ocr page 1
ocr page 2

S. oct

4718

ocr page 3

■ ■ : ',v

i

Efif

is®

m

*i/i : -

••X

' ■ H

I

gt;;

f ■1

( ■■

li

i

1

w

-

/

■ • -cm i

■' I

I

ocr page 4

1

m

:

mi

' ^ 4.~''j

■M

I

■

*0- .' ■

■

ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

ïsAGELATKN DOOK

D.u THEOD. JOUISSEN,

in love Tl H oo k 1 ** c* ï* tt cv r te in s 11* i* cl m m.

|

J.

NIEUWE BUNDEL.

ocr page 8

Gedrukt bij Ruijgkor amp; Co. — Haarlem.

ocr page 9

INHOUD.1

I. DE OVERGANG VAN HENDRIK IV (1875)................... '1

IT. EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT (187i).................... 95

III. JOIIAN DE WITT (1881)...............................

IV. DE ZEESLAG RIJ KIJKDUIN (1857)....................... 143

V. HOE FRANQOISE D'AUBIGNÉ MADAME DE MAINTENON WERD (188(V) UK!,

VI. HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER (1870)..... 210

VII. HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN (188t2)...................201

VIII. DOGGERSBANK (1881),................................'-^5

IX. MARIA ANTOINETTE (1882)..............................:'05

1 De cijfers, achter de onderwerpen geplaatst, duiden de jaartallen van de vervaardiying der opstellen aan.

ocr page 10
ocr page 11

I

OVERGANG VAN HENDRIK IV.

11.

ocr page 12
ocr page 13

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

„Zou het een doodzonde voor een geestelijke zijn, een tiran te venfioorden ?quot; vroeg in Juli 1589 een jonge Dominikaner monnik aan zijne superieuren. „Neenquot;, was het antwoord, „geen doodzonde. Slechts een onregelmatigheid.quot;

Jacques Clement was gerustgesteld. Ma zich door vasten en het genot der sacramenten te hebben gesterkt, verliet hij het belegerde Parijs, om den tiran, Hendrik III, koning van Frankrijk, te treffen. Den 1steu Augustus werd hij te St. CloudJ,ot hem toegelaten en trol' hij hem doodelijk met zijn mes. Vier-en-twintig uur later had Hendrik III, de laatste der Valois, opgehouden te leven.

Zelden miste een politieke moord zoo volkomen het beoogde doel, als deze. In de plaats van den katholieken Hendrik lil besteeg de protestantsche koning van Bearn, Hendrik IV, den troon. En het was juist om dezen te weren, dat de geloovige bevolking van Parijs blindelings de raadgevingen van hare geestelijke en politieke leiders had opgevolgd.

Sedert de eerste dagen der Hervorming hadden de meeningen der Protestanten in Frankrijk bijval gevonden. Door verschillende omstandigheden begunstigd, hadden de voorstandei's der nieuwe leer hun getal en invloed zien toenemen, totdat-het fanatisme van vreemde, van Lotharingsche prinsen, het sein lot

ocr page 14

DË OVERGANG VAN UËNDRlR IV.

tKgt;

burgeroorlogen gal', die gedurende veertig jaar aan de natie op 'l verlies van haar beste krachten, haar uitnemendste zonen en de algemeene welvaart zouden te staan komen. Bevreesd voor den overmoed der machtige Guise's, had Catiiarina de Medicis, de Italiaansche leerlinge van Machiavelli, hare zonen, die achtereenvolgens den troon bestegen, de redding van hun kroon leeren zoeken in het heerschen door te verdeelen. Als iedere politiek, die niet in beginselen, maar in het buigen naar de omstandigheden haar kracht zoekt, had ook deze staatkunde gefaald. Niet de Guise's, maar het koninklijk huis was door den bloedstroom van den Bartholomeusnacht geschandvlekt. Niet de Guise's, maar de Valois hadden ieder jaar hun macht zien verminderen , hun aanzien zien dalen, hoe gewillig of onwillig zij zich ook hadden geleend, om de werktuigen van een fanatisme te zijn, dat zij niet deelden, liet Protestantisme was staande gebleven, te zwak om te overwinnen, maar te krachtig om vernietigd te worden. Aan de politiek van Gatharina werd door de verbondenen der Ligue die uitkomst geweten, en de beklagenswaardige vrouw zag haar laatste levensjaren verbitterd door het vooruitzicht, dat de jongste en meest geliefde harer zonen met kaalgeschoren kruin in een klooster vvierd gestoken, om plaats te maken voor het hoofd van het vreemde vorstenhuis, dat op de puinhoopen van Frankrijks vrede zich een troon had gebouwd. liet ondankbare Parijs verjoeg, in de beruchte Jour-née des Barricades, Hendrik III, aan wien het voor zijn bloei en ontwikkeling de grootste verplichting had. Slechts door een tweetal moorden voorkwam de ongelukkige en zwakke vorst het hem dreigend lot: de beide Guise's, de hertog en de kardinaal, vielen onder de zwaarden zijner dienaren. „Nous ne sommes plus deux! je suis roi maintenant!quot; had hij uitgeroepen, toen hij het bebloede lijk van zijn gevaarlijksten tegenstander voor zijne voeten zag uitgestrekt. Doch hij had zich vergist. De paus had hem tot verantwoording gedaagd, en de Ligue door geheel Frankrijk zich tegen hem verheven. Slechts dat

L

ocr page 15

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV. O

deel van den katholieken adel, dat het land niet aan de Ligue noch'aan Spanje wilde prijs geven, had zich om hem geschaard. Doch zij waren niet talrijk of krachtig genoeg, om hem de onderwerping der rebellen, die, in het oproerige Parijs Imn hoofdzetel hadden, te verzekeren. Hij had de ondersteuning van anderen, van oude tegenstanders moeten aannemen. De koning i van Frankrijk, die als hertog van Anjou het bloedbad van 24 Augustus '1572 had georganiseerd, had zich met de zonen van zijne slachtoffers in dien vreeselijken nacht moeten verbinden, om door hunne hulp zijn wankelende kroon te redden. Doch, schoon de Protestanten vergaven, de Nemesis der historie niet. Den ketter van Navarre mocht Hendrik 111 voeren tot voor de poorten van Parijs, maar zelf zou hij die stad, die hij lief had als den appel zijner oogen, niet meer binnentreden. Den 305ten Juli kwam hij met zijn bondgenoot voor Parijs aan: den 2lt;ien Augustus was hij niet meer. Hij had zijn opvolger naar zijn hoofdstad geleid. „Ik bid uquot; — sprak hij stervende tot de edelen, die zijn bed omringden — „ik bid u als mijne vrienden, en gelast u als koning, om mijn broeder, die daar staat, na mijn dood te erkennen: doet hem den eed in mijn tegenwoordigheidquot;.

De eed was afgelegd. Zou hij gehouden worden'?

Het oogenblik, waarop Hendrik van Navarre den Franschen troon besteeg, was ernstig.

Het leger, waarover hij, bij den dood des konings, bevel voerde, bestond uit twee deelen, zijn eigen protestantsche benden, met hem te Meudon gecampeerd, en de Katholieken, wier hoofdkwartier te St. Cloud 1 was gevestigd. De eersten erkenden hem gewillig, de laatsten aarzelden.

Aan de roepstem van Hendrik III hadden zij gehoor gegeven, uit afkeer van de Ligue. Laat ons zien wat zij tegen haar hadden.

Het beruchte verbond, door de Guise's tot verbinding van

ocr page 16

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

hun aanhang in 't leven geroepen, had oorspronkelijk een streng godsdienstig karakter gedragen. Vernietiging der ketterij in Frankrijk was de leus der vereeniging geweest en heette ware nog altijd het doel. Maar sedert lang, zoo ooit, was dit noch geiijl het eenige noch het hoofddoel meer. De macht, die de Ligue Hi hem ter beschikking stelde, had in haar hoofd, den hertog nen de Guise, het eerzuchtige plan doen ontwaken, om den ge- Clou minachten Hendrik III op zijde te schuiven, en in zijne plaats den als koning van Frankrijk de ketterij te vernielen. Betaald door nem Philips II hoopte hij met Spaansche hulp zijn doel te bereiken. Lig' en aarzelde dan ook niet tegen zijn land en koning met den vijand van beiden saam te zweren.

Gelijk de Guise naar den troon van Frankrijk, strekten de gouverneurs der provinciën, de bevelhebbers in steden en vestingen naar een geheele onafhankelijkheid van het monarchaal gezag de hand uit. De zelfstandigheid, die in menig oogen-blik der burgeroorlogen de verwikkeling der omstandigheden hun had geschonken, zochten zij niet alleen te bestendigen,

maar ook erfelijk te maken. De eenheid des rijks werd door de herleving der oude feodale eischen ernstig bedreigd. De roofvogels vergaderden zich, om de monarchale autoriteit, die zij voor goed gevallen achtten, te verdeelen.

Krachtige bondgenooten en werktuigen waren de geloovige tiers état en het onkundig gemeen, beide door fanatieke priesters , in dienst, der Ligue, voortdurend geprikkeld en opgehitst.

Toen in het begin van 1587 Duitsche troepen den Franschen bodem betraden, had de Ligue in Parijs een besluit genomen, dat, elders nagevolgd, een geweldige kracht tot hare beschikking stelde. Om de katholieke Prinsen te ondersteunen tegen den ketter, werd er in de steden van haar aanhang een raad benoemd, om de katholieke belangen te verdedigen en te handhaven. Een algemeene raad, uil vertegenwoordigers dezer willekeurige besturen bestaande, kwam te Parijs bijeen, om het krachtige en gewillige werktuig van de bedoelingen barer

(1

ocr page 17

ÜE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

liool'den te zijn2. Voor dit. demociatisch schrikbewind der Ligue beschermde geen stand en geen verdienste. Als ieder terrorisme waren de Liguisten niveleerende, in naam van den godsdienst, [gelijk de niveleurs van 1793 in naam van het volksbelang.

Het was dit democratisch element in de Ligue en de plannen der Guises, die de katholieke edelen Hendrik III naar St. Cloud hadden doen volgen. Voor den wettigen koning tegen den Spaanschen invloed streden zij. De erfelijkheid der gouvernementen en der militaire posten lachte hun evenzeer als de Liguisten aan. Maar zij wilden het volk een dergelijken onwettigen | invloed op de regeering niet toekennen, volkomen overtuigd, dat hel slechts te hunnen koste kon geschieden. Hun monarchaal gevoel duldde het niet, den wettigen koning al'te vallen, en de kroon van Frankrijk aan de Guise, den huurling van Philips II, over te reiken. Met Hendrik III hadden zij gehoopt de Ligue, die het land aan Spanje verried, te onderdrukken en in zijnen naam, na rijke belooningen, te heerschen. Niet vervolgziek, ofschoon niet verdraagzaam uit overtuiging, hadden zij den Bearner en zijn leger slechts als een bondgenoot beschouwd, die, na gediend te hebben, naar huis werd gezonden en met een paar kleine concessiën tevreden gesteld. Doch zie, — het mes met het zwarte heft van Jacques Clement, dat den levensdraad huns konings zoo plotseling had afgesneden, had tevens aan die rustige verwachtingen een einde gemaakt. Niet over het verdeelen van den behaalden buit gold het thans te spreken. Niet met den wettigen koning Hendrik III, maar met den pretendent Hendrik IV hadden zij thans te doen.

De pretendent .... wien zij trouw hadden gezworen, op last en bij het bed van den stervenden voorganger! Slechts weinige minuten, nadat deze den adem had uitgeblazen, was reeds de eed vergeten, en als ware hij nooit afgelegd, stelden zij zich de vraag: zouden zij Navarre erkennen?

In de conferentiën, op den sterfdag des konings en den volgenden morgen gehouden, werd warm gedebateerd. Velen zei-

7

ocr page 18

DE OVERGANG VAK HENDRIK IV.

den neen, omdat de Bearner een ketter; meerderen zeiden ja, omdat hij de naaste prins van den bloede en een ridderlijk koning was; de meesten beslisten bevestigend, mits men waarborgen van hem ontving voor den godsdienst van het meeren-deel der natie.

De uitkomst kon moeilijk anders zijn. Wat bleef dezen grooten over, zoo zij Navarre verstieten? De gunst, neen — de genade van Mayenne, den dikken Mayenne, die zijn broeder, Hendrik de Guise, aan 't hoofd der Ligue was opgevolgd. De genade van een Mayenne, wien ieder hunner, Epernon, Conti, Montpensier enz. zijn gelijke, zoo al niet zijn mindere achtte. Wie hunner wilde voor hem zich vernederen?

En zoo al voor hem, geen dezer fiere edelen kon er anders dan met afschuw aan denken, om zich voor een hoop gemeen, als de Conseil des Seize of de Gonseil des Quarante, te buigen. Parijs en de Ligue waren oproerig verklaard tegen Hendrik-III: zouden zij de hand van den rebel kussen, nu hij daarbij de moordenaar van hun vorst was geworden?

Wie, bovendien, waarborgde aan de Ligue de overwinning? De koning van Navarre mocht een ketter zijn, hij had in menigen veldtocht getoond, dat hij in krijgsbeleid en veldsheersgaven voor geen zijner tegenstanders onderdeed. Zou hij, die, souve-rein van een kleinen staat, de zooveel grooter macht van het katholieke Frankrijk had in evenwicht gehouden, thans, nu hij den titel van koning van Frankrijk kon doen gelden, voor de verdeelde krachten zijner tegenstanders bezwijken? Het was niet te verwachten en zelfs niet te hopen. Willens of onwillens waren de vijanden der Ligue verplicht te erkennen, dat liet koningschap van Hendrik IV het eenige redmiddel van Frank-rijks onafhankelijkheid was. De ketter representeerde het principe van nationale zelfstandigheid en eenheid tegenover den vreemdeling.

Het ware waardig geweest, zoo de katholieke grooten van Hendrik III, gelijk eenigen hunner wilden, aanstonds zonder

8

ocr page 19

TIE OVERGANtj VAN HENDRIK IV.

beding: den Bearner hadden erkend. Vrees voor hun godsdienst kon niet in ernst bestaan. Hendrik van Navarre, die zelf,schoon gedwongen, eenige jaren katholiek was geweest, had nooit na zijn terugkeer tot het Protestantisme de volgelingen van Rome vervolgd. In Guienne had hij ze zelfs nevens Protestanten in den raad der provincie gesteld. Op de jongste politieke vergadering der Hervormden te la Rochelle was hem uitdrukkelijk door zijn geloofsgenooten verweten, dat hij zijn katholieke edellieden begunstigde ten nadeele der Hugenoten, die hun bloed voor de goede zaak vergoten. Gedurende de zeventien jaar, dat hij in Navarre en in zijne andere erflanden had geregeerd , hadden zijn katholieke onderdanen vrijheid van godsdienst genoten.

Desniettemin wilde de meerderheid van geen onvoorwaardelijke erkenning weteu. Een hunner, Francois d'0, een geminachte mismon van den gestorven vorst, bracht in haar naam aan Hendrik van Navarre den voorslag over, dat hij met het koninkrijk den godsdienst van de meerderheid des volks zou aannemen. Met waardigheid verwierp de Bearner den eisch. Hij had nauw de eerste trappen van den troon bestegen; hoe kon men van een man, wiens overtuiging men vreesde, zulk een plotselinge verandering van geloof verwachten?

Zij was niet verwacht. Geen de r grooten, die den onmid-delijken overgang vorderden, hadjefraan Hendrik's bereidwilligheid geloofd. De religie was een voorwendsel, een dekmantel voor eigenbatige bedoelingen. Wat Biron in deze dagen van overweging aan een van Hendrik's vrienden bekende, was niet maar zijn persoonlijke meening, doch aller denkbeeld. „Si avant d'avoir assuré nos affaires avec le Roi de Navarre, nous éta-blissons entièrement les siennes, il ne nous connaitra plus, il ne se souciera plus de nous: le jour est venu pour faire nos affaires; si nous en perdrons l'occasion, nous ne la recouvrerons jamais, et le repentir nous en demeurera toute notre vie.quot; Voor dit berouw is geen aanleiding geweest: want zij behartigden

9

ocr page 20

DK OVKHGANÜ VAN HEINDRIK IV.

Imnne belangen op uitstekende wijs. De gunstelingen van Hen-iliik 111 verzekerden zich liet rustig bezit van hunne voor-deelige posten en ambten. Alle betrekkingen in de steden, die op de Ligue veroverd zouden worden, moesten in de eerste zes maanden aan de Katholieken worden geschonken:i. Aan de Protestanten gaf de Declaratie van St. Cloud slechts de bevestiging van de artikelen, in April II. tusschen de beide Hendriken vastgesteld. De koning belooltle, gelijk hij vroeger bij herhaling had gezegd, dat hij zich onderwerpen zou aan de uitspraken van een vrij algemeen of nationaal concilie. Binnen zes maanden, werd er ditmaal bijgevoegd, zou hij het samen-roepen. Tegen dergelijke toezeggingen — de belolle, dat liij den katholieken godsdienst zou handhaven verdient ternauwernood vermelding, omdat zij vanzelf spreekt — erkenden de „princes du sang et autres dues, pairs et officiers de la couronne, seigneurs, gentilshommes et autres soussignésquot; hem, „Henri quatrième, pour notre roi et prince naturel selon les lois fon-damentales de ce royaumequot;: en beloofden hem ,,toute l'assis-tance qu'il nous sera possible pour faire justice de l'énorme mechnnceté commise en la personne du feu roi, et pour chasser et exterminer les rebelles et ennemis que veulent usurper eet état.quot;

Wat Hendrik IV heeft bewogen, om tot dit verdrag toe te treden, is niet moeielijk te gissen. Er was hem alles aan gelegen, dat hij onmiddellijk na den dood zijns voorgangers door diens aanhangers werd erkend. Zijne aanspraken als naaste prins van den bloede , zijne rechten op den troon van Frankrijk waren door Hendrik 111 herhaaldelijk uitgesproken. Welk een indruk zou het maken, als diens dienaren weigerden hem te erkennen en hem voor de poorten van Parijs met zijn protestantsche volgelingen, als een pretendent naai- de kroon, wiens rechten twijfelachtig waren, verlieten? Dit te voorkomen, was eenige opoffering waard. En de prijs, dien hij betaalde, was niet hoog. Het contract, dat bij teekende, schonk hem de volstrekte erkenning van zijn koninklijke waardigheid, terwijl de ongunstige

10

ocr page 21

UK OVERGANO VAN IIUNDRIK IV.

bepalingen aangaande den godsdienst, die hem en zijne medeprotestanten troffen, slechts van tijdelijke gelding waren. De hoofdzaak, als koning van Frankrijk door de hoofden der anli-liguistische partij erkend te zijn, was gewonnen. Aanstonds echter bleek het, dat deze winst, hoe groot ook, de eenige was, die de Declaratie van St. Cloud hem vooreerst zou leveren. Wel verre van , hun woord getrouw, met alle kracht den nieuwen Koning te steunen tegen de rebellen, verlieten velen hem, om in hun gouvernementen en steden zich te versterken. De naderende worsteling tusschen de Ligue en Hendrik IV zou hun bijstand van nog hooger waarde maken.

Binnen weinige dagen was hel leger van Hendrik lot op de helft samengesmolten. Yan de veertig duizend, die op i Augustus onder de beide vorsten waren vereenigd, was een week later slechts de helft over. Nevens de katholieke edelen, als Epernon, die in troebel water hoopte te visschen, waren hel overloopers tot de Ligue en Protestanten, afgemat door hetgeen zij geleden hadden en ontevreden over de bepalingen, door Hen-diik goedgekeurd, die hem verlieten. Hel beleg van Parijs moest opgeheven worden. Dooi' de vermindering dei' troepen, hel gebrek aan geld en aan krijgsvoorraad kon aan geen voortzelling worden gedacht.

Als in liet kamp der Joden na den moord van Holofernes, verhief zich in hel belegerde Parijs een gejuich, toen de dood van Hendrik III werd vernomen en de bevolking den ketler-schen Bearner zijn kamp zag opbreken. De verslagenheid, die vóór weinige dagen algemeen in de oproerige hoofdstad had geheerscht, maakte voor de grootste opgewondenheid plaats. De ontwijfelbare tusscheukomsl des hemels ten gunste van hel dooi' de Ligue verdedigd geloof ontstak de gemoederen van vreesaclitigen en lauwen met nieuwe geestdrift. De monniken en priesters, die van hunne kansels lol vorstenmoord hadden aangemaand, wezen op de uitkomst als op de vervulling hunner

11

ocr page 22

Dli OVIiriGANG VAN HENDRIK IV.

profetieën en wekten door nieuwe voorspellingen aangaande den ondergang van den Bearner, die aanstaande was, de bevolking tot deelneming aan den strijd op. Zij, die nog gisteren en eergisteren, toen de twee koningen te St. Cloud en te Meudon waren gelegerd, geen moed hadden gevoeld de wapenen op te nemen, lieten zich thans gewillig voor den opvolger van Hendrik Il[ aanwerven.

Want ook de Ligue had een opvolger voor den laatsten Valois in gereedheid. Het was de oude kardinaal de Bourbon '*, een gevangene van Hendrik IV, die door haar onder den naam van Karei X werd uitgeroepen. De hertog de Mayenne, die liefst zelf den opengevallen troon had bestegen, maar wegens den tegenstand der Spaansche partij moest toegeven, stelde zich voorloopig met de macht tevreden, die de titel: luitenant-generaal van Frankrijk en de krijg zelf hem schenken zouden. Zoo het geluk hem slechts volgde en hij den ketterschen koning versloeg, de kroon van Frankrijk zou hem na den dood van den ouden Karei X niet ontgaan. Van den uitslag der worsteling hing alles af. De kroon van Frankrijk was de prijs van den strijd.

Maar zou het geluk Mayenne volgen? Hij twijfelde niet. Gevoelende, dat het thans een beslissing gold, spande de Ligue al hare krachten in. Uit alle deelen des lands voerde zij hare volgelingen aan en na weinige weken stond Mayenne aan het hoofd van een 2U a 25000 man. In Parijs heerschte onbepaald vertrouwen op den uitslag. In de straten, die naar de Bastille leidden, werden reeds nu — September 1589 — kamers verhuurd, om het vervoer van den eerlang te vangen en te boeien Bearner te aanschouwen. Mayenne zelf gaf zijn verwachting te kennen, dat hij Hendrik IV, die naar Normandië was getrokken, in Dieppe zou opsluiten en dwingen naar Engeland of naar la Roebelle te vluchten.

Hoe veel grootspraak er in die woorden ook was, wie de krachten der strijders vergeleek, voorspelde weinig goeds aan den „Koning der Hugenotenquot;. Het leger, waarmede hij bij

12

ocr page 23

DE OVERGANG VAN llENüllllv IV.

Dieppe en Arques den veldheer der Ligue opwaclitte, bedroeg nauwelijks een derde deel van dat des vijands. Wel had Hendrik zijn doel bereikt en de zeesteden in Bretagne en Nonnandië voor zich gewonnen, zoodat de naderende hulptroepen van Elisabeth van Engeland konden landen, maar de naderenden waren er niet toen de strijd aanving, en kwamen niet aan, dan nadat de kamp bij Arques genoegzaam beslist was. Toch wankelde noch weifelde zijn moed. Bij een verkenning van den vijand werd een liguïst, de sieur le Belin, gevangen5. Voor Hendrik geleid, zeide hij tot hem: „binnen twee uur zullen u 4ÜOOO man, voetknechten en paardenvolk aanvallen; ik zie hier geen getal troepen, voldoende om tegenstand te biedenquot;. — „Yous ne les voyez pas toutes, ;V1. de Belinquot;, — was het koele en waardige antwoord — „car vous n'y contes pas üieu ny le bon droit qui m'assistent.quot;

„Dieu et mon droit.quot; Deze bondgenooten waren sterker dan de duizenden van Mayenne. De moreele kracht was aan de zijde van den ketterschen Koning, die de eer. de eenheid, de onafhankelijkheid van Frankrijk verdedigde tegen de huurlingen van Philips II. liet zwakkere leger van Hendrik bood hardnekkig tegenstand aan de overmacht der Ligue: na tien dagen van gedurigen aanval tegen Dieppe en het kasteel d'Arques moest Mayenne het beleg opbreken. Beeds dadelijk, toen een eerste aanval niet slaagde, was ontmoediging op de overprikkelde geestdrift opgevolgd. Thans, nu het slagveld werd verlaten, was het onmogelijk, de verslagenen bijeen te houden. Als voor een paar maanden het leger van Hendrik IV, liep nu dat der Ligue uiteen. Het kerkgeloof bleek een zwakke band, waar het succes ontbrak.

Overweldigend was de indruk van dezen korten maar veel-beteekenenden veldtocht. Het koningschap van den Navarrer bleek kracht te hebben, en dit schonk aanhangers, liet buitenland gaf het voorbeeld. Een katholieke staat, Venetie, erkende openlijk Hendrik van Navarre als Koning van Frankrijk. Niet

13

ocr page 24

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

met Karei X o[ mei Mayenne, maar met Hendrik hernieuwde de Zwitsersclie confederatie liet oude verbond, dat er tusschen haar en de Fransche koningen bestond. Bij de natie zelve begon het aanzien en het ontzag voor de Ligue te wankelen. Toen de koning in den nacht van 21/22 November, bij het flikkeren dei-flambouwen, Tours binnenreed, stonden twee kardinalen dei-heilige Roomsche kerk den ketter op te wachten. Van de honderd Fransche bisschoppen waren er geen tien meer. die de Ligue openlijk durfden verdedigen. In alle provinciën verhieven zich de aanhangers van het monarchaal gezag, en verzekeringen van onderwerping, betuigingen van aansluiting volgden elkander op. Slechts een viertal provinciën volhardden ook nu nog in de onzijdige houding, die zij in het begin van Augustus hadden aangenomen. Alle overige kozen voor ol tegen den koning partij.

Uit Normandië had Hendrik IV den strijd naar het midden des lands, naar Maine en Anjou overgebracht. In den boezem van zijn tegenpartij had de nederlaag bij Arques de grootste verdeeldheid gewekt. Met moeite hield Mayenne zich staande legen de liguïstische aanhangers van Philips II, die hun meester het protectoraat over Frankrijk wilden opdragen. Uit haar midden zelf gingen stemmen op, die de erkenning van Hendrik, zoo hij maar de ketterij afzwoer, als mogelijk steldenquot;. Slechts door een coup d'état, waarbij hij de afgevaardigden der steden van allen invloed beroofde, wist Mayenne het bestuur der Unie in handen te houden. Doch om het voortdurend te behouden, was meer noodig. Hij moest zijn onmisbaarheid en zijn goed recht, om aan haar hoofd te blijven, door zijn diensten en zijn overwinningen bewijzen.

Doch het gelukte hem niet. De Bearner breidde zijn gezag uit, veroverde steden en, wat het ergste was, won de harten. De Ligue dreigde te bezwijken. Door den Spaanschen koning, die hem wel zwak maar niet verslagen wenschte, met eenige troepen ondersteund, waagde Mayenne het in Maart 1590, een slag aan Hendrik aan te bieden.

14

ocr page 25

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV

,..\Ica compagnons, Dieu est pour nous! Voici ses ennemis el les nótres! Voici vótre roi! A eux! Si vos perdes vous cor-nettes, ralliez-vous a mon panaclie blanc: vous Ie Irouverez an cliemin de la victoire et de l'lionneurquot;. Met die bezielende woorden wees Hendrik zijne edelen den weg op liet slagveld van Ivry. Voor hem was liet een godsoordeel, dat hier geveld zou worden. De gloed zijner overtuiging deelde zich aan zijn jeger mede, en schonk hem, toen de nederlaag zeker scheen, de overwinning. Roerend en schoon zijn de woorden, waarmede hij, nog op het slagveld, aan den hertog de Longueville zijn zege berichtte7: „Mon cousin, nous avons i's louei Dieu: il nous a donné une belle victoire. La bataille s'est donnée, les choses ont esté en branie: Dieu a determiné seion son équité: toute 1'armée

ennemie en route;--je puis dire que j'ay esté hien servy,

mais surtout evidemment assisté de Dieu, qui a monstré a mes ennemys qu'il luy est esgal de vaincre en petit ou grand nombrequot;.

De hertog de Mayenne durfde zich na zijn nederlaag niet te Parijs vertoonen. Zijn koningschap was tot een poisson d'Avril geworden, waaraan niemand dan hijzeiï nog gelooide.

Bevend en tot geen verzet in staat, wachtte de verslagen hoofdstad den overwinnaar af. Maar de kathotieke grooten, die Hendrik III hadden gevolgd en den Bearner slechts met den mond gehuldigd, gunden hem zulk een snellen en beslissenden triomf niet en belemmerden hem, in plaats van hem te steunen. Eenige weken gingen voorbij, waarin de Spaansche ambassadeur te Parijs den tijd had, de beangste Liguisten met het uitzicht op openlijke hulp zijns meesters tot volharden te bemoedigen. De Fransche Ligue bleek machteloos: haar schijnkoning Karei X stierf in de gevangenisquot;. De Spaansche partij trad voor 't vervolg openlijk aan 't hoofd van den opstand. Landverraad was het eenige middel, om aan Hendrik van Navarre te ontsnappen.

ocr page 26

DE OV'EKCiANG VAN HENDRIK IV.

11

„lliit is den Ivatliolieken verboden een ketter of begunstiger der ketterij, een afvallige en geëxcommuniceerde door den Heiligen Stoel als Koning aan te nemen. Wie een zoodanige, zelfs als hij absolutie zijner misdaden mocht ontvangen, ondersteunt en begunstigt, vergrijpt zich aan de wetten der kerk, is van ketterij te verdenken en diensvolgens strafbaar. Daar Hendrik van. Bourbon ketter en begunstiger is der ketterij, afvallige en geëxcommuniceerde door onzen Heiligen Vader; er blijkbaar gevaar is van veinzerij en gevaar voor den katholieken godsdienst, zoo hij absolutie wist te verkrijgen, zijn de Franschen in geweten verplicht hem het bestijgen van den troon te beletten, en geen vrede met hem te sluiten, ondanks de verworven absolutie. Zij, die hem begunstigen of helpen, zijn verraders van den godsdienst; die hem tegenstaan met alle mogelijke middelen , maken zich verdienstelijk jegens God en menschen. Voor de eersten, die volharden om het rijk van Satan te vestigen, is de eeuwige straf bewaard. De laatsten, zoo zij volharden tot den dood, als verdedigers van het geloof, zullen beloond worden met de hemelsche rust en de martelaarskroon ontvangen.quot;

Den 7den Mei 1590 kondigde de Sorbonne, de theologische faculteit van Parijs, deze decisie af9. In den avond van denzelfden dag sloeg de koning van Frankrijk zijn kamp voor de hoofdstad op, en verkondigde de brand der omliggende molens aan de misleide bevolking, dat de martelaarskroon binnen haar bereik was gekomen. Velen ontvingen haar, die haar niet hadden begeerd.

Van het uitstel, hun na den slag bij Ivry verleend , hadden de leiders van den opstand geen gebruik gemaakt om Parijs op een beleg voor te bereiden. De vestingwerken der stad waren niet voorzien; en, om den afkeer der Parijzenaars van een geregelde

10

ocr page 27

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

bezetting, ook geen garnizoen ingenomen. Nu, ter elfder ure, werden vijf duizend man binnen de stnd toegelaten. Maar op de bevolking zelve kwam hoofdzakelijk de verdediging neer.

de vestingwerken zoo goed mogelijk hersteld, de muren met kanonnen voorzien, de grachten in orde gebracht, huizen bij de poorten gesloopt en kettingen over de Seine getrokken, om tegen verrassingen met schepen gedekt te zijn. De lagere standen en wie van de burgers er zich toe leenen wilden , werden aan 't werk gesteld. De hertog de Nemours, jongere broeder van Mayenne, de Spaansche ambassadeur Men-doza10, de aartsbisschop van Lyon , die met de Seize het bestuur der stad voerden, spaarden geen middelen om èn door persoonlijke toespraak èn door de krachtige hulp der geestelijkheid de gemoederen der lagere standen tot de grootste geestdrift te ontvlammen. Karakteristiek is de teekening van l'Estoile, waar hij ons de burgers en armen wijst, met de handen werkende, bezig het zware werk aan de stadsmuren en in de grachten te verrichten, terwijl de adellijke, maar liguistische leegloopers van lijd tot tijd eens kwamen toekijken en de priesters verschenen om hen met woorden zonder voorbeeld aan te moedigen. De geregelde troepen werden in de Temple, het Arsenaal en dergelijke versterkte huizen geplaatst, de bevolking op de muren. Zoo groot was de geestdrift, die men in haar had weten te ontvonken , dat de burgerij zelve 30,000 man goed gewapend, volgens anderen zelfs 50,000, tot de verdediging leverde.quot; De leden van de broederschap van Jezus zwoeren bij het lichaam des Heeren , met Hendrik van Bourbon nimmer eenigen vrede of verdrag aan te gaan en elke maand elkander dien eed te zullen hernieuwen.

Het eerste bezwaar, dat zich deed gevoelen, was geldgebrek. De kosten der buitengewone inspanning waren hoog, te hooger naarmate de prijs der levensmiddelen, dadelijk na de insluiting-der stad, steeg. De hoofden van den opstand bestreden ze deels uit de openbare fondsen, die spoedig ontoereikend waren, deels uit eigen middelen.

17

II 2

Ijlings werden

ocr page 28

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Tegen den eersten nood liadden zij zicli gewapend. Hel. bleek later, dat de Ligue zelfs niet teruggedeinsd was, om aan hel eigendom van anderen de hand te slaan. Eenige weken daarna verkocht zij de juweelen der kroon en liet het goud smelten, om er geld van te slaan. Trouwens, hoe geloovig ook, zij bekommerde er zich niet om, van waar het geld kwam. Toen Hendrik IV in Juli St. Denis had ingenomen, liet hij zich de schatten toonen, die van Isabeau de Bavière bewaard waren en zag dat de kroon van de beste edelgesteenten en diamanten beroofd was. De Mayenne, zeiden de monniken, had ze doen wegnemen. ,,11 en a done la pierre et moy la terre,quot; was het antwoord des konings.

Doch zelfs zulke hulpmiddelen zijn voor uitputting vatbaar. Maar Mendoza's schatten waren het niet. Hij maakte er gebruik van, om zich tot de ziel en het wezenlijk hoofd van Parijs te maken. Zonder ophouden stroomden de sommen, die hem ter beschikking stonden. Nu eens, reeds in de eerste weken, schonk hij het geld, voor het gieten van dertien kanonnen benoodigd: dan eens nam hij het onderhoud von 300 man paardenvolk, die kort na den Mei nog binnen Parijs geraakten, op zich. Na Juni deed hij dagelijks gelduitdeelingen, behalve de gewone aalmoezen, die geregeld werden voortgezet. Tot het einde van het beleg had hij nooit geld te kort, om het volk voor zich te winnen, het te bemoedigen en gunstig voor de belangen en aanspraken van zijn somberen meester te stemmen. „Vive le roi d'Espagne,quot; juichte de menigte in de eerste weken.

Met het goud van Spanje waren de predikers der Ligue in broederlijk verbond. Zoo al een enkele hunner de onteerende onderwerping van Frankrijk aan Spanje, door Mendoza beoogd, niet wenschte, hij aarzelde daarom niet hem te volgen op de wegen, die hij betrad. De godsdiensthaat der menigte werd voortdurend levendig gehouden en aangehitst. Dagelijks hield de geestelijkheid het aan hare geloovigen voor, dat met den ketter van Navarre geen vrede was te sluiten. ,,A1 zijne verze-

48

ocr page 29

DK OVERGANG VAN HENDRIK IV.

keringen waren bedriegelijk; wraak over den Barlholomens-nacht had hij aan zijne volgelingen beloofd; tot de ellebogen wilde hij zijne armen, had hij gezegd, in het bloed der bevolking doopen.quot; Waar de vrees voor wraak te gering bleek, werd de afkeer van ketterij tot bondgenoot genomen. Op allerlei wijze werd de kerkelijke passie geprikkeld, en de door ontbering en lijden reeds gevoelige bevolking tot fanatisme opgevoerd. In de predikatiën werd zorgvuldig de hoop op verlossing, door de hulp van Spanje, levendig gehouden. Brieven van Mayenne, waarin de nadering van den bondgenoot werd toegezegd, maakten een deel der kanselredenen uit: als zij bij ongeluk ontbraken, werden zij maar verdicht. „Prêcher par billets,quot; noemden de politieken dit priesterbedrog. Procession waren aan de orde van den dag. Een der meest beroemde, vooral door de spotternij van de vijanden der Ligue, is die van den Mei. „De

strijdende kerk,quot; gelijk de Liguïsten spraken, vertoonde zich hier in al haar kracht aan de saamgestroomde menigte. „Rose, evèque de Senlisquot; — zoo verhaalt een ooggetuige 12 — „étoit a la tète comme commandant et premier capitaine, suivi des ecclésiastiques marchant de quatre en quatre. Après était le prieur des chartreux , avec ses religieux; puis le prieur des feuil-lans, avec ses religieux; les quatre ordres mendians, les capucins, les minimes, entre lesquels il y avoit des rangs des écoliers. Les chefs de ces différens religieux portoient chacun d'une main un crucifix, et de l'autre une halebarde, et les autres des arque-buzes, des pertuisanes, des dagues, et autres diverses espèces d'armes que leurs voisins leur avoient prètées. lis avoient tons leurs robes retroussées, et leurs capuchons abattus sur les épaules; plusieurs portoient des casques, des corselets, des petrinals. Hamilton, écossois de nation et curé de Saint-Cosme, faisoit l'office de sergent et les rangeoit, tantót les arrètant pour chanter des hymnes, et tantót les faisant marcher; quelquelbis il les faisoit tirer de leurs mousquets. Le légat y accourüt aussi et approuva par sa présence une montre si extra-ordinaire et

lit

ocr page 30

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

en mème temps si risible; mais ii arriva qu'uii de sesnouveaux soldats, qui ne scavoit pas sans doule que son arquebuse él,oil, rhargée a balie, voulut saluer le légat qui étoit dans son carosse avec Panigarol, le jésuite Bellarmin et autres Italiens, tira dessus, et tua un de ses ecclesiastiques, qui étoit son aumosnicr. Ce qui lit que le légat s'en retourna au plus vite, pendant que le peuple crioit tout haut que eet aumosnier avoit été l'ortuné d'etre tué dans une si sainte action.quot; Die uitroep bewijst, hoe goed zulke voorstellingen voor het volk berekend waren, en tevens, hoe ook liier als altijd de leiders speelden met de arme bedrogenen. Zij merkten het niet op, wat de politieken met bitterheid uitspraken, hoe deze aangekleede geestelijken op het slagveld, nu evenmin als vroeger, te zien waren, en hoe deze geheele vertooning slechts ten doel had, om het volk op te winden, dat zijn bloed stortte voor de heerschappij van deze strijdende kerk — in maskeradepak.

Doch die kunstgrepen waren niet overbodig. Want een nog gevaarlijker vijand dan llendrikl V, dreigde haar invloed te vernietigen. Toen Parijs den 7den Mei door het leger van den Bearner was omsingeld, bleek het, hoe de Ligue alle voorzorgen had verzuimd. In de laatste halve eeuw was de bevolking van Parijs, dank zij den burgerkrijgen, van 300000 op 200000 verminderd ,3. Hoe moesten al deze monden gevoed worden? Den 13d(quot;n Mei werd een onderzoek gelast naar den aanwezigen voorraad. Toen bleek het, dat men koren had voor een maand en 1500mudden haver. De regeering droeg aan een paar broodbakkers in ieder kwartier het bakken en den verkoop van het brood legen vastgestelde prijzen op. Tevens werden de particulieren uitgenoodigd, de armen bij te staan. De haver werd voorloopig bewaard: zij kon later te pas komen. En het duurde niet langen tijd, of ook deze spaarpenning moest aangesproken worden. Reeds in het begin van Juni begon de honger zich te doen gevoelen, en bleek veler afkeer van ketterij niet bestand tegen het snijdend zwaard der ontbering. De Ligue ontdekte, dat verschillende

20

ocr page 31

ÜE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

voorname burgers in verstandhouding met den koning stonden. Maar de hertog de Nemours en zijne medeleden achtten het gevaarlijk, bij den klimmenden nood, het sein tot een beweging te geven. Zij stelden zich tevreden, aan de schuldigen een zware boete op te leggen en hen de stad uit te zetten li. Met iederen dag steeg het gebrek. De vermogenden aten paarden en ezels, het arme volk moest zich tevreden stellen met haver-soep en met de predikatiën van Boucher en andere predikers der Ligue, die, onuitputtelijk in kunstmiddelen, niets ontzagen om het door honger ondermijnde fanatisme te schragen.

Na vijl' weken begon aan de leiders zeiven de moed te ontzinken; en in het midden der Juni-maand vroeg d'Espinac, de aartsbisschop van Lyon, vrijgeleide van Hendrik IV, om over vredesvoorwaarden. die de Ligue kon voorstellen, met Mayenne te gaan beraadslagen, liet antwoord des konings kon men vooruit berekenen. Een vreedzaam einde van den strijd, langs den weg van onderhandeling, kwam zoowel met zijn persoonlijke goedaardigheid als met zijn politiek belang overeen. Hendrik IV had er nooit aan gedacht. Parijs door een bestorming te nemen. Van den aanvang al' was het zijn streven geweest, de hootd-stad door gebrek tot overgave te dwingen. De verloren dochter moest door den draf der zwijnen tot bekeering worden geleid. Niet met geweld, maar door behoefte moest zij zich aan hem onderwerpen. Frankrijk, de koning wist het, zou het hem nooit vergeven, zoo deze parel van zijn kroon door ruwe sol-datenhanden werd geschonden. De koning van Frankrijk kon de hoofdstad van zijn rijk niet aan al de jammeren en ellende van een verovering bloot stellen. Zij moest hem heilig zijn, voor zoover een oproerige eerbied kan vragen. Ernstige aanvallen op de stad hadden de troepen des konings ook niet gedaan: het waren schermutselingen, nu eens om dezen, dan eens om genen post te bezetten, waardoor de blokkade meer volkomen werd. Dal de afsluiting verre van volledig was, wist Hendrik ook wel. Sinds zijn leger voor de stad was gekomen, '

21

ocr page 32

DE OVERGANU VAN HENDRIK IV.

wus liet zijn streven geweest, ook van den kunt der boven-Seine en der Yonne de afsluiting te voltooien, en den toevoer te beletten. Nu, in het midden der Juni-maand, hield hij, nevens Parijs het kasteel van Vincennes en Saint Denis geblokkeerd. Als zij gevallen waren, kon de hoofdstad niet slaande blijven.

Dofh zelfs zoo lang zou het niet duren, meende hij. llen-drik's brieven uit deze eerste vijf weken van het beleg bewijzen , dat hij aan geen langdurig verzet geloofde. Reeds den Jiei iiad hij geschreven: „Je snis devant Paris, oü Dieu m'assistera. La prenant, je pourray commencer a sentir les elïects de la couronne. Leur necessité est grande, et fault que dans douze jours ils soient secourus, ou ils se rendront'V Die termijn was lang voorbij, maar de middelen tot verzet schenen nu ook uitgeput. Volkomen bereid om de afgematte halfweg te gemoet te treden, stond llendrik IV het gevraagde vrijgeleide toe.

Doch toen de aartsbisschop de stad wilde verlaten, werd hij door de koninklijke troepen teruggewezen. Hendrik had het vrijgeleide ingetrokken. Een onderschepte brief van een der hoofden van de Ligue had hem doen zien, dat hij bedrogen werd. Niet de bevordering van den vrede door overgave dei-stad was het doel. Morrende en dreigende keerden d'Espinac en zijne ainbtgenooten terug.

In een uitvoerig manifest aan de bewoners van Parijs gal de koning rekenschap van zijne handelwijze, en verzekerde hun zijn medelijden met den nood, waarin valsche leidslieden hen gebracht hadden. „Ceulx de vous qui ont plus de jugement ont deu prevenir de long temps l'estat oü vous estes. Mais votre necessité presente en fournit assez maintenant aux plus simples pour congnoistre que la chose est prejudiciable. II n'y peut avoir que les plus coulpables et desesperez qui aiment mieulx con-sentir a la mine publique que de souffrir que rien survive a l'effort de leur ambition, qui vous peuvent tromper en cela.

22

ocr page 33

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

La derniere description que vous avez l'aicle de vos vivres doibt l'aire la solution a toutes aulres vaines propositions.quot;

Na de weigering van liet vrijgeleide aan l'Espinac, had, naar men denken zou, de Ligue niets liaastigers te doen, dan door liet aanknoopen van rechtstreeksche onderhandelingen Hendrik IV te bewijzen, hoe onjuist zijne beschuldigingen waren, dat persoonlijke eerzucht bij hen boven het heil der stad ging. Maar geen der hoofden dacht er een oogenblik aan. Zij haastten zich integendeel om alle maatregelen te nemen, die hun gezag konden versterken. Dagelijks werden de stemmen luider, die onderhandelingen met den belegeraar eiscliten. Deze te onderdrukken werd thans de hoofdzorg. Een samengeschoolde menigte riep den '13den Juni om brood of vrede; eenige der luidste schreeuwers werden gevat en in de gevangenis geworpen. Op bedreiging van doodstraf verbood, twee dagen later, hel Parlement, om van vrede of verdrag met den koning te spreken. Regnart, procureur au chatelet, had zich aan dit misdrijf schuldig gemaakt: hij werd, anderen ten voorbeeld, op de Place de Grève opgehangen. Vier dagen was de ongelukkige in hechtenis geweest, zonder voedsel te ontvangen.

Een vreeselijk bewind vestigde zich. Met geweld werd de stem des volks onderdrukt. De Seize hadden overal hun spionnen. Wie het waagde van vrede of onderhandeling te spreken, was verdacht. Als altijd had het fanatisme, politiek en religieus, zijn trouwste werktuigen in zijn onbewuste slachtoffers. Het gemeen op de straat voerde zijne wraakoefeningen uit. Een zekere Moret en eenige andere burgers werden op de straat aangegrepen en dadelijk verdronken, omdat zij een vrede met den koning van Navarre goed hadden genoemd. Niemand gold voor waar katholiek, die niet Hendrik IV „sorcier, diable, hérétique damnéquot; schold. Wee den ongelukkige, die het openlijk waagde uil te spreken, dat men nu genoeg geleden had voor de belangen van een vreemden vorst en zijne dienaren. „Het goud

ocr page 34

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

van Spanjequot; — zoo als de Memoires de la Ligue hel krachtig uitdrukken — „was het cement der ellende.quot;

Aan dit cement ontbrak het de hoofden niet. De Spaansche gezant strooide het voortdurend met ruime handen uit: demisous, het wapen van Castille dragende, waren de munt, die het volk aan de vreemde heerschappij moest gewennen. De hertog de Nemours en andere hoofden der Ligue lieten hun zilveren en gouden sieraden smelten, om er geld van te slaan. Zelfs de geestelijkheid ontlastte zich tot hetzelfde doel van het overbodige goud en zilver, in de kerken verborgen. Aanzienlijk was de voorraad, mild de uitdeeling en groot de behoefte. Alle verdiensten hadden opgehouden. Van handel was geen sprake meer; met iederen dag werd het getal der winkels, die gesloten bleven, grooter. Bij een berekening, eenige dagen later opgemaakt, bleek het, dal in de hoofdstad 12800 arme familien waren, waarvan /300 wel eenig geld bezaten, maar evenmin als de anderen, brood. De dagelijksche benoodigdheden, brood, vleesch enz. ontbraken. Den 17den voerde een gelukkig avonturier, le sieur de St. Pol, een convooi van levensmiddelen binnen de stad, maar voor het meerendeel kwam het slechts den grooten en hoofden ten goede. „Brood hebben wij noodig, aan geld hebben wij niets,quot; riep een uitgehongerde schaar den 24,sten juni (jgu Spaanschen ambassadeur toe, als hij hen weer met demi-sous wilde tevreden stellen ,G.

Was er geen brood meer in Parijs? Was er wezenlijk geen voorraad meer?

Zij, die het best den toestand der stad kenden, betwijfelden, of werkelijk het gebrek wel zoo groot, zoo algemeen was. Bij het onderzoek naar den aanwezigen voorraad, in de vorige maand gehouden, waren de kloosters verschoond. Den 25sten Juni werd het besluit genomen, om alle woningen van geesle-1 ijken, geordenden zoowel als wereldlijken, te bezoeken. Dit besluit veroorzaakte groole ontsteltenis. De Bector van het college der Jezuieten, Tyrius, werd met pater Bellarminus alge-

2-4

ocr page 35

DE OVERGANG VAN IIENUIUK IV.

vaardigd om dooi- den pauselijken legaat hun klooster te doen uitzonderen. Maar de prevót des marchands, die bij liet bezoek tegenwoordig was, had nauw het verzoek gehoord, of hij barstte uit: „Monsieur le recteur, votre prière n'est civile ni chrétienne. N'a-t-il pas lallu que tous ceux qui avoient du bied l'ayent exposé en vente, pour subvenir a la necessité publique? Pour-qnoi serez vous exempt de cette visite? Votre vie est-elle de plus grand prix que la nostre?quot;

liet onderzoek had plaats en bracht de redenen van het verzoek aan 't licht. In het klooster der Jezuielen vond men „quantité de bied et du biscuit pour les nourrir plus d'un au ; quantité de chair salée, des legumes, foin et autres vivres, en plus grande quantité qu'aux quatre meilleures maisons de Parisquot;. Ook bij de Kapucijners vond men voorraad; kortom, in ieder klooster vond men meer provisie, dan zij voor een halfjaar behoefden. De misdadigers werden niet gestraft; zij waren aan de hoofden te onontbeerlijk, dan dat dezen hen tot vijanden konden maken. Le Conseil des Seize stelde zich tevreden, aan de geestelijkheid te gelasten, dagelijks eenmaal aan de armen, die hun zouden worden aangewezen, voedsel te verstrekken. Na veertien dagen was ook deze voorraad uitgeput.

Het is een treurig bewijs van de zedelijke verstomptheid en de laagte der intellectueele ontwikkeling van het volk van Parijs, dat zelfs door zulke ervaringen de oogen niet opengingen. Bij voortduring stroomde de menigte naar de kerken, waar de priesters en monniken en de vreemde geestelijken voortgingen het zaad van godsdiensthaat uit te strooien, en ter wille van kerkelijke en vreemde belangen de plichten jegens het vaderland schonden. Een enkele geestelijke zelfs, die het gewaagd had, van vrede te spreken, werd door bedreigingen gedwongen om tot het voortzetten van het noodlottig verzet aan te sporen. Pro-cessien, zoogenaamde achtdaagsche gebeden 17, allerlei kerkelijke plechtigheden werden beurtelings aangewend, om de door honger en lijden ondermijnde gestellen in den toestand van

ocr page 36

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

zenuwachtige opwinding te houden, die alleen bij machte is, om de noodlottige kracht tot volharden te geven. Alles, wat welsprekendheid in dienst van kerkelijken haat en van politieke eerzucht vermocht, werd aangewend, om ontmoediging en verslapping der kunstmatige overprikkeling te voorkomen. Tot de hoogere standen sprak Panigarole, een pater uit het gevolg van den legaat, in liet Italiaansch. Geen der predikers voor het volk is meer bekend dan Boucher. Van honger te sterven, zoo leerden zij, was in de oogen Gods een welbehagelijk werk. Beter was het, zijn eigen kinderen uit gebrek te dooden, dan een ketter te erkennen.

in tegenwoordigheid van een opeengehoopte massa legde Boucher in de Nostre Dame op den lsten Juli de gelofte af, dat, zoodra de stad verlost zou zijn, Notre Dame de Lorette een zilveren lamp en schip, driehonderd mark zilvers wegende, zou cadeau krijgen. Arme heilige! Toen de stad was verlost, werd de belofte vergeten en moest zij zich met een paar schamele aalmoezen van eenige goedaardige burgers vergenoegen 18.

Sedert den 20sten Juni was er geen koren meer in de stad, ten minste voor de armere standen niet. Toen de verplichte uitdeelingen der kloosters ophielden, wat na een tweetal weken geschiedde, was er geen voedsel meer. Het bestuur gelastte, dut de armen alle katten en honden zouden te zamen brengen. Zij werden gedood, gekookt en broksgewijze met een stuk brood van zemelen uitgereikt. Groote kookketels stonden sedert Juli op de hoeken der straten, waarin alles, wat nog van ezels, paarden, muilezels in de stad was, werd gekookt, en als pap of soep aan de schamele menigte, die er zich om verdrong, bij portiön werd gegeven. Het gebrek, de hongersnood steeg met den dag. De strookjes gras, die zich op de straten — Parijs was niet geplaveid — vertoonden, werden uitgerukt en door de ongelukkigen verslonden. Kaarsvet, reuzel diende tot voedsel.

26

ocr page 37

DE OVKKGANG VAN I1ENDUIK IV.

Niets was er, dat niet gebezigd werd, om den honger te stillen. Eens hadden eenige burgers voor veel geld drie duizend honden- en kattenvellen gekocht. Maar toen zij ze over de straten wilden vervoeren, viel de uitgehongerde menigte er op aan, betwistte ze elkander en verslond ze voor hun oogen. Wee, zoo een enkel dier, kat, houd of rat, aan de vernieling ontsnapt, zich vertoonde. Ook de doode beesten werden gretig verslonden. Krengen en ingewanden werden opgevischt, om de levenden te voeden. Een drukkende hitte, afgewisseld door regen , verhoogde het lijden. De vreeselijkste ziekten openbaarden zich. lederen morgen, als het daglicht opging, bescheen het een tooneel van lijden. Honderd vijftig, soms tweehonderd dooden , van honger bezweken, telde men bij den aanvang van iederen dag in de nauwe stralen, die dag en nacht weergalmden van de jammerkreten van de rampzalige slachtoffers der kerk. De vreeselijkste tooneelen hadden plaats. Een hond en een man, beiden van honger woedend, grepen elkander aan, maar de mensch was de zwakste, en wérd overwonnen. Op de hoeken der straten, op de trappen der bedehuizen, waar zij zich stervende hadden heengesleept, bliezen de ongelukkigen den adem uit.

En geen redding scheen aanstaande. Met iederen dag werd de insluiting nauwer en de nood grooter. De macht des vijands steeg, en zijn leger vermeerderde voortdurend. Zelfs edelen, als Nevers en Epernon, die tot dusver zich onzijdig hadden gehouden , maakten zich gereed om zich bij den koning te voegen. Het gezag van Hendrik van Navarre breidde zich uit, werd met iederen dag meer algemeen bekend. Des hemels zegen scheen op den ketter te rusten en de tusschenkomst der heiligen vruchteloos. Den 'J11611 Juli bezweek Saint Denis, gelijk het kasteel van Vincennes was bezweken. Van de muren der stad zag de lijdende bevolking de bloeiende velden en het golven van de/ korenaar, schitterende in de stralen der Julizon. Velen die geen weerstand konden bieden aan hel verlokkend tooneel, poogden door de rijen van den vijand heen te sluipen, om al

*11

ocr page 38

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

ware liet slechts één enkel maal te winnen. Maar de belegeraars joegen de armen terug.

„Zoo uw trouwquot; — schreef den lü^n Juli Hendrik IV aan het stadsbestuur van Parijs — „aan de oude wetten des lands u niet heelt bewogen om Onze wettige rechten te erkennen, dan behoorde de nood, waartoe gij vervallen zijt, uwe oogen te openenquot; ,9. Doch te vergeefs was zijn opeisching. Het stadsbestuur kon, al wilde het ook, zich niet overgeven. De hertog van Nemours en de vreemde gezanten wilden van geen overgave hooren. Wat ging het lijden des volks hun aan'?

Toen wederom deze poging, en zelfs een eigenhandig schrijven aan Nemours, zonder gevolg bleef, besloot Hendrik IV door te tasten. In den nacht van den 24st(;Q Juli zagen de uitgeputte verdedigers het vijandelijk leger in tien dichte drommen naderen. De fauxbourgs werden aangetast en na een hardnekkig gevecht, dat twee uren duurde, door de troepen van Hendrik IV veroverd. Van de abdij van Montmartre zag de koning, omringd van een aantal zieke en gekwetste aanhangers, waaronder de latere hertog van Sully, 20 den strijd aan. Als in een vuurgloed zag hij de hoofdstad van zijn rijk, een uitgeteerde schim uit de onderwereld gelijk, met de daemonische kracht van het fanatisme weerstand bieden. Maar toen de morgen opging, had hij gezegevierd: het leger van den koning van Frankrijk stond voor de poorten van Parijs,

Diep was de indruk. Alle fauxbourgs in handen van den vijand en de hongerende bevolking samengeperst binnen den engen cirkel van de eigenlijke stad, waarin de Place Royale de eenige ruime plaats was, die frissche lucht verschafte! Was verder verzet niet nutteloos, niet onzinnig? Had men niet alles gedaan, wat van menschelijke opoffering kon worden gevorderd? Zoo vingen de morrende gemoederen aan te spreken. Velen begonnen te twijfelen aan den goeden raad en de bedoelingen hunner raadslieden. „Zoo gij sterft in dienst van den waren, katho-

ocr page 39

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

lieken, Roomse,hen godsdienst gaan uwe zielen dadelijk naar liet. Paradijs,quot; hadden nog eergisteren de paters Hamilton, Boucher enz. verkondigd. Velen geloofden liet niet meer zoo stellig. Zou het wel waarheid zijn, dat men een Gode welbe-hagelijk werk deed, door zich tegen den koning te verzetten? De ketter was toch zulk een slecht mensch niet.... Had hij niet in den nacht voor den aanval, op de smeekingen van eenige armen, die, door de grachten gekropen, zich voor zijne voeten hadden neergestort, aan drie duizend ongelukkigen het verlaten der stad vergund?

Zoo ving onder de burgerij de twijfel aan zich te doen gelden. Zoo vermeerderde hel dagelijksch lijden het getal der politieken, die hun vaderland boven de heerschappij der kerk stelden. Den 273t'!n vereenigden zich een groot aantal gezeten burgers uit alle kwartieren der stad. In geregelde orde begaven zij zich naar den hertog de Nemours, en stelde hem onder het geween der schare voor oogen, hoe er reeds oUOOO gestorven waren; hoe de Spaansche hulp, steeds op nieuw toegezegd, voortdurend uitbleef; ,,bezorg ons levensmiddelen of laten wij ons overgeven.quot; Met de belofte, dat hij er over spreken zou en hun zijn besluit doen weten, zond hij de klagenden weg.

Maar niet alle verzoekers waren zoo bescheiden, zoo ordelijk, zoo volgzaam tot vertrekken als deze. De honger is een slechte dienaar van het gezag. Gewapend verschenen van tijd tot tijd volksgroepen voor het paleis, om brood of vrede schreeuwende; en niet zelden moest geweld worden gebezigd, om hen te verdrijven. En jammerende, met den dood onder de leden, dropen de ongelukkigen af, om wellicht in gindsche straat stervende neer te storten. Den 289ten, vertelt l'Estoile, zag ik bij het Franciskaner-klooster een armen man, ongel eten, waarvan men kaarsen maakt. Ik vroeg hem, of hij niets anders had; hij zeide, neen, en dat hij en zijn vrouw en drie kleine kinderen sedert acht dagen geen ander voedsel hadden. Ik onderzocht het en het bleek me waar te zijn, en tevens, dat meer dan

20

ocr page 40

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

de helft der armen niets anders had. Tot nog vreeselijker spijze kwamen anderen. Een vermogende dame, die meer dan .^Ü.ÜOÜ kronen 21 bezat, had niets meer te eten. Hare twee kleine kinderen stierven van honger: zij liet de lijkjes niet begraven , maar door hare dienstbode in de pekel leggen: en de beide vrouwen voedden zich met het vleesch. De moeder zelve stierf er aan......

Den 30teu Juli stond de hertog van Nemours gereed zijn woning te verlaten, om naar de muren te gaan, toen hem een man met verschrikt gelaat tegenkwam en tegenhield: „Waar gaat ge heen, mijnheer de Gouverneur! Ga niet die straat in: ik kom er juist uit, en ik heb er een half doode vrouw gezien, om wier hals zich een slang heeft geslingerd, terwijl er allerlei vergiftige beesten om heen dwalen.quot; Nemours keerde naar zijn paleis terug, en zond zijn bedienden uit, om onderzoek te doen. Zij berichtten, dat het zoo was, en dat zij ook in andere straten dergelijke beesten hadden zien ronddolen. Hij liet daarop pater Panigorale en een Jezuiet ontbieden, en vroeg hun, wat deze verschijnselen beteekenden? Een paar kamermeisjes, die het verhaal hadden aangehoord, begonnen te jammeren: „God straft ons, mijnheer: ik ben bang, dat die beesten ons komen opeten in huis.quot; Gelijk de toovenaars, die Pharo bedrogen, verklaarde Panigorale, „dal die slangen het werk van den duivel waren, om de katholieken te ontmoedigen: en dat het beter was door die dieren te worden verslonden, dan de vervloekte ketters in de stad te laten.quot; liet geld van Spanje — voegt l'Estoile er bij — deed hem zoo spreken,

In het begin van Augustus kwam de tijding aan, dat het leger van den koning van Spanje zich eindelijk in beweging had gesteld , doch dat er nog veertien dagen zouden verloopen, voordat de hertog van Parma Parijs kon ontzetten. Een kreet van ontzetting ging er op: twee weken kon de stad het niet meer houden. Bevreesd voor opstand , gaven, zoo 't scheen, de hoofden

ocr page 41

DE OVERfiANG VAN HENDRIK IV.

der Ligue, met uitzondering van den onverbiddelijken Nemours, toe. De aartsbisschop van Lyon en de bisschop van Parijs werden afgevaardigd, om met den belegeraar te onderhandelen. Edel en groot gedroeg zich de koning. Ofschoon de Ligue ook zelfs nu hem den titel van „koning van Frankrijkquot; weigerde en slechts dien van „koning van Navarrequot; schonk, liet hij de afgevaardigden tot zich toe. Hard en streng verweet hij den onvvaar-digen priesters hun verraad aan 't vaderland en hun schandelijke misleiding des volks: maar, vol mededoogen met de ongelukkige stad, bood hy gunstige voorwaarden aan, zoo Parijs binnen acht dagen zich overgaf, als het niet binnen dien termijn door Mayenne werd ontzet. Maar de lastbrief, dien de raad der Ligue aan de afgevaardigden had gegeven, luidde anders. Zij vroegen slechts vergunning, om naar Mayenne te gaan, ten einde dezen te bewegen om conditiën van een algemeenen vrede den koning aan te bieden; voor Parijs alleen waren zij niet gelast. Binnen vier dagen zouden zij wederkeeren, en dan, hetzij zij slaagden in hun zending of niet, „ils prendroient conseil pour Paris.quot; Zulk een aanbod kon Hendrik niet aannemen. „J'ayme ma ville de Parisquot;, antwoordde hij, „c'est ma fille aisnée, j'en suis-jaloux. Je luy veux faire plus de bien, plus de grace et de misericorde qu'elle ne m'en demande: mais je veux qu'elle m'en sgache gré et a ma clemence, et non au due de Mayenne ny au roy d'Espagne. S'ils luy avoient moyenné la paix et la grace que je luy veux faire, elle leur devroit ce bien, elle lemen sfauroit gré, elle les tiendroit pour liberateurs et non point moy, ce que je veux pas.quot;

De koning van Frankrijk kon niet anders spreken. In geen slaat wordt het recht der oproerlingen, om zich met buiten-landsche vorsten te verbinden, erkend. Geen souverein, anders dan gedwongen, laat de tusschenkomst van vreemde vorsten tusschen zich en onderdanen toe. De Ligue wist het ook en had dezen afloop gewenscht en verwacht. Zij had alleen om het volk af te leiden, het van opstand te weerhouden en inmiddels

31

ocr page 42

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

voor liet ieg-er des Spaansclien konings tijd tot naderen te win-nen, de onderhandeling aangeknoopt.:2

Vertwijfeling greep allen aan, toen de uitslag der zendinquot;

ö ö

bekend werd. Ondanks de geruchten, door de geestelijkheid van den kansel verspreid, dat de ketter Hendrik van Navarre aan zijne predikanten den ondergang van den katholieken godsdienst en de vernieling van Parijs had toegezegd, vonden zij geen onbepaald geloof meer. De partij der politieken, tot dusver vooral onder den middenstand zijn leden tellende, begon ook onder de lagere standen veld te winnen. Er werd, met medeweten van leden van het Parlement van Parijs, eene groote beweging georganiseerd, om aan de Ligue de overgave der stad af te dwingen. Den 8stequot; Augustus stroomde naar het Palais de Justice, de gewone vergaderplaats, een groote menigte ge-wapenden, onder het geroep: brood of vrede! Maar het bestuur was gewaarschuwd en had zijn maatregelen genomen. De Con-seil des Seize had zijne werktuigen bij de hand en het dreigend oproer werd in de geboorte verstikt. Verschillende ongelukkigen werden gevat en in de volgende dagen in het openbaar ter dood gebracht. Ter nauwernood ontsnapten de parlementsleden, wier medeplichtigheid werd vermoed, aan de wraak der Ligue. Nemours, die de gevolgen van een vervolging dezer mannen juist berekende, redde lien. Doch zij moesten zware boeten betalen. Wie kon, zocht Parijs te verlaten. Hendrik IV toch, door medelijden bewogen, liet in deze maand Augustus het verlaten der stad bijna dagelijks toe.

Zoo handhaafde het schrikbewind der Ligue zijn gezag, en onderdrukte met geweld elke poging tot verzet. De vrees van zijn tegenstanders en het fanatisme van zijn aanhangers waren de steunpilaren van zijn macht. Niemand waagde het meer weerstand te bieden. Hoogstens in geschriften, op de hoeken der straten, in schimpdichten, die aangeplakt of in manuscript aan vertrouwden werden medegedeeld, openbaarden de politieken hun afkeer en onwil. Maar de groote menigte liet zich gewillig

ocr page 43

DK OVERGANG VAN UBNDRtK IV.

leiden. Het lijden verstompt. Een juist inzicht in de bedoelin der leiders liad de hongersnood in den aanvang niet gesciionk ook het stijgen van den jammer bevestigde meer den invl der kerk, dan dat het dien ondermijnde. Kon liet anders? troost van den godsdienst was het eenige, wat over was bleven. Wie durfde hem zich onwaardig maken, die straks 1 zou behoeven ? De dood stond allen voor oogen: morgen, n heden kon hij hen overvallen. Op de hoeken der straten h l'Ü de wacht. De kinderen stierven aan de borst der moed in de armen van den vader, die zich over de straat voortsle ten om le pain de Madame de Montpensier te ha Want de edele zuster van de vermoorde de Guises had h naam aan een nieuw voedsel geschonken. Niet, omdat zij 't lt; gebruikte, maar omdat zij er hare hooge goedkeuring wel i had willen schenken. Do eer der uitvinding kwam haar r toe. De Spaansche gezant mocht ze voor zich vragen. Mendo waardig dienaar van een meester ais Philips II, had reeds Juni dit nieuwe voedsel aan de hand gedaan. Waar het uit stond'? De samenstelling was eenvoudig en vereischte wei onkosten. Men had slechts naar de kerkhoven le gaan, de doo( op te graven en de beenderen mede te nemen. Deze leverde fijngemalen, met water gemengd en gebakken, een uitmunte brood; zoo had Mendoza gezegd en Madame de Montpent was wel zoo goed er hare genadige goedkeuring aan te verleen Nog altijd was de menigte, kinderachtig als zij soms in h dwaze vooroordeelen is, er voor teruggedeinsd: maar nu \ het water tot de lippen, en le pain de Madame de Moi pensier werd door de armen gebruikt, schonk hun voed en verspreidde den dood..........

Slechts ziekelijke teergevoeligheid kon er geen vrede n hebben. Er was erger denkbaar.

Eens werd in tegenwoordigheid der Reine Mère — moeder van Nemours — het volk beklaagd en gezegd, door gebrek de moeders gedwongen zouden worden, hun ek 11 3

ocr page 44

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

kinderen te dooden. „Ik zelve — barstte de spreekster weenende uit — „ik weet niet, waartoe ik zelve nog kom!quot; La Reine Mère, de waardige leerlinge van Boucher en van Mendoza, antwoordde: ,,et qnand vous en seriés la reduite, quo pour vostre religion il vous faudrait tuer vos enfans, pcnses-vons que ce soit si grand cas que cela? De quoy sont faits vos enfans, non plus que ceux de tous les autres, de boue et de crachat? Ma foi, voila une belle matière pourtant en plaindre la fagon !quot;

Op het altaar van den godsdiensthaat offerde het fanatisme de heiligste aandoeningen der menschelijke natuur. De geestelijkheid juichte en zag op haar werk met een glimlach van innige tevredenheid neer. „Usque ad cadaverquot;, fluisterde de geest van Loyola.

Maar zelfs dit voedsel werd aan de ongelukkigen niet gegund noch zonder strijd overgelaten. Toen de honger in de rijen van het garnizoen zich gelden deed, verspreidden de woeste soldaten zich door de straten en vingen aan, op kleine kinderen jacht te maken en ze te verslinden....

„Tant l'ire de Dien étoit embrasée sur nos tètes.quot;

III

Toen Philips II in 1584 aan de Fransche Ligue de hand had gereikt, was voor beide partijen de religie het voorwendsel geweest. De dood van den hertog van Anjou had de troonsbestijging van den koning van Navarre mogelijk, ja waarschijnlijk gemaakt. Om dit gevaar voor het Katholicisme te voorkomen, hadden de Guise's zich met den vreemden vorst verbonden. De Spaansche koning, die met zijn goud den burgertwist in Frankrijk voedde, won daardoor de vrije hand, om in de Nederlanden zijn gezag te herstellen, zonder voor belemmering van de zijde van Hendrik IV te moeten vreezen.

Sinds was veel veranderd. De moord van Hendrik III had

ocr page 45

DE OVEROANG VAN HENDRIK IV.

Hendrik van Navarre nader tol den troon gebracht. Wat liij jarenlang had gepoogd te beletten, kon Philips II in 1590 niet stilzwijgend laten geschieden. Zoo hij den ketter den troon van Frankrijk liet innemen, zou hij eerlang diens troepen in de iNederlanden te bestrijden hebben. De eisch zijner godsdienstige overtuiging was even gebiedend als vroeger: alleen het gevaar, dat zij niet zegevieren zou, was toegenomen. Dit moest hem een prikkel te meer zijn, om den strijd , door politiek en religieus belang gelijktijdig gevorderd, krachtig voort te zetten.

Te meer, omdat de voortzetting en uitbreiding van den strijd hem nog rijker loon en grooter winsten beloofde, dan de ondersteuning, aan de Ligue verleend, hem reeds had opgebracht. Zoo de troon van Frankrijk niet door Hendrik IV werd ingenomen , wie zou hem dan bezetten'? Aan pretendenten was geen gebrek, maar geen enkele was er, die zijne rechten tegen hem kon staande houden; de Spaansche vorst had in zijne legers krachtiger argumenten voor de juistheid der aanspraken, die hij voor zich of voor zijne dochter deed gelden, dan eenig ander. Bij Mayenne en den liguïstischen adel, die met dezen verbonden was, mocht er sympathie voor zijn erkenning bestaan, de steun der geestelijkheid en der Jezuieten was hier, als elders, aan Philips verzekerd. „De onderwerping van Frankrijk, in welken vorm ookquot; — zóó spraken in het Escuriaal de raadslieden, die het oor des ouden konings bezaten — „aan de staatkunde van Spanje, herstelt het overwicht van het Spaansch Katholicisme en koningschap in Europa. In Frankrijk ligt de beslissing. Zegeviert de Bearner, dan is de triumf der ketterij ook in de Nederlanden verzekerd; de protestantsche volken zullen zich krachtig aaneensluiten en de heerschappij over Europa is aan Spanje ontnomen.quot; Was het wonder, dat de oude koning het denkbeeld, dat hij zijn geheele leven met onbezweken volharding had nagejaagd, zij het ook bijkans stervende, met nieuwe geestkracht opnam, om er de laatste krachten aan te wijden? liet uitzicht, dal de geestdrilt van jongeren hem opende,

35

ocr page 46

t)E OVEnGANfi VAN IIËNDRIK IV.

was le verlokkend, dan dat de waarscliuwingeu van ernstiger mannen bij liem ingang konden vinden.

En toch was het aan een dezer laatsten, dat hij de taak toevertrouwde om Frankrijk te hulp te komen. De hertog van Panna, die sedert '1578 de koninklijke legers in de Zuidelijke Nederlanden aanvoerde, had te vergeefs zijn meester op het gevaar gewezen, dat de rechtstreeksche inmenging inFrankrijks strijd zou na zich sleepen. De vrucht van jaren arbeids, de kans op de verovering van het kettersche Noorden dreigde verloren te gaan, zoo de krachten werden verdeeld en niet vereenigd bleven tot het hoofddoel. Maar Philips, die geheel Europa in zijn berekeningen omvatte, had zijne bezwaren licht geteld en de bevelen tot uitvoering gegeven. Parma moest zich onderwerpen en zijn leger naar Frankrijk voeren.

Den 30sten Augustus 1590, bij het krieken van den dag, zagen de wachten op de muren der hoofdstad den omtrek verlaten. Hendrik IV had het beleg opgebroken, om den vijand, die te Meaux was gelegerd, op te zoeken en slag te leveren. Doch de Spaansche opperbevelhebber begeerde geen kamp. „Je n'ay charge du Roy mon maistre que de secourir Parisquot;, antwoordde 1'ij op de aansporingen zijner omgeving. Hij had uit de verhalen van Mayenne opgemaakt, dat hij slechts een klein, onaanzienlijk legertje zou te bestrijden hebben. Doch toen hij den eersten September het leger des konings in oogenschouw nam, zag hij in, dat hij misleid was, en duwde hij Mayenne de woorden toe: „Ce n'est pas la ceste armée de dix mil hommes, que vous me disiez, car j'en voy la comparoistre plus devingt cinq mille, et en bonne ordonnancequot;. 23

Met onwilligen voet had Alexander Farnese het Fransche grondgebied betreden; den misslag zijns meesters verzwaren, door zijn leger aan een nederlaag bloot te stellen, dat wilde hij niet. Aan elke uitdagende beweging van Hendrik IV bood 1'ij wederstand, verzekerd, dat dralen hem rijker en gemakkelijker vruchten zou leveren. Met machteloozen toorn sloeg Hen-

m

ocr page 47

DK OVERGANG VAN' IIUND1UK IV.

drik de zelfbelieerscliiug' zijns tegenstanders en de ontkiemende verdeeldheid in zijn eigen leger gade. Zoo lang er mogelijkheid van strijden was, hield de adel stand; doch toen elke kans op een veldslag week, drongen de edelen bij den koning op ontbinding zijns legers aan. Zoo hij niet wilde verlaten worden, moest hij hen wel ontslaan. Sedert maanden had liij zijn leger niet kunnen betalen: sleelits het uitzicht op de verovering van Parijs had het bijeengehouden. Nu en verovering en strijd onmogelijk scheen, moest hij, schoon toornende, toegeven.,taaier geen hoop was op een bataillequot;, — schreef Hendrik aan Montpensier, — ,,daar de inneming van Parijs voor langen tijd is uitgesteld, terwijl mijn leger is samengesteld uit edelen, die vrijwillig komen, en de vijandelijke armee uil betaalde huurlingen , heb ik mijne edelen naar de provinciën teruggezonden, die van bezetting beroofd waren, om de plaatsen, die aangevallen mochten worden, te voorzien. Ik zelf zal met een goede macht van kavalerie en voetknechten, die mij overig is, beveiligen, wat de vijand zou willen aantastenquot;.2'

Een juichtoon ging er onder de Ligue en hare aanhangers op, toen de ontbinding van het koninklijke leger en het voort-dringen van Parma's troepen bekend werd. Schimpende op de lafheid der edelen, die in volharding zoo zeer onderdeden voor de Parijsche bevolking, voorspelden de tegenstanders van den Bearner zijn geheelen ondergang. Doch zij juichten te vroeg en voorspelden te veel. Wel trok Parma's leger voort, ontzette Parijs, veroverde Lagni en Corbeil, doch daarbij bleef het. Na acht weken gaf Farnese hel sein tot den terugtocht: de berichten uit de Nederlanden waren ongunstig; de bijval en steun, dien de Fransche Ligue hem gaf en geven kon,.was te zeer onvoldoende, dan dal hij het wagen wilde, voor zeer onzekere voordeden het gevaar van een geheelen ondergang te loopen. Heeds den November kon Hendrik aan Montmorency spottende melden: „nos Ilespagnols sont bien plus honnestes gens que les vostres; car ils ne veulent pas fouller leur hoste davantage, et

37

ocr page 48

l)K OVERGANG VAN HENDRIK IV.

purienL de se relirer. Us nous out faict si peu de mal, que je pense estre obligé a leur l'aire Thonneui- de les reconduirequot;.25 En aan dit harlelijlv voornemen gaf hij uitvoering: hij verontrustte Panna zoo veel hij kon. De Spaansche landvoogd keerde in de Nederlanden terug, slechts versterkt in zijn oordeel over de dwaasheid der onderneming. Nog voor hij de grenzen overschreed , waren de veroverde plaatsen door hel koninklijke leger hernomen en werd Parijs opnieuw verontrust door de troepen des konings.

De Fransche Ligue — Parma had het aanstonds gezien — was zonder eenige ware kracht. Slechts door kerkelijken haat op te wekken, kon zij de gemoederen der menigte tegen den Bearuer stemmen; maar hem verslaan kon zij niet. Wat Philips begeerde, zou hij met de wapenen in de hand moeten veroveren.

liet wekt geen verwondering dal een man, die de reöele zwakheid der Ligue zoo juist inzag, met onverholen minachting hare hoofden behandelde. De persoonlijke kennismaking met Mayenne had tot geen vriendschap geleid. De trotsche, dikke edelman, wiens macht en invloed in geen de minste verhouding waren met de aanspraken, die hij deed gelden, had niet dan zeer onwillig voor Farnese gebukt. De Spanjaard had zich over zijne gevoeligheid weinig bekommerd. Aan de grenzen gekomen, liet Panna eenige troepen, Italianen en Spanjaarden, lot bescherming der Ligue achter. Opmerkelijk was hel afscheid, dal hij van de aanvoerders dezer benden, in tegenwoordigheid van Mayenne en andere hoofden der Ligue, nam. Over hen sprak hij geen woord: maar zijne manschappen drukte hij, als waren zij in geheel vijandelijk land, ernstig op het hart, om Frankrijk onder de gehoorzaamheid van den Heiligen Stoel terug te brengen. Zoo zij in 'l volgende voorjaar nog niet gereed waren , beloofde hij hun ondersteuning; mocht het noo-dig zijn, dan zou hij zelf wederkomen 1K. Diep vernederend voor Mayenne en zijne genooten was hel, zulk een laai van een vreemd bevelhebber le moeten aanhooren, die over Frankrijk, als ware

ocr page 49

DE OVERGANG VAN HENDIUK IV.

hel een hun vreemd gewest, eigenmachtig beschikte. De vruchten van landverraad zijn bitter.

Doch nog bitterder ervaringen wachtten hen. De adellijke hooiden der Ligue hadden vreemde (roepen in het land geroepen , om de overmacht van den Bearner te weerstaan, liet ontzet van Parijs was het eenige, wat de komst van Panna had opgeleverd. Een blijvend resultaat schonk de vernedering, die zij zich hadden getroost, niet. De koning van Frankrijk was niet verslagen, en de kans op zijn erkenning slechts uitgesteld. Spanje's optreden bovendien deed de verdrukte tweedracht in de eigen partij met nieuwe hevigheid en kracht uitbarsten. Hier, als altijd, zou het waarheid blijken, dal de verrader van zijn land slechts zijn eigen graf delft.

Voor de poorten van Parijs had Hendrik IV de gebreken van zijn leger duidelijker dan te voren ingezien. Hij had begrepen, dal de hulp van vrijwilligers, die slechts door de oud-feodale traditiön van ridderlijke trouw tot blijven werden genoopt en bij den eersten tegenspoed hem verlieten, onvoldoende was om den strijd, dien hij voerde, te beslechten. Gelijk zijne vijanden, moest hij huurtroepen hebben, door eed, soldij en krijgstucht tol gehoorzamen verplicht. De liguislische edelen hadden de Spanjaarden in 't land geroepen en openden voor de Spaansche legers de grensplaatsen en provinciën des lands. In Languedoc had Joyeuse een lal van plaatsen hun overgegeven, en slechts met hun steun bestreed hij Montmorency, die de koninklijke troepen aanvoerde. In Brelagne was liet de hertog van Mercoeur, een bloedverwant van Mayenne, die met Spaansche hulp zich tegen Hendrik's leger staande hield. De hertog van Savoye, Karei Emanuel, voerde in Provence en Dauphiné den krijg tegen den Franschen koning, deels om eigen voordeel te behalen, deels om de belangen van zijn schoonvader, Philips II, die hem steunde, te dienen. Mayenne zelf, de „luitenant generaal van Frankrijkquot;, ellende in het Noorden den weg tot

ocr page 50

bli UVUUGA.Nt; VAN HENDRIK IV.

het inidden van Frankrijk voor de Spaansche troepen uit de Nederlanden. De hertog van Lotharingen voerde den strijd in Champagne. De vroegere gouverneur van Parijs, Nemours, had, ontevreden dal Mayenne zijne hooge eischen niet wilde inwilligen , de hoofdstad verlaten, en poogde door veroveringen in Bourgogne, Auvergne enz. zich een onafhankelijken staat te verzekeren. De eenheid des rijks werd dooi' de oproerige Ligue, in verbond met het buitenland, gewelddadig verscheurd. In zijn Escuriaal gezeten, stookte Philips II het twistvuur aan, en besprong met zijne legers in het noorden, zuiden en westen het Fransehe grondgebied, om op de puinhoopen van Frankrijks eenheid zijn eigen gezag en de heerschappij van zijn Katholicisme te grondvesten.

Tegen zulk een overmacht en aandrang van vijanden gevoelde Hendrik IV zich machteloos, zoo hij op de zwakke krachten, die hem ten dienste stonden, voortaan alleen had te steunen. Maar juist de grootheid van 't gevaar gaf hem het recht om bijstand van anderen in te roepen. Want niet zijn koningschap alleen, niet alleen Frankrijk, maar de vrijheid van het Protestantisme en van Europa werd bedreigd. In Parijs lagen de sleutels tot de heerschappij over het werelddeel. Zijn strijd was door de misdadige handelingen der Ligue een Europeesche worsteling geworden: de beslissing over zijn troon besliste over de vraag, ol de middeleeuwsche macht van Habsburg ook de 17de eeuw zou beheerschen. Voor Engeland, voor de jonge Republiek in de Nederlanden, voor Duitschland was de uitslag van zijn worsteling een levensvraag. Hun aller belang was het zijne, omdat zijn ondergang hun vrijheid en onafhankelijkheid bedreigde. Nog vóór de ontbinding van zijn leger zond hij Turenne naar Londen, den Haag en de Duitsche hoven, om tegen den gemeenschappelijken vijand bijstand van troepen te vragen.

Doch maanden zouden er verloopeu, voordat die hulpbenden, ook toen zij toegezegd waren, konden aankomen. Niet

ocr page 51

UK OVERGANG VA.N HENDRIK IV.

voor hul najaar van 1591 moclil liij ze verwachten. Inmiddels zette hij met zijn eigen leger, nu eens sterker dan eens zwakker , den strijd voort, en zocht hij den moed en de krachten te sterken van zijne veldheeren in de provinciën. Zich zeiven behield hij de onderwerping der hoofdstad voor. De koning van Frankrijk alleen mocht de eer hebben, haar voor zich te doen bukken. Hoe betrekkelijk gering en afwisselend de macht ook was, waarover hij in de eerste helft van 1591 had te beschikken — een ü a 80ÜU man —, hij bezigde ze om Parijs voortdurend te verontrusten, haar den toevoer van krijgsvoorraad en levensmiddelen af te snijden, om door gebrek haar tot overgave te dwingen. Nauwelijks was Parma met zijne legers naar de Nederlanden vertrokken, of hij hernieuwde zijne aanslagen om de stad te verrassen. Een dezer aanvallen, in de Januari-maand, werd slechts met moeite door de Parijzenaars afgeslagen. Voor de Seize, wier macht en aanzien door deu gunstigen alloop van 't laatste ernstig beleg was hersteld, bood die aanslag een welkome gelegenheid, om bezetting van Spaansche troepen te vragen. Mayenne, hoe onwillig ook, kon het niet weigeren, en den 12'lea Februari 1591 rukten 4000 Spanjaarden en Italianen de hoofdstad binnen, om haar tegen hernieuwde aanvallen van den Bearner bij te staan.

Met onwil had Mayenne die troepen afgestaan. Niet bloot, omdat het zijn kracht tegenover den koning verzwakte, maar vooral, omdat zij een tegenstander versterkten, voor zijne plannen even vijandig, zoo niet gevaarlijker dan Hendrik IV.

Van haar oorsprong af had de Ligue uit twee deelen bestaan, die vereenigd aan Hendrik Hl hadden weerstand geboden. De adel had met de geestelijkheid het volk in beweging gebracht, om het koningschap, dat aan de ketterij concessiën deed, lot krachtiger optreden te dwingen. Maar bij de twee verbondenen hadden zich in den loop van het vereenigd verzet nieuwe drijf-veeren ontwikkeld en doen gelden. De adel zocht de koninklijke macht te beperken en te verdeelen , om de in vroegere eeuwen

ocr page 52

DK OVliUOAiNG VAN HKNDKIIv IV.

liom ontnomen macht, die de groote leenmannen tot de pairs der koningen maakte, terug te bekomen. Het volk, de door godsdienstige dweperij bewogen burgerij en lagere standen, wilde van de hulp, die zij den adel verleenden, gebruik maken, om het knellend juk van den adel zeiven af te schudden. De eerste stond het monarchaal principe voor, en wilde een katholieken koning, maar afhankelijk, als de eerste Capet's, van zijn edelen; een machteloozen koning, tot niets geschikt dan om tot werktuig te dienen en om de uitvoerder van hun lusten tegen de ketterij te zijn. Het volk begeerde een koning, die hen beschermde zoowel tegen den adel als tegen de ketters; die in de uitoefening van zijn macht beperkt was en gecontroleerd door zijne vertegenwoordigers en van dezen genoegzaam afhankelijk.

Zoolang de Ligue in den strijd tegen Hendrik III en IV met meer of minder gevolg werkzaam was geweest, had de adel de democratische richting in het verbond kunnen bedwingen. Mayenne had zelfs den algemeenen raad (Conseil des Quarante), uil vertegenwoordigers der plaatselijke liguistische raden bestaande 27, opgeheven, om de eenheid en samenwerking der gevaarlijke partij te breken. Maar de nederlaag van Ivry had zijn invloed en overwicht geknakt: het hoofd der adellijke Ligue was niet bij machte geweest tegen Hendrik IV het veld te houden. Zelfs om Parijs, door de volkspartij hardnekkig verdedigd, te verlossen, had hij de hulp van den Spaanschen koning moeten inroepen. Was 't wonder, zoo de leiders der Parijsche democratie thans, na het ontzet, minder dan ooit genegen waren, onder het juk van den adel terug te keeren, en boven Mayenne Philips II verkozen?

lieeds dadelijk na de verlossing der stad had de Conseil des Seize Boucher en eenige anderen afgevaardigd, om aan Mayenne zijne eischen over te brengen. Zij vorderden, dat hij aanstonds hulp zou vragen „du Pape et du Hoi d'Espagne, qui estoit Ie plus proche et prompt secoursquot;; dat hij uit zijn raad

ocr page 53

Dli OVEIiCANG VAN HENDRIK IV.

allen zou ontslaan, die van schikking met den koning hadden gesproken: „ceux, qui luy demandoieut incessamment des recompenses, ceux qui luy conseilloient de n'entendre lesplainles du peuple catholique comme chose importune et sans raison, ceux qui ne tendoient a autre chose qu'a restablir I'Estat aux despens de la religion, ceux qui s'estoient approchez de luy en intention de sauver leurs biens, et qui n'estoient parus auprès de luy28 que depuis la mort de messieurs ses l'rères29, servans auparavant de conseil au feu Floyquot;.

Onder deze verschillende rubrieken was reeds een groot getal der edelen, die Mayenne volgden, begrepen, maar een nog grooter getal werd bedreigd door den eisch, die er werd bijgevoegd : „qu'il list establir une chambre de personnes eslcues et choisies pour cognoistre indifferemment et juger souveraine-ment de tous ceux qui contreviendroient a l'union des catholi-ques et de toutes les causes des catholiquesquot;. Met zulk een sou-vereine rechtbank was het gezag van Mayenne onvereenigbaar. Doch de Parijsche democratie ging nog verder en sprak in haar laatste vordering onverholen uit, dat zij een ander gezag dan het zijne verlangde: „qu'il plust audit sieur due mander au Conseil-general de l'union de reprendre leurs seances et y con-tinuer; comme chose necessaire pour la continuation de l'union des catholiques, estant le seul et unique corps souve-rain de tout 1 eur party, et sous 1'authorité du-quel il avoit esté londé, en attendant l'assemblée des trois estats du royaume; la discontinuation duquel corps leur avoit grandement prejudicié, pource que tout leur party s'estoit demembré faute de la substance de ce corps, auquel seul loutes les provinces et villes de l'union des catholiques avoient promis obeyssance; si bien que, si ce corps venoit a delaillir, la des-union s'ensuivroit si grande, que tout leur party seroit entiere-ment ruiné.quot; 30

Bijkans elk woord van deze memorie was beleedigend voor Mayenne en zijn partij. Uit elke der vorderingen sprak wan-

ocr page 54

bK OVERUANU VAN HKNÜRIK IV.

trouwen in du bedoeling en de krachten van den adel en een hoog bewustzijn van eigen macht. Geen edele, die de strekking niet begreep, die zich, dooi' de aanmatigingen van het Parijsche volk en de geestelijkheid, niet gekwetst gevoelde: „L'intention des Seize fut incontinent descouverte, et cognut-on qu'ils ne ten-doient qn'a la ruine de la monarchie franpoise, qu'ils n'estoient que gens turbulents, lesquels vouloienl reduire l'Estat de France en mie republique en laquelle ils se promettoient de faire les souverains, et ruyner par ce moyen la noblesse.quot;

Het is niet waarschijnlijk, dat de hoofden der Parijsche democratie een oogenblik een goeden uitslag dezer verzoeken, hoe dikwerf ook herhaald, hebben verwacht. Aan Boucher en zijne medeleiders der beweging moest de afwijzing zeker meer welkom zijn, dan de aanneming. Want zij versterkte hun invloed b'j het volk, en gaf aan hun raad, om zich rechtstreeks met den Spaanschen koning in betrekking te stellen, meer nadruk. Dat de onderwerping van Frankrijk aan Philips 11 verraad jegens het vaderland was, was voor hen natuurlijk geen bezwaar. De heerschappij der kerk was de hoofdzaak en het kerkelijk cos-mopolitisme kent geen vaderland.

Heeds in December 1590 had de Sorbonne een monnik naar Madrid gezonden, om Philips te verzoeken, dat hij „Parijs, de moeder der geleerdheid, onder zijn bescherming mocht nemen en legen de wreede vijanden van den katholieken godsdienst verdedigen.quot; Het geheele volgende jaar werd er onderhandeld. De meest verschillende denkbeelden werden voorgestaan. Sommige geestelijken schrikten er niet voor terug, om, zoo het belang der Kerk het eischte. Frankrijk in eenige groote vorstendommen te splitsen. Doch de meerderheid was er tegen en achtte de keus van een koning over het geheele rijk beter, liet liefst zou zij Philips 11 zeiven op den troon hebben geplaatst, maar om zijn leeftijd zouden zij zich met zijn dochter Isabella vergenoegen. Den September, toen Parijs door de troepen vau Hendrik IV genoegzaam aan alle kanten geblokkeerd

u

ocr page 55

bË OVERGANG VAN HENDRIK tV.

was, zond de Conseil des Seize een pater Matlliieu naar Madrid, mei een brief waarin zij Frankrijk aan de voeten van den Spaanschen koning nederlegden. „INons pouvons certainement asseurer Vostre Majesté Cathoiique que les voeus et souhaits de tons les cathoiiques sont de voir V. M. C. tenir le sreptre de lt;;este conronne et regner sur nous, comma nous nous jettons trés volontiers entre ses bras, ainsi que nostre père, ou bien qu'eile y establisse quelqu'un de sa postérité. Que si eile nous en veut donner un autre qu'eile mesme, elle luy soit agreable qu'eile se cboisisse un gendre; lequel, avec toutes les meilleures affections et toute la devotion et obeyssance que peut apporter un bon et lidelle peuple, nous recevrons pour roy; car nous esperons tant de la benediction de Dien sur ceste alliance, que ce que jadis nous avons receu de ceste très-grande et Irès-chrestienne princesse Blanche de Castille, mere de nostre très-cliretien et très-religieus roy sainct Loys, nous le recevrons, voire nu double, de ceste grande et vertueuse princesse iille de V. M. C., laquelle par ses rares vertus arreste tous les yeux a son object, pom-en alliance perpetuelle fraterniser ces deux grandes monarchies sous leur regne a {'advancement de la gioire de nostre Seigneur lesns Christ, splendeur de son Eglise, et union de tous les habitans de la terre sous les enseignes du christianisme.quot; 31

Hoe weinig de leiders der Parijsche democratie den man kenden, aan wien zij Frankrijk wilden prijs geven, blijkt uit verschillende bescheiden, waarin zij hunne voorwaarden hebben neergelegd. Aan een absoluut koningschap werd niet door hen gedacht. De Algemeene Staten zouden regelmatig vergaderen, alle wetgevend gezag hebben en over de linantien beschikken. Zonder hun toestemming zou de koning geeu troepen mogen heffen; en in hunne vergadering slechts dan verschijnen, als de besluiten waren genomen, die hij niet alleen moest bekrachtigen , maar ook punt voor punt bezweren. De belangen dei-Kerk overheerschten alles; den koning was het, op verbeurte van zijn kroon, uitdrukkelijk verboden, met de niet-katholiekc

ocr page 56

I)K OVERGANG VAN IIKNDRIK IV.

machten en de Turken, direct of indirect, in eeniare betrekking

'o rgt;

te treden. Zoo de Staten het bevalen, moest hij tegen den een of ander een kruistocht ondernemen, waarbij de edelen verplicht waren op eigen kosten hem te dienen; slechts onder deze voorwaarde mocht de adelstand zijn rechten behouden. De inquisitie, door de boozen zoo gevreesd, moest in Frankrijk ingevoerd worden. Slechts ware Katholieken mochten als leden van den staat worden erkend. Alle vier jaar zouden de rijksaangelegenheden opnieuw worden geregeld, en onderzocht, of de koning zijn beloften gehouden had, dan wel gebroken. Zoo hij, in het laatste geval, de grieven weigerde weg te nemen, was de natie van haar eed ontslagen en mocht zij een nieuwen koning kiezen. Geen vreemdelingen mochten tot geestelijke of wereldlijke betrekkingen worden benoemd; alle belastingen, sedert Lodewijk Xll ingevoerd, moesten afgeschaft; de domeinen, in de laatste halve eeuw vervreemd, voor de bezittingen der ketters worden teruggekocht. De Spaansche koning moest voor de beschikking over Frankrijks kroon eenige opoffering doen. De vrije scheepvaart naar de beide Indien zou aan de Franschen vergund zijn. Alle landen, die ooit tot Gallië hadden behoord, zou hij weer met Frankrijk hereenigen.

Een afgezant van de Sorbonne sprak de vijandschap tegen den adel, die zich in dit ontwerp openbaarde, nog scherper uit. Hij gaf aan Philips den raad, om met een groot leger Frankrijk binnen te dringen; alle rechtbanken en parlementen te hervormen, alle kasteelen te sloopen, zoodat de steden het platte land zouden beheerschen; aan alle provinciën door af-schalling van belastingen van het vervoer het voordeel van de vereeniging met Spanje te doen gevoelen, en dan de Etats Généraux bijeen te roepen, die zijn werk zouden bekronen door hem te erkennen. 'n.

Zoo verre was het, dank zij den invloed der Kerk, in Frankrijk gekomen. Zulke denkbeelden en plannen konden ongestraft uitgesproken en voorgestaan worden, ja wekten geestdrift. De

ocr page 57

l)E OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Parijsclie democratie, speeltuig van de geesteiijklieid, wierp mot de kroon de eer der natie in het slijk.

En de adel? En Mayenne?

De mannen, die bij den aanvang der Ligue de hulp van Philips haden gevraagd, waren de gouverneurs der groote provinciën geweest, liet waren de groote edelen van Frankrijk, die het eerst den vreemdeling hadden in het land geroepen. Zij, die thans in Bretagne, Languedoc, Picardië met hulp van Spanje de koningstroepen bestreden, waren hoofden en representanten der groote adellijke geslachten des lands. Hun antecedenten maakten hun het verzet tegen de plannen en aanspraken van Philips wel niet onmogelijk, maar toch zeer moeielijk. Sedert den dood van Hendrik lil had Mendoza voortdurend met Mayenne en zijne raden onderhandeld. Velen, zoo niet allen, waren volkomen geneigd, om Philips als Protector van Frankrijk te erkennen. Maar het hoofdbezwaar lag in de voorwaarden. Terwijl de Spaansche gezant deelneming van den vertegenwoordiger zijns meesters aan het staatsbestuur verlangde, vorderden .Mayenne en de zijnen de meest, mogelijke erkenning en waarborg hunner rechten. Volkomen te goeder trouw gingen noch Mayenne noch velen zijner genooten te werk. Edelen, als Mercoeur, waren te winnen met de belofte van een gouvernementschap in een of meer provinciën. Maar Joyeuse quot;, en met hem anderen, schrikten heimelijk terug voor de heerschappij van een buitenlandsch vorst, wiens vertegenwoordiger hen bevelen en tot de rol van dienaren eens vreemden ministers verlagen zou. Ook Mayenne, die gelijktijdig met den Spaanschen gezant en Hendrik IV onderhandelde, aarzelde en weifelde; hij had bovendien de hoop nooit opgegeven, om zelf den troon te bestijgen. De voortduring van den strijd zou, naar hij hoopte, de natie, afgemat en uitgeput, eindelijk tot erkenning van hem, een katholieken en Franschen koning, dwingen. Dat was de eenige redding, die haar, zoo zij den vreemdeling en den keiter wilde ontsnappen, overbleef.

ocr page 58

DE OVERGANG VAN HENDRtlv IV.

Doch deze uitkomst was alleen bereikbaar, zoo de macht des Bearners niet in die mate toenam, dat Mayenne, om Parijs te redden, elke voorwaarde, door Spanje gesteld, moest aannemen. Den bijstand van Philips te gebruiken tot eigen bate, zonder er door verlamd of gebonden te worden, was de politiek van dezen vissciier naar de kroon.

Het jaar 1591 stelde zijn berekeningen te leur. De onder-drukking dei' democratische partij in de hoofdstad was het eenige voordeel, dat liet hem schonk. Maar het baatte anderen meer dan hem.

Den i7stequot; Augustus '1590 was Sixtus V gestorven, vergiftigd, naar de tijdgenooten zeiden, door Philips II. In den laatsten levenstijd had de scherpziende paus zich aan de Spaansche partij onttrokken, en geweigerd de tegenstanders van den Bearner verder ten dienste te staan. De pastoors te Parijs juichten over zijn dood; hij was ,,un meschant pape et politiquequot;, schimpten zij, zonder eerbied voor 's mans onfeilbaarheid.

Gregorius XIV, die na vier maanden in zijn plaats trad, was een onbeduidend en bekrompen geestelijke, een blind werktuig in de handen van den Spaanschen gezant. In het begin van Februari des volgenden jaars zond hij aan den bisschop van Plaisance een brief toe, waarin hij de Parijzenaars uitbundig prees, en beloofde dal hij een leger ium tot hulp zenden en onderhouden zou. Een nuntius, beladen met breve's en bullen voor de Ligue en de standen des rijks, was reeds op reis naar Frankrijk.

Een goedkeuring uit zoo heiligen mond was voor de Seize, die Parijs beheerschten, een heerlijke belooning voor't verleden, maar tevens een krachtige prikkel voor 't vervolg. De hertog de Mayenne en de adellijke hoofden der Ligue ondervonden onmiddellijk, hoe zeer de moed en stoutmoedigheid der democratische leiders was gestegen. Niet alleen hernieuwden zij den eisch, dat de Conseil des Quarante hersteld mocht worden,

48

ocr page 59

1)E OVERGANG VAN HENDRIK IV.

49

maar zij voegden er nieuwe vorderingen bij, voor velen, die Mayenne omringden, bij uitstek gevaarlijk 34. De paus, in zijn onberaden ijver de deniocratisclie aanhangers van Spanje in de liooldstad steunende, liad de eendracht onder de tegenstanders van Hendrik IV geheel vernietigd. En aan eendracht en eenheid hadden zij meer behoefte dan aan prikkelende woorden. Want de koning van Frankrijk liet de maanden, die er ver-loopen moesten voor de komst der vreemde hulptroepen, niet ongebruikt voorbijgaan. De kleinere plaatsen in den omtrek van Parijs bezette en veroverde hij, om allen toevoer af te snijden. Niet als in Augustus des vorigen jaars, belegerde hij de hoofdstad; ditmaal stelde hij zich met een meer of min geregelde blokkade tevreden. Hij stopte voor hen de bronnen van toevoer, belette de toezending van levensmiddelen, en riep daardoor in de stad een knagende ontbering in 't leven, die vooral na den geleden hongersnood dubbel zwaar moest vallen. Trouwens, Parijs had al zeer kort van het ontzet door Parma genot gehad. Het gebrek was reeds in Januari weder drukkend, en werd het met iedere maand meer. Vooral, toen het aan Hendrik IV gelukte den lO15611 April Chartres, de voorraadschuur van Parijs, te veroveren. Gedurende de tien weken, dat de bezetting weerstand had geboden, was zij wakker gesteund door de dringende gebeden en predikatiën der Parijsche geestelijkheid. Zondag 7 Maart was te Parijs, volgens kerkorde, de geschiedenis der Kananeesche vrouw behandeld. Alle predikers legden den tekst allegorisch uit: de Kananeesche was Parijs, hare dochter de stad Chartres. de duivel de Bearner. Door processiën enz. poogde men de Godheid te verbidden, opdat Chartres niet mocht bezwijken. Nog den 18dei1 April zag men een kinderprocessie, zoo jongens als meisjes, die volgens een ooggetuige uit niet minder dan 50ÜÜ kinderen bestond. Notre Dame de Chartres kreeg allerlei mooie beloften; maar zij liet zich niet bewegen; zij was tot de politieken overgeloopen Tot het laatste oogenblik volhardden de priesters, om het volk te verzekeren dat Chartres II 4

ocr page 60

50 DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

. . ifl4 niet in handen van den ketter zon vallen. God had bovendien

— wist de Italiaan te vertellen, die den fttóea April in de Sainte

Chapelle preekte — nog een particuliere reden, om een hekel

aan Hendrik IV te hebben. „11 (de pater) engageaquot; — vertelt

een toehoorder — „son ame an diable, en presence de tons les

assistans en son sermon, au cas que le Béarnois entrast jamais

dans Chartres: et repeta par deux fois qu'il l'osoit bien prendre

sur la damnation de son ame, et les asseurer qu'il ne la pren-

droit point: et apelant le Roy chien, heretique, athée et tiran:

dit qu'il avoit couché avec nostre mère l'Eglise, et fait Dieu

cocu, ayant engrossé les abesses de Montmartre et de Poissiquot; 30.

Niettemin konden de Parijzenaars de inneming van Chartres niet beletten; doch de vestiging van Hendrik's koningschap zouden zij tegenhouden. Dat had de Parijsche geestelijkheid zich zelve beloofd. „Gelooft me, mijne vriendenquot; — zei eens van den kansel de pastoor van S. André — „als ooit die ellendige afvallige hier binnenkomt, dan zal hij ons onzen godsdienst ontnemen, onze heilige mis, onze schoone ceremoniën, onze reliquiën; van onze kerken zal hij paardenstallen maken , uwe priesters zal hij dooden , en uw kerkornementen zal hij tot opschik van zijn lakeien bezigen.quot; Met zulke praatjes hield men het volk onder bedwang, en leidde het, waarheen men wilde. De aanhangers van Hendrik IV, ook de katholieke edelen, werden als heidenen en ketters afgeschilderd. Toen eens eenige Italiaansche militairen, die te Parijs in garnizoen lagen, met de royalistische bezetting van St. Denis in aanraking waren geweest, spraken zij hun verbazing uit, dat daar de mis werd bediend! De Parijsche geestelijken hadden hun de Royalisten als Lutheranen voorgesteld.

Gesteund door den pauselijken legaat, den Spaanschen ambassadeur en de bezetting van Parijs hadden de democratische /eiders het terrein volkomen vrij, om de bevolking te bewerken. Iedere voorspoed van den Bearner was een wapen in hun handen tegen Mayenne en een grond tot aanbeveling van Philips II of diens dochter. Aan de mogelijkheid, dat Hendrik IV zijn

ocr page 61

DE OVERGANG VAN IIENUIUK IV.

kettersch geloof zou afzweren, werd door hen slechts met afschuw gedacht. ïoeri' de verblinde Gregorius XIV in April een heftige excommunicatiebul tegen den koning en zijne volgelingen slingerde, deed hij niets anders dan de oogmerken van Philips 11 en diens aanhangers in de hoofdstad dienen. De Spaansch-gezinde Liguisten hadden openlijk met hun vaderland gebroken. Mayenne had de troepen des buitenlanders in het land geroepen, maar de Conseil des Seize deed meer: hij gaf de natie aan Philips prijs.

Ook in de hoofdstad intusschen ontbraken de afwijkende meeningen niet. De partij der politieken, die voor verzoening met Hendrik gezind was, durfde het hoofd niet opsteken, evenmin als de aanhangers van Mayenne. Maar beider bestaan was bekend, en zoowel de eersten als de laatsten waren aan den Conseil des Seize een gruwel en ergernis. Inzonderheid was het Parlement van Parijs, hoe verminderd ook in getal door de vlucht van de aanhangers des konings, hun een doorn in 't oog. Zoolang dit hooge college, dat in de burgertwisten zich een groot politiek aanzien en gezag had verworven, tegenstand bood, en hunne plannen weigerde te ondersteunen, konden de democratische hoofden niet hopen te slagen. Herhaaldelijk poogden zij Mayenne te bewegen, om hen van de onwillige parlementsleden te verlossen. Het hoofd der adellijke Ligue, die met verbittering den aanwas der democratisch-kerkelijke partij in Parijs aanzag en haar klimmende vorderingen ontving, beperkte zich tot hel verbannen van eenige leden. Tot het goedkeuren van gewelddadigheden liet hij zich niet verleiden. Trouwens zijn eigenbelang verbood het hem. Hoe kon hij de Seize steunen, die steeds meer en onverholen zich van hem afwendden en aan Spanje overgaven? Hun zegepraal in de hoofdstad zou de ondergang van zijn eigen kansen en aanspraken op het koningschap zijn. Indien hij hen hielp, om zijn aanhangers uit den weg te ruimen, zou zijn gezag in Parijs spoedig tot niets zijn herleid.

51

ocr page 62

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Maar de Conseil des Seize wist zich te helpen. Tegen Mayenne in duifden zij den Conseil des Quarante niet herstellen, doch na Februari, toen er Spaansche hulptroepen in Parijs waren, bereidde zij alles op een gewelddadige revolutie voor, die hun de macht in handen zou geven. De bemoedigende goedkeuring des pausen, zijne bullen, en de belofte van met een leger hen te ondersteunen, prikkelde hun opgewondenheid tot de grootste geestdrift. Geen middel was te laag, zoo het aan Spanje, den kampvechter voor het katholiek geloof, de macht en de kroon des lands kon bezorgen.

Reeds tijdens het beleg van Chartres was de taal der predikers heftiger dan te voren geworden. Openlijk eischten zij bloed. Boucher, de beruchte volksredenaar, was een der eersten, die herhaaldelijk den eisch deed hooren. Inzonderheid was het in de vasten voor Paschen, dat hij op moord aandrong.37 „Hij had het hun al zoo dikwijls gezegd, dat zij den Bearner met zijn aanhang moesten dooden en uitroeien. Zij sloegen er geen acht op: doch zij zouden er berouw van hebben, liet was nu meer dan tijd om naar het mes te grijpen, en nooit was hel zoo noodig geweest als nu.quot; Ofschoon hij gewoonlijk in dien geest preekte, maakte deze predikatie meer dan anders indruk, omdat hij ook van de leden van het Parlement sprak, die niets waard waren, zei hij. Zijn gebaren waren even wreed als zijn woorden ; „met eigen hand zou hij dien hond van een Bearner willen vermoorden, omdat het de grootste dienst was, dien men God kon doen.quot;

Omstreeks zeven maanden lang werd deze tekst van Boucher door de pastoors en monniken te Parijs, op weinige uitzonderingen na, uitgewerkt en ontwikkeld. Geen uitdrukking was te walgelijk, geen leugen te gemeen, om den haat tegen Hendrik en de tegenstanders der Seize te betoonen. Tegen vele parlementsleden te Parijs werd openlijk moord gepredikt, doch de tusschenkomst van Mayenne, die hen uit de stad verbande om hen te redden, voorkwam een tijd lang de uitbarsting.

ocr page 63

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Tocli bleven er genoeg over, om tot voldoening der wraak le strekken. Naarmate liet gevaar steeg en de macht van Hendrik IV, door de aankomst, in het najaar, der Engelsche en Duitsche Lulptroepen toenam, steeg ook de bitterheid, de bloeddorst. Toen in Augustus de jonge hertog de Guise uit zijn gevangenis te Tours was ontsnapt, veroorzaakte zijn aankomst te Parijs een groote blijdschap. In dezen jongen man, die zich gewillig leende om als werktuig der Seize en mededinger van zijn oom, den hertog de Mayenne, op te treden, zagen zij den toekomstigen koning van Frankrijk. De dochter van Philips zou hem de hand reiken, verhaalde men te Parijs. In dit vertrouwen schreven de geestelijke politici der hoofdstad den idcn September den brie! aan den Spaanschen koning, waarin zij hem ol' zijn dochter de] kroon van Frankrijk aanboden. 38

Doch deze gewichtige stap was op zich zelf niet voldoende. Het beoogde doel kon niet bereikt worden, zoolang het Parlement en de groote aanhang der politieken machtig genoeg bleef, om in het beslissend oogenblik weerstand te bieden. De Conseil des Seize met zijn gevolg besloot door te tasten, en door schrik zijn heerschappij en die des Spaanschen konings te grondvesten. Zeven maanden achtereen had de geestelijkheid op de noodzakelijkheid van een nieuwen Bartholomeusnacht gewezen, ditmaal gericht tegen Spanje's vijanden. De bodem was dus, mocht men hopen, genoegzaam toebereid. Om de uitvoering te regelen, werd in 't begin van November een Comité des Dix benoemd en werden er lijsten opgemaakt der meest gehate personen, die vallen moesten of verjaagd worden. De letters P. D. C., achter de namen geplaatst, wezen het lot aan, dat ieder hunner was toegedacht: pendu, dagué, chassé 39.

Gelijk steeds, was het ook ditmaal een kleine bende van misdadigers, aan wie de uitvoering werd overgelaten. Maar de geheele Conseil des Seize en hun aanhang was met de plannen bekend, en keurden ze goed. Gelijk in de Septemberdagen van 1793, gebruikten de eigenlijke leiders de handen van minder

53

ocr page 64

DK OVERHANG VAN HENDRIK IV.

voorzichtiger! dan zij, en wachtten de uitkomst af, om zich voor of tegen te verklaren. Verschillende priesters, zoo als o. a. Boucher, die het eerst den moord hadden gepredikt, verlieten Parijs, om na afloop weder te keeren. Zoo zochten de misdadige hoofden zich en hun kerk tegen het verwijt van medeplichtigheid te vrijwaren. Ecclesia non sitit sanguinem — maar zij laat het door werktuigen storten.

De mannen, met wie een aanvang zou gemaakt worden, waren de hoofden van het Parlement. Deze rechtbank had een aangeklaagde van verraderlijke verstandhouding met den koning vrijgesproken. Zulk een vonnis was misdaad! Een onschuldige onschuldig te verklaren! Als de Spaansche Inquisitie, wier invoering van Philips was gevraagd, zou gevestigd zijn, behoefde men voor zulke rechtspraken niet meer te vreezen. Had men nog andere bewijzen noodig, hoe juist een der Liguisten, Cromé het inzag, toen hij verklaarde, „qu'une Saint-Barthelemi eust esté bien a propos pour le temps qui couroit: et qu'une sain-gnée des veines cephaliques estoit necessaire pour la santé et restauration de eest estatquot;?

De president Brisson was de meest bedreigde. Hij had vroeger tot de heftige Liguisten behoord, maar was langzamerhand, verschrikt door de ontwikkeling der Spaanschgezinde partij, in het geheim tot de politieken overgeloopen. Vol eerzucht, had hij van de gelegenheid om Parijs te verlaten geen gebruik^ gemaakt, uit vrees dat hij door zijn vroegere tegenstanders weinig geteld zou worden. Dubbelhartig uit vrees, boog hij voor de Seize zoo diep hij kon, terwijl hij gelijktijdig met de royalisten onderhandelde. Zulke politici slagen dikwerf in dagen van beroeringen een tijdlang; en eindigen gewoonlijk, met het wantrouwen en den afkeer van alle partijen op te wekken. Brisson zag de wolken boven zijn hoofd te zamen trekken, maar werd, gelijk het met dergelijke karakters gaat, door het naderend gevaar niet tot tegenstand geprikkeld, doch geheel verlamd. Van alle kanten kreeg hij in October en nog in November waarschuwingen, maar

54

ocr page 65

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

liij kon niet besluiten om een poging tot vluchten te wagen. „Men /ou hem niet aandurven; men zou zich nog wel tweemaal bedenken, voordat men den President van het parlement aantastte; er is zooveel eendracht niet tusschen hen; groote woorden zijn goed en wel, maar als 't op handelen aankomt, durven zij nietquot;; met deze en dergelijke praatjes over zich zelf en de Seize sloeg hij de raadgevingen van goede vrienden in den wind. Andere oogenblikken was hij minder bemoedigd, en erkende hij de hopeloosheid van zijn toestand ''n. „Je ressemble a ces chiens qui sont entrés bien avant dans l'eau, et sentans qu'ils se naient, s'en voudroient bien tirer ou gangner quelque bord s'ils pouvoient, mais ils nc peuvent, car le fort de l'eau les emporte: si bien qu'en nageant tousjours a la lin il se naient. Aussi moi, pour vous en dire franchement, je fais ce que je puis en ceste ternpeste, el ai fait tousjours ce que j'ai peu, pour me tirer a bord, et y mettre les autres: mais nous y sommes entrés trop avant pour en sortir: au moins moi, qui sens bien que je me naie et ne m'en puis sauver, si non par mie speciale grace et miracle de Dieu.quot;

Vrijdag, den I5aen November, begaf Brisson zich des morgens naar bet Palais de Justice. Toen hij op de Pont Sainct Michel kwam, werd hij staande gehouden door eenigen der Seize, die hem dwongen terug te gaan en hern naar le petit Chatelet voerden. Daar werd hem een soort van verhoor afgenomen; of hij niet aan den koning van Navarre had geschreven? waarom hij den aangeklaagde had vrijgesproken? enz. Na afloop werd hem aan gekondigd, dat hij zich op sterven had voor te bereiden: ,,le Seigneur t'a aujourd'huy touché de iuy rendre l'ame ot as une grande faveur que tu ne mourras point en public comme traistre a la ville.quot; 11

Gelijktijdig waren nog een tweetal leden van 't Parlement in hechtenis genomen , en, even als Brisson, naar le petit Chatelet gevoerd. In tegenwoordigheid van vele leden der Seize werd het drietal door den beul aan een venster opgehangen.

55

ocr page 66

DK OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Zoo ving de heerschappij van koning Philips in Frankrijk aan. In den geest huns meesters, was sluipmoord het geliefde wapen van den Conseil des Seize. Want sluipmoord verdient het ophangen binnen 's kamers van drie menschen door een overmacht te heeten.

Doch wat aan den vorm ontbrak, zou eerlang worden vergoed. De Parijsche bevolking zou zijn goedkeuring hechten aan het vonnis, en het uitbreiden. Zoo hoopten de moordenaars van Brisson. Daarom had de geestelijkheid maanden achtereen de ketters en de politieken met schimpredenen en scheldwoorden overstroomd, en op hun vermoording aangedrongen. liet volk zou nu het voorbeeld der Seize volgen en de terechtstellingen van de drie raadsheeren bevestigen en bekronen door den algemeenen moord van Spanje's tegenstanders in Parijs.

Den volgenden morgen zag men op de Place de Grève de lijken der drie vermoorde raadsheeren hangen. In den nacht waren zij door de Seize hierheen gevoerd, liet volk stroomde te zamen en staarde het akelig schouwspel aan. Dit moment hadden de leiders uitgelezen, als het meest geschikte om het volk in beroering te brengen. Bussi, de gouverneur van de Bastille, een der heftigste Liguisten, begon de menigte op te hitsen tegen de verraders, de schurken, de politieken, die de stad aan den ketter hadden verraden. ,,Zoo men hem volgen wilde, zou Parijs nog voor den avond gezuiverd zijn van de schurken; hij kende ze allemaal, hij had ze op een lijst; en hij wist de huizen, die zij met de winsten van hunne verraderijen hadden volgepropt.quot; Maar hoe welsprekend Bussi ook tot moord en plundering opwekte, en hoe veel moeite zijne dienaren en aanhangers, die zich in de dichte drommen des volks voortbewogen, ook aanwendden, niets mocht baten. Het volk bleef koel de woorden hooren en de lijken aanstaren. „Als gij ze niet voorkomt, zullen zij u den hals afsnijdenquot; — riep eindelijk Bussi uit; — ,,hun chefs, die ge daar ziet hangen, hebben alles bekend; als wij hen vandaag niet voorkomen, zijn wij allen morgen dood.quot;

56

ocr page 67

1)E OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Merkwaardig! het Parijsclie gemeen bleef onbewogen. Voor de eerste maal sedert jaren bood het weerstand aan de verlokking der misdaad onder kerkelijke vlag. De tijdgenoot zag er een wonderwerk Gods in. 12 Toch laat zich het verschijnsel gemakkelijk verklaren. Bussi was de man niet, om op het volk invloed te oefenen; hij was te zeer bekend en berucht wegens zijn roofzucht, dan dat de menigte hem geloof schonk, waar hij in naam van kerkelijk belang tot haar sprak. Zij, die tot hen sedert maanden in gelijken geest hadden gesproken, de geestelijken, hielden zich schuil; Boucher had zelfs Parijs verlaten. Zoo zijn opwindende taal hier op de Place de Grève ware gehoord, in plaats der kunstmatige hartstochtelijkheid van Bussi, de uitkomst ware waarschijnlijk een andere geweest. Maar thans was de berekening op haar domheid en volgzaamheid al te naakt, te openbaar. Zij, voor wier belang de menigte werd verzocht te strijden, konden het verzoek ten minste zeiven tot haar richten.

Maar er was meer. Terwijl de Conseil des Seize haar steun en beslissing inriep, had hij reeds op beide voornitgeloopen. De lijken der drie raadsheeren hingen voor haar. Had men het volk tegen de levenden opgestookt, misschien ware het in beweging gekomen. Maar tegen een doode toornt men niet in koelen bloede. Deze lijken van geachte burgers, door sluipmoord gevallen, schrikten de menigte af, koelden haar haat. Wie kon gelooven, dal deze dooden zoo gevaarlijk, zoo slecht waren geweest? Was een Bussi beter dan een der drie? Niemand zou het beweren; en daarom wilde ook de menigte de verantwoordelijkheid dezer moorden niet op eigen schouders nemen en tot navolgen van het voorbeeld zich laten bewegen. In volle zwaarte moest die verantwoordelijkheid blijven drukken op hen, die den beul van Brisson zijn droevig werk hadden gelast.

Met de weigering der volksmenigte, om Parijs met bloed te over-stroomen en de tegenstanders van den Spaanschgezinden Conseil des Seize uit den weg te ruimen, was de nederlaag der laatsten

57

ocr page 68

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

beslist. Nu de eerste dagen van angst en spanning, waarin de vrees voor een bloedbad aller harten met schrik sloesr, vina-

O 1 c?

de reactie aan. De moord van Brisson had een geduchte uitwerking, maar geheel anders dan de geestelijke bewerkers hadden bedoeld. Velen, die tot dusver tot de Spaansche partij hadden behoord, verlieten ze en traden tot de politieken over. liet denkbeeld om een buitenlander, om een Philips II of zijn dochter op den troon van Frankrijk te stellen, ving aan impopulair te worden in kringen, waarin men tot dusver de deugdelijkheid van het plan niet liad betwijfeld. Oude tegenstanders van Mayenne zagen verlangend naar hem uit, als naar den eenigen man. die Parijs van de heerschappij van een bende schurken, stilzwijgend gesteund door de Spaansche bezetting, kon verlossen. Dagelijks gingen verzoeken en smeekbeden uit allerlei rangen en standen tot hem uit, dat hij te Parijs mocht komen en de orde herstellen.

Den 28steD November reed hij, van 2000 krijgslieden gevolgd, dooi' de faubourg St. Antoine de stad binnen. Ofschoon aarzelend en bevreesd, liet hij zich door de aansporingen zijner omgeving lot doortasten bewegen, zelfs toen het Parlement terugdeinsde om tegen de moordenaars van 15 November rechtsvervolging in te stellen. Een viertal der Seize werd gevat en zonder veel omslag gewurgd; de overigen werden opgezocht, doch ontsnapten. Bussi, de gouverneur van de Bastille, gaf de vesting tegen behoud van leven en bezittingen over. Hij, als de meesten zijner medeplichtigen quot;, vluchtten naar België, op de dankbaarheid en trouw van een Philips II rekenende. Is het noodig te zeggen, dat het meerendeel hunner in armoede en ellende stierf?

Doch met de straf van enkelen en de vlucht van eenige andere hoofdschuldigen, was de Spaansche partij zelve niet in het hart getroffen. Sedert 1589 had deze Conseil des Seize, eerst met, toen zonder den Conseil des Quarante, Mayenne en zijne plannen in den weg gestaan. Honende taal en schimpende eischen had de liguistische adel van deze democratische hoof-

58

ocr page 69

DE OVERGANG V.VN HENDRIK IV.

den moeien aanhooren. Thans was liet oogenblik gekomen, om deze adder onder den voet te vertreden, en liet zoo geschokte overwicht van den adel te herstellen. Zonder aarzeling tastte Mayenne door. De Conseil des Seize werd ontbonden, en uit-drukkelijk verboden 44 „a toutes personnes, de quelque qualité on condition qu'elles soient, et sons quelque pretexte ou occasion que ce soit, mesmes a ceux qui se sont cy-devant vouiu nommer Ie Conseil des Seize, de faire plus aucunes assemblées pour deliberer ou traicter d'affaire quelconque, a peine de la vie et de rasement de maisons èsquelles se trouveront lesdites assemblées avoir esté i'aictes.quot;

Zoo eindigde de worsteling der democratie met den adel in de Ligue. De strijd met Hendrik IV werd er door vereenvoudigd. Mayenne had een gevaarlijken tegenstander des konings aan banden gelegd. Doch zijn eigen kracht steeg er niet door. Boucher en consorten bleven woelen in Parijs, en hun vijandschap tegen den ketter was niet grooter dan hun wrok tegen hen. Meer nog dan te voren was Mayenne verplicht steun te zoeken bij den Spaanschen koning, wiens woeste bewonderaars in de hoofdstad hij slechts door de reactie, op hun eigen wreedheden gevolgd, had kunnen beheerschen. Van Panna, wiens leger aan de grenzen stond, niet van Mayenne, scheen de beslissing over de kroon van Frankrijk afhankelijk.

Voor de tweede maal rukte Alexander Farnese in het begin van 1592 op last zijns meesters Frankrijk binnen. Ofschoon hij de inmenging' in den strijd tegen Hendrik IV afkeurde, was ditmaal 's konings bevel hem minder onwelkom dan vroeger creweest, omdat het hem een uitmuntend voorwendsel schonk

o 1

om een strijdtooneel, waarop hij niet gelukkig was, te verlaten.''quot; Door Hendrik IV, die eindelijk de Duitsche en Engelsche hulptroepen met zijn eigen leger had vereenigd, werd sedert November (1591) Houaan belegerd. Hoe hardnekkig de verdediging ook was, de wapenen van den Franschen koning dreigden

50

ocr page 70

UK OVERGANG VAN HENDRIK IV.

de stad te vermeesteren. Daarheen, naar Rouaan, richtte zich het leger van den Spaansciien veldheer, nadat hij Mayenne en de zijnen door het groot gevaar, waarin de Ligue verkeerde, tot nieuwe concessiën had gedwongen. Zwaarder dan te voren drukte de hand van den vreemdeling op de adellijke hooiden van Ilendrik's tegenstanders. Machteloos, om zeiven den koning van Navarre de kroon te ontnemen, waren zij gedwongen de aanspraken van de Spaansche Infante te steunen en haar erkenning te verzekeren. ïusschen Isabella en Hendrik IV hadden zij te kiezen. Een eigen kandidatuur tegen deze beiden gelijktijdig staande te houden, scheen een ondenkbare zaak.

Indien het welslagen van Parma's onderneming onmisbaar was, om de kandidatuur van Isabella Clara Eugenia, dochter van Philips II, te doen slagen, de uitkomst bewees, dat het niettemin onvoldoende moest heeten. Alexander Farnese ontzette Rouaan, zonder Hendrik IV de gelegenheid tot een veldslag, waarnaar deze smachtte, te schenken. Schoon verontrust dooide troepen van den koning, wist Parma te ontsnappen aan elke poging van den vijand, om hem in een openlijken strijd te lokken. In de militaire geschiedenis is Parma's terugtocht van Caudebec beroemd wegens het uitnemend talent, door hem hier ten toon gespreid, door uit een bijkans redde-looze positie zich en zijn leger in vrijheid te brengen. Ofschoon omsingeld door Ilendrik's troepen, wist Parma aan het gevaar te ontkomen, en zijne troepen, die zeer geleden hadden, naaide grenzen terug te voeren. Na een verblijf van drie maanden in Frankrijk kwam Parma in de Nederlanden terug.

Hij had ten deele zijn doel bereikt: llouaau was ontzet, de bezetting van Parijs versterkt, de weg naar het lie de France voor het vervolg verzekerd. In den volgenden winter zou hij wederkomen, beloofde hij bij het scheiden. Maar hij kwam niet weder. Voor Caudebec had hij een wonde ontvangen, die hem, ondanks de wateren van Spa, in het laatst des jaars in het graf sleepte.

üü

ocr page 71

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Slechts ten deele had hij zijn doel bereikt; want hoe schitterend zijn krijgsmanstalent ook in 't ontzet van Rouaan en te Caudebec had uitgeblonken, de resultaten, die hij verkreeg, waren niet alleen aan zijn beleid te danken. Toen hij met versnelde marschen wegtrok, wilde Hendrik hem achtervolgen, om hem tot een strijd te dwingen, en zijn leger, dat zeer veel geleden had, uiteen te slaan. Dejjlust, om in Frankrijk weer te keeren, zou hij den Spanjaard verleeren, zeide de koning.

Doch zij, die hem omgaven, wilden het niet. De Fransche edelen drongen op ontbinding des legers aau, om naar huis en haarstede weder te keeren. De vreemde troepen, Engelschen en Duitschers, vroegen betaling en ontslag, üp het oogenblik; dat de koning van Frankrijk gereed stond, om den vreemden indringer uit het land te slaan, den Spaanschen bondgenoot van de Fransche Ligue gelijk deze zelve te overwinnen, ontviel hem zijn leger.

Was het wonder, dat Hendrik IV, moedeloos en afgemat door de jarenlange inspanning, die nooit scheen bekroond te zullen worden met de zegepraal van 't recht, het oor voor de verleiding opende, die hem, voor den prijs van zijn geloof, de kroon van Frankrijk beloofde?

IV

Bijna drie jaar waren er verloopen, sedert Hendrik IV door de declaratie van St. Cloud de ondersteuning der katholieke edelen, die zijn voorganger bij zijn sterven omgaven, voor zich had gewonnen. In Augustus 1589 had hij de verklaring afgelegd: „nous sommes tout prest d'etre instruict par un bon légitima et libre concile général ou national, qu' a ces fins nous ferons convoquer et assembler dans six mois, ou plus tost s'il est possible, pour en suivre et observer ce qui sera conclu et ar-resté.quot; Nu, bij het eindigen van Rouaan's beleg was het Mei 1592, en van de belofte, voor drie jaar afgelegd, was niets gekomen.

G1

ocr page 72

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

In billijkheid had niemand recht er zich over le verwonderen of te beklagen. De verontschuldigingen des konings, dal de toestand des lands, de houding der tegenpartij en dergelijke redenen meer de oorzaken waren, waarom liet toegezegd concilie niet tot stand was gekomen, mochten geheel overbodig lieeten voor ieder, die liet waar karakter der strijdende partijen kende. Zoo men de geestelijkheid en de groote massa, die wel steeds in getal de sterkste, maar bij de beslissing van politieke vraagstukken gewoonlijk in invloed de zwakste is, uitzonderde, kon men niet in goeden ernst van een worsteling van religieuse beginselen spreken. Politiek eigenbelang dreef verreweg het meeren-deel der leiders: de godsdienst was de vlag, waaronder de bevrediging van persoonlijke belangen nagejaagd en de bereidvaardigheid der onbeschaafde menigte, om den physieken steun van haar lichaamskracht te verleenen, weid ingeroepen. Zij, die uil waarachtig religieuse overtuiging handelden en partij trokken , waren van den aanvang in de minderheid en verloren met eiken dag, dien de worsteling langer duurde, aan invloed en gewicht.

Ernstige verwondering kan dit verschijnsel niet wekken. Het is te natuurlijk, te regelmatig wederkeerend in tijden van groote geestesbeweging, dan dat het aan een enkel tijdperk of een enkel menschengeslacht tot verwijt kan worden gerekend. Geestdrift is een aandoening der menschelijke natuur, die het minst van alle tegen den afkoelenden invloed der dagelijksche ervaring bestand is. De eischen des materieelen levens mogen een tijdlang ter wille van een hooger beginsel, van een bezielend idee onderdrukt of ter zijde geschoven worden, zij knagen ondermijnend aan de overheersching van zedelijke behoeften. Alet dezelfde noodzakelijkheid, waarmede op tijdperken van materialisme openbaringen van een hooger, van een geestelijk leven volgen, bezwijken de laatste voor de onderdrukte, maar nooit verslikte behoeften van het materieele welzijn. In deze eb en vloed beweegt zich de stroom des levens, bij natiön zoowel als bij individuen. De natuur eischt harmonie: de tijdelijke afwijking ter

ir2

ocr page 73

DE OVERGANG VAN HENDRIK TV.

rechter of Ier linker zijde wordt steeds opgevolgd door een terugkeer tot het schijnbaar verlaten standpunt. Geheel inlusschen wordt het nooit hernomen: het oude herleeft niet meer. Gelijk de Nijl bij 't verlaten der overstroomde landen zijn bevruchtend slib achterlaat, laat ook de stroom der historie, na iedere verstoring van den regelmatiger! loop, zijn winst achter, die de kiemen van nieuwe toestanden en verschijnselen in de toekomst bevat.

De politieke hoofden der protestantsche partij hadden de declaratie van St. Cloud en de daarin gedane toezegging uit geen ander dan een staatkundig oogpunt beschouwd. Noch Chastillon noch de la Noue had Hendrik IV om die belofte verlaten. Reeds de woorden: ,,suivant la declaration patente par nous faicte avant nostre avénement a notre couronne,quot; bewezen, dat Uendrik's belofte niets meer dan eenige vorige verklaring bedoelde. De nieuwe koning beloofde niet zijn protestantsch geloof te zullen afzweren, slechts onderwerping aan een concilie zegde hij toe. Voor en na Luther hadden allen, die tegen de katholieke kerk protesteerden, gelijk hij, zich op een vrij, onafhankelijk concilie beroepen, om er als gelijken te verschijnen, hun zaak te bepleiten en bij de beslissing mede te stemmen. Op de synoden der Calvinisten riep aanvankelijk het bericht dezer toezegging een soort van agitatie in 't leven; men begon zich op het verwachte twistgeding, dat over de toekomst van staat en kerk zou beslissen, voor te bereiden. Zoo ernstig vatte de geestelijkheid van Hendrik's kerk zijne toezeggingen op: en zoo weinig dacht zij bij het eerste hooren er aan, in deze woorden de eerste stappen tot den overgang te vinden.

Maar de illusie duurde kort. Hendrik IV mocht te St. Cloud elk denkbeeld, om zich van zijne geloofsgenooten af te scheiden, met verontwaardiging hebben verworpen, zijne erkenning door de katholieke edelen droeg vrucht. Van het oogenblik af, dat zij hem als wettigen koning erkenden, hield hij op het hoofd der Calvinisten te zijn. Het partijhoofd was in den koning van

03

ocr page 74

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Frankrijk ondergegaan. De verliouding lusschen de strijders was een andere. Eischen, die Hendrik met zijn geloofsgenooten had gesteld, beoordeelde hij thans met geheel anderen blik. Tot den dood zijns voorgangers leider van een religieus-politieke partij, moest hij thans, aan het hoofd van den staat getreden, het eerst en bovenal naar het algemeen nationaal belang vragen, voordat hij aan de bevrediging van par tij eischen, hoe rechtmatig ook, denken kon. Natuurlijk, dat zijn veranderde verhouding tot zijne geloofsgenooten wantrouwen wekte. Hij moest en wilde den schijn vermijden, alsof hij het Protestantisme eenzijdig begunstigde, alsof hij een partijkoning zijn zou. Hendrik IV is niet de eerste en zal wel niet de laatste zijn, die, in een dergelijke moeielijke stelling geplaatst, aan de sterkste partij de meeste concessien doet, en de zwakkere tegen zich verbittert, zonder het vertrouwen der eerste te winnen. Volgens de laatste verdragen met Hendrik III werden protestantsche leeraars uit de staatskas betaald. Stiptelijk was deze bepaling gedurende het leven van Hendrik III nagekomen; nauwelijks was Hendrik IV hem opgevolgd, of de betaling vond moeite en werd eindelijk geheel gestaakt. Üp verschillende plaatsen, waar sedert jaren en ook dooi' de jongste verdragen alleen de eeredienst der Hugenoten was uitgeoefend, werd nu de mis weer ingevoerd. De koning scheen zelfs angstvallig, om zich met zijne protestantsche vrienden te onderhouden: de toegang tot hem werd hun bemoeielijkt. Voor zulk een uitkomst hadden waarlijk Hendrik's vrienden en aanhangers hem niet jarenlang gevolgd en gesteund!

Nog waren er slechts weinige maanden na de troonsbestijging verloopen, toen reeds de klachten over Hendrik's ondankbaarheid algemeen waren. Geestelijken, die bij den dood van zijn voorganger gejuicht hadden over den naderenden val van den Antichrist, vingen aan wantrouwen te koesteren en te zaaien in de bedoelingen des konings. In een vergadering, te St. Jean d'Angely gehouden, werd het voorstel ernstig in overweging

04

ocr page 75

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

genomen, of men niet Hendrik, als Protector der protestanl-sclie kerken, de gehoorzaamheid opzeggen en een ander in zijn plaats kiezen zou. Nadrukkelijk beklaagde de koning zich over dit wantrouwen en drong hij bij invloedrijke hoofden zijner geloofsgenooten er op aan, om toch geen geloof te slaan aan de valsche geruchten, die er werden uitgestrooid. N'adjoustés iby aux faux bruicts que l'on pourroit faire courre de moy, lesquels je vous prie de prevenir, et asseurer pour moy un chascun de ma constance en la religion, non obstant toutes difficultez et tentations.quot; 415 — Doch deze verklaringen, hoe dikwerf ook herhaald, konden het geschokte vertrouwen niet herstellen. De Protestanten, die alles van Hendrik'stroonsbestijging hadden verwacht, zagen zich teleurgesteld, ter zijde geschoven , uit betrekkingen geweerd, zoo al niet met goedkeuring, dan toch met berusting van den man zeiven, dien zij sedert jaren voor hun hoofd en leider erkenden, die alles, wat hij was, aan hun opoffering te danken had.

De jaren 1589—1593, waarin Hendrik om de kroon kampte, zijn levens de jaren, waarin Hendrik's sterk zinnelijke natuur meer dan tot dusver hem beheerschte en ook door de positie, die hij thans innam, openbaar werd. Mannen van allerlei richting meenen den ongelukkigen loop van den krijg en de ongunstige uitkomsten voor een deel te moeten verklaren uit het overheerschend sensualisme van Hendrik, dat hem telken male gunstige gelegenheden om de belangrijke voordeelen te behalen, in de armen der schoonen, wier gunsten hij genoot, deed verzuimen. Na Ivry had hij, zeggen sommigen, Parijs kunnen veroveren, voordat het. zich ter verdediging had toegerust, indien hij er toen niet de voorkeur aan gegeven had, bij „la belle Chatelaine la Roche Guyonquot; van zijne vermoeienissen uit te rusten. Veertien dagen gingen verloren, die door de Liguisten werden gebruikt, om Parijs in staat van tegenweer te brengen. De waarheid, die in dergelijke beschouwingerijvoor 't overige meer een bewijs van religieusen ijver dan van helder inzicht in de 11 ' 5

05

ocr page 76

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

kracht der tegenparlij, gelegen is, kan niet worden ontkend. Hendrik IV was niet meer dezelfde man van vroeger: het denkbeeld van toewijding aan zijn geloof was het bezielend beginsel niet, dat hem leidde. Het betrekkelijk slagen zijner aanspraken op de kroon, en de ruimer gelegenheid om een hartstocht, die steeds sterk en overweldigend hem beheerscht had, bot te vieren, oefenden invloed uit. In de armen van courtisanes leert men niet, voor beginselen te strijden.

Het kon niet ander?, of de ergernis der protestantsche leeraars over zijn levenswijs, die hem menige ongewenschte vermaning bezorgde, en het wantrouwen van zijn geloofsgenooten in zijn trouw aan hun religie moest ondermijnend op zijn gezindheid jegens hen werken. Voor deze onmisbare, maar lastige volgelingen aanhoudend te strijden legen den onwil en de kwade luimen zijner katholieke omgeving, was hem al te vermoeiend. Frangois d'O, een der verachtelijke gunstelingen van Hendrik III, dien hij als surintendant des finances had behouden, wilde niets van de Protestanten weten en hield alle uitbetaling van gelden tegen, zoo dikwerf en zoo lang hij vermocht. De koning-zelf was van diens hulpvaardigheid alhankelijk, en vloekte menigmaal de schaamtelooze karigheid van den ellendigen mignon, die hem armoe deed lijden , terwijl hij zeifin weelde zich baadde. Toch durfde noch kon hij den man ontslaan , wiens steun zijne belangen meer belemmerde dan bevorderde. En als met dezen, was het met velen. De maarschalk Biron, die het opperbevel over zijn leger voerde, had blijkbaar niets op het oog, dan den krijg te rekken. Bijna onweersproken is de beschuldiging, dat Biron herhaalde malen de zaak des konings heeft benadeeld, door opzettelijk verkeerden raad te geven en zijne voorslagen door te drijven. Bij den eersten inval van Parma was het zijn verkeerde raad, die aan den Spaanschen veldheer den weg naar Parijs opende. Voor Bouaan had hij opzettelijk de belegering-op die wijze geleid, dat de stad niet genomen kon worden. Uitnemende troepen en sterke positien werden herhaaldelijk door

0()

ocr page 77

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

07

hem opgeofferd, om den krijg te doen voortduren, üe aanklaclil van verraad was algemeen: zelfs zijn eigen zoon sprak ze uit. Toen in het voorjaar van 1592 Farnese zijn leger, dat zeer veel geleden had, naar de Nederlanden terugvoerde, vroeg de jonge Biron van zijn vader een vijfhonderd ruiters. Dat kleine getal was voldoende, zei hij, om de vijandelijke troepen uiteen te slaan. De maarschalk weigerde: „Maraud, nous veux-tu done renvoyer planter des choux a BironVol verontwaardiging riep de zoon uit: ,,Indien ik koning was, zou ik den maarschalk het hoofd voor de voeten leggen.quot; Maar Hendrik dacht er niet aan, zich te onttrekken aan den onteerenden dwang, die hem werd aangedaan, llij gevoelde zich te afhankelijk van deze mannen: hij kon ze niet missen, llij had de hand aan de kroon geslagen, en het denkbeeld kwam niet bij hem op, om haar terug te trekken. Al zijn persoonlijk vermogen, om menschen voor zich in te nemen, wendde hij aan, om de wankelende trouw dezer bondgenooten te versterken. Biron'sjaloezij en wantrouwen jegens ieder, die zijne plannen en voorslagen afkeurde, zocht hij af te leiden door verzekeringen van zijn onbepaald vertrouwen, die maar al te dikwerf gegeven werden zonder dat ti ij ze meende. Door vriendelijke toespraken, onuitputtelijk geduld , verklaringen en beloften, soms van zeer tegenstrijdigen aard, zocht hij de zoozeer uiteenloopende deelen zijner partij vereenigd te houden. Zijn persoonlijke goedaardigheid en beminnelijkheid gaven hem dikwerf, zonder dat het hem berekening kostte, de natuurlijke middelen aan de hand, om wankelende of ontevreden gemoederen met zich te verzoenen en voor zich te winnen. Voor den slag van Ivry had een Duitsch officier hem om betaling gevraagd. Hendrik, die altijd met geldgebrek had te worstelen, had ze geweigerd en hem toegeduwd, dat geen man van eer geld vraagt den dag voor een veldslag. Den volgenden morgen berouwde hem dit harde woord: hij zocht Schomberg — zoo heette de vreemde krijgsman — op en verzocht hem vergeving. „Je vous ai offencé: cette journée peut

ocr page 78

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

ètre la derniere de ma vie: je ne veux point emporter l'lionneur d'un gentilhomme: je sais votre valeur et votre mérite: pardonnez-rnoi et embrassez-moi.quot; Slechts weinigen, die met hem in aanraking kwamen, vermochten op den duur aan zijn persoonlijken invloed, onweerstaanbaar als hij zijn kon, zoo hij wilde, weerstand te bieden. Nu eens won hij de onwilligen door hartelijke gemeenzaamheid: dan eens deed hij ze buigen voor zijn vorstelijke hoogheid. Maar geen persoonlijke beminnelijkheid noch vorstelijke rang was in staat de valsche verhouding te wijzigen, waarin hij tot zijne aanhangers stond. Koning van Frankrijk, zag bij een aanzienlijk deel van zijn volk tegen zich in de wapenen: zelf zonder inkomsten, was hij afhankelijk van de ondersteuning, die eigenbatige volgelingen hem wel wilden verleenen, voor zoover het met hun bedoelingen overeen kwam. Het moreel overwicht, dat hij behoefde, om zijn wil hun op te leggen, bezat hij niet. Dit was, wat niemand op dat oogenblik zelf berekend had, door de declaratie van St. Cloud gebroken. Hij had de erkenning der katholieke hoofden verworven, gekocht als 't ware door een verklaring, waaraan niemand toen waarde had gehecht, maar die feitelijk zijn erkenning als koning op een anderen grondslag, dan die in de wettigheid zijner rechten en aanspraken gelegen was, deed berusten. Deze koning van Frankrijk, zoo konden d'ü, Biron en anderen spreken, was hun schepping.

Wie in een dergelijke moeielijke verhouding den invloed en liet overwicht wil behouden of verkrijgen, dat tot de booge plaats geacht wordt te behooren, moet door de meerderheid van zijn moreel en intellectueel karakter vergoeden, wal aan de reëele kracht zijner positie ontbreekt. Door zijn ootmoedige toewijding aan zijn overtuiging moet hij meesleepen, door zijn juister inzicht in de behoeften van 't oogenblik en de keus dei-middelen voorlichten, door de strenge moraliteit van zijn karakter, dat elk denkbeeld van baatzuchtige berekening als lasterlijke aantijging onmiddellijk doet verwerpen, tot volgen dwingen.

ocr page 79

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

69

Zulk een karakter was Willem de Zwijger geweest. Maar Hendrik IV was een luchtige, vroolijke Gascogner. Hij bezat een hooggestemd gevoel van zijne vorstelijke waardigheid, dat hem menig lier en sclioon woord op de lippen legde. Maar hij was geen domineerend man, wiens tegenwoordigheid ieder aanwezige tot het bewustzijn van zijn minderheid bracht. Hij was een beminnelijk man, wien men veel vergeven, dien men liefhebben kon; die het talent bezat om met een hartelijk woord de neiging tot zelfopoffering wakker te roepen; die den krijg voerde als een soldaat, zich wagende als ieder zijner minste krijgslieden, om hun zucht tot navolging op te wekken, en door het bewustzijn, dat de koning alle gevaren, lief en leed, met hen deelde, hun trouw aan zijn persoon te versterken. Doch de meerderheid, die een onwankelbare overtuiging d. i. een geloof geeft, was zijn deel niet. Hij was Protestant; nu ja, omdat zijn ouders, en voornamelijk zijn onvergetelijke moeder Protestantsch waren geweest. Voor deze religie hadden zijne ouders geleden: hem zelf had zij bijna het leven gekost. Met de traditie van zijn vrije jeugd op de bergen van Bearn was zij innig verbonden, en hij kon zich niet voorstellen, dat hij haar in waarheid zou laten varen om een kerkgeloof aan te nemen, zoo rijk aan dwaasheden als hel katholieke. Maar die negatieve gehechtheid schonk geen positieve kracht. Op zijn leven oefende zijn geloof geringen invloed uit; de Protestant was niet deugdzamer dan de Katholiek uit zijn omgeving. Hendrik IV, tijdgenoot en, naar men zegt, geestverwant van Rabelais, kon door de kracht en bezieling, die van zijn religieuse overtuiging uitging, anderen niet beheerschen. Hij zelf was er aan gehecht als aan een der heiligste herinneringen uit hel ouderlijk huis, die de man in 't leven medeneeml. Het denkbeeld, om het te verlaten, kwetste zijn gehechtheid aan de souvenirs van zijn jeugd, en niet minder, zoo niet meer, zijn vorstelijken trots. De gedachte ergerde hem, dat hij voor dien prijs de kroon zou koopen. Doch die ergernis zou geen hinderpaal zijn, die onoverkomelijk was. Dat wisten

ocr page 80

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

zijne hovelingen, dat wist ieder, die Hendrik kende. Die levenslustige, gevoelige man, die door eiken indruk werd medege-sleept, en het lastig vond telkens bestraffingen van zijn overtredingen te moeten aanhooren, mocht een tijdlang door zijn trots worden weerhouden, om toe te geven aan de eischen der meerderheid, volhouden, volharden kon hij niet. Op bijkans 40-jari-gen leeftijd, na lang oorlog te hebben gevoerd, eindelijk in de gelegenheid, om door een enkel woord rust, genoten de hoogste waardigheid te koopen, was Hendrik IV, die met iederen dag meer verslaafd raakte aan genietingen, met de strenge godsdienstige leer, die hij voorstond, in onverzoenlijken strijd, niet in staat om weerstand te bieden. Zonder ergernis hoorde hij de spotternijen en zinspelingen van zijn hovelingen aan. Toen de hertog van Parma in 1592 Rouaan kwam ontzetten, zei Chicot, de hofnar quot;, in tegenwoordigheid van het geheele hof: „Monsieur mon ami, je vois bien que tout ce que tu fais ne te servira de rien a la fin, si tu ne te fais catholique. II faut que tu voises a Romme: et qu'estant la tu bougeronnes le Pape, et que tout le monde le voie: car autrement ils ne croi-ront jamais que tu sois catholique. Puis tu prendras un beau clistère d'eau beniste, pour achever de laver tout le reste de tes peschés.quot;

Krachtiger dan de aanmoediging van personen werkte de loop van den krijg,vooral de alloop van Rouaan's beleg. Het leger, dat door het verraad van Biron deels was gedecimeerd, deels na Parma's vertrek moest ontbonden worden, was in Hendrik's oog de reddingsplank geweest, om aan de dreigende noodzakelijkheid der afzwering te ontsnappen. Hij had alles ingespannen om dit leger tot stand te brengen: aanzienlijke domeingoederen verkocht, groote leeningen gesloten, om de millioenen, voor de betaling der troepen benoodigd, te vinden. Met verzekering-op verzekering had hij de achterdocht van koningin Elizabeth, die niet sterk aan zijn religieusen ijver geloofde, bezworen, en ook de Duitsche vorsten van zijn vurige gehechtheid aan het

70

ocr page 81

L)K OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Protestantisme overreed. Zoo had hij dit leger bijeen gekregen, en al die inspanning, al die kosten waren voor niets geweest.

De inneming van Rouaan had slechts een ondergeschikte plaats in zijne berekeningen ingenomen. Uouaaii zou hem de poorten van Parijs hebben geopend en de val der hoofdstad had hem onafhankelijk van de katholieke edelen moeten maken. De onderwerping van Parijs zou hem kracht ook tegen Biron enz. hebben gegeven; zijn vorstelijken wil had hij dan aan de nu zoo trage katholieke edelen kunnen opleggen. De verhouding zou geheel veranderd zijn, en menige intrigue, die hem thans bezwaarde en verontrustte, omdat hij ze uil voorzichtigheid zwijgende moest aanzien, zou hij dan met kracht en nadruk hebben onderdrukt.

Doch even goed als Hendrik IV hadden de hoofden der katholieke edelen, die hem in naam erkenden, de beteekenis van llouaan's verovering en haar vermoedelijk gevolg, de overgave van Parijs, ingezien. Zij begrepen, dat dan hun rijk ten einde was, dat dan de druk, dien zij op den koning oefenden, vanzelf zou ophouden. Wie hunner zich de Journée des Barricades herinnerde, wist, wat de volksmassa van Parijs vermocht, zoo zij behendig werd geleid. En zou deze massa, in 't geheim bij voortduring door de politieken bewerkt, weerstand kunnen bieden aan een persoonlijkheid, zoo tot populariteit geschapen als Hendrik IV ? Dezen man, die als 't ware al de nationale fouten in den beminnelijksten spiegel vertoonde, zou het licht vallen om, zoo hij wilde, met den steun der Parijsche burgerij zich van hun juk te ontslaan.

En er was meer. Een groot deel der katholieke edelen, die in 1589, wegschuilende achter de Declaratie, zich aan Hendrik IV hadden aangesloten, waren in het laatst van 1592 van inzicht veranderd en begeerden zijn welslagen op geenerlei wijze meer.

In het voorjaar van 1591, toen Chartres belegerd werd, was aan een der jongere leden van het geslacht Bourbon het denkbeeld ingeblazen, om zich als pretendent naar de kroon aan

71

ocr page 82

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Hendrik IV ter zijde te stellen. De kardinaal de Bourbon — vroeger de Vendóme 48 — meende als katholiek goede kansen bij de katholieke edelen, die Hendrik volgden, te hebben. Zijn vertrouwde raadslieden, waaronder du Perron, wisten de eerzucht von den weinig beteekenenden man wakker te schudden. Zij gebruikten hem, om een derde partij te vormen, die, tus-schen de Ligue en de royalisten zich plaatsende, hopen durfde, gelijk de hond in de label, met de winst te gaan strijken. De kardinaal had zich tot den paus gewend en diens bijstand ingeroepen. Deze intriguen van woelzieke en weinig vertrouwbare volgelingen waren den koning spoedig bekend geworden, maar door hem slechts met woorden en met streng toezicht, niet met daden van geweld, bestraft.

De onbeduidendheid van het hoofd zou deze tiers parti, ondanks de woelzucht van du Perron, spoedig hebben ontbonden, zoo de houding, door Gregorius XIV jegens Frankrijk aangenomen, haar niet ten goede was gekomen. De nieuwe paus ,9, die zich blindelings door de raadslagen van Spanje liet leiden, zond in April 1591 een bul naar Frankrijk, waarin hij Hendrik IV op nieuw excommuniceerde, en voegde er twee vermaanbrieven aan de geestelijken en de leeken, die een ketter volgden, bij, waarin hij hun uitdrukkelijk gelastte, den koning van Navarre onmiddellijk te verlaten.

Onhandiger partij trekken voor Spanje kon moeielijk bedacht worden. Het geringste nadenken kon leeren, dat de Katholieken, die sedert 1589 aan des konings zijde tegen Mayenne en de Spaansche Ligue streden, thans den eerste niet konden verlaten, om voor de laatsten het hoofd te buigen. In deze verlegenheid boden de tiers parti en de kardinaal de Bouibon, wiens onbeduidendheid nu een aanbeveling te meer scheen, hun een uitweg aan. Zich aan hem aansluitende, zijne kandidatuur steunende, openden de edelen zich den weg, om door de verheffing op den troon van een katholiek uit hun midden, over Mayenne en Spanje te zegevieren, zonder den Roomschen stoel

72

ocr page 83

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

73

de gelegenheid te geven, hen, ter wille van de ketterij van hun pretendent, te veroordeelen. Van dezen kardinaal de Bourbon, die aan hen de kroon zou danken, en wiens staatkundig-inzicht verre beneden het fier gevoel van den koninklijken Hendrik bleef, zou het gemakkelijk vallen, voorwaarden af te dwingen, die hun de macht en hem slechts den titel schonk. Zoo vereenigden zich in broederlijke eendracht hun persoonlijke belangen met de kerkelijke consideratien, die zij ter wille van hun aanzien bij de natie niet prijs konden geven. Zeiven zonder religieuse warmte, maar door opvoeding, gewoonte, berekening aan de kerk, waarin zij groot gebracht waren, gehecht, sloten zich d'O, d'Epernon, Nevers, de Longueville en andere aanzienlijke katholieke edelen in het laatst van 1591 en den aanvang des volgenden jaars aan de tiers parti aan. Gebrek aan voorwendselen was er niet. Van den ongunstigen indruk, dooide pauselijke brieven gemaakt, had Hendrik zich bediend, om ten minste eenigermate aan den toenemenden aandrang der Protestanten te voldoen. In Juli IS'Jl had hij bij koninklijke declaratie de edicten, in 1585 en 1588 door Hendrik 111 tegen de Protestanten uitgevaardigd, afgeschaft en de gunstiger bepalingen van de edikten van 1577 en 1580 opnieuw van kracht verklaard. Slechts onwillig en morrende had de kardinaal de Bourbon en zijn aanhang toegegeven; zelfs de maarschalk de Biron had tegenstand geboden, zonder op de vraag van Duplessis Mornay, waarom hij, die zelf met een protestantsche vrouw en gelukkig gehuwd was, zoozeer op haar geloofsgenooten was gebeten, een behoorlijk antwoord te kunnen geven. De vrees, dat de naderende hulpbenden uit üuitschland, Nederland en Engeland, gezonden door protestantsche staten, en grootendeels uit ketters bestaande, hun nog gunstiger bepalingen zouden afdwingen , zoo zij in deze weigerden toe te stemmen. had eindelijk het verzet tot zwijgen gebracht. Maar in 't geheim had het voortgewoeld, en de ongelukkige afloop van den veldtocht in den winter van 1591;92 en van het beleg van Rouaan, be-

ocr page 84

DE OVERGANG VAN I1ENURIK IV.

wees, dal deze tiers parli machtig genoeg was om te verlammen en de erkenning van Hendrik's koningschap te beletten.

De tweedracht in zijn naaste omgeving, de intriguen der tiers parti, de wankele steun der Protestanten, die even weinig als hun katholieke tegenstanders nalieten, den koning in de meest kritieke oogenblikken te verlaten, hebben het meest samengewerkt om Hendrik IV met het denkbeeld van afzwering te verzoenen. ,,Je me suis trouvéquot;, zei hij later tot Mornay, „sur les bords d'un précipice: le complot des miens me poussait, et les réformés ne m'appuyaient pas. Je n'ai pas trouvé d'autre échap-patoire.quot; Door zijn overgang ontnam hij der sterkste partij het voorwendsel, om zich tegen hem te verzetten, het volk tegen hem op te ruien of zelfs ook maar gebrekkig hern te ondersteunen. Zijne afzwering van de pro.testantsche ketterij deed de harten van geen der katholieke edelen warmer voor hem kloppen; maar zij won de menigte van goedgeloovige volgelingen der geestelijkheid, het door de kerk verhitte en medegesleepte deel der natie, voor zijne erkenning, in naam van den godsdienst had de Ligue de wapenen tegen hem gevoerd. Zoodra de ketter in de moederkerk was weergekeerd, veranderde de tegenstand van karakter. De katholieke Hendrik IV werd voor de natie de vertegenwoordiger der nationale onafhankelijkheid , tegenover de aanslagen van het buitenland.

Het heeft, vooral in later tijden, nooit aan stemmen ontbroken , die te goeder trouw meenden, dat de koning gemakkelijk een anderen weg had kunnen betreden. Indien hij geweigerd had tot de Roomsche kerk over te gaan, maar de katholieke kerk van Frankrijk van den Heiligen Stoel afgescheurd, had hij evenzeer als door zijn overgang zijne erkenning van de natie verworven. Het zijn inzonderheid protestantsche auteurs, die deze meening voorstaan. Natuurlijk lalen zij niet na, op klachten van katholieke predikers over het zedebederf, op de duidelijk uitgesproken behoefte aan hervorming der kerk, als op zoo vele bewijzen voor de Juistheid hunner meening, te wijzen.

74

ocr page 85

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

Doch geen onpartijdig onderzoeker dezer dagen kan die raeening-deelen. Afscheidingen van liet kerkverband, dat de deelen der katholieke kerk aaneenhecht, zijn slechts tot stand gekomen, als de staat of om politieke of om religieuse redenen op den steun des volks kon rekenen. De raoeielijkheden, waarmede Hendrik VIII had te worstelen, die met meer vastheid van karakter zijn doel najaagde, dan waarover Hendrik IV kon beschikken,leeren, hoe zwaar het een natie valt in regeeringsinzichten te berusten, wier doeltreffendheid zij niet inziet. Waar een krachtig levende-publieke meening ontbreekt, slagen dergelijke hervormingen niet. De vervolgingen onder Maria hebben meer voor Engeland's afscheiding van Rome gewerkt, dan de politiek van Hendrik VIH. De dochter rechtvaardigde in de oogen des volks het werk des vaders en bereidde den weg voor dat van Elizabeth. Doch in die gunstige positie bevond zich Frankrijk noch Hendrik in 1592. Aan het einde van een dertigjarigen burgeroorlog Frankrijk tot een breuk met Rome le willen dwingen, ware niets anders geweest, dan de kroon aan de tegenstanders over te geven.

Elizabeth's gezag was gevestigd; staatslieden van kennis omringden haar; de publieke opinie wees haar den weg. Maar waar zou Hendrik die bondgenooten, die medestanders hebben gevonden? Ook al neemt men aan, dat de Protestanten in zijn halve ontrouw, ter wille van het nationaal belang, zouden hebben berust, er is geen grond om te meenen, dat de katholieke edelen, die tot dusver hem volgden, hem hadden blijven steunen. De invloed der Ligue had te diep op de gezindheid inzonderheid der lagere klassen ingegrepen, dan dat de volksmenigte berusten zou in een afscheiding van Rome, volgens alles wat haar sedert jaren was geleerd, de haard der hoogste waarheid. Leiders en hoofden van volksbewegingen mogen ter wille van hun belang van overtuiging, als van kleed, wisselen, de groote menigte volgt niet snel. Moreele en religieuse convictiën zijn de eenige schat der armen en onkundigen. Zij klemmen er zich aan vast, als het hoogste en dierste, wat zij bezitten. Zij laten

75

ocr page 86

DK OVERGANG VAN HENDRIK IV.

liel niet los en geven het niet prijs, en offeren voor liet behoud gewilliger dan rijker en liooger standen liet leven op, dat toch zoo weinig aantrekkelijks bezit.

Zoo al de katholieke edelen, die Hendrik omringden, het denkbeeld van afscheiding hadden goedgekeurd, de groote menigte, de massa des volks zou zich op de zijde van den Paus, van de Spaansche Ligue hebben geworpen. Geen krachtige publieke opinie zou Hendrik als Elizabeth hebben gesteund. Een heftiger strijd dan tot dusver ware ontbrand, waarin de kracht van een religieuse passie aan Hendrik's tegenstanders het overwicht zou hebben verschaft. Wat de Protestant Hendrik van Navarre, zwak gesteund en heimelijk tegengewerkt door het wantrouwen zijner verdeelde aanhangers, in 1589—1593 niet had vermocht, dat zou de Gallikaan Hendrik IV, slechts bijgestaan door onwillige en morrende Protestanten en door weifelende en wankelende Katholieken, nog veel minder hebben kunnen bewerken. Slechts als Protestant, niet als Gallikaan, had Hendrik IV Frankrijk kunnen leeren, dat de staat boven de kerk geldt.

Of zou wellicht de steun der Fransche geestelijkheid, de traditie van de Gailikaansche kerk, bij machte zijn geweest hem de overwinning te verschaffen? Er is geen grond, om het aan te nemen. In overeenstemming met de pausen, onder herhaald beroep op de goedkeuring van het hoofd der kerk, hadden de geestelijkheid en de monniken door geheel Frankrijk het volk in beweging gebracht. Kerk en religie waren in de oogen des volks woorden van gelijke beteekenis; godsdienst zonder kerk een ondenkbare zaak. Waar was in Frankrijk de geloovige te vinden, die, na jarenlang de ophitsingen tegen Hendrik den ketter te hebben aangehoord en als waarheid aangenomen, nu op eenmaal aan zijn goed recht tegenover den Paus zou hebben geloofd? Indien de Pauselijke Stoel, gelijk te verwachten was. Frankrijk met ban en interdict trof, zouden de katholieke volgelingen des konings zich dan dooi' de verzekeringen van Fransche bisschoppen laten gerust stellen? De Fransche kerk had, tegen-

ocr page 87

DE OVERGANG VAN HENDRllv IV.

over de Protestanten, het pauselijk aanzien bij de groote menigte zoo zeer in bescherming genomen en doen rijzen, dat zij zelve het thans niet kon vernietigen. Den afgod, dien zij had opgericht, kou zij niet met eigen hand nedervverpen. Zij, wien zij de knieën had doen buigen, zouden zich tegen haar verheffen en haar als heiligschenster gehoorzaamheid weigeren. De logen straft den logenaar het zwaarst.

Doch ook de lust tot den vermetelen aanslag ontbrak. Het is zoo; inen kan wijzen op onzamenhangende uitlatingen van dezen en genen priester, op de praatjes van den dag, door tijdgenooten ons bewaard, die reeds kandidaten voor liet aanstaande patriarchaat van Frankrijk aanwezen; op woorden van goedkeuring, door Hendrik IV aan stoutmoedige berispers van Rome gericht. Doch het zijn niets dan geïsoleerde feiten en woorden, openbaringen van persoonlijke eerzucht, die in troebel water zoekt te visschen; berekeningen van hovelingen, uitingen van geestelijken hoogmoed en gewetenlooze speculatiezucht. Onder de waarlijk ernstige leden der geestelijkheid waren er ongetwijfeld, die zich in gemoede ergerden aan de aanmatiging des Pausen, om over Frankrijk, als ware het een wingewest van den Roomschen Stoel, te beschikken. De waardige verklaring, waarmede de prelaten te Chartres, in September 1591, 's Pausen bullen beantwoordden 50: ,,nous déclarons ces- excommunications nulles dans la forme et dans le fond, injustes, foudroyées a la suggestion des ennemis de la France, et incapables de lier ni les évèques, ni les autres catholiques franpais, fldèles au Royquot;, vond bijval bij een groot deel der Fransche geestelijken; maar zoo de woorden „sans préjudicier au respect et a l'hon-neur dus au Papequot; vervangen waren door de opzegging van de gemeenschap met Rome, zouden zij slechts het sein tot een nieuwen godsdienststrijd, heftiger dan den vorigen, hebben gegeven. Geen kerkelijk staatsman stond Hendrik ter zijde, onbesproken, onaantastbaar en eminent genoeg, om de lagere rangen der kerkelijke hierarchie met zich mede te sleepen en door

77

ocr page 88

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

deze de massa te belieerschen. Een der geestelijke mannen, die in deze dagen het meest op den voorgrond trad, was du Perron. Hij had eens aan Hendrik III in een geleerd betoog het bestaan van God bewezen. De koning had aandachtig toegeluisterd en de kunde en bekwaamheid van den prelaat bewonderd. Doch hoe stond hij verbaasd en hoe groot was niet zijn ergernis, toen du Perron, aan het einde gekomen, hem aanbood, thans ook het tegenovergestelde, het niet-bestaan van God, te bewijzen. Met zulke sophisten roept men geen hervormingen in het leven.

In de groote beweging, die het Fransche staatslichaam sedert een halve eeuw schokte, had zich een element geopenbaard, dat een groote toekomst voor zich had. De democratie in de Ligue had met het democratisch element in het Calvinisme gemeen, dat het de erkening van den tiers état op het staatsgebied eischte. In de Nederlanden had de Prins van Oranje vooral door den steun der burgerij liet verzet tegen Spanje met goeden uitslag gevoerd. De adel en de kerk waren in den Spaanschen opstand ondergaan. Zij, vroeger de heerschende machten daar gelijk overal waar het leenstelsel had gezegevierd, waren door den voikskrijg van allen overheerschenden invloed berooid. In Frankrijk was de adel niet gedecimeerd, als in de Nederlanden; en evenmin de kerk van macht berooid. Voor een staatsman, die in de schijnbaar onbewuste schokken en bewegingen des tijds de geboorteweeën van nieuwe krachten weet op te merken, ware het wellicht een verlokking geweest, den tiers état onder een gemeenschappelijk vaandel tegen de oude heerschers der middeleeuwen te vereenigen. Maar wat een Willem de Zwijger, onder gunstiger omstandigheden dan waarin Frankrijk zich bevond, had tot stand gebracht, was een te zwaar werk voor een Hendrik IV. Trouwens, er is geen spoor, dat hij eenig denkbeeld van zulk een politiek heeft gehad. De man, die tegenover Villeroy zijn rechten in deze woorden kleedde: „Je suis roi légitime: je dois imposer la loi a mes sujets et

78

ocr page 89

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

non la recevoir d'euxquot;, stond, hoe lioog ook, te laag om in de voetstappen van den Zwijger te treden. Hendrik IV staat aan den grenspaal der middeleeuwen, maar hij mist de kracht om ze voor zijn land te sluiten.

Het is onmogelijk, het juiste tijdstip aan te geven, waarop Hendrik tot den overgang besloot, 't Zou ook geen waarde hebben , al konden wij het. Een karakter als het zijne, dal door de wederwaardigheden van den krijg niet gestaald, maar verzwakt werd, was niet tegen den ontzenuwenden invloed van den passie ven tegenstand zijner volgelingen bestand. Iedere golfslag van den tegenspoed voerde hem ongemerkt verder van zijn oorspronkelijk standpunt af. Groote, krachtige karakters worden door een enkelen beslissenden schok tot omkeer gebracht. Die inspanning van 't leven was voor Hendrik geheel overbodig en werd daarom bespaard. De natuur verspilt haar krachten niet. De rustige, kalme, eenvoudige loop van zaken, zooals hij uit de verhouding en krachten der partijen vanzelf voortvloeide, bracht hier de uitkomst te weeg.

Toch kan men zeggen, dat in het leger van Rouaan de overtuiging, dat een dergelijke stap niet lang meer te vermijden zou zijn, Hendrik en zijn omgeving meer dan vroeger begon bezig te houden. De verwachting van de wonderen, die hij met dit groote protestantsche leger zou uitwerken, was te overspannen geweest, dan dat de teleurstelling hem niet diep ontmoedigde. Hij gaf zijn toestemming tot onderhandeling met de partij van Mayenne. Ook vroeger waren er pogingen toe gedaan, doch steeds, zonder een gunstigen uitslag. Ditmaal was er grond tol goede hoop. De krachten der Ligue waren meer dan te voren uitgeput; minder dan ooit voelde Mayenne zich in slaat, den slrijd vol te houden, zonder Spaansche hulp duur te koopen. Van zijne zijde liad Hendrik IV een slap gedaan, die de toenadering tot de Ligue gemakkelijker scheen te maken. In 1589 had hij verklaard, zich aan de beslissingen van een algemeen

79

ocr page 90

DE OVERGANG VAN HENDRIlv IV.

concilie te zullen onderwerpen. In Juli 1591, toen hij er prijs op stelde, dat de bisschoppen openlijk voor liem tegen den Paus partij trokken, had hij zich met een kleiner kring tevreden gesteld; hij beloofde zich te onderwerpen aan een concilie, „ou a quelque asseinblée notable et suffisante.quot; Bescheidener kon het moeilijk. Wie waarachtig, uit eerlijk gemoedsbezwaar, den koning had bestreden, hij kon nu tevreden zijn.

Maar Mayenne en de zijnen waren er niet mede tevreden. Voor hen was de godsdienst de vlag, het eigenbelang de lading, die zij in veiligheid trachtten te brengen ■,l. Hun ideaal, een roi fainéant, omringd en afhankelijk, als de eerste Capetingers, van oppermachtige leenmannen, die den landvorst slechts den titel gunden en zich zeiven de macht voorbehielden, lieten zij zoo snel niet los. liet kost moeite, van een droombeeld, jaren lang nagejaagd, afscheid te nemen; vooral, waar die afstand met opoffering van eigenbatige uitzichten gepaard gaat. De vorderingen van Mayenne stellen de onreinheid der beweegredenen , die het ongelukkige land aan al de jammeren van den burgerkrijg voortdurend overgaven, in het scherpste licht. Niet minder dan dertien gouvernementen eischten de adellijke hoofden der Ligue voor zich in erfelijk bezit. De koninklijke macht en inkomsten zouden in die provinciën, ^waarin zelfs de benoeming-der plaatselijke kommandanten en de verdeeling der garnizoenen door hen zou geschieden, van geen de minste beteekenis meer zijn. Groote jaargelden en, karakteristiek genoeg, de betaling van alle schulden van een twintigtal hunner, vorderden zij bovendien 52. Indien de koning in gelijke verhouding de groote edelen, die hem volgden, beloonde, zou er van de 23 gouvernementen, die Frankrijk telde, geen enkel voor hem zelf overblijven: „II n'y avait désormais rien en France de moins roi que le roi.quot;

Zulke voorwaarden waren onaannemelijk; op deze eischen brak de onderhandeling af. „Ils nous veullent. faire acheter l'estatquot;, zei Duplessis. De koning van Frankrijk kon de erkenning van

80

ocr page 91

UE OVERüANd VAN HENDRIK IV

oproerige edelen niet door de vernietiging vnn liet werk zijner voorgangers koopen. De partij van Mayenne nam den schijn aan, alsof zij zich verbaasde, dat tegen zulke conditiën bezwaar werd gemaakt: ,,zij begeerden den vrede niet, de oorlog was meer in hun belang.quot;

Hoe weinig die grootspraak waarheid behelsde, kon een vluchtige blik op de kaart van Frankrijk in den zomer van dit jaar (1502) leeren. Nergens was liet aan de partij der Ligue gelukt, den koninklijken aanhang ten onder te brengen ; overal werd de strijd al sedert drie jaar voortgezet. Met afwisselend geluk werd in de provinciën gestreden; in sommige hadden de royalisten de bovenhand, en waar de Ligue zich de sterkere mocht noemen, had zij het alleen aan den steun van het buitenland te danken. Indien Savoye, indien Spanje zijne troepen terugtrok, wat zou er van de Ligue in Bretagne, wal in Provence en Languedoc worden? Poitou en Limousin, waar Hendrik's aanhangers verreweg de sterksten waren; Lotharingen, door Tu-renne, tot hertog van Bouillon verheven, ernstig verontrust, gaven het antwoord. Zoo het buitenland den krijg niet voedde, kon de Ligue ten minste niet beletten, dat de doornenkroon van Hendrik IV eerlang, naar de uitdrukking van Dnplessis-Mornay, in waarheid een leliekroon wierd. Toen de dood den koning van den dubbelhartigen maarschalk de Biron had verlost, zag men in het kleine leger \an Hendrik zijn wil meer geëerbiedigd. De blokkade van Parijs werd op nieuw aangevangen , en ditmaal ernstiger, dan vroeger volgehouden. De gouverneurs der omliggende steden vingen aan, minder zachtmoedig voor de bedreigde hoofdstad te worden. De toevoer van levensmiddelen werd nadrukkelijker geweerd: de afsluiting der stroomen strenger gehandhaafd. Op een eilandje in de Manie bouwde Hendrik IV een fort, eerlang Ville-Badau ds gehee-ten. De werkzaamheden aan dit fort, in September opgericht, werden door Mayenne met onrust gadegeslagen; doch tevergeefs poogde hij ze te verstoren. Het was duidelijk: de kring, II 0

81

ocr page 92

UE OVERGANG VAN IlENDRtK IV.

waarin de Ligue zich bewoog, begon enger te worden. Het wettige koningschap, hoe zwak ook aan krachten, dreigde in zijn omarming de nog zwakkere rebellie te verstikken.

Spanje en de Paus waren tot dusver hare getrouwe bondge-nooten geweest; zoo deze haar ontvielen, was haar ondergang nabij. In plaats van den heftigen Gregorius XIV was in hel begin des jaars Clemens ÏOV opgetreden. 'sKonings katholieke aanhang hoopte en verwachtte, dat het nieuwe hoofd der kerk, die zijn voorganger in kennis en beschaving verre overtrof, een kalmer, verstandiger staatkunde zou volgen, al had hij ook aanvankelijk de bul van Gregorius hernieuwd. Zij stelden aan Hendrik voor, uit hun naam een gezantschap naar Rome te zenden, dat Clemens zou pogen te winnen. De parlementsleden, die te Tours waren vergaderd, verzetten zicli nadrukkelijk tegen het plan, maar Hendrik keurde het goed. Hij deed een nieuwen stap in de richting, sedert Juli 1591 ingeslagen, en verbond zich om onderricht te ontvangen, „avec désir et ntention de s'unir et joindre a l'Eglise catholique.quot; In de geheime instructie, die hij aan Gondi, den Parijschen bisschop , medegaf, maakte hij zijne toezegging, om te doen, „wat het staatsbelang van hem eischtequot;', afhankelijk van de zekerheid, dat de gehoorzaamheid, waarop hij recht had, hem niet langer door zijne onderdanen zou worden geweigerd. „Anders zou hÜ gevaar loopen uitgelachen te worden door de eene, en verlaten door de andere partij.quot;

Al was er voorloopig geen vrucht te wachten van deze zending , die Mayenne, uit wrok over Spanje's eischen, eerst had beloofd te ondersteunen, maar later tegenwerkte; zij bewees toch, dat de royalistische partij het wit scherper in 't oog begon te vatten en voor geen stappen terugdeinsde, die om het te bereiken noodig schenen. Uit alles bleek, dat de halfslachtigheid, de weifeling, de onvastheid der bewegingen aanving te eindigen. De koning — het was duidelijk — bereidde zich op een beslissenden stap voor. Wat zou er van Mayenne, wat van

ocr page 93

1)Ë OVERGANG VAN HENDRIK IV.

de Ligue worden, zoo Hendrik openlijk zich bereid verklaarde de ketterij al' te zweren, en de hoofdstad zich aan hem onderwierp ?

In Parijs was de stemming der gemoederen zeer veranderd. De moord van Brisson had de oogen der gezeten burgerij voor het gevaar van Spanje's vriendschap geopend. Hoe warm zij Mayenne had toegejuicht, toen hij aan de bloeddorstige raadslagen van den Conseil des Seize een eind had gemaakt, de middenstand had het niet vergeten, dat de adel het eerst het gemeen in beweging had gebracht. Scherper dan te voren zagen de nadenkenden het gevaar van dit bondgenootschap in. Al de ellende, die Parijs had geleden, dankte zij aan de Ligue. De rampzalige toestand, waarin de hoofdstad voortdurend verkeerde, daar de afsluiting der rivieren den handel dagelijks meer knakte, was de vrucht van Mayenne's politiek en van het woelen der geestelijkheid. De Seize, wier raad hij in December had ontbonden , waren zijne werktuigen en partijgenooten geweest. Hun schoon vaderland werd overstroomd door vreemde krijgsbenden , die het kwamen plunderen en berooven, om het te onderwerpen aan een vreemd vorst. Was het zoover met Frankrijk gekomen, dat het zich gelukkig moest achten, tot voetwisch van den vreemdeling te dienen?

Onder den bevruchtenden adem van lijden en ontbering herleefde het door kerkdijken haat onderdrukte nationale eergevoel. De Parijsche middenstand schaamde zich, dat hij zich had laten misleiden. Wat was er geworden van al de groote beloften ? De Ligue was machteloos: zonder Philips kon zij niet staande blijven; en de man, die tegenover het buitenland de vertegenwoordiger der nationale eenheid, tegenover het binnenland, van het monarchaal gezag mocht heeten, stond, hoe zwak ook aan krachten, onoverwonnen na een kamp van drie jaren daar. Een ketter werd hij geheeten. . . . was het geen ketterij, Frankrijk aan den Paus en aan Spanje te onderwerpen?

Reeds in den aanvang van 1592 trad de krachtig aangewassen

ocr page 94

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

parlij der poliliekon in de lioofdstad handelend op. In .lannaii werd een vergadering gehouden van burgers, uit allerlei kring en stand, waarbij ook enkele pastoors verschenen, die aan den omkeer der publieke meening den moed ontleenden, om voor hun ware gevoelens uit te komen. De aanwezigen besloten zich eng aaneen te sluiten en tegen de herleving van de partij der Seize te waken, door geen dezer in eenige stadsbetrekking toe te laten •■i3. Sinds breidde zich de beweging met iederen dag uit. Zenuwachtig, gelijk uitgeputte lichamen zijn, kon Parijs het uitzicht op nieuw lijden, dat de nauwere insluiting der stad opende, niet verdragen. Tal van geruchten, waarvan, zooals een tijdgenoot opmerkt, het al zeer wel was, zoo er een enkel/ waarheid behelsde, onderhielden de spanning, liet lijden dei-laatste jaren was nog te verscli in ieders herinnering; de wonden waren nog te zeer bloedende, dan dat de gedachte aan herhaling en hernieuwing niet den polsslag harder deed kloppen, den bloedstroom sneller door de aderen joeg.

Doch de actie werkte, gelijk steeds, reactie. De bedwelming was te groot en te algemeen geweest, dan dat zij op eenmaal geheel kon wijken. De invloed der monniken en priesters liet zich niet met één slag vernietigen. De partij der Seize herleefde en de oude bloeddorstige predikatiën werden opnieuw van de kansels gehoord. Weer beproefde de kerk, wat zij met de booze hartstochten der onkundigen en der slechten vermocht te bewerken. De politieken wonnen intusschen steeds aan getal. Onderhandelingen over verzoening en samenwerking liepen zonder uitslag af: slechts biltere verwijten en dreigende woorden brachten zij voort. Maar geen bedreigingen schrikten de politieken af. Toen in September het nieuwe fort op de Marne voor de oogen der verschrikte Parijzenaars verrees, werd in een hunner bijeenkomsten het voorstel gedaan, om zich vrijwillig aan den koning te onderwerpen, „qui estoit prince remply de clemence, qui sans donte les recevroit humainement, et vivroit-on sous luy en paix en l'exercice de la religion catholique-romaine.quot;

84

ocr page 95

UE UVERÜANG VAN llliiNDKIK IV.

Hoe zuu een ernstig staatsman zich van een beweging als-deze iiebben bediend! Hoe zou hij de behoefte, die zich in dezen afstand van elk denkbeeld van geloofsverandering uitsprak , hebben geleid, om het middeleeuwseh beginsel, dat voor het dragen der kroon het lidmaatschap der katholieke kerkgemeenschap onmisbaar was, voor altijd te vernietigen!

Doch Hendrik IV was beter soldaat dan staatsman; en de politieken te Parijs wisten hun denkbeeld niet te doen zegevieren. Toch was het een overwinning op de Ligue, toen in October de meerderheid der Parijsche kwartieren — les semonneux — besloten den koning van Navarre te bidden, van godsdienst te veranderen en inmiddels met hem over vrijheid van handel in overleg te treden. Parijs, de haard, de hoofdstad der Ligue, trad met den ketter in onderhandeling, bood hem de hand.

Als een donderslag trof het bericht den hertog van Mayenne. Het ongeloofelijke scheen mogelijk: Parijs dreigde hem te ontsnappen.

Vergezeld van eenige troepen snelde hij naar de hoofdstad, om den opstekenden storm te bezweren. Tusschen twee partijen had hij te kiezen: de politieken, die de traditie der Ligue verwierpen , en de Seize, die hun wrok legen hem volstrekt niet verheelden. Jammerlijk was zijn houding; beurtelings hoog en kruipend, zocht de trotsche edelman, die steeds de diepste minachting had gevoeld voor lagere maatschappelijke standen, dan waarin hij was geplaatst, en ze slechts duldde als zijn werktuigen en speelballen, de strijdende partijen door weer-zijdsche vrees te beheerschen. Ten deele gelukte het hem; doch meester van den toestand werd hij niet meer. Parijs richtte het verzoek aan ,,den koning van Navarrequot;, om voor de hoofdstad en de andere steden des rijks54 vrijheid van handel te vragen.

De eerste stap was gedaan; zou de volgende, die van onderwerping, achterwege blijven?

Mayenne meende het le kunnen beletten. Zoo hij gehoor gaf

ocr page 96

DU OVERGANG VAN 11KNDRIK IV.

aan de» aandrang van het Parijsche parlement, om eindelijk de Etats Généraux bijeen te roepen, vleide liij zidi met den steun van eene nationale vertegenwoordiging de partij der politieken te onderdrukken.

Reeds tallooze malen was de samenkomst der Etats Généraux, waarop ook Parma in naam zijns meesters liad aangedrongen, door Mayenne toegezegd. Zelfs waren zij herhaaldelijk door hem samengeroepen, maar nooit was het hem en den zijnen ernst geweest. Thans, nu de politieke partij het hoofd krachtig opstak, waren zij de eenige uitkomst, die hem overbleef. Parma, die zich gereed maakte om voor de derde maal Frankrijk binnen te trekken, wilde Reims of Soissons als ver-eenigingsplaals aangewezen zien. Die beide sleden zou hij gemakkelijk met zijne troepen kunnen beheerschen, en de Etats Généraux dwingen tot de keus, die zijn meester wenschte. Doch Mayenne wilde er niets van hooren, en berekende, dat de hoofdstad meer met zijn belangen overeenkwam. De politieken te Parijs zouden de keus van Philips II beletten, en deze, door vrees voor de erkenning van den koning van Navarre, gedwongen worden zijn eigen kandidatuur te laten varen, om die van Mayenne te bevorderen. Zoo meende het hoofd der Ligue nog altijd in troebel water te kunnen visschen.

Doch één medespeler op het groot tooneel der historie had hij buiten rekening gelaten. De dood kwam tusschenbeide en verwarde de kansrekeningen der intriguanten. De hertog van Parma stierf den 2de11 December. Oogenschijnlijk was zijn dood een uitredding voor Mayenne, die op eenmaal van het lastige en hinderlijke toezicht en den meesterachtigen drang van den uitnemenden staatsman ontslagen werd. In waarheid was die dood het doodvonnis over de partij der Ligue. Het prestige, dat de groote veldheer tegenover vriend en vijand had bezeten, hield op, Ilendrik's tegenstanders te steunen. Parma's leger liep uiteen; mannen, aan Frankrijk onbekend, traden in zijn plaats als leiders der Spaansche diplomatie op; de grootschheid en

ocr page 97

I)E (JVEUGANCi VAN IIKNÜRIIv IV.

breedheid van opvalling , die Paraia zoowei in hol beramen als in het uilvoeren hadden gekenmerkt, werd voortaan geheel gemist. Philips' kleinheid en bekrompenheid zouden niet alleen de vervulling zijner eigene wensehen beletten, maar ook de belangen zijner bondgenoolen schaden en belemmeren. Zonder Spanje vermocht de Ligue niets: dat hadden de jongste jaren geleerd. Wal zou Mayenne, nu van alle kanten afval dreigde, kunnen lol stand brengen, zonder de hulp van Farnese, die de door belang en inzicht zoo uileenloopende deelen der Ligue door vrees en overmacht bijeen had gehouden'?

Doch de trotsche edelman gal' zich van den waren slaat van zaken geen rekenschap. Hij meende, dat de afkeer van Spanje ook de polilieken zou dwingen zich in zijn armen te werpen. Dat de onhandige politiek van den Roomschen Stoel aan Fran-sclie Katholieken den moed zou geven, om, legen den wil van hel hoofd der kerk, die Hendrik's afgevaardigden niet onlvan-gen wilde, „den koning van Navarrequot; te erkennen, achtte hij onmogelijk. Aan zijn eigen impopulariteit, aan den wrok, die in Parijs tegen hem heerschte, aan den ongunstigen indruk , dien zijne nederlagen hadden gemaakt, dacht hij niet. Toen hij in December de opening der Staten tegen den 17de0 Januari 1593 vaststelde, vleide hij zich nog altijd de onmisbare persoon voor de Fransche Katholieken te zijn. Zoo weinig gevoelde hij hel gevaar, dal zijne wensehen bedreigde, dal hij nog den 5den Januari eene uitnoodiging lol de katholieke edelen, die Hendrik volgden , richtte, om met de Elals Généraux, die de Ligue naar Parijs had te zamen geroepen, over de belangen van Slaat en Kerk in onderhandeling te treden. Alsof de geestelijkheid, die de pauselijke bullen had veroordeeld, en de edelen, die vier jaar hem hadden bestreden, zich ter elfder ure aan hun niach-teloozen tegenstander zouden onderwerpen! Alsof de aanneming-van zijn voorstel door zijne tegenstanders lot iels anders kon leiden, dan om zijn macht en invloed te beperken en de plannen zijner geheime vijanden, de polilieken, te bevorderen!

87

ocr page 98

DE OVERGANG VAN HENDRIK IV.

De gescljiedenis der Staten van 1593 is dikwerf breedvoerig door schrijvers van vroegeren en lateren tijd verhaald. Zeer verschillend is de meening omtrent liet gewicht hunner overleggingen en de rol, dooi' hen gespeeld. Terwijl sommigen hun het getuigenis geven, dat zij zich jegens het vaderland verdienstelijk hebben gemaakt, worden hunne handelingen door anderen ten strengste afgekeurd. Zij verdienen, mijns inziens, „ni cette indignité ni eet exces d'honneurquot;. 55 De Staten van 1598 zijn het beeld der stervende Ligue.

De Staten van 1593 hebben niets tot stand gebracht. Te zamen geroepen om een koning te kiezen, hebben zij geen koning gekozen; het belangrijkste besluit, dat zij namen, was om de verkiezing onbepaald uit te stellen. Na zes maanden bijeen geweest te zijn, gingen zij, met dit brevet van onvermogen, eigenhandig geschreven, naar huis.

Aan bereidwilligen, om de kroon uit hun handen aan te nemen, ontbrak het niet. Er waren er zelfs te veel. Ieder sollicitant — want sollicitanten waren zij, die door hunne agenten de stemmen der Statenleden liepen te bedelen — ieder sollicitant werkte zijn concurrent tegen. Doch ernstige kandidaturen waren er slechts weinige.

Eigenlijk was er maar één: Philips II solliciteerde voor zijne dochter, Clara Eugenia Isabella. Toen de Stalen bijeenkwamen, was het meerendeel der leden voor haar gestemd, en scheen hare verkiezing hoogst waarschijnlijk. Maar de Spaansche Koning en zijn diplomatieke agenten te Parijs deden al, wat zij konden, om haar niet slagen te verzekeren. Op het oogenblik, dat het spel bijkans gewonnen was, verminderde Philips den inzet. In plaats van met een krachtig leger Parijs te ontzetten en Hendrik IV met groote overmacht te verpletteren, liet hij de hoofdstad en de Ligue aan eigen machteloosheid over, en schonk daardoor aan Hendrik IV de gelegenheid om belangrijke veroveringen te maken, die de hoofdstad meer en meer benauwden. Zoo zou zijn onmisbaarheid blijken, rekende de man in het Escuriaal,

88

ocr page 99

UK OVERGANG V.V.N HENDRIK IV.

terwijl zijn aanhangers twijfelden, of zelfs Spanje wel bij machte zou zijn, om hen uit de handen van den ketter te redden.

De erkenning van Clara Eugenia Isabella, afstammelinge van Anna van Bretagne, vorderde hij van de Staten. De pauselijke legaat en de hertog van Feria, de gezant van Philips, drongen er op aan. Maar zij kon niet gekozen worden, dan met terzij-stelling van de Salische wet, die de vrouwen van de troonsopvolging heette buiten te sluiten56. Geen krachtiger middel om de Staten hiertoe te bewegen scheen de Spaansche diplomatie te weten, dan om de natie en haar geheel verleden in het aangezicht te slaan. In de zitting van 2(J Mei betoogde de Spaansche rechtsgeleerde Mendoza, dat een reeks van vorsten, waarop Frankrijk trotsch was, door onwettige uitsluiting van vrouwen hadden geregeerd. Het gemor der aanwezigen bewees, dat zelfs de Kerk het nationale eergevoel niet vermag te doo-den, al weet zij het te verstikken.

Desniettemin zou de Spaansche Ligue hebben getriomfeerd , indien Spanje de rij zijner tegenstanders niet zelf had vermeerderd. Toen de Staten aan Feria vroegen, met wien Clara Eugenia Isabella, als zij gekozen werd, in hel huwelijk zou treden, wilde hij eerst niet antwoorden; doch eindelijk noemde hij als den uitverkorene aartshertog Ernst van Oostenrijk! Zulk een kandidatuur deed Spanje's eischen meer kwaad, dan Mayenne vermocht.

Te laat zag Feria den misslag in. Hij poogde hem te herstellen , door den jongen hertog de Guise te noemen. Zoo hij met grof geld en een krachtig leger diens kandidatuur had kunnen steunen, misschien ware hij ook nu nog geslaagd. Maar Philips was een te groot financier, om goed geld naar kwaad geld te werpen; hij beloofde slechts belooning met wissels, betaalbaar een jaar na dato. En het krachtige Spaansche leger, dat de Ligue tegen Hendrik behoefde, was evenmin zichtbaar. Zoo boorde nog ter elfder ure Philips met eigen hand de eenige kansen zijner dochter in den grond. En de familie van den

ocr page 100

UK OVERGANG VAN IlENURllv IV.

jonden de Guise liielp krachtig mede. Een korte wijle kwam wel le Parijs de oude liefde voor het geslacht van den Balalré boven, en „de jonge koningquot; mocht zich een oogenblik vermeien in de toejuichingen van het Parijsche gemeen. Maar de liefde onder de familie der Guise's was minder warm. Mayenne dacht er niet aan, zijn neef den troon te laten bestijgen. Niet voor een ander, niet voor de natie, slechts voor zichzelf had hij| gewerkt. HU duldde niel, dat een lid zijner familie den prijs zou winnen , waarvoor hij alles had gewaagd en opgeofferd. Maar van zijn kandidatuur was in de Staten zelfs niet openlijk gehandeld, en er is geen grond, om aan le nemen, dat de meerderheid, in strijd met het Parijsche parlement, ooit aan de wenschen van een kleine partij, die zijne verheiling verlangde, zou hebben toegegeven. Met Spanje's steun hoopte hij te slagen, doch wal Spanje schonk of weigerde, het was betrekkelijk een onverschillige zaak. Philips, die voor zijn dochter de erkenning niet kon verkrijgen, kon ze evenmin aan Mayenne bezorgen. De lirma was bankroet. De arme schuldeischers vonden slechts een deficit. Zoo was het einde der Ligue in 151)3.

En toch verhaastte deze vergadering de uitvoering van Hendrik's geheime plan, om lot de katholieke kerk over le treden, liet is blijkbaar dat de koning van de Parijsche vergadering eene nieuwe krachtsontwikkeling dei' Ligue heeft te gemoet gezien. Uns, die op zoo verren afstand geplaatst de juiste verhouding der afmetingen beter kunnen beoordeelen, moge de onbeduidende alluop der Etats Généraux onvermijdbaar voorkomen, tijdgenoolen beoordeelen gewoonlijk de gebeurtenissen, die voor hunne oogen plaats hebben, meer naar hel gedruis en de opspraak, die zij wekken. Hel is een moeilijke en zeldzaam beoefende kunst, wat men ziet geschieden op zijn juiste waarde le schallen. Hendrik heeft blijkbaar van deze Statenvergadering gevreesd, wal de hoofden der tegenpartij er van hoopten. Voor- noch tegenstanders zagen in, dat deze bijeen-

90

ocr page 101

IJK OVERGANG VAN HENDRIK IV.

komst slechts liet stuiptrekken der stervende Ligue was. Allen meenden, dat zij aan liet verzet nieuwe kracht en meerdere eenheid zoude geven, De tegenstand zou er door aangewakkerd worden, en de erkenning van Hendrik's koningschap voor jaren verschoven, zoo niet voor altijd uitgesteld zijn.

Scherp en duidelijk spreekt zich deze opvatting des konings in de woorden uit, die de bewerkers der Oeconomies Royal es aan hun held in den mond leggen 57. Sulli, in het begin van Februari 1593 door den koning geraadpleegd, tee-kende den staat van zaken op deze wijze: „Vous ne parviendrez jamais a l'entiere possession et paisible jouissance d'iceluy, que par deux seuls expediens et moyens; par le premier desquels, que est ia force et les armes, il vous faudra user de fortes resolutions, severitez, rigueurs et violences, qui sont toutes procedures entierement contraires a vostre humeur et inclination, el vous faudra passer par une milliasse de difficultez, fatigues, peines, ennuis, perils et travaux, avoir continuellement le cul sur la selle, le halecret 58 sur le dos, le casque en la teste, le pistolet au poing et l'espée en la main; inais, qui plus est, dire adieu repos, plaisirs, passetemps, amours, maistresses , jeux, chiens, oyseaux et bastimens; car vous ne sortirez de telles affaires que par multiplicité de prises de villes, quantité de combats, signalées victoires, et grande effusion de sang. Au lieu que par l'autre voye qui est de vous accomrnoder, touchant la religion, a la volonté du plus grand nombre de vos sujets, vous ne rencontrerez pas tant d'ennuis, peines et diflicultez en ce monde; mais, pour l'autre, je ne vous en responds pas.quot;

Sulli, die in deze woorden bewees hoe goed hij Hendrik kende, sprak eenvoudig uit, wat in het hart des konings omging. Hendrik was den langen strijd moede, en maakte zich zelf wijs, dat hij zich voor zijn land moest opofferen. De herhaalde verklaringen, dat hij slechts aan Frankrijks belang dacht, de verzekeringen hoe veel moeite het hem kostte het kerkgeloof zijner moeder te verloochenen, bevatten waarheid, maar

91

ocr page 102

DIJ OVEKUANÜ VAN HKNÜRIK IV.

tiiel de geheele waarheid. Wie zal durven zegden, dat liij zich ooit van andere, minder nationale, meer zelfzuchtige beweegredenen is bewust geworden?

Voor de vorsten der lÖ1^ eeuw was er, zoowei iu goeden als kwaden zin, geen onderscheid tusschen het persoonlijk en het nationaal belang. En Hendrik IV was een kind van zijn tijd, als van zijn volk.

De hoofden der katholieke edelen hadden onder 's koninus goedkeuring zich bereid verklaard met de Etats Généraux in onderhandeling te treden. Mayenne, die zich bij het woord zag gehouden, kon zijn toestemming niet weigeren. Ondanks den tegenstand van den pauselijken legaat en van den ambassadeur van Spanje, benoemden de Staten, te Parijs vergaderd, commissarissen, die met de afgevaardigden van de koninklijke Katholieken te Suresne zouden samenkomen.

Het was in hun vergadering, dat in het midden der Meimaand de aartsbisschop van Bourges de mededeeling 3n deed, „que leur roy avoit faict assembier plusieurs cardinaux, evesques et autres gens de sa suite, leur ajant promis de vivre catholique-inent, demandant d'estre instruict.quot;

Den 2i2sten Juli kwamen de opgeroepen geestelijken, prelaten en doctoren te St. Denis te zamen. Het hoofd der tiers parti, de kardinaal de Bourbon, die met ergernis zijn kansen in rook zag opgaan, wreekte zich door de bevoegdheid der Fransche prelaten te betwisten, om zonder vergunning des pausen Hendrik in den schoot der kerk te ontvangen. Doch noch de iiooge geestelijkheid van 's konings aanhang noch Hendrik zelf lieten zich afschrikken. Zij wisten, dat het pausdom, als steeds, zich, willig of onwillig, in het fait accompli zou moeten schikken. De beslissing over staatszaken behoort niet aan de kerk.

Den volgenden morgen, den 2.1sten, ving het zoogenaamde onderricht aan. Het mocht niets anders dan een formaliteit zijn. Niemand kon er in ernst aan denken, om Hendrik wezenlijk te

ocr page 103

DE OVERGANG VAN HENDIUK IV

willen bekeeren. En elke illusie, zoo zij soms bij een der vijf bisscboppen bestond, week, als men de luchtige minachting zag, waarmede de koning de zaak behandelde. Achtereenvolgens werden de verschillende stukken der kerkleer doorloopen. Toen er sprake was van de gebeden voor dooden, zei Hendrik: „lais-sons la Ie Requiem; je ne suis pas encore mort et je n'ai pas envie de mourir.quot; Bij het vagevuur verklaarde hij, het te willen aannemen, om hen plezier te doen, daar hij wist ,,que c'estoit Ie pain des prebstres.quot; Doch toen het op belangrijker zaken aankwam, bijv. de leer der mis, werd hij warm; hij verdedigde zich bij zulke punten met vuur, en wist zijne bekeer-ders zoo veel bijbelplaatsen, die de onwaarheid der katholieke leer bewezen, voor de voeten te werpen, dat een hunner den volgenden dag getuigde, nooit een ketter gezien te hebben, die zoo op de hoogte was en zulke goede gronden wist aan te voeren. .Maar w7at kon het hem baten? Het staatsbelang vergunde hem niet, overwinnaar te zijn in den theologischen kamp. Als de oude Friesche koning, volgens de legende, zich nog ter elfder ure terugtrekken, dat kon hij niet. Hij was te ver gegaan. HÜ gevoelde het en gaf toe. Met tranen in de oogen bracht hij het offer zijner overtuiging: „Vous ne me contentes point bien sur ce point et ne me satisfaites pas comme je dési-rois, et me l'estois promis par vostre instruccion. Voici: je mets aujourdhui mon ame entre vos mains. Je vous prie, prenes-y garde: car la ou vous me faites entrer, je n'en sortirai que par la mort; et de cela je le vous jure et proteste.quot;

Vijf uur had de samenkomst geduurd en met een gevoel van verlichting liet Hendrik de geestelijken van zich gaan. Nog twee dagen, en alles zou voorbij zijn. Als om zich zeiven te bemoedigen door de beteekenis van den stap zich te ontveinzen, spotte hij er mede: ,,Ce cera dimanchequot; — schreef hij aan Gabrielle d'Estrées B0 — „que je fairay le sault perilleux.quot;

Zondag kwam. Des morgens ten acht ure begaf zich de koning , door een aanzienlijken stoet van edelen en hovelingen vergezeld,

lU

ocr page 104

1)Ë OVERGANG VAN HENDRIK IV.

te midden van een van alle kanten sameno;estiquot;oomde menlale

ö O

naar de hoofdkerk van St. Denis. Het was snikkend heet; loodzwaar drukte de warmte alles neer.

De hoofddeur was gesloten: Hendrik klopte aan fil. De poort werd geopend en de aartsbisschop van Bourges, omringd van tal van hooge geestelijken, vertoonde zich. Hij vroeg den wachtende, wie hij was.

,,Je suis le roy.quot; —

„„Que demandez vous?quot;

— „5e demande estre receu au giron de l'Eglise catholique, apostolique et romaine.quot; —

„ „Le voulez-vous?quot;

— „Ouy, je le veux et le desire.quot;

En de knieën buigende, legde Hendrik IV deze geloofsbelijdenis af: ,,Je proleste et jure, devant la face de Dien tout puissant, de vivre et raourir en la religion catholique, apostolique et romaine, de la proteger et deffendre envers tous au peril de mon sang et de ma vie, renongant a tontes heresies contraires a icelle Eglise catiiolique, apostolique el romaine.quot;

Men zegt ^, dat een der bisschoppen, die steeds des konings zijde had gehouden, na den overgang van Hendrik IV verklaarde:

,,Je suis catholique de vie el de profession, el Irès-fidóle subjet el serviteur du Roy: vivrai et rnourrai tel. Mais j'eusse trouvé bien aussi bon et meilleur que le Roy lust demeuré en sa religion, que la changer comme il a fait: car en malière de conscience il y a un Dieu la haul qui nous juge: le respect duquel seul doit forcer les consciences des rois, non le respect des roiaumes et couronnes, et les forces des hommes.quot;

9-4

ocr page 105

II

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

ocr page 106
ocr page 107

een vorstelijk; engagement.

Den 27sten December 1044 gaf Frederik Hendrik een groot festijn. De voornaamste zijner gasten was de Graaf van Oost-Friesland, Uirich II. De koninginne van Bolieme met hare kinderen, afgevaardigden van iedere Provincie en van de Staten-Generaal zalen met het Stadhouderlijk gezin aan. Frederik Hendrik vierde feest, een verlovingsfeest. Zijn jongste dochter,

Henriette Catharina, werd heden de bruid van Enno Ludwiff,

7 ö 1

den oudsten zoon van den üostfrieschen Graaf.

De ouders van het jonge paar en de gasten zijn vermoedelijk opgewekter en blijder geweest dan de hoofdpersonen zelve. Want bruid en bruidegom hadden niet het genoegen elkander te kennen. En al ware dit ook het geval, dan nog zouden zij misschien niet bijzonder verliefd geweest zijn. En zoo al verliefd, het welbehagen kon niet anders dan een zeer kinderlijk karakter dragen. Want de bruidegom was negen, de bruid vijf jaar oud. Vermoedelijk beeft de laatste, op dezen plechtigen dag baars levens, een nieuw stuk speelgoed ontvangen, om zich hij gebreke van den toekomstigen heer en gemaal meê te vermaken.

Voor de ouders van weerszijden bestond er reden tot blijdschap. Voor het Oranjehuis, sedert weinige maanden met de Stuart's verbonden, opende zich opnieuw het uitzicht, om met een regeerend huis in verbintenis te treden. Een jongere II ' 7

ocr page 108

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

dochter van den huize eenmaal als gravin in het naburige Oost-Friesland te zien optreden, kon den Stedenbedwinger, wien de grootheid van zijn geslacht warm ter harte ging, niet dan aanlachen. Het grafelijk huis der Girkzena's was van de vroegere macht en aanzien wel zeer vervallen, maar de jongste dochter van den Stadhouder der Republiek kon moeilijk op eenehoogere verbintenis aanspraak maken. De Oranjespruit zou én voor haar geslacht én voor de Republiek een waarborg zijn, dat de Spaanschgezinde staatkunde van de Oost-Friesche graven eindelijk eens ophield de veiligheid der oostelijke provinciën te bedreigen. Daarom hadden ook de Staten-Generaal, toen in de vorige maand de heer van Sommelsdijk namens Frederik Hendrik hun goedvinden over dit huwelijk had gevraagd, geen oogenblik geaarzeld hun hooge ingenomenheid ermede uit te spreken, „ordelende deselve aan den lande seer dienstig ende considerabel te zijn.quot;

Dat oordeel was Ulrich II, van zijne zijde, bereid geheel te onderschrijven. Hij had den voorslag van 't huwelijk gedaan, om den steun van den invloedrijken Stadhouder te winnen. Sedert een halve eeuw was het aanzien van zijn huis in Oost-Friesland zeer verminderd. HU voerde den grafelijken titel, maar het gezag, waarop hij aanspraak maakte, werd hem, gelijk vroeger aan zijn vader en broeder, door zijne onderdanen ernstig betwist. Godsdienstverschil had het eerst het zaad van verdeeldheid gestrooid. Welig was het opgewassen en in politiek verschil van inzicht en bedoeling had het nieuw voedsel gevonden. De stad Eraden stond aan het hoofd van den tegenstand, en de invloed en macht van de voornaamste plaats van zijn gebied waren groot genoeg, om tegen die des graven op te wegen. Een groot deel van zijn land gehoorzaamde hem niet meer: allerlei partijen heerschten in Oost-Friesland. Evenmin als zijne voorgangers had hij zijn Spaanschgezinde politiek kunnen doorzetten. Toen de kansen het gunstigst voor zijn vader, Enno Hl, hadden gestaan, had de regeering van Einden een bezetting

98

ocr page 109

ËliN VÖRSTËLljlv ËNüAGËMËNI'.

00

van de Staten-Generaal ingenomen, en sedert 1002 lag er in de hoofdstad van zijn land een garnizoen van de machtige Republiek. Zijn broeder Rudolph Christiaan had tevergeefs pogingen aangewend, om die hinderlijke troepen kwijt te worden; wat inzonderheid voor hem van waarde was, omdat de keizerlijke partij de houding aannam om hem als verbondene van de Staten te beschouwen, en hij dus gevaar liep van felonie beschuldigd te worden. Maar de Staten-Generaal hadden zich niet laten bewegen om Emden en Leeroort, die zij bezet hielden, te verlaten. Oost-Friesland was hun een voormuur tegen de Spaan-sche en keizerlijke macht, dien zij niet wilden noch konden loslaten. In dien toestand had Ulrich II, toen hij in '11)28 de regeering aanvaardde, zijn land gevonden. En sinds was de staat van zaken niet verbeterd, maar verergerd. Toen Gustaaf Adolf Duitschland bedreigde, was Emden de wapenplaats en het vereenigingspunt geworden van Engelsche en Zweedsche rekruten. Ulrich's gezag gold in de stad niet meer, die, steunende op der Staten troepen, zich om hem niet bekommerde, en handelde, alsof zij een onafhankelijke rijksstad was. En na den dood van den Zweedschen koning, toen hij hopen mocht dat de keizerlijke partij hem verlossing zou brengen, had de voorzichtige en slimme staatkunde van de heeren Staten der Republiek het middel gevonden liem voortdurend machteloos te maken. De landgraaf Wilhelm van Hessen-Kassei voerde in 1(337, met medeweten der Staten-Generaal en van den Stadhouder, zijn leger ter inkwartiering in Oost-Friesland binnen. Zwaar had het land reeds geleden onder de invasie, eerst van de troepen van Mansfeldt en daarna van die der keizerlijke Ligue. Nu kwam de invasie der Hessen voltooien, wat de anderen hadden aangevangen, en wegrooven, wat zij hadden overgelaten. Het ongelukkige land werd uitgemergeld door de vreemde troepen, die geld en levensonderhoud vorderden, en het land afstroopten. Zelfs de dood van den landgraaf schonk geen verademing; zijn krachtige weduwe, Amalia, voerde met even sterke hand

ocr page 110

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

en even weinig geneigdheid om dit veilige toevluchtsoord Ie verlaten, het kommando. De graaf zag het eene deel zijns lands onder vreemden druk en het ander deel onwillig hem te erkennen, en evenzeer onwillig, om hem de middelen tot krachtig verzet tegen de Hessen te verschaffen, uit vrees dat hij zijn wapenen tegen Emden zou keeren. In dezen nood was eindelijk aan het trage verstand van Graaf Ulrich II de noodzakelijkheid duidelijk geworden, om zijn politiek te wijzigen en een andere gedragslijn te volgen. Hij moest een der twee partijen voor zich winnen. Een oogenblik had hij er over gedacht, zijn oudsten zoon met een Hessische prinses uit te huwelijken, en dan met de hulp van het vijandelijke leger het onwillige Einden tot onderwerping te brengen. Maar zijn raadslieden hadden hem bewogen, liever de verzoenende hand aan de Republiek toe te steken en het machtige Oranjehuis tot zijn belangen over te halen. Daarom was hij naar Den Haag gekomen, er op rekenende, dat de invloed van Frederik Hendrik een gunstigen invloed op de politiek der Staten zou uitoefenen, en voortaan Hessen noch Emden ondersteuning van hen zouden verkrijgen. Zoo zou het huwelijk zijns zoons zijn land bevrijding aanbrengen, en zijn oproerige onderdanen dwingen zich aan zijn wettig gezag te onderwerpen.

Met welke strijdige gevoelens zaten deze feestvierenden aan den disch neder! Zoo Ulrich een ander man ware geweest, het zou hem moeite hebben gekost het gevoel van vernedering te onderdrukken. Want in waarheid zat hij hier als de ver-slagene. De politiek der Republiek, met taaie volharding veertig jaren volgehouden, had gezegevierd. De hand van den jongen Graaf, dien hij aan Frederik Hendrik en de Staten had aangeboden, was zijn acte van submissie.

Er is geen enkel blijk, dat er aan het geluk der jonge kinderen een oogenblik ernstig gedacht is, dat bezorgdheid daarover de ouders heeft bezig gehouden. Vorstelijke huwelijken zijn zelden alleen de vrucht van persoonlijke genegenheid. Gewoonlijk

100

ocr page 111

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

vormen zij een schakel in doze^ of gene/ keten van politieke berekeningen. Zoo ook hier. Frederik Hendrik bovendien had in deze dagen meer dan genoeg met het podagra te stellen, dat hem duchtig beet had. Hij zal bij zijn diner zeker niet zonder een beetje jaloezie op zijn gezonden gast hebben neergezien, die de kunst van lekker eten en drinken als het ideaal des levens beschouwde, en niet gewoon was zich de weelde van zijn genietingen door zorgen, zelfs niet van politieken aard, te laten bederven. Graaf Ulrich, aan den schitterenden disch van den rijken Prins van Oranje gezeten, heeft zich zonder twijfel geheel gewijd aan de verplichtingen, die het onthaal hem oplegde, zonder de bizarre vraag bij zich te voelen opkomen, of zijn negenjarige jongen wel gelukkig zou zijn? De beide contractanten waren tevreden, omdat beiden groote voordeelen van hun schikking verwachtten. Wie de krachten en personen der nu verbonden partijen kende, kon gemakkelijk nagaan, wiens berekeningen de meeste kans van slagen hadden.

Volgens een afspraak der ouders zou de jonge Enno Ludwig zijn verdere opvoeding in Den Haag ontvangen. Hij kwam ook eenige maanden later met een klein gevolg. Van zijn omgeving is weinig bekend. Genoeg intusschen, om de richting te begrijpen, waarin zijn opleiding plaats had. Toen hij naar Holland kwam, stond een Hes, Ovenberg]geheeten, als hofmeester aan 't hoofd van zijn huishouding. Deze bracht eens een jong Luneburgsch edelman, Marenholz, tot Enno Ludwig om hem als cavalier te dienen. Marenholz had een knap voorkomen en een goed verstand, maar weinig kennis. Als hoveling zocht hij carrière te maken en hij slaagde er in. Zijn aangename vormen en zijn talent voor liolintrigues;jlafii'hem spoedig, sneller dan Ovenberg wenschen of vermoeden kon, de gunst van den kring winnen, waarin deze hem gebracht had. Amalia van Solms wist hij zoo geiieel voor zicli te winnen, dat door haar bewerking Ovenberg zijn betrekking verloor en hij in diens plaats als hofmeester optrad. Hij zou jaren later deze overwinning duur be-

101

ocr page 112

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

Uilen. Voor 't oogenblik mocliL hij zich in zijn succes verheugen, want van verzeL was bij den knaap geen sprake. De jonge Enno Ludwig had in zijn vaderlijk huis niet de gelegenheid gehad om le leeren, dat er belangrijker zaken in de wereld zijn dan eten en drinken. Vader Ulrich had goede geestvermogens, maar haatte inspanning en werkzaamheid en liet alles op zijn raden en zijn vrouw aankomen, en was befaamd wegens zijn onmatig eten en het drinken van wijn en brandewijn. De gravin, Juliana van Hessen, hield ook het meest van pret maken, uit rijden gaan en dergelijke zaken. Tan een kind, onder dergelijke voorbeelden opgevoed, was 't niet te verwachten, dat hij eenigen afkeer zou gevoelen van Marenholz, die een weelderig en zorgeloos leven hel hoogste achtte wat de mensch bereiken kan. Honden dresseeren, paard rijden, Jagen enz. waren de prettigste bezigheden, die hij kende. Weinig jongens, ook al zijn zij geen vorstenzonen, vinden zulke zaken niet amusant, en geven er niet de voorkeur aan boven studie. Onder zulk een leiding ontwikkelde zich de knaap juist zooals men verwachten kon. Op de vorming van zijn oordeel werd niet gelet, hoe goed de aanleg ook was; zijn natuurlijk goed verstand en zelfs een zekere snelheid van opvatting, die zich openbaarde, werden niet gevormd. Driftig en goedaardig tevens, groeiden in zijn karakter kruid en onkruid broederlijk naast elkander op, alsof men aan het toeval de beslissing wilde overlaten, wat van beide, het goede of het kwade, in dit rnenschenhart den boventoon zou voeren. Geen poging werd gedaan om eenige zelfstandigheid, eenige energie in hem op te wekken, hoe noodig juist het physieke van den knaap het maakte, dat op dit punt zorgvuldig het oog werd gehouden. Want de jonge Enno was traag en langzaam, dank zij de constitutie, die hij geerfd had, en de logheid van zijn lichaam, die hem tot een alles behalve aan-trekkelijken type van een dikken jongen maakte.

Gedurende een jaar of drie bleef Marenholz bij hem. In 1646, toen vader Ulrich weder Den Haag bezocht, vond hij zijn zoon

102

ocr page 113

EEM VOnSTKLIJK ENGAGEMENT.

zoo dik en corpulent geworden, dul hij besloot hem naar Frankrijk te zenden, om te zien, zooals Leo von Aitzema vertelt, „ol hij door exercitie wat dunner en disposter zoude worden.quot; Hoe de reis in dit opzicht ten goede kon werken, is niet duidelijk. Wel, dat de jonge Enno er niets tegen zal gehad hebben.

Doch vooraf werd een bezoek aan de moeder te Aurich en het ouderlijk huis gebracht. Voor zijn holmeester Marenholz had deze reis naar Oost-Friesland gewichtige gevolgen.

Aan het hof van gravin Juliana, in de intiemste vriendschap met haar levende, bevond zich de schoone Elizabeth von Ungnad. Zij was de jongere zuster van Eva von Ungnad, die met den overste Ehrentreuter, vroeger kommandant van Emden, nu sedert weinige jaren des graven vertrouwden vriend en raadsman, was gehuwd. Elizabeth was ongetrouwd gebleven, niet uit koelheid des harten, maar door een samenloop van omstandigheden. Zij was opgevoed aan het hof van Oldenburg en had reeds vroegtijdig door haar schoonheid zoo zeer de aandacht getrokken, dat de jonge graaf Anton Gunther er ernstig over gedacht had, haar te huwen. Hij had zich echter tevreden gesteld in de meest intieme betrekking met haar te treden. Als pand van haar liefde had zij hem een zoon geschonken, die later gelegitimeerd werd en den titel van Anton van Altenburg ontving.63 Anton Gunther, ofschoon hij nooit de relatie met haai1 geheel verbrak, was eenige jaren later met een prinses van llolstein gehuwd, en Elizabeth had zich naar Oost-Friesland teruggetrokken. Hier was zij, door de betrekkingen van haar zuster, aan het hof gekomen en spoedig de intieme vriendin van Juliana geworden. Graaf ülrich, die zich aan die vriendschap ergerde, had herhaaldelijk gepoogd er een einde aan te maken. Maar het was hem niet gelukt. De neigingen van Juliana en Elizabeth stemden te zeer overeen, dan dat zij zich scheiden lieten; en de zwakke vorst i die alle initiatief en zelfstandigheid miste, had steeds voor de intrigue der twee vrouwen moeten bukken. Deze schoone, maar gehate courtisane ontmoette Marenholz te Aurich. Zij wierp

103

ocr page 114

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

haar netten naar hem uit, en spoedig was hij gevangen. Elizabeth werd zwanger van een kind, waarvan hij de vader was. Graal' ülrich was woedend over dit schandaal aan zijn hol' en ontsloeg Marenholz onmiddellijk uit zijn betrekking bij den jongen Enno. Doch toen de eerste uitbarsting voorbij was, bedaarde zijn toorn, en wist hij aan de voorspraak van zijn vrouw geen weerstand te bieden. Hij benoemde Marenholz tot drost te Berum, die daarop Elizabetii huwde en voortaan in oflicieele betrekking aan het hol' van den graaf verscheen, die hem onwaardig had verklaard om het huishouden van zijn zoon te besturen. Elizabeth von Ungnad had thans vasten voet gewonnen en een veilige plaats, naar het scheen, voor altijd ingenomen. Op haar raad wendde Marenholz eerlang al de voorrechten, door de nutuur iiem geschonken, aan, om de gunst der lichtzinnige gravin door steeds intiemer verstandhouding zich voor altijd te verzekeren.

Het is niet waarschijnlijk, dat de scheiding van Marenholz den jongen Enno veel moeite heeft gekost. Zijn later gedrag-tegen den vroegeren hofmeester pleit er niet voor, dat hij ooit aan hem gehecht is geweest.

De opvolger van den ontslagene was Jacob van Wangenheim, vroeger ritmeester in dienst van Portugal. Aan de aanbeveling van den Prins van Oranje had hij zijn aanstelling te danken. Veel bijzonders weten wij evenmin van hem als aangaande deze eerste reis. Uit een reisjournaal, dat wij later even bespreken, blijkt, dat deze tocht van Enno zich ook tot Genève heeft uitgestrekt. Doch wij laten onzen reiziger een oogenblik aan zijn lot over, en keeren naar zijn vaderland terug.

De huwelijksverbintenis, door graaf ülrich voorgeslagen, was, gelijk wij zagen, een speculatie geweest op de hulp van het lluis van Oranje. Door Frederik Hendrik zouden de Slaten-Generaal worden bewogen om Emden niet langer tegen hem te ondersteunen, en de Hessen gedwongen Oost-Friesland te verlaten. Slechts wat hel eerste betrof, beantwoordde de uitkomst

104

ocr page 115

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

105

eenigermale aan zijn verwachting'. De goede verstandhouding, die tot dusver tussclien de Republiek en Einden had bestaan , hield door de verloving langzamerhand op. De Oost-Friesche tegenstanders des graven vertrouwden de Staten-Generaal niet meer. Hun raad was voortaan verdacht, zij schenen meer dan vroeger de belangen van Ulrich te zijn toegedaan. Op verzoek van alle partijen sprongen zij voor Oost-Friesland bij de llessi-sche landgravin in de bres. Zij wezen er op, hoe de inlegering nu reeds veel langer duurde dan aanvankelijk was bepaald. Zij trachtten op het christelijk gemoed der vorstin te werken door haar op het arme Oost-Friesland, onlangs door groote watervloeden zwaar geteisterd, te wijzen. Maar niets mocht baten: noch godsdienstige vermaningen, noch wereldsche overwegingen konden haar tot toegeven bewegen. De slimme landgravin, die liet kommando over haar troepen met mannenkracht voerde, wist maar al te goed, dat de bedreigingen der Republiek ongevaarlijke wapenen waren, omdat het belang van Zweden en Frankrijk medebracht, dat Oost-Friesland niet in handen der keizerlijken viel, die van daar de Zweedsche bezittingen zonden bedreigen. Graal' Ulrich besloot eindelijk zeil' naar de wapenen te grijpen, ten einde de Hessen te verjagen. Zonder zich om den tegenstand van Emden te bekreunen, nam hij met medeweten van Frederik Hendrik eenige compagnieën infanterie en kava-leric, toevalligerwijze juist door de Staten afgedankt, in zijn dienst, en droeg het bevel daarvan aan den kolonel Ehrentreuter op, die jaren lang, gelijk vroeger zijn vader, kommandant van de Hollandsche bezetting binnen Emden was geweest. Deze Ehrentreuter, ofschoon in Staatsehen dienst, had door zijn langdurig verblijf en het militair kommando, dat hij voerde, een zeer invloedrijke positie gekregen. Dien man te winnen kwam Ulrich van het hoogste gewicht voor. Na 1041, toen de verloving van zijn zoon met Henriette Catharina den omkeer in zijn politiek had verkondigd, was geen moeite door hem gespaard. In '16-44 had hij Ehrentreuter met Loga en Logabierum

ocr page 116

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

106

beleend; nu — in 1644 — droeg hij hem het opperbevel over zijn leger op. Do keus was een gelukkige te noemen, waar het de vraag naai- militaire bekwaamheid gold. Maar als politieke daad schonk zij den graalquot; niet wat hij hoopte. Want de uverste , die het bevel over Emden nederlegde om in zijn dienst te treden, werd door dien overgang in de oogen der tegenstanders van Ulrich een verrader van hun zaak. Zij zagen in zijn stap, zeker niet zonder medeweten en goedkeuring der Staten gedaan , een bewijs Ie meer, dat de Republiek den graaf tegen lien begunstigde. Vandaar dat de raadgevingen der Stalen, zelfs de meest verzoenende, volstrekt geen ingang meer vonden bij de achterdochtige stadsregeering, die de rij harer vijanden met iederen dag zag toenemen, liet was intusschen een geluk voor haar, dat de politieke belangen van twee der mogendheden, tegen Oostenrijk gewapend, met de hare overeenstemde. Ook Frankrijk en Zweden wilden de wapening des graven niet toestaan , en na veel botsingen, meer op het papier nog dan te velde, zagen de Stalen-Generaal zich door den invloed der diplo-matie genoodzaakt, Ulrich los te laten. De arme graaf kwam jammerende en weeklagende in 1646 naar Den Haag. Aan den derden stand, die hem tegen den adel en de stedenaristocratie trouw had bijgestaan, had hij beloofd de Hessen te verdrijven. De buitenlandsche mogendheden verboden het hem. In zijn wanhoop, dat hij zijn woord niet houden kon, ging hij zelfs zoo ver, dat hij de Staten-Generaal verzocht zijn graafschap in sequestratie te nemen. Maar die van Holland hielden het tegen. Zulk een uitbreiding van macht en gebied zou den vrede vertraagd, de Republiek in strijd met het Duitsche rijk gebraclit, en aan de Prinsen van Oranje de gelegenheid liebben geschonken tot het innemen van een hooger en onafhankelijker positie, dan na den vrede hun deel zou zijn. Zoo ging door Holland de kans op een uitbreiding verloren, die voor de geheele verdere ontwikkeling der Republiek een beslisten en waarschijnlijk zeer gelukkigen invloed zou hebben gehad. Graaf Ulrich keerde.

ocr page 117

KEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

met woorden en beloften bemoedigd, naar zijn land terug. In Frederik Hendrik, die in 't volgende jaar stierf, verloor hij een grooten steun en voorspraak zijner belangen. De jonge Willem II kon, al wilde bij het ook, in den beginne weinig voor hem doen. De Hessen bleven in het land; de adel en de stad Emden stonden voortdurend vijandig tegen hem over. Anarchie heerschte in Oost-Friesland, en de Graal'wist niets beters te doen, dan zich met de genoegens van zijn tafel te troosten en de sombere overpeinzingen met volle bekers wijn of brandewijn weg te spoelen. Het ongelukkige land scheen veroordeeld om onder te gaan. Maar in 1048 kwam er verademing: Oost-Friesland werd in het vredestractaat van Munster begrepen. Nu zouden toch eindelijk de gehate Hessen hel land verlaten, hoopte men. Toch duurde het nog twee jaren; niet voor Augustus '1(350 trokken zij de grenzen over, na dertien jaar op kosten der Oost-Friezen te hebben geleefd. Graaf Ulrich II beleefde de verlossing van zijn land niet meer. Op zijn sterfbed ontving hij de lijding van den vrede van Munster, en hij hief de bevende handen op om God te danken, dat er na den langen nacht een betere dag voor zijn land en zijn kinderen zou aanbreken.

Intusschen — wat de stervende niet wist noch vermoedde — was de waarheid: de dag, dien hij zag aanbreken, was de betere nog niet. Zijn sterfdag was slechts de aanvang van een nog schandelijker en onteerender tijdperk in de Oost-Friesche historie.

In het contract van 1641 was bepaald, dat Frederik Hendrik als medevoogd zou optreden, wanneer Enno Ludwig bij den dood zijns vaders nog minderjarig mocht zijn. Toen de Prins van Oranje in 1047 was overleden , had Ulrich H nieuwe bepalingen moeten maken. In zijn testament van 23 October 1048 droeg hij de voogdijschap over den onmondigen opvolger aan zijne weduwe, Juliana van Hessen, de hertogen van Brunswijk-Lüneburg en van Mecklenburg, en den Stadhouder Willem II

107

ocr page 118

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

op. De Staten-Geneiaal bcnoiiinde liij lol execuleurs. Het was voornamelijk Marenliolz, die den zwakken vorsl lol dezen uitersten wil overhaalde. Door zulk een macht op te dragen aan buiten-landsche vorsten, stelde men de voogdij der moeder onder de bescherming van vreemde machten, tegenover en boven de Stenden des lands. Dat de vreemde heeren zich veel met deze curateele zouden bezighouden, was niet te verwachten. Des te onalhankelijker kon Juliana van Hessen met hare gunstelingen, waarvan Marenliolz de intiemste was, heerschen. üp den 22stei1 December, ruim zeven weken na Ulrich's dood, werd op het slot te Aurich dit testament plechtiglijk geopend. De leden van den gralelijken raad, eenige afgevaardigden van de Stenden, de voornaamste rechterlijke ambtenaren, waren aanwezig. Voor den Prins van Oranje was Constantijn Huygens, secretaris van Willem 11, opgekomen. Na een breedvoerige toespraak van een der geheime raden, werd het testament, dat op een kussen van zwart fluweel lag, opgenomen, geopend en gelezen. Vooral'liet men de getuigen de echtheid van hun naamteekening verklaren. Trouwens , van den inhoud wisten zij niets af, daar de Graaf hun alleen gezegd had, dat dit stuk zijn uitstersten wil bevatte, waaronder hij in hun tegenwoordigheid zijn naam had geplaatst. Zulke voorzorgen had Marenliolz en de partij der gravin noodig geacht, om de Stenden niet wakker te maken, en liet Regentschap te vestigen, gelijktijdig met de bekendmaking van het testament, zoodat alle verzet en alle protest te laat zou komen. Dat het echter niet zou uitblijven, was gemakkelijk te voorzien.

De grafelijke weduwe trad als voogdesse op. De beide hertogen onttrokken zich de een na den ander aan de taak, die het testament hun had toevertrouwd. De Prins van Oranje, Willem II, was de eenige der vreemde vorsten, die de rechten, hem verleend, niet ongebruikt liet. De verloving van zijne jonge zuster met den minderjarigen graaf vergunde hem niet, er zich aan te onttrekken. De kolonel Ehrentreuter, de gunsteling van den overleden Ulrich, werd zijn vertegenwoordiger in

108

ocr page 119

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

de regeering. Nog meer invloed dan de volmacht van Willem II dezen schonk, verkreeg hij door de gunst, waarin Marenholz nu als eerste minister en geheimraad bij de voogdesse stond. De beide zwagers waren de hoofden van het nieuw bestuur, dat van het eerste oogenblik van zijn optreden af algemeen gehaat was en het dagelijks meer werd. Voor ieder hunner golden verschillende redenen. Ehrenlreuter kon men noch bekwaamheid noch dapperheid ontzeggen, maar hij was gehaat, omdat hij indertijd tot de partij des graven was overgeloopen, en nu uil zwakheid of baatzuchtige berekening dingen toeliet, die hij zelf niet kon goedkeuren. Baatzucht is het eenige verwijt, dal de lijd-genoolen legen hem inbrengen, en die hem de heerschappij van Marenholz en Elizabeth von Ungnad deed verdragen. Sterker dan te voren, bukte Juliana van Hessen voor den invloed van haar onwaardige vriendin, die haar volkomen regeerde en even willekeurig over haar beschikte, als over hel welzijn des lands. Elizabeth von Unarnad hield het roer der zaken in haar

O

handen, bemoeide zich met alles, en liet de gravin doen en laten wat zij — Elizabeth — goedvond. Om de afhankelijkheid dei-vorstin te bestendigen, wist Marenholz en zijn aanhang zorgvuldig alle mannen te verwijderen, die invloed op haar konden oefenen of voor hen gevaarlijk worden. Wie zich aan deze camarilla niet onderwierp of weigerde zijn bekwaamheid tot ondersteuning van haar invloed te doen dienen, kon er zeker van zijn, dal haar wraak hem treffen zou. De gravin had in de laatste maanden van Ulrich's leven van hem het slot te Santhorst ten geschenke gekregen. Onder voorwendsel, dal zij daar vrijer was, minder belemmerd en bespied in hare handelingen, wisten Marenholz en zijn vrouw haar te bewegen, om de residentie Aurich te verlaten, en zich te Santhorst te vestigen. Hier leefde zij waarlijk vrij, geheel onder de leiding van hare vrienden Marenholz, die al het mogelijke deden om haar den last des besluurs van de schouders te nemen. Juliana was altijd de lichtzinnige vrouw geweest, die alles opofferde aan haar zucht tol

109

ocr page 120

EKN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

vermaak. Hier, te Santhorst, kon zij haar neiging naar hartelust bot vieren. Elizabeth en Marenholz waren onuitputtelijk in het uitdenken van vermaken. Door allerlei verstrooiingen leidde men haar af van hetgeen eigenlijk haar plicht was. De teugels van het bestuur gleden uit haar handen in die harer vrienden, die alles beslisten, zooals zij het verkozen. Juliana genoot in de ruste van Santhorst, vrij van lastige bespieders, het leven met ruime teugen. Slechts den omgang genietende van de vrienden van Marenholz, werden de banden steeds enger, die haar hielden omkneld. Juliana was een vrouw van een 42 jaar, die in haar jeugd zich iti den roem van schoonheid had mogen verheugen. Marenholz was een schoon gebouwd man, een hoveling, die verstand genoeg had orn door intrigues zich omhoog te werken, en voor weinig terugschrikte, waar 't gold zich staande te houden. Een huwelijk met Elizabeth von üngnad had hij niet beneden zich geacht: was het wonder, dat de lichtzinnige, de genotzieke Juliana, die dag en nacht onder den invloed, ja onder het oog van deze twee personen stond, eindelijk voor goed in de armen zonk van den man, die de vroegere geliefde van den hertog van Oldenburg, nu zijne eigene vrouw, vergunde nog altijd correspondentie met haar ouden minnaar te houden?

Bij zulke tooneelen had men niet veel getuigen noodig en sommige getuigen waren inzonderheid hinderlijk. De jongere zonen 64 van Juliana en Ulrich waren reeds op dien leeftijd, dat zij goed en kwaad konden onderscheiden. Zij werden daarom verwijderd. Onder toezicht van vertrouwde personen, die hunne betrekkingen slechts aan de leden der camarilla hadden te danken, en dus onvermijdelijk in haar val zouden medegesleept worden, vertrokken zij naar het Athenaeum te Breda, in het laatst van 1650 kwamen zij terug, maar waren nog minder welkom dan vroeger. Tol voltooiing van hun opvoeding wei-den zij naar Frankrijk gezonden.

Gemakkelijker was het, naar het scheen, den oudsten zoon,

110

ocr page 121

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

Enno Ludwig, buiten het land te houden. Na zijn verloving met Henriette Catharina van Oranje was hij slechts eens, in 1646, te Aurich geweest. De redenen, waarom hij naar Holland was gezonden, de wenschelijkheid, dat hij daar zijn opvoeding ontving als 't ware in de omgeving van zijn jonge bruid, konden nog altijd gelden. Waarheid was het, dat Enno Ludwig, die bij den dood zijns vaders zestien jaar was, zich toen machtig weinig om zijn land of om zijn bruid bekommerde, liet kind, waaraan hij verloofd was, trok hem niets aan. Hij hield zich met de 12-jarige nooit bezig. Trouwens, hij was na lö-iü niet geregeld in Den Haag. Wij vinden ten minste, dat hij ook nog Engeland in deze jaren heeft bezocht. Mokkende tegen den band, waarmede men hem zoo vroeg en buiten zijn weten aan een meisje had verbonden, dat met zijn ruwen smaak al zeer weinig overeenkwam en in kinderlijke ondeugd en speelschheid zeker hem wel eens met zijn logheid en traagheid heeft geplaagd, zocht hij al zeer vroeg troost in de armen van grovere erj oudere schoonen. üp nog jeugdigen leeftijd offerde Enno Ludwig zijn beste krachten op het altaar van Venus, en ondermijnde zijn gestel op zoodanige wijze, dat men reeds vroeg begon in te zien, dat een lang leven op dergelijke uitspattingen niet volgen kon. Weinig moeite moest het dus Marenholz kosten, die over de autoriteit der moeder-voogdes beschikte, om den minderjarigen Enno Ludwig voor geruimen tijd te verwijderen, zonder dat deze er zich tegen kantte. In 1 G4lt;S vertrok hij naar Frankrijk, om van daar Zwitsenland, Italië en Oostenrijk te bezoeken.

Het is op deze reis, dat een zoon van Constantijn Huygens den jongen graaf, dien hij uit Den Haag kende, te Orleans aantrof, van waar hij een tijd lang in zijn gevolg met hem reisde. Het onvolledige reisverhaal bevat weinig details, die iets beteekenen. Slechts een enkele aanteekening heeft waarde, omdat zij ons de verhouding van Enno Ludwig tot Wangenheim, den opvolger van Marenholz in 1646, doel. kennen. „Quamen

114

ocr page 122

KEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

des avonts te Ghamberyquot;, — schrijft de jonge lluygens — „onderwegen gourmandeerde en sloegli Wangenheim den Graef, en die wilde weder sijn pistolen leghen hem trecken; en dit all omdat hij wat voor uijt gegalopeert liadde.quot;

Van Ghambery werd de reis voortgezet naar Genève, van waar Enno Lndwig naar Italië en Weenen vertrok. Ruim drie jaar bracht hij met deze reizen door. Zijn logheid deed liem traag voortkomen, waartegen Marenholz en de zijnen geen het minste bezwaar hadden. Hoe langzamer en hoe langer hij reisde, des te minder kans bestond er op zijn spoedige terugkomst, en inmiddels bleel' het Santhortsche leventje rustig voortgaan. Toen in 1651 Enno Lndwig een tijd lang te Weenen had vertoefd, en hij dus de grens had bereikt van het toen bereisbaar Europa — men kon den jongen graaf toch niet voegzaam naar Rusland zenden! — wendde Marenholz alle moeite aan, om hem naar Parijs te doen wederkeeren. De opvoeding, die hij in de Fransche hoofdstad kon genieten, was nergens elders te vinden!

Maar Enno Lndwig, hoe log van lichaam en hoe traag ook in zijne bewegingen, had op reis wel iets geleerd, en zijn vaderland niet geheel uit het oog verloren. Vooral gedurende zijn verblijf te Weenen werd hij zorgvuldig op de hoogte gehouden van wat er te Aurich en te Santhorst geschiedde. En veel moeite kostte het hem niet, want, hoe groot de aanhang der gravin en van Marenholz ook was, het getal hunner vijanden was nog grooter. En even onvermoeid en vindingrijk als de eersten in de middelen om zich staande te houden, waren de laatsten om hen te doen vallen.

De vele tegenstanders van het huis van Girkzena hadden door den dood van graaf Ulrich een nieuwe gelegenheid verkregen , om het grafelijke gezag in de nietsbeduidendheid , waartoe zij het veroordeeld hadden, te laten. De stad Einden en de Stenden wilden niets van de voogdij der gravinne weten. Zij betwistten den gestorvene het recht tot het maken der schik-

112

ocr page 123

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

kingen, die de voogdijschap betroffen, en iedere regeeringsdaad, die door of op naam der voogdesse werd genomen, verklaarden zij onwettig. Tevergeefs wees de grafelijke partij er op, dat liet testament eigenlijk geheel onverschillig was, omdat toch de moeder de natuurlijke en aangewezen voogdes van den minderjarigen graaf was. Geen antecedenten, ten bewijze aangevoerd , geen nadrukkelijke betoogen van de Staten-Generaal waren bij machte den onwil te breken. Einden, dat, als altijd, in het verzet voorging, toonde spoedig, dat geen rechtsbeginsel, maar bloot eigenbelang hier de drijfveer was. Toen het vertrek der Hessen eindelijk was vastgesteld, weigerde de rijke koopstad haar aandeel in de verplegingskosten te betalen. Terwijl zij op die wijze zich onttrok aan de gemeene lasten, vorderde zij toelating in de Ridderschap des lands, op grond dat Emden eigenaar was van eenige heerlijkheden, vroeger in dat college vertegenwoordigd. De bedoeling was duidelijk: toegelaten in de Ridderschap, zou de machtige stad, die nu reeds nagenoeg zelfstandig tegenover het geheele land stond, haar invloed nog drukkender in de Stenden doen gelden.

Wanneer in deze jaren een krachtig en geacht hoofd de grafelijke partij had geleid, het ware wellicht mogelijk geweest, a au de voorbeeldelooze verwarring en anarchie ten gunste van het grafelijk gezag een einde te maken. Want de stoute taal van hen, die de wettigheid van de voogdij ontkenden, deed de Staten-Generaal, onder invloed van Willem II, het besluit nemen, om als executeurs van het testament aan de voogdes de sterke hand te bieden (17 Maart 1()50). Toen in Augustus daaraanvolgende de Hessen gereed stonden te vertrekken, besloten zij de vestingen aan de Oost-Friesche grenzen met hunne troepen te bezetten. In de plaats van de Staten te steunen, vereenigde zich de gravin met de haar vijandige Stenden, om deze bezetting te weren. Dank zij dit gemeenschappelijk verzet, den tegenstand der provincie Holland en den loop der gebeurtenissen in de Republiek, bleven de Nederlandsche troepen beperkt tot 11 8

113

ocr page 124

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

de plaatsen, die zij reeds vroeger ingenomen hadden, en ging voor de gravin van Oost-Friesland de laatste kans verloren, om door het doen eindigen der rampzalige verdeeldheid haar bestuur te bevestigen, en de persoonlijke grieven en haar omgeving door den grooten dienst, den lande bewezen, te doen vergeten.

Want de tegenstanders, aan wie zij zich ditmaal had aangesloten , werden door haar toegefelijkheid niet gewonnen of verzoend. De zwakheid der grafelijke partij, die door het uitblijven der Staatsolie troepen vermeerderde, verminderde de moeielijkheden om het voogd ij bestuur te doen vallen. Zonder achting of gezag in den lande, regeerden Marenholz en de gravin, terwijl steeds het getal van openbare en geheime vijanden toenam. Ook de leden van den grafelijken raad en de voornaamste rechterlijke ambtenaren werden steeds onwilliger een bestuur te steunen, dat geen de minste achting genoot of verdiende, en niet bij machte bleek, om aan de algemeene anarchie een einde te maken.

Den 0den November 1G50 stierf onverwachts Willem II. Zijn dood was een beslissend feit voor de Nedeiiandsche Republiek, maar oefende ook directen invloed op het lot van het Oost-Friesche bewind uit. Onmiddellijk trad Ehrentreuter, die als zijn gevolmachtigde deel aan het bestuur had genomen, terug. Marenholz en zijn vrouw heerschten voortaan onbepaald, zonder zich om eenige tegenspraak, zelfs niet de zwakke van hun zwager, meer te bekreunen. Maar van den anderen kant vermeerderde Willem's dood de bezwaren der voogdij. De krachtige steun , dien zij tot dusver in den Prins van Oranje hadden bezeten, viel weg, en de invloed van Holland, domineerende in de bin-nenlandsche staatkunde der Republiek, deed zich ook in haar verhouding tot Oost-Friesland gelden. De tegenstanders van het grafelijk huis, dat een der leden van het Oranjegeslacht eerlang in zich zou opnemen, mochten voortaan op de hulp van Holland rekenen.

Het was slechts weinige weken na den dood van Willem II, dat een uitspraak van Hunne Hoogmogenden over de Oost-Friesche ge-

iU

ocr page 125

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

schillen die veranderde staatkunde aan het lirht bracht. Ofschoon het gezag der voogdesse hierin werd gehandhaafd, achtten de Stenden in menig opzicht dat stuk billijker en onpartijdiger, dan menige verklaring der laatste jaren. Eéne belofte vooral trok zeer de aandacht. De Stalen-Generaal beloofden, dat zij in serieuse termen aan de Douairière van Oost-Priesland zouden schrijven en ten sterkste bij haar op den terugkeer van Enno Ludwig aandringen. Toen in het volgende voorjaar (1654) de zoogenaamde Sint-Petervloed op nieuw het arme land had geteisterd, richtten lleeren Staten zelve een nadrukkelijk schrijven aan den jongen vorst, die zich sedert een jaar te Weenen bevond. Zij stelden hem den jammerlijken toestand van zijn vaderland voor oogen, dat door den dertigjarigen krijg zijn welvaart, door herhaalde overstroomingen de vruchtbaarheid en veiligheid van zijn grond1 en door ouderlingen twist alle autoriteit ondermijnd zag.

De jonge Enno Ludwig, achttien jaar oud, had tot dusver alle officieele aansporingen om terug (e keeren, met kalmte, naar het scheen , ontvangen en er niet aan voldaan. Zijn tijd had hij te Weenen goed gebruikt. Dadelijk na zijn aankomst had hij van den keizer de beleening met Oost-Friesland gevraagd en ze spoedig verkregen. De indruk over 't geheel, dien hij te Weenen maakte, was gunstig. Keizer Ferdinand lil benoemde hem tol keizerlijk kamerheer en Rijkshofraad; benoemingen, wier waarde voor een groot deel in de schoone titels gelegen was, doch voor het andere deel reëele rechten schonken. Voor Enno Ludwig bleek zijn rljkshofraadschap later van groot gewicht te zijn. Doch de jonge vorst hield zich te Weenen met nog gewichtiger zaken dan deze bezig. Hij was volstrekt niet onbekend met hetgeen er in Oost-Friesland geschiedde, en had vrienden en wegen genoeg tot zijn beschikking, om te vernemen wat hij wilde. Een neef, Johan Friedrich Freese, de natuurlijke zoon van zijns vaders broeder en voorganger, stond in voortdurende briefwisseling met hem, en hield hem op de hoogte van wat er op het Santhorster slot voorviel.

115

ocr page 126

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

-HO

Enno Ludwig schijnt die belichten niet maar zoo dadelijk te hebben aangenomen. Waarschijnlijk kwam de schildering hem wat al te hoog gekleurd voor. Wij zien hem ten minste inden winter van 1050/51 een man naar Oost-Friesland zenden, die, naar het weinige, dat wij van hem weten, ons al zeer ongeschikt voorkomt voor de rol van een spion. De driftige, kort aangebonden heer van Wangenheim, dien wij verlieten op den weg naar Chambery, bezig zijn leerling te slaan, omdat deze wat al te hard vooruit gereden was, vertrok op last van den nu 18-jarigen Enno naar Aurich. Vermoedelijk is de keus op hem gevallen, omdat hij bij de Oost-Friezen weinig bekend was. Zulk een opstuivende driftkop was anders een vreemd soort van spion, die meer kans had zich te verraden dan om onbekend te blijven. Hoe dit zij, hij nam onder een valschen naam zijn intrek in de herberg Zur Landskrone op de markt te Aurich en wierp daar zijn vischnet uit. De vangst was vooruit te berekenen. Aurich, vroeger de residentie der graven, was door het vertrek der gravin naar Santhorst van vele voordeden, die een hof aanbrengt, verstoken' In Aurich kon ieder ontevredene onbevreesd zijn gevoelen uitspreken, omdat de ontevredenheid door de geheele stad gedeeld werd. De ambtenaren des bestuurs, de leden van den geheimen raad, van het hofgericht, staken het volstrekt niet onder stoelen of banken, dat zij het vervelend en ergerlijk vonden, steeds naar Santhorst te moeten trekken, om het welbehagen der gravin, of liever der Marenholzen te vernemen. Kortom — alles wat persoonlijke gevoeligheid en gekwetst eigenbelang kon aanvoeren tegen het bestuur, bevond zich in Aurich als het ware in deposito. Natuurlijk, dat de verhalen omtrent het ergerlijke leven op Santhorst niet tot de grenzen van het ware of waarschijnlijke zich beperkten. Wangenheim vond hier een zoo rijken voorraad van klachten , beschuldigingen en grieven, dat hij maar voor het grijpen had, orn zijn jongen meester een niet al te kleine collectie als vruchten van zijne reis aan te bieden.

ocr page 127

EEN VORSTELIJK ENGAfiEMENT.

Of Wangenheitn onbekend is gebleven of niet — dat heeft de historie niet opgeteekend. Zeker is het, dat Enno's belangstelling door de vijanden van Marenholz volledig beantwoord werd. Het onhoudbare van den toestand, die voor een explosie deed vreezen, richtte als vanzelf de oogen naar Weenen, naaiden jongen Graaf. Zou hij wederkomen en een eind maken aan dit wanbestuur? Of zou Marenholz hem waarlijk belezen, gelijk hij beproefde, om maar weer naar Parijs te gaan'en zijn opvoeding daar te voltooien? Van alle kanten werd Enno Ludwig getrokken: elke partij poogde hem een besluit te doen nemen, dat met haar oogmerken overeenkwam. In zijn eigen gevolg waren persoonlijke vijanden van Marenholz. Toen deze nog holmeester was, had Enno een praeceptor gehad, Moriz Bonner geheeten. Hij behoorde nog altijd tot de omgeving van Enno en had door zijn jarenlang verblijf en omgang eenigen invloed op zijn leerling verkregen. Bonner haatte Marenholz om de trotsche en harde bejegening, die hij van den hooghartigen edelman had moeten verduren. Thans, nu het uitzicht op wraak zich opende, bleef hij niet achterwege, om zijn jongen meester den terugkeer naar Oost-Friesland aan te bevelen.

De eigenlijke beslissende stoot echter schijnt van een bloedverwante te zijn uitgegaan. De weduwe van den landgraaf van llessen-Butzbach was een zuster van Ulrich, Enno's vader. Deze vrouw, Christina Sophie geheeten, had persoonlijke grieven tegen de gravin van Oost-Friesland, haar schoonzuster. Juliane had indertijd een tweede huwelijk, dat Christina zeer wenschte, tegengewerkt en tegengehouden. Christina Sophie had het niet vergeten noch vergeven. En zoo zij al tot vergeten en vergeven geneigd mocht zijn, er waren aan haar eigen hof mannen, die de oude wonde zorgvuldig openhielden. Hier, aan het Ilessi-sche hof, leefden een paar oude kennissen van Marenholz. Het was Ovenberg, wien hij voor jaren als hofmeester van Enno Ludwig in den Haag het voetje gelicht had. Ovenberg was niet ongelukkig in zijn carrière geweest: hij was nu Hessisch Ober-

117

ocr page 128

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

ambtmann cn Raad. Maar hij was liet gebeurde niet vergeten. De tweede was Philip Dudde, vroeger in dienst van Graaf ül-rich, maar door invloed van Elizabeth von Unimad onlslairen.

ö O

Deze twee mannen onderhielden het vuur van den wrok bij Christina Sophie, die eindelijk er toe overging om Dudde naar Weenen tot Enno Ludwig te zenden, met vriendelijke uitnoodiging, dat hij zijn reis naar Oost-Friesland zoo spoedig mogelijk zou aanvangen en haar, zijn geliefde tante, onderweg te Butzbach opzoeken.

Na alles, wat Enno vernomen had en nu nog van Dudde er bij hoorde, begreep hij eindelijk, dat de lijd om op te treden voor hem gekomen was. Aan het verzoek van Christina Sophie voldeed hij gereedelijk. Aan haar hof werd alles beklonken, en de gedragslijn, die hij volgen moest, vastgesteld. Toen hij van Butzbach vertrok, gingen zoowel zijn tante als de vrienden Oven-berg en Dudde met hem mede. Hij kon hen noodig hebben, en zij hadden tevens de gelegenheid om op de goede uitvoering van het beraamde plan toe te zien.

Geen het minste gevaar vermoedende, brachten .Marenholz en de beide vrouwen hun leven te Santhorst door, toen op eenmaal, te midden der kleine hofhouding, als een bom de tijding neerviel, dat de jonge graaf was teruggekeerd. Den 10',en Mei 1G5I kwam hij op het slot zijner moeder; den elfden deed hij, onder het rollen van den donder en het lichten van den bliksem, zijn intocht in Aurich. liet paard van Marenholz, die hem vergezelde, sprong, dooi- het onweer verschrikt, ter zijde en naderde bijna rakelings dat van den graaf. „Wees voorzichtig: mijn paard slaat u,quot; riep Enno den geheimraad toe. Later, na Marenholz' val, meende de volksmenigte in deze woorden een bedreiging en zinspeling op het hem wachtende lol te moeten vinden.

Toen de eerste verrassing over de onverwachte tehuiskomst geweken was, zagen de gravin noch Marenholz iets veronruslends in de zaak. Enno Ludwig was nog geen 19 jaar; de voogdij

118

ocr page 129

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

zou dus voortduren. Eenige kleine schikkingen waren noodzakelijk , nu de jonge graaf zeü' in het land was; maar in de hool'd-zaak kon alles blijven zoo als liet was. Om die enkele schikkingen te bespreken, hield de gravin met Marenholz en de andere raden den volgenden middag een raadsvergadering op het Sant-horster slot.

Doch terwijl zij aldaar in volle gerustheid hunne beraadsla-ninuen voerden, werd in een der nevenvertrekken de ontknoo-

Ö O

ping van het drama voorbereid. Enno Ludwig had eenige leden van het hofgericht en den drost van Einden ontboden. Toen zij bijeen waren, trad iiij in hun midden, verklaarde het bestuur des lands te aanvaarden en gelastte den drost om op staan-den voet den geheimraad Marenholz in hechtenis te nemen. Toen de drost met dien last in de zaal der gravinne verscheen en mededeeling deed, verwekte hij algemeene ontsteltenis. Marenholz stond als versteend, Elizabeth von Ungnad jammerde en beiden beriepen zich op de gravin, die als voogdesse alleen te bevelen had. Juliana verklaarde, dat de inhechtenisneming geheel onwettig was, als niet door haar bevolen, en protesteerde nadrukkelijk. Maar het baatte haar niet. liet koele antwoord klonk haar als een donderslag in de ooren, dat Enno Ludwig door zijn benoeming tot rijkshofraad vanzelf meerderjarig was en dus het recht had de regeering te aanvaarden. Dit hadden zij niet bedacht of niet geweten. Geen tegenstand kon meer helpen. De gevangene werd weggevoerd.

Onmiddellijk na de gevangenneming van Marenholz trof de jonge graaf ook de hoofdschuldige der camarilla, Elizabeth von Ungnad. Hij verbande haai' van het hof en verwees haar naar haar goederen. Zij vertrok, maar ook daar zich niet veilig achtende, vluchtte zij uit het land en vestigde zich te Groningen, waar zij al den invloed, dien zij had, aanwendde om de tussclien-komst van derden ten gunste van den man, wiens booze engel zij geweest was, in te roepen. De Staten van Groningen schreven een brief van voorspraak aan Enno Ludwig. Ook haar

119

ocr page 130

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

invloedrijke broeder, David von Ungnad, graaf van Weissenwolf, die vroeger edelman bij den Prins van Oranje was geweest, maar mi geheimraad en Hofkammerpresident te Weenen, wendde zich tot iiem, om genade voor recht te vragen. Maar de jonge man, die dagelijks onder den invloed van een omgeving was, voor 't meerendeel uit persoonlijke vijanden van Marenholz en van zijn moeder bestaande, bleef onverzettelijk.

Met gelieele terzijdestelling van de gewone rechtsvormen en de bestaande rechtbanken, benoemde hij een buitengewone commissie, om den gevangene te hooren en te vonnissen. Zij bestond uit drie leden: Ovenberg, Bonner en een onbekende. Enno Ludwig zelf presideerde. Tal van getuigen werden gehoord , wier meest ongunstige verklaringen tol een rij van bezwaarpunten aanleiding gaven. Marenholz werd beschuldigd, door allerlei intrigues eerst het testament van Ulrich en daarna het zich onttrekken der beide hertogen aan de curateele bewerkt te hebben, om met de gravin en Ehrentreuter alleen te regeeren. Hij had opzettelijk Enno Ludwig verwijderd en gepoogd, dooi* het voorstel, dal hij naar Parijs zou gaan, hem nog langer builen hel land te houden. Hij had Graaf Ulrich door gedichten en pamfletten gehaat en verachtelijk gemaakt, om zijn gezag te ondermijnen. Tusschen Ulrich en Juliana had hij verdeeldheid gezaaid; en het, voor de laatste gunstige, testament des eersten alleen bewerkt, om er zelf de voordeelen van te plukken. Hij had geheime correspondentie van zijn vrouw met den graaf van Oldenburg toegelaten, tol nadeel des lands. Hij had aanzienlijke geldsommen deels verduisterd, deels aan de gravin onttroggeld.

Op al deze beschuldigingen antwoordde Marenholz met ge-heele of gedeeltelijke ontkenning. De meeste, ook die waar waren, konden niet bewezen worden. Maar op geen van deze punten kwam het eigenlijk aan. De hoofdbeschuldiging was, dat hij jarenlang in ongeoorloofde gemeenschap met de gravin had geleefd. Met alle geweld wilde men hem doen bekennen,

120

ocr page 131

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

dat hij of zijn vrouw de vorstin door een minnedrank of door hekserij had verleid, om zich aan hem over te geven. Maar noch het eerste noch het laatste gaf hij toe. Ja, hij was wel eens 's avonds laat bij Juliana geweest, maar dan las hij haar uit den Bijbel voor! Slechts toen liij met de pijnbank werd bedreigd en de scherprechter zijn werktuigen gereed maakte en hem het gebruik vriendelijk had uitgelegd, kwam hij tot gedeeltelijke bekentenis. Ja, nu ja... er was wel een weinig intimiteit geweest, doch zij was van zelve, geheel natuurlijk, ontstaan. Graaf Ulrich hield niet van hem, en was ook van zijn eigen vrouw afkeerig; zij hadden medelijden met elkaar gehad, en treurende om de toegenegenheid des graven, waarop zij zoozeer gesteld waren, hadden zij elkander pogen te troosten en hun lijden samen te dragen! Toen eenmaal zulke eerste woorden waren gezegd, volgden spoedig breeder bekentenissen. Vooral, nadat Enno Ludwig, om hem te bemoedigen en tot spreken te brengen, hem genade had toegezegd, zoo hij eerlijk schuld beleed. Marenholz ging toen verder en deelde bijzonderheden en anecdoten over zijn omgang met de gravin mede, die niet alleen zijn schuld boven allen twijfel verhieven, maar, bij de aanwezigheid van genoegzame getuigen ter bevestiging, den liederlijken aard van zijne relatiën tot Juliana bewezen.

Toen den 3üsten Juni het onderzoek was afgeloopen, wilde men hem een advokaat geven, maar Marenholz, rekenende op het grafelijk woord, verklaarde van alle verdediging af te zien en zich geheel aan de genade van Enno Ludwig over le geven. Wat die genade beteekende, zou hij spoedig ontdekken. Den l^den juii werd hem zijn vonnis voorgelezen. Wegens schending zijner eeden en plichten jegens het grafelijke huis, wegens allerlei boosaardige en ontrouwe handelingen, wegens gevaarlijke, schadelijke en nadeelige inachinatiën werd Johan Marenholz, anderen ten voorbeeld, zichzelven tot straf, veroordeeld tot de straffe des doods door het zwaard, nadat vooraf hem

121

ocr page 132

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

de rechterhand zou zijn afgehouwen. „Doch op zijn smeekbede — zoo sluit het vonnis — en ter wille van de tusschenkomst en voorspraak van anderen hebben wij uit genade deze straf zooverre verzacht, dat hij van het afhouwen der hand zal verschoond blijven, en de doodstraf niet op de gewone openbare plaats, maar op ons slot zal ondergaan.quot;

Zulk een vonnis had de ongelukkige niet verwacht. Hij had er niet aan gedacht, dat zijn leven gevaar liep. Nadrukkelijk heriep hij zich op de grafelijke belofte van genade. Maar Enno Ludwig liet hem antwoorden, dat hij daaronder nooit volle vergiffenis , maar slechts verzachting der straf had verstaan: en die ontving hij immers!

Toch was zelfs die verzachting, dat hij niet openlijk zou terechtgesteld worden, hem niet om zijnentwil geschonken, liet waren de Üost-Friesche raden, die er hardnekkig op hadden aangedrongen, ter wille van het grafelijk huis zelf, dat de minnaar van Juliana niet openlijk zou onthalsd worden. Want de bijl van den beul zou daar niet den verleider alleen, maar ook de verleide, de medeschuldige, de eigen moeder des graven treffen. Hoe weinig hij in deze geheele zaak ook haar had verschoond , met hoeveel onkieschheid hij , op aanstoken der Hessi-sche landgravin, de bijzonderheden van haar geheimen omgang met Marenholz had nagespeurd, Enno Ludwig gevoelde het gevaar , dat er in gelegen was, en stond deze — genade aan zijn ouden hofmeester toe!

Nog ééne kans werd aan Marenholz geboden, om aan de bijl te ontsnappen. Men vroeg hem, of hij niet aan het drinken van vergif de voorkeur gaf. Ook tot dezen voorslag dreef de zucht om de zaak met de minste vertooning te eindigen. Een oogenblik dacht hij er over na, maar hij vreesde meer te zullen lijden en dankte voor het vriendelijk aanbod. Trouwens, het was gelukkig, dat hij weigerde; want een medicus en een geestelijke, wier advies men inwon, hadden bezwaren. De eerste uit hel oogpunt der doeltreffendheid, de laatste uit dat der con-

m

ocr page 133

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

scientie. Nu moest men wel lot onthoofding komen, want van genade schenken, in den waren zin des woords, was geen sprake. In den nacht van den 21sten Juli werd hij naar de burcht te Wittmund gevoerd en weinige uren later viel zijn hoofd op't blok.

De geheele rechtspleging, die hier gevolgd was, was een buitengewone en willekeurige. Zij, die in later tijden de acten der procedure hebben gezien, verklaren dat Marenholz' terechtstelling niets dan een gerechtelijke moord was. Misdaden, voor den rechter met den dood strafbaar, had hij niet begaan. Toch zijn, naar het oordeel der nakomelingschap, er talloos velen door de handen der justitie gevallen, die minder schuldig waren dan hij.

Met den val van Marenholz was de partij der gravin Juliana uiteengeslagen. Zij zelve smachtte om het tooneel van haar schande en haar nederlaag te verlaten, üm daarin geen belemmering te ondervinden, had zij zich, nog voor de terechtstelling van 21 Juli, tol een vergelijk bereid verklaard, dateenigefinan-tieele punten regelde, en de moeder- en kinderliefde op het papier herstelde. Maar de zoon, die als het werktuig van haar vijanden zich had laten gebruiken, om haar oneer aan 't licht te brengen, was haar te onverschillig, zoo niet gehaat geworden, dan dat zij in zijn nabijheid leven kon. Zij verliet Oost-Friesland en bleef hardnekkig weigeren, hoe veel moeite hij ook later deed om haar tot terugkeeren te bewegen. De bijl, die Marenholz trof, scheidde hen. Te Westerhof leefde zij nog eenige jaren in stille en stierf daar den 25S,CI1 Januari 1059.

Minder stil, meer rumoerig gedroeg zich de geslagene Elizabeth von Ungnad. Zij klaagde graaf Enno Ludwig van rechtsverkrachting bij den Duitschen keizer aan en wist te bewerken, dat hij lot verantwoording geroepen en de overlegging der stukken van hem geëischt werd. Doch: ,,avec le ciel ily a desaccom-modementsquot;! hoe veel te meer met eene courtisane als deze. Enno Ludwig had, na haar vlucht, haar goederen in beslag genomen. Tegen teruggave van deze en die van Marenholz aan de wettige

123

ocr page 134

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

erven, de vergunning voor Elizabeth om in het graafschap weer te koeren en liet lijk van haar echtgenoot plechtig onder klokkengelui te Hage in de kerk bij te zetten, nam haar broeder, de graaf van Weissenwolf, op zich, de procedure, door den Rijkshofraad tegen graaf Enno aangevangen, te doen eindigen. En zoo geschiedde het. De douairière van Marenholz vestigde zich te Bremen, waar zij zeer teruggetrokken leefde en na 1659 opnieuw aanzienlijke geldsommen van het Olden-burgsche huis ontving. In 1066 eindigde haar afzondering, en trad zij weer te voorschijn, zij het ook op kleiner tooneel. Graaf Anton von Al/enburg, haar zoon, was weduwnaar geworden, en noodigde haar uit, om de opvoeding van zijn vijf kinderen op zich te nemen. Aan geschikter handen kon hij moeilijk die taak toevertrouwen! Hier leefde zij en stierf zij in een geze-genden ouderdom. Requiescat in pace!

De ongewone wijze, waarop de jonge graaf zijn bestuur had aanvaard, en de strengheid tegen zijn moeder had in de naburige landen algemeen opzien gewekt. Maar nergens trok zij meer de aandacht dan in de Nederlandsche Republiek en aan het hof der Douairière van Oranje. Met nieuwsgierigheid zag men in Den Haag de komst van den jongen tiran, gelijk men hem noemde, te gemoet.

Gedurende vele maanden had Enno Ludwig den tijd niet, om aan zijn meer private belangen te denken. De moeielijk-heden, waarin ook hij al spoedig met de stad Emden gewikkeld werd, deden hem eindelijk in 't najaar van lOo'l een bezoek aan Den Haag brengen. Het hoofddoel was om de hulp dei-Sta ten-Generaal in te roepen: maar en passant sprak hij ook een woordje met de Princesse-Douairière over zijn huwelijk. Amalia van Solms scheepte hem af, onder voorwendsel dat haar dochter, nauwelijks 15 jaar, nog veel te jong was, om aan een huwelijk te denken. Enno Ludwig kon tegen het bezwaar niets inbrengen, ook als hij gewild had; maar de zaak

124

ocr page 135

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

ging hem niel sterk ter harte. Het was meer gevoel van voegzaamheid of misschien ook politieke berekening dan wel genegenheid voor de jonge Catharina, die hem de vervulling der huwelijksbelofte had doen vragen. Hij bekreunde zich niet om zijne jonge bruid, en nam volgaarne het uitstel aan, dat hem nog eenige jaren vrijheid beloofde. En van die vrijheid maakte hij dan ook ruimschoots gebruik, maar niet op een wijze, die geschikt was om hem de liefde der dochter van Frederik Hendrik te verwerven.

Toen hij twee jaar later wederkwam, was de verhouding veranderd. Henriëtte was een meisje van 17 jaar, dat zich, als al de dochters van Frederik Hendrik, onderscheidde door haar geest en verstand. Enno Ludvvig, log en lomp van lichaam, maakte een zonderlinge figuur in de hoofsche kringen, die zoowel door den invloed der Franschen als door de komst van de aanzienlijke Engelsche vluchtelingen beschaafde vormen en galanterie jegens dames als hoofdvereischten van een aanzienlijk man hadden aangenomen. Thans, op grond van een oud contract een huwelijk te vragen, zonder op behoorlijke wijze zijn hof aan de schoone te maken, gaf niet veel kans op slagen. De Oost-Friesche graaf, al had hij verscheidene jaren in Den Haag doorgebracht, was een ruw en lomp man gebleven. „Hij was meer Oost-Friesch dan Haagsch,quot; zegt Aitzema. „Hij deed geen de minste moeite om Henriëtte Catharina te winnen. Als hij aan het hof kwam, sprak hij nauwelijks een woord met haar, en liet haar zitten.quot;

Doch ook al ware hij een volmaakt cavalier geweest, het is zeer te betwijfelen, of hij ooit haar hand had gekregen. De terechtstelling van Marenholz, de onwaardige wijze, waarop hij de eer zijner moeder op de straat had geworpen, had hem een reputatie bezorgd, die hem in de Republiek zeer impopulair maakte. Nauwkeurig was het gebeurde te Aurich hier te lande niet bekend, maar wat bekend was en geloofd werd, pleitte tegen den jongen Graaf.

Toen Marenholz was gevangen genomen, was Ehrentreuter, ofschoon na Willem's dood buiten de zaken, naar Den Haag ge-

125

ocr page 136

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

vlucht. Wal hij daar verteld heelt en verzwegen, is beide na te gaan. Verzwegen heeft hij natuurlijk, dat de gravin de bijzit van zijn zwager was. Veel daarentegen heeft hij te haren gunste verteld. Dit blijkt uit twee brieven, den 3üsten en Juni door Amalia van Solms en Constantijn Huygens gericht aan Enno Ludwig. Beide zwijgen van Marenholz: maar beide roemen Juliana van Hessen, vooral om haar groote zorg voor de finantieele belangen van haar huis. ,,Je ne sfaurois vous enseigner un meilleur exemplequot; — schrijft de Princesse-Douairière — ,,qiie celuy de Madame vostre Mère, de laquelle je puis tesmoigner que durant votre absence eile a pri^s a coeur vos affaires aveq tant de soing et d'affection que pour autant qu'il m'est possible d'en juger de loing, si ceste administration luy fust demeu-rée encor quelqiie temps, elle estoit capable et en fort bean train de désembnrasser vostre maison des grandes charges que vous trouverez l'accabler pour une partie a présent.quot; Ook Huygens drukt inzonderheid op dit punt. De gravin, schrijft hij, „s'est chargée d'un travail persoael, pour restablir vos afïaires en sorte, que, revenu de vos beaux voyages, vous vous trou-vassiez en estat de vivre a vostre aise dans un domaine franc et dechargé de toutes diflicultez.quot;

Het is duidelijk, dat door zulk een voorstelling van zaken de partij van Marenholz haar baan had trachten schoon te vegen. Dat Amalia van Solms en Huygens er dupe van werden, is vrij natuurlijk. Hetzelfde was hun sedert jaren gezegd , en van andere zijde kregen zij geen inlichtingen. Opmerkelijk is het, dat ook de tegenstanders van het Oranjehuis niet de juiste toedracht dei-zaken schijnen gekend te hebben. Zelfs Aitzema, die anders nog al in de gelegenheid was en er van hield, om het naadje van de kous te weten, was blijkbaar in 1002 nog niet op de hoogte van wat er toch eigenlijk gebeurd was. Na de onthoofding van Marenholz vermeld te hebben, trekt hij een geheimzinnig gezicht en maakt zich van de zaak af met de nuchtere opmerking: „van de oorsaecken wiert niet loffelijk, maerdoncker gesproken.quot;

120

ocr page 137

EEN VORSTEM.Hv ENGAGEMENT.

De blieven van Amalia van Solms en Huygens drukken de denkbeelden van den hofkring uit. Staatslieden en eerzuchtige oude dames, die niet zich zelven hadden weg te geven, maar over anderen te beschikken, konden zich over het gebeurde heenzetten en een schoonzoon als Enno Ludwig nog dragelijk achten, — voor een jong meisje moest het denkbeeld, om haar levensafeluk toe te vertrouwen aan zulk een wreedaard, die zijn weldoeners vermoordde en zijne moeder mishandelde, onduldbaar zijn. De dochter van Amalia van Solms mocht zoo eerzuchtig zijn als de moeder, evenzeer ais de moeder was zij te trotsch om vrijwillig het hoofd te buigen voor zulk een ruw, lomp en gevoelloos man, als deze zoon van Juliana van Hessen.

Geen wonder, dat hij ook thans in zijn aanzoek, dat het huwelijk mocht worden voltrokken, niet slaagde. De geruchten van zijn dagelijksche amoureltes voltooiden, wat nog te voltooien was. liet 17jarig meisje schrikte terug voor een man, die physiek haar een walg en moreel een afschuw was. De lieeren Andrée en Nijvelt, die namens den graaf het verzoek hadden gedaan, ontvingen de mededeeling, dat het huwelijk nog moest uitgesteld worden, omdat de prinses nog te jong was. Ofschoon Enno Ludwig zelf er niet om gaf , gevoelde hij zich door die bejegening gekwetst. Een meisje van 17 jaar te jong om te trouwen! Hij werd boos en gelastte, dat de prinses niet meer in de kerkelijke gebeden zou herdacht worden.

Het schijnt, dat Amalia van Solms niet dan hoogst ongaarne het afbreken van het huwelijk heeft gezien. Het is anders volkomen onbegrijpelijk, hoe na deze lompe handeling van Enno de verloving een dag langer geldende is geacht. Nog anderhalf jaar bleef de zaak slepen. Niet voor November 1655 ontving Enno een bericht, dal de opzegging der belofte voorbereidde. Hij had zijn raad VViarda nog eens naar de prinses gezonden. Zij ontving hem slechts één enkele maal en gaf hem toen een generaal, maar beleefd bescheyt: „dat haer het Huwelyk aen-

127

ocr page 138

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

genaem, oock honorabel was, maer dat de genegenheid van haer Dochter niet kon worden gedwongen.quot; Hoe kwam Amalia er toe, om deze duidelijke woorden te spreken? Karei II heeft aan Ilenriötte een tijd lang het hof gemaakt. Was liet misschien in dezen tijd?

Hoe dit zij — door deze verklaring waren de schepen verbrand. Eenige weken later, in liet begin van ] 65ü, liet de douairière van Oranje door den president aan de Staten-Generaal mededeelen, „dat sij tot haer leedwezen dagelijks zag, dat de affectie en genegenheid van de toecomende conthoralen niet alleen niet was aangewassen, maer zells meer en meer afnam: ja al-soo, dat de Princesse liever geresolveert soude syn, om te sterven , als tot accomplissement van dit Huwelijck. Ende alsoo niet alleen naer rechte, maer oock volgens belofte de hooge partijen, post annos pnbertatis, moest vrij staen derselver consensus vel dissensus, soo wast dat haer lloocheyt ver-klaerde niet te konnen, noch de Princesse haer Dochter tegen haer wil ende consent te doen trouwen; oock niet billyck te syn den lieer Prins van Oost-Vrieslandt langer op ende af te houden van ander party te soucken. Dat daerom geresolveert was tegen seeckeren tydt ende dach opgemelde contract weder te dissolveren, met de selve solemniteyten als het gecolligeert was, versouckende dat haer Ho. Mog. met haer interventie over dese vrijstellinge geliefde mede present te syn, soo als sy waren tegen-woordich geweest op de sluytinge.quot;

Indien tot „de selve solemniteytenquot;, die herhaald moesten worden, ook het festijn van 1041 heeft behoord, denk ik, dat llenriëtte Catharina van Oranje met vroolijker en blijder harte het einde dan den aanvang van haar bruidschap heeft medegevierd.

Trouwens, aan meer galante en aan beminnelijker kandidaten naar haar hand dan de ruwe Oost-Friesche graaf heeft het haar niet ontbroken. In 1059 trad zij in het huwelijk met Johann George, vorst van Anhalt-Dessau.85 Voor zooveel wij weten, is zij met hem gelukkig geweest. Toen in 1693 haar echtgenoot

m

ocr page 139

EEN VORSTELIJK ENGAGEMENT.

m

9

haar ontviel, werd ook zij lot een voogdij geroepen, üp waardiger en ernstiger wijze heeft zij die taak vervuld, dan de vrouw, wie zij eenmaal gevaar had geloopen, den moedernaam te inueten schenken, liet is in haar nalatenschap, dat in het begin der '18(le eeuw het handschrift werd gevonden, hetwelk, als Mémoires de Frédéric Henri in 't licht gegeven , een der hronnen voor de geschiedenis van haar beroemden vader uitmaakt.

II

ocr page 140
ocr page 141

Ill

JOHAN DE WITT.

ocr page 142
ocr page 143

J O II AN DE WITT.

(kf.n fragment)

In 1Ü51, na den plotselingen dood van Prins Willem II, werd op de groole Ridderzaal in Den Haag een vergadering van ver-Ie genwoordigers der geünieerde provinciën gehouden. De besluiten , daar genomen, wijzigden den staatsvorm niet, maar het beginsel der provinciale souvereiniteit werd tot grondslag-der staatsorde aangenomen. Met liet stadhouderschap, dat onvervuld werd gelaten, verviel de autoriteit der Staten-Generaal. De gewestelijke staten, te zamen gekoppeld zonder dat een krachtige , centrale regeering voor aller rechten tegen allen waakte, gehoorzaamden willig of onwillig, maar als van zelve, aan de leiding des sterkeren. Door hunne onafhankelijkheid en zelfstandigheid op liet papier, werden zij metterdaad in afhankelijkheid van Holland gebracht. De natuurlijke overmacht der machtiger provincie trad in de plaats van het stadhouderlijk gezag, dat, door vijf gewesten opgedragen en in vijf gewesten geldende, door zijn oorsprong en zijn uitgestrektheid het behoud van evenwicht en gelijkheid, zooveel het mogelijk kon zijn, tusschen de deelen van het geheel moest beoogen. Den Stadhouder gingen Gelder-sche belangen aan, omdat iiij ook Stadhouder van Gelderland was. Voor de llollandsche staatslieden golden Hollandsche belangen bovenal, zoo niet uitsluitend.

ocr page 144

JOIIAN DE WITT.

En dit gezag, ileze overwegende invloed werd uitgeoefend door een statenvergadering, die uit afgevaardigden van eenige steden nevens enkele edelen bestond. Het zwaartepunt der regeering lag geheel in de stedelijke besturen, zij werden na 1651 alvermogend. In stadhouderlijke tijden koos de Stadhouder de leden der vroedschappen uit een voordracht. Thans werd aan de vroedschappen vergund, zich zelve te benoemen. De aristocratische regeering, reeds onder Frederik Hendrik bestaande, ontwikkelde zich welig en werd familieregeering. In iedere stad, groot of klein, was een klein getal van regentenfamiliön, die de betrekkingen onder zich deelden. Zij sloten contracten met elkander, waarin zij voor jaren, om twist te vermijden, de ambten verdeelden. Zorgvuldig waakten zij, dat niemand als vroedschap werd gekozen, dan wie bereidwillig tot deze schikkingen toetrad. Invloed op de samenstelling der besturen, burge-meesteren, schepenen en vroedschappen, had de burgerij niet. De oligarchie deelde alles onder zich en regeerde eigenmachtig. Wee, wie het waagde zich te verzetten! Ook, indien de stedelijke politie en justitie hem ongedeerd liet, was hij tegen vervolging en straf niet verzekerd. De stedelijke overheid had het recht tot politieke uitzetting. Wie zij wilde verbande zij, eigenmachtig en zonder verantwoordelijkheid, uit stad, gewest, ja uit de zeven Provinciën.

Van dit oligarchisch bewind, de heerschappij der regenten-aristocratie, is Johan de Witt de leider en de ziel geweest. Hij heeft haar verdedigd en gehandhaafd tegen binnen- en buiten-landsche vijanden.

Vijf oorlogen heeft de Staat tijdens zijn bestuur te voeren gehad. Op hem, den Raadpensionaris van Holland, die door de Staten van zijn gewest de anderen beheerschte, kwam soms zelfs de zorg voor de uitvoering, maar steeds de leiding aan. En als staatsman en als administrateur heeft hij zich volkomen voor zijn zware taak berekend getoond. Waar het gold de voorbereiding tot den strijd of de herstelling der geleden schaden,

ocr page 145

J0I1AN DE WITT.

lieeft zijn beleid en zijn energie den kamp mogelijk gemaakt, zelfs als overmacht de Republiek aan den rand van den ondergang bracht. Zijn veerkracht en onverzettelijkheid liet moedeloosheid zelden opkomen en nooit veld winnen. Steeds vruchtbaar in redmiddelen, wist liij ook in den meest benarden toestand anderen met zijn moed te bezielen en vertrouwen in te boezemen. Onomkoopbaar en onwrikbaar in zijti overtuiging, had hij zijn leven veil, waar het heil des lands ot' de zegepraal zijner staatkunde het scheen te vorderen. Met het klimmen dei-jaren, met de groote successen, die zijn politiek vaster schenen te vestigen, verraden kleine trekken nu en dan het gevoel van zelfvoldoening, van eenige Ijdelheid. Maar wie zal het euvel duiden? Was ooit bewustzijn van eigen kracht meer gerechtvaardigd? Was het niet volkomen natuurlijk?

Te meer, omdat aan dat gevoel van persoonlijke kracht een groot deel van zijn welslagen was te danken. Welk staatsman zou met de stroeve machine van een meer dan duizendtal regenten, die over de gewichtigste zaken rechtens moesten geraadpleegd worden, hebben tot staml gebracht wat hij deed, zoo hij niet, evenzeer als De Wïtt, eigenmachtig had ingegrepen? Toen, na den eersten oorlog met Engeland, die de krachten des lands verteerde en de heerschappij der Statenpartij bedreigde , de vrede afstuitte op de weigering der Staten-Generaal, wist hij de Staten van Holland tot het bewilligen in de Acte van Seclusie, den eisch van Cromwell, te bewegen. Bij hel uitbreken van den tweeden Engelschen krijg wist hij een lasl aan de Ruyter, door een kunstgreep, bij de Algemeene Staten geteekend te krijgen, buiten medeweten van de meeste leden, die- aanwezig waren. Een tractaat met Denemarken liet iiij dooide provinciën ratificeeren, ofschoon hun de geheime artikelen werden onthouden. De Triple Alliantie sloot hij met William Temple, zonder ruggespraak met de Staten.

Men heeft in de laatste jaren gezegd, dat zijn invloed veel geringer is geweest, dan men tot dusver heeft gemeend. Maar de

ocr page 146

JOIIAN DE WITT.

staatsman, die zulke dingen vermocht en durfde te doen, zonder gevallen te zijn, is iels meer dan dienaar geweest. Waarheid is het, dat hij nooit een absolute macht heeft bezeten; dat hij het overmoedige woord van den Franschen koning niet kon overnemen en zeggen: „de Staten ben ik.quot; Maar even zeker, dat hij jaren lang zijn inzicht en wil lot inzicht en wil der Staten heeft verheven, en, meer dan eenig Stadhouder tot dien tijd, in binnen- en buitenlandsche zaken gelijktijdig heelt geheerscht.

Naijver on jaloezie op zijn grooten, zijn overwegenden invloed heeft onder zijn eigen partij nooit ontbroken. De regentenaristocratie heeft hem gesteund en gevolgd, doch ten slotte is liet vertrouwen op zijn inzicht niet volkomen ongeschokt gebleven. De man, die de Oranjepartij en haar aanhang met zoo onverbiddelijke gestrengheid, met zoo onbuigzame hardheid ten onder hield, die ook, waar hij scheen een concessie te doen, door hel Eeuwig Edict de hoop van haar volgelingen den bodem insloeg — die man had wel het recht, even groole getrouwheid aan hem, als hij aan zijn partij beloonde, te verwachten. Maar die heeft hem ontbroken.

Men zegt, dal in 1667, toen het Stadhouderschap in Holland was vernietigd, de Dordsche pensionaris Vivien zich eens in de Witt's tegenwoordigheid vermeidde, hel leer van een boek met een pennemes aan reepjes te snijden. „Wal doel ge toch f' vroeg de raadpensionaris verwonderd. „Ik probeerquot; — was het snijdende antwoord — „wal hel perkament vermag tegen hel staal.quot; BB

Dat woord openbaart, wal in de harten omging. Mannen, die jarenlang zijne aanhangers waren geweest, die hem ter zijde hadden gestaan in de kabinetten en in de raadzaal, verlieten hem, toen de nadering van een storm gevoeld werd. Johan de Wilt had te lang geheerscht, om niet een rijken oogst van persoonlijken onwil en wrok te oogsten. Niet aller belangen waren bevredigd: onvoldane wenschen van aanhangers deden zich gelden. „Alle ambten en bedieningen werden naar het goedvinden van zijne familie verleend,quot; zoo klaagde niet alleen de wangunst

ocr page 147

JOHAN UE WITT

der teleurgestelden, maar ook hel zelfstandig inzicht vun hen, die hel juk van den meester moede waren.

De regentcnoligarchie had jarenlang hem gevolgd en was vastgeworleld. Zij gevoelde het: liaar lol behoefde niet afhankelijk van hel zijne te zijn. Ook indien hij viel, kon zij de heer-schende blijven. Mei eiken dag werd de knaap, de jongeling grooler, die den hislorischen eernaam van Prins van Oranje droeg. Met eiken dag steeg zijn beleekenis in de oogen des volks. Hinderpaal op hinderpaal, beletsel op beletsel wierp Johan de Wilt aan zijn verheffing in den weg. En niettemin werd de schaduw, die hij wierp, steeds grooler, was de stroom steeds stijgende, die hem omhoog droeg. Die jonge man zag zijn pad geëffend door de aanhankelijkheid der natie aan zijn geslacht en de ontrouw der tegenstanders aan hun hoofd. Zij verlieten zijn zijde, om in de stralen der opgaande zon zich te koesteren.

Johan de Witt alleen bleef zich zeiven getrouw. Toen de jeugdige Willem 111 in de vaderlijke waardigheden was hersteld, trad hij ter zijde. Hij legde hel ambt neer, dat hij meer dan negentien jaar met de toewijding van al zijn krachten had bekleed. In den Hoogen Raad van Holland zou hij rusten van zijn arbeid.

Maar de haat schonk hem de ruste des doods.

De moord van den 20ten Augustus 1G72 heeft het oordeel van het nageslacht gedrukt. Op het bebloed gelaat kost het moeite, de ware trekken te onderscheiden. De verachtelijkheid van den moord is het slachtoffer ten goede gekomen.

Nooit is de partij van Holland, de aanhang der Statenregee-ring, in gunstiger omstandigheden geweest, dan in het jaar 1650. De onverwachte dood van Willem II vernietigde als met een enkelen slag het werk, dat weinige maanden vroeger was verricht. De herinnering was nog te versch, dan dat hel bit-Ier gevoel van vernedering bij de overwonnenen verzwakt kon zijn: te versch, dan dal de overwinnaars van Juli niet weerwraak moesten duchten. Indien Holland van dit zeldzame oogen-

137

ocr page 148

JOUAN UE WITT.

blik, deze zeldzLime gunst der omstandiglieden partij Ijad getrokken, niemand had het euvel kunnen duiden en het nageslacht zou er Holland dankbaar voor geweest zijn.

De Republiek bestond uit zeven souvereine gewesten. Te zamen bezaten zij de zoogenaamde Generaliteitslanden, d. i. landen, die zij als veroverd land, als wingewest beschouwden. Herhaaldelijk heeft Noordbrabaut bijv. moeite gedaan, om in de Unie als lid opgenomen te worden. Dit is steeds geweigerd. Waarom ? Om godsdienstige redenen, zegt men. En liet is de waarheid, doch niet de eenige. Politiek overleg was de boofd-reden. Holland wilde niet, door de toevoeging van nieuwe leden aan de Unie, de moeielijkheid vermeerderen om het staatslichaam te beheerschen.

De souvereiniteit der andere gewesten was voor Holland een belemmering, liet is er steeds op uit geweest, om ze te vernietigen. In löV'i heeft Holland gepoogd Gelderland, Utreclit en Overijsel, die door de Fransche legers waren overheerd, in de ondergeschikte positie van Noord-Brabant, in de afliankelijklieid van wingewesten te brengen. Die wensch is toen, als steeds, afgestuit op het stadhouderlijk gezag.

In het jaar 1650, bij den dood van Willem II, deed zich een gelegenheid voor, zooals de fortuin zelden aanbiedt. Indien Holland stoutweg verklaard had, dat het zich aan de Unie onttrok, tenzij het blijvender waarborgen voor zijn invloed verkreeg, de andere gewesten zouden verplicht zijn geweest, het hoofd te buigen. De Friesche stadhouder was niet populair genoeg, en ook de geschikte persoon niet, om aan het hoofd der landprovinciën een krachtig verzet te bieden.

Men zegge niet, dat dit een revolutionaire daad zou geweest zijn, want men zou zich volkomen bedriegen. De Unie was een verbond, voor den oorlog gesloten. Sedert 1648 was er vrede: zoo deze gewesten blijvend wilden verbonden zijn, behoorde die bond geregeld te worden. Ér moest een grondwet, een bondsacte,of hoe men het noemen wil, tot stand komen. In plaats van revolu-

138

ocr page 149

JOHAN DE WITT.

lionair, zou Holland's handeling volkomen regelmatig' geweest zijn.

Dadelijk na den vrede had de herziening der Unie moeten plaats grijpen. De geringe invloed, dien Willem 11 tot weinige maanden voor zijn dood bezat, verklaart, dat van hem hel initiatief niet is uitgegaan. Maar bij langer leven ware zeker de staatsorde, onder de Unie van Utrecht bestaande, niet ongewijzigd gebleven. Door zijn dood was Holland in de gelegenheid te herstellen, wat verzuimd was, en wel in eigen geest. Elke oplossing, in welke richting ook, was beter dan het voortleven der wanorde. Waarom heelt Holland het nagelaten? Waarom heeft Holland voortdurend verklaard de souvereiniteit der provinciën te eerbiedigen, die het nooit geëerbiedigd heeft? Wiarom heeft het de gebrekkige staatsmachine verschoond, op het oogen-blik, dal het in staal was ze te verbeteren?

Hel antwoord kan geen ander zijn dan dit: omdat bij Holland het mercantiel belang boven het staatkundig ging. Het is de vloek, die op een polilieken toestand rust, welke de deelneming van staatszaken slechts aan een beperkt getal individuen schenkt, dat het persoonlijk belang boven het algemeen, gewestelijk voordeel boven nationale eischen gaan. De handel van Holland, de bron van welvaart en weelde, was het hoogste in de waardeering der llollandsche regenten. Daarom moest het zeewezen worden beschermd, opdat de handelsvloten konden verdedigd worden, als het noodig was; daarom was het landleger hun onverschillig, waarvan de veiligheid der landprovinciën afhing. Dat er bij een volk nog andere bronnen van welvaart vloeien, die veiligheid en maatschappelijke orde eischen, zagen zij niet in. Het is bijv. geen toeval, maar een noodzakelijk gevolg van het overheerschen der handelsinzichten geweest, dat de landbouw in de Nederlandsche Republiek steeds op ongehoorde wijze verwaarloosd is. Pieter de la Court, de publicist naar het hart van de Witt, prijst o. a. de boeren gelukkig, dal zij voor al hunne producten een markt hier te lande vo n-den en niet behoefden uil te voeren.

m

ocr page 150

JOllAiN JJli WITT.

Welnu — dit overwicht van mercantiele belangen heell de politieke hervormingen tegengehouden. Publiek leven, een publieke opinie deed zich slechts in enkele oogenblikken gelden. De burgerij, van alle staatszaken uitgesloten, zonder invloed op de besturen der steden, mocht hare sympathieën en wenschen hebben, zij bukte voor de regenten-aristocratie, die alle macht in handen had.

Ook Üldenbarnevelt had met de aristocratie geregeerd, maar in zijn dagen waren de regenten niet zoo aaneengesloten als thans. De wijze hunner aanstelling sloot toen de mogelijkheid niet builen, dat nieuw bloed werd opgenomen. Wat Cats reeds in zijn tijd verhaalde, dat men als Raadpensionaris machteloos was, indien men niet vele familiebetrekkingen in de stedelijke besturen had, gold in later dagen in nog sterker mate. „De Heeren, die het weten moesten,quot; zooals het volk in de 18e eeuw gewoon was te zeggen, kozen zich zeiven, vulden de vacaturen in hunne collegien aan, door zonen, vrienden en bloedverwanten er in op te nemen. Johan de Witt, de zoon van den Dordschen burgemeester, trouwde Wendela Bicker, de dochter van den Amsterdamschen burgervader, en het is hem steeds tot wijsheid gerekend. De staatsman heeft geheerscht dooi' deze oligarchie, en te haren gunste.

Üldenbarnevelt had den invloed der regenten gebezigd, om dc middelen en de krachten tot zijn beschikking te verkrijgen, die het grondgebied der Unie moesten bevrijden. Johan de Witt heeft ze gebezigd, om Holland's wil aan de andere gewesten op te leggen, zonder dat hij voor hel verlies van die zelfstandigheid hun eenige vergoeding bood. Vrijheid bezorgde Olden-barnevelt, en de ondankbare landprovinciën hebben het vergeten. Wat heeft Johan de Witt aan die landprovinciën, die hij aan Holland onderwierp, geschonken? .Niels.

De staatsgezinde partij heeft onder dit eminent hoofd de oplossing van het politiek vraagstuk der nationale, der staatseen-heid, niet beproefd. Indien het overwicht van Holland aan die gewesten iets had aangebracht, wal zij, dank zij hunne eigene

140

ocr page 151

,101 IAN HE WITT.

souvereiniteit, niet verwerven konden, misschien ware langs dezen weg in verloop van tijden de eenheid zonder schokken tot stand gekomen. Maar juist het eenige, wat zij holioefden, werd hun onthouden. Door Holland's tegenwerking was het landleger onvoldoende om ze te beschermen, en vielen zij telken male iederen vijand, die de grenzen overtrok, ten prooi.

[Iet verzuim, door Maurits na 1G18 begaan, geen verandering-in de staatsorde tot stand te brengen, is na 1G5Ü de fout van de Statenpartij. Beiden hebben zich tevreden gesteld met het feitelijk bezit van een macht, die niet op wettelijke erkenning was gebouwd. De gelegenheid, ora door een staatsverandering de bron van veel verdeeldheid en twist te dempen en een vasten grondslag te leggen voor de nationale ontwikkeling is èn in 'l(H8 èn in 1651 op onverantwoordelijke wijze verzuimd.

Maar de schuld moet zwaarder drukken op hen, die in 1650 de macht in handen hadden, dan op Maurits. Elk voorstel van den laatste lot hervorming der Unie was een revolutionaire daad. De Statenpartij in 1650 zou slechts haar plicht hebben gedaan, wanneer zij het verbond voor den krijg door een verbond voor den vrede had vervangen. Zij heeft er de voorkeur aan gegeven , in naam een Unie te behouden, die metterdaad 'niet meer te handhaven was en daarom straffeloos kon geschonden worden.

„Gedenk aan Loevestein!quot; dat woord heeft, zegt men, de oude Jacob de Witt, de gevangene op Loevestein, zijne kinderen voortdurend voorgehouden. Ook indien het verhaal onjuist is, doet het niets ter zake, want liet hoofddenkbeeld is juist. Onwil en wrok jegens liet Oranjehuis heeft de Ilollandsche oligarchie en haar leider steeds bezield. Wat ware de geschiedenis der '17de eeuw schooner en rijker geworden, wat zou onze volkshistorie een tal van eervolle bladzijden meer tellen, indien er in 4650 een staatsman ware'opgestaan, die, met de bezieling en het overwicht zijner superioriteit, de worstelende partijen had weten te verzoenen ! Slechts door samenwerking van Holland en de Oranjepartij kon, wat beiden wenschten, zijn tot stand

ocr page 152

JOIIAN DE WITT.

gebrarliL Holland zou geheersrht hebben in de Unie, maar door den prins van Oranje als hoofd van den staat. Doch geen stap in die richting is gedaan en integendeel alles aangewend, om de ontwikkeling des volks te belemmeren.

Wanneer hel waarheid is, dat slechts hij den naam van staatsman verdient te dragen, die ,,zljn staatkundig doel goed weet te kiezenquot;, dan wordt het oordeel over Johan de Witt niet gemakkelijk. Men kan den persoon, zLjne geestesgaven en zijn karakter bewonderen zooveel men wil, —niet de rijkdom van zijn uitrusting, zelfs niet de uitkomst van zijn daden, maar alleen de strekking zijner politiek moest de beslissing geven. Voor wien en waarom heeft .lohan de Witt gewerkt? Geen enkel staatsbelang was er, dat de bittere vervolging en tegenwerking der Oranjepartij vereischte: alleen het belang der Hollandsche oligarchie richtte zijn hand.

Daar is geen belachelijker traditie dan die, welke de partij der Stalen de partij der vrijheid noemt en den kamp tusschen Holland en Oranje als een worsteling voorstelt van vrijheid en despotisme. Er is nooit eenige oligarchie geweest, die eerbied voor rechten en vrijheid van anderen heeft gehad. Zoo de druk in de Nederlanden minder is geweest, dan dikwerf elders, het is meer aan de personen, dan aan de instellingen te danken. En de volksbewegingen, die telkenmale, in 1072 en in 1747, de heerschappij der anti-stadhouderlijke aristocratie met geweld deden eindigen, bewijzen, dat het Oranjehuis waarborgen aan het volk schonk, die de regentenregeering hun roofde.

Een zijner medewerkers op diplomatiek gebied, een der vereerders van Johan de Witt, zelf een staatsman, wiens naam in Engeland's politieke geschiedenis staat opgeschreven, William Temple, heeft omtrent hem dit getuigenis nagelaten; „hij was een groot man, maar een faetiehoofd.quot;

Oidenbarnevelt was een staatsman, Johan de Witt een partijhoofd: geniaal, eerlijk en kundig bovenmate — maar een partijhoofd.

145

ocr page 153

IV

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

ocr page 154
ocr page 155

DE ZEESLAG BIJ KIJKDÜIN.

liet jaar lü?^ was eindelijk voorbijgegaan. In minder dan eetie maand iiadden de troepen van den Keurvorst van Keulen en den Bisschop van Munster liet grootste gedeelte van Over-ijsel, Friesland en Groningen ingenomen en de vestingen in die provinciën bezet, waaruit zij naar welgevallen het omliggende land plunderden en op brandschatting stelden. Het talrijke leger van Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, had, onder het beleid der beroemdste veldheeren dier eeuw, Gelderland en Utrecht bijna zonder wederstand veroverd. De binnen-landsche tweedracht, de strijd voor, en tegen den Prins van Oranje, die, hoewel twee en twintig jaar oud, buiten alle bewind werd gehouden, had de veerkracht der vóór weinige maanden nog zoo machtige Republiek der Vereenigde Provinciën verlamd. Hoewel de regeering het dreigend onweder zag naderen en onderricht was geworden van het verbond, tusschen Engeland, Frankrijk, Keulen en Munster gesloten, om de Republiek der Vereenigde Provinciën te vernietigen, verspilde zij met onvruchtbaar twisten over de verheffing van Willem Hendrik van Oranje tot het Kapitein- en Admiraal-Generaalschap den kostbaren tijd, zoodat de tweeëntwintigjarige Prins, toen hij ten laatste zich de hooge ambten zijner voorvaderen zag opgedragen, met een nietig leger den machtigen vijand moest legentrekken.

II 10

ocr page 156

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

Ter zee echter handhaafde de Ruyter den ouden roem der Republiek. Machtiger vloten, dan de zijne was, trok liij onverschrokken tegen, en bij Soulsbaai was hel hem gelukt de verbonden Engelsche en Fransche vloten op de vlucht te drijven. Wat baatte evenwel de overwinning ter zee, indien de twee laatste provinciën, Holland en Zeeland, te land aangetast en veroverd werden? Men had er dan ook reeds van gesproken, om voor de overmacht te buigen en de harde en onteerende voorwaarden aan te nemen, die de vijand stelde. Bij de plotselinge verovering der meeste provinciën, bij den ongunstigen staat der geldmiddelen, bij den wrevel der burgerijen tegen de regeering, die van verraad werd beschuldigd, kon het niet bevreemden, dat onze krachtige voorvaderen, die slechts een duimbreed gronds aan een uithoek van Europa bewoonden en toch de zee beheerschten en aan de koningen van Europa ontzag inboezemden, wederstand voor onmogelijk hielden en bij den blik om zich heen moesten uitroepen: „dat de Staten radeloos waren, de steden redeloos en het land reddeloos.quot;

Maar — het kan de inborst van ons volk doen kennen — toen door het onderwaterzetten van de toegangen tot Holland en het regelen der defensie-lijnen het voortdringen van den vijand werd vertraagd, scheen de verschrikte volksgeest zich te herstellen. Andere volken hadden den vijand niet zoo ver laten komen, maar zouden ook, indien zij het niet na vele krachtsinspanning hadden kunnen verhinderen, het hoofd hebben gebogen. Ons volk deed het niet. Men mag zeggen, dat het niet deed wat het kon, toen het de tijd daarvoor was, maar ook dat het bijna meer deed dan het kon, toen de tijd daarvoor voorbij scheen.

Van alle zijden begon een oorlog in het klein, eene geuzen-schermutseling, waarop ons volk zich zoo meesterlijk verstaat. Hollander en Fries wisten zich het water en het moeras goed ten nutte te maken. Beter bestand tegen het gure klimaat dan de kleumsche Franschman, bekend met de sinalïe wegen door

ocr page 157

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

het deinende dras, bespiedde de Hollander den naderenden vijand , legde het musket ann tusschen bies- en rietpol, waarachter de loerende soldaat was verscholen, en plantte het kanon ais op de golven van de over het land gestroomde binnenwateren , om de paden te bestrijken, langs welke de vijand moest optrekken.

Maar de natuur, de gewone bondgenoote van ons Nederlanders, dreigde de Republiek te verraden. De vorst viel in, bevloerde de derrie en deed het water verstijven. Wat ongenaakbaar scheen voor den vijand, die het hoofdkwartier in Utrecht had opgeslagen , bleek maar al te veel toegankelijk, toen de Fransche veldheer Luxembourg, tegen Kerstmis van 1672, Abcoude, Weesp, Ankeveen, 's Graveland en Hilversum grootendeels verbrandde; toen hij van eene andere zijde Holland wilde binnendringen en de vroegere legerplaats van den Prins van Oranje, Bodegraven , alsmede Zwammerdam, te vuur en te zwaard verwoestte. Mogen de gruwelen, daar geschied, niet zóó barbaarsch zijn geweest als sommige geschiedschrijvers berichten, de verwoesting dier dorpen was toch volkomen en het gevaar voor Amsterdam en Den Haag dreigender dan ooit. De Prins was aan het hoofd van zooveel macht als hij verzamelen kon, eensklaps en zonder dat iemand het vermoedde, de grenzen der Republiek over-gerukt, om den vijand in den rug te bestoken, en tevens — de macht was te gering om veel uit te richten — aan Europa te toonen, dat de Republiek nog niet was gestorven, maar integendeel nog wel verdiende door hare bondgenooten te worden bijgestaan. Een aardige trek, die ons bij gelegenheid van dezen tocht wordt verhaald, leert ons de inborst van den jongen Prins kennen. Toen hij aan een zijner officieren bevel gaf om eenige regimenten voet- en paardenvolk naar Rozendaal, in Noord-Brabant, in allerijl bijeen te trekken, vroeg deze den Prins, wat Zijne Hoogheid met dien tocht voorhad? De Prins hernam, terwijl hij vriendschappelijk de hand op den schouder van den vrager lei: „Kunt gij zwijgen?quot; waarop het antwoord luidde: „0 zeker, Uwe Hoogheid!quot; — „Welnu, mijn vriend!quot; zoo

147

ocr page 158

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

besloot de Prins met een fijn glimlaclije, „ook ik kan het.quot;

Keeren wij echter tot ons verhaal terug. De koude drong den Prins weldra terug te keeren. Het geschiedde bijtijds, want de Generaal der Franschen was juist gereed den voorgenomen aanval op Holland over de ijsvelden te ondernemen. Hoe dapper ook de verdediging des Prinsen was, de provincie Holland dankte haar behoud minder daaraan dan aan den ingevallen dooi, die den vijand met den meesten spoed naar zijn hoofdkwartier terug deed keeren. Holland scheen voor een oogenblik gered en mocht zelfs het jaar 1Ü73 beginnen met klokgelui en het houden van een dankdag, daar in de eerste dagen van dat jaar de tijding aankwam van de verovering der vesting Koevorden.

Kort was echter de rust. De Fransche koning en zijne bond-genooten: Engeland, Keulen en Munster, maakten de geduchtste aanstalten om den oorlog in het jaar 1673 met kracht voort te zetten. Frankrijk wierf een leger van 140,üüü man voetvolk en 40,000 man te paard; Engeland hielp met eenige militie, maar vooral met eene ontzaglijke vloot, die, met de Fransche vereenigd, vier en tachtig schepen van linie telde.

Maar de Republiek zat van hare zijde niet stil: waar bodewijk XIV zijne gezanten ook heenzond, hij vond er de zendelingen der Republiek, die zich naar buiten door bondgenooten zocht te versterken en in den keizer van Duitschland en den koning van Spanje trouwe helpers vond. Zijne oorlogstoerustingen werden door die der Republiek gevolgd. De Prins van Oranje was overal, in het vrijgevochten Friesland zoowel als in het vrijgebleven Holland en Zeeland. De wervingen deden in de maand Mei een leger bijeen zijn van 76,900 voetknechten, 13,942 ruiters en 2,000 dragonders. De verbetering van verschillende vestingwerken, de oprichting van nieuwe schansen werd aanbesteed, zoodat Holland als met een muur van forten was omgeven van de Zuiderzee af tot over de rivier de Waal heen.

Bij de versterking van het leger was de Prins ook op die der vloot bedacht. Hij ontmoette bij 's Lands Regeering de grootste

•148

ocr page 159

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

medewerking, zoodal lot de uilrusting werd besloten van 50 schepen van linie, 20 fregatten, 25 branders en zinkers, 12 adviesjachten cn vijf galjooten. Tot Luilenant-Admiraal-Generaal werd de Ruyter aangesteld en onder hem Cornelis Tromp, met toestemming en goedvinden van de Ruyter, die den drifligen en dapperen vlootvoogd eens van plichtverzuim had moeten beschuldigen , maar bij liet dringen van den nood en door lus-schenkomst van den Prins weder volkomen met hem verzoend was.

Hel is niet onbelangrijk te welen, op welke wijze men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen zocht te heelen. Onder de publicatiën, die de Prins van Oranje bij de uitrusting der vloot uitvaardigde, was er eene: „lol soulagement van verminkten en gekwetsten.quot; Hel daarbij aangenomen tarief was:

1°. Voor het verlies van beide oogen . . ƒ 1500.— 2',. „ ,, „ „ „ armen. . „ 1500.— 3°. „ ,, „ „ „ handen . „ 1200.— 4°. „ „ „ „ „ beenen . „ 700.— 5°. „ „ „ „ „ voeten. . „ 450.—

terwijl voor het verlies van één oog, arm, hand, been of voet een evenredig mindere belooning werd toegekend.

liet heropenen van den krijg, in hel voorjaar van '1673, mocht door de Republiek, die tevens tijding ontving van het oprukken barer bondgennoten, met eenige meerdere gerustheid worden te gemoel gezien. De eendracht was hersteld, de eenheid aan 's Lands Restuur hergeven. Toch was hel gevaar nog dreigend, toch zou er een oogenblik van de hoogste spanning-komen, een oogenblik, waarin hel behoud van het Vaderland, dat men wellicht liever had dan ooit juist om de opofferingen, die het gevorderd had, op hel spel zou staan; een oogenblik, waarin uit aller harten een bede lol den Allerhoogste zou opstijgen, terwijl de donder van hel kanon de duinen deed trillen en de bedehuizen op hunne grondvesten daveren.

1-40

ocr page 160

DE ZKESLAG BIJ KIJKDUIN.

Wal men ter zee le wachten had, wist ieder, die de woorden kende, waarmee de Lord Kanselier van Engeland, namens den Koning, van het Parlement de noodige gelden voor de uitrusting der vloot had gevraagd. „Carthago delenda estquot;, Carthago moet verdelgd worden, zoo liet hij zich hooren, en het was duidelijk, dat hij met Carthago Nederland bedoelde. Nederland, door zoo vele banden aan Engeland verbonden, maar de ge-duchtste mededingster in handel en zeevaart, moest vernietigd worden! Men had het tot dusverre tevergeefs getracht, maar wenschte de poging krachtiger te herhalen.

De Ruyter kreeg in last, de kust van Holland en Zeeland te dekken. Hij kwam in den loop der maand Mei op Schoonevelt, in de nabijheid der Zeeuwsche kust, ten anker, om daar de nog ontbrekende, maar hem toegezegde Zeeuwsche schepen af te wachten.

Toen hij vernam, dat hij ze niet spoedig verwachten kon, besloot hij met de schepen, die hij bijeen had, naar de Engelsche kust te zeilen, de rivier de Teems door de medegenomen zinkschepen te versperren en alzoo het uilloopen der vijandelijke vloten te beletten.

Hij slaagde niet in zijn voornemen, daar er een zware mist opkwam, zoodat de vloot op de ankerplaats terugkeerde. Ettelijke dagen bleef zij daar; want eerst den Juni kreeg men den vijand in het gezicht. Den 4'leD werd op de Ruyter's schip het Avondmaal gehouden, met den vijand in het gezicht, hetgeen, volgens hem, den moed zou doen stijgen. Niet vóór den jAen raakten de beide vloten aan elkander. Het was juist dezelfde dag, waarop men het vorige jaar den vijand bij Soulsbaai verquot; sloeg. De herinnering verhoogde het verlangen naar den strijd en deed de overmacht der vijandelijke vloten niet rekenen, die de zee, zoo ver men zien kon, bedekten. Men telde honderd vijftig zeilen van 's vijands zijde, terwijl 's Lands vloot er even honderd had, de adviesjachten zelfs medegerekend. Het was „een klein hoopken,quot; zooals Janmaat zich uitdrukte (hetgeen

15ü

ocr page 161

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

lang een spreekwoord gebleven is), maar Janmaat was daarom niet mismoedig; hij hield liet oog geslagen op de Admiraalsvlag en hunkerde naar den strijd.

De Uuyter had den moed des geloofs en de kracht der Christelijke hope, want een ooggetuige verhaalt, dat hij, bij het naderen van den vijand, zei: „omdat onze vloot klein schijnt te zijn, heb ik te grooter vertrouwen van een goede uitkomst: niet op onze macht, maar op Gods almachtigen arm.quot; Dat vertrouwen werd niet beschaamd. Met felheid werd er gestreden, en niet liet minst door de Ruyter zeiven, die de Engelschen zag wijken, zoodra zijn schip ,,de Zeven Provinciënquot; naderde, hetgeen hem onder het gevecht glimlachend deed zeggen: „De vijanden hebben nog ontzag voor de Zeven Provinciën.quot;

Hij en de Luitenant-Admiraal Bankert brachten het eskader, waarmede zij slaags waren, aan het wijken, en het zou hun buit zijn geweest, als de Ruyter, die Tromp in gevaar zag, niet, om dezen te hulp te snellen, de bijna zekere prooi vrij had gegeven. Hij kwam te rechter tijd aan, om den dappere, die geen vijand telde, en reeds van het derde schip zijn admiraalsvlag liet waaien, te ometten. Toen Tromp hem zag aankomen, was hij uitgelaten: „Mannen!quot; riep hij uit, „daar is Bestevaar; die komt ons helpen. Ik zal hem ook niet verlaten, zoolang als ik adem kan scheppen.quot; Woorden vol beteekenis van die lippen. En de Ruyter's daad en Tromp's woorden stemmen ons tot eerbied voor de helden, die elkaar een oogenblik vijandig zijn geweest , maar in de ure des gevaars het leven voor elkaar waagden, wetende, wat schat het lieve Vaderland verliezen zou, zoo het een van beiden moest missen.

De nacht deed den strijd ophouden. De Engelsche en Fransche vloten deinsden met groot verlies af; de Hollanders ankerden op de plaats van het gevecht en telden slechts weinige dooden en gekwetsten. Hoewel de verbondenen zich de eere der overwinning toeeigenden, weken zij naar de Engelsche kust. De vreugde was in Holland en Zeeland algemeen. De brief van de

151

ocr page 162

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

Ruyter, waarbij de uitslag van het gevecht werd gemeld, werd 's avond te tien uren in de vergadering dei' Staten-Generaal gelezen en prikkelde den ijver en verhoogde, zoo mogelijk, den moed.

Had men vroeger den vijand afgewacht, thans zoclit men hem op. Na eenig ongemak van het ongestadig weêr verduurd te hebben, kreeg men den vijand den 14.deigt; Juni weder in het gezicht. Hij week, maar werd eindelijk ten 5 ure na den middag ingehaald en toen gedwongen, een Engelsche haven binnen te loopen en de zee te verlaten. Het gevaar, dat het vaderland van de zeezijde gedreigd had, was alzoo voor eenigen tijd verdwenen.

Te land werd eerlang een volkomene verlossing te gemoet gezien. Het Hollandsche leger had, na do inneming van Naaiden, zich met de legers van den keizer van Duitschland en den koning van Spanje verbonden, en bestookte de Franschen, Keulschen en Munsterschen in den rug, zoodat deze, voor een afsnijding beducht, de bezette plaatsen in de Republiek na het heffen eener laatste brandschatting verlieten. De Republiek herademde en dacht er reeds aan, met al de macht die haar nog overbleef, den vijand op eigen grondgebied aan te vallen. Maar nog ééne beproeving moest zij doorstaan; eene beproeving te bitterder, omdat zij de redding, die men aanstaande dacht, wederom twijfelachtig maakte en het vaderland aan den rand van den afgrond bracht.

Na den tweeden zeeslag kwam de vloot weder op de gewone plaats — op Schoonevelt — ten anker, waar de Ruyter de gekwetsten aan land zond, nieuwe krijgsbehoeften en versterking ontving en door de Gedeputeerden Hunner Hoogmogenden . de Algemeene Staten, bezocht werd. Den derden Juli weder onder zeil gegaan naar de Engelsche kust, ten einde de vereenigde vloten des vijands op te sluiten of bij gunstige gelegenheid aan te tasten, moest de Ruyter het voornemen opgeven , wegens de pestziekten, die aan boord van zijne schepen begonnen te heerschen en honderden deden sterven. Het deed hem te meer

152

ocr page 163

DE ZEESLAG 1!IJ KIJKDUIN.

leed dal hij wenden en weer op de gewone plaats ankeren moest, daar hij van den raadpensionaris Fagel de mededeeling ontvangen had, dat men ,,in Engeland zeer preste om de vloot weer in zee te brengen.quot; De heer Fagel voegde er als zijn gevoelen bij, dat „de vijanden nog een effort zouden zoeken te doen, hetwelk alsdan wel het laatste zou zijn.quot; Weldra ontving de Ruyter dan ook de tijding van het uitloopen der vijandelijke vloten, en wel „dat zij met honderd vijf en twintig oorlogsschepen in zee kwamen, met eenige duizenden landsoldaten in koolschepen, en dat zij iets groots in den zin hadden.quot;

Den 30stt;n Juli kwamen de vijanden in het gezicht. Daar zij, lioewel naderende, hun streek niet boven 's lands vloot om den Noord , maar integendeel om den Zuid hielden, begon de Ruyter eenig geheim opzet te vermoeden. Ilij volgde hen eenigen tijd zoo dicht mogelijk, en meende menigmaal lien tot het gevecht gereed te zullen vinden, maar vond zich telkens bedrogen. Hij vernam dat de koolschepen met landmilitie nog altoos op de rivier de Teems lagen, gereed om op het eerste sein het ruime sop te kiezen. De wendingen der vijandelijke vloten konden dus wel het doel hebben om de Nederlandsche vloot te misleiden en van de kust te lokken , ten einde gelegenheid te hebben de koolschepen naar de Zeeuwsche kust te brengen en daar de soldaten te doen landen. De krijgsraad deelde in het gevoelen van de Ruyter en nam diens voorslag aan, om naar de oude ankerplaats terug te keeren. Men had reden om zich daarmee geluk te wenschen, want van een gevangen genomen predikant verstond men in het begin van Augustus, dat dc koolschepen volgepropt waren met welgeoefende soldaten, ten getale van 8000 ; dat daar ook gereed stonden drie troepen ruiterij; dat de vloot bestond uit 80 Engelsche en 28 Fransche schepen van oorlog, te zamen 108, zoo schepen als fregatten, mitsgaders 22 of 24' branders en met jachten en kitsen wel 108 zeilen sterk. Men droeg te land mede kennis van liet voornemen der vijanden en van de macht waarover zij te gebieden hadden. Eene landing

153

ocr page 164

lö'i DE ZEESLAG RIJ KIJKDUIN.

was te vreezen, en om die te beletten had men slechts ééne vloot van minder sterkte dan die des vijands. Zoo men slechts wist of gissen kon waar die landing zou worden beproefd, daar men nu de gansche uitgestrekte kusten van Holland en Zeeland ter zee te dekken, te land te bezetten had! Daarbij had men te land slechts over weinig troepen te beschikken, daar de Prins met het gros van het leger naar de Spaansche Nederlanden was getrokken. Geen wonder alzoo dat de ontsteltenis algemeen was. In die benarde ure schreven de Algemeene Staten der Ver-eenigde Nederlanden aan de Ruyter, als hoofd der vloot, een' brief, waarvan de lezing elk Nederlander de borst doet zwellen, en waarbij men niet weet wat meer te bewonderen, de kalme vastberadenheid of het vertrouwend geloof.

Na in het kort den loop van den krijg nagegaan en de onrechtvaardigheid der beide verbonden mogendheden in het licht te hebben gesteld, tellen de Staten op, wat er bij de overwinning gewonnen, bij een nederlaag verloren zal worden, waarom zij allen, van den vlootvoogd tot den geringsten matroos, aanspoorden hun burgerplicht te betrachten. Zij besloten aandoenlijk en verheven: „Wij weten wel dat een goede uitkomst in zoo zwaren toestand van zaken van den goddelijken zegen dependeert; maar wij weten ook dat God de Heer Almachtig door middelen Zijn zegen uitwerken wil, en gelijk wij dit laatste uwe goede conduite , mitsgaders de onverschrokken moed, courage, goede wille, en genegenheid der andere hoofden en officieren, mitsgaders soldaten en matrozen om u daarin te seconderen, aanbevolen laten, zoo willen wij niet nalaten God den Heei-Almachtig vuriglijk te bidden; en is al bereids bezorgd, dat de dienaren des Goddelijken Woords in hunne predikatiën en bedestonden zullen bidden en de gemeente opwekken van denzelven God te zoeken, dat zijne Goddelijke Majesteit U, de andere hoofden van 's lands vloot en officieren, mitsgaders soldaten en matrozen, vaderlijk en genadelijk wil bijstaan, in leven en gezondiieid sparen, met mannelijke dapperheid en zijnen goeden geest aandoen.

ocr page 165

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

tegen de machten der vijanden laten bestaan en eene eerlijke victorie en overwinning laten wegdragen tol grootrnaking van zijnen Heiligen Naam en welvaren van ons lieve Vaderland.quot;

Deze briei', door de Ruyter's predikant Westhovius na de predikatie aan boord voorgelezen, wekte de gemoederen tot plichtsbetrachting. Hieven de oogen zicli op tol den Allerhoogste, de handen bleven evenwel niet slap liggen in den schoot.

Den Augustus kreeg men le 's Hage hel bericht, dal de vijandelijke violen op de kust van Holland werden gezien en met een groot aantal kleine vaartuigen de stranden naderden, voornemens, zoo hel scheen, om te landen. Burgers en huisluiden werden opontboden om de gevaarlijke en zwakste punten le bezeilen. Zijne Hoogheid werd uitgenoodigd terstond naar's Hage te keeren en op de verdediging van het dierbaarste order le stellen, terwijl men langs de geheele kust bakens oprichtte, die door hel ontsteken van vuren bij nacht of het hijschen van manden bij dag de noodige seinen gaven.

Van een en ander kreeg de Ruyler kennis, die van den Prins bevel verzocht om de vijandelijke violen, waar hij ze vond, aan te vallen, ten einde de gevreesde landing le beletten. Vastberadener maar tevens voorzichtiger is de Ruyler nooit geweesl dan in deze beslissende dagen. Hij wist dal 's lands redding van de vloot afhing, en daarom wilde hij alle kansen berekenen, zijn krachten zoo voordeelig mogelijk aanwenden en, kon hel zijn, verdubbelen. Met hel bewustzijn dat hel vaderland geen andere vloot le geven had, wilde hij haar zelfs niet in de waagschaal stellen dan op bepaalden last zijner overheid, terwijl deze van haar zijde huiverig was dien last le geven. De Prins maakte echter aan alle weifeling een einde, door zelf op de viool le komen, die den i^011 Augustus voor Scheveningen lag. De krijgsraad werd aan boord van de Ruyter's schip gehouden, waarna de Prins den last, door de vlootvoogden reeds verscheiden dagen vroeger verzocht, uilvaardigde en lol den aanval machtigde om de landing le beletten en de schepen , die uil Oost-

155

ocr page 166

DE ZEESLAG Iil.1 KIJKDUIN.

Tndic verwacht werden, veilig te doen binnenvallen. Toen sprak de drieëntwintigjarige de leden van den krijgsraad plechtig aan en ging vervolgens naar het halfdek, ten einde zich aan de matrozen, die boven geroepen waren, te vertoonen. De Rnyter sprak hun toe, zooals hij dit kon doen, zonder praal van woorden, eenvoudig zoo als zij waren tot wie hij sprak, maar warm, zooals liet onder het wollen baaitjen van Janmaat op dit oogen-blik was. Toen hij hun afvroeg: ,.Zijt gij niet allen in het gemeen en elk in het bijzonder, hoofd voor hoofd, gezind om eer en eed als eerlijke luiden tot den dood toe te betrachten?quot; galmde hem van alle kanten een kloek en moedig ,.jaquot; tegen onder het zwaaien der mutsen.

Den volgenden morgen (13 Augustus) ging de vloot onder zeil. Een storm overviel haar, zoodat men eerst vier dagen later den vijand, die bij Texel lag, kon naderen. De Prins volgde, zooals de raadpensionaris Fagel schreef, 's lands vloot niet alleen met zijn hart, maar ook met zijn oog. De bevolking evenzeer; want de geheele kust van West-Friesland wemelde van landgenooten, die de vaderlandsche vlag langs de baren met. de oogen begeleidden.

Na vele wendingen, door tij en storm noodzakelijk geworden, bevond zich de Luitenant-Admiraal-Generaal de Rnyter met 's lands vloot, vroeg in den morgen van den 21sten Augustus, in het gezicht van de Hollandsche kust, tusschen Petten en Kamperduin , nauwelijks twee mijlen van land, waar hij de vijanden in lij voor zich liggen zag, „zoodat hij,quot; gelijk een der zake kundige zich uitdrukte, „met een gelukkige voorzichtigheid en zeemans-streek de loef van hen had gewonnen.quot; Ook een Engelsch schrijver vermeldt, „dal de Rnyter, volgens zijn gewoon beleid, zich dienende van het behulp der duisternis, zich dicht hield aan de kust, eti dien koers houdende tot den volgenden morgen, den wind won van de Engelschen.quot;

De verbonden vloten waren evenals de Nederlanders in drie eskaders verdeeld. liet eerste, voerende de roode vlag, onder

ocr page 167

DE ZEESLAG HM KIJKDUIN.

Prins Robbert, hel tweede, de blauwe vlag, onder Spragli, het derde, zijnde het Fransche eskader, voerende de witte vlag, onder d'Estrée. Toen de Nederlanders op het voorbeeld van den vijand wendden, werd Admiraal Bankert met zijn eskader de voor-, de Ruyter de midden-, en Tromp de achterhoede. Te half' negen ure viel Bankert op het eskader van d'Estrée in, vervolgens de Ruyter op dat van Prins llobbert en Tromp op dat van Spragh. liet Fransche eskader hield zich van den beginne af achterlijk en scheen, misschien op hoog bevel, een scherp gevecht te mijden. De Ruyter had echter met zijn eskader een fel gevecht met Prins Robbert en de zijnen. Men sloeg ettelijke malen door elkander heen. De Nederlanders schoten met hun kanon zoo snel als rnet musketten: driemaal tegen de vijanden eens. De Ruyter wilde liet schip van Prins Robbert naderen, maar het was ongenaakbaar door drie of vier branders die het omringden. Toch wist hij den vijand eenigermate in wanorde te brengen en hem enkele branders af te nemen of te noodzaken er zelf den brand in tc steken. Ook de Luitenant-Admiraal van Nes raakte met Prins Robbert en nog zes of zeven Engelsche schepen slaags. Zijne bezaansroede werd midden doorgeschoten en zijn rondhout zoo beschadigd, dat hij bijna reddeloos werd. Hij seinde drie der meest nabijzijnde schepen ter hulpe, maar slechts één gehoorzaamde en kwam aan bakboord van hem liggen, hoewel van Nes den vijand te stuurboord van zich had.

Terwijl hij bezig was zijn gehavend want te herstellen, zag hij Prins Robbert met nog eenige andere Engelsche schepen hem voorbijschieten, de blinden voor den boeg zetten en voor hem heen loopen. Bankert, die de Franschen geen stand zag honden, wendde zich toen naar de Ruyter's eskader, om Prins Robbert met te meer kracht aan te vallen. Men gaf van alle zijden vreeselijk vuur op hem en de zijnen. Het werd hem te zwaar en zij begonnen te wijken. Daar Tromp, slaags geraakt met Spragh, in het noorden uit het gezicht was geraakt, staakte

157

ocr page 168

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

de Ruyter zijne jacht op het eskader van Prins Robbert en wendde zich derwaarts. quot;ij werd echter door dezen achtervolgd, die even bekommerd was voor Spragh als gene voor Tromp. De ontrouwe d'Estrée volgde de Engelschen, maar van verre.

Tromp's eskader was te negen uren tegen dat van Spragh — de achterhoede der vijandelijke vloot — omgewend. Hij werd door dezen met het topzeil op den mast kloekmoedig ingewacht. De vice-adrairaal Sweers was met zijn smaldeel de eerste, die met de voorste schepen den strijd begon. Sweers, vóór korten tijd door Tromp van lafhartigheid beschuldigd, maar door den krijgsraad vrijgesproken, vocht als een leeuw onder de oogen zijns admiraals. Hij drong zoo sterk op den Schout-bij-Nacht der Engelschen aan, dat deze met verscheiden schepen begon te wijken. Tromp en Spragh bleven echter elkander gedurende drie en een half uur op zij liggen, zonder ophouden elkaar beschietende met musket en geschut. Eindelijk werd het schip van Spragh zoodanig getroffen, dat het de wijk moest nemen. Tromp volgde het, maar zag zich weldra door vijftien of zestien Engelsche schepen omsingeld. Zijn schip, de Gouden Leeuw, werd zoo doornageld, dat de masten buiten boord dreigden te vallen. Hij moest op een ander schip overgaan, evenals zijn vijand Spragh. Deze ging in een sloep om zich te doen overzetten, maar een kogel, die dwars door zijn pasverlaten schip heen vloog, trof de sloep waarin hij zich bevond, deed haar middendoor splijten en zinken. De dappere Engelsche admiraal kwam daarbij jammerlijk om. Middelerwijl kwamen de Ruyter en Bankert, die, zooals wij verhaalden, Tromp waren gaan zoeken, met hun eskader aan. Eveneens repte zich Prins Robbert met de zijnen om het eskader van den gestorven admiraal Spragh bij te staan. Tromp rangschikte zich onder de Ruyter's vlag, en met vereenigde kracht ging het thans op elkaar in. Nu scheen de kamp eerst te beginnen. De worsteling was vreeselijk. De geheele zee stond in vuur en vlam, die, te midden van den donkeren rook, als bliksemstralen uit een donkere

•158

ocr page 169

DE ZEESLAG BIJ KIJKDUIN.

luchl uitbarstten. Ieder verging hooren en zien door de donderslagen van zooveel duizenden kanonnen en door den buskruitdamp, die de vloten als in een nevel verborg. Kogels, bouten, schroot en splinters vlogen aan alle zijden met een ijselijk gekraak en geknars. Het bloed dampte uit de spuigaten en kleurde het verdek. De zee werd met lichamen bezaaid. Sommigen moesten door de kogels, anderen door splinters, anderen door het vuur, anderen in het water sterven. Het gekrijt en gejammer der gekwetsten en stervenden vervulde de schepen en paarde zich aan den donder van liet geschut en het gekraak van rondhout en gebinte.

Eerst te zeven uren nam de strijd een einde. De Engelschen weken, gevolgd door de Franschen, die geen of weinig deel aan het gevecht genomen hadden, terwijl de Nederlanders hen tot zonsondergang najoegen. De verliezen waren aan beide zijden vreeselijk, maar de Engelschen verloren toch het meest. De Ruyter was, als altoos, nederig na de behaalde overwinning. Toen hij werd geluk gevvenscht met het behoud van zijn leven, zeide hij: „Mijn leven is niets; 't is ten dienste van het vaderland. Doch ik zou wel zoo lang wenschen te leven, dat ik het mocht hersteld zien en daar het mijne toe doen. Dan, zoo 't God niet belieft, ik ben oud en des levens en der moeite zat.quot; Christelijk gelaten toonde hij zich bij het sneuvelen van zijn' geliefden schoonzoon Van Gelder. „Ik weet,quot; zoo sprak hij geroerd , „dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik mij zeiven aan Gods wil moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijn beurt, morgen zal het misschien de mijne zijn.quot;

De man, zoo kloekmoedig in het gevaar, zoo nederig na de zegepraal, zoo gelaten bij grievende verliezen, gaf weinige dagen later een blijk van zoo groote belangloosheid en billijkheid als maar zelden gegeven wordt. De krijgsraad benoemde, in plaats van een gesneuvelden Schout-bij-Nacht, den zoon van de Ruyter, Jonker Engel, voorloopig tot dien post. De Ruyter meldde dit den Prins, maar voegde er bij, dat oudere kapiteins, die even

159

ocr page 170

DE ZEESLAG niJ KIJKDUIN.

ervaren waren, daardoor zouden worden voorbijgegaan, hetgeen niet billijk zou zijn. Groot vlootvoogd, ootmoedig- Christen, uitnemend menschl

De behaalde overwinning was niet twijfelachtig, daar de vijand de zee verlaten had. liet gevaar eener landing was voor goed verdwenen en de Nederlandsche vloot viel de haven binnen.

De angst op den dag van den zeeslag was onbeschrijfelijk groot geweest. Men had den ganschen dag in do kerken tol God gebeden, terwijl 's lands matrozen eu admiralen het vaderland met hun leven verdedigden en hel donderen van het geschut hier en daar boven het kerkgezang der gemeente werd gehoord. Een ooggetuige vermeldt eene bijzonderheid. De duinen waren bij Kijkduin met menschen gedekt, die angstig naar hel gevecht zagen, dat hel lol van hel vaderland beslissen zou. Onder de aanwezigen werd een predikant herkend. Men drong bij hem aan, om het woord voor allen le nemen en daar aan hel strand eene bede tol God op le zenden. Hij gaf daaraan gehoor. Aller hoofden ontblootten zich, en de predikant, op een der duintoppen staande, het gelaal naar den zeekant gekeerd, droeg het benauwde vaderland aan den God van hemel en aarde op. De bede verkeerde weldra in dank, loen de lijding der overwinning aankwam en de Ruyter, de redder des vaderlands, met zijn gehavende, maar toch bijna nog voltallige vloot, Texel en de Maas binnenliep.

Het vaderland was gered. Als wij het gebeurde beschouwen, dan worden we gedrongen aan een wonder te gelooven. De Republiek der Vereenigde Nederlanden, verscheurd door bin-nenlandsche twisten, aangevallen door de machtigste vorsten, vernietigd tol op twee gewesten: Holland en Zeeland, — heeft zich niet alleen verdedigd en de vijanden van het grondgebied verdreven, maar is machtiger dan ooit te voren uit den strijd te voorschijn gelreden. Voorwaar, het was een wonder, maar een wonder, zooals wij er nog dikwijls kunnen zien gebeuren; want, vergeten wij, Nederlanders, hel vooral niet, waar een

160

ocr page 171

t»E ZEESLAG t?lJ KIJKDUIN.

iGl

gaan, hetgeen Christen, uii-

, daar de vij-ing was voor I liaven binnen. ! nbeschrijfelijk 1 lo kerken tol , en het vader- | i van het gemeente werd i iieid. De dui-i angstig naar | beslissen zou. I. Men droiiü

1

en daar aan | gaf daaraan iredikant, op i zeekant ge-)d van hemel [ ien de lijding I iv des vader- jl log voltallige 1

beschouwen, I

gelooven. De |

rd door bin- 1

jste vorsten, |

nd, — heeft |

grondgebied ;] lit den strijd

onder, maar 1 ;n gebeuren;

!t, waar een j

volk eendrachtig strijdt voor zijn behoud, daar is het onvervvin-neitjk. Partijen, die van elkaar verschillen in het beoordeelen van feiten en personen, moeten er in een land als het onze zijn; want hetzelfde voorwerp, door verschillende oogen beschouwd, kan nimmer dezelfde gedaante hebben. De berg b. v., van den top gezien, is geheel anders, dan van den voet of uit de wolken, en toch is het dezelfde berg. Partijen moeten er zijn; zij geven wrijving en leven; maar bij veel verschil moeten zij iets gemeen hebben, even als de boomen, underling oneindig verscheiden, toch alle wortelen in de aarde. Wal de partijen gemeen moeten hebben, het is het vaderland, en als dat vaderland gevaar loopt, moeten zij hare verschillen vergeten, zich vereenigen en een geheel uitmaken, liet jaar lG7i en '167r3 leert ons veel, indien we maar willen leeren.

11 11

ocr page 172
ocr page 173

V

HOE FRAWJOISE D'AÜBIGNÉ MADAME DE MAINTENON WERD.

ocr page 174
ocr page 175

HOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ MADAME DE MAINTENON WERD.

Wanneer ik uwe aandacht vraag voor deze vrouw, dan durf ik mij niel vleien, dat zij u aangenaam of welkom zal zijn. Dat liet een oude bekende van u is, zal haar wel niet veel baten. Op de schoolbanken hebben wij haar het eerst leeren kennen, en sinds van tijd tot tijd nog eens van haai- gehoord. Tot intiemer kennismaking voelden wij ons niet opgewekt. Zelden hebben wij met ingenomenheid van haar hooren spreken. Vrij algemeen daarentegen was de geringschatting, om een zacht woord te bezigen, waarmede haar naam werd genoemd. Wat er eigenlijk aan scheelde, dat wisten wij niet, maar de meest uiteenloopende mannen stemden samen in hun afkeuring. Een enkele, die nog wat goeds wist op te merken, moest steeds beginnen met veel, dat onaangenaam stemde, in een onschuldig licht voor te stellen. Het was zoo kwaad niet gemeend: men dacht en oordeelde in haar dagen anders dan tegenwoordig. Zoo werd er gepleit, maar zelden vrijgepleit.

Het moet intusschen tol haar eer worden gezegd, dat zij moord nocli diefstal op haar rekening heeft, aan vergiftiging-is zij even onschuldig als wij. Stellige, bepaalde misdaden kunnen niel aangewezen worden; maar genoeg kwaads is er gesproken , als men van een intrigante spreekt. Dat geheimzinnige woord roept ons onmiddellijk het beeld voor den geest van eene ,

ocr page 176

'i!i6 hoe FRANCOISE d'AUBIGNÉ

die aan onzuivere, eigenbalige bedoelingen gewetenloosheid in de kens der middelen paart. En hoe zou de vrouw, over wie ik ga spreken, vrij van intrigues hebben kunnen zijn?

[laar geheele levensloop scheen dan een raadsel. Geboren in een gevangenis, is zij gestorven en begraven te St. Cyr, eene koninklijke stichting. Van oud-adellijke afkomst, hoedde zij in haar jeugd op klompen kalkoenen, en baadde zij op rijper leeftijd zich in vorstelijke weelde. Tweemaal getrouwde vrouw, noemde zij de eerste maal een armzalig verlamde, een burles-ken verzenmaker, haar eciitgenoot; de tweede was Lodewijk XIV, de machtigste koning zijner eeuw.

Men heeft gezegd, dat het leven van Madame de Maintenon een doorloopende roman is. Laat ik u enkele bladen ter lezing voorleggen. Veel schrikwekkends moet ge niet verwachten. Uwe zenuwen hebben geen schok te duchten, uwe kieschlieid zal niet worden gekwetst. En, zoo gij ten slotte het beeld van een vrouw voor u ziet, die, zonder juist aantrekkelijk te zijn, toch opmerkelijk genoeg is om uw belangstelling te rechtvaardigen, gelijk zij die van den tijdgenoot op zich vestigde, dan zal ik mijn doel bereikt achten.

Tusschen de historie en de traditie aangaande Madame de Maintenon bestaat, als zoo dikwerf bij historische personen, geen volkomen overeenstemming, liet is volstrekt het doel dezer schets niet, de politieke rol, door haai' aan de zijde van Lodewijk XIV gespeeld, na te gaan, uitsluitend; te verklaren, hoe de vrouw geworden is, wat zij werd. Met een enkel woord slechts aan het slot wijzen wij op de bron der zoo hoogst ongunstige traditie, zonder ons in het onderzoek van onderdeden te verdiepen, ilet is om de hoofdlijnen, niet om de bijzonderheden te doen.

1

Er zijn van Madame de Maintenon verscheidene portretten.

ocr page 177

MADAME UE MA1NTEN0N WERD.

Zij beelden haar af op verschillenden leeftijd. Sainte Beuve heeft ergens opgemerkt, dal zij onbevredigd laten. Al geven zij de regelmatige lijnen, den schoon gevormden mond weer, die haar eigen waren, er wordt te veel gemist. De betooverende schittering der groote zwarte oogen, die beurtelings aantrok en deed afdeinzen, zien wij niet; de zilveren stem hooren wij niet; liet geestige woord, dat de tijdgenooten verrukte, vangen wij niet op.

Doch — zal men zeggen — dit is zoo wat met alle portretten gewoonlijk het geval, liet leven ontbreekt altijd in meer of minder mate. Er is dan ook nog een ernstiger grieve. Als wij Madame de Maintenon hebben leeren kennen, en wij nemen haar portretten in dé hand, dan herkennen wij haar slechts ten deele. Als wij oordeelden naar het product der kunst, dan zouden wij aan die vrouw niet een zoo groote koelheid van karakter toekennen, als metterdaad de bron zoowel van haar deugden als van haar gebreken is geweest. Zij maakt, naar haai' beeltenis te oordeelen, den indruk, sterker gepassioneerd te zijn geweest, dan zij was.

Zij heette eigenlijk Franfoise d'Aubigné en was de kleindochter van den beroemden en vurigen vriend van Hendrik IV. De hartstochtelijkheid, die zich bij haar grootvader openbaarde in de warmte van zijn geloofsijver, betoonde zich bij haar vader in de hardnekkigheid, waarmede hij bijkans alle goddelijke en menschelijke wetten schond. Constant d'Aubigné had zijn eerste vrouw, die hij op overspel betrapte, met haar verleider vermoord, zijn vermogen herhaaldelijk verkwist, zijn vader en zijn protestantsch geloof verraden. Van religie wisselde hij als van kleeren; hij was veroordeeld als valsche munter en ontsnapte alleen door den invloed zijner familie aan het schavot.

Sommige bloedverwanten noemden dit „kleine ongeregeldheden.quot; Een liefhebbende zuster achtte hem meer ongelukkig dan slecht. Zoo scheen er ook het 17jarig meisje over te denken, dat zich bewegen liet, om zijn tweede vrouw te worden. Doch de omstandigheden, waaronder dit zonderlinge huwelijk,

167

ocr page 178

HOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ

gesloten in oen gevangenis, plaats liad, zijn zoo mysterieus, dat liet moeilijk valt over de beweegredenen een oordeel te vellen.

Wat de ware oorzaak ook geweest zij, vreeselijk boette het arme kind voor liaar lichtzinnigheid. Een leven vol van zorg en lijden werd haar deel. Zij werd mishandeld door de vijanden van den man, aan wien zij zich verbonden had en die haar loonde met de gemeenste lastering. 01' er eenige waarheid is geweest in de beschuldigingen, tegen haar ingebracht, weten wij niet. Maar zeker is het in elk geval, dat zij met onbezweken volharding, met stalen energie, volhield voor de belangen van de haren, den onwaardigen echtgenoot en haar kinderen, te waken en te kampen. Het bange leven droeg niettemin zijn noodlottige vrucht. Het lijden brak haar geestkracht niet, maar het verkilde en versteende haar hart.

Van dit ouderpaar was Franpoise de eenige dochter. Zij werd geboren in het kasteel van Niort, waar haar vader gevangen zat. De eerste levensjaren bracht zij bij een tante door, die goed voor haar was. Toen zij haar zevende jaar had bereikt, kwam zij bij hare ouders terug, en vertrok met hen naar Alartinique, waar haar vader een betrekking had gekregen. Liefde in de ouderlijke woning viel haar schaars ten deel. Zij wist in later jaren zich slechts twee keeren te herinneren, waarbij zij door haar moeder gekust was. Beide malen was het na lange afwezigheid en beide malen was het een simpele kus op liet voorhoofd, die de moeder aan haai- kind quot;af.

D

Met onverbiddelijke hardheid werd het meisje door de moeder opgevoed, die niet van haar schijnt gehouden te hebben. Met de broers moest zij de levens van Plutarchus lezen, en slechts over deze mocht zij met hen praten.^,7 „Niet dan bevende naderde ik haar, zei Franpoise laler. De geheele opvoeding kwam op één hoofdpunt neer; het opwekken en aankvveeken van vastheid van karakter. Het leven was een ramp, de men-schen waren schurken. Aan niets had ook een vrouw zoo zeer behoefte als aan fermiteit, om beide te leeren dragen.

168

ocr page 179

MADAME DE MA I NT E.N ON WERD.

Franpoise liad in veel opzichten het karakter der moeder. Zoo zij niet even hard en bitter is geworden, zij had het aan gelukkiger levensomstandigheden te danken. Maar nooit is de trek van koudheid in haar uitgewischt; slechts onderdrukt.

Na den dood van d'Aubigné keerde de weduwe met haar kinderen naar Frankrijk terug. Franpoise werd opnieuw opgenomen in de woning van Madame de Villette, die haar eerste jeugd had verzorgd. De vriendelijke vrouw trachtte het koude meisjesliart te verwarmen door liefde. Zij leerde haar liefde bewijzen aan anderen, aan armen, opdat zij ze zelve mocht gevoelen. Weer bloeiden de rozen op de wangen van het kind, als op haar pad; in de koesterende omgeving ontwikkelde zich het vrouwelijke in haar hart. Nooit heeft Madame de Maintenon de liefderijke opvoedster vergeten; op den sterfdag der edele vrouw, die haar liefde had geschonken en liefde geleerd, zonderde zij in later dagen zich in haar bidvertrek af, om voor haar ziel te bidden. Toen zij het geloof, waarin zij door haar was opgevoed, afzwoer, weigerde zij aan te nemen, dat Madame de Villette verdoemd zou zijn.

Want Madame de Villette was protestant en voedde Francoise als zoodanig op. Dit was een diepe ergernis voor haar katholieke verwanten. Zij wisten een bevel van de koningin, Anne van Oostenrijk, te verkrijgen, en Franfoise werd aan de goede tante ontnomen en ter opvoeding toevertrouwd aan Madame de Neuil-lant. Ter opvoeding, d. i. ter bekeering. Maar het ISjarig meisje bood tegenstand. Tot aanbeveling van het katholiek geloof strekte de vrouw niet, aan wie zij te gehoorzamen had. Madame de Neuillant was rijk, maar gierig. Zij schonk het arme kind niet meer dan het hoog noodige; schoenen waren een weelde, die op zon- en feestdagen of bij bezoeken haar ten deel viel. De overige dagen der week droeg Franpoise klompen en moest zij ineidenwerk verrichten; zij moest op de kalkoenen passen, opdat dezeh den tuin niet vernielden. De eenige zorg, die Madame de Neuillant had, was voor haar schoonheid. Als het meisje op

169

ocr page 180

HOE FR/VNCOISE D'AUBIGNÉ

klompen de kalkoenen lioedde, was liet gelaat met een lap bedekt, opdat de zon hel niet verbranden mocht.

Onbekeerd, werd zij aan haar moeder teruggezonden. Het verveelde Madame de Neuillant, belast te zijn met een kind, een bloedverwante zonder vermogen, en een kettersche. De kleine Hugenoote werd te Parijs in een nonnenklooster geplaatst, om gebroken te worden en bekeerd. Harde behandeling en bitse woorden vielen haar ten deel, zonder de kleindochter van d'Aubigné het hoofd te doen buigen. Uit die dagen is de bittere lijdenskreet, die in den brief aan Madame de Villette gehoord wordt:

„Madame et tante,

„Le ressouvenir des graces singulières qu'il vous a pleu faire tomber sur de pauvres petits abandonnós me fait tendre les mains devers vous el vous suplier d'employer voire crédit et vos soins ü me tirer de céans, la vie m'y élanl pire que mort. Ah! madame et lante, vous n'imaginez renfer que m'est ceste maison soy disant de Dieu, el les rudoiements, durlés et l'ajons cruelles de celles qu'on a fait gardiennes de mon corps, et de mon ame non, pource qu'elles n'y peuvent joindre. liivette vous dira lout au long mes angoisses el soufrances, estanl céans seule el unique a qui me lier. Vous suplie de reelief, madame el tante, de pendre en pitié la fille de voire frère et humble servanle.quot;

De aandoenlijke klacht bleef onverhoord; de protestantsche Madame de Villette had de macht niet, om ook deze verlatene le helpen. Van eiken steun beroofd, bukte Francoise eindelijk onder den harden dwang en zwoer het kettersch geloof van baar vaderen af.

Met haar moeder leefde zij sinds, eerst te Parijs, later te Niort voort. Met haar leed zij armoede. Fermiteit in het verdragen van de rampen des levens werd haar met onverbidde-

170

ocr page 181

MADAME Dli MA1NTEN0N WERD.

lijklieid ingeprent. In 1650 kwam er verandering in liaar lut. De dood nam de ongelukkige moeder weg.

Franfoise slond, 15 jaar oud, doodarm , alleen in de wereld. Zoo zij niet van gebrek wilde omkomen, moest zij blijde en dankbaar zijn, dat de gierige Madame de Neuillant haar onder haar dak wilde opnemen.

Dit waren de herinneringen van haar jeugd en van haar ouderlijk huis, die Madame de Maintenon met zirh sleepte. Zij verlieten haar nooit; zij doemden telkenmale in 't leven voor haar op. Verwondert het u, zoo gij haar koud, niet onbaatzuchtig vindt?

II

Aan de overzijde van Madame d'Aubigné's woning te Parijs, slond het huis van een zeer zonderling en merkwaardig man. Paul Scarron was in 1(350 hel erkende en gevierde hoofd van een eigenaardige richting in de literatuur, de burleske ge-heeten. Door tal van geschriften, proza zoowel als poezie, had hij ze in de mode gebracht. Voor een deel was reactie tegen de kunstmatigheid der precieuses grond van den bijval, dien hij vond: voor een ander deel geeft de onmiskenbare geeslig-heid zijner geschriften voldoende verklaring. Ziju wonderrijke verbeeldingskracht was de oauilpulbare bron, waaruit de dolste tegenstellingen en de vermakelijkste beelden opwelden. Zijn plastisch talent verdient erkenning en boeit ook thans den lezer nog, al zijn tal van aardigheden, ruw en plomp, in waarheid bas comique, voor ons volkomen ongenietbaar.

Zijn huis was het vereenigingspunt van mannen en vrouwen van eiken stand en rang, die op volkomen natuurlijke geestigheid prijs stelden en in hem hun onbetwistbaar hoofd en meester erkenden. Hier kwamen voor- en tegenstanders der regee-ring — wij zijn in 't midden der Fronde — dagelijks bijeen, om hun twisten te vergeten, to zamen te schertsen, te spotten en bovenal te genieten van die door niets te verstoren opge-

171

ocr page 182

HOE FRANQOISE D'AUBIGNÉ

wektheid, waarmede Paul Scarron den ernsl en de scherts van het leven in de meest vreemdsoortige vormen wist af te beelden.

Die man koesterde in deze jaren het plan om zich naar Martinique te verplaatsen. Ten einde inlichtingen te bekomen, had zich met Madame d'Aubigné in betrekking gesteld , die hem met Franpoise een en andermaal had bezocht. Bij een dier gelegenheden had liet jonge, schoone meisje door een kleinigheid zijn aandacht getrokken. Binnentredende, terwijl juist een uitgelezen kring uit den aanzienlijken stand, als zoo dikwerf, bij hem was gezeten, had zij zich over haar korte en armoedige kleeding geschaamd en was in tranen uitgebarsten. Scarron, ofschoon zelf alles behalve vermogend en voor een aanzienlijk deel van de ondersteuning zijner vrienden en begunstigers levende, had in zijn goedhartigheid en zijn medelijden met haar ongeluk en schoonheid, een som gelds haar aangeboden, maar het aanbod met lierheid zien afwijzen.

Eenigen tijd daarna, toen Franfoise met haar moeder te Niort woonde, had hij toevallig een brief van haar gelezen en daarin tot zijn verbazing zoo veel geest ontdekt, dat hij een briefwisseling met haar aanving.

Toen zij nu, te Parijs, bij Madame de Neuillant was teruggekomen, bezocht zij hem. Hij werd spoedig de vertrouwde, aan wien zij haar verdriet, haar ellendig leven bij de gierige vrouw klaagde. Scarron had innig met het schoone meisje te doen, en wilde haar dolgraag helpen. Veel kon hij niet, maar hij deed wat hij kon. Hij bood haar geld aan, om zich in een klooster in te koopen; of, zoo zij dit niet wilde, dan wilde hij haar trouwen.

Franijoise koos, wat gij vermoedt, het laatste: zij huwde hem.

Zonderlinger huwelijk is wel zelden gesloten; het was een zuivere mariage de raison. Alle illusie omtrent huwelijkspoëzie was uitgesloten. Wat een meisjeshart hooger doet kloppen — trots op den man, wien zij haar hand reikt, vriendelijke ver-

'172

ocr page 183

MADAME ÜE MAINTENON W'EllD.

waclitingen van een gelukkig, zonnig leven — liet werd alles hier gemist. Paul Scarron was sedert jaren een armzalig ver- ! lamde: toen hij huwde, kon hij alleen zijn oogen, zijn hand en zijn tong bewegen. Uit zijn bed werd hij in een leuningstoel gedragen, waarin hij niet zat, maar lag. De beenen lagen gevouwen onder het lichaam; het groote hoofd, in geen verhouding tot het korte lijf, rustte op de maag. Zijn figuur vormde, gelijk hij zelf reeds tien jaar vroeger had gezegd,69 de letter Z.

Zoo leefde deze man meer dan ^5 jaar, eu was al dien tijd een onweerstaanbare magneet voor allen, die geest en geestigheid op prijs stelden. Spotternij over de gebreken van anderen is zeer gewoon: maar zeldzaam, zoo niet eenig, geloof ik, is het voorbeeld van een man, die langer dan een kwart eeuw in die positie leed, zonder ooit zijn levendigheid, zijn hartelijkheid, zijn goedhartigheid, zijn goed humeur, zijn spot met eigen lijden te verliezen. Welk een geestkracht moet die zonderlinge man gehad hebben, die, naar verzekerd wordt, in den dagelijkschen omgang, het gewoon gesprek, nog opgewekter toon wist aan te slaan en te behouden, dan in zijn geschriften wordt aangetroffen!

De jonge vrouw, die, ter nauwernood de kinderschoenen ontwassen, den moed had, haar leven aan het zijne te verbinden, werd zeker door nijpende redenen tot haar stoutmoedig besluit geleid. Maar de kloekheid van de daad verliest er niet aan beteekenis door. Voor Franyoise d'Aubigné, voortaan Madame Scarron, werd het achtjarig huwelijksleven met dezen man een leerschool, zooals weinig vrouwen doorloopen. Deter dan eenige predicatie had kunnen doen, ondermijnde het voorbeeld van den steeds opgeruimden lijder de lessen, die zij van baar ongelukkige moeder had ontvangen. Lijden behoefde en behoorde niet te verbitteren en versteenen, dat zag zij dagelijks voor oogen. Steeds opgewekt, steeds goedhartig, bewees bij, de 4ü-jarige verlamde, aan zijn jong, schoon vrouwtje van

-17r3

ocr page 184

JIOE PIUNCOISE D'AUBIGNÉ

17 jaar een teederheid, die te aandoenlijker was, als men op liet rampzalige lichaam lette.

I Met groote trouw paste Francoise hem op en zorgde zij voor /zijn belangen. Zij hielp hem met zijn boeken, schreel' voor hem, gaf hem goeden raad, en hield de eer van zijn huis op. In zijn dagelijkschen omgang' leerde zij veel van hem: o. a. vreemde talen. Maar bovenal leerde zij hier, wat men conver-I seeren noemt. In de dagelijksche aanraking' met mannen en vrouwen van allerlei stand, wier eenige vereenigingsband hun geestvolle gesprekken, hun smaak en liefde in het causeeren was, ontwikkelde zich in haar dal merkwaardig' talent van conversatie, dat een der voornaamste geheimen van haar zeldzaam levenslot is geweest. Toen in 1GGO Lodewijk XIV niet de Spaansche Prinses was gehuwd en zijn intrede in Parijs deed, prees .Madame Scarron, die het jonge vorstelijke paar op de Place du Tróne zag, de koninklijke bruid gelukkig. Weinig kon zij vermoeden, toen zij naar haar armen verlamde wederkeerde, dat zij bestemd was om de opvolgster van Maria Theresia aan de zijde van dien schoonen man te zijn. Zonder Scarron ware Francoise d'Au-bigné geen Madame de Maintenon geworden.

In de eerste maanden van haar huwelijk had zij veel te strijden met den ruwen, lossen toon, die in de woning van haar echtgenoot heerschte. Thans kwam de moederlijke fierheid en de moederlijke strengheid haar te stade. Met vriendelijk beleid onderdrukte zij de dubbelzinnige aardigheden, die men zich aanvankelijk veroorloofde. Scarron gaf het voorbeeld van verandering van toon, en zijn gasten volgden. Niemand dacht er aan om zich eenige gemeenzaamheid, zelfs in woorden, met haar te veroorloven. „Wij zouden het eer tegen de koningin, dan tegenover haai' hebben gedaan,quot; zeide een hunner. Als vroeger over de kalkoenen, heerschte zij thans over de aanzienlijke mannen en vrouwen, die Scarron bezochten, en weerhield hen op verboden terrein te komen. De galanterie dier dagen kende geen hof maken aan een jonge vrouw zonder liefdesver-

Mb

ocr page 185

MADAMË 1JË MAl.NTENON' WERD.

klaringen; maar haar kalme en rustige wijze van schertsende beantwoording liet liet opkomen van wezenlijke gemeenzaamheid niet toe. Sorbière, die in 1670 stierf, dus voordat de weduwe van Scarron de gunstelinge van den koning was geworden , en voordat politieke tegenstanders en persoonlijke vijanden haar naam bezoedelden, schrijft omtrent deze jaren.; „L'histoire du mariage de M. Scarron ne seroit pas le plus sombre endroit de sa vie. Cette cello personne de l'age de seize ans qu'il se choisit pour se récréer la vue et pour s'entretenir avej; elle en l'esait le principal ornement. L'indisposition de son mari, mais surtout la beauté, la jeunesse, l'esprit galant de cette dame n'ont fait aucun tort a sa vertu: et quoique les personnes qui souj^'oient pour elle lussent des plus riches du royaume et de la plus haute qualité, elle a mérité l'estime de tout le monde par la régularité de sa conduite: et on lui doit cette justice qu'elle s'est piquée d'une belle amitié conjugale sans en pratiquer les principales actions.quot; 70

Zij presideerde, als vrouw des huizes, de tafel waaraan nooit gasten ontbraken. Maar op vastendagen at en dronk zij niet mede, doch gebruikte alleen haar haring in aller tegenwoordigheid. Niemand waagde een aanmerking.

Franyoise Scarron had haar moeders hoogheid en vastheid van karakter: maar, minder door het lot vervolgd, openbaarde het zich in aangenamer vormen. Zij wist door waardigheid te imponeeren, terwijl zij door vriendelijke, vroolijke causerie aan zich hechtte. Talloozen maakten haar het hol', maar niemand kon zich beroemen op eenige gunst. Die zelfbeheersching in eene jonge, schoone vrouw, in haar positie zoo dubbel waardeerbaar, viel haar gemakkelijk. Zij deed zonder strijd, wat anderen bijkans onmogelijk scheen. De hardheid van haar jeugd had haar karakter meer mannelijk dan vrouwelijk gemaakt. Zij verachtte overheerschende passien , gelijk zinnelijkheid, als zwakheden, die haar onwaardig waren. In den kring van Scarron leerde zij zoo verschillende karakters kennen en ontleden, dat

ocr page 186

hoe PlUNCOlSÉ d'aubigné

zij schijn eu wezen wist le onderscheiden. Zij ininuchlte den man, orndaL zij zich kraciitiger dan de meeste mannen gevoelde. Uit de jaren van haar huwelijk met Lodevvijk XIV zijn merkwaardige confessien over, die echter niet geschikt ter mede-\ deeling zijn. „Een onberispelijk gedrag is de grootste handigheid sprak zij in later jaren. Wij treffen de uitdrukking zelve nog wel niet aan, maar de gedachte beheerscht haar reeds geheel in deze periode. Een enkele misstap aan de zijde van Scarron kon haar in de ellende van vroeger jaren terugstorten. Zij rilde, als zij aan dat verleden dacht. Haar deugd moest haar een toekomst verzekeren.

t Acht jaar leefde zij met den ongelnkkigen dichter, die tot het einde zijn opgeruimdheid behield, liet was een eigenaardig leven, dat voor een vrouw, arm aan zinnelijke behoeften, zijn bekoorlijkheid niet kon missen. De dagelijksche omgang met een opgewekt en geestig man, hoe door lijden misvormd ook. het verkeer met een aantal personen van hoogen stand, die elkander hier ontmoetten, moesten ontwikkelend en verzoenend werken op een jonge vrouw, wier jeugd zoo rijk aan ellende was geweest. Scarron was niet vermogend, maar leefde toch op goeden, zelfs te rijkelijken voet. Hij had een pensioen van koningin Anna van Oostenrijk, wier vergunning hij gevraagd en bekomen had, „d'etre son malade en titre d'olfice.quot; Nevens dezen waren er andere vermogenden van hoogen stand, zelfs bui-tenlandsche vorsten 71, wier ondersteuning hij door opdrachten enz. verkreeg. Scarron — zegt zijn biograai' — „n'était men-diant que de la manière dont le sont la plupart des poëtes, dont la destinée est presque toujours d'etre rassasiés de gloire et affamés d'argent.quot; Toen hij in 10(30 stierf, liet hij zijn vrouw ontbloot van alle vermogen na. Het was het eenige verdriet, zei hij in zijn laatste dagen, dat hij had. Voor 't overige behield hij zijn goed humeur en zijn opgeruimdheid tot het einde. „Gij zult nooit zooveel om mij weenen, als ik u heb doen lachen,quot; troostte hij de weenende bloedverwanten, die hem omgaven.

ocr page 187

MADAME DE MAINTENON WERD.

Uren lang werd liij door hik gemarteld. „Wat zal ik een satire op dien hik schrijven, als ik weer beter word!quot; Maar hij schreef zijn satire niet: want hij werd niet meer beter. In October 1000 sliep hij in.

Ill

De weduwe van den burlesken dichter bleef in behoeftige omstandigheden achter. Weinig kon zij voorzien, dat zij het tijdperk, hetwelk zich thans voor haar opende, eens den rus-tigsten tijd baars levens zou noemen.

De charmante ongelukkige was algemeen in beklag. De vrienden vnn Scarron bleven haar getrouw. Door zijn dood was het jaargeld, dat Anna van Oostenrijk had geschonken, vervallen. Men vestigde de opmerkzaamheid der vorstin op de jonge, schoone weduwe, die zonder eenig vermogen achterbleef. Hare Majesteit kon geen grooter weldaad doen, dan door haar het jaargeld, vroeger door Scarron bezeten, te schenken. Men verhaalt, dat op de vraag van de koningin, hoeveel het bedroeg, een der vrienden van Francoise Scarron den moed had te antwoorden: 2000 livres, ofschoon het slechts 500 livres had bedragen. Hoe dit zij — de koningin voldeed aan het verzoek.

Francoise Scarron was innig verheugd. Voor de eerste maal

»» O ö

in haar leven was zij zonder zorgen. De woningen der aanzienlijken, die Scarron hadden bezocht, openden zich voor zijne schoone weduwe, die aller achting genoot. Bij den maarschalk d'Albret en den hertog de Richelieu was zij een dagelijksche gast.

Met uitnemendo^tact nam Madame Scarron haar plaats in de hoogere kringen in, die zich voor haar hadden geopend. Al de zorg en toewijding, die zij aan de zijde van den armen verlamde geleerd had, paste zij thans toe om een breede rij van vrienden aan zich te hechten; Zij bezat dat hoog te waardeeren talent van zich eenigermate onmisbaar te maken overal waar zij binnentrad. Niemand, die sneller, zonder onbescheidenheid,

II 12

177

ocr page 188

HOE FRANgOISE D'AüBIGNÉ

thuis wn? in de eigenanrdigheid van ieder gezin; een vriendelijke linlp, die met een blij gezicht diensten bewijst, een zieke vriendin oppast, kinderen bezighoudt zonder moe te worden, het huishouden van een ander bestuurt, zonder het dienstpersoneel in oproer te brengen. Door zulke diensten van huishou-delijken aard, deels natuur, deels berekening — zij zelve hechtte aan die dingen hooge waarde — won zij jongen en ouden voor zich. Zonder haar kon de maréchale d'Albret niet meer naar de komedie gaan; de jonge vrouw legde aan de goedhartige, maar niet zeer snuggere dame uit, wat zij zag en zien moest. Ieder was verrast en ingenomen door de gratieuse attentiën , die zij voor allen had. Zij boeide en trok aan, en hield tevens op een afstand. ,.Je l'ai cent Ibisquot; — zeide de intendant Bas-ville — „ramenée dans ma carosse des hotels d'Albret et de Richelieu dans la rue Saint-Jacques oü elle demeuroit. .I'étais pénétré pour elle du mème respect que j'aurois eu pour la reine: son regard seul en inspirait et nous étions tous surpris qu'on put allier tant de vertus, de pauvreté et de charmes.quot; Zich zelve altijd meester, genoot zij van al de voordeelen, die haar geest, haar talent van opgewekt keuvelen, haar gelijkmatigheid van humeur en de waardigheid van haar houding-haar verschaften. Men gevoelde, dat haar verstand meer sprak dan haar hart; maar de keurigheid van haar taal, de ongedwongen vroolijkheid en de volkomen rust van haar wezen wierpen over de schoonheid van de ruim 27jarige zulk een vriendelijken glans, dat men geneigd scheen haar koelheid bijkans als een deugd te beschouwen.

In deze kringen bleef men het voorbeeld, dooi' het Hotel de Hambouillet gegeven, in sommige opzichten getrouw. Als in het schitterend middenpunt der précieuses, waren ook hier gezelschapsspelen, jeux d'esprit, lectuur enz., gewone vermaken. Dank zij de dagelijksche oefening in den omgang met Scarron, schitterde zijn schoone weduwe door haar frisch vernuft en leven-digen geest. Bij een der spelen, om een enkel voorbeeld te

178

ocr page 189

MADAME DE M.UNTRNON WERD.

geven, werd door het lot ieder der aanwezigen bij een betrekking , een bloem of iets anders vergeleken , waarop hij of zij dan dadelijk eenige verzen moest improviseeren. Madame Scar-ron, overigens zonder dichtergave, trok bij een dier gelogen-heden de gevnngenbe waar ster en toekende nu zich zelve op deze wijze;

't Is waar, gevangenen bewaken Is een verdrietelijke taak Men moet door trols en hardheid vaak Zijn rnedemensoh wanhopend maken:

En dat valt juist niet in mijn smaak.

Maar zij, die mijne boeien dragen.

Zij hebben geenszins recht tot klagen,

Zij dragen zelf de schuld: niet ik.

Ik boei, doch zonder 't te verlangen,

Ik spande voor hun hart geen strik;

Zij zeiven gaven zich gevangen.

Maar zoo ik, zonder 't zelf te weten ,

Hun boei of band heb aangelegd,

— 't Zij zonder grootspraak hier gezegd —

Niet een verbrak nog ooit zijn keten.

Het portret is merkwaardig om het speelsche zelfvertrouwen en den overmoed, die er uit spreekt, maar tevens om de gelijkenis.

Madame de Maintenon, in later dagen op deze terugziende, zeide, dat zij van kindsaf geen hooger streven had gekend, dan om door iedereen bewonderd en bemind te worden. „Ik had geen behoefte om door één enkele, wie het ook ware, in 't bijzonder bemind te worden, ik wilde het van iedereen zijn. Ik wilde de goedkeuring van brave menschen hebben. Eer en een goede naam gingen mij boven alles. Daar was niets, wrat ik niet in staal was om te doen, zoo ik er den naam van een krachtige vrouw door winnen kon. Toen ik de koningin kwam bedanken voor het jaargeld, hoorde ik een hofdame zeggen; „als de koningin dit pensioen wilde geven aan de mooiste oogen en do coquetste vrouw van Frankrijk, dan had zij niet beter

179

ocr page 190

MOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ

kunnen kiezen.quot;— „Ik gevoelde mij diep gekwetst en vernederd. Jaren later had die hofdame mijn hulp noodig en ik schonk ze haar gretig. Waarom? Omdat ik tooncn wilde, dat ik vergeven kon; niet uit deugd, maar uit hoogmoed, uit smaak in hetgeen zwaar valt, om een mooie daad te doen.quot;

De zelfkarakteristiek is volkomen juist. Tal van feiten bewijzen het. Zij deed zich eens opsluiten bij een zieke, die de pokken had. Zij kende haar niet, maar deed het alleen uit lust om iets te doen, dat niemand deed.

Een andermaal nam zij een nieuw geneesmiddel in, dat de medische faculteit voor vergif hield, en vertelde het toen op den onverschilligsten toon der wereld, opdat men zeggen zou: ,,Zie die mooie vrouw eens; zij heeft meer moed dan een man!quot;

Van een karakter, dat met zoo groote koelheid en nuchterheid zich zelf wist te ontleden, was het niet te verwachten, dat het bij voortduring met zijn eigen bestaan bevredigd zou zijn. Toen dit leven van spel en geestigheid eenige jaren geduurd had, begon het haar te vervelen, liet was haar te ledig. Haar koel en scherp verstand deed haar inzien, dat haar vermaken te ijdel waren om haar ernst te vragen, te nietig, om haar steeds bezig te houden. Zij besloot haar leven te veranderen, te verbeteren, en devote te worden.

Een der scherpste opmerkers der I7de eeuw, Saint Evre-mond, heeft de devotie aldus beschreven: „wereldsche dames, die zich aan God geven, geven hem gewoonlijk slechts een nutteloos gemoed, dat bezigheid zoekt; eigenlijk is haar devotie een nieuwe passie; het hart, dat zich inbeeldt berouwhebbend te zijn, doet niets dan een nieuw voorwerp voor hare liefde zoeken.quot; Madame Scarron werd meer door zucht naar veiligheid, dan door zondebewustzijn gedreven.

Naar de gewoonte des tijds nam zij een directeur van haar devotie aan. Het was een oud kapitein van de kavalerie, die priester geworden was. In zijn nieuwe betrekking bleef de abt

180

ocr page 191

MADAME DE MAINTENON WERD.

Gobelin de militaire tucht, getrouw. Hij leidde zijn biechtkind in nadruk op den engen weg. Eén proeve. Haar toilet was eenvoudig, maar elegant; hij keurde het zeer af. „liet zijn maar eenvoudige stofjes,quot; pruilde de sohoone devote. — „Ja, dat weet ik wel (was het antwoord), maar als gij knielt, dan zie ik een breede sleep goed op den grond vallen, dat veel te gratieus en te modieus is: dat moest minder zijn.quot; Hij eischte zelfs van haar, dal zij zich in gezelschappen vervelend zou voordoen, in plaats van te behagen. Het prikkelde haar trots, dat men zoo groote opofferingen van haai' eischte: met minder zou zij niet tevreden zijn geweest; geringer eischen hadden haar beleedigd en daarom hield zij vol.

Gelukkig had er kort daarna een verandering in haar leven plaats, die het haar ten zoeten plicht maakte, uit devotie we-reldsche vormen niet geheel te veronachtzamen.

IV

In het Hotel van den maarschalk d'Albret had Madame Scar-ron een van diens bloedverwanten, de Montespan en zijn jonge vrouw leeren kennen. Met de laatste was zij zeer intiem geworden. Madame de Montespan was een jonge, speelsche vrouw, die ieder door hare luimen opvroolijkte. De koningin, wier dame du palais zij was, liet haar gewoonlijk in de kamer, als zij liet avondbezoek van Lodewijk XIV ontving. De koning onderhield zich veel met haar, daar zij veel amusanter was dan zijn vrouw, zonder dat dit een geruimen tijd achterdocht verwekte; trouwens, Lodewijk was in die jaren aan La Vallière gekluisterd. In 1667 echter viel het de jonge vrouw op, dat de koning meer werk van haar maakte. Zij zeide het haar echtgenoot en verzocht, dat hij haar aan het hof zou onttrekken. Maar de onvoorzichtige man, misschien gevleid, misschien voor het provincieleven terugschrikkende, weigerde. Madame de Montespan, ann eigen kracht overgelaten, kon geen weerstand bieden aan

181

ocr page 192

HOE FRANQOISE D'AÜBIGNÉ

den oiivveerstaanbaren verleider. In IGüü sclionk zij het leven aan een zoon.

Voor de verzorging van dit kind werd naar een beschaafde en discrete verpleegster uitgezien. Madame de Montespan herinnerde zich Franroise Scarron en liet haai' het voorstel doen. Franfoise Scarron antwoordde: „Indien de koning zelf het mij vraagt, zal ik het doen.quot;

Lodevvijk XIV verzocht of liever beval het haai-, en Madame Scarron nam dezen eersteling en een tweetal, dat volgde, onder hare hoede.

Het is geheel onnoodig, naar de beweegredenen van haar toestemming lang te zoeken. Zij genoot een jaargeld des konings, en kon dus niet weigeren, zoo zij dit niet missen wilde. De koning beloofde zijn erkentelijkheid haar te zullen bewijzen. De herinnering aan de geleden armoede en het uitzicht op finan-tieele onafhankelijkheid in de toekomst werkten samen, om haar de zonderlinge eer, gelijk zij het noemde, te doen aannemen. Een eer, dat was buiten twijfel, mocht het heeten. Een minis-tersvrouvv 73 had de twee kinderen van La Vallière verzomd,

o 1

en ieder had liet eene onderscheiding geacht. Daarbij schonk de taak aan Madame Scarron bezigheid. De leegheid van haar leven werd aangevuld door een plicht, die haar opgelegd werd. Eigenbelang, gestreeld eergevoel en religieus plichtbesef ver-eenigden zich in de aangenaamste harmonie.

In de eerste twee jaar (1669—1672) bepaalde zich haar taak tot toezien. De kinderen waren uitbesteed. Madame Scarron reed eiken morgen, soms des nachts naar de verschillende woningen, om te zien en te zorgen voor het noodige. Dan keerde zij naar haar eigen huis terug, orn haar gewone gezelschappen te bezoeken. Lastig was de geheimhouding, die alles omgaf. Zij moest zich inspannen om niets te laten merken, en slaagde daarin zoo goed, dat Madame de Sevigné haar omgang, juist in deze jaren, delicieux noemde. Toch kon het niet anders, of er werd iets gegist. Toespelingen of indiscrete vragen moest zij beant-

ocr page 193

MADAME DE MAINTENON WEIID.

woorden. Dan kreeg zij een vreeselijlve kleur. Om dit te voorkomen, liet zij zich aderlaten.

In '1072 kocht Madame de Montespan een ruime woning . Rue Vaugirard, Faubourg St. Germain. Daar vestigde zich toen Frangoise Scarron met de kinderen bij zich.

Dit nieuwe leven was afmattender dan het vorige. Zij had de kinderen — ieder jaar kwam er een bij — den geheelen dag-om zich en was hun eenigste verzorgster en verpleegster. Madame de Montespan kwam wel eens kijken, maar bekommerde zich niet veel om haar kroost. Met de grootste trouw wijdde Madame Scarron zich aan haar plicht.

De vorm van liefde, die zich in beschermen en oppassen van het zwakke en teere openbaart, kwam juist met haar karakter overeen, llooge en heerschzuchtige karakters zijn dikwijls uiterst lief en zacht voor kinderen, bij wie van geen gelijkstelling sprake kan zijn. Zij geven slechts en behoeven niet dankbaar te zijn voor ontvangen weldaden. Madame Scarron betoonde in de trouwe verzorging dei-koninklijke kinderen al wat er goeds en hartelijks in haar was.

Aan niemand moest dit scherper in 't oog springen, dan aan den koning. Hij bezocht herhaaldelijk de stille, afgelegen woning in de Flue Vaugirard. In den beginne was hij weinig met haar ingenomen; hij beschouwde haar als een precieuse. Maar naarmate hij haar ontmoette en meer waarnam en haar trouwe zorg opmerkte, begon hij haar hooger te schatten. Men zegt, dat hij haar eens aantrof, met één kind slapende op haar schoot, een tweede spelende op den arm, een derde, dat do koorts had, rustende tegen den schouder. De koele en gereserveerde houding, die zij tegen hem aannam, pikeerde hem; hij, zelf zoo grenzenloos trotsch, was juist de man om hooghartigheid te waardeeren. „Zij weet waarlijk lief te hebbenquot;, — zei hij in 4672, als ware het een belangrijke ontdekking voor hem; en hij voegde er een woord bij, dat een keerpunt in zijn gezindheid jegens haar aantoont: — ,,het moet een genot zijn , door haai' bemind te worden.quot;

'183

ocr page 194

HOE FRANCOISE D'AUDIGNÉ

Uio waardeering- des konings was een Lijdlang' het eenige, wal liaai' betrekking haar opleverde. Pas drie jaar later werd haar jaargeld van 2UÜÜ livres op (3(J00 gebracht. Wel weiden haar aanbevelingen door de ministers, na 1071, zorgvuldig in het oog gehouden, maar zij baatten meer anderen dan haar zelve. Haar broeder, een kort begrip van 's vaders ondeugden, een bon vivant, eigenlijk voor niets deugende, dankte er linantieele voordeelen en militaire kommandementen aan. 71 llaar brieven aan dezen broeder bewijzen, welk een beslisten invloed de souvenirs van haar jeugd op haar hadden. Telkens herinnert zij hem aan die hittere jaren van vroeger, en belooft zij hem, dat haar goed fortuin ook hem voortdurend ten goede zal komen. Zij zal alles doen, wat zij kan, om hem te be voordeelen; hij zeil' moet een goed huwelijk doen. Als een echt praktische vrouw, hecht zij minder aan titels, eer en onderscheiding, maar zorgt voornamelijk voor de vermeerdering van zijn geldelijk vermogen.

liet duurde lang, voordat zij zelve linantieele voordeelen vun eenige beteekenis ontving. Maai', getrouw aan haar stelregel, dat een onberispelijk gedrag de grootste handigheid is, ging zij voort de gunst des konings door haar trouwe moederzorg tc verdienen. Zonder gehechtheid echter aan de kinderen ware de toewijding, waarvan zij een voorbeeld gal', eene onmogelijkheid geweest. Zij leefde in de grootste afzondering, bezocht niemand en ontving niemand. „Madame Scarron komt niet meer te voorschijn; geen sterveling heeft eenigen omgang met haar,quot; schreef eene van haar bekenden in dezen tijd.

Natuurlijk, dat die afgezonderde levenswijze, zoo zeer in strijd met de vroegere, tot veel gissingen en praatjes aanlei-ding gaf. Vooral toen de koning, die meer van zijn kinderen hield dan Madame de Montespan en ze herhaaldelijk in de Rue Vaugirard opzocht, blijkbaar meer en meer zich door haar aangetrokken gevoelde. „Wij hebben eindelijk Madame Scarron teruggevondenquot; — schrijft Madame de Coulanges aan Madame

184

ocr page 195

MADAME UK MA1NTEN0N WERD.

de Sévigné — „dat wil zeggen, wij weten, waar zij is; want omgang met haar te hebben, is niet gemakkelijk. Er is bij een van haar vriendinnen iemand, die haar zoo beminnelijk vindt en haar gezelschap zoo op prijs stelt, dat hij haar afwezigheid moeilijk verdragen kan.quot;

In liet laatst van 107o hield dat afgezonderde en afmattende leven op. In December erkende Lodewijk bij parlementsakte de drie oudste kinderen van de Montespan voor de zijne. De koningin moest hen ontvangen. Madame de Maintenon vestigde zich als gouvernante van de kinderen des konings aan het hol te Versailles. tysu?

V

De vestiging van Madame Scarron aan het hof had hare lichtzijde, maar ook, gelijk zij zelve opmerkt, een breede sclia-duwzijde. De openlijke erkenning van haar positie was aangenaam, maar de veranderde verhouding tol Madame de Montespan niet evenzoo.

Zij behoorde, in de oogen van liet groot publiek, tot het gevolg van de erkende maitresse des konings. Al beschouwde zij Madame de Montespan voortdurend als haar vriendin, daarom keurde zij haar betrekking tot den koning niet goed. Zij vreesde — met hoeveel recht, heeft het oordeel van het nageslacht bewezen -- dat men haar van laakbare medeplichtigheid zou verdenken. Dit streed tegen haar vrouwelijken trots en haar reli-gieuse overtuiging.

In haar eigen oogen was haar plaats een andere. Zij was opvoedster van de kinderen des konings, en niet de ondergeschikte van Madame de Montespan. In 1075 schrijft Madame de Sévigné aan haai' dochter over de verhouding van de Montespan en de Maintenon: ,,cette belle amitié est une véritable aversion depuis prés de deux ans; c'est une aigreur, c'est une antipathie, c'est du blanc, c'est du noir: vous demandez d'oü

185

ocr page 196

HOE FRANCOISE D'AUÜIGNÉ

vicnl celu? C'csl quo l'amie (do Maintenon) esl d'un orgueil qui lu rend revoltée contre les ordres de l'autre. Elle n'aime pas a obéir: elle veut bien ètre au pére, mais non pas a la mère: elle lui rend comple et non pas a elle.quot;

liij een dergelijke zelfstandigheid of hoogmoed — men noeme het zoo men wil — kon de verhouding niet dan gespannen worden. Te meer, omdat de dagelijksche omgang der oude vriendinnen de vriendschappelijke gevoelens ondermijnde. Madame de Montespan was een geestige vrouw, maar bijtend, spotziek en luimig als een groot kind. Nu eens behandelde zij haar als een dienstbare, dan als een teere hartsvriendin. Het duurde niet lang of dagelijks kwamen er kibbelarijen voor, die, eens aangevangen, niet ophielden, maar toenamen. Aan aanleiding ontbrak het niet; nu eens was het de opvoeding dei-kinderen, die tot geschillen aanleiding gaf; dan een beleefdheid des konings, die jaloezie wakker riep. De maitresse geloofde, dat de gouvernante den koning zocht te winnen, om haar opvolgster te worden. Toen eens die achterdocht was ontwaakt, was liet onmogelijk in de oude verhouding terug te keeren. De scènes vermeerderden, afgewisseld door verzoeningen en nieuwe twisten. De koning, die er herhaaldelijk getuige van was en steeds poogde vrede te stichten, had al zijn beleid noodig, om die twee vrouwen in vrede te houden. Maar de gouvernante won het langzamerhand van de maitresse. Haar rustig gezond verstand en de gelijkmatigheid van haar humeur ondermijnden langzaam, maar zeker, den invloed der speelsche wispelturige, die bang was voor de groote, zwarte oogen der statige gouvernante.

Madame Scarron dacht er dikwijls aan, om het hof te verlaten. Maar er waren redenen, die het haar beletten. In den aanvang waren het fmantiëele bezwaren. Nog altijd bleven voor haar alle finantiëele voordeden achter. Eindelijk, in het laatst van '1(574-, schonk Lodewijk XIV haar, tweemaal achtereen, telken male lüü.üüü francs. Zij kocht er een landgoed voor.

ocr page 197

MADAME DE MALNTENON WERD.

MairiLonon_gelieeten, welks inkomsten haar onariiankelijk maakten. Kort daarna noemde Lodewijk haar eons, lachende, Madame de Mainlenon. Zij kreeg een kleur, maar droeg van dat oogenblik dien naam, aan het hof en in de historie. Sinds kon zij er niet meer aan denken, om te vertrekken. Lodewijk zou het haar niet vergund hebben.

liet hofleven had voor haar zeer weinig aantrekkelijks. In later jaren verhaalde zij, dat zij nooit zou gebleven zijn, indien haar biechtvader en anderen, die haar raadden, haar niet hadden voorgehouden dat zij niet vertrekken mocht. De waarheid dezer voorstelling blijkt uit haar briefwisseling met den abl Gobelin. Enkele proeven kunnen het staven. In Maart 1G74 schrijft zij hem: „Je ne sais point combien je serai ici: je suis résolue, puisque vous l'avez voulu, de me laisser conduire comme un enfant, de lacher d'acquérir une profonde indifference pour tous les lieux et pour les genres de vie auxquels on me destine, de me détacher de tout ce qui trouble mon repos, et de clier-clier Dicu dans tout ce que je ferai. — — Vous vous souvien-drez, s'il vous plait, que vous voulez que je demeure a la cour, et que je la quitterai dès que vous me le conseillerez.quot; En gelijk nu, in Maart 1074, is hel in al de volgende jaren dezer periode. Zij smacht naar vrijheid, acht haar zieleheil bedreigd door 't verblijf aan het zondige hof, maar gehoorzaamt aan hetgeen zij haar plicht acht. „Les jours se passent dans un escla-vage qui empêche de faire ce qu'on voudroit; je suis toujours assez triste, et les choses prennent un air qui ne me convient pas. Je n'ai pas assez de pouvoir sur moi pour n'en point souftrir, mais je veux bien souffrir: et c'est quelques progrès que j'ai faits d'avoir óté l'impatience et de n'avoir plus que la doulcurquot;. 75 Zij wenscht zich niet terug le trekken, om in een klooster le gaan; daarvoor is zij te oud; maar zij verlangt naar een rustig leven, waarin zij, ongestoord door wereldsche beslommeringen. God dienen kan , en niet ter wille van de wereld allerlei zaken moet doen, diehaar of onverschillig zijn of tegenstaan. De kinde-

187

ocr page 198

not; niANcuisK d'auuigné

ren, die zij verzorgt, zijn haar lief, ul te lief. Zij noemt Let zelf dwaas, zicii zoo sterk te hechten aan kinderen van anderen. Doch ook deze gehechtheid maakt haar positie in eigen oog te moeielijker, en de verhouding te valscher. Uit de droefgeestigheid, waarin haar dit leven brengt, tracht zij zich op te heffen door het scheppen van allerlei luchtkasteeleu. Zij spiegelt zich een levenswijze voor, zooals zij die wenscht. Projet de la conduite que je voudrois tenir si j'étais hors de la cour, heet een opstel, dat zij weinige maanden na haar komst aan 't hof schrijft. De geest, dien het ademt, blijkt voldoende uit een enkel voorschrift: „ne voir jamais personne la veille des grandes fètes, ni Ia veille, ni le jour des communions: ne manquer jamais aux dévotions particulières de certains temps; ètre habillée modestement et ne porter jamais ni or ni argent: donner la dixième partie de mon revenu aux pauvres.quot; Maar dit heerlijk, rustig leven wordt haar niet vergund, en zij onderwerpt zich, als een oprechte devote voegt. „Tout est mêlé ici bas pour nous porter a désirer ce qui seul sera bon.quot; Voor dat doel is niets te moeielijk of te zwaar om te dragen. „II est impossible que je soutienne longtemps Ia vie que je mène; je prends trop sur moi pour que Ie corps ou l'esprit n'y suc-coinbe pas, et peut-ètre tons les deux; il en arrivera ce qu'il plaira a Dieu et quand il en ordonnera. Je lui offre souvent mes souffrances bien ou mal fondées, et si sa volonté m'etoit connue, je Ie suivrois dans ce qu'il y a de plus opposé a mon humeur.quot; 70

Waartoe al deze opoffering? Waarom moest zij blijven?

Madame de Maintenon behoorde lot de moreele conspiratie, die Lodewijk XIV uit de banden van de Montespan zocht los te wikkelen en de onzedelijkheid van het Hof te doen eindigen. Wat de biechtvader haar voorhield, was geheel in overeenstemming met de denkbeelden van Bossuet en Bourdaloue. Madame de Maintenon moest blijven uit devotie. Zij had een ^roeping hier te vervullen. Zij was hel uilverkoren werktuig, om den zwakken

188

ocr page 199

MADAME DE MAINTENON WERD.

Lodewijk uil de slavernij der ziimeiijkheid Le verlossen, en de betrekking van hem tot, Madame Montespan te doen ophouden. Daartoe moest zij haar invloed op beiden aanwenden en versterken.

Madame de Maintenon onderwierp zich aan die stemmen, die als stemmen Gods haar in de ooren klonken. Zij verloochende eigen lust en wil, om voor den wille Gods te buigen. Zij bleef en gehoorzaamde.

Allerzonderlingst was diensvolgens de rol, die zij jaren achtereen vervulde. Madame de Montespan, hoe luimig en jaloersch ook, luisterde in haar kalme oogenblikken gaarne en veel naar haar. Zij was op hare wijze zeer vroom; bij uitstek weldadig en nauwlettend op haar kerkelijke plichten. ,,Omdat ik één kwaad doe, behoef ik toch niet in alle zonden le vervallen,quot; zei het naïeve kind aan eene, die er zich over verwonderde. Zij vond, dat de gouvernante volkomen gelijk had, maar zij kon van Lodewijk niet scheiden. Dat zou haar dood zijn.

Ook den koning wees de gouvernante, maar voorzichtiger, soms met een enkel woord, op hel onzedelijke hunner levenswijze. Hij vond, dat zij volkomen gelijk had, maar wat was er aan te doen? Hij hield le veel van het speelsche kind. Madamede Maintenon werd de vertrouwde der geliefden, die zij zocht le bewegen, om vrijwillig te scheiden. Als hij over'lboos humeur van haar le klagen had, kwam hij zijn hart bij de gouvernante uitstorten.

Zoo leefde Madame de Maintenon een zevental jaren aan het hof als gouvernante van de koninklijke kinderen. Met ieder jaar nam haar invloed toe, die hare verwanten en vrienden zeer ten goede kwam, zonder dal zij slaagde haar hoofddoel le bereiken. Maar zij volhardde, als de waterdroppel, die den sleen doorboort. De hofgeschiedenis dier jaren is rijk aan menig looneel, dat de breuk tusschen Lodewijk en zijn mailresse scheen te bewijzen. Herhaaldelijk verlrok Madame de Montespan, maar telkenmale om teruggeroepen te worden. Even rumoerig en luid snikkend als zij afscheid genomen hadden, keerden zij

ocr page 200

HOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ

tot elkander weder. iNiettemin werd door de herhaalde scheidingen de band langzamerhand iets losser, vooral toen andere schoonen van liet hof aan den machtigen ivoning minder veeleischend bleken, dan de schitterende gunstelinge. Voor Madame de Maintenon, die wel haar invloed zag stijgen, maar haar doel steeds verre verwijderd, waren het maanden en jaren van onrustige spanning. Zij wankelde en weifelde tusschen haar wensch om het bof te verlaten en de vrees, om verkeerd te bandelen. Dat in-tusscben de gehechtheid aan wat zij de wereld noemde , grooter was, dan zij misschien zich zelve wilde bekennen, blijkt uit velerlei uitdrukkingen. „Je meurs d'envie d'en sortir: mais je voudrois n'y ètre point brouillée; cela est diflicile a accommodei* et je passe ma vie dans des troubles qui m'ótent tons les plaisirs du monde, et la paix qu'il faudroit pour servir Dieuquot; (7 September 1077).

In 1680 trad de Dauphin van Frankrijk met een Beijersche prinses in 't huwelijk. Om Madame de Maintenon, wier taak bij de kinderen bijkans was afgeloopen, voortdurend aan het bof te verbinden, benoemde Lodewijk XIV haar tot tweede hofdame «. der jonge Daupbine. De acte van aanstelling is van 8 Januari 1080. Niets teekent de koelheid, de onverschilligheid van Madame de Maintenon voor de hooge onderscheiding, die haar ten deel viel, scherper dan de brief, dien zij op dienzelfden achtsten Januari aan haar biechtvader schreef. Geen enkel woord van blijdschap of zegepraal komt er in voor. Zij geeft rekenschap van baar leven en ontleedt zich zelve, in religieus opzicht, met een kalmte, die geen twijfel aan de oprechtheid toelaat. „Mes journées sont présentement assez reglées et fort solitaires: je prie Dieu un moment en me levaut; je vais a deux messes les jours d'obligation et a une les jours ouvriers: je dis mon office tons les jours, et je lis un chapitre de quelque bon livre; je prie Dieu en me couchant, et quand je m'éveille la nuit, je dis un Laud ate on un Gloria Patri. Je pense souvent a Dieu dans la journée, je lui offre mes actions: je Ie prie de m'óter d'ici, si je n'y fais mon salut, et du reste, je ne con-

-190

ocr page 201

MADAME DE MAINTENON WERD.

nois point mes pèchés. J'ai uno morale el de bonnes inclinalions qui font que je ne fais guère de mal: j'ai un désir de plaire et d'etre aimée qui me met sur mes gardes contra mes passions: ainsi ce ne sont presque jamais des faits que je puis me reprocher, mais des motifs très-humains, une grande vanité, beaucoup de légèreté et de dissipation, une grande liberté dans mes pensées et dans mes jugements et une contrainte dans mes paroles qui n'est fondée que sur la prudence humaine. Voila a peu prés mon état: ordonnez le remède que vous y croirez le plus propre. Je ne puis vraisemblablement envisager bientót une retraite: il faut done travailler ici a mon salut: contribuez-y, je vous supplie, autant que vous le pourrez, et comme c'est le plus essentiel de tous les services, comptez aussi sur la plus entière reconnoissance.quot; 77

VI

Scherper tegenstelling van karakter en ontwikkeling, dan tusschen Lodewljk en Maria Theresia was moeilijk denkbaar.

De gezonde, levenslustige, krachtige, overmoedige, vurige koning was gekluisterd aan eene schoonheid, die alles miste, wat boeien kon. Haar teederheid was kwijnend, haar liefde angstvallig. Zij vereerde haar echtgenoot, maar zij beefde altijd in zijn tegenwoordigheid. Omdat zij nauwelijks tegen hem durfde te praten, had zij graag, dat er een derde bij was; dat hij die als facheux troisième zou beschouwen, begreep zij niet. Geheel beheërscht door een dommen biechtvader, over wien ook Madame de Maintenon de schouders ophaalde, had zij gemoedsbezwaren tegen plechtigheden en feesten, die tot het gewone hofleven behoorden. Maria Theresia had Lodewijk van zich weggejaagd door haar vervelende onbeduidendheid en domme piëteit. Zij wist noch vrouw noch koningin te zijn.

Ter wille van die vrouw Lodewijk tot het verlaten zijner schitterende en geestige maitresse te bewegen en hem tot haar

101

ocr page 202

HOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ

terug le voeren, kon, vooral nadat zoo vele jaren van vruchteloos pogen waren voorbijgegaan, een bijkans liopeloos streven worden geacht. Zoo het niettemin bereikt werd, was het aan een samenwerking van verschillende oorzaken te danken. Wat Rossuel en Bourdaloue en allen, die een einde aan Lode-wijk's onzedelijk leven eischten, zochten te verkrijgen, werd gemakkelijker dan te voren gemaakt door den leeftijd des ko-nings, die hem als van zelve tot meer ernst gestemd deed zijn, en den invloed, dien Madame de Maintenon op zijn gemoed bij toeneming uitoefende.

De veranderde positie aan het hof kwam haar daarbij zeer te stade. Zij stond thans, zelfs in schijn, niet meer onder Madame de Montespan, maar nam, als behoorende tot het gevolg van de aanstaande koningin, een zelfstandige plaats in. Juist door haai' betrekking kwam zij met Lodewijk, die de jonge Dauphine veel bezocht, in voortdurende aanraking. En door die dagelijksche gesprekken geraakte hij meer en meer onder haar invloed. Hij leerde door haar iets kennen, wat, gelijk .Madame de Sevigné zeide, hij nooit te voren had aangetroffen: het genot van een gezellige en vriendschappelijke conversatie. Dat was iets fonkelnieuws voor hem, en juist wat hij behoefde. Lodewijk was 44 jaar; de prikkel der zinnelijkheid sprak niet meer zoo sterk, dat hij ongevoelig voor andere aandoeningen was. Maar zijn levendige geest had behoefte aan bezigheid. Madame de Maintenon hield hem bezig met gezellig causeeren. Hij zat met haar te praten, te keuvelen over ernstige en niet ernstige zaken , over de dingen van den dag, over volken en vorsten, over Frankrijk en Europa. Met de Montespan kon hij ook praten: 1'esprit de Montémart, dien zij in hooge mate bezat, was spotachtig en bijtend geestig; zij hield bezig, maar zij verkwikte niet. Madame de Maintenon was vroolijk, kon ook lachen, maar het was goedhartiger: haar lach wondde niet, deed niet pijnlijk aan, wekte geen mededoogen met de getroffenen op. Haar helder gezond verstand, haar gelijkmatigheid van humeur, haar dis-

192

ocr page 203

MADAME DE MAIMTENON WERK.

cretie in hooren en zwijgen, haar ingetogenheid en waardigheid van woord en houding boezemde hem ontzag in, terwijl zij hem gelijktijdig aantrok. Bij deze vrouw geen luimen, geen klachten, geen eindelooze jacht op gunsten, maar rustige, blijmoedige bereidwilligheid om, met volkomen onderdrukking van eigen lust en neiging, zich tot praten met hem neer te zetten. Lodewijk muntte van nature door een keurigheid en waardig-lieid van uitdrukking uit, die, niet minder dan het vorstelijke van zijn houding, hem het groot persoonlijk overwicht verschafte, waarvan alle tijdgenooten gewagen. Hier vond hij een vrouw, die in netheid, eenvoud en keurigheid van uitdrukking met hem wedijverde, maar daaraan een vriendelijke bevalligheid paarde, die ieder woord dubbel aangenaam maakte. Bij haar voelde zich Lodewijk op zijn gemak en bevredigd, zooals nergens elders. Deze gezellige omgang met een beschaafde en ontwikkelde vrouw, die onder den invloed van haar levensomstandigheden een gezondheid van oordeel had verworven, als de speelsche bloemen aan het hof niet bezaten, strekte meer dan iets anders om Lodewijk langzamerhand van de oude banden afkeerig te doen worden. ,,üe gunst van den koning jegens .Madame de Maintenon vermeerdert bij den dag,quot; berichtte Madame de Sevigné aan haar dochter. „Hij zit uren met haar te praten. Hij komt dikwijls om 6 uur bij haar en blijft tot 10 uur. Zij zitten dan ieder in een leuningstoel. Soms komt de Dauphine en maakt een korte visite. Als zij weg is, hervatten zij het gesprek, waar het afgebroken is. Zij leert hem een nieuwe wereld kennen: den omgang van vrienden met elkander en het genot van eene conversatie, die volkomen vrij en na-tuurlijk en zonder chicanes is. Hij is geheel door haar ingenomen.quot;

Tevergeefs deden de vrienden van Madame de Montespan moeite, om hem aan dezen nieuwen invloed te onttrekken. Na weinige maanden was de heerschappij der maitressen geëindigd; zij bleven aan quot;t hof, maar hij bezocht ze weinig meer. Mail quot; 13

198

ocr page 204

HOÉ l'HANCOISE b'AUBIGNK

dame de Maintenon was, zooals de hovelingen spotLen, Madame de Maintenant; iederen avond werd zij om 8 uur door een der koninklijke kamerdienaren, volstrekt niet in 't geheim, maar in tegenwoordigheid als 't ware van ieder, die het zien wilde, naar zijn vertrekken geleid. Van 8—10 uur zaten zij te praten. Alles boog voor haar, de ministers en de hovelingen. „Zij is de ziel van 't hot',quot; schreef madame de Sevigné.

Met uitnemende zelfbeheersching waakte Madame de Maintenon zorgvuldig tegen alles, wat van hare zijde storend op de koninklijke gunst kon werken. Zij viel hem niet lastig met haar verzoeken. Aan haar broeder, die nooit tevreden was, schreef zij: „Bedenk eens, hoe arm wij het vroeger hadden en hoe wij het nu hebben. Gij hebt nu een ruim inkomen, uw schulden zijn afbetaald: gij kunt liet leven genieten, zonder nieuwe te maken, wat wilt ge meer?quot;

In haar eigen oogen was liet vooral plichtbesef, dat haar deed handelen; zij moest Lodewijk bekeeren. Dit hielden haar hare geestelijke vaders en zij zich zelve voor, en zij geloofde ook, dat het haar hoogste en eenige drijfveer was. Men oordeele hierover, zooals men wil; maar erkend moet worden, dat zij een nuchterheid en gezondheid van oordeel, onbedwelmd door het succes van het oogenblik, ten toon spreidde, die zelden bij bekee-ringslustige vrouwen wordt aangetroffen. Zij viel hem niet lastig met hare predikatiën, zij schreef hem geen betere gevoelens voor, maar wekte ze in hem op. Zoo gelukte het haar, Lodewijk tot de koningin teruy te voeren. Hij bracht avonden hij zijn vrouw door, poogde haar te amuseeren, en had attentiön voor haar, waaraan zij nooit gewend was geweest. Maria The-resia gevoelde zich dankbaar jegens de nieuwe gunstelinge. „De koning heeft mij nooit met zooveel teederheid behandeld, dan sinds hij naar haar luistert,quot; zeide zij.

Gedurende drie jaar duurde dit leven, zonder gewichtige veranderingen, voort. Voortdurend zocht Lodewijk voor alle beslommeringen, voor elke verveling in haar gezelschap vergoeding.

ocr page 205

MADAME l)K M.VINfICNON WERD.

Bij al /.ijne reizen behoorde zij tot zijn gevolg. Te Versailles, dnl na 1082 de ware residentie was. bracht hij al zijn vrije uren met haar door. Aan eiken anderen omgang moest Madame de Maintenon zich onttrekken. Op het toppunt van de hoogste gunst leefde.zij teruggetrokken, en zag slechts weinigen buiten den hofkring. Korte bezoeken te Maintenon en reizen in 't gevolg des konings waren de eenige stoornissen. „Alles gaat hier nis gewoonlijkquot; — schreef zij in het voorjaar van 1082 haar broeder — „ik ben zeer gelukkig.quot;

liet was voor het eerst van haar leven, dat zij dit uitsprak.

In den zomer van 1683 onderging dat rustige leven een ernstigen schok. Maria Theresia werd ziek en stierf (30 Juli) na eene ongesteldheid van drie dagen. ,,I)at is het eerste verdriet, dat zij mij heeft aangedaan,quot; riep Lodewijk uit.

Madame de Maintenon had bij het sterfbed gestaan. Toen alles voorbij was, wilde zij naar haar eigen appartementen gaan. De hertog de la Rochefoucault nam haar bij den arm en richtte haar stap naar den koning: „het is nu de tijd niet om hem te verlaten, hij heeft meer dan ooit behoefte aan u.quot;

Als de dienaar, oordeelde de meester.

Eenige maanden later — begin 1084 — zegende de aartsbisschop van Parijs, in een particulier bidvertrek te Versailles, liet, huwelijk van Lodewijk XIV en van de weduwe Scarron in.

„Ne m'oubliez pas devant Dieuquot; — had zij weinige weken vroeger aan haar biechtvader geschreven — „car j'ai grand be-soin de forces pour faire un bon usage de mon honheur.quot;

VII

Is die bede verhoord'?

Het zou wel zeer te verwonderen zijn, indien de traditie waarheid behelsde. Want volgens de gewone overlevering heeft Franfoise d'Aubigné hel doel van haar streven bereikt op een

495

ocr page 206

HOK KKANCOISE D'AUBIGNÉ

weg van oneerlijkheid eu oneerbaarheid, die wei liet allerminst kansen zelfs op wereldschen zegen geeft.

Laat ik, om die traditie en haar ontstaan toe te lichten, een enkel woord hier bijvoegen. Een korte bladzijde uit liet zoo rijke hoofdstuk der literarische bedriegerijen is voldoende.

Tot de literateurs van het midden der vorige eeuw, die nu bijna volkomen vergeten zijn en ook niets meer verdienen, behoort een zekere Angliviel de la Beaumelle. Hij is een der vele personen, die met Voltaire twist hebben gehad; hij dankt daaraan, dat sommigen hem nog kennen78. Om carrière te maken, was hij de wereld ingegaan. Üp zijn omdolingen kwam bij in Denemarken, waar hij den koning wist te bewegen, om hem tot professor in de Fransche taal en letterkunde aan de universiteit van Koppenhagen aan te stellen. In deze betrekking vatte hij het plan op, om in het noorden een uitgave van de Fransche klassieken te geven, die hem èn roem èn geld zou bezorgen. Hij d eed daartoe een reis naar Parijs, en bracht bij die gelegenheid o. a. een bezoek bij Louis Racine. Deze, de eenige zoon van den beroemden dichter, was een groot verzamelaar van zeldzame boeken en handschriften, en toonde ze gaarne aan zijn bezoekers. Al pratende liet hij nu een boekdeel zien, waarin hij, liacine, een aantal eigenhandige brieven van Madame de Main tenon had afgeschreven. Onze Deensche professor zag onmiddellijk in, welk een partij hij er van trekken kon. Hij bestormde Racine met allerlei voorslagen, stelde hem een gemeenschappelijke uitgave voor, enz. llij bad en smeekte zoo lang, dat Racine eindelijk hem het boek ter uitgave afstond, onder voorwaarde, dat hij allerlei zeldzame werken en curiosa uit het noorden hem zou toezenden. La Beaumelle vertrok en Louis Racine zag hem noch zijn handschrift ooit weer.

In 1752 werden te Frankfort, ofschoon de titel Nancy aanwees, drie kleine deeltjes gedrukt. Het eerste bevatte den aanvang van een leven van Madame de Maintenon; de twee andere bevatten hare brieven. Dit. was als 't. ware het, eerste onl-

190

ocr page 207

MADAME DE MAINTENON WERD.

werp, de eerste schets vun den uitgebreider arbeid, dien La Beaumelle in 1755 te Amsterdam het licht deed zien. De biografie was toen uitgedijd tot breedvoerige Mémoires pour servir a 1'his to ire de madame de Main ten on. De kleine verzameling brieven, slechts twee deeltjes bevattende in 1752, waren tot acht deelen geworden, en bevatten meer dan •2500 brieven. Het zijn deze boeken, die den grondslag vormen van de traditioneele voorstelling aangaande Madame de Mainte-non. „Gent ans se sont écoulésquot; — schreef Walkenaer in zijn Mémoires sur Madame de Sevigné -- „depuis que Voltaire et La Beaumelle ont écrit sur le siècle de Louis XIV: et Ton trouve dans les ouvrages des deux auteurs relatifs a madame de Maintenon des laits qui se heurtent, des jugements inconci-liables qui les mettent en contradiction l'un avec l'autre. Les écrivains qui depuis ont tracé des histoires ou des notices sur ia vie de Francoise d'Aubigné ont rarement manqné l'occasion de se plaindre de ia légèreté de Voltaire: mais ils témoignent un mépris complet pour i'ouvrage de La Beaumelle et s'abstien-nent de le citer, ou ne le citent que fort rarement. Je suis néanmoins en mesure d'affirmer qu'on ne trouve chez aucun d'eux un seul fait, un seul détail de faits, une seule apprécia-tion favorable ou défavorable, une seule vérité, une seule erreur, qui ne soit dans La Beaumelle.quot;

Het is te begrijpen. Ook al ware de historische kritiek ouder van jaren dan zij is, zij staat niet ieder ten dienste. Dat het groote publiek dupe van La Beaumelle's uitgaven werd, wekt geen verwondering, als men bedenkt dat mannen, door scherpzinnigheid en kennis in staat het bedrog te ontdekken en te ontmaskeren, het nalieten.

Toen de eerste uitgave verscheen, had Voltaire eenigen tijd te voren zijn Siècle de Louis XIV uitgegeven. De brieven van Madame de Maintenon boezemden hem groot belang in^ omdat hij vreesde, dat zij zijn voorstelling logenstraffen zouden. Toen dit niet het geval bleek, was hij tevreden: al deed zijn

1!J7

ocr page 208

UOE FRANC01SE D'AUBKiNÉ

wrok legen La Beaumelle, mei wien liij in liolligen twisl was, liein grolig gelool' slaan aan al de ongunstige geruchlen, die over de wijze, waarop deze aan de brieven was gekomen , de ronde deden. De persoon van Madame de Mainlenon inleresseerde Vollaire weinig; hij vermoedde wel, dal La Beaumelle eenige brieven had vervalschl en eenige andere verdichl: maar bel kon hem niel scbelen. De Mémoires, die er aanspraak op maaklen zijn eigen werk te verduisteren, noemde hij „un las d'impudences el de mensongesmaar de brieven lieten hem koud. llij was tevreden, dat zijne teekening van haar karakter niet door de stukken gelogenstraft werd.

Eenigszins anders was het met Louis Racine gelegen. Deze bad zell's geen exemplaar ontvangen en verkreeg het door een zijner bekenden in Holland. Nieuwsgierig zette hij zich aan bel lezen en stond verbaasd. De bundel, dien hij aan La Beaumelle bad overgegeven, was wonderbaarlijk uitgedijd. De uitgave (van 1752) bevatte oneindig meer brieven dan hij, Racine, bad ge-bad. Zorgvuldig vergeleek bij die uitgave met de copiün, die bij zelf bezat, en met de manuscripten, die aan de Dames de St. Gyr toebehoorden. En wat bleek nu? Van de 2(JÜ brieven, die La Beaumelle mededeelde, waren er maar 163 echt, en deze waren nog verminkt, toegetakeld, veranderd, zoodal vele geheel onherkenbaar waren. Van de 135 die overbleven, waren er zestig die hem geheel onbekend en zeer verdacht voorkwamen. Twinlig van dezejf behoorden tol de jeugd van Madame de Mainlenon, en schenen verzonnen; vijl' en zeventig waren stellig geheel verdicht, en daaronder behoorden er 05, alle gericht aan twee personages de lantaisie, die met de geheimzinnige loiters S. G. en d. F. werden aangeduid. Louis Racine, verloren in vrome overpeinzingen, was dc man niel om aan een literarischen strijd te denken, llij stelde zich tevreden zijn eigen exemplaar mei allerlei kanlteekeningen te verrijken. „Inconnue, fausse, vraie,quot; leekende hij ter zijde aan. Hol exemplaar, met deze belangrijke aanleekeningen, is bewaard

l'JS

ocr page 209

MADAME UK MAINTENON WERD.

nebleven en berusl — beruslle Leu minste in 1805 — in de boekerij van den hertog de Noailles. Toen in '175ö de tweede, veel vermeerderde, druk der Lettres te Amsterdam verscheen, had Louis Racine nog minder dan vroeger lust, om openlijk La Beaumelle aan de kaak te stellen. Zijn eenige zoon was kort te voren gestorven. De bedroefde vader trok zich geheel uit de wereld terug, verkocht zijn bibliotheek en al zijn curiosa, en leefde voortaan niet meer dan om den dood af te wachten, die hem in 1763 verloste.

Door dezen samenloop van omstandigheden bleven de uitgaven van La Beaumelle leven, zonder dat de vervalsching van den uitgever werd aangewezen. Wel ontdekten Walckenaer en Monmerqué, twee geschiedschrijvers, die zich met de literarische historie der 17(1lt;; eeuw bezig hielden, genoeg, om de volkomen onvertrouwbaarheid van liet werk van den falsaris uit te spreken, maar zij slaagden er niet in, de schrifturen zelve van Madame de Maintenon te vinden.

Ruim dertig jaar geleden was eindelijk een professeur de geographic aan de militaire school te St. Cyr gelukkiger. Theo-phile Sebastien Lavallée, die vele aardrijkskundige geschriften had uitgegeven, werd door zijn betrekking tot St. Cyr er toe geleid, den oorsprong der stichting na te gaan. Hij ontdekte, waar de papieren van Madame de Maintenon waren gebleven. Als eerste proeve van zijne ontdekkingen gaf hij in 1853 eene Histoi r e de la m aiso n royale de Saint Cyr in het licht, die de aandacht op zijn onderzoekingen vestigde en het aanvangspunt van geheel nieuwe beschouwingen werd. Door Guizot werd hij in betrekking gebracht met den hertog de Noailles, die niet alleen een aantal onuitgegeven brieven bezat, maar ook in het bezit was van vele der uitgegevene, en daarvan gebruik maakte bij de bewerking van een uitgebreid leven der beroemde vrouw Het was een boek, dat, op zeer breede schaal aangelegd , van groote bekendheid met het tijdperk van Lodewijk XIV getuigenis aflegde, maar minder van het. kritisch talent des

199

ocr page 210

UOli FRANCOISE ü'AUUlGNÉ

schrijvers, die ondanks dc pupieren in zijn bezit de uitgaven van La JJeaunielle gebruikte, als waren zij in eenig opzicht vertrouwbaar. Een kritisch onderzoek en zorgvuldige schifting was noodig. Die taak heell Theophile Lavallée op zich genomen. De resultaten van zijn onderzoek legde hij in verschillende uitgaven van de werken van Madame de Maintenon neder. De kroon op deze alle moest de Gorrespondance générale zetten, waarvan het eerste deel in I8ü5 verscheen. Lavallée's arbeid is niet vrij van gebreken. Door de splitsing in rubrieken, die al-zonderlijk hel licht zagen, is hij gedwongen telken male uit de reeds verschenen bundels brieven in de volgende deelen opnieuw op te nemen. Overmaat van nauwgezetheid doet hem ook aan de valsche brieven van La Ueaumelle een plaats verleenen, wat de eenheid breekt en de lectuur lastig en vermoeiend maakt. Doch dit neemt de verdienste van zijn arbeid niet weg. Hem komt de eer toe, het eerst de literarische bedriegerijen van La Beaumelle haarlijn aangetoond, en daardoor den weg gebaand te hebben tot een juister kennis van de vrouw, op wier nagedachtenis dooi' de handelwijze van den literarischen kwakzalver zooveel onverdiend slijk was geworpen liquot;.

Van de Coj'respondance générale verschenen in een paar jaar drie deelen, die, welke bezwaren men ook had tegen de wel wat al te breede metbode van Lavallée, erkend werden van veel scherpzinniglieid in het ontdekken der gepleegde ver-valschingen en strenge nauwgezetheid in het opsporen der waarheid getuigenis al' te leggen. Des te sterker was in literarische kringen de indruk, toen het verschijnen van het vierde deel een kritiek uitlokte, die vernietigend scheen voor den zoo gewaardeerden arbeid. Paul Grimblot, wiens maatschappelijke betrekking mij onbekend is, zond een beoordeeling van dit laatste deel in 't licht, waarin hij Lavallée, die inmiddels was overleden, beschuldigde zich te hebben laten misleiden door valsche auto-graphen en deze, zij het ook te goeder trouw, hier als echt uit te geven. De zaak was deze. In 1854, in de voorrede voor

ocr page 211

MADAME DE MAliNTENON WERD.

de Lettres sur l'éducation des Ti lies liad Lavallée zijn leedwezen uitgesproken, dal hij de oorspronkelijke correspondentie van Madame de Maintenon en den kardinaal de Noailles nog niet had kunnen vinden. Thans, in 1866, maakte hij in het vierde deel een aanvang met de uitgaaf der briefwisseling, gevonden en hem medegedeeld door den hertog de Cambacérès. „Gij hebt u laten misleiden,quot; riep Grimblot hem toe. ,,De stukken , die gij mededeelt, kunnen geen autographen zijn. Uwe klacht in 185-4 heeft den een ol anderen falsaris verlokt, om wat gij zocht voor u te vervaardigen. Gij zijt van zijn bedrog dupe geworden.quot;

Wanneer men denkt aan den literarischen strijd, in die jaren tusschen Duitsche en Fransche geleerden over de echtheid van vele brieven van Maria Antoinette gevoerd 81, is het te begrijpen, dat de aanval van Grimblot sensatie maakte. Te meer omdat hij een reeks van bewijzen, voor een klein deel ontleend aan den inhoud, doch ineerendeels aan de dagteekening, aanvoerde, om zijn stelling te bewijzen.

Lavallée was dood. De taak, om den aanval te weerleggen ol' de juistheid te erkennen, moest door een ander worden opgenomen. Een bekend criticus op historisch terrein, A. Geoffroy, inniï de bezwaren van Grimblot na. Ürn de zaak uit te maken,

ö O

onderzocht hij de handschriften, die Lavallée zeide gebruikt te hebben. En nu bleek liet, dal er aan de echtlieid der aangevallen correspondentie, in het bezit van den hertog de Cambacérès, niet te twijfelen viel. Lavallée had alleen — en dit was zijn hoofdfout — waarschijnlijk door overhaasting het laatste deel minder nauwkeurig bewerkt dan de vorige en zich laten verleiden, om op de brieven, ineerendeels zonder dagteekening, data te stellen. Hij had daardoor de kritiek de wapenen tegen zich zelf in handen gegeven. Doch deze misslag, vermoedelijk het gevolg van den minder gunstigen staat van zijn gezondheid, verminderde de waarde van den vroegeren arbeid niet. liet laatste deel mocht in dit en andere opzichten te wenschen over-

quot;2öl

ocr page 212

HOE FUANCOISli d'AUIIIGNÉ

iulcii, liet vroeger geleverde stelt ons in stuut. eindelijk de eerste levensperiode van Madame de Maintenon naar waarheid te leeren kennen

Uit al deze kritische onderzoekingen is thans ten duidelijkste gebleken, hoe gewetenloos de Deensche professor is te werk gegaan, llij heeft de brieven, die hij van Racine had ontvangen, veranderd en gewijzigd naar zijn willekeur. Sommige heeft hij in tweeën, andere in drieën geknipt, er een kop en staart bijgevoegd, en zoo de verzameling vermeerderd. Waar zij hem niet geestig genoeg voorkwamen, heeft hij er geest ingeblazen. Eeu aantal pikante gezegden, tot dusver op naam van .Madame de Maintenon geplaatst, behooren aan den eigenlijken vader. La Beaumelle, te worden uitgekeerd. Doch dergelijke kunstmiddelen — het veranderen van brieven enz. — behoeft hij eigenlijk niet; zij zijn voor hem wel wat klein en nietig. Want als hij geen brieven bad, die hij uitrekken, inkrimpen of verdubbelen kon, maakte hij ze zelf. Verhalen, in mémoires voorkomende, anecdotes, opgeraapt uit eiken hoek, mits ze maar pikant waren, heeft hij tot den tekst gemaakt van een aantal brieven, uitgegeven op den naam van Madame de Maintenon. llij kent genoeg namen van hovelingen en hofdames, aan wie hij de brieven adresseeren kan. Als hel hem verveelt altijd met dezelfde personen om te gaan, laat hij haar brieven schrijven aan personen, die hij (in den eersten druk) slechts met letters aanduidt. Later vult hij de namen in; zonder er zich om te bekommeren, dat het personen zijn, die aan het hof zelve ver-keeren, en dus de verhalen, die hij aan Madame de Maintenon in den mond legt, even zoo goed weten als zij. In één woord: La Beaumelle is een der brutaalste literarische artisten, die hun tijd en vlijt voor dergelijke schelmerijen hebben overgehad.

liet oordeel, op deze uitgave rustende, kon niet anders dan ongunstig zijn. Voltaire teekende Madame de Maintenon, na de lectuur der brieven, aldus: „Alle hofdevoten zijn als zij. Onwetendheid, zwakheid, valschheid , ambitie, listige streken, missen,

ocr page 213

MADAME DE MA1NTEN0N WERD.

preeken, minruuijen, intrigues en cabalen — dit alles is aan een Esthei' eigeïi. Maar Estlier-Maintenon sclirijll goed, en ik vind liet prettig haar zich te zien vervelen als koningin. Ik geel' zonder twijfel aan Ninon de rEnclos de voorkeur; maar Madame de Maintenon is ook wat waard.quot; Dit bitse oordeel was niet te hard. Want de Madame de Maintenon der valsclie brieven is eene intrigueerende devote, die walging wekt. Eene enkele proeve om te doen zien, hoe lasterlijk de gewetenloosheid van den vervalscher is geweest.

Op het jaar '108Ü, toen zij hol'dame bij de Dauphine was, dicht hij haar een tiental brieven toe, waarin zij als een ge-nieene courtisane haar netten spant. Die correspondentie, van het begin tol liet einde valsch, gaat op dezen toon: „il n'y a que Dieu qui saclie la vérité. ... 11 me donne les plus belles espérances, mais je suis trop vieille pour y compter. Si Madame de Montespan était. ... II y a longteinps que, dit-elle, elle ne s'est pas laissé aller a cette loiblesse, ce n'est pourtant pas ici qu'on peut se faire une time forte. ... Je Ie renvoie toujours affligé el jamais désespéré.quot;

Voor dergelijke eerlooze verdichtselen kan een beroep op den literarischen smaak des tijds, die in bet schrijven van valsclie mémoires en brieven geen kwaad zag, niet tot verontschuldiging dienen. De man, die er zich aan schuldig maakte, is erger dan een kwakzalver: hij is slecht geweest

Op deze correspondentie rust grootendeels de ongunstige re-pulatie van Madame de Maintenon. Zij heeft geloof doen slaan aan de beschuldigingen van anderen, inzonderheid van Saint-Simon en van de hertogin van Orleans. Geen van beiden verdient blindelings geloofd te worden. Beiden hadden hun persoonlijke antipathie. Saint-Simon, geboren in 1075, verscheen pas aan het hof in itilM. Wat hij van vroeger jaren vertelt, heeft Inj van anderen. Madame de Maintenon had te veel politieke vijanden, dan dat de jonge Saint-Simon niet veel kwaads zou vernemen. Bovendien, zij was de opvoedster en beschermster

ocr page 214

huk FRANCOlSli d'AUIJIUNÉ

vyn haar pleegkind, den hertog de Maine: al gold zell's geen andere reden, deze daud was zwaar genoeg voor den hoog-moedigen due et pair, om hem elk kwaad verzinsel te doen gelooven 83. En wat Madame betreft — zij huwde den hertog van Orleans pas in 1G71 en wist dus van het vroeger leven aan het hof niet meer, dan hetgeen anderen haar zeiden. De heftige vrouw, welke tegen Madame de Maintenon de zwaarste grief had, die de ééne vrouw tegen een andere kan gevoelen, heeft te veel kwaad van te velen gesproken, dan dat zij aanspraak mag maken om boven anderen geloofd te worden. De getuigenissen van Madame de Sévigné worden niet dooi' de schimpende taal weerlegd van Madame, die in haar woorden, als dikwerf in haar daden, aan de blindste drift botvierde. De l'alt-zische prinses, voor wie zelfbeheersching een volkomen vreemde deugd was, was zeker de meest onbevoegde beoordeelaarster van eene, die slechts door zelfbeheersching en devote toewijding aan hetgeen haar jaren lang als plicht was voorgehouden, de hooge plaats had verworven, die zij na 1683 innam.

Er is intusschen eene zeer natuurlijke oorzaak, waarom de beschuldigingen zoo gemakkelijk geloof hebben gevonden. De vrouw van Scarron heeft moeten boeten voor hetgeen Madame de Maintenon aan de zijde van Lodewijk XIV is geweest. De valsche positie, waarin zij jaren lang als opvoedster van 's konings onechte kinderen heeft verkeerd, deed al wat kwaadwilligheid goed vond te haren laste uit te strooien, lichtelijk aannemen. Historische zin, die in staat stelt om zich te verplaatsen in toestanden, aan onze zeden vreemd, vereischt veel historische kennis. En deze is geen gemeengoed dei' groote menigte.

De regeering van Lodewijk XIV heeft èn in Europa èn in Frankrijk een te ongunstige herinnering nagelaten, dan dat niet alles, wat er mede in betrekking stond, in de impopulariteit zou deelen. De koning, die door de intrekking van het Edict van Nantes zijn land van een schat van intelligentie, hooge ze-

-2U4

ocr page 215

MADAMK UK MAINTENON WKR1». 405

delijke kracht en matei'iöele leveiiselemenlen beroofde; die door zijn persoonlijke eerzucht, oin Europa te willen beheerschcn, Frankrijk in den grond boorde en aan den rand van den ondergang bracht; de absolute koning, die de waardigheid van zijn kroon onderwierp aan de dienstbaarheid van een kerk, en in zijn katholieke bekrompenheid geen staatseenheid zonder ge-loofseenheid zich denken kon, heeft Frankrijk te ongelukkig gemaakt, dan dat de veroordeeling der nakomelingschap niet tevens allen treft, die bij dat noodlottige werk zijn werktuigen en geestverwanten waren.

o -

En in dit opzicht is er geen grond tot twijfel. Madame de Maintenon is aan de zijde van Lodewijk XIV volkomen dezelfde geweest, die zij vroeger was. De vrouw, die van de eerste linantieele voordeelen, welke haar ten deele vielen, onmiddellijk gebruik maakte om een vaste mis voor de ziel van Scarron in te stellen, heeft haar invloed op den allerchristelijksten koning voortdurend aangewend, om hem in de richting te leiden, die zij de ware dacht. Aan den oprechten ernst van haar overtuiging, hoe men deze ook beoordeele, is geen enkele billijke grond van twijfel. Haar vroegere toewijding aan den koning was hoofdzakelijk de vrucht van devotie: het middel, om hem te bekeeren. In zeker opzicht was haar huwelijk slechts een voortzetting daarvan. Geheel verkeerd zou men daaruit afleiden, dat het slechts een daad van religieuse berekening was: dat zij Lodewijk niet lief kan gehad hebben. Dat een vrouw, die bij de vijftig is, niet de teederheid van een twintigjarige heeft, spreekt vrij wel van zelf en is volkomen natuurlijk, ook al had die vijftigjarige niet de koelheid van Madame de Maintenon. Maar al haar brieven bewijzen, dat zij, voor zoo ver haar natuur het haar vergunde, hem lief had. En toch is hef volkomen duidelijk, dat ook in haar eigen oogen haar echt een daad van religieuse opoffering was, een plicht, dien zij volbracht ter wille van zijn zieleheil. Haar groote begeerte naar een loven in volkomen rust en kalmte spreekt zij niet alleen telkens uit, maar

ocr page 216

HOK FHA.NCOISK D'AUBIGNÉ

verraadt zij ook door haar voortdurende bezoeken aan St. Cyr, waar zij van den hofdwang, de vermoeidheid van het afmattende hofleven, zich voor uren of dagen kwam verpoozen. Niettemin is het geoorloofd aan te nemen, dat andere opofferingen haar meer strijd en pijn hebben gekost.

De Jupiter van Versailles, die door schoonheid, persoonlijke beminnelijkheid en oorlogsroem op de middaghoogte des levens niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen het ideaal van Koninklijke Majesteit verwezenlijkte, stond, ondanks en met zijne afdwalingen, te hoog boven haar, dan dat de aanraking met zijn scepter haar niet van trots en dankbaarheid deed trillen, liet beeld van Esther had haar te lang voor de oogen gestaan, dan dat Ahasveros niet een deel van haar genegenheid had verworven. Bovendien — zorg voor het zieleheil is, naar de dage-lijksche ervaring leert, een voortreffelijke geleider van den vonk der liefde naar het ontvlambare vrouwenhart.

Het zou gemakkelijk vallen uil haar brieven een reeks van plaatsen aan te voeren, die deze teekening rechtvaardigen. De breede bespreking zou ons te ver voeren. Doch een enkel bewijsstuk wil ik leveren. Het is haar gebed, zooals het in de handschriften van de Dames de St. Cyr is bewaard 8r'. Daarin spreekt zich haar opvatting van de hooge plaats, die ze innam, op duidelijke wijze uit:

„Seigneur, mon Dieu, vous m'avez mis dans la place oü je suis, je veux adorer toute ma vie l'ordre de votre providence sur moi, et je m'y soumets sans aucune reserve. Donnez-moi, mon Dieu, la grace de l'état oü vous m'avez appelée, que j'en supporte chrétiennement les tristesses, que j'en sanctifie les plaisirs, que j'y cherche en tont votre gloire, que je la porie devant les princes au milieu desquels vous m'avez placée, que je serve au salnt du roi. Ne permettez pas que je me laisse aller aux agitations et mouvements d'un esprit inquiet, el qui s'ennuie ou qui se relache dans les devoirs de son état, qui envie le boniieur qu'il se figure dans l'état des autres. Que

ocr page 217

MAD.vMli OK -MAINTKTON WliUU.

voire volonlé soil fuite, ö mun Dieu, et non pas la mieime! L'unique bien de cette vie et de la future est d'y ètre soumis sans réserve: remplissez-moi de la sagesse et de tous les dons de votre esprit qui me sent nécessaires dans le poste avancé oü vous m'avez attachée: failes fructifier les talents qu'il vous a plu de me donner. Vous qui lenez entre vos mains le coeur des rois, ouvrez celui du roi, alin que j'y puisse faire entrer le bien que vous désirez: donnez-moi de le rejouir, de le consoler, de l'encourager, et de l'attrister aussi quand il le faut pour votre gloire; que je ne lui dissimule iien des choses qu'il doit savoir par moi, et qu'aucun auti'e n'auroit le courage de lui dire. Faites que je me sauve avec lui, que je l'aime en vous et pour vous, et qu'il m'aime de mème. Accordez nous de marcher ensemble dans toules vos justiiications sans aucun re-proche jusqu'au jour de votre avénement.quot;

Zou men meenen, dat de vrouw, die zoo bad, zich zelve en God zocht te bedriegen'?

Dan zou er in haar briefwisseling, vooral in de meest vertrouwde met haar biechtvaders, een andere toon worden waargenomen. Doch dit is niet het geval.

De abt Gobelin bleef ook in de eerste jaren na haar verheffing haar geestelijke raadsman. Later, toen hij oud werd en zwak, werd hij vervangen door een ander geestelijke, die aan haar aanbeveling zijn benoeming tot bisschop van Chartres te danken liad , ofschoon Lodewijk XIV hem nooit had gezien. Te gemakkelijker scheidde Madame de Maintenon van den abt Gobelin, wien zij zooveel jaren gevolgd had, omdat hij door haar grootheid verblind werd en haar niet meer met de oude gestrengheid leidde, maar te zwak, te hoffelijk, te toegevend werd. Bij herhaling berispt zij hem daarover: „il faut vous faire des reproches de la rna-niére pleine de respect et de cérémonie dont votre lettre étoit écrile. •Ie ne sais si les honneurs dont je suis environnée vous inspirent quelque chose de nouveau:mais pour moi, je ne suis pas changée ponr vous, et je recois les marques de votre amitié comme j'ai

ocr page 218

HOE FRANCOISE D'AUBIGNÉ

fait depuis seize ans qu'ii y a que je suis en pommerce aver vous.quot; En elders: ,,ma faveur m'est embarrassante jusque dans le confessional, et j'espérois vous trouver pour moi tel que vous étiez aux Fill es Bleues: songez sérieusement j'i ce que je vous propose: vous connoissez ma sinoérité et que je ne fais point des compliments.quot; 87

Zijn opvolger maakte er zich niet aan scliuldig. „C'est .lésus Christ que vous regardez, quand vous vous assujettiez a ceque j'ai règlé uvec vous de sa part, et que vous m'en reudez compte schreef hij haar. Zulk een priesterlijk gezag, dat men slechts blindelings te volgen had, was haar welkom. Karakteristiek voor haar geheele godsdienstige beschouwing is de wijze, waarop zij dit aannemen en blind volgen van een biechtvader aan een van haar vrienden aanbeveelt: „Demander a Dieu un guide, lechoisir avec les mèmes vues que vous auriez en choisissant un médecin et vous abandonnant a lui comme un enfant, c'est la le chemin le plus court, le plus facile et le plus sur. Ne regardez pas cette conduite comme n'étant d'usage que pour les femmes: les hommes font tout de même par la disposition du coeur: et pour la docilité, ils ne sont pas conduits de même, paree que les guides con-duisent selon l'état de ceux qu'ils ont a conduire, etque,trou-vant dans les hommes des esprits plus forts et plus solides, ils ne les tiennent point aux détails et aux petites pratiques nécessaires pour occuper et contenter les femmes.quot;

Dat een vrouw, die zoo dacht, invloed heeft trachten uit te oefenen in kerkelijke richting, kan niet verwonderen. Zij zette na lOS^ haar bekeeringswerk van Lodewijk XIV voort: ,,11 fnul s'occuper de soi et de sou salut.quot; Zij had de voldoening te slagen. Lodewijk XIV werd vroom. In '1693 verwachtte zij op dien grond 's hemels zegen over zijne wapenen. ,,Le roi fera une grande guerre, et ses ennemis verront combien on les abuse, quand on leur dit que nous ne pourrons la soutenir longtemps. Dieu sera pour lui contre tous: il est pieux et les au tres sacrifient la religion a Ieurs passionsquot;.811 Dank zij dit

-208

ocr page 219

MADAME l)E MAINTEXÜiN WEUIt.

verheven voorbeeld, werd ook liet hof vroom. Reeds in 1690 was zij gelukkig te kunnen schrijven: „la santé et la sainteté du roi se fortifient tous les jours: la piété devient fort a la mode.quot;

Wat zou deze onderworpen dochter der kerk teruggeschrikt zijn, indien zij de vruchten had kunnen voorzien, die Frankrijk van die modevroomheid, het zaad der hypocrisie, dat ook haar hand hielp uitstrooien, in de volgende eeuw lieeft geoogst! Doch de schuld en verantwoordelijkheid drukt niet op de onkundige vrouw, die voor den priester als haar afgod knielt en zijn werktuig is. Zij meende oprechtelijk goed te doen. Zij, die liaar leidden, zijn ook voor haai' schuld verantwoordelijk.

Niettemin mag men het thans wel buiten allen twijfel stellen ^ dat zij in sommige opzichten boven mate is bezwaard. In haar brieven doet zij het steeds voorkomen, dat zij geen politieken invloed uitoefende, doch het getuigenis der tijdgenooten is in dit opzicht eenstemmig. Minder gemakkelijk is het aan te wijzen , welke maatregelen uitsluitend aan haar invloed zijn te wijten. Dat dit met de herroeping van het Edict van Nantes niet het geval is, mag als zeker worden aangenomen. Die politieke misdaad was niets dan een verdere stap op den weg, dien bodewijk XIV van het eerste oogenblik van zijn regeering bewandelde : de bekroning van een reeks van besluiten, sedert jaren genomen. Staatseenheid zonder geloofseenheid begreep hij niet89. Madame de Maintenon heeft de herroeping goedgekeurd: het protestantisme was in haar oogen slechts een politieke factie, die geen recht van bestaan had. Wiens schuld was het, dat zij het niet als religie kende en erkende'?

Zonder een schijn van eenige gewetenswroeging, zondereenig begrip van eerbied voor de rechten van ouders, maakte zij van haar macht gebruik om protestantsche nichtjes aan haar ouders te onttrekken en katholiek op te voeden. Die ouders zelve vermaande zij, om te gelijk hun eeuwig en wereldsch heil te behartigen. Beide, in haar publiek en in haar privaat leven is zij U 14

ocr page 220

HOE FRANCOISF, D'AÜBIGNÉ

het blinde werktuig geweest van het kerkgezag, waaraan zij zich had overgegeven.

Volkomen naar waarheid is omtrent Madame de Maintenon geschreven, dat zij als 't ware een dubbel leven leidde, een publiek en een privaat. Het eerste is bet holleven, bet leven van de gade van Lodewijk XIV, de vertrouwde van zijn kinderen. Het laatste is het leven van de stichtster van St. Cyr: het leven van de devote vrouw, die boven alles haar zielelieil tracht te verzekeren, en ook te midden van al den uitwendigen glans van haar bestaan geen enkel oogenblik dat hoofddoel uit liet oog verliest, maar alles aan de bereiking ondergeschikt maakt. Ondanks al haar genegenheid voor Lodewijk XIV is bet volkomen duidelijk dat zij de taak, die zij aan zijn zijde vervulde, als een der goede werken beschouwde, die haar de zekerheid van 's hemels heil moesten verschaffen. Wat Voltaire na de lezing van La lieaumelle's uitgave verklaarde: dat hij bet aardig vond haar zich te zien vervelen, drukt niet onjuist den hoofdindruk uit, dien zij in al haar brieven en geschriften maakt. Madame de Maintenon heeft zich verveeld.

Wanneer men haar brieven met die van Madame de Sevigné vergelijkt, dan is de slotsom niet te haren gunste. Hier is geen sprank waar te nemen van de frissche, opgewekte geestigheid, van die aandoenlijkheid voor indrukken, die in de brieven van Madame de Sevigné tintelt. Er is een eentonige matheid in die van de Maintenon, die vervelen zou, als de brieven ons geen belangstelling inboezemden om de schrijfster. De zelf-beheersching is toegenomen, naarmate zij in de maatschappij hooger plaats innam. Toch getuigen de aanteekeningen, die de Dames de St. Cyr omtrent haar maakten, dat zij in haar midden de oude frischheid en levendigheid openbaarde, die haar vroeger had gekenmerkt. Zeer waarschijnlijk is die teruggetrokkenheid in haar brieven meer het gevolg van de terughouding, die zij na haar huwelijk met Lodewijk XIV tegenover anderen moest in acht nemen, dan van een wezenlijke verande-

41 IJ

ocr page 221

MADAME DE M.\ FN TE NON WERD.

ring in haar dagelijkscheti omgang. Trouwens, zij zon er zeker niet in geslaagd zijn den koning voortdurend aan zich te hechten , indien haar devotie haar verleid had om vervelend te worden.

Doch dit neemt niet weg, dat zij zelve zich verveeld heeft. Eens, dat zij te St. Cyr zat te praten, waar zij dikwijls vrij openhartig sprak, kwam zij er rond voor uit. „Men benijdt mij de gunst des koningszeide zij,00 ,,en men houdt mij voor de gelukkigste persoon der wereld, omdat ik een groot deel van den dag met Z. M. doorbreng: wat zijn goedheid betreft , is dat ook juist, maar voor het overige is er niemand, die meer gebonden, minder vrij is. Als hij in mijn kamer is, houd ik mij op een afstand, omdat hij schrijft: men spreekt niet of slechts zeer zacht, uit eerbied en uit vrees om hem te hinderen. Voordat ik aan het hof kwam — ik was toen 32 jaar — kan ik eerlijk zeggen, dat ik niet wist, wat verveling was: maar ik heb ze later goed leeren kennen: et, malgré toute ma raison, je crois que je n'y pourrais resister si je ne pensois que c'est la on Dieu me veut.quot;

Hoe zonderling de verklaring klinke, zij is volkomen te begrijpen. Bij haar geestesrichting had het hofleven weinig aantrekkelijks. En de taak, die zij te vervullen had, was niet van de gemakkelijkste. Zij moest Lodewijk bezig houden, amuseeren, en zij heeft het dertig jaar lang gedaan. Te Versailles liet de koning haar dikwijls des morgens vrij, opdat zij naar St. Cyr zou kunnen gaan, als zij wilde. Zij deed het, zooveel zij kon: de meisjes aan te kleeden, het haar te kammen, haar te leeren en op te vroolijken, kortom, alles te doen wat een gouvernante doet, dat was haar hoogste uitspanning. De koning kwam, na den ministerraad, om vijf of zes uur bij haar en bleef dan den geheelen avond. Te Marly of te Fontainebleau, waar hij geen ministerraad had, kwam hij dadelijk na de morgen-mis en bleef tot zijn diner, waarna hij dikwijls terugkwam. Ook de leden der koninklijke familie bezochten haar dagelijks. Men vindt hier, in haar correspondentie, brieven niet alleen

211

ocr page 222

lloii I-'RA.NCÜISE u'AlllilGNÉ

van den hertog de Maine, dien zij opgevoed had, maar ook van den Dauphin en andere leden der vorstelijke familie, waaruil blijkt, dat zij in de meest vertrouwde zaken door hen geraadpleegd werd. Onder liet aankleeden 's morgens liet zij zich wat voorlezen; op den dag vond zij er zelden tijd voor. Op reizen, als zij niet in 'skonings rijtuig plaats liad genomen, zorgde zij altijd zoo spoedig mogelijk alles in haar appartementen in orde te hebben, opdat hij het niet ongezellig zou vinden, als hij kwam. Lodevvijk XIV was een van die menschenkinderea, wier hersenpan door den wierook is aangeslagen. Hij verwachtte steeds een opgewekt en vroolijk discours. „Ik heb haar dikwijlsquot; — getuigt een van haar dames — „terwijl zij moe, ziek was, hem drie a vier uur zien bezig houden met de vroolijkste gesprekken. Als hij dan eindelijk, om tien uur, wegging, ging zij naar bed; „Nu kan ik niet meer; ik ben doodai'.quot; Lodewijk was in den regel vol attentie voor haar: maar er waren dikwerf dingen, waarvan hij, die een ijzersterk lichaam had, niets begreep. „C'est une sainte,quot; zei hij soms, „elle a toutes les perfections et beaucoup d'esprit, et moi je n'en ai point.quot; Maar dit belette volstrekt niet, dat als die heilige met koorts te bed lag en Lodewijk in haar kamer kwam, hij zich zeer verwonderde dat alles gesloten was en, zonder verder denken, daar hij het om te stikken vond, alle ramen liet openen. Madame de Main-tenon kon veel van hem verkrijgen, maar lang niet alles, wat zij wenschte. Zij verdroeg elke teleurstelling en elke onaangenaamheid , zonder humeur te toonen. „Mijn eenig doel isquot; — zei ze aan Mademoiselle d'Aumale — ,,om hem smaak te doen krijgen in vroomheid. Daarom moet ik altijd vroolijk zijn. Want indien ik hem liet bemerken, hoeveel moeite ik mij aandoe, zou hij er de devotie de schuld van geven.quot; Haar appartement te Fontainebleau was een groote, ruime kamer, maar zonder eenige beschutting tegen koude of warmte; van binnen- of buitenluiken kon geen sprake zijn: Lodewijk hield er niet van. „Bij den koningquot; — schreef Madame de Maintenon aan de prinses des

ocr page 223

MADAME L)K MAINTENON WERL.

Ursins — „is alius gi'ootscli, prachtig, symmeti'isch. Ik dmi' aun neen luiken denken; en evenmin om een tochtscherm voor hel groote raam te plaatsen. Hel zou strijden met de symmetrie. Men kan zijn kamer maar niet inrichten, zooals men zelf wil, wanneer de koning er eiken dag kornt. Men moet dus symme-trisch dood gaan. De gezondheid en buitengewone sterkte van den koning troost over de manier, waarop hij behandelt wie hij hel meest liefheeft: de gelijkstelling is te vereerend, dan dat men zich beklagen kan.quot; Een slechte troost voor iemand, die op den tocht zit en er niet tegen kan! Wij verwonderen ons dan ook niet, dal het haar soms wel eens te machtig werd, en dat wij haar hooren zeggen: „Mannen zijn niet vatbaar voor vriendschap, zooals vrouwen: zij zijn tyranniek. Daar is geen beter man dan de koning, maar men lijdt van allen.quot;

Voor al die groote en kleine smarten heeft zij geen vergoeding gezocht of gevonden in linanlieele voordeden. Dat zij een behoorlijk inkomen had, sprak vanzelf. Behalve een jaargeld als gouvernante, dat zij behouden had, kreeg zij ieder trimester 12000 livres. Het ging grootendeels aan aalmoezen weg. Zoo weinig heeft zij als gehuwde vrouw onbescheiden van de gelegenheid partij getrokken, dat zij in geen der koninklijke paleizen zelfs eigen meubelen had. Xa den dood van Lodewijk was het een beleefdheid van den regent, dat hij haar vergunde, de meubelen, die zij gebruikt had, mede te nemen.

Toen de groote koning stervende was en zij de overtuiging had dat zijn einde naderde, verliet zij hem, om na dertig jaar eindelijk rust te genieten. Geen enkelen dag haars levens had zij, in al dien tijd, voor zich gehad. Zij had hem met de inspanning van haar geest gediend, ook toen hij meer en meer was ingezonken. ,,Le monde est l'ennemi de Dieu, on ne peut Irop le haïr.quot; Daaruit had zij hein gered en voor den hemel behouden. Dat was haar levenstaak geweest: het goede werk, dat zij den Eeuwige in haar stervensure in rekening mocht brengen. De stervende Lodewijk kon zich met het denkbeeld.

213

ocr page 224

hoe FRANgolSE ü'aüBIGNÉ

ook voortaan haar niet meer om zich te zien, niet verzoenen. Hij hoopte — zei hij bij het afscheid nemen — dut zij spoedig weer vereenigd zouden zijn. Madame de Maintenon antwoordde niet. Zij vond waarschijnlijk dat het nu genoeg was, en verlangde van een volgend leven iets anders, dan het voortdurende gezelschap van Lodewijk.

Zij ging uitrusten. Uitrusten te St. Gyr, de stichting van haar hart, die voor haar hel toevluchtsoord was geweest, lange jaren achtereen, uit al de verveling en vermoeidheid en teleurstelling van haar schitterend bestaan; St. Gyr, dal in den gang zijner ontwikkeling volkomen dien der stichtster wedergeeft.

Oorspronkelijk was hel een opvoedingsgesticht voor jonge meisjes uit den armen adellijken sland. üp zeer kleinen voel was hel door Madame de Maintenon aangevangen, maar hel verkreeg, na haar huwelijk met Lodewijk, een groote uitbreiding, door de ruime ondersteuning, die de koning eraan gaf. 250 adellijke jonge meisjes werden hier opgevoed. Gelijk hel llólel des Invalides dienen moest, om de verminkten in de vele oorlogen een wijkplaats te schenken, moest Sl. Gyr strekken, om den kleinen verarmden adel te gemoet te komen, door zijn dochters een opvoeding te geven. Voor Madame do Maintenon had het bovendien een nog hoogere beleekenis: de hier gevorm-den zouden een keurbende zijn, die, in geheel Frankrijk verspreid, de maatschappij zouden hervormen in den geest van waren godsdienst. Daarom moeslen die meisjes worden opgeleid tol versland en vroomheid. Versland — gij denkt zeker aan kennis en ontwikkeling des geestes. Gij vergist u. Kennis — Madame de Maintenon had er niet veel mede op. „Les fem-mesquot; — zoo luidt de opmerkelijke uitspraak, waarin, jammer genoeg, maar al le veel waarheid is — „les femmes ne savenl jamais qu'a demi, el le peu qu'elles savenl les rend commu-némenl lières, dédaigneuses, causeuses, et dégoutées des choses solides.quot; Wal Madame de Maintenon onder verstand verstaal, laat zich uit den doorloopenden toon harer voorschriften ge-

vu

ocr page 225

MADAME DU MAINTENON WERD.

makkelijk opmaken, liet is: juist inzicht in haar maatschappelijke positie, als arme meisjes, wier toekomst zeer onzeker is, doch stellig' een leven van ondergeschiktheid, zoo niet van dienstbaarheid. Daarom moeten de kinderen zonder eenige weelde, nocli in levenswijze noch in gedachte, worden opgevoed. Geen sprookjes, geen verhaaltjes mogen haar verteld worden. Want hel leven baart haar anders maar teleurstelling. Omgekeerd, behoort gesproken te worden over zaken, waarvan sommige opvoedsters verkeerdelijk scliroomen zeli's den naam te noemen, o. a. het huwelijk. ,,11 l'aut les accoutnmer a en parler sérieu-sement, chrétiennement et même tristement, car c'est l'état oïi Ton éprouve Ie plus de tribulations, même dans les meilleurs, el leur apprendre que plus des Irois quarts sont malheureux.quot; Gij ziet: koude, naakte waarheid en nuchterheid.

Wie hel verleden der stichtster kent, verwondert zich niet.

De opvoeding te Sl. Cyr werd aanvankelijk toevertrouwd aan wereidsche dames. Üp verzoek van Madame de Maintenon schreel Uacine eenige stukken, „Estherquot;, ,,Athaliequot;, om ze door de kinde-ren le laten voordragen. Zij werden in tegenwoordigheid van liet hof en een aanzienlijken stoet opgevoerd. Luide toejuichingen vielen eraan ten deel: aan het werk van Racine, en aan de lieve, veelbelovende actrices, die er zoo aardig in haar pakjes uitzagen. De meisjes waren niet minder verrukt: de oogen fonkelden van levenslust, de wangen kleurden onder den blos van genot, van het eerste welbehagen in mannelijke goedkeuring.

Madame de Maintenon schrikte. „Ik heb op een zandgrond gebouwd,quot; zuchtte zij. Hel was duidelijk, dat de nabijlieid van het hol' een ernstig' gevaar bood: het adellijk bloed der jonge meisjes stroomde sneller in de koninklijke stichting', dan het bewustzijn van haar armoede, naar zij meende, gepast deed zijn. Houd de kinderen af van de wereld, gelastte zij. De opvoering van Uacine's stukken had niet meer plaats, dan voor haar en den koning: niet meer voor het hof, en zonder costumes.

Maar lag de schuld alleen aan de kinderen? De fout.— Madame

215

ocr page 226

210 HOE FRANCOISK D'AUÜIGNÉ MADAME DE MA1NTENON WERD.

de Mainlenon zag' lid in — lag in de inricliling. Geeslelijke personen alleen konden de opvoeding geven, die de sticlitsler wenschte. Kloosterzusters traden aan het hool'd van St. Cyr.

iNog één stap bleel' te doen over. Waarvoor werden de meisjes opgeleid? Voor de wereld of voor God?

Wat in den aanvang bescheiden op den achtergrond had gestaan , zelfs niet de bedoeling of wenseh van Madame de Maintenon was geweest, trad meer en meer op den voorgrond, liet aannemen van den sluier werd ais een verdienstelijk werk voorgesteld, als een veiligheidsmaatregel, die aan de slavernij van het huwelijk deed ontsnappen.91 St. Cyr werd een voorportaal van het klooster.

Dil was de ontwikkelingsgang van St, Cyr: ook die van Madame de Maintenon. Van de wereld was zij uitgegaan. Zij eindigde in den biechtstoel van den priester. In gezag van buiten had zij, te midden van het vergankelijke der aardsche dingen , vervulling-van haar behoefte aan iets blijvends gezocht. De maatschappij der \lia eeuw kende voor man noch vrouw een bevredigend geloof buiten de muren der kerk.

Madame de Maintenon is nooit als koningin opgetreden. Maar eens is zij als zoodanig erkend.

Toen de revolutie de doodsklok over het ancien regime luidde, verstoorde zij de graven der oude koningen.

Ook het graf van Madame de Maintenon werd geschonden en haar asch verstrooid. Zij was in het leven één van geest geweest met de monarchen der oude wereldorde: zij deelde na den dood in hun lot.

lil 11

ocr page 227

VI

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

ocr page 228
ocr page 229

HET OUDERLIJK MUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

Zelden liuelt een vulk krachtiger zijn gehechllieid aan beginsel bewezen, dan hel Engelsche in de 18iie eeuw. Persoonlijk hadden de leden van hel llannoversche iiuis niets, dat hen boven de Stuart's onderscheidde: geen buitengewone talenten kenmerkten Iiqu, geen bijzondere groote gehechtheid aan de voorsciirillen der moraliteit vestigde de aandacht op hen meer dan op anderen. De twee eerste koningen, die van Hannover naar Engeland kwamen, waren en bleven vreemdelingen in het land, waarover zij den schepter voerden. En toch heelt het Engelsche volk hen gesteund, hun gehoorzaamd, en elke poging afgeslagen, die tot omverwerping van hun gezag werd aangewend. Zoo vast en onwankelbaar was de overtuiging, dat hel huis van Hannover de zaak der vrijheid vertegenwoordigde, terwijl het huis der Stuart's liet despotisme voorstond en diende. Dal de geringe vertrouwdheid van George I met Engelsche toestanden en staatkunde, en zijn weinig zicli thuis gevoelen op Engelse,hen bodem medegewerkt heeft om het politieke leven des volks meer en meer aan de rechtstreeksche inmenging der kroon te onttrekken, was een gevolg, dat in '1701, toen hel Parlement bij de ,.Act of Settlementquot; de rechten van Sophia, de

kleindochter van 4varei?l-, boven die der kinderen van Jacobus II

rf. I ^

ocr page 230

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

sickle, niet te berekenen was geweest. Van zijn overwicht op het terrein, waar de landsbelangen werden behandeld, kwam de publieke geest juist onder de George's, pas in de achttiende eeuw, tot volle bewustheid. De aanhang, dien niettemin de Stuart's bij voortduring behielden, bewijst, dat er steeds bij een volk, zij liet slechts een minderheid bestaat, voor wie hel Ic zwaar is haar liefde tot personen en tot persoonlijke belangen aan het politiek belang, dat een geheele natie omvat, op te oHoren. Maar de krijg, die met zijn voor- en naweeën Engeland zoo lang en diep had geschokt, had de overtuiging van de onbruikbaarheid der Stuart's zoo diep in de harten gevestigd, dat er zelfs tegenover vreemdelingen als de Hannoversche vorsten geen kans tol terugkeer voor hen duurzaam kon bestaan. Ook al ware het Karei Eduard gelukt bij verrassing den troon le vermeesteren, de zekerheid, dat hij de traditie van zijn geslacht zou hebben voortgezet, waarborgt de herhaling van de revo-lutien van 1048 en 1088. De mislukte proef, die het krachtige Engelsche volk met Karei II en Jacobus II nog eens had genomen, of het rustig en vrij leven kon met een Sluarl aan het hoofd van den Slaat, had dit geslacht voorgoed als onmogelijk gebrandmerkt. Zoo het anders ware geweest, de keurvorst van Hannover zou de Engelsche kroon wel nooit hebben gedragen, en Groot-Britanniö hem en zijn geslacht niet verdragen.

De familie, die George I medebracht, toen hij den 4den October 1714 zijn intrede le Londen deed, was niet bijzonder grool. De vrouw, die de moeder zijner kinderen was, vergezelde hem niet, want zij leefde van hem gescheiden. De ongelukkige Sophia Dorothea von Geile boette in het slot van Ahlden de lichtzinnigheid, waarmede zij in de armen van den schoonen verleider Königsmark troost en vergoeding had gezocht voor de ontrouw van haar echtgenoot. Twee kinderen had zij aan George geschonken: Sophia Dorothea, die in 1700 met Frederik Wilhelm I van Pruisen was gehuwd, en George, die nu prins van Wales was. Slechts de laatste vergezelde hem. Zijne echt-

22Ü

ocr page 231

HET OUDERLIJK lll.'IS VAN ANNA VAN HANNOVER. 431

geiiool, Cai'oline'/Bi'aiidenbufg-Anspacli en hunne jonge kinderen kwamen een maand later.

De nieuwe koning van Engeland miste hen niet. Hij stelde op hun gezelschap minder prijs, dan op dat van andere personen. met wie hij sedert jaren gewoon was te leven. George I had als keurvorst van Hannover drie maitressen: de baronesse von Ivielmansegge, dochter van de oude gravin Platen, die maitresse van zijn vader Ernst August was geweest, de jonge gravin Platen en de gravin von Schulenburg. Van deze drie vrouwelijke gunstelingen kwamen er twee mede naar Engeland. Het eerst de baronesse Kielmansegge, wie hare schuldeischers niet hadden vergund gelijktijdig met den koning Hannover te verlaten. Zij ontvluchtte verkleed, en voegde zich in Den Haag-bij hem. Toen de tweede gunstelinge, de gravin von Schulenburg, dit vernam, ijlde zij haar achterna en spoedde zich naar Engeland met hare twee zoogenaamde nichtjes, waarvan eene, een meisje van elf jaar, haar en des konings kind was, en later den titel van gravin van Walsingham ontving. In 1733 huwde zij den beroemden lord Chesterfield. .Men zegt, dat George I haar in zijn testament nevens zijn erkende dochter, de koningin van Pruisen, had genoemd en een legaat gemaakt. George II, die het testament niet eerbiedigde, betaalde ook het legaat aan Ghesteriield niet uit. Deze zou toen zijn koninklijken zwager met een proces hebben bedreigd, maar zich met 30.000 p. st. hebben laten tevreden stellen.

Dit vreemdsoortig gevolg gaf, gelijk te verwachten was, al-gemeene ergernis; en een stortvloed van pamfletten, karikaturen en satiren sprak de minachting des volks uit. De olifant — Kielmansegge werd om haar dikheid zoo bijgenaamd — en de kokanjemast — deze eernaam viel aan de lange en magere Schulenburg ten deel — waren de voortdurende voorwerpen van den nationalen spot. Maar George bekommerde zich er niet om: hij maakte de eene tot gravin van Darlington, de andere tot hertogin van Kendal.

ocr page 232

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

George bekommerde zich over hel algemeen over Engeland en de Engelschen zeer weinig. Hij vond het een vreemd en een naar land en volk, en zag steeds met smachtend verlangen naaiden tijd uit, waarop hij voegzaam weer naar Herrenhausen kon afreizen. Hij had de Engelsche kroon aangenomen als een erfenis, die men niet afwijzen kon, maar zonder er eenige liefde voor te gevoelen. Toen men hem na den dood van koningin Anna had gevraagd, hoe hij het zou aanleggen om het lastige Engelsche volk te regeeren, had hij kalmpjes geantwoord: ,,Ilv zal er geen moeite voor doen: ik zal mijn ministers geheel vrij laten — zij moeten voor mij instaan: dat is hun zaak. Ik heb de koningmoordenaars op mijn hand.quot; En zoo deed hij ook. Hij schonk aan de Whigs zijn vertrouwen en liet hen regeeren. Ofschoon in Hannover een despoot, die volkomen willekeurig regeerde, was hij in Engeland een gematigd heerscher. Hij liet de zaken aan zijn minister over, en bemoeide er zich zoo weinig mogelijk mede. Hij begreep, dat hij in Engeland weinig beters kon doen, dan zijn Duitscbe gunstelingen bevoordeelen. Hun hebzucht ging dan ook alle grenzen te buiten, maar het hinderde hem niet. Toen eens een Duitsche hofmeester zijn ontslag vroeg en naar zijn vaderland wilde wederkeeren, vroeg George hem naar de reden van zijn vertrek. „Sire, men steelt hier zoo: in Hannover waren wij zuinig en huishoudelijk.quot; „Bah, bahquot;, antwoordde George, „het is Engelsch geld, nu zijn wij rijk. Steel als de anderen: geneer je niet, maar doe het goed.quot; Hij kende, ten minste in de eerste jaren , weinig of geen Engelsch, zoodat hij met Robert Walpole, den eersten minister, die geen woord Duitsch of Fransch verstond, niet spreken kon, dan in het Latijn. „Ik warmde mijn Latijn weer wat op, vertelde later Walpole, en wij regeerden te zamen Engeland in keukenlatijn.quot; De ministers ergerden zich dikwijls over de schaamte-looze schraapzucht der Duitsche gunstelingen. Als eens een dezer door Walpole op een brutale bedriegerij werd betrapt, weerhield hij zich niet om den schuldige, terwijl de koning er hij

ocr page 233

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

sloud, loe Lu vuegeu: „menlii'is impudenlissiuie.quot; Geoi'ge lachte hartelijk, gelijk hij altijd deed, als Walpole met dergelijke klachten kwam. „Ik iioop, dat gij u voor uw recommandatiën ook goed betalen laat,quot; voegde hij hem toe. Van den eersten dag zijner aankomst in Engeland had hij die minachting, die hij op zoo lompe wijze voor de Engelsche natie betoonde, gevoeld, en onbekommerd, volkomen begrijpende welk een kracht het protestantsch geloof aan zijn geslacht in Engeland schonk, openbaarde hij ze. In zijn naaste omgeving, onder de dienaren van zijn persoon, was geen enkel Engelschrnan. Hij beschouwde het land als een tijdelijke bezitting, waarvan men voordeel trekken moest, zoo lang het kou. „Toen ik den eersten morgen na mijn aankomst in het paleis van St. Jamesquot; — vertelde hij eens — „uit mijn venster keek, zag ik een park met lanen, eeu kanaal enz., waarvan men mij vertelde, dat het mij toebehoorde. Den volgenden dag zond mij lord Chetwynd, de houtvester van mijn park, een paar karpers uit mijnkanaal, en men beduidde mij, dat ik aan zijn bedienden vijf guinjes moest geven, omdat hij mijn karpers uit mijn kanaal in mijn park had gebracht.quot; Te midden van zijn Duitschers zocht hij dan ook troost voor al de verveling, die zijn verblijf in Engeland hem baarde. — „De koningquot; — schreef Horace Walpole — „bedrinkt zich aan bier met zijn achtingswaardige cocagnemast, terwijl Sir Robert 's morgens om drie uur door zijn redevoeringen in 't Parlement de Stuart's buiten Engeland houdt.quot; Het cynisme van den koning dacht er niet aan, wat anderen voor hem of voor Engeland deden. Zijn hart hing alleen aan Hannover, dat hij met al den invloed, die den koning van Engeland ten dienste stond, zocht !e bevoordeelen en te vergrooten. Zoo dikwerf hij kou, keerde hij derwaarts terug. Hij was nog geen twee jaar koning, toen hij reeds zijn geliefd Herrenhausen weer opzocht en er niet korter dan ruim anderhalf jaar vertoefde. Daar voelde hij zich thuis: daar kon hij vrijelijk zijn lusten en luimen bot vieren, zonder zich om iemand te bekommeren. Den lstequot; Juni

ocr page 234

424 HET OUDERLIJK HL'IS VAN ANNA. VAN HANNOVER.

1727 verliet hij voor de laatste maal Engeland: hij zou het niet terugzien. Als gewoonlijk deed hij de reis over Holland. Nadat hij den 20ten in het Overijselsche dorpje Delden had overnacht reed hij naar Bentheim. Daar werd hij ernstig ongesteld, maar hij wilde er niets van weten, dat men geneeskundige hulp zou doen komen. 11 ij jaagde vooruit en smachtte om Osnabruck te bereiken. Voordat hij het naaste station, hel Pruisische stadje Ippenburen in Westphalen, bereikte, werd hij door een beroerte getroffen. Een van zijn armen verlamde, en alle pogingen, om hem weer bij te brengen, waren vruchteloos. Zijn oogen waren verglaasd, de tong hing hem uil den mond, maai' zoo lang hij zich uiten kon, stamelde hij: „Osnabruck! Osnabruck!quot; Toen de stoet eindelijk in den nacht van 21 op 22 Juui de stad bereikte, was hij dood.

Men vertelde in die dagen, dat de prinses van Ahlden op haar doodbed den koning voor den rechterstoel van God had gedaagd. Den brief, die dit bericht bevatte, had men hem niet in Engeland durven overgeven, maar hij was hem pas op den laatsten dag van zijn reis overhandigd. Hij opende het schrijven in zijn wagen en zoodra hij het gelezen had, kreeg hij de zenuwtrekkingen, die in een beroerte eindigden. Dit verhaal bewijst, hoe groot de minachting was, die men voor George gevoelde: het. publiek kon niet gelooven dat hij niet meer schuld jegens de ongelukkige Sophia Dorothea had, dan zij tegen hem. In het volksgeloof, dat de duivel hem den hals had omgedraaid, sprak zich de diepe verachting voor George I nog scherper uit92.

Aan de hertogin van Kendal was hij waarlijk gehecht en zij aan hem.

„Look at that mawkin, and think of her being my son's passionquot;, had eens George's moeder, wijzende op de gravin Schu-lenburg, tot een barer hofdames gezegd 93. Die slons intusschen, wist haar heerschappij, die de oude Sophia zoo bevreemdde, tot het einde toe te behouden. Er waren er zelfs, die meenden dal. zij in 't geheim met George gehuwd was. Hoe dit zij —

ocr page 235

HET OÜDEni.MK IIL'IS VAN ANNA VAN HANNOVEU.

de „kokanjemastquot; voelde zich niet alleen door haar belang aan hem verbonden. In een oogenblik van leederheid had hij haar beloofd, om, zoo hU het eerst stierf en het hem mogelijk was, terug te komen en haar een bezoek te brengen. Toen na zijn dood eens een groote raaf of een andere zwarte vogel in haar villa te Isleworth binnenvloog, was zij zoo vast overtuigd, dat de ziel van haar koninklijken minnaar haar in dezen vorm bezocht, dat zij het beestje met alle mogelijke hartelijkheid ontving, bij zich hield en verzorgde. Hoe zonderling de vorm ook zij, waarin zij zich uitte, het is niet te ontkennen, dat er ge-hechtheid uit die handeling spreekt,

Het was in het huis en onder de leiding van zulk een grootvader, dat de jonge Anna van Hannover, de toekomstige gade van Willem IV, een groot deel van haar jeugd sleet.

Met haar moeder, Caroline van Brandenburg-Anspach, en haar zusje Amelia was zij in October 1714-uit Hannover in Engeland aangekomen. .Maar zij bleef niet lang in het ouderlijk gezin.

Tusschen den prins van Wales en zijn vader bestond geen de minste intimiteit, integendeel vijandschap.

Allerlei oorzaken werkten te zamen om vader en zoon te verwijderen. De vader geloofde niet, zegt men, aan de echtheid van dit kind, de zoon niet aan de liefde van den vader. Sophia, de moeder van George I, had in haar laatste levensjaren meer intimiteit betoond aan haar kleinzoon, dan aan haar zoon. Toen hare rechten op den Engelschen troon erkend waren , had zij, buiten den vader om, de belangen van den kleinzoon voorgestaan. Hierbij voegde zich, dat de prins van Wales steeds en voortdurend partij trok voor zijne moeder, de gevangene Sophia Dorothea. Bij het eerste vertrek van zijn vader naar Hannover was hij tot regent gedurende 's konings afwezigheid benoemd, maar het was de eerste en de laatste maal. Na de terugkomst des konings barstte de vijandschap tusschen vader en zoon in lichte laaie uit. Prinses Caroline schonk in No-li 15

ocr page 236

220 HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

vember 1717 hel leven nan een kind, dat slechts weinige maanden leefde. Die zoon zou den 28sten door den aartsbisschop van Canterbury gedoopt worden. De prins van Wales wilde dat, behalve Zijne .Majesteit, zijn oom, de hertog van York, bisschop van Osnaburg, peter zou zijn. Maar tot zijn groote ergernis benoemde de koning tot tweeden peter uiet den hertog van York, maar den hertog van Newcastle, op wien de prins van Wales zeer gebeten was91.

De doop had, als gewoonlijk, in de slaapkamer der prinses plaats. Aan de eene zijde van het bed — verhaalt een ooggetuige — stonden de peters en meter, aan de andere de prins en de hofdames dei' prinses. Nauwelijks was de plechtigheid ten einde, of de prins, het voeteinde van het ledikant vol woede voorbijstappende, kwam op den hertog van Newcastle aan en voegde hem, terwijl hij de hand en wijsvinger dreigende ophief, toornig de woorden toe; ,,Ge zijt een schurk, maar ik zal u wel weten te vinden.quot;

De koning was zoo gekwetst door de beleedigende handelwijs van den prins in zijn tegenwoordigheid, dat hij besloot zijn zoon openlijk te vernederen. De bedreiging aan den hertog van Newcastle werd uitgelegd, alsof zij een uitdaging bevatte: alsof de prins van Wales er aan denken kon, om met een onderdaan te gaan vechten. De koning liet hem arrest aanzeggen, dat echter spoedig opgeheven werd. Doch in den volgenden nacht ontvingen de prins en prinses last, om onmiddellijk het paleis te verlaten. In hel huis van hun kamerheer, den graaf van Grantham, in Albemarle Streel, vonden zij een tijdelijk verblijf. Later vestigden zij zich in een huis in „Leicester Fields,quot; dat indertijd ook bewoond was geweest door Elizabeth van' Boheme, de Winterkoningin, die na de restauratie van 1000 naar Engeland was teruggekeerd en hier gestorven was.

De verwijdering uit het paleis van St. James was voor den prins van Wales en vooral voor Caroline van minder beteekenis, dan de wreedheid, die er mede gepaard ging. Koning George

ocr page 237

HET OUDERLIJK HUIS VAN A.VNA VAN HANNOVER.

-227

beroofde hen van hunne kinderen: Anna, Amalia en Caroline, negen, zeven en vijf jaar oud. Hij verbood zelfs de kinderen hun vader en moeder le zien. „Het vertrek van St. James was deplorablequot;, schreef de hertogin van Orleans, „de arme prinses kreeg flauwte op flauwte, toen hare drie kleine meisjes afscheid moesten nemen. — De koning van Engeland behandelt de prinses van Wales veel te hard; zij heeft, toch niets gedaan, dat men haar kinderen verbieden moet, haar te zien, die hanr zoo hartelijk lief heeft. Van wie kunnen zij beter opvoeding ontvangen dan van een zoo brave en verstandige moeder?quot; De booze wereld zocht natuurlijk naar andere oorzaken, dan in de bittere verwijdering tusschen vader en zoon was gelegen. „Men zegt hierquot; —- meldt de hertogin van Orleans aan haar zuster 95 — „in Parijs, waar men veel van romannetjes houdt, dat de koning zoo vertoornd is op zijn zoon en de prinses, omdat hij zelf op de laatste verliefd is en zij hem geen gehoor heeft willen geven; maar dat kan ik niet gelooven.quot; In den eersten tijd schijnt het verbod aan de kinderen, om haar ouders te zien, streng gehandhaafd te zijn. Wij vinden ten minste, dat de hertogin van Orleans vertelt : „liet is reeds zes maanden, dat de prins zijne kinderen niet gezien heeft, dat vind ik volstrekt niet raisonnable. Laatst zonden de arme kinderen hem een mandje met kersen, en lieten er bij zeggen, dat ofschoon hij niet bij hen was, hun hart, ziel en gedachten steeds bij hun lieven papa waren; de prins moet bitter daarover geweend hebben.quot; Later schijnt het verbod opgeheven of minder hard te zijn uitgevoerd. De prinses van Wales toch gaf haar spijt te kennen, dat de kinderen er volstrekt niet op verbeterden , maar zeer verwend en wild werden. De koning had veranderingen gemaakt in het personeel, dat zijn kleinkinderen verzorgde. De personen, die zich door George 1, tegen den zin der ouders, voor de opvoeding dezer kinderen lieten gebruiken, hebben later er nog al last van gehad. Overigens bekommerde George 1 zich weinig om hen: er gingen soms maanden voorbij,

ocr page 238

428 IIET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN II ANNO VER.

dal hij hen niet zag. Toch ontzegde hij aan den prins en aan de prinses van Wales alle recht, zich met hun opvoeding le bemoeien. Herhaaldelijk gaf dit tot nieuwe botsing aanleiding.

Zoo ver ging de haat van vader tegen zoon, dat toen George 1 stierf, zijne schoondochter in zijn kabinet een propositie van een der ministers vond, om den prins van Wales te doen vatten en naar Amerika over te voeren, waar men nooit meer van hem hooren zou. George I had geweigerd ze goed te keuren. Het feit intusschen zelf bewijst, hoe diep zij , die het naast tot den koning stonden, zijn haat ingekankerd achtten.

Een paar jaar later had er door bewerking van Robert Wal-pole een soort van verzoening plaats. Doch in het verblijf dei-kinderen bracht dit geen verandering; zij bleven bij hun grootvader.

Den IS11611 November 172(3 stierf de prinses van Ahlden op den leeftijd van zestig jaar, waarvan zij meer dan de helft in haar gevangenis had doorgebracht. Haar dood sloeg aan alle plannen, die aan den prins van Wales werden toegeschreven, den bodem in: men zeiue toch, dat hij bij den dood zijns vaders haar koningin-weduwe van Engeland zou hebben verklaard en dus openlijk erkend. Te Londen werd haar dood met groote kalmte vernomen: George 1 nam er geen notitie van. Van in den rouw gaan was geen sprake. Zelfs gevoelde George zich zeer gekwetst, toen zijn schoonzoon te Brandenburg door het uiterlijk rouwbetoon de moeder zijner echtgenoote erkende.

Na haar dood bewees de koning aan Engeland de eer, om aan zijne Duitsche maitressen eene Engelsche toe te voegen. Miss Brett was een halve zuster van den dichter Richard Savage. Slechts weinige maanden kon zij in het koninklijk paleis als zijn maitres vertoeven, daar George reeds spoedig stierf.96 De drie kleindochtertjes groeiden onder den indruk der afwisselende tooneelen op, die dit hofleven verschafte. Van Anna wordt een bijzonderheid vermeld, die doet zien, dat zij door het despotische van baars grootvaders karakter en diens botsing met haar ouders

ocr page 239

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER. 229

volstrekt niet genoeg geïntimideerd was, om alles, zij het ook in zijn eigen huis, te dulden. Toen de koning in Hannover was, liet Miss Brett een gesloten deur, waardoor men in de koninklijke tuinen kwam, open maken. Anna, beleedigd door die vrijpostigheid en niet begeerig naar deze wandelgenoote, beval dat de deur weer gesloten zou worden. Miss Brett gevoelde zich gekwetst door die gevoeligheid van een kind en gelastte het tegenovergestelde. In het midden van den twist kwam het bericht van 's konings onverwachten dood. Het rijk van Miss Brett was uit. Anna, die zich zoo had laten gelden, was nog geen achttien jaren.

Thans keerden de kinderen onder hunne natuurlijke verzorgers, hun eigen ouders, terug. Gelijktijdig met den Engelschen troon kreeg de prins van Wales zijne meisjes weer. Geen der kinderen kon de waarde der verandering zeker beter waardeeren dan Anna, die de smaadvolie omgeving, waarin zij in het huis des grootvaders had moeten leven, met zoo veel onwil en ergernis had verdragen. De zeventienjarige had reeds genoeg gezien, om de zorgen en liefde van oen eigen moeder op prijs te stellen, en omgekeerd van hare zijde door liefde en hartelijkheid hare moeder het juist niet altijd aangename en gemakkelijke leven te verzoeten.

Caroline van Brandenburg Anspach, die nu koningin van Engeland werd. had een vrij onrustige jeugd gehad. Zij had haar vader vroeg verloren, en daarna met haar moeder eenige jaren in Dresden geleefd. In 1692 was deze hertrouwd met den keurvorst van Saksen, doch reeds twee jaar later overleden. Caroline, dertien jaar oud, was teruggevoerd naar Anspach, waar een stiefbroeder van haar hel. bewind voerde. Frederik van Brandenburg, de eerste koning van Pruisen, was haar voogd. Aan zijn hof, te Berlijn, bracht zij, twintig jaar geworden, eenigen lijd door. Voor haar geheele ontwikkeling was deze periode van het grootste gewicht. Zij genoot hier den omgang

ocr page 240

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

en de voorlichtiniquot; van do philosopliisclie koningin Chai'lotte, de warme vi'iendin en correspondente van Leibnilz. Toch scliijnl zij niet veel van liaar gehouden te hebben; zij noemde in latei-jaren haar een ijdele vrouw, die voor niets deugde. 37

Een zoo onrustige jeugd, als aan Caroline ten deele viel, is zeer geschikt om den aanleg tot zelfstandigheid, zoo hij bestaat, te ontwikkelen. Toen zij aan het hof te Berlijn kwam, was zij spoedig in de gelegenheid te toonen, hoe het in dit opzicht met haar gesteld was. De aartshertog Karei van Oostenrijk, 98 die haar ontmoet had, vroeg haar ten huwelijk: doch voor de vorsten uit het huis van Habsburg, dat zijn opkomst en zijn grootheid dankt aan het katholicisme, gelijk het ook zijn ondergang eraan te wijten zal hebben, was haar bekeering tot het katholiek geloof eene candid sine qua non. Koning Frederik van Pruisen hq,d er geen bezwaar tegen. De Jezuitenpater Urban, een zeer handig en gevat man, naar Leibnitz getuigt, werd naar Berlijn gezonden, om het jonge meisje van haar ketterij te overtuigen, of ten minste tot het omhelzen van het katholiek geloof te bewegen. Maar onze brave pater slaagde noch in 't een noch in 't ander; en vol ergernis keerde hij terug, beschaamd dat hij een meisje van twintig jaar niet had kunnen weerleggen. Caroline van Brandenburg Anspach verkoos haar geloof niet prijs te geven voor den titel en den rang van Aartshertogin.

De Pruisische koningin Charlotte was de zuster van George I, toen nog keurvorst van Hannover. Zij was liet waarschijnlijk, die de aandacht op de jonge Caroline vestigde, toen er sprake was van een huwelijk voor George's zoon, den keurprins van Hannover. In 1705 trad deze met haar in 't huwelijk. Caroline was, toen zij huwde, een jonge schoone vrouw. Een korten tijd daarna kreeg zij de kinderziekte, doch zij werd er niet erg door geschonden, en behield al de lieftalligheid van haar voorkomen. Aan een innemende stern paarde zij sterke, doordringende oogen vol leven en uitdrukking, en kleine, dikke en bevallige handjes.

230

ocr page 241

HET OUDEUMJlv I1U[S VAN' ANNA VAN HANNOVER. 231

Even kraclilig als liaar verstand was, even vusl en sterk was haar wil. In Hannover sloot zij zich eng aan de oude keurvorstin Sophie aan, die bij uitstek geschikt was om deze jonge keurprinses met verstandigen raad bij te staan. Zij, de hoog ontwikkelde beschermster en vriendin, van Leibnitz, had jaren lang aan de zijde van Ernst August geleefd, en voor diens schaamtelooze ontrouw, als het ware in haar aanwezigheid, vergoeding gezocht in studie en wetenschap. Dèzeli'de behoefte en dorst naar kennis had zij hare dochter Charlotte, de Pruisische koningin, ingeboezemd. Op hare schoondochter, Sophia Dorothea , had zij geen invloed gehad: de vrienden der prinses van Ablden noemen de schoonmoeder onder hare vervolgsters. Des te leergrager kweekelinge vond „unsere grosze Frau Kur-fürstin,quot; zoo als Leibnitz haar noemde, in de jonge vrouw van haar kleinzoon. De twee eu twintigjarige Caroline van Brandenburg sloot zich innig aan de oude vrouw, die 75 zomers telde, aan. In de heldere, verstandige keurvorstin, die zooveel had gezien, maar nog veel meer nagedacht, vond zij een levenswijze raadgeefster, die haar de klippen leerde onderscheiden, waarop zoo menige onervaren voet aan de hoven struikelde, en haar het geheim deed kennen, om betrekkelijk gelukkig te zijn in een verhouding, die voor talloos vele vrouwen volkomen ondraaglijk zou geweest zijn.

Want George II was niet de geschikte man, om aan een beschaafde, levenslustige en ontwikkelde vrouw voortdurend te behagen. Mij was een wilde en ruwe natuur, die vermaak schepte in allerlei zaken, die haar onverschillig waren of moesten ergeren. Wat haar Ier harte ging, liet hem koud. Haar eerbied voor kennis en wetenschap sprak zij eens kenmerkend met het woord uit, dat zij die kroon de grootste en schoonste achtte, die Newton en Leibnitz tot onderdanen had. George II begreep daar niets van en had er geen eerbied voor. Hij was een ijdel en een koppig man. Zonder veel kennis van de Engelsche constitutie, beroemde hij er zich op, zelf te regeeren. „Karei I —

ocr page 242

11KT OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

zei liij eens — werd dooi- zijn vrouw geregeerd; Karei II door zijn maitressen; Jacob Jl door de priesters; Willem 111 door mannelijke; koningin Anna door hare vrouwelijke gunstelingen; mijn vader door ieder, die hem wist te naderen. En wie — voegde het kleine opgeblazen kereltje 100 er dan triomfantelijk bij — wie regeert nu'.'quot;

Ja — wie regeerde nu? In schijn koning George: in waarheid koningin Caroline. Caroline had zich vroegtijdig er op toegelegd hem te beheerschen en te leiden, zonder dal hij hel merkte. Zij begreep, dat zij met een zoo ijdel karakter als George allen schijn van intelleclueele meerderheid moest vermijden. Voor het uiterlijke was zij in geen den minsten lel en de koning volstrekt niet ouder haar invloed. Zelfs doorslepen staatslieden als Bolingbroke werden er dupe van, en meenden haar niet te behoeven om 's konings gunst te verwerven of invloed te oefenen. In de jaren dat zij als prinses van Wales van het Hof verwijderd leefde, toen de lompe George I haar ,,de duivelinquot; noemde, had zij haar echtgenoot vast aan zich geketend. Hel bleek bij de troonsverandering. Sir Robert Walpole, die scherper oogen had dan zijne tegenstanders, had uilsluitend de koningin, en niet de vriendin des konings, Mistress Howard, hel hof gemaakt, gelijk de Tories deden. Hij had gezien, dat de Prins van Wales eigenlijk niemand liefhad dan haar en geheel onder haar invloed slond. Aan de juistheid van dit inzicht had hij le danken, dat hij, tot groote verbazing zijner vijanden, minister bleef en even onbepaald het vertrouwen genoot van George II, als hij dat van George I had bezeten. Caroline bracht dagelijks een reeks van uren met den koning door, verdroeg zijne luimen, en hield hem gezelschap, om elk overwicht van anderen invloed te voorkomen. Zij wist niets van politiek, was haar gewone bewering tegen den koning, als hij met haar over de zaken sprak. '0' Maar in die lange en vele uren van hun samenzijn was er ruimschoots gelegenheid, om losweg, ter zijde, als hel ware zonder bedoeling het een en ander le zeggen, op te merken,

ocr page 243

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER. 233

mede le deelen ol' aan te merken, dal invloed op de opinie van Z. M. had. Mel Robert Walpole behandelde zij in het geheim de zaken, en de minister regeerde den koning door haar. Als de minister in de kamer des konings trad, stond zij op en boog en ging weg of nam den schijn aan, van te willen weggaan. Gewoonlijk, slechts een enkelen keer niet, vroeg George haar om le blijven: en zij bleef, stilzwijgend luisterende en haar ineening slechts uitsprekende, als zij gevraagd werd. De koning raadpleegde baar steeds; en dikwerf hoorde Walpole, dat argumenten, die bij haar, met wie bij. geregeld vooraf sprak, liad aan de hand gedaan, doch die haar niet overtuigd hadden, den koning tot zijn gevoelen hadden overgehaald, als zij ze aan hem had voorgesteld.

Dezen groolen en overwegenden invloed behield zij tol baai-dood. Toen, den dag le voren, George en Walpole bij haalbed stonden, beval zij met nadruk en warmte niet den minister aan den souverein, maar den meester aan den dienaar aan. De laatste was zeer beducht, dal die aanbeveling hem bij George, zoo sterk op zijn zelfstandigheid gesteld, zou schaden, maar bij vergiste zich. Eenigen tijd later waren zij eens le zamen bezig, om eenige vijandelijke brieven, die uit. Duitschland waren gekomen, maar onderschept, te lezen. Daarin stond, dat Walpole, nu de koningin dood was, zonder protectie was. „Integendeelquot; — zei George — „gij weet, dat zij mij aan u heeft aanbevolen.quot; Dit was de eenige maal, dat hij over het gebeurde sprak, liet was een merkwaardig bewijs van de diepe vereering, die hij liaar toedroeg.

Intusscben — die vereering had Caroline duur betaald. Zij had er veel voor geleden. Ook lichaamslijden. Om den koning-zoo weinig mogelijk alleen le laten, hem onder baar oog te hebben, ten einde schadelijke invloeden le voorkomen, bad zij zich jaren lang opgeofferd. Inzonderheid in de laatste jaren kostte haar bel lange slaande blijven en hel rijden met hem moeite, /'ij bad een lichaamsgebrek: een breuk. Vrouwelijke kiescb-

ocr page 244

23-4 HET OUDERLIJK MUIS VAN ANNA VAN IIANNOVEK.

huid luid haar weerhouden bijtijds medische hulp in le roepen. iNiel voordat hel te Iaat was erkende zij het. En toen was het nog' alleen des Ivonings wil, waaraan zij toegaf: het kostte haar de eenigste tranen, die zij op haar laatste ziekbed stortte.

Waren die opoffering en zelfbeheersching met innige toewijding en liefde van de zijde van haar echtgenoot beloond geworden, de prijs, hoe duur ook, kon door een liefhebbende vrouw niet te hoog worden geacht. De oude keurvorstin Sophia had de gewoonte van te zeggen 102: „chacun ici-bas est le démon chargé d'en tourmenter un autrequot;, en George I leverde er het bewijs van. George 11, hoe hoog hij zijn vrouw ook stelde, was nog rijker aan ijdelheid dan aan liefde. Grootvader en vader had hij niet zonder maitressen gekend, en hij had zijn geheele leven gehoord, dat dergelijke toevoegselen voor de waardigheid der kroon onmisbaar waren, liet voorbeeld van Frankrijk, het land der beschaving, was onweerstaanbaar. Yoor George bovendien had de navolging in dit opzicht van bodewijk XIV een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat zij, naar hij meende, zijn zelfstandigheid duidelijk bewees. Als hij een maitres had, zou wel niemand in het hoofd krijgen te meenen, dat hij onder de plak van zijn vrouw zat. Aan zulke armzalige schijngronden offerde de koning van Engeland de achting voor zijn eigen karakter en die voor Caroline op.

Reeds in de laatste jaren voor zijn troonsbestijging was de relatie aangevangen. Onder de hofdames der koningin was Miss Bellenden, een volmaakte schoonheid, omtrent wie allen, die haar gekend hebben, eenstemmig zijn; zij vereenigde alle soort van voortreffelijkheden. Schoon, geestig, beminnelijk, was zij het gevierde middenpunt en hoofd van een kring van schoonc, geestige, beminnelijke vrouwen en meisjes, die liet hof van den Prins van Wales of, juister gezegd, van de Prinses van Wales opsierde. De Prins van Wales maakte haar het hof, en deed het op zijn gewone lompe en onbeschofte manier. Evenals Zeus aan Danaë in een gouden regen verscheen, meende ook hij hut

ocr page 245

HET OUDEKUJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER. 4,'35

best te zullen slagen, door zijn goud te doen klinken. Telkenmale als liij bij liaai' was gezeten, onthaalde hij haar op het. gezicht van zijn beurs, dien hij uit den zak haalde, om zijn geld te tellen. Eens, dat hij weer dat vermakelijk spel begon, kon Miss Bellenden het niet langer verdragen en barstte uit: ,,Sir, dat is niet uit te houden; als gij nog eens uw geld telt, loop ik de kamer uit.quot; Zij liet dezen vorstel ijken minnaar tellen en smachten naar hartelust, en huwde buiten zijn weten den man, dien zij liefhad.

Minder lier was eene van haar vriendinnen en vertrouwden. Mistress Howard was zeer ongelukkig gehuwd met een dronken verkwister en, ofschoon van aanzienlijk geslacht, weinig bemiddeld. Dit, verklaren de tijdgenooten, was de reden, dat zij aan de aanzoeken van den Prins gehoor gaf. Haar man, na veel publiek schandaal veroorzaakt te hebben, liet zich kalm met een jaargeld van 1200 p. st. tevreden stellen.

Mistress Howard, de „gunstelingequot; van George 11, neemt een eigenaardige plaats in onder de vrouwen, die door het spelen van een dergelijke rol haar naam aan de vergetelheid hebben onttrokken. Zij en hare vrienden beweerden steeds, dat hare verhouding tot den koning een zuiver Platonische was, waarbij geen enkele eisch van eerbaarheid werd geschonden. Met schouderophalen werd dit beweren door anderen beantwoord , die zich van een George II geen Platonische liefde konden voorstellen. Hoe dit zij — indien Mistress Howard zich gouden bergen van de vriendschap des konings heeft voorgesteld, dan heeft zij zich deerlijk bedrogen gezien. Onbeduidend waren de geschenken, die de koning haar gaf. Ook de eerzuchtige droomen, die men haar toeschrijft, zijn niet verwezenlijkt. Als men een paar eeretitels en onderscheidingen voor haar broeder, lord Howard, en enkele kleine voordeden van dergelijken aard, voor goede vrienden of betrekkingen verworven, uitzondert, heeft de gunst van dezen Jupiter deze Danae niet als een gouden regen bedekt. Toen zij in 1735 zich aan het hof onttrok, was zij door

ocr page 246

tJÜ HET OUDERIilJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

liiiiir betrekking lol den koning slechts weinig rijker ol' niacli-tiger geworden. Bij haar dood liet zij behalve haar landgoed, Marblehill bij Twickenham, een der weinige giften van George, nauwelijks 520,000 p. st. na: een som, die een du Barry of een Pompadour dikwijls in eene week verkwistten l03. Nooit heeft de erkende geliefde van een monarch de schijnbare schittering van haar positie minder genoten dan Mistress Howard. Met Argusoogen bewaakt door de koningin, door de ministers niet erkend, „dankte zij den eerbied, dien men haar bewees, voornamelijk aan de waardige houding, die zij wist te bewaren, en aan de tegenstanders van de koningin en den minister.quot; Hoe zonderling het klinke, in dit verband van waardigheid van houding te spreken, gelijk Horace Walpole doet, het is zeker, dat Mistress Howard die en aan het hof en later wist aan te nemen en te bewaren. Zelfs lord Hervey, de vertrouwde vriend van koningin Caroline, spreekt niet dan met achting van haar l0i. Bijzonder schoon was zij niet: zij was gracieus en lieftallig, en had een regelmatig en prettig gezicht, meer dan mooi. Zij was zoo doof, dat zij aan een gemengd discours geen deel kon nemen, omdat zij het niet volgen kon. Men moest rechtstreeks het woord tot haar richten en met verheffing van slem: anders verstond zij niets. Een goed verstand, beschaafde vormen en een goed hart werden haar zelfs door hare vijanden niet ontzegd. Zij was jegens iedereen beleefd, vriendelijk jegens velen, en onbillijk jegens niemand: in één woord — zegt lord Ilervey — zij had een goed hoofd en een goed hart, maar zij had te doen met een man, die volstrekt ongeschikt Was om het eerste te gevoelen of liet laatste te waardeeren. Als Prins van Wales bracht George 'savonds soms uren in haar kamer door: later, als koning, was het korter, maar nog altijd lang genoeg om vele hovelingen in den waan te brengen dat zij, die zulk een groot deel van zijn tijd vervulde, zeker ook een groote plaats in zijn hart innam. Zij begrepen niet, dal ijdelheid en gewoonte hem jarenlang hechlen konden aan een vrouw, die uit den

ocr page 247

HET OÜDËRLUK HUIS VAN ANNA VAN I1ANNOVËK.

aard van haar verhouding tot hem haar wezenlijke meerderheid nog minder kon doen gelden, dan Caroline, omdat zij geen andere aanspraak op hem had dan de willekeur van zijn gunst en steeds botste op liet diep ontzag, dat deze ruwe, ijdele man gevoelde voor de koningin, wie hij wel ontrouw kon worden, maar zonder dat hij ophield trotsch op haar te zijn, en zonder ooit de gedachte in zich te voelen ontwaken, een andere vrouw met haar op gelijke lijn te stellen.

Moeilijk en pijnlijk was de verhouding van .Mistress Howard tot de koningin, van wie zij „woman of the bedchamberquot; was. Caroline van Brunswljk: kende haar echtgenoot te goed en had zijn ijdelheid te zeer gepeild om niet te weten, dat hij een maitres, zij het ook slechts in naam, zou willen hebben, om zijn zelfstandigheid, zijn onafhankelijkheid van haar, gelijk hij meende, te bewijzen. Mistress Howard was zeker de meest on-schuldige persoon, die zich daarvoor denken liet. Uit vrees, dat een andere, zoo zij vertrok, haar vervangen zou en wellicht meer invloed op deu koning uitoefenen, duldde de koningin daarom de „woman of the bedchamberquot; voortdurend in haar omgeving. Maar zij spaarde haar geen enkele vernedering en behandelde haar met hooghartigen, minachtenden trots. „Good Howardquot; was de gewone genadige benaming, die zij haar schonk. Met Walpole werkte zij haar invloed op George standvastig tegen, en de koninklijke gunstelinge was zich zoo duidelijk van haar onvermogen op haar heer en meester bewust, dat zij dikwijls, als zij iets van hem wilde gedaan krijgen, de aanbeveling van den eersten minister verzocht,er uitdrukkelijk bijvoegende, dat hij het niet als haar wensch aan den koning zou voorstellen. Totdat zij Lady Suffolk werd, wat in 1731 het geval was, moest zij in haar betrekking tot de koningin allerlei diensten verrichten, die weinig in overeenstemming waren met haar verhouding tot den koning. Caroline had er een soort vau genoegen in, haar stipt er aan te houden , ten einde haar te vernederen. Dit gaf soms aanleiding tot tooneelen, waarin de

4,-17

ocr page 248

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

arme Mistress Howard op ruwe en bittere wijze liet dubbelzinnige en lage van haar positie aan het hof ondervond. Het gebeurde meer dan eens, dat de koning, in de kamer komende, waar zij, gelijk haar plicht was, de koningin bij het toilet hielp, haar den halsdoek uit de hand rukte en haar toesnauwde: „omdat gij zelve een leelijken nek hebt, wilt gij die van de koningin verbergen.quot; Zulke uitbarstingen van George's eergevoel. hoe lomp en onvoegzaam ook, waren voor de koningin een kleine triumf. Dorh zij liet er zich niet door in slaap wiegen, of bewegen om haar waakzaamheid te verminderen. Zij had in een van haar vertrekken een geheim raampje, dat uitzag op een donkere gang, slecht verlicht, die naar de apartementen van Mistress Howard leidde. Daar bespiedde zij soms in hel late avonduur de bezoekers, die hare mededingster ontving. Lord Chesterfield had eens op een avond aan het hof een groote som gelds gewonnen en durfde die niet over straat naar huis mede-nemen. Hij ging naar de gunstelinge, met wie hij op vriend-schappelijken voet verkeerde, om bij haar het geld tot den volgenden dag te deponeeren. De koningin, die zijn laat bezoek had ontdekt, vermoedde allerlei andere zaken, samenspanningen tegen haar, politieke kuiperijen enz. Lord Chesterfield had nu voor goed bij haar afgedaan. Niet dan jaren later vernam hij de ware oorzaak.

Mistress Howard was veertig jaar oud, toen George koning werd. Een vrouw van dien leei'tijd, die daarbij doof was ,05, was voor Caroline vrij wat minder gevaarli jk, dan een wegsleepende schoone van jonger jaren. Walpole verzekert, dat do koningin daarom Mistress Howard, die dikwerf grooten lust gevoelde om zich aan de ellendige positie, waarin zij leefde, te onttrekken, verzocht te blijven. Deze vrouw was de minst gevaarlijke voor haar invloed. De groote kalmte en rustige houding van Mistress Howard maakten het mogelijk, dat zij dagelijks met de koningin in aanraking kwam, zonder dat het altijd tot moeielijkliedon aanleiding gaf. Caroline kon zich het genoegen niet ontzeggen,

238

ocr page 249

HET OUDERI.UK MUIS VAN ANNA VAN .IIANNOVEU

if dil aanleiding

B11

haar tc kwellen en te grieven, en de vrouw, die door de geringheid van haar vermogen en zuchl naar macht zich le/kwader ure had laten verleiden om aan de voorslagen van een zoo lompen verleider als George was, op eenige wijze gehoor te geven, al het vernederende en valsche van haar positie op drukkende wijze te doen gevoelen. Met onbegrijpelijke bedaardheid verdroeg de gunstelinge dit alles. Een enkele maal stribbelde zij tegen, en poogde met hooghartigheid zich te verzetten; maar de koele lierheid der koningin deed haar buigen. Caroline had niet alleen het overwicht van haar maatschappelijke positie, maar ook haar moreele meerderheid boven Mistress Howard vooruit.

Tusschen dit vreemdsoortig echtpaar, die hoog ontwikkelde, verstandige en beleidvolle vrouw en dien ruwen, onbeschaafden , ijdelen, slechts goedaardigen man bestond ten aanzien van een treurige zaak volkomen overeenstemming. Gelijk zij inet hun vader in twist hadden geleefd, leefden ook zij met hun oudsten zoon, den prins van Wales in tweedracht. Frederik, geboren in 1707, bleef in Hannover achter tot het jaar 17^8. Reeds spoedig na zijn komst in Engeland lag hij met zijn ouders overhoop. Hij had in Hannover als een klein Duitsch prinsje geleefd en zich met burgers en boeren geamuseerd, en tallooze schulden gemaakt. Toen George II weigerde die te betalen en hem daarover het

leven lastm' maakte,

tot de eerste breuk. Zijn karakter was van zijn jeugd af gemeen geweest. Toen hij een jongen was, had zijn gouverneur eens ernstig over hem geklaagd. De koningin had gepoogd hem te verontschuldigen en gezegd: „Je m'imagine que ce sont des tours de page,quot; Maar de gouverneur antwoordde: ,,Plut a Dieu, madame , que ce lussent des tours de page! ce sont des tours de laquais et de coquins.quot; Alle tijdgenooten geven een hoogst ongunstig getuigenis van hem, ofschoon zij erkennen dat alle schuld niet bij hem lag en niet alle goede qualiteiten liem ontbraken. Hij was een koppig, ijdel kind , zeer geschikt om

ocr page 250

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

het werktuig van vleiers te worden. Zijne moeder, die met zoo veel beleid een zoo lastig karakter als George 11 had, wist te leiden en te beheerschen, ontsloeg zich, gelijk trouwens natuurlijk was, van den dwang der zelfbeheersching, waar het haar kind golil. Maar Frederik wilde niet bevolen worden, en gewoon aan liet vrije, wilde leven in Hannover, wierp hij ongeduldig het juk van de ouderlijke autoriteit af. üp den afstand, die St. James van Ilerrenhausen scheidde, had het vaderlijk gezag wel eenige verzwakking ondergaan. Eindelijk naar Londen geroepen en beknord wegens zijn vele schulden, liet Frederik zich gemakkelijk medesleepen door de sluwheid van Bolingbroke, die den toekom-stigen erfgenaam van de kroon voor de oppositie wist te winnen. Wie bij den koning in ongenade was, kon zeker op de gunst van den prins van Wales rekenen. Vandaar, dat de verwijdering, die het eerst uit kleine oorzaken, de gierigheid van den vader en het drukkende van het moederlijk gezag, was ontstaan, spoedig breeder proportion aannam en Frederik weinige jaren na zijn komst in volle vijandschap met zijne ouders leefde. Walpole, die hem ten minste nog een enkelen karaktertrek toeschrijft, welke gunstig is, weet overigens niet veel goeds van hem te zeggen. De vrouwen en het spel trokken hem voornamelijk aan: aan beide gaf hij zich met hartstochtelijkheid over. Maai' in geen dezer neigingen betoonde hij iets edels: hij verleidde zonder lief te hebben, en schoonheid was hem onverschillig. 15ij het spel had hij praktijken, die heel leelijk waren, en hij beroemde er zich op. Eens, toen hij te Kensington vijf duizend pond van Doddingham had gewonnen, zei hij schimpende tol zijn secretaris: „Die man wordt voor een van de verstandigste mannen van Engeland gehouden, maar met al zijn talenten heb ik hem vijf duizend pond uit zijn zak gekloptquot; 'or'. Hij was onoprecht en valsch in de hoogste mate: een leugen kostte hem niets, omdat hij volkomen onverschillig was voor waarheid. Met zijne zusters lag hij, evenzeer als met zijne ouders, overhoop.

inzonderheid met Amelia, die hij beschuldigde, dntzij bij hem

ocr page 251

HET OUDERLIJK MUIS V.V.N ANNA VAN HANNOVER.

de rol van spion speelde, zich in zijn vertrouwen indrong, om zijn geheimen te vernemen, en die dan aan hun ouders te ver-raden. Een beschuldiging, die wel gegrond zal geweest zijn, nis wij bij Hervey het ongunstig getuigenis lezen, dat zij iedereen kwaad wilde, en dat ook de koningin nouit over zaken van be-lang in haar tegenwoordigheid sprak, omdat zij haar eigen kind niet vertrouwde.

Wat de koninklijke prinses, gelijk de oudste dochter Anna werd geheeten, aangaat, haar verhouding tot haar broeder en liet hof werd niet uitsluitend door hare liefde tot hare moeder bepaald. Zij had dezelfde behoefte als de koningin om te heer-schen, maar miste het helder verstand en de krachtige zelfbe-heersching, die deze de realiteit van het gezag boven den uiter-lijken glans deed stellen. Zij was even heftig, even trotsch en ijdel als haar vader, die zich, misschien om de overeenstemming van karakter, verbeeldde, dat deze dochter bi jzonder aan hem ge-heclit was. In waarheid stootte de gelijkheid van karaktertrekken vader en dochter, gelijk later bleek, af. Maar zoolang zij nog in huis was, zag George het uiterlijk betoon van eerbied voor liefde aan. Anna intusschen stak het volstrekt niet onder stoelen of banken, hoe zij over haar vader dacht. Men schrijft aan haar een kritiek van het karakter des konings toe, die meer voor de scherpheid van haar oog, dan voor de warmte van haar kinderlijk gevoel getuigt. Zij spreekt daarin uit, niet alleen dat hij bij uitstek lastig in den omgang was, maar licht dit toe op een wijze, die pijnlijk aandoet, als men denkt, dat liet een eigen kind is, die het schrijft. „Hij gaf zich airs van galanterie en wendde groote dapperheid voor; hij behandelde de koningin op een onredelijke, onnoozele, onaangename en dikwijls zeer kwetsende wijze; het was moeielijk om met hem te praten hij wou altijd wat nieuws hooren, en sprak zelf altijd over dezelfde dingen.quot; Als, weinige maanden na haar huwelijk, Mistress Howard, toen Lady Suffolk, het hof verliet, ver-li quot; 16

ocr page 252

444 HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

heugde zij er zich zeer in. Lord llervey maakte haar op liet gevaar opmerkzaam, dat de koning aan de gevallen gunstelinge eene opvolgster zou geven, die, jonger en dus gevaarlijker, het de koningin lastiger zou maken. Anna antwoordde, zonder er om te denken hoe weinig respect voor haar vader en hoe weinig bezorgdheid voor de ware belangen van haar moeder zij daarmede betoonde: „Ik wensch van harte, dat hij iemand anders nemen zal, opdat mama verschoond blijve van de verveling hem altijd in haar kamer te zien.quot;

Het was voor Anna een bitter gevoel, dat zij, de oudste dochter, door een broeder, en dan nog een zooveel jongere in leeftijd als Frederik, de prins van Wales, van hare kansen op den troon was beroofd. Eigenlijk ging zij nog verder. Zij zeide eens aan de koningin, dat zij hartelijk wenschte geen broeders te hebben, opdat zij zelve haar zou kunnen opvolgen. 107 Caroline berispte haar daarover, maar zij antwoordde: „Ik wil morgen sterven, als ik vandaag koningin mag zijn.quot; 103 Zulk een eerzucht vond natuurlijk al zeer weinig bevrediging in het Engelsche holleven, waarin zij een zeer ondergeschikte rol innam. Van der jeugd af, eerst in het grootvaderlijk gezin, nu in het ouderlijk huis aan de tegenwoordigheid van maitressen gewend, kon de ergernis wel niet anders dan in hooghartige minachting overgaan. Maar de ergernis, dat zij niets te zeggen had en nooit in Engeland iets te zeggen zou hebben, dat zij niets kon doen tegen de voorwerpen van haar haat en minachting, was nog sterker. Begeerig zag zij uit naar een verandering in haar leven, die haar de kans schonk om haar wil aan anderen op te leggen.

Zulk een kans opende zich, toen van de zijde der Fransche regeering haar hand voor den jongen Lodewijk XV werd gevraagd. Doch, zoo Anna zich gelukkig heeft gevoeld met het uitzicht koningin van Frankrijk te worden, dan is hare blijdschap van korten duur geweest. De raadslieden van den jongen vorst moesten een eisch stellen, dien zij konden verwachten, dat te Londen niet mocht aangenomen worden. Een I'rotestantsche,

ui

ocr page 253

HET OUDERLIJK IIL1S VAN ANNA VAN HANNOVER.

zij liet ook Anglikaansche, kon niet op den troon van Frankrijk plaats nemen: Anna moest katlioliek worden, liet was niet te verwachten, dat de prinses van Wales, die zelve als prinses van Brandenburg-Anspacli de geloofsverandering geweigerd had, haar aan hare dochter zou aanraden of vergunnen, anders dan om dringende politieke redenen. En ditmaal kwam het politiek belang overeen met de eisclien der overtuiging. Met huis van Hannover kon er niet aan denken, aan een zijner leden den overgang lol liet Katholicisme toe te staan. De ondeugden dei-beide George's, schoon nog altijd onbeduidend bij de onzedelijkheid, die hel hof der Stuarts had gekenmerkt, werden door de Engelsche natie over 't hoofd gezien ter wille van hun protestantsch geloof, den waarborg van de politieke vrijheid der natie. George I kon er niet aan denken, Anna's hand op zulk een voorwaarde aan Lodewijk XV toe te staan. Het aanzoek werd afgewezen. 109

Eenige jaren gingen voorbij en Anna werd een dagje ouder. De huweiijkskansen verminderden. Pretendenten naar haar hand kwamen niet opdagen. Er waren niet veel prinsen in Europa, geschikt voor eene Engelsche koningsdochter. Een regeerend vorst of aanstaande troonopvolger werd begeerd, maar hij was niet te vinden of hij bood zich niet aan. Eindelijk, in 17:29, begon er eenig licht aan den gezichteinder te komen. De Stadhouder van Friesland, Willem van Oranje, was wel geen aanzienlijk vorst, maar hij behoorde tol een der oudste vorstelijke geslachten, en zijn naam klonk in Engeland goed. Lord Chesterfield leerde hem in dat jaar in Den Haag kennen en legde een gunstig getuigenis van hem af. Jlij heeft blijkbaar een zeer goede opvoeding genoten,quot; schreef hij, „en een groote vrijheid en gemakkelijkheid in den omgang, die men niet krijgt, dan door veel in de wereld te verkeeren. Hij heeft een goed, knap gezicht; maar zijn gestalle is niet zoo gunstig, als men zou wen-schen, ofschoon niet zoo leelijk als ik gehoord had. HU heeft quot;iel de minste stijve statigheid, maar is vriendelijk en innemend,

ocr page 254

HET OUDEIUJ.IIv HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

juist zooals 'l voor iemand past, die zicli in een gouveniernenl als hier is wil verheffen.quot; Het duurde intusschen nog vrij lang, voordat hel huwelijk beklonken was. Lord Hervey, de vertrouwde van koningin Caroline, teekent den prinselijken minnaar van Anna vrij wat ongunstiger dan Chesterfield. Hij noemt hem een dwerg, zoo mismaakt als een menschelijk wezen mam-zijn kan. „Zijn uiterlijk voorkomen,quot; zegt hij, ,,was niet leelijk, integendeel verstandig, maar hij stonk zoo vreeselijk uit den adem!quot; Anna intussclien kon niet kieskeurig zijn. Gewoonlijk is het bij vorstelijke huwelijken de vraag, waaraan men de voorkeur gcel't: aan een schoon en beminnelijk, doch arm man, of aan een leelijk, doch aanzienlijk en rijk man. Hier intusschen waren alle inconvenienten van deze beide gevallen ver-eenigd, zonder dat een der voordeden werd aangetroffen. De prins was leelijk, misvormd, en bovendien niet rijk en niet machtig. Doch voor prinses Anna bestond er eigenlijk geen keus, dan tusschen dit alternatief: huwen ol' uiet huwen. Wilde zij een oude jongejulfer worden, na den dood baars vaders afhankelijk van haar broeder, den Prins van Wales, in ondergeschikte verhouding tegenover een zoo trotsche schoonzuster als diens vrouw, dan moest zij den Prins van Oranje afwijzen. Zag zij daartegen op, wilde zij niet afhankelijk worden van haar broeder, dan kon zij niet anders, dan den Prins van Oranje aannemen. 115

Zulke gevoelens en beschouwingen uit den mond van een der meest vertrouwde vrienden van de koningin, doen een blik werpen op de stemming van George en Caroline. Trouwens, het was voor geen der hovelingen duister, met welk oog de toekomstige schoonzoon in het paleis van St. James werd beschouwd. Tegenover het volk sloeg men een anderen toon aan. Het huwelijk van de Engelsche koningsdochter met een prins, die zoo weinig haar gelijke was, was een opoffering van vader en dochter ter wille van de natie. Het kon haar een waarborg zijn voor de toekomst: indien door onvoorziene gebeurtenissen

ocr page 255

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

de kroon aan Anna ol' aan haar kinderen mocht ton deel vallen, zou de protestantsdie troonopvolging- gewaarborgd zijn. liet huis van Oranje was en om zijn geheclitheid aan het Protestantisme en om de diensten, aan Engeland bewezen, steeds der natie lief en dierbaar. Trouw werden door de gehoorzame hovelingen zulke voorstellingen van het huwelijk verspreid: zij moesten dienen om Anna populair te maken. In .Mei 1733 gaf de koning aan liet Parlement bericht van hel voorgenomen huwelijk en noodigde het Huis uit, om „hem in staat te stellen aan de prinses zijne oudste dochter eene zoodanige dote te geven, als met de tegenwoordige omstandigheden overeenkomt, en die in staal zal zijn om de eer en waardigheid van een verbond, 't geen zoo krachtig strekt tot meerder versterking van de protestantsche successie, te ondersteunen.quot;

Het Parlement voldeed zonder aarzeling en zonder karigheid aan het koninklijk verzoek. Het schonk Anna een huwelijksgift van 80,000 p. st., wat, gelijk haar moeders inkomen en ook bijna de civiele lijst des konings, genoegzaam het dubbele was van hetgeen in gelijke omstandigheden tot dusver was toegestaan. Iquot;

In November maakte zich de Prins van Oranje, die den eersten September zijn twee en twintigsten verjaardag had gevierd, op om naar Engeland te gaan. Den lliquot;3611 November stapte hij te Hellevoetsluis in het koninklijke jacht de Fubbs, dat gezonden was om hem over te voeren; twee dagen later landde hij te Greenwich. Nu werd het toch ernst, hoe diep George en Caroline ook op dit armzalige huwelijk neerzagen. Beiden lieten Anna geheel vrij; de koning zelfs ried het haar af. Maar zij liet er zich niet van afbrengen, zij zou hem trouwen, al was 't een baviaan, zei zij.

In Somerset House nam de Prins zijn intrek, en daarheen stroomden de leden van den hoogen adel en de aanzienlijken des lands, om hem te begroeten. Al de souvenirs van vroeger •lagen werden wakker; de verdiensten van zijne vaderen voor

ocr page 256

240 HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

de zaak der politieke vrijheid in Europa, pleitten voor dezen jongen man bij liet krachtige Engelsche volk, dat zijn minder sciioon voorkomen voorbijzag en vergaf om den naam, dien hij droeg, en het beginsel, dat liet huis van Oranje vertegenwoordigde. Onder alle standen heerschte een soort van opgewondenheid. Toen hij den dag na zijn aankomst naar St. James reed, kon zijn rijtuig met moeite zich een weg banen door de opeengehoopte menigte, die hem met toejuichingen overlaadde. Ue aanstaande Willem IV betoonde ook hier zijn merkwaardig talent, om ieder, wien bij ontmoette, door zijn minzaamheid, zijn beschaafde en gemakkelijke manieren voor zich in te nemen. Men vergat, als men met hem sprak, en zijne vriendelijke blauwe oogen op zich gevestigd voelde, dat hij zoo'n hoogen rug had en zijn lichaamsbouw, dank zij dien ongelukkigen val in 1717, zoo gewrongen en leelijk was. liet hof volgde het publiek in zijn geestdrift niet na, maar onderscheidde zich door de groote koelheid, waarmede liet hern bejegende. George II verkoos de houding aan te nemen, dat zijn toekomstige schoonzoon niets was vóór het huwelijk: dat het huwelijk met zijn dochter hem pas tot iets maakte. ,,Geen regeerend vorst — bah, slechts een stadhouder van Friesland!quot;

Hij bewees hem dan ook volstrekt geen bijzondere beleefdheden. Integendeel — het kostte moeite, hem duidelijk te maken, hoe voegzaam het was, dat hij den prins, toen deze in Somerset House was aangekomen, liet complimenteeren. Lord Hervey, Vice-Chamberlain des konings, werd eindelijk er heen gezonden. Als hij terugkwam, verzocht de koningin, moest hij dadelijk bij haar komen om haar eerlijk te zeggen, op het gezicht van welk leelijk dier zij zich moest voorbereiden. Lonl Hervey kwam terug en rapporteerde vrij gunstig. De prins was niet half zoo leelijk. als hij zich verbeeld had. Men moest niet denken dat men een Adonis zou zien, want zijn lichaam was wezenlijk leelijk, maar zijn gelaat was ver van onaangenaam, zijn manier van spreken, zijn houding, zijn optreden in één

I

ocr page 257

HKT OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN IIANNOVEU.

woord was verstandig en innemend; hij scheen zelfs zijn eigen ijeslaUe geheel le vergeten en het talent te bezitten om het ook anderen te doen vergeten. Dit klonk nog al niet kwaad en scheen ten minste zeer geschikt, om een aanstaande bruid, die misschien opzag tegen een huwelijk met een echtgenoot, die haar als een baviaan was afgeteekend, een beetje moed te tmven. Doch Anna bleek het niet te behoeven, want zij scheen

O 0

er zich volstrekt niet over te bekommeren. Toen Lord Hervey zijn vermoeden uitsprak, dat de prinses in angst zou zitten te wachten op bericht, vertelde hem de koningin, dat hij het geheel mis had; „zij zat in haar kamer muziek te maken, en zij was den geheeleri namiddag zoo vroolijk geweest, als zij haar ooit gezien had. Wat mij betreft, voegde Caroline er bij, ik heb nooit het minste gezegd, om dit huwelijk haar af- of aan te raden, ook de koning laat haar geheel vrij; maar toen zij begreep, dat de koning het een geschikt huwelijk vond en het hem niet ongevallig was, zeide zij dadelijk, dat zij besloten was: al was het een aap, zij zou hem trouwen.quot; Lord Hervey kende het hof en de acteurs te goed om niet te weten, dat dit waar was. In de volgende dagen verscheen de prins van Oranje herhaaldelijk aan het hof, en had Anna de gelegenheid den man, wien zij weinige dagen later haar hand zou schenken, meer van nabij te zien en te leeren kennen.

Maandag, de 23ste November, was de dag voor het huwelijk bepaald. Maar er kwam een kink in den kabel.

Zondag reed de prins naar de kerk der Hollandsche gemeente, om, gelijk hij beloofd had, er de godsdienstoefening bij te wo-I nen. Maar hij was nog geen half uur in de kerk, of hij kreeg een toeval. Hij werd in zijn rijtuig gedragen en naar Somerset House teruggevoerd, wat vrij lang duurde, daar de paarden, om den zieke, slechts stapvoets mochten gaan en de afstand groot was. Onmiddellijk werd alom bekend gemaakt, dat de voltrekking van het huwelijk was uitgesteld.

De prins bleef lang ziek. Het gevaar, dat aanvankelijk be-

ocr page 258

248 11KT OUDERLIJK MUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

slond, week wel, maar de krachten kwamen niet terug. Hij bleel' kwijnende. De koninklijke familie nam ter nauwernood notitie van hem. De koning achtte liet beneden zijne waardigheid om zijn toekomstigen schoonzoon te bezoeken, 't geen natuurlijk ook de andere leden van hel vorstelijk gezin belette het te doen. De prins deed alsof hij niets van deze lompe bejegening merkte of gevoelde, maar zijn gevolg stelde zich voor de terughouding van hun meester schadeloos, door zich luiii-ruchtig genoeg, overal en altijd, erover te beklagen. In't laatst van December verliet hij Londen, om zich naar fJath te begeven, ten einde er tot herstel van gezondheid de baden le gebruiken, liet huwelijk werd uitgesteld tot na zijn terugkeer.

Januari en Februari van 1734 bracht hij aan de badplaats dooi-. Eindelijk, in Maart, was bij hersteld en keerde hij over Oxford, waar hij honoris causa tot doctor in de rechten werd gepromoveerd, naar Londen teruy. Thans stond aan het huwelijk geen verder beletsel in den weg, en werd het werkelijk voltrokken. In den avond van den 24stei1 Maart werd het in de kleine Fransche kapel, die tot liet paleis van St. James behoorde, gesloten. Aan weelde en pracht ontbrak het niet. Evenmin aan toejuichingen van het volk en aan Oranjelinten en strikken, die de paarden der rijtuigen bedekten, waarin de bruigom en zijn gevolg van Somerset House naar St. James waren gebracht. Voor de koningin, die door den jeugdigen Willem van haar afkeer van Oranje niet was bekeerdquot;2, was het een moeilijke dag. De koning hield zicli gedurende de plechtigheid goed, maar zij en de zuster der bruid toonden zoo onverholen haar ware gevoelens, dat de optocht naar de kapel en het tooneel aldaar meer geleek op de sombere processie, die een Ipbigenia naar het altaar geleidde, waar zij moest opgeofferd worden, dan op den vroolijken stoet, die een bruid naar de huwelijkstafel vergezelt. De prins was prachtig uitgedost: een lange pruik verborg zijn hoogen rug voor de oogen der nieuwsgierigen. Hij was in het fluweel, rijkelijk met goud ge-

ocr page 259

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA. VAN HANNOVER.

borduurd; de diamanten knoopen werden per stuk op 300 p. sterling berekend! Hij gal' een rijk geschenk in juweelen aan zijne bruid, die pronkte in een japon van zilverlaken, mei een sleep van zes el lang, die gedragen werd door de dochters van lien hertogen en graven.

Te middernacht soupeerde de vorstelijke familie in het publiek. Tegen twee uur in den morgen werd het aan liet afgematte jonge paar vergund, zich in hun vertrekken terug te trekken. En toen had die, volgens onze zeden ergerlijke maar in de 18,,e eeuw zeer gewone verlooning plaats, dal bruid en bruidegom zich in behoorlijk nachttoilet op hun bed plaatsten en de hovelingen in statigen stoet de revue lieten passeeren, om aan hunne Hoogheden de reverentie te maken. Men kan begrijpen hoe dil illustre gezelschap, dat juist de prikkels van een goed souper niet behoefde om dubbelzinnige aardigheden zich te veroorloven, ten koste van dit echtpaar zich heeft geamuseerd. Want ook de bruid was geen ideaal van vrouwelijke schoonheid. Zij had levendige oogen en een frissche kleur, maar zij had de pokken gehad, waarvan de sporen nog ruimschoots zichtbaar waren. Haar lichaamsbouw was verre van mooi, en zij had aanleg om dik te worden. Een bruid van vier en twintig jaar, die door deze eigenaardigheden zich onderscheidt, kan zeer wel beminnelijk en lief zijn, maar schoon is zij niet te noemen.

Doch natuurlijk lette de moeder meer op de leelijkheid van haar schoonzoon, dan op het figuur van haar eigen kind. Caroline was getroffen, neen geschrikt door hel voorkomen van Willem, toen hij in nachttoilet de kamer van zijn vrouw was binnengetreden. Zij was den volgenden dag nog niet van haar schrik bekomen. Met groole openhartigheid deelde zij haar gevoel aan haar vertrouwde, lord Hervey 113 mede: „Ah, mon Dieu! quand je voiois enlrer ce monstre pour coucher avec ma fdle, j'ai pensé m'évanouir; je chancelois auparavant, mais ce coup-la m'a assommée. Diles moi, mylord Hervey, aves vous bien re-inarqué et considéré ce monstre dans ce moment? Et n'aviez

ocr page 260

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

vous pas bicn pitié de la pauvre Anne? Bon Dieu! c'esl Irop sotte en moi, mais j'en pleure encore.quot; 114

Of „la pauvre Annequot; nu zoo beklagenswaard was, mocht twijfelachtig heeten. Het Engelsche volk ten minste meende het tegendeel. Het scheen, dat de geestdrift voor den Oranjevorst in Engeland steeds stijgende was, in plaats van dalende. De geringe achting, die het huis van Hannover, met uitzondering der koningin, genoot, verleidde in deze dagen tot vergelijkingen, die ondanks de leelijkheid van den „Dutch baboonquot; niet tot zijn nadeel waren. De city van Londen, de hoogeschool van Oxford en andere ontevreden plaatsen en corporatiën boden den koning, gelegenheid van dit huwelijk, adressen van gelukwenscliing aan, en maakten van die gelegenheid gebruik om hem allerlei onbetamelijkheden te zeggen. De gewone inhoud kwam hierop neer: zij betuigden hun tevredenheid overliet huwelijk, omdat zij zich herinnerden hoe veel het land aan een prins was verschuldigd, die den naam van Oranje droeg; verklaarden, dat zij niet dan met groote erkentelijkheid hem herdachten, en gaven, zooveel zij durfden, te verstaan, hoe zeer zij wenschten, dat deze man het voorbeeld van zijn beroemden voorganger zou volgen en op den eenen of anderen tijd zijn schoonvader — weg-jagen, gelijk Willem 111 het den zijne had gedaan. Het adres van de City van Londen werd op kreupelrijm aldus samengetrokken :

„Most gracious Sire, behold before you Your prostrate subjects that adore you —

The Mayor and Citizens of London,

By loss of trade and taxes undone,

Who come with gratulation hearty,

Altho' they're of the Country Party,

To wish your Majesty much cheer On Anna's marriage with Myn'heer.

Our hearts presage from this alliance,

The fairest hopes, the brightest triumphs.

For if one Revolution glorious Had made us wealthy and victorious,

250

ocr page 261

HET OUDERLIJK HUIS VA.N AN.NA VAN HANNOVER.

Another, by just consequencc,

Must double both our power and pence;

All therefore hope that young Nassau,

Whom you have chosen your son-in-law,

Will show himself of Williams stock,

And prove a chip of the same block.quot;

Waar of wanneer de prins van Oranje zich vertoonde, barstten de toejuichingen los. Terwijl de prins van Wales of do koning met koelheid in het publiek werden bejegend en geen juichende volksmenigte hunne koetsen vergezelde, schenen de Engelsche harten slechts van warmte en liefde te kloppen voor den „opvolger van Willem III.quot;

Hoe weinig ernstig gevaar er in dergelijke luidruchtige bijvalskreten ook was, het was niet te verwonderen, dat George II zeer naar het vertrek van zijn schoonzoon verlangde. Den 22sten April scheepten de jonggehuwden zich te Greenwich in. Nooit was er melankolieker afscheid dan tusschen Anna en haar familie gezien. Haar vader gaf haar duizend kussen en een stortvloed van tranen. De prins van Wales nam geen afscheid, hij was bang haar te veel aan te doen. Niemand, die van dit voorwendsel dupe werd. De prins van Wales was boos op Anna en wilde niets van haar weten.

Toen windstilte Willem en Anna te Gravesend ophield, zond de koningin lord Ilervey, om hen nog eens vaarwel te zeggen, lieeds dadelijk na het huwelijk had Ilervey opgemerkt, dat Anna haar echtgenoot zeer sterk het hof maakte, altijd het woord tol hem richtte en alles toejuichte, wat hij aan anderen zeide. Nu ontdekte hij, dat de vertrouwelijkheid der jonggehuwden niets te wenschen overliet. Anna had den Prins volkomen op de hoogte van het hof en de relatiën der verschillende personen gebracht. 11 ij ondervond het op duidelijke, maar minder aangename wijze, toen de prins spottende hem onderhield over zijn betrekking tol, zekere hofdame, met wie hij nog al zeer intiem was.

Misschien dat zijn gevoeligheid over die spotternij eenigen

251

ocr page 262

MET OLIDIOlll.l.lK IIL'IS VAN ANNA VAN HANNOVER.

invloed licell gehad op de leekening- vun hel afscheid , en dat de snelheid, waarmede Anna vergeten werd, een weinig in zijn ver-haai is verhaast door de ergernis, dat hij het voorwerp van hun snaaksche opmerkingen was geweest. Koningin Caroline kreet» zegt hij, drie dagen lang, maar na drie weken (behalve op postdagen) scheen Hare Koninklijke Hoogheid zoo goed vergeten, alsof zij drie jaar begraven was.

Doch Anna van Hannover verliet Engeland niet met het plan om zich te doen vergeten of om er niet terug te keeren. Integendeel , nog voordat zij van haar vaderland scheidde, bereidde zij haar wederkomst voor. Bij het laatste bezoek, dat lord Hervey haar bracht, verzocht zij hem, dat hij zijn invloed mocht aanwenden, opdat er geen vrede werd gesloten. Breidde de krijg, waartoe de Poolsche successie aanleiding had gegeven, zich uit, dan werd de Bepubliek der Vereenigde Nederlanden er zeker ook in betrokken. De noodzakelijkheid van een militair opperhoofd zou zich dan doen gevoelen, en tot de herstelling der stadhouderlijke waardigheid leiden. Maar in elk geval zou de prins, indien er thans geen vrede kwam, een toer naar de keizerlijke armee maken, en Anna kon dan een bezoek aan Engeland brengen.

Over haar ontvangst in de Nederlanden was door de koninklijke regeering met het aristocratisch gouvernement der Republiek onderhandeld. Horace Walpole had niet veel gedaan gekregen : als hoogste beleefdheid verkozen de Staten Anna als Koninklijke Prinses of Hoogheid te behandelen en te begroeten, terwijl zij haar echtgenoot als hun mindere bejegenden. Doch niettemin ondervond ook Anna nadrukkelijk liet groot verschil tusschen hare vroegere en tegenwoordige positie. In Leeuwarden was nog een soort van hofleven, dat eenige vergoeding schonk, maar het was er vervelend. In Den Haag, waar zij het liefst vertoefde , gingen de meeste eerbewijzen van de lagere standen uit: hier was men in het hart der aristocratische tegenpartij. De aanhangers van het Oranjehuis vormden wel een hofkring, maar de

ocr page 263

HET OUDERLIJK 1IÜIS VAN ANNA VAN HANNOVER. 253

meerderheid en de macht was aan de zijde der tegenstanders. Met zorg moesten de stadhouderlijken waken, dat zij hunne vijanden niet de voorwendsels aan de hand gaven om maatregelen door te drijven, die hen verder dan te voren van het doel hunner wenschen zouden verwijderen. Ook de Koninklijke Prinses, al zou zij zich de minachtende bejegening, die haar echtgenoot ondervond, niet aangetrokken hebben, kon zelve de gevolgen der ongelukkige, scheeve positie van den Stadhouder van Friesland in Den Haag niet ontgaan. Voor een zoo trotsche vrouw als zij was, moest menige pretensie dezer burgerlijke aristocratie 115, die de rnacht in handen had, ondraaglijk zijn. Hoeveel afwisseling de schilderkunst en de muziek -- zij was een dwepende leerlinge van Handel — haar ook schonken, vergoeding konden zij haar niet geven.

liet was in waarheid een verlossing, toen Willem IV in Juli een reis naar het keizerlijke leger ondernam en haar daardoor de gelegenheid schonk, een tochtje naar Engeland te doen. Zoodra zij te Londen was aangekomen, verklaarde zij zwanger te zijn; zij had het in Holland niet gezegd, uit vrees, dat men haar dan niet had laten gaan.

Scheiden leert wijden. Hel ouderlijk huis, dat Anna niet bijzonder had gewaardeerd, toen zij er in vertoefde, had zij in den vreemde, onder de teleurstellingen en krenkingen van haar hoogmoed, liever gekregen dan ooit te voren. Zoo lief, dat zij schrikte om liet weer te verlaten. Zij bleef te Londen, de eene maand voor, de andere na. Die langdurige afwezigheid maakte de aanhangers van liet Oranjehuis in Holland ontevreden. Horace Walpole, de Engelsche ambassadeur in Den Haag, wist het wel, maar zag er tegen op, om haar de waarheid te zeggen. Hij kende haar; zij was te hoogmoedig en te heftig, om ze gemakkelijk te verdragen. ,,Wat het meest in haar belang is, komt liet minst met haar lusten overeen: en ik ben niet boosaardig genoeg, om iemand, als men mij om advies vraagt, te raden, tegen zijn belang te handelen,quot; quot;f' schreef hij aan zijn broe-

ocr page 264

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

der , tot verklaring van zijn stilzwijgen tegenover de Prinses. Doch Anna drong bij hein aan, en het hooge woord moest er eindelijk uit. Hij schreef haar toen duidelijk, dat al degenen, die hel goed met haar en haar echtgenoot meenden, zeer ontevreden waren over haar verblijf in Engeland, uit vrees dat zij daar bevallen zou. Hij gaf, als zijn bescheiden meening, daarbij te kennen, dat ook de Prins van Oranje liet beter zou vinden, indien zij overkwam en zijn terugkeer afvvaciitte binnenslands, dan dat zij in Engeland toefde totdat hij haar ontbood. Aan het slot van zijn schrijven verzocht hij II. K. 11.. den brief niet aan de koningin te laten zien, Maar Anna dacht er geheel anders over. Het denkbeeld, om naar Holland terug te keeren, verschrikte haar zoo zeer, dat zij den geheelen morgen, nadat zij den brief gekregen had, bleef huilen en eindelijk met roode oogen en natte wangen naar haar moeder liep. Iloode oogen en betraande wangen staan een zwangere jonge vrouw niet wel, en kunnen het kind kwaad doen. Caroline had dan ook diep medelijden met de arme Anna, die zoo onbillijk behandeld werd, en liet er zich door tot een heftigheid verleiden, die zij anders wist te beheerschen. Zij schreef aan Horace Walpole een brief, waarin zij hem op half ernstigen, half schertsenden toon verzocht, om zich te bepalen tot zijn politiek, zich niet te bemoeien met dingen, die hij niet begreep, en de regeling van haar dochters gedrag over te laten aan haar eigen wijsheid, daar zij veel beter, dan hij het haar kon zeggen, wist wat behoorlijk was. Zij vroeg hem, of hij dacht, dat haar dochter niets te doen had dan over zee voor haar pleizier heen en weer te trekken? De eenige reden, waarom hij dat mooie advies had gegeven, was zeker dat hij zich verveelde: hij had de Prinses noodig' om whist met haar te kunnen spelen! 117

Zulke dankbetuigingen waren niet uitlokkend voor nieuwe pogingen.

Anna bleef, en wel tot November. In de laatste weken van haar verblijl verliet Lady Suffolk het hof. Sedert geruimen tijd

ocr page 265

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

was de vriendschappelijke betrekking tussclien haar en den koning-veranderd. George bezocht haar niet meer. De doove vrouw-verveelde hem, en zij, naar het schijnt, poogde politieleen invloed uit te oefenen, dien hij, zoo naijverig- op zijn autoriteit, aan haar wel het allerminst wilde toestaan. Langen tijd was er gekibbeld, totdat George, het kibbelen moede, aanving openlijk haar te verwaarloozen. Hij bezocht haar weinig- meer en dan nog zeer kort. In de hoop, de oude genegenheid te doen opvlammen door een tijdelijk gemis, begaf zich in den nazo- 'vV, mer naar Bath, doch keerde in het laatst van October terug. De ^ koning nam geen notitie van haar en bezocht haar niet in haar kamer, en als hij haar in de kleedkamer der koningin ontmoette, sprak hij met haar op geheel onverschillige wijze, als met iemand, tot wie hij in geen bijzondere betrekking stond.

Lady Suffolk begreep, dat alles voorbij was, nam haar ontslagen verliet het hot.

De koningin was verheugd over haai' zegepraal, maar bezorgd over een opvolgster. Het was bij deze gelegenheid, dat Anna , de woorden sprak, die haar minachting van haar vader zoo duidelijk openbaarden. Zij was reeds op weg naar huis geweest,

maar teruggekeerd.

In October toch had de prins van Oranje geschreven, dat hij op de terugreis was. Hij verlangde, dat ook zijn vrouw wederkwam, en zond zijn opperstalmeester Grovestins, om haar te geleiden. Nu was er geen voorwendsel voor langer verblijf. Onder veel tranen nam de prinses afscheid, om over Harwich te vertrekken. Maar toen zij te Colchester brieven kreeg van den prins van Oranje, waaruit bleek dat hij niel zoo spoedig als hij gedacht had thuis zou zijn, ging zij den volgenden dag terug naar Kensington, waarheen inmiddels het hof was vertrokken. Het eerste bericht, dat George en Caroline van dit onverwacht besluit ontvingen, bracht zij zelve. Zij was bang geweest, dat zij niet al te best zou ontvangen worden, maar het viel haar mede. De koningin ontving haar met duizend kussen

255

ocr page 266

250 HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

en Iratien , do koning met open armen en een vroolijken glimlach. Doch hoe aardig die verrassing ook was, er moest aan de zaak een einde komen. In Holland maakte haar lange afwezigheid bij toeneming een zeer ongunstigen indruk, en de prins van Oranje had, meenende dat zij op reis was, zich gehaast, en zal haar te llellevoetsshiis te wachten. Hoe ongaarne ook, Anna rnoest de schittering en glans van het Engeische hof vaarwel zeggen, om zich in haar minder schitterend leven, rijk aan kleine kwellingen, in de Republiek te voegen. Met loome schreden begaf zij zich in de eerste dagen van November opnieuw op reis. Te Harwich scheepte zij zich in. Maar nauwelijks in zee, werd zij zoo ziek, dat het niet uit te houden was. De kapitein van het jacht, dat haar zou overvoeren, was zoo goed niet of hij moest het schip in de haven van Harwich terugvoeren. Met getuigenissen van haar medicus, den verloskundige enz. beladen , vertrok ijlings een koerier naar Londen. De prinses, zoo verklaarden deze getuigen, naar men zeide door haar geïnspireerd, kon do zeereis niet uithouden: zij liep gevaar van een miskraam en stelde, als zij de reis voortzette, haar eigen leven en dat van haai- kind in de waagschaal. Te Londen maakte dit misbaar niet den indruk, dien zij gehoopt had. Ieder was overtuigd , dat het haar alleen te doen was om te blijven, en in Engeland zelf moeder te worden. Fluisterend werd gesproken van politieke berekeningen, met het oog op latere gebeurtenissen.

George en Caroline begrepen, dat hun onnadenkend kind hoog spel speelde. Zij wachtten zich wel te beslissen, maar lieten de beslissing aan den prins van Oranje over. Deze, die maar al te goed inzag, welk een nadeel het aan zijne belangen zou toebrengen, indien zijn zoon of dochter in Engeland werd geboren, liet zich door al de verklaringen van het dienstbare personeel niet van den weg brengen. Hij schroefde prinses, dat zij over Galais moest gaan, indien de zeereis van Harwich te vermoeiend voor haar was. Aan de koningin verzocht hij, dat zij haar dochter niet zou steunen in haar tegenstand, maar

ocr page 267

HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

integendeel alles aanwenden om de prinses tot gehoorzaamheid te dwingen. Dit werkte. De koning, die zich altijd over hindernissen, hoe onvermijdelijk dikwijls ook, ergerde, en die bang was dat dit bezoek, dat hem reeds 2(J,0ÜÜ p. st. had gekost, nog meer zou gerekt worden, begon zijn geduld te verliezen. Hij liet de koningin aan Anna schrijven: zij moest en zij zou in Holland, en niet in Engeland bevallen. Daar de prins van Oranje liet wilde, moest zij nu maar over Galais gaan. Maar om alle onvoorziene beletselen en verrassingen te voorkomen en alle nieuwe aandoeningen van afscheid nemen te vermijden, verkoos hij niet, dat zij nogmaals te Londen zou komen. Zij moest den naasten weg binnendoor van Harwich naar Dover gaan, zonder Londen aan te doen. Waren deze bevelen Anna al zeer weinig naar den smaak, een toeval maakte, dat haar vertrek uit Engeland een nog sterkei' trek van ongenade droeg. De landwegen van Harwich naar Dover waren in dezen tijd van 't jaar niet met eene koets te passeeren. George vergunde toen, dat zij Londen aandeed, maar alleen om over de London-Bridge naar Dover te rijden. Zij mocht niet stilhouden, niet te St. James komen, en geen lid van de familie mocht haar komen zien bij het doorrijden der stad. En zoo geschiedde het. De trotsche koningsdochter van Engeland reed door de hoofdstad van haars vaders rijk, zonder dat hare bloedverwanten eenisre notitie van haar namen, anders dan dat een hofdame kwam zien, of het bevel des konings stipt werd uitgevoerd. Over Galais keerde zij, gelijk bepaald was, naar haar echtgenoot en het land, dat haar nieuwe vaderland moest zijn, terug.quot;8 Wat zal er in dit hartstochtelijk trotsche hart zijn omgegaan!

Sinds leefde Anna van hare bloedverwanten gescheiden. Het ouderlijk huis was het hare niet meer. Koning George bracht in I7rjt) een half jaar in Hannover dooi-, waar een nieuwe maitres. Madame Wallwoden, hem boeide. Toen hij in het begin van December naar Londen terugkeerde, was Anna weinige dagen te voren van een dood kind bevallen quot;3. De vaderlijke 11 17

257

ocr page 268

HET OLtüEIÏLlJK HÜ1S VAN ANNA. VAN IIANNOVEU.

teederheid was niet groot genoeg, dat zij liem uilstapje naar Den Haag te maken, om zijn zieke dochter te zien. Trouwens, hij had haar in het vorige jaar een paar uur te Apeldoorn gesproken: dat was voldoende.

Hare moeder Caroline zag zij nooit meer. De koningin van Engeland stierf iu November 1737 aan de geheime kwaal, dia zij jaren lang verborgen had gehouden. Zij had het verdriet gehad te zien, dat Lady Sulïblk eene opvolgster vond in de Han-noversche dame. Madame Wallwoden. George II was in 1735 met haar intiem geraakt, en had de naieveteit zoo ver gedreven, dat hij zijn vrouw, in brieven van twintig pagina's, van den voortgang dezer nieuwe verovering op de hoogte hield. „Gij zult van haar houden,quot; — ontzag zicli de ijdele man niet aan zijn vrouw te schrijven — „want zij houdt van mij.quot;

bezweek Caroline, tot het laatste aan den onwaardigen George. Hare vier dochters en jongste zoon 110 omringden haar sterfbed; de oudste zoon, de prins van Wales, wachtte in zijn paleis de tijding van den laatsten snik af.

m

Na lang gesukkeld te hebben,

oogenblik getrouw

Anna was in Den Haag. Zij ontving berichten van haar moeders ongesteldheid en het klimmen der ziekte, maar geen enkele brief bevatte ook maar de geringste uitnoodiging om over te komen. Koning George was sedert haar vertrek uit het ouderlijk huis van haar vervreemd, en liet zich over haar uit op een wijze, die meer autoriteit dan vaderlijke genegenheid verried. Over ieder, die hem moeielijkheden bezorgde of geld kostte, dacht hij niet gunstig. Anna had zoowel het eene als het andere gedaan. Uit zijn oog, was zij ook uit zijn hart geraakt. Toch vreesde men in Londen, dat Anna het wagen zou, de ziekte van haar moeder tol voorwendsel te bezigen om naar Engeland te komen. Horace Walpole, de Engelsche ambassadeur in Den Haag, kreeg last haar, zoo overreding niet baatte, met geweld te weerhouden: hoe dit laatste in zijn werk moest gaan, was zeker moeielijk te zeggen. Hij deelde den prins van Oranje de

bewoog een

ocr page 269

ItET OÜDHaiJJlv UUlS VAN ANNA VAN H.VNNoVKll. ^5i)

ontvangen bevelen mede. Deze bracht ze aan zijne gade over, die daarop den gezant, die de onschuldige tusschenpersoon was in deze zaak, haar drilt en gebelgdheid op nadrukkelijke wijze deed kennen.

Met den dood der koningin deed zich de vraag op, wie nu voortaan den koning zou regeeren? Dat deze ijdele man niet op zijn eigen beenen kon staan, maar iemand naast zich hebben moest, wiens inzichten en denkbeelden hij zonder het te weten overnam en voor de zijne uitgaf, niemand, die het betwijfelde. Sommigen dachten aan prinses Amelia, maar Lord Walpole kende den koning beter. Hij zou zich niet door een dochter van 25 jaar laten leiden: daarvoor was hij te trotsch. In haar laatste dagen had de koningin Caroline hem den raad gegeven om te hertrouwen. Hij had met dankbaarheid en gevoeligheid dien raad ontvangen, en was er zoo door geroerd geweest, dat hij niet dan snikkende had kunnen antwoorden: „non, j'aurai des maitressesquot;. En zulk een man wilde men door een dochter van 25 jaar laten regeeren! Walpole gaf hem den raad, madame Wallwoden onmiddellijk uit Hannover te ontbieden. En zoo geschiedde het.

Maar de prinses van Oranje gaf den kamp zoo spoedig niet op. Zij begreep, evenzeer als Walpole en de geheele koninklijke omgeving, dat George behoefte had aan eene raadsvrouw, gelijk de koningin was geweest. Waarom moest het eene vreemde, waarom kon zij het niet zijn? Onder voorwendsel van ongesteldheid, die liet gebruik der baden te Bath noodig maakte, kwam zij naar Engeland over. In haar ongeduld was zij on-liandig en onbescheiden genoeg, om de ware reden van hare reis uit te spreken. Het werd den koning overgebracht, die natuurlijk nu minder dan ooit van haar weten wilde. Hij dreef bar voort naar Bath, om de baden te gebruiken, en toen zij van daar wederkeerde, ijlings weer naar huis121. Ik geloof niet, zegt Walpole, dat zij twee nachten in Londen heeft doorgebracht. Vader en dochter waren voorgoed gescheiden. Slechts

ocr page 270

260 HET OUDERLIJK HUIS VAN ANNA VAN HANNOVER.

enkele malen liebben zij elkander nog weer gezien. George heeft het Anna nooit vergeven.

Den 24ste11 Maart 1734, toen Anna van Hannover in de kleine kapel van St. James haar hand reikte aan den prins van Oranje, sloot zich de ouderlijke woning halverwege. Den lsten -November 17o7 , toen koningin Caroline het moede hoofd nederlegde, viülen de deuren geheel dicht. Zij is er nooit meer als kind in geweest, liet was haar ,,thuisquot; niet meer.

ocr page 271

VII

HUT TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

ocr page 272
ocr page 273

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

liet lijdpeik onzer volkshistorie, dut de tweede liell't der aclittiende eeuw omvat, is bekend als liet tijdperk der patriotten. Kenmerkend is die naam niet; want alle partijen in de Republiek , van üldenbarnevelt tot 171)5, bebben zich patriotten genoemd. Maar na 1751 worden onder dien naam de tegenstanders van het stadhouderschap en van Engeland verstaan.

Niet altijd was Engeland de buitenlandsche mogendheid geweest, waarop het Oranjehuis steunde. De eerste Stadhouders waren vrienden van Frankrijk; in de dagen van Cromwell had de Engelsche Hepubliek de verheffing van den Prins van Oranje tegengewerkt. Maar sedert Willem lil was Engeland de trouwe steun van het stadhouderschap. De omkeer van 'i74'7 was niet zonder Engeland's hulp tot stand gekomen, en bij den dood van Willem IV was het eene Engelsche prinses, die als Gouvernante voor de belangen van zijn zoon had te waken en zijne plaats innam.

Deze nauwe betrekking tot Engeland heelt op de volgende gebeurtenissen een beslissenden invloed gehad. De aanvallen op het stadhouderschap zouden waarschijnlijk nooit die hoogte hebben bereikt en zeker die kracht niet hebben bezeten, indien de band tusschen de Oranje's en het Engelsche vorsten-huis minder eng ware geweest. Thans diende veertig jaar lang

ocr page 274

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

dio familiebetrekking ann de patriotten lot wapen, om de Oranje's te slaan. Omgekeerd zou ongetwijfeld de buitenland-sclie staatkunde der Republiek een geheel andere zijn geweest, zoo men in Engeland niet zijn bondgenoot, het stadhouderschap , had getroffen.

Een dergelijke beschouwing, zal men zeggen, gaat uit van de onderstelling, dat niet overtuiging, maar berekening de leiders en lioofden der patriotten heeft geleid. Er is geen grond om dit te betwijfelen. De schare, die de wet niet kent, heeft toen, als steeds, gevolgd; maar zij, die de Republiek regeerden, handelden uitsluitend uit politieke partijzucht.

Die verbinding van een buitenlandsche mogendheid met het stadhouderschap der Republiek was niet willekeurig of toevallig. Engeland had op de gebeurtenissen van 1747 een beslis-senden invloed gehad. De revolutie van 1747, die bestemd was om de regenten-oligarchie de handen te binden en aan de bur-gerijen de vrijheid te schenken, was door Engeland's goud, naar men zeide, bewerkt.

Maar 1747 was mislukt. De verheffing van Willem IV had geen andere vrucht gedragen dan teleurstelling en verbittering. Teleurstelling van de burgerijen, die wegneming van den kanker, welke den staat ondermijnde, hadden verwacht. Verbittering bij de regenten, die bang waren geweest en zich door het volk tot de herstelling van een stadhouderschap hadden laten dwingen , dat volkomen overbodig en slechts hinderlijk voor hen was gebleken. Het boezemde hun geen ontzag in en stond hun slechts in den weg. Zoo die instelling hen gebreideld had, zij zouden ze gevreesd hebben: nu haatten zij het stadhouderschap, omdat zij het minachtten.

Die minachting zou hun geen moed gegeven hebben, indien de zoon, die bij Willem's dood de stadhouderlijke waardigheid erfde, een krachtig man ware geweest. Immers dan ware hij er wellicht nog in geslaagd, de onmisbaarheid van zijn hoog ambt aan de natie te doen gevoelen en ontzag aan de tegenstanders in te

264

ocr page 275

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

boezemen. Maar liij was een kind van drie jaar, voor wie eene vrouw optrad, gebogen door alles, zwak door wat een karakter kan buigen, teleurstelling en lichaamslijden.

Anna van Hannover had te lange jaren te vele vernederingen ondergaan, dan dat de korte periode van haar grootheid den invloed ervan kon vernietigen. Zij was de overmoedige jonge vrouw niet meer van vijf en twintig jaar geleden. Zij was de weduwe van een man, wiens leus: passief afwachten en geen partij trekken, had getriomfeerd. Zij moest waken voor de belangen van een zoon, die zijne hooge rechten , haarsinziens, alleen dankte aan die passieve wijsheid van zijn vader. Was liet wonder, dat de Gouvernante het voorbeeld van Willem IV blindelings volgde?

Haar trots en vorstelijke lierheid bewaarde zij voor hare aanhangers : aan de regenten vielen de hoffelijke glimlachjes ten deel. Zij betaalden haar met vleierijen en strijkages; en de Gouvernante meende hen gewonnen te hebben. Aan de oude Friesche vrienden, Van Haren en de zijnen, langer met haar en het hofleven bekend en buigzamer van aard, leende zij het oor. De zelfstandiger Hollandsche edelen, zooals Bentinck, waren haar te onafhankelijk; naar hen luisterde zij niet. Personen, die door hun positie, naar zij meende, toch reeds tol aanhankelijkheid waren verplicht, behandelde zij met koelheid en wantrouwen, indien zij zich nevens, niet onder haar schenen te stellen.

Een jaar vóór den dood van Willem IV was door diens invloed een man in dienst der Republiek getreden, die haar natuurlijke steun en raadsman moest zijn. Lodewijk van Bruns-wijk-Wolfenbuttel behoorde tot een dier vele kleine Duitsche vorstenhuizen, die, rijker aan kinderen dan aan vermogen, moeite hebben om hun rang op te houden. De zonen en dochters zochten daarom hun fortuin in den vreemde, deze door huwelijken, gene door militaire betrekkingen. Willem IV had Brunswijk tot veldmaarschalk doen aanstellen, met de erkende bedoeling, dal hij na zijn dood de raadsman van zijn vrouw

265

ocr page 276

HET TUDPERK DKK l'ATÜIOTTEN.

en do waarnemer van de militaire betrekkingen en van de belangen zijns zoons zou zijn.

Anna was minder met hem ingenomen dan Willem was geweest. Weinig vrouwen zouden het haar euvel duiden, want hij was alles behalve een Adonis. „Hij was een der leelijkste en logste mannenquot; — schrijft een Engelschman, die hem goed gekend had — „welke men in de Republiek zien kon, waar leelijk-heid en logheid volstrekt geen zeldzaamheid waren. Hij had een gebrek in de spraak, zoodat hij vreeselijk stotterde; zijn gewone manier van praten was verward, onbeholpen, breedsprakig, zoodat men moeite had om te begrijpen wat hij eigenlijk wilde. Maar deze uitwendige gebreken werden vergoed door andere eigenschappen. Hij had een scherp oordeel, (ijne menschen-kennis, groote sluwheid; en dat alles in dienst van een groote eerzucht. De gewone regelen van waarheid en goede trouw golden voor hem niet; intrigeeren, om zijn doel te bereiken, was voor hem zulk een behoelle, dat hij het deed, ook waar hel onnoodig was. Menschen voor zich in te nemen was een talent, dat hij in zeldzaam hooge mate bezat.quot;

Deze teekening, een der gunstigste, die wij bezitten, verklaart slechts ten deele, waarom Anna niet met Brunswijk overweg kon. Die man — dit was de hooldoorzaak — nam een stelling in, die niet ondergeschikt was aan de hare; zij had hem meer noodig, dan hij haar. Zij vond hem niet gedwee genoeg, en zag niet, dat de steun van dien stotterenden veldmaarschalk haar onmisbaar was. Van Haren en de Friesche edelen konden Brunswijk niet uitstaan, die zich vermeette op den stoel van den Stadhouder te gaan zitten en de houding aannam, alsof hij boven hen stond. Openlijke brouillerieën onder de aanhangers van het stadhouderschap voorkwam Anna; maar zij zorgde niet dat haar aanhang aaneengesloten samenwerkte. Willem IV had er nooit van willen hooren, dat zijne vrienden zich tot een politieke partij verbonden. Anna dus evenmin. Zoo werkte het politiek inzicht, dat zij van Willem geërfd had,met

ocr page 277

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

den trots van liaur eigen karakter samen, om de kracht van het stadhouderschap verder te verbreken, door de eenheid en eendracht van haar aanhang niet te verzekeren. En toch waren die eenheid en eendracht noodzakelijk.

Voor zijn persoonlijk geluk, de ongeschoktheid van zijn geloof aan zijn eigen wijs inzicht, was Willem IV bijtijds gestorven.

Anna was minder gelukkig. Zij leefde lang genoeg om de eerste vruchten te zien rijpen van het uitgestrooide zaad en de eerste doornen te oogsten.

Bijkans onmiddellijk na VVillem's dood had Amsterdam de oude, vijandige houding van vroeger dagen weder aangenomen. De aanhangers van bet Oranjehuis werden vervolgd, het volk werd door smaadschriften opgewonden. Zoo heftig un openbaar was de vijandschap van de Arnsterdamsche regeering, dat Anna,

otn zich voor persoonlijke beleedigingen te vrijwaren, vermeed Amsterdam te bezoeken, zelfs waar er aanleiding toe bestond. Ook elders en in andere opzichten begon het verzet zich te doen gelden. Stadhouderlijke rechten, door Willem IV ongehinderd uitgeoefend, werden haar betwist. In de eerste jaren slaagde zij er nog in haar gezag staande te houden, maar alles bewees, dat de reactie tegen 1747 veld won.

Een quaestie van buitenlandsche politiek bracht eerlang de botsing. In 1755 ving de zevenjarige oorlog in Duitschland en . de strijd tusschen Frankrijk en Engeland in Amerika aan. Van ulle kanten was de Republiek door strijdvoerende partijen omsingeld. Krachtens bestaande tractaten was zij verplicht, Engeland met schepen en manschappen bij te staan. In den aanvang werd door alle partijen hier te lande de verplichting der Republiek en het goed recht van Engeland, om hulp te eischen,

erkend. Maar spoedig veranderden de inzichten. In 1755 kwam in Den Haag een Fransch gezant aan, d'Affry geheeten. Hij werd gezonden om de Republiek tot onzijdigheid, zoo niet tot aansluiting aan Frankrijk te bewegen. Hij was een bekwaam diplomaat en een sluw intrigant. Tegen de regeering voerde

207

m

rit ;i'fit lil lil lil ij ■ li

111' li i j

p

ii ij

i ■ I r te1

II

il

i Kf

tl

ocr page 278

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

hij een lioogen en dreigenden toon, en deed haar den toorn zijns meesters vreezen. De toon maakte te dieper indruk, naarmate het gevoel van machteloosheid grooter was. Nog altijd waren 'slands kassen leeg, de marine en het landleger verwaarloosd. Er was na 1747 niets tot herstel gedaan. Om den invloed der Oranjepartij , die op trouw aan de tractaten aandrong, te breken, zocht d'Affry zijn steun bij de stedelijke regenten en vroedschappen. De inzichten van Frankrijk dienden de stedelijke aristocratieën het best en doelmatigst om den invloed van Engeland te fnuiken. Men zegt, dat de gezant de eerste regentenclubs heeft opgericht, die de patriotten van verschillende plaatsen en gewesten verbonden om ééne lijn te trekken. In Amsterdam vond hij zijne warmste vrienden en de gewilligste werktuigen; de Amsterdamsche handelaars leverden gronden en voorwendsels voor de eischen en klachten hunner bestuurders te over. Ook liet. uiterlijk aanzien van hel Oranjehuis, voor polilieken invloed niet zonder beteekenis, ondermijnde hij. Vorstelijk was de levenswijze van Anna van Hannover. De Fransche ambassade trad als haar mededingster op, en de menigte zag de prinselijke weelde van het Oranjegeslacht overtroffen door den verkwistenden voet, waarop de gezant eener vreemde mogendheid, Engeland's vijand, leefde.

De uitwerking bleef niet achter. De Republiek weigerde aan hare verplichting te voldoen en wees Engeland's aanvraag om hulp op de lompste wijze van de hand.

De straf volgde onmiddellijk.

Verbitterd over die onwaardige bejegening, weigerde onze bondgenoot sedert bijkans een eeuw, den llollandschen handel op Amerika vrij te laten en kende zich het recht toe, de handelsschepen op zee te onderzoeken. Zij, die verboden waren of contrabande aan boord hadden, werden verbeurd verklaard. Groot en aanzienlijk waren de verliezen, die de handelaars leden, voor wie de smokkelhandel een der rijkste bronnen van inkomst was. Maar grooter en aanzienlijker nog schijnen

ocr page 279

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

de winsten geweest te zijn. Er zijn tijdgenoolen, die verzekeren , dat het groot fortuin van Amsterdam vooral uit deze jaren afkomstig is.

Niettemin was de kreet van afgrijzen algemeen, die door handelaars en regenten tegen liet misdadige Albion, het vaderland van Anna van Hannover, werd aangeheven. Zij wensciiten, dat hun schepen van staatswege tegen de Engelsche onderzoekingen beschermd en oorlogsschepen daartoe uitgerust zouden worden. Ware het geschied en de oorlog verklaard, de Republiek zou haar dienstbaarheid aan Frankrijk's invloed duur betaald hebben. De haat der regenten tegen het stadhouderschap verblindde het kalm overleg en maakte hen tot speelballen van de sluwheid van d'Affry. Doch de invloed van de Gouvernante was nog groot genoeg om dit uiterste te beletten. Zij voorkwam de wapening ter zee en het uitbreken van den krijg.

Tegen haar richtten zich thans aller handen. Met adressen en beleedigende vertoogen werd zij bestormd. „Eén woord van u, en de uitrusting ter zee heelt plaatsquot;, wierpen de Amster-damsche handelaars en regenten haar voor de voeten. „Eén woord van haar, en onze schepen zijn beschermdquot;, herhaalden zij aan het lichtgeloovige volk.

Wat zouden die llollandsche handelaars zijn geschrikt, indien zij dat ééne woord gesproken en het kanon van het misdadige, machtige Albion geantwoord had!

Maar zij sprak het niet, omdat zij met haar vader niet in oorlog wilde zijn. Toen zij in Januari 1759 stierf, scheen een opstand tegen haar nabij. Duch haar dood maakte hem overbodig. Thans zou geen vreemde prinses meer de voldoening beletten van de eischen van handelsbelang en nationale eer.

Nog drie jaar duurde de krijg tusschen Engeland en Frankrijk voort. Gij verwacht nu, dat de Nederlandsche regenten, deze ware en oprechte patriotten, deden, wat zij van Anna hadden geeischt. Eén woord slechts behoefde het hun immers le kosten.....

269

ocr page 280

HET TijDl'ERK Dtlli PATRIOTTEN.

Gij vergist u. Amsterdam met zijn aanhang liet zich rustig berooven door Engeland, het protesteerde niet meer, het klaagde niet meer, maar smokkelde voort. Niet de waarheid, niet overtuiging, maar partijzucht en partijbelang had hen bewogen. liet was om de vernedering van het stadhouderschap, niet om den handel, te doen geweest.

Er was één man in de Hepubliek, die, vreemdeling hier te lande, dit onwaardig spel met opmerkzaamheid had gadegeslagen. Voor hem, gewend aan de absolute regeeringen van Duitsch-land, was het zeer leerrijk. De regeeringloosheid alleen regeerde hier, zei Brunswijk.

Hij had, voorzooveel hem gevraagd werd en de voorzichtigheid toeliet, Anna gesteund en d'Affry tegengewerkt. Deze vergalquot; het hem niet en sloot, na den dood van de Gouvernante, zich aan Van Haren en diens Friesehen aanhang aan, die Brunswijk den voet wilden liciiten. De zeventienjarige Caroline, onlangs verloofd aan een neef Nassau-Weilburg, wilden zij in zijne plaats tot Gouvernante en Voogdesse verheffen. Doch de poging mislukte geheel, toen de aanhang van Caroline uiteen werd geslagen door den val van haar hoofd, Onno Zwier van Haren.

In Mei 17GI was de Republiek vervuld met zijn ongehoord schandaal. De trotsche edelman — „vader was zoo hoog' als de huizenquot;, zeiden zijn kinderen — werd beschuldigd, een aanslag op de eerbaarheid van zijn eigen dochters te hebben gedaan. Hij zelf onderteekende een stuk, waarin hij de euveldaad bekende. Des ondanks werd toen en later zijn schuld ernstig betwijfeld. Er waren omstandigheden, die de geheele zaak een politieke intrige deden achten. Hoe dit zij. Van Haren verloor allen invloed en verdween van het politiek tooneel, en met hem de candidatuur van Caroline.

Voor Brunswijk was de opgedane ervaring niet tevergeefs. Representant van den Erfstadhouder, over wien de andere voogden hem de geheele leiding overlieten, begreep hij, dal zijn

-270

ocr page 281

HET TUW'UliK UËIt I'ATRIOTTKN.

positie volkomen onhoudbaar was, zoo liij met de heerscliende partij niet op goeden voet verkeerde. De maclitelooze Oranjepartij kon hem niet staande houden, zoo hij de gunst der regentenpatriotten verloor. Met voor- en tegenstanders van den jongen Erfstadhouder, wiens opvoeding hem toevertrouwd was, moest hij op goeden voet blijven, zoo hij zijn hooge en voor-deelige plaats in de Republiek wilde behouden. Van hem, den vreemdeling, kon niemand vergen, dat hij zich opofferde voor de belangen van een kind, die hij door ovennatigen ijver en vasthoudendheid wel schaden maar niet baten kon.

Het moeilijk probleem, tusschen onverzoenlijke tegenstanders een zelfstandige positie in te nemen en gelijktijdig de gunst en goedkeuring van staats- en prinsgezinden te verwerven, is door Brunswijk opgelost op een wijze, die voor zijn beleid bewondering afdwingt. Een volkomen onbeteekenend man speelt een dergelijke rol niet. Door hel karakter van den jongen Willem viel het hem trouwens niet moeielijk.

Verschillende omstandigheden werkten begunstigend, liet was in zijn voordeel, dat de magistraatsbestelling gedurende Willem's minderjarigheid in handen der Staten was: het bewaarde hem voor moeielijkheden. Op het militair terrein, met de régeling waarvan hij belast was, bracht hij verbeteringen tot stand, die bij allen erkenning konden vinden. Met het binnenlandsch beheer, waarop hem geen ofticieele invloed was toegekend, bemoeide hij zich niet officieel. Zoo, door zich tegen niemand te verzetten, werd hij de vriend van iedereen. Goed linancier, zorgde hij voor het vermogen van den minderjarigen Willem als voor het zijne. Den verwarden staat der geldelijke aangelegenheden herstelde hij, zoodat de jonge Erfstadhouder bij zijn meerderjarigheid geacht werd een inkomen van twee millioen te bezitten.

Er is veel gesproken over de opvoeding, die iiij aan den jongen Willem V heeft gegeven. De Oranjepartij heeft op hem de schuld geworpen van het onbeduidend en weifelend karakter,

ocr page 282

MET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

dal de laatste Stadhouder als man openbaarde. Aan zijn persoonlijk belang heeft Brtmsvvijk dal van het kind opgeofferd, zegl men. heeft hem gemaakt tot. een onzelfstandig wezen, een verward hoofd, gewoon op anderen te steunen, zonder eigen inzicht of kracht van wil. liet is zijn doel geweest, hein aan voortdurende afhankelijkheid te gewennen, opdat hijzelf onmisbaar zou zijn. „Men gewende hemquot; — vertelt de Perponcher — „men gewende Willem , wien het noch aantalenten, noch aan goed hart, noch aan welmeenendheid ontbrak, zelfs de kleinste bijzonderheden na te gaan en uit te vorschen. Eene hebbelijkheid, die eindelijk altoos dringt de groote zaken (e laten oploopen en door anderen afdoen. Men boezemde hem daarbij veel mistrouwen in tegen zichzelven, opdat hij denken mocht, raad en leiding noodig te hebben. Deze opvoeding werd de groote ooi-zaak van zijn zoo dikwijls weifelend, zelden vertrouwend, nimmer eenparig blijvend gedrag.quot; In hoofdzaak komen alle getuigenissen op dit punt overeen.

.lammer maar dat alle bewijs ontbreekt, dat er van den jongen Willem iets anders ware Ic maken geweest. Professor Weis, die hem onderricht gaf, weet uit die leerjaren niets anders te roemen dan zijn ijver, zijn weetgierigheid en zijn goedhartigheid. Van talenten is nergens eenig spoor. Toen Anna van Hannover stierf, was haar zoon ruim tien jaar, dus oud genoeg om, zoo er staal in zijn karakter was geweest, het tetoonen. Maar niemand weet een enkele proeve er van aan te voeren dan deze, dal hij bij zijn jongensspelen altijd kapitein wilde zijn, wat zeker niet bijzonder opmerkelijk is.

De jonge Willem was wat de zoon van zijne ouders zijn moest. Al de karaktertrekken, die hij toen en later aan den dag legde, vinden wij bij zijn vader en moeder terug. Hij had den trots van Anna, maar tevens haar plooibaarheid jegens hare tegenstanders. Van persoonlijken moed heeft hij nooit blijken gegeven: hij werd zoowel door omstandigheden als door personen in bedwang gehouden. Passief, gelijk zijn vader, miste hij alle energie

-27-2

ocr page 283

11KT TIJDPERK DUIl PATRIOTTEN.

om krachtig op le treden en zich te doen gelden. Evenals Willem IV wist hij veel, stelde hij in veel belang, ging hij onder in détitiis. Dit behoefde niemand, ook Brunsvvijk niet, hem te loeren: het was een deel zijner vaderlijke erl'enis. Hij bezat als zoovele menschen, die velerlei kennis hebben, welke zij steeds vermeerderen zonder ooit opruiming te houden, — vergeten is ook een kunst, die beoelend moet worden, — groote ingenomenheid met zijn wetenschap en met ieder onderdeel ervan, maar kon er geen gebruik van maken. Hij had het veelzijdig inzicht, dat alle mogelijkheden voorziet, en juist daardoor machteloos maakt om te beslissen. Deze karakterlouten worden niet ingeënt, zij worden niet aangeleerd. Zij vloeien vanzelf uit den aanleg voort. Een krachtig karakter, dat de neiging tot handelen in zich heeft, kan jaren lang onderdrukt worden: het kan door een verkeerde opvoeding tot verkeerd handelen worden gebracht. Maar het verraadt zich, zij 't ook door uitspattingen, bodewijk XV heeft de opvoeding genoten, die men aan Willem V toedicht; en toch is er een tijdperk voor hem aangebroken, waarin hij zelfstandig, zij 't ook verkeerd, gehandeld heeft. Bij Willem V zoekt men in al de jaren zijner jeugd, vóór en na zijn tiende jaar, naar eenig woord of eenige daad, waaruit kracht, zelfstandigheid, oordeel spreekt. Zij zijn niet te vinden. Ziehier een enkele proef, die zijne lofredenaars aanvoeren ten bewijze van zijn goedhartigheid. ïoen hij haar leverde was hij al zestien jaar. Het was kermis in Den Haag. Tot de nouveautés behoorde een tent met Neurenberger kramerijen, groote en kleine. De prins kwam er met eenig gevolg van heeren en bedienden. Onder de laatsten bevonden zich een paar knechts, die negers waren. Willem bezag de kraam, bekeek alles en kocht eindelijk, zonder te dingen, de geheele tent met alles wat er in was. -Niemand begreep wat hij er mee doen moest. Hij vermaakte zich met de verbazing, die nog steeg, toen men hem hoorde bevelen, dat de twee zwarte knechts alles wat er in was voor vier stuivers het stuk, kostbaar en onkostbaar, ten voordeele

II '18

273

ocr page 284

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

van hun eigen zak, mochten verkoopen. De aardigheid, waaraan de kleinigheid ontbrak, die men geest noemt, gaf tot veel gepraat en gelach aanleiding.

Indien Brunswljk dezen jongen man wilde bederven, om hem voortdurend van zich afhankelijk te maken, had hij niets 1(3 doen, dan zicli te onthouden. De natuur had Willem misdeeld van alle gaven van verstand en karakter, waardoor hij, zelfs in gewone tijden, zijn hooge plaats met eere kon innemen. Het eenige wat Brunswijk had in acht te nemen was, zijn ijdelheid verschoonen. Want Willem bezat, gelijk dergelijke karakters gewoonlijk, veel ijverzucht jegens ieder, die hem wilde regeeren. Maar Brunswijk, te rijk aan menschenkennis om het gevaar niet in te zien, wist het uitnemend te vermijden. Hij beheerschte Willem van der jeugd af; en toen de jonge Stadhouder meerderjarig werd en zelf zijn waardigheid heette te aanvaarden, wist hij hem tot een stap te bewegen, die misschien zonder weerga in de geschiedenis van eenig vorstenhuis der wereld is.

Willem V was door zijn geboorte Stadhouder. Desniettemin liet Brunswijk hem aan de Staten om een akte van aanstelling vragen, als ware hij een ambtenaar. Deze oogendienst der regenten had een doel. Bnmsvvijk's taak in de Nederlanden was door de meerderjarigheid van den Stadhouder eigenlijk ten einde. In elk geval zou hun verhouding een geheel andere worden: de voogd trad in ondergeschikte betrekking tot zijn vroegeren pupil. Met medeweten en goedkeuring van invloedrijke hoofden der regeering bewoog hij den jongen Willem V tot het teekenen van eene akte, waarhij hij zich feitelijk onder de voortdurende voogdijschap van Brunswijk stelde, die hem met raad en daad zou voorlichten en bijstaan in alle deelen van zijn stadhouderlijke waardigheid, ook waar aan Brunswijk vroeger alle inmenging uitdrukkelijk was verboden geworden. De curi-euse akte van consulentschap werd door Bleiswijk, die korten tijd daarna tot Raadpensionaris werd verheven, gesteld en was een merkwaardig bewijs van de hooge gunst, waarin de hertog

27-4

ocr page 285

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

bij de regenten-palriotten stond, en van de afhankelijkheid, waarmede de jonge Willem lot den zoo bekwamen en sluwen raadsman zijner jeugd opzag. Een tweede voorbeeld van een vorst, die vrijwillig zich voortdurend otïicieel onder curateele stolt, is onbekend.

Een jaar later huwde Willem V. De jonge vrouw, die hem haar hand schonk, was een nichtje van Brunswijk en dankte waarschijnlijk daaraan de onderscheiding. Wilhelmine van Pruisen was een dochter van den prins van Pruisen, een broeder van Frederik den Groote, die na baars vaders dood voor haar zorg had gedragen. Zij was zestien jaar, toen zij in de Nederlanden kwam. Gewoon aan de vereering, waarmede in Pruisen de koninklijke waardigheid werd gediend, verbaasde zij zich over den republikeinschen eenvoud en de onachtzame bejegening, die den Stadhouder in de Republiek ten deel vielen. Maar in de eerste jaren heelt zij zich zeker van den waren staat van zaken geen de minste rekenschap kunnen geven. Zij had haar leertijd noodig, voordat zij personen en toestanden juist kon onderscheiden. De invloed bovendien, waaronder zij stond, was niet geschikt haar de oogen te openen. Gelijk Willem ouder curateele van Brunswijk, stond zij onder den invloed van haar vroegere gouvernante, die nu haar hofdame was, freule Von Danckehnann. Deze, een echte baa bleu politique, regeerde liaar, en Brunswijk was slim genoeg om de oude juffer voor zich te winnen. Vandaar dat, naar de Oranjegezinden klaagden, dit huwelijk geen de minste verandering in den invloed van Brunswijk te weeg bracht, ja, hem zelfs versterkte. Ofschoon hij in de Poten woonde, bracht Brunswijk den geheelen dag aan 't Hof door en hield Willem zoo bezig, dat hij dikwerf niet vóór het middagmaal bij zijn jonge vrouw kwam. Men vertelt zelfs, dat hij zich aan 't diner tusschen Willem en Wilhelmine plaatste, onder voorgeven dat het te burgerlijk was, als zij bij elkander zaten.

Doch de tijd zuu eens komen, dat deze Wilhelmine, zijn

273

I

I : lil

I

1

■ I

I

■ I

II

ocr page 286

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

voogdijschap inoedo, zich tegen hem keerde. Slechts langzamerhand gingen haar de oogen open en leerde zij den man peilen, aan wien zij verbonden was. Vreemd op het politiek tooneel, waarop zij een plaats innam, en onbekend met de ingewikkelde politieke machine, die de staatsregeling der Republiek heette, behoefde zij tijd om beide te leeren kennen. Maar de Pruisische prinses, die officieel voortdurend boven haren echtgenoot met den titel Koninklijke Hoogheid prijkte, was de vrouw niet om blijvend ondergescliikllieid te betoonen jegens hen, die zij hare minderen achtte. En nog minder, om zonder tegenspraak en verzet te berusten in de miskenning van rechten, die zij als het wettig eigendom van haar hoogen rang had leeren kennen. Aan haar zou do Oranjedynastie het te danken hebben, dat zij ten minste niet viel zonder de waardigheid, die tegenstand, zij het ook een vruchtelooze, aan eiken ondergang schenkt.

11

Aan de omverwerping van bestaande toestanden gaat een omkeer in de heerschende denkbeelden vooraf. ïot verzet komt een natie slechts, wanneer de staatsinstellingen in onverzoen-lijken strijd met de eischen harer ontwikkeling worden geacht. Nu is het betrekkelijk gemakkelijker, de wordingsgeschiedenis der Fransche revolutie te verklaren, dan die der onze. In Frankrijk zijn personen, Montesquieu, Voltaire en Rousseau, de dragers der begrippen, die het oude doen vallen. Bij ons echter zijn geen mannen, die representeeren. Aan geen enkelen naam bij voorkeur hecht zich de ontwikkeling der ideeën. Er zijn veel strijders, maar geen overwinnaars. Er is nergens een domineerende persoonlijkheid.

Een der oorzaken van dit verschijnsel ligt in het karakter der patriotische beweging. Zij ontstaat door de werking van twee faktoren, die elkanders doodvijanden zijn. Dit belet alle eenheid.

ïot Willem IV is do binnenlnndsche historie der Republiek

270

ocr page 287

IIET TIJDPERK DEP, PATRIOTTEN.

ile geschiedenis van den strijd der twee groote partijen: de Oranjepartij en de Statenpartij. De laatste ontaardt in de '18quot; eeuw in regenten-oligarchie en heet zich na 1747 de patrioti-sclie. Maar in haar rijen wordt straks een element opgenomen, dat aan de regenten even vijandig is als aan het stadhouderschap. Het is de democratische, de volkspartij.

Volk, gemeen, gepeupel, kerels zijn er ten allen tijde geweest. Maar onder den naam der volkspartij wordt in de Republiek nog aan iets anders gedacht dan aan de lagere klassen. Onder den algemeenen naam verschuilen zich mannen van allerlei stand: rijken en armen, kooplieden en handwerkslieden, beschaai'den en geestelijk onmondigen; allen, die niet tot de ambtenaren van den staat of tot de patricische geslachten behooren; allen, die door de bestaande instellingen van staat uitgesloten zijn van invloed op politiek gebied, hetzij om hun stand ol' hun geloof. Het eigenlijk gepeupel heeft ten allen tijde zich doen gelden; het heeft Johan de Witt vermoord. Maar de democratische partij treedt pas na 1747 op het politiek tooneel. Zij wordt eerst gevormd in de dertig jaar, die na den dood van Willem IV volgen.

Een onmisbaar vereischte is in die jaren aanwezig. Er heerscht geen gebrek, dat belet, zich met andere dan eigen persoonlijke belangen bezig te houden. Uit het oogpunt van materieele' welvaart onderscheidt zich het tijdperk van 1747 —1778. Niet alleen het staatsvermogen, ook het particulier vermogen bloeit. De twee raadpensionarissen, Stein en Bleijswijk, zijn voortreffelijke linanciers. De schulden van Holland worden zeer aanzienlijk verminderd. De winsten, die de handel afwerpt, zijn groot: ^rooter nog dan de klachten der handelaren. Nevens den warenhandel, ja boven hem -— zegt men — verheft zich in deze jaren de ontluikende effectenhandel. In Holland is de geldmarkt, waar alle staten de leeningen sluiten, benoodigd om de kosten van de dure oorlogen te betalen. In Engelsche fondsen hebben de Hollanders fiOO millioen belegd; in Fransche rekent men

277

ocr page 288

278 HET TIJDPERK ÜER PATRIOTTEN.

%

een gelijke som. Het bedrag der Duitsche leeningen is onbekend. De vermogende geniet, zonder te arbeiden, de vruchten van eigen vlijt of van die der vaderen. De stand der renteniers ontstaat. Zij spinnen niet, zij arbeiden niet, en toch zijn velen hunner gekleed als Salomo in al zijne heerlijkheid.

Zij hebben den tijd om rond te zien en te denken over hetgeen hun oogen waarnemen, den lijd om te lezen, te praten, zich te ontwikkelen en tevens het leven te genieten. Zij doen dal alles en zij niel alleen. Het regeeren is niet tijdroovend, zoo lang het niet dan besturen is. En feitelijk is het niet veel meer. Iedere provincie slaat op zich zelf, iedere stad is onafhankelijk. Openbare belangen, wier behartiging b.v. in de lü6 eeuw van een stedelijk bestuur worden gewacht, zijn er weinige. Van tijd lot tijd een enkele keur, hel handhaven van de openbare orde en veiligheid, stedelijke rechtspraak, benoemingen van ambtenaren, toezien op Gods- en weeshuizen, het controleeren van de kerk en de dominé's — daartoe bepaalt zich ongeveer het bestuur van een stad. De regeering heeft de entresol nog niet verlaten, ten einde op de straat naar de middelen te zoeken, om algemeene belangen te bevorderen.

Toch wordt het bewustzijn van hun bestaan levend. Daartoe werkt, vooral in de groote steden, de stroom van vreemdelingen mede, die in het volk zijn opgenomen. De Engelschen, onder de Sluarl's gevlucht; de réfugié's, vóór en na'1685 uit Frankrijk overgekomen; de Joden, die uit Polen zich in Holland vestigen; de Duitschers, in het leger, aan hel hof, in den handel, in staatsdienst of aan de Hoogescholen gevestigd — zij allen laten hunne sporen na in den volksgeest. Even breed en bont als de verscheidenheid der kleedij, is de stroom der ideeën, die zij verspreiden , ook waar zij ze niet voorstaan. Hun inzichten en denkbeelden zijn afwijkende van de heerschende, maar vinden weerklank, bevestiging en bewijs in de geschriften van Locke, Voltaire, Rousseau en van dien talrijken stoet van bni-tenlandsche auteurs, wier werken aan het Europeesche publiek

ocr page 289

HUT TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

door den handelsgeest der Nederlandsclie uitgevers worden aangeboden.

Het geslacht, dat dertig jaar in vollen vrede en welvaart leeft, neemt de elders gistende denkbeelden in zich op, verwerkt en verspreidt ze, mondeling en schriftelijk.

In liet ontelbare getal van genootschappen, dat ontstaat, worden de ideeën, die nieuw zijn — en aan deze is geen gebrek — besproken en beredeneerd. Doch het gesproken woord, hoe machtig toen als steeds, is noch het eenige noch het machtigste. Tot het begin dezer eeuw is het latijn het groote. voertuig der gedachte geweest: nog zijn er velen, die het klassieke gewaad liet eenig zaligmakende kleed van wetenschap en kennis achten. Maar hun rijen verminderen. Aan de hoogescholen des lands doet de moedertaal haar intocht, en in de periodieke literatuur vindt zij haar triomf. Van Effen telt een rij van opvolgers, die de maatschappij tot zelfkennis pogen te brengen. Maar nog groot er is de rij der tijdschriften, weekbladen, couranten , vlugschriften, die in de maatschappij de kennis verspreiden van wat buiten den eigen levenskring, buiten de muren der stad, buiten de palen der provincie, ja zelfs buiten de grenzen der Republiek hoofden en harten doet kloppen. Als in 1763 en in 1772 de beurzen van Amsterdam en Rotterdam door bankroeten op bankroeten worden geschokt; als de groote Encyclopsedie in 1751 te Parijs aanvangt te verschijnen; als de opstand in Noord-Amerika geheel Westelijk Europa in beweging brengt, dan trekken deze verschijnselen ook de aandacht buiten de kringen van 's lands vaderen die aan het roer van slaat zijn gezeten; dan worden zij besproken in sociëteiten, leesgezelschappen, genootschappen , door mannen van allen stand en van elke richting. De boom der kennis is in het Eden der regenten-aristocratie geplant, en niet hare handen alleen plukken er de rijpe en onrijpe vruchten af.

Deze dertig jaar zijn de schooltijd, de leerjaren van de nieuwe maatschappij, van het zich vormende volk. Aan de kerk was

279

ocr page 290

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

lut dusver de opvoeding vertrouwd, maar zij ziet zich de taak uil de handen genomen, ja gewrongen. De slagen, door Vol-taire legen de kerk van Frankrijk gericht, treffen ook de Hervormde Kerk in de Republiek, omdat zij lieerschende is. De aanval van buiten wordt gesteund door vijanden van binnen: dissenters en katholieken leggen de handen ineen, om haar te bestrijden. En niet langer steunt haar het vertrouwen der ge-loovigen, dal zij de heilige ark der geopenbaarde waarheid is. Want sedert Newton's en Locke's ontdekkingen is het geloof aan openbaring ondermijnd, en met de leer ook de waardeering harer predikers in de maatschappij. Deze luistert naar andere stemmen, rijker begaafd en breeder ontwikkeld. Het zijn de dissenters, die in de literatuur van den dag den boventoon voeren; Lucrelia van Merken is de kleindochter van Barlaeus, het slachtoffer van 1618, Loosjes is mennoniet. Ook waar geen strijd wordt gevoerd, worden ideeën verspreid, onvereenigbaar met hare heerschappij. Een algemeen humanisme wordt gepredikt, eene philanthropie aanbevolen , op hooger eischen gebouwd, naar breeder levensopvatting wijzende, dan binnen de enge muren van eenige kerkinrichting kunnen worden bevredigd, ja toegelaten.

Verdraagzaamheid jegens denkbeelden, die afwijken van eigen overtuiging, wordt aanbevolen: met haar is geen heerschappij van eenige exclusieve meening te vereenigen. De moraliteit, zoekt naar een anderen grondslag dan de dogmatische leerstellingen der kerk, die openlijk betwist en betwijfeld worden. De dissenters zijn talrijk in de Republiek: bij het einde der eeuw-wordt het zielental der gereformeerden op 1.150.000, dat der dissenters op 650,000 begroot. De staatskerk telt dus slechts 500.000 meer. Maar de dissenters, uitgesloten van staatsbetrekkingen, hebben zich op handel en nijverheid geworpen, en schatten waren het loon, dat de hemelsche gerechtigheid hun schonk voor de trouw aan hun kerkgeloof. Zij behooren mee-rendeels tot den fatsoenlijken stand; zij zijn het, die de vreemde denkbeelden, gelijk de vreemde waren, het eerst hebben ge-

ocr page 291

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

ïmporleerd. Zij zijn het ook, die èn door liun maatschnppelijke positie èn door hun strijd voor de vrijere denkbeelden de staatskerk ondermijnden, om toegang tot de staatsambten te bekomen.

De regenten-patriotten zien den aanval met welgevallen en lijdzaamheid aan, omdat de kerk de bondgenoot van het stadhouderschap is. De meeste gereformeerde predikanten zijn Oranjegezind. Vermindering van den geestelijken invloed doet ook liet aanzien van den Stadhouder dalen. De regenten zien het gevaar der nieuwere denkbeelden niet in; zij zien niet in, dat met de kerk de bestaande staatsorde wordt bedreigd. Zij mee-nen ze te kunnen beheerschen, en spelen met vuur. Naar gelang hun belang hel vordert, zijn zij vóór of tegen de nieuwere denkbeelden. Als Caroline, de oudere zuster van Willem, huwt met haar neef, Nassau-Weilburg, vraagt zij, om haar erfrecht te behouden, goedkeuring der Staten, üp eenmaal zijn zij orthodox, en vol gemoedsbezwaren tegen het huwelijk, omdat de bruigom Lutheraan is. Maar als eenige jaren later een rechtzinnig leeraar der staatskerk, aanhanger van Oranje. het waagt te betwijfelen, of Socrates en andere voortreffelijke heidenen wel in den hemel zijn, dan zijn aller handen tegen hem gekeerd en de regenten laten ongehinderd aller slagen op het hoofd van den Oranjeklant nederdalen.

In 1751 werd te Amsterdam een winkelier, Daniel liaap, begraven. ilij was een dei- leiders van de volksbeweging van 17-47. Zijn begrafenis in de Nieuwe Kerk had volgens gewoonte des avonds plaats, onder een ontzettenden aandrang en woeste beweging van liet gepeupel. Slechts met moeite werd de doodkist , die herhaaldelijk van de baar was geworpen en reeds aan eene zijde gebarsten, aan de handen van het gemeen ontrukt: het wilde zich in den doode wreken op de grootsche verwachtingen, die van Willem IV gekoesterd en zoo weinig vervuld waren. De regeering van Amsterdam liet de euveldaad ongestraft. liet was haar welkom, dat ook het gemeen met verbittering tegen het Oranjehuis werd vervuld.

281

ocr page 292

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

De mannen van 1747 hadden zich en hun daad te verdedigen. En zij deden het, door een nieuw beginsel uit te spreken. De Oranjepartij predikte de leer der volkssouvereiniteit. ,,Als zij, die op het kussen zijn, slecht beheeren, heeft het volk het recht een nieuwe regeeringswijze in te richten en het gezag in andere handen te stellen.quot; Dit was de leer van Locke, van llousseau, die het eerst openlijk door de Oranjepartij werd aanbevolen en straks de geloofsformule van de volkspatriotten werd.

Deze leer was voor elke bestaande regeering gevaarlijk, voor de regenten zoowel als voor de stadhouderlijke partij. Maar weinigen zagen de strekking er van in. De volkssouvereiniteit werd het modedogma van den dag, dat alle standen huldigden, onder voorbehoud van tegen de praktische toepassing zich te verzetten, als zij hun belang schaadde.

Maar deze nieuwe leer der volkssouvereiniteit had hoogere titels dan de gunst der mode of het gezag van de gevierde auteurs des tijds. Zij zou in de Nederlandsche Republiek nooit dien algemeenen bijval verworven en niet dien grooten invloed uitgeoefend hebben, indien zij niet schijnbaar gestaafd en bevestigd was geworden door de volkshistorie.

In '1751 verscheen het eerste deel van een arbeid, dien ieder kent. Het was het eerste deej der Vaderlandsche Historie, geschreven op aanmoediging en met ondersteuning der Amster-damsche regeering door Jan Wagenaar. De brave en geleerde schrijver leverde een lofrede, schoon kalm en gematigd, op de Statenpartij. Bijkans gelijktijdig ontstond er een pennestrijd, die zeer de aandacht trok. Zij gold het karakter van Johan de Witt. Waar was in de geschiedenis der Republiek een staatsman aan te wijzen, die met hem op ééne lijn kon staan? Onder hem nam de Nederlandsche staat zonder vreemde hulp een eerste plaats onder de mogendheden van Europa in; Engeland, de bondgenoot van het stadhouderschap, maar de vijand des lands en van zijn handel, beefde voor de wapenen der Repu-

Gi82

ocr page 293

HET TIJDPERK UEB PATRIOTTEN.

bliek onder liet bestuur van dezen tegenstander van 't Oranjehuis.

Zoo deed de regenten-aristocratie een beroep op de historische herinneringen des volks, en poogde het verleden tot bondgenoot in haar strijd tegen het stadhouderschap aan te werven.

Doch in het tuighuis der historie schuilen meerdere wapenen; en wie het binnentreedt met partijdigen zin, verlaat het zelden ongekwetst.

In 1748 trad aan de kleine Akademie te Franeker een nieuw lioogleeraar op, Trotz geheeten. Hij ving aan een nieuw leervak te onderwijzen; het Nederlandsche staatsrecht. Hij hield geen philosophische bespiegelingen over hel wezen van den staat, zijne grenzen en rechten, maar vestigde de aandacht op de oude grondwetten, die hij vond. De studie der oude staatsinstellingen werd met woord en daad door hem aanbevolen en de lot' van een nationale vertegenwoordiging verkondigd. Zijn voorbeeld vond navolging; en eerlang werd ook te Leiden en te Utrecht het onderzoek van de oude keuren en instellingen de wetenschap, die tot zich trok.

Verrassend waren de resultaten. Hel bleek, dat er een tijdperk was geweest, waarin hel volk invloed op de samenstelling der besturen had gehad, waarin aan de hoofden der burgerij welliglijk de bevoegdheid was toegekend om mede te kiezen bij de keuze der vroedschappen. Wat de modewetenschap, hel natuurrecht, verkondigde, dat het volk souverein was en het recht had mede te gelden, het bleek een oud recht van de bewoners dezer landen te zijn. De Republiek, de regenten-aristocratie had de burgerijen van dat recht beroofd.

Zoo keerde zich de historie tegen hen, die haar hadden ingeroepen. Het onderzoek van het volksverleden rechtvaardigde tie eischen des tijds. Hel volk vroeg niets nieuws, niets onbillijks: hel eischte slechts zijn oude rechten terug, als het deelneming en stem in de verkiezinu' zijner regenten vroeg.

Akademische leerstellingen vallen niet onmiddellijk onder het bereik der gruote menigte. De leerlingen der hoogeschool maken

283

ocr page 294

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

in Imn maatschappelijke werkzaamheid of door populaire ge-scliriften de ingezogen denkbeelden lol het gemeen goed der natie en lot den grondslag van een heerschende overtuiging. Dit proces der ideeën, dit doordringen der maatschappij met de nieuwere begrippen geschiedt langzaam, maar zeker. De regenten-aristocratie zond haar zonen naar de akademiën, en stond weinige jaren daarna verbaasd, iioe die leerlingen denkbeelden voorstonden, met haar eigen pretensie in lijnrechten strijd. Uit haar eigen rijen kwamen mannen te voorschijn, die haar gezag het diepst hebben ondermijnd. In deze regenten-zonen vond de volkspartij haar hoofden en leiders, zoowel legen hol stadhouderschap als tegen de oligarchie.

Er behoort meer toe dan de gewone ontwikkeling, die hel gemiddeld deel der maatschappij is, om zich rekenschap te geven van de strekking, der ideeën, die voor onze oogen veld winnen. Hoe weinig vaders en moeders verontrusten zich heden ten dage over de meeningen, die zij om zich hoeren voorslaan of Inide zien gepredikt, tot in 's lands raadzalen toe! Ook het geslacht, dal in 1772 en volgende jaren feest vierde ter eere van do vaderen, die eene revolutie hadden aangevangen, de mannen en vrouwen van eiken stand, die Amerika's worsteling toe-juichlen, ook zij wisten hel niet en zagen het niet in, dal hun geestdrift voor de denkbeelden van vrijheid het zaad der omwenteling was. Dit is hel karakter van elke ware liefde, ook op hol gebied der ideeën, dat zij eindigt met overgave.

De denkbeelden, zestig, zeventig jaar uit den vreemde in de Republiek geïmporteerd, vonden in dit dertigtal jaren de vruchtbare aarde, waarin zij als de kiemen der toekomst zich lot rijpen konden zetten, liet natuurlijk proces dei* eigen volksonl-wikkeling had aan de natie de vatbaarheid geschonken om ze in zich op te nemen. De klove werd waargenomen tusschen de bestaande instellingen in staal en stad, en de eischen en behoeften des volks. Als eenmaal dit bewustzijn is ontwaakt, is aan de maatschappelijke orde de grond ontzonken. Een staats-

284

ï f

1:

11

H

ds 3:1

i

1

ocr page 295

HET TIJDPERK HER PATRIOTTEN.

man alleen kan de revolutie, de omverwerping' der bestaande orde van zaken, voorkomen.

Die staatsman heeft aan de Republiek ontbroken. Daarom lieel't niet politieke wijsheid, maar de bajonet van den soldaat de beslissing gegeven.

ill

Gedurende de eerste jaren, dat Willem V zelf, zoo het heette, als Erfstadhouder regeerde, ontbraken wel niet alle moeilijkheden, maar liep het wagentje van staat, om het oude, llol-landsche beeld te gebruiken, op een zandweg langzaam, doch rustig en kalm voort. Soms stond het eens stil, maar dit hinderde niet. Willem V kreeg zonen en dochteren, hij gal' lange en vervelende audientiën, bemoeide zich met alles, ook de minst beduidende zaken, en vergat dikwerf de meer beteekenende op te merken. Doch de eerste acht jaren van zijn stadhouderschap waren in nadruk zijn politieke wittebroodsweken. Hij gevoelde al het genot van zijn hooge waardigheid en hield er van om ze te vertoouen. Jammer, dat niemand er bang voor werd. Herhaaldelijk zag hij zijn autoriteit betwist, en niet altijd wist hij haar te handhaven. In Zeeland stelde hij den raadpensionaris tot representant in het college der Staten aan, maar op den heftigen tegenstand van Middelburg trok hij de benoeming weer in. Gewoonlijk sloeg hij eerst een zeer hoogen, kvvetsenden toon aan, die wrok zette, en eindigde dan dikwijls met toegeven. De zwakke, weifelende man vertoonde ,,een Stadhouder in theorie, zonder het in waarheid te zijn.quot;

Op het Koninklijke Huisarchief ligt de geheele correspondentie van Brunswijk met Willem V. Als zij bekend zal zijn, zullen wij weten, in hoeverre de eerste voor al de zwakheden van den laatste aansprakelijk is. Heeft hij hem verkeerden raad gegeven, om zelf de gunst der regenten-patriotten te behouden? Men zegt het, maar kan het niet bewijzen. Zeker is het, dat

285

ocr page 296

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

ISruuswijk, door den Prins steeds le omgeven, eiken anderen invloed zoelit te weren en te voorkomen. Hij is er in geslaagd nocli ten voordeele van den Prins, noch tot zijn eigen geluk, liet ware hun beiden goed geweest, indien andere mannen, als Bentinck, Fagel enz., in rnenig oogenblik waren geraadpleegd. He ervaring van dezen, met Hollandsche toestanden heter bekend

O 1

dan de Duitsche hertog, had hem voor veel onvoorzichtigheden kunnen behoeden.

Met den opstand van Amerika tegen Engeland vangen de moeielijkheden aan. Engeland vraagt hulp in den vorm eener leening: het vraagt een brigade soldaten te leen. De Stadhouder steunt het verzoek en wordt daardoor het voorwerp van haat van allen, die de Amerikaansche denkbeelden en belangen zijn toegedaan. De beschuldiging van engelschgezindheid kleeft voortaan op hem.

De tijden zijn voorbij , waarin de Stadhouder de buitenlandsche politiek der Republiek regelt. Willem V kan zich tegen den verklaarden wil der provinciën niet verzetten, noch in deze, noch in andere zaken. Maar hij geeft toe, telkenmale, onwillig, breedsprakig, zonder waardigheid.

De regentenpatriotten wisten met uitnemenden takt van den toestand partij te trekken. Zij legden alles ten koste, om zich populair te maken, om de bevolking voor zich te winnen en tegen het stadhouderschap op te hitsen. De nieuwe Fransche gezant, de la Vanguyon — een zoon van den bekenden gouverneur van Lodewijk XVI — zette het werk van zijn voorganger met groot beleid voort. De Amsterdamsche regenten, voornamelijk de burgemeesters De Vrij ïernminck en Hooft, lieten zich geheel door hem leiden. Herhaalde samenkomsten, liefst in onopgemerkte woningen in kleine straten, had hij in de invloedrijke handelsstad met hen en de regenten der andere steden. Men zegt dat groote sommen door hem in deze jaren zijn verbruikt, om mannen, door hun positie of pen van beteekenis, voor Frankrijk te winnen. Zeker is het, dat hij verschillende schrijvers

28(5

ocr page 297

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

ia dienst had en betaalde, en dat een aantal pamfletten, in deze en volgende jaren door Franschen geschreven en door betaalde handlangers in het Hollandsch vertaald zijn.

Toen de regeering van Lodewijk XVI de zoo duur bekostigde onvoorzichtigheid had begaan, om aan den aandrang der pers toe te geven en openlijk zich in den strijd met Engeland ten gunste van Amerika te mengen, namen natuurlijk de aandrang en de invloed van het buitenland toe. Engeland was hier te lande vertegenwoordigd door een zeer eerlijk, maar zeer hooghartig man, den gezant Yorke. Op hoogen toon vorderde hij, dat de Republiek zich onzijdig zou houden en noch Frankrijk, noch Amerika hulp verleenen. Maar de Nederlandsche handelaars, de groote winsten van den smokkelhandel in vorige jaren indachtig, wilden van geen onzijdigheid hooren, die hun de handen bond. Het eiland SL Eustatius was het groote handelskantoor, waarheen de kooplieden de oorlogsmaterialen zonden, die, daar overgescheept, gemakkelijk de Amerikaansche havens konden bereiken. Frankrijk had voor zijn strijd ter zee den bouw en de uitrusting van schepen, den aanvoer van hennep en hout uit de Nederlandsche havens noodig. Elke poging, die het stadhouderlijk bestuur deed om de regenten tot onthouding te bewegen, mislukte, omdat zij als een bewijs van engelschgezind-heid aan de menigte werd voorgesteld en in de tallooze pamfletten en journalen als medeplichtigheid aan de onderdrukking der Amerikaansche vrijheidszonen werd voorgespiegeld.

Het buitenlandsche vraagstuk zou echter nooit de dreigende beteekenis hebben gekregen, die het langzamerhand aannam, indien de stadhouderlijke partij niet ook in andere opzichten liet volk tegen zich in het harnas had gejaagd. Maar het deed alles wat het kon, door doen en laten beide, om de stemming tegen zich te verbitteren. In Gelderland en Overijsel ontstond een strijd tegen allerlei misbruiken. Van der Capellen o.a. kwam openlijk op tegen de willekeur der drosten, die, ofschoon hun rechten sedert anderhalve eeuw waren afgeschaft, voortgingen

287

ocr page 298

HET TIJDPERK DEP, PATRIOTTEN.

Vim de landbevolking lieerendiensten, het gratis arbeiden aan de wegen, te eisclien. Te Groningen werd kerk en staat in beweging gebracht door liet optreden van professor van der Marck, die in zijne academische lessen over natuurrecht ook de wijs-geerige grondslagen van de kerkelijke dogmatiek ter sprake bracht. Had Willem V overal in het binnenland zich aan liet hoold der nieuwere beweging gesteld en zich tegen de misbruiken en voor de vrijheid van onderzoek verklaard, hij zou de democratische partij losgescheurd hebben van de regenten en aan zich verbonden. Maar hij deed overal hel tegendeel van wat politiek beleid deed verwachten. Hij werkte de van de Capellen's, opgewonden, maar eerlijke geestdrijvers voor de nieuwere begrippen, ook in hun rechtmatige grieven en eischen tegen. En in het land, dat Spinoza, Cartesius, Bayle, Voltaire een wijkplaats had verschaft en hun werken uitgegeven, werd in den jare 1778 een Groninger hoogleeraar in de rechten afgezet, omdat hij het waagde leerstellingen te verkondigen, die de Hervormde Kerk voor haar aanzien gevaarlijk achtte. Willem V, die, gelijk menige uitlating bewijst, het gevaar van de gisting zeer goed inzag, had geen inzicht genoeg en geen kracht van karakter, om een zelfstandige stelling in te nemen en het stad-houderschap met de volkspartij te vereenigen, die zijn historische en natuurlijke bondgenoot was.

Aan de regenten gaf een dergelijke houding vrij spel. Zij spaarden geen moeite, om de bevolking aan zich en hun partij te binden. Niels werd verzuimd om het volk mede te sleepen. De schuttersgenootschappen droegen den stempel van het democratisch element. De vroeger zoo deftige en trotsche patricische regenten daalden uit hun hoogen hemel af, om de democraten te winnen. In koffiehuis en sociëteit scheen alle onderscheid van stand en rang vergeten: de vroedschap zat naast zijn barbier en dronk burgerschap met hem. Met eiken dag steeg de stroom der painiletten: op meer dan 20,000 wordt het geheel gerekend. Engeland, de Stadhouder en zijn gezin waren hel

288

ocr page 299

HET TIJDPERK Dlill PATRIOTTEN.

doel van den aanval, de liederlijkste en gemeenste laster werd verspreid. Dat hij een onecht kind was, dat hij zich dagelijks aan Bourgogne bedronk, dat hij zich aan allerlei liederlijkheden schuldig maakte, waren schering en inslag. In even heftige taal antwoordde de stadhouderlijke pers, en het geheel der journalistiek vertoont een walgelijk beeld van eerlooze staatkunde en volksbedrog, zoo als in die mate nogquot; nooit in ons volksverleden was waargenomen. Van tal van pamfletten, ja van verre het meerendeel zijn de schrijvers onbekend; maar niet onbekend is het, dat sommige der heiligste couranten, zooals de Courant van den Diemermeer, rnet het geld van de Arasterdamsche burgemeesters zijn betaald; en dat nooit literarisch talent, de gaaf van de pen te voeren, meer is verlaagd en bezoedeld, dan in die dagen, toen niet overtuiging, maar de meest eerlooze berekening van eigenbaat en politieken haat de wildste hartstochten wakker riep, om ze als hun bondgenooten te misbruiken.

Men heeft in later tijden veel weten te vertellen van de rol, die VVillem's vrouw, Wilhelmina, reeds in deze dagen zou gespeeld hebben. De trotsche vrouw met haar echt koninklijk voorkomen — ïischbein's portret in het Rijksmuseum te Amsterdam heeft ons de trekken uitnemend bewaard — zou reeds in de jaren omstreeks 1780 gepoogd hebben een eigen partij te vormen, om als 't ware de taak, waarvoor de praatachtige en weifelende Willem V zoo ongeschikt bleek, van hem over te nemen. Er is, naar mijne overtuiging, geen enkele grond voor dit beweren. Wilhelmina, met haar helder verstand en haar scherp oordeel, had zeker, toen de krijg met Engeland aanving, het zwakke karakter van den onbeduidenden echtgenoot volkomen gepeild. Maar voor een Pruisische prinses, hoe bekwaam ook, was de toestand te verward, dan dat zij zonder behoorlijke voorlichting de draden kon onderscheiden. En haar veelbesproken heerschzucht blijkt eenvoudig uit niets. Zij heeft in deze jaren niets anders gedaan, dan wat de vrouw van den Stad-11 19

ocr page 300

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN.

louder doen mocht en doen moest: liaar aangename manieren, laar levendigheid van geest, al de deugden, die haar als prin-es voor een rol in het maatschappelijk verkeer ten dienste tonden, zooveel mogelijk aanwenden, om de aanhangers van iet Oranjehuis bijeen te houden, het verlaten der rijen, liet verloopen naar de tegenstanders te voorkomen, opdat het lof zou blijven, wat het geweest was: de eerste kring in den laat, de burcht, waarin de politieke rechten van den Stad-ouder, hoe ook bedreigd, aangevallen en geschonden, erkend n ten minste in theorie geëerbiedigd bleven.

Hoe zou zij ook een andere rol hebben kunnen vervullen? •oede raadgevers ontbraken geheel. Willem was voortdurend an Brunswijk gehecht en onder zijn invloed, en luisterde echts onwillig naar de raadgevingen der voortvarende vrouw, ie meer haar gevoeligheid en haar Pruisische opvatting van jrstelijke rechten volgde, dan een scherpe onderscheiding der in-avvikkelde staatsrechtelijke verhoudingen in de Itepiibliek. Met ken dag dat de beweging toenam en de aanvallen vermeer-3rden, steeg de verwarring, waarin het stadhouderschap en 3 staat verkeerden, maar tevens de hulpeloosheid van hen, .e de eerste voorwerpen van den aanval waren.

In September 1780 werd op den Atlantischen Oceaan een merikaansch vaartuig door een Engelsch fregat genomen. Onder 3 gevonden papieren waren er, die Amsterdamsche regenten n zeerste compromitteerden. Het bleek, dat de burgemeesteren ;r handelsstad met de oproerlingen tegen Engeland over een ter te sluiten handelsverdrag hadden onderhandeld. De onvoor-ühtige en tegenover Engeland vermetele handeling was de ink in het kruit. De Stadhouder meende van den misslag partij kunnen trekken en eischte op hoogen toon de bestrafiing ir schuldigen. Een oogenblik was de regenten-aristocratie tor de ontdekking bedwelmd; maar ras herstelde zij zich. ngeland, dat satisfactie, ontslag der misdadigers vorderde, eepte het stadhouderschap met zich mede. Toen de oorlog

290

ocr page 301

11 KT Tl.lDl'ElilC ötn PATRIOTTEN.

werd verklaard tegen den buitenlandsclien vijand, was het tevens de oorlogsverklaring tegen den binneidandsclien , het Huis van Oranje.

Met zeldzamen overmoed en verblindheid liad de patriottische partij liet land in het krijgsgevaar gestort. Duur betaalden Amsterdam en de handel de trotsche taal, die zij tegen den tegenstander van Frankrijk jaren lang hadden aangeslagen. Millioenen gingen verloren. Nog in 1780 voeren tweeduizend Nederlandsclie schepen de Sond door; in 1781 was het een elftal. Onvoorbereid en machteloos, kon de staat noch de vrijheid der zee, noch de onafhankelijkheid zijner koloniën handhaven.

Slechts bij Doggerbank handhaafde de Nederlandsche vloot haar ouden roem, tevreden niet geslagen te zijn.

Jaren achtereen had de Stadhouder op uitbreiding der marine, op vermeerdering der landmacht aangedrongen, zonder te slagen. De mannen, die al zijn voorstellen hadden afgewezen, wezen hem thans tils den schuldige aan. HU was de verrader des vaderlands:

't Was nacht, toen u uw moeder baarde,

Een nacht zoo zwart als immer was;

Een heir van helsche geesten waarde,

't Gevogelt liet een scherp gekras Door 'i aklig woud, tot driemaal, hooren....

Tot ramp van 't Vaderland geboren,

Zijt gij tot vloek des volks gesteld!

't Was Bellamy, die, in zijn jongensijver en zijn gebrekkige kennis, met die gespierde woorden uitdrukte, wat de natie gevoelde. En wat deed de beschuldigde? Hij schudde zachtjes het hoofd en schreef lange vertoogen, en boog, gelijk zijn moeder had gedaan, diep en nederig voor de hoofden der patriotten, die hem met geen groet vereerden.

Moest die man Stadhouder zijn'? In 't bezit van rechten, die slechts aan den Souverein toekwamen'?

ocr page 302

HET TIJDPERK DEK PATRIOTTEN.

Het antwoord was niet twijfelachtig; en iedere maand bracht nieuwe krenkingen, nieuwe ontneming van wettige rechten.

Maar liet einddoel der regenten-patriotten scheen niet bereikbaar, voordat hem elke steun was ontnomen. De man, die hem ter zijde stond, de hertog van Brunswijk, was zijn eenige kracht.

Tegen iiern richtten zich aller slagen; de mannen, die jarenlang met Brunswijk hadden omgegaan en op wier steun hij rekende; de regenten, die hem hadden verheven en staande gehouden; Bleiswijk, die de akte van consulentschap had gesteld — zij allen keerden zich tegen hem, om hem die akte van consulentschap, de curateele, waaronder hij Willem hield, te verwijten. Eenstemmig wenschten zij zijn verwijdering. Hardnekkig en langdurig hield Willem zijn ouden mentor de hand boven het hoold, ook tegen Wilhelmina, die den heerschzuch-tigen man moede was. De Duitsche hertog wilde zeli's voogd van haar kinderen worden!

Drie jaar duurde de worsteling. In Augustus 1784. werd zij beslist. Bevreesd om met geweld te worden verjaagd, vluchtte eindelijk Brunswijk in October uit deze landen.

Zijn vertrek was het sein tot nieuwe vernederingen. Een jaar later verliet het Huis van Oranje 's Gravenhage, dat na weinige maanden de afschalïing van het stadhouderschap dooi' de Staten van Holland zag besloten.

De regenten-patriotten hadden gezegepraald. De oude vijand was overwonnen. Maar een nieuwe vijand stond aan hun zijde, hun bondgenoot jaren lang, thans gereed den medestander te worgen. De democratie eischte den prijs der overwinning als haar loon.

Zij zou hem ontvangen, zij, zoowel als de regentenpartij. De ondergang des lands, een kwart eeuw van volkslijden, dat. zon het loon zijn. De Republiek wankelde aan den rand van den afgrond, waarin zij verzinken ging.

De regenten-aristocratie had gespeeld met den boozen geest

ocr page 303

HET TIJDPERK DER PATRIOTTEN. 2Ü3

van volksdrift, dien zij wakker geroepen had. liet volk, zooveel minder schuldig dan zij, was haar werktuig geweest. Het brak de doode takken af, maar spaarde ook de levende niet. Schuldigen en onschuldigen gingen onder in de gemeenschap des lijdens: zoowel het geslacht, dat hel hooze zaad had uitgestrooid, als de onschuldige kinderen, gedoemd den oogst te dorschen.

Over het puin van het levensgeluk der individuen, noodlot-lige vrucht van doling en zoude, schrijdt de ontwikkeling der volken , als die der menschheid , voort.

Een t na loor

jand jde, ider hng

.De zou den

eest

ocr page 304
ocr page 305

VIII

I) 0 (i G E RSB A N K.

ocr page 306
ocr page 307

DOGGERSBANK.

(Ekne feestrkde op 5 Augustus 1S81).

De plechtigheid, waartoe uij te zarnen zijn gekomen, is al-geloopen.122 Het doel is bereikt: een blijvende herinnering is tot stand gebracht aan hel feit, dat deze dag ons voor den geest roept.

Behoefde het die bestendiging?

Voor ons, die dit uur hier ter plaatse doorleven, zeker niet.

Wij zijn hier op de .Marinewerf bijeen, de oude Admirali-teitswerf van Amsterdam, waar alles van het verleden gewaagt, terwijl voor de toekomst wordt gearbeid.

Wij zijn hier bijeen in dit uur van herinnering aan een eervollen dag van ons volksbestaan. een eervolle bladzijde in de geschiedenis der Nederlandsche Marine.

Voor ons, die belangstelling in dit uur naar deze plaats dreef, was de plechtigheid wel het allerminst noodig: de 5(,e Augustus 1781 zou door ons niet worden vergeten.

Doch zij is geen .willekeurige handeling onzer personen, zij is een nationale daad. Van individuen uitgegaan, is zij van re-geeringswege goedgekeurd. Bij Koninklijk Besluit is de naams-veranderinsr vastgesteld.

Een naamsverandering, een herdooping was deze plechtigheid, eenvoudig en in weinige minuten afgeloopen. Niettemin rijk aan beteekenis. E'mi volk, dat zijne dooilen niet eert, heeft geen

ocr page 308

i

nOGGERSBANK.

reclit, van de levenden krachtsinspanning en opoffering le vragen; een volk, dal zijn verleden niel eerl, heeft het recht niet op een toekomst te hopen. Wij willen onze dooden en ons verleden eeren, omdat wij van de levenden en de toekomst veel vragen en wachten.

En daarom hebben wij deze doopplechtigheid van een jong geborene, die, hoe jeugdig ook, zijn reeds onden naam verliest om een nieuwen aan le nemen, met belangstelling gadegeslagen. Korlenaar, gewoon bevelen van hooger hand op te volgen, slaat gewillig zijn schip aan Doggersbank al', volkomen verzekerd, dal de nieuw benoemde, als liij lot kradil zal gekomen zijn, mei de eigen eer en de eer des lands ook de zijne zal op-honden.

Doggersbank vervangt Korlenaar — de herinnering van een l'eit treedt op den voorgrond, voor den naam van een persoon in de plaats. De herinnering van een feit, om de be-teekenis die het heelt, het denkbeeld, dal hel vertegenwoordigt.

Aldus is het lol in de wereldhistorie: de ideeën blijven, de individuen zinken weg.

De ideeën blijven. Doch slechts die denkbeelden hebben aanspraak op erkenning en huldiging, welke beginselen uitdrukken, voor het leven van individuen of volken onmisbaar.

Is dit met de traditie van dezen dag hel geval'? Vertegenwoordigt zij ideeën en beginselen, wier heerschappij op dien dag wij roemen; wier voortbestaan en leven in de toekomst wij voor ons volk moeten wenschen?

021)8

i f'

j

Een korte blik op 5 Augustus '1781 moge beslissen.

liet waren sombere dagen, die ons volk, een eeuw geleden, doorleefde, liet vuur van tweedracht en verdeeldheid wierp zija noodlottige vonken om zich heen, dreigde den morschen bouw der oude Republiek met verlering en ondergang. Der vaderen

ocr page 309

DOGGERSBANK.

leenspreuk: eendracht maakt macht! was vergeten..De pijlenbundel der Republiek viel uiteen, door het geschokt vertrouwen tusschen regeering en geregeerden.

Een buitenlandsche vijand maakte zirl: gereed, de vrucht van die zwakheid te plukken. Verwaarloozing had de krachten der verdediging ondermijnd, toen Engeland ons den oorlog verklaarde. neen Tromp, geen de Enijter deed zijn machtige stem op het dek of in 's lands raadzaal hooren. Waar waren de dagen gebleven, toen dc bezem in den mast de zege der Nederlandsche vloten verkondde'?

Sinds was de Republiek gedaald, Engeland gestegen. In krijg op krijg had liet zijn mannen geoefend, zijn vlootvoogden „de kunst des oorlogsquot; geleerd, een marine geschapen, de grootste, die eenig volk bezat.

Wat zou de zwakke Republiek, die niet langer de pair van den overwinnaar van Indië was, tegen den overmachtigen vijand vermogen ?

De slag bij Doggersbank gaf het antwoord.

In de laatste dagen der maand Juli ging de kleine vloot der Republiek in zee. Zeven linieschepen, of die er dienst voor deden, met eenige fregatten, voerde Zoutman aan. Een man van 57 jaren, die zijn geheele leven op de wateren had doorgebracht. Een eenvoudig, bescheiden man, volkomen bereid,in de trouw van zijn plichtbesef, om alles te doen, wat regeering en natie van hem eischen konden.

„Ik vertrouw, dat de Nederlandsche heldenmoed nog niet is uitgebluscht, en dal, zoo men den vijand met egale of niet al le superieure magt ontmoet, aan hem getoond zal worden, dal men hem niet vreest en tegenstand durft bieden,'' zoo had Willem V geschreven, zoo dacht Zoutman er over. Hij vreesde den vijand niet en durfde hem tegenstand bieden.

En met hem zijne onderbevelhebbers Kinsbergen, van Braam,

299

ocr page 310

DOfifiEKSBANK.

Bentinck, Dedel, Staring, van Braak. ,,Ilv lieb niels meer le zeggen, dan dat de vijand overwonnen moet worden,quot; riep Kins-bergen hij den aanvang van het gever-lil zijne mansdiappen toe. En liij deed wat Iiij kon, om te overwinnen.

Des morgens om arlil uur ving de worsteling aan. Met de rustige kalmte der vastberadenheid wachtte de Mollandsche vloot den vijand af, en spaarde zelfs haar geschut, lol. hij onder schot was gekomen. Met gelijke Ilollandsche kalmte werd de strijd gestreden, tuig en want werden vernield, de lionten gebinten

der schepen gebeukt..... liet was du laatste levensmorgen voor

een rij van dappere mannen, die de nogen sloten, om ze niet meer te openen. Wat kostbare harten hielden op te kloppen!

Hoe zij gestreden hebben? Hoe zij hun woord, aan het vaderland verpand, gestand hebben gedaan?

De vlag van Piet Hein zon n antwoorden, zoo zij spreken kon.

Laat Bentinck u antwoorden, een zwijgende en toch zoo welsprekende getuige. De vijf en dertigjarige sneuvelde op dit veld van eer, trouw aan de traditie van zijn geslacht, dat sedert meer dan honderd jaren zijn naam aan 's lands historie, aan die van Oranje had verbonden. Ginds, in de Nieuwe Kerk, slaapt hij den vreedzamen slaap des doods.

En nevens hem vielen er velen; velen, wier namen niet zijn bewaard. De man uit het volk nevens den edelman: Janmaat naast den vlagofficier.

Éénzelfde vlag dekt hen allen , de vlag van het. vaderland , die zij in leven en sterven hebben gehandhaafd.

De overmacht van manschap, de meerderheid van geschut. de superioriteit, van oefening, het voordeel van den wind was alles aan de zijde der Engelschen.

Toch overwonnen zij niet.

Voor het meerendeel der Nederlandsche officieren was dit de eerste zeestrijd huns levens, voor een groot deel der manschappen de eerste tocht ter zee.

Toch werden zij niet geslagen.

300

ocr page 311

DOOGKRSBANK.

I vijf uur strijds deinsde de vijand al'. Uitgeput, gaven de ei's den kamp en de zege op.

;t verlies aan maiiscliappen stond genoegzaam gelijk. Toen trijd eindigde, was geen enkel schip verloren, üp de terug-naar het vaderland moest ijlings, te midden van den dui-n nacht, de Holland worden verlaten, die in de baren kveen. Haar vlag werd door een Zweedschen koopvaarder vischt, die ze naar Engeland voerde. Dit zegeteeken werd ^hien wel betaald, maar niet lehaald.

schts zelden heeft een wapenfeit dieper indruk op de tijd-oten gemaakt, dan de slag bij Doggersbank. In de opgewon-ieid der geestdrift werd het op ééne lijn gesteld met ïromp's bij Duins, met de Ruijter's tocht naar Chatham. ,,De groote iraals zijn niet dood, zij leven nog,quot; juichte het dankbare En het bezielde dichteroog zag zelfs in het verlorene winst:

„En Hollands glorie rees, toen Holland zonk in zeequot;....

; verklaring dier zeldzame opgewondenheid is niet verre oeken: de moedeloosheid was te diep, het wantrouwen te neen geweest.

■ is een kern van waarheid in groote volksaandoeningen, ulle lagen der maatschappij gelijktijdig schokken. Een leu-heeft de eer niet, een geheel volk te treffen, te beroeren, )ewegen. De overdrijving der opgewondenheid neemt de 'heid niet weg, die gevoeld wordt, al weet, gelijk altijd, its een kleine minderheid ze in woorden te brengen.

i- was reden tot geestdrift, er was grond tot zelfverheffing, iet gewanhoopt te hebben aan hel vaderland is in Rome Athene, is bij alle volken van ouden en nieuwen tijd een jrscheiding, een roem geacht.

Ie maintiendraiquot; had Willem de Zwijger in het gebodrteuur !r volkszelfstandigheid voor zich en zijn volk gezworen. De nen van Doggersbank hebben dien eed gehouden.

ocr page 312

DOGGERSBANK.

In den stfijd met liet overmachtige Engelam] was de Republiek niet geslagen, niet overwonnen. Een overwinning was niet behaald, maar een nederlaag niet geleden. De zwakke, krachtelooze zeemacht der weerlooze Republiek had stand gehouden , de eer der vrije vlag was gehandhaafd.

Goede wil en goede bedoeling zijn onvoldoende, om de plaats, die individuen en volken innemen, te bepalen: machtiger invloeden richten het vermogen. Ook indien de Nederlandsche Republiek een ander verleden dan dat der laatste zeventig jaar had gehad, ware zij als marinemogendheid door Engeland overvleugeld. En niettemin had haar zwakke vloot voor dien

niet gebukt.

vijand

voor zich gehac

Waar alles tegen haar was, had zij niets dan dit ééne: het plichtbesef, om voor het vaderland alles, tot het leven toe, op te offeren. En dit ééne was voldoende geweest. Dit werd door de natie gevoeld en van daar de geestdrift. Wat zouden deze mannen niet vermogen, zoo hun materieele kracht aan hun vaderlandsliefde was geëvenredigd ?

Wie zal het wagen, die ingenomenheid te laken? Wie zou durven beweren, dat in de mannen van Doggersbank de elementen ontbraken, om te worden, wat de geestdrift reeds in hen zag.

Er is geen wet, die het ontstaan van groote mannen regelt, er is geen wet, die hun optreden verklaart. De omstandigheden roepen lien in 't leven, in de volheid der tijden rijzen zij in uw midden op, gisteren onbekend, heden uw roem.

Slechts de slag van het staal doet de vonk uit den onbekenden vuursteen ontspringen.

De natie had mannen gevonden in hen, die bij Doggersbank voor haar streden, mannen, in wie zij gelooven, op wie zij vertrouwen kon. In de diepte der vernedering was hel een lichtstraal van een beteren morgen, een straal van den ouden luister, die de toekomst met zijn gouden gloed omgaf.

Daarom vierde de natie feest voor honderd jaar, met volle recht, omdat elk volk feest viert, dat zijn eer, zijn vlag ziet quot;ehandhaafd.

ocr page 313

ÜOlKilifïSltA.NK.

Daarom herdenken wij Doggersbank honderd jaar laler, en de mannen, die daar streden. De teleurstelling, die de volgende jaren brachten, benevelt ons oordeel niet. Zij neemt liet feit niet weg: deze mannen zijn de eenigen geweest, die na I(i74 den aanval eener Engelsche vloot hebben afgeslagen. .Met kleine krachten hebben zij vermocht, de eer der vlag te handhaven. De eer der vlag is de eere des lands, liet dankbaar nageslacht neemt in zijne hulde hen op, die dooi- moed en dapperheid de laatste levensdagen der oude Republiek aan de roemvolle traditie der \le eeuw hebben vastgehecht.

Zoo rijk is geen enkel volk op geen enkel tijdstip des levens, dat het de bezielende kracht der nationale herinnering missen kan. De schat van vaderlandsliefde, van opollering voor het al-gemeene welzijn, van gevoel van plicht om met kleine krachten het hoogste te wagen, is nimmer zoo groot, dat hij versterking-kan ontberen.

Zegt niet: er zijn feilen bedreven, misslagen begaan. Want zij lellen aan beide zijden: Hyde Parker, zoowel als Zoutman, moet ze bekennen.

Er zijn feilen bedreven, misslagen begaan: zeker. Meer zelfs dan gij weet op te noemen, meer dan iemand zeggen kan. Wat zou het bewijzen?

Onvolmaaktheid is het kenmerk van het menschelijke, van elke handeling, van elke daad, van onze vaderen en van ons.

Wat zouden de individuen en volken, wat zou de menschheid arm zijn aan bemoedigende en bezielende herinnering, indien haar streven en strijden den stempel van het volkomene moest dragen!

Ons volk is een kind der zee. Het is aan de zee geboren, op de zee geworden, door de zee gewassen tot een geëerd eti vermogend volk.

Op de zee heeft het zijn vrijheid gewonnen en zijn vrijheid verdedigd; zijn vrijheid, dat is, de heerschappij der begin-

ocr page 314

DOÜGERSB.VNK.

In den strijd met liet overniaclitige Engeland was de Republiek niet geslagen, niet overwonnen. Een overwinning was niet behaald, maar een nederlaag niet geleden. De zwakke, krachtelooze zeemacht der weerlooze Republiek had stand gehouden , de eer der vrije vlag was gehandhaafd.

Goede wil en goede bedoeling zijn onvoldoende, om de plaats, die individuen en volken innemen, te bepalen: machtiger invloeden richten het vermogen. Ook indien de Nederlandsche Republiek een ander verleden dan dat der laatste zeventig jaar had gehad, ware zij als marinemogendheid door Engeland overvleugeld. En niettemin had haar zwakke vloot voor dien vijand niet gebukt. Waar alles tegen haar was, had zij niets voor zich gehad dan dit ééne: het plichtbesef, om voor het vaderland alles, tol het leven toe, op te offeren. En dit ééne was voldoende geweest. Dit werd door de natie gevoeld en van daar de geestdrift. Wat zouden deze mannen niet vermogen, zoo hun materieele kracht aan hun vaderlandsliefde was geëvenredigd ?

Wie zal het wagen, die ingenomenheid te laken? Wie zou durven beweren, dat in de mannen van Doggersbank de elementen ontbraken, om te worden, wal de geestdrift reeds in hen zag.

Er is geen wet, die het ontstaan van groote mannen regelt, er is geen wet, die hun optreden verklaart. De omstandigheden roepen hen in 't leven, in de volheid der lijden rijzen zij in uw midden op, gisteren onbekend, heden uw roem.

Slechts de slag van hel staal doet de vonk uit den onbekenden vuursteen ontspringen,

De natie had mannen gevonden in hen, die bij Doggersbank voor haar streden, mannen, in wie zij gelooven, op wie zij vertrouwen kon. In de diepte der vernedering was het een lichtstraal van een beteren morgen, een straal van den ouden luister, die de toekomst met zijn gouden gloed omgaf.

Daarom vierde de natie feest voor honderd jaar, met volle recht, omdat elk volk feest viert, dat zijn eer, zijn vlag ziet gehandhaafd.

ocr page 315

DODilliltóBANIv.

Daai'orn herdenken wij Doggersbank honderd jaar later, on de mannen, die daar streden. De teleurstelling, die de vol gen do jaren brachten, benevelt ons oordeel niet. Zij neemt liet lelt niet weg: deze mannen zijn de eenigen geweest, die na iü74 den aanval eener Engelsche vloot hebben afgeslagen. .Met kleine krachten hebben zij vermocht, de eer der vlag te handhaven. De eer der vlag is de eere des lands, liet dankbaar nageslacht neemt in zijne hulde hen op, die door moed en dapperheid de laatste levensdagen der oude Republiek aan de roemvolle traditie der I7e eeuw hebben vastgehecht.

Zoo rijk is geen enkel volk op geen enkel tijdstip des levens, dat het de bezielende kracht der nationale herinnering missen kan. De schat van vaderlandslielde, van opoffering voor het al-gemeene welzijn, van gevoel van plicht om met kleine krachten het hoogste te wagen, is nimmer zoo groot, dat hij versterking kan ontberen.

Zegt niet: er zijn feilen bedreven, misslagen begaan. Want zij tellen aan beide zijden: llyde Parker, zoowel als Zoutman, moet ze bekennen.

Er zijn feilen bedreven, misslagen begaan: zeker. Meer zelfs dan gij weet op te noemen, meer dan iemand zeggen kan. Wat zou het bewijzen'?

Onvolmaaktheid is het kenmerk vati het menschelijke, van elke handeling, van elke daad, van onze vaderen en van ons.

Wat zouden de individuen en volken, wat zou de menschheid arm zijn aan bemoedigende en bezielende herinnering, indien haar streven en strijden den stempel van het volkornene moest dragen!

Ons volk is een kind der zee. Het is aan de zee geboren, op de zee geworden, door de zee gewassen tot een geöerd en vermogend volk.

Op de zee heeft het zijn vrijheid gewonnen en zijn vrijheid verdedigd; zijn vrijheid, dat is, de heerschappij der begin-

ocr page 316

DOÜGERSBANK.

sele», waaraan het zijn opkomst en zijn roem had te danken.

Gij zijt Nederlanders: gij weet dus, welke die beginselen zijn. liet zijn de grondslagen van alle morèele en materieele ontwikkeling: de voorwaarden van allen waaraclitigen bloei. Zonder vrijheid van geweten geen geestesleven, dat een volk bezielen; zonder vrijheid van handel geen materieele welvaart, die hel loonen kan.

Daar is een vorstenhuis, dat meer dan eenig ander voor de vrijheid van Europa heeft verricht, liet is hel vorstenhuis van Oranje, welks historie met die van ons volk sedert eeuwen is saam ge we ven. Onder zijn voorgang en leiding heeft de oude Republiek haar plaats in Europa ingenomen.

Gij, mannen der zee, hebt in het verleden Oranje en Nederland gelijktijdig verdedigd, telken male als het gold, onze vrijheid en onafhankelijkheid op de wateren te bekampen. De natie vertrouwt zich ook in de toekomst aan u toe, en rekent op uw hoofd, uw arm, uw bloed. Zilvervloten zult gij niet veroveren — zij varen niet meer op zee — maar wakkerheid en veerkracht, moed en rustig vertrouwen, plichtsbesef en bereidwillige opoffering, in dienst van de beginselen waarop ons volksbestaan is gebouwd, zijn edeler metalen en blijvender van waarde. Zij stalen het bloed des volks en doen het gelooven, en daarom werken voor de toekomst.

Leve de .Marine van Nederland 1

ocr page 317

IX

MARIA ANTOINETTE.

20

ii

ocr page 318
ocr page 319

MARIA A N T O I N E T T E ,

1770-1780.

Goethe heeft eens een Fransch vers geschreven.

Ziehier hij welke gelegenheid.

lu Mei 177Ü werd te Straatsburg Maria Antoinette, de Jonge üostenrijlvsche aartshertogin, ontvangen, die den Dauphin van Frankrijk zou huwen. Op een eilandje ia don Rijn was een paviljoen opgeslagen, waarin zij van haar üostenrijksch gevolg zou scheiden en overgenomen worden door de Fransche edelen, die haai- tegemoet waren gezonden. Dagelijks stroomden de bewoners van Straatsburg naar buiten, om het rijk versierde gebouwtje te bezichtigen. Onder hen was de jonge Goethe. Veel bewonderde hij, maar ééne zaak ergerde hem. In de groote zaal waren de wanden met gewerkte tapijten bedekt. De onderwerpen waren aan de Grieksche mythologie ontleend; de geschiedenis van Jason, Medea en Kreüza was hier afgebeeld. Links van den troon zag men de bruid, worstelende met den gruwelijksten dood; rechts stond de ongelukkige vader verstomd de lijken zijner vermoorde kinderen aan te zien. „Is het geoorloofd — riep vol ergernis Goethe uit — „aan een jonge koningin, bij haar eerste schrede in het land, dit voorbeeld van den rampzaligsten echt, die ooit gesloten werd, voor oogen te stellen? Wat is het anders dan haar, bij de intrede in haar nieuw vaderland, de somberste profetie te geven van de toekomst,

ocr page 320

MARIA ANTOINETTE, 1770 -1780.

die haar wacht? Begrijpt men dan niet, dat beelden iets voorstellen, dat zij op liet gevoel werken, dat zij indrukken geven, dat zij voorgevoelens wakker roepen?quot;

De magistraat van Straatsburg had aan dit alles niet gedacht: de lijiigevoeligheid van Goethe was hun vreemd. Integendeel hadden zij, om het gemoed der jonge vorstin voor alle onvriendelijke indrukken te bewaren, maatregelen genomen, die hun goede bedoelingen bewijzen. Een streng dekreet had alle mis-maakten, lammen en kreupelen verboden, zich op den weg der aartshertogin te vertoonen.

Het publiek lachte over die voorzorg, en Goethe schreef een Fransch versje, het eenige, dat hij vele jaren later zich herinnerde ooit gemaakt te hebben. HU vergeleek den intocht van Maria Antoinette, die geen lammen en kranken mocht opmerken, met de intrede van Christus, die inzonderheid om hunnentwil deze aarde had betreden.

Voor hen, die aan voorteekenen waarde hechtten — hun getal was in 1770 zeker niet kleiner dan thans — ontbrak het bij de komst van Maria Antoinette in Frankrijk niet aan allerlei omstandigheden, die hun gemoed met angst en schrik vervulden. In rustige, kalme tijden, als de stroom effen voortglijdt, als alle dagen gelijk zijn, doet het geloof aan de voorspellende beteekenis van sommige feiten zich weinig gelden. Maar als de maatschappij door een gevoel van malaise wordt gedrukt; als ontevredenheid over het bestaande zich verspreidt en een onbestemde vrees veld wint voor gevaren, die men geen naam kan geven, maar wier dreiging wordt gevoeld; dan vangt het groote publiek aan, in groote of kleine voorvallen, die afwijken van den gewonen loop van zaken, doch in oW in ai re tijden slechts een voorbijgaanden indruk zouden maken, een beteekenis te leggen, die inderdaad niets dan de uitdrukking van eigen onrust en spanning is. Toen het huwelijk van Maria Antoinette met Louewijk in de cathedraal van Versailles werd gesloten,

308

ocr page 321

1

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

bursLle cr een heftig onweder los, dat liet oude kerkgebouw op zijn grondvesten deed schudden. De feestelijkheden te Parijs eindigden met een vuurwerk, dat op de Place Louis XV werd ontstoken. Het verwekte algemeenen schrik, toen deze feestvreugde door honderden, die in de algemeene verwarring onder d(yl voet waren getreden, niet den dood werd betaald.

Er zijn duizenden huwelijken gesloten, terwijl onweersvlagen woedden: ongelukken bij bruiloften belmoren niet tot de zeldzaamheden. Waarom werden deze en dergelijke voorvallen thans opgemerkt en onthouden'? Waarom verband gezocht tusschen hen en de jonge Dauphine?

Omdat de natie in een stemming vol verwachting en spanning-verkeerde ; omdat de overtuiging heerschende was, dat de tegenwoordige staat van zaken niet blijven kon. In de onzekerheid der komende dingen ziet een volk naar de personen op, die door hun plaats in de staatsorde aangewezen schijnen om invloed op de gebeurtenissen te oefenen.

In de laatste twintig jaar was de scherpe kloof, die ei1 tusschen de politieke instellingen en de ontwikkeling des volks bestond, zichtbaar en duidelijk geworden. De monarchie steunde op bevoorrechte standen. Buiten deze, adel en geestelijkheid, bestond er geen maatschappelijke stand, die politieken invloed wettigiijk uitoefende. Üp den tiers état drukten slechts plichten.

Met dezen wettelijker., toestand was de moreele en intellectueele in lijnrechten strijd. In geen ander opzicht dan politiek stond adel of geestelijkheid Saw 't hoofd der natie. De 24 millioen van den derden stand waren aan de leiding van de 200,000 personen, die adel en geestelijkheid lelden, ontsnapt. Op de slagvelden, waar Frankrijk zijn krijgsroem had gekocht, had de geminachte dorper zijn bloed gestort nevens den edelman ) die op tal van kwartieren zich verhiel'. In handel en industrie had hij de schatten gewonnen, die hem materieel tot den gelijke zijner vroegere meesters maakten. Op hel gebied der gedachte had hij overwinningen behaald, grooter en,roemrijker

309

ocr page 322

MARIA. ANTOINETTE, 1770—1780.

dan de edelman kon opsommen, die zijn voorvaderen in de rijen der kruisvaarders aanwees. Het waren zonen van het volk, van den geminaehten derden stand, wier denkbeelden de openbare meening beheerschten. Niet de meeningen van Bossuet, maar de stellingen van Voltaire en Rousseau werden geloofd en beleden.

En niettemin ging jaar aan jaar voorbij, zonder verandering te brengen. De maatschappij was vooruit gegaan, de staatsorde bleef dezelfde.

Verandering van dezen onlioudbaren toestand werd van een nieuwe regeering gewacht. Lang kun zij niet uitblijven: Lode-wijk XV was oud; hij had den beker der willekeur en van den wellust tot den bodem toe geledigd; het einde naderde. Men droeg, men verdroeg hem, in afwachting van zijn dood. Te sterven, was de laatste en grootste dienst, dien het volk van Louis Bien-Airné, om wien het eenmaal — jaren geleden — de kerken met zijn gebeden had vervuld, verwachtte.

Dan zou er verandering komen. Hoe, dat wist niemand. Men hoopte, dat de kleinzoon, die geroepen was hem op te volgen, het initiatief zou nemen. Veel wist men niet van hem; doch enkele uitlatingen schenen recht tot goede verwachtingen te geven. Under zijn voorgang en leiding, hoopte men, zou de absolute monarchie de grondslagen, waarop haar eerbiediging door de natie rustte, vernieuwen, om en zich zelve en den staat te redden.

Doch de daden van een vorst, van een absoluut kotiinu' vooral, zijn niet uitsluitend afhankelijk van zijn wil of bedoeling. Zij worden — Frankrijk had het maar al te zeer ondervonden — bewerkt of gewijzigd door invloeden, onwettige zoowel als wettige.

Vandaar de belangstelling, waarmede de jonge vrouw, die den aanstaanden Lodewijk XVI zou ter zijde staan, werd gadegeslagen, en alles, wat haar komst vergezelde, waargenomen. Wat zuu haar invloed aan Frankrijk brengen?

ocr page 323

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

De voorteekenen duidden ongunstig. Toch kende men de meesl ongunstige niet. Zij waren niet van physieken aard, maar in liet karakter der personen gelegen. Wie het geheim van de omgeving, die Maria Antoinette wachtte, en van haar eigen karakter had bezeten, hij had in Mei 1770 somberder en stelliger profetieën kunnen uitspreken. De jonge vrouw kwam tot haar eigen ongeluk en dal des lands over de grenzen.

Over weinig vrouwen is zooveel geschreven: partijdrift heeft haar belasterd, partijdrift haar ten hemel verheven. De tegenstanders hebben ons haar afgebeeld als de zuivere representante van de liederlijkheid en gemeenheid in hoofsche vormen, die het ancien regime kenmerkten. De voorstanders vereeren haar als een onschuldig en beklagenswaardig slachtoffer van haat en laster: een edele martelaresse voor waarheid en deugd.

Te midden der meest tegenstrijdige getuigenissen van personen, die geacht moesten worden de waarheid te kunnen weten, scheen eindelijk een vertrouwbare leiddraad ons gegeven, toen in 1804 twee verzamelingen van brieven van Maria Antoinette het licht zagen. De eerste dankte men aan den Graaf van llunolstein 123, de tweede aan den bekenden verzamelaar van autografen, Feuillet de Conches.12* Under scherpe en hooghartige kritiek van vroegere uitgaven van dezen aard, die geen enkelen waarborg van echtheid bezaten en van de lichtgeloovigheid, waarmede hel publiek en zelfs bekwame mannen de valsche munt voor echte hadden aangenomen, bood de laatste zijne uitgave aan. Twintig jaar lang had hij bijeengegaard, uit openbare en privaatarchieven en van autografenverkoopingen, om eindelijk aan Frankrijk de beeltenis in haar eigen schrifturen van de zoo zwaar belasterde en zoo ongelukkige vorstin te schenken. De reactie, die zich in den aanvang van het tweede keizerrijk in de waardeering van de groote revolutie openbaarde, kwam aanvankelijk beide uitgaven ten goede. Met belangstelling ontvangen, werden zij met gretigheid verslonden. De pikante, naïeve vorm, de leven-

31 1

ocr page 324

MARIA ANTOINETTE, 1770 -1780.

diglicid, waarmede personen geteekend en hofgeschiedenissen verhaald werden, de geestigheid waarmede de jeugdige schrijl-ster haar sympathieën lucht geeft, deden den opgang volkomen begrijpen. Doch de illusie duurde kort. De kritiek ving haar werk van onderzoek aan. Aanvankelijk zich bepalende tot twijfel, op grond dat Feuillet de Gonches den oorsprong der stukken nergens had aangewezen, ging zij eerlang tot stellige ontkenning der echtheid over. Zonder rechtstreeks aan den strijd deel te nemen, leverde Arneth, toenmaals onderdirecteur der keizerlijke archieven te Weenen, de scherpste wapenen. In 1805 gaf hij de briefwisseling tusschen de Fransche Koningin en Maria Theresia 'n 't licht, ,'-5 en verschafte daardoor aan de twijfelaars de meest afdoende gronden, om de onechtheid der verzamelingen van Feuillet de Conches en van Hunolstein te bewijzen. Een strijd, een wetenschappelijke strijd volgde, die,door Heinrich van Sybel in Duitschland aangevangen, eerlang op Franschen bodem werd overgeplant, toen Geoffroy zich voor de resultaten der kritiek en tegen de verzekeringen en beweringen van Feuillet de Gonches verklaarde. 126 Het bleek, dat de brieven onderteekend waren met een naam, dien de koningin zelden of nooit gebruikte; voor een goed deel gericht aan een persoon, met wie zij geen briefwisseling voerde; en geschreven met een hand, die de hare niet was in de aangewezen jaren. Voorts bleek het dat zij in uitdrukking en inhoud, maar al te'dikwerf overeenstemden, met de Mémoires van Madame Gampan of den Mercure de Frame; van haar verhouding tot sommige personen een voorstelling gaven die in lijnrechten strijd was met die der ontwijfelbaar echte brieven , in de keizerlijke archieven te Weenen bewaard, enz. De afkomst der stukken, dooide Fransche geleerden uitgegeven, bleef in het duister: voor de opgemerkte fouten werden verklaringen gezocht, die het wantrouwen wel vermeerderden, maar niet wegnamen. Feuillet de Gonches inzonderheid weerde zich dapperlijk en streed met moed voor de echtheid zijner geliefde autografen. Maar de uitslag was zoo ongunstig mogelijk. Welke waarde kon men hechten

ocr page 325

MARIA ANTOINETTE, 1770 — 1780.

aan de argumenten van iemand die nu eens, om zich te redden, moest verklaren parlé voor reparlé te hebben gelezen: en sti'aks bekennen, dat hij mon dier Malesherbes in monsieur Mcdesherbes had veranderd?

Doch ook al waren zijne argumenten krachtiger, zijne con-cessiën minder groot geweest, tegen den drom van bewijzen, die Arneth in de volgende jaren, door de uitgave van een reeks van correspondentiën aanvoerde, was de Fransche autografenverzamelaar toch niet bestand. Zijne geheele uitgave van Lettres et Documents inédits rakende Lodewijk XVI, Maria Antoinette en Madame Elizabeth, zou dan ook een plaats verdienen naast de vroeger door hem zoo scherp veroordeelde, indien hij niet, vooral in en van het derde deel, beter waarborgen voor de echtheid der uitgegeven stukken had geleverd en werkelijk belangrijke bescheiden, aan de archieven van Weenen, Florence enz. ontleend, aan den dag gebracht. Voor Maria Antoinette intusschen blijft de hoofdbron voortaan in de uitgaven van Arneth gelegen. Aan deze danken wij een juister, een menschel ijker begrip der merkwaardige vrouw, wie de diepte van haar ongeluk een blijvende plaats in de herinneringen in de belangstelling van het nageslacht heeft verzekerd.

Van al de briefwisselingen, door Arneth uitgegeven, is voor ons doel de belangrijkste, de correspondentie van de Duitsche keizerin met den graaf de Mercy Argenteau. De bekende Üosten-rijksche diplomaat, ambassadeur te Parijs, was jaren achtereen de geheime correspondent van Maria Theresia. Zonder dat de lijdge-nooten liet gisten, stond hij met haar in een vertrouwelijke briel-wisseling, waarvan de handelingen van Maria Antoinelle den huofd-inhoud uitmaken. Van dag tot dag licht hij de moeder omtrent de daden en woorden van haar kind voor; geeft hij rekenschap van den invloed, dien hij op haar en te haren nutte op anderen oefent; teekent haar omgeving, de personen, die ze uitmaken, de intrigues, die ze doorwoelen. Geen enkel persoon van meer of rnin-

3U

1 1

li

I i' l I li

: 1

li

r

lil

ml!

' ■ LP

ocr page 326

MARIA ANTOl.XKTTE , 1770—1780.

der gewicht — naast Lodewijk XV de eerzame kamermeid! — die niet zijn plaats inneemt in deze breede teekening van het hof tijdens Maria Antoinette, door de Mercy's bekwame pen tien jaar achtereen ontworpen. Door de keizerin volkomen vertrouwd, is hij voor beiden, moeder en dochter, een raadsman, geeft hij wenken aan beiden, voor haai' blijvende goede verstandhouding van onberekenbare waarde. Welk oordeel over den staatsman-diplomaat ook overigens geveld worde, niemand, die deze tienjarige correspondentie beeft doorgelezen, ^al weigeren, de trouw en nauwgezetheid, de$groote*tact elViesdiei-denheid te erkennen, waarmede hij zich van zijn altijd moeielijke, maar dikwerf uiterst kiesche taak heeft gekweten.

Als Oostenrijksch ambassadeur aan het Fransche hof had hij toe te zien, dat Frankrijk aan de alliantie van 1756 getrouw bleef. Oneindig zwaarder was de taak, die hij tegenover Maria Theresia en haar dochter te vervullen had. HU moest den band tusschen deze beide vrouwen onderhouden en maken, dat de laatste, ook als Dauphine van Frankrijk, de kinderlijke betrekking tot de Duitsche keizerin niet ontrouw werd. Is 't wonder, dat zijne pogingen nu eens op de ontwaakte zelfstandigheid der vrouw, dan eens op de onafhankelijkheid der vorstin schipbreuk leden?

In de eerste jaren had hij bezwaren te overwinnen, die, hoe groot ook, betrekkelijk gering waren te noemen. Maria Antoinette was een kind, toen zij in Frankrijk kwam, een kind van leeftijd en ontwikkeling. Zij was veertien en een half jaar, toen haar huwelijk werd ingezegend met den Dauphin, die den achtbaren leeftijd van zestien had bereikt. Haar opvoeding was volkomen verwaarloosd: zij had weinig geleerd en dat weinige nog slecht. Behoorlijk schrijven kon zij niet: haar autografen uit dezen tijd verraden e.jn groote voorliefde voor inktvlakken. Slordig, als haar schrift, was zij in alles, op kleeding en toilet; zelfs het reinigen der tanden moest haar door Maria Theresia worden herinnerd. Zij had wat Fransch en wat Italiaansch ge-

ocr page 327

MARIA ANTOINETTE , 1770 — '1780.

leen], maar haar eigen moedertaal, hel Duilsch, kende zij /00 slecht, dat zij het na een paar jaar volkomen vergeten was en een Duitsche brief van .lozel' 11 voor haar vertaald moest worden. Van muziek, teekenen, dansen wist zij genoegzaam niets: zij moest dat alles nog leeren. Van vrouwelijke handwerken was zij al even weinig op de hoogte: zij gaf er uok niet om. „Je fais une veste pour le roi,quot; — schreef zij in Juli 1770 aan haar moeder — „qui n'avance guère, mais j'espère qu' avec la grace de Dieu elle sera linie dans quelques annéesquot;. Als dikwerf kinderen van dien leeftijd, was zij lui en onverschillig omtrent tal van zaken, die juist voor de vrouw onmisbaar zijn. Ware haar opvoeding, onder behoorlijke leiding en mei grooter nauwgezetheid, dan tol dusver, voortgezet, de niet zeldzame gebreken hadden overwonnen kunnen worden. Want dit kind had een goed, warm, liefderijk hart, en een helder versland , dat tol alles goeds en groots had kunnen leiden. In de plaats daarvan trad zij in 'l huwelijk en moest zij als gehuwde vrouw een maalschappelijke positie innemen, die zelfs voor eene oudere van jaren, voor eene meer ontwikkelde van versland, misschien een te zware proef zon zijn geweest.

Hel hof van Lodewijk XV vertoonde, toen Maria Antoinette er verscheen, een jammerlijk looneel van verwarring en verdeeldheid. Zijne Majesteit was sedert jaren weduwnaar, en leefde openlijk met eene mailresse, die hij uil het slijk der straat had opgeraajit en lot gravin du Barri verheven. Een machtige partij steunde haar en haar invloed, hopende zelve lol aanzien te geraken.

Tegenover deze stonden, in 'l openbaar vijandig, schoon in 'l geheim dikwerf voor den gevierden invloed der maitresse buigende, de vier dochters des konings, door zijne liefde mei de bijnamen Zwijntje, Vod, Slel en Slons versierd. De oudste. Madame Adelaide, regeerde hare zusters eu zou het ook dolgraag haar vader hebben willen doen. Zij was lot dusver de eerste vrouwelijke persoon aan hel hof geweest, en had de hofrecep-

315

ocr page 328

MARIA ANTOtNETTIi, 1770 —1 780.

tien gehouden. Door de komst van een Danpliine zag zij zich in deze waardigheid bedreigd. Aan Maria Antoinette, de toe-komstige koningin, kwam het liouden der cour, de eerste plaats na den koning en na haar gemaal toe. Tante Adelaide was vast besloten, de jonge prinses, die zij daarbij als üostenrijksche haatte, het terrein en de heerschappij te betwisten, en zoo noodig haar positie te ondermijnen.

In deze worsteling der partijen, de partij van du Barri en van haar tegenstanders, bracht de komst van een Oostenrijksche Danpliine een nieuw element. De alliantie met Oostenrijk, in strijd met de politiek, die Frankrijk sedert eeuwen gevolgd had, was impopulair. Van de leden der vorstelijke 1'amilie, behalve van den koning en den dauphin, had Maria Antoinette geen stenu te verwachten. De broeders van den laatste waren nog te jong om te gelden, en zouden in vervolg van tijd, om hoe uiteenloopende redenen ook, even weinig geschikt en geneigd blijken, hunne schoonzuster lot hulp te zijn.

liet is een oude en zeer geliefkoosde meening, dat onwetendheid de beste beschutting der onschuld is. indien het de waarheid was, Maria Antoinette ware onverwinbaar geweest. Thans dankte zij er slechts de naïeve gemakkelijkheid aan, waarmede zij den vreemden kring binnentrad. Zij kwam Frankrijk in, met de blijde nieuwsgierigheid van een meisje, dat zoo even aan den schooldwang is ontsnapt en smacht naar vrijheid en vermaken.

Maria Theresia was een liefderijke moeder, maar ook als moeder vorstin. Hare kinderen waren zeer aan haar gehecht, maar niet minder door eerbied dan door liefde. Maria Antoinette was innig dankbaar aan haar moeder. Zij, de jongste der tien kinderen , had den hoogsten rang verworven: nu was zij Dauphine , om eerlang koningin van het schoonste rijk van Europa te worden. Zij danste en dartelde Frankrijk binnen als een speelsch kind, dat niets dan bloemen en zonnestralen kent. Met arge-looze vertrouwelijkheid sprong zij ieder te gemoet, die vriendelijk voor haar was. Haar gulle lach weerklonk door de statige

ocr page 329

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

znlen van Versailles, tol. grooten sclink der hovelingen, die angstig, omzagen of de schim van Lodewijk XIV niet verscheen, om over deze schending der vorstelijke waardigheid wraak te oefenen. Maar het levenslustige, gratieuse kind lachte en spotte en schertste maar voort, zonder te vragen, of het mocht, of het iemand beviel of iemand mishaagde. Lodewijk XV was aanvankelijk betooverd; de hofkring verbaasd; Madame du Barri ongerust; de tantes, vooral Madame Adelaide, geërgerd; de dauphin, de jonge echtgenoot, verlegen. gt;

In de argeloosheid van haar hart schonk zij haar eerste en volle vertrouwen aan die oude, vriendelijke dames, die haar zoo lief ontvingen. Vooral tante Adelaide was allerhnpst. Zij begreep het zoo goed, dat liet jonge vrouwtje tegen het houden der hofreceptiën opzag; zij zou haar wel heipen. En zij hielp haar zoo goed, dat de cour dikwerf in haar vertrekken, niet bij de Daupliine, die aanwezig of afwezig was, plaats had. Het vluchtige kind, schoon bestemd om den troon in te nemen, nam de plaats der koningsdochter zelfs niet in.

Ook van haar vriendelijke lippen ontving Maria Antoinette de noodige voorlichting omtrent de verhoudingen aan het hof. De tantes waren devoot, en gewaagden met voegzamen afschuw van Madame du Barri en haar aanhang. Zij maakten de jonge vreemde wegwijs1, en bliezen haar hare beschouwingen en opvattingen in, opdat zij haar werktuig zou worden. Zij wekten in het schoone meisje opzien, oin tegen den koning te spreken. Zij. vrome dochters huns vaders, die met afgewend gelaat de naaktheid huns vaders niet bedekten maar ontblootten, hadden zich sedert jaren gewend of aangewend, door zwijgend toezien, door zich onthouden van alle besprekingen met Lodewijk, als 't ware in stille waardigheid hun afkeuring van quot;t geen haar afkeurings-waardig toescheen, te betoonen. De atiuospheer van verveling, die deze wijze vrouwen over het hof hadden uitgespreid, droeg, naar de Mercy ergens aanduidt, in geen geringe mate de schuld van het ergerlijk hoftooneel. Welnu, diezelfde vervelende houding

SV.

■ ij,:

i

sli

'i 4

i y

! 1

: J

i si

:i -Ij :

»If':

1

I

'Wil

,

iin

ocr page 330

Maria Antoinette, 1770—1780.

moesl Maria Antoinette aannemen, opdat er geen vertruuwe-lijklieid tussclien Lodewijk en het schoone kind zou ontstaan.

Even zorgvuldig werd de verhouding van Maria Antoinette tot haar man bewaakt. Wat zullen de oogen der oude vrijsters geschitterd hebben bij al de coniidentiën, die zij aan de argeloosheid van de Dauphine ontlokten! Trouwer vriendinnen had zij wel niet; wat deelden Slet en Slons en Vod en Zwijntje haitelijk in 't geen het jonge vrouwtje aanging. Had haar man al in haar kamer geslapen? Fi done, de kuische jonkvrouwen bloosden. En hel schoone meisje, al kleurende, bekende: neen, maar hij had beloofd morgen in haar kamer te komen slapen, en de hartelijke tantes verheugden zich innig over deze kleine overwinning, die zij over de schuwheid van den dauphin behaald had. Zij verheugden zich zoo innig, dat zij ook anderen deelgenooten liarer blijdschap maakten, 't Werd een relletje aan 'l hof: de dauphin zou in de kamer van Maiia Antoinette slapen! .Men wenschte zijn Hoogheid geluk:- tante Adelaide, uit pure hartelijkheid, nam hem nog eens goed onder handen, om hern moed in te spreken, liet doel werd bereikt: de verlogen en schuwe jonge man waagde het niet zijn woord te houden. Hij ten minste zou geen verhindering zijn, dat tante Adelaide zijn vrouw en zijn huis beheerschte.

Het is inderdaad voor Maria Antoinette in sommige opzichten een geluk geweest, dat zij dezen Lodewijk gehuwd heeft, toen zij nog zoo jong was. Voor de 14-jarige is de wereld nog in zooveel nevelen gehuld, dat ook de idealen geen scherpe omtrekken vertoonen. Het is zeer te betwijfelen, of dit Oosten-rijksch prinsesje, op het oogenblik dat zij iiuwde, wel had kunnen zeggen, wat haar ideaal van een man was. Dit kwam Lodewijk ten goede, want het weerhield haar van vergelijkino;. quot;ij viel niet tegen, omdat zij zich geen voorstelling van een ding, dat een eigen man heet, had gevormd: hij viel niet mede, omdat zij nog te weinig ervaring had, om te onderscheiden en te wegen. Vreemd was hij, dit zou niemand ont-

318

■

ocr page 331

MARIA ANTOINETTE, 1770 — 1780. 310

kennen: schuw en verlegen, tegenover ieder, niet liet minst tegenover haar. Maar Maria Antoinette was meisje genoeg, om den schroom, dien zij inboezemde, niet onaardig te vinden. My was heel weinig spraakzaam en maar al te dikwijls lomp en brusk, maar dit laatste niet tegenover haar en liet eerste trok zij zich niet aan: zij babbelde te meer en (ladderde om hem heen, met haar mooi gezichtje en haar rappe tong keuvelende over alles, waar haar hart vol van was. Alles was nog zoo nieuw, zoo vreemd, zoo schoon voor haar: zij had nog zoo veel te zien en op te merken: hij zou langzamerhand wel aan 't praten komen.

Dit argelooze, speelsche kind tot een vrouw te vormen, die met eere hare hooge plaats innam, ware voor elke opvoedster een zware taak geweest. Maar hoe kon die uitkomst worden verwacht, waar zelfs de opvoedster ontbrak'? In de meest beslissende jaren der vrouwelijke ontwikkeling stond Maria Antoinette alleen, zonder eenige lieiderijke vrouwenzorg te genieten. üe tantes zagen in haar slechts de dauphine, die zij zochten te beheerschen en tot het werktuig van hare intrigues te maken. Madame de Noailles, haar dame d'honneur, meende door vleierijen het hart der jonge prinses te winnen, en merkte in haar bekrompenheid zell's niet op, dat het gezond verstand der dauphine walgde van haar gevlei. Vaderlijke autoriteit en toewijding konden het gemis van moederzorg niet vergoeden, want zij werden haar niet geschonken. Lodewijk XV miste alle moreel overwicht op zijn kinderen, en wist het even goed als zij. Van jongsaf had hij hun nooit eenig rechtstreeksch bevel gegeven: als hij wat te zeggen had, schreef hij briefjes; bij mondelinge bespreking werd hij verlegen, en keurde alles goed, wat hij schriftelijk had afgekeurd. Van den dauphin, haar echtgenoot, was nog minder te verwachten. Niet alleen omdat hij zelf te jong was om eene andere op te voeden, maar ook en vooral, omdat hij zelf opgevoed was, om steeds afhankelijk te zijn. Zijn gouverneur, de hertog de la Vanguyon, behandelde

ocr page 332

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

liem zelfs na zijn huwelijk nog als zijn kweekeling. „II lui est arrivé nne singuliere histoire l'autre jour.quot; schreef in Juli 1770 Maria Antoinette aan haar moeder. ,,J'étais seule avec mon rnari, lorsque M. de la Vauguyon approche d'un pas précipité a la porte pour éoouter. Un valet de cliambre qui est sot ou très-honnète liomme ouvre la porte, et M. Ie due s'y trouve planté fomme un piquet sans pouvoir reculer.quot; Zij gevoelde nl de vernedering van deze afhankelijkheid, maar Lodevvijk niet. Zoo zeer stoud hij onder den invloed van dien man, dat hij, nog anderhalf jaar later, zich door hem bewegen liet tot een stap, die bij uitstek kwetsend was voor Maria Antoinette. Toen een plaats als dame d'atours bij haar openviel, wilde de la Vauguyon zijn schoondochter haar opdringen. De dauphine weigerde, en wist van Lodewijk XV te verkrijgen, dat hij er haar niet toe dwingen zou. Niettemin schreef de dauphin, op verzoek van de la Vauguyon, aan den minister d'Aiguillon, om, rechtstreeks tegen den wil en den wensch van zijn vrouw, de beschermelinge van zijn leermeester aan te bevelen. „Ik kon anders niet van hem afkomen,quot; bracht hij tot zijn verontschuldiging bij haar in.

Die man had zelf opvoeding en bescherming noodig, en kon ze niet verleenen.

Toen Maria Theresia hare dochter naar Frankrijk liet gaan had zij zich blijkbaar van de moeielijkheid der positie, die deze wachtte, eenigszins rekenschap gegeven. Zij gaf haar een instructie mede, vol van goede raadgevingen, en ving onmiddellijk eene correspondentie met haar aan, die bestemd was in het gemis van een dagelijksche raadgeving zoo goed mogelijk te voorzien. Er waren echter omstandigheden, die de keizerinmoeder in hare berekening niet naar waarde schatte, schoon zij eindigden met haar invloed te vernietigen. Vermaningen en berispingen, die te Weenen of Schönbrunn, op 't oogenblik der overtreding zelve, met eerbied zouden zijn aangehoord,

■m

ocr page 333

MARIA ANTOINETTE, 1770 — 1780.

verloren veel van haar kracht, wanneer zij, na eenige weken reizens, te Versailles worden ontvangen, als de aanleiding langgeleden en bijna vergeten was. Ook al was dit laatste niet het geval, de gedurige herhaling verzwakte den indruk. Maria Theresia geeft in iederen brief de bewijzen van haar moederlijke zorg, maar het is volkomen te begrijpen, dat de Dauphine ongeduldig en op den duur ongevoelig werd. Maria Theresia is van alles op de hoogte: nu eens wil haar dochter geen corset dragen en wordt zij dus scheef, dan eens is zij onbeleefd jegens Madame du Barri of tegen Duitschers geweest. De Dauphine is te levendig, te luidruchtig: zij rijdt paard, ofschoon zij haar moeder beloofd had het niet te doen, enz. De keizerin wil geregeld opgave hebben van haar lectuur en van haar studiën. Danst ge beter dan hier? Foei, kind, wat schrijft ge slecht: het wordt erger in plaats van beter. ,,J'étais un peu humiliée en voyant courir par plusieurs mains celles des dames, que vous leur avez écrites.... Tachez de tapisser un peu votre tête de bonnes lectures, elles vous sont plus nécessaires qu'a une autre. Ne négligez pas cette ressource, qui vous est plus nécessaire qu'a une autre, n'ayant aucun autre acquis, ni la musique, ni le dessin, ni la danse, peinture et autres sciences agréables.quot;

Waren dergelijke vermaningen vergezeld gegaan van moederlijke liefkoozingen, ook dit kind, wezenlijk aan haar gehecht, zou er niet door vervreemd zijn. Maar het papier is een slechte geleider van gevoelens, die geen woorden behoeven om uitgedrukt te worden en in woorden slechts gebrekkig worden weergegeven. De herhaalde verzekeringen: „het is voor uw levensgeluk , dat ik dit schrijf,quot; vergoeden niet het gemis van een kus, van een warme omhelzing. Een enkele maal, doch misschien reeds te laat, deed de Mercy het de keizerin gevoelen: ,,LTwe brieven zijn voor de Aartshertogin steeds de oorzaken van groote blijdschap, maar ook van vrees.quot; liet was waar: Maria Antoinette verlangde naar brieven van haar moeder, maar was II -il

m

ocr page 334

MARIA ANTOINETTE, 4770 — 1780.

er tevens bang voor. „Nu krijg ik eens geen knorren,quot; juichte zij de enkele maal, dat er aanleiding toe was.

Doch er kwam meer bij. Maria Theresia had hare kinderen zeer lief, maar beschouwde ze ook als schakels in haar politiek systeem. Hare huwelijken moesten dienen om haar invloed in Europa te verzekeren. De Dauphine van Frankrijk had in dit opzicht de zwaarste taak: zij had de eeuwenoude antipathie des volks te overwinnen. Slechts als moeder van den toekomstigen koning kon zij slagen, en daarom moest zij moeder worden. In allerlei vormen wordt het haar voortdurend herinnerd: „c'est pour cela que vous ètes appelée.quot; Alle raadgevingen draaien om dit middelpunt; aan dit belang wordt alles gemeten.

Weinig brieven van Maria Theresia, waarin niet, rechtstreeks of zijdelings, de zaak wordt aangeroerd. Haar dochter wordt er ongeduldig onder, en verdedigt zich soms met potsierlijk ongeduld: „ik kan het toch waarlijk niet helpenquot;... Zij speelde vrij wat liever met hare honden, die wel niet zindelijk, maar toch vroolijk waren: ik wil een Mops van Weenen laten komen, zei zij aan de Mercy.

Wat Maria Theresia op zoo verren afstand onmogelijk zijn kon, dat moest deze zijn: de Mercy Argenteau moest de dage-lijksche raadsman der Dauphine wezen. Dat had de keizerin aan haar dochter gezegd en geschreven: wat hij zeide, zeide zij. Hem moest zij vertrouwen, als haar. Van zijn toewijding en beleid was zij zeker: over alles kon en moest zij hem raadplegen. De graaf de Mercy richtte er zich geheel op in, om aan dit moederlijk vertrouwen te kunnen beantwoorden. Hij wist van uur tot uur wat de Dauphine deed, wat zij zeide, en niet deed en niet zeide. Hij had — sit venia verbo — zijne spionnen overal waar zij ging en stond: elk woord, dat haar ontsnapte, werd onmiddellijk door hem vernomen. „Ik heb mij verzekerd,quot; — berichtte hij naar Weenen — „van drie personen, die in ondergeschikte betrekking bij de aartshertogin zijn: eene van haar kamervrouwen en twee van haar kamerdienaars

ocr page 335

M.VRI.V ANTOINETTE, 1770 — 1 7S0.

geven mij een nauwkeurig verslag van wat er in het interieur omgaat. Dag voor dag krijg ik bericht van de gesprekken, die zij met den abt de Vermout (haar lecteur) houdt. De marquise de Durfort vertelt mij tot de minste kleinigheid wat er bij Mesdames (de dochters des konings) gesproken wordt. Om te weten wat er bij den koning gebeurt, als de Dauphine zich er bevindt, daarvoor heb ik nog veel meer kanalen en personen. Kortom, er is geen uur van den dag, waarvan ik niet rekenschap zou kunnen geven en mededeelen, wat de Aartshertogin kan gezegd hebben of gedaan of gehoord.quot; Wie zich de moeite geelt zoozeer mede te leven, beantwoordt aan eenige eischen; toewijding, kieschheid, kennis van personen en toestanden worden bij de Mercy, als zelden, aangetroffen. Hij besprak dan ook alles en van alles met haar — hij wist, wanneer zij zich baadde! enz. — en wat hij zelf niet omstandig genoeg kon of wilde behandelen, dat liet hij aan den abt de Vermont over, die haar Franscb had geleerd, haar voorlas en toezicht oefende op haar lectuur. Deze twee mannen, met de beste bedoelingen der wereld, hielden in moeders naam haar voor oogen, wat de trouwe moeder van baar geliefd kind vroeg, voor haar geliefd kind om haars zelfs wil wenschte. Met groote kieschheid behandelden zij soms allerlei zaken, met teedere punten in betrekking staande, en gaven goeden raad, in over-eenstemming met den moederlijken wensch of het moederlijk bevel. De aartshertogin —• tot de troonsbestijging wordt zij door de Mercy meer met den üostenrijkschen dan metdenFran-schen titel aangeduid — de aartshertogin luistert gewillig en veel naar hen, en volgt dikwerf bun raad. Aan Maria Theresia geeft zij wel eens haar hoop te kennen, dat de Mercy tevreden over haar zal zijn. Doch dit is in den beginne en langzamerhand houdt het op.

Kon het anders? Er is nog een andere opvoeding, dan menschen geven: de omstandigheden voeden mede op. Hoeveel eerbied en ontzag de jonge Dauphine voor haar afwezige moe-

ocr page 336

MARIA ANTOINETTE, 1770—'1780.

der en lien, die in haar naam tot haar spraken, ook gevoelde, hun advies en raadgevingen streden te dikwerf met haar lust en neigingen, om niet tot verzet te prikkelen. Naarmate het ongewone van de hooge positie week, ving zij aan, van haar liooge plaats personen en toestanden te beoordeelen: een Dauphine van Frankrijk stond niet onder de controle van ieder. Merkwaardig en volkomen natuurlijk niettemin is het, dat Mercy's raadgevingen juist in die punten bij haar weerklank vonden, die haar eigen autoriteit betroffen. Herhaaldelijk had hij en op zijn aanwijzing ook de moeder tegen den te grooten invloed der tantes gewaarschuwd. Welnu! na een paar jaar was die invloed wegstervende: de Dauphine nam de plaats in, die haar toekwam, en de tantes werden gedwongen, natuurlijk niet zonder eenige twisten, zich tevreden te stellen met de tweede plaatsen aan het hol'. De oude dames zouden het niet vergeven noch vergeten. Ook ten aanzien van Lodewijk, haar man, volgde zij de wenken, die haar gegeven werden. Zij deed, wat zij kon, om hem tot zich te trekken. Kennis bezat Maria Antoinette niet, maar een uitnemend oordeel. De natuur had haar begü-tigd met een aanleg des verstands, die tot groote verwachtingen rechtigde. Zij begreep, dat haar plaats geheel afhankelijk was van haar verhouding tot haar echtgenoot. Haar echtgenoot? Ja, dat was hij, volgens de kerk, die hen getrouwd had. Maar overigens was hun echt zeven jaar lang een platonische. Door zijn gouverneur opgestookt legen de Oostenrijksche prinses, die de politiek hem huwen deed, zag hij hetgracieuse, levenslustige meisje, dat ieder jaar schooner werd, met verlegenheid en schaamte aan. Hij was linksaf ruw, lomp in zijn loop, zijn woord, zijn daad. Lodewijk XV kon bij wijlen nog de vorstelijke, imponeerende houding aannemen, die den meeslen der Bourbons eigen was. De natuur had er zijn kleinzoon geheel van ontbloot. Hij was een burgerman in voorkomen, houding, spreekmanier, liefhebberijen. Men weet, dal hij ook als koning zich met smidswork, sloten maken, bezig hield. Als Dauphin open-

ocr page 337

T

MARIA ANTOINETTE , 1 770 - 1 780.

baarde hij zijne liamlvverksliefde op nog breeder schaal. Wanneer in zijn appartementen timmerlieden en metselaars aan het werk waren, dan werkte hij uren lang mede, om de materialen, de steenen en balken in orde te brengen, en zag er dan, tot groote ergernis van zijn vrouwtje, afgemat en ontoonbaar uit. Dergelijke tooneelen ergerden haar uitermate en zij wendde al haar invloed op hem aan, om hem te fatsoeneeren. Hij gevoelde , dat zij gelijk had, en onderging in al dergelijke uiterlijke zaken haar invloed bereidwillig. Zij deed, wat zij kon, om hem tot zich te trekken en hem aan haar invloed te onderwerpen.

Zonder twijfel ware zij beter en sneller geslaagd, ondanks de tegenwerkende krachten, zoo zij door haar voorbeeld in zaken, haar zelve betreffende, bewezen had het recht tot voorgaan te bezitten. Maar dit was geenszins het geval. Waar het rechten gold, leerde zij langzamerhand vast te houden en op prijs te stellen wat haar toekwam; doch waar het plichten en verplichtingen gold, die onafscheidelijk waren van haar hoogen rang, daar slaagde zij er niet in, zich zelve te beheerschen en hare neigingen te onderdrukken. Haar jeugd en speelsch-heid verleidden haar tot handelingen, die voor iedere andere van gelijken leeftijd volkomen natuurlijk en onschuldig, in de positie van haar als Dauphine van Frankrijk misslagen waren, die ook op het vertrouwen van Lodewijk in haar doodelijk moesten werken.

325

- 1

■li

II

i

m

I

Aan het hof van Maria Theresia was de strenge etiquette onbekend , die het hof van Versailles regeerde. Zij zelve was de type van' een patriarchale moeder des lands. Onvergetelijk voor haar kinderen was de avond, toen zij het bericht had ontvangen dat zij voor het eerst grootmoeder was geworden. Zij was dadelijk naar het theater gegaan, en had daar uit haar loge haar trouwe onderdanen toegeroepen: „der Leopold hat einBubenlquot; Met daverend gejuich had de bevolking der hoofdstad in de

vreugde dei' 1 andsmoeder

gedeeld. Van hun vader Franz van

—

ocr page 338

MARIA ANTOINETTE, 1770—178(J.

Lotharingen hadden haar kinderen daarbij een zonderling soorl van ongegeneerdheid geërfd, die zelden bij vorstelijke personen wordt aangetroffen. Om menschenkennis op te doen, zoo hel heette, liet b.v. de hertogin van Panna, ook een dochter van Maria Theresia, op haar hofbals haar eigen bedienden toe en danste te midden van hen, misschien wel met hen.

Toen Maria Antoinette in Frankrijk kwam, zag zij zich aan handen en voeten door de hofetiquette gebonden. Geen uur van den dag was zij vrij: geen beweging, die niet geregeld was. Bij het opstaan wachtten de hovelingen, die het recht hadden haar de kousen te zien aantrekken. Als zij de handen waschte, traden anderen binnen, wien de eer van dit aanschouwen was vergund. Als zij naar bed ging, had de hoogste in rang der aanwezige dames het recht haar het nachthemd aan te bieden. Eens geschiedde het — het was in den winter — dat zij tol dit gewichtig oogenblik was genaderd. De aanwezige femme de chambre nam het interessante kleedingstuk in handen, om het haar over te geven. Maria Antoinette stond half ontkleed en strekte de hand uit. Er werd geklopt: een dame d'honneur trad binnen. Onmiddellijk trad de femme de chambre terug, om voor deze hoogere in rang plaats te maken. Doch de overgave kon niet geschieden, voordat de handschoenen waren uitgetrokken. Eindelijk was het oogenblik daar: doch zie, er werd weer geklopt. De hertogin van Orleans trad binnen. Dezelfde scène herhaalde zich: de hertogin nam den kostbaren last over, en maakte zich gereed om zich van haar gewichtige taak te kwijten. Maria Antoinette had het koud en verlangde naar het einde. Daar zou het komen, doch neen — er werd weer geklopt. De gravin van Provence verscheen. Gelukkig was dit de laatste. „Maar 't is verschrikkelijk! welk een last!quot; riep Maria Antoinette uit.

Op sommige dagen van de week moesten de Dauphin en dc Dauphine in 't publiek eten. Dan zag men, vooral in de eerste jaren, de groote trap van Versailles opgepropt met menschen

ocr page 339

II

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

van allerlei rang en stand: lieeren en dames uit Parijs, boeien en boerinnetjes uit de provincie. Dat publiek stond dan, in de zaal opeengedrongen, aan te zien, hoe twee menschen zamen aten. Een Dauphin van Frankrijk, links en lomp in al zijn bewegingen, maar, wat erger was, van een onverzadel ijken eetlust, en een jong vrouwtje met een heel mooi meisjesgezicht, dat weinig at, en blijkbaar zich niets vrij gevoelde onder het kruisvuur van oogen, die haar bespiedden en onverholen verbazing uitdrukten over den eetlust van haar heer en gemaal.

Het was de zegenrijke nalatenschap van Lodewijk XIV, die het koningschap, door hem naar Versailles verplaatst, in dit warnet van vormen en etiquette verstrikte. Voor Maria Antoinette was het onduldbaar en eiken dag werd de lijst van haar overtredingen grooter. Zij trad de vaderlijke costumes met voeten en bespotte, wie ze handhaven wilde. Aan Madame de Noailles, die als dame d'honneur voor deze zaken zorgen moest, schonk zij den spotnaam van Madame l'Etiquette. Eens viel zij van den ezel. „Gauwriep ze, „gauw; vraag aan Madame l'Etiquette , ol' een Dauphine van Frankrijk wel van den ezel vallen mag.quot;

Met geduld en beleid de overdrijving te wijzigen, lag noch in haar aard noch in haar leeftijd. Beide dreven haar om ze te brusqueeren: 't was een bewijs van wat zij durfde en kon. Zij trad in haar jeugdigen overmoed de vormen met voeten, zelfs daar waar zij zeer voegzaam waren. Als zij de jachtpartijen van Lodewijk XV volgde, nam zij in haar rijtuig een volledig collation mede. Op de halten verdrongen zich dan de hovelingen, om van het buffet der schoone Dauphine te genieten. Tot menig tooneel van weinig deftigen aard gaf dit aanleiding. De koning moest het haar eindelijk verbieden.

Maar geen verbod kon haar zelfbedwang leeren. Wat moederlijke voorlichting en vermaning, steeds met liefderijken ernst herhaald, had kunnen tot stand brengen , bleef thans achterwege, omdat Maria Antoinette op zich zelve stond in levensjaren , waarin zij bovenal hulp en leiding behoefde. Bij de hofrecep-

Ml

e

illii

lil ' il:. quot;

it

■ Bi i iiM

.: |j ||i|||

ü r

i'. I

j' E,

.J

ocr page 340

3^8 MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

tien lachte zij als een groot kind de oude en deftige dames uit, en spotte met haar voorkomen en toilet. Diep geërgerd zagen de bejaarde vrouwen, die het hof bezochten, hoe dit speeische meisje met drie, vier kornuitjes wegschool, om zich over haar te amuseeren en haar uit te lachen. En ditzelfde kind behandelde haar, weinige oogenblikken later, met hoog-hartigen trots en stapte haar voorbij, zonder haar zelfs de eer van een enkel woord, soms van een groet te schenken. „On dit que vous négligez a parler et distinguer les grands, qua la table, au jeu vous ne vous entretenez qu'avec vos jeunes dames, en leur parlant a I'oreille, en riant avec elles. Je ne suis pas si injuste de vouloir vous interdire la conversation tres naturelle des jeunes gens, que vous connaissez, a ceux que vous ne voyez qu'en grand public, mais c'est un point essen-tiel la distinction des gens, que ne devez pas négliger....quot;

Een maatschappij, groot geworden en ademende in vormen, zag zich door een jonge vreemde, die met meisjesachtige luchthartigheid alles overhoop wierp, wat haar bijkans heilig was, bespot en uitgelachen. Zij wreekte zich over het onnadenkende kind, als steeds elke maatschappij zich wreekt over hen, die haar vormen niet eerbiedigen. Reeds nu, in dezen hofkring, werd het zaad uitgestrooid, het zaad van haat en laster, dat den naam der Dauphine zou ondermijnen, en alles deed gelooven, wat jaloezie, politieke vijandschap en boosaardige berekening-goed vond te haren laste te verspreiden.

Maar Maria Antoinette wist er niets van en geloofde er niet aan. Gedurende de vier jaar, dat zij Dauphine was, ontwikkelde zij physiek en moreel. Physiek, als een schoon gevormde vrouw, die aller oogen tot zich trok, blakende van levenslust en gezondheid. In 1773 verkreeg zij van Lodewijk XV dat zij haar intrede in Parijs zou doen. 't Was in nadruk een feestdag-voor haar, geheel Parijs lag voor haar schitterende schoonheid geknield. De duizenden, die haar toejuichten, waren niet blijde onderdanen, maar, gelijk de oude hertog de Brissac zeide.

ocr page 341

MARIA ANTOliNETTE , 1770—1780.

verliefde minnaars. Om dien indruk van haar uiterlijke verschijning te begrijpen, is liet genoeg de woorden van Horace Walpole mede te deelen. Hij zag haar in 1775, toen zij twintig jaar was, dus in den vollen bloei der jeugd, en schreef toen naar Londen; „Men kan geen oogen hebben dan voor de koningin. De Ilébé's en de Flora's, de Heiena's en de Gratiën zijn ordinaire schoonheden, bij haar vergeleken. Staande of zittende, steeds is zij liet beeld der schoonheid: als zij in beweging is, is zij de bevalligheid in persoon. Men zegt, dat zij niet in de rnaat danst: welnu, dan heeft de maat de schuld. Ik heb nog nooit een schoonheid gezien, die zij niet verre achter zich Iaat.quot; Wie zich van de geestdrift van zulk een kenner, als Horace Walpole, rekenschap wil geven, is er toe in staat. Madame Campan heeft ernstig getuigd, dat alleen de portretten, door Lebrun en Wertmüller van haar gemaakt, goed gelijkend zijn. Naar die beide stukken vindt men in de uitgave van Feuillet de Conches gravures, die volkomen de bewondering der tijdgenooten verklaren. Maria Antoinette is ververwonderlijk schoon geweest.

Toch was het niet alleen haar uiterlijk, dat haar populair maakte. Het volk oordeelde naar andere gegevens dan de hofkring en dweepte met de jonge, vriendelijke, schoone prinses. Tahooze proeven van haar goed hart liepen van mond tot mond. Bij een hertenjacht vloog het gejaagde dier in zijn doodsangst een boer, bezig zijn land te bebouwen, aan en kwetste hem doodelijk. De vrouw van den ongelukkige riep een troep jagers, die naderde, om hulp en zonk bewusteloos neer. De koning, die er bij was, gelastte zorg voor haar te dragen en verwijderde zich. De Dauphine echter stapte uit haar calèche, begaf zich naar de in onmacht neergezonkene en deed zelve alle moeite, met reukwatertjes en dergelijke, om haar bij te brengen. Toen zij hierin geslaagd was en de arme vrouw met vriendelijke toespraak had getroost, gelastte zij de boerin met die haar vergezelden , hare meiden, in haar rijtuig te plaatsen en naar haar

329

ocr page 342

MARIA ANTOINETTE, 177(J—1780.

liut terug Ie brengen. Hel ongedwongen, natuurlijk medelijden en het goede hart, dat zij bij deze geüeele scène betoond luid, won haar de bewondering dei' omstanders. Ook de Dauphin had al het zijne gedaan om de slachtoffers van het vorstelijk vermaak te troosten: geld en goede woorden had hij in ruime mate geschonken. Maar het bon mot van de hertogin de Beau-vau drukte scherp de verhouding uit; „Madame la Dauphinc suivait la nature, et Monsieur Ie Dauphin suivait Madame la Dauphine!quot;

Men zou Lodewijk groot onrecht doen, indien men meende, dat iiij voor de schoonheid en lieftalligheid van zijn jong vrouwtje ongevoelig was. m verbaasde integendeel de hovelingen, door met een geestdrift, die hem, den stuggen zwijger, geheel vreemd was, haar „een charmant wezen, dat alles kon wat zij wildequot; te noemen. Ongelukkig genoeg, was hij zijn linkschheid, zijn onhandigheid zich zoo volkomen bewust, dat juist haar beval-ligbeid hem te meer verlegen maakte. Mij zag tegen haar op, terwijl hij haar bewonderde en de gemakkelijkheid waarnam, waarmede zij na weinige jaren zich in haar hoogen rang thuis gevoelde. De man, die zwijgend zich te midden van den hofkring bewoog en met heimelijken schrik het oogenblik zag naderen, waarop hij zijne plaats aan het hoofd des volks moest innemen, wist zich geen rekenschap te geven van zijn verhouding tot haar.

Den '10deI1 Mei 1774 brak eindelijk het uur aan, dat voor beider leven zoo beslissend zou zijn. Geheel Versailles was in drukte en spanning. In de hotels der hovelingen stonden de paarden voor de rijtuigen gespannen. Alles wachtte op een teeken, om iHf dit besmette oord te ontvlieden. Lodewijk XV had de kinderpokken en was stervende. Voor het raam der ziekenkamer stond een licht, dat uitgeblazen zou worden, als alles was afgeloopen.

Na uren wachtens werd het uitgedoofd: Lodewijk en Maria Antoinette waren koning en koningin.

De theatrale voorstelling, dat beiden in het gewichtig oogen-

ocr page 343

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

blik op de knieën zijn gezonken, met den uitroep: ,,inijn God, wij zijn te jong om te regeeren!quot; wordt door de nieuwe bescheiden niet bevestigd. Zoo het geschied is, is het in de binnenkamer voorgevallen en niet in tegenwoordigheid van anderen.

Ongepast zou het niet geweest zijn, want inderdaad waren zij te jong. Eigenlijk zouden zij er nooit oud genoeg voor zijn.

Opleiding voor de zware taak, die hem wachtte, had Lodewijk niet genoten; en zich zelf er toe voorbereid, had hij evenmin. Hij was een braai'en gemoedelijk man, die oprechtelijk het beste voor zijn volk wilde: maar wat dit beste was, kon hij niet zeggen. quot;Ü had iets opgevangen van de economische stellingen van den tijd, en begreep dat veranderingen noodig waren. Maar verandering van personen achtte hij het voornaamste. Immoreele en impopulaire personen van het hof en uit het staatsbestuur te verwijderen , scheen hem een hoofdbelang toe. Dat hervormingen in het staatswezen moesten plaats hebben, gevoelde hij; maar hij kon niet zeggen, welke. Hij begreep wat anderen hem voorhielden en duidelijk maakten, maar hij had te weinig kennis, om met zelfstandigheid te oordeelen. Door zijn ongelukkige opvoeding miste hij alle zelfvertrouwen. Opgevoed om steeds afhankelijk te zijn, gevoelde hij voorlichting van anderen te behoeven: hij was er te zeer aan gewend, om er buiten te kunnen, of zelfstandig te durven handelen, zelfs waar hij zeer goed inzag, wat geschieden moest. Meer degelijk dan beminnelijk van karakter, verborg hij achter een air van groote ruwheid, de vrucht van een krachtig physiek, een groote zwakheid, zoodat hij gemakkelijk te beheerschen was. Slechts moest men zorgvuldig waken, zijn wantrouwen niet op te wekken, en zijn zelfstandigheid ten minste in schijn te eerbiedigen.

Het lag voor de hand, dat de jeugdige koningin den meesten invloed op hem zou oefenen. Het was haar moeders doel, dat zij hem beheerschen zou en daardoor Frankrijk steeds op de zijde van Oostenrijk houden. In de brieven van de Mercy

SS\

ocr page 344

MARIA ANTOINETTE, 1770 — 1780.

332

worden dan ook zorgvuldig van lijd tot tijd de kansen berekend, dal eenmaal de Daupliine haar echtgenoot zal dommer, subjuguer, enz. De ongelukkige verhouding echter, waarin Lo-dewijk jarenlang tegenover Maria Antoinette stond, weerhield langen lijd alle ware intimiteit. Daarbij kwam een andere reden. Lodewijk, en als dauphin, en als koning, was bang voor haar invloed op politiek gebied. Jaren later, in 178-4, legde zij zelve de redenen van haar politiek onvermogen aan haar broeder Jozef II in de volgende woorden bloot: „Men moet den koning goed kennen, om juist te kunnen beoordeelen de geringe mate van hulpmidden, die zijn karakter en zijne vooroordeelen mij verschaffen om invloed op hem te oefenen. Hij is van nature zeer weinig spraakzaam, en het gebeurt hem dikwijls, dat hij geen woord spreekt van groote zaken, ook zonder de bedoeling om ze te verzwijgen. Hij antwoordt mij, wanneer ik er hem over spreek, maar hij verwittigt mij er niet van; en wanneer ik het vierde van een zaak heb gehoord, dan behoef ik al mijn beleid om de rest van de ministers te vernemen, door hen te doen gelooven, dat ik alles weet. Als ik er den koning een verwijt van maak, dat hij mij over sommige zaken niet gesproken heeft, wordt hij niet boos: hij is dan wat verlegen, soms ook antwoordt hij op een natuurlijken toon, dat hij er niet aan gedacht heeft. Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik op politieke zaken het minst van allen invloed heb. Het van nature wantrouwend karakter des konings is, reeds voor mijn huwelijk, geprikkeld door zijn gouverneur. De la Vauguion heeft hem bang gemaakt voor de heerschappij, die zijn vrouw over hem zou willen voeren, en zijn zwarte ziel heeft er behagen in gehad, het gemoed van zijn leerling te verschrikken door allerlei schrikbeelden, uitgedacht tegen het huis van Oostenrijk. De Maurepas, met minder karakter en minder slechtheid. vond het voor zijn krediet goed, diezelfde denkbeelden bij den koning te onderhouden. De Vergennes volgt hetzelfde plan, en misschien bedient hij zich van zijn buitenlandsche correspondentie om leugen en laster

ocr page 345

MAIU.V ANTOINETTE, 1770—'178Ü.

te bezigen. Ik heb er meer dan eens open met den koning over gepraat. Hij wordt soms knorrig, maar daar hij onvatbaar is voor discussie, heb ik hem niet kunnen overtuigen, dat zijn minister hem bedroog. Ik bedrieg mij zelve volstrekt niet, wat mijn invl )ed betreft: ik weet, dat ik, vooral in politieke dingen, weinig op den koning vermag.quot; Er was zeer veel waarheid in de voorstelling, maar niet alles was juist. Niettemin is de geheele teekening zeer kenmerkend, zoowel voor haar als voor hem.

Waarheid was het, dat Lodewijk door zijn gouverneur tegen de üostenrijksche prinses was opgestookt en bang gemaakt voor den invloed zijner schoonmoeder. Evenzoo dat zijn ministers, de Maurepas, de Vergennes, niet zeer genegen waren haar invloed te steunen. Maar even waar ook, dat zij den invloed, dien zij in i784 verklaarde niet te bezitten, in 1774' niet had nagejaagd en van de groote kansen, die de omstandigheden haar schonken, om overwegenden invloed te verkrijgen, slechts een zeer gebrekkig en een zeer verkeerd gebruik had gemaakt.

In waarheid euvel duiden gaat niet aan; zij wist volstrekt niet wat politiek was. Niemand had er haai' iets van geleerd. Yan haar moeder en de Mercy had zij in de laatste jaren in hoofdzaak dit gehoord: Frankrijk en Oostenrijk moesten verbonden blijven. Verder had zij met de Vermont eenige boeken gelezen, o. a. het Journal de l'Etoile en de geschiedenis van Engeland. Of het meisje van 15 jaar er veel uit geleerd heeft, weten wij niet. Wat zij van politiek wist, had zij aan het hof geleerd. Zij had gezien, dat politiek een kwestie van personen en van intrigues was. Vrienden bracht men in het bestuur, vrienden bevoordeelde men, vijanden benadeelde men en liet men vallen. Dit wist zij en zij was bereid en bewees liet van het eerste oogenblik al', dit spelletje te willen medespelen.

Toen Lodewijk aan de regeering kwam, was d'Aiguillon minister: Maria Antoinette had een bitteren wrok tegen hem. De Mercy, wien haar moeder opnieuw bij de troonsbestijging haar

.333

ocr page 346

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

als een vertrouwd raadsman lind aanbevolen, gaf den raad om niet te haastig veranderingen in liet ministerie te maken, bovenal d'Aiguillon vooreerst te houden, om geen overhaaste keus voor buitenlandsche zaken te doen. nu bad lang en breed met haar gepraat, en meende uit haar spreken op te merken, dat hij haar overtuigd had. Niettemin werd d'Aiguillon ontslagen en wel op den dringenden cisch der koningin, die Lodewijk tegen zijn zin er toe overgehaald had. ,,Het wraakzuchtige en bet weinig eerlijke, dat er in haar handelwijze is, treft mijquot;, schreef .Maria Theresia.

