ocr page 1
ocr page 2

BIBL. Frantzén

pvi

lt; f s

i

ocr page 3

I •

Insfituu! vcor Ou^.^ • gt;■ 1 : -Nifkunuj aan de ^ijks'Jüiversiteit t( Utrecht

ocr page 4

..i.

r

T r-,

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2927 965 4

ocr page 5

AC jw 7 2

OVER ANGELSAKSISCHE POËZIE,

CI^Li.VTMLiLK L'tR

Rf^.SUNIVERSiïEIT U1 RECHT

UITGESPROKEN OP DEN

324sten VERJAARDAG DER UNIVERSITEIT TE LEIDEN,

8 FKHRUAR,! 1HUO,

GERMANISTISCH INSTITUUT

REDE

DOOR

DEN RECTOR MAGNIFICUS

Dr. P. J. C O S IJ N.

ocr page 6

,

■ ■«« - « mM«,.......; -sHWfa ■ ^

...

i$m\

■

■1

f ■ -1 - - • ■ ■.

ocr page 7

OYER ANGELSAKSISCHE POEZIE.

REDE

uitgesproken door den Rector Magnificus op den 324slt;:en verjaardag der Rijksuniversiteit te Leiden, 8 Februari 1899.

Mijne Heeuen Curatoren, Professoren, Doctoren, Studenten en Gij allen die deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid vereert,

Zeer gewenschte toehoorders !

Dat den aanhef van een betoog te vinden waarlijk een arbeid is, verzekert ons niemand minder dan Geel. En wisten we liet niet bij eigen ervaring, we zouden toch gaarne den hoogge-vierden stilist op zijn woord gelooven. Doch op alle regels bestaan uitzonderingen; zoo ook op dezen. Welke andere aanhef zou thans mogelijk zijn dan U hartelijk welkom te heeten , die door Uwe tegenwoordigheid in deze weidsche aula blijk geeft den geboortedag onzer Hoogeschool in een ware feeststemming te willen herdenken ? De uitnoodiging om hier samen te komen, ging van mij uit, dien een meedoogenlooze usus dwingt thans het woord te voeren, wèl te spreken, zoo mogelijk zelfs welsprekend te zijn ! Naar mijn onderwerp ben ik niet lang zoekende geweest. Het bood zich, om zoo te zeggen, van zelf aan. Ik stel mij voor in deze ure te handelen over Angelsaksische poëzie. Mij dunkt, op den achtsten van Sprokkelmaand geen al te

ocr page 8

4

ougeschikte stof. Het is heden een akademische rustdag; de laboratoria zijn verlaten; aan apparaten of retorten wordt geen enkel geheim in naam der wetenschap afgevraagd; geen boeken worden ingezien; men viert feest. Wat poëzie dus zal zeker niet onwelkom wezen. Maar — iets over poëzie is nog de zaak zelve niet en kan en zal, naar ik gegronde reden heb te vreezen, prozaïsch genoeg zyn. Evenwel — wat aanhalingen kunnen zelfs het dorste proza verheffen en sieren; en daaraan zal ik het niet geheel laten ontbreken. Over citeeren moge men denken, hoe men wil; ik kan er niet buiten. Eu al had een onbarmhartig criticus hierin gelijk, dat dergelijk citeeren van plagiaat-bedrijven weinig verschilt; ja, al stond het met letterdieverij geheel gelijk, wat nood? Zijn niet de illusterste schrijvers aarts-plagiatoren geweest ? En, nog sterker, wilt Gij een voorbeeld niet van een letterdief, maar van een echten dief, die toch vroom en vroed was als de beste en zelfs den eerenaam van de Groote werd waardig gekeurd, dan noem ik U Keizer Karei, van wien in den Elegast te lezen staat, dat hij eenmaal in zijn leven heusch uit stelen ging, nog wel op Allerhoogst bevel! Maar — of dat juist op den achtsten Februari gebeurde? ziet, dat meldt de kroniekschrijver niet.

Geen beknopt overzicht wil ik ü aanbieden ; wat zou zulk een aper^u, in één uur tijds opgedreund, hier te beteekenen hebben? Een aesthetische critiek is mijne zaak niet: ik bespaar ze U dus gaarne. Slechts enkele literaire en daarmee verwante vraagstukken wensch ik aan te roeren en bij geschilpunten kleur te bekennen, waar deze en gene weieens een zeer lichtvaardigen solo wagen. Goed rond, goed Hollandsch voor eigen meeningen uit te komen; voorts eigen indrukken weer te geven, ziedaar al wat ik mij voorstel. De stof is zóó omvangrijk, dat ik maar een greep hier, een greep daar zal kunnen doen. Mogeu het gelukkige grepen zijn! Voor dat weinige nu, dat los samengevoegde een-eu-auder, vluchtig opgesteld zóó als het bij mij

ocr page 9

opkwam, toen ik mijn gedachten eens liet gaan over teksten daar ik lang op getuurd heb, voor dat weinige roep ik thans uwe welwillende aandacht in. Eene opmerking ga vooraf. Wat hier verkondigd wordt, klinkt natuurlijk e.v cathedra en een grondige bewijsvoering is onmogelijk. Myn placet of non placet worde daarom niet misverstaan! Mijn woord gelde niet voor het laatste woord dat het vraagstuk uitmaakt! En kies ik scherp partij tegen een richting, waarmede ik mij niet vereenigen kan, namen noemen zal ik niet, ook om den grooten eerbied dien ik voor een harer eminente woordvoerders heb, wiens schoenriem ik niet waardig beu te ontbinden.

Van de vestiging der Juten en Anglen en Saxen in Brittanje gewaagt geen enkel lied. De Oudgermaan maakte geschiedenis zonder de moeite te nemen ze te beschrijven. Alleen het groot-sche, het buitengewone bleef voortleven in de carmina antiqua quod unum apud illos memoriae et annalium genus est. Dat deze aan volkshelden gewijd waren om hun heroïsche daden te vereeuwigen, ligt voor de hand. Zoo bleef de liberator Germaiiiae, die den Romein voorgoed uit Duitschland verdreef, in de nagedachtenis voortleven: canitur adhuc, zegt Tacitus ^ barbar as apud gentes. Maar noch van de verovering noch van de veroveraar» van Brittanje vinden we in de ags. poëzie iets vermeld. Wel rijzen daarin beelden op uit een grys verleden, als herinneringen aan hetgeen op het vasteland doorleefd was of aanschouwd. Een ware goudmijn in dit opzicht is het zonderlinge gedicht dat naar den zanger Widsith d. i. Vèr-tocht genaamd is. Waarlijk deze Ver-tocht heeft zijn naam verdiend. Hy is overal en ten allen tijde geweest. Van geboorte een Myrginger, heeft hy met koning Alboïns zuster het hof bezocht van koning Ermenric. Een stout stuk! want deze koning der Goten was twee eeuwen vóór Alboïn gestorven. Wij kuunen ons dus op veel geloofwaardigs voorbereiden. Hij heeft met allerlei vorsten en volken der oudheid of der sage kennis gemaakt. De Israëlieten en de

ocr page 10

6

Hebreeën trof hij op zijn zwerftochten aan als twee onder-scbeiilen volken. Ook iu ziju geboortelaud verzekert hij ons geweest te zijn ; wat waarschünlijker is dan zijn bezoeken aan Caesar of den Burgondischen vorst Gunther. Hy is betrouwbaar als een Kretenzer van den ouden stempel; of liever: hij liegt niet noch loog ooit, want hij heeft niet bestaan. Hij is de fictieve vertegenwoordiger van den virtuoos dier dagen die de burgen van vorsten en edelen afreisde, totdat hy zijn Maecenas gevonden had. Zijn reizen zijn de reizen die de dichter zelf op zijn stoel en in zijn studeercel ondernomen heeft. Niettemin is die bestafrijmde catalogus voor ons van de hoogste waarde. Zoo wordt een duistere plaats in den Beowulf door een paar regels van den Widsith volkomen opgehelderd. De schrijver houdt zich aan het overoude, het min bekende. Met zijn vrij modernen Alboïn heeft hij zich, chronologisch gesproken, wel wat gecompromitteerd; eu helaas verraadt hij zich met zijn Lïdwicingas als Engelschman. Hij kent de Anglen nog in Sleeswijk, de Goten aan de Weichsel: van wat na 600 gebeurd is, vernemen we niets. Geen wonder dat elke literatuurgeschiedenis eerbiedig met den Widsith een begin maakt, als zijnde het alleroudste ags. gedicht. De Hoogere Critiek, de eeuwig bedrijvige tiende Muze, die altoos werk zoekt, ook waar niets te doen valt, verdeelt het gedicht in mootjes en verbindt naar welgevallen wat gescheiden is door dozijnen van regels. Eén dichter voor deze 143 verzen is wel wat weinig: minstens vier moeten er aan het werk zijn geweest: de eerste als specialiteit in vorstenkennis, de tweede als volkeukenner, de derde als bezoeker van Ermenrics hof, de vierde als diaskeuast. Deze merkwaardige rolverdeeling vonnist zich zelve. Maar de vraag doet zich voor, of er soms in den Widsith of elders restes schuilen van overoude anglische liederen, uit Denemarken medegebracht, Vraag en antwoord zouden dan mutatis mutandis kunnen luiden:

ocr page 11

7

Wer hat die schonen Liedel erdacht?

Es haben s' drei Stamme übers Wasser gebracht.

Neen! daarvan is niets waar! Korte inhoudsopgaven zijn nog de liederen zelve niet en alleen de kern der tooverspreuken is op niet-Eugelscben grond ontstaan. En waarom moet de Widsith ouder zijn dan de Beowulf ? omdat Widsith van Beowulf zwijgt ? Dit laatste is vreemd genoeg: hy kent bijna alle anderen die in het heldendicht voorkomen, maar Beowulf niet; maar Hygelac niet, den roemruchten zeeschuimer, den Chochilaicus der Gesta Francorum, die de Maas opvoer en in het Kleefsche sneuvelde en wiens reusachtig gebeente een eeuw later op een eiland aan den mond van den Rijn als curiositeit vertoond werd. Deze onkunde is verdacht. Want Hygelacs bittersten vijand, den Zweed Ongeatheow kent hij wèl; van de Gooten spreekt hij — waarom dan niet van hun hoofdheld en zijn maag en koning? De historische Beowulf kan zeker een onbeduidend persoon geweest zijn; althans qua talis vernemen we weinig anders van hem dan dat hij bij Hygelacs strooptocht door zwemmen zijn leven redde en later vijftig jaar(!) over de Gooten geheerscht heeft. Of de Zweden hem met rust zullen hebben gelaten? Uit Deors klacht (r. 15) maak ik op dat ze het Gootenland eindelijk geannexeerd hebben. Toch verhief de sage dien koeueu zwemmer tot heros en hoofdfiguur, en het epos werkte de sage uit. Dat deze den Widsithdichter onbekend zou geweest zijn, is ondenkbaar; waar haalde hij dan zijn Hróthgar en Hróthwulf en Ingeld en Ougentheow van daan, om dezen slechts te noemen ? Daarom verwerp ik de moderne theorie, den „kijkquot; dien men thana op den Widsith heeft, en weiger ik met den nuchteren Konkad Maxjreh daarin een gedicht te zien uit de zevende eeuw. Eu Widsith's silentium hou ik voor opzettelijk: hij vermeed klaarblijkelijk te duidelijke aanrakingspunten met een bestaaud gedicht. Naar metrische en taalkundige argumenten zoek ik vergeefs: en zoolang die uit-

ocr page 12

8

blijven, geldt bij mij de Beowulf voor ouder. Maar genoeg over dit vraagstuk. Wij zoeken poëzie: waar die te vinden?

lu een zuiver heidenschen vorm nergens; of het moest zijn in het Finnslled: evenwel — noch hierin noch in het Finnsburgfragment had de dichter gelegenheid ora van zichzelf getuigenis af te leggen: de heidensche verbranding van Finns lijk werd, evenals Beowulfs uitvaart, eenvoudig uit de bron overgenomen. Reeds vroeg was Engeland gekerstend. Hoe dat kwam, deelt ons Beda mede. En ik vertel de schoone anecdote even na, omdat ik er eene emendatie op heb aan te brengen, die ze eerst recht verstaanbaar maakt. Men zegt dat op zekeren dag Gregorius op de markt van Rome knapen opmerkte die te koop werden aangeboden. Getroffen door de blankheid hunner huid, hun schoon haar, hun bevallig uiterlijk, vroeg hij van welk land ze kwamen. „Van Brittanjequot;, was het antwoord, „waar de lieden er zoo uitzienquot;. En Gregorius zuchtte diep, omdat de Vorst der duisternis over zulke schoone men-schen heerschte. — „Hoe dat heidensche volk wel heette ?quot; — „Angli (Engelschen)quot;. — „Zeer juistquot;, merkte Gregorius op, „want ze hebben het voorkomen van angeli (engelen) en dezulken behooren in de hemelen erfgenamen der engelen te zijnquot;. De naam der landstreek Deira werd door den in woordspelingen onuitputtelijken kerkvorst treffend door de ira verklaard; aan Godes toorn zouden ze worden ontrukt en tot de barmhartigheid Christi geroepen. Nu nog de naam des konings! — „Aelliquot;.— En ook hierop zinspelende riep de groote man uit: „Alleluia, de lof des Scheppers behoort aldaar gezongen te wordenquot;. En aldus geschiedde het: in 596 landde Augustinus met veertig anderen in Kent om Gods woord te prediken. Men gevoelt het, alleen het laatste woordenspel is niet correct. En tot heden toe schijnt dit niet opgemerkt. Aelli—Alleluia wijken af in vocalen. Maar brengt men den naam in zijn voorkristelyken d. i. ïwnfctMi-loozen vorm over, dan luidt deze Alli en gaf tot Gre-

ocr page 13

9

gorius' Alleluia ongedwongen aanleiding. Vergeeft, M. H., deze grammatische uitweiding aan een redenaar die handelen wil — over poëzie!

De bekeering der Engelschen is een waar wonder. Dit conservatiefste aller Germaansclie volken liet het voorvaderlijk geloof varen met een bereidwilligheid die onze verbazing opwekt. Zonder dwang, zonder geloofsvervolging zegevierde de nieuwe leer. Maar niet zonder strijd; doch dan streed de kristenvorst met den beidenschen eu het zwaard besliste. Ging de koning voor, dan liet ook de adel zich doopen eu bet volk volgde. Die plotselinge en radicale ommekeer moge voor onze gods-A.\ev\siwetenschap te betreuren zijn; in waarheid was bet Evangelie ook hier de blijde boodschap: hot heidendom had geen toekomst. Van nature bood zich het door de zee omspoelde Engeland aan als een uitgestrekt pare payanogène, beschut tegen vreemde invloeden en als geschapen tot instandhouding van wat onzen weetlust eens recht bevredigen zou. Dat mocht zoo niet wezen: het oude geloof werd ganschelijk opgeruimd; in de geheele Angelsaksische literatuur moet ge naar den naam van een god zoeken. Niet lang duurde de tegenstaud, dien de nieuwe leer ondervond welke Roma victri.v tegelijk met een goed stuk der klassieke beschaving aanbracht. Want reeds in 655 na den slag bij Leeds, die den beidenschen Penda het leven kostte, was het niet langer de vraag: Katholiek of heiden ? maar Roomscb of lerscb ? En Rome zegevierde.

Men verwacht dus reeds onder de oudste lettergewrochten een verrassend contingent aan zuiver geestelijke gedichten. Maar wat wij vinden, althans over hebben, is van geheel anderen aard. Het was alsof de Engelsche Muze baar hart nog eens wilde ophalen aan oude, helaas! vreemde sagen alvorens zich aan den dienst der kerk te wijden. Toch is in die wereldsche gedichten de invloed van het kristendom onmiskenbaar. De Beowulf, beet het, staat op de grens van heiden- en kristendom. Onwaar!

ocr page 14

10

De heideusche stof is gegoteu in een kristelijken vorm en de dichter legt zijn eigen geloof in den mond z^ner heidensche helden. Om van Grendels vervolgingen af te komen offeren de Denen aan afgoden. Ze wisten niet beter, merkt de dichter vergoelijkend op, en kenden God nog niet. 's Kouings dank voor de verlossing uit den nood, is zuiver kristelijk. Hij aanschouwt de afgerukte hand van het monster eu zegt: „Voor dezen aanblik zij den Albestuurder dank gebracht! Steeds kan God wonder op wonder doen, de Heer des Hemels! Nu heeft een jongman door de macht des Heeren een daad volbracht, waartoe wij met ons allen niet in staat waren. De Albestuurder vergelde het hem met goed, gelijk hij nu reeds deed.quot; Toch geloof ik niet dat die wereldsche gedichten bij de geestelijkheid genade konden vinden; althans Beda smaalt nog op de „leugen-dichtersquot; als onze Maerlant op de Pransche romanciers. En wanneer in de lijst der Durhamsche monniken een serie van namen voorkomt aan den Beowulf ontleend, waardoor deze op ons den indruk maakt van een theateraffiche voor een gedrama-tizeerde voorstelling van dat epos, dan blijkt daaruit alleen de populariteit van het heldendicht ouder hen die hun kinderen zóó noemden, niet onder de geestelijke heeren zelve. Die plaatsen nu, waar de kristelljke gezindheid van den dichter uitkomt en die in geen geval den toenmaligen clerus onaangenaam konden wezen , zijn doornen in het oog der moderne Hoogere Critiek, die ze voor het werk van interpolatoren aanziet en uitwerpt. Hoeveel van die tekstbedervers aan het inlasschen zijn geweest, daarover heerscht geen eenstemmigheid. Zij groeien vast in tal en last bij elke verdere tekstanalyse: zelfs interpoleerde de eeue interpolator den anderen. De onderzoekingen die tot zulke resultaten leiden, zijn vaak zóó subtiel, dat men het schitterend acumen bewondert van de geleerden die zich daarmede bezighielden. Ik voor mjj verwerp niettemin de liedertheorie met haar geheele kraam van athetesen. Ronduit ge-

ocr page 15

11

sproken, berust de hoogere Beowulfcritiek op nabootsing: zij is de toepassing van Lachmanns Nibeluugencritiek, welke op hare beurt geïnspireerd is door Wolfs behandeling van Homerus. Zij wijst ook niet op ongelijkheden van metrischen of stilistischen of taalkundigen aard, maar gaat uit van zuiver individueele opvattingen en onderstellingen. Met uitvallen als „höchst unge-schickt, lacherlich , albernquot; en soortgelijke, bewijst meu alleen zijn eigen prikkelbaar humeur en modern standpunt. Ongetwijfeld zyn in de oeconomie van het gedicht oneffenheden en ongelijkheden aan te wijzen; eu dat nergens geïnterpoleerd is, durf ik uiet beweren. Maar als zelfs zeer moderne schrijvers flaters maken, mogen we ons dan de oude als vlekkeloos voorstellen? Een voorbeeld, daar ik reeds voor jaren op wees. In het Waltherfragment spreekt Hildegonde haar minnaar vóór den strijd moed in: „ik verwijt u in 't minst niet dat ik u als een lafaard den strijd met eenig man zou hebben zien ontwijken.'*'Zien ontwijken? trokken dan p'rinsessen mee ten oorlog? En deze spreekt als een wapenbroeder! De geniale dichter van de Exodus bederft door 't overnemen van één regel uit den Beowulf een gansche passage. Hij laat de Joden uit Egypte trekkeu langs „enge eenpaden, onbekende wegen.quot; Nu zijn eenpaden paden zóó nauw, dat er voor geen twee mannen naast elkander plaats is. In den Beowulf is die regel voortreffelijk; daar is een kleine schaar op weg om het huiveringwekkende oord te bezoeken, waar het helsch gedrocht schuilt. Maar zesmaalhonderdduizend vluchtelingen iu de ganzeuorde voorttrekkende wekken onzen lachlust, niet onze deernis op. Toch dorst de dichter dit ongerijmd plagiaat aan; de regel was prachtig en werd overgenomen. In gedichten vau ontwijfelbare eenheid wordt eveneens gezondigd: zijn we midden op zee, dan schildert de dichter felle koude door den grond te laten verstijven, of fraai zomerweer door de zon de burgzalen te doen beschijnen. Hier valt aan geen athetese te denken; maar die Beowulf-

ocr page 16

12

regel moest eigenlijk door het critische radeermes getroffen worden: een geweldenaar trouwens heeft de Exodus reeds zóó geplukt, dat het op een enkelen regel meer of minder niet aankomt.

Een enkel woord over de geestelijke poëzie. Deze deinst niet terug voor liet gebruik van oudheidensche namen, b. v. voor de Voorzienigheid, voor het Paradijs, het oord der zaligen Doch met deze oude klanken zijn dan gansch nieuwe voorstellingen verbonden. De dichter der Exeterspreuken durft zelfs Gods hemel als sigefolca gesetu aanduiden; er is echter veel kans op, dat hij deze oude formule niet meer begreep. Immers leefden veel oude woorden en zegswijzen in de poëzie voort zonder recht meer verstaan te worden; geen wonder dat wij er soms ook geen raad mede weten! Zóó innig is de samenstelling van het kristelijke en germaansche element, dat bijbelsche toestanden en personen op de naïefste wijze gegermanizeerd worden. Christus is een aardsch vorst, zijn apostelen zijn dappere legeraanvoerders die op het slagveld roem behaalden, God zelf heet een edeling. Ook de duivel is een eorl, een held, die zich echter alleen wat in acht moet nemen tegen groote heiligen. Wil hij, na de nederlaag zijner helsche dienaren, in eigen persoon Andreas te lijf, dan raden zijn trouwe strijdknechten hem sterk af zijn eigen leven te gaan wagen. Dit wereldsche element in de geestelijke poëzie geeft de dorste vertaling kiemen leven. Leest in de grootsche jezuïetenuitgave, de eerbiedwaardige Acta Sanctorum, het lieflijke leven van den heiligen Güthlac en legt daarnaast het onverkwikkelijke ags. stafrijmwerk, dat van den Latijnsciien tekst al het bekoorlijke weglaat en zich in de gruwelijkste verveling uitput. Maar aan het slot wordt alles eensklaps anders. Güthlac is dood. In stomme smart ligt zijn dienaar bij het stoffelijk overschot des kluizenaars neergebogen. Eindelijk rijst hij op om den laatsten last van zijn heer te gaan volbrengen. Met meesterhand teekent nu die dorre

ocr page 17

13

rijmelaar van daar straks de situatie; hartroerend is de aanzegging van Güthlacs dood aan zijn eenige zuster, De arme heremiet wordt nu beschreid als een »schatgeverquot;, een door het noodlot weggerukte vorst. Zijn dienaar jammert, alsof hij door dat verlies plotseling broodeloos geworden is en, als zwerver, een leven vol kommer en gebrek te gemoet gaat. Ziehier een ouvervalscht stuk Oudgermaansch sentiment, dat een waardevol einde vormt van een overigens waardeloos gedicht. Pectus quod poetam facit!

Dat gemoed, dien innigeu toon, missen wij, waar we ver-wachten zouden dat de bronwel des gevoels het rijkelijkst vloeien zou: in de geestelijke lyriek. Althans de statige en verheven hymnencyclus ter eere van Christus en de Hemelkoningin gedicht, bevredigt mij niet ten volle. Natuurlijk eisch ik niet den mystieken gloed van sommige juweeltjes der mni, poëzie, waar deze »de stille paden van het religieuze gemoedsleven betreedtquot;; maar er had toch oneindig meer gegeven kunnen worden dan ons wordt aangeboden, In 't algemeen heeft de kerkelijke poëzie iets kils en staat verre achter bij de wereldsche. Waar Kynewulf in zijne vertolkingen van heiligenlevens de voorbede des lezers inroept ten bate zijner ziel, komt hij telkenreize met zijn lievelingsthema voor den dag en schildert met schrille kleuren de verschrikkingen van den jongsten dag, als de bazuin zich doet hooren en allen voor Godes rechterstoel roept; als de gansche wereld door vuur zal ondergaan. Vrees voor de hel, vrees voor Gods vonnis, geen godvreezend-heid in onzen zin kenmerkt dan den dichter. Ziedaar nog het standpunt van den pasbekeerden Germaan, toen hij het woord godsvrucht schiep. Veel lieflijker zijn de kleine lyrische stukken van wereldschen inhoud, jammerklachten over ondervonden leed en rampen, over de verganklijkheid van aardsch geluk. Dan richt zich het oog naar boven, naar het hemelsche vaderland; dan zoekt de zwerveling op de onstuimige baren der

ocr page 18

14

levenszee de eenige veilige haveu, »den schoot des Vadersquot; als het heet. Die sombere toon, geheel iu overeeustemiuiug met de onrust der tijden, kenmerkt de ags. lyriek, waar ze op eigen wieken drijft; zoo is de elegie feitelijk haar eenige kunstvorm eu merry old England houdt zich schuil! Natuurscldlderingeu zijn kwistig aangebracht, doch gemeenlijk beperkt tot de stormen en het ruwe weder op zee, de woeste baren tegen de klippen aanbruischende, het gekrijsch der zeevogels en wat dies meer zij. Op zich zelf staat het gedicht, dat de ruïnen eener verwoeste stad beschrijft en zelf als ruïne in deerniswaarden staat tot ons gekomen is, het gewrocht eener gerijpte kunst. Wie er de dichter van was? Ja, vraagt eens naar namen in deze literatuur van anonymi!

De lyriek verloochent haar oorsprong nergens: haar stijl is episch, haar metrum episch, een strofische vorm ontbreekt. Dat metrum is de eenvoud zelf: met maar een vijftal van tweevoetige vershelften behelpt zich de dichter. Welk een armoede vergeleken bij onzen rijkdom! Dat zou men meeneu, maar de moderne Croesus is hier de mindere — verreweg. Bij ons beslissen de eerste regels alles. Overwinter met Tollens op Nova Zembla en van A tot Z strompelt gij voort over neobataaf-sche alexandrijnen. Welk een variatie van metra in ïenjérs Frithiofsaga! maar de vorm van elk lied wordt door de eerste strofe bepaald. Daarentegen wisselen in een ogm. gedicht de vershelften onophoudelijk ; en de combinatie der vijf verstypen geeft een vijfentwintigtal verssoorten, die dooreen worden gebruikt en wier keuze afhangt van den stijl. Zulk een vers zwelt aan en neemt af, of omgekeerd; de tweede vershelft verschilt meest in vorm van den eersten; en dat spel van rijzen en dalen, dat crescendo en decrescendo, liefst met een sforzando midden in den regel bij het halt! der caesuur, die rhythmische veeltonigheid vormde een geheel waarmede een geoefend declamator een overweldigenden indruk kon maken. Een declama-

ocr page 19

15

tor, xeg ik; mag ik zeggen: een zanger? Neen, antwoordt men. Het og. vers was ongeschikt voor den zang. De (d. i. onze) muziek kent en gedoogt alleen maten van volstrekt gelijken tijdsduur: en de voeten der og. vershelften zijn niet altoos gelijk, staan dan tot elkander als twee moren tot minstens vijf. Hoe is bij die eeuwige afwisseling een melodie denkbaar? Maar laten we alvorens verder te gaan even Beda het woord geven om ons het wonder te verhalen dat plaats had met Caedmon. Deze op lateren leeftijd zoo beroemde dichter kon in zijn jonge jaren zingen noch verzen maken; en zoo vaak hij bij een feest de harp zag naderen en op zijne beurt iets ten beste moest geven, sloop hij stil weg en ging zijn nederig werk verrichten. Toen hij bij een dergelijke gelegenheid heenging en bij het aan zijn hoede toevertrouwde vee in slaap gevallen was, zag hij in den droom een man voor zich staan, die hem toeriep: »Caedmon, zing me iets!quot; Hij antwoordde: »ik kan niet zingen en juist daarom ben ik van tafel opgestaan.quot; — »Tochquot;, zeide de ander, »hebt gij te zingen.quot; »Watquot;, vroeg Caedmon, »moet ik dan zingen?quot; En nu komt er iets geheel anders dan wat laetitiae causa by aangeschoten dischgenooten in den smaak zou vallen: »zing van de schepping der wereld.quot; En terstond begon hij, de ongeletterde, in verzen die hij nooit gehoord had, den Schepper te loven. — Tot welke gevolgtrekkingen geeft ons deze anecdote recht? Canere en cantare zijn, evenals carmen, dubbelzinnige woorden. Wat bedoelt nu Beda met dat zingent Reciteeren? maar kon Caedmon dan aan tafel niet met een bloempje uit een andermans hof aankomen ? De geestigheden die per vinum den modernen tafelkout kruiden, zijn toch gemeenlijk het maaksel der geestige gasten zelve niet. Waren dan voornoemde pretmakers wèl zulke origineelen ? Ongetwijfeld hebben we hier te doen met gepeperde mopjes of spotliederen, wier wufte inhoud den ernstigen maat weinig aanstond Een droomgezicht gaf den

ocr page 20

16

stoot en Caedraons gave openbaarde zich in een kort geestelijk lied, dat (wonder hoven wonder!) overig is. Zijn nu deze uegen regels niet gezongen, lioe stond het dan met die tafelliedjes der drinkebroers? Want in Beda's passage het woord cantare eerst in eigenlijken dan in oneigenlijken zin op te vatten, dus: op een »ik kan niet zingenquot; te laten volgen »en terstond hegon hij, die vroeger nooit gezongen had, eigen verzen voor te dragenquot; zulk een interpretatie is bedenkelijk. Neen, of de tafelliedjes zoowel als het gedroomde negental zijn gezongen, öf geeu van beide. Tot nog toe reserveerde men die mopjes voor den zang: hun dartele inhoud zou niet gedoogd hebben dat ze werden opgeteekend. Maar waarom zijn dan zekere overdartele raadsels wèl opgeteekend ? »De onderaard-sche stroom des gezangsquot;, heet het elders, »komt eerst later boven en openbaart zich dan in het volkslied met vier heffingen.quot; Dit is althans iets. Over onderaardsche stroomen valt licht te theoretizeeren: men ziet ze niet. Met dit al blijft men staan voor het fatale dilemma, dat heel toevallig geen enkel zingbaar (ik zeg niet gezongen) vers is gespaard; en we hebben toch een kleine dertig duizend (29541) ags. verzen; ofwel dat er gedurende het interregnum van het vijftypenstelsel in bet geheel niet gezongen is. De beweerde onzingbaarheid van het og. vers berust uitsluitend op onze moderne muziek, op ons oor. Dat er nog andere ooren bestaan hebben, bewijzen de Grieksche liederen. Niemand neemt aan dat de Grieken hun jambische verzen behandelden als trochaeën met een voorslag, gelijk onze componisten onze jamben bederven, Rameau zegt ergens dat men alles op muziek kan brengen, zelfs een Hollandsche courant. Zeker! zeker! waarom ook niet Rameau's geboorteakte? dus ook een ogm. vors? maar dan vermoorden wij het metrum. Doch kan er voorheen geen vrijere rhythmus bestaan hebben, waarvan wij geen recht begrip meer hebben? Hierop antwoord ik boudweg credo quamvis ahsurdum — aurihus

ocr page 21

17

nostris. En alleen het strofische bezwaar laat ik voorloopig geldeu.

Maar genoeg over singen und sagen. Een enkel woord over de beeldspraak. Bij de eerste kennismaking voldoet ze zelden aan onzen smaak. Zoo bevreemdt ons de omscbriiving van het lichaam als heendervat, heender zaal, heenderJcarner, beenderhuis, zielehuis, levenshuis. De zon als het juweel des hemels mag ons bekoren, maar het oog als het juweel van het hoofd vinden we gezocht. Het schip als zeehout klinkt plat, maar is, voorgesteld als een zeeros, een zeehengst of als een vogel, den hals met schuim bedekt over de baren glijdend, van verrukkelijke plasticiteit. En dau de zee, de zee! Een schat vau namen en omschrijvingen zijn haar gewijd. Wij, ook een zeevolk, kunnen veel woordelijk of wat vrijer overnemen: het zilte nat, het pekel, de vale vloed, het golfgemengel, de strijd der haren, het ruime sop zijn Hollandsch genoeg; maar de walvischweg, de zeilweg, het had van den visch of den zeehond zullen een hedendaagsch vertolker stroef uit de pen vloeien. De toomelooze zucht om beeld op beeld te stapelen, de herzeggiugswoede, die tot een parallelisme leidt dat van geen ophouden weet, kenmerken een stijl die nooit haast maakt, nergens gejaagd is, maar rustig voortkabbelt. De verhaaltrant is daarmede in volmaakte harmonie. Beowulf is in levensgevaar: de vuurspuwende draak nadert den held. Op dit kritieke oogen-blik komt Wiglaf zijn heer te hulp. Zonder dralen? Och kom ! de dichter heeft allen tijd, dus Wiglaf ook. Eerst somt hij de weldaden op, van zijn heer ontvangen; dan trekt hij het zwaard — en bouwt er op los? Dat is van later zorg. We dienen toch eerst te weten, hoe hij aan dat wapen gekomen is en wien het voorheen toebehoorde. Daarop verklaart hij dat het schandelijk wezen zou het lot van zulk een heer niet te deelen en doet plechtig een gelofte om met Beowulf te sterven of te overwinnen ; en ten slotte — neen ! nog even een kernachtig woord tot den grijzen held om den moed niet te verliezen en zijn ouden roem gedachtig te zijn; en eindelijk en

ocr page 22

18

ten langen leste, dat is na een goede zestig regels, stormt Wiglaf er op los. Opmerkelijk blijft liet, dat, terwijl de dichter ons telkens afleidt en ophoudt, en uitmunt in het aanbrengen van episodes en het schilderen van allerlei tooueelen, een rustig uitgewerkte vergelijking met een natuurtafereel in den trant van Homerus nergens voorkomt: dit onderscheidt het ags. epos van het Grieksche. Wel ontbreken vergelijkingeD evenmin als tegenstellingen; maar ze betreffen menschelijke toestanden of karakters. Zoo volgt op de vermelding van Haethcyns noodlottig pijlschot, dat zijn broeder het leven kostte en zijn vader van verdriet deed sterven, de roerende jammerklacht van den eenzamen oude die zijn zoon aan de galg ziet hangen en zijn harteleed uitstort, klagend dat hij hem geen hulp kan bieden! Soms zijn die overgangen zóó abrupt, dat men het de Hoogere Critiek vergeven kan, wanneer zij van hare ontevredenheid handtastelijk blijk geeft. Wie in spanning verkeert naar den afloop, mist dergelijke uitweidingen gaarne. Toch rekent de dichter op onze voortdurende belangstelling in allerlei bijzaken en bijzaken van bijzaken; zelf neemt hij hartelijk deel in het lot, het doen en laten van zijn helden. Hij laakt zelfs of prijst: op een wakkere daad volgt dan: „zóó moet een man doen!quot; Ook moralisatiën onthoudt hij ons niet. Voor een betamelijken toon wordt angstvallig zorg gedragen, een hoofsche étiquette streng in acht genomen. Bij drinkgelagen gaat het betamelijk toe, en dronken beteekent, evenals in den Hêleand, „gemonteerd, door wijn opgewektquot;. Dat het in het burgerlijk leven anders gesteld was, weten we maar al te goed: de zedespreuken waarschuwen herhaaldelijk tegen dronkenschap als leidende tot twist en doodslag. Maar de Angelsaksen hadden het stellig niet zóó ver gebracht als de oude üithmarschers, die als ze bruiloft gingen houden , nooit verzuimden hun doodshemd op weg mee te nemen ; een wijze voorzorg: men wist wel dat men beelshuids en in gezonden lijve zijn huis verliet, maar nooit in welken toestand

ocr page 23

19

men van het feest scheiden zou. Tn den Beowulf worden genoeg bekers geledigd, maar zonder betreurenswaardige gevolgen. Men zit gewapend aan , doch het kostbare zwaard dient slechts tot sieraad. De tafelvreugde wordt verhoogd door 's konings zanger, die de heroïsche daden van het voorgeslacht verb eerlij kt; de gesprekken loopen over heldenstukken. Ook de kerkelijke poëzie verloochent nergens den krijgshaftigen aard vau den Germaan. De dorre vertaler der Genesis raakt eensklaps uit zijn stafrijm-dommel, als Abrahams veldtocht tot bevrijding van Loth aan de orde is. Dan schildert die vrome penner een echt oudger-maanschen veldslag vol vuur en leven; wij gevoelen het: zijn cel wordt hem te eng en hoe gaarne zou hij niet de schrijfstift met het zwaard verwisseld hebben, als hij den aartsvader had kunnen bijstaan! Bitter verlegen is de geniale dichter der Exodus met het vluchtende volk Gods, waarvoor hij toch do hoogste sympathie moet hebben en opwekken. Hij redt er zich handig uit. Hoort hoe. Doodelijk ontsteld brengen de stammen Israëls den nacht al wakende door, in zwarte kleederen gehuld. Het Egyptische leger is genaderd. Daar gebiedt de heraut stilte bij het krieken des daags. En Mozes zegt: „vreest geen doode krijgers! verwacht uw heil van den eeuwigen God; uwe oogen zullen een geweldig wonder aanschouwenquot;. Daar rijzen de golven der Roode Zee „tot der wolkeu dakquot;; droog zijn de wegen, die geen menschelijke voet te voren betrad. Juda's stam gaat voor met een gouden leeuw als symbool vau moed. „Aan de spits was strijd, dapper handgevecht, bloedige wonden, ver-gruizelde helmen, aanstormende krijgsbendenquot;. Aan de spits? Maar daar lachte hun het land der vrijheid toe en de vijand zat huu juist op de hielen. Met wien streed Juda dan toch? Och, vraag dat niet, moderne lezer, maar lees! en geniet de heerlijke beschrijving van den doortocht. Bedenk wel: die vlucht, hoe schandelijk ook elke vlucht voor den Oudgermaan mocht zijn, geschiedde op Gods bevel, moest wel verheerlykt

ocr page 24

20

worden, eu de verzonnen strijd der voorhoede verhief de vluchtelingen tot helden. De toorn des dichters treft alleen het heidensche leger. De zee dreigt met dood en verderf, bloed brakende; het angstgeschrei der Egyptenaren klinkt over de golven; van alle kanten grimmig aanrollende stortzeeën; de terugtocht afgesneden door den bruischenden vloed, de storm hoog opstekend, de hemel verduisterd, de legerdrommen vast-gekneld iu de klauwen des doods, de azuren lucht met bloed vermengd, de woeste bareu dreigende met schrikwekkend gebulder, — totdat Mozes zijne hand uitstrekt. En de „watertorensquot; ploffen neer, der golven wal breekt en gansch het leger der verdrukkers komt in zee om — daar bleef niet één overig. Strijd en nogmaals strijd , dat is het lievelingsthema der epische poëzie, hetzij gij den Beowulf neemt of de Judith of die Exodus of wel den Byrhtnóth, den laatsten snik der Angelsaksische Muze, waarbij men ten volle beseft dat de doodsklok luidende is over de afgeleefde dichtsoort met haar gebrekkig geworden stafrijm en uitgediend metrum.

Gelukkig is de Engelsche filoloog met zijn letterkunde, die reeds op 't laatst der zevende eeuw aanvangt, dus eerder dan eenige Germaansche. En wij — wat ouds rest ons? Helaas, een jammerklacht kan niet uitblijven: ivij zijn maar geuzen! de bedelnap zij ons blazoen! Aau het letterkundig gastmaal van gezegender volken moeten wij als echte tafelschuimers aanzitten om ons een denkbeeld te vormen, hoe ook hier te lande eens gezongen is. Of was in het drassige Holland alleen de kikvorsch aan het woord? heeft in het zangrijke Vlaanderen wèl de leeuwerik gejubeld, de nachtegaal gekweeld, en zong er het gansche vooglen-heir, alleen de mensch niet? Daar ginds over het Kanaal is het al zingen en zang dat u treft. Want alles zingt en alle schepsel zingt en ook het onbezielde wordt als zingend gedacht. Dat is maar beeldspraak, leeraart men. Maar toch een beeld dat spreekt! tiet door 't staal getrollen harnas zingt, het zwaard zingt suizend

ocr page 25

21

boven den helm dien het klieven gaat, bazuinen en horens zingen evengoed als de krassende raaf, de krijschende meeuw en de lijkenschennende adelaar — zij allen zingen. In de huiveringwekkende eenzaamheid der woestijn zingen de vraatzuchtige wolven om den ontstelden Joodschen vluchteling »een akelig avondliedquot;. De veege strijder hefteen sterflied aau, een treurzang. Van het helsche ondier, welks klauw door Beowulfs ijzeren vuist omkneld wordt, klinkt een »schriklied, een zegelooze zangquot;. De rampzalige in den Andreas die als ofier vallen moet tot verzadiging der menscheneters, zingt erbarmelijk om genade. Zelfs Satan jammert al zingende, als de heilige Juliane hem haar overmacht gevoelen doet. En zou, terwijl het daar ginds niets dan zingen is, in deze lage landen aan de goddelyk schoone zee geen Oudfrankisch lied weerklonken hebben ? Van de Vriezen is gezegd: Frisia ratiocinatur, non cantat; maar zij hebben althans één dichternaam — wij niets! Er ontbreken geen sporen van Oudnederlandsche sagen, en zou men dan hier met dichterlijke stomheid geslagen zijn geweest? Wat baat het recept van den spotvogel Voltaire om de letters van het alfabet zóó lang dooreen te schudden, totdat het verlorene en terugverlangde lied weer te voorschijn komt! üe uitgetogen Franken zongen; hadden dan de hier achtergeblevenen geen zingensstof? Maar ofschoon het noodlot ons dit geestelijk voorvaderlijk goed onthouden heeft, toch profeteeren wij als zieners met den blik achterwaarts gericht, dat er een Oudnederlandsche letterkunde moet bestaan hebben. Voor hare laatste periode bewijst dit onwederlegbaar het mnl. metrum, dat één is met de fijne maat van het mhd. heldendicht. Doch de plompe, uitgezette voeten der Dietsche Muze pasten niet meer in het nauwe schoeisel, dat haar eens zoo bekoorlijk moet gestaan hebben in haar fleurige jeugd. En omgerijmd ware de onderstelling dat het onl. metrum en lied verschild zouden hebben van het algemeen Oudgermaan-sche. Verder gaan dan zekere vormbepaling kunnen wij niet: de

ocr page 26

22

inhoud blijft ons verborgen. Naar het hoe is te gissen, niet naar het ivat. De literator mist de machtige hulpmiddelen van den linguist, die meest in staat is uit het hedendaagsche bet oude, het verlorene te reconstrueeren. Oudnederlandsche teksten zijn er niet; toch herscheppen we de woorden en taalvormen van den grijzen voortijd. Het jonge woord blazen we een oud leven in, bij wijze van verjongingskuur; want op dit gebied is het oude jong, en het jonge, bet moderne oud en afgeleefd. Door strikte toepassing van onwrikbare taalwetten hervinden wij, onverpoosd terugschrijdend, de gemeenschappelijke taal van alle Germanen en Indogermanen. Geen taalmonumenten uit die tijden lichten ons voor; toch blijft ons zelfs het accent niet verborgen. Zoo hebben ook wij onze Röntgenstralen, beelden vormende in de zwartste duisternis. En verder en verder blijft men doordringen en zelfs in de elementairste handboeken zijn nog oudere, ur-indogermaansche vormen geen zeldzaamheden meer. Zoo gaat het voort aldoor rugwaarts langs bypothetischen en toch zekeren weg — totdat eens, maar wanneer ? een dichte nevel bet verder zien en verder gaan voor goed beletten zal. Er moet toch te eeniger tijd een grens blijken te zijn , maar er is geen einde. Want waar zich de top in zwarte wolken blijft hullen , rest ons toch het eeuwig groenende veld der vlakte, waar de arbeider nooit heeft afgedaan en de studie eindeloos is.

Hora fugit! de tijd verstrijkt, alles vloeit. De letterkundige ontwikkeling staat nooit stil; waarom, is duidelijk genoeg. Docb vanwaar die rustelooze verandering van ons onontbeerlijk denk- en verkeermiddel, dat juist in waarde wint, naar gelang bet bestendiger is en algemeener? In 't kort gezegd: de taal verandert, doordat roij veranderen. Elk oogenblik sterft er van ons een deel. De grijsaard is zich niet bewust anders te spreken dan hij deed in zyn jeugd: toch spreekt ook hij anders. Maar de wijzigingen van zijn gemoeds- en geestesleven ontgaan hem

ocr page 27

23

niet: het heugt hem best, hoe gatisch verschillend hij oordeelde en voelde als kind, als jongeling en als man. Toch zijn ei-roerselen des harten, hoogere gevoelens, wier onvergankelijkheid in ons binnenste tot zoeten troost strekt. Laat mij op dezen dag slechts deze noemen. In de eerste plaats onze heilige liefde voor het Vaderland; en wij benijden ze niet, de geavanceerde snorkers en verworden individu's, die dat verheven gevoel miskennen en hoonen. Eén met ons geboorteland in voorspoed en nood was en is en blijft ons geliefd Oranjehuis. Geen indrukwekkende plechtigheid heeft daar boven in onze Senaatskamer plaats, of ons oog valt vanzelf op bet portret van den grooten Zwijger, dat daar te midden der felste partijwoelingen hangen bleef, veilig binnen de muren zijner stichting. En zou. Mijne Heeren Studenten, ooit Uw harteklop verflauwen voor Uwe Alma Mater? Met opzet richt ik tot U dit mijn laatste woord: bet is geene ijdele fraze, wanneer men u heet hope des vaderlands. Wat Nederland worden zal, hangt in de eerste plaats van U af. Wij ouderen zijn de gaanden, Gij zijt de komenden. Hier rust Gij U toe met de geestelijke kracht om na Uw vertrek warm deel te nemen aan den strijd des levens. Van U kan uitgaan een onwederstaanbare drang ten goede, maar helaas ook een diabolische kracht om onrust te verwekken en kwaad te stichten , niets dan kwaad. Het machtige wapen onzea tijds is het woord, het woord dat doodt, waar het zwaard slechts wondt. Bij elkeu maatschappelijken ommekeer viel op te merken: in den beginne was bet woord, en het woord is daad geworden. Mogen dan Uwe woorden steeds de uitdrukking zijn der hoogidealistische gezindheid die Uwe daden bestuurt! Dit vurig hopend, eindig ik met uitte roepen: Heil het Vaderland ! Leve de Koningin, wier kroniugsjaar, in vollen luister ingegaan, ten voorbode strekke eener glansrijke en langdurige regeering! En groeie en bloeie Neerlands eerste Universiteit tot in alle eeuwen !

IK HKB GtZüQD.

ocr page 28

mÈ

■

. .

-

■■■-■■■■

^ ■ • ,. • . ......;, , ^

:

, ., */quot; gt;'- .'quot;^ v ?ftsamp;

1

■

'J 1

'i ■ 5 ■ ■ ■ ■ ■ ...... . . .

...

'

$1 m ......

■

'

P|jf$»)r.Vquot; ' ,i, r.^h't = jMkt

■■■'■' mi

■ ■ . • ■ ■ ■ .-■•.....•.

............-m-' ■ ■-■— ^

• \IT» jwvm i*'?' - ■ ■

i ■ ...

■

quot;....... —........-......-.....-.....-.....-

V.

ocr page 29

■ ■ -iv

ocr page 30

■■ ' '■ --

' '

...... • ■ • ■

-....... •

■.......... .....

.

■

:

ocr page 31
ocr page 32