r
I
(
v'Ã- : .
mm
f
HISTORISCHE BLADEN,
NAGELATEN DOOTt
DR. THEOD. JOEISSEN,
in leven Hoogleeraar te Amsterdam.
EERSTE BUNDEL.
TWEEDE DRUK.
'gt;'â â â (il --vgt;N i'j! ^
iâ â â ⢠i â i \\'-*\ 2 'â £â /
v r/ a
HAARLEM.
H. D. T J E E N K WILLINK.
»lz. vrr
1890,
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
63 7927
Stoomdrukkerij vau W. E. J. Tjeenk Willink, te Zwolle.
inhoud.'
Biz.
een woord vooraf..............................................vii
I. JOHA.N TAN OLDENBAENEVELT (1881)..........................1
n. AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STÃART (1881). ...............37
m. Cromwell (1880)................................................7'
.-kiv. willem in (1882)..............................................109
v. de prinses van avilden (1886)................................141
©makijken-meü (1883)......................makijken-meü (1883)...................... 179
.......
. vu. de republiek in de eerste helft der 18° eeuw (1882). . 217
vm. willem v. (1882)........................ 251
ix. mirabeau (1879)........................ 285
7^x^de fransche tijd (1883)................... 345^
verbeteringen.........................443
1 Be cijfers, achter de onderwerpen geplaatst, duiden de jaartallen van de vervaardiging der opstellen aan.
EEN WOOED VOOEAP
bij den eersten druk van 1889.
Den 4lt;,l!n April van dit jaar overleed, na een smartelijk lijden, in de kracht zijns levens mijn hooggeschatte ambtgenoot en vriend, de Hoogleeraar Theodoor Jorissen.
Zijn heengaan is een groot verlies voor de wetenschap, in het bijzonder voor onze Universiteit.
Doch ook in ruimer kring zal het diep gevoeld worden. Want Jorissen was niet slechts een nauwgezet geschiedvor-scher, maar ook een geliefd redenaar. Hij bezat in hooge mate het geheim der âhistorische lezingenquot;. In menige plaats van ons land gaf hij de vruchten van zijne doorwrochte studiën jaren achtereen ten beste. Men gevoelde, hem hooiende, dat hier wetenschappelijke ernst, maar evenzeer een warm en njk gemoed aan het woord was. Bovendien verstond Jorissen uitnemend de kunst om de drijfveeren van het menschelijk zieleleven bloot te leggen. Zoo wierpen zijne voordrachten vaak een verrassend licht op personen en toestanden, die te voren nooit in dj:e mate onze belangstelling gewekt hadden. Het waren inderdaad âgouden appelen op zilveren schalenquot;. Hoe droevig stemt de gedachte, dat de begaafde man ze ons nooit meer zal aanbieden!
Deze Historische Bladen trachten eenige vergoeding voor zooveel gemis te schenken. Wie Jorissen's arbeid waardeerde.
VIII EEN WOORD VOORAF.
zal hun verschijnen op hoogen prijs stellen. Het zijn voordrachten, in de voornaamste steden door hem gehouden en tot nog toe ongedrukt. Zijne weduwe belastte mij met de zorg voor de uitgave. Zij droeg mij daarmede eene weemoedige, maar tevens eervolle en dankbare taak op. Ik heb er door geleerd en genoten. Want ook van deze s-hetsen geldt wat de Gendsche Hoogleeraar in de Geschiedenis, Paul Frédericq, aangaande Jorissen's akademisch onderwijs getuigde: ,11 y portait une vive clarté, traitant son sujet avee la gravité qu'il comporte, aimant a retnuer des idéés et amp; scruter des principes, énongant des jugements nets dans une forme énergiquequot;.
Bij het nazien der proeven stond Dr. H. C. Rogge mij welwillend ter zijde. Ik zeg hein daarvoor hartelijk dank.
Amsterdam, September 1889. J. C. M A T T11E 3 â¢
BIJ DEN HEEDETJK.
Het is eene aangename ervaring, dat reeds zoo spoedig na het verschijnen van dezen bundel eene tweede uitgave noodig is. Zij bewijst, evenals het debiet van de pas verschenen nieuwe verzameling, hoe Jorissen's geschriften gewaardeerd worden. De Nederlandsche natie heeft do van haar gekoesterde verwachting niet beschaamd. Zij blijft, ook na zijn heengaan, van den voortreffclijken geschiedschrijver leeren.
J. (J Al.
Asistkbdam , Mei 1890.
JOHAN VAN OLDENBAMEVELT.
JOHAN VAN OLDENBAENEVELT.
In den zomer van 1881 is een dag bijkans onopgemerkt voorbijgegaan, die rijk aan herinnering voor ons volk was. Het was de 26° Juli 1581: de gedenkdag van een der stoutste daden, die ooit een volk zich veroorloofd heeft. Geen ruw geweld, geen vorstenmoord kenmerkt hem; in de kalme rust der vastberadenheid zwoeren de Noordnederlandsche gewesten Filips II van Spanje af.
Op den gewonen loop der zaken oefende die daad geen rechtstreekschen invloed. De strijd tegen de Spaansche macht was sedert lang aangevangen: hij werd morgen voortgezet, gelijk hij gisteren was gevoerd.
Maar het doel veranderde. Tot dusver was verzoening met Filips als mogelijk verondersteld; voortaan werd noch de mogelijkheid noch de wenschelijkheid meer aangenomen.
De opstand tegen het Spaansch gezag dankte zijn oorsprong aan de Hervorming, die in de Nederlanden was doorgedrongen. De burgerij, die zich van de heerschende kerk had afgescheiden, eischte vrijheid van bestaan en van geweten. De godsdienstkwestie was het bezielend element van den strijd en bleef het.
Maar nevens den godsdienstigen deed eerlang een staatkundige eisch zich gelden.
J OH AN VAX OI.PEXBARNEVELT.
De Nederlandsche gewesten hadden in de laatste eeuwen aan Heeren gehoorzaamd, van wier staten en bezittingen zij slechts een deel uitmaakten. De vorsten uit het Bourgondische en het Oostenrijksche huis rekenden deze landen niet tot hun gewichtigste, wel tot hun rijkste bezittingen. Het zwaartepunt van hun politiek aanzien in Europa lag elders.
In den strijd tegen Spanje kwam de begeerte naar zelfstandigheid op. Toen de opgestane gewresten niets dan onvoldoenden steun van andere volken erlangden, waren zij tot eigen krachtsinspanning beperkt. quot;Welnu â het bleek, dat die kracht grooter was dan zij zeiven hadden vermoed: dat zij meer vermochten, dan zelfs de stoutste overmoed had durven gissen. Zij sloegen den vijand terug en hielden zijne legers in bedwang. Toen Leicester de Nederlanden had verlaten, namen de hoofden des volks zeiven de leiding in handen, om het volk, dat zich aan hen toevertrouwde, tot onafhankelijkheid te brongen. Niet meer aan vreemde vorsten, maar aan zich zeiven wilden zij toebehooren. De burgers, die zich vrij vochten, wilden geen nieuwe meesters aannemen ; zij wilden vrij en onafhankeljjk zijn. De strijd voor vrijheid van geweten heeft de Republiek der Vereenigde Nederlanden gegrondvest.
Indien de uitkomst ooit een streven kan rechtvaardigen, dan heeft de uitkomst van den worstelstrijd der Nederlandsche gewesten de rechtvaardigheid der zaak bewezen. Want de Nederlandsche Republiek heeft met eere hare plaats onder de staten van Europa ingenomen. Opgegroeid onder zwaren druk, is zij, toen zij de volheid der mannelijke kracht had bereikt, onder de groote mogendheden van dit werelddeel gerekend en, getrouw aan de beginselen van haar oorsprong, een kampioen van vrijheid van geweten en volksonafhankelijkheid geweest. Zelfs toen de kracht van haar geweken was en andere staten haar in macht en aanzien evenaarden, ja overtroffen, heeft zij haar leven voortgezet tot een lengte van
4
JOUA.N VAN OLiDENBARNEVELT. 5
%
dagen, die nog de verbazing van het nageslacht wekt. Twee eeuwen heeft de Republiek in dezelfde staatsvormen, bijkans onveranderd, voortbestaan: en toen zij ophield te zijn, was het het uitgaan van een afgeleefde, die zijn laatste kracht heeft opgeteerd; zij zonk ineen, toen de staatsmachine was verlamd en stil stond.
Het geheim van dit lang leven ligt niet in de voortreffelijkheid van haren staatsvorm, maar in de eigenaardige plaats, die zij onder de staten van Europa innam. Zij representeerde de macht van den derden stand, die in de tweede helft der middeleeuwen was opgekomen, maar nergens elders zoo volledig had gezegevierd als hier. Deze staat was een burgerstaat: gesticht, geregeerd door burgers, d. i. door mannen, die aan eigen kracht, aan don arbeid van hoofd en van hand welvaart en rijkdom, politieken invloed en gezag hadden te danken. Hij vertegenwoordigde tegenover Europa het beginsel van gewetensvrijheid: een beginsel, dat elders niet werd gehuldigd, elders slechts langzaam veld won, maar zijn recht van bestaan bewees door de rijke en gezegende vruchten, die het droeg. Hoe groot de gebreken der staatsorde ook waren, tot welke willekeur en misbruiken zij ook aanleiding gaven, de mannen, die de macht in handen hadden, hebben nooit de afkomst of den oorsprong van den staat vergeten. De Republiek is tot haar einde een burgerstaat geweest, waarin vrijheid van geweten heerschte. Met altijd is de vlag even krachtig gehandhaafd, maar geen bestuur is ze ooit ontrouw geworden. De godsdienstige en burgerlijke vrijheid zijn de ankers geweest, waaraan de Republiek gedurende twee eeuwen haar behoud heeft te danken gehad.
Een staat, op zoodanige beginselen gebouwd, was in het statensysteem der 16e eeuw een nieuweling. Als onwillekeurig richten wij de oogen naar de mannen, die dezen hun geest aan hun werk hebben ingestort. Want denkbeelden en bp-ginselen zegevieren niet door zich zelf: zij zegevieren door de
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
krachtige persoonlijkheden, die door hen worden bezield. Deze storten hun geest uit over de menigte, schrijven ze neer in de wetten, maken ze heerschende in de gedachten van een volk. Het is de superioriteit van den leider, die den volgelingen den weg wijst.
Het is Oldenbarnevelt, die deze hooge plaats in de ontwikkelingshistorie van ons volk inneemt. Willem de Zwijger was de man, die de natie in den strijd had geleid en zijn leven opofferde voor vrijheid van geweten: maar hij achtte de zegepraal onmogelijk .zonder aansluiting aan een buitenlandschen staat. Oldenbarnevelt is de staatsman, die het werk van den meester heeft voortgezet en voltooid. Hij deed de godsdienstvrijheid zegevieren door de volksonafhankeljjkheid te verwerven. Met ineengeslagen handen treden deze twee mannen, de grondleggers van onzen staat, voor het nageslacht op.
Doch hoe verschillend was hun lot! De Zwijger viel op het bed van eer, getroffen door den vijand. Oldenbarnevelt besteeg het schavot, door den landgenoot voor hem opgericht.
Het was een sombere dag, toen de oude man, op zijn stokje geleund, het moede hoofd nederlegde; somber voor het geslacht, dat hem aanschouwde, en voor hen, die de gevolgen zouden oogsten.
De beteekenis van dien man en zijn val wordt hier in groote trekken geschetst.
I
//Wie zorgt en waakt en slaaft en draaft ea ploegt en zweet,
En tot 'slands oorbaar vast een lastig arapt bekleedt,
En waant de raenschen aan zijn vroomheid te verbinden,
Hij zal zich jammerlijk in 't end bedrogen vinden Van 't wispelturig volk, dat, veel te los van hoofd.
Genoten dienst vergeet, en, leider! 't kwaad gelooft.quot;
Deze klacht, door den dichter van Palamedes aan Oldenbarnevelt in den mond gelegd, was in geen opzicht overdreven.
6
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
Gezorgd, gewaakt, gesloofd heeft Oldenbarijevelt een leven lang; en hij heeft zich jammerlijk in 't end bedrogen gevonden. Het wispelturig volk heeft do genoten diensten vergeten, en leider! 'tkwaad geloofd.
Een groot deel dier diensten is echter den tijdgenoot verborgen geweest. De dienaar der Staten mocht de ware vader hunner besluiten zijn, met zijn naam traden zij niet in 'tlicht. Buiten den kring der regenten kon niemand den vollen omvang zijner werkzaamheid overzien.
Meer dan veertig jaar heeft Oldenbarnevelt den lande gediend. Het meerendeel van hen, die zijn laatste werkzaamheid aanschouwden, wisten van zijn vroegere diensten niets, dan wat het algemeen gerucht wist te verhalen. Zij waren kinderen, toen hij reeds man was.
den eersten April, word het kleine stedeken den Bne^B® de Geuzen ingenomen. Dit was het sein tot den opstand. De verdrukte bevolking greep naar het zwaard, dat de vrijheid moest brengen.
Wat het gehate bestuur bleef toegedaan, vluchtte. Uit den Haag vloden alle advokaten, op drie na. Eén dezer was Johan van Oldenbarnevelt. âIk heb in dienzelven jare resolutie genomen â verklaarde hij langen tijd daarna â ten uitersten alles te doen, om mij onversoenlijk met de Spanjaarden en haar adhaerenten te maken.quot; Die resolutie, dat besluit heeft hij gehouden.
Onvoorwaardelijk sloot hij zich aan de revolutie aan. Hij diende ze als vrijwilliger bij het beleg van Haarlem, hij diende ze nog beter met zijn woord en zijn pen. In oogenblikken, waarin personen legers gelden, stelde hij zijn werkkracht, zijn kennis, zijn rusteloozen ijver, zijn overredingskracht, zijn doortastendheid tot haar beschikking. Aan het ontwerpen dei-Unie van Utrecht had hij deel: met den Prins onderhandelde hij over de opdracht der grafelijkheid. Als pensionaris van Rotterdam deed hij zijne rijke gaven wegen in de vergadering
7
JOHAN VAN OLDEUBARUEVELT.
der Hollandsche staten, baande hij zich den weg tot een hoogere plaats en bereidde hij zich voor tot den tijd, waarin hij in naam de dienaar, metterdaad het hoofd der regeering zou zijn.
Dat oogenblik kwam, toen quot;Willem van Oranje was weggevallen. Zijn martelaarschap scheen zijn staatkunde te wijden; de souvereiniteit over deze landen werd aan vreemden aangeboden. De enkele stemmen, die het waagden uit te spreken, dat âbescherming met eigen middelen het heilzaamst was,quot; vonden nog geen weerklank. De gedachte behoeft de bevruchting van tijd en ondervinding, om tot overtuiging te rijpen.
Elizabeth van Engeland sloot met de opgestane gewesten een verbond van hulp, en zond Leicester, haar schitterenden gunsteling, als landvoogd en hoofd des legers. Met zulkeene bondgenoote meenden de verweesde Staten den strijd te kunnen volhouden.
Maar zij vergisten zich. Want de Eiigelscbe'Wningin wilde niet, wat zij begeerden. De trotsche dochter van Hendrik VIII had geen de minste sympathie voor de oproerlingen, die zij steunde; godsdienstige belangstelling in het Kederlandsch Calvinisme was de zwakste der drijfveeren, die haar bewogen. Zij hielp slechts, om Spanje te beletten, zich van de Neder-landsche havens tegen Engeland te bedienen: een nationaal bestuur, dat de beschikking over deze landen niet aan Filips overliet, was al wat zij begeerde. Zoo de Nederlanden onschadelijk voor haar rijk werden, was zij tevreden; op deze voorwaarden wensehte zij den koning en de opstandelingen te verzoenen, gelijktijdig Engeland's veiligheid en de eer dei-koninklijke waardigheid te verzekeren. Zij onderhandelde met Spanje over den vrede, terwijl zij aan deze gewesten hulp bood.
Van een dergelijke politiek was Leicester een ongeschikt werktuig. quot;Want hij had zijn eigen inzichten, die verre van die van Elizabeth afweken. Hij wilde oprechtelijk de Nederlanden helpen vrij maken: aan hun hoofd wilde hij zich een plaats veroveren, zoo niet geheel onafhankelijk, dan toch zelf-
8
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
andig. Hij wilde de dictator dei- Nederlandsche provinciën jn, niet om ze van hun vrijheid te berooven, maar om ze larbij te handhaven. Uit zijn handen, door zjjn beleid oesten zij hun redding ontvangen.
De weg was aangewezen, dien Leicester had te volgen, 10 hij slagen wilde. Slechts vier gewesten. Holland, Zee-nd, Utrecht en Friesland, waren bij zijn komst aan den jand ontrukt. Gelderland en Overijsel waren het tooneel m den strijd. De kosten van den krijg werden door de er vrije provinciën bestreden, maar in zeer ongelijke mate. olland en Zeeland brachten te zamen f 80 van de Æ 100 op: deza^jtfovinciën lag dus de kern en de kracht van den genstand. Op hen moest Leicester steunen, om zijn doel bereiken. Te kwader ure, voor hem en deze gewesten, it hij zich op het dwaalspoor brengen.
Het overwicht van Holland lag niet in de groote kapitalen,-iarover het beschikte, maar in de groote winsten, die de mdel behaalde. De handel voerde het geld aan, dat de rijd behoefde; de handel bekostigde de oorlogsvloot en het ndlleger, Spanje en de Spaansche Nederlanden leverden hun .ndeel in de winsten, die den oorlog voedden.
Maar die voordeelen en het overwicht, dat zij schonken, 3rden met leede oogen door de landprovinciën aangezien, ïolland voert handel met Spanje; het levert wapenen aan i legers, die ons bespringen; het voert hun koren toe; de )aansche legers zouden ondergaan, zoo PIolland ze niet edde, machteloos zijn, zoo Holland hun geen krijgsbehoeften ferde; Holland heult met den vijand.quot; Zoo jammerden in in kortzichtigheid de tegenstanders van Holland, en Leicester loofde hen. Hij zag niet in, dat drukkende belastingen het ste middel waren, om de bevolking voor onderwerping aan )anje te stemmen.
In dagen van verdeeldheid en twist staat geen enkel bezwaar zich zelf, de handelsgrieve was tevens een staatkundige.
9
JOH AN VAN OLDENBA KNEVELT.
Ofschoon met de andere gewesten verbonden, had Holland steeds gepoogd, zijn zelfstandigheid te bewaren. Zich ten volle van zijne kracht bewust, had het bij elke onderhandeling afzonderlijke voorwaarden voor zich bedongen; het wilde zich niet blindelings overgeven, gelijk de andere gewesten moesten doen, aan een nieuwen meester. Slechts de kogel van Balthasar Gerards had de herleving van het graafschap Holland belet.
âHet is uw eerste en uw hoogste plicht. Holland te breidelen: den overmoed te breken van zijn regenten, die ook over de andere gewesten willen heerschen.quot; Zoo riepen de landprovinciën Leicester toe. En de hoveling van Elizabeth, die den onwil zijner vorstin tegen de kooplieden kende en zich gekwetst gevoelde over Maurits' verheffing tot gouverneur van Holland, geloofde dat het zijn taak was, het gewest te verlammen, dat den oorlog betaalde.
Het gevaarlijkst punt van verdeeldheid was het godsdienstige. Bij de Unie van Utrecht was de regeling dier kwestie aan de provinciën zelve gelaten. De Staten van Holland wilden, evenmin als de Zwijger, weten van een zelfstandige Neder-landsche kerk, die een macht in den staat zou zijn. Zij wilden vrijheid van geweten, ook tegenover een Protestantsche geestelijkheid, handhaven. '
Ook in dit opzicht week Leicester van hen af. Hij duchtte geen nationale kerk, kende als Engelschman haar beteekenis voor de nationale eenheid, en was als geloovig Calvinist voor geen onverdraagzaamheid bevreesd. Wie de waarheid meent te bezitten, gevoelt spoedig de roeping, haar zegen aan anderen op te leggen.
Finantieel, politiek en kerkelijk liepen de inzichten van Leicester en van Holland uiteen. In plaats van zich met Holland te verbinden, sloot hij zich aan de landprovinciën aan. Hij werd het hoofd der partij, tegen Holland gekant.
In die worsteling is Oldenbarnevelt de tegenstander van i Leicester en zijn overwinnaar geweest. Ofschoon geen Hol-i
10
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
lander van geboorte, deelde hij de Hollandsche inzichten volkomen. Om het overwicht der rijkste en machtigste provincie te verzekeren, had hij het bij de Unie van Utrecht meer stemmen willen toekennen. Medewerker en leerling van Oranje, i wilde hij van geen heerschende kerk, van geen aanmatigende geestelijkheid weten. De handel moest den krijg voeden, niet een stelsel van belastingen de gemoederen tot vrede en onderwerping stemmen.
In Maart 1586 als advocaat van Holland opgetreden, is hij twee jaar lang, den geheelen duur van den kamp, de leids-j man der Staten van Holland geweest. Onvermoeid in werkzaamheid, onuitputtelijk in hulpmiddelen, tot vermetelheid toe stoutmoedig in het weerstaan van Leicester, wist hij persoon tegen persoon, maatregel tegen maatregel te stellen. Zijn kracht, zijn vastheid, zijn vindingrijke en doortastende hand leidden de Staten, wier dienaar hij was.
Het was in deze worsteling tusschen Holland en den landvoogd, tusschen Oldenbarncvelt en Leicester een groot voordeel voor de eersten, dat de gunsteling van Elizabeth aan de verwachtingen, die zijn komst had verwekt, zoo weinig beantwoordde. Had hij het zwaard van den overwinnaar in de schaal kunnen werpen, de sympathie der geredde bevolking zou zijn eischen hebben gesteund. Doch het tegendeel had plaats: de krijg met Spanje werd onder zijn leidiag^tfet slechts krachteloos, maar met nadeel gevoerd. De vijand behaalde voordeelen, Leicester niet. De zwakke ondersteuning van Elizabeth was een der oorzaken, maar zijn geringe militaire bekwaamheid de voornaamste. Hij schonk zijn vertrouwen aan personen, die het land verrieden, en ondermijnde daardoor het vertrouwen, dat de natie in hem zelf had gesteld.
Niettemin zouden zijn hooge rang, het gezag der Engelsche vorstin en de steun , dien hij bij de Protestantsche geesteljjk-- heid vond, den ongunstigen indruk van zijn krijgsbeheér wel-
11
JOHAN VAN OLDENBARNEVELÃ.
licht hebben uitgewischt, indien de gebreken van zijn karakter minder groot waren geweest. Zijn gebrek aan menschenkennis deed hem het oor loenen aan personen, die of vreemdelingen waren in de noordelijke gewesten, of zijn gunst en vertrouwen geheel onwaardig. Ilij liet zich door hen tot handelingen verleiden, dio zijn bevoegdheid te buiten gingen en in strijd waren met de voorwaarden der landvoogdij. Om personen en maatregelen te handhaven, vergunde hij aan ondergeschikte volgelingen stappen, die hij niet wist te verdedigen, noch tegen Holland staande te houden. Dubbelhartig man in woord en daad, steunde hij zijne vrienden niet, maar verloochende ze, en de werktuigen, die hij voor zijn geheime plannen had gebruikt, liet hij onverdedigd vallen.
De kracht des karakters was geheel aan de zijde van Holland, waar Oldenbarnevelt zetelde. Zonder zich te bekommeren om den band van een Unie, die de andere gewesten niet weerhield, hun macht, waarvan de redding van den Staat afhing, te ondermijnen, organiseerden de Staten het bestuur en het krijgswezen van hun gewest op zelfstandige en krachtige wijze. De regentenaristocratie in Holland, door Oldenbarnevelt geleid, onderdrukte de kerkelijke democratie, die op staatkundig gebied ten gunste der Leicestersche plannen zich deed gelden. Zonder aanzien des persoons trof zij hare tegenstanders en steunde zij hare aanhangers. Het vertrouwen, dat kracht en vastberadenheid schenkt, sloot de partij van Holland aaneen, terwijl strijd van belangen en verschil van inzicht die van Leicester verdeelden.
Door zijn meesteresse gebrekkig ondersteund, door de fortuin op het oorlogstooneel verlaten, ondermijnd door de afkeuring., die Elizabeth aan vele zijner maatregelen schonk, en de dubbelhartigheid van zijn eigen karakter, voerde Leicester, partijhoofd in plaats van het hoofd der natie, een strijd tegen het machtigste gewest, met behulp van landprovinciën, naijverig op Holland en gedreven door den kerkdijken ijver van Cal-
12
JOH ANquot; VAN OLDEtfBAKNEYELT.
vinistische geestelijken en geloovigen. Toen ook deze steun hem ontzonk, was hij geslagen.
Elizabeth zelve ontnam hem dien. De sluwheid der Spaansche diplomatie had haar verleid om naar vredesvoorslagen te luisteren, terwijl allerwegen in het gebied van Filips II de schepen werden getimmerd, die de Armada zouden vormen, bestemd om ook Engeland te onderwerpen. Leicester, hoe afkeerig zelf van den vrede, was gedwongen, namens zijne vorstin aan de
Staten dezer landen de voorslagen der vredesonderhandeling1
....
te doen. Zij brachten aan zijn populariteit den nekslag toe.. I Zelfs de Calvinistische ijveraars moesten zich scharen aan de zijde der Hollandsche regenten, die, hoe libertijnsch en onge-loovig ook, van geen vrede met den vijand, den vijand van hun geloof, wilden hoeren. Slachtoffer van eigen onverstand en van staatkundige inzichten, die hij niet deelde, vluchtte Leicester uit het land, dat hij twee jaar te voren mot zoo grootsche vooruitzichten was binnengetreden. Hij werd door t niemand meer begeerd, omdat hij allen had teleurgesteld.
II
Allen teleurgesteld â dat woord zou niet gelden van hem, die na 1588 gedurende een tal van jaren de eerste plaats op het tooneel der gebeurtenissen ging innemen.
De Advocaat van Holland had den strijd tegen Leicester geleid, de Staten waren, aarzelende somwijlen, hem gevolgd.
Zijn overwinning was hun zege, het welslagen van zijn leiding werd de grondslag van hun macht en tevens van zijn blij-venden invloed.
1588 is het geboortejaar der Nederlandsche Republiek.
plaats van den vroegeren landsheer treden voortaan de Staten op. Elk denkbeeld om deze landen aan een nieuwen meester op te dragen, is voorgoed verlaten. De Staten erkennen niemand boven zich, achten zich zeiven de gelijken van buitenlandsche heerschers.
13
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
Aanvankelijk wordt het uitvoerend bewind aan een Staatsraad toevertrouwd. Maar reeds na vier jaar komt er verandering. De klem van het bestuur wordt overgebracht naar de Algemeene Staten, die na 1593 niet meer uiteengaan, maar permanent vergaderen.
In deze vergadering der Algemeene Staten, samengesteld uit gelastigden der verschillende gewesten, is, tot de laatste jaren van Oldenbarnevelt's bestier, de invloed van Holland -overwegend. De staatseenheid zocht hij wel te verkrijgen door aan alle groote en kleine deelen der Unie gelijke rf
te kennen, maar tevens door Holland, het eerste
vermogen en welvaart, tot het heerschende in de Unie te maken.
Het is dit overwicht van Holland, dat na 1588 zich ontwikkelt. Oldenbarnevelt is de staatsman, die het geordend en geregeld heeft. Ten deele voortzetting van de politiek, die Willem I had gevolgd, ten deele met noodzakelijkheid voortgesproten uit den loop der gebeurtenissen, is deze staatsorde ingevoerd en aangenomen, zonder dat de bevolking zich verzet heeft. Hoe onhandelbaar de staatsmachine met haar samengesteld raderwerk ook schijnen mocht, het bleek dat de hand, die ze inéén had gezet, ook in staat was ze te besturen.
Er is dikwijls gevraagd, waaraan Oldenbarnevelt dien grooten en beslisten invloed gedurende zoo vele jaren heeft te danken gehad. Het belang der regentenaristocratie, die door hem tot heerschende macht in den staat werd verheven, heeft zeker persoonlijk velen aan hem gehecht. Maar hechter en duurzamer grondslagen van blij venden, ja stijgenden invloed verzekerden hem zijn voorzichtig beleid, zijn veelzijdige kennis, zijn diep staatkundig inzicht en de rijke vruchten, die zijn arbeid voor den staat droeg.
De strijd met den Engelschen landvoogd had helderder dan te voren èn zijn veelzijdige bekwaamheid èn het doortastende van zijn karakter aan het licht gebracht. Zijn nauwkeurige kennis, die tot in kleinigheden afdaalde, in algemeene belangen
14
JOH AN VAN OLDENBARNEVELT.
zoowel als in eigen zaken, verschafte hem vanzelf overwicht in eene vergadering, wier leden telkens afwisselden. Hij werd en bleef de vraagbaak van hen, die kwamen. Ofschoon heerschzuchtig on zijn wil aan anderen willende opleggen, bleef hij in de jaren zijner mannelijke kracht zich steeds meester. Aan het groot talent, om in de wijze van voorstellen het licht steeds te werpen op die zijde der kwestie, die hij voor oogen wilde stellen, paarde hij een zeldzame overredingskracht, die zich wist te doen gelden en te wijzigen naar den aard van hem, dien hij zocht te winnen. âDe heer O. wilde mij wijs maken, wit zwart te zijn,quot; vertelde eens Berck. Als advocaat van de Staten van Holland was niet alleen de leiding der bijeenkomst maar ook die van de zaken hem toevertrouwd. De voorbereiding van de werkzaamheden, de leiding hunner vergadering en de uitvoering van het door hen beslotene, het rustte alles in zijn hand. âZijn manier van handelen,quot; getuigde Hugo de Groot, âwas verwonderlijk: zoo om den eerbied, dien hij den Stateii bewees, als om de bescheidenheid en bedaardheid, waarmede hij de verschillende gevoelens aanhoorde, de redenen ter wederzijde wikte en woog en tot eenparigheid bracht.quot; Hij bleef in den vorm de dienaar der vergadering, wier hoofd en ziel hij inderdaad was. Vergaderingen als individuen willen wel geleid worden, mits men in den vorm haar zelfstandigheid eerbiedige.
Met de vestiging der nieuwe staatsorde, ja onmiddellijk na 1588, breidde zijn insloed zich over ruimer kring uit, dan de vergaderzaal van Holland omvatte. In 1589 werd hij tot ordinair lid der Staten-Generaal aangewezen, en onmiddellijk was ook hier zijn overwicht zoo beslissend, dat het allen be^ heerschte. Heeds in 1589 verwijten de Engelsche ministers de Staten, dat de advocaat âalles gouverneert, dat niemand hem durft tegenspreken, nauwelijks adviseeren.quot; Gelijk toen, was het twintig jaar later. In 1609 was Oldenbarnevelt eens ziek. Een der vreemde ministers berichtte zijn hof: âinmiddels
15
JOH AX VAN OLDENBA.RNEVELT.
vergaderen de Staten niet; alle zaken, hoe dringend ook, staan stil.quot; De vreemdelingen waren goed ingelicht. Toen in later jaren aller handen zich tegen den gevallen staatsman verhieven, kon zelfs Hugo de Groot, om de overdrijving der tegenpartij te weerleggen, geen sterker verklaring afleggen dan deze: âzijn autoriteit is ook zoo groot niet geweest, of ik en anderen hebben dikwijls in de vergadering adviezen gegeven, die van de zjjne verschilden.quot; Men durfde in meening van hem verschillen â dat was alles.
Ongeveer dertig jaar lang heeft Oldenbarnevelt deze groote macht bezeten; omstreeks dertig jaar heeft zijn woord, als dat van geen ander, in de Republiek gegolden. Bij den eersten oogopslag bevreemdend, komt die lange duur bij nader bezien slechts begrijpelijk voor. Waar een staatkundig beleid vruchten draagt als het zijne, is het niet dan natuurlijk, dat de tijdgenoot hot hoofd buig.t.
Zelden is sneller en grooter verandering in het aanzien van een volk tot stand gekomen, dan in het eerste twaalftal jaren der Nederlandsche Republiek. Toen Oldenbarnevelt in de Staten-Generaal optrad, werd de staat van alle kanten door een zegevierenden vijand bedreigd: verraad ondermijnde de veiligheid van vestingen en steden, en' vertrouwen op een krachtig hoofd, hetzjj persoon of college, werd niet aangetroffen. De advocaat van Holland greep het roer van staat, en alles veranderde: het verzet werd onderdrukt, de trouw der aanhangers beloond, vriend en vijand gedrongen tot de erkenning van een macht, die wist te heerschen. De beperkende maatregelen tegen handel en zeevaart vielen weg, en beide herleefden. Welk een ommekeer in luttele jaren tijds! Dank der krachtige energie, die van het hoofd tot de leden zich uitstrekte, namen beide, handel en zeevaart, een vlucht, die door geen andere handeldrijvende natie werd ge-evenaard. De Hollandsche schepen werden in de haven van
16
JOHAN VAX OLDENBA.RNEVELT.
Archangel, zoo goed als in de Levant gezien: de waren van het noorden voerden zij naar het zuiden, die van het oosten naar het westen. Voor de Europeesche vrachtvaarders was geen zee te hol, geen land te- ver, naar het scheen. Als de Portugeesche havens hun werden gesloten en hun schepen verbeurd verklaard, voeren zij naar de Kaapverdische eilanden om het zout te halen, dat de markt van Lissabon hun weigerde, en richtten zij den steven om de Oostindisohe specerijen te zoeken daar waar zij groeien. In 1602 verrees de Oost-indische Compagnie; eene niet mindere bedreiging voor Spanje, naar de Admirant van Arragon zeide, dan de Unie van Utrecht. De handel bekostigde den krijg, en de krijg breidde den handel uit. De winsten, die ondernemingsgeest en handelsbeleid verschaften, stortten over dit kleine hoekje gronds een overmaat van welvaart en rijkdom uit, die de vreemdeling met naijverigen blik bewonderde. Holland en Zeeland alleen hadden meer schepen en bootsgezellen dan het geheele koninkrijk van Engeland. Terwijl in het eertijds zoo bloeiende Vlaanderen de wolven rondzwierven en in Antwerpen geld werd toegegeven, mits de huizen bewoond wierden, vermeerderde door den vrijen handel, door de veiligheid van personen en de zekerheid van den eigendom, waarvoor de krachtige hand der Statemegeering waakte, de bevolking in Holland en Westvriesland tot zesmaal honderdduizend menschen: een vijfde deel van de bevolking, die vijftig jaar vroeger aan al de zeventien Nederlandsche gewesten was toegekend.
Met de welvaart en het vermogen der Republiek houdt de uitbreiding der grenzen gelijken tred. In den loop der weinige jaren is het grondgebied van den staat vermeerderd met de provinciën Overijsel, Gelderland, Groningen, Drente. Van een defensieven krijg is de oorlog een offensieve geworden; en als de nieuwe eeuw wordt binnengetreden, is de scheiding ook der Zuidelijke Nederlanden van Spanje tot stand gekomen en op het slagveld van Nieuwpoort de overwinning behaald, die
2
17
JOIIAX VAN OLDEXBAKNEVELT.
den grooten veldlieer en den staat, welken hij dient, met gelijken roem overlaadt.
Hulpeloos en krachteloos staat in 1588 de jonge Republiek tegenover de groote mogendheden van Europa. Na twaalf jaar neemt zij haar plaats naast hen in. In Oldenharnevelt's hand rusten do draden der diplomatieke onderhandelingen, die den grooten omkeer hebben tot stand gebracht. Hij is het, die de beraadslagingen met de gezanten leidt, tot wien de vreemde diplomaten in den Haag zich wenden, die met de vorsten te Parijs en Londen schriftelijk en mondeling spreekt. Hij is het, die Engeland en Frankrijk met de Kepubiiek verbindt tegen Spanje, en het Europeesch verzet tegen het huis van Habsburg voorbereidt, dat de volgende eeuw zal zien slagen. Herhaaldelijk heeft hij zelf de gewichtigste zendingen vervuld, en persoonlijk de belangen van den staat bij Hendrik IVquot; en Elizabeth bepleit en voorgestaan.
Het is de krachtige hand van den advocaat van Holland, die in het binnenland het nieuwe bestuur grondvest, door zijn voortreffelijke maatregelen de krachtige krijgvoering mogelijk maakt, en de erkenning der Kepubiiek van de kabinetten van Europa afdwingt door de macht en den bloei, waartoe de staat onder zijn leiding zich verheft. Nooit heeft een staatsman het vertrouwen, dat hem werd geschonken, beter gerechtvaardigd dan hij. ïal van bekwame mannen staan naast hem, maar niet één is met hem te vergelijken; niet cén, wiens gezag voor het zijne niet onderdeed.
Slechts één enkele is er, die er aan denken kan. Slechts één naam, die, zoo al niet in de raadzaal, daar buiten in de dankbare waardeering des volks met hem gelijk, ja menigmaal boven hem wordt genoemd.
Het is Maurits, de zoon van Willem den Zwijger: Maurits, wiens veldheerstalent de ijzeren arm is, waarmede de Republiek op het slagveld de plaats verovert, die aan haar macht en kracht toekomt Hij is niet een dier geniale mannen, die
18
JOH AN VAN OLDENB A.ENEYELT.
reeds bij den aanvang verraden, wat zij zijn zullen. Hij is een dier vlijtige naturen, die door studie en oefening hunf meesterschap verwerven. Toen hij als Stadhouder van Ilollandl aan het hoofd des legers trad, was de krijgsdienst een onordelijk', ongebonden rooversbedrijf. Van krijgstucht was weinig-sprake, van oefening der troepen nog minder. Door de voorlichting van Willem Lodewijk van Friesland leerde hij de^j geschriften der ouden over krijgswetenschap kennen. Aan hem dankte hij zijn inzicht in de waarde van exercitiën, van-' oefeningen in het schieten, van vaardigheid in veldarbeid, het delven, het graven, het opwerpen van schansen, njj-quot; hervormde het krijgswezen der Republiek en deed den uit--slag van den krijg niet meer van het goed geluk afhangen, maar ook van beleid en wetenschap. Hij voerde den krijg,quot; gelijk hij met Simon Stevin zijn schaakspel speelde. Als zijn tegenstander was verslagen, deed Maurits hem beleefdelijk uitgeleide; had hij gewonnen, dan mocht hij zijn eigen weg zoeken. Het was Maurits niet om de kunst, maar om het winnen te doen.
Nog in 1589 had Elizabeth spottende gevraagd: welken veldheer de Republiek had aan te wijzen? De volgende jaren gaven het antwoord. De veldtocht van 1591 werd de grondslag van Maurits' roem. Een aantal gewichtige plaatsen werden door hem vermeesterd, door stoute en snelle marschen
l'0jl
werd den vijand het hoofd geboden. Zutphen, Deventer, Coevorden, Hulst en Nijmegen moesten de poorten voor hem openen. Zelfs Parma's roem werd door hem bedreigd; de ruiterbenden van den grooten tegenstander werden door hem verslagen en Parma zelf werd tot den aftocht gedwongen. De Uscl-linie en de sleutel van de Maas waren in één veldtocht door hem bemachtigd en de onderwerping van Groningen, die weinige jaren later volgde, voorbereid. Het was de eerste van een rij van campagnes, die de bevrijding van het grondgebied der Unie voltooiden. Schitterend bovenal was de veld-
1!)
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
tocht van 1597. In drie maanden veroverde hij negen steden en vijf kasteelen, en voegde hij het platteland van Zutphen en Twente, Drente en de Ommelanden aan den tuin der zeven provinciën toe.
Met elke overwinning steeg de roem van den zoon des Zwijgers. Al zocht Maurits de gunst der menigte niet, zij kwam hem met toejuiching en bewondering te gemoet. Slechts de zege bij Nieuwpoort kon den luister zijner wapenfeiten verhoogen. Als de eerste veldheer zijns tijds stond hij naast Oldunbarnevelt aan het hoofd van den staat: de groote krijgsheld naast den genialen staatsman der Republiek.
III
Den 9den April 1009 werd te Antwerpen het Twaalfjarig Bestand gesloten. De Vereenigde Nederlanden werden door den koning van Spanje en de aartshertogen voor vrije landen erkend, van welke zij niets te eischen hadden.
Den vroegeren landheer en erfvijand tot zulk een erkentenis te hebben gedwongen, mocht een roem heeten voor de hoofden der Republiek. Het was de vrucht hunner gemeenschappelijke inspanning, .der trouwe toewijding aller krachten aan het belang des lands.
Toch was dit schitterend resultaat geen stof van eenstemmige vreugde, maar de aanleiding tot jammerlijke twist en tweedracht. Het oppermachtige Holland had het Bestand door-: gedreven tegen den zin eener krachtige partij, aan wier hoofd Maurits en Zeeland stonden. âWij hebben den vrede noodig, de finantiën zijn uitgeput, de staat is verlaten door bondge-nooten, wij kunnen den strijd niet voortzetten, verademing is onmisbaar.quot; Zoo had Oldenbarnevelt gepleit, doch tevergeefs. Maurits was niet overtuigd. âHet Bestand maakt de landen Spaansch,quot; had hij aan Hendrik IV geschreven. âAan het einde zal de koning van Spanje machtiger, de bevolking den strijd ontwend, de Republiek door minder krachtige bondge-
20
JOHAN VAN OLDENBAKNEVELT.
nooten gesteund zijn.quot; Slechts ter elfder ure h.id hij toegegeven. Maar de fiere krijgsman , die op geen slagveld was geslngen, kon het niet verdragen noch vergeten, dat hij door den staatsman was overwonnen.
Te minder, omdat hot niet de eerste grief was, die hij tegen den advocaat van Holland koesterde. Onder de lauweren van den krijg was het zaad der verdeeldheid welig opgeschoten. Groot waren de verdiensten van Oldenbarnevelt jegens het huis van Oranje, zoo groot, dat, volgens het woord van Louise de Coligny, âzij hem wel mochten houden niet als hun vriend, maar als hun vader.quot; De belangen van de weduwe des Zwijgers en van zijn kinderen had hij behartigd. 11 ij had, na Willem's dood, de grafelijke waardigheid aan Maurits willen overdragen; door hem was Maurits Stadhouder, eerst van Holland en Zeeland, later ook van Gelderland, Utrecht en Ovenjsel geworden. De inkomsten van Maurits waren, vooral door zijn zorg, aanmerkelijk vermeerderd. Jarenlang had de staatsman den krijgsman wakker ondersteund en hem in staat gesteld zijne plannen tot bevrijding der Republiek uit te voeren. Jarenlang was Maurits gewillig hem ter zijde gegaan, had hjj zijn raadgevingen ontvangen, zijn inmenging ook in krijgszaken verdragen, zonder van zijne zijde het staatkundig terrein, waar Oldenbarnevelt meester was, te betreden.
Maar de verhouding was veranderd. De onbekende zoon des Zwijgers was een beroemd veldheer geworden, onder wiens vanen vreemdelingen samenstroomden om de kunst des ooidogs te leeren. Zijn hofhouding was schitterend: een stoet van Fransche en Duitsche edellieden volgde hem, dagelijks stond zijn disch voor honderden bereid. Wat hij vroeger had verdragen, de voortdurende inmenging der Staten en van den advocaat in de zaken van den krijg, het begon hem te hinderen toen hij zich van zijne krachten bewust was en het gewicht zijner diensten gevoelde. Militair en geen staatsman, gewend aan militaire tucht en niet naijverig op politieken invloed,
21
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
kon hij niettemin jarenlang met Oldenbarnevelt samenwerken en, zij het ook morrende, buigen voor consideratiën, die hij gering achtte. Maar met het stijgen van zijn roem vermeerderde natuurlijk de ongeneigdheid tot het volgen van niet-militairen, en verdroeg hij onwilliger een invloed, die wettig mocht zijn en daarom gehoorzaamd werd, maar niettemin lijnrecht streed met zijn inzicht en hem dwong tot handelingen, die hij onverholen afkeurde.
Het is een dier militaire ondernemingen, die eindelijk tot een botsing leidde. De tocht tegen Duinkerken, in strijd met zijn advies door Oldenbarnevelt en de Staten hem opgedragen, verstoorde de eendracht. Zij werd nooit meer hersteld. Wantrouwen verwijderde de mannen, die beiden voor de Republiek onmisbaar waren. De veldheer zag persoonlijke vijandschap, waar zuinigheid hem belemmerde de vleugels krachtig uit te slaan: miskenning, als politieke overwegingen hem den weg voorschreven, waar hij zelfstandig wilde optreden. En Oldenbarnevelt? Hij heeft het bij een zijner verhoeren bekend: âhij begon in dezen tijd te duchten, dat de Prins zich tot souverein wilde verheffen.quot;
Siet altijd had Oldenbarnevelt voor een verheffing van Mau-rits vrees gekoesterd. In 1598 had Hendrik IVquot; herhaaldelijk op de noodzakelijkheid gewezen, een verandering in den staatsvorm te maken. Hij wilde, dat Prins Maurits heer van Nederland werd: âonder de regeering van een vorst konden alle zwarigheden beter worden weerstaan, dan onder de regeering der Staten.quot; Ook de Engelsche koningin sprak in gelijkenx'' geest. Oldenbarnevelt had die adviezen trouw aan de Staten medegedeeld, wat zeker niet ware geschied, zoo hij er tegen was gekant geweest.
Hoe kon het ook anders? Niemand kende de gebreken van den staatsvorm beter dan hij. Nog in 1607 sprak hij het uit: âIndien wij niet een regeering maecken met behoorlijke autoriteit om de landen te regeeren, zoo moeten wij verloren
22
.TOHA.K VAN O LD E X BA R X EVE LX.
gaan: want geen Republiek kan bestaan, zonder goede orde, in de generaele regeering.quot;
Toch heeft hij toen noch later er de hand toe geleend, integendeel, de uitvoering tegengewerkt. Het kost aan jongen in leeftijd moeite afstand te doen van gezag, maar nog meer aan ouderen van dagen. Het gebouw, dat men heeft opge-1 richt, sloopt niemand vrijwillig om zich onder de puinhoopen te begraven.
De verheffing van den Prins tot eminent hoofd van den staat, onder welken titel en in welke vormen ook, kon voor Oldenbarnevelt niets aantrekkelijks hebben, sinds de vriendschappelijke verhouding tot Maurits had opgehouden. Hij kon aan invloed slechts verliezen. Ook indien hem in de nieuwe staatsorde, naar hij verwachten mocht, een aanzienlijke plaats werd ingeruimd; Maurits als graaf of het hoofd van een raad der Unie â beide denkbeelden waren geopperd â zou niet bij voorkeur zich door den ouden staatsman laten leiden, wien hij niet meer vertrouwde. De verheffing van den Prins was, een abdicatie van Oldenbarnevelt, ook al had hij ze zelf tot* stand gebracht.
Doch niet persoonlijk belang alleen, ook het belang van den staat 'scheen hem verzet voor te schrijven. Onder de regenten waren er velen, die, als Hooft, burgemeester van Amsterdam, oordeelden, dat de opstand niet met de aanneming van een nieuwen meester, in plaats van den ouden, mocht eindigen. De Staten wilden de macht behouden, die zij verworven hadden, l. Heftige verwijten waren er reeds gehoord tegen de eerzucht der Nassau's. Indien Oldenbarnevelt had gewild, zou hij zeker ook thans dien tegenstand hebben kunnen breken. Maar voor wien zou hij gewild hebben ? In heftige bewoordingen had Maurits zich tegen de beperkende conditiën verklaard, waaronder zijn vader de grafelijkheid van Holland had aangenomen; liever dan deze aan te nemen, zou hij zich van den Haagschen toren te pletteren werpen. Kon Oldenbarnevelt de hand leenen,
23
J OHAX VAN OLDENBARNEVELT.
om een meer absoluut gezag aan den Prins op te dragen, hij, die de Statenregeering had gegrondvest, hij, die door Maurits niet meer word vertrouwd?
En toch was een verandering noodzakelijk, zoowel voor den staat, als voor de personen. Het overwicht van Holland zou in vredestijd niet worden geëerbiedigd, en hoe dan de moeielijk-heden, die met zekerheid te voorzien waren, te slechten, zoo er een krachtige centrale regeering ontbrak? De twee hoofden van den staat, het politieke en hot militaire, waren beiden te groot, om in elkanders schaduw te staan. Een regeling der verhoudingen kon èn de eenheid in den staat èn den ongestoor-den -voortduur hunner diensten aan de Republiek verzekeren.
In 1G02 openbaarde zich in Zeeland een beweging, die de verheffing van Maurits tot graaf bedoelde. Er hadden samenkomsten van Zeeuwsche en Hollandsche staatslieden plaats, waaraan ook Oldenbarnevelt doel nam. De voorzichtige advocaat streefde niet openlijk tegen, maar vereenigde zich met hen, die bezwaren opperden. Bij de vredesondeihandelingen in 1607
vam het denkbeeld opnieuw ter sprake. Naar sommigen willen, zou zelfs Louise de Coligny er zich rechtstreeks in gemengd en Oldenbarnevelt er over gesproken hebben. De staatsman overreedde haar, dat Maurits' verheffing voor dezen en zijn geslacht onnoodig, ja zelfs nadeelig was. Met een norsch stilzwijgen zou de Prins uit haar mond de mededeeling van het advies hebben ontvangen. Slechts een enkel koel woord bewees, dat hij anders oordeelde.
Was bet te verwonderen? De overwinnaar van Turnhout en Nieuwpoort mocht, zonder zelfverheffing, gevoelen, dat het zijn zwaard was, dat de Kepubliek had bevrijd. Zijn naam werd in de Indien geëerd als van den souverein dezer landen. En wat was hij inderdaad? Niets dan de dienaar der Staten, van de vertegenwoordigers der vroedschappen. Geldelijke belooningen waren hem herhaaldelijk geschonken, maar zijn positie in den staat was een volkomen valsche. In de waardeering der natie
24
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
en van Europa stond hij op de eerste, in de hierarchie dei-staatsorde op een ondergeschikte plaats.
Indien Maurits een politiek eerzuchtige ware geweest, de gewelddadige uitbarsting had veel vroeger plaats gegrepen. Had hij met geweld willen eischen, wat, ook op grond der vaderlijke aanspraken , hij zijn gerechtigd aandeel mocht achten, het leger zou hem, als Caesar en Cromwell, zijn gevolgd. Maar een staats-man was hij niet en een eerzuchtige evenmin. Reeds in 1598 had do Fransche gezant hem genoemd âuiterst traag in het aan-leeren van de kunst, waarin zijn vader zoozeer had uitgemunt.quot; Hij was stadhouder van vijf' gewesten en veldheer der Unie en vroeg niets dan eerbiediging der rechten, die hij als zoodanig de zijne achtte. Het gevoel van miskenning rtiocht hem drukken, hy zou de man niet zijn, die met geweld zou nemen, wat het wantrouwen en het eigenbelang hem weigerde.
Heeft Oldenbarnevelt op die eerlijkheid en trouw van dit stuursche maar mannelijke karakter gerekend, toen hij Maurits' verheffing tegenhield ? Dan heeft hij zijn tegenstander billijk beoordeeld. Maar hij heeft in zijn berekening gefaald, als hi' i achtte, dat Maurits' militair plichtbesef en geringe ambitie aan hem en aan Holland het voortdurend overwicht in de Republiek verzekerden.
Holland's overwicht onder Oldenbarnevelt's leiding was den geheelen staat ten goede gekomen tijdens den krijg, maar in' vredestijd had het geen recht van bestaan meer. De oude 1 vijandschap der landprovinciën tegen Holland herleefde en was krachtiger dan in de dagen van Leicester, omdat zij geen hulp meer behoefden tegen den vijand. Zij waren vrij en onafhankelijk als Holland, en eischten thans een gelijk deel inde rechten, door de Unie haar verzekerd. Bij het sluiten van het Bestand ving de reactie, de worsteling, aan. De landprovinciën, als eertijds onder Leicester, begonnen den overwegenden invloed van Holland en Zeeland te betwisten.
Wel nooit zou die strijd den omvang en de beteekenis hebben
JOHA.N VAX OLDEXB A KNEVELT.
gekregen, die hij erlangde, indien hij tot het staatkundig terrein ware beperkt. Maar de oude vijand van Holland en den advocaat, kerkelijke onverdraagzaamheid, blies het twistvuur aan,' tot het in helle vlammen den vrede in staat en huisgezin verteerde.
In de Hervormde Kerk was verschil van gevoelen. Arminius en Gomarus bestreden elkander, nog heftiger hun aanhangers en volgelingen. Praedestinatie of vrije wil was het vraagstuk, ! dat dit geslacht, als zoo veel vroegere en latere, in beroering bracht. Men streed voor eigen meening en meende voor de eere Gods te kampen. Vooral in Holland stonden Remonstranten en Contra-remonstranten tegenover elkander. In Holland werd dan ook de beslissing gevraagd. De predikanten eischten een synode, een nationale, omdat de waarheid niet een enkel gewest maar het geheele volk betrof.
Doch de Staten van Holland noch Oldenbarnevelt wilden van een synode weten, en wol het allerminst van een nationale. De religie was volgens de Unie een provinciale kwestie. Zij wilden nu, evenmin als voor twintig jaar, een nationale synode, omdat zij geen nationale kerk verlangden. De Statenregeering was bevreesd èn voor een onafhankelijkheid der kerk, die aan haar eigen gezag gevaarlijk zou zijn, èn voor een scheuring in de kerk, die voor den staat nadeelig zou wezen. Zij weigerden de eischen der kerkdijken en schreven verdraagzaamheid voor.
Doch een gezindheid des harten laat zich niet bevelen, niet voorschrijven. Elke bezielende overtuiging is proselytenmaakster van nature. Wie voor de eere Gods meent te strijden, kan niet vrijgevig zijn met de waarheid, die hij belijdt. De Staten van Holland, die verdraagzaamheid eischten, stilzwijgen over de geschilpunten voorschreven en in dezelfde kerk wilden behouden mannen, die elkander verdoemden, schonden in de oogen van duizenden de vrijheid des gewetens, waarvoor de strijd tegen Spanje was aangevangen. âGemoedsbezwarenquot; en âverdrukking der minderheidquot; zijn termen, die te allen tijde de groote menigte in beroering brengen.
26
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
Was de godsdienstkwestie een provinciale of een nationale? Was de waarheid alleen van belang voor de bewoners van Eolland, of voor al de inwoners der TInie?
Het antwoord kon niet twijfelachtig zijn, en de Algemeene Staten schaarden zich aan de zijde der kerk, kozen partij tegen Holland.
Doch het fiere gewest en zijn leidsman bukten niet. Uit verdraagzaamheid werd het onverdraagzaam, vervolgziek. Wie niet zwijgen wilde over de twistpunten, zag zich don kanseli ontzegd. Godsdienstvervolging had plaats in Holland. Dooiden tegenstand geprikkeld, dreef Oldenbarnevelt maatregel op maatregel door, en schrikte voor geen dwang meer terug. Geweld van wapenen zou de onwilligen tot gehoorzaamheid, tot verdraagzaamheid dwingen.
Een tijdlang had Maurits den strijd aangezien, zonder er deel aan te nemen. Zijn godsdienstige overtuiging leidde hem tot de C o n t r a - ie m on s tra n t e n. die hij de ware vrienden zijns vaders| noemde. Toch duurde het lang, eer hij aan de twisten deel nam ; hij hield zich onzijdig en vermaande tot bevrediging. Doch toen de Contra-remonstranten werden verdrukt, hun predikanten geweerd en vervolgd, kwam hij voor hen op en koos openljjk partij. Den eisch, om tegen hen zijn militair gezag aan te wenden, sloeg hij af: âhij had gezworen, de gereformeerde religie te beschermen; dien eed zou hjj handhaven, zoolang hij leefde.quot;
Die weigering was een crisis. Zou Holland, door zijn Stadhouder verlaten, voor de Algemeene Staten, den Stadhoudet en de kerkelijken zwichten? Oldenbarnevelt dacht er niet aan. Den 4 Aug. 1617 werd, op zjjn voorstel, fa Scherpe Resolutie genomen. Zij schiep een krijgsmacht naast de bestaande onder den kapitein-generaal; zij bedreigde de soldaten der Unie met afdanking, zoo zij hun diensten weigerden; zij verbood aan hoven en rechtbanken, voor de vervolgden op te treden.
Van dat oogenblik af was elk uitzicht op vrede verdwenen. Slechts geweld kon beslissen wie heerschen zou: de Unie of
27
J OII AN V AN OLDEXBARNEVELT.
Holland, Maurits of Oldonbarnevelt. De coup d'etat van Augustus 1G18 bracht die beslissing.
Zoo viel de groote staatsman, die geleefd en gestreden had voor het overwicht van Holland, als slachtoffer van het beginsel waaraan hij zijn loven had gewijd. Zijn verwijdering was een noodzakelijkheid geworden; zijn terechtstelling een onrechtvaardigheid, een daad van schandelijken ondank. Toen hij op het schavot op het Binnenhof was gekomen, sloeg hij de oogen ten hemel en riep hij de omstanders toe: âMannen, gelooft niet, dat ik een landverrader ben; ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot en die sterf ik.quot; Dat woord was de volle waarheid. Hij was de dienaar van zijn vaderland geweest een geheel leven lang, en viel als martelaar.
âEen man van grooten bedrijve, arbeidzaamheid, geheugen en beleid, ja, buitengewoon in alles. Die staat, zie toe dat hij niet valle: God zij zijner ziele genadig.quot; Dit zijn de woorden, waarmede de Staten van Holland op den dag zijner terechtstelling hun ouden dienaar en leider gedachten.
IV
Het schavot, waarop de advocaat van Holland den dood had geleden, heeft slechts korten tijd gestaan. Maar noch de tijdgenoot, noch de volgende geslachten hebben het ooit vergeten. De dood van Oldenbarnevelt is nooit vergeven. Nog ten huldigen dage drukt hij de nagedachtenis van allen, die er toe medewerkten. De wereldgeschiedenis kent tal van politieke terechtstellingen, maar weinige, die zoo onverdedigbaar zijn als deze. Zelfs de heftigste tegenstander van zijn persoon en zijn staatkunde weet ze niet te rechtvaardigen.
In het vonnis, dat over den advocaat van Holland werd uitgesproken, werd hij aan tal van zaken schuldig verklaard. Hij had den stand der religie in verwarring gebracht; zich zelf, tegenover het buitenland, de autoriteit van het land
2S
JOH AX VAN OLDENBARNEVELT.
aangematigd; wantrouwen en tweedracht tusschen do gewesten verwekt; het krijgsvolk aan de gehoorzaamheid der Staten-Generaal onttrokken; hij had, in één woord, een staat in een staat, een regeering in een regeering opgericht.
Het is geheel onnoodig, al deze bescliuldigingen in bijzonderheden na te gaan. Want de beoordeeling van de juistheid of onjuistheid is geheel afhankelijk van de ééne vraag: of Holland, onder zijn leiding, een enkelen stap heeft gedaan, waartoe het rechtens onbevoegd was? Waren de Provinciën souverein of waren de Generale Staten de souvereinen des lands? Het antwoord kan geen oogenblik twijfelachtig zijn. Geen der Geüniëerde gewesten had ooit zijn souvereiniteit aan een college van Generale Staten afgestaan. De Unie van Utrecht was een militair verbond tot verdediging tegen Spanje, geen grondwet van staat. De enkele punten, waaromtrent de leden afstand hadden gedaan van een deel hunner zelfstandige macht, waren uitdrukkelijk aangewezen. Het punt der religie was met name uitgezonderd.
In de kerkelijke kwestie hadden Oldenbarnevelt en zijn aanhangers bij uitstek onvoorzichtig, ja roekeloos gehandeld. Zij hadden iti een zaak des gewetens gewold aangewend. Do scherpe resolutie was geen misdaad, maar erger, naar Talleyrand's woord, zij was een politieke fout. Al deze bepalingen, op ééne uitzondering na, hadden de Staten van Holland het recht om vast te stellen, maar geen enkele hadden zij be-hooren te maken. Het was een uittarting van de andere provinciën, die zich tegen Holland hadden verklaard; een bedreiging van het meerendeel der bevolking, dat de contraremonstrantse he gevoelens was toegedaan. Om hun aanhang in de stedelijke vroedschappen staande te houden, namen zij deze gevaarvolle resolutie. Zij wisten, dat de meerderheid des volks tegen haar wras gestemd; de Staten wilden die meerderheid dwingen. Zij betraden den weg van overheersching en despotisme.'
Dat de staatsman, die tot deze dingen had gedreven, ver-
29
JOIIAX VAX OLDENBARXEVELT.
wijderd werd, was alleszins billijk en rechtvaardig. Niet, dat men hem tot schuld en misdaad rekende, wat noch het een noch het ander was.
Oldenbarnevelt had geen staat in den staat, geen regeering in een regoering opgericht. Toen hij aan het bestuur kwam, waren slechts vier gewesten vrij. Van deze was Holland het eenige, dat krachten tot den krijg bezat. Welnu, de leider van Holland had het vermogen van zijn gewest aangewend, om de andere gewesten te verlossen. Wat was er van Gelderland, Overijsel, Groningen geworden, indien hij het nagelaten had?
Een scherpe afbakening van grenzen tusschen Provinciale ⢠Staten en Algemeene Staten had nooit bestaan. De eenheid der Unie bestond slechts in naam. Oldenbarnevelt had ze in werkelijkheid gevestigd: onder hem had Holland geregeerd. Thans wilden do bevrijde gewesten Holland's overwicht, dat hun ver-lossing had gebracht, niet meer erkennen. Het recht kwam hun toe, om eiken invloed te verbreken, die in strijd met hun belangen scheen. Maar niet, om den staatsman te dooden, die Holland's invloed niet ten eigen bate, maar ten dienste van hun vrijheid had gebezigd.
In een zijner verhoeren verklaarde de advocaat: âIk wil de rechters niet beschuldigen; ik kom in een tijd, waarin men andere regels van regeering volgt, dan men plag.quot; Maurits, toen hij deze woorden hoorde, antwoordde: âDe advocaat heeft die grondregels in den staat niet gevonden, maar zoeken in te voeren.quot; Beiden hadden zij ongelijk. Er waren nooit grondregels van regeering in dit opzicht geweest. Het vraagstuk, welke de verhouding was van Provinciale en Algemeene Staten, was nooit geregeld. De Unie van Utrecht had de leden vereenigd âals ééne provincie,quot; maar de verhouding der deelen tot het geheel was nooit vastgesteld. En zij is nooit later beslist. Vandaar de voortduur van den strijd gedurende het geheele bestaan der Republiek.
In het drama van 1618 heeft het persoonlijk element zeer
30
JOH.VX VAX OIjDENBAHNEVELT.
sterk gewogen. Oldenbarnevelt was geen beminnelijk man in den gewonen zin des woords; hij was een heerschzuchtig en hardnekkig heerscher. Toen hij viel, had hij zeventig jaar bereikt: een leeftijd, die zich niet door buigzaamheid kenmerkt. Hij had dertig jaar achter zich van steeds stijgenden invloed en zeldzame successen. Koch het een noch het ander wordt verkregen zonder vjjandschap op te wekken. Oldenbarnevelt had tal van persoonlijke vijanden. Aan zijn staatkunde had hij allen opgeofferd, wier verwijdering hem in het belang des lands noodig scheen. Zij wreekten zich door hem te ondermijnen, door hem te belasteren. Hij heulde met den vijand, hij had zich aan Spanje verkocht, zeide men. En Maurits on de goe gemeente geloofden het. Want do predikanten hadden geen woorden genoeg om den tegenstander van hun invloed en aanmatiging te bezoedelen. Jarenlang had hij, uit afkeer van de geestelijkheid, zich van het Avondmaal onthouden. Met woord en daad had hij de kerkdijken neergedrukt en ondergehouden. Toen hij eindelijk het waagde, de dogmatische waarheid te onderdrukken, was de ure der vergelding, de ure van hun wraak gekomen.
In den laatsten nacht van zijn leven bracht Oldenbarnevelt eenigen tijd met dominé quot;Walaeus door. Het bleek, dat de advocaat, zonder het zelf te weten, in het groote verschilpunt, de leer der praedestinatie, rechtzinnig contra-remonstrantsch was. De staatsman had zijn partij gekozen uit politieke consideratiën. Niet als theologant, maar als advocaat van Holland had hij gehandeld. üe dogmatische kwestie was hem onverschillig, het\ staatsbelang richtte zijn gedragslijn. De kerk mocht den staat i niet overheeren.
In oogenblikken van partijstrijd zegeviert geen kalm overleg, geen rustig nadenken. Dat zijne vijanden den gevreesden advocaat schuldig verklaarden, hem ter dood veroordeelden, laat zich begrijpen. Maar de uitvoering van het vonnis wordt er niet mede verdedigd.
31
JOH AN VAN OLDENBARXEVELT.
Er was geen enkele grond voor. De veroordeelde was een oud man, gebogen onder den last der jaren. Zijn val was de val zijner partij. Do eminente mannen van zijn aanhang waren gevangen of voortvluchtig. Een zuivering der stedelijke regeeringen kon allen machteloos maken, die door talent of moed gevaarlijk voor do overwinnaars konden worden. De terechtstelling was geheel onnoodig. Men behoefde niet te twijfelen: de dood zou hem niet vergeten.
De uitvoering van het doodvonnis was onnoodig, ja meer dan dit. Zij was een daad van de snoodste ondankbaarheid.
Men mocht over de heerschzucht, de tirannie van den advocaat denken zooals men wilde, ze veroordeelen in de hardste termen, die de taal verschafte. Maar ééne zaak hadden zijn vijanden niet moeten vergeten: hij had den staat geregeerd gedurende dertig jaar. Aan zijn staatsmansbeleid had de Republiek haar zelfstandigheid, haar bestaan, haar welvaart, haar aanzien te danken. Welke zijne feilen ook waren, hoe zwaar ook zijne misdrjjven, in de weegschaal van het recht hadden zij te licht moeten zijn tegenover do grootheid en het wicht zijner diensten.
Willem Lodewijk van Nassau, de Friesche Stadhouder, was een zuiver contra-remonstrant. Hy was een hardnekkig tegenstander dor Hollandsche politiek. Aan zijn woord is voor geen klein deel het krachtig optreden van Maurits te danken. Welnu, na het doodvonnis verhief hij zijn stem om tot gematigdheid te manen. In een beroemden brief van 10 April ittJIS wees hij Maurits op hot onvoorzichtige en het ondankbare der terechtstelling. âDe qualiteiten en diensten, eertijds gedaan, behooren in consideratie te komen.quot; Louise de Coligny, de weduwe van den Zwijger, voegde haar vriendelijke stem bij die van den Frieschen Stadhouder. De Fransche gezant pleitte in naam van zijn meester. Andere raadslieden van Maurits, die gewoonlijk zijn vertrouwen genoten, smeekten in gelijken geest. Het was alles tevergeefs. âAls hij eens een opinie in zijn hoofd heeft, is het onmogelijk ze hem te ontnemen,quot;
32
JOIIA.N VAN OLDEXBARNEVELT.
had Louise de Coligny eens over haar stiefzoon geschreven. Het bleek thans, als dikwerf, hoe goed zij hem kende.
De tijd is voorbij, waarin aan persoonlijke heerschzucht en wraakzucht de houding van Maurits werd geweten. Wij erken- ' nen, dat hij naar zijne overtuiging heeft gehandeld. Hij achtte ' zich geroepen, het geloof der vaderen te verdedigen en de Unie te handhaven. Wij zijn zelfs geneigd verder te gaan. âHet ongeluk van den advocaat is mij leed: ik heb hem altijd lief gehad en dikwijls vermaand, anders te doen. Dewijl hij een anderen vorm van regeering heeft zoeken in te voeren, die kerk en staat zou hebben ondergebracht, heb ik mij tegen hem moeten stellen; maar hetgeen hij tegen mij misdaan heeft, vergeef ik hem gaarne.quot; Deze woorden sprak Maurits op den noodlottigen dag, waarop het vonnis werd voltrokken. Hij was volkomen oprecht en te goeder trouw in deze verklaring, maar hij had noch van zijn liefde jegens den advocaat noch van zijn vergevensgezindheid moeten spreken. Het gevoel zijner groote verplichtingen jegens den ouden man, dien hij het schavot liet betreden, had behooren te overheerschen. Maar daarvan was geen sprake.
In den nanacht van 12 Mei 1619 vernam Louise de Coligny, dat het vonnis in den vroegen morgen zou worden uitgevoerd. Zij ijlde naar 's Prinsen woning en verzocht toegang tot tweemaal toe. Tot tweemaal toe werd zij afgewezen. De weduwe zijns vaders kon bij den zoon geen gehoor verkrijgen, de deur bleef voor haar gesloten.
âHeeft hij niet van pardon gesproken?quot; vroeg Maurits dien morgen. âNeen,quot; was het antwoord. De advokaat erkende zich overwonnen, maar niet schuldig.
Door derden had Maurits de vrouw en kinderen van den grijzen staatsman doen aansporen om gratie te vragen. Zij weigerden. Waarom? Maria van Utrecht, de weduwe van den advocaat, zeide het hem vier jaar later. Toen boog de fiere vrouw de knie voor den Stadhouder, om gratie voor den
3
33
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
misdadigen zoon te vragen. âWaarom hebt gij geen genade gevraagd voor uw man?quot; beet Maurits haar toe. âMijn kind heeft misdaan, mijn man was onschuldig.quot;
Slechts op de bede om gratie heeft Maurits gewacht, om ze te verleenen. Maar zonder ontrouw aan overtuiging en beginsel kon zij niet worden gevraagd.
Een groot krijgsman is de zoon des Zwijgers geweest, maar de adel des gemoeds heeft hem ontbroken: hij kon niet grootmoedig zijn. Hij was niet tevreden met zijn zegepraal, hij vroeg zelfvernedering van den overwonnene. God is genadiger voor menschenkinderen dan de mensch.
Het schavot van Oldenbarnevelt is door de tijdgenooten niet vergeten, door zijn aanhang niet vergeven. En het nageslacht kan niet gunstiger oordeelen, want het bloed van den grijsaard is zonder vrucht voor den lande vergoten.
Zelden heeft een volk zich in gunstiger omstandigheden bevonden om een heilrijke staatsverandering tot stand te brengen , dan het onze in 1618. De Nederlandsche landaard is zeker rijk aan deugden, maar heeft toch eenige gebreken, die hinderlijk zijn. Zucht tot uitstel, langzaamheid van beraadslaging kenmerken ons. In 1618 was de macht in handen van enkele personen, die het vertrouwen van het meerendeel der bevolking genoten. De Prins van Oranje, populair door zijn afkomst en zijn eigen verdiensten, werd gesteund door de Hervormde kerk, die in haar eisch om als nationale kerk te gelden, door hem geholpen was. Dc eenheid op kerkelijk gebied zou de eenheid in het staatkundige bevorderd hebben. Bovendien, de strijd met Holland had het hoofdgebrek der Unie aan het licht gebracht, leder wist, waar de fout schuilde. Er was geen centrale regeering, er was feitelijk geen hoofd van den staat, geen persoon of college, dat zich boven de gewesten kon doen gelden. De oplossing was gemakkelijk en zou in deze oogen-blikken op geen verzet zijn afgestuit. De Prins van Oranje
34
.70HAN VAN OLDENBARNEVELT.
moest als eminent hoofd, onder welken titel ook, aan de spits van den staat worden gesteld. Ware eenmaal deze hervorming tot stand gebracht, alle andere verbeteringen zouden geleidelijk gevolgd zijn. De Friesche Stadhouder had geen kinderen, voor wier belangen hij in de hres moest springen. Hij was bloedverwant, en, wat meer zegt, vriend en vereerder van Maurits. Tegen een verheffing van Maurits tot algemeen Stadhouder der Unie zou hij zich niet hebben verzet. Zoo had 1618 een rijke en gezegende vrucht kunnen afwerpen. De eenheid van den staat had den val van Olden-barnevelt dan ten minste politiek gerechtvaardigd.
Het is niet geschied. Naar de redenen kan men gissen. Maurits was geen eerzuchtige in den gewonen zin des woords. Hij was een man van strikte orde en regel, en geen revolutionair. Zou men hem niet van lage baatzucht beschuldigen,; indien zijn verheffing de vrucht zijner handelingen was? Voor het geloof en de Unie was hij opgekomen, niet voor zich zelf. De gezant van Engeland, Carleton, drong er bij hem op aan,, maar zonder gevolg: hij wilde geen verandering in de staatsorde uitlokken.
Om eene nieuwe dynastie te grondvesten, moet, behalve staatkundige, ook persoonlijke ambitie zich doen gelden. En voor wie zou Maurits eerzuchtig zijn geweest? Hij had geen wettige kinderen. Geen zoon zou hom opvolgen in de waardigheid, die hij niet verwerven kon, zonder zijn vijanden tot de meest onteerende beschuldigingen, ten minste schijnbaar, te rechtigen.
Maurits stelde zich tevreden met het feitelijk bezit der oppermacht en liet de wettelijke beslissing achterwege. Onverantwoordelijk was het verzuim. Het schip van staat bleef dobberen op den oceaan van strijdende politieke meeningen, beurtelings gestuurd door vertegenwoordigers der staatkundige partijen, naarmate geboorte of geluk hun de macht in handen speelde. De vijandschap en tweedracht, die in de 17® eeuw
35
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT.
zoo veel jammer verspreidden, waren de boete, die de natie voor 1618 betaalde. Wie de kracht tot regeeren mist, heeft het recht niet, het roer van staat in handen te nemen.
Naast deze zwakheid rijst de figuur van Oldenbarnevelt voor de oogen van het nageslacht in haar volle grootheid.
Hij had niet geaarzeld, niet geweifeld: noch waar het gold het land te bevrijden, noch waar het gold het te beheerschen. Het beginsel, dat hij had voorgestaan, viel tijdelijk met hem. Plet werd veroordeeld als valsch, maar niet door een beter vervangen. De schuldige staatsregeling bleef, de weinig schuldige staatsman viel. De gebreken werden geëerbiedigd en slechts personen vervolgd en gestraft.
Tegenover het gepleegde verzuim springt te scherper de grootheid van den staatsman in het oog, die met deze gebrekkige staatsregeling de Republiek heeft gesticht.
36
n
AMALIA YAN SOLMS EN MARIA STUART.
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
I
|6^/,
Op den tweeden April 1641 werd in de koninklijke kapel van Whitehall, het paleis der Engelsche koningen, een huwelijk gesloten. Een kind van tien jaar, Maria geheeten, trad, gevolgd door een stoet van even jeugdige ladies, allen als zij in zilverlaken uitgedost, voor het altaar. Haar vader, koning Karei I van Engeland, legde haar kinderlijke hand in die van den zestienjarigen Willem van Oranje, dien zij voortaan als haar echtgenoot te erkennen en te volgen had. Een jaar later verliet zij haar vaderland, om in den vreemde nieuwe ouders en een nieuw te huis te vinden.
Het huwelijk dezer kinderen was geen huwelijk uit liefde, .
maar een zuiver staatkundige verbintenis. De dynastie der Stuart's trad in familiebetrekking met het geslacht van Oranje.
Karei I, die zijne dochter schonk aan dsn zoon van Frederik Hendrik, beoogde er niets anders mede, dan zyn volk gerust te stellen omtrent zijne politieke en godsdienstige plannenJ Frederik Hendrik verhoogde het aanzien van zijn huis door den echt van zijn zoon met een koningsdochter van Engeland. De verbintenis met een regeerende dynastie was een voldoening voor zijn vorstelijken trots en sterkte den glans zijner positie in de Republiek.
AMALIA VAX SOLUS EN MARIA STUART.
Naar het uiterlijke te oordeelen, had de beroemde steden-bedwinger die versterking niet noodig. Toen er bij de onderhandelingen over het huwelijk in Engeland was opgemerkt, dat de Stadhouder der Nederlandsche Eepubliek slechts de eerste ambtenaar, niet het hoofd van den staat was, had Frederik Hendrik aan koning Karei doen zeggen: âniet den naam, maar het wezen der opperheerschappij bezat hij.quot; En weinigen, die na 1630 don Haag bezochten, zouden dat fiere woord hebben tegengesproken. Want feitelijk, naar den uit-wendigen schijn te oordeelen, was er van den republikeinschen staatsvorm niets dan de naam over. Frederik Hendrik regeerde.
Als Kapitein-Generaal der Unie aan het hoofd van het leger geplaatst, had hij den overwegenden invloed van Maurits in het krijgswezen geërfd. Zijn recht erop had hij gestaafd door het geluk, dat zijne wapenen volgde. Ãn persoonlijk èn als legerhoofd genoot hij een vertrouwen, niet geringer dan Maurits had bezeten. Hij was bekend om de onversaagdheid van zijn moed: hij waagde zich op de gevaarlijkste punten, zonder ooit getroffen te worden. Zoowel de Staten als zijne vrouw smeekten hem voortdurend, zich niet zoo bloot te stellen. De bijgeloovige menigte hield hem voor onkwetsbaar. De stand der sterren bij zijn geboorte â hadden de horoscooptrekkers verklaard â was zoo gunstig, dat hij niet kon getroffen worden. Waarheid is het, dat herhaaldelijk personen, met wie hij stond te spreken, vooi zijne oogen werden doodgeschoten, maar hij nooit werd gedeerd.
Frederik Hendrik was de stedenbedwinger. De veroveringen van Grol, den Bosch, Breda e. a. hadden de eer der Republiek gehandhaafd, haar tuin uitgebreid en zijn roem gegrondvest. Hij was een beleidvol en omzichtig veldheer: veldslagen vermeed hij, vestingen veroveren was zijn kracht. Hij spaarde zijn leger, zoowel uit karakter als uit politiek overleg. Vandaar ook, dat hem meer zelfstandigheid in het krijgsbeheer werd geschonken, dan zelfs aan Maurits. Bij den aanvang van een
40
AM ALIA VAN SOLMS EX MARIA STtJART.
nieuwen veldtocht wisten zelfs de Staten niet altijd, waarheen Frederik Hendrik het leger voeren zou.
Doch niet alleen de degen van Maurits, ook de mantel van Oldenbarnevelt was op hem gevallen. Zijn invloed op het hinnenlandsch bestuur was jaren lang beslissend. Toen in 1630 een raadpensionaris van Holland optrad, die hem ongevallig was, wist hij hem tot aftreden te dwingen. In den onbeduidenden Jacob Cats vond hij een opvolger, die zich als was door hem liet kneden in welken vorm hij verkoos. Het geheele beheer der buitenlandsche zaken regelde hij met enkele vertrouwden. Met hem onderhandelden de diplomaten, tot hem wendden zich de vorsten, zijn voorschrift richtte de werkzaamheid van do gezanten der Eepubliek. Tegen den ' zin van een machtige partij verbond hij den staat aan de politiek van Richelieu. Dertien jaar lang was hij het mili- . taire hoofd van den staat, ook zijn politieke leider tegenover Europa.
Doch dergelijke zaken, geheimen der kabinetten, zijn aan de groote menigte gewoonlijk niet bekend. Zij oordeelt uit hetgeen zij voor oogen ziet. Zij zag, hoe het buitenland den Stadhouder eerde en onderscheidde, en hoe in het binnenland alles voor hem scheen te buigen en om zijn gunst te dingen.
Toen Maurits op zijn sterfbed lag, had hij zijn jongeren broeder bij zich ontboden en hem met militaire kortheid verklaard , dat hij hem onterven zou en zijn natuurl jke kinderen wettigen, indien hij niet onmiddellijk huwde. Frederik Hendrik had tot dusver gefladderd om allerlei bloemen, aan velen het hof gemaakt, maar tot een huwelijk was hij, die van overhaasting een afkeer had, niet gekomen. Op de bedreiging van Maurits kwam hij tot inkeer. Ijlings trad hij nu in het huwelijk met A.malia van Solms, eene Duitsche gravin, die aan 't hof van den koning van Boheme vertoefde en sedert lang het voorwerp van 's Prinsen hoffelijkheden was.
Die echt was voor hem, voor het stadhouderschap en den
41
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STÃAR'f.
staat van groot gewicht geworden. Voor de eerste maal, sedert het bestaan der Republiek, zag men in het vriendelijk Js Gravenhage al de schittering en den glans van een weelderig hofleven. Het groot vermogen van Maurits stelde Fre-derik Hendrik tot een hofhouding in staat, zooals in deze noordelijke gewesten wellicht nooit was aanschouwd. Beiden, de Prins en de Prinses, hadden praal en pronk lief, vermeiden en verlustigden zich in de feestgelagen en vermaken, die om hunne personen alles vereenigden, wat er aanzienlijks in de Republiek was of kwam. De kloeke, krachtvolle Amalia met hare levendige, zwarte oogen, die van levenslust en gezondheid tintelden, hechtte door haar ietwat grove maar sensueele schoonheid den ouderen echtgenoot niet alleen aan zich, maar maakte ook het prinsenkwartier, waar zij zetelde, tot het vereenigingspunt van vreemdelingen en landgenooten. Herhaaldelijk moest het uitbreiding ondergaan; herhaaldelijk door nieuwe versieringen geschikter worden gemaakt om den stoet, die er zich samendrong, waardiglijk te ontvangen. Hier, op het Prinsenhof, stroomden de Duitsche en Fransche edelen, die in het leger der Republiek den krijgsdienst leerden â Turenne heeft er onder behoord â met de buiten-landsche diplomaten en de aanzienlijken des volks te zamen, om van de weelderige gastvrijheid van het schitterend vorstenpaar te genieten.
.Na het einde van het Bestand, in 1621, was de strijd met Spanje hernieuwd. Van harte werd hij slechts door den prins-gezinden aanhang, de kerkelijke vijanden, van Spanje en de militairen gevoerd. De koopmansstand beschouwde hem uitsluitend uit een mercantiel oogpunt. Toen Frederik Hendrik Antwerpen bedreigde, had hij ontdekt dat Amsterdamsche handelaars de vijandige stad van krijgsvoorraad voorzagen. Toen hij zich er over beklaagde, was hem door een hunner geantwoord: âIndien ik er winst kon behalen, zou ik naar de hel varen en er mijn zeilen aan wagen.quot;
42
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
Doch, waarin ook verschillende, koopman en militair kwamen in een punt overeen. Ook bij den handelaar was de lust ontwaakt, om het leven te genieten. Met de zorg en onzekerheid van vroeger dagen was ook de angstige zelf-bekrimping voorby. Hier, in Holland, was rust en veiligheid, terwijl ginds, ver weg, in Limburg en Noord-Braband of op Belgisch grondgebied, de strijd met gehuurde troepen werd voortgezet. De welvaart, die de bloeiende handel over alle standen had verspreid; de kloeke ondernemingsgeest, die, niet te vreden met de winsten van Oost en West, binnen de grenzen van het eigen grondgebied op een ouderen vijand dan de Spanjaard veroveringen behaalde even duurzaam van aard; die plas op plas, de Beemster, de Wormer enz. aan het water onttrok, om âgoud uit schuimquot; te oogsten; het fiere gevoel van veiligheid, van zelfbewuste kracht, door de overwinningen te land en ter zee geboren â dit alles verhoogde den polsslag des publieken levens, deed het bloed sneller door de aderen strooraen, meer van het leven vragen. Levensgenietingen werden nagejaagd; weelde ontwikkelde de maatschappij en ontplooide zich. Het verkeer kreeg eeu andere kleur; beschaving en manieren heerschten naar Fran-schen smaak en Fransche zeden.
Voor het gekletter der wapenen waren de Muzen gevloden, thans keerden zij weer. Hooft zette zich aan het strand der Zuiderzee neder, om met klassieke pen den strijd der vaderen te beschrijven. Huygens spiegelde in zijne zangen, zoolang huiselijk leed en ambtelijke zorgen hem den lust niet roofden, het jong ontwaakte leven der maatschappij af. Cats, grijsaard reeds in de wieg, streek het vernis van eene conventioneele moraal over de wulpsche droomen van een levenslustig geslacht en predikte berusting en volgzaamheid aan de minder bedeelden bij het banket des levens. Vondel, schoon met smachtend heimwee en met het verholen leedgevoel van den renegaat op de oude heerschappij van zijn jong geloof neder-
43
AM ALIA. VAN S0LM3 EX MARIA STUART.
ziende, greep naar zijn lier om onsterfelijke tonen eraan te ontlokken, telken male als een nieuwe zege van den steden-bedwinger het uitzicht op vrede met het geloovige Spanje nader bracht.
Van dit nieuwe leven, deze nieuwe behoeften en deze nieuwe weelden was het vorstelijk paar het middelpunt en als 't ware de uitdrukking. Met fiere zelfvoldoening, met trotsche zelfgenoegzaamheid zagen de regenten der Republiek de hoof-sche vormen en vermaken van het buitenland overgeplant in het Binnenhof en de dienaren van Frankrijk en Engeland antichambreeren bij den Stadhouder, hun dienaar. Zoowel door zijn krijgsmansgeluk en zijn diplomatiek beleid, als door zijn vorstelijke levenswijze was de Prins van Oranje do representant van den staat.
Doch niet alleen de vreemdelingen, ook de inwoners der Republiek, ja do regenten zelven schenen medegesleept, bedwelmd door den uitwendigen glans, die het stadhouderschap omgaf, en bukten voor het overwicht, dat toen, als nu en steeds, verdiensten, in weelde gehuld, deden gelden. De beroemde Drost van het Muiderslot zal wel niet de eenige geweest zijn, die zich den onderdaan van den Prins van Oranje toekende en gevoelde. Aan den zoon van Frederik Hendrik, den jongen Willem II, werd door de Staten de opvolging in de vaderlijke betrekkingen plechtig verzekerd. Daarmede werd du eerste stap gezet op den weg, die tot de erkenning der erfelijkheid, den grondslag voor de vestiging eener dynastie, leidde. Frankrijk schonk den Prins den titel van Son Alt esse, die alleen aan Prinsen van den bloede toekwam. De klove werd breeder, die den Prins van Oranje scheidde van do regenten der steden, bij wie de souvereiniteit berustte. In de erkenning van een dynastie aan het hoofd van den staat scheen de oplossing van den strijd tusschen de verschillende gewesten nabij.
Indien de jonge Maria Stuart, toen zij aan de hand barer
44
AM ALIA. VAN SOLMS EN MARIA STUART
moeder in de Nederlanden kwam en in liet Prinsenhof het kwartier betrok, dat haar werd aangewezen, zoo heeft geoordeeld, dan heeft zij zich, gelijk zoo velen, die het hoopten, deerlijk vergist. Want achter het uitwendig eerbetoon, dat ruimschoots werd geschonken, verborg zich, zonder weg te schuilen, de oude tegenstand der Statenpartij. Frederik Hendrik was de man niet om met geweld te nemen, wat hem niet werd aangeboden. Gewaagd had hij nooit iets: door geduld, niet door dwang had hij de gunst der fortuin verworven. En thans, met een wankelende gezondheid, die het naderend einde deed voorzien, dacht hij meer aan behouden dan aan verwerven. In zijn laatste levensjaren namen de kansen op een hoogeren rang in den staat steeds af, en toen hij de oogen sloot, liet h|j z|jn zoon wel titels en een traditioneelen invloed na, maar geen gezag, dat hem in staat stelde, over de krachten der Republiek naar zijn wil en wensch te beschikken.
De jonge Maria was weinig meer dan een kind, toen zij aan het hof van deze schoonouders word ontvangen. Op het Binnenhof werd de opvoeding voortgezet, die in Engeland was aangevangen. Haar gouvernante, die als superintendante van haar huishouding optrad, ontving zoowel van koning Karei als van Frederik Hendrik hare instiuctiën. Die voorschriften van den Prins, die bewaard zijn, verraden zijn zorg voor zijn jonge schoondochter, maar tevens het respect, dat hij voor een koningsdochter gevoelde. Het moet een zonderlingen indruk in den Haag gemaakt hebben, wanneer men de dertienjarige gehuwde in het publiek verschijnen zag. Nam zij als gast aan een feestmaaltijd deel, niemand mocht aan dezelfde tafel met haar eten, dan personen van hoogen stand en rang. Reed zij in een koets uit, dan reden zij, die tot haar gevolg behoorden, in afzonderlijke rijtuigen voor haar uit. Werd zij in een draagstoel gedragen, dan volgden haar eeredames in een afzonderlijk rijtuig, maar haar stalmeester
45
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
en de heeron van dienst wandelden te voet voor haar uit, terwijl haar eigen rijtuig ledig moest volgen, voor het geval dat het haar behaagde er zich van te bedienen. Aan een dergelijk vorstelijk vertoon was men in de Republiek niet gewend. De Prinsen van Oranje traden tot dusver op eenvoudiger wijze in het publi^k/op, dan dit koningskind.
Doch eerbetoon, waar 'amp;r zonder opoffering geschiedt en eigen hoogheid vleit, is de geringste der gaven, die te schenken zijn. De opneming van deze dochter der Stuart's zou aan het Oranjehuis duurder te staan komen.
Toen Maria door hare moeder naar de Nederlanden werd geleid, verkeerde koning Karei in moeielijke omstandigheden. Hij stond aan den aanvang van den strijd met zjjn volk, die hem den troon en het leven zou kosten. De uitzet van zijn dochter droeg er de sporen van, want door de gebrekkige finantiëele middelen, waarover hij beschikken kon, was die zeer onvoldoende uitgevallen. Er zijn brieven van de jonge Prinses van Oranje, die bewijzen, dat de noodigste kleeding-stukken haar dikwijls ontbraken. De rijke Frederik Hendrik was een schoonvader van hooge waarde voor zulk eene schoondochter.
Doch het waren niet haar behoeften, die het meeste eischten. De Engelsche koningin maakte van haar aanwezigheid in'de Nederlanden gebruik, om eigen edelgesteenten en, naar men zegt, ook de juweelon der kroon te verpanden. Karei had geld noodig voor den burgerkrijg. Frederik Hendrik schijnt bij sommige dier contracten de tusschenpersoon geweest te zijn, wiens invloed de overeenkomst deed sluiten. Doch ook van hem zelf werden opofferingen gevraagd. Ondersteuning van koning Karei tegen zijn volk was een der voorwaarden, waarop de hand der jeugdige Maria voor zijn zoon was afgestaan. En het Engelsche vorstenhuis liet het beding niet varen. De Stadhouder betaalde de verbintenis met de Stuart's met grof geld. Op zijn naam werd een leening van drie ton-
46
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
nen gouds ten behoeve van Karei gesloten. Toen Henriette Maria in 1643 naar Engeland terugkeerde, nam zij o. a. van hem alleen een som van 20,000 pond sterling mede. En de aanvragen en verzoeken eindigden niet. âEr komt geen einde aan de aanvragen van Engelandquot;, schreef 's Prinsen secretaris aan Amalia van Solms.
Maar nog hooger eischen dan geld werden aan Frederik Hendrik gesteld. Zijn invloed moest de Republiek bewegen, openlijk partij te trekken voor Karei. Dat hij als borg optrad voor Engelsche leeningen, dat hij officieren naar Engeland zond, dat hij Karei krijgsvoorraad bezorgde â dit alles was onvoldoende. De Nederlandsche staat moest openlijk aan den strijd in zijn belang deel nemen. Een tweede huwelijk, een huwelijk zijner dochter met den kroonprins van Engeland werd als lokaas hem voorgehouden.
Ook al ware bet uitzicht zekerder geweest, kon hjj het niet aannemen. De Republiek had sympathie voor Karol's _ vijanden, niet voor hem. Met iederen bode, die over zee kwam, werden de berichten ongunstiger. De parlementspartij zegevierde, de kroon waggelde op Karel's hoofd, de schepter ontzonk aan zijne handen.
Lijden ontwikkelt snel. Dó jonge Maria, die in de Nederlanden in veiligheid was, leefde met haar hart en haar ge-dachten in Engeland. Naarmate de uiterlijke glans van haar bestaan grooter was, gevoelde zij dieper de machteloosheid van het geslacht, waaraan zij was verbonden. De Stadhouder der Republiek kon haar vader niet bijstaan, omdat hij slechts Stadhouder was. Zij, dochter en kleindochter van koningen, was afhankelijk van de regenten eener republiek.
Zou dit ooit veranderen ?
Toen zij in Februari 1647 bij het sterfbed van Frederik Hendrik stond, ging een schooner toekomst, naar zij meende, voor haar open. Alles zou beter worden.
47
A MAXI A. VAX SOLMS EN MARIA STÃAKT.
II
â¢
De eerste maal, dat Willem II zijn aanstaande vrouw had gezien, was het onder omstandigheden, die zeldzaam zijn. Toen hij in 1641 te Londen kwam, was zij ongesteld. De jonge Willem, ongeduldig, had er op aangedrongen, dat hij bij haar toegelaten werd. Na veel wikken en wegen was het toegestaan.
Willem had de tienjarige jonge Maria het eerst gezien in haar bed, met een dik gezicht. Men zal opmerken, dat dit niet de geschiktste gelegenheid is, noch voor een vrouw om haar schoonheid te doen uitkomen, noch voor een man om ze waar te nemen. Maar Willem dacht er anders over; hij schreef aan Frederik Hendrik, dat hij zeer tevreden was en haar veel mooier vond, dan het portret van Van Dijk deed verwachten.
Het past ons, voor dit getuigenis van hem, die er het meeste belang bij had, te bukken. Ook omdat andere tijd-genooten mede haar schoonheid roemen. Maar overigens, eerlijk gezegd, begrijpen wij het niet. Want de portretten van Maria, die wij kennen, getuigen van geen de minste schoonheid. Op het Trippenhuis vinden wij de afbeelding van haar door Van Dijk; zij vertoont ons een schraal, tenger meisje met vale gelaatskleur. Het portret, dat Honthorst van haar maakte, is opmerkelijk. Neem de krullen, die het gelaat omgeven, weg, trek die figuur mannekleed eren aan, en gij ziet haar zoon, Willem III, voor u staan. Doch van schoonheid is ook hier geen spoor.
Toch is haar echt met Willem, voor zoo ver bekend is, niet ongelukkig geweest. Van haar kant was dit te begrijpen, want de jonge man, aan wien de politiek haar gehuwd had, voldeed aan meer dan de gewone vrouwelijke eischen. Van kindsaf een toonbeeld van schoonheid, bezat hij voor vrouwen al de aantrekkelijkheid, die levendigheid, bevalligheid en krijgs-
48
A1IALIA VAN SOLMS EN MARIA STÃART.
haftigheid aan een man kunnen schenken. De onstuimigheid van zijn wezen en het overstroomende van zijne levenskracht deden zijne zeden verre van onberispelijk zijn. Doch het blijkt niet, dat de intieme verstandhouding der jeugdige echt-genooten er door geschokt is.
Maria Stuart was de kleindochter en naamgenoot van Maria' de Medicis. Achter de koelheid en grenzelooze hoogheid der i Engelsche koningsdochter verborg zij de berekening van haar moederlijk geslacht. Prinses van Oranje was zij in naam, Hollandsche is zij niet geworden. Haar hart hing steeds aan -haar vaderland en de belangen van haar eigen geslacht.
Amalia van Solms had deze schoondochter, wier komst haar moederlijken trots en haar eerzucht streelde, hartelijk welkom geheeten. Maar de goede verstandhouding had een kort leven gehad.
Niet uitsluitend door haar schuld. In zijne laatste levensjaren verkeerde Frederik Hendrik met zijn zoon op niet zeer intiemen voet: de oude veldheer schijnt jaloersch geweest te zijn op den ontluikenden krijgsroem van Willem. Tusschen de moeder en den zoon bestond verschil van politiek inzicht. Voeg daarbij de koele, kwetsende hooghartigheid van Maria, die ook tegenover hare schoonmoeder, slechts een Duitsche gravin, niet vergeten kon of wilde, dat zij geboren was op de trappen van een troon, al geleidden die naar een schavot» Redenen genoeg, om de verwijdering dezer vrouwen, wier leeftijd zoo zeer uiteenliep, te begrijpen, zelfs al waren er geen andere geweest.
Doch er waren andere, van minder persoonlijken aard: deze vrouwen stonden strijdige belangen voor.
Amalia van Solms had groote gebreken, maar tevens hoog te waardeeren eigenschappen. Gelijk haar lichaamsbouw was haar geest: kloek, gezond, krachtig. Zij was in vroeger jaren zeer populair, maar verloor de volksgunst later. Minder gesloten dan haar schoondochter, verloor zij al te dikwijls haar
4
49
A MALI A VAN SOLMS EN MARIA STUART.
zelfbeheersching, zeer ten koste van haar waardigheid; zij kon heftig, ruw, lomp in haar woorden en dikwerf ook in haar daden zijn. Zij had een zeer zorgvolle jeugd achter zich. Opgegroeid in een gezin, rijker aan kinderen dan aan inkomsten , was het een verlossing voor haar geweest dat zij in het gevolg van de keurvorstin van de Paltz was opgenomen. Toen deze koningin van Boheme werd, had zij in de korte glorie en weelde gedeeld, die de Winterkoning en haar meesteres enkele maanden genoten. Met hen was zij gevlucht door Noord-Duitschland, van Praag naar den Haag, en had daar met hen geleefd in al de ontberingen, ja het gebrek, dat het vorstelijk paar te verduren had.
Haar huwelijk met den rijken Frederik Hendrik was eene uitkomst geweest, maar de herinnering aan het doorgestane leed werd nooit uitgewischt en oefende blijvenden invloed. Amalia van Solms was niet onbaatzuchtig; zij nam van buiten--landsche vorsten geschenken aan, die haar goeden naam ondermijnden en haar de publieke achting roofden. Bij den vrede van Munster erlangde zij persoonlijk heerlijkheden en inkomsten, waarop zij geen de minste aanspraak had. Het was de belooning, zeide men, voor den invloed, dien zij ten gunste van den vrede op Frederik Hendrik had uitgeoefend.
Groote deugden stonden tegenover deze grove karakterfouten.
Bij haar huwelijk had zij de wroorden des psalmdichters: âwat zal ik den Heer vergelden voor zijne weldaden?quot; tót haar zinspreuk gekozen. De herinnering aan haar moeilijke jeugd spreekt uit die woorden, die voor onverwachte redding danken. Zij spreekt evenzeer uit haar geheele leven, Amalia van Solms is eene echte Prinses van Oranje geweest, die den roem en het belang van het geslacht, welks naam zij de eer had te dragen, tot haar levensdoel had gekozen. Zij had geleerd zuinig en ordelijk in haar huishouding te zijn. Zij was het, die het vorstelijk optreden van Frederik Hendrik in de Republiek mogelijk maakte door haar persoonlijkheid, haar
50
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
smaak, haar orde. Hoe hoog en rijk ook die levenswijze was, hoe verkwistend zij ook scheen, het fortuin der Oranje's werd er niet door gedeerd. Na den dood van Frederik Hendrik wekte zij de verbazing, ook van vreemde gezanten, door den statigen overvloed waarin zij leefde, schoon zij niet meer dan 12,000 pond sterling inkomen had. Zij werd o. a. altijd in goud gediend. Zij beminde praal en weelde, doch niet bloot voor zich zelve, ook als Prinses van Oranje. De verheffing van dit vorstenhuis was haar dierste wensch; het staande te houden onder de ongunst der tijden haar blijvende zorg. Voor den echtgenoot, over wien zij nooit het rouwkleed heeft afgelegd, richtte zij èn het Huis in het Bosch èn de prachtige Oranjezaal op, beide monumenten van haar smaak en kunstzin. Het aanzienlijk vermogen der Oranje's ongeschonden te bewaren, was haar een dure plicht, omdat zij maar al te goed wist, hoe het aanzien der wereld, ook voor vorstelijke geslachten, van finantiëele zelfstandigheid en grootheid afhankelijk is.
In de laatste jaren van Frederik Hendrik was ongemeen veel van dat vermogen gevergd. Amalia van Solrns had er zich niet tegen verzet. Het huwelijk van haar zoon en het uitzicht op dat van haar dochter met den kroonprins van Engeland konden geldelijke opoffering ten gunste der ouders harer kinderen als een eerezaak doen beschouwen. Maar sedert was alles veranderd. Karei I was overwonnen en de gevangene van zijn volk, dat hem in Januari 1649 het schavot deed bestijgen. Uitgaven, vroeger verschoonbaar ter wille van de eer van het geslacht, werden thans onverdedigbaar, omdat zij tot geen uitkomst konden leiden. De ijzeren vuist van Cromwell hield Engeland omvat; de hand van den verwijfden Karei II was te zwak om den troon van den Protector omver te werpen.
De Princesse Douairière â zoo werd Amalia van Solms geheeten â zag het in, gelijk de Statenpartij in de Republiek. Maar de jonge Maria Stuart zag niets anders dan haar belang
51
AMALIA YAH SOLMS EN MARIA STUART.
en dat van haar verwanten. Al haar invloed op Willem II werd gebezigd, om het groot fortuin der Oranje's ten gunste van haar broeders te gebruiken en de Republiek openlijk voor Karei II, den pretendent naar den Engelschen troon, te doen partij trekken.
Met veel respect bejegende Willem zijne moeder. Hij raadpleegde veel met haar en luisterde naar haar voorstellingen. Maar hij deed en handelde naar zijn eigen inzicht. Hij ondersteunde zijne zwagers en hunne aanhangers op vorstelijke wijze. Zijn eigen vermogen werd ernstig aangesproken. In het Westland werden uitgebreide bezittingen verkocht, om van de opbrengst Karei II bij te staan. De onderneming der Stuart's in 1649, om uit Schotland het verloren rijk te heroveren, werd grootendeels door hem bekostigd. Zonder eenige vrucht werden schatten voor dit doel door hem weggeworpen. De schulden en finantiëele moeielijkheden, die de jeugd van Willem III kenmerkten, vinden hun oorzaak in deze uitgaven.
âZoo aan Willem II een langer leven ware vergund, zou hij de bekwaamste van zijn geheele geslacht zijn geworden,quot; oordeelde Johan de Witt. Een jonge man van buitengewone gaven van geest en van lichaam was hij. Schrander en kundig, vijf talen machtig, bekend met staatszaken en' krijgskunde, vereenigde hij in zijn persoon de traditiën en de am-bitiën van een heldengeslacht, dat, als vertegenwoordiger van de behoefte naar staatseenheid, een krachtigen aanhang in de Republiek en een groot aanzien in Europa genoot.
Bij zijn optreden als Stadhouder was de vrede van Munster tot stand gekomen. âIk brak gaarne den nek aan de onverlaten, die haar hebben gemaaktquot;, barstte Willem eens uit. De heftigheid der woorden beantwoordde aan de heftigheid van zijn karakter. Zelfbeheersching is niet het gewone deel van den twintigjarigen leeftijd, zij is de vrucht van teleurstelling en levenservaring.
52
AM ALIA VAN SOLMS EN 3IAKIA. STUART.
Yerwondering kan zijn afkeer van den vrede niet wekken. Deze was voor hem èn als militair èn als politiek persoon het ergste wat hem treffen kon. Zij verlamde hem en maakte hem machteloos. Zij veroordeelde hem tot de ondergeschikte rol van Stadhouder van vijf gewesten, wiens rechten en bevoegdheden zeer onbepaald, dus voor schending zeer vatbaar waren. Hij was de eerste van zijn huis, wien de gelegenheid werd ontnomen, om door de lauweren van den krijg zijn aanzien te vergrooten, zijn invloed onmisbaar en zijn overwicht heerschende te maken. De jonge adelaar zag zich de vleugelen niet geknot, maar gebonden. De vrede doemde hem tot een afhankelijke plaats, waar hij de eerste voor zich eischte. Ook indien Maria zijne eerzucht niet geprikkeld had, was deze groot genoeg, om hem op haar wegen te leiden. De onstuimigheid van zijn karakter liet geen kalm wachten op een omkeer der fortuin toe.
Doch de omstandigheden kwamen hem te hulp. De fouten zijner politieke tegenstanders effenden hem den weg.
Onmiddellijk na den vrede brak verdeeldheid uit. Holland wilde het grootste deel des legers afdanken, om de hernieuwing van den krijg te voorkomen. De landprovinciën en de Stadhouder stonden tegen Holland over. Maar het overmoedige gewest bekreunde zich niet om de voorschriften dei-Unie, het tastte eigenmachtig door. Het dreigde zelfstandig over de troepen der Unie te beschikken en ze naar huis te zenden. In anderen vorm was het de herhaling van den strjjd van 1618. Weer stond, als eertijds Maurits, de Stadhouder aan het hoofd der gewesten, die de Unie wilden handhaven en Holland aan den wil der meerderheid onderwerpen.
De feiten zijn bekend. In den Haag werden de leiders van Holland gevangen genomen en als staatsgevangenen naar Loevestein gevoerd. Over de Gooische heide trokken de troepen van den staat, op last des Stadhouders, naar Amsterdam, om het tot toegeven te dwingen. De aanslag op de
53
54 AMALIA VAN SOLMS EJJ MARIA STUART.
groote handelsstad is mislukt, maar de coup d'état feitelijk geslaagd. Grooter dan te voren was het gezag van den Stadhouder, alles bukte voor hem.
Wij hebben geen brieven van Maria Stuart uit deze dagen, maar toch weten wij, wat zij zouden behelzen: een juichkreet over de vernedering der vijanden, de voorstanders van den vrede. De overwinning over Holland was de zegepraal dei-oorlogspartij.
Groote, veelomvattende plannen worden aan Willem toege-schr^ve^^^taten ^ij waar of onwaar zijn, zij teekenen, wat 3e\ /gebêurtenlls'eTr' mogelijk en waarschijnlijk delt;|efl£ achten. In verbond met Frankrijk, zouden de Zuidelijke Nederlanden worden veroverd en verdeeld. Een zelfstandig vorstendom op Belgisch grondgebied zou den Prins van Oranje den weg tot de souvereiniteit ook in de Noordelijke gewesten banen. De vereende krachten van Frankrijk en de Republiek zouden de Stuart's op den troon van Engeland herstellen.
Blijde zag de trotsche koningsdochter de toekomst te ge-moet. De kroon, aan den vader door geweld ontnomen, zou aan den geliefden broeder worden hergeven. Het gevallen geslacht der Stuart's zou in eere en grootheid worden hersteld, de echtgenoot, dien zij geëerd had door haar hand, aan het hoofd van den staat, en zij niet langer de gade van der Staten ambtenaar zijn.
Het was October 1650. Maria was in den Haag, de geboorte van haar eerste kind verwachtende. Willem was te Dieren, de pas aangekochte bezitting, die hem zulk een uitnemende gelegenheid tot de jacht verschafte. Naar hartelust gaf hij er zich aan over, dagen, ja geheele nachten door de bosschen ronddwalende. Daar kwam â het was in de laatste dagen der maand â een booze tijding naar de hofstad: de Prins was ziek geworden. De boerenhofstede te Dieren was geen geschikt ziekenleger voor den kranke. In zijn vorstelijk jacht werd hij over Eijn en Lek en Maas langs Rotterdam
AMALTA VAX SOLMS EN MARIA STUART.
naar den Haag gevoerd. Daar bleek de koorts slechts de geleidster van een ernstige kwaal te zijn. De ziekte dei-eeuw â kinderpokken â openbaarde zich. Zorgvuldig werd de jonge vrouw, om haar en haar kind voor besmetting te bewaren, van het krankbed verwijderd gehouden. Trouwens er dreigde geen gevaar. De loop der krankheid was natuurlijk, het krachtig gestel van den jongen man â hij was nog geen 25 jaar â deed op redding hopen, op herstel vertrouwen. Zoo heette het. Maar plotseling kwam er omkeer; de reeds genezende kranke stortte in, en het lichaam, door zooveel uitspanningen en uitspattingen afgemat, zonk ineen. Zondag avond, 6 November, was hij stervende. Haastig werd de Prinses-weduwe van het gevaar, dat zoo eensklaps ontstaan heette, onderricht. Des nachts om twaalf uur waren de twee vrouwen te zanien, in dezelfde woning, waar het sterfbed van dien jongen man lag gespreid, op wien zoo veel hope was gebouwd. âNiemandquot; â schreef een tijdgenoot â âheeft de zuchting, de klachte, de tranen, de droevigste âteekenen en de woorden, die daer omgingen, kunnen zien, âzonder dat zijn hart in tranen versmolt. quot;Want de eerste be-âdreef rouw over den onnjpen dood van haar eenigen zoon, âde kroon haars ouderdoms. En de andere over het ontijdige âwegrukken van den eenigen steun van haar bebloede huis âen den doorluchtigen vader van dat lang verhoopte kind, âdat zij in haar schoot bewaard had, om het hem eerlang âmet vroolijke dankbaarheid in de armen te geven.quot;
Wat is er gedurende die vreeselijke uren, toen haar alles ontzonk, in dat trotsche vrouwenhart omgegaan!
