ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Socistas Studiosorum Reformatorum aWe'«ri L'trecht

Geschenk

uit de nalatenschap ^

van

Prof. Dr. F. C. GERRGTSON 1884 -

1930-1958 Erelid der vereniging

/

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

•v

1//0

I

DEBET EN CREDIT.

ROMAN IN ZES BOEKEN

3

. H

^ ■4,:

\

gt;3T A FREYTAG.

t

AAR HET HOOGDUITSCH,

\

^ \Dji. J. C. VAN DEVENTER.

VIERDE DRUK.

EERSTE DEEL.

ROTTERDAM,

X3. 33 O Ij IJ 33.

I

ocr page 8

Snelpersdruk — M. C. BronsveUl — Wageningen.

ocr page 9

DEBET EN CREDIT.

——^r-gt; -1^.

KKRSTK HOEK.

I.

Ostrau is een kleine stad aan de Oder, tot diep in Polen wijd vermaard om zijn gymnasium en zijn zoete peperkoeken, die daar nof«-met een overvloed van onvervalschten honig gebakken worden. Iti deze oudvaderlijke plaats woonde voor een reeks van jaren de landsontvanger Wohlfart, die met zijn koning dweepte, zijn medemenschen — met uitzondeiing van twee deugnieten in Ostrau en een lompen kousenmaker — hartelijk lief had, en in zijn moeijelijke ambtsbezigheden veel aanleiding vond voor stille vreugde en nederigen hoogmoed. Hij was laat getrouwd, bewoonde met zijn vrouw een net huisje, en hield zelf den kleinen tuin in orde. Ongelukkig bleef deze echt lange jaren ongezegend. Eindelijk gebeurde het dat de vrouw des ontvangers haar wit katoenen bedgordijnen met een breede franje en twee dikke kwasten versierde en met de hoogste goedkeuring van al haar vriendinnen voor eenige weken daarachter verdween : juist nadat zij de laatste plooi gladgestreken en zich overtuigd had, dat het gordijn onberispelijk wit was. Achter die frissche gordijnen werd de held dezer geschiedenis geboren.

Anton was een goed kind, dat in de oogen zijner moeder met zijn eerste levensuur reeds de zeldzaamste eigenschappen aan den dag lei. Onverhinderd dat hij langen tijd er niet toe komen kon de spijzen met het holle van den lepel te nemen, maar er halsstarrig bij bleef dat de steel daartoe veel beter geschikt was; onverminderd dat hij een zeer DEBliT KN CRIiUIÏ I. 1

ocr page 10

2

onverklaarbare voorliefde toonde voor den kwast op het zwarte kalotje van zijn vader, en liet kapje met behulp van het kindermeisje dagelijks in stilte zijn vader van het hoofd aftiam en luid lachende weer opzette, toonde hij ook bij andere gelegenheden een zeer buitengewoon kind te zijn, zooals er nooit een was geweest. Hij was 's avonds, moeijelijk naar bed te krijgen en smeekte, als de avondklok luidde, dikwijls met opgeheven handjes dat men hem nog wat zou laten rondloopen. Hij kon uren lang voor zijn prentenboek zitten en met de roode klokhen op de laatste bladzijde een gesprek voeren, waarin hij haar herhaaldelijk zijn liefde betuigde en haar dringend bad zich toch niet aan haar kleine familie te onttrekken om door de keukenmeid gebraden te worden. Hij liep soms midden onder een kinderspel uit den kring, en zette zich ernstig in een hoek neder om te denken. In den regel was het resultaat van dit nadenken dat hij voor zijn ouders ot kameraads iets opzocht, dat, naar hij onderstelde, hun aangenaam zou zijn. Zijn grootste genoegen echter was tegenover zijn vader te zitten, de kleine beentjes te kruisen, zooals zijn vader deed, en uit een rietpijp te roo-ken, gelijk zijn vader gewoon was uit een werkelijke pijp te doen. Dan liet hij 'zich allerlei dingen door zijn vader vertellen, of dischte zijn eigen verhalen op; en dit deed hij, naar de eenparige verklaring van de geheele vrouwenwereld te Ostrau, met zoo groote deftigheid en ernst dat hij, met uitzondering van twee onschuldige blauwe oogen en zijn blozend kindergezichtje, er uitzag als een minister van Staat. Ondeugend was hij zoo zelden, dat een gedeelte van het vrouwelijk Ostrau, een sombere levensbeschouwing toegedaan, lang twijfelde of zoo een kind wel groot kon worden; totdat Anton eindelijk eens den zoon van den burgemeester midden op straat afranselde eu door dit schelmstuk zijn kansen op het Hemelrijk op een voor hem zeer geruststellende wijze de glazen insloeg. Kortom hij was geen gewone jongen, evenmin als ooit het éénig kind van zeer gevoelige ouders 'zulks was. Ook op de burgerschool, en later op het gymnasium, werd hij een voorbeeld voor anderen en een eer voor zijn familie; en daar de teekenrneester beweerde dat Anton schilder moest worden, en de praeceptor den vader aanried hem in de letteren te laten studeeren, zou de knaap, tengevolge van zijn bijzonder gunstigen aanleg voor vele vakken, waarschijnlijk in de gewone kwaal van uitstekende kinderen zijn vervallen, van namelijk geen enkel ding met ernst ter hand te nemen, zoo niet een toeval zijn beroep had bepaald.

Met ieder kerstfeest werd door de post een kist aan het huis des ontvangers besteld, waarin een suikerbrood van de fijnste kwaliteit en een baaltje koffie waren. Gewone suiker liet de heer des huizes door zijn vrouw klein maken; dit brood echter sloeg hij met groote krachtsinspanning en veel plechtigheid zelf stuk, en verheugde zich over de vierkante klompen die zijn kunst wist te vormen, üe koffie werd door zijn vrouw zelve gebrand, en zeer streelend was het gevoel van eigenwaarde, waarmede de waardige burger den eersten kop van die koffie opslurpte. Dat waren oogenblikken waarin een poëtische damp, die zoo dikwijls door het jeugdig gemoed der kinderen trekt, het geheele huis vervulde. De vader mocht dan zijn zoon gaarne de geschiedenis van de bezending vertellen. Lange jaren geleden had de ontvanger onder een hoop bestoven aktenstukken, die door de rechtbanken en de mensch-heid reeds waren opgegeven, een papier gevonden, waarin een groot

ocr page 11

3

grondbezitter uit Posen verklaarde aan een bekende firma in de hoofdstad, verschelden duizenden guldens schuldig te zijn. Klaarblijkelijk was de schuldbekentenis in tijden van oorlog en verwarring onder eenige verkeerde stukken gelegd. Hij had zijn vonst te behoorlijker plaatse bekend gemaakt, en het handelshuis werd daardoor in staat gesteld een wanhopend proces tegen de erven van den schuldenaar te winnen. Daarop had het jonge hoofd van de firma belangstellend naar don vinder van het belangrijk bewijsstuk onderzoek gedaan en hem een zeer vriendelijken brief geschreven; de ontvanger echter had, geheel overeenkomstig zijn karakter, allen dank van de hand gewezen, daar hij niets had gedaan dan zijn plicht vervullen. Sints dien tijd kwam met iedere kerstmis de bezending met een korten, hartelijken brief er bij, en werd telken reize per omgaande post met een pronkstuk van schoon-schrijverij door den ontvanger beantwoord, waarin deze alle Jaren, zonder te missen, zijn verbazing te kennen gaf over de onverwachte bezending en aan de lirma veel heil en zegen wenschte met het nieuwe jaar. Zelfs tegenover zijne vrouw behandelde de heer Wohlfart dat kerstgeschenk als een toeval, een kleinigheid een niets, dat van de luimen afhing van den een of anderen klerk der firma T. O. Schröter, en ieder jaar protesteerde hij heftig als zijn vrouw de af te wachten kist bij haar begrooting van het huishouden in rekening bracht. Maar in 't geheim hing zijn ziel aan die bezendingen:'t waren niet de ponden kandij of cuba, het was de poëzie van deze gemoedelijke betrekking tot een hem geheel vreemde wereld, die hem zoo gelukkig maakte. Hij bewaarde al de brieven der firma met groote zorg, evenals de drie minnebrieven van zijn vrouw, en bond ze zelfs met het eerwaardigste dat hij kende, met een draad van zwarte en witte zijde, vast. 1 Jij werd een kenner van koloniale waren, een beoordeelaar, wiens smaak door de kooplieden in Ostrau zeer hoog aangeslagen werd. Hij kon niet nalaten de beetwortelsuiker en de braziliaansche koffie als ondergeschikte voortbrengselen der schepping met een bepaalde minachting te behandelen. Hij begon in de zaken van den groothandel belang te stellen en las in de couranten ijverig de marktprijzen van de suiker en de koffie na, die met wonderlijke, voor den niet ingewijde geheel onverstaanbare opmerkingen, achteraan na de staatkundige berichten gesteld zijn; ja, in zijn geest speculeerde liij als compagnon van zijn vriend, den grooten koopman, mee. Hij ergerde zich als de koffie volgens de couranten flauw was, en was blij, wanneer de suiker als willig genoteerd stond.

Dit was een schijnbaar onbeduidende, zwakke band, die de huishouding van den ontvanger met het drukke leven van de groote wereld samenknoopte, en toch werd die band voor Anton een leiddraad, waardoor zijn geheele leven een vaste richting kreeg. Wanneer de oude heer s avonds in den tuin zat, het fluweelen kapje op het grijze haar en de pijp in den mond, dan wijdde hij gaarne met een soort van stil verlangen uit over de voordeelen eener zaak, die overvloed van de heerlijkste voortbrengselen opleverde, en dan vroeg hij zijn zoon wel eens lachende, of hij ook lust had om koopman te worden. En voor den geest van den knaap schoot plotseling, als voor liet kijkglas van een kaleidoskoop, een heerlijk beeld, bestaande uit groote suikerbrooden, uit rozijnen en amandelen en gouden sina's appelen, uit een vriendelijk lachje van zijn ouders en uit geheel de geheimzinnige verrukking welke de aankomst van de kist hem zeiven telkens had veroorzaakt; totdat

ocr page 12

4

hij opgewonden uitriep: «O ja, vader, ja, dat wil ik.» — Men zegge tocli niet dat ons leven arm is aan poëtische indrukken. Nog steeds en overal beheerscht de toovenares Poëzie de handelingen der menschen-kinderen. Doch een ieder geve wel acht, welke droomerijen hij in 't binnenste van zijn ziel koestert, want als zij eens groot geworden zijn. worden zij licht zijn gebiedsters, strenge gebiedsters!

' Zoo leefde de familie menig jaar stil voort. Anton groeide op en liep met zijn boekentas alle klassen van het gymnasium door tot in de irotsche rectorschool. Wanneer zijn moeder haar man verzocht omtrent Antons bestemming een besluit te nemen, antwoordde hij met een zegevierenden blik : «Het besluit is genomen; hij wil immers koopman worden? Eerst moet hij met het gymnasium klaar zijn, dan staat de giiheele wereld voor hem open.» En dan deed de ontvanger, alsof het promoveeren van het gymnasium een sleutel was tot allle eereposten van de wereld. In 't geheim echter was hij een weinig bevreesd de verwezenlijking van den familiedroom te verhaasten.

Intusschen kwam er een sombere dag, waarop de blinden van het huis lang gesloten bleven, het dienstmeisje met rood bekreten oogen trap op, trap af liep, de dokter kwam en liet hoofd bedenkelijk schudde en de oude heer aan het bed zijner vrouw het zwarte kapje in zijn gevouwen handen hield, terwijl de zoon snikkende op de knieën bij het bed lag en zijn krullebol op het dek lei, welken de hand van de stervende moeder nog poogde te streelen. Drie dagen na dien morgen werd de vrouw van den ontvanger begraven en de oude heer en Anton zaten 's avonds na de begrafenis bleek en treurig tegenover elkan-der. Anton sloop van tijd tot tijd achter de doornbeziën om daar in stilte uit te weenen, en de oude heer stond telkens van zijn stoel op en ging naar de slaapkamer, waar de witte gordijnen met de beide kwasten hingen, en weende ook. De knaap kreeg na lang schreijen zijn roode wangen terug, maar de oude heer kwam nooit weer recht op zijn verhaal. Hij klaagde nergens over, hij rookte zijn pijp als altijd, hij ergerde zich nog steeds, als de koffie «Hauw» was, maar het was niet langer het ware rocken, de ware ergernis. Dikwijls staarde hij in gedachten en treurig zijn zoon aan, en de jonge knaap kon niet raden wat den vader zoo bezorgd maakte. Toen echter op een zaterdagavond de vader zijn zoon weer had gevraagd, of hij nog koopman wilde worden, en Anton voor de honderdste maal had verzekerd dat hij niets liever verlangde, stond de oude heer vast besloten op, riep het dienstmeisje en bestelde voor den volgenden morgen een rijtuig naar de hoofdstad. Hij verklaarde zijn zoon niet waarom hij dien ongehoorden tocht ondernam, en hij had alle reden om te zwijgen, de arme man ! Want al was hij ook sints twintig jaar trotsch geweest op zijn vriend, den grooten koopman, toch had hem altijd de moed ontbroken om zelf naar hem toe te gaan en voor zijn zoon een plaats op het kantoor te verzoeken. Zijn wensch kwam hem zeer stout voor en zijn aanspraak alleronbeduidendst. Dikwijls had hij zich voorgenomen op reis te gaan, en het altijd weer uitgesteld, totdat eindelijk de zorg voor zijn zoon grooter werd dan zijn beschroomdheid.

Toen hij den dag daarop zeer laat uit de stad terugkwam, was hij een heel andere man, gelukkiger dan ooit na den dood zijner vrouw. Zijn zoon, die hem in groote spanning afwachtte, bracht hij in vér-rukking door het bericht van do ongeloofelijke belangrijkheid der zaak

ocr page 13

5

en de groote vriendelijkheid van don koopman jegens hem. Hij was ten eten gevraagd, had kievitseijeren gegeten, had griekschen wijn nit den kelder van zijn vriend gedronken, een wijn in vergelijking waarmee het beste merk in het logement te Ostrau ellendige azijn was, hij had de toezegging gekregen dat zijn zoon na verloop van een jaar op het kantoor kon komen en eenige wenken bovendien voor de voorbereiding die daarvoor wenschelijk was. Reeds den volgenden morgen zat Anton voor een groot rekenboek en beschikte met onbegrensde volmacht over honderdduizenden ponden sterling, die hij nu eens tot pruisische daalders herleidde, dan iti hamburger marken omzette, als braziliaansche eil'ecten de wereld door liet fladderen, en ten laatste zeer kalm in mexicanen belegde, waarvan hij onder de beste zekerheid alle mogelijke interessen maakte tot 10 pet. toe. Had hij op deze manier een kolossaal vermogen bijeengebracht, dan ging hij in den tuin, met een klein dun boekje in de hand, dat op den titel beloofde hem binnen vier weken tot een volslagen engelschman te maken. Daar gaf hij zich, tot ontzetting van de duitsche musschen en vinken, groote moeite om de a en andere eerlijke letters op iedere wijze uit le spreken, die den mensch mogelijk is, als hij een letter anders uitspreekt dan met haar natuur en karakter overeenkomt.

Zoo verliep alweer een jaar. Anton was juist achttien Jaar oud en was «met grooten lof» van het gymnasium gepromoveerd ; daar werden weer op een morgen de blinden bij den ontvanger niet op het gewone uur geopend; wederom liep het dienstmeisje met roode oogen door hot huis, en wederom flikkerde het nachtlichtje treurig en Hauw. Deze reis lag de oude heer zelf in bed en Anton zat er voor, beide handen zijns vaders in de zijnen houdende. De oude heer liet zich echter door niemand vasthouden, maar stierf zoo spoedig hij kon, nadat hij zijn zoon viermaal had gezegend. Na eenige dagen van luidruchtige droefheid stond Anton alleen in de woning, een wees, bij de intrede in een nieuw leven.

De oude heer had niet om niets een administrative betrekking gehad: zijn huishouding was in voorbeeldige orde; zijn zeer geringe nalatenschap in een verborgen schuiflade van zijn bureau was op een groot vel papier tot op stuivers en centen opgeteekend; al wat in de laatste jaren door het dienstmeisje gebroken of vernield was, stond er behoorlijk met datum en al bij opgeschreven ; alles was voorzien en geregeld ; ook werd een brief aan den koopman gevonden, dien de dierbare afgestorvene de laatste dagen zijns levens nog met bevende hand had geschreven; een trouwe vriend was tot voogd over Anton benoemd, en de verkoop van huis, tuin en inboedel hem opgedragen; en vier weken na den dood zijns vaders ging Anton op een vroegen zomermorgen over den drempel der vaderlijke woning, bracht den sleutel bij zijn voogd, gaf zijn bagage aan den vrachtrijder eti trok door de poort naar de hoofdstad, met den brief van zijn vader aan den koopman in den zak.

JI.

Reeds verdorde het pas gemaaide gras in de middagzon, toen Anton den buurman uit Ostrau, die hem tot de laatste pleisterplaats voor de hoofdstad had meegenomen, hartelijk vaarwel zei en verder bedaard

ocr page 14

6

lungs den grooten straatweg voortwandelde. 't Was een vroolijke zo-mersche dag; op de weide kraste de zeis van de maaijers tegen den wetsteen en hoog in do lucht kweelde de onvermoeide leeuwerik. Voor den wandelaar strekte liet landschap zich in een onafzienbare vlakte uit; aan den horizont verhief zich de blauwe streep van het gebergte. Kleine beken, met elzen en wilgen beplant, stroomden vroolijk door het landschap, iedere beek begrensde een klein dal, dat op beide kanten met de heerlijkste koornvelden was bedekt. Waarheen men ook zag, verhieven zich de spitse kerktorens uit den grond, elk als middelpunt van een groep bruine en roode daken, die met een krans van groen waren omwoeld. Bij vele dorpen kon men aan de statige oprijlaan en aan het dak van een groot gebouw, het riddergoed herkennen, dat bij de eenvoudige dorpshuizen lag, evenals de herdershond bij de wollige kudde.

Anton ging voorwaarts alsof hij op springveeren ijlde. Voor hem lag de toekomst, zonnig als de weide, een leven vol schitterende droomen en frissche verwachting. Na het lange treuren in de sombere kamer, klopte zijn hart weder voor het eerst met lustige slagen; in het volle genot van zijn jeugdige krachten blonk zijn oog en lachte zijn mond.

Alles om hem glinsterde, geurde golfde als in een elektrisch vuur; in lange teugen haalde hij den bedwelmenden wasem in die uit de bloei-jende aarde opsteeg. Waar hij een maaijer in het veld ontmoette, riep hij hem een vriendelijk «goeden morgen» toe en een «goeden morgen» antwoordde iedere mond den knappen jongeling. Op de graanvelden bogen de aren aan de dunne stengels zich tot hem over, zij knikten en groetten, en in haar schaduw piepten ontelbare krekels hun lied: «vroolijk, vroolijk is het in den zonneschijn!» Op de weide zat een hoopje musschen; de kleine baronnen van de lucht vlogen niet weg, toen hij stil bleef staan, in tegendeel, zij staken de koppen naar hem toe en riepen; «goeden morgen, wandelaar, waarheen? waarheen?» en Anton antwoordde zacht: «naar de groote stad, het leven in.» «Veel geluk», schreeuwden de musschen, «lustig voortgestapt.»

liet voetpad volgende, wandelde Anton een weiland door, ging een brug over, en bevond zich in een bosch je met goed onderhouden wandelwegen. Al meer en meer scheen het een aangelegde tuin te zijn. De wandelaar sloeg nu deze dan gene laan in en kwam voor een groot grasperk: daarachter verhief zich een heeren huis met twee torentjes aan de hoeken en een balkon. Wie op het balkon stond, kon, over het grasperk heen, door een opening in de boomen, de schoone omtrekken van het ver afgelegen gebergte zien. Langs de torentjes slingerden zich klimop en wilde wijnranken en onder het balkon opende zich gast-vrij een poort die met bloeijende heesters was versierd. Het was geen prachtig landgoed, en men kon er veel grooter en schooner in den omtrek zien, maar toch was het een mooi gezicht, zeer indrukwekkend voor Anton, die, in een kleine stad opgegroeid, slechts zelden de aangename welvaart eens grondbezitters van nabij had gezien. Alles kwam hem zoo grootsch en prachtig voor! De sierlijk aangelegde bloembedden tus-schen de gladgeschoren graszoden, de bonte groepen der broeikasplan-ten, de vroolijke opschik, dien de hand van den tuinier om het heeren-luiis had gebracht, dat alles lachte hem in het heerlijke licht en de aangename kalmte van den zomerdag toe, als een beeld uit verre landen. De gelukkige Jongeling verviel in e?n soort van dwepend mijmeren.

ocr page 15

7

zoodat liij zich in de schaduw vat» een grooten vlierboom neerzette en, achter de struiken verborgen, langen tijd op de liefelijke schilderij staarde, lloe gelukkig moesten de menschen zijn, die daar woonden ; hoe voornaam en hoe edel! Aan den eenen kant schoone bloemen en hooge hoornen, aan den anderen waarschijnlijk een ruime plaats met schuren en stallen, veel paarden daarin, groote runderen en ontelbare schapen met fijne wol. Want reeds voordat hij in het park kwam, had Anton in een omheind weiland een menigte veulens gezien en in hun dartele sprongen zich verlustigd. De eerbied voor alles, wat deftig, sekuur en met zelfvertrouwen in de wereld optreedt, was hem, den armen zoon des ontvangers, aangeboren; en als hij nu in het volle genot van de pracht die hem omgaf, aan zich zeiven dacht, kwam hij zich zeer onbeduidend voor, als om door niemand geteld te worden, als een soort van maatschappelijk Klein Duimpje, schraal en tenger, nauwelijks zichtbaar in het gras. Onwillekeurig greep hij naar zijn rokzak om er zijn handschoenen uit te halen. Zij waren van geel katoen, en zijn moeder had nog gezegd, dat zij er net als zijden handschoenen uitzagen, en zulke handschoenen golden in Ostrau voor het toppunt van weelde. De jongen trok ze aan, en met hen de overtuiging, dat zij hem zijn tegenwoordige omgeving minstens een greintje waardiger maakten.

Lang zat hij in diepe eenzaamheid; eindelijk kwam er beweging in de schilderij. Op het balkon van het huis vertoonde zich door de geopende deur een bevallige vrouwengestalte in een licht zomeigewaad met zijden kanten en mouwen en een lief kapsel, zooals Anton wel uit oude Rococobeeldjes kende. Hij kon duidelijk tie lijne trekken van haar gelaat zien en den helderen blik van het oog, dat op het grasperk onder haar voeten rustte. De dame stond, op do balustrade leunende, doodstil, als een beeld, en Anton zag eerbiedig tot haar op. Eindelijk vloog uit de open deur achter do dame eeiv papegaai, zette zich op haar hand en liet zich dooi' haar liefkoozen. Dit schitterende dier verhoogde Antons bewondering; en als nu met de papegaai een bijna volwassen meisje volgde, dat vleijend den hals van de schoone vrouw omvatte, en als de dame met teederheid den wang van het meisje aan den hare drukte en de papegaai op de hoofden van de beide dames vloog en luid schreeuwende van den eenen schouder op den anderen sprong, toen werd het gevoel van eerbied bij Anton zoo levendig, dat hij van inwendige aandoening bloosde en diep in de schaduw van de heesters zich terugtrok.

Hij dacht aan de beide schoone vrouwengestalten op het balkon en keerde met een dansenden tred, zooals iemand, dien iets gelukkigs is overkomen, den breeden weg terug, om een uitgang uit het bosch te vinden. Daar hoorde hij achter zich het snuiven van een paard. Op een zwart hitje kwam de jongste der twee dames hem achterop rijden : de ranke gestalte zat met gemak in den zadel, en gebruikte een parasol als karrewats. De dames in Ostrau hadden de gewoonte niet op kleine paarden zich te vertoonen. Slechts eens had Anton een paard-rijdster gezien met hoog roode wangen en een langen rooden mantel, die, vergezeld van een grooten heer met zwarte bakkebaarden, achter den geestigen clown de stad doorreed en op iederen hoek van de straat stil hield, waar zij haar paard een paar kunstige sprongen liet doen en de clown ijselijk aardige dingen tot de samengestroomde jeugd zei.

ocr page 16

8

Reeds toen had hij de paardrijdster met onuitsprekelijke bewondering beschouwd, en nu was hij juist de man om datzelfde gevoel in veel hoogere mate te ondervinden. Hij bleef staan en boog zich eerbiedig voor de jonge dame, die het huldeblijk met een bevallig knikje beantwoordde, haar paard deed stilstaan en vriendelijk vroeg: «zoekt gij hier iemand? Wellicht wenscht gij mijn vader te spreken.»

«Ik vraag u excuus,y zeide Anton met den diepsten eerbied. «Waarschijnlijk ben ik op een weg, die voor vreemden niet openstaat; ik kwam het voetpad door de weide en zag poort noch heining.»

«De poort is op de brug en staat overdag open,» hernam Tiet meisje, genadig op Anton neerziende; want daar eerbied niet juist het gewone gevoel is, dat jonge dames van veertien jaar inboezemen, was de ontzettende mate van die gewaarwording bij Anton haar buitengewoon streelend.

«Nu ge toch in den tuin zijt, zult ge er wel eens willen rondzien. Het zal ons genoegen doen, als hij u bevalt,» voegde zij er met waardigheid bij.

«Ik heb de vrijheid al genomen,» antwoordde Anton, weer met een buiging; «ik ben tot ginds aan het grasperk geweest voor het slot. liet is prachtig!» riep de trouwhartige jongeling opgewonden uit.

«Ja,» zei het meisje, haar hitje steeds stilhoudende, «mama heeft zelve den tuinman alles voorgeteekend.»

«De dame dus, die zooeven op het balkon stond, is mevrouw uw moeder?» vroeg Anton beschroomd.

«Ü! gij hebt ons bespied, riep de kleine en zag hem voornaam aan, «weet ge wel dat dat niet aardig is?»

«Neem het mij als 't u blieft niet kwalijk,» smeekte Anton deemoedig, «ik keerde dadelijk weer om, maar het was heerlijk mooi. Die beide dames naast elkaar, die trossen bloeijende rozen en die slingers van de wijnranken rondom, ik zal het niet licht vergeten,» voegde hij er ernstig bij.

«Hij is allerliefst!» dacht het meisje. «Daar gij zooveel van onzen tuin hebt gezien,» zei zij, vol goedheid, «moet ge ook naar die punten gaan, waar de vergezichten zijn. Ik rijd daarheen, als gij mij volgen wilt.»

Anton volgde in de gelukkigste stemming. Het meisje beval haar paard te stappen en speelde de cicerone. Zij wees hem groote boomgroepen en liefelijke vergezichten over het landschap, vergat een weinig haar hooge majesteit en werd spraakzaam. Weldra babbelden beiden zoo vertrouwelijk als oude kennissen. Eindelijk steeg het meisje af, toen eenige trappen haai' daartoe een geschikte aanleiding gaven, en leidde liet paard bij den toom; daarop waagde Anton het den hals van het paard te streelen, wat de hit zeer vriendelijk opnam, die van zijn kant nieuwsgierig des vreemdelings rokzak berook.

«Hij heeft vertrouwen in u,» zei het meisje, «'t is een verstandig beest.» Zij wierp hem den teugel over den kop en gaf hem een slag, waarop het hitje in korte sprongen weg galoppeerde. «Wij komen nu in den bloementuin, daar hoort hij niet; hij gaat naar zijn stal terug, dat is hij zoo gewoon.»

«Die hit is een wonder van een paard!» riep Anton, meer en meer verbaasd.

ocr page 17

f)

«Ik ben zijn lieveling,» zei zij, met een goedkeurenden blik, «hij volgt mij op mijn stem.» Anton vond de gehechtheid van den hit zeer ver-klaarbaar, veronderstelde dezelfde gezindheid ook bij de papagaai, en was geneigd om vol te houden dat alle andere schepsels op aarde dezelfde stemming voor zijne schoone leidsvrouw moesten gevoelen.

«Gij hebt zeker familie, niet waar?» vroeg de jonge dame eensklaps, zette haar parasol tegen een boom en zag Anton met een zeer wijs gezicht aan.

«Neen,» antwoordde de zoon van den ontvanger treurig, «mijn vader stierf voor vier weken: 't is een jaar dat mijn goede moeder dood is; ik ben alleen en ga naar de hoofdstad.» Zijn lippen beefden bij de herinnering aan het laatstgeleden verlies.

Verschrikt zag het meisje de smart op het gelaat van den vreemdeling. «Arme, arme mijnheer!» riep zij bewogen en verlegen uit, «kom gauw hierheen, ik zal u iets laten zien. Hier zijn de broeikasten met de aardbeijenplanten, er zijn er nog eenige aan. Frans, breng ons den schotel met aardbeijen,» riep zij den tuinman toe. Frans kwam er spoedig mee aanloopen. Terstond vatte het meisje den schotel en bood met een vriendelijk lachje onzen held de aarbeziën aan. «Hier mijnheer, wees zoo goed dit van mij aan te nemen. Van het huis mijns vaders mag geen gast weggaan, zonder van het beste te proeven, dat het jaargetijde oplevert. Neem het alsjeblieft,» verzocht zij dringend.

Anton hield het bord iti zijn hand en zag met vochtige oogen vriendelijk naar de jonge dame. «Ik eet met u mee,» zei ze en narn er een paar. Daarop maakte Anton gehoorzaam den schotel leeg.

«Nu breng ik u nog eerst uit den tuin,» sprak de dame. De tuinman opende zeer eerbiedig een kleine zijdeur en liet meisje geleidde den vreemdeling tot aan een vijver, waarin jonge en oude zwanen rondzwommen.

«Zij komen naar ons toe,» riep Anton vroolijk.

«Ja, zij weten dat ik iets voor hen in mijn zak heb,» zei zijn gids en maakte den ketting van de boot los, «stap in, mijnheer, ik zal u overzetten; aan den anderen kant is uw weg.»

«Ik mag zooveel niet van u vergen,» zei Anton en draalde om in te stappen.

«Zonder komplimenten,» drong het meisje, «ik doe liet met pleizier.» Zij plaatste zich op de roeibank en streek met den lichten riem zeer behendig over het water. Zoo voer zij langzaam over den vijver; de zwanen zwommen haar na; van tijd tot tijd hield zij op en wierp hun stukjes brood toe.

Anton zat tegenover haar in de grootste zaligheid; hij was als betoo-verd. Op den achtergrond het donker groen der boomen; om hem het heldere water, dat zacht tegen den voorsteven van de boot kabbelde; tegenover hem de slanke gestalte van zijn bootsvrouwtje, met haar stralende blauwe oogen, met haar schoon gelaat, door een liefelijk lachje nog verfraaid, en achter hen de troep zwanen, die het gevolg was van deze stroomnimf, 't Was een droom, zoo heerlijk als de jeugd maar droomen kan.

De boot lei aan. Anton sprong aan wal en riep; «Vaarwel!» en onwillekeurig stak hij haar de hand toe. «Vaarwel!» zei de kleine en raakte zijn hand met de toppen harer vingers aan. Zij deed het schuitje keeren en voer langzaam terug. Anton sprong over het gras naar

ocr page 18

40

liet pad en zag vandaar naar het water. De boot lag aan bij een boomgroep, het meisje keek nog eens naar hem om en verdween achter de boomen. Door een opening van het pad zag Anton het slot voor zich liggen; trotsch verhief het zich hoven de vlakte. Lustig wapperde (Ie vlag op den toren en heerlijk glinsterde in den zonneschijn het groen van de slingerplanten, die de bruine steenen der muren bedekten.

«Zoo stevig, zoo echt adellijk!» sprak Anton tot zich zeiven.

Als je aan dien baron voortelt honderdduizend daalders, zal hij je nog niet geven zijn goed, dat hij beeft geërfd van zijn vader,» sprak een schelle stem achter Anton. Deze keerde zich boos oin, het toover-beeld vervloog, hij stond midden in het stof van den grooten weg. Dicht bij hem leunde tegen een wilgenstam een jonge knaap in armoedige kleeding, die een klein pakje onder den arm droeg en met kalme onbeschaamdheid onzen held aanstaarde.

«Ben jij het, Veitel Itzig?» riep Anton, zonder veel blijdschap over de ontmoeting aan den dag te leggen. De jonge Itsig was niet bepaald schoon om te zien: mager, bleek, met roodachtig krulhaar, in een oud buis en gescheurde broek, was zijn uitzicht zoo, dat hij voor een mare-chaussée veel belangwekkender moest zijn dan voor gewone reizigers. Hij was óók uit Ostrau, een kameraad van Anton op de burgerschool. Anton had in vroeger tijd gelegenheid gehad om, door een dapper gebruik van zijn tong en kleine vuisten, den armen jodenjongen tegen mishandelingen van moedwillige christenkinderen te verdedigen, en zich zeiven bet streelend gevoel te verschafTen van een beschermer te zijn der onderdrukte onschuld. Voornamelijk toen eens op school met een stuk worst de proef werd genomen van Itzig's rechtgeloovigheid, had Anton zoo wakker zijn zaak gepleit, dat hij zelf met een gat in zijn hoofd er afkwam, terwijl zijn tegenstanders weenende en met bebloede neuzen achter de kerk vluchtten en zelve de worst opaten. Sinds dien dag had Itzig een zekere genegenheid voor Anton getoond, die hij daardoor bewees, dat hij bij moeijelijk werk zich door zijn beschermheer liet helpen en nu en dan van Antons boterham een stuk wist weg te kapen. Anton echter mocht den ondeugende jongen wel lijden, omdat het hem goed deed een beschermeling te hebben, al lag die dan ook onder verdenking dat hij pennen ontfutselde en later aan anderen verschacherde. In de laatste jaren hadden de jonge lieden elkaar weinig gezien : juist zoo dikwijls dat llzig vrijheid meende te hebben de vertrouwelijke vormen van den schoolomgang, door Anton nu en dan toe te spreken en te plagen, levend te houden.

«De menschen zeggen dat je gaat naar de groote stad, om te leeren een beroep,» ging Veitel voort. «Je zult leeren hoe men knoopen draait en stroop verkoopt aan oude vrouwen. Ik ga ook naar de stad, ik wil maken mijn fortuin.»

Anton antwoordde, gebelgd over het familiare je, dat de kameraad uit de school nog tegen hem durfde gebruiken: «Welnu, zoek dan je fortuin, en verlies je tijd niet bij mij.»

«'t Ileeft geen haast,» hernam Veitel ongedwongen; «ik wil wachten totdat je ook gaat, als mijn kleeren je niet zijti te slecht.» Dit beroep op Antons humaniteit had de uitwerking, dat hij zich zwijgende de tegenwoordigheid van den onwelkomen metgezel getroostte. Hij wierp nog een blik op het kasteel, en ging dan .zonder een woord te spreken ver-

ocr page 19

11

der, Itzig altijd een halve pas achtei' hem. Eindelijk keerde Anton zich om en vroeg naar den eigenaar van het slot.

Als Veitei Itzig geen huisvriend van den grondbezitter was, moest hij ten minste een goede kennis van zijn staljongen wezen, want hij was met alle omstandigheden van den baron, die op het slot woonde, vertrouwd. Uij vertelde aan Anton dat de baron slechts twee kinderen had, maar daarentegen een uitmuntende kudde schapen op oen geheel onbezwaard landgoed. De zoon was buiten 's huis op een school. Toen Anton met levendige belangstelling naar hem luisterde en dit door zijn vragen verraadde, zeide Itzig eindelijk:

«Als je wilt hebben het goed van dezen baron, ik zal het voor je koopen.»

«Dank je,» antwoordde Anton koel, «hij wil het niet verkoopen, heb je me zooeven zelf gezegd.»

»Als iemand niet verkoopen wil, moet men hem er toe dwingen,» antwoordde Itzig.

«Daar ben jij juist tie man voor,» sprak Anton.

«Of ik de man ben, of dat het is een ander; het is toch gedaante krijgen, dat men koopt van iedereen wat hij heeft. Er is een recept, waardoor men kan dwingen een ieder, van wien men iets wil, ook wanneer hij zelf niet wil.»

«Men moei hem een drankje ingeven,» vroeg Anton met minachting, of tooverkruid?»

«Duizendguklenskruid heet het kruid, waarmee men veel kan uitvoeren in de wereld,» hernam Veitei, «maar hoe men het moet aanleggen, dat men ook als een gering man kan krijgen zoo'n bezitting, als het goed van den baron, dat is een geheim, dat maar weinigen weten. Wie liet geheim heeft, wordt een groot man, zooals Rothschild, als hij maar tijd van leven heeft.

«Als hij niet eerst wordt opgepakt,» merkte Anton aan.

«Praatjes opgepakt!» antwoordde Veitei. «Als ik naar de stad ga om te leeren, dan ga ik om te zoeken de wetenschap; ze staat op papieren geschreven; wie die papieren vinden kan, wordt een machtig man; ik wil zoeken de papieren totdat ik ze vind.»

Anton zag zijn reisgezel van ter zijde aan, gelijk men een mensch opneemt, wiens verstand aan het wandelen is, en zei eindelijk medelijdend : «Je zult het nergens vinden, arme Veitei.»

Itzig echter ging voort, vertrouwelijk dichter bij Anton komende ; «Wat ik je zeg, vertel dat aan niemand anders. De papieren zijn geweest in onze stad, iemand heeft ze gekregen van een ouden stervenden bedelaar, en is geworden een machtig heer; de oude brommert heeft ze hem gegeven op een nacht, dat andere gebeden heeft voor zijn bed, om weg te jagen den doodsengel.»

«En ken je den man die de papieren heeft?» vroeg Anton nieuwsgierig.

«Als ik hom ken, zal ik het toch niet zeggen,» antwoordde Veitei slim ; «maar ik zal vinden het recept en als gij wilt hebben het goed van tien baron, en zijn paarden en koeijen, en zijn bonte vogels, en het neusje van den zalm, zijn dochter, dan zal ik het je bezorgen uit oude vriendschap en omdat je klappen gekregen hebt voor mij in school.»

Anton was ontsteld over de stoutheid van zijn gezel.

«Pas maar op dat je geen schurk wordt, je schijnt al een goed eind

ocr page 20

op weg te zijn,» zei hij toornig, en ging naar den anderen kant van den weg.

Itzig liet zich door dien goeden raad volstrekt niet van zijn stuk brengen, maar stapte bedaard voort, een deuntje fluitende. Zoo gingen ze beiden onder lang stilzwijgen, dat door Itzig ongevraagd werd afgebroken, zoodra zij bij bet eerstvolgend dorp kwamen, waar hij zijn ouden vriend weer den naam en de waarde van het riddergoed mededeelde. Kn dit leerzaam onderhoud werd bij ieder dorp herhaald, totdat Anton geiieel verbaasd stond over de nauwkeurige en uitgebreide statistieke kennis van zijn reisgezel. Ten laatste zwegen beiden en legden het volgende uur zonder een enkel woord te spreken, naast elkander af'.

III.

üe baron van Rothsattel behoorde tot die weinige menschen, die niet slechts door de geheele wereld gelukkig worden genoemd, maar zich zelve ook voor gelukkig houden. Hij stamde af uit een zeer oud geslacht. Een Rothsattel was reeds tijdens de kruistochten naar het Oosten getrokken. Althans in de familie gold een oude rococo-flacon van bont glas voor een oostersch fleschje als onweerlegbaar bewijsstuk voor het bestaan des voorvaders, en ter herinnering aan den schoonen tijd der kruistochten. Een andere Rothsattel had een troep bergbewoners tegen de Uussiten aangevoerd en was met man en muis tot zijn en Godes eer verslagen. Verder was er een vaandrig geweest in het leger van Mauritz van Saksen; hij giiig door voor den stichter van de lijn van do Roth-sattel-Stijgbeugels, en zijn krijgshaftig beeld hing nog in de ridderzaal van het slot. Een andere had in den dertigjarigen ooi-log bij verschillende legers en voor eigen rekening gestreden : de familie-legende zei van hem

1*1 II

dat hij een zeer dik heer was geweest en een groot drinker van zeldzame overredingskracht en ietwat los van zeden. Hij was de eerste van het geslacht in de streek gekomen, waarin dit verhaal voorvalt, en had een menigte landgoederen op de een of andere wijze in bezit genomen. Onder de bakers van de familie leefde sinds langen tijd de vaste overtuiging, dat deze dikke heer somtijds in den kelder op een groote kruit-ton te zien was, waar hij als een rustelooze geest zat en kermde tot straf voor afgrijselijke aanslagen tegen de deugd zijner vrouwelijke tijdgenooten. Weer een andere voorvader was keizerlijk Staatsraad te Weenen geweest; de overgrootvader van den tegenwoordigen eigenaar was door den grooten koning van Pruisen streng aangezien, en daarop welwillend toegesproken. Ook de grootvader was in zijn tijd een ondernemend en algemeen bekend ridder geweest, die in het leger geen lauweren had verworven, en er zich In geschikt bad ze in het boudoir van de dames en aan de groene tafel te zoeken. Ongelukkigerwijze echter waren zijn bezittingen hem daarbij al te zwaar geworden, en door de handen geglipt. Zijn zoon eindelijk, de vader van onzen baron, was een eenvoudig landedelman, van een matig verstand, die na lange processen, dit ééne groote goed uit de puinhoopen van het familie-vermogen redde en zich tot levenstaak stelde het voor zijn nakomelingen van alle schulden te bevrijden. De Rothsattels hebben altijd den naam gehad een talrijk kroost na te laten, en oudere dames van de familie verklaarden Jeze bijzonderheid hoe achtings-

ocr page 21

d3

waardig ze overigens ook zij, voor den eenigen grond dat liet beroemde liuis nooit zoover was gekomen om de gravenkroon van negen paarlen, of zelfs den gesloten ring van een titulair vorstendom, op het wapenbord van bet hoofd des geslachts te zien, Tegen het oude gebruik in, bewees de vader ook daardoor zijn gematigdheid, dat hij slechts één zoon naliet.

De tegenwoordige eigenaar had in een garde-regiment gediend, gelijk het den spruit van zoo'n krijgshaftig geslacht betaamde. Hij had daar den naam van een volmaakt edelman verworven. Hij .was bruikbaar geweest, in de dienst en een best kameraad, bedreven in alle ridderlijke oefeningen en een man van eer. Hij had altijd bij danspartijen aan het hof eerbiedig zijn opwachting gemaakt en zoo dikwijls zulks hem door een vorstin bevolen werd, met goede sier gedanst. Ook had hij getoond een man van karakter te zijn, door uit zuivere liefde een arme hofdame te trouwen, een zeer beminnelijk jong meisje, wier vertrek uit de quadrilles van het hof een groote droefheid in de harten der heeren veroorzaakte. Met zijn gemalin was de baron als een verstandig man naar zijn buitengoed vertrokken, had een aantal jaren achtereen bijna uitsluitend voor zijn familie geleefd en daardoor bewerkt dat al zijn regimentschulden afbetaald, en zijn uitgaven niet grooter waren dan zijn inkomsten. Zijn huis was voortreffelijk ingericht; de onbeduidende bruidschat van zijn vrouw was besteed om haar door het aanleggen van het park een blijvend genoegen te geven. De baron had een kelder met goede tafelwijnen, twee prachtige koetspaarden en twee keurige rijpaarden, ging eiken morgen de zaken zelf na, reed iederen namiddag over zijn goed, had veel op met zijn kudde schapen en stelde er een eer in zijn fijne wol goed te laten wasschen. Hij was door en door een eerlijk man, met een ook nu nog indrukwekkend uiterlijk, verstond de kunst om zijn stand met waardigheid op te houden en met gulheid menschen te ontvangen, en beminde zijn vrouw zoo mogelijk nog inniger dan in de wittebroodsweken. Kortom hij was het model van een landedelman. Hij was niet overmatig rijk, ongeveer wat men een man van ruim een ton noemt, en zou zijn fraaije bezitting in goede tijden vrij wat duurder hebben kunnen verkoopen, dan de scherpzinnige Itzig ze geschat had. Twee gezonde en knappe kinderen volmaakten zijn huiselijk geluk: de zoon stond op het punt als officier zijn loopbaan te beginnen; de dochter zou nog eenige jaren onder de vleugelen harer moedei' leven, voor ze in de groote wereld kwam.

Evenals alle menschen, aan wier wieg het lot een wapenbord heeft opgehangen, beschilderd met familieherinneringen uit den ouden tijd, was ook onze baron geneigd veel aan het verledene en aan de toekomst vati zijn geslacht te denken. Aan zijn grootvader had hij kunnen zien, hoe een enkele ongeregelde geest voldoende is datgene te verbrokkelen wat nijvere voorouders voor hun nakomelingen hebben opgegaard, aan goudstukken en eer. Hij zou daarom gaarne zijn geslacht voor altijd tegen achteruitgang hebben willen vrijwaren, zou graag zijn kostelijk landgoed in een majoraat veranderd, en daardoor lichtzinnige kleinzonen de gelegenheid bemoeijelijkt hebben, wel niet om schulden te maken, maar om ze te betalen. De gedachte echter aan zijn dochter hield hem hiervan terug. Het was in strijd met zijn gevoel van eerlijkheid, lt;lit teergeliefde kind ten behoeve van vermoedelijke Rothsattels te onterven ; en hij gevoelde niet smart dat zijn oudadelijke familie in het

ocr page 22

u

eerstvolgend geslacht in denzelfden toestand kon komen, waarin zich de kinderen van een rijksambtenaar of een winkelier bevinden, in den treurigen toestand namelijk om door inspanning van eigen krachten zich een matig bestaan te zoeken. Hij had dikwijls beproefd van zijn inkomsten wat over te leggen, maar de tegenwoordige tijden waren daar wezenlijk niet best voor geschikt. Overal begon men in zekere overdaad te leven, meer en meer prijs te stellen op sierlijke meubelen, en al die kleine fraaijigheden, die we onder den algemeenen naam van comfort samenvatten. En wat hij in voordeelige jaren nog had bespaard, was op kleine badreizen, welke de zwakke gezondheid van zijn vronw, volgens verklaring van den geneesheer, noodzakelijk maakte weer uitgegeven. De gedachte aan de toekomst van zijn familie vervolgde den baron ook dien dag, toen hij op zijn halfbloed door de kastanjelaan naar het slot galoppeerde, 't Was een klein, klein wolkje, dat nu en dan over den zonneschijn zijner ziel trok ; liet verdween in een oogwenk, zoodra hij vrouwenkleederen Voor zich waaijen zag en zijn vrouw herkende die met haar dochter hem te gemoet kwam. Hij sprong van het paard, kuste zijn lievelingskind op het voorhoofd en zei vroolijk tot zijn vrouw: «We hebben voortreffelijk weer voor het hooijen, het wordt zoo vlug mogelijk binnengebracht, de rentmeester beweert, dat we nog nooit zooveel voer hebben gemaakt.»

«Gij zijt gelukkig, Oscar,» sprak de barones, hem teeder aanziende.

«Zooals altijd, sints zeventien jaren, sedert ik u hierheen heb gevoerd,» antwoordde de echtgenoot met een beleefdheid, die uit het hart voortkwam.

«Heden is het al zeventien jaar,» riep de barones. «Zij zijn omgevlogen als een zomerdag. Wij zijn zeer gelukkig geweest, Oscar.» Zij knelde zich aan zijn arm en zag mei dankbare blikken tot hem op.

«Geweest?» vroeg de baron, «wel ik hoop dat we het nog zijn; en ik zie niet in, waarom het niet zoo duren zou.»

«Tart de fortuin niet,» smeekte de barones. «Mij is het dikwijls, alsof zooveel zonneschijn niet altijd kan duren, ik zou deemoedig willen ontberen en vasten om de afgunst van het noodlot te verzoenen.»

«Nu,» zei de baron goedhartig, «het noodlot laat ons ook niet heel en al ongemoeid. De onweersbuijen ontbreken ons ook niet, maar deze kleine hand verheft zich om te bezweren, en ze trekken voorbij. Hebt ge niet moeite genoeg met hot huishouden, met de onbezonnen streken der kinderen, en soms ook met uw tiran, dat ge nog naar meer verlangt ?»

«Gij, lieve tiran,» riep zijn vrouw. «U dank ik al dit geluk, en hoe diep gevoel ik het! Na zeventien jaren ben ik er nog altijd trotsch op, een zoo statigen heer en meester te hebben, een zoo prachtig slot en zoo uitgestrekte bezitting, waar ieder voet gronds ook mij toebehoort, Toen ge mij, het arme freuletje, met mijn lintjes en strikken en mijn kistje kleinodiën, die ik aan de genade mijner vorstelijke gebiedster te danken had, naar uw huis als vrouw geleiddet, toen eerst leerde ik kennen wat een zaligheid het is in eigen huis als meesteres te gebieden, en den wil van geen ander te gehoorzamen, dan van den innig geliefden man.»

«Ge hebt toch veel om mijnentwil laten varen,» zei de baron. «Dikwijls heb ik gevreesd dat ons landleven u, de gunstelinge van de overleden vorstin, te eenzaam en te eentonig zou wezen.

ocr page 23

15

«Daar was ik slavin, hier ben ik meesteres,» zei de barones lachende. «Behalve mijn kleederen had ik niets, dat mij toebehoorde. Altijd rondslenteren in de vervelende kamers der hofdames, alle avonden tot de minste rol veroordeeld zijn en daarbij het angstig gevoel dat dit immer zoo zal voortduren, totdat men oud wordt in eeuwigdurende verstrooiingen, zonder eigen leven. Ge weet dat mij dit altijd treurig maakte. Hier zijn de bekleedsels van onze meubelen niet van zware zijde, en in onze zaal staat geen tafel van mosaiek, maar wat in huis is, komt mij toe.» Zij sloeg haar arm om den hals van den baron: «üij zijt mijn eigendom, de kinderen, het slot, onze zilveren luchters.»

«De nieuwe zijn maar compositie», merkte de baron aan.

«Dat kan niemand zien», hernam zijn echtgenoot tevreden. «En als ik mijn porcelein bekijk en op den rand uw wapen en het mijne bemerk, dan smaken twee schotels mij tienmaal zoo goed, als de vele gerechten van de hofkeuken. En dan nog, bedenk eens, die groote galadagen en onze bijzondere tafel, waar iedereen den ander wanhopend, nauwkeurig kende, en de een den ander wanhopend onverschillig was.»

«Ge zijt een schitterend voorbeeld van tevredenheid,» zei de baron. «Om u en de kinderen wou ik dat mijn bezitting tienmaal grooter was, en onze inkomsten zóó dat ik voor u, mevrouw, een page kon houden en behalve de huishoudster nog een paar hofdames.»

«Al je blieft geen dames,» smeekte de barones, «en wat den page betreft, dien kan ik best missen, zoolang ik een ridder heb, zoo beleefd en oplettend, als gij zijt.»

Alsdus pratende wandelde de baron genoegelijk tusschen de beide vrouwen naar het slot. Leonore had intusschen den teugel van het paard gegrepen, en verzocht het dier vriendelijk zoo min mogelijk stof te maken.

«Daar staat een vreemde wagen, is er visite gekomen?» vroeg de baron, toen zij het plein voor het huis naderden.

«'t Is Ehrenthal maar,» antwoordde, de barones, «hij wacht op u en heeft reeds zijn geheelen voorraad van mooije complimenten aan ons uitgekraamd. Leonore liet haar ondeugendheid vrijen teugel en 't was hoog tijd dat ik ze meenam: de koddige man raakte min of meer in verlegenheid door de plagerijen van het stoute kind.»

De baron glimlachte. «Van alle handelaars van die soort, mag ik hem nog altoos het liefst lijden,» zei hij, «zijn gedrag is althans niet terugstootend en ik heb hem in de vele jaren, dat ik zaken met hem doe, altijd eerlijk gevonden. Goeden morgen, mijnheer Ehrenthal, wat brengt u hierheen ?»

De heer Ehrenthal was een weldoorvoed man, in de kracht van zijn jaren, met een gezicht, dat te rond, te geelachtig en te sluw was om schoon te heeten. Hij had slobkousen aan de voeten, een diamanten doekspeld in het overhemd, en naderde met diepe buigingen en eerbiedige bewegingen van den hoed, dooi' de laan, tot den baron.

«Uw dienaar, mijnheer de baron,» antwoordde hij met een eerbiedig lachje, «wanneer mij ook niets wat zaken heeten mag hierheen voert, zal ik u toch verzoeken, mijnheer, dat gij mij menigmaal veroorlooft rond te wandelen in uw boerderij, om mijn hart daaraan op te halen, 't Is voor mij een verpoozing van den arbeid, als ik kom op uw buiten. Alles zoo glad en goed onderhouden, alles zoo rijkelijk en goed ingericht in de stallen en in de schuren. De musschen op het dak zien er bij u vroolijker uit dan bij andere menschen. Wanneer men als man

ocr page 24

16

van zaken zooveel zien moet dat geen pleizier doet, waar de menschen door eigen schuld in moeijelijke omstandigheden komen en achteruitgaan, dan is het verkwikkend van een leven getuige te zijn, als het uwe; geen zorgen, althans geen groote zorgen, en zooveel dat het hart goed doet.»

«Gij zijt zoo beleefd, mijnheer Ehrenthal, dat zeker iets zeer gewichtigs u hier doet komen. Wilt gij zaken met mij doen?» vroeg de baron goedaardig.

Met een hoofdschudden, dat een eerlijken christen niet misstaan zou, als hij een beleedigend vermoeden van zich tracht af te werpen, antwoordde de heer Ehrenthal: «niets van zaken, mijnheer de baron! De zaken die ik met u doe, zijn van dien aard, dat men geen beleefdheden zegt. Goede waar en goed geld, zoo hebben wij het altijd gedaan, en zoo zullen wij met Gods hulp het voortaan ook doen. Ik kwam maar in 't voorbij rijden.» Daarbij maakte hij een beweging met de hand om pantomimisch te bekrachtigen, dat hij maar voorbij was komen rijden. — «Ik wou vragen naar het paard, dat mijnheer de baron te verkoopen heeft. Er is iemand in het dorp daar, wien ik heb beloofd te vragen naar den prijs. Ik kan het even goed met den rentmeester afmaken, als mijnheer de baron geen tijd heeft voor mij.»

«Kom maar mee, mijnheer Ehrenthal,» zei de baron, «ik breng mijn paard zelf naar stal.» Mijnheer Ehrenthal maakte een tal van strijkages voor de dames, die door Leonore met evenveel kniebuigingen beantwoord werden, en volgde den baron naar de staldeur; daar bleef hij eerbiedig wachten en stond er op dat het paard en de baron zelf eerst naar binnen zouden gaan. Na een korte bezichtiging en de gewone praatjes, geleidde de baron de heer Ehrenthal ook naar den koeijenstal, waarop de heer Ehrenthal nog den opgewonden wensch uitte de kalveren te zien, en ten laatste het verzoek er bijvoegde om ook bij de dekbokken toegelaten te worden. Hij was. een slimme koopman, en zoo zijn opgetogenheid ook al wat overdreven klonk, was toch hetgeen hij prees werkelijk allen lof waardig en de baron hoorde zijn uitroepingen van goedkeuring met welgevallen aan.

Nadat de schapen in oogenschouw waren genomen, moest een kleine pauze gemaakt worden, want Ehrenthal was al te zeer getroffen door de fijnheid en de volheid van de vacht.

«Neen, zoo'n stapel!» zuchtte hij, zich in zijn gedachten verliezende, «nu reeds kan men zien, wat het zijn zal in de lente.» Hij schudde het hoofd heen en weer en knipte met zijn kleine oogen naar de zon. «Weet gij wel, mijnheer de baron, dat gij zijt een gelukkig man? Hebt gij goede berichten van mijnheer uw zoon?»

«Dankje, mijn vriend, hij heeft gisteren geschreven», antwoordde de baron.

«Hij zal worden als mijnheer zijn vader», riep Ehrenthal, «een ridder van het eerste water, en een rijk man, mijnheel- de baron weet voor zijn kinderen te zorgen.»

«Ik leg niets op, waarde mijnheer», hernam de baron op achte-loozen toon.

«Wat, opleggen?» riep de koopman met minachting voor zoo'n burger-mansdeugd, «waarom zoudt gij opleggen? als ik zoo vrij mag zijn dat zoo eens te zeggen, als een handelsman, die reeds lang de eer heeft u te kennen: wat hebt gij noodig op te leggen? Gij zult toch eens.

ocr page 25

17

wanneer de oude Ehrenthal er niet meer zijn zal, ook zonder opleggen nalaten den jonker het goed, dat onder kenners waard is anderhalf honderdduizend, en aan de freule uwe dochter, bovendien een bruidschat — ja, wat zal ik zeggen? — van vijftig duizend daalders klinkende munt.»

«Ge vergist u», zei de baron ernstig, «ik ben niet zoo rijk.»

«Niet zoo rijk?» riep mijnheer Ehrenthal, met een gemoedelijke verstoordheid tegen ieder mensehenkind (met uitzondering van den baron) die zoo iets zou durven beweren.

«liet hangt toch maar van u af, ieder oogenblik zoo rijk te worden. Wie een vermogen heeft, als mijnheer de baron, die kan in tien jaren verdubbelen zijn kapitaal, zonder gevaar. Waarom wilt gij geen pandbrieven van de landwaarborg op uw goed nemen?»

De «landwaarborg» was toen ter tijde een groote maatschappij, die kapitalen als eerste hypotheek op landgoederen uitleende. De betaling geschiedde in pandbrieven, die op naam van do bezitters stonden en overal in het land voor het zekerste papier golden. De maatschappij zelve betaalde de interessen aan de houders der obligatiën en hief van haar schuldenaars, behalve de percenten, nog een kleine som voor administratiekosten en tot langzame delging der opgenomen schuld.

«Ik doe geen geldzaken», antwoordde de baron trotsch; maar in zijn hart weerklonk de snaar, welke de handelaar had aangeroerd.

«De zaken, welke ik bedoel, zijn van dien aard als ze heden ten dage iedere vorst doet», ging mijnheer Ehrenthal met vuur voort. «Als mijnheer pandbrieven van de landwaarborg neemt op zijn goed, dan kan hij ieder oogenblik ontvangen vijftig duizend daalders in deugdzaam papier, (lij betaalt de maatschappij daarvoor vier percent, en als gij de pandbrieven laat liggen in uw kist, maakt gij er drie en een half percent van. Dan betaalt gij een half percent toe aan do landwaarborg, en daarvoor wordt nog geamortiseerd het kapitaal.»

«Dat noemt men schulden maken om rijk te worden», meende do baron de schouders ophalende.

»Vraag excuus, mijnheer de baron, wanneer een heer als gij vijftig duizend daalders heeft liggen, die hem jaarlijks kosten een half percent, kan hij daarmee koopen de halve wereld. Altijd is er gelegenheid goederen te krijgen voor een spotprijs, als men baar gold heeft of pandbrieven op den juisten tijd. Daar zijn heerlijkheden, daar zijn wouden, die men kan koopen, of aandeelen in mijnen, ot actiën in een goede onderneming. Of mijnheer de baron kan zelf oprichten een fabriek op zijn goed, als gij wilt maken suiker uit beetwortels, gelijk mijnheer Van Bergen, of amerikaansch meel of beijersch bier, zooals uw buurman, de graaf Von Horn. Welk gevaar steekt daarin ? Gij zult verdienen tien, twintig, ja vijftig daalders van de honderd van het kapitaal, dat gy geleend hebt van de landwaarborg, tegen vier ten honderd.»

De baron zag in gedachten verzonken voor zich heen. Wat de koopman hem zei, was volstrekt niet nieuw of ongehoord. Hij zelf had reeds dikwijls over iets diergelijks nagedacht, 't Was juist de tijd dat een tal van nieuwe industrieele ondernomingen als uit den grond verrezen, dat dooi' de hooge schoorsteenen der stoommachines, door nieuw ontdekte kolen- en metaalmijnen, door nieuwe landontginningen groote sommen gewonnen en nog grooter rijkdommen verwacht worden. Do voornaamste grondbezitters van de provincie stonden aan het hoofd DKUKT EN CREDIT I. '2

ocr page 26

van uitgebreide actie-or.dernemingen, die op een verbond van de nieuwerwetsche industrie met den ouden landbouw steunden. Er was niets nieuws of bevreemdends in de woorden van den handelaar en tocb sloegen zij als verterende bliksemstralen in de ziel van den baron. Zij kwamen op het juiste oogenblik. Ehrenthal bemerkte de uitwerking van zijn spreken en eindigde met de gemoedelijkheid, welke zijn lievelingsstemming was: «Maar hoe kom ik aan het recht om aan een heer, zooals gij zijt, raad te geven? Ieder landeigenaar intusschen moet zeggen hetzelfde, dat zoo'n zaak met pandbrieven in onzen tijd de zekerste manier is, waarop een voornaam man kan zorgen voor zijn kinderen. Als eenmaal het gras zal groeijen op het graf van den ouden Ehrenthal, dan zult gij aan mij denken en tot u zeiven zeggen: Ja, die Ehrenthal was maar een eenvoudig man, doch hij heeft mij geraden wat goed en een zegen was voor mijn familie.»

De baron bleef voor zich uitzien. Waar hij lang mee had rondge-loopen, dat was plotseling tot een vast besluit gerijpt. Met een ongedwongenheid, die niet uit het hart kwam, zei hij tot den koopman: «Ik zal er eens over denken.» Ehrenthal was daarmede tevreden, verzocht de vrijheid te mogen nemen zijn compliment aan de dames te gaan maken, 't geen hij, als een man van de wereld en lijn gevoel, zelden vergat.

't Was jammer dat de baron het gezicht niet zag van den koopman, toen deze in zijn wagen plaats nam en werktuigelijk de bourbonroos in 't knoopsgat stak, welke hem Leonore bij het afscheid met schalk-sche beleefdheid had aangeboden. De heer Ehrenthal trok een zeer opgeruimd gezicht, maar 't was geen blijdschap over de bloeijende roos. Hij beval den koetsier langzaam door de graanvelden te rijden en zag met innig welgevallen op de akkers neer, die met goudgele aren aan de beide kanten van den weg lagen. Zoo dikwijls hij stilhield om een reusachtigen wagen voorbij te laten gaan, besnoven de paarden het hooi, en zijn koetsier keerde zich om en riep watertandend : «Heerlijk voer I»

«Een schoon goed,» antwoordde dan mijnheer Ehrenthal in diep gepeins.

Intusschen zat de barones in een prieel en bladerde in de nieuwe journalen, welke de boekverkooper uit de naaste stad had gezonden. Zij beschouwde niet kennis van zaken de modeplaatjes en genoot de kleine verhaaltjes: geschiedenissen van menschen die op een buitengewone manier waren rijk geworden, en van andere die gruwzaam werden vermoord, tijgerjachten uit Oost-lndië, opgegraven mozaïekvloeren, treilende schilderingen van de getrouwheid eens honds, bemoedigende bespiegelingen over de onsterfelijkheid der ziel, en wat al meer het vluchtige oog van dames uit de wereld mag boeijen. De schoone echtgenoot van den baron schommelde onder het lezen de gewerkte voetenbank heen en weer; haar ziel was maar half bij de verhalen; zij zag dikwijls over het grasperk naar haar dochter, die, weder met het hitje bezig, hem uit bloemen en couranten een polsierlijken halskraag en een muts met lange horens maakte, 't geen de pony te vergeefs zocht tegen te gaan, door zooveel bloemen en papier op te eten als hij met zijn bek kon machtig worden. Toen het jonge meisje, trotsch op haar werk, het hoofd naar het prieel wendde en het oog' van haar moeder op zich

ocr page 27

1!)

gericht zag, gaf zij liet paard aan den knecht, die kwam aanloopen, en vloog als een waternimf naar haar moeder toe. Zij plaatste zich op het voetenbankje, trok het journaal uit haar mama's handen, en begon op een grappige wijze met de heeren en dames van de modeplaatjes een gesprek aan te knoopen.

Daar de gezichten van deze ideaalmenschen, gelijk men weet, het voorrecht hebben op alle mogelijke menschen te gelijken, van welke zij zich door enkele eigenaardigheden, zooals bij voorbeeld door zeldzaam dunne lippen, of soms door een op de wangen of het voorhoofd verdwaald oog, onderscheiden, was het voor het meisje niet moeijelijk, allerlei gelijkenissen met vrienden van haar ouders te vinden en de beelden naar gelang daarvan toe te spreken. De moeder glimlachte over de kinderlijke grappen van haar dochter, en sprak ten laatste, haar gedachten in woorden lucht gevende: «Leonore, je wordt nu een groot meisje en zijt nog al te zeer een kind. Wij hebben je laten op-groeijen bij het onderwijs van de bonne en de gouvernante; het wordt tijd er aan te denken dat ge wat geregelder gaat leeren, lieve meid.»

«Ik dacht dat het leeren nu juist gedaan zou zijn,» antwoordde Leonore pruilende.

«Je fransche uitspraak is nog slecht, en je vader wil dat je jezelve in het teekenen zult oefenen; je hebt er aanleg voor.»

«Ik teeken niets dan caricaturen,» riep Leonore, «die zijn het gemakkelijkst; men maakt een langen neus of een paar kromme boenen en het kereltje ziet er belachelijk uit.»

«Maar je moet niet altijd caricaturen teekenen,» zei de moeder, «dat bederft je smaak en maakt je spotachtig.» Leonore liet de lip hangen. «En wie was de jonkman, met wien je zooeven door den tuingingt?» vi'oeg de moeder op strengen toon. «Je hebt hem de aardbeien van papa gegeven.»

«Wees toch niet altijd zoo boos, lieve moeder,» riep de dochter blozende. «De vreemde was een aardige beleefde jongen; hij gaat naar de hoofdstad, en heeft vader, noch moeder: daarom had ik medelijden met hem. En o! hij was zoo bescheiden. Wees nu niet langer boos op mij.» fleemde zij, en vloog haar moeder, in wier oogen meer liefde dan boosheid te lezen was, om den hals.

De moeder zoende het kind op den mond et» zei goedig; «Je blijft altijd mijn goed, wild meisje; ga je papa opzoeken, zijn koffie wordt koud.»

Toen de baron in het prieel kwam, nog geheel vervuld van zijn gesprek met Ehrenthal lei de barones haar handen in de zijne en sprak: «Oscar, ik ben bekommerd over Leonore.»

«Is ze ziek?» vroeg de baron ontsteld.

«Zij is gezond naar ziel en lichaam, maar zij is wilder en uitgela-tener dan voor haar jaren past.»

«Zij is op het land opgegroeid en een flinke meid geworden,» antwoordde de baron geruststellend.

«Ja maar het ontbreekt haar aan vormen en aan kieschheid in den omgang met vreemdelingen,» ging de moeder voort. «Ik ben waarlijk bang dat zij gevaar loopt een origineeltje te worden.»

«Welnu, dat ongeluk zou zoo groot niet wezen,» zei de baron lachende.

«Integendeel, mijn vriend, er is geen grooter voor een meisje uit onzen stand. Wat in onzen kring in 't oog loopt, wordt weldra bespot-

ocr page 28

'20

telijk; een kleine zweem van zonderlingheid kan haar gansche toekomst bederven. Zij moet genoodzaakt worden meer op zich zelve te letten; hier buiten zal zij dat niet leeren.»

«Zullen we dan het lieve kind van ons doen, wellicht voor goed, en onder vreemde menschen laten opgroeijen? vroeg de baron, eenigs-zins kregel.

«Kn toch moet het zoo zijn,» hernam zijn vrouw ernstig; «het kost mij veel het u te zeggen. Zij is onaardig tegen meisjes van haar jaren, zonder ontzag voor vrouwen van meer leeftijd, en tegenover mannen veel te driest. Kuut gij u een meisje van Leonores aard aan het hof voorstellen? vroeg de barones, na een oogenblik stilte.

Haar echtgenoot kon zich dat niet voorstellen, waarschijnlijk niet, omdat een vorstenhof niet juist de plaats is, waar vroeg opgeschoten meisjes met schoolboeken rondloopen en kiekeboe spelen.

«Zij zal wel veranderen,» merkte hij eindelijk aan.

«Neen, zij zal niet veranderen,» antwoordde de barones op zachten, maar fermen toon, terwijl zij haar hand op zijn schouder lei, «zoolang het lieve kind met haar vader te paard over slooten springt en hem zelfs op de jacht vergezelt.»

«Ik kan er mij niet best in schikken, beide de kinderen te missen,» sprak de vader. «Dat zou zeer hart voor ons zijn, en wel het zwaarst voor u, mijn strenge huismoeder.»

«Wel mogelijk,» zei de barones zacht; en in haar oogen vertoonden zich tranen. «Maar wij mogen niet aan ons denken, alleen aan hot geluk van de kinderen.»

De baron zag hoe aangedaan zijn vrouw was, hij trok haar tot zich en sprak vast besloten: «Hoor eens, lietsy, als we in vroeger dagen over dezen tijd spraken, stelden wij ons Leonore's opvoeding heel anders voor. Wij wilden 's winters zelve in de stad gaan wonen: onder uw oogen moest het kind het laatste onderwijs ontvangen en in de wereld komen. Welnu, gij zult niet van haar scheiden. Dezen winter trekken we naaide hoofdstad.»

Verrast stond de barones op. «Lieve Oscar!» riep zij getroffen. «Maar, vergeef mij de vraag: zou zoo'n verblijf in een ander opzicht niet een groot offer voor u zijn?»

«Neen,» antwoordde de baron vroolijk, «ik heb plannen die het ook voor mij wensclielijk maken, den winter in de stad door te brengen.»

Hij vertelde haar alles, en het gaan naar de hoofdstad was bepaald.

IV.

De zon stond reeds laag aan den hemel, toen de beide voetreizigers bij de eerste huizen der hoofdstad aankwamen. Eerst enkele kleine gebouwen; dan sierlijke zomerwoningen midden in bloeijende tuinen gelegen ; dan pakten de huizen zich dichter opeen; de straat sloot zich aan beide kanten, en, met liet stof en het wagengeratel, beklemden angst en zorg de borst van onzen held. In dat net van groote en kleine straten zou Anton geen raad geweten hebben, zoo zijn tochtgenoot, die uit eerbied voor den beteren rok van Anton, achter hem was gebleven, niet door een luid «rechts» «links», aan de hoeken, hern had geholpen.

ocr page 29

'il

Veitel lUig echter Imd een opmerkelijke voorliefde voor nauwe straten en smalle stegen. Hier en daar guf' liij achter den rug van zijn reisgezel met onbeschaamde vertrouwelijkheid oogjes aan de opgedirkte meisjes, die voor de deur stonden, of groette jonge knapen met kromme neuzen en donkere oogen, die met de handen in den zak langs 's llee-ren wegen slenterden. Soms werd zijn groeten met een achteloos hoofdknikken beantwoord, dat zooveel scheen te zeggen: «'t is een goed schepsel, maar een arme drommel ;» in den regel echter werd zijn voorkomendheid met de koele minachting opgenomen, welke de straatslijper van de morsige steeg daar, waar niets te verdienen vult, even goed weet te kennen te geven als de geknevelde held van de asphalt-pleinen in het elegante gedeelte der stad.

Ten laatste traden de jongelieden in een hoofdstraat, waar gioote huizen met zuilengalerijen, smaakvolle winkels en een gewemel van fatsoenlijk gekleede menschen aanduidden, dat de welvaart hier een bepaalde overwinning op de armoede had behaald. In deze straat hielden zij voor een hoog huis stil. Itzig wees op de voordeur met een soort van ontzag en sprak kortaf: «Hier woont hij, daar zal je spoedig worden zoo trotsch ais die gojim zijn ; als je wilt weten waar ik te vinden ben, kunt ge dat vragen op het kantoor van Ehrenthal, Looijerstraat. Goeden nacht.»

Hij lloot een deuntje, slenterde de straat verder af, en zag niet meer om.

Anton naderde met een kloppend hart tot de deur en voelde naar den brief zijns vaders in den zijzak van zijn rok. 1 lij was zeer kleinmoedig geworden en zijn hoofd voelde zoo zwaar, dat hij liet liefst van alles wat zou zijn gaan zitten om uit te rusten. Maar naar rust zag het er in dat huis niet uit. Voor de deur stond een groote vrachtwagen, in het huis ontzettende vaten en balen, en reusachtige breedgeschouderde mannen met leeren schorten en korte haken In den gordel, droegen ladders, rammelden met kettingen, rolden de vaten, en haalden dikke touwen in kunstige knoopen aan; daartusschen liepen klerken heen en weer met de pen achter het oor, papier in de hand, en voerlui in blauwe kielen namen de papieren, de balen en de vaten met die deftigheid in ontvangst, welke de werkzaamheid van alle verantwoordelijke menschen pleegt te vergezellen. Daar was geen plaats voor rust; Anton liep tegen een baal, viel over een hefboom en werd door het «kijk voor je» hem door twee ^nachtzonen met lederen schorten toegeroepen, nog met moeite voor het gevaar bewaard, om door een groot olievat plat gedrukt te worden.

In het midden van al die beweging stond, even als een zon, waarom zich de vaten en voerlui als planeten bewogen, een jonge heer van het kantoor, een heer van een gedecideerd uiterlijk en groote spaarzaamheid in zijn woorden, die als kenteeken van zijn heerschappij een groot zwart penseel in de hand hield, waarmee hij nu eens reusachtige hie-roglyphen op de balen schilderde, dan aan de sjouwers het werk aanwees. Dezen mijnheer vroeg Anton met half gesmoorde stem naar het hoofd van de firma, en werd door eene kleine beweging van het penseel, naar het achterste gedeelte van het kantoor verwezen. Schoorvoetend ging hij naar de deur, het was hem een moeijelijk besluit den knop om te draaijen, — later dacht hij er nog dikwijls aan, — en toen de deur zonder piepen open ging en hij in de schemering van het groot vertrek zag, werd het hem zoo eng om het hart, dat

ocr page 30

00

liij den drempel nauwlijks over durfde stappen. Zijn binnenkomen baarde weinig opzien. De pennen van oen half dozijn klerken vlogen over liet blauwe postpapier, om nog, voor liet sluiten van liet kantoor en het vertrek van de post, de laatste letter te schrijven. Slechts een van de heeren, die het dichtst bij de deur zat, stond op en vroeg op onverschilligen toon; «Wat is er van uw dienst?»

Op het beschroomde antwoord van Anton, dat hij gaarne mijnheer Schmter zou willen spreken, kwam uit het tweede kantoor een lang man met een gerimpeld gezicht, staande boorden en een zeer engelsch uiterlijk. Anton zag hem ter sluiks aan, maar die eerste blik, hoe haastig en vluchtig ook, gaf hem een goed deel van zijn moed terug. Hij zag in dat gezicht alles, waarnaar hij in de laatstverloopen weken zoo vurig had verlangd ; een goedaardig hart en een gezond verstand. En toch zag die heer er barsch genoeg uit, en zijn eerste vraag was kort en bondig. Anton greep naar zijn brief, noemde zijn naam, en vertelde haastig en met stotterende stem dat zijn vader dood was en van zijn doodbed nog mijnheer Schröter liet groeten.

Een vriendelijke zonnestraal schoot over het gelaat des koopmans, zwijgend opende hij den brief, las hem langzaam door, reikte den bewogen Anton de hand, en zei: «Wees van harte welkom in mijn huis.»

Daarop wendde hij zich tot een van de klerken, die een groenen rok droeg en een grijzen morsmouw aan den arm had gebonden : «de heer Anton Wohlfart komt van heden in de zaak.» Een oogenblik hielden de pennen op over het papier te vliegen en haar meesters zagen in de maat naar Anton: de patroon echter ging, tot Anton zich keerende, voort: «Gij zult moe zijn; mijnheer Jordan zal u uw kamer wijzen; neem van daag uw rust, morgen zult ge wel nader hooren.»

Na die woorden keerde hij zich met een vriendelijk hoofdknikje om, en ging naar het tweede kantoor terug, waar eveneens zes pennen over het velijn papier draafden en thans met zoo'n gezwindheid, dat de haren van de penneveer te berge rezen, want de oude hangklok had reeds het teeken van heel slag gegeven.

Alleen de heer in den groenen rok stroopte de morsmouw af, streek ze zorgvuldig glad, sloot ze met een hoop papieren in zijn lessenaar, en verzocht Anton hem naar zijn kamer te volgen. Wederom ging Anton door de deur van het kantoor, waar hij slechts tien minuten was geweest. Doch hij was een heel ander mensch geworden, zijn lot was beslist, hij had nu een te huis, hij hoorde tot de zaak. Daarom sloeg hij in 't voorbijgaan moedig op een baal, zooals men op de schouders van een goede kennis doet, waarop de groene heer zich omkeerde en met genadige welwillendheid tot hem zei: «katoen» ; en drie pas verder klopte Anton, alsof hij binnen wilde gelaten worden tegen een reusachtig vat, dat lijvig en wel in een hoek stond, als een dikke pachter in een lichten zomerrok, waarop de groene heer zich weder omkeerde en even genadig zei: «krenten». Nu deerde onzen Anton geen hefboom meer, neen hij schoof' er zelf' een met een krachtige beweging van zijn voet op zijde, en een reus met een leeren schort, die hem tegen kwam, begroette hij met een soort van vertrouwelijkheid, en voelde zich recht in zijn schik dat de reus hem vriendelijk terugknikte, vooral toen de groene heer welwillend sprak : «de eerste sjouwerman.»

ocr page 31

23

Over een open plaats gingen zij door kronkelpaden naar een achterhuis en klommen ilrie afgesleten trappen op : daar opende de heer Jordan een deur en gat' Anton te kennen dat dit voortaan zijn woning zou zijn : het was het vroeger vertrek van een goed vriend van hem, die de zaak verlaten en zich zelf gevestigd had. 't Was een klein kamertje, de meubelen eenvoudig en niet nieuw, maar helder witte gordijnen voor de vensters en op de schrijftafel een mooie kat van gips, met gele verf vernist, zoodat zij er als een levende uitzag. Deze kat had de collega, die zelf een zaak had opgezet, als sieraad voor zijn opvolger achtergelaten.

Mijnheer Jordan ijlde naar het kantoor terug, waar hij altijd de eerste en de laatste moest zijn, omdat hem een gedeelte der sleutels was toevertrouwd, en Anton bleef alleen. Met behulp van een vriendelijken knecht, die zijn best deed hem de kamer spoetlig gezellig te maken, bracht hij zijn toilet in orde en was juist daarmee klaar, toen menigvuldige voetstappen hem aankondigden dat zijn ambtgenooten uit het kantoor naar hun kamers gingen.

Weer verscheen de groene heer en meldde hem, dat de heer Schrii-ter naar een vergadering en heden niet meer te spreken was. Daarentegen was hij van oordeel dat de nieuw aangekomene de verschillende heeren een bezoek moest brengen, om op een behoorlijke wijze kennis met hen te maken. Een rok was niet noodig.

Anton ging met zijn leidsman eenige trappen af en mijnheer Jordan was op het punt van op zekere deur te tikken, toen de bewoner der kamer hem tegenkwam : een schoon rank man, van middelmatige grootte en een uiterlijk, dat grooten indruk maakte op onzen held. Hij had van kleeding veranderd, droeg een korten broek en rijlaarzen, een jockeykapje op het hoofd en in de hand een karrewats, die hij kranig zweepte.

«Loopt je veulen al aan de lijn?» zei de jonge man in de rijlaarzen lachende tot den heer Jordan. Deze nam eet) deftige houding aan en presenteerde «mijnheer Wohlfart, de nieuwe leerling, juist aangekomen». «Mijnheer Von Fink, zoon van de groote firma Kink en Decker in Hamburg».

«Erfgenaam van den grootsten voorraad levertraan in de wereld en zoo voort», viel hem de heer Von Fink in de rede. «Jordan, geef mij tien daalders, ik moet den rijknecht betalen. Schrijf het maar bij het andere op». Jordan haalde bereidwillig een muntbiljetje voor den dag en gaf het den paardenvriend, die het ineenfrommelde en zorgeloos in zijn zak stak, waarop hij met eenige beleefdheid tot Anton zei: Als gij mij een bezoek wilt maken, gelijk ik uit het deftige gezicht van uw mercurius opmaak, spijt het mij zeer dat ik van avond niet te huis ben; ik moet een nieuw paard koopen. Uw visite houd ik voor genoten en bedank er u allerplechtigst voor, en geef u mijn broederlijken wensch bij uw intreden hier.» IJij knikte onverschillig met het hoofd, stapte de trappen af dat zij dreunden, en zoo over de steenen plaats.