Voor persoonlijke kwestien was zij vurig en onvermoeid. Om verschillende redenen was Lodewijk gebeten op den oud-minister de Cboiseul, die van het bof gebannen was. Maria Antoinette, nauwelijks koningin, verzocht zijn terugroeping. Lodewijk aarzelde , wilde uitstellen, maar zij liet hem den tijd niet, en eischte dat het dadelijk zou geschieden: het was vernederend voor haar, de terugroeping van den staatsman niet te kunnen verkrijgen, die haar huwelijk had tot stand gebracht. „Als gij die reden aanvoert, kan ik natuurlijk niet weigeren,quot; was bet antwoord van den zwakken man.

lïeeds in Augustus 1773 had de Mercy geschreven:,. De aartshertogin begrijpt de zaken zeer gemakkelijk, maar zij is er bang voor. Zij weert de gedachte van zich, dat zij eens macht en gezag zal hebben. Vandaar, dat baar karakter iets traags en passiefs krijgt. De Dauphin zal nooit de kracht of den wil hebben om uit zich zelf te regeeren; zoo de aartshertogin hem niet bebeerscht, zal hij door anderen beheerscbt worden.quot; Thans, nu zij koningin was, gebruikte zij wel haar macht, maar alleen voor of tegen personen. Den val van d'Aiguillon bewerkte zij, maar zij vroeg er niet naar, wie hem opvolgde. Er was geen politieke gedachte, veelmin een politieke richting, die zij voorstond. liet waren toevallige, tijdelijke belangen, waarvoor baar belangstelling werd opgewekt: zij zette ze door met ijver, met hartstocht. Maar als de koning haar over staatszaken sprak, dan

ocr page 347

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

toonde zij haar verveling of onaüentie duidelijk. „Langzamerhand zal de koning natuurlijk elders raad vragen en het krediet der koningin geheel ophouden, als zij zich bepaalt met eenvoudig deze en gene zaken te eischen, zonder zich aan Z. M. nuttig en onmisbaar door haar goeden raad te maken: haar afkeer van allen ernst, van alles wat inspanning kost zal het schitterenue vooruitzicht van haar grooten invloed geheel doen verdwijnen.quot; Als de Mercy haar dit voorhield, gaf zij onmiddellijk toe, erkende de waarheid, beloofde beterschap en deed wat de meeste kinderen doen: zij vergat het onmiddellijk en dacht allleen aan haar amusement. Afleiding en verstrooiing hielden haar bezig: al het overige kon haar slechts voor enkele oogenblikken interesseeren. Zonder kennis en zonder inzicht in staatsbelangen en staatszaken, wendde zij haar autoriteit slechts aan, wanneer haar sympathie of antipathie was opgewekt, maar zonder in staat te zijn een blijvenden en regelmatigen invloed op den gang van zaken uit te oefenen. Zij werd daardoor maar al te dikwerf de speelbal van anderen, wier belangen of inzichten zij bij Lodewijk voorstond met een ongeduld, een heftigheid, een passie, die den zwakken man wel in menig ernstig oogenblik voor haar buigen deed, maar zonder haar moreel overwicht te sterken. Een kind van luim en hartstocht, wierp zij het gewicht van haar hooge positie telkenmale in de schaal, waarin de landsbelangen werden gewogen, zonder naar iets anders te vragen dan het oogen-blikkelijk succes, en zonder de gevolgen te berekenen of te kunnen voorzien. De goedhartige Lodewijk, zwak van nature, maar dubbel zwak tegenover de vrouw, bij wie hij zijne mannelijke autoriteit niet kon doen gelden, zocht bij de staatslieden, aan wie hij zijn vertrouwen schonk, steun tegen haar, maar vond zelden, waar hij tusschen hen en zijn vrouw moest beslissen, genoeg kracht in zich zeiven om haar eischen af te wijzen. Zonder te weten waarom, drong zij hem bij de troonsbestijging, op raadï van Mesdames, de Maurepas als minister op. De oude hoveling, slimmer dan zij, werkte haar tegen en wist

ocr page 348

MARIA ANTOINETTE, '1770—1780.

zich staande te houden. Maar Turgot werd door haar ten val gebracht, ondanks Lodewijk's vertrouwen in den staatsman, dien hij aan haar aandrang en heftigheid opofferde. Mooit echter, voordat de revolutiestorm zijn troon deed wankelen, heeft hij zijn oud wantrouwen tegen haar raadgevingen, ais inblazingen van het Weener hof, geheel overwonnen. Vandaar, dat hij haar zucht tot vermaken, die hij als een afleiding voor staatkundige bemoeiingen beschouwde, niet tegenging, maar haar volle vrijheid liet, en later, toen zij van die vrijheid gebruik maakte op een wijze, die voor haar goeden naam allerverderfe-lijkst was, niet optreden durfde of kon, om haar te beteugelen.

Een der eerste geschenken, die hij als koning gaf, was het kleine Trianon, aan het einde van het park van Versailles gelegen. Het was een landhuis van kleinen omvang, dat Lodewijk XV in 1760 had laten bouwen, om zich, na stormachtige nachten, met botaniseeren het hoofd te verfrisschen. Maria Antoinette deed het geheel naar haar smaak hernieuwen en richtte ook den tuin naar de mode dier dagen in. Hier vond men een schat van schoone en weelderige bloemen en boomen, afgewisseld met beelden en berceaux: een Engelsch plantsoen , een Chineesch tuintje, rotsen en watervallen, verborgen grotten , een belvedère, een iïollandsche molen en boerderij — kortom, een bonte verzameling, in kort bestek, van groot en klein maar kostbaar speelgoed. Hier bracht;'zij de gelukkigste en onbezorgdste oogenblikken van haar leven door: hier trok zij zich, tot de revolutie het verbood, terug, om vrij te zijn. Zij had dadelijk verklaard, dat zij in Trianon van geen etiquette wilde weten en weerde alle pogingen der surintendante af, om ook hier haar schepter van vormen te zwaaien. Als zij daar dagen doorbracht, kon Lodewijk gemakkelijk bij haar komen dineeren. Dan aten zij met hun beiden, en kon de speelsche, jonge vrouw aan elke harer luimen botvieren, haar heer gemaal met broodproppen gooien of hem op een draf meêslepen door de lanen, zonder dat de etiquette hinderend tusschen beide trad. Hier ontving

336

ocr page 349

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

zij Je gasten uit Parijs 's middags om twee uur, om te eten, en stoeide zij met haar vriendinnen of met Lodewijk, die langzamerhand los werd en bij al die kleine coquette plagerijen van zijn mooi vrouwtje zijn timiditeit begon al' te leggen.

Doch Trianon schonk haar niet alleen vrijheid van de hofetiquette, het schonk haar ook een eigen kring. Hier vormde zich langzamerhand een klein gezelschap van vertrouwden, waarin zij zich thuis gevoelde, omdat zij haar stijfden in haar afkeer van géne. Niet allen verdienden of bezaten haar vertrouwen, maar allen waren haar welkom, omdat zij medewerkten om aan haar zucht tot vermaak te voldoen. Wat zou een jonge koningin, die noch huishouden noch kinderen had te verzorgen, anders doen dan zich amuseeren'? Van lectuur hield zij evenmin als een der kinderen van Maria Theresia: lezen was een inspanning en van inspanning had zij een afkeer. In den eersten tijd als Dauphine, had zij zich met een paar hondjes vermaakt of met een paar kinderen van een barer kamervrouwen, die tot haar groot genot alles in haar appartementen overhoop wierpen. Nu, als koningin, was er meer afwisseling en had zij ook zelve de gelegenheid, rijker verscheidenheid aan te brengen. Rijtoertjes, wandelingen, muziek maken — uren achtereen bracht zij met de harp door — vulden een groot deel van den dag. Tweemaal in de week was er souper aan 't hof. Maria Antoinette had op raad van de Mercy den koning tot deze nieuwigheid bewogen, om hem aan de uitsluitend-heerensoupers, die gewoonlijk na de jacht voorkwamen, te onttrekken. Daarbij voegden zich, in den eersten winter van haar koningschap, les bals de la reine. Vooral de quadrilles de masques hielden haar en 't hof zeer bezig. Het was een ernstige zaak, telken male de maskerades der quadrilles af te wisselen: de tijdsruimte van acht dagen, die de hofbals van elkander scheidde, was ter nau-wernood voldoende om alles gereed te krijgen. De gravin de Brionne bedacht een nieuwe variatie: een bal de nuit. Maria Antoinette volgde het onmiddellijk na. Den 23en Jan. 1775 II 22

337

ocr page 350

MARIA. ANTOINETTE, 1770—1780.

opende de koning le middernaclit liet bal, in de kleine komc-diezaal van Versailles. Lodewijk liad de beleel'dlieid lot half drie er te blijven: Maria Antoinette danste tot zeven uur, hoorde toen de mis, stapte naar bed en kwam niet dan in den achtermiddag te voorschijn.

Al deze afmattende vermaken vielen zeer weinig in den smaak van Lodewijk; maar hij keurde ze goed, lokte ze soms zelf uit, nam er aan deel met alle mogelijke inscliikkelijkheid, omdat zij haar genoegen deden. Zij ging er geheel in op: „de koningin is geabsorbeerd door de vermaken, zij kan aan niets anders denken voordat de vasten begint,quot; schreef de Mercy aan Maria Theresia.

In dezen zelfden winter ving de overdreven zorg voor haar toilet aan, die zoozeer heeft bijgedragen om de oogen van het groot publiek met weinig weiwillenden blik op haar te vestigen. De mode had de coiffures der dames onmatig hoog opgevoerd, maar Maria Antoinette overtrof alle buitensporigheid in dit opzicht. Met dezelfde heftigheid, waarmede zij aan elke harer luimen toegaf, dreef zij thans haar hoofdtooisel in de hoogte. Haar voorbeeld was natuurlijk een bevel voor alle dames, die het hof bezochten, en ook voor dat gedeelte van het vrouwelijk publiek, dat niet gewoon is eigen smaak, maar deu wansmaak van anderen te volgen. De modistes en dameskappers van Parijs doorleefden onrustige nachten , in het pijnigen van hun brein, om nieuwe coiffures uit te vinden. In den zomer van 1777 werd het gilde van heeren pruikenmakers te Parijs met 600 coiffeurs de dames vermeerderd. Het getal was niet te groot, als men op den arbeid iet. dien het hoofd der elegante dames vereischte. Men zag er van alles op pronken: een wereldbol, een landschap, een zeegevecht; de vrouw van een Engelsch admiraal vertoonde op haar hoofd de Engelsche vloot, te midden van een onstuimige zee. De pouf d la puce concurreerde in schoonheid met de bonnel d la candeur: en de haigneuse d la frivolité week voor de berceau d'amour niet terug. Maria Antoinette had vooral

338

ocr page 351

MARIA. AMTOINETTÜ , 177Ü—178Ü.

sympathie voor la corne d'abondance. Zij beschouwde ze als een symbool van het geluk, dat de regeering van Lodewijk aan Frankrijk zou aanbrengen. Zij wist niet, toen zij met dit hoofdtooisel zich te Parijs bij een der sledevaarten vertoonde, dat deze hoorn des overvloeds in de oogen van het volk voor een beschimping gold van de armoede, die zij leden. De schoone koningin, met haar overdaad van linten, veeren en pluimen, die boven van het hoofd wapperden, scheen hun een beeld van de schaamtelooze verkwisting, die de geprivilegieerde standen voortgingen, als hun monopolie ten toon te spreiden, hoe hoog de nood des lands ook steeg.

Onder Lodewijk XIV had het koningschap zicli naar Versailles, in geheimzinnige afzondering, teruggetrokken. Hij noch Lodewijk XV kwamen anders dan hoogst zelden naar Parijs. Wat de natie toen van de weelde, de verkwisting der hofhouding-wist, dat wist zij bij geruchte: zij zag het niet. Daarbij had zij een soort van religieusen eerbied voor de koningen van Gods genade en kende hun liet recht toe, om meer te doen en te zondigen dan gewone stervelingen. Dit alles was in de laatste twintig jaar veranderd. Kritiek en nadenken hadden het goed geloof doen vallen: de maatschappelijke orde was en werd in hare grondslagen door de leerstellingen van Voltaire, Rousseau de encyclopaedisten en de economisten ondermijnd. Men kende niet langer aan bevoorrechte standen het recht toe, om de gelden der natie in ijdele verspilling te verkwisten. Men eischte van hen de vervulling van plichten en niet alleen het genot van rechten. Onder Lodewijk XVI trad het koningschap uit zijn geheimzinnige afzondering in het volle licht van den dag te voorschijn. Maria Antoinette had de treurige eer, in haar eigen persoon al de uiterlijke schittering van de monarchie te ver-toonen, maar tevens al de inwendige holheid, de leegheid, het volslagen gebrek aan plichtbesef den volke te openbaren.

Reeds als Dauphine was zij veel te Parijs geweest. In 1773 ging zij er geregeld alle weken heen, bezocht winkels en

ocr page 352

^40 MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

sommige theaters in klein kostuum en slechts door enkelen gevolgd. Die ongewone verschijning had aanvankelijk zeer gestrekt om haar populair te maken; men had te Parijs zelfs het gerucht verspreid, dat het hof Versailles zou verlaten, om in de Louvre zich te vestigen. Doch op den duur werkte die meerdere bekendheid van haar persoon in de hoofdstad ongunstig, liet volk is spoedig gewend aan een mooi gezichtje, een gracieus liguurtje, een vriendelijk knikje. De natuurlijke jaloezie van den arme tegen den rijke wordt geprikkeld door het opmerken van eigenschappen, die niet bloot dienen om alle-daagschheid te omlijsten, maar zelfs schijnen te strekken om gebreken op te sieren. Het volk had een tijdlang groote verwachtingen van haar invloed ten goede gekoesterd en voelde zich diep teleurgesteld, toen het zag, dat zij slechts aan haar vermaken dacht en de taak verwaarloosde, die men haar had toegedacht. Reeds in het voorjaar van 1775 was de ontvangst koel, als zij in Parijs kwam. De luidruchtige verkwisting van het karnaval wekte te meer ergernis, omdat de nood van het volk groot was. In Mei 1775 barstten er te Parijs, te Versailles en in een aantal naburige plaatsen ernstige onlusten uit: de bakkerswinkels werden door het hongerige volk leeggeplunderd. Nadrukkelijk onderhield de Mercy de koningin over de houding-die zij aan te nemen had: hij stelde haar de noodzakelijkheid voor oogen, om de vermaken te matigen, opdat zij geen ergernis geven mocht. „Als het volk lijdt, meet het de deelneming dei-vorsten naar de houding af, die zij aannemen, en hiervan is zijn gehechtheid afhankelijk.quot;

Maar deze waarschuwing, als zoo vele andere, ging het eene oor in, het andere uit. De brieven van Maria Theresia en de vermaningen van de Mercy vonden ingang op het oogenblik zelf, maar tegen den dagelijkschen invloed van haar omgeving en van haar gunstelingen sterkten zij haar niet. Toen beide, de gravin van Provence en die van Artois, moedervreugde smaakten, ontwaakte sterker dan te voren in Maria Antoinette het gevoel

ocr page 353

MARIA ANTOINETTE, 1770—-1780. SM

van spijl, van bilterlieid over haar gemis. Haar houding en bejegening van Lodewijk verrieden al te dikwerf haar stemming en was menigmaal meer geschikt om hem te verwijderen , dan aan te trekken. Teleurgesteld in haar huwelijkswenschen, zocht zij bij toeneming in verstrooiing en vermaken afleiding, zonder de gevolgen te berekenen. Afkeerig van de plichten van het hofleven, en niet gewoon in lectuur ol' vrouwelijke werkzaamheid bezigheid te vinden, moest vriendschap haar vergoeden, wat liefde haar deed missen. De eerste vriendin, aan wie zij zich hechtte, was Madame de Lamballe, een kwijnende schoonheid, die onophoudelijk en dikwijls op de ongeschiktste oogenblikken flauw viel. Voor haar herstelde de koningin eene hof betrekking die sedert jaren was afgeschaft, tot groote ergernis van eenige hoogadellijke dames, die het hof verlieten. Als surintendante deed Madame de Lamballe aanspraken gelden, die langzamerhand de koningin van haar vervreemdden. Toch was zij werkelijk, gelijk zij later bewezen heeft, aan haar gehecht en, wat nog meer beteekende, op haar goeden naam was niets te zeggen.

Dien roem mocht de vrouw, die haar in de koninklijke gunst opvolgde, zich niet toekennen. De gravin Jules de Polignac was van nature een goedaardig, indolent wezentje, dat uitmuntte niet door haar verstand, maar door de bêtises, die zij zei, en door haar schitterende verleidelijke schoonheid. Zelve geheel onbeteekenend, werd deze wonderschoone gravin in de handen van een sluwe tante en van een gebochelde, maar geestvolle schoonzuster, eene van de gevaarlijkste intriganten in de omgeving der koningin.

Haar reputatie was ver van zuiver, haar lectuur niet keurig. De vrees was dus niet ongegrond, dat zij een verderfelijken invloed op Maria Antoinette uitoefende. Ware de dochter van Maria Theresia minder trotsch geweest, de verzoeking zou haar misschien te zwaar zijn geworden. Haar vorstelijke hoogheid hield haar staande in omstandigheden, waarin menig andere vrouw is bezweken. Onnadenkend was zij in de hoogste mate, maar

ocr page 354

342 MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

niet slecht. Haar meisjeseenvoud was natuurlijk in den hof-dampkring spoedig geweken, maar de bekendheid met het kwaad had haar hart niet bedorven. Spijt, ergernis, dat haar, de koningin, werd onthouden, wat hare schoonzusters ten deel viel, ongeduld, dat zij geen troonopvolger aan Frankrijk mocht schenken, deed haar steeds meer in verstrooiing, van welken aard ook, afleiding van hare gedachten zoeken. Dat de slechte naam van Madame de Guemenée, van de Besenval, de Vaudreuil, en van vele anderen, die tot het beruchte gezelschap der Po-lignac's behoorden, ongunstig werkte op de genegenheid des volks jegens haar, geloofde zij wel een oogenblik, als het gezegd werd, maar vergat zij tevens onmiddellijk, omdat deze menschen ten minste haar, naar zij meende, oprecht genegen waren en zij in hun kring zonder zelfbedwang zich mocht vertoonen gelijk zij was.

Slechts één lid der vorstelijke familie was er, die met haar neigingen scheen in te stemmen. De twee broeders des konings, Provence en Artois, verschilden zeer van Lodewijk. Provence was, hoe jong ook, een koele, sluwe ambitieux, die voor geen valschheid terugschrikte, om zijn doel te bereiken. Hij en zijn vrouw, een Savooische prinses, waren een tijdlang bijzonder intiem met hun broer en zuster geweest: maar de ontdekking van sommige handelingen van Provence had de genegenheid bekoeld. Bij den dood van Lodewijk XV waren er brieven van het jeugdig echtpaar gevonden, waarin zij geheel andere meeningen tegenover hun grootvader uitspraken, dan in den kring van Lodewijk en Maria Antoinette. Provence was een gevaarlijk man, die zijn meerderheid boven Lodewijk gevoelde, niet dulden kon, dat deze broeder hem was voorgegaan op den troon en nu het liefst onder zijn naam zou regeeren. Als Lodewijk's echt kinderloos bleef, was hij de troonopvolger. Al zijn streven was, om van eiken misslag van anderen te profiteeren, om zich bij 't volk geliefd en geëerbiedigd te maken. Tegenover de wilde vermaken van 't hof hield hij zich bescheiden ter zijde, opdat

ocr page 355

MARIA ANTOINETTE, '1770 — 1780.

de legonslelling- scherp in het oog zou springen. Die man ondermijnde Lodewijk en Maria Antoinette door raad, woord en houding zijn gehéele leven lang. Zijn broeder en zuster kenden hem. Bij een komedievoorstelling in gesloten kring, waarin de prinsen en prinsessen zeiven een rol hadden vervuld, was de Tarluffe opgevoerd: Provence had de hoofdrol vervuld. Toen het uit was, roemde de koning de voorstelling zeer: „uitstekend, uitstekend, ieder was in zijn natuurlijke rol!quot;

Gevaarlijk, doch in geheel ander opzicht, was voor de koningin ook de tweede broeder des konings. Artois was een bon vivant, die zijn leven genoot als een vorstenzoon, vast overtuigd dal elke bloem voor hem was. Gekluisterd aan een leelijke en hoogst onbeduidende vrouw, die alleen de opmerkzaamheid verdiende wegens de zeldzame minachting, waarmede zij uit pure domheid alles en allen behandelde, amuseerde hij zich op alle mogelijke wijzen. Nu eens waren het wedrennen, dan sledevaarten , die iiij bedacht. Lodewijk ging niet naar die dingen, die hem verveelden. Hij ging op de jacht en jaagde een dag-achtereen, en schreef dan trouw 'savonds op, hoeveel hazen en bokken hij geschoten had. Artois vroeg zijn vroolijke, speelsche schoonzuster om mede te gaan en Lodewijk had er niets tegen. De jonge koningin verscheen overal in het publiek, aan de zijde van Artois. Het publiek ergerde zich, het volk morde. Artois' naam was in de hoofdstad aan allerlei nachtelijke feestjes verbonden. Maria Antoinette wist het, maar schoof de gedachte ter zij, dat zijn reputatie de hare bezoedelde. Het ging bij die jachtpartijen soms zonderling toe: Artois hield even weinig van gêne als Maria Antoinette. Met hooge rijlaarzen aan, de karwats in de hand, stonden de jonge hovelingen met de koningin te praten, tot groote ergernis van allen, die in het vertreden van alle decorum een groot gevaar erkenden. Gelukkig redde bij deze gelegenheden de waarlijk vorstelijke houding, die Maria Antoinette bij al het gracieuse van haar figuur van nature had , haar te midden van deze omgeving. Ook hier bleef zij koningin, al behoorde zij hier niet.

3-43

ocr page 356

344 MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

De graaf van Artois was, naar het uiterlijke te oordeelen, de door moeder natuur meest begunstigde der drie broeders. Hij had een aangenaam, vorstelijk voorkomen en vorstelijke manieeren, zoo zelfs dat, gelijk de Mercy zelf vertelt, een vreemdeling, die de drie broeders bijeen zag zonder hem te kennen, hem zeker voor den koning zou houden. Maar zijn uitspattingen vernielden het mogelijke gevaar, dat in den omgang met hem kon gelegen zijn. Maria Antoinette, al gebruikte ze hem als haar cavalier voor ihet bijwonen van vermaken, die Lodewijk geen belang inboezemden, had te veel gezond verstand en een te goed oordeel, schoon niet altijd in dienst gesteld, om zich in hem te bedriegen. Even goed als zij de valschheid, de dubbelhartigheid van Provence peilde, gaf zij zich rekenschap van Artois' levenslustige onbeduidendheid. ,,0m de waarheid te zeggen,quot; schreef zij aan haar moeder, „indien ik een van de drie tot man moest kiezen, dan zou ik nog hem kiezen, wien de hemel mij gegeven heeft: zijn karakter is waar, en, ofschoon hij linksch is, hij heeft alle attentiën en inschikkelijkheid voor mij.quot;

Toen zij deze regelen schreef, was zij blijkbaar in een goede luim of wilde het ten minste schijnen tegenover hare moeder. De lofspraak op Lodewijk was waar, maar vormde niet altijd den hoofdinhoud van haar beschouwing. Haar heer en gemaal verscheen dikwerf voor 't oog barer ziel in een geheel ander licht, minder gunstig, minder schitterend. Er is zeker meer spijtige ironie en minachting dan wel hoogschatting in de woorden, waarmede zij het verschil van smaak tusschen haar en Lodewijk toelichtte: „mes gouts ne sont pas les mèmes que ceux du roi, qui n'a que ceux de la chasse et des ouvrages mécaniques. Vous conviendrez que j'aurais assez mauvaise grace auprès d'une forge: je n'y serais pas Vulcain, et le róle de Vénus pourrait lui déplaire beaucoup plus que mes gouts, qu'il ne désapprouve pas.quot; Ook de wijze, waarop zij in het dage-lijksch leven hem dikwerf behandelde, haar zin doordreef door haar wil hem op te leggen, getuigde meer van vrouwelijke

ocr page 357

MARIA ANTOINETTE, '1770—1780.

luimigheid en hartstocht, dan van kalm nadenken en ontzag. De graaf de Guines, ambassadeur te Londen, had een proces gehad, dat hij won, behalve in de publieke opinie. Omdat hij haar protégé was, zette zij door, dat hij tot hertog werd verheven. Doch daarmede was zij niet tevreden. Lodewijk zelf moest de eervolle onderscheiding den nieuwen hertog berichten. De koning stelde een brief op, maar zij vond dien niet mooi genoeg. Zij dwong hem als een schooljongen, om tot driemaal toe zijn opstel over te maken en telkens vleiender bewoordingen te kiezen.

Men ziet — de lieftallige, vleiende vorm, waarin jonge vrouwtjes dikwerf haar heerschzucht kleeden, werd niet altijd door haar gebezigd. Nog erger was het, dat zij zelfs, als zij haar wil had doorgezet, zijn eer tegenover de buitenwereld niet ophield. Dooide partij van de Chóiseul liet zij zich overhalen, om den oudminister , van wien Lodewijk een grooten afkeer had, bij gelegenheid der kroning te Reims te ontvangen. Natuurlijk kon zij liet zonder medeweten en vergunning des konings niet doen. Zij vertelde hem, dat zij lust had wat te praten met de Chóiseul, maar dat zij niet wist welk uur te bepalen, daar te Reims bijkans elk oogenblik bezet was. De goedhartige Lodewijk werd volkomen dupe, en overlegde met haar, wat het meest geschikte moment zou zijn. In plaats van tevreden te zijn met haar zege en er verder over te zwijgen, beroemde zij zich op haar slimheid. Aan den graaf van Rosenberg, een Oostenrijksch hoveling en diplomaat, dien zij van der jeugd af kende, verhaalde zij het gebeurde in deze termen: „Vous aurez peut-être appris l'audience que j'ai donnée au due de Chóiseul a Reims. Vouz croirez aisément que je ne l'ai point vu sans en parler au roi, mais vous ne devinerez pas l'adresse que j'ai mise pour ne pas avoir l'air de demander permission. Je lui ai dit que j'avais envie de voir M. de Chóiseul, et que je n'étais embarrassée que du jour. J'ai si bien fait que le pauvre homme m'a arrangé lui-méme l'heure la plus commode oü je pouvais le voir. Je crois que j'ai assez usé du droit de femme dans ce moment.quot; Rosenberg

345

ocr page 358

MARIA ANTOINETTE, 1770 — 1780.

was geen discreet, man: de brief werd door Maria Theresia, Jozef en misschien wel door anderen gelezen. De Duitsche keizerin, gekwetst zoowel in haar hoog monarchale gevoelens als in hare opvatting van huwelijkstrouw, was diep verontwaardigd: haar kind waagde het haar man, een koning, „le pauvre hommequot; te heeten, en dat openlijk in een brief aan een van haar onderdanen. Te vergeefs poogde de Mercy haar le kalmeeren: die uitdrukking „bonhommequot; was zoo spottend niet bedoeld. Maria Theresia wilde er niets van weten: „ce n'est pas l'epithète de „bonquot;, mais de „pauvrequot; homme, dont elle a régalé son époux.quot;

Jozef II was nog dieper gegriefd, zoo mogelijk. Hij als man gevoelde de aanmatiging nog sterker, dan zijn moeder. Hij schreef haar een missive, zoo als zelden een broeder aan zijn zuster schrijft: „Gij bemoeit u met een aantal zaken, die u niet aangaan, waarvan gij geen kennis hebt: gij laat u gebruiken door de intriganten uwer omgeving, die u opstoken en uw ijdelheid prikkelen tot allerlei zaken, die u slechts verdriet en ellende zullen baren. Waar bemoeit ge u mede, lieve zuster! ministers verplaatsen, een ander verbannen, processen doen winnen, nieuwe kostbare ambten aan het hof scheppen, mede te spreken over staatszaken.... welke studiën hebt gij verworven om u te durven inbeelden, dat uw raad of meening voor iets deugt? Gij, beminnelijk jong schepseltje, dat alleen aan verstrooiing denkt, aan uw toilet, aan uw amusementen gedurende den heelen dag; die noch leest noch een verstandig woord hoort slechts een enkel kwartier in de maand; die nooit nadenkt, ik ben er zeker van, en u nooit rekenschap geeft van de gevolgen van wat gij doet en zegt. De indruk van het oogen-blik doet u handelen: gij gaat alleen af op de woorden en argumenten van hen die gij protegeert.... Geloof me, hoor de stem van een vriend, van een man, die u liefheeft; houd op met al deze verkeerde zaken; hecht u aan uw man; win het vertrouwen en de vriendschap des konings; schik u naar

ocr page 359

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

zijn neigingen; val hem niet lastig en verdien zijn vertrouwen door uw bescheidenlieid. ...quot;

Jozef liet dezen epistel aan zijn moeder zien, die hem vriendelijk verzocht, hem wat te verzachten. Jozef deed het, maar zijn schrijven, iioe verzacht ook, ergerde Maria Antoinette zeer: zij antwoordde er zeer kort op en meer dan koel.

Tot de wekelijksche plichten, die de koning en koningin hadden te vervullen, behoorden de hofreceptiën. Daarheen stroomden de leden van den lioogen adel, de hoofdambtenaren van den staat met hunne echtgenooten: allen die door rang of stand het recht hadden het hof te bezoeken. Maria Antoinette hield die recepties zeer ongaarne en deed, willens of onwillens, alles om af te schrikken. De dames, die met groote moeite, gebogen onder den last der hooge coiffures, naar Versailles waren gereden, zagen met verbittering, hoe de luimige koningin al haar moeite met minachting beloonde, en zelfs het dikwijls te veel vond om een woord tot haar te richten. Op de hofbals viel al de gunst der koninklijke genade aan den kleinen kring van vertrouwden ten deel, die ook gewoonlijk uitsluitend de eer genoten tot de soupers van den koning te worden toegelaten. De plicht, die als Dauphine haar zoo zeer had verveeld om als het vrouwelijk hoofd der koninklijke hofhouding op te treden, werd door haar, als koningin, op de onbetame-lijkste wijze verwaarloosd. De eerste standen des rijks vatten een haat tegen haar op, die zich reeds spoedig na de troonsbestijging in allerlei karikaturen en pamfletten tegen de gehate „üostenrijkschequot; openbaarde. Tarturte-Provence zag den misslag met onverholen genoegen en hoopte in troebel water te visschen. Zoo de koningin voortdurend kinderloos bleef, scheen het moeilijk hem rechtstreekschen invloed op de staatszaken te weigeren. In 1777 deed hij een reis door de provinciën, die groote opspraak en ergernis wekte om de wijze van zijn optreden. Jozef II oordeelde, ,,que le voyage de ce prince n'a été qu'un étalage de faste et de moyens de se concilier l'affection publiqne, aux

347

ocr page 360

MARIA ANTOINETTE, '1770—1780.

dépens et détriment du roi.quot; De eerzucht van dezen man, rond als een ton, deinsde voor niets terug. In zijn log lichaam schuilde de meest gewetenlooze ambitie weg, onverschillig in de keus der middelen, onverschillig om de slachtoffers die hij maakte.

Lodewijk en Maria Antoinette kenden hem, maar lieten hem intrigueeren. Hij was te beschroomd, om krachtig tegen zijn broeder op te treden en duldde elke onbeschaamdheid van hem. Zij was te vlinderachtig, om er lang bij stil te staan: vooral daar het haar tot groote omzichtigheid maande. „Ik ben maar eens jongquot; — zeide zij tegen de Mercy — ,,later zal ik wel verstandig worden: nu moet ik mij amuseeren.quot;

En zij amuseerde zich. Haar omgeving zorgde er voor, dat het nooit aan verstrooiing ontbrak. Boven officieele hofbals gaf zij de voorkeur aan kleine bals, bij hare hofdames, bij Madame de Lamballe, de Gunguénée en anderen. Elke dezer dames had haar eigen kring van bezoekers. Daarheen begaf zich Maria Antoinette des avonds om elf uur, om nog een uur of twee te pralen, te dansen, te schertsen of te spelen. Lodewijk ging maar een enkelen keer mede. Hij hield niet van lang opblijven en zij niet van vroeg naar bed gaan. In die kleine gezelschappen heerschte een ongedwongen toon, een groote familiariteit en ongeSëerdheid, die zij heel prettig vond. Daar werd haar het héofd met allerlei intrigues op hol gebracht; daar werden haar gunsten gevraagd, die zij toestond , om niet te weigeren, om er van af te zijn, tot belooning voor al 't genot, dat men haar verschafte.

Versailles had een theater. Een tijdlang werd het door haar en ook door Lodewijk bezocht. Maar het was klein en begon haar spoedig te vervelen. Haar omgeving zorgde voor verandering. Reeds als Dauphine had zij de opera te Parijs bezocht en soms ook de operabals bijgewoond. Lodewijk had er niets tegen, dat zij er heenging: ook niet, dat zij met anderen ging. En zij had er niets tegen, dat hij thuis bleef en naar bed ging.

348

ocr page 361

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

Met Provence en Artois, soms met een hunner en een kamerheer of hofdame, ging zij. Zij vond het allerverrukkelijksl. Gemaskerd wandelde zij rond en intrigueerde naar hartelust. Vooral met Engelschen wandelde zij gaarne. „Elle n'a pu résis-ter a venir aux deux bals du Palais Royal et a cinq ou six bals masqués de l'opéra,quot; schreef de Mercy aan Maria Theresia, 10 Februari 1777. „Elle y parle a tout le monde, s'y promène suivie de jeunes gens, d'un nombre d'étrangers, particulièrement des Anglais, qu'elle distingue, et tout cela s'est passé avec une tournure de familiarité a laquellc le public ne s'accoutumera jamais.quot; Natuurlijk gaf dit wel eens tot moeielijkheden aanleiding. In Februari 1776 was zij op het bal van de opera, waar het stikvol was. Zij wandelde tusschen Provence en de hertogin de Luines. Een zwarte domino stootte of botste tegen Provence aan, die hem met een fikschen vuistslag terugwierp. Het masker, dat Provence niet kende, beklaagde zich bij een sergent aux gardes, die, in 't zelfde geval verkeerende, den broeder des konings wilde arresteeren en daardoor hem dwong zich te doen kennen aan een ondergeschikt politieagent.

Maar dergelijke avonturen schrikten haar niet af. Aan haar dorst naar vermaak offerde zij alles op, haar eigen goeden naam en den naam des konings. Lodewijk ging het liefst geregeld om 11 uur naar bed: zij ging dan naar Madame de Latnballe, Madame de Guemenée of naar Parijs. Eens op een avond zette zij de klok vooruit, opdat zij, door zijn vroeger vertrek, des te eerder vrij mocht zijn. Ieder lachte over den speelschen trek, ook de arme koning. Maar hij noch zij gaven zich rekenschap, dat zij met het prestige van hun personen ook den eerbied voor de kroon verspeelden.

De noodlottige verhouding, waarin Lodewijk jaren lang tot haar stond, verklaart voor een groot deel de onmannelijke zwakheid, waarmede hij haar vergunde dit leven te leiden. Het is dringend noodig, schreef de Mercy aan Maria Theresia in No-

ocr page 362

MARIA ANTOINETTE, '1770 —'1780.

vember 1770, dat de koniniiiri verandere, maar „il devient tous les jours plus difficile de l'y amener. Le roi meme y met obstacle par sa complaisance, qui ressemble a la soumission: son maintien est celui du courtisan le plus attentif, au point qu'il est le premier a trailer avec une distinction marquée ceux des entours de la reine qu'elle favorise, tandis que Ton sait de notoriété que le roi ne les aime point.quot; Geen sterker bewijs, dan zijn zwakheid ten aanzien van het spel. In 1776 kreeg de koningin lust, om haar geluk met liet pharaospel te beproeven. De koning maakte bezwaar, omdat alle hazardspelen uitdrukkelijk, ook bij de prinsen van den bloede, verboden waren, maar „il ajouta avec sa douceur ordinaire que cela ne tirerait pas a- conséquence pourvu que 1'on ne jouat qu'une seule soirée. Les banquiers arrivèrent le 30 Octobre et taillèrent toute la nuit et la matinée du 31 chez la princesse de Lamballe, ou la reine resta jusqu'a cinq lieures du matin, après quoi S. M. fit encore tailler le soir et bien avant dans la matinée du Ier jjo-vembre, jour de la Toussaint. La reine joua elle-mème jusqu'a pres de trois heures du matin. Le grand mal de cela était qu'une pareille veillée tombait dans la matinée d'une fète solen-nelle, et il en résulta des propos dans le public. La reine se tira de la par une plaisanterie, en disant au roi qu'il avait permis une séance de jeu sans en déterminer la durée, qu'ainsi on avait été en droit de la prolonger pendant trente-six heures. Le roi se mit a rire et répondit gaiement: „Allez, vous ne valez rien tons tant que vous ètes.quot; Monsieur et Madame avaient été a ces deux séances, mais ils y avaient veillé moins tard. M. le comte d'Artois y était resté jusqu'a sept et buit heures du matin.quot; Een paar dagen later liet de koning, om zijn vrouw pleizier te doen, uit eigen beweging de bankhouders uit Parijs komen!

Het voorbeeld van het hof stak de hoofdstad aan. De hazardspelen kwamen in de mode, en gaven aanleiding tot zooveel oplichterijen, tot zoo zware verliezen en tot zulke schandelijke voorvallen, dat het gouvernement ze, zelfs met strenger straf-

350

ocr page 363

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

bepalingen, op nieuw verbieden moest. Maria Antoinette toonde er haar humeur over aan den koning, die er niet goed voor uit durfde komen, dat hij ze verboden had. ,,De koningin bekommert zich dan ook volstrekt niet om al die verbodsbepalingen: eiken avond wordt de pharaobank in haar vertrekken gehouden.quot; liet geheele jaar 1777 werd bijna dagelijks het spel voortgezet, ondanks de afkeuring van Lodewijk, die het niet durfde toonen en zelfs van tijd tot tijd mededeed. Aanzienlijke verliezen leed Maria Antoinette, die hare linanciën

quot;■elieel in de war brachten. De oude schulden werden niet be-

ö

taald en voor weldadigheid waren geen fondsen meer. De koning-moest herhaaldelijk haar te hulp komen, zoodat zijn eigen kas ook in de war raakte. Ruim twee jaar duurde deze speelwoede, die tot de ergerlijkste tooneelen aanleiding gaf. Spelers van beroep vonden gemakkelijk toegang tot de hofkringen, waar zij hun geld wilden verliezen. Herhaaldelijk komen beschuldi-digingen van valsch spelen tegen aanzienlijke hovelingen voor. „Vreemdelingen vergelijken het spel aan uw hof met dat van de bank te Spa,quot; schreef Jozef 11 aan zijn zuster. Zoo hoog steeg de speelwoede der lichtzinnige vrouw, dat Maria Theresia haar bedreigde, van den koning van Frankrijk de sluiting der bank te zullen eischen.

Oe Mercy deed al wat hij kon, orn haar tot verandering van levenswijze te dringen. Gemakkelijk was zijn laak niet, want eigenlijk kende zij alleen aan haar moeder het recht toe, om haar (e vermanen. Den ambassadeur hoorde zij aan, maar zij volgde zijn raadgevingen niet. Zij had altijd een voorwendsel, een aardigheid bij de hand, om er zich van af te maken.,,Het is niet mogelijk, een kwartier ernstig met haar te praten,quot; schreef hij aan haar moeder.

Maria Theresia wist het ook wel: zij kende haar kind volkomen. Haar moederoog ziet zoo scherp, dat wij onwillekeurig vragen: heeft moederliefde nooit uw blik beneveld? Wispelturig, lichtzinnig, koppig, zonder eenigen ernst, indolent en diensvol-

ocr page 364

MARIA ANTOINETTE, I77Ü—1780.

gens toegefelijk, lusteloos, behalve voor vermaken, traag van geest, afkeerig van alle inspanning, heerschzuchtig, heftig, voor geen autoriteit, hoe wettig ook, buigende — ziedaar enkele der vele trekken, waarmede Maria Theresia in deze correspondentie haar kind teekent. Daarnevens staat de erkenning van die betooverende lieftalligheid, van die gracieuse vriendelijkheid, die telkenmale hen, die haar lief hadden, alle fouten deed vergeten; van dat uitnemend verstand, dat heldere oordeel, dal te meer haar traagheid van geest deed betreuren. Maar de toon der meeste brieven bewijst, dat het moederhart meer met onrust over de noodlottige gevolgen dier groote gebreken vervuld was, dan met vertrouwen op de uitwerkingharer deugden. Wat Jozel II eens aan zijn zuster schreef: „het loopt uit op een revolutie,quot; was ook de vaste overtuiging der uitnemende vrouw. Zij is geen enkel oogenblik dupe van al de doorzichtige mantels der liefde, die de Mercy over de feilen, door hem medegedeeld, werpt: de vorstin en de vrouw peilt en meet de portée van een levenswijze, als die van Maria Antoinette. Onvermoeid is zij in waarschuwing voor de vreeselijke gevolgen van dit lichtzinnig gedrag. Het is somwijlen, als ziet zij reeds het mes der guillotine schitteren, en als wendt zij de oude oogen af van het tooneel, dat haar voorgevoel haar voor den geest toovert. Onuitputtelijk in exceptiën, wees Maria Antoinette de moederlijke vermaningen met korte, koele woorden af. Moedeloos zonk der arme moeder de straffe pen uit de hand, om ten minste niet in de koningin van Frankrijk haar kind te verliezen.

In 1777 bracht Jozef II een sedert lang beraamd en aangekondigd bezoek aan Frankrijk. Hij kwam ook, zoo niet voornamelijk, om eens met eigen oogen de veel besproken positie zijner jonge zuster waar te nemen. In sommige opzichten was hij een vogel van gelijke veeren als zij: maar hij was ernstiger, ouder, een man, die de plichten van zijn rang gevoelde en wist, dat het zijn métier was royalist te zijn. Broeder en zuster

352

ocr page 365

MARIA ANTOINETTE, '1770—1780. 353

hielden dol veel van elkander: toch had Maria Antoinette menig ongelukkig oogenblik tijdens zijn bezoek. De toon van meerderheid en niet zelden van minachting, waarmede zij Lodewijk behandelde en van hem sprak, ergerde Jozef uitermate; haar geheele levenswijze keurde hij ten strengste a(. Toen hij vertrok, liet hij haar een breedvoerig geschrift achter: Réjlexions données d la reine. Op hartelijken toon, dikwerf in den vorm van vragen, waarschuwde hij haar voor verschillende zaken, die hij in haar gedrag had opgemerkt en afkeurde. In den beginne van zijn verblijf te Parijs had hij een strengen, hoogen toon aangeslagen en dikwijls met scherpe woorden haar aan haar plicht herinnerd. Doch hij liet spoedig dien toon varen, toen hij zag, dat hij niets bereikte, dan haar van zich te verwijderen. Zij gevoelde zich beleedigd en gekwetst; zelfs door den zooveel ouderen broeder, wien zij liefhad en vereerde, verkoos de koningin van Frankrijk niet bestraft te worden. Haar hoogmoed duldde het niet. Toen hij zag, dat de weg verkeerd was, dien hij had ingeslagen, was hij veranderd van tactiek en had hij gepoogd, haar door liefde te winnen en door liefde haar van haar verkeerdheden te overtuigen. Met liefde sprak hij haar ook in deze Réjlexions aan: met blijkbare verschooning van haar hoogmoedige prikkelbaarheid. Des te helderder komt de figuur van Maria Antoinette in 't licht zijner verschoonende en omzichtige liefde uit.

Het merkwaardig schrijven, door Arneth het eerst gepubliceerd , bespreekt de plichten, die op haar rusten als getrouwde vrouw en als koningin. Als getrouwde vrouw moet zij zich rekenschap geven, dat zij alles, wat zij is, dankt aan den koning, aan zijn liefde en aan zijn achting. Beantwoordt zij die door haar volgzaamheid en gehoorzaamheid'? ,,A quoy tenez-vous dans le coeur du roi et surtout a son estime? Examinez-vous, employez-vous tons les soins a lui plaire ? Etudiez-vous ses désirs, son caractère pour vous y conformer, tachez-vous de lui faire goüter, préférablement a tout autre objet ou amusement, votre compagnie et les plaisirs que vous lui procure? et auxquels sans vous il devrait trouver du vide? Vous rendez-II 23

ocr page 366

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

vous nécessaire a lui, le persuadez-vous que personne ne I'aime plus sincèrement et n'a sa gloire et bonheur plus a coeur que vous? Voil-il votre attachernent uniquement occupé de lui, de le faire briller memo, sans le moindre égard a vous mème? Moderez-vous votre gloriole de briller a ses dépens, d'etre affable quand il ne Test pas. de paraltre s'occuper d'objets qu'il négligé, enün de ne vouloir n'avoir de reputation a ses depens, mais le persuadez-vous de cette modestie, lui l'aites-vous ces sacrifices, ètes-vous d'une discrétion impénétrable sur ses défauts et faiblesses, les excusez-vous, faites-vous taire tons ceux qui en osent lacher quelque chose, ètes-vous de mème secrète sur tous les conseils que vous lui donnez, et qui ne doivent jamais paraitre, que les affaires réussissent ou non?quot;

Zulke vragen teekenen. Geen wonder, dat, waar Maria Antoinette deze vermaningen behoefde, haar persoonlijke verhouding tot Lodewijk niet altijd even hartelijk was. „Zijt gij lief voor hem?quot; vraagt Jozef. „N'êtes vous pas froide, distraite, quand il vous caresse, vous parle? Ne paraissez-vous pas ennuyée, dégoutée mème? Comment, si cela était, voudriez-vous qu'im homme froid s'approche el enfin vous aime?quot;

Ook haar zucht om invloed op hem te hebben, haar ongeduldige en humeurige ontevredenheid, haar heerschzuchtig volhouden en dwingen worden, vragenderwijze, besproken en gegispt. „Ne commettez-vous jamais mal a propos votre crédit? Ne le mettez-vous jamais dans le cas de vouloir et de lutter contre votre opinion?quot;

Breedvoeriger en nadrukkelijker nog wijst Jozef zijne zuster op hare plichten als koningin. Decentie behoort het hof te kenmerken. Maria Antoinette weet, dat dit iu iiet hof hunner moeder, te Weenen, het geval is. Dit kost zelfbeheersching en zelfverloochening, ook bij de keus der personen, in wier midden de koningin het liefst verkeert. Doch in dit opzicht behoort het karakter van Lodewijk tot richtsnoer te zijn. „Plus le roi est sérieux, plus votre cour doit avoir fair de se cal-quer après lui.quot; Dat dit het geval was, kon Maria Antoinette

ocr page 367

MARIA ANTOLNETTK, '1770 — 1780.

nieL beweren. „Avez-vous pesé les suites des visiles cliez les dames, surtout chez celles oü toute sorte de compagnie se rassemble et dont le caractère n'est pas estimé?quot; Er werd daar gespeeld en grof geld verloren door jongen en ouden. In geheel Europa stelde men haar aansprakelijk voor de hazardspelen, ,,des ruines des jeunes gens, des vilanies qui s'y com-mettent et des abominations qui en sont les suites.quot; En dat terwijl de koning zelf niet speelt.

Maar nog krachtiger legde Jozef de hand op de meest wonde plek van den goeden naam dei' koningin: haar bezoeken aan Parijs. „De mème daignez penser un moment aux inconvé-nients, que vous avez déja rencontrés aux bals de l'opéra, et aux aventures, que vous m'en avez racontées vous-mème ladessus. Je ne puis vous cacher que c'est de tous les plaisirs indubitablement le plus inconvenable de toute laron, surtout de la fafon que vous y allez, cai' Monsieur qui vous accompagne n'est rien. Qu'y voulez-vous ètre inconnue et jouer un per-sonnage diiférent du vótre? Croyez-vous que Ton ne vous con-nait pas malgré cela, et qu'on vous lache des propos aucune-ment faits pour ètre entendus, mais qu'on dit exprès pour vous amuser et vous faire croire que l'on les a tenus bien innocem-ment', mais qui peuvent faire elTet? üu si l'on ne vous con-nait pas effectivement, croyez-vous que le lendemain l'on ne le sait pas, et vous mème avez grand soin de raconter les aventures du bal? Le lieu par lui-mème est en très-mauvaise reputation: qu'y cherchez-vous? Une conversation honnéte? Vous ne pouvez l'avoir avec vos amies: le masque l'empêche. Dansez non plus; pourquoi done des aventures, des polis-sonneries, vous mèler parmi le tas de libertins, de lilies, d'étrangers, entendre ces propos, en tenir peut-ètre qui leur ressemblent, quelle indécencel Je dois vous avouer que c'est le point, sur lequel j'ai vu le plus se scandaliser tons ceux qui vous aiment et qui pensent honnètement. Le roi, abandonné toute une nuit a Versailles, et vous, mèlée en société et confondue avec toute la canaille de Paris.quot;

ocr page 368

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

Zulke woorden uit zulk een mond zijn meer afdoende, dan duizenden getuigenissen van memoiren-fabrifkanten!

In de eerste dagen na Jozefs vertrek was Maria Antoinette geheel onder den indruk van dit geschrift: zij zou liet eiken dag lezen en herlezen, zei zij aan de Mercy. Na weinige weken was de indruk voorbij, en koerde zij geheel onder de heerschappij van haar omgeving en van haar eigen luimen terug. De instructie van Jozef werd verscheurd ea in 't vuur geworpen. In zijn papieren is zij bewaard.

Weinige maanden na Jozefs vertrek bestond er grond om te hopen, dat de koningin moeder zou worden. Maria Theresia vleide zich, dat dit vooruitzicht en de vervulling der hoop een omkeer zou te weeg brengen. De eerste vrucht was een andere. Artois, de onuitputtelijke Artois, bedacht in den zomer een nieuw vermaak. Des avonds om elf uur werd er muziek op het terras van Versailles gegeven. Het hof wandelde, onder het genot der tonen, buiten, om den heerlijken zomeravond en nacht te genieten. Ook Lodewijk vond het overheerlijk en gaf een enkele maal zijn vroege nachtrust prijs. Zijn afwezigheid was intusschen geen belemmering voor anderen. Met haar zwagers of met hofdames, soms met een enkele vriendin, wandelde Maria Antoinette rond. Dit nieuw vermaak lokte tallooze aanschouwers en deelnemers. Het park van Versailles was vol van bezoekers, deels uit de plaats zelf, deels uit Parijs toegestroomd. Een zeer gemengd publiek, dag- en nachtvlinders, vulde de lanen en paden. De koningin bewoog zich vol levenslust onder deze bonte menigte. Tot allerlei avonturen gaven die wandelingen in het halfduister of onder het genot van maanlicht aanleiding. Nu eens werd zij aangesproken door heeren, die haar niet schenen te kennen; dan door dames, die een oude bekende in haar meenden te ontmoeten. Zij zette zich soms op de banken in 't park neder, om te beter van den schoonen avond en de schoone muziek, door de stilte van den nacht tut haar voortgedragen, le genieten. Behoef ik er bij te voegen,

350

ocr page 369

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

tol welke geruchten, indien ook ul de avonturen ontbraken, die wandelingen, welke dikwerf tot twee uur in den morgenstond werden voortgezet, de stof leverden?

liet was een groote teleurstelling voor Provence, toen de zwangerschap van Maria Antoinette bekend werd. Aan Gustaaf 111 van Zweden schreef hij; ,,Je me suis rendu maitre de moi a l'extérieur fort vite: rintérieur a été plus difllcile a vaincre. Ik merkte heel goed, dat men mij poogde te polsen, maar ik heb mij zorgvuldig ingehouden. Het eenig antwoord, dat men uil mij heeft gekregen, is dit geweest: Deus dedit. Deus abslulit, fiat voluntas Domini.quot; Maar hij voegt er iets bij, dat beter dan breedvoerige beschouwingen de diepte zijner teleurstelling doet peilen: „ü la vérité, il y a un an, j'aurais bien dit, comme dit Charles XII: Deus dedit, diabolus non abstollet a me.quot;

20 December 1778 werd Maria Antoinette moeder. Zij was innig gelukkig en Lodewijk hartelijker dan ooit. Acht dagen lang verliet hij het paleis niet en ontzegde hij zich de gewone dagelijksche wandeling, waaraan zijn robust gestel boven alles behoefte had. Hij bracht uren in de kraamkamer door, heen en weer wandelende van het bed zijner vrouw naar de wieg van zijn eersteling.

Gelukkige, maar al te korte bedwelming van huwelijksgeluk!

„De bevalling der koningin heeft in alle standen een leven-digen indruk gemaakt en gunstig gestemd. Toen men haar in gevaar meende, openbaarde zich ware gehechtheid. De kleine aanmerkingen van het publiek hebben opgehouden, en oprechtelijk uitte men welgemeende wenschen voor haar herstel. Het is nu een kostbaar oogenblik om partij van te trekken. Hare Majesteit kan nu de achting en het vertrouwen van het publiek voorgoed winnen en in hooger mate dan te voren. Niets is daartoe noodig dan eenige kleine hervormingen, wat het spel betreft, de bevoorrechting van gunstelingen, meer openlijke daden

ocr page 370

MARIA AiVrOINKTTK , '1770—'J 7lt;SU.

van liel'dadigheid en grooter belangstelling voor ernstige zaken-Al deze punten zijn met de koningin besproken, en het scheen dat zij meer dan vroeger er gewicht aan hechtte.quot;

In deze woorden, vol omzichtige verschooning, ja mei meer verschooning dan hij gewoon was te gebruiken, drukte de Mercy in zijn schrijven van Januari 1779 aan Maria Theresia uit, wat allen, die liet goed met de jonge koningin meenden, gevoelden. Zij bevond zich thans in een dier kritieke momenten van het leven, waarin voor langen tijd, bewust ol'onbewust, gekozen wordt. Een dier zeldzame gelegenheden, die aan menschen-kinderen soms wordt aangeboden, om vorige afdwalingen te doen vergeten en vergeven, liet nieuwe leven der moeder kon de dwaasheden en onvoorzichtigheden der kinderlooze vorstin uit het geheugen bannen. Hoe veel ook verloren was gegaan, wat nooit had moeten prijs gegeven worden, nog was de herstelling van den goeden naam en de herwinning der publieke achting mogelijk. Maar alleen, wanneer volledig gebroken werd met de levenswijze, die tot heden was gevolgd, en de personen, wier verkeerde raad tot zooveel euvels had geleid, door anderen werden vervangen.

Was het denkbaar'? Was het te verwachten? De moederzegen verminderde de behoeft^i van Maria Antoinette aan vermaken en afleiding niet: zelfs — was het de schuld der zeven ver-loopen jaren? — herstelde het den echtgenoot in haar oogen niet. De man nam bij deze vrouw de plaats niet in, die hij moest. Zijn autoriteit, gewoon voor de hare te buigen, herstelde zich niet van de verslapping, die zij door jarenlange toegeeflijkheid had ondergaan.

In den eersten tijd scheen het, dat werkelijk een keerpunt voor haar was aangebroken. Maar de wijzigingen, die in haar levenswijze werden opgemerkt, waren ol' van voorbijgaanden aard of ontsproten uit redenen, die op geene verbetering deden hopen. De bezoeken aan Parijs werden verminderd: ook de bals werden minder bijgewoond. Doch hel was niet om ergernis te vermijden, maar uit gevoeligheid. De koelheid, waarmede het

ocr page 371

MAUIA ANTOIMiTTE , 1770—1780.

volk haar iu den laatsten tijd en ook kort na de bevalling te Parijs ontving, kwetste liaar. Zij gevoelde zich beleedigd enken-de aan de groote menigte het recht niet toe, om haar te beoor-deelen, veelmin te veroordeelen. Zij wist niet, die arme, trotsche koningin, welk een ander vonnis, luider en strenger dan dit koele stilzwijgen, haar in de toekomst wachtte.

Slechts enkele malen in het eerste jaar woonde zij liet bal van de opera bij. Ongelukkig overkwam haar bij een der enkele gelegenheden een avontuur, dat haar goeden naam zeer veel kwaad deed. Den laatsten Zondag voor de vasten, Maart 1770, hadden Lodewijk en zij het bal bijgewoond tot 's morgens zes uur, zonder herkend te worden. Het amuseerde hen zoo, dat zij besloten Vastenavond opnieuw te komen. De koning echter veranderde van plan. Maria Antoinette niet. Er werd besloten, dut zij met een enkele hofdame zou gaan. Zij reed naar Parijs, naar 't hotel Du Premier Ecuyer. Daar stapte zij, om onbekend te blijven, in een partikulier rijtuig. Ongelukkig genoeg, brak het onderweg. Maria Antoinette moest uitstappen en in een winkel wachten, tol een gewone fiacre was gehaald. Daarin kwam de koningin van Frankrijk naar het bal masqué. Aan het hof lachten allen, ook Lodewijk, er hartelijk om; maar in de hoofdstad wist ieder den volgenden dag te vertellen, dat Maria Antoinette een rendez-vous in een winkel had gehad.

Hoe veel uit den aard der zaak haar ook onbekend bleef, de koningin hoorde en merkte genoeg, om te weten, dat haar populariteit zeer verminderd en haar goede naam ondermijnd was. Meer en meer trok zij zich in het holleven en den kring, die zich om haar gevormd had, terug. Met was het eenige, wat haar overbleef. De wijze, waarop zij de vrouwen van hoogen stand, die vroeger het hof bezochten , had bejegend, droeg vrucht. „Les siècles , les collets montés el les paquelsquot;, zoo had Maria Antoinette in een luim van speelsche dartelheid de andere dames, die het hof bezochten, geclassificeerd. Welnu, die geclassifi-seerden verschenen er niet meer: zij stelden zich niet meer bloot, aan den overmoed, den euvelmoed der koningin en van

ocr page 372

MA11IA ANTOINUTTE, 1770—1780.

haai' gunstelingen. En zoo zij er een enkele maal verschenen, liet was om er stol' te garen voor al de lasteringen, waarmede zij de schimpende onhenschheid, haar aangedaan, met woekerrente betaalden. „Niemand komt meer aan het hol'quot; — schrijft de gravin de la Mark aan koning Gustaaf 111 van Zweden — ,,de koning en de koningin leven in een kleinen, gesloten kringquot;. En zij overdreef niet. Reeds in Januari 1778 had de Mercy aan zijn meesteres geschreven: „De bals aan het hof zijn slecht bezocht. De koningin schijnt er soms verwonderd en gekwetst over; maai' het was haar reeds lang voorspeld, dat het geschieden zou, wanneer zich te Versailles een gesloten kring vormde, die zich van al de hofvermaken meester maakte en daardoor feitelijk den overigen hoogen adel uitsloot. Nooit is Versailles zoo verlaten geweest: zelfs op Nieuwjaar werd de cour niet half zoo druk bijgewoond als in vroeger jaren.quot; Zoo was het reeds vóór haar bevalling, en het werd sinds niet beter, wat de koningin, op raad van de Mercy, ook aanwendde, om tot bezoek uit te lokken. De eenzaamheid, die het koningschap begon te omgeven, was de eerste, rechtstreeksche waarschuwing van den naderenden storm. Maria Antoinette gevoelde zich gewaarschuwd, maar nog meer beleedigd. En meer nog dan te voren trok zij zich terug binnen den engen kring van vertrouwden, die haar vooroordeelen, haar trots deelden, haar vleiden en sterkten in haar hoogmoedige lichtzinnigheid, en steeds door hun raadgevingen en invloed voortgingen de kloof te verbreeden, die de monarchie van de natie scheidde.

In April 1770 — een maand na het boven besproken bezoek aan het opera-bal te Parijs — kreeg zij de mazelen, gelijktijdig, tot haar diep leedwezen, met haar vriendin, de schoone gravin de Polignac. Zij wilde volsü'ekt niet hebben, dat de koning bij haar kwam. Madame de Lamballe en Artois pasten haar op; ook, gedurende eenige uren van den dag. Madame, de vrouw van Provence. Voor het overige werd niemand, geen dame d'atours, geen dame d'honneur, geen dame du palais toege-laten. Doch Maria Antoinette zou zich vervelen! Er werd wat

ocr page 373

MARIA ANTOINETTE, 1770—178U.

anders op bedacht. Vier lieeren, tot haar gewonen kring be-boorende, zouden zich opofferen, om haar gezelschap te houden. De koningin vroeg van Z. M. vergunning, dat de hertogen de Coigny en de Guines, de graaf d'Esterhazy en de baron de Besenval als haar ziekenoppassers haar gezelschap mochten houden. En bodewijk, „accoutumé a ne se refuser a rien de ce qui peut plaire a son auguste épousequot;, gaf zijn toestemming 1 Nauwelijks waren zij geïnstalleerd, of deze verdienstelijke edellieden dreven hun zorg en opoffering nog verder: zij wilden ook des nachts bij haar waken. De Mercy d'Argenteau deed alles, wat hij kon, om dit te beletten, en roerde zich, naar hij zelf zegt, zoo zeer, dat er eene schikking tot stand kwam. De heeren namen er genoegen in, pas 's morgens om zeven uur te komen en reeds 's avonds om elf uur te vertrekken!

Tot welke spotternijen, tot welke praatjes, aan het hof cn daarbuiten, onder het groot publiek, deze vaderlandsliefde der edelen aanleiding gaf, kan men begrijpen. Doch de hoofdzaak werd bereikt. De zieke koningin werd bezig gehouden, en verveelde zich nu niet: bezig gehouden met allerlei intrigues en allerlei opstokerijen, zoodat zij zelfs na acht dagen ernstig boos was op Lodewijk, die aan haar bevelen had gehoorzaamd en weggebleven was!

Naarmate haar isolement grooter werd, nam haar afhankelijkheid toe. Zij kon niet buiten de eenigen, die haar trouw waren gebleven en bij voortduring voor haar amusement zorgden. De verveling, de ledigheid van een leven, dat geen geestelijke genietingen kende en de plichten der hooge positie verafschuwde, moest aangevuld worden. Zij moest bezig gehouden worden. De wandelingen na hel souper, die zoo veel ergernis hadden gewekt, werden in den zomer hervat. Met nachtbraken ving weer aan en werd ook in den winter voortgezet dooide herleving van het spel. De koningin hield aanteekening van haar winst en verlies. Bij het einde van 1778 werd de rekening opgemaakt, liet bleek dat zij verloren had 44,000 louis en herwonnen 0,4,.)4: bleef een verlies van 7,556. De louis gold in

m

ocr page 374

MAHIA A.NTOI.NKTÏK , I77Ü—'178U.

die dagen 24. francs. Naarmate (Je prinses de Lamballe meer in gunst daalde, verminderde in de eerstvolgende jaren liet spel, maar nooit geheel, nooit voldoende, om het hof niet tot een schrik voor velen tc maken. Zelfs Lodevvijk, die veel meer van een eerzaam lotto, en zelfs — karakteristiek genoeg — van een blindemannetje hield, liet zich van tijd tot tijd verleiden om er aan deel te nemen, zeer tot schade van zijn beurs, maar nog meer tot nadeel van het ontzag, dat men hem toedroeg.

Na de bevalling, en vooral na '1779, verdreef de gravin de Polignac hare mededingster en voorgangster de Lamballe bijna geheel uit de gunst der koningin. Mei onbegrijpelijke verblindheid gaf Maria Antoinette zich over aan die vrouw, die op de meest schaamtelooze wijze haar overwicht voor zich en de haren exploiteerde. De reizen van het hof werden van haar afhankelijk gemaakt. Als de Polignac bevallen moest, werd het gewone, jaarlijksche bezoek aan Marly uitgesteld. Lodewijk bukte voor zijn vrouw, gelijk deze voor haar vriendin. Na zijn troonsbestijging had hij geen enkel particulier te Parijs bezocht; toen de Polignac in het kraambed lag, bracht hij haar een bezoek. Muziekpartijtjes en bals, door den kleinen kring van gunstelingen gegeven, dienden om de koningin steeds vaster te ketenen. Diane de Polignac, de schoonzuster, gaf in Maart 1780 een bal, dat des nachts om half twaalf aanving en tol den volgenden dag elf uur werd voortgezet. Op de meest schaamtelooze wijze werd door dit gunstelingen-regiment het isolement der koningin, dat door hen tot stand was gebracht, haar persoonlijke genegenheid, haar indolentie en haar dorst naar vermaak misbruikt. Ter eere en tot belooning van haar bevalling eischte en verkreeg de gravin de Polignac, dat zij tot hertogin werd verheven en beschonken met een kroondomein, dat een rente van honderd duizend livres gaf. „In vier jaar tijdsquot; — schreef de Mercy in Januari 1779 aan Maria Theresia — „hebben de Polignac's zich aan gunstbewijzen van verschillenden aard een jaarlijksch inkomen van bij de 5U0,ÜUU livres verzekerd; en dat, zonder iets voor den staat of het volk verricht te hebben.quot;

ocr page 375

MARIA ANTOINETTE, 1770—'1780.

Het is na deze teekening, ontleend niet aan lasterende mémoires, maar aan de correspondenlie der moeder, geheel onnoodig, breedvoerig de vraag te beantwoorden, wat Maria Antoinette op politiek gebied is geweest. Hel beroemde woord van Mirabeau is volkomen op haar van toepassing; „wat vraagt gij vruchten van boomen, die slechts bloemen dragen?quot;

De levenswijze, die zij in 't publiek tol 1780 had gevoerd, en later in den kring der gunstelingen met meer ol' minder variatie ongestoord eenige jaren voortzette, tot de stormklok der revolutie den kring uiteenjoeg, was niet geschikt haar eenige kennis van staatkunde of landsbelang te geven. De hertog de Maurepas werkte zooveel hij kon haar invloed tegen, maar werd, vooral in de latere jaren van zijn bestuur, dikwerf, langs directen of ook indirecten weg, gedwongen haar zin te doen. Na de geboorte van haar eerste kind en vooral nadat zij het leven aan een troonopvolger had geschonken, vermeerderde de intimiteit en daarmede haar invloed op Lodewijk. Ofschoon hij nooit zijn oude achterdocht jegens haar Oostenrijksche inzichten geheel overwon, kon dit op den duur de kracht barer raadgevingen niet verzwakken , omdat de binnenlandsche moeielijkheden langzamerhand de buitenlandsche politiek geheel op den achtergrond dreven. Van de reeks van verwijten, die ten aanzien der laatste tegen haar zijn ingebracht, zijn er dan ook al zeer weinige, die gegrond zijn. Toen Oostenrijk Beieren wilde voegen bij zijn rijk, leefde de Maurepas nog: zijn woord woog tegen het hare op. De keizerlijke regeering verkreeg den steun van Frankrijk niet, waarop zij gehoopt en misschien gerekend had. Van Engelschgezindheid is zij, naar ik meen, nooit beschuldigd; trouwens, geen verwijt zou belachelijker geweest zijn. Dal de koningin de millioenen van Frankrijk naar Weenen zond, is een der duizenden lasterlijke aantijgingen, door hare vijanden uitgedacht. Na 1781 was er geen enkele groote buitenlandsche kwestie , waarin Frankrijk de kracht had om tusschenbeide te komen. De binnenlandsche staatkunde absorbeerde aller krachten en aller aandacht.

ocr page 376

MA KI A ANTOINETTE, 1770 I 780.

In deze lieet't zij zich tot schade van Frankrijk en lot haar eigen ongeluk gemengd, op deze invloed geoefend.

De staatsorde, die in 1789 viel, was op den grondslag van het privilegie, de bevoorrechting van weinigen boven velen, gebouwd. Het koninklijke huis, de adel, de geestelijkheid, een kleine minderheid stond tegenover de groote meerderheid van den derden stand, die alles buiten adel en geestelijkheid omvatte. Deze minderheid was niet slechts alleen gerechtigd op politiek gebied, maar ook op financieel. De meerderheid droeg de lasten, de minderheid genoot slechts de lusten. Onder allerlei voorwendselen ontsnapte zij aan de belastingen, die door den tiers état werden betaald. De adel en geestelijkheid betaalden niet, maar werden betaald. En zoo zij een enkele maal iets schenen bij te dragen, herkregen zij het opgebrachte onder allerlei vormen, koninklijke gunsten enz. De opbrengst der belastingen diende tot onderhoud van de leden van het koninklijke huis, van den adel, de hooge geestelijkheid, leger en marine. Slechts onder zeer enkele ministers werd iets voor algemeene welvaart, middelen van verkeer enz. gedaan. De oudste zonen des adels traden in 't leger, voor de jongeren waren de kerkelijke betrekkingen. De oude federale adel was onder Lodewijk XIV hofadel geworden. Aan het hof van Versailles had hij zijn vermogen verspild. Illustratie van de kroon, werd hij door de kroon, d. i. door de schatkist des lands, onderhouden. De wijd klinkende titels der hofbetrekkingen waren de aanspraken, om tractementen van het land te ontvangen. In geen vroeger en geen later tijd heeft de vermeerdering van betrekkingen 'die hoogte bereikt, als onder Lodewijk XVI. Necker schafte eens, op één dag, 400 volslagen nuttelooze ambten aan het hof af. liet leger lelde tweemaal zoo veel officieren als ouder Lodewijk XiV en XV, onder de regeering van een vorst, die slechts één zee-krijg heeft gevoerd. De staatskas was de onuitputtelijke bron, waaruit dit heirleger van getitelde leegloopers werd gevoed. Zoo de bodem van de schatkist zichtbaar werd en de krachten ontzonken, bestond het finanlieel beleid in het verhoogen van

Lm

ocr page 377

MARIA ANTOINETTE , 1770- 1780. 3(15

belastingen en het uitdenken van nieuwe of in het sluiten van leeningen. Een beroep op de staatskas was het eenige, wat den edelman overbleef: advokaat, bankier, industrieel, koopman, niets mocht hij worden, zoo hij zijn adel niet bezoedelen wilde. Hofambtenaar, officier of geestelijke kon hij zijn: niets anders was hem vergund.

Die maatschappelijke orde was het overblijfsel van hel oude leenstelsel. In de eerste helft der middeleeuwen hadden adel en geestelijkheid hun overwicht verworven en betaald met de bescherming, die zij den dorper verleenden. Sedert vier eeuwen was de toestand een andere geworden: noch intellectueel noch materieel stonden de bevoorrechte standen meer aan 't hoofd der natie, of representeerden zij haar belangen en behoeften. De eisch, dat het privilegie zou ophouden, dat adel en geestelijkheid aan gelijke plichten wierden onderworpen, dat de derde stand gelijke rechten als de twee eerste zou ontvangen, was de eisch, de slotsom der nationale ontwikkeling.

Het was Frankrijk's ongeluk, dat de erfgenaam der absolute monarchie, van wiens initiatief en energie de hervorming van den staat moest uitgaan, een man zonder initiatief en energie was. Hij kon noch den weg wijzen, noch volharden op het eenmaal ingeslagen pad. Zoowel uit apathie van karakter als uit sympathie voor den bestaanden toestand, waarin zijn eigen gezag was geworteld, was hij onmachtig, zoowel tot krachtig voorgaan als tot beslist volgen. Hij was een riet, door den wind heen en weder bewogen, dat op den stroom voortdreef, zonder een poging om te leiden, zonder wederstand te bieden. Een zwakke speelbal van omstandigheden en menschen.

Aan Maria Antoinette was die lijdelijke berusting, die passieve overgave onmogelijk. Kracht tot verzet kon zij niet dan somwijlen Lodewijk inblazen, maar wat zij kon, deed zij. Zij steunde de bevoorrechte standen door haar voorbeeld. Hoe hoog de linancieele nood des lands ook steeg, haar recht tol verkwisten gaf zij niet prijs, haar aanspraken en vorderingen aan de staatskas liet zij niet varen. Nog aan den vooravond der

ocr page 378

MARIA ANTOINETTE, 1770—1780.

revolutie vorderde en verkreeg zij den aankoop van St. Cloud, dat door den staat met millioen werd betaald. Onder haar bescherming en voorspraak zette het gunstelingen-corps met goed gevolg zijne aanspraken, zijne pogingen voort, om pensioenen en giften te erlangen. Zonder naar het staatsbelang te vragen, gebruikte de koningin haar invloed op den zwakken man, om haar gunstelingen te verheffen en hen, die ze tegenstonden', te doen vallen. Zij is schuldig aan de ongenade van Turgot, schuldig aan de verheffing van Drienne.

Al had deze lichtzinnige vrouw in haar privaat leven geen stof tot booze vermoedens geleverd, al ware het geloof aan haar vrouwelijke deugd ongeschokt geweest, ook dan zou de natie den rampzaligen invloed, dien zij oefende, niet vergeven hebben. Als vrouw trad zij elke voorzorg van kieschheid, wel-voegelijkheid en waardigheid met voeten; hoe kon zij meenen, dat haar goede naam ongerept zou blijven? Maar de schoone fee, die in haar schitterend, wit kanten gewaad fladderde onder de bloemen van Versailles, was in de oogen der groote menigte nog iets ergers dan een diepgevallene: zij was de incarnatie van al de misbruiken van het ancien régime, zij was de kanker, die den staat ondermijnde, die moest uitgeroeid worden. Toen de États Généraux in 1789 bijeenkwamen, werd de zwakke Lodevvijk met goedaardige toejuiching, zij met dreigend gemor ontvangen.

Was de natie onrechtvaardig?

Beklagenswaardig is het lot van eene koningin, die van een troon in een gevangenis wordt geworpen en op een schavot het leven laat. Maar beklagenswaardiger nog is de mensch, die nooit heelt geleerd, door opvoeding of door eigen nadenken, dat rechten op plichten rusten, en in het graf zinkt zonder te weten, dat zelfontwikkeling en zelfveredeling de eisch des levens is.

366

ocr page 379

A.ANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.

(De met * aangeduide zijn bijgevoegd door den Verzamelaar).

1. Saint Cloud dankt zijn ontstaan, volgens de legende , aan Clodoald , een zoon van Clovis, die, zijn leven bedreigd ziende, het alleen redde door zich hier als kluizenaar te vestigen. Hij werd de stichter der kerk en stierf in reuke van heiligheid. Saint-Clodoald schonk zijn naam aan Saint-Cloud.

Hendrik II bezat hier een villa. Hendrik Til bewoonde, toen hij vermoord werd, een huis, aan de Gondi's toebehoorende. Lodewijk XIV kocht dit huis aan, wierp het neer, en stichtte het latere paleis, dat hij aan zijn broeder, den hertog van Orleans, schonk.

Het kasteel van Meudon, waar Hendrik IV zijn hoofdkwartier had, behoorde aan de Guise's.

Zonderling genoeg, bewoouden beide vorsten woningen, aan twee hoofden der oproerige stad toebehoorende.

2. Zie de circulaires van de Conseil des Seize bij Palma Ca yet, Chronologie Novénaire, Introduction, p. 34 sqq.

3. Onder dit voorbehoud niettemin: „sauf et réservé celles qui, par lesdits articles, furent réservées par ledict feu roy a ceux de la religion réformée en chacung balliage et senechaulsé, aulx conditions y coutenues.quot;

4. Charles de Bourbon was een jongere broeder van Anton van Navarre, den vader van Hendrik IV.

5. Oeconomies Iloyales 1. 429.

6. L'Advis d'Etat, van Villeroy . uitgegeven in 158Ö, en opgenomen achter de Mémoires de Villeroy (cd. Buchon) p. 064.

7. Lettres Missives de Henri IV. III. 169.

8. Den 8 Mei 1590 te Fontenay, in Poitou. Indien de voorstelling, die wij bij Palma Cayet vinden, juist is, dau heeft deze kardinaal de Bourbon een zeldzaam voorbeeld van opoffering voor zijne familie gegeven. Hij zou zich alleen met de Ligue verbonden hebben, om de Guise te beletten, de kroon van Frankrijk aan de Bourbon's te ontnemen. Zoolang hij leefde, kou de Ligue geen tegenkoning kiezen , en inmiddels had Hendrik van Navarre den tijd zijne tegenstanders te overwinnen. Palma Cayet, p. 232. Eenige munten, met het opschrift Carolus 10 F ran-ciae Rex, bewaren de herinnering van dit ephemere koningschap. Zie het Journal de J e h a n de la Fosse, curé de la p a r o i s s e Saint B a r t h e 1 é-

ocr page 380

AANTEEKENINGEN.

ray, tijdens het beleg, in 1808 uitgegeven door Ed. de Barthélemy. De la Fosse was een vnrig liguist.

9. Wie deze beruchte Decisie, hier verkort, in zijn geheel wenscht te lezen, kan ze vinden in het Journal de l'Estoile (ed. Charapoliion) TI. 17. en in de Chronologie Novenaire de Pal ma Ca yet, p. 233.

10. Hij had na den moord der Guise's Blois en Hendrik III verlaten en zich te Parijs bij de Ligue gevoegd, om de oogmerken zijns meesters te bevorderen.

11. Palma Cayet p. 231 — l'Estoile p. 18.

12. TEstoile p. 19. Verg. Palma Cayet p. 234.

13. In 1528 was het getal bewoners op drie u vierhonderd duizend geschat.

14. Palma Cayet, p. 238.

15. Lettres missives de Henri IV, III. 194.

10. l'Estoile p. 21.

17. «Des prières de huict joursquot;, Palma Cayet, p. 239.

18. Palma Cayet p. 239. — l'Estoile p. 22, 23.

19. Lettres missives de Henri IV, p. 217.

20. Oeconomies Royales II. 3.

21. Een kapitaal van een /*40.000.—.

22. Zie het breedvoerig relaas dezer onderhandelingen bij Palma Cayet p. 241. sqq. — Gondy, kardinaal, bisschop van Parijs, wordt een gematigd man genoemd, tot deze commissie afgevaardigd, omdat hij den koning niet onaangenaam was. Men moet erkennen, dat hij het dan al heel slecht heeft getroffen. Poirson gaat. zoo ver, van hem reeds in deze dagen tot de partij van Hendrik te rekenen. Dat Nemours hem niet vertrouwde en bedroog, verklaart zijn vertrek na afloop dezer ambassade, raaar bewijst niets tegen mijne voorstelling. Hij had gedurende het geheele beleg de Ligue te Parijs gesteund. Dit feit is onweerlegbaar en afdoende. De toespraak van Hendrik IV bewijst, dat ook deze hem op éene lijn stelde met zijn collega l'Espinac.

23. Palma C a y e t, p. 245.

24. Lettres missives de Henri IV. t. III. 247.

25. „ „ „ „ t. III. 289.

26. Palma C a y e t p. 252.

27. Zie bladz. 8 boven.

28. Dit sloeg op Villeroy, die na den moord der Guise's om de houding van Hendrik III tot de Ligue overgeloopen was.

29. De Guise's.

30. Zie het geheele stuk bij P a 1 m a C a y e t, p. 248 sqq.

31. P a 1 ra a C a y e t, p. 323.

32. Ranke heeft in zijne Französische Geschic hte I. 378 sqq, het eerst uit de papieren van Simancas deze ontwerpen en voorslagen doen kennen. Jammer alleen, dat nergens de dagteekening voorkomt.

33. Verg. zijn Advis d'Estat, boven aangehaald..

308

ocr page 381

A A N T E Ü lv Ë NIN G Ë X.

34. P a 1 m a C a y e t, p. 268.

35. De tijdgenooten begrepen niet, waarom? Waarschijnlijk vreesde zij, als hare zuster van Lorette beetgenomen te worden.

30 I/Estoile, p. 48 en p. 55.

37. L'Estoile, IT. 45.

38. Zie boven bladz. 45.

39. L'Estoile, p. 69. — Palma Ca yet, 325 sqq.

40. L'Estoile p. 65.

41. Palma Cayet, p. 328.

42. „En quoi il faut que le chrestien remarque une oeuvre de Dien extraordinaire et singuliere.quot; L'Estoile, p. 68.

43. Boucher bleef. lu later jaren zien wij hem als pamflettist Richelieu bestrijden. Memoires de Richelieu.

44. Palma Cayet p. 332.

45. Verg. F ruin. Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, bladz. 115.

46. Lettres missives de Henri IV. III. 69. Verg. den daaropvolgenden brief van 7 Nov., waarin Hendrik zelf de grieven, die tegen hem ingebracht wor-werden, bespreekt.

47. 1 'Esto ile p. 85.

48. Na den dood van zijn oom, die als Karei X door de Ligue werd erkend en in de gevangenschap stierf, had hij diens titel van kardinaal de Bourbon aangenomen. Verg. Letteroefeningen. Jan. bladz. 37.

49. Verg. Letter oefen. Maart, bladz. 238.

50. Oeconomies Royales. I. 149.

51. Duplessis-Mornay, die namens den koning aan de onderhandelingen deel nam, oordeelde niet anders. ,,On arrestera avec M. de Villeroy deux sortes d'articles: les ungs pour avoir lieu avenant la conversion: les autres avant icelle. En quoi il fault avoir ceste dexterité de rendre eeulex ci si bons, qu'ils fassent negliger ceulx la, et par consequent moins insister sur la pretendue conversion; car, ayant levé les interets ct contenté les desirsparticuliers, le pretexte qui demeurera tout nud n'aura pas grand force en leur endroict; et peult estre sans attendre nouvelles du pape, ils passeront par dessus, ou a une paix ou a une longue trefve, quis les separera de l'Espagnol.quot; Duplessis au r oi, 4 April 1592. — Memoires de Duplessis-Mornay V. 270.

52. Oeconomies Royales II. 109 sqq. — Mémoires d'Etat de Villeroy p. 189 sqq.

53. Het eerste der hier vastgestelde punten is te karakteristiek, als acte van beschuldiging, om het hier niet mede te deelen.

„Qu'il falloit d'oresnavant que les bounes families et les gens d'honneur se re-cogneussent et se joignissent ensemblement pour estre les plus forts, et resister a certaines personnes qui se disoient (!) catholiques zelez et se faisoieut appeler les Seize, que Ton cognoissoit assez estre geus de neant, personnes abjectes, de basse

II. 24

ocr page 382

AANTEEKENINGËN.

condition, qui vouloieut tout entreprendre et manier les affaires de la ville, lesquels avoient commence une revolte qui saigneroit a jamais, s'estoient attaquez a la cour de parlement, et de leur propre authorité avoient fait mourir de mort violente M. Ie president Brisson: qu'ils continuoient encor leurs revoltes et entreprises avec les Espagnols, vouloieut renverser tout ordre, ne faisoient que brouiller les affaires, et estoient la cause de toutes les misères que souffroit la France des guerres civiles.quot; Palma Cayet. p. 394.

54. 1quot; E s t o i 1 e p. 103.

55. In de Collection de Documents inédits sur l'histoire gaf Aug. Bernard de Proces verbaux des États Genera ux de 1 5 3 9 uit, in 1842.

56. Verg. bij Bernard o. a. het Discours van Meadoza p. 704 en het arrest van 't parlement, p. 736 sqq.

57. II. 95.

58. „Corselet de fer qui couvroit la poitrine et les épaules, et qui ctoit plus leger que la cuirasse.quot;

59. Bernard 1. c. p. 657. Renaud de Beaune , aartsbisschop van Bourges, was de geestelijke, van wien de Ligue wist te vertellen, dat hij geheel ongeloovig was en de kerk van Frankrijk van den Heiligen Stoel wilde afscheuren, om zelf patriarch te worden. Op hem, den pastoor Benoist, en den koning was het volgende epigram in omkop:

De trois B. B. B. garder se doit-on,

De Bourges, Benoist et Bourbon:

Bourges croit Dieu piteusement,

Benoist le presche finement^

Mais Dieu nous gard' de la finesse Et de Bourbon et de sa messe.

Lettres missives de Henri IV. III. 814.

60. Lettres missives de Henri IV. t. III. 821.

61. Palma Cayet, p. 495.

62. l'Estoile, p. 164. , ,

63. Aan dezen Anton van Altenburg schonk A^ton Gunther de heerlijkheid j^i^Kniphausen. Door het huwelijk van de eéhe (lochter van Anton kwam deze heerlijkheid in het geslacht Bentinck.

64. George Christiaau en Edzard Ferdinand.

65. Weinige maanden later, April 1660, stierf Enno Ludwig.

*66. Zie den eersten bundel dezer Historische Bladen blz. 69, — Wat daar slechts werd aangestipt over de politiek van J. de Witt, is hier uitgewerkt.

67. Lettres et entretiens sur l'éducation des filles, II, 47.

68. In Mei 1652.

69. Portrait de Scarron, faitj)ar 1 u i - m ê m e, au lecteur qui n e m ' a j a m a i s vu (JjÉWWÊ) o. a. / /

„J'ai trente ans passés-, comme tu vois au dos de ma chaise. Si je vais jusqu a

ocr page 383

AANTEEKENINGEN.

quarante, j'ajouteral bien des maux a ceux que j'ai déja soufferts depuis huit ou ueuf ans. J'ai eu la taille bien faite, quoique petite. Ma maladie Ta raccourcie d'uu bon pied. Ma tête est un pen grosse pour ma taille. J'ai le visage assez plein, pour avoir le corps très-decharné: des cheveux assez, pour ne porter point perruque: j'en ai beaucoup de blancs, en dépit du proverbe. J'ai la vue assez bonne, quoique les veux gros ^ je les ai bleus : j'en ai un plus enfoncé que l'autre, du cote que je peuche la tête. J'ai le uez d'assez bouae prise. Mes dents, autrefois perles carrées, so ut de couleur de bois, et seront bientut de couleur d'ardoise. J'eu ai perdu une et demie du coté gauche, et deux et dernie du cóte droit, et deux un pen egri-gnees. Mes jambes et mes cuisses ont fait premièrement un angle obtus, et puis un angle égal, et enfin un aigu. Mes cuisses et mon corps en font un autre, et ma tête se jjencliant sur mon estomac, je ne ressemble pas mal a un Z.quot; Oen v res de Scarron, I, p. 130. Cf. 95.

70. Correspondance générale de Madame de Maintenon, I. 64.

71. Onder dezen treft men ook den stadhouder der Nederlandsche Republiek, Willem II, aan, van wien ik mij niet herinner ooit andere bewijzen, dat hij letterkundigen of geleerden steunde, gevonden le hebben. In het zevende deel van de Oeuvres de Scarron vindt men, blz. 215, een ode, Remerciment a S. A. le Prince d'Or an ge, en, blz. 220, Stances Héroiques sur la mort de Guillaume de Nassau. In de Roman Comique wordt herhaaldelijk van de comoedianten in dienst van Willem II gewaagd.

Scarron beweerde, dat hij een „veritable porte-malheurquot; was. Telkenmale, als hij een aanzienlijk man bezong, stierf deze korten tijd daarna. wLe Prince d'Orange n'eut pas plutót envie de me régaler , qu'il eüt la petite vérole , dont il mourüt.quot; I. 98.

72. Aan mijn vriend Mr. H. ter Haar Bz. dank ik deze vertolking. Hoe zeer het oorspronkelijke bij de overbrenging gewonnen heeft, kan uit de vergelijking blijken. Madame Scarron heeft reden tot dankbaarheid aan haar vertaler.

La g é o 1 i è r e.

II le faut avouer, Ie métier de géolière Est nu fort pénible métier:

II faut être barbare et fiére,

Paire enrager souvent un pauvre prisonnier,

Et ce n'est pas ma manière.

Si ceux qui sont dans ma prison Se plaignent, ils n'ont nulle raison.

Je les prends, saus vouloir les prendre,

Je ne cherche pas les moyens De les mettre dans mes liens;

Ce sont eux qui viennent s'y rendre.

Mais comme, sans faire la vaine,

Je les prends sans combat'.re et sans rien hasarder,

371

ocr page 384

A A NTKH KENINGEN.

Sans mc ilonner bcnncoup de peine;

Je sais comme il faut Jes garder.

73. De vrouw van Colbert.

74. Tijdens den oorlog van lfi72 was die broeder kommandant eerst in Amersfoort, later in Elburg. Hij maakte zich daar schuldig aan afpersingen, die hem zeer euvel werden geduid. In de Co r r e s p o n d a n c c d e Madame d c Mai n-tenon, I, 171, komt een schrijven van Louvois aan hem voor, om hem zijn ontevredenheid over zijn gedrag te betuigen. Blijkbaar heeft de invloed van Madame de Maintenon hem staande gehouden. Louvois verzweeg het voor I,odewijk XIV.

75. C o r r e s po n d a n e e générale, 1, 201.

76. 20 Dec. 1676.

77. Correspondance Générale. II. 96.

78. Verg. Desnoiresterres, Voltaire et la société au X V111 e siècle. — Voltaire et F r é d é r i c, p. 215 sqq.

79. Histoire de Madame de Maintenon, par le due de Noail-les. 4 vol, 1848—1858.

80. Kort na de uitgave der eerste brieven van Madame de Maintenon door La-vallée werd ook van andere zijde de onvertrouwbaarheid van La Bcaumelle aau de kaak gesteld. In 1856 verscheen te Parijs: Vie de Maupertuis, par La Beaumelle, oeuvre posthume. De uitgever van dit nagelaten werk had er weinig genoegen van. Achter deze levensschets verschenen hier 176 brieven van Frederik den Groote aan Maupertuis, en van den laatste aan den eerste, door La Beaumelle, naar hij zeide, overgeschreven. Ongelukkig voor hem waren de oorspronkelijke bewaard en in het bezit van Feuillet de Conches. Saiute Beuve nam de moeite eens na te gaan, hoe la Beaumelle met de stukken had omgesprongen en deelde in een vernietigend artikel de slotsom van zijn onderzoek mede: „De même qu'on dit un Varillas. pour exprimer d'un mot l'historien décrié a qui Ton ne peut se fier, de même on continuera plus que jamais de dire un La Beaumelle pour exprimer réditeur infidèle par excellence.quot; De kritiek werd later opgenomen in de Causeries du Lundi. XIV, p. 86.

81. Zie daarover mijn artikel in d e Gi ds. September 1882 *en beneden bl. 311-315.

82. Paul Grim blot, Les faux antographes de Madame de Maintenon. Paris 1867.

83. Zie de kritiek van Geoffroy in de Revue des Deux Monde s. Febru -ari 1869.

84. Het is eenvoudig ergerlijk, de belachelijke opvijzeling van La Bcaumelle te lezen, waaraan Michel Nicolas, in zijn Notice sur la vie et les éc rits de L. A. de la Beaumelle (Paris 1852) zich schuldig maakt.

85. Verg. Cheruel, Saint-Simon considéré comme historiën de Louis XIV, p. 503 sqq.

86. Correspondance générale, III, 319.

87. Correspondance générale. III, 2, 15, passim.

372

ocr page 385

AANTEEKENINGEN.

88. Ill, 306, 848 passim.

89. Het hoofdstuk, dat de hertog de Noailles aan dit punt heeft gewijd, is zeker een der beste van zijn geheele werk.

90. Lettres sur 1'education des filles,II, 114.

91. „Entre la tyrannie dun mari et celle d'une supérieure il v a une differ ene infinie. Ou sait a. peu pres, en entrant eu religion, ce qu'on peut exiger de vous II n'en est pas de menie pour le mariage: il n'y a point de noviciat qui y dispose et il seroit difficile de prévoir jusqu'ou un mari peut porter le cornmandement. II s'en trouve tres peu de bons. II faut supporter d'eux bien des bizarreries et se sou-mettre a des choses presque impossibles.quot;

*92. Vergelijk hierbij het opstel over Prinses van Ahlden in den Eersten Bundel der Historische Bladen, blz. 172 v.

93. Horace Wal pole, Reminiscences of the court of George the first and second, (ed. Conuingham) I. CIV.

94. Dit was Thomas Pelham, hertog van Newcastle, die later ouder George II — dezen prins van Wales — first lord of the treasury was.

95. No u velles Lettres de la Princesse d'Orleans par G. Br u n e t p. 125, 130, 132. Verg. 127, 133, 135.

96. Wal pole, Reminiscences, p. cv. „Abishag was lodged in the palace under the eyes of Bathseba, who seemed to maintain her power, as other favourite sultanes have done, by suffering partners in the sovereigns affections.quot;

97. Lord H e r v e y ' s Memoirs II. p. 543.

98. De latere keizer Karei VI.

99. Ten einde mijne lezers het overzicht over de familiebetrekkingen gemakkelijk te maken, voeg ik hier het volgende genealogische tabelletje bij :

Jacobus I, van Engeland.

i

Elizabeth (gehuwd met Frederik van de Palts).

I

Sophia (gehuwd met Ernst August, keurvorst f 8 Juni 1714. van Hannover).

_I_

George I, (gehuwd met Sophia Doro- Sophie Charlotte, (gehuwd met Frederik, f 1727. thea van Brunswijk-Celle, keurvorst van Brandenburg, den eerde prinses van Ahlden). sten koning van Pruisen).

i

373

George II, (gehuwd met Caroline van Sophie Dorothea, (gehuwd in 1706 met f 1760* Brandenburg-Anspach). Frederik Wilhelm I, van Pruisen).

__I _

1

Anna

i. Amelia,

i

Maria,

1. ! I

Caroline, Louise,

i . Frederik,

i

Willem, de

f 1759.

t 1772.

f 1757. | f 1743.

de Prins van Wales, f 1751.

hertog van Cumberland, f 1765.

ocr page 386

• AANTKEKENLNüKK.

100. Klein, ook in letterlijken zin: in een van de paskwillen op hem wordt verteld, hoe blij hij was, toen hij Mr. Edgeumbe ontving, die nog kleiner was:

Rejoiced to find within his court One shorter than himself!

101 „He has said to Sir Robert, on the curtseys of the Queen; there, you see how much I am governed by my wife, as they say I am! How! how! it is a fine thing indeed to be governed by one's wife!quot; „Oh Sir,quot; replied the Queen, „1 must be vain indeed to pretend to govern your Majesty!quot; Wal pole, Memoirs of the reign of George 11. t. I. p. 179.

102. Krunet, Nou velles lettres etc. p. 13.

103. Hare brieven zijn in 1S'24 in twee deelen uitgegeven, door Grocer.

101. Lord Hervey's Memoirs 1, 55 sgg.

105. Pope ontleende aan dit gebrek een compliment;

Has she no faults, then (Envy says), sir?

Yes, she has one, 1 must aver;

When all the world conspire to praise her,

The woman's deaf, und will not hear.

106. Walpole, Memoires of the reign of George II I. 72.

107. Walp ol e. M em o i r e s of the reign of George 11,1.1, pag 208,422

*108. Vgl. Historische Bladen 1, 227.

109. Verg. C c x e , Memoires of Horace Walpole, p. 89.

110. Memoirs of lord H e r v e y, I. 233.

111. Over de belegging van deze huwelijksgift zijn later vrij wat moeielijkheden ontstaan, waarbij Willem IV, waarschijnlijk op aanstoken van zijn vrouw, zich nog al heftig toonde. C o x e, 1. c. 18C.

112. „Je ne savais pas que ia princesse de Galles ne pouvait souft'rir l'odeur de la fleur d'orange; l'électeur de Bavière tombe en défaillance, lorsqu'il voit des oranges et des citrons,quot; schrijft de hertogin van Orleans. Brunet I, c. p. 215.

113. Zimmennann , die haar in later jaren persoonlijk zeer goed kende , geeft de volgende ongunstige beschrijving van haar, die van die van lord Hervey nog al afwijkt; „Ihre Gesichtsfarbe war ohngefar wie helles danisches Handschuhleder, die Augen starr und grosz, die Augeulieder herabhiingend und so grosz, dasz sie hiitten kiin-nen einem kleinen Munde zu Lippen dienen; der Mund sehr grosz, die Unterlippe fürcht.erlich herabhangend, das ganze Gesicht flach und breit und der Kopf tief zwischen den Schultern. der Körper sehr dick, kurz und breit, endlich die Sprachc der Princessin auszerst schnell, anszerst undeutlich und unangenehm.quot; D r. V e h s e , G e s c h i c h t e des H a u s e s Braunschweig, II. 53.

114. Memoirs of lord Hervey, I. 311. *Vgl. ook Historische Bladen 1, 228 v.

115. De volgende regels van Koningin Caroline aan Horace Walpole (Coxe, p. 194) mogen voor een enkele toelichting strekken: „It appears to ine that the gentlemen of Holland might pay their respects to Anne, although(!) she is in the

ocr page 387

AANTEËKëningen .

house of the prince of Orange not as his wife, but as the king's dauglher. It strikes rae that this would take away all subject of dispute from the ladies. You know that things are changed in Holland since the time of the princess Mary. She saluted only married women, and single ladies now demand it. The best way to avoid all disputes would be to salute none. The english ladies might wait upon her in private. The french ambassador was, I believe, mistaken, when he spoke of a visit to his wife. I do not believe that Mrs. Walpole ever received one from the french princesses.quot;

116. Co xe,Memoires of sir Robert Walpole III, 184.

*117. Vgl. Historische Bladen, I, 232.

118 De zwangerschap schijnt een verzinsel geweest te zijn: ik vind ten minste nergens, dat zij voor Dcc. 1736 is bevallen.

119. „The princess Royal four days before, after a terrible labour and being in great danger of her life, had been brought to bed at the Hague of a daughter, which Dr. Sands, a very eminent man-midwife sent from hence by the Queen, had been obliged to squeeze to death in the birth, to save the mother.quot; Hervey 1 c. II. p. 205.

120. Zie boven biz. 349.

*121. Zie H i s t o r i s c h e 151 a den 1, 233.

*122. De hier bedoelde plechtigheid was, gelijk trouwens uit den inhoud der rede blijkt, de herdoop van het oorlogsschip de Kor te naar tot Doggers-bank. Zij geschiedde op de Marinewerf te Amsterdam, in tegenwoordigheid van vele hooggeplaatste personen en marinesoldaten. Terstond na afloop der plechtigheid sprak de Hoogleeraar Jorissen, daartoe van hooger hand uitgenoodigd, terzelfder plaatse de feestrede uit, waarin hij de geschiedenis van den zeeslag bij Doggersbank herinnerde en zijne beteekenis toelichtte.

123. Zie Correspondance incdite de M. A., publiée par le C o ra t e Paul Vogt d' H u n o l s t e i n.

124. Zie Louis XVI, Marie Antoinette et Madame Elisabeth, lettres et documents inédits, publi és par F. F e u i 11 e t de Conches, VII vol.

125. Vgl. A r n e t h, M a r i a T h e r e s i a u n d M a r i a A n t o i n e 11 e ; M a r i a Antoinette, Joseph II und Leopold II; Maria Antoinette, Correspondance secrète entre Marie Tlierèse et le Comte de Mercy Argenteau, 3 vol.

126. ZieGeoffroy,Gustave III et la Cour de France, 2 vol.

ocr page 388

VERBETERINGEN.

Blz. 50 regel 4 van onderen staat: eiders,

lees: leiders.

Blz. 175 gt; 13 ,gt; boven staat: souproient,

lees: soupiroient. ^ ® staat: condito sine qua non ,

lees: conditio sine qua non » staat: haar sympathieën ,

Biz. 312 » 3

lees: haar sympathieën en antipathieën.

CfffS.

ocr page 389
ocr page 390

*\ • •*

_

It

' . *,

■ —-----

ocr page 391
ocr page 392