Nog weinige oogenblikken â en de doodstrijd was voorbij.
III
Het zou een schoon en vriendelijk tafereel zijn, indien ik u de beide vrouwen, in vriendschap en liefde vereenigd, om
55
AMALIA VANquot; SOLMS EN MARIA STÃARÃ.
de wieg van het jonge kind mocht schetsen, dat, acht dagen pi
na 's vaders dood geboren, de eenige stamhouder van het K
geslacht des Zwijgers was. Het zou schoon en liefelijk zijn, e(
maar volkomen onwaar. k
Amalia van Solms had zich vereenzelvigd met het geslacht, ei
welks naam zij droeg; de Prinses Royale, Maria Stuart, niet. d
Ofschoon sedert jaren in het land, was zij hier vreemd. Zij t( sprak de taal des volks niet en verstond ze ter nauwernood.
Zij was Engelsche van hart en gezindheid, en bovenal eene h
koningsdochter. Opgevoed in de leer van de absolute konink- v
lijke macht, had zij gezien, hoe een oproerig volk vermetel a
de hand tot verzet durfde opheffen, en hoe die godslasterlijke v
opstand was geslaagd. Haar vader was martelaar geworden, \
haar moeder en broeders waren bannelingen op vreemden r
grond, bedelaars aan vreemde hoven. 1
Wat een negentienjarig meisjeshart, rijker aan hartstocht c
dan aan ervaring, aan wrok en haat tegen denkbeelden en i
personen kon bevatten, dat gloeide in het hare. En met te f
heeter gloed, naarmate zij het meer verbergen moest. In de 5
56
Nederlanden moest zij leven en ademen onder een volk van {
burgers, republikeinen, menschen van gelijken stand en van gelijke denkbeelden als ginds, in Engeland, over haar vader en de haren hadden gezegevierd. Te trotsch om te klagen, behandelde z|j de Hollanders, allen Cromwellianen, naar zij zeide, met kwetsende minachting. âWij maakten onze opwachting bij de Princesse Royale,quot; schrijven een paar jonge Hollandsche edelen, die haar eens te Brugge bezochten; âzij ontving ons als gewoonlijk, d. i. koud, zonder een enkel woord te opreken. Zulk een houding voegt niet meer in onzen tijd, hoe groot de vorstelijke personen ook zijn.quot; En â¢als het volk waren Willem's betrekkingen. Zij muchten ] deelen in haar smart, zij deelden haar wrok niet. Sympathie voor haar gevoelens vond zij noch bij de Douairière noch bij de zusters van haar echtgenoot. Te minder, omdat de sym-
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
pathie voor haar denkbeelden erkenning van haar eischen als Koninklijke Princesse van Engeland insloot. Zelfs niet de edele, vrome dochter van Frederik Hendrik, de beroemde keurvorstin van Brandenburg, raakte zij over kwestiën van etiquette en voorrang in onmin. Dit burgerlijk geslacht â de schoonmoeder was niets dan een Duitsche gravin â stond te ver beneden haar, om met haar te sympathiseeren.
Slechts één kring was er, waarin zij zich te huis gevoelde: het was de kring van haar eigen verwanten. Haar broeders waren uit Engeland gevlucht, gelijk talrijke stroomen van aanhangers. De oudste der broeders, de prins van Wales, was na vaders dood het hoofd van haar geslacht. Aan hem voelde zij zich verbonden, niet alleen als minnende zuster, maar ook als jonger lid des gezins. Hem vereerde zij als haar koning en haar hoofd; hij nam voor haar de plaats van den vermoorden vader in. Hij regeerde haar en haar huis; naar zijn goeddunken vroeg zij, zijn wensch was haar wet. Slechts zelden, als haar eigen hart in het spel kwam, waagde zij verzet. Desniettemin zou Karei op meer tegenstand hebben gestooten, indien hij minder indolent en minder toegefelijk geweest was. Want Maria was luimig en koppig, als oen onontwikkelde vrouw, die meer naar haar gevoel, naar haar sympathieën en antipathieën vraagt, dan naar verstandelijk overleg. Maar door tijdig toegeven en vieren behield Karei zijn overwegenden invloed en slaagde er in, al de jaren van zijn ballingschap van haar als princesse van Oranje de grootst mogelijke voordeelen te trekken. Want niet de belangen van haar kind gingen haar in de eerste plaats of ook maar ernstig ter harte. De herstelling van haar geslacht op den troon van Engeland was haar eerste en laatste gedachte. Haar koning en broeder terug te voeren aan het hoofd van het volk, dat de misdadige handen aan haars vaders leven had geslagen, dat was het ideaal van haar leven. Voor de verwezenlijking daarvan was geen opoffering, geen inspanning
57
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
te groot. Alles moest er voor wijken, alles er voor bukken. Niet haar zoon, maar koning Karei II van Engeland nam de eerste plaats in haar hart en leven in.
Acht dagen na den dood van haar echtgenoot werd zij moeder, en aanstonds bleek het, welk een geest haar bezielde. Zij wilde dat kind den naam van haar vader en broeder, niet dien van zijn vader schenken; het zou Karei, niet Willem heeten. Alsof een Karei van Oranje de erfgenaam der historische traditiën en der volksgehechtheid kon zijn! Slechts onwillig, gedwongen door de Oranje's, liet zij haar voornemen varen en gaf zij toe.
Maar een ernstig geschil volgde, waarin zij niet toegaf. De Prinses Douairière, die haar schoondochter kende, begreep het gevaar, dat dreigde. Maria Stuart zou het vermogen van haar kind voor haar broeder gebruiken: in den bodem-loozen put van het verkwistend geslacht zou het spoorloos verdwijnen. Om het te voorkomen, trad Amalia van Solms tegen de moeder op, die, pas negentien jaar oud, zelve nog onder voogdij zou staan, zoo zij niet gehuwd ware, en daarom, naar de oude Prinses beweerde, geen voogdesse over haar kind kon zjjn. De bewering was stout, al te stout, maar zij was een voorwendsel om het ware doel te verbergen. Men wilde haar het beheer der prinsengoederen ontnemen en beletten, dat z|j eigenmachtig er over beschikte. Na maanden-langen strijd en kamp voor het Hof van Holland en den Hoogen Raad werd eindelijk de zaak bij schikking uitgemaakt. Maria werd voogdesse, maar Amalia van Solms en de keurvorst van Brandenburg werden toeziende voogden. Do handen der jonge prinses werden gebonden, zoodat zij de goederen van haar zoon niet vervreemden kon. De aanzienlijke inkomsten alleen kon men haar niet ontnemen, zoodat zij nog altijd een zeer ruime gelegenheid had om haar broeders te bevoordeelen.
Amalia van Solms had in dezen strijd de ware belangen
58
AM A LI A VAN SOLMS EN MARIA STUART.
van het huis van Oranje voorgestaan. Jammer dat zij zich telkenmale door de heftigheid van haar karakter liet mede-sleepen tot hartstochtelijke woorden en daden, die weinig met haar hoogen rang in overeenstemming waren. De verachtende kalmte der Prinsesse Royale prikkelde haar drift, zoodat zij telkenmale zich vergat. Voor haar aanzien in de Republiek had meer zelfbeheersching niet geschaad.
Bij zulk een verhouding der hoofdpersonen was noch eenstemmig noch krachtig handelen te verwachten. Haar verdeeldheid ontsloeg ook anderen van samenhouden. De Oranjepartij viel uiteen. De triomfeerende Staten zagen zich door de hovelingen des Prinsen het hof gemaakt. Waar de arenden vallen, komen de roofvogels te zamen. Een ieder, zelfs de eigen familieleden, poogden een deel van den buit te bekomen. Jacob Cats, die jaren achtereen do gedienstige en dienstwillige dienaar van Frederik Hendrik was geweest, rechtvaardigde de algemeene ontrouw. âDe Prins van Oranje was een schoone luchter geweest in het palcis van staat. Maar hij kon gemist worden, omdat de pylaren, die het ge* bouw steunden, de Staten der provinciën, niet ontbraken,quot; meende hij.
Tegenover de machtige provincie Holland, geleid door de vaste hand van Johan de quot;Witt, ware de Oranjepartij machteloos geweest, ook indien deze vrouwen steeds hadden samengewerkt. Maar dit vermindert de schuld van Maria Stuart niet, die, koel en koud voor de belangen van haar zoon, slechts zelden in zijn belang deed, wat zij doen moest, en meer nog verzuimde dan handelde. Slechts zeer enkele malen, bijv. bij de acte van seclusie, heeft zij met Amalia van Solms één lijn getrokken en deel genomen aan de maatregelen, die ten bate van haar kind moesten komen. Maar zij bekreunde er zich weinig over en dacht en leefde slechts voor hare broeders. Terwijl Amalia van Solms al het mogelijke deed, ja zelfs zichzelve zocht te beheerschen, om met Johan de Witt
59
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
en de machtige Hollandsche partij op redelijken voet te blijven en hun elk voorwendsel tot ongunstige besluiten te ontnemen, scheen Maria zich ten doel gesteld te hebben, om door haar tartende houding de Staten te verbitteren en door haar onverschilligheid de aanhangers van Oranje te vervreemden.
Na den eersten oorlog met Engeland had de Republiek erin bewilligd, dat de Stuart's niet hier te lande zouden verblijven. Cromwell en de Staten wilden niet, dat dit land hun tot arsenaal zou dienen, om de opstanden in Engeland te voeden. Maria deed, als ware zij boven alle bepalingen jh verheven. Zij ontving den Prins van Wales en de andere (| u broeders^in den Haag en verscheen met hen in het publiek. Ballingen openbaren op vreemden bodem zelden de deugden, die zij te huis bezaten: met de martelaarskroon in eigen oogen gesierd, voelen zij zich boven de bewoners van het land, dat zij met hun tegenwoordigheid vereeren. De Stuart's en hun aanhang waren bij niemand hier te lande geliefd en verdienden het ook om hunne levenswijze niet. Slechts de Princesse Royale onderscheidde hen. Zij leefde met en onder de ballingen. Engelschen omgaven haar en haar zoon, als het eenig voegzaam gezelschap. En toen de samenkomsten met de broeders in Holland verboden werden 9 trok zij naar Breda, de heerlijkheid van de Oranje's, en maakte het tot het brandpunt en broeinest van alle samenspanningen en opstanden in Engeland.
Onder de heerschappij van Johan de Witt en het drukkend overwicht van Holland trouw te blijven aan het Oranjegeslacht, mocht verdienstelijk heeten. Maar op erkenning van de zijde van Maria, de moeder van den jongen Willem, mocht geen Oranjegezinde hopen. Om haar gunst te genieten, werd meer vereischt. Men moest haar voorliefde voor haar broeder deelen of voorwenden. Zij, die het deden, verkregen gemakkelijk invloed op haar. Gunstelingen regeerden haar jaren achtereen, en onderhielden in hun eigen belang de ge-
60
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
3n spannen verhouding tot Amalia van Solms en de verwijdering
I, van anderen, wier raad haar ten goede kon komen. âDe
ir Prinses Royalequot; â schreef Mazarin in 1658 â âkan door ti- haar aard en haar Engelsche opvoeding er niet toe komen,
om de invloedrijke mannen in den staat door hoffeiykheid en ik kleine vleierijen voor zich te winnen. Zij acht dat beneden
n haar waardigheid. Ook om de aanhangers van haar Huis
d bekommert zij zich niet; zij doen slechts hun plicht, als zij
d trouw blijven, zegt zij.quot;
n Er was niets, waar Maria zich om bekommerde, dan het
â e - ^ belang der Stuart's. Met volle handen strooide zij het geld van haar zoon onder haar broeders en de Engelsche ballingen t, uit. Meer dan de helft van haar jaarlijksch inkomen, de
n renten van Willem's vermogen, schonk zij aan hen weg. Nu
st eens betaalde zij de onkosten van de oproerige bewegingen
s en onlusten, door de aanhangers van het gevallen vorsten-
ti huis in Engeland verwekt. Dan was zij de rijke gastvrouw
e van haar broeder en zijn hof te Spa of bij rondreizen en
r bezoeken aan de keurvorsten aan den Rijn. Reeds in 1654
s was het zoo ver gekomen, dat in haar eigen omgeving stem-
i men opgingen, dat zij haar eigen kind zou bestelen, om de
r zaak van haar broeder te bevoordeelen. Ieder, die van
t Karel's wege tot haar kwam, vond haar bereid zijn bede in
te willigen, of hem te plaatsen in betrekkingen, waarover zij beschikken kon. De ergernis, die haar verkwistende vrij-l gevigheid met het fortuin der Oranje's wekte, leidde een
korten tijd tot het bevel, dat de begenadigden het stilzwijgen ; over de ontvangen giften moesten bewaren. De trotsche prinses
, had de noodzakelijkheid er niet van ingezien. De republi-
, keinen, die in Engeland en in de Nederlanden de macht in
handen hadden, achtte zij onwaardig om tegenover hen haar i gevoelens uit te spreken. Zij uitte ze door hare daden, en
61
geen bedenkingen van voorzichtigheid golden voor haar. Toen zij met haar broeder Aken bezocht en het graf van Karei
â
AM A LI A VAN SOLMS EN MARIA STUART.
den Groote,* zag men den Engelschen prins zijn degen meten met dien van Charlemagne en zijn zuster het doodshoofd van den grooten monarch kussen. De toon, die aan haar hof heerschte en de denkbeelden, die er openlijk werden uitgesproken , waren geheel in overeenstemming met haar monarchale gezindheid. Een van haar kapelaans sprak openlijk uit, dat het geen zonde was, den Protector van Engeland te dooden. Gregn wonder, dat het hof en de omgeving van de Prinses-weduwe van Oranje zoowel door de regeering van Engeland als door die onzer Republiek nauwlettend werd gadegeslagen en bespionneerd.
Voor Amalia van Solms en de trouwe aanhangers van het nu zoo vernederd Oranjehuis was het een voortdurende ergernis, deze trotsche en .onnadenkende lichtzinnigheid, verbonden met zooveel gebrek aan kieschheid en ontwikkeling, aan te zien. Maar verandering er in te brengen was onmogelijk. Een paar malen scheen de goede verstandhouding tusschen schoonmoeder en schoondochter hersteld, maar steeds voor slechts korten tijd. Dat de Prinses Royale zich verlaagde om in hare correspondentie met Karei de complimenten van een zjjner maitressen, de moeder van den lateren hertog van Monmouth, over te brengen en gekheid over de ontrouw dier vrouw te maken, wist zeker Amalia niet en zou haar waarschijnlijk onverschillig zijn geweest. Maar des te beter wist zjj, wat haar niet onverschillig was, dat geen vertoogen, van wien ook, Maria konden bewegen om haar wil of lusten prijs te geven ter wille van haar kind. In 1656 werd zjj door haar moeder, de weduwe van Karei I, verlokt om naar Parijs te komen. Haar eigen hofhouding, mannen die zij gewoon was te vertrouwen en te volgen, ja Karei II zelf ontried het haar. Het belang van den jongen Willem III eischte gebiedend, dat zij in de Nederlanden bleef. Niets mocht baten. Haar moeder had haar het uitzicht geopend op de hand van den jongen Lodewijk XIY. Wat kon daartegen opwegen?
62
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
Met een trein van zestig paarden en de opbrengst van de Oranje-goederen gedurende eenige der volgende jaren, die zij opgenomen had, om schitterend te kunnen optreden, vertrok zij. Tien maanden bracht zij er door, en zij keerde niet weder, dan versterkt in hare monarchale gevoelens en bezield met nieuwen afkeer en haat jegens de republiek en de republikeinen.
En te midden van dit leven zijner moeder groeide de knaap op, die, evenbeeld van moeders gestalte en erfgenaam van 's vaders groote gaven, den naam van Oranje hooger zou verheffen, dan een zijner vaderen. Zoo zij voor haar broeder werkte, het was tevens voor hem, zeide zij. De herstelling van Karei II in Engeland zou de verheffing van haar zoon in de Nederlanden ten gevolge hebben. De republikeinen in Holland zouden het niet wagen, haar broeder, als hij uit de volheid zijner koninklijke macht hun zijn wil deed verstaan, te weerstreven.
Zoo zij werkelijk deze meening, die tot verdediging van haar gedrag moest dienen, heeft gekoesterd, is zij bitter teleurgesteld. Want de uitkomst heeft haar volkomen gelogenstraft.
In 1658 stierf Cromwell en in hot volgende jaar werd het gebannen vorstengeslacht der Stuart's op den troon van Engeland teruggeroepen. Te Breda, in het kasteel dat aan de Oranje's behoorde, ontving koning Karei II de afgezanten van het Parlement, die hem de onderwerping van land en volk kwam aankondigen. De natie, den burgerstrijd en het militair despotisme moede, riep hem op den troon zijner vaderen terug.
Het was een heerlijk oogenblik voor Maria, toen zij ook de afgevaardigden der Staten zag naderen, om haar broeder hunne hulde aan te bieden. Zij, die hem verdreven hadden van hun grondgebied en haar lastig gevallen om de trouw aan haar geslacht, bedelden thans om zijn gunst en haar
63
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STÃART.
voorspraak. Het uur van haar zege scheen nabij. Gelijk ^ Engeland voor den Stuart, zou de Nederlandsche Republiek het schuldige hoofd voor haar zoon, den Oranjetelg, buigen. Hoe zouden allen beschaamd staan, die haar wijs beleid hadden afgekeurd, haar waardige minachting der onwaardige republikeinen gelaakt!
Toen zij met haar broeder zijn intrede in den Haag had gedaan, scheen het oogenblik gekomen, om wenschen te uiten, die door Karei II op voorzichtige wijze werden gesteund.
Maar noch het een noch het ander baatte. De Statenpartij gaf schatten uit, om den Stuart feestelijk te onthalen. Aan wijn noch llaScten was gebrek. Maar de aandrang ten gunste van haar zoon werd met woorden beantwoord; verzekeringen van welwillendheid, beloften voor de toekomst, wissels op de eeuwigheid.
Toen alle pogingen vruchteloos bleken, besloot zij het gehate land te verlaten. Zij kon niet langer ademen in deze republikeinsche lucht: niet langer leven onder een volk, dat zij verachtte. Slechts het schitterende hof van Karei II was eeny waardig verblijf; te midden der weelde van de herstelde monarchie kon zij leven.
Den 20 September 1660 ging zij scheep. In den Briel nam â zij afscheid van haar zoon, die gedooid was hier te blijven, afscheid van het land, waarheen zij nimmer weer zou keeren. Zoo spraken zij, die haar vertrouwen genoten en haar geheime plannen kenden.
Zij spraken de waarheid, meer dan zij zelve wisten. Want Maria zou nooit dit land noch haar kind wederzien.
Schitterend in Engeland ontvangen, door hofdichters begroet, door haar broeders met warmte welkom geheeten, doorleefde zij tien weken van genot en geluk. In de tweede helft van December werd z|j ziek. De kwaal, die Willem II ten grave had gesleept, sloopte ook haar. Den 24 December 1660 sloot zij de oogen.
64
A1IALIA VAU SOLMS EN MARIA STUART.
Met lijkredenen en lijkzangen in alle talen der wereld werd zij betreurd. Het koninklijk huis, geheel Engeland treurde. âHaar teedere liefde voor den koning, haar zorgen voor hem in de dagen van rampspoed, verdienen met diamanten stilt in onvergankelijke erts te worden gegraveerd.' Zoo zongen de koningsgezinde schrijvers haar lof.
En toch werd zij door dat ondankbare hof vergeten. Na acht dagen schreef een hoveling: niemand denkt meer aan haar, niemand spreekt meer van haar.
In de Abdij van Westminster ligt zij begraven, in de kapel van Hendrik VII.
Geen zerk wijst de plaats aan, waar de vrouw rust, die het leven schonk aan een der grootste vorsten van Engeland. Willem III heeft wel een monument voor eene Maria Stuart opgericht, die hem lief had gehad, maar het was deze niet.
Zij was slechts Prinses van Engeland geweest, maar geen moeder.
IV
Slechts zelden is een politieke partij machteloozer geweest, dan de Oranjepartij in de Nederlandsche Republiek na 1660. Twintig jaar lang heeft zij geworsteld met een samenloop van omstandigheden, zoo ongunstig, als ooit aan het bereiken van een doel heeft in den weg gestaan.
Zij had in die jaren geen leider en geen hoofd. Hij, die het hoofd moest zijn, was een kind, zwak van gezondheid, opgroeiende onder invloeden van den meest tegenstrijdigen aard. Aan de eene zijde een jonge moeder, die voor niets oog had dan voor Engeland en het volk minachtte, waartoe hij behoorde, haar leven wijdende aan belangen, die met de zijne slechts zijdelings in verband stonden. Aan de andere zijde een bejaarde grootmoeder, heftig van aard, schijnbaar buigende voor hen, die hij als zijne vijanden moest beschouwen. Tus-schen die twee vrouwen bracht hij de eerste tien jaren zijns
5
65
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
levens door; en toen hij wees werd, moest hij eerbied betoenen aan de vijanden van zijn persoon en zijn huis, omdat het lot hun ook over hem macht had geschonken. Zoo deze knaap een man is geworden van de grootheid van Willem III, moet de fee, die aan zijn wieg stond, hem wel rijkelijk met haar beste gaven hebben bedeeld. Want wat hij werd, had hij niet aan zijn opvoeding te danken.
Toch mocht Amalia van Solms zich in later jaren met volle recht beroemen, dat zij alles gedaan had, wat in haar vei mogen was, om haar kleinzoon den weg te banen.
Toen Maria Stuart in den vreemde overleed, had haar jeugdige zoon door haar schuld een zwaar verlies geleden. Het prinsdom Oranje, midden in Frankrijk gelegen, was door Lode wijk XIV bezet. De onnadenkende moeder was er de oorzaak van. Uit verbittering dat de gouverneur van Oranje weigerde haar gezag te erkennen, had zij Franknjk's tusschenkomst ingeroepen, zonder te luisteren naar den raad van hen, die het gevaarlijke van dien stap haar voor oogen stelden. De leeuw, tot beslissing van een familietwist inge-loepen, had, als steeds in de fabel en in de werkelijkheid, zich het leeuwendeel toegekend. Hij had het prinsdom eenvoudig aan den wettigen eigenaar ontnomen. Rechtmatig was de toorn der Prinses Douairière geweest, en openbaar haar onwil 'tegen de Prinses Royale, die op zulk een wijze haar eigen kind benadeelde. Toen Maria in 1660 naar Engeland vertrok, liet Amalia van Solnis haar gaan, zonder eenig afscheid van haar te nemen. Het viel de grootmoeder te zwaar, vriendschap te huichelen voor eene moeder, die haar eigen zoon beroofde.
Het prinsdom Oranje uit de handen van Frankrijk terug te winnen, werd thans haar vurigste streven. Doch wat zou de oude vrouw, zonder krachtigen steun, tegen een overmach-tigen Lodewijk vermogen? De invloed van Engeland kwam haar te hulp. Maar niet alleen Engeland, ook de Staten-
66
AMALIA TAN SOLMS EN MARIA STÃA11T.
Generaal der Republiek. De staatkunde van Johan de Witt -leende zich gewillig, om voor de rechten van den Prins van Oranje in den vreemde te pleiten.
Voor een deel was deze gewilligheid der N-ederlandsche Republiek de vrucht van Engeland's betoogen, voor een ander deel van Amalia's beleid. Hoe zij ook dacht en oordeelde over de politieke partij, die na 1650 het roer van staat in handen had, de Prinses Douairière wist hare persoonlijke meeningen te onderdrukken, om alleen voor haar kleinzoon werkzaam te zijn.
Gedurende al de jaren van het bestuur van de 'Witt heeft Amalia met hem in betrekking gestaan. Tusschen die beiden heeft geen openbare vijandschap gcheerscht. De machtige raadpensionaris bekommerde zich niet veel om de oude vrouw. Jaren gingen soms na 1650 voorbij, dat hij den drempel harer woning niet betrad. Maar het belette hem niet, tot haar te gaan, waar hij meende dat hij haar tegenkanting â door persoonlijken invloed kon behoersehen. En naar zijne lofredenaars te oordeeleu, is hij steeds geslaagd. Zij heeft telkens voor zijne meerderheid gebogen en zelfs in de vijan-digste maatregelen berust.
Er is geen grond om zich daarover te verwonderen. Amalia van Solms kon niet anders. Aan feitelijk verzet tegen Tïol-^ land's overwicht was niet te denken. Wachten, geduldig wachten was de les, die het leven aan deze ongeduldige vrouw in haren ouderdom op de smartelijkste wijze leerde. Een mannelijk bondgenoot, in staat om aan hot hoofd der Oranjepartij tegenover Johan de Witt op te treden, was er niet. Wat die schijnbare berusting haar kostte, bleek in sommige oogenblikken. Toen de acte van seclusie in 1654 haar alle uitzicht scheen te ontnemen, beduidde Johan de Witt haar, dat het zoo goed was. Zij bedwong zich, zelfs zoo verre, dat zij de Staten met den gesloten vrede deed gelukwenschen. Met een ziekte betaalde zij den dwang, dien zij zich had aangedaan.
Amalia van Solms stond in ontwikkeling vrij wat hooger
67
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
dan haar schoondochter. Zij gaf zich helder rekenschap van de geringheid harer krachten en stelde zich tevreden, te doen wat zij kon. De kwetsende overmoed, die Maria had gekenmerkt, was haar vreemd. Zij boog, om zich telkens weder op te heffen, en nooit verloor zij haar doel uit het oog. Zij wist dat zij alleen stond in de Republiek, zonder den raad en de hulp van een krachtig man. Zij bleef met de leiders van het machtige Holland op redelijken voet, om door hen stap voor stap langzamerhand te verkrijgen wat zij wenschte. Daaraan had zij de hulp der Kepubliek tegenover Frankrijk en Spanje te danken en de herstelling der jammerlijk verwaarloosde finantieele belangen van het Oranjehuis.
Maar zij hoopte meer te verkrijgen. Na 1660, toen de taak der voogdij geheel op hare schouders werd gelegd, was het haar voortdurend streven, de Statenpartij voor den jongen Willem III belang in te boezemen. quot;Zoo de Staten aan de opvoeding van haar kleinzoon, op welke wijze ook, deel namen, dan werd metterdaad de erkenning uitgesproken, dat het Oranjehuis iets anders in de Republiek was, iets meer voor haar beteekende, dan eenig ander geslacht. Het is jarenlang haar streven geweest, hen, die de vijanden der Oranje's waren, door beleefde verzoeken en vriendelijken aandrang tot het opnemen der voogdij te bewegen. De oude. beleidvolle Prinses rekende op den tijd als haar bondgenoot; op den jongen Willem III, die te midden van het volk opgroeide en aan wiens zeldzamen aanleg zelfs zijne tegenstanders hulde brachten; op de noodzakelijke reactie, die de druk van Holland op de andere provinciën moest in 't leven roepen; op de misslagen van het oligarchisch bewind, dat het volk tegen zich verbitterde; eindelijk op Johan de Witt zeiven, wiens talenten, door haar ten volle erkend, te groot, wiens heerschappij te zwaar, te drukkend was, om niet jaloezie, ja verzet wakker te roepen. De hoop op een betere toekomst is de troosteres der ongelukkigen en der minderheden.
68
AMALIA VAN SOLUS EN MARIA STUART.
69
âGedenk aan Loevesteinquot; had, naar de traditie zegt, de oude Jacob de Witt steeds aan zijne kinderen Toorgehouden. Het is onverschillig, of het woord ooit uitgesproken is. De geniale staatsman, die achttien jaar de Republiek regeerde, heeft Loevestein nooit vergeten. Alles, wat vindingrijkheid en staatsbeleid aan de hand konden doen, heeft hij aangewend om de opkomst van het Oranjegeslacht te beletten. Jaren achtereen werkte hij in die richting, zonder op verzet te stooten dan alleen bij zijne tegenstanders. Maar de tijd kwam dat in de rjjen zijner eigen aanhangers stemmen tegen hem opgingen. Hij was hun te machtig geworden. Hij eischte tej blinde volgzaamheid ook van hen. De regenten-aristocratie, die aan hem haar heerschappij in de steden dankte, gevoelde zich vastgeworteld. Zij had zijn ijzeren hand, die zoo zwaar op haar drukte, niet meer noodig om staande te blijven. Ook indien hij viel, kon zij de heerschende zijn. Zij deelde zijn onverzoenljjken wrok niet tegen de Oranje's en sloot de oogen niet voor den aanwas der partij, die den jongen Willem III trouw was. Amalia, van wie een Fransch agent, uit boosheid over haar afkeer van Frankrijk, het getuigenis geeft, dat zij liever kwaad deed dan stil te zijn , gebruikte baar invloed voortdurend, om in Zeeland en de andere provinciën de aanhangers te bemoedigen, die op verheffing van haar kleinzoon aandrongen. Maar wie ook boog en toegaf, Johan de Witt niet. En de Douairière kende zijn macht te goed, om den boog te snel en te sterk te spannen. Toen in 1666 zich een krachtige beweging verhief om den zestienjarigen knaap tot generaal der ruiterij te verheffen, wekte zij door haar houding don toorn en allerlei booze vermoedens van de aanhangers van haar Huis op. Zij liet zich door de Witt bewegen, om bij de Staten een verzoekschrift in te dienen, dat de jeugdige Willem tot kind van staat werd aangenomen. Verraad! jammerden velen der Oranjepartij. Maar de oude vrouw had niet verraden, zij had slechts
AM ALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
beter berekend dan de blinde menigte. Immers de invloed van de Witt was nog niet gebroken en de aanhang der Oran-je's in Holland niet sterk genoeg. De uitkomst bewees, dat zij goed had gezien, toen na het eindigen van den krijg de Witt's politiek een laatste groote overwinning behaalde. Het Eeuwig Edict schafte het stadhouderschap in Holland af â op het papier.
Te midden van dien strijd der partijen, van die verdeeldheid in den eigen aanhang, van dat verschil van inzicht tusschen bloedverwanten en raadslieden, groeide de jonge man op, die den historischen eerenaam van Prins van Oranje droeg en ten volle zich van zijne rechten en aanspraken bewust was. Slechts onwillig had hij voor de grootmoederlijke autoriteit gebogen, die hem aan de curateele der Staten onderwierp. En zwijgende ontving hij het onderwijs van de Witt, de geslotenheid der moeder met de stoute vlucht des vaders in zijn karakter vereenigende. Zoo hij dien man heeft gehaat, die hem inleidde in het staatsrecht der Republiek, het was te vergeven. Met welke oogen moest hij den staatsman aanschouwen, die, t.rwijl hij heette hem te onderwijzen, om hem voor het bekleeden der hoogste betrekkingen geschikt te doen zijn, het Eeuwig Edict ontwierp, dat de kansen op die vaderlijke waardigheden hem ontnam?
Men verhaalt, dat, toen het stadhouderschap was vernietigd, de Dordsche pensionaris Vivien zich eens in de tegenwoordigheid van de Witt vermeid^e, den leeren band van een boek met een pennemes aan reepjes te snijden. âWat doet ge toch?quot; vroeg de raadpensionaris verwonderd. âIk probeerquot;, was het snijdende antwoord, âwat het perkament vermag tegen het staal.quot;
Dat woord bewijst, wat er omging in de gemoederen, en hoe weinig zelfs zij, die tot de Witt's aanhang werden gerekend, aan den duur dezer heerschappij geloofden. Toch is hij niet gevallen door de macht zijner binnenlandsche tegen-
70
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
standers. De oorlog met het buitenland, de krijg met Frankrijk, dat jaren lang hem gesteund had, heeft hem van het staatsbestuur verwijderd en Willem III op de plaats zijner vaderen gesteld. Tot het laatste oogenblik toe heeft de quot;Witt gekampt voor zijne partij, en hij heeft de trouw aan zijne overtuiging en aan zijn haat met den dood betaald.
Er was niet een enkel persoon, die zich den roem kon toekennen, deze uitkomst door zijn staatkundig beleid te hebben bewerkt. De beweging van 1672 was de spontane uiting van volksliefde en volkshaat. De historische redder van het volk uit nood en ellende werd te hulp geroepen in dezen nood en ellende, waarin het door de Statenpartjj was gestort.
Toch was deze uitkomst lang voorzien, ook door hen die den raadpensionaris steeds getrouw waren geweest, tot zij het dalen van zijn invloed opmerkten. Toen lieten zij hem in den nood alleen en wendden zich tot de opgaande zon.
Amalia van Solms werd het geschonken, dezen omkeer nog te beleven. Toen haar do gruwelijke moord der de Witten werd bericht, hoorde men haar zeggen, dat het haar jammerde dat âzulk een edel verstandquot; op die wijze moest omkomen. Zij was de levensperiode ingetreden, waarop waardeering en erkenning van den tegenstander geen overwinning meer kost.
Zeventig jaar was zij oud, toen zij de verheffing van den kleinzoon aanschouwde. Vijftig jaar was zij Prinses van Oranje geweest. Wat er groots en edels in de Republiek in die halve eeuw had geademd en gewerkt, het was voor hare oogen voorbij gegaan. Van 1625â1675 had zij, naar haar inzicht, voor het geslacht van Oranje gezorgd; van het sterfbed van Manrits totdat zij don overwinnaar van Seneffe in de Oranjezaal mocht welkom heeten. Toen zij in September 1675 de oude oogen sloot, kon zij heengaan met de zekerheid, dat het edelst verstand en de felste haat machteloos waren geweest tegen den eisch der nationale ontwikkeling. De Republiek had de erfelijkheid der vaderlijke betrekkingen in
71
AMALIA VAN SOLMS EN MARIA STUART.
het geslacht van de Oranje's aangenomen; de grondslag van een dynastie was gelegd. Zij mocht hopen, dat haar kleinzoon grooter zou zijn dan zijn vader.
De geschiedenis is daar, om te bewijzen dat haar hoop is vervuld. De kleinzoon van Amalia van Solms heeft zijn naam geschreven in de jaarboeken niet bloot van een enkel volk, maar in die der wereldhistorie.
72
in
CROMWELL.
9
CEOMWELL.
De man, over wiea de volgende bladzijden handelen, mag zich beroemen, steeds belangstelling te hebben opgewekt. Zijn naam is ieder bekend, gelijk die van Augustus en Napoleon en van dat klein getal historische personen, die aan de gewone onverschilligheid voor verleden tijden en personen ontsnappen. De ongewoonheid van hun levenslot, de grootheid, waartoe zij zich verhieven, verklaart de uitzondering, die men voor hen gemaakt heeft. Zij steken te hoog boven de groote menigte, ook der dooden uit, om niet de aandacht ook der levenden te trekken.
Maar dit is noch de eenige noch de voornaamste reden. Hun namen zijn verbonden aan instellingen en toestanden, die nog niet tot de geschiedenis behooren. De monarchale staatsvorm is in Europa nog niet ondergegaan, het militarisme doet zijn invloed steeds gelden, het godsdienstig fanatisme vlamt om de twee of drie geslachten telken male op en woedt met een kracht, die aan een eeuwige jeugd doet denken. Zij, die met behulp of in strijd met deze machten hun grootheid hebben gegrondvest, zullen de oogen tot zich trekken, zoolang hare werking in het lot der menschheid zichtbaar is.
Aan de voordeden der hooge plaats zijn altijd ernstige nadeelen verbonden. Van eenzame grootheid is gebrekkige
7 6 CROMWELL.
a
bekendheid onafscheidelijk. Wie geen pairs heeft, wordt door zijne minderen geoordeeld. In het gewone leven is de bekendheid der personen meestal voldoende, om niet enkel op de daden het oordeel te doen rusten. Bij groote historische persoonlijkheden is dit zelden het geval: het tooneel, waarop zij handelen, maakt bijkans hun leven uit. Zij worden daarbuiten niet gekend, omdat zij zoo zelden daarbuiten zich ver-toonen. Sympathie of antipathie voor het werk, dat door hen tot stand gebracht is, regelt daarom gewoonlijk het oordeel over de hand die het wrocht.
Sympathie en antipathie zijn slechte gidsen tot rechtvaardigheid. Zij leiden tot liefde of tot haat, zelden tot een billijk vonnis. Het ongeluk, dat alle menschen goed van iemand spreken, heeft Cromwell niet getroffen. Met het hoofd der Katholieke kerk, tegen welke zijn geheele leven was gekant, heeft hij de schimpende eer genoten, voor den Antichrist te zijn aangezien, van wien in het boek der Openbaring wordt gewaagd.
Even onmatig als de afkeuring, is de bewondering geweest. Een gave Gods aan Engeland tot redding van de godsdienstige en staatkundige vrijheid des volks, een tweede Mozes, geroepen om de geloovigen uit het diensthuis en de slavernij te verlossen, hebben zijne vereerders hem geroemd.
Tusschen deze uitersten is plaats voor minder absolute oordee/velling.
Het is een dwaling, te meenen, dat de strijd tusschen Katholicisme en Protestantisme, dien hij in Engeland heeft beslecht, deze uiteenloopende uitspraken voldoende toelicht. Want het historisch verschijnsel, dat Cromwell heet, is te zeer gecompliceerd, te weinig eenvoudig, dan dat men, om het te begrijpen, volstaan kan, zich op het standpunt van eenig kerkgenootschap te stellen. Bij iedere nieuwe beschouwing vertoont het nieuwe zijden, andere kleuren.
De man, die de monarchie heeft omvergeworpen, is dezelfde
CROMWELL.
die al zijn kracht heeft aangewend om haar te herstellen. De stichter der Republiek heeft niets â vuriger begeerd dan haar te vernietigen; feitelijk, schoon niet in naam, is hij er in geslaagd. De strijder voor vrijheid van geweten heeft de vrijheid van geweten aan banden gelegd. Hij heeft Engeland te wapen geroepen tegen de oneerlijkheid, de onzedelijkheid, de hypocrisie â en geen plant is op den akker, door hem beploegd, rijker en weelderiger opgeschoten, dan oneerlijkheid, onzedelijkheid, hypocrisie.
Geeft deze vrucht van zijn werk een juisten maatstaf aan de hand? Men heeft het gemeend.
Het meerendeel der tijdgenooten hebben hem voor een bedrieger gehouden, die zich van het godsdienstig fanatisme heeft bediend om zich te verheffen, en door geen hooger beginsel dan 't vuigste eigenbelang werd geleid. Een groot man, waar politieke sluwheid het oordeel bepaalt; een laag karakter, indien zedelijke eischen beslissen.
Het is niet tegen te spreken, dat er uren en dagen in zijn leven zijn, waarin berekening al zijn handelingen en woorden leidt, waarin het onmogelijk is, aan eenige religieuse inspiratie te gelooven. Die uren en dagen vermeerderen in getal, naarmate hij in aanzien en invloed stijgt, naarmate zijne woorden en daden meer beslissend zijn voor het volk van Engeland.
Maar uit deze erkenning volgt niet de erkenning zijner oneerlijkheid. Deze feiten bewijzen slechts, dat met de uitbreiding van zijn werkkring andere overwegingen zich hebben doen gelden, wereldsche overpeinzingen zich opdrongen aan een gemoed, oorspronkelijk met niets vervuld dan mot de zorg voor eigen zieleheil en dat van anderen. Ook wie den bijbel tot een politiek receptenboek verlaagt, zoekt er tevergeefs in, hoe vragen van praktisch staatsbeleid zijn op te lossen. Deze eischen de inspanning van andere vermogens der ziel, dan die zich wijden aan uitsluitend religieuse vraagstukken.
77
78 CROMWELL.
Cromwell's levensgeschiedenis ware volkomen onverklaarbaar, zijn levenslot zou een geheel ander zijn geweest, indien hij niet een heilige, waarachtige overtuiging had bezeten. Tartuffe kon wel vrouwen verleiden en mannen bedriegen, maar heeft nog nooit een staat gesticht.
Herhaaldelijk heeft Cromwell het uitgesproken, dat hij door God geleid is, waarheen hij niet wilde. Wij gelooven hem onbepaald. Want zoo hij gewild had wat hij bereikt heeft â hij zou hot eerste en het laatste menschenkind zijn, dat de droomen van zijn hart en van zijn hoofd inderdaad heeft zien verwezenlijken. En niet minder zeker is het, dat de wegen, die hij heeft ingeslagen, toen hij aan hun aanvang stond, hem geen de minste kans op deze uitkomst gaven. Cromwell is groot geworden als militair en als staatsman. Hij heeft noch voor de taak van den eerste noch voor die van den laatste eenige opleiding genoten of er zich toe voorbereid.
Zijn genie alleen heeft hem tot den meerdere van allen gemaakt in dagen, toen elke waarachtige kracht de hand naar het hoogste kon uitstrekken. Zijn grondige menschen-kennis, die hom steeds met juistheid de personen deed be-oordeelen en erkennen wat van hen te hopen of te vreezen was; zijn helder practisch verstand, onbeneveld door godsdienstige sympathieën of antipathieën, dat hem in eiken toestand scherp deed onderkennen wat noodig en alleen doeltreffend was; de kloekheid van zijn zelfvertrouwen, de onwankelbaarheid van zijn energie en de grootheid van zijn eerzucht, die de eer der uitvoering zoomin als de verdienste der vinding aan anderen overliet, maar voor zich eischte â zij zijn het, die hem hebben gevoerd, waar de dood hem vond: op de trappen van den troon, dien niet het belang van Engeland, maar alleen zijn bondgenoot, het religieus fanatisme, hem verhinderd had te bestijgen.
CROMWELL.
I
Cromwell is een kind van het land. Toen zijn vader, een landedelman, stierf, was de zeventienjare jongeling hem opgevolgd in het bestuur der landerijen, waarvan zijn moeder, zijne zusters en hij moesten leven. Te Huntingdon, bij Cambridge, woonde hij; daar bebouwde hij zijne velden, verkocht hij zijne producten, vermeerderde hij zijn inkomsten en zijn bezittingen. Het droogmaken van moerasgronden in den omtrek hield jaren lang hem bezig en schonk hem de eerste bekendheid. Nog als Protector interesseerde hij er zich voor. Op twintigjarigen leeftijd huwde hij; hij kreeg kinderen: zonen en dochteren.
De gewone opleiding, die de gentry genoot, was hem ten deel gevallen, maar niets meer dan deze. Het is onwaarschijnlijk dat hij een hoogeschool heeft bezocht, of te Londen, gelijk men gezegd heeft, op een advocatenkantoor is werkzaam geweest, om zich tot jurist te bekwamen. In elk geval kan het niet meer dan enkele maanden zijn geweest. Niets onderscheidde Cromwell onder de genooten van zijn stand, dan de warmte van zijn geloofsijver. Hij behoorde tot de secte der puriteinen, die hij openlijk voorstond en met zijn geld en zijn woord bevorderde. Gelijk Luther, had hy een tijdperk in zijn leven, waarin hij zich âden grootste der zondarenquot; noemde en, uit zielsangst voor zjjn eeuwig heil, in vlagen van diepe melancholie verviel.
In 1G29 werd hij in het parlement gekozen. Een enkele maal slechts voorde hij het woord, maar hij trok dadelijk de aandacht. De reden waarom, doet liet portret, dat een royalist van hem gaf, begrijpen. âEen boersch voorkomen; zijn kleeding scheen door een kleermaker op het platteland gemaakt. Zijn finnen was niet helder, zijn halskraag ouderwetsch, zijn hoed zonder boordsel; zijn degen als vastgeplakt aan de dij, zijn gelaat rood en dik, de stem scherp en wanluidend â maar
79
CROMWELL.
wat hij sprak was vol gloed en leven. De gestalte was middelmatig van lengte, maar forsch en goed geëvenredigd; hij had een mannelijk voorkomen, een levendig oog en een strengen blik.quot;
Dit parlement van 1629 was slechts kort bijeen; het werd door den koning naar huis gezonden.
Koning Karei, de tweede der Stuart's, regeerde sedert vier jaar: Het. parlement wilde hem de handen binden en hij achtte zich bevoegd, krachtens het goddelijk recht van zijn koningschaj), absoluut te heerschen. Voortaan zou hij zonder parlement, zonder de vertegenwoordiging des volks regeeren.
Elf jaar boog Engeland voor de bevelen van dezen man, een bekrompen geest met kleine passiën en kleine deugden. Het despotisme van een groot man biedt steeds eenige vergoeding voor de nadeelen, die het brengt: Napoleon gaf aan Frankrijk de heerschappij over Europa. Doch het despotisme der Stuart's schonk aan hun land niets, maar ontnam het alles wat het liefhad.
De wetten des land waren voor Karei I niet geldende. Hij wilde niet afhankelijk zijn van een parlement, dat de inkomsten zou vaststellen. Eigenmachtig hief hij belastingen in strijd met parlementsbesluiten en dacht nieuwe uit, die niet waren verboden, maar evenmin toegestaan. Hij dwong de Londensehe kooplieden, hem een deel hunner winsten af te staan, zonder anderen grond dan zijn koninklijk welbehagen.
Tegen deze willekeur schonken de rechtbanken geen bescherming. Zij veroordeelden met eerloozen oogendienst wie zich op recht en wet durfden beroepen. Hooge geldboeten, gevangenisstraf, lichamelijke mishandeling, zooals het afsnijden der ooren en het splijten der neuzen, bedreigden allen die het waagden.
In de Anglikaansche kerk, de staatskerk, was koning Karei opgevoed: hij was dus Protestant. Maar sterker dan zijn geloof was de invloed van zijne katholieke vrouw, Hen-
80
CROMWELL.
riette Maria van Frankrijk. Hij liet zich door haar verleiden, om de kerk, waartoe het meerendeel zijner onderdanen behoorde , te ondermijnen.
De Hervorming, in Engeland door politiek in 't leven geroepen , niet door de godsdienstige behoeften des volks, had de bisschoppelijke hierarchie behouden. Onder leiding van Laud wérden thans het katholiek altaar, het crucifix, de waskaarsen, de schilderijen en de rijke priestergewaden van den katholieken eeredienst ingevoerd in de kerk, van wier leerstellingen zij geen symbolen konden zijn.
Terzelfdertijd zag de natie de veiligheid van personen, de zekerheid van den eigendom en de heerschende religie bedreigd.
Op dezelfde wijze als in het binnenland regeerde deze koning waar het de buitenlandsche aangelegenheden gold. Onder Elisabeth was de Engelsche staat in Europa ontzien en geducht geweest: het eilandenrijk had in de kabinetten van het vasteland gegolden. De Stuart's verspeelden dien invloed geheel. Karei liet zijn eigen zuster, Elisabeth van Boheme, bedelen in het Binnenhof in den Haag, aan de poort der Staten-Generaal; zij leed armoede. Voor haar noch voor haar echtgenoot, den Protestantschen keurvorst van de Paltz, die door het huis van Oostenrijk uit zijn staten verjaagd was, sprong hij in de bres. De eertijds zoo geëerbiedigde staat was nu een bespotting en voetwisch voor groote en kleine vorsten.
De belangen van het protestantisme en de eer van zijn land gaf Karei willig prijs, om het genot te smaken dat zijn koninklijke willekeur noch zijn inkomsten beperkt en afhankelijk zouden zijn van de bewilliging van een parlement.
Elf jaar duurde dit régime van willekeur en euvelmoed; elf jaar volhardde deze man in het vertreden van de wetten des lands. Toen dwong hem de opstand der Schotten, die geen bisschoppen in hun kerk wilden toelaten, en de uitputting van zijn staatskas, om de vertegenwoordigers des volks
81
6
*
CROMWELL.
op te roepen. In November 1640 kwam het lange parlement byeen. Het zou dezen koning en het koningschap zelf overleven.
Mot kloeke vastberadenheid trad het lange parlement tegen het koninklijk despotisme op. Het weigerde alle geldelijke hulp, zoo het niet de vernietiging van het misdrevene en nieuwe waarborgen voor de eerbiediging der wetten verkreeg.
Allerlei concessiën werd Karei genoodzaakt te bewilligen. De geregelde samenkomst der vertegenwoordiging, haar recht tot vaststelling der belastingen moest hij erkennen. De willekeurige rechtbanken werden afgeschaft, de schuldige werktuigen en medeplichtigen des konings vervolgd en gestraft: Strafford moest het schavot bestijgen.
Ook de geestelijkheid der staatskerk oogstte wat zij gezaaid had. De vormen van den katholieken eeredienst werden afgeschaft. Laud in de gevangenis geworpen. De meerderheid van het parlement wilde verder gaan: zij was presbyte- -riaansch gezind. Zij eischte de afschaffing van het bisschoppelijk bestuur en de instelling van kerkeraden, ouderlingen en predikanten om de gemeenten te besturen, gelijk in de Nederlanden.
Voor eiken eisch bukte Karei, behalve voor den laatsten. Hij was aan de bisschoppen gehecht om den steun, dien hij van hen had genoten, en omdat hun instelling een trait d'union vormde met de kerk van Rome, waartoe zijne vrouw en velen zijner geheime raadslieden behoorden.
Henriette Maria, de koningin, vertrok met de kroonju-weelen in den zak naar de Nederlanden. Amsterdamsche woekeraars schoten er geld op en Karei bracht een leger op de been om zijn verzwakt gezag te herstellen en de bisschoppelijke hierarchie te handhaven.
De burgeroorlog brak uit, de burgerkrijg tusschen den koning en het parlement, tusschen de staatskerk en het pres-byterianisme.
82
CROMWELL.
Cromwell, geljjk andere leden van het parlement, verliet Londen en snelde naar de graafschappen, om zich aan 't hoofd der landmilitie tegen den koning te stellen.
Zoo werd Cromwell soldaat, militair. Niets was hem vreemder dan dit werk; achter den ploeg leert men geen legerorganisatie noch krijgstactiek. Zijn eerste onderricht ontving hij van een Hollander; zijn tweede van de dagelijksche ervaring. Aan dien eersten onderwijzer, die hem de geheimen der exercitiën en der commando's deed verstaan, had hij veel te danken; maar meer nog aan den tweeden. Zijn waarneming en nadenken deed hom inzien, dat bezieling en vastberadenheid hooger waarde hebben dan oefening en routine. Om te kunnen wat men wil, moet men willen wat men kan.
De generaals, die het parlement over het leger had gesteld, waren bekwame mannen. Toch duurde de strijd drie jaar zonder vrucht; overwinningen werden behaald, nederlagen geleden, de beslissing bleef uit. Tevergeefs werden de velden platgetreden, kasteelen en dorpen verwoest, steden geplunderd, vriend en vijand met naieve onpartijdigheid door vriend en vijand uitgeschud en mishandeld; de beslissing bleef uit. Aan wien lag de schuld? Wat was de oorzaak?
Cromwell zocht en vond het antwoord: de bezieling ontbrak.
âUwe soldaten zijn koffiehuisknechts, oude, versleten bedienden en zulk slag van volk. De soldaten van den koning zijn edellieden, vol van ridderlijk eergevoel. Hoe wilt gij ze dan overwinnen? Wij moeten mannen hebben, krachtig als zij, met hooger eergevoel dan zij, strijdende in de vreeze Gods. Ik zal ze zoeken en vinden; ik verzeker u, zij zullen niet geslagen worden.quot;
Zoo sprak Cromwell tot de edele lords, die het leger aanvoerden. En hij hield woord: hij zocht en vond.
Hij doorkruiste de oostelijke graafschappen, wierf pachters en zonen van pachters aan, zijne geestverwanten uit den boerenstand. Een uitgelezen schare, gelijk Gideon in Israël
83
CROMWELL.
opriep, die niet streden om loon, dat zij schaars en ongeregeld ontvingen; geestdrijvers, fier en onbuigzaam, strijdende voor de eere Gods, om Godswil, om der conscientie wil, met vast vertrouwen in den leider, die hen had opgeroepen, omdat hij met hen bad, met hen worstelde in den gebede, licht van boven smeekte.
Het waren deze ijzeren armen, gelijk zij genoemd werden, wier verschijnen op het slagveld de krijgskans deed keeren. Onder kolonel Cromwell verpletterden zij bij Marston Moor, den bloedigsten slag van don burgerkrijg, het royalistische leger. De boerenarm, door het geloof gesterkt, kneusde de schedels van den overmoedigen Engolschcn adel tegen den grond.
En desniettemin droeg opnieuw geen enkele overwinning vrucht en duurde de krijg steeds voort, en met hem de lange reeks van jammeren en ellenden.
âGij schrikt terug om te overwinnen ,quot; riep Cromwell thans de legerhoofden toe. Het was de waarheid. De parlements-hoofden durfden, wilden den koning niet overwinnen, niet tot het uiterste drijven. Zij wilden hem dwingen, zich aan hen te onderwerpen, bij hen aan te sluiten; zij en hij hadden een gemeenschappelijk belang, omdat zij een gemeenschappe-lijken vijand hadden.
Die vijand was Cromwell met zijn leger; die vijand was het puritanisme.
âWaar twee of drie in mijn naam te zamen zijn, zal ik met hen wezen,quot; had Christus gezegd. Met beroep op dat woord had zich sedert een halve eeuw een aantal geloovigen van de staatskerk afgescheiden. Zij predikten het individualisme, en wilden van geen kerkvorm, presbyteriaansch evenmin als bisschoppelijk, weten. Ieder geloovige is priester; geen priesterstand tusschen God en den mensch, verkondigden zij. Democratisch in de kerk, weigerden zij ook op staatkundig gebied de erkenning der bestaande machten. Zij wilden de monarchie en het huis der Lords afschaffen en één
84
CROMWELL.
enkele vergadering, als vertegenwoordiging der volkssouve-reiniteit, in de plaats van het parlement doen treden.
Deze puriteinen, independenten, of hoe zij verder zijn ge-heeten, vormden bij den aanvang van den krijg eene minderheid in de natie, maar een krachtige, een roerige, een aaneengeslotene. Tot hen behoorde Cromwell, ten minste religieus. Hij was puritein van der jeugd af: aan hun conventikelen had hij steeds doel genomen, voor hun bloei steeds tijd en geld over gehad. Zij waren het, die hij opgeroepen had, die hem blindelings volgden en gehoorzaamden, zich zeiven en hem met roem overlaadden, hem een steeds stijgenden invloed in het parlement verzekerden. Onder zijn leiding scheen alles bereikbaar, omdat hij, evenals zjj, voor niets terugdeinsden. De parlemontshoofden waren ten strijde opgetogen onder het voorgeven, dat zij niet tegen den koning streden, maar voor hem, om hem te verlossen van zijne slechte raadslieden. Cromwell wilde niets van dergelijke voorwendselen weten. âIk wil u niet bedriegenquot; â had hij zijn ijzeren mannen bij het aanwerven voorgehouden â âgij strijdt niet voor den koning, maar tegen hem; zoo hij tegenover mij stond, zou ik mijn pistool op hem lossen; indien uw geweten u dat verbiedt, 'gaat elders heen.quot; Zij waren niet heengegaan, maar hadden hem gevolgd en bleven hem volgen.
Het was deze partij, wier invloed met eiken dag, dien de krijg langer duurde, steeg, en die zich eindelijk van de leiding meester maakte. Zij verwijderde alle leden van het parlement uit het bestuur des legers, allen, met uitzondering van Cromwell. Aan hem en do zijnen werd de leiding van den krijg overgegeven.
Yan dat oogenblik af was de afloop te voorzien. Alle ver-schooning van den tegenstander hield op, de royalistische partij werd tot in haar uiterste schuilhoeken nagejaagd en er uit verdreven. Karei moest naar de Schotten vluchten, die hem voor meer dan dertig zilverlingen verkochten en in
85
CROMWELL.
handen van het leger stelden. Onder leiding van Cromwell overwon de puriteinsche partij den koning, de monarchie en gelijktijdig het parlement.
Over Cromwell's talenten als veldheer is veel gesproken: men heeft hem zelfs met Napoleon vergeleken. Ten onrechte, want waarschijnlijk zou hij zelfs tegen een Condé of Turenne niet bestand zijn geweest. Kiet in de grootschheid zijner plannen of in de stoutheid der militaire combinatiën ligt zijn verdienste. Cromwell's kracht als militair heeft gelegen in zijn organiseerend talent en in de geestdrift, die hij wist te wekken, te regelen en te beheerschen. Hij was het denkende hoofd van religieuse geestdrijvers, die hij tot de overwinning voerde. Godsdienstige overeenstemming was de grondslag van zijn overmacht en van hun volgzaamheid.
Er zijn weinig menschen geweest, die meer aan persoonlijken invloed hebben te danken gehad dan hij. Cromwell had weinig uit boeken, veel van menschen geleerd. Tegenover zijn soldaten was hij beurtelings gemeenzaam en hooghartig. Hij bad met hen, deelde in hun nooden, van ziel zoowel als van lichaam. Hij kon beter, langer, warmer bidden dan zij; maar tevens verstond hij de kunst, zijn wil hun op te leggen. Bij de legers der royalisten heerschte noch orde noch krijgstucht. In Cromwell's leger was gehoorzaamheid de eerste wet; een ijzeren krijgstucht heerschte; zijne regimenten gehaorzaamden aan één wil, den zijnen; ook op het slagveld gold alleen zijn woord, zijn last. Zijn organiseerend genie dwong de godsdienstige geestdrift, tuchteloos van natuur, tot zelfbeheersching en intooming, opdat zij haar kracht in de zwaarte der slagen, niet in de luidruchtigheid der bewegingen zou openbaren. Een leger van heiligen, in wier handen God zijn wan gelegd had om'zijn dorschvloer te doorzuiveren! En zij volbrachten hun werk. Cromwell voerde hen met vaste hand van het oosten naar
86
CROMWELL.
het westen, van het zuiden naar het noorden. Nooit had Engeland een leger gezien, dat zich met zulk een orde, snelheid en zekerheid bewoog. Niets hield hen terug. âZend mjj schoenen,quot; schreef Cromwell, toen hij tegen Schotland optrok, âmijne soldaten zijn blootsvoets.quot; Onder psalmgezang trokken zij Engeland door, en zij overvielen den verbaasden vijand, als hun nadering nauwelijks geloofd werd.
Bij Cromwell den veldheer was geen aarzeling, geen weifeling, hij ging steeds recht op zijn doel af en offerde er alles aan op. In den strijd kalm en opgewekt, voerde hij zijne troepen met rustige vastheid aan. Terwijl de cavaliers bij 't geringste voordeel aan het plunderen sloegen, hield hij zijn mannen bijeen, richtte ze telkenmale op de bedreigde punten, tot de vijand niet aan eene, maar aan alle zijden vluchtende was. Hij schiep een leger, uitmuntende door krijgstucht en dapperheid, dat nooit een nederlaag leed en telkenmale den tegenstander zoo verpletterde, dat hij geheel nieuwe troepen moest lichten, zoo hij den strijd wilde voortzetten. Met al de groote generaals der historie had Cromwell gemeen, dat hij quot;niet schroomde bloed te vergieten. Toen hij in 1649 Ierland onderwierp, werd de eerste plaats, die hij veroverde, op zijn last het tooneel van een vreeselijk bloedbad. Twee dagen lang werd de rampzalige stad aan de verbittering en geloofswoede der Protestantsche soldaten, die den moord van duizenden geloofsgenooten op de katholieke bevolking wreekten, overgegeven. Een kreet van afgrijzen ging er tegen den wreeden Cromwell op, en toch was hij niet wreed. Hij bezat de hardvochtigheid van den staatsman, die de stem van het gemoed onderdrukt. âIk ben overtuigd,quot; schreef hij, âdat het een rechtvaardige kastijding Gods over de lersche barbaren is, die zooveel onschuldig bloed hebben vergoten. Het zal, hoop ik, al dat bloedstorten voor het vervolg voorkomen. Zulke gronden verdedigen voldoende handelingen, die anders slechts smart en zelfverwijt zouden opwekken.quot;
87
CROMWELL.
De uitkomst bewees dat hij recht had, het sidderende Ierland onderwierp zich.
Groote resultaten worden niet door kleine middelen bereikt.
Het parlement had het tegendeel gemeend bij den aanvang van den strijd, de parlementspartij en de presbyterianen meenden het nog, toen de puriteinen onder Cromwell den burgerkrijg hadden beslist en de koning hun gevangene was.
Wat zouden zij met Karei doen?
Het parlement wilde verzoening met den monarch, zijn herstelling op den troon tot behoud der monarchie en der monarchale instellingen. Nieuwe waarborgen zouden de eerbiediging der wetten verzekeren.
Het leger eischte straf voor den meineedigen vorst, die zelfs door de fortuin was verlaten: het wilde afschaffing der monarchie en van het huis der Lords.
Wat zou Cromwell doen? Aan welke zijde zich scharen?
Een tijdlang aarzelde hij. Het scheen, dat de monarchie met haar groote beloften hem verleidde: graaf van Essex, en ridder van den Kouseband zou hij worden. Reeds dreigde een opstand, een luid gemor verhief zich tegen den afvallige, den verrader.
Maar Cromwell werd geen afvallige, geen verrader. Een brief van Karei viel hem in handen, waarin de valsche koning zijn geheimste gedachten uitsprak. Geen enkele zijner beloften zou hij houden, door geen eeden achtte hij zich gebonden. De lichtgeloovigen, die hem zouden herstellen, zouden zijn eerste slachtoffers zijn; niet het lint van den Kouseband, maar een touw van hennep en vlas wachtte hen op het schavot.
Van 's konings valschheid en spelen met eeden pvertuigd, bracht Cromwell met zijne soldaten twee dagen in den gebede door. Yluchten deed Karei niet, zooals Cromwell had ge-wenscht; hij trotseerde het leger, in welks macht hij was. Welken weg moest de veldheer inslaan. Weerstand bieden
88
CROMWELL.
aan de eischen der getrouwen? En voor wien? Voor een man, die met eeden speelde en allen bedroog!
In de worsteling der gebeden gaf de Heer licht. Het boek der Spreuken wees hun den weg. Daar leest gij in het eerste hoofdstuk, vers 23: âKeert u tot mijn bestraffing: ziet, ik zal mijn geest overvloedig over u uitstorten: ik zal mijne woorden u bekend makenquot;.
Het was duidelijk dat deze woorden voor hen geschreven waren. De veldheer boog het hoofd voor de Godsstom, die uit den eisch der heiligen sprak. Hij wierp zijn zwaard in de weegschaal.
Het parlement werd gezuiverd, de onwillige tegenstanders werden met geweld verwijderd. Karei I besteeg het schavot: de monarchie, het huis der Lords en het parlement vielen gelijktijdig.
Op hun puinhoopon stond Cromwell met zijne heiligen, do hand aan het zwaard.
II
De naam der puriteinen staat bij het nageslacht met een zwarte kool geteekend. Hypocrisie in belachelijke vormen, ziedaar de voorstelling die hij opwekt.
Dit is niet de schuld van Walter Scott of van andere
\
romanschrijvers, gelijk men gezegd heeft. Het beeld is ons overgeleverd door het geslacht, dat de puriteinen is opgevolgd.
Oorspronkelijk waren 'zij slechts een kleine partij, maar door de groote macht, die zij verwierven, word hun zielental aanzienljjk. Als een partij, hetzij godsdienstige of politieke, macht verwerft, zoodat haar gunst den weg tot aanzien en rijkdom opent, dan dringen zich eerzuchtige en baatzuchtige mannen bij haar in, spreken haar taal, bootsen haar eigenaardigheden na en gaan in uiterlijk betoon van ijver veel verder dan de oude, oprechte leden.
Doch de voorspoed draagt nog een andere vrucht: hij ont-
lt;
89
CROMWELL.
wikkelt ook de leer. Denkbeelden, die sluimerden zoo lang de partij strijdende was, ontwaken als zij zegevierende is geworden. Het welslagen wordt een prikkel tot grooter machtsbetoon. Het wordt opgevat als een bewijs van de goedkeuring Gods, en tevens als een aansporing om nog grootscher werk tot stand te brengen.
Toen de monarchie was afgeschaft, stelde men aan het hoofd van den staat een raad van state. Lang werd beraadslaagd, uit hoeveel leden hij bestaan moest. Eindelijk bepaalde men zich tot een dertiental, omdat Christus en zijne apostelen ook dertien in getal waren geweest.
Ãen tweede feit teekent de stemming der gemoederen niet minder. In de Evangeliën vindt gij de genealogie van Jezus. Welnu, een der regimenten van Cromwell kende geen andere namen van soldaten en officieren, dan daar voorkomen; de kwartiermeester had geen andere lijst dan het eerste hoofdstuk van Mattheus.
quot;Was het te verwonderen, dat zulke mannen hun taak niet afgedaan rekenden, toen zij de Republiek hadden gevestigd, en dat de drom van secten, waarin het puritanisme verliep, met elkander wedijverden in fanatieke droomen en plannen? God had hun de overwinning niet geschonden om uit te rusten van hun werk. Zijne heiligen waren geroepen, na de hervorming van den staat die der maatschappij tot stand te brengen.
Het is Engeland's behoud, zijn redding geweest van de jammeren, waartoe anderhalve eeuw later de Fransche revolutie verviel, dat deze dweepzieke hervormers der maatschappij niet zijn geslaagd. Zij hebben hun doel gemist, omdat een leidend hoofd hun ontbroken heeft en de eenige man, die in staat was hen te doen zegevieren, zich tegen hen keerde. Cromwell de generaal was groot geworden door de puriteinen; Cromwell de staatsman heeft zijn vaderland voor de sociale revolutie van godsdienstige dwepers bewaard.
90
CROMWELL.
In September 1651 was hij uit Schotland, na een opstand der katholieken en presbyterianen te hebben onderdrukt, in Londen weergekeerd. Sinds zetelde hij in een der koninklijke paleizen als opperbevelhebber van al de legers der Ke-publiek. H|j was de eerste man in den staat, de pijler, op welken de Republiek rustte, de wakkere degen, in wiens handen haar lot was. Zijn zwaard had haar gegrondvest. Wat vermocht zij zonder hem?
Een warm puritein was Cromwell, wat zijn godsdienstige overtuiging betrof; daarom had hij den monarch bestreden, die zijn geloof ondermijnde. Maar do staatkundige theorieën van zijne partij heeft hij waarschijnlijk nooit gedeeld. Zoo Earel een eerlijk man ware geweest, die genoeg achting voor zich zelf en zijn volk had gehad om zijn oeden te houden, Cromwell zou wel nooit tot zijne terechtstelling hebben medegewerkt. Hij was, als elke heerschersnatuur, te zeer man van orde, tucht en autoriteit, om de onmisbaarheid van orde, tucht en autoriteit in den staat te miskennen. Elf jaar in het leven van een man op de middaghoogte des levens is een belangrijk tijdperk, vooral van een, die zich rekenschap geeft van wat zijn oogen zien en de menschen peilt, die hem ontmoeten. Zijn omgang en bekendheid met menschen van allerlei rang en stand, jaren achtereen, had de warmte, misschien niet van zijne religieuse overtuiging, maar zeker van zijn achting voor menschen verminderd.
Hij had beweegredenen, ook bij zijne partijgenooten, waargenomen , die kalmeerend op zijn vurige liefde hadden gewerkt. In sommige oogenblikken vangen wij uitdrukkingen uit zijn mond op, die van geringe ingenomenheid zelfs met de heiligen van zijn aanhang getuigden. Bij zijn intrede in Londen merkte iemand in zijne omgeving vleiende op: âWat een stroom van menschen om Uwe Lordschap te begroeten!quot; â âJaquot;, was het cynische antwoord van Cromwell, âja, en hoeveel grooter zou die stroom nog zijn, indien zij mij zagen hangen.quot;
91
CROMWELL.
Het groot succes, dat hunne wapenen had gekroond, had
de puriteinen bedwelmd: zij achtten alles voor zich mogelijk i
en zich tot alles geroepen. Cromwell's oordeel was niet be- i
neveld, integendeel scherper geworden. De veertig voorbij, ^
toen de krjjg aanving, was hij thans 52 jaar: een leeftijd, a
waarop weinig illusiën blijven. Hij was zich volkomen bewust, \ dat de natie, al had zij tegen Karei het zwaard verheven,
aan de monarchie als staatsvorm gehecht was, en dat de i
anarchistische utopieën der dwepers tot niets leidden, dan tot 1
vermeerdering dier gehechtheid. Hun dweepzucht kon èn voor ^
de personen èn voor de natie de geheele vrucht der revolutie (
verspelen. Onverholen en herhaaldelijk sprak hij het uit, dat \ alleen een staatsinrichting, die eenigszins monarchaal was, de
natie zou bevredigen en de revolutie stuiten. âDie man zal zich i
tot koning maken,quot; sprak een zijner kapelaans reeds in 1651. Y
Onverschillig is het, hoeveel er ook over getwist zij, wanneer g
het eerste denkbeeld bij hem is ontwaakt. Want niet het e
belang van een secte, maar dat van den geheelen staat heeft t zijn gedragslijn in deze richting na 1651 bepaald. En het
zijn meer nog de fouten van anderen, dan zijn eigen bande- c
lingen, die de ontwikkeling der gebeurtenissen hebben geleid, li
samenloopende met de droomen zijner eerzucht. d
Toen de Republiek was ontstaan, zetelde nog in Westminster v
de romp, die, na de laatste zuivering, van het lange parlement g
was overgebleven. Deze mannen werkten ijverig en onvermoeid, v
maar gaven zich geen rekenschap van den waren toestand. Naij- h
verig op eigen gezag, jaloersch op de macht, die zich nevens g het parlement had verheven en het overschaduwd, waagden zij
het, het leger aan te tasten! Als ware de jonge Republiek niet van v
vijanden omringd, royalisten, presbyterianen, anglikanen, wilden ti
zij de heiligen van Cromwell naar huis zenden en zelve blijven. t
Het leger eischte hun ontbinding; Cromwell erkende het n
gevaar, deelde de grieven der soldaten en joeg persoonlijk o
^ het lange parlement uiteen (20 April 1653). n
92
CROMWELL.
De botsing tusschen dit lange parlement en het leger had nog een ander gevaar aan den dag gebracht. Om elke nieuwe wrijving tusschen de civiele en militaire macht te voorkomen, besloot men een parlement te doen bijeenkomen, van welks leden men zeker kon zijn, naar men meende. Een wetgevende vergadering, die de nieuwe staatsorde zou grondvesten, de vereischte verbeteringen invoeren, in overeenstemming met het leger. Zorgvuldig lazen Cromwell en de militaire hoofden uit alle deelen des lands te zamen, âvrome mannen, van wier trouw, werkzaamheid ,en ijver voor de zaak van Godquot; men bewijzen had. In Juli 1658 traden deze 144 uitverkorenen het parlementshuis binnen, f è (
Uitverkorenen waren zij, niet alleen door Cromwell, maar in hun eigen oog ook door God. Wat niemand verwacht had, geschiedde. Dit âparlement van heiligen,quot; gelijk het genoemd werd, achtte zich geroepen, niet om de revolutie te eindigen, maar om haar voort te zetten en de maatschappij te hervormen.
In die dagen was Ilieronymus van Beverningk, de burgemeester van Gouda, in Londen. Hij ging, uit nieuwsgierigheid, een conventikel van geestdrijvers bijwonen en schreef daarover aan Johan de Witt: âIk heb in deze vergadering van heiligen twee preeken en één gebed aangehoord, maar, goede hemel, welk een afschuwelijk geschetter van moord en vernieling; zij willen alle regeeringen afschaffen. Toen ik hen hoorde, dacht ik aan Jezus' woorden tot Jacobus en Johannes: gij weet niet, van welken geest gij zijt.quot;
Van dit fanatisme was het kleine parlement, door Cromwell samengeroepen, de uitdrukking. âDe aardequot;, zoo preekten zijne geestverwanten daar buiten, âis door den Schepper tot onderhoud van allen bestemd; eigendomsrecht is daarmede in strijd. God heeft den mensch wel tot heers.cher over de aarde en over de dieren des velds gesteld, maar niet den een tot heer, den ander tot slaaf. Dit is de
93
94 CROMWELL.
twist tusschen Abel en Kain; Abel mag niet steeds verslagen h
worden.quot; ^
Het parlement betrad den weg der sociale revolutie, iffquot; h
die woorden geëischt. Zonder zich om historisch geworden ei
toestanden te bekommeren, zocht het, uit de volheid van zi
eigen macht, eene nieuwe maatschappij te scheppen. Allerlei ei
rechten, sedert eeuwen bezeten en met de maatschappelijke g1
verhoudingen samengegroeid, zooals het patronaatrecht, het hi tiendrecht, werden kortweg afgeschaft.
Doch niet tot ondergeschikte deelen bepaalde het zich. De st âheiligen der vijfde monarchiequot;, gelijk een der heftigste secten, r£ met zinspeling op het boek Daniël, zich noemde, eischten w veel algemeener en radicaler hervorming. âAlle bestaande lr instellingen in staat en kerk zijn vruchten der vierde monarchie; et in de vjjfde, die thans aanbreekt, moeten zij vernietigd w worden. Beschaving en ontwikkeling, kunst en wetenschap, , h kennis en ervaring zijn bolwerken van dat Babel, dat vallen 01 moet. Alle zaken, ook die men wereldsche noemt, zijn zj religiezaken; slechts de door den geest verlichte mag regeeren, d( ieder gezag moet afhankelijk zijn van de maat van goddelijke genade, die men deelachtig is. Er moet een senaat opgericht worden, waarin met den bijbel in de hand de aangelegenheden des lands worden geregeld.quot; Z1 In overeenstemming met deze leerstellingen, tastte het V( parlement alles aan: het universitair onderwijs en het rechtswezen werden met veranderingen bedreigd, die zoowel met 0I de belangen als met de gewoonten des volks in strijd waren. E Zelfs het leger bleef niet verschoond; het zag zich in de eenvoudigste zaken, zooals de uitbetaling der achterstallige soldij, h( zijne billijkste eischen ontzegd. Zoo ver ging de vervoering m dezer geestdrijvers, dat zij allen, die solliciteerden, onbevoegd k( verklaarden om openbare betrekkingen te bekleeden. De gf geest moest ze aanwijzen, zeiden zij. st Slechts weinige maanden was dit parlement bijeen, toen m
'â i
CROMWELL. 95
sn het er reeds in geslaagd was, alle standen der maatschappij tegen zich in het harnas te roepen. De gentry, de geestelyk-
tr heid, het leger, de rechtsgeleerden, allen, die iets bezaten
in en te verliezen hadden, voelden zich bedreigd en wenschten
,n zijn val. De minderheid der vergadering tastte eindelijk door,
ei en dwong met geweld de meerderheid uiteen te gaan en het
ce gezag, dat zij van Cromwell had ontvangen, weder in zijne
st handen neder te leggen.
Vier dagen later trok door de straten van Londen een
)e statige optocht. De commissarissen van het groot zegel, de
n, raad van state, de lord maire en de aldermen van Londen
sn wezen den weg aan de groote staatsiekoets, waarin Cromwell,
ie in een zwart fluweelen gewaad, met hooge stevels aan en
e; een grooten gouden band om den hoed, was gezeten. Zijn
rd wacht en een aanzienlijke stoet van edellieden volgden bloots-
3, i hoofds het rijtuig, dat door de hoofdofficieren des legers was
ïn omringd. Zwijgend zag de menigte den optocht aan. Toen
jn zij in Westminsterhall waren aangekomen, nam Cromwell in
n, de zaal der kanselarij plaats. Een der hoofdofficieren trad
5:e vooruit en verzocht hem, in naam des legers, der natie en t
ht van den nood des lands het protectoraat over Engeland, '
n- Schotland en Ierland te aanvaarden. Cromwell verklaarde zich bereid, en legde den eed af op een soort van grondwet,;
et vooraf opgesteld.
is- Des avonds werd met kanonschoten en proclamatiën op de
et openbare pleinen van Londen der natie kond gedaan, dat
m. Engeland een meester had ontvangen.
n- Deze verheffing van den generaal der puriteinen tot de
ij, hoogste macht in den staat was de eenige oplossing, die
rig mogelijk was; de eenige, die de gevaren, welke dreigden,
^d kon afwenden. Zoo de Republiek niet in anarchie zou onder-
])e gaan, moest de eenige hand, die bij machte was de worstelende partijen te bedwingen, het roer van staat in handen
en nemen. Met meer recht dan ooit een der Napoleon's mocht
L__
CROMWELL.
deze Lord Protector der Republiek zich den redder der maatschappij noemen.
Protector â niet koning heette hij. Maar inderdaad oefende hij koninklijk gezag. Zijn wil beheerschte Engeland en schonk het onder de staten van Europa een macht en aanzien, zoo als hot nooit te voren had bezeten.
Vijf jaar lang heeft hy geregeerd, en in dit korte tijdperk zich met roem overladen. Weinig mannen zijn zoo geducht geweest voor hunne vijanden, weinigen hebben de geestdrift hunner aanhangers tot die hoogte opgevoerd. âWij hebben onzen Protector op aarde verlorenquot;, predikte een zijner kapelaans bij zijn dood, âhij zal toonen, een nog machtiger Protector te zyn, nu hij met Christus aan de rechterhand Gods is gezeten.quot;
Talloos waren de vijanden van zijn bestuur: aanhangers van het verdreven vorstenhuis, getrouwe leden en geestelijken der xinglikaansche kerk, onverzoenlijke presbyterianen, religieuze fanatieken onder allerlei naam, anabaptisten, heiligen van de vijfde monarchie enz. Met elk wapen, dat treffen kon, hebben zij hem bestreden, eerst door openbare opstanden, toen door geheime samenzweringen en aanslagen op zijn leven. Hen allen heeft hij belet hunne plannen te volvoeren. Met namelooze gestrengheid, met een despotisme zonder wederga heeft hij hen ondergehouden, om aan Engeland veiligheid van personen en zekerheid van den eigendom te waarborgen. âIk ben de groot-konstabel van het rijk, ik moet den vrede in het land handhaven en de partijen beletten, dat zij elkander verscheuren en verslinden.quot; In deze karakteristieke woorden drukte hij de opvatting van zijne taak uit.
I)e geschiedenis is daar, om te bewijzen dat hij die taak heeft vervuld. Welk oordeel men ook velde over zijn persoon; over de middelen, die hij bezigde; over het doel, dat hij najaagde â vrienden en vijanden erkenden de grootheid van zijn bestuur. Geen der vijandelijke aanslagen is gelukt, en
96
CROMWELL.
Cromwell is een der weinige overweldigers, die, gelijk met fierheid in zijn grafschrift wordt vermeld, in het volle bezit van zijn macht in zijn bed is gestorven. Toen de Stuart's terugkeerden op den troon, was het fanatisme machteloos geworden. Geen der godsdienstige partijen heeft ooit meer in Engeland de hand tegen den staat opgeheven. Dit is de blijvende beteekenis van zijn werk, de onsterfelijke aanspraak van Cromwell, den militairen despoot, op den dank van zijn volk.
Maar Engeland heeft hem meer te danken. Hij heeft zijn aanzien in Europa hersteld en uitgebreid, zijn grootheid als handelsmogendheid gegrondvest. Engeland is door hem de protector van het Protestantisme in Europa geworden.
Spanje en Italië beefden voor hem, Mazarin bedelde om zijn gunst. De Turksche sultan ontsloeg christelijke gevangenen op een briefje van zijne hand, de hertog van Savoye staakte de vervolging der Waldenzen op zijn eisch. De Keder-landsche Republiek teekende een smadelijken vrede in het paleis van Westminster; als haar mededinger op de wereldmarkt verhief zich de Engelsche handel, onder de bescherming der navigatie-acte.
En ondanks dit alles heeft de tijdgenoot hem niet vergeven. Cromwell's eerzucht was het, zjjn werk te bestendigen en de dynastie der Stuart's voor altijd onmogelijk te maken. Herhaaldelijk heeft hij de hand naar de kroon uitgestoken, maar steeds heeft het leger, zijn onmisbare steun, het opnemen der kroon hem belet.
Wat den levende is geweigerd, is den doode ruimschoots geschonken.
Zonderlinge ironie van het lot!
Cromwell, de puriteinsche protector van het Protestantisme in Europa, is naar zijn laatste rustplaats geleid met de koninklijke eerbewijzen, het vorstelijk begrafenisceremoniëel van koning Filips II van Spanje, den bittersten vijand, dien het Protestantisme heeft gekend.
97
7
CROMWELL
III
Tot den aanvang dezer eeuw, toen Napoleon's geluksster alle andere in de schaduw stelde, was Cromwell zonder pair in de geschiedenis van Europa. Met de vrees, die elke geheimzinnige grootheid inboezemt, zag de tijdgenoot op tot den man, die, zonder hooge geboorte, zonder groot vermogen, zonder aanzienlijke betrekkingen zich tot beheerseher van drie rijken had verheven en er in geslaagd was, den druk van zijne heerschappij op te leggen aan dezelfde mannen, die jarenlang met hem gestreden hadden tot afwerping van een juk, veel minder zwaar en knellend dan het zijne.
Het bijgeloof van den tijd had de verklaring bij de hand: hij had een contract met den duivel gesloten. Niets ontbreekt aan de zekerheid, alleen het perkament zeifis verloren. Maar overigens is alles in orde; dag en uur is bepaald, ooggetuigen zijn aanwezig.
Op den morgen, dat hij de laatste, beslissende overwinning op de aanhangers der Stuart's behaalde, is het contract door partijen geteekend. Satan beloofde hem de macht gedurende zeven jaar; tevergeefs wilde Cromwell een langeren termjjn bedingen, de duivel stond op zijn stuk en de eerzuchtige gaf !- toe. De overeenkomst eindigde 3 September 1658; geen dag, geen uur van respijt gaf de vorst der hel. Onder het donderen van den orkaan, die op dezen 3 September Engeland's kusten en Engeland's hoofdstad teisterde, gaf de overweldiger zijn ziel over; de prijs waarvoor hij zijn macht had gekocht.
Hoe eenvoudig de verklaring ook zij, de kinderen der 19® eeuw zijn er niet mee tevreden. Zij wenschen een meer begrijpelijke. Toch zal er nimmer een gegeven worden, die volkomen voldoet. Want er is geen sleutel, die het geheim van het buitengewone ontsluit.
Het ligt voor de hand, bij Cromwell, evenals bij alle
98
CROMWELL.
historische personen, op den ongewonen samenloop van begunstigende omstandigheden te wijzen. In een gewone orde van zaken, in een rustigen en kalmen toestand der maatschappij zou deze man zijn leven te Huntingdon hebben geëindigd, waar het was aangevangen. Slechts de geduchte schok, dien het Engelsche staatsleven onderging, heeft hem de gelegenheid tot zijn verheffing geschonken. Ontneem aan Cromwell de gunst der omstandigheden, en hij blijft en sterft in zijn vroegere onbekendheid. Groote talenten toch heeft hij niet bezeten. Hij is geen meteoor, die door de schittering van zijn glans en de snelheid van zijn loop verbaast. Cromwell is een geduldig man; koel, berekenend, verheft hij zich stap voor stap, met de omstandigheden die hem omhoog dragen.
Zoo heeft men gesproken en geschreven, doch zonder licht aan te brengen. Want dergelijke algemeenheden verklaren niets. Voor een deel gelden zij van iedere carrière, die niet met een volslagen bankroet eindigt, voor een ander deel vermeerderen zij de duisternis slechts. Want er is één hoofdpunt, één hoofdvraag, die geheel onopgelost blijft.
Middelmatige gaven, als aan Cromwell worden toegekend, zijn niet zeldzaam. In revolutionaire tijden, evenals in kalme dagen, vormen zij de geestelijke uitrusting van het meeren-deel der menschenkinderen. Waarom is nu de man, die Cromwell heette, door die middelmatige gaven zoo hoog verheven? Waarom hij? Waarom niet een ander?
Het is duidelijk, dat deze man iets moet bezeten hebben, dat anderen misten, iets of veel, dat hem zijn overwicht gaf, en de reeks van eerzuchtigen en benijders, die hem omgaven, dwong, zich aan hem te onderwerpen.
De grondslag van zijn verheffing is zijn militair genie geweest. Dat orde, krijgstucht, snelheid van beweging, verkwisting van bloed om groote resultaten snel te verkrijgen, in een oorlog belangrijke factoren zijn, weet ieder in onze
99
CROMWELL.
dagen. Maar in de 17de eeuw was het eene ontdekking. Wanneer men denkt aan de hervormingen, die Maurits in het Nederlandsche leger moest invoeren; aan den eindeloozen krijg, die de worsteling in Duitschland tot een dertigjarigen deed uitdijen; aan de verbazing, waarmede Europa aanschouwde, hoe Lodewijk XIV in 1672 een vesting als Maastricht durfde ter zijde laten, om in de Republiek te vallen, dan voelt men eenigszins, welk een genialen blik deze landedelman moet gehad hebben, die zonder onderwijs van Maurits en twintig jaar voor Lodewijk XIV, de stoutheid had, een krjjg te voeren als zij; die de krijgstucht van den Hollandschen stadhouder wist te vereenigen met de snelheid en stoutheid van beweging, die de Fransche legers onder Condé en Turenne kenmerkte. Meer en scherper zien dan anderen, moge niet het wezen zijn van het genie, zeker is het een deel ervan. En Cromwell de generaal bewees, dat hij juister en scherper zag dan een der andere aanvoerders van het Engolsche leger, en daarom werd hij hun meerdere.
Maar die vastberadenheid, die beslistheid van zijn optreden, dat recht op zijn doel afgaan, het opofferen van alles om het te bereiken, heeft hem als staatsman ontbroken, zegt men. De Protector is weifelend, onzeker van den weg en de middelen, slaat zijpaden in en mist daardoor zijn doel. Slechts tegenover Europa is hij dezelfde.
Geen enkel dezer verwijten is m. i. gegrond; de beschuldiging rust op een geheelo miskenning zijner positie. Niet alleen tegenover het buitenland, maar ook tegenover het binnenland en de partijen vertoont Cromwell's beeld na 1653 dezelfde trekken als vroeger.
Wie in Cromwell een man van theorie meent te vinden, vergist zich; hij is een bij uitstek practisch man. Hij geeft zich met zeldzame nuchterheid rekenschap van de behoeften van het oogenblik, en kiest de middelen om er in te voorzien. Bij de uitvoering deinst hij voor niets terug.
100
CROMWELL.
Toen hij het Protectoraat had aanvaard, was hij aan alle kanten door vijanden omringd. Hij onderwierp hen, door een zelfde strenge organisatie als in het leger, over geheel Engeland uit te breiden. Het was een militair regime, waaraan hij het volk onderwierp, een militarisme, dat strenger en drukkender werd, naarmate de vijandschap zich onverzoenlijker toonde. In groote militaire afdeelingen was geheel Engeland verdeeld, generaals heerschten hard en streng, maar tevens heerschte orde en tucht. Persoonlijke veiligheid en die van don eigendom waren verzekerd. Niemand schrikte om inkwartiering te ontvangen, want de soldaten van Cromwell eerbiedigden de personen en hunne bezittingen.
Tegen de tegenstanders der bestaande orde van zaken was zijn hand gekant: katholieken, onverzoenlijke republikeinen, geestdrijvers. Uit de rijen des legers verwijderde hij stelselmatig allen, die genegen waren, tot omverwerping der maatschappelijke toestanden de hand te leenen. Onverbiddelijk vervolgde en strafte hij allen, die weigerden te berusten in zijn bestuur. Een uitgebreid net van spionnage lag over geheel Engelandquot;Twtgöbseid. Yan alle mannen van beteekenis in de drie rijken wist hij, wat zij dachten, wenschten, deden.
Thurloe, zijn secretaris, stond aan het hoofd dezer geheime politie; maar hoe menigmaal stond deze verbaasd, als hij bemerkte dat de Protector veel meer wist dan hij. Met elk wapen, dat het gezag hem verschafte, trachtte hij zijne tegenstanders te onderwerpen. Zij moesten gevoelen dat elk verzet nutteloos was en het daarom opgeven. De meerderheid der natie, dankbaar voor de maatschappelijke orde en veiligheid,, die hij hun schonk, zou, naar hij hoopte, hem willig ondersteunen en volgen, waarheen hij haar leiden wilde.
Want het protectoraat kon, naar zijne overtuiging, slechts een tijdelijke maatregel zijn: het moest den overgang vormen. Behoud van het door de revolutie gewonnene, de heerschappij
101
CROMWELL.
van het Protestantisme in Engeland, en de redding der maatschappij van de anarchistische lusten der fanatieken en van de reactie der Stuart's, dit alles scheen hem slechts mogelijk door aan de staatsorde elk tijdelijk karakter te ontnemen. Het Engelsche volk was aan de monarchie gehecht. Zoo lang zij niet hersteld was, zou de revolutie niet geëindigd zijn. Een nieuwe dynastie moest daarom de oude vervangen. Zijn politiek inzicht en zijn persoonlijke ambitie ontmoetten elkander in dit punt. Wie zal beslissen, wat het zwaarst heeft gewogen?
In het parlementshuis van Engeland zal geen standbeeld voor Cromwell worden opgericht, heeft men gezegd. Inderdaad, hot zou een bespotting zijn; hij heeft ze allen naar huis gezonden. Hij kon met geen hunner regoeren, omdat er een onoverkomelijke kloof was tusschen de vertegenwoordiging en het leger, welks hoofd en representant hij was. Niemand zag het duidelijker in dan hij zelf, en niemand wenschte vuriger dan hij terugkeer tot een regelmatigen regeeringsvorm, die aan dezen onhoudbaren toestand een einde zou maken.
Doch dit einde kon alleen worden bereikt door samenwerking, of berusting ten minste, van do meest tegenstrijdige meeningen en gevoelens. Hun representanten tot dat inzicht te brengen, is jaren achtereen zijn streven geweest.
Cromwell heeft Engeland geregeerd met het zwaard in de eene, met den olijftak in de andere hand. Aan ieder, die zich gewillig aan het eerste onderwierp, bood hij den tweeden aan. Zoo hij de zekerheid had, dat zijne tegenstanders niet langer zich verzetten, maar om wrelke reden ook, uit vrees of uit zwakheid, zich onderwierpen, dan liet hij hen met rust. Cromw7ell zocht de punten van overeenstemming op, ook met hen, die andere politieke inzichten hadden, zoo zij zich slechts stil hielden. Met George Fox, het hoofd der kwakers, zag men hem in langdurige, godsdienstige gesprekken. Met aller-
102
CROMWELL.
lei staatkundige 'togenstanders, die gehoorzaamden, bad hij en onderzocht hij de Schrift. Weinig menschen hebben het geheim van persoonlijken invloed zoo begrepen en zoo gebruikt. Zijn groote menschenkennis gaf hem tal van middelen aan de hand, om allerlei personen, zoo al niet rechtstreeks te winnen, dan toch van verzet afkeerig te maken. Terwijl hij de fana-tieken, heiligen van do vijfde monarchie, vervolgde en desnoods aan het lijf strafte, stond hij voortdurend met hun hoofden in betrekking, sprak mot hen en legde breedvoerig hun zijn gedragslijn, de beweegredenen zijner handelingen uit. Zoo hij hen niet overtuigen kon, was hij tevreden hen te overreden.
liet minder geloovige broeders handelde hij op minder ge-loovige wijze. Politieke mannen zocht hij door gemeenzaamheid te winnen; hij vroeg ze bij zich, schertste en lachte met hen. Karakteristiek voor den tijd en de personen is het, dat de pijp tabak bij die samenkomsten een groote rol speelde. Hij rookte dan in letterlijken zin met hen een pijp, in de hoop dat hun samenspreking niet 'in rook zou opgaan.
Doch dergelijke middelen zijn te klein om te baten, zal men zeggen. Geen regeering wordt door zoodanige kunstmiddelen in stand gehouden. Hoogstens worden er eenige personen door gewonnen.
Op deze tegenwerping geldt één antwoord. Het winnen van invloedrijke personen is in elke staatsorde, ook der 19e eeuw, voor een gouvernement van gewicht. ⢠Maar een bestuur als dat van Cromwell ware zonder dien steun noch ontstaan noch staande gebleven; zonder den steun van personen kon hij zijn doel niet bereiken.
Cromwell was overweldiger: van een beroep op een erfelijk recht, op een droit divin of iets dergelijks kon geen sprake zijn. Hij was partijhoofd, en zijn gouvernement dat van een partij. Hij was van haar afhankelijk. Met haar leefde en viel hij. Slechts aan het persoonlijk vertrouwen, dat in hem werd gesteld, had hij te danken wat hij was; slechts daarvan
103
104 CROMWELL.
mocht hij hopen wat hij wenschte, zichzelf en Engeland van £
haar druk te ontslaan. I
Doch zijn aanhang volgde hem in alles, vertrouwde hem s
in alles, behalve in dat ééne: het einddoel van zijn streven, 1
Gelijk de toovenaar in het oude sprookje, kon hij den geest i niet binden, dien bij wakker had geroepen. Zijne soldaten
geloofden in hem als hun religieus hoofd, en zij hebben als 1
zoodanig in hem geloofd tot zijn sterfuur toe. Hij was in 5 hun oogen Gods werktuig, maar tot bereiking van Gods
plannen. quot; Zijne bevelen tegen royalisten en katholieken en c
tot uitbreiding van Engeland's invloed in Europa werden t
onvoorwaardelijk gehoorzaamd, maar verder volgden z|j den i
staatsman niet. Waar hij op de monarchie wees, als het t eenig middel tot behoud der revolutie, weigerden zij. Jaloezie
en geloofsijver zagen slechts vleeschelijke ambitie naar de s
koningskroon, waar hij in naam van het staatsbelang sprak. t
Het partijwezen vraagt niet naar het belang van allen. £
Wij weten te weinig van den mensch Olivier Cromwell, £
om de grenslijn tusschen beide, zijn staatkundig inzicht en j
zijn persoonlijke eerzucht, met zekerheid te trekken. Doch ook al wisten wij meer, het zou ondoenlijk en nutteloos zijn. Er is een hoogte van ontwikkeling, waarop het individueele zich in het algemeene verliest. Die hoogte is bereikt, als de vrucht van een enkel menschenleven de beslissing van het lot van duizenden inhoudt. En de Protector van Engeland, tot wien Europa opzag, mocht begeeren, zonder aan lage zelfzucht schuldig te zijn, dat het werk van zijn leven voor ineenstorting werd bewaard.
Het is deze zorg, die over zijn laatste levensjaren haar schaduw heeft gespreid. Zijne geestverwanten bleven verblind
voor het gevaar, waarin zij verkeerden; slechts de tegen- 1
standers zagen het voordeel van elk jaar in, dat deze onzekere §
toestand duurde. c
âWie is er'5, zeggen Cromwell's vijanden, republikeinen, z
CK03IWELL.
anglikanen, presbyterianen, âwie is er, dien Cromwell niet heeft bedrogen ?quot; Tot bewijs voeren zij die tallooze gesprekken aan, die hij met de hoofden hunner richtingen heeft gehouden, om ze voor zich en zijn staatkundige inzichten te winnen.
Er zal wel veel waars zijn in die verwijten, meer dan wij kunnen nagaan; godsdienstig fanatisme en politieke eerzucht zijn geen natuurlijke geleiders van waarheid en goede trouw.
Cromwell belegerde zijn volk als het ware, om het tot overgave aan zijn meening te dwingen. En schoon telkens teleurgesteld, heeft hij volhard, als tot den laatsten ademtocht, in zijn pogingen om, door middel der hoofden, de partijen tot herstel der monarchie te bewegen.
De vrees van niet te zullen slagen, die hem vervulde, bezielde ook zijn gezin. Zijne oude moeder, die bij hem stierf, toen hij op het toppunt zijner grootheid stond, heeft nooit aan het blijvende zjjner schepping geloofd. Geen geweerschot kon zjj hooren, of de arme vrouw vloog vol onrust op, jammerende, dat haar zoon werd vermoord. Omtrent zijn eigen vrouw zijn de getuigenissen volkomen tegenstrijdig; volgens den een was zij een burgervrouw, die zich niet thuis gevoelde in haar grootheid; volgens don ander nam zij de plichten ervan waar met de gemakkelijkheid en waardigheid van een geboren koningin. Zijne dochters huwde hij uit onder de eerste standen des rijks. Van zijne twee zoons was de oudste, die hem een korten tijd opvolgde, een landedelman, goedhartig, eerlijk, maar onbeduidend. De tweede, Lord-Luitenant van Ierland, was een zeer bekwaam man. Zij deelden allen in 's vaders vrees: het werk zou den meester niet overleven.
In het midden van dit zijn gezin, met en tegenover zijn kinderen, heeft Cromwell zich nooit anders dan in hot openbaar gedragen. Wij hebben brieven van hem aan die kinderen in de wittebroodsweken van hun huwelijk. Zij bewijzen, dat zorg voor hun zieleheil zijn grootste zorg was. Ook als huis-
105
CROMWELL.
vader was hij de dienaar van zijn geloof. Geen enkel woord, schriftelijk of mondeling, is van hem bekend, dat angst voor de maatschappelijke positie zijner kinderen als zijn drijfveer tot de vestiging der monarchie verraadt. In het beroemde gebed, dat hij stervende opzond, beveelt hij Engeland aan de zorg van den Almachtige, maar is voor de zijnen en hun belangen geen plaats. Er is een gravure algemeen verspreid, waarop Cromwell bij het ziekbed zijner dochter is gezeten, die hem ernstig vermaant zijne eeuwige belangen boven de tijdelijke te stellen. Het was lady Claypoole, de meest geliefde zijner kinderen: een ideale, verschijning, die de liefde van vrienden en vijanden genoot. Hot was in haar ziekte, dat een royalist edelman, die hem naar het leven bad gestaan, het schavot besteeg. Zij had, doch tevergeefs, den Protector om genado gesmeekt. Haar zenuwlijden, reeds zoo zwaar, werd er bitter door verergerd. Cromwell week dag noch nacht van haar bod en hoorde, met al het zelfbedwang van den staatsman, baar godsdienstig-politieke phantasieën, haar kreten van angst voor de goddelijke wraak over het gestorte bloed aan, tot zij in zijn armen bezweek. Wat hij in die dagen en weken heeft geleden, heeft hij zwijgend gedragen.
Drie weken later was hij zelf stervende. Zijn ijzersterk gestel was door de spanning der laatste jaren geknakt; gedurende de ziekte van zijn kind had hij zich slechts door opium staande gehouden. Toen hij haar naar het graf had gedragen, zonk hij zelf in.
In den aanvang kon hij zich niet voorstellen, dat het einde van zijn werk daar was. De onrust zijner medici bestreed hij met do stellige verklaring, dat hij aan deze ziekte niet sterven zou; hij was er zeker van. âGij denkt, dat ik gek ben, maar ik zeg de waarheid: zij rust op stelliger gronden dan Hippocrates en Galenus u kunnen verschaffen. God heeft het verklaard, niet bloot op mijn gebeden, maar op die van menschen, die veel meer met Hem omgaan dan ik.quot;
106
CROMWELL.
In den nacht, die voorafging, hadden de kapelaans van den Protector en al de heiligen in het paleis, in verschillende kamers zich vereenigd, om van God zijn herstel af te smeeken. Allen hadden op hetzelfde oogenblik één stem gehoord: âde Protector zal genezen.quot;
Toch bleek het spoedig, dat het ditmaal geen Godsstem was geweest. Den 2llcn September was Cromwell, uit een ijlende koorts ontwaakt, zich volkomen bewust van den afloop, die naderde. Hij wenkte zijn kapelaan Goodwin tot zich en vroeg hem: âIs het mogelijk uit den staat der genade te vervallen?quot; â âNeen,quot; verzekerde de geestelijke. â âDan sterf ik gerust,quot; antwoordde Cromwell; âik weet zeker, dat ik eens in den staat der genade heb verkeerd.quot;
De volgende dag, de derde September, was steeds, gelijk hij gewoon was te zeggen, zijn geluksdag geweest. Dien dag-sliep hij in.
Alles was dezen man gelukt, behalve het ééne, het hoogste wat hij had begeerd: herstelling der monarchie.
Hij achtte die herstelling ncodig voor do bestendiging van zijn werk. Hij bedroog zich: do ideeën, die de toekomst be-heerschen, zijn aan geen staatsvorm gebonden. Zijn schepping was een kunstmatige, die geen wortels in het volksleven had en in strijd was met de nationale ontwikkeling. Als dam tegen den aanwas van het godsdienstig en politiek despotisme had zij dienst gedaan. Een voortleven ook in den vorm der monarchie was voor de zegepraal der beginselen niet noodig. De militaire staat der puriteinen ging daarom onder, en er ging niets mede verloren. Engeland was en bleef behouden voor de zaak der godsdienstige en politieke vrijheid in Europa.
De Protector had juist gezien, dat de monarchie de eisch van het volksbewustzijn, de voorwaarde voor de ontwikkeling der vrijheid was. Ook, dat verwerping der Stuart's en de optreding van een nieuwe dynastie aan het hoofd van den
107
CROMWELL.
staat voor beide, volk en vrijheid, de levensvoorwaarde was. Cromwell's pogingen hebben de natie met het denkbeeld vertrouwd en de uitvoering in 1688 mogelijk gemaakt.
Reiner handen dan de zijne verbonden de monarchie en de vrijheid te zamen, toen de kroon van Engeland op het hoofd van Willem III rustte. Van dezen de voorlooper, de wegbereider te zijn geweest, is geen geringe roem, zelfs voor een Cromwell.
108
IV
WILLEM III.
WILLEM III.
De man, wiens naam aan het hoofd van dit opstel staat, is een van die weinige personen der geschiedenis, die niet aan een enkel volk behooren. Wanneer ons oog terugziet op verleden tijden, dan rust het als vanzelf op niet weinigen, die hun invloed buiten het land, welks zonen zij zijn, hebben doen gelden. Maar weinigen zijn er, die, als Willem III, in de geschiedenis van twee volken een zelfstandige plaats innemen, omdat hun optreden een nieuwe periode van ontwikkeling opent. Zelfs zijn groote tegenstander, Lodewijk XIV, mag in dit opzicht niet aan zijne zijde staan. De poging van den Franschen koning om Europa te onderwerpen, heeft geheel dit werelddeel in beroering gebracht, maar hot is de beroering van den wind, die den bovenstroom des waters sneller doet vlieten, doch de richting der golven onveranderd laat. Het tijdperk van Willem III in de Republiek der Ver-eenigde Nederlanden wijst op een invloed van het Stadhouderschap, grooter dan ooit te voren, die voor een aanzienlijk deel zijn oorsprong dankt aan den persoon, maar voor een ander, zij het ook kleiner, verklaring vindt in de hoogere plaats, die in de staatsorde der Republiek het Stadhouderschap inneemt. Onder hem wordt het in de mannelijke lijn erfelijk verklaard, en daarmede den tegenstanders het recht ontnomen, om de aanhangers van het Oranjehuis van verzet
WILLEM III.
tegen de wettig gevestigde orde van zaken te beschuldigen, zoo zij de verheffing van een Oranje vragen. Zeker ontnam de kinderloosheid van Willem III aan deze erkenning voor jaren haar beteekenis, maar de achttiende eeuw zou bewijzen, dat een politiek beginsel, hetwelk eenmaal is aangenomen, zijn kracht niet verliest, al rust het een tijdlang, zoo het in overeenstemming is met de ontwikkeling der natie.
Belangrijker, èn voor Engeland èn in de gevolgen voor geheel Europa, is de verheffing van Willem op den Engel-schen troon geweest. Het is de aanvang van het constitutio-neele staatsleven, dat in het eilandenrijk de plaats inneemt der willekeurige monarchie, die door geen andere belangen dan persoonlijke of dynastieke zich leiden laat. Sedert 1688 is Engeland de staat geweest, waarop twee eeuwen lang de oogen van allen in dit werelddeel zijn gericht, die in een staatsregeling nog iets anders zien dan een werktuig in de hand van regeerders, en van haar waarborgen voor rechten en vrijheden alsmede voor de bevordering van politieke zelfstandigheid en volksontwikkeling vragen.
Er is slechts één man in de nieuwe geschiedenis, die in dit opzicht mot Willem III kan wedijveren, ja hem overtreft. Er is geen enkel land van Europa, behalve misschien Turkije, dat van de Napoleontische periode niet een nieuwe historie aanvangt. Maar de invloed van Napoleon is meer nog de invloed van de denkbeelden der revolutie, die hij in Europa vertegenwoordigt en waaraan hij met zjjn geweldig zwaard, door de ontworteling van oude toestanden, in de toekomst de heerschappij verzekert. Zijn persoon is kleiner dan de taak die hij volvoert; revolutionair, valt hij door de beginselen, die hij verspreidt. Het juk van zijn persoonlijk overwicht is zoo drukkend en knellend, dat de natiën, die door hem van de oude meesters waren vrijgemaakt, het zoo spoedig mogelijk afwerpen. Napoleon valt door de revolutie, die hij zelve in het leven der volken heeft tot stand gebracht.
112
WILLEM III.
Niet alzoo Willem III. Hij daalt niet, maar stijgt met het veld winnen der beginselen, die hij vertegenwoordigt. Hij heeft het beginsel der wet in de plaats van de porsoonlijke willekeur doen zegevieren. Telkenmale ondervindt hij de belemmeringen, die er het gevolg van zijn. Maar hij is de eerste dienaar van den staat, hij geeft het voorbeeld van onderwerping. En ofschoon omgeven van verraad en verraders, houdt hij zich niet alleen op den vreemden troon staande, terwijl een Napoleon valt, maar vermeerdert zijn persoonlijk gewicht, het loon van het vertrouwen, dat hij heeft ingeboezemd en dat hem wederkeerig steunt. Het beginsel draagt den persoon omhoog en maakt hem machtiger dan zijne voorgangers. Willem III is de representant van het beginsel der legaliteit in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en op den troon van Engeland.
I
In Januari 1675 kwamen de Staten van Geldei-land bijeen. Zij besloten den Prins van Oranje, uit erkenning zijner uitstekende diensten, de Hooge Regeering aan te bieden, als hertog van Gelder en graaf van Zutfen.
De uitnemende diensten, waarvan het besluit gewaagde, golden nog anderen dan Gelderland. De zeven geünieerde gewesten dankten aan den man, die in 1672 in de moeilijkste omstandigheden was opgetreden, hun redding. Ãn op militair èn op diplomatiek gebied had hij van den eersten dag zijner verheffing af zich gewijd aan wat zijn levenstaak zou zijn: de bestrijding van Frankrijk. Hij had Karei II van Lodewijk pogen af te trekken, om de macht van Frankrijk te breken. Toen zijn pogingen waren mislukt, had hij door zijne betrekkingen in het Engelsche parlement de regeering tot den afzonderlijken vrede gedwongen. Den Keizer, Spanje, Brandenburg en Denemarken had hij tegen de eerzucht van
8
113
WILLEM III.
Lodewijk XIV te wapen geroepen en vereenigd. Tot herinnering zijner veroveringen in de Republiek liet de Fransche koning in zijne hoofdstad een eereboog, met trotsche zinnebeelden en opschriften versierd, oprichten. Voordat de Porte St. Denis was voltooid, was de Republiek ontruimd. De krijg duurde voort, maar op Frankrijk's grenzen.
Ondankbaar was de natie niet geweest. Zij had, sedert de mannen van 1650 de leiding der zaken verloren, hem een groot vertrouwen geschonken. Tot de vaderlijke waardigheden was hij verheven: te niet gedaan was, althans naar het uiterlijke te oordeelen, wat de statenpartij in de laatste twintig jaar had opgebouwd. De Prins van Oranje scheen meer dan ooit het hoofd van den staat en het gewichtig besluit der Geldersche Staten de eerste stap tot de vestiging van een eenhoofdig bestuur. Te Dieren, waar hij vertoefde, werd niet alleen de gezondheid van den hertog van Gelder met warmte gedronken, maar die van den graaf van Holland ingesteld.
De rampspoedige jeugd, die aan Willem III was ten deel gevallen, had haar sporen nagelaten. Ofschoon noch van eerzucht noch van hartstocht vrij en in menig oogenblik zoowel in heftigheid van taal als in doortastendheid van handelen den echten zoon zijns vaders verradende, bezat hij meer zelfbeheersching en meer scherp inzicht en juiste waardeering van de moeilijkheid zijner positie, dan de meeste vier-en-twintig-jarigen. Hij had de kracht zijner politieke tegenstanders leeren kennen. Hij had over hen gezegevierd. Maar hij liet zich daarom niet verleiden, hen gering te schatten. Hij wist, dat een groot deel der mannen, die hem thans omgaven, vroeger tot de staatsgezinden hadden behoord. Hij kende de macht, die zij nog altijd in den staat bezaten en gaf er zich helder rekenschap van, dat hij met hen voortdurend te rekenen had.
De aanbieding der Staten van Gelderland werd niet dadelijk door hem beantwoord. Hij moest eerst de andere ge-
114
WILLEM III.
westen raadplegen, verklaarde hij. Zeer uiteenloopende adviezen ontving hij, maar de hoofdstemming was ongunstig. Kenmerkend, ook voor de economische inzichten des tijds, waren vele der gronden, waarop hem de aanneming werd ontraden. Door een eenhoofdige regeering zou âden koophandel de rug worden ingereeden, de wisselbanken hun crediet verliezen, en de Oost- en Westindische compagnieën onveilig worden.quot; De Zeeuwen, die zoo oordeelden, rieden hem aan, het aanbod van Gelderland af te slaan, naar het voorbeeld van Gideon,quot; wien Israël, dat door hem uit de slavernij der Midianieten verlost was, een dergelijke aanbieding gedaan had.
Niet voor zulke argumenten, maar voor den ongunstigen indruk, dien Gelderland's voorslag maakte, bukte Willem III. Hij wees de hertogskroon af. Aan geen der ontradende steden of provinciën toonde hij eenige gevoeligheid, dan aan Zeeland. Allen bedankte hij voor de oprechtheid van hun advies, maar Zeeland ontving een krachtig, heftig schrijven, waarin hij zich bitter beklaagde, dat men hem met hatelijke vermoedens bij 's lands goede ingezetenen bezwaard had. En, wat den waardigen Gideon betrof, de prins schroomde niet zijne vrees uit te spreken, dat eens zou kunnen bewaarheid worden, wat Gods Woord verhaalde, dat âde kinderen Isrels niet dagten aan den Heer hunnen God, en geen weldadigheid deden bij den huize Gideons, naar al het gosd, dat hij aan Isrel gedaan had.quot;
Voor een man van alledaagsche eerzucht moest de teleurstelling groot zijn; voor een Willem III kan zij niet gering zijn geweest. Hij gaf toe, na kalm en nuchter beraad en overleg. Ware het voorstel van Holland gekomen, hij zou, naar ik meen, geen oogenblik geaarzeld hebben; maar de hertog van Gelderland zou in Holland machteloozer zijn, dan nu de Stadhouder was. Zeker zou do bedwelming van het hertogelijke hof zich in den Haag hebben doen gelden, maar ook in afstootende, niet bloot in aantrekkende richting. Meer
115
WILLEM III.
dan anders, zou de regentenaristocratie hem tegengewerkt hebben, om zelfs den schijn te vermijden, voor den hertog te bukken.
Een dynastie te vestigen in een Republiek is niet, wat quot;Willem III zijn levenstaak heeft geacht. Er zijn weinig menschen geweest, die gedurende den geheelen duur van hun openbaar leven zoo trouw aan één beginsel, aan één hoofdgedachte waren. Hij gevoelt zich den geroepen tegenstander van rraukrijk's heerschzucht en onverdraagzaamheid; den aangewezen leider van Europa's verzet tegen de macht der middeleeuwsche traditie, die de eenheid van kerk en staat, ondanks de lessen der laatste 150 jaren, als een dwangjuk aan het geheele werelddeel wil opleggen. Het is niet de keus, niet het sluw overleg van persoonlijke eerzucht, die hem deze plaats doet innemen, het is het bewustzijn zijner roeping, dat hem van den eersten dag af bezielt en leidt. Aan deze roeping heeft hij alles ondergeschikt geacht
Een geheel andere rol zou de zijne zijn geweest, indien hij met gewone berekening naar zijn belang had gevraagd. De vriendschap van Lodewijk XIV beloofde hem grooter voordeden, dan de vijandschap hem leveren kon. Als Stadhouder in de Republiek mocht hij zich' vleien, hooger macht en titels te verwerven, indien hij de volksgunst en volksdriften, die hem in 1672 hadden verheven, als grondslag tot hooger verheffing bezigde, dan door eerbiediging van bestaande toestanden en verhoudingen. Maar een souvereiniteit, verworven langs onwettigen weg, zou de Republiek hebben verzwakt, daar, waar hij haar sterk wenschte. Niet in strijd, maar samen met de heerschende standen in den staat zou hij zyne taak vervullen.
De geschiedenis van het stadhouderschap van Willem III is niet geschreven. Jaren zullen verloopen, voordat zij te schrijven zal zijn. Het gemis van bronnen is een der redenen. Er zijn, om een enkel voorbeeld te geven, veel brieven van
116
WILLEM III. 117
Willem III bekend, maar minder dan bewaard zijn, en over vele perioden zijns levens ligt nog een dikke duisternis. In het Koninklijk Huisarchief komt betrekkelijk zeer weinig voor; genoegzaam geen enkele brief van koningin Maria. Bij den dood van. Willem III zijn alle papieren, voor de eigenlijke, voor de'_ixLii«»e geschiedenis van belang, in Engeland gebleven. Het Engelsche vorstenhuis acht ze te be-hooren tot de historie der regeerende dynastie.
Doch, hoeveel details ook licht behoeven, de hoofdlijnen zijn duidelijk.
Er zijn twee hoofdpunten in de geschiedenis van zijn bestuur, die tot strenge verwijten hebben aanleiding gegeven.
Toen het grondgebied der Unie vaigt; de overheersching der vijanden was bevrijd, maakten Gelderland, Utrecht en Over-ijsel zich gereed, op den ouden voet in den bond der ge-
i westen terug te keeren. Maar Holland maakte ernstig bezwaar; het wees op de lafhartigheid, die èn de verdediging der vestingen èn het gedrag der meeste regenten in de gevaarvolle dagen had gekenmerkt. Het wilde de drie oostelijke gewesten tot den ondergeschikten rang van do Generaliteitslanden vernederen, wingewesten, die aan de Unie gemeenschappelijk behoorden en door haar werden bestuurd. Men ziet, Holland poogde van de ongunstige tijdsomstandigheden partij te trekken, om het vraagstuk der staatseenheid op te lossen, ten nadeele van Utrecht, Gelderland en Overijssel. westen terug te keeren. Maar Holland maakte ernstig bezwaar; het wees op de lafhartigheid, die èn de verdediging der vestingen èn het gedrag der meeste regenten in de gevaarvolle dagen had gekenmerkt. Het wilde de drie oostelijke gewesten tot den ondergeschikten rang van do Generaliteitslanden vernederen, wingewesten, die aan de Unie gemeenschappelijk behoorden en door haar werden bestuurd. Men ziet, Holland poogde van de ongunstige tijdsomstandigheden partij te trekken, om het vraagstuk der staatseenheid op te lossen, ten nadeele van Utrecht, Gelderland en Overijssel.
De bedreigden werden gered door de Oranjepartij en het stadhouderlijk gezag. Willem III wees Holland's eischen af met de verklaring: âin Holland waren ook wel steden, die zich, op de aankomst van den vijand, niet ten beste verdedigd zouden hebben.quot;
Utrecht, Overijsel en Gelderland werden weder in de Unie opgenomen, naar ouden rang en met gelijke rechten. Toch kwam er een verandering tot stand. De prins, daartoe gemachtigd, regelde de regeering door nieuwe reglementen. Heti
WILLEM III.
stadhouderlijk gezag won , wat Holland voor zich had begeerd. De Stadhouder werd feitelijk, schoon niet in naam, de regee-rende macht. Hij stelde voortaan, zonder aan een voordracht gebonden te zijn, burgemeesteren, schepenen en vroedschappen aan; ook de afgevaardigden der gewesten naar de generaliteits-collegiën behoefden zijn goedkeuring. Het was een merkwaardige stap in de richting der monarchale eenheid. Met het staatsrecht, dat tot dusver in de Republiek liad gegolden, was het in lijnrechten strijd. De Stadhouder was rechtens de dienaar der Staten, die hem kozen, het hoofd van hun uitvoerend gezag. In deze drie gewesten stelde voortaan de dienaar zijne meesters, de ambtenaar zijne superieuren aan. Honderd jaar later, te midden der patriottische twisten, werden deze regeeringsreglementen berucht. Zij golden als bewijzen van de grenzenlooze eer- en heerschzucht van het huis van Oranje. Zij, die deze klacht nu aanhieven, en zij, die ze in onze dagen herhalen, vergeten geheel, dat deze meerdere invloed van den Prins van Oranje het redmiddel is geweest, waardoor Utrecht, Overijsel en Gelderland voor het verlies van al hunne rechten zijn bewaard. Het was beter voor hen, aan het souverein gezag van een Stadhouder te gehoorzamen, dan als wingewesten van het mercantiele Holland te worden bestuurd en verwaarloosd.
Toen quot;Willem III aan het bestuur kwam, was de regentenoligarchie vastgeworteld. De families, die het bestuur in handen hadden, waren door contracten van correspondentiën, gelijk de overeenkomsten genoemd werden, nauw verbonden. Zij deelden de betrekkingen onderling of aan hunne bloedverwanten en gunstelingen uit. In enkele plaatsen gingen stemmen op, die een geheele verandering eischten en den val der locale heerschers. Willem III werd gemachtigd de tegenstanders te verwijderen en door betergezinden te vervangen.
Doch hij heeft de macht der oligarchen niet gebroken. Waarom niet? Men heeft het hem tot streng verwijt ge-
118
WILLEM III.
rekend, en zeker zou de dienst groot zjjn geweest, indien hij van de macht, die hij bezat, gebruik had gemaakt, om den politieken invloed der burgerij en te vermeerderen en den druk der plaatselijke autocraten te vernietigen. Maar zonder geweld en een geheele omkeering van zaken was het onmogelijk. Er is geen enkel blijk, dat de verzoeking bij hem is opgekomen. Het is zelfs onwaarschijnlijk, dat het denkbeeld voor hem iets aantrekkelijks kon hebben. Hij had zijn oog op grooter belangen gericht, dan die van een enkele gemeente of zelfs van een enkelen staat. Hij heeft zijne aanhangers, de Oranjeregenten, zich doen aansluiten aan hunne tegenstanders, de staatsgezinden. Hij heeft het kwaad laten bestaan en er zich van bediend, om zijn hooger doel te bereiken.
Men heeft gezegd: het doel rechtvaardigt de middelen niet. De waarheid is onbetwistbaar, maar de toepassing op Willem III twijfelachtig. Indien hij het euvel had willen uitroeien, jammerlijke strijd en verdeeldheid in den staat zouden er het gevolg van geweest zijn. Door de oneenigheden binnenslands zou de Republiek buitenslands machteloos zijn geweest om de groote taak te volvoeren, die hij haar voorschreef. Niet aan den strijd voor nationale en godsdienstige vrijheid in Europa zou zijn naam en die des lands verbonden zijn; maar hij zou slechts bekend zijn als het hoofd van eene staatspartij, die, te midden van den strijd met hare vijanden, de regenten, de vrijheid zag verloren gaan. Voor het kleiner belang ware het grooter opgeofferd. Want in het huishouden der menschheid zijn de natiën slechts, wat de individuën zijn in den staat: de deelen van het geheel, die slechts door den bloei van het geheel tot welvaart en ontwikkeling kunnen geraken. Het mindere moet voor het meerdere bukken.
De groote staatsman achtte zich geroepen en door de Yoor-zienigheid bestemd, om de onafhankelijkheid van Nederland en het evenwicht van Europa tegen het overwicht van Frankrijk te handhaven. Aan deze bestemming kon hij niet beant-
119
WILLEM III.
woorden, dit doel kon hij niet bereiken, als hij bij iederen maatregel, dien hij noodig achtte, beginnen moest met de flauwhartige regenten, die zijne souvereinen heetten, van die noodzakelijkheid te overtuigen. Hij wist, dat bij de meeste menschenkinderen de ideale goederen van vrijheid en geweten minder wegen, dan het handelsvoordeel en het persoonlijk belang. Zijne politiek vorderde groote opofferingen; zij stoorde den handel en vorderde onmetelijke sommen. Tegenover eene Fransche diplomatie staande, die voor niets terugdeinsde, die óf met zoete woorden óf met klinkende munt de regenten zocht om te koopen en maar al te dikwerf slaagde, bleef er voor hem niets over, dan die regenten voor zich te winnen, door ze aan zijn invloed te onderwerpen. Hij had werktuigen en volgelingen noodig, waar hij geen zelfstandige medewerkers vond. Zijn groote autoriteit heeft ze hem verschaft.
Doch neen â dit woord is onjuist. De regenten dei-Republiek, die na 1688, behalve in Amsterdam een enkele maal, zijn politiek hebben gesteund, zijn geen werktuigen van zyn persoon, maar van zijn groot staatkundig doel, de handhaving van Europa's vrijheid, geweest. Zoo de Stadhouder, die met zooveel wijze matiging den hertogstitel, welke slechts achterdocht en verzet kon wekken, had afgewezen, over de schatten en krachten van den Kederlandschen staat genoegzaam oppermachtig heeft beschikt, het is niet voor de grootheid van zijn persoon geweest, maar voor de zegepraal en handhaving van beginselen, die de Republiek hadden gegrondvest, haar het recht van bestaan onder de volken van Europa verzekerden, en de voorwaarden van haar inwendigen bloei en uitwendige grootheid waren en zijn â thans, als toen en steeds.
II
âIk wil geen vrouw hebben, die het mij lastig maakt in huis, ik heb zorgen genoeg,quot; sprak Willem III in 't voorjaar
120
WILLEM III.
van 1677 tot Sir quot;William Temple, den Engelschcn gezant. Het was in een onderhoud van eenige uren over allerlei politieke zaken. En niet de minst politieke der besproken kwestiën was deze huwelijkskwestie.
Reeds twee jaar te voren was de zaak ter sprake gekomen. Karei II had de oudste dochter zijns broeders aan Willem doen aanbevelen. Koud en koel had de Stadhouder geantwoord, dat hij niet in een positie was om aan trouwen te denken.
Twee jaar later was de stemming veranderd. quot;Willem hoopte, door een verbintenis met de Stuart's Engeland op zijne zijde en tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen. Karei II wenschte den echt, om do dalende populariteit zijner dynastie bij zijn volk te herstellen.
Maar Willem wilde geen vrouw hebben, die het hem lastig maakte in zijn huis. De goede berichten, die de Engelsche gezant hem in dit opzicht geven kon, stelden hem gerust, en de huwelijksaanvraag werd gedaan, die te Londen met ingenomenheid werd ontvangen. Niet door den hertog van York, den vader der Prinses, maar door de regeering.
In September 1677 kwam de Prins te Londen aan. Hij maakte zijn toekomstige bruid zijn opwachting en was volkomen tevreden. Het vijftienjarige meisje wekte geen zorg bij hem op. Zij zou hem niet aftrekken van zijn taak. Toch rezen er ter elfder ure bezwaren. Karei II wilde de politieke afspraken doen voorafgaan aan het huwelijk. quot;Willem weigerde, liet zich heftig uit, dreigde te vertrekken. William Temple, die hem beter kende dan zijne verwanten, waarschuwde den koning. Karei II liet zich overhalen. âJk heb mij nooit in een gelaat bedrogen; quot;Willem is een eerlijk man, hij zal zijn vrouw hebbenquot;, verklaarde hij. En Willem kreeg zijn vrouw, voordat de politieke onderhandelingen aanvingen.
Staatkundige berekeningen hadden van weerskanten tot dezen echt geleid. Van sympathie tusschen de hoofdpersonen
121
WILLEM III.
kon geen sprake zijn, zij kenden elkander niet. Zij verschilden in leeftijd, in levensbeschouwing, voor zoover van deze laatste bij een kind van vijftien jaar sprake kan zijn, in landaard. De arme Mary weende bitter. De koningin, eene Portugeesche, trachtte haar te troosten. âIk heb ook mijn land moeten verlaten, om naar den vreemde te gaan,quot; zeide zij. â âJV was het antwoord, âmaar u kwaamt in Engeland.quot;
Zoo verliet de koninklijke prinses haar vaderland, aan de hand van den vreemden man, dien zij voortaan als haar echtgenoot had te eeren, om naar een land te gaan, dat zij niet kende. Elf jaar later, toen zij terugkeerde naar Engeland, zag zij mot diepen weemoed op het rustig, gelukkig leven terug, dat haar was ten deele gevallen. Want zij is gelukkig geweest in Holland, hoewel niet dadelijk en niet altijd. Zij-is gelukkig geweest en heeft gelukkig gemaakt.
Wij hebben over de eerste jaren van haar huwelijk verschillende berichten. De eerste harer kapelaans, zekere Dr. Hooker, heeft korte aanteekeningen over zijn verblijf aan haar hof nagelaten. Hij dweept met haar en volstrekt niet met Willem, wat zeer goed te begrijpen is. Want de Angli-kaansche geestelijke zag met schrik, dat de Prinses in de Nederlanden verdraagzamer begrippen opdeed jegens de dissenters. Levende te midden van presbyterianen, kon zij moeilijk de hooghartige minachting en den kerkelijken haat blijven koesteren, die de discipelen der staatskerk als godsdienst beschouwden. Willem, de oprechte presbyteriaan, die ook op den Engelschen troon zoo veel moeite had om zich te schikken naar kerkgebruiken, die lijnrecht streden met zijn overtuiging, was in deze jaren in Holland niet gewoon zijne meening te verbergen. Hij behandelde den Engelschen geestelijke met geringschatting, zoo niet met minachting. Niettemin bevatten Hooker's aanteekeningen niets ongunstigs over hem, dan dat hij zoo zuinig was. Voor Maria was hij goed en vriendelijk, maar zij at bijna altijd alleen. Willem ontving gewoonlijk
122
WILLEM III.
leden der Staten, politieke personen aan zijn tafel, en dat gezelschap scheen hij voor zijn jonge vrouw niet het meest geschikte te achten.
Met grooten ernst vatte Maria haar taak op. Kind, toen zij in de Nederlanden kwam, voltooide zij haar opvoeding door een uitgebreide lectuur. Z|j las en werkte veel; Willem vond haar eens lezende in de kerkgeschiedenis van Eusebius. Hij keurde het af. Ten onrechte, want de ontwikkeling dei-vrouw is den man ten goede gekomen. Maria heeft hem leeren begrijpen, hoogachten en liefhebben. Het geluk van zijn leven heeft hij te danken gehad aan haar inspanning om zijner waard te zijn. Het plichtsbesef van de vrouw heeft haar verhoogd, zonder dat het den adel van haar vrouwelijk karakter heeft verzwakt. Door haar innemende beminnelijkheid, haar weldadigheid, haar zachtheid van karakter, haar schranderheid in het gevoelen, waar en wanneer hij door hoekigheid van vormen of onbuigzaamheid kwetste, en haar beleid in het heelen der wonden, die hij bewust of onbewust sloeg, is zij de weldoende engel aan zijn zijde geweest, die het vervullen zijner levensroeping wel niet mogelijk, maar zeker vrjj wat gemakkelijker heeft gemaakt.
Het heeft langen tijd geduurd, voordat deze karakters elkander hebben gevonden en begrepen. Haar Engelsche bloedverwanten zijn er volkomen onschuldig aan, want koning Jacobus heeft alles gedaan, om het huwelijk van zijn kind ongelukkig te maken. Aan opstokingen, aan verdachtmakingen heeft het niet ontbroken. Nog in 1685 werden Engelsche hofdames en kapelaans weggezonden, omdat zij de Prinses op de gemeenste wijze belasterden. Willem was ir het gewone leven stil, teruggetrokken, sprak weinig, hield niet van het hofleven. De jacht was hem het liefst, hartstochtelijk gaf hij er zich aan over. Burnet, die geruimen tijd aan zijn hof in den Haag vertoefde, schrijft: âIk heb het er altijd voor gehouden, dat hij er zich aan overgaf, om zich aan de
123
WILLEM III.
zaken te onttrekken en gezelschappen te ontgaan.quot; Het eerste is een zonderlinge beschouwing over een man, wiens werkzaamheid geheel Europa heeft vervuld. Dat de alle-daagsche bestuurszaken hem verveelden, is van een staatsman als hij te begrijpen. Zijn afkeer van gezelschappen was gegrond in zijn wantrouwen jegens menschen: wie de herinneringen van zijne jeugd met zich voerde, kon moeilijk lichtgeloovig zijn aan menschelijke eerlijkheid. Hij was gesloten en gaf zich niet licht. Hij had één ondeugd, schrijft Burnet, die h|j zorgvuldig verborg. Er is naar die eene ondeugd veel gegist. Het schijnt, uit stukken, in de laatste jaren bekend geworden, dat hij veel, te veel dronk, vooral des avonds in zijn eigen vertrekken.
Toch heeft deze man du liefde van de uitnemende vrouw, die het geluk in zijn armen had gevoerd, verworven, en heeft hij ze behouden, ongestoord en onwankelbaar.
Maar slechts langzaam heeft hij haar in de volle diepte van haar zielenadel gepeild. Negen jaar was hij met Maria getrouwd, zonder dat hij een enkel woord met haar had gesproken over een zaak, die met ieder jaar belangrijker werd, omdat de beslissing naderde. Wat zou zij doen, indien haar vader Jacobus stierf en zij tot den Engelschen troon werd geroepen? Welke plaats zou zij dan aan haar echtgenoot aanwijzen? De gedachte ontrustte hem, maar hij was te kiesch en te gesloten om de zaak te bespreken.
De eenvoudige Maria had zich die vraag nooit gesteld. Burnet had tegen de vervolging van den Engelschen koning een wijkplaats bij den Prins van Oranje gezocht en gevonden. Hij beloonde de bescherming, hem geschonken, met eene indiscretie; doch indiscrete menschen doen soms wel iets goeds. Eens, pratende met Maria, stelde hij plompweg haar de vraag voor. De Prinses was verbaasd, zij had daar nooit over gedacht; het sprak vanzelf, dat haar man koning werd. Neen â verklaarde Burnet â dat sprak niet vanzelf. De
124
WILLEM III.
Engelsche wet erkende, zoo Jacobus stierf, haar als wettige koningin, maar niet haar echtgenoot als koning. Ernstig verklaarde de edele vrouw, dat zij zich geen oogenhlik behoefde te beraden. Zij verzocht hem, den Prins te roepen. Willem III was op de jacht, maar den volgenden morgen kwam hij met Burnet in haar kamer. Maria zeide toen, hoe zij pas gisteren vernomen had, dat de wet van Engeland zoo in strijd was met de wet Gods. Zij dacht er niet aan, dat ooit haar echtgenoot' haar onderdanig zou zijn, hij zou altijd haar heer zijn. Slechts ééne zaak verzocht zij hem; hij mocht altijd het bevel gehoorzamen: âgij, mannen, hebt uwe vrouwen lief!quot; gelijk zij altijd het voorschrift zou opvolgen: âgij vrouwen, weest onderdanig aan uwe mannen in alle dingen.quot;
Van dit oogenblik af was het ijs gebroken. Zoo groot was de koelheid van den Prins, voegt Burnet er bij, dat hij mij geen enkel woord zei, hetwelk op een dankbetuiging geleek, maar hij betoonde mij na dien tijd een onwrikbaar vertrouwen.
De tijd kwam, dat de gelukkige onbescheidenheid van Burnet vrucht zou dragen. De toestand in Engeland werd met den dag meer onhoudbaar. Men heeft Maria bitter hard gevallen over den moreelen steun, dien zij aan Willem in zijne onderneming tegen haar vader heeft geschonken. Er is geen enkele grond voor. Het leven dankte zij aan Jacobus, maar veel meer niet. Zoo zij niet diep ongelukkig was, het was zijn schuld niet. Hij had alles gedaan, wat hij kon, om het haar te maken. Hij had gepoogd de rust van haar gezin te verstoren , den goeden naam van zijn kind straffeloos laten bezwalken. Uit de archieven van het grafelijk huis Bentinck is voor weinige jaren een kleine verzameling brieven van haar in 't licht gegeven. Zij bevat hare correspondentie met haar vader, die haar tot het Katholiek geloof wilde overhalen. Zij wees zijne raadgevingen af met een kennis van de dogmatische verschilpunten, die de zijne overtreft, maar tevens
125
WILLEM III.
met een eerbied in toon en waardeering, die voor haar hart getuigt. Het verschil van geloof groef voor Jacobus een klove tusschen hem en zijn kind. Hij onthield aan Maria den finan-tiëelen steun, dien zijne andere kinderen genoten. Toen in 1688 zijn tweede vrouw hem een zoon schonk, werd in den aanvang door het Prinselijk Hof in den Haag de geboorte van den toekomstigen troonopvolger met de gebruikelijke ceremoniën erkend. Maar alras verspreidden zich ook hier de geruchten , die Londen vervulden, dat het een ondergeschoven kind was. Willem en Maria hebben, op grond der berichten, die zij van hun zuster uit Engeland ontvingen, de geruchten geloofd, gelijk de natie ze geloofde. Zij hebben in die overtuiging gehandeld, gelijk het Engelsche volk, dat Willem's hulp eischte ter wille van het Protestantsch geloof, dat de Engelsche natie beleed, maar door Jacobus, in strijd met de wetten des lands en zijn herhaalde eeden, werd onderdrukt en vervolgd.
De revolutie van 1688 is zonder wederga in de geschiedenis der volken. Zij is een revolutie zonder revolutionairen. Zij is geen omverwerping van een wettig bestaanden staat van zaken, maar eene handhaving van de constitutie des lands. De koning wordt verwijderd, die deze constitutie heeft geschonden en het geloof des volks verdrukt. Koning Jacobus had de herhaaldelijk bezworen wetten eenvoudig ter zijde gezet, om zijn persoonlijke meening in zake des geloofs en van den staat als richtsnoer hunner godsdienstige overtuiging aan zijn volk op te leggen. âDe volken zjjn niet om de vorsten, maar de laatsten om de eerstenquot;: dat beginsel hadden de Staten uitgesproken, toen zij in 1581 Filips II afzwoeren. Dat beginsel, de heerschappij van de wet boven de willekeur van een persoon, heeft de ontwikkeling der Europeesche staten na 1500 geleid. Dat beginsel heeft Willem van Oranje gehandhaafd, toen hij in 1688 aan de oproeping der Engelsche lords voldeed, om de wet te handhaven.
126
WILLEM III.
tart Met kloppend hart zag Maria de verwarring in Engeland ove toenemen, en het oogenblik komen, waarop de man, dien zij anquot; liefhad, -verplicht zou zijn, de wapenen op te nemen tegen in den vader, wien zij het leven dankte. Dat het zijn plicht ^en was, betwijfelde zij geen oogenblik, hoeveel tranen het haar ^3,11 kostte. Willem begreep volkomen, welke strijdige aandoe-re' ningen in haar hart woelden en troostte haar met al de Se* macht zijner liefde. Eindelijk, in 't laatst van October, waren ren de toebereidselen gemaakt en de Prins stond gereed te ver-en) trekken. Den dag te voren zaten zij bijeen, maakte Willem ten !lt;, }jaar met eenige beschikkingen voor den duur zijner afwezig-er' heid bekend en wees haar de personen aan, met wie zij alles n's moest beraden. Gereed zich in de gevaarvolle onderneming de te storten, die wellicht tot het schavot van Monmouth zou voeren, bezweek in den krachtigen man niet het plichtsbesef 'kt maar het zelfbedwang. âIndien het Gods wil was,quot; sprak hij met fluisterende stem, terwijl de tranen hem over de nis wangen rolden, âdat wij elkander niet terugzien, dan is het Zij om der religie wil uw plicht te hertrouwenquot;. Op deze an woorden, die, naar zij zelve schrijft, haar het hart dooris. boorden, barstte zij los met een uitstorting van teederheid en een hartstochtelijke vervoering, als haar in 't gewone leven lUS geheel vreemd waren. âZij had nooit een ander liefgehad de en zou nooit een ander dan hem beminnen. Zij vroeg niets en van God, dan dat zij hem niet overleven mocht; moest zij ng hem overleven, dan wilde zij geen moedervreugde aan een de ander, al ware 'took een engel van den hemel, danken, nu en zij haar aan zijn zijde was ontzegd.quot; Een oogenblik daarna in- voelde zij eenige schaamte over de hevigheid der uitdruk-ur kingen, schoon zij zich bekennen moest, niets dan de waarde heid te hebben gezegd.
'je Den volgenden dag geleidde zij den Prins naar het schip,
^e dat hem naar den Briel zou overbrengen. Daar namen zjj afscheid. âDaar zag ik hem voor de laatste maal, en God
127
WILLEM III.
weet, of ik hem ooit terug zal zien. Ik bleef als verlamd in mijn koets zitten, zoo lang ik hem nog uit de verte zien kon. Toen keerde ik naar den Haag terug in een toestand, dien ik niet beschrijven kan.quot;
Maar nog zwaarder strjjd wachtte haar. De vloot werd door een stormwind uiteengejaagd en verplicht, de havens der Republiek weer op te zoeken. In Engeland juichte men, dat de aanslag was mislukt en de Heer de schepen des vijands had verstrooid. Willem III echter was niet ontmoedigd en zijn ijzeren geloof verliet hem geen oogenblik. âAl zijne brievenquot; â in die woorden bevestigt Maria het getuigenis van anderen â âbetoonden volle onderwerping aan den godde-lijken wil; de Prins wachtte af, wanneer het de tijd des Heeren zou zijn, terwijl hij inmiddels alles gereed maakte voor den nieuwen tocht.quot;
Van dit oponthoud maakte Maria gebruik om naar den Briel te gaan, waar Willem voor een paar uur bij haar kwam. Het was een herhaling van het droevig afsAeid van vroeger, maar zwaarder. De angst, de vrees voor den afloop was door de korte scheiding gestegen. âHet was mij veel pijnlijker dan de eerste maal; toen hij mij verliet was het, alsof men mij het hart uit het lijf scheurde. Anderhalf uur, nadat hij mij verlaten had, bleef ik, zonder tot mij zelf te komen, in de kamer, waar hij mij had achtergelaten. Hoerende, dat er gepreekt werd, ging ik naar de kerk, als de plaats, die voor mij het meest geschikt was in dit oogenblik. Den volgenden morgen moest ik den vloed afwachten, om te vertrekken. Om tien uur werden er openbare gebeden opgezonden ; ik woonde ze bij. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, besteeg ik den toren, in de hoop, iets van de vloot te ontdekken, maar, ofschoon hij 315 trappen hoog was, kon ik niets meer dan de masten zien.quot;
Bange dagen van spanning en onzekerheid wachtten haar in den Haag: zij bracht ze in stilte en afzondering door.
128
WILLEM III.
Eindelijk kwamen de goede berichten, bevestigd door brieven des Prinsen, die het wondervol geluk staafden. âDe hand Gods is bljjkbaar in allesquot;, schreef Maria in haar dagboek. In de laatste dagen van December riep quot;Willem haar naar Londen. Den 15(len Februari deed zij haar intrede in Londen, haar intrede in Whitehall, het paleis barer vaderen.
De nobele vrouw gaf in dit uur een bewijs van zelfverloochening, dat moeilijk te overtreffen was. De aanhangers van Jacobus hadden uitgestrooid, dat er verdeeldheid tusschen haar en Willem heerschte. De prins, om het te logenstraffen, had haar gesmeekt, een blijmoedig voorkomen aan te nemen. Maria, uit liefde tot hem ditmaal eene rol spelende, die geheel streed met haar gevoel, overdreef. Zij toonde een blijdschap, die onnatuurlijk was en ergernis gaf. âHet was niet in mijn hart, maar ik heb mijn best gedaan,quot; zei zij later tegen Burnet. Zij offerde zich, ook in de waardeering des volks, op voor den man, dien zij eerde en liefhad om zijn groote en rijke gaven en de taak, die God hem op had gelegd.
Isog voor haar komst te Londen was de vraag beslist, hoe de ledige troon zou worden vervuld. Aan een der invloedrijkste leden van het Parlement had Maria schriftelijk herhaald, wat zij mondeling aan Willem had verklaard. Zij wilde de kroon niet dragen, waar hij onderdaan zou zijn; de zwaarste beleediging, die men haar kon aandoen, was, haar als zijn mededingster voor te stellen. Het parlement gehoorzaamde aan haar wil en droeg de kroon van Engeland aan Willem en Maria, als regeerende koning en koningin, op.
âDe omwenteling van 1688 is de weldadigste en de laafste onzer omwentelingen geweest,quot; zegt Macaulay. Terecht. Zij heeft de vrijheid gered, door de wet te handhaven. Die omwenteling verwijderde een persoon, die zich boven de wetten des lands stelde, en verdedigde en bevestigde voor eeuwen de historische rechten en de nationale vrijheden van Engeland.
129
9
WILLEM III.
Ill
De verheffing van Willem III op den Engelschen troon heeft groote en langdurige gevolgen gehad voor de personen en voor de verbonden staten.
Termeerdering van persoonlijk geluk heeft de kroon van Engeland hem niet aangebracht. Hij was Hollander, volbloed, in gewoonte, in sympathieën; te midden der weelde van Hamptoncourt zag hij met smachtend heimwee naar de bos-schen in Gelderland, naar de kermis in den Haag terug. Zijn scherp oog had hem reeds na weinige weken den toestand in Engeland doen peilen; de politieke mannen des lands, door de weelde en het hofleven der Stuart's ontzenuwd, kon hij niet vertrouwen. Op eenige uitzonderingen na, waren zij door den stroom der publieke opinie geleid, maar was deze niet door hen gestuurd. Hun persoonlijk belang zou hun gedrag bepalen. Zij zouden hem getrouw blijven, zoolang de meerderheid des volks hem volgde en steunde; hem verlaten, als zij hem verliet; wanneer zij wankelde en weifelde, hem verraden.
En die meerderheid des volks â kon Willem op haar rekenen? Reeds in Januari 1689 zei hij aan Witsen: âNu is het nog Hosanna! maar wellicht morgen: Kruist hem!quot;
Een geschikt persoon om de volksgunst, de liefde van een groote menigte voor zich te winnen, was Willem niet. De gesloten en teruggetrokken staatsman beminde de uiterlijke pracht en weelde te weinig, om daarmede de oogen te verblinden, was te weinig gemeenzaam, te weinig toeschietelijk, om met vriendelijke woordjes en groeten te verlokken. Tus-schen de eenvoudige levenswijze van den Hollandschen koning, die zijne Hollandsche zeden ook in Engeland getrouw bleef en aan de oude Hollandsche vrienden de voorkeur gaf boven de pas toegetreden Engelsche staatslieden, en Jagaactoea de
130
WILLEM III.
zeden, de levenswijze, de vrienden der Stuart's was een breede klove.
De laatsten hadden groote gebreken gehad, maar het waren de gebreken van den landaard, de zeden van den tijd. Deze zouden hen niet ten val hebben gebracht. De Stuart was gevallen ter wille der religie.
En ook deze band scheen den nieuwen koning niet met zijn volk te verbinden. De Engelsche natie beleed het Angli-kaansch geloof, Willem was van harte presbyteriaan. Zoolang het Protestantisme bedreigd scheen, was het verschil der kerkgenootschappen op den achtergrond getreden, maar toen het gemeenschappelijk gevaar overwonnen was, herleefde de strijd. Volkomen vrijheid van godsdienst, zooals hij wenschte, kon Willem in Engeland niet vestigen. Des te grooter is zijn roem, dat hij alle geloofsvervolging heeft belet. Getrouw aan de traditie van zijn geslacht, is hij de eerste der Engelsche koningen onder wie vrijheid van geweten heeft geheerscht. Niettemin beschouwde hem de Angli-kaansche kerk niet als een barer zonen en schroomde zij geenszins hem ook op politiek terrein tegen te treden.
Want het parlement en de politieke mannen, die hem in het land hadden geroepen en hom de kroon op het hoofd geplaatst, achtten zich niet verplicht, hem steeds te volgen. In de wittebroodsjaren van het constitutioneele staatsleven in Europa scheen de hoofdeisch verlamming der regeering. Als ware er geen hooger belang, streefde het parlement er naar, zijn invloed uit te breiden en dien des konings bij voortduring te beperken. Willem had menig pijnlijk oogenblik, menig bitter uur te doorleven, als de overmoed der jeugdige politieke vrijheid hem de handen bond om goed te doen. Herhaaldelijk heeft hij zijn ernstig voornemen uitgesproken, om Engeland te verlaten en naar Holland weer te keeren, waar het vertrouwen in zijn beleid en zijn inzicht grooter was dan ooit te voren.
131
WILLEM III.
De geschiedenis van het laatste tiental jaren der 17e eeuw is de geschiedenis van Willem III. In zijn staatkunde, in de lotgevallen van zijn militair beleid trekt zich de politieke historie van een werelddeel samen. Hij staat aan 't hoofd van het Europeesch verzet tegen Frankrijk, hij is de ziel ervan. In de Nederlandsche Republiek volgt de meerderheid der staatslieden, door Heinsius geleid, hem onbepaald; de burge-rijen zijn trotsch op den Stadhouder-Koning, die Europa leidt. Jaloezie, ginds in Friesland, in de raadzaal van den Stadhouder; Fransche invloed en Fransch goud hier in Holland, in menige vroedschap, werpt hem hinderpaal op hinderpaal in den weg. Maar het is alles vergeefs, de Republiek volgt hem met onwrikbare trouw. Willem heerscht in de Nederlanden als souverein vorst. Het schijnt landverraad â klagen de oude staatsgezinden â als men van den Stadhouder waagt te verschillen. En in de oogen van Willem is het landverraad; want de zaak, die hij voorstaat, waarvoor hij strijdt en leeft, is de zaak des lands: 's lands eer, 's lands vrijheid, 'a lands godsdienst.
Een welsprekend redenaar der 18® eeuw, Massillon, heeft in een enkelen trek zijn hulde aan Willem III samengetrokken: âeen groot man, zoo hij nooit koning had willen zijn.quot; Het verwijt van persoonlijke eerzucht, dat dit woord bevat, geldt niemand minder dan hem. Want de kroon van Engeland heeft nooit voor hem waarde gehad, dan als het middel om zijn levenstaak te volbrengen. Zonder Engeland kon de Europeesche statenmaatschappij niet bewaard worden voor de overheersching, het overwicht van één enkel lid. In de groote gemeenschap der volkeren, die hun vrijheid door Frankrijk bedreigd zagen, moest Engeland de eerste plaats innemen, om eigen en aller onafhankelijkheid te handhaven. De man die, kinderloos, zijn geliefd Holland verliet, om al de bezwaren, al de lasten, al het verdriet van een Engelsche kroon te torsen, werd door een hooger beginsel geleid, dan die het persoonlijk leven richten.
132
WILLEM III.
En dat hooger beginsel heeft zijn trouwen dienaar beloond. Want quot;Willem III is geslaagd.
Geslaagd niet alleen in de erkenning en heerschappij zijner overtuiging in de Republiek, maar ook in Engeland.
Hij heeft het ondervonden in de smartvolste ure van zijn leven.
Met de grootste trouw en liefde had Maria hem als koningin ter zijde gestaan. Haar lieftalligheid, haar beminnelijkheid had menig bezwaar overwonnen, menigmaal de donkere wolken op het voorhoofd van hen verdreven, die door Willem's stuursch-heid en stilzwijgen zich gekwetst gevoelden. Anglikaansche, was zij de trait d'union, die de geestelijkheid der staatskerk hechtte aan den koning van 1688. De liefhebbende vrouw had al de liefde van haar hart, al de toewijding van haar verstandelijk inzicht gewijd aan de ondersteuning van den zwijgenden man, dien zij met afgodische vereering aanbad.
In December 1694 werd zij ziek. Na weinige dagen bleek het, dat zij de kinderpokken had. Met kalmte vernam zij het bericht, dat haar doodvonnis was. Willem week niet van haar bed, dan toen zij stervende was. Haar brekende oogen rustten op hem, toen hij bewusteloos werd weggedragen.
Het was de zwaarste slag, die hem treffen kon; en een tijdlang scheen het, dat hij hem niet te boven zou komen. Een oogenblik zelfs vreesde men voor zijn verstand.
Maar de ijzeren man overwon alles, hij beheerschte zijne smart, om zijn werk te volbrengen.
Toen Maria's dood bekend weid, juichten de Jacobieten. De overweldiger zou nu spoedig vallen; slechts de gehechtheid aan Maria had hem staande gehouden. Zoo sprak men te Parijs, zoo voorspelde men te St. Germain.
Maar men bedroog zich. Samenzwering op samenzwering werd gesmeed, doch geen enkele gelukte. De natie sloot zich bij elk gevaar, voor hem en voor haar, enger aan den man, dien zij niet liefhad, die vreemdeling voor haar was.
133
WILLEM III.
gelijk zij vreemd was aan zijn hart; maar dien zij bewonderde en dien zij vertrouwde. Zij boog, gelijk Europa, voor de meerderheid van zijn geest. gt; Zij steunde hem tot zijn dood, en treurde om zijn heengaan, omdat zijn krachtvolle hand en zijn trouw hart, dat nooit een gegeven woord brak, gelijktijdig den staat en de vrijheid had gered.
Toen hij in Maart 1702 de oogen sloot, mocht hij heen gaan met de overtuiging, dat zoowel in Nederland als in Engeland de beginselen zijns levens werden beleden en algemeen als de juiste erkend. Het individu ging henen, zijne overtuiging zegevierde ook na zijn dood.
Deze man was geslaagd in zijne taak, hij had niet tevergeefs geleefd.
IV
Wie op den veertienden April 1702 in de kapel van Hendrik VII te Westminster aanwezig was, kon getuige zijn van de plechtigheid, waarmede Willem III ten grave werd geleid. Engeland nam hem op onder zijne groote koningen, wien het een rustplaats op zijn bodem schonk. Vreemdeling was hij geweest, te midden der Engelsche natie, maar in den dood behoorde hij aan haar.
Aan weinig mannen had de natie meer te danken dan aan hem. Hy had het gezag van de wet in Engeland gevestigd en, ook met opoffering van eigen wil en geluk, het gehandhaafd. Onder koningin Elizabeth was het eilandenrijk uit zijne afzondering te voorschijn getreden: maar schroomvallig, gelijk het eene maagdelijke koningin paste. Toch was de invloed groot, dien het verwierf; zijn stem had gegolden in de kabinetten van Europa. Maar nooit was zijn gezag grooter geweest, dan onder den Hollandschen koning. Engeland was het hoofd der Europeesche diplomatie geworden; zijne stem besliste ook over de lotgevallen van het vasteland. Kiet alleen in het binnenland, maar ook tegenover het buiten-
134
WILLEM III.
land is de revolutie van 1688 een keerpunt in de geschiedenis des Engelschen volks. Slechts aan het staatsmansgenie van Willem III had de natie het te danken.
Doch de beteekenis van dezen man rijst nog hooger in de oogen van het nageslacht door de geringheid der krachten, die hom ter beschikking stonden. Een zwak en teer lichaam, altijd ziekelijk, altijd bedreigd; ondersteuning van hen, voor wie hij werkte, onwillig en nooit naar de volheid zijner wen-schen verleend; tegenkanting en verzet, ja verraad van hen, voor wie hij zich opofferde; bezwaren en belemmeringen van persoonlijken en politicken aard, hij heeft ze alle overwonnen door de veerkracht van zijn wil, door do meerderheid zijner gedachte. De fortuin, heeft men gezegd, ondersteunde hem , zonder hem ooit toe te lachen. Overwinningen heeft hij als veldheer slechts zelden behaald, niet door gemis van krijgsmansgenie, maar door de fout zijner bondgonooten. Populair is hij niet geweest en zijn hart nooit met vreugde vervuld-Zijn genie was koel en zijne toewijding zwijgend. Slechts na zijn dood behaalde hij zijne grootste zegepralen, toen de toepassing zijner denkbeelden Frankrijk en Lodewijk XIV aan den rand van den ondergang, ja tot de diepste vernedering bracht.
Die zegepraal was ook een overwinning van het land, dat hem het eerst had verheven. Want reeds vóór 1688 was Willem III de stadhouder der kleine Eepubliek, het hoofd en de ziel van Europa's verzet tegen Lodewijk XIV. De Fransche koning mocht zijn prinsdom Oranje hem ontnemen, de beroofde prins ontnam den overweldiger meer: de heerschappij over Europa. Persoonlijk betaalde Willem III ze met de opoffering van wat allen menschenkinderen het dierst is: de zekerheid, dat de vruchten van hun werk ook voor hun geslacht niet verloren zullen gaan. Toen hij stierf, liet hij geen opvolger na, die hem verving.
Meer dan honderd jaar waren verloopen sedert de Republiek was ontstaan. Met zijn bloed had de Zwijger de grond-
135
WILLEM III.
legging betaald. Zijne kinderen en kleinkinderen hadden zijn werk een eeuw voortgezet, en het voltooid. Wat ware de Republiek geworden zonder de Oranje's!
Zelden heeft een vorstenhuis in honderd jaren tijds zulk een opvolging van talenten en gaven, hoe verschillend ook, aan de publieke zaak gegeven, als deze. Macaulay heeft het ergens uitgesproken, dat er geen dynastie in Europa is, aan welke de zaak der beschaving, de zaak der vrijheid van geweten grooter en duurzamer verplichting heeft. En de 17e eeuw drukt op dat oordeel het zegel. De vestiging der JSTederlandsche Republiek is hun werk, hare opneming in den Europeeschen statenbond de vrucht van hun arbeid.
Persoonlijk zijn zij er niet door gebaat. De stadhouders hebben een positie ingenomen, die in elk opzicht valsch was. Feitelijk de hoofden, waren zij staatsrechtelijk de dienaren van den staat. Slechts hun persoonlijke verdiensten hebben hen verheven boven de valsche stelling, die zij innamen en hun een invloed verschaft, die in de allereerste plaats den staat is ten goede gekomen. In de 17e eeuw, de eeuw die de hoogste ontwikkeling der monarchie aanschouwt, blijft dit stadhouderlijk geslacht in de ondergeschikte plaats vertoeven, die de omstandigheden het bij de stichting der republikeinsche staatsorde in 1588 hebben aangewezen. Geen dezer mannen heeft van de gelegenheden, die het lot hun aanbood, gebruik gemaakt om zich te verheffen. De hoogste erkenning van hun macht en aanzien, de erkenning van de erfelijkheid der betrekkingen in de mannelijke lijn valt aan Willem III ten deel, maar als hij de toepassing vraagt voor zijn erfgenaam, den zoon des Frieschen stadhouders, wordt zij geweigerd.
Geweigerd â door wie? Door de regentenaristocratie, die de geheele eeuw door zijn tegenstander is. De worsteling van het monarchaal en het aristocratisch beginsel, van de Oranjepartij en de Staten oligarchie is de draad, die de lotgevallen des volks in de 17e eeuw aaneen hecht.
136
WILLEM III.
Op groote mannen mag de Statenpartij in de 17e eeuw roemen. In de breede schaduw van Johan van Oldenbarne-velt nemen wij een reeks van eminente persoonlijkheden waar, mannen, wier kennis, wier rijke geestesgaven, wier karakter elk volk tot eere zouden zijn. Schitterende talenten, die hun roem tot het nageslacht hebben gedragen, onderscheidden zich in het rijk der kunsten en der letteren. Rembrandt en Vondel traden voor allen op, om de erkenning te vragen van de hooge geestesontwikkeling, die hunne generatie heeft bereikt.
Maar op staatkundig gebied is het slechts een deel der natie, dat leeft. De strijd tegen Spanje, voor allen gevoerd, waaraan alle standen hebben deel genomen, eindigt met de overheersching van een enkele klasse der maatschappij. De regenten maken zich meester van het monopolie der regeering, en bezitten en handhaven het als een privilegie voor zich en de hunnen. Het volk, dat de wet niet kent, is hun speelbal en hun werktuig, welks belangen hun ter harte gaan zoolang het eigenbelang de verwaarloozing en opoffering hun niet voorschrijft.
Driemaal wordt de macht dier aristocratie bedreigd. In 1618, als Maurits Holland tot onderwerping aan de Unie dwingt; maar gemis van persoonlijke eerzucht en gebrek aan staatsmanszin treedt reddend tusschenbeide. In 1650, als Willem II opnieuw het gezag der Staten-Generaal handhaaft. Ditmaal is het gevaar grooter, maar de dood wendt het af. In 1672, als de grootste der Oranje's door de overweldigende stem des volks tot de vaderlijke betrekkingen geroepen wordt. Maar Willem III heeft een hooger roeping dan de vestiging van een dynastie. Beginselen gaan hem boven belangen; waar is de staatsgezinde, die het hem na kan zeggen? Hij wijdt zich niet aan een enkel geslacht, niet aan een enkel land; hij offert zijn rust en de krachten van zijn leven voor de vrijheid en de toekomst van Europa op.
Zegevierend staat de regentenoligarchie bij zijn doodsbed;
137
WILLEM III.
ook deze heeft niet vermocht haar te vernietigen. Maar achter zijn stervenssponde rijst de bleeke schim der democratie op, en legt de hand op de eeuw, die volgt, haar roof en haar buit. Nog honderd jaar, â wat zijn ze in het leven van een volk? â en de ure van haar zege zal slaan.
Doch geen hunner, die hpt op dit oogenblik voorziet. Als Willem III is ingeslapen, strekt de oligarchie zich rustig en gemakkelijk in de regeeringszetels uit, om te genieten.
Men heeft gezegd en geklaagd, dat de geschiedenis dei-verleden eeuwen steeds als een historie van personen werd beschouwd. Hun daden en lotgevallen vormen den gewonen inhoud. Waar is het volk, over hetwelk zij hebben geheerscht, en dat zij hebben bestuurd?
Het volk is op de straten, in zijne woningen, in zijne graven. Het leeft den strijd der politieke beginselen niet mede; het gaat onder in de zorgen van het dagelijksch bestaan, in de genietingen der kleine of groote weelden, die welvaart verschaft of gebrek onthoudt. Uitgesloten van deelneming aan algemeene belangen, treedt het slechts in enkele oogenblikken den beperkten kring zijns levens uit, om zijne eischen te doen hooren. Het is dan, wanneer in het bijzonder leven en lotgeval de gevolgen blijken van beginselen, die de staatsorde beheerschen.
Slechts zelden heeft de 17e eeuw een dergelijk optreden des volks gezien. De volgende zal rijker zijn aan tooneelen van dien aard. Zij zullen de vruchten aan den dag brengen, die het regeeringsbeleid der vaderen heeft gedragen. Een volk, onkundig van den weg, dien het heeft te bewandelen, zal de oude maatschappij eerst ondermijnen, dan sloopen. Onder de leiding der Prinsen van Oranje, als de staatseen-heid haar uitdrukking vond in persoonlijkheden, gedragen door hooger belangen dan die van een stand, had de Kepu-bliek haar vrijheid en onafhankelijkheid gewonnen, de vrij-
138
WILLEM III.
heid aan Engeland gegeven en Frankrijk vernederd. In 1795 zal de Republiek vallen, verlaten door Engeland, onteerd door machteloosheid, zonder verzet tegen den overwonnene van honderd jaar vroeger.
Aan 'wie de schuld? Aan de oligarchie, die, door geen staatkundige beginselen geleid, slechts haar egoïsme tot staatkunde heeft gestempeld. Aan de bevoorrechte standen, die de taak niet vervulden, welke op alle hooger geplaatsten rust: opvoeders der lagere tot vrijheid en zelfstandigheid te zijn. Elke politiek, die het oog niet heeft op de toekomst, maar slechts op den dag van heden, leidt tot ondergang.
De 18e eeuw zou het bewijzen door de vernietiging van alles, wat de zeventiende goeds en groots had opgebouwd.
189
V
DE PEINSES VAN AHLDEN.
DE PEINSES VAN AHLDEK
Elke wetenschap heeft haar stokpaardjes, die tegelijkertijd haar nachtmerries zijn. Zij houden een tijdlang de hoofden bezig, prikkelen de strijdlustigen, als hing het heil der menschheid er aan, en eindigen met te vervelen er ter zijde geschoven te worden. Doch het is slechts voor een poos. Met de regelmatigheid van koortsaanvallen komen zij terug, om opnieuw de aandacht te vragen. Doch telkenmale eindigt het op gelijke wijze, de strijd blijft onbeslist.
Op literarisch terrein is aan dergelijke vraagstukken geen gebrek. Een dezer doet niets minder, dan het rechtmatig bestaan van een geheel letterkundig genre in twijfel trekken. Moet de historische roman in de letterkunde als kind van den huize worden opgenomen of als indringer buitengesloten?
Men kan zich het antwoord zeer gemakkelijk maken door op de reeks van historische romans te wijzen, die niet ieder schrijft, maar wel ieder leest. âZij, die gij dood hebt verklaard, verkeeren in blakenden welstand,quot; kan men zeggen. Het antwoord is gemakkelijk, maar weinig afdoende. Er zijn veel dingen in de wereld, die verkeerd zijn, het bestaan alleen rechtvaardigt ze niet. âDe historische roman mag niet worden toegelaten,quot; zeggen de literarische tegenstanders, âomdat zij eigenlijk meer wetenschap dan belletrie is. De phantasie van den novellist wordt gebroken door het kader
DE PRINSES VAN AHLDEN.
der historie en de gegeven karakters.quot; Ook van de zijde der geschiedenis wordt bezwaar gemaakt. âDe historische waarheid komt niet tot haar recht, en wordt maar al te dikwerf verminkt ter wille van een letterkundige conceptie. Men leert niet of slecht historie uit een roman.quot;
Er is in deze wederzij dsche klachten en grieven waarheid. Maar er staat een waarheid daarnevens, die er niet door gedeerd wordt.
Niemand duidt het den novellist euvel, wanneer hij aan het leven zijns tijds de beelden ontleent, die hij voor het oog zijner lezers plaatst. Wat de hoofden vervult en de harten doet kloppen, dat stelt hij in levende personen voor oogen. Hun lijden en strijden, hun lieven en kampen, het geluk, dat zij verwierven, of het noodlot, dat hen neerwierp, in één woord, het leven in al zijn schakeeringen en wentelingen is de akker, die zijn onbestreden deel is. Naarmate zijn levenservaring rijker, het oog scherper geoefend en de hand, die teekent, vaster is, zijn zijne kansen op wel slagen grooter of geringer.
Welnu, waarom zouden de levenden alleen tot prototypen mogen dienen, en niet de dooden? De strijd is voor de laatsten lang geëindigd, terwijl hij voor de eersten nog voortduurt. Dit kan geen grond voor hun uitsluiting zijn. De geslachten, die voorbijgingen, hebben den strijd van het leven gestreden, niet minder dan wij. Zij zijn door den stroom verzwolgen of staande gebleven, met een vloek of met een dankbede ingeslapen. Dezelfde macht der passiën, die ons beweegt, hoeft hen gelukkig of rampzalig gemaakt; dezelfde vragen, in anderen vorm hoogste vragen voor menschheid en individu, hebben hen bezig gehouden. quot;Waarom zou hun levensstrijd niet de stof voor den literarischen beeldhouwer mogen zijn?
Het is inderdaad niet in te zien. De schuld van den tegenstand ligt vooral in de onbedrevenheid der handen, die
144
DE PRINSES VAN AHLDEN.
zich tot den arbeid zetten. Want een arbeid is het voor de meesten hunner. Zij zijn niet tevreden, karakters, menschen te vinden, zij willen historische beelden scheppen. Zij willen wetenschap en kunst gelijktijdig dienen. Hun arbeid wordt een historisch pleidooi, dat niemand bevredigt, en aan de eischen der literarische kunst niet beantwoordt. Ook op letterkundig gebied is de gelijktijdige vereering van twee goden een onmogelijkheid, die met onvermogen wordt gestraft.
Yoor een groot deel is gebrekkige kennis van het verleden de oorzaak. Men zoekt daar, waar men niet zoeken moet, en vindt, wat niet bruikbaar is, dan bij uitzondering voor talenten, die verre boven het middelmatige verheven zijn. Slechts een talent als dat van Bosboom-Toussaint kon diplomatieke onderhandelingen tot stof van een novelle maken.
De historie is rijk aan lotwisselingen, die om het algemeen menschelijke der karakters, die ze treffen, der driften, die ze in 't leven roepen en der omstandigheden, waaronder zij plaats hebben, ook eeuwen na hun afloop belangstelling wekken. Zelfs zonder het rijke kleed der romantische verdichting spreken zij tot de later levenden. De geschiedenis, die volgt, is er het bewijs van.
l
I
In 1685 hief Lodewijk XIV het Edict van Nantes op, waardoor zijn beroemde grootvader de periode der godsdienstoorlogen in Frankrijk had afgesloten en vrijheid van godsdienst aan zijne geloofs^nooten verzekerd. Die daad van koninklijke willekeur en katholieken godsdiensthaat beroofde Frankrijk van duizenden en nogmaals duizenden bekwame en vreedzame burgers, die met hun kennis van landbouw, handel en industrie de naburige volken verrijkten, en de grondslagen mede legden van de ontwikkeling, die Duitsch-land, de Nederlanden en Engeland tot de mededingers van
10
145
DE PRINSES VAN AHLDEN.
het vaderland, dat hen verstiet, zouden maken. Mannen van allerlei rang en stand, geestelijken en leeken, edelen en burgers, zochten in den vreemde een wijkplaats, die zij met het goud van hun godsdienstovertuiging en van hun intellec-tueele beschaving, zoo niet van hun vermogen, betaalden.
De herroeping was jarenlang voorzien. Van het eerste oogenblik af, dat Lodewijk XIV zelf de teugels van het bewind had aanvaard, warene dicten op edicten tegen de Protestanten verschenen. Zij, die de teekenen der tijden wisten te lezen en door geen geldelijke of andere bezwaren werden weerhouden, hadden niet op de opheffing gewacht, om hun land te verlaten. Dadelijk na 1660 vangt de stroom der refugiés aan zich over den vreemde uit te storten.
Tot die eerste vluchtelingen ter wille van het geloof behoorde een edelman uit Poitou, marquis d'Olbreuse geheeten. Hij overschreed de grenzen met zijn eenige dochter, en vestigde zich aanvankelijk te Brussel. Daar hij, als alle eerste refugiés, zijn fortuin had kunnen redden, kon hij voortgaan zich te bewegen in de kringen, waartoe hij door zijn geboorte behoorde. liet kwam zijne twintigjarige dochter, Eleonore d'Olbreuse, ten goede. Zij werd opgenomen in het gevolg van de hertogin van Tarente, die met den hertog de la Tremouille was gehuwd. Bloedverwanten van de Oranje's, bezochten de Tremouille's dikwerf de ISTederlandsche Republiek en inzonderheid Breda, de heerlijkheid, die aan de Oranje's toekwam. Op het kasteel te Breda, het Versailles van het protestantisme, gelyk het genoemd werd, bracht Maria, de weduwe van Willem 11, een groot deel des jaars door. Daar was zij de gulle en verkwistende gastvrouw van Elizabeth van Boheme, die als in een winterdroom een kort oogenblik een koningskroon had gedragen, en van de Stuart's, haar broeders, die door den stormwind der revolutie uit Engeland waren verjaagd. Daar leefden en dartelden zij te zamen, onbeschroomd op dit vrije terrein hun afkeer en verbittering
146
DE PRINSES VAN AHLDEN.
uitende en betoonende tegen de gehate Cromwellianen te Londen, en hun geestverwanten, de niet minder gehate republikeinen in Holland. Daar zochten zij in weelderige feesten en in speelsche vermaken, waarbij de maskerade een hoofdrol vervulde, hun treurige omstandigheden en het noodlot, banneling te zijn, te vergeten en te doen vergeten.
Het was in die lustige kringen, dat Eleonore d'ülbreuse na 16G0 eenige jaren doorbracht en schitterde. De geestrijke en schoone Frangaise, spotziek en plaagziek, was een schitterende verschijning, die de oogen tot zich trok door de bevalligheid van haar gestalte en de levendigheid van haar geest. Naarmate zij de jaloezie van vrouwen, ouderen zoowel als jongeren, prikkelde, hechtte zij de mannen meer aan zich. Een breede kring van bewonderaars omgaf de gevierde schoone.
Onder dezen was er één, die sterker en beslister indruk van haar ontving, dan ooit eenige vrouw op hem had gemaakt, Het was een hertog van Brunswijk Cell^/. Hij werd in vollen ernst op haar verliefd. Ongelukkig genoeg, want hij mocht eigenlijk niet verliefd worden, daar hij niet trouwen kon.
George Willem, hertog van Brunswijk Cell, mocht niet trouwen. Waarom niet?
Het vorstendom Brunswijk is van hooge oudheid. Sedert het in de 10° eeuw ontstond, hebben zijne vorsten voortdurend door aankoop, huwelijken als anderszins de grenzen weten uit te breiden en hun bezittingen vermeerderd. Zij slaagden er echter niet in, één grooten staat in Duitschland te vormen, omdat de talrijkheid van hun manlijk kroost tolken male de bezittingen deed verdeelen. In het begin der 17° eeuw, toen er opnieuw van verdeeling sprake was, was daarom met gemeenschappelijk goedvinden eens de bepaling gemaakt, dat slechts de oudste der broeders een wettig huwelijk zou aangaan, opdat alle bezittingen mettertijd tot één zouden komen. Vandaar, dat in geen geslacht de huwelijken met de linkerhand, de zoogenaamde morganatische, zoo talrijk voorkomen.
147
DE PRINSES TAX AHLDEN.
als bij de Brunswijk's. Een volgend geslacht had zich aan deze bepalingen wel niet gehouden, maar de traditie leefde toch voort.
Doch dit was niet de reden, waarom Georg Willem niet huwen mocht. Hij was de oudste van drie broeders, van wie de één, die in ons verhaal niet voorkomt, op dit oogenblik hertog van Hannover was en de jongste luthersch bisschop van Osnabrück. Georg Willem had een vrij stormachtige jeugd achter zich. Na in Utrecht gestudeerd te hebben, had hij jarenlang door Europa gereisd; Frankrijk, Engeland, Spanje, Italië had hij herhaaldelijk bezocht. Venetië, de Venusberg Venetië, had voor hem en ook voor zijne twee broeders, vooral in den tijd van het karnaval, een aantrekkelijkheid, die onwederstaanbaar was. In 1G57, toen hij 33 jaar was, scheen hij tot kalmer leven geneigd: hij verloofde zich met prinses Sophia, de dochter van koningin Elisabeth van Boheme Zij was een zeer opmerkelijke vrouw, over wie straks nader. Doch het duurde niet lang, of Georg Willem zag tegen zijn huwelijk op, en zocht er aan te ontsnappen. Hij slaagde er iu, maar ten koste van zijn toekomst. Zijn jongste broeder. Ernst August van Osnabrück, verklaarde zich bereid de bruid van Georg Willem over te nemen en te huwen, doch op bepaalde voorwaarden. Do oudste broeder moest beloven, ongehuwd te blijven en geen aanspraak te zullen maken op Hannover, als het open mocht vallen. Om aan het huwelijk met Sophia to ontsnappen, deed Georg Willem afstand van zijn eerstgeboorterecht.
Veel had de hertog van Celle dus de schoone Frangaise niet aan te bieden, toen hij Eleonore d'Olbreuse weinige jaren later het hof maakte. Gedachtig aan het middel, dat zijn voorvaderen zoo rijkelijk hadden gebruikt, wanhoopte hij echter niet. De dochter van den Franschen markies zou met een morganatisch huwelijk tevreden zijn. Maar hij vergiste zich. Eleonore wilde er niet van hooren.
148
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Ofschoon de levensperiode ten einde, waarin de hartstochten het sterkst spreken, was de hertog van Geile niet geneigd, van de schoone 27-jarige af te zien. Hij trad in onderhandeling met Ernst August van Osnabrück, om ontslagen te worden van zijn belofte. Maar de bisschop was niet genegen, van zijn behaald voordeel af te zien, wel om zoo mogelijk het uit te breiden. Zijn geestelijke waardigheid drukte hem niet; hij bemoeide er zich zoo weinig mogelijk mede. Zijn hof was een der weelderigste en galantste van geheel Duitsch-land; het kostte hem schatten. Ofschoon ook Georg quot;Willem geen aanspraak kon maken op den roem van zuinigheid, was hij beter financier. Vandaar, dat er een terrein gevonden werd, waarop de broeders elkander ontmoetten. De raadslieden der beide partijen zetten zich aan 't werk. Zes maanden werden doorgebracht met het opstellen, verbeteren en volmaken van allerlei acten, waarbij eindelijk de hertog van Celle de vrijheid verkreeg, die hij begeerde. Natuurlijk moest hij ze koopen, niet bloot met geld, maar met nieuwe verbintenissen. Hij moest beloven, dat zijn hertogdom Geile, na zijn dood, aan Ernst August of diens kinderen zou komen. Zijn eigen kinderen, indien hij ze kreeg, zouden alleen het privaat vermogen van hun ouders erven.
Zoo zag in Sept. 1665 Georg Willem zijn wensch vervuld eu huwde hij de schoone Eleonora d'Olbreuse, die echter jaren lang, ofschoon door de broeders erkend, den titel van hertogin niet voeren mocht, en niet voordat de Duitsche keizer haar in den rijksadel had opgenomen, met dien naam werd genoemd. In de oogen van de kleine Duitsche vorstenhoven was dit huwelijk eene hoogst ergerlijke zaak. Zij achtten het een grove beleediging, dat een kleine Fransche gravin uit Poitou tot de hoogte van een Duitschen hertog werd opgeheven. Aan het hof te Osnabrück zag hertogin Sophia met de diepste minachting op de Madame neer.
De hertog van Cello bekreunde er zich volstrekt niet om.
149
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Ook als gehuwde vrouw boeide de schoone Eleonore haar zestien jaar ouderen echtgenoot bij voortduring aan zich, en het kleine hof te Geile, dat evenals die te Hannover en te Osnabrück, de weelde van Versailles, zij het ook van verre, navolgde, was een der meest gezochte plaatsen voor alle Franschen, die in Duitschland reisden en hier, als bij uitzondering, Fransche geestigheid, Franschen smaak en Fran-sche galanterie gehuldigd en heerschende zagen. Georg Willem, een vurig bewonderaar van Willem III en trouw dienaar des keizers, nam aan de oorlogen van Duitschland tegen Lodewijk XIV met geestdrift deel en verwierf zich militairen roem, verre buiten de grenzen van zijn landje. Hij richtte een staand legertje op, waarmede hij den keizer bijstond, eens zelfs met 10,000 man, wat én zijn aanzien in het rijk verhoogde én finantieel goede vruchten voor hem droeg. Op hoe hoogen voet zijn hof ook was ingericht, Georg Willem wist zijne inkomsten steeds te vermeerderen, en ook zijne privaatbezittingen. Nog in 1689 kocht hij voor meer dan een millioen thaler Lauenburg van Keur-Saksen.
Het was voornamelijk met het oog op zijne kinderen dat hij, in vergelijking van vroeger jaren, zuinig werd. Eleonore d'Olbreuse schonk hem een drietal, één dochter en twee zoons. De laatsten schijnen vroeg gestorven te zijn. De eerste bleef in 't leven en het was op haar kinderlijk hoofd, dat al de trots en de liefde van de ouders zich vereenigden. Weinig konden zij voorzien, hoe bitter het lot was, dat haar wachtte. Want al is zij de stammoeder van het Engelsche en Pruisische vorstenhuis geworden, zij heeft de hooge eere duur betaald met het verlies van haar levensgeluk.
Sophia Dorothea, gelijk haar naam luidt, werd in 1666 geboren. Zij bracht haar jeugd in Celle door, een klein stadje aan de vereeniging van twee riviertjes, de Aller en de Tiese, gelegen. Het plaatsje was tot onze dagen als âde hoofdresidentie der Duitsche nachtegalenquot; bekend. Heeft de jonge
150
DE PROSES VAN AHLDEN.
Sophia, als zij naar de wonderschoone tonen luisterde, gemeend het lied van een schoone toekomst te hooren ? Dan heeft de arme zich bitter bedrogen!
Het oude slot, dat zij met hare ouders bewoonde, bevat niets meer dan een kapel, die als bezienswaardig aan touristen wordt aangeprezen. Daar bracht zij haar jeugd door, opgevoed door de levendige Fransche moeder, die haar landaard op Duitschen bodem niet verloochende. Een reeks van feesten en vermaken, mythologische balletten, Fransche komediën, sledevaarten, vuurwerken, onderhielden de levendigheid in het stille stadje en lokten de bezoekers aan. Georg Willem was een groot jager, als hij thuis was. Een gestreng heer, die te midden van al zijn weelde stipte orde hield, was hij een onverzoenlijk vijand van wilddieven. Trotsch op zijn stoeterij, zag men hem nu eens op de valkenjacht gaan, dan voor vorstelijke personen, zooals Christina van Zweden zijn geheele landje als jacht openstellen. Een man van goede sier, groote gestrengheid en stipte orde, bezat hij eigenaardigheden, die den heerscher kenmerken. Bij een zijner bezoeken te Venetië had hij daar een bedeljongen opgemerkt, die hem beviel. Hij had hem medegenomen, aangekleed en aan zijn hof geplaatst, waar hij den eenen eerepost voor, den anderen na verkreeg, en eindelijk zelfs in den adelstand werd verheven. Om hem nederig te houden, liet Georg Willem zijn gunsteling eenmaal in het jaar het zorgvuldig bewaarde bedelaarspak voor oogen houden.
Aan dit hof, waar Duitsche willekeur en ruwheid, maar tevens orde en overleg met Franschen geest en bevalligheid heerschten, groeide Sophia Dorothea op. De rijke erfdochter, die reeds als kind het evenbeeld barer bevallige moeder werd geheeten, was een begeerlijke partij, op wie veler oogen staarden. Toen zij tien jaar was, werd zij verloofd. Het was met den jongen Augustus, kroonprins van Brunswijk-Wolfenbuttel. Doch het kinderspel werd geen menschenwerk.
151
DE PRINSES VAN AHLDEN.
In den eersten veldtocht, dien de nauw 18-jarige bruigom bijwoonde, werd hij doodgeschoten; voor Filipsburg trof hem een kogel. Toen de jonge Sophia de mededeeling ontving,, dat haar toekomstige heer en gemaal was gevallen en haar hart weder vrij was, was het kind te jong om lang bedroefd te zijn, en te onbezorgd om zich te verbeugen.
Een tweede pretendent volgde eenige jaren later. Het was de broeder van den vroeg gestorven Augustus, een vorstelijk mauvais sujet, die het leven te vroeg en te rijkelijk genoten had. Men zegt, dat de jonge Sophia niettemin zich door hem liet innemen, maar dat de vaderlijke wil tusschenbeide kwam en hen scheidde. Niet aan de zijde van dezen man zou zij ongelukkig worden.
Georg Willem wordt gezegd, tegen het huwelijk met den jongen prins van Brunswijk-Wolfenbuttel gestemd te zijn geweest uit bijgeloovige vrees. Hij achtte het een soort van heiligschennis jegens de nagedachtenis van den overleden prins, de hand van diens bruid aan den broeder toe te staan.
De ware reden was een andere.
Yolgens de gesloten overeenkomsten met zijn broeder zouden noch hij noch zijn kinderen aanspraak mogen maken op vorstendommen, die door den dood van verwanten open vielen. In 1679 deed zich het geval voor. Hun broeder, de hertog van Hannover, stierf. Ernst August van Osnabrück verplaatste zich naar Hannover en vereenigde dit land met zijne vroegere bezittingen.
De Brunswijken waren eerzuchtige vorsten. Van den eersten aanvang der dynastie tot het laatst der 18e eeuw onderscheidden zij zich door hun hardnekkige pogingen om de grootheid en het aanzien van hun geslacht uit te breiden. Bezwaren, die voor anderen gelden, golden voor hen niet. Een enkel voorbeeld. De vader van de twee prinsen van Brunswijk-Wolfenbuttel, die wij als pretendenten zagen optreden, was Anton TJlrich. Hij huwde een zijner dochters
152
DE PRINSES VAN AHLDEN.
uit aan den koning van Spanje; zij moest dus katholiek worden. Een tweede moest haar hand reiken aan den zoon van Czaar Peter en dus den Griekschen godsdienst omhelzen. Hij zelf werd, nog op 77-jarigen leeftijd, katholiek, en liet zich zelfs de tonsuur geven, in de hoop van aartsbisschop en keurvorst te worden. Dit belette hem intusschen volstrekt niet, om, toen hij op zijn sterfbed lag, als een oprecht lutheraan uit het leven te scheiden.
Tot zulke uitersten kwam Georg Willem niet; trouwens de gelegenheid werd hem niet aangeboden. Maar zijn gedrag tegenover zjjne dochter Sophia Dorothea bewees, dat dochters, ook naar zijne meening, slechts instrumenten waren, om de grootheid van het geslacht te bevorderen.
Yoor zich zelf kon hij niets meer verwachten. Hij had zich de handen gebonden door de verbintenissen, die hij had aangegaan. Maar hij kon het weinig waardige van die contracten doen vergeten en tevens medewerken om het aanzien van het Brunswijksche huis te verhoogen. Indien zijn dochter Sophia huwde met den zoon zijns broeders te Hannover , was zijn eer gered. De schoonzoon, echtgenoot van zijn eenigkind, was de natuurlijke opvolger in Cello. De contracten zouden vergeten worden en ook zijn naam verbonden aan het opbloeiende Brunswijksche huis.
Eleonore d'Olbreuse, zijn gemalin, had steeds grooten invloed op hem gehad. Men zegt, dat het eerste denkbeeld van haar is uitgegaan. Als het waar is, heeft zij den tijd gehad, bitter haar misslag en haar hoogmoedig streven te betreuren^ Een Pransche gravin, wenschte zij haar dochter verbonden te zien aan een vorst uit een aanzienlijk regeerend huis. De hertog van Hannover, gehuwd met Sophia, kleindochter van koning Jacob I, van Engeland, cousine van den tegenwoordi-gen koning Jacob II, beteekende in de schatting van Europa iets meer dan de kleine hertog van Celle.
Het is zeker, dat de eerste voorstellen van de ouders van
] 53
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Sophia Dorothea zijn uitgegaan. Toen zij te Hannover werden ontvangen, vonden zij weinig sympathie. De hertogin Sophia verwierp ze met hoogheid en bitterheid. Zij voelde zich persoonlijk gekwetst door het denkbeeld, dat haar zoon, kleinzoon van koningen, de hand zou aannemen van de dochter eener Fransche gravin.
Doch Sophia was niet de persoon, die te beslissen had. Ernst August beschouwde het voorstel met andere oogen dan zij, schoon hij niets minder trotsch en eerzuchtig was. Hij was ziekelijk en vreesde te sterven, voordat zijne kinderen verzorgd waren. Als de pil maar behoorlijk verguld werd, verklaarde hij, zou hij ze innemen. En de pil werd behoorlijk verguld. Drie jaar lang werd onderhandeld. Het hof van Hannover eischte geld, veel geld, voordat het den koop sloot. Een rente van 100,000 kronen en nieuwe waarborgen voor het bezit van Celle in de toekomst, stelden eindelijk Ernst August tevreden. De jonge man, over wien men beschikte evenals over de vrouw, werd niet geraadpleegd: de rijke goederen van zijn bruid moesten hem doen berusten. Den 2isten November 1682 huwde Sophia Dorothea van Celle haar neef, George, erfprins van Hannover. De bruigom was 22 jaar, zij 16 zomers oud.
Haar onbezorgde jeugd was geëindigd, haar ouders waren gelukkig. Wat zouden zij gesidderd hebben, indien zij een enkel oogenblik de toekomst, vol van donkere wolken, die zich voor hun kind opende, hadden kunnen lezen!
II
âDe prinses van Hannoverquot; â met deze woorden teekent een tijdgenoot Sophia Dorothea, in December 1684 â âis van middelmatige grootte, maar goed gebouwd. Zij heeft blonde, naar 't kastanjebruin neigende haren. De trekken van het ovale gelaat zijn zeer regelmatig en de buste is zeer
154
DE PRINSES VAN AHLDEN.
schoon. Zij danst voortreffelijk, speelt klavier en zingt ook. Zij heeft ongemeen veel geest en levendigheid, heeft een rijke verbeelding, goed gevoed door velerlei lectuur. Zij is van nature vol fijnen smaak, die door de zorgvuldige opvoeding van haar moeder zeer ontwikkeld is. Een man van geljjken aard en even rijke beschaving kon zeer gelukkig met haar zijn. Zij spreekt met veel oordeel over alles, en antwoordt met fijnen takt. Met zoo veel schoone eigenschappen is het moeilijk vrij van eigenliefde te zijn, maar dat is een leelijke fout, die zich gewoonlijk bitter wreekt.quot;
Deze schets, waarvan de merkwaardige slotwoorden bijna profetisch klinken, stelt ons het beeld van een jonge vrouw voor oogen, die aan do opgewektheid van haar leeftijd en de natuurlijke levendigheid der Frangaise ontwikkeling paart. Een aanleg, die, goed geleid door een liefhebbend man, kansen op levensgeluk bevat.
Maar prins George van Hannover, die haar naar het altaar had geleid, was er de man niet naar, om haar te waardeeren en op te voeden. quot;Wij kennen hem beter, dan menig ander vorst; want deze George is de latere koning George I van Engeland. Wie Thackeray's geestvolle teekening van de vier George's heeft gelezen, kan zich voorstellen, wat de echtgenoot van Sophia Dorothea op 21-jarigen leeftijd was. Een verlegen en vervelend wezen, die tegenover haar stond als in de volgende eeuw Lodewijk XY1 tegenover Maria Antoinette. Maar de laatste slaagde er in, Lodewijk geheel aan zich te hechten, de prinses van Hannover niet. Lodewijk XVI was goedhartig en toegevend, George niet. Hij was verlegen, omdat hij ruw en lomp, onwetend en eigenwijs was. In de eerste jaren was de verhouding draaglijk. Toen zijn jonge vrouw hem in 1683 een erfgenaam had geschonken, den lateren koning George II, ontvielen den jeugdigen vader eenige hartelijke woorden jegens de moeder. Maar na de geboorte van een tweede kind, dat later koningin van Pruisen
155
DE PRINSES VAX AHLDEN.
en de moeder van Frederik den Groote werd, hield de intimiteit geheel op.
George behoorde tot die zoogenaamde stillen in den lande, die steeds zwijgen, deels uit verlegenheid deels uit hoogmoed. Hij verwachtte altijd het eerst aangesproken te worden en had niets te zeggen. De hertogin van Orleans schrijft nog in 1702 van hem: âhij is onbeschrijfelijk droog en vervelend en praat bijna niet.quot; Met Sophia Dorothea moest hij zich moeite aandoen en zich inspannen. En dat had hij niet voor haar over. Hij had van der jeugd af geleerd, op haar en de haren met de diepste minachting neer te zien. Hij had een tijdlang gehoopt, Anna, de dochter van Jacobus II, te huwen en was, om haar het hof te maken, in Engeland, toen zijn ouders hem plotseling terugriepen om zijn nichtje te trouwen. Welnu â hij had haar, oiri haar geld, gehuwd, ofschoon zij zijn mindere was. Zulk een vrouw moest geen eischen aan hem stellen en geeq inspanning van hem vorderen.
Zijn moeder, hertogin Sophia, de eenige, die eenigen invloed op hem-had, zou hem niet tegenspreken. Zij had haar geheele leven op de familie te Celle geschimpt. Het huwelijk was zeer tegen haar zin gesloten. En de voortdurende tegenwoordigheid van deze levendige en smaakvolle Fransche schoondochter was haar een ergernis en een kwelling, die allerlei onaangename herinneringen wakker riep.
Het was niet alleen de wrok tegen Eleonore d'Olbreuse, die de oude hertogin tegen Sophia Dorothea koud, onverschillig, ja heimelijk vijandig maakte. Zij kon haar niet aanzien, zonder aan den vader te denken, die zich eerst met haar verloofd had en haar toen had verkocht. En ware het hierbij maar gebleven. Zij had Ernst August gehuwd, zonder groote tegenkanting. Hij was een zeer schoon man en had veel, wat vrouwen aantrekt. Hij was een zeer galant en hoffelijk man en had een air van joviale bonhomie over zich, die velen bedroog. Hij wilde het voor Duitsche trouwhartig.
156
DE PRINSES VAN AHLDEN.
heid doen doorgaan; in waarheid was het een masker, waarachter hij zijn cynisme en zijn berekening verborg. Toen hij met de bruid van zijn broeder huwde, had hij natuurlijk geen bijzondere verwachting gekoesterd van haar genegenheid voor hem. Maar kort daarna was er iets voorgevallen , wat de verhouding der echtgenooten, die op zoo zonderlinge wijze tot elkander waren gebracht, koud en onverschillig maakte. Georg Willem, die Sophia aan hem had verkocht, was in vollen ernst op haar verliefd geworden, toen zjj met Ernst August was getrouwd. Hij had zijn vroegere geliefde op in het oog loopende wijze het hof, en haar daardoor het leven zeer lastig gemaakt. Ofschoon Sophia alles had gedaan, om die ongepaste hartelijkheid van haar vroegeren minnaar af te weren, had de verstandhouding tot haar echtgenoot er zeer onder geleden. Ernst August had zich getroost, door de vrouw van zijn eersten minister, graaf Platen, tot zijn minnares te nemen. Was het wonder, dat de oude hertogin eigenlijk niet met goede oogen haar opgedrongen schoondochter kon aanzien, die het kind was van een man, aan wien zij al de vernederingen van haar leven weet?
Aan het hof van Hannover was als' bibliothekaris een man verbonden, wiens naam dien zijner meesters verre heeft overschaduwd. Het was Leibnitz. In zijn omgang had hertogin Sophia vergoeding gezocht en gevonden voor het vele, wat zij miste. Waar de behoeften van haar hart niet voldaan werden, moesten verstandelijke genietingen in de plaats treden. Ook Ernst August stelde Leibnitz op prijs; hij noemde hem zijn loopend woordenboek, dat hij opsloeg, als hij wat weten wilde. Sophia studeerde en verdiepte zich met Leibnitz in de zwaarste theologische en philosophische vraagstukken. Zij wilde niet alleen van alles het ivat weten, maar ook het waarom, schreef de wijsgeer later. In dien wijsgeerigen dampkring ademende en tevreden, zag Sophia met philosophische minachting op de menschenwereld rondom haar neer.
157
DE PRINSES VAN AHLDEN.
158
De zeden der Duitsche hoven, in het laatst der 17e en het begin der 18° eeuw, vertoonen, op weinige uitzonderingen na, dezelfde trekken. Men voert oorlog tegen Lodewijk XIV, maar volgt zijn levenswijze en hofgebruiken na. Een minia-tuur-Versailles richtten zij bijna allen op: Pransche komedies en opera's kon men aan elk Duitsch hofje hooren, maitressen hier, als te Parijs, ontmoeten. Deze zaken, kenmerken der Pransche beschaving, werden ook op Duitschen bodem overgeplant, als groote, souvereiue belangen, waarvoor het land verarmd en het volk uitgezogen mocht worden. Niemand, die op de hoogte van zijn tijd was, had er bezwaren tegen. Ook Sophia niet. Zij was het volkomen eens met haar vriendin, de bekende hertogin van Orleans, de moeder van den regent, als deze schreef: âvorsten hebben het recht, om minnaressen te nemen, maar vorstinnen niet, om minnaars te hebben; hoe zouden de mannen anders van de echtheid hunner kinderen verzekerd kunnen zijn?quot; Met dit philoso-phisch cynisme schikte Sophia zich in alles en zag de losse zeden in haar omgeving met onverschilligheid aan. De bejaarde hertogin zag op de levendige, vroolijke prinses, die geen behoefte had aan philosophische praatjes, maar aan een opgewekten, vriendelijken, smaakvollen omgang, met minachting neer. Dat het huwelijk van die jonge vrouw ongelukkig was, liet haar volkomen koud, zoo het haar heime-lijken afkeer al niet bevredigde. Waarom kon dat speelsche kind van twintig jaar niet gelukkig en tevreden zijn in gelijke omstandigheden als zij verdroeg? Was het dan geen eere genoeg, dat zij met haar zoon was gehuwd? Hannover werd in 1692 tot een keurvorstendom verheven. Had de dochter der Pransche gravin dan geen reden om wat verdrietigs te verdragen, bij het vooruitzicht dat zij eenmaal keurvorstin zou heeten ? Indien Sophia Dorothea aan deze schoonmoeder ooit haar nood heeft geklaagd, zal zij wel weinig anders tot troost hebben bekomen, dan de cynische
DE PRINSES VAN AHLDEN.
spreuk, die Sophia gewoonlijk in den mond voerde: âieder mensch hier beneden is een demon, om het leven van een ander te verbitteren.quot;
Het was alleen Ernst August, die, ten minste in de eerste tijden, eenige belangstelling voor haar gevoelde. Sophia Dorothea amuseerde haar schoonvader. Maar hij was een te groot egoïst, om voor haar tegen zijn eigen vleesch en bloed partij te trekken. En aan zijn zijde stond een vrouw, die vast besloten had dat geen andere vrouw invloed op hem zou verkrijgen.
De gravin Platen, de minnares van Ernst August, was een schoone vrouw van bij de veertig jaar. Zij leefde in Hannover op vorstelijken voet en onderhield in haar woning, die onmiddellijk aan het slot grensde, een kleinen hofstoet. Zij hield eiken dag open tafel; wanneer bij den hertog geen cour gehouden werd, was het bij haar. De vorstelijke familie en de geheele hofhouding verschenen op hare bals en feesten, waar weinig etiquette werd in acht genomen en het verkeer ongedwongen en vrij was. Bij al zijn reizen behoorde zij tot zijn gevolg, zooals in 1680, toen hij'opnieuw aan het karnaval te Venetië deel nam; de hertogin Sophia vergezelde hem toen ook, maar de ervaringen bij die gelegenheid waren van dien aard, dat zij een volgende maal weigerde en hen alleen liet gaan. Het was deze vrouw, die op het lot van Sophia Dorothea den meest noodlottigen invloed oefende.
Overtuigd, dat er gevaar voor haar dreigde, zoo de jonge prinses eene krachtige positie verkreeg, legde zij het er op toe, de gespannen verhouding tusschen de echtgenooten te verergeren. Zij wist George, tijdens de tweede bevalling van Sophia, in aanraking te brengen met eene van haar dames, die minder eischen aan hem stelde dan zijn vrouw. De gravin Melusine van Schulenberg, in de Engelsche geschiedenis bekend als hertogin van Kendal, waartoe George haar later verhief, werd zijn geliefde. De scherpe zuster van
159
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Frederik den Groote, de hertogin van Baireuth, teekent in haar Mémoires haar op deze wjjze: âDe hertogin van ^endal behoort tot die menschen, die zoo goed zijn, dat zij tot niets deugen. Zij heeft noch deugden noch gebreken, en haar hoogste streven is, om de gunst, die zij verworven heeft, te behouden.quot; Zij was zeer lang en mager, maar had iets statigs in haar voorkomen, wat Georg, die zelf heel klein was, imponeerde en aantrok. In Engeland noemde het volk haar, om haar lengte en broodmagerheid, de kokanjemast. Het was een volstrekt onbeduidend wezen, wier aantrekkelijkheid voor George niemand begreep. Sophia, die de ontrouw van haar echtgenoot met philosophische koelheid verdroeg, trok het zich natuurlijk niet aan, dat de zoon het vaderlijk voorbeeld volgde en stelde zich tevreden met schimpen. âKijk me die lange slons eens aanquot; â zei zij tot een harer hofdames â âkunt ge nu begrijpen, dat George daarop verliefd is?quot;
Sophia Dorothea, die geen philosoof was, schimpte niet, maar barstte met de volle heftigheid van haar Pranschen aard los. Er hadden bittere tooneelen tusschen haar en George plaats, waarbij het aan verwijten van hare zijde niet ontbrak en al het ruwe in George's karakter zich openbaarde. Zelfs van mishandeling zijner jonge vrouw onthield hij zich niet.
A^an dit oogenblik af was de vrede voorgoed verstoord en de huiselijke rust den haard ontweken. De verwijdering werd steeds grooter. Sophia Dorothea, die bij niemand te Hannover steun of troost vond, zocht eenige malen haar toevlucht te Celle, en poogde van haar vader vergunning te bekomen, er te blijven. Maar Georg Willem wilde er niet van hooren en zond do arme telkenmale met strenge woorden naar Hannover terug. Zij was er alleen, zonder eenige hulp, verlaten door allen, aan de zijde van een man, aan wien niets haar verbond, te midden van een kring en een hof, waar niemand voor haar partij trok, niemand haar steunde.
160
DE PRINSES VAN AHLDEN.
noch tegenover anderen, noch tegenover de gevaren van haar eigen hart.
Zoo verliepen een paar jaren, waarin haar positie steeds moeiehjker en onhoudbaarder werd, toen onverwachts, omtrent op het tooneel van dit Hannoversche hof een persoon verscheen, die door het lot bestemd was, tot de ontknooping te leiden.
Onder de herinneringen der jeugd van Sophia Dorothea nam een jonge man een plaats in, die, eenige jaren ouder dan zij, te Geile tot hare speelmakkers had behoord. Hij heette Philip Koenigsmark.
De Koenigsmarken waren in de 17e eeuw door geheel Europa bekend. Zij waren oorspronkelijk een Brandenburgsch gravengeslacht. Een tak had zich naar Zweden verplaatst en was daar tot aanzien en rijkdom gekomen. De stamvader van dezen tak was graaf Philip, die als partijganger onder Gustaaf Adolf had dienst genomen, generaal was geworden en in den dertigjarigen krijg de schrik van vriend en vijand was, zoowel door zijn onstuimige dapperheid en knjgsmans-geluk als door de zelfs toen weergalooze woestheid en wreedheid, waarmede hij den oorlog voerde. ïoen hij stierf, liet bij een groot vermogen na, dat voor een aanzienlijk deel uit de plunderingen en brandschattingen, waaraan hij zich schuldig maakte, werd afgeleid.
Zijne zonen en kleinzonen zetten op hunne wijze de vaderlijke traditie voort. Ook zij waren militairen. In bijna alle legers van Europa kwamen zij voor, onverschillig welken vorst of staat zij dienden, mits zij slechts hoogen rang en hooge bezoldiging verwierven. Allen uitmuntende door persoonlijken moed, was vechten hun lust en leven. Men vond hen vechtende te Malta tegen de Turken, te Madrid tegen de stieren, te Parijs in het carousel. Militaire avonturiers, waren zij tevens allen door hun galanterieën berucht. Waar een
11
161
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Koenigsmark verscheen, wist men, dat hij na korter of langer tijd een bijdrage zou leveren tot de chronique scandaleuse. Zweden van geboorte, namen zij een eerste plaats in onder dien avontuurlijken en galanten adel der 17® eeuw, die in Frankrijk de Fronde in het leven riep en in Engeland aan het hof van Karei II zijn beruchtheid schonk, als het meest verdorvene des tijds.
Onze Philip Koenigsmark, die als jong mensch te Geile had vertoefd, had later eenige jaren te Londen doorgebracht. Tijdens zijn verblijf aldaar had een oudere broeder, Karei Johan, de hoofdstad van het Britsche rijk met de beruchtheid van zijn vermetelen overmoed vervuld. Verliefd op de dochter van den hertog van Northumberland, die, voor de tweede maal gehuwd, gescheiden van haar man leefde, had hij dien echtgenoot, die hem in den weg stond, door drie zijner bedienden op de openbare straat te Londen laten vermoorden. Hij moest Engeland verlaten en ging naar Griekenland, waar hij in een strijd tegen de Turken sneuvelde.
Philip Koenigsmark, de oude speelgenoot van Sophia Dorothea, was de waardige leerling van al deze verhevene voorbeelden. Een van de schoonste mannen van den tijd, was hij tevens een der meest losbandigen. Hij was even bekend door zijne dapperheid, als door zijne galanterieën. Hij wordt geteekend als een der gevaarlijkste lions, die aan niemand vertrouwen inboezemde, maar niettemin ieder voor zich innam. Geestig prater, smaakvol verteller, lichtzinnig en vermetel, wordt hij een man genoemd, van wien het even onvoorzichtig is de vriend, als gevaarlijk de vrouw te zijn.
Wanneer hij voor de eerste maal, nadat Sophia Dorothea prinses van Hannover geworden was, daar verscheen, is onzeker; maar omstreeks 1692 schijnt hij als kolonel in dienst van den hertog te zijn getreden. In de hofkringen was het natuurlijk gemakkelijk Sophia Dorothea te naderen. Hij had haar als kind verlaten, en vond haar nu als een bloeiend
162
DE PRINSES VAN AHLDEN.
schoone vrouw van 22 jaren terug, gehuwd, doch ongelukkig. De herinneringen van hun jeugd waren als van zelve aangewezen, om de banden der etiquette, in Flannover trouwens niet bijzonder knellend, los te knoopen. Gemeenschappelijke souvenirs zijn op zekeren leeftijd een terrein, dat snel tot gevaarlijke vertrouwelijkheid leidt. Vergelijking van het verleden met het tegenwoordige ligt voor de hand en is een gladde baan, die tot gemeenzaamheid voert. Hoe kon zij hier uitblijven? Haar ongelukkig huwelijk met George, diens leven met Melusine van Schulenberg, zijn ruwheid en onbeschaafdheid â het was voor niemand een geheim. Ook indien graaf Kcenigsmark vreemdeling in dit Jeruzalem was geweest toen hij kwam, hij bleef het niet lang. En ook indien Sophia Dorothea heeft willen zwijgen wat ieder wist, tegen de hartelijke deelneming van den bedwelmenden lion was de 22-jarige niet bestand. Philip Koenigsmark werd eerlang haar vertrouwde, jegens wien zjj zich vrijelijk uitte, aan wien zij al haar lijden klaagde en van wiens hulp en raad zij redding hoopte. Want hij was de eenige, die een open oor en hart voor haar klachten had. Herhaaldelijk zocht zij haar vader te bewegen om tusschenbeide te komen en haar bij zich te Celle te nemen. Greorg Willem geloofde alles, wat hem van Hannover werd bericht; zijn dochter was koppig en ongehoorzaam, zonder eerbied voor den hertog en haar echtgenoot. Hij zond de arme met strenge bestraffingen troosteloos terug. Wat bleef haar over, dan de eenige hulp aan te nemen, die haar werd aangeboden ?
Natuurlijk bleef de vertrouwelijkheid tusschen graaf Koïnigs-mark en de prinses geen geheim. Ook al hadden de muren geen ooren gehad, Philip was er de man niet naar, om ze te verbloemen. Hij bracht de verlaten prinses openlijk zijn hulde en tartte, met de vermetelheid van zijn geslacht, haar vijanden. Toen de gravin Platen, die zich, als al de wulpsche bloemen van het hof, door den schitterenden Zweed voelde aange-
163
DE PRINSES VAN AHLDEN.
trokken, hem tot zich wilde lokken, scheen hij aanvankelijk wel genegen, ook haar zijne hulde te brengen, maar niettemin stiet hij haar eerlang van zich af. Wat beteekende die oude minnares, vergeleken met de onschuldige schoonheid der levendige Fransche prinses?
Dit spel van onvoorzichtig vertrouwen aan de eene, van dartele lichtzinnigheid aan de andere zijde, duurde twee, drie jaren. Koenigsmark verliet van tijd tot tijd Hannover, om elders avonturen na te jagen. Zijn afwezigheid deed geen ander nut, dan het wantrouwen, dat bij de hertogelijke familie door gravin Platen werd aangeblazen, tijdelijk te verminderen. Als hij terugkwam, herleefde het sterker dan te voren door zijn vermetelheid en de onnadenkendheid der prinses.
In het voorjaar van 1694 werd een zijner vrienden en deelgenooten in zijn vermaken, August de Sterke, dien hij in het leger aan den Rijn luid leeren kennen, koning ^rau Saksen. Koenigsmark begaf zich onmiddellijk naar Dresden, waar hij door den weelderigen vorst, even berucht door zijn lichaamssterkte als door zijn liefdesavonturen, met open armen ontvangen werd. Hier vond hij een terrein zijner waardig en een levenswijze, waarbij die van het hof te Hannover als miniatuur-losbandigheid in het niet verzonk. Hij verliet Dresden dan ook niet, zonder van August do aanstelling tot generaal in Saksischen dienst te hebben ontvangen. Hij zou naar Hannover alleen terug koeren, om ontslag uit den dienst aldaar te verkrijgen, en zich voortaan aan zijn vriend August wijden.
Doch de oogen, die hem in Hannover bespiedden, hadden hem ook te Dresden niet losgelaten. De onvoorzichtige Philip had zich aan een vroolijken disch veroorloofd, zich over Hannover uit te laten, allerlei anecdotes tot vermaak zijner medegasten ten beste te geven en inzonderheid de gravin Platen tot het voorwerp van zijn spot te maken. Zij wist het, en
164
DE PRINSES VAN AHLDEN.
vergaf noch vergat het. Toen graaf Koenigsraark naar Hannover wederkeerde, zwoer zij, dat hij het niet levend zou verlaten. De vermetele, die haar had afgewezen en bespot, zou zijn straf niet ontgaan en in zijn val de gehate prinses medesleepen.
Tevergeefs had tot dusver, in al de laatste jaren, gravin Platen moeite gedaan, om eenig bewijs te vinden, dat de betrekking der prinses tot Koenigsraark een ongeoorloofde was. Onvoorzichtig en onnadenkend was zij in de hoogste mate, maar onvoorzichtigheid en onnadenkendheid vormen geen misdaad. Om te straffen moest er schuld zijn. Doch de minnares van den hertog voelde er zich niet verlegen door. Zij had in het hart van Ernst August zoo veel kwaad zaad gestrooid, dat zij op een rijken oogst durfde rekenen, als het geschikte oogenblik was gekomen.
Toen Koenigsraark was teruggekeerd en zijn oude leven hervatte, zijne bezoeken aan do prinses bracht, vertrouwelijke gesprekken met haar hield, achtte zij den tijd gekomen. De graaf vroeg zijn ontslag, verkreeg het en zou eerlang vertrekken. Hij mocht aan haar wraak niet ontsnappen. Een der laatste dagen voor zijn verblijf bestemd â het was een Zondag in Juli 1694 â kreeg hij een briefje, waarin hij verzocht werd, 's avonds bij Sophia Dorothea te komen. Mets vermoedende, ging hij. Toen hij aan het slot kwam, bleek dat het briefje valsch was; toch werd hij binnengelaten. Hij werd, als steeds, ontvangen door Sophia Dorothea in tegenwoordigheid van hare hofdame, die tevens haar vertrouwde vriendin was: een Fraulein von Knesebeck. Deze was geagiteerd, maakte zich ongerust over het valsche briefje en drong er op aan, dat hij spoedig zou weggaan. Maar de overmoedige Koenigsraark lachte om haar vrees, en bleef rustig tot na elven zitten praten, schertsen en afspraken maken voor het te zamen beraamde plan.
Terwijl hij speelde, handelde de gravin Platen. Zij had
165
DE PKINSES VAN AHLDEN.
het briefje gezonden en werd dadelijk onderricht, toen Koenigs-mark in de val was gelokt. Zij begaf zich tot Ernst August, deelde hem het geheime bezoek mede, en vroeg zijn toestemming om, ter wille van de eer der dynastie, den verleider van zijn schoondochter in hechtenis te nemen. Ernst August was reeds lang tegen haar opgezet en geloofde alles. De prins van Hannover was niet in de stad: hij bracht een bezoek aan zijne zuster te Berlijn, wat later als een bewijs van medeplichtigheid werd uitgelegd. De keurvorstin Sophia hield, als gewoonlijk, zich met hare philosophische bespiegelingen bezig en bemoeide zich met niets. Zonder een oogen-blik, naar het schijnt, er aan te denken, dat hij de eenige was die in dezen handelen kon en dat een persoonlijk onderzoek van hem geëischt werd, gaf Ernst August zijn toestemming. Zijn minnares werd belast, do eer der dynastie te handhaven.
Onmiddellijk koos de gravin vier man van de wacht en stelde ze, na hen dronken gemaakt te hebben, gelijk men zegt, onder een hoogen schoorsteen in de ridderzaal in hinderlaag, met last de wapenen te gebruiken, zoo er tegenstand geboden werd.
Omstreeks 11 uur verliet Kcenigsmark de prinses, om door een poortje, dat steeds open bleef, het slot te verlaten. Tot zijn verwondering vond hij het gesloten. Hij moest elders een uitweg zoeken. Hij kwam de ridderzaal door, waar hij onmiddellijk aangegrepen werd.
Hij trok zijn sabel, om, zoo goed het in het duister ging, zich te verdedigen. Ka dapperen weerstand bezweek hij onder de menigte der slagen, doch niet, voordat hij zijn moordenares, gravin Platen, die op een kleinen afstand het gevecht had bijgewoond, had herkend. Hij begreep onmiddellijk de beteekenis van haar aanwezigheid en had nog even de kracht om met stervenden mond haar toe te roepen: de prinses is onschuldig!
Toen de gravin Platen aan Ernst August den afloop be-
166
DE PRINSES VAN AHLDEN.
richtte, vloog hij verschrikt en vertoornd op. Maar de gravin wierp alle schuld op de onstuimigheid van Kcenigsmark, die zich niet had willen overgeven. Het lijk werd weggestopt en met kalk overstort. Men zegt, dat honderd jaar later het skelet onder een vloer verscholen werd teruggevonden.
Zoo stierf, door moord, de laatste mannelijke spruit van de Zweedsche Koenigsmarken. De Brandenburgsche tak bloeit tot op dezen dag.
Toen Sophia Dorothea het vreeselijk bericht ontving, barstte zij in een vlaag van woede en hartstocht uit, die bewees hoe zeer zij het gevaar inzag, dat haar dreigde. Zij wilde niet langer onder deze barbaren en moordenaars leven!
Doch deze barbaren en moordenaars hadden macht over haar en maakten er gebruik van.
Onmiddellijk werden al hare papieren in beslag genomen, hare vrouwen verhoord en zij zelve in bewaring gesteld. Het bewijs, hetwelk boven alles gezocht werd, dat zij tot Kcenigsmark in misdadige betrekking had gestaan, werd niet gevonden. Zij had van tijd tot tijd brieven met hem gewisseld, waarin zij zich vrijelijk, al te vrijelijk, over personen en toestanden, ook over haar vader had uitgelaten. De verklaringen van freule van Knesebeck, dat zij elkander nooit onder vier oogen hadden gezien, maar zij steeds tegenwoordig was geweest, rechtvaardigden haar op dit punt volkomen. Ook zij zelve loochende alle schuld op stelligen toon, maar gaf tevens op niet minder stelligen toon haar diepen afkeer van haar echtgenoot te kennen. Zij wenschte niets anders dan de vrijheid om zich naar elders te verplaatsen. âIndien ik schuldig ben, ben ik zijner niet waardig; indien ik onschuldig ben, is hij mijner niet waardig.quot;
Doch er bleek uit hare brieven en papieren iets anders, wat zij volmondig erkende. Kcenigsmark had haar voorgesteld, om met hem naar Parijs te vluchten. Dit had zij geweigerd, maar iets anders aangenomen. Hij zou haar ge-
167
168 DE PRINSES VAN AHLDEN.
voerd hebben naar Wolfenbuttel, naar den daar wenenden Anton Ulrich, hoofd van den oudsten tak der Brunswijken, vader der twee pretendenten naar haar hand in vroeger jaren. Sophia Dorothea was schuldig aan het plan, de echtelijke woning te hebben willen ontvlieden.
Op dien grond werd een proces van echtscheiding ingesteld, en eene gedienstige rechtbank, waarin de vrienden en verwanten der moordenares zaten, wees den eisch toe. Het huwelijk werd ontbonden verklaard, wegens het plan van moedwillige verlating. De waardige echtgenoot, die in het bezit bleef van al haar bezittingen, verkreeg vergunning tot een nieuw huwelijk. Sopliia Dorothea werd tot levenslange gevangenschap veroordeeld.
Zoo had de boosheid gezegepraald en boette deze jonge vrouw de schuld van hare ouders. Haar vader kwam niet tusschenbeide. Verbitterd over uitdrukkingen, die zij zich in haar brieven over hem had veroorloofd, stelde hij zich aan de zijde van haar vervolgers. Hij kwam zelfs over naar Hannover, om bij het vertrek van zijn kind tegenwoordig te zijn. Kon die vrouw onschuldig zijn, tegen wie haar eigen vader zich verklaarde?
In de laatste dagen van October 1694 werd Sophia Dorothea, 28 jaar oud, overgebracht naar het slot te Ahlden, een klein vlek aan den Aller, vier mijlen van Celle, de residentie van haar ouders. Die plek was bestemd, haar levend graf te zijn, totdat de dood haar verloste.
III
De prinses van Ahlden â onder dien naam is Sophia Doi'othea in de geschiedenis bekend â heeft met tal van historische personen, over wier lot een sluier ligt, gemeen, dat phantasie en kwakzalverij zich van haar tragisch ongeval hebben meester gemaakt. De raadselen van haar leven heeft
DE PRINSES VAN AHLDEN.
men trachten op te lossen, beide door verdichting en door bedrog.
Het hof van Hannover kon noch wilde de waarheid zeggen. Het verklaarde in officieele taal, dat het plan van moedwillige verlating de reden der echtscheiding was. Maar hoe het verblijf te Hannover der jonge vrouw onmogelijk en onhoudbaar was gemaakt, de vijandschap der keurvorstin Sophia, het gedrag van den echtgenoot, de haat van gravin Platen, het verband van den moord van Kconigsmark en de ontknooping â dat alles bleef natuurlijk onvermeld. Over den vermoorde werd geen woord gesproken en geen inlichting gegeven.
Koenigsmark had veel bekenden, maar weinig familie. Zijn plotseling verdwijnen wekte groot opzien, werd in de hooge en lage kringen, waarin hij verkeerd had, druk besproken, maar eindigde, zooals steeds, met de plaats te ruimen voor een andere nieuwstijding, die de belangstelling prikkelde en een tijdlang de aandacht gaande hield. Zijn zuster, de bekende Aurora Koenigsmark, wist den keurvorst van Saksen tot het vragen van inlichtingen te bewegen. Maar het hof van Hannover maakte zich met algemeenheden van de zaak af. Graaf Koenigsmark, heette het, was meer gewoon, dagen, ja weken lang afwezig te zijn; hij zou ,ook nu wel weer terecht komen. Toen dit echter niet plaats had en de Saksische gezant met meer nadruk aandrong, verklaarde de keur-vorstelijke regeering met de woorden van Kaïn, dat zij geen hoeder was van een Saksischcn generaal.
Er waren weinig personen bij het bloedige voorval aanwezig geweest. Niettemin waren er velen in betrokken. Hun allen, medeplichtigen en medewetenden, werd onder strenge bedreigingen eeuwig stilzwijgen opgelegd. Er waren echter enkelen, wier belang medebracht te spreken. Onder dezen de prinses en haar hofdame. Maar de gevangene van Ahlden kon de stem niet verheffen.
169
170 DE prinses van AHLDEN.
Haar hofdame, freule Knesebeck, was gelijktijdig met haar in hechtenis genomen. Ook zij werd wegens medeplichtigheid tot gevangenstraf veroordeeld. Naar Schwarzfels in den Harz werd zij vervoerd. Daar bleef zij drie jaren, toen zij door een van haar vrienden, die zich als leidekker had vermomd,
werd bevrijd. Zij vluchtte eerst naar Brunswijk, naar den ouden Anton Ulrich van Brunswijk Wolfenbuttel. Later be- ,
gaf zij zich naar Berlijn, naar de dochter van de prinses van Ahlden, die met den kroonprins van Pruisen was gehuwd. (
Deze nam haar bereidwillig op. Vroeger hofdame van de j
moeder, werd zij het nu van de dochter. De kommandant (
van Schwarzfels wist geen beter middel, om de ontevredenheid te Hannover over de ontsnapping te kalmeeren, dan dit ( bericht: âDe duivel had in de gestalte van een leidekker j Frtlulein Knesebeck verlost. Hij had haar door de lucht â weggevoerd; als men wilde komen zien, zou men het gat in (
het dak vinden.quot; i
Men begreep waarschijnlijk te Hannover, dat de duivel {
maar al te veel in het gebeurde de hand had gehad, om dit £
jongste bewijs zijner macht te durven betwijfelen. Men liet £
ten minste de zaak loopen.
Het was Anton Ulrich, dezelfde, wiens geloofsknutselarijen g
vroeger vermeld werden, die het eerst voor Sophia Dorothea, j
tweemaal zijn aanstaande schoondochter, in de bres sprong. ^
De zonderlinge vorst had van 1669-1673, onder den titel: d
die Bömische O da via, een werk in vijf deelen uitgegeven, 0
waarin hij de geschiedenis der Komeinsche keizers van Clau- d
dius tot Vespasianus behandelde, maar tevens een reeks van u
episoden invlocht, die allerlei geheimzinnige gebeurtenissen p
van zijn eigen tijd bevatten. Toen hij van de gevluchte hof- h
dame haar verslag vernomen had, zette hij zich aan 't werk S
en gaf in 1705 een laatste deel, een slot, waarin hij de ge- t)
schiedenis van prinses Solane breedvoerig behandelde. Solane I
was Sophia Dorothea. d
DE PRINSES VAN AHLDEN.
Dit werk is tot onzen tijd de hoofdbron en de grondslag van alle latere voorstellingen. Natuurlijk is het niet vrij van partijdigheid. In hoofdzaak intusschen is het door latere onderzoekingen bevestigd. Er komt echter veel in voor, dat ook nu nog niet is verklaard. Zoo schijnen o. a. politieke invloeden, vooral van de zijde van Lodewijk XIV, in 't spel geweest te zijn.
Het onderzoek in onze dagen is zeer verzwaard door twee omstandigheden. De eerste is de kwakzalverij van memoiren-fabrikanten. Het is alsof alle partijen hebben afgesproken, eene voorstelling van het gebeurde te geven, die hen rechtvaardigt en de schuld op anderen werpt. Merkwaardig is het, dat in alle verhalen Sophia Dorothea als de lijdende en onschuldige persoon voorkomt, totdat in 1848 een Zweed, Palmblad geheeten, het waagde, een aantal brieven te verdichten, waaruit de misdadige verstandhouding van Kienigs-mark tot de prinses zonneklaar zou blijken. De vervalsching bleek echter onmiddellijk, toen men de moeite nam, hot handschrift van de hoofdpersonen, zooals hij het mededeelde, met echte autographa te Hannover te vergeljjken.
Het vermoeden lag voor de hand, dat in de koninklijke staatsarchieven te Hannover het ware licht zou te vinden zijn. Doch het is gebleken, dat het belangrijkste materiaal verduisterd is. Op wiens last, is niet onzeker. Toen Ranke de briefwisseling van keurvorstin Sophia uitgaf, stuitte hij op dezelfde leemten in hetzelfde tijdperk. Voegt men hier de bittere vijandschap bij, die uit Sophia's mémoires, onlangs uitgegeven, tegen haar schoondochter, reeds in een vroegere periode, spreekt, dan heeft men recht tot het besluit, dat de hertogelijke familie zelf de hand in de zaak gehad heeft. Men heeft blijkbaar alles in het werk gesteld, om de waarheid te verduisteren. En tot op onze dagen schijnt dit streven te Hannover overheerschend. Een Hannoversche majoor, Möller, die bibliothecaris van den hertog van Cambridge was,
171
172 DE PRINSES VAN AHLDEN.
gaf in 1840 eene autobiographie van de prinses van Ahlden uit, die geheel verdicht was. Hij had blijkbaar vele onuitgegeven stukken tot zijn beschikking gehad, maar het, om welke redenen ook, beter geoordeeld, een verdichting te geven, dan historische waarheid.
Het is op zich zelf reeds niet waarschijnlijk, dat Sophia Dorothea tot een dergelijken arbeid de gelegenheid heeft gehad. Zij leefde op Ahlden als een gevangene, die zich wel vrijelijk in haar kamers bewoog, maar nooit zonder toezicht was. Materieel was goed voor haar gezorgd, een som van 8000 Thaler voor haar onderhoud vastgesteld. Zij had een tiental vrouwelijke bedienden, en verder ondergeschikt keuken-personeel, waaronder drie koks. Doch deze allen stonden, gelijk zij zelve, onder toezicht van een militairen gouverneur, met een sterke bezetting, zoowel infanterie als kavalerie. Voor het uiterlijke werden de vormen van een hofhouding eenigszins in acht genomen. Aan de locale autoriteiten en den adel in de omstreken werd soms de toegang tot haar vergund. In den eersten tijd werd haar meer vrijheid van beweging geschonken dan later; zij mocht vrijelijk in den tuin wandelen. Maar na de ontsnapping van Fraulein Knesebeck hield dit op j men vreesde voor een navolging van dit voorbeeld.
Dadelijk na de gevangenneming was zij van haar kinderen gescheiden. Zij heeft ze nooit teruggezien, ondanks haar bede om hun bezoek te ontvangen. Den kinderen zocht men in te prenten, dat zij geen moeder hadden. Het was tevergeefs. De dochter, moeders naamgenoot, die in 1705 met den kroonprins van Pruisen^huwde, onderhield, eerst met oogluiking van haar man, later zeer in het geheim, briefwisseling met haar. Zij leed zelve te veel door het despotisme van haar heer en meester, om ongevoelig te zijn voor het lijden harei moeder en lichtgeloovig op het punt barer schuld. Hoe zij ov^r hot gebeurde dacht, blijkt uit het feit, dat zij Fraulein Knesebeck in haar eigen gevolg opnam. Na den dood van
â
DE PRINSES VAN AHLDEN.
de prinses van Ahlden wekte het Pruisische hof den heftigen toorn van George I op, door er notitie van te nemen.
Ook haar zoon, de latere George II, koos niet tegen haar partij. Men verhaalt, dat hij bij een zijner jachtpartijen zich opzettelijk van zijn gevolg verwijderde, om spoorslags naar Ahlden te rijden. Hij kwam er aan en eischte toegang tot zijne moeder, maar de gouverneur weigerde en zond hem terug.
Wat er in de buitenwereld omging, vernam de prinses van Ahlden slechts, zoo haar omgeving goedvond, het haar te verhalen. Alle banden van de natuur, op één na, schenen losgemaakt tegenover deze verlatene. Haar vader volhardde tien jaar in zijn boosheid en wilde niets van haar weten. Niet voor 1705 gevoelde hij behoefte, zijn kind weder te zien. Doch hij stierf, voordat hij zijn bezoek had gebracht.
Alleen met de moedor bleef de goede verstandhouding ongeschokt. De arme Eleonore d'Olbreuso leed en boette met haar ongelukkige dochter. Zij bezocht haar van tijd tot tijd, schoon men het te Hannover ongaarne zag. Ook hielden zij briefwisseling, maar alle brieven, over en weer, moesten open zijn en gelezen worden.
Zoo leefde de prinses van Ahlden meer dan 30 jaar, bijkans ; zonder eenige aanraking met de buitenwereld. De weinige burgerlijke en kerkelijke autoriteiten, die haar een enkele ^ maal bezochten, waren de tusschonpersonen van haar welda-
Idigheid. Zij verwierf zich een stille populariteit in bescheiden kring door de geldelijke ondersteuning, die zij aan andere ongelukkigen deed toekomen.digheid. Zij verwierf zich een stille populariteit in bescheiden kring door de geldelijke ondersteuning, die zij aan andere ongelukkigen deed toekomen.
De jaren, die zij op Ahlden doorbracht, waren voor het keurvorstelijk huis van groot gewicht. De eerzucht der Bruns-
BL â
l wijken werd op de schitterendste wijze bevredigd.
In 1688 was Jacob II van den troon van Engeland ver-
Gï* â¢
jaagd en door Willem III vervangen. Na den dood van ^ koningin Maria zocht Willem de protestantsche troonopvolging te verzekeren. In 1700 werd een bill bij het parlement inge-
Ein
173
174 DE PRINSES VAN AHLDEN.
diend en door dit staatslichaam aangenomen, waarbij de opvolging op den troon van Engeland, wanneer prinses Anna van Denemarken zonder kinderen kwam te overlijden, aan de keurvorstin van Hannover Sophia en haar nageslacht, werd verzekerd. Een schitterende deputatie bracht de gewichtige acte naar Hannover, om ze aan de toekomstige koningin te overhandigen. Het hart der 73-jarige zwol van trots, bij de gedachte, gelijk zij zelve zeide, dat wellicht op haar graf de woorden zouden prijken; âHier ligt Sophia, koningin van Engeland.quot;
Met ongeveinsde nieuwsgierigheid werd door de Engelsche afgevaardigden het Hannoversche hof waargenomen. Inzonderheid de kroonprins George, die meer kans had dan zijn bejaarde moeder om de vrucht der acte te plukken, was het voorwerp van hun opmerkzaamheid. Maar van zijn vrouw is ook in hun brieven geen sprake. Zij was dood voor de haren.
Met Ernst August, die in 1698 stierf, had zij den eenige verloren, wiens stemming tegen haar was veranderd. In den laatsten tijd zijns levens was gravin Platen bij hem in ongenade gevallen en had hij eenige verzachting in het lot zijner schoondochter gebracht. De hoop, dat hij haar in vrijheid zou stellen, ging met zijn dood geheel verloren.
In 1705 stierf haar eigen vader, Greorg Willem. Nevens het leven dankte zij hem haar ongeluk. Volgens de overeenkomsten ging het hertogdom Celle aan haar man George over.
De schoonmoeder, keurvorstin Sophia, verkreeg het geluk niet, dat zij met zoo smachtend verlangen begeerde. Zij stierf zonder koningin te zijn, weinige weken voor koningin Anna, 10 Juni 1714.
Thans werd haar zoon George, de beminnelijke echtgenoot van de prinses van Ahlden, koning van Engeland. Hij haastte zich niet, om van zijn nieuw rijk bezit te nemen. Toen hij eindelijk, in het najaar, in Engeland verscheen, was hij vergezeld van zijne oude minnares, Melusina van Schulenberg,
DE PRINSES VAN AHLDEN.
en een jongere mededingster. Zoo deed de stamvader van een nieuw geslacht van Engelsche koningen zijn intrede in de hoofdstad.
Nooit heeft een volk zijn gehechtheid aan beginselen krachtiger bewezen, dan het Engelsche tegenover dit Hannoversche vorstenhuis. Persoonlijk hadden de George's niets, dat hen boven de Stuart's onderscheidde. Geen buitengewone talenten kenmerkten hen, geen bijzonder groote gehechtheid aan de voorschriften der moraliteit vestigde de aandacht op hen. De twee eerste koningen, die van Hannover naar Engeland kwamen, George I, de echtgenoot, George II, de zoon van Sophia Dorothea, waren en bleven vreemdelingen in het land, waarover zij den schepter voerden. En toch heeft het Engelsche volk hen gesteund, hun gehoorzaamd en elke poging afgeslagen, die tot omverwerping van hun gezag werd aangewend. Zoo vast en onwankelbaar was de overtuiging, dat het huis van Hannover de zaak der vrijheid vertegenwoordigde, terwijl het huis der Stuart's het politiek en godsdienstig despotisme voorstond en diende. Ondanks de minachting, welke de personen inboezemden, heeft het politiek belang, dat zij vertegenwoordigden, hen staande gehouden en hun geslacht in Engeland doen wortel schieten. Een bewijs, hoe weinig individuen beteekenen bij een volk, dat trouw is aan overtuiging en beginselen.
Toen George de kroon aanvaardde, was zijn zoon de eenige van zijn gezin, die hem vergezelde. Trouwens, George I miste evenmin zjjn kinderen als zijn vrouw. De verachting, die hij aan de laatste had bewezen, droeg hij op de eersten over. Tusschen vader en zoon bestond geen de minste intimiteit. Velerlei waren de redenen, maar een van deze was, dat de prins van Wales voortdurend partij trok voor zijne moeder. George I heeft in de koelheid zijner beide kinderen geoogst, wat hij tegen hun moeder had misdaan, maar tevens in de voorbeeldelooze ruwheid waarmede hij den tegenstand
175
DE PRINSES VAN AHLDEN.
â van dien zoon trachtte te breken en zelfs zijn talentvolle en begaafde sclioondochter mishandelde, het beste pleidooi geleverd ten gunste van de gevangene van Ahlden.
Van al de lotswisselingen, die haar verwanten, zoo van verre als van nabij, troffen, was er geen enkele, die invloed op haar lot had. Zij deelde noch in hun vreugde noch in hun smart. Zij was van alles buitengesloten en beroofd, zelfs van de hoop op verlossing.
Toch, zegt men, dat zij die nog een geruimen tijd heeft gekoesterd. Veel vroeg zij niet meer van het leven; het eenige wat zij begeerde, was haar vrijheid. Er liep in 1714 een verhaal, dat haar van de zijde van George voorslagen van verzoening waren gedaan, die zij had afgewezen. Een avontuurlijk aanbod wordt in Engelsche mémoires vermeld. Een paar Engelsche pairs, tegenstanders van het Hannoversche huis, wisten als kooplieden verkleed tot haar door te dringen. Zij boden aan, haar te verlossen, mits zij naar Engeland zou komen. Hare aanhangers zouden van het parlement hare erkenning als gemalin des konings eischen. Zij weigerde als politiek werktuig te dienen, en herhaalde steeds de oude betuiging: âZoo ik schuldig ben, ben ik hem, zoo ik onschuldig ben, is hij mij niet waardig.quot;
Green rang en geen hoogen stand vroeg zij meer, alleen hare vrijheid. Oude dienaren van haar huis, die altijd middel hadden gevonden om met haar in betrekking te blijven, vormden plannen, om haar te bevrijden. Gelden, in de Amsterdamsche Bank neergelegd, zouden daartoe worden aangewend. De bijzonderheden van den aanslag zijn onbekend. Het schijnt, dat zij tot inzicht is gekomen, dat alles slechts een voorwendsel was, om in het bezit van haar geld te komen.
In Januari 1721 had er voor de eerste maal, sinds zij de poort van Ahlden was binnengetreden, iets plaats, dat aan de oude betrekking tot het Hannoversche huis herinnerde. Beide, het hof van Londen, en zij, prinses van Ahlden,
176
DE PRINSES VAN AHLDEN.
gingen in den rouw om dezelfde persoon. Bij geen der vroegere sterfgevallen had men haar in den rouw der familie laten deelen. Maar ditmaal betrof het haar eigen moeder. Eleonore d'Olbreuse was ingeslapen.
Sinds stond zij geheel alleen op de wereld, te midden van onverschillige bewakers, dienaren van hare vijanden. Haar gezondheid, die sedert lang door het verdriet was aangetast, verminderde. Toch kwijnde zij nog vijf jaar voort. Tot haar laatste oogcnblikken betuigde zij haar onschuld. Den 2di;n November 1726 sloeg eindelijk de ure van haar verlossing. De dood opende haar kerker.
Te Londen werd het bericht met groote onverschilligheid ontvangen. In de Londensche Gazette werd alleen bericht, dat een zekere prinses van Ahlden overleden was. Geen woord duidde de betrekking aan, waarin de doode tot den regeerenden vorst en den troonsopvolger in Groot-Brittanje stond. Het hof nam er geen de minste notitie van. George I was diep verontwaardigd, toen hij uit Berlijn het bericht ontving, dat de koningin om den dood harer moeder in den rouw was gegaan.
Toch was er een aan het Engelsche hof, die eenigszins met die dochter gevoelde. Het was de prins van Wales. Hij heeft steeds de onschuld zijner moeder in den kring der zijnen, o. a. aan zijn vrouw, betuigd. Zijne biografen zeggen, dat hij het stellige plan had, zoodra hij koning zou geworden zijn, zijne moeder van Ahlden naar Londen te doen overkomen en haar als koningin-weduwe van Engeland te erkennen. George II is niet rijk genoeg geweest aan deugden, dat wij hem deze ééne gerechtigheid jegens de vrouw, die hem het leven had geschonken, willen betwisten.
Maar het heeft niet mogen geschieden. De echtgenoot van Sophia Dorothea overleefde haar acht maanden. Jaarlijks, zoo hij kon, anders om de twee jaar, bezocht George I zijn geliefd Hannover. Den len Juni 1727 verliet hij Engeland
12
177
DE PRINSES VAN AHLDEN.
met hetzelfde doel. Hij deed, als gewoonlijk, de reis over Holland. Nadat hij den 20en in het Ovenjselsche dorpje Delden had overnacht, reed hij naar Bentheim. Daar werd hij ernstig ongesteld, maar hij wilde van geen geneeskundige hulp weten. Hij jaagde voort, om Osnabrück te bereiken. Voordat hij aan het laatste station was aangekomen, werd hij door een beroerte getroffen. Een van zijne armen verlamde, en alle pogingen, om hem weer bij te brengen, waren vruchteloos. Toen de stoet Osnabrück binnentrad, was hij dood.
Men vertelde in die dagen, dat de prinses van Ahlden op haar sterfbed den koning binnen een jaar voor den rechterstoel van God had gedaagd. Den brief, die dit bericht bevatte , had men hem niet in Engeland durven geven; hij was hem pas op den laatsten dag van zijn reis overhandigd. De koning opende het schrijven in zyn wagen, en zoodra hij het gelezen had kreeg hij de zenuwtrekkingen, die in een beroerte eindigden. Dit verhaal bewijst, hoe groot de min-â achting was, die men voor George koesterde, en hoe niemand, die hem kende, gelooven kon, dat hij niet oneindig meer schuld jegens haar had, dan zij jegens hem.
Het volk in Engeland echter had eene andere verklaring. Het geloofde vast, dat de duivel hem den hals had omgedraaid.
178
VI
M A li IJ K E N-M E U,
M A E U K E N-M E U.
Ziedaar den naam eener vrouw, die voor anderhalve eeuw aan niemand in de Republiek der Vereenigde Nederlanden onbekend was. Zij was geen dochter van deze landen. Duitsche Prinses, dankte zij aan haar huwelijk met een Prins» van Oranje, die Stadhouder van Friesland was, haar vestiging in deze gewesten. Vervuld met blijde verwachtingen, die jeugd, schoonheid, levensmoed wekken, trad zij de Republiek binnen, waar zij een langen levensweg ten einde zou afloop en, door eenzaamheid gekenmerkt. Moederlijke zorg en moederlijk lijden zijn ruimschoots haar deel geweest. In den ruimen kring der Republiek heeft zij de achting geoogst, die haar toekwam; in den engeren van haar omgeving liefde genoten, gelijk zij liefde schonk. In de volksherinnering van het gewest, waarin zij vijftig jaar heeft geleefd, is haar naam nog niet vergeten. Manjken-Meu kent iedere Fries.
De overlevering heeft de moeder van Willem IV meer met huiselijke dan met openbare deugden versierd en het beeld der eenvoudige vrouw ons geteekend met trekken, die alle vertoon van praal of uiterlijken pronk buitensluiten. En volkomen te recht. De reeks van onuitgegeven bescheiden, een tal van meer dan twee duizend brieven, bevestigt in hoofdzaak de aangenomen voorstelling. Menigen nieuwen trek
MAKIJKEN-MEÃ.
voegen die stukken aan het oude beeld toe, maar de welbekende lijnen worden niet uitgewischt, slechts gewijzigd.
De moeder van Willem IV was eene Prinses van Hessen-Kassei, en heette Maria Louise. Haar vader, de landgraaf van Hessen-Kassei, nam een eerste plaats in onder de vorsten, die de Fransche leer van de absolute macht der vorsten tegen ^keizer en onderdanen op Duitschen bodem toepasten. In de geschiedenis van zijn land staat hij bekend als de kazernen-en kerken bouwer en tevens als de eerste, die zijne onderdanen onder den naam van hulptroepen tegen grof geld aan vreemde staten verkocht. Een man van veel en velerlei liefhebberijen, niet zonder kennis, niet zonder smaak. De waterwerken op de latere Wilhelmshöhe bij Kassei zijn door hem aangelegd. Militair, voerde hij zelf do troepen aan, die hij in den Oosten-rijkschen successieoorlog aan de zeemogendheden leverde. Zijn familieleven schijnt door dit militaire en monarchale streven weinig te zijn aangedaan. Hij had veel kinderen; de zoons trokken in den oorlog, de dochters werden door de moeder opgevoed. Maria van Koerland, de landgravin, schijnt eene eenvoudige, vrome vrouw geweest te zijn, die stille huiselijkheid en kalme plichtsbetrachting zich en de haren tot hoogsten eisch stelde. Maria Louise vertelde later, dat zij nooit wijn had geproefd, voordat zij in de Nederlanden kwam. Zij werd door die moeder met nauwgezetten ernst en piëteit opgevoed. Als jong meisje zag zij zoo zeer tegen een huwelijk op, uit vrees dat het haar gemoedsleven schokken en schaden zou, dat zij wenschte ongehuwd te blijven.
Jonge prinsessen kunnen zelden aan zoodanige neigingen toegeven. Vooral wanneer het gezin zoo groot is als dat haars vaders. Maria Louise was één van de veertien. Hare broeders traden in dienst van vreemde mogendheden; haar zuster huwde. En ook voor haar kwam de dag, dat zij zich schikken moest in haar lot en, naar het oud-testamentisch gebod, een man volgen.
182
MARIJKE S-MEÃ.
Wij gelooven niet, dat het haar een langen strijd of groote zelfverlooching heeft gekost. Want Johan Willem Friso, de jonge Stadhouder van Friesland, was een innemende verschijning. De schitterende oogen, de levendigheid van zijn woord, de vurige onstuimigheid van zijn moed, de geestdriftvolle opgewektheid, die uit taal en optreden sprak, verhoogden den indruk der schoone, ridderlijke figuur, die door de lange, prachtige lokken, over de schouders van het zware harnas golvende, de oogen van mannen zoowel als van vrouwen tot zich trok. Het innemend, vriendelijk woord, dat steeds op zijn lippen was, steeg in waarde door den roem, die hem van het slagveld volgde. De bescheiden Maria Louise was ras gewonnen en gaf zich over aan den man, dien staatkundige berekening aan hare ouders welkom deed zijn, met den eenvoud der onschuld, die, zich haar zwakheid bewust, wegschuilt onder de krachtige armen van eenen, dien zij liefhebben, maar tevens als haar meerdere vereeren kan.
I
Johan Willem Friso, prins van Nassau-Dietz, nam onder de Duitsche vorsten slechts een zeer bescheiden plaats in. Maar hij was, als zijne vaderen, stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, en daarbij erfgenaam van den machtigen Engelschen Koning Willem III. Deze erfenis werd hem betwist door zijn oom, den koning van Pruisen, die hem van een aanzienlijk deel der goederen en inkomsten dreigde te berooven. Maar dit verlies kon hem de zedelijke aanspraken niet ontnemen, die hij op een ander deel van Willem's erfenis deed gelden. De Engelsche koning was stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Over-ijsel geweest. Vóór zijn dood had hij gewenscht, dat de jonge Friso als zijn opvolger werd aangenomen. De Holland-sche regenten-aristocratie had het geweigerd. Maar het volk
183
MARIJKEN-MEU.
en het leger begeerden het. De oude aanhang der Oranje's, die in dezen dapperen en schitterenden jongen vorst zulk een uitnemend middelpunt van vereeniging vond, zag met vertrouwen de toekomst te gemoet. Johan quot;Willem Friso mocht zonder overdrijving zijne jonge bruid een toekomst voorspiegelen, waarin zij als de gade van den Stadhouder der Vereenigde Nederlanden een rang zou innemen, niet geringer, wat politieke beteekenis betrof, dan die van hare zuster, de hertogin van Mecklenburg-Schwerin. Al zou zij geen souve-reine zijn, haar eerzucht als vrouw zou bevredigd worden door de hooge plaats, die aan het militaire en politieke hoofd der Republiek in de kabinetten van Europa werd toegekend.
Toch had Johan Willem Friso zijn jonge vrouw veel te vergoeden. Zij verliet Kassei, dat met ieder jaar door de zorg der regeering werd verfraaid en door de opname van Fransche refugiés, die nevens de oude een nieuwe stad deden verrijzen, in levendigheid en omvang het stille en kleine Leeuwarden verre overtrof. Zij verliet een ouderlijke woning, voor een zoo gemoedelijk hart als het hare dubbel gewijd, en eene moeder, aan wie zij alles, het hoogste wat zij liefhad, dankte. Aan de hand van den man, die haar wegvoerde uit haar eigen land en haar ouderlijk huis, trad zij een vreemd land en een vreemde woning binnen.
Nog leefde in Leeuwarden de moeder van Johan Willem Friso met hare zes dochteren. Wij weten niet, hoe de verhouding der jonge vrouw tot deze was; in elk geval kan de intieme omgang niet van langen duur zijn geweest, daar Friso's moeder eerlang Friesland en de Republiek verliet, om naar haar geboorteland Dessau weder te keeren.
Met des te inniger liefde sloot Maria Louise zich aan den echtgenoot aan, die, slechts weinige maanden ouder, in levendigheid en opgewektheid haar verre overtrof. Met benauwende teerheid klemde zij zich aan den man, op wiens bijzijn zij
184
MARIJKEN-MEU.
wist, niet geregeld te mogen rekenen. Om den krijg had Friso zijn huwelijk maanden lang uitgesteld, en zelfs in Mei 1709, toen het gesloten was, zijne echtgenoote ijlings verlaten. Toen zij den 211⢠Januari 1710 aan zijn zijde haar intrede te Leeuwarden deed, wist zij, dat geen rustig en gezellig huiselijk leven haar wachtte, vóórdat de vrede zou gesloten zijn.
Friso kon het schetteren der knjgsklaroenen niet hooren, zonder tot volgen zich op te maken. Drie maanden bracht hij met haar door: toen ijlde hij naar het oorlogsterrein, om er tot laat in het jaar te vertoeven. In zijn afwezigheid schonk Maria Louise hem eene dochter, die niet dan weken later de eerste kussen van haar krijgslustigen vader ontving. Opnieuw bracht hij de wintermaanden met haar door, en opnieuw deed April hem zijn rustig huis tegen de onrust van het kamp verwisselen. Vergoeding, doch een schamele, schonken haar zijne brieven, al deelde hij in alles, wat haar belang inboezemde, en al hielden ook in zijn legertent hare wenschen hem bezig. Geen schriftelijk medeleven kon voor het gemis van zijn tegenwoordigheid in de plaats treden, en wel het minst in dagen, als zorgen van anderen aard, dan die van den dag, haar verontrustten. Uit Kassei waren ongunstige berichten tot haar gekomen. Haar moeder was sukkelende, en haar toestand wekte bezorgdheid. Zij zou genezing in een badplaats zoeken. De landgravin van Hessen vertrok naar Schlangenbad, maar bereikte het niet. Onderweg werd zij door een beroerte getroffen, die haar wegnam. âIk hoopquot; â schreef Friso aan Maria Louise â âdat het treurig bericht u geen kwaad gedaan heeft, in de positie waarin gij zijt. Ik bid u, geef niet toe aan uw droefheid, en denk er aan, dat er geen geneesmiddel tegen den dood is. Wij moeten ons in alles onderwerpen aan den wil van den Heer. Daar gij een goede christin zijt, hoop en verwacht ik, dat gij kracht genoeg zult hebben om u zelve te over-
185
MARIJKE If-MEÃ.
winnen. Ik smeek er u om, mijn lieve vrouw, om mijnentwil en ter wille van ons kind.quot;
Hot was den 29en Juni 1711, dat Johan Willem Friso deze woorden tot zijn vrouw richtte. Weinig kon de gezonde en levenslustige man vermoeden, binnen hoe korten tijd zij de berusting, waartoe hij haar vermaande, in nog hooger mate zou behoeven, als hij zelf haar ontzonken was.
Het testament van Willem III had hem tot erfgenaam aangesteld. Reeds herhaaldelijk waren pogingen aangewend om de verschillen met den Pruisischen koning te regelen. In den zomer van dit jaar 1711 kwam koning Frederik zelf naar den Haag, en de Algemeene Staten drongen er bij Friso op aan, dat hij uit het leger zou overkomen, om de zaak tot een einde te brengen. Hij had er niet veel lust in, omdat hij er niets van verwachtte. âIk weet nog niet, of ik naar den Haag zal gaanquot;, schreef hij den 18⢠Juni, âmaar als ik ga, zal ik mijn best doen, om u in Friesland te komen omhelzen.quot; Maria Louise zag smachtende naar de vervulling der belofte uit, die nog een en andermaal herhaald werd. Toen tot do reis besloten was, sprak hij er van, dat zij elkander te Amsterdam zouden ontmoeten. âIk bid uquot;, verzocht hij haar den 9cn Juli, âik bid u, niet ongeduldig te worden en rustig te Leeuwarden te blijven, tot ik u uit den Haag schrijven zal.quot;
Het was de laatste brief, dien zij van hem ontving. Twee dagen later verliet hij met een klein gevolg het leger. Den 14en Juli was hij aan de Moerdijk. Het was ruw en stormachtig weder. De regen viel kletterend neder en de wind huilde over de golven. Met de pont zouden Friso en de zijnen oversteken. Hij bleef in het rijtuig zitten, tot dicht aan de overzyde. Toen werd de schuit teruggeslagen, en scheen het veiliger achter de koets plaats te nemen. Friso stelde zich ter zijde en hield zich aan het portier vast. Maar een zware golfslag deed de schuit kantelen en wierp hem met
186
MARIJKEN-JIEU.
eenige anderen in de golven. Een tijdlang hielden zij zich vast aan toegeworpen touwen. Maar het water liet zijn prooi niet los: Friso werd afgerukt en verdween in de diepte.
Weinige dagen later ontving Maria Louise het verpletterend bericht. Een meisje van nauwelijks acht maanden, dat zich aan haar vastklemde, en een kind, dat zij onder het harte droeg, hielden haar staande.
âDe Heer doe, wat recht is in zijn oogen,quot; stamelden mond en hart.
II
Weinig langer dan anderhalf jaar was Maria Louise in het vreemde land, toen de geboorte van haar zoon haar voorgoed aan de Republiek ketende. Zij, een drie-en-twintigjarige, werd geroepen, den toekomstigen Stadhouder van Friesland op te voeden en voor belangen en rechten te waken, die dit kind had geërfd, nog voordat hij het levenslicht aanschouwde. Wat had die jonge vrouw, die Hessische prinses, in de luttele maanden van haar samenzijn met Friso van deze dingen vernomen ? Wat had zij, meer gewoon over haar godsdienstige belangen dan over wereldsche te peinzen, ervan begrepen? Wat ervan onthouden?
Het zal niet veel geweest zijn. Doch men mag verder gaan dan een bloote gissing. Wanneer wij zien, dat de jonge Willem IV reeds op zeer jeugdigen leeftijd zijne belangen zelf ter hand neemt en behartigt, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de eerste raadslieden die hem ter zijde staan, ook vroeger zijne moeder hebben voorgelicht. Als eenmaal de afstammelingen der Friesche edelen, die het hof van Friso en Maria Louise hebben vervuld, hunne familiearchieven voor het onderzoek der wetenschap zullen openen, zal er licht in deze duisternis opgaan.
De afstammelingen der Burmania's zullen stellig hun voor-* vader geen oneer aandoen, door zijn rol in deze jaren bloot
187
MARIJKEN-MEU.
te leggen. Toch hebben die raadslieden niet alles gedaan, en heeft ook Maria Louise door hare uitgebreide relatiën de maatregelen gesteund, wier doelmatigheid zij zeker niet be-oordeelen, maar wier strekking zij waardeeren kon. De invloedrijke betrekkingen, zoowel van haar zelve als van de Oranje's, de koningen van Pruisen, Engeland en Zweden en de landgraaf van Hessen-Kassei hebben, ieder naar de mate van zijn invloed, in Holland en Zeeland de Oranjepartij gesteund en de regenten-aristocratie weerhouden van stappen, die strijdig met het belang van haar zoon werden geacht. Zelfs scheen het in de eerste tien jaar na den dood van Friso, dat de voorstanders van het stadhouderschap zouden slagen in het bereiken van hun doel. Maar na 1721 werd die partij in Holland onderdrukt en zegevierde de regentenoligarchie. Slechts een schamele vergoeding mocht het heeten, toen haar zoon in 1722 in Gelderland tot de stadhouderlijke waardigheid werd verheven. De voorwaarden, die werden opgelegd, waren even zoo vele belemmeringen voor het uitoefenen van invloed. Zijn naam en zijn titel moest den Gelderschen regenten tot een schild zijn.
Voor Maria Louise waren deze belangen ondergeschikt. De eenvoudige vrouw, die nooit roemde op hare hooge verwanten, maar wier oog gloeide, als zij hoorde gewagen van de diensten barer \aderen in de dagen der Hervorming, schonk haar zoon het hoogste, wat zij zelve had ontvangen, een godsdienstige opvoeding. Dit kind, naar het vriendelijk gelaat te oordeelen, het evenbeeld zijns vaders, moest haar vergoeden, wat zij verloren had. Zij klemde zich aan hem vast met dezelfde benauwende teederheid, die haar liefde tot Friso had gekenmerkt. Zij voedde hem op, gelijk zij hem liefhad. Godsdienstig onderwijs, waarbij later het latijn en nog later nieuwe talen werden gevoegd, waren het geestelijk voedsel, dat hij ontving. Men klaagde, dat de jonge Willem niet de opvoeding genoot, die aan een toekomstigen Vorst
188
JIARIJKEN-MEU.
toekwam; dat vrouwen hem te lang omgaven, en dat het onderwijs te zeer een theologische kleur droeg. De moeder schonk hem, wat haar hart het hoogste voor hem achtte. Toen Willem IV in later jaren zijn geloofsbelijdenis te Utrecht aflegde, scheen het meer de belijdenis van een aanstaanden theologant, een dienaar der kerk, dan van een gewoon lidmaat der gemeente. Doch deze klachten, ook indien zij juist zijn, hebben door later onderricht en door eigen studie, gamp;tr naar het schijnt, hun beteekenis verloren. Het is niet onmogelijk, dat de herinnering aan Friso's militairen geest invloed op de moeder heeft gehad. Iedere liefde, ook de reinste, heeft een trek van zelfzucht in zich. Maria Louise wenschte den zoon voor zich te behouden, die, vrucht van haar kortstondig geluk, haar het beeld van den verlorene vertoonde en dien het ongeluk, dat hem als kind trof, haar nog dierbaarder deed zijn Op vijfjarigen leeftijd deed hij een val, die voor zijn leven deed vreezen, maar slechts zijn gestalte verwrong. Daar geneeskundige hulp te kort schoot, groeide de ruggegraat uit. Een hooge rug, zoo niet een bult, schuilde kwalijk weg onder de golvingen der zware pruik, die hem als man dekte. De figuur was leelijk, maar het gelaat, schoon minder regelmatig en schoon dan dat des vaders, vriendelijk en innemend. De onstuimigheid, die Friso had gekenmerkt, openbaarde zich in den zoon, opgevoed onder vrouwen aan het stille hof te Leeuwarden (slechts afgewisseld door uitstapjes naar Dieren of Soestdijk) in heftige buien van drift, die even spoedig week als zij plotseling uitbrak. Matiging en gematigdheid was de les, die Maria Louise den jongen Willem steeds inprentte, en die ook door zijn zwakke gezondheid, welke zelfbeheersching hem tot plicht maakte, werd voorgeschreven.
! In 1726 hield de dagelijksche moederzorg op. De jonge Willem vertrok naar Franeker, om door een akademische opleiding zijn opvoeding te voltooien. Hij was nu op dien
189
MARIJKEJf-MEU.
leeftijd, waarop het menschelijk kuiken uit den dop komt, de wereld om zich heen begint aan te gluren, en, verward door zoo veel fraais en nieuws, meent, dat het alleen voor zijn genoegen bestaat, en in den regel aanvangt hard te kraaien, om zijn goed- of afkeuring te betoonen. Dat de jonge Willem aan den regel is ontsnapt, laat zich kwalijk beweren. Er is in de eerste brieven aan zijne moeder hier en daar een toon, die aan hooger leeftijd dan de zijne was, zou doen denken.
Doch dit zij zoo 't wil â zeker is het, dat het verblijf te Franeker hem goed heeft gedaan, en dat daar voornamelyk de leemten in zijn opleiding schijnen aangevuld. Aan juridische studiën, waarvan het Duitsche rijksrecht voor hem, den Duitschen rijksvorst, vooral van waarde was, paarde zich het onderricht in mathematische wetenschappen, met toepassing op de krijgskunde en de vestingbouwkunst. Natuurwetenschappen, in die dagen artikelen van mode en van smaak, werden èn hier èn later te Utrecht, waarheen hij in 1729 vertrok, beoefend. En niet zonder vrucht; want Willem IV, waar en wanneer hij ze ook verworven hebbe, heeft van zijn eerste optreden in het publiek af, gelijk steeds, den indruk gemaakt, dat noch kennis, noch veelzijdige belangstelling op velerlei gebied van menschelijke wetenschap hem ontbrak. De grootmeester van den goeden toon en de wellevendheid in de eerste helft der 18e eeuw, lord Chesterfield, heeft een getuigenis van hem afgelegd, dat voor moeder en zoon beiden een lofspraak is. Hij leerde hem in 1729 in den Haag kennen en schreef toen naar Londen: âHij heeft blijkbaar een goede opvoeding genoten en een vrijheid en gemakkelijkheid in den omgang, die men niet krijgt dan door veel in de wereld te verkeeren. Hij heeft een goed, knap gezicht, maar zijn gestalte is niet zoo gunstig als men zou wenschen, ofschoon niet zoo leelijk als ik gehoord had. Hij heeft niet de minste stijve statigheid, maar is vriendelijk en
190
MARIJKEN-MEü.
innemend, zooals het iemand past, die zich in een gouvernement als dit wil verheffen.quot; Lord Hervey, de kamerheer der Engelsche koningin, die hem een paar jaar later te Londen sprak, en zijne redenen had om weinig met hem ingenomen te zijn, moest toch erkennen: âhij schijnt zelf zijn figuur geheel te vergeten, en hij heeft het talent, om ze 09k anderen te doen vergeten.quot;
Maria Louise heeft de voldoening niet gehad, deze goede getuigenissen te kennen. Ook al had zij geen andere vernomen, haar hart legde ze van den eenigen zoon af. Zelfvertrouwen, dagelijks voorkomende bij hen, die de voorwerpen van overteedere liefde en van overspannen verwachting zijn; niet onnatuurlijk in den erfgenaam van hooge titels en nog hooger aanspraken; een gewoon verschijnsel bij hen, die weten dat zij, om physieke redenen, meer dan anderen de oogen tot zich trekken, vindt ten allen tijde verschooning in de liefde van een moederhart. Willem herinnerde haar, niet het minst door zijn gebreken, aan den verloren echtgenoot, en hij vergoedde ze door zijn onberispelijk levensgedrag en den hartelijken toon, dien hij in den regel tegenover haar voerde. Wel meende zij soms warmer en gevoeliger uitdrukking van hem te mogen vragen en over koelheid te mogen klagen; maar de zelfstandigheid en beslistheid, die hem eigen waren, deden de goede moeder, in haar gedachten gewoon de mindere van allen te zijn, met niet minder trots en vereering tot hem opzien, naarmate zij hem meer miste. Hij vervulde haar hart en gedachten nog meer, sinds haar eigen leven en woning armer en lediger waren. Slechts een jaar was er na Willem's vertrek naar Franeker verloopen, of zij was alleen op het Prinsenhof. Hare dochter, Anna Charlotte Amalia, van wier jeugd of karakter wij eenvoudig niets weten, verloofde zich met den erfprins van Baden-Durlach. In Mei 1727 volgde zij hem naar zjjn erfland. Maria Louise, van kinderen beroofd, bleef alleen achter. Die beide voorwerpen van haar
191
MARIJKEN-MEü.
zorg en liefde kon zij alechts volgen in den geest; in de stilte van haar leven haar gedachten alleen laten weiden van het kasteel van Durlach naar de verblijfplaats van Willem. Dat was het eenige, wat de nauw veertigjarige restte.
III
In 1729 aanvaardde Willem het stadhouderschap over Groningen en Drente, twee jaar later ook dat over Friesland. Het laatste had Maria Louise gedurende de minderjarigheid waargenomen. Zij legde haar taak neder, gelukkig, dat haar zoon ze mocht opnemen.
Met het ophouden van haar officieele werkzaamheid ging een geheele wijziging in haar levenswijze gepaard. Zij bewoonde tot nu toe het stadhouderlijk Hof, waar sedert 1587 de graven van Nassau hadden gehuisd en voor meer dan twintig jaar Friso haar had binnengeleid. In de laatste jaren had zij een buitenverblijf aangelegd, Mariënburg geheeten. Het bestond uit twee hoofdgebouwen en was groot en ruim genoeg om voor een enkelen dag of enkele dagen in den zomer haar tot woning te dienen; maar niet van dien aard dat zij er blijvend haar intrek kon nemen, als zij het Hof zou verlaten. In 1728 had zij daarom in de Groote Kerkstraat een aanzienlijk huis aangekocht, destijds bekend onder den naam van het Liauckama-huis.
Voor een Gouvernante in ruste was de woning rijk te noemen. Toch kon zij met het verlaten stadhouderlijk Hof niet vergeleken worden. De aanzienlijke vermindering van inkomsten, die zij door de meerderjarigheid van Willem leed, eischte deze beperking. Tijdens zijne minderjarigheid had zij over f 150,000 jaarlijks mogen beschikken: thans moest zij zich verminderen, om met f 50,000 toe te komen. Nog was de som, schoon niet te hoog, voldoende om in overeenstemming met haar stand te leven, vooral voor eene vrouw, die per-
192
MAEIJKEN-MEU.
soonlijk weinig behoeften had en zich in een kleinen kring van vrienden bewoog, welke zij aan haar disch vereenigde, gelijk ook zij zich aan den hunnen nederzette. Zwak van lichaam, met een zeer zenuwachtig gestel, altijd sukkelende aan allerlei kleine kwalen, bezorgd voor haar gezondheid, gelijk menschen die weinig werkzaamheid of afleiding hebben, gewoonlijk zjjn, had Maria Louise behoefte aan vriendschap en liefde. Deelneming van anderen was haar een behoefte, naarmate de kring om haar heen enger werd en zij minder aan hare kinderen had. In 1734 trof haar een zware slasr,
O 7
de zwaarste na den dood van Friso. Haar dochter in Dur-' lach verloor haar echtgenoot, den erfprins van Baden-Durlach.'i In Juni daarop schonk zij het leven aan een tweeden zoon, maar ten koste van haar eigen gezondheid. Haar gestel kon den dubbelen schok niet verduren. Anna van Baden-Durlach werd krankzinnig en is nooit hersteld, schoon zij haar rampzalig leven tot 1776 heeft voortgesleept. Men kan zich voorstellen, hoe zeer deze slag de arme moeder trof: dit kind was voor haar geheel verloren. Vaster dan ooit hechtte zij zich aan het eenig kind, dat haar overbleef, haar eenigen troost. Overstroomend, tot benauwens toe, zijn de betuigingen van liefde, waarmede zij Willem overlaadde. En gevoeliger, zoo het mogelijk ware, dan ooit te voren, is zij voor den geringsten schijn van veronachtzaming van zijne zijde. Bijkans van den eersten dag der briefwisseling af moet Willem zich verontschuldigen, dat hij er niet aan denkt om haar te ver-waarloozen. In den aanvang is zijn toon wel eens wat geprikkeld, maar langzamerhand buigt hij voor de vurigheid van haar moederlijke liefde, die, al is zij wat veelei schend en wat teer van uitdrukking, in don grond der zaak even toegefelijk en zelfverloochenend is als elke moedertrouw. Hij geeft zich rekenschap van de verlatenheid van een leven, waarin hij alleen vervulling kan brengen.
De stadhouder Willem IY, gelijk de meesten zijner voor-
13
193
T
194 MARIJKEN-MEU.
gangers, is weinig anders dan in zijne officieele waardigheid bekend. De rol, die hij als zoodanig heeft gespeeld, is niet schitterend genoeg geweest om zijn naam met roem bij het naaeslacht te doen voortleven. Des te verrassender is de
O
gunstige indruk, dien zijne briefwisseling met Maria Louise maakt. Hij is in den vollen zin des woords een man geweest. In de moeilijke verhouding tegenover zijn moeder, die aan den eenen kant hem hoog, te hoog vereerde, ja tegen hem opzag en van den anderen kant hem bezwaarde met al de eischen van een zenuwachtige teederheid, heeft hij met omzichtig beleid en liefderijke verschooning zich gedragen. In hem leeft de vaderlijke eerzucht, om zich en zijn geslacht te verheffen en zich te onderscheiden; maar ook een diep plichtbesef, dat hem tot onvermoeide werkzaamheid prikkelt. Beide, j eerzucht en plichtbesef, sterken hem tegen den moederlijken drang, dat hij zich van alle gevaren verwijderd houde. Hij laat zich door haar onrust en tranen niet weerhouden om deel te nemen aan de veldtochten aan den Rijn; maar poogt haar gerust te stellen met vriendelijke woorden en door geregelde briefwisseling. Ook in het keizerlijk legerkamp schrijft hij haar met iedere post, of laat haar door anderen berichten zenden. Steeds houdt hij haar met korte woorden op de hoogte van zijne belangen, roept haar invloed in met vriendelijken drang, die voor haar als een bevel geldt, en doet wat hij kan, om haar genoegen te doen. âAl het mijne is het uwe, beschik er over, zoo gij wilt,quot; is het gewone antwoord, als zij zijn jacht, zijn hof of zijn meubelen te leen vraagt. Als hij in Dieren of Soestdijk is, vraagt hij haar te gast, en dankt haar na het vertrek voor de groote gunst, hem bewezen. Als hij in den Haag of te Brussel vertoeft, belast hij zich met haar commissiën: hij koopt linten en kragen voor haar, of laat vrouwelijke bekenden kanten, waarop zij verliefd is, voor haar koopen, terwijl hij zelf den koop van waaiers op zich neemt, omdat hij daar even goed verstand
_
MARIJKEN-JIEÃ
van heeft als de dames. Hij antwoordt niet op elke uitstorting van haar teederheid, die steeds terugkomt en dientengevolge ophoudt den begeerden indruk te maken. Een enkele maal, als haar klachten over koelheid hom hinderen, doet hij een beroep op haar gevoel van billijkheid en handhaaft met kalme waardigheid de plaats, die hij inneemt.
Zoolang hij alleen was en ongehuwd, was deze niet lichte taak betrekkelijk gemakkelijk: de moeder was in vele opzichten zijn eenige vertrouwde, en zij wist, dat niemand hem nader aan het hart lag. Maar toen hij een ander leven aan het zijne verbond, werd do last zwaarder. Het kwam niet in haar op, dat zij niet meer de hoogste rechten op hem had: bleef hij dan niet haar eenig kind, haar eenige troost, al voerde hij een vrouw naar zjjn huwelijksbed?
Het is voor alle menschenkinderen goed, dat zij niet alles weten, wat anderen van hen en de hunnen zeggen. Maria Louise zou bitter geleden hebben, indien zij de gesprekken gehoord had, die in het koninklijk paleis van St. James over haar zoon werden gehouden. De meest schrikwekkende voorstellingen kreeg Anna van Hannover van haar toekomstigenl echtgenoot Willem IV. âHet is een monster! het is een' aap!quot; verklaarde de liefdevolle George II aan zijne dochter. Maar Anna van Hannover liet er zich niet door afschrikken en huwde den aap.
Trouwens, zij ontdekte spoedig, dat hij meer gold dan het uiterlijk scheen te verkondigen. Hij mocht een hoogen rug of kleinen bult hebben, wie hem ontmoette vergat het spoedig. Willem had moeders goedaardigheid, zonder haar smeltende teederheid; hij sprak levendig, gemakkelijk en opgewekt. Daarbij had hij een eigenschap, waarvoor jonge vrouwen gewoonlijk veel eerbied hebben. âCaustiquequot; noemde hem Frederik de Groote, een kenner in dit opzicht. Hij had een open oog voor het komische in de Vanity fair dezer wereld.
105
MARIJKEN-MEU.
en geest en opgewektheid in overvloed om er zich zeiven en anderen mede te vermaken. Hij kon bijtend spottend zijn, als het hem behaagde. Daar is niets, dat jonge vrouwen, die niet geleerd hebben de bitsheid en overmoed van hun physiek te beheerschen, sneller voor een man doet bukken, dan het gevoel van hun minderheid in geestigheid, die in spotten over anderen bestaat. quot;Willem's zelfbewustzijn was daarbij te hoog, dan dat hij zich niet haar meerdere zou gevoeld hebben. Anna gaf zich volkomen en voor altijd aan hem over.
, Maar al bukte zij voor den zoon, zij deed het niet voor ~ de moeder. Zij was koninklijke prinses van Engeland en gevoelde het. Bij het huwelijk was uitdrukkelijk bepaald, dat zij de hooger hand op haar schoonmoeder zou hebben, die slechts de dochter van een landgraaf was. Ook al golden niet tal van antecedenten, die zelfs den schijn van vernedering er aan ontnamen, de nederige Maria Louise zou er geen bezwaar tegen hebben gehad. Zij won er echter geen kind, ^ geen dochter mede. De karakters dezer vrouwen verschilden; haar smaak liep uiteen, verder nog haar leeftijd. De hooge en luimige Anna, die heel lief kon zjjn, als zij het goedvond en voor hen, die zij liefhad, werd niet aangetrokken door de eenvoudige vrouw, wier liefde zoo breedsprakig was, zoo zenuwachtig teeder en veeleischend. Aan het weelderige en speelsche hof te Londen, waar de ouders met de kinderen en de kinderen met de ouders steeds kibbelden, zoo zij niet openlijk in vijandschap leefden, was het orgaan in haar niet ontwikkeld, om het stille, gemoedelijke huiselijke leven van de schoonmoeder, die niet van kwaadspreken hield, te genieten. Maria Louise sprak het liefst over godsdienst en theologie, bezocht trouw de openbare godsdienstoefeningenr woonde de kerkelijke redevoeringen bij de opening der provinciale synode, ja zelfs de openbare catechisatiën bij. Anna dankte voor dergelijke uitspanningen en kon de goed gemeende, maar verkeerd aangebrachte teerhartigheden van Maria Louise
196
MARIJKEN-MEU.
niet verdragen, die in de naïveteit van haar gemoed dacht, dat zij te koel voor de' vrouw van haar zoon was en daarom haar teederheid verdubbelde, z;onder te begrijpen dat zij niets deed dan Anna steeds meer van zich verwjjderen. De schoondochter stond niet hoog genoeg, was niet rijk genoeg ontwikkeld van hoofd en van hart, om ook in hinderlijke vormen de trouw van een moederhart te voelen kloppen. En zij, die haar zoon, haar eenigen troost vertrouwelijk, ja gelukkig zag met eene, die haar met koelheid en bitsheid afstiet, kon het gevoel niet onderdrukken, dat deze liefde, aan een andere geschonken, inbreuk, zoo niet diefstal was op hetgeen haar van Godswege toekwam.
Het heeft zeker veel beleid van de zjjde van Willem gekost, om botsing tusschen deze vrouwen, die beiden hem lief en dierbaar waren, te voorkomen. Dat het hem altijd gelukte, is niet waarschijnlijk. Anna moest nog geduld en onderwerping van het leven leeren. âIk houd niet van complimenten,quot; beet zij eens Maria Louise toe. Willem vertoefde veel buiten Leeuwarden, en dan kon hij de verhouding gemakkelijker draaglijk maken. Maria Louise schreef een enkele maal aan Anna, maar kreeg zelden en dan nog een kort antwoord. Hare brieven waren niet welkom, dat wist zij wel. âIk heb de vrijheid genomen, aan de prinses te schrijven. Ik verzoek u haar mijn brief te geven, zoo gij meent, dat het haar schikt. Wil hem anders in het vuur werpen,quot; zoo luidt het een en andermaal. Willem, van zijn zijde, doet wat hij kan. Menige kleine trek komt in zijne brieven voor, die bewijst, hoe hij de goede verhouding tracht te bewaren. Nu eens komt Anna de kamer binnen juist als hij aan zijn moeder schrijft; zij verzoekt hem dan, haar hartelijke groeten over te brengen. Dan eens is het een los. onbeteekenend woord of een vraag van Anna over Maria Louise, die de zoon, in betere lezing, haar tot verkwikking aanbiedt. De oude prinses doet van haar kant veel, om de
197
MARIJKEN-MEU.
intimiteit te versterken: zij meent oprecht dat er misverstand is. âAnna meent, dat zij niet van haar houdt; juist het tegendeel is waar.quot; Zij zendt haar geschenken, kleine attenties. Zij beroept zich tegen Willem op het oordeel van Anna, dat voor hem wel overwegend zal zijn. Zij roemt zijn huiselijk geluk en toont zich gelukkig, dat anderen Anna zoo lief vinden. Zij doet alles, wat zij meent dat baten zal, natuurlijk zonder te slagen.
Op de verhouding van quot;Willem tot zijne moeder oefende deze verwijdering der vrouwen geen invloed uit. Integendeel, het is alsof hij met meer zorgvuldigheid waakt tegen alles, wat haar onaangenaam kan zijn. Hij schrijft haar geregeld eiken Zaterdag. Sagenoeg iedere brief vangt aan met zijn wenschen voor haar gezondheid, die altijd wankelende is. Hij montert haar op, spreekt haar moed in; zij is nog niet oud genoeg, om de kwalen van den ouden dag te ondervinden. Lichaamsbeweging heeft zij dringend noodig; fiissche lucht zal haar goed doen. Maar Maria Louise, die altijd wordt ader gelaten, wordt steeds bloedeloozer en overgevoeliger. Zij schrijft en spreekt steeds alsof haar einde naderende is, en bereidt zich voor tot den dood. Zelden verlaat Willem haar bij 't einde van den winter, of zij neemt afscheid, als ware het voor het leven. âNu zal zij hem wel niet meer terug-zien/' Om haar te logenstraffen, komt hij dan den volgenden morgen vroegtijdig aan haar bed, opdat zij hem voor zijn vertrek nog eens zie. Willem heeft geduld met de eigenaardigheden der goede moeder en behandelt haar met eerbied. Haar klachten verdraagt hij, omdat hij er aan gewoon is en hij den grond kent, waaruit zij opwellen. Over anderen is zijn toon dikwerf vrij sarcastisch, maar geen onvoegzaam woord ontvalt hem tegenover haar. âIk weet, dat de wereld haar strikken spant, om mij uw vriendschap te rooven,quot; jammert Maria Louise, âmaar ik hoop, dat uw goed hart onbewogen zal blijven en niet bezwijken. Ik hoop dat
198
JIARIJKEN-MEÃ.
de band, die ons bindt, niet verbroken zal worden dan met den dood.quot; Hij leest klacht en wensch, gelijk hij ze aanhoort, zonder zich tot onvriendelijk antwoorden te laten verleiden. Evenmin een andere maal, als zij op het bericht van zijn aanstaande komst schrijft: âdit zal mij geheel herstellen, vooral als ik dan mag ervaren, dat gij nog liefde hebt voor een moeder, die u vereert.quot; Hij draagt en verdraagt do onbillijkheid dezer liefde, omdat het die eener moeder is. Kan hij een enkele maal hare wenschen niet vervullen, dan betuigt hij in warme bewoordingen hoe zeer het hem leed doet; de teedere eerbied, dien hij haar toedraagt, en het onberispelijk gedrag, dat hij altijd tegen haar heeft in acht genomen, zullen er haar van overtuigen. Een enkele maal veroorlooft hij zich, haar tot kalmte te vermanen. De ongelukkige, krankzinnige Anna te Durlach wordt door de kinderpokken aangetast. Op het bericht barst Maria Louise, die op zooveel mijlen afstands van haar kinderen haar eenzaam leven slijt, in de hartstochtelijke bede uit: âO mjjn geliefde zoon! heb toch zooveel medelijden met uw ongelukkige moeder, dat gij haar deze nieuwe smart verzacht door uw liefde, als mijn eenig kind.quot; Met volkomen zelfbeheersching, zonder op de onbillijkheid der klacht te letton, wijst Willem de diep bedroefde op den hoogeren troost, dien het geloof aan een goddelijke Voorzienigheid geeft. âUwe Hoogheid bezit te veel vroomheid en berusting, om niet haar volle vertrouwen te stellen op den heiligen wil des Heeren, wiens wegen niet onze wegen zijn.quot; Maria Louise neemt niet altijd, maar toch gewoonlijk, zijn zachte vermaningen nederig aan, en roemt in haar omgeving op de liefde van haar zoon, wiens brieven zij zorgvuldig bewaart.
Ook indien Anna van Hannover van een anderen geest ware geweest en Maria Louise minder drukkend hare moederlijke teederheid had opgelegd, zoude de verhouding tusschen haar beiden wel niet intiem zijn geworden. Want er was eene,
199
MARIJKEN-MEU.
die ouder en natuurlijker rechten op het vertrouwen van Anna had, en deze, gelijk elke andere, deed gelden. De begaafde, beleidvolle gade van koning George II werd haar ' dochter in de Eepubliek niet vreemd; ook uit het paleis van St. James bleef zij de raadsvrouw der Prinses van Oranje. De meest intieme zaken werden tusschen moeder en dochter besproken en geregeld. Zij zorgde voor den accoucheur, als Anna bevallen moest; Maria Louise wenschte de eerste maal, dat het te Leeuwarden mocht geschieden, maar Willem meldde haar, dat koningin Caroline den Haag geschikter oordeelde. De Engelsche vorstin kon wel niet overkomen, om hare dochter bij te staan, maar de hulp van Maria Louise, schoon aangeboden, werd daarom niet aangenomen. Willem schoof het op het jaargetijde, dat de reis ongeraden deed zijn. Maria Louise had takt genoeg om te begrijpen, en waardigheid tevens om zich niet op te dringen. En toch zou zij de voldoening smaken, die zij wenschte. Tweemaal werd aller hoop teleurgesteld, maar toen het eerste kind, dat in het leven bleef, geboren werd, was het te Leeuwarden.
Welk een danktoon zal de gelukkige grootmoeder hebben aangeslagen! Wel was het een dochter, en geen zoon die het geslacht kon voortzetten. Doch Renascetur firmior: een sterkere zal in de plaats treden, had de Haagsche schutterij in 1736, na Anna's eerste bevalling, op den Meiboom voor het stadhouderlijk kwartier geschreven. Renascetur firmior, dachten in 1743, bij de geboorte van Caroline, ouders en grootmoeder. En de tijd zou komen dat hun hoop zou worden vervuld, en een jonge Willem de belofte van voortduur van den Oranjestam aan de oude, verwelkende takken brengen!
Het zou onder omstandigheden zijn, gunstiger dan zich thans lieten voorzien. Toen de stamhouder geboren werd, (, was Willem IV Erfstadhouder der Eepubliek.
âIk hoop, dat gij over al uwe vijanden zult zegevieren
200
MARIJKEN-MEü.
door de wapenen der christelijke deugdquot;, had Maria Louise eens aan haar zoon geschreven. Of deze geene andere heeft gebezigd, zullen wij onbesproken laten. Hij was in elk geval de man niet, om als een pretendent der 19e eeuw zijne aanspraken met geweld te doen gelden. Hij wachtte af, welke vrucht de ontwikkeling der gebeurtenissen en de invloed zijner vrienden voor hem afwerpen zouden. In April 1747 was zij rijp en viel zij hem in den schoot.
De fortuin had hem de laatste zeven jaren rijkelijk begunstigd. De Duitsche zijliniën der Nassau's waren uitgestorven, en bij zijn eigen bezitting van Dietz waren die van Hadamar, Siegen en Dillenburg gevoegd. De nieuwe bezittingen verhoogden zijn aanzien in het Duitsche rijk, en vermeerderden op niet onaanzienlijke wijze zijne inkomsten. Zelden is dit laatste onaangenaam, maar Willem IV inzonderheid had er groote behoefte aan. Hij leefde rijkelijk en deed het gaarne; hij was geen zuinig man, schoon het geld hem niet onverschillig liet. Een der enkele malen dat zijn toon jegens zijne moeder een weinig stroef is, is het naar aanleiding van haar verzoek, dat hij haar finantieel te hulp zal komen. Door de geringe opbrengst der landeryen is haar inkomen verminderd. Hij voldoet aan haar verzoek, maar aan alles is het te zien dat het hem moeite kost en hij het zeer onwillig doet. Moest zij minder gul zijn met haar geld voor armen en hulpbehoevenden? Was dat zijn geheime gedachte, die hij niet waagde uit te spreken? Wij weten het niet, maar wel, dat hij veel behoefde, veel uitgaf, op grooten en verkwistenden voet leefde, en bij zijn dood zijn vermogen zeer aangetast achterliet.
De aanwinst der Duitsche landen dwong hem, eenige jaren achtereen, tot een meer of minder lang verblijf te Dillenburg of te Dietz. Daar zag hij de jammeren van den Oostenrijkschen successieoorlog zich uitgieten over de naburige landen en ook over de zijne. Willem is warm Oostenrijkschgezind, en, ondanks zijn betrekking tot Frederik den Groote, zeer op hem
201
MARIJKEN-MEÃ
. gebeten. Vooral de inmenging der Pranschen verbittert hem: âhet Duitsche rijk wankelt aan den rand van een afgrond, en staat gereed, al zijn vrijheid te verliezen.quot; Maria Louiae, die in de Groote Kerkstraat te Leeuwarden door Willem's zorg de nouvelles van staat ontvangt en door hem trouw op de hoogte wordt gehouden, deelt zijn zienswijze geheel en volgt met angstigen blik den loop van den krijg. Ook haar sympathieën zijn voor Maria Theresia, niet het minst om de ellende, die de Fransche legers over Hessen, haar geboorteland, uitstorten. De onwaardige rol, die zijn schoonvader, de koning van Engeland, speelt, is een grief te meer voor - Willem tegen den man, met wien hij om finantieele aangelegenheden in onmin is geraakt. Als koning George in deze jaren over het grondgebied der Republiek naar Hannover reist, gebeurt hot, dat hij in een gewone herberg te Apeldoorn moet overnachten. Anna komt van het Loo haar vader bezoeken en Willem zendt hem zijn wacht om hem te eeren, maar hij zelf neemt niet de moeite, tot hem te gaan.
En toch werd deze oorlog, die hem zoo zeer ontstemde, do aanleiding tot zijn verheffing in de Republiek. Zelf nam hij aan de veldtochten geen deel, omdat hem een militaire rang was aangeboden, lager dan hem, den Kapitein-Generaal van Friesland, scheen toe te komen. Op zijn kasteel te Breda ontving hij de officieren, die hem kwamen bezoeken, en hoorde hij al de klachten aan, die zij over de ellendige leiding en de werkeloosheid des legers uitten. Aanhooren en aanzien was alles wat hij kon; van rechtstreeksch ingrijpen moest hij zich onthouden. Hij mocht zich driftig maken over hetgeen geschiedde en niet geschiedde, verder gaan vermocht hij niet. Hij kon hopen, dat de loop der gebeurtenissen de rijen zijner vrienden en aanhangers zou vermeerderen en verbroeden. Daaraan liet hij het over, om voor hem te werken, in het stil vertrouwen dat de macht der traditie en de ge-
202
MARIJKE N-MEU.
hechtheid des volks aan zijn geslacht den weg tot zijn herstelling zouden banen.
In April 1747 werd dat vertrouwen beloond. Toen do vijand voor de poorten stond en de Eepubliek haar ondergang naby scheen, eischte het volk zijn verheffing. Met eon Oranje kon Nederland niet ondergaan!
In den vroegen morgen van den 10cn Mei verliet het stadhouderlijk gezin Leeuwarden, waar het voortaan niet dan bij uitzondering zou komen. Maria Louise gaf zich volkomen rekenschap, wat ditmaal het afscheid beteekende. Zij gaf den geliefden zoon haar zegen als 't ware voor zijn volgend leven mede. âDe scheiding van heden morgenquot;, schreef zij hem aan den avond van dien dag, âdeed mij zoo gevoelig aan, dat ik door mijn tranen niet in staat was, u de gevoelens van mijn hart te uiten. Ik ben nog diep geschokt door uw vertrek, ofschoon de hoogo glorie uwer roeping voldoende is om mij te doen berusten. Ik bid den Heer, dat Hij mij de noodige kracht geve om lichaam en ziel staande te houden, maar mijn vurigste bede is, dat Hij Uwe Hoogheid nabij zij en Uw leven en gezondheid voor lange jaren spare; dat Hij U in Zijn hoede neme en U beware in elke onderneming en op elke plaats.quot;
Toen Willem dezen brief ontving, zag hij, dat zij hem Uice Hoogheid had betiteld. Dit opmerkende, schreef hij: âIk hoop, dat U mij met dezelfde goedheid en familiariteit als vroeger zult bejegenen.quot; Maria Louise antwoordde: âIk meende u te kort te doen, als ik uw titel niet veranderde. Maar daar gij het niet wilt, zal ik mij schikken naar uw wensch; het is zeker, dat familiariteit noodig is om zijne gevoelens naar waarheid uit te drukken.quot;
Er behoefde voor haar geen vrees te bestaan. Willem veranderde in den Haag niet; hij bleef dezelfde voor haar als vroeger. Zelfs zou men zeggen, dat zyn toon hartelijker, de
203
MARIJKEN-MEU.
inhoud zijner brieven rijker is. Is het, omdat zijn leven belangrijker is? Of is, met het klimmen der jaren, zijn waardeering der moederliefde ook gestegen? Wij weten het niet, maar wel, dat hij nog vertrouweljjker is, blijkbaar meer nog dan vroeger, en er op uit, haar prettige brieven te schrijven. Hoe druk hij het ook heeft, bijna altijd heeft hij tijd voor haar. De kleine Carolien, die veel over olde maman en haar tuin in Leeuwarden keuvelt en dikwijls bij hem zit, als hij aan zijn moeder schrijft, werkt mede om zijne brieven aantrekkelijker voor de zestigjarige te maken. Hij vertelt haar dingen, die Anna niet mag weten dat hij haar schrijft. Hij vraagt haar, slechts weinige weken na zijn vertrek, om naar den Haag te komen, houdt met vriendelijken drang er op aan, en wil van geen excuses weten. âWaarom zoudt u na zestig jaar niet meer reizen, en waarom zou dit uw eenig bezoek moeten zijn? Wij hopen u nog meermalen hier te zien.quot; Doch zij bedankt vriendelijk, omdat haar gezondheid te slecht is en zij te midden zijner drukten hem toch zoo weinig zien zal. Doch al deze bezwaren wijken, als den 8en Maart des volgenden jaars de jonge Willem wordt geboren. Dan biedt zij zich zelfs aan, om bij den doop te komen, maar blijkbaar is Anna in die eerste dagen niet op haar bezoek gesteld, en zij stelt het uit tot den zomer. Zij heeft het eenigszins verlegen schrijven van Willem, ditmaal zonder eenigen drang, zeer goed begrepen, en de tijd is voorbjj, dat zij hem zijn liefde verwijt. Het is alsof moeder en zoon voor hun laatste scheiding hun hart voor elkander hebben uitgestort; alsof de nevel is weggevaagd, die soms tusschen hen oprees! Zij twijfelt niet meer aan Willem, al heeft hij zijn vrouw lief. die haar niet beminnen kan. Zij is verzoend met het leven en zeker van de liefde van haar kind.
In den zomer komt zij in den Haag en geniet zij dankbaar van de hartelijkheid des zoons, die er op uit schijnt te zijn om haar openlijk te erkennen en haar te doen deelen in
204
MARIJKEN-MEÃ.
de eere, die de zijne is. Anna moge verlegen zijn met de oude, eenvoudige vrouw, die nooit heeft geschitterd aan een hof en wier manieren en denkbeelden vreemd zijn aan praal en vertooning, het hart der oude moeder gevoelt, dat in hem geen zweem van schaamte over haar eenvoud is. En dankbaar roemt zij hem als een kind, dat haar niet alleen met beleefdheid, maar met oprechte bewijzen van vriendschap en liefde overlaadt.
Daar komt in deze jaren in de weinige brieven van Maria Louise, die bewaard bleven, herhaaldelijk ééne vermaning voor: âSpaar uw krachten, doe niet te veel.quot; Ditmaal was het geen overdreven zorg, want Willem deed inderdaad te veel. Hij is de eerste van het drietal vorsten uit den Frieschen tak der Nassau's, die uitgemunt hebben in overdreven werkzaamheid. Alles wat tegen Willem V en van koning Willem I is aangevoerd, dat zij als commiezen van een ministerie zich met alle onderdeden bemoeiden; dat zij zelve zaken deden, die zij aan ondergeschikten moesten overlaten; dat zij een kostbaren tijd doorbrachten met verleenen van audiënties, dit alles geldt van Willem IV. Hij heeft deze eigenschappen zijn zoon en kleinzoon doen erven. Hun gezondheid is er niet door geschokt, al is hun levensrust er juist niet door bevorderd. Maar de zwakke gezondheid van Willem IV was tegen dezen onmatigen arbeid niet bestand. Hij is aanhoudend ongesteld; reeds in Januari 1748 schrijft hij aan zijn moeder: âIndien ik bezwijk, zal ik de voldoening hebben, naar mijn vermogen mij van mijn plicht gekweten te hebben.quot;
Het ingetreden jaar, evenmin als het volgende, schonk hem rust. Hij werkte onvermoeid en matte zich af. â Het is vandaag de 215® maal, dat ik bij het teekenen van dezen brief mijn naam zetquot;, schreef hij haar eens. âVan heden morgen acht uur af heb ik vergaderd, commissiën ontvangen, audiëntie gegeven; niet voor zoo even, tien uur, kon ik dineeren. En nu komt, om mij op te frisschen, de raad-
205
MA.RIJKEN-MEÃ.
pensionaris mij over finantiën spreken.quot; Zijn opgeruimdheid leed er niet onder. âIk ben verrukt, goede rapporten van het gedrag van Uwe Hoogheid te hooren (vergeef mij dezen gouveneursstjjl) want ik ben onderricht, dat zij goed voortgaat, lichaamsbeweging te nemen en eiken dag uit te gaan. Uwe Hoogheid zal nog meer lachen over dezen gouverneursstijl, als zij hoort, van wien ik deze rapporten heb. Het is baas Evert de Haas, die mij gezegd heeft: ma die rijdt alle dag uit en zij is magnifiq in orde. liet schijnt, dat hij hier rendez-vous gegeven heeft aan allerlei groote heeren; ten minste in den loop van deze week hebben wij hier drie of vier prinsessen gekregen en ik wacht er nog een. Al die vorstenkinderen zijn een beetje vervelend.quot;
In October 1750 bezocht Maria Louise den Stadhouder op het Loo Het was de laatste maal dat zij hem zag. Ofschoon niets den ongunstigen afloop deed voorzien, was hij voortdurend sukkelende. Zyn opgewektheid en zijn werklust schenen te stijgen met zijn lichaamszwakte. Maar noch hij, noch Anna gaven zich rekenschap van zijn toestand. Toen Bentinck haar in 't voorjaar van 1751 over de mogelijkheid van zijn dood sprak, wilde zij niet naar hem hooren en joeg hem weg. Willem zelf dacht er zoo weinig aan, dat hij, met het oog op de gezondheid zijner moeder, den eersten Januari haar schreef: âDit is de eerste brief, dien ik in dit jaar schrijf; ik hoop, dat de goedheid des hemels het mij vergunnen zal, nog vele jaren er een aan u te adresseeren.quot;
In de Augustusmaand kreeg hij een heftigen aanval van rhumatische pijnen, die hem reeds dikwerf hadden gemarteld. âOver veertien dagen,quot; schreef hij aan zijn moeder, âga ik op raad van de doctoren naar Aken. Vóór September hoop ik terug te zijn en u mijn hof te maken.quot;
Doch hij werd opgehouden en kwam niet vóór 4 September te Aken aan. Hij ving aan met het drinken van zes glazen water per dag en moest opklimmen tot tien, het eerste boven-
206
MARIJKEN-MEU.
dien met Engelsch zout. Na tien dagen mocht hij beginnen te baden. Zoo was het voorschrift en hij zelf verklaarde: âIk ben voorbeeldig gehoorzaam aan de faculteit.quot; Zij mocht zich dan ook beroemen op zijn radicale genezing.
Den elfden October kwam hij in de hofstad terug. Anna was hem op den weg van Rotterdam naar Delft te gemoet gereden, en de kinderen sprongen van blijdschap. âIk ken geen aandoenlijker vreugde,quot; schreef hij aan Maria Louise. âWij hadden gehoopt u te zien, hetzij in Friesland, hetzij op het Loo. Maar na vijf weken afzijn is er te veel te doen. Wij moeten het dus uitstellen, om u de kinderen te ver-toonen, tot de lente. In Maart hoop ik met mijn gezin naar Friesland te komen en eenige weken te blijven. Mijn verkoudheid is beterende, maar als de keel vrij is, is hot hoofd geattaqueerd, en omgekeerd. Ik heb alle reden om God te danken voor de uitkomst van mijn kuur, en mijn slaap is beter dan in langen tijd.quot; Met deze woorden eindigde de laatste brief dien zijne moeder ontving. Hij was den 16en October geschreven.
Weinige dagen daarna wierp de koorts hem neder. Het uitgeputte lichaam had geen kracht tot verzet.
Den 22slen October sliep Willem IV in; het was de eeuwige slaap, die hem de oogen sloot.
IV
Indien de teekening, boven gegeven, haar doel niet heeft gemist, dan is het niet noodig, met breede trekken te schetsen , wat de dood van Willem IV voor Maria Louise is geweest. âHaar eenige troostquot; in 't leven was haar ontzonken.
âIk ben tegenwoordig geweest,quot; verklaarde later haar lijkredenaar, âals elk vreesde dat deze boodschap nadeelige gevolgen zou hebben voor haar gezondheid. De Vorstin was diep bedroefd, maar geen onbetamelijk of onlijdzaam woord
207
MARIJKEïr-JIEÃ.
kwam uit den mond; z|j zweeg Gode en was gebogen onder Zijn hand.quot;
Wij hebben geen brieven van haar hand uit deze en de volgende jaren, die over haar gemoedsstemming ons voorlichten. Met Willem was de eenige correspondent haar ontvallen, tegenover wien zij zich ongedwongen uitliet. De enkele correspondentie, die wij nu kennen, is een officiëele.
Anna trad op als Grouvernante van haar zoon. In de koele verhouding, die er steeds tusschen haar en Maria Louise bestaan had, bracht de dood van Willem weinig of geen verandering. De belangen van den jeugdigen Willem V mochten haar beiden ter harte gaan, de moeder volgde de raadslieden, in wie zij vertrouwen had, of haar eigen inzicht. Zij is met hare kinderen een enkele maal in deze jaren te Leeuwarden geweest, maar van vertrouwelijkheid is al even weinig sprake als vroeger.
Maria Louise leefde haar stil en rustig leven in de Groote Kerkstraat. Zij zag achtereenvolgens al hare naaste betrekkingen haar voorgaan. Met het klimmen der jaren werd het meer en meer eenzaam om haar heen. Godsdienstige overpeinzingen en de openbare godsdienstoefeningen namen steeds hooger plaats in haar levenswijze in. Hare hofhouding was klein en eenvoudig en gaf weinig afleiding.
In 1731, toen Willem IV meerderjarig werd, had zij haar hof zeer ingekrompen. Er is een reglement bewaard, dat zij in dat jaar vaststelde. Het geheele personeel van haar hof beliep niet meer dan 34 personen. Een kamerjonker, twee freules, een huishofmeester en een page waren de voornaamste beambten. De opperstalmeester, dien zij vroeger gehad heeft, werd gepensioneerd en geen nieuwe trad in de plaats. Tweemaal per dag werden drie tafels aangericht, 's middags om twaalf en 's avonds te acht uur precies. Aan de eerste nam zij zelve deal met de twee freules en den kamerjonker Robert Hendrik van Hambrouck. Zorgvuldig
208
MARIJKEN-MEÃ. 209
wordt in dit reglement de taak van ieder vastgesteld, die tot dit kleine hof behoort; aan allen zuinigheid, goede orde, vredelievendheid en eerbaarheid voorgeschreven. Het is niet geoorloofd met kaarten of teerlingen te spelen, 's Avonds om 10 uur wordt het Hof gesloten; de hellebardier moet dan met den turfdrager met een lantaarn de ronde doen , âboven op de linnenzolder, op de gangen, in alle domestique kamers en verder het geheele huis door; ergens bevindende dat er nog vuren op de haarden zijn of kaarsen brandende, zal hij ze vrij mogen uitdoen, en niet gedoogen dat na 10 uur vuren of kaarsen weder worden aangestoken.quot; Deze bellebardier is een man van gewicht, want van de gave des oordeels, die hem eigen is, hangt het eenigszins af, hoe de bezoekers ontvangen worden. Zijn het lieden van distinctie, dan mag hij ze in de voorkamer laten gaan, maar als het vreemdelingen zijn, die hem onbekend zijn of suspect voorkomen, zal hij ze in het voorhuis laten blijven; eindelijk zal hij ook alle smousen en marsdragers en dergelijk volk niet inlaten, maar aan de deur afwijzen.
Het schijnt, dat al de zorgvuldige economische voorschriften niet hebben gebaat. Eenige jaren later moest Maria Louise, wier uitgaven haar inkomsten te boven gingen, maatregelen van nog meer bezuiniging nemen. Er werd toen maar één tafel buiten die van Hare Hoogheid vergund. Stiptelijk werd bepaald, hoe veel wijn er mocht gedronken worden, en er werden strenge bevelen gegeven tegen het brengen van wijn en levensmiddelen buiten het Hof.
Maria Louise bevond zich bij den dood van haar echtgenoot niet in gunstige finantieele omstandigheden: hij stak zwaar in schulden. Zij deed in de jaren der minderjarigheid nog al wat af, maar alles aanzuiveren kon zij niet. De tijdgenooten zeggen, dat zij stipt haar leveranciers betaalde; indien dat waar is, moet zij na 1740 zeer zuinig geleefd hebben. De staat van haar boedel en haar testament is onbekend, maar
14
MARIJKEN-llEU.
wy weten dat in de laatste levensjaren haar hofhouding met een paar personen is vermeerderd, die wel kleine, maar toch eenige bezoldiging ontvingen. Doch misschien heeft ook zij eenig profijt getrokken, voor haar eigen fortuin, van het beter finantieel beheer, dat aan het vermogen der Oranje's na 1751 ten deel viel. Willem V dankte bij zijn meerderjarigheid aan de goede zorg, die voor zjjn finantiën was gedragen, dat hij een aanzienlijk inkomen uit eigen middelen had. Men begrootte het op niet minder dan een millioen.
In de weinige brieven, die tusschen Maria Louise en Anna van Hannover in deze jaren zijn gewisseld, vinden wij niets over deze zaken. Zij handelen over andere punten. Anna van Hannover regelde de voogdij over haar zoon, ingeval zij kwam te overlijden. Onder de voogden nam zij ook de grootmoeder op. Maria Louise dankte voor het deel, haar toegekend, maar sprak tevens haar hoop uit, dat de Voorzienigheid haar deze nieuwe taak niet mocht opleggen, maar het leven der moeder voor lange jaren sparen.
Die bede werd niet verhoord. In 1759 stierf Anna van Hannover, en de grootmoeder moest opnieuw in Friesland het Stadhouderschap waarnemen. De eigenlijke taak der opvoeding was aan anderen toevertrouwd.
Het was Lodewijk, hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, die als voogd over Willem Y optrad. Hoe hij die taak vervuld heeft, kan in deze schets niet worden nagegaan. Wij hebben ditmaal alleen met Maria Louise te maken.
Zij kende Brunswijk een weinig, en wist hoe zeer Willem IV met hem was ingenomen geweest. Het duurde niet heel lang, of zij deelde diens oordeel geheel en dweepte met Brunswijk.
Het is te begrijpen, want hij deed alles om haar te winnen. Hij correspondeerde geregeld met haar, hield haar van alles wat de kleinkinderen betrof op de hoogte, en betoonde haar de grootste attentie. Wij spreken in deze woorden haar
210
MARIJKEN-MEU.
eigen gevoelen uit, want de brieven van Brunswijk zijn niet meer hier te lande. Slechts de minuten der antwoorden van Maria Louise staan ons ten dienste. Aanvankelijk is haar toon een weinig terughoudend, maar spoedig geeft zij zich geheel over. Deze vreemdeling bejegent haar met een respekt, dat de oude vrouw streelt, terwijl de zorg, die hij voor haar kleinkinderen heeft, blijkens zijn brieven, haar het hart verwarmt. Het is zeer te betreuren, dat de brieven van Brunswijk zelve naar Duitschland zijn verhuisd, want zij bevatten blijkbaar tallooze détails, die voor Willem V, diens jeugd en opvoeding van belang zijn te achten.
In den aanvang schreef Maria Louise altijd zelf, maar het duurde niet heel lang of zij verontschuldigde zich. Haar gezondheid belette haar de pen te voeren. Haar edelman, de t jonge Hambrouck, schijnt do secretaris geweest te zijn, wat niet tot schade der briefwisseling was, want, welke deugden Maria Louise ook onderscheidden, nauwkeurige bekendheid met de spelling der Fransche woorden was haar fort niet. Niettemin waren er zaken, waarin zij liever anderen geen blik vergunde. Herhaaldelijk komt hot voor, dat de secretaris op de minuut aanteekende: âHare Hoogheid heeft zelve dezen brief vervolgd, en daarvan geen kopij gehouden.quot; In den regel teekende zij hem slechts.
Toen Anna van Hannover stierf, was de oudste der kinderen, Caroline, een meisje van zestien jaar, verloofd met den prins van Nassau-Weilburg. De regenten-aristocratie belemmerde om politieke redenen dat huwelijk, onder voorwendsel dat de bruidegom niet tot de Hervormde kerk behoorde, maar Luthersch was. Brunswijk deed alles om die gemoedsbezwaren, die niet in overtuiging, maar alleen in eigenbaat gegrond waren, te overwinnen, en hij slaagde er in. Maria Louise dankte hem innig voor de zorg en ijver, waarmede hij de belangen van het Oranjehuis behartigde. Zij hield zich overtuigd, dat ook haar kleinkinderen van dezelfde
211
MARIJKEN-MEU.
gevoelens vervuld waren. De jong gehuwde Caroline schreef aan haar grootmoeder den dag van haar huwelijk een hartelijk woord; Maria Louise was er zeer getroffen door, en zag er de gunstige werking van zijn invloed in, die de kleinkinderen den band met haar zoo eng deed vasthouden.
Er ligt over het tijdperk van Willem's jeugd in menig opzicht een sluier. Het is zeker, dat de voogdijschap van den hertog van Brunswijk bestrijding heeft uitgelokt. Er was een partij, die de jonge Caroline in zijne plaats tot Gouvernante over Willem V wilde verheffen. Brunswijk riep den steun in van Maria Louise, die liem gewillig werd gegeven. In 1762 had er een samenkomst op het Loo plaats, waar Brunswijk de oude vrouw nog verder voor zich innam. Zij wees zelfs het aanzoek van Caroline, om haar te komen bezoeken, af met een schrijven, dat eerst aan de goedkeuring van den hertog werd onderworpen. Welke de rol van Caroline zelve is geweest, weten wij niet. Wel, dat de verhouding van haar tot haar grootmoeder niet intiemer werd, maar verkoelde. Een brief van do prinses van Nassau-Weilburg werd later een zeldzaamheid.
Des te enger was do verhouding tot den jongen Willem. Hoe zwak en sukkelend zij ook was, de oude Prinses bezocht in deze jaren tweemaal den Haag, om haar kleinzoon te ontmoeten en getuige te zijn, gelijk zij schreef, van de gehechtheid, die Brunswijk hem betoonde. Met uitnemenden takt wist de hertog de oude vrouw te vatten. Hij eerde haar in haar waardigheid en kende haar juist in die zaken, die haar het meest ter harte gingen. Bij haar bezoek in Holland vertoefde zij ook eenige dagen te Soestdijk. Hij bood haar een wacht aan, tijdens haar verblijf aldaar. Kenmerkend voor den tijd en de persoon is haar antwoord. âUwe Hoogheid biedt mij een wacht aan te Soestdijk. Ik zou er heel gaarne voor bedanken, maar daar ik vernomen heb, dat het noodig is om de vele dieven en vagebonden, die er rondzwerven.
212
M A.RIJKEN-MEÃ.
neem ik het aan en verzoek u, alleen een paar soldaten met een sergeant, maar geen officier te zenden.quot; Als de jonge Willem zijn belijdenis moet afleggen, raadpleegt haar Bruns-wijk, die weet, hoe deze dingen haar ter harte gaan. âIk ben ten hoogste ingenomen met uw denkbeeld, om hem in een zoo gewichtige zaak niet te dwingen, maar hem te laten handelen naar zijn eigen geweten en zijn eigen wenschquot;, schrijft zij.
Maria Louise was ruim zeventig jaar, toen zij voor de tweede maal als Gouvernante van Friesland optrad. In Maart 1765 werd in het kwartier van Zevenwouden een voorstel gedaan, dat voor haar een zeer onaangename tint had. Er werd gewezen op den achttienjarigen leeftijd, door den jongen Willem V eerlang te bereiken, en voorgeslagen, hem bij den aanvang, niet bij het einde van dat jaar, bevoegd te verklaren om het stadhouderschap te aanvaarden. Maria Louise gevoelde zich gekwetst, maar handelde niet, zonder Brunswijk en Willem V te raadplegen. Indien de laatste begeerde den termijn vervroegd te zien, zou zij bereid zijn, aan zijn wensch te voldoen. Maar de jonge Willem wilde het niet, en Brunswijk, die op zijne zienswijze en neigingen invloed oefende, had geen moeite om hem te overtuigen dat het ondankbaar zou zijn, zoo hij dit blijk van geringschatting aan zijn grootmoeder gaf. Op nadrnkkelijken toon wendde Maria Louise zich tot de Staten van Friesland, om op de toewijding te wijzen waarmede zij nu en vroeger haar taak had waargenomen, en namens den jeugdigen prins de stellige verwachting uit te spreken, dat het voorstel niet in overweging zou genomen worden.
De gevoeligheid, die Maria Louise liet blijken, maakte te meer indruk, omdat, naar het schijnt, men minder aan haar dan aan Willem had gedacht. De voorstellers zelve ontkenden elke bedoeling haar te kwetsen, en de zaak werd spoedig, door ze te begraven, in orde gebracht. âIk wensch
213
llAHIJKEJf-MEU.
er den Prins hartelijk geluk mede, en wensch niets zoo zeer, dan dat hij alle moeielijkheden, die zich in de toekomst zullen opdoen, even gemakkelijk naar zijn wensch oplosse.quot; Deze naïeve woorden der oude Gouvernante getuigden meer voor den eenvoud van haar hart, dan voor haar scherp inzicht. Zij begreep niet, dat do wensch om Willem V meerderjarig te doen verklaren nog voordat de voogdijschap eindigde, niet tegen hem, maar tegen de raadslieden, die hem leidden, gericht was. Het was het eerste opsteken van den storm, die in later jaren hem het leven zou verbitteren en de Eepubliek ten ondergang voeren.
Doch ook al had zij het begrepen, zij zou niet anders gehandeld hebben. Brunswijk was voor haar de raadsman, die aan haar kleinzoon vaderlijke zorgen, neen, meer dan vaderlijke zorgen schonk. âIk hoop,quot; zeide zij, âin den grond van mijn hart, dat de Prins gedurende zijn geheele leven de weldaden van Uwe Hoogheid indachtig zij, en dat hij geen gelegenheid verzuime, openlijk zijn dankbaarheid te betoonen.quot;
Voor Willem V en de Pepubliek ware het te wenschen geweest, indien hij aan dien raad wat minder getrouw gehoor had gegeven.
Zij voor zich had de overtuiging, dat zij den dag niet meer beleven zou, waarop zij het stadhouderschap in handen van Willem zou nederleggen. Als haar omgeving haar ermede vleide, wees zij het denkbeeld af. Zij was er te zwak voor: zij verminderde met iedere maand. Ditmaal waren hare sombere beschouwingen juist. Herhaaldelijk had zij aanvallen van beroerte, zoodat in het laatste jaar zelfs de rechterhand de gewone diensten weigerde. Zij bereidde rustig en kalm haar huis, want haar tijd tot heengaan naderde. Zij beval aan Brunswijk verschillende personen uit haar gevolg aan, opdat zij niet van alle betrekking ontbloot zouden zijn, als zij er niet meer was. Steeds had zij voor hare ondergeschikten gezorgd, gelijk zij over het algemeen weldadig en goedgeefsch
214
JIAEIJKEN-ilEU.
was. Toen zij de laatste maal aan de Avondmaalstafel had deel genomen, verwijderde zij zich uit het kerkgebouw vriendelijk groetende, als wilde zij afscheid nemen ook van hen, die zij niet anders kende dan als deelgenooten aan de openbare godsdienstoefeningen. Het viel de aanwezigen op, dat de oude vrouw blijkbaar moeite deed, allen toe te knikken.
Zaterdags voor Paschen werd zij ziek. Zij wilde, dat haar ongesteldheid geheim gehouden werd, opdat de openbare godsdienstoefeningen ongestoord zouden voortgaan. Den tweeden Paaschdag sliep zij in.
âZij was een Tabitha in goede werken: ootmoedig, nederig, klein in eigen oogen. Mij ontbreekt niets dan dankbaarheid, was zij gewoon te zeggen. Wij hebben reden Gode te danken, dat wij dezen schat hier hebben gehad, zoo veel jaren onder ons, meer dan een halve eeuw, over de 55 jaren.quot;
Dit getuigenis legde haar lijkredenaar, de hoogleeraar Schrader, do()r Gedeputeerde Staten daartoe uitgenoodigd, van haar af.
Maria Louise van Hessen-Kassei is geen grootsche figuur geweest, maar een eenvoudige, nederige ziel, wier dwalingen uit liefde voortsproten. Zoolang de menschheid behoefte zal hebben aan de deugden van een ootmoedig menschenhart, aan de plichtsvervulling van een nauwgezet geweten, zullen deze kleine, schijnbaar onopgemerkte figuren den historischen achtergrond van een volksleven blijven versieren en de oogen der onderzoekers trekken, omdat zij in den stroom van het voorbijgaande de macht van het blijvende en eeuwige vertegenwoordigen.
215
vu
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT DER ACHTTIENDE EEUW.
DE EEPUBLIEK IN DE EEESTE HELFT DEE ACHTTIENDE EEUW.
I
In de geschiedenis des Nederlandschen volks is de dag van 12 April 1713 een merkwaardige dag. Voor het stadhuis te Utrecht waren in den vroegen morgen een paar veldstukjes geplaatst: klokke tien uur werden zij afgeschoten. Het was het sein, dat de vrede was gesloten, de vrede, die een eind maakte aan den Spaanschen successie-oorlog en de Republiek met de barrière in de Oostenrijksche Nederlanden verrijkte. Die 12de April 1713 was de laatste dag, waarop de Neder-landsche Republiek onder do groote mogendheden van Europa werd gerekend.
Vrees voor Frankrijk en de staatkunde van Willem III hadden haar aan den krijg doen deelnemen. Ileinsius, de vriend en leerling van den grooten koning, had na zijn dood tien jaar lang zijn politiek voorgestaan en doen zegevieren. Toen het barrière-traktaat was gesloten, trok de Republiek zich achter dit papieren bolwerk van haar onafhankelijkheid terug. De Nederlandsche diplomatie zou voortaan zich ten doel stellen, allen strijd te vermijden. De Republiek had rust en vrede noodig. Zij was uitgeput door overspanning en door nalatigheid. De oorlog was lang en kostbaar geweest, 's Lands kas was leeg, het krediet verminderd, de schuld drukkende. In de laatste jaren hadden de Admiraliteiten geen vloot kun-
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
nen uitrusten. Nooit zou deze toestand ontstaan zjjn, indien de gewesten hun aandeel in de gemeene uitgaven hadden betaald. Maar zij hadden zich onttrokken en den last uitsluitend op Holland en Zeeland doen drukken.
Zoo de vrede redding zou brengen, moesten groote maatregelen worden genomen. Bezuiniging was onvoldoende. Slechts nieuwe inspanning en ingrijpende hervorming konden baten. De schuld lag niet bij personen, maar in het staatsorganisme. Waar geen stadhouder de deelen der Unie verbond en geen hoofd als Johan de quot;Witt zijn aanhang in tucht en orde hield, ontbrak elk algemeen bestuur. Er was geen hoofd in den staat, geen regeerend persoon of college, die de deelen tot samenwerking kon dwingen. De leden van den staat waren zelfstandig en onafhankelijk.
Niemand ontkende dit. Maar wat den een een grief was, scheen den ander een lofspraak. Deze zelfstandigheid der deelen was in veler oog de ware vrijheid. Honderd jaar hadden de regenten gekampt met het Oranjehuis, om ze te verkrijgen. Eindelijk hadden zij ze verworven. De decentralisatie van den staat was het hoogste geluk. Geen dwingende macht boven de regenten, de erfgenamen van het grafelijk gezag. Iedere stad moest zelfstandig, in iedere stad de regeering onafhankelijk zijn.
Dadelijk na den dood van Willem III was in de vijf provinciën, die hem als stadhouder hadden erkend, besloten, geen opvolger aan te stellen. De bepalingen van 1651 waren opnieuw van kracht verklaard, de regeeringsbestellingen, evenals na den dood van Willem II, gedeeltelijk aan de Staten, gedeeltelijk aan de steden zelve opgedragen. Hier en ginds, in Zeeland en Gelderland vooral, waren onlusten ontstaan. Het volk had deelneming aan de verkiezing ge-eischt. Met geweld waren die onlusten onderdrukt. Zij bewezen, â zoo spraken de regenten, â hoe zorgvuldig men waken moest, hoe zeer de staat rust behoefde. Geen ver-
220
DER ACHTTIENDE EEUW.
anderingen, die tot nieuwe bewegingen konden leiden. Behoud en bevestiging van liet bestaande, rust en orde, dat waren de grondslagen, waarop de nieuwe staatsorde moest steunen. Niet hervorming, maar stilstand, onthouding van alle gevaarlijke proefnemingen, zou de kwalen des tijds genezen.
Waar een leer zoovele jaren achtereen verkondigd wordt, en in het eigenbelang van duizenden een zoo krachtigen bondgenoot heeft, kan het niet verwonderen, dat zij heerschende wordt. Wie zou weerstand bieden? Zij omvatte het belang van allen, ook van hen, die tegenstanders schenen. De onbepaalde heerschappij der locale regenten was aan allen welkom, onverschillig of zij aan Johan de Witt of aan Willem III hun zetels dankten. En gelijk hun vaderen in de 17° eeuw zich aaneengesloten hadden, om staande te blijven tegen het Oranje-huis, zoo sloten zij zich thans aaneen tegen allen, die verandering der staatsorde wenschten. Geen tijdperk is rijker aan regentencontracten, dan de eerste helft der 18e eeuw.
Hun inhoud stemt in hoofdtrekken gewoonlijk overeen. Een meerderheid van vroedschappen komt te zamen en verbindt zich bij eede om alle betrekkingen onder elkander te verdeelen. Er worden roosters van de opvolging in de verschillende posten opgemaakt, zoodat ieder op zijn beurt de voordeelige en onvoordeelige krijgt.
Deze verdeeling geldt de betrekkingen in de steden, en ook het lidmaatschap der groote Generaliteitscollegiün. Zij vallen beurtelings allen leden ten deel, namelijk al de leden, die verbonden zijn. De vroedschappen hebben het recht tot aanstelling van burgemeesteren en schepenen. Zij die geen leden der conventie zijn, worden steeds overstemd.
Het is langs dezen weg, dat zich vooral de zoogenaamde familieregeeringen hebben gevormd. In iedere stad is er een klein getal familiën, wier leden alle betrekkingen bekleeden. Daar de keuren sommige zaken verbieden, zijn jongere leden dikwijls uitgesloten. Maar voor dezen is een uitweg. De
221
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
regentenfamiliën van verschillende steden verbinden zich, om elkander voort te helpen. Eén voorbeeld. In Delft regeert de familie Van Bleiswijk; een der jongere leden gaat naar Gorinchem en wordt daar in de regeering gebracht.
Het is deze regentenaristocratie, die in de 18e eeuw regeert, behoudens de kleine pauze van 1747â1751. Haar heerschappij eindigt niet, voordat de storm der revolutie de geslachten van den troon werpt. quot;Want zij zetelen op tronen: âwij zijn de koningen van dit land,quot; verklaren zij zelve. En met volle recbt. Boven hen is niemand, onder hen zijn slechts dienaren. Soms komen zij als Staten dor provincie of als Staten-Gene-raal te zamen, maar dit is het eigenlijk tooneel hunner grootheid niet. Wie hen kennen wil in hun volle macht, moet hen gadeslaan in hun eigen gebied, in hun eigen rijk, in de steden. Daar zetelen zij. De staat is opgelost in even zoo vele staatjes als er steden zijn. En iedere staat heeft zoo veel koningen, als hij regenton telt.
AVelk een oogenblik, als op den eersten Januari een nieuwe burgemeester van Gorinchem optreedt! In plechtigen optocht wordt hij naar zijn woning geleid door ambtgenooten, schepenen, vroedschappen en gevolg, aangestaard en bewonderd door de menigte op de straat. De procureurs en de boden komen hem zegen toewenschen en ontvangen genadige vergunning, om hun ambt nog voor het volgende jaar waar te nemen. Het is om een menschenhoofd te doen duizelen, zoo veel grootheid!
En wat betoekent deze kleine koning van Gorinchem, vergeleken met den grooten ambtgenoot in het machtige Amsterdam? Wie in de groote handelsstad niet tot de^ regentenfamiliën behoort, staat even goed als in Gorinchem, met het gemeen gelijk. De koopman en de man van wetenschap, de advocaat en de winkelier, zij allen dragen één naam voor de mannen des bestuurs. âKerelquot;, zoo worden zij aangesproken. Maatschappelijk aanzien, eer en recht, het berust alles in
222
DER ACHTTIENDE EEUW.
handen der regenten. Zij zijn de uitdeelers ervan, als van alle goede gaven.
Is het te verwonderen, dat deze patriciërs â zoo noemen zij zich met klassieke herinnering â van alle verandering afkeerig zijn? Tot zelfmoord is niemand gehouden, noch individu noch stand. En deze stand van regenten gevoelt te minder zich tot opoffering verplicht, omdat hij van zijn goed recht overtuigd is en het geëerbiedigd ziet. Het is onbestreden, jaren lang. Wanneer men de politieke pamfletten van de eerste helft der 18e eeuw leest, dan vindt men scherpe critiek over de regenten. Doch wie zijn het, die ze uitoefenden? De regenten zelve. Uit het volk, uit de kringen van hen, die niet bevoorrecht zijn, zullen later de aanklachten opgaan en in de straten zullen zij weergalmen. Maar vóór 1747 zijn het de leden der patricische geslachten zelve, die hun eigen gebreken aan de kaak stellen. Zij kunnen zich dat genot veroorloven, want het is zonder gevaar.
Neem ten bewijze den Spectator van Justus van Effen ter hand: gij zult in al de deelen geen woord over den staatkundigen toestand vinden. Over alles spreekt hij: over Fran-sche manieren, over het geven van fooien, over de brutaliteit der dienstboden, over weelde en verkwisting. Alles wordt gemeten en beoordeeld naar de conventioneele moraal des tijds, naar hetgeen het heerschend fatsoen voor zedelijkheid wil aannemen. Zeker zijn er zaken, die bij, schoon aarzelend, afkeurt. De vreemde gewoonten, die inkankeren, b. v. dat ieder uit zijn eigen glas drinkt; dat men met den lepel, die in den mond geweest is, niet meer in den schotel tast; dat men de spijzen met een vork opneemt, worden in strijd geacht met de mannelijke onverschilligheid, die omtrent het eten betaamt. Voor zulke zaken heeft hij oog, over de staatkundige toestanden geen woord.
Te Amsterdam, op de Prinsengracht, woont de schilder Cornells Troost, een geestig opmerker. Een beroemde teeke-
223
DE REPUBLIEK IX DE EERSTE HELFT
ning van hem ziet gij op het Mauritshuis in den Haag. Het is een schets van een vroolijk heerenpartijtje; kalm aangevangen, eindigt het als een dronkenmansspel. Het nageslacht lacht om de geestige teekening, maar ook de tijdge-nooten ergeren er zich niet aan, al is het een schets naar hun leven. De teekenaar is geen Hogarth, die verbetering heeft bedoeld, an, isement was zijn eenig wit. En dit heeft hij getroffen: de regenten lachen mede, en de teekenaar blijft de gewilde regentenschilder.
Van publieken geest is in de Republiek geen spoor. Hoe zou het ook mogelijk kunnen zijn! De gezichteinder is begrensd binnen de wallen der stad, waarin men woont. Wegen en vervoermiddelen zijn er betrekkelijk weinige, en alge-meene belangen nog minder. In de oorlogstijden der vorige eeuw is het volk door het gevaar des lands soms in beweging gebracht. Maar het gevaar heeft opgehouden, men leeft in vrede met geheel Europa, veertig jaren lang. Slechts de regenten en de kooplieden reizen, komen in aanraking met vreemde personen en vreemde zeden. De burgerij verplaatste zich niet; men leeft en sterft met den Bijbel en met Jacob Cats. De heeren regeeren, zij twisten onder elkander en leveren genoeg stof, in de landsteden en op de campagne, voor de chronique scandaleuse, die een levensbehoefte voor het dagelijksch gesprek is.
In de groote handelssteden gaat meer om. De meeste regenten zijn tevens in zaken en blijven daardoor in aanraking met allerlei standen. Hun jongere zonen, voor wie in de plaats der inwoning geen gelegenheid is om regent te worden, worden elders ingeschoven. Gaat ook dit niet, dan studeeren zij, vooral in de medicijnen. In het allerergste geval worden zij dominé. De grootere steden geven meer gelegenheid tot vermaak, dus ook tot afleiding. De komedie wordt druk bezocht en ook die alleraardigste nieuwigheid, die men koffiehuizen noemt. Zij zullen in later jaren gevaarlijk
224
DER ACHTTIENDE EEUW.
worden, imiar zij zijn het nog niet. Integendeel, nu zijn zij nuttig. Een jong dokter, die praktijk wil krijgen, moet ze trouw bezoeken. Daar vestigt hij zijn reputequot;lie. Wie er niet van houdt, behoeft niet verlegen te zijn met zijn vrijen tijd. De vereenigingen, de literarische clubs, ontstaan. Daar oefent men zich en elkander in het houden van redevoeringen en in poëzie. De geestelijke behoeften van het intellectueele deel des volks worden er afgeleid van het publiek terrein. Mannen van wetenschap houden zich met natuurkundige proeven bezig: de ontdekkingen van Newton, Boerhave enz. worden besproken. Ook de kerkelijke twisten leveren een onuitputtelijk onderwerp van bespreking. De scherpe overtuigingen worden afgeveild; personen van uiteenloopend inzicht en meening komen tot elkander. Zoo houdt deze maatschappij zich bezig en laat de regenten regeeren. Zoolang zij het land in vrede houden, bekommert het publiek er zich niet om. De welvaart is algemeen; er is een zeker aandeel aan de genietingen dos levens, dat ieder ten deel valt. Armen zijn er, gelijk zij er steeds waren; maar ook de liefdadigheid is groot. En de regenten, brave vaderen van het volk dio zij zijn, blijven niet achter. Zij stichten hofjes en weeshuizen.
Doch elke medaille heeft hare keerzijde, ook deze. De jarenlange heerschappij heeft van den eersten aanvang af haar bestrijders. De vijand, die haar eens zal neerwerpen, is de maatschappij, die zich nog niet om haar bekommert, maar haar eigen weg gaat; die kennis vergaart, straks tegen haar te gebruiken. Maar haar bestrijders 'in den aanvang zyn anderen. Het zijn zelve regenten, die in al do voorrechten deelen, leden der oligarchie, maar daarom niet blind voor de groote fouten van het heerschend regime. Het is een kleine groep van mannen, die inzien, dat een volk nog iets anders te doen heeft dan te leven en te sterven.
Hun hoofd is Simon van Slingeland, secretaris van den
15
225
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
raad van State, thesaurier-generaal, raadpensionaris. Hij heeft onder Willem III gewerkt, naast Heinsius gestaan, en bestuurt in de laatste jaren met een paar vrienden de Republiek. Besturen, dat is : de machinerie van staat laten werken, zoo goed zij kon. Dit is het kunststuk, dat hij volbrengt, en in dezen arbeid verteert hij zijn krachten en zijn rijke gaven. Want meer wordt hem niet vergund.
Simon van Slingeland is een geleerd man en een zeldzaam helder hoofd. Hij geniet mede de voordeelen der staatsinrichting, maar sluit daarom de oogen niet voor de gebreken. Integendeel, hij lijdt er onder. De oligarchie heerscht oppermachtig in de steden, maar aan de belangen des lands denkt zij niet. Het leger wordt verwaarloosd: de provinciën verzuimen hunne quota's te voldoen. De staat maakt bankroet; negen maanden lang i8\ het kantoor van staat gesloten en wordt de rente der schuld niet betaald. Er is eenvoudig geen landsregeering, want er ontbreekt elke macht, in staat om de leden tot onderwerping te dwingen. Groningen, Gelderland, Utrecht, al de geünieerde provinciën doen alles wat zij goedvinden; maar dat zij te zamen de Republiek, een staat vormen, daaraan denkt niemand. Anarchie heerscht; er is geen regeering en geen wet, die gehoorzaamd wordt. âHet is een wonder, dat de Republiek nog bestaat!quot; roept Slingeland uit. âStel een stadhouder aan het hoofd van den staat, of een regeeringsraad. Breek de almacht der locale regenten: laten zij niet in staat zijn, om elk algemeen belang onafgedaan of onverzorgd te laten. Dat is de bedoeling van de stichters der Republiek geweest: de staat gaat onder door deze regeeringloosheid.quot;
Mondeling en schriftelijk, door een reeks van uitnemende vertoogen, verspreidt hij zijn meening. Hij heeft aanhangers, onder jongeren, die nog hun carrière hebben te maken, onder ouderen, die een stadhouder een geschikt werktuig vinden om het volk in toom te houden. Een oogenblik schijnt het.
226
DER ACHTTIENDE EEUW.
dat hij slagen zal. Er komt in den Haag een groote vergadering bijeen. Maar de heeren praten veel, drinken een glas, en laten de zaak zooals zij was. Zoo spot het deuntje, en het is de waarheid. Slingeland is hoog geëerd en gevreesd tevens, want de man, die zijn meerderheid gevoelt, is hooghartig en scherp; de koningen des lands moeten menig bitter woord van hem hooren. Maar zij kunnen hem niet missen, want hij is de staatsman, die alleen nog de eer der Republiek ophoudt, de diplomaat, die den vrede weet te bewaren. De koningen van Engeland, George I en G-eorge II, staan als peters bij den doop zijner kleinkinderen. Den man, die zoo zeer wordt onderscheiden, kunnen de regenten niet ontberen. Maar zij binden hem de handen: als hij Raadpensionaris wordt, moet hij beloven, zijn invloed niet voor een stadhouder aan te wenden. En Slingeland is een eerlijk man, die zijn eed houdt, zelfs zoo trouw, dat Chesterfield hem verdenkt, zijn vroegere overtuiging verloochend te hebben. Hij werkt in de laatste levensjaren den Prins van Oranje tegen. Naar het schijnt, heeft het leven ook hem gebogen en neemt ook hij zijn plaats in onder die breede rij van mannen, wie teleurstelling en physiek lijden doet breken met de idealen van hun jeugd, die leeren berusten in het onvermijdelijke.
Waar een Slingeland het hoofd buigt, konden zwakker krachten geen tegenstand bieden. De lagere standen der maatschappij mochten vloeken telken male als zij het slachtoffer van willekeur waren, zij vonden nog geen leiders, die hun armen en driften gebruikten voor eigen doeleinden. De middelklassen mochten met ergenis en jaloezie staren op de regenten, die, met heerlijke titels en rechten verrijkt, eigendunkelijk en eigenmachtig over de eigendommen van steden en dorpen beschikten, zij onderwierpen zich aan de van God verordende machten en zochten vergoeding in de finantiëele onafhankelijkbeid, die de bloei van handel en fabrieken hun
227
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
verschafte. De leer der volkssouvereiniteit was wel in de boeken geschreven, maar nog niet in de harten gedrongen. En trouw steunden de verbonden regenten elkander tegen oproerige onderzaten. quot;Wie verzet waagde of op oude rechten zich beriep, liep gevaar door heeren schepenen vervolgd, gevangen gezet, aan den lijve gestraft of uit stad en land gebannen te worden. Slechts de ontwikkeling der misbruiken, die de gevolgen der oligarchie openbaarde, zou een algemeen verzet in het leven roepen, als een aanleiding van buiten er den stoot toe gaf.
En deze ophooping van misbruiken, deze ontwikkeling kon niet uitblijven, omdat elk gezag tot misbruik en willekeur vervalt, dat geen breidel vindt in de rechten van anderen. De regeeringsposten heetten eerambten en onbezoldigd, maar feitelijk wierpen zij groote voordeden af. Wie aan de waarde van het geld voor honderd vijftig jaar denkt, zal het niet onbeduidend vinden, dat een burgemeester van Gorinchem een inkomen van f 600 had, een Gecommitteerde Raad gemiddeld jaarlijks f 3000 maakte en een lid der Admiraliteit f2000. Voeg hierbij de opbrengst der betrekkingen, die dikwerf ten geschenke werden gegeven, maar ook dikwerf onder de hand verkocht. Niemand vond er iets in, want allen en alle partijen deden het Slingeland zelf betaalde 50,000 gulden voor het Drostambt van quot;Breda, dat hij van de bestuurders der Oranjegoederen voor zijn zoon kocht. Natuurlijk, dat de onderdanen de koopprijzen in den een of anderen vorm moesten vergoeden. Iedere stadïegecring had tal van kleine betrekkingen te vergeven, die tot geschenken dienden voor vrienden en bloedverwanten. Stovenzetster in de kerk, turftonster en tal van dergelijke postjes waren giften aan bloedverwanten of vriendinnen. Men liet ze door anderen voor een kleine vergoeding waarnemen. Dit deden niet slechts personen, dit deden geheelo regeeringen. De stad Enkhuizen gaf eens een ambt uit, waaraan een inkomen van f 1200 verbonden was.
228
DER ACHTTIENDE EEUW.
Toen de benoemde den zuiveringseed voor de Staten moest afleggen, bleek het, dat de stadsregeering bedongen had, dat hij het voor f 600 zou doen, de rest stak zij in den zak. Maar er waren erger feiten. In een stad van Zuid-Holland schreef de regeering eens een nieuwe belasting uit, zoo 't heette, voor onderhoud van de wallen. Jaren later bleek het, dat de regenten de opbrengst onder elkander verdeelden. Gelijk met ambten in de steden, ging het mot de Generaliteits-posten. De heer van Borssele, in Zeeland, had in 1757 het genoegen vader te worden, en noemde zijn zoon Zoclandus. De Staten van Zeeland waren zoo verrukt over deze hoffelijkheid, dat zij besloten, den jonggeborene met het eerste ambt te begiftigen, dat van wege Zeeland in een der drie Generali-teitscollegiën zou openvallen.
De finantieele misbruiken waren niet de ergste fouten. Zij kwamen velen ten goede, die tot den fatsoenlijken stand werden gerekend, ook al waren zij geen patriciërs. Met zijn duizendvoudige armen hield deze oligarchische poliep bijkans alle standen omvat. Want ook de knechts en de meiden trokken er de voordeeltjes van. Het was volstrekt geen zeldzaamheid, dat de koetsier en de keukenmeid van mijnheer den burgemeester ambtjes kregen, waarvan zij de inkomsten genoten, schoon anderen ze waarnamen. Niet de finantiëelo misbruiken derhalve, maar de willekeur en de overmoed maakten de oligarchie het meest gehaat.
Grenzenloos waren de hoogmoed en eigenwaan, waarmede deze koningen van het land optraden. Zij trapten ieder, die niet tot hun kring behoorde. Vooral in de oostelijke provinciën, waar tal van regenten waren, vol van Duitschen adeltrots, zijn dingen voorgevallen, die ongeloofelijk schijnen. Zij lieten, in strijd met de wetten, de boeren voor zich arbeiden, zonder vergoeding. Nog leeft in den achterhoek de traditie voort van de twee adellijke hoeren, die in vijandschap met elkander leefden en diensvolgens de schoolmeesters
229
DE KEPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
hunner dorpen met elkander lieten vechten. In Holland droeg de willekeur een beschaafder kleed, maar was zij daarom niet minder drukkend. Te Amsterdam was een chirurgijns-gilde, uit oude practici, grootendeels barbiers, bestaande. Een hunner wist een burgemeester te belezen en het besluit werd uitgevaardigd, dat niemand zonder de vergunning van het gild chirurgicale praktijk mocht uitoefenen. Er ontstond bijkans een opstand onder de medische doctoren, aan de akademiën ook als chirurgen geëxamineerd. Er werd geschreven naar Engeland, Frankrijk en Duitschland. De doctorale bul gaf recht tot de uitoefening der chirurgie. Maaide burgemeesters bekreunden zich om geen bullen. De doctoren moesten zich onderwerpen of afscheid nemen van hun praktijk, zooals de vader van Bilderdijk.
Begunstiging aan den eenen, willekeur aan den anderen kant. Maar daar beleedigingen langer worden onthouden dan weldaden, verloor de regentenaristocratie, naarmate haar heerschappij duurde, meer den steun der publieke opinie. In het land, dat aan Bayle gastvrijheid verleende, Voltaire's schriften uitgaf en Chesterfield bewonderde, moest eindelijk de vraag oprijzen, met welk recht de regenten heerschten. En hoe talrijk de belangen ook waren, die aan deze aristocratie waren verbonden, er kwam een dag, dat men haar tot verantwoording riep. Toen zij den staat aan den rand van den ondergang had gevoerd, ging, als in 1672, de kreet uit naar een redder, die den historischen eerenaam van Prins van Oranje droeg.
II
Met Willem III was het geslacht van den Zwijger in de mannelijke lijn uitgestorven. Maar er waren afstammelingen van de vrouwelijke zijde. Een dochter van Erederik Hendrik was met haar neef, den Erieschen stadhouder, gehuwd geweest. Haar kleinzoon, Johan quot;Willem Eriso, was bij Willem's
230
DER ACHTTIENDE EEUW.
dood een jongen van elf jaar, op wien de Oranjepartji al haar hoop bouwde. Willem III had hem tot zijn erfgenaam benoemd en gepoogd, hem de opvolging in de voorvaderlijke betrekkingen te verzekeren, doch hij was er niet in geslaagd. Toch zou Friso, indien hij in het leven ware gebleven, een gevaarlijk mededinger der oligarchie zijn geworden. Hij was in Holland bekend en had een naam als militair. Maar in 1711 verdronk hij j* den Moerdijk.
Het wonderbaar geluk, dat de Oranjedynastie, telkenmale als zij schijnt uit te sterven, begunstigt, bleef ook ditmaal niet achterwege. Zes weken na den dood des vaders schonk zijne 22-jarige weduwe, Maria Louise van Hessen-Kassei, het leven aan een zoon. Als quot;Willem IV zou hij in de Republiek hooger rang innemen dan een zijner voorgangers.
De jaren zijner jeugd deden het niet voorzien. quot;Want hij groeide op aan het stille en eenvoudige hof zijner moeder, zonder, naar het scheen, eenige hoogere aanspraak te maken dan de zoon van den Frieschen stadhouder kon doen gelden. De rustige Maria Louise was de vrouw niet, om met den knaap rond te reizen, volksgunst na te jagen, door hom in Holland en elders aan de menigte te vertoonen. Jaren gingen voorbij, zonder dat men iets van hem hoorde, dan in tW?, toen hij een val deed, die voor zijn leven deed vreezen. quot;Wel herstelde hij, maar hij bleef zwak, ziekelijk en misvormd, naar men zei. In 1722 werd de jonge man in Gelderland tot stadhouder verkozen, tot groote ergernis van de Staten van Holland. Inderdaad was die verheffing van weinig waarde, want de Geldersche adel schonk hem een instructie , die aan het stadhouderschap alle macht ontnam. Zijn naam werd daar eenvoudig gebruikt als middel, om het volk in de bestaande staatsorde te doen berusten.
Ruim zeventien jaar oud verliet hij eindelijk Friesland, om zijn opvoeding aan de Utrechtsche Academie te voltooien. Liefst was hij naar Leiden gegaan, maar Holland had be-
231
DE REPUBLIEK IX DE EERSTE HELFT
zwaren opgeworpen. Het duchtte den invloed van den naam, ook waar de persoon geen vrees scheen in te boezemen.
liet zou echter eerlang blijken, dat de traditie al even gevaarlijk voor hen was, als persoonlijke verdienste. Deze jonge man had niets om zich aan te bevelen als hoofd van een partij, dan zijn naam. Maar deze was glorierijk genoeg om hem te verheffen.
In 1729 werd do Hollandsche regentenoligarchie verontrust door het bericht, dat de jonge Friso in den Haag zou komen. Slingeland, die ontevreden was over den tegenstand, dien hij in de Staten vond, hoopte dat zijn bezoek hen wat leniger in zijne hand zou maken. De vrienden van het stadhouderschap zagen hem met blijdschap komen en bereidden hem een schitterende ontvangst. Toch zagen zij er een weinig tegen op, want er liepen allerlei vreemde geruchten over zijn gruwelijke leelijkheid als anderszins. Doch het viel mede. Mooi was hij niet, maar hij had helder blauwe oogen en een innemend gelaat. Voeg daarbij groote minzaamheid, zelfvertrouwen, gemakkelijke manieren en de stellige bedoeling om voor zich in te nemen. Hij sprak gemakkelijk en goed en maakte den indruk van een ontwikkeld en verstandig man.
De vier weken, die do Prins in 1729 in den Haag doorbracht, waren een aaneenschakeling van feesten, diners en soupers, die hij met talent en lijdzaamheid doorstond. Van Lijnden, de burggraaf van Nijmegen, en de Engelsche gezant Chesterfield deden alles om hem schitterend te onthalen en hem als Prins van Oranje door hun onthaal te doen schitteren. De lagere volksklasse, zooveel jaren aan een vertegenwoordiger van het geliefde, vorstenhuis ontwend, zag weereen Oranje gehuldigd door de vreemde ministers, de aanzienlijken des lands, de hooge militairen en die groote massa, die te allen tijde bij elk volk monarchaal is, omdat zij liever geregeerd, ja verdrukt wordt door haar meerdere, dan door haars gelijken in stand.
232
DEK ACHTTIEXDE EEUW.
Voor Chesterfield, den Engelschen ambassadeur, gold een bijzondere reden. Hij was naar de Nederlanden gekomen om voor dezen jongen Prins te werken. Zijne regeering had een huwelijksverbintenis op het oog.
George II van Engeland had verscheiden kinderen. De oudste van allen heette Anna. Zij was indertijd ten huwelijk gevraagd voor Lodewijk XV van Frankrijk, maar haar vader had hare hand geweigerd, omdat hij, die de kroon van Engeland aan zijn Protestantsch geloof dankte, niet vergunnen kon dat zijne dochter katholiek werd. Deze teleurstelling had Anna zeer aangegrepen, omdat zij zeer eerzuchtig was en het eerste huwelijksaanzoek door geen tweede gevolgd werd. Het was te erger voor haar, omdat zij het vooruitzicht niet verdragen kon, in Engeland te leven. Haar ouders lagen met hun zoon, den Prins van Wales, bitter overhoop. Ook Anna, die haar bijzondere redenen er voor had. Zij vergaf het dezen broeder, jaren na haar geboren, evenmin als een nog jongeren, dat zij bestonden. Leefden zij niet, dan ware zij na 's vaders dood koningin geworden. Zij dacht er niet aan, deze eerzuchtige jaloezie te verbergen; eens zei zij ronduit aan haar moeder: âIk wou, dat ik geen broeders had, dan zou ik u opvolgen.quot; Toen deze haar bestrafte, antwoordde zjj heftig: âIk wil graag morgen sterven, als ik vandaag koningin mag zijn.quot; De gedachte dat zij van dien broeder eens afhankelijk zou zijn, was haar ondraaglijk. Elke uitredding scheen welkom.
In November 1783 kwam Willem in Engeland aan, om de geliefde van zijn hart naar hot altaar te voeren. De Engelsche natie, die de Hannoversche vorsten om hun onschadelijkheid verdroeg maar verachtte, word door de tegenwoordigheid van een Oranje tot een geestdrift verleid, die voor de regeerende dynastie bijna beleedigond was. Met adressen werd hij overstroomd, waaronder sommige van zeer dubbelzinnigen inhoud. Inzonderheid dat van de City van
233
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
Londen was bij uitstek onbetamelijk. In bedekte termen gaf men te verstaan, hoe zeer men wenscbte, dat hij het voorbeeld van zijn beroemden voorganger zou navolgen, die zijn schoonvader had weggejaagd. De uitnoodiging was zonder eenig gevaar, want slechter revolutionair dan deze Willem IV was er in de wereld niet te vinden.
Hij dacht er niet aan, om een kroon te winnen, maar om een vrouw te trouwen. Anna kon, als zij wilde, zeer innemend zijn, en zij was het, toen zij Willem had leeren kennen, jegens hem. Te recht, want ook haar uiterlijke gaven behoefden een krans, eenig sieraad, dat de aantrekkelijkheid der vrouw verhoogde. Deze bruid van 24 jaren was verre van mooi, schoon behoorlijk gebouwd. Zij had levendige oogen en een frissche kleur; doch zij had de pokken gehad, waarvan de sporen haar nog ruimschoots ontsierden. Zij was klein en kort en vertoonde nu reeds een sterken aanleg om heel dik te worden. Dit menschenpaar had dus alle reden om de deugd der verdraagzaamheid jegens elkander te betrachten. Natuurlijk letten echter haar ouders meer op zijn leelijkheid dan op de geringe schoonheid van hun dochter. Vooral de koningin beklaagde haar kind, dat, zoo zij zeide, opgeofferd werd, en verzekerde aan haar vertrouwden, dat de koning Anna geheel vrij liet en niemand eenigen den minsten dwang op haar oefende. Het was volkomen waar. Dwang zou hier niets gebaat hebben. Anna was meer gewoon, haar wil aan anderen op te leggen, dan dien van anderen te volgen.
Maandag, de 23e November, was de dag, voor het huwelijk bepaald. Maar er kwam een kink in den kabel. Den vorigen dag reed de Prins naar de kerk der Hollandsche Gemeente. Onder de godsdienstoefening werd hij onwel; hij kreeg een toeval. Hij werd in zijn rijtuig gedragen en langzaam en met groote voorzichtigheid naar zijn woning vervoerd. Lang bleef hij ziek, zoodat het huwelijk onbepaald werd uitgesteld. Met de grootste koelheid behandelde hem het konink-
234
DER ACHTTIENDE EEUW.
lijk gezin. De koning vond het beneden zich, zijn toekomstigen schoonzoon te bezoeken. AVillem bracht de -wintermaanden in een der Engelsche badplaatsen door, om weer op krachten te komen. Eindelijk, in het voorjaar van 1734, was hjj hersteld en keerde hij naar Londen terug.
In den avond van den 24en Maart werd het huwelijk nu in de kleine Fransche kapel, die tot het paleis van St. James behoorde, gesloten. Aan pracht en weelde ontbrak het niet; evenmin aan toejuichingen van het volk en aan Oranjelinten en strikken, die de paarden en rijtuigen bedekten, waarin de bruidegom en zijn gevolg van Somorset-IIouse naar St. James reden. De koning hield zich gedurende de huwelijksplechtigheid goed. Maar de koningin en de zuster der bruid trokken zulke lamentabele gezichten, dat de optocht naar de kapel meer geleek op de sombere processie, die Iphigenia naar het altaar geleidde waar zij moest geofferd worden, dan op een vroolijken bruidsstoet. De prins was prachtig uitgedost; een lange pruik verborg zjjn hoogen rug voor de oogen der nieuwsgierigen. Hij was in het fluweel, rijkelijk met goud geborduurd; de diamanten knoopen werden per stuk op 300 pond sterling gerekend. Hij gaf een rijk geschenk in juweelen aan zijn bruid, die pronkte in een japon van zilverlaken, met een sleep van zes ellen lang, gedragen door de dochters van tien hertogen en graven.
Te middernacht soupeerde de vorstelijke familie in het publiek. Tegen twee uur in den morgen werd aan het afgematte paar vergund zich terug te trekken. Doch niet, om aan onbescheiden blikken te ontsnappen. Want eerst moest nog die zonderlinge vertooning, volgens onze zeden ergerlijk, in de 18e eeuw gewoon, plaats hebben, dat bruid en bruidegom, in sierlijk nachtgewaad uitgedost zich op hun bed plaatsten en de bruiloftsgasten voor zich heen lieten paradeeren. Men kan begrijpen, hoe dit illustre gezelschap, zooeven van een goed souper opgestaan en nu geroepen om Hunne Hoog-
235
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
heden in nachtkostuum hulde te brengen, ten koste van dit echtpaar zich heeft geamuseerd. De koningin zelve was dagen lang vol jammerkreten. Zij verklaarde, dat zij getroffen was geweest, neen, doodelijk verschrikt, toen zij Willem in nachttoilet, zonder pruik had zien binnenkomen. âIk drtht, dat ik flauw zou vallen, toen ik dat monster mijne dochter zag naderen. Hebt gij het wel gezien, mylord? En hadt gij geen medelijden met die arme Anna?quot; vroeg zij den volgenden dag aan Lord Hervoy. Maar deze nam de zaak kalmer op: hij hield niet van Anna en vond volstrekt niet, dat zij opgeofferd was.
Ook Anna scheen er niet zoo over te denken. Zij was met quot;Willem spoedig zeer op haar gemak en vond, dat hij volstrekt niet zoo heel leelijk was. Wel werden, bij het afscheid van hare ouders, stroomen tranen vergoten, maar vroolijk en opgewekt verliet zij niettemin Engeland, om als Prinses van Oranje in den vreemde oen eigen huis te vinden.
Doch de illusie, de aantrekkelijkheid van het nieuwe en onbekende, de begoocheling van het vreemde duurde kort. Haar wachtten teleurstellingen, grievend en pijnlijk voor een zoo trotsch en heerschzuchtig hart als het hare.
In het voorjaar van 1733 was het aanstaande huwelijk van Willem en Anna aan de Staten van Holland bekend geworden. Zij hadden onmiddellijk besloten, zoo mogelijk, het te verhinderen. De raadpensionaris Slingeland had op hun last aan don Engelschen gezant medegedeeld, dat de Staten deze verbintenis zeer ongaarne zagen, omdat zij vreesden, dat het tot verkoeling tusschen de beide rijken zou leiden. Zij waren vast besloten, âde vrije staatsregeling te handhaven op den voet, waarop zij deze laatste dertig jaar geweest wasquot;; zij hoopten daarom dat Z. M. van de zaak zou afzien. George II was door dat zonderling vertoog zeer geërgerd en had, onder breede betuigingen van vriendschap, de Staten doen antwoorden, dat hij volstrekt niet wist, welk recht zij hadden.
236
DER ACHTTIENDE EEUW 237
om zich met zijn familiezaken te bemoeien. Koeltjes hadden de Staten gerepliceerd: zij verwonderden zich, dat Z. M. de zaak als zuiver domestiek beschouwde.
Toen het huwelijk gesloten was, gaf de koning er hun kennis quot;an. De Staten wenschten hem geluk en waren wel zoo beleefd, hun hoop uit te spreken, dat, âdaar Z. M. een vrije Republiek, als de onze is, heeft verkozen tot een verblijfplaats voor zijne teer beminde dochter, zij er al het genoegen mocht vinden, welk de gelegenheid des lands en de tegenwoordige gesteldheid onzer Republiek, welker behoud ons ter harte gaat, aan haar zullen kunnen geven.quot;
Deze correspondentie deed eenigszins voorzien, wat de prinses te wachten had. Toen de Engelsche gezant op last zijner regeering gevraagd had, op welken voet zij in de Nederlanden zou behandeld worden, had hij als hoogste beleefdheid van de Staten de belofte gekregen, dat zij als Koninklijke Hoogheid zou beschouwd worden. Een Prinses van Oranje, de gade van een Frieschen stadhouder, scheen in deze regentenaristocratie geen titel te hebben. De man was maar een ambtenaar der Staten.
Indien Anna zich gevleid heeft, dat haar koninklijke rang de burgerregenten zou imponeeren, heeft zij zich bitter bedrogen gezien. Twee zaken nam zij van den aanvang waar. De aristocratische regeering veronachtzaamde haar opzettelijk, en de toejuichingen van het volk golden haar als Prinses van Oranje, niet als koningsdochter.
Toen het jonge paar te Rotterdam landde, had de magistraat de beleefdheid, het hoffelijk te ontvangen, maar te Amsterdam achtte het bestuur dit geheel overbodig. De straten waren vervuld met een opgedrongen menigte, die duidelijk haar ergernis uitsprak dat het geschut op de wallen zich niet deed hooren en dat burgemeesteren werden gemist. Eindelijk, toen de prinselijke stoet van de Haarlemmerpoort naar het Singel langzaam was voortgereden en de prins en prinses aldaar het jacht
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
238
waren binnengegaan, dat hen naar Friesland zou voeren, kwam er een pensionaris aanwandelen, om te vragen wanneer burgemeesteren hun een bezoek konden brengen. Zij werden niet meer ontvangen. In Friesland, in het vriendelijke Leeuwarden droeg de ontvangst een meer algemeen en opgewonden karakter. Maar de stille landstad had weinig van Londen en even weinig van een vorstelijke residentie. Hoe kon Anna, gewoon aan het hofleven in Engeland, zich thuis gevoelen in den kring der eenvoudige schoonmoeder, die de opmerkzaamheid trok, als zij bijzonder mooi aangekleed was? Na eenige weken in het noorden vertoefd te hebben, voerde Willem zijn jonge vrouw eindelijk naar den Haag, op het Huis in t Bosch. Daar viel aan Anna de eere te beurt, gecomplimenteerd te worden door eene commissie uit de Staten van Holland. De prinses mocht het wel op prijs stellen, want de Staten hadden uitdrukkelijk besloten, dat dit nu maar voor eens, slechts een extraatje was, omdat zij voor den eersten keer hier vertoefde; in het vervolg zouden zij deze beleefdheid niet meer bewjjzen. Niet alleen het college van de Staten, maar ook de leden stelden zich persoonlijk blijkbaar schrap. De Oranjepartij zou zien, dat zij niet gewonnen had door de aanwinst van een vreemde prinses. De regentendames verwachtten het eerst door de vrouw van den ambtenaar gegroet te worden, en niet alleen de gehuwden, maar ook de ongehuwde juffers. De Fransche ambassadeur beweerdfe, dat Anna het eerste bezoek aan zijn vrouw moest brengen. En ook de Engelschen in den Haag ' vermeerderden de verwarring; zij maakten bezwaar, om de woning van een ambtenaar der Staten te betreden. De geringschatting, waarmede de stadhouder van een souvereine provincie in de residentie van Holland bejegend werd, is zeker zelden in scherper trekken uitgesproken, dan in de woorden der Engelsche koningin aan den gezant in den Haag: âhet komt mij voor, dat de gentlemen in Holland hun hulde aan Anna kunnen bewijzen, ofschoon zij in het huis van den Prins
DER ACHTTIENDE EEinV.
van Oranje is niet als zijn vrouw, maar als des konings dochter.quot; Slechts de passiviteit van een quot;Willem IV kon een dergelijke scheeve en valsche positie verdragen.
Doch ook Anna gevoelde maar al te goed de diepe krenkingen, die haar werden aangedaan. En toen in Juli Willem naar het keizerlijke leger vertrok, ging zij naar Engeland, dat zij voor drie maanden met zooveel blijdschap had verlaten. In Holland had zij het ouderlijk huis liefgekregen, zoo lief, dat zij smachtte om er te kunnen blijven. Zij bleef te Londen, de eene week voor, de andere na, onder voorwendsel van zwangerschap, wat onwaar was. Slechts het uitdrukkelijk bevel van haar vader en de dringende vertoogen van Willem konden haar eindelijk bewegen om in haar ballingschap terug te keeren. Tevergeefs had de Engelsche gezant in den Haag, Horace Walpole, haar op haar eigen verzoek den indruk gemeld, dien haar lange afwezigheid maakte. De aanhangers van het Oranjehuis waren er zeer ontevreden over; zij zou, beweerde men, de belangen van Willem zeer benadeelen, indien zij in Engeland moeder werd. Anna was diep ongelukkig over dien brief; zij bleef den ge-heelen morgen na de ontvangst huilen en liep eindelijk met roode oogen en natte wangen naar haar moeder. Koningin Caroline trok partij voor haar dochter en schreef aan Walpole, dat hij zich bepalen moest tot zijn politiek en zich niet bemoeien met zaken, die hij niet begreep. Hij had zeker dat mooie advies gegeven, omdat hij zich verveelde en de prinses noodig had, om whist met haar te spelen! Desniettemin moest Anna eindelijk toegeven. In het laatst van December keerde zij in Holland terug.
Slechts nog eenmaal is zij in Engeland geweest. Het was in 1737. na den dood harer moeder. Zij begreep, dat haar vader, die geheel door zijne vrouw was geleid, een nieuwe raadsvrouw noodig had, en achtte zich zelve daartoe het meest geschikt en bevoegd. Zij ijlde naar Engeland, om haar
239
1)E REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
taak te aanvaarden. In haar ongeduld was zij onhandig genoeg, het ware doel van hare reis uit te spreken. George II, die het vernam, vergaf het zijne dochter niet. Hij dwong haar, na een kort verblijf, Engeland te verlaten.
Sinds was zij gebannen in het land, dat zij eenmaal als een veilige schuilplaats voor de moeielijkheden, die haar in de toekomst bedreigden, had aangezien. Jaren achtereen had zij hier grievender bejegeningen, zwaarder krenkingen dan zij ooit had kunnen gissen, te verduren. Zij moest leven in een Republiek, onder het bestuur van regenten, zorgvuldig bedacht om alles te vermijden, wat het aanzien van het geslacht, waartoe zij behoorde, verhoogen kon; leven aan de zijde van een echtgenoot, die, zonder zijne aanspraken te verloochenen, met philosophische of religieuse kalmte zijn geringen staat in do Republiek verdroeg; leven, telkens teleurgesteld in haar hoop om moeder te worden en niet voor 1743 zich verheugende in het bezit van een dochter, het eerste kind, dat leven bleef.
Er is weinig of niets bekend van de verhouding, die tus-schen deze echtelingen heeft bestaan. Wa; wij van Anna weten als Prinses van Oranje, is volkomen in overeenstemming met haar verleden, zooals het boven geschetst werd. De eerzuchtige vrouw heeft, slechts door noodzakelijkheid gedwongen, zich geschikt in de ondergeschikte plaats, die haar in do Republiek was aangewezen. Het is niet te betwijfelen, dat tusschen haar en Willem in menig opzicht scherp verschil van inzicht heeft bestaan. Evenmin, dat zij dikwerf haar zin heeft doorgezet, maar niet altijd in het belang van de zaak, die zij voorstond. Yerwonderen kan het niet. Haar kennis van de toestanden in de Republiek dankte zij aan Willem, en deze was de man niet om haar te sterken in haar hooge eischen.
De Friesche stadhouders uit 1 gt;t geslacht van Nassau hadden altijd een tweede plaats in d^ Unie ingenomen. In hun eigen
240
DER ACHTTIENDE EEUW.
stadhouderschappen hadden zij nooit dien invloed bezeten, dien de Oranje's in Holland uitoefenden. Hun macht was in Groningen en Friesland steeds meer beperkt geweest. Zij hadden zich daarin geschikt uit voorzichtigheid, want zoo zij de twee gewesten tegen zich in het harnas riepen, liepen zij gevaar, het stadhouderschap in het geslacht der Holland-sche neven te zien overgaan. Frederik Hendrik had in 1640 een poging daartoe gedaan en Friesland en Groningen bij zijn andere stadhouderschappen willen voegen. Slechts met moeite hadden de Friesche Nassau's zich nevens de zooveel machtiger Hollandsche stadhouders staande gehouden. In de Uepubliek telden zjj weinig mede. In vredestijd dacht niemand aan hen. In oorlogstijden stonden zij onder de Hollandsche stadhouders, wien al de roem van den krijg en het beleid der diplomatieke betrekkingen ten deel viel.
Een dergelijke ondergeschikte plaats en verplichte voorzichtigheid werken doodend op de energie. De geest van initiatief was in deze vorsten ondergegaan en vervangen door passief geduld. Afwachten, lijdzaam afwachten wat de gunst der fortuin hun brengen mocht, dat was de hoofdeigenschap van dezen zijtak der Nassau's.
Traditioneele karaktertrekken worden erfelijk, waar de uitkomst ze tot deugd en wijsheid schijnt te stempelen. Willem IV had een jeugd achter zich, die hem passiviteit voor do hoogste politiek deed aanzien. Meer dan een zijner voorgangers, had hlJ de macht der Hollandsche aristocratie, haar euvelmoed, die voor niets terugschrikte, keren kennen. Als stadhouder van Friesland had hij het recht, om in den Eaad van State zitting te nemen. Holland had eigenmachtig het hem belet. Als erfgenaam van quot;Willem III was hij markgraaf van Veere en Ylissingen. Holland had de Staten van Zeeland gedrongen, het markgraafschap te vernietigen. Rechten, hem wettig toekomende, had Holland's invloca en overwicht doen schenden.
Tegen een oligarchie, die voo,quot; niets terugdeinsde om hem
16
241
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
te vernederen en in het eigenbelang der duizenden regenten in de verschillende gewesten haar bolwerk had, gevoelde hij zich machteloos. Den strijd met haar aanbinden durfde, waagde hij niet. Hij handhaafde zijne rechten slechts, door den afstand te weigeren. De som gelds, die Zeeland hem voor Veere en Vlissingen bood, weigerde hij aan te nemen. Toen men hem slechts een ondergeschikten rang in het leger aanbood, weigerde hij hem te bekleeden. Daartoe bepaalde hij zich. Tot meer bezat hij de kracht niet. Om als partijhoofd op te treden en zijn duizenden aanhangers in den lande om zich te vereenigen, miste hij het domineerend overwicht, dat den jongen Willem III had verheven. Zijne vrienden liet hij werken; zijne tegenstanders zocht hij door vriendelijkheid te winnen; verder ging hij niet.
Hij wachtte af, geduldig en berustend in de macht der traditie en in de gehechtheid des volks aan zijn geslacht.
In 1747 werd dat vertrouwen beloond. Toen de vijand voor de poorten stond en de Republiek haar ondergang nabij scheen, eischte het volk zijne verheffing.
Het was Donderdag 11 Mei, Hemelsvaartsdag. Amsterdam was rnet vlaggen en wimpels gesierd en op de straten joelde en verdrong zich de menigte. Op het Singel tegenover de Luthersche Nieuwe kerk, op dezelfde plaats waar voor dertien jaar de stadhouder zijn jonge vrouw het jacht had binnengeleid, dat haar naar Friesland zou voeren, zonder dat de Amsterdamsche magistraat het noodig had geacht hen te begroeten, stapten thans de Prins en de Koninklijke Hoogheid aan wal. Ditmaal was de regeering aanwezig en overstroomde hen met huldebewijzen. âOns vertrouwen is naast God op Uwe Hoogheid gevestigdquot;, zeide zij. Het woord was waarheid, zelfs in ruimer zin dan de Amsterdamsche regeering bedoelde. .Niet alleen verlossing van den buitenlandschen vijand, ook redding van het despotisme der regenten werd van Willem IV gewacht.
242
DER ACHTTIENDE EEUW.
III
Er is geen enkele der Oranjevorsten, aan wien grooter macht is geschonken, dan aan den man, die in Mei 1747 als stadhouder van al de geünieerde gewesten optrad. Met de verheffing van Willem IV eindigde de afzondering, waarin tot dusver Friesland en Groningen tegenover de andere provinciën hadden geleefd. In zijne handen waren de stadhouderschappen van al de gewesten voor de eerste maal vereenigd. Een der struikelblokken, die tot dusver de vestiging van een krachtig, algemeen bestuur hadden in den weg gestaan, was opgeruimd.
Gelijktijdig viel een tweede. De opvolging in de vaderlijke betrekkingen werd erfelijk verklaard in zijn geslacht, zoowel in de manneljjke als in de vrouwelijke lijn. Voor de vestiging van een eenhoofdig bewind ontbrak niets dan een hooger titel en de openlijke toekenning van hooger rechten.
Onder de aanhangers van het Oranjehuis was ernstig sprake, hem tot Graaf te verheffen. Zoo Willem den overwegenden invloed, dien de omstandigheden hem hadden geschonktn, had willen aanwenden tot die verheffing, de regentenaristocratie ware onmachtig geweest, het te verhinderen. De geestdrift des volks, dat vol vertrouwen tot hem opzag en genezing van alle wonden verwachtte, zou hen tot toegeven gedwongen hebben. Maar Willem IV dacht er niet aan. Hij verklaarde, dat hij geen hooger eerzucht kende, dan het voorwerp der liefde en hoogachting van een vrij volk te zijn.
Toen hij het bestuur aanvaardde, moest die vrijheid worden gehandhaafd tegen het buitenland. Frankrijk's legers stonden op het grondgebied der Republiek en dreigden haar te oyer-heeren. Als kapitein-generaal der Unie had Willem IV het opperbevel over de troepen van den staat. Hij dankte zijne krijgskundige kennis aan de boeken, niet aan de practijk.
243
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
De gevolgen bleven uiet uit. Yol vertrouwen in eigen inzicht, lag hij spoedig met de generaals, zoowel der Republiek als van Engeland, overhoop. quot;Waldeck verliet vertoornd het leger en het land; de hertog van Cumberland, Willem's jonge zwager, bestormde de Engelsche regeering met klachten over den Prins en den staat. Bergen op Zoom, ofschoon van alles ruimschoots voorzien, werd door de Franschen verrast en uitgeplunderd. De 80-jarige bevelhebber Crönstrom had nog bijtijds zich op een paard doen hijschen om te ontsnappen. Gelukkig deed de vrede, wat de krijg niet vermocht: hij waarborgde 's lands vrijheid tegenover het buitenland.
Doch de militaire aangelegenheden werden betrekkelijk weinig geacht wegens het gewicht der binnenlandsche moeielijk-heden. Geweld en oproer waren aan de orde van den dag. In alle steden van Holland, in Groningen en Friesland, ja, overal waren alle rust en orde gedurende anderhalf jaar volkomen geweken. Het gemeen op de straten, de burgers in hun vergaderzalen deden eischen hooren, ook nadat aan den eersten, de herstelling van het stadhouderschap, was voldaan. Nooit had vóór dezen de Republiek in een zoo alge-meene gisting en verwarring verkeerd, gedurende zoo langen, tijd, als thans. In 1672 hadden ook de onlusten voortgeduurd na de herstelling van Willem III, maar toen Johan de quot;VVitt als het slachtoffer van den volkshaat was gevallen, was langzamerhand de wilde stroom in zijne bedding teruggekeerd. Thans viel niemand door de handen van het gemeen, maaide bewegins: duurde steeds voort. In 1672 was het een
O O
politiek systeem geweest, dat men in zijn eminenten representant had getroffen. Thans gold het een maatschappelijken stand, geen persoon. Die stand moest getroffen, zijn overwicht verbroken worden. Als aan dien eisch was voldaan, zou de orde vanzelf terugkeeren.
De beweging van het jaar 1747 is in hoofdtrekken aan ieder bekend. Men heeft de huizen van pachters geplunderd,-
244
DER ACHTTIENDE EEUW.
die gehaat waren en het verdienden. Men heeft regenten bedreigd en ze laten loepen. Men heeft ze beschuldigd van diefstal, waaraan zeker velen schuldig waren: ten minste, indien het in een geordende maatschappij diefstal moet heeten, dat men van zijn invloed als regeeringslid gebruik maakt, om de belastingen te ontduiken. Men heeft geëischt, dat de belastingen niet meer werden verpacht, en het verkregen. Men heeft verlangd, dat de ambten publiek werden geveild en aan de meestbiedenden toegewezen: waarom zou een rijk burger niet een betrekking mogen koopen, even goed als een lid der regentenaristocratie? Men heeft het ontslag gevorderd van ambtenaren, die openlijk bekend stonden als hoofden der oligarchie; zuivering der regentencollegiën; afschaffing der contracten van correspondentie; onderzoek naar het finantieel beheer der regenten enz. Het volk, de burgerij heeft veel geëischt, verstandige en onverstandige dingen; vriendelijk en met hooge, dreigende woorden; met kracht van argumenten en met ruw, lomp geweld.
Maar in al deze eischen, billijke zoowel als onbillijke, straalde één hoofdgedachte, één hoofdeisch door: hervorming van de staatsorde, door de aristocratie aan band te leggen en het volk te vrijwaren voor haar despotisme. Daartoe was de Prins van Oranje door de natie geroepen; dit vreesden zijne tegenstanders, dit hoopten zijne aanhangers van hem.
Maar beiden bedrogen zich. Willem IV dacht er niet aan, om aan zulke verwachtingen te voldoen. Hij was een man, die veel wist. Men zegt, dat zijne historische kennis zeer groot was. Vermoedelijk heeft hij veel feiten van buiten gekend, maar begrepen heeft hij ze niet. Een helder inzicht in de vorming, ontwikkeling en verbastering der Republiek miste hij volkomen. De Hollandsche Nassau's hadden allen uitgemunt in helderheid van verstand, schoon hun feitenkennis misschien zoo heel groot niet was. Willem IV is de eerste van die drie vorsten uit den Frieschen tak, die rijker aan
245
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
kennis dan aan inzicht waren. Van koning quot;Willem I heeft een man, die jarenlang zijn secretaris was, gezegd, dat hij zijn carrière gemist had: hij had niet koning, maar commies moeten zijn. Hij leefde in détails en ging er in onder. Met quot;Willem IV vangt deze noodlottige eigenschap aan, haar invloed in onze historie te doen gelden.
Hij miste alle ruimte van blik, alle breedheid van overzicht. De enkele feiten hielden hem bezig, maar niet het karakter der beweging. Hij begreep ze niet. En daarbg voegde zich het noodlottigste van alles: zijn gemakzucht, die zijn bewonderaars nederigheid heetten. Tegen het streven en den wensch van velen, die hem tot souverein, onder welken titel ook, wilden verheffen, verzette hij zich nadrukkelijk. âHij begreepquot;, zei hij, âdat hij thans al het gracieuze bezat, en dan ook het ingracieuze, het leggen van belastingen, het maken van crimineele wetten, het aangaan van lastige verbonden tot zijn last zou krijgen, terwijl nu het ongenoegen daarvan op de Staten viel.quot;
Zelden zijn gebreken, die vrij alledaagsch zijn en er geen j aanspraak op mogen maken om onder de hoofdzonden een ' eereplaats in te nemen, een volk duurder te staan gekomen dan deze. Er is geen twijfel aan, dat de volksuitbarstingen in den aanvang aangemoedigd en gevoed zijn door personen uit zijn naaste omgeving. Hij zelf heeft een tijdlang openlijk gunst betoond aan degenen, die bij de aristocratie om den invloed hunner pen doodehjk gehaat waren. Maar dit weerhield hem volstrekt niet, om, toen het stadhouderschap en de erfelijkheid waren aangenomen, zich van hen af te wenden, aan wier gehechtheid en vertrouwen hij de plaats #ankte, die hij innam. Hii meende, dat door zijn verheffing aan alle billijke eischen was voldaan, en gaf er zich volstrekt geen rekenschap van, dat hij, de in Holland genoegzaam onbekende Friesche prins, niet ingeroepen was om zijn persoon, maar om de daden die men van hem wachtte. De regenten
246
DER ACHTTIENDE EEUW.
meende hij te imponeeren door praal en vorstelijken luister, het volk door vriendelijke woorden en streven naar populariteit. Maar den eenigen weg om zich waarachtig te doen beminnen en eerbiedigen, sloeg hij niet in. Hij offerde de hooge belangen, die hem waren toevertrouwd, op, om hen, die de tegenstanders van zijn geslacht en van het volk waren, voor zich te winnen.
De verpachting der belastingen was eene der zwaarste grieven, omdat de gevolgen het diepst gevoeld weiden. Men eischte hun afschaffing. De Staten en de Prins weigerden. Maar het volk volhardde, en groote en kleine steden waren het tooneel van heftige onlusten. De vrees deed, wat politiek overleg had moeten tot stand brengen. De Prins veranderde op eenmaal van inzicht en beval de afschaffing bij de Staten aan, weinige dagen nadat hij zich voor het behoud had verklaard. Niet overtuiging, niet staatkundig inzicht, maar dwang bracht hem er toe om aan rechtmatige eischen zijn invloedrijken steun te verleenen.
Toen hij stadhouder werd, waren alle posten in handen zijner tegenstanders. Zijn partij drong op zuivering der regee-rings-collegiën, op verwijdering van de hoofden der oligarchie aan. Willem IV wilde er niet van hooren. Opnieuw bracht geweld tot stand, wat beleid had moeten uitwerken. In de verschillende steden werden eenige regenten ontslagen en door anderen vervangen.
Vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk het Willem IV zou gevallen zijn, eene staatshervorming in het leven te roepen, die den wortel der kwaal uitroeide. Toen het stadhouderschap was hersteld, waren er onder de gisteren zoo trotsche regenten velen, die thans voor hem kropen en hun vroegere genooten verrieden en aanklaagden. Contracten van correspondentie werden den Prins medegedeeld. Hij vernietigde ze, maar zonder den burgerijen in de steden eenig aandeel in de verkiezingen te schenken. Had hij aan de gilden, de schutterijen
247
DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT
en dergelijke stedelijke corporaties invloed op de magistraats-verkiezing toegekend, hij had genoeg gedaan. De macht, die hij aan de regenten ontnam, nam hij voor zich. Hy wees voortaan de burgemeesters en schepenen aan uit de voordracht der besturen. Natuurlijk, dat de regenten zorgden, zich en de hunnen voor te dragen. Willem IV had er niets tegen; integendeel, hij ging zelfs zoo ver, dat hij tal van mannen, die hij in 1748, om het volk tevreden te stellen, had ontslagen, in 1750 opnieuw in de regeering stelde.
Aan de gunst der oligarchie scheen dezen Prins van Oranje alles gelegen. Naar haar luisterde hij, op haar vertrouwde hij, in haar midden leefde hij. De couranten dier dagen vermeldden, gelijk dit in vorige tijden het geval was, allerlei bijzonderheden omtrent vorstelijke personen. Men staat verbaasd, wanneer men ze doorbladert, over de collectie diners en soupers, die Willem IV heeft bijgewoond. En bij wie? Bij de hoofden der tegenpartij, bij mannen, die bekend zijn om de hardnekkigheid van hun verzet, die jaren achtereen de ziel waren geweest van de vijandschap van Holland.
Met het gewone zelfbedrog van hen, die hunne tegenstanders even zwak, even weifelend, even beginselloos achten als zy zelve zijn, jaagde hij do gunst zijner vijanden na. Hij won ze niet, hij won slechts hun minachting en sterkte hen slechts in de overtuiging, dat het stadhouderschap volkomen overbodig was. En zij hadden recht. De stadhouder was overbodig, die geen hooger eerzucht had, dan mederegent nevens de oude regenten te zijn.
In het koninklijk huisarchief in den Haag berust een uitgebreide verzameling bescheiden en correspondentiën, die tot dusver onbekend waren. Daaronder behooren twee memo-riën van groot gewicht. Zij zijn van de graven Bentinck en Gronsfeld. Zij bevatten een geheel plan van politieke hervorming: de instelling van ministeriën enz. Maar zij bevatten tevens een critiek van de gedragslijn, door Willem IV ge-
248
DER ACHTTIENDE EEUW.
volgd, die door de kortheid en hoffelijkheid der termen des te vernietigender is. âDe macht der schijnbaar overwonnen partijquot; â schrijft Bentinck â âis ongeschokt. Hunne verbintenissen duren voort en hun plannen zijn dezelfde. Het tegenwoordig gouvernement haten zij en zij doen alles, om het te ondermijnen. Zij verleiden den Prins tot maatregelen, die hem de achting rooven, en weerhouden hem van doortastende hervormingen, die geëischt worden. Als zij het stadhouderschap zullen beroofd hebben van hot vertrouwen, dat het volk het toedroeg, zullen zij, gesteund door Frankrijk, op 1747 terugkomen en de macht des Prinsen openlijk aanvallen. Men rekene niet op het volk, niet op de burge-rijen. Hun gehechtheid en liefde is geheel ondermijnd. De groote meerderheid van hen, die de beurs te Amsterdam bezoeken, en van de burgerij aldaar is tegen den Prins. Uwe Hoogheid make zich geen illusie en bedriege zich niet omtrent de ware stemming der gemoederen. De klachten over den Prins zijn algemeen.quot;
Het was 23 Augustus 1751, toen Willem Bentinck deze memorie aan Anna van Hannover aanbood. Reeds voor twee jaar had hij hetzelfde geschreven. Maar hij werd niet geloofd. Willem's zoogenaamde politiek van afwachten was immers door de uitkomst gekroond. Vredelievendheid, die strijd en botsing vermeed, scheen hem een waardige rol voor het hoofd van een staat toe. En Anna werd door persoonlijke consi-deratiën weerhouden, om Bentinck te gelooven. De hooghartige edelman was te weinig plooibaar en boog niet diep genoeg voor haar koninklijken rang; zij wilde daarom aan zijn sombere voorspellingen niet gelooven. Deze profeet van kwade dagen was te trotsch, te zelfstandig, te eigenwijs in haar oog.
En in zijn eigen wijsheid verspeelde dit stadhouderschap het vertrouwen der burgerij, de toekomst van het land en van zijn eigen geslacht. Toen Willem IV na een korte ziekte stierf, jammerden de ofïiciëele lofredenaars, dat hij door on-
249
250 DE REPUBLIEK IN DE EERSTE HELFT DER ACHTTIENDE EEUW.
matigen arbeid voor het land zijn gezondheid had ondermijnd. Het was de waarheid in zekeren zin. Hij had zeldzaam veel audientiën gegeven, veel gelezen, veel geschreven, veel plannen gemaakt, veel ontwerpen ontworpen en veel diners en soupers bijgewoond. Maar hij had ééne zaak niet gedaan. Hij had de locaio aristocratie niet verlamd door aan de burgerij een aandeel in het bestuur te geven en hij had de macht van een algemeen bestuur niet gehandhaafd. Toen hij stierf, viel niet het hoofd van een staat, maar slechts een regent weg.
Toch waren de vier jaren van zijn zoogenaamd bestuur voor ons volk van groote beteekenis. De democratie â na weinige jaren zou zij dien naam dragon â had voor de laatste maal een beroep op het Oranjehuis gedaan. Het was ver-geefsch geweest. Voortaan was het stadhouderschap niet meer het redmiddel, waarnaar de natie grijpen zou. Integendeel, het werd een struikelblok, dat te heftiger bestrijding zou vinden, naarmate van de oprichting meer was gewacht.
Den afgod, dien het volk had verheven, zou het met inspanning van alle krachten pogen neer te werpen. En die krachten waren te grooter, omdat de eerste helft der eeuw hare vrucht naliet. De afscheiding der provinciën, de onderscheiding der gewestelijke belangen was ondermijnd. De regentenaristocratie had door hare contracten van correspondentie den PTollander nader gebracht aan den Fries, den Zeeuw aan den Geldersman. Het eigenbelang der bevoorrechte standen had de scheidsmuren halverwege afgebroken, die de provinciale souvereinen scheidden. En de revolutie van 1747 had dat werk voortgezet. Het stadhouderschap over al de gewesten was in één hoofd vereenigd geworden. De nationale eenheid had een reuzenschrede vooruit gedaan door het belang van bijzondere personen. Zoo werken ook de kleinste en onzuiverste motieven, die in het leven van een volk gelden, mede om den draad der nationale ontwikkeling voort te spinnen.
VIII
WILLEM Y.
WILLEM V.
I
/quot;157 het couvert, de wijn ingesloten.
Niet waar, het diner kan goed geweest zijn?
In Januari 1786 werd het in den Doelen te Amsterdam gegeven. Het was een hulde aan den Franschen koning, met wien de Republiek voor weinige weken een alliantie had gesloten. Tachtig patriotten namen er aan deel en aten en dronken ter eere van het grootmoedige Frankrijk, dat de Nederlandsche Republiek uit de doodelijke omarming van het verraderlijke Albion had verlost en aan zich verbonden. Stroomen wijns, gelijk vloeden van toasten werden er vergoten. âDe vroolijkheid en de vaderlandsliefdequot; â zoo getuigt een tijdgenoot â âbevonden zich zoo ongemeen wel op dit ver-bindingsfeest, dat zij niet dan in den morgenstond konden scheiden.quot;
Hoe zij gescheiden zijn, weten wij niet. Wel, hoe deze feestgenooten te zamen zijn geweest. Het vertoon van geestdrift kon het gemis aan overeenstemming niet verbergen. Bij het meerendeel der tachtig gastheeren was de sympathie voor Frankrijk ernstig geschokt.
Veertig jaar lang hadden de regenten-patriotten aansluiting aan Frankrijk gepredikt. In den strijd tegen den stadhouder hadden zij het ook niet versmaad, het leerstuk der volks-
WILLEM V.
souvereiniteit te liefkoozen. Maar de ervaringen der laatste jaren hadden hun geestdrift bekoeld. Het volk had hen teleurgesteld.
In 1782 had Jozef II, de keizer van Duitschland, plotseling verklaard, dat hij de tractaten verwierp, die de sluiting der Schelde bepaalden. De handel der Nederlandsche Republiek zag zich door de gevaarlijke concurrentie van Antwerpen bedreigd. De Republiek had zich tot Frankrijk om hulp gewend en diplomatieke nota's, maar geen leger, tot hulp gekregen. Zij had een vrede moeten teekenen, die wel de mededinging van Antwerpen voorkwam, maar voor geld en afstand van grondgebied werd gekocht. Frankrijk had hen teleurgesteld en het goed recht van hun handelsmonopolie niet gehandhaafd.
Nog grooter gevaar bleek de leer der volkssouvereiniteit te bevatten. Het wapen, dat tegen de stadhouderlijke macht had dienst gedaan, werd nu tegen de regenten zelve gekeerd. Met iedere overwinning der patriotsche partij vermeerderde de aandrang van de aanhangers buiten de regeeringscollegiën. De onafhankelijkheid der regenten was verworven, thans moest de beloofde volksvrijheid worden geschonken. Tevergeefs wezen de regenten hunne vroegere bondgenooten af en hielden hun voor, hoe in een welgestelde regeering de stille burgers in de resolutiën der vaderen berusten en vertrouwen hebben in hun wijsheid. âEen gedeelte des volks moest zijn stem niet laten voorkomen als die des geheelen volks en niet over de burgerij en haar wettige vertegenwoordigers willen heerschen.quot; Doch dergelijke vermaningen vonden geen ingang, en ondanks hun statigheid zagen de regenten, die het volk tegen Oranje hadden opgehitst, zich thans zelve bedreigd. Niet Dedel, niet Rendorp, niet de mannen, die den stoot tot de beweging hadden gegeven, hadden het oor des volks. Personen, door hen als werktuigen gebezigd, waren de gevierde mannen van den dag, tot wie de menigte opzag. Van Berckel, De Gjjze-
254
WILLEM V.
laar en Zeebergh, de drie pensionarissen van Amsterdam, Dordrecht en Haarlem, waren in hun plaats getreden. Hun haat tegen het stadhouderschap was feller dan hun vrees voor het volk; om het laatste voortdurend tegen het eerste te leiden, waren zij tot concessiën aan de democraten gezind. Zoo werden de regenten-patriotten door hun eigen aanhang bedreigd, de overwinning over Oranje zou tot hun eigen nederlaag leiden. Was het wonder, dat zij terug wilden keeren en het gedane zoo mogelijk ongedaan maken ? Reeds in 1784 had Capellen Van de Poll gewaarschuwd: âmen kan te veel reformeeren en te driftig te werk gaan, alles moet naar een wel berekend plan geschieden.quot; Een jaar later erkenden leden der Amsterdamsche regeering bij den Engel-schen gezant, dat zij veel te ver waren gegaan en gaarne zouden terugkeeren.
Het was een groot voordeel voor hen, dat zij tegenover een partij stonden, die in naam hun bondgenoot was en geen eigen organisatie bad. De democratische partij vormde de linkerzijde der patriotten. Zij was uitgesloten van de regeering en had, in de bestaande staatsorde, geen wettig recht om haar stem te doen hooren. De macht der regeering was nog altijd in handen der regenten. Onder dezen waren velen, doch slechts een minderheid, met democratische denkbeelden besmet. Doch ook hun eigenbelang dreef hen om de aristocratische regenten te steunen. Want de democraten konden hen niet beschermen, dan door geweld en oproer. Tijdens het gevaar van den oorlog met den keizer waren er overal exercitiegenootschappen opgericht. Het volk was gewapend en bedreigde niet minder de regenten, dan de aanhangers van het Oranjehuis. Vandaar dat ook de democratische regenten wankelden en weifelden, en beurtelings de aristocratische patriotten en het volk volgden, al naar gelang vrees of belang hen beheerschte.
Ware de volkspartij krachtig georganiseerd geweest, zij had
255
WILLEM V.
én deze weifelende medestanders én de aristocratische patriotten gemakkelijk onderworpen. Maar elke organisatie, die eenheid aan deze partij kon geven, ontbrak, evenzeer als elk bepaald programma. Zij eischte deelneming aan de regeering, maar hoe ze te verwerven en hoe ze te regelen, daaromtrent bestond geen overeenstemming.
De patriotsche partij, in twee deelen gesplitst, die slechts halverwege samengingen, vertoonde naar buiten een schijn van groote kracht, maar was door strijd van belangen, verschil van inzicht en gebrek aan eenheid feitelijk als staatspartij ontbonden, toen zij de stadhouderlijke partij het diepst had vernederd. Zij, die tot het volk overhelden, gehoorzaamden aan de leiding van den Franschen gezant en dwongen de aristocraten, hen te volgen in den strijd tegen den stadhouder, met wien dezen het liefst van allen vrede hadden gemaakt.
Indien Willem V een staatsman ware geweest, het zou hem gemakkeljjk zijn gevallen, van deze verdeeldheid partij te trekken. Maar de stadhouder, die zich te Nijmegen op het gebied der hem toegedane Staten van Gelderland gevestigd had, bleef de worsteling uit de verte aanzien, zonder in te grijpen. Niet hij, maar een vreemdeling nam de leiding zijner partij in handen.
Het was de Engelsche gezant Sir Harris, later Lord Mal-mesbury, die in December 1784 in de Nederlanden kwam. De energieke staatsman zag onmiddellijk den waren staat van zaken in. Overtuigd, dat Engeland's belang meebracht, de Republiek aan Frankrijk's invloed te onttrekken, spande hij al zijne krachten in, om don stadhouderlijken aanhang op te richten en moed in te blazen. Het grootste bezwaar leverde Willem Y zelf. Hij was niet tot handelen te bewegen. Deels uit trage vadsigheid, deels uit vrees voor het lot van koning Karei I, onthield hij zich van alle daden, die zijne partij konden herstellen. Herhaaldelijk had Sir Harris samenkomsten
256
WILLEM V.
niet Prinses Wilhelmina, die hem overtuigden, hoe ver de krachtige, scherpziende vrouw boven haar pratenden echtgenoot stond. Maar zij weigerde volstandig haar zaak van de zijne te scheiden. Den voorslag, van twee zijden haar gedaan, om Willem los te laten en zelve als Gouvernante op te treden, weigerde zij aan te nemen. In menig oogenblik zelfs scheen hel, dat de krachtige vrouw voor het inzicht van Willem bukte en afwachten de ware staatkunde achtte.
Aan den Engelschen gezant komt de eere toe, de Oranjepartij ia Holland te hebben hersteld. Hij was het, die de aristocratische regenten der Republiek deed inzien, hoe noodlottig de democratische richting der patriotten voor hen zelve was. Hij wist hen te overtuigen, dat herstel van den stadhouder in zijn oude rechten ook door hun belangen werd gevorderd. Zijn woning was het hoofdkwartier van den herlevenden stadhouderlijken aanhang, waar vooral des nachts de oude en nieuwe aanhangers het wachtwoord kwamen ontvangen en moed putten voor den kamp tegen de democratie.
Zij hadden er grootelijks behoefte aan, want de democratische regenten schenen aan de omstandigheden een volledig succes te zullen danken.
In Gelderland was de meerderheid der Staten Oranjegezind. De patriotsche partij, wier aanhang onder de burgerijen het overwicht had, vorderde hier, gelijk in Overijsel en Utrecht, waar de democraten de hoofdstad bezet hielden, afschaffing der beruchte reglementen van Willem III en het herstel dei-aloude volksvrijheid. Eequesten op requesten werden getee-kend en onderhielden en vermeerderden de spanning in het stadhouderlijk gewest. De Staten besloten deze oproerige beweging te stuiten en verboden het teekenen van requesten. Twee stadjes, Hattem en Elburg, weigerden dit hatelijke plakkaat af te kondigen en maakten zich gereed tot openlijk verzet. Willem ,V, door de Staten van Gelderland gelast,
17
257
WILLEM V.
zond er eenige troepen heen, die in beide plaatsen zonder slag of stoot de orde herstelden.
Deze executie in de souvereine provincie Gelderland had ernstige gevolgen. Toen het hericht in Holland kwam, gevoelde do geheele patriotsche partij zich bedreigd. Zoo de stadhouder de wapenen opnam, zou het leger hem volgen. Den 22⢠September namen, op voorstel van De Gijzelaar, de Staten van Holland het besluit, Willem V als kapitein-generaal der Unie en als stadhouder voorloopig te schorsen en de troepen van den eed van gehoorzaamheid, aan hem gedaan, te ontheffen. De Hollandsche troepen werden opontboden, onder een afzonderlijk generaal gesteld, en een commissie werd benoemd om Holland en Utrecht tegen het stadhouderlijke leger te verdedigen. De burgerkrijg scheen op het punt van uitbreken.
Doch beide partijen aarzelden. Zonder buitenlandsche hulp scheen geen hunner te kunnen slagen. In het geheim werden onderhandelingen aangeknoopt. De nieuwe koning van Pruisen, quot;Wilhelmina's broeder, zond een diplomatiek agent, Von Görz, om vrede te stichten. Hij sprak met de beide afdeelingen der patriotten. Hoog en kwetsend was de toon der drie pensionarissen: zij wilden van den âgraaf van Nassau,quot; gelijk zij Willem heetten, niets weten, voordat hij het schuldige hoofd boog. Hij moest bekennen, niets te zijn dan een dienaar der Staten, van hun hon plaisir blindelings afhankelijk; hij moest zelf het initiatief nemen om de gehate regeeringsreglementen af te schaffen. Na deze onderwerping zouden zij bereid zijn, het genomen besluit in te trekken. Natuurlijk werden die eischen door den stadhouder afgewezen.
Van geheel anderen aard waren de voorslagen, die de democraten, buiten de regeering staande, hem aanboden. De latere raadpensionaris Schimmelpenninck, toen jong advocaat te Amsterdam, was de tusschenpersoon. Hun voorwaarden weken verre af van die der pensionarissen. Uitbreiding van
25S
WILLEM V.
den volksinvloed op de regeering was de hoofdzaak. In alle steden zouden kiescollegiën van de aanzienlijkste burgers worden opgericht. Door hen zouden voortaan de voordrachten worden opgemaakt, waaruit de stadhouder de regenten verkiezen zou. De stadhouder zou in al zijne waardigheden worden hersteld, maar in elk van deze, als kapitein-generaal, als admiraal-generaal enz. door een raad worden bijgestaan, zonder wiens voorkennis hij niets zou mogen uitrichten.
Indien Willem V deze voorslagen had aangenomen, hij zou èn zich zelf èn den staat een grooten dienst hebben bewezen. De volksinvloed zou langs wettigen weg vele misbruiken afgeschaft en hervormingen ingevoerd hebben. De stadhouder zou voortaan voor elk der departementen, waarvan hij het hoofd was, door ervaren raadslieden zijn gesteund, die en het werk en de verantwoordelijkheid met hem deelden. De aristocratie had zich haar aanspraken waardig moeten betoenen, indien zij haar hooge plaats wilde behouden.
Maar Willem V deinsde terug. Het was een revolutionaire daad, deze plannen goed te keuren. Hij, die zich steeds op de bestaande constitutie had beroepen, kon zich niet leenen om haar omver te werpen.
Teruggestooten door het stadhouderschap, bleef den democraten niets over, dan hun eigen weg te gaan. Zij rekenden zich krachtig genoeg om te slagen, daar zij overal door de gewapende burgerijen werden gesteund. Door de samenwerking van twee krachten, geweld op de straat en de hulp van de democratische regenten in de raadzaal, zouden zij hun doel bereiken.
In het voorjaar van 1787 schenen zij hun overwinning nabij. De drie pensionarissen, inziende dat het oogenblik gekomen was, om het volk door consessiën voor goed aan zich te verbinden, werkten mede. Door De Gijzelaar's invloed deed de stad Haarlem het voorstel aan de Staten van Holland, dat er een commissie zou worden benoemd, om te onderzoeken ,
259
WILLEM V.
hoe de invloed, die aan het volk op de regeering toekomt, zou behooren geregeld te worden. Alles kwam er op aan, dat de commissie uit democraten, niet uit aristocraten werd samengesteld.
De Statenvergadering van Holland durfde het voorstel niet afslaan, maar de meeste leden hadden geen lust, zich zelve aan de democratie op te offeren. Zij trachtten eerst de benoeming op de lange baan te schuiven, doch toen dit onmogelijk werd, redden zij zich op een andere wijze. Zij benoemden tot leden der commissie negentien personen, waarvan de meesten verklaarde tegenstanders der hervorming waren.
De democraten waren misleid, maar zij wreekten zich door geweld en oproer. In de Aprilmaand van 17S7 waren de voornaamste steden van Holland het tooneel van ergerlijke volksbewegingen. De stadhuizen werden omsingeld en de vroedschappen gedwongen, do tegenstanders der democraten uit hun midden te ontslaan en nieuwe ambtgenooten op te nemen, die tot de volkspartij behoorden. Do regenten-patriotten waren verslagen, de macht in Holland was in Mei 1787 in handen der hervormingspartij.
Deze revolutionaire maatregelen wierpen de aristocratische partij in de armen der prinsgezinden. Rendorp, Dedel en de hunnen zagen thans geen redding dan in verzoening met het stadhouderschap. De oude vijanden werden bondgenooten, te zamen tegen het volk vereenigd.
Indien de democraten van hun overmacht hadden gebruik gemaakt en mot een krachtig programma waren opgetreden, zij hadden wellicht de vredesvoorwaarden aan hunne tegenstanders kunnen opleggen. Maar nu bleek het, hoe hoofdeloos zij waren. Het driemanschap der pensionarissen was met de behaalde overwinning tevreden en wist niet, wat verder te doen. Toen de Fransche gezant in Mei hun de vraag deed, wat hun plan was, luidde het antwoord: âons plan is nog een onderwerp onzer deliberatiën.quot; De waarheid was, dat zij de
260
WILLEM V.
partij, die zij heetten aan te voeren, niet vertrouwden. Zij vreesden, dat de omwenteling verder zou gaan dan zij wenschten. Zij aarzelden en bleven staan, juist nu liet noodig was, zonder omzien voort te gaan.
Die fout beging hun tegenstander niet. De Engelsche gezant, die de prinsgezinden leidde en hun verzoening met de aristocraten had tot stand gebracht, weifelde geen oogenblik. Met Bentinck's medewerking had hjj overal in Holland Oranje-socièteiten opgericht, punten van vereeniging en aansluiting voor de leden van den prinsgezinden aanhang, die in samenwerking moed en kracht moesten vinden. Onvermoeid was hij werkzaam om de aristocratische regenten tot openlijk en krachtig optreden voor den Prins te bewegen. Even weinif
O O
als de democraten zou hij voor revolutionaire maatregelen, oproeren en geweld teruggedeinsd zijn. Maar hij stiet op groote bezwaren. Hij wilde de Staten-Generaal bewegen, zich tegen Holland en het Hollandsche legertje, dat bij Utrecht stond, te verklaren. Doch daartoe was het noodig, dat Willem V openlijk aan Holland en de democraten den oorlog verklaarde. Niet dan met groote moeite liet de Prins zich o vei halen. âIk zal het doen, omdat mijne vrienden het verlangen. Mijn val wordt er door verhaast, doch met roem. Met niets uit te richten kan mijn val vertraagd worden, hij is niettemin gewis; nu voel ik nog eenige hoop.quot; Zoo jammerde de ongelukkige man, dien het noodlot zijner geboorte op een plaats had gesteld, waar hij iets zijn moest.
Toch zou Sir Harris er niet in geslaagd zijn, de Staten-Generaal tegen Holland in beweging te brengen, indien hij niet in staat ware geweest, op andere wijze hun een riem onder het hart te binden. De Engelsche regeering had langen tijd de Hollandsche onlusten met koelheid aangezien. Sir Harris vertrok in Mei naar Engeland, om Pitt, Engeland's grooten minister, van hun hoog belang te overtuigen. Hij slaagde er in en keerde in Juni in den Haag terug, met
261
WILLEM V.
hoe de invloed, die aan het volk op de regeering toekomt, zou behooren geregeld te worden. Alles kwam er op aan, dat de commissie uit democraten, niet uit aristocraten werd samengesteld.
De Statenvergadering van Holland durfde het voorstel niet afslaan, maar de meeste leden hadden geen lust, zich zelve aan de democratie op te offeren. Zij trachtten eerst de benoeming op de lange baan te schuiven, doch toen dit onmogelijk werd, redden zij zich op een andere wijze. Zij benoemden tot loden der commissie negentien personen, waarvan de meesten verklaarde tegenstanders der hervorming waren.
De democraten waren misleid, maar zij wreekten zich door geweld en oproer. In de Aprilmaand van 1787 waren de voornaamste steden van Holland het tooneel van ergerlijke volksbewegingen. De stadhuizen werden omsingeld en de vroedschappen gedwongen, de tegenstanders der democraten uit hun midden te ontslaan en nieuwe ambtgenooten op te nemen, die tot de volkspartij behoorden. De regenten-patriotten waren verslagen, de macht in Holland was in Mei 1787 in handen der hervormingspartij.
Deze revolutionaire maatregelen wierpen de aristocratische partij in de armen der prinsgezinden. Rendorp, Dedel en de hunnen zagen thans geen redding dan in verzoening met het stadhouderschap. De oude vijanden werden bondgenooten, te zamen tegen het volk vereenigd.
Indien de democraten van hun overmacht hadden gebruik gemaakt en met een krachtig programma waren opgetreden, zij hadden wellicht de vredesvoorwaarden aan hunne tegenstanders kunnen opleggen, ilaar nu bleek het, hoe hoofdeloos zij waren. Het driemanschap der pensionarissen was met de behaalde overwinning tevreden en wist niet, wat verder te doen. Toen de Fransche gezant in Mei hun de vraag deed, wat hun plan was, luidde het antwoord: âons plan is nog een onderwerp onzer deliberation.quot; De waarheid was, dat zij de
260
WILLEM V.
partij, die zij heetten aan te voeren, niet vertrouwden. Zij vreesden, dat de omwenteling verder zou gaan dan zij wenschten. Zij aarzelden en bleven staan, juist nu het noodig was, zonder omzien voort te gaan.
Die fout beging hun tegenstander niet. De Engelsche gezant, die de prinsgezinden leidde en hun verzoening met de aristocraten had tot stand gebracht, weifelde geen oogenblik. Met Bentinck's medewerking had hij overal in Holland Oranje-sociè'teiten opgericht, punten van vereeniging en aansluiting voor de leden van den prinsgezinden aanhang, die in samenwerking moed en kracht moesten vinden. Onvermoeid was hij werkzaam om de aristocratische regenten tot openlijk en krachtig optreden voor den Prins te bewegen. Even weinig als de democraten zou hij voor revolutionaire maatregelen, oproeren en geweld teruggedeinsd zijn. Maar hij stiet op groote bezwaren. Hij wilde de Staten-Generaal bewegen, zich tegen Holland en het Hollandsche legertje, dat bij Utrecht stond, te verklaren. Doch daartoe was het noodig, dat AVillem V openlijk aan Holland en de democraten den oorlog verklaarde. Niet dan met groote mofiite liet de Prins zich overhalen. âIk zal het doen, omdat mijne vrienden het verlangen. Mijn val wordt er door verhaast, doch met roem. Met niets uit te richten kan mijn val vertraagd worden, hij is niettemin gewis; nu voel ik nog eenige hoop.quot; Zoo jammerde de ongelukkige man, dien het noodlot zijner geboorte op een plaats had gesteld, waar hij iets zijn moest.
Toch zou Sir Harris er niet in geslaagd zijn, de Staten-Greneraal tegen Holland in beweging te brengen, indien hij niet in staat ware geweest, op andere wijze hun een riem onder het hart te binden. De Engelsche regeering had langen tijd de Hollandsche onlusten met koelheid aangezien. Sir Harris vertrok in Mei naar Engeland, om Pitt, Engeland's groeten minister, van hun hoog belang te overtuigen. Hij slaagde er in en keerde in Juni in den Haag terug, met
261
2g2 WILLEM V.
70 000 pond sterling in den zak, die de goede gevoelens zouden versterken. Het was een klein sommetje in vergelijking van de millioenen, die de Fransche regeciing, on an s haar eigen geldgebrek, er voor over had gehad om de patriotten te steunen.
Van Engeland's steun verzekerd, ving thans de reactie aan.
Gelderland, Friesland, Utrecht en Zeeland sloten zich aaneen. Daar zij de meerderheid vormden in de veigadeimg er Staten-Generaal, dreven zij verschillende besluiten tegen e Hollandsche democraten door. Het krijgsvolk, door Holland betaald, werd in naam der generaliteit gelast, geen bijzondere bevelen van eenig gewest te gehoorzamen. De krijgslieden, tusschen Holland en de Unie geplaatst, werden bewerkt om de rij der democraten te verlaten. Gelijktijdig vingen de prinsgezinden en de aanhangers der patricische regenten aan, zich op de straat te vertoonen. Het geweld, de dwang, zoo Ian-en tijd door de patriotten uitgeoefend, werd thans een wapen in de handen hunner vijanden. Het vertrouwen der Oranjepartij wies, terwijl dat der democraten daalde. Overal heerschte geweld en oproer, doch thans ten gunste der Oranjepartij. De democraten moesten den aanval staken, om zich te verdedigen. âTwee derde van het land kiest partij voor den Prins; zoo hij den moed had met zijn leger een krachtige beweging te maken, zou het morsche gebouw van het patriotisme ineen zakken.quot; Zoo oordeelde de^ Engelsche gezant, zoo Hogendorp, zoo oordeelden allen, die in staat waren, van nabij den staat van zaken gade te slaan.
quot;Willem Y, in naam de opperbevelhebber van een legertje, dat het patriotische Utrecht heette te belegeren, maar in waarheid niets deed, had zijn hoofdkwartier te Amersfoort gevestigd. Daar werd hij door de meesten zijner raadslieden dagelijks vermaand, om een krachtig besluit te nemen. Sommigen wilden, dat hij aan het hoofd van zijn leger Holland zou binnentrekken, om de revolutie neer te werpen. Zoo hij
WILLEM V.
zich tegen de geüsurpeerde macht der democraten verklaarde, zoiL, meenden zij, zijn tocht een zegetocht worden. Anderen achtten het reeds voldoende, indien hij als stadhouder met een glansrijk en talrijk gevolg naar den Haag wederkeerde. Zijn terugkomst in de hofstad, wier burgerij groote schade had geleden door het gemis van het hof, zou voldoende zijn om den beslissenden stoot te geven.
Maar Willem V was tot niets te bewegen. Hij verwees zijne raadgevers naar Prinses Wilhelmina, die te Nijmegen vertoefde. De jonge Gijsbert Karei van Hogendorp, die in deze dagen zijn politieke loopbaan aanving, werd tot haar gezonden. Zij luisterde aandachtig naar zijne mededeelingen van wat er in den Haag en in Amersfoort omging. Zij zond hem met de boodschap terug, dat zij zelve bij den Prins zou komen. Den 21sten Juni kwam zij te Amersfoort aan.
Den volgenden dag had er een conferentie plaats, waarin Willem zich niet liet overhalen. Toen hij onwillig bleef, kondigde de Prinses haar besluit aan. Zij zou naar den Haag gaan, om den goedgezinden energie en eendracht in te boezemen. De Prins keurde het ten sterkste af. âWeet gij een beter middel?quot; â vroeg Wilhelmina, â âzeg het dan. Maar er moet iets gedaan worden. Ik ben bereid uwe plannen te steunen. Maar als gij er geen hebt, moet gij het mijne aannemen.quot; Hogendorp vertrok onmiddellijk naar den Haag, om het advies van eenige vertrouwden in te winnen. Den volgenden morgen. Zondag 24 Juni, was hij terug. Toen de Prinses, uit de kerk komende, hem ontwaarde, vroeg zij hem met levendigheid; âWat is het antwoord, ja of neen? â Eenstemmig âjaquot;, zeide Hogendorp. Haar gelaat schitterde van vreugde. Die vrouw had meer moed dan een man.
Drie dagen later ving de Prinses uit Nijmegen, waarheen zij teruggekeerd was, hare reis aan. Na lang overleg had men besloten te land, liever dan te water te gaan. Een koninklijke prinses van Pruisen zouden de vrijcorpsen niet durven
263
2(54 WILLEM V.
tegenhouden. Zoo oordeelde men in Wilhelmina's omgeving: de uitkomst zou bewijzen, dat men zich bedrogen had. Met een klein gevolg, waaronder een enkele hofdame, kwam de Prinses in den middag van den 28^* te Schoonhoven
aan. Met de pont voer het gezelschap de Lek over. Voor de twee rijtuigen en een chais waren nieuwe postpaarden besteld. Dit had opzien gebaard. Bij de stad werden dooide wacht de namen gevraagd, doch de doortocht werd niet geweigerd. Een uur hadden de reizigers voortgereden, toen zij aan de Goejanverwellensluis aankwamen. Inmiddels was de commissie, voor de verdediging van Holland benoemd, die te Woerden vertoefde, gewaarschuwd, en had zij het bevel gegeven, niemand door te laten. De Prinses werd door een bende vrijcorpisten aangehouden, die zich op den generaal van Rijssel, in dienst van Holland, beriepen. De commissie-' van Woerden werd in allerijl ontboden. Zij verklaarde, dat zij zonder vergunning der Staten de reis der Prinses met kon toestaan. Wilhelmina werd naar een hofstede geleid, waar zij wachten zou. Men verzocht haar, den nacht te Woerden of te Schoonhoven door te brengen. Na eenig tegenstreven werd Schoonhoven gekozen. Twee leden der commissie vergezelden haar naar de stad, waar zij tegen middei nacht aankwam. Geen oogenblik verloor Wilhelmina haar tegenwoordigheid van geest, noch haar kalme hoogheid. Be halve door enkele ondergeschikte personen, werd zij door allen met betamelijkheid bejegend. Alleen een kleermaker, die kapitein bij het vrijcorps was, schijnt, meer uit goedaardige ongemanierdheid dan uit zucht tot kwetsen, eenige ergernis te hebben gegeven; hij bood aan de koninklijke prinses en de heeren van haar gevolg een glas bier, pijpen en tabak aan. âMisschien wilden zij wel eens stoppenquot;!
Den geheelen volgenden dag bleef de Prinses te Schoonhoven op het antwoord der Staten van Holland wachten. Toen het uitbleef, besloot zij naar Nijmegen terug te keeren.
WILLEM V.
De reis van Prinses Wilhelmina was niet, zoo als later is voorgegeven, de uitvoering van een sluw en lang beraamd plan. De omstandigheden hadden het plotseling doen opvatten. Even snel als het ontwerp, even snel was de afloop. Holland, d. i. de democratische partij, die het machtigste gewest regeerde, had de echtgenoot van den geschorsten stadhouder teruggewezen. Plet was de hoogste betooning van macht, waartoe de democratie mocht geraken.
Niemand wist, wat de gevolgen zouden zijn. Maar voor het oogenblik was de prinsgezinde partij met haar nieuwen aanhang verpletterd. De brieven van Harris en van Hogendorp bewijzen, hoe zeer hen de stoutmoedigheid der Hollandsche democraten verschrikte. âHet is schaak aan de koninginquot; â schreef de Engelsche gezant naar Londen â «nog twee zetten on ik vrees, het spel is verloren.quot; Dit was de eerste indruk van den energieken, krachtigen staatsman. Doch niet de blijvende.
Dertig jaar later ontving Wilhelmina, toen prinses-douairière, op het paviljoen te Haarlem een der heeren (De Lange), die haar naar Schoonhoven hadden geleid, in audiëntie. .Toen hij op het punt stond om heen te gaan, sprak zij hem toe: âHeden is mijnheer mijn gevangene, ik wacht u aan mijn tafel.quot;
Er was niets, dat op den 30sten Juni 17S7, toen zij xatf Nijmegen wederkeerde, haar een toekomst voorspelde, waarin het haar gemakkelijk zou vallen, de deugd der vergevingsgezindheid op zoo heusche wijze te beoefenen.
II
âIndien de koning van Pruisen niet in de soldij van Frankrijk staat, zal hij thans toch partij voor zijn zuster trekken,quot; schreef een Engelsch minister, toen het gebeurde te Goejan-verwellensluis in Londen was bekend geworden.
265
WILLEM V.
Er was aanleiding voor die zonderlinge woorden. Niet Frederik Wilhelm 11, maar velen zijner raadslieden en diplomatieke agenten waren in de soldij, zoo al niet van Frank-njk's geld, dan toch van Frankrijk's politiek. En de invloed van anderen richtte het inzicht en de handelingen van den Pruisischen vorst nog meer dan zijn eigen oordeel.
Frederik Wilhelm II was een man van indrukken en luimen. Streng kerkgeloovig, luisterde hij met het eene ooi-naar de mannen van gelijke richting en met het andere tevens naar de voorstellingen zijner maitressen, wier heerschappij hij het eerst aan het Pruisische hof invoerde. âZijne Majesteit is nog al veranderlijkquot;, zeide met een minachtenden glimlach zijn gezant in den Haag, die zich door de Franschen liet betalen.
Prinses Wilhelmina had het ondervonden. Toen haar broeder in Augustus 1786 den troon had beklommen, was een zijner eerste daden geweest, zich in de aangelegenheden der Republiek te mengen. In het belang zijner zuster had hij Von Görz naar den Haag gezonden. Toen diens pogingen mislukten, had de koning, ontmoedigd door den tegenstand, dien hij ontmoette, zich teruggetrokken. Hij was zelfs zoo ver gegaan, den stadhouder en Wilhelmina aan te raden, dat zij maar toegeven zouden; anders zou hij, Willem V, nog den nek breken, schreef hij.
Van dien man was noch krachtig noch consequent handelen en volhouden te verwachten.
Toen hij de aanhouding der Prinses vernam, wekte het zijn hevigsten toorn op. Onmiddellijk gaf hij last, troepen in de Rijnprovinciën samen te trekken en zond een nadruk-kelijken eisch naar den Haag om satisfactie voor zijn zuster. De Staten van Holland, waarin thans de democraten door de remotiën te Amsterdam en Rotterdam de overhand hadden, lieten zich geen vrees aanjagen. Bemoedigd door den Franschen gezant, antwoordden zij op hoogen toon: âzij waren
266
WILLEM V.
geen verantwoording aan den Pruisischen koning schuldig, de Prinses was niet beleedigd, er was geen reden voor satisfactie.quot; Grelijktijdig vermeerderden de militaire maatregelen, de vrijcorpsen doortrokken Holland, plunderden de landhuizen der aristocraten en der Oranjegezinden en maakten zich van verschillende steden meester. Delft, waar het groote arsenaal een rijken voorraad van geschut en kruit bevatte, viel hun in handen.
Het was een bange en angstige tijd. De Juli- en Augustusmaand van het jaar 1787 zagen overal oproer en geweld heerschen. In en om Utrecht trok zich het Hollandsche leger, rijkelijk van alles voorzien, onder het opperbevel van den Eijngraaf van Salm te zamen. Te Zeist lag het leger van den Prins van Oranje, in naam Utrecht belegerende, maar in waarheid niets anders doende dan zjjn chef, praten en niet handelen. Een enkele schermutseling, te Vreeswijk en elders, had plaats, waarbij, naar de berichten van weerszijden luidden, heldendaden bedreven werden, heldendaden van de maat en grootte van Klein Duimpje. In Holland heerschte wild rumoer. De Oranje-societeiten zochten een leger te formeeren en de burgers te wapenen, om tegen de aanslagen der democratische vrijcorpsen beschermd te zijn. In den Haag was de toestand zoo zorgelijk, dat men dagelijks vreesde, de patriotten uit Delft te zien binnenkomen. De Staten-Generaal, die in de botsing der partijen niet wisten, waarheen zich te wenden, spraken er van, om hun zetel te verleggen. De Engelsche gezant zond zijn papieren van waarde, zijn correspondentie met het binnen- en buitenland, die honderden compromitteeren kon, naar Engeland. Alles was in spanning over de dingen, die komen zouden, over de beslissing, die in het kabinet van Berlijn zou genomen worden. Indien Pruisen zich liet tevreden stellen, was het met Willem en het stadhouderschap gedaan.
De Fransche partij aan het hof van Frederik Wilhelm deed
267
WILLEM V.
alles, om die uitkomst te bewerken. Zij dreigde met krachtige tusschenkomst ten gunste der patriotten. âIk kaigt; geen oorlog voor mijn zuster beginnen,quot; murmelde de Pruisische koning. Zijn gezant in den Haag versterkte hem in dat gevoelen door de mededeeling, dat Engeland er niet aan dacht, krachtig voor het stadhouderschap op te komen. Gelukkig vernam Sir Harris het leugenachtig bericht, en dag aan dag bestormde hij Pitt met het verzoek, te Berlijn den doorslag tot stand te brengen. Daar lag de beslissing: het lot der Republiek was van de Europeesche politiek afhankelijk. Niet in den Haag werd het vraagstuk beslist. De staat, die eenmaal in den raad der groote mogendheden had gezeteld, zag zijne toekomst afhangen van den wil, het staatkundig belang en het militair vermogen van Frankrijk, Engeland en Pruisen.
William Pitt, de groote staatsman, die aan den aanvang zijner roemvolle carrière, zijn wereldhistorische worsteling met Frankrijk stond, begon eindelijk in te zien, dat de regeering van Lodewijk XVI niet bij machte was, hare woorden gestand te doen. De monarchie kromp ineen onder de barensweeën der revolutie. Een kennisgeving te Parijs, dat Engeland geen interventie van Frankrijk zou dulden, was voldoende. De gezant De Verac werd plotseling uit den Haag teruggeroepen. Aan de regeering te Berlija werd de stellige toezegging van Engeland's hulp gedaan, zoo Frankrijk het wagen zou, de patriotten tegen de Pruisische wapenen te beschermen.
Het onverwacht vertrek van den Franschen gezant wekte bij de patriotten groot opzien en onrust, maar geen hunner wilde gelooven, dat men door den bondgenoot, wien men blindelings, ten koste van eigen eer, veertig jaar lang gevolgd had, verlaten was. Toen de Pruisische gezant, hoe vriendschappelijk ook voor de tegenstanders des Prinsen gezind, den 9dl!n September op last zijner regeering zijn ultimatum had ingediend, waaraan binnen drie dagen moest voldaan zijn, zoo men den oorlog vermijden wilde, rekende men
268
WILLEM V.
nog op Fransche hulp. Dagelijks kwamen Fransche soldaten J ingenieurs eh officieren aan, die aan de patriotten slechts de voorloopers toeschenen van het leger, dat volgde, maar in waarheid niets waren dan zwakke en luttele bewijzen van de sympathie, welke de regeering van Versailles gevoelde voor de slachtoffers harer politiek, die zij openlijk niet kon en durfde te verdedigen. De pensionaris van Berkel verklaarde, dat Amsterdam zelfs niet delibereeren zou over de nota, die zoo beleedigend was voor de souvereine Staten. De afgevaardigde van Dordrecht oordeelde, dat een souverein geen excuses kon maken aan, de vrouw van zijn eersten ambtenaar. Zee-bergh, van Haarlem, de derde van het triumviraat, adviseerde in gelijken zin, maar voegde er bij: âals wij geen weerstand meer kunnen bieden, dan moeten wij het proces maar verloren achten, met de kosten er b|j.quot;
Die zonderlinge profetie werd vervuld. Zij verloren het proces, met de kosten er bij. Maar zij niet alleen.
Zeker van Engeland's hulp en Frankrijk's onthouding, tastte Pruisen door. In den morgen van 13 September overschreed zijn leger de grenzen.
Karei Willem Ferdinand, hertog van Brunswijk, neef van den vroegeren mentor van Willem V,. voerde het opperbevel. Hij was op dit oogenblik de beroemdste veldheer van zijn tijd. In den zevenjarigen oorlog had hij de lauweren verdiend, die hij door dezen veldtocht zou vermeerderen, om ze later gezamenlijk met zijn leven tegen Napoleon te verliezen. Een leger van 20,000 man was onder zijne bevelen gesteld. Zijns inziens was de macht te gering. AVant hij zag tegen de onderneming zoo zeer op, achtte ze zoo gevaarlijk, dat hij tot het laatste oogenblik pogingen aanwendde om ze te voorkomen. Hij vreesde, zoo hij niet of slechts gedeeltelijk slaagde, Willem in het ongeluk te storten en hem het lot van Karei I te bereiden. Toen hij gereed stond de grenzen te overschrijden, schreef hij nog aan de Prinses, dat zij alles in handen
269
WILLEM V.
had; nog kon de ondernetning gestaakt worden. Met een glimlach vol gerustheid antwoordde Wilhelmina; de vrouw was zekerder van den uitslag dan de generaal.
Aan hulp trouwens ontbrak het hem niet. Gidsen van de meest verschillende soort stonden hem ten dienste. Bilderdijk vertelt met veel zelfbehagen, dat de hertog hem later met een warmen handdruk verzekerde: âde goede afloop is alleen aan u te danken.quot; Hogendorp bracht hem plannen en tee-keningen van de frontieren en van de wegen, die het leger zou moeten volgen. Deze inlichtingen en voorlichtingen kwamen uit goede bron: Koyer, de secretaris van de Staten van Holland, had ze verschaft.
Het hoofdleger der patriotten lag bij Utrecht, onder de bevelen van den Rijngraaf van Salm. Bekwamer dan hij waren, volgens militaire autoriteiten, zijne onder-generaals, de Franschman de Ternant en de Hollander van Rijssel. Doch bekwaamheid zou in dezen strijd weinig afdoen. De democraten op het slagveld misten de zedelijke kracht en het zelfvertrouwen, dat elke nationale strijd tegen een buiten-landschon vijand behoeft, om tot opofferingen te sterken. Niet aan de Republiek, maar alleen aan de provincie Holland was de oorlog verklaard, en in deze alleen aan de partij, die de wettige staatsorde had omvergeworpen. Niet de Republiek, maar slechts de democratische factie was in oorlog. En zij had de minderheid. De Staten-Generaal hielden zich onzijdig, wachtten af, wien zij als overwinnaar hadden te huldigen en te volgen. Verraad en onkunde velden de democraten neer, voor zoo ver zij niet door de overmacht des vijands werden neergeworpen.
Op geen enkel punt werd ernstige tegenstand geboden. De natuur vereenigde zich met den vijand. Overal waar ernstig de hand aan onderwaterzettingen werd geslagen, mislukten zij. De boeren waren zeiven meerendeels onwillig om ze te doen slagen. Op enkele punten, waar ernstig het
270
WILLEM V.
doorsteken der dijken werd beproefd, was het voldoende, dat eenige Pruisische kavaleristen verschenen, om de arbeiders op de vlucht te jagen. De vijandelijke officieren, die, met Oranjesjerpen versierd, het land verkenden, vonden bij de plattelandsbevolking wel medewerking, maar zelden tegenstand.
Alle hoop was op het leger te Utrecht gebouwd. Het zou tegenweer, krachtigen tegenweer bieden en inmiddels aan Frankrijk de gelegenheid geven, zijne reddende scharen te doen naderen. Pieter Paulus, die als advocaat-fiscaal bij de admiraliteit van de Maas een groote vermaardheid, ook buitenslands, had verworven, was naar Parijs vertrokken, om die hulp in te roepen. Wat zijn welsprekendheid en bekwaamheid van de Fransche regeering zou uitwerken, werd niet zonder vrees door de Oranjepartij te gemoet gezien.
Doch die vrees was geheel overbodig. Keeds in het laatst van Augustus had de Rijngraaf van Salm aan de commissie van defensie verklaard, dat zijns inziens Utrecht moest verlaten worden, om Holland beter te verdedigen. De onverwachte voorslag werd met verbazing en schrik ontvangen en afgewezen. Utrecht moest tot het uiterste verdedigd worden. Toen den 13'1⢠September de Pruisen het land waren binnengerukt, hernieuwde Salm zijn voorslag en eischte, voor het geval dat hij van Holland werd afgesneden, de noodige patenten, om zijne troepen elders heen te zenden. Zij werden hem verleend. Wat niemand verwacht had, geschiedde. In den nacht van 15/16 September brak hij op, zonder een nieuw punt van vereeniging te zoeken. Langs de Vecht trok hij met zijn troepen naar Nieuwersluis, maar daar hield alle orde op. In de grootste wanorde loste zich het leger der patriotten op, ieder zocht een goed heenkomen. Verlaten en verraden door hun hoofden, overstroomden de patriotten het platteland en de naburige kleine steden met hun verwenschin-gen en hun gewelddadigheden. Amsterdam vond het verstandig, zijne poorten voor dit leger te sluiten.
271
WILLEM T.
Onmiddellijk volgde de omkeer te Utrecht. De oude regenten hernamen hunne zetels en noodigden den Prins -van Oranje uit, de stad te bezetten. Nog denzelfden dag, Zondag 16 September, deed Willem zijn plechtige intrede in de hoofdstad van het Sticht, dat de oorspronkelijke baard van het patriotisme was geweest.
Voor de Pruisen was de vlucht van Salm, die later te Parijs opdook, en het uiteenvallen van zijn leger, van groote be-teekenis. Een strijd op Utrechtsch grondgebied zou een strijd buiten Holland, op het gebied der Unie zijn geweest. Salm had de Pruisen den dienst gedaan, dit bezwaar voor hen uit den weg te ruimen. Meer dan 200 vernagelde kanonnen en een ruimen krijgsvoorraad liet de patriotsche held in en bij Utrecht, dat hij met 7000 man had bezet, als de bewijzen van zjjn moed en goede trouw achter.
Den volgenden dag kwam een afdeeling van het vijandelijke Pruisische leger voor Gorinchem. De sterke vesting stond onder de bevelen van Yan der Capellen, vroeger kamerheer van Willem V, doch door dezen uit wantrouwen en om de houding zijner familieleden ontslagen. De Pruisische militaire schrijvers noemen hem âeen onkundigen gek.quot; Zeker schijnt het, dat zijn bekendheid met oorlogsgebruiken niet groot was. Op een parlementair, met witte vlag naar de vesting gezonden, liet hij schieten, en stond later zeer verbaasd, toen hij vernam dat men dit niet deed. De plaats werd een weinig gebombardeerd en natuurlijk overgegeven.
Geljjk hier, ging het elders, of liever nog vlugger. Yijf dagen nadat de optocht der Pruisen begonnen was, stonden zij op Holland's grondgebied. Nergens werd een ernstige poging tot verdediging gewaagd. Plet morsche gebouw der patriotten viel om, als eertijds de wallen van Jericho op het geluid alleen der krijgsbazuin. Overal kwam de menigte de vreemdelingen te gemoet, die hen verlosten van het geweld van landgenooten.
272
WILLEM V.
In den Haag was het bericht van de ontruiming van Utrecht nog op denzelfden dag ontvangen. De indruk was beslissend. De Staten van Holland kwamen bijeen en beraadslaagden, om hun vergaderingen naar Amsterdam over te brengen. Maar slechts enkele leden waren er voor en vertrokken.
De meerderheid volgde den omkeer, dien de Pruisische wapenen tot stand brachten. Alle besluiten tegen don stadhouder werden ingetrokken, en hij zelf werd uitgenoodigd, in de hofstad weer te keeren. De aanhangers van Oranje kraaiden victorie. De patriotschc familiën pakten hunne goederen en togen op de vlucht. Voor de ramen van den Engcl-schen gezant werd het vaandel van het vrijcorps verbrand en hij zelf met toejuichingen overladen, telkenmale als hij in 't publiek verscheen.
Den 20sten deed de Prins zijn zegevierenden intocht. Te twee uren in den middag naderde hij de stad, die hem verdreven had. De menigte kon niet wachten; zij snelde hem te gemoet. Eenige mijlen buiten de stad ontmoette zij den weerkeerende. De paarden werden van het rijtuig gespannen, dat krachtige mannenhanden de stad door naar het Prinsenhof voorttrokken. Daar werd de geliefde vorst uitgetild en in letterlijken zin op de schouders des volks het verblijf zijner vaderen binnengedragen.
Zoo werd de laatste der Erfstadhouders â Willem met de roode, bolle wangen, de flauwe oogen en den stereotypen glimlach van zwakke goedhartigheid en zelfvoldane ijdelheid om de lippen â in 't bezit der groote macht hersteld, die hij niet alleen door de schuld zijner tegenstanders had verloren.
Wat zou hij er mee doen in de toekomst? Zou hij ze beter gebruiken dan in het verleden?
Weinige dagen later werd Willem door Prinses Wilhelmina gevolgd. Ook zij werd door de uitgelaten menigte met onstuimige toejuichingen ontvangen, ook zij 's Gravenhage en het Prinsenhof binnengetrokken en binnengedragen; maar dit-
18
273
WILLEM V.
maal waren het vrouwen, die de taak der mannen op zich hadden genomen.
De omstandigheden hadden haar tot een hoofdpersoon gemaakt. Haar aanhouding was de aanleiding tot de tusschen-komst van Pruisen, tot de revolutie geweest. Haar satisfactie was in dezen oogenblik nog het onderwerp der onderhandelingen , de spil der militaire bewegingen.
De persoonlijke beleediging was tot een politieke gemaakt en de grondslag van politieke eischen. Ontslag van de schuldigen uit de betrekkingen van staat, herstel der oude regenten, ontbinding der patriotsche krijgscorpsen, herstel van den Prins in zijn oude waardigheden was de voldoening, die zij vorderde. De Staten van Holland hadden reeds toegegeven, maar Amsterdam bleef onwillig.
In de groote handelsstad hadden zich al de hoofden der democratische partij teruggetrokken. Onder een bevolking, wier meerderheid hun gevoelens scheen toegedaan; achter muren, krachtig genoeg om verdedigd te worden; binnen poorten, die door overstrooming van de omliggende landen ontoegankelijk konden zijn, meenden zij weerstand te kunnen bieden lang genoeg, om hulp uit den vreemde te verwerven of wellicht een omkeer hier te lande te zien plaats grijpen. Maar zij vergisten zich. De groote handelsstad was thans, even weinig als in 1650, geneigd zich en haar welvaart voor de politieke eischen van elders verslagenen op te offeren. En de macht, die tegenover haar stond, was een vreemde, begeerig naar eigen haard terug te keeren en de verworven lauweren ongedeerd terug te voeren. Hoe aarzelend en angstvallig de hertog van Brunswijk de belegering der groote stad ook ter hand nam, toen zij eenmaal onvermijdelijk scheen, was hij tot krachtig aantasten besloten. Op den eersten October ving de strijd aan, die afliep, zooals te verwachten was. Slechts op enkele punten werd door de ongeoefende en ontmoedigde burgers moed betoond en dapper gevochten. Amsterdam moest
274
WILLEM V.
toegeven en de opgelegde voorwaarden aannemen. Tot het laatste toe â het zij ter eere der democratische regeering opgeteekend â tot het laatste bleef zij aan haar eisch getrouw, dat aan het volk een behoorlijke invloed werd toegekend. Het was tevergeefs.
De onderwerping van Holland maakte in geheel Europa den diepsten indruk. Goethe was in Rome en schreef 12 October 1787 aan Herder: âMen zegt, dat de paus bericht heeft gekregen, dat de Pruisen Amsterdam hebben genomen. Dat zou de eerste expeditie zijn, waarbij onze eeuw zich in al haar grootheid toont.quot;
Ill
De democratie had met geweld in de raadzalen gezegevierd, maar was op het slagveld verslagen. Wat zou haar lot zijn, als de oude staatsorde door buitenlandsche wapenen was hersteld?
Niet van haar zou in de eerste plaats het antwoord afhangen. Indien het stadhouderschap de zeldzame gunst gevoelde, waarmede het lot het zegende, de restauratie van 1787 kon een weldaad voor land en volk worden.
Maar noch Willem V noch zijne raadslieden zagen het in; de zeldzame gelegenheid, die beide, dynastie en staat, had kunnen redden, ging ongebruikt voorbij.
âHet is al een zeer raar heer: hij houdt er wel een systeem op na, maar 't is een systeem van verwarring en desordre. Zijne politiek is om de dingen zoo veel in de war te helpen, als maar mogelijk isquot; Zoo oordeelde over Willem V van der Spiegel, die na 1787 geroepen was, dagelijks met hem te werken.
Laurens Pieter van der Spiegel, pensionaris van Zeeland, was de staatsman, die door den Oranje-aanhang en de publieke opinie bij alle partijen als de rechte man op de rechte
275
WILLEM V.
plaats werd welkom geheeten, toen hjj den onwaardigen Van Bleyswyk als raadpensionaris van Holland had vervangen. Niemand was beter dan Van der Spiegel tbuis in liet bisto-risch staatsrecht der Eepubliek, niemand had krachtiger dan hij in de zware dagen der onlusten het goed recht van het stadhouderschap voorgestaan en verdedigd. Zoo groot waren de verwachtingen, die op hem gebouwd werden, dat hij met grof gold, hooger bezoldiging en hoog pensioen voor Holland werd gekocht. Zelfs de patriotten juichten zijne benoeming toe.
Doch ondanks do aanwinst van dezen man heeft de restauratie slechts tot een bankroet geleid, den ondergang des lands slechts verhaast, niet voorkomen.
Verdeeldheid heerschte, waar eendracht moest regeeren. De verhouding der vorstelijke echtelingen was door de gebeurtenissen van 1787 niet beter geworden. De jaloezie van quot;Willem op de vrouw, die, haar superioriteit gevoelende, door de gespeelde rol gesterkt in haar zelfvertrouwen en geprikkeld in haar ambitie, meer en meer zelfstandig naast hem optrad, was een bron van verdeeldheid aan het hof. Er werd van een partij der Prinses naast die van den Prins gesproken. De onderscheiding had minder staatkundig gewicht, dan men dikwerf gemeend heeft. Ook thans dacht Wilhelmina er niet aan, den Prins op zjjde te dringen, om zijn plaats in te nemen. Zij vroeg alleen meer erkenning, meer stem, dan haar vroeger werd toegekend. Op den hardnokkigen quot;Willem, naijverig op eiken invloed, die hem zocht te beheerschen, moest dat streven schipbreuk lijden. Te meer, omdat de verschilpunten tusschen hen in aangelegenheden van binnenlandschen aard meer personen dan zaken golden. In de hoofdrichting stemde hun beider inzicht overeen; maar ieder had zijne gunstelingen, en die der Prinses genoten niet den voorrang bij den Prins. Er was één terrein, waarop Wilhelmina het aanzien, zoo al niet den invloed genoot, dien zij begeerde. Aan de buiten-landsche hoven stond quot;Willem V in geen de minste persoon-
27(5
WILLEM V.
lijke achting; de verslagen, door de diplomatieke agenten, niet het minst door den Pruisischen gezant, over hem ge-gegeven, waren er de oorzaak van. Zoowel Frederik de Groote als de volgende koning Frederik Wilhelm II staken het volstrekt niet onder stoelen en banken, hoe zij over hem dachten. Toen de laatste in 1788 op het Loo kwam, behandelde hij den Prins in het openbaar met de uiterste minachting. Wilhelmina daarentegen werd, om haar krachtig optreden in 1787, door allen geëerd. Zij onderhield een soort van diplomatieke betrekkingen met het buitenland op haar eigen handje. Zij correspondeerde zelfstandig met het hof van Pruisen en stond in relatie met allerlei personen in den vreemde. Naar het schijnt, hoeft deze diplomatie der Prinses minder de belangen van den staat, dan die van haar kinderen op 'toog gehad. Er is sprake van geweest, dat haar tweede zoon hertog van Koerland zou worden. Ook tijdens de beroerten in de Oostenrijksche Nederlanden, toen de hervormingen van Jozef II de aan de kerk onderworpen bevolkingen tot opstand verleidden, heeft zij gepoogd in troebel water te visschon. De hertogskroon van Braband scheen haar een begeerlijke prijs.
Van der Spiegel was de man niet, om met dergelijke vrouwenpolitiek genoegen te nemen, of ze te ondersteunen ; hij zag er het gevaar te goed van in. Waar de ambassadeurs in het buitenland hem inlichting vroegen, verklaarde de raadpensionaris, dat deze zaken hem vreemd waren en de Republiek aan zulke dingen niet dacht. Voor zooveel hij kon, zocht hjj de gevolgen te voorkomen, door den staat, dien hij vertegenwoordigde, van alle verantwoordelijkheid te ontslaan. Maar al ontveinsde hij tegenover het buitenland wat hij wist, hij schroomde geenszins, hier te lande in de politieke kringen in den Haag scherp zijn gevoelen uit te spreken. âWillem is prins van Oranjequot;, zeide hij, âen een prinses van Pruisen mag ons niet regeeren.quot;
277
WILLEM V.
Indien Willem V zijn waar belang had geraadpleegd, hij zou zich aan den raadsman, die in elk opzicht zijn meerdere was, hebben toevertrouwd. Maar quot;Willem was te achterdochtig, te jaloersch om iemand onbepaald te vertrouwen. En Van der Spiegel had eigenaardigheden, die meer afschrikten dan aantrokken. Hij had een meesterachtige natuur en meester-achtigen toon. De hovelingen, de edelen aan het hof, lachten om den burgerman met zijn linksche manieren en zijne niet altijd hoofsche woorden. De vreemde diplomaten betoonden zich volstrekt niet ingenomen met den raadpensionaris, die hen maar al te dikwijls met de hoogheid van een William Pitt bejegende. Wat van den Engelschen premier werd verdragen, duldden zij niet van een Hollandschen raadpensionaris. Het gewicht, dat do Eepubliek in de schaal van Europa wierp, was te gering, de kracht, die zij ontwikkelde, toen het uur des gevaars kwam, te onbeduidend, om den leider van de buitenlandsche politiek der Republiek recht te geven tot zijn hooghartige houding.
In de vijf jaren van rust, die op de restauratie van 1787 volgden, werden in het binnenlandsch beheer verschillende veranderingen tot stand gebracht, die verbeteringen mochten heeten. Niettemin waren het verbeteringen, die de radicale gebreken niet wegnamen. Of men de contributiën der provinciën anders regelde, de Westindische Compagnie ophief, de Oostindische door ondersteuning een nieuw kwijnend leven verzekerde â dit alles herstelde den geschokten grondslag van het staatsleven niet, verzoende noch bevredigde oude tegenstanders en nieuwe bondgenooten.
De herstelling van het stadhouderschap was door vreemde wapenen bewerkt, doch voorbereid door de hulp van de aristocratische regenten, die de democraten hadden verraden, na hen gebruikt te hebben. Willem V had zich met de regenten tegen het volk verbonden. Zij, de steunpilaren van al de misbruiken in de Eepubliek, schenen ook de beste steunpilaren van zijn gezag.
278
WILLEM y.
In de patriotsche onlusten, toen Frankrijk de democratie steunde, had de Fransche regeering eens tegenover Engeland de meaning geuit, dat het stadhouderschap niet tot de staatsregeling behoorde. Dit beweren schijnt op de politiek dei-Restauratie grooten invloed gehad te hebben. Om voortaan allen twijfel weg te nemen, werd op voordracht van Holland, d. i. van Van der Spiegel, door al de gewesten een acte geteekend, waarbij het stadhouderschap en de hooge waardigheden der Unie werden verklaard een wezenlijk deel van de constitutie van iedere provincie en van den geheelen staat te zijn. Met zulk een verklaring op het papier meende men de herhaling der vroegere onlusten te voorkomen.
Doch daartoe bepaalde men zich niet. Als had men in 't verleden niet geleerd, hoe weinig eeden beteekenen, liet men zelfs de bekleeders der geringste bedieningen en neringen den eed op de constitutie zweren. Wie het weigerde, werd ontslagen, zoo niet vervolgd.
Doch ook deze waarborgen schenen nog onvoldoende De Republiek sloot verbonden met Engeland en met Pruisen, die haar aan de politiek dier beide staten kluisterden, maar niet te duur gekocht schenen, omdat Pruisen en Engeland het behoud van het stadhouderschap garandeerden en beloofden het te verdedigen.
Toen na den tachtigjarigen strijd de vrede van Munster was gesloten, zagen de vrijgevochten gewesten hunne onafhankelijkheid erkend, maar geen der groote mogendheden trad als borg dier onafhankelijkheid op. Noch de Oranje-partij noch de Staten-partij in de 17rte eeuw onderwierpen zich aan de curateele van het buitenland. Maar in 1787 schrikte de regeerende Prins van Oranje er niet voor terug, zijne hooge waardigheden in den staat onder de bescherming van twee buitenlandsche mogendheden te stellen. Het Oranje-huis hield op de representant der nationale vrijheid en zelfstandigheid tegenover Europa te zijn.
279
WILLEM V.
Was het wonder, dat de restauratie van 1787 den ondergang van den staat niet voorkwam, doch slechts verhaastte?
Met zeldzame verblindheid deed het hersteld Oranje-bestuur alles, wat strekben kon om zich zelf den grond onder de voeten weg te nemen. De aristocratische regenten werden overal in de besturen hersteld en bij voorkeur door den Prins onderscheiden. Zelfs zij, die jaren lang getrouw waren â geweest en voor hem ongunst en vervolging geleden hadden, stonden in de schatting van Willem V achter bij de oude vijanden van zijn huis. Hen zag hij naar de oogen, hun raadgevingen volgde hij De regentenpatriotten, die vroeger â van hem de belijdenis hadden geëischt dat hij hun dienaar was, beheerschten hem thans. Zij, die hem hooger rang in den staat hadden aangeboden, mits hij aan het volk staatsinvloed schonk, de democraten, werden vervolgd. De aristocratie wildeer zich wreken op haar oude medestanders, die iets meer dan hun werktuigen hadden willen zijn en daardoor haar nederlaag en haar gedwongen onderwerping aan den stadhouder hadden bewerkt. De aanhangers der volkspartjj werden uit hun betrekkingen ontslagen, voor de rechtbanken geroepen en gestraft. Het gemeen en de hoogere standen reikten elkander de hand. In al de steden van Holland kwamen plunderingen voor, die niet werden tegengegaan. Het platte land werd afgeloopen door troepen, met Oranje-C( .ardes versierd. De stedelijke rechtbanken waren volijverig; confinementen, verbanningen, geldboeten aan de orde van den dag. Maanden achtereen hadden de wraakoefening van de aristocratie en de losbandigheid van het gemeen vrij spel, zonder dat de regeering tusschenbeide trad. En toen eindelijk een zoogenaamde amnestie werd afgekondigd, waren de uitzonderingen zoo talrijk, dat noch de bedreigden zich veilig, noch de vervolgers zich gebonden gevoelden.
Groot was het getal der vervolgden, maar grooter nog dat der bedreigden. Geen andere uitweg scheen hun over, dan
280
WILLEM V.
de vlucht naar het buitenland. Bij scharen verlieten de patriotten het vaderland, waar hun vroegere hoofden in eere zetelden en het stadhouderschap tegen hen ophitsten. België en Noord-Frankrijk werd overstroomd door vluchtelingen uit de Republiek, armen en rijken. Na weinige maanden was het aantal uitgewekenen tot 40,000 gestegen.
Een politiek, die de tegenstanders uit het land verjaagt, heeft slechts onder enkele omstandigheden kans van slagen. De maatregelen der regeering moeten bewijzen, dat zij meer staatkundig beleid heeft. Doch een bestuur als dat van Willem V, dat alle misbruiken liet voortbestaan en slechts ondergeschikte verbeteringen tot stand bracht, verzoende ook hen die achterbleven niet, maar maakte hen tot geheime en des te gevaarlijker vijanden.
De denkbeelden, die de verdreven patriotten voorstonden, waren geen ideeën, die aan locale oorzaken hun ontstaan te danken hadden. De democratische meeningen hadden in de laatste eeuw in geheel Europa veld gewonnen, verspreidden zich telken dage over uitgebreider kring en ontwikkelden zich meer en meer in scherper en bepaalder vormen. De eisch des volks tot deelneming aan het politieke leven had de Amerikaansche republiek doen geboren worden en bracht de Fransche monarchie ten val. Hoe kon een politiek slagen, die de oogen sloot voor een omkeer der geesten, welke zich overal elders deed gelden en tegen de voorstanders der beginselen geen krachtiger wapen dan verbanning naar het buitenland wist?
âToen Oranje de democraten verjoegquot; â schreef jaren later een hunner hoofden â âdeed hij niets anders, dan hen naar de hoogeschool van patriotisme en revolutie zenden.quot; Dat woord was de waarheid. De uitgewekenen leerden in Frankrijk, dat zij hun val aan hun eigen gematigdheid hadden te danken. In de eerste tijden der emigratie waren er velen onder hen, die verzoening met den Prins van Oranje wensch-
281
WILLEM V.
ten. Zij boden hem een koningskroon aan; zij wilden een monarchie oprichten, zoo hij slechts de regentenoligarchie losliet. Maar hij weigerde opnieuw, als in 1786, en klemde zich vaster aan de aristocraten, de steunpilaren van alle misbruiken, vast. Met hen wilde hij leven, met hen zou hij ondergaan.
Wien de Godheid wil verderven, dien verblindt zij.
In den vreemde gingen de oogen open van de slachtoffers van het stadhouderschap. Zij waren niet ver genoeg gegaan, zij hadden voor oude rechten gekampt. In Frankrijk werd niet voor oude, maar voor eeuwige rechten gestreden. Slechts de volkssouvereiniteit, onbeperkt toegepast, en de onbepaalde huldiging van de rechten van den mensch kon Nederland, als Frankrijk, redden. Ziedaar wat hen het buitenland leerde. En naarmate de ballingschap langer duurde, werd de verbittering grooter, de lust heftiger, om zich te wreken over al den smaad en de ellende, die men had doorgestaan. De verdrukkers in het vaderland werden de voorwerpen van den bittersten haat en van de felste wraakzucht voor de gevluchte emigranten en hun vrienden en geestverwanten in de .Republiek. Toen de eerste coalitie-oorlog ontbrandde, stonden zij vooraan in de Fransche legers, om hun den weg te wijzen naar het land, dat hen had verjaagd. Vrijheid en Broederschap ging boven het vaderland.
Het stadhouderschap oogstte, wat het gezaaid had. In de ure des ge vaars werd het verlaten door allen, op wie het vertrouwd had. De natie was machteloos of onwillig om het te steunen. Zij reikte de hand aan den vijand, die met de belofte van broederschap ook tot haar, als tot geheel Europa, kwam. Verraad van buiten en verraad van binnen bracht den laatsten der stadhouders ten val.
Op den IS4⢠Januari 1795 verliet Willem Y het land, dat hij nimmer weer zou zien; twee dagen later werden de poorten van Amsterdam voor de Franschen geopend. Met een dank-
.txo.xu.'-ö C
282
WILLEM V.
bede aan God ontvingen de verslagenen van 1787 de vreemde bevrijders. Met een zegenbede op de lippen strekte de meerderheid des volks de handen uit, om de onteerende kluisters zich te doen aanleggen der nieuwe slavernij, der jarenlange schande.
Zoo ging de Republiek der Vereenigde Nederlanden te gronde.
283
EK
M IR A B E A U.
MI E A B E A U.
Deze man kan eene reeks van aanspraken op onze belangstelling doen gelden. Zijn persoonlijkheid behoort niet tot de alledaagsche; hij is een diergenen, die beurtelings afstooten en aantrekken, omdat zij de uitersten van zinnelijk en geestelijk leven vereenigd te aanschouwen geven. Zijn geschiedenis verplaatst ons te midden van den grooten strijd der beginselen, die aangevangen is in het laatst der achttiende eeuw en nog voortdurend de ontwikkeling der Europeesche maatschappij beheerscht.
Met de wereldgebeurtenis, die de Fransche revolutie heet, is de naam van Mirabeau onafscheidbaar verbonden. Zoolang over haar zal worden gesproken, zal hij worden genoemd.
De vraag, waarom, is gemakkelijk beantwoord. De eerste, de schoonste periode der omwenteling, is tevens de zijne. Wat zij in die jaren goeds tot stand heeft gebracht, is voor een groot deel zijn werk. Het was Mirabeau, die de absolute macht van het koningschap ten val bracht en het gezag van de wet boven haar plaatste. Zijn machtige stem verlamde het despotisme der oude staatsorde en hield tevens de ontwaakte driften der wraakzuchtige menigte in bedwang. Zoolang zijn leiding werd gevolgd, bleef de revolutie binnen eenige perken; toen hij stierf, sleepte hij de monarchie, gelijk
JIIRABEAU.
hij zelf zeide, met zich in het graf. Het doodskleed van den
volkstribuun was de lijkwade van het koningschap. j
Zulk een plaats wordt slechts door enkelen in eene wereld- i
gebeurtenis ingenomen. In den gewonen, rustigen loop van i
zaken, als de ontwikkeling van staat en maatschappij gelei- ^
delijk voortschrijdt, is het geen zeldzaamheid, personen, die s
boven de groote menigte slechts uitsteken door de plaats, die c
zij bekleeden, een groote rol te zien spelen. Maar andere c
krachten dan gewone wrorden vereischt in hem, die staande lt;;
blijft als de stormwind eeuwenoude eiken ontwortelt, het z
jong geboomte ontbladert en niets spaart dan wat buigt. De e
revolutie heeft niets verschoond, wat bij haar uitbarsting het r
hoofd omhoog hield geheven. Zij heeft vrienden zoowel als 1 vijanden vernietigd. Mirabeau alleen was haar meester, zelfs
in zyne doodsure. 3
Hoe is hij het geworden? Vanwaar zijne kracht? (
Dit is de eerste vraag, die beantwoord moet worden. Daar- c
na wordt aangetoond, hoe hij zijn kracht heeft gebruikt, wat e
hij voor Frankrijk en de revolutie geweest is. z
Er is volkomen overeenstemming tusschen het revolutionair b
tooneel, waarop Mirabeau heeft geschitterd en het proces a
zijner wording. Voor omwentelingen geldt geen regel; er is t1
geen vast schema van, ondanks de rijke practijk. Politiek a
persoon te worden langs den weg, dien Mirabeau heeft be- s
treden, gelukt geen ander. h
De revolutie was slechts mogelijk door een volkomen los-
njten van alle banden, die elke bestaande orde in staat, o
maatschappij of gezin aaneenhechten. Bij geen harer aan- g
hangers was de breuk vollediger dan bij Mirabeau. w
Elke omkeering van zaken is de vrucht van goede en
kwade hartstochten. Geen bracht grooter kapitaal van beide d
mede, dan hij. k
288
I
MIRABEAÃ.
Jn Jlirabeau's ouderlijk huis was een jammerlijk huis. Liefde
tusschen zijne ouders heeft bij niet of ter nauwernood gezien;
i- toen hij dertien jaar was, verliet zijne moeder de echtelijke m woning, sedert lang het tooneel van haar twisten met zijn
ii- vader. Een oude grootmoeder, later een oudere zuster, be-ie stuurde sinds het gezin. Maar het uare vrouwelijke hoofd, ie dat den vader leidde en het gezin bestuurde, was een vreemde, re die geen enkele aanspraak, dan een onwettige, kon doen le gelden. In de armen van de schoone Madame de Pailli, die et zijne huisgenoote werd, zocht en vond zijn vader jaren achter-)e een vergoeding voor de vijandschap van zijne vrouw, die hem et met rechterlijke vervolgingen overlaadde, haar groot fortuin Is hem onttrok en hem ruïneerde.
fs Kaar het getuigenis zijns zoons was die oude markies de
Mirabeau een genie. Aanhanger van de economisten en Dr. Quesnay, was hij beroemd als Vami des hommes, omdat hij r- onder dien titel een werk had uitgegeven, vol van econo-
at mische theorieën, die het heil der menschheid zouden ver
zekeren. Doch zijn gezin deelde niet in dat geluk, want de excentrieke, grenzenloos trotsche edelman was een voorbeeldeloos despoot. Zijn geloof telde twee dogmen: eigen onfeil-ir baarheid en de onbeperktheid van zijn vaderlijk gezag. Met
es al zijn kinderen, op één na, heeft hij zijn geheele leven ge-
is twist; om hen tot erkenning van zijn gezag, tot onderwerping
ïk aan zijn wil te dwingen, sloot hij hen op in kloosters of in
e- staatsgevangenissen. Meer dan vijftig lettres de cachet heeft
hij tegen vrouw en kinderen verkregen en gebruikt, s- Doch geen hunner is meer het voorwerp, meer het slacht-
t, offer zijner tyrannie geweest, dan onze Gabriel Honoré, omdat
n- geen hunner door de natuur met grooter weerstandsvermogen
was bedeeld dan hij.
m âSchrik niet,quot; was het eerste woord, dat zijn vader bij
le de geboorte van dezen, zijn eersten zoon, hoorde. De toe
komstige volkstribuun kwam in de wereld met een reusachtig
19
289
MIRABEAÃ.
groot hoofd, twee kiezen in den mond, een krom been en een tong, die losgesneden moest worden, zoo liet kind ooit spreken zou. Als bij de geboorte, wekte Mirabeau's physieke organisatie zijn geheele leven door verbazing. Toen hij de dertig lang voorbij was, groeide hij nog. In zijn laatste ziekte was steeds de eerste vraag van den dokter, hoe het van daag met zijn haar was gesteld, of het zich rechtstandig oprichtte, dan wel plat neerlag.
Het grillig lot schonk nog een toevoegsel, dat geheel overtollig was. Toen de knaap drie jaar oud was, kreeg hij de kinderziekte. Zijne moeder bedekte zijn gelaat, schoon en vriendelijk als dat van al de Mirabeau's, met pappen en doeken, 't Gevolg was, dat zijn gezicht voortaan een monsterachtige vermenging van sproeten en putten vertoonde; hij was leelijk, schuw leelijk, zoo leelijk, zei zijn vader, als de zoon van den duivel. Wie hem voor 't eerst zag, schrikte in letterlijken zin onthutst terug.
Heeft deze leehjkheid van zijn voorkomen bijgedragen tot de harde behandeling zijns vaders? Heeft werkelijk de vader dit kind gehaat? Het is gezegd, maar het is niet zeer waarschijnlijk. Er waren andere redenen. De invloed van Madame de Pailli en het onmatig bewustzijn van zijn vaderlijke autoriteit geven voldoende verklaring.
Deze leelijke Gabriel Honoré had een hoofdfout: hij was een raisonneur, naar de markies zeide. Hij had geen ontzag voor zijn vader, hij sprak hem tegen en was familiaar met hem. De knaap, die met ieder gemeenzaam was, wist niet hoe hij het hart van den man kwetste, die nooit zijn eigen vader zelfs aangeraakt had en op vijftigjarigen leeftijd de bevelen van zijne moeder blindelings gehoorzaamde. Gelijken eerbied, als hij bewezen had, vergde hij van zijn zoon. Zijn vaderlijke autoriteit moest wet voor hem wezen.
Maar de natuur had dezen krachtigen en woelzieken knaap niet toegerust om iets in de handen van een ander, zelfs
290
MIRABEAU.
van een vader, te zijn. Hij bood weerstand, voerde jongensstreken uit, redetwistte waar hij gehoorzamen moest. Zelfs voor de theorieën van den markies had hy geen eerbied; hjj gaf aalmoezen aan armen, wat zijn vader bevordering der armoede noemde. Verbaasd, diep geërgerd en gegriefd zag hij dit kind aan, dat geen begrip van vaderlijke autoriteit scheen te hebben. Heftig greep hij naar alle middelen, om dit onbuigzame karakter te breken. Maar alles was vergeefsch en hij putte zich uit in ontelbare scheldwoorden en matelooze gestrengheid, zonder te slagen. Harde meesters koos hij uit, die hem wakker ter zijde stonden; maar deze, do een voor de ander na, eindigden met overwonnen te worden door den grooten aanleg en de gladde tong van den jongen. Een type van laagheid, ongehoorde platheid, noemde de markies zijn zoon, maar tevens was hij ook gedwongen, zijne zeldzame vlugheid en groote gaven te erkennen. De levenslustige, schoonpratende Gabriel Honoré wist met vriendelijke woorden en door zijn groote goedhartigheid ieder voor zich in te nemen, behalve den vader, die hem loopend zand noemde, waarin geen enkele indruk blijft.
Woedend over zijn machteloosheid, besloot hij een anderen weg in te slaan. In 1764, toen hij veertien jaar oud was, werd Gabriel te Parijs in een militaire school van den abbé Choquard opgesloten. Met de uiterste gestrengheid zou hij in dit verbeterhuis behandeld worden. Zijn eigen naam mocht hij niet meer dragen en geen correspondentie voeren. Geen enkele groote misstap â het moet worden gezegd â is, tot dusver van den jongen Mirabeau bekend, die zulk een ont-eerenden maatregel, het verlies van zijn naam, rechtvaardigt.
Gedurende drie jaar bleef hij aan de zorgen van Choquard toevertrouwd. Het ging hier, als in de ouderlijke woning. Alle gestrengheid was zonder vrucht; de abt-directeur, verstandiger dan de vader, liet ze varen, en beproefde wat zachtheid vermocht. Thans bleek, welke Delila dezen Simson
291
MIRABEAÃ.
kon temmen. De jonge Mirabeau was een gewillig en ijverig leerling, in elk deel van het onderwijs muntte hij uit. Met nieuwe, zoowel als oude talen werd hij vertrouwd; in mathematische wetenschappen, gelijk in lichaamsoefening, was hij de eerste. Van de rijke en veelzijdige kennis, die in later jaren zooveel verwondering zou wekken, legde hij hier de grondslagen.
Toch was de vader niet tevreden, want de zoon bukte nog altijd niet voor zijn autoriteit; hij deed het ergste wat hij in 's vaders oog doen kon, hij correspondeerde met zijn moeder. En deze deed, wat duizenden moeders doen, en voor en na haar gedaan hebben en zullen doen, zij zond den ondeugenden jongen geld, dat de vader hem zorgvuldig onthield. Een nieuw redmiddel werd bedacht. Pierre Bussière â dit was de naam, dien Gabriel droeg â werd als volontair in een regiment gestoken, welks chef om zijne hardheid bekend was. Als oppasser werd hem een vertrouwde knecht toegevoegd, die als spion des vaders al zijne gangen moest bespieden en rapporteeren.
Wat te verwachten was, geschiedde. Mirabeau, physiek en intellectueel ontwikkeld boven zijn leeftijd, had niet geleerd zich zelf te beheerschen, doch in de harde school zijner jeugd wel, om anderen met schoone woorden voor zich in te nemen.
Zijne hartstochten sleepten hem mede, in de schijnbaar vrijer positie, waarin hij verkeerde. Liefdeshistories, duels, zware verliezen in het spel, verzet tegen de harde krijgstucht en dergelijke zaken, in het leven van een achttienjarig edelman in 1768 geen ongewone zaken, brachten den verbitterden vader tot de uiterste woede. Hij, die in zijn eigen huis met Madame de Pailli leefde, kon geen woorden genoeg vinden om de liederlijkheid van dit rnauvais sujet te teekenen. âBij is een waardige telg van zijn moeder; wel twintig erfenissen en twaalf koninkrijken zou hij verkwisten, zoo hij ze had! De geest van mijn vader verwijt mij, dat ik ooit nog iets van
292
MIRABEAU.
dien ellendige gehoopt heb.quot; Ernstig denkt hij er aan, om hem naar de Hollandsche kolonie Suriname te zenden. âMen is dan ten minste verzekerd, dat de rampzalige, geboren om het verdriet van zijne ouders en de schande van zjjn geslacht te zijn, nooit meer boven water zal komen.quot;
Doch een andere uitweg opende zich voor de vaderlijke teederheid. Een ministeriëele lettre de cachet werd verkregen en de jonge Mirabeau op het Ue de Rjjé in een staatsgevangenis opgesloten.
Een half jaar bleef hij er. Toen werd hij ingelijfd bij een expeditiecorps naar Corsica. De markies hoopte van hem af te zijn. âAls hij eens op eigen beenen staat, zullen er geen drie maanden verloopen, of hij wordt voor zijn geheele leven opgesloten.quot; Met dit blij vooruitzicht zag hij hem gaan.
Hoe weinig begreep die vader zijn kind! De onmatige levenskracht van Gabriel behoefde de gelegenheid om zich te openbaren, zich uit te storten. Hij vond ze in den ruwen krijg op Corsica. Acht uur per dag werkte de officier Mirabeau buiten zijn krijgsdienst; zijn rustelooze ijver, zijn rechtvaardigheid, zijn onvermoeidheid wonnen hem de liefde der soldaten en de gunst van zjjne superieuren. Verbaasd luistert de vader naar al de schitterende rapporten ; in 't geheim voelt zijn trots zich gestreeld. âHet is een kop, die wat beteekent,quot; â schrijft hij aan zijn broeder â âhij is misschien eenig in zijn soort. God weet, welk een wonder wij nog in hem zien.quot; Tot belooning laat hij hem óverkomen en vergunt hem, het voorvaderlijk slot Mirabeau, in Provence, te bezoeken. Daar woont zijn broeder, de âbailliquot;, de vertrouwde zijns levens. Deze moet het âmauvais sujetquot; maar het eerst ontvangen en zien wat er van hem geworden is. De terugkeer tot de vaderlijke armen mag hem niet te gemakkelijk worden gemaakt.
Mirabeau komt en zijn oom is betooverd. De twintigjarige is onweerstaanbaar. De oude man, die een zeer werk-
293
JIIKABEAU.
zaam en zeer woelig leven achter zich heeft, wordt geheel door hem ingenomen. âDie jongen maakt mijn hart warm, er zit het beste timmerhout uit Europa in, om een admiraal, generaal, minister, kanselier, paus, alles wat ge wilt, van te maken,quot; schrijft hy vol opgewondenheid aan den vader.
Eindelijk geeft ook deze toe. De verzoening heeft plaats, en Pierre Bussière zal voortaan graaf de Mirabeau heeten. Zoo 't schijnt, heeft de vader gezegevierd en de zoon het harde hoofd gebogen. Hij zit de boeken van zijn vader te lezen en te bestudeeren, als ware het zijn liefste lectuur. âDie lectuur is te droog,quot; waarschuwt angstvallig de oom. Maar de vader wil er niet van hooien. Zijn zoon moet zijne ideeën overnemen, zijn economische theorieën deelen, zjjn physiokratische formules leeren.
Nietwaar, kinderen zijn immers aan de ouders toevertrouwd, opdat zij hen naar hun beeld vormen? Is dat niet het ware ideaal van alle opvoeding.... in de 18'le en misschien ook in de 191,e eeuw? Val den ouden edelman dan niet hard, die het stuk leem in zijn hand zocht te kneden naar zijne gelijkenis.
Toch moest hij zich zelf bekennen, dat deze zoon van andere stof was dan hij. Hij liet hem naar Parijs gaan en het hof bezoeken. Nieuwe reden van verbazing! De twintigjarige, die de ergerlijke gave der gemeenzaamheid had, bewoog zich in de hoogste kringen met onbegrijpelijke gemakkelijkheid en stapte, als in zijn gehoele leven, over alle vormen met onverstoorbare kalmte heen. quot;Wie zich ergerde, werd ontwapend door zijn geestigheid, zijn vernuft en zijn veelzijdige kennis.
âHij moet het hof kennen, maar er niet leven,quot; had de markies gezegd. Zijn zoon moest een maatschappelijk man worden. Tevergeefs smeekte Gabriel Honoré om in zeedienst te mogen overgaan; het gevaarvolle leven van den zeeman lokte zijn krachtige natuur aan. Maar de vader wilde er niet van hooren, hij moest landedelman worden als hij, econoom
294
JURABEAU.
als hij, trouwen als hij, bovenal vader worden, als hij. Tot zekere hoogte gaf hij zich rekenschap van de behoeften des zoons, dien hij âeen wild dierquot; noemde. âHij moet zeer sterke lichaamsbewegingen hebben, want wat is er anders met die onmatige overdaad van intellectueele en physieke kracht te doen? Eigenlijk zon alleen de keizerin van Rusland, Katharina II, een geschikte vrouw voor hem zijn.quot; Doch deze, jammer genoeg! bood zich niet aan, en daarom huwde de jonge Mirabeau in 1772 de achttienjarige dochter van den markies do Castillane.
Het jonge paar vestigde zich op het slot Mirabeau, eenzaam en somber, boven op een rots gelogen, ver van Aix in Provence, waar de jonge vrouw haar jeugd had doorgebracht. Daar moesten zij leven van een betrekkelijk klein jaargeld, door de wederzijdsche ouders hun toegelegd. Zuinigheid was beiden vreemd, en Mirabeau deed allerlei uitgaven om zijn jonge vrouw het gemis van de vermaken van vroeger te doen vergoeden. Het gewone gevolg bleef niet achter: binnen korten tijd stak hij in schulden.
Onbeschrijfelijk was de woede des vaders. Hij had alles voor dit kind gedaan, maar het wilde zich niet verbeteren! Een tweede lettre de cachet werd gevraagd en verkregen. Het jonge gezin werd verbannen naar Manosque, een stadje van 5000 zielen, aan de grenzen gelegen. De verkwister werd bovendien onder curateele gesteld!
Vijf en twintig jaar oud, gehuwd, vader, werd Mirabeau als een onmondige binnen het rayon van een plaatsje van 5000 zielen gebonden en tot werkeloosheid gedoemd. Was 't wonder dat hij de ?eelen verscheurde?
Op zekeren dag deed hij een rijtoer ver buiten de gestelde grenzen. Daar ontmoette hij een edelman, die zijn zuster belasterd had. De karwats trilde in zijn hand, en kletterend deed bij ze bij herhaling neerdalen op het gelaat en het lichaam van den schaamtelooze, die het ongeluk had hem hier te ontmoeten.
295
MIRABEAU.
Een rechterlijk onderzoek volgde. Mirabeau, die het gewaagd had de grenzen te overschrijden, werd door een nieuwe lettre de cachet getroffen en als gevangene naar het kasteel If, op een rots bij Marseille, gevoerd.
Vrouw en kind bleven achter, hij heeft beiden nooit weer gezien.
II
Wij zijn op een keerpunt in Mirabeau's leven; staan wij even stil.
Gesproten uit een geslacht, dat er trotsch op is, sedert 500 jaar niets dan ongewone menschen te hebben voortgebracht, is Gabriel Honoré de Mirabeau intellectueel en physiek door de natuur met krachten toegerust, die verre de gewone maat te boven gaan. Hem is geen opvoeding ten deele gevallen, men heeft het karakter niet geleid, maar willen breken. Een ijzeren wil poogde hem te vernietigen, zonder in zijn hart of in zijn verstand een bondgenoot te zoeken. Geen enkele goede, zachte invloed heeft in de vormingsperiode van het karakter zijn hart vermurwd; zijn ouderlijk huis, met het ergerlijk tooneel der verjaagde moeder en der opgenomen maitresse, stempelde den vaderlijken wil tot ruwe willekeur. Niet zijn belang, maar feodale autoriteit schreef de bevelen hem voor. Als jongeling en als man werd hij gestraft en geketend wegens misstappen, die hij rondom zich ongestraft zag begaan. AVelk een haat, welk een wrok moest er ontkiemen in het hart van den man, die zich zijn kracht met eiken dag meer bewust werd! Zoo het goede in hem, zijn teederheid, zijn innemendheid, zijn goedhartigheid, zijn onbaatzuchtigheid, zijn werkkracht niet verloren ging, het was omdat de natuur sterker is dan de menschenhand. Elke levenskring, alle werkzaamheid, die een uitweg voor zijn onmatige kracht moest zijn, werd hem afgesloten. Hij werd verwijderd uit de maatschappij, waarin voor hem alleen
296
mirabeau.
geen plaats, geen taak scheen te zijn. In zijn volgend leven zouden de goede eigenschappen telkens, ook te midden der diepste afdwalingen, zich openbaren, maar, ongeleid en ongeoefend, te zwak blijken om de geweldige drift zijner passiën te stremmen, te betoomen. Wat wonder, zoo de stroom, welken men het vloeien verbood, de hindernissen doorbrak en in morsige sloten verliep?
Na eenige maanden op If te hebben vertoefd, werd Mirabeau overgebracht naar het kasteel Joux, bij Pontarlier, in de Jura. Gebruik makende van de halve vrijheid, die hem gelaten werd, liet hij zich voorstellen in het eenige notabele huis der plaats. De oude markies de Monnier ontving hem met welwillendheid, zijne gade met nieuwsgierige belangstelling. Voor haar, de twintigjarige, geketend aan een oud man van zeventig jaar, was de komst van een vreemde een blijde gebeurtenis, een heerlijke afwisseling van het eeuwige whistspel met den grijzen echtgenoot. Madame de Monnier was een schoone, levendige brunette, met zachte, ietwat kwijnende oogen, die door vroolijke, naïeve uitvallen haar indruk verhoogde. Op Mirabeau oefende zij een ongemeene aantrekkelijkheid. De vurige hartstocht, waarmede hij jaren lang aan haar gehecht bleef en de idealiseerende wijze, waarop hij van haar spreekt, getuigen het. âIk zou haar eene Juno geacht hebben, indien ik geen Venus in haar gevonden hadquot;, verklaarde hij. Omgekeerd was de indruk niet minder beslissend. De geestige Mirabeau, met zijn groote, doordringende oogen vol vuur en teederheid, begreep zoo goed haar positie en wist ze zoo zeldzaam juist in woorden te brengen, beter dan zij zelve het vermocht. De jonge man, die zijn eigen gevoelens met zoo innige hartstochtelijkheid wist uit te drukken â wat weinig vrouwen euvel duiden â was in haar eentonig en vervelend leven, terwijl zij smachtte naar vertrouwelijkheid, een gevaarvolle verschijning. Het duurde
297
MIRABEAU.
kort, of zij had aan zijn vriendschap confidontiën gedaan, die zelden door een jonge vrouw aan een man van gelijken leeftijd zonder gevolgen worden vertrouwd. Mirabeau heeft steeds tegen de besehuldiging geprotesteerd, dat hij haar heeft verleid, en er nadrukkelijk op gewezen, dat hij haar liefde niet heeft aangenomen, dan nadat zijne vrouw had geweigerd tot hem te komen. Toen en later heeft hij steeds verklaard: âzij heeft zich vrijwillig in mijne armen geworpen.quot; Niettemin heeft hij ze vrij ver opengezet, toen hij de vrouw, die tot een zusterlijke betrekking zich bepalen wilde, overreedde, dat de rechten der liefde verder reiken.
Geheimhouding van dergelijke zaken is steeds moeilijk; hier, waar het een gevangene gold, was ze onmogelijk. De gevolgen hieven niet uit; Sophia Monnier werd naar haar familie, Mirabeau naar een andere gevangenis gezonden. Maar de vrienden, die hij overal maakte, waar hij kwam â ook mannen boden zeidon weerstand aan zijn beminnelijkheid â en de algemeene afkeuring, die de vervolging zijns vaders trof, kwamen hem te hulp. Hij ontsnapte, met ieders medeweten, en Sophie Monnier voegde zich in Zwitserland bij hem. Te zamen kwamen zij in October 1776 te Amsterdam, waar zij zich in de Kalverstraat vestigden.
In het vrije Holland kwam hij vrijheid zoeken, rekenende hier veilig te zyn. Negen maanden bracht hij er door, worstelende met do fortuin om te leven. Den geheelen dag vertaalde hij voor Hollandsche uitgevers; armoedig, doch gelukkig, naar hij later zeide, leefde hij met de vrouw, die hij liefhad. Voor de eerste maal in zijn leven was hij vrij; hier konden zijn vijanden hem niet treffen.
Zoo meende hij, doch verkeerdelijk. De handelsaristocratie der Republiek had geen belang bij hem en was ten volle bereid hem uit te leveren. In Mei 1777 werden de ontvluchten in hechtenis genomen en naar Frankrijk teruggevoerd; Sophie Monnier in een klooster, Mirabeau te Vincennes opgesloten.
298
JIIKABEAU.
Aan geen feit uit zijn leven heeft Mirabeau meer te danken dan aan deze ontvoering' van de schoone markiezin de Monnier. Niet alleen, omdat zij deApublieke/»dorst naar schandalen bevredigde, maar vooral omdat zij zijn naam algemeen bekend maakte en de oogen des volks op hom richtte. Geen enkele zijner handelingen tot dusver had zulke gevolgen als deze vuistslag, dieii zijn overmoed zich vermeten had der publieke moraliteit toe te brengen.
Drie jaar bleef Mirabeau in de gevangenis en werd toen door den vader ontslagen, omdat de oude markies vreesde, zonder nakomelingschap te zullen sterven. Daarom wenschte hij de verzoening van zijn zoon met diens vrouw en stelde hem in vrijheid. Zulke consideration teekenen een individu, maar lichten ook de verhouding tusschen vader en zoon scherp toe.
Gabriel Honoré was ruim 31 jaar, toen hij Vincennes verliet. Hij was er gegroeid, lichamelijk en geestelijk. Nooit heeft een gevangene gewerkt als hij. Drie uur sliep hij, één uur mocht hij wandelen, de rest van den dag was gewijd aan lezen en schrijven. Een uitgebreide correspondentie met Sophie Monnier, in 1792 gevonden en uitgegeven, bewijst wat er omging in zijn gemoed. Het zijn vurige kreten van liefde, vol wilde drift en zinnelijke behoefte: er zijn bladzijden in, waarin de taal, als 't ware overwonnen door zijn passie, zich leent tot het afbeelden van tooneelen, waarvan Rousseau tot dusver alleen het geheim bezat. Maar de eischen van liefde en zinnelijkheid houden hem niet uitsluitend bezig. Lezen, vertalen, denken â tot alles had hij den tijd. En hier in de gevangenis van Vincennes werd het hem duidelijker dan ooit, wat de reden was van zijn ongeluk. Hij beschuldigde zijn vader, heftiger dan te voren. Wilt gij een enkele proeve uit een der vele pleidooien, die hij schreef? âMijn vader is mijn beul; hij heeft mij eerst willen onderwerpen; toen hij hierin niet slaagde, gaf hij er de voorkeur aan mij te breken, liever dan
299
300 MIRABEAÃ.
mij naast zich te laten opgroeien, uit vrees dat ik omhoog d
zou stijgen, terwijl hij daalde. Tevergeefs heb ik hem gezegd: o
mijn roem is immers de uwe? Hij heeft mij te meer gehaat, d
toen hij zag dat ik hem doorgrondde. Hij is de eenige van v
alle vaders, die zich vernederd gevoelt door de talenten van a
zijn kind.quot; Wanneer eenmaal een zoon zulke gevoelens zich r
bewust is en ze uitspreekt, is er van geen band der natuur t meer sprake.
Men heeft Mirabeau een komediant genoemd, en menig- c
maal is hij het geweest. Maar het goochelen met onder- d
werping en toegevendheid was het eenige wapen, dat hem ]
overbleef tegenover een hardvochtigheid, die voor niets boog. \
âMijne krachten bezwijken, ziekten verteren mij, mijn gezicht \
vermindert, zenuwpijnen verscheuren mij. Zedelijk en lichame- 1
lijk bezwijk ik in deze gevangenis. Verstomping, wanhoop s
en zinneloosheid naderen mij. Ik kan zulk een leven niet uit- 1
houden. Vader, ik kan niet. Laat toe, dat ik de zon weder- c
zie, dat ik ruimer adem haal, dat ik menschen spreek.....quot;
Wat antwoordde de oude markies op die aandoenlijke smeek- i
bede? Hij lachte om die kunsten en liet zijn zoon niet los, i dan toen zijn kleinkind was gestorven en hij hem behoefde om zijn geslacht voort te planten. En deze man verbeeldde zich, dat die zoon toen oprechtelijk de knieën voor hem boog
en eindelijk zijn autoriteit erkende! j
De droom duurde kort. De jaren gevangenschap droegen ]
vrucht. Het grootste, wat den mensch bejegenen kan, is, dat hij in zijn eigen zaak de algemeene verdedigt. Dan krijgt zijn individueel leven historisch gewicht.
Dit was met Mirabeau het geval. Hij had leeren inzien, dat zijn persoonlijk lot een algemeen karakter droeg. Hij was slechts een der duizenden slachtoffers van de maatschappelijke orde, die aan bevoorrechte standen het recht en de macht schonk, om aan anderen hun wil op te leggen. Zijn vader was slechts één der representanten van het despotisme van
.
MIRABEAU.
den staat. Het privilegie was de kanker der maatschappij, omdat het willekeur en verdrukking baart. Wat de mannen der verlichting aangaande menschenrechten en individueele vrijheid sedert jaren hadden gepredikt, het werd zijn eisch, als het resultaat zijner levenservaring. Zijn voorbeeld kon de rechtmatigheid toelichten, zijn stem zou voortaan hunne erkenning vorderen.
Dit oogpunt geeft de ware beteekenis aan der procedures, die hij onmiddellijk na zijn invrijheidstelling aanving, en doet den verbazenden indruk begrijpen, dien zij maakten. Dat Mirabeau herziening van het tegen hem als verleider geslagen vonnis eischte en hij zijn vrouw van haar familie terugvorderde, was een geheel persoonlijke zaak. Maar niet dat hij het recht der ouders om willekeurig over kinderen te beschikken aantastte, dat hij de maatschappelijke ordening brandmerkte, die geen enkel recht van individuen eerbiedigde of waarborgde en de staatsmacht tot bondgenoot en werktuig verlaagde van individueele willekeur en wraakneming. Dit stempelde den strijd voor de rechtbank in Provence tot een feit, voor de geheele natie van gewicht. Daar trilde door Frankrijk een stem, die allen toeriep; âuw aller belang staat op het spel, het is uwe twistzaak die hier gestreden wordt.quot;
Toch zou het belang van den strijd niet de koelheid des publieks hebben overwonnen, zoo niet tevens een andere kracht zich had doen gelden. Mirabeau ontwikkelde een welsprekendheid, die, door geen kunst gevormd, doch als de zuivere uiting der natuur èn hoorder èn lezer zijner pleidooien overweldigde. âEen stormwindquot; had zijn vader hem eens genoemd : als een stormwind donderde zijn woord. Vreemdelingen en ingezetenen stroomden naar de pleitzaal om hem te hooren. Laat een getuige, die niet van partijdigheid verdacht kan worden, het u verhalen. Zijn vader schrijft op schimpenden toon: âStel u de zegepraal van den kunstenmaker eens voor. Op den dag van zijn kermisvoorstelling
301
MIRABEA.U.
werden, niettegenstaande dat de wacht verdriedubbeld was, deuren, slagboomen, vensters en alles door de stomme menigte overweldigd. Er zaten tot op de daken om hem te zien, zoo zij hem al niet hooren konden. En het is zonde en jammer, dat niet allen hem hebben gehoord, want zoo verschrikkelijk heeft hij gesproken, zoo gehuild en gebruld, dat de manen van den leeuw wit waren van do vlokken schuim en dropen van het zweet.quot;
De schimpende teekening overdreef niet. De leeuw had zijn gebrul door Frankrijk doen hooren, en sinds bleven de oogen op hem gevestigd. De jonge edelman, die de gebreken van zijn stand in ruime mate bezat, stond als aanklager tegen de oude maatschappij op, die onder de forsche slagen zijner onstuimige welsprekendheid trilde. In geleerde boeken en populaire geschriften hadden talloos velen den bestaanden toestand aangevallen, maar met die kracht, dien overmoed had nog geen slachtoffer de worsteling, lijf tegen lijf, aangevangen als hij. Van dit oogenblik af behoorde Mirabeau tot de krachten, waarop werd gerekend, als de groote procedure tegen het privilegie en de staatsalmacht zou aanvangen.
III
Was de verwachting te stout, te overdreven of was Mirabeau werkelijk een kracht?
Persoonlijke moed en de macht van het woord stonden hem ter beschikking als weinigen. Doch hoe onmisbaar ook, zij zijn onvoldoende: kennis der gebreken, inzicht in de hulpmiddelen, warmte van overtuiging, die doet volharden, worden in hem, die zich aan de publieke zaak wijdt, boven alles vereischt. Bezat hij die?
Het zou niet te verwonderen zijn geweest, indien Mirabeau in het leven, dat tot dusver het zijne was, moreel en intel-
302
MIRABEAÃ.
lectueel ware te gronde gegaan. Duizenden zijn in geringer strijd bezweken; slechts de minderheid blijft staande onder zulke ongunstige omstandigheden. Tot die minderheid behoort Mirabeau. De reden is deze: zijn behoefte aan intellectueele genietingen was steeds even groot als die aan zinnelijk genot.
Een zijner grootste grieven tegen de gevangenissen was de moeielijkheid om boeken, papier en inkt te bekomen. Toch verkreeg hij ze. Omtrent zjjne lectuur te Vincennes zijn wij vrij goed door hem ingelicht: Rousseau, Montesquieu en tal van historische schrijvers van dien en vroegeren tijd worden in zijne brieven aangehaald. Ook vele oude en nieuwe klassieken: Homerus, Catullus, Ovidius, Tacitus, Tasso, Bocca-cio. Janus Secundus, enz. Hij las deze auteurs en excerpeerde ze. Doch wat hij niet aanteekende bleef ook bewaard in zijn stalen geheugen. Strekte deze veelzijdige lectuur eensdeels om zijn geest bezigheid te verschaffen, voor een ander deel moest zij tot andere doeleinden dienen. Mirabeau verwerkte de stof, die hem geboden werd, en gebruikte de denkbeelden van anderen, om zijn gevoelen te steunen. Voor de groote menigte heeft de autoriteit van personen meer gewicht dan de waarheid der gedachte zelve. In de gevangenis te Vincennes schreef hij een werk over Lettres de Cachet. De rijkdom van citaten is zoo groot, dat men zou vermoeden, dat hij een aanzienlijke bibliotheek tot zijne beschikking had gehad. Een der tijdgenooten ontzegde hem juist op dien grond het vaderschap. De waarheid is, dat zijn rijk geheugen en zijne vele adversaria hem die groote massa feiten en aanhalingen verschaften, die zoo zeer verbazen.
Doch de lectuur had nog een f-nder doel: Mirabeau vertaalde. Al de vreemde auteurs, die ik opnoemde, Tacitus, Ovidius enz. hebben hun contingent geleverd. Voor zoover die vertalingen in 't licht verschenen, behooren zij tot die uitgaven, die hem het verwijt op den hals haalden, dat hij broodschrijver was. In de gevangenis ontving hjj van zijn
303
MIRABEAÃ.
zorgvuldigen vader 600 francs, om in zijne behoeften te voorzien. Mirabeau zocht met zijne pen het ontbrekende te verdienen. De vertalingen der klassieken zijn wel de meest onschuldige van de geesteskinderen, die daaraan het aanzijn denken. Eenige andere, van slecht allooi, waren bestelwTerk, boekverkoopers-speculatiën op zijn geldgebrek en op den smaak van het publiek voor dubbelzinnige literatuur. Alles hing af van de handelaars, met wie hij in betrekking stond. Toen hij met Mevr. Monnier in âhet duurste land van Europaquot;, gelijk hij de Republiek noemde, moest leven, bewerkte hij voor Rey en Changuyon de vertaling van ernstige werken. quot;Watson's geschiedenis van Philips II, de geschiedenis van Engeland van,.juevrouw- Macaulay, en dergeljjke, werden gedeeltelijk door hem uit het Engelsch in het Fransch overgebracht. In welke richting zijn eigen sympathieën gingen, blijkt uit de geschriften, na zijn verblijf te Vincennes uitgegeven.
Na de pleidooien in de Provence liet zijn vader hem los, overtuigd dat zijn teedere zorg den zoon niet redden kon. Voor de eerste maal in waarheid stond hij op eigen beenen, maar tevens was hij geheel tot eigen krachten verwezen. Middelen bezat hij niet, hij moest schrijven en uitgeven. Geen wonder, dat niet alleen pennevruchten, zijner onwaardig, maar ook ernstige arbeid hem tot verwijt werd gerekend en weerlegd, naar men meende, door op de veilheid van zijn pen te wijzen. In 1786 vatte hij het plan op, een groot literarisch tijdschrift uit te geven. Bij die gelegenheid beriep hij zich op het voorbeeld van Engeland, om het groot gewicht der periodieke literatuur aan te wijzen. âEr is in Engehvnd geen man, die wat beteekent, geen enkel publiek man, die niet een tijdlang aan die periodieke literatuur heeft medegewerkt, aan die vliegende bladen, die onze onkunde gering schat, maar die in alle landen de grootste verandering bewerken, bestaande toestanden wijzigen, de heerschende denk-
304
MIRABEAU.
beelden omkeeren, de menschen vernieuwen. Ik vind er niets vernederends voor mij in, te doen wat de keur van Engeland altijd deed en nog doet. Ik heb slechts achting voor verdienste, deugd, talenten, en niet voor de kunstmatige splitsingen der maatschappij. Sedert jaren gespeend van de illu-siën, die de toevallige plaats mijner geboorte mij schenken kon, ben ik gewend niets dan mij zelf te zijn en zal ik trachten slechts door mij zelf elke plaats te verdienen quot;
Er spreekt zelfgevoel uit die woorden. Zij zijn trouwens geschreven, toen hij als staatkundig publicist reeds op de hoogte van zijn roem stond.
De geschiedenis kent weinig publieke personen, die zoo eerlijk en openhartig als Mirabeau bij herhaling, zijne misstappen, zijne overtredingen der moraliteit hebben beleden. Doch steeds heeft hij het recht ontkend, om uit zijn privaat leven tot de onwaarheid zijner staatkundige beginselen en eischen te besluiten. Weinig auteurs zijn nevens hem aan te wijzen, die de zware verantwoordelijkheid van sommige geschriften, door broodsgebrek in het leven geroepen, door geestesarbeid van hooger en ingrijpender beteekenis hebben vergoed. Uit behoefte was Mirabeau publicist geworden en bleef hij het, maar telkenmale, als het lot het hem vergunt, wijdt hij zijn pen aan de behartiging van groote, publieke belangen, als ware het, om aan het algemeen te vergoeden, wat hij wellicht dezen of «â genen bijzonderen persoon euvel had gedaan. De opbrengst van zijn pen stelde hem in staat een leven te leiden, rijk aan uitspatting en zinnelijke drift. Maar telkenmale, als een bliksemstraal in den duisteren nacht, richt de veerkracht van zijn geestelijk leven hem weer op en doet hem woorden spreken in den vorm van geschriften, die de hoogste belangen van volk en maatschappij raken. Geen driften der zinnelijkheid verstompen zijn fijnheid van gevoel, om de richting der ideeën, die strijd voeren, de beteekenis van schijnbaar onverschillige feiten, die voorvallen, te onder-
20
305
1
306 MIRABEAU.
kennen. De geheimzinnige macht der veldwinnende gedachte, k^
haar stille werking, hoe zij het bestaande ondermijnt en af- h(
brokkelt, voordat zij het neerwerpt â weinigen hebben haar b(
fijner en zekerder gevoeld dan hij. En hoe ook in zinnelijk g'
genot verzonken, men zou zeggen verloren, voor de waar- b(
neming van deze onzienlijke dingen sluimert zijn oog nooit, is
en geen Venus, hoe schoon ook of gewillig, maakt hem voor fa den strijd der ideeën onverschillig of koel. Mirabeau is een
dier wonderbare naturen, waarin de engel en het dier â het al
compositum heet mensch, naar de oude kerkvader zegt â d(
beide tot ontwikkeling zijn gekomen. Hij kan uren, dagen, tc
weken, maanden in zinnelijk genot verloren zijn, maar on- di
middellijk na den diepsten val heft hij zich in de volheid van Z
zijn reuzenkracht op, om de hoogste belangen van individu ja
en maatschappij uit te spreken en te doen gelden in bewoor- bi
dingen, die, als de diamant in het glas, onuitwischbare letters v(
in het volksbewustziju schrijven. di
Eene opsomming van de politieke geschiften van Mirabeau ja
zou weinig aantrekkelijk, maar bovendien weinig doeltreffend Vi
zijn. Bij een auteur, die over de meest uiteenlaopende onder- le
werpen heeft geschreven, die heden een verhandeling over de 16
muziek en de douanen, morgen een leerrede over de onster- Vl
feljjkheid dgr ziel en een betoog over zoutmijnen leverde, is ^
het niet wel mogelijk, een scherpe grenslijn tusschen poli- ^
tieken en niet-politieken arbeid te trekken. Bijkans elke w arbeid toch staat in meer of min rechtstreeksch verband met
den ideeënstrijd zijns tijds. Aan namen, voorvallen, schijn- «
baar kleine omstandigheden somtijds, knoopt hij vast, om 01
zijne denkbeelden onder de menigte te verbreiden, het publiek n
tot zijn geesteskind te maken Zoo wordt een lofrede op den t(
beroemden philosoof Mozes Mendelssohn een warm pleidooi ^
voor godsdienstige verdraagzaamheid en de politieke vrijheid h der Joden. Als het halssnoerproces der koningin den naam
van Cagliostro op aller lippen brengt, ontmaskert hij tal van ^
I
MIRABEAU.
kwakzalverijen, waardoor de wonderdoener het vertrouwen heeft gewonnen, maar tevens is zijn woord een vurige aanbeveling van de Engelsche jury, die beter waarborg voor een goede rechtspraak biedt dan de Fransche rechtsvormen. Mira-beau stelt Lavater's lichtgeloovigheid aan de kaak, maar het is om bestrijders aan te winnen van een christendom, dat tot fanatisme en intolerantie opvoedt.
Rousseau en tallooze anderen waren jaren vóór Mirabeau als predikers van politieke theorieën opgetreden en hadden de noodzakelijkheid betoogd van hervormingen der bestaande toestanden, die streden met hunne leerstellingen. Mirabeau kent die theorieën, maar de weg, dien hij gaat, is juist omgekeerd. Zijn polemiek legt de heerschende gebreken bloot, wijst de jammerlijke gevolgen voor staat en individu van hun voortbestaan aan en rechtvaardigt daardoor zijne eischen. Met volle recht is toen en later hem tegengeworpen, dat zijne denkbeelden hem niet uitsluitend toebehooren, dat zij sedert jaren door anderen gepredikt waren. Mirabeau is geen man van bespiegeling, hij leidt de theorie uit de practijk af. Hij legt den vinger op misbruiken, die onder het bereik van ieder vallen en waarvan ieder het slachtoffer kan zijn. Dit verleent aan zijne woorden een kracht, die de bloote bespiegeling mist en onderwerpt ook de overtuiging van hen, die niet willen hooren van menschenrechten en dergelijke, maar even weinig slachtoffers willen zijn van willekeur en wanbestuur.
Een zijner meest bekende geschriften bespreekt les lettres de cachet et les prisons d'etat. Hij schreef het nog te Vin-cennes, maar het verscheen later in het licht. Het bevat een naakt en onverbloemd verhaal, hoe het in de/gevangenissen/i toegaat; in de teekening is geen enkele bijzonderheid, hoe klein ook, vergeten. Doch dit alles is slechts ondergeschikt, het hoofddoel is een ander. Tot dit rampzalig leven, erger dan de dood, wordt men, zegt hij, in Frankrijk door blinde willekeur gedoemd; de lettre de cachet ontsluit de gevangenis.
307
MIRABEAÃ.
en niet de wet. Dit is het, wat de schrijver zijne lezers telkens herinnert, ten einde hen te overtuigen van de noodzakelijkheid, om de absolute macht, die de plaats van een wet inneemt, te beperken. Die absolute macht is de koninklijke. De macht van den monarch behoort aan banden te worden gelegd, opdat het individu binnen de grenzen der wet vrij zij. Zonderling klinllt;t het ons in de ooren, wanneer zelfs de Amsterdamsche dienders als getuigen worden opgeroepen voor de vrijheid, die in Holland heerscht. Maar geen Franschman, van welken stand ook, die na de scherpe teeke-ning der heerschende willekeur, niet aan Mirabeau toegaf, dat het absolutisme moest gebreideld worden en belet zooveel kwaad te doen.
âHet absolutisme heeft overal tot revolutie gevoerd,quot; met die opmerking poogt Mirabeau de monarchale partjj te winnen. Doch hij maakt zich geen de minste illusie; geen autoriteit doet vrijwillig en gewillig afstand van haar gezag. Waarschuwend en dreigend klinkt haar daarom het profetische woord in de ooren: een nationaal bederf wordt niet genezen dan door nationale rampen.
De jaren 1781 â1787, waarin Mirabeau's werkzaamheid als staatkundig publicist valt, waren boven andere geschikt, om den indruk zijner woorden te versterken. De regeering van Lodewijk XVI, nog in het bezit der oude, absolute macht, had den weg der hervorming betreden, maar wankelde onzeker en weifelend heen en weer. Zij schonk beloften, voor wier vervulling zij terugdeinsde, en deed concessiën, die zij, verschrikt voor de gevolgen, onmiddellijk terugnam. Niets bracht zij tot stand, dan de overtuiging algemeen te doen worden, dat de monarchie machteloos was om zich zelve en de natie te redden. Niemand heeft meer dan Mirabeau tot het vestigen dier overtuiging bijgedragen. Hij was het, die het beroemde Compte rendu van Necker aanviel en den ge-
308
MIRABEAU.
vierden minister als de hoofdoorzaak der finantieele verwarring aanwees. In de eerste oogenblikken werd hij niet geloofd, maar na weinige jaren vond zijn woord ook bij de regeering ingang, die, ondanks haar onwil tegen den heftigen edelman, niet aarzelde, zoo noodig, zijne hulp in te roepen.
In 1787 was Parijs het tooneel van groote, finantieele zwendelarrjen. Er waren banken en handelscompagnieën opgericht, waarin alle standen der maatschappij en ook de regeering betrokken waren. De speculatiegeest deed er zich gelden en joeg de aandeelen, door onmatige dividenden, tot het twee- en driedubbele der waarde op. Het was een finantieele toestand die aan de dagen van Law herinnerde en Frankrijk met een gelijken schok bedreigde. De regeering zag het aan en wist geen middel om het gevaar te bezweren. Slechts één man was er, die in staat scheen, den zwendel-geest te binden. Tot Mirabeau wendde zich de minister Calonne.
Mirabeau nam de opdracht aan en volbracht ze. Een reeks van brochures over de Spaansche bank, de watercompagnie en dergelijke vlogen uit zijn vlugge pen. De uitslag bewees, hoe groot het publiek vertrouwen en de kracht van zijn woord waren. Na weinige weken waren de aandeelen van 900 livres tot 400 teruggebracht.
Een stroom van beschuldigingen, die de plaats van weerlegging moesten innemen, werd door de geslagen speculanten A la hausse tegen Mirabeau ingebracht. Maar de onjuistheid zijner cijfers, berekeningen en betoogen wrord niet bewezen. En geen zijner tegenstanders kon het bewijs leveren , dat een enkel oneerlijk motief hem tot den strijd had bewogen. Hij had alle geldaanbiedingen afgeslagen, aan geen enkele speculatie deelgenomen en alleen zich laten leiden door zijn liefde voor de publieke zaak. Zijne onbaatzuchtigheid dekte hem tegen de aanslagen zijner vijanden en verhoogde het vertrouwen op zijn inzicht en raad.
Een politiek program heeft Mirabeau niet geschreven. Maar
309
MIRABEAÃ.
de hervormingen, die hij wilde, waren geen geheim. Toen Frederik de Groote was gestorven, richtte hij tot diens opvolger een open brief, waarin hij hem wijst op de groote taak, die hem wacht: hervorming van het staatswezen door vrijverklaring des volks. Niet alles is ook toepasselijk op Frankrijk, maar verreweg het meeste. Afschaffing der prerogatieven van den adel, onafzetbaarheid der rechterlijke macht, onbeperkte vrijheid der drukpers, opvoeding des volks door staatsonderwijs, vrijheid van godsdienst, afschaffing der indirecte belastingen, vrijheid van handel en industrie door afschaffing van douanen en gilden, provinciaal zelfbeheer enz. â deze en dergelijke eischen golden voor Frankrijk evenzeer als elders. Hij had ze in zijn verschillende geschriften voorgestaan en gepopulariseerd als onmisbare vereischten voor de ontwikkeling des volks. En wat hij van den Pruisischen koning vroeg, vroeg bij ook van den Franschen, want Mirabeau was een monarchaal man en geen republikein. De edelman had wel gebroken met de pretensiën van zijn stand, maar niet met zijn royalisme. Do staatshervorming moest uitgaan van de monarchie. De wet, voor allen gelijk, moest de beschermster barer rechten en tegelijk de handhaafster van de vrijheden des volks zijn.
Toen Mirabeau dit laatste geschrift in het licht zond, was hij niet te Parijs, maar te Berlijn. Ka 1781 vertoefde hij niet geregeld in zijn vaderland. Wij treffen hem nu eens in Engeland, dan in Pruisen aan. Te Londen werd hij door een vroegeren schoolmakker met een rij van staatslieden bekend, wier gesprekken en voorlichting voor zijne politieke ontwikkeling van groot gewicht waren. Zijne kennismaking met het constitutioneel systeem leerde hem over werking en vruchten beter oordeelen, dan de meesten zijner landge-nooten vermochten. Hij zag, dat de koninklijke autoriteit volkomen vereenigbaar was met de erkenning van burger-
310
MIRABEAÃ.
rechten en de eerbiediging van persoonlijke zelfstandigheid, die Frankrijk miste.
Merkwaardig was de politieke drijfveer, die hem naar Berlijn voerde. Daar leefde en heerschte nog altijd do grijze Froderik de Groote. Mirabeau wilde zien, hoe één man dat reuzengebouw van den Pruisischen staat had opgericht, ingericht en in stand hield. Door Frederik welwillend ontvangen, bleef zijn persoonlijk ontzag voor den krachtigen geest van den schepper onverzwakt, maar zijn oog werd er niet door beneveld, waar hij de staatsmachine en het volk gadesloeg. Beter dan een der tijdgenooten zag Mirabeau het in en sprak hij het uit, dat Pruisen's kracht slechts besloten lag in één hand: als het groote hart van den grijzen held zou ophouden te kloppen, zou zijn werk ineen zinken. Het zou den meester niet overleven. En toch, welk een vermogen had een enkel menschenkind! Zoo Frankrijk een man op den troon had, het ware behouden.
Door tusschenkomst van Talleyrand kwam hij, tijdens zijn verblijf te Berlijn, met de Fransche regeering in betrekking. Hij trad als geheim diplomatiek agent in haar dienst, om haar voor to lichten nopens de bestaande toestanden in den Pruisischen staat en de beteekenis, die de naderende troons-verandering te Berlijn voor Frankrijk hebben kon. Uit verschillende geschriften van Mirabeau's hand over de Schelde-kwestie, het stadhouderschap in de Nederlanden enz., en uit een geheime memorie over Genève wist het gouvernement van Lodewijk XVI, dat Mirabeau gloeide voor de handhaving en uitbreiding van Frankrijk's macht in den vreemde. De koning zelf gaf een merkwaardig getuigenis, hoe zeer de politieke ernst van den in alle andere zaken zoo wuften publicist werd erkend en gewaardeerd, toen hij de verklaring aflegde: âde graaf de Mirabeau kan het gouvernement alleen dienen met behoud der volle onafhankelijkheid, die hij steeds betoond heeft.quot;
311
MIRA.BEAU.
Die overtuiging van voor- en tegenstanders was zjjn loon I
voor jaren van onvermoeide werkzaamheid en volharding. z
Maar het was niet zijn verdienste alleen. Want in dit tijd- o
perk zijns levens stond hem een vrouw ter zijde, aan wier s zegonrijken invloed hij een groot deel zijner volharding
dankte. li
Henriette de Jfehra was eene dochter van Willem van h
Haren, den Nederlandschen gezant te Brussel. Zij leefde v van een klein pensioen in een klooster te Parijs. Daar
leerde zjj, in 1784, negentien jaar oud, Mirabeau kennen. z
Wij weten uit haar eigen mond, hoe zeer zij bij de eerste h
ontmoeting voor hem schrikte. Maar als ieder vergat zij h
zijne leehjkheid, zoodra hij sprak. âDe uitdrukking van zijn p
gelaat was vol geest en leven; zijn mond charmant, zijn n
glimlach vol van bevalligheid. Hij sprak uit, wat ik ge- i
voelde, wat ik dacht, wat ik zou gezegd hebben, als ik zoo d
had kunnen spreken; hij ried, wat ik niet wist uit te i
spreken. Ik had medelijden met hem. Hij was van allen, c
ouders en vrienden, verlaten. Ik verbeeldde mij, dat ik ge- c
schikt was om de heftigheid van zijnen hartstocht te temmen, ^
door hem gelukkig te maken. Hij bad en smeekte mij, dat \
ik hem voor zich zelf zou redden. Ik offerde een kalm en l
rustig bestaan op, om de gevaren van zijn stormachtig leven ^
te deelen. Ik zwoer, dat ik voortaan slechts leven zou voor g
hem, hem overal volgen, hem ter zijde staan in voor- en 1
tegenspoed. Ik laat aan de vrienden van Mirabeau over te c
beoordeelen, of ik mijn eed gehouden heb.quot; i
Uit medelijden, om hem te redden, verbond Madame de
Nehra zich aan hem. Zij is niet de eerste vrouw, die voor 1
zulk een drijfveer bezweek, zij zal niet de laatste zijn. Wie ]
waagt het, het edel beginsel te vonnissen, ook waar het op 1
oen dwaalspoor leidt? i Hier is voor geen strengen rechter plaats, want Madame
de Nehra heeft allen ontwapend, die haar leerden kennen. (
__|_
312
MIRABEAU.
Dumont, een van Mirabeau's secretarissen, getuigt: âZij had zich aan hem verbonden uit een grootheid van liefde, die over alle consideratiën der maatschappij heenstapt. Jong, schoon, vol bevalligheid en kieschheid, vereenigde zij alles wat noodig is om de deugd te sieren en den misstap dei-liefde te verschoonen. Nooit heeft iemand, die haar kende, het Mirabeau vergeven, dat hij deze edele en beminnelijke vrouw heeft opgeofferd aan een verachtelijke Megaera.quot;
Vier jaar lang stond de vriendelijke verschijning hem ter zijde. Zij schiep een wereld van reinheid, van orde om hem heen, wier bestaan Mirabeau noch als knaap noch als man had genoten. Met Hollandsche trouw vervulde zij al de plichten der gade, regelde zijn huishouden, bestuurde zijn fi-nantiën, hield de eer van zijn huis en zijn naam op, deelde in zijn streven, werkte met en voor hem en poogde, dooiden wellust van een vreedzaam huiselijk leven, hem van uitspattingen te weerhouden. âIk kan verzekerenquot; â schreef de merkwaardige vrouw later â âdat zijn hart goed was; dat hij meer dan iemand de deugd op prijs stelde en wat groot en schoon was met geestdrift liefhad.quot; Mirabeau was vol dankbare gehechtheid en erkende haar zedelijke meerderheid. âIk heb eene lotgenoote, eene beminnelijke, zachte, goede gezellin. Gij zult haar engelengelaat, haar verteerende goedheid, den toovercirkel, dien zij om zich schept, zien. Ik zweer u in alle oprechtheid, dat ik haar niet waard ben, dat haar ziel door kieschheid en goedheid van hooger orde is dan de mijne,quot; zoo schreef hij.
Henriette de Nehra was met hem naar Londen gegaan, was zijne trouwe gezellin in Pruisen en keerde met hem naar Frankrijk weder. In al zijn zorgen stond zij hem onvermoeid bij en offerde met vrouwelijke zelfverloochening zich op, om zijn levenspad te effenen en hem zijn roeping te helpen vervullen. Meer dan eenig ander sterveling, meer dan vader en moeder had zij gedaan, om hem voor zich zelf en voor
313
MIRABEAU.
Frankrijk te bewaren. En toch verscheurde de staatkundig zoo krachtige, maar door zijne zinnelijkheid zoo zwakke man, met lichtzinnige hand den band, die hem aan haar hechtte. Toen hij in 1787 te Parijs was teruggekomen, kon hij geen weerstand bieden aan de verleiding zijner omgeving. Eene vrouw, in elk opzicht zijn mindere, wist hem te betooveren en wantrouwen tegen haar te wekken. Henriette de Nehra eischte, dat hij om harentwil de onwaardige betrekking zou verbreken. Mirabeau weende en zwoer duizend eedeu, die hij alle verbrak. In Augustus 1788 verliet zij zijne woning en den volgenden dag Frankrijk voor altoos.
âIk heb er langen tijd spijt over gehadquot; â schreef zij na Mirabeau's dood â âthans gevoel ik gewetenswroeging. Ik zal mij steeds verwijten fier te zijn geweest, waar ik zacht moest zijn. Ik had altijd een groot vermogen op zijn hart, ik had zijn achting en zijn volle vertrouwen. Ik had geduld moeten hebben; ik zou alles door geduld en toegevendheid verkregen hebben. Indien ik bij hem gebleven ware, zou hij naar mijne voorstellingen geluisterd hebben; hjj zou zorg gedragen hebben voor zijne gezondheid, hij zou zich niet zoo overgegeven hebben aan zijne uitspattingen, die, met zijn overmatig werken, zijne gezondheid vernield hebben. Misschien zou hij nog leven, nog de roem zijns volks en de steun der vrijheid zijn. En ik, de deelgenoote van zijn ongeluk! een en gevaren, zou niet den zwaren last van het bitterst zelfverwijt tot mijn stervensure moeten dragen!quot;
De man, die zulk een liefde wist te winnen, moge groot zijn geweest â de vrouw, die ze schonk, was nog grooter dan hij.
IV
In een der eerste Meidagen van 1789 was Versailles, waar de koningen sedert een eeuw resideerden, het tooneel van een indrukwekkend schouwspel. Een stoet van 1200 mannen
314
MIRABEAU.
sj richtte, te midden der van alle kanten toegestroomde menigte, i, zich naar de kerk St. Louis. Daar zou met het inroepen !. van 's hemels zegen de zitting der Etats Généraux worden n geopend.
e Naar het uiterlijke vertegenwoordigden deze mannen meer
n het verleden, dan het heden. Zij waren gekleed als de
a laatste Staten-Generaal, die in 1614 bijeen waren geweest, u In den stand der geestelijken, die do eerste was, wezen kardi-
e nalen en bisschoppen met hunne violette en roode mantels g den weg aan een groot getal pastoors, in hunne koorhemden uitgedost. Schitterend was de kleedij van den adel: weelderig a met goud geborduurde mantels, prachtige kanten kragen, k hoeden met den wuivenden vederbos a la Henri IV, rijk ver-it sierde degens herinnerden aan de dagen, toen de adel van Frankrijk de eer des lands op de slagvelden handhaafde, d Wat staken de arme representanten van den derden stand bij d hen af! De eentonigheid der eenvoudige zwarte gewaden ij werd ternauwernood afgebroken door den wit baptisten kraag,
die hun hals dekte.
o Zorgvuldig had de omgeving des konings uit de archieven
n des rijks deze verschillende kleeding opgezocht en zorgvuldig s- aan de Etats Généraux van 1789 de kostumen van 1614 e voorgeschreven. Met zulke voorzorgen meende zij het kwaad j- te bezweren, dat de samenkomst van 's lands vertegenwoor-it digers haar wellicht baren kon.
In 175 jaar waren zij niet opgeroepen, en ook nu niet dan )t onwillig. De monarchie had al die jaren geregeerd met adel â r en geestelijkheid. In deze bevoorrechte standen had zij gewillige dienaren en werktuigen, ook slachtoffers van hare absolute luimen gevonden. Met haar steun had zij eerst Frankrijk's overwicht over Europa verworven, toen de eer tr en de welvaart des lands door wanbestuur en verkwisting n verspeeld.
n De dag des kwaads was eindelijk gekomen; Frankrijk
315
MIRABEAU.
waggelde aan den rand van een staatsbankroet. Tevergeefs had de monarchie redding gezocht bij de deelgenooten aan den voorspoed; noch adel noch geestelijkheid hadden hun schatten en voorrechten willen offeren. Onmachtig om den staat te redden, kon zij ten slotte geen weerstand bieden aan den nationalen eisch. Zij riep de vertegenwoordigers des volks op, om van hen hulp te vragen.
Wat die oproeping beteekende, zagen slechts weinigen in. In het wezen der zaak was het een abdicatie der absolute macht, een bekentenis van onmacht, door de monarchie afgelegd. Zij die twee eeuwen, alleen, onbestreden de teugels der regeering had gevoerd, riep de hulp der natie in, om de noodlottige gevolgen van haar wanbestuur weg te nemen. Hoe het geschieden zou? Daaromtrent koesterde zij wel vreeze, maar wist geen raad te geven. âWij hebben de medewerking noodig van onze getrouwe onderdanen, om de finan-tieele moeielijkheden te overwinnen en een blijvende orde vast te stellen in alle deelen des bestuurs.quot; Zoo had de koning in zijn brieven van oproeping gesproken.
De natie had geantwoord en in hare lastbrieven hare denkbeelden , hare eischen uitgesproken. Gelijkheid van allen voor de wet, afschaffing van alle privilegiën in elk opzicht was de inhoud. Adel en geestelijkheid wisten dat zij bedreigd werden door den lastbrief van den derden stand. Doch zou deze bij machte zijn, de hervorming tot stand te brengen?
Eén man was in zijn midden, die zich èn van de bezwaren èn van het einddoel volkomen rekenschap had gegeven. âMijn tijd is gekomen,quot; had Mirabeau gezegd.
Schoon graaf, behoorde hij tot de representanten van den derden stand: de adel van Provence had hem uitgestooten. Hij had hen opgewekt om vrijwillig van de oude privilegiën afstand te doen; als een verrader hadden zij hem uit hun midden geworpen. De vervolging had zijn kracht slechts versterkt, zijn inzicht in de heftigheid der botsing, die naderde.
316
MIRABEAÃ.
verscherpt. âIn alle landen, in alle eeuwenquot; â riep hij hun openlijk toe â âhebben de aristocraten de vrienden des volks steeds vervolgd, en zoo er in hun midden één opstond, doodden zij hem, om schrik in te boezemen door de grootheid van hun slachtoffer. Zoo viel de laatste der Gracchen door de hand der aristocraten; maar stervende nam hij het stof van de aarde en wierp het ten hemel, om de wraakgodinnen ter hulpe op te roepen. Uit dit stof is Marius geboren. Marius, minder groot omdat hij de Cimbren heeft verslagen, dan omdat hij in Rome de aristocratie van den adel heeft neergeworpen. Wat mij betreft, ik zal altijd de man der publieke vrijheid en der constitutie zijn. Wee de bevoorrechte standen, zoo ik daartoe de man des volks en de tegenstander van hen moet wezen; want de privilegiën zijn eindig, maar het volk is eeuwig.quot;
Met dezen afscheidsbrief aan het privilegie in de hand trad Mirabeau onder de leden van den tiers état de vergadering der Staten-Generaal binnen en nam hij zijne plaats tegenover adel en geestelijkheid in.
V
âNooit heeft een vergadering meer kennis, meer talent en meer vaderlandsliefde vereenigdquot; â was het oordeel van een tijdgenoot. En toch hebben deze Etats Généraux den weg gebaand voor de heerschappij der demagogie, die Frankrijk zooveel bloed en tranen heeft gekost.
Aan wie de schuld? Het antwoord mag geen ander zijn dan dit: aan hen, die de raadslieden der kroon waren, hare wettige en onwettige gidsen. Zij hebben alles verzuimd, om de overleggingen der vertegenwoordiging te leiden en te richten, zij hebben niets nagelaten, wat haar wantrouwen en haat kon wekken.
Uit twaalfhonderd leden bestond de vergadering: adel en
317
318 MIRABEAU.
geestelijkheid telden ieder 300, de derde stand alleen 600 ko
personen. de
Deze dubbele vertegenwoordiging van den tiers état was
eene erkenning van den grooten invloed, dien de werklieden ge
met het hoofd en de hand in de maatschappij oefenden, van hij
de getalsmeerderheid, die de tiers état, boven adel en geeste- zij
heid, bezat. Was het niet billijk, dat dit groote overwicht, W
ook waar het de beslissing van landsbelangen gold, zich do gelden deed?
Oudtijds was dit niet het geval geweest. In vroeger tijden ka
brachten adel, geestelijkheid en tiers état elk ééne stom uit, hu
zoodat de bevoorrechte standen eiken eisch van den derden bi
konden afwijzen. Wat beteekende nu de dubbele vertegen- de
woordiging, indien die oude wijze van stemming bêhcmden sh
bleef? Het lag voor de hand, het sprak als vanzelf, dat de na stemming bij stand moest vervangen worden door die dei-
personen. sti
Maar de regeering dacht er anders over. Zij schrikte terug D;
om de oude bondgenooten, adel en geestelijkheid, geheel prijs ge
te geven en geloofde niet aan de kracht van den tiers état. M
Toen de Ãtats Généraux bijeen kwamen, was de kwestie hc
onbeslist. da
Nooit heeft een politiek verzuim ernstiger gevolgen gehad in
dan dit. De mannen van den derden stand waren meerendeels m
elkander vreemd, onbekend met het hof en de hoofdstad en ni de krachten, die in beide werkten. Vol goede gezindheid
jegens de monarchie â zelfs Robespierre was nog geen repu- ht
blikein â waren zij bijeengekomen. Zoo het hof en de h(
ministers zich met hen in betrekking hadden gesteld, bijkans te
iedere concessie hadden zij verkregen. Slechts deze ééne niet: ei
overstemd te worden door de bevoorrechte standen. d(
Toch weifelden zij, onzeker van den weg, dien zij moesten g( gaan. Het was deze weifeling, die Mirabeau zijn eersten,
grooten invloed schonk en hem dezen blijvend voor de toe- w
1
MIRABEAU.
komst verzekerde. Zijn woord, zijn kloek beraad wees hun den weg.
Bij zijn eerste optreden op de tribune werd hij met luid gemor ontvangen, zijne slechte reputatie wekte onwil. Maar hij onderdrukte het verzet door de kracht zijner longen, zijne krachtige en donderende stem verschafte hem gehoor. Wie luisterde was gewonnen, eerst door den vorm, straks door de gedachte.
Adel en geestelijkheid zonderden zich af in hunne eigene kamers, vingen aan zich te constitueeren en de geloofsbrieven hunner leden te onderzoeken. Niet alzoo de derde stand; hij bleef werkeloos op Mirabeau's raad. Gemeenschappelijk, zeide deze, moest het onderzoek, gemeenschappelijk de beraadslaging geschieden. De drie standen vertegenwoordigden de natie, niet hare deelen.
Adel en geestelijkheid weigerden de vereeniging, de derde stand ontkende de rechtmatigheid der afzonderlijke handeling. Dag aan dag ging voorbij, zonder uitkomst te baren. De regeering kwam tusschenbeide, bevreesd voor beide worstelaars. Maar elke dag verhoogde de kracht van den tiers état. De hoofdstad, geheel Frankrijk trok partij. Het blij vertrouwen dat de Etats Généraux had begroet, week voor wantrouwen in de oude machten. Speelden zij met de natie? Was het misleiding geweest, toen de monarchie do hulp des volks, niet der standen inriep?
Twaalf dagen had de worsteling geduurd, toen Mirabeau het voorstel deed, een plechtige deputatie tot de geestelijkheid te zenden, om haar, in naam van den God des vredes, te bezweren, dat zij zich scharen zou aan de zijde van recht en waarheid. Een rilling ging door de priesterschap, toen de eisch, in naam van den God des vredes, tot haar werd gebracht.
Toch mislukte ook deze poging. De spanning te Parijs, waar volksmenners de broodelooze menigte in gisting brachten,
319
320 MIRABEAU.
nam toe. 40,000 Panjzenaars dreigden naar Versailles te komen, T om den strijd te beslissen. Het ruw geweld dreigde uit te dooi
maken, wat de zwakheid der regeering onbeslist had gelaten. is 1
/ Den 17en iiH tastte de tiers état door. Hij verklaarde zich mill
te constitueeren als Nationale Vergadering en geen andere getr
vertegenwoordigers der natie te erkennen, dan hen, die, wettig tuti(
gekozen, zich met haar vereenigden. zijn
Als een donderslag klonk de stoute daad de regeering en sten
de bevoorrechte standen in het oor. Zouden zij toegeven? was
De noodlottige invloed, die den zwakken Lodewijk XVI als te :
een riet heen en weder deed wankelen, zegevierde. âGr
Den 23en Juni werd een koninklijke zitting gehouden. Om-
geven van de onwillige edelen en geestelijken, trad de koning viel
de vergaderzaal van den derden stand binnen en verklaarde Z.
uit de volheid zijner macht het beslotene nietig. Iedere stand zijn
zou afzonderlijk vergaderen, en slechts somwijlen met de nocl
anderen te zamen komen. âIk gelast uquot; â zoo eindigde innc
hij â âonmiddellijk uiteen te gaan en morgen u te begeven, des
ieder in uwe kamer, om uwe zittingen te hervatten.quot; doo:
In doodsche stilte was hij aangehoord, in doodsche stilte I
liet men hem vertrekken. De meerderheid van adel en waa
geestelijkheid volgde, de tiers état met de landpastoors en T de enkele edelen, die hare inzichten deelden, bleven on- mor
beweeglijk zitten. als
Zoo was het dan waarheid, dat er niets was gewonnen! blij' quot;Weer, als voor 175 jaar, zouden de eischen van 25 millioen
door de vertegenwoordigers van 200,000 worden afgewezen. I
Wat zou de tiers état doen? Zoo hij gehoorzaamde, was star
alles verloren. Zoo hij weigerde, revolutie. Het lot van kon
Frankrijk lag in zijn hand. voo:
Was het wonder, dat hij aarzelde en schrikte voor den vinj
strijd met de monarchie? Doch gisteren hadden allen den âDe
eed gedaan in de kaatsbaan, dat zij niet zouden scheiden, win
voordat zij aan Frankrijk een constitutie hadden gegeven. 2
i
MIRABEAU.
3n, Te midden van het algemeen stilzwijgen, het angstig plei
te dooi van vrees en plichtbesef, verhief zich Mirabeau. âHet 3n. is van onsquot; â riep hij zijne medeleden toe â âdat 25 oh millioen burgers hun geluk verwachten. Laat ons den eed !re getrouw blijven en niet uiteengaan, voordat wij eene consti-tig tutie hebben gemaakt.quot; Een goedkeurend gemompel verving zijn woord. Mirabeau wilde voortgaan, maar een andere en stem werd vernomen. De opperceremoniemeester des konings n? was achtergebleven, om op het vertrek der aanwezigen toe ils te zien. Ongeduldig over de vertraging, riep hij hen toe: âGij hebt, mijne heeren, de bevelen van Z. M. gehoord...quot; n- Mirabeau vergunde hem niet, meer te zeggen. âJa,quot; â ig viel hij hem in de rede â âwij hebben gehoord wat men ie Z. M. heeft ingeblazen, maar gij, die zijn orgaan niet kunt id zijn bij de Staten-Generaal, gij, die hier geen plaats hebt. Je noch recht tot spreken, gij zijt onbevoegd om het ons te her-le inneren. Ga, en zeg uw meester, dat wij door do macht a, des volks hier zijn, en dat men ons niet verdrijven zal dan
door de macht der bajonetten.quot;
te De verstomde ceremoniemeester verliet, eerbiedig achter
in waarts wijkende, de zaal.
sn Toen hjj Lodewijk bericht had gedaan, zweeg de zwakke
[i- monarch eenige oogenblikken en zeide daarna kalm: âAVelnu, als de heeren niet willen heengaan, dan moeten zij maar i! blijven.quot;
n
i. De koninklijke zitting van 23 Juni schonk aan den derden
s stand de zege over adel en geestelijkheid en tevens over het n koningschap. Op Lodewijk's last vereenigden zich de bevoorrechte standen met den tiers état. Een juichkreet ver-n ving de strijdleus; de nationale eenheid had gezegevierd, ti âDe revolutie is geëindigdquot;, juichten vol geestdrift de over-, winnaars.
Zij wisten niet, dat zij slechts aan den aanvang stonden.
21
321
322 MIRABEAÃ.
Slechts onwillig had de adel aan het koninklijk bevel gehoorzaamd. In schijn buigende, zette hij in waarheid den â¢'Strijd voort. In de vergadering belemmerde hij de werkzaamheden ; aan het hof poogde hij Lodewijk tot het bezigen van geweld te verleiden.
Sedert twee maanden heerschte in Parijs toenemende verwarring. Het stadsbestuur genoot het vertrouwen der bevolking'niet en wist de stijgende agitatie niet te bedwingen. Gebrek aan levensmiddelen bedreigde de bevolking met hongersnood; de maatregelen, door Neckor verordend, werkten weinig ter verbetering uit. Het was Maria Antoinette, het was de hofpartij, die Parijs door den honger wilde straffen. Sedert maanden stroomden uit alle deelen des rijks een aantal leege handen en hoofden naar de hoofdstad, gereed om van de verwarring gebruik te maken en zich ten koste der vermogenden te verrijken. Politieke volksleiders hielden de leegloopende menigte â want alle verdienste had opgehouden â dagelijks in het Palais Royal en elders voor, hoe de schuld van den jammerlijken toestand bij het hof en zijne aanhangers lag. Deze dreigende houding der hoofdstad had de eischen van den tiers état gesteund, maar hield niet op, toen daaraan was toegegeven. Integendeel, de gisting duurde voort en vond dagelijks nieuw voedsel in het heer-schende wantrouwen en gebrek.
Met een enkelen slag, zoo werd den koning voorgehouden, kou hij dezen jammerlijken staat van zaken doen eindigen. Militair machtsbetoon was voldoende, om de hoofdstad te onderwerpen en de Ãtats Généraux uiteen te jagen. Yan verzet zou geen sprake zijn.
De verblinde koning geloofde, wat zijne hovelingen, wat Maria Antoinette hem zeiden. Troepen werden saamgetrokken en alle toegangen tot Parijs en Versailles bezet.
Dagen lang zag de vertegenwoordiging zwijgend de militaire toebereidselen aan. Doch toen de uitbarsting nabij
i
MIRABEAÃ. 323
vel scheen, verhief zij zich. Het was Mirabeau, die den 8en Juli len voorstelde, een adres aan den koning te richten tot weg-r]j. zending der troepen. Niet de militaire macht, maar eerlijke ren samenwerking met de vergadering zou de rust in Parijs herstellen. De geringste botsing met het volk kon de ernstigste 'er- gevolgen hebben. âHebben zijquot; â vroeg de redenaar pro-^e. fetisch â âdie deze maatregelen bewerkten, de mogelijke en. gevolgen voor den troon berekend? Hebben zij in de ge-nef; schiedenis nagegaan, hoe revolutiën ontstaan, hoe zij eindigen? Hebben zjj bedacht, door welke noodlottige combinatie van oorzaken en gevolgen de kalmste geesten worden verleid, om Iele alle grenzen van gematigdheid te overschrijden? Hoe een yijs volk tot uitersten wordt gebracht, waarvan de eerste gedachte ge. hen sidderen deed?quot;
ten Doch de waarschuwing baatte niet. Lodewijk volgde de
[ers leidslieden, die hem ten ondergang voerden. Het ministerie lad werd ontslagen en Parijs nauwer en ernstiger bedreigd. Ge-or) lijktijdig met de hoofdstad zou de vertegenwoordiging vallen. en Parijs redde zich zelve en de vergadering te Yersailles.
tad -Den 14aen Juli werd de Bastille bestormd, ingenomen en met uet ^611 g^ond gelijk gemaakt.
ing In den voegen morgen van den volgenden dag lag de
;er. koning te slapen. De hertog de Liancourt wekte hem en deelde hem mede, hoe de hoofdstad, in tegenwoordigheid als en, 't ware van zijn leger, de Bastille, het monument van de .eni absolute vorstelijke macht, had vernield. âMaar is het dan een opstand?quot; stamelde de verbaasde vorst. â âNeen, Sire, rer. het is een revolutie.quot;
jvat Het was de waarheid. Het volk nam de macht in handen,
^en die het koningschap slechts voor zich en de begunstigde standen, niet voor de natie had gebruikt. Een oogenblik, een lili- vluchtig oogenblik peilde de ongelukkige monarch den afgrond, j^ij aan welks rand de monarchie waggelde. Tegen haar begon
M1RABEAU.
de haat zich te keeren, die sedert eeuwen tegen adel en geestelijkheid was opgegaard.
Toen de Assemblee Kationale onder den indruk der gebeurtenis bijeen kwam, ontving zij het bericht, dat de koning in haar midden zou komen. Met geestdrift werd het aangehoord. Maar Mirabeau onderdrukte ze: âIn diepe stilte,quot; â zoo luidde zijn woord â âworde de monarch ontvangen. In oogenblikken van droefheid is het stilzwijgen des volks het onderricht der vorsten.quot;
Lodewijk XVI verscheen; geen toejuiching werd vernomen.
Hij zeide veiligheid aan de vergadering en verwijdering dei-troepen toe. Hij vroeg de medewerking der Staten, om de orde in de hoofdstad te herstellen.
Opnieuw had het koningschap gebukt, maar ditmaal voor de bevolking van Paiijs. ïegen de vertegenwoordiging had het samengespannen; van haar nioest het redding vragen uit de gevaren, die dreigden. De profetie van Mirabeau ging aanvankelijk in vervulling. De slooping der Bastille was de eerste hand, aan de koninklijke macht geslagen. Zij, wier eigenbaat de monarchie in gevaar bracht, waren machteloos om te helpen. Zij lieten den bedrogen vorst aan zich zeiven, aan zijn noodlot over. 7
Over de puinhoopen der Bastille ving de emigratie aan het land te ontvlieden. De ratten verlieten het zinkende schip â het schip van staat.
VI
Eenige maanden vóór de samenkomst der Etats Généraux had Mirabeau de gedragslijn, die hij volgen zou, in deze woorden omschreven: âOorlog aah de privilegiën en de ge-privilegiëerden, ziedaar mijn leus. Privilegiën kunnen nuttig zijn tegen de koningen, maar zij zijn verderfelijk tegen de volken. Nooit zal bij ons een waarachtig publiek leven ontwaken, zoolang zij bestaan. Ik zal in de Vergadering zeer
324
1IIRA.BE AU.
monarchaal zijn, omdat ik levendig besef, hoe noodig het is, het despotisme der ministeriëele macht en der aristocratie te breken en de autoriteit des konings te versterken.quot; In Augustus 1789 kon niemand ontkennen, dat hij aan het eerste deel van zijn programma trouw was geweest. In die eerste 3 beslissende maanden was niemand krachtiger dan hij voor het goed recht der natie opgetreden: hij had zich een meester in de kunst betoond, mannen van de meest uiteenloopende richting en ontwikkeling te electriseeren en mede te sleepen. De verworven invloed bleef, ook toen het werk der constitutie aanving. Als zijn donderende stem door de vergaderzaal rolde, liet hij niemand koel of onverschillig. Hij sprak gelijktijdig tot het verstand en den hartstocht: koel betoog, zeldzame zeggingskracht, bijtende ironie, goedhartige spot, met een vuurgloed van overtuiging die woord en stom deed trillen en vonken om zich heen wierp, vereenigden zich in hem als in geen ander dier 1200 mannen, aan wie Frankrijk's toekomst was toevertrouwd. Wanneer men Mirabeau's oratorische werken, in 1819 in twee deelen verschenen, leest en bekend is met de omstandigheden, waaronder iedere rede is gehouden, de samenstelling en hoofdpersonen der ÃTationale Vergadering, wanneer men in één woord de localiteit van ieder betoog kent, dan voelt men de volle superioriteit van dezen redenaar, die u nog meesleept, nog doet ontgloeien.
Men is zoo gewoon geworden, in Mirabeau uitsluitend den volkstribuun, den heftigen strijder voor volksrechten te zien, dat het kalme, het ernstige betoog zijner redevoeringen een verrassenden indruk maakt. Telken male, als groote beginselen van constitutioneel staatsrecht besproken worden, zien wij hem het vraagstuk ontleden en van alle kanten toelichten, met een helderheid en kalme zekerheid, die meer dan iets anders zijn meesterschap over de onderwerpen bewijst. Onwillekeurig dwaalden, als belangrijke kwesties aan de orde kwamen, de oogen naar zijn plaats en richtten zich op hem.
325
M1RABEAU.
als om zijn advies te vragen. Daar stond hij op en besteeg het spreekgestoelte. In den aanvang was zijn woord log, on-beholpen, zou men zeggen: hij kon het juiste woord niet vinden. Maar langzamerhand kwam cr leven en bezieling, de w8
gestalte verhief zich, het groote Simsonshoofd werd achterover i®1
geworpen, de gebiedende gjantnlk) steunde het vorstelijk woord W1
en een stroom van korte, gespierde zinnen boeide de aandacht. ge
Meegesleept door zijn onderwerp, den aanval, dien hij leidde,
of het beginsel, dat hij te verdedigen had, bleef Mirabeau ^
steeds onbewogen door het gejoel om hem heen, onverschillig ee
of het goed- of afkeuring uitsprak; de hartstocht, die hem sc
zelf bezielde, openbaarde zich slechts in de spierkracht der uitdrukking en het logische van zijn betoog. Bij hem va
deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat naarmate het vuur zijner rede zich verhief, de betoogtrant strenger logisch werd. Wee hem, die hem in de rede viel, die het vc
waagde den leeuw te tergen! Verpletterend kort, snijdend co
was zijn repliek, die zelden lust tot antwoorden overliet. Im-provisator geboren, sprak hij geheel voor de vuist, slechts met behulp van aanteekeningon, die zijne secretarissen voor 1,6
hem maakten, de feiten en cijfers, die hij behoefde, op de m
tribune zich herinnerende. âGij, die hem gehoord hebt,quot; â
sprak Cerutti, die niet tot zijne vrienden behoorde, bij zijn graf â âweet, dat er geen enkele belangrijke discussie is geweest, waarin hij geen deel, en wel het leeuwendeel, heeft ei
genomen. Hoe menigmaal sleepte hij allen mede door de SI
wijsheid zijner adviezen! Alle onderwerpen schenen dit rijk ^
genie gemeenzaam! Finantiën, justitie, marine, militaire zaken, niets was hem onbekend: over alles verspreidde hij zijn licht, bij alles wees hij ons den weg.quot; ⢠slt;
Doch niet alleen zijn welsprekendheid en zijn uitgebreide ^
kennis, bovenal zijn diep staatkundig inzicht verschafte hem ^
zijn overwicht. âMirabeau wist alles, Mirabeau voorzag alles,quot; ^
zei later Madame de Stael. Hij beoordeelde het stekje, omdat ^
326
MIRABE.VU.
hij den boom voorzag, die er uit groeien zou. Hij bestreed of bepleitte staatkundige beginselen om de maatschappelijke toestanden, die zij in 't leven zouden roepen. Het principiis ohsta! was het geheim van zijne parlementaire houding: de beginselen moesten onderdrukt worden, zoo men hunne heerschappij wilde beletten. Mirabeau was niet oppervlakkig of onkundig genoeg, om te meenen, dat de ideeën der oude maatschappelijke orde waren ondergegaan, als do oude vormen waren afgeschaft. Het gevaar was te grooter, als zij voortleefden in een nieuw kleed. Het privilegie is eeuwig, gelijk het mcn-schehjk egoïsme; de strijd ertegen behoort het ook te zijn.
Over adel en geestelijkheid, de twee bevoorrechte standen van het ancien régime, was zijn oordeel niet eensluidend.
Toen de Nationale Vergadering besliste, dat de goederen der kerk nationale goederen waren, behoorde hij tot de warmste voorstanders. âEr bestaat geen wet, die een onveranderlijke corporatie in den staat erkent; geen wet, die de natie verbiedt te onderzoeken, of het voegzaam is, dat de dienaren der kerk een zelfstandige politieke vereeniging vormen, met recht van eigendom. De godsdienst is onveranderlijk en eeuwig; moet het gezelschap van zijne dienaren het ook zijn?quot;
Een politieke vereeniging zag hij in de kerk, en daarom bestreed hij haar. Toen sommigen voorstelden, den katholieken godsdienst tot staatsgodsdienst te verklaren, verzette hij er zich warm tegen: âEr is groot verschil tusschen de uitspraak: wij zijn en blijven katholieken,quot; zeide hij, âen do verklaring: de katholieke godsdienst is de heerschende in den staat. Het eerste is een geloofsbelijdenis, het laatste een staatsrechtelijke beslissing. Een staatsgodsdienst is een heerschappij aan de eene, een slavernij aan de andere zijde. Kunnen er burgers zijn, vrij in het civiele, slaven in bet godsdienstige? Gaat de historie na. Yan deze tribune zie ik het koninklijk paleis, waarin onruststokers, die met de heilige belangen van den godsdienst wereldsche verbonden, een koning
827
MIR AB EAU.
van Frankrijk de noodlottige buks in de hand duwden, die het sein gaf tot den Bartholomeusnacht.quot;
Gunstiger, in zekeren zin, oordeelde hij over den adel, of juister, over de maatschappelijke onderscheiding, die aan het bestaan van den adel ten grondslag ligt. Hij was trotsch op zijne afkomst en zijn ouden naam. Het decreet van 19 Juni 1790, dat alle titels, ook van goederen afschafte, kwetste hem persoonlijk. Toen hij in de zittingsverslagen voor 't eerst als Monsieur de Riquetti, niet meer als graaf de Mirabeau was vermeld, riep hij vol zelfbewustzijn van de tribune uit: âGij hebt Europa zes weken in de war gebracht: het kent Mijnheer de Eiquetti niet, het kent Mirabeau.quot;
De adellijke titels hingen, zijns inziens, met de volksherinnering aan vroegere toestanden ten nauwste zamen. Zonder onderscheiding kon de maatschappij niet bestaan. Het was tevergeefs, ze te willen uitroeien. Maar rechten weigerde hij aan den stand der adellijken toe te staan. Niemand bestreed feller de tienden, de jachtrechten en andere adellijke voorrechten dan hij. âVolkomen gelijkheid en vrijheid voor allen, alleen beperkt door het geweten en de wetquot;, was het ideaal der individueele vrijheid, die in de nieuwe maatschappij heer-schen moest. Medewerking tot haar vestiging kon hij van den tegenwoordigen adel niet verwachten. En daarom bestreed Mirabeau het stelsel van een dubbele kamer. Een Huis der Lords, als in Engeland, was voorloopig in Frankrijk onmogelijk en zou door zijn verzet tegen de revolutie de anarchie slechts bestendigen. En juist de anarchie was de vijand, die dreigde Frankrijk te verslinden.
Want de volkstribuun, die zoo krachtig voor de rechten der natie was opgetreden en voortdurend waakte, dacht er niet aan, om den nieuwen staatsbouw op volksdriften te doen rusten. Hij was en bleef steeds monarchaal. Niet eenmaal, maar herhaaldelijk, ja voortdurend, niet bij de ontwikkeling der revolutie, maar bij haar aanvang hooren wij Mirabeau de
328
MIRABEAU.
verklaring afleggen: âHet koningschap is het eenige anker van ons behoud, ik zal de monarchie niet doen wankelen, ik wil een vrije, maar monarchale constitutie.quot;
Niettemin heeft de constitutie, die de Nationale Vergadering tot stand bracht, weinig aan dezen eisch beantwoord; zij legde de koninklijke macht zoo zeer aan banden, dat zij haar belette iets goeds te doen en slechts de verantwoordelijkheid van het verkeerde op haar scheen te werpen. De koning had noch het recht tot ontbinding, noch dat van initiatief bij de vertegenwoordiging en slechts een suspensief veto ten aanzien der wetten.
Doch Mirabeau was er onschuldig aan. De Nationale Vergadering luisterde wel steeds naar zijn woord, maar deed niet altijd naar zijn raad. Hartstocht, meer dan overleg of staatkundig inzicht, besliste langzamerhand over vele stemmingen. Het wantrouwen in de regeering en de stijgende invloed der Jacobijnen werden te groot, dan dat Mirabeau ze steeds overwinnen kon. Waar hij waarschuwde tegen de bevoorrechte standen en de herleving van het privilegie, werd hij willig geloofd en gevolgd; waar hij aandrong op versterking van het koninklijk gezag, niet altijd.
Zoo ontstond een ernstig en langdurig debat over de vraag, of de koning bevoegd was, besluiten of wetten, door de vertegenwoordiging aangenomen, te vernietigen? Had de koning het recht van afkeuring of slechts dat van schorsing. De Nationale Vergadering, de clubs, de revolutionaire bevolking van Parijs geraakten door dit vraagstuk in de hevigste spanning. âHet geldt onze vrijheidquot; â schreeuwden de volksmenners â âwij keeren uit de vrijheid tot de oude slavernij terug.quot;
Mirabeau liet zich door geen straatgojoel, geen onlusten noch bedreiging van den weg brengen. Nadrukkelijk verklaarde hij zich voor het absoluut recht des konings om de besluiten te vernietigen. Schorsing der uitvoering baat niet.
329
MIRABEAU.
zij is onvoldoende, zeide hij; zij voorkomt het kwaad uiet en maakt het koninklijk gezag slechts gehaat. âIk acht,quot; riep hij de vergadering toe, âhet veto des konings zoo noodzakelijk, dat ik liever zou leven in Constantinopel dan in Frankrijk, zoo hij het niet bezit. Ik schroom niet het uit te spreken: ik ken niets verschrikkelijkers dan de souvereiniteit van 600 personen, die morgen zich onafzetbaar kunnen verklaren èn overmorgen hunne posten erfelijk, om te eindigen, gelijk de aristocraten van alle eeuwen, met alle macht zich toe te eigenen en niemands rechten te eerbiedigen.quot;
Het was in September 1789. Mirabeau's populariteit was zoo groot, dat de teleurgestelde volksleiders te Parijs er niet voor durfden uitkomen, dat de geliefde volkstribuun zich tegen hen verklaard had. Zij strooiden het gerucht uit, dat hij hun denkbeeld, doch slechts in andere bewoordingen, had voorgestaan.
Zes maanden later, in Mei 1790, kwam het recht van oorlog en vrede ter tafel: zou de koning of de vertegenwoordiging het bezitten ?
Geen onderworp maakte de volksdriften zoo zeer gaande als dit; de constitutie stond op het spel, geloofde de misleide schare. Op den dag der stemming waren de vergaderzaal en de naburige straten met een dicht opeengedrongen menigte vervuld: 50,000 menschen, zegt men, wachtten in de hoogste spanning de beslissing. Briefjes, die den loop der discussie en der stemming aanwezen, gingen van hand tot hand. Met beleidvolle verschooning van de opgezweepte driften besprak Mirabeau het vraagstuk. âl)e oorlog wordt verklaard bij decreet der Vergadering, doch slechts op uitdrukkelijk voorstel des konings, die er zijne sanctie aan hechten moet.quot; Dit denkbeeld werd door hem breedvoerig toegelicht en verdedigd.
Met de uiterste heftigheid werd hij door de democratische linkerzijde bestreden. In de straten van Parijs, waarin gewoonlijk zijne redevoeringen onder luide toejuichingen werden
330
MIKABEAÃ. 331
gevent, weerklonk thans de titel van een vuil pamflet: Het groot verraad van den graaf de Mirabeau, dat zijne tegenstanders in 6000 exemplaren gratis verspreidden. Reeds wees men den boom aan, waaraan de verrader Riquetti zou worden opgehangen. Barnave, de meest begaafde zijner tegenstanders, trad in de vergadering tegen hem op en behaalde een schit-
I terend succes. Barnave was de held van den dag; een triomftocht door de straten van Parijs wachtte hem. De volkstribuun scheen vernietigd. terend succes. Barnave was de held van den dag; een triomftocht door de straten van Parijs wachtte hem. De volkstribuun scheen vernietigd.
Maar Mirabeau plukte de lauwerkroon van zijn jeugdigen tegenstander den volgenden dag zonder eenige verschooning uiteen. âHet is een treurige verblinding,quot; zeide hij, âwelke menschen, die eenheid van doel behoorde te vereenigen, tegen elkander verbittert. Treurig, als de gevoeligheid der eigenliefde het belang des lands doet achterstellen, eu den tegenstander aan de volksluimen dreigt op te offeren. Ook mij heeft men, nog voor weinige dagen, in triomf door de straten van Parijs willen dragen; nu schreeuwt men daar uit: het groot verraad van den graaf de Mirabeau. Ik had deze les niet noodig, om te weten, dat de Tarpejische rots grenst aan het Kapitool; maar de man, die zijn vaderland lief heeft, geeft er zich niet door gewonnen. Wil men mij, die twintig jaar lang alle verdrukking heb bestreden, belasteren en verdacht maken bij het volk; mij, die tot de Franschen van vrijheid en constitutie sprak, toen deze lage lasteraars nog leefden van de vruchten der heerschende vooroordeelen, wil men mij overleveren aan de woede van een bedrogen menigte â wat doet het er toe? Deze slinksche aanslagen zullen mij niet doen vertragen in mijn loop. Ik zal hun tot het einde blijven toeroepen: antwoordt mij eerst, weerlegt mij, zoo gij kunt â en lastert mij dan, zooveel gij wilt.quot;
En nu ontwikkelde hij, krachtiger nog dan te voren, zijne meening over de onmisbaarheid van een krachtig koninklijk gezag in den staat, en eindigde met in vlijmende woorden de
MIRABEAU.
geheime bedoeling zijner tegenstanders dus te ontmaskeren: âWilt gijj omdat het koninklijk gezag gevaar meebrengt, ons van de voordeelen, die het schenkt, berooven? Hebt den moed, het eerlijk uit te spreken. Dan kunnen wij beslissen, of wij, omdat het vuur brand geeft, zijn warmte en licht willen missen. Spreekt het eerlijk uit, dat wij geen koning behoeven, maar misleidt ons niet, door te beweren, dat wij een machteloozen en nutteloozen moeten hebben.quot;
Vernietigend was de indruk van zijn woord. Barnave noch een zijner geestverwanten waagde een enkel woord van repliek, en onder daverende toejuichingen werd Mirabeau's voorstel aangenomen. De volkstribuun was populairder dan ooit.
En toch â zulke overwinningen, hoe dikwerf ook behaald, waren meer zegepralen van zijn welsprekendheid, dan van zijn politiek inzicht. Gehaat bij de uiterste partijen, de ultramonarchale en de republikeinsclie, beschikte Mirabeau slechts over een onzekere en afwisselende meerderheid. Door de be-toovering van zijn woord werd zij tot volgen vervoerd, maar sloot zich niet aan hem, als haar leider, aan. Mirabeau maakte zich geene illusiën; hij miste den zedeljjken grond, waarop alleen persoonlijk vertrouwen hecht kan wortelen. In menig oogenblik van vertwijfeling aan Frankrijk's toekomst, riep hij, in het volle gevoel van zijn kracht, klagende uit: âWat komt de immoraliteit van mijne jeugd mijn arm vaderland bitter duur te staan!quot;
Was het de waarheid?
VII
Ja, het was de waarheid, maar slechts ten deele. Mirabeau's onvermogen, om de ontwikkeling der revolutie, die meer en meer tot de republiek overhelde, te keeren, was slechts voor een deel zijne schuld. Op politiek terrein heeft een immoreel privaat leven niet altijd machteloosheid uitgewerkt. Mirabeau stond alleen en miste den steun van hen, voor wie hij streed.
332
MIRABEAU.
3n: Het koningschap, de regeering verlamde hem en vermoordde )ns in hem zich zelve.
len Toen de Nationale Vergadering bijeen kwam, had Mirabeau m, zich voorgesteld, dat de officiëele raadgevers der kroon zich 3ht onmiddellijk met haar in betrekking zouden stellen. Bekend ng met het constitutioneele staatsleven in Engeland, verwachtte svij hij de vorming van een ministerieele partij, die, in samenwerking met het gouvernement, de staatshervorming met de ch minst mogelijke schokken zou tot stand brengen. Niets van }k, dat alles geschiedde. De ministers hielden zich onzijdig, tel zelfs waar het de belangrijkste vragen gold. Necker verdiepte zich uitsluitend in finantieele berekeningen en zag voorbij, dat de beslissing der staatkundige kwestiën tevens die der finantieele inhield. De reactionaire elementen aan het hof konden woelen en wroeten, zonder door de ministers verontrust te worden.
Voor een deel was het onkunde, voor een ander deel onwil, welke Necker en zijne ambtgenooten die gevaarlijke houding deed aannemen. Zij meenden steeds meester van den toestand te blijven en zagen voorbij, dat slechts enge aansluiting aan de vertegenwoordiging allen redden kon. Niet voordat het te laat was, openden zij de oogen.
Reeds in de eerste dagen der revolutie had Mirabeau gepoogd, hen tot eene andere gedragslijn te bewegen. Hij zocht en verkreeg eene samenkomst met Necker. De eerlijke, maar ijdele minister ontving den weisprekenden libertijn met beleedigende hooghartigheid, en vroeg, welke voorslagen hij te doen had? Mirabeau, als maAvrager ontvangen, waar hij als raad'/em- was binnengetreden, trok zich na een kort en koel onderhoud terug.
Sinds ondersteunde hij wel ten deele Necker's finantieele plannen, maar bestreed den minister, om hem te doen vallen. âHet schip van staatquot;, zeide hij, âis door een heftig onweder overvallen, en er staat niemand aan het roer. Het
333
MIRABEAÃ.
systeem, dat men volgt, is onzinnig. Men laat de vergadering aan zich zelve over. Men hoopt, óf door geweld ze te onderwerpen, zooals de aristocratisclie partij wil, of door de leege phrases van Necker ze terug te houden. Een krachtige regeeringspartij alleen zou de vergadering en de revolutie kunnen beheerschen.quot;
Doch een regeeringspartij kon niet ontstaan, zoolang deze mannen 's konings raadslieden bleven. Menige onstuimige aanval van Mirabeau was er het gevolg van. Hij bestreed hen, wekte den onwil en het wantrouwen zoowel der vergadering als des volks tegen hen op, om hen te verdrijven. Als hoofd der oppositie zocht hij hen te doen vallen, om zelf als minister de monarchie te redden.
In rustige dagen is een dergelijke tactiek tallooze malen gelukt. Te midden der dagelijksche onlusten en beroerten in de hoofdstad wekten zijne heftige woorden slechts te meer den haat der koninklijken op. Toen in September de graaf de Lamarck Maria Antoinette op Mirabeau wees, als den eenigen man, die redden kon, wees de koningin vol verbittering elk denkbeeld van zijne hulp af. âWij zullen, hoop ik, nooit zoo ongelukkig zijn, om tot dat uiterste te moeten komen,quot; riep de verblinde vrouw uit.
Zij sprak slechts uit, wat het hof en de regeering dachten. Hun politiek inzicht was te gering, dan dat de monarchale richting, die zich in het geheele optreden van Mirabeau openbaarde, hun in de oogen viel. De heftigheid van den strijder voor de rechten des volks tegen de bevoorrechte standen deed hen den verdediger van de constitutioneele rechten der kroon voorbijzien. Men wilde in hem slechts den woesten demagoog, den laffen vleier der volksdriften, den held van het straat-gemeen, den vijand der monarchie zien en haten.
Toch was het van de eerste dagen der revolutie af voor den onpartijdigen beschouwer duideljjk, dat hij iets meer en iets anders was. Toen de Nationale Vergadering overwoog.
334
MIRABEAU.
of zij een declaratie van rechten aan de constitutie zou toe-voegen, verzette hij er zich tegen. âDeze toch wekte slechts verwachtingen op, die teleurgesteld zouden worden en de anarchie vermeerderen.quot; Niettemin werd het voorstel aangenomen en Mirabeau in de commissie benoemd. Van zijne hand was de verklaring, wat burgerlijke gelijkheid beteckent: âZij bestaat niet in gelijkheid van bezittingen en van maatschappelijke onderscheiding; zij bestaat hierin, dat allen onderworpen zijn aan de wet en de bescherming der wet genieten.quot; Tegen de onlusten in Parijs en de voortdurende anarchie beval hij de instelling van een krachtig gemeentebestuur en de oprichting der nationale garde aan. âDe onderdrukking der anarchie door het koninklijk leger vermeerdert slechts den afkeer van de regeering,quot; zeide hij. Toen in October het Parijsche gemeen Lodewijk en Maria Antoinette had gedwongen, Versailles te verlaten en zich in de hoofdstad te vestigen, deed hij de Nationale Vergadering besluiten zich insgelijks naar Parijs te verplaatsen. âDe vertegenwoordiging behoort bij den koning,quot; meende hij.