Antons gevoel van welbehagen leed eenigszins onder deze koele bejegening en hij dacht geheel ontmoedigd: «als de andere heeren van het kantoor even zoo zijn, zal het mij moeijelijk vallen men hen om te gaan». Ook de heer Jordan achtte het noodig het vreemde gedrag van den : hippomaan te verklaren en zeido met een vertrouwelijke gewichtigheid «Fink behoort maar half tot het kantoor. Hij is eerst sints

ocr page 32

24

kort hier door zijn vader uit New-York gehaald en hierheen gezonden om bij ons verstandig te worden.

«Is hij dan niet bij zijn verstand?» vroeg Anton nieuwsgierig.

'lt;Wat al te wild, houdt van jagen en rijden, is anders een goed kameraad*, sprak Jordan. «De andere heeren heb ik bij mij op mijn kamer genoodigd om u met allen bekend te maken : wij zullen daar een kop thee drinken. Morgen brengt gij aan ieder in het bijzonder een bezoek.»

De kamer van den heer Jordan was de grootste onder de kleine woningen van het achterhuis, waarin de heeren van het kantoor alleen ot' met hun beiden huisden, en werd daarom en ook om den gemoedelijken aard van den eigenaar soms als salon gebruikt: zij genoot de eer een piano en eenige armstoelen onder haar meubelen te tellen. Bij de ramen hingen verscheidene biscuitgroepen, waarin het edele vrouwendom door mkldeleeuwsche nonnen, door grisetten, en door madonna's vertegenwoordigd was. In dat vertrek stonden of zaten de heeren en wachtten de komst van den nieuweling af. Anton kwam goed door de voorstelling, gaf aan ieder de hand, en verzocht hen daarna gezamenlijk om hun vriendschap en hulp, daar hij gansch onbedreven in zaken was en nog in 't geheel niet in de wereld of onder menschen was geweest. Deze openhartigheid miste haar uitwerking niet en maakte een gunstigen indruk. Daarop begon een vreedzaam gesprek, gekruid met kleine aardigheden en toespelingen, die voor een nieuweling zoo onverstaanbaar mogelijk waren. Anton deed er het zwijgen toe en beijverde zich de karakters van de verschillende heeren te leeren kennen. Daar had men don boekhouder Siebold, een oudachtig klein mannetje, met een pieperige stem en een bescheiden lachje, waarmee hij do wereld om vergill'enis vroeg, dat hij de vrijheid nam van te bestaan. Mij sprak weinig, had echter de eigenaardigheid om in het na-zindeel terug te nemen wat hij in het voor-zindeel had beweerd, bij voorbeeld: «ik zou haast denken dat deze thee wat slap is, maar 't is waar, sterke thee is zeer ongezond,» enz. Verder had men daar den heer Pix, den heerschzuclitigen zwaaijer van het zwart penseel op het plein, een man van karakter, die geneigd scheen alle menschelijke betrekkingen als zaken in 't klein te beschouwen; achtenswaardig misschien, maar toch onbeduidend. Als er een stoel in de kamer te kort kwam, trok hij zonder zich aan iets te storen een kleine tafel naderbij, sprong er op, en bleef daar den heelen avond schrijlings op zitten. Verder was daar de heer Specht, die veel sprak en sterk was in het uilen van stellingen, die door iedereen werden bestreden. Uij beweerde dat China volgens een grondwet werd bestuurd, die maar weinig van de Engelsche verschilde, en verdedigde hartstochtelijk de meening, dat slakkensoep een lievelingsgerecht van wijlen keizer Napoleon was geweest. Nog was daar een ziekelijke heer Baumann, met kort afgeknipt haar en peinzend gelaat, die eiken Zondag naar de kerk ging, aan alle zendeling-genootschappen bijdragen betaalde, en, gelijk zijn collegaas hem voorspelden, het voornemen koesterde later zelf zendeling te worden. Uij stelde dat nu nog uit, uit een zekere kinderlijke gehechtheid aan Duitschland en aan de firma, voor wier belangen hij thans werkzaam was. Anton bemerkte tot zijn blijdschap dat er over het algemeen een pleizierige en vriendschappelijke toon onder de heeren heerschte. Daar hij vermoeid wasgt; nam hij weldra afscheid, en

ocr page 33

'25

dewijl hij niemand had tegengesproken en voor allen voorkomend was geweest, werd na zijn vertrek eenparig verklaard dat hij een goed kameraad scheen te willen worden.

fntusschen stapte Veitel Uzig, met de onverschilligheid van een sleutelaar en de zekerheid van inboorling, door het gewoel der menschen en het net der straten. Het roodachtig licht van de zon was van de straatsteenen overgegaan op de huizen en vertoonde zich aan het sene venster boven het andere, tot aan de daken toe, terwijl de duisternis van den avond de nauwe straten van de oude stad, die aan de rivier ligt, vervulde. In een dier stegen stond een groot huis, met een breed front. I)e benedenramen waren met ijzeren tralies voorzien, op de eerste verdieping schitterden de heldere vensters met groote ruiten van spiegelglas, onder het dak echter waren de raampjes klein, morsig, hier en daar met een ingeslagen ruit. Er was niets deftigs in het huis. Het deed denken aan een oude jodin, die om haar bedellompen een nieuwen bonten doek heeft geslagen.

Naar dit huis wendde Itzig zijn schreden, terwijl hij een ongeschikt dienstmeisje, dat aan de deur stond, smakkend een zoen toewierp welken zij als een om haar gonzende wesp met de handen van zich sloeg. l)e morsige trap leidde naar een wit geverwde voordeur, waar -sp eon groote metalen plaat de naam «Hirsch Ehrenthal» te lezen stond. 'Veitel greep den dikken porseleinen knop van de bel en schelde, hen oude vrouw met geknoeide muts opende de deur half en vroeg, den neus naar buiten stekende, wat hij wilde. Daarop trok zij de kamerdeur open en riep: «daar is iemand, Veitel Itzig heet hij, uit üstrau, hij wou mijnheer Hirsch Ehrenthal spreken,» en uit de kamer klonk de stem van den huisheer: «Laat hem wachten,» en bet gerammel van borden verried dat de koopman eerst het geluk wilde genieten, van en /ainilie het avondeten te gebruiken, voor hij den toe-komstigen milliomiair gehoor verleende. De dienstmaagd wierp met wantrouwende blikken den nieuw aangekomene de deur voor zijn neus dicht, en liet hem staan.

Veitel ging op de stoep zitten en zag strak naar de koperen plaat en de witte deur, bewonderde de uitgewerkte hoeken van de plaat, en deed zijn best zich voor te stellen hoe de naam Itzig er zou uitzien op zoo'n diergelijke plaat op ook zoo'n witte deur. Dit leidde hem als van zelf op de gedachte hoe veel hem nog ontbrak om zoo rijk te zijn als Hirsch Ehrenthal. Hij voelde naar een half dozijn dukaten, welke zijn oude moeder in do voering van zijn buis had vastgenaaid, en overlei hoeveel hij dagelijks daarbij zon kunnen sparen: altijd in de onderstelling dat de rijke heer hem de gelegenheid zou geven iets bij hem te verdienen. Hij was in diepe mijmeringen verloren over de waarde van twee, enkel in zijn verbeelding bestaande laarzen, welke hij zich dacht aan de voeten van een jongen dandy, en die naar zijn schatting driemaal de waarde hadden van het geld dat liij dien dandy er voor bieden wilde, toen de voordeur met krachtige hand geopend werd. Mijnheer Khrenthal stond voor het arme joodje. Dat was niet meer diezelfde man van lied'» ..mldag; die bloemzoete vriendelijkheid was verdwenen, als de geur vaii een roos op den avond van een warmen (lag; hij was geheel majesteit, zelfgevoel, heerschzucht; geen aziatisch vorst kan zoo trotsch op het schepsel voor zijn voeten neer-

ocr page 34

'2(5

zien, ills hij zijn oogen op liet kind uit Ostrau liet vallen. Itzig besefte diep het gewichtige van den grooten man en zijn eigen onbeduidendheid, in weerwil van de zes dukaten in zijn buis. liij sprong haastig op en stond deemoedig voor zijn meester. «Hier is een brief van Baruch Goldmann, aan wien mijnheer Ehrenthal over mij heeft geschreven voor zijn kantoor,» sprak Veitel en overreikte den grooten man een brief.

«Ik heb aan Goldmann geschreven, dat hij mij iemand zenden zou f

en dat ik zien zou of ik hem gebruiken kon : bepaald is er nog niets,»

antwoordde Ehrenthal op hoogen toon en opende den brief.

«Ik ben toch maar gekomen, dan kunt gij mij eens zien,» hernam Veitel.

«En waarom kom je zoo laat, Itzig? 't Is geen tijd meer om te spreken over zaken,» gromde de huisheer hem toe.

«Ik kom mij aanmelden bij mijnheer Ehrenthal nog heden avond,

als hij soms mij te geven heeft een boodschap voor morgen ochtend vroeg.»

«Daarover kan gesproken worden morgen vroeg,» antwoordde de koopman knorrig, die het voor zich van belang rekende den nieuweling te laten blijken hoe weinig hij om hem gaf. Itzig begreep zeer goed het praktische van de houding, en daar hij zag dat zijn kans bij het verdrag dat hij sluiten moest, tot nu toe niet gunstig stond, beproefde hij ze te verbeteren, door zijn dienstvaardigheid wat nader te omschrijven, en zeide: «Ik kan wellicht bewijzen een dienst morgen vroeg,

omdat ik ken tie meeste koetsiers van de heeren, die in de stad komen met oliezaad.»

«Wat? oliezaad? wat doe ik met oliezaad? wat praatje over zaken?»

grauwde liirsch Ehrenthal steeds barscher hem toe.

Maar onvervaard ging Veitel voort zich op te vijzelen: «Ik ben overigens ook bekend in de stad, ik ken de makelaars en de geringe lui,

en kan mijnheer helpen bij iedere zaak, die hij doen wil in huis of buiten 's huis, en om zijn eigen verkoop wat te bespoedigen, voegde hij er met een nederig gelaat bij: «Ik ben zoo trotsch niet, dat ik wil wonen in het huis bij mijnheer Hirsch Ehrenthal; als mijnheer voor mij niet heeft een hoekje in zijn huis, zal ik mij zoeken een slaapstee in de buurt bij een kastelein.

De heer Ehrenthal werd door deze onderworpenheid in zoo ver ge-trollen, dat hij den knaap nog eens van onder tot boven bekeek en ietwat minder hoog vroeg: «zijn je papieren in orde, dat je mij niet in moeijelijkheden brengt met de politie?»

Op dit belangrijk punt stelde Veitel hem gerust; een eeuwenheugende portefeuille vloog eensklaps op geheimzinnige wijze uit de plooijen van zijn wijd buis, en hij zocht daarin zijn bewijzen.

De heer Ehrenthal nam het papier aan met zeer natuurlijk gemaakten (

walg van de vuilgele kleur en bezag toen nauwkeurig onderteekening,

zegel en alles, ja zelfs hield hij het tegen het licht. Veitel wachtte koortsig af of hij het stuk zou houden; als hij het in zijn hand hield was de zaak zoo goed als klaar.

Als nu de heer Ehrenthal het document onverschillig heen en weer wuifde beproefde Itzig met onderdanige vertrouwelijkheid te glimlachen.

«Als ik je in mijn dienst neem», sprak de koopman, «dan zal je doen alles in huis wat ik je bevelen zal, of mevrouw Ehrenthal, of mijn

ocr page 35

27

zoon Bernliard Ehrenthal; je zult poetsen de laarzen 's morgens en de schoenen voor mijn vrouw; je moet halen voor de keuken wat de keukenmeid je zeggen zal; voor mijn kantoor zal je doen alle boodschappen, die ik te doen heb, en alle bestellingen er bij.»

«Ik wil, mijnheer Lhrenthal», zei Veitel deemoedig, «ik wil alles doen, om te maken dat gij tevreden zult zijn met mij.»

«Ontbijt en middageten zal je geven de keukenmeid, 's avonds om zeven uur kunt ge je eigen heer wezen.» Veitel nam met dezelfde graagte ook deze voorwaarde aan en vroeg: «Kan ik niet hebben 's morgens een of twee uren voor mij ?»

«Neen», antwoordde Ehrenthal onbarmhartig, «ik wil het niet hebben, dat iemand is in mijn dienst, en zaken doet voor zijn eigen rekening.»

Daar Veitel vast besloten had zaken voor eigen rekening te doen, hoe het ook gaan mocht, en de heer Khrenthal dat even goed wist als Veitel zelf, werd over dat laatste punt niet verder gesproken.

«Daarvoor zult ge hebben alle maanden twee daalders, en als ik door je toedoen een zaak krijg, ontvangt ge er je deel van.»

«Hoe groot zal zijn dat deel?» riep Veitel begeerig.

«Uoe groot het zal zijn? vroeg Ehrenthal ontevreden; wat ik je geven zal, zal zijn groot genoeg.»

«Groot genoeg voor mijnheer, maar niet voor mij, antwoordde Veitel, stoutweg, want hij begreep, dat hij bij dit hoofdpunt pal moest staan.

«Dat zal zich wel vinden, als ge je proeftijd hebt uitgediend. Vier weken dient ge op proef, na dien tijd zal ik met je spreken over de verdiensten.»

Dit was alles wat Veitel billijkerwijs verlangen kon; hij nam zijn pakje van den grond op en zei zeer onderdanig: «Ik heb er vrede mee, als mijnheer Khrenthal mij nog wil geven een ouden broek of rok, opdat ik hem geen schande aandoe bij de menschen.»

«Geen rok eu geen broek», antwoordde Ehrenthal kortaf.

«Dan geeft ge mij een broek en rok na vier weken, als mijn proeftijd voorbij is.» Deze eisch stond naar de koers van de uitdragersbeurs gelijk met een geschenk van drie a vier daalders, en Ehrenthal vond dien met recht vrij hoog; hij sloeg nog een onderzoekenden blik op den knaap, op de nederigheid van zijn houding, en de ongewone driestheid van zijn oogen. Hij besloot dat de jongen bruikbaar was en voelde zich bewogen om grootmoedig te wezen. «Wel nu, dat zij zoo», zeide hij, «na vier weken; je nachtkwartier kunt ge nemen bij Lobel Pinkus op den hoek, opdat ik wete, waar ge te vinden zijt.» Daarop opende de heer Ehrenthal de huisdeur en riep: «Vrouw, Bernhard, Roza, komt eens buiten!» Twee kamerdeuren en een keukendeur vlogen open, en de familie van den koopman trad te voorschijn, met de gekreukelde keukenmeid er achter.

Mevrouw Ehrenthal was een gezette dame in zwart zijden japon, met zware wenkbrauwen en raafzwarte krullen: zij was voor zich zelve overtuigd, dat zij er nog lief uitzag, en zag er ook goed uit; althans verzekerden haar zulks met meer of minder complimenten de jonge adellijke hoeren, die soms in de morgenuren haar man kwamen opzoeken om zaken met hem te doen; en ofschoon zulke betuigingen zooveel te warmer plachten te zijn, naar mate Ehrenthal koeler was voor de zaak, die zij wenschten af te maken, ging toch, om de waar-

ocr page 36

'28

heul te zeggen, mevrouw Ehrenthal, ook bij de zoodauigen die geen wissels verlangden te verlengen, voor een statige dame door. Haar dochter echter was inderdaad een schoonheid, een prachtig edel wezen met schitterende oogen, met blank gelaat en een zeer weinig gebogen neus. Maar hoe kwam de zoon in deze familie? Ilij was bijna klein, met een bleek, rimpelig gelaat, en gekromde houding ; dat hij nog een jongeling was, zag men alleen aan den mond en het heldere oog: ook was hij slordiger gekleed, dan den zoon van den heer Ehrenthal betaamde, en in het bruine haar staken nu nog, schoon het reeds avond was, eenige pennen. De familie en Veitel zagen elkander sprakeloos aan, terwijl mijnheer Ehrenthal met een zelftevreden lachje zei: «Dit is Veitel Itzig, ik heb hem genomen in onze dienst.» De voorname trotschheid van de moeder, de knorrige blik van de dochter, en het verstrooide oog van den zoon, werd door het arme joodje even zoo vlug opgevangen, als de bonte stralen van een prisma door een waarnemend natuuronderzoeker. Hij besloot terstond tegenover de moeder zeer, zeer onderdanig te zijn, op de dochter verliefd te worden, en Bernhards laarzen slecht te poetsen, benevens in diens rokzakken bij het afborstelen goed na te zien, of niet door de onoplettendheid van den eigenaar een stuk geld hier of daar in de plooijen was blijven zitten.

Nadat hij aldus aan de familie was voorgesteld, verklaarde de heer Ehrenthal dat Veitel weg kon gaan, en den volgenden morgen om zes uren terug moest zijn. De huisdeur werd achter den knaap gesloten,.en ook hij stond op de stoep, in de zaak opgenomen, als eerstbeginnend koopman. Ilij lachte genoegelijk toon hij de stoep afging; klaarblijkelijk was hij met den alloop tevreden. Had liij zich niet gemeten met den grooten heer en had hij niet een voordeel behaald? Want daar hij zich op elke voorwaarde, ook zonder toelage van kleederen, zou hebben verbonden, be schouwde hij den ouden rok en broek, binnen vier weken betaalbaar, met grond als een zeer aangename overwinning op zijn nieuwen patroon. De gedachte: «'t zul maar een zomerrok zijn,» vloog als een sombere schaduw door zijn hoofd. «Neen de broek zal zijn van Bernhard, die draagt lakensche broeken, ook heden op dezen warmen zomerdag.» Daardoor gerustgesteld, droeg hij zijn pakje, den hoek om, naar Löbel Pinkus.

Löbel Pinkus was kastelein en hield gelijkvloers een kleine tapperij, die vele klanten telde; intusschen was liet duidelijk, dat noch het stevige, van vet glimmende uiterlijk van Löbel Pinkus, noch de zware halsketen van zijn vrouw, hun degelijke waarde aan de brandewijns-afl'aire te danken hadden, en de buren braken zich dikwijls het hoofd, hoe vrouw Pinkus het toch maakte om altijd de duurste ganzen te braden, ja somtijds zelfs patrijzen. Doch daar haar echtgenoot een resolute kerel was, in zijn spreken lomp en kortaf, daar hij een tapperij had, 't geen altijd voor een teeken van volksgezindheid zal doorgaan, en daar hij bovendien geld tegen ongewone interessen uitleende, was hij onder de kleine handwerkslui in de buurt zeer ontzien en gevreesd. Zijn naam was goed. De dienders dronken gaarne in het voorbijgaan een glaasje in zijn winkel, waarvoor hij altijd weigerde geld aan te nemen; hij betaalde stipt zijn belasting en gold voor een vriend, ja vertrouwde van de uitvoerende macht. Inderdaad echter, was Pinkus een van die gelukkig begaafden, die de kunst verstaan

ocr page 37

'29

om honig uit alle bloemen te zuigen, ook uit de slecht riekende. Op de eerste verdieping van zijn huis had hij een geheime herberg voor mannen met en zonder baard, die zekeren haat tegen al wat van het geslacht der zwijnen afstamt niet konden overwinnen. Deze mannen van overoude afkomst hadden soms reden om hooge waarde te hechten aan een goedkoop en geheim logies, waar de kastelein niet te hoog opschreef en geen pas verlangde. Zij kwamen in den regel 's avonds in de herberg en slopen 's morgens vroeg weer weg, naar de straten van de stad en den grooten weg op: nederige kramers en schacheraars, die hun winst naar stuivers en centen berekenden. Helialve deze gasten verschenen er bij tijd en wijle nog andere, onregelmatig als kometen, van eiken leeftijd, geslacht en geloof; zij regelden hun zaken in de grootste stilte met den huisheer en konden het niet best lijden, als men 's nachts in de nabijheid van hun gezicht een lucifer aanstak. Oude gastvrienden van Pinkus hadden omtrent die eigenaardigheid natuurlijk hun bijzondere manier van zien, maar zij vonden het toch zaak er niet veel woorden over te verspillen.

In dit huis stommelde Itzig in den donker een trap op langs morsige muren, kwam voor een zware eiken deur met een groot slot, en trad, als hij deze door een harden duw had geopend, een opafzienbare ruimte binnen, die bijna de geheele lengte van het huis besloeg. Iti het midden stond een oude tafel met een slechte lamp; daarom heen eenige bankjes; tegenover de deur was een groote kast in den muur met vele kleine deuren, die half gaapten en verrieden, dat de oude kast uit smalle afgeschoten hokjes bestond, met houten knoppen voor de kleederen. Voor de kleine ramen, die op straat uitzagen, waren verbleekte gordijnen; aan de andere lengtezijde, viel door een geopende deur het avondlicht in de kamer. Deze deur leidde naar een houten balcon, dat langs de gelagkamer aan den buitenkant van het huis liep.

Itzig wierp zijn pakje in een van de kasten en ging naai' het balcon. Daar hij ook hier geen tweeden gast aantrof, begon hij het uitzicht te bewonderen met dezelfde maat van belangstelling, die een hollandsch schilder van stadsgezichten zou hebben gevoeld, alleen maar niet geheel met dezelfde bedoeling. Onder langs het huis stuwde een stroom zijn drabbig water voort en vormde een soort van gracht, aan beide kanten met vervallen houten woningen bebouwd. Aan ieder huis bijna, aan elke verdieping, waren diergelijke balcons, door donkerbruine balken geschraagd. Soms verhieven zich drie, vier balcons boven elkander, en dan was de vloer van het hoogere telkens het dak van het lagere, in oude tijden hadden achtenswaardige leden van het looijersgilde daar gewoond; toen was het houtwerk glad en nieuw geweest, en helder witte geiten- en schapenveilen hadden over de leuningen gehangen, tot zij zacht en buigzaam waren geworden, zoodat men er handschoenen voor de patriciërs en leeren beugeltassen voor hun echtgenooten uit maken kon. Thans waren de looijers naar meer afgelegen wijken van de stad teruggetrokken, en in plaats van de huiden hing het linnen van arme menschen aan de houten gaanderijen, over het verminkte snijwerk en de vermolmde balken. Nog stak de witte, roode en blauwe kleur van het waschgoed in de avondschemering af bij het zwarte houtwerk, eti de lichtstralen werden wonderbaarlijk gebroken dooi' de zuilen en vooruitspringende balken, door de ruwe arabesken van de leuningen en door de donkere palen, die hier en daar boven het water

ocr page 38

aü

uitstaken, 't Was een akelig oord voor ieder levend schepsel, behalve voor schilders, katten, en arme drommels.

De veelbelovende Itzig was vroeger reeds nu en dan in huis geweest, maar altijd in talrijk gezelschap. Thans merkte hij op dat een lange overdekte trap aan het einde der gaanderij tot beneden in het water liep ; hij zag dat naast den geheimen trap een diergelijke was aan het aangrenzende huis en maakte daaruit de gevolgtrekking, dat het mogelijk moest zijn den eenen trap af- en den anderen opteldimmen, zonder meer dan zijn schoen nat te maken ; hij ontdekte verder dat het bij den lagen waterstand 's zomers mogelijk was langs de rij van huizen aan den waterkant voort te loopen, en hij dacht bij zich zeiven na of' ei' ook menschen konden zijn, die bij dag of bij nacht zoo'n wandeling voor heilzaam hielden. Nachtzwachters en dienders althans had men daar niet te duchten. Door deze beschouwingen werd zijn verbeelding zoo opgewekt, dat hij naar de gelagkamer terugkeerde, in de kasten kroop, die open stonden, en de houten wanden, kloppende en duwende, onderzocht.

Tot zijn verbazing ontdekte hij dat ook de achterzijde van hout was en hol klonk ; daar aan dezen kant de muur moest loopen, die dit huis van het naburige scheidde, vond hij dien hollen klank bevreemdend, en niet in den haak, en was juist op het punt een gesloten kast open te maken en te zien, of soms een reet in het hout hem eenige oplossing zou kunnen geven, toen een dof gebrom zijn hand terughield. Uij keek om en bemerkte, zonder zich erg te schamen, dat hij niet meer alleen was. in den hoek van het vertrek lag, in zijn mantel gewikkeld, het zwarte mutsje op het hoofd, een gallicisch koopman, ineengerold op een stroozak. Hij had zijn plunje in de bedoelde kast geborgen, en vond het noodig tegen de onderzoekingen van den al te weetgierigen Veitel te protesteeren. Itzig beproefde een gesprek met den vreemdeling aan te knoopen, maar aangezien deze meer lust tot slapen dan tot gezellig onderhoud liet blijken, ging itzig in een anderen hoek op een stroozak zitten en bleef daar, terwijl zijn ruste-looze geest steeds voortrekende en allerlei zaken uitdacht, waarbij hij soms in de levendigheid zijner overpeinzingen met handen en beenen sloeg, totdat de duisternis des nachts door de deur binnen drong, en de kleine lamp begon te knetteren en zich gereed maakte om uit te gaan. Daarna kwam Pinkus zelf naar boven met een kaars in de hand, zag rond hoe het met de gasten was gesteld, zette een kruik water op de tafel, en sloot, bij het heengaan, de deur van buiten. In den donker haalde Itzig een stuk droog brood uit zijn zak en sliep eindelijk, onder het gesnork van den anderen reiziger, op den stroozak in.

Op datzelfde oogenblik rolde zich zijn reisgenoot in het aanzienlijke handelshuis in den traai gestikten deken van zijn bed, zag nog eens met vermoeide oogen in de kamer rond, en bemerkte slaapdronken dat de gele kat op de schrijftafel haar pooten bewoog, zich begon te aaijen en hem ten laatste zoenhandjes toewierp. Voor hij den tijd had over deze ongewone vriendelijkheid van het gipsen diertje na te denken, was hij in diepe rust. Voor beide jongelingen daalde de sluijer van donker floers neer, waarop de droomgodin haar bonte beelden pleegt te vertoonen. Anton zag zich op een baal zitten en door de lucht vliegen, terwijl een zekere jonge dame de armen naar hem uit-

ocr page 39

;h

strekte, en Veitel Itzig ontdekte tot zijn genoegen dat hij een baron was geworden, die door Hirsch Ehrenthal om een aalmoes werd aangesproken. Hij zag hoe hij den armen Ehrenthal zijn zes dukaten gaf en hoe deze op jammerenden toon hem bedankte. Over deze grootmoedigheid ontstelde hij in zijn droom zoo zeer, dat hij met handen en beeneu slaande, in de hoogte voer.

l)en volgenden morgen begonnen beide jongelingen hun werkzaamheden. Anton zat op zijn plaats in het kantoor en schreef brieven over; en Veitel stond, nadat hij de verschillende laarzen en schoenen van de familie Ehrenthal gepoetst en de zakken van Bernhard nauwkeurig onderzocht had, als oppasser voor een van de grootste logementen om een vreemd heer van buiten de stad in 't oog te houden, die onaangenaamheden met Ehrenthal had gehad en nu onder verdenking lag andere zaakwaarnemers bij zich te hebben ontboden. Anton kreeg, door het overschrijven der brieven, begrip van den stijl en de taal zijner zaak, en Veitel had, onder zijn bespieden voor het logement, het geluk het adres op te vangen van een voorbijgaand student, die liet oorbaar achtte, zijn zilveren horologie te verkoopen.

In de eerste vrije uren teekende Anton het slot, de slingerplanten, het balcou en de torentjes op het beste papier, dat hem de stad leveren kon, af. Hij liet de schets in een mooije vergulde lijst zetten en hing ze boven zijn kanapee op.

V.

Het kostte Anton in den beginne moeite zich in de nieuwe wereld, waarin hij verplant was, thuis te vinden. liet gebouw, de huishouding, de zaak waren zoo ouderwetsch, degelijk en kolossaal, dat zij zelfs op een wereldburger van meer ondervinding indruk hadden moeten maken.

De zaak was een affaire in koloniale waren, gelijk ze thans bij den dag zeldzamer worden, thans dat spoorwegen en telegrafen zee en binnenland verbinden, dat ieder koopman van de zeesteden dooi1 zijn agenten de waren in het hartje van liet land laat verkoopen, dikwerf voor ze in de haven, zijn aangekomen; zoo zeldzaam, dat onze nakomelingen deze soort van handel nauwelijks minder vreemd zullen vinden, dan wij het marktverkeer te Tombucto of in een Kalferdistrict. En toch had deze oude wijdberoemde zaak een trotsch, ja vorstelijk aanzien, en wat van groote waarde is, zij was uitnemend berekend om bij degenen die er in betrokken waren, degelijkheid en zelfvertrouwen aan te kweeken. Want destijds was de zee nog ver af, de combinatiën zeldzamer en grooter; de blik van den koopman moest dus ook schei-per, zijn speculatie zelfstandiger zijn. De belangrijkheid eener zaak steunde toen op de hoeveelheid van waren, welke men met eigen geld gekocht had en op eigen risieo in voorraad hield. In de pakhuizen aan de rivier lag in lange rijen een groot gedeelte van de vreemde koopgoederen opgestapeld, een minder deel in de kelders en verwulven van het oude huis, een rijke voorraad in schuren en bergplaatsen in de buurt. Ontelbare kooplieden van de provincie voorzagen zich uit de magazijnen der affaire van koloniale waren en van de duizend goede voortbrengselen uit den vreemde, die ons een dagelijk-sche behoefte zijn geworden. Maar ook tot over de grenzen van het

ocr page 40

32

land, naar liet zuiden en oosten, tot aan liet turksche rijk, waren agenten te vinden van het liuis; en dit gedeelte van de zaak, welliclit minder regelmatig en zeker, werd als haar voordeeligste kant beschouwd.

Aldus bood het dagelijksche verkeer den nieuwen leerling een tal van de meest uiteenloopende indrukken, menschen en bijzonderheden van allerlei aard aan. Behalve de agenten uit de zeeplaatsen, die bijna iederen dag proeven van koopwaren brachten, en behalve de makelaars in ell'ecten, die de geldzaken bezorgden, wissels aanboden en verkochten, trok dooi' het voorkantoor, van den vroegen morgen tot den laten avond, een bonte menigte van allerhande menschen. Daar kwamen kooplui uit de provincie, ouderwetsche mannen met de wonderlijkste mutsjes op het hoofd en van de meest verschillende beschaving; zij kochten, gaven handjes en verlangden als speciale vrienden van de affaire behandeld te worden. Verder grondeigenaren van alle standen uit de buurt, die de gekweekte handelsproducten, ververijen, specerijen enz. te koop boden. Dan poolsche joden, zwartlokkig volkje in lange zijden japonnen, die soms kochten, maar meestal de voortbrengselen hunner landerijen, wol, hennip, potasch en talk verkoopen wilden. Met hen was de omgang het minst in den vorm; hun binnenkomen veroorzaakte onder de jongelui van het kantoor altijd een stille vroolijkheid. Daartusschen kwamen bedelaars, menschen die hulp vroegen, vrienden van het handelshuis, voerlui die hun vrachtbrieven verlangden, sjouwers en pakhuisknechten die boodschappen kregen of' de boodschappen van andere firmaas deden. Anton vond het moeijelijk bij dat voortdurend openen van de deur en dat eeuwig door elkander spreken, zijn gedachten bij elkaar te houden en het eenvoudige werk, dat hem was opgedragen, af' te maken.

Juist was de heer Braun binnengekomen, de agent van een bevriend huis uit Hamburg en had uit zijn zak een menigte kof'fieproeven gehaald. Terwijl deze door den patroon werden onderzocht, zwaaide de kleine levendige agent zijn stok met gouden knop in de nabijheid van Anton heen en weer, en gaf' een omstandig verhaal van een zeestorm en van de schade daardoor aangericht. Daar kraakte de deur en een armoedig gekleede vrouw trad binnen. De heer Specht stond op en vroeg: «Wat wilt ge?» men hoorde kermende tonen, die veel geleken op het gepiep van een kieken, de koopman greep in zijn zak en het gejammer veranderde in een vroolijk; üod zegen je: — «Golven als huizen zoo hoog,» roept do agent. «God zegen je duizendmaal,» wenscht de vrouw. — Maakt 540 gulden, 50 centen,» zegt de heer Boiunann tot den patroon.

Nu wordt de deur driftig opengetrokken, een groot man, met een geldzak onder den arm, komt binnen, zet den zak met een zegevierenden blik op de marmeren tafel en roept, met de tevredenheid van iemand, die een goede daad volbrengt: «hier ben ik, en daar is geld,»

Terstond staat de heer Jordan op en zegt vertrouwelijk: Goeden morgen, mijnheer Stephan, hoe gaat het in Wolfsburg?» — «Een vree-selijk gat,» klaagt de kleine Braun. —- «Waar?» vraagt Von 1'ink. — «'tis geen kwaad plaatsje, maar er gaat niet veel om,» antwoordt mijnheer Stephan. — Natuurlijk in den romp van het schip,» zegt de heer Braun. — «Vijf en zeventig zak cuba,» spreekt de patroon, in antwoord op de vraag van een klerk.

Terwijl nu de heer Stephan de nieuwtjes van zijn stad vertelt, en daaronder de treurige geschiedenis van een jong gezel, die zich met

ocr page 41

33

een klein kanonnetje heeft doodgeschoten, en terwijl de heer Jordan deze onvermijdelijke inleiding tot den daaropvolgenden inkoop geduldig aanhoort, gaat de deur weer open, een knecht treedt binnen en een jood uit Brody.

De bediende brengt den koopman een uitnoodiging voor een diner en de jood sluipt naar den hoek waar Von Fink zit.

«Wat doe je hier weer, Tinkeles?» vraagt Von Fink hem onverschillig? «Ik heb je reeds gezegd dat we geen zaken met je doen willen.»

«Geen zaken?» roept de ongeduldige Tinkeles, de taal afschuwelijk radbrakende, zoodat Anton hem niet dan met moeite verstaat. «Zulke wol, als ik breng, is nog nooit geweest in het land.»

«Hoe duur de honderd pond?» vraagt Von Fink, doorschrijvende, zonder den jood aan te zien.

«Zoo als ik reeds gezegd heb,» antwoordde de jood.

«Je bent niet wijs,» zegt Von Fink; «pak je weg.»

«Geen loods kan hem helpen,» zegt Mijnheer Braun.

«Mijn complimenten aan uw meester, zegt de koopman.

«Met een lucifer heeft hij het kanonnetje aangestoken, roept mijnheer Stephan, met ten hemel geslagen blikken.

«O waai!» kermt de man in de lange japon, «wat is dat; pak je weg? «Met wegpakken kan men doen geen zaken.»

«Wat wil je dan hebben voor de wol?»

«41'V., zegt Tinkeles.

«Marsch!» is het kernachtig antwoord van Von Fink,

«Zeg toch niet altijd marsch,» smeekt de jood, in wanhoop. «Zeg liever wat ge geven wilt?»

«Als je onbeschaamd blijft in je eischen in 't geheel niets,» zegt Von Fink, een nieuwen kant van zijn brief beginnende.

«Toe, zeg maar wat ge geven wilt,» fleemt de jood.

«Alleen, zoo ge als een fatsoenlijk mensch spreekt,» antwoordt Von Fink den jood aanziende.

«Ik ben fatsoenlijk,» zegt de jood zacht, «wat wilt ge geven?»

«3!),» zegt Von Fink.

Daarop is Tinkeles heel van zijn stuk, schudt op zijn zwarte lokken, en zweert bij zijner ziele zaligheid, onder luid gekerm, dat hij niet onder de 41 gaan kan; waarna Von Fink hem aan zijn verstand brengt dat hij hem buiten de deur zal laten zetten, als hij zoo'n leven maakt. Ontsteld gaat de jood naar de deur, steekt zijn hoofd weer naar binnen, en roept; «Nah wat wilt ge dan geven?»

«39,» is het onvriendelijk antwoord van Von Fink, die de levendige beweging op het gelaat van den koopman met dezelfde maat van belangstelling gadeslaat, als een natuuronderzoeker de galvanische trekkingen van een kikvorsch beschouwt. Het getal 39 ontlokt aan het gemoed van den jood een nieuwe uitbarsting; hij nadert Von Fink weer, wenscht zijn ziel in den diepsten afgrond van de hel, en verklaart zich voor het afschuwelijkste monster van de wereld, als hij zijn wol voor minder dan -M kan afstaan. Als hij, na herhaalde vermaningen van Von Fink om zich bedaard te houden, oproerig blijft, wordt de knecht geroepen, wiens verschijnen alleen zoo kalmerend werkt, dat Tinkeles verklaart dat hij wel alleen kan gaan en zal gaan, waarop hij stilstaat en 40'/j zegt. De agent, de man uit de provincie en geheel het kantoor zijn doodstil en luisteren nieuwsgierig naar den koop, DEBET EN CUEÜ1T I. 3

ocr page 42

u

terwijl Von Fink den armen Tinkeles met zekere hartelijkheid den raad geeft toch zonder verdere praatjes te vertrekken: hij was door en door mal en er was niets met hem aan te vangen. Daarop keert de jood zicli boos om en gaat weg. Mijnheer Braun zet nu zijn verhaal voort.

«Deze storm was een zeldzaam ongeluk; de koffie moet rijzen,» en mijnheer Stephan bewijst dat zelfmoorden en andere gruweldaden sints de uitvinding der lucifers zijn toegenomen; en Von Fink zegt tot zijn patroon, die een juist ontvangen brief leest - «Hij zal de wol laten, als ik ernog een halven daalder bijvoeg. Wilt gij met 39'/,; den koop sluiten ?»

«noeveel ?» vraagt de koopman.

«120 centenaars,» zegt Von Fink.

«Neem ze maar, antwoordt de koopman en leest door.

Weer wordt do deur opengetrokken, het leven gaat voort, en Anton zit zich af te tobben om te begrijpen, hoe men de wol kan koopen, nadat de kooper zoo vast besloten is weggegaan.

Maar juist als drie, vier stemmen tegelijk spreken, gaat de deur heel, heel zachtjes open, Tinkeles komt op zijn teenen binnen tot achter Von F inks plaats, en zegt, terwijl hij hem de hand op den schouder legt, weemoedig en vertrouwelijk: «Hoeveel legt gij er op?»

Von Fink ziet om en antwoordt eveneens met een vertrouwelijk lachje:

Omdat gij het zijt, Tinkeles' 3!)'4 maar alleen onder deze voorwaarde, dat ge er geen woord meer over spreekt, anders neem ik mijn aanbod terug.»

«Ik zeg niets,» xei de jood, «zeg gij 40.»

Von Fink doet als of hij boos is en wijst naar de deur. De koopman draait bij de deur rond.

«Nu komt het,» zegt Von Fink, en werkelijk, de koopman keert terug en spreekt met meer klem : «39 en lJ2 als gij het daarvoor hebben wilt.»

Na eenig dralen laat Von Fink zich ontvallen; «Enfin, 't zij zoo.» Terstond is Tinkeles een geheel ander mensch, gedraagt zich al een beminnenswaardig vriend van de lirma, en vraagt met veel belangstelling naar de gezondheid van den patroon.

Fn weer kraakt de deur, nieuwe koopers en verkoopers dagen op, de menschen praten, de pennen krassen, het geld rolt onophoudelijk.

Ook het huishouden, waartoe Anton thans behoorde, kwam hem vreemd en voornaam voor.

liet huis zelf was een oud, onregelmatig gebouw, met zijvleugels, kleine plaatsen, en achterwoningen, vol muren en trapjes, met geheimzinnige gangetjes, waai' geen mensch ze wachten zou, vol doorloopen, nissen, kasten en deuren, 't Was een zeer kunstig geheel, waaraan eeuwen gewerkt hadden, om het voor de naneven zoo moeijelijk en onverstaanbaar mogelijk te maken; en toch zag het er over 't geheel genomen zeer goed uit, en omringde met zijn muren een wereld van menschen en belangen. De gansche ruimte onder het gebouw en de plaatsen was voor kelders ingericht, en tot aan de gewelven met goederen opgevuld. De geheele eerste verdieping aan straat was voor de zaak en bevatte behalve de verschillende kantoren, genoegzaam niets dan berging voor de koopwaren. Daarboven waren in het voorhuis de zalen en vertrekken, waar de koopman zelf woonde. Mijnheer Schröter

ocr page 43

was slechts kort getrouwd geweest; in één jaar had hij vrouw en kind verloren; sinds den dood zijner ouders was een zuster al familie wat hij had.

Zeer streng handhaafde de koopman de oude gebruiken van de all'aire. Alle heeren van het kantoor, die niet gehuwd waren, woonden in zijn huis, behoorden tot zijn huishouden, en aten alle dag klokke één aan tafel bij den patroon. Des morgens na Antons komst had mijnheer Schröter slechts enkele woorden met hem gewisseld en hem daarop aan den heer Jordan voor de afdeeling «platteland» overgegeven. Thans, eenige minuten voor het middaguur, was Anton in de vertrekken van de eerste verdieping ontboden, om aan de vrouw des huizes te worden voorgesteld. Vol verwachting steeg hij de met een kostbaar tapijt bedekte trappen op, de knecht opende de deur en leidde hem door een reeks van kamers in de receptiezaal. Anton bemerkte op zijn weg met verbazing den soliden rijkdom, de groote spiegels, zware gordijnen, schilderijen, bloementafels, talrijke vazen en bloemenschalen van steen en geschilderd porselein. De knecht schoof een portière open en Anton maakte op de glad geboende vloer een diepe buiging, toen de patroon hem aan een jonge dame presenteerde en zei; «Mijn zuster Sabine.»

Mejufvrouw Sabine had een fijn besneden, bleek gezicht, ingesloten tusschen gitzwarte lokken; zij droeg een smaakvolle zomerkleeding, scheen niet ouder dan Anton, maar had de waardigheid en achtbaarheid van een huisvrouw. Zij verzocht hem plaats te nemen, en vroeg hem belangstellend hoe hij zich had ingericht, en of hem nog iets ontbrak.

«Mijn zuster regeert over ons allen,» zei de koopman met een liefdevollen blik op de jonge dame, «biecht maar openhartig op, als ge nog eenige huishoudelijke wenschen koestert; zij is de groote toovergodin, die hier de zaken in orde houdt.

Anton zag naar de toovergodin en antwoordde verlegen:

«Ik heb tot nog toe alles veel prachtiger gevonden, dan ik het ooit te huis gewoon was.»

«Uw lefen zal u evenwel met der tijd eentonig schijnen,» ging de koopman voort. «Er heerscht strenge orde en regelmaat in ons huis. Gij moet u op veel werk en weinig uitspanning voorbereiden. Mijn tijd is zeer bepaald, zelfs na afloop van het kantoor. Wanneer gij echter in de een of andere zaak raad of hulp mocht verlangen, verzoek ik u in de eerste plaats u tot mij te wenden.»

Na deze korte audiëntie verleend te hebben stond hij op en leidde Anton naar de eetzaal. Op weg daarheen zette hij hem de plichten en positie van een leerling in het handelshuis duidelijk uiteen. Anton vond zijn ambtgenooten reeds in de kamer, in behoorlijke kleeding het eten wachtende; Sabine kwam binnen en met haar een eenigszins bejaarde dame, een verre betrekking van de familie, die Mej. Schröter in het huishouden hielp, en er zeer goedaardig uitzag.

De heeren van het kantoor maakten een buiging voor de dames, en Anton kreeg zijn plaats heel onder aan tafel, tusschen de jongste ambtgenooten ; vlak tegenover hem zat Sabine, naast haar de heer Schröter, aan den anderen kant de tante, dan volgde mijnheer Von Fink, en daarna alle anderen stipt naar rang en ouderdom in de affaire. Over het algemeen was het een stil diner. Antons buurlui zeiden weinig en nog wel op lluisterenden toon, het gesprek werd bijna hoofdzakelijk door den patroon gevoerd. Alleen de jockey van gisteren gedroeg zich met de

ocr page 44

36

grootste ongedwongenheid, vertelde kleine aardige anekdoten, had het talent andere menschen in stem en houding voortreffelijk na te doen, en was voor zijn buurvrouw, de goedaardige tante, bijna overdreven beleefd. Kortom, Anton, wiens hart vol heilig ontzag en eerbied was, zag met een soort van vrome verbazing dat Von Fink de heele tafel zoo behandelde, alsof zij alleen om zijnentwil gedekt was, en alsof de koopman slechts daarom een zaak had, opdat Von Fink, zijn volontair, luchtige aardigheden zeggen en alle gasten onbeschaamd toespreken mocht, Daarbij meende hij op te merken, dat de koopman zelf den jongen man met koelheid behandelde, en verder, dat Von Fink zeer weinig om die terughoudendheid gaf. De knecht in zwarten rok diende met de grootste nauwgezetheid, en als de heeren van het kantoor met een buiging opstonden en hun stoelen wegzetten, nam Anton uit de eetzaal de overtuiging met zich mede, dat hij nog nooit zoo voornaam en plechtig zijn middageten had genoten,

«Met allen zal ik het vinden, alleen niet met dien Von Fink,» herhaalde Anton den heelen dag, «hij is te driest en te trotsch.» Hij bleef ook zitten, als de overigen allen opstonden. «Hij past hier niet,» was de conclusie van den nieuw aangekomene, waartoe hij meer door instinkt dan door levenswijsheid was gebracht. Sints dien tijd zag Anton met een zekere schuchterheid tegen den heer Von Fink op, en toch moest hij dikwijls naar hem zien en op hem letten, zoo grooten indruk maakte op hem geheel de houding van den gentleman, het schoon gevormd hoofd, het lange smalle gezicht met fijne trekken, de rijzige gestalte, de gemakkelijkheid en het zelfvertrouwen in al zijn doen en laten. Anton had nauwelijks deti moed hein aan te spreken, en Von Fink gaf er hem volstrekt geen aanleiding toe, want hij scheen de komst van den nieuwen leerling reeds geheel te hebben vergeten. Slechts eens, toen Anton toevallig voor Von Fink uit den trap van de achterwoning opklom, zei deze tot hem: «Wel nu, master Wohlfart, hoe bevalt het u hier in huis?»

Anton bleef staan en antwoordde gelijk een goeden jongen betaamt: «Uitmuntend! ik zie en hoor zoo veel nieuws, dat ik nog n»aar niet op mijn verhaal kan komen.»

«Ge zult daar wel aan gewoon raken,» lachte Von Fink, «het heele jaar door koekoek-één-zang. Zondags een gerecht meer en een wijnglas voor ieder bord; en ik zou u raden dan uw besten rok aan te trekken. Gij zijt als een rad aan de machine toegevoegd en men verwacht van u dat ge het gansche jaar regelmatig zult ronddraaijen.»

«Ik weet dat ik ijverig moet werken om het vertrouwen van den heer Schröter te verdienen,» antwoordde de kleine brave Anton, ge-belgt over dezen oproerigen toon van den volontair.

«Een zeer vroom voornemen!» spotte deze. «Binnen weinige weken zult ge zien, mijn armen jongen, hoe'n hemelsbreed onderscheid er is tusschen den heer van de firma, en de menschen die zijn brieven schrijven en zijn boodschappen volbrengen. Geen vorst ter wereld leeft zoo trotsch en afgezonderd te midden van zijn onderdanen als deze kofflekoning in zijn rijk. Maar laat u door wat woorden niet in de war brengen,» voegde hij er op goedigen toon bij. «Het heele huis zal u zeggen dat ik niet bevoegd ben om mee te spreken. Daar gij mij echter voorkomt een kantoorfnensch van groote verwachting te zijn, wil ik u een welgemeenden raad geven. Neem een engelschen meester en maak dat ge hier vandaan komt voor ge vastroest; al wat ge hier

ocr page 45

37

leert kan u nooit tot een degelijk mensch maken, zoo ge althans de noodige stollage in u hebt om dat ooit te worden. Goeden avond!» Met deze woorden keerde Von Fink onzen Anton den rug toe en liep hem, uiterst gebelgd over den hoogen toon, dien de jockey had aangenomen, voorbij.

Wel ondervond onze held na verloop van eenigen tijd, niettegenstaande de drukte van het handelsleven, de schromelijke eentoonigheid der uren en dagen; wel vermoeide hem dat soms, maar het maakte hem niet ongelukkig; want door zijn ouders was hij aan orde en regelmaat gewend, en deze beide deugden kwamen hem hier in menig vervelend uur uitmuntend te stade.

Ue heer Jordan gaf zich de noodige moeite den leerling in de geheimen van de kennis der koopwaren in te wijden, en het uur waarin Anton voor het eerst het magazijn van de firma binnentrad en honderd verschillende stoffen en vreemde voorwerpen persoonlijk onder hun kunstbenamingen leerde kennen, werd voor zijn ontvankelijk gemoed de bron van eigenaardige poëzie, die op zijn minst even zoo veel waard was, als menige andere poëtische aandoening, welke de denkbeeldige bekoorlijkheid van het wonderlijke en vreemde in ons opwekt.

't Was een groot pakhuis, waar door getraliede vensters maar een half licht binnen drong, en waar de monsters en kleine voorraad voor het dagelijksch verkeer lagen. Vaten, balen en kisten lagen en stonden ook hier door elkaar en slechts smalle kronkelpaden leidden er door heen. Bijna alle landen der aard, alle rassen van het menschdom hadden gewerkt en verzameld om wat nuttig en kostbaar is voor de oogen van onzen held opeen te stapelen. Het drijvende paleis van de Oost-Indische Compagnie, do vliegende amerikaansche brik, de oudvader-lijke ark van de Hollanders hadden de aarde rondgezeild; sterk gebouwde walvischvangers hadden hun neus tegen de ijsbergen van den Noorden Zuidpool gestooten; zware stoombooten, chineesche jonken, lichte maleische prauwen met een bamboezen mast: allen hadden hun vleugels bewogen en tegen storm en baren gekampt om dit magazijn te vullen. Deze matten had een Hindoe gevlochten; die kist was door een ijverig Chinees met roode en zwarte hieroglyphen beschilderd ; gindsch rietweefsel had een neger uit Congo in dienst van een planter uit Virginia over de balen vastgemaakt; deze stam was geveld op den oever van de wateren die de golf van.Mexico bespoelen; dat vierkant blok van Zebra- of Jacarandahout had gestaan in een moerassig woud van Brazilië, en apen en papegaaijen hadden in zijn loof rondgehuppeld.

In balen en vaten lag de groenachtige vrucht van den koffieboom, genoegzaam uit alle deelen der aarde; in ruwe korven kromden zich (Ie ineengerolde bladen van de tabaksplanten, het bruine merg van de palmen. Honderd verschillende planten hadden haar hout, bast, knoppen, vruchten, merg en sap op deze plaats vereenigd. Ook vreemde gedaanten verhieven zich als monsters uit den chaos. Daar achter dat open vat met een oranjestof gevuld — het is palmolie van de oostkust van Afrika — rust een wanstaltig dier — het is talk uit Polen, die in de huid van een geheele koe is aangebracht; — daarnaast liggen samengeperst iti reusachtige balen, met touwen en ijzeren banden vastgemaakt, een groote partij stokvisch, en in den hoek daar tegenover, boven een hoop olifantstanden, de beard van een ontzaglijken walvisch.

ocr page 46

38

Anton stond nog uren lang, nadat de inlichtingen van zijn leermeester hem gegeven waren, nieuwsgierig en verbaasd in het magazijn rond te kijken, en de bogen van het gewelf en de pilaren van den muur veranderden in zijn verbeelding in breed getakte palmboomen, en het gonzen en het geraas op de straat klonk in zijn ooren als het ruischen van de zee, die hij allen uit zijn droomen kende, en hij hoorde de golven van de zee in gelijke maat tegen het strand aanklotsen, waarop hij zoo veilig stond.

Deze belangstelling in de vreemde wereld, waarin hij zich zoo geheel zonder gevaar verplaatst zag, verloor hij sints dien dag nooit. Als hij zijn best deed de verschillende eigenschappen der waren te leeren kennen, beproefde hij nog bovendien door het lezen van land- en reisbeschrijvingen duidelijke voorstellingen te krijgen van de gewesten, waaruit zij kwamen en van de menschen, die ze bijeen gebracht hadden.

Zoo verliepen de eerste maanden van zijn verblijf in de hoofdstad zeer snel en het was goed voor hem dat hij ook in zijn vrije uren zoo'n levendig onderhoud met die onbekende wereld te voeren had. Want in één punt had Von Fink gelijk gehad : Anton bleef in weerwil van het dage-lijksch diner in de eetzaal toch aan het hoofd van het huis en aan diens familie zeer vreemd, en voelde weldra dat een grens getrokken was tus-schen de heeren van het kantoor en de leden van het huisgezin, die, hoe onmerkbaar ook, voor vreemden toch onoverschrijdelijk was. Hij was verstandig genoeg er niet over te morren, maar ging er toch meermalen onder gebukt, want met de opgewondenheid, aan de jeugd eigen, was hij terstond geneigd geweest zijn patroon als het ideaal van een koopman te beschouwen.

De schranderheid, zekerheid en kernachtige kortheid van den man, zijn fiere eerlijkheid vervulden hem met geestdrift; hij zou zich zoo gaarne met innige liefde aan hem hebben aangesloten; maar buiten de werkuren zag hij hem zelden of nooit. Als de koopman 's avonds geen vergadering had of op de societeit was, leefde hij alleen voor zijn zuster, aan wie hij met in 't oog loopende teederheid gehecht was. Voor zijn zuster hield de koopman paarden en rijtuig, waarvan hij zelf weinig gebruik maakte; voor haar genoegen ging hij 's avonds op partijen en gaf hij er zelf nu en dan, waarop Anton en zijn ambtge-nooten nooit verzocht werden. Dan rolden prachtige rijtuigen voor liet huis, rijk gekleede knechts vlogen trap op en af, en bonte schaduwen zweefden langs de schitterend verlichte vensters van het voorhuis, terwijl Anton op zijn zolderkamertje zat en verlangende blikken wierp op het rijke leven van het huishouden, waartoe hij toch ook behoorde; zeer verlangende blikken, want onze held telde nauwelijks negentien jaren en kende de gemaakte gezelligheid van de groote wereld alleen uit de bedriegelijke schilderingen van de boeken, welke hij had gelezen. Dat fluisterde zijn gezond verstand hem wel toe dat hij daar niet te huis hooide, en vroeg hem wat er van komen moest, als hij met zijn dozijn ambtgenooten, die in beschaving zoo uiteenliepen bij zulke gezelschappen zich wilde indringen? Maar wat het gezond verstand, die kalme oude heer, spreekt, wordt door de begeerlijkheid, die lichtzinnige jonge dame, niet altijd met eerbied aangehoord; en Anton keerde dikwijls onder het slaken van een diepen zucht van het venster naar zijn lamp en boeken terug, en beijverde zich de verleidelijke

ocr page 47

30

dansmuziek te vergeten, terwijl iiij naar liet brullen van een leeuw en het sissen van een slang in liet een ol' ander tropisch land zijner reisbeschrijvingen luisterde.

VI.

De baron Von Rothsattel had zijn woning in de hoofdstad zelf ingericht. Zij was niet al te groot, na de vorm der meubelen, de arabesken aan de eenvoudige muurbeschildering, do patronen van de gordijnen en tapijten waren zoo smaakvol en harmonisch, dat het geheel in de groote wereld als een model van sierlijkheid en gezelligheid werd geprezen. Heel in 't geheim had hij alles op .orde gebracht; eindelijk hield het nieuw gekochte rijtuig voor het huis stil, de baron hielp zijn echtgenoot er uit, en geleide haar door een reeks van vertrekken tot aan haar boudoir, dat geheel en al met wit satijn opgemaakt was; het plafond vormde een zon van witte plooien en aan alle kanten schitterden wit geplooide sterren. Getroflen door zoo groote liefde, viel do barones hem om den hals en de goede man voelde zich tevreden en rijk als een koning. Spoedig was de familie op haar gemak; de werkpaarden brachten van buiten de noodzakelijke kisten, kofl'ers en provisie, en nadat eenige dagen lang stroohalmen van trappen, vloer en tapijten afgeveegd waren, kon men er aan denken om naar buiten te zien en eenige bezoeken te gaan maken.

Een groot deel van den landadel was gewoon de wintermaanden in de hoofdstad door te brengen, en de Rothsattels vonden verscheiden buurlui, betrekkingen en kennissen. Overal was men blijde de geachte familie in de stad te verwelkomen en na verloop van eenige weken zag zij zich in een grooten kring opgenomen, üe geringere adel met zijn vele titels, die hun door de duitsche vorsten met kwistige handen verleend zijn, maakte een achtbare, vrij wel afgesloten kaste uit; en waren de luidjes juist niet overrijk aan verstandelijke beschaving, toch was de toon, waarop zij met elkander omgingen daarom volstrekt niet minder aangenaam. De barones werd weldra door haar beminnelijkheid en fijnen tact een hoofdpersoon van de dameswereld; ook haar man, die in de eerste tijden dikwerf de wandelingen door zijn boerderijen en de rijtochtjes in het bosch had gemist, gevoelde zich binnen kort onder de' oude vrienden van zijn jeugd evenzeer op zijn gemak. Uij werd lid van een adellijke societeit, trachtte zijn oude meesterschap in 't biljarten weer te doen herleven, speelde vrij goed whist en hombre, en hield zich in zijn vrije uren ook bezig met politiek en kunst. Zoo bracht de familie een genoegelijken winter door, en de baron en zijn vrouw betuigden elkaar meermalen hun verwondering, dat zij niet eerder op de gedachte waren gekomen, zich deze betamelijke en niet zeer kostbare afwisseling te vergunnen.

Leonore alleen was met die manier van leven niet zeer tevreden : zij bleef voortdurend gegronde vrees aan haar moeder geven, dat zij eenmaal een origineeltje zou worden, liet kostte haar moeite den behoorlijken eerbied te betoonen aan de tallooze bejaarde tantes, en nog bezwaarlijker viel het haar, vroolijke iieeren uit de buurt, goede vrienden van haar vader, die zij buiten lang had gekend, in de stad

ocr page 48

iO

niet het eerst te mogen aanspreken, als zij hen op straat tegenkwam. Üok liet ding, waarin ze de geleerdheid van de meisjesschool naar huis moest dragen, maakte haar ongeduldig; het was een tusschensoort, hall tas, halt' portefeuille, vol vervelende schriften en boeken, en daalde moeder niet gaarne had dat de knecht haar de schoolbehoeften achterna droeg, slingerde zij het vod verachtelijk aan den arm, zoo dikwijls zij op straat ging, bleef dan van tijd tot tijd stil staan, en keek als een Juno met fleren blik naar de groepen van marktbezoekers, naar twistende sjouwerlui, en naar andere menschenkinderen, die op de straten van een groote stad rondslenteren. Eens, toen zij zoo stond te kijken, de tas als teeken harer slavernij aan den arm, en een kleine parapluie in de hand, zie daar kwam de jonge heer haar tegen, dien zij in den tuin rondgeleid en over den vijver gezet had. Zij was er blijde om, hij was haar een aangename herinnering aan buiten, aan haar pony en aan de troep zwanen. Nog was hij een heel eind van haar af, toen haar valkenblik hem reeds had ontdekt. Hij kwam dichterbij en zag haar niet. Wijl haar moeder haar had verboden ooit een heer op straat aan te spreken, bleef zij voor hem staan en zette haar parapluie met nadruk op de steenen neder. Anton, die in zijn gewoon kantoordrafje was, keek op, en zag tot zijn groot genoegen dat de schoone jonkvrouw van den vijver voor hem stond. Blozend nam hij zijn hoed af en de jonge dame bemerkte met welbehagen, dat in weerwil van haar boekentas haar uiterlijk even sterk op hem werkte als vroeger.

«Hoe gaat het u, mijnheer?» vroeg zij, met waardigheid het hoofd opheiïende.

«Zeer goed,» zeide Anton: «wat ben ik gelukkig u hier in de stad te zien!»

«Wij wonen tegenwoordig hier,» sprak de jonge dame wat minder voornaam, «alleen voor den winter. Berenstraat nquot;. 20.»

«Mag ik zoo vrij zijn om te vragen hoe het hitje vaart?» vroeg Anton zeer eerbiedig.

«Ja, dat kunt ge begrijpen, hij heeft te huis moeten blijven,» klaagde het meisje; «maar gij, wat voert gij hier uit?»

«ik ben in de firma van T, O. Schröter,» antwoordde Anton met een buiging.

«Dus koopman!» zei de dame; «en waarin handelt gij?»

«Koloniale waren; het is de grootste zaak in dit vak van de stad,» antwoordde Anton trotsch.

«En hebt ge goede menschen gevonden, die ook voor u zorgen?»

«Mijn patroon is zeer goed voor mij; in kleinigheden moet ik echter voor mij zeiven zorgen,»

«Hebt ge ook vrienden hier, waarmee gij uw tijd aangenaam doorbrengt?» vroeg het meisje, haar examen voortzettende.

«Enkele kennissen; maar ik heb veel te doen en in mijn vrije uren moet ik voor mij zeiven leeren.»

«üe ziet er ook wat bleek uit,» zei Leonore, hem met moederlijke genegenheid aanziende; «ge moet meer beweging nemen en dagelijks wandelen. — 't Is mij recht aangenaam geweest u hier te ontmoeten: ik zal mij verheugen als ik hoor dat het u goed gaat?» voegde zij er bij, haar vroegere majesteit weer aannemende. Zij zag hem nog een oogenblik aan, knikte hem toe en verdween onder de menigte, terwijl Anton nog altijd met ontbloot hoofd haar. nastaarde.

ocr page 49

41

Leonore vond het niet noodig over deze toevallige ontmoeting veel woorden te verspillen; alleen toen weinige dagen later de barones haar echtgenoot vroeg: «uit welken winkel zullen we de dingen koopen, die voor het huishouden noodig zijn?» zag Leonora van haar boek op en zei: «De grootste zaak hier in de stad is van T. O. Schröter, koopman in koloniale waren.»

«Van waar sveet je dat?» vroeg de vader lachende; «je spreekt wezenlijk als een geleerd koopman.»

«Dat komt alleen van die meisjesschool,» antwoordde Leonore kortaf.

Maar de baron verloor door de genoegens van het gezellige leven het hoofddoel van zijn verblijf in de stad niet uit het oog. Hij won naukeurige inlichtingen in over de fabrieken, welke andere grondeige-naars hadden opgezet, hij bezocht de voornaamste inrichtingen in de stad, en deed zijn best met beschaafde industriëelen in kennis te komen. Hij kreeg een massa berichten en deed eenige kennis op in werktuigkunde en fabriekwezen. Maar de berichten, die hem gewerden, waren zoo uiteenloopender zoo tegenstrijdig, en hetgeen hij door eigen oogen waarnam, zoo gebrekkig en onvolledig, dat hij ten slotte voor het best hield niets te overhaasten en te wachten tot een gelegenheid van buitengewone en zooveel mogelijk zekere winst zich voordeed.

Wij mogen hier niet verzwijgen, dat in dezen tijd de familiéschat werd verrijkt met een schoon kistje, met verguld koper beslagen; het was van gevlamd hout met een zeer kunstig slot, dat een schelm onmogelijk open kon krijgen, en den dief in de treurige noodzakelijkheid bracht het heele kistje mee te nemen; daarin lagen nu vijf en veertig duizend daalders in witte pandbrieven van den «Landwaarborg.» De baron beschouwde de pandbrieven met hartroerende teederheid. Hij zat in de eerste dagen uren lang voor het geopende kistje, en het verveelde hem niet de perkamenten stukken naar de nommers te schikken, zich over hun helderen witte glans te verheugen, en amortisatieplannen voor het kapitaal te verzinnen. Ook als hij het kistje veiligheidshalve weer bij de maatschappij had geplaatst, was de gedachte er aan een van de kleine genoegens, die de ridderlijke baron in stilte smaakte. Ja, de schim van dit kistje spookte in zijn huis rond. De barones was verbaasd, als haar man soms daar begon te bezuinigen, waar hij het vroeger nooit had gedaan; als hij eenige keeren haar afried kaartjes voor de komedie te nemen, omdat men ordentelijk huis moest houden, of als hij met een zekere opgewondenheid vertelde dat hij den vorigen avond tien goudstukken had gewonnen.

De verstandige vrouw werd ernstig bezorgd, of haar echtgenoot soms door eenig toeval in geldverlegenheid was geraakt; maar zijn verzekeringen van het tegendeel en het tevreden lachje, dat in zulke oogen-blikken om zijn mond speelde, stelden haar weldra gerust. Inderdaad bleef hij zich in zijn aanvallen van zuinigheid niet gelijk, en zij bleken niets te zijn dan een onschuldige gril, want in alle groote zaken was de baron als naar gewoonte gesteld op fatsoen, en zijn levenswijze was geheel overeenkomstig zijn adellijk geslacht en zijn vermogen.

Ook was het inderdaad onmogelijk juist nu te sparen. Het leven in de stad, de inrichting van de woning, en de onvermijdelijke onkosten

ocr page 50

i'J

ciaii uitgaan en menschen zien verbonden, verminderden natuurlijk de uitgaven niet.

Zoo gebeurde het dat de baron, als hij om zijn winteruitgaven te verrekenen naar buiten was gereden, zeer uit zijn humeur terug kwam. Hij had groote verteringen gemaakt, hij had gezien dat de uitgaven van het laatste jaar de inkomsten hadden overtroffen, dat de begrooting voor het volgende jaar beloofde dat deficit te zullen dekken, dat er bijna vier duizend gulden te kort kwamen, die hij op de een of andere manier moest vinden. De gedachte rees bij hem op, dat hij dit geld van de witte perkamenten zou moeten nemen, en de man, die met kalmte een regen van gloeijende kogels zou hebben doorgestaan, werd doodsbenauwd als hij bedacht dat dan eenige duizenden werkelijke schuld op zijn goed zouden drukken. Hij was verstandig genoeg om in te zien dat er in zijn speculatie een fout was geweest. Als men een vermogen door jaarlijksche kleine besparingen wil vermeerderen, moet men zijn uitgaven inkrimpen; hij had de zijnen daarentegen aanmerkelijk verhoogd. Ongetwijfeld was deze vermeerdering zeer noodzakelijk geweest, maar het was een ongelukkig toeval dat dit zoo trof. Sints zijn diensttijd had de goede man nooit zoo'n pijnlijke onrust ondervonden. De stad weer verlaten, kon hij niet; daarvoor waren duizenden redenen. Hij had het huis voor een tal van jaren gehuurd: wat zouden de kennissen van zoo'n plotseling vertrek zeggen? Hoe kon hij zoo iets van zijn dierbare vrouw en zijn lieve Leonore vergen? Dus kropte hij zijn verdriet op. Hij zocht zijn neerslachtigheid bij de bezorgde barones te verklaren door een koude op reis gevat: maar dagen achtereen vervolgde hem de gedachte, dat hij een verlies had geleden, dat hij achteruit was gegaan, en hoe meer hij vroeger vol hoop was geweest, des te zwaarmoediger werd hij thans. Ja het gebeurde dat hij op een wandeling bij een loterijjood binnen liep en een lot nam, in de hoop dat een goedgunstige lotsbeschikking de misrekening mocht herstellen. Somtijds, vooral 's avonds, als hij van een vroo-lijke partij naar huis terugkeerde, lachte hij zelf over zijn ongerustheid en noemde haar dwaas. Het geheele ongeluk was zoo onbeduidend; het was immers geen levensvraag; binnen weinig jaren konden zijn zaken weer best geregeld zijn: Maar 's morgens kwam die vervelende gedachte altijd weerom, en hij kon ze maar niet uit het hoofd zetten.

üp zulk een morgen werd de heer Ehrenthal bij hem aangediend, die hem een som gelcls voor gekocht koren te betalen had. Den baron overviel een pijnlijk gevoel, toen de knecht den naam van Ehrenthal uitsprak: die man had hem den raad gegeven, pandbrieven te nemen; wel riep zijn geweten hem toe, dat diezelfde man hem niet geraden had om naar de stad te gaan, maar hij had toch iets tegen hem en zijn groet klonk wellicht wat koeler dan gewoonlijk. Mijnheer Ehrenthal was te veel een man van zaken om aan de luimen van zijn klanten zich zwaar te storen. Hij telde hem zijn geld voor, en was daarbij zeer kwistig met de betuigingen van zijn genegenheid voor den baron; deze echter bleef gesloten, totdat Ehrenthal bij het weggaan vroeg: «En zij zijn gekomen, de pandbrieven, mijnheer de baron?»

«Ja,» zei hij gemelijk.

«'t Is doodjammer,» riep Ehrenthal, «dat vijf en veertig duizend daalders liggen moeten zoo dood als of zij niet bestonden in de wereld. Voor mijnheer den baron is het onverschillig, of hij eens wint een paar

ocr page 51

43

duizend daalders of niet. Maar voor iemand, zoo als ik ben, is liet lang niet onverschillig. Ik kan op dit oogenblik doen een beste zaak, en een zekere ook; maar mijn geld is op, ik moet mij laten ontgaan een zuivere winst van vier duizend daalders.»

De baron spitste de ooren, de koopman ging met grooter vrijmoedigheid voort:

«Mijnheer de baron, gij kent mij sints jaren als een eerlijk man; gij weet ook, dat ik niet zonder vermogen ben; ik wil u een propositie doen: leen mij vier duizend daalders in pandbrieven voor drie maanden ; ik geef' u voor het kapitaal een wissel op mij zeiven, die zoo goed is als klinkende munt. Er zijn te winnen vier duizend daalders bij de zaak; wat verdiend wordt, dat deel ik gelijk op met den baron, in plaats van interessen te geven. Gij zult geen gevaar loopen en we doen de zaak te zamen. Als er wordt verloren, draag ik het alleen, en betaal binnen drie maanden u de tien duizend daalders terug.»

Deze woorden van den handelaar, hoe weinig opwekkend zij wellicht in de ooren onzer lezers klinken, waren voor den baron als een alarrn-teeken bij een onaangenaam bivouac. Een heftige gejaagdheid, een woeste vreugde werkten in hem; ter nauwernood had hij kalmte genoeg om te zeggen: «Voor alles moet ik weten wat soort van zaak het is, die gij met mijn geld wilt doen.

Ehrenthal zette dat alles uiteen. Er was bij hem aanzoek gedaan om een groote partij hout te koopen; het hout lag opeen vlotplaats'in het noordelijk gedeelte van de provincie. De koopman haalde de berekening van de hoeveelheid hout, van de transportkosten tot in de hoofdstad, en van de waarde die het hout daar hebben zou, uit zijn zak, en bewees den baron dat er in zes of acht weken een zekere winst van aanmerkelijk bedrag te maken viel.

De baron zag de reeks getallen oplettend na; als de berekening juist was, kon de winst niet missen; hij deed echter de voorzichtige vraag: «Hoe komt het dat de eigenaar van het hout de zaak zelf niet doet en zoo'n zekere winst laat varen?» De koopman haalde de schouders op: «Wie zaken doet kan niet altijd vragen: waarom laat de andere zijn waren zoo goedkoop? Wie in verlegenheid zit, kan niet altijd wachten twee of drie maanden: de rivier is dichtgevroren, de man heeft het geld noodig voor er twee dagen verloopen zijn.»

«Zijt ge zeker dat het eigendomsrecht van den verkooper onbetwistbaar is?» vroeg de baron.

«Voor den man sta ik in,» zei Ehrenthal, «als ik hem het geld vóór morgen avond bezorg, is het hout mijn.»

Den edelman was het pijnlijk van de verlegenheid van een ander gebruik te maken, hoezeer zijn hart ook naar winst verlangde. Hij sprak met waardigheid: «Ik houd het voor ongeoorloofd met het verlies van een ander zijn voordeel te doen.»

«Waarom zou hij verliezen!» riep Ehrenthal met vuur. «De man is speculant; thans heeft hij geld noodig; welligt wil hij ondernemen een grooter zaak, dan moet hij de kleiner winst aan een ander overlaten. Hij heeft zelf aangeboden voor tien duizend in contanten den geheelen voorraad te leveren. Het is niet mijn zaak te vragen of hij meer winnen kan met zijn geld, dan ik zal verdien aan zijn hout.»

Wat de heer Ehrenthal zei, was alles waar, hij verzweeg maar één

ocr page 52

u

kleinigheid. De houtverkooper was een ongelukkig speculant die, door zijn scliuldeischers in het nauw gebracht, voor inbeslagneming zijner goederen beducht was en de onbescheiden hoop dier heeren wilde teleurstellen door zijn waren stil en vlug aan een ander over te doen, en met de ontvangen som zich uit de voeten te maken. Wellicht voelde de baron ook dat bij zoo'n lichte winst het een of' ander niet in den haak moest zijn; althans scheen zijn hoofdschudden te willen zeggen, dat hem de zaak geenszins helder was. En toch had hij weinig te wagen en niets te verantwoorden; hij leende zijn geld aan een vertrouwd man, dien hij sedert jaren als welgezeten en stipt kende, en kreeg daardoor het vooruitzicht binnen kort een boozen geest te zullen verdrijven, die hem voortdurend kwelde. Hij was te ontrustig om te bedenken dat hij wellicht een duivel uitwierp door Beëlzebub, den opperste der duivelen. Hij schelde om zijn rijtuig en zei uit de hoogte: «Binnen een uur zult gij het geld hebben.»

Ehrenthal betuigde op zijn gewone levendige manier zijn dank voor de goedheid, schreef terstond een behoorlijken wissel voor de pandbrieven, en nam afscheid met een onderdanigheid, die sterk afstak bij het trotsche hoofdknikken van den baron.

Van dien dag af leefde de baron in bange verwachting. Altijd moest hij aan het gesprek met den koopman denken; als hij aan de theetafel naast zijn vrouw zat en men over komedie en concert sprak, dwaalde zijn geest rusteloos over de houtvlotten ot weid door lange drijvende mast-boomen bezwaard, en als hij de schrijfboekjes van zijn dochter nazag, keken hem uit den omslag en de kanten ontelbare gezichten van Ehrenthal aan en grijnsden hem spottend toe. Zoo dikwijls hij op zijn jachtpaard uit rijden ging, wendde hij den kop van het paard naaide rivier, en met somberen blik tuurde hij op de bevrozene vlakte, zag de ysschotsen stroomafwaarts drijven en het hooge lentewater langs de steenen van de kade loopen.

Khrenthal had zich in langen tijd niet laten zien. Eindelijk, op een helderen morgen, verscheen hij met zijn onvermijdelijke buiging, trok een groot paket uit zijn zak en riep op zegevierenden toon: «De zaak is afgeloopen, mijnheer de baron ! Hier zijn de pandbrieven terug en hier twee duizend daalders, als de winst voor uw aandeel.»

De hand van den baron greep haastig naar het paket; het waren dezelfde witte perkamenten, die hij met een bezwaard hart uit het kistje te voorschijn had gehaald en daarenboven een pakje bankbriefjes. Deze reis luisterde de baron haast niet naar den woordenstroom van den koopman: een last viel hem van het hart, hij had zijn pandbrieven weer, en het tekort in zijn geldkist was gedekt. Ehrenthal werd met een genadigen groet weggezonden, de papieren behoorlijk opgeborgen ; de baron behoefde zich heden geen geweld aan te doen om vroolijk in gezelschap te zijn. Dienzelfden dag nog kocht hij voor de barones een prachtig halssieraad van topazen, dat zij lang in stilte had begeerd.

Sints dien dag was het weer heldere zonneschijn in het huis van den baron, en als nog iets hem aan de vorige weken herinnerde, was het maar in kleinigheden. De kop van zijn paard vermeed van nu af met even groote zorg de rivier, als hij ze vroeger had gezocht, en als de baron op straat door den heer Ehrenthal werd begroet, steeg er weer een gevoel van afkeer tegen den- gelukkigen ondernemer in hem

ocr page 53

45

op, en zeer koel was het antwoord, dat hij van de hoogte van zijn paard hem toezond.

Maar nog één donkere schaduw uit liet verledene moest des barons rust verduisteren. Hij las in de kamer van zijn vrouw do courant, toen zijn oog op een signalement viel, waardoor een voortvluchtige houtkooper wegens frauduleus bankroet werd aangeduid. Hij lei het blad weg, een koud zweet bedekte zijn voorhoofd; en hij, de onversaagde ridder, nam het nieuwspapier van de tafel en verborg het diep onder de boeken van zijn bureau. Zoo de bedrieger dezelfde man was — Ehrenthal had hem geen naam genoemd — maar zoo hij — de edelman, door zijn geld en zijn winst, welgegronde vorderingen van derden had verijdeld; zoo hij de heler was geworden van oplichterij, eu voor die hulp betaald was; die gedachten waren vreeselijk voor zijn trotsch hart. Hij liep zijn kamer op en neer, wrong zich de handen, ijlde naar zijn schrijftafel om de winst bijeen te pakken en weg te zenden, waarheen wist hij zelf niet, maar van zijn ziel weg, ver uit zijn huis. Tot zijn ontsteltenis zag hij dat nog maar een klein deel van do winst over was; als verlamd viel hij in zijn grooten stoel en lei het hoofd in de handen. Er was iets in hem gesprongen, dat voelde hij, en hij vreesde, voor altijd gesprongen. Driftig vloog hij weer op, trok aan de schel, en liet Ehrenthal bij zich roepen.

J]ij toeval was de koopman juist op rei. Middelerwijl spraken tot den baron de vriendelijke stemmen, die in de menschelijke borst mot verstandige en wel gekozen woorden alles in een goed licht weten voor te stellen. Hoe dwaas was die geheele angst! Waren er niet vele honderden boven aan de rivier die in hout handelden, het was immers zeer onwaarschijnlijk, dat juist die bedrieger de man van Ehrenthal zou wezen! En zelfs in dat geval, had hij dan zoo veel schuld aan de zaak? Weinig, onbeduidend voor een man die zaken deed, haast niet te tellen. Ja, zelfs Ehrenthal kon die het helpen als de verkooper het geld gebruikt had om anderen te bedriegen? 't Was toch alles eerlijk en wettig gekocht. — Zoo spraken zij voortdurend vergoelijkend en geruststellend in het hart van den baron, helaas! en hoe veel moeite gaf hij zich niet, om ze recht duidelijk te verstaan!

Toen Ehrenthal eindelijk terug was en terstond bij den baron kwam, trad deze hem met een gezicht te gemoet, waarvan hij wezenlijk verschrikte: «Hoe heet de man, van wien gij het hout hebt gekocht?» vroeg de baron driftig.

Ehrenthal stond versteld, ook hij had de courant gelezen, en begreep wat in de ziel van den edelman omging. Hij noemde den eersten den besten naam.

«En hoe heette de plaats waar het hout lag?» luidde de tweede vraag eenigszins kalmer. Mijnheer Ehrenthals vindingrijkheid was niet uitgeput.

«Is het waarheid, wat gij mij zegt?» vroeg de baron, diep ademhalende, voor de derde maal.

Daar de heer Ehrenthal zag dat hij een zieke voor zich had, behandelde hij hem met de zachtheid die een doctor zoo goed staal : «Wat of mijnheer de baron zich al niet in het hoofd gaat halen;» zei hij, het hoofd schuddende. «Ik geloof dat de man, met wien ik gesloten heb den koop, zijn voordeel bij de zaak gehad heeft. Er zijn groote aanbestedingen van eikenhout geweest, daarbij zijn voor iemand,

ocr page 54

Mi

die daar in het noorden woont, honderd percent te verdienen. Ik geloof dat hij ze zal hebben opgestoken. De zaak die ik met hem gehad heb, is geweest goed en zeker, zoo ais geen koopman wel van de hand zal wijzen. En gesteld ook dat hij oen slecht mensch was geweest, wat hebt gij daarmee te maken, mijnheer de baron? Ik heb geen reden gehad u den naam van den man en de plaats te verbergen, ik heb u echter laatst beiden niet genoemd, omdat niet gij sloot den koop, maar ik; ik ben geweest uw schuldenaar, en ik heb u terugbetaald het geld met de provisie. Een mooije provisie, dat is waar. Ik heb sints jaren veel aan u verdiend: waarom zou ik niet het eerst u het voordeel gunnen, dat ik aan ieder ander eveneens zou gelaten hebben? Haal u toch geen zorgen in liet hoofd om dingen die niet bestaan.)gt;

«Ja, maar gij begrijpt dat zoo niet, Ehrenthal», zei de grondbezitter vriendelijker «het is mij hoogst aangenaam dat het zoo met de zaak gesteld is. Was de bedrieger de man geweest, met wien gij gehandeld hebt, dan had ik met u gebroken, ik zou het u nooit vergeven hebben, dat ge mij tegen mijn zin tot een handlanger van bedrog had gemaakt.»

Ehrenthal maakte zijn compliment en de baron was van een drukkende zorg ontheven. Hij nam zich voor, nader onderzoek te doen naar dien naam en dat onbekende dorp; hij deed het echter niet; door al den geleden angst was de herinnering aan die geldzaak hem pijnlijk geworden, en hij deed liever zijn best er in 't geheel niet meer aan te denken.

Hij was een fijngevoelig, goed heer, en Ehrenthal dacht er ook zoo over, want als hij de stoep afging, mompelde hij: «Hij is een goed mensch, de baron, heel goed!»

VII.

Anton stond onder het opperbestuur van de beide heeren Jordan en Pix, en bemerkte al spoedig dat hij de eer genoot een kleine vasal te zijn van een groot staatslichaam. Wat de onkundige buitenwereld in haar gewone oppervlakkigheid met den algemeenen naam van kantoorklerk bestempelt, dat waren voor hem, den ingewijde, zeer verschillende, ja gedeeltelijk ontzaginboezemde ambten en waardigheden. De boekhouder, mijnheer Siebold, troonde als geheim-minister van het huis aan een venster van het tweede kantoor, in eenzame majesteit en geheimzinnige, drukte. Onophoudelijk schreef hij cijfers in een ontzaglijk groot boek, en keek slechts zelden en ter loops op, als een moschje kwam zitten voor het traliewerk van zijn venster, of als een zonnestraal den éénen kant van het raam met een gelen glans verlichtte. De heer Siebold wist dat deze straal, naar de overoude wetten van het heelal, in geen jaargetijde verder mocht dringen dan tot den rand van de vensterbanken, maar hij kon toch nooit een zekeren angst van zich afzetten, dat de straal verraderlijke bedoelingen met het grootboek mocht hebben, en hij volgde hem daarom met wantrouwende oogen.

Een scherp en treffend verschil maakte, met de kalmte van zijn hoekje, die onophoudelijke bedrijvigheid van het tegenovergestelde. Daar gebood, op een afgezonderde plaats, de tweede dignitaris, de

ocr page 55

47

kassier Purzel, rondom ingesloten door ijzeren kisten, zware geldzakken en een groote tafel met marmeren blad. Op deze tafel rolden de daalders, klonk het bleeke goud der dukaten, vloog, zonder leven te maken, munt- en bankpapier van den morgen tot den avond. Wie de stiptheid als zinnebeeldige figuur in olieverf wilde schilderen, die moest ontegen-zeglijk den heer Purzel tot model nemen, en mocht op zijn hoogst het antieke gewaad alleen hierdoor aantoonen, dat hij met dichterlijke vrijheid den heer Purzel de kousen over de laarzen en het witte overhemd over den rok schilderde. Alles had in de ziel van Purzel een spijkervaste onveranderlijke plaats: Onze Lieve Heer, de firma, de groote geldkist, de pijp lak, het cachet. lederen morgen, zoodra de kassier in zijn afgeschoten hok was aangeland, begon hij zijn bezigheden hiermee, dat hij het krijt nam en een witte punt op de tafel teekende, om aan het krijt zelf zijn plaats voor dien dag te geven. HU stond niet alleen in zijn gewichtige betrekking. Een oude huisknecht was zijn ordonnans, die als looper met geldzakken en papierengeld, den geheelen dag, door alle straten van de stad draafde, 't Is waar dat onder de eigenaardigheden van den ordonnans behoorde, dat hij er 's avonds zeer rood uitzag, en min of meer onder de orders stonil van den sterken drank, maar dit eigenaardige kon zijn trouw niet doen wankelen, noch zijn voorzichtigheid in de war brengen; integendeel, zij scherpte zijn vindingskracht: want nooit heeft het kleed van een sterveling zoo vele geheime zakken met gespen en knoopen gehad, als de rok van dezen bediende, en na ieder glas, dat hij gedronken had, stak hij do banknoten in een nog dieper verborgen zak.

In het voorkantoor was de lieer Jordan de eerste persoon, de stalhouder zijner keizerlijke firma. Ilij was de liolleboos der correspondenten, eerste kommies van het huis, procuratiehouder, en werd nu eu dan door den patroon om zijn oordeel gevraagd. Hij bleef voor Anton, wat hij voor hem van den eersten dag af was geweest: een trouw raadgevend vriend, een voorbeeld van werkzaamheid, het gezond menschen-verstand in persoon.

Van de correspondenten op het kantoor, die onder de bevelen van den heer Jordan brieven schreven en boek hielden, was voor Anton, na den heer Specht, liet opgewonden standje, het belangrijkst mijnheer Bauwmann, de toekomstige apostel der heidenen. Ue zendeling was niet alleen een heilige, maar hij cijferde ook buitengewoon goed. Hij was onfeilbaar in al zijn herleidingen van maat en gewicht, bepaalde de prijzen van de koopwaren en hield de rekening van de zaak. Ilij wist nauwkeurig op te geven naar welken muntstandaard de negervorsten op de Goudkust rekenden, en hoe hoog de koers van een pruisischen daalder was op de Sandwich-eilanden. Mijnheer Baumann bewoonde de kamer naast Anton en voelde zich door het bescheiden gedrag van onzen held zoo tot hem aangetrokken, dat hij binnen kort hem hartelijk lief kreeg en in de avonduren hem soms een bezoek kwam brengen. Van de overigen hield hij zich op zekeren afstand en verdroeg met christelijke gelatenheid hun aardigheden over zijn plannen.

Ook buiten het huis had de firma nog eenige dignitarissen. Daar had men-mijnheer Birnbaum, den kommies voor de belastingen, die zich maar zelden op het kantoor liet zien, en alleen zondags aan tafel bij den patroon verscheen: een stipt man, die daar buiten op het pakplein lieerschte. Ilij had de bezorging voor de zaken naar het buitenland,

ocr page 56

48

het belangrijke recht, den naam T. O. Schröter onder de geleibrieven van de firma te zetten. Zoo een van de heeren uit dat handelshuis den naam van «ambtenaar» verdiende, dan was hij het; hij droeg zijn rok ook altijd dicht geknoopt, gelijk zijn vrienden, de kommiezen dei-belastingen. Verder had men daar den magazijnmeester, die het toezicht had over de verschillende pakhuizen in de stad, voor de assurantiën zorgde en op de markt de inlandsche produkten in het groot opkocht. De heer Balbus was volstrekt geen mijnheer, hij was van jongs af zeer arm en zijn opvoeding gebrekkig geweest; maar zijn patroon behandelde hem met groote achting. Anton hoorde, dat Balbus zijn moeder en een ziekelijke zuster van zijn verdiensten onderhield.

De grootste werkzaamheid van allen echter, een inderdaad volslagen veldheersbedrijvigheid ontwikkelde de heer Pix, hoofdbestuurder voor de zaken van het platteland. Aan de deur van het voorkantoor begon zijn heerschappij en strekte zich uit c}oor het gansche huis tot ver op straat. Hij was de god van alle winkeliers ten platten lande, die hun loopende rekeningen hadden, gold bij hen voor een hoofd van het huis, en bewees hun daarvoor de eer van in hun vrouwen en kinderen belang te stellen. Hij had de gansche expeditie van de zaak onder zich, gaf bevelen aan een half dozijn pakhuisknechten en even zoo veel sjouwers, vloekte op de voerlui, kende en wist alles, was altijd op zijn post, en had den slag van in hetzelfde oogenblik de vrouw van een winkelier met de bevalling van haar dochter te feliciteeren, een bedelaar norsch af te schepen, orders aan een knecht te geven, en het tongetje aan de groote weegschaal in't oog te houden. Even als alle groote heeren kon hij geen tegenspraak dulden en bleef zelfs tegenover zijn patroon op zijn stuk staan met een hardnekkigheid, die onzen Anton meermalen in verbazing bracht. Bovendien bezat de heer Pix twee eigenschappen van inderdaad wetenschappelijke waarde: hij kon van ieder hoopje koffieboonen opgeven in welk land zij gegroeid waren, en het was hem evenmin mogelijk leege ruimten in het huis en omstreken te verdragen, als de lucht en de wijsbegeerte een ledige ruimte willen toelaten. Waar een hoek, een kamertje, een trap, een kast, een keldergat te ontdekken was, maakte mijnheer Pix met tonnen, ladders, touw en al wat men maar verzinnen kon, zich er meester van; en waar hij en zijn bende, de reuzen, eenmaal post hadden gevat, kon geen macht ter wereld, zelfs de patroon niet, hen verdrijven.

«Waar is Wohlfart?» riep mijnheer Schröter uit de deur van het voorste kantoor naar buiten.

«Op zolder,» antwoordde Pix kortaf.

«Wat doet hij daar?» vroeg de patroon verwonderd.

Op hetzelfde oogenblik hoorde men boven in het huis luide stemmen en Anton stormde de trappen af, door een knecht gevolgd, beiden met cigarenkistjes beladen, achter hen de tante, met een vrij rood gelaat en zeer boos.

«Ze willen boven niets van ons weten,» zei Anton in vollen ijver tot Pix,

«Ja, nu komen ze al op den droogzolder,» zei de tante met even veel vuur tot den patroon.

«De cigaren mogen hier beneden niet blijven staan,» betuigde de heer Pix aan zijn meester en de tante.

«En onder de droogstokken wil ik geen cigaren zien, riep de tante.

ocr page 57

41)

«geen plek in huis is langer veilig voor den lieer Pix. Zelfs in de kamer van de meiden heeft hij plaats laten maken voor zijn cigaren. De meiden klagen dat zij het van de tabaksreuk niet uit kunnen houden.»

«liet is zoo goed droog daarboven,» sprak Pix tot den heer Schroter.

«Kunt ge de cigaren wezenlijk nergens anders bergen?» vroeg deze den heer Pix zeer beleefd.

«'t is me onmogelijk,» antwoordde hij nadrukkelijk.

«Hebt gij den heelen zolder noodig voor de wasch, lieve tante?» vroeg de patroon aan do dame.

«Ik zou denken dat de helft wel voldoende was,» haastte Pix zich aan te merken.

«Ik hoop dat ge wel met een hoek tevreden zult wezen,» besliste de heer Schmter glimlachend. «Laat de timmerman maar terstond een beschot opslaan.»

«Als mijnheer Pix eens op zolder is, zal hij de wasch er wel heele-maal afdringen,» klaagde de tante, dooi' ondervinding wijs geworden.

« t Zal de laatste maal zijn, dat wij hem zijn zin geven,» zei Schroter tot haar geruststelling.

De heer Pix lachte zachtjes, maar gelijk (Ie tante later beweerde, met een brutalen grijns, en gaf aan onzen held, zoodra de beide autoriteiten weg waren, terstond bevel met de kisten weer naar boven te gaan.

In zijn grootste heerlijkheid echter vertoonde zich Pix, zoo dikwijls zijn vrienden, de reizigers van het handelshuis, voorkorten tijd terugkwamen. Dan yereenigde de afdeeling voor den plattelandshandel zich in het acht-terhuis en bepraatte de nieuwtjes van den dag; dan gaf Pix blijken van zijn uitgebreide kennis met alle handelslui in de kleine steden, met hun vermogen en karakter en bepaalde in korte maar krachtige woorden hoe veel vertrouwen en crediet aan de kleine zaken geschonken kon worden. Dan werd er punch gedronken en solo gespeeld, welk spel om het alleenheerschend karakter dooi' Pix boven alle andere kaartspelen verkozen werd, en ook hierin beschouwde hij alle compagnieschappen met de grootste minachting.

Wat den heer Pix intusschen in het oog der buitenwereld het grootste aanzien gaf, dat waren de reuzen die rondom de groote weegschaal volgens zijn bevelen werkten: hooge breedgeschouderde mannen met herculeskrachten. Als zij de groote tonnen dicht sloegen en voortrolden, en met honderdponders omgingen als gewone stervelingen met ponden, dan kwamen zij den nieuwen leerling voor als overblijfselen van een oud volk, waarvan de sprookjes melden dat het weleer op Duitschen grond gewoond had en met torenhooge rotsklompen knikkerde. Spoedig bespeurde Anton dat zij zelfs niet van één en denzelfden stam waren.

Eerst waren er zes pakhuisknechts, allen door de natuur van taai hout gevormd en bovenmenschelijk groot. Zij behoorden bij de firma en waren geheel 'de onderdanen van het zwart penseel.' Sommige hunner zelfs woonden in huis en hadden 's nachts beurtelings de wacht. Van negen uur af zat dan Pluto, de Newfoundlander van de jonge jufvrouw Schroter, naast een reusachtige gestalte, zwijgende in de schaduw van een groote ton. Deze pakhuisknechts, hoe groot en sterk ze ook waren, leken toch nog in verscheiden opzichten op de zon en van stervelingen. Maar naast hen vormden de opladers een DEUKT EN CREDIT I. 4

ocr page 58

50

bijzonder gild, dat op het pakplein voor de poort zijn hoofdkwartier had en van daar de vrachten naar de groote magazijnen van de stad bezorgde of afhaalde. Deze waren de maclitigste onder de reuzen, en eenige hunner bezaten een spierkracht, zoo als men ze in andere vakken niet meer vindt. Zij hadden met vele handelshuizen der stad te doen, maar de oude geachte firma van ï. O. Schröter was de plek op aarde, waar zij het best van zich verkrijgen konden om met de kleine omgeving zich in te laten. Sints meer dan een menschenleeftijd was het hoofd van dit huis de beschermheer van hun gilde geweest. Zoo was daaruit een soort van betrekking ontstaan als van cliënt tot patroon. Mijnheer Schröter ontving met nieuwejaar de bloem hunner gelukwenschen en werd peet over alle reuzenkinderen, die in den loop van het jaar de armen der fungeerende baker op hot doopbekken neerdrukten, en den geestelijke door hun ontzaglijke hoofden zoo ontstelden, dat hij zijn stem een donderende kracht gaf om den duivel uit hen te bannen.

Onder deze mannen met lederen sloven was Sturm, hun aanvoerder, weer de grootste en sterkste, een man die nauwe achterstraatjes vermeed om zijn kleeren niet tegen de beide muurkanten te schuren. Hij werd geroepen, als een vracht zoo zwaar was dat zijn kameraden ze niet den baas konden worden; dan zette hij zijn schouders er tegen aan en schoof de grootste vaten weg, als of het houten klosjes waren. Het verhaal liep van hem dat hij eenmaal een poolsch paard bij do vier beenen in de hoogte had gestoken, en de heer Specht beweerde dat niets ter wereld voor hem moeijelijk was. Boven zijn groot lichaam straalde een breed gezicht van louter goedaardigheid, alleen getemperd door de waardigheid, welke een man van zijn gewicht gevoelen moest.

Hij stond in een bijzonder vrienschappelijke betrekking tot de firma en had een eenig kind, waaraan hij met zijn heele hart hing. De kiiaap had zijn moeder vroeg verloren en de vader had hem als vijftienjarigen jongen in de zaak van T. ü. Schröter geplaatst in een eigenaardige 'betrekking, die hij zelf voor hem had uitgedacht. Karei Sturm was onder de pakhuisknechts ongeveer hetzelfde wat Fink op het kantoor was: een volontair. Hij droeg zijn schortje en zijn kleinen haak, juist als zijn vader, en was door eigen verdiensten tot een uitgebreiden kring van werkzaamheden geraakt. Hij genoot het vertrouwen van alle leden der affaire, wist in iederen hoek van het huis zijn weg te vinden, verzamelde al het pakgaren en touw, alle spijkers en stoppen, borg al het pakpapier op, voerde Pluto en hielp den knecht bij het laarzenpoetsen. Hij kon juist opgeven waai de een of andere ton, plank of overblijfsel van goederen lag. Als er een spijker moest geslagen worden, werd Karei geroepen; zoo dikwijls een dommekracht verplaatst was, wist Karei ze weer te bezorgen ; als de tante den wintervoorraad van hammen en worst insloeg, had Karei er altijd het best den slag van die schatten in te pakken; en wanneer de heer Schröter een boodschap te doen bad, die spoed vereischte, was Karei altijd de zekerste bode. Tot alles bereid altijd goed gehumeurd, en nooit verlegen hoe zich te redden, was hij een gunsteling van alle partijen ; de opladers noemden hem «onze Ka-rel» en de vader keerde zich dikwijls van zijn werk af om steelsgewijze een blik vol trotschbeid op zijn zoon te werpen.

in één punt slechts was hij niet met hem tevreden: Karei gaf geen hoop ooit zijn vader in grootte en.sterkte te zullen evenaren. Hij was

ocr page 59

54

een flinke jongen met rootle wangen en blond krulhaar, maar naar het oordeel van alle reuzen was voor zijn toekomst niets anders dan een middelmatige grootte te wachten. Van daar kwam het dat zijn vader hem met eenigen weemoed behandelde als een soort van dwerg, en hem voortdurend ontzag ; hij verbood zijn zoon bij het opladen van zware goederen mee aan te pakken, en als hij eensklaps een opwelling van vaderlijke teederheid had, liet hij zijn hand voorzichtig op het hoofd van zijn Karei vallen, met den heimelijken angst dat de hoofden van dwergen slechts de dikte hadden van eijerschalen en bij een zware drukking moesten breken,

«'t Is alles hetzelfde wat de jongen leert,» zei hij tot den heer Pix, toen hij hem na zijn bevestiging in de zaak bracht, «als hij maar twee dingen leert; eerlijk te zijn en praktikaal te wezen.» Deze woorden waren heel in den geest van den heer Pix, En de vader begon zijn onderwijs oogenblikkelijk daarmee dat hij zijn zoon naar den grooten kelder te midden van de opgesloten provisiën bracht en tot hem zeidc ;

«Daar heb je de amandelen en hier de rozijnen: deze in het kleine vat smaken het best; proef eens.»

«Zij smaken lekker, vader,» riep Karei verheugd.

«Dat geloof ik, Lilliputer,» knikte de vader. «Zie, uit al die vaten kunt ge eten zoo veel ge wilt, geen mensch zal het je verbieden: Mijnheer Schröter geeft je vrijheid de heer Pix geeft je vrijheid, ik doe het ook. Maar ivu opgelet, mijn jongen. Nu moet ge probeeren hoe lang ge voor die tonnen kunt staan zonder ze aan te raken. Hoe langer ge het uithoudt, hoe beter het voor je is; als ge het niet meer uithouden kunt, kom dan bij mij en zeg: het is lang genoeg. Dat is volstrekt geen bevel; 't is maar voor je zeiven en voor de eer.» De oude liet daarop den jongen alleen, nadat hij zijn groot horloge in dubbele kas uit den zak gehaald en naast hem op een kist gelegd had: «Probeer het eerst met een uur,» zei hij bij het weggaan, «gaat het niet, dat kan geen kwaad; het zal langzamerhand wel lukken.» De knaap slak vast besloten zijn handen in de zakken en liep tusschen de vaten op en neer. Na verloop van meer dan twee uren kwam hij met het horloge in de hand bij zijn vader en riep: «het is genoeg.»

«ïwee en een half uur,» zei de oude Sturm en knikte verheugd den heer Pix toe; «dat is knap, kleine man, nu hoeft ge het overige van den dag niet meer naar den kelder te gaan. Kom hier, sla deze kist eens dicht: hier is een nieuwe hamer voor je, hij kost twaalf stuivers.»

«Hij is er geen tien waard,» zei Karei, den hamer bekijkende, «je laat je ook altijd beet nemen,»

Aldus werd Karei in de zaak gebracht. Den eersten morgen nadat Anton was aangekomen, zei Karei tot zijn vader: «Er is een nieuwe leerling op het kantoor.»

«Wat voor een?» vroeg de oude.

«Hij draagt een groenen rok en grijzen broek, 'tis half laken: hij is maar een beetje grooter dan ik. Hij heeft al met mij gesproken, en lijkt een goede jongen, (ieef me je zakmes, ik moet hem een nieuwen knop voor zijn kleerkast snijden.

«Mijn mes, gij dreumes?» riep Sturm uit de hoogte op zijn zoon neerziende op verwijtenden toon: «je hebt immers zelf' een mes?» «Gebroken,» antwoordde Karei knorrig.

«Wie heeft het gekocht?» vroeg Sturm.

ocr page 60

52

«Gij zelf, vader Goliath. Het was een erbarmelijk ding, als vooreen kind in de lange kleeren.»

«Maar ik kon er toch geen zwaarder koopen voor je kleine hand,» merkte de vader aan.

«Daar hebben we 't alweer,» zei Karei, terwijl hij voor zijn vader ging staan, «als men u hoort zou men denken dat ik zoo'n wurm van een straatjongen wus, die zijn broek nog aan zijn buisje vast maakt en er achter een wit puntje uit laat komen,»

De paklui lachten. «Wees niet oproerig tegen je vader,» zei Sturm en legde zijn hand voorzichtig op het hoofd van zijn zoon.

«Zie, vader, daar is de leerling,» riep Karei en bekeek Anton, die nu voor hem tot den inboedel van het huis behoorde met aandachtige blikken.

De heer Pix presenteerde Anton aan den reus en Anton zei weer, vol ontzag tot den reus opziende; «Ik ben nooit vroeger in zaken geweest, ik vraag ook u om mij te helpen, als ik geen raad weet.»

«Alles moet eerst geleerd worden,» antwoordde de reus met waardigheid. Daar heb je mijn kleine, die heeft in een jaar al heel wat opgedaan. Dus uw vader is geen koopman?»

«Mijn vader was ambtenaar, hij is dood,» gaf Anton ten antwoord. «Och, dat spijt me,» zei de oplader met een medelijdend gezicht. «Maar je moeder kan zich nog in uw bezit verheugen?»

«Die is ook dood,» zei Anton weer.

«Och, och,» riep de reus hem beklagende en peinsde in stilte over het lot van Anton. Hij schudde bedenkelijk het hoofd en zei eindelijk half fluisterend tot zijn zoon Karei: «hij heeft geen moeder meer.» «En geen vader,» antwoordde Karei op gelijken toon.

«Behandel hein goed, Lilliputer,» zei de oude, «gij zijt ook min of meer een wees.» _ )

«Neen,» riep Karei, op het schort van zijn vader slaande, «wie zoo'n reus tot vader heeft, heeft verzorging genoeg.»

«Weet je wat je bent? je bent een kleine ondeugd,» zei de vader en timmerde vroolijk met den hamer op de hoepels van een vat.

Van dat oogenblik af schonk Karei zijn bijzondere gunst aan den nieuwen leerling. Als hij 's morgens op de zolen van de laarzen nquot;. li geschreven vond, zette hij ze zeer zorgvuldig op zijde; hij naaide de losgescheurde knoopen voor hem aan de kleeren, en was, zoo dikwijls Anton iets bij de weegschaal te doen had, volijverig bij hem, om hem het een of'ander aan te geven en de kleine gewichten op de schaal te leggen. Anton erkende deze diensten door vriendelijkheid jegens vader en zoon; hij sprak gaarne met den wakkeren knaap en werd ingewijd in verscheidene liefhebberijen van den prakticus; en toen de eerstvolgende kerstavond naderde, deed hij onder de heeren van het kantoor een collecte, kocht een groote kist met goede gereedschappen, en maakte Karei daardoor tot den gelukkigste aller stervelingen.

Maar ook met de groote heeren in de zaak stond Anton op goeden voet. Hij luisterde met diepen eerbied naar de verstandige uitspraken van den heer Jordan, was altijd even ijverig en dienstvaardig voor den heer Pix, liet zich gewillig door mijnheer Specht in allerlei politieke kansberekeningen onderrichten, las de tractaatjes, die de heer Baumann hem leende, vroeg nooit om voorschot aan den heer Purzel, maar wist rond te komen met het weinige dat zijn voogd hem zond, en door zijn hartelijke goedkeuring spoorde hij den heer Siebold menigmaal aan de

ocr page 61

53

een of andere ontwijfelbare waarheid uit te spreken, en ze niet door onmiddellijke herroeping in haar geboorte te smoren. Met alle heeren van het kantoor stond hij op goeden voet, met één enkel slechts wilde het niet gelukken. Het was de volontair.

Op een namiddag zag het kantoor in de schemering er somber en akelig uit, zwaarmoedig tikte de klok aan den muur, en ieder die binnen kwam bracht een neveldamp met zich mee, die het vertrek niet vroolijker maakte.

Ue heer Jordan gaf onzen held last bij een ander handelshuis spoedig een boodschap te gaan doen; toen Anton aan den lessenaar van den hoofdklerk kwam om den brief te ontvangen, zag Fink van zijn werk op en zei tot Jordan: «Och, zend hem tegelijk ook naai'den geweermaker; de deugniet moet hem mijn buks meegeven.» Onze held vloog het bloed naar het gezicht en haastig zei iiij tot Jordan ;» Geef mij die boodschap niet, ik wil ze niet doen.»

«Zoo {gt;■gt; vroeg F ink en keek verwonderd op : «en waarom niet, mijn ventje?»

«Ik ben uw knecht niet,» antwoordde Anton toornig, «Hadt ge mij verzocht er voor u heen te gaan, ik zou het wellicht gedaan hebben, maar naar een last, die zoo uit de hoogte wordt gegeven, luister ik niet.»

«Onnoozele jongen,» prevelde Fink en schreef door,

liet geheele kantoor had de beleedigende woorden gehoord: alle pennen hielden op en alle heeren zagen naar Anton. Deze was ten hoogste verontwaardigd, hij riep met een eenigszins bevende stem, maar met fonkelende oogen: «üe hebt mij beleedigd, ik verdraag van niemand een beleediging, maar het minst van allen van u. Gij zult mij daar heden avond voldoening voor geven.»

«Ik houd er niet van om iemand te slaan,» zei Fink vreedzaam, «ik ben geen schoolmeester en voer den plak niet.»

«Het is genoeg,» riep Anton doodsbleek, «ge zult mij te woord staan,» greep zijn hoed en ijlde met den brief van den heer Jordan de deur uit.

Buiten viel een koude regen, Anton merkte er niets van. Hij gevoelde zich vernietigd, gehoond door een sterkere dan hij was, doodelijk gekrenkt in zijn jeugdig onschuldig gevoel van eigenwaarde. Zijn gansche leven scheen hem bedorven, het kwam hem voor dat hij hopeloos was, geheel alleen stond in een vreemde wereld. Tegenover Fink gevoelde hij iets dat half gloeijende haat was en half onwillekeurige bewondering: de overmoedige mensch scheen hem zoo zeker, zoo onbetwistbaar zijn meerdere, liet werd hem eng om het hart en zijn oogen vulden zich met tranen. Zoo kwam hij aan het huis waar hij den brief moest brengen. Voor de deur stond het rijtuig van zijn patroon, hij sloop met neergeslagen oogen voorbij en was zich zeiven nauwelijks genoeg meester om zijn droefheid op het vreemde kantoor te verhelen. Toen hij weer buiten kwam, ontmoette hij in het voorhuis de zuster van zijn patroon, die juist op het punt was in het rijtuig te stappen. Hij groette en wilde voorbij loopen, maar Sabine bleet bij de deur staan en zag hein aan. He knecht was niet op zijn plaats, de koetsier sprak van den bok af luid met een kennis, die aan den anderen kant stond. Anton kwam naderbij, waarschuwde den koetsier, deed

ocr page 62

54

lie tree neer en hielp de dame in liet rijtuig. Sabine hield liet portier dat iiij dicht wilde slaan tegen, en zag hem vragende in het ontstelde gezicht. «Wat scheelt u, mijnheer Wohlfart?» vroeg zij zacht.

«.'t Zal wel overgaan,» antwoordde Anton met bevende lippen en een buiging en sloot het portier. Sabine zag hem nog een oogenblik zwijgende aan, wenkte hem dan vriendelijk toe, en het rijtuig reed weg.

Hoe onbeduidend dit ook geweest was, gaf het aan de gedachten van Anton een anderen loop. Sabine's deelnemende vraag en haar t

groet waren in dit oogenblik een bezwering zijner moedeloosheid. In haar dankende buiging lag achting opgesloten, en menschelijke belangstelling in haar woorden. De vraag, de groet, de kleine ridderlijke dienst, die hij aan de jeugdige meesteres des huizes had bewezen,

herinnerden hem, dat hij geen kind was, niet hulpeloos, niet zwak en niet alleen. Ja ook in zijn nederige betrekking genoot hij de achting van anderen, en hij had er recht op en de plicht rustte op hem, die achting te behouden. Hij hief het hoofd op en zijn besluit stond vast liever het uiterste te doen dan een beleediging te verdragen. Iiij stak de vingers op als voor een plechtigen eed.

Toen hij in het kantoor terugkwam, gaf hij bedaard een kalm antwoord op zijn boodschap, ging zonder zich aan de nieuwsgierige blikken van de heeren te storen op zijn plaats zitten en werkte door.

Na het sluiten van het kantoor vloog hij naar Jordans kamer. Hij vond er reeds de heeren Pix en Specht, gedreven door den gernoedelijken ijver,

welken tooneelen van dien aard bij hen, die er niets mee te doen hebben,

[tlegen te veroorzaken. Die drie heeren zagen hem met vreemde blikken aan, zoo als men een armen drommel doet, die door de fortuin met vuis- .

ten is geslagen, half verlegen, half medelijdend, en toch min of meer met minachting. Anton zei met een fermheid, die, zijn geringe ondervinding in zaken van eer in aanmerking genomen, zeer bewonderings-waardig was: «Ik beu door den heer Von Fink beleedigd en ben niet van plan mij die beleediging te laten welgevallen, (.iij beiden, mijnheer Jordan en mijnheer Pix, zijt in het kantoor mijn superieurs en ik heb groote achting voor uw ondervinding. Van u wensch ik in de eerste plaats te weten, of gij in het geval mij niet geheel en al gelijk geeft?»

De heer Jordan zweeg voorzichtig, maar mijnheer Pix stak een cigaar op, ging op den turfmand bij de kachel zitten en zei oprecht:

«Ge zijt een goede kerel, Wohlfart, en Vink heeft ongelijk; dat is mijn gevoelen.»

«Mijn gevoelen is het ook,» verzekerde Specht.

't Is goed dat ge u tot ons hebt gewend,» zei de heer Jordan; ik hoop dat de twist wel bijgelegd zal kunnen worden. Fink is dikwijls grot' en wat kort aangebonden; maar hij is niet kwaad.»

«Maar ik zie niet in, hoe het geschil kan worden bijgelegd, als ik de ,

noodige schreden daarvoor niet doe.»

«Ge wilt de zaak toch niet voor onzen patroon brengen?» vroeg de heer Jordan op afkeurenden toon, «dat zou al de heeren hoogst onaangenaam wezen.»

«En mij wel het meest,» hervatte Anton ; ik weet wat mij te doen staat, en verlang alleen vooraf van u de verklaring dat Fink mij schandelijk heeft behandeld.»

«Hij is volontair,» zei Jordan, «en heeft geen recht u boodschap-

ocr page 63

55

pen to geven, en 't allerminste in zijn liefhebberijzaken van hazen en patrijzen.»

«Daar ben ik tevreden mee,» antwoordde Anton; «en nu mijnheer Jordan, verzoek ik n vriendelijk mij een oogenblik onder vier oogen te willen aanhooren.»

Hij zeide dit met zoo veel ernst, dat de heer Jordan zwijgende de deur van zijn slaapkamer opende en met hem naar binnen ging. Hier vatte Anton zijn hand en drukte ze krachtig en sprak: «Ik smeek u om een groote dienst: wees zoo goed en ga gij naar den lieer Von Fink en verlang van hem dat hij mij morgen iti tegenwoordigheid van alle heeren van het kantoor excuus vraagt voor de beleedigende uitdruk-die hij tegen mij heeft gebruikt.»

«Dat zal hij niet licht doen,» zei de heer Jordan met het hoofd kingen, schuddende.

«Doet hij het niet,» viel hem Anton driftig in de rede, «daag hem dan uit mijn naam uit op degen of pistool.»

Als voor den heer Jordan uit zijn inktkoker eensklaps een zwarte damp was opgestegen, als die damp zich tot een vreeselijken geest had samengepakt, gelijk in de oude sprookjes, en als die geest hem zijn voornemen had bekend gemaakt om hem, Jordan, zonder dralen te wurgen, zou die heer niet heviger ontsteld hebben kunnen zijn, dan hij thans tegenover onzen vriend stond. «Je hebt den dr .... in het lijf, Wohlfart,» riep hij eindelijk, «je wilt met Fink duelleeren, en hij is een eerste meester in 't schieten, en gij zijt sints nauwelijks'een halfjaar leerling in de zaak, dat is immers onmogelijk!»

«Ik ben op de rectorsklasse geweest en.met eere van de school gepromoveerd, en zou nu student wezen, als ik niet liever koopman had willen worden! Verwenscht zij den handel, als hij mij zoo verlaagt dat ik mijn vijand niet eens uitdagen mag. Ik ga dan van daag nog naar den heer Schröter en verklaar hem dat ik mijn ontslag indien,» riep Anton met vlammende oogen.

De heer Jordan zag met de grootste verbazing zijn goedaardigen leerling aan, die zoo op eens als een spookachtige reus voor hem oprees. «Maar wees toch zoo driftig niet, mijn lieve Wohlfart,» sprak hij, hem neerzettende, «ik zal naar Fink gaan, wellicht zal alles zich nog wel schikken.»

«Ik verlang excuses voor de heeren van het kantoor,» herhaalde Anton, «excuses of voldoening!»

Het was verkwikkend intusschen de beide heeren in de kamer daar naast in 't oog te houden. Pix had als een verstandig veldheer met één ruk zijn turfmand in de buurt van de kamerdeur geschoven en zat oogenschijnlijk dood onverschillig neer, alleen met zijn cigaar bezig terwijl de heer Specht niet van zich kon verkrijgen zijr. oor niet tegen de deur te houden. «Zij schieten mekaar dood!» Iluisterde hij zijn buurman toe, verrukt door de gedachte aan de hevige aandoeningen, die dit geschil beloofde in werking te zullen brengen. «Pas op, Pix; er zal een vreeselijk ongeluk gebeuren; we moeten allen mee naar de begrafenis; niemand mag te huis blijven. Ik zal zien te bewerken dat wij ongetrouwden het lijk mogen dragen.»

«Wiens lijk?» vroeg Pix verwonderd.

«Wohlfart moet er aan gelooven,» antwoordde Specht weer op denzelfden doffen fluistertoon.

ocr page 64

56

«Onzin,» zei Pix, «je bent niet wijs.»

«Ik ben wel wijs en verzoek vriendelijk geen hatelijkheden meer,» zei de heer Speckt steeds (luisterende en op Antons voorbeeld vast besloten zich niets te laten welgevallen.

«Schreeuw me zoo niet in mijn oor,» zei de heer Pix dood bedaard, «men kan niets verstaan.» Juist op dat oogenblik ging de deur open; de heer Specht sprong naar een venster, en staarde met groote belangstelling in tie donkere regenlucht, terwijl Pix onzen Anton de hand schudde en hem verklaarde dat hij een fiksche kerel was en dat het plattelands-departement geheel op zijn hand was.

Jordan ging naar beneden om Fink op te zoeken, maar deze was niet te huis; hoogstwaarschijnlijk zat de Jockey zonder iets kwaadste vermoeden in het een of ander koffiehuis. Anton zei daarop: «Ik laat de zaak niet rusten tot morgen; ik zal hem schrijven en den brief door den knecht op zijn tafel laten leggen.»

«Doe dat niet,» vroeg de heer Jordan dringend, «ge zijt nog te toornig.»

«Ik ben zeer bedaard,» hernam Anton met gloeijende wangen; «ik wil hem het noodige schrijven. U, mijne heeren, verzoek ik dat gij vooral wat gij hier gehoord hebt tegenover de anderen stil zult houden.»

De heeren beloofden het. Daarop ging hij naar zijn kamer en schreef een brief, waarin hij den heer Fink zijn ongepast gedrag voorhield en hem ten slotte de keus liet of hij met degen of pistoool het gekwetste eergevoel van Anton genezen wilde. De brief was voor een Jongen gentleman vrij goed geschreven en werd naast de waskaars van den heer Fink op zijn kamer neergelegd, nadat de heer Specht den knecht op den trap nog goed had op het hart gedrukt om met krijt drie groote uitroepingsteekenen op de tafel te schrijven : waarschijnlijk zouden die de plaats bekleeden van de spaanders, welke de boden van het heilige veemgericht in de voordeur van den aangeklaagde gewoon waren te slaan. Anton bleef het overige van den avond op zijn kamer, waar bij gejaagd heen en weer wandelde, nu het tooneel (Ier beleediging, dan wat hem te wachten stond dramatisch uiteen zette, en alle gewaarwordingen doorworstelde, die bij een armen jongen voor zijn eerste tweegevecht onmisbaar zijn.

Inmiddels werd in de kamer van den heer Jordan groote zitting van het geheele kantoorpersoneel gehouden. Daar de heeren Pix en Specht beloofd luidden te zwijgen, bepaalden zij zich bij zulke geheimzinnige en sombere wenken, dat een gedeelte van de heeren begon te vermoeden dat er reeds een moord gepleegd of althans ieder oogenblik te duchten was, totdat eindelijk Jordan het woord opvatte en sprak: «Daar het geschil geen geheim is en de zaak ons allen aangaat, is het, dunkt mij, het beste dat we haar onder ons bepraten en ons allen de moeite geven om nadeelige gevolgen te voorkomen. Ik zal opblijven totdat Fink terugkomt en terstond met hem spreken. Intusscben moet ik van Wohlfart getuigen dat hij zich in deze geheele zaak zoo verstandig gedragen heeft, als bij een jong mensch zonder ondervinding maar mogelijk is.» Allen gaven met ijver hun goedkeuring te kennen. Vervolgens geraakten do belasting-kommies Birnbaum en Specht in een levendige woordenwisseling over de verschillende soorten van tweegevechten, en de heer Specht beweerde dat bij hel schieten over

ocr page 65

57

een zakdoek de dnelleerenden met een zijden das werden geblinddoekt en zij zelve op linn plaats zoo lang in de rondte gedraaid, tot de kamprechter met zijn stok sloeg, waarna het hun vrij stond te schieten naar welken kant zij wilden. Do heer Baumann sloop het eerst stilletjes weg en ging naar Anton, drukte hem hartelijk de hand en verzocht hem dringend toch niet om een paar onbeleefde woorden twee men-schenlevens op het spel te zetten. Nadat hij afscheid had genomen, vond Anten op zijn tafel een klein exemplaar van het Nieuwe Testament opengeslagen liggen en door een grooten vouw het heerlijke woord aangeduid; «Zegen die u vloeken.» Anton was juist niet in een stemming om den zin van die woorden te volgen, maar hij ging toch voor het boek zitten en las er de teksten in na, die hij zoo dikwijls bij zijn moeder had opgezegd. IJ ij werd zachter en rustiger en ging in die stemming naar bed.

Intusschen drong het gerucht van een vreeselijk voorval door alle sleutelgaten, spleten en kamers van hot huis.

Sabine was in haar schatkamer. Dit was een vertrek niet te gebruiken voor een gewoon mensch, maar voor iedere huismoeder een gezellige, zielverheffende plaats. Langs de muren stonden groote eikenen notenboomhouten kasten, kunstig ingelegd en bewerkt, in het midden een ronde tafel met gedraaide pooten, en eenige oude leuningstoelen er om heen. Uit de geopende kasten schitterden in den glans van het lamplicht ontelbare stellen damast tafelgoed, hooge bergen van laken, linnen en bonte stofl'en, kristallen glazen, zilveren bokalen, porcelein- en aardewerk, naar den smaak van drie en meer geslachten. De lucht was met een geur vervuld, die uit overoude lavendelbloemen, eau de cologne en frisch linnengoed opsteeg. Hier heerschte Sabine geheel onbeperkt. Niet dan ongaarne zag zij een vreemdeling binnentreden; al wat uit de kasten genomen on er weer ingezet werd nam zij met eigen handen aan ; alleen do trouwe knecht genoot de hooge eer haar in drukke dagen te helpen en soms ook Karei Sturm, zijn adjudant, die zekere rozenroode lijsten maakte voor het opteekenen van het linnen en er prachtige cijfers op schreef.

lieden stond Sabine nog laat voor de tafel, die met schoon linnen bedekt was; zij zocht de nommers van het fijne damast bijeen, telde en sorteerde tafellakens en servetten, bond groote pakken met roode lintjes vast en hing er de nommerkaarten aan. Soms hield zij een stuk dichter bij hot licht en beschouwde met welgevallen de schoone iigtiren, welke de kunst des wevers er in gewerkt had.

Daar schoot een donkere schaduw over haar lief gezicht en treurig bekeek zij eenige wonderfijne servetten, waarin vele kleine gaatjes waren gestoken, telkens drie of vier op een rij. Eindelijk riep zij den knecht, «'t Is niet langer uit te houden, Frans, ook in no. 24 zijn weer drie servetten met de vork doorstoken. Een van de heeren steekt in het tafelgoed! Dat is toch waarlijk bij ons niet noodig!»

«Neen)), zei de vertrouwde bedroefd, «ik zelf heb immers het zilver onder mij, ik weet het best van allen dat het niet noodig is.»

«Wie van de heeren is zoo onbeschaamd?» vroeg Sabiue gestreng, « t moet een van de nieuwe wezen.»

«'t Is mijnheer Von Fink», klaagde de bediende, «hij steekt eiken middag vóór het eten tweemaal met zijn vork dooi' het ser-vet; hij geeft mij iederen keer een steek door het hart, jufvrouw

ocr page 66

58

Sabine. Maar tegen mijnheer Vun Fink kan ik toch niets zeggen.»

Sabine boog het hoofd op de servetten neer: «Ik wist dat hij het was», zuchtte zij. — «Maar dat kan niet zoo duren. Ik zal je voor den heer Von Fink een afzonderlijk stel geven; dat moeten wij maar opoiïeren, tot er zich een gelegenheid voordoet hem te verzoeken dat hij met zijn aanvallen ophoudt.»

Zij ging naar de kast en zocht langen tijd. 't Was een moeijelijke keus. Ja, van de grove kon zij zonder smart eenige dozijnen missen, maar van de fijnen ging ieder stel haar zeer aan het hart; ofschoon dan ook het eene meer dan het ander. «Dit moet er maar aan, zei zij bedroefd, «bovendien ontbreekt hier reeds een servet.» Zij bekeek nog eens nauwkeurig het patroon, kleine pauwen, die kunstig te midden van bloemenkransen wandelden, en lei het nommer op den arm van den knecht.

«üe heer Von Fink krijgt geen andere servetten dan deze», gelastte zij.

Frans draalde nog met weggaan. «Hij heeft ook een gordijn op zijn slaapkamer verbrand», zei hij verlegen. «De eene helft zal niet meer te gebruiken zijn.»

«lin het was geheel nieuw», jammerde Sabine. «Morgen vroeg neemt gij het gordijn af. — Wat heb je nog meer, Frans. Is er wat gebeurd?»

«Ach, juffrouw», hernam de knecht geheimzinnig, «daarboven bij de heeren loopt alles in de war. Mijnheer Von Fink heeft den heer Wohlfart grot beleedigd, de heer Wohlfart is woedend, zij zullen duelleeren, zegt de heer Specht; de heeren duchten een vreeselijk ongeluk.»

«Een duel?» riep Sabine, «tusschen Kink en Wohlfart?» —■ Zij schudde met het hoofd. «Je zult mijnheer Specht waarschijnlijk verkeerd begrepen hebben», voegde zij er glimlachend bij.

«Neen, jull'rouw Sabine, dezen keer is het geen gekheid. Er zal zeker een ongeluk gebeuren; mijnheer Wohlfart is in groote drift mij voor-bijgeloopen, hij heeft zijn thee niet aangeroerd.»

«Is mijn broeder nog niet terug?»

«Hij komt van daag eerst laat te huis; hij heeft vergadering.»

«'t Is goed,» antwoordde Sabine. «Spreek tegen niemand hierover, Frans, hoor je?»

Sabine ging weer aan de tafel zitten, maar aan haar damast dacht zij niet meer. Zij keek strak over de donkere plaats naar de ramen van den volontair. «Hij steekt met zijn vork door de servetten,» klaagde zij half luid, «hij zal er ook geen bezwaar in vinden een menschenhart te doorboren! Dat was dus het leed van dien armen Wohlfart! — Hij is bij ons gekomen, de woeste gast, als een dwarrelwind over bloeijende heestergewassen, waar hij woedt vallen de bloesems op den grond. Zijn leven is verwarring, opgewondenheid, onrust. Al wat in zijn nabijheid komt sleept hij in zijn dolle vaart mee. Ook mij, ook mij! Gij, trotsche en fiere geest, ook mijn ziel hebt ge in onrust gebracht. Ik verzet mij, ik worstel dag aan dag, maar telkens overmeestert mij weer de betoovering. Zoo heerlijk, zoo schitterend, zoo buitengewoon is hij! Dagelijks geeft hij mij ergernis en dagelijks moet ik aan hem denken, mij om hem bekommeren, over hem treuren, ü! dierbare moeder, hier was het dat ik -voor de laatste maal aan uw

ocr page 67

59

voeten neerzat, hier reiktet gij mij den sleutel van liet huis toe! Zegenend hield gij de handen op mijn hoofd. «De hemel beware u voor eik ongeluk,» spraakt gij, terwijl gij onder een stroom van tranen mij omhelsdet. Thans bewaar gij, geliefde, uw dochter, gij, mijn voorbeeld voor overleg, voor de regeling van het huishouden, bewaak miju hart, het klopt zoo luid. Maak mij krachtig tegenover hem, zijn verlei-delijken lach, zijn overmoedigen spot.»

Zoo bad Sabine. Lang zat zij in plechtig beraad met de goede geesten van het huis, dan wischte zij met haar zakdoek de oogen af, keerde tot de tafel terug en ging voort het damast te tellen en op te bergen.

Anton was reeds uitgekleed en op het punt zijn licht uit te blazen, toen er hard aan de deur werd geklopt en de man binnentrad, dien hij op dit oogenblik hot minst van alle stervelingen had verwacht. Het was mijnheer Von Fink met zijn karrewats en zijn onverschillige houding.

«O, al naar bed?» zei de jockey en ging schrijlings op een stoel in de buurt zitten. «Houd je gemak! je hebt ine een zeer aandoenlijken brief geschreven en Jordan heeft mij de rest verteld; ik kom om u mondeling mijn antwoord te brengen.»

Anton zweeg en zag van zijn hoofdkussen met sombere blikken zijn vijand aan. «Gij zijt hier allen zeer deugdzame en zeer gevoelige menschen,» ging Von Fink voort en sloeg met zijn zweep tegen den stoel, «liet doet mij leed dat gij mijn woorden zoo hoog hebt opgenomen. liet doet mij daarentegen pleizier dat ge zoo ferm zijt. üij hebt den gemoedelijken Jordan in een waren weerwolf veranderd,» voegde hij er lachend bij.

«Voor ik langer naar u luister,» sprak Anton vertoornd. «Moet ik weten of ge plan hebt mij in tegenwoordigheid van de anderen voor uw kwetsende woorden voldoening te geven; ik weet niet of na de zware beleediging die gij mij hebt gedaan, een ander die meer ondervinding in zulke teere zaken heeft, met een eenvoudige verklaring tevreden zou wezen. Ik ben echter van oordeel dat ik er tevreden mee zijn moet.»

«Dan oordeelt ge geheel Juist,» zei Von Fink hem toeknikkend: «ge kunt daar volkomen tevreden mee zijn.»

«Wilt gij mij morgen excuses maken?» vroeg Anton.

«En waarom niet?» zei Von Fink onverschillig; «ik heb volstrekt geen lust om op u te schieten; ik wil u volgaarne voor de gezamenlijke correspondenten en hoofdambtenaren van het kantoor de verklaring geven, dat gij een verstandig en veelbelovend jongeling zijt en dat ik verkeerd heb gehandeld met iemand te beleedigen, die jonger, en vergeef mij de uitdrukking, veel groener is dan ik.»

Onze held vernam (leze woorden met gemengde aandoeningen : het werd hem ruimer om het hart; maar de manieren van Von Fink ergerden hem nog en hij zei, in het bed zich oprichtende, vast be-besloten: «ik ben met deze verklaring nog niet tevreden, mijnheer Von Fink.»

«Zoo!» zei Von Fink, «en wat verlangt ge nog meer?»

«üij bevalt mij nu ook niet,» sprak Anton, «gij zijt weder veel vrijer tegen mij dan tegen een vreemde past. Ik weet wel dat ik nog jong ben en weinig van de wereld ken, en ik geloof dat gij in veel

ocr page 68

00

dingen venier zijt dan ik, maar juist daarom zou het aardiger van u zijn, als gij vriendelijk en goedig voor mij waart.» Anton zei dit met een aandoening, die aan de aandacht zijner tegenpartij niet ontging. Von Fink strekte zijn geopende hand goedaardig naar het bed uit en sprak : Wordt maar niet meer boos en geef me je hand.»

«Ik zou 't graag willen,» riep Anton uitbarstende, «maar ik kan nog niet: zeg gij mij eerst ronduit dat gij den twist niet daarom zoo weinig telt, omdat ge mij voor te jong en te onbeduidend houdt, of omdat gij van atlel zijt en ik niet.»

«Hoor eens, jongeheer Wohlfart,» zei Von Fink, «je zet mij het mes wanhopend op de keel. Maar aangezien go in uw hekier wit hemdje zoo onschuldig daar voor mij ligt, wil ik iets verder gaan en omtrent deze punten met u capituleeren. Wat mijn duitschen adel betreft, daar geef ik zooveel voor,» — en hierbij knipte hij met zijn vingers — «hij heeft voor mij ongeveer dezelfde waarde, als een paar goede verlakte laarzen of nieuwe glacé handschoenen. Wat echter mijn schroom betreft voor uw jeugd en het eervolle gevoel van eigenwaarde van een leerling, wil ik u gaarne de verzekering geven dat ik u, na hetgeen ik dezen avond van u gezien heb, voortaan bij ieder nieuw geschil, dat tusschen ons zou kunnen ontstaan, met elk moordtuig dat gij voorstelt, de meest mogelijke voldoening wil geven. Daarmee kunt ge u wel tevreden stellen.» Na dezen troost stak Von Fink voor de tweede maal hem de hand toe en zei; «Nu sla toe, alles is in orde.»

Anton nam de aangeboden hand aan en de jockey drukte ze krachtig en sprak : «Wij zijn heden zoo openhartig tegen elkaar geweest, dat het goed zal zijn, als wij een kleine pauze houden, anders zullen wij elkaar niets meer te vertellen hebben. Slaap wel; morgen nader.» Daarbij nam hij zijn pet, knikte hem vriendelijk toe, en slapte de kamer uit.

Anton was om de waarheid te zeggen zoo blijde over dezen onverwach-ten afloop, dat hij den slaap niet kon vatten. De heer Baumann, die in zijn kamer het bed aan denzelfden muur had, kon na Von Finks vertrek niet nalaten hem zijn deelneming te betuigen door tegen den muur te kloppen, en Anton beantwoordde het teeken onmiddellijk met een dergelijk kloppen dat zijn dank voor de belangstelling moest uitdrukken.

L)en volgenden morgen was het kantoorpersoneel een kwartier voor de aankomst van den principaal voltallig. Von Fink kwam het laatst en zei met luide stem:

«Mylords en gentlemen van den buiten- en binnenlandschen handel, ik heb gisteren den heer Wohlfart hier tegenwoordig op een manier behandeld, die mij thans na hetgeen ik van hern heb leeren kennen, oprecht leed doet. Ik heb hem reeds gisteren de verzekering gegeven en vraag hem heden in uw bijzijn op nieuw om verscl.ooning. Tevens doe ik opmerken dat onze Wohlfart zich in deze zaak zeer respectabel gedragen heeft en dat ik mij verheug met hem in handelsbetrekking te zijn gekomen.» Het kantoorpersoneel glimlachte, Anton ging naar Von Fink toe, en schudde hem de hand; mijnheer Jordan deed met beide partijen hetzelfde en de zaak was afgeloopen.

Maar zij bleef niet zonder gevolgen. De tijding van de eervolle voldoening, welke Von Fink den nieuwen leerling gaf, en van de minnelijke schikking kwam weldra in het voorhuis; en toen Anton tezamen met Von Fink aan tafel kwam, rustten de blikken der dames met

ocr page 69

(il

belangstellende nieuwsgierigheid op hem en de patroon verborg een vriendelijk lachje niet. Maar ook op Von Fink viel Sabines oog met blijden glans, en zoo dikwijls zij naar hein zag was het haar, alsof zij hem voor een groot onrecht excuus moest vragen.

Bij de heeren van het kantoor was VVohlfarts stelling geheel anders geworden; hij werd door allen met een achting behandeld, welke een leerling in den regel zelden ten deel valt; mijnheer Specht verklaarde hem, bij alle klerken van zijn kennis, — en zijn kennis was zeer uitgebreid — voor een nieuwerwetschen Bayard, voor den laatsten ridder van Europa, voor een geduchten Sabreur in het gebied der pennelik-kers; de heer Liebold werd wezenlijk stout in zijn beweringen, zoodra hij merkte dat Anton van zijn gevoelen was, en zelfs mijnheer Pix schonk van dien dag af aan zijn leerling duidelijke bewijzen van hoogachting; hij vertrouwde de waarnemingen, welke Anton aan hot tongetje van de groote weegschaal maakte, even zoo zeker als de zijne, en stond hem bij wijlen zelfs het zwarte penseel af, zijn dierbaren scepter, het teeken zijner heerschappij.

De grootste verandering echter greep plaats in de verhouding van Anton tot Von Fink. Eenige dagen na den twist, toen Anton achter den jockey den trap van het achterhuis opging, bleef Von Fink voor zijn deur staan en vroeg: «Wil je niet bij mij binnen komen? Breng mij van daag de lang beloofde visite en proef mijn cigaren eens.»

Voor de eerste reis trad Anton het vertrek van den volontair binnen en bleef verbaasd bij den ingang staan, zoo wonderlijk zag het er uit. Prachtige meubels stonden verward dooreen; een mollig tapijt, zacht als mos, bedekte den grond, en de zindelijke Anton zag met verdriet hoe roekeloos de cigarenasch op het fraaije patroon was geworpen. Aan den eenen muur stond een gewerenkast, daarboven hing een buitenlandsch zadel, en zware zilveren sporen; de andere muur werd bedekt door een even grooten boekenkast van kostbaar hout, vol boeken in bruine leeren banden, en boven de kast van den éénen kant naar den anderen reusachtige vlerken, de zwarte vlerken van een monsterachtigen vogel.

«Wat een massa boeken hebt ge!» riep Anton verheugd.

«'t Zijn herinneringen aan een wereld, waarin ik niet meer leef;» zei Von Fink.

«En deze vleugels, behooren zij ook tot uwe herinneringen ?»

«Ta, mijnheer, 't zijn vlerken van een condor; je ziet, ik ben trotsch op dezen buit, antwoordde Von Fink en stak Anton een pakje cigaren toe. «Ga zitten, Wohlfart, laat ons wat keuvelen en bewijs mij dat mijnheer Specht gelijk heeft, wanneer hij u als een pleizierig mensch in den omgang prijst.» Hij schoof met zijn voet onzen held een grooten fauteuil toe. Anton viel met een gevoel van genot op de zachte kussens en blies blauwe rookwolkjes naar het plafond, terwijl Von Fink het lampje van den zilveren theeketel aanstak. «Je bent mij laatst goed bevallen, Wohlfart,» zei Von Fink, zoo lang als hij was op de canapé liggende, «heb je verstand van paarden?»

«Neen,» zei Anton.

«Houd je van jagen?»

«Nooit gedaan,»

«Doe je aan de muziek?»

ocr page 70

(i'i

«Maar weinig,» antwoordde Anton.

«Wel, in 's hemels naam, welke menschelijke hoedanigheden heb je dan?»

«In uw geest niet veel,» hernam Anton gebelgd. «Ik kan de men-schen liefhebben, die mij aanstaan, on ik geloof dat ik een trouw vriend kan wezen; maar zoodra iemand mij overmoedig behandelt, word ik boos.»

«Bedaard wat,» sprak von Fink, «van dien kant ken ik je al. Voor een nieuweling was je debuut volstrekt niet kwaad. Ik zie het al, er zit ras in je. Vertel me eens wie je zijl. Van welk volk der sterfelijke menschen stam je af, en welk noodlot heeft je hier geslingerd m dit molenwerk, waar iedereen ten laatste vol stof en vol berusting wordt, zoo als Liebold, of op zijn best genomen, zoo als de stipte Jordan.»

't Was toch een goedgunstig noodlot,» antwoordde Anton en begon van zijn gebooiteplaats en zijn ouders te vertellen. Met vuur schilderde hij den kleinen kring waarin hij was opgegroeid, de avonturen van zijn schooljaren en eenige malle menschen uit Üstrau, waarmee bij had omgegaan. «En zoo is voor mij een groot geluk, wat gij voor een ongeluk houdt,» eindigde hij, «namelijk dat ik hier ben gekomen.»

Von Fink knikte hem vriendelijk toe en zei: «Ten laatste is het grootst verschil tusschen ons beiden, dat gij je moeder hebt gekend, en ik de mijne niet. Overigens is het vrij onverschillig, in welk nest men groot wordt; men kan bijna onder alle omstandigheden een bruikbaar mensch worden. Ik heb menschen gekend, die minder liefde in hun vaderlijk huis hebben ondervonden, dan gij.»

«üij hebt zoo veel van de wereld gezien,» zei Anton bescheiden, «zoudt ge mij willen vertellen hoe dat gekomen is?»

«Dood eenvoudig,» begon Von Fink. «Ik heb een oom in New-York, die daar een van de aristokraten op de beurs is. Deze schreef aan mijn vader, toen ik veertien jaar oud was, dat ik ingepakt en overgezonden moest worden, daar hij voornemens was mij tot zijn erfgenaam te benoemen. Mijn vader is op en top koopman; ik werd ingepakt en verzonden. In New-York duurde het niet lang of ik werd een godsjammerlijke kleine deugniet; ik deed allerlei dolle streken, had een stal vol raspaarden op een leeftijd, dat bij ons de jongens hun boterham nog op straat opeten en met een vlieger spelen. Ik onderhield zangeressen en danseressen, mishandelde mijn witte en zwarte knechts door ze te schoppen en bij het haar te trekken, zoo erg dat mijn oom dé handen vol had om schadevergoeding aan die vrije burgers te betalen. Zij hadden mij van mijn geboorteplaats losgescheurd zonder zich in 't minst om mijn gevoelens te bekommeren; ik gaf nu ook geen drommel om de hunne. Overigens kreeg ik, hoe doller ik mij gedroeg, des te meer geld in handen. Ik was binnen kort de slechtst befaamde onder de jonge bengels, die de fatsoenlijke ondeugden aan gene zijde van den Oceaan cultiveeren. Eens, 't was mijn jaardag, keerde ik 's morgens vroeg om zes uur naar huis van een klein partijtje, waar ik, ik weet zelfs niet waarom, den preutsche had gespeeld tegenover eenige al te vriendelijke dames; en onderweg viel het mij in, dat dit leven een einde moest nemen of dat het gauw met mij uit zou zijn. Ik ging naar de haven in plaats van naar huis, stak me in een grof matrozenpak, dat ik in 't voorbijgaan kocht, en voor het middag was voer ik als scheepsjongen op een dikbuikigen Engelschman de ruime zee in. Wij

ocr page 71

63

zeilden een (luizend mijlen of wat, Kaap Hoorn om, en langs den anderen kant van het vasteland meer noordwaarts. Zoodra ik in Valparaiso aankwam, verklaarde ik aan den kapitein dat ik hem dankbaar was voor den overtocht, tracteerde de heele equipage, en sprong aan den wal om met de twintig dubloenen die ik nog op zak had op mijn eigen hand mijn fortuin te zoeken. Ik ontmoette weldra een verstandig man, die mij op zijn landgoed bracht, waar ik als ossenhoeder en paardrijder geen geringen roem verwierf. Ik was daar ongeveer anderhalf jaar en had het zeer naar mijn zin; ik werd als een soort van dienstdoenden gast behandeld, ik was bemind, ik werd bewonderd als jager, en zat den heelen dag in den zadel, wat ontbrak mij dus? — Maar alle vreugde neemt een einde. Wij hadden juist een groote slacht van rundvee, en ik was net bezig om te paard de koeijen naar de slachtbank te drijven, tuen eensklaps twee ambtenaren onzen burg binnenkwamen. Deze behandelden mij zeiven met veel beleefdheid als een jongen os, namen mij met mijn paard tusschen zich in, en brachten mij in vollen galop naar de hoofdstad. Daar werd ik bij den amerikaan-schen consul afgeleverd, en wijl mijn oom hemel en aarde had bewogen om mij weer te vinden, en ik uit een langen brief van mijn vader zag, dat deze zich werkelijk over mijn verdwijnen angstig maakte, besloot ik hem pleizier te doen en terug te keeren. Ik besprak dit met den consul en vertrok met het eerste schip naar Europa. Zoodra ik op dit oude halfrond aankwam, zei ik ronduit tot mijn vader dat ik geen koopman zou worden, maar econoom. De firma Fink en Becker was er wanhopend over, maar ik hield mij goed. Eindelijk kwam het tot een verdrag. Ik zou eerst een paar jaar in een Noord-Duitsch huishouden gaan, dan nog een jaar op een kantoor werken; op die manier vleide men zich mijn grillen mij uit het hoofd te zullen praten. En zoo ben ik hier in verzekerde bewaring. Maar 't helpt alles niets. Ik doe mijn vader het genoegen hier te zitten, omdat ik merk, dat de goede man zonder reden zich verdrietig om mij maakt, maar ik blijf slechts zoo lang hier, tot dat hij overtuigd zal zijn dat ik gelijk heb. Dan word ik landbouwer.»

«Wilt gij een goed bij ons koopen?» vroeg Anton nieuwsgierig.

«Neen, mijn vriend,» antwoordde Von Fink, «dat nooit. Ik wou veel liever van den vroegen morgen tot den laten avond kunnen rijden zonder aan een grenssteen van mijn bezitting te komen.»

«Dus wilt gij naar Amerika terug?»

«Of ergens anders heen ; ik ben niet keurig uitgevallen wat de wereld-deelen betreft. Middelerwijl leef ik in dit klooster als een monnik, zoo als je ziet,') zei Von Fink lachende en schonk uit een groote llesch een belangrijke hoeveelheid rum onder eenige andere bestanddeelen, roerde den drank rond, en slurpte tot inwendige ontsteltenis van Anion het vurige mengsel met een blijkbaar genot naar binnen. «Komaan, kerel, riep hij de llesch naar Anton schuivende, «maak den drank naar je zin en laat ons nu eens vroolijk praten, zoo als het goede kameraads en verzoende vijanden past.»

Van dien avond af behandelde Von Fink onzen held met een vriendelijkheid, die hemelsbreed verschilde van die onverschillige houding, welke hij tegenover de andere heeren van het kantoor aannam. Binnen kort werd Anton de lieveling van den kloosterling, dikwijls riep Von Fink hem op zijn kamer, ja hij achtte het zelfs niet beneden zich, drie

ocr page 72

64

trappen hoog naar het heiligdom van de lederen kat te klimmen, als hij juist eens lust had een avond te huis te blijven, t Is waar, dikwijls gebeurde dat niet. Anton bemerkte weldra dat zijn nieuwe vriend in de stad zeer bekend en algemeen ter sprake was, dat hij onder de jonge dandy's als een echt despoot heerschte, en bij rij- en jachtpartijen en andere nuttige bezigheden van dien aard, de aanvoerder en zeer gewenschte toongever was. Hij was jong, vlug, van adel, ging voor onmetelijk rijk door en bezat een volkomen meesterschap in al die dingen, welke men in verband met een paardenhoef, een geweerloop en een vergulden theelepel bedenken kan; en wat nog het belangrijkste was, hij behandelde iedereen, die in zijn nabijheid kwam, met die lichte aanmatiging, die van oudsher bij den grooten hoop van onzelfstandige menschen als het teeken van onmiskenbare meerderheid gegolden heeft. Von Fink was daarom veel op partijen en kwam menigmaal eerst tegen den morgen naar huis. Anton hoorde hem somtijds komen, als hij reeds voor zijn boek zat; hij bewonderde de levenskracht van zijn vriend, die dan na een of twee uren rust zijn plaats op het kantoor innam en gedurende den geheelen voormiddag geen teeken van vermoeidheid gaf. Op de strenge orde van het handelshuis maakte Von Fink ook hierin uilzondering, dat hij soms een uur na het openen van het kantoor eerst kwam en voor het gesloten werd zich verwijderde. Anton kon niet merken of zijn principaal deze zelfstandigheid voor een groote of een kleine misdaad hield. Hoe het ook was, hij zweeg er bij. , , ,

Zoo verliep de winter, en Anton bemerkte aan onwederlegbare teekenen dat de lente en de zomer in aantocht waren. De voerlui brachten geen sneeuw meer in het kantoor, maar regendroppels en vuile voeten; bij wijlen waagde een bloemenmeisje met ruikertjes zich in de nabijheid van de eentonige hangklok; dan scheen de zon den heer Liebold tergend op zijn vensterbank; dan kwamen de makelaars vertellen van den gelen bloesem van het koolzaad op het veld, en ten laatste ver-scheen mijnheer Braun met de eerste roos in de hand. Eén jaar was verloopen sints Anton met de zwanen achter zich over den vijver had gevaren. Hij had het geheele jaar aan dat watertochje gedacht.

VIII.

Nog altijd bewoonde Itzig zijn slaapvertrek in de kleine herberg waar hij den dag zijner aankomst zijn intrek had genomen. Indien volgens de beweringen van de politie ieder mensch ergens te huis moet zijn, en volgens de meening van allu verstandige vrouwen daar te huis is, waar zijn bed staat, dan was Veitel belangrijk weinig te huis, — Zoo dikwijls hij uit de zaken van Ehrenthal wegsluipen kon, slenterde hij langs straat, bezag iederen jongen heer nauwkeurig van top tot teen, die hem voorkwam geneigd te zijn iets te koopen of te verkoopen, en wist uit de houding van den voorbijganger op te merken, of hij voor de bekoorlijkheden van den kleinhandel gevoelig was of' niet. Steeds had hij een paar bluf'daalders in zijn zak, die hij met een beminnelijke onverschilligheid zoo verleidelijk wist te rammelen, dat alleen een ongevoelig mensch koud kon blijven voor deze soliditeit.

ocr page 73

65

Hij verstond de kunst om in één oogwenk de verborgenste gebroken van een rok of vest te ontdekken, hij had voor zijn klanten een bedwelmenden stroom van vriendelijke woordjes, stelselmatig sprak hij een halfwassen latijnschen jongen nooit anders aan dan: «als mijnheer zoo goed wil wezen mij te pirmitteeren», hij had den slag, (wat altijd voor het hoogste in dit vak gelden zal) om aan zijn onderdanigheid een tint van grappigheid te geven, en was ontegenzeggelijk een meester in de overdrevenste buigingen. Hij verstond het geheim om oud koper door poetsel blinkend te maken en aan oud zilver den heerlijk-sten glans terug te geven; hij was altijd klaar om afgedragen zwarte rokken te koopen, 't geen door alle kunstbroeders als het bewijs van een stouten en roekeloozen aard wordt beschouwd. Hij wist op het kale laken door een eigenaardigen borstelstreek een waas van nieuwheid te brengen, die juist lang genoeg diende om zijn koopers te verblinden ; deze zocht hij voornamelijk onder arme schoolmeesters en lang opgeschoten jongens die hun belijdenis pas hadden gedaan. Met eiken loop, dien hij voor zijn patroon deed, trachtte hij er een voor zijn eigen voordeel te verbinden, en kreeg daardoor binnen kort een klandisie, die de afgunst van kleerjoden met grijze baarden gaande maakte. Hij beperkte zijn zaken echter niet tot gebruikte voorwerpen, ofschoon hij daarin zijn eerste en beste winsten had gehad. Hij werd agent van paardenkoopers, stelde zich in betrekking met geheime geldschieters en bezorgde aan die brave lui klanten. Ja, hij leende zijn eigen geld uit, en had het streelende gevoel dat hij nooit meer dan vijftig percent nam; maar hij leende ook alleen op korte termijnenen nam op den vervaltijd ook in plaats van klinkende munt, met de grootste inschikkelijkheid allerlei soort van verkoopbare dingen tegen een schatting, die hij als deskundige het best zelf maakte. Daarbij had hij de deugd nooit moede te worden; hij was den ganschen dag op de been, liep voor eenige stuivers tweemaal denzelfden weg, was zoo gelukkig als een koning wanneer hij een daalder had veroverd, schudde elk hard woord — en hij moest er nog al een enkel slikken — af, als een poedel de slagen. Hij gunde zich geen oogenblik genot, zijn eenige uitspanning was op zijn vingers de zaken na te tellen, die hij in den loop van den dag gedaan had, en zijn winst te berekenen, 't Was opmerkelijk zoo weinig als hij noodig had: 's avonds at hij een stuk brood, dat hij 's middags uit Ehrenthals keuken in zijn zak had gegoocheld; een glas dun bier gunde hij zich in het eerste jaar slechts ééne enkele reis, en wel op een gloeijend warmen dag, dat hij een landedelman geholpen had om een wagen te verkoo-pen en door de bedrijvigheid van twee uren even zooveel daalders verdiend had. Zijn kleeren leverde hem zijn zaak. Winter en zomer liep hij dus in zwarten rok eti «iito pantalon; ja hij vond het nuttig over een zwart fluweelen vest een vergulden ketting te dragen en verscheen altijd als gentleman onder zijn gelijken: daar hij met volle recht beweerde dat een koopman er altijd zóó moet uitzien dat niemand zich behoeft te schamen zaken met hem te doen. Uit al het opgenoemde volgde, dat hij reeds na verloop van het eerste jaar de vreugde beleefde, zijn zes dukaten dertigmaal vermeerderd te zien.

In de zaak van den heer Ehrenthal was hij spoedig een onmisbaar lid geworden; aan zijn helderen blik ontging geen mensch, geen paard, geen wagen met koren ; elk gezicht dat hij eens gezien had, herkende DEBET EN CHKDIT 1. 5

ocr page 74

66

hij terstond ; iederen dag kende hij de beursberichten van buiten, alsof iii'i zelf makelaar van beroep geweest was. Nog bekleedde bij de meer nuttige dan wel eervolle betrekking van loopjongen, nog poetste hij Bernhards laarzen en at vóór de keukendeur ; maar het was duidelyk dat een schrijflessenaar en een lederen stoel in het kleine kantoor, dat dn lieer Ehrenthal fatsoenshalve er op nahield, hem met lang wachten zouden. Die stoel was het toppunt zijner wenschen; hij was voor hem een zetel in het paradijs. Want nog was hij met ingewijd in de verborgenheden der zaak, nog werd hij weggezonden, zoo dikwijls een veelbeteekenende klant met den heer Ehrenthal kwam spreken. Al spoedig zag hij in, dat htm zeiven nog het een en ander ontbrak om dit zeldzame geluk waardig te zijn. Hij bediende zich van de dmtsche taal met vrij veel vaardigheid, maar er lag een oostersch waas over : meer hoogdravende, gezwollen, dan goed alloopende zinnen. Hij schreet ook wel brieven over zaken en rekeningen, maar het was met netjes, «een vastheid, de letters waren om zoo te zeggen net hanepooten, en de periodes zonder verband en gelapt. En wat nu de geheimen van het boekhouden betrof, daarin was hij zoo onschuldig als een pas geboren kind. Uit gebrek aan kennis hinderde hem zeer.

In zijn herberg was hij intusschen een man van gewicht geworden; zelfs Löbel Pinkus behandelde hem met buitengewone vertrouwehjk-heiil Die zeldzame onderscheiding had Veitel aan zijn scherpzimugheul te danken. Die houten kast in de gelagkamer en de holle klank van het hout hadden hem, sinds den dag van zijn aankomst, geen rust gegund ; weken lang had hij op een gelegenheid geloerd om zijn na-sporingen voort te zetten. Eindelijk hield hij zich een zateidag moi-gen ziek en bleef te huis, toen de gastheer en zijn gasten met gepaste deftigheid naar de synagoge gingen. Daar gelukte het hem ten laatste een reet in den achterkant van zijn kast wat wijder te maken en iets te zien dat hem ten hoogste verraste. Hij zag in een groote, morsige kamer, geheel opgevuld met kisten en koffers, en een chaos van zeei begeerlijke waren. Heeren- cn dameskleederen, bedden, linnen stollen, bonte gordijnen, alles lag dooreen ; ook metalen voorwerpen, een kruis bekers, kronen glinsterden in het halve licht en nog vele andere verleidelijke fraaijigheden, die zelfs zijn scherp oog met goed kon onderscheiden. Toen Alladdin den eersten voet in het tooverhol zette kon hij bezwaarlijk zoo verbaasd zijn geweest, als de jeugdige Itzig het thans was. Telkens keerde hij naar de spleet terug en staarde in het stot-fitre schemerlicht van het geheimzinnige pakhuis, totdat de gasten uit de synagoge te huis kwamen. Hij hield zijn ontdekking voor zich, maar hij lag sints dien morgen op de loer, als een wezel voor een muizengat. Enkele keeren hoorde hij 's nachts leven in het vreemde vertrek van het naaste huis; eens gelukte fcet hem een zacht geduister op te vangen, waarbij de zware stem van den achtenswaardigen Pinkus onmiskenbaar was; een anderen keer toen hij laat te huis kwam, zag hij voor datzelfde huis vaten, kisten en koffers in een klein rijtuig pakken dat zeer bescheiden onder wit linnen verborgen was, een voorzichtig-lieidsmaatregel, dien Sulamith in Salomons Hooglied als nuttig aanprijst, opdat men niet 's nachts door des konings wachters in de wijnbergen worde aangehouden. Dienzelfden nacht verdwenen twee stille gasten van zijn huisheer, die klaarblijkelijk van póolschen oorsprong waren en niet terug kwamen. Uit dit alles maakte.hij de gevolgtrekking dat de

ocr page 75

(j7

kastelein een soort van commissie- en expeditie-handel had, van allerlei zeldzame zaken, die iiij om gegronde redenen liever 's avonds dan op klaar lichten dag wegzond. — '(, Was alsof er een licht voor den geest van onzen Veitel oprees. De goederen gingen naar het Oosten, werden over de grenzen gesmokkeld en tot diep in het russische rijk binnengevoerd, tot aan de grenzen van Azië, waar eindelijk de nijvere Cir-oarssiër de hemden en korsetten draagt, door duitsche handen gemaakt, alles naar de stelling; wat in Duitschland niet meer deugt, is goed genoeg voor de Russen. Veitel trok met een bewonderenswaardige zelf-beheersching van zijn ontdekking partij en liet zijn huisbaas zijdelings juist zooveel merken, dat Pinkus zich bewogen gevoelde hom met bijzondere onderscheiding te behandelen.

Na een zeer werkzamen dag wandelde Veitel in gedachten verzonken naar zijn logement terug en trad met den gewonen groet de gelagkamer binnen. Hij ging stil in een hoekje zitten en zocht in zijn geest naar een schriftgeleerde, die geschikt zou wezen om hem in de geheimen van een goeden stijl en van het boekhouden in te wijden, tegen een bezoldiging (natuurlijk zoo laag mogelijk) ja misschien wel voor een zwarten rok, dien hij maar niet kwijt kon raken, omdat de panden — hij had hem van een reusachtigen aanspreker aangenomen — tot op den grond hingen. Toen Veitel na lang doch vruchteloos beraad opkeek, zag hij aan tafel een vreemden gast, die een pen in de hand hield en ze bij wijlen in een inktkoker doopte. De man fluisterde met een koopman en boog zich van tijd tot tijd over het papier, waarschijnlijk óm de besluiten van het geheime onderhoud te vereeuwigen. Veitel zag met een beklemd hart den schrijver aan. 't Was duidelijk dat de voorvaderen van dien man, niet onder Mozes door de Roode Zee warén getrokken. Hij was stevig, maar klein, had een rooden neus en een rond ondachtig gezicht, zijn haar zat in de war, hij droeg een stalen bril, dien hij nu en dan onder de ooren vastdrukte, daar het, hem, in. weerwil van zijn langen diensttijd, onmogelijk was vat te krijgen op den stompen neus. Veitel bemerkte terstond dat de man een buitengewoon slechten rok aan had en nu en dan uit een tinnen doos snoof, waarbij hij telkens den koopman met een eigenaardige schuinschen blik aanzag met een soort van uitvorschend knipoogen, dat zijn gezicht een uitdrukking van goedaardigheid moest geven, maar het niet deed. Ontegenzeggelijk was de man een schriftgeleerde, en Veitel besloot af te wachten of hij hem ook zou kunnen aanklampen.

Eindelijk was de zaak afgeloopen; de koopman kreeg een papier en lei daarvoor een stuk geld (Veitels arendsblik zag terstond dat het een tienstuivers-stuk was) op tafel, dat de heer met den bril onversehillig in den zak van zijn pantalon liet glijden. De koopman ging weg; de vreemde bleef, naar het scheen, in een gemoedelijke stemming zitten en schonk uit een kleine flesch brandewijn het overschot in zijn glas. Veitel naderde hem, de vreemde keek wantrouwend op, maar zoodra hij de beleefde houding van Veitel zag, kwam er een vertrouwelijk lachje op zijn rond gezicht en een schelle stem sprak; «Kom maar naderbij, mijn jonge vriend, ge wilt mij om raad vragen, ik ben tot je dienst.»

«Veitel begon schroomvallig: «Zoo mijnheer bekend is in de stad, zou ik hein willen vragen om iets »

«Kom er maar mee voor don dag,» hernam de andor hom aanmoe-

ocr page 76

68

(ligende, terwijl liij zijn glas uitdronk en Vcitel met zijn goedaardigen

blik aanzag. . , .

«Ik wou u vragen, of gij wellicht iemand wist, die voor een billijUe vergelding, een jonkman van mijn kennis, les zou willen geven in het schrijven en in het stellen, zooals men het noodig heeft in zaken.»

«Zoo?» vroeg de kale mijnheer, «zooals men het noodig heeft in za-ken 't — en die jonkman van uw kennis zijt gij zelf?»

«Waarom zou ik daarvan maken een geheim? antwoordde Veitel oprecht, «ja, ik ben het zelf; maar ik begin pas en ben niet in staat meer te geven dan weinig.»

«Die weinig geeft, ontvangt weinig, mijn vriend — hoe heet ge ook.» vroeg de ander onverschillig in het voorbijgaan, en draaide zijn snuifdoos.

«Veitel Itzig is mijn naam. , i

«Nu dan mijn waarde itzig,» ging do oude voort, «goed onderwijs kost goed geld. En wat voor een zaak hebt ge?» hoorde hij met vaderlijke goedheid uit. w .

«Ik ben op het kantoor bij Hirsch Ehrenthal,» antwoordde Veitel

met zekeren trots. .

De vreemde begon opmerkzaam to worden. «De heer Nirenthal is een rijk man; een verstandig man; ik heb indertijd veel met hem te doen gehad; hij heeft een uitgebreide kennis van de wetten. Als gij den handelsstijl leeren wilt en bij den heer Ehrenthal zijt,» ging hij steeds bij zich zeiven overleggende voort; «kan er mogelijk raad op gevonden' worden. Welk honorarium zoudt gij willen geven, als zich iemand opdeed?»

Veitel vond het onverantwoordelijk iets te bieden; hij antwoordde voorzichtig: «ik weet immers nog niet wat hij verlangen zou voor zulk

onderwijs.» . i •!

«Dan zal ik het je ronduit zeggen,» sprak de heer met den stalen bril. «Ik zelf zou je misschien het onderwijs kunnen geven, misschien ook niet; men geeft ziilke inlichtingen niet aan jan en alleman ; ik zou eerst onder-zoek naar je moeten doen. Wanneer ik het echter voor je inschik dan wil ik je dat onderwijs geven, overwegende dat je pas begint, overvvegende dat je arm bent, en overwegende dat ik thans juist eenigen tijd vrij heb en verplicht ben meer met theorie dan met praktijk mij bezig te houden, als gij mij vijftig daalders betaalt; vijf en twintig vóór de eerste lessen vijf en twintig iu een schuldbekentenis, die ik zelf schrijven zal, binnen vier weken.»

«Vijftig daalders!» riep Veitel ontsteld, en zonk, als door den bliksem getroffen op een bank. «Vijftig daalders!» herhaalden zijn lippen werktuigelijk, nadat het raderwerk van zijn geest bereids was gaan

stilstaan. , , „

«Is je dat te veel?» vroeg de heer met den bril op schellen toon; «laat me je eens zeggen, jonge Itzig: vooreerst dat ik met geen vlasbaarden zaken doe, ten tweede dat ik miju hulp nog nooit voor zoo weinig verleend heb, en ten derde dat de duivel mij halen mag als ik mij met je bezig zou houden, zoo ik niet juist grooten lust had eemge v/eken in deze kamer te vertoeven.»

«Vijftig daalders!» riep Itzig buiten zich zeiven; «ik had gedacht, het zou niet meer kosten dan twee, drie daalders, als ik dan nog een mooi vest wilde toegeven, en een paar goede laarzen.» De oude heei schoof zijn bril nijdig op — «en een hoed, die nog is als nieuw»,

ocr page 77

69

voegde Veitel er haastig bij, omdat liij een stoirn zag naderen en bemerkt had dat de hoed op tafel zeer versleten was.

«Loop naar den drommel, domkop», voer de oude heer op een hoogen toon tegen hem uit, dien Veitel anders alleen van jonge heeren met groote deensche honden gewoon was te verdragen, «zoek gij een meester in de armenschool!»

«Dan is mijnheer geen schrijfmeester?» vroeg Itzig verlegen, maar toch met nadruk.

«Neen, lompert», bromde de oude. «Hoe kon ik denken dat Ehren-thal zoo'n gans in zijn zaak had, voegde hij er luid tot zich zeiven sprekende bij. «Hij houdt mij voor een schrijfmeester.»

«Wat zijt ge dan?» vroeg Itzig gebelgd.

«Iets, dat je niet aangaat», antwoordde de vreemdeling kortaf, stond met een vernietigenden blik op Veitel van zijn plaats op, en ging naar het balcon van het vertrek. Daar ging hij in een hoek zitten, waar hij er als een hoop oude kleeren uitzag, haalde een aktenstuk uit zijn rokzak en las het met aandacht.

Veitel stond nog een oogenblik verbluft in de verlaten kamer en vatte eindelijk het besluit op om bij Pinkus inlichtingen omtrent den vreemdeling in te winnen. Hij trad onder het een of ander voorwendsel de tapperij binnen en vroeg den kastelein zoo onverschillig mogelijk naar den naam en het beroep van dien kleinen heer.

«Kent ge hem niet?» zei Pinkus met een ironischen lach, waarvan Veitel niet wist of die hem zeiven of den vreemdeling gold; «Pas maar op dat je hem niet tot ja schande en schade leert kennen. Naar zijn naam moet ge hem zelf maar vragen, hij zal dien beter weten, dan ik.»

«Als gij mij uw vertrouwen niet schenkt, wil ik het toch stellen in «», antwoordde Itzig en vertelde hem zijn gesprek met den vreemdeling.

«Dus heeft hij je les willen geven?» zei Pinkus verbaasd en schudde het hoofd. «Vijftig daalders is veel geld, maar menig rijk man zou honderdmaal zooveel geven, als hij wist, wat die vreemde weet, dat kan ik je verzekeren. Overigens kan het mij niet schelen, of gij iets leert en bij wie», voegde Pinkus er onbeleefd bij en bemoeide zich met zijn drankllesschen.

Veitel ging nog verwarder naar boven dan hij beneden was gekomen en zette zich weer mijmerende in zijn hoek neer, terwijl hij nadacht hoe men voor zoo'n gewone zaak als de brievenstijl is, zoo onbehoorlijk veel geld kon vragen. Intusschen was do kastelein boven gekomen, had het licht op tafel gezet, en een zeer eenvoudig avondeten voor den vreemdeling meegebracht. Geheel tegen zijn natuur was hij zeer voorkomend tegen hem, liet zich dooi' hem op het balcon voeren, en wisselde daar eenige woorden met hem, die, zooals Veitel merkte, over zijn persoon liepen.

Toen Pinkus met den vreemdeling weer in de kamer kwam, zei hij tot Veitel: «Mijnheer zal eenige weken hier wonen en wil niet dat er over gesproken wordt. Gij zult tegen niemand zeggen dat hij hier is, wie u daaromtrent ook ondervragen moge.»

«Ik weet immers niet eens wie mijnheer is», sprak Veitel, «hoe kan ik aan iemand zeggen dat hij hier woont?»

«Gij kunt op den jongen man rekenen», zei Pinkus tot den vreem-

ocr page 78

70

deling, waarop deze onverschillig met liet hoofd knikte. De kastelein liet dien avond het licht in de kamer en verwijderde zich met een vriendelijken nachtgroet.

De nieuwe gast ging op zijn gemak zitten, at zijn avondkost op, terwijl hij walgelijk smakte, en wierp van tijd tot tijd een blik op Veitel, evenals een oude raaf op het gele kiekentje ziet, dat zich met jeugdige lichtzinnigheid in zijn nabijheid heeft gewaagd.

Terwijl de oude knipoogend op zijn prooi zag, vloog don jongen Itzig eensklaps de gedachte door het hoofd, dat die geheimzinnige persoon met zijn ongehoorde eischen wellicht een van de uitverkorenen was, een bezitter van de recepten, waardoor een arm koopman zonder to missen geluk, goud en alle schatten der aarde verkrijgen kan. Zijn bloed steeg hem bij die gedachte naar het hoofd. Wel is waar zag do vreemdeling er volstrekt niet rijk of gelukkig uit: maar kon het niet gebeuren dat hij den ouden rok incognito droeg? of dat hij buitengewoon gierig was? of zelf om de een of andere reden van de recepten geen gebruik mocht maken? Wellicht waren de vijftig daalders de prijs voor het geheim. Veitel had al wereldkennis genoeg om te weten, dat zulke resultaten noch door een zalfje, noch door een tooversteen worden verkregen, maar dat kennis daartoe het hoofd-vereischte is. Hij zag in, dat het er op aankwam geslepener te zijn dan andere menschen, en dat zoodanige sluwheid ook voor den eigenaar niet zonder bezwaar is. .Ia het kwam hem zelfs voor, dat men door haar toe te passen,, gevaar zou kunnen loopen zich aan den satan over te geven. Maar zijn zucht om iets naders van de zaak te hooren, was te sterk. Zijn handen beefden of hij de koorts had en zijn bleek gezicht gloeide toen hij uit zijn hoek naar den vreemdeling toewandelde en eenigszins gejaagd zei: «Ik wou nog nemen de vrijheid één vraag te doen aan mijnheer. Ik heb gehoord dat men kan leeren de kunst, waardoor men geluk heeft in alle zaken, waarmee men kan sluiten iederen koop en verkoop tot den besten prijs. Als er zoo'n kunst bestaat, gelijk mij een mijner geloofsgenooten heeft verzekerd, dan wou ik mijnheer nog vragen of dat die wetenschap is, welke mijnheer mij zou kunnen leeren, als hij wilde?»

De oude schoof het bord weg en zag, verbazend met zijn oogen knippend, den knaap aan. «Je bent de wonderlijkste mensch, die mij in de praktijk is voorgekomen. Je bent zeer dom, of de geslepenste komediant, dien ik ooit gezien heb.»

«Neen, ik ben maar dom, doch ik wou graag worden wijs,» zei Veitel Itzig.

«Een wonderlijke kerel,» prevelde de oude, zonder op hem te letten, en hij veegde zijn bril af om Veitel goed te bekijken, die, bij den kouden glans der brilleglazen, zich lang niet pleizierig gevoelde. Na een lang onderzoek sprak de oude eindelijk op beschermenden toon: «Wat je kunst noemt, mijn zoon, is anders niet dan de kennis der wetten, en de wijsheid om de wet tot zijn eigen voordeel te gebruiken. Wie dat verstaat die wordt een groot man op aarde; niets staat hem in den weg, want hij kan niet gehangen worden.» Bij deze woorden lachte de oude op een manier, die zelfs op onzen Veitel een benauwenden indruk maakte, ofschoon hij anders om de bewegingen der gelaatspieren zich niet zwaar bekommerde.

«Deze kunst van met de wetten om te.gaan,» ging de kleine heer

ocr page 79

71

voort, «is niüt gemakkelijk aan te leeren, mijn zoon; daartoe behoort lange oefening en een heldere kop on vastbei'adenheid op liet juiste oogenblik en boven alles datgene wat de geleerden karakter noemen.» Daarbij lachte hij weer.

Veitel begreep dat hij een belangrijk keerpunt van zijn leven was genaderd; hij tastte in zijn buis naar een oude brieventas en hield ze een wijle in de sidderende hand. Wat in dat oogenblik door zijn arme ziel ging — en het was slechts een oogenblik — dat waren woeste en smartelijke gewaarwordingen. Hij dacht aan zijn oude moedor te Ostrau, een eerlijke vrouw, hoe zij haar ketting had verkocht, om voor hem de zes dukaten in den gordel te naaijen; hij zag ze voor zich staan, zoo ais zij hem bij het afscheid met tranen had besproeid en hem gezegd had: «Veitel, 't is een booze wereld, verdien je brood eerlijk, .Veitel!» Hij zag zijn grijzen vader voor zich op de doodbaar liggen, met den witten baard hangende over het magere lichaam — en de adem ging hom bezwaarlijk.

Ook aan de vijftig daalders dacht hij, hoeveel moeite het hem gekost had ze met kwanselen te verdienen, hoe dikwijls hij er om ge-loopen had, hoe vaak men hem uitgescholden, ja als een lastigen jongen 'met slagen bedreigd had. Toen deze laatste gedachte door zijn geest ging, trok hij driftig de tas uit zijn zak, wierp ze op tafel, zette de gebalde vuist er op en riep met fonkelende oogen; «Hier hebt ge geld!» •—• en terwijl hij die woorden sprak, koortsig gejaagd, in hartstochtelijke aandoening, zelfs in die oogenblikken voelde hij duidelijk dat hij op het punt stond iets kwaads te doen en gevoelde hij hoe een onzichtbare last meer en meer zijn borst benauwde. Maar liet was nu vast besloten, 't Is niet waarschijnlijk dat die jonge heeren, welke den indringenden jodenjongen de deur uitwezen, er ooit aan dachten dat hun beleedigende woorden in die arme verwilderde menschelijke ziel een daemon zouden in 't leven roepen, die in latere jaren hun zeiven ellende en verderf kon berokkenen.

Na verloop van eenige uren was het licht haast uitgebrand, on, bij den rooden glans, zat in die akelige holle kamer Veitel nog altijd met open mond, glinsterende oogen en gloeijende wangen te luisteren naar de lessen van den ouden man. En de oude sprak toch over dingen, die voor de meeste stervelingen zeer vervelend zijn om aan te hoeren: over de gewone schuldbekentenissen.

Het licht was gansch en al uit, de kleine heer had de nieuw gevulde brandewijnllesch leeggedronken en was moe van het lange spreken op zijn stroozak ingeslapen, maar Veitel zat nog onbewegelijk op zijn bankje. Uien avond dacht hij niet aan zijn klanten, niet aan zijn getelde geldstukken, maar hij schreef obligaties op de zwarte muren, waarin de onderteekenaar met veel woorden tot zoo min mogelijk zich verbond, en schreef acceptaties van geleend geld, waarin hij door schijnbaar onbeduidende toevoegsels het terugbetalen van de som van zijn goedvinden afhankelijk maakte. Zoo zat hij langen tijd in dikke duisternis en groote zweetdroppels dropen van zijn slapen. Dan opende hij do deur, die naar do houten galerij geleidde, hing over de leuning en zag dooi' het schemerlicht naar het water onder hem, dat als een reusachtige stroom van inkt voorbij vloeide. En weer schreef hij schuldbekentenissen in de donkere schaduw van de over hem staande huizen, tot zijn uitgeput lichaam ineenzakte en hij in een hoek in slaap viel,

ocr page 80

72

liet brantleiule lioofcl tegen den houten wand steunende. Koud blies de nachtwind over het water en akelig klagend klotste de stroom tegen de houtpalen en de steigers der oude huizen. Wat hij in de schaduw had geteekend wischte zich uit, en wat hij op het water had geschreven, dat verliep: en toch had zijn ziel dien nacht een schuldbekentenis onderteekend, die eens van hem met intrest op intrest zou worden teruggevorderd. De wind huilde en de stroom klaagde, wreede maners om de schuld, wrekende boden der gerechtigheid.

Sints dien nacht spoedde Veitel zich iederen avond haastig naar zijn logement; het onderwijs in den handelstijl werd regelmatig voortgezet. De heer met den bril was een degelijk, grondig meester. De diepste verborgenheden van wisselrecht en hypotheekbeleening lagen voor hem open; hij kende iederen schuilhoek, welken do wet aan hen), die er gebruik van wil maken, aanbiedt; hij was met alle sluipwegen vertrouwd, waarop men een wettige verplichting ontduiken kan. Zijn on-dervvijs-methode was voortreffelijk. Bij alle stukken, die gesteld moesten worden, bij elke handelsverplichting, begon hij met den gewonen vorm, leerde 7ijn leerling de daarbij behoorende wetten kennen, en maakte zijn onderwijs door voorbeelden duidelijk en onderhoudend. Dan eerst gaf' hij bij elke wet, bij ieder bijzonder geval, de kleine hulpmiddelen aan de hand, waardoor men tegenover de verplichting de handen ruim kan krijgen. lederen avond toekende Veitel eenige kostelijke recepten in zijn portefeuille op, formulieren voor stukken, die tot niets bonden, en weder andere die tot veel meer verplichtten dan zij schenen. Soms schreef de oude zelfs zoo'n kunststuk op, en liet het zijn jongen vriend copieeren, waarna hij zijn eigen handschrift zeer voorzichtig in de kaars verbrandde. Als er vreemde gasten in het logement zich ophielden, zonderden meester en leerling zich af in een hoek, of spraken niet elkaar op fluisterenden toon, terwijl dc vreemdelingen met eerbied luisterden, omdat Veitel gewoon was te zeggen dat hij van den ouden heer les kreeg in het boekhouden en andere nuttige zaken.

Wat Veitel langzamerhand omtrent den persoon van zijn leei meester vernam, moge hier met korte woorden meegedeeld worden. Mijnheer Hippus had beter dagen gekend. Hij was eenmaal een zeer geacht advocaat in de hoofdstad geweest, die er zijn zinnen op had gezet binnen weinig jaren een uitgebreide praktijk te hebben. Bij het handeldrijvende publiek eener groote stad krijgt ieder advocaat spoedig een bepaalden naam, een naam, die even onzeker mag zijn als de roem van een danseres of zanger, die echter ook dooi' een groote klasse van menschen als een aangename stof voor conversatie gebruikt wordt. Bij deze klasse gold mijnheer Hippus voor zeer gewikst, en zeer voorkomend in den omgang met zijn cliënten, en bovendien voor den slimsten en stoutsten man om een slechte zaak in een goede te veranderen. In den beginne had hij evenmin als de meest nauwgezette advocaat eenige voorliefde om zijn weg te maken door rechtsverdraaijing. Ook hij had een pijnlijk gevoel van onzekerheid als hij voor een partij optrad, wier zaak hij voor slecht hield; hij verschilde maar zeer weinig van de achtenswaardigste zijner ambtgenooten; hij had eenige kleine gewetensbezwaren minder en dronk een weinig te graag goeden Bordeaux. Deze laatste loffelijke eigenschap werd weldra zijn zwakke kant. Hij was een man, die met smaak wist te ontbijten; hij had een bijtend scherp

ocr page 81

T.\

vernuft en was oen uitmuntend kameraad in gezelschap. Zijn geest was lijn; hij had op met schitterende paradoxen en vond er een genoegen in de haren te kiooven, die hij zijn tegenpartij uittrok. Met behulp van den roeden wijn kreeg hij ook den slag om veel geld uit te geven en kwam hij in de noodzakelijkheid van veel te moeten verdienen, Het ijdele genoegen in spitsvondigheden verleidde hem een enkele reis de gansche kracht van ziju buitengewonen geest aan een slechte zaak te wijden en haar te doen zegevieren. Zoo trof hem de vloek, welke dikwijls liet deel is van advocaten, die geluk hebben gehad bij wanhopende processen; allen kwamen naar hem toe, die een slechte zaak te verdedigen hadden. Langen tijd ergerde hij er zich over en hem ontbrak slechts de noodige kracht om die boevenpraktijk, gelijk hij ze zelf noemde, van zijn hals te schuiven; allengs, heel langzamerhand, werd hij door de slechte zaken, waarin hij zijn buitengemeen talent zocht te bewijzen, zelf slecht. Telkens grooter werden zijn behoeften, telkens sterker de verleiding, telkens ruimer zijn geweten. Zoo was hij reeds lang van binnen uitgehold en met gifstof opgevuld, als een stuifpaddestoel; van buiten zag hij er nog statig en schoon uiten dikwijls werd hem voorspeld dat hij met de grootste praktijk in de stad als een van de rijkste mannen zijn loopbaan zou sluiten. Daar had hij, de sluwe, de wetgeleerde, het ongeluk van zelf aangeklaagd te worden, omdat hij in een zaak, die alleen door wanhopende middelen te winnen was, aan de wet vat op zich had gegeven. Hij werd veroordeeld, schandelijk gecasseerd, en verdween als een gevallen ster uit den kring zijner ambtgenooten. De gewetensbezwaren en eerbied voor zijn stand, die hij vroeger nog had gehad, gingen nu met jammerlijke snelheid verloren. Mij had mnar een gering vermogen verworven, bijna niets dan slechte vorderingen op het bezit van anderen, weinig deugdelijke schuldbekentenissen en hopelooze stukken, wier bezit hem, 't moet gezegd worden, ook bijna niets had gekost. De inning van deze verschillende posten maakte hij nu tot zijn levenstaak; want nog voortdurend had hij behoefte veel uil te geven. Daarom was hij sints vele jaren als eeuwige eisclier en twistzoeker een bij de rechtbanken welbekend persoon. Wat hij met procedeeren won, verkwiste hij in ruwe zinnelijkheid en in slecht gezelschap. Hij werd een dronken lap, een liederlijke lichtmis. Maar ook deze onzekere inkomsten hielden eindelijk op, zijn naam verdween allengs uit de processtukken en zijn persoon werd ook in de koffiehuizen van derden of vierden rang niet meer gezien. Maar daarom rustte zijn werkzaamheid niet. Hij daalde af tot een kroeglooper en gaf daar consult; andere rnenschen stookte hij op tot het voeren van processen; zwendelaars en schelmen diende hij met zijn raad. Met dit beroep hield hij zich eenige jaren bezig en stichtte zoo veel onheil als noodig was om zijn wrok tegen niet gevallen aardsche grootheden, en zijn dorst, die hoe langer hoe gemeener werd, te bevredigen. Ongelukkigerwijs gelukte het hem niet geheel aan het waakzaam oog- van de wet te ontkomen. Juist in dezen tijd werd hij wegens het onbevoegd uitoefenen van praktijk vervolgd, en hij oordeelde het nuttig om onder voorwendsel van een verre reis voor eenigen tijd onzichtbaar te worden. Daarom had hij bij den heer Pinkus, wiens klant en raadsman hij somtijds geweest was, zijn intrek genomen, en zoo de gelegenheid gevonden om den jongen ïtzig zijn kennis mee te deelen en het gebruik dat men er van maken moest teleeren.

ocr page 82

1\

Overigens ging mijnheel' Hippus niet onvoorzichtig tewerk. Zoo dik-wei'C liij zijn leerling de een of de andere schurkerij openbaarde, die ais een krul onder de gewone rechte letters van den handelstijl gezet werd, vergat hij nooit om met een akeligen grijns er bij te voegen: «Dit alles zeg ik je maar, opdat je op je hoede zoudt wezen.» Dit werd een vaste aardigheid en een liefelijke bron van vroolijke luim voor meester en leerling, vooral nadat Veitel een buitengewone scherpzinnigheid, benevens alle vereischten die voor een apostel dezer geheimzinnige leer noodig zijn, had aan den dag gelegd.

Het onderricht werd voor den ouden man zeer spoedig een behoefte van zijn hart; ja, van zijn hart. Want hij was ongetwijfeld een zeer slecht mensch geworden, in wien men bezwaarlijk nog iets goeds vinden kon, maar de zware vlek, die hij op de plaats van een warm kloppend menschenhart in zijn borst droeg, was nog niet geheel uit-gewischt: hij gevoelde zeer sterk de behoefte om te haten, maar ook even sterk die om in zijn waarde gekend te worden. Na lange jaren vond hij thans de gelegenheid om zijn wetenschap in aaneengeschakelde voordrachten te ontwikkelen, de kracht van zijn geest te toonen, en aan een ander mensch een soort van eerbied in te boezemen. Eens was hij een veelzijdig gevormd en scherpzinnig rechtsgeleerde geweest; het gebouw zijner kennis was dooi' zijn woeste levenswijze zeer vervallen; maar er was genoeg voorhanden om den onbeschaafden jongen een hoogen dunk van hem te geven; en met een zekere zwaarmoedige blijdschap, de edelste gewaarwording, welke de diepgezonken man sints jaren had gevoeld, opende hij voor den jongeling de vermolmde poorten van zijn verstand. Veitels oplettendheid streelde hem zeer, hij begon hein voor zijn maaksel te houden, en vatte langzamerhand een genegenheid op voor den jodenjongen, waarover hij zelf op cynische wijze spotte. En toch was zij een schat voor den rampzalige. Want de adel der menschelijke natuur is nooit te vernietigen en de grootste bedorvenheid eens menschen is niet in slaat alles in hem slecht te maken. Altijd zoekt zijn levenskracht de gelegenheden, waar zij zich gezond en ten goede kan ontwikkelen; maar de vloek eener bedorven ziel is juist deze, dat ook een goed menschelijk gevoel bij haar in jammer en zonde overgaat.

Binnen kort werd voor den ouden man zijn leerling van meer belang dan elk ander sterveling. Met ongeduld wachtte hij op liet avonduur, waarin het werkzame jodenkind bij hem kwam om naar zijn voordracht te luisteren. Ja het gebeurde hem nu en dan, dat hij van zijn avondeten en zijn brandewijn iets voor Veitel over liet, en als deze bij het sombere licht voor hem zat en met grooten lust het koude vleesch verslond, kon de oude hem in stilte beschouwen en had hij er genoegen in. En eens, toen Veitel door het ruwe weer kou had gevat en met de koorts op hot lijf onder een dun dek op zijn strooleger lag te bibberen, geschiedde het ^vonder dat de oude een veeren bed, dat hij als bevoorrechte persoon van den kastelein had ontvangen, van zijn eigen rustplaats nam en over den knaap uitspreidde, en toen Veitel hem dankbaar toelachte, verheugde het ongelukkige schepsel zich van nieuws.

Veitel verdiende deze vonken van vriendschap, die bij den ouden man ontgloeiden, want hij bewees hom een eerbied, zoo als slechts zelden een leerling voor beroemde meesters gevoeld heelt. Hij bood vrijwillig zijn hulp aan om hem een nieuw.stel kleeren tegen inkoops-

ocr page 83

75

prijs te bezorgen en «long liulsstarrig voor een fatsoenlijken overrok, omdat luj hem den ouden man zoo goedkoop mogelijk wilde leveren; hij was steeds tot de onvergeeflijke verkwisting bereid om de brande-wijiiflesch te laten vullen, daar hij wist dat dit de zwakke zijde van zijn achtenswaardigen meester was; hij deelde hein in vertrouwen al zijn kleine zaakjes mede, ja hij bracht hem bij wijlen 's avonds geschenken en liep eens na een gelukkigen dag zelfs een slagerswinkel binnen, om voor den heer Hippus een vermaledijden worst te koopen. Ontegenzeggelijk was deze hartelijke vriendschap niet zonder kleine doornen. De oude kon het niet van zich verkrijgen zijn zwartgalligheid niet bot te vieren en Itzig voegde hem, als hij wat te diep in het glas had gekeken, allerlei zeer onbehoorlijke namen toe, die bewezen dat het gevoel van hoogachting bij hem nog niet onwrikbaar was. Over het geheel verstonden de beide brave zielen elkander voortreffelijk en werden elkaar weldra onmisbaar.

Veitel leerde in de maanden dat de oude zich schuil hield, ook nog wat anders dan gemeene knoeijerijen en kunstjes; hij leerde beter Duitsch spreken en schrijven, ja, hij las soms in de boeken, dio hij voor Hippus uit een leesbibliotheek moest halen: hij las mot groot genoegen avonturen te water en te land de verovering van Amerika en andere stoute ondernemingen. Door zijn meester kreeg hij helder inzicht in het leven van menschen en volken, ook begrippen over den staat, waarin hij zelf leefde en waarvan hij lot nog toe weinig geweten had. Zoo nam hij in weinig maanden wijzigingen in zich op, die aan het oog van den heer Ehrenlhal geenszins ontgingen.

Deze bemerkte dat Veitel er langzamerhand veel minder wonderlijk uitzag, dat hij beter sprak en schreef, en bovenal dat liij in zaken onwillekeurig een vastheid en rechtsgeleerde kennis verried, die bij een leerling van zijn slag zeer ongewoon waren. Mijnheer Ehrenlhal sprak over deze verandering met zijn familie ongeveer op dezelfde wijze, als een landman het veelbelovend uiterlijk van een stier prijst en maakte bij het einde van het kwartaal uit eigen beweging den knaap bekend, dat hot laarzenpoetsen enz. voor de deur zou ophouden, en dat hij bereid was hem een plaats op het kantoor en buiten het kostgeld nog een klein loon te gunnen.

Veilel hoorde die aankondiging, waarop hij zoo lang gewacht had, met groole zelfbeheersching aan; hij bedankte nederig en beloofde al wat hij kon voor het tegenwoordige en de toekomst: «Nog één verzoek heb ik aan mijnheer, een groot verzoek, dat gij mij, hoop ik, niet kwalijk zult nemen. Als ik de eer hebben mocht ééns in de week bij mijnheer Ehrenlhal aan tafel le eten. Daar ge mij reeds zoo veel goedheid bewijst, moest ge mij ook deze gunst toestaan, opdat ik in goed gezelschap kunne zien, hoe men zich gedraagt, als men eet met voorname lui. Gij moogt het mij afhouden van het kostgeld, dal gij mij wilt geven.»

Ehrenlhal schudde het hoofd en zei verbaasd over dit verzoek : «Eerst moet ik spreken met mijn vrouw, of zij het goed zal vinden, dat gij u vormt in mijn huis. Gij kunt wachten tot dat ik haar gesproken heb.» Hij ging naar zijn vrouw en deelde haar Veitels verlangen mee op een koelen loon, die te kennen moest geven, dat de wensch hem als een man van de wereld ongehoord voorkwam. In zijn binnenste echter wou hij gaarne dat men Ilzigs verzoek toestond, want hij achtte

ocr page 84

7()

liet van belang den knappen jongen in zijn zaak te iiouden. Maar liij was te slim om tegenover zijn vrouw aan ilie gedachte lucht te geven, want mevrouw Ehrenthal had nog veel meer wereldkennis en lijne beschaving dan hij en gold bij hem in alle dingen, die het fatsoen betroffen, voor een groote autoriteit. Zij was de dochter van een groot manufacturier in de hoofdstad en had smaak voor liet nieuwste, en een zeer krachtigen wil, zoodra het aankwam op theeserviezen, prachtige pendules, meubelgordijnen en andere dingen van dien aard, waardoor een beschaafd menscli zich van een onbeschaafd onderscheidt. Tegen zijn verwachting keurde mevrouw Ehrenthal Veitels wensch met do grootste inschikkelijkheid goed, en t zou onnatuurlijk zijn geweest, zoo zij het niet gedaan had, daar Veitel door een inderdaad onver-moeiden ijver, door zijn stilzwijgen in enkele gevallen, en door de grootste beleefdheid, do gunst van de damo had weten te winnen. «Als de jonge man zich vormen wil in onze familie, kan hij geen beter gelegenheid vinden. Daar hij bruikbaar is in de zaak, gelijk ge zegt, zal hij ze van nut wezen, als hij ook weet te eten en te spreken

met de menschen.»

Na deze uitspraak werd Veitel uitgenoodigd den eerstvolgenden zondag, den dag van een gebraden gans, zijn intrede bij de familie te doen. En als hij tot de gedekte tafel naderde, gekleed in den besten van de zes rokken die liij in voorraad had, een nieuwen witte hoed in de hand en een katoenen overhemd met staande boordjes, werd hij door den heer Ehrenthal met de plechtige woorden geïnstalleerd: «De jonge Itzig is opgenomen in mijn zaak als boekhouder, liet is niet langer passend voor hem in het huishouden te helpen en het zal thans beter voegen dat wij hem als een fatsoenlijk mensch behandelen. Je kunt daar beneden aan tafel plaats nemen, mijn vriend.»

XI.

Op een warmen zomeravond zei Von 1' ink tot Anton na afloop van het kantoor: «Wil je vandaag met me meegaan? ik ga op de rivier een boot probeeren, die ik hier heb laten bouwen.» Anton was dadelijk bereid. De beide jongelingen sprongen in een rijtuig en reden langs den stroom tot zeker eind van de stad, waar een colonie schippers en visschers in armoedige hutjes woonden. Von 1quot; ink wees op een rond vaartuig, dat op liet water dreef, als een groote meloenschil en zei diep bedroefd: «Daar ligt de klomp, het is afschuwelijk! Ik heb zelfden bouwmeester het model voorgeteekend, want een kotter te bouwen is hier in het land iets ongehoords; ik heb den domoor alle proportiën aangegeven en nu heeft hij zdo'ii meeuwenei ter wereld gebracht.»

«'t Js zeer klein,» antwoordde Anton met een treurig voorgevoel. «Ik zeg je,» riep Von Fink op bestraflenden toon den bouwmeestei toe, die vol eerbied naderde en zijn pet afnam, «dat onze zielen op je geweten komen; we zullen ongetwijfeld met dat ding daar verdrinken en het zal de schuld zijn van je gebrek aan verstand.»

«Mijnheel',» antwoordde de bouwmeester met het hoofd schuddende, «ik heb de boot geheel naar uw voorschriften gemaakt.»

«Ja, 't mocht wat, verweet hem Von Fink, «tot straf moetje meevaren. Je zult inzien dat het niet meer dan billijk is, datje met ons vei di inkt.»

ocr page 85

77

«Neen, dat doe ik niet, mijnheer,» antwoordde de man vast besloten, «niet dien wind wil ik het niet wagen.»

«Blijf dan aan wal en kook je kinderen brei van krullen; geef maar den mast en de zeilen.» Von Fink zette den mast op, zag nauwkeurig of de schoten van de zeilen vlug door de gaten liepen en of het geitouw goed aantrok. De uitslag zijner onderzoekingen was bevredigend. Nu nam hij mast en zeilen weer op, lei ze lang uit in het vaartuig, wierp eenige stukken ijzer als ballast onder iu het scheepje, maakte liet roer vast, greep twee lange riemen, en wees onzen held zijn plaats aan. Daarop sloeg hij de riemen uit en voer met de kracht van een matroos van den oever weg. Hij liet do meloenschil op het water dansen tot groot genoegen van den timmerman en de andere buren, die aan wal stonden, en gaf zijn tevredenheid te kennen dat Anton zoo kalm tegenover hem zat. «'t Is mogelijk in zoo'n boot den stroom op te varen,» zei hij «dat wou ik die slaapmutsen eens bewijzen.» Daarop zette hij den mast op; maakte de zeilen los, gaf zijn leerling den schoot-kiuiver in de hand en leerde hem hoe hij dien moest aantrekken en laten schieten. Üe wind blies met rukvlagen, nu eens zwollen de kleine zeilen op en brachten den kant van de boot op het water, dan Had-derde hij loom en doelloos tegen den mast. «'t Is een ellendige zielver-kooper,» riep Von Fink verstoord, «we drijven tegen wil en dank af en zullen straks omslaan.»

«Als dat zoo is, dan stel ik voor om terug te keeren,» zei Anton met gemaakte vroolijkheid,

« t Doet er niets toe,» hernam Von Fink koelbloedig, «ik zal wel zorgen dat we weer aan land komen, op de een of andere manier. Je kunt immers zmemmen?»

«Als een baksteen,» antwoordde Anton; «als wij omslaan, ga ik zeker naar beneden, je zult moeite hebben mij er uit trekken.»

('Grijp in alle geval nooit naar mijn beenen als we in't water liggen,» waarschuwde hem Von Fink, «dat zou het beste middel wezen om ons beide voor goed beneden te houden; wacht rustig af totdat ik u inde hoogte til. Overigens kan het geen kwaad als ge uw rok en laarzen uittrekt, 't is altijd pleizieriger in het water als men en négligé is.»

Anton deed gewillig wat hem gezegd werd.

«Zoo is het goed,» sprak Von Fink. «Eigenlijk is het maar een erbarmelijk pleizier hier zoo rond te zwalken. Geen golfslag, geen wind, en ten laatste ook geen water. Daar zitten we weer vast. Stoot eens af. He, bootsman, wat zoudt ge zeggen als die leelijke oever eens wegzonk en wij op een ordentelijke ruime zee schommelden, water zoover men zien kan, golven als die boom daar ginds, en een fiksche wind die de ooren afwaait en den neus tegen de wang ombuigt?»

«Ik kan niet zeggen dat ik het juist heel pieizierig zou vinden,» antwoordde Anton anerstiquot;'.

« t Is maar hoe je 't opneemt,» zei Von Fink, «er zijn weinig toestanden, die nog niet veel slechter konden wezen. Bedenk toch dat het zelfs in dat geval nog een zegen zou zijn, dat wij deze ellendige duigen tusschen ons en het water hebben. Hoe echter als wij zelve eens in de rivier lagen, zonder boot, zonder oever, te midden van golven als huizen zoo hoog?»

«Ik althans was onherroepelijk verloren,» riep Anton met ongeveinsde bezorgdheid.

ocr page 86

78

«Ik zeg jo, ik heb een vriend, een goed vriend, op wien ik in moeije-lijke omstandigheden mij gaarne verlaat, wien zoo iets is overkomen. De man slentert op een goddelijken avond langs het strand van de zee, hij besluit zich te gaan baden, werpt zijn kleeren uit en gaat te water. De golven voeren hem in de hoogte, slingeren hem naar de laagte, het water is lekker warm, om hem llikkert in de avondzon een stroom van tien duizend kleuren en boven hem vlamt hot gouden licht van den ouden hemel. De man juicht van genot.»

«En ilie man waart gij?» vroeg Anton.

«Mijnentwege ja. Zoo zwom ik een tijdlang door, tol dat ik aan den dauwen schijn van de lucht merkte dat het tijd werd van den waterschommel naar land terug te gaan. Ik keerde mij om en hield op het land aan en wat denk je vriend Wohlfart, dat ik zag?»

«Een schip,» meende Anton, «een visch.»

«Neen,» zei Von Fink, «niets zag ik; het land was verdwenen. Ik keek naar alle kanten door de schemering heen, ik richtte mij op alle golven zoo hoog op als ik kon, niets was er te zien dan water en lucht. De stroom, die van het land afliep, had me verraderlijk meegenomen, ik dreef rond in de ruime zee. Ik lag in den Atlantischen Oceaan, tus-schen Amerika en Engeland. In zoo verre wist ik waar ik was, maar die geographische kennis bleek in mijn toestand zeer onvoldoende te zijn. Hij werd allengs donkerder, de diepte der baren vulde zich met zwarte akelige schaduwen, de waterbergen werden hooger en hooger, een koude nachtwind ging over mijn hoofd. En niets viel er te zien, dan de roodachtig grijze lucht en de wilde, rollende zee,»

«Dat was verschrikkelijk!» riep Anton.

«'t Was een oogenblik, dat geen pastoor het iemand kwalijk nemen kan als hij den Duivel te hulp roept. Waar ergens het land moest liggen kon ik natuurlijk uit de lucht opmaken.'t Was dus nu alleen de vraag wie het sterkste zou zijn, mijn arm of de stroom der zee. Een gevecht op leven en dood met dien troilwloozen schurk, den watergod, ving aan. 't Was een harde strijd, de bitterste van mijn leven. Inmiddels werd het donker, de smaragdgroeve golven veranderden in een stroom van zwart, vloeijend pek; de kruinen alleen glinsterden nog van het witte schuim, als doodshofden rezen ze om mij heen op en grijnsden mij aan. De lucht hing loodkleurig boven mij, soms flonkerde een enkele ster door de wolken heen; dat was mijn eenige troost. Zoo zwom ik in een halfdonker altijd door, maar nog geen land was er te zien. Ik werd moe en de verwenschte duisternis rondom mij deed mij soms denken of het maar niet beter was den onnutten arbeid te staken. De bank aan den horizont steeg hooger, de sterren verdwenen, de richting werd onzeker en mijn toestand geheel en al onhoudbaar. Ik merkte dat het op zijn eind liep: mijn borst kuchte, voor mijn oogen dansten ontelbare vonken, als glimwormpjes, op mijn weg naar de onderwereld. Op eens, mijn jongen, toen ik zoo half bewusteloos met een golf was voortgerold, op eens voelde ik met den voet iets, dat niet langer water was.»

«'t Was grond», riep Anton.

«Ja», knikte Von Fink, «'t was vaste wal. Ik kwam een mijl benoorden mijn kleeren aan 't strand en viel daar neer als een verslagen rob.» Hij hield op en zag Anton oplettend aan. «En nu houd je klaar maat», riep hij, «neem je beenen onder de bank weg, ik zal een slag doen en naar den oever sturen. Bedaard maar!»

ocr page 87

71)

Op hetzelfde oogenblik vloog een lievige rukwind over de watervlakte, de mast kraakte, do boot hing op één kant over en niet lang duurde het of de kiel stond recht in de hoogte, als een visch op zijn staart. Trouw aan zijn woord zonk Anton zonder een enkele aanmerking te maken naar de diepte. Bliksemsnel dook Von Kink in het water, hief, zooals hij ook beloofd had, zijn kameraad in de hoogte en stuwde hem met groote inspanning van krachten naar een ondiepe plaats voort, vanwaar het mogelijk was den oever al wadende te bereiken. «Voor den dr.... pak dan mijn arm», riep Von Fink kuchende.

Maar Anton, die tegen de afspraak een vrij groote hoeveelheid water binnen had gekregen, was niet al te goed meer bij zijn zinnen en maakte alleen een weigerende beweging met zijn hand.

«Ik geloof waarachtig dat hij nog eens duiken wil», sprak Von Fink knorrig, vatte den bewustelooze om het midden en trok hem naar den oever.

Een menigte menschen was hier bijeengeloopen en ijlde nu naar den kant van het water, waar Von Fink den jongen matroos in zijn armen hield en hem ijverig aanspoorde om weer tot zich zeiven te komen.

Eindelijk sloeg Anton de oogen op en gaf daardoor en door'eenige andere bewegingen zijn voornemen te kennen, om zijn betrekking in de burgerlijke maatschappij nog niet voor goed vaarwel te zeggen. «Hoe gaat het, Wohlfart?» vroeg Von Fink en zag hem bezorgd in het bleeke gezicht. «Ge hebt u de zaak al te zeer aangetrokken! Poncho y ponche!» riep hij driftig de menschen toe: «eFti mantel en een glas rum voor mijnheer. Dat zal je het spoedigst weer opknappen.»

Een orgeldraaijer trok goedaardig zijn ouden soldatenjas uit, onze held werd er in gestoken en als een gewond krijgsman naar het huis van den timmerman gebracht. Daar zette men hem in een leuningstoel neer.

«Daar gaat de pompoen naar de maan, zeil, riemen en alles», zei Von Fink bij hot weggaan met verwijtende blikken tot den timmerman: «en onze rokken nog bovendien, ileb ik je 't niet gezegd, dat het ding niets deugde?»

Een uur lang verzorgde Von Fink het slachtoifer zijner lichtzinnigheid met de grootste teederheid, zelf roerde hij de suiker rond in een glas grog en drukte Anton mi en dan hartelijk de hand. Inmiddels was het donker geworden, toen Anton zoo ver hersteld was dat hij naar huis kon gaan.

Zij brachten hun toilet verder in orde met kleeren en schoenen van den bouwmeester, en lachten op de wandeling naar huis over hun uitrusting.

Von i ink had weer zijn gewone koele manieren aangenomen en onze held strompelde bleek, maar vroolijk van hart, in hooge vetleeren laarzen naast hem voort. «Moor eens, Von Fink», sprak hij schijnbaar ernstig, «als ge mij een volgenden keer voor een partij uitnoodigt, zou ik u wel willen herinneren dat ik veel andere dingen liever drink dan dit leemige water. Ik ben er nog vol van.»

«Maar hoe kon ik ook denken», antwoordde Von Fink, «dat gij met zoo'n ijver den halven stroom zoudt inslikken, gij onschuldig duifje! Ik heb mijn leven lang niemand zoo echt kinderlijk naar den grónd zien zinken. Ge zijt wezenlijk een ongelooflijke kerel.»

ocr page 88

De dag daarop was een zondag en daarenboven de geboortedag van den patroon. Dien gewichtigen dag bleven de boeien na het eten eenige nren in de vertrekken van de eerste verdieping; de knecht presenteerde dan kotïie en cigaren. Zoodra men aan tafel ging, zei de tante tot Von Fink: «De gansche stad is er vol van, dat gij cn mijnheer Wohlfart gisteren in zeer groot gevaar zijt geweest.»

«'t Was de moeite niet waard er over te spreken, mevrouw», antwoordde Von Fink op luchtigen toon, «ik wou maar onderzoeken, hoe de heer Wohlfart zich zon houden bij het verdrinken. Ik wierp hem in het water en 't heeft maar een haar gescheeld, of hij zon op den grond zijn blijven liggen, omdat hij het voor onbescheiden hield mij door zijn 'redding lastig te vallen. Tot zoo'n beleefde onderworpenheid is alleen een Duitscher in staat.»

«Maar, mijnheer Von Fink», riep de tante ontsteld, «dat is immers het noodlot tarten! 't Is vreeselijk reeds, als men er slechts aan denkt!»

«Vreeselijk was slechts de vuilheid van dien leemstroom, die mon hier rivier noemt, 't Moeten al zeer morsige Nixen wezen, die op den bodem van dit water leven. Maar Wohlfart liet zicli door haar leem niet storen. Hij viel haar geheel betooverd in de armen, juist zoo als in hefberoemde gedicht van Zijn Excellentie staat: «Half trokken zij hem, half zonk hij weg.» Hij wierp beide zijn beenen over den rand van de boot, nog voor het noodig was.»

«Gij badt het mij zoo gezeid, sir!» riep Anton tot zijn verontschuldiging, beneden van de tafel hem toe.

«Ja», ging Von Fink tot de tante voort: «ik heb als een waar vriend met hem gehandeld. Mijn schuld is het niet, als hij zoo veel waters heeft binnengeslorpt, dat de waterstand heden ongehoord laag is, en de met zink geladen booten van de affaire boven in de rivier op een zandbank blijven liggen. Ik heb hem vooraf nog allerlei goeden raad gegeven. Ik heb een lange geschiedenis verhaald hoe men zich in het water te houden heeft; ik heb er hem opmerkzaam op gemaakt welk toilet het best is om met fatsoen in 't water te vallen. Men kon zelfs voor een broeder niet bezorgder zijn, maar 't hielp alles niets. Hij vloog als een kogel uit een pistool op den grond en boorde zich er in metquot; de behendigheid van een karper. Ik verzeker u liet was een heele toer hem in het slijk weer te vinden. Ik geloof, dat hij reeds in een verliefd gesprek geraakt was met eenige waternimfen, toen ik hem ten laatste opdolf, want hij wenkte mij met de hand alsof bij wilde zeggen: Laat me met rust, ik volg hier mijn eigen pleizier.»

«Die arme mijnheer Wohlfart,» riep de tante verbaasd: «maar uw rokken! Van morgen vroeg kwam ik in huis een policieagent tegen, die het natte pak op den arm droeg, van hem hoorde ik de geschiedenis het eerst.»

«De rokken zijn heden morgen vroeg beneden onder de stad opge-vischt,» zei Von Vink; «Karei twijfelt aan de mogelijkheid om zo ooit weer te drogen. Intusschen doen Wohlfarts laarzen een pleizierreisje naar den grooten Oceaan.»

Anton kreeg een kleur van spijt over de manier van spreken van zijn vriend en zag steelsgewijze naar het hooger eind van de tafeh De koopman staarde met sombere blikken op den gemoedelijken Von Fink, en Sabine zat bleek met neergeslagen oogen; alleen do tante was woordenrijk en bejammerde van harte de natte rokken.

ocr page 89

81

Het middageten was nog plechtiger dan naar gewoonte. Bij den eereschotei stond de lieer Siebold op, verrichtte den zwaren arbeid, waartoe hij door zijn hooge betrekking geroepen was, en stelde de gezondheid in van den patroon. Hij gat' zich alle mogelijke moeite om de bepaalde wenschen van het voorzindeel niet door een beschroomd nazindeel te verijdelen. Maar zelfs zijn toast was niet bij machte een zekere spanning in de hoogere gewesten aan tafel weg te nemen.

Na afloop van hot gastmaal stonden de heeren, met de kop koffie in de hand om hun patroon, waarbij lieden van een vroolijk karakter, zooals de heer Pix, het waagde een cigaar aan te steken. Intusschen slenterde Anton op zijn gemak door de ruime zalen, bewonderde de schilderijen aan den wand, bladerde in een album en wist door zulke bezigheden de dreigende verveling van zich te weren. Hij beschouwde juist het patroon van een tapijt, en hoopte in stilte dat hier of daar een overmoedige vijfhoek het lastige juk van het patroon zou afschudden, om eigenmachtig op een geheel verkeerde plaats voor den dag te komen. Zoo was hij bij den ingang van de laatste zaal gekomen en bleet getroffen staan. Weinig schreden voor zich zag hij Sabine bij een bloementafel; met de handen hield zij zich aan den rand vast, terwijl groote tranen uit haar oogen op do bloemen neervielen, ^t Was een gesmoord snikken; als door een inwendigen strijd werd de schoone gestalte geschokt; de uitbarsting eener diepe, lang opgekropte smart bekampte zij met een kracht, die het lijden zelf nog eens zoo treilend maakte. Anton was ontsteld door het toeval dat hem van zulk een tooneel getuige maakte en gevoelde toen een zoo levendige belangstelling in haar, dat hij er niet aan dacht weg te gaan. Zoodra hij zich echter omkeerde en eenig gedruisch maakte, keek Sabine om. Spoedig zichzelve beheerschende, wischte zij met haar zakdoek de oogen af en wendde zich terstond tot Anton. «Pas toch op, mijnheer Wohlfart,» sprak zij, «dat de onbezonnenheid van uw vriend u niet in nieuwe gevaren brengt; mijn broeder zou het oprecht leed doen, als de omgang met den heer Von Vink nadeelige gevolgen voor u had.»

«Mejufvrouw Sabine,» hernam Anton, en zag de dame met ongekunstelde hoogachting in de vochtige oogen; «Von Fink is even edel als onbedachtzaam. Hij heeft mij met levensgevaar uit het water gered.»

«O ja,» riep Sabine, met een gevoel, dat Anton niet geheel begreep, «de heer Von Fink houdt er van om met alles te spelen wat anderen heilig is.»

Op hetzelfde oogenblik kwam mijnheer Jordan er bij en verzocht mejufvrouw Sabine zoo goed te willen zijn om aan de piano te gaan zitten. Zoo ging zij met statigen tred van Anton weg.

Anton was zeer aangedaan. Sabine Schröter stond bij de heeren van het kantoor in zoo hooge achting, dat men haar boven het peil van de gewone conversatie stelde en slechts hoogst zelden in het achterhuis over haar sprak. De meesten van de jongere leden waren, zooals uit de plagerijen hunner ambtgenooten en hun eigen vrijwillige bekentenis bleek, in de eerste maanden van hun verblijf op de jonge dame hartstochtelijk verliefd geweest, en als de vlam uit gebrek aan voedsel langzamerhand uitgebrand was, had ieder een hoopje gloeijende kolen tegen de spotternijen der ambtgenooten in den donkersten hoek van zijn hart verborgen, waar die kolen bleven liggen en voortglommen. Alle heeren zonder onderscheid stonden ieder oogenblik gereed om DEBET EN C li EU IT 1. 0

ocr page 90

82

voor de dochter des liuizes tegen eiken vijand in 't strijdperk te treden. Bij allen gold zij voor een koude heilige, wier hart voor de zwakheden der liefde gesloten was. Doch haar rustige houding en manieren deden allen quot;•oed en ids mijnheer Pix haar trotsch noemde, vergat hij nooit er bij te voegen: «maar zij heeft een goed hart, zij is een beste huismoeder.»

Of Sabine wel juist zoo was, als het kantoorpersoneel eenparig aannam, daarover was Anton het met zich zeiven nog niet eens. (Jok hem was' de jonge meesteres bekend, maar nog slechts uit de verte, even als de maan, welke we altijd maar van één kant zien. Alle dagen zat hij tegenover haar en beschouwde uit de verte dat fijne ovaal van haar gelaat, die donkere lokken, en den schitterenden glans barer schoone oogen ; dagelijks hoorde hij haar stem bij het eentonige ta-feloesprek. Verder kende hij niets van haar. Thans ontwaarde hij eensklaps dat de heilige niet zoo kalm en gevoelloos leefde, als het achterhuis meende; door een toeval was hij vertrouwde geworden van haar verborgen harteleed. Haar smart, zoo stil en zoo waardig gedragen, deed zijn belangstelling haast in een hartstocht overslaan. Hij had nooit een zuster gehad en tusschenbeide er wel naar verlangd , heden gevoelde hij een broederlijke teederheid voor de treurende ; hij had /,ijn leven willen opofleren om haar van deze smart te bevrijden ; hij zou het zich voor het hoogste geluk hebben aangerekend haar hand te vatten, haar hoofd tegen zijn borst te drukken, en haar weenende oooen te kussen, 't Werd hem op eens duidelijk dat Von Fink voor iets in haar leed betrokken was; het was voor hem reeds lang uitgemaakt geweest dat deze beide personen in zekere geheimzinnige betrekking met elkander stonden, en dikwijls had hij met vorschende blikkenquot; Sabines gelaat beschouwd, wanneer Von Fink aan tafel iets goeds, iets edels zei. Hij had nooit iets anders ontdekt, dan dat haar oog met zorg de plaats vermeed, waar Von Fink gezeten was, en dat zij0den volontair wellicht nog zeldzamer toesprak, dan een van de andere heeren. Thans vreesde hij allerlei smartelijke aandoeningen voor de meesters van de eerste verdieping; reeds zag hij in den geest wilde stormen over den rustigen glans van de firma T. O. Schröter zich samenpakken. Wel gevoelde hij voor Von Fink de hartehjne genegenheid, die een onbedoi ven jongeling zoo gaarne den koenen en wereldwijzen kameraad schenkt, maar in dit geval koos zijn ziel bepaald partij tegen zijn vriend; hij besloot Von Fink nauwkeurig gade te slaan enquot; iets 'voor de jonge dame te worden: een broederlijke steun, een vertrouwde, alles wat maar mee kon werken om haar van een smart te bevrijden, die hem niet weemoed en warme belangstelling vervulde.

Eenige uren later zat Sabine in de vensterbank. Met de handen in den schoot samengevouwen, zag zij stil voor zich uit. De gloed van de ondergaande zon spreidde over haar gelaat een glans van vergenoegdheid, die in haar hart niet woonde. Haar broeder had de courant weggelegd en zag van zijn armstoel bezorgd naar de zuster, die zoo bewegingloos daar neerzat; eindelijk stond hij zachtjes op en lei zijn hand op haar hoofd. Sabine richtte zich op en omknelde haar broeder met beide armen. Zoo stonden zij de een op den ander steunende : twee vrienden, die zoo in en met elkaar geleefd hebben, dat de een zondei woorden verstaat, wat de ander beweegt. De koopman streek liefdevol de lokken zijner zuster weg en zei bekommerd : «üe weet, hoe groot de ver-

ocr page 91

83

plichtingen zijn, die wij voor den handel aan Von Finks vader hebben.»

«Ik weet,» hernam Sabine opziende, «dat gij over den zoon niet tevreden zijt.»

«Ik kon niet weigeren den zonderlingen mensch in onzen kring op te nemen, maar ik bejammer den dag waarop het gebeurd is.»

«Wees niet al te hard tegen hem,» smeekte de zuster en kuste de hand des koopmans. «Bedenk ook eens hoeveel edels en goeds er in hem is.»

«Ik ben niet onbillijk tegen hem. Maar of zijn leven anderen tot geluk of tot ongeluk zal strekken, is nog de vraag. Zijn gevoel van eigenwaarde, zijn groote talenten, zelfs de fiere kracht van zijn egoïsme, alles samen genomen heeft stof genoeg om een groot karakter te vormen. Maar waartoe zal hij zijn kracht gebruiken? Zonder orde of regelmaat heeft hij tot nu toe zijn dagen in dolle dwaasheden doorgebracht, de dwang van ons huis hindert hem inwendig. Nog is het mogelijk dat er een slechte aristokraat uit hem groeit, die zijn levenskracht in verfijnd zingenot verspilt, of een geldgierige woekeraar, zoo als zijn oom in Amerika, die tot laatste opwekkende drift het geld kiest en met snood overleg de zwakheden van anderen zich ten nutte maakt om op de puinhoopen van hun fortuin zijn paleizen te bouwen.»

«Uij is niet ongevoelig,» fluisterde Sabine, «ook zijn betrekking tot Wohlfart pleit daarvoor.»

«Ja, hij speelt met hem, werpt hem in het water, en haalt hem er weer uit.»

«Neen,» riep Sabine, «hij erkent en acht den verstandigen geest van Anton, hij voelt dat deze in weerwil van zijn gebrek aan ondervinding een rijker inwendig leven heeft dan hij zelf.»

«Misleid niet u zelve en mij,» antwoordde de koopman op somberen toon, «ik weet hoe het gekomen is, hoe zijn zelfbewustzijn, het talent om goed te spreken en iti lichte scherts zich boven zijn omgeving te verhellen, u bekoord hebben. Niet zonder broederlijke ijverzucht bespeurde ik de betoovering, die de vreemdeling op u uitoefende. Ik zweeg, want ik kon op u rekenen. Menigmaal toch werd ik zelf meegesleept door zooveel dat buitengewoon aan hem is. Zelfs wanneer zijn ongevoeligheid mij onaangenaam aandeed, zweeg ik, omdat ik zag hoe gij u meer en meer van hem verwijderdet. Nu ik echter bemerk, hoe krachtig hij nog altijd op u werkt, hoe hij u ongelukkig maakt, nu moet ik zijn vertrek voor wenschelijk houden. Hij moet weg uit het huis, weg uit uw nabijheid.»

«O, God!» riep Sabine de handen wringende. «Neen, Traugott, dat zal, dat mag niet geschieden. Om mij moet eene betrekking niet worden verbroken, die tot zijn voordeel werd aangeknoopt. Als er één middel is om hem tegen de gevaren te behoeden, welke zijn vorig leven over hem gebracht heeft, dan is het juist dat zijn om en bij u. Uw rustelooze werkzaamheid, het groote aanzien uwer zaak, dat te zien, daaraan zich te gewennen, dat is medicijn voor zijn kranke ziel. Ja, Traugott», ging zij voort en vatte zijn hand, «ik heb geen geheimen voor u. Ciij hebt de onverstandige zwakte van mijn gevoel wellicht eerder bemerkt, dan ik zelve. Maar ik beloof u: dit gevoel zal wezen als de herinnering aan een boek dat ik gelezen heb. Door geen beweging, door geen woord, zal ik verraden dat ik zwak was. O, wees niet boos op hem, stoot hem niet uit uw kring, doe het niet in toorn en om mij.»

«En mag ik dan toelaten dat zijn nabijheid u tot een voortdurenden strijd veroordeelt?» vroeg de broeder, «ünze betrekking tot hem is

ocr page 92

u

bovendien al moeijelijk genoeg. Hij wordt gehouden voor een scliitte-rende partij in de uitgestrekte beteekenis des woords. Het is waarschijnlijk dat zijn vader bepaalde plannen met hem heeft; het is zeker dat'hij zelf al zeer in de verte over zijn toekomst allerlei phantastische droomen gemaakt heeft. Aan mij heeft de vader het opzicht toevertrouwd over hem, die zoo moeijelijk te leiden is, overtuigd dat ik in zijn geest zou handelen, 't Zou een verraad tegenover den vader zijn, als ik een toenadering tusschen u beiden, ook slechts stilzwijgend, diilde. Licht zou men onze inschikkelijkheid zoo uitleggen, alsof wij den wensch koesterden den rijken erfgenaam aan ons te verbinden. En hij zelf, de overmoedige, aan gemakkelijke overwinningen gewoon, iiij zou het eerst aan zoo'u gedachte gehoor geven en lust gevoelen te zegepralen over hetgeen hij uw zwakte en mijn berekening zou noemen. Ik hoor hem daarover al lachend en spotten, en zie, Sabine, mijn trots komt daartegen op.»

«Traugott,» riep Sabine met gloeijende wangen, «vergeet niet dal ik uw zuster ben. Ik ben een kind van burgerouders en liij zal nooit „ehotl de onze zijn. Ik ben even trotsch als gij. Voortdurend heb ik het gevoeld, dat tusschen hem en mij een klove ligt, zoo breed en diep, dat de grootst mogelijke liefde ze niet zou kunnen aanvullen. Vertrouw op mij.» smeekte zij met tranen in de oogen, «ik zal u niet meer door mijn uiterlijk verdrietig maken. Wees gij liefderijk voor hem, die ge 'niet liefhebt. Bedenk hoe zijn lot is geweest. In de wereld rondgeslingerd, onder omstandigheden, dat hij aan al zijn lusten kon toegeven, altijd onder vreemden, zonder liefde en zonder eigen huis zoo is hij opgegroeid, in vele opzichten bedorven, maar in het binnenste van zijn ziel edelaardig gebleven, een vijand van elke laagheid.» Weer sloeg zij den arm om den hals van haar broeder en zag smeekend tot hem op: «Vertrouw op mij en wees liefderijk voor hem.»

«Hij zal hier blijven,» zei de koopman en zag diep aangedaan in do vochtige oogen zijner zuster, «maar behalve mijn lieveling is er nog iemand in huis, die voor den invloed van zijn karakter op zijn hoede moet wezen.»

«Wohlfart» riep Sabine vroolijk. «Voor dien sta ik in.»

«Gij neemt veel op u, gij voorspraak onzer heeren. Dus is hij ook al een gunsteling?»

«Hij is teergevoelig en eerlijk, hij hangt met zijn gansche hart aan u.

Hoe trouwhartig zag hij er heden middag uit, toen de ander zoo roekeloos schertste. En hij is vol moed! Daar kunt ge gerust op rekenen, ook met Von Fink zal hij klaar komen. Toevallig ontmoette ik hem den dag, toen Von Fink hem zoo grof beleedigd had. Hij zag er wezenlijk aandoenlijk uit. Sints dien oogenblik heb ik hem in mijn hart opgenomen.»

«Wat een ruimte is er in dat hart!» riep de koopman lachende. «In de eerste en voornaamste plaats de groote provisiekamer, de notenboomhouten kasten van grootmoeder, en de rijke voorraad helder linnen. Dan in een zedige zijkamer de strenge broeder, dan . . ..»

«Dan in de voorkamer al het overige,» viel zij hem in de rede.

«Ja en thans vind ik daar zelfs onzen leerling, ingekwartierd,» ging de broeder voort.

Sabine knikte. «Hij is immers ook mijn leerling, hij is immers reeds van zijns vaders kant een kind onzer firma. Nu verlangt hij een dozijn fijne overhemden: Karei heeft hot mij overgebracht. Tante en ik zullen

ocr page 93

er voor zorgen, en gij moot ze hem bij de eerste gelegenheid met de post toezenden. Hij is van zijn jeugd af aan zulke verrassingen gewoon. Tante zal er een zeer geheimzinnigen brief bij schrijven.» Zij lachte hartelijk bij de gedachte aan haar tante's brief, trok aan het theedoekje en zette de kopjes gelijk, zoodat zij alle drie op één rij stonden.

«Zoo is het goed,» sprak de koopman, «nu zijt gij weer de oude. De lijn is onberispelijk en de symmetrie van de theedoek tippen onover-treflelijk.»

«Men moet toch iets hebben voor zijn genoegen,» zei Sabine. «Gij mannen doet ook niets anders dan ons bang maken.»

Op dat zelfde oogenblik trad Von Fink Antons kamer binnen een lied uitgalmende, zonder een flauw gevoel te hebben van liet onweder in liet voorhuis, en om de waarheid te zeggen, tamelijk onverschillig voor de gevoelens, die hij daar in werking bracht; «Ik ben om uwentwil in ongenade gevallen, mijn zoon, riep hij vroolijk,» de souvereine vorst heeft mij heden met ontzettende onverschilligheid behandeld, en de zwartkop heeft mij den heelen dag geen enkelen blik waardig gekeurd. Zeer respectabele menschen, maar wanhopend gewoon en huiselijk. Waarachtig, in die Sabine zit vuur, fierheid, vele goede eigenschappen, maar zij vermuft ook bij dat eeuwige koekoek één zang. Als een vlieg zich aan zijn kop krauwt, staan zij allen verbaasd en vragen zeer nauwgezet of het hem wel past zich inet zijn rechter- in stede van met zijn linkerpoot te krabben. — Ik wensch je geluk. Wohlfart, je bent op weg om het troetelkind van dit kantoor te worden en inij beschouwt men als uw boozen genius, 't Kan me niet schelen. .Morgen gaan we samen naar de zwemschool.»

En zoo gebeurde het ook. Van dien tijd af had Von Fink er pleizier in zijn jongen vriend in zijn kunsten in te wijden, liij zelt leerde hem zwemmen, hij stond er op dat Anton van tijd tot tijd een paard besteeg, en dwong hem door broederlijke raadgevingen op hel huurpaard tours de force te maken. Ja, liij ging in zijn vriendschap zoo ver, dat hij zelf op een huurknol ging zitten, waarvan hij een grooten afkeer had, en den leerling tot oefening op zijn eigen vurig paard liet rijden. Hij schoot met Anton schijf en dreigde zelfs hem een uitnoodiging voor een jachtpartij te bezorgen, waartegen Anton echter ten strengste protesteerde.

Anton betaalde zijn vriend met de warmste genegenheid: hij was gelukkig een kameraad te hebben in wien hij zooveel kon achten en bewonderen en het streelde zijn eigenliefde ontzaglijk, dat hij als vertrouwde boven vele anderen uitverkoren was. Von Fink won er wellicht niet minder bij: wat in het 'teei'St een gril was geweest, werd later behoefte. 't Waren genoeglijke avonden voor beiden, als zij in de schaduw van de condorvlerken, of in de nederige kamer van de geel verniste kat samen zaten te praten over de indrukken van den dag, over de politiek of over niets; dan vertelde Von Fink, of maakte grappen, dartel als een kleine jongen, en Anton volgde in verrukking de grootsche gedachten of de koene uitdrukkingen van zijn wereldwijzen kameraad; dan klonk bij het open raam hun heldere lach tot diep beneden in de duisternis van de plaats, zoodat de oude harige Plato, die zich als den bewaker van het huis beschouwde en door iedereen voor een belang-

ocr page 94

80

lijken associé van de firma gehouden werd, uit zijn lichten dommel ontwaakte en door een vroolijk geblaf zijn goedkeuring te kennen gaf over hun opgeruimdheid. Het was een gelukkige tijd voor beiden: uit hun vertrouwelijkheid ontsproot, voor de eerste maat bij beiden, een hartelijke vriendschap.

En toch verzuimde Anton niet Von Fink en do jonge dame met een zekere onrust gade te slaan; nooit sprak hij met zijn vriend over hetgeen hij in zijn hart vreesde, maar voortdurend wachtte hij, dat er in liet voorhuis iets zou gebeuren, een verloving ot een verwijding tusschen Von Fink en den koopman, of iets anders buitengewoons. Doch er gebeurde niets van dien aard, onveranderlijk liepen de plechtige maaltijden aan de lange tafel af, onveranderlijk bleef het gelaat en het gedrag van Sabine tegenover zijn vriend en tegenover hem. 't Was alsof de gewichtige en groote bedrijvigheid van do zaak elke ongewone familiegebeurtenis, elke hartstochtelijke opwelling, elke plotselinge verandering van het leven der huisgenooten verwijderd hield. Mismoedigheid en vijandschap, genot en dweperij, alles werd onderdrukt door den onverstoorbaren gelijkmatigen stroom des werks.

Wederom was een Jaar verloopen, het tweede sints de komst des nieuwen leerlings, en wederom bloeiden de rozen. Anton had bij het sluiten van het kantoor een schoonen ruiker gekocht en klopte aan de deur van Jordan, om de kamer van dezen heer, die veel van bloemen hield, er mee op te sieren. Tot zijn verbazing zag hij juist als op den eersten dag van zijn leertijd, dat alle ambtgenooten in de kamer bijeen waren, en bij den eersten opslag bemerkte hij dat bij zijn binnentreden een terugstootende deftigheid, die hem uitsloot, op aller gelaat zich vertoonde. Jordan liep hem met zekere verlegenheid te gemoet en verzocht dat hij voor een uur de vergadering alleen zou laten, daar er iets belangrijks te behandelen was, dat hij als leerling niet mocht hooren. De goedaardige menschen hadden hem tot dien dag slechts zelden laten gevoelen, dat hij hun in waardigheid niet gelijk stond en daarom hinderde hem die verbanning eenigszins. Hij bracht den ruiker naar zijn eigen kamer, lei hem op zijn tafel neer, nam een boek en keek er soms over naar de rozen, die dadelijk aan het werk waren gegaan om haar rozenrooden glans tot in den versten hoek te doen schijnen.

[ntusschen werd in het salon een plechtige zitting gehouden. De meester van het vertrek sloeg met een liniaal op tafel en opende de beraadslaging: «Gelijk gij allen weet, heeft een der ambtgenooten de zaak verlaten. .Mijnheer Schröter heeft mij daarom heden medegedeeld dat hij niet ongezind is in diens plaats onzen Wohlfart als correspondent voor de afdeeling «Platteland» aan te stellen. Daar echter de van ouds bepaalde leertijd van Wohlfart eerst in een jaar of volgens het gebruik onzer zaak zelfs pas over twee jaren verstreken zal zijn, wil hij zoo'n buitengewone afwijking van de orde niet laten plaats grijpen zonder de goedkeuring van het kantoor-personeel. Daarom vraag ik u, wilt gij van de rechten, die gij op Wohlfart als onzen leerling hebt, te zijner gunste nu reeds afzien en wilt gij hem als onzen ambtgenoot in do zaak opnemen? Ik verzoek u allen, een voor een mij uw gevoelen mede te deelen. Nog voel ik mij verplicht hierbij te voegen, dat mijnheer Schröter zelf onzen Wohlfart voor zeer geschikt houdt om de

ocr page 95

87

nieuwe plaats te bekleeden; bovendien vind ik het zeer aardig en beleefd van onzen patroon, dat bij de eindbeslissing aan ons overlaat.»

Na deze woorden van den beer Jordan ontstond die plechtige stilte, welke alle debatten pleegt vooraf te gaan. Alleen de heer Pix richtte zich op van de leuning van de canapé, waarop hij gehangen had en sprak; «Voor alles beu ik van oordeel dat wij een glas grog maken; laat een ander voor de theedrinkers den ketel halen, de grog zal ik mengen.» Na deze gevoelsuiting nam de spreker zijn vorige ongedwongen houding weder aan, en stak een manilla op, een soort van ci-garen, die hij in voortdurenden strijd met zijn ambtgenooten begunstigde.

De andere heeren bleven bij hun zalig stilzwijgen volharden en zagen deftig naar het bereiden van de thee, een iegelijk van hen gevoelde de belangrijkheid zijner maatschappelijke betrekking, en zijn waarde als mensch en ambtgenoot. Toen de spiritusvlam om den ketel flikkerde en niemand nog het woord vroeg, erkende de voorzitter de noodzakelijkheid om de gedachtenwisseling op de eene of andere wijze te bevorderen en zei: «Hoe zullen wij stemmen? Verlangt ge van boven naar beneden of andersom?»

«Bij de Engelsche marine wordt, voor zoover ik weet, de jongste altijd het eerst gevraagd,» meende mijnheer IJaumann.

«Zooals bij de engelsche marine dan,» besliste de lieer Pix.

Specht was de jongste van de aanwezige leden. «Ik moet In de eerste plaats doen opmerken, dat mijnheer Von Fink niet tegenwoordig is,» sprak hij en keek rond.

Een algemeen gemompel liet zich hooren. «Hij is niet tehuis! hij is volontair.»

«Hij hoort niet tot ons,» zei de heer Pix.

«Hij zeil' zal er voor bedanken om mee te stemmen,» zei Jordan, «daar hij niet geteld wordt onder de heeren die aan de zaak verbonden zijn.»

«In dat geval ben ik van gevoelen,» ging Specht voort, eenigszins terneergedrukt door don algemeenen tegenstand, welke zijn eerste opmerking weervaren was, dat, «dat Wohlfart verplicht is nog vier jaren leerling te blijven, gelijk ik /elf, of althans drie jaren, zoo als vriend Baumann bij C. W. Strumpf en Kniesohl. Daar bij echter een ferme kerel is en naar het gevoelen van allen bruikbaar ook, zou ik denken dat we er hem een uitzondering konden maken en hem als ambtgenoot erkennen. Intusschen verzoek ik daarbij voorzichtig te wezen en hem wel laten gevoelen dat hij eigenlijk nog leerling zijn moest. Daarom stel ik voor dat hij verplicht zal zijn nog een jaar lang thee voor ons te schenken, zooals hij tot nu toe als leerling gedaan heeft; bovendien vind ik het gepast, dat bij tot herinnering aan zijn vroegeren stand, elk kwartaal voor ieder zijner collega's een pen zal vermaken.»

«Malligheden!» prevelde Pix. «Ge hebt altijd van die overdreven dingen.»

«Hoe kunt ge mijn invallen ovei'dreven noemen?» riep Specht gebelgd, «üe weet dat ik mij dooi' u niets laat zeggen.»

«Bedaard wat,» kwam Jordan tusschenbeide.

Do volgende ambtgenooten gaven zonder voorbehoud hun goedkeuring van het voorstel te kennen, de heer Baumann zelfs met veel warmte. Kindelijk vatte de heer Pix bet hengsel van den theeketel en sprak: «Mijne heeren, waartoe dat lange praten? zijn warenkennis is niet gering, in aanmerking genomen dat hij nog een jonge kwant is, zijn

ocr page 96

88

omgang is gemakkelijk, tie knechts hebben ontzag voor hem, tegenover de klanten is hij nog wat te teerhartig en te vol complimenten, maar het is niet aan alle menschen gegeven om goed met iedereen om te springen. Solo speelt hij slecht en zijn punchdrinken heeft niet veel te beteeke-nen. Zoo is het met hem gesteld. Daar echter deze laatste hoedanigheden niet van invloed mogen wezen, zie ik niet in, waarom hij niet van stonde af aan onze ambtgenoot zou worden.»

De kassier sprak: «'t Is niet in den haak dat men in twee jaren zijn leertijd volbrengt: wijl echter de patroon het verlangt, zal ik mij er niet tegen verzetten, want zijn wil moet ten laatste toch geëerbiedigd worden.»

Allen zagen naar den heer Siebold, die door deze algemeene oplettendheid zeer in de war werd gebracht, daar zij hem aan de verantwoordelijkheid van zijn uit te brengen stem herinnerde. Natuurlijk wou hij het goedkeuren, maar als hij het eens niet goedkeurde? als hij er nu eens tegen sprak, wat een schandaal zou dat geven? hoe zou Wohlfart hem aanzien, en de ambtgenooten en de patroon zelf! Dus trok hij aan zijn boordjes, glimlachte vriendelijk in het rond, kuchte en schraapte als bij het begin van een krachtige redevoering, waarop bij overweldigd door de gedachte aan de mogelijke gevolgen van zijn tegenstemmen, op zijn stoel neerzeeg en verklaarde alles goed te keuren wat zijn ambtgenooten mochten besluiten.

«Afgehandeld! zei de heer Jordan: Ook ik ben er voor en heb nu nog als reden er bij aan te voeren, dat Wohlfart bij zijn komst hier ouder was dan een onzer, en dat hij in leeftijd en beschaving niets te wenschen laat. Daarom verheug ik mij over onze eensgezindheid. De heer Schröte heeft mij vergund om in geval van onze goedkeuring, den leerling voorloopig daarvan kennis te geven, ik stel voor dat dit terstond zal gebeuren. We willen hem laten roepen.»

«Ja, Ja, dat is goed dat zullen we !» riepen allen, en Baumann maakte zich klaar om naar boven te gaan.

Doch daar stond Specht op en sneed Baumann den aftocht af: «Wij zijn geen jonge varkens,» riep hij en hield Baumann met de hand terug, «wij zijn geen wilde dieren, dat wij zoo zonder orde door elkaar loopen en een nieuwen ambtgenoot opnemen als een stuk van een kudde. Ik verzoek ten dringendste, denkt toch aan de eer van de zaak. liet is noodig dat twee in deputatie naar boven gaan, er moet natuurlijk punch worden gemaakt en Jordan moet hem met een toespraak begroeten.»

Dit voorstel vond onverdeelden bijval. De heeren Siebold en Pix werden gekozen om den nieuweling binnen te leiden. Specht van zijn kant liep met zegevierende blikken rond, trok de tafel recht, zette de stoelen in een halven kring aan beide kanten, bracht glazen en fles-schen aan, en plaatste een groenen ridder van papiermaché, die een verguld zwaard droeg, op het tabakskistje, midden op tafel. Vervolgens haalde hij een tapijtje, en lei het tusschen de deur en de eerwaarde vergadering, opdat Wohlfart er op staan zou, als een bruid voor het altaar. Dan spande hij al zijn welsprekendheid in om de kandelaar en lampen uit al de kamers zijner ambtgenooten in het salon bijeen te brengen. Ten slotte sloot hij de jalouzieën, liet de gordijnen vallen en veroorzaakte toen eerst een kunstmatige schemering, waaruit weldra een ongewoon schitterend licht en een sterke lampenreuk voortkwam. Zoo wist hij met de hulp der overigen, die hem eerst in verbazing

ocr page 97

8!)

naoogden, maar weldra, door zijn ijver meegesleept, dapper handen aan t werk sloegen, te bewerken dat het vertrek inderdaad een buitengewoon en geheimzinnig aanzien kreeg. Nu eerst liet hij de deputatie vertrekken en daar hij nog een verwarde herinnering had van het indrukwekkend uiterlijk van de romeinsche senatoren, die sprakeloos op hun zetels troonden, toen de verwoede vijanden de stad binnenstormden, bezwoer hij allen die tegenwoordig waren stil en onbewegelijk op hun stoelen in den kring te gaan zitten. Maar toen de deur open ging en de verbaasde Wohlfart, die er niets van begreep, midden tusschen zijn beide geleiders verscheen, van welke Pix (met het oog op het praktische) Anions suikerpot, en Siebold, uit liefde voor het plechtige, den grooten rozenruiker meebrachten, toen verbleekte in de levendige phantasie des heeren Specht de romeinsche senaat, toen werden de drie koningen uit het Oosten, die met zilveren geschenken binnentraden, kertsmisviering en christelijke feestelijkheid machtig in hem; hij sprong in geestvervoering van zijn stoel op en riep: «allen moeten staan.»

Door deze verandering van het programma stoorde hij echter zelf de uitwerking, want slechts een gedeelte van de heeren volgde zijn voorbeeld, de anderen bleven zitten, tot dat de heer Jordan naar Anton ging en hem met ongeveinsde hartelijkheid zeide: «Waarde Wohlfart, ge hebt twee jaar met ons gewerkt, ge hebt u beijverd de zaak te leeren kennen, wij allen hebben u gedurende dien lijd lief gekregen, 't Is de wil van den patroon en ons aller wensch, dat de van ouds gebruikelijke leertijd voor u bij uilzondering worde ingekort. Mijnheer Schröter is voornemens u morgen als klerk op zijn kantoor te nemen, wij hebben hel genoegen u dit reeds heden mee te deden. Wij wen-schen u van harte geluk en verzoeken u voor ons dezelfde warme vriendschap te blijven gevoelen als die waarvan gij ons tot heden de bewijzen gegeven hebt.» Dus sprak de goede heer Jordan en reikte zijn kweekeling de hand toe.

Anton stond een oogenblik versufd, dan vatte hij met beide handen de hom aangeboden rechter en viel gelukkig en aangedaan den heer Jordan om den hals. De ambtgenooten drongen nu allen om hem heen en 't was een handenschudden en een omhelzen, in de geschiedenis van het salon zonder voorbeeld. Telkens liep Anton weer van den een naar den ander en vatte hem met vochtige oogen bij den arm. Specht zag, zonder er leed over te gevoelen, door de levendige aandoening van den nieuw opgenomene al het vormelijke en deftige in de war gestuurd. Daumann zat met zijn handen op de knieën, zich In stille verkneuterende van genoegen, en lJix presenteerde onzen held binnen de vijf minuten tweemaal een cigaar en hield zelf het licht voor hem vast, toen Anton er eindelijk een aanstak. Allen waren in de gelukkigste stemming, de ambtgenooten verheugden zich, omdat zij het bewustzijn hadden iets belangrijks te hebben kunnen schenken, en Anton was overgelukkig het voorwerp te zijn van zoo vele vriendschapsblijken. Met een glinsterend gelaat zal hij op een zetel met dikke kussens, waarin zijn vriend Specht hem verzocht had plaats te nemen; voor hem stond de ridder en groette hem met het gouden zwaard, en om hem heen zaten zijn vrienden, die heden er allen op uit waren hem iels vriendelijks te zeggun. Als een held stond Pix op en stelde Anions gezondheid in. Hij schilderde met een welsprekendheid, die men vroeger noch later ooit

ocr page 98

!)0

zoo van hem gehoord had, lioe Anton min of meer als een zuigeling bij hen was gekomen, wien het onderscheid tusschen een ganzenschaeht en een pijp kaneel even onbekend was als een sijsje het koffibranden, en hoe, met behulp van de groote weegschaal, die als zijn wieg moest worden beschouwd, en van de opladers, die de dienst van kindermeiden bij hem hadden waargenomen, en met de medewerking van eenige andere personen, die hij uit bescheidenheid liever niet noemen wilde, het kind in korten tijd op zoo'n ongeloofelijke wijze was opgegroeid. Daarna stond Anton op en dronk de gezondheid zijner ambtgenooten. Hij vertelde hoe angstig hij zich dien dag had gevoeld, toen hij voor den eersten keer de deur van het kantoor had geopend. Hij herinnerde mijnheer Pix aan het zwarte penseel, waarmee hij hem den weg had gewezen, mijnheer Specht aan zijn stereotypvraag: «Wat is er van uw dienst?» en mijnheer Jordan aan de morsmouwen, die hij had uitgetrokken om den nieuweling naar zijn kamer te geleiden. Deze toespeling op de beroemde attributen der drie heeren werd algemeen toegejuicht. En nu volgde de ééne toast op de andere en het bleek tot de algemeene verbazing, dat de stille heer Birnbaum door de natuur met de zeldzame gave begiftigd was om na het derde glas twee, ja zelfs vier regels op rijm te spreken. Steeds vroolijker werd het gezelschap, steeds feestelijker llikkerden de lichten, steeds rooder gloeiden de wangen en de rozen op de tafel.

't Was laat voor dat de heeren uiteengingen. Anton wou niet gaan slapen voor hij zijn vriend Vor. Fink de goede tijding had verteld; hij ijlde hem, zoodra hij tehuis kwam, te gemoet, en meldde hem op de trap in de maneschijn de groote gebeurtenis. Von Fink teekende met zijn rijzweep vroolijk een acht in de lucht en zei; «quot;t Is braat dat het voorhuis op dien inval is gekomen, ik had van onzen despoot zoo'n buitensporigheid niet durven verwachten. Nu kan je een jaar vroeger over de zee de groote wereld in.»

Den volgenden morgen ontbood de patroon den nieuwen klerk naar het kleine vertrek achter het laatste kantoor, in het heilige der heiligen van de zaak, en luisterde met een vriendelijk lachje naar de dankbetuigingen van Anton. «Ik heb zoo gehandeld ,» zeide hij, «omdat ge goed oppast en omdat de brief, dien gij mij bij uw komst hier overhandigdet, u een crediet bij mij heeft geopend, 't Zal u aangenaam wezen dat ge van nu af aan door uw eigen werk in uw onderhoud zult kunnen voorzien. Ge aanvaardt van daag reeds uw nieuwe betrekking en komt dus ook in het genot der bezoldiging.»

Ten slotte nog feliciteerden ook aan tafel de dames den nieuwen koopman. Sabine zelfs kwam tot beneden aan tafel, waar Anton achter zijn stoel stond, en begroette hem daar in hartelijke bewoordingen, de knecht zette een llesch wijn bij ieder couvert, en de patroon nam het glas op en den gelukkigen Autou wenkende, sprak hij met liefderijken ernst: «Mijn waarde Wohlfart, dit glas op de herinnering aan uw braven vader.»

ocr page 99

T W E E D E li O E K.

Op een zondag morgen was Anton bezig tc lezen in den kuitsten Mohikaan van Cooper, terwijl voor liet venster de eerste sneeuwvlokken hun krijgsdans uitoefenden en te vergeefs hun best deden om in de schuilplaats van de gele kat binnen te dringen. Daar kwam Von 1' ink haastig opgeloopen en riep al bij de deur: «Anton, laat me je garderobe eens zien.» Hij opende zijn kleerenkast, bekeek den geklee-den rok en de andere stukken nauwkeurig, schudde het hoofd en besloot zijn onderzoek met de woorden : «Ik zal je mijn kleermaker zenden, laat je een nieuw pak aanmeten.»

«Ik heb geen geld,» antwoordde Anton lachende.

«Onzin,» hernam Von l ink, «de kleermaker geeft je zooveel crediet, als je maar verlangt.»

«Ja, maar ik wou liever niets op crediet nemen,» zei Anton en ging gemakkelijk op zijn canapé zitten, om tegenover zijn machtigen raadgever de zaak van orde en zuinigheid te bepleiten.

«Voor deze reis moet ge een uitzondering maken,» besliste Von Huk. «'t Is tijd dat je meer onder de menschen komt; je moet de groote wereld in, en ik zal er je brengen.»

Anton stond vuurrood op en liep heftig: «Dat gaat zoo niet, Von 1quot; ink, ik ben hier geheel onbekend en heb nog geen betrekking die mij genoeg vertrouwen geeft om in de groote wereld te komen.»

«Juist daarom, omdat gij geen zedelijken moed voor zoo iets hebt, moet ge onder de menschen,» zei Von Fink op berispenden toon. «Die

ocr page 100

L'llcinligc schrooinvalliglieid moet ge zoo spoedig mogelijk van u schudden; zij is de domste fout, welke oen beschaafd mensch hebben kan. Kan je walsen? Heb je een Hauw begrip van hetgeen een figuur in een quadrille is?»

«Ik heb eenige jaren geleden in Ostrau dansles genomen», antwoordde Anton.

«Dat doet er niet toe. je moet nog een dansles gaan nemen. Mevrouw Von Buldereck heeft mij gisteren in 't geheim verteld, dat eenige aanzienlijke familiën voor haar lieve kiekentjes een danszaal wilden in-richten, opdat deze in veiligheid voor alle roofvogels, daar haar vlerken zouden leeren bewegen. De dansles zal wezen in liet huis der adellijke dame, die haar eigen kiekentje daar voor de groote markt opkweeken wil. Dat is juist iets voor u, ik zal je daar introduceeren.»

Anions ziel werd hevig verontrust door dit plan; ontsteld viel hij op de canapé terug en zei zoo kalm, als zijn gejaagdheid het hem gunde: «Von Fink, dat is weer een van je dolle invallen; het is onmogelijk dat ik er naar luister. Mevrouw Von Baldereck behoort tot (ie aristokratie hier, en het gezelschap bij haar zal ongetwijfeld uit denzelfden kring bestaan.»

«Zonder tegenspraak», knikte Von Fink, «zuiver volbloed. De over-over-over-grootmoeders van al die dames hebben zonder uitzondering de eer gehad om in een overoud duister bosch de koningin Thusnelda de nachtmuts na te dragen.»

«Zie je», zei onze held, «hoe kun je op de gedachte komen mij in dat gezelschap te brengen? Gij zoudt mij alleen de smartelijke gewaarwording doen ondervinden van of teruggewezen, of hetgeen nog erger is, trotsch en uit de hoogte behandeld te worden.»

«Zou men bij zoo'n gezeur zijn geduld niet verliezen?» riep Von Fink verstoord. «Juist gij en uws gelijken hebt meer recht het hoofd hoog te dragen, dan verreweg het meerendeel van het gezelschap, dat daar bijeen komt. Fn gijlieden juist zijt het, die door uw onhandig gedrag, nu eens door bedeesdheid, dan door kruipende onderdanigheid, de aanmatingen der adellijke familiën voedt. Hoe kunt ge toch je zelf voor slechter houden dan iemand anders? Ik had nooit gedacht dat zoo'n valsche nederigheid ook in uw hart huizen kon.»

«Je vergist je», antwoordde Anton gebelgd, «ik houd mij niet voor minder dan ik ben, maar het zou dwaas wezen en aanmatigend, als ik mij in het gezelschap van anderen wilde indringen, die mij om de een of andere reden liever niet willen zien, Juist mijn gevoel van eigenwaarde verbiedt mij met zulke menschen om te gaan, die laag op iemand neerzien, omdat hij op een kantoor werkzaam is.»

«Maar ik zeg je immers, je persoon zal die menschen niet onaangenaam zijn, daar sta ik je borg voor», sprak Von Fink. «Je kent het gezelschap niet en stelt jo alles veel te zwart voor. Er is gebrek aan heeren; ik heb eenigen invloed bij de vrouw des huizes. Tusschen twee haakjes gezegd, ik ben er gansch niet trotsch op. Zij heeft mij gevraagd eenige jonge lui van mijn kennis bij haar te introduceeren; welnu, ik breng er u, die zaak is geheel in orde. Bekijk ze maar wat naderbij. Wat is die dansles? 't Is een soort van vennootschap tot verbetering der beenen der verschillende actiehouders; gij betaalt uw aandeel zoo goed als ieder andere, en of ge een jonge gravin of een burgermeisje in een mazurka ronddraait, is vrij onverschillig; de liefhebbers dansen allen graag.»

ocr page 101

93

«'t Kan toch niet gaan», antwoordde Anton met liet lioofd schuddende, «ik lieb de overtuiging dat het ongepast zou zijn en moet naar die overtuiging luisteren.»

«Ik wil een voorstel doen», zei Von Kink ongeduldig; «je zult een dezer dagen met mij een bezoek gaan brengen bij mevrouw Von lial-dereck. ik zal je als Anton Wohlfart uit de firma «T. O. Schröter» presenteeren; je zult geen woord reppen van de dansles; je zult wachten, hoe de goede dame je ontvangt. Als deze (lansmoeder iets anders is dan louter liefelijkheid, als zo u maar eenigszins uit de hoogte behandelt en niet zelve van de dansles begint, dan zult ge volkomen vrijheid hebben bij uw weigering te volharden. Daartegen kunt ge niets inbrengen dat steek houdt.»

Anton draalde en dacht na. De zaken kwamen hem geenszins zoo eenvoudig voor als Von Kink ze schilderde, maar hij was de man niet meer om koelbloedig te onderzoeken en te kiezen. Sints jaren voedde hij in het binnenste van zijn hart een verlangen, de zucht naar het vrije, hod'elijke, prachtige leven der groote lui. Zoo dikwijls hij de dansmuziek in het voorhuis hoorde, zoo dikwijls hij van de partijen in de aristocratische kringen las, zeer dikwerf ook als hij alleen was, herleefde in hem een liefelijke herinnering: het hooge slot met de torens in het bloemenpark en het adellijke kind, dat hem over den vijver had gezet. Ook thans weer verrees dat beeld voor zijn ziel in den gouden glans, dien zijn poëzie in jaren langen arbeid er om had gewerkt. Hij sprong op en nam het voorstel aan van zijn onder-vindingrijken vriend.

Een uur later kwam de kleermaker, dooi Von Fink binnengebracht, en Von Fink zelf bepaalde in bijzonderheden hoe het pak gemaakt moest worden, met een kennis van zaken die den kleermaker niet minder dan Anton met eerbied voor hem vervulde.

Na den middag deed de novemberzon de sneeuw op de straten smelten. Von Fink borg eenige belangrijke papieren in zijn rokzak, slenterde, als iemand die niets te doen heeft, langs do meer bezochte straten der stad, en zag met vorschende blikken rond, evenals een policiedienaar die op de jacht is. Eindelijk richtte hij zich met een tevreden gelaat naar do overzij van de straat en hield stil voor twee elegante heeren, die, evenals hij, eenzaam te midden van de plebeesche bedrijvigheid der zondag-kuijeraars wandelden, 't Was de luitenant Von Zernitz en mijnheer Von Tönnchen, beide mannen, zeer ondernemend van geest en onberispelijk in hun manieren.

Drommels! Von Fink!

«Goeden dag, heeren!»

«Wat slentert ge zoo in gedachten 011 straat?» vroeg mijnheer Von Tönnchen.

«Ik zocht menschen», antwoordde Von Kink zwaarmoedig, «een paar trouwe vrienden, die slecht genoeg zijn om dezen vervelenden zondag op klaar lichten dag een llesch portwijn te drinken en mij in een kleine zaak eerst als getuigen te dienen.»

«Als getuigen!» vroeg mijnheer Von Zernits. «Wilt ge achter do kerk gaan duelleeren?»

«Neen, dappere ridder», hernam Von Fink, «ik heb die slechte manieren afgezworen, sints de kleine Lanzau den haan van mijn pistool heeft afgeschoten. Integendeel, ik ben thans zeer vreedzaam, een gekweld man.

ocr page 102

94

die zaken heeft te doen, een waardige zoon van de firma Von Fink en Becker. Ik zoek getuigen voor een notarieele akte die ten spoedigste moet opgesteld worden. Ik kan wei een notaris vinden, maar de gewone gerechtelijke getuigen zitten met den zondag in de kegelbaan, 't Zon zeer menschlievend van u zijn, zoo ge mij dezen ellendigen namiddag helpt klein maken, een kwartier bij den notaris, bet overige in bet koffiehuis.

De hoeren waren terstond bereid. Von Fink bracht ze naar een bekenden notaris en verzocht dezen, in tegenwoordigheid van beide ge-tuigen, een akte van afstand op te maken, daar de afstand onmiddellijk volgen moest en de zaak van het hoogste belang was. Hij overhandigde hem een eerwaardig, in 't engelsch geschreven stuk, waarin de advocaat-generaal van de een of andere county in den staat New-York, op wettige wijze verklaarde, dat de heer Von Fink eigenaar was van het goed Fowlingfloor, zoowel van den grond en het land, als van de daarop zich bevindende gebouwen, boomen, wateren en alle daaraan klevende voor-deelen. Daarop verklaarde hij voor den notaris dat hij alle volgens het stuk hem toebehoorende eigendomsrechten, afstond aan mijnheer Anton Wohlfart, thans werkzaam in het handelshuis van T. O. Schröter. Dat de betaling daarvoor reeds geheel geschied was. Ten slotte verzocht hij den notaris de akte zoo spoedig mogelijk op te maken en over de ge-heele zaak het stilzwijgen te bewaren. Deze beloofde bet en de beide getuigen onderteekenden het stuk. liij het weggaan verzocht bij ook deze, met meer ernst dan men anders van hem gewoon was, dit ge-heele voorval geheim te houden, en vooral tegenover mijnheer Wohlfart nooit er van een enkel woord te gewagen. Beiden gaven hun woord, ofschoon eenigszins nieuwsgierig, en mijnheer Von Zernitz kon niet nalaten te zeggen: «Ik hoop toch niet, Von Fink, dat gij uw testament hebt gemaakt? In dat geval zou ik u dankbaar zijn geweest, als ge mij uw buks hadt gelegateerd.»

«Als ge de buks van den levenden Von Fink wilt aannemen,» hernam deze, «zal het hem zeer gelukkig maken.»

«Duivels!» riep de goedaardige luitenant bijna verschrikt, «zoo was 't niet gemeend. Ik weet waarlijk niet o[ ik het wel met een zuiver geweten mag aannemen.»

«Ga je gang maar,» zei Von Fink vriendelijk, «ik heb al mooi genoeg van de buks, en bij u zal ze in goede handen zijn.»

«'t Is een kostbaar geschenk,» meende de luitenant niet eenige gewetenswroeging.

«'t Is een oud prul,» zeide Von Fink, «morgen moet je ze zonder complimenten aannemen, want vandaag kom je niet van mij af; ge moot met mij naar Feroni. Wat echter den geheimzinnigen afstand der goederen betreft, daar handel ik niet geheel vrijwillig in. Er steekt een soort van politiek geheim achter, dat ik zelfs u niet kan meedeelen, om de eenvoudige reden dat het mij zeiven nog niet recht duidelijk is.»

«Is het landgoed, dat ge afgestaan hebt, dan groot?» vroeg mijnheer Von Tönnchen.

«Een goed?» vroeg Von Fink en zag in de lucht, «'t geen goed. 't Is een onmetelijke uigestrektheid, berg en dal, bosch en water, een gedeelte, hoe klein dan ook, van Amerika. En of die eigendom van den heer Wohlfart groot is? Ja, wat noemt ge groot? Wat heet groot hier op aarde ? In Amerika rneet men de grootte naar een andere maat, dan in dezen hoek

ocr page 103

»5

van Duitschland. Ik voor mij zal bezwaarlijk ooit weer zoo'n landgoeil het mijne noemen.»

«Maar wie is dan die mijnheer Wohlfart?» vroeg nu de luitenant.

«Ge zult eerstdaags kennis met hem maken,» antwoordde Von Kink. «'t Is een aardige jongen van het land, boven wiens hoofd eeti zeldzaam lot hangt, waarvan hij zelf op dit oogenblik niets weet noch weten mag. Maar al genoeg over zaken. Ik heb dezen winter een plannetje met u. .fe bent een paar oude jongens, maar je moet nog eens óp nieuw dansles nemen.»

Met deze woorden traden zij de gelagkamer bij den Italiaan binnen, werden door Feroni met diepe buigingen ontvangen, en verloren zicli spoedig in bespiegelingen over de bekoorlijkheden der zware portu-geesche wijnen.

Mevrouw Von Baldereck was een steunpilaar van dien uitgekozen kring, die door de familiën van den landadel, eenige hoogere ambtenaren en officieren -gevormd werd. 't Was moeijelijk te bepalen welke uitstekende hoedanigheden aan deze dame zoo'n belangrijke, zoo'n achting inboezemende plaats hadden verschaft; zij was noch zeer voornaam, noch zeer rijk, noch zeer smaakvol, noch zeer geestig, noch zeer kwaadsprekend, maar zij bezat van al die eigenschappen iets. Zij had in haar bijzonder leven altoos zooveel mogelijk met «goede principes» opgehad en het streelende gevoel gesmaakt zich aan niemand, die het hart wat hoog droeg, op te dringen. Ten gevolge van deze voortdurende gematigdheid werd zij door de openbare meening voor een knappe vrouw gehouden. Zij bezat een zeer uitgebreiden kring van kennissen, was tehuis in allo huwelijken en alle familiebetrekkingen van den landadel, stond in alle voorname huizen boven aan op de lijst van de gasten die verzocht moesten worden, en voerde als weduwe zelve een zeer ordentelijken staat, die niet weinig verhoogd word door een jager met een vederbos en een paar vette koetspaarden. Mevrouw Von Baldereck was dus, na al het gezegde, op en top een dame, die gewoon was personen en gebeurtenissen, juist naar de vooroordeelen van den kring waarin zij zich bewoog, te beoor-deelen ; daarom werd haar gevoelen met allen eerbied aangehoord. Dat zij bovendien niet geheel zonder goedaardigheid was werd haar door de wereld, waarvoor zij leefde, waarschijnlijk niet zoo hoog aangerekend als dooi' den ouden engel des oordeels, die in den hemel over de daden der men-schen boekhoudt en die, 't zij ter loops opgemerkt, naar het gebruik van de Heilige Firma, boven op de pagina's van het boek in plaats van de wereldsche woorden Credit en Debet de woorden Schaap en liok pleegt te schrijven, en alle creditposten op den rechterkant, de Bokken daarentegen links opteekent, — Mevrouw Von Baldereck had een jonge dochter, die beloofde veel op haar te zullen gelijken, en zij bewoonde een eerste verdieping met ruime vertrekken, waarin sints een reeks van jaren verscheidene proeven van optochten, tooneelvoorstellingen en tableaux vivats genomen waren.

De Invloedrijke dame was juist in een zeer vertrouwelijk overleg met een modiste; zij berekende hoe laag de japon mocht uitgesneden worden, om de onberispelijke buste barer dochter op het voordeeligst te doen uitkomen en toch van den anderen kant onder de dansles geen ergernis te geven, toen Von Fink, haar lieveling, aangediend werd. Haastig schoof ze haar dochter, do naaister en do kleederen op zij en verscheen

ocr page 104

96

in liet salon met de hartelijkheid van een huismoeder, die voor zich zelve geen aanspraak op schoonheid meer maakt.

Na de gewone opmerkingen over het weer, de gebeurtenissen van de laatste dagen, en de lange krullen van de gravin Pontak, zei Von Fink, terwijl hij met grooten ijver een voetbankje mishandelde, waarop een slapend hondje, door de dochter dos huizes geborduurd, onder de voeten van den gast kreunde; «Ik heb mij van uw vereerende last gekweten, mevrouw, en breng u al dadelijk drie heeren.»

«En wie zijn dat?» vroeg de vrouw des huizes in gespannen verwachting, vergat het lijden van den geborduurden hond, en schoof haar stoel nader bij haar bondgenoot.

«Vooreerst de luitenant Von Zernitz,» zei Von Fink.

«Dat is een mooije aanwinst,» riep de dame verheugd uit; want de luitenant was wat men een geestig officier noemde, hij maakte aardige verzen in dames-albums, was onovertrefl'elijk in het schikken van mimische voorstellingen, en men vertelde van hem, dat hij eenmaal in een jaarboekje een novelle had geschreven. «Mijnheer Von Zernitz is een lief mensch en zijn gezelschap wel waard.»

«Ja,» antwoordde Von Fink, «maar portwijn kan hij niet verdragen. De tweede is mijnheer Von Tönnchen.

«Een oude familie,» merkte mevrouw Von Baldereck op; «maar is hij niet wat los?» liet zij er schroomvallig op volgen.

«De hemel beware mij!» zei Von Fink, «die lamilie is altijd streng van beginselen geweest; hij is in 't geheel niet wild, alleen tusschen-beide heeft hij de aardigheid anderen wild te maken.»

«En de derde?» vroeg de dame.

«De derde,» zei Von Fink. «is een zekere mijnheer Wohlfart.»

«Wohlfart?» vroeg de adellijke dame bevreemd en zag haar vriend onrustig aan, «die familie ken ik niet.»

«Dat kan best gebeuren,» hernam Von Fink koeltjes, «er zijn te veel menschen met en zonder namen, dan dat men zich aan allen zou storen. Mijnheer Wohlfart is voor eenige jaren van het platteland hierheen gekomen, om voorloopig de verborgenheden van den handel door eigen waarneming te loeren kennen: hij is werkzaam in de zaak van den koopman Schröter, juist als ik.»

«Maar, mijn waarde Von Fink . .. .» viel de dame hem in de rede.

Von Fink liet zich niet van zijn stuk brengen, hij ging op zijn gemak leunen in den fauteuil, en keek naar het licht grijs van de arabesken in het plafond. «Mijnheer Wohlfart is een zeer aardig en belangwekkend persoon. Hij verkeert in een geheel exceptioneelen toestand. Hij zelf is de bescheidenste en beste mensch, dien ik ooit ontmoet heb. Hij is afkomstig uit een hoek van de provincie hier, uit Ostrau, de zoon van een gestorven ambtenaar. Maar er zweeft een geheim, over hem, waarvan hij zelf niets weet.»

«Maar, mijnheer Von Fink. . . .» begon de dame op nieuw.

Von Fink zag ernstig naar de figuren van het plafond en ging voort; «Hij is nu reeds eigenaar van een uitgestrekt landgoed in Amerika, het eigendomsbewijs is mij in handen gekomen, en in vertrouwen gezegd, bij zelf' weet niet het minste van dit bezit en het moet ook voorloopig een geheim voor hem blijven. Naar mijn vaste overtuiging heeft hij kans in 't vervolg meer dan millioenen te bezitten. Hebt gij den voormaligen Grootvorst, hier in de buurt, ge-

ocr page 105

!)7

kend?» en Von Fink wees met zijn liaml den een of anderen kant uit.

«Neen,» zei de dame nieuwsgierig.

«Er zijn menschen, die beweren dat Anton sprekend op hem gelijkt. Wat ik hier vertel is echter mijn geheim. Mijn vriend zelf leeft in volslagen onwetendheid van al deze bijzonderheden waardoor wellicht zijn toekomst bepaald kan worden. Bekend alleen is dit, dat wijlen de keizer op zijn laatste reize door de provincie in Ostrau vertoefd en geruimen tijd mot den geestelijke van die plaats zich onderhouden heeft.»

Deze laatste mededeeling was in de hoofdzaak juist, want Anton had dit zelf voor eenige dagen aan den paardevriend verteld, zoo als men van een herinnering uit de kinderjaren gewoon is te gewagen. Hij had er zelfs nog bijgevoegd dat de geestelijke van zijn geboorteplaats in den laatsten groeten oorlog veldprediker was geweest en dat de keizer hem had gevraagd: «Gij hebt gediend? en een poosje daarna: «üij welk corps?»

Von Fink had het onnoodig geoordeeld de onbeduidende zaak zoo omstandig te verhalen; maar mevrouw Von Baldereck was door die geheimzinnige toespelingen eenigszins nieuwsgierig gemaakt en verklaarde zich bereid mijnheer Wohlfart in haar huis te ontvangen.

«En nu nog een verzoek,» zei Von Fink opstaande. «Al wat ik u aangaande mijn vriend heb meegedeeld, laat dat, goedgunstige toovergodin,» — de toovergodin woog meer dan zeven twintigponders —» een geheim tusschen ons blijven. Aan uw kieschheid durfde ik toevertrouwen wat ik uit iederen anderen mond als een onbescheidenheid tegenover mij en den heer Wohlfart zou moeten opnemen.» Ilij sprak den naam zoo ironisch uit, dat mevrouw Voti Baldereck inwendig bijna overtuigd was, dat de geheimzinnige, op een kantoor verstopte heer, binnen kort als vorst der Aleuten of Kurilen of in eenige andere hoogaanzienlijke waardigheid zou optreden.

«Maar hoe zal ik,» vroeg zij bij het afscheid, «dien vreemden hoer bij onze kennissen presenteeren?»

«Louter als mijn besten vriend; in alle opzichten sta ik voor hem in en ben vast overtuigd dat onze vrienden zich zeiven een groote dienst bewijzen, zoo zij Wohlfart met voorkomendheid opnemen.»

Zoodra Von Fink op straat was, mompelde hij zeer oneerbiedig: «Die oude malloot zwom als een eend naar het kroos en dook tot over de ooren in mijn leugens. Als een bravelui's kind zou de arme jongen met den nek door hen zijn aangezien. Nu verbeelden zij zich dat een vreemde potentaat, voor wien zij het eervol vinden te kruipen, belang stelt in den jongeling. Nu zullen zij hern met eene beleefdheid behandelen, die mijn eenvoudigen vriend betooveren zal. Ik had niet gedacht dat die oude zandplaat bij het strand van Long-Island en de vervallen eendenkooi daarop mij ooit in mijn leven tot zulk een grap aanleiding zou hebben gegeven.»

Het zaad door Von Fink uitgestrooid was in een vruchtbaren bodem gevallen. Mevrouw Von Baldereck had als een verstandige vrouw bij de dansles ook haar eigen voordeel in'toog. Zij was voor alles immers moeder en had het inderdaad op niemand anders dan op den heer Von Fink gemunt. Haar dochter was vijftien jaar oud en Von Fink vereenigde in zich alle eigenschappen, die haar in den toekomstigen echtgenoot barer dochter wenschelijk moesten toeschijnen; hij was in alle opzichten een DEBET EN CREDIT 1. 7

ocr page 106

98

buitengewoon goede partij en zij was daarom in haai' ziel overtuigd, dat hij haar dochter gelukkig zou maken. Uit jarenlange ondervinding wist zij, dat zulke huiselijke danslessen een uitstekend middel zijn om zeer jonge dames aan heeren, die veel ondervinding hebben en min of meer geblaseerd zijn, in het voordeeligst licht te laten zien; de grootste moeijelijkheid alleen is, om deze soort van heeren tot deelneming aan zulke vermakelijkheden te lokken. Zij had eeti volstrekt niet ongegronde vrees dat Von Fink met de dansles niet razend zou ophebben. Tot haar aangename verrassing had hij zich met vrij veel vuur bereid verklaard een geheelen winter lang in haar huis te walsen, ja, hij had zelfs als voorwaarden gesteld, dat freule Eugenie hem als uitverkoren danser vooruit zou aannemen. En daarom had de zegevierende moeder zich juist zoo'n moeite gegeven voor de taille van het balkostruim, loen Von Fink zijn beschermeling bij haar kwam aanbevelen. Wellicht zou zij ook zonder zijn buitengewone belangstelling-een offer gebracht, en zich beijverd hebben den kantoorman hij haar dansles te verontschuldigen, maar nu waren haar de toespelingen van den ondeugenden Von Fink zeer welkom. Waarschijnlijk voedde zij zelve eenigen twijfel omtrent die zeldzame geschiedenis, want men kon Von Fink nooit recht vertrouwen; maar haar moederliefde spoorde haar aan ook groot gewicht te hechten aan het duistere en onverklaarbare. Zij haastte zich bezoeken te gaan maken bij de verschillende familiën van haar kennis, om aan deze van de gedane aanwinst bericht te geven en den heer Anton Wohifart door eenige geheimzinnige wenken op te smukken; en toen het weinige, wat zij zeggen kon, eensklaps van een anderen kant door evenzoo raadselachtige toespelingen van twee aanzienlijke heeren bekrachtigd werd, begon zij zelve vast te gelooven dat hier een ongewone geschiedenis onder verborgen was. Na korte dagen liep er een dof gerucht door de groote wereld, dat bij de dansles een burgerheer van onmetelijken rijkdom zou optreden, voor wien de keizer van Rusland uitgestrekte landgoederen in Amerika had aangekocht.

Eenige dagen later werd Anton, in een nieuwen rok en met onberispelijke glacé handschoenen, door Von Fink in het huis van de adellijke dame gebracht, een offerlam van duistere machten, die het voornemen hadden zijn inwendigen vrede te verstoren. Zij lagen in het huis der dame op de loer en benauwden reeds aan de voordeur de borst van Anton, toen hij binnentrad; zij zaten op de breede lantaarn, die aan den zolder van den gang wiegelde; zij hingen met uitgestrekte handen aan de kunstig gesneden balie van den trap, en staken, door de wijde boogen, haar spookachtige tongen met een hoonenden grijns tegen hem uit. Von Fink zag met leedwezen, hoe zijn offer de blos der verlegenheid op de wangen geschilderd bleef. Hij beet hem nog in 't oor: «waag het niet voor deze menschen te blozen,» wierp den dienaar genadig zijn overjas toe, en bracht zijn vriend voor de vrouw des huizes. Deze was wezenlijk, zoo als Von Fink had voorspeld, de voorkomendheid in persoon. Met nieuwsgierigheid en met eeu zekere menschelijke belangstelling zag zij den aardigen, schuchte-ren jongeling aan, die met zijn eerlijk gezicht voor haar stond en geheel en al bereid scheen haar macht op zich te laten werken.

Anton zei tot haar met een diepe buiging: «Alleen de verzekering van

ocr page 107

!)!)

mijn vriend, dat gij, mevrouw, het mij niet kwalijk zondt nemen, heeft mij den moed gegeven u persoonlijk mijn compliment te komen mu-ken.» En de dame lachte vriendelijk, of zoo als het monster Von Fink het opnam, zij grijnsde en antwoordde: «Mijnheer Von Fink heett mij met de hoop gevleid, dat gij ten minste een trouwe gast bij onze danslessen zult zijn.»

Anton was zich zelve niet meester, hij kreeg een kleur, zag er hoogst gelukkig uit en verzekerde ; «Ik zou met genoegen er aan deelnemen, als ik slechts niet vreesde in dit vreemd gezelschap lastig te zullen zijn.»

Nadat hij nadrukkelijk op dit punt was gerust gesteld, kwam freule Eugenie binnen. Anton werd ook aan haar voorgesteld, kreeg een snibbigen groet, zooals meisjes van vijftien jaren gewoon zijn aan vreemde heeren te geven, en wandelde na verloop van een kwartier, heel verrukt over de beminnelijkheid der familie, met zijn mentor Von Fink den trap weer af. Do onschuldige jongen hing overgelukkige aan den arm van zijn vriend en betuigde hem ernstig op straat : «Ik had mij nooit voorgesteld dat het zoo gemakkelijk was met menschen uit de groote wereld om te gaan.»

Von Fink bromde iets in zijn baard, wat even goed een bevestiging van deze beschouwing als het tegendeel kon beduiden, en zei: «Over 't geheel genomen ben ik tevreden over je. Je hebt in spijt van je nieuwen rok daar gezeten, als een naakt engeltje in een doorschijnend batist hemdje. Dat onschuldig gezicht staat je volstrekt niet kwaad. Alleen dat verwenschte blozen moet je dezen winter afleeren. Bij een zwarte das kan het er nog door, maar boven een witte staat het 'afschuwelijk. Je ziet er dan net uit als een cupidootje, die aan beroerten lijdt.»

Mevrouw Von Baldereck daarentegen vond van haar standpunt de eenvoudigheid van den geheimzinnigen jongeling waarlijk roerend, eti toen haar dochter zeer bepaald verklaarde: «Von Fink is een heel ander mensch, die bevalt mij veel beter,» schudde zij het hoofd en zei lachende: «Dat begrijp je nog zoo niet, mijn kind, er is een adel en een aangeboren bevalligheid in de bewegingen van den vreemdeling, een zeker charme, dat inderdaad betooverend is.»

De groote dag, waarop de dansles plechtig begonnen zou worden, was aangebroken. Haastig kleedde Anton zich, na afloop van hot kantoor, en trad Von Finks kamer binnen om hem af te halen. De mentor beschouwde het toilet van den nieuweling met een kenners oog. «Laat me je zakdoek zien, zei hij. Een bonte zakdoek ? Schaam je wat. Hier is er een van mij. Giet er wat reukwerk op. Waar zijn je handschoenen ?»

Onder zulke lessen geleidde hij zijn vriend naar het helder verlichte huis der baronnes.

Toen Anton den trap van het achterhuis afging, werd de deur van Jordans kamer geopend en mijnheer Specht stak zijn hoofd aan hot einde van een langen hals over de leuning van den trap en volgde zijn ambtgenoot met een nieuwsgierigen blik.

«Hij gaat!» riep hij tot de anderen in de kamer; 't is ongehoord. Zoo iets is niet gebeurd, zoo- lang de wereld bestaat, 't Zijn daar ginds niet dan adellijken. Dat zal je een mooie geschiedenis geven.»

«Eigenlijk gezegd, waarom zou itij niet gaan, als zij hem verzoeken ?» vroeg de goedaardige heer Jordan, om do stille verwijten der ambtge-nooten af te wenden. Niemand had er iets tegen quot;te zeggen, alleen

ocr page 108

10(1

mijnheer Pix riep knorrig: «Mij echter bevalt het niet dat hij zoo'n uitnoodiging aanneemt. Hij hoort op liet kantoor te huis en bij ons. Iets goeds zal hij onder die adellijke heeren niet leeren. Vensterglas voor de oogen knijpen en zoethout kauwen, en dat zal nog niet eens het slechtste zijn.»

«liet moet allerwonderlijkst op die dansavonden toegaan», riep Specht. «Vreeselijk ijdel, liefdesgeschiedenissen en tweegevechten, zooveel je maar wilt. Maar Wohlfart heeft altijd zoo'n tikje er van weg gehad, 't Zal niet lang duren of hij zal op een morgen met zijn pistolen onder den arm uitgaan, en hoe hij terug zal komen, daar zal ik liever over zwijgen. Op zijn voeten niet, dat is zeker.»

«Onzin», riep Pix knorrig, «je hebt daar niet meer twist dan bij andere menschen.»

«En fransch moet hij spreken», ging Specht voort, zonder op zijn vriend te letten.

«Waarom niet liever russisch ?» vroeg Pix.

Hier geraakten de heeren Specht en Pix in een strijd over de talen, waarvan men zich in het salon van mevrouw Von Baldereck zou bedienen. Maar alle ambtgenooten waren het over dit punt eens, dat het bezoeken der dansles voor Wohlfart een zeer gewaagd stuk was, dat onnoemlijk veel onheil brouwen en de geheele menschelijke maatschappij verstoren kon.

«Hij is gegaan!» sprak de tante, van een onderhoud met den knecht terugkomende.»

«Dat is weer een streek van zijn vriend Von Fink», zei de principaal.

Sabine tuurde op haar werk. «Mij doet het pleizier», sprak zij ten laatste, dat Von Fink zijn invloed gebruikt om zijn vriend een uitspanning te bezorgen. Hij zelf danst niet graag, en voor hem persoonlijk is dit kransje zeker eer een offer dan genoegen. «De broeder zag zijn zuster opmerkzaam aan, zij knikte hem vriendelijk toe.

«En hoezeer gun ik het Wohlfart van ganscher harte dat hij onder de menschen komt! Hij is het meest van alle heeren tehuis. Bijna iederen avond als ik naar bed ga, zie ik zijn lamp branden. De anderen hebben bloedverwanten of goede vrienden hier. Hij is geheel alleen, heeft niets, dan wat dit huis oplevert, 't Is hard, het gansche jaar door zoo eenzaam te leven.»

«Hij heeft zich tot nu toe goed gehouden», zei de patroon, «we zullen zien of het duurt.»

«Maar hoe was het mogelijk, dat hij in dit gezelschap, —» riep de tante. «Bedenkt toch, deze mevrouw Vou Baldereck — —»

Sabine tikte met haar vingerhoed op het marmeren blad van de tafel. «Von Fink heeft het haar gelast», zei zij, «en dat was aardig van hem. En tot dank daarvoor zal hij, In spijt van het stroeve gezicht van zijn chef, morgen toch zijn lievelingsgerecht hebben!»

«Dus ham met bourgognesaus», zei de tante. «Maar ik vraag je, hoe zal Wohlfart zich onder al die urriformen houden? En hoe zal hij het kunnen vinden met die heeren uit de groote wereld? Hij zal niet gelijk met hen op kunnen. Daartoe behoort in de eerste plaats geld.»

«Laat dat maar aan hem over», antwoordde Sabine vroolijk. «Daarover behoeven wij niet te treuren.»

ocr page 109

101

«Hij is gegaan!» zei Karei 's avonds tegen zijn vader. «Kleine verlakte laarzen, ik lieb ze gehaald. Mijnheer Von Fink verbood hem schoenen aan te trekken. En een nieuwe hoed, alles van top teen fonkelnieuw. Zoo ziet men er dus uit als men bij de groote lui gaat dansen.»

«Je zoudt er ook wel heen willen?» vroeg de vader.

«Neen», antwoordde Karei, «maar ik wou wel eens zien hoe het op een bal toegaat.»

«Ga maar kijken in de «Blauwe Maan» hier naast, daar kan je 't eiken zondag zien; het is bij de groote lui ook niet anders; alleen dat ze mekaar wat voorzichtiger aanpakken en dan nog met handschoenen.»

«Nou, er zal aardig wat stof' in de kleeren zijn morgen», zei Karei.

«'t Is een zeer stoffig pleizier», bevestigde de reus. «Het bestaat in omdraaijen, het bestaat in springen, men wendt zich eerst naar dezen kant, dan naar den anderen. Men doet zijn best zich van zelf van den grond op te heden, wat altijd onmogelijk is. Men krijgt het warm, men drinkt één glas of verscheidene, en tot slot wordt een uks-polonaise gedanst. Als men trouwen wil, kan men er niet buiten; maar zoo ver ben je nog niet, je hebt nog menig jaartje in 't vooruitzicht.

«Mijnheer Wohlfart is ook nog zoo ver niet», hervatte Karei. «Dat zou je een mooije geschiedenis wezen, als die nu een jonge dame trouwde met twee schimmels en verzilverd tuig.»

«Ja, daar zal wel niets aan te doen zijn», merkte de vader op, met het hoofd schuddende; «met dansen begint het, en trouwen is het einde. Met mij is het ook zoo gegaan.»

«Dat had ik graag willen zien», riep Karei.

«O hé», zei de reus, «ik heb in mijn tijd gedanst als een tol: walsen, hopsawalsen, russische walsen, en in den horlepijp had ik mijn meester niet.»

Karei zag zijn vader vertrouwelijk aan. «Ja», ging de reus voort, gelukkig in de herinnering; «als de grond stevig is, en ik er goede kameraads bij heb, dan vind ik het een pleizierig werk. — Het was bal in de bnrgersocieteit, ik was uitgenoodigd, Willem ook, die toen nog een schrale jongen was. liet staat me nog zoo goed voor den geest, of het gisteren was, ik had een blauwen rok aan met zilveren knoopen, en stond midden in de zaal, en zag op het gezelschap neer, dat om mij heen draaide. Daar viel me je moeder in 't oog, och, een lief aardig ding; als een pop zat zij daar, naast haar vader, een slotenmaker van beroep.»

«Goeden avond. Mans», riep de slotenmaker mij toe, «ben je er ook?»

«Dat zou ik denken, oudje», zei ik en kwam naderbij; en hoe meer ik het popje bekeek, hoe meer zo me aanstond. «Dat is mijn dochter, zei de slotenmaker, «ken je het meisje niet meer? Zij is twee jaren buiten bij haar tante geweest.» «Wat is zij lief geworden», antwoordde ik. «Zij is rond en fijn, als gedraaid.» De kleine kreeg een kleur en ik werd warm. «Wel nu», sprak de slotenmaker, «als je met haar dansen wilt, ga je gang, maar pak ze niet te ruw aan.» «Wees niet bang», zei ik en geleidde haar ten dans. 't Kon wel gebeuren dat wij er wat raar uitzagen, dat kleine vlugge meisje en ik, en ik geloof dat de menschen er om lachten.»

«Dat hadt je niet moeten verduren», riep Karei, die tegenover hem stond met de armen over elkaar.

ocr page 110

102

«'t Was zoo kwaad niet gemeend, ■) zei do oude, teen je moeder verzekerde mij na den dans, dat het haar niets kon sclielen of de men-schen lachten. Ja, en zij zei zelfs, dat liet heel pleizierig dansen was met mij. Natuurlijk danste ik den ganschen avond met haar; nn begon het eerst recht goed. En bij den laalsten dans kreeg ik nog woorden om haar met Willem; want, toen hij zag dat ik met haar danste, wou iiij ook met haar dansen, en als hij merkte dat ik haar liet hof maakte en om haar heen draaide en mijn kuif opstreek en buiten voor de zaal een ruikertje van het bloemenmeisje voor haar kocht en een voor mij, kocht hij er ook twee en (ladderde rondom haar als een vlinder om de kaars, totdat ik hem ten laatste ter zijde nam en hem zei; «Zie je, Willem, bij eiken wagen elk vat en bij eiken last zult gij je hand aanslaan, waar ik de mijne heb, maar houd hier bij deze jonge dochter je handen thuis!»

«Waarom dat?» vroeg hij. Waarom?» zei ik, «omdat we vrienden zijn, Willem, en ik je niet graag een draai zou geven, en ik je niet graag wou afrossen voor al die menschen.» «Weet je wat, zei hij, «je bent jaloersch.» Toen voelde ik hoe het met mij gesteld was. Van dien dag af was ik verliefd. Je zult ook eenmaal merken wat dat is. Het maakt onrustig en brengt in de war, en het maakt driftig. Men begint te zingen, men schrijft brieven en koopt een nieuwen rok. Zoo doet iedereen en zoo heb ik ook gedaan. Zes weken lang, en toen was het bruiloft. En je grootvader stond er op, dat alle opladers gevraagd zouden worden. En den avond voor het huwelijk dansten wij opladers een kegel-quadrille en ik was de koning, liet dreunde wel wat, maar er is geen ongeluk gebeurd, alleen de kroon is gebroken.»

«Sapperloot,» riep Karei, «dat had ik wel eens willen zien, jammer dat ik er niet bij was.

«Jou ondeugende schelm,» zei de vader, «hoe kon je daarbij zijn? Lr viel nog niet aan je te denken. Natuurlijk niet, 't was immers pas de voorbereiding.»

«Als mijnheer Wohlfart maar niet al te laat thuis komt, dat kan mijnheer Schröter niet best lijden,» zei Karei.

Inmiddels sloeg de knecht de wijde deuren der zaal van mevrouw Von Baldereck open en Von Fink en Anton traden een reeks van schitterend vel lichte vertrekken binnen, waarin zich een groote menigte elegante dames en heeren, al thee drinkende, fluisterende en fladderende bewoog. De moeders en betrekkingen der jonge dames waren genoodigd om de opening der dansles bij te wonen. Von Fink blies zijn vriend nog in 'toor: «Wees vooral zoo onbeschaamd als ge maar kunt, 't is alles dom volk,» en geleidde hem weerloos als een lam, naar de vrouw des huizes.

Anton werd zeer genadig ontvangen, maakte zijn buiging, en zag niet in zijn angst dat de blikken van den kring, dien hij binnen was getreden, met waarlijk onbeschaamde nieuwsgierigheid op hem rustten. «Ik zal u aan de gravin Pontak presenteeren» zei zijn goedaardige patrones, en voerde de beschermeling, die zwaar ademhaalde, voor de voeten van een lange magere vrouw, van onzekeren leeftijd, die op een verheven plaats, door dames en heeren omringd, zetelde. «Lieve Betsy; mijnheer Wohlfart.» Anton zag in dit angstige oogenblik dat de lieve

ocr page 111

103

Betsy oen Kiiigeu perkamenten neus had, dunne lippen en een hard terugstootend gezicht; hij voelde twee stekende blikken, die hem in 't gezicht pikten, en boog zijn hoofd, half tot groet, half met de onderworpenheid van een krijgsgevangene. De gravin bleef kaarsrecht bij zijn buiging zitten en vroeg van haar troon met onverschillige stem:

«Gij zijt een vriend van mijnheer Von Fink?»

«Om u te dienen, mevrouw,» antwoordde Anton.

«En gij woont nog niet lang hier in de stad?» Alle conversatie in den omtrek hield op en twintig oogen staken den armen Anton.

«Toch reeds eenige jaren,» antwoordde deze weder.

«Gij zijt zeker een buitenlander?» ging Betsy op gemoedelijken toon voort.

«Ik ben in deze provincie geboren en opgevoed,» zei Anton.

«Ei zoo?» viel ijskoud van de lippen der dame. «En van waar zijt gij?»

«Uit Ostrau,» hernam Anton het hoofd opheffende. Het verhoor begon hem te benauwen, hij wist zelf niet waarom, en zijn bedeesdheid maakte plaats voor een opwelling van boosheid.

«Mijn vriend, trotsche gebiedster, is half een Slavoniër,» zei Von Fink, te rechter ure tusschen beide komende, «ofschoon hij er hartstochtelijk tegen protesteert, als men zijn duitsche afkomst in twijfel trekt. Daarom geeft hij goede hoop eens een echte Engelschman te worden. Op dit oogenblik deelt hij mijn wensch om genade in uw oogen te vinden. Ik beveel hem uwer goedheid aan; gij hebt daar juist een bewijs gegeven van uw talent om den aard van vreemde menschen uit te vorschen: verleen gij nu aan mijn vriend, wat wy allen in u bewonderen, uw liefderijke toegevendheid voor de onvolkomenheid van anderen.» De dames fluisterden, eenige van de heeren keerden zich om ten einde hun lachen te verbergen, en Betsy zat daar met opgezette voeren, als een roofvogel, dien zijn prooi ontnomen is.

Anton was blijde zich aan de blikken van deze groep te kunnen onttrekken ; hij sloop naar een anderen hoek en hoopte, door het gezelschap op zijn gemak op te nemen, van de inspanning, die zijn kenniij^, king met de gravin Pontak hem gekost had, te zullen bekomffieisje sloeg een batisten zakdoek luchtig op zijn arm, en een dvh niet meer9 stem vroeg: «Mijnheer Wohlfart, kent gij uw oudegroeten.»

Dit is nu do tweede maal, dat ik u liet eerst -* een lange slanke dame

Anton keerde zich ijlings om. Voor hp,r 00gen, di

. , . . WO ... l.:

met

ton keerde zich ijlings om. Voor h/j'r. 00êquot;engt; die hem liefelijk blond haar en groote donkq,'.1'1 cl('ukklquot;g van verrukkino- „n lachende aanzag. Zoo duidoli^e^ ' ) lu)n,.ll;;m vriendelijk tol to Antons gelaat, dat dachten voor ^i '''quot;'i We heeren

krukken en te zes-uit in oen stemming die I,'m i 0mt ^ ,lier'»

.«tfk lï n*i,r£

o o'-spiok. iiot was de derde

ocr page 112

104

keer dat zij elkaar zagen, maar zij hadden zoo veel te vertellen, alsof zij jaren achtereen vertrouwelijk samen hadden geleefd.

«We zullen heden alles door mekaar dansen en ons volstrekt niet aan onzen dansmeester storen,» zei het meisje eindelijk. «Zoo vind ik het 't pleizierigste. Gij moogt nu niet langer met mij alleen spreken, houd u ook wat met de andere dames hezig. fk ga naar mijn broeder. Zoodra de muziek begint, kom dan bij mij, ik zal u aan mijn moeder presenteeren.»

Zij wenkte hem genadig toe en wandelde lier door de zaal naar een kring van dames.

Nu was Anton gehard tegen alle verschrikkingen van de groote wereld. Zijn schroomvalligheid was verdwenen en een aangename opgewondenheid bezielde hem. Wat konden hem toch die schitterend gekleede, met kleurige linten versierde mcnschen schelen, die om hem heen huppelden of aan den grond genageld stonden? Zij waren hem onverschillig, als een troep kleine vogels, of als de bloemen in de weide. Hij ging haastig Von Fink opzoeken en liet zich door hem aan een dozijn heeren voorstellen, zonder een hunner namen te onthouden; daarna verzocht hij zijn vriend hem tevens met eenige dames bekend te maken.

«Heb je al met de dochter des huizes gesproken? vroeg Von Fink.

«Neen,» zei Anton vroolijk.

«Als de wind er heen, ongelukkige!» sprak Von Fink; «bereid je maar op een slechte ontvangst.»

«'t Is mij geheel onverschillig,» fluisterde Anton, den arm zijns vriends vattende, dezen in 't oor, terwijl hij aan freule Eugenie werd gepresenteerd.

De dame was zoo koel tegen Anton als men ten gevolge van het lang vei zuim niet mogelijkheid had kunnen verwachten. Hij had moeite haar eenige korte woorden af te persen, en had het voorrecht haar nek te mogen zien, zoodra de luitenant Von Zernitz haar kwam aanspreken.

Ook om deze nederlaag gaf hij niets. In zijn nabijheid bevond zich mevrouw Von Baldereck, die met het eene oog het gezelschap, en met het andere haar dochter, en met het zesde zintuig, waarvoor geen naam bestaat, en dat, volgens beweren der natuuronderzoekers, de vleermuizen in zoo hooge mate bezitten, den heer Von Fink gade sloeg. Haastig stapte Anton naar haar toe, en verzocht haar hem met een rozenroode dame, die bruin haar en zilveren korenaren scheen te dragen, bekend te maken.

«tiij meent de gravin Lara?» vroeg de vrouw des huizes.

Natuurlijk knikte Anton van ja; Lara, Tata, of Honderdpond, alles was hem op dit oogenblik hetzelfde. De gravin zag hem verwonderd aan, maar hij sprak met groote warmte tot haar over het genoegen van de dansles, van de allerliefste inrichting der zaal, en hoe men tegenwoordig do kunst verstond om vertrekken mooi op te sieren, van den nieuwen wintertuin in Parijs, dien hij den vorigen dag uit een courant had lee-len kennen. J Jij schilderde haar tonteinen en glazen koepels, en vergulde tralies en kunstmatige rotsen met tropische planten en kleine salamanders, die tot vermaak van het publiek daar tusschen heen kruipen, alles met een vuur, toen de kleine dame in het rose langzamerhand ontdooide, en ten laatste dat hij bij de hagedissen gekomen was, ook in vuur geraakte, en hem van haar kant van twee kleine hagedissen vertelde, die zij eens op een steen had gezien en van den vreeselijken schrik, dien

ocr page 113

105

zij daarover had gehad. Zoo zij Antou gezegd liad dat de beide liage-dissen, met de beeiien over elkaar, op de rotsen gezetenen en bier uit een kan hadden gedronken, zou hem dit als een gewoon verschijnsel op het gebied der natuur zijn voorgekomen. Maar juist, toen Anton weer den overgang maakte van de hagedissen tot een groote tentoonstelling van pompoenen, die eenige weken te voren in de stad gehouden was, juist toen donderden de pauken en schetterde de trompet; en het ro-zenroode kleed, zoowel als de zilveren korenaren, zonken voor zijn oogen in den grond, hij maakte een haastige buiging en verliet het verbaasde meisje, voor hij zijn zin had afgemaakt.

Daar stond zijn koningin in gesprek met haar moeder, die, nu kleiner dan de hoog opgeschoten dochter, tot haar op moest zien. De krijgshaftige moed van Anton vervloog, toen hij voor de baronnes stond. Dat waren de fijne trekken, dat onuitsprekelijk voornaam uiterlijk, dat hem eens met stomme verbazing had vervuld. De laatste tijd had de schoonheid dei-baronnes niet verminderd, en de omgeving, waarin hij haar thans zag, verhoogde de betoovering, welke haar verschijning op hem te weeg bracht. De wereldwijze dame erkende terstond in Anton een nieuweling, zijn naderen tot haar getuigde van een overdreven hoogachting, en zijn hoed, dien hij Onder den arm hield, was door den druk wollig geworden en zag er uit alsof hij met een poedelvel was overtrokken.

«Uier is mijnheer Wohlfart,» zei Leonore met een kleine beweging harer handen, «dit is de heer om wien gij mij reeds eens beknord hebt. Ja, mijnheer, ik heb dien keer, toen ik u voor het eerst zag, knorren van mama gehad, omdat ik u zoo lang in onzen tuin had-opgehouden.»

«Dat maakt mij diep ongelukkig,» hernam Anton op een toon van oprecht gevoelde smart. «Ach, gij kunt u niet verbeelden, mevrouw, hoe gelukkig ik dien dag was door de belangstelling der freule ; ik ging vreemde menschen en een onzekere toekomst te gemoet. [Jaar vriendelijke woorden hebben mij moed gegeven. En dikwijls zijn zij mij in eenzame uren weer in de gedachte gekomen, als een goede voorspelling voor mijn toekomst.»

«Gij vertelt dat zoo aandoenlijk, riep Leonore hem strak aanziende.

De baronnes hoorde verwonderd naar Antons uitboezeming, en beschouwde den gevoelvollen danser met een zekere nieuwsgierigheid, waarbij een menschenkenner een lichte ontevredenheid zou hebben zien doorschemeren. Leonore echter brak het gesprek af, dat Anton met haar moeder ging aanknoopen, terwijl zij onrustug zei: «de dans begint, wij moeten weg.» Anton vatte haar hand met de toppen van zijn vingers en geleidde haar naar den kring van de dansende paren.

«Hij walst vrij goed, wat burgermanachtig, te groote kring, maar er is toch teekening in,» prevelde Von .Kink.

«Ken zeer gedistingueerd paar,» riep mevrouw Von Baldereck, in de nabijheid van de baronnes Von Rotlisattel, toen Anton en Leonore voorbij haar walsten.

«Zij spreekt te veel met hem,» zei mevrouw Von Rotlisattel tot baar echtgenoot, die op dit oogenblik juist bij haar kwam.

«Met hem?» vroeg de baron. «Wie is die jonge mensch? Ik heb dat gezicht nooit meer gezien.»

«Uij behoort tot de volgelingen van den heer Von Kink, hij is van geer, adellijke familie, maar moet rijke bloedverwanten hebben in Amerika of Rusland. Mij bevalt die kennismaking met Leonore het best.

ocr page 114

106

«Ivoin,» hernam Imur echtvriend, «hij ziet er uit als een frissche jongen. Vüüi1 zoo'n kinderprefje is zulk een gezicht altijd nog betei', dan die oude jongens, die ik hier in 't gezelschap zie. De jongeren arauseeren zich zeiven en hun danseressen, terwijl Benno Tönnchen alleen pleizier heelt, als hij de jonge meisjes een kleur laat krijgen, ot' haar het blozen afleert. Leonore ziet er recht goed uit. Ik ga naar mijn winstpartij; laat mij roepen, als ge weg wilt gaan.»

Anton hoorde niets van al wat over hem en zijn danseres gezegd werd, en zelfs als de menschen om hem heen zoo hard gesproken hadden, als de groote klok luidt in den hoogsten kerktoren van de stad, zou hij er nog niets van hebben gehoord. Ue aardbol was voor hein zeer klein geworden, niet grooter dan de kring waarin hij met zijn danseres ronddraaide; wat daar wellicht nog buiten bestond, was duisternis, woestenij, een niets: alleen wat hij in zijn arm drukken mocht, vervulde al zijn zinnen. Het schoone blonde haar, zoo dicht bij zijn hoofd, dat hij met zijn lokken de hare kon aanraken, haar warme adem, die over zijn wangen speelde, de onuitsprekelijke bekoorlijkheid van den witten handschoen, die haar poezele hand verborg, de geur van haar zakdoek, de frissche bloem, die voor aan haar kleed was vastgemaakt, dat alles zag en gevoelde hij, en anders niets. Als zij gedurende den dans zich vertrouwelijk door hem om het midden liet nemen, als zij hem ook onder het dansen vroolijk aanzag, als hij haar buiten adem aan zich klemde en zij zich zachtjes van zijn hand los maakte, een arband verschoof' of haar allerliefsten zakdoek een oogenblik voor den mond hield, hoe bekoorlijk waren dan niet al haar bewegingen! hoe betooverend de vriendelijke groet barer oogen, of hoe minzaam haar lachje, ah Anton iets zei dat haar aangenaam was!

En hij had het geluk haar lo bevallen: zij zei hem dat hij alleraardigst sprak en dat men met genoegen naar hem luisterde. Och, wat hij praatte was onverschillig; hij zou waarschijnlijk niet minder succes hebben gehad, zoo hij over Nieuw-Zeeland of over den keizer van Japan gesproken had. Want niet wat hij vertelde, maar de wijze waarop hij het zei, de stille hulde zijner oogen, de bevende toon zijner stem, drong vleiend door tot het hart van het jonge meisje.

De pankenist zweeg, de trompetter lei zijn instrument weg, de aardbol loste zich op in een somberen chaos, «'t Is jammer,» zei Leonore, toen de laatste toon was uitgestorven.

«Ik ben u dankbaar voor dit geluk,» sprak Anton, terwijl hij de dame naar haar plaats terug geleidde.

Toen hij onder de vreemde menschen rondzwalkte, gelijk een schip zonder roer te midden van de bruischende golven, kwam Von Fink naar hem toe en zei: «Hoor eens, gij schijnheilige, je hebt of zoeten wijn gedronken, of je zijt een listige intrigant. Van waar ken je de Rothsattels? je hebt me nooit iets van hen verteld. Zij is een mooi meisje, een klassiek gezicht. Heeft zij ook goed haar verstand?»

Anton had op dit oogenblik zijn vriend kunnen verklaren dat hij hem diep verachtte. Zulk een ruwheid van uitdrukking kon slechts uit een geheel ontaard gemoed voortkomen.

«Verstand?» herhaalde hij en zag Von Fink met een blik yan doo-delijken haat aan; «wie daaraan kan twijfelen, moet zelf zeer weinig verstand hebben.»

ocr page 115

107

«Nu, mi,» zei Von Fink verbaasd, «ik bevind me niet in dien wan-hopenden toestand. Ik vind liet meisje, of om met meer eerbied te spreken, de jonge dame zeer innemend; ja om in de taai van oen beschaafd mensch de waarheid te zeggen, buitengewoon beminnelijk; en als ik niet ergens anders gebonden was, weet ik niet of ik niet genoodzaakt zou worden, de dame, wier naam ik zoo even gewaagd heb uit te spreken, voor de meesteres mijns harten te verklaren. Zooals het nu is, mag ik ze alleen op een afstand bewonderen.»

Von Kink was toch zoo kwaad niet. lu zijn uitdrukkingen niet altijd even kiesch, had hij overigens inderdaad oen zoer juist gevoel en een trouw hart. Daarom vatte Anton zijn arm, drukte dien krachtig en zei: «Je hebt gelijk, Von Kink.»

«Werkelijk?» ging Von Fink op zijn gewonen toon weer voort. «Nu je begint aardig; ik wil liever met een stuk brandende zwavel in een kruitton zitten, dan met u en je schuchter voorkomen. Maar vergeet nu niet freule Eugenie voor den eerstvolgenden dans te vragen, je zult een blauwtje loopen, want zij heeft haar woord al gegeven. Je hebt je tot nog toe goed gehouden. Ga zoo voort, mijn zoon.»

Fn Anton ging voort zijn meester eer aan te doen. Wel was hij bevangen, maar door een sterker drank dan zoeten wijn. De muziek, de opwekking van den dans en het vroolijk gewemel om hem heen verhoogden zijn opgewondenheid: hij voelde zich den ganschen avond op zijn gemak, ja haast overmoedig; en gedroeg zich, eenige kleine vergissingen niet meegerekend, als iemand die dagelijks die door waskaarsen en knechts in liverei is omringd. Hij werd opgemerkt, hij verwekte als vreemde eenig opzien. Duistere sprookjes over zijn geheimzinnige afkomst liepen van den eenen hoek van de zaal, waar de moeders zaten om te onderzoeken en te oordeelen, naar den anderen. Hij werd uitgemaakt dat dat vroolijke en onschuldige I a i s-ser aller het gevolg was van een bijzonder zelfvertrouwen. Mij werd met voorkomendheid behandeld door eenige oudere dames, weldra ook door enkele heeren.

Fn eindelijk kwam de cotillon. O, gij langste en merkwaardigste aller dansen! Gij half spel en half dans! Bekoorlijk als gij de enkele paren in den kring doet ronddraaijen, nog bekoorlijker als gij hun veroorloofd ongestoord en half verscholen te keuvelen. Wij hooren dat gij bij het tegenwoordig geslacht voor verouderd en burgerlijk doorgaat. Wispelturige eeuw! Wetenschap en staatkunde zullen niets nieuws uitvinden, wat aan zoo veelvuldige behoeften des menschdoms voldoening geeft als gij. Daar hebt ge de kinderlijke dartelheid, zij kan in de py-ramide meewerken, zij kan kruip-door sluip-door spelen, zij kan heren derwaarts loopen, oude heeren van het speeltafeltje voor een extra dansje halen, zij kan op een stoel zittende drie of vier jonge dames verachtelijk voor zich laten staan, zij kan door danslust aangestast eensklaps van den stoel opspringen, de eene of andere dame omvatten en met haar in de rondte walsen, en geen sterveling kan het haar verbieden. Daar zijn naturen die hooger streven, die verborgen gevoelens hebben ; of eerzucht of boosheid of menschenhaat; alleen zijt gij welkom. Gij geeft iederen heer het recht meer dan eens een danseres naar zijn hartelust te zoeken, gij vergunt elke dame op de teederste wijze aan te duiden, welke twee of drie heeren haar hoogste achting genieten, gij deelt aan eerzuchtige dansers lintjes en orders uit, gij hecht groote bloe-

ocr page 116

108

niciiruikei's vast aan den boezem van de gevierde dame. (iij laat echter ook versmade heeren tandenknarsend rondloopen, om zich de eene of andere f a u t e - d e - m i e u x-danseres op te zoeken; gij toont aan, wie de lievelingen zijn van het gezelschap, maar maakt den onbekende en den onbeminde nog eenzamer en verlatener. Als gij begint, worden de blikken der moeders angstig, de neuzen van oude tantes spits. Gij kinderlijke, vroolijke, eindelooze dans! hoeveel gelukkigen hebt gij gemaakt, hoewel stille tranen doen vergieten, hoe menig bruidspaar hebt gij samen gebracht, welke folteringen der ijverzucht al niet opgewekt! 't Is waar, ge hebt ook zwarte stofwolken opgejaagd, ontelbare (lanstoiletten ontoonbaar gemaakt, en menige doodelijke vijandschap in 't leven geroepen. Zoo waart gij in uw bloeitijd de blijdschap der jeugd, de groote gebeurtenis van den avond voor de moeders, de schrik van vermoeide vaders, een gruwel alleen voor de muziekanten.

Zoodra de cotillon begon, trachtte Anton in Leonores nabijheid te komen, hij verzocht haar om dien dans.

«Ik wist dat gij hem met mij dansen zoudt, antwoordde zij oprecht; hij haalde haar een stoel, schoof dicht naast haar en was zalig. En toen het zijn taak was om op zijn beurt een vreemde dame te halen, haar iets te geven dat midden in den kring in een mandje lag, en daarna met haar te dansen, gaf hij de geheele wereld de duidelijke verklaring, dat voor geen andere dame de kans bestond om eenige plaats in zijn hart te vervullen; hij nam zijn geschenk uit den mand, wachtte tot dat zijn danseres op haar plaats terug kwam en overreikte haar den rooden sjerp. Dat was voor beiden het heerlijkste oogenblik van den ganschen avond.

Wat daarop volgde was maar een verward droomgezicht. Hij zag zich met Von Kink gearmd door de zaal slenteren, hij hoorde zich met andere heeren over allerlei dingen spreken en lachen, hij meende te bemerken dat hij voor de vrouw des iniizes een diepe buiging maakte en zijn dank mompelde, het scheen hem toe, dat een knecht hem zijn jas overhandigde, waarop hij in zijn zak tastte en hem iets gaf. Duister en verward waren al die beelden. Eén ding slechts zag hij duidelijk : een witte damesmantel met zijden capuchon en een kwast daaraan. O die kwast, hij was verrukkelijk! Nog eens viel een blik uit de groote oogen vriendelijk en glinsterend op hem en hij hoorde van haar lippen nog een zacht fluisterend; «Goeden nacht,» Al het overige was weder een onbeduidende droom: dat hij naast Von Kink de trappen afsteeg en de spottende woorden zijns vriends maar half hoorde, dat hij op zijn kamertje kwam, de lamp aanstak, en rondkeek of hij werkelijk hier woonde; dat iiij zich langzaam uitkleedde, zich nog in zijn bed verwonderde dat hij al die heerlijkheid had beleefd, en eindelijk vermoeid insliep. En een droom was het, dat zijn huisgeest, de gele kat, op haar achterste pooten ging staan en den kop schudde over den langen stoet van vreemde beelden en gewaarwordingen, die in het vreedzame vertrek hun intrek waren komen nemen.

ocr page 117

iO!)

11.

Sinds dien merkwaardigen avond ging de dansles geregeld door. Nadat Anton liet vagevuur van liet voorstellen had doorgestaan, voelde hij zich te midden van de lluweelen kleedernn, do adellijke namen en de canapeekussens met geborduurde wapens, weldra zeer tejiuis. Hij werd zelfs een nuttig medelid van het kransje en wel door de burgerlijkste van alle deugden, door orde en trouwe plichtsbetrachting. En dat kwam aldus. Hei kransje was geen gewone dansles, want bij ile verschillende deelnemers veronderstelde men bekendheid met de eerste beginselen der kunst; het doel der vereeniging was veel meer, eenige nieuwe dansen aan te leeren en den omgang van eenige bevriende familiën op deze wijze gemakkelijk te maken. Nu bleek het weldra dat het gemak zeer naar den zin van Vou Fink was, het in-studeeren van nieuwe dansen daarentegen door hem eu verscheidene anderen met een soort van laakbare onverschilligheid behandeld werd. Uij kwam dikwijls tegen het eind van de dansles; hij beschouwde de zaal slechts als een gelegenheid om de jonge dames te plagen en met de rijpere schoonheden een uurtje te praten; hij hield tot ontsteltenis des dansmeesters de stelling vol, dat zoo men bij den dans niet met den gewone pas terecht kon, de eenvoudige galoppas voor alle gevallen goed genoeg was, en dat hij het bovendien voor het grootste genoegen bij onze dansen hield om regelmatig uit de maat te geraken en er weer in te komen.

«Maar mijnheer Vou Kink,» jammerde de dansmeester, «dat kan men geen dansen meer noemen, daar is geen kunst aan.»

«Er moet ook geen kunst aan zijn,» zei Von Fink, «wat heeft de kunst met ons dansen te maken?» Wat gij de jeugd leert is niets anders dan een gemeenschappelijk ronddraaijen om een denkbeeldig middelpunt. Mij verveelt dat, daarom volg ik de kometenbaan.» En hij bleef aan deze opvatting getrouw; hij dvvon^ de oilers, die hij zich verwaardigde te vragen, dwars door de rij der dansers heen te gaan; van den eenen hoek der zaal naar den anderen, uit de maat, weer in de maat, al naar het hem goed dacht.

Tegenover deze uiterst vreemde beschouwingswijze, die helaas! maar al te veel aanhangers in het kransje vond, gedroeg Wohlfart zich met de regelmatigheid van een man, die met genot zijn plicht vervult. Hij kwam op zijn tijd, hij maakte iederen pas, danste allo dansen, was altijd vroolijk en opgeruimd en vond er zijn genoegen in om jonge dames, die weinig in trek waren, te vragen. Daar nu dooide lichtzinnigheid van Von Fink en zijn vrienden zich weldra gebrek aan dansers deed gevoelen, werd Anton binnen kort een steunpilaar van de danszaal, een lieveling des meesters en een vertrouwde vaii de jonge dames, door wien verborgen wenschen van de helderliclite zijden van de zaal naar het meer donkere midden werden overgebracht. Hij zelf was in die uren zalig, en de uitdrukking van genot, die op zijn gelaat te lezen lag, viel jonge zoowel als oudere dames als iels ongewoons in het oog. De eerste werden in de overtuiging versterkt dat hij een goede jongen, en de andere in de volstrekt daarmee niet strijdige meening, dat hij een onbekende prins was. Hij zelf echter wist het best waarom hij zoo gelukkig was. Al zijn gedachten en bewegingen hadden maar één voorwerp, waarop zij betrekking had-

ocr page 118

110

den: Imr namelijk, de onbeperkte koningin zijns harten. Alle andere dansen en elk gesprek met een derde besehouwde hij als maatschappelijke krullen, welke de pen van zijn hart om den éénen naam schreef. En hij diende ook niet zonder gevolg. Hij werd door haar als een oud vriend onder vreemden behandeld. Zij verzocht hem zachtjes dezen of genen dans met haar te doen, ja zij vroeg hem zelfs eens om ter gunste van een nieuw aangekomen neef voor die reis van zijn recht af te zien. En zij verheugde zich als Anton er vreeselijk bedroefd over was, geen andere dame vroeg, maar stil naar het dansen bleef kijken. Nooit verwijderde hij zich voor zij de zaal had verlaten; dan stond hij niet ver van de deur om nog den laatsten last, een groet, een blik van haar stralend oog op te vangen. En ook haar oog zocht, zoodra zij de zaal binnen kwam, rechts en links blikkende onder de schaar van zwartgerokte heeren, tot zij Anions bruine krullehul herkend had; dan eerst voelde zij zich tehuis in de schitterende ruimte.

Ook met vele vreemde heeren kwam Anton weldra op goeden voet. Von Fink haastte zich hem bij Feroni te brengen. Wel is waar was er veel dat hem bij zijn nieuwe kennissen niet aanstond ; hun oordeelvellingen waren dikwijls ruwer, dan hem aangenaam was, en het duurde niet lang of hij vermoedde dat velen van hen inderdaad onbeschaafd waren. Maar hun manier van spreken en handelen werkte op hem, bovenal een zekere ridderlijke dampkring, die hem omgaf; deels salongeur, deels stallucht, ook een belangrijk deel koffiehuisdamp. Daar Anion onschuldig van aard en de vertrouwde vriend van den machtigen Von Fink was, en bovendien soms blijken gaf van eigen wil, wanneer hij na middernacht tegen een voorgestelde laatste flesch protesteerde of de afwezige dames tegen een af te scherpe beoordeeling verdedigde, kreeg hij spoedig onder de andere heeren van de dansles den naam van een Hinken kerel.

Terstond, al in de eerste weken, kwam Anton in de gelegenheid om zijn aangebeden danseres in een toestand te zien, die de hevigste men-schelijke hartstochten in beweging bracht. De jonge dames van het kransje waren natuurlijk onder elkander één hart en één ziel;'t spreekt intusschen van zelf dat enkelen in 't geheim anderen niet best mochten lijden. Zoo ontstonden er partijen. Weldra vormden zich twee groote eedgenootschappen, tusschen welke sommigen bleven dobberen, maar die over 't algemeen zeer gesloten waren en in stilte sterke antipathieën hadden tegen de tegenpartij. Hel kwam zoo ver dat op zekeren avond alle dames van de eene partij een witte camelia in het midden van haar balbouquet droegen en een zeer in 't oog loopend licht bruin lint van den ruiker liet afhangen; dit had het noodzakelijk gevolg, dat de tegenpartij den volgenden avond met roode camelias in haar bouquet verscheen, met een groen lint er aan. Aan het hoofd van de bruinen stond Leonore, de groenen werden aangevoerd door Eugenie, de dochter des huizes. In vertrouwen gezegd, de groenen waren onuitstaanbaar. Zij waren aanmatigend zonder eenige aanspraak te hebben, zij waren spotachtig, zij namen het air aan van ouder te zijn dan de bruinen. Omdat Hulda Werner en Mathilda Fiorelli den vorigen winter in de hofstad waren geweest en daar op de hofbals hadden gedanst, en omdat Fanny Mareschalk bij een tableau v i v a n t Geno-veva had voorgesteld, met haar broeiijo en een zeekalf naast zich, die met linten aan den houten zodenbank waren vastgehouden, daarom

ocr page 119

Ill

droegen zij het hoofd zoo hoog. Tot de bruinen behoorden Theone Lara en de bekoorlijke liildegard Salt, twee boezemvriendinnen, die altijd gearmd liepsn, dezelfde balkleedjes droegen, en in het begin van den winter gezworen hadden elkaar nooit te zullen verlaten : een eed die daarom alleen wat moeijelijk te vervullen was, wijl haar ouders des zomers in de twee verst van elkaar gelegen provinciën woonden. Beiden waren dwepende zieltjes, die alle gevoelens samen deelden; beiden zongen, beiden speelden piano, beiden hadden dezelfde lievelingsdichters, beiden hadden een onoverwinnelijken afkeer van heeren met bakkebaarden, beiden zaten als twee rijstvogeltjes samen en vonden haar hoogste zaligheid hierin, dat zij elkaar de gewaarwordingen in 't oor fluisterden, welke de houding der heeren of de zwaarmoedige inleiding tot een wals bij haar verwekte, deze beiden sloten zich weldra innig bij Leonore aan. Zij, Valeska Panin en Hortense Leloup vormden het middelpunt der bruine partij. Leonores lijzige gestalte stak boven den kring harer getrouwen nit als die van een hoofdman onder zijn soldaten. Zoodra een dans was afgeloopen, sprak het als van zelf dat de bruinen bijeenkwamen. Als zij in een quadrille tegenover elkaar dansten, hieven zij ongemerkt de bouquettjes in de hoogten en groetten elkander.

Natuurlijk was Anton volbloed bruin, bruin van top tot toen, en als hij van deze overtuiging een sprekend bewijs gaf, door op een avond in een bruin en wit gestreept vest te verschijnen, werd hij bij ile eerste figuur van den cotillon door alle dames zijner partij gekozen ; een gebeurtenis die zelfs aan de oudere dames, die zaten toe te kijken, stof tot gesprek en nadenken gaf, Hot doet den waarheidslievenden geschiedschrijver leed te moeten melden dat Von Fink tot de groenen werd gerekend: niet zoo geheel en al, want hij behandelde, volgens het beweren der bruinen, zijn groene dames zeer onbeleefd; maar dewijl Kugenie lialdereck voornamelijk op zijn diensten aanspraak maakte, was het, gelijk Anton verontschuldigend opmerkte, zijn vriend niet mogelijk zich geheel aan den invloed van die kleur te onttrekken. Nu had het volgende plaats :

Theone Lara hield een dagboek waarin zij haar gewaarwordingen met een zwarte kraaijenveer in schier onzichtbare kleine letters optee-kende. Behalve de reeds vroeger vermelde geschiedenis van de Iwee salamanders stond er alles in wat ooit haar hartje had doen kloppen, haar beschouwingen over de menschen, de natuur en het kransje. Het was haar grootste schat. Op een goddelijken avond had zij liildegard Salt in de geheimen van dit boek ingewijd, beiden hadden elkaar omhelsd en geweend en boven dit boek eeuwige vriendschap gezworen. Van dien tijd af hielden zij het dagboek te zamen. Haar verborgenste gevoelens, de allergeheimste opmerkingen stonden er in opgeteekend. Na een danslesavond, dat Leonore zeer lief tegen haar was geweest, ontsloten zij haar hart ook voor deze en toonden haar althans enkele bladen van het boek. Sinds dien lijd had Leonore ook het voorrecht gesmaakt er somtijds in te schrijven. Daar haar kracht echter niet zoo zeer lag in het ontboezemen van haar gewaarwordingen als wel in het teekenen van gezichten en bespottelijke mannetjes, had zij er eenige caricaturen in geplaatst, en Hildegard die verzen kon maken, had onder ieder beeldje eenige regels gezet. In dit dierbaar boek mocht geen vreemdeling een oog slaan, niemand mocht het heiligdom zien of aanraken. Het was onafscheidelijk van Theone: dag en nacht droeg zij het bij

ocr page 120

412

zich. 's Nachts lag liet onder haar hoofdkussen, en als de kamenier haar aankleedde, stak zij het heimelijk in haar korset en droeg het op haar warm onschuldig hart. 't Was een klein dun boekje in roode zijde ingebonden. Als Hildegard haar teeder aanzag of Leonore haar met haar balbouquet op den arm tikte, wees zij geheimzinnig met den vinger naar haar borst. Dezen avond had zij het boek ook weer op de gewone plaats geborgen; gedurende de eerste dansen had zij het duidelijk gevoeld. Na alloop van een quadrille tastte zij er naar: het boek was weg!

't Was weg, het was niet meer bij haar, het moest onder den dans er uitgesprongen of uitgegleden en op den grond gevallen zijn. Hoe zoo iets mogelijk was, is voor haar zelve en haar deelgenooten altijd een onoplosbaar raadsel gebleven. Zij was op het punt van flauw te vallen; nauwelijks had zij nog kracht genoeg om Hildegard ter zijde te nemen en haar het schrikkelijk voorval mede te deelen. Hildegard riep Leonore. Als vernietigd stonden de drie naast elkaar. Met honds-heiligdom was verloren, het was in vreemde handen gevallen, ja, vreeselijk om te denken, wellicht zelfs in handen van de groenen. Op de laatste bladzijde stonden ondeugende opmerkingen: verschillende heeren w ren er belachelijk in voorgesteld; wel is waar met vreemde namen; Von Fink heette Sijs, Tönnchen Notenkraker '), maar wie kon hopen, dat zij dat cijferschrift niet zouden verstaan ? En wat zou er dan gebeuren? 't Was volslagen ondergang! Ondergang van de dansles, familietwist, losmaking van alle menschelijke en maatschappelijke banden. Theone zat verplet, zij dacht een oogenblik aan vergift, dan aan een vlucht ver uit alle landen waar men danste.

Leonore kwam het eerst tot bezinning. «Laat ons zoeken», riep zij en nam Hildegard onder den arm, «misschien ligt het nog ergens in de zaal. Ik kijk naar het midden, onder de voeten der heeren, gij onder de stoelen van de dames.»

Zoo gingen zij samen door de zaal: uiterlijk voor haar pleizier wandelende, maar quot;met een hel in het hart; schijnbaar keuvelende, maar innerlijk weenende. Nu en dan sprak een vervelend heer haar aan en dwong haar stil te staan en te antwoorden, terwijl het vreeselijk denkbeeld haar dooi' het hoofd voer: «nu vindt een ander het misschien.» Zij gingen door de groepen van de groenen, waar zij telkens moesten ophouden, om vriendelijk te lachen en iets liefs te zeggen; zij kwamen bij Eugenie Baldereck, die haar vroeg of zij het niet geschikt zouden vinden nog één dans meer te doen, terwijl zij er aan moesten denken, hoe in het boek en onmiskenbaar portret van die dame te zien was, met het onderschrift: «Neuswijs, gevoelloos, een beetje mal is E.... li....» Zij kwamen, o wee! zelfs in de nabijheid van Von Eink, van wien een vreeselijke teekening bestond, hoe hij met mijnheer Von Tönchen onder een wijngaard zat, met het volgende versje er onder:

Een Sijs en een Notenkraker dronken zich vol.

En de eerste hief aau met zijn spitsen bek;

Kijk. mijn veeren zoo groen, 'k bon zoo groen en zoo gek.

Maar de andere klaagde: 'k Ben zoo akelig hol,

Ik weet niet, 'tis vast niet pluis in mijn bol.

1) Ik vraag excuus voor dit germanisme „Nussknackerquot; is in hel Dnitsch een vogel, maar om de volgende toespeling heb ik do woordelijke vertaling moeten verkiezen.

VHliT.

ocr page 121

ii3

Zoo wandelden zij de zaal tweemaal door; een derden keer durfden zij niet, zij hadden niets gevonden. Troosteloos kwamen zij bij Theone terug.

«Er blijft maar één middel over», riep Leonore. «Waar is mijnheer Wohlfart ?»

Hildegard hield haar tegen; «Je wilt toch niet een heer...?

«Ik sta voor hem In», zei Leonore lier; «hij is getrouw, waar staat hij ?»

«Gituïs spreekt hij met mevrouw Von Baldereck.» De beide zoekende meisjes gingen langzaam voorbij; hij stond wel met den rug naar haar toe, doch zoodra zij naderbij kwamen, voelde hij een onweerstaanbaren lust om naar de muziek te zien. HU keerde zich om en Leonore stond voor hem, en zag hem veelbeteekenend aan. Hij brak het gesprek met mevrouw Von Baldereck af en sprak de dames aan, zij hadden hem beet. «Mijnheer Wohlfart, een klein boekje in roode zijde zoo groot ongeveer, is hier in de zaal door Theone Lara verloren. Wij stellen er hoogen, zeer hoogen prijs op: ik bid u, bezorg het ons terug.»

«Is het gedrukt?»

«Neen, geschreven ; zelfs gij, moogt er geen oog in slaan ; onze geheimen staan er in. Zweer ons dat gij het niet openen zult, als gij het vindt.»

«Dat zweer ik u», antwoordde Anten plechtig.

«Ik dank u, wees nu voorzichtig.»

Anton begaf zich spoedig in het gewoel der menschen en deed hot eerste kwartier niets anders dan zoeken. Niets lag op den grond, niets lag op de zitplaatsen, geen van do knechts had iets gevonden, het boek was spoorloos verdwenen. Met het diepste medelijden kwam hij de meisjes deze treurige tijding brengen. De nieuwe dans begon. Theone kon van hoofdpijn niet opstaan, de verborgenste hoek haars harten was geopend, de inhoud midden op straat geworpen, al haar gevoelens lagen bloot voor ieders oog, al haar geheimen werden gemeenschappelijk eigendom eener ruwe wereld. Leonore gevoelde het ongeluk meer, zoodra zij aan de partijschap dacht. De bruinen liepen gevaar een neerlaag te lijden, die ze nooit te boven zouden komen. En dan dansen! 't Was een dans als op een vulkaan, de grond was gloeijende lava, elk oogenblik kon men de uitbarsting wachten. Uoe langer de eedgenooten over haar lot nadachten, des te angstiger werd het vooruitzicht; want telkens vielen haar nieuwe ijselijkheden te binnen, die in het boek stonden. Toen de dans geëindigd was, gebeurde het bij toeval dat Von Fink voor Hildegard met den voet op den vloer stampte en tot haar zeide: «üe grond klinkt zoo akelig hol; waar mag dat vandaan komen? Misschien ligt er een verborgen schat onder.»

Hildegard vloog naar Leonore en naar het kranke rijstvogeltje en riep buiten zich zelve: «Mijnheer Von Fink weet het.» De bruine linten zweefden naar een hoek, de meisjeshoofden staken bijeen en hielden raad. Eindelijk werd besloten dat Von Finks woorden zeer onrustbarend waren, maar nog geen zekerheid van het ongeluk gaven.

Maar ook deze flauwe hoop zou vervliegen, want Von Finks houding werd in 't oogloopend: Hij verzuimde heden zijn eigen partij, hij zocht alle bruinen op, hij ging naast Theone zitten, die de akeligheden van Julia's sterven en den ondergang van het huis Capulet reeds driemaal doorgestaan had en haar tranen niet langer kon terughouden: hij knoopte een gesprek met haar aan, hij dwong haar te antwoorden, U li HUT KN CHI0U1Ï 1. 8

ocr page 122

iU

bij beklaagde haar, omdat zij er zoo bleek uitzag, en weet de schuld aan de warme kamer. Hij plaagde ze, tot zij flauw dreigde te vallen, en besloot zijn helsche wraakoefening hiermee dat hij haar op Hulda Werner opmerkzaam maakte, en vroeg; «Hoe bevalt u die groene japon? Ziet zij er niet uit als een sijs?» — Zijn eerstvolgend slachtoffer was Leonore. Zij stond onder haar schaar nog altijd met den trots eener vorstin maar van een onttroonde; ten aanhooren van al haar getrouwen sprak Von Fink haar aan. Zij was vriendelijker tegen hem dan ooit te voren. Zij perste haai' zakdoek ineen, dat de kant scheurde, om zijn lachje te kunnen beantwoorden. Alles ging goed totdat hij den heer Von Tönnchen die voorbij kwam, in 't gesprek betrok en hem toeriep: «üenno, kraak je graag noten?»

Benno Tönnchen, die ook een groene was, zei verwonderd: «Neen; als freule Leonore er ons een gegeven heeft, vrees ik dat zij te hard voor mij zal wezen.»

Thans was het uitgemaakt, geen twijfel langer mogelijk: Von Fink had het boek. De bruinen liepen door elkaar, de partij geleek een hoop ontstelde kiekentjes, waarop een havik komt aanvliegen. Alleen Leonore verzamelde al haar moed en stapte met waardigheid naar Von Fink toe. «Gij hebt het boek, mijnheer Von Fink, een mijner vriendinnen heeft het verloren en is or zeer ongelukkig door. De inhoud is niet voor vreemde oogen bestemd, en kan in dit gezelschap aanleiding tot veel onaangenaamheden geven. Ik verzoek u dringend mij het boek tc geven.

«Een boek?» vroeg Von Fink nieuwsgierig, «wat voor een boek?»

«Houd u maar niet zoo onwetend,» zei Leonore, «het is ons allen duidelijk dat gij het hebt. Ik kan niet gelooven, dat gij, na al wat ik u van de mogelijke gevolgen gezegd hebt, het nog een oogenblik zoudt willen houden.»

«Ik zou er toe in staat zijn,» antwoordde Von Fink; «gij zijt al te goed, als ge bij mij op zoo groote gevoeligheid rekent.»

«Dat zou al heel onaardig zijn,» riep Leonore uit.

«'t Zou mij de moeite niet waard zijn, heel onaardig te zijn, als ik hel boek maar had. Een boek, dat u of een uwer vriendinnen toekomt, dat wellicht uw handteekening of oen andere herinnering van u bevat, dat zal ik nooit teruggeven als ik het vind; en wanneer ik hoor waar het ligt, zal ik het stelen; en als ik het heb, zal ik hot regel voor regel van buiten leeren. Ik zal mijn best doen mij bij u aangenaam te maken door er, telkens als ik het genoegen heb u te ontmoeten, u eenige plaatsen uit voor te dragen.»

Leonore kwam een schrede dichter bij hem en haar oogen vlamden. «Als gij dat doet, mijnheer Von Fink,» riep zij, «dan handelt gij als een nietswaardige.»

Von Fink knikte haar vriendelijk toe. «Dat vuur staat u bijzonder goed, freule, maar hoe kunt ge waardigheid verlangen bij een vroolij-ken sijs, gelijk ik ben ? De natuur heeft haar gaven verschillend uitgedeeld. Sommigen heeft zij het talent geschonken om verzen te maken, anderen teekenen kleine beeldjes; ik heb van haar een spitsen bek gekregen, dien moet ik wel gebruiken, flebt gij ooit een waardigen sijs gezien?» — Hij keerde zich lachend om, nam Benno Tönnchen onder den arm en ging met hem naar de deur.

Leonore spoedde zich naar Anton. «Mijnheer Von Fink heeft het

ocr page 123

boek, ik smeek u, bezorg gij het ons terug, bij beeft bet geweigerd. Hij mag er niet verder in lezen, liet zou Tbeones dood wezen.»

Anton greep baastig zijn overjas en ijlde zijn vriend na, die reeds op straat was. «Naar Feroni, Anton I» riep Von l ink bem toe, aan den arm van Benno Tönncben wandelende.

«Ik moet een woordje in vertrouwen met u spreken,» zei Anton zacbt tot bem.

«Nu niet, bruine afgezant, riep Von Fink, «ik wil niets met je te maken bebben.»

«Ik bid je. Frits,» smeekte Anton bem bij den arm nemende, «geef bet boek terug, de meisjes sterven van angst.

«'t Zal wel gaan,» zei Von Fink.

«Geen van baar doet van nacbt een oog diebt,» riep Anton,

«Des te beter; wij zullen bet ook niet doen. Zij kunnen allen gezamenlijk bij Feroni komen, als bet baar tbuis te benauwd wordt. Wij blijven tot morgen bijeen. En gij, Anton, zult beden nacht niet zonder mij naar 'buis sluipen, maar zulk blijven zitten, en wel in geheimen doodsangst.

«Wat is dat voor een geschiedenis met dat boek?» vroeg Tönncben aan den anderen kant.

«Zwijg, bid ik je,» fluisterde Anton.

«Een dolle verwarring, antwoordde Von Fink, «je zult alles hooren.»

«Om Godswil, zwijg toch,» smeekte Anton.

«Ik zal me naar je eigen gedrag richten,» zei Von Fink; «loop,je weg, dan lees ik aan de anderen het geheele boek voor.»

Zoo kwamen zij bij Feroni aan. Anton overlei bij zich zeiven, of hij Von Fink zou aanvallen en hem met geweld bet boek ontnemen; maar de uitslag was onzeker. Dringend vragen kon beden niets baten. List alleen kon helpen. Terwijl bij hier over nadacht, zetten de hoeren zich op bun gemak neer in bet kleine achtervertrek, bun gewone koffiekamer. Behalve Anton en Von Fink waren daar nog Zernitz en lönnchen, de kleine Lanzau, en Werner, een neef Baldereck (deze laatste een jonge heer met uitpuilende oogen, die in bet boek met den naam van «boomkikvorsch» was bestempeld) en twee Tronka's. niet van de Tronka-llams, maar uit de andere lijn, waarin het majoraat is.

«Wat zullen wc drinken?» vroeg Von Fink.

«De man zijn flesch,» antwoordde Zernitz.

«Wel ja, waarom niet?» riep Von Fink.

«Alleen niet dien zwaren witten bourgogne, daar je altijd mee aankomt,» zei Guido Tronka. «Van onze laatste bijeenkomst zijn do aren mij nog gespannen als koorden.»

^ «Dan maar ale en porter, een eerzaam half-en-half,» stolde Von Fink voor.

«Superbissime,» riep de kleine Lanzau, die geestig was.

«Dat is ook al weer zoo'n moordende drank,» klaagde Zernitz.

«üei, jongen, bier?» riepen de heeren, en bet vocht werd besteld.

Intusschen had Anton een wanhopend middel uitgedacht. Hij ging naar buiten, gaf den knecht een daalder en den last om de kachel van de kleine achterkamer gloeijen te stoken, en zonder zich te storen aan do klachten van de heeren er voortdurend kolen op te doen. Hij zelf zette zich zoo ver van de kachel als maar mogelijk was on zag

ocr page 124

llü

tot zijn blijdschap (lat Von Fink dicht bij den ijzeren cylinder had plaats genomen. Spoedig moest hem de warmte ondragelijk worden, dan trok hij zijn rok uit, zooals hij altijd in zulke gevallen deed, en dan was het mogelijk het roode boek voor zijn eigen oogen uit den rokzak te halen.

«ik neem de vrijheid u een groot nieuws mee te dealen, begon Tönnchen. «Ilub je Tronka's Alice gezien, Von Fink?»

«Neen,» zei Von Fink, inschenkend; «is het een paard of een vrouw ?»

«Natuurlijk een paard,» riep Tönnchen.

«Bah, laat van daag het stalbuis rusten,» zei Von Fink.

«Maar 't is waarachtig ernst!» riep Tönnchen. «Guido heeft het voor de wedren aangegeven.»

«Betaal maar stropgeld,» sprak Von Fink tot Guido Tronka, «en blijf te huis. Geen harddraver in dezen hoek verslaat Ajax.»

«Kom morgen mijn Alice eens zien,» verzocht Tronka, «ik zou graag hooren wat je er van denkt.» r/

«Hebt ge de nieuwe première amoureuss gezien?» vroeg Zernitz aan Anton, «zij heeft schitterende oogen.»

«Zij loopt prachtig,» riep de andere Tronka Von Fink toe.

«Och kom, zij heeft een hazenlip,» viel de boomkikvorsch verachtelijk tusschen in.

«Wie is dat nu weer?» vroeg Von Fink.

«Wel, Seppi, een monster met kattenoogen,» krijschte de boomkikvorsch Baldereck. «Kom je dan nooit meer in de komedie?»

«Neen,» antwoordde Von Fink, «maar ik zend er mijn stalknecht heen. Als ge gevoelens hebt, waarbij hij u behulpzaam kan zijn, moet ge hem maar om assistentie vragen.»

Het begon warm le worden. Anton voelde dat het noodzakelijk was de heeren af te leiden. Hij verzocht mijnheer Von Zernitz om een koddig verhaal in volksdialekt, dat de luitenant hem onlangs had medegedeeld, hij lachte luide met den boomkikvorsch mee, en bepraatte den oudsten Tronka een avontuur op de disschen, dat den dood van een haas en een snip had veroorzaakt. Hij nam een llesch en schok de glazen vol.

Het werd warmer. De heeren schoven ontevreden met de stoelen heen en weer, en riepen den knecht.

«Het vervliegt terstond,» troostte deze. , i i

«Ik kan niet begrijpen dat gij het warm vindt,» zei Von 1'ink kalm, «integendeel, je kunt er nog gerust wat opdoen.»

Maar de hitte werd ondragelijk, de heeren werden boos, en b erom zelf geroepen. Anton was heftig tegen het openen van de vensters, omdat men nog te warm was van het dansen. Von Fink verklaarde de temperatuur voor hoogst aangenaam en hield zijn rok aan. Anton werd wanhopend. Eindelijk nam hij tot het laatste middel zijn toevlucht, hij trok zelf zijn rok uit om zijn vriend tot een gelijk besluit te bewegen. Terstond deed Von Pink hetzelfde, lei den rok vooizichtig opgevouwen op zijn stoel en zag glimlachende naar Anton, die met de grootste oplettendheid al zijn bewegingen gadesloeg.

«Het boek zit niet in den rok,» knikte Von 1quot;ink hem toe; «de moeite was vergeefs, bedenk maar iets anders.» i i ••

Anton sloeg het venster open. «Ik beproef niets meer, sprak hij gelaten, «je bent mij te slim.»

ocr page 125

117

«Geduld maai1,» zei Von Fink. Zeruitz vertelde grappige anekdoten, Tönnchen allerlei leugenachtige verhalen van danseressen, de kleine Lanzaa dronk zich oen roes.

Eindelijk sloeg Von Fink op de tafel. «Attentie, heeren! Ik wou het verborgen houden, maar 't is onmogelijk, het schreeuwt om wraak ten hemel.»

«Anton sprong op: «Ik bid je Frits.»

«Houd je kalm, kachelstoker!» riep Von Fink. «Luistert, mijne heeren, ik heb heden een geheim dagboek van de bruinen gevonden en het doorgebladerd.»

«Hoera, voor den dag er mee!» riepen alle heeren.

«Er staan zeker verzen in?» zei Zernitz.

«Zeker nog meer heerlijke onzin,» meende Tönnchen, «fantaisie en boosheid van onmondigen.»

Anton was woedend.

«Ongetwijfeld staat er onzin in, en de verzen lijken mij slecht. Hoor eens, Zernitz, wat hebt gij met de kleine Lara gehad?»

«Niets,» zei de luitenant verwonderd, «ik heb een paar maal met haar gedanst, dat is alles.»

«Ja, zoo moet het gekomen zijn, ging Von Fink voort. «Arme Theone! Ik heb een gedicht gelezen, dat de gravin op u gemaakt heeft. Nu, 't is waar, gij ziet er niet onaardig uit, zijt geen kwade kerel, maar ik had het toch onmogelijk geacht, dat men met zoo'n verrukking van een man kon spreken!»

«Laat me eens zien,» vroeg Zernitz haastig.

«Mier? zei Von Fink op verwijtenden toon, «hier in tegenwoordigheid van dezen woesten troep I Al is ook Lara, die mij heden in haar angst allerliefst toescheen, juist niet uw uitverkorene, hebt ge toch geen reden om de reine liefde van het meisje hier te ontheiligen.»

«Ue hebt gelijk,» zei Zernitz, maar onder vier oogen zult ge het mij laten lezen,»

«Wel zeker,» antwoordde Von Fink. «Gij weet ik heb weinig gevoel voor een wezen, dat den rok langer draagt dan tot de knie; er als er iets op de wereld is, dat mij geheel koud laat, dan zijn liet jonge kiekentjes, onverschillig of zij in boter zijn gebraden, of in balkleedjes rondfladderen. Maar de waarheid moet haar recht hebben: de meisjes, die het dagboek samen gehouden hebben, zijn ingoede, onnoozele zieltjes, er staat geen enkele onaardige opmerking in.»

Hij wendde zich tot den neef Baldereck. Van uw nicht is op iedere bladzijde met een liefde en hartelijkheid gesproken, die even zoo billijk als treilend mag genoemd worden. Het strengste oordeel wordt over mij geveld ; ik word een sijs genoemd.»

«Op die manier is het boek vrij vervelend,» zei Benno Tönnchen.

«Ja, als u niet schelen kan, wat Hildegard Salt over u er ingezet heeft.»

«Veel goeds zal het niet wezen, antwoordde Benno nieuwsgierig.

«Neen,» zei Von Fink, «zij spreekt van u op een toon, die uw kennissen wezenlijk bedroevend moet voorkomen. Gij wordt groot en stil genoemd. Uw gezicht een model van mannelijke kracht. De dichteres vindt je vol kennis, geest en vernuft; zij vraagt of zoo'n mensch niet te belangrijk is om tot de zwakke meisjes af te dalen. Nu vraag ik u allen, hoe

ocr page 126

118

kan een verstandig kind, zooals Iliddegard Salt is, zich zoo vergissen om it in 't geheim te aanbidden ? Want bij de laatste llescli kunt gij eon vrij vroolijke kameraad zijn, Benno, maar als ik een meisje was en mij een ideaal zocht, zou ik liever een notenkraker tot mijn afgod maken dan u.»

Tönnchen trok een leelijk gezicht.

«Staat er ook iets van ons in?» vroeg mijnheer Von Werner, ook een van do groenen, een broeder van vier schoone zusters, buurman van de Rothsattels, van jongen adel, maar schatrijk.

«Van u weinig,» hernam Von Fink, «slechts twee regels.» Hij nam hot boek op, zag er in en zocht. Anton drukte zijne handen samen onder de tafel. «Smartelijke schikking des noodlots, Leonore bemint en tracht te vergeefs haar gevoel te verbergen. En de beminde behoort lot de vijanden. O, Georg W. Nu volgen er eenige punten en drie uitroepingsteekenen.» Von Fink stak het boek weer weg. Anton werd bedaard. Dat kon niet in het boek staan, ook zag hij dat de neusvleugels van Von Fink zich sterk bewogen, een onmiskenbaar teeken dat hij iets ondeugends in 't schild voerde.

Zernitz schoof zijn glas weg en zei: «'t Is onbescheiden dat wij in deze kamer spreken over hetgeen die meisjes hebben gevoeld,»

«Ik ben van hetzelfde gevoelen,» riep Benno Tönnchen met vuur.

«Ik ook,» riep Ueorg Werner.

«Je moet het boek verzegelen en terugzenden,» sprak de kikvorsch.

«Ü, gij gemoedelijke zielen», riep Von Fink in de gelukkigste stemming, «omdat uw krullebollen door zachte handen worden geaaid, wordt uw hart teergevoelig. Ik wou uw gezicht wel eens zien, als ik het tegendeel uit het boek had voorgelezen. Ei, ei, en geen uwer kent Skakespeare!»

«De gravin Lara en llildegard zijn te lijngevoelig om in het boek te schrijven, wat uw boosheid er gaarne in gevonden had, riep Zernitz.

«Freule Rothsattel is wel trotsch,» riep Werner, «maar zij heeft geen reden om van mij iets anders dan de waarheid te zeggen. Ik heb ze altijd in stilte voor een degelijk meisje gehouden, die wel waar is om de vrouw van een eerlijken jongen te worden.»

Von Fink knikte hem goedaardig toe, dan hief hij het boek in de hoogte en sprak met de oogen naar boven gericht: «Waarom word ik niet op dit oogenblik van deze zondige aarde weggenomen en in een betere omgeving geplaatst? Ik ben een engel en niemand merkt het en niemand zal het gelooven, het minst van allen de vrouwen. Hier, Anton ontvang het boek! Niet door kachelhitte, niet door overredig of dwang is het veroverd; door de vrijwillige beslissing der dansende heeren wordt het ongelezen teruggezonden.»

Anton greep het boek, ijlde naar de schrijfkamer van Feroni, schreef op een stukje papier: «Von Fink hoeft eenige bladzijden gelezen, hij zal zwijgen, anders heeft niemand een regel gezien,» pakte brief en boek in een ontslag, zegelde het behoorlijk toe en zond dit door een van Feroni's knechts nog op den laten avond naar het huis van de gravin Lara, met het uitdrukkelijk en door een tal van beloften versterkt bevel dat de bode, in weerwil van alle moeielijkhoden door nacht-wachts en lakeien in het huis en tot aan deur van het slaapvertrek moest dringen, waar, gelijk hij met grond onderstelde, Theone nu haar lokken door een stroom van heete tranen in druipende touwtjes veranderde.

ocr page 127

II!)

I Jet feest liep laiigzameihaiKl af. Do warme kamer, liet krachtige vocht om hot mijmeren van de meeste heeren maakten vroeger een einde aan de zitting, dan Von F inks bedoeling was geweest. Eindelijk stond hij op, maakte den knecht wakker en zeide tot Anton: «Betaal de rekening.» Toen Von Fink met Anton naar huis ging, begon hij; «Wees maar gerust, Tony, alles was natuurlijk gelogen, wat ik uit het boek heb verteld. Inderdaad was daarin al de boosheid opgezameld, waartoe een vereeniging tortelduiven in staat is.»

«Ik heb het wel gemerkt.» zei Anton recht blijde, «de eerstvolgende les zullen uw heeren aardig hun hof' maken.»

«De een of ander zal het meisje, dat ik hun heden toegedacht heb, nog huwen; ik ga me nu op het koppelen toeleggen.»

Anton zweeg gebelgd. «Houd Je bedaard,» zei Vonk Fink, «je zidt je toestemming ook moeten geven. Zeg eens, hoe bevallen je die heeren?»

«Ja,» antwoordde Anton, ixwat zij zoggen, komt mij meestal zeer alledaagsch voor, maar zij hebben oen vertrouwen, een fiduci die ze nooit verliezen, zelfs als zij zich wat vergeten.»

«Wel,» zei Von Fink, «dat gaat nog al; zij zijn in hun kring, door het leegloopen met nichtjes aan de armen en sporen aan de laarzen bedorven; zij kunnen in 't geheel genomen tot voorbeeld dienen, hoe men niet wezen moet, als men amusant wil zijn. Hun liederlijkheid is niet vroolijk. en hun vroolijkheid erbarmelijk: in een paar jaar zijn zij verschaald, en niet te gebruiken als slechte wijn. Die Tönnchen wordt al wat zuur. Ik heb grooten lust ze je een volgenden keer eens dronken te laten zien.»

«Spreek toch niet zoo lichtzinnig» sprak Anton.»

«Och, gij onnoozele jongen,» zei Von Fink. «Kom, maak de deur open en geef me mijn beurs terug.»

«Je hebt van daag weer een groote rekening betaald,» merkte Anton op. «Wees toch niet al te mild, bid ik je, het is voor de anderen te vernederend.»

«Bekommer je daar niet over, Anton,» antwoordde Von Fink: «ik stel me ver boven hen, daarom is het billijk dat ik voor hen betaal.»

«Ik hoop dat je nooit voor mij zult betalen,» zei Anton.

«Neen», hernam Von Fink, «gij zult het voorrecht hebben je eigen kassier te zien: in ben tevreden als ge den huissleutel voor mij draagt en bij mij je cigaar uitrookt, terwijl ik mij uitkleed. — lioe laat is het?»

«'t Is bij tweeën,» antwoordde Anton verwijtend.

«Dan zijn wij zeker de laatsten. Toen ik hier eerst kwam, kon het huis zulke buitensporigheden niet verdragen. Toen ik den eersten keer bij het morgenlicht dezen monstersleutel in het slot stak. vreesde ik dat de oude muren op mij zouden neervallen. Nu zijn zij er aan gewend, de hond, de knecht en de patroon. Dikwijls blijf ik alleen langer uit, om die afschuwelijk ploertige orde hier wat te storen.»

Als llildegard Salt, na een slapeloozen nacht in tranen doorgeworsteld te hebben, tegen den morgen zich nog eens omkeerde om wat te rusten, werd zij door een briefje van Theone Lara gewekt. In den aanhef deelde zij haar met een zwarte kraaijenpen haar overtuiging mede, dat voor haar op deze wereld geen plaats meer was, maar wijzigde in de tweeden helft die beschouwing in zoover, dat zij llildegard en Leonore voor den vol-

ocr page 128

•120

gDiiiloii dag o|) een kopje chocolade vroeg om ter eere van liet gelukkig geredde boek een plechtig feest te vieren. Op deze bijeenkomst der bruinen werd de ontwijding van liet dagboek door mannenoogen levendig besproken. Schrikkelijk was het dat Von Fink er in gezien had. Maar ook Anton Wohlfart had het boek in handen gehad en het was zeer te vreezen dat hij het eveneens had doorgelezen. Leonore was overtuigd dat Wohlfart er geen oog in geslagen had. Hildegard daarentegen hield staande dat hij een man was, en dat geen man, hoe voortreffelijk overigens, tol zoo'n bescheidenheid in staat was. Na lange woordenwisseling besloot men hem op de proef te stellen : «Als hij er in gekeken heeft,» zei Leonore, «dan heeft hij zeker het eerst het titelblad gelezen.»

«liet titelblad mocht hij zien,» sprak een bruinevogel.

«Ik had hem verboden het boek te openen,» zei Leonore, «en ik weet dat hij er geen letter van gezien heeft. Gij zult allen hooren hoe hij mijn vragen beantwoordt.»

Toen Anton nu bij de eerstvolgende dansles binnenkwam, ging Leonore aan het hoofd harer partij hem te gemoet; haar gelaat teekende bezorgdheid, en alle bruinen deden haar best het hoofd te laten hangen en er even treurig uit te zien. «Ach, mijnheer Wohlfart, wat iiebt ge gedaan? liet boek dat ge aan Theone gezonden hebt, was niet haar dagboek, het was een agenda van een heer.»

«Hoe kan dat wezen?» riep Anton ontsteld.

«Al dadelijk öp het eerste zijdje was de rekening, den 29 gedateerd, van een nieuwen rok, den 30 een flesch rooden wijn en twee nieuwe sporen, liet boek helpt ons niets.» Alle bruinen nu schudden het hoofd en zagen mismoedig op den grond.

Anton zocht zich te verontschuldigen. «Von Fink haalde het roode boekje uit zijn vestjeszak en overhandigde het mij, ik zond het dadelijk goed veizegeld weg.»

«Dan moet mijnheer Von Fink het boek hebben verwisseld,» ging Leonore voort; «maar waarom hebt ge het niet even ingezien?» vroeg zij met verwijtende blikken, «althans het titelblad.»

«Dat durfde ik niet,» zei Anton, «ik had u immers beloofd er geen oog in te slaan. Ik ga Von Fink roepen.»

«llo,» riep Leonore, «wacht een ougenblik. Heeft hij er in gezien of niet.'» vroeg zij zegevierend aan haar vriendinnen.

Een bewonderend «neen» kwam van aller lippen. «Blijf hier, mijnheel' Wohlfart, het is het goede boek dat gij gevonden hebt. Eenigen onzer betwijfelden of een man, of gij zelf het dagboek ongelezen hadt kunnen teruggeven; ik bezweerde dat gij er toe in staat waart en heb het nu aan mijn vriendinnen bewezen.»

«Ik dank u voor uw goede meening,» zei Anton verheugd.

«Ik verwacht van u alles wat braaf en goed is,» zei Leonore en zag hem met innig vertrouwen aan.

Dat was een heerlijke avond in het kransje. Anton was tot aan den cotillon door een stoet van dames omgeven, die hem met hartroerende vertrouwelijkheid behandelden, en als het oogenblik kwam dat de gekleurde sjerpen werden uitgedeeld, werden de panden van zijn rok van boven tot beneden behangen, zoodat hij er uitzag als de bontste hofmaarschalk van het vasteland.

Maar er gebeurde nog veel meer. De partij der groenen dreigde te

ocr page 129

verloopen. Zernilz, Georg Werner en de kleine Lanzau dansten dien avond alleen niet de bruinen. Hildegard Salt beleefde een vreeselijk hult' uur aan den arm van Tönnchen, die liaar onder een wals met ridderlijke beleefdheid, ja men moet zeggen met teederheid behandelde en haar daardoor in de grootste verlegenheid bracht; Leonore had veel te lijden van de eerbiedige aanvallen van den boomkikvorsch, van Georg Werner en den kleinen Lanzau, die alle drie eensklaps tot de overtuiging waren gekomen, dat Leonore hun oprecht gemeende huldebetooning niet onwaardig was. Eugenie zelve was heden tegenover de bruinen louter hartelijkheid, zij hing aau Leonores arm en kuste, door haar gevoel overweldigd bij het afscheid Theone op beide wangen. En mevrouw Von Werner ging naast de baronnes Rothsattel zitten, beloofde haar eerstdaags met haar dochter een bezoek te komen brengen, vroeg verlof om haar Georg mede te brengen, en was er niet over uitgesproken, hoe gelukkig haar kinderen nog den volgenden zomer zouden zijn, dat de dansles hen op zoo vertrouwlijken voet Leonore had gebracht. Kortom, geheel de dansles scheen veranderd. Met uitzondering van de groene dames, die over de ontrouw harer heeren boos waren, was alles in een gemoedelijke stemming, die zich openbaarde in een algemeene menschenliefde, maar vooral in een innige genegenheid voor de dames van het bruine verbond. Deze merkten met eenige verlegenheid deze verandering op, de hartelijkheid van Eugenie, de ongeveinsde eerbewijzingen van de vijandige heeren; maar helaas! tot een waar genot van haar geluk konden zij niet komen, in haar borst voelden zij de wroeging van het kwaad geweten en rondom haar heen waarde de spookachtige gedaante van Von F ink, den alwetende. Door een enkel woord kon hij de onbegrijpelijke begoocheling, die haar omgaf, wegnemen. Den ganschen avond bleef hij op een afstand van de schrijfsters in het dagboek, eerst tegen het einde van de les naderde hij Leonore. «Is freule Eugenie van avond niet allerliefst? Ik geef toe, dat zij ongevoelig is, maar dat kleine gebrek zal wellicht met den loop der tijden in een geheel tegenovergestelde eigenschap veranderen.»

Leonore zag hem verlegen aan. «Kom met mij,» sprak zij eindelijk, «naar Theone Lara. Heer Von Kink,» riep zij daar, «heeft recht op onzen dank, wij willen hem allen smeeken dat hij over het boek zal zwijgen, gelijk hij tot nu toe heeft gedaan.»

«Ik wil mij daartoe verbinden,» antwoordde Von Fink, «maar onder ódne voorwaarde. Een ofler moet ik hebben. Ik moet de dame weten die het versje geschreven heeft onder zekeren wijnstok. Ik moet iemand hebben, die ik haten kan, van wie ik bij gelegenheid alles wat leelijk is mag vertellen, iemand die er voor boet, dat gij zoo lichtzinnig waart de bewijzen van haar scherp vernuft in mijn handen te laten komen. Noem mij die ééne en ik geef u vrijwillig mijn woord, dat ik tegen-over vreemden geen letter uit het dagboek zeggen zal.»

Onder de groep ontstond een angstige gejaagdheid, ieder vreesde voor zich de prooi te zullen worden van den wraakgierigen Indiaan. Leonore zag Hildegard aan, die doodsbleek werd, en zei: «Ik heb de teekening gemaakt en de verzen er onder aan mijn vriendin voorgezegd ; nu gij het gezien hebt, vraag ik u om vergiffenis; meer kan ik niet doen; en als gij nu plan hebt u op mij te wreken, zal ik mijn best doen uw haat te dragen.»

ocr page 130

-122

«.Good zoo,» sprak Von Vink lachende, «ik zal mij wreken, ik zul u van lieden af haten. Intusschen is het mij aangenaam te bemerken dat ook het vergankelijks te van alle gevoelens, meisjesvriendschap, de ongelukkigen, die er door bevangen zijn, tot heldhaftige zelt'opoll'ering kan opwekken. Och, freule Hildegard, vindt ge niet dat Benno Tonn-chen een dooi' en door goed ventje is? Ook zijn figuur is zoo slecht niet. Wat volle dik, zult ge zeggen, maar juist dat volle maakt hem en zijn familie zoo belangwekkend.»

liet laatste gevolg van dezen gelukkigen avond was dat op een nieuwe vergadering der bruinen het besluit werd genomen de trouwe ridderdienst van Anton Wohlfart op schitterende wijze te beloonen. Na lang beraad vond men goed dat Theone met haar vriendinnen een prachtige beurs voor hem zoo haken. Den volgenden morgen werd er dadelijk zijde en paarlen gekocht. Leonore wilde, om er niet buiten te blijven, voor die gelegenheid zich zelve de edele hpakkunst leeren. Reeds vonkelde de ééne kant van schitterende bruine zijde en goud, toen er gebeurtenissen plaats grepen, die de voltooijing verhinderden.

III.

liet is een treurige ondervinding dat de bovenaardsche machten en menschenkind niet lang in bet ongestoord genot laten van een zeldzaam geluk. Zij hebben liet zoo slim aangelegd, dat bijna altoos de eene snaar in ons binnenste losspringt, zoodra zij de schroef van een andere opdraaijen. Natuurlijk is wanklank het gevolg daarvan. Deze wreede behandeling ondervond ook Antons ziel.

In tie eerste plaats gebeurde het, dat het kantoor voortging de verandering in Antons leven met een vorschend oog na te gaan. Allerlei soorten van verbazing heerschten in de verschillende vertrekken van het achterhuis, maar allen kwamen hierin overeen, dat Anton sints de dansles zeer in 't oogloopend en geenszins tot zijn voordeel veranderd was. Inderdaad echter was die verandering niet zoo groot, 't Is waar, Anton was in zijn vrije uren minder met zijn ambtgenooten dan vroeger, hij bracht vele avonden buitenshuis door, en als hij een enkele reis zijn ambtgenooten gezeldschap hield, dan was hij veel verstrooider, ja wellicht lette hij ook minder op de hem welbekende, eigenaardige zwakjes van de verschillende heeren. Hij was te verstandig om ten gevolge van zijn nieuwe kennissen uit de hoogte op hen neer te zien en hen door liet vertellen van zijn avonturen te vervelen ; maar hij kon er toch niet buiten nu en dan vergelijkingen te maken tusschen den toon en de manieren zijner omgeving, die hij, daar hij ze goed kende, weinig telde, en den toon en de manieren in de zaal der adellijke dame, die hern, wijl zij nieuw voor hem waren, ontzag inboezemden. I let kantoor noemde zijn grooter ingetrokkenheid trots, zijn herhaalde afwezigheid onvergefelijke lichtzinnigheid, en hij, weleer de lieveling des huizes, werd juist daardoor met de grootste strengheid beoordeeld. Hij zelf gevoelde de koele houding der gematigden, de in 't oog loo-

ocr page 131

123

pende onverschilligheid der driftigen, en vond de behandeling liefdeloos. Vandaar kwam het dat hij de avonden, waarop hij geen aanleiding had om uit te gaan, meestal alleen met Von Fink doorbracht en dat beiden to zamen na verloop van weinig weken als aristocraten tegenover de andere heeren stonden.

Anton werd door die verhouding meer gekweld dan hij zelf wel wilde bekennen; hij gevoelde bet aan zijn schrijftafel, op zijn kamer, ja zelfs bij het eten in het voorhuis. Hoogst zeldzaam sprak een zijner ambtgenooten hem aan; als Jordan een inlichting verlangde, wendde bij zich niet meer tot hem, maar tot Bauman; als de kassier tegen het ontbijtuur in het voorste kantoor kwam, ging bij niet meer naar Antons plaats toe; en als Specht zich op zijn zetel omkeerde en midden onder het schrijven een dwaze vraag aan de omstanders deed, l ichtte hij wel meer dan vroeger bet woord tot Anton, maar deze vond het juist geen verbetering van zijn toestand, als Specht hem lluisterend in 't oor schreeuwde; «Is het waar, dat baron Von Uerg appelschimmels heeft?» of: «Moet men bij mevrouw Von Baldereck verlakte laarzen of schoenen dragen ?» Het wreedst echter werd Anton door zijn vroegeren beschermheer Pix behandeld. Overgroote verdraagzaamheid was nooit 's mans zwak geweest, en om een niet recht duidelijk te verklaren reden zag hij in den tegenwoordigen Anton een soort van verrader van het kantoor, van de groote weegschaal en van het solo-spel. Hij was gewoon zijn jaardag zoo feestelijk mogelijk te vieren. Hij noodigde dan zijn vertrouwde vrienden, onder welke Anton bovenaan op de lijst stond, om 's avonds op zijn kamer te komen en zette bun dien dag bij uitzondering wijn voor en een tulband, dien hij zelf bij den bakker bestelde en alle jaar nog grooter zocht te maken. Om dezen tijd kwam zijn jaardag terug, en Anton had, ofschoon mijnbeer Pix in de laatste weken zeer kortaf tegen hem was geweest, toch een nitnoodi-ging verwacht en daarom geweigerd dien avond bij den heer Von Zer-nits door te brengen, die hem verzocht had. 's Morgens vroeg vóór het kantooruur ging hij naar den heer Pix op zijn kamer en feliciteerde hem. Mijnbeer Pix nam den wensch zeer koel aan, maar bewees hem de eer niet hem te vragen. Na tafel kwam Anton den reusachtigen tulband tegen, die met behulp van een bakkersjongen met groote moeite de trappen van het achterhuis opklom; op het kantoor begreep hij uit een los gezegde van den heer Specht dat deze reis alle ambtgenooten waren verzocht om feestelijk den dag te vieren, waarop Pix door zijn komst een leemte in de schepping had aangevuld. Allen waren uitgenoodigd, alleen Anton en Von Kink niet.

Met recht was Anton hoogst gevoelig over deze uitsluiting en was er verdrietiger om dan wel noodig was geweest. En ten overvloede zei Specht hem zeer vertrouwlijk, dat Pix ronduit verklaard had, dat een jong mensch, die met officieren omging en 's nachts feest vierde bij Feroni, geen geschikt gezelschap was voor een solieden koopman. Toen Anton dien avond alleen op zijn kamer zat en het vroolijk gepraat zijner vroegere vrienden beneden hoorde, overviel hem een bange en neerslachtige stemming, en geen van de schitterende beelden, die de laatste tijden in zijn ledige uren hem hadden beziggehouden, zelfs liet liefelijkste van allen niet, was krachtig genoeg om door den dikken nevel van mismoedigheid te dringen, die hem omgaf.

liij was ook met zich zeiven niet tevreden en zocht allerlei

ocr page 132

-124

zulfpijiiigeiiile aanUlacliteii tegen zich. Hij was een ander menscli geworden. Hij was juist niet lui in de werkuren, maar hij had toch geen pieizier in zijn werk; het was hem dikwijls tot last. 't Was hem een enkele reis overkomen dat hij in zijn brieven iets belangrijks had vergeten, ja zelfs had hij zich een paai' maal in de prijzen vergist en Jordan had hem met een korte aanmerking de brieven teruggegeven. Hij herinnerde zich dat de patroon zich in de laatste weken volstrekt niet om hem bekommerd had en dat voor weinige dagen Sabine hem op den trap koeler had begroet dan haai1 gewoonte was. En onlangs toen de tante over het verstoren harer nachtrust klaagde, omdat iemand zoo laat en met zoo'n leven de deur had opengemaakt, hadden alle ambtsbroeders terstond verwijtende blikken op hem geworpen. Zelfs de trouwe Karei had hem, voor de laatste dansles, op spottenden toon, gelijk het Anton toescheen, gevraagd of hij den huissleutel wel bij zich had. In zulk een stemming ging Anton aan zijn schrijftafel zitten en begon zijn kasboekje eens door te bladeren. In de laatste weken had hij zijn uitgaven niet opgeschreven; angstig greep hij de pen en ging in zijn geheugen alle gemaakte verteringen na om het verzuimde in te halen. Met schrik ontwaarde hij dat zijn schulden te zamen een som bedroegen, die hij niet voldoen kon, zonder de kleine nalatenschap zijner ouders aan te spreken. Hij gevoelde zich diep ongelukkig. Langen tijd hadden hooge, blijde tonen in hem geklonken. Het noodlot had op de eene snaar de heerlijkste melodie gespeeld, thans begon de andere snaar dof te brommen. De dissonnant zou nog sterker worden.

üienzelfden avond kwam de koopman geheel uit zijn humeur van do societeit te huis. Kortaf beantwoordde hij Sabines groet en wandelde met driftige schreden de kamer op en neer.

«Wat is er, Traugott?» vroeg de zuster.

üe broeder naderde haar stoel. «Wilt ge weten, hoe Von Fink zijn beschermeling bij mevrouw Von Baldereck heeft binnengebracht? öij waart zoo spoedig klaar om u over zijn vriendschap te verblijden. Hij heeft een heel weefsel van leugens uitgedacht, en den onbedreven Wohlfart tot een ellendigen avonturier gemaakt.» Hij verhaalde haar vervolgens, dat een bejaard officier hem gevraagd had naar Antons betrekkingen en, wat daarbij voor den dag was gekomen.

«Maar is het dan zeker, dat Von Fink (lie llauwe praatjes verzonnen en dat Wohlfart er van geweten heeft?» vroeg Sabine verlegen.

«Dat Von Fink er de hand in heeft gehad is buiten kijf. De streek gelijkt al te veel op hem. Dat is die lichtzinnige, roekelooze geest, die niets heilig acht, zelfs niet den goeden naam van zijn vriend.»

Sabine leunde achter in haar stoel en knikte werktuigelijk met het hoofd. Ja, zoo was het. Wederom stond haar hart tegen hem op. «Ach, hoe treurig!» zuchtte zij. «Maar Wohlfart is onschuldig, Traugott, dat weet ik zeker. Zoo te liegen ligt niet in zijn aard.»

«Ik zal het morgen vernemen», zei de koopman. «Om zijnentwil hoop ik dat ge gelijk moogt hebben.»

Den volgenden morgen ging de patroon door het voorkantoor en verzocht Anton om bij hem in de kleine achterkamer te komen. Daar

ocr page 133

125

dit uiterst zelden gebeurde, volgde Anton met het voorgevoel dat er een onweer in aantocht was. De patroon sloot de deur achter hem, ging zeer ernstig voor hem op zijn leeren stoel zitten en begon op strengen toon: «Mijnheer Wohlfart, ik acht het mijn plicht met u over geruchten te spreken, die zich in de stad hebben verbreid. Men houdt u voor een rijk jong mensch van geheimzinnige af komst. Men vertelt dat gij groote bezittingen hebt in Amerika en dat hooggeplaatste personen in stilte een warm belang in u stellen. Ik neem aan dat ook u deze geruchten ter core zijn gekomen, en wou gaarne weten wat gij gedaan hebt om ze tegen te spreken.»

Anton antwoordde verbaasd, maar met fermheid: «Ik weet niets van zoo'n gerucht, ik heb enkele keeren van vreemdelingen wonderlijke toespelingen gehoord op mijn vermogen; ik heb die steeds tegengesproken.»

«Maar hebt ge ze krachtig genoeg tegengesproken?» vroeg de koopman streng.

«Ik geloof van ja», antwoordde Anton eerlijk.

«Er zou aan het ijdel geklap niet veel gelegen zijn», ging de patroon voort, «wanneer niet uw eigen karakter er mee gemoeid was. Want de wereld zal geneigd zijn om aan te nemen dat gij zelf om de een of andere reden bij het verspreiden van dit gerucht werkzaam zijt geweest; voor den naam eens koopmans echter is niets erger, dan dat men hem verdenkt van de bedoeling om door logen en kunstgrepen zich een krediet te verschaflen, waarop hij geen aanspraak kan maken.»

Anton zweeg.

De koopman vervolgde: «Dovendien wordt door die praatjes ook de goede naam uwer ouders aangerand, want men wil weten dat gij de geheime zoon zoudt zijn van een zeer aanzienlijk man.*

«O, mijn goede, goede moeder!» riep Anton uit en wrong zich do handen, terwijl de tranen uit zijn oogen stroomden. Hij was zoo getroffen dat de patroon hem tijil moest laten om tot zich zeiven te komen en eindelijk tot hem zei; «Houd u bedaard, mijn jonge vriend; thans rust de plicht op u de onwaarheid van die verhalen aan het licht te brengen. Gij zult daartoe bedaarheid en zedelijken moed noodig hebben.»

«Het vreeselijkst is mij de gedachte», riep Anton nog altijd buiten zich zeiven, «dat gij wellicht zelf gelooft dat ik die leugens zou hebben uitgedacht, of ze mij heb laten aanleunen om mij tot een man van gewicht te maken. Ik smeek u mij te gelooven, tot op dit uur heb ik er niets van geweten.»

«Ik wil u gaarne gelooven», zei de koopman vriendelijker, «maar ge hebt toch verscheiden dingen gedaan, om aan zulke praatjes voet te geven. Ge zijt voortdurend gezien in een kring, die anders-voor jongelingen van uw stand niet zeer toegankelijk is. Ge hebt hier en daar verteringen gemaakt, die klaarblijkelijk uw middelen te boven gaan, en in elk geval voor u ongepast waren.»

Anton had min of meer een gevoel dat hij het hart der aarde een vrij wat pleizieriger verblijf zou vinden dan haar oppervlakte. «Ja», zeide hij eindelijk diep bedroefd, «gij hebt gelijk, ik heb zeer verkeerd gehandeld met boven mijn kring en stand omgang te zoeken, ik heb dat den ge-heelen tijd door gevoeld ; sints eenige dagen dat ik mijn boek opgemaakt en gezien heb dat ik in schulden ben geraakt», — hier glimlachte

ocr page 134

126

de koopman bijna onmerkbaar, — «is het mij duidelijk geworden dat ik op den verkeerden weg ben; ik lieb alleen niet geweten, hoe ik terug zou gaan. Nu zal ik niet meer dralen,» vervolgde hij treurig, «en gij zult, hoop ik, zoo goed willen zijn om te beslissen of ik mij voortaan verstandig gedraag.»

Von Fink heeft u immers in het gezelschap van mevrouw Von lial-dereck gebracht? Ik dacht het al,» zei de patroon glimlachend, «misschien weet hij iets meer van de geruchten, die u nu zoo onaangenaam zijn.» . ,

«Vergun mij dat ik in uw tegenwoordigheid zijn getuigenis inroepe, dat ik niets van al die praatjes geweten heb en dat ik zelf wel lichtzinnig ben geweest, maar niet laag. Von Fink is mijn vriend en weet

alles van mij.» . ....

«Wanneer het u rust geeft, mij wel,» zei de patroon en liet mijnheer Von Fink roepen.

Von Fink zag bij het binnenkomen verwonderd op den diep bewogen Anton en vroeg, zonder op de tegenwoordigheid des koopman veel te letten; «Wat duivel, Anton, heb je geschreid?»

«Om lasteringen,» antwoordde de heer Schröter ernstig, «die zijn degelijkheid als man van zaken en de eer zijner familie hebben aangetast.»

Daarop vertelde hij met korte woorden wat de zaak was.

Von Fink lachte en liep: «Hij is nog een kind; waarom stoort hij zich aan het ijdele gesnap der menschen?»

«Hij heeft geen recht die praatjes te verachten, want hij heeft ei door zijn omgang in de kringen, waar gij hem binnengeleid hebt,

voedsel aan gegeven.»

«Voor we verder gaan, verzoek ik je dringend hier voor den lieer Schröter te willen verklaren, dat ik van dit alles niet het minste geweten heb; je kent me genoeg om te weten dat ik geen voet in de zalen van mevrouw Von Baldereck zou hebben gezet, als ik het mogelijk had geacht, dat zoo iets van mij gezegd kon worden.»

«.Hij is geheel onschuldig,» zei Von Fink met overtuigende oprechtheid tot den patroon «onschuldig en onschadelijk als het viooltje, dat stil in het verborgen bloeit; als iemand schuld heeft bij deze bespottelijke geschiedenis, dan ben ik het en na mij de dwaze menschen, die zoo iets hebben verbreid. Wees maar bedaard, Anton, als de zaak je displeizier doet, zullen wij ze spoedig wel weer in orde brengen.»

«Ik zal nog ééns naar mevrouw Von Baldereck gaan en haar kennis geven dat ik de danslessen niet meer kan bijwonen.»

«Dat houd ik ook voor het beste middel,» zei de koopman.

«Ik vrees dat het niet veel zal helpen,» merkte Von I' ink aan.

«Dan heb ik althans het mijne gedaan,» riep Anton.

«Zooals je wilt,» zei Von Fink «Dansen heb je nu toch geleerd en ook met fatsoen je hoed afnemen en een buiging maken.»

Tegen den middag zei de koopman tot zijn zuster: «Ge hebt gelijk gehad: Wohlfart was in de hoofdzaak onschuldig. Von Fink heeft in zijn onberadenheid de geheele geschiedenis uitgedacht.»

«Ik wist het wel,» riep Sabine en pikte haastig door. «Als het mogelijk is, Trangott, voorkom dan nu een nieuwe onbezonnenheid.»

«Zij moeten het zelf maar afmaken,» antwoord de koopman, «ik ben nieuwsgierig hoe zij dat doen zullen.»

ocr page 135

127

Anton werkte dien ganschen dag als iemand die alles wil vergeten, sprak niet meer dan hoogst noodzakelijk was, en klom 's avonds barsch de drie trappen op om zich aan te kleeden, als een man, die zijn besluit heeft genomen.

Von Fink had hem in den loop van den dag meermalen wantrouwend aangeziend en zich zeiven gevraagd: «Wat heeft de jongen voor? Ilij stelt zich aan, of hij zijn eerste duel moet gaan vechten.» En had hij in Antons ziel kunnen lezen, wellicht had liet ook hem geschokt, de smart te bemerken, die aan zijn hart knaagde, 't Was niet alleen gekwetste lierheid, niet de schande voor een avonturier en bedrieger gehouden te worden, want deze beide gewaarwordingen werden verzwolgen door een grooter leed, door de gedachte aan het afscheid van zijn geliefde danseres.

Von Fink ijlde de drie trappen op naar Antons kamer, dien hij reeds gekleed vond; hij zag het bleeke gelaat van zijn vriend, dat heden een paar jaren ouder scheen dan gewoonlijk en vroeg, zijn hand vattende; «Ben je boos op mij?»

«Neen, niet op u en op niemand,» zei Anton bewogen. «Luister naar mij; hoe het gerucht in de wereld is gekomen, wil ik niet weten, 't Is mogelijk dat gij een grap hebt willen hebben met mij on met die andere menschen.»

«Niet met u, mijn jongen,» zei Von Fink.

«In elk geval, gij hebt van de praatjes afgeweten, en mij niets gezegd, dat was niet goed van je; ik zeg het je nu en zal er niet meer op terug komen, en we zullen nooit meer samen over deze geschie* denis spreken.»

«Hoor eens,» zei Von Fink, «mij komt het voor dat je dat geleuter veel te tragisch opneemt.»

«Laat mij,» vervolgde Anton, «heden maar eens naar eigen goedvinden handelen.»

«Maar wat wil je dan doen?»

«Vraag er mij niet naar; ik voel duidelijk wat ik doen moet. Laat ons weggaan.»

«Doe dan wat je niet laten kunt, maar bedenk dit wel; op het gevoel van die menschen kun je niet werken, en hoe hartstochte-lijker ge je zult aanstellen, des te meer pleizier zullen zij er in hebben.»

«Laat mij maai' begaan,» antwoordde Anton, «ik zal kalm wezen.»

Er waren veel menschen in do goed vellichte vertrekken, kleine baltoiletten, veel waskaarsen, de meeste mama's, nog meer papa's waren tegenwoordig; men zou beginnen met eenige ingestudeerde dansen. IJij het binnenkomen lette Von Fink bezorgd op zijn vriend; Anton zag er niet uit als anders, en hij stapte met rassche schreden voort. Hij liet den arm van Von Fink los en ging terstond naar Leonore, die hij reeds voor den eersten dans gevraagd had. Het meisje zag er dien avond bekoorlijker uit dan ooit; zij had een nieuw balkleedje aan, en haar oog straalde van pleizier; zij kwam haar danser een paar passen te gemoet en zei hem op zacht verwijtenden toon: «Gij komt zoo laat, het bal zal dadelijk beginnen en ik had gehoopt vooraf nog wat met u te praten. Papa is ook hier. Ik zal u aan hem voorstellen. — Maar wat scheelt u? Ge ziet er zoo plechtig uit!»

ocr page 136

128

«Freule,» antwoordde Anton met een buiging, «ik ben heden zeer treurig gestemd, ik kan de eer niet hebben den èerstvolgenden dans met u te doen.»

«En waarom niet?» vroeg de jonge dame ontsteld.

«Luister naar mij, freule; ik zal niet lang in dit gezelschap vertoeven en kom van avond alleen om mij bij u en de vrouw des huizes wegens mijn weggaan te verontschuldigen.

«Maar, mijnheer Wohlfart!» riep het meisje, de handen ineen slaande. «Veel meer dan op het oordeel der anderen, stel ik hoogen prijs op uw goede meening,» zei Anton blozende, «en voor u wil ik my het

eerst rechtvaardigen.» it . ,

«Ge behoeft u niet te rechtvaardigen, ik begrijp u met, nep

de freule. ,

Anton vertelde haar in haastige trekken wat hy dien dag van zijn patroon had gehoord en verzekerde haar plechtig dat hij van het gerucht niets had geweten. «Dat wil ik graag gelooven,» zei Leonora zeer vertrouwelijk; «papa heeft dadelijk gezegd, dat het waarschijnlijk niets dan praatjes waren.» — Hier hield zij op, want zij dacht op hetzelfde oogenbük dat haar vader er bij gevoegd had : «die mijnheer Wohlfart mag een goed mensch wezen, maar hij hoort toch met in ons gezelschap thuis.» En omdat gij gehoord hebt,» vroeg zij, «wat men van u vertelt, wilt ge nu de dansles verlaten.»

«Ja, dat wil ik,» antwoordde Anton, «want al* ik hier bleet, zou ik mij aan het gevaar blootstellen voor een indringer, ja misschien wel voor een bedrieger gehouden te worden.»

Leonore stak het hoofd op en zei gekrenkt en driftig; «Welnu, ga

dan mijnheer!» . i • i

Dat was het beste middel om het vertrek van Anton te verhinderen,

hij bleef staan en zag het meisje smeekend aan.

«Waarom gaat gij niet?» vroeg zij nog driftiger.

Anton werd zeer bleek, hij staarde met diepe smart op het gelaat der vertoornde dame en zei mot bevende stem : «Zeg mij ten minste, dat gij niets kwaads van mij zult denken.» .. . .

«Ik zal in het geheel niet aan u denken,» riep Leonore ijskoud en

keerde zich om. • ■ , i

De arme Anton stond een oogenblik als vernietigd ; het was een bittere smart die zijn jonge onbedreven ziel doorsneed. Was hij een jaar of tien ouder geweest, hij zou wellicht die boosheid gunstiger voor zich hebben uitgeleid. De gedachte, dat hij nog niet klaai was, schonk hem zijn kracht terug; hij ging recht op, ja met trotschen tred naar den kring, waar hij mevrouw \oii Baldereck zag staan. Daar waren de voornaamste dames van het gezelschap; de lange magere gravin, die een kop thee dronk, Eugenie's moeder, en naast haar een lange knappe man; Anton wist, zonder dat iemand liet hem had gezegd, dat die statige heer Leonore's vader moest zijn. liet oogenblik, dat hij de vrouw des huizes naderde om zijn buiging te maken, liet hij zijn oogen over het geheele gezelschap gaan. Nog vele jaien later leefde dat oogenblik in zijn herinnering, nog vele jaren laten wist hij de kleur van iederen japon, hij kon nog de bloemen zeggen, die in den ruiker van den baronnes Rothsattel waren, ja hij herinnerde zich zelfs nog de teekening van het kopje, waaruit de gravin dronk. Mevrouw Von Baldereck ontving het compliment van onzen held met een

ocr page 137

429

genadig lachje, en was juist voornemens hem iets vriendelijks te zeggen, toen Anton haar voorkwam en met een van aandoening trillende, doch luide stem, zijn aanspraak begon, zoodat na de eerste woorden de geheels zaal door een algemeene stilte heerschte: «Mevrouw Von Baldereck, ik heb heden vernomen dat men in de stad vertelt, dat ik rijk ben, goederen in Amerika bezit, en dat voorname personen in 't geheim belang in mij stellen. Ik verklaar dit alles voor onwaarheid. Ik ben de zoon van wijlen den ontvanger Wohlfart te Ostrau; ik heb van mijn ouders bijna niets geërfd, dan een eerlijken, onbevlekten naam. Ik ben het aan de nagedachtenis mijner brave ouders en aan mij zeiven verschuldigd, dit hier openlijk te verklaren. Gij, mevrouw, hebt de zeldzame goedheid gehad een vreemd en onbeduidend jonkman zoo vriendelijk in uw huis op te nemen en mij uit te noodigen om dezen winter deel te nemen aan de danslessen. Ik mag, na hetgeen ik van daag gehoord heb, hier niet meer komen, daar mijn verdere bezoeken aan de onwaarheden, die men over mij heeft uitgestrooid, voedsel zouden geven en ik onder verdenking zou kunnen komen van een bedrieger te zijn, die de gastvrijheid van uw huis misbruikt. Daarom zeg ik u oprecht dank voor uw goedheid en verzoek u dringend voortaan met welwillendheid aan mij te denken.»

De toespraak was een tikje te pathetisch voor den kring, waarop zij werken moest; maar zij werkte toch. Er bleef eenige oogenblikken een diepe stilte heerschen; de gravin hield als versteend haar kopje in de lucht, tusschen schoot en mond, en de vrouw des huizes zag verlegen voor zich.

Anton maakte een diepe buiging en ging naar de deur.

Daar ijlde uit de verstijfde groep met gevleugelden tred een lichte gedaante den ongelukkige na, en vatte met haar handen beide de zijnen. Anton zag in Leonores weenende oogen en hoorde nog hoe zij met een flauwe stem, door de tranen gesmoord, hem toefluisterde «Vaarwel 1» Daarop ging de deur achter hem dicht en alles was voorbij.»

Anton keerde langzaam naar huis. 't Was zoo kalm en rustig in zijn ziel, alsof hij nooit in het huis, daar achter zich geweest was; hij zag de groote sneeuwvlokken en had pleizier in de sporen, welke do voetgangers in de heldere sneeuw hadden gemaakt. Als hij smart gevoelde, was het toch een smart zonder bitterheid. Hij droeg zijn hoofd fier en dacht aan alles, waaraan een van zorgen vrije wandelaar denken kan: aan zijn ouders, aan de brieven, die hij op het kantoor had geschreven, aan zijn patroon, en ook aan dien mallen Tinkeles, dien Von Fink heden weer het kantoor had laten uitzetten. Maar in zijn ooren ruischte voortdurend een melodie, die midden door alle gedachten heenklonk; het was Leonores woord:

«Vaarwel!»

In de zaal van mevrouw Von Baldereck keerden het gewone leven en gedruisch terug, zoodra Anton het gezelschap had verlaten. Met eerste woord, dat men vernam, was de bestraflende stem der moeder, die haar dochter tot zich riep, welke bij het vorige tooneel zoo'n verrassende rol had uitgedacht. «Leonore, ge hebt u geheel vergeten,» zei de moeder, zachtjes en bekommerd.

«Beknor haar niet,» zei de baron met een merkwaardige tegenwoordigheid van geest, hardop. «De dochter heeft gedam, wat de vader had moe-DEBET EN CHEDIT I. j)

ocr page 138

130

ten doen; de jonge mensch heeft zich braaf gehouden en wij zullen

hem onze achting niet ontzeggen.» . i

Onder de andere groepen echter verhief zich een zacht gefluister, de

voorbode van een levendig gesprek: «Dat was de eclJ ® P.'ƒ theatre,» zei de vrouw des huizes met een met zeer natuurlijk lachje,

«maar wie heeft ons dan gezegd----»

«Ja, wie heeft ons ook gezegd —?» viel de heer Aon Tonnchen

de rede. _

Alle oogen vestigden zich op Von l1 mk.

«Ge hebt mij immers verteld, mijnheer Von !lt; ink » —begon mevrouw Von Baldereck op nieuw, met majesteit zich oprichtende.

«Wei zeker,» sprak mijnheer Von Zermtz, «en het gerucht is niet heel en al leugen, op mijn woord niet! Ik zelf heb bij een notaneele akte als getuige gediend,» liet hij zich onvoorzichtig ontvallen. «Verklaar gij ons de zaak eens, Von tink.»

«Ook ik moet u om opheldering vragen, mijnheer Von l'ink,» vei-

vok'de de dame, eenigszins geraakt. , , , i i

«Mij, mevrouw?» zei Von Fink, met al de kalmte van oen onschu -dige dien men groot onrecht aandoet. «W at zou ik van het geruclit weten? Ik zelf heb liet, zooveel ik kon, tegen gesproken.»

«Ja, dat is waar, dat hebt gij,» fluisterden eemge stemmen, «maar

aii liet toch merken — •--»

«Gij zeidet toch--» sprak mevrouw Von Baldereck.

«Wat mevrouw?» vroeg Von Fink, volstrekt met van zijn stuk gc

h'gü'it deze mijnheer Wohlfart op geheimzinnige wijze tot don--

den keizer--in betrekking stond.»

«Dat is onmogelijk,» antwoordde Von Fink met den g'^ en «rnst. «Dat is een groot misverstand. Ik heb u het uiterlijk van Wohlfait beschreven, die u in dien tijd nog onbekend was: het kan gebeuien dat ik daarbij van een toevallige gelijkenis gesproken heb.»

«Maar hoe is het dan met die bezittingen?» viel mynheer \ on lomi-chen hier weer in de rede. «Gij zelf hebt immers de heerlijkheid aan hem afgestaan en die verkoop ging van vreemde omstandigheden vergezeld. Gij verlangdet toen van ons dat wij over de zaak alseengioot

86 «DaaiZOgijL'mijn^ geheim zoo goed bewaard hebt dat gij het overal, en thans hier, ten aanhooren van het gansche gezelschap vertelt » antwoordde Von Fink glimlachend, «is het duidelijk uw schuld en die van Von Zernitz, dat dit dwaze gerucht zich verder verspreid heeft. Luistert met aandacht, waarde heeren en dames. Mijn vriend Wohlfait had eens in een vroolijke bui gezegd, dat hij wel een'g in Amerika wilde hebben. Ik wou een grap met hel.n ^ Ymklnd hem met kerstmis een goed, dat ik op Long-Island by New Yo.k had Dit coed, mijnheeren, bestaat uit een zandplaat, die met heesters is begroeid en waarop een uit planken gebouwde ^gelhut gevonderi wok miin gewone schuilplaats, als ik op de zeevoge s ging schieten. Als ik u Jve. zocht had er niet over te spreken, had ,k daar goede redenen voor; maar dat gij uit zulk een dunne draad een koord hebt gesponnen dat een beminnelijk mensch van ons gezelschap af moet scheiden, is mij zeer leed.» Een koude uitdrukking van minachting lag op zj gelaat, toen hij voortging; «Met genoegen zie ik, hoe gij allen

ocr page 139

-131

gevoel met mij deelt, en hoe sterk gij den slaafschen zin veroordeelt, die een man daarom voor geschikt houdt om in onzen kring te komen, omdat de een of andere vreemde vorst zich aan hem zou laten gelegen liggen. Daar wij echter het bal van heden avond met verklaringen hebben begonnen, wil ik hierbij nog de verklaring geven, dat Anton Wohlfart de wettige zoon is van wijlen den ontvanger Wohlfart in Ostrau, en dat ik iedere verdere toespeling op dit misverstand als een beleediging, mijn besten vriend aangedaan, zal beschouwen. -- En nu, mevrouw, verleen mij op nieuw uw gunst; ik ben met freule Eugenie voor de eerste quadrille geëngageerd en voel mij niet in staat nog langer te wachten.»

In Mevrouw Von Baldereck kampte een tijd lang gekwetste eigenliefde met moederlijke teederheid; (en laatste zegevierde, gelijk van een zoo goede ziel te wachten was, de teederheid; zij zei. Von Fink verwijtend aanziende: clt;,[k vrees dat gij den spot met ons hebt gedreven.» Von Fink echter schudde met het hoofd en antwoordde met een open gelaat: «Men spot niet als men getroffen is.» Daarop geleidde hij freule Eugenic ten dans.

Toen men beginnen wilde, zei de luitenant Zernitz tot Von Fink. «Gij hebt ons voor den gek gehouden, Von Fink; het spijt mij, maar ik zal nog eenige nadere verklaring van u moeten vorderen.»

«Wees verstandig en vorder niets,» antwoordde Von Fink, «wij hebben zoo dikwijls samen schijf geschoten, dat het dwaas zou zijn 'als we nu op elkaar wilden mikken.

Daar Von Fink verreweg de baas in het schieten was van het ge-heele gezelschap, zag Zernitz ten laatste toch in dat Von Fink gelijk had. En een kleine spanning niet meegerekend, die op een stillen avond bij de tweede ffesch Bourgogne met een handdruk word uitgemaakt, had de zaak verder gecti gevolgen. — Intusschen verflauwde toch liet belang, dat Von Kink aanvankelijk in de dansles had gesteld, en noch Theone Lara, noch Leonore hadden reden om voor zijn toespelingen bang te zijn; want als hij zich in de zaal vertoonde, bepaalde hij er zich bij om aan de dochter des huizes en eenige oudere dames zijn compliment te maken; met het opkomende geslacht bemoeide hij zich niet meer.

Anton echter was als een verschietende ster uit het gezelschap verdwenen. Hij werd er niet meer gezien. Mevrouw Von Baldereck bedacht, doch iets te laat, dat het voegzaam was den jongen mensch, die toch eenmaal in haar huis opgenomen was geweest, bij gelegenheid weer te noodigen om aan hem en anderen te toonen dat men zijn tegenwoordigheid niet alleen voor gepast had gehouden, omdat hij —----maar ook

om zijn eigen persoon. En eenige andere familiën dachten er ook zoo over. Daar echter, zooals gezegd is, al die uitnoodigingen wat laat kwamen en Anton er vriendelijk voor bedankte, overkwam hem binnen korten tijd, wat met veel grooter heeren pleegt te gebeuren; hij werd vergeten. De vroegere getuigen bij het belangrijke notariëele stuk, do heeren Von Zernitz en Von ïönnchen spraken hem een tijd lang nog op straat aan, als hij hen tegen kwam; dan groetten zij hem nog een jaar, en eindelijk kenden ook zij hem niet meer..

Maar onze Anton kon dat weinig schelen. Hij wierp zich met hart en ziel op de bezigheden van de zaak. Reeds den morgen na zijn openhartige verklaring klopte hij aan de deur van het kleine kantoor en trad

ocr page 140

-132

het heilige der heiligen binnen. Hij vertelde den patroon wat hij den vorigen avond aan mevrouw Von Ualdereck had gezegd en voegde er bij: «Ik zal dat gezelschap niet meer bezoeken, en zoo ik m den laat-sten tijd mijn plicht niet goed heb waargenomen, smeek ik u mij dit te willen vergeven; ik zal van heden af beter oppassen.»

«Ik heb geen reden om over u te klagen,» antwoordde de koopman vriendelijk,' «geef mij de som op die ge noodig hebt om uw zaken in

orde te brengen.»

Anton haalde oen stukje papier uit zijn zak, waarop hij zeer nauwkeurig zijn debet had opgeteekend. Mijnheer Schröter riep den kassier, liet de som aan Anton uitbetalen en te zijnen laste opschrijven, en ook dit was uit de wereld.

Von Fink zei den volgenden dag tot Anton: «Je bent met een schitterend effect afgetrokken en hebt van de andere heeren de getuigenis meegekregen, dat ge je zeer betamelijk en eervol gehouden hebt.»

«Wie heeft dat gezegd?» Von Fink vertelde hem de woorden van den baron Von iiothsattel en deed alsof hij niet merkte dat een vroolijke blos Antons gelaat bedekte. «Intusschen was het verstandiger geweest,» ging Von Fink voort, «zoo je de zaak niet zoo hoog ernstig hadt opgenomen. Waarom het geheele gezelschap te verlaten, daar er toch eenige personen in waren, die je om je persoon hadden lief gekregen?» ...

«Ik heb gehandeld,» sprak Anton, «zooals mijn gevoel hetrmjingat; een ander, die ouder en wereldwijzer is, zou liet wellicht betei hebben aangepakt. Gij kunt niet boos op mij zijn, dat ik in deze zaak je raad

niet heb gevolgd.» ,

«'t Is opmerkelijk,» dacht Von Fink toen hij naar beneden ging, «bij welke gelegenheden de menschen leeren hun eigen wil te gebruiken. Deze knaap is in cón nacht zelfstandig geworden en welke belangrijke zaken hem door het lot zullen worden opgedragen, hij zal, ik ben ei-zeker van, zich er altijd verstandig uitredden.

Voor Anton zoowel als voor zijn vriend was het een goed teeken dat hun onderlinge verhouding door dit voorval niet werd verstoord; integendeel, zij won in innerlijke waarde. Von 1' ink behandelde zijnquot;jongen vriend met grooter achting, en Anton bewoog zich vrijer en gewende zich om ook tegenover Von Fink een eigen wil te hebben. En het juiste oordeel van den jongste had dikwijls de uitwerking, dat het den ander van een dwazen streek terug hield en dikwijls zijn overmoed beteugelde. Anion nam zijn plichten op het kantoor met de grootste stiptheid waar. Zijn ijver was onvermoeid, en zijn voorkomendheid voor zijn ambtgenooten grooter dan ooit te voren. \ on Fink geraakte daardoor gewoon om, zonder dat hij het merkte, zelt ook regelmatiger op het kantoor te komen en de werkuren beter uit te zitten. Slechts één punt was er, waarover hij nooit met zijn vriend sprak, ofschoon hij wist dat Anton er over dacht: het was de jonge dame uit de dansles, die een blijk had gegeven van zoo veel gevoel en zoo grooten moed.

ocr page 141

133 IV.

Nooit hadden de bloemen zoo weelderig gebloeid en nooit de vogels zoo vroolijk gezongen als dezen zomer op het buitengoed van den baron. Uet winterseizoen had de familie met een groot deel van den adel op het land in betrekking gebracht, en de kennismaking, aangeknoopt aan de theetafel en in de danszalen, werd nu onder den blauwen hemel voortgezet. Bijna altijd waren er menschen op het kasteel. Uit de stad kwam mevrouw Von Baldereck met Eugenie, soms ook de boomkikvorsch, Zernitz en Benno Tönnchen; van haar buiten kwam mevrouw Von Werner met een zoon en vier dochters. Theone en Elildegard waren weken lang de gasten van Leonore; zij hadden geen middel gevonden om haar eed getrouw te zijn en ontmoetten elkaar ten minste nu op bevrienden bodem. Het huis scheen menigmaal te klein om alle gasten te bergen. Door alle kamers van het kasteel en over het ronde grasperk, zweefden de liefelijke gestalten der meisjes. Zij lazen komediestukken en verdeelden de rollen, zij verplaatsten zich in de teederste en hartroerendste toestanden, zij doorleefden die gezamelijk, zij zongen smeltende liederen, zij bouwden luchtkasteelen, zij dansten onder het lommer der boomen. En als de jonge lieeren ze soms verveelden en haar stemming niet begrepen, gingen de meisjes in het bootje, grepen de riemen en spoedden zich van het vasteland naar een ongenaakbare plaats, midden op het water. Hoe liellijk werd daar gedweept, als het water tegen het roer kabbelde, en do maan boven de boomen van het park ver* rees! Om het bootje staken de waterlelies haar witte kruin uit het water, blijde dat haar vijanden, de zwanen, ter ruste waren gegaan; het beeld van de maan wiegelde op den spiegel der kleine golfjes; de nachtegaal kweelde in het bosch, en een zoel windzuchje dreef de geur van bloeijende heestergewassen over het water voor zich uit. Dan zongen Theone en Lara tweestemmige liederen, of llulda Werner deelde in vertrouwen een teedere herinnering mee uit de hofplaats, of Eugenie maakte spotachtige aanmerkingen op de ongelukkige heeren, die langs den oever heen en weer liepen en vergeefs beproefden door list of geweld het bootje meester te worden.

Maar de heerlijkste uren waren zondagavond; dan werd het winter-kransje voortgezet, de rij af: in het kasteel der liothsattels, bij de Werners, bij de Balderecks. Als men niet danste, bracht men met onschuldige grappen den avond door. Men verkleedde zich. -Met mantels, shawls en doeken takelde de jeugd zich op de bespottelijkste wijze toe, en (links regelde Zernitz, die een meester in zulke dingen was, een tableau v i v a n t en de vaders en moeders moesten als publiek fungeeren. Of men speelde c h a r a de S e n a c t i o n, 't zij dat men zijn rol op zijn italiaansch improviseerde, 't zij dat ze voorat op kleine papiertjes werd geschreven, die ieder bij de opvoering in de hand hield. De geheele week door peinsden de meisjes op aardige woorden en hoe men ze kon voorstellen. Klassieke woorden werden dikwijls gekozen, bij voorbeeld; «referendarius» als ree, als fee, als ren-partij en als koning Darius, wanneer Benno Tönnchen als de gedoode Darius op den grond lag en de schoone llulda Werner als Alexander de Groote handenwringend achter hem stond; waarop Leonore, voor het geheele woord, met een bril op den neus en een hoop akten onder

ocr page 142

iU

den arm verscheen on den boomkikvorscli, die een misdaad liad gepleegd, ernstig ondervroeg en procesverbaal opteekende.

Mooijer nog toen het prachtige woord «Parthenon werd voorgesteld. Eerst een feestelijk paar uit den ouden tijd, dan een vervelende theepartij ; in het derde bedrijf trad Theone Lara op met loshangende haren, het hoofd met oen sluijer bedekt, en drukte de gemengde gewaarwordingen uit van een jong meisje, die den heer haar leven wil wijden, maar toch met smart de wereld vaarwel zegt. Om het geheel (e geven, werden eenige oogenblikken geduld van het publiek gevergd, en als het gordijn was opgetrokken vertoonde zich een prachtig gebouw in zuiveren griekschen stijl, waarin Leonore al.s maagdelijke godin heerschte en met trotsche blikken neerzag op den boomkikvorscli, den notenkraker en den kleinen Lanzau, die in biddende houding voor haar lagen.

Moe gelukkig was Leonore in die dagen! 't Is waar, oen beetje origineel was zij gebleven en de moeder schudde soms bedenkelijk het hoofd over een stouten inval of een krachtige uitdrukking, die aan de lippen van het schoone meisje ontviel. Natuurlijk danste Leonore altijd als heer, zoo dikwijls er heeren te weinig waren; zij stond aan het hoofd bij alle kloeke ondernemingen; zij liet haar heele gezelschap eens uren ver wandelen naar een punt, waar men heerlijk gezicht zou hebben, dwong hen dan naar de herberg van het nabijzijnde dorp te gaan en melk en roggebrood voor het souper to nemen, bracht de doodvermoeide gasten op een boerenwagen, die zij gehuurd had, naar huis, en stond zelve voorop en speelde voor koetsier. Zij behandelde de heeren voortdurend uit de hoogte, als kleine jongens die met een boterham loepen, liet zich door hen paardengeschiedenissen vertellen, en trad bij een tooneelvoorstelling tot groote schrik barer moeder eens zelfs als heer op, met een karrewats in de hand en een paar kleine kneveltjes, die zij alleraardigst wist te dragen. In die rol zag zij er echter zoo allerliefst uit, dat de baronnes in ernst niet boos op baai-kon zijn.

Zoo iemand op het kasteel met het nieuwe leven niet tevreden was, dan was het de baronnes. Verstrooidheid en vele drukten hadden zich van haar echtgenoot meester gemaakt, de onbewolkte rustige opgeruimdheid van vroeger jaren schoen hem voor goed te hebben verlaten. Ook thans in den zomer reed hij dikwerf naar de stad, menigen avond bracht hij in de sociëteit door, en vroolijke regimentskameraads, die er niet toe hadden kunnen komen om een vrouw te nemen, lokten hem maar al te veel uit de kamers zijner vrouw naar hun rookvertrekken. Hij had zaken met Ehrenthal en vond smaak in allerlei gezelschap, waar hij vroeger niet veel mee had opgehad. Het was een zeer kleine verandering in de baron, alleen merkbaar voor het oog der echtgenoot. En zelfs de baronnes begreep dat zij verkeerd deed met over die verandering zicii te bedroeven.

Maar van een anderen kant had zij ook een groot geluk. Eugène was met eer door zijn officiers-examen gekomen en kondigde het voornemen aan de epauletten op zijn schouders te komen vertoonen. Zijn moeder liet zijn kamers fonkelnieuw voor hem in orde brengen, en zijn vader plaatste er een geweerrek in en een nieuwe jachuitrus-ting, welke hij hem ten geschenke wilde geven. Toen het uur naderde dat Eugène zou komen, kon de baron niet langer wachten, hij liet

ocr page 143

435

zijn paard zadelen en reed zijn zoon lot het naastbijzijndu dorp te ge-moet; en als een dunne stofwolk op den straatweg het naderen van den geliefden zoon verkondigde en de vader de slanke gestalte van den luitenant voor zich zag, sprong hij als een jong inensch van zijn paard, de zoon deed in een oogwenk hetzelfde, en het was een goed gezicht toen de beide ridderlijke gestalten elkaar op den grooten weg omarmden. En statig was het om aan te zien, toen zij naast elkander naar het kasteel draafden.

«Ik breng u goede tijding van het regiment,» begon Eugène na dc eerste levendige wisseling van vragen en antwoorden. «Vooreerst heeft de overste mij verzocht u te groeten,»

«'t Was in zijn tijd een dolleman,» zei de vader.

«En nu is hij een brombeer.» antwoordde de zoon. «Ons avancement staat prachtig. Waldorf zul zijn ontslag moeten nemen, omdat zijn borst hoe langer hoe slechter wordt; Boudevvijn Tronka wil zich laten overplaatsen; hij heeft met den ritmeester hooggaande woorden gehad, die geschiedenis moet ik u later nog eens vertellen; en Stallinger krijgt het majoraat van zijn oom die op sterven ligt. Hij wordt onbeschaamd rijk; twintig duizend daalders jaarlijks, zegt men.»

«Dat is zeer overdreven,» merkte de vader op, «het majoraat is niet veel grooter dan ons landgoed.»

«Hoe 't ook zij, zijn fraai raspaard zal bij den wachtmeester schenken,» zei de zoon. «Onze tafel heeft een prachtige partij beloofd. Hoe bevalt n mijn vosje, vader?» Zij hielden vóór het groote plein stil, de luitenant reed voomit. Üe baron beschouwde het paard als kenner en was er in 't algemeen tevreden over. liij den paardenstal hielden zij nog eens op. «Wij willen de dames overvallen,» zei de baron. Toen de rijknecht de paarden nam, konden vader en zoon niet nalaten een oogenblik in den stal te gaan. Eerst bekeken zij de rijpaarden van den baron, daarna wandelden zij de rij der werkpaarden door. Do luitenant klopte het een of ander paard, een oude kennis, vertrouwelijk op den hals en uitte tot groote vreugd van zijn vader met kernachtige kortheid zijn meening over de deugdelijkheid. De knechts stonden eerbiedig rondom hen, vader en zoon raakten in vuur en vertelden elkaar paarden anekdoten, die geen uitstel gedoogden, de baron met de bedaardheid van een ouden paardentemmer, de luitenant met jeugdig vuur, in zijn ziel blijde dat hij tegenover de beproefde wijsheid zijns vaders zijn welig opschietende wetenschap kon stellen. Bij Leonores poney dachten vader en zoon te gelijk aan de dames en spoedde zich met haastigen tred uit den stal naar het kasteel.

In het rozenpriëel hield de baronnes haar zoon omarmd, terwijl Leonore hem liefkoozend op de schouders klopte. — Nu eerst begon de pret op het slot. — De oogen der ouders glinsterden, zoo dikwijls zij op de rijzige gestalte huns zoons rustten. Als sommige zijner uitdrukkingen of gebaren wat sterk aan de manége deden denken, verdroeg de baronnes het met een vriendelijk lachje. Want sints onheugelijke tijden is de stal de voorhof, waardoor de ridder tot de losse en aangename vormen van de baaizaal opklimt. In den kring der meisjes was Eugène dadelijk de eerste, althans bij alle pretjes werd hij haar uitverkoren gezel. Hij maakte zijn visites in do buurt, men noodigde uit en werd uitgenoodigd, het ééne vroolijke feest volgde op het andere.

ocr page 144

130

Het genoegen in dit woelig leven werd bij den baron slechts door een kleinigheid verbitterd; liij kon maar volstrekt niet met zijn geld toekomen. Wat twintig jaren lang mogelijk was geweest, bleek nu volstrekt ondoenlijk te zijn. liet winterverblijf in de stad, de groote uit-gebreidheid zijner kennissen, de epauletten van zijn zoon, de lluweelen japonnen en kanten zijner dochter, daarbij die toelage, welke hij voor de jaarlijksche intresten der pandbrieven betalen moest die dienden om de percenten van den «Landwaarborg); te voldoen, dit alles te zamen werd hem lastig. De opbrengsten van zijn landgoed werden met ongeduld afgewacht en dadelijk verbruikt, zij wonnen daardoor noch in omvang noch in zekerheid, en menig verstandig voornemen van vroeger dagen bleef zonder uitvoering. Do baron had het plan gevormd een groote uitgestrektheid zandgrond aan één der uiteinden van zijn landgoed met sparren te bezaaijen, maar zelfs de onbeduidende kosten dezer verbetering waren hem te moeijelijk en het gele zand gloeide on-geploegd het geheele jaar in de zon. Maar dan eens was hij reeds in de noodzakelijkheid geweest het fraaie kistje, dat zijn teerbeminde pandbrieven bevatte, aan te spreken en er enkele nommers van het heldere perkament uit te nemen; wederom bewolkte zich zijn voorhoofd en wederom werd zijn anders zoo kalme aard door een pijnigende onrust gejaagd. Maar het was niet meer de kwellende angst van vroeger; hij had reeds eenige ondervinding opgedaan en beschouwde de zaken wat koelbloedige!'. Er moest een middel zijn om uit de verlegenheid te komen; in het ergste geval zou hij nog een, hoogstens twee winters in de stad doorbrengen, totdat Leonores opvoeding voltooid zou wezen, en dan keerde hij met vasten wil naar buiten terug. Hij voelde dat hem dit ofl'er niet veel zou kosten. Dan ging hij zijn industrieele plannen ten uitvoer brengen, als een waardig huisvader alleen op de toekomst der kinderen bedacht. Inmiddels besloot hij bij gelegenheid den heer Ehrenthal om raad te vragen. De man was over 't geheel genomen toch een eerlijk man, voor zoover een handelaar tegenover een edelman het kon wezen; maar de hoofdzaak was, hij kende de omstandigheden van den baron vrij nauwkeurig en de baron voelde tegen-over hem de schaamte niet, die hem zou hebben weerhouden om een vreemde met zijn toestand bekend te maken.

Naar gewoonte kwam ook deze reis de handelaar te rechter tijd. Zijn diamanten doekspeld schitterde, zijn kruipende complimenten aan den baron waren bespottelijke!' dan ooit, zijn bewondering van het landgoed kende paal noch perk. De baron leidde hem vriendelijk gehumeurd door de boerderij en zei eindelijk. «Ge moet mij een goeden raad geven, Ehrenthal.»

Ehrenthal knipte met de oogen en zag den baron sluw aan.

't Was maar korte jaren geleden, sints zij een diergelijke wandeling door de gebouwen van het landgoed hadden gemaakt, en hoe waren de tijden al veranderd; Toen moest de koopman zijn goeden raad den trotschen baron hoogst voorzichtig en in zoetigheden gewikkeld aanbieden, evenals men een knorrig kind medicijn laat innemen : thans kwam diezelfde heer bereids zijn hulp inroepen.

De baron ging op zoo luchtig mogelijken toon voort: «Ik heb in dit jaar grooter uitgaven gehad dan vroeger, ook de pandbrieven vereisch-ten toelagen, ik moet een middel bedenken om mijn inkomsten te vermeerderen. \Vat, meent gij, zou het doelmatigst zijn?»

ocr page 145

De oogen van den handelaar glinsterden, maar hij antwoordde met betamende nederigheid:

«Wat er gedaan moet worden, zal mijnheer de baron beter weten dan ik.»

«Alleen maar, niet meer van die zaken met u, Elirenthal,» sprak de baron voorzichtig. «Ik wil niet meer in compagnie met u handelen.»

Met het hoofd schuddende antwoordde Elirenthal: «Er vallen ook niet altijd zulke zaken te doen, die ik met een gerust geweten aan mijnheer den baron zou kunnen aanbevelen. Maar gij hebt immers vijf en veertig duizend daalders liggen in pandbrieven ? Waarom die pandbrieven te bewaren, die zoo weinig rente geven? Als gij daarvoor koopt een zekere hypotheek tegen vijf percent, zult gij daarvan vier percent betalen aan den «Landwaarborg» en één daalder van de honderd blijft voor u als winst, een jaarlijksche winst van vier honderd vijftig daalders voor uw kas. En gij kunt daarbij nog grooter voordeel hebben. Menig goede hypotheek tegen vijf percent wordt te koop geboden met gi'oot profijt voor den kooper, die baar geld kan geven. Gij zult wellicht veertig duizend daalders betalen, misschien zelfs nog minder, en een deugdelijke hypotheek krijgen, die u vijf percent renten opbrengt van vijf en veertig duizend daalders.»

De baron antwoordde; «Zoo had ik er ook over gedacht, maar met de zekerheid dier hypotheken die op de markt in omloop zijn, ziet het er slecht uit en ik kan er mij niet mee inlaten.»

Elirenthal gaf met een beweging zijner hand te kennen, dat dit verwijt hem in het minst niet persoonlijk kon treilen en zei, kregel over het misbruik in die zaken : «Ik handel niet graag in hypotheken ; wat zoo op de markt in handen van chacheraars is deugt niet voor mijnheer den baron, Gij moet u wenden tot een vertrouwd man. Gij hebt een advokaat, die veel kennis heeft van zaken, wellicht kan die u helpen aan een zekere hypotheek.»

«Gij weet er dus geen?» vroeg de baron met den heimelijken wensch, dat Elirenthal hem die moeijelijkheid uit handen zou nemen,

«Ik weet er geen,» zei de handelaar zeer nadrukkelijk. «Maar als gij het verlangt, zal ik er onder 's hands naar vragen, er zijn er altijd wel te krijgen. Ook uw advokaat zal u zeggen, wat hij voor zeker houdt. Zulke heeren geven zich alleen geen moeite bij de onderhandeling vóór den koop en gij zult bij den advokaat de volle som moeten betalen voor dezelfde hypotheek, die gij door een handelaar krijgen kunt met een voordeel van eenige duizend daalders.

Daar nu juist die winst in de ziel des barons groot gewicht had gekregen, nam hij in stilte zijn besluit. Hij zou zeer voorzichtig zijn, maar wou toch, zoo 't mogelijk was, liever een reeds voorhanden zijnde hypotheek koopen, dan het geld door zijn advokaat laten beleggen! Tot den handelaar zei hij : «'t Heeft geen haast; zoodra gij iets geschikts hoort, laat gij het mij weten.»

«Ik zal mijn best doen,» antwoordde Elirenthal koeltjes, xmaar het zal toch beter zijn, indien ook mijnheer de baron zelf bij deze zaak inlichtingen zoekt in te winnen, want ik handel in den regel niet in hypotheken.»

Al was die verklaring niet geheel en al overeenkomstig de waarheid, zoo bereikte zij toch haar doel, want de koele houding van den koopman verhoogde aanmerkelijk het vertrouwen, dat de baron in hem stelde. Elirenthal echter haastte zich om te vertrekken; hij verzuimde dezen keer de

ocr page 146

-138

fijnwolligo bokken le bezoeken, lette niet op liet vroolijke uiterlijk der musschen op het dak, en beknorde zijn koetsier omdat hij te langzaam reed. «Als ik een slak de teugels aan de horens bind, zal zij mij sneller rijden dan gij doet,» voegde hij den koetsier spijtig toe en zat geen oogenblik stil.

Do koetsier sloeg verdrietig op de paarden en antwoordde grof zonder zich om te keeren: «Als gij uw paarden meer haver geeft, zullen zij niet meer als slakken loopen. Twee pint haver, en dan wil hij nog galoppeeren op een steenachtigen weg!»

De baron reed den volgenden dag naar de stad en verzocht zijn ad-vokaat de noodige maatregelen te nemen voor het koopen van een hypotheek, ilij hield niet voor hem verborgen, dat hij ze gaarne met eenig voordeel wou verkrijgen.

De verstandige rechtsgeleerde ried hem dringend aan van zulk een veordeel af te zien, omdat er geen kans was, dat hij een zekere geldbelegging tegen minder dan de volle waarde zou tot stand brengen. Maar deze raad juist was voor den baron een prikkel te meer om bij het koopen van een hypotheek zijn eigen oordeel te volgen.

Eenige dagen later meldde zich bij den baron een stevige groote man aan, met een rood, glimmend gezicht, een zekere mijnheer Pinkus uit de hoofdstad. De waardige kastelein werd in de werkkamer van den baron binnengelaten en haastte zich voor zijn komst excuus te vragen. Ilij had gehoord dat mijnheer de baron geld wilde beleggen en wist een bij uitstek zekere, zeer aanbevelenswaardige hypotheek van veertig duizend daalders op een groot landgoed in de aangrenzende provincie, eigendom van den rijken graaf Zaminsky, die in het buitenland woonde. De bezittingen, waarop de hypotheek lag, vereenigden in zich alle mogelijke voordeelen; het waren drie, vier landgoederen, er was een uitgestrekt woud bij van meer dan twee duizend morgen, en het was een zuiver ongerept bosch, volgens de plechtige verklaring van den berichtgever. Vier dorpen waren tot spandienst en handenarbeid verplicht, honderd plaatsen in vier dorpen moesten baar geld aan den heer betalen. Kortom het was een bezitting, waarvoor een vorst zich niet behoefde te schamen. Kn deze hypotheek van veertig duizend daalders volgde met haar pandrecht terstond op de eerste honderd duizend daalders; na haar waren er nog vijf of zes kleinere, maar toch altijd aanzienlijke kapitalen op voorgeschoten. De hypotheek was tegenwoordig in het bezit van graaf Zamisky zeiven. Hij had ze aan zijn rentmeester gegeven om ze te verkoopen. En dit zeldzame stuk was, zooals Pinkus geheimzinnig liet doorschemeren, wellicht voor negentig percent dus voor zes en dertig duizend daalders te krijgen. Het was lastig dat het goed in een andere provincie lag, waarin de landbouw nog vele ouder-wetsche eigenaardigheden had, maar de grens was hoogstens twee uren ver, de naastbij zijnde stad was door een straatweg met de wereld verbonden, in één woord, er was niets dat bij een onbevooroordeelde beschouwing van de hypotheek niet aannemelijk scheen, en Pinkus zou er nooit toe gekomnn zijn zulk een schat aan een vreemden kooper te gunnen, zoo (leze niet op zoo zeldzame wijze alle deugden in zich ver-eenigde als de baron.

De landedelman hield zich tegenover deze aanbevelingen kalm, gelijk het een man van ondervinding past. Vóór zijn vertrek haalde Pinkus een pak stukken, die op de hypotheek betrekking hadden, voor den dag eu

ocr page 147

139

lei liet pak vol vertrouwen voor den baron op tafel, opdat deze op zijn gemak de juistheid der berichten zou kunnen onderzoeken.

Den volgenden morgen reed de baron met de stukken naar zijn rechtsgeleerden raadsman, verzocht hem ze door te zien en de noodige navraag te doen. Hij zelf klom de zwarte sloep naar de wit verniste deur van mijnheel1 Ehrenthal op.

Ehrenthal was verrukt over het geluk, dat hem overkwam, hij wierp zijn kamerjapon met bliksemsnelheid uit, en drong er zeer op aan dat mijnheer de baron hem de onuitsprekelijke eer zou bewijzen bij hem te ontbijten. De baron was beleefd genoeg het niet geheel af te slaan; hij werd naar de prachtige zijkamer gebracht, en bekeek niet inwen-digen lach de schelle kleuren van de bonte gordijnen, het roode trijp van de canapé, den morsigen vloer en de vele slechte schilderijen aan den muur; dikke klompen verf, die waarschijnlijk bij een uitdrager gekocht waren en een donker landschap van het een of ander onrein werelddeel voorstelden. De schoone Rosalie kwam na eenige oogenblik-ken zelve binnen met de gitzwarte hangende krullen, in een ruischend zijden gewaad, maakte een buiging en bracht de ontbijttafel in orde. liet was voor den baron een stil genoegen op te merken, hoe de gemaakte houding der dochter in strijd was met de kruipende manieren, des vaders, en de goede man wond zich bij voorraad reeds op met het vooruitzicht, om 's avonds bij de theetafel de baronnes en zijn Leonore dit wonderlijk mengsel van weelde en burgerlijkheid af te schilderen. Zoo zat hij op de canapé en zag met een vriendelijk lachje naar den handelaar. Mijnheer Ehrenthal 'zat tegenover hem en verheugde zich, en ook zijn mond lachte welwiilend. Eindelijk zei de baron, nadat hij de dochter des huizes eenige beleefde woorden had toegesproken : «Kent gij een mijnheer Pinkus, Ehrenthal!»

De dochter verdween, zoodra de zaken op het tapijt kwamen; de oude heer richtte zich in zijn stoel op. «Ja, ik ken hem,» zei hij koel, «hij dodt zaken in 'tlilein; ik geloof dat het een eerlijk man is. Hij heeft niet veel in te brengen, hij heeft zijn zaken meest den kant van Polen nit.»

«Hebt gij hem iets van mijn verlangen gezegd om een hypotheek te koopen?» vroeg de baron verder.

«Waarom zou ik het hem zeggen?» antwoordde Ehrenthal. «Is hij bij u geweest over een hypotheek'/» vervolgde hij met het hoofd schuddende, «dan heeft hij het weer van een ander gehoord, ik heb er met hem niet over gesproken. Pinkus is een kleinhandelaar, hoe kan hij geven een hypotheek voor u?» Hier maakte Ehrenthal een beweging met de hand, om aan te duiden hoe klein Pinkus was, en sloeg de oogen ten hemel, om te gelijk de onmetelijke hoogte van den baron aan te geven. De baron vertelde hem daarop welke hypotheek de onderhandelaar hem had aangeboden en vroeg naar de bezittingen en omstandigheden van don graaf. Mijnheer Ehrenthal wist er niets van, bedacht zich echter, dat een zeer fatsoenlijk koopman nit die streek in de stad was, en verklaarde zich bereid dien heer te laten opzoeken en naar het huis van den baron te zenden.

Dit nam de baron met dankbaarheid aan en stond op, IChrenthai begeleidde hem de trappen af tot op straat en zei bij het afscheid : «Wees voorzichtig met de hypotheek, mijnheer de baron, het is mooi geld van u, en er zijn veel slechte hypotheken in de wandeling, maar er zijn ook goede

ocr page 148

Hü

en er worden veel praatjes verkocht door handelslui tot aanbeveling hunner zaken. En wat Löbel Pinkus betreft, hij is maar een gering man, hij zal niet veel hebben van de zaak, maar hij is, zoover ik hem ken, een eerlijk man. Wat gij mij van de hypotheek zegt schijnt goed, maar ik herhaal nog eens, wees toch voorzichtig, mijnheer de baron.»

Daar de baron door deze woordenrijke toespraak niets wijzer was geworden, wandelde hij naar zijn huis en verbeidde met ongeduld de aankomst van den vreemden handelaar. Deze liet zich niet lang wachten. Ditmaal was het een mijnheer Löwenberg, in zijn uiterlijk een pendant van Ehrenthai en Pinkus. Alleen was hij iets magerder en had ais buitenman een dikken rieten stok in de hand en een pot op het hoofd. Hij gaf zich uit voor een koopman in wijnen en bleek goed bekend te zijn met de goederen en omstandigheden van den graaf. Hij vertelde dat de tegenwoordige eigenaar nog jong was en in het buitenland leefde, dat wijlen zijn vader wat wild geleefd had, dach dat er tegenwoordig een beter orde was ingevoerd; men zei veel goeds van den erfgenaam, en ofschoon er kapitalen op de bezittingen stonden, de familie was toch zoo rijk, dat men voor geen gevaar behoefde beducht te zijn, De goederen stonden nog niet op hoogen trap van bebouwing, maar men kon er daarom juist nog voel van maken, en hij hoopte dat do jonge graaf daarvoor de rechte man zou wezen. Al wat hij zei scheen niet overdreven, het klonk zeer eenvoudig en verstandig. liet geheel was bepaald gunstig en toen de vreemdeling den baron verliet, was deze vast besloten den koop te sluiten. Om niets te verzuimen ging hij nog naar een zijner kennissen en deed ook daar navraag. Wat hij vernam was niet veel, maar ook niet ongunstig. Het kwam hier op neer, dat de familie een oud en in haar provincie zeer aanzienlijk geslacht was en dat do vorige graaf Zaminsky wat woest had huisgehouden. Voor de heer Rothsattel naar buiten reed ontving hij een quot;tegenbezoek van Ehrenthai, die hem kwam vertellen, dat de wol van de schapen op die goederen niet fijn was, en daarop van den baron vernam dat hij bovenal den raad van zijn advokaat wilde afwachten, voor hij een besluit nam.

Het kleine kantoor van Ehrenthai was in het woonhuis gelijkvloers, en had zijn eenigen ingang door den gang van het huis. Het was avond, toen Mijnheer Ehrenthai het kantoor binnentrad, waar Itzig zich zat te vervelen voor een boek wit papier en de komst zijns meesters afwachtte. Ehrenthai was zeer gejaagd, hij lei zijn stok op tafel, maar vergat zijn hoed af te nemen en wandelde onrustig liet vertrek op en neer.

Itzig dacht: «.Wat scheelt den man? Wat heeft hij, dat hij zoo gejaagd is?» En eensklaps ging Ehrenthai voor Itzig staan en zei met vuur: «Itzig, van daag zult gij toonen, of je verdient mijn brood te eten en den middagkost dien ik je geef voor je vorming.»

«Wat moet ik doen?» sprak Veitel en stond van zijn stoel op.

«Eerst ga je me Löbel Pinkus roepen, dan bestel je me een (lesch wijn en twee glazen, en dan ga je weg; ik heb je heden niet meer noodig. Maar je moet uitgaan en voor mij uitvisschen, aan wien do advokaat Horn, die op de markt woont, heden naar Rosmin heelt geschreven, en als hij heden niet heeft geschreven, aan wien hij morgen schrijft. Ik zal je geven vijf daalders om het uit te vorschen; en als je mij van avond nog antwoord brengt, krijg je een dukaat tot belooning.»

ocr page 149

Ui

Veitel gloeide inwendig, maar antwoordde met al den scliijn van bedaardheid; «Ik ken geen van de klerken van den advocaat en lieb tijd noodig om kennis met lier. te maken. Morgenavond zult ge antwoord hebben. Gij moogt mij den dukaat voor morgenavond bewaren.»

«Als je antwoord brengt, kunt ge elk uur komen, al was hot ook na middernacht», riep Ehrenthal hem achterna.

Itzig vloog de trappen af, bestelde in de keuken een flesch wijn en liep toen als een speurhond de straten door.

Inmiddels wandelde mijnheer Ehrenthal, met den hoed op het hoofd en de handen op den rug, nog steeds het kantoor op en neer en knikte met het hoofd als een pagode. Zoo leek hij in het schemerlicht van de kamer wel een dik zwart spook, dat zijn afgehouwen hoofd niet vast op de schouders kan houden.

Veitel redeneerde op zijn wandeling druk met zich zeiven: «Wat is er te doen?» vroeg hij, «het moet een belangrijke zaak wezen en zij zal voor mij geheim worden gehouden. Ik moet Pinkus halen. Pinkus is voor eenige dagen bij Ehrenthal geweest, en de dag daarop is hij naar den baron Rothsattel gereden. De baron is dus in de zaak betrokken. En Ehrenthal wil iemand een glas wijn voorzetten. Pinkus krijgt geen wijn, het moet dus iemand anders wezen; het is de baron ook niet, want den edelman ontvangt hij niet op het kantoor, die moet naar boven naar het roode trijp. Als Pinkus met de zaak iets te doen heeft, kan hij alleen den strik hebben gespannen voor den Roodstaart, en de man die van avond komt en dien ik niet zien mag, die moet de drijver zijn — maar Ehrenthal zelf'? Toen hij van morgen met den baron naar beneden ging, hoorde ik hem zeggen; «Wees toch voorzichtig.» liijgevolg is de oude de bangmaker. Als Ehrenthal bang maakt, dan moet het een groote en fijne zaak wezen.» Op dit punt van zijn alleenspraak was Veitel bij de herberg gekomen, hij deed zijn boodschap aan den kastelein, die haastig uit de tapperij naar zijn kamer liep om een beteren rok aan te trekken, en zette toen zijn berekeningen voort: «Als de klerk, die de brieven van den advocaat brengt, om zeven uur naai' de post gaat en ik de adressen kon lezen, zon ik mij de vijf daalders besparen», dacht hij bij zich zeiven. «liet gaat niet, voegde hij er treurig bij, «hij werpt de brieven op een hoopje in de brievenbus, de postbode is te vlug, ik zal de adressen niet kunnen lezen. Mogelijk zal ik het toch kunnen lappen; die de brieven naar de post brengt, is gewoonlijk een jong mensch; wellicht kan ik hem overrompelen. En gaat het zoo niet, dan gaat het anders, ik ken een klerk van den advocaat, die reeds menigen' stuiver aan mij heeft verdiend. De klerken kennen elkaar allemaal. Als ik hem twee daalders geel', bezorgt hij mij de lijst van de brieven van zijn ambtgenoot; drie daalders zal ik op die manier overhouden.')

Nadat Veitel dit besluit had genomen, ging hij naar het huis van den advocaat en plaatste zich alsof hij iemand afwachtte, zoo, dat hij het kantoor in 't gezicht had; het was kort voor het sluiten van het spreekuur; verscheiden menschen die den beroemden advocaat geconsulteerd hadden, kwamen de stoep af. Eindelijk hoorde hij een haastigen tred: een jong mensch ijlde met een pak brieven het huis uit. Veitel liep hein na, haalde hem bij den eersten hoek in, en bleef vlak voor den klerk staan. Hij raakte even aan zijn hoed en zei: «Gij zijt op het kantoor van den advocaat Ilorn?» «Ja», antwoordde de klerk haastig en wilde verder gaan.

ocr page 150

142

«Ik ben van buiten de stad en wacht sints drie dagen op een gewichti-gen brief van den advocaat, ik ben van daag hier gekomen om hem te spreken, misschien hebt gij wel een brief voor mij op de post te doen.»

De klerk zag hem wantrouwend aan en vroeg; «Hoe heet gij ?» Veitel tastte in zijn zak, haalde een tienstuiverstuk voor den dag en zei: Ik verlang niets ongeoorloofds van u, jong mensch, ik wou alleen dat gij de goedheid hadt mij te laten nazien, of er een brief voor mij bij is.»

«Ik kan uw geld niet aannemen,» antwoordde de klerk kortaf, op het punt om zijn weg voort te zetten, «maar hoe heet ge dan?»

«Bernard Magdeburg uit Ostrau,» zei Veitel haastig, «doch de brief kan ook aan mijn oom geschreven zijn.»

«Er is geen brief voor u bij,» hernam de klerk, de adressen vlug

nalezende. • -i i

Veitels oogen staarden op de brieven alsof hij het papier wilde doorboren, het was echter niet mogelijk bij het vlugge schuiven van den klerk de adressen te lezen. Hij greep daarom eensklaps het gansche puk brieven, en terwijl de klerk hein van zijn kant bij den arm nam en riep: «Wat beteekent dat, mijnheer, hoe durft gij zoo iets doen?» las hij in vliegende haast de opschriften, gaf de brieven met een wanhopende bedaardheid terug en zei, zijn hoed afnemende: «ik dank u, er is niets voor mij bij.» De vertoornde klerk wou hem tegenhouden: «Mijnheer, hoe kunt ge de onbeschaamdheid hebben ?» «Denk aan het uur van de post,» zei Veitel goedaardig, «ik zal nu zelf naar den advocaat gaan.» Met deze woorden richtte hij zijn schreden naar het huis, en ontsnapte den klerk, die een oogenblik geheel verbluft over de onbeschaamdheid bleef staan en toen naar de post diaafde om den verloren tijd in te halen.

Veitel had maar enkele adressen in weerwil van zijn vlugge opmerkingsgave kunnen onthouden. «Wellicht is de ducaat daarmede verdiend,» zei hij, «zoo niet, dan kan ik het niet helpen.» Door zijstraatjes en stegen sloop hij naar het kantoor terug, ging voor do deur staan en luisterde. De waardige Pinkus sprak, maar men fluisterde en \eitel kon slechts weinig verstaan. Eindelijk werden de stemmen luider en het leek wel of de beide heeren woorden hadden. . , , 0

«Hoe kunt gij vorderen zoo'n groote som voor dien écnen gango) riep Ehrenthal toornig, «ik heb me in u vergist, toen ik meende op u te kunnen rekenen.» ..

«Gij kunt op mij rekenen,» luidde de stem van Pinkus, «maar ik moet vierhonderd daalders hebben of er komt niets van de zaak.»

«Hoe kunt ge zeggen dat er niets van de zaak komt? Wat weet ge van de geheele zaak af? Wie zijt gij, dat gij zoo iets weten kunt?»

«Ik weet zoo veel, dat ik mij de vierhonderd daalders door den baron kan laten geven, als ik maar naar hem ga en vertel wat ik weet,» schreeuwde Pinkus met luide stem.

«üij zijt een slecht mensch,» riep Ehrenthal in heftigen toorn, «ue zijt een spion! maar ik veracht je als een muis, die in de val piept. Weet ge, wien ge zoo behandelt? mij behandelt ge zoo,» vervolgde hij steeds driftiger, «ik kan je ontnemen je crediet en zal je bekend maken als een slecht mensch bij alle handelaars.

«En ik wil aan den baron vertellen wat een slecht mensch gij zijt,» riep Pinkus toornig.

ocr page 151

U'A

Bij deze woorden ging de deur open, Veitel verborg zich haastig in de schaduw van den trap.

«Ik zal je tijd laten tot morgen ochtend,» riep Pinkus bij het weggaan Ehrenthal nog toe en ijlde weg.

Veitel trad met de grootste vrijmoedigheid het kantoor binnen en werd door zijn patroon die, als een wild dier in een kooi in het kleine vertrek driftig op en neer wandelde, niet eens opgemerkt. «Rechtvaardige hemel! dat die Löbel Pinkus zulk een verrader kan zijn? Ilij zal alles op 's heeren wegen uitflappen, hij zal mij ongelukkig maken,» klaagde Ehrenthal en wrong de handen.

«Waarom zou hij u ongelukkig maken?» vroeg Veitel en lei zijn hand op den lessenaar.

«Wat doet gij hier?» Wat hebt gij gehoord?» snauwde Ehrental hem toe.

«Ik heb alles gehoord,» zei Veitel kortaf,» «gij hebt beiden geschreeuwd, dat men het in den huisgang wel hooren moest. Waarom hebt ge de zaak voor mij verborgen gehouden? Als ge mij gezegd hadt, wat uw plan was, zou ik u Pinkus wel goedkooper bezorgd hebben.»

Mijnheer Ehrenthal zag den moedigen knaap strak aan en kon niets uitbrengen dan: «Wat beteekent dat?»

«Ik ken Pinkus,» vervolgde Veitel, vast besloten mee oen rol in het stuk te spelen. «Als ge hem geeft honderd daalders, zal hij u als een eerlijk man verkoopen een goede hypotheek aan den baron.

«Wat weet gij van een hypotheek?» vroeg Ehrenthal ontsteld.

«Ik weet er genoeg van om u daarbij behulpzaam te zijn, als ik helpen wil,» antwoordde Veitel. «En ik wil u helpen, als ge vertrouwen in mij stelt.»

Mijnheer Ehrethal zag nog altijd verwonderd naar het gelaat van zijn boekhouder, en de gedachte rees bij hem op, dat zijn jeugdige vriend meer koelbloedigheid en vastberadenheid kon hebben dan liij zelf. Ten laatste riep hij, half verheugd, half bekommerd; «Je bent een brave jongen, Veitel, haal mij Pinkus terug, hij zal de honderd daalders hebben.»

«Ik heb ook het adres gelezen van de brieven, welke de advocaat naar de post liet brengen. Er was een brief onder aan den rechter Walther.»

«Heb ik het niet gedacht?» riep Ehrenthal blijde, «'t Is goed, Itzig, haal me nu Lübel.»

«Den klerk van den advocaat moet ik betalen vijf daalders en ik zou krijgen een ducaat, dat maakt ruim acht daalders,» sprak Veitel zonder een voet te verzetten.

«üoed, goed,» gaf Ehrenthal hem ten antwoord, «je zult het geld krijgen, maar eerst moet ik Pinkus hebben.»

Veitel vloog naar de herberg en zocht den gevluchten handelaar. Deze was naar zijn kamer gegaan, waar hij hevig verstoord op en neer liep en alle hatelijkheden, die Ehrenthal hem had toegevoegd, met bitteren wrok inslikte en verteerde.

Veitel opende de deur en zei met klem: «Pinkus ik kom van Ehrenthal, ik wil dat ge honderd daalders aannemen en mijn winst bevorderen zult: ik wil niet dat ge als een slecht mensch met hem zult handelen. Als gij iets weet van hem, dat hom kwaad kan doen bij den baron, dan weet ik iets van u, dat je benadeelen kan bij de policie.»

Pinkus stond stil en onderdrukte een vloek, dien hij tegen Veitel op

ocr page 152

444

zijn lippen had. «Ik ben een eerlijk man,» riep hij kregel, «en behoef voor de policie niet bang te zijn.»

«Zij zal vragen wat voor een goederen-magazijn gij houdt in het huis hier naast, en van welke menschen gij uw waren hebt gekocht. Ik wil je echter niet ongelukkig maken. Ehrenthal zal je betalen honderd daalders, en gij zult mij van heden af in uw huis een kamer geven en een bed tegen billijken prijs, en ge zult me niet meer behandelen als een jongen, maar als een handelaar, die zoo goed is als ge zelf.»

Pinkus was overrompeld, overwonnen, gevangen; hij spartelde eerst nog een poosje tegen, en vocht met handen en voeten tegen een vijandige lucht, die hem geen weerstand bood; hij bezwoer herhaaldelijk zijn quot;eerlijkheid en mengde er bittere klachten over Ehrenthal onder, totdat de storm zijner zijdelijke verontwaardiging allengs bedaarde en ten laatste in zijn ziel een liefelijke stilte ontstond, die bewees dat zij geschikt was geworden voor alle werken des vredes. Veitel had, tegen de kachel geleund, die verandering rustig afgewacht en bracht nu den verzoenden Pinkus in zegepraal naar Ehrenthal terug. Hier wierpen de beide heeren eerst vertoornde blikken op elkander, toen schudden zij vriendschappelijk de hand en verzekerden elkaar wederzijds van hun hoogachting, terwijl Veitel wederom als de genius des vredes er bij stond en beiden met een gevoel beschouwde, dat juist het tegendeel van hoogachting was. Pinkus stak een muntbillet van honderd daalders op en nam afscheid, daar zijn hulp bij het groote werk niet meer noodig scheen, en Veitel opende kort daarop de deur voor den heer Lowenberg, den handelaar van buiten de stad, en smaakte een inwendig genoegen, toen Ehrenthal bijna op smeekenden toon zei: «Waarde Itzig, gij kunt nu weggaan.» Hij ging dezen keer, zonder aan het sleutelgat te blijven luisteren, tevreden naar huis; nog dien zelfden avond betrok Itij een kleine kamer op de eerste verdieping, en dronk het glas brandewijn en at het vleesch, dat vrouw Pinkus hem voorzette.

Intusschen zei de heer Ehrenthal tot Lowenberg, zoodra beiden onder een glaasje wijn gezellig bij elkaar zaten. «Ik heb vernomen dat de advocaat quot;lorn om inlichtingen aangaande de hypotheek aan den rechter Wal-ther in uw stadje heeft geschreven. Is er met dien man iets aan te vangen?»

«Er is niets te doen met geld,» antwoordde hij peinzend, «maar er zal op een andere wijze op hem gewerkt kunnen worden. Hij weet niet dat ik van een gevolmachtigde des graafs den last heb om de hypotheek te verkoopen. Ik zal in mijn hoedanigheid als wijnhandelaar naar hem gaan en wel gelegenheid vinden om hem het landgoed en de omstandigheden van den graaf aan te prijzen; misschien zeg ik hem wel dat ik lust heb de hypotheek te verkoopen.»

Bedenkelijk zei Ehrenthal: «Als hij den graaf en zijn bezitting kent, zal uw lol' niet veel helpen om hem een gunstigen brief hierheen te laten schrijven.»

«Het helpt wel, die heeren moeten toch bij ons altijd ter markt komen; zij kunnen niet zoo goed weten als wij, hoe het staat met den koop en verkoop van de wol en het koren. Wij moeten doen wat we kunnen, en ik geloof wel dat het helpen zal.»

Ehrenthal lei het hoofd zwaarmoedig op zijn hand en zei met een diepe zucht; «Ge moogt het vrij gelooven, Lowenberg, die zaak geeft me veel zorg.»

«Maar zij zal je ook een aardige winst geven,» troostte de ander.

ocr page 153

445

«Negentig percent betaalt de kooper, die gij beet iiebt, en aan den graaf worden naar Parijs zeventig percent gezonden; van die twintig percent verschil betaalt ge vijf aan den gevolmachtigde des graafs, vijf aan mij voor mijn moeite, en tien percent blijft er voor n over. Vier duizend daalders is een mooie winst bij een zaak, waarvoor men geen kapitaal noodig beeft.»

«Maar bet geeft toch zorg,» sprak mijnheer Ebrenthal neerslachtig; «geloot me, Ltiwenberg, ik ben zoo gejaagd door dat tobben, ik heb geen nacht dat ik een oog dicht kan doen. En als mijn vrouw mij vraagt; «Slaap je, Ehrenthal?» moet ik haar altijd antwoorden: «Ik kan niet slapen, Sidonie, ik moet aan mijn zaken denken.»

Een half uur later reed een rijtuig met postpaarden de poort uit. Den morgen daarop ontving de rechter Waltlier een bezoek over zaken van den heer Löwenberg, en werd weldra door de onverschillige eu overtuigende houding van dien heer er too gebracht om te denken, dat de omstandigheden vau den graaf Zaminsky toch niet zoo in do war waren, als men in den omtrok vertelde.

Acht dagen later ontving de baron Von Rothsattel een brief van zijn advocaat, cn daarin een afschrift van het schrijven van den rechter Walther. Het rapport van beide de rechtsgeleerden stelde den koop van de hypotheek als een zaak voor, die men althans niet onvoorwaardelijk mocht ontraden. En toen den dag daarop Ehrenthal den baron buiten een bezoek maakte, had (leze vast besloten de hypotheek te nemen. Wat hem lokte, voortdurend, onweerstaanbaar lokte, was de snelle winst van eenige duizend daalders. liet was oen heilrijke vrucht van de ondervinding, die bij in de vroegere zaak met Ehrenthal had opgedaan. Ilij wilde de hypotheek goed vinden, en had zo wellicht genomen, zelfs indien zijn advocaat bet hem had afgeraden.

Ehrenthal bood zich met de grootste belangeloosheid aan om, daar hij toch een reisje voor zaken dien kant uit maken moest, als gevolmachtigde van den baron den koop te sluiten. De baron was er zeer mee ingenomen, want zijn oergevoel gedoogde niet dat hij in eigen persoon een betaling ging doen, waarvan het bedrag geringer was dan de som, die hij door de hypotheek er voor kocht.

Weer acht dagen later was hij in het bezit van eon hypotheek van veertigduizend daalders, waarvoor hij slechts zes en dertig duizend had gegeven, en Ehrenthal en zijn vriend hadden bovendien een aardig winstje opgestoken. Uet best van allen echter voer Itzig er bij, want hij had een overwicht op zijn meester gekregen en was raadgever en vertrouwde geworden bij de geheimste ondernemingen. Alle partijen waren tevreden. De baron haalde zijn prachtig ingelegd kistje voor den dag en lei in de plaats van de mooije witte perkamenten, het dikke geelachtige door vele handen gekreukeld pak akten, dat van nu af zijn vermogen vertegenwoordigde. Ilij beschouwde het kistje niet meer met dezelfde teederheid, als toen de perkamenten er in waren, hij maakte het spoedig dicht en schoof het in zijn secretaire, juist als een vermoeid koopman, als iemand, die blij is het werk achter den rug te hebben. Ilij spoedde zich naar het vertrek der dames cn beschreef daar op lachenden toon de gelukwenschingen en buigingen van Ehrenthal.

«Ik mag hem niet lijden,» zei Leonore, «hij ziet er uit als een kleine, blazende veldrot.»

10

DEBET EN CREDIT I.

ocr page 154

146

«Ditmaal althans lieeft liij zich op zijn manier zeer belangeloos getoond,» antwoordde de vader, «'t Is waar, al die handelslui hebben iets zonderlings, en het is voor menschen, zoo als wij zijn, in weerwil van onze goedaaidigheid, niet altijd mogelijk bij hun strijkages ons lachen te houden.»

Denzelfden avond wandelde mijnheer Ehrenthal vergenoegd in zijn langen kamerjapon bij zijn vrouw Sidonie op en neer; hij beproefde een liedje te zingen, klopte zijn dochter Roza op den blanken hals en wierp zijn vrouw1 van tijd tot tijd een sluwen en teederen blik loe, zoodat mevrouw Ehrenthal hem ten laatste vroeg; «Heb je afgehandeld met den baron ?»

«Ja,» riep Ehrenthal vroolijk.

«'t Is een mooi man, de baron,» sprak de dochter.

«Hij is een goed mensch,» zei Ehrenthal, «maai- hij heefl zijn zwakke zijden. Hij is een van die menschen, die diepe buigingen oneerbiedige woorden verlangen, en geld geven om anderen voor zich te laten denken. Hij wil graag een percent verliezen, als men maar met gebogen rug en den hoed in de hand tot hem spreekt. Zulke menschen zijn ook noodig in de wereld, hoe zou het anders met onze zaken gaan?»

Denzelfden avond zat ook Veitel op zijn kamer, en de advocaat bij hem, en Veitel deelde hem in kunsttermen den afloop mee der zaak en zei: 0Z00 is de Roodstaart gevangen in den strik, en Ehrenthal heeft ei- vier duizend daalders bij gewonnen.»

Hippus had zijn bril afgezet en leek in de vierhoekige houten kast, welke vrouw Pinkus een canapé noemde, precies op een ouden verstandiger! aap, die de wereld en al haar beslommeringen veracht en zijr. oppasser in do beenen bijt. Hij hooide met aandacht en ernst naar het bericht van zijn leerling, schudde knorrig met het hoofd, of glimlachte, al naar mate het naar zijn zin was of niet.

Toen Veitel zijn mededeeling sloot met de woorden: «Ehrenthal heeft geen karakter, hij verliest het hoofd bij groote zaken,» riep Hippus op verachtelijken toon: «Ehrenthal is een eend. Hij durft niets groots aan ; 't is een bekrompen man. Het is altijd zoo met hem geweest: als het er op aankwam, heeft hij getalmd en heeft het laten glippen, Als hij den baron door kleine winstjes wil lokken, welke hij hem nu en dan laat trekken, zal de baron hem per slot van rekening nog van de trappen gooijen.»

«Wat moet hij dan met hem doen ?» vroeg Veitel.

«Zorgen moet hij hem geven,» antwoordde Hippus met vuur opstaande. «Zorgen door werk. Veel werk, altijddurende onrust, dagelijksche zorgen, die niet ophouden, dat is het eenige, waar de baron op den duur niet tegen kan. Die menschen zijn gewoon weinig werk te hebben en veel pleizier, alles wordt hun van jongs af veel te gemakkelijk gemaakt. Er zijn weinigen, die hun verstand niet verliezen, als een groote zorg het gansche jaar aan hun hersenpan knaagt. Dat mat ze af. Heeft zoo iemand eens of tweemaal daags zijn bouwlanden doorgewandeld, dan meent hij dat hij gewerkt heeft, ofschoon de rentmeester het beste doet en meestal nog de stommigheden van zijn heer moet herstellen. Wil Ehrenthal den baron in zijn macht brengen, dan moet hij hem eerst in zaken wikkelen, hij moet zelf wat wagen, maar daartoe heeft hij geen karakter, geen verstand, hij is een domoor, die zijn van buiten geleerd lesje opgezegd en dan slaperig blijft zitten.»

ocr page 155

AM

Zoo onderwees de advocaat en Veitel begreep de verstandige woorden en zag met de gemengde gewaarwording van achting en vrees naar den kleinen, leelijken boozen geest, die heftig voor hem met zijn armen sloeg. Eindelijk greep Hippus do brandewijnflesch, stampte 'er mee op tafel en riep: «Van daag nog een glaasje extia! Wat ik je nu gezegd heb, jeugdige en veelbelovende galgenbrok, is meer dan een flesch beste Barcelona waard,»

V.

«Ik ben van daag achttien jaar,» zei Karei tot zijn vader, die op een zondag ernstig in de zijkamer zut en zijn oogen niet kon verzadigen met het bekijken van den knappen jongen.

«Dat komt uit,» antwoordde de vader, «er staan achttien streepjes op de koek.»

«Dus, vader,» vervolgde Karei, «is het tijd dut ik iets word.»

«Jij?» vroeg de vader verwonderd, wat wil je dan nog anders worden dan je reeds bent? Een dreumes ben je en zult hot je heele leven blijven.»

«Zwijg mi toch eens over dat eeuwige dreumes,» hervatte Karei. «Ik wil sjouwer worden.»

«Ei kom, wel dat is goed,» riep do oude, «dus sjouwer! waarom niet liever burgemeester, of koning of zoo iets?»

«Ik ben sterk genoeg, zei Karei op vastbesloten toon. Ik wil zelf wat verdienen, ik wil geheel en al een mensch worden. Mijnheer Wohl-fart is nu sints een jaar vrij en ik ben nog altijd oen jongen.»

«Jij wilt wat verdienen?» herhaalde de oude en zag zijn zoon met groote verbazing aan. Verdien ik dan niet genoeg en meer dan wij noodig hebben? Waarom wil je als een geldwolf gaan handelen?»

«Ik kan immers niet mijn leven lang aan je loeren schort hangen,» zei Karei, «en als gij zelfs duizend daalders verdiendet, word ik daardoor een mensch? en als ik je eenmaal verliezen moet, wat zal er dan van mij worden ?»

«Je zult me verliezen, jongen,» zei de reus met het hoofd knikkend, «dat spreekt van zelf, en 't zal niet lang moer duren,» voegde hij er bij, «dan kun je worden wat je wilt.»

«Maar waarom zou ik niet worden wat gij zijt? Wees toch niet zoo halsstan ig.»

«Dat begrijp je nog niet. Kom me niet aan boord met je eerzucht; eerzuchtige menschen kan ik niet meer uitstaan.»

«Wel nu, als ik geen sjouwer mag worden,» riep Karei, «dan moot ik toch iets anders loeren, begrijp dat toch eens, vader.»

«Gij zoudt dus niets geleerd hebben?» vroeg de oude bekommerd. «Ach, arm kind, wat hebben ze al niet in je hoofd gestampt? Daar heb je de burgerschool, twee klassen, en do stadsschool, vier klassen, en de industrieschool, twee klassen: acht klassen heb je doorgezwoegd en kent alle waren, zoo goed als een klerk, is dat niets? Jo bent ook nooit tevreden.»

ocr page 156

m

«Ja, maar voor een beroep moet ik iets bepaalds weten,» meende Karei. Schoenmaker, kleermaker, koopman, of werktuigkundige.»

«Wees daar niet bang voor,» zei zijn vader met grooto wijsheid,» «daarvoor heb ik bij je opvoeding gezorgd, je bent praktisch en eerlijk,» voegde hij er bij.

«Dat wil ik graag gelooven,» verzekerde Karei, «maar kan ik ook een paar laarzen maken? Kan ik een rok snijden?

«Je kunt het,» hernam de oude rustig, «beproef het maar, en het zal gelukken.»

«Nu, pas maar op, brombeer, morgen ga ik leer koopen en maak je een paai' laarzen, je zult voelen hoe ze knellen.»

«Weet je wat,» vroeg de vader, «ik zal die laarzen niet aantrekken; misschien het tweede paar ook niet; ik zal wachten tol je het derde hebt gemaakt, die zullen niet meer knellen.»

«Mei u kan men ook nooit een verstandig woord pralen,» zei Karei min of meer boos, «maar ik weet wel waar ik raad zal halen. Zoo kan bel niet blijven; ik zal je iemand op je hals zenden, die je hetzelfde zal zeggen.»

«Wees maar niet eerzuchtig. Karei,» zei de oude met het hoofd schuddend, «en bederf mij den dag van heden niet. «Geef mij nu de bierkan aan en wees een brave jongen.»

Karei zette de groole kan voor zijn vader, nam kort daarna zijn pet op, en ging uit. De vader bleef bij zijn bier zillen, maar zijn genoegen was gevlogen, hij zag telkens naar do deur, waardoor Karei naar buiten was gegaan, hij keek in de kamer rond, die zonder het vroo-lijke gezicht van den knaap zoo eenzaam was. Eindelijk ging hij in het vertrek daarnaast, viel op hol bed neer dal de kamer er van dreunde, en trok van onder het ledikant een zware ijzeren kist te voorschijn. Hij opende ze met een sleutel, dion hij uil zijn vestzak haalde, quot;nam den eenen zak geld na den anderen er uil, en begon het bedrag uil zijn hoofd te berekenen; daarna schoof hij de kist weer onder het bed en nam gerustgesteld een lange teug.

Inlusschen liep Karei in zijn zondagspak met haastige schreden naar de stad en trad Anions kamer binnen.

«Goeden morgen, Karei,» riep Anton hem toe, «wal kom je hier doen?»

Karei begon plechtig: «Ik kom u om raad vragen, wal er van mij groeijen moet. Met mijn vader is hot niet mogelijk daarover te praten. Ik wil sjouwer worden en de oude wil het niet hebben; ik wil iets anders worden, en hij troost mij met de toekomst, als hij niet meer zal leven. Een mooije troost! Hij is van daag weer een echte Goliath. Ik ben nu heden juist achttien jaar en het moet anders met mij gaan; ik doe hier in huis van alles wal, maar niets geregeld.»

«Je hebt gelijk,» zei Anton. «In de eerste plaats feliciteer ik je met je jaardag, en wacht eens, hier is een boek voor je, neem dit tol aandenken, ik zal er eerst mijn naam in schrijven.»

«Aan zijn trouwen Karei, Anion Wohlfarl,» las do opgetogen Karei. «Ik dank u, mijnheer Wohlfarl, ik heb nu al vijf en zestig boeken. Nu komt de tweede plank ook vol.»

«En ga nu rustig bij mij zitten en laten we eens samen beraadslagen. Maar zeg mij eerst, waarin kan ik je helpen? Is het niet beter, dat je met den heer Schröter spreekt? Hij is immers je peetoom?»

«Dat is mij te voornaam,» antwoordde Karei ernstig; «vader mocht

ocr page 157

W.)

eens denken dat ik over hem klaagde. Met u gaat dat vriendschap-pelijker.»

«Goed,» antwoordde Anton.

«En nu wou ik u vragen, of gij bij gelegenheid mijn vader eens over mij wildet spreken. Hij stelt groot vertrouwen in u en weet dat gij het goed met mij meent.»

«Dat wil ik gaarne doen, » zei Anton, «maar wat denk je te worden ?»

«Dat is mij onverschillig,» hervatte Karei, «als het maar een fatsoenlijk baantje is.»

Den eerstvolgenden zondag ging Anton naar het huis van vader Sturm. De woning van den eersten sjouwerman was een klein huisje bij de rivier, niet ver van het magazijn, liet was zijn eigendom en onderscheidde zich van de omliggende huizen door de rozerooode kleur van de verf. Anton opende de nederige deur en verwonderde zich hoe het den reus mogelijk was zich in zoo kleine ruimte in te pakken. En toen de oude Sturn opstond om hem te verwelkomen, werd het hem duidelijk, dat van den krachtigen man een onverstoorbaar geduld vereischt werd om het in deze woning te kunnen uithouden. Want zoo hij zich uit al zijn macht uitrekte, moest hij ontegenzeggelijk dak en muren verzetten en met het hoofd en de beide vuisten in de vrije lucht er doorsteken. De reusachtige man stond, verheugd over het bezoek, zonder rok en vest voor hem en stak liem vriendelijk een hand toe, kloek genoeg om een pompoen van middelbare grootte te omspannen.

«Ik ben blijde u in mijn huis te zien, mijnheer Wohlfart,» zei Sturm en vatte zoo poliet mogelijk Antons hand.

«Het is een beetje klein voor u, mijnheer Sturm,» antwoordde Anton lachend. «Ge zijt mij nog nooit zoo groot voorgekomen als in dit huis.»

«Mijn vader was nog grooter,» zei Sturm en richtte zich op, zoodat zijn kin op den bovensten rand van de kachel rustte; «zoo groot was mijn vader,» zei hij en wees op een bonten streep langs den zolder, waar verscheiden merken met potlood geteekend stonden. Zoo groot was hij en nog breeder. Hij was de oudste der sjouwerlui en de sterkste man uit de stad, en toch heeft hem een vat, niet half zoo hoog als gij, den dood gegeven. Neem plaats, mijnheer Wohlfart.» Hij schoof hem een eikenhouten stoel toe, die zoo zwaar was dat Anton moeite had hem van zijn plaats te bewegen, en ging zelf met veel beweging op een bank zitten. «Mijn Karei heeft mij gezegd, dat hij u heeft opgezocht en dat gij zeer vriendelijk tegen hem waart. Hij is een goede jongen en ik beleef veel plezier aan hem, maar hij is toch uit den aard geslagen. Zijn moeder was klein van stuk,» voegde mijnheer Sturm op treurigen toon er bij en greep naar een glas bier, dat meer dan een halve kruik bevatte, zette het glas aan de lippen, en nam het er niet af voordat de laatste druppel er uit was verdwenen.

«Het bier is van 't vat,» zei hij, zich zeiven verontschuldigend: «mag ik u een glas geven ? Het is gewoonte in ons vak geen ander te drinken ; 't is waar, dat drinken we den geheelen dag, want het werk maakt ons dorstig.»

«Uw zoon heeft, naar ik hoor, lust om in uw gild te komen,» begon Anton.

ocr page 158

150

«Onder de sjouwers?» vroeg de reus. «Neen, dat gebeurt niet, nooit.» Uij lei zijn hand vertrouwelijk op Anions knie. «Dat gebeurt niet; mijn zalige vrouw heeft het mij op haar sterfbed verzocht. Waarom? Daarom! Ons werk is respectabel, dat weet gij zelf' het best, mijnheer Wohlfart. Wij zijn mannen, die een vertrouwen genieten, als maar met weinigen het geval is. Het is een eer sjouwer van een handelshuis te worden, iets, waarvoor honderden zich moeite geven, maar wij laten niemand toe. Er worden Weinigen gevonden die de noodige kracht hebben en nog minder, die iets anders hebben.»

«Eerlijkheid, meent ge,» zei Anton.

«Geraden,» knikte Sturm, «die ontbreekt dikwijls den sterkste. Eiken dag allerlei soort van koopwaren in vaten en kisten in groote hoeveelheid voor zich te hebben, en er mee rond te springen, als met zijn eigendom, en nooit de hand er in te steken, dat is, helaas! niet ieder-mans zaak. Dus, gij weet, wij houden ons gesloten. En de ontvangsten zijn niet slecht, integendeel, zij zijn best. Mijn zalige vrouw had nog veel op met spaarpotten, en spaarkousen, en zulk tuig. Toen zij stierf' vond ik de geheele onderste plank van haar kast met toegebonden kousen beladen, die naast elkaar stonden, als dicht opeen gepakte ritsen vinken. Zij was een spaarzame vrouw en lei alles op. Dat is nu mijn gewoonte niet. Want waartoe zou het dienen? — Wie praktikaal is, heeft om geld niet verlegen te zijn, en Karei wordt een practisch mensch. Alleen niet als sjouwer,» herhaalde hij, «mijn zalige vrouw wou dat niet hebben, en zij had gelijk.»

«Uw werk is zeer vermoeijend,» gaf Anton hem toe.

«Vermoeijend?» lachtte Sturm, «nu ja, vermoeijend mag het wezen voor iemand die niet sterk is; zoo vermoeijend dat zijn rug er van knakken kan ; maar het is het vermoeijende niet, er is nog iets anders. Dit is het!» en met die woorden nam hij een groote kruik en schonk zijn glas vol. «Het bier is het!»

Anton glimlachte. «Ik merk het, gij en uwe kameraads drinkt veel van dat dunne vocht.»

^Veel!» zei Sturm met een gevoel van eigenwaarde. «Het is bij ons gebruik, het is een oude gewoonte, het is van vader op zoon altijd zoo bij de sjouwerlui geweest; zij moeten kracht hebben, zij moeten eerlijke kerels wezen, en zij moeten bier drinken. Het is behoefte bij ons werk; wie het niet doet houdt hot niet uit; water drinken verzwakt en wijn of brandewijn eveneens; alleen bier is goed, dit en genua-olie, zie je, mijnheer Anton, zoo.» — De reus strekte den arm uit en nam een klein glas van de plank, vulde het half met fijne boomolie, en de andere helft met bier, deed er een goede hoeveelheid suiker in en dronk tot Antons verbazing het walgelijk mengsel op. «Dat maakt sterk,» zei hij, «'t is een geheim van ons gild, het bewaart de krachten en geeft armen als deze,» trotsch lei hij zijn eenen arm op de tafel en beproefde te vergeefs hem met zijn andere hand te omspannen. «Maar er is een keerzijde bij,» vervolgde hij half fluisterend, «geen van ons wordt vijftig jaar. Hebt gij ooit. een ouden sjouwer gezien ? Ik niet, want er bestaat er geen. Vijftig jaar is het hoogst dat ze bereiken kunnen, langer duldt het de biergeest niet. Mijn vader was vijftig toen hij stierf; die, welken wij laatst hebben begraven — mijnheer Schröter was bij de plechtigheid, —■ was negen en veertig. Ik heb nog een paar jaar voor mij,» voegde hij er bij om Anton gerust te stellen.

ocr page 159

151

Anton zag bezorgd op het eerlijke gezicht van den sjouwer. «Maar Sturm, als ge dat weet, waarom zijt ge dan niet matiger?»

«Matig?» vroeg Sturm verwonderd, «wat is matig? Uet vliegt niemand van ons naar het hoofd. Veertig halve kruikjes per dag is niet te veel, als men werkt.

Anton zag hem ongeloovig aan.

«Zoo veel ten minste drink ik,» zei Sturm. «Hij, dien we onlangs hebben begraven, kon nog meer verdragen; maar hij had ook weken, dat hij nog sterker was dan ik. Zie je, mijnheer Wohlfart, daarom juist zal mijn Karei volgens den laatsten wil zijner moeder liever iets anders worden, 't Is, onder mannen gesproken, eigenlijk maar malligheid met dien heelen ouderdom. Üok van de menschen, die geen sjouwers zijn, worden de minste ouder dan vijftig. Zij sterven aan alle mogelijke ziekten van hun prilste jeugd af, en louter aan ziekten, die wij sjouwers niet kennen; maar mijn beste vrouw heeft het eenmaal verlangd, en daarom zal het zoo gebeuren.»

«En hebt ge al aan iets anders gedacht?» vroeg Anton verder. «Karei is zeker in de zaak hoogst nuttig, en wij allen zullen hem missen, als hij niet langer in het huis is.»

«Dat is zoo,» viel hem Sturm in de rede, «dat is zeer juist wat ge daar zegt. Gij zult hem missen, ik ook. Ik ben alleen in het huis sints mijn vrouw is gestorven; als ik de roode wangen van mijn jongen binnen deze muren zie ben ik tevreden; als ik in uw huis zijn hamer hoor, voel ik mijn hart vroolijk kloppen. Als hij van mij weggaat en ik eenzaam in deze kamer zit, weet ik niet hoe ik het verduren zal.»

De goede man was inwendig heftig bewogen.

«Maar moet hij dan geheel van u af?» vroeg Anton eindelijk, «wellicht kan hij nog jaren lang hier wonen.»

Sturm schudde bedenkelijk met liet hoofd. «Ik ken hem, hij kan dat niet; als hij zich eenmaal iets in het hoofd zet, dan houdt hij er aan vast, als een kleine duivel; dan denkt hij aan niets, dan aan dat eene ding, en ook ik heb bij mij zeiven nagedacht in de laatste dagen. Ik zal u zeggen,» ging hij op verti ouwelijken toon voort, «ik doe verkeerd als ik aan mijzelven denk. De jongen is niet voor mij in de wereld komen kijken, maar voor zich zeiven. Hij moet iets worden. En nu vraag ik wat mijn vrouw wel voor den jongen zou wenschen, als zij nog leefde. Deze vrouw had een broeder, die mijn zwager is, en die zwager woont op het land. Een eigen erf, daar ginds, waar het hooge water van daan komt; een welgesteld man, hij ruilt niet met menig riddergoed. Die bezoekt mij alle jaar als de wol is geschoren. Die kent mij en kent Karei; hem zou ik den jongen willen geven, als ik hem niet behouden mag. Ilij woont ver van hier,» eindigde hij bedroefd, «maar 't is een bloedverwant.»

«Dat is een goed plan, mijnheer Sturm,» zei Anton, blijde zoo weinig bezwaren te vinden, «maar ik heb altijd gehoord dat de landman alleen dan een zelfstandige werkzaamheid verwachten kan, als hij niet geheel zonder middelen is.»

«Dat komt heel goed,» zei de reus, geheimzinnig den vinger opstekende, «hij is niet geheel zonder middelen. Van zijn moeders kant iets, en ook iets van zijn vader; maar hij zelf' weet er niets van, want ik wou dat hij praktisch zou worden. Zeg gij het hem dus ook niet,»

ocr page 160

152

«Daar gij zoo vaderlijk voor uw zoon zorgt,» riep Anton, moet ge hem niet langer in de onzekerheid laten. Het is braaf' van hem dat hij liet onvoldoende van zijn tegen woord igen arbeid gevoelt,»

«Hij mag het dadelijk hooren,» zei de oude opstaande, «hij is zeker ergens in den tuin. Gij zult er bij wezen.» Sturm ging naar buiten, en riep met zijn sterke stem: «Karei!»

Karei kwam haastig aanloopen, groette Anton, en zag in gespannen verwachting nu den een, dan den ander aan. De oude was zeer bedaard gaan zitten en vroeg op zijn gewonen toon ; Kleine dreumes, wil je landbouwer worden ?»

«Landbouwer?» riep Karei, «daar heb ik nog nooit aan gedacht. Dan zou ik van je weg moeten, vader?»

«Hij denkt er ook aan,» zei Sturm, Anton vriendelijk toeknikkende.

«Is het dan uw wil, dat ik van je weg zal gaan?» vroeg Karei ontsteld.

«Wel zeker, mijn jongen,» zei de oude ernstig. «Dat moet mijn wil zijn, daar het noodzakelijk is, om uw moeder zaliger.»

«Moet ik naar mijn oom?» riep Karei uit.

«Naar niemand anders,» zei de vader. «Tegenspraak baat niet, de zaak is afgehandeld, altijd natuurlijk in de onderstelling, dat je oom je wil hebben. Je zult landbouwer worden, je zult iets fatsoenlijks leeren, je zult je vader verlaten.»

«Vader,» zei Karei diep bewogen, «als ik van u weg moet, is het niet naar mijn zin.»

«Maar het moet naar je zin wezen, eerzuchtige dreumes! riep de oude.

«Ga dan mee naar het land,» smeekte de zoon,

«Ik op het land? ho, ho!» lachte Sturm dat het huis er van dreunde. «Mijn dreumes wil mij in zijn zak steken en mee naar buiten nemen?» Hij lachte zoo lang dat de tranen hem in de oogen kwamen. «Kom hier, mijn Karei,» zei hij eindelijk, trok den knaap tot zich en hield zijn hoofd lang tusschen zijn groote handen, «gij zijt mijn beste jongen, en scheiding moet er eenmaal wezen op aarde, zoo niet thans, dan over een paar jaar.»

Zoo verliet Karei het handelshuis. Te vergeefs beproefde hij in de laatste dagen zijn aandoening onder een zacht fluiten te verbergen. Teeder streelde hij zijn vriend Pluto en de kat, die hij zelf in het huis had gebracht; hij verichtte zijn kleine bezigheden met overdreven ijver en hield zich daarbij steeds zoo dicht mogelijk bij zijn vader; ook deze zag den ganschen dag telkens zijn zoon aan, en verliet meer dan eens zijn vaten om langzaam naar hem toe te loopen en hem zwijgend de hand op het hoofd te leggen.

«Het is niet moeijelijk, de landbouw?» zei Sturm bij de groote weegschaal tot Anton, en zag hem vragend in 't gezicht.

«Gemakkelijk is 't niet,» antwoordde Anton, «er valt misschien nog meer bij te leeren, dan bij onze zaak.»

«Leeren,» riep de oude, «hoe meer hij loeren moet, hoe liever het hem is, dat beteekent niets; ik meen maar of' het zeer zwaar is?»

«Neen.» zei mijnheer Pix, die de taal van den reus beter verstond. «Zwaar is er niets in. Het zwaarste is de zak koren, honderd tachtig pond, en boonen twee honderd pond. En die heeft hij niet te dragen, dat doen de knechts.

«Als het bij den landbouw zoo is,» riep Sturm verachtelijk en

ocr page 161

is:?

richtte zicli hoog up, «dan is liet mij glad overschillig of hij zulke vrachtjes oplicht, ja dan neen. Twee honderd pond kan mijn dreumes ook dragen.»

VI.

Anton was thans do ijverigste en getrouwste correspondent van iiet kantoor. Tegenover de ridderlijke liefhebberijen zijns vriends hield hij zicli koel, en slechts zelden kon Von Fink hem overhalen om zondags met hem oen toer te paard te doen of hem bij het schijfschieten gezelschap te houden. Daarentegen gebruikte hij Von Finks boekenkast veel meer dan deze zelf. Het was hem na lang tobben gelukt in de geheimenissen der engelsche uitspraak door te dringen, en telkens zocht hij de gelegenheid om zijn talent door Von Fink aan te kweeken. Daar deze echter aan het euvel mank ging van een zeer onordelijk en gewetenloos leermeester te zijn, besloot Anton zijn tong onder de bevelen van een beschaafd Fngelschman te stellen.

Eens op zekeren dag keek hij van zijn plaats in het kantoor op, toen de deur open ging, en herkende tot zijn groote verbazing in den binnenkomende Veitel Itzig, zijn ouden schoolkameraad uit Ostrau. Hij had hem tot nu toe slechts zelden ontmoet. De drieste manieren van den jonkman en de vrees voor het vertrouwelijke «jij», waarmee deze hem wellicht zou aanspreken, hadden zijn oogen altijd een anderen kant doen kiezen, zoo dikwijls hij onder het gewemel der menschen op straat den spitsen neus van Itzig bespeurde, (Jrooter nog wenl zijn verbazing toen Veitel op de vraag van den heer Specht; «Wat is er van uw dienst? beleefd antwoordde, dat hij mijnheer Wohlfart gaarne wilde spreken.

Anton klom van zijn stoel en ging naar de open ruimte van het kantoor en Veitel zei tot hem; «Gij zult mij nog wel kennen, ofschoon gij mij dikwijls voorbij gegaan zijt, zonder mij te groeten.»

«Hoe gaat het met u, Itzig?» vroeg Anton koud.

«Slecht», antwoordde Itzig, de schouders ophalende; «er valt tegenwoordig niets te verdienen. — Ik zou u dezen brief van den zoon des heeren Ehrenthal overhandigen en vragen, wanneer Bernhard u een bezoek kan komen maken.»

«Aan mij?» vroeg Anton en nam een kaartje en een brief uit Veitels handen aan. De brief was van Antons engelschen meester, en behelsde het voorstel, of Anton hist had deel te nemen aan een les, waarin de jonge Ehrenthal voornemens was de oude engelsche schrijvers naar chronologische volgorde te lezen.»

«Waar woont mijnheer Bernhard Ehrenthal?» vroeg Anton.

«Te huis bij zijn vader, antwoordde Veitel en verborg een glimlach. «Hij zit den ganschen dag op zijn kamer.

«Ik zal dien heer zelf komen zien,» zei Anton.

«Goeden morgen, mijnheer Anton 1»

«Goeden dag, Itzig.»

Anton gevoelde geen groote opgewektheid om aan het voorstel zijns

ocr page 162

154

meesters gehoor te geven. De naam Ehrenthal stond op zijn kantoor in niet al te goedt?n reuk, en de komst van Itzig was juist niet bevorderlijk om hem liet aanbod aannemelijk te maken. De ironische wijze echter, waarop Itzig van den zoon zijns meesters gesproken had, en enkele dingen, die hij bij zijn navragen naar Bernhard vernam, bewogen hem althans de zaak in overweging te nemen. Daarom zocht hij eenige dagen daarna, na afloop van liet kantoor, Ehrenthals huis op, vast besloten om zijn besluit te laten afhangen van den indruk, welken de zoon op hem zou maken. Hij wandelde op de wit verniste deur toe, trok aan den dikken porceleinen knop, en werd door de gekreukelde keukenmeid zonder veel omslag naar de kamer van den jongen Ehrenthal gebracht, liet was een lang smal vertrek met oude meubelen en sma-kelooze boekenplanken, waarop een menigte groote en kleine boeken slordig door elkaar lagen. Bernhard zat over zijn werk gebogen aan zijn schrijftafel en zag eerst op, toen Anion reeds in de kamer stond. Haastig knoopte hij zijn huisjas over zijn hemd dicht en kwam den vreemdeling met die weifeling tegen, die aan kortzichtige menschen bij het begroeten van gasten eigen is. Nieuwsgierig nam Anton den zoon des koopmans op. Het waren fijne trekken, een tenger lichaam, kastanjebruin krullend haar en twee grijze oogen met een vriendelijke uitdrukking. Bernhard verzocht zijn gast op een kleine canapé plaats te nemen. Anton zei hem het doel van zijn bezoek en Bernhard antwoordde bedeesd dat hij zich in alles naar Antons verlangen zou schikken. En toen deze hem naar den prijs der les vroeg, was hij verwonderd, dat de zoon van Ehrenthal eenigszins verlegen zei: «Ik weet het wezenlijk op het oogenblik niet, als gij er echter op staat om den meester ook te betalen, zal ik het terstond onderzoeken?»

Daarop kon Anton niet nalaten hem te vragen: «Zijt gij niet in de zaak van uw vader ?»

«Ach neen,» antwoordde Bernhard, alsof hij er excuus voor vroeg, «ik heb gestudeerd, en daar een jong mensch van mijn geloof niet gemakkelijk een staatsbetrekking krijgt, en ik in huis goed leven kan, houd ik mij met deze boeken bezig.» Daarbij wierp hij een blik vol teederheid op zijn boekenkast, stond op, en ging er heen alsof hij ze aan zijn gast wilde voorstellen. Anton las eenige titels en zei met een buiging: «Dat is te geleerd voor mij.» Het waren uitgaven van oos-tersche werken. Bernhard glimlachte en zei: «Door het hebreeuwsche ben ik aan de andere semitische talen gekomen. Er is veel vreemdsoortige schoonheid in het lezen van die talen en in de gedichten van tien ouden tijd. Ik heb ook handschriften, als gij soms verlangt ze te zien.»

Hij schoof een lade open en haalde er oen bundel zeldzame manuscripten uit. Met glinsterende oogen opende hij het bovenste, in een band van groene zijde, die met gouddraad kunstig bewerkt was; hij liet Anton het schrift beschouwen en verheugde zich toen deze verklaarde, dat hij niet eens zeggen kon, tot welke taal die karakters behoorden.

«'t Is arabisch, maar dit handschrift is ook zeer moeijelijk te lezen. —■ Hier hebt ge mijn lievelingsdichter, den Pers Eirdousi, ik heb echter slechts een kleine fragment van zijn gedicht in het handschrift.»

Anton zei tot hem: «Er wordt zeer veel geleerdheid vereischt om dit alles te verstaan.»

«Alleen wat geduld,» hernam Bernhard bescheiden; «wie gevoel

ocr page 163

155

heeft voor liet schoone, vindt het spoedig overal, ook onder het vreemdsoortige gewaad waarin het door de zangers van het Oosten is gehuld. Ik ben thans bezig aan een vertaling van perzische gedichten; als gij later eens wat meer tijd hebt en zulke dingen u niet vervelen, zou ik u vragen u er een proef uit voor te lezen.»

Anton was beleefd genoeg hem er dadelijk om te verzoeken ; de jonge Ehrenthal nam gretig een papier van zijn schrijftafel op en las haastig en een beetje plomp een minnedichtje voor. liet was een van die tallooze gedichten, waarin een wereldwijze drinker zijn beminde bij allerlei aardige dingen vergelijkt: dieren, planten, de zon en andere hemellichamen, en daarbij een dweepzieken kniezer voortdurend knippen op den neus geeft. De gedrongen vorm en de puntige wijze van uitdrukking werkten op den eenvoudigen Anton, maar het kwam hem toch wonderlijk voor, toen de voorlezer in eens uitriep : «Niet waar, dat is schoon? De gedachte, meen ik; want de schoonheid der taal in het duitsch terug te geven, daartoe ben ik te zwak.» Bij deze woorden zag hij als in verrukking voor zich uit, als een man die alle dagen vijf of zes flesschen Schiraswijn drinkt en eiken avond zijn Suleika omhelst.

«Maar moet men dan drinken om goed te kunnen beminnen?» vroeg Anton; «Dat is bij ons ook zonder wijn mogelijk.»

«Bij ons,» hernam Bernlmrd, «is het leven zeer prozaisch,» en daarmee lei hij het papier ernstig op tafel neer.

«Ik ben van oordeel dat het niet zoo is,» hervatte Anton vol vuur, «ik ken nog maar weinig van het leven, maar ik zie toch, dat ook wij zonneschijn hebben en rozen, levenslust, groote hartstochten en merkwaardige lotswisselingen, die door de dichters worden bezongen.»

«Onze tegenwoordige tijd, merkte Bernhard bedaard op, «is te koud en te eentonig.»

«Ik heb dat reeds enkele malen in de boeken gelezen, maar ik kan niet begrijpen waarom, en geloof het ojk volstrekt niet. Ik denk dat hij, die met ons leven ontevreden is het nog meer zal zijn met het leven in Teheran of Calcutta, als hij daar een tijd lang blijft wonen. Het moet daar veel eentoniger en vervelender zijn dan bij ons, ik zie dat uit de reisbeschrijvingen. Wat den reiziger bekoort is de nieuwheid, zoodra het vreemde alledaagsch is geworden, ziet het er zeker geheel anders uit.»

«Maar hoe arm aan groote gewaarwordingen is onze beschaafde maatschappij!» zuchtte Bernhard. «Dat moet gij zelf in uw zaak meermalen ondervinden, 't is alles zoo prozaisch wat gij moet doen.»

«Daar kom ik tegen op, zei Anton driftig, «ik kan mij integendeel niets zoo belangwekliends voorstellen als juist onze zaak. Wij leven midden in een bont weefsel van ontelbare draden, die van den eenen mensch tot den anderen, over land en zee, uit het eene werelddeel naar het andere samen loopen. Zij hechten zich aan elk individu en brengen hem met de gansche wereld in betrekking. Alles wat wij aanhebben, al wat ons omringt, brengt ons de merkwaardigste gebeurtenissen van alle vreemde landen en de menschelijke bedrijvigheid in al haar verschijningen voor oogen; daardoor wordt alles bekoorlijk. En daar ik het gevoel heb, dat ik ook medehelp, en dat ik, hoe gering mijn krachten ook zijn, toch hot mijne bijdraag om den eenen individu in voortdurende betrekking met den anderen te houden, kan ik wel tevreden zijn met mijn werkzaamheid. Als ik

ocr page 164

450

een zak koffie op de schaal zet, leg ik een onziclitbaren knoop tusschen de dochter van den planter in Brazilië, die de boonen heeft geplukt, en den jongen landman, die ze bij zijn ontbijt gebruikt; en als ik een pijp kaneel in de hand neem, dan zie ik aan den eenen kant een Maleijer op zijn hurken zitten, die ze toebereidt en inpakt, en aan den anderen kant een oud moedertje uit onze voorstad, die ze over den rijstebrij fijn wrijft.»

«Gij hebt een levendige verbeelding en zijt gelukkig dat ge uw bezigheden voor nuttig houdt. Maar wat de verhevenste stof voor de poëzie is, een leven rijk aan krachtige aandoeningen en daden, dat is bij ons toch zeer zelden te vinden. Dan moet men als de engelsche dichter uit de beschaafde landen naar de zeeroovers gaan.»

«Neen, niet waar,» hield Anton stijf vol, «de koopman bij ons heeft een even rijk leven, in gevoelens zoowel als in daden, als de een of andere ruiter van de Arabieren of de Indianen. — lloe uitgestrekter zijn zaak is, met des te meer menschen heeft hij te doen, wier geluk of ongeluk ook hij moet gevoelen, en des te meer is hij ook zeifin de noodzakelijkheid om zich te verheugen of smart te ondervinden. — Onlangs heeft hier een groot huis bankroet gemaakt.»

«Ik weet het,» zei Bernhard, «'t was een treurige geschiedenis.»

«Als gij de drukkende onweerslucht hadt gevoelt, die over de zaak hing, voor zij lostbarstte, de vreeselijke wanhoop van den man, de smart der familie, de edelaardigheid zijner vrouw, die haar geheel vermogen tot den laatsten gulden schonk om de eer van haar man te redden, dan zoudt gij niet zeggen, dat ons vak arm is aan groote driften en edele gevoelens.»

«Gij zijt met hart en ziel koopman, zei Bernhard vriendelijk, «ik zou u kunnen benijden om het reine genot dat gij in uw werk hebt.»

«Ja,» vervolgde Anton. «Ook de koopman doet treurige ondervindingen in overvloed op. Aan kleine ergernissen geen gebrek, en van veel slechtheid moet hij getuigen wezen, maar de handel in 't algemeen is toch zoozeer op de eerlijkheid van anderen en op de goedheid der rnenschelijke natuur berekend dat ik bij mijn entree in dat vak verstomd stond, üie een eerlijke zaak heeft, kan van ons leven niet slecht denken ; hij zal altijd de gelegenheid hebben om er iets schoons en groots in te vinden.

Bernhard had piet half gesloten oogen geluisterd; thans zag hij zwijgend het venster uit, en Anton bemerkte dat hij verlegen en niet op zijn gemak was. Eindelijk keerde Bernhard zich om, en zei, het gesprek af brekend, op vragenden toon : «Als gij het goed vindt, mijnheer Wohlfart, zou ik terstond met u naar den taalmeester willen gaan. liet is een heel eind van hier, we kunnen in de vrije lucht verder samen spreken.»

Als oude kennissen wandelden de beide jongelingen het sombere huis uit, en toen zij een uur later afscheid namen, zei Bernhard zeer nadrukkelijk : «Is u do omgang met mij niet onverschillig, mijnheer Wohlfart, kom mij dan als je blieft dikwerf in uw vrije uren opzoeken.» Anton beloofde het. Beiden hadden smaak in elkaar gevonden. Anton verbaasde zich nog steeds dat een zoon dan Ehrenthal zoo weinig koopman kon zijn, en Bernhard was gelukkig een mensch te hebben aangetroffen, met wien hij over veel kon spreken, dat hij anders in stilte met zich ronddroeg.

Bernhard kwam 's avonds met een tevreden gelaat in de huiskamer en plaatste zich achter zijn zuster, die op een kostbare piano een nieuw mo-

ocr page 165

157

destuk instudeerde en daarbij een groote vlugheid vertoonde. De broeder kuste haar zacht in den hals, zij keerde zich om en riep: «Laat mij met rust, Bernhard, ik moet liet stuk instudeeren, want aanstaanden zondag is het groote partij en zij zullen mij zekei'vragen om te spelen.»

«Dat weet ik, dat zij u zullen uitnoodigen,» zei de moeder, toen Bernhard zwijgend op de canapé ging zitten en een opengeslagen boek in handen nam. «Er is geen gezelschap, waar men niet het verlangen heeft Rosa te hooren. Als je maar eenmaal besluiten kondt om mee te gaan, Bernhard! Je bent een man van zoeveel geest, geleerder dan al onze kennissen. Onlangs nog heeft professor Starke met de grootste achting over je gesproken en gezegd, dat je een licht zoudt worden voor de wetenschap. Het is genotvol voor ecu moeder als zij trotsch mag wezen op haar kinderen. Waarom gaat ge niet mee naar de partij ? Het gezelschap zal zoo uitgelezen zijn, als het in onze stad zijn kan.»

«Gij weet, moeder, ik houd er niet van om onder vreemde menschen te komen,» antwoordde de zoon.

«En ik wil dat mijn zoon Bernhard zal hebben zijn eigen zin,» riep de vader uit een aangrenzend vertrek, waar hij de laatste woorden van Bernhard had gehoord, daar juist op dat oogenblik Rosa van haar zware passage uitrustte.

Mijnheer Ehrenthal kwam in zijn verschoten kamerjapon binnen: «Onze Bernhard is niet als andere menschen, en de weg dien hij gaat, zal altijd zijn een goede weg. Je ziet er bleek uit,» zeide hij tot zijn zoon en streek met zijn hand over de bruine lokken. Je studeert te veel, mijn zoon. Denk aan je gezondheid, de dokter heeft gezegd, dat beweging noodzakelijk is en heeft je geraden te nemen een paard om er op te rijden. Waarom wil je niet nemen een paard? Ik kan het velen, dat mijn zoon Bernhard op het duurste paard rijdt, dat in de stad te krijgen is; doe wat de dokter zegt, mijn jongen, ik zal je koopen een paard.»

«Ik dank u, beste vader,» hervatte Bernhard, «het zou mij geen pleizier doen, en daarom, naar ik vrees, weinig helpen.» Hij drukte dankbaar de hand zijns vaders, die hem weemoedig in het gerimpeld gelaat zag.

«Geef je Bernhard wol altijd te eten, wat hij graag heeft ? Laat wat perziken voor hem halen, Sidonie, er zijn juist nieuwe aangekomen bij den fruitkooper; het stuk kost drie stuivers ; of wil Je iets anders hebben? Zeg het ronduit. Je zult hebben wat je verlangt; je bent mijn beste zoon Bernhard en ik beleef veel pleizier aan je.»

«Hij wil immers nooit iets aannemen,» sprak de moeder er tusschen, «hij heeft nergens pleizier in dan in zijn boeken ; naar Rosa en mij vraagt hij dikwerf den geheelen dag niet.

«Lieve moeder,» zei Bernhard smeekend.

«Hij leest te veel in zijn boeken en geeft niet om de menschen,» ging de wereldwijze vrouw voort. «Daarom ziet hij er ook zoo bleek en vervallen uit, als een man van zestig jaar. Waarom wil hij Zondag niet mee naai' de partij gaan ?»

«Ik zal mee gaan, als gij het verlangt,» zei Bernhard treurig, en voegde ei' na een oogenblik stilte bij ; kent gij ook een jong mensch, een zekeren mijnheer Wohlfart, die in de zaak van Schriiter is?»

«Ik ken hem niet,» zei de vader bepaald.

«Gij misschien, Rosa ? Hij is een aardig mensch meteen gunstig uiterlijk. ■

ocr page 166

458

Hij lijkt mij een good danser en vroolijk in gezelscliap te zijn. Heb jc liem nergens ontmoet? Ik geloof datje hern zoudt hebben opgemerkt.»

«Is hij blond?» vroeg de zuster, terwijl zij haar lokken voor den spiegel in orde bracht.

«Hij heeft donker haar en bruine oogen.»

«A.ls hij op een kantoor is, zal ik hem bezwaarlijk kennen,» zei Rosa op eeningszins hoogen toon.

«Onze Rosa danst meestal met ofliciers en al tisten,» voegde de moeder er tot opheldering bij.

«Hij is een degelijk en beminnelijk mensch,» vervolgde Bernhard, «ik wil met hem engelsch gaan werken en ben recht blijde zijn kennis te hebben gemaakt.»

«Hij zal bij ons verzocht worden,» besloot mijnheer Ehrenthal van de canapé opstaande; «als hij onzen Bernhard bevalt, zal hij welkom zijn in mijn huis. Laat een goed stuk vleesch braden aanstaanden zondag, Sidonie, en mijnheer Wohlfart ten eten vragen, niet om een uur, maar om twee! Hij zal van nu af op alle partijen gevraagd worden die wij geven; als hij een vriend is van Bernhard, zal hij ook een vriend zijn van ons huis.»

«Maar hij heeft immers nog geen visite gemaakt,» meende de moedor ; «wij moeten toch wachten tot hij zich bij de familie laat presenteeren ?»

«Waartoe dat presenteeren?» vroeg de vader, «als hij bekend is met onzen Bernhard, waarom zou hij dan nog eerst gepresenteerd moeten worden?»

«Ik zal deze week nog bij hem gaan en als gij het goed vindt, lieve moeder, zal ik hem voor zondag bij ons ten eten vragen.»

De moeder gaf haar toestemming en Rosa ging nu naast haar broeder zitten en ondervroeg hem met groote belangstelling naar den persoon en het uiterlijk van zijn nieuwen vriend.

Bernhard schilderde met vuur den aangenamen indruk, dien Anton op hem had gemaakt, zoodat de moeder er aan dacht voor zondag het nieuwe zilver te geven en te laten poetsen. Rosa overlei in welk kleed en door welken kant van haar veelzijdige beschaving zij op den vreemdeling indruk zou maken, en de vader verklaarde herhaaldelijk, dat hij mijnheer Wohlfart op ieder uur van den dag en op elk uitgekozen diner bij zich aan huis wilde zien.

Hoe kwam het dat Bernhard aan zijn familie den inhoud niet mededeelde van het gesprek, dat den nieuwen vriend hem zoo dierbaar had gemaakt? Hoe kwam het, dat hij. kort daarna in een droevig zwijgen verzonken naar zijn studeerkamer terugkeerde? Dat hij daar met zijn hoofd op zijn hand leunende boog over een handschrift en zoo lang op de duistere letters tuurde, dat groote tranen neervielen, die de heldere kleuren, waarop hij zoo grooten prijs stelde, oplosten en bedierven, zonder dat hij het zolf bemerkte? Uoe kwam het, dat de jonge man, waarmee do moeder zoo graag wou pronken, en dien de vader zoo vereerde, alleen op zijn kamer zat en de bitterste tranen vei'goot, die een braaf monsch weenen kan? En van waar kwam het, dat hij eindelijk tegen den laten avond, met bekreten oogen zich vermande en met ijver zich in zijn boeken verdiepte, terwijl zijn zuster in een anderen hoek van het huis nog altijd met haar vlugge vingers over de toetsen zweefde en het moe ij el ijk e stuk instudeerde, dat op de eerstvolgende partij zoo'n opgang zou moeten maken?

• 1

quot;

I I

iii 11

If Ut 1 if

li

11

Ei h.

V-i i

III

ocr page 167

•15!)

Met dezen dag begon voor Anton en Bernhard een leven, dat voor beiden groote waaide had. Bij hun gesprekken over het schoone, dat de kracht van een vreemd volk had voortgebracht, hadden zij ook liet genoegen het goede te waardeeren dat zij in elkander vonden. Bern-hards taalkennis was grooter en zijn gevoel voor hot bekoorlijke in de vreemde poëzie haast overdreven lijn; in Antons ziel was alles altijd geregeld en zelf bewust. Als Bernhard ijverde voor Byron, sprong Anton in de bres voor de helderheid van Walter Scott, en beiden voelden zich gelukkig, als hun geestdrift zich op het punt van den grootsten tooneeldichter, Shakespeare, vereenigde. Anton schilderde de zeldzame ontwikkeling van Bernhard aan den onverschilligen Von Fink. Hij stelde er zich een genoegen van voor beiden met elkander in kennis te brengen, en toen hij eens Bernhard hij zich gevraagd had, verzocht liij ook Von Fink te komen.

«Als het je pleizier doet, Tony,» zij Von Fink, zijn schouders ophalende, «ben ik bereid. Maar ik zeg je vooruit, dat ik van alle schepselen do boekwurmen hei minst kan uitstaan. Er bestaat geen ras, dat met meer zelftevredenheid over alles beslissend spreekt, en geen dat dwazer handelt, als hij zelf iets moet uitrichten. En dan nog een zoon van den waardigen Ehrenthal! Neen, hoor je, neem me niet kwalijk als ik spoedig wegloop.»

Bernhard zat in gespannen verwachting op Antons canapé en zag met eenige beschroomdheid de komst van den beroemden man te ge-moet, over wien menig verhaal zelfs tot zijn rustig studeervertrek was doorgedrongen. Toen Von Fink binnenkwam en do diepe bniging van Bernhard met een klein knikje beantwoordde, een stoel nam en de slappe thee, waarom Bernhard gevraagd had, (looi' allerlei bijvoegsels zocht drinkbaar te maken, gevoelde Anton tot zijn leedwezen, dat die twee menschen bezwaarlijk voor elkander zouden passen. Geen grooter contrast was denkbaar dan tusschen hen beide. Be doorschijnende hand van Bernhard en Von Finks gezonde vleeschtint en krachtige spieren, de gebogen houding van den een, de veerkrachtige gestalte van den ander, ginds een gerimpeld gelaat met droomerige oogen, hier trotsche trekken met een blik als van een arend, dat voegde volstrekt niet bij elkaar. Intnsschen ging het beter dan Anton gedacht liad. Bernhard luisterde met eerbied naar hetgeen de jockey vertelde, en daar Anton zijn best deed om het gesprek op een gebied te brengen, waarop Ber-herd ook te huis was, bleef het onderhoud levendig.

«Von Fink heeft ook Indianen gezien,» zei Anton tot Bernhard.

«Hebt gij ook eenige van hun liederen gehoord? vroeg de geleerde.

«Ik heb ze enkele malen gehoord, 't Is mogelijk dat verstandige lui iets stichtelijks in hun gezang vinden, mij is het nooit anders dan erbarmelijk voorgekomen. Sla maar een oud boek open en zing dan door je neus met allerlei rare geluiden: «turn, tum, te-tieke, te—och, och, turn, tum, te,» dan heb je hun gezang, dat in onze taal ongeveer zou beteekenen: «Goede geest, geef bull'els, buffels, buffels! Dikke buiïels, geef ons, goede geest 1» — Zijn toehoorders lachten. — «En waarom ook zouden die schepsels kunstige liederen maken ? Zij zijn altijd óf op de jacht, óf zij gaan op scalpeeren uit, óf zij eten en slapen, óf 7ij houden speeches, iets waarin zij groote liefhebberij hebben.

«Maar de vrouwen 1» vroeg Bernhard.

ocr page 168

460

«Hoe het bij liaar met de poëzie gesteld is, weet ik niet; mij roken zij altijd te veel naar vet. 't Is waar, als men niets anders heeft, went men er wel aan. Maar met de mannen kan men dan nog eerder omgaan. Zoo'n naakte kerel op zijn half wild paard is geen leelijk gezicht.»

«De eerste ontmoeting moet toch een zekeren indruk maken; hun vreemde dracht en trotsche houding,» meende Bernhard.

«Dat kan ik niet zeggen,» hernam Von Fink. «Jaren geleden maakte ik met mijn oom een reis naar het agentschap van oen maatschappij in pelterijen, waarin hij aandeel had. Toen we uit de stoomboot aan wal stegen, vonden wij bij de landingsplaats een gezelschap van die roode heeren, die erg dronken waren. Een lange slungel kwam op mijn oom aan, en hield een aanspraak, die, gelijk de tolk verklaarde, de verzekering bevatte, dat zij allen groote krijgslieden waren, en na iederen volzin gilde de gansche hoop een luid: «hau, hau,» dat in hun taal zooveel als «ja» wil zeggen, 't Was een troep zwartvoeten.»

«'t Waren Siouks,» verbeterde Bernhard bescheiden.

Ven Fink lei zijn theelepeltje neer en keek Bernhard met groote oogen aan. «Ik meen, mijnheer, dat hot zwartvoeten waren.»

«Neen, het zullen wel Siouks zijn geweest,» herhaalde Bernhard. «Bij de zwartvoeten klinkt het woord «ja» anders.»

«Waarom, voor den drommel,» riep Von Fink, «laat je mij mijn jachtgeschiedenissen vertellen, als ge die roodhuiden zoo van nabij kent!»

«Ik heb maar een weinig werk gemaakt van hun taal,» antwoordde Bernhard, «en het is louter toeval dat ik juist onlangs eenige woor-denlijsten van verschillende stammen heb doorgezien.»

En waarom hebt ge je die onnutte moeite gegeven? 't Wordt daar ginds spoedig opgeruimd; voordat ge een taal geleerd hebt, is de stam die ze sprak, uitgestorven.»

Nu werd Bernhard welsprekend. Hij beweerde dat do kennis dor talen voor de wetenschap het beste hulpmiddel was om het voornaamste te verstaan, wat de mensch bevatten kan; het zielenleven der volkeren.

De hoeren van de firma luisterden oplettend. Toen Bernhard was vertrokken, zei Von Fink nog altijd verbaasd: «Hij springt met onzen lieven Heer om als met oen oude kennis en kon eenige oogenblikken te voren zijn rechterhand van zijn linker niet onderscheiden.

Het gevolg van dezen avond was dat Bernhard eenige dagen latei-op Von Finks gemakkelijken stoel te zitten kwam en zelfs de stoute schoenen aantrok om met Anton ook Von Fink bij zich te vragen, «'t Is geen partij,» voegde hij er bij, «ik wou u beiden slechts eens op mijn kamer zien.»

Von Fink beloofde te komen.

Daarover ontstond een groote beweging in de familie Ehrenthal. Bernhard stofte zelfs zijn boeken af, zette de omgekeerde recht, on o wonder boven wonder! hij bemoeide zich zelfs met het huishouden. «Er moet thee zijn, avondeten, wijn en cigaren.»

«Je hoeft nergens voor te zorgen,» zei zijn moeder; «als mijnheer Von Fink Je gast is, zal hij zien hoe het in ons huis toegaat.»

«De cigaren zal ik voor je koopen,» riep de vader, «zoo als de jonge

ocr page 169

4 Gd

heeren ze rooken, ietis fijns, hoor je, en ik zal je ook den wijn bezorgen, Laat fazanten halen, Sidonie.»

«We zullen ook een knecht nemen,» zei de moeder.

«Neen, dat wil ik niet,» sprak Bernhard angstig. «De heeren komen bij mij als goede vrienden, en zoo zullen zij ontvangen worden op mijn kamer en zonder vreemde knechts.»

En toen het uur hunner komst naderde, hoe ongeduldig was Bernhard toen! ja zelfs wat kregel, niets was hem naar den zin. «Waar is de theeketel? Nog is er geen ketel op mijn kamer,» riep hij zijn moeder toe.

«Ik zal de thee voor je zetten en boven zenden, zoo als het voor heerenpartijen past,» antwoordde deze, die in den nieuwen zijden japon heen en weer ruischte.

«Neen,» zei Bernhard eigenzinnig, «ik zal zelf de thee zetten, Anton doet het ook, mijnheer Von Fink ook.»

«Bernhard wil zelf thee zetten!» riep de moedei' Rosa verwonderd toe. «Een wonder, hij wil zelf thee zetten I» sprak Ehrenthal in zijn slaapkamer, waar hij juist een martelaar van ziju laarzen was. «Hij wil thee zeiten!» gilde de meid in de keuken en sloeg de handen ineen.

En wederom kwam Bernhard de huiskamer binnenstormen met oen geslepen karaf in de hand: «Wat is dit?» vroeg hij driftig.

«Arak,» zei ziju moeder.

«Het moet rhum zijn. Von Fink drinkt geen arak in zijn thee.»

«Ik zal zelf gaan om rhum te halen,» riep Ehrenthal, nam zijn hoed en liep met de karaf naar zijn buurman Goldstein, den wijnkooper.

Onderweg zei Anton tot Von Fink: «'t Is aardig van je, Von Fink, dat je meegaat. Bernhard zal er zeer blijde mee wezen.»

«Een mensch moet wel wat schikken,» antwoordde Von Fink, «maar ik heb de vrijheid genomen vooraf wat te eten, want ik heb een afschuw van ganzenvet. Doch het mooiste meisje van de stad is wel een offer waard. Ik heb ze laatst op het concert gezien, een prachtig figuur! En welke oogen! Haar vader, de oude woekeraar, heeft nooit een edelsteen in handen gehad, die zoo fonkelt.»

«Wij zijn bij Bernhard gevraagd,» antwoordde Anton op zacht verwijtende toon.

«In allen geval zal de zuster toch wel te zien zijn, zei Vonk Fink, «zoo niet, dan dwingen wij hem haar binnen te brengen.»

«Ik hoop dat zij onzichtbaar zal blijven,» zuchtte Anton.

De deur ging open, het voorhuis was met twee prachtige lampen verlicht, Bernhards kamer feestelijk opgesierd. Een groote bloemen-vaas stond midden op tafel, geschilderd porselein daarnaast, vergulde lepeltjes op een zijden tafelkleed, en een groote bos regalia's van reusachtig formaat: ware balken, die men zonder stut niet tusschen de lippen kon houden. Op den grond lag een nieuw tapijt, alles zag er zeer fatsoenlijk uit. En hoe beminnelijk was Bernhard als gastheer! Hij zette de thee, verzocht in hartroerende hulpeloosheid Von Fink om raad, hoeveel thee hij er in moest doen, hij draaide de kraan zoo kunstig rond, dat er eerst niets uit de opening kwam, en vervolgens de stroom niet was tegen te houden. Blozend spotte hij over zijn eigen onhandigheid, en zijn oogen straalden van genoegen, toen Von Fink verzekerde dat de thee overheerlijk was. Ijverig presenteerde hij de cigaren, oplettend luisterde hij naar de lessen, die Von DEBET EN CREDIT I. 11

ocr page 170

1G'2

Fink hem gaf over de juiste maat, waarin van deze uitvinding van menschelijke scherpzinniglieid gemaakt moest worden. En hoogst gelukkig was hij, toen Anton hem eindelijk verzocht zijn boekenschatten aan den nieuwen vriend te vertoonen en Von Fink op het uiterlijk der vreemde letters allerlei geestige aanmerkingen maakte. Als goede vrienden zaten do drie bij elkaar en keuvelden een uur in de beste verstandhouding. Von Fink was in de menschlievendste stemming van de wereld en Anton smeekte in stilte de goden, dat zij de schoone zuster ver van hun tafel zouden houden.

Maar klokke negen ging de deur van het aangrenzende vertrek open en mevrouw Sidonie trad vol majesteit Bernhards kamer binnen. «Bathseba nadert tot David,» fluisterde Von Fink Anton in 't oor, deze trapte hem vertoornd op den voet. Bernhard stelde verlegen de heeren aan zijn moeder voor, de vrouw des huizes verzocht hen in de andere kamer te komen, mijnheer Ehrenthal en Rosa kwamen voor den dag. Von Kink ging naar liet schoone meisje, noemde haar Freule en zei dat hij blij was een oude kennis weer te ontmoeten, daar hij haar reeds vroeger op het concert had gezien. Uij plaatste zich tusschen moeder en dochter, hij zei haar op de ongezochtste manier zoo veel complimenten, dat beiden er door betooverd werden. Hij roemde bij de moeder do verwijderde hofplaats, in vergelijking waarmee deze stad maar een ellendig hoopje steenen was, hij knoopte met Rosa een levendig gesprek over de muziek aan, waarvoor hij anders weinig gevoel had, hij beloofde haar bij de eerstvolgende wedren een goede, plaats op de tribune en vertelde kleine anecdoten uit de groote wereld, waarbij hij de '«vakjes der hoofdpersonen geestig bespotte, ilij verrukte daardoor de vrouwen, die met ijverzucht tot die kringen opzagen, welke zich tegen rnenschen van haar stand en beschaving zoo gesloten hielden. Bernhard, die naar die berichten luisterde als naar mededeelingen uit een vreemde wereld, had er ook pleizier in. Er werd over een vorstin gesproken, die voor een beroemde schoon-lieid doorging. Von Fink was vroeger ergens aan haar gepresenteerd geworden en vond dat zij als twee droppels water op freule Rosa geleek, alleen was de vorstin iets kleiner, de houding minder edel; hij bewonderde met vrijmoedigheid een mozaiek broche op de borst van mevrouw Sidonie en vergeleek ze bij een kostbaar kunstwerk in een museum. Alleen vader Ehrenthal bestond voor hem niet. Na de eerste groeten stelde de koopman vergeefsche pogingen in het werk om met Von Fink een gesprek aan te knoopen, maar Von Fink sprak over hem heen, alsof er een onzichtbare schim op den stoel van den gastheer zat. En toch was hij niet onbeleefd, ieder gevoelde dat hij zoo moest wezen. Ehrenthal zelf schikte zich deemoedig in die bescheiden rol, waartoe hij veroordeeld was, en wreekte zich door een heelen fazant op te eten.

Zoodra Von Fink merkte dat het moeijelijk was de dames tot een levendige deelneming aan het gesprek uit te lokken, begon hij op zijn manier wat door te slaan.

De moeder klaagde hem over Bernhards studeermanie.

«Hij is een aristokraat,» antwoordde Von Fink goedaardig. «Van de tien menschen is nauwelijks één naar zijn zin. De geleerde heeren hebben allen die eigenaardigheid. Als ik mijn Schepper voor iets dankbaar ben is het daarvoor, dat hij mij een eenvoudig bescheiden man heeft gemaakt, wiens

ocr page 171

iö3

hoofd niet sterk genoeg is om groote wijslieid te bevatten. Voor ons, gewone menschen, is het zeer gemakkelijk met deze wereld tevreden te zijn; wij zijn genoodzaakt ons naar de anderen te schikken. Wie daarentegen bevoegd is orn veel te vorderen of wegens zijn geleerdheid, of om zijn schoonheid,» — hier boog hij met overtuigende oprechtheid voor de dochter des huizes — «die vindt de wereld allicht niet zoo als hij verlangt, terwijl ik en die van mijn allooi de overtuiging hebben dat zij voortreffelijk is ingericht.»

«Er is toch veel gemeens hier beneden,» zei mevrouw Ehrenthal.

«Dat ik liever niet weten wil,» riep Von Fink lachend. «Ik geef u toe, dat eenige insekten een gemeen karakter hebben en dat het gemeen is zich aan brandewijn dronken te drinken. Overigens komt het veel op de beschouwingswijze aan. Zie deze oesters eens. Ik wed dat er een menigte visschen en aardbewoners zijn, die dit liefelijke schepsel voor iets gemeens houden; mij daarentegen komt de oester als een der voornaamste uitvindingen der natuur voor. Wat verlangen wij van een voornaam man? Do oester vereenigt alles in zich: zij is rustig, zij is stil, zij zit vast op haar grond en bodem. Zij sluit zich van de buitenwereld af, zooals geen ander schepsel. Als zij haar schulpen toeklapt, geeft zij duidelijk te kennen: «Ik ben voor niemand tehuis.» Als zij baar paarlemoeren woning opent, laat zij de bevoorrechte ranggenooten een teeder gevoelvol karakter zien. Zoo de mensch gerechtigd is eenig schepsel te benijden, dan is het de oester. Gij zult zeggen dat het zeewater geen liefelijk' element is: maar dat moet ik tegenspreken. Wie van de slechte gewoonte afstand kon doen, om ieder oogenblik naar lucht te snakken, gelijk wij, helaas, moeten doen, voor hem moet het op den bodem der zee recht pleizierig wezen.»

Hij wendde zich tot llosa: «Alleen de muzikale ontwikkeling van de oester is, naar ik vrees, onvoldoende. Behalve het huilen van den storm en het geraas van de stoomboot dringen niet veel klanken tot haar woning door.»

«Doet gij wat aan de muziek?» vroeg lïosa.

«Dat mag ik eigenlijk niet zeggen,» antwoordde Von Fink vriendelijk. «Ik knoei wat op de piano, en als ik probeer te zingen, vermijd ik alle menschenwoningen. Maar ik sta tot de muziek in de betrekking van een ongelukkig minnaar. Doch ik heb een instrument, dat ik haast afgodisch vereer; en ik zou er veel voor geven, als ik in staat was het meesterlijk te bespelen.»

«De viool?» vroeg llosa.

«Vraag excuus. De pauken. Ik vraag u wat beteekent dat spelen op andere instrumenten ? 't Is een voortdurend onrustig leven maken van de hoogte naar do laagte vice versa, een onpleizierige inspanning in allerlei bewegingen, trioiers, trillers, tremolo's, en hoe die folteringen meer hee-ten. Slechts zelden komt er een lange, dikke, rustige noot, een stevige toon, die uitklinkt en niet terstond door een volgende wordt voortgeschopt. Stel nu daartegen eens den toon der pauken. Wat een kracht, wat een deftigheid, en wat een uitdrukking! En gelukkig hij, wien zulk een instrument wordt toevertrouwd! Men legt de overige virtuozen te last, dat zij prikkelbaar en lichtgeraakt zijn; de paukenist wordt een held, een groot man, hij komt tot een wereldbeschouwing, zooals men ze alleen van het hoogste standpunt kan bereiken. Hij heeft dertig, vijftig maten te wachten: inmiddels jaagt en piept het heirleger andere instrumenten dooi' eikaar

ocr page 172

-104

als do lïuiizon, wanneer (1q llt;at niet telmis is. Hij staat alleen in eenzame grootheid, oogenschijnlijk om niets bekommerd, hij neemt misschien een snuifje, of lacht de schoonste dames in de zaai toe. Maar inwendig denkt 'hij: 27, wacht maar armzalig notengespuis, '28, ik zal je straks een slag op je kop geven, '2(J, die viool wordt pedant, 30, bom! iiij slaat er op toe en de andere instrumenten zijn overbluft, zij hooren de taal van hun heer en meester en alle toehoorders halen diep adem. Het groote woord is gesproken.»

Rosa lachte.

«Ik wil me eerstdaags een paar pauken laten maken, en zal de eer hebben een duet voor piano en pauken te componeeren en zoo vrij zijn, het aan u, freule, op te dragen, het liefst een smeltende nocturne.

__Bij Apollo! een overheerlijke wijn! Wat is het vooreen landsman!

Ik heb het genoegen nog niet hem persoonlijk te kennen.»

«Het is hongaarsche wijn, oude Menes,» riep de oude Khrenthal van den anderen kant der tafel hem toe, «hij heeft vijftig jaar in den kelder gelegen.»

«Kent gij het merk, mijnheer Bernhard?» vroeg Von l'mk, zonder te letten op de woorden des vaders.

«Ik heb niet veel verstand van wijn,» zei Bernhard.

«Dat is verkeerd,» hervatte Von Fink. «Wie een vriend van dichters is, gelijk gij, moet ook wat voor zijn wijnkelder gevoelen. Maar daar wij juist over muziek spreken, moot gij mij toch eens zeggen hoe uw perzische vrienden, de heeren Jussuf en Sadi, hun liedeien aan do zwartoogige schoonen voorzingen Kom, reciteer eens een gedicht op de perzische manier.»

Bernhard betoogde zeer ernstig, dat do muziek van het oosten voor ons oor zeer vreemn klonk, en had veel moeite om het dringend vei-zoek van Von Fink af te slaan, die volstrekt een voordracht in de oorspronkelijke taal en zangwijze van hem wilde hooren. Zoo wist Von Fink het feest tot namiddernacht te rekken, ten laatste moest Rosa nog piano spelen, zelf liep hij met zijn vingers over de toetsen en zong een wild spaansch lied. Toen de gasten vertrokken waren, was de familie opgetogen. Rosa vloog naar de piano en zocht het vieemde lied na te spelen; de moeder was onuitputtelijk in het prijzen van zijn voorname manieren; zelfs de van de stoelen der menschheid weggevaagde vader was opgewonden met het bezoek van den rijken oifge-naam en herhaalde in een vroolijken wijnroes, dat hij meer dan mil-lioenen woog. Ja, ook Bernhards eenvoudige ziel was door den takt van den wereldwijzen man bekoord. Wel had hij bij Von 1quot;inks woorden meer dan ééns een pijnlijk gevoel gehad, wel had het hem toegeschenen dat de vreemde hem en de zijnen voor den gek hield, maat hij was te onervaren om het goed te begrijpen en stelde zich gei ust met de gedachte, dat zoodanige onverschilligheid en ongedwongenheid tot den aard van de grootelui behoorden.

Alleen Anton was over zijn vriend ontevreden en zei het hem op

weg-naar huis. i i i i

«Gij hebt gezeten als een paal,» antwoordde Von r ink, «ik neb de menschen bezig gehouden; wat wil je meer? Laat je in een muis vei-anderen en kruip in een hoek je van de mooi opgesierde kamer, en dan zult ge hooren hoe ze thans mijn lof uitgalmen. Niemand kan meer verlangen, dan dat men hem zóó behandelt, als hij zelf pleizierig vindt.»

ocr page 173

ICS

«Ik zon denken,» zei Anton, «dat men hem zóó moet behandelen, als met onze eigen ontwikkeling en beschaving overeenkomt. Gij hebt ii gedragen als een lichtzinnig edelman, die morgen bij den ouden Ehrenthal geld wil komen leenen.»

«Ik wil lichtzinnig zijn,» riep Von Kink vroolijk, «misschien wil ik geld bij Ehrenthal leenen. Houd nu maar op met je boetpredikatiën, 't is over éénen.

Eenige dagen later herinnerde Anton zich na afloop van het kantoor, dat hij den jongen geleerde beloofd had hem een boek te zullen zenden. Daar Von Fink reeds een uur vroeger was weggegaan, en gelijk hij dikwijls deed, Antons paletot had meegenomen, wikkelde deze zich in Von Finks mantel, die op zijn kamer lag en liep naar Ehrenthals huis. Hij wilde juist aanbellen en was niet weinig verbaasd, toon de deur zachtjes openging en een in een mantel gehulde gedaante er uilsloop. Een zachte arm lei zich op den zijne en een fluisterende stem sprak: «Kom, haast u, ik wacht u al lang.» Anton herkende Rosa's stem. Hij stond versteend als een pilaar en antwoordde eindelijk met de verbazing, die in zoo'n geval zeer vergefelijk is: «Gij vergist u, mejufvrouw, en houdt mij voor een ander, o Met een onderdrukten kreet vloog de jonge dame de trappen af, en Anton trad, nauwelijks minder verschrikt, Bernhards kamer binnen. Uij had in der haast den mantel niet afgedaan, en zoo kwam het dat de bijziende Bernhard hem te gemoet liep en hern als mijnheer Von Fink aansprak.

Een vreeselijk vermoeden rees in zijn ziel op, hij gaf voor groote haast te hebben en droeg, over een hart vol smart en spijt, den on-gelukkigen mantel ijlings naar huis. Als het Von Fink eens was, die door de schoone dochter van Ehrenthal tot zoo'n vertrouwelijke wandeling verwacht werd! Hoe langer Anton op zijn afwezenden vriend wachtte, hoe grooter zijn boosheid werd. Eindelijk hoorde hij Von Finks voetstap op de steenen trap en ijlde met den mantel hem te gemoet. Hij vertelde hem kortaf wat er gebeurd was en besloot met ile woorden: «Zie, ik had je mantel om en het was donker; ik ga gebukt onder het vermoeden dat zij mij voor u heeft gehouden en dat gij van Bernhards vertrouwen op een onverantwoordelijke wijze misbruik hebt gemaakt.»

«Ei, ei,» zei Von Fink bedenkelijk, «zoo ziet men hoe spoedig de deugdzame er bij is om zijn evenmensch met steenen te werpen, ,1e bent een onnoozele jongen. Er zijn immers meer zulke mantels in de stad, hoe kan je besvijzen dat het juist de mijne was die verwacht werd? En dan, vergun mij op te merken dat gij zelf in dat geval je gedragen hebt op een manier, die noch beleefd noch verstandig kan genoemd worden, maar niets meer of minder dan onridderlijk is. Waarom heb je de dame de stoep niet afgeholpen? Eu als de vergissing beneden niet meer te verbergen was, kondt ge haar toen niet zeggen: «Wel is waar, ik ben de persoon niet, waarvoor gij mij houdt, maar ik ben toch zeer bereid- om in uw dienst te sterven, en zoo voort?»

«Je zult me niet misleiden,» antwoordde Anton, «Ik geloof niet dat je de waarheid zegt. Als ik alles goed nadenk, kan ik in weerwil van uw tegenspraak liet vermoeden niet van mij zetten, dat gij de bedoelde man waart.»

ocr page 174

l(i(J

«Je bent een onnoozele lials,» zei Von Fink luchtig, «je zult me toch moeten toegeven dat ili, daar er een dame in het spel is, niet anders doen kan dan het ontkennen. Want zie je, mijn zoon, als ik het u bekende, zou ik immers de schoone dochter van den waardigen Ehren-thal compromitteeren.»

«Helaas, ik vrees dat zij ook zonder dat zich tamelijk gecompromitteerd gevoelt,» riep Anton.

«Kom», zei Von Fink, «zij zal er niet van sterven.»

«Maar, Frits,» riep Anton, weer de handen wringend, «heb je dan volstrekt geen gevoel voor het onrecht dat je Bernhard aandoet? Je verleidt de zuster van een beschaafd en fijngevoelig man tot dwaasheden, die over haar gansche leven kunnen beslissen. Juist omdat zijn onschuldig hart in een omgeving klopt, die hij alleen verdragen kan, wijl hij zoo vol vertrouwen en geheel zonder erg is, juist daarom is je handelwijze mij zoo stuitend.»

«Daarom zult ge maar het verstandigst doen als je dat fijne gevoel van je vriend spaart en het geheim van zijn schoone zuster voor je houdt.»

«Neen», antwoordde Anton hevig verstoord, «mijn plicht tegenover Bernhard beveelt mij geheel anders te handelen. Ik moet van je vorderen, dat je de betrekking tot Rosa, van welken aard die ook zij, terstond afbreekt en je best zult doen in haar slechts dat te zien, wat ze altijd voor je had moeten zijn, de zuster van mijn vriend.»

«Zoo?» vroeg Von Fink spottend, «ik heb er niets tegen dat ge dien eisch stelt. Maar als ik er niet naar luister, wat dan? Altijd aangenomen, wat ik ten sterkste ontken, dat ik de gelukkige verwachte was.»

«Als je er niet naar luistert,» riep Anton zeer aangedaan, dan kan ik je dien streek nooit vergeven. Dat is niet langer gebrek aan teergevoeligheid, dat is vrij wat erger.»

«Kn wat dan, als je blieft?» vroeg Von Fink koel.

«Het is slecht,» zei Anton, «'t Was al erg genoeg dat ge van de behaagzucht van het meisje partij trokt; maar liet is dubbel slecht, dat ge je nu niet wilt herinneren, hoe ge ze hebt leeren kennen, niet aan haar broeder wilt denken, niet aan mij, die do ongelukkige kennismaking bevorderd heb.»

«En laat ik je nu eens zeggen,» hernam Von Fink, Jiet lampje onder zijn theeketel aanstekende, «dat ik je volstrekt het recht niet toeken, mij zulke preeken te houden. Ik heb geen lust om met je te twisten, maar ik verlang over deze zaak verder geen woord van je hooren.»

«Dan moet ik je verlaten,» zei Anton, «want het is mij onmogelijk over iets anders met je te praten, zoo lang ik het gevoel heb dat je slecht handelt.» Hij ging naar de deur. «Ik laat je de keus, óf je breekt met Rosa, óf, hoe vreeselijk het ook voor mij zij het uit te spreken, je breekt met mij. Als ge mij vóór morgen avond niet uw woord geeft, dat de liefdehistorie geëindigd is, ga ik naar Rosa's moeder.» «Slaap wel, onnoozele Tony,» bromde Von Fink.

Anton verliet zijn lichtzinnigen vriend. Het was het eerste ernstige geschil tusschen hem en Von Fink. Hij was zeer ongelukkig over Von Finks lichtzinnigheid en wandelde tot laat in den nacht zijn kamer op en neer. Den onergdenkenden Bernhard iets te zeggen scheen hem, de persoonlijkheid des geleerden in aanmerking genomen, bedenkelijk toe: hij vreesde hem doodelijk in zijn hart te wonden, en geloofde niet dat hij veel invloed

ocr page 175

107

op zijn zuster liad. Ook Von Fiuk was knorrig over liet gebeurde. Hij dronk dien avond zijn grog alleen en dacht wellicht meer aan Anions toorn, dan aan den schrik der schoone Rosa.

Den volgende dag was somber voor de beide vrienden. Anders, wanneer Von F ink het kantoor binnenkwam, knikte hij zijn vriend, die juist sints eenigen tijd tegenover hem zat, vriendelijk toe, en Anton kwam dan weldra bij den stoel van den ander en vroeg hem fluisterend hoe hij den vorigen avond had doorgebracht. Heden bleef Anton stil op zijn plaats en boog diep over den brief', toen Von Fink tegenover hem ging zitten. Beiden moesten zij, zoodra zij opkeken, elkander in het gezicht zien; heden hadden zij de treurige taak te vervullen om te doen alsof tegenover hen niet dan een ledige ruimte was. Het was Von Fink niet moeijelijk gevallen den heer Ehrenthal als een schim te behandelen, maar bij Anton werd het zelfs hem lastig; en Anton, die niet zoo'n groole gemakkelijkheid had in het over het hoofd zien van vreemde lichamen, voelde zich diep ongelukkig, als hij rechts of links moest uitkijken, langs of over deti anderen heen, altijd even onverschillig, zooals het krijgsgebruik tusschen mokkenden het wil. In den voormiddag kwam het ontbijt op het kantoor, dan werd er eenoogen-blik gerust, de heeren verlieten hun stoel en kwamen bij elkaar. Heden bleef Anton zitten, omdat zijn plaats de eenige was, waar hij zeker kon zijn niet met Von Fink in aanraking te zullen komen. Alles liep dien dag samen om beiden hun rol moeielijk te maken. Schmeie Tinkeles kwam binnen en Von Fink had weer heel wat met hem te stellen. Alle heeren zagen naar Von Fink en spraken met hem. Anton zou wanneer alles in orde was geweest, zijn vriend door allerlei teekenen te kennen hebben gegeven, dat hij hem goed begreep. Heden staarde hij strak voor zich uit, alsof er geen Tinkeles op de wereld was. Mijnheer Schröter gaf Anton een last, waarvoor hij het een en ander aan Von Fink moest vragen. Anton was genoodzaakt eerst hard te schrapen, opdat zijn stem niet al te dof zou klinken, en toen Von Kink hem een kort antwoord gaf, krenkte het hem, en zijn toorn tegen den verstokten zondaar ontvlamde met nieuwe kracht. Vroeger gingen beide altijd samen aan tafel, Von Fink wachtte geregeld tot Anton hem kwam afhalen. Heden kwam Anton niet. Von Fink ging met mijnheer Jordan naar de eetzaal, zoodat deze verwonderd vroeg: «Waar zit Wohlfart dan?» waarop Von Fink antwoordde: «In zijn vel.»

Na het eten kon Anton niet nalaten enkele keeren steelsgewijze van zijn brief op te kijken en het hoofd en het trotsche gelaat van den ander te beschouwen. Daarbij moest hij dan telkens denken, hoe vree-selijk het voor hem was van nu af den man geheel vreemd te worden, aan wien hij zoo innig gehecht was. Maar hij bleef bij zijn voornemen. Uok nu, nadat de eerste toorn wat bedaard was, gevoelde hij dat hij niet anders handelen kon. Deze overtuiging maakte hem weemoedig; en in zoodanige stemming vermeed hij niet langer naar de plaats van den verloren vriend te zien. Zoo dikwijls Von Fink opzag bemerkte hij, dat het oog van Anton vol droefheid op hem rustte. Die smartvolle uitdrukking veroorzaakte hem veel meer bezorgheid dan de vroegere toorn, (lij begreep daaruit dat Anton vast besloten was en de schaal, waarin Rosa zat, ging in de hoogte. Als Anton

ocr page 176

408

in zijn burgermansachtiglieid naar Rosa's moeder ging, was de geschiedenis voor hem toch afgeloopen. 't Is waar, om den toorn der moeder gaf hij niet, Rosa kon zorgen hoe zij het met haar klaar speelde, maaide gedachte aan den onschuldigen Bernhard was hem pijnlijk. En wat het ergst was, de vriendschapsband tusschen hem en Anton was voor altijd verbroken, zoodra deze met anderen over het geval had gesproken. Deze gedachte deed hem de wenkbrauwen fronsen.

Even voor zeven uur viel er een schaduw op Antons papier. Anton keek op. Von h ink reikte hem zwijgend een klein briefje toe, het adres was aan Rosa. Anton sprong van zijn stoel op.

«Ik heb haar geschreven,» zei de ander ijskoud ; «daar uw vriendschap mij geen andere keuze laat dan óf het meisje in opspraak te brengen, of mijn studie van een zeer belangrijke ziel te laten varen, moet ik wel het laatste kiezen. Hier is de brief. Ik heb er niets tegen dat ge hem leest. Het is haar paspoort.»

Anton nam den brief uit de hand des zondaars aan, verzegelde hem haastig met het kleine kantoorcachet, en gaf hem aan een knecht om hem spoedig op de post te bezorgen.

Zoo was het gevaar afgewend, maar sints dien dag bleef er een zekere spanning bestaan tusschen de vroegere vrienden. Von Kink mokte en Anton kon niet vergeten wat hij «het verraad aan zijn vriend Bernhard» noemde. En Von Fink dronk eenige weken lang zijn thee niet in Antons gezelschap.

Vil.

Het huis van T. O. Schröter had één dag in het jaar dat hot zich onveranderlijk geheel aan het genoegen overgaf. Dit geschiedde ter vroolijke herdenking aan het uur, waarin de heer Schröter als deelgenoot in de zaak zijns vader gekomen was. Als die dag door de streken der kalendermakers onder de werkdagen werd gezet (en het was zes tegen één te vreezen, dat zij de lirma die grap spelen zouden), werd het feest tot den eerstvolgenden zondag uitgesteld. Het was geen feestviering die razend opgewonden maakte, zij had een kalmen, geregelden loop, een klein tikje van de handelshuisdeftigheid. Eerst was het groot diner bij den patroon, dan reed het gezelschap naar een nabijgelegen dorp, waar de koopman een buiten had en waar een menigte publieke tuinen en zomerconcerten de stedelingen zondags lokten. Daar werd koflie gedronken, van de natuur genoten, en 's avonds reed men op een burgermansuurtje naar de stad terug.

Dit jaar vierde de koopman het vijf en twintigjarige feest van zijn intreden. Reeds 's morgens kwamen deputatiën van de sjouwers en pakhuisknechts de gelukwenschingen brengen, 's middags waren alle ambtgenooten in galacostuum vergaderd, mijnheer Siebold in een nieuwen rok, dien hij even als vele prachtstukken van zijn kleerkast, sints vele jaren, bij dit feest voor het eerst droeg.

Nat het eten kwamen eenige rijtuigen voor, om het gezelschap naar bui-

ocr page 177

if)!)

ten to brengen. Mijnheer Schröter ging met Sabine in den eersten wagen en daar de tante als ziekenverpleegster van een bloedverwant afwezig was, keek de patroon onder de lieeren rond, die opeengehoopt rondom den wagen stonden en liet inklimmen van Sabine dooi' groote bereidvaardigheid, althans in den geest, gemakkelijk maakten. Von Fink zat reeds op zijn rijpaard en dus verzocht de principaal de heeren Siebold en Jordan, om op de voorbank van de statiekoets plaats te nemen. Beide heeren maakten een buiging en mijnheer Siebold ging met een plechtig lachje tegenover de jonge dame zitten. Maar ach, zijn blijdschap was niet zonder de treurige keerzijde van heimelijken angst. Het was al zijn arnbtgenooten wel bekend en hemzelven het best, dat hij volstrekt niet kon tegen het achternitrijden. Nooit had hij naar eereplaatsen gehaakt, zijn gansche leven door had hij op de bank van vrouw Fortuna's wagen achteruit gezeten ; maar in een gewoon rijtuig werd hij terstond in zijn binnenste bewogen, als hij niet geheel vooraan op de eerste plaats zat. Ook heden zag hij het ongeluk naderen, juist heden, nu hij tegenover de aangebeden meesteres des huizes was gezeten. Hoe gaarne had hij zijn plaats opgeofferd, maar dat was onmogelijk, de eer was veel te groot en zijn bedanken zou wellicht verkeerd zijn uitgelegd. Zoo zat hij als martelaar, op het ergste voorbereid ; hij deed te vergeefs zijn best een vrije, ongedwongen houding aan te nemen en uit het rijtuig te zien, waar huizen en boomen, menschen en honden voorbij hem dansten. Dat akelige dansen kende hij, dat was altijd de voorlooper. Mij moest dus recht voor zich uitzien en daar het onvoegzaam zou geweest zijn de jonge dame zoo aan te kijken, zag hij over haar heen. Nog glimlachte zijn mond, maar zijn oog was strak, en zijn wangen werden bleek, bloedeloos, uschkleurig. Jordan zag hem van ter zijde aan en kon zijn lachen niet verbergen. Dit gaf Sabine aanleiding tot de deelnemende vraag: «Scheelt u iets, mijnheer Siebold?» Daar Siebold zijn oogen niet van den hemel durtde afwenden, hield hij ze strak op een wolk gevestigd en prevelde de verzekering dat hij zich zeer wel gevoelde; maar zijn gezicht teekende daarbij stille wanhoop, zoodat Sabine zich angstig tot den heer Jordan richtte.

«Hij kan niet best tegen het achteruitrijden,» zei deze.

«Wel laat ons dan van plaats verrullen;» riep Sabine.

Mijnheer Siebold schudde verschrikt met het hoofd en maakte, altijd zwijgend, allerlei bewegingen, om zijn afschuw tegen zoo'n voorstel te kennen te geven.

«Och, mijnheer Jordan, laat den koetsier, asjeblieft, even stilhouden,» riep Sabine, üe wagen gehoorzaamde, de jonge dame stond op. «Vlug, mijnheer Siebold,» riep zij. Deze wilde nog tegenspartelen, maar Jordan trok hem met geweld in de hoogte, en eer hij wist hoe het toegegaan was, zat hij op de achterbank en de dame tegenover hem op zijn plaats. De spanning in zijn trekken verdween, een zachte blos bedekte zijn wangen. Maar in welk een toestand bevond hij zich nu ! Wat moesten de voorbijgangers wel van hem en zijn plaats in het huis denken! Vrienden konden hem voor den oom der jonge dame houden, maar die ze kende—en wie kende de schoone Sabine Schröter niet? —• die moesten op de allerwonderlijkste gedachten komen. Dat hij met haar verloofd was, was nog veel te weinig; als verloofde had hij daar niet mogen zitten, neen, hij zat of hij met haar getrouwd was! Die gedachte wreef hem het zweet uit alle poriën.

ocr page 178

170

hij zag nederig tot de jonge dame op en smeekte haar met gesmoorde stem om vergiffenis voor het schandaal, dat hij veroorzaakte. Sabine reikte hem tot antwoord haar hand toe en drukte de zijne hartelijk. Toen maakte de blijdschap zich van hem meester, hij boog zich al eer. weinig met het stoute plan om haar handschoen te kussen, en zie, op datzelfde oogenblik reden zij den boekhouder van Strumpf en Kniesohl voorbij. Mijnheer Siebold vloog in de hoogte, nu was de maat vol, Sabine en hij waren de sllachtoffers van een ongehoorde dwaling. Het baatte niets langer tegen het noodlot te kampen. Hij zat van nu af met een stralend gezicht en in stilte zalig, tot de wagens voor het voornaamste logement van het dorp stil hielden. Men klom er uit, de heeren verdrongen zich weer om het zijden gewaad hunner dame, ruischende muziek klonk hun tegen, zij traden de beukenlanen van den fraaijen tuin binnen, die heden met do schitterende toiletten der stedelingen opgeluisterd was.

Sabine zweefde voorbij te midden van haar zwerm heeren. 't Is mogelijk dat dit wandelend hof menige Kva's dochter aangenamer zou zijn geweest dan haar. Maar ontegenzeggelijk zag het er deftig uit, als zij daar aan den arm van haar broeder door de lanen wandelde, met een stoet gedienstige heeren aan haar beide kanten en achter haar, allen er op uit om met haar als het middelpunt in betrekking te blijven, vooral heden, nu de firma en corps onder de grootelui der stad zich vertoonde en ieder in 't bijzonder het beroemde handelshuis moest vertegenwoordigen. Siebold gevoelde voortdurend een onwederstaanbaren lachlust, welken hij wel is waar op den buitenkant van zijn gelaat zocht te bedwingen, om bij de voorbijgangers he vermoeden niet op te wekken dat hij ze uitlachte, maar des te sterker was do werking in zijn binnenste en somtijds verlichtte zij bij een onverschillig gesprek als een bliksemstraal zijn gelaat, zette neus en mond wijd uit en maakte de oogen klein en glinsterend. Hij droeg als bevoorrechte den doek der dame, wandelde op behoorlijken afstand achter haar, en gaf zoo de tweede van de lijnen aan, welke de firma in het groene grootboek der natuur innam. Door een koenen handgreep had mijnheer Specht do parasol weten machtig te worden en beschermde daarmede Sabine van alle kanten; in den regel liep hij als een vaandrig vooruit, langs den rand van het hout, Met verlangende blikken zag hij in het kreupelgewas of niet een zeldzame bloem of vlinder hem gelegenheid kon geven om een gesprek met de dame aan te knoopen, maar dat was niet gemakkelijk, want Von Kink wandelde naast haar. Deze was heden recht ondeugend en Sabine lachte in spijt van haar zelve over de onbarmhartige aanmerkingen, die hij op de wonderlijke schepsels die zij ontmoetten, maakte. Ook den plechtigen optocht der firma stelde hij belachelijk voor, maar zelf versmaadde hij het volstrekt niet iets van den zelfgenoegzamen trots van het handelshuis te gevoelen.

Om haar heen wandelden, dribbelden en ruischten scharen van wandelaars. Het was een aankijken, groeten, uit den weg gaan zonder einde; de koopman moest telkens den hoed afnemen en zoo dikwijls hij groette, kwamen de veertien hoeden der ambtgenooten in beweging en veroorzaakten in de lucht opfrisschende dwarrelwintjes. Dat maakte een prachtigen indruk.

Nadat het gezelschap een tijd lang met den stroom was voortgedreven, gaf Sabine haar verlangen te kennen om een weinig te rusten. Aanstonds vlogen tirailleurs rechts en links tusschen de rijen banken en legden wel-

ocr page 179

171

dra beslag op een tafel. Men nam plaats, de knechts brachten een reusachtige kofliekan rnet een behoorlijk aantal kopjes. En nu was het een lust om op de heeren van de firma te letten, hoe zij allen er op uit waren de jonge dame het inschenken uit de hand te nemen, omdat de kan voor haar te zwaar was, hoe Sabine Anton tot haar adjudant benoemde, omdat hij bij de vergaderingen der heeren de thee schonk, hoe de heeren zich verheugden dat men in het voorhuis ook dit van hen wist; verder, hoe vriendelijk Sabine gebak presenteerde en hoe zij voortdurend zorgde dat de suikerpot en roompot in hun loop rondom de tafel niet gestoord werden; en eindelijk, hoe alle ambtgenooten het bruine vocht van den kastelein dronken met het genotvolle bewustzijn, dat zij wel beter wisten wat goede koffie is. liet was geen rustige plaats en Sabine had veel te doen. De voorbijgaande kennissen moest zij groeten, en de vrienden van haar broeder, die haar kwamen aanspreken, te woord staan. Zij was allerliefst onder al die drukten. Met een kalme huismoederlijkheid sprak zij tot de heeren van het kantoor en met eenvoudige hartelijkheid stond zij op en heette verschillende kennissen welkom. Zij groette, lachte en bestierde het koffieblad, zij zag naar de wandelaars en vond nog tijd om onderzoekende blikken te werpen in het binnenste van de kopjes, welke Anton haar toereikte. Anton en Von Fink, beiden gevoelden hoe goed die kalmte haar stond en Von Fink zei het haar: «Als dit een uitgaansdag voor u is, me-jufvrouw, dan benijd ik u uw werkdagen niet. Geen vorstin heeft in haar receptiezaal op meer dingen te letten, zoo voortdurend het hoofd te knikken, te lachen, iets beleefds te zeggen, als gij. Het gaat uitmuntend, dat moet men bekenneu, gij hebt er u ongetwijfeld in geoefend. Daar komt de burgemeester zelf, hij zal u straks aanspreken. Nu beklaag ik u, met het oor moet gij naar mij luisteren, in de limid houdt gij Siebolds kopje, en met de oogen moet gij den edelachtbaren burgervader eerbiedig ontvangen. Ik ben nieuwsgierig, of gij mijn woorden nog zult verstaan.»

«Neem gij maar dien kever uit uw kopje, ik zal u terstond inschenken.» zei Sabine lachend en stond op om den vriend des huizes te begroeten.

Intusschen verlustigde Anton zich in de opmerkingen der voorbijgangers. «Dat is mijnheer Von Fink,» fluisterde een jonge dame haar moeder toe. «Een lijn gezicht, een lief liguurtje,» prevelde een luitenant. «Wat is één visch onder zooveel hongerigen,» bromde een onverlaat. «Stil, dat zijn de Schröters,» zei een klerk tot een ander. Toen Anton zoo rondkeek, ontwaarde hij twee groote, volle vrouwengedaanten, die langzaam naderden. Het was mevrouw Ehrenthal en Rosa. Rosa ging aan den kant van de tafel. Allengs bedekte een donkerroode kleur haar gezicht, toen zij in het gedrang dicht bij zijn plaats en die van Von Fink kwam. Onrustig zag zij naar Von Fink, die, weer in een levendig gesprek met Sabine, toch oogen genoeg had om de naderenden te bemerken.

Anton richtte zich op om haar te groeten; de snoode Von Fink greep even naar zijn hoed en keek van zijn plaats zoo onverschillig naar de beide dames, als of hij nooit de armbanden aan de blanke armen der schoone Rosa had bewonderd. Antons groet, Rosa's zeldzame schoonheid, wellicht, ook iets in 't oogloopends in haar kleeding, maakte dat ook Sabine de dames nauwkeurig opnam.

De dochter van Ehrenthal lette niet op Antons groet, haar donkere oogen vestigden zich op Sabines gelaat. Een stralende blik, vol haat en toorn

ocr page 180

17'2

viel op het meisje, dat zij voor haar gelukkige mederaimiares hield, zoüdiit Sabine ontsteld achteruit schoof, als om den aanval van een woedend roofdier te ontwijken.

Met fijngenepen lippen en een onuitsprekelijken haat in geheel de uitdrukking van haar gezicht, ging Rosa voorbij. Von Finks lippen plooiilen zich tot een verachtelijk lachje en hij haalde de schouders op. Toen de dames voorbij waren, zag Sabine Anton en Von Fink verwonderd aan en vroeg: «Wie was dat?»

«Een kennis van Anton,» zei Von Fink hoonend.

«Mevrouw Ehrenthal en haar dochter,» sprak Anton verlegen, «de jongedame is de zuster van den geleerde, van wien ik u onlangs verteld heb,» maar onwillekeurig zag hij naai' Von Fink, terwijl hij sprak, en beiden wisselden een vijandigen blik.

Sabine zweeg en schoot op haar stoel heen en weer; haar vroolijkheid was weg. liet gesprek vlotte niet meer, en toen haar broeder vaneen bezoek aan een ander tafeltje terugkwam, stond de dame op en verzocht de heeren naar den tuin mede te gaan. Wederom trok zij met haar stoet op, maar Von Fink wandelde niet meer naast haar. De gloeijende blik vol haat had de groene ranken verzengd, die weer van haar tot hem zich hadden uitgestrekt. Sabine richtte zich tot Anton en sprak met hem. Zij deed haar best om vroolijk te zijn, maar Anton bemerkte het geweld dat zij zich aandeed. De groote tuin van den koopman met een aardig tuinhuis en broeikassen was een lievelingsoord van Sabine. Zomer en winter reed zij naar buiten, als het weder het maar eenigszins veroorloofde, en besprak met den tuinier alle bijzonderheden van de inrichting en do bloemkweekerij. De heeren van het kantoor bestormden haar daarom met vragen naar de namen en eigenschappen der verschillende bloemen; en terwijl de koopman met Von Fink een aangrenzend landgoed ging opnemen, dat hem te koop was aangeboden, lei Sabine aan het overige gezelschap uit, welke veranderingen zij in den laatsten lijd had gemaakt. Zij leidde de heeren door de bloemen en de grasperken naar de broeikas. Haar broeder had haar een hoogen palmboom gegeven, en de palmboom, groote pisangbladen, tropische planten en bloeiende cactussen waren in een groep bijeen geplaatst; een sierlijke bank en een tafel stonden er voor; het was een allerliefste wintertuin. Terwijl Sabine vertelde dat zij hier op zonnige winterdagen koffie dronk en hoe prettig zitten het dan was onder die groote bladeren, kwam de tuinier haar op een bord stukjes koek brengen en vogelzaad. «Ook dan als ik niet zoo'n talrijk gezelschap om mij heb, als heden,» zei zij lachende, «ben ik hier toch niet alleen.»

«Och, mejufl'rouw, presenteer ons eens aan de vogels.

«Dan moet gij in het tuinhuis gaan tn recht stil zijn, verzocht Sabine; «het kleine volkje kent mij wel, maar voor zoo'n stoet heeren zou het bang wezen.»

De heeren togen het tuinhuis binnen. Pix trok den opgewonden Specht bij den achterknoop van zijn rok terug en sloot de glazen deur; Sabine strooide het voeder eenige passen van de deur op het zand uit en klapte in de handen. Terstond antwoordden verscheiden stemmen uit de naast-bijzijnde boomen en van het dak des huizes. Een menigte vogeltjes kwamen aanvliegen en huppelden met vroolijk getjilp om de kruimpjes heen. Zij waren zoo mak, dat zij tot vlak voor Sabines voeten kwamen.

ocr page 181

-173

liet was geen voornaam gezelschap, eenige sijsjes, vlasvinken, en een lieele schaar musschen. Sabine ging zacht naar de deur en vroeg door de reet: «Kunt ge de verschillende soorten onderscheiden ? Hoewel zij toch op elkaar gelijken, zijn zij toch verschillend, niet alleen in kleed, maar ook in hun aard. Verscheidene van hen ken ik persoonlijk.;) Zij wees op een groote musch, een mooi mannetje met zwarten kop en een heerlijk bruin op zijn rug. «Ziet ge dien dikken heer daar?»

«Het is de allergrootste,» zij Anton verheugd.

«Ilij is mijn oudste vriend, hij heeft zich het eerst aan mij gewend ; van mijn koek is hij zoo sterk geworden. Ilij is wel doorvoed en heeft genoeg. Hoe deftig springt hij daar rond, en hoe voornaam pikt hij in de stukken. Alsof liij een rijk bankier was loopt hij onder de anderen. Hoort gij hem schreeuwen? Zijn stem klinkt minachtend en aristokra-tisch. Ilij beschouwt dit strooijen van het zaad als een schuldigen plicht, dien de wereld tegenover hem vervullen moet. Daar kraait hij weer. Weet ge wat hij zegt;

«Daar is mijn koekenmeisje. Dat eeuwige gebak ! Wat ik niet opeten kan, wil ik voor de anderen laten.» Ik geloof wezenlijk dat hij brelo-ques aan zijn buikje heeft hangen.»

«'t Is een veer,» fluisterde Specht.

«Ja,» vervolgde Sabine, «ik vrees dat zijn vrouw hem die uitgeplukt heeft. Want al ziet hij er nog zoo gewichtig uit, hij zit toch onder den pantoffel. liet grijze wijfje daar, die lichtste van allen, is zijn vrouw. Ziet ge dat zij hem wegpikt?»

Ken hevige twist brak onder de musschen los. De bankier die juist vrij trotsch in een buitengewoon groot brok pikte, kreeg van zijn vrouw eenige steken met haar snavel; hij begon tegen te brommen, de buurlui kwamen er bij, allen begonnen hard te schreeuwen, algemeen was de ontevredenheid over den bankier. Ilij werd uit de hoop weggejaagd en trippelde ontsteld, met zijn kop knikkend, eenige schreden van het stuk koek op en neer, terwijl zijn vrouw boven op het veroverde brok stond en een luid zegelied aanhief.

De heeren lachten.

«Daar komt mijn lieveling, die kleine, let nu goed op!» riep Sabine vroolijk.

Hulpeloos, met uitgespreide vleugels, kwam een jong muschje aanwaggelen, juist als een klein kind, dat moeite heeft bij het' loopen zijn evenwicht te houden. Het fladderde langs het moedertje, sperde den bek wijd open, schreeuwde, en sloeg met de vleugels op den grond. De moeder beet het groote stuk door, nam een deel en stak het in den geopenden snavel van het kleintje. Midden onder het killende, huppelende en etende gezelschap voedde do moeder den schreeuwer. Het eene stuk van den veroverden beet, na het andere, stiet zij hem in den hals, terwijl de oude eenige passen zeer zelftevreden heen en weer wandelde en van tijd tot tijd een wantrouwenden blik op de ferme huismoeder wierp.

«Hoe allerliefst,» riep Anton.

«Niet waar?» vroeg Sabine, «ook bij die kleine diertjes vindt men verschil van karakter en familieleven.

^ Maar het liefelijke tooneel werd op een gewelddadige wijze gestoord. Een lichte tred naderde het huis, de vogels vlogen op; alleen de moeder en haar jong waren zoo ijverig bezig, dat zij nog wat toefden. Kindelijk

ocr page 182

vloog ook het wijfje iti een boom en riep angstig om haai- kind. Docli de kleine, zwaar van den genoten koek en bedwelmd door de overmaat van genot, was niet in staat de vlerken ving uit te slaan. Een slag van Von Finks rijzweep trof hem, liet ongelukkige dier vloog als een lijk onder de bloemen. Een kreet van verontwaardiging rees van alle kanten op, en toornig zagen de heeren van het kantoor den moordenaar aan. Von Fink, die op de groep bij de deur niet had gelet, was verbaasd over den storm, die tegen hem losbarstte. Sabine ijlde hem voorbij naar het perk, waar de vogel lag, vatte hem op, kuste den kleinen kop en zuchtte met gesmoorde stem : «hij is dood.» Zij ging op de bank voor de deur zitten en lei haar zakdoek over den doode.

Fien onaangenaam stilzwijgen volgde. «Het was de lievelingsvogel van mejufvrouw Sabine, dien gij dood hebt geslagen,» zei ten laatste Jordan op verwijtenden toon.

«.Dat spijt me,» antwoordde Von Fink en nam een stoel. «Tk wist niet, mejufvrouw, dat gij uw teedere belangstelling ook tot deze soort van deugnieten uitstrektet. Ik heb met de beste bedoeling gehandeld en gemeend den dank van het huis te verdienen, toen ik den kleinen dief uit de wereld hielp.»

«liet arme kleintje,» sprak Sabine treurig, «de moeder schreeuwt op den boom, hoort gij wel?»

«Zij zal zich wel troosten,» meende Von Fink. «Ik houd het voor ondoelmatig bij een mensch meer gevoel te onderstellen, dan bij zijn eigen familie. Maar ik weet, gij houdt er van om alles wat u omgeeft, met gevoelvolle teederheid te aanschouwen.»

«Als gij die eigenschap zelf niet hebt, waarom spot gij er dan moe bij anderen? vroeg Sabine met trillende lippen.

«Waarom?» vroeg Von Kink, «omdat ik die gewoonte overal ontmoet. Dat eeuwige gevoel, waarmee hier dingen overtrokken worden, die deze gewaarwording geenszins verdienen, maakt ten laatste ziekelijk en bekrompen. Wie zijn gevoel aan allerlei beuzelarijen vasthecht, is ten slotte geheel gevoelloos, als een groote hartstocht hem tot eer zou strekken,»

«En lt;lie nooit iets anders doet, dan met snijdende koudheid te beschouwen wat hem omringt, zal ook hem het gevoel niet ontbreken, als een groote hartstocht plicht wordt ?» zei Sabine met een smartelij-ken blik op Von Fink.

't Zou onbillijk zijn als ik dat niet wou toegeven,» antwoordde Von Fink onverschillig, «maar in ieder geval zal het een man beter staan hard te zijn, dan te weekhartig.»

«Let maar eens op het volk hier in uw land,» vervolgde hij na een oogenblik van pijnlijke stilte. «Dat houdt van zijn breizak, van den koperen ketel, waarin zijn moeder worst heeft gekookt; liet houdt van een eindje pijp, van een kalen rok, en eveneens van de duizend en een slechte gewoonten van zijn leven ; overal vindt go malle grillen, liefhebberijen en zoogenaamde zwakjes verbreid. Zij kleven aan de men-schen als klitten en houden ze tegen, zoodra het er op aankomt dapper voorwaarts te gaan. Geef eens acht op de duitsche landverhuizers. \\rat een winkel onnut tuig sleepen zij niet met zich over zee, oude vogelkooijen, gebroken stoelen, wormstekige wiegen en andere prullen. Ik heb een kerel gekend, die acht dagen ver in een brandende zon reisde om eenmaal zuurkool te eten. En als zoo'n arme drommel zich

ocr page 183

lieeft gevestigd en na verloop van een jaar bemerkt dat het een ongezonde streek is, heeft hij zijn gansche omgeving in gemoedelijkheid ingesloten als in een spinneweb en is hij dikwijls niet meer uit den poel te trekken, ofschoon vrouw en kind er onder doorgaan. Neen, dan prijs ik liever, wat gij hier de ongevoeligheid van den Amerikaan gelieft te noemen. Hij werkt als twee Duitschers, maai' geen gevaar dat hij verliefd zal worden op zijn huis, zijn heining of zijn trekossen. Wat hij bezit, hoeft voor hem juist de waarde, die zo hom in dollars op zou brengen. Zeer prozaïsch zult ge met afkeer zeggen. Ik echter prijs die prozagezindheid, die er telkens aan denkt hoeveel en hoe weinig een voorwerp waard is. Want die geest heeft een machtigen vrijen staat voortgebracht. Hadden er alleen Duitschers in Amerika gewoond, zij zouden nu nog, in plaats van koflie, chicorei drinken, onder do belasting die een vaderlijke regeering uit Europa hun zou gelieven op te leggen.»

«En verlangt gij van de vrouw denzelfden geest?» vroeg Sabine.

«In de hoofdzaak, ja,» antwoordde Von Fink. «Geen duitsche huismoeder, die niet op haar servetten verliefd is. Uoe meer zij van die lappen heeft, hoe gelukkiger zij is. Ik geloof dat zij elkaar in stilte takseeren, zooals wij de lui op de beurs; vijfhonderd, acht honderd servetten waard. De amerikaansche is geen slechter vrouw, dan de duitsche, maar over zoo'n liefhebberij zal ze lachen. Zij heeft zooveel servetten als zij voor het dagelijksch gebruik noodig heeft, en koopt nieuwe, als de oude versleten zijn. Wat beteekent het zijn hart te hechten aan beuzelarijen, die voor vier of zes daalders het dozijn in iedere straat te krijgen zijn ?»

«Och, wat is het treurig, van het leven zoo'n rekensom te maken !» hernam Sabine. «Wat men verkrijgt en wat men heeft, verliest zijn grootste bekoorlijkheid. Vermoordt gij onze verbeelding en onze gevoeligheid, die ook aan de levenlooze voorwerpen liefelijke kleuren verlee-nen, wat blijft er dan over in het leven? Niets blijft er, dat het bedwelmend genot, of een zelfzoekend beginsel, waaraan men alles opoffert. Trouw, oprechte genegenheid, genoegen in hetgeen men doet, alles gaat verloren. Wie zoo koud denkt, kan wellicht groote daden volbrengen ; maar zijn loven zal noch schoon, noch rijk in vreugde, noch een zegen voor anderen zijn.» Onwillekeurig vouwde zij de ban--den samen en wierp een smartelijken blik op Von Fink, wiens gelaat een koude harde uitdrukking bleef behouden.

De collega's hadden tot zoover in somber stilzwijgen naar het gesprek geluisterd en dooi' allerlei teekenen hun afschuw van Von Finks beweringen te kennen gegeven. De geest van de vermoorde musch rees voortdurend naast Von Finks stoel voor hun oogen, en zij staarden op den Macbeth van het kantoor, als op een verloren man. Anton vatte nu het woord op.

«In de eerste plaats moet ik doen opmerken dat Von Fink zelf een schitterend bewijs is tegen de houdbaarheid van zijn eigen leer.

«Hoe dat, mijnheer?» vroeg Von Fink van ter zijde naar Anton ziende. «Dal zal straks duidelijk worden, ik wil eerst ons allen gezamenlijk prijzen. Wij allen, zooals we hier zitten en staan, zijn arbeiders in een zaak, die ons niet behoort. Een ieder onzer verricht zijn werk op de duitsche manier, die gij zoo even hebt veroordeelt; geen van ons allen komt ooit op de gedachte ; zoo en zooveel daalders trek ik van de firma, dus is de

ocr page 184

firma mij zooveel waard. Wat nu en dan gewonnen wordt door het werk, waarbij wij behulpzaam zijn geweest, dat doet ons genoegen en vervult ons met rechtmatigen trots. En wanneer de zaak een verlies heeft geleden, spijt het alle heeren, dikwijls zelfs meer dan den patroon zeiven. Als Siebold zijn cijfers in 't grootboek opschrijft, beschouwt hij ze met genoegen en verheugt zich over de fraaije, groote trekletters; en als hij posten boekt, die zeer voordeelig voor de zaak waren, lacht hij in stilte van pleizier. Zie hem maar, juist gelijk hij nu doet.»

Siebold keek verlegen in 't rond en trok aan zijn boordjes.

» — Daar heb je verder collega Bautnann, die in stilte een voorliefde voor een ander beroep heeft. Hij vertelde mij laatst nog van de gruwelen des heidendoms op de kust van Afrika en zei, tot in hot binnenste van zijn ziel geschokt: «Het wordt tijd, Wohlfart, ik moet weg. «En wie zal voor het rekenen zorgen?» vroeg ik, «en hoe zal liet met de afdeeling «meekrap» gaan, die gij en Balbus met zooveel hart bestiert, dat gij ze aan geen ander toevertrouwt?» «Ja» riep Bautnann, «aan de meekrap had ik niet gedacht. Ik zal mijn plan nog moeten uitstellen.

De heeren zagen lachend naar Baumann, die in zich zelve zeiile: «Het zou ook verkeerd zijn.»

» — En van den dwingeland Fix wil ik zelfs niet spreken, daar het in verschillende gevallen twijfelachtig is of de zaak hem toekomt, dan wel aan den heer Schröter.»

Alle lachten. Mijnheer Pix stak als Napoleon de hand in zijn vest. «Je bent een verraderlijk advocaat,» zei Von Fink, «je werkt op het gemoed.»

«Gij hebt het zelf ook gedaan,» hernam Anton. «En nu wil ik van u spreken. Ongeveer een jaar geleden is deze Amerikaan naar den heer Schröter gegaan en hoeft hom gezegd; «Ik wou niet langer volontair zijn, ik vr.aag u om een vaste betrekking in de zaak.» Waarom? vroeg mijnheer Schröter. 't Spreekt van zelf dat Von Fink alleen de bedoeling had om zoo en zooveel daalders inkomst van de zaak te trekken.»

Wederom lachten allen en zagen naar Von Fink, maar thans waren het niet meer vijandige blikken, er was integendeel achting en vriendschap in te lezen, want allen wisten, dat Von Fink had geantwoord ; «Ik verlang een geregeld aandeel aan het werk en aan de verantwoordelijkheid, die aan een vaste betrekking verbonden is; het werk in mijn vak staat mij goed aan.»

«En verder,» vervolgde Anton, «wie eenmaal getuige is geweest van het genot, waarmee Von Fink Schmeie Tinkeles onderhanden neemt, hij weet hoeveel van die ziekelijke üuitsche gemoedelijkheid ook bij hem voor den dag komt. Zijn manieren met hem zijn zoo koddig, zoo dwaas, dat zulke uren een heele verkwikking zijn voor het kantoor, en wat het vreemdste van de zaak is, Tinkeles zelf is tot de ooren op hem verliefd.»

«Omdat hij getrapt wordt, mijnheer,» zei Von Fink.

«Neen, maar omdat hij achter je kernachtige woorden dezelfde streelende welwillendheid opmerkt, waarmee een ander zijn hondje of zijn vogels liefkoost. — En als een onderneming van den patroon eens buitengewoon goed gelukt is, dan is niemand er meer mee opgewonden, dan Von Fink zelf. Onlangs nog, toen we die krisis in het zink hadden, en mijnheer Schröter, tegen het geheime gevoelen van het kantoor ook tegen het gevoelen van Von Fink, nog te rechter in Ham-

ocr page 185

177

burg verkocht en daardoor de zaak eenige duizend daalders verlies luid uitgehaald, was niemand luchtruchtiger in zijn blijdschap dan diezelfde Von Kink, en dwong hij Jordan en mij dien eigen avond met hem naar het koffiehuis te gaan.»

«Wijl ik niet alleen wou drinken, onnoozele,» zei Von Fink.

«Natuurlijk,» antwoordde Anton, «daarom hebt ge ook bij het eerste glas geklonken op den voorspoed van de firma en ze een prachtige zaak genoemd.»

Von Fink keek voor zich. Sabine zag met schitterende oomii naar Anton.

Wederom lachten de hoeren vriendelijk en kwamen naderbij; de kleine spanning was weggenomen.

«En,» ging Anton zegevierend voort, «ook in anderen opzichten heeft hij diezelfde kleingeestige gemoedelijkheid, die hij nu zoo heftig bestrijdt. Hij houdt, gelijk wij allen weten, veel van zijn paard; het is voor hem heel iets anders dan de som van vijf honderd dollars, vertegenwoordigd door zoo en zooveel honderd ponden vleesch met een vel overtrokken. Hij draagt zorg voor het dier, als voor een vriend.»

«Omdat ik er pleizier in heb.»

«Dat spreekt van zelf,» zei Anton, «dat is het juist; onze huismoeders hebben pleizier in servetten. Fn zijn condorvlerken, zijn pistolen, rijzweepen, zijn roode rumflesch, dat zijn allemaal dingen, waarin hij evenveel pleizier heeft, als een duitsche landverhuizer in zijn oude vogelkooi. Ja hij heeft veel meer zwakjes en liefhebberijen dan wij. — Fn om kort te gaan, hij is in de werkelijkheid even zoo goed een bekrompen, gemoedelijk Duitscher als een onzer.»

«Sabine schudde met het hoofd, maar zij zag thans vriendelijk naar den Amerikaan. Ook Von Iquot; inks gezicht was langzamerhand geheel veranderd. Hij zag ernstig voor zich uit, en er lag iets in zijn trotsche trekken, dat men bij een ander aandoening zou hebben genoemd. «Welnu,» sprak hij ten laatste, «mejnfvrouw Sabine en ik, beiden zijn wij wat te eenzijdig in onze beschouwingen geweest.» Hij wees op do doode musch en vervolgde: «Met het oog op deze treui'ige geschiedenis strijk ik de vlag en geef de verzekering, dat ik gaarne wou dat de jonge heer nog leefde en onder de kersen en koeken der firma den hoogsten ouderdom mocht bereiken. En nu zijt gij niet meer boos, mejuffrouw?»

Sabine knikte hem toe en zei hartelijk: «Neen.»

«En gij, Anton, geef me de rechterhand. Je hebt een schitterend pleidooi gehouden en de duitsche jury een «niet schuldig» ontfutseld. Neem de pen en schrap in onzen almanak veertien dagen dooi'. Je begrijpt me.» Anton drukte hem de hand en lei den arm over zijn schouders.

Wederom was het gezelschap in de beste stemming. Mijnheer Schrö-ter kwam terug, cigaren werden aangestoken, en ieder deed zijn best zoo vroolijk en onderhoudend mogelijk te zijn. Mijnheer Siebolll stond op en verzocht mejuffrouw Sabine en den patroon dat zij, zoo het niet hinderde en zij op zoo'n schoonen avond niets beters voor'te stellen hadden, in welk geval hij hoopte dat zijn woorden als niet gesproken zouden worden beschouwd, hem en eenige zijner collega's de vrijheid zouden geven om vierstemmige liederen te zingen. Daar hij sints jaren een diergelijk verzoek deed en allen er op voorbereid waren, riep Sabine hem toe : «Dat spreekt van zelf, mijnheer Siebold; als het kwartet mankeerde, DEBET EN CUE UIT I. 12

ocr page 186

178

zou het een mislukte partij zijn.» De zangers haalden hun boekjes voor den dag, en gingen bij elkander staan: mijnheer Specht als eerste tenor, mijnheer Siebold als tweede, de heeren Birdbaum en Balbus zongen de baspartijen. Deze vier maakten het muzikale gedeelte van het kantoor uit, en in weerwil van kleine oneenigheden, ten gevolge van hun prikkelbaren kunstenaarsaard, bleven zij toch goede vrienden. Mijnheer Specht schreeuwden wat veel, mijnheer Siebold zong wat zacht, maar het publiek was dankbaar en de avond overheerlijk. In den glans van het licht glinsterden de groote bladeren van den notenboom voor het tuinhuis, de krekels piepten en de vroolijke zangers der hoornen kweelden er tusschen; de natuur zelve fluisterde en suizelde, totdat de volle kracht der menschenstemmen invielen en de zachte geluiden van den tuin overstemden. Toen zwegen de vogels, de torretjes, de muggen, maar zoo dikwijls de zangers rustten, ging het zachte geruisch der natuur voort, als om ze ai' te lossen. Allen luisterden met het grootste genoegen. «Dank, hartelijk dank!» riep Sabine toen zij ophielden, en klapte in de handen.

«'t, Is een wonderlijk iets,» begon Von Fink, «dat een zekere volgorde van tonen het hart aandoet en tranen ontlokt, zelf aan menschen die anders niets overgevoelig zijn. Ieder volk heeft zulke eenvoudige zangwijzen, waaraan de landgenooten elkander herkennen, door den indruk dien het lied op hen maakt. Als de landverhuizers, waarover wij zoo even spraken, alles verliezen, de liefde tot het vaderland, zelfs het gemakkelijk spreken hunner moedertaal, blijven de volksliederen onder hen voortleven, langer dan iets anders; en menig dwaas, die in den vreemde vooral daarop roem draagt dat hij een genaturaliseerd vreemdeling is, gevoelt zich eenklaps weer een Duitscher, zoodra hij een paar maten hoort zingen, die hem in zijn jeugd bekend waren.»

De koopman vatte hierop het woord en zei: «Gij hebt gelijk. Wie zijn vaderland verlaat, weet meestal zelf niet goed wat hij opoflert; hij bemerkt het wellicht eerst dan, wanneer de herinnering er aan het grootste geluk van zijn later leven wordt. Deze herinnering is zelfs voor den geheel verwilderden man een heiligdom, dat hij, ja menigmaal ontwijdt en bespot, maar toch in betere oogenblikken telkens weer opzoekt.»

«Tot mijn schande moet ik bekennen, dat ik dat genot maar weinig ken», zei Von Kink. «Ik weet zelf niet goed waar ik tehuis behoor. Als ik de jaren mijns levens optel, dan heb ik zeker het meerendeel er van in Duitschland doorgebracht, maar de blijvendste indrukken heeft een vreemde wereld mij gegeven. Telkens heeft het noodlot mij weggerukt, voor ik ergens goed geworteld was. En thans gevoel ik mij in Duitschland dikwijls vreemd. De verschillende tongvallen, bij voorbeeld, zijn mij bijna geheel onverstaanbaar. Ik heb met kerstmis altijd meer geschenken ontvangen dan voor mij deugde; maar dat wegsleepende van de duitsche kerstboomen heeft mij nooit getroffen. Van de volksliederen, die gij zoo prijst, liggen er slechts enkele mij in 'tooi'. lot op dezen dag weel ik niet wanneer men karpers moet eten of rozen-bottels en honigkoeken, en ik moet bekennen, dat ik bitter weinig gevoel heb voor de bekoorlijkheden van het «hangen en verlangen» en het «tofleltjetofspel.» — En behalve deze kleinigheden is er nog iets anders, waaraan ik mij te midden van de duitsche zeden arm en vreemd gevoel,» ging hij ernstiger voort. «Ik weet dat ik somtijds van de toegevendheid mijner vrieden meer verg dan billijk is. Uw'huis za]

ocr page 187

17!)

ik liet te danken hebben,» zei hij met een buiging tot den koopman, «als ik het duitsche karakter van zijn respectabelen kant leer kennen.»

Dat was een mannelijke bekentenis en de laatste woorden sprak hij met een gevoel uit, dat hij slechts zelden liet doorstralen. Sabine was gelukkig (Ie musch vergeten, en in de volheid van haar gevoel riep zij uit: «Dat is wel gesproken, mijnheer Von Fink!»

De knechts kwamen zeggen dat do tafel gedekt was. Het gezelschap trok naar het tuinhuis; de koopman nam in het midden plaats, en Sabine lachte gelukkig toen Von Fink naast haar kwam zitten. «Tegenover mij, mijnheer Siebold,» riep de patroon. «Van daag moet ik uw trouw gezicht voor mij zien. Heden is het vijf en twintig jaar geleden, dat wij tot elkaar in betrekking kwamen. — Mijnheer Siebold,» zei hij tot verklaring aan de jongere leden,» kwam weinige weken bij ons in de zaak vóór den dag, dat mijn vader mij als compagnon opnam. Kiii als ik aan alle leden van het kantoor dank schuldig ben, heb ik u toch het meest te danken. Vijl' en twintig jaar in de zaak, tien jaar bij het grootboek, altijd een trouwe, eerlijke hulp?» Hij reikte hem zijn glas toe. «Klink met mij, mijn vriend; zoo lang onze stoelen naast elkaar staan, alleen door een dun beschot gescheiden, zal het tusschen ons blijven als tot heden, een vast vertrouwen zonder veel woorden.»

Mijnheer Siebold had de toespraak van zijn patroon staande aangehoord en bleef staan. Uij won een gezondheid instellen, dat zeg iedereen, maar geen verstaanbaar geluid kon hij uitbrengen; hij hield zijn glas in de hoogte, zag zijn patroon aan, en zijn lippen bewogen een weinig. Eindelijk ging hij zwijgend zitten. Doch Von Fink stond op en sprak met diepen ernst: «Drink gij allen met mij op den voorspoed van een duitsche zaak, waar het werken een genot is, waar de eer een woning heeft: lang leve ons kantoor en onze patroon!»

Een daverend «lang leve!» der ambtgenooten volgde. Sabine klonk met allen. De heer Schröter kwam Von Fink meor dan halverwege te gemoet. Het overige van den avond was louter ongestoord genoegen, liet kwartet zong nog een paar vroolijke drinkliederen, en het was heden over tienen, toen het gezelschap in de stad aankwam.

Bij den trap van het achterhuis zei Von Fink tot Anton: «Vanavond, mijn jongen, mag je mijn kamer niet voorbij gaan. Het heeft me al genoeg verveeld je zoo lang te moeten missen.» En tot laat in den nacht zaten de verzoende vrienden samen, beiden zich beijverende elkaar te toonen, hoe blij zij over de verzoening waren.

Sabine trad haar kamer binnen. Het meisje overhandigde haar een briefje van een onbekende hand. Een sterke muskusgeur en de lijn gekrabbelde letters duidden aan dat het van een dame kwam.

«Wie heeft den brief gebracht ?» vroeg Sabine.

«Een vreemde man,» antwoorde het meisje, «hij wou den naam niet noemen en zei dat er geen antwoord noodig was.»

Sabine opende het papier en las: «Mejufvrouw, Verheugd 11 niet te vroeg over uw zegepraal, (lij hebt door uw kunstjes een heer tot u gelokt, die gewoon is te verleiden, te vergeten, en haar, die naar zijn zoete woorden luisteren, schandelijk le behandelen. Kort geleden heeft hij een andere zijn liefde verklaard, heden heeft hij u betooverd. Ilij zal ook tegenover u valscli zijn en u verraden.»

ocr page 188

480

liet briefje droeg geen naamteeliing: het was van Rosa.

Sabine begreep wie de schrijfster was. Zij hield het papier aan de kaars en wierp liet in de kachel. Zwijgend keek zij, tot de flikkerende vlam kleiner werd en uitging, en hoe de kleine vonkjes ronddwarelden. totdat het laatste ook uitstierf. Langen tijd bleef zij staan, haar hoofd tegen den schoorsteen geleund, den blik op het hoopje ascli gevestigd. Zonder tranen, zonder snikