg te vinden in het groot aantal soorten dat bestaat. Het lijkt mij voldoende toe, eene beschrijving te geven van de voornaamste soorten.
Overbekend is het, dat deze dwergen onder de paarden tegenwoordig eene groote waarde hebben, en dat zij eigenlijk jarenlang in een duister geleefd hebben, waaruit zij eerst in den laatsten tijd zijn te voorschijn gekomen.
Indien men het dragen van zware lasten en 't trekken van groote vrachten uitzondert, dan is er schier geen soort van arbeid te bedenken, waarvoor de pony niet gebruikt wordt. Bovendien schijnt het wel, dat menigeen meent, dat de pony uitsluitend van en door lucht moet leven, want in ontelbare gevallen wordt hem tegen de grilligheid van het klimaat slechts een hoogst bescheiden dak gegeven, en door zijn be-
72
wonderenswaardlg weerstandsvermogen schijnt hem dat weinig te hinderen. Een der vele deugden van deze kleine paarden is hunne groote nuttigheid, een tweede hun soberheid en een derde de bijna algemeen voorkomende makheid.
Indien men nog niet door en door overtuigd is van het groote nut dat zij aanbrengen, dan behoeft men slechts even rond te zien en niet verder te gaan dan de ontelbare karretjes met allerlei koopwaren, die in iedere stad en door iedere landstreek dagelijks op en neer gaan, getrokken door een pony, 't zij dan nu eens in goeden, dan in minder goeden voedingstoestand, doch allen met evenveel lust en ijzeren volharding voor hun arbeid.
Ook het aantal spannen pony's is in de laatste jaren zeer toegenomen, terwijl de hoeveelheid die thans voor luxe dienst doet niet te tellen is. En daar waar het op werken in de kolenmijnen aankomt, staan de pony's ongetwijfeld voorop. Vooral voor dit werk zijn soorten noodig, die vast en zeker voor den wagen willen trekken. Er is echter in Engeland ook nog een soort, die om hun energie en intelligentie gebruikt worden en dienst doen bij het zoogenaamde polospel en dan ook polo-pony genoemd worden.
Op de vraag nu, wat is eigenlijk een pony, geeft een Engelsch fokker ten antwoord, dat de beste soorten voor alle diensten een klein dier moet zijn, dat in alles de lijnen van den hunter vertoont. Hiermede wordt nu meer bedoeld dat, als een pony zoo gebouwd is, het een dier zal zijn voor alle werk; doch dit neemt niet weg, dat men b.v. voor een meer speciaal soort van werk ook een speciaal soort van dier kan hebben. De polo-pony b.v. moet een volbloed in 't klein zijn en de pony die zwaar gewicht moet dragen eigenlijk een dwerg-hackney. Daar waar een pony verlangd wordt niet hooger dan 1.20 M. is de Shetlandsche pony op zijn plaats.
Bodem en klimaat der Shetlandsche eilanden maken het
73
onmogelijk om groote dieren te fokken, 't zij runderen, schapen of paarden. Op die eilanden bestaat, evenais in Devonshire en Clydesdale, eene traditie, dat de oorspronkelijke soort zou verbeterd zijn door hengsten afkomstig uit Spanje. Er is echter niet de minste historische aanwijzing omtrent het ontstaan van deze soort en waarschijnlijker is het, dat de Shetlander een afstammeling is van de Noorweegsche pony, te meer daar deze eilanden geruimen tijd deel uitmaakten van het Scandinavische rijk.
Op de Shetlandsche eilanden schijnt nooit moeite gedaan te zijn om door grootere hengsten het ras te vergrooten, zoodat er dan ook vrij wel symetrie in die soort bestaat. Wat zeer van invloed geweest is op de/e fokkerij, is de voortdurende vraag naar dergelijke pony's. Vooral sedert in 1840 de Lord Ashley-act in werking trad, die het verbod inhield, dat jongens als trekpaarden dienst mochten doen, kwam er groote vraag naar pony's, klein genoeg om kolenwagens en ondergrondsche trams te trekken. Sedert de laatste veertig jaren worden zij in hoofdzaak voor dit doel gefokt. Het meest worden gevraagd donkerbruinen met zwarte manen en zwarten staart; lichtbruine en zwarte komen er veel voor, schimmels en vossen zijn schaarsch. Stekelharige zijn er ook, maar niet in trek, daar men meent dat daar IJslandsch bloed inzit en deze weeker zijn dan de echte Shetlanders. De IJs-landsche pony is ook 0.2 Meter hooger dan de Shetlander. De beste Shetlanders komen van Unst. Zij worden gefokt op een schralen, steenachtigen bodem, in rotsachtige streken. Unst is het hart van Shetland, een zonnig klein plaatsje. De Shetlandsche pony is in den regel n hands (1.10 Meter) hoog en wordt doorgaans in Mei en in October aan handelaren verkocht. Toen de vraag voor de kolenmijnen het hoogst was, werden er jaarlijks 500 pony's verkocht en bovendien
74
nog 200 andere voor algemeen gebruik, doch dit verminderde te sterk de aanwezigheid van oudere pony's.
In de kolenmijnen van Durhan worden de Shetlanders door de Welsh pony's overtroffen.
In Northumberland is het de Schotsche pony die de overhand heeft en die in hoofdzaak gefokt wordt in Argyllshire, Hull en Skye en in het westelijk deel van Ross-Shire. Deze zijn 12 hands 2 inches, de IJslandsche 12 hands, de Welsh en Shetlanders 10 a 11 hands hoog.
Sommige van deze pony's hebben in 15 jaar het daglicht niet gezien. In goed ingerichte mijnen blijven zij goed gezond. Des zomers krijgen zij groen voedsel met wat boonen en erwten, bovendien ook nog hooi, kaf en zemelen. De meest voorkomende ziekten onder hen zijn maag- en darmlijden; slechts enkele daarentegen lijden aan longen en oogen. Het dagelijksch werk is 20 Eng. mijl per dag. Beenbreuken komen veelvuldig voor.
In de laatste jaren zijn de prijzen voor Shetlanders vrij wat gestegen en vooral voor de kleinsten onder hen, die dan beneden 1 Meter zijn, wordt zeer veel betaald.
Het hoofd van deze pony is kort en dik, doch naar evenredigheid is zijn lichaam toch fijn te noemen; zijn hals is kort maar sterk en vooral aan de schouders erg dik. De schouders zijn meestal kort en recht, rug kort, een rond kruis met een meestal zeer laag aangezetten staart. De beenen zijn dun maar sterk.
Een andere soort is de Exmoor pony. Deze is vrij wat sierlijker dan de Shetlander en ook grooter, daar hij meestal 1.30 M. is. Het schijnt een bijzonder sterk paardje te zijn, meestal van een bruine kleur. Hij heeft een intelligent en fijn hoofd met opmerkelijk spitse ooren. Zijn schouders zijn âvery goodquot;, een artikel dat in pony's nog al eens te wenschen
75
overlaat. Ru^ en lendenen zeer krachtig, laag op de beenen met goede hoeven.
De Exmoor is een zeer vlijtige, ânippyquot; pony, en dikwijls voor zijn grootte een goede springer, terwijl zijn constitutie zeer goed is.
Het feit, dat deze soort een zeer goed voorbeeld is van de mogelijkheid van verwantschapsteelt, kan niet ontkend worden. Jammer genoeg, er zijn maar weinig hengsten meer van de aloude soort. Volgens een oude bewering moet ongeveer in 1815 een goede hengst, genaamd Katerfelto, een zeer goeden invloed op het ras hebben uitgeoefend, doch sedert dien tijd is er geen nieuw bloed weer ingevoerd.
Een derde soort is de Welsh pony. Deze soort komt voor in Wales, in Cornwalis en in Devonshire, doch het is onmogelijk te zeggen, waar de oorspronkelijke soort eigenlijk tehuis behoorde. In de eerste jaren van deze eeuw is hij herhaaldelijk door volbloed gekruist en het gevolg daarvan is geweest een fijnere soort, die echter ongeschikt was om weerstand te bieden aan de ongemakken van net land. Doorgaans zijn zij zeer goed in beenen en quot;quot;hoeven. De beste worden gefokt in de buurt van Wynstay.
In de laatste jaren is de aandacht ook gevestigd geworden op de New-Forest pony's, zelfs heeft men voor enkele jaren eene vereeniging opgericht die zich speciaal ten doel stelt de verbetering dezer soort. Er was hier inderdaad eene verbetering hoog noodig, want zoo ooit, dan had men hier gcruimen tijd de regels der fokkerij verwaarloosd. Hengsten van ieder soort en iederen leeftijd, behept met allerlei gebreken, werden met de merriën gecopuleerd, zoodat hier een mengelmoes ontstond van de ergste soort en hier bewaarheid werd wat Horace Walpole zoo juist uitdrukte: âdaughter of nobody by the son of anybody.quot;
Het was te meer te betreuren, dat door zoo'n slecht toe-
76
zicht het ras zoo verbasterde, daar volgens sommigen een honderd jaar geleden een Arabische hengst aldaar wonderen had verricht en het daardoor bleek, dat het oorspronkelijke bloed zeer deugdzaam was.
Deze pony wordt het meest gefokt in de bosschen bij Southampton en in Hampshire. De Nevv-Forest pony heeft een zwaar hoofd met korten hals, doch gaat vrij goed en wordt daarom het meest gezocht als tuigpony.
In Nederland hoort men vaak spreken van de lersche pony als een afzonderlijk soort en toch is dit niet juist, daar er eigenlijk geen bijzonder kenmerk is waardoor deze zich van andere onderscheidt. Men vindt zeer zeker in de bergachtige streken van Ierland een goede, vaak sierlijke pony, ook op het eiland Man, maar dit geeft ons nog niet het recht om te spreken van een afzonderlijk soort, dat zich vast vererft en zich steeds door dezelfde bepaalde kenmerken onderscheidt. Uit de kruising van het lersche landpaard met volbloedheng-sten, of althans met hengsten zoo na als mogelijk bij volbloed, ontstaan edele paarden en daaronder komen nu ook veel kleinere voor, die als lersche pony's de wereld ingaan.
De pony die in Engeland wel de meeste intelligentie moet hebben is de polo-pony.
Men tracht deze tot een afzonderlijk soort te vormen, doch de groote moeilijkheid daarvoor is om de bron te vinden, waaruit dat soort eigenlijk ontstaan is. Zeer waarschijnlijk is het, dat hier het volbloed de oorspronkelijke stamvader geweest is, daar de meeste volbloeds oorspronkelijk zeer klein waren. In 1748 b.v. werden de meeste Royal plates gewonnen door een Schotsche pony, die slechts 1.45 M. hoog was.
Korten tijd geleden verscheen het eerste deel van het Ponystamboek, terwijl er ook werd opgericht een Polo-Pony stud book Society.
Men fokt pony's op twee wijzen, öf men neemt een kleine
77
volbloedmerrie en brengt die bij een Norfolkhengst, bf men brengt een kleinen volbloed-hengst bij een Welsh, lersche oi andere pony-merrie. In ieder geval doet men altijd het best van een zijde volbloed er bij te hebben. Polo-pony's vooral moeten zeer goede schouders hebben, daar zij anders voor hun werk niet geschikt zijn.
Dat in Engeland ook pony's aan rennen deelnemen is zeer zeker een bekende zaak, maai dat er b.v. in 't jaar 1889 niet minder dan 499 pony's voor rennen ingeschreven waren is wellicht niet zoo bekend. Volgens de âPony and Galloway Racing Calendarquot; namen in 1887 285 pony's en in 1888 695 pony's aan rennen deel. De hoogte was als volgt: 48 waren hoog 1.53 M., 57 1.50 M., 87 1.48 M. en 58 1.45 M. Dit waren allen zoogenaamde Galloways. De overige pony's hadden een hoogte van 1.43 M., 1.40 M., 1.38 M., 1.35 M., 1.32 M. en 23 waren nog lager.
Het meerendeel der ren-pony's is ongeveer 1.43 M.
Wat den leeftijd betreft, blijkt uit de Kalender, dat de 6 jarige leeftijd de overhand heeft. Opvallend is het, dat het grootste aantal ren-pony's merriën zijn. Naar de afstamming moesten zij als volgt gerangschikt worden:
125 zuiver volbloed, 88 van volbloed en 8 van Arabische hengsten, terwijl van de andere 278 de afstamming onbekend was.
Onder de hengsten, wier pony-afstammelingen de meeste overwinningen behaalden, neemt de volbloedhengst Wisdom de eerste plaats in. Ook de volbloedhengsten Beaudesert, Mr. Winkle, Favo, Eduard the Confessor, Sefton, Altyre en Peter hebben onder de winnende pony's afstammelingen.
Blijkbaar oefent dus ook het volbloed een machtigen invloed uit op de edele pony's en zoo kan men dan ook tegenwoordig de polo-pony als een volbloed in 't klein beschouwen.
SHIRE-PAARDEN.
Overgaande tot de beschrijving- der koudbloedige Engelsche paarden, wil ik met de zoo algemeen bekende Shire-paarden aanvangen.
Reeds in vorige beschrijvingen is medegedeeld, dat het fokken van paarden in Groot-Brittanje jaren voor de Christelijke jaartelling in grooten bloei was. Men heeft echter van dien tijd geen juiste beschrijvingen en ook geen platen, zoodat omtrent de ware grootte niet veel te zeggen valt. Vermoedelijk waren het groote en zware paarden en hadden deze een groote gelijkenis met de tegenwoordige Shire-paarden. Het spreekt als 't ware van zelf, dat het paard uit een bepaald tijdperk beantwoorden zal aan de eischen die in dien tijd er aan gesteld werden, en Engeland van vóór tweeduizend jaar verschilde zeer met Engeland van den tegenwoordigen tijd. Destijds toch was de natie gedurig in oorlog en het meerendeel der bewoners waren krijgslieden. Deze toestanden deden de vraag ontstaan naar paarden die geschikt waren om de krijgslieden te dragen, en het gewicht van zoo'n krijgsman was in geenen deele te vergelijken met dat van den tegenwoordigen huzaar. Zoo'n ruiter met zijn wapens woog zoo zwaar, dat daarvoor alleen zeer zware paarden in aanmerking konden komen en bovendien diende het meerendeel om de zware krijgswagens te trekken over wegen, die geenszins gebaand waren.
79
Caesar zelf maakt melding van de wijze van oorlogvoeren der Engelschen en verhaalt van de wagens vol krijgslieden, die snel over de oneffen wegen zich voortbewogen. Het oude Engelsche krijgspaard schijnt inderdaad een dier als het tegenwoordige Shire-paard geweest te zijn.
Sir Walter Gilbey heeft een klein werkje geschreven, getiteld; âThe Old English Warhorsequot; en komt daarin ook tot de meening, dat dit paard de oorsprong is van het Shire-paard.
De eerste plaat die eigenlijk over deze soort bekend is dateert van 1505. Het stelt voor een paard uit dat tijdperk met een soldaat in volle wapenrusting er naast en de indruk dien men er van krijgt is, dat de soldaten destijds reuzen waren of dat de teekening slecht is, daar die man aanzienlijk boven het paard uitsteekt, terwijl de bouw van het dier ons evenzeer doet denken aan een paard van groote zwaarte en groote hoogte. De lange dikke manen, de volle staart, de lange vetlokharen, de breede heupen en het schuine kruis, de breede hoeven en de massieve schouders met dikke spier-ontwikkeling, alles teekent op die plaat het groote, zware paard, veel overeenkomst hebbende met de Shire.
Gaat men in de geschiedenis terug tot in de twaalfde eeuw, dan is het bekend dat er in 1160 een poging gedaan is om het ras te verbeteren. Er werden paarden van elders ingevoerd, het waren zware soorten. William Stephanides verhaalt van een markt te Smithfield in 1154, waar zware paarden, geschikt om den ploeg te trekken, verkocht werden. Onder de regeering van koning Johan werden er een honderd groote, zware hengsten uit Vlaanderen, Nederland en van de Elbe-streek ingevoerd, alle waarschijnlijk van dezelfde soort.
Na dit tijdperk tot aan den tijd van Hendrik VIII is er van vooruitgang in deze soort weinig te bespeuren en het dient gezegd, dat er in den loop dier tijden meerdere Parle-mentacten verschenen, ten doel hebbende op de grootte en
8o
zwaarte van het toen bestaande ras invloed ter verbetering uitteoefenen.
In ieder geval is dit zeker, dat het zoogenaamde draught of Shire-paard geen dier is van den laatsten tijd, maar reeds lange en lange jaren bestaan heeft.
Indien men verder de geschiedenis van deze soort nagaat, is het curieus te lezen, welke waarde deze soort tegenover de verschillende soorten van paarden in den loop der tijden gehad heeft.
In 1620, toen er een schatting der paarden moest plaats hebben, ten einde eene expeditie naar 't buitenland van paarden te voorzien, werden de gewone paarden geschat op £ 9, terwijl de âstrong or great horsesquot; op r 15 gesteld werden, aldus de waarde van het groote, zware paard dubbel zoo hoog als die
van het gewone paard.
Indien men tegenwoordig het gewone paard van onzen tijd vergelijkt met de beste type Shire, dan is dc waardeverhouding nog dezelfde als destijds.
In een uittreksel van het werk van den hertog van Newcastle, uitgegeven in 1658 en rijkelijk voorzien van platen van het groote paard uit dien tijd, vindt men zeer duidelijk vele punten van overeenkomst van het toen bestaande paard met de tegenwoordige Shire. De hertog van New-Castle wijst, behalve op andere voortreffelijke eigenschappen, vooral op de goede gangen. Het moet gezegd zijn, dat de Shires van den tegenwoordigen tijd in dit punt zeer uitmunten , inderdaad de Shire-paarden vertoonen zoowel in stap als in drat een zeer goede manier van gaan. Het is mogelijk dat menigeen hieraan twijfelt bij het zien van die zware dieren, doch hij die er zich van overtuigen wil, behoeft slechts in de groote steden van Engeland te gaan zien. Indien men daar die groote paarden aan het werk ziet, zal men ontwaren, dat zij ook nog meer actie vertoonen, dan men gemeend had.
81
Koningin Anna was een enthousiastische bewonderaarster van de Shire en haar staatsiekoetsen waren met deze dieren, voorzien van lange staarten, bespannen.
Omstreeks 1713 echter kwam er reactie in de oude methoden van zich te verplaatsen, daar van af toen aan het zadel een ruimer plaats werd toegekend, en de rijtuigen hiervoor plaats moesten maken.
Ten einde nu meer bijzonderheden omtrent dit oude, hoogst nuttige koudbloedige ras te weten te komen, moet men eigenlijk de le aflevering van het Shire-stamboek opslaan. Dit stamboek toch bevat werkelijk zeer veel bijzonderheden en gaat terug tot het jaar 1770. Ook in het werk van Mr. Reynold âHistory of the English Cart horsequot; treft men menig feit aan, dat ons op den weg helpt tot de bijzonderheden van deze zware paarden.
Een niet te loochenen feit is het, dat vreemd bloed een aandeel heeft in de compositie van de Shire, daar zooals Sir Walter Gilbey in zijn boek aanhaalt, in verschillende tijdperken vreemde hengsten zijn ingevoerd. Door dit invoeren van vreemd bloed moet men het Shire-paard niet zoozeer als onzuiver beschouwen, daar het feitelijk geschied is met de bedoeling het ras te verbeteren. Bovendien bedenke men wel, dat bijna al onze paarden in den tegenwoordigen tijd een creatie van fokkers zijn, ontstaan uit de omstandigheden der tijden en den vooruitgang der beschaving. Het is waar, dat van den anderen kant dit vreemd bloed nog wel eens betwijfeld wordt en men dan meer overhelt tot de meening, dat er inderdaad twee varieteiten van Shire-paarden bestaan hebben. Er is een varieteit die zich kenmerkt door een bijzondere behaardheid en wel op bepaalde plaatsen, zooals een snor op de bovenlip, en lange haren van af de voorknie tot de hoefballen en van af het onderste gedeelte van het spronggewricht tot op den bodem. Bij deze varieteit vindt men dus zeer veel
0
82
haren aan de achterzijde van ieder been. In sommige stammen nu vindt men gemis van den knevel en van de lange beenharen, en zelfs een mindere behaardheid over het algemeen. Nu is het mogelijk, dat in deze stammen het bloed van een lichtere soort zetelt, maar of dat nu van vreemde origine was, is nog aan twijfel onderhevig. Mr. Reynolds zegt, dat de knevel in vroeger tijden als een bijzonderheid beschouwd werd van het Lincolnshire ras. Bekend is het, dat de neiging tot welige haargroei eigen was aan de Lincolnshire paarden en het is dan ook best mogelijk, dat het Shire-paard van Lincolnshire een aparte varieteit geweest is. De vraag is nu, wanneer ontstond dan die varieteit. Indien we weder Sir Walter Gilbey's boek ter hand nemen, zal men daarin een plaat vinden van een paard genaamd âDodmanquot;, dat in 1780 geboren werd en het eigendom was van een der voorvaderen van Mr. Anthony Hamond van Westacre in Norfolk. Op deze plaat van Dodman staat ook de haarlok van de knie en van de hak. Jammer genoeg heeft men den stamboom van Dodman niet opgespoord en zijn naam is niet te vinden in het âStud-bookquot;, maar het vermoeden ligt voor de hand dat het een Oost-Engelsch paard was van het oude ras. Heel ver zal men het wel niet mis hebben als men aanneemt, dat de bakermat van deze soort aan de oostkust geweest is. Ofschoon men nu uit de geschiedenis der paardenfokkerij in de eerste eeuwen geen bepaalde data kan noemen, zoo is het toch mogelijk om uit geschriften en verhalen een zekere theorie op te stellen. En, ofschoon men nu van buiten af in Engeland zeer zeker vreemd bloed zal ingevoerd hebben, zoo is het toch ook zeer waarschijnlijk, dat reeds vóór dien tijd van uit Engeland zware paarden naar het vasteland zijn overgebracht.
In 1160 zou de eerste import van Vlaamsche hengsten hebben plaats gehad, en nu zal men wel niet zeggen, da''
83
het onredelijk is om te veronderstellen, dat in dien tijd het transport over zee aan een aanzienlijk gevaar bloot stond, zoodat men daarom wel de kortst mogelijke zeereis zal genomen hebben. Als men nu de kaart bekijkt, zal men zien dat Amsterdam recht tegenover de kust van Norfolk ligt en daar Nederland het land was, waar men die zware hengsten zocht, zoo ligt het voor de hand om aan te nemen , dat die paarden wel geland zullen zijn in de buurt van Yarmouth en van daaruit successievelijk verspreid zijn naar het westen, hetzij zijzelf of hun nakomelingen; en de kolossale ontwikkeling van de beste exemplaren moet geweten worden aan den rijken en vruchtbaren bodem van de verschillende streken waar zij ingevoerd werden. Nu is het lang niet zeker, dat er oorspronkelijk een paard is ingevoerd zooals Dodman was, maar dat is ook niet noodig. Indien men aanneemt dat de grootte en 't gewicht van buitenaf kwamen, dan kan men veilig hier aan toevoegen, dat het overige, dat nu zoo kenmerkend in deze soort is, er in ontstaan is door een eeuwenlange kruising met het inlandsche paard, verder door de eigenaardigheid van den bodem en de mode van die dagen, die waarschijnlijk dien langen en weligen haargroei aangaf.
De verspreiding door de rijkere streken zal zonder twijfel langzaam hebben plaats gehad en moet gelijken tred gehouden hebben met de verbetering van het land en de eischen der boeren. Op één punt is zekerheid, n.1. dat vele, vele jaren geleden de graafschappen Nottingham, Leicester, Derby en Stafford beroemd waren door hunne excellente âCart horses.quot; Indien men nu deel I van het âStud-bookquot; opslaat ziet men daarin, dat de eer van het oudste paard met pedigree toekomt aan Leicestershire, n.1. Blaze, geboren in 1770. In I773 verscheen Ruler, dat was een Derbyshire paard, in 1775 G., weer een uit Leicestershire en in 1778 Baldhorse, mede uit hetzelfde graafschap.
84
In de hier genoemde graafschappen zijn nu de meeste hengsten geboren, die een plaats innemen in de eerste aflevering van het Stud-book. Nu komen er nog wel andere namen voor die wijzen op een vroegere periode van deze paarden, zoo b.v. âPackington Blind Horsequot; die in zijn volle kracht moet geweest zijn een 15 jaar vroeger dan de eerste vermelding in het stamboek, alzoo in 1755. Verder is er nog Mansetter, die de vader van Blaze was en een tijdgenoot van Packington Blind Horse. Opmerkelijk is het, dat de naam Blaze niet minder dan 35 maal opvolgend voorkomt in de eerste aflevering van het stamboek, en dat slechts twee van deze 35 aangegeven worden als te zijn donkerbruin, de andere drie en dertig zwart of schimmel, twee kleuren die Mr. Reynolds aangeeft als kenmerken te zijn voor zuiver bloed . twee kleuren echter die thans zelden voorkomen. Het schijnt, dat een honderd jaar geleden de hengsten nog al wat konden opbrengen , daar een kleinzoon van Packington Blind Horse dekte voor 3 guinjes = f 37.So en Sweet William in 177S verkocht werd voor 350 guinjes = f 4410.â, terwijl enkele jaren later Marston 500 guinjes = Æ 6300.â opbracht. Hieruit ziet men, dat ook toen reeds een goede Shire-hengst duur was.
De prijzen in ons vorig nummer aangehaald, bewijzen niet alleen de hooge waarde die de Shires in vroegere dagen representeerden, maar ook dit, dat zij die zich met deze fokkerij lange jaren geleden inlieten, er goed van op de hoogte waren. Zeer interessant is de pedigree-lijst ten opzichte van Packington Blind horse. Deze toch werd geboren omstreeks 1760 en zijn directe nakomelingen gaan tot 1832. Te belangrijker is deze lijst, daar zij aantoont, dat die paarden in een zeer begrensde streek gefokt zijn n.1. slechts in een deel van Leicestershire en Derbyshire. Waar nu eigenlijk dan het oorspronkelijk Derbyshire-paard ontstaan is, is niet met juistheid bekend. Zooals reeds gezegd is, zijn ver-
»5
moedelijk alle Shires afkomstig van de Oostelijke graafschappen van waar zij zich meer naar het westen verspreid hebben. Nu is het wellicht wel vreemd, maar niettemin zeer waar, dat Oostelijk Engeland altijd was, en nog steeds ver vooruit is wat het fokken van ieder soort van paard betreft op West Engeland.
Gaat men de afstamming van meer jongere paarden na, dan vindt men dit bijna in alles bewaarheid. Bij voorbeeld Champion (styche's) is geboren in Oxfordshire, djn vader Rippendon's Champion, is, jammer genoeg, niet geboekstaafd en diens afstamming is dus niet bekend, maar de moeder van Champion was afkomstig van Conqueror die in Oxfordshire tehuis behoorde, en deze stamde weer af van een Champion 379 geboren in Northamptonshire, door Farmer's Glory 818 ook uit Northampton.
Men ziet dus ook hier de neiging om terug te gaan naar het Oosten naar Lincolnshire en Cambridgeshire en opvallend is in al deze kruisingen dezelfde schimmelkleur blijven bestaan. De afstammelingen van deze zelfde Styche's Champion staan ook voorop in de rij van de jongere Derbyshire Shires, en het is waarschijnlijk dat er een zeer aanzienlijk deel van zijn overwegenden invloed gezocht moet worden in zijn Oostelijke voorouders, die vermoedelijk van onvervalschte origine waren, getuige het standvastig vererven van de schimmelkleur gedurende tal van geslachten.
Een andere illustratie van dezelfde theorie is K. alias Lincolnshire Lad, alias Honest Tom 1196. Dit paard is meer bekend onder den naam van Drew's Lincolnshire Lad. Hij is een voorbeeld van importatie rechtstreeks uit Lincolnshire, want hij was gefokt door Mr. Bassitt, Willoughby, Spilsby, Lincolnshire en zijn vader was Lister's Lincoln. Lincoln staat niet in het âstudbookquot;, maar daar Mr. Lister te Saleby in Lincolnshire woonde, zoo kan er geen twijfel zijn aan
86
zijn volbloed Lincolnshire origine van vaderszijde. Zijn moeder stamde af van Mr. Lister's Briton en is in afstamming na te gaan tot Campetitor, het eigendom van Mr. Clark Murrow, te Long-Sutton in Lincolnshire en zoo gaat men feitelijk volgens de afstammingslijst steeds dichter naar de zee.
Zoo ook William the Conqueror 2343 , van Leicestershire 1317, van Ben 120, en ten slotte van Nelson, teruggaande tot Bald Horse geboren in 1778. Zijn moeder stamde af van William the Conqueror 2340, van William the Conqueror 2339, quot; an Leicestershire 1321, van Blackleys 142, van Derbyshire 557 en van Honest Tom 1062, een paard dat in 1806 te Swarby, Lincolnshire, geboren was. Dat oude paard was in zijn tijd een zeet aanzienlijk exemplaar en had verschillende ramen zooals : Old Tom, alias Little David , alias Old David, ook wel Honest Tom. Hij was waarschijnlijk, een negentig jaar geleden, in Lincolnshire even hoog in aanzien als zestig jaar later zijn afstammelingen in Derbyshire. Hij werd als vijfjarige voor niet minder dan 300 guinjes = f 3780 verkocht aan Mr. Casswell en dekte voor 3 guinjes.
Neemt men nu tot voorbeeld een beroemdheid uit Nottinghamshire, b v. What s Wanted, dan ziet men dat diens vader was ook een hengst gefokt in Nottinghamshire, maar zijn grootvader Matchless was een Lincolnshire-paard en zijn voorouders stammen ook af van Honest Tom. Het zou te langdradig worden om, door nog meer namen, het bewijs der ntelling nader aan te duiden, doch de aangehaalde voorbeelden zijn voldoende om te bewijzen dat de oorsprong gezocht moet worden in het Oostelijk gedeelte.
Mr. Reijnolds gelooft, dat de varieteit van het shire-paard met weinig behaarde beenen deze eigenschap dankt aan den invoer van vreemd bloed, doch dit is te betwijfelen, als hij althans meent vreemd bloed in de oude oorspronkelijke stammen. Bedoelt hij met vreemd bloed âmeer recente importatiequot;
87
dan heeft hij wellicht gelijk, daar men ongetwijfeld dezen minder gewenschten vreemden invloed ook aan het Clydesdale paard kan bemerken. Vermoedelijk echter is de mindere behaardheid en ook de fijnere beenen een gevolg van zorgeloosheid en onwetendheid van den kant der fokkers, en misschien ook wel van een mode naar mindere behaardheid.
In Derbyshire, Staffordshire en Leicestershire heeft men met het fokken van Shire-paarden een ongekend succes gehad. Indien men nog eens deel I van het Stamboek opslaat, zal men daarin zien, dat de afstamming door de fokkers steeds op waarde gesteld werd, en dat men maar niet voetstoots den eersten den besten hengst nam voor de teelt. Afstamming (pedigree), 't moge niet alles aanduiden, dan toch zeker voor een dekhengst veel, zeer veel. Nergens komt dit sterker uit dan hier.
Vermoedelijk werd de oorspronkelijke Lincolnshire overgebracht naar den kalkrijken bodem van Derbyshire en de fokkers bewaarden hunne merriën zorgvuldig voor vreemde bevlekking en welk was het resultaat ? . . . Een bron van onvervalschte Shire zuiverheid, waaruit de fokkers van Engeland hunne stammen konden aanvullen. Jammer genoeg, is van de Derbyshire Shires uit vroeger dagen veel te weinig geboekt, doch dit is zeker, dat Derbyshire de voornaamste streek is waar jaren en jaren lang de beste Shires gefokt zijn.
Toen het fokken van het zware âCartquot; paard meer op den voorgrond trad, een gevolg van de groote behoefte aan granen in Europa, waardoor het zwaarste land voor den graanbouw bewerkt moest worden, nam de fokkerij der Shires hand over hand toe en de prijzen stegen aanzienlijk. Voor den pach-tenden boer was dit een welkom iets, daar gedurende een tijd van depressie in den landbouw, de Shires gefokt op de boerderij, omgezet konden worden in klinkende munt tot aanzienlijke prijzen, en dit bracht mede dat de depressie kon verdragen worden. Ondervinding leert echter, dat de waarde van alle
88
dieren afhankelijk is van de markt, en deze nu is niet altijd even gunstig geweest voor de Shires, want teleurstellende prijzen kwamen ook menigmaal voor.
