ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

KLEIN HISTORISCH

GELOOFSWONDER WIJS

DOOR

(JIAÜDIUS FLEUBY.

HERZIENE UITGAVE MET BISSCHOPPELIJKE GOEDKEURING.

ROTTERDAM.

RICHARD REISBK.RMAN, FIRMA TI. T. HKNDRTKSEN. 103-7,

lLlo

ocr page 4

GOEDKEURING.

Dit klein historisch geloofs-ondervïijs door Claudius Tleury is in onze kerk te gunstig bekend, dun dat liet noodig geacht zou kunnen worden iets tot aanbeveling er van te zeggen.

Het is derhalve ons verlangen, dat onze onderhoorige geestelijken hij het onderwijs in de christelijke leer zich van deze door ons goedgekeurde uitgave zullen bedienen.

f GERARDUS GUL,

aartsbisschop ran Utrecht.

UTRECHT, I Augustus 1897.

f CA.SPARUS JOHANNES RINKEL ,

bisschop van Haarlem.

HAARLEM, 3 Augustus 1897.

f N1COLAUS BARTHOLOMEUS PETRUS SPIT, bisschop ran Deventer.

ROTTERDAM, 4 Aiujustus |S97.

ocr page 5

EEESTE LES.

De schepping.

ï. Vr. Wie heeft de wereld geschapen?

Autw. God heeft de wereld geschapen.

2. Vr. Wat wil het zeggen, dat God de wereld geschapen heeft?

Antw. God heeft de wereld geschapen; dat wil zeggen: Hij heeft ze uit niet voortgebracht.

3. Vr. Hoe heeft God ze geschapen?

Antw. God heeft ze geschapen door zijn

woord.

4. Vr. Welke zijn de voornaamste schepselen, die God geschapen heeft?

Antw. De voornaamste schepselen, die God geschapen heeft, zijn deengelen en de menschen.

5. Vr. Waarvan heeft God den eersten mensch gemaakt?

Antw. Het lichaam van den eersten mensch heeft God gemaakt van aarde.

6. Vr. Waarvan heeft God de ziel gemaakt ?

Antw. Do ziel heeft God gemaakt uit niet.

ocr page 6

7. Vr. Waarvan is do eerste vrouw gemaakt 'i Antw. Het lichaam van do eerste vrouw

hoeft God gemaakt van eene ribbe des mans; maar de ziel heeft Hij gemaakt uit niet.

8. Vr. Hoe heette do eerste man?

Autw. Do eerste man heette Adam.

9. Vr. Eu hoe heette de eerste vrouw? Autw. De eerste vrouw heette Eva.

10. Vr. Waar woonden zij?

Antw. Adam en Eva \Voonden in het aardsche paradijs.

11. Vr. Wat was het aardsche paradijs? Antw. Het aardsche paradijs was een ovor-

schoon lusthof, waarin Grod boomen van allerlei soort geplant had.

12. Vr. In welken staat leefden zij daar? Antw. Daar leefden zij in eeu gelukkigen

staat.

13. Vr. Mot welk doel heeft God den inensch gemaakt?

Antw. God heeft den mensch gemaakt niet het doel om hem in alle eeuwigheid zalig te maken.

ocr page 7

5

TWKEJJE LES.

De goede en de ktcade engelen.

1. Vr. Wat zijn engelen?

Antw. Engelen zijn geesten, bestemd om zonder lichaam te leven.

2. Vr. Waar heeft God de engelen geplaatst? Antw. God heeft de engelen geplaatst in

den hemel.

3. Vr. Tot welk doel heeft God de engelen geschapen ?

Antw. God heeft de engelen geschapen om Hem in den hemel te dienen en te verheerlijken en daardoor eeuwig gelukkig te wezen.

4. Vr. Zijn alle engelen heilig gebleven ? Antw. Neen; niet alle engelen zijn heilig

gebleven.

5. Vr. Hoe noemt men de engelen, die niet heilig gebleven zijn?

Antw. De engelen, die niet heilig gebleven zijn, noemt men booze geesten of duivelen, •i. Vr. Wat zijn dus duivelen?

Antw. Duivelen zijn engelen, die weder-spannig tegen God geweest zijn.

7. Vr. Waartoe heeft God hen veroordeeld ? Antw. God heeft hen veroordeeld tot de straf der hel.

ocr page 8

6

8. Vr. Wat doou ous de duiveleu hier op aarde ?

Antw. De duiveleu zoekeu ous tot liet kwaad te verleideu eu tegeu God te doeu zoudigeu.

DERDE LES.

De zonde van de eerste menschen.

1. Vr. Zijn Adam en Eva ook door de duivelen bekoord?

Antw. Ja; de duivel Leeft Eva bekoord om van de verboden vrucht te eten.

2. Vr. Hoe vertoonde zich de duivel aan haar? Antw. De duivel vertoonde zich aan haar in

de gedaante eener slang.

3. Vr. Wat deed Eva daarna?

Autw. Eva verleidde haren man om ook van de verboden vrucht te eten.

4. Vr. Wat deed God?

Autw. God vervloekte de slang.

5. Vr. Hoe strafte God Adam en Eva? Autw. God dreef Adam en Eva tot hunne

straf uit het aardsche paradijs.

ü. Vr. Wat beloofde God hun?

Autw. God beloofde hun, dat er een Zalig-

ocr page 9

7

maker der menscheu zon komen, die de macht des duivels zou vernietigen.

7. Vr. In welken toestand bevond zich de meusch na zijne zoude?

Antw. De mensch bevond zich na zijne zonde in een zeer ellendigen toestand naar ziel eu lichaam.

8. Vr. In welke ellende is hij vervallen naar het lichaam?

Antw. Naar het lichaam is hij vervallen tot allerlei ellenden, ziekten en tot de noodzakelijkheid van te sterven.

9. Vr. In welke ellende is hij vervallen uaar de ziel ?

Antw. Naar de ziel is hij vervallen tot de onwetendheid eu de begeerlijkheid.

VIERDE LES.

Der gevolgen van de zonde.

1. Vr. Wanneer zijn de kinderen van Adam eu Eva geboren ?

Antw. De kindereu vau Adam en Eva ziju geboren na hunne zonde.

ocr page 10

8

2. Vr. lb liuuuu zoude ook op liiumc kiu-deren overgegaan ?

Antw. Ja; huune zoude is overgegaan op hunne kinderen eu op alle meuscliei).

o. Vr. Worden dau alle meuschen met die zoude geboreu ?

Antw. Ja; alle inenscheu worden met de zonde vau Adam en Eva geboren.

4. Vr. Hoe wordt die zonde genoemd?

Antw. Die zoude wordt de erfzonde genoemd.

5. Vr. Wie waren de eerste kindereu vau Adam eu Eva?

Antw. De eerste kinderen van Adam en Eva waren Kaïn eu Abel.

(i. Vr. Wat heeft Kaïn gedaan?

Autw. Kaïn heeft zijn broeder Abel vermoord.

7. Vr. Waarom vermoordde Kaïn hem ?

Antw. Kaïn vermoordde hem, omdat hij de deugd vau Abel benijdde.

8 Vr. Hoe gedroegen ziuh de andere nakomelingen vau Adam eu Eva?

Autw. De meeste nakomelingen vau Adam en Eva waren ondeugende meuschen.

9. Vr. Was er niet één mensch meer, die aaugeuaam was aan God ?

Autw. Er was geen mensch meer, die aaugeuaam was aan God, dan Noë alleen.

ocr page 11

9

10. Vr. Wat deed God om de meuscheu te straffen ?

Autw. Om de menschen te straffen zond God een watervloed, die de zondvloed genoemd wordt.

11. Vr. Wat was die watervloed?

Autw. Die watervloed was eene groote over-strooming, waardoor zelfs de bergen onder water gezet werden.

12. Vr. Wat is er geworden van de menschen ?

Antw. De menschen verdronken bijna allen.

13. Vr. Waar bleven de beesten ?

Antw. De beesten verdronken insgelijks.

14. Vr. Waar bleef Noë ?

Antw. God bewaarde Noë in de ark.

15. Vr. Wat was de ark van Noë?

Autw. De ark vau Noë was eeu groot langwerpig schip. voorzien van eeu dak.

16. Vr. Is niemand dan Noë daarin behouden gebleven?

Autw. Ook het huisgezin van Noë is daarin behouden gebleven.

17. Vr. En wat nog meer?

Antw. Ook nog eeu paar vau elk soort van beesten, die niet in het water kouden leven.

ocr page 12

10

VIJFDE LES.