Niets van dit alles werd aan het hof begrepen, omdat er noch eerlijke gezindheid tot hervorming, noch inzicht in de eischen der nieuwe staatsorde bestond. Slechts de heftige taal van den volkstribuun werd begrepen, niet vergeven en niet vergeten. Mirabeau, teruggestooten door het gouvernement, moest zich handhaven aan het hoofd der volkspartij, die zijn steun uitmaakte. âWat moet ik doen?quot; â antwoordde hij eens aan Lamarck, die hem zijn heftige uitvallen verweet; â âzoo ik mijn populariteit niet verliezen wil, waarin mijn kracht is gelegen, moet ik in de oppositie blijven. Het hof speelt een gevaarlijk spel. De legers staan tegenover elkander; men moet onderhandelen of een openlijken strijd aanvangen. Zij doen noch het een noch het ander. Waaraan denken die menschen toch? Zien zij den afgrond dan niet, dien zij door niets te doen, zelve graven? Ik zeg u en zeg het hun: alles
335
MIRABEAU.
is verloren. De koning en de koningin zullen het leven verliezen : het gemeen zal hun lijken door de straat sleuren.quot;
Doch geen waarschuwing, waar ook gegeven, aan het hoofd der oppositie in de vergadering, of onder de hand door vertrouwde personen, mocht baten. De hofpartjj wachtte slechts redding van het stijgen der verwarring en meende dat de ontwikkeling der revolutie haar vanzelf de oude macht zou terugschenken.
In October 1789 had er bij eene van Mirabeau's verwanten een samenkomst van een aantal vertegenwoordigers plaats, om over een nieuw ministerie te spreken. Algemeen was men over Necker ontevreden, die de anarchie niet wist te be-heerschen noch de reactionaire neigingen van het hof te onderdrukken. Mirabeau hoopte zijn doel nabij te z|jn: hij wilde minister worden om den staat en de monarchie te redden. Hij voelde de kracht in zich om Frankrijk te be-heerschen. Maar de uiterste partijen, de ultra-monarchale en de republikeinsche, vreesden zijn zware hand. De aanhangers van JS'ecker, door jaloezie gedreven, verbonden zich tegen hem. Den 7,len November 1789 nam de Nationale Vergadering het besluit, dat geen afgevaardigde minister mocht zijn en zelfs geen raadgevende stem of zitting in haar midden hebben. Tevergeefs had Mirabeau er tegen gesproken, tevergeefs met bijtende ironie zijne tegenstanders toegeroepen: âWaartoe dit besluit? Bepaalt alleen, dat do graaf de Mirabeau, afgevaardigde van Provence, geen minister mag zijn.quot; De Jacobijnen en de hofpartij juichten om 't zeerst. Zij hadden den man, die hun meester zou wezen, de handen gebonden en machteloos gemaakt. Dat zij gelijktijdig elke regeering onmogelijk maakten, zag hun blinde hartstocht niet in.
Wat Mirabeau als minister had willen doen, heeft hij in een memorie van October 1789 uitvoerig uiteengezet. Het overwicht van Parijs was de vloek der revolutie, het oproerig
336
MIRABEAU.
gemeen domineerde de Nationale Vergadering en beheerschte den staat. De koning moest daarom Parijs verlaten, zich naar Normandië terugtrekken, een proclamatie tot de natie richten, waarin hij trouw aan de beginselen der constitutie beloofde, maar verandering vroeg van de artikelen, die elke regeering beletten. Zoo de Nationale Vergadering door het gemeen in de hoofdstad werd verhinderd zich bij hem te voegen, moest hij nieuwe verkiezingen uitschrijven. Mirabeau was overtuigd, dat de provinciën zich tegen de hoofdstad en voor het consti-tutioneele koningschap zouden verklaren, als zij van Lode-wijk's eerlijke bedoeling de zekerheid hadden.
Het is hem niet vergund geweest, te ervaren of hij juist had gezien. Want het koningschap vertrouwde zich niet aan hem toe. En toen het vier maanden later in schijn zijne hulp inriep, was het alleen om hem machteloos te maken, niet om zijn raad te volgen.
Het was in Maart 1790, dat de betrekking van Mirabeau tot het hof aanving. Door tusschenkomst van den graaf do Lamarck werd zijne hulp gevraagd. De volkstribuun beloofde het koningschap te steunen en trouw ter zijde te staan. Gedurende een vol jaar heeft hij zijn woord gehouden en onverpoosd den weg aangegeven, dien het hof te volgen had. Het geheim, dat die onderhandelingen vroeger bedekte, is thans geheel opgeheven. Wij kennen al de schrifturen, die hij voor Maria Antoinette en Lodewijk heeft opgesteld.
Wij kennen ook de voorwaarden, de geldelijke voordeden, die hij er van genoten heeft. Het koningschap betaalde zijne schulden, schonk hem een maandgeld en de belofte van eene aanzienlijke som bij het einde der Nationale Vergadering.
âHet groot verraad van den graaf de Mirabeau,quot; zoo noemden de tijdgenooten, die iets gisten, deze verstandhouding met het Hof.
Was de karakteristiek juist? Wij gelooven het niet. Mirabeau heeft de zaak des volks in geen enkel opzicht
337
MIRABEAÃ.
verraden. Nadrukkelijk heeft hij in al zijne raadgevingen op den voorgrond gesteld, dat de feodale monarchie voorgoed was gevallen, dat eerlijke aansluiting aan de revolutie de eenige redding van het koningschap was. De middelen, die hij daarvoor aanwees, waren in strijd met de eischen van adel en geestelijkheid en tevens tegen de anarchie in Parijs gekant. Hij is als geheim raadsman der kroon zich zeiven volkomen gelijk gebleven en heeft geen enkel beginsel der revolutie prijs gegeven.
Maar hij heeft geld ontvangen!
Zonder twijfel. Laat de man, die de bemiddelaar tusschen hem en het hof is geweest, op die grief antwoorden. De graaf de Lamarck schrijft: âIk kan stellig verzekeren, dat hij nooit zijne beginselen aan zijn geldelijk belang heeft opgeofferd. Hij had heftige hartstochten; hij hechtte zeer aan zijn geboorte; hij leed er onder, dat hij niet leven kon volgens zijn stand. Zijne vrouw had een groot fortuin, maar hij was van haar gescheiden. Van zijn vader had hij genoegzaam niets ontvangen, en diens dood hielp hem niet, omdat er allerlei moeielijkheden, zelfs processen, uit ontstonden. Toen hij stierf, was de vaderlijke nalatenschap nog niet in zijn bezit. Altij'1 in geldgebrek, had hij steeds jammerlijk geleefd, schulden makende. Zoo was hij veertig jaar oud geworden, verbitterd over een maatschappelijke positie, die hem een ondergeschikten rang aanwees onder menschen, wier gelijke in stand en wier meerdere hij was door zijne talenten en zijn genie.quot; Tot heerscher geboren, door den aanleg zijner vermogens tot regeeren bestemd en arm, greep hij met beide handen de gelegenheid aan, om zijn staatkundig ideaal, de constitutioneele monarchie, te verwezenlijken en tevens voor altijd met de armoede en het gebrek van zijne jeugd en zijne mannelijke jaren te breken.
Toch ware het voor zijn roem te wenschen geweest, dat het grillig, onverzoenlijk lot hem de vernedering, geld te
338
MIRABEAÃ.
moeten aannemen, had bespaard. Want Frankrijk heeft er geen vrucht van genoten.
In den zomer van 1790 werd Mirabeau, op zijn verzoek, door Maria Antoinette ontvangen. âZij is de eenige man, dien de koning heeft,quot; riep de voor vrouwenschoon zoo gevoelige staatsman uit. Hij schreef haar alle deugden toe, welke vereischt werden voor de rol, die hij van haar vroeg.
Hij bedroog zich. Het hof vroeg zijn raad, ontving zijne memoriën en deed als te voren. De krachtelooze Lodewijk was tot geen energiek optreden te bewegen en bleef voortdurend de speelbal van zijne omgeving. En Maria Antoinette vertrouwde den volkstribuun nooit. Geen enkele raadgeving werd gevolgd, geen enkel middel, door hem aangewezen, ter hand genomen. Mirabeau was beurtelings verbitterd en wanhopend. âIk moet bekennen, dat ik weinig nut doe; den plicht, om dienst te doen, legt men mij wel op, maar de macht er toe geeft men mjj niet. Men hoort mij aan met welwillendheid, maar zonder vertrouwen, men stelt wel belang in mjjn raad, maar men volgt hem niet. Men geeft zich er geen rekenschap van, dat de passieve rol, die men aanneemt, juist niet precies behoeft te bestaan in volstrekt niets doen en in het vrijelijk en ongestraft laten handelen van hen, die slechts kwaad doen. Wat zal het einde van dit alles zijn? Goede, maar zwakke koning! Ongelukkige vorstin, uw blind vertrouwen en uw overdreven wantrouwen brengen u ten val. Het schip van staat is door den bliksem getroffen en wordt voortgejaagd door den stormwind, te midden der kokende golven. Ik weet niet, waarheen het gevoerd wordt; ik weet niet, of ook ik aan de schipbreuk zal ontsnappen. Maar zoo _ik ontkom, zal ik het recht hebben om te getuigen: ik had mij zelf ten doode gewijd, om hen te redden, maar zij wilden niet behouden worden!quot;
Het was Wintermaand van 1790, toen hij deze woorden schreef. Het zou voor hem geen zomer meer worden.
339
MIRABEAU.
VIII
Mirabeau was geboren met een zeer krachtig gestel. De vervolgingen, die hij geleden had, de lange jaren gevangenschap hadden het eerst zijn zenuwgestel geschokt en aangevangen zijn gezondheid te ondermijnen. In 1788, toen hij nog met Mevrouw de Sehra leefde, was hij door een ernstige ongesteldheid aangetast, die hij de cholera noemde. Binnen het verloop van twee dagen waren hem 22 laatbekkens bloed afgetapt; toch herstelde hij, maar zijn gezondheid was geknakt. âtiet was, zeidc hij zelf, de overgang van den zomer tot den herfst geweest.quot; Kort voor de bijeenkomst der Nationale Vergadering was hij door een nieuwe kwaal, geelzucht, neergeworpen. Ofschoon in schijn genezen, was hij de gevolgen nooit te boven gekomen. De graaf de Lamarck, die gedurende den geheelen loop der zitting bijkans dagelijks met hem omging, verklaart: âIk heb hem nooit gezond gezien.quot; Menig politiek vraagstuk werd door hem op de tribune behandeld, terwijl een brandende koorts hem martelde. Wie zal zeggen, hoeveel heftige woorden, die de klove tusschen hem en het hof schiepen, aan het vuur, dat het bloed door zijn aderen joeg, zijn te wijten?
De verplaatsing dor vertegenwoordiging naar Parijs verergerde zijn kwalen. De zaal der manége, waarin zij bijeenkwam, was vochtig en benauwd. De krachtigste gestellen ondervonden de gevolgen. Inflammatie der oogen martelde Mirabeau voortdurend, zijn linkeroog werd zoo aangetast, dat men vreesde voor het behoud. Herhaaldelijk zag men hem zijn plaats innemen met een band voor de oogen. Aan sterke lichaamsbewegingen van allerlei aard gewoon, kon hij het zittende leven in de Vergadering niet verdragen. Te Parijs nam hij minder beweging nog dan te Versailles, ofschoon hij zich volkomen de vermindering van zijne gezond-
340
MIRA.BEAU.
heid bewust was. Allerlei pijnen en kwalen volgden elkander op, en even duidelijk als het lot van zijn vaderland, voorzag hij zijn naderend einde. âHij sprak er dikwijls met mij over,quot; â schrijft Lamarck â âmaar nooit zonder de fouten van zijn jeugd te beklagen en te jammeren over het nadeel, dat zy hem en het land toebrachten; want hij had het volle bewustzijn van zijn kracht en zijn groote politieke beteekenis.quot; Hij wist, wat hij had kunnen zijn, even goed als hij zijn machteloosheid kende.
Van zorg voor zyn gezondheid, van zelfverschooning was geen sprake. Na de morgens en middagen aan staatszaken te hebben gewijd, werden de avonden en de nachten aan het genot geschonken. Toen hij het jaargeld des konings ontving, veranderde hij van woning en van levenswijze. Voor de eerste maal van zijn leven genoot hij overdaad en weelde en baadde er zich met wellust in. Zijn physieke natuur kende geen maat, gelijk zijn geestelijke gezichi^feinder geen grenzen. Zijne vrienden â slechts zijne politieke vijanden waren het niet â waarschuwden tevergeefs. Telkens en telkens opnieuw stortte hij zich in den stroom der vermaken, die eindigden met zijn ijzeren lichaam te sloopen.
In Februari 1791 huurde hij een buitenverblijf bij Argen-teuil. Daar ging hij des Zaterdags heen, om des Zondags uit te rusten. Daar genoot hij van de frissche lucht en den schoonen tuin. Aan het einde richtte hij een tempel op, aan de vrijheid gewijd. Haar beeld, zoo luidde zijn plan, zou rusten op een kolom, met het opschrift: gelijkheid dermenschen. Haar rechterhand zou een zwaard voeren, gewikkeld in het boek der wet.
Voordat het beeld was voltooid, was de ontwerper bezweken. ⢠Hier, op dit buitenverblijf, werd hij den 27stl!n Maart ziek. Een koliek, gelijk hij in de laatste maanden bij herhaling had, wierp hem neer. Den volgenden dag zou in de Nationale Vergadering een kwestie over mijnen besproken worden, waar-
341
MIKABEAU.
over hij reeds het woord had gevoerd. Hij liet zich niet weerhouden en snelde naar Parijs. Vijfmaal besteeg hij de tribune, zijn inzicht zegevierde. Het was zijn zwanenzang.
In zijne woning te Parijs legde hij zich neer om te sterven. Slechts enkele dagen was er hoop hem te behouden; reeds den 308ten was de doodelijke afloop zeker. Mirabeau bleef zich zeiven gelijk: met helderheid zag hij het einde te ge-moet. âVerleg mijn hoofd een weinigquot;, vroeg hij aan een zijner vrienden en voegde er onmiddellijk bij: âik wou, dat ik het u vermaken kon.quot; De graaf de Lamarck bleef hem tot het einde getrouw en verlichtte hem den doodstrijd, door al zijne beschikkingen op zich te nemen.
âGij zijt een groot medicus,quot; â zei Mirabeau tot Cabanis, die hem behandelde â âmaar daar is er één, die grooter is dan gij. Het is de Schepper van den wind, die alles verstrooit; van het water, dat alles doordringt; van het vuur, dat alles verteert.quot;
Van den eersten dag zijner ziekte af werd zijn huis door mannen van eiken stand en elke partij belegerd. De straat waarin zijn woning was gelegen en alle publieke plaatsen waren vol van groepen, die samenschoolden om het dreigend verlies te bespreken. Ditmaal dacht het hof eenstemmig met de natie: twee en meer malen per dag liet het naar den zieke vernemen. âLaten wij Lodewijk dankbaar zijn,quot; schreef een der woeste demagogen, âdat hij niet zelf zich aan de deur van Mirabeau heeft vertoond; die stap zou den koning tot den afgod des volks gemaakt en het patriotisme ten val gebracht hebben.quot;
In den morgen van den tweeden April sliep hij in.
Drie dagen vroeger was te Parijs een volksoploop geweest. De constitutioneele leden der Nationale Vergadering hadden» als hunne tegenstanders, een club opgericht, waar zij de middelen beraamden om hunne denkbeelden te doen zege-
342
MIRABEAU.
vieren. Het gepeupel der hoofdstad suhool te zamen en joeg hen uiteen. Sinds heerschto de Jacobijnenclub over Parijs en Frankrijk.
Had de stervende volkstribuun dan niet recht, toen hij uitriep: âIk sleep de monarchie van Frankrijk met mjj mede!quot;?
Geen staatsman der oude of der nieuwe wereld heeft onder grootscher lijkkleed gerust.
343
X
DE FEANSCHE TIJD.
DE FEANSCHE TIJD.
I
quot;Wie het tegenwoordig waagt, de geschiedenis van het Nederlandsche revolutietijdperk te verhalen, onderneemt eene taak, die niet vrij van bezwaren is. Ons geslacht is aan omwentelingen zoo gewoon, dat al de aantrekkelijkheid wordt gemist, die in het nieuwe en bovendien ongewone gelegen is. Vergeleken met de omwentelingen in grooter staten, is onze revolutie arm aan dramatische momenten, die den toeschouwer beurtelings met hoop en vrees, met sympathie en antipathie vervullen. Het tooneel is zooveel kleiner, de afmetingen en de kracht der passiën evenzeer.
Doch er is een ernstiger bezwaar. Onze omwenteling van 1795 gaat gebukt onder groote impopulariteit. Zij, die er aan deel namen en zij, die slechts een bescheiden plaatsje onder het publiek innamen, beiden, acteurs en toeschouwers, hebben er toe medegewerkt. Het scheen bij het einde, dat zij geen vuriger wensch kenden, dan om de verloopen dagen te doen vergeten. Zij zijn er zoo goed in geslaagd, dat geen tijdperk onzer volkshistorie zoo weinig bekend is.
En toch is de revolutieperiode voor ons van beslissend gewicht geweest. De maatschappelijke en politieke toestanden der 19de eeuw wortelen er in. De grondslagen zijn in de 20 jaar gelegd, die tusschen 1795 en 1813 verliepen. Waar-
DE FRANSCHE TIJD.
om is dit tijdperk dan vergeten? Waarom is het met vergetelheid geslagen?
Omdat er twee hoofdtrekken zijn, die niet uitgewischt kunnen worden. Zij wierpen een schaamteblos op de wangen van de tijdgenooten, die zich allen meer of minder voor den eenen of den anderen aansprakelijk gevoelden. De revolutieperiode is een tijdperk van volkomen ondergeschiktheid aan een vreemde mogendheid, van toenemende afhankelijkheid. Zij ergert en kwetst den nationalen trots door haar volledig gemis aan groote karakters.
De natie heslist in deze twintig jaar niet over haar eigen lot. De veelvuldige veranderingen, die zij ondergaat, ondergaat zij slechts met toestemming van den machtigen staat, aan welken zij geketend is. Veel 'goeds wordt haar opgelegd tegen haar eigen wil, voor veel kwaads wordt zij bewaard ondanks haar zelve. Onder den invloed van een verdrukking, die bij toeneming zwaarder wordt, wordt zij telken male geleid waarheen zij niet wil, en als zij eindelijk haar vrijheid herkrijgt, is zij een andere geworden in de harde school van het lijden.
Voor de kinderen en kindskinderen, die de vruchten plukken van dat lijden, is het betrekkelijk gemakkelijk met eenige kalmte er op neer te zien, maar voor hen, die het zelfverwijt nog gevoelden, was de terugblik bitter en beschamend.
En toch was de schuld zoo gering, want de dwaling was zoo volkomen te goeder trouw, zoo oprecht, zoo welgemeend geweest.
Men zegt. dat in de laatste maanden, die aan de uitbarsting der Pransche revolutie voorafgingen, in een kring van vurige voorstanders der volkssouvereiniteit te Parijs een der aanwezigen als met een profetischen geest werd vervuld en aan ieder der tegenwoordigen het schrikkelijk lot, dat hem wachtte, voorspelde maar door niemand werd geloofd.
Indien in 1794 of zelfs in Januari 1795, toen de Pransche broeders bij vrijheidsboomen en feestgelagen als redders en
348
DE FRANSCHE TIJD.
verlossers werden begroet, het een enkelen der geestdriftvollen ware vergund geworden, het gordijn der toekomst open te schuiven, ook hij zou het tooneel, dat zijne oogen aanschouwden, niet hebben geloofd. Want er was niemand onder hen die tot de omwenteling hadden medegewerkt, die niet oprechte-lijk meende, dat de gouden eeuw van vrijheid en volksgeluk, van deugd en menschenwaarde was aangebroken. Zij hebben gedwaald, omdat zij geloofden wat zij hoopten, en in de naïeveteit van hun hart de vervulling hunner verwachting van anderen vroegen.
De val van het oude bewind kwam in 1795 door de Franschen tot stand. De natie zelve bewerkte hem niet. Zij ondermijnde de regeering des lards en verlamde ze tegen den buitenlandschen vijand, omdat zij in dien bestrijder haar vriend en in Oranje haar waren vijand zag. De natie onderwierp zich aan den veroveraar nog voordat deze het land had onderworpen.
Als broeders waren de Franschen ingehaald: zij kwamen, gelijk het heette, niet om te veroveren, maar om de vrijheid te schenken. Zij schonken, wat aanvankelijk het hoogste geluk werd gerekend, het verbond met Frankrijk. Kiet langer zou de Hollandsche natie door Engeland worden misleid en uitgezogen; aan Frankrijk's zijde zou zij vrij zijn. Maar hoe duur kwam die vrijheid te staan! Do Bataafsche Eepubliek werd vriend en bondgenoot der Franschen, betaalde honderd millioen aan schadeloosstelling voor den krijg, en nam op zich, 25,000 man, die in het land zouden blijven, te voeden, te kleeden en te betalen; land- en zeemacht zouden den roem der Fransche wapenen deelen; de verbonden natiën zouden te zamen vrijheid, gelijkheid en broederschap aan de volken van Europa brengen!
Toen de eerste bedwelming was geweken, zag men de llijvende vrucht der revolutie voor oogen: dienstbaarheid aan Frankrijk.
349
DE FRAIfSCHE TIJD.
Wanneer wij thans, na bijna honderd jaar, terugzien, dan begrijpen wij het bitter gevoel der teleurgestelden. Maar, wat de tijdgenoot niet deed, doen wij: wjj voegen er iets bij. Deze afhankelijkheid is in menig opzicht een zegen geweest. Zij heeft ons volk bewaard voor de vloektooneelen van een schrikbewind; zij heeft de revolutie niet in een bittere tragedie doen ontaarden.
Madame Guillotine had in de Bataafsche Republiek viiV bewonderaars. Onder het gepeupel, vooral in de groote ste(^n was de eisch om wraak algemeen. De groote menigte hsief zelden begrip van regeeren of inzicht in politieke toestam'an Zij gelooft snel, wat haar wordt voorgehouden, als het ir vormen en '.^.nen geschiedt, die haar gevoel, haar passiër prikkelen. De trots en willekeur der oude regenten, de bittere vervolgingen na 1787, die inzonderheid de lagere standen hadden getroffen, hadden een haat gewekt, waarin alles werd geloofd. De mannen van het oude bestuur waren niet alleen hun politieke vijanden, maar ook dieven geweest. Toen de revolutie uitbrak, waren 's lands kassen leeg, ondanks de groote leeningen, die gesloten waren. quot;Waar, vroeg men, was het geld gebleven? Het bleek, dat zelfs het legei waarvoor het heette opgenomen, niet betaald was: de soldquot; over 1793 quot;quot;as slechts ten deele, die over 1794 volstreÃ; niet uitgekeerd. Wie hadden de millioenen gestolen? Wfc anders dan Willem de Verderver en zijne gevloekte raadslieden?
Persoonlijke wraakzucht en haat vereenigden zich met her geloof aan oneerlijkheid, om straf voor de dienaren van Oranje te eischen.
Dergelijke redeneeringen brengen het groot gemeen in beweging. Denkende hoofden worden door dieper gedachten geleid. Met alleen het volk, dat zijne driften niet beheerschen kan, ook mannen van hooge intelligentie en van veelzijdige bekwaamheid deden denzelfden eisch. Zij, die dotr het gevallen bestuur geleden hadden, en zij, die zich en anderen
350
DE FRANSCHE TIJD.
voor de herhaling van dat lijden in de toekomst wilden vrijwaren, vereenigden zich in den wensch, dat âhet revolutionaire scheermesquot;, zooals de guillotine werd genoemd, een tijdlang zou werken en verbeurdverklaring van goederen de tegenstanders straffen.
v Wilt gij een enkel bewijs? Valckenaar, een man, door kennis, beschaving en ontwikkeling niet onder de minsten van Z(/n tijd, letterkundige, redenaar, geleerde, diplomaat â Valcke-nsar schreef nog na jaren: âWie zal zijn grond met best graan bcsaaien, zonder alvorens alle distelen en doornen te hebben uitgeroeid? De aanhangers van het oude bestuur zijn de distelen van den vaderlandschen grond. Men had de Fagel's, de Van der Spiegel's, de Bentinck's in de eerste zes wekamp;q der revolutie moeten ophangen, een aantal anderen op Loevestein gevangen houden en een derde groep deporteeren over den Rijn. Men had de Oranjehoofden, de regenten der steden moeten straffen en de millioenen, die de Franschen vorderden, hen laten betalen. Ik zou de koetsen, de paleizen en buitenplaatsen der Van de Poli's, der Straalman's, der Van Lijnden's, der Van Citters, der Rengers, hebben laten springen. Hierdoor waren zij lam geslagen; zij zouden slechts hun oogen hebben behouden, om te weenen en noch lust noch middelen overgehouden, om het Oranjegepeupel op oranjebitter te tracteeren. Engeland zou ⢠riendelijk bedankt hebben, om die naakte en berooide matadors wederom op het kussen te helpen!quot;
Zoo dacht en sprak Valckenaar, zoo duizenden in den lande, al was het niet altijd in even goed gebouwde zinnen. Brutus was een populair held, en de nitroeiing van volksdwingelanden een geliefd thema van den dag, al zou het den kop van den laatsten Brutus kosten.
De eigenlijke haard dezer terroristische partij was Amsterdam. Nergens is men nader aan de verwezenlijking van het bloedig ideaal go .veest, omdat nergens de kracht der partij grooter was. Overal in den'lande, in iedere stad en dorp, waren er clubs,
351
)
DE FRANSCHE TIJD.
waar het volk staatkunde leerde. In de groote handelsstad waren er meer dan 70. Zij waren de brandpunten, waar de eischen der leiders tot volkseischen werden verheven. Een Comité Revolutionair richtte deze olubs in en buiten Holland^ Do rol van de Jacobijnenclub te Parijs, die herhaaldelijk de Nationale Vergaderingen voor haren wil had doen buigen, die Robespierre's heerschappij had gegrondvest en na zijn val opstand op opstand in 't leven riep, lachte de Amsterdamsche heeren van het Comité Revolutionair toe. Zij wenschten, in navolging van de terroristen te Parijs, Amsterdam en Nederland te beheerschen en te zuiveren van hunne vijanden.
Het is de roem van Rutger Jan Schimmelpenninck, dat zijn nuchter gezond verstand, zijne welsprekendheid en zijne kloeke vastberadenheid deze partij in de eerste maanden der revolutie hebben bedwongen. Zijn voorbeeld hield anderen in toom, die zwakker van geest en meer belust op volksgunst waren. Om hem schaarden zich allen, die de revolutie door geen bloedstorten of persoonlijke wraak wilden bezoedelen.
Maar zij zouden niet de overhand hebben gehad, indien de afhankelijkheid van Frankrijk hun niet ten goede was gekomen. De Fransche representanten en generaals duldden geen nabootsing van het schrikbewind op dezen veroverden grond. Waar het volk naar de wapenen greep, als in Mei 1796 te Amsterdam, verscheen het Fransche leger om orde en rust te handhaven. âHet recht om van onze ervaring te spreken,quot; âzoo luidt het in een hunner proclamatiën â âis door ons duur genoeg betaald. Betoont nooit toegeeflijkheid aan het ,oproer, waakt vooral op de bijeenkomsten van intriguanten: hun bedoelingen zijn tegen de maatschappelijke orde gekant. Indien zij zegepralen, is het met u gedaan; voor vrijheid valt anarchie, en voor wetten proscriptie u ten deel.quot;
Het is niet te verwonderen, dat het krachtig optreden van eene partij, die naar bloed dorstte, verlammend op het meeren-deel der natie heeft gewerkt. Anton Reinhard Falck heeft in
352
DE FRANSCHE TIJD.
later jaren gezegd, dat een groot deel vau 's lands ongeluk aan de houding der meer gegoeden van den fatsoenlijken stand was te wijten. De vrees voor anarchie deed hen zich onthouden en sterkte Frankrijk's invloed.
Doch er waren andenj oorzaken, die krachtiger golden. Ei- 1 bestond onder de patriotten, die de leiding der revolutie in f handen kregen, geen de minste eenheid, dan in het afbreken.' In den regel is dat geen afmattend werk. Niet veel meer dan een hamerslag was noodig om een burgemeester te herscheppen in een maire, heeren schepenen in een comité van justitie, het stadhuis in een huis der gemeente, staten van souvereine gewesten in volksrepresentanten. Deze en dergelijke hervormingen deden veel gejuich opgaan, vooral wanneer zij vergezeld gingen van redevoeringen, waarin veel over verbroken ketens, laffe aterlingen, donders van de wraak dor vrijheid werd gesproken. Het volk, op zijn beurt, vernielde de graftomben in de kerken en wilde van geen livereien, geen geslachtswapens , geen cachetten meer hooren. Maar al deze hervormingen namen de kwalen van den tijd niet weg, openden geen nieuwe bronnen van welvaart, dempten de breede kloven niet, die de patriotten verdeelden. Qa ira! zongen arme en rijke patriotten, als zij om de dorre vnjheidsboomen dansten of de schoone burgeressen en de welgebouwde jonge burgers â zonder pruik â toejuichten, wanneer dezen in plechtigen optocht naast de gebogen grijsaards en do veelbelovende zuigelingen van Bato voortschreden, om den goeden Yader der menschen te loven en de heilige feesten der vrijheid te vieren. Qa ira! mocht door de straten en pleinen klinken, \ licht gaf het vreugdelied aan niemand, want niemand wist waarheen men ging.
Het is de vloek der revolutie geweest, dat de patriotsche leiders zich geen de minste rekenschap hadden gegeven, hoe zij hun zegepraal zouden gebruiken, wat zij in de plaats van het veroordeelde staatsbewind zouden stellen. Zij hadden geen
23
353
DE FRANSCHE TIJD.
programma, dat zij wilden uitvoeren, en geen leiders aan wie zij gehoorzaamden.
Indien onmiddellijk in de eerste oogenblikken, toen de aanhangers van het gevallen bestuur nog onder de bedwelming van den pas ontvangen slag waren, toen de geestdrift der vrienden nog juichte maar niet berekende, een groep van vastberaden mannen ware opgetreden, die hun wil aan de natie hadden opgelegd, zij zouden veel jammer en ellende hebben voorkomen. Eerljjke revolutionairen hebben het in later jaren volmondig erkend, dat de afschaffing der Unie van Utrecht, de opheffing der provinciale souvereiniteit, de vestiging van één krachtig bewind over de geheele Republiek in de eerste dagen geen tegenstand zou hebben ontmoet. Voor de naïeve verwondering der Fransche representanten, die tot hun verbazing een legio souvereintjes in miniatuur, welke dezen bodem bedekten, leerden kennen, ware geen reden geweest. Een algemeen bestuur over de geheele Republiek zou onmiddellijk door Frankrijk zijn erkend en dooide Fransche legers zijn gesteund.
Niets van dat alles bestond; en wat erger was, er waren bovendien geen mannen, die den moed, de vermetelheid en de kracht hadden om het in 't leven te roepen. Er waren bekwame mannen in overvloed, maar geen enkele overwegende en beheerschende persoonlijkheid. Er was niemand, die zijn wil, zijn inzicht aan anderen wist op te leggen; in stad, provincie en staat kwam niets tot stand dan door voortdurende transactie tusschen uiteenloopende inzichten. Slechts de haat had de patriotten vereenigd, maar geen eenheid van staatkundige inzichten.
Het gemis van een politiek hoofd, een krachtig leider, droeg jammerlijke vruchten. De invloed van Frankrijk, dat telken male tusschenbeide moest treden om de anarchie te breidelen, steeg er door. De overmoed der clubs werd er door versterkt; er was geen nationaal bestuur, bij machte hen
354
DE FRANSCHE TIJD.
te betoomen. Ieder patriot meende staatsman te zijn, en offerde zijn persoonlijk inzicht voor niemand en niets op. In de locale en gewestelijke besturen voerde verdeeldheid den boventoon; er was overeenstemming noch waar het de maatregelen gold, noch waar het de beginselen betrof. Anarchie] heerschte locaal en gewestelijk; slechts de Fransche soldaat, die krijgstucht kende, wist dat gehoorzamen aan de wet do eerste plicht van den burger was. Maar wat in Nederland wet zou worden, kon niemand in 1795 voorzien. Het staatsbestuur was provisioneel, en men haastte zich niet het te vervangen. Meer dan een jaar verliep, voordat geschiedde, i wat onmiddellijk na de revolutie had moeten gebeuren. Op den eersten Maart 1796-kwam de eerste Nationale Vergadering bijeen.
âINimmer zag Nederland zooveel wijsheid onder één dak verzameld,quot; juichte een opgewonden tijdgenoot; hij kon moeilijk voorzien, dat de vroegere danszaal van den stadhouder, die deze eerste uitverkorenen ontving, honderd jaar lang de vergaderzaal der Nederlandsche vertegenwoordiging zou zijn. Inderdaad was er recht tot de lofspraak; want de natie had een rijke bloemlezing van zeer talentvolle mannen afgevaardigd. Dat onder 124 leden, al ware het alleen voor de afwisseling, ook de personen niet ontbraken, die noch op kennis noch op talent mochten aanspraak maken, wekt geen bevreemding. De brave Friesche boer, die op den kenmerkenden naam van Kuiken antwoordde en van wien zijne ondeugende medeleden stellig wisten te verzekeren, dat do adviezen, die hij uitbracht, do zijne waren, omdat hij ze eerlijk had gekocht en betaald of present gekregen â deze waardige Kuiken heeft zijne makkers en genooten in meer vergaderingen gehad. Jïet meerendeel der afgevaardigden waren mannen van kennis en van gezond verstand. Het was hunne schuld niet, dat zij nieuwelingen waren op politiek
355
DE FEANSCHE TIJD.
356
gebied en dat de eischen van het parlementair wezen, zooals later dagen die hebben ontwikkeld, hun minder vertrouwd zijn geweest. Breedsprakigheid is aan een jong geloof eigen. Wie in later dagen wel eens lust heeft om over vertegenwoordigende lichamen te klagen, zal van zijne stoutheid genezen zijn, als hij de lectuur heeft ten einde gebracht van de acht statige kwartijnen, die de handelingen dier Nationale vergadering vullen, of de drie en twintig, die hare decreten bevatten. Beknopte zakelijkheid is er geen hoofdeigenschap van. Hoe zou het ook mogelijk zijn geweest! Onderwerpen, als scheiding van kerk en staat, rechterlijke organisatie, legerinrichting, mogen in onze dagen, dank zij het licht, dooide ervaring van een eeuw er over geworpen, met zaakrijke kernachtigheid worden behandeld, in 1795 waren zij voor de jonge, wetgevers nog te nieuw, om niet de afslijping der kritische discussie te behoeven. De leerstukken van het nieuw politiek geloof, als volkssouvereiniteit, rechten van den mensch enz. deden pas hun intrede op het terrein der wettelijkheid en erkenden nog geen grenzen, waar zij ophielden te gelden, ook niet in de discussie. De taak, om een ouden staat op nieuwe grondslagen te vestigen, heeft zelfs voor oude routiniers bezwaren. Hier, waar mannen, vreemd aan staatkundige werkzaamheid, de hand aan den ploeg sloegen, kon het niet anders of de voren, die zij trokken, waren van ongelijke diepte en liepen wel eens op terreinen, waar staatsbemoeiing-gewoonlijk terugtreedt. Toen in de vergadering de vereischten werden besproken voor het bekleeden van posten, stelde een der leden voor, dat gehuwden aan ongehuwden zouden voorgaan. Hij vond het noodig, zijn denkbeeld toe te lichten en aan te bevelen, en wees daarom op de toenemende zwakheid van het menschenras, op het platteland zoowel als in de steden. Er waren zooveel lofwaardige voorslagen gedaan, verklaarde hij, tot bevordering der inlandsche fabrieken; hij achtte zich daarom in gemoede verplicht dit voorstel te doen
DE FKANSCHE TIJD.
âtot bevordering van onze inlandsche menschenfabriek.quot; De grenzen der stnatsbemooiing zijn moeilijk vast te stellen. Rutger Jan Schimmelpenninek slaagde er gelukkig, in, zijn ambtgenoot op dit punt gerust te stellen, door hem te verzekeren van de warme vaderlandsliefde in dit opzicht der Bataafsche jongelingschap en van de niet omerhiddelijke inschikkelijkheid der Nederlandsche schoonen.
Niet altijd intusschen boog minder voor meerder inzicht. De oude danszaal was getuige van menige heftige botsing; J tot handtastelijkheden kwam men wel niet, maar de woorden waren menigmaal des te bitser. De ongewoonte der taak maakte prikkelbaar en gevoelig; de fijnheid der discussie, in de parlementen der ]9e eeuw zoo opmerkelijk, ontbrak. Als Kantelaar verklaarde, dat hij âte groot was, om door een Bosch te kunnen beleedigd wordenquot;, lag de repliek voorde hand: âhij was nog nooit zoo klein geweest, dan nu hij zoo verwaand wasquot;.
Het waren onstuimige vergaderingen, telken male als een | teergevoelig punt werd aangeraakt, te onstuimiger en heftiger, omdat men niet sprak voor de leden alleen, maar voor het publiek. De tribunes waren gewoonlijk goed bezet, en deze schare nam met warmte deel aan den strijd van per- P sonen en partijen. Met handgeklap en getier, met woest gedruis en geschreeuw gaf zij goed- of afkeuring te kennen. Het deel van het souvereine volk, dat hier aanwezig was, hield toezicht op zijne representanten.
Toch zou de toon der discussiën en de prikkelbaarheid der leden minder scherp en hoog zijn geweest, indien niet bijkans elk onderwerp, dat ter sprake kwam, door partijschap ware gekleurd geweest. Patriotten heetten allen, oprechte republikeinen, Maar de gemeenschappelijke vlag dekte zeer verschillende lading.
De verzuimde instelling van één algemeen landsbestuur in de eerste dagen der revolutie was in de volgende maanden
357
DE FRASSC11E TIJD.
niet hersteld. De gevolgen waren niet achterwege gebleven. Toen de geestdrift was bekoeld, dank zij de opofferingen, waarmede de Eransche hulp dagelijks en in het vervolg moest worden betaald, had men zich in stad en land rekenschap gegeven van het doel der revolutie. Het meerendeel der bevolking achtte met den val van het stadhouderschap de hoofdzaak gewonnen en meende dat de kleinigheden, die overbleven, door de heilrijke werking der volkssouvereiniteit gemakkelijk zouden worden verholpen. De staatsregeling, die tot stand moest komen, behoefde slechts den volksinvloed op de besturen te regelen en te verzekeren, om alle bevoorrechting te doen eindigen.
Doch het bleek, dat men zich vergiste: de revolutie zou minder gemakkelijk haar einde bereiken, dan het scheen. Er verrees een twistpunt, dat ras de geheele republiek, de gewesten, de steden en de dorpen verdeelde. Zou de Ba-taafsche Republiek, als de oude Unie, een bond zijn van souvereine gewesten, of zouden deze slechts administratieve onderdeden van de ééne Republiek zijn ?
Dit strijdpunt hield de gemoederen in het eerste jaar der Bataafsche Vrijheid gespannen. Alle clubs, societeiten, wijken burgervergaderingen daverden van den twist. Het fede-
( ralisme der oude Unie was een teeken van provinciale aristocratie. De staatseenheid was het programma der radicale patriotten. Maar de beslissing werd van hen niet gevraagd. De oplossing van het raadsel was de taak, die aan de eerste Nationale Vergadering was opgelegd. ralisme der oude Unie was een teeken van provinciale aristocratie. De staatseenheid was het programma der radicale patriotten. Maar de beslissing werd van hen niet gevraagd. De oplossing van het raadsel was de taak, die aan de eerste Nationale Vergadering was opgelegd.
Bij de opening van deze eerste Nederlandsche vertegenwoordiging was er in den Haag een groot burgerfeest gevierd. Een symbolische optocht was er het hoofddeel van. Een jonge schoone van onbekenden leeftijd representeerde de Vrijheid. Zeven uren lang werd de burgeres Van der Meer, in luchtig gewaad en met ontbloote armen, op een triomfwagen door de straten der stad rondgevoerd. Het was een gure
358
DE FRANSCHE TIJD.
Maartsehe dag, maar deze Vrijheid bood krachtig tegenstand en had een kleine, huiselijke verkoudheid er gaarne voor over. De prijs was de opoffering waard, want onder haar voorgang en bescherming deed de Eenheid en Ondeelbaarheid haar triomftocht door de straten van 's Gravenhage.
De een- en ondeelbaarheid der Republiek, dat was de appel der tweedracht, die de vrijheid in de Eerste Nationale Vergadering wierp.
Het kost te allen tijde eenige moeite zich te verplaatsen in toestanden, die geheel zijn voorbjjgegaan, maar nog meer in een strijd van meeningen, die hun recht van bestaan hebben verloren. Thans is er wel niemand, die naar souvereine staten van Holland, van Utrecht enz. terug verlangt. Zelfs dringt zich de vraag op do lippen, wat men van de revolutie wilde maken, indien men de voornaamste gebinten van het oude, morsche gebouw der TTnie liet staan.
Maar in 1795 was het vraagstuk vrij wat minder eenvoudig. De strijd tusschen de voorstanders van een onbepaalde eenheid, de unitarissen, en de verdedigers van dej souvereiniteit der gewesten, de foederalisten, greep in op elk deel van het volksleven.
Indien de staten of representanten van Friesland, Zeeland en van de andere gewesten ophielden souverein te zijn, om slechts administratieve colleges te worden, zouden zij in hunne gewesten niet meer kunnen heerschen. Z|j zouden bevelen uit den Haag ontvangen en moeten gehoorzamen. Holland, het grootste en best bevolkte gewest, zou door het overwicht van zijn bevolking, 400,000 bewoners, de meerderheid bij alle stemmingen hebben en aan de landprovinciën gemakkelijk de wet stellen. In Middelburg en in Leeuwarden wilde men wel een landswet ten aanzien van sommige zaken, maar met de vrijheid, die naar provinciale belangen te mogen toepassen. Als onder de oude Republiek verlangden Friesland, Groningen
359
DE FEANSCHE TIJD.
| en Zeeland de beschikking te behouden over provinciaal be-* stuur, leger en kerk. Slechts tegenover het buitenland wilden zij de eenheid erkennen, niet in het beheer van het binnenland.
Ons volk heeft den naam, alle kvvestiën naar finantieelen maatstaf te beoordeelen. In dozen strijd van meening speelden de finantiën inderdaad een hoofdrol.
Alle provinciën gingen onder schulden gebukt, maar geen in die mate als Holland. Kwam de staatseenheid tot stand, zooals de unitarissen ze wenschten, dan zouden alle schulden
Idooreengemengd en vereenigd worden. Men zou in Friesland en Zeeland tot de betaling van Holland's schulden moeten bijdragen. Dit achtte men onbillijk, omdat het in strijd met het eigenbelang was.dooreengemengd en vereenigd worden. Men zou in Friesland en Zeeland tot de betaling van Holland's schulden moeten bijdragen. Dit achtte men onbillijk, omdat het in strijd met het eigenbelang was.
Van den eersten dag der Nationale Vergadering af hield dit vraagstuk de gemoederen bezig. Het kleurde alle discus-siën, het tintte eiken twist. Staatseenheid of provinciale sou-vereiniteit, het verschil gluurde altijd om den hoek. Mannen, in het gewone leven beminlyk en heusch, met de beste bedoelingen ver vuld, stonden met booze vijandschap telken male tegen fóll-nnrlpH nver^ Het is onnoodig te zeggen, dat er in deze vergadering ook een partij van het juste milieu was; maar hoe nuchter en kalm Schimmelpenninck, de leider van dit centrum, de drift der uiterste partijen ook zocht te matigen, het gelukte hem volstrekt niet altijd. De eigenlijke strijd ving pas aan, toen de vergadering in November zich zette, om een ontwerp-constitutie, door een en twintig leden vervaardigd, te beoordeelen. Maar het voorspel in de zes maanden, die verloopen waren, deed voorzien, hoe warm de discussie, hoe heet de kamp zou zijn.
Het was de gewoonte, dat de vergadering eiken dag met een gebed werd geopend, dat niet zeer kort was. De spotzieke Dr. van Woensel stelde, met het oog op de discussiën, een ander voor, dat een dubbele verdienste had: het was
360
DE FRANSCHE TIJD.
beknopter en deed vragen, wat men noodig had. Het luidde aldus: âHeere, Heere, bewaar ons voor nutteloos redetwisten, voor beuzelen, voor dagdieven. Amen.quot;
De spot was in menig opzicht verdiend. quot;Want toen eindelijk de ware veldslag tusschen unitarissen en foederalisten aanving, werd met velerlei wapenen gestreden. Zes maanden duurde de discussie: al de vragen, die reeds vroeger tot breede vertoogen over en weer hadden geleid, werden weder breedvoerig besproken en vele nieuwe, door het ontwerp van grondwet aan de hand gedaan. Een overzicht te leveren is volkomen ondoenlijk. Al de staatsrechtelijke theorieën van afscheiding der machten, volkssouvereiniteit, centralisatie enz., vonden op nieuw bespreking. Wat kon men niet aanroeren, met een ontwerp in de hand, dat S00 artikelen telde? Het is de verdienste der Eerste Nationale Yergadering, een verdienste die haar niet te ontnomen is, dat zij de zoogenaamde beginselen van 1789 in hun toepassing op het staatswezen het eerst in Nederland breedvoerig heeft toegelicht. Maar dit is een historische verdienste. Hooger roem zou zij bij de tijdgenooten hebben verworven, indien de vrucht van haar maandenlang betoogen ter eene of ter andere zijde een beslissing had gebracht. Op den afstand van tijd, die ons van 1795 scheidt en bij de schaarschheid van vertrouwbare berichten, is het niet mogelijk een oordeel te vellen over de beschuldiging van vuile intrigues en andere dergelijke zaken, die de partijen elkander naar 't hoofd slingerden. Maar wei kan men een resultaat, van wat het ook zij, beoordeelen. Toen de Nationale Yergadering haar arbeid had geëindigd, bood zij aan de natie een constitutie aan, die aan geen enkele partij voldeed. De voorstanders der onbepaalde eenheid kreten het ontwerp voor een wanstaltig monster van foederalisme uit. De foederalisten wierpen den bal terug en noemden de constitutie een hatelijk gewrocht van unisme. Niemand was tevreden, dan een kleine middenpartij, waartoe Schimmel-
361
DE FKANSCHE TIJD.
penninck behoorde; zij noemden zich de moderaten, hun tegenstanders scholden hen voor slijmgasten.
Den 8s,en Augustus 1797 had de stemming plaats. Het volk kwam in de grondvergaderingen bjjeen. Met werkelijk verpletterende meerderheid werd het ontwerp verworpen. Tegen 27,000, die het goedkeurden, verhieven zich 108,000 met unanieme afkeuring.
Tweo en een half jaar was er sedert den aanvang der revolutie verloopen, en nog had de staat geen grondwet.
Kon het zoo blijven?
II
De vraag moest beantwoord worden door eene tweede vergadering, de Tweede Nationale quot;Vergadering geheeten. Den lsten September kwam zij bijeen, om het werk van haar voorgangster van voren af aan te beginnen. Het had iets van den arbeid van Penelope: wat gisteren scheen tot stand gekomen, bleek heden ongedaan. Zou het noodlot, dat de Eerste Vergadering had verlamd, ook de tweede tot machteloosheid veroordeelen ?
Er waren eenige voorteekenen, die beter uitslag beloofden. De zoogenaamde middenpartij, met Schimmelpenninck aan het hoofd, had geen lust in den nutteloozen strijd. Zij weigerde zitting te nemen en verliet het politiek tooneel. Het was een verlies, wat bekwaamheid en eerlijkheid betrof; maar winst, zoo men verlangde dat er eindelijk iets tot stand zou komen. Ingrijpende hervormingen zijn niet het werk van hen, die nieuwen wijn in oude zakken willen doen.
De voorstanders der onbepaalde eenheid bezaten in de nieuwe vergadering het overwicht. Het was duidelijk, dat in de Republiek hun denkbeelden de heerschende werden. Pieter Yreede, het hoofd en de leider dezer unitarissen, was in zeven districten te gelijk gekozen. Met hem hadden tal
362
DE FRANSCHE TIJD.
van zijne geestverwanten zitting. Doch ook de aanhangers van provinciale zelfstandigheid waren sterk vertegenwoordigd. Maar zij hadden alles tegen zich wat een politieke partij machteloos maakt. Het ontwerp der staatsregeling was verworpen, omdat het te provinciaal was. Tegen dezen uit-drukkelijken wil des volks kon men wel redevoeringen houden, maar zij, die de volkssouvereiniteit predikten, moesten ze eerbiedigen. Bovendien konden zij, evenmin als iemand, ontveinzen, dat de toestand ondraaglijk werd.
De omwenteling was stuksgewijze, plaatselijk en provinciaal, geschied: zij moest zich oplossen in ééne algemeene wet. Langer uitstel was ondoenlijk, want de anarchie nam overal toe. Het is moeilijk zich een duidelijke voorstelling te maken van de grenzenlooze verwarring, die er heerschte. In ieder gewest en op iedere plaats deed men juist wat men goedvond. Waar de unitarissen de meerderheid hadden, verdrukten zij de tegenpartij: waar de foederalisten in het bestuur zaten, werden de unitarissen het slachtoffer. Het kunststuk, om van den dag in den dag te leven, werd drie jaar lang toegepast. Er was geen staatsorde, geen landswet. De verdeeldheid, die in de Eerste Vergadering had geheerscht, duurde voort onder het volk en nam toe, nadat de Tweede was samengekomen. Over de vermenging der schulden, over de scheiding van kerk en staat werd getwist en gekibbeld, heftiger dan te voren. Alle partijen zochten de vergadering voor hare denkbeelden te winnen, door ze vrees in te boezemen. Slechts zelden is van het recht van petitie zulk een gebruik gemaakt als in die dagen. Den eenen dag kwam er een plechtig protest uit Overijsel in, waarin do onderteekenaars verklaarden, dat zij zich niet onderwerpen zouden, indien de vergadering het zou wagen, de ineensmelting der schulden te decreteeren. Den volgenden dag kwam er een verklaring van de representanten van Holland in, waarin zij kortaf mededeelden, dat Holland zijn quota niet meer betalen zou, maar
363
DE FRANSCHE TIJD
eischte, dat er algemeene belastingen door de geheele Repu.-bliek zouden geheven worden. Over de scheiding van kerk en staat, de opheffing der Hervormde Kerk als staatskerk waren, indien het mogelijk was, de gemoederen nog meer verbitterd. Meer dan 600 adressen, door ruim 200,000 personen onderteekend, protesteerden tegen den val der staatskerk. Dat ouders en voogden teekenden voor minderjarigen, is meer geschied; maar bij deze gelegenheid deed zich de bijzonderheid voor, dat ouders teekenden in naam van kinderen, die nog geboren moesten worden. De vinding had ten minste de verdienste van oorspronkelijkheid.
Dien lof kon men aan de argumenten van weerszijden in de vergadering niet toekennen. Trouwens, de onderwerpen waren afgezaagd. Dit belette intusschen de Tweede Vergadering niet, om telkenmale opnieuw zich in den stroom der discussiën te baden, als waren de vraagstukken fonkelnieuw en pas gisteren opgekomen. Natuurlijk dat de strijd een veel heftiger karakter droeg: verdachtmaking van personen en bedoelingen kwam in ruimer mate voor. De foe-deralisten werden beschuldigd, in 't geheim Oranjegezind te zijn; en er was veel in hun houding, dat de beschuldiging verklaarde. Herhaaldelijk werd het voorstel gedaan van een algemeenen eed tegen het stadhouderschap en de oude Unie; maar steeds werd het afleggen verhinderd. De tegenstanders der onbepaalde een- en ondeelbaarheid werkten tegen, zij belemmerden. Daarvoor waren zij sterk genoeg, schoen te zwak om zelve de teugels in handen te nemen.
Het was volkomen natuurlijk, dat de vergadering steeds meer haar aanzien en ontzag in de Republiek zag verloren gaan. Ofschoon er een commissie was benoemd, om een nieuwe grondwet te ontwerpen en de unitarissen in deze commissie de meerderheid hadden, geloofde men niet, dat van een dergelijke vergadering iets te wachten was. Het publiek kwam daarom op een denkbeeld, dat stellig zonder
364
DE FRANSCHE TIJD.
wedergade op politiek terrein is. Een adres van Zeeuweni stelde voor, om een prijsvraag voor de best mogelijke grond-J wet uit te schrijven. En dit denkbeeld vond zulk een goedkeuring, dat het onmiddellijk door verschillende andere adressen werd gesteund. Er ontbrak nog aan, dat men ze publiek wilde aanbesteden!
In dezen stand van zaken, te midden van die grenzenlooze verwarring, had er een gebeurtenis plaats, die de ontknooping verhaastte.
In 1795, onder de bedwelming der overwinning en in het vol geloof aan eigen kracht, was er een maatregel genomen» van groote beteekenis. Omdat de marine, gelijk ten deele ook het landleger, stadhouderlijk gezind was, had men in Februari de geheele maiine ontbonden. Alle officieren, van den eersten tot den laatsten, waren naar huis gezonden, omdat zij aanhangers van Oranje waren.
Twee jaar waren er verloopen, waarin men zooveel men kon had gedaan, om de vloot en de marine te herstellen. Maar het onzinnig besluit van 1795 had ernstige gevolgen. De oude beproefde matrozen waren met de officieren verdwenen- van den grond af moest alles worden opgebouwd. Frankrijk, dat de zeemacht der Republiek in den strijd tegen Engeland zeer noodig had, dreigde eigenmachtig in te grijpen. Men nam matrozen aan, waar men ze krijgen kon, en benoemd'- tot zeeofficieren wie zich benoemen liet. Aan het hoofd der vloot werd een man geplaatst, die geen andere aanbeveling had, dan zijn vurig patriotisme. De admiraal De Winter, die aan het hoofd van het Sederlandsche zeewezen trad, was vóór 1787 luitenant ter zee geweest, maar had nooit een schip gekommandeerd. Hij was in 1787 uitgeweken, had dienst genomen bij de Franschen en was met de generaalsepauletten in zijn vaderland teruggekomen. - Persoonlijken moed had hij, en toewijding aan de zaak des lands evenzeer, maar beide zijn niet voldoende, om in de schoenen
365
DE FRAXSCHE TIJD
van De Ruijter en Tromp te gaan staan en er in staande te blijven.
Gedurende dit jaar 1797 waren er allerlei groote plannen. Vereenigd met de Franschen, wilde men een landing in Ierland doen, om den opstand, die daar tegen den gehaten Brit was uitgebroken, te steunen. Dit plan werd niet uitgevoerd, omdat de Franschen niet bijtijds gereed waren. Hier te lande was men vol vuur en ijver en brandde men van begeerte, om het verachtelijk Carthago aan de overzijde van het Kanaal de zware hand van de zonen deï vrijheid te doen gevoelen. Als een enkel proefje van de geestdrift en verblinding, zelfs van bekwame mannen, zij hier in het voorbijgaan het volgende vermeld. De generaal Daendels stelde voor, met 4000 man in Schotland te landen en door Schotland heen naar Ierland te trekken. Hij geloofde aan de uitvoerbaarheid van dat plan. Geen wonder dat minder kundigen in de vaste overtuiging leefden, dat de Bataafsche Republiek de dagen van De Ruijter en Tromp zou doen herleven. Reeds bij voorbaat genoot men van den roem.
De ontnuchtering bleef niet uit. In het begin van October stak de admiraal De Winter met de vloot in zee. Het was de eerste maal, dat hij het opperbevel voerde. Voor de meesten der zeeofficieren was het ook de eerste maal, dat zij kommandeerden; voor velen hunner en voor een aanzienlijk deel van het scheepsvolk was het de eerste maal dat zij op zee kwamen.
Zij betaalden het duur, nog voordat de vijand in 't gezicht was. Een groot deel van de bemanning der vloot was zeeziek. Den llaen October raakten zij in het gezicht van de duinen bij Wijk aan Zee met het Engelsche eskader onder den vice-admiraal Duncan slaags. Hel getal schepen aan beide zijden stond genoegzaam gelijk, doch de Engelsche waren beter bemand en sterker gewapend. Hunne officieren en vlotelingen waren vertrouwd op het element, waarop zij
366
DE FKANSCHE TIJD
streden, en kenden de waarde van hunne schepen. De uitslag was, zooals men verwachten kon. De vloot der Republiek leed een vernietigende nederlaag, die van den eersten oogenblik af beslist was. De admiraal De Winter onderscheidde zich door dapperheid, maar in de geschiedenis van het jSederlandsche zeewezen neemt hij bovendien een zeer zelfstandige plaats in. Hij was de eerste en de laatste admiraal van een Nederlandsche vloot, die gevangen genomen werd. De opperbevelhebber moest zich overgeven en werd met twee zijner stafofficieren krijgsgevangen naar Engeland gevoerd. Meer dan de helft der schepen deelde in zijn lot en viel in de handen der Engelschen.
Toen de vloot was uitgezeild, had de Nationale Vergade- 1 ring van het Comité van Marine het bericht gekregen: âEerlang hoop ik u haar zegepralenden terugtocht te berichten.quot; Het briefje, dat de admiraal De Winter aan boord van het Engelscbe Admiraalschip schreef en met deze woorden onder-teekende: âUEd.⢠ongelukkige admiraal,quot; luidde eenigszins anders. De gehate Brit was niet vernederd; integendeel, de Nederlandsche vloot vernietigd.
Een kreet van diepe verslagenheid ging er op in den lande, toen het gebeurde bekend werd. Eenstemmig was men in den lof van de dappere zeelieden, en 's lands vergaderzaal weergalmde van lofspraken op den ongelukkigen vlootvoogd, die zulk een roemrijke nederlaag had geleden en van sombere profetieën aan het misdadig Albion, dat door deze nieuwe overwinning de lijst zijner euveldaden vermeerderde en de vreeselijke wraak, eerlang te nemen, verzwaarde.
Het was deze nederlaag bij Kamperduin, die de worsteling tusschen de unitarissen en foederalisten in de Nationale Ver- | gadering nader tot haar beslissing bracht. Pieter Vreede en .1 de mannen, die hem volgden, begrepen het politieke voordeel,! dat zij ervan trekken konden. âDit waren de gevolgen van den jammerlijken toestand, waarin men zich bevond; had er
367
DE FRAXSCHE TIJD.
eenheid van fiuantieel beheer in de Republiek bestaan, de vloot ware beter bemand, beter toegerust geweest. Het ellendige systeem der provinciale quota's, die niet of ongeregeld betaald werden, was er de oorzaak van. Het provincialisme, het foederalisme was de schuldige aan de nederlaag bij Kamperduin.quot;
Gesteund door de verbittering des volks, stelden de uni-tarissen een beslissenden maatregel voor: de heffing van een inkomstenbelasting door de geheele Republiek ten bate der vloot. Onder den indruk der gebeurtenissen waagden de foederalisten niet langer weerstand te bieden. Met overgroote meerderheid werd het voorstel aangenomen.
Doch wat zij niet waagden, durfden de provinciën. Alleen in Holland keurden de representanten des volks het besluit goed. In al de andere gewesten openbaarde zich meer of minder verzet en kwam de vertegenwoordiging in opstand.
In dezen stand van zaken besloot de partij der unitarissen tot een daad van geweld. Het jaar 1798, het derdejaar der devolutie, was ingetreden, en nog was men niet verder dan den eersten dag. Daendels vertrok naar Parijs en kwam met de toestemming der Fransche regeering terug. Tot den coup cVétat werd besloten.
Op don morgen van 22 Januari 1798 werd de vergaderzaal der Nationale Vergadering door troepen omsingeld. Geen der afgevaardigden werd toegelaten, die niet tot de partij der unitarissen behoorde of mocht gerekend worden. âHet vaderland werd verklaard in gevaar te zijnquot; zoo luidde de formule, ^Jie men in navolging van vele Parijsche modellen bezigde. Het stadhouderschap, het foederalisme , de aristocratie en de regeeringloosheid werden gelijktijdig afgezworen. De provinciale souvereiniteit werd vernietigd, de gewestelijke besturen werden tot administratieve colleges verklaard. Eenheid in het finantieele, zoowel als in het politieke, zou de grondslag van de nieuwe staatsorde zijn.
DE FEANSCHE TIJD.
Nog was deze vergadering van 22 Januari niet ten einde, toen de gezant van Frankrijk verscheen. Hij kwam om de goedkeuring zijner regeering te betuigen, en drukte den voorzitter der revolutionaire vergadering den patriotschen broederkus op de wang.
Die broederkus was het zegel op de daad van geweld. Frankrijk schonk aan de Bataafsche broeders de staatseenheid, gelijk het hun de vrijheid had gebracht en het voor de tyrannie van Madame Guillotine had bewaard.
Het werk van den 229ten Januari 1798 is niet ondergegaan. Dit is de beste verdediging, die Pieter Vreede en zijne volgelingen kunnen doen golden, liet beginsel van den coup d'état heeft de mannen overleefd, die het deden zegevieren.
De onwillige provinciën bogen het hoofd en onderwierpen 1 zich. Wie de revolutie was toegedaan, berustte in het fait accompli, dat eindelijk rust beloofde. En zij, die de omwenteling haatten en terugkeer tot de oude staatsorde wenschten, zagen met blijdschap de verdeeldheid en fouten hunner tegenstanders aan, omdat zij hun een toekomst beloofden. De tijd scheen hun nabij, dat de Oranjepartij zou oogsten, waar zij niet gezaaid had Zij meenden, dat de gedwongen staatseenheid de brug zou zijn, om de gematigde aanhangers dei-revolutie met het Oranjehuis te verzoenen. Zij bedrogen zich.
III
Wanneer een vorstengeslacht, dat gedurende een lang verloop van tijd de eerste plaats in den staat heeft bekleed, door overmacht van binnen- of buitenlandsche vijanden ten val wordt gebracht, dan zal het nimmer voorkomen, dat het niet tal van aanhangers achterlaat. De plaats, die geruimd werd, stak te zeer uit, dan dat niet velen gewoon waren er naar op te zien. De invloed, dien zij schonk, was een band voor talloozen. Door elke gewelddadige verscheuring van een oude betrekking worden steeds vele belangen gekwetst, ook waar
24
369
DE FRANSCHE TIJD.
persoonlijke genegenheid en de macht der gewoonte niet hechtten.
De persoon van Willem V was niet rijk geweest aan bijzondere vrienden. Maar het vorstenhuis en het stadhouderschap telden er des te meer. Ook buiten den kring van hen, die het hof vulden en zich nu op eenmaal een aanzienlijke positie in de maatschappij zagen ontnomen, waren de voorstanders van het stadhouderschap velen in getal. Hun geringe ingenomenheid met den persoon van Willem V had hen de groote fout doen begaan, den Stadhouder niet te steunen. Toen de revolutie tot stand was gekomen en het bleek, dat hun maatschappelijke invloed door haar werd bedreigd, zagen zij hun misslag in. De adel in de landprovinciën en een groot aantal regenten die tot dusver het patriotisme met onverschilligheid hadden aangezien, werden vijanden der revolutie, die aan hun heerschappij een einde dreigde te maken. Zij vormden in de eerste jaren de kern der tegenstanders van de omwenteling, de eigenlijke kern der Oranjepartij.
Met het gewone zelfbedrog van een politieke partij, die haar geluksstaat in een ondergegane maatschappelijke orde vindt, beeldden zij zich in, dat de teleurstellingen, die de omwentelingen baarden, de volksopinie tot Oranje terugvoerden. Dat er bijkans twintig jaar zouden verloopen en een genoegzaam nieuw geslacht zou moeten opstaan, voordat de revolutie met Oranje zou verzoend worden, zagen zij niet in. Zij hadden een open oor voor elkanders klachten, voor hun eigen minachting van de gebeurtenissen van den dag, maar begrepen volstrekt niet, dat de patriottenpartij, hoe teleurgesteld zij zich mocht gevoelen, daarom niet geneigd was, onder den ouden druk terug te keeren. De geringheid der opofferingen, die zij over hadden voor het verdreven vorstenhuis, was hun een maatstaf, zij het ook een valsche, van de geringheid der opofferingen, waartoe de patriotten voor hun denkbeelden bereid waren.
370
â
1
DE FRA.N3CIIE TIJD. 371
Er zijn enkele familiën geweest, naar het schijnt voornamelijk Friesche edelen, die Willem V in de eerste jaren van zijne ballingschap met geldelijke ondersteuning hebben bijgestaan. Over het algemeen echter was de persoonlijke gehechtheid te gering, om tot krachtig hulpbetoon te leiden. Het is opgehouden, toen de Europeesche staatkunde elke kans wegnam, dat de Prins van Oranje met geweld van wapenen, als in 1787, zou teruggevoerd worden.
Deze hoop heeft slechts enkele maanden bestaan. Op Pruisen was zij gebouwd. Maar het Pruisen van 1795 was niet meer het oude Pruisen van 1787. De Poolsche kwestie deed Frederik Wilhelm in April 1795 den vrede van Bazel teeke- !' nen. Te Osnabriick was in do vorige maanden een legertje :! bijeengebracht, dat onder den Erfprins een inval in de Nederlanden zou doen. Op Frankrijk's eisch werden die troepen ontbonden. De bondgenoot der patriotten liet de Bataafsche republiek niet los en vernietigde ook langs diplomatieken weg de hoop der oude Oranjepartij.
Indien de Revolutie minder traag in haar gang ware geweest, de aanhang van Oranje zou ernstig gevaar hebben â geloopen, uiteengeslagen te worden. Maar de langzaamheid van hare bewegingen en de verschooning, die tegenover de leden van het oude bestuur'in acht werd genomen, kwamen hem ten goede. De partij van Schimmelpenninck, de gematigd revolutionaire, waakte togen elk terrorisme. De raadpensionaris Van der Spiegel, Bentinck, Van Rhoon, Kins-bergen en eenige anderen werden in hechtenis genomen en in hechtenis gehouden, maar zonder dat hun eenig leed werd aangedaan, en zij werden allen achtereenvolgens na korter of langer tijd in vrijheid gesteld. De Oranjepartij verwekte in | 1795 op verschillende plaatsen onlusten; hier werd een visch-vrouw, elders een door den drank opgewonden handwerksman gegeeseld of verbannen; maar de gewelddadige reactie! was nergens van groote beteekenis. Men kan de personen^
?](
372 DE FRANSCHE TIJD.
,y' -i j tellen, die vervolgd zijn. In de revolutionaire clubs werd de ' eisch gedaan, dat de Oranjehoofden voor de kosten van den oorlog aansprakelijk zouden worden gesteld, dat hun goederen zouden verbeurd verklaard en de personen gestraft worden. Maar noch de Pranschen noch de hoofden der omwenteling wilden er van weten; zij onderdrukten zelfs met geweld de voorstanders van die meeningen.
Als de aanhangers van het voormalig bestuur deze houding der revolutie tegenover hen eens hadden vergeleken met hun gedrag in 1787, het resultaat der beschouwing zou niet vleiend voor hun hoogmoed zijn geweest. Zij mochten schimpen op de Franschen en op de mannen der omwenteling, deze mannen handelden edeler dan zij gedaan hadden. Routine in de kunst van staatsbestuur bezaten zij wel niet, maar zij hadden moer eerbied voor de oprechte overtuiging hunner tegenstanders dan zij zelve hadden betoond. En zij misbruikten hun macht niet tot persoonlijke wraakneming.
Doch zulke zaken worden zelden erkend door hen, die vroeger de hoogste plaats hebben ingenomen, maar door het rad der fortuin naar beneden zijn geworpen. Ret feit, dat zij het onderspit hebben gedolven, is een misdaad, die den overwinnaars niet vergeven wordt
De Oranjepartij, verschoond door de revolutie, had de vrije hand, om haar invloed uit te breiden. Haar aanhangers konden alles doen, om op de publieke opinie te werken. Aan wapenen ontbrak het niet.
De Eepubliek was afhankelijk van Frankrijk, de dienares, het werktuig van den bondgenoot. De eerste maanden weergalmden van de jammerkreten der bevolking, die requisitiën moest opbrengen en inkwartieringen verdragen. Dat de krijgstucht streng gehandhaafd werd; dat de Fransche soldaat goedhartig en bescheiden was; dat wel de zaak, niet de persoon noemenswaardige!! last aanbracht, dat vindt men in de brieven der Oranjemannen zelve erkend. Maar desniettemin voelde
DE FRANSCHE TIJD.
men zich vernederd als nooit te voren. Onder geen stadhouder van het huis van Oranje was dezo toestand ooit voorgekomen. Tijdelijk, in en 1G72, was een deel dezer gewesten door de Franschen overstroomd; maar nooit haddenl zij voor langer dan weken of maanden hier huis gehouden. Nu lagen er voortdurend 25000 in de hoofdplaatsen van den staat, die hen voeden, kleeden, onderhouden en feitelijk aan hen gehoorzamen moest.
De welvaart der Republiek was vernietigd; terwijl millioenen | hij millioenen opgebracht moesten worden, droogden de bronnen van welvaart en bestaan telken dage meer op. In 1794, toen er nog een stadhouder was, waren nog 1811 handelsschepen de Maas binnengekomen; in 1795 waren er slechts 860. In 1794 hadden bijna 2000 schepen onze zeegaten verlaten; in 1795 waagden het slechts 400. De handel hield op, de j industrie kwijnde, het werkvolk liep leeg. Slechts in een | stadhouderloos tijdperk kon men een periode als deze aanwijzen, niet in dagen toen de staat door een Oranje werd bestuurd.
In 1666 was de toestand even jammerlijk geweest en het beklag even algemeen. Maar het land was niet bezet door vreemde soldaten, en er was een Johan de Witt, die een einde aan de ellende maakte. Waar was de Johan de Witt dezer omwenteling? Waar was het denkende hoofd, waar de-leider der revolutie? Het bestond niet: mannen zonder kennis van staatkunde, politieke tinnegieters regeerden het land, of liever, regeerden niet. Er kwam niets tot stand; zelfs een grondwet konden zij niet maken. Slechts met geweld van Fransche bajonetten kon de coup (Vétat van Januari 1798 slagen.
Het is zeker dat, krachtiger dan al deze betoogen, de strijd der politieke partijen in de vertegenwoordiging aan de Oranjepartij nieuwe aanhangers bezorgde. Reeds in do eerste vergadering hadden voorstanders der staatseenheid aan de
873
DE FRANSCHE TIJD.
hardnekkige verdedigers der provinciale zelfstandigheid voor de voeten geworpen, dat er onder hen meerderen waren, die notulen voor den prins van Oranje hielden. Inderdaad waren er velen onder de foederalisten, die, zoo het mogelijk ware geweest, gaarne het gedane ongedaan zouden hebben gemaakt en ter wille van hun provinciale oppermacht het stadhouderschap en het Oranjehuis op den koop toe zouden hebben genomen.
IKa de omwenteling van den 22Ka de omwenteling van den 22sten Januari 1798 won onder hen de aanhang van Oranje aan krachten. De grondwet van 1798 vernietigde wat zij liefhadden, voerde eenheid van landsbestuur, van finantiën, van wetgeving in. De ver-V trouwelijkheid en aaneensluiting der twee verdrukte partijen namen toe. De twee overwonnen richtingen reikten elkander ^ vaster de hand, naarmate het gevaar, dat haar beide bedreigde, grooter werd.
Het bestuur, dat in Januaii 1798 optrad, bestond uit de onverzoenlijke voorstanders der volkseenheid. Pieter Vreede, de hoofdman der unitarissen, stond aan het hoofd van het vijftal, dat als Raad van State de Republiek zou regeeren. Zij brachten eene grondwet tot stand, die hunne inzichten verwezenlijkte. Dit, had men gemeend, was het hoofddoel van den coup (Tétat geweest.
Maar het scheen dat men zich vergiste. Pieter Yreede en f de zijnen betraden den weg der vervolging. Zij deden de eerste stappen in de richting der wraaklievende revolutionairen. Zij wierpen hunne tegenstanders in de gevangenis of verboden hen, hunne buizen en woonplaatsen te verlaten. Een ï algemeene onrust vervulde de Republiek. Madame Guillotine ' scheen eindelijk te zullen heerschen.
Met geweld waren deze mannen op het kussen gekomen; ⢠met geweld waren zij besloten zich te handhaven. In strijd met hun eigen Grondwet verklaarden zij zich zeiven tot representanten des volks, zonder zich aan een volkskeuze te onderwerpen.
374
DE FRANSCHE TIJD.
Doch wat in 1795 niet was geslaagd, had drie jaar later I nog minder reden van bestaan. Het scheermes der revolutie | was gehaat in Frankrijk, bij den meester en bondgenoot van ons volk. Hij vergunde niet, dat het hier werd gebezigd.
Op den 12den Juni zaten drie leden der landsregeering * samen te dineeren, toen op eenmaal hun hotel omsingeld m werd. De generaal Daendels, door militairen gevolgd, trad i binnen om hen gevangen te nemen. Twee van de rustig etenden, die zoo onaangenaam gestoord werden, sprongen de ramen uit en redden zich door deuren en tuinen. Een werd gevat. De partij van Pioter Vreede was uiteengeslagen: hier zou de Guillotine niet heerschen.
Het was de tweede revolutie in zes maanden. âWij leeren aan,quot; zeiden de spotters. âDe kunst van revolutie maken schijnt niet moeilijk meer.quot;
Toch was, hoeveel belachelijks er voor het uiterlijke in dit gestoorde diner mocht zijn, de daad van 12 Juni 1798 een feit van groote beteekenis. De terroristische partij werd voor- -k goed overwonnen en de vrucht der revolutie bleef. De om- I wenteling was, wat het beginsel betrof, ten einde. De staats- j eenheid is van 1798 af tot dezen dag toe ongeschonden j gebleven.
Onder de toeschouwers van den Juni bevond zich een
oud-burgemeester van Amsterdam, Straalman. Toen hij het tooneel aanschouwde, hoe voorstanders der omwenteling elkander met geweld van het kussen wierpen, riep hij uit: âWat _ maken zij den Prins van Oranje groot!quot; Zoo oordeelden ook de oude aanhangers: zij bouwden er hunne hoop op. Al die. twisten en verdeeldheid schenen den weg te effenen voor 1 Oranje.
Zij allen oordeelden naar den schijn. Zij namen de beroering | op de oppervlakte van het water waar en kenden de strooming niet, die zich daaronder verborg.
375
DE FRANSCHE TIJD.
Het is een gewoon verschijnsel, dat zij, die in den staat de eerste plaatsen innemon, hunne meeningen voor de heer-schende houden. Zij heerschen ook inderdaad in hen zeiven, gelijk in hunne bureau's, en in de collcgiën, waarin zij het overwicht hebben. Maar daarnaast, daaronder, zoo men wil, gaat de stroom der volksontwikkeling ziju eigen gang.
De middelstand der natie, de kern der burgerij, was oudtijds Oranjegezind geweest. Zij hadden den Zwijger gesteund en de bewegingen van 1672 en 1747 in het leven geroepen. Maar in de tweede helft der 18® eeuw was do oude liefde volkomen verkoeld. Oranje had niet beantwoord aan de verwachting en de regentenaristocratie niet verlamd. De oppositie tegen deze maakte in 1795 de eigenlijke kern der revolutionairen uit. De predikanten, bevreesd voor de voorrechten der staatskerk, mochten langzamerhand omslaan, de burgerij was volstrekt niet genegen zich te verzoenen met het stadhouderlijk huis. Het kon haar weinig schelen, of eenige heeren in den Haag kibbelden op of om de kussens van staat, zoo de oude staatsorde slechts volkomen werd verstoord en het programma der revolutie verwezenlijkt. Vrijheid van elke overtuiging om zich uit te spreken en te doen gelden; gelijkheid voor de landswet van alle standen; toegankelijkheid / van staatsbetrekkingen voor allen; eenheid van staat in politiek en in finantieel opzicht â zoo deze winsten werden verkregen, de burgerij was bereid ze te betalen, zij het ook met jaren van opoffering en druk. De afhankelijkheid van Frankrijk werd diep gevoeld als een oneer voor de natie, maar geleden als een tijdelyk kwaad. In de twee eeuwen, diequot;^Doraf waren gegaan, had de burgerstand geen de minste plaats in de staatsorde ingenomen. Zij had in de lange school geleerd te lijden en te wachten.
Die passiviteit werd verkeerd begrepen. De Oranjepartij las er ontevredenheid met den staat van zaken en zag niet, dat het berusting in het onvermijdelijke en kleinere was
376
DE FRANSCHE TIJD.
ter wille van het hoogere. Zij meende, dat de natie terug verlangde naar het verlorene. Omdat do bitterheid week jegens den Prins van Oranje, wiens afwezigheid de oude grieven op den achtergrond dreef; omdat de machteloosheid en tweedracht der partijen in de vertegenwoordiging mot minachtend schouderophalen werden beoordeeld, meenden de aanhangers van hot Oranjehuis, dat de meerderheid der natie opnieuw, als in vroegere eeuwen, in Oranje den redder uit al hare ellenden begroette en met blijdschap en gejuich hem zou inhalen, ten einde hem op de oude plaats te herstellen, zoodra hij zich vertoonen zou.
In Augustus 1799 vertoonde zich voor de kust van Noord-Holland een vloot, met Engelsche en Russische troepen bemand. Zij voerde den Erfprins van Oranje naar het land zijner vaderen terug. De Oranjepartij was vol moed. Uitgewekenen van 1795 waren in de laatste weken teruggekeerd; zij hadden hunne woningen opnieuw betrokken en ingericht; zij maakten zich tot blijven gereed, overtuigd dat de oude orde van zaken gemakkelijk en snel zou worden hersteld. De natie zou met beide handen de geliefde Oranjevaan opheffen, om zelfstandigheid van Frankrijk te gewinnen en onder het oude vorstenhuis het verloren paradijs terug te vinden. Anton Reinhard Falck was in die dagen te Hamburg; hij zag de officieren dezer emigranten en hoorde hunne snorkerijen. âIn afwachting van binnen weinige dagen de Bataafsche ^ republiek vernietigd te zien, laten zij hier niet meer dan twee hemden te gelijk wasschen,quot; schreef hij.
De Engelsche en Russische bondgenooten van den Prins van Oranje landden. De Bataafsche vloot gaf zich over, en eerlang deed de Erfprins zijn intocht in Alkmaar. Daar richtte hij tot de natie eene proclamatie, die het doel der terugkomst moest uitspreken en allen tot hem lokkon.
Maar neen, hij richtte zich niet tot de natie. Hij sprak alleen tot hen, die vóór 1795 in de zeven gewesten regent waren geweest. Hun steun riep hij in, hun beloofde hij hei'-
377
DE FRASTSCHE TIJD.
stel. Allen, die aan de gehate revolutie bijval hadden geschonken, allen die maar een sprekend bewijs â zoo luidden letterlijk de bewoordingen der breedsprakige proclamatie â van hun aankleving van het tegenwoordig bestuur hadden gegeven, werden uitgestooten en verworpen. Niet bevrijding des lands van het vreemde juk, maar restauratie van al de gebreken, die tot de omwenteling hadden gedreven, werd beloofd of bedreigd.
âZij hebben niets vergeten, zij hebben niets geleerd,quot; zeide in later jaren Chateaubriand van de Bourbons. Dat woord gold ook van den Oranje-aanhang in 1799.
De natie hoorde het woord van den Prins van Oranje en beantwoordde het op de eenige wijze, die mogelijk was. De burgerij roerde zich niet ten gunste van het herstel eener staatsorde, die zij haatte. De republikeinsche regeering daarentegen werd gesteund in haar wapening. De Bataafsche republikeinen streden dapper naast de Fransche, om deze restauratie te verwerpen. Voor de tweede maal wierpen zij Oranje buiten. Voor de tweede maal schonken zij de voorkeur aan de afhankelijkheid van Frankrijk boven het oud bestuur. De keten mocht zwaar zijn, zij drukte minder dan de keten van misbruiken, die de volksontwikkeling had tegengehouden. Als de vrede kwam, zou zij afgenomen worden. Het einde der eeuw zou het einde der dienstbaarheid aan vreemde meesters zijn.
Zij, die zoo hoopten en geloofden, bedrogen zich. Nog was de Engelsche vloot niet weggezeild, toen een tijding uit Parjjs zich verspreidde. Den 18llen Brumaire had de generaal Bonaparte het Fransche Directoire uiteengejaagd. De revolutie had haar meester gevonden; de ijzeren hand van den Caesar sloeg de schakels van de slavenketen hechter vast en sleepte de Bataafsche republiek achter zijne zegekar met zich mede, zijn noodlot te gemoet. Voor dezen man was het weggelegd, door zijn druk de revolutie en Oranje te verzoenen.
378
DE FRA.NSCHE TIJD.
IV
Daar is bij de waarneming van verleden tijden geen belangwekkender onderzoek, dan de wording na te gaan van denkbeelden en opvattingen, die niet meer golden. Het geboorteproces van meeningen, die geen invloed meer oefenen, werpt in den regel meer licht op de ontwikkeling van personen en volken, dan de periode van haar verval.
Heerschende denkbeelden hebben gewoonlijk geen langer leven dan het geslacht, dat ze het eerst heeft omhelsd. Vijf en twintig jaar, en, zoo zij zeer sterk zijn, dertig jaren richten zij den loop der inzichten. Ook indien een volgende generatie dezelfde meeningen schijnt toegedaan, zijn het inderdaad niet dezelfde meer. Er zijn nieuwe elementen in opgenomen; het is een alliage geworden van oude en nieuwe bestanddeelen, dat wel den ouden naam kan dragen, maar inderdaad iets nieuws is. Er zijn geen kinderen, die uitsluitend hetzelfde liefhebben als hunne vaderen, omdat de oogen iets anders zien, iets anders waarnemen en de harten anders oordeelen.
ïoch is de verklaring onjuist, die slechts in het verschil van leeftijd de oplossing vindt. Want het oude geslacht ondergaat, bewust of onbewust, hetzelfde proces. De klove is niet zoo breed, als ze oppervlakkig schijnt, tusschen oude en jonge inzichten en heerschende meeningen. AVie dertig jaar met bewustzijn heeft geleefd, weet, dat elke volgende dag het werk van den vorigen heeft gewijzigd. Hij mag met weemoed terugzien op hetgeen hij in vroeger jaren met vuur heeft liefgehad en onwillig zijn, het als een dwaling te verwerpen, hij weet, dat het voor altijd is voorbijgegaan. Het nieuwe moge hem niet aanlachen, hij erkent het als noodzakelijk. De wereldgeschiedenis kent geen enkele gedachte, die in haar oorspronkelijken vorm is verwezenlijkt. quot;Wat er waarheid in was â en ook maar al te dikwerf de dwaling.
379
DE FRANSCIIE TIJD.
die er in huisde â heeft zijn weg gevonden en zijn eigen terrein van ontwikkeling, in vormen, volkomen verschillend van het kleed, waarin het eerst werd voorgesteld en aanbevolen. Niet zelden openbaart het zijn bestaan in scheppingen, die in lijnrechten strijd met zijn ontstaan schjjnen. Wie had in 1789 kunnen gissen, dat de leer der volkssouvereiniteit, die een bedreiging voor alle tronen scheen en in de maatschappij tot den ongehoorden eisch van gelijkheid van allen verleidde, de monarchie tot eene machtsontwikkeling zou voeren, gelijk de 19e eeuw heeft aanschouwd?
Over die uitkomst kan men oordeelen naar men wil: men kan ze toejuichen of betreuren. Maar het vermindert den roem niet van hem, wiens merkwaardige scherpheid van blik de mogelijkheid heeft erkend toen niemand anders ze nog voorzag, en wiens heerschersgenie ze reeds heeft verwezenlijkt, toen niemand ze nog denkbaar achtte. Er wordt nooit een doel bereikt zonder omstandigheden, die begunstigen, maar de belofte er in te lezen, is de roem van het individu; te grooter, naarmate het wit stouter en verder boven het reik-vermogen des menschen schijnt gelegen. De man, die in November 1799 het ros der revolutie in den teugel greep, om het te richten en te beheerschen, had het volle recht toen hij vier jaar later zich zeiven de kroon op het voorhoofd drukte; want hij was, voorzoover het den mensch gegeven is, de schepper van zijn eigen lot geweest.
Er zijn slechts zeer enkelen, die zoo hoog zijn verheven en zoo diep zijn neergeploft; weinigen ook, wien zooveel wierook is toegezwaaid en die door zooveel slijk zijn getroffen. Maar ondanks beide blijft zijn historische beteekenis dezelfde. Napoleon Bonaparte is de zoon der revolutie, die zijn moeder niet op bet kleed, maar op het hart is getreden, en toch haar laatsten wil heeft uitgevoerd.
Zij, die, als het nageslacht, den loop en afloop eener ge-heele verschijning kunnen overzien, worden in hun oordeel
380
DE FRANSCHE TIJD.
door sympathie of antipathie, door het gevoel van bevrediging of van teleurstelling geleid. Maar de tijdgenoot bouwt zijn oordeel op verwachting, op hoop en vrees. En weinigen waren er in 1800, die niet den stoutinoedigen veldheer toejuichten. Voor Europa zoowel als voor Frankrijk scheen zijn optreden de belofte van een betere periode. Met Napoleon eindigde de revolutie.
Gedurende de jongste elf jaar, die in Frankrijk aan zijn optreden vooraf gingen, had elke dag nieuwe onzekerheid gebaard. Het schoen, dat de nieuwe beginselen der revolutie niet by machte waren de grondslagen van eene maatschappelijke orde te leggen, die aan de behoefte naar rust en veiligheid voldeed. Voor den overmoed dor eerste jaren was afgematheid in de plaats getreden. Staat en maatschappij beide zagen naar een hoofd, naar een leider uit; een heerscher werd vereischt, die de vrucht der revolutie zou handhaven, maar haar hartstochten bedwingen. Dit was het werk, dat Napoleon wachtte; dit de grond der toejuiching, waarmede Frankrijk en Europa hem welkom heetten.
De bevolking der Bataafsche republiek maakte geen uitzondering op den algemeenen regel. Ka 1798 verhief zich langzamerhand weer de ultra-revolutionaire partij. Zij slaagde er in, bij verschillende verkiezingen hare aanhangers te doen kiezen. Er begon in sommige kringen, vooral in het voorjaar en den zomer van 1799, een stemming op te komen, volgens welke men niet ver genoeg gegaan was en de tegenstanders te veel verschoond had. De aanhangers der regeering waren beducht voor gewelddadigheden van de zijde dei-terroristische partij. Daar brak de 18® Brumaire aan.
Wil men de beteekenis van Napoleon's coup d'état voor ons land zien, niets schetst ze duidelijker dan een bladzijde uit de mémoires van Maurits Cornells van Hall. De bekende schrijver was in die jaren lid der Eerste Kamer en behoorde tot de gematigde revolutionairen. Hij verhaalt, hoe een aantal
381
DE FRANSCHE TIJD.
vertegenwoordigers met den Franschen generaal Brune samenspanden, om een nieuwe omwenteling tot stand te brengen. Dag aan dag namen de leden der vertegenwoordiging hunne plaatsen vol onrust in, vreezende dat ruw geweld hen uiteen zou drijven.
âOp den 18l,en Novemberquot; â zoo vertelt M. C. van Hall â âbevond ik mij in de Eerste Kamer, toen een der buiten-landsche gezanten, met wien ik bevriend was, mij roepen deed. Ik kwam bij hem op zijn galerij on vernam toen, dat dien morgen een hoofdofficier uit Parijs was gekomen, met de tijding, dat de generaal Bonaparte zich van het bewind had meester gemaakt. Ik begaf mij terug naar mijne plaats en deelde het aan mijne bevriende ambtgenooten mede, wie het bericht, evenals mij, met blijdschap vervulde. Dit bleef bij de andere leden der vergadering niet onopgemerkt, en een hunner richtte zich tot mij met de vraag, of er nieuws was? Niets, antwoordde ik, niets, dan alleen, dat er in ons land geen omwenteling meer zal plaats hebben, en dat ik niet op last van onverlaten gevangen genomen, gebannen of van mijn post ontzet zal worden.quot; De vrager verbleekte en verwijderde zich.
Napoleon's optreden was het einde der revolutie en daarom werd het toegejuicht door dat groot getal van patriotten, dat van gewelddadigheid afkeerig was. Dezelfde mannen, die in 1795 tegen tirannen hadden gewaarschuwd, verheugden zich, dat een krachtige mannenhand zich ophief om de maatschappelijke wanorde te beteugelen. De teleurstellingen der laatste vier jaar hadden te veel moedeloosheid gewekt, om niet rust te vinden in de zekerheid, dat één wil zou heerschen.
Maar deze ééne wil beloofde aan de Bataafsche republiek niet alleen rust, zij beloofde ook verzoening. De Oranjepartij mocht in 1799, bij den inval der Engelschen, zich slechts weinig geroerd hebben, zij bestond. Onder de aanhangers van het oude bestuur, vooral die van jonger leeftijd, waren tal
382
DE FRANSCHE TIJD.
van bekwame mannen. De gematigde revolutionairen hadden reeds lang begrepen, dat de tweespalt in de natie niet zou ophouden, voordat leden der Oranjepartij in de besturen waren opgenomen. Na 1798 waren meerderen hunner tot ondergeschikte betrekkingen geroepen, maar in de eerste collegiën van staat namen zij nog geen plaats in.
Napoleon verzoende als Eerste Consul de revolutie met de kerk en met de oude geslachten. Hetzelfde deed zijn invloed in de Nederlanden. Ook hier zocht hij alle partijen aan zich te verbinden, door hun het uitzicht op binnenlandsche rust, orde en veiligheid te openen. Het bekommerde hem weinig, hier evenmin als in Frankrijk, tot welke partij men vroeger behoord had. In 1800 en 1801 wist het publiek gerucht te Parijs en in den Haag te vertellen, dat het zijn plan was, het Oranjehuis te herstellen. De erfprins van Oranje â de zoon van Willem V â zou als Eerste Consul aan het hoofd der Bataafsche republiek worden gesteld. Het was onmatige vrees of buitensporige hoop, die deze verwachting in het leven riep, want Napoleon was de man niet, om eene restauratie tot stand te brengen. Slechts verzoening met den Oranje-aanhang begeerde hij, opdat de Republiek beter geregeerd en daardoor krachtiger bondgenoot van Frankrijk zou worden.
Na de mislukte landing in Noord Holland in 1799 had Willem V zich teruggetrokken. Op eene vraag van velen zijner aanhangers had hij de verklaring afgelegd, dat hij hen van den eed van trouw ontsloeg en vergunde in staatsdienst te treden. Voor een deel was het bonne mine a mauvais jeu; voor een ander deel politieke berekening. Zoo zijn aanhang ophield openlijk vijandschap tegen Frankrijk aan den dag te leggen en in den staat van zaken eindelijk berustte, mocht het Oranjehuis op Frankrijk's hulp hopen, waar het de toegezegde schadeloosstelling gold. Willem Y trad van het politiek tooneel af, on zijn zoon de Erfprins betrad het.
383
DE FRANSCHE TIJD.
384
In Februari 1802 verscheen hij, op uitnoodiging van Napoleon, te Parijs. âDe prins van Nassau-Dietsquot; â zoo las men in de Gazette de Leide van Luzac â âis gisteren ten twee ure aan den Eersten Consul voorgesteld. De illustre balling wekte veel belangstelling. Hij werd met al de onderscheiding bejegend, waarop de schoonbroeder van den koning van Pruisen kon aanspraak maken.quot; Het erkende doel zjjner komst was de regeling der schadeloosstelling, die Pruisen voor hem bedongen had. Een keurvorstendom in Wurzburg en Bamberg werd hem als lokaas voor oogen gehouden, maar verwerven deed hij het niet. Het schamele Fulda met zijne betrekkelijk geringe inkomsten was alles, wat hij in 1802 ontving en wat hem reeds vier jaar later opnieuw werd ontnomen. Niettemin had het feit der onderhandeling en der aanneming de Oranjepartij in de Republiek van haar hoofd beroofd en de hoop op eene restauratie voor goed uitgebluscht. Op Napoleon's wenk kwam er in 1801 eene staatsverandering tot stand, die ook in de provinciale besturen en in de lands-regeering mannen van hot oude bestuur riep. Verzoening der staatspartijen was de heerschende leus. Eene algemeene amnestie werd afgekondigd en velen van de oude regeering werden in hun posten hersteld. Slechts enkelen, zooals Gijs-brecht Karei van Hogendorp, bleven onverzoenlijk weigeren, zoolang de Prins van Oranje niet aan het hoofd van den staat werd geplaatst. Doch het meerendeel der oude regenten greep gretig de gelegenheid aan, opnieuw invloedrijke posten te bekleeden, al droegen zij de oude namen niet meer. Zij namen de houding aan alsof de druk van den Eersten Consul een eerste schrede was voor een geheelen terugkeer tot een stadhouderlijk bestuur. De gematigde patriotten stelden de veiligheid en rust boven alles en ruimden gewillig aan de oude tegenstanders eene plaats nevens zich in. Beiden zouden ontwaren, dat alleen de afkeer van een democratisch bestuur op de grenzen van Frankrijk de politieke gedragslijn
DE FRANSCHE TIJD.
aan den Eersten Consul had bepaald. Door de samenvoeging der beide partijen in dezelfde collegiën verzwakte hij den invloed van beide en onderwierp ze des te zekerder aan zijn wil.
Doch in 1801 waren er slechts zeer weinigen, die deze politieke berekening peilden. De man, die voor zijn naaste omgeving een sphynx was, wiens plannen niemand ried, was voor de publieke opinie de staatsman, die orde, verzoening en vrede beloofde.
Sedert 1795 was de Republiek, in Frankrijk's gevolg, strijd-voerende met Engeland. Het drukkend tractaat zou slechts eindigen met den vrede. Napoleon was de veldheer, die de vijanden door overwinning tot vrede zou dwingen. Niet alleen ons land, ook de machtige bondgenoot had behoefte aan rust; aan beiden zou hij ze schenken.
Het is gemakkelijk, na ruim tachtig jaar minachtend de schouders op te halen over den tijdgenoot, die in Napoleon den bedwinger der revolutie, den verzoenenden staatsman, ja den vredevorst begroette. Maar een dwaling, door de uitnemendste tijdgenooten gedeeld, heeft recht van bestaan gehad. Hij schonk wat men verwachtte. In Februari 1801 maakte de vrede van Luneville aan den oorlog met Oostenrijk, in Maart 1802 het verdrag van Amiens aan dien met Engeland een einde.
Een vreugdekreet ging op in de Republiek, het lijden scheen geëindigd. Al ging Ceylon voor altijd verloren, de andere koloniën kwamen aan het moederland terug. Thans beloofde de zeevaart, niet langer belemmerd door Engelsche kapers en oorlogsschepen, aan den handelsgeest der Bataafsche ingezetenen het openen van nieuwe bronnen van bestaan en van welvaart. De fabrieken, kwijnende, zoo niet gesloten door het gebrek aan vertier, zouden herleven. De Bataafsche vlag, die tot kort geleden niet anders dan op binnenwateren en reeden werd aanschouwd, zou opnieuw in alle werelddeelen
25
385
DE FRANSCHE TIJD.
386
en in alle zeeën wapperen. Men behoefde geen neutrale vlaggen meer: het droevig middel, dat de nood onze handelaren had doen bezigen, schoon niet altijd met goeden uitslag. De grootste en de stoutste verwachtingen werden gekoesterd; zelfs de drukkende schuldenlast, die na 1795 met weinig minder dan 300 millioen was bezwaard, scheen geen reden tot onrust meer op te leveren. Met het herstel der vaart op onze volkplantingen en buitenlandsche bezittingen kon hij gedragen worden. En aanvankelijk schenen die blijde verwachtingen der vervulling nabij. âMen begeve zich slechtsquot; â zoo schrijft een tijdgenoot, boven velen tot oordeelen bevoegd, Appelius, de latere minister van finantiën â âmen begeve zich slechts naar de zeeplaatsen, en ook de meest oppervlakkige beschouwer zal met verrassing en blijdschap de ongewone werkzaamheid opmerken. Men ziet alom kielen, welke te lang werkeloos hadden gelegen, herstellen en optuigen; men wordt het gewoel gewaar, hetwelk het bostellen en gereedmaken der cargasoenen noodwendig ten gevolge heeft. Het geldgebrek zelf, dat zich alom doet gevoelen, is het sterkste getuigenis van een vernieuwde werkzaamheid in den handel, die de ledig liggende kapitalen opnieuw in omloop brengen zal; de klimmende prijs van de Nationale Schuld, het voorteeken van het herlevend crediet, geeft aan hun houders de hoop, om hun verminderde kapitalen te herstellen en daardoor, bij onvoorziene rampen, in staat te zijn om ze te keeren.quot; Werkelijk scheen de plotselinge herleving van den handel de schoonste toekomst te verzekeren, nu de zee weer open was en de koloniën opnieuw toegankelijk waren. Uit alle havens stroomden vloten van gereedliggende bodems uit, om de opgestapelde producten uit Java te halen, de vaart met de West-Indiën te hernieuwen en de korenschuren der Oostzee in de lang gesloten pakhuizen over te storten. Elke tak van handel en nijverheid herleefde, en reeds in het eerste jaar â kwamen meer dan 4000 schepen onze havens binnenloopen.
DE FRANSCHE TIJD.
Wanneer men aan den jammerlijken toestand denkt, waarin de Republiek door de rampen van den krijg M'as gebracht, dan is de geestdrift, de ingenomenheid met den man, wiens zwaard den vrede had bewerkt, volkomen te verklaren. In breede trekken het verval te teekenen is onnoodig. Slechts een enkele volsta. Hendrik Fagel, de vroegere griffier der Staten-Generaal, kwam in 1802, na acht jaren afwezigheid, in den Haag. Hij vond alles zichtbaar veranderd: het getal van nieuwe gezichten en van vreemde menschen was zoo groot, dat hij ternauwernood twee a drie personen ontmoette, die hij herkende. âLieden, die te voren in overvloed leefden, waren bijna tot den bedelstaf gebracht; anderen geheel door gebrek verteerd en vóór den tijd oud en zwak geworden. Over het getal bedelaars en behoeftigen op straat was ik verbaasd. Als de Engelsche gezant in zijn eenvoudige koets uitrijdt, vindt hij zich door een volksmenigte omringd, die hem aangaapt, alsof zij nooit een Engelschman of een rijtuig hebben gezien; maar de meesten uit dien hoop zijn bedelaars, die hun hand in het rijtuig steken om iets te krijgen.quot; De schets overdreef niet, want werkelijk was de toestand treurig. De vermogenden teerden op vroeger verworven schatten, maar de algemeene welvaart had bitter geleden. De armoede was toegenomen en de inkomsten van de instellingen van liefdadigheid waren verminderd.
Aan al dezen jammer zou thans een einde komen. De handel zou de armoede bannen, terwijl de staat gelijktijdig als onafhankelijke mogendheid in Europa optrad. Bij de vredestractaten was de Bataafsche republiek door Engeland, Pruisen en Oostenrijk erkend. Vertegenwoordigers van vreemde mogendheden werden weer in den Haag, als in oude tijden, gezien, en de diplomatieke betrekkingen hernieuwd. Met het hersteld uiterlijk aanzien ging het herstel der oude vormen gepaard. De vertegenwoordiging der Republiek in het buitenland werd met een onbekrompenheid geregeld, die beter met
387
DE FRANSCHE TIJD.
de gouden dagen van het verleden dan met den tegenwoor-digen toestand strookte. De oude titels vingen aan, weder in de mode te komen; de Hoogmogenden en Edel-Grootachtbaren herleefden, terwijl de burgers en burgeressen langzamerhand in onbruik geraakten. Zelfs het oude Groot Zegel der Staten-Generaal, met zijn leeuw, die een bundel, niet van 7, maar van 17 pijlen hield omkneld, werd opnieuw gebezigd. Vormen, sedert lang verwaarloosd, ja geminacht als eigen aan de oude orde van zaken, lachten ook de nieuwe mannen toe, die door de Revolutie waren opgekomen. Het prestige, dat de oude republiek in de oogen van Europa had bezeten, scheen aan de opvolgster door gelijkheid van namen en overeenstemming van uiterlijke vormen verzekerd.
Doch al deze schoone droomen van nieuwen bloei en nieuw aanzien waren bestemd slechts een kort leven te hebben. De Bataafsche republiek zou haar onafhankelijkheid van Frankrijk nimmer herkrijgen. Napoleon sloeg de ketens enger vast. Toen de vrede van Amiens was gesloten, moesten de Fran-sche troepen, volgens de tractaten, ons grondgebied verlaten. Zoolang een Fransch generaal en een Fransch leger in de Republiek vertoefden, kon er in goeden ernst van geen vrijheid sprake zijn. Met nadruk drongen de mannen des be-stuurs er bij Frankrijk op aan, dat zij teruggeroepen werden. Dit geschiedde echter niet. Wel verlieten zij de Hollandsche steden, maar slechts om zich in de Brabantsche te legeren. Tevergeefs schreven Schimmelpenninck, onze gezant te Parijs, en zijn opvolger De Yos van Steenwijk nota op nota; tevergeefs wezen zij mondeling Napoleon en Talleyrand op het gebiedend voorschrift der tractaten. De Eerste Consul wilde /er niet van hooren, en Talleyrand schudde veelbeteekenend het hoofd, telkenmale als er sprake van was en waarschuwde onzen gezant: âHet zijn niet de vrienden der Bataafsche republiek, die het wenschen; gij zult u beklagen, als het te laat is.quot; De sluwe diplomaat, die, beter dan iemand.
388
DE FRANSCHE TIJD.
den geest van den Eersten Consul peilde en zijne staatkunde tegenover Europa begreep, voorzag, dat de aandrang uit de Republiek slechts ongunstig op Bonaparte's stemming zou werken en wellicht tot besluiten hem drijven, erger dan het kwaad, dat de klachten in het leven riep.
Tijdens de vredesonderhandelingen had de Eerste Consul eens zijn minister van buitenlandsche zaken gelast, om aan den burger Schimmelpenninck het volgende op te merken: âStaten die, zoo als Holland, door hun dwaze politiek te gronde zijn gegaan, die, na tegen Frankrijk den oorlog gevoerd te hebben, overwonnen en veroverd zijn, behooren ons de moeite te sparen hun het beginsel van hun tegenwoordig bestaan te herinneren. Dat bestaan hebben zij aan ons te danken; wij zijn hun niets, zij ons integendeel alles verschuldigd. De Fransche regeering heeft niet opgehouden het belang, dat zij in de Bataafsche regeoring stelt, aan den dag te leggen. Het bewind der Republiek behoort te beseffen, welk gevaar het zou loopen, wanneer die belangstelling bekoelde.quot;
De bedreiging, die deze woorden bevatten, was alleszins duidelijk. De man, die zich tot beheerscher niet alleen van Frankrijk, maar ook van Zwitserland en Italië opwierp, zou niet schroomen ook de Bataafsche republiek aan de eischen zijner staatkunde op te offeren, zelfs met vertreding der for-meelste verdragen.
Toch mag de schuld van den toestand niet uitsluitend op hem worden geworpen. Had Engeland den vrede van Amiens uitgevoerd, de Eerste Consul zou vermoedelijk de Nederlanden hebben ontruimd. Maar Engeland deed hetzelfde als Frankrijk, doch op een ander terrein.
In den langdurigen strijd met de Fransche revolutie had de regeering van koning George Malta bemachtigd en zich van Egypte meester gemaakt. Beide, Malta en Egypte, moesten volgens den vrede worden ontruimd. Maar Engeland
389
DE FRANSCHE TIJD.
bleef nalatig, stelde uit, was blijkbaar onwillig. Voor Frankrijk scheen het een levenskwestie, omdat het de vrijheid der Middellandsche Zee in zich sloot. Van hoe veel gewicht het kleine Malta was en hoe groot het recht van den Eersten Consul er op te staan, bewijst het woord van Guizot, in 1836 in de Fransche Kamer gesproken: âVan den top van Gibraltar beheerscht Engeland den mond, van Malta den boezem der Middellandsche Zee. Zij mag geen binnenwater van Engeland worden.quot;
Frankrijk noch Napoleon konden hot overwicht van de groote zeemogendheid op den weg naar Indië toestaan. Engeland daarentegen wilde de bezette posten niet prijsgeven, uit vrees van over Egypte heen in zijne rijke koloniën te worden verontrust. De beide natiën en regeeringen wantrouwden elkander en wilden de wapenen niet uit de hand leggen, die zij eerlang, als de krijg zou hervat worden, zouden behoeven. Na weinige maanden was te voorzien, dat de vrede van Amiens slechts een wapenstilstand zou geweest zijn. Het door Frankrijk geïsoleerde Engeland kon noch wilde berusten in de ondergeschikte en onbeduidende verhouding tot Europa, waarin de overwinningen van den Eersten Consul het hadden gebracht. De groote zeemogendheid en de eerste militaire natie van het vaste land vingen opnieuw den worstelstrijd aan, wier prijs de suprematie over dit werelddeel was.
âGeheel Frankrijk is een militair kamp; de Bataafsche republiek is slechts een der voorpostenquot;, â met deze woorden had indertijd Schimmelpenninck de opvatting van Napoleon geteekend. Zij deed voorzien, wat de nieuwe krijg aan ons land brengen zou. De hoop, die een kort oogenblik werd gekoesterd, dat de strijd voerenden genegen zouden zijn, de Republiek neutraal te verklaren, was spoedig verdwenen. Toen de oorlog werd hervat, moest de Republiek in een nieuw tractaat bewilligen, weinig ongunstiger dan het vorige. Niet alleen te land moest zij troepen onderhouden, maar ook
390
DE FRANSCHE TIJD.
ter zee de plannen van den Consul, die straks Keizer werd, tegen Engeland ondersteunen. Minder dan ooit werd van haar onafhankelijkheid gesproken, meer dan ooit werd zij als vazalstaat beschouwd en bejegend. Toen het veelhoofdige staatsbewind â een raad van 12 leden â dat de Republiek heette te besturen, onmachtig bleek voor zijn taak en door overmoed en zwakheid beide den toorn van âden man dei-eeuwquot;, gelijk Falck Napoleon noemde, had opgewekt, was het slechts een noodzakelijk gevolg dor bestaande afhankelijkheid, dat lnj rechtstreeks op den vorm des bestuurs ingreep en een nieuwen voorschreef. De monarchale regeeringsvorm moest ook in de Bataafsche republiek de krachten des volks in ééne hand vereenigen, opdat deze te beter tot Frankrijk's dienst zouden zijn. Op den 29sten April 1805 aanvaardde Schimmelpenninck het raadpensionarisschap der Republiek, hem door den Franschen keizer met goedkeuring der bevolking opgedragen â neen, opgelegd.
7
Rutger Jan Schimmelpenninck had een rijke loopbaan achter zich, toen hij als het hoofd van den staat optrad. Ook hij was een kind der revolutie. Uit een Doopsgezind geslacht gesproten, was de weg tot staatsambten hem gesloten geweest; de omwenteling had ze hem geopend. Als advocaat had hij, de zoon van den Deventerschen handelaar, zich te Amsterdam gevestigd en onmiddellijk de zijde der pa- ] triotten gekozen. Wij vinden hem reeds in 1787 onder hen een hoofdrol vervullende. Schimmelpenninck is de man, die namens de democratische partij met den afgezant des Prui-sischen konings, toen de broeder van prinses Wilhelmina, ouderhandelingen ter verzoening aanknoopte. In de jaren dei-restauratie is hij de verdediger en raadsman der vervolgden, maar zoo groot zijn de omzichtigheid en het beleid, die hem
391
DE FRANSCHE TIJD.
kenmerkten, dat niemand met juistheid de rol weet te teekenen, die hij gespeeld heeft.
Met de komst der Franschen treedt hij uit de duisternis op den voorgrond, en neemt onmiddellijk een eerste plaats in. Hij is de eerste voorzitter van het voorloopig bestuur van Amsterdam. Het is in die betrekking, dat hij de grondslagen legt van het groot vertrouwen, dat hem van de zjjde der natie ten deel val# en steeds volgt. Schimmelpenninek is een der weinige historische personen, die nooit de volksliefde heeft verloren; hij heeft nooit ondervonden, dat de Tarpojische rots grenst aan het Kapitool.
Populariteit, en vooral blijvende, ongeschokte volksgunst, wordt slechts verworven door hem, die niet alleen de nationale wenschen, maar ook de nationale eigenaardigheden, ja haar gebreken vertegenwoordigt. Schimmelpenninek is revolutionair geweest, heeft geloofd in Napoleon, voor hem gebogen, ja hem gevleid; hij heeft zich verheugd in de herstelling der nationale zelfstandigheid en koning Willem I gediend. Zij, die hem meer van nabij kenden, bespeurden zijne zwakheid van karakter niet minder scherp dan zijne kracht. Maar hij was de zuivere representant der patriotsche idealen en van hun goed vertrouwen en lichtgeloovigheid. De natie zag in hem den eerlijksten vertegenwoordiger van haar eigen illusiën, van haar eigen streven, van haar eigen veranderde meeningen eaiiinzichten. Daarbij was zijn persoonlijk karakter vrij van den blaam, dien een lang openbaar leven zoo dikwerf op publieke mannen werpt.
Toen de revolutie aanving, werd hij het hoofd der gematigde partij, die van geen terroristische wraaknemingen weten wilde. In 1795 â het is mijfehien de schitterendste periode van zijn leven â was het zijn woord en zijn persoonlijke moed, die de reactie der wraakzucht tegenhielden. In de Nationale Vergadering poogde hij een bijkans onmogelijke brug tusschen het oude en het nieuwe.te leggen, maar het schaadde zijne
392
DE FRANSCHE TIJD.
reputatie niet. Aan zijne oprechtheid, aan de onbaatzuchtigheid van zijne bedoelingen werd niet getwijfeld. Zelfs de heftigste tegenstanders brachten hulde aan zijne welsprekendheid en de zuiverheid zijner beginselen. Als wij zijne redevoeringen lezen, afgescheiden van de lijst waarin zij voorkomen, dan klinken zij breedsprakig, dan spreken wij van phraseologie. Maar als wij ze leggen naast die zijner ambtgenooten, als wij hem hooren na en voor anderen, dan wordt hij kernachtig en sober. Na 1797 onttrok hij zich aan het politieke leven, zoo het scheen, voor altijd. Doch reeds in het volgende jaar was de korte quarantaine geëindigd. Toen de terroristische partij voor nieuwe woelingen deed vreezen, vertrok hij in 1798, om haar den steun der Fransche regeering te ontnemen. Schimmelpenninck â dit is steeds bij zijne beoordeeling en waardeering over het hoofd gezien â is de staatsman der revolutie, die in zijn geheele loopbaan de hardnekkige bestrijder der ultrapartij is en daaraan zijne carrière dankt. Vandaar zijne bewondering, in den aanvang, voor Napoleon, die de woeste driften temt en de demagogen machteloos maakt.
Diezelfde geest van gematigdheid verklaart zijne volharding op politiek gebied. Bij herhaling vinden wij uitdrukkingen van hem, dat hij wenscht tot het ambteloos leven terug te keeren. Maar hij doet het nooit. Waarom niet?
Schimmelpenninck is een der eersten, die ontnuchterd is door de revolutie; maar weinigen houden zóó lang hunne idealen vast. Ook in de ongunstigste omstandigheden ziet hij nog altijd eenig licht. Hij geeft den moed niet op; den moed, het vertrouwen in de begunstiging, die de loop der gebeurtenissen kan schenken; den rnoed, het vertrouwen in zich zelf. Hij is de laatste jaren zijns levens blind, maar neemt toch deel in alles, en leeft in de jachtavonturen, die zijn zoon en anderen hem vertellen. Zoo was het ook op politiek gebied, in vroeger tijden. Hij zag licht, waar het
393
DE FRANSCHE TIJD.
anderen duister was. Deze man wanhoopte niet, en dat was zijn kracht.
Hij wanhoopt ook niet in zichzelf. Het zou moeilijk vallen, groote resultaten van zijn politiek leven op te sommen, want ze zijn er niet. Maar hij is zich bewust, dat hij gedaan heeft, wat mogelijk is, dat ook anderen niet meer zouden verkregen hebben. En dat gelooven allen van hem. Een enkel oogenblik daargelaten, toen hij toevalligerwijze niet op zijn post was, heeft hij steeds aan de spits gestaan, waar het gold de belangen van zijn vaderland tegen Frankrijk te bepleiten. Het was zijne schuld niet, dat de bondgenoot, republiek of keizerrijk, weinig gevoelig voor argumenten was, aan zedelijke beginselen, eischen van rechtvaardigheid, heiligheid van tractaten enz. ontleend.
Toen Napoleon hem de eerste opening deed van de hooge waardigheid, die hij hem toedacht, schrikte hij er voor terug. Zijne ingenomenheid met den Pranschen keizer was afgekoeld en de moeielijkheden waren zoo velerlei, dat zij schijnbaar onoverkomelijk waren. Maar bij nader inzien begon hij de zaken kalmer to beschouwen. Hij achtte het mogelijk, zijn vaderland belangrijke diensten te doen. Hij stelde voorwaarden, die niet werden aangenomen of in termen, welke voor de vervulling deden vreezen. Hij gaf toe en nam het raadpensionarisschap voor vijf jaar aan. De oude Brantsen, zijn opvolger als gezant te Parijs, een cynische zeventiger, schreef: âIk ben nooit dupe geweest van den geaffecteerden dwang om zoo een brillanto post aan te nemen.quot; Het oordeel was volkomen onbillijk, want de post was weinig brillant. Het zou Schimmelpenninck geen moeite gekost hebben, om de hooge betrekking voor zijn leven te verkrijgen. Juist de tijdelijkheid was een der voorwendsels van Napoleon's later gedrag. En de geheele houding van Schimmelpenninck in de weinige maanden zijner regeering bewijst, dat hij zich volstrekt niet monarch, maar slechts den eersten onder zijne
394
DE FRANSCHE TIJD.
gelijken gevoelde. Oude Oranjeklanten, zooals Verhuell, die in dienstbaarheid en onderwerping aan Napoleon Schimmel-penninck verre overtroffen, ergerden zich over de lijfwacht en de hofhouding van den vroegeren advocaat, nu hoofd van den staat, en spraken van de ijdelheid van Mevrouw Schim-melpenninck, de dochter van den notaris Nahuys te Amsterdam, die aan de verleiding om te schitteren geen weerstand had kunnen bieden. Maar de jaloezie deed in die kritiek zich in niet geringe mate gelden, en zij, die struikelden over zoodanige zaken, miskenden geheel de moeielijkheid zijner positie, die zij niet verlichtten.
In Mei 1805, toen Schimmelpenninck zijn hoog ambt aanvaardde, waren Frankrijk en de Republiek, gelijk geheel Europa, slechts met ééne gedachte vervuld: de landing in^ Engeland. In alle havens van het keizerrijk werden de schepen gereed gemaakt, die voor den overtocht moesten dienen. Ook de afhankelijke staten leverden een contingent, dat hunne krachten verre te boven ging. Over het Nederlandsche eskader voerde de Schout-bij-Nacht, later Vice-Admiraal Verhuell het bevel. Een zeldzaam mooi man, uitnemend hoveling, door zijne innemende vormen de lieveling der vrouwen en van het keizerlijk geslacht, was hij er in geslaagd, bij een enkele verschijning de gunst van Napoleon zoo volkomen te winnen, dat de oude aanhanger van Oranje op eenmaal in een vurig Bonapartist werd bekeerd. Hij had het geluk, door een stout-moedigen tocht, waarop hij de jeugdige Bataafsche vloot, zondereen schip te verliezen, al strijdende met beter bemande en beter gewapende Engelsche schepen, naar een der Pransche havens voerde, de groote verwachting, die van hem gekoesterd werd, te rechtvaardigen. Hij smachtte naar de eer, het landingsleger van Napoleon naar Engeland over te voeren, en bitter was zyne teleurstelling, toen het uitbreken van den derden Coalitiekrijg de geheele onderneming deed staken. Zijne eerzucht scheidde niet dan onwillig van het grootsche
395
DE FRAXSCHE TIJD.
vooruitzicht, onder den man der eeuw zijn naam voor alle volgende tijden met roem te overladen.
Ook voor Schimtnelpenninck en de Bataafsche republiek was het staken der stoute onderneming eene zware teleurstelling. De tijdgenooten twijfelden niet aan de mogelijkheid van slagen: Engeland's verdedigingsmiddelen waren in slechten staat, op geen leger kon het roemen, in staat zich met het Fransche te meten. Op een snelle en beslissende overwinning, die Engeland tot den vrede zou dwingen, was gehoopt. Dit uitzicht had Schimmelpenninck in eiken eisch doen berusten, die uit Parijs tot hem werd gericht, of van het kamp van Zeist, waar Marmont het landingsleger vereenigd hield, hem was toegezonden. De noodlottige uitkomst deed alle hoop op verlossing verloren gaan, die de vrede zou hebben aangebracht. De troepen zouden het land hebben verlaten, en Napoleon â zoo had hij mondeling verzekerd â zou met den jammerlijken finantiëelen toestand hebben rekening gehouden, om de Republiek te ontlasten.
In plaats van de rust des vredes en de herademing, die zij schenken zou, dwong de op nieuw ontbrande krijg tot grooter inspanning en opoffering. De continentale strijd, die den zee-oorlog verving, nam grooter afmetingen dan een der vorige oorlogen aan. Op Pruisen na, werden alle groote mogendheden er in medegesleept. Rusland, Oostenrijk en Engeland traden vereenigd op tegen den navolger van Charlemagne, die een werelddeel poogde te beheerschen. De troepen, in de Nederlanden gelegerd en door de Republiek onderhouden, verlieten haar grondgebied, om de bevelen des keizers te volgen. Hij zelf richtte zijne scharen en de troepen der afhankelijke verbondenen tegen Oostenrijk, dat zijn leger bij Ulm zag verloren gaan. Op Ulm volgde een grooter en beslissender wapenfeit: den 2^en December had bij Austerlitz de beroemde drie-keizersslag plaats, die Alexander met Napoleon verzoende en de heerschappij over Europa deed deelen.
396
DE FRANSCHE TIJD.
Uit het kleine hoekske, dat de Bataafsche republiek werd geheeten, volgden angstige blikken de wereldgebeurtenissen. quot;Wat waren, vergeleken met de dagen van Ulm en Austerlitz, de bijkans onbeduidende voorvallen der Republiek? Ook haar lot lag in de schaal, waarin de overwinnaar zijn zwaard wierp. Misschien â zoo werd er onder de mannen gesproken, die de Republiek als staatslieden vereerde â zou de overwinning van Napoleon haar ten goede komen. Toen de vrede van Pressburg in December 1805 werd gesloten, zag men de trouwe bondgenooten, Baden, Beijeren, Wurtemberg, rijkelijk beloond: zou de oudste van Frankrijk's verbondenen met ledige handen moeten uitgaan?
Het was niet Schimmelpenninck, die deze hoop koesterde of uitsprak. Hij begeerde geen belooning voor zijn land; hij wenschte slechts vrede, om de wonden van den krijg te heelen en de welvaart te herstellen.
Met de onpartijdigheid van een hoofd van den staat had hij van het eerste oogenblik zijns bestuurs af, een beroep op bekwaamheid en talent gedaan, onverschillig tot welke partij zij behoorden. Wie den -staat dienen wilde en kon, was welkom. Heftige revolutionairen, als Gogel en van Hooff, zaten zeer gemoedelijk en gezellig naast oude Oranjegezinden als Six en Heintje van Stralen; de hjd had de scherpe lijnen wat verzacht en zij spraken niet veel over het verleden. Het tegenwoordige was zwaar en de toekomst duister genoeg om hen bezig te houden. Hoe zou de Republiek het hoofd boven houden, zoolang de strijd met Engeland de zee voor haar handel sloot? Hoe zou zij bij voortduring aan den steeds klimmenden aandrang en de steeds stijgende eischen van den keizer kunnen voldoen? Ziedaar de vragen die hem kwelden.
Het waren Gogel's talent en Schimmelpenninck's vaderlandsliefde, die eene oplossing schenen te vinden. Uit Parijs was het denkbeeld van eene reductie der rente bij herhaling aan- gt; bevolen. Gogel stelde den maatregel gelijk met een staats-
397
398 DE FRANSCHE TIJD.
bankroet en drong op trouw aan de voorwaarden der leeningen aan. De Raadpensionaris, die de zaak van minder hoog gewicht beschouwde, liet zich door Gogel overreden en gaf zijne toestemming tot diens plannen. Onder Schimmelpenninck, den ouden foederalist, werd het eerste plan van algemeene belastingen in de Republiek ingevoerd. Hoe drukkend het stelsel ook was en moest zijn wegens de zware opbrengsten, die gevorderd werden, openlijke tegenstand werd nergens geboden. De geforceerde heffingen op kapitalen en inkomsten hielden op; niets werd voor provinciale behoeften gevorderd-municipale octrooien en gemeentelasten waren onbekend; opcenten kende niemand.
Groot waren natuurlijk de bezwaren bij de invoering, maar zij werden alle overwonnen, en de booze profeten, die minder inkomsten hadden voorspeld, zagen zich reeds in het tweede trimester beschaamd, toen do opbrengst verre de raming overtrof. Had vrede met Engeland de herleving van den handel vergund, het beter finantieel beheer zou den staat uit zijne finantieele ongelegenheden hebben gered en de wonden van vroeger jaren, zooveel het mogelijk -was, ras hebben geheeld. Toch blijft het de roem van Schimmelpenninck's bestuur, dat het in finantieel opzicht den eersten en beslissenden stap heeft gedaan, om de nationale eenheid tot eene waarheid te maken.
En niet alleen in dit opzicht. De weinige maanden van zijn bewind zagen ook de eerste wet op het lager onderwijs tot stand komen. Vergelijkenderwijs en voor dien tijd, wat later dagen ook doen oordeelen, was de regeling heilzaam en gelukkig, omdat hier de eenheid des volks tot grondslag werd gelegd. Yoor geen eischen van provinciale souvereiniteit was op het gebied der financiën of op dat der volksopvoeding plaats. Men groeide niet op en betaalde niet als Groninger of Zeeuw, maar als inwoner der Bataafsche republiek.
Er zijn weinig regeeringen van zoo korten duur als die van Schimmelpenninck, welke op maatregelen van zoo beslissend
DE FRANSCHE TIJD.
en blijvend gewicht zich mogen beroemen. De verdienste is te grooter, omdat zij tot stand kwamen onder omstandigheden, die traagheid en werkeloosheid alleszins verklaarbaar zouden gemaakt hebben. Want de hoop om dank of vrucht te oogsten kon niet lang worden gevoed.
Tijdens de onderhandelingen over het raadpensionarisschap had Napoleon den nieuwen staatsvorm, dien hij aan de Republiek opdrong, herhaaldelijk een proeve genoemd, voornamelijk omdat hij Schimmelpenninck niet bewegen kon, de erfelijkheid der betrekking toe te geven. De patriot van 1795 dweepte in 1805 met de constitutie der Yereenigde Staten, die een verkiesbaren en aftredenden president aan 't hoofd heeft. Voor Napoleon was dit een grief, dien hij toen en later niet verzweeg. De stichter van eene dynastie wilde in een aangrenzend land geen afwisseling van presidenten dulden.
Doch in nog ernstiger zin was het raadpensionarisschap een proeve. De keizer wilde over de krachten der Republiek onbepaald beschikken. Zoo Schimmelpenninck zich geleend had tot zijne bedoeling, zelfs de zege bij Austerlitz zou hem niet ten val hebben gebracht.
Zoolang er sprake was van de landing in Engeland, had Schimmelpenninck aan eiken eisch tot versterking der vloot voldaan, maar de raad, om dcfor dwang matrozen te lichten, was niet opgevolgd. Toen Engeland het vasteland van Europa tegen Frankrijk in de wapenen bracht, kende Napoleon's toorn geen grenzen. Tegen de zwakke Republiek achtte hij alles geoorloofd. In Juni rukte eene afdeeling Fransche troepen, op stelligen last van hun gouvernement, over de Brabantsche grenzen; zij overvielen over de uitgestrektheid van eenige uren alle particuliere en winkelhuizen, haalden, onder voorwendsel dat het Engelsche waren waren, de goederen, die zij vonden, er uit en voerden ze op 96 karren naar Antwerpen. Het was suiker uit onze raffinaderijen, tabak, hier bewerkt en gekorven, alle zaken van inlandsche afkomst. De Raad-
399
DE FRANSCHE TIJD.
pensionaris had allen invoer van Engelsche goederen en alle communicatie met den vijand streng verboden, maar weigerde in deze daad van willekeur te berusten en beklaagde zich op ernstige wijze over deze ongehoorde vexatiën. Schimmel-penninek, hoe buigzaam ook, was niet buigzaam genoeg en onderwierp zich niet zwijgende.
Als minister van het keizerlijk gouvernement resideerde in den Haag de generaal Dupont Chaumont. Deze man, die nevens zijne diplomatieke betrekkingen die van geheim spion bekleedde, geraakte spoedig met den Raadpensionaris op gespannen voet. Op zekeren dag vroeg hij aan den minister van buitenlandsche zaken Van der Goes, hoe het met zijn tractement stond. Deze antwoordde, dat hij dit wel van zijn regeering zou ontvangen. Maar de generaal ontkende het. Bij zijn vertrek uit Parijs had hij den Keizer verzocht te bedenken, dat hij een der armste generaals was en dat hij naar een duur land ging. Talleyrand had hem daarop gerustgesteld; âhet Bataafsch gouvernement was gewoon f 3000 per maand aan den Franschen gezant te betalen; daarmede moest hij het doen; geld was zeldzaam in dezen tijd.quot; De Generaal was zoo heusch geweest te verzekeren, dat hij het met die f 3000 per maand zou stellen, en nu kreeg hij niets.
Op dit wonderlijk verhaal liet Schimmelpenninck hem bij zich komen en verklaarde, dat zulke dingen wel vroeger geschied waren, maar nu ophielden: de Keizer zelf had op dat vele geld geven aanmerking gemaakt. Maar Dupont Chaumont liet zich daarmede niet tevreden stellen. Het gesprek tusschen de beide mannen nam een hoogst onaangename wending, waarbij het aan schimp van de zijde van den Franschman niet ontbrak. Van dit uur af was hij de vijand van den Raadpensionaris.
Hij was de eenige niet. De groote grondeigenaren in de oostelijke provinciën waren zeer verbitterd over de algemeene belastingen. Zij zochten en vonden de gelegenheid, om hunne
400
/
DE FEANSCHE TIJD.
klachten en beschuldigingen tegen het bestuur in Parijs te doen weerklinken. Brantsen, onze gezant aldaar, had zijne persoonlijke grieven, die hem gewillig het oor deden leenen aan al het kwaad, dat hij hoorde. En wat hij zelf niet vernam, dat berichtte hem Verhuell, de minister van marine, die zich tot den gereedon tolk der ontevredenheid en jaloezie maakte van allen, die liever het ergste dan de voortduring van dit bestuur wenschten. Het was waarlijk niet te verwonderen, zoo Napoleon, die niets goeds van zijn schepping hoorde en slechts klachten vernam, volkomen bereid was de proeve te eindigen, welke ook aan zijn eisch niet voldeed. Voor hem was de Raadpensionaris onbruikbaar, die in ernst aan oen schijn van onafhankelijkheid had geloofd en wezenlijk ten bate van het land regeeren wilde.
Op de lippen der tijdgenooten zweeft de naam van een man, wien zij een Judas-rol in die dagen toeschrijven. Verhuell is volgens hen de verrader geweest, die Schimmelpen-ninck ten val heeft gebracht.
Wij hebben geen gegevens genoeg, om een stellig oordeel uit te spreken. Maar om de beschuldiging te begrijpen, is er overvloed.
Verhuell's rol is, zacht gesproken, zeer vreemd en zonderling geweest. Toen Napoleon in Juni 1805 de vloot inspecteerde, had Verhuell vergunning of in last â ik laat de keus der qualificatie aan anderen over â gm Z. M. of diens dienaren te Parijs te schrijven, als hij hel oorbaar achtte. Na de staking der Engelsche expeditie trad hij als minister van marine op. Te 's Hage in dagelijksche aanraking met Schimmelpenninck, bleef hij de correspondent van het keizer-j lijk bestuur, waaraan hij verzoeken richtte, zonder dat van eenige machtiging blijkt. Niet de minister van oorlog, niet die van buitenlandsche zaken, maar hij, de minister van marine, schreef naar Parijs, dat een Fransch leger tot dekking onzer grenzen dringend noodig w7as. Van eenig mede-
26
401
DE FRANSCHE TIJD
weten van Schimmelpenninck blijkt niets. Hoe welkom de aanvrage was, blijkt uit de welwillendheid, waarmede de keizerlijke regeering eraan voldeed. Terwijl onze eigene troepen onder Marmont naar Duitschland waren gezonden, kwam een Fransch leger onder Prins Lodewijk Napoleon, die zijn hoofdkwartier te Nijmegen vestigde. Het waren 50,000 man, die op kosten der Republiek leefden. Verhuell en de minister van oorlog werden gezonden om den Prins te complimenteeren. Na weinige weken was zelfs het voorwendsel niet meer houdbaar en werd tot vermindering der troepenmacht besloten. Prins Lodewijk zou naar Frankrijk wederkeeren.
Doch vooraf deed hij een reisje in de Republiek. Geleid door Verhuell, bezocht hij den Haag, Amsterdam , Broek in Waterland. De minister van marine scheen de aangewezen persoon, om den broeder des keizers te ontvangen, die door het publiek gerucht als de aanstaande koning werd gedoodverfd. Ook bij Schimmelpenninck maakten zij een visite. Mevrouw Schimmelpenninck was niet heel beleefd, klaagt Verhuell. Zij zag hem met geen goede oogen aan. Des te dankbaarder was de goede Louis voor zijn aangenaam gezelschap en zijn goed onthaal, zooals hij schreef.
Toen dit onwaardig spel werd gespeeld, was de continentale krijg reeds geëindigd. âNu is Holland mijn,quot; zegt men, dat keizer Napoleon na Austerlitz heeft uitgeroepen.
In Februari 1806 schreef Talleyrand aan Schimmelpenninck eene officieele missive, dat de keizer, om de gezondheid en de blindheid van den Raadpensionaris, eene verandering in den staatsvorm noodig achtte. Hij verzocht hem Verhuell te zenden, om zijn wil te vernemen. De admiraal kwam terug met de boodschap, die verwacht was: men moest Lodewijk tot koning verzoeken.
Schimmelpenninck verloochende tot het laatst zyne oude beginselen niet. Hij eischte, dat de verandering aan de stemming des volks werd onderworpen. Napoleon weigerde het,
402
DE FRANSCHE TI.TD.
en een groot besogne van hoofddienaren van den staat boog gewillig voor zijn last. Schimmelpenninck niet; hij weigerde eenig aandeel in de verantwoordelijkheid te dragen: de natie moest zelve beslissen. Hij legde zijn ambt neer, en vertrok in rust en kalmte naar zijn buitengoed Nijenhuis.
Zoo de mannen, die hem omgaven, hem gesteund en niet ondermijnd hadden, zij zouden zijn val niet voorkomen, maar zeer waarschijnlijk vertraagd hebben. Napoleon, die Schimmelpenninck steeds met zeldzame hoffelijklieid bejegende, is door
J ⢠â¢
de houding van zeer velen in deze landen slechts versterkt, niet verzwakt in zijn plannen.
De zon van Austerlitz had de oogen verblind. De republikeinen van eertjjds waren door hunne machteloosheid gedemoraliseerd. Het scheen waardiger, den grooten heer van Europa te dienen, dan een landgenoot, die uit hun eigen rijen was voortgekomen.
Doch Napoleon bewees hun nog niet de eer, dat zij zich zijne onderdanen mochten noemen. Zijn broeder Lodewijk was bestemd, den overgang te vormen en de noodzakelijkheid der inlijving door het volkomen bankroet zijner regeering te staven.
VI
Indien goede voornemens voldoende waren om een bijkans onmogelijke taak te volbrengen, Lodewijk Napoleon zou er in geslaagd zijn. Aan goede bedoelingen ontbrak het niet, slechts aan de kans om ze te verwezenlijken.
Het is een gewone waarneming, dat wie faalt in een aangevangen werk, de verklaring gemeenlijk meer zoekt in de wereld buiten hem dan in zich zelf. Het kost vrij wat zelfkritiek en zelfoverwinning, zich eerlijk rekenschap te geven, dat van alle omstandigheden, die te machtig zijn, wij zelve | de voornaamste moeten heeten.
De broeder van keizer Napoleon had alles, wat hij was,
403
DE FRANSCHE TIJD.
aan anderen te danken. Aan eigen energie, aan eigen talenten dankte hij niets. Hij was keizerlijke prins, omdat zijn broeder keizer was; connétable van Frankrijk om dezelfde reden. Als militair had hij zich nooit bijzonder onderscheiden, dan door de vereischte mate van moed in onderscheidene veldslagen. Hij had een soort van goedmoedige gemakzucht, die voor philosophische rust doorging. Ambitie in den gewonen zin des woords, de zucht om eer en roem to verwerven door groote daden, kende hij niet. Hij had steeds voor den krachtigen wil zijns broeders gebogen, zij het ook murmu-reerende. De belangrijkste gebeurtenis van zijn leven was zijn huwelijk geweest. De vrouw, aan wie hij zijn naam schonk, droeg hij even weinig achting toe, als zij hem liefhad. Het pleegkind zijns broeders had hij uit do handen van Napoleon tot vrouw ontvangen en aangenomen, omdat hij moest. Zoo was het ook met dit koningschap gegaan. Buiten hem om was alles in orde gebracht, en toen de nieuwe constitutie klaar was, had Talleyrand de beleefdheid gehad, ze hem eens te komen voorlezen. Lodewijk had zich een korte poos verzet, maar was, als altijd, geëindigd met te gehoorzamen.
iVan dit buigzaam en plooibaar karakter kon geen verzet verwacht worden. Erger was het, dat van zoo iemand evenmin kon vertrouwd worden, dat hij eenigen invloed ten goede op Napoleon zou uitoefenen. Do man, die op last des keizers eene vrouw had genomen, zou in zaken van staat niet bij Æ machte zijn den wil van den grooten heer te vermurwen, f Toch werd dit door velen gehoopt. Van der Palm heeft Æâ toen en in later jaren veel ergernis gewekt door zijn levendige teekening, hoe de menigte in de kerken zich verdrong om God voor het bezit van dezen koning te danken. Iets is er van aan: velen waren er, die meenden dat nu het «voornaamste geleden was. De groote Napoleon had zyn doel bereikt en opnieuw een zijner broeders gevestigd; hij zou nuVan dit buigzaam en plooibaar karakter kon geen verzet verwacht worden. Erger was het, dat van zoo iemand evenmin kon vertrouwd worden, dat hij eenigen invloed ten goede op Napoleon zou uitoefenen. Do man, die op last des keizers eene vrouw had genomen, zou in zaken van staat niet bij Æ machte zijn den wil van den grooten heer te vermurwen, f Toch werd dit door velen gehoopt. Van der Palm heeft Æâ toen en in later jaren veel ergernis gewekt door zijn levendige teekening, hoe de menigte in de kerken zich verdrong om God voor het bezit van dezen koning te danken. Iets is er van aan: velen waren er, die meenden dat nu het «voornaamste geleden was. De groote Napoleon had zyn doel bereikt en opnieuw een zijner broeders gevestigd; hij zou nu
404
DE FRANSCHE TIJD.
wel tevreden zijn en ons land met rust laten. Zoo berekende de huishoudelijke zin der Ilollanders. Nevens deze schare van welmeenenden, die geloofden wat zij hoopten, waren de aristocratie en de adellijke geslachten met het koningschap ingenomen. Een hof, een hofleven, met al de schittering en glans, die er toe behoorden, lokte hen aan. Nooit werd de weg van den Haag naar het Huis in 't Bosch zoo druk bereden als thans, schrijft Verhuell. Bijna de geheele adel-l stand, die zich sedert 1795 bulten alles gehouden en een) groep van frondeurs in de natie gevormd had, omdat zij, naar het heette, te sterk aan het huis van Oranje gehecht waren, liet zich aan den Koning voorstellen en verdrong 1 zich in het Huis in 't Bosch. De schitterende koningin, die' een sieraad van ieder hof zou geweest zijn, schonk in den korten tijd van haar verblijf hier te lande aan het hof eene aantrekkelijkheid, die te meer gewaardeerd werd, naarmate zij nieuwer was. Zij was eene echte Frangaise, geen nagemaakte.
Koning Lodewijk schikte zich aanvankelijk in de opgedrongen hooge positie met al het welbehagen van een man, die een open oog voor uiterlijken glans heeft. Het ongewone gevoel, de eerste te zijn, als koning geëerbiedigd en door eene hofhouding gehuldigd te worden, had eene eigenaardige bekoorlijkheid, die hem te meer bedwelmde, omdat de vroeger ingenomen plaats zoo bitter ondergeschikt en afhankelijk was geweest.
Toen hij in Holland kwam, wist hij van don staat van zaken weinig af. De eerste maanden besteedde hij om zich op de hoogte te brengen. De ministers, die hij vond, behield hij in den beginne; zij lichtten hem voor en leidden hem in de zaken in. Voor het binnenland en ook voor de verhouding tot Frankrijk was de finantieele kwestie eene levenskwestie. Grogel had het geluk, hom zijn belastingstelsel te doen begrijpen en aannemen; hij beloofde het te handhaven en een voorbeeld van zuinigheid aan zijn volk te geven.
405
DE FRANSCHE ÃIJD.
Doch de natuur was te machtig. Lodewijk Napoleon vatte het koningschap ernstig op, ook in den ongunstigen zin des woords. In een eenhoofdigen staatsvorm was de monarch, welken titel hij ook droeg, de persoon, van wien niet alleen alle macht uitging, maar die ook alles besliste. Lodewijk was een autocraat, die naar eigen inzicht dikwerf besluiten nam, zonder zijne ministers te raadplegen en in lijnrechten strijd met de beginselen, die hij heette omhelsd te hebben. Gogel zag zich eerst het beheer van de schatkist ontnomen, opdat de koning leeningen zou kunnen sluiten, zonder van zijne vertoogen last te hebben, en kort daarna, onder een nietig voorwendsel, verwijderd. Buiten zijne ministers om, gaf de koning last tot uitgaven, die door geen belangen des lands gerechtvaardigd waren, maar alleen door persoonlijke consideratiën werden geëischt.
In de herinnering des volks is Lodewijk Napoleon bekend als âde goede Lodewijkquot; en als âde lamme koning.quot; Beide epitheta dankt hij aan eigenschappen, die zeer geschikt waren om de groote menigte te winnen. 11 ij was een goedhartig man, die gaarne iemand genoegen deed en een zeker vertoon van publieke welwillendheid liefhad, omdat hij, als alle zwakke naturen, die den regel van hun handelen buiten zich, niet in zich vinden, aan lofspraak, ja aan vleierij behoefte had. Geen gelegenheid verzuimde hij, om een zoogenaamde populariteit na te jagen. Bij eene overstrooming verscheen bij in de getroffen streken en vertoonde zich vol mededoogen en beloften te midden der ongelukkigen. Een koning op een dijk, die doorgebroken was, scheen een schouwspel zoo ongewoon, dat het bijkans een lafenis was. Ware hij slechts stadhouder geweest, de opoffering van de reis en het verblijf te midden van bet water zou minder verdienstelijk geweest zijn. De vreemde vorst vereenzelvigde zich met zijn volk, hun lijden scheen ook het zijne. Ook zijne aanwezigheid te Leiden, toen de buskiuitramp de oude stad had getroffen,
406
DE FRANSCHE TIJD. 407
maakte een diepen indruk. Men kent het woord van den Noordhollander, toen Lodewijk bij zijne rondreis eens te kennen gaf, dat hij van afkomst vreemdeling was: âdat zijn wij sedert Leiden vergeten.quot;
De lamme koning dankte dit epitheton aan een physiek lijden. Zijne rechterhand was geheel verlamd, zoodat hij i. nauwelijks schrijven kon. Zijn gestel was sedert jaren onder- 1 mijnd; hij was steeds zwak en Ijjdende, schoon hij den schijn van gezondheid en kracht zeer liefhad en gaarne aannam. Doch de gevolgen kon hij niet weren noch beheerschen. Hij was overgevoelig, prikkelbaar en luimig in de hoogste mate, I wat, bij het hoog gevoel van zijn koninklijke waardigheid, den omgang met hem bij uitstek mooielijk maakte en ook op politiek gebied een noodlottigcn invloed had.
Een huwelijk, niet uit liefde gesloten, behoeft niet noodzakelijk tot een ongelukkigen echt te leiden. Maar het huwelijk van Lodewijk met Hortense Beauharnais was rampzalig. Keizer Napoleon heeft op Elba erkend, dat zijn broeder rechtmatige grieven tegen zijn vrouw kon doen gelden: zij was te speelsch voor dien man. Lodewijk vertrouwde haar ook in politieken zin niet. Hortense dweepte met haar stiefvader en keurde Lodewijk's gedragslijn af. Vandaar wantrouwen en verwijten, die tot geheele verwijdering leidden. Hij wist haar niet door meerderheid voor zich te winnen.
Dezelfde prikkelbaarheid en datzelfde gebrek aan zelfbeheer-sching deed Lodewijk zich den gezant zijns broeders tot on-verzoenlijken vijand maken. De graaf de la Eochefoucault werd van den eersten dag zijner komst af met bitter wantrouwen door Lodewijk bejegend, die hem niet vergeven kon, dat hij, een neef van de koningin, met haar op goeden voet en de officiëele representant van keizerlijke eischen was, die met zijn begrip van koninklijke onafhankelijkheid volkomen onvereenigbaar waren. La Eochefoucault heeft het hem bitter vergolden.
DE FRANSCHE TIJD.
âHoud nooit op Franschman te zijn. De waardigheid van connétable des rijks wordt door u en uwe afstammelingen behouden: zij zal u de plichten voor den geest roepen, die gij jegens mij te vervullen hebt en u het gewicht doen inzien, dat ik hecht aan de bewaring der vestingen, die ik u toevertrouw.quot; Met die woorden had keizer Napoleon zijn broeder laten gaan, in die woorden had hij zijne taak neergeschreven. Onder den titel van koning moest hij de prefect zijns broeders wezen, om in deze landen diens wil uit te voeren.
De proef, die de keizer met Lodewijk nam, was niet de eerste. In Spanje had' hij op gelijke wijze Jozef, in Italië Murat, in Westphalen Jerome geplaatst. Geen enkel dezer proefnemingen is gelukt; deze koninklijke prefecten zijn allen met hun meester in meerdere of mindere moeilijkheden geraakt. Maar geen hunner in die mate als Lodewijk.
De reden lag in het karakter van Lodewijk en in de ligging van het land, waarvan hij koning was. In Spanje kwam de natie zelve in opstand en joeg Jozef weg. Hier te lande bleef alles rustig, maar smokkelde ieder.
Het koningschap van Lodewijk valt samen met de ont-wikkeling van Napoleon's continentaal stelsel. Ieder zijner regeeringsjaren wijst op een keizerlijk decreet tot afsluiting van Engeland. Niet alleen alle politieke gemeenschap, ook alle handelsgemeenschap moest met Engeland ophouden, opdat het door volslagen isolement tot onderwerping zou gedwongen worden. Te Weenen, te Berlijn, te Warschau teekende Napoleon de decreten, die Engeland buiten de gemeenschap der volken sloot. Het was een zenuwachtige worsteling van één menschenkind met de wetten, die de ontwikkeling van d'-A volken beheerschen. âGij kunt de huid niet beletten ui wasemen,quot; riep Lodewijk tevergeefs zijn broeder toe. In huishouding der volken een enkelen dood te verklaren, hem buiten het gemeenschappelijk leven te willen sluiten, is het onmogelijke beproeven.
408
DE FRANSCHE TIJD.
Koning Lodewijk had volle recht in zijne afkeuring van den onnatuurlijken strijd. Slechts onwillig gehoorzaamde hij,] en zeer willig overtrad hij zijne eigen bevelen. âUw eigen' paleis, evenals de kleinste hut, is vol van gesmokkelde warenquot;, schreef de keizer. Alles, wat voor dagelijksclie behoefte en aan weeldeartikelen de natie gewoon was uit Engeland te ontvangen, bleef voortdurend aangevoerd, slechts met meer gevaar en grooter kosten. In uiterlijk vertoon met woorden gehoorzaam, poogde hij telken male, als de kans schoon scheen, de decreten te ontduiken, die hij haatte, en verbitterde des te meer tegen zijn persoon en zijn land den overmachtige en overmoedige, die zijn éénen wil tot den wil van een werelddeel durfde verheffen.
Daar is in de worsteling van een zwakker met een krachtiger geest veel, dat sympathie en mededoogen opwekt. Koning Lodewijk, kampende als 't ware aan het hoofd van zijn volk tegen den woreldbeheerscher, biedt een schouwspel aan, dat zelfs zijne zwakheid doet vergeten. Zoo hij zich aan de eischen des keizers onderworpen en onvoorwaardelijk gebukt had, hij zou zijne kroon hebben gedragen zoolang het keizerrijk stond. Hij ware slechts gevallen als Jerome, weggesleept door de wereldbeweging, die aan Europa de vrijheid hergaf. Thans stortte zijn rijk ineen door hetzelfde beginsel, dat het in het leven had geroepen.
De connétable van Frankrijk was aan het hoofd van deze landen geplaatst, om de uitvoerder van de bevelen zijns meesters te zijn en de vestingen te bewaren. Het eerste kon Lodewijk niet vervullen, omdat hij het in strijd met 9 belangen der natie achtte. Zou hij het tweede beter volden ?
i Juli 1809 landde eene Engelsche vloot op quot;Walcheren. Middelburg, Veere, fort Bath, Vlissingen werden vermeesterd. Het eiland Schouwen werd bemachtigd en Antwerpen ernstig bedreigd: Antwerpen, een pistool op de borst van Groot-Brit-
409
DE FRANSCHE TIJD.
tanje en een koninkrijk waard, volgens de uitspraak van Napoleon!
De keizer was in Schönbrunn, toen de booze tijding hem bereikte. Zij kwam hem niet geheel onverwacht. Toen de oorlog met Oostenrijk op het uitbreken stond, had hij Lode-wijk gewaarschuwd. Herhaaldelijk had hij hem geschreven, dat hij minstens 20,000 man onder de wapenen moest hebben, om eiken inval af te weren. Maar niets had gebaat; noch leger noch marine was bij machte de landing te beletten. De conscriptie wilde Lodewijk niet invoeren, van een rentereductie wilde hij niet hooren. Zijn volk kon het niet dragen, .verklaarde hij. Maar het belette hem niet, om zelf op weel-Iderigon voet zijne hofhouding in te richten en door gedurige verandering van residentie, van den Haag naar Utrecht, van Utrecht naar Amsterdam, èn den staat èn de steden èn de ambtenaren op groote onkosten te jagen, zonder voordeel of nut voor iemand.
De belangen van den adel, de instelling van majoraten, het verleenen van hooge titels schenen hem meer ter harte te gaan dan de gestadige zorg voor leger en marine. Zoolang do gevolgen uitbleven, had de keizer, vertrouwende op eigen macht, hoe ontevreden ook, zijns broeders onwil geminacht. Maar de aanslag op Walcheren bracht aan het licht, dat Lodewijk's bestuur niet alleen zwak en kinderachtig, gelijk ïvapoleon zeide, maar ook bedenkelijk was. Het keizerrijk werd er door in gevaar gebracht. âIk heb de dagen der revolutie beleefd, maar ik heb nooit zulke spotternijen als nu te Parijs gehoord,quot; schreef een hoofdambtenaar aan den keizer.
Deze vergaf noch vergat het. Lodewijk was de schuldige, die zijne vijanden ook in het binnenland had bemoedigd door zijne nalatigheid. Een Fransch leger dreef de Engelschen terug en dwong hen Zeeland te verlaten.
De beslissing naderde. Lodewijk Napoleon werd door tus-schenkomst van Verhuell â altijd de gewillige dienaar der
410
DE FRANSCHE TIJD.
Bonapartistische politiek â bewogen, naar Parijs te gaan, zoo 't heette om den toorn van den meester te bezweren. Reeds bij de eerste samenkomsten werd het denkbeeld van inlijving uitgesproken, maar het scheen slechts een bedreiging, om Lodewijk schrik aan te jagen. âHolland is eigenlijk niets dan een deel van Frankrijk. Het is eene aanslibbing van den Rijn, de Maas en de Schelde, de groote slagaders van het Fransche rijk. Voortdurend heen en weder geslingerd tusschen Frankrijk en Engeland, mist Holland de voordeden, die in strijd zjjn met Frankrijk's stelsel en tevens die, welke het anders kon genieten. Het is tijd, dat het alles tot zijn natuurlijke orde wederkeere.quot; Zoo sprak de keizer tot het Wetgevend Lichaam, zoo tot Lodewijk zeiven: âIk kan u niet met rust laten. Yroeg of' laat moet de vereeniging geschieden.quot;
ïïa dergelijke verklaringen scheen het een belangrijke winst, toen Napoleon zich met onderhandelingen inliet. Er werd drie maanden onderhandeld tusschen Lodewijk en den keizer, tusschen Roëll en den Franschen minister, den hertog van Cadore. Het waren drie maanden van angstige spanning en van bitter lijden, vermeerderd door de persoonlijke teleurstelling, die Lodewijk ondervond. Hij had gehoopt, van Hor-tense Beauharnais te mogen scheiden, maar de familieraad verwierp zijn verzoek. Hij werd zelfs gedwongen zich met haar te verzoenen en had de zekerheid, dat zij hem volgen moest naar Holland. Napoleon, die zoo even de moeder verstoeten had, wilde in de bruidskorf der Oostenrijksche maagd, welke aan hem, den Minotaurus, â zooals de Engelsche diplomaat zeide â opgeofferd werd, niet ook de scheidings-acte der dochter neerleggen.
Di ie maanden bracht Lodewijk te Parijs door, dagelijks verzet biedende en dagelijks toegevende aan de eischen des keizers. Roëll, zijn minister van buitenlandsche zaken, weigerde het tractaat te onderteekenen en vroeg zijn ontslag. Don 16acn Maart kwam het tot stand: het grondgebied werd in-
41 1
DE FRAXSCIIE TIJD.
gekort door den afstand van Zeeland en Staatsbraband, waarvoor het vroeger verworvene Oost-Friesland, minder bevolkt en minder welvarend, geen vergoeding bood. Het verlies aan inkomsten werd op 16 millioen aangeslagen. Tooh werd een nieuwe drukkende last, het onderhoud van een aanzienlijk legor en vloot, het gesmaldeelde rijkje opgelegd.
Den H'1⢠April kwam koning Lodewijk in zijne hoofdstad terug, met een verbitterd en wrokkend gemoed. De kracht, die hij te Parijs niet had kunnen betoonen, openbaarde hij hier in maatregelen van persoonlijken aard. Aanhangers des keizers werden door hem ontslagen; Krayenhoff, die zich gewelddadig had willen verzetten en Amsterdam in staat van verdediging brengen, werd beloond. Buigzaam te Parijs, nam Lodewijk in Holland een mokkende en tartende houding aan. De uitslag was te voorzien: waar de ijzeren en aarden pot te zamen botsen, wordt de laatste verbrijzeld. De keizer gelastte, Holland, met name Amsterdam te bezetten.
Dien smaad wilde Lodewijk niet dragen.
Tn den donkeren nacht van 2 op 3 Juli besteeg hij bij het Paviljoen te Haarlem zijn reiskoets. Een laatste kus op d-1 wangen van zijn oudsten zoon, den eenigen, die bij 1 '' was, â en hij liet zoon en land achter. De eerste Holland's koningen vluchtte uit zijn rijk, om als balling veilige schuilplaats aan den vijandelijken haard te vragen.
Koning Lodewijk had afstand gedaan ten gunste van . zoon, een knaap van zes jaar. Een raad van regentschar trad voor den minderjarigen vorst op. Verhuell werd nr Parijs gezonden, om den keizer het gebeurde te berichten.
Inmiddels werd de troonsverandering aan het corps diplomatiek, aan de gewestelijke en rechterlijke autoriteiten officieel bericht, lu 'eén enkel gewest werd de nieuwe koning aanstonds eikend. Zij, die in Oost-Friesland op den 10quot;1⢠Juli de openbare godsdienstoefeningen bezochten, hoorden van den kansel den zegen Gods afsmeeken: âWij bidden u voor onzer
412
DE FRANSCHE TIJD.
jongen koning Napoleon Lodewijk en voor de koninginne regentesse van dit koninkrijk.quot; »
Het was de eerste en de laatste maal.
Op het Paviljoen te Haarlem speelde de jonge Napoleon Lodewijk. Een commissie uit den staatsraad spoedde zich daarheen, om hem te complimenteeren. Een hunner, Eepe-laer, hield tot hem een deftige rede bij de aanvaarding zijner regeering en wenschte hem een goede gezondheid toe.
Van de laatste zou hij langer genot hebben dan van de eerste. De knaap zeide, zeer getroffen te zijn door de toespraak en de heeren zeer te bedanken.
Keizer Napoleon dacht er niet aan, de beschikkingen van zijn broeder te eerbiedigen. Het koningschap van den kleinen neef was een belachelijkheid en kon een belemmering worden. Hij antwoordde met het besluit van inlijving.
Dit was het einde van vijftien jaar worsteling, van vruchte-loozen kamp tegen den bondgenoot, dien het volk als verlosser had ingeroepen.
i
VII
De revolutie van 1795, die de oude Eepubliek ten val had cht, was het werk van eene staatkundige partij, die, wrok verbitterd, meer haar wenschen en idealen dan krachten had geraadpleegd. Van het tweeledig doel, , zij nastreefde, was slechts een enkel bereikt: de val van het gehate stamhuis, dat in hare oogen de uitdrukking van e politieke en maatschappelijke gebreken was, die de natie lermijnden. De vijftien jaren, die verloopen waren, hadden aaii het licht gebracht, door welk eene dwaling men zich had laten wegsleepen. De schuld had niet bij deze of gene personen gelegen, maar bij de natie zelve, zooals zij door anderhalve eeuw van bijkans ongestoorde regentenheerschappij was geworden. De belangstelling in de publieke belangen was ondergegaan, omdat de kennis slechts aan enkelen was voor-
413
DE FRA.NSCHE TIJD.
behouden. De souvereiniteit der provinciën en de souvereine macht der locale heerschers waren de middelen geweest om provinciën en steden aan het gezag van enkelen te onderwerpen en de onderdanen in stad en provinciën van de bescherming eener overal heerschende landswet te berooven. De gemeentelijke zelfstandigheid was het werktuig tot gemeentelijke verdrukking geworden. De decentralisatie was, als steeds, het voertuig van het locale despotisme.
In de taal der 18e eeuw was men gewoon van het âveelhoofdig monster der aristocratiequot; te spreken. Gelijk het oude gedrocht der fabelleer slechts het getal zijner koppen zag vermeerderen, als een enkele werd afgeslagen, verloor de regentenaristocratie niets dan een enkelen persoon, onmiddellijk door meerderen vervangen, wanneer deze of gene werd machteloos gemaakt. Vandaar het optreden der partij, die een schrikbewind wenscbte te zien heerschen. Madame Guillotine moest het veelhoofdig monster der aristocratie onthoofden.
Door den invloed der Pransche republiek en den; natuurlijken afkeer van bloedstorten, die het streven der gematigden steunden, was de Bataafsche republiek voor dit noodlottig uiterste bewaard. Maar de gevolgen waren niet uitgebleven. De tweespalt in de natie had tot machteloosheid geleid. Al was de staatseenheid in de constitutie van 1798 als beginsel aangenomen, de toepassing was lang achterwege gebleven. Slechts onder Schimmelpenninck en Lodewijk waren enkele wetten tot stand gekomen, die ook in de practijk van het publieke leven het beginsel doorvoerden. Maar de vreemde oorsprong en de zwakheid van het gezag deden het verworvene niet beschouwen als van blijvenden aard. De oude geest van het foederalisme leefde voort. Het beginsel der staatseenheid moest als het ware der natie worden ingebrand.
Dit is de beteekenis en de groote waarde van de korte periode, die het Napoleontisch bestuur over dit land vervult.
414
DE FRANSCHE TIJD. 415
Keeds Thorbecke heeft het voor jaren gezegd en de geheele geschiedenis der revolutie teekent de juistheid zijner woorden. âOnze inlijving in Frankrijk mag geenszins alleen als eene daad van Napoleontische geweldenarij worden beschouwd, noch naar de kortheid van haar duur geschat. Zij is in politische en regtsorganisatie eene vordering geweest, die zonder het decreet van Napoleon zou zijn vertraagd of gemist. Zij deed ons op eenmaal een stelsel van wetgeving deelachtig worden, dat ons, over menig beletsel heen, voor goed op den weg der algemeene, hedendaagsche ontwikkeling heeft geplaatst en tegen zoo menige onzekerheid, tegen menigen misstap behoed. Om dit te waarderen, verbeelde men zich, dat wij uit het koningrijk Holland onmiddellijk in dat der Nederlanden waren overgegaan. De Fransche omwenteling had ons wel beginselen gebragt, maar hadden wij die door eigen arbeid moeten verwezenlijken, hadden wij éene algemeene wetgeving, zooals wij ze in overeenstemming met andere vernieuwde landen behoefden, zelfstandig uit eigene bronnen moeten ophalen, wanneer en hoe waren wij klaar gekomen? Hoevele verouderde bepalingen zouden wij tot aanvulling hebben ingeroepen? Uit welke hoeken zouden niet al verlegen Neder-landsche beginselen zijn opgezocht? Hetgeen de inlijving ons schonk, is nog op dit oogenblik van méér beslissenden, doordringenden invloed op ons Staatswezen, dan al wat wij in constitutionele en andere regeling sedert 1813 oorspronkelijks tot stand bragtenquot;.
Opgenomen in het Fransche keizerrijk, zagen de bewoners der vroegere Republiek de wetgeving van Frankrijk zich opgelegd. De wetboeken, die den naam van Napoleon ook op uridisch terrein zouden bewaren, traden voor de ontworpen of nauw ingevoerde proefnemingen van koning Lodewijk in de plaats. Wat de natie, onder den invloed van hare verkeerde staatsinstellingen, niet had kunnen tot stand brengen, eenheid, van wetgeving, ontving zij thans uit vreemde handen. En'
416 DE FRANSCHE TIJD.
met deze ging eenheid van administratie gepaard. In de handen van den Franschen keizer was het bestuur een mechanisme, door slechts één wil bewogen. Of er een nieuw rad werd ingevoegd, deed weinig ter zake, het moest de beweging van het geheel volgen, willig of onwillig. Naar het uiterlijke te oordeelen, was de beheersching van een staat als de Fransche door één persoonlijkheid onmogelijk te achten. Maar het onmogelijke geschiedde. Napoleon's genie wist ook het burgerlijk bestuur met den geest van militaire discipline en hicrarchie te doordringen; zijn wil regeerde het hoogste staatscollege zoowel als het kleinste douanenkantoor.
Eerbiediging van het historisch verleden en van de vormen, die het tot den tegenwoordigon tijd had overgebracht, kon van zulk een regeeringsstelsel niet worden verwacht. De namen der oude gewesten werden, met een enkele uitzondering, Friesland, in den ban gedaan. Deze lauden waren slechts departementen van het wereldrijk, onderscheiden en kenbaar door de waterwegen, die ze doorsneden of scheidden: de monden van de Maas, de Eems, de IJsel, de Zuiderzee enz. De ambtenaren, in deze departementen geplaatst, waren dienaren van den keizer, uitvoerders van zijn wil, neergelegd in decreten of in de wetten des lands. Aan hem hadden zij te gehoorzamen, van hem hunne bevordering of bestraffing te wachten. Hij bepaalde, wat in hun oogen staats- of landsbelang mocht heeten; hij schreef hun de mate van getrouwheid, van geestdrift, van onderwerping voor. Van geen Oranje, geen staatsgezinden, geen foederalisme of unitarisme was meer sprake. liet verleden was uitgewischt; wie Napoleon diende, werkte door zijne dienstbaarheid mede om, gelijk de uitdrukking luidde, ons volk te âdenationaliseeren.quot; De provincialen, die op dit aanslibsel van Frankrijk's groote stroomen woonden, moesten hun provinciale bekrompenheid, hun locale ijdelheid afleggen, om Franschen te worden.
Men behoeft niet in de eerste plaats op de bedwelming te
DE FRANSCHE TIJD.
wijzen, die het overwicht van een groot volk en van een groot man te allen tijde uitoefent, om de onderworpenheid van het geslacht van 1810 te verklaren. Er zijn weinig mannen geweest, die onwillig waren den meester van Europa te dienen. De vurigste revolutionairen waren het gewilligst, om de aangeboden betrekkingen te bekleeden. Zij zagen verwezenlijkt, wat' zij jaren lang hadden nagejaagd: staatseen-heid, eenheid van wetgeving en van bestuur. Al de afgoden, tegen welke zij gestreden hadden, vielen van hunne voetstukken op den wenk van Napoleon. Was het wonder, zoo zij zich om hem schaarden en volkomen bereid waren hem te dienen ? Grelijk zij, deden ook de oude tegenstanders: de moderaten en foederalisten en vele Oranjegezinden, aan wier invloed voor een deel do mislukking der revolutie was te danken. Betrekkelijk klein was de groep van hen, die zich I aan alles onttrokken en weigerden op eenigerlei wijze deel i aan het bestuur te nemen. Het waren enkele trouwe aan-l hangers van het huis van Oranje, die, zooalsTrHogendorp,/ zich nooit met de revolutie hadden verzoend, nevens de hardnekkige voorstanders van de oude orde van zaken, die noch van Oranje noch van eenige regeoring wilden weten, welke ook hen, als allen, aan de gehoorzaamheid van eene voor allen geldende wet onderwierp.
Het Fransche bestuur over deze landen was zoo kort van duur, dat men onmogeljjk beslissen kan, of de tegenstand blijvend zou geweest zijn. Zij, die in onze dagen op deze drie jaren zich beroepen ten bewijze hoe onmogelijk het is, ons volk ooit in een grooter in te lijven, zien geheel de hoofdpunten, ter beoordeeling onmisbaar, over het hoofd. De onwil der Oranjegezinden heeft de macht van het Napoleontisch régime niet gebroken, zelfs niet ondermijnd. En de omstandigheden, waaronder ons volk in 1810 met een grooter volk werd vereenigd, waren zoo abnormaal, dat zij geen regel voor de toekomst kunnen stellen.
417
27
r
418 DE FEANSCHE TIJD.
De beheerscher van Europa was in strijd met geheel Europa: zijn juk drukte een werelddeel. In haat tegen hem waren volken en vorsten één; hooger dan een geestelijk gezag zich ooit verhief, was het zijne gestegen; hij was de levende voorzienigheid van Europa geworden, die lot en hart wilde regeeren.
Had hij vrede met Engeland kunnen sluiten, had hij het oorlogszwaard in Europa in de scheede kunnen steken hij zou zijn wereldheerschappij wellicht tot zijn dood gevoerd hebben. Maar hij had de grenzen van het menschelijk vermogen zoo verre uitgebreid en zoo verre overschreden, dat noch terugkeer noch stilstand mogelijk was. De titan werd door zijn noodlot voortgedreven naar de ure van zijn val.
Hij kon geen rust schenken aan zijne volken, geen geluk aan zijne onderdanen. Daarom werd ook het goede van zijne regeering gif, dat de hoofden en de harten tegen hem in opstand bracht.
De schuld was niet bij de hoofden, niet bij de mannen, die hij bezigde, te zoeken. Tal van Nederlanders, die onder zijn bestuur hooge betrekkingen hebben bekleed, zijn in de I volgende jaren dienaren van het koninkrijk der Kederlanden geweest. Dat zij vleiende lofredenaars van den keizer waren in de dagen toen zijn rijk bestond, is niet by zonder vreemd. Ambtenaren spreken zelden kwaad van het bestuur, dat hun een eervolle plaats verzekert en een invloedrijke maatschappelijke positie schenkt. Dat juristen als Yan Maanen, financiers als Gogel, om van zoo vele anderen te zwijgen, met de Fransche regeering ingenomen waren, haar gewillig en getrouw dienden, vindt zijn voldoende reden in de teleurstellingen der laatste dertig jaar. Zeker zijn er onder de Hollanders, die betrekkingen onder Napoleon bekleedden,; mannen geweest, die het krachtig gesteunde gezag zoo al niet misbruikt, dan toch gebezigd hebben tot het verwerven van een persoonlijke macht, voor hunne medeburgers dikwerf
DE FRAIfSCHE TIJD.
drukkend en onaangenaam; zij waren toen, als steeds, wanneer er werkelijk een regeering is, die ook hen regeert, uitzonderingen. Bovendien, bureaucratische overmoed en persoonlijke willekeur zijn niet het noodzakelijk gevolg van een bepaald regeeringssysteem. De geschiedenis der Nederlandsche regenten-aristocratie is rijker aan overmoed en willekeur dan het centralisatie-stelsel der 19e eeuw.
Deze Nederlanders bovendien stonden zelve onder de controle van ambtenaren, of zagen nevens zich mannen geplaatst, meer vertrouwd dan zij met den geest van het nieuwe régime. De geliefkoosde meening van Napoleon, dat men, om de vruchten der revolutie te redden, de bekwaamste aanhangers in het bestuur der zaken moest behouden, mocht in den loop zijner regeering niet altijd toepassing vinden, geheel ontrouw is hij er nooit aan geworden. De Fransche hoofdambtenaren, die hij bij de inlijving naar deze landen zond, zijn niet de slechtsten geweest, die hem dienden.
Aan het hoofd van deze gewesten werd de oude prins en aartsthesorier van het keizerrijk, le Brun, geplaatst. Het was Napoleon's vroegere ambtgenoot in het Consulaat, nu een man van 72 jaren. Gaarne zou hij de laatste jaren, die hem restten, in zijn vaderland hebben doorgebracht. Maar Frankrijk's meester kende geen rust voor zich zeiven en gunde ze ook aan anderen niet. Het was een goedhartig oud man,j die alles deed, wat hij kon, om de pijn der inlijving te verzachten en een open hart had. voor de natuurlijke onvoorzichtigheden, waartoe het verlies van nationale zelfstandigheid verleidde. Van der Palm heeft in zijn beroemd gedenkschrift van hem gezegd, dat hij gaarne al het goede deed, wat niet in zijn vermogen was. De ironische karakteristiek is ondankbaar; want de invloed van den ouden luitenant-generaal van den keizer â aldus was zijn officieele titel â heeft den Leidschen hoogleeraar voor vervolgingen bewaard, waarmede een onvoorzichtige akademische rede hem bedreigde. De oude
419
Ie Brun heeft veel kwaad voorkomen en veel personen ten i dienste gestaan.
Een wakkere hulp en een gewilligen steun heeft hij daarbij gevonden in don intendant van binnenlandsche zaken, baron ; d'Alphonse. Bij behoorde tot de oude republikeinsche partij, die zich zeer onwillig aan Napoleon had onderworpen. Bij was prefect in Frankrijk geweest en werd hij de inlijving den j _ouden le Brun ter zijde gesteld. Eigenlijk was hij de ziel van het nieuw bestuur. Tot hem richtten zich de prefecten, door hem ontvingen zij de bevelen der regeering en voerden zij hun officieele correspondentie. d'Alphonse was een reeds bejaard man van groote gematigdheid en zachtheid, die niet schroomde den overdreven ijver van prefecten en anderen te keer te gaan en te beperken. Op het Rijksarchief berust eene uitgebreide correspondentie met de Stassart en anderen, die m deze voorstelling staaft. In Augustus 1813 â om een enkele proeve te geven â vraagt de Fransche minister van buiten-landsche zaken, Montalivet, aan d'Alphonse inlichting omtrent een jong mensch uit een der aanzienlijke Oranje-familiën. d'Alphonse, die den besprokene niet kent â het is onnoodig een bekenden naam te vermelden â vraagt en ontvangt van de Stassart een zeer scherpe karakteristiek. âHij heeft weinig gezond verstand, is arm van begrip, heeft slecht gestudeerd, |] een onvast karakter, meer ijdelheid dan eerzucht, zijne politieke meeningen zijn al even wankelend en wisselend als die '| van zijn vader, hij is orangist en geniet geen bijzondere achting.quot; d'Alphonse vindt in die scherpe teekening geen behagen en brengt ze niet over. Hij verzacht alle lijnen en verzwakt de stellige uitspraak van de Stassart, door op grond van den leeftijd elke stellige uitspraak over het karakter als L; onmogelijk voor te stellen. âHij is,quot; schrijft hij, âpas twintig jaar en dus weinig bekend. Men zegt, dat hij weinig verstand heeft en zwak gestudeerd heeft. Zijn leeftijd vergunt niet, dat hij reeds een beslist karakter heeft, of dat anderen
II
DE FRANSCHE TIJD.
over de vastheid van zijn karakter kunnen oordeelen. Het schijnt, dat hij ijdel is. Hij heeft nog geen besliste politieke opinie, of ten minste het is onzeker wat hij is. Hij is nog te jong, om het voorwerp van buitengewone achting te zijn. Tijd, studie en ijver kunnen hem schenken wat hij nog niet bezit; het komt mij ontijdig voor, om nu reeds een opinie over hem te vormen, die ongunstig zou zijn.quot;
d'Alphonse was aanvankelijk slechts voor één jaar benoemd, maar is den vollen tijd van het Pransch bestuur in dienst gebleven. De val van het keizerrijk heeft hem de Nederlanden doen verlaten even onopgemerkt als hij gewerkt had ten gunste van velen in het land, waarin hij het ware hoofd der administratie was geweest. Slechts enkelen, die hem meer van nabij hadden gekend, zooals Janssen, hebben in later jaren met zeer verdiende waardeering van zijne ver-schoonende gematigdheid gesproken.
Aan zijn invloed mag het voornamelijk dank worden geweten, zoo de invoering dor Fransche administratie minder' zwaar heeft gedrukt, dan een maatregel van zoo ingrijpend gewicht kon doen verwachten. Het zijn niet de blijvende instellingen van het keizerrijk geweest, die de volksver-bittering het meest hebben wakker geroepen. De vorm van bestuur heeft, zij het ook onder andere namen, Napoleon's schepping overleefd.
Den meesten haat heeft de Fransche regeering uitgelokt door drie maatregelen, die niet bloot het publieke, maar ook het private leven troffen: de invoering der conscriptie, de tiercering der schuld en het continentaalstolsel.
In de oude Republiek was de verdediging des lands een zaak der beurs, niet der vaderlandsliefde. Het meerendeel der troepen, waarmede de oorlogen werden gevoerd, bestonden uit huurlingen. Zij vochten en lieten zich vermoorden voor geld. In de IS16 eeuw was de geringe militaire geest nagenoeg geheel bij ons volk uitgebluscht. Sedert 1789, toen de krijg
421
I
DE FKANSCHE TIJD.
met Europa een kruistocht voor ideeën werd, was de toestand geheel veranderd. Ieder volk moest zjjn leger uit zijn eigen landzaten samenstellen, omdat er geen enkel meer was, dat niet in den strijd werd medegesleept. De vorsten van Hessen, van Baden, de zielverkoopers der 18lt;le eeuw, moesten evenals Frankrijk legers oprichten, niet om ze te verhuren aan een staat van kooplieden, maar om zich te verdedigen. Ook al ware ons land niet ingelijfd, het zou door den toestand van Europa genoodzaakt zijn geworden, de vrijwillige dienstneming door de gedwongene te vervangen. In den vredestoestand na 1815 is de conscriptie behouden. Een bewijs, dat ook op dit gebied het oude was voorbijgegaan, omdat het onhoudbaar was geworden.
Doch deze rekenschap legt men zich zeiven slechts na jaren af. De tijdgenoot voelt de pijn der verandering en vloekt de hand, die ze tot stand bracht. In de vreedzame rust van een koopmansvolk, dat tal van oorlogen had gevoerd met geld, bracht het een bittere stoornis te weeg, toen het onverbiddelijk lot als de beschikker werd aangewezen, wie zijner zonen ten strijde zou trekken. Het was de toepassing van een gelijkheid, waarmede men in 1795 wol gedweept had, maar zonder deze vrucht te voorzien of te willen. En de wijze van uitvoering verzwaarde de smart. De conscriptie was in Frankrijk bij de wet van 19 Fructidor van het jaar VI (5 September 1798) ingevoerd. Zij bepaalde, dat allen, die hun 20sle levensjaar hadden bereikt, loten moesten, wie hunner gedurende vijf jaren het vaderland zouden dienen. De keizerlijke regeering voerde niet alleen die wet hier in, maar schonk haar een terugwerkende kracht. Niet slechts zij, die in 1811 den twintigjarigen leeftijd hadden bereikt, maar allen, die in en na 1788 geboren waren, werden aan de wet onderworpen. Twee-, ja drieëntwintigjarigen werden diensvolgens opgeëischt, om voor den vreemden meester de wapenen te dragen.
422
DE FRANSCHE TIJD.
Onder alle standen, niet het minst onder de lagere, weinig gewoon hun gevoelens te verzwijgen of te bedwingen, wekte de conscriptie de diepste verbittering. Men werd gedwongen de wapenen op te nemen, zijne zonen af te staan voor een heerscher, wiens heerschappij eene onderdrukking van eigen, zelfstandig volksbestaan was. Zij moesten strijden en sterven in dienst van belangen, die lijnrecht indruischten tegen die van ons volk. In vroeger dagen bande de huisvader, als hij zyn eigen woning binnentrad, de publieke zorgen buiten en vond vertroosting in den schoot van zijn gezin. Thans trad hij ze niet binnen, dan om dieperen rouw te ontmoeten. Wat al zorgen hebben onze vaderen beklemd, wat al angsten de harten der moeders bewogen in die jaren van lijdon, toen in nadruk de schoot zalig werd geprezen, die geen kinderen had gebaard. Naar Spanje, naar Duitschland, naar Rusland werden de jonge mannen voortgesleept, die de vaderlijke trots en de moederlijke liefde zich als de steunpilaren van gezin, handelszaak en geslacht hadden voorgesteld. En met ieder doodsbericht, dat aankwam, scheen de keten hechter geslagen, die het privaat en openbaar geluk van het keizerrijk afhankelijk deed zijn.
Niet als een blijvende, maar als een tijdelijke maatregel werd de tiercering der rente door Napoleon opgelegd. Het kapitaal der schuld bleef onaangetast, maar slechts een derde der rente werd betaald.
Wanneer wij tegenwoordig de klachten der toenmalige tijd-genooten booren, dan blijven wij niet ongevoelig, maar wij worden toch onze aandoeningen gemakkelijk meester. Op finantieel gebied heeft onze eeuw zooveel verrassingen gebaard, dat de levendigheid der indrukken er onder lijdt. Het getal der slachtoffers van rentereductiën is niet uitgestorven met het jaar 1813. Voor geen maatregel bovendien was meer tot rechtvaardiging te zeggen dan voor dezen. Een derde der rente werd slechts betaald, maar dit derde bedroeg altijd
423
DE FRANSCIIE TIJD.
meer dan het ontvangene in 1809 en in 1810, toen er genoegzaam niets betaald was. De tiercering was een staatsbankroet, maar niet door Napoleon in het leven geroepen: zij bestond.
Doch deze erkenning van den werkelijken staat van zaken sluit de oogen niet voor de gevolgen. Een menigte kantoren werd tot staking der betalingen verplicht en sleepte in haar val tal van familiën mede. Zoowel particuliere vermogens als de inkomsten van openbare instellingen werden ernstig aangetast. Do uitgebreide stand van kleine renteniers, die in de tweede helft van de 18lle eeuw wns ontstaan en uit wier midden zulk een aanzienlijk gilde van politieke tinnegieters was voortgesproten, werd gedecimeerd. De weelde verminderde en de gedwongen zuinigheid vermeerderde, wat zeker op zichzelf geen nadeel zou geweest zijn, indien de inkrimping van het rouleerend kapitaal niet, als gewoonlijk, had ingegrepen op de bronnen van bestaan van die personen en van dien stand in de maatschappij, die in een geregelde orde van zaken juist genoeg heeft om te leven, maar te weinig, om inkomsten te kunnen ontberen. Zij vermeerderde de rijen der armen, der hulpbehoevenden.
En tocb is de tiercering dor rente de minst beduidende van de maatregelen geweest, die de inlijving met zich sleepte. De strenge uitvoering der decreten van het continentaalstelsel was van veel grooter en ingrijpender beteekenis. De tiercering beroofde slechts van inkomsten, het continentaalstelsel tastte de bron van welvaart zelve aan.
Men heeft gezegd, en met volle recht, dat bij de beoordeeling van dit stelsel steeds op den voorgrond moet staan, dat het ook in Napoleon's oogen slechts een oorlogswerktuig was. Maar dit verzoent niet, noch met de werking noch met de vruchten. Oorlogswerktuigen worden zeker niet gesmeed om akkers om te ploegen of bloemen te lezen. Maar dit verzacht het oordeel niet over een wapen, dat de eigen hand
424
DE FRANSCHE TIJD.
scherper wondde dan den vijand. Engeland moge geleden hebben in die jaren, de wereldzee voerde zijn handelsvloten naar de andere deelen der aarde. Het vaste land werd zwaarder! getroffen dan Groot-Brittanje, dat in Amerika en in eigeri| koloniën wel niet de ruime markten van Europa, maar toch gewillige voor zijne uitvoerartikelen vond.
Voor geen der deelen van het Fransche keizerrijk was de strenge uitvoering der handelsdecreten noodlottiger dan voor deze landen. Het fabriekwezen en de landbouw waren hier onder de Republiek zeer weinig ontwikkeld; ons volk heeft ondanks de monopoliën der compagnieën steeds van den handel, den transitohandel en dien op de koloniën, geleefd. De nationale welvaart steunde er op, was er door geworden. Dadelijk bij de inlijving werden de strengste maatregelen genomen, opdat ontduiking der keizerlijke decreten onmogelijk zou zijn. Alle havens en kusten werden met douanebeambten overdekt; op elke visscherspink was een soldaat geplaatst, voor wiens behouden terugkeer het geheele dorp aansprakelijk was. Op de Noord- en Zuiderzee beletten wachtschepen allen buiten-landschen handel, en ook de binnenlandsche tusschen Holland en de oostelijke provinciën stond stil. In 1809, bij de landing der Engelschen op Walcheren, hadden zij van de gelegenheid gebruik gemaakt om een menigte waren voor geringe sommen af te zetten en hier te verspreiden Van deze goederen moest thans een invoerrecht van 50 pCt. worden betaald. In October 1810 ging de keizer nog verder. Alle Engelsche goederen moesten uit de magazijnen worden gehaald en openlijk verbrand. Als vergoeding voor de opoffering, waartoe hij dwong, beloofde de keizer een vrijen handelsweg van Amsterdam tot Rome, maar de belofte werd niet vervuld. Terwijl deze landen een deel van het keizerrijk heetten, bleef zelfs de tollinie van Brabant bestaan en belette zij den uitvoer binnen de grenzen van het rijk3 waartoe men behoorde. In den aanvang verschaften de tabaksfabrieken, die in de laatste
425
426 DE FRANSCHE TIJD.
jaren waren opgericht, nog een schamel bestaan aan enkelen; maar ook dit hield op, toen in Januari 1812 het staatsmonopolie van de^ tabak werd ingevoerd.
Onze natie heeft in al de eeuwen van haar bestaan het beginsel van vrijheid van handel, zoo al niet altijd in theorie, dan toch in de practijk voorgestaan en er zich te haren bate van bediend. Cromwell heeft onzen doorvoerhandel op Engeland wel aanzienlijk doen verminderen, maar nooit geheel vernietigd. En de Westindische Compagnie heeft van den eersten dag van haar bestaan te kampen gehad met den ondernemingsgeest, die zich niet bekommerde om haar monopolie. Lorrendraaiers noemden onze vaderen reeds in Leicester's dagen hen, die ook in oorlogstijden met den vijand handel dreven. Het grootste deel van Amsterdam's millioenen is, naar sommigen verzekeren, in den smokkelhandel der 18e eeuw verdiend. Ook onder Napoleon is gesmokkeld, maar het was een gevaarlijk werk, waarvan de winsten niet tegen de gevaren opwogen en slechts enkele individuen ten goede kwamen. De algemeene welvaart -werd diep getroffen. De zetel van den handel in die dagen, Amsterdam, verloor 1j7 van zijne bevolking. De groote steden werden verlaten, en vele prachtige woningen, in dagen van weelde en voorspoed opgebouwd, vielen onder den moker des sloopers.
Tijdelijke maatregelen, die drie jaar duren, mogen zeker niet op een lang leven roemen; maar dat korte leven is geen verdienste van Napoleon geweest. Niet zijn wijsheid, maar zijn val heeft ze opgeheven. De inlijving dezer landen had plaats in de nadagen van het keizerrijk, toen zijne hand tegen allen en aller hand tegen hem was gekeerd.
Napoleon's stoute schepping wankelde reeds, toen hij ons land met zijn rijk vereenigde. Onze vaderen hadden daaraan te danken, dat zij door maatregelen werden getroffen, die het vastknoopen van den uiterlijken band van eenheid moesten
DE FRA.NSCHE TIJD.
verhaasten door de onderdrukking van een vijandige publieke opinie en de gedwongen samensmelting van de nieuw verworven onderdanen met de oude van liet keizerrijk.
Vrijheid van drukpers had wettelijk nooit in de Republiek i bestaan. Als de provinciale en locale souvereinen het in hun belang rekenden of zich te zwak gevoelden om het tegen te gaan , hadden zij de uiting en verspreiding van de denkbeelden, die onder het volk gistten, toegelaten. De revolutie had het recht der vrijheid erkend, maar na de reactie, die sedert 1801 was aangevangen, was het tolken male, in naam der publieke orde en zedelijkheid, geschonden. Vervolgingen der drukpers waren in de laatste jaren geen zeldzaamheid geweest. Napoleon voerde de censuur in. Elk werk, dat ter perse Ij ging, moest vooraf worden onderzocht. In elk departement wareu censoren, met die taak belast. Aan de onbeduidendste zaken werd ergernis genomen en overal vond de valsche scherpzinnigheid toespelingen op dwingelandij en overheer-sching. Vooral waren aanhalingen uit den Bijbel verdacht. Ds. van Teutem mocht een preek niet uitgeven, zonder het citaat van een tekst te schrappen, die van een lichte verdrukking gewaagde. De journalistiek werd bitter gekortwiekt; allerlei couranten en tijdschriften hielden op te bestaan. De hoogleeraar Tydeman kon de Geschiedenis des Vaderlands van Bilderdijk niet uitgeven, omdat, gelijk de Fransche censor zeide, er geen behoefte was aan een werk over de voormalige Republiek: men moest zich op den nieuwen staat van zaken inrichten. Dat ook hier intusschen wel eens oogluiking plaats had en niet alle censors even scherp toezagen, bleek uit de uitgave van Helmers' Hollandsche natie, die,| zij het ook met uitlatingen van al te scherpe plaatsen, het levenslicht aanschouwde.
Met deze controle op de gedachte ging die op de personen i gepaard. De verhalen omtrent de geheime politie, door de' Franschen geoefend, zijn volstrekt niet overdreven. Er zijn
427
DE FRANSCHE TIJD
428
brieven van hooge rechterlijke ambtenaren, die bewijzen, hoe zij in het gewone, dagelijksche leven de rol van spion jegens ambtgenooten en de personen van hun omgang vervulden. Zij bespionneerden elkander. Wat in dien stand geschiedde, had ook in lagere kringen onder andere vormen plaats. De keizerlijke regeering had die noodlottige hoogte bereikt, waarop zij elke aanraking met de publieke opinie miste en schuwde; zij steunde niet meer op de beginselen, die zij representeerde. Personen waren voor dit persoonlijk régime gevaarlijk geworden. Zij moesten gewonnen, of door vrees of belang in onderwerping worden gehouden. Een algemeen wantrouwen heerschte. In den burgerlijken omgang was niemand volkomen veilig, verhaalt een tijdgenoot. Pransche spionnen waarden rond onder allerlei gedaanten. Gemeenzame gesprekken werden afgeluisterd. Het gebruik van een dubbelzinnig woord werd ras ten kwade uitgelegd. Op openbare plaatsen meende men aan het oog der aanwezigen te kunnen zien, of zij Franschgezind waren of niet. De gelaatstrekken der lezers van nieuwstijdingen werden waargenomen om de inwendige gedachten te raden. Deze teekening wordt door tal van getuigenissen bevestigd. Aan zulk een dwang was men hier te lande niet gewoon; de regenten-aristocratie had wel het schrijven soms vervolgd, maar het praten niet verboden. De mond was een veiligheidsklep voor hunne heerschappij geweest. Het ongewone gevoel van onveiligheid verbitterde nu te meer, naarmate het nieuw was. Men wist niet, dat dit bespiedingssysteem sedert jaren in Prankrijk bloeide en daar dikwerf ernstiger gevolgen had, dan hier zijn aan te wijzen. Indien de mannen van het Pransche bestuur van de ontvangen inlichtingen hadden willen gebruik maken, wat hadden zij een schat van ongeluk over tal van personen kunnen uitstorten! Maar noch de Stassart noch de Celles heeft er zich aan schuldig gemaakt. De eerste mocht driftig zijn en ruw, do laatste plagend en meedoogenloos, waar het
DE FKANSCHE TIJD.
de uitvoering der wetten, de invoering der conscriptie en dergelijke zaken gold, men kan hen niet bezwaren met het verwijt, dat zij misbruik hebben gemaakt van de kennis, die zij omtrent de houding en de gezindheden van velen bezaten. Toen in het voorjaar van 1813 â het was na de Russische campagne â de departementale raden werden gedwongen, aanbiedingen van manschap aan den keizer te doen, gelukte het volstrekt niet overal gemakkelijk, de meerderheid tot deze zoogenaamde vrijwillige voorslagen te brengen. De prefecten kenden zeer goed de mannen, die hen tegenwerkten. De Stassart noemt o. a. den oud-minister Eoëll als een der voornaam sten. Noch hij noch anderen zijn verontrust.
Toch zouden onze vaderen de verdrukking nog inniger hebben gehaat, indien zij alles geweten hadden. De politie bemoeide zich met alles, stelde in alles belang, ook in jonge meisjes, die fortuin hadden. De aanschrijving is sedert jaren gedrukt, waarbij de Commissaris-Generaal der politie te Rotterdam, de Marivault, inlichtingen vraagt omtrent het aankomend geslacht van beider kunne, ophelderingen omtrent ongehuwde erfdochters, haar rijkdom, haar verwachtingen, de richting van haar opvoeding, haar smaak, talenten, ouderdom, bevalligheden en zelfs haar misvormigheden; en evenzoo aangaande de jongelieden van goeden huize, hun leeftijd, gewoonten, denkbeelden, gestalte, geestvermogens en karakter. Doch ook in dit opzicht deelden de bewoners dezer landen slechts in het gemeene lot der keizerlijke onderdanen. De Vitrolles vertelt in zijn Memoires, hoe de prefect van zijn departement hein geluk wenschte, omdat hij ook zijne dochter op de lijst der huwbare jonge schoonen had gebracht. De naïveteit van zijn ambtenaarsziel liet niet anders dan verbazing toe, toen de vader over deze onderscheiding van zijn kind zich geërgerd, maar niet verrukt gevoelde.
Het bewustzijn, zoover de grenzen van het rijk reikten, in dit ééne opzicht deelgenooten te hebben, zou onze vaderen
429
DE FKANSCUE TIJD.
weinig vertroost hebben, want er was te veel, dat uitsluitend voor lien zwaar te dragen was.
De invoering van een nieuw bestuur en een nieuwe wetgeving , de druk van maatregelen, waardoor een despotisch bestuur den geest der bevolkingen zocht te beheerschen en personen te verlammen, ging gepaard met besluiten, die het eigen nationale leven des volks troffen. Hollanders, Gelder-schen. Friezen â de bewoners van deze departementen moesten ophouden het te zijn, zij moesten Franschen worden. De volkstaal werd in den politieken ban gedaan; nationale instellingen, met het geheele verleden nauw verbonden, werden aangetast.
Het is een wanhopige poging, aan een enkel persoon een anderen woordenschat op te leggen, waarin hij zijn gedachten vertolken moet, hem tot een andere woordenkeus of een andere spreekwijze te willen dwingen, dan eigen ontwikkeling en opvoeding hem aan de hand geven. Maar nog wanhopiger is het, een geheel volk te willen noodzaken, zich thuis te gevoelen in andere taalvormen, dan zijn geschiedenis en zijn karakter hem aan de hand geven. Had Napoleon zich er toe bepaald, het onderricht in de Fransche taal ook in de lagere school te gelasten, na verloop van jaren zouden gewoonte en belang de klove van taal, die het overheer-schend ras van het beheerschte scheidde, misschien aangevuld hebben. Maar de Nederlandsche taal werd als volkstaal eenvoudig uitgeschrapt. Elk officieel stuk, elke acte moest vertaald worden, om rechtsgeldigheid te hebben. Alle nieuwspapieren, waarvan er slechts één in ieder departement mocht zijn, en zelfs alle advertentiebladen moesten in het Fransch zoowel als in de volkstaal verschijnen. Zoo ver ging dit streven, om de taal der natie te verdringen, dat in sommige plaatsen zelfs du lijstjes der predikbeurten in de kerken moesten vertaald worden. De tijdgenooten vermaakten zich intusschen met de, volkomen natuurlijke, onwetendheid
430
DE FRANSCHE TIJD.
der hoogere Fransche ambtenaren ten opzichte der volkstaal. Het gevolg was gemakkelijk te voorzien. Men klemde zich ''ast aan de laatste als aan het palladium der vrijheid, en in tal van gezinnen, vooral der Oranjegezinden, waar het Fransch reeds in het dagehjksch leven zijne intrede had gedaan, werd het verbannen, omdat het do taal der over-heersehers was.
Men heeft Napoleon dikwerf den parvenu genoemd Door niets is die schimpnaam meer gerechtvaardigd, dan door de onstuimige drift, waarmede hij den natuurlijken loop der Æ ontwikkeling hoeft willen dwingen. Juist daardoor heeft hij' zijn wantrouwen in eigen kracht en in de duurzaamheid van zijn werk verraden. Hij kon niet wachten tot het zaad geji rijpt was. Wanneer men bedenkt, dat dit régime nauwelijk' 21/2 jaar deze landen heeft beheerscht, dan kan men een ge voel van verbazing niet bedwingen over die gejaagde onrust, die alles gelijktijdig ten onderste boven keert. Er is nooit een hervorming geslaagd, nooit iets blijvends tot stand gekomen, dat niet den tijd tot bondgenoot had. Maar deze man gunde zich geen tijd en verstoorde daarom met overhaaste hand, wat ongestoord tot bevrediging der bevolking had moeten voortbestaan en thans, door de aanranding, de gemoederen nog meer van hem vervreemdde. In den worstelstrijd mot Europa was het een volstrekt onverschillige zaak, of het hooger onderwijs in Nederland nog jaren lang op denzolfden voet geregeld bleef. Geen enkele overwinning op welken vijand ook werd verzekerd of verhaast door do roode toga's, die de Leidsche professoren in plaats van de zwarte moesten dragen, of door de verlaging der Utrechtsche hoogeschool tot eene école secondaire, welker wezen niemand scheen te kennen of te willen kennen. Maar de onderwerping van het Hooger Onderwijs hier te lande aan de bepalingen der Fransche Universiteit kwetste de gevoeligheid van zeer velen, wier invloed op hunne leerlingen eenvoudig
431
DE FRANSCHE TIJD.
niet na te gaan was, en de belangen van nog meerderen, die door deze of gene banden aan het Hooger Onderwijs waren verbonden. Er zijn in die jaren in menige collegekamer â men denke slechts aan Van Kampen, Van der Palm en anderen â woorden gesproken, die, zoo zij den geest van verbittering al niet wekten, het nationaal gevoel wakker hielden in een jeugdig geslacht, dat door leeftijd en eerzucht meer nog dan ouderen gevaar loopt, door de uiterlijke schittering van een heerschende macht to worden weggesleept.
In 1806 was een regeling van het lager onderwijs tot stand gekomen, die door Cuvier en Noel aan den keizer gunstig was aanbevolen. Daaraan was het te danken, dat de wet behouden bleef voor het uiterlijke, maar de handhaving bleef achterwege. De grootste willekeur greep op dit gebied plaats: de prefecten of de plaatselijke besturen stolden eenvoudig onderwijzers aan, zonder op eenige vereischten te letten. De tractementen der onderwijzers werden slecht of niet betaald. He.' onderwijs des volks werd een voorwerp van verwaarloozing der regeering. Dit deed de regeering veel schade in de waardeering des yolks.
In het Conapartistisch régime had de godsdienst slechts politieke betcekenis. Het streven, om de Roomsch-Katholieken tot vereeniging met de Jansenisten, de verschillende afdeelingen van het Protestantisme tot één te brengen, moest uit den aard der zaak tegenstand vinden en verbittering wekken, omdat deze hervormingen niet door de ontwikeling des volks werden geëischt en slechts de rust van het gewone leven verstoorden. De hand van den overheerscher dreef den ploeg door elk deel van den nationalen akker, en wekte onrust op over bet behoud van alles, waaraan men door routine en overtuiging, zeden en gewoonten gehecht was. Naarmate de noodzakelijkheid minder kon worden ingezien, om al het historisch gewordene zoo heftig aan te tasten, werd de wrok
432
DE FRA.NSCHE TIJD,
grooter, die de eischen van willekeur tot eischen van staatsbelang zag verheffen. Terwijl de belangen van het dijkwezen en van den waterstaat werden veronachtzaamd, moest de vrome gemeente zich in hare godsdienstoefeningen vereenigen met een voorgeschreven gebed voor den keizer, wiens bestuur â¢: uitsluitend gericht was op de instandhouding van zijne macht hier te lande en in Europa, maar die alles naliet en onderdrukte wat den materieelen bloei en de intellectueele ontwikkeling van ons volk kon bevorderen. Indien Napoleon de krachten van dit land tot bereiking van zijn doel had gebruikt, maar tevens alles had aangewend om het te ontwikkelen en, ook in de ongunstige positie waarin hij zich bevond, de nationale eigenaardigheden omzichtig had verschoond, men zou zijn bestuur wel niet liefgehad, maar het toch zonder dien wrokkenden haat hebben verdragen. Hij putte zoowel het ^ publiek als het privaat geduld en vertrouwen uit. Zijn be- ] stuur kwetste volkomen onnoodig duizende belangen, die | hadden kunnen ontzien worden. Hij vereenigde deze landen | â mot zijn rijk, maar.onthield hun de voorujelen der vereeniging.l Steeds wees de Fransche regeering op den naderenden vrede, maar zij deed niets, om de opofferingen, waartoe zij inmiddels verplichtte, draaglijk te maken. De nieuwe onderdanen werden niet gewonnen, niet verzoend met de inlijving, omdat zij de verecniging als de oorzaak van veel publiek en nog meer privaat lijden leerden beschouwen.
Deelneming aan het publieke leven, belangstelling in j publieke zaken is bij ons volk te allen tijde een zeldzaamheid 1 geweest. â I e heeren moeten het wetenquot;, was de gewone leer der brave vaderen, voor wie politiek een zaak was, waarvan ^ men een huivering had. Maar onder Napoleon leerde ieder, tot den poldi'ijongen toe, zich met de publieke zaak bemoeien en er belang in te stellen.
Nooit is ons volk in een school geweest â en in dit opzicht ware het te wenschen, dat die schooltijd nog iets langer ge-
28
433
DE FRANSCHE TIJD.
duurd en nog dieper indrukken nagelaten had â nooit is ons volk in een school geweest, waarin groot en klein zoo diep hebben gevoeld, hoe afhankelijk het persoonlijk wel en wee van algemeene landswetten, van een algemeene landsregeering zijn. Het bewustzijn is in die jaren in ons volk ingegrift, dat het individueel welzijn, de persoonlijke welvaart middellijk of onmiddellijk getroffen wordt door de beginselen, die in de wetten van een land heerschen, door de maatregelen, die daarin en vooral door den geest van de hoofden van staat worden voorgeschreven. De Geldersman zag niet meer naar Arnhem of naar Zutfen, om het welbehagen der Edelmogenden op te vangen; aller oogen waren op den éénen gericht, die over ieders lot individueel als over dat van volken beschikte. Zijn wil was het, dat men zijn pijp niet meer kon rooken, dan van slechte regie, of dat men zijn kop thee niet meer zou drinken in het land van Jan Compagnie. Zijn wil was het, die den mond sloot van mannen en vrouwen, vroeger gewoon naar hartelust zich uit te laten over de heeren in den Haag, maar nu bang om een enkele klacht te uiten over den man te Parijs.
Het is die druk op het private leven, op de individueele vrijheid en onafhankelijkheid, die den tegenstand onderhield, welken het Napoleontisch régime zocht te vernietigen. Had men zich bepaald bij de invoering der Fransche wetgeving en eenvoudig de schouders over de denkbeelden des volks opgehaald, zonder het te verbitteren door de dagelijksche kwelling van opgelegde ontberingen en noodelooze veranderingen, het zou hier gegaan zijn, zooals het steeds gaat. Zij, die niet getroffen werden, hadden met beroep op het goede, dat aangebracht werd, een regeeringspartij kunnen vormen. Maar zelfs de geheime voorstanders voelden zich machteloos om dit régime van verdrukking te verdedigen. Men kon niet beweren, dat hier het heil des volks de hoogste wet was, waarvoor alles bukte. Van Maanen en wie met hem tot de vrienden
434
DE FRANSCHE TIJD. 435
der Franschen werden gerekend, waren te voorzichtig en te eerlijk om te willen ontkennen, dat alles aan het belang van een enkel man werd opgeofferd en dat de tijd lang voorbij was, waarin Napoleon met recht als de redder der maatschappij werd geroemd. En beter dan de groote massa kenden zij de stemming der gemoederen, die niet alleen in Nederland en Europa, maar ook in Frankrijk zich togen den druk van aller dwingeland verhief.
In October 1812 had Napoleon zijn stouten tocht naar Rusland aangevangen. In December kwam hij als een vluchteling terug. In de sneeuwvelden van Rusland waren zijne legioenen bezweken.
Het geslacht, dat die dagen heeft beleefd, toen de eerste berichten zich verspreidden, is raeerendeels ten grave gedaald. Maar wy hebben het uit hun mond vernomen, hoe diep de indruk was, toen het eerste ongunstige bulletin de waarheid deed gissen. Het was de schemering van den morgen der vrijheid!
Maar daarom zou het nog niet spoedig dagen. Dat wisten allen, die op het vindingrijk genie des keizers hoopten en zij, die het duchtten. Hier te lande waren de rijen der laat-sten grooter dan die der eersten. Het is een stellig, schoon weinig bekend feit, dat onder de Franschen, die hoofdbetrekkingen bekleedden, zeer velen waren, voor wie de noodlottige berichten uit liusland geen redenen van droefheid waren. De admiraal Truquet werd in die dagen waargenomen met den glimlach van zelfvoldoening op 't gelaat. Het republikeinsche bloed kwam in beweging bij de nederlaag van den meester, die hen tot hovelingen, tot zijn ambtenaren had verlaagd. Niet de Hollanders alleen, ook de dienaren des keizers ^ smachtten naar zijn val.
Al was het Fransche bestuur in de eerste maanden van 1813 niet dikwerf door velen der Hollandsche ambtenaren met traagheid gediend, het zou in zedelijk vertrouwen op
DE FRANSCHE ÃUD.
eigen zaak niet de kracht tot verzet hebben gevonden. Het was de wil alleen van Napoleon, die hen voortdreef, om ook in die laatste maanden hunne heerschappij staande te houden. Met dezelfde spanning, die het volk, dat zij beheerschen moesten, vervulde, staarden zij de worsteling aan, die over het lot, niet van een enkel land, maar ook over het hunne moest beslissen.
«De Nederlandsche departementen zouden op den afloop geen invloed hebben. In het voorjaar van 1813 ontstonden op enkele plaatsen eenige onlusten, die zelfs den naam van opstanden niet verdienen. De onvoorzichtigen, die zich hadden laten medesleepen, boetten het vertrouwen op geheime aan-/ stokers zwaar. Er hadden eenige militaire terechtstellingen ' plaats. Is de hand der Oranjepartjj rein geweest van dat noodeloos gestorte bloed? Ik zou het niet durven verzekeren. Niet door een localen opstand, maar door de verheffing van de volken, onder de leiding van hun vorsten, werd het dwangjuk van Napoleon afgeworpen. Toen op het slagveld y van Leipzig zijne legers waren vernield, ontruimden de garnizoenen van Frankrijk deze landen of trokken hun zwakke krachten in enkele plaatsen terug.De Nederlandsche departementen zouden op den afloop geen invloed hebben. In het voorjaar van 1813 ontstonden op enkele plaatsen eenige onlusten, die zelfs den naam van opstanden niet verdienen. De onvoorzichtigen, die zich hadden laten medesleepen, boetten het vertrouwen op geheime aan-/ stokers zwaar. Er hadden eenige militaire terechtstellingen ' plaats. Is de hand der Oranjepartjj rein geweest van dat noodeloos gestorte bloed? Ik zou het niet durven verzekeren. Niet door een localen opstand, maar door de verheffing van de volken, onder de leiding van hun vorsten, werd het dwangjuk van Napoleon afgeworpen. Toen op het slagveld y van Leipzig zijne legers waren vernield, ontruimden de garnizoenen van Frankrijk deze landen of trokken hun zwakke krachten in enkele plaatsen terug.
IHet was in die oogenblikken, dat de zoogenaamde November-opstand uitbrak. De graaf Van Limburg Stirum, die het sein gaf, en Van Hogendorp en Van der Duyn, die zich eenige dagen later aan hem aansloten, verrichtten eene daad van Het was in die oogenblikken, dat de zoogenaamde November-opstand uitbrak. De graaf Van Limburg Stirum, die het sein gaf, en Van Hogendorp en Van der Duyn, die zich eenige dagen later aan hem aansloten, verrichtten eene daad van i moed. Al was de Fransche macht niet groot, zij was toch sterker dan die van den opstand. En het zedelijk overwicht, dat, zoo niet beginsel, dan routine geeft, was in de eerste dagen nog geheel aan de zijde des vijands. Hij was gewoon te heerschen en te overwinnen, de Hollanders waren slechts gewoon behcerscht te worden en overwonnen te zijn. De oude regenton, opgeroepen door Van Hogendorp, waagden het dan ook niet hom te steunen; zij zouden bereid zijn te oogsten, als anderen hadden gezaaid.
43G
DE FRANSCHE ÃIJD.
Maar het drietal, dat zich aan het hoofd van de natie plaatste, rekende op den steun der grooto mogendheden, die sedert jaren de onafhankelijkheid dezer landen als een hoofdvoorwaarde tot vrede hadden gesteld. Zij zouden thans ons volk niet aan zijn lot, aan de wraak van Frankrijk overlaten.
Het vertrouwen op Europa's hulp werd ten volle verwezenlijkt. Russen en Pruisen trokken eerlang deze gewesten binnen en dreven de willig aftrekkende Franschen voor zich heen. Maar meer dan dit deed de Engelsehe hulp en de Engelsche zorg. Zij verschafte aan den opstand haar leider, aan het volk een hoofd, dat zijne onafhankelijkheid en zelfstandigheid tegenover Europa van den eersten dag af vertegenwoordigde. Op den 30sten November 1813 landde te Scheveningen de Prins van Oranje, de zoon van den verdrevene in 1795. Met een Oranje aan de spits was de natie als vanzelf in de rij der volken hersteld. Tiaar oude plaats scheen zij opnieuw te zullen innemen.
Indien het geschied ware, het zou de scherpste veroordeeling van het Fransch bestuur in deze landen zijn geweest. Want het ware dan gebleken, hoe weinig het had uitgewerkt.
Maar het einde der overheersching was tevens het einde der revolutieperiode. De vrucht werd geoogst, die met zooveel vernedering en zooveel lijden was gezaaid. De Republiek der Yereenigde Nederlanden herleefde niet meer, zij behoorde voorgoed tot de geschiedenis. In haar plaats trad het Koninkrijk op. Dit is de groote dienst, dien de vreemde overheersching ons heeft bewe/en.
Wanneer wij naar de vaders dezer nieuwe stichting vragen, dan worden wij gewoonlijk verwezen naar de Europeesche diplomatie, wier wil eigenmachtig ook over deze landen beschikte eu ons volk zijn nieuwen staatsvorm aanwees. Bij de herziening van de kaart van Europa werd de vestiging van den monarchalen staatsvorm de voorwaarde voor de erkenning van 's lands onafhankelijkheid.
4:37
DE FKANSCHE TIJD.
Dit is do heerschende voorstelling, die tot op dezen dagvooral door buitenlandsche schrijvers wordt gehuldigd en als de eenig juiste aangeprezen.
Toch is zij volkomen onjuist. Zij miskent geheel den invloed van de Fransche overheersching der drie laatste jaren en het karakter der Kovemberbeweging.
In 1795 hadden de voorstanders van het oude stadhouderlijk bestuur zich morrende teruggetrokken. Hoe gering hun persoonlijke sympathie voor Willem V en de zijnen ook was, de gehechtheid aan den vorm der staatsinrichting, die hun in stad en gewest het bestuur van 's lands zaken verzekerde, was er niet door geschokt. Aan deze voorliefde bleven zij getrouw, wat er ook in de volgende jaren geschiedde. Toen in 1799 de inval der Engelschen hoop gaf op herstel van het Oranjehuis, schreef de laatste raadpensionaris eene ontwerp-constitutie, die in zeer weinig punten afweek van het vroeger bestaande en zelfs de erkende fouten en leemten dreigde te bestendigen. Hun haat togen de revolutie en het onvermogen der omwenteling om iets blijvends tot stand te brengen, sloten de oogen der gevallen partij voor de noodzakelijkheid, om den staat op nieuwe grondslagen te vestigen. Herstelling van het oude was en bleef de leus, de vereenigingsband van den nieuwen staat van zaken. De jammerlijke afhankelijkheid, waarin men bij toeneming van Frankrijk geraakte, deed met een soort van heimwee naar het verloren geluk terugzien, en zelfs in gelijkheid van namen een waarborg, hoe schamel ook, voor een betere toekomst vinden. Dat Schimmelpenninck den titel van Raadpensionaris koos, al had zijne macht niets gemeen met die van den vroegeren ambtenaar der Staten, is een merkwaardig bewijs van de gunst, waarin oude instellingen nog altijd bij velen stonden.
De mannen, die in November 1813 den moed hadden hun hoofd op het spel te zetten, waren allen leden der oude
438
DB FRANSCHE TIJD
Oranjepartij. Van het beroemde drietal was Hogendorp de eenige, die een staatkundige richting vertegenwoordigde. Hij dacht slechts aan een Stadhouder en aan eene herstellingi der oude aristocratie. Er werd in die dagen een proclamatie| verspreid, die spoedig daarna is verduisterd. Daarin wordt van Willem VI, den Stadhouder, gesproken. Om de geestdrift van het volk wakker te roepen, werd in Amsterdam en den Haag een geschrift aangeplakt, dat voor zijne donk-beelden en die zijner medestanders bij uitstek kenmerkend is. Daarin werden twee beloften gegeven: al de aanzienlijken komen in de regeering en het volk krijgt een vroolijken dag op gemeene kosten. Dat stuk was door Hogendorp zeiven gesteld, en werd door hem eigenhandig aan zijne vertrouwden te Amsterdam overgegeven, om allerwege te worden aangeplakt. Toen de Prins van Oranje in het land kwam, bood de staatsman hem een project-grondwet aan, waarin tal van instellingen van vroeger tijd, tot zelfs do ridderschappen toe, werden hersteld. De oude Oranjepartij, bij monde van haar eminent hoofd, stond terugkeer tot den ouden, gevallen staat van zaken voor.
Indien die inzichten niet hebben gezegevierd, wij hebben het hoofdzakelijk aan de drukkende Pranschc overheersching te danken. Zij had den nationalen bodem zoo volledig omgewoeld, dat de wortels der oude instellingen losgescheurd waren. Gelijkheid voor de wet en toegankelijkheid van alle betrekkingen voor allen, was een eisch der revolutie geweest. Napoleon had aan dien eisch voldaan, hoeveel hij ook schond. Hard en willekeurig was zijn bestuur geweest, maar de traditie der oude staten was voorgoed verstoord. Tot trouw, tot stipte gehoorzaamheid had hij de ambtenaren gedwongen. Van bevoorrechting op grond van titels, was geen sprake geweest. Onkundigen of oneerlijken waren verjaagd, ieder ondergeschikte had aan de bevelen van hooger hand leeren gehoorzamen. Het gezond verstand der ontwikkelden erkende
439
DE FRAXSCHE TIJD.
die voordeelen; zij waren niet genegen ze prijs te geven, om in het oude warnet van geprivilegiëerde standen terug te keeren. En er was een partij, die, al had zij in de geestdrift van het oogenblik de meerderheid niet, de noodzakelijkheid van een monarchaal gezag te diep gevoelde, om met een machteloozen stadhouder tevreden te zijn en onder het juk van een willekeurige regenten-oligarchie terug te keeren.
Het is de onsterfelijke verdienste van Johan Melchior Kemper, dat hij den moed gehad heeft, eigenmachtig in de eerste oogenblikken in te grijpen. Nog vóór de optreding van het driemanschap in den Haag had hij Hogendorp pogen te overtuigen, dat eene restauratie, eene herstelling van de staatsregeling van vóór 1795 eene onmogelijkheid was. Slechts ten deelo was hij geslaagd. Toen hij als Commissaris-Generaal van het Algemeen Bestuur was opgetreden, tastte hij door en kondigde, met Fannius Scholten en Van der Duyn, den eersten December eene proclamatie te Amsterdam af, waarin hij Willem den Eerste als Souverein Vorst van het vrije Nederland uitriep. Het was een zeldzaam stoutmoedige daad, waarvan de beteekenis niet te hoog kan worden geschat. Do Erfstadhouder van de zeven souvereine gewesten ging in het late avonduur van don eersten dag der Wintermaand, toen Kemper aan enkele hoorders van de trappen van het Amsterdamsch Stadhuis zijne proclamatie voorlas, voor altijd onder. Willem YI werd Willem I.
De Prins van Oranje was uit Engeland gekomen in de stellige verwachting, dat hij geen hooger macht dan zijne voorvaderen zou verkrijgen. Hij schrikte aanvankelijk voorde souvereiniteit terug; er waren in zijne omgeving die hem tot weigering zochten over te halen. Maar aan Kemper mocht het gelukken, hem te overtuigen, dat aanneming de eenige weg wras om de herleving en den strijd der oude partijen te voorkomen.
Volkomen te recht; want slechts onder een monarchaal be-
440
DE FKANSCHE ÃIJD.
stuur, dat herleving der oude misbruiken onmogelijk maakte, konden de vijanden der oude constitutie zich verzoenen met het Oranjehuis. Het was de verwezenlijking van hun eigen ideaal, dat zij herhaaldelijk, in 1786, en nog in 1791, hadden voorgestaan. Vergeten en verzoenen â was de belofte dei-restauratie, die zij slechts vervullen kon door allen om zich te vereenigen. De vorst uit het huis van Oranje hield op het hoofd van een partij te zijn, om het hoofd van den staat te worden. Eenheid van wetgeving, eenheid van bestuur was slechts mogelijk onder een monarch, den vertegenwoordiger der staatseenlieid. De revolutie heeft haar vrucht gedragen door de vestiging van een koninkrijk.
Met het optreden van Willem I vangt de nieuwe ge schiedenis van ons volk aan. Zijn regeering behoort nog niet tot de verleden tijden, waarover het mogelijk is een juist en billijk oordeel te vellen. Wij leven nog onder de naweeën ervan, ook onder de indrukken, die het wisselend oordeel der tijdgenooten heeft nagelaten. Zelden is een vorst hooger verheven en dieper beschimpt dan hij. De Salomo van Europa, zooals hjj in de eerste jaren werd genoemd, is in het graf gezonken met smaad overladen. De schuld ligt niet alleen bij hem, maar bij de natie zelve. Met do herstelling der onafhankelijkheid had zij hare belangstelling aan het publieke leven onttrokken en was in zorg voor hot dageljjksch bestaan ondergegaan. Geen krachtige publieke geest had do regeering ter zijde gestaan als een waarschuwende gids. In dit opzicht had de bange periode der afhankelijkheid van Frankrijk haar blijvende werking gemist.
In de revolutieperiode en onder het keizerrijk was het staatsleven van ons volk aan zjjn eigen bekrompenheid ontrukt en de band met de algemeene Europeesche ontwikkeling door dwang en met geweld tot bewustzijn gebracht. Met het herstel der onafhankelijkheid sloot men de oogen voor dien invloed
441
DE FEANSCHE TIJD.
442
der samenleving met andere volken en keerde men terug tot het stille, provincialistisch leven der oude Republiek, die niets gemeen wilde hebben met de algemeene ontwikkeling van Europa. Welke de vruchten zijn geweest en hoe bang het ontwaken was uit den zoeten droom der nationale zelf-genoegzaamho' , zal de geschiedschrijver der eeuw, zoo niet ons, da nzen kinderen verhalen.
VERBETERINGEN.
|
Blz. 9, 9, r. 20 quot; // staat lees: 12, r. 19 quot; quot; staat: lees: 14, r. 11 quot; 1 staat: lees: 54, r. 11 quot; quot; staat: lees: 60, r. 12 quot; quot; staat: lees: 64, r. 12 quot; « staat: lees: 04, r. 20 quot; quot; staat lees: 117, r. 6 quot; '/ staat: lees: 172 , r. 8 van onderen staat: lees: 304, r. 5 van boven staat: lees: 307, r. 6 van onderen staat: lees: 313, r. 12 '/ // staat: lees: 326, r. 6 van boven staat : lees : r. 12 van boven st^at; .j ; r. 20 -r. 19 quot; |
deze provinciën, de zeeprovineiën. landsleger, landleger. krijswezen, krijgswezen. in vermogen, door vermogen. gebeurtenissen â deden, ontwikkeling der gebeurtenissen â deed. in den Haag, op Teylingen in den Haag. taarten, toosten. een waardig verblijf, een haar waardig verblijf. intieme, interne. den kroonprins van Pruisen, den kroonprins van Pruisen, later Frederik Willem I. denken, danken. gevangenissen, staats-ge/angenissen. verteerende, verteederende. gestalte, geste. |
1
'vW^gyVvvw--