De groote fokkerijen , die opgericht zijn door groote oeco-nomen, hebben ontegenzeggelijk veel bijgedragen voor het fokken van Shires, doch van den anderen kant hielden deze rijke grondeigenaren de prijzen op zulk een hoogte, dat er voor den gewonen gebruiker haast niet aan te denken viel ze daarvoor te koopen. Hierdoor is gaandeweg een schaarschheid aan werkpaarden ontstaan, die nu meer en meer verdwijnt doordat de echte Shire-fokmerrie weer in handen is van den boer, die er zijn werk mede doen moet. Had dus aan den eenen kant het fokken van Shires door groote grondeigenaren alleen wel iets tegen, van den anderen kant mag niet over het hoofd gezien worden, dat door hun geld ook veel goeds is teweeggebracht in de qualiteit van den Shire. Dit laatste is gemakkelijk te bewijzen uit de opeenvolgende tentoonstellingen. Wanneer men op de tentoonstellingen in de Agricultural Hall te Islington de dieren vergelijkt van tien of twaalf jaar geleden met die van thans, dan ziet men inderdaad een opmerkelijk verschil, en dit is te wijten, eerstens aan de moeite gegeven door de âShire horse Societyquot; en tweedens aan de kennis dergenen in wier handen de fokkerij berustte. Het resultaat is zeker in menig opzicht zeer groot. Vroeger waren ongezondheid, weeke beenen en zuchtige gewrichten regel, terwijl actie gelijk nul was. Nu echter vindt men vooral in de merriën , zelfs van iederen leeftijd, eene aanzienlijke verbetering, en ook de adel is in de merriën grooter geworden. Men heeft ook beproefd in de hengsten een gelijke hoeveelheid adel te brengen , doch hengsten met werkelijk veel actie en die er naar evenredigheid van de soort sterk genoeg uitzien zijn schaarsch. Indien het Shire-paard van de toekomst achteruitgaat in karakter, moet dit gezocht worden in de hengsten, daar er eene
89
neiging onder de fokkers bestaat om hengsten te gebruiken, die niet genoeg het mannelijke type bezitten, en die meer overhellen naar sierlijkheid en fijnheid, en die fatale qualiteit, die sommigen noemen âprettinessquot;. Van den kant der merries is er tamelijk goede vooruitgang in qualiteit. Immers de Shire-merrie heeft goede schuine kooten, zij is thans vrij van het vroeger zeer veel voorkomende gebrek zijbeen, haar achter-beenen zijn terdege verbeterd, en nu is het maar zaak te zorgen, dat de verkregen verbeteringen niet weêr achteruitgaan. Met de hengsten is echter voorzichtigheid aanbevolen. Menigeen gelooft nog, dat bepaalde eigenschappen die in eene merrie als een groote deugd , of als een zeer goede hoedanigheid te beschouwen zijn, deze dan ook zoo in den hengst zijn. Die zoo denkt, vergist zich. Het is noodzakelijk, dat de merrie diep van borst en in de middenhand tamelijk lang is, daar haar voornaamste functie is, haar veulen gedurende elf maanden in haar lichaam te dragen, terwijl groote ruimte noodig is voor de noodige ontwikkeling van dat veulen. Nu zou een hengst van zoo'n type, n 1. met een dergelijke middenhand, een mispunt zijn voor de fokkerij.
De Shire-hengst moet minstens 17 hands (1.70 Meter) hoog zijn, zijn beenen zoo dik en massief als mogelijk is, en beneden de voorknie 11 of 11 '/2 inch metende, en beneden de hak zelfs nog I of 11I2 inch meer. De hengst moet steeds volop in het haar zijn, niet te fijn, maar sterk en volstrekt geen neiging tot het wolachtige. De gang moet hier vooral in stap bekeken worden, deze moet recht zijn, zonder maaien of kruisen. De hakken moeten in iedere gang goed bij elkaar gehouden en krachtig gebogen worden. De hoeven wijd met voldoende diepe zool, geen plathoeven, de kooten schuin en lang genoeg om geen stootende gang te veroorzaken. Het hoofd van den hengst is bij den Shire van veel belang. Het moet ten allen tijde een echt mannelijk karakter
go
hebben en nimmer of ooit mag het hoofd gelijkenis hebben met dat van een pony.
Wat de beste type van Shire-fokmerrie betreft, hier vooral zoeke men niet de grootste, daar men meent waargenomen te hebben, dat de groote minder deugdzaam zijn. De typische fokmerrie moet eerder zijn lang, laag en breed, op korte beenen, met goede spronggewrichten en sterke hoeven, terwijl de beenderen zoo massief mogelijk moeten zijn. Het haar moet overvloedig aanwezig zijn. Een diepe, ja zelfs zeer diepe borst en een ruime, vierkante stap zijn strikt noodig.
Van de verschillende invloeden, die het Shire-paard getroffen hebben, heeft zeer zeker geen enkele grooter voordeel op zijn ontwikkeling gehad dan de tentoonstelling van Shire-paarden. De tentoonstelling par excellence is de Februari-tentoonstelling in de Agricultural Hall te Islington. Deze trok bij de fokkers de grootste aandacht en ofschoon in 't klein begonnen, namen de inschrijvingen jaarlijks zoo toe, dat men maatregelen heeft moeten beramen om de inschrijvingen te verminderen. Bovendien heeft ieder hoekje van het land zijn âshowquot; van Shire-paarden. Het voornaamste effect van deze tentoonstellingen is een zekere verandering in 't model of type van het paard, en hieraan hebben de juryleden ongetwijfeld schuld.
In vroeger dagen toch trachtten de boeren het gewicht steeds grooter te maken. Sedert de laatste vijftien jaar echter heeft men gaandeweg eene vermindering in gewicht zien ontstaan, ongetwijfeld meer de wensch der juryleden, die steeds meer adel verlangden. Dat het vroegere paard in sommige opzichten wat grof was en zuchtige beenen had is waar, maar het resultaat is nu, zooals zoo dikwijls, dat een deel der fokkers de zaak is gaan overdrijven en op adel fokte zonder op gewicht te letten.
Het gevolg hiervan is geweest, dat de vraag naar zwaar-
9i
dere paarden weer is toegenomen en het laat zich aanzien, dat de tijd niet ver meer is dat hengsten van het oude type gevraagd zullen worden om te kruisen met de merries met adel.
Een andere eigenaardigheid der tentoonstelling is geweest dat de meeste fokkers hun best deden om met hun dieren uit te munten en dat er daardoor als 't ware een bijzonder soort tentoonstellingsdieren ontstaan is, wat voor de fokkerij een hoogst twijfelachtig nut had.
Het eind en het eigenlijke doel van het fokken van shires moet zijn, het fokken van een dier dat den boer voor zijn werk het beste past, en de ervaring leert, dat alleen zwaar gewicht dit doel bereiken kan. Hij die met het gewicht geen rekening houdt, dus lichter soort werkpaarden wil fokken, met als 't ware onberispelijke lijnen, zal toch ontwaren dat hij op de markt hoogstens een middelmatigen prijs kan bedingen , terwijl dat hij die een goed soort werkpaarden, maar van een tamelijke zwaarte fokt, meerder geld zal kunnen maken.
Er is nog een andere omstandigheid die tijdelijk ten nadeele is geweest van de shire-fokkerij. Dit was de buitengewone vraag naar shire-hengsten die voor eenige jaren geleden bestond. Deze handel werd in hoofdzaak door Amerika in 't leven geroepen, en ieder wilde daaraan meedoen, denkende hierdoor zoo maar op eens rijk te worden. Hierdoor gingen zeer veel hengsten het land uit, maar het moet erkend worden, dat er vele bij waren die slechts aanspraak konden maken op 2e qualiteit. Eenige importeurs ontwierpen toen een modelpaard, tiat echter ver verwijderd was van de beste klasse van shire. Voor zulke hengsten werden vrij goede prijzen besteed en het ging zelfs zoo ver dat de Engelschen dachten dat hun type slecht en het Amerikaansche goed was.
Zij die er zoo over dachten, zagen zich al spoedig overladen met paarden die voor het meerendeel onverkoopbaar
92
waren en hun toestand was werkelijk niet benijdenswaardig. Een weinig meer nadenken zou die fokkers geleerd hebben dat één hengst naar het oude Engelsche model meer waard was dan verschillende van de Amerikaansche soort bijeen, terwijl ook zoo'n hengst een weldaad voor de fokkerij zou zijn, waar de anderen de zaak meer en meer bedierven. De Engelschen kwamen gelukkig weer tot beter gedachten en bevonden dat de shire-paarden niet afhankelijk mochten zijn van grillen of mode.
Ten allen tijd moet de shire de positie behouden, die hij ook vroeger innam, n.1. aan het hoofd te staan der werkpaarden bij voldoend gewicht , en in de keuze van den hengst moet men vooral op het echt mannelijke karakter acht geven, en wel bedenken dat voor de fokkerij niet altijd het op de tentoonstelling bekroonde dier per se het beste is.
HET SUFFOLKPAARD.
Behalve korte mededeelingen vermeld in de Topografische werken over Suffolk, is er voor 't jaar 1880 geen volledige geschiedenis over het Suffolk-paard verschenen. Young, Cullum en een of twee anderen maken van deze soort melding, en ofschoon hetgeen zij schrijven lang niet onbelangrijk is ten opzichte van de oudheid der soort, bevat het toch geen alge-heele historie omtrent deze koudbloedige paarden.
In het âSuffolk stud bookquot; vindt men een zeer goed verhaal omtrent deze paarden, teruggaande tot het eerste gedeelte der i8e eeuw.
Wat de oorsprong van het Suffolk-paard betreft, daarvan is weinig met zekerheid bekend. Het schijnt oorspronkelijk tehuis geweest te zijn in de oostelijke gedeelten van Suffolk. Teeltkeus en mode hebben zijn karakter gewijzigd, zooals dat ook van andere huisdieren gewijzigd is, maar voorzeker zijn er maar zeer weinig soorten, die in den loop der tijden zoo standvastig hun karakteristieke lijnen hebben behouden als het Suffolkpaard. Het is frappant en typisch, dat vele bepaalde punten in de tegenwoordige Suffolker, ook een tweehonderd jaar geleden daarin bestonden. De korte beenen, de zeer diepe borst, de kleur, de constitutie en de zeldzame volharding in het tuig, zijn nog altijd algemeen voorkomende vaste kenmerken van dit ras. Zoo er dan ooit van constantheid, van onverwoestbaarheid van lichaamsvormen in paarden-
94
rassen sprake kan zijn, dan voorzeker staat de Suffolker bovenaan.
Ongeveer op het midden van de vorige eeuw werd reeds gesproken van de ware zuiverheid van dit ras, althans advertenties van dien tijd spreken van âthe truest bred carthorse in Suffolk.quot; Inderdaad in de eerste nummers der nieuwsbladen in Suffolk wordt gesproken over de zuivere soort van het land, zonder meer. Schrijvers van onzen tijd hebben beweerd, dat er in de voorvaders der Suffolkers Vlaamsch bloed is ingevoerd. Behn.lve het feit, dat een vroegere eigenaar van Holkham een paar Vlaamsche paarden had, is er nergens iets te vinden dat duidt op den invoer van meerdere Vlaamsche hengsten. De eerage autoriteiten om dit feit te bewijzen zijn de portretten van twee zulke hengsten, die in de familie bewaard zijn. Indien deze hengsten op het landgoed gebruikt werden, dan moet de uitwerking slechts een plaatselijk effect gehad hebben, en daaruit mag men dan ook afleiden, dat hun invloed niet grooter geweest is, dan van ander buitenlandsch bloed, dat, hetzij bij toeval of bij opzet dienst deed voor een locale proef.
De jongst bekende introductie van vreemd bloed, vindt men in de afstamming van de grootmoeder van een voornamen Suffolk-hengst die in 1846 geboren is, en deze merrie moet een zestig jaar vroeger geboren zijn. Van dit paard kan thans alleen het vierde of vijfde nageslacht in leven zijn. De onderzoekingen gedaan door den schrijver van het Suffolkstambeek, hebben bewezen dat de hoeveelheid Vlaamsch bloed in de Suffolker gelijk nul is. Het Suffolkstamboek zegt dan ook, dat de paarden eigen waren aan de streek, er in tehuis behoorden en dat van af de vroegste tijden de soort standvastig genoeg was om zich zuiver te kunnen vererven.
In het werk van Young wordt veel gesproken van verbetering van het ras en toen Sir Thomas Cullum zijn werk
95
schreef, werden de Suffblkers voor het rijtuig gebruikt. Eenige jaren later spreekt jery Cullum over hen als zijnde âbeste dravers.quot; Tien jaar later had de verkooping plaats bij Sir Robert Harland, waar een fokmerrie £ 140, f 1700, opbracht en er 40 guinjes voor een veulen gegeven werd. Van af dien tijd bestaan er beschrijvingen van bepaalde paarden.
Opvallend is het, dat ieder die de Suftolker ziet zal moeten zeggen, dat er een zekere uniformiteit in bestaat. Er is iets in de kleur, model en gang, dat ongetwijfeld bij den een iets meer, bij den ander minder uitkomt, maar toch nooit geheel ontbreekt en dat duidt op dezelfde origine. Welke bemerkingen men ook op het Suffolkpaard hebbe, niemand zal de typische overeenkomst der verschillende exemplaren kunnen ontkennen.
Dat er een toevoer van vreemd bloed heeft plaats gehad is niet te ontkennen. Inderdaad, dit feit is niet te verzwijgen, ja zelfs niet te betwijfelen. Ãén ding is echter opmerkelijk, dat geen enkele introductie van het buitenland, geen enkele vreemde bloedinmenging, ook niet in de mannelijke lijn, sterker is gebleken dan het bestaande. De kruisingsproducten hielden het eenige jaren uit maar stierven na korter of langer tijd uit, en op den huidigen dag is er geen enkele Suffolker die niet van den ouden stam afstamt. Dit nu moge onwaarschijnlijk schijnen, in werkelijkheid is het toch zoo, en de afstamming in het stamboek bewijst dit, en dat gaat terug tot het eerste tiental jaren van de regeering van George II, een tijdperk zooals de schrijver van het stamboek zegt, waarin een blik op hetgeen gedurende dien tijd voorviel, een denkbeeld geeft hoe het tegenwoordige Suffolk-ras zich heeft weten te ontwikkelen.
De fokkers van Sufïblk-paarden hebben zich trouw gehouden aan de inheemsche soort hun door hun voorvaders achterge--laten, doch als degelijke fokkers hebben zij gaandeweg er ver-
96
betering in gebracht, echter met behoud der karakteristieke punten voor dat gebruikspaard die hen reeds 150 jaar terug zoo beroemd maakten. De beschrijvingen onder den naam van âold breedquot; zinspelen met dien naam op het Suffolk-paard. In advertenties anderhalve eeuw geleden worden zij aanbevolen aan âbreeders of good stock, forcoach or road.quot; De betee-kenis van zoo'n aanbeveling wordt nog verhoogd, als men in aanmerking neemt hoe de wegen destijds waren. Zonder overdrijving kan men zeggen, dat de wegen, waarlangs de handelswaar ter markt gebracht moest worden, niets beter waren dan de kameelroute door de Sahara. Wat toen verlangd werd âfor coach or roadquot; was een sterk levendig dier, minder lastig dan het oude zwarte Engelsche âdraught horsequot;, en dat gemakkelijk en zeer gewillig een belasten wagen door den moeilijksten weg kon trekken, en daar waar de wegen beter waren, 6 Engelsche mijl in het uur kon draven zonder daardoor beenen of longen te bederven. De 68 Engelsche mijlen lange weg van Ipswich naar Londen werd in drie dagen afgelegd.
In de inleiding van het stamboek vindt men het volgende opgeteekend over het oude zoogenaamde Ufford horse; âDe eerste aanteekening die te vinden is omtrent dit paard en waarvan dus de ontwijfelbare identiteit geboekstaafd is, is van een paard behoorende tot een zekeren Mr. Crisp. Diens advertentie verscheen in 1773. Het daaropvolgend jaar werd dat paard beschreven als een edel gefokte vos 15 'j2 hands hoog. De destijds gebruikelijke notitie, dat zijn eigenaar âhas no occasion to say anything more in praise of him, as he is so noted a horse for getting fine coltsquot; was ook hier natuurlijk bijgevoegd. En wat ook nu nog wel gebeurd, stond er destijds ook reeds bij, dat merriën die het vorig jaar niet drachtig geworden waren, van hem nu voor 5 shilling gedekt konden worden. Dit paard scheen gestationeerd in het district Wood-brigde, doch het ging ook naar Saxmundham en Framlingham
97
Van de verschillende introducties van vreemd bloed in deze soort geeft het stamboek uitvoerige mededeeling.
De eerste er van, de meest belangrijke en tevens de machtigste was een paard, dat toebehoorde aan Mr. Blake. Blake's Farmer, zooals hij genoemd werd, was een Lincolnshiredraver, een vos zeer laag op de beenen, met een pedigree die door en door Lincolnshire bloed aanwees en waarin niet het minste Suffolk-bloed voorkwam. Het schijnt dat Mr. Blake 4 geslachten van deze paarden gehad heeft, ieder voor zich, telkens meer Suffolk en minder Lincolnshire bloed bevattende. De vierde generatie bracht voort Young Briton, geboren in 1796. Dit paard werd door den edelman Wakefield aangekocht voor het Burnham district in Essex, en wordt aangegeven als een echt Suffblk-paard, waarvoor zijn eigenaar 400 guinjes refuseerde.
De Blake-paarden in 't algemeen waren destijds zeer beroemd en dat Burnham-paard werd in het Ipswich journal meermalen om zijn groote excellentie geroemd. Deze afstammelingen van Mr. Blake's-paarden waren niet alleen de meest populaire, maar ook tevens de meest talrijke en hebben in de Suffolk-fokkerij een groot deel in beslag genomen. Vijftig jaar nadat de Blake-paarden waren ingevoerd komt er meer dan een winner voor op de Royal Agricultural tentoonstelling. Toen de meeting te Wiltshire was, won Mr. Crosse's Skrewsbury Briton den eersten prijs als het beste paard voor den landbouw. In 1864 won Sir Eduard Kerrison den eersten prijs met Suffolks op de Newcastle-meeting met Ploughboy. Deze beide paarden waren directe nakomelingen van Blake's Farmer. Twintig jaar na Ploughboy's overwinning was deze stam helaas uitgestorven, er was toen geen enkde Blake meer in het land van Suffolk. Was er dan, zal men vragen, een bepaalde reden om den stam te doen uitsterven? Was het model niet goed of de beenen niet zwaar genoeg meer ? O, neen dat was het geval niet, daar Shrewsbury Briton een zeer fraai paard was en
7
98
Ploughboy zeer zware beenen had. Neen, het was ook hier de oude historie, reeds menigmaal voorgekomen, maar blijkbaar altijd nieuw blijvend, n.1. de vergeefsche strijd van nieuw ingevoerd bloed tegenover de oude inheemsche begrippen. Van af 1780 tot 1880, dus juist IOO jaar lang, bestond het Blake bloed, dat daarna uitstierf, achterlatende een verbeterde voorhand en meer temperament.
Een andere invoer van vreemd bloed werd door een ander Lincolnshire-paard aangebracht, of in ieder geval, door een dier dat in die landstreek gekocht was. Het was Wright Farmer's Glory, ook wel bekend onder den naam van âAtt-leboro Horse. Glory was een goed gebouwde vos, die best draafde, doch over wiens origine men het eigenlijk niet goed eens is. Dit is echter zeker, dat Wrights Glory vele, ja zelfs zeer vele beste nakomelingen gehad heeft en dus blijkbaar zich zeer goed vererfde niet alleen, maar tevens een machtige factor tot verbetering in zich bleek te hebben. In de jaren 1803 â 1S07 waren er acht afstammelingen van hem in de stoeterij van Wight. Vier geslachten later wordt melding gemaakt van Numi's Boxer, geboren in 1821, waarvan zeven zonen van 1824 â 1830 als dekhengst dienst deden. Chelmsford Champion, het eigendom van Mr. G. Mumford Sexton, kreeg den eersten prijs als tweejarige op de tentoonstelling te Essex in 1856. Coulson's Royal George kreeg in 1849 den eersten prijs te Norwich. Barthropp's Albert den tweeden prijs te York en Hercules den eersten te Bury d'Edmunds. Te Newcastle in 1864 was Garibaldi de eerste onder de tweejarigen en Lewis Duke kreeg als driejarige den eersten prijs te Ipswich in 1869, en werd toen naar Australië verkocht. Al deze winnende paarden, en er zijn er nog veel meer, waren afstammelingen van Wright Glory, en bewijzen dat dit paard een machtigen invloed gehad heeft. De nakomelingen van dezen Glory is het gegaan als de afstammelingen van Blake's Farmer,
99
n.l. ook zij zijn uitgestorven. Ongeveer 40 jaar na Blake's Farmer ingevoerd, zijn zij terzelfder tijd verdwenen en thans bestaat er geen enkele afstammeling meer van.
Deze twee waren de voornaamste importaties van vreemd bloed en het moet gezegd zijn, dat de tweede kruising niet zoo goed was als de eerste. Behalve deze, zijn er nu nog wel andere kruisingen geweest, doch deze bestonden uit nog ander bloed en stierven in den regel spoedig uit. De meest bekende is de Shaddingfield-stam, die omstreeks het jaar 1S00 bekend werd.
De Shaddingfield-stam was het product van een harddraver, zoon van een volbloed. De tot dezen stam behoorende paarden waren zeer opvallend donkere vossen met witte beenen met niet te schuine schouders, doch harde, zuivere beenen en met veel geest. Er zijn slechts 7 generaties van geweest. De laatste ervan was Mr. Catchpole's Proctor, die in 1846 geboren is. Deze stamt af van Barber's Proctor. De vader van Barbers' Proctor was Winter's Stormer, de moeder een vosmerrie. Barber's Proctor was bestemd voor rijpaard, maar hij brak zijn staart, toen men hem dien wilde nicteeren, en werd daarom toen als karpaard gebruikt. Winter's Stormer scheen een beste draver geweest te zijn; hij was de zoon van Gooch's bloedpaard en de broeder van Thunderbolt. Indien men nu het volbloedstamboek van Weatherby, deel I, opslaat, vindt men daarin aangegeven, dat Stormer gefokt was door den hertog van Grafton. De pedigree van Gooch's Stormer wijst aan, dat hij in directe mannelijke linie afstamt van Flying Childers, ja zelfs van Darley Arabian. Plet was dus geen wonder, dat deze stam veel fijnere beenen had dan de eigenlijke Sufifolkers, en dat zij onder dezen dan ook erg opvallend geweest moeten zijn. Toch wordt beweerd, dat George IV er een uit dezen stam kocht voor 400 guinjes, en dat het was âa sweet pretty horsequot;. De merries en ruinen dezer Shad-
IOO
(lingfield familie waren goede stappers, maar zij waren te fijn onder knie en hak. en bij de meesten ging er te veel wind onder het lijf door, m. a. w. zij waren hoogbeenig, een gebrek, dat nu juist in de Sufifolkers nooit voorkomt. De geheele Shad-dingfield familie is echter verdwenen en haar invloed op het oude ras was nihil. De laatste afstammeling in rechte lijn was Mr. Manfred Biddell's Old Brag Mare, die voor eenige jaren is overleden, zonder nakomelingen nagelaten te hebben.
Er is nog een andere invoer van vreemd bloed, die vermeldenswaard is, omdat deze de theorie bevestigt, dat op kruisingsproducten niet altijd gerekend kan worden. Het is inderdaad een opmerkelijk feit. Dit paard toch was gedurende 19 jaar in het land de held van den dag, en van heinde en ver werden merries tot hem gebracht. Hij zag er uit als een Sufifolker, maar had hoogstwaarschijnlijk geen enkele druppel Suffolkbloed in zijn aderen. Hij was de zoon van een zwaar gebeenden, sterken, koudbloedigen hengst en van een edele bloedmerrie. Hij zelf voldeed blijkbaar aan de eischen, gesteld aan een goede Suffolker: maar welke resultaten bracht hij te voorschijn? ... Bij geen enkel product heeft hij zijn goede eigenschappen achtergelaten. Hij is het product van een zeer vreemde copulatie, voor zich zelf voldoende goed gebouwd, maar niet in staat eenig effect te presteeren in een ras van paarden, dat bijna twee eeuwen constant was gebleven. In geen enkele pedigree van de tegenwoordige Sufifolkers is zijn naam te vinden. Alleen onder Martin's Boxer wordt in het stamboek zijn naam gevonden.
Vóór de instelling van de Suffolk-stamboekvereeniging, vóór den tijd zelfs dat er eenige afstamming werd te boek gesteld, loofde de Suffolker Agricultural association prijzen uit voor het beste paard voor den landbouw, en ofschoon er voor de mededinging geen bepalingen gemaakt waren omtrent de overheerschende voskleur, begreep men toch, dat men
IOI
zich moest houden aan de kleur, die het meest eigen was aan het ras.
Het resultaat van deze prijsuitlovingen was het voorkomen van meerdere pogingen tot invoer van kruisingsproducten. Met het toenemen der jaren werd het ras constanter, en zelfs, indien op den huidigen dag getracht werd, zoo'n kruisingsproduct in dit ras in te voeren, zij zouden misschien twee generaties beleven, maar meer ook niet.
De schrijver van het stamboek zegt dan ook van Martin Boxer:
âHet schijnt wel alsof dat ingevoerde bloed zoo vreemd âwas voor het ras, dat het teniet gedaan werd door het âandere bloed; het kon zich er niet mede vermengen, het âwerd uitgedreven. Het was alsof de natuur zoo'n vermen-iiging verbood. Bij Blake en Wright schijnt het vreemde âelement nog eenig effect gehad te hebben op het Suffolk-âbloed, maar Martin's Boxer's bloed was zoo erg vreemd, âde kruising zoo schreeuwend, dat dit geen vasten voet in âhet Suffolkras kon krijgenquot;.
Wat de robe van paarden betreft, zoo is het zeer zeker bekend, dat men bij voorbeeld in het volbloed bijna iedere kleur aantreft. In vroeger jaren onderscheidde menige Nor-folktrotter zich door een donkere roodschimmelkleur, doch thans zijn de kleuren er al even verscheiden als bij het volbloed, ofschoon de voskleur de overhand krijgt. Ook bij de Shirepaarden treft men een groote verscheidenheid in kleur aan. De fokker van Suffolkpaarden echter wenscht geen kleur verscheidenheid. Voskleur bovenal, met zoo weinig mogelijk wit aan het hoofd, is zijn leuze. Het is misschien wel veertig of vijftig jaar geleden, dat een bruine Suffolkhengst als dekhengst aanbevolen werd , en in zoo'n geval werd altijd nog verondersteld, dat er van moederszijde vreemd bloed mede in het spel was.
I02
Toen het Suffolk-stamboek tot stand kwam, werd op de kleur wel degelijk gelet, en die geen voskleur hadden, werden niet opgenomen. Men houdt zich echter niet aan een juist omschreven voskleur, maar neemt ook schakeeringen in deze kleur op, even goed als die, welke een kol of bles of witte beenen hebben. Immers, er zijn een massa schakeeringen van voskleur, beginnende bij de donkere kopervos en eindigende bij den meest lichten vos. Zoo was Crisp's Old Ufford horse, licht van robe, maar een van zijn zoons was een donkere vos. Smith's horse of Packam, waarvan de meeste Suffolkers van den huicHgen dag afstammen, was een donkere vos zonder eenig wit. Zeer opmerkelijk is het typisch vererven van de voskleur in de mannelijke lijn.
Old Cup Bearer was in sommige gedeelten van het jaar koperkleurig, en van hem zijn onder de prijswinners zeer veel vossen, weinige echter donker voskleurig, en men moet dikwijls geslachten overslaan om zoo'n donkere te vinden, maar toch zijn zij bijna allen voskleurig. Op de tentoonstellingen doet de soort der voskleur er weinig aan toe, als het paard zelf maar goed is, doch geheel anders is dit bij verkoop. De donkere voskleur brengt doorgaans niet het meeste op, en heeft weinig aanbidders. De minst geliefkoosde is de klei- of leemvos, in den regel in de flanken wat lichter gekleurd en vaak met vuilwitte onderbeenen. Men gelooft, dat deze kleur een weeke constitutie verraadt. De meest geliefde kleur is de roodvos. Crip's Red Champion en Cordy's Marquis waren beiden prachtige roodvossen en behielden ook die kleur in ieder jaargetij.
Ofschoon het stamboek, zooals gezegd is, verschillende vos-kleuren opneemt, zoo hecht dit toch meerdere waarde aan den zoogenaamden goudvos, die iets lichter is dan de roodvos. Ei zijn dan ook vele stoeterijen van Suffolkers , waar de goud-voskleur altijd te vinden is. Ook zijn er wel eens stekel-
I03
harigen onder voorgekomen, doch de meeste fokkers zien dat toch liever niet.
De instelling van de Royal Agricultural Society is het begin geweest van groote verbetering in alle soorten land-bouwdieren op de Britsche eilanden. Langen tijd vóór de oprichting van die vereeniging waren de beroemde Bakewell, Collings en Ellmans bekend geworden. Deze drie stonden ontegenzeggelijk aan het hoofd der beste fokkerijen en blonken boven alle andere fokkers uit. De meetings der Royal Agricultural Society brachten de verschillende fokkers bijeen en de producten van Bakewell, Collings en Ellman golden als modellen tot nabootsing. Het gevolg hiervan was, dat het niet lang duurde, of die drie beroemde fokkers zagen, dat ook anderen in staat waren goede dieren te fokken.
Ongeveer een achttal jaren voordat de genoemde Royal haar eerste meeting te Oxford hield, werd opgericht de Suffolk agricultural vereeniging. Wat de Royal voor geheel Engeland deed, deed de Suffolk voor het district, waar het Suffolkpaard tehuis was. De Crisp's, de Catlin's, de Cottingham's en anderen deden een rivaliteit op de tentoonstelling ontstaan, die een groot aantal mededingers in het veld bracht. Hierdoor begon men scherper te kijken en gebreken, die men vroeger over het hoofd zag of die men eenvoudig niet gezien had, werden van nu af zwaar aangerekend en het publiek zelf begon er op te letten.
Van toen af begon een ieder, fokker zoowel als koopman, zoowel landgenoot als vreemdeling, te vragen naar een paard zonder gebreken en met goede oogen. Ook de tentoonstellingsjury bracht verandering in de manier van keuren. Vroeger nog al toegevend gestemd, werd het oordeel nu minder zacht.
Gezondheid van lijf en leden begon het voornaamste punt te worden. Luid, ja zeer luid werd er nu wel geschreeuwd tegen de veeartsen, die met het sanitair onderzoek belast
I04
waren, maar het comité der Suffolk agricultural Association steunde hen, en er begon een ware kruistocht tegen zij-beenen, slechte oogen, snuivers en ieder ander gebrek, dat verondersteld werd erfelijk te kunnen zijn. De association nam als vasten regel aan, dat geen dier een prijs kon bekomen, als het niet voor âSoundquot; verklaard was door de commissie van veeartsen. Deze bepaling is zeer ten goede gekomen aan de fokkers van Suffolkers. Een dertig jaar geleden werd juist geklaagd, dat in het Suffolkras de meeste slechte hoeven en veel zijbeenen gevonden werden, en deze klachten waren dan ook de aanleidende oorzaak, dat de vereeniging, op bovengenoemde wijze, daartegen te velde trok. Het gevolg is geweest, dat op den huldigen dag de Suffolker even goede hoeven en beenen heeft, als de beste onder de Engelsche paarden.
Het Suffolkpaard is een best landbouwpaard. Levendig, van middelmatige grootte, met zeer veel volharding, zelfs bij zwaar werk. Zijn constitutie is bijzonder sterk en van des morgens vroeg tot des avonds laat, werkt het, zoo noodig, onvermoeid en met dezelfde opgewektheid door. Er is geen twijfel aan, of de Suffolker is voor dit werk buitengewoon geschikt, wellicht de geschiktste. En niet alleen, dat de Suffolker zijn werk goed doet in de jeugd, maar ook op lateren leeftijd blijft het dezelfde ambitie behouden. Daarbij is hij met veel kleiner ration tevreden, dan de Shire of de Clydes-daler.
Men heeft gezegd, dat een span Suffolkers meer land konden beploegen, dan eenig andere soort. Dit gezegde bevat veel waars, doch de snelheid waarmede het paard werkt, hangt toch ook wel wat af van den man, die achter den ploeg loopt en niet alleen van het paard. Ofschoon niemand in een dag veel werk kan doen met een paar luie bieken, zoo zal van den anderen kant, het meest levendige paard, de beste stapper, een deel van zijn snelheid verliezen, indien de ploeger
los
het altijd maar wil inhouden, en zelfs de beste Suffiblker zou daardoor op den duur zijn karakter verliezen.
Men heeft ook wel beweerd, dat het Suffolkpaard niet geschikt zou zijn om op de Londensche steenwegen te werken, terwijl weêr andere zeggen, dat het paard meer waarde zou hebben als het eene bruine kleur had. Wat de eerste bewering betreft is het in zooverre onjuist, daar beenen en hoeven der Sufifolkers zeer goed bestand zijn ook tegen werk op steenen, maar de Suffolker heeft geen massa genoeg voor het zware werk in Londen, waarvoor de Shires en de Clydes-daler gebruikt worden. Voor lichtere vrachten is er bijna geen beter paard te vinden.
En wat de kleur betreft, is het dan toch zeker opmerkelijk, dat de Sufïolksche fokkers zich nog nooit over de voskleur beklaagd hebben. En zoolang als zij voor voljarige paarden nog 80 a 90 guuijes kunnen maken, zullen zij zich de vos-kleur ook wel niet beklagen. Enkele jaren geleden bracht een elfjarige Suffolker zelfs nog 90 guinjes op bij eene publieke verkooping, en het zonderbaarste was, dat het dier door een handelaar gekocht werd, vermoedelijk kon het dus nog meer opbrengen. De waarheid is, dat de kleur er niets toe doet, want als de Suffolker maat en massa genoeg heeft, vindt het gretig koopers, maar voor de minder goede in maat en massa, voor de kleine Suffolkers, daarvoor is alleen plaats in de boerderijen van de streek zelf en niet naar buiten.
Het fokken van Suffolkers met meer of minder massa is echter slechts een kwestie van keus en attentie. Indien men hengsten als Mr. Quilter's The Czar, als Queen's Diadem, Foxhall en Prince Charlie, hengsten van maat en massa met breede beenen, brengt bij merriën van denzelfden omvang, ontstaan er paarden die ongetwijfeld op iedere markt steeds koopers zullen vinden even goed als bruine en zwarte elders.
De zuivere Suffolker is geen zwaar paard, maar toch is hij
io6
sterk, daar zijne beenderen meer omvang hebben dan men zou denken; men vergete niet dat de pijpen weinig of in 't geheel niet behaard zijn, en dat dit een groot verschil is met de pijpen der Shires en Clydesdalers. Daarbij is de Suf-folker laag bij den grond en dit ook doet hem kleiner schijnen dan hij is. De oudere fokkers verkiezen nog altijd dit laag-beenige model. Nu zijn er wel die zeggen, dat er een halve eeuw terug betere Suffolkers waren dan nu, doch dit is onjuist. Door de exposities en door de strenge keuringen zijn tal van erfelijke gebreken verdwenen, en het is een niet te weerspreken feit, dat er gedurende de laatste twintig jaren betere paarden gefokt zijn dan vóór dien tijd. De pogingen die door sommigen aangewend zijn om de pijpen der Suffolkers zwaarder te maken, zijn steeds mislukt, want met de dikkere beenderen kwam er ook een dikkere huid en grover haar.
Het Suffolk-paard is en blijft een laagbeenig dier met zuivere, sterke beenderen, in 't bijzonder geschikt voor land-bouwwerk. Het moet een diepe borstkas hebben, breed in de borst en breed in het kruis, met harde, droge, korte beenen en breede zuivere gewrichten. Voeg hier nu bij de typische voskleur, de groote volharding en het zeldzaam makke temperament, dan heeft men de vaste kenmerken voor de Suffolkers.
HET CLYDESDALER PAARD.
De geschiedenis van het Clydesdaler paard is sedert de laatste twaalf of veertien jaar nauwkeurig bekend geworden. Al de verschillende onderzoekingen door meerdere schrijvers gedaan, stemmen hierin overeen, dat deze soort uit gemengd bloed bestaat en dat het vreemde element dat hier is ingevoerd, Vlaamsch bloed was.
Nu loopen de meeningen, nog wel wat uiteen, wanneer eigenlijk voor de eerste maal Vlaamsche hengsten zijn ingevoerd. Volgens enkele schrijvers moet dat al in vroegere eeuwen geschied zijn, doch volgens anderen echter eerst veel later. Dit is zeker, dat hier en daar reeds ten tijde van de regeering der Stuarts gesproken wordt van Vlaamsche hengsten in Schotland. Met meerdere zekerheid is echter bekend, dat ongeveer in het midden der 17e eeuw door den Hertog van Hamilton Vlaamsche hengsten werden gestationneerd bij den landbouwer John Paterson van Lochlyoch. De plaats, waar zijn zes zwarte hengsten van Vlaanderen stonden, was Strathaven Castle
Een andere hertog van Hamilton, de zesde, (1742â1758) importeerde eveneens een Vlaamschen hengst, donkerbruin van kleur. Deze hertog, zoo luidt het verhaal, had dezen hengst doen overkomen voor de paarden zijner pachters, die er gratis gebruik van mochten maken.
Het is opvallend, dat gedurende de laatste helft van de
loa
vorige eeuw en het eerste kwart van deze eeuw de Lochlyoch-merriën een bepaalde reputatie hadden, en de familie Paterson had de goede gewoonte om ieder belangrijk feit, dat voorviel in de familie, op te teekenen. In 1836 was het een Edin-burgsche courant, die, beschrijvende den ploegwedstrijd bij een der Patersons, er aan herinnerde, dat de broeder van den grootvader van den toenmaligen pachter van Drumalbin de beste hengst van Engeland naar Lanarkshire bracht, waardoor het beroemd geworden Clydesdaler-ras ontstond.
De vraag is wel eens gedaan: waarom heeten deze paarden nu juist Clydesdalers en niet Schotsche paarden? Zooals bekend is, is Clydesdale de oude naam voor het dal van de rivier de Clyde of met andere woorden, van het vruchtbaarste gedeelte van Lanark. En daar het nu wel meer voorkomt, dat producten genoemd worden naar de streek waar zij geteeld of gefabriceerd worden, zoo is het ook met deze paarden. Clydesdalers zijn dus paarden, waarvan de ontwikkeling van type en qualiteit in de eerste plaats gezocht moet worden in de eigenaardige bodemgesteldheid van het land van Lanark. De levenswijze der vreedzame en nijvere bewoners van Avon-dale en Clydesdale bracht mede, dat zij zich met hart en ziel toelegden op verbetering van hun paarden en van daar dan ook, dat de paarden van Lanarkshire veel eêr beroemd waren, dan die uit andere deelen van Schotland. Het klimaat en de bodem van de dalen aan de Avon en de Clyde zijn buitengewoon gunstig voor paardenteelt, en ofschoon de invloed der Vlaamsche hengsten, en later van den beroemden Engelschen hengst Blaze, ontegenzeggelijk veel heeft bijgedragen tot ontwikkeling dezer soort, zoo moet aan den anderen kant het gunstige karakter van den bodem niet over het hoofd gezien worden. Het is toch ook nog volgens latere onderzoekingen bewezen, dat buitenlandsch bloed alleen niet in staat is een_ verbetering te verzekeren van de soort in eene bepaalde land
T09
streek. Hengsten, die in een bepaalde streek de meest gunstige resultaten opleverden, onderscheidden zich slechts hoogst matig jn een anderen. Bodem en klimaat hebben ook wat te zeggen in de fokkerij.
Evenals bij de andere Ãngelsche paardenrassen is ook hier, sedert de oprichting van het Clydesdale stamboek, een aanmerkelijke vooruitgang in de fokkerij van paarden in Schotland te bespeuren.
Het in het stambaiek eerst genoemde paard is Glancer, meer bekend onder den naam van: âThompson's Black horsequot;. Het is opmerkelijk, dat het meerendeel van de beste Clydes-dalers van den tegenwoordigen tijd afstammen van dezen hengst. Deze Glancer nu stamde af van de Lochlyoch-familie, daar de moeder van Glancer-zijde Lampits merrie, van de Lochlyoch-familie afstamde. Glancer schijnt een paard geweest te zijn van buitengewone reputatie. Hij werd geboren in 1836 en dekte tegen een dekgeld van een guinje.
De tweede naam makende hengst was âBroomfield Champion.quot; In de tegenwoordige, op tentoonstellingen prijswinnende, Clydesdaler merries vindt men het bloed van dezen hengst maar weinig meer, en toch is hij de vader van een buitengewoon paard, n.1. van Clyde alias Glancer 153, ook wel genoemd âFulton's ruptured horse.quot; Meerdere van de vrouwelijke afstammelingen van Broomfield hebben als fokmerrie een goede reputatie gehad. Een daarvan was âHoughhead marequot;. Clyde alias Glancer 153 is, zonder iets af te dingen op de overige afstammelingen van Broomfield, toch âthe flower of the flock and the pearl of the tribe.quot; Het schijnt geen fraai paard geweest te zijn, althans de platen die er van bestaan zijn niet mooi, maar wel een groot, sterk paard. Hij is gefokt door Mr. Forrest uit een zeer goede Clydesdaler merrie. Van 1844â1850 waren de producten van deze Clyde altijd de hoofd winners op de tentoonstellingen. Verscheidene
110
van zijne zonen waren zelfs nog gelukkiger in het verkrijgen van prijzen dan hijzelf.
Een ander deel van Schotland, waar de Clydesdaler als 't ware een tweede tehuis vond, was de provincie Galloway en voornamelijk het land van Wigtown en de Stewartry of Kirkcudbright. Het is opmerkelijk hoe snel deze streek een centrum is geworden voor het fokken van Clydesdalers. Toen in 1845 te Dumfries de Highland en Agricultural Society tentoonstelling gehouden werd, was er slechts een enkel exemplaar uit Galloway, en toen in 1886 op dezelfde plaats de tentoonstelling plaats vond, bestond het grootste aantal uit paarden uit Wightown en Stewartry. Algemeen wordt aangenomen dat er in Galloway ook in vroeger dagen zware paarden waren, maar de oorspronkelijke âGallowaynagquot; waar Shakespeare van spreekt was toch een andere dan de tegenwoordige Galloway Clydesdaler. Het was Mr. Anderson die hengsten en merricn uit Lanarkshire liet komen, en daardoor in Wigtownshire een nieuwe soort maakte. Deze nu vormen feitelijk de stichting van de Wigtownshire Clydesdalers van den tegenwoordigen tijd.
Door die hengsten en merriën dan van Mr. Anderson, ontstond er een ware revolutie onder de paarden van Wigtownshire en te dier plaatse brachten deze Clydesdalers groote voordeden aan. Nu trof het bijzonder, dat al spoedig aan het licht kwam dat klimaat en bodem van Galloway bijzonder gunstig waren tot het groot brengen van deze zware paarden. Jonge dieren onder dezelfde condities geboren, groeiden in Galloway spoediger en beter op dan in andere deelen van West-Schotland.
De vroegere werkpaarden van Kirkcudbright waren van wat fijner en lichter type dan die van Wigtownshire en de trapsgewijze verbetering werd daar vermoedelijk wat later ondernomen dan in Wigtownshire. Althans in Sir John Sinclair's
111
âaccount of the Husbandry of Scotlandquot;, uitgegeven in 1812, wordt tamelijk gediscussieerd over de verdiensten van paarden tegenover ossen voor landbouwwerk. Een koppel paarden zeide men, kost £65, en drie ossen die als 'tware in hun werk gelijk staan met twee paarden , slechts £ 42. Paarden, zoo redeneerde men verder, gaan jaarlijks in waarde achteruit, terwijl ossen tot hun zesde jaar in waarde stijgen. Ossen kan men voor allen landbouwarbeid gebruiken, doch minder goed op straatwegen voor het vervoer van vrachten, daarvoor zijn paarden veel beter. Deze redeneering vond echter ook al spoedig tegenspraak en door verschillende betoogers werd het Schotsche paard het beste van geheel Groot-Brittanje genoemd.
Dr. Singer, die ongeveer tegen het laatst der vorige eeuw over den landbouw in Dunfries schreef, zegt dat het werkpaard aldaar in gebruik, het resultaat was van zeer verschillende kruisingen. De boeren , zegt hij, verlangen vooral naar een zwaar, sterk paard. Het komt ons misschien vreemd voor, dat er omtrent het soort van paard voor landbouwwerk verschil van meening bestond, doch men moet niet vergeten dat er ook destijds reeds lieden waren die in één paard alle eigenschappen vereenigd wilden hebben. Naast de voorstanders van het zware landbouwpaard stonden er evenveel die meer een bloedpaard verlangden, dat vlugger over den weg kon gaan en vooral ook over smalle wegen. Het resultaat er van is geweest, dat het zware paard voor kleistreken de overhand gekregen heeft.
De eerste hengst van de Lanarkshire-soort, die door eenige boeren gehuurd werd, was Samson, die in 1827 geboren was. Hij was het eigendom van Mr. John Muir en gefokt door John Paterson. Samson had tot moeder een zwarte merrie, die in Lanark vele prijzen won. Kort daarop werd gehuurd Mr. Frame's Clyde van Broomfield.
Behalve de genoemde Lanark en Galloway Clydesdalers
T 12
zijn er nog meerdere, die in de geschiedenis van dit paard met eere te noemen zijn en die, tot een goed overzicht van dit ras, vermeld moeten worden. Onder de beroemd geworden Clydesdalers dan neemt eene merrie, genaamd Bell, een hoofdplaats in. Deze merrie was afkomstig uit Ayrshire en daarnaar wordt er nog wel eens gesproken van Ayrshire Clydesdalers. In 1842 werd zij gedekt door de Lanark hengst Scotsman en hieruit ontstond Old Clyde. De vader van Old Clyde was dus een ware Clydesdaler; zoo verklaart het zich gemakkelijk, dat het Ayrshire ras mede tot de zware paarden moet gerekend worden.
Een andere familie van beteekenis is de Kintyre Clydesdaler. De hengst die hier de meeste lauweren oogstte, was Rob Roy. De juiste geboortedag van Rob Roy is niet goed bekend; hij verschijnt zoo in eens ten tooneele, zonder dat er voor dien tijd iets van hem bekend was. Vermoedelijk is hij zoo ongeveer 1845 geboren en stamde zeer waarschijnlijk af van een Lanarkhengst. Een van zijn zoons heette ook Rob Roy en deze vooral nu heeft een uitmuntenden invloed gehad op de Clydesdalers van Kintyre. Typisch heeft de oude Rob Roy een gebrek vererfd, namelijk een lange, holle rug. Bij de meeste zijner afstammelingen bestond dit gebrek en zelfs in de vrouwelijke linie kwam dit ook voor. In Kintyre werd die Rob Roy dan ook genoemd âSandy Campbell's laigh backit horse':, en in tegenstelling hiermede werd Lorgs Jocks genoemd âSandy Campbell's straitlegged horse.quot;
Er zijn nog twee andere districten die bogen kunnen op een gunstige reputatie wat de daar gefokte werkpaarden betreft, het zijn Cumberland en Aberdeenshire, of over het algemeen het Noordoostelijk deel van Schotland. De kwaliteit der werkpaarden daar gefokt, wordt als eerste klasse beschouwd en het is der vermelding waard, dat Cumberland- en Abercieens-hire-ruins op de markt het duurst betaald worden. Beide
ii3
soorten hebben de duidelijke kenteekenen van af te stammen van de Lanarksoort, maar in beide is het bloed van andere soorten van Clydesdalers gemengd.
De Aberdeenshire ruinen zijn kenmerkend om hunne volharding, de harde, zuivere beenen, de flinke maat en het levendig temperament. Wat nu den invloed van ander bloed in de Cumberland- en Aberdeenshire paarden betreft, zoo schijnt het dat meerdere zware soorten ter kruising beproefd werden, en ook de Suffolkers brachten er het hunne toe bij, daar in 1816 Mr. Ferguson Suffolkhengsten gebruikte.
De Clydesdalers van den tegenwoordigen tijd kunnen, wat hun origine betreft, alle teruggebracht worden tot deze 6 hengsten; Darnley, Prince of Wales, Lord Ernskine, Drum-flovver Farmer, Old Times en Lord Lyon.
Darnley werd geboren in 1872 en stierf in 1886. In 1886, 1887, 1888 en 1889 kregen zijn nakomelingen alle eerste prijzen, en over het algemeen heeft hij een groot aantal winners van prijzen onder zijne afstammelingen.
Prince of Wales werd geboren in 1866 en stierf in 1888, en was een der beste stamvaders. Zijn eenig gebrek was rechte spronggewrichten. Lord Ernskine werd in 1879 geboren en ook deze bleek al spoedig een hoogst deugdelijke hengst te zijn.
Wat de kenmerkende eigenschappen van de Clydesdalers aangaat, is het tot een goed overzicht het beste de nieuwere school van beoordeelaars te volgen, die zich tot spreuk gekozen hebben het âno foot no horse.quot;
De Clydesdaler heeft breede, wijde, ronde hoeven, goede zool en sterken straal met buitengewoon goed gevormde hoef-ballen. De kooten zijn tamelijk lang en zeer schuin gelegen. De pijpen zijn breed, kort en met zeer krachtige pezen voorzien. Buitengewoon groot is doorgaans de omvang vlak onder de voorknie en de ideale Clydesdaler moet hierin bovenmate
8
ii4
uitblinken. Pijpen en kooten der twee voorbeenen moeten altijd evenwijdig ten opzichte van elkaar verloopen, men duldt in de Clydesdaler daarin geen afwijkingen. De voorknie is groot en vlak, de onderarm breed. De schouder is lang en schuin en goed gelegen tegen een goed ontwikkelde schoft. De borst is breed en de twee voorbeenen zijn er goed loodrecht onder geplaatst. De minste afwijking van den loodrechten stand van het voorbeen wordt in een Clydesdaler als een onvergeeflijke fout beschouwd. Wat steeds een attractie bij Clydesdalers is, is de hoog opgerichte en gebogen hals, zoodat het hoofd goed hoog gedragen wordt. Het hoofd zelf is middelmatig lang en altijd breed tusschen de oogen. Zeer gewaardeerd zijn breed voorhoofd, groote oogen en flinke ooren. Rug en lenden zijn kort en breed. De achterbeenen moeten bij een Clydesdaler buitengewoon sterk zijn en vooral de spronggewrichten van onberispelijken bouw. De schenkels moeten hun dikte bijna tot aan de spronggewrichten behouden, daar dit een bewijs is van goed ontwikkelde spieren. Het kruis is zeer breed en wat schuin, ofschoon het niet zoo schuin als van den volbloed behoeft te zijn. De staart hoog ingeplant.
Actie is een zeer belangrijk iets in de Clydesdaler, en in de meeste gevallen munt hij hierin uit. Bij de beoordeeling op tentoonstellingen wordt hij dan ook altijd recht vooruitgaande gemonsterd en nooit op den cirkel. Wijd in de hakken is een groot gebrek bij deze soort en veel liever ziet men de hakken iets naar elkaar toegedraaid. De Clydesdaler is een goede stapper en draver, en van Darnley wordt beweerd, dat hij evengoed draafde als een Hackney. De voornaamste verbeteringen, die sedert de laatste 15 jaar in de Clydesdalers zijn aangebracht, zijn: Een verbetering in kwaliteit, vooral in de beenderen, een diepere borstkas, kortere lendenen, wat ronder in het kruis en het verdwenen zijn van erfelijke gebreken.
SLEEPERSPAARDEN.
(Cart horses for street work).
Het is wellicht hier te lande nog niet algemeen bekend, dat het fokken van zware sleeperspaarden gedurende de laatste jaren in Engeland aan menigen boer een goed inkomen bezorgd heeft. Sedert de prijzen der landbouwproducten meer en meer gedaald zijn, en ook het vee niet in waarde vooruit is gegaan, is menige Engelsche boer zich gaan toeleggen op het fokken van de zwaarste soort sleeperspaarden. Te eerder ging men hiertoe over, toen men zag dat meermalen 1200 gulden voor een zwaren sleepersruin besteed werd, en al bleef deze prijs nu niet vast, toch wordt nog altijd voor dergelijke, mits goed gebouwde, paarden een hoogen prijs betaald. Nu moet men niet denken, dat het zware sleeperspaard een creatie is van de laatste jaren. De geschiedenis van het Shire-en Clydesdalerpaard heeft aangetoond, dat zij reeds in hun oorsprong van ouden datum zijn. De zware koudbloedige paarden van Engeland en Schotland stammen van een en dezelfde familie af, en zonder twijfel heeft meermalen een bloedvermenging van Engelsche met Schotsche plaats gehad.
Volgens oude boeken waarin gesproken wordt over paarden, gingen Engelsche paardenkoopers reeds in het begin van deze eeuw naar de markt te Rutherglen en kochten daar een groot aantal zware koudbloedige veulens, die dan naar Lancashire en ook naar andere districten gebracht werden. Hoe lang deze handel wel bestaan heeft, is niet na te gaan, maar zeker is het, dat in den omtrek van Carlisle, Lingtown en
I lö
andere aangrenzende plaatsen, thans nog menige handelaar woont, wiens familie handel dreef van Preston in het zuiden naar Glasgow, Falkirk en Edinburg in het noorden. De stroom ging ongetwijfeld van het noorden naar het zuiden, althans gedurende de eerste helft van deze eeuw. Eetst sedert de laatste dertig jaren is eigenlijk de Schotsche invasie begonnen. De Schotsche kooplui begonnen te begrijpen, dat eenige mooie veulens van het Clydesdaler type ook gefokt konden worden midden in het land. Derbyshire, Nottinghamshire, Lincolnshire en Cambridgeshire trokken het meest hun aandacht. De markt van Welshpool werd nu geregeld door hen bezocht en door groote handelaren zooals Riddell, Drew en anderen werden in Derbyshire geheele transporten zware veulens gekocht en naar het noorden vervoerd. Er wordt wel eens beweerd, dat door die Schotsche kooplui zoo'n massa van de allerbeste zware veulens weggehaald werd, dat Engeland niet veel meer dan de minder goede overhield, en dat het daarom jaren lang zoo'n moeielijkheid was in Engeland een zwaar paard zonder gebreken te vinden. Nu moet hier bij vermeld worden, dat het destijds onder Engelsche edellieden een soort mode was om Schotsche paardenknechts er op na te houden en in den regel wisten deze lieden het zoover te brengen, dat zij hun geliefkoosde Clydesdaler mochten medebrengen. Zoo kwam een beroemde Clydesdaler Young Lofty in Gloucestershire. Nadien kwam hij in Derbyshire, waar hij jaren als dekhengst dienst deed en aldaar bekend was als Tagy's Lofty. In het Burton district zijn zeker meer dan twintig beroemde paarden die van hem afstamden. Zoo o. a. ook Drew's Countess die viermaal den eersten prijs won op de Royal show en de hoogste onderscheiding op de Parijsche tentoonstelling. Frappant is ook de toekenning van den Champion-prijs aan White's Farmer op 20 jarigen leeftijd; White's Farmer was een volle zuster van Drew's Countess.
li;
White's Farmer was een zeer beste merrie, daar de beste Clydesdalers van haar afstammen. Dit weinige uit de geschiedenis moge voldoende zijn om aan te toonen, dat de Schotsche kooplui in Engeland aankoopen deden van zware veulens, om die in hun land groot te brengen. Het wordt als een eigenaardigheid verteld, dat die Schotsche kooplui een bijzonder hooge waarde hechtten aan goede hoeven en sterke kooten, terwijl de Engelschen jaren achtereen daar weinig attentie aan schonken. Voor dat extra zware werk, waarvoor het sleeperspaard gebruikt wordt, komt het dan ook zeer zeker in de eerste plaats op goede hoeven en goede kooten aan. En over dit sleeperspaard uit Engeland, speciaal dat, 't welk in Londen gebruikt wordt, moet men niet min denken. Zonder overdrijving kan men hen de reuzen onder de paarden noemen. De hoogte is van 1.70 M.â1.80 M., somtijds zelfs nog hooger, en het fraaiste daarbij is dat dit paard, althans de goede exemplaren er uit, ondanks zijn buitengewone grootte, toch goed geproportioneerd is. Het temperament is meestal zeer kalm en de gang van deze paarden is in hoofdzaak de stap. Wat de kleur betreft vindt men er alle kleuren onder. Voor sleeperspaarden worden alleen ruinen gebruikt. De groote bierbrouwerijen en distilleerderijen zijn het in hoofdzaak, die deze paarden gebruiken.
Nu komt het voor deze paarden niet alleen op de grootte (hoogte) aan, maar vooral op de zwaarte, daar zij enorme lasten moeten voortslepen, en nu moge er bij de een of andere firma of compagnie een voorliefde bestaan voor bijzonderen groote paarden of voor dieren van een bepaalde kleur, indien zij de noodige zwaarte niet hebben, kan men verzekerd zijn, dat zij niet voldoen zullen.
In de laatste jaren is men zelfs iets toegeeflijker geworden wat de grootte betreft, niets echter wat de zwaarte aangaat. En toch, ondanks deze plompheid van lichaamsvormen, kan
118
men niet zeggen, dat er disharmonie in voorkomt. Trouwens men stelt hooge eischen. Men verlangt een flink hoofd, dat tusschen de oogen goed breed is, en waarvan de oogen groot en helder zijn. De hals moet zijn breed, gebogen en dik. Hoofd en hals moeten goed aangezet zijn en de boven-lijn van den hals sierlijk gebogen. De schoft is ook bij deze paarden goed ontwikkeld, iets waarop meestal bijzonder gelet wordt. De schouders zijn tamelijk schuin. De voor- zoowel als achterbeenen zijn machtig in ontwikkeling en op zuiverheid van gewrichten wordt bijzonder gelet. De borstkas is diep, de ribben rond als een hoepel, de lendenen kort en breed en bedekt met zeer dikke spieren. De hoeven en de kooten vormen, zooals gezegd, cardinale punten. Ziet men zoo'n paard stappen, dan staat men verbaasd over de ruimte en zuiverheid van gang. Nu wordt bij de fokkerij van deze paarden bijzonder op den gang der hengsten gelet, daar men beweert, dat deze vooral de beweging doen vererven. Of dit nu altijd opgaat, zal ik niet beweren, de merrie zal hierin ook wel meétellen, doch dit is een feit, dat b.v. de Clydesdaler hengst William the Conquerer een beste stapper was en Royal Albert een slechte en opvallend is het, dat al hun afstammelingen precies hetzelfde hebben.
In Engeland en Schotland is men zoo doordrongen van de groote waarde van goede ledematen voor den hengst, dat men, hoe gaarne men ook een zwaren Clydesdaler ziet, hem niet tot dekken zal toelaten als hij geen goede beenen en geen goede hoeven heeft.
In hoofdzaak zijn het Clydesdalers, waaruit de sleeperspaar-den gefokt worden, en de opvoeding zoowel als ook de latere voeding is geheel en al ingericht tot ontwikkeling en behoud van sterke spieren, harde beenderen en krachtige gewrichten.
HET PA.A.IxD,
DOOR
A. VAN LEEUWEN,
Rijksveearts te Leiderdorp.
(Schrijver van een der drie bekroonde prijsvragen inzake de âHandleiding voor paardenfokkerijquot;, samengesteld door wijlen Van der Weg.)
Tweede, veel vermeerderde en herziene druk.
Met figuren in den tekst en 4 gekleurde platen.
Wij zijn in vertraging. Bij de Ervent B. van der, Kamp te Groningen verschijnt bovenstaand werk van den zeer bekwamen Rijksveearts te Leiderdorp, den heer A. van Leeuwen. âWie Hippos leest kent hem als een uitstekend paardenkenner. Wie zijn boekje opslaat waardeert in hooge mate de zeer praktische wijze waarop hij den leeftijd van paarden in den bek aantoont.
Inderdaad wie leeren wil aan het gebit van een paard te zien hoe oud het is, schaffe zich dit goedkoope werk bij den uitgever dezer aan. Ik ben er zeker van: hij zal daardoor geld verdienen. Want hij behoeft zich geen oude knol meer voor âeen die pas zijn doopceel kwijt isquot; in handen te laten stoppen. S.
Oordeel van de pers over:
Twentsch Zondagsblad, 29 Maart 1896.
Bij de Firma Erven B. van der Kamp te Groningen is verschenen: de tweede veel vermeerderde en herziene druk âDe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A. van Leeuwen, Rijksveearts te Leiderdorp, schrijver van een der drie bekroonde prijsvragen inzake, âde Handleiding voor Paardenfokkerij.quot; Het boekje is niet alleen opgeluisterd, maar vooral toegelicht en aanschouwelyk gemaakt door verschillende goed uitgevoerde platen en figuren. De prijs van het boekje is / 0.75.
De Post, 14 Maart 1896.
In beknopten stijl bevat het werkje: âDe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A, van Leeuwen, Kijksveearls te Leiderdorp, uitgave van de Erven B. van dkr Kamp te Groningen, nagenoeg alles wat er voor wetenswaardigs omtrent die ouderdomskenmerken valt mee te deelen. De schrijver heeft er blijkbaar naar gestreefd, om datgene, wat hij en door eigene ervaring èn door nauwgezette studie der degelijke werken van bekende autoriteiten wist te verzamelen, weer te geven in een vorm. «ie het iederen lezer mogelijk maakt het te begrijpen niet alleen, maar tevens om het licht te kunnen onthouden en de bijzonderheden gemakkelijk in zijn geheugen te kunnen terugroepen. De keurige afbeeldingen aer verschillende gebitten, welke
«an (lui IclijldieM niets fe wenschen overlaten, dragen niet weinig bij tot verhooginjr der waarde van dit werkje, hetwelk gerust door iedereen, die bij de paardenfokkerij geïnteresseerd is, geraailpleegd mag worden. De kennis der ouderdomskenmerken van het paard is bij het gros der paardenkenners, zelfs bij de meeste paarJebande-laren, nog van zuiver empirisüschen aard. â Om zich een eenigszins wetenschappelijk oordeel te kunnen vormen over die kenmerken, om zich zeiven rekenschap te kunnen geven van de verschijnselen en veranderingen, die inen hierbij bespeurt en om dus ten slotte zoo nauwkeurig mogelijk den ouderdom van een paard te kunnen onderkennen, bestudeere men nauwgezet een werkje als dit. Het kan er veel toe bijdragen, om deze in zijne praclisclie gevolgen zoo hoogst nuttige kennis te vermeerderen. Prov. Gron. Cour., 25 April 1896.
âDe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A. van Leeuwen, is een uitstekend boek, waarvan de 2e druk bij de Firma v. u. Kamp te Groningen het licht zag, en in ons nummer van heden wordt geadverteerd. Duidelijke en goed mlgeïoerde platen helderen op, wat in 't werkje wordt omschreven. Het is zoo volledig mogelijk, zoodat ieder die met paarden omgaat, eigenaar of ondergeschikte door dit helder en voor elk begrijpelijk geschreven boek, volkomen op de hoogte kan komen van den ouderdom van eeu paard. Wij kunnen het werkje ten zeerste aanbevelen. De Veldpost, 7 blaart 1896.
Voor paardenbouders. Bij de Ervüh B. van tier Kamp, te Groningen, is verschenen de tweede druk van: âDe ouderdomskenmerken van het paardquot;, door A. van Leeuwen, Rijksvee,ir(s te Leiderdorp. Opgehelderd door zeer duidelijke fiïuren, geeft het op eenvoudige wijze aan hoe de ouderdom van een paard zeer gemakkelijk is te bepalen Dat het werkje in eeu behoefte voorziet, blijkt uit het feit, dat thans een tweede druk verscheen. We raden alle paardenbouders en paar-denhandelaars aan zich genoemd werkje aan te schaffen.
IViescke Courant, 8 Maart 1896.
Van den Uitgever, Erven B. v. «. Kamp te Groningen,ontvingen we dit nuttige boekje ter kennisneming. Het is geschreven door den heer A. van Leeuwen, Kijksveearts te Leiderdorp. In weinige bladzijden wordt hier alles duidelijk en kort besproken, terwijl het besprokene met figuren in den tekst en 4 gekleurde platen duidelijk wordt opgehelderd.
Natuurlijk maken de kenmerken van het tandstelsel hier de hoofdzaak uit.
Telkens wordt ook op afwijkingen gewezen; in de eerste plaats op de afwijkingen door de natuur ontstaan en in de tweede plaats op de afwijkingen, die slechts een gevolg zijn van de handelingen der menschen. Allerhande middelen toch zijn er in gebruik, om een paard ouder of meestal jonger te doen schijnen dan het is.
Voor de paardenfokkers is het werkje van groot belang.
De schrijver heeft reeds vroeger, door de beantwoording van drie bekroonde prijsvragen in zaKe de paardenfokkerij, zijne sporen verdiend.
De Meerbode, 11 Maart 1890.
quot;Wij meenen de aandacht van onze lezers te moeten vestigen op de pas bij de Erven ü. v. d. Kamp van de pers gekomene brochure van den heer A. van Leeuwen, Kijksveearts te Leiderdorp; âDe ouderdomskenmerken bij het paardquot;. Voor landbouwers is dit werkje van het hoogste belang. Door 28 afbeeldingen van den bek van het dier op verschillenden leeftijd wordt duidelijk gemaakt, waarop men heeft te letten om den ouderdom vrij nauwkeurig te bepalen. Allen, die met den paardenhandel hebben uit te staan, bevelen wij het werkje ter lezing aan.
Leekster Blad, 14 Maart 1890.
Bij de Erven B. van per Kamp te Groningen verscheen de tweede, veel vermeerderde en herziene druk van âDe ouderdomskenmerken bij bet paard , met
afbeeldingen in den tekst en 4 gekleurde platen, door A. van Leeuwen, Rijks-veearts te Leiderdorp.
Pleit reeds het feit, dat daarvan een tweede druk verschenen is, voor de deugdelijkheid van dit boekje, de kennismaking ermee schonk ons de overtuiging dat het een bijzonder practisohe handleiding is voor alleo, die zich in den paardenhandel bewegen en voor wie, in de meeste gevallen, bij aankoop de juiste ouderdoms-bepaling, met het oog op de geschiktheid voor arbeid en de koopwaarde van het dier, van het hoogste gewicht is.
üe eenvoudige heldere wijze, waarop daarin het onderwerp wordt behandeld, in hooge mate verduidelijkt als dat tevens wordt door de sprekende, goed uitgevoerde afbeeldingen van monden op verschillenden leeftijd, maken het werkje, onzes inziens, in alle opzichten aanbeveleuswaard.
Middelburg fiche Courant, dd. 13 Maart 1896.
Wij ontvingen een werkje getiteld: âDe ouderdomskenmerken bij het paard'*, door A. van Leeuwen, Rijksveearts te Leiderdorp, schrijver van een der drie bekroonde prijsvragen inzake de âHandleiding voor paardenfokkerijquot;, samengesteld door wijlen Van der Weg.
't Is de tweede, veelvermeerderde en herziene druk, met figuren in den tekst en 4 gekleurde platen; uitgever Erven B. van der Kamp â Groningen, 't Ziet er keurig uit.
Een handleiding als deze, op dit gebied, is veel waard. De schrijver maakte hei werkje meer volledig, hij raadpleegde hetgeen door anderen over dit onderwerp werd opgemerkt en medegedeeld en toetste het aan eigen ervaring. Ãe beste bronnen stonden hem ten dienste.
Waar de ouderdom van het paard hoofdzakelijk wordt afgeleid uit den vorm en stand der tanden, is dat toch niet aan ieder bekend; men wordt vaak bedrogen, en daarom is het zoo nuttig daarover iets te lezen.
Met den schrijver hopen wij dat het werkje als vrucht van ernstige studie, een gunstig onthaal moge vinden. De Landman, dd. 17 Maart 1896.
Een handig boekje voor allen die in het geval komen paarden te moeien koopen is eene uitgave van de Erven B. van der Kamp te Groningen, getiteld: âDe «uderdomskenmerken bij het paard.quot;
De heer A. van Leeuwen, de bekwame Rijksveearts van Leiderdorp, heeft daarin op volledige en duidelijke wijze in woord en beeld den invloed op het gebit van het paard van periode tot periode weergegeven.
Wie dit boekje bestudeert en op zak heeft, zal niet licht, wat den leeftijd van een door hem te koopen paard betreft, het slachtoffer van bedriegerijen worden.
Utrechtsch Dagblad, 4- Maart 1890.
Bij de Erven van der Kamp, alhier, is verschenen de tweede druk van âDo ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A. van Leeuwen, Rijksveearts te Leiderdorp. Dat het werkje een tweeden druk beleefde, bewijst reeds, dat het veel gebruikt wordt. Verwonderen doet ons het niet. De tekst is bevattelijk, de figuren tusschen den tekst en de gekleurde op de vier platen, die het werkje versieren, spreken zoo duidelijk mogelijk. We vertrouwen, dat het boekske ook verder zijn weg wel zal vinden. Nieuwsblad' vjh. Noorden, 5 Maart 1S96.