Abraham en de aartsvaders.

1. Vr. Hoeveel zonen had Noë?

Autw. Noë had drie zonen: Sem, Cham eu Jafet, van wie alle menschon na den zondvloed afstammen.

2. Vr. Leidden de menschen na den zondvloed een deugdzaam leven?

Antw. Neen; na den zondvloed vervielen bijna alle menschen tot afgoderij.

3. Vr. Wat deed God om den waren godsdienst te behouden?

Autw. Om den waren godsdienst te behouden verkoos God zich een volk, dat Hem zou kenuen eu dienen.

4. Vr. Welk volk was dat?

Antw. Dat volk was het volk van Israël of het Joodsclie volk.

5. Vr. Wie was de stamvader vau dat volk ? Antw. De stamvader van dat volk was

Abraham.

6. Vr. Wat gebood God aan Abraham? Antw. God gebood aan Abraham, dat hij

zijue bloedverwanten eu ziju vaderland verlaten zou en gaan wonen in het land Kauaau.

ocr page 13

11

7. Vr. Wat beloofde God aau Abraham? Autw. Grod beloofde aau Abraham, dat hij

de vader vau een groot volk zou wordeu.

8. Vr. Wat nog meer?

Antvv. Ook nog dat Hij aan hem en zijne nakomelingen liet land Kanaiin zou geven.

9. Vr. Wat was liet voornaamste, dat God hem beloofde?

Antw. Het voornaamste, dat God hem beloofde, was, dat de Zaligmaker der wereld uit de nakomelingen van Abraham zou voortkomen.

10. Vr. Wie was de zoon van Abraham? Autw. De zoon van Abraham was Isaiik.

11. Vr. Wat gebood God aan Abraham aangaande zijn zoon Isaiik?

Autw. God gebood aau Abraham, dat hij dieu zoon teu offer zou slachten.

12. Vr. Waarom gebood God hem dit? Antw. Dit gebood God aan Abraham om zijn

geloof te beproeven.

13. Vr. Wie was de zoon van Isaiik?

Antw. De zoon van Isaiik was Jakob.

14. Vr. Had Jakob nog eeu anderen naam? Antw. Jakob is ook Israël genoemd geweest.

15. Vr. Hoeveel zonen.heeft Jakob gehad? Antw. Juk# heeft twaalf zouen gehad.

ocr page 14

12

Iti. Vr. Hoe uoemt iiiuu zc?

Autw. Men uocuil zc aartsvaders.

ZESDE LES.

Dc slavernij in Eyypte. Het paaschlum.

1. Vr. Wie was Jozef?

Autvv. Jozef was een der twaalf zoueu vau J akob.

2. Vr. Wat is er met Jozef geschied?

Autw. Jozefs broeders hebben hem uit uijd

verkocht: bij is langen tijd een slaaf in Egypte geweest en daarna onderkoning van Egypte geworden.

3. Vr. Wat deed Jozef aan zijne broeders, als hij zoo machtig geworden was?

Autw. Jozef vergaf zijnen broeders limine misdaad, en deed hen mot hun geheele huisgezin naar Egypte komen.

4. Vr. Wat geschiedde er aan de kinderen van Israël in Egypte?

Antw. De kinderen van Israël zijn in Egypte een groot volk geworden.

5. Vr. Wat deed hun de koning van Egypte?

ocr page 15

13

Antw. De koning' vau Egypte behtiudelde heu als slavou.

(5. Vr. Wie kwam hun tc hulp?

Antw. God kwam lam te hulp.

7. Vr. Wieu gebruikte God om heu te verlossen ?

Antw. God gebruikte Mozes om hen te verlossen.

8. Vr. Wie was Mozes?

Antw. Mozes was de zoon van Aniram, die op een onvoorziene wijze uit het water gered werd, waarin de koning bevolen had de kinderen der Israëlieten te verdrinken.

9. Vr. Wat deed Mozes?

Antw. Mozes deed groote wonderdaden om Farao te dwingen, dat hij Uod gehoorzaamde en het. volk van Israël liet vertrekken.

10. Vr. Wat deden de Israëlieten, voordat zij uit Egypte trokken?

Antw. Voordat de Israëlieten uit Egypte trokken , vierden zi j het eerste Paasehfeest.

11. Vr. Waarin bestond dat Paasehfeest?

Antw. Dat Paasoht'eest bestond hierin , dat

de Israëlieten . in den nacht van hunne verlossing. in ieder hui een lam offerden en aten.

ocr page 16

14

12. Vr. Wat deed meu met het bloed vau dat paaschlam?

Antvv. Met liet bloed vau dat paaschlam bestreken de Israëlieteu de deurstijlen huuner huizen.

ZEVENDE JjES.

De tocht door de woestijn en de wetgeving.

1. Vr. Waarheen gingen de Israëlieten, als zij uit Egypte trokken?

Antw. Uit Egypte gingen de Israëlieten naar het land Kanaan, waarheen God hen leidde.

2. Vr. Waarom leidde God hen derwaarts? Antw. God leidde hen derwaarts om zijne

beloften te volbrengen.

3. Vr. Hoe gingen zij door de Roode Zee? Antw. Midden door de wateren van de Eoode

Zee maakte God voor hen een droogeu weg.

4. Vr. Hoe namen zij verder hunnen weg ? Antw. Verder namen zij hunnen weg door

eene groote woestijn.

5. Vr. Hoelang zwierven zij in de woestijn ? Antw. In de woestijn zwierven zij veertig

jaren.

ocr page 17

15

6. Vr. Waarvan leefdeu zij iu de woestijn?

Antw. Zij locfVlcu iu de woestijn van liet

manna, dat God uit deu hemel deed ru-geuen.

7. Vr. Vanwaar kregen zij water, als liet hun ontbrak?

Antw. Als hun water ontbrak, deed God het uit eene steenrots stroomen.

8. Vr. Wanneer gaf God hun zijne wet ?

Antw. God gaf hnu zijne wet op deu vijftigsten dag na hun vertrek uit Egypte.

9. Vr. Waar gaf God hun zijue wet ?

Antw. God gaf liuu zijne wet op den berg

Sinaï.

10. Vr. Hoe vertoonde zich die berg?

Antw. Op dien berg vertoonden zich vuurvlammen met hevig onweder.

11. Vr. Hoe luiden de geboden, die God hun gaf?

Antw. I. Ik ben de Heer uw God, die u geleid heb uit de slavernij van Egypte. Gij zult geeue vreemde goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen afgod maken, noch eenige beeltenis, om die te aanbidden.

II. Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken.

HI. Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag

ocr page 18

16

heilig maakt, want dat is de rust van den zevenden dag.

IV. Gij zult uwen vader en uwe moeder eeren, opdat gij lang moogt leven in het beloofde land.

V. Gij zult niet doodslaan.

VI. Gij zult geen overspel doen.

VIL Gij zult niet stelen.

Vin. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis spreken.

IX. Gij zult uws naasten huisvrouw uic-t begeereu.

X. Gij zult zijne goederen uiet begeeren.

12. Vr. Zijn deze tien geboden geschreven geweest ?

Antw. Ja; deze tien geboden zijn op twee steenen tafelen geschreven geweest.

13. Vr. Waren het nieuwe geboden?

Antw. Neen; het ware geen nieuwe geboden,

maar het was de wet der natuur. 14. Vr. Wat is de wet der natuur?

Antw. De wet der natuur is de kennis van goed en kwaad, die God den menschen heeft ingeschapen.

ocr page 19

17

ACHTSTE LUS.

Het verhond van God met de Israëlieten.

1. Vr. Waarin bestoud voornamelijk de openbare godsdienst der Israëlieten?

Antvv. Do openbare godsdienst der Israëlieten bestond voornamelijk in het opdragen van offeranden.

2. Vr. Hoe geschiedde de opdracht dier offeranden ?

Antw. Bij de voornaamste dier offeranden slachtte men een beest, dat daarna geheel of gedeeltelijk op het altaar verbrand werd.

o. Vr. Waar stond dit altaar?

Antw. Dit altaar stond vóór den tabernakel.

4 Vr. Wat was de tabernakel?

Antw. De tabernakel was eene tent, waarin de godsdienstoefening plaats had.

5. Vr. Wat was er binnen den tabernakel?

Antw. Binnen den tabernakel stond de ark des verbonds.

li. Vr. Wat was deze ark des verbonds?

Antw. Deze ark des verbonds was eene kist van kostbaar hout en geheel met goud bedekt.