Bij de Erven van der Kamp te Groningen is de tweede druk verschenen van een werkje dat voor paardenliefhebbers en paardenhandelaars van belang moet worden geacht. Het is getiteld; âDe ouderdomskenmerken van het paardquot;, deor den Rijksveearts te Leiderdorp A. van Leeuwen.
Het boekje is voorzien van figuren in den tekst en 4 gekleurde platen.
Haar tern's Dagblad, 5 Maart 1896.
Bij de Erven B. van der Kamp te Groningen is de tweede, vermeerderde druk verschenen van: âDe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door den Rijksveearts
A. van Leeuwen, schrijver van een der bekroonde prijsvragen inzake de handleiding voor paardenfokkerij.
De tekst wordt toegelicht door eenige figuren en gekleurde platen.
Arnh. Cour, 6 Maart 1S96.
Bij de Erven B. van der Kamp te Groningen verscheen dezer dagen de tweede druk van âüe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A. van Leeuwen, Rijksveearts te Leiderdorp.
Dit boekje heet te zijn een tweede, veel vermeerderde en herziene druk, maar zoo ooit het veel vermeerderd en herzien van toepassing geweest is, dan zeker hier. Zelden zag ik op dit gebied een zoo goed, zoo duidelijk bewerkt overzicht.
De platen zijn zeer mooi en geven, nu zij gekleurd zijn, den leek een veel heter denkbeeld van de ouderdomskennis. De afbeelding van de veulentand en van de paardensnijtand zijn zeer goed weergegeven even als de landen in den veulen-mond. In de figuren 8, 9, 10 en 11 is goed te zien welke paarden- en welke veulentanden zijn en iedere leek zal, als hij deze figuren een paar raaien met aandacht bekijkt, zich in den mond van het paard niet meer vergissen Hetzelfde is het geval met de figuren, voorstellende het niet meer en het nog wel aanwezig zijn der kroonholten. Ook de vormverandering op hoogeren leeftijd is zeer goed weergegeven. Voor het onderkennen van den leeftijd van af 10 jaar is ook melding gemaakt van de overlangsche donker gekleurde groeve in de hoektanden der bovenkaak. Zeer juist zegt de schrijver dat deze groeve niet altijd aanwezig is en âdit kenteeken dus tamelijk onbetrouwbaar isquot; (pag. 23).
De tekst is in een zeer duidelijke letter gedrukt en de beschrijving zoodanig, dat het zeer aangenaam leest, terwijl de omslag van stevig carton is.
Het boekje verdient alleszins aanbeveling en ieder eigenaar van paarden, jong of oud, behoort het in zijn bibliotheek te hebben, want bij den aankoop van jongere of oudere paarden kan het een practische leiddraad zijn. De prijs, 75 cents, is zeer zeker niet te hoog
De schrijver eindigt zijn voorwoord met te zeggen: âMoge dit werkje, als vrucht van ernstige studie, een gunstig onthaal vinden!quot; Dat het onthaal bij ieder die het in handen krijgt gunstig zal zijn durf ik den schrijver vooruit verzekeren, doch aan des schrijvers hoogst bescheiden hoop voeg ik deze toe: âMoge dit werkje, als een hoogst practische leiddraad, bij niemand ontbreken, die op eenigcrlei wijze ooit met paarden in aanraking komt. Qua dekker.
Hippos, 7 MaaH 1896.
Bij de Erven B. van der Kamp te Groningen is voor eenige dagen verschenen: âüe ouderdomskenmerken bij het paardquot;, door A. van Leeuwen, Rijksveearts tc Leiderdorp. Het werkje munt uit door duidelijken druk, maar wat meer zegt: door groote nauwkeurigheid in opgave van eigenschappen, om den ouderdom van het paard te kunnen constateeren, wat tot voor eenige jaren nog altijd groote moeielijkheden opleverde, vooral hij 't ouder worden. Zelden hebben we duidelijker afbeeldingen gezien van het gebit der paarden op verschillenden leeftijd (vooral eeu kenmerk des ouderdoms) als in dit boekje voorkomen. Voor paardenliefhebber», paardenhandelaars is de aankoop van deze uitgave zeer zeker aan te bevelen. lu paardenkennis is nog niemand uitgeleerd. De Esmsbode, 7 Maart 1896.
Een handig boekje voor allen die in het geval komen paarden te moeten koop en is eene uitgave van de Erven B. van der Kamp te Groningen getiteld âDe ouderdomskenmerken van het paard.quot;
De heer A. van Leeuwen, de bekwame Rijksveearts te Leiderdorp, heeft daarin op volledige en duidelijke wijze in woord en beeld den invloed van den leeftijd op htt gebit van het paard van periode tot periode weergegeven.
Wie dit boekje bestudeert en op zak heeft, zal niet licht, wat den leeftijd van een door hem te koopen paard betreft, het slachtoffer van bedriegerijen worden.
Het Nieuws, 7 Maart 1896.
Oordeel van de pers over :
HANDLEIDING voor PAARDENFOKKERIJ
ten dienste van den
Nederlandsclien Landbouwer-Paardenfokker,
samengesteld door C. D. VAN DER WEG, in leven lospecteur van het Paarden-Stamboek voor de 3 Noordelijke Provinciën, uit de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde ant,woorden van de heeren E. A. L. QUA DEKKER te Breda, A. VAN LEEUWEN te Leiderdorp en M. W. V. VAN BIJLEVELT te Rilland-Bath.
Qlet pl-m- 70 afbeeldingen in den tekst en 1 titelplaat)
quot;Wij heLben ter aankondiging een werk ontvangen, welks titel rcen slechts in zijn geheelen omvang behoelt te noemen om alle bespreking feitelijk overbodig te maken. Van slechts zeer enkele werken kan men «niks zeggen, n 1. van die, welke voor dat zij in 't licht verschijnen reeds eene geschiedenis en nog wel een belangrijk verleden achter den rug hebben. Sinds jaren werd de behoefte gevoeld aan een populair handboek voor paardenfokkerij. Wel hebben wij er, zooaU het veeartsenij kundig werk van Sipperlkn, dat reeds wat oud is, of het werk van den heer de Bruyn, dat zeer veel goeds bevat, maar dat het niet geven wat men wenscht biijkt hieruit, dat toen 't Genootschap van landbouw in Drente in 1SS8 het voorstel aan verschillende landbouwmaatschappijen deed om gezamenlijk eene prijsvraag ter verkrijging van een degelijk handboek uit te schrijven, een elftal groote of minder groote coq-oraties bijdragen daarvoor gaven, zoodat het geraamd bedrag van Æ 900 bijeenkwam, waarvan Æ 600 zou worden geschonken aan de schrijvers der best gekeurde antwoorden. Bovendien werd bepaald, dat wanneer de jury in geen der antwoorden volledige bevrediging vond, op haar advies, aan iemand zou kunnen wordeu opgedragen uit de best gekeurde antwoorden ée'n geheel te maken.
Dit laatste is gebeurd. Van de 12 ingekomen antwoorden werden aan drie ieder Æ 200 toegekend en aan den beer van der Weg opgedragen daaruit één geheel te mnken. Een en ander hebben wij ter gelegener tijd medegedeeld en de titel van het werk dat thans verschenen is geeft in 't kort die gehcele geschiedenis terug. Hij luidt als volgt:
âHandleiding voor paardenfokkerij, ten dienste van den Nederlandschen landbouwer-paardenfokker, sameng'-steld door C. D. van der Wto, in leven inspecteur van het paardenstamboek voor de 3 Noordelijke provinciën, uit de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde antwoorden van de heeren E. A. L. C^uadekker te Haarlem, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M. W. van Bfjlevelt te Rilland-Balh.'* Het werk, dat uitgegeven is bij do Erven van der Kamp te Groningen, is met 1 titelpiaat en een zeventigtal afbeeldingen in den tekst voorzien. Het kost Æ 1.25.
Wij herhalen thans: bet noemen van den titel maakt de bespreking overbodig. De namen der mannen, die medegewerkt hebben tot de samenstelling van dit werk en vooral ook de wijze waarop het is ontstaan, leggen de welsprekendste bewijzen of van de degelijkheid van dit handboek. Ter loops hebben wij het gelezen â 't is pas verschenen â en aan de verwachting welke wij er van koesterden beantwoordt het, naar het ons voorkwam, ten volle. Wij zullen er dan cok den geheelen inhoud niet van nagaan, maar alleen onzen lezers dit werk ter lezing ten sterkste aanbevelen. Dat het zijnen weg bij het publiek zal vinden is aan geeneu twijfel onderhevig.
Landbouw Kroniek van dc Nieuwe Gr on. Courant van 10 Sept. 1893,
JJe lang verleide âTlandlciJing voor paanlenfokkerij, door C. D. van der Weg enz.quot; heeft in h«t algemeen gesproken na lecture er van een gunstigen indruk bij ons achtergelaten. Tal van zeer wetenswaardige ziken voor den landbouwer-paardenfokker zijn in dit boekske van 140 bladz. vervat. Het beknopte heeft geen afbreuk gedaan aan de degelijkheid van het werk In de volgende atlevering zullen wij deze handleiding min of meer per hoofdstuk behandelen en die zaken aanwijzen, waarin wij in meening verschillen met den hooggeachten auteur, wijlen den heer C. D. tan der Weg. Het hoofdstuk âOpsomming der gebreken, welke een paard ongeschikt maken voor de voorttelingquot; heeft ons het minst goed voldaan.
Hippos 1S93, no. 12.
J)e loenmalige Heel acteur van Hippos, de heer A. W. lleidema, heeft noch in de op na. 12 van 1893 volgende aflevering noch daarna, ooit eene leoordeeling van dit werk gegeven. Waarom ?
âHandleiding voor paardenfokkerijquot; is de titel van een zeer practisch boek, uitgegeven door de Ekven li. van uer. Kamp, te Groningen eu samengesteld door den heer C. I). van der Weg, in leven Inspecteur van het Paardenstamboek voor de 3 noordelijke provinciën, naar aanleiding der drie bekroonde antwoorden, door de heeren E. A. L. Quauekkek te Breda, A. van Leeuwen tt Leiderdorp en W. W. V. van Bulevklt te RillandâBath.
De algemeene grondbeginselen waarop paardenfokkerij berust, bestaat uit een voornaam punt, namelijk: niet te mogen fokken dan met gezonde dieren, terwijl een jnis'e kennis van een goede voeding en doelmatige verpleging hoofdzaak zijn.
De uiterlijke vorm van een goed gebouwd paard; de beschrijving van paarden, bijzonder geschikt voor de voortteling; de opsomming der gebreken, die eeu paard ongeschikt maken voor die voortteling; de tijd van paring en verzorging van hengsten; verder de verzorging van het veulen en ten slotte de stalliug, htt voedsel en de verzorging van den hoef, dit alles geeft deze Handleiding voor Paardenfokkerij ten dienste van den Nederlandschen landbouwer, in duidelijke woorden, in een klein bestek, zonder te schermen met technische termen en daarenboven alles nog verduidelijkt door goed uitgevoerde afbeeldingen.
De prijs van Æ 125 zal o. i. geen beletsel zijn, dat vele landbouwers-paardenfokkers zich dit werkje zullen aanschaffen.
Jieoordeeling van de Ned. Sport.
We maakten dezer dagen kennis met een werk, uitgegeven bij de Erven B. van der Kamp, alhier, onder den titel âHandboek voor paardenfokkerij.quot; Het is samengesteld door wijlen den heerC. I). van der Weg, in leven inspecteur van het Paardenstamboek voor de drie noordelijke provinciën uit drie bekroonde antwoorden op eene prijsvraag, respectievelijk van de h.h. E. A. L. Qaudekker te Breda, A. van Leeuwen, te Leiderdorp en M. W. V. van Bijlevelt te Rilland-Bath.
Zonder ons in 't minst uit te willen geven voor deskundige op 't gebied der paardenfokkerij, moeneu we toch te mogen verklaren, dat er uit boek voor liefhebbers vau het edele paard vrij wat te leeren valt. In een lOtal hoofdstukken wordt alles, wat een paardenfokker uoodig heeft te weten, helder en duidelijk medegedeeld. Een TOtal afbeeldingen tusscheu den tekst verhoogen de waarde van het werk, dat er zeer goed uitziet.
Hieumllad van het Noorden, 10 Sept. '93.
De voorlang aangekondigde handleiding voor de paardenfokkerij is verschenen.
Zooals onze lezers zich zullen herinneren, is deze samengesteld door nu wijlen onzen verdienstelijken Inspecteur van het Paardenstamboek c. D. van der ^eo, uit de drie bekroonde antwoorden der uitgeschreven prijsvraag.
Ueeds deze wijze van samenstelling waarborgt wat goeds, aan welke verwachting het boekje, dat door figuren en afbeeldingen is toegelicht, volkomen beantwoordt.
'tis een werfje dat ieder fokker niet alleen moet lezen, maar naast zich moet liebben, teneinde het bij herhaling te kunnen raadplegen.
Ue verschillende onderdeden der fokkerij worden in 10 hoofdstukken behandeld, als:
1. De algemeene grondregelen waarop paardenfokkerij berust, enz. enz.
Deze handleiding kost Æ 1 25, doch is voor Leden onzer Vereeniging, ook voor Leden van Landbouw-Maatschappijen, echter voor f 0 80, f 0.90 fr. p. post verkrijgbaar bij de uitgevers, blijkens achterstaande advertentie.
Voor eene zeer geringe opoffering kan men zich dus een werkje aanschaffen dat â voor ieder fokker zeer vele practische en nuttige wenken bevat.
Mogen er zeer velen van deze gelegenheid gebruik maken.
Meer doelmatige paardenfokkerij zal daardoor zeker worden bevorderd.
(Mededee ling en en Berichten der Friesche Maatschappij van landbouw 9 15 September 1893).
Voor eenige jaren werd door het âGenootschap ter bevordering van den landbouw in Drente'' het initiatief genomen tot het uitschrijven van een prijsvraag ter verkrijging van een handboek ten dienste van de paardenfokkerij in Nederland. Aan verschillende vereenigingen ter bevordering van landbouw, veeteelt en paardenfokkerij werd namelijk doDr genoemd Genootschap een circulaire gezonden, waarin de wenschelijkheid van de uitvoering van bovenstaand denkbeeld werd betoogd.
De verschillende vereenigingen, die sympathie met deze circulaire betuigd hadden, zonden in 1889 hare afgevaardigden naar Utrecht, waar besloten werd Æ 600 voer een prijsvraag beschikbaar te stellen, met dien verstande, dat de jury dit bedrag over de drie beste antwoorden mocht verdeelen.
Twaalf antwoorden kwamen er in. Drie daarvan, en wel die der heeren E. A. L. Quadekkeu te Breda, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M. W. V. van Bijlevelt te Rilland Bath, werden eene bekroning, elk van Æ 200, waardig gekeurd. Geen dier antwoorden voldeed echter aan alle eischcn en daarom werd besloten aan het jurylid C. i). van der Weg, inspecteur van het paardenstamboek te Dongjum, op te dragen uit het drietal één geheel te maken, ouder nadere goedkeuring van en vaststelling door de geheele jury.
Het resultaat dier omwerking heeft thans het licht gezien. Jammer genoeg heeft de heer Van der Weg dit tijdstip niet mogen beleven, want voordat zijne handleiding van de pers kwam, werd hij door den dood aan zijne nuttige werkzaamheid ontrukt.
De beteekenis eener doeltreffende fokkerij van paarden behoeft zeker niet te worden uiteengezet. En dat op dit gebied door onkunde nog maar al te veel .gezoniligd wordt, is evenzeer boven twijfel verheven. Daarom begroeten wij üe verschijning dezer handleiding met groote ingenomenheid. De prijs, voor ledeu van landbouwmaatschappijen en maatschappijen ter bevordering van de paardenfokkerij 0 80 en voor particulieren Æ 1.25), brengt haar onder ieders bereik.
De landbouwers zullen daarin tal van behartigenswaardige wenken vinden omtrent de vereischten, waaraan een goed paard moet voldoen, omtrent de voortteling, lt;le stalling, het voedsel, het hoefbeslag enz. Terecht wordt in het boekje gezegd: de paardenteelt behoort meer en meer een rijke nevenbron van bestaan te worden loor den landbouwer-paardenfokker.
Be Telegraaf van 17 Sept. '93.
Een Handleiding voor paardenfokkerij, die door de deugdelijke wijze waarop hare samenstelling is voorbereid, met recht als een vertrouwbare gids voor den Neder-landschen paardenfokker mag worden beschouwd, is onlangs uitgegeven door de Erven B. van der Kamp te Groningen. Het initiatief daartoe werd genomen door het hoofdbestuur van het Genootschap ter bevordering van den landbouw in Drente, dat in December 1888 aan de Nederlandsche maatschappijen en vereenigingen ter bevordering van landbouw, veeteelt eu paardenfokkerij uitnoodigde tot samenwerking
ofn een prijsvraag uit te schrijven ter verkrijging van een populair handboek voor paardenfokkerij.
Dit denkbeeld vond sympathie bij een elftal vereenigingen en uit de bijdragen *an dezen en van eenige belangstellende particulieren, de hoeren J. B. Sciioltkm te Groningen, Jhr. mr. C. van Eysinga te Leeuwarden en Jhr. mr. L. van dkii 13erch van Heemstede te Doornj zijn de voor het uitschrijven van eene prijsvraag benoodigde gelden bijeengebracht. Van de 12 ingekomen antwoorden werden drie, die van de heeren B. A. L. Quadekker, militair paardenarts te Breda, A. van liEiuwEN, rijksveearts te Leiderdorp en AL NV. V. van Bulkvet/t te Rilland-Bath, door de juiy bekroond; de uitgeloofde prijs van Æ 600 werd tusschen de schrijvers gelijkelijk verdeeld. Ãe jury maakte daarop gebruik van de bevoegdheid, die zij zich voorbehouden had en droeg aan een deskundige, den heer C. i). van der Weg, inspecteur van het Paardenstamboek te üongjura, prov. Friesland, op, uit deze drie antwoorden één geheel te maken, onder nadere goedkeuring vau en vaststelling door de geheele jury.
Het resultaat van die omwerking is deze handleiding, in een 140tal bladzijden voorzien van omstreeks 70 afbeeldingen in den tekst.
De prijs kan geen beletsel zijn om deze handleiding ingang te doen vinden. Voor particulieren is die Æ1.25, voor leden van landbouwmaatschappijen en vereenigingen, die de bevordering van de paardenfokkerij voorstaan, / 0.80. Wij vestigen gaarne de aandacht op dit werkje, ons aansluitende bij de commissie van uitvoering, waar zij de hoop uitspreekt, dat haar arbeid, waarvan deze handleiding de vrucht is, moge bijdjragin tot verheffing van onze nationale paardenfokkerij.
Utree hls ch Dagblad, 22 Sepl. '93.
Bij de Erven B. van der Kamp te Groningen is verschenen eene: Handleiding voor de Paardenfokkerij ten dienste van den Ned. Landbouwer-Paardenfokker.
Dit boek, met een zeventigtal afbeeldingen toegelicht, is samengesteld door nu wijlen den inspecteur van het Paardenstamboek voor de drie Noordelijke Provinciën, met gebruikmaking van de bij eene prijsvraag bekroonde antwoorden der heereu E. A. L. Quadekker te Breda, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M. W. V. van Bijlevelt te Rilland-Bath
Deze welverzorgde uitgave kan dus zeker als een vertrouwbare handleiding onder de aandacht van vakmannen en paardenliefhebbers worden gebracht.
Algem, Handelsblad, 26 Sept. '93.
Verder ontvingen we ter beoordeeling : Handleiding voor de paardenfokkerij ten dienste van den Nederlandschen landbouwer-paarden fokker. Dit werk is samengesteld door nu wijlen den heer C. I). van der Weg, in leven inspecteur van het paardenstamboek voor de 3 noordelijke provinciën, uit drie bekroonde antwoorden op eene prijsvraag. Deze drie bekroonde antwoorden waren van de heeren E A. L. Quadekker te Breda, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M W. V. Bijll-velt te Rilland-Bath.
Het werk bevat, behalve de titelplaat, nog 70 afbeeldingen in den tekst, ij üitgegeven bij de Erven B. van der Kamp te Groningen en verkrijgbaar voor den prijs van Æ 1.25 voor particulieren ; voor le.len van landbouw-maatschappijen en vereenigingen, de bevordering der paardenfokkerij voorstaande, zal het werk gedurende drie jaren na de uitgave (1893) op aanvrage der penningmeesters dier maatschappijen en vereenigingen verkrijgbaar zijn voor f O.SO.
In 10 hoofdstukken worden de onderdeden der fokkerij behandeld.
De wijze van samenstelling waarborgt reeds ds degelijkheid van den inhoud. Nu de verbetering van onze paardenrassen zulk een hoogc vlucht neemt, heeft een handleiding, die tot richtsnoer kan dienen, zeer zeker alleszins recht van bestaan. Vooral eene handleiding als de onderhavige voorziet in een lang gevoelde behoefte. Wij maken ons sterk, dat de resultaten in de toekomst, die verkregen zullen worden door eene oordeelkundige raadpleging van dit werk, onze verwachtingen niet zullen beschamen. We hopen, dat het werk door iedereu landbouwer-paardenfokker
ter lezing zal worden genomen cn twijfelen niet of luteal hem ter leering strekken en hem brengen tot het doel, eene blijvende verbetering tot stand te brengen van onze paardenrassen. VENUS.
Nieuwe Landlouwcoiirant van 30 Sept. 1893.
Wij verzuimden reeds eenigen tijd melding te maken van een bij de Erven B. van der Kamp alhier verschenen: âHandleiding voor de paardenfokkerijquot;. Het genootschap ter bevordering van den landbouw in Drente noodigde in 18S8 de Nederlandsche maatschappijen en vereenigingen ter bevordering van landbouw, veeteelt en paardenfokkerij tot samenwerking uit om een prijsvraag uit te schrijven ter verkrijging van een populair handboek voor de paardenfokkerij. â Uit de bijdragen van een elftal dezer vereenigingen en van een aantal particulieren zijn de voor de prijsvraag benoodigde gelden verkregen. â Van de 12 ingekomen antwoorden werden drie, die van de heeren E. a. L (^uauekker, militair paardenarts te Breda, a. van Leeuwen, rijksveearts te Leiderdorp en M. W. V.van Biji.evei.t te Rilland-Bath door de jury bekroond. De jury droeg aan den heer C D. van der Weg, inspecteur van het paardenstamboek, te Dongjum, op, uit deze drie antwoorden een geheel te maken. â Het thans verschenen werkje is het resultaat van die omwerking. In dit werk, dal van vele afbeeldingen voorzien is, worden achtereenvolgens behandeld; Hoofdstuk I. De algemeene grondregelen waarop paardenfokkerij berust II. Uiterlijke vorm van een goed gebouwd paard. III. Beschrijving van paarden bijzonder geschikt voor de voortteling met mededeeling waar en op welke wijze kruising wenschelijk is. IV. Opsomming van gebreken, welke een paard ongeschikt maken voor de voortteling. V. Tijd van paring eu verzorging van hengsten. VI. Verzorging van veulendragende merriën. VH. Geboorte van en eerste zorg voor veulen en moeder. VHI. Behandeling van het veulen gedurende den eersten tijd. IX. Verdere opvoeding en africhting van het veulen. X. Stalling, voedsel en hoefbeslag.
Wij gelooven een werk dat op de boven geschetste wijze tot stand is gekomen, met gerustheid te durven aanbevelen als een vertrouwbaren gids voor iederen paardenfokker. De prijs is niet hoog, n.1. Æ 1.25, en voor leden van landbouwmaat-schappijen en van vereenigingen voor paardenfokkerij slechts f 0.80.
Vrov. Gron. Ct. d.d. 9 Oct. '93.
Met zeer veel genoegen maakten wij met het in de afgeloopen maand verschenen werkje kennis, getiteld : âHandleiding voor Paardenfokkerij ten dienste van den landbouwer-paardenfokker, samengesteld door C. 1). van der Weg, in leven inspecteur van het paardenstamboek voor de drie noordelijke provinciën, uit de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde antwoorden van de h h. E. A. L. Qua-dekker te Breda, A. van Leeuwen te Leiderdorp en M. W. V. van Bijlevelt te Rilland-Bath, met 70 afbeeldingen in den tekst, uitgave van de Erven B. van ter Kamp te Groningenquot;.
Dat er een groote behoefte bestond aan een dergelijk niet te omvangrijk werk, dat voor weinig geld verkrijgbaar kon worden gesteld, hebben de verschillende Nederlandsche Landbouw-Maatschappijen en Vereenigingen, die de prijsvraag uitschreven, zeer goed begrepen.
Eene beredeneerde, populaire handleiding voor paardenfokkerij ten dienste van den Nederlandschen landbouwer bestond er in onze taal niet, en wij kunnen niet anders dan de bedoelde Mijen. gelukwenschen met het resultaat door hen verkregen.
Hadden wij ook in enkele hoofdstukken nog gaarne iets meer verlangd, bijv. in hoofdst. XI, omtrent de africhting en dressuur, wij kunnen niet anders getuigen dan dht het werkje ons uitstekt nd bevallen is. Wij houden ons overtuigd dat het, voorziende in een ware behoefte, vele lezers zal vinden en spoedig een onmisbare handleiding zal blijken te zijn in de boekerij van iederen Nederlandschen Landbouwer-Paardenfokker.
Maandblad van de Veteenigivg van Oi'd-Leerlingfn der Rijks!andhotncschool, tevens orgaan, gewijd aan de belangen van den Landbouw, Oct '93.
De paardenfokkerij is in ons land in waarheid een nationaal belang bij intne-mendheid. Heeds in vroege tijden droegen de paardenfokkerij en de paardenhandel veel bij tot de welvaart \an ons land, en reeds in oude tijden â met zekerheid reeds in de 16e eeuw â bestond er een belangrijke uitvoer van gaarden naar het buitenland.
Helaas was men gewoonlijk te zeer op oogeublikkelijk tastbaar voordeel gesteld cn verloor men uit het oog, dat ook waarlijk goede paarden behouden moesten blijven, om voortdurend verzekerd te zijn van het bezit van het inheemache paardenras, dat reeds gedurende lange tijden cene zoo j^roote mate van vermaardheid had verworven. Engeland's voorbeeld was toch navolgenswaard; immers in dat land stelde men steeds het behoud der goede paarden op den voorgrond, en trachtte men zich altijd van de minder goede te ontdoen. Nog heden ten da^e worden aldaar â tenzij zeer hooge prijzen kunnen worden bedongen â de tweede kbsse paarden goed genoeg voor het Vasteland geacht. Hier te lande was men echter gewoon de goede paarden te verkoopen en behield men de minder goede. Onder tal van invloeden en oorzaken is dit wel de hoofdoorzaak geweest, waardoor het Nederlandsche paard is achteruit gegaan..
Eene andere oorzaak van den achteruitgang onzer paardenfokkerij is daarin gelegen, dat vele fokkers niet schijnen te begrijpen, â of te zuinig zijn om zulks te willen begrijpen â dat voor de fokkerij diereu noodig zijn, door en door gezond^ en zonder gebreken.
Door minder goede dieren te behouden, wordt ons paardenras in discrediet gebracht bij den buitenlander.
Het tijdelijke voordeel, door den fokker behaald bij een spoedigen verkoop van een daarvan verkregen veulen, weegt nimmer op tegen de schade, daarbij op den duur 23« de fokkerij toegebracht.
Wij verheugen ons te kunnen constateeren, dat thans door paiticulier initiatief reeds veel moeite wordt gedaan onze paardenfokkerij weder op te heffen uit den cenigszins vervallen staat.
Reeds werden door particulieren en tal van Vereenigingen uitstekende buiten-landsche hengsten ingevoerd. Ook onze provincie telt hiervan de voorbeelden. Aan deze pogingen tot veredeling van het ras werd een krachtige steun geschonken door de geldelijke bijdragen, die door den Staat, door de Provincie cn door enkele maatschappijen werden geschonken.
Maar welke pogingen ook worden in het werk gesteld, zij zouden ijdel blijken,, indien niet van ervaren zijde goede voorlichting werd geschonken aan de vele landbouwers, die zich met de fokkerij ophouden, en de daartoe vereischte oudervinding missen.
In een nieuw uitgekomen Duitsch geschrift leest men o. m. :
In de natuur is het paard afhankelijk van den bodem, van het klimaat, van het voeder en van het water. Bij de fokkerij komt daarbij ook het verstand van den mensch, niet alleen met betrekking tot deze factoren, maar ook tot de hygiënische opvoeding van het veulen, en tot het verband, dat gebracht dient te worden tus-schen beweging en voeding. Door eene goede keuze kan de mensch met betrekking tot dit alles de verbetering van het ras in hooge mate bespoedigen. Toch is men nooit zeker van den goeden uitslag, want dagelijks moet men zich zeiven bekennen,, weder eene illusie armer, en eene ervaring rijker te zijn: de paardenfokkerij beslaat uit een aaneenschakeling van angstige verwachting en bedrogen hoop. Geen wonder dan ook, dat vele practische paardenfokkers uitzien naar betere regelen der paardenfokkerij, en, door ervaring geleerd, die reeds in beoefening weten te brengen f geen wonder ook, dat landbouwrnaatschappijen en andere vereenigingen zoowel als bijzondere personen, er zich op toeleggen de wijze van fokken te verbeteren door doeltreffende, op ervaring gegronde regelen te verbreiden, opdat de fokkerij meer cn meer worde wat zij kan cn zijn moet, eene rijke nevenbron van bestaan voor de landbouwcr-j)aardenfokker.
Aan die zucht om nuttig en werkzaam te zijn aan de maatschappelijke welvaart
van vele», is het ontstaan te nanlceu van een boek, waaraan de laatste regels zijn ontleend. Het is de âHandleiding voor paardenfokkerij, ten dienste van den Nederlandschen landbouwer-paardenfokkerquot;, samengesteld door C. 1). van der Weg, in leven inspecteur van het paardenstamboek voor de 3 noordelijke provinciën. (Groningen, Ervem B. van der Kamp, 1893.)
Op initiatief van het hoofdbestuur van het genootschap ter bevordering van den landbouw in Drenthe werd door verschillende Nederlandsche maatschappijen ter bevordering van landbouw, veeteelt en paardenfokkerij, waaronder ook het genootschap voor landbouw en kruidkunde te Utrecht, een prijsvraag uitgeschreven, met het doel te verkrijgen een âbevredigende, populaire handleiding voor paardenfokkerij, ten dienste van den Nederlandschen landbouw, met een uittreksel daaruit.quot;
Door de jury werden drie van de twaalf ingekomen antwoorden bekroond, en wel die van de heeren E. A. L. Quauekker, militair paardenarts te Breda; A. van Leeuwen, Kijks-veearts te Leiderdorp en AJ. \V. V. van Bijlevei.t te Killand-Bath.
Ingevolge het programma der prijsvraag werd besloten aan den heer C. D. van der Weg op te drageu uit die drie antwoorden een geheel te maken.
Het thans versohenen boek is het resultaat van die omwerking. Behalve de algemeene grondregelen waarop de paardenfokkerij berust, geeft bet in populairen vorm beschouwingen over alles, wal van dienst kan zijn voor den practischen fokker.
Nader den inhoud te bespreken, achten wij overbodig; we sluiten ons aan bij het gezegde van een bekend auteur, die, toen hem gezegd werd: Ik las uwe boekbespreking met veel genoegen, maar ik kan er niet in vinden, wat het eigenlijk te lezen geeft, antwoordde: âIk heb in mijne bespreking slechts het genoegen geschilderd, dat ik bij het lezen van het boekwerk smaakte, teneinde ook bij u den lust te prikkelen, u hetzelfde genot te verschaffen. Alleen van boeken, die ik niet lezenswaard acht, geef ik den inhoud prijs.quot;
Het hier genoemde boek behoort te worden geraadpleegd door allen, die zich met de paardenfokkerij bezig houden.
TJtrechtsche Courant, d d. 16 October 1S93.
Handleiding voor de Paardenfokkerij, ten dienste van den Nederlandschen Land-houwer-Paardenfokker, samengesteld door C D. van der Weg, in leven Inspecteur van het Paardenstamboek voor de 3 Noordelijke Provinciën uit de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde antwoorden van de h.h. Quadekker, Van Leeuwen en Van Bijlevelt. Uitgevers: Erven B. van der Kamp te Groningen Prijs f 1.25.
Deze handleiding voor paardenfokkerij voorziet zeer zeker in eene reeds lang bestaande behoefte. Vooral met het oog op den kwijnenden toestand, waarin genoemd onderdeel van onzen landbouw jaren heeft verkeerd, âhoewel in de laatste jaren merkbare vooruitgang is te bespeuren,quot; is dit werk voor den landbouwer in 't algemeen, doch in 't bijzonder voor den paardenfokker van onsebatbare waarde. De eerste vereischten aangaande de paardenfokkerij, die noodwendig ieder goed fokker dient te weten, worden hier geleidelijk, hoewel beknopt, doch duidelijk en alzoo op eene voor iedereen zeer begrijpelijke wijze, vooral door de noodige teeke-ningen, uiteengezet. Ik twijfel dan ook niet, of dit werk zal door heeren paardenfokkers en -houders met vreugde worden begroet en zal dientengevolge onze nationale paardenfokkerij zeer ten goede komen.
Handels- en Landbouw- Courant van 1G Sept. '91.
met j^aai uoorafcffincjcit vatt
Harddraverijen en Rennen.
cPtocvcn op aav-ivtage te Ge-fiomen.
miM B. 1M DIE KAMP,
â¢T- -T- -T- -T- â¢T* -T* -?* *T* quot;T*
^Vooz 3(atdSiavczijcn cn fevczt
Stoniitcjen.
itr^ * Lquot; -sL- gt;â !- *vLquot; «vl* â¢vl^* â¢â !gt;â -1 - kI-*
â