7. Vr. Wat was er in?

Antw. In de. ark des verbonds lagen de

ocr page 20

18

tafelen der wet, een kruik met mauua en de staf van Aaron.

8. Vr. Wie waren de priesters?

Antw. De priesters waren Aiiron en zijne zonen.

9. Vr. Wie waren de levieten?

Antw. De levieten waren al de anderen uit den stam van Levi, die geschikt waren tot den dienst des tabernakels.

10. Vr. Waarin bestond het verbond van God met de Israëlieten?

Antw. Het verbond van God met de Israëlieten bestond hierin, dat Hij beloofde hen aan te nemen voor zijn volk, hen te vestigen in Kanaan en met veel goed te verrijken.

11. Vr. Door wieu heeft God de Israëlieten in het land Kanaan doen binnenleiden?

Antw. Door Josuë heeft God de Israëlieten in het land Kanaan doeu binnenleiden.

12. Vr. Wat beloofden de Israëlieten?

Antw. De Israëlieten beloofden God uit

geheel hun hart te zullen beminnen en zijne geboden te onderhouden.

13. Vr. Met welke straffen bedreigde God de overtreders?

Antw. God bedreigde de overtreders, dat zij

ocr page 21

19

uit liet land verjaagd en met vele ellenden overladen zonden worden.

14. Vr. Is dit verbond tronw onderhonden geweest?

Antw. God heeft dit verbond op het aller-getrouwste onderhonden.

15. Vr. Wat al wonderdaden deed Gfod om zijn volk in het bezit van het beloofde land te stellen ?

Antw. Om zijn volk iu het bezit van het beloofde land te stellen deed God de Jordaan opdrogen, en zon en maan stilstaan.

16. Vr. Werd het verbond ook tronw nageleefd door het volk ?

Antw. Neen; het volk gedroeg zich jegens het verbond zeer ontrouw.

17. Vr. Hoe menigmaal stonden zij in de woestijn tegen God op?

Antw. Meer dan tienmaal stonden zij in do woestijn tegen God op.

18. Vr. Hoe gedroegen de Israëlieten zich, nadat zij in het beloofde land gevestigd waren ?

Antw. Nadat zij in het beloofde land gevestigd waren, verlieten de Israëlieten God menigmaal en keerden zich tot de afgoden.

ocr page 22

2()

NEGENDE LES.

De afgoderij.

1. Vr. Was de ware God nergens anders bekend dan bij de Israëlieten?

Antw. Neen; daar was geen ander volk, dat God kende, dan de Israëlieten.

2. Vr. Wat aanbaden dan de andere volkeren ?

Antw. Al de andere volken aanbaden afgoden, die zij zich naar hun welgevallen vormden.

3. Vr. Wat stelden die afgoden voor? Antw. Die afgoden stelden voor; mannen ,

vrouwen of beesten, die zij goden en godinnen noemden.

4. Vr. Hoe eerden zij die afgoden?

Antw. Zij bewezen aan die afgoden goddelijk eer en droegen zelfs offers aan hen op.

5. Vr. Waartoe bracht hen de afgoderij? Antw. De afgoderij bracht hen tot allerlei

ondeugden.

6. Vr. Hoe worden de afgodendienaars nog anders genoemd?

Antw. De afgodendienaars wórden nok volkeren of heidenen genoemd.

ocr page 23

21

TIENDU LES.

David en de Messias.

1. Vr. Hoo werden de Israëlieten in hot beloofde land bestuurd?

Antw. De Israëlieten werden in het beloofde land eerst door rechters bestuurd en daarna door koningen.

2. Vr. Wie waren de voornaamste rechters ? Antw. De voornaamste rechters waren: Cfe-

deon, Jeftha, Samson en Samnël.

3. Vr. Wie was de eerste koning- der Israëlieten ?

Antw. De eerste koning der Israëlieten was Saul.

4. Vr. Wie was de tweede koning?

Antw. Hun tweede koning was David.

5. Vr. Hoe werden zij tot koningen aangesteld ?

Antw. Zij werden tot koningen aangesteld door de zalving met heilige olie, en daarom werden zij ook Gezalfden genoemd.

6. Vr. Uit welken stam was David?

Antw. David was uit den stam van .Tuda.

7. Vr. Waar was zijne gewone verblijfplaats? Antw. Zijne gewone verblijfplaats was te

Jeruzalem op den berg Sion.

ocr page 24

22

8. Vr. Waarheen Hot hij de ark des ver-bonds brengen?

Antw. De ark des verbomls liet hij ook naar den berg Sion brengen.

9. Vr. Wat beloofde God aan David?

Antw. God beloofde aan David, dat zijne

nakomelingen voor altijd over Gods volk regeeren zouden.

10. Vr. En wat uog meer?

Antw. Ook uog, dat de Zaligmaker uitziju geslacht zou voortkomen.

11. Vr. Hoe wordt die Zaligmaker genoemd ? Antw. Die Zaligmaker wordt de Christus

of de Messias genoemd.

12. Vr. Wat beteekent Christus of Messias ? Antw. Christus of Messias beteekent Gezalfde.

13. Vr. Waarom wordt de Zaligmaker Christus of Messias genoemd?

Antw. De Zaligmaker wordt Christus of Messias genoemd, omdat Hij ecu nakomeling van koning David en zelf koning van een geestelijk rijk is.

ocr page 25

mrne les.

De scheuring van het Israëlietisch koninkrijk.

1. Vr. Wio was dr, opvolger van koniii»-David ?

Autw. De opvolger van koning David was zijn zoon Salomon.

2. Vr. Hoe heersclite hij?

Autw. Hij heersclite in vollen vrede en voorspoed.

3. Vr. Welke gave schonk God aan Salonion?

Antw. God schonk aan Salomon de gave

eeuer zeer groote wijsheid.

4 Vr. Welk gebouw heeft hij gesticht?

Antw. Hij heeft den tempel vau Jeruzalem gesticht.

5. Vr. Was er geen andere tempel, waar God geëerd werd ?

Antw. Neen; er was maar één tempel en één altaar, waar God geëerd werd.

6. Vr. Waarom dat ?

Antw. Dit was om duidelijk te maken, dat er maar één God en één godsdienst was.

7. Vr. Bleef Salomon wijs en deugdzaam tot het einde zijns levens?

Antw. Neen; op het laatst van zijn leven

ocr page 26

24

werd het hart van Salomon bedorven, en verloor hij de wijsheid, zoodat hij tot afgoderij verviel.

8. Vr. Wie was de opvolger van Salomon?

Antw. De opvolger van Salomon was zijn

zoon Roboam.

9. Vr. Wat gebeurde er, toen Roboam koning was?

Antw. Toen Roboam koning was, werd het rijk in twee deelen gescheiden.

10. Vr. Welk deel behield Salomons zoon?

Antw. Salomons zoon behield de twee stammen van Jnda en van Benjamin.

11. Vr. Wie was koning over de tien andere stammen ?

Antw. Over de tien andere staramen was Jeroboara koning.

12. Vr. Hoe worden na do scheiding de twee koninkrijken genoemd?

Antw. Na de scheiding werden de twee koninkrijken genoemd: het rijk van Jnda en het rijk van Israël.

13. Vr. Wat deed Jeroboam om zijn rijk te bevestigen?

Antw. Om zijn rijk te bevestigen voerde Jeroboam den afgodendienst in, en verbood hij zijnen onderdanen naar den tempel van Jeruzalem te gaan.

ocr page 27

25

14. Vr. Wat ontstond daardoor?

Antvv. Daardoor ontstond eo.uo. verdeeldheid of scheuring in der. godsdienst.

15. Vr. Waar bleef de ware godsdienst? Antw. Do ware godsdienst bleef te Jeruzalem,

de hoofdstad van het rijk van Juda.

twaalfde les.

De profeten.

1. Vr. Wat zijn profeten?

Antw. Profeten zijn menscheu, die met Gods Geest vervuld zijn.

2. Vr. Wie is deze Geest?

Antw. Het is de Heilige Geest, die ook Heer is en het leven geefc.

3. Vr. Waarom worden zij profeten genoemd ?

Antw. Zij worden profeten genoemd, omdat zij het toekomende voorzeiden.

■4. Vr. Wanneer waren er de meesten?

Antw. De meeste profeten waren er, sedert het Israëlietische volk in twee koninkrijken verdeeld was.

ocr page 28

2(5

5. Vr. Wie is de vemaardste profeet van die tijden?

Antvv. De vemaardste profeet van die tijden is Elias.

6. Vr. Is Elias gestorven?

Antw. Neen; Elias is niet gestorven.

7. Vr. Waar is hij dan gebleven ?

Autvv. Hij is levend van de aarde weggenomen.

8. Vr. Welke profeten hebben ons geschriften nagelaten?

Antw. Geschriften zijn ons nagelaten door de profeten Isaïas, Jeremias en anderen.

9. Vr. Wat hebben zij voorzegd?

Antvv. Zij hebben den volkomen ondergang van het rijk van Israël voorzegd.

10. Vr. En wat hebben zij voorzegd van Jeruzalem?

Antw. Van Jeruzalem hebben zij voorzegd, dat die stad verwoest en daarna hersteld zou worden.

11. Vr. Hebben zij ook van deu Messias gesproken ?

Antw. Ja; van den Messias hebben zij ook gesproken en alles voorzegd, wat Hem overkomen zou.

12. Vr. Hebben zij van een Nieuw Verbond gesproken ?

ocr page 29

27

Autw. Ook van een Nienw Verbond hebben zij gesproken en voorzegd, dat liet volmaakter zou zijn dan het Oude.

13. Vr. Wat hebben zij gezegd van de bekeering der heidenen?

Autw. Aangaande de bekeering der heidenen hebben zij gezegd, dat alle volkeren hunne afgoden zouden verlaten om den waren God te aanbidden.

DERTIENDE LES.

De Babylonische gevangenschap.

1. Vr. Hebben de Israëlieten ten tijde der profeten God getrouw gediend?

Autw. Neen; ten tijde der profeten keerden zich de Israëlieten voor een groot deel tot de afgoderij en vervolgden zij Gods profeten.

2. Vr. Strafte God terstond de zonden der Israëlieten ?

Antw. Neen; God strafte niet terstond de zonden der Israëlieten, maar Hij wachtte langen tijd, opdat ze tot boetvaardigheid zouden komen.

ocr page 30

28

3. Vr. Hoe hooft God hen gestraft?

Antw. De tien stammen, of het rijk van

Israël, werden door Salmanassar, koning van Assyrië, overwonnen en alom onderdo volkeren verstrooid.

4. Vr. Wat geschiedde aan do twee andere stammen, of het rijk van Juda?

Antw. De twee andere stammen, of het rijk van Juda, werden 130 jaren daarna door koning Nabnchodonosor als gevangenen weggevoerd naar Babel.

5. Vr. Waar bleef toonde ware godsdienst ? Antw. De Israëlieten behielden den waren

godsdienst in hunne gevangenschap en zijn nimmermeer tot afgoderij vervallen.

6. Vr. Wat voor een man was Daniël? Antw. Daniël, één van de weggevoerde

Israëlieten, was een zeer heilig man en een groot profeet.

7. Vr. Wat deden zijne drie metgezellen? Antw. Zijne drie metgezellen weigerden

standvastig den afgod van den koning van Babel te aanbidden.

8. Vr. Hoe handelde de koning met hen? Antw. Do koning liet hen in een brandenden

oven werpen.

ocr page 31

29

9. Vr, Wat geschiedde huu '?

Antw. God bewaarde hen door eene wouderdaad.

VEERTIENDE LES.

De toestand der Israëlieten na de (gevangenschap.

1. Vr. Hoe langen tijd bleven de Israëlieten in de Babylonische gevangenschap?

Antw. Gedurende zeventig jaren bleven de Israëlieten in do Babylonische gevangenschap, zooals de profeteu voorspeld hadden.

2. Vr. Wat geschiedde er na die zeventig jaren?

Antw. Na die zeventig jaren veroverde Cyrus, koning van Perziö, het rijk van Babel en gaf den Israëlieten vrijheid om naar huu land terug te keeren.

3. Vr. Zijn al de Israëlieten naar hun land teruggekeerd?

Antw. Neen; niet alle Israëlieten zijn naar hun land teruggekeerd; de meesten zijn achtergebleven en naderhand door de geheele wereld verspreid geworden.

4. Vr. Waartoe diende deze verspreiding vau de Israëlieten onder de vreemde volkeren ?

ocr page 32

30

Autw. Doze verspreiding van de Israölieteu onder de vreemde volkeren diende om den waren God aan de ongeloovigen bekend te maken.

5. Vr. Wat deden de Israëlieten, die naar hun land teruggekeerd waren?

Autw. De Israëlieten , die naar hun land teruggekeerd waren, begonnen aanstonds de stad Jeruzalem en den tempel te herbouwen.

6. Vr. Wie moedigden hen daarbij aan ?

Antw. Daarbij werden zij aangemoedigd door

de profeten Aggeiis en Zaeharias en door twee heilige mannen, Esdras en Nehemias.

7. Vr. Wat deden Esdras en Nehemias nog meer ?

Autw. Esdras en Nehemias onderwezen ook het volk iu de wet eu stelden bestuurders aan.

8. Vr. Op welke wijze werden dan de Israëlieten na de gevangenschap van Babel bestuurd ?

Antw. Na de gevangenschap van Babel werden de Israëlieten door eigen oversten bestuurd, maar bleven niettemin afhankelijk, eerst van de koningen van Perzië en later van de koningen van Egypte en Syrië.

9. Vr. Wat overkwam hun onder de koningen van Syrië ?

ocr page 33

31

Autw. Onder de kouiugeu vau Syrië werden de Israëlieten verdrukt en vervolgd om hunnen godsdienst, vooral door koning Autioclms.

10. Vr. Wie wederstonden aan Antiochus ?

Antw. Judas Machabetis en zijne broeders

wederstonden aan Antiochus.

11. Vr. Wat werkten zij uit?

Autw. Zij bewerkten, dat het Israëlietische volk in vrijheid hersteld werd.

12. Vr. Wie had naderhand het bestuur over de Israëlieten ?

Antw. Naderhand had het geslacht der Machabeën het bestuur over de Israëlieten.

13. Vr. Wie hebben dat bestuur vernietigd?

Autw. De Romeinen hebben dat bestuur vernietigd en over de Israëlieten weder een koning aangesteld, maar die geen afstammeling was uit het volk van Israël.

VIJFTIENDE LES.

De geestelijke en de aardschgezinde Israëlieten.

1. Vr. Wie was er koning over de Israëlieten ten tijde der Roiucmsche keizers?

ocr page 34

32

Autw. Tea tijdo der Romoiusclie keizers was Herodes koning over do Israëlieten.

2. Vr. Wanneer werd de tijd van de komst van den Christus vervuld?

Antw. üe tijd van de komst van den Christus werd vervuld ouder de regeering van dien Herodes.

3. Vr. Verwachtten do Israëlieteu toeu, dat de Christus zou komen?

Autw. De Israëlieten waren toen algemeen in verwachting vau'de komst van den Christus.

4. Vr. Hadden allen dezelfde denkbeelden aangaande den Messias?

Antw. Men moet onderscheid maken tusschen de aardschgezindc eu de geestelijke Israëlieteu , wier denkbeelden aangaande den Messias zeer verschilden.

5. Vr. Wie waren de aardschgezindo Israëlieten ?

Autw. De aardschgezindo Israëlieten waren zij, die God slechts om tijdelijk voordeel dienden.

6. Vr. Welke voorstelling hadden dezen van het rijk vau den Christus?

Antw. Dezen stelden zich voor, dat do Christus op aarde zou heerschen, dat Hij allo andere volkeren aan de Israëlieten onder-

ocr page 35

33

werpen eu hen in rijkdom, eer en weelde zou doen leven.

7. Vr. Wie warende geestelijke Israëlieten? Antw. De geestelijke Israëlieten waren zij,

die God uit liefde dienden.

8. Vr. Wat verwachtten zij van den Messias ?

Antw. Zij verwachtten van den Messias de noodige middelen om God te kennen, te beminnen en zalig te worden.

ZESTIENDE LES.

De (jeboorte van Jezus Christus.

1. Vr. Wie was de moeder van onzen Heer Jezus Christus?

Antw. De moeder van onzen Heer Jezus Christus was de heilige maagd Maria.

2. Vr. Van welken stam eu van welken huize was zij?

Antw. Zij was vau den stam van Juda eu van het huis van David.

3. Vr. Wie was iiaar man ?

Antw. Haar man was de heilige; Jozef.

ocr page 36

34

4. Vr. Hoo werd haar bekend gemaakt, dat zij do moeder van deu Christus zou wordeu 'i

Antw. De engel Gabriel, daartoe door God gezonden, bracht haar deze boodschap, dat zij de moeder van den Christus zou worden.

5. Vr. Wat antwoordde Maria op deze boodschap van den engel?

Antw. Maria antwoordde: Zie hier de dienstmaagd des Heereu; mij geschiede naar uw woord.

6. Vr. Waar werd de Christus geboren?

Antw. Hij werd geboren te Bethlehem in

eenen stal.

7. Vr. Wanneer vieren wij liet feest van zijne geboorte?

Antw. Het feest van zijne geboorte vieren wij op Kerstdag, den vijf en twintigsten December.

8. Vr. Welke naam werd Hem gegeven?

Antw. Hij ontving den naam Jezus.

9. Vr. Wat beteekent de naam Jezus?

Antw. De naam Jezus beteekent Zaligmaker.

ocr page 37

35

ZEVENTIENDE LES.

De aanbidding van de Wijzen.

1. Vr. Wie waren de eerste heideueu, die Jezus aanbaden?

Autw. De eerste heidenen, die Jezus aanbaden , waren de Wijzen uit liet Oosten.

2. Vr. Hoe begroetten dezen Hem'?

Antw. Dezen begroetten Hem als den Koning

der Joden, wiens komst met verlangen werd te gemoet gezien.

3. Vr. Welken indruk maakte dit op koning Herodes?

Antw. Het maakte koning Herodes bevreesd, dat bij zijn koninklijk gezag nu verliezen zou.

4. Vr. Wat deed toen Herodes?

Antw. Herodes wilde Jezus dooden en deed daarom de kinderen van twee jaar en daaronder in en omtrent Bethlehem vermoorden.

5. Vr. Hoe is Jezus dezen moord ontkomen? Antw. Jezus ontkwam dezen moord, doordien

de heilige Jozef Hem naar Egypte bracht.

6. Vr. Hoe bracht Hij het grootste deel zijns levens hier op aarde door?

Antw. Het grootste deel zijns levens bracht

ocr page 38

36

Jezus hier op aarde door in een verborgen, eenvoudig leven, en in onderdanigheid aan Maria eu Jozef.

ACHTTIENDE LES.

De heilige Johannes de Dooyer.

1. Vr. Wie heeft de Joden voorbereid op de komst vau den Messias?

Antw. Johannes de Dooper heeft de Joden voorbereid op de komst van den Messias.

2. Vr. Wie was de heilige Johannes?

Antw. De heilige Johannes was de zoon

van Zacharias en van Elisabeth, die eene nicht was van de heilige Maagd.

3. Vr. Waar heeft hij zijn leven doorgebracht?

Autw. Zijn leven heeft hij doorgebracht in de woestijn, waar hij een zeer streug leven leidde.

4. Vr. Hadden de profeten vau hem gesproken?

Autw. Ja; de profeten hadden hem als den Voorlooper van den Messias aangewezen.

ocr page 39

37

5. Vr. Waarom wordt do heilige Joliamios de Voorlooper van den Messias genoemd?

Antvv. De lieilige Johannes wordt de Voorlooper genoemd, omdat hij de komst van den Messias kwam aankondigen en de Joden daarop voorbereiden.

6. Vr. Wat preekte Johannes?

Antvv. Al preekende vermaande Johannes het volk tot boetvaardigheid.

7. Vr. Wat deed hij met degenen, die zich bekeerden ?

Antw. Degenen, die zich bekeerden, doopte hij door indompeling iu de Jordaan.

8. Vr. Heeft hij Jezus ook gedoopt?

Antw. Ja; Jezus heeft ook door hem gedoopt willen worden.

9. Vr. Wat gebeurde er bij den doop des Hoeren ?

Antvv. Bij den doop des Hoeren daalde de Heilige Geest zichtbaar op Hom neder in de gedaante van oene duif.

10. Vr. Wat getuigde Johannes van Jezus?

Antw. Johannes getuigde van Jezus, dat Hij het Lam Gods was, dat de zonden der wereld wegneemt.

ocr page 40

.')8

NEGENTIENDE LES.

De roepiny van de apostelen.

1. Vr. Waarheen ging Jezus ua ziju doop? Autw. Na zijn doop ging' Jezus uaar de

woestijn.

2. Vr. Wat deed Hij daar?

Autw. Daar vastte Hij veertig- dageu.

3. Vr. Wat liet Hij aldaar toe?

Autw. Aldaar liet Hij toe, dat de duivel Hem bekoorde.

4. Vr. Hoe riep Hij zijne discipelen?

Autw. Jezus riep zijne discipelen door aau

sommigen te zeggen, dat zij Hem volgen zou-deu; en dezen verlieten aanstonds alles en volgden Hein.

5. Vr. Wat is een discipel?

Autw. Een discipel is iemand, die eenen meester aanhoort en zijnolessen ter harte noemt. (3. Vr. Wat beteekent het woord: apostel? Autw. Apostel beteekent afgezoudene.

7. Vr. Hoeveel apostelen heeft Jezus verkozen ?

Autw. Jezus heeft twaalf apostelen verkozen.

8. Vr. Hoe heeten zij ?

Autw. De eerste was Simou, die Petrus ge-

ocr page 41

39

uoemd wordt, on Andreas zijn brooder; Jakobus ou Joliaunes, zoueu van Zebedeüs; Filippus on Bartholomoiis; Mattheüs eu Thomas; Jakobus, do zoon van Alfeüs, en Judas, genaamd Thaddeüs; Simon, bijgenaamd deijveraar, en Judas do Iskariothor, die de verrader is geweest.

TWINTIGSTE LES.

De prediking van Tezus Christus.

1. Vr. Waarmede hield Jezus zich bezig?

Antvv. Jezus hield zich bozig met te prediken in steden eu dorpeu.

2. Vr. Wat preekte. Hij ?

Antw. Hij preekte het Evangelie van het Rijk Gods.

3. Vr. Wat beteekent het woord Evangelie?

Autw. Evangelie beteekent blijde hoodscluq).

4. Vr. Wat wordt er verstaan door het Eijk Gods?

Autw. Door het Rijk Gods verstaat men do geestelijke maatschappij, die God door Christus op aarde gevormd hoeft.

5. Vr. Wat is het doel van dat Rijk Gods ?

ocr page 42

10

Autw. Het doel van dat Eijk Gods is; de meuscheu tot de kennis van God te brengen en hen tot liet eeuwig leven te geleiden.

6. Vr. Wat zeide Jezus van zich zeiven? Autw. Jezus zeide van zich zeiven, dat Hij

de Christus en de Zoon van God was.

7. Vr. Wat zeide Hij, dat men doen moest? Autw. Hij zeide, dat men in Hem moest

gelooven en boetvaardigheid doen.

8. Vr. Hoe bewees Jezus, dat Hij de Zoou Gods was eu dat God Hem gezonden had ?

Antw. Door de wonderwerken , die Hij deed , bewees Jezus, dat Hij de Zoon Gods was en dat God Hem gezonden had.

9. Vr. Welke wonderwerken deed Hij ? Antw. Hij genas vele zieken en ougeluk-

kigen.

10. Vr. Welke wouderen deed Hij nog meer? Antw. Hij verdreef ook de duivelen en verwekte de dooden.

11. Vr. Van welke deugden heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten?

Antw. Van alle deugden heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, maar voornamelijk van ootmoed, zachtmoedigheid, geduld, medelijden, goedheid en ijver.

ocr page 43

41

13. Vr. Bad Hij veel?

Autvv. Ja; Jezus bad veel en bracht dikwijls deu naclit over in het gebed.

14. Vr. Welk gebed heeft Hij ons geleerd?

Autw. Hij heeft out' het Onze Vader geleerd.

15. Vr. Hoe luidt het Onze Vader?

Autvv. Ouze Vader! die in de hemelen zijt; geheiligd zij uw uaam; uw rijk toekome; uw wil geschiede op de aarde als in den hemel; geef ons heden ons dagelijksch brood; en vergeef ons onze sclmlden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in bekoring; maar verlos ons van deu kwade. Amen.

EEN-EN-TWINTIGSTE LES.

De vijanden van Jezus Christus.

1. Vr. Had Jezus groot gevolg?

Autw. Ja; het volk kwam van allo kanten met groote menigte om Jezus te zien en te hooren.

2. Vr. Word Hij ook door sommigen gehaat?

ocr page 44

42

Autw. Ja; Hij werd geliaat door de aardseh-gezinde Joden.

3. Vr. Waarom liaatteu zij Hem?

Autw. Zij haatten Hem, omdat Hij den ootmoed, de armoede en de zelfverloocheniug preekte.

4. Vr. Wie waren zijne grootste vijanden?

Autw. Zijne grootste vijaudeu waren de

schriftgeleerden, de farizeën, de priesters eu de raadsheeren.

5. Vr. Wie waren de schriftgeleerden ?

Antw. De schriftgeleerdeu waren de leeraars

der wet.

6. Vr. Wie waren de farizeën?

Autw. De farizeëu waren Jodeu, die voorgaven de wet stipter dan anderen te onderhouden.

7. Vr. Deden zij dat ook?

Autw. Neen; dat deden zij niet; het waren bijna allen schijnheiligen.

8. Vr. Hoeverre ging de haat der vijanden van Jezus?

Autw. De haat der vijanden van Jezus giug zooverre, dat zij besloten Hein te doen sterven.

9. Vr. Wie beloofde hun Jezus over te leveren?

ocr page 45

43

Antw. Judas, de Iscariother, een der twaalf apostelen, beloofde liun Jezus over te leveren. 10. Vr. Voor hoeveel?

Antw. Voor dertig zilverlingen.

TWEE-EN-TWINTIGSTE LES.

Het lijden van Jezus Christus.

1. Vr. Wat gaf Jezus bij liet laatste Avondmaal aan zijne apostelen?

Antw. Bij het laatste Avondmaal gaf Hij aan zijne apostelen zijn Lichaam en Bloed.

2. Vr. Op welke wijze gaf Hij hun zijn Lichaam ?

Antw. Hij nam brood, zegende het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn Lichaam.

3. Vr. Hoe gaf Hij hun zijn Bloed?

Antw. Hij nam den beker met wijn en zeide

tot hen: Dit is mijn Bloed, het bloed van het Nieuw Verbond.

4.^ Vr. Wat deed Jezus na het Avondmaal? Antw. Na het Avondmaal ging Jezus in den

Olijfhof tot God bidden.

5. Vr. Wat deed toen Judas?

Antw. Toen bracht Judtjs gewapende mannen aan om Jezus te vangen.

ocr page 46

44

6. Vr. Waarheen brachten zij Hem?

Antw. Zij brachten Hem bij Kajafas, den

hoogepriester.

7. Vr. Waar bleven toen de apostelen'? Antw. Toen namen de apostelen allen de

vlucht.

8. Vr. Wat deed Petrus?

Antw. Petrus verloochende Jezus driemaal.

9. Vr. Waarheen werd Jezus uit het huis van Kajafas gebracht?

Antw. Uit het huis van Kajafas werd Jezus gebracht naar Pilatus.

10. Vr. Wat heeft Hij daar geleden?

Antw. Daar werd Hij bespot, gegeeseld eu met doornen gekroond.

DRIE-ENquot;TWINTIGSTE LES.

De dood en de verrijzenis van Jezus Christus

1. Vr. Op welken dag is Jezus gestorven? Antw. Op Goeden Vrijdag is Jezus gestorven.

2. Vr. Hoe is Jezus gestorven?

Antw. Jezus is gestorven aan een kruis, tusschen twee moordenaars.

ocr page 47

45

3. Vr. Wat was het kruis voor eene straf?

Antw. Het kruis was de scliandelijkste straf, die toen iu gebruik was.

4 Vr. Wat is er gebeurd bij zijnen dood?

Antw. Bij zijnen dood werd de zon verduisterd , beefde de aarde en verrezen eenigc dooden.

5. Vr. Wat deed men met liet lichaam van Jezus, nadat Hij gestorven was?

Antw. Nadat Jezus gestorven was, leide men zijn lichaam in een graf.

6. Vr. Wat deden zijne vijanden?

Antw. Zijne vijanden stelden eene wacht bij het graf.

7. Vr. Is Jezus dood In het graf gebleven ?

Antw. Neen; Jezus is niet dood in het graf

gebleven; maar Hij is ten derden dage verrezen , dat is: levend uit het graf opgestaan.

8. Vr. Hoe wordt de dag genoemd, waarop Jezus verrezen is?

Antw. De dag, waarop Jezus verrezen is, wordt Paschen genoemd.

9. Vr. Waren de apostelen spoedig geneigd om zijn verrijzenis te gelooven ?

Antw. Do apostelen geloofden de verrijzenis van Jezus niet, voordat zij Hem gezien en aangeraakt hadden.

ocr page 48

40

VIEB-EN-TWINTIGSTE IiER,

De hemelvaart van Jezus Christus.

1. Vr. (roilnrendc lioo langen tijd verscheen .Tozns aan zijuo apostelen?

Antvv. Jezus verscheen gedurende veertig dagen aan zijne apostelen.

2. Vr. Wat gebood Hij hun?

Antw. Hij gebood hun, dat zij door de geheele wereld zouden gaan prediken en doopen.

3. Vr. Wat heeft Hij ons met het instellen van den doop geleerd?

Antw. Met het instellen van den doop heeft Hij ons geleerd, dat de Vader, de Zoou en de Heilige Geest, één God is.

4. Vr. Welke macht gaf Hij aan zijne apostelen ?

Antw. Hij gaf aan zijne apostelen de macht om de zonden te vergeven.

5. Vr. Hoe verliet Hij hen?

Antw. Hij klom iu hunne tegenwoordigheid op ten hemel.

6. Vr. Had Jezus niet beloofd bij zijne apostelen te blijven tot het einde der wereld ?

Antw. Ja; Jezus had beloofd bij zijne apos-

ocr page 49

47

toltüi tc blijveu tot het einde der wereld; maar dit doet Hij ook, daar Hij zijne kerk altijd bijstaat.

7. Vr. Zal Hij nimmer op aarde wederkomen ?

Antw. Hij zal in den laatsten dag wederkomen om de levenden en de dooden te oor-deelen.

VIJi'-EN-TWINTIGSTE LES.

Jjc nederdaling van den Heiligen Geest.

1. Vr. Wat was het Pinksterfeest bij de Joden?

Antw. Het Pinksterfeest bij de Joden was het feest van den dag-, waarop de wet ge-gaven was.

2. Vr. Wat gebeurde aan de, apostelen op dien dag?

Antw. Op dien dag werden de apostelen vervuld met deu Heiligen Geest.

3. Vr. Wat werkte de Heilige Geest in hen uit?

Antw. Door de werking van den Heiligen Geest werden zij verlicht en verstonden zij de schrifturen.

3

ocr page 50

48

4. Vr. Wat gevoelden zij uog?

Autvv. Ook gevoelden zij nog eeue groote liefde tot God.

5. Vr. Bleek het niet door een zichtbaar teeken, dat zij den Heiligen Geest ontvangen hadden ?

Antw. Ja; dit bleek hieruit, dat zij verscheidene talen begonnen te spreken, die zij nooit geleerd hadden.

6. Vr. Wat beteekende dat wonder?

Antw. Dat wonder beteekende, dat zij het

evangelie zonden gaan preeken aan alle volken.

7. Vr. Wat zeide Petrus toen?

Antw. Petrus verklaarde toen voor al het volk, dat Jezus de Christus was eu den Heiligen Geest gezonden had.

8. Vr. Hoeveel mcnschen bekeerde hij door deze eerste prediking?

Antw. Drie duizend menschen bekeerde hij door deze eerste prediking.

0. Vr. Waarom werd de Heilige Geest op den Pinksterdag gezonden?

Antw. De Heilige Geest werd op den Pinksterdag gezonde», opdat de nieuwe wet op denzeU'den dag openlijk afgekondigd zou worden als de oude.

ocr page 51

49

ZES-EX-TWINTIGSTE LES.

De roeping van de heidenen.

1. Vr. Wie is do eerste martelaar geweest? Antw. De heilige Stefanus is do ccrsto

martelaar geweest.

2. Vr. Wat beteekc-nt martelaar?

Antw. Jtartelaar beteekout bloedgetuige.

3. Yr. Wat hebben de martelaren getuigd? Antw. De martelaren hebben getuigd, dat

de leer van het heilig evangelie waarachtig is.

4. Vr. Waarom noemt men ze bloedgetuigen? Antw. Men noemt zo bloedgetuigon, omdat

zij hunne getuigenis met opoffering van Iran leven bevestigd hebben.

5. Vr. Wie hebben het eerst na de Joden het evangelie ontvangen?

Antw. Na de Joden hebben de Samaritanen het eerst het evangelie ontvangen.

G. Vr. Wie was de eerste ouder de heidenen, die het evangelie aannam?

Antw. De eerste onder do heidenen, die het evangelie aannam, was de hoofdman Kornelius. 7. Vr. Hoe is zijn geschiedenis?

Antw. Kornelius was een man, die God.

3*

ocr page 52

50

vreesde, veel bad eu veel aalmoezen deed. Hij werd door een engel vermaand, dat hij Petrus moest ontbieden ; eu Petrus werd gewaarschuwd, dat hij geen zwarigheid moest maken naar hem toe te gaan.

8. Vr. Wat gebeurde er, toen Petrus gekomen was?

Antvv. Terwijl Petrus Kornelius eu zijn huisgezin begon te onderwijzen, ontvingen zij den Heiligen Geest.

9. Vr. Wat deed Petrus toen ?

Antw. Petrus gebood, dat meu ze zou doopen in deu naam des Heereu Jezus Christus.

10. Vr. Welk geheim begon hierdoor vervuld te worden ?

Autw. Hierdoor begon het geheim vervuld te wordeu van de roeping der heideueu.

11. Vr. Waarin is dat geheim gelegen?

Antw. Dat geheim is hierin gelegen, dat

God do heidenen in do plaats der verworpene Joden geroepen heeft tot het geloof in Jezus Christus.

12. Vr. Wat bewoog God om hen te roepen?

Antw. Zijne loutere goedheid alleen bewoog

God om hen te roepen.

13. Vr. Waarom verwierp Hij de Joden?

Antw. Hij verwierp de Joden om hunne

ocr page 53

Ö1

zonden, en voornamelijk omdat zij den Cliristns verworpen liadden.

14. Vr. Wie was de apostel der heidenen?

Antw. De apostel der heidenen was de

heilige Paulus. 4

15. Vr. Wanneer heeft onze Heer hem geroepen ?

Antw. Onze Heer heeft hem geroepen ua zijne hemelvaart.

16. Vr. Wat weet gij van Paulus?

Antw. Paulus vervolgde de christenen, doch de Heer heeft hem wonderbaar bekeerd en hem gesteld tot den grooteu apostel der heidenen.

ZE VEN-EN-TWINTIGSTE LES.

De uitbreiding der kerk.

1. Vr. Zijn de apostelen na de nederdaling van den Heiligen Greest te Jeruzalem gebleven ?

Antw. Neen; na de nederdaling van den Heiligen Geest hebben de apostelen zich door do geheele wereld verspreid om het Evangelie te verkondigen.

2. Vr. Hebben zij een geloofsbegrip opgesteld ?

ocr page 54

52

Autw. Hot is uiot zeker, dat zij eeu geloofsbegrip hebben opgesteld; maar wel is liet zeker, dat het bekende Oeloofsbegrip der apostelen hunne leer behelst.

3. Vr Wat is*dit geloofsbegrip?

Antvv. Eeu kort begrip van de voornaamste geheimen eu waarheden, waarvan ieder christen moet onderricht zijn.

4. Vr. Hoe luidt het geloofsbegrip?

Antw. Ik geloof in God, den almachtigen

Vader, Schepper van hemel en aarde. En in Jezus Christus, zijnen eenigen Zoon, onzen Heer. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de reine maagd Maria. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus; die gekruist, gestorven en begraven is. Die is nedergedaald ter hel, en ten derden dage verrezen van de dooden. Die opgeklommen is ten hemel, en zit aan de rechterhand van God, zijn almachtigen Vader. En van daar zal komen oordeelen do levenden en dooden. Ik geloof in den Heiligen Geest. De heilige, katholieke kerk; gemeenschap der heiligen. Vergeving der zonden. Verrijzenis dos vleesclios. En het eeuwig leven. Amen.

5. Vr. Wat deden de apostelen om nieuwe kerken of gemeenten te stichten?

ocr page 55

53

Autw. Om nieuwe kerken of gemeenten te stichten, stelden do apostelen in iedere stad een bisschop, priesters en diakens aan.

6. Vr. Welke kerk is de voornaamste van allen geworden ?

Autw. De kerk van Eome is de voornaamste van allen geworden.

7. Vr. Hoe wordt de bisschop van Eome genoemd ?

Antw. De bisschop van Eome wordt paus genoemd en voor het zichtbaar hoofd der kerk gehouden.

8. Vr. Wat wordt bedoeld met het woord: zichtbaar hoofd ?

Autw. Met liet woord: zichtbaar hoofd wordt bedoeld de eerste der bisschoppen, die de plaatsbekleeders van Christus zijn op aarde.

9. Vr. Wie is het wezenlijk en onzichtbaar hoofd der kerk ?

Autw. Het wezenlijk en onzichtbaar Hoofd der kerk ;: Jezus Christus, die in den hemel is.

ocr page 56

54

ACIlï-EN-TWINTIGSTE LES.

De heilige Schriftuur en de Overlevering.

1. Vr. Hoe velerlei is het woord GodsP Autw. Het woord Gods is tweederlei: het

geschreven en het ongeschreven woord.

2. Vr. Wat is hot geschreven woord?

Autw. Het geschreven woord is de heilige

Schriftuur ot' Bijbel, bevattende dc boekou van hot Oude ou hot Nieuwe Testament.

3. Vr. Wie hebben de bookcu vau het Oude Testament geschreven ?

Antw. Do boeken van hot Oude Testameut zijn geschreven door Mozos en do profeten.

4. Vr. Hoe was do konnis van den godsdienst vóór den tijd van Mozos bewaard gebleven ?

Autw. Vóór don tijd van Mozes was do kennis van den godsdienst door overlevering bewaard gebleven.

5. Vr. Door wie zijn de boekon van hot Nieuwe Testament geschreven ?

Autw. De boeken van hot Nieuwe Testameut zijn geschreven door de apostelen ou de evangelisten.

ocr page 57

oo

tJ. Vr. Waarom is meii verplicht de litnligo Schriftuur te gelooveu ï

Autw. Meu is verplicht de heilige Schriftuur te gelooveu, omdat zij door ingeving van den Heiligen Geest geschreven is.

7. Vr. Wat is het ongeschreven woorAV

Antw. Het ongeschreven woord is de Overlevering.

8. Vr. Wat wordt door Overlevering verstaan?

Autw. Door Overlevering verstaat men dc mondelinge verkondiging der christelijke leer , die van de apostelen tot de eerste bisschoppen, en alzoo tot ons is overgegaan.

9. Vr. Moeten wij ook gelooven hetgeen de Overlevering leert?

Autw. Ook hetgeen de Overlevering leert moeten wij gelooven, omdat zij ook de leer bevat, die de apostelen verkondigd hebben.

NEGEN-EN-TWINTIGSÏE JjES.

/gt;e verwoesting van Jeruzalem.

1. Vr. Waarom bleef de stad Jeruzalem nog eenigeu tijd bestaan na de verkondiging van het Evangelie ?

ocr page 58

56

Autw. De stad Jeruzalem bleef nog eeiiigen tijd bestaan ua de verkondiging van het evangelie, opdat de christelijke kerk op den grond van de joodsche kerk gesticht zou worden.

2. Vr. Door wieu is Jeruzalem verwoest? Antw. Jeruzalem is verwoest door Titus,

zoon van den Romcinschen keizer Vespasianns.

3. Vr. Stierven bij die verwoesting vele menschen ?

Antw. Bij die verwoesting stierven elfhonderd duizend menschen.

4. Vr. Was er ook groote hongersnood? Antw. Er was zóó groote hongersnood, dat

er zelfs vrouwen waren, die hare eigen kinderen opaten.

5. Vr. Waarom is die stad zoo gestraft? Antw. Die stad is zoo gestraft, omdat de

inwoners den Christus hadden doen sterven en aan het evangelie niet wilden gelooven.

6. Vr. Wat geschiedde aan de overgebleven Joden ?

Antw. De overgebleven Joden werden slaven en door do geheele wereld verstrooid.

7. Vr. Hoedanig is hun tegenwoordige toestand?

Antw. Zij zijn uog over dc geheele wereld verspreid.

ocr page 59

57

8. Vr. Jloo laug heeft dat geduurd?

Antw. Dat heeft al ruim achttien houderd

jaren geduurd.

9. Vr. Zullen de Joden altijd ongeloovig blijven ?

Antw. Neen; de Joden zullen eenmaal tot het geloof in Christus bekeerd worden.

DERTIGSTE LES.

De vervolging van de kerk.

1. Vr. Hoe zijn do apostelen en hunne eerste discipelen gestorven ?

Antw. Do apostelen on hunne eerste discipel on stierven bijna allen den marteldnod.

2. Vr. Hoelang heeft de vervolging van de christenen geduurd ?

Antw. Driehonderd jaren hoeft do vervolging van de christenen geduïird.

3. Vr. Wie bewerkten die vorvolgingon ? Antw. Die vervolgingen bewerkten de keizers van hot Eomeinscho rijk.

4. Vr. Deden de christenen dan kwaad? Antw. Neen; do christenen deden niet anders

dan goed.

ocr page 60

5H

5. Vr. Waarom werden zij dau gehaat? Antw. Zij werden alleen gehaat, omdat zij

de afgoderij en de ondeugden der heidenen veroordeelden.

6. Vr. Wat werd hun aangedaan?

Antw. Goed en leven werden hun afgenomen.

7. Vr. Waren de heidenen met hunnen dood tevreden ?

Antw. Neen; met hunnen dood waren do heidenen niet tevreden, omdat de christenen voor den dood niet bevreesd waren.

8. Vr. Wat deed men hun dan nog aan ? Antw. Daarom deed men hen op allerlei

wijze de wreedste pijnigingen ondergaan.

9. Vr. Wat deden de christenen om de martelaren te eeren ?

Antw. Du christenen vergaderden bij de graven der martelaren om God te loven en zich in hunne gebeden aan te bevelen.

EBN-EN-1H5RTIGSÏE LES.

Dc vrijheid der kerk en de gevolgen daarvan.

1. Vr. Werd hot getal der christenen minder door de vervolging ?

ocr page 61

59

Autw. Het getal der christeueu verminderde door de vervolging' uiet, want lioe meer er gedood wordeii, hoe meer zelfs er zich tot het geloof bekeerden.

2. Vr. Waarom verweerden zij zich uiet tegen de heidenen ?

Antw. Zij verweerden zich niet tegen de heidenen, omdat God verbiedt tegen zijnen vorst op te staan , ouder wat voorwendsel liet ook mocht wezen.

3. Vr. Wie was de eerste keizer, die christen werd?

Antw. De eerste keizer, die christen werd, was Konstantiju de Groote.

4. Vr. Welke verandering geschiedde toeu?

Autw. Toen mochten de christenen God in

alle vrijheid dienen.

5. Vr. Wuuueer begon de godvruchtigheid der christeueu te verflauwen ?

Antw. De godvruchtigheid der christenen begon te verflauwen, zoodra zij in vrijheid waren.

ö. Vr. Wat deden zij, die christelijker zochten te leven?

Antw. Zij, die christelijker zochten te leven, vertrokken uaar.de eenzaamheid.

7. Vr. Hoo werden die genoemd ?

ocr page 62

60

Autw. üio werden mouuikeu gcuoemd, dat wil zeggen: eenzamen.

8. Vr. Hoe leefden zij ?

Antw. Zij leidden een zeer streng en boetvaardig leven, vastten dagelijks, werkten gedurig, baden zonder ophouden en bevroedden de heilige Schriftuur.

9. Vr. Bleven do christenen getrouw aan do leer der apostelen ?

Antw. Neen; vele christenen weken af van de leer der apostelen en leerden dwalingen.

10. Vr. Wat deed men om die dwalingen te weren ?

Autw. Om die dwalingen te weren hield men kerkvergaderingen of conciliën.

11. Vr. Welke is de eerste algemeene kerkvergadering geweest ?

Antw. De eerste algemeene kerkvergadering is te Nicéa gehouden in het jaar 325 na Christus.

ocr page 63

Hl

(JJSBED.

Ybór het onderwijs.

Hoore Jezus! die, twaalf jaren oud zijnde, in het midden der lesrareu hebt willen zitten, hen hoorende en ondervragende, geef ons de genade om met aandacht en leerzaamheid do onderwijzingen aan te liooren, die Gij ons zult geven, opdat wij, na ze gehoord te hebben , er voordeel mede mogen doen en liet geluk hebben van met U in wijsheid, en in jaren en in behaaglijkheid bij God en bij de men-schen toe te nemen. Amen.

GEBED.

Na het onderwijs.

Heere Jezus! die, nog op aarde zijnde, zoo veel goedheid en teederhartigheid jegens de kinderen hebt willen toonen; die niet toeliet, dat men ze belette bij U te komen; die ze zelfs wildot omhelzen en zegenen; sla een gunstig oog op ons, opdat wij U mogen kennen, U aanbidden, en uwen wil met een waarlijk groot hart en een ijverigen geest volbrengen. Heer! wij zijn kinderen in jaren; maak ons kinderen naar het hart. Geef ons de genade om onuoozel te zijn in het kwaad en gewillig om het goede te betrachten. Amen.

ocr page 64

60

Antvv. Dio werden mouuikeu geuoemd, dat wil zeggen : eenzamen.

8. Vr. Hoe leefden zij ?

Antw. Zij leidden een zeer streng en boetvaardig leven, vastten dagelijks, werkten gedurig, baden zonder ophouden en bevroedden de lieilige Scliriftuur.

9. Vr. Bleven de christenen getrouw aan de leer der apostelen ?

Antw. Neen; vele christenen weken af van de leer der apostelen en leerden dwalingen.

10. Vr. Wat deed men om die dwalingen te weren ?

Antw. Om die dwalingen te weren hield men kerkvergaderingen of conciliën.

11. Vr. Welke is de eerste algemeene kerkvergadering geweest ?

Antw. De eerste algemeene kerkvergadering is te Nicéa gehouden in het jaar 325 na Christus.

ocr page 65

Hl

ÜEIiED.

Fóór het onderwijs.

Hccre Jezus! die, twaalf jaren oud zijnde, in het midden der leeraren hebt willen zitten, hen hoorende en ondervragende, geef ons de genade om met aandacht en leerzaamheid de onderwijzingen aan te hooren, die Gij ons zult geven, opdat wij, na ze gehoord te hebben , er voordeel mede mogen doen en liet geluk hebben van met U in wijsheid, en in jaren en in behaaglijkheid bij God en bij de men-schen toe te nemen. Amen.

GEBED.

Na het onderwijs.

Heere Jezus! die, nog op aarde zijnde, zoo veel goedheid en teederhartigheid jegens de kinderen hebt willen toonen; die niet toeliet, dat men ze belette bij U te komen; die ze zelfs wildet omhelzen en zegenen; sla een gunstig oog op ons, opdat wij tl mogen kennen, U aanbidden, en uwen wil met een waarlijk groot hart en een ijverigen geest volbrengen. Heer I wij zijn kinderen in jaren; maak ons kinderen naar het hart. Geef ons de genade om onnoozel te zijn in het kwaad en gewillig om het goede to betrachten. Amen.

ocr page 66
ocr page 67

BLADWIJZER DER LESSEN.

Les. Blz.

T. De schepping................................................3

II. De goede en de kwade engelen..................5

III. De zonde van de eerste mensclien............G

IV. De gevolgen van de zonde........................7

V. Abraham en de aartsvaders........................1U

VI. De slavernij in Egypte. Het paaschlam. 12

VII. De tocht door de woestijn en de wetgeving. 14

VIII. Het verbond van God met de Israëlieten. 17

IX. De afgoderij.......................20

X. David en de Messias....................................21

XI. De scheuring van hetlsraëlietisch koninkrijk. 23

XII. De profeten..................................................25

XIII. De Babylonische gevangenschap................27

XIV. De toestand der Israëlieten na de gevangenschap........................................................29

XV. De geestelijke en de aardschgezinde Israëlieten .................. ......................31

XVI. De geboorte van Jezus Christus................33

XVII. De aanbidding van de Wijzen..................35

XVIII. De heilige Johannes de Dooper................36

ocr page 68

64

Les.

BIz.

XIX.

38

XX.

Ue prediking van Jezus Christus.......

39

XXI.

De vijanden van Jezus Christus........

41

XXII.

Het lijden van Jezus Christus.........

43

XXIII.

De dood en de verrijzenis vau Jezus Christus

44

XXIV.

De hemelvaart van Jezus Christus......

46

XXV.

De nederdaling van den Heiligen Geest..

47

XXVI.

De roeping van de heidenen..........

49

XXVII.

De uitbreiding der kerk...............

51

XXVIII.

De Overlevering en de heilige Schriftuur.

54

XXIX.

De verwoesting van Jeruzalem.........

55

XXX.

57

XXXI.

De vrijheid der kerk en de gevolgen

58

©

ocr page 69
ocr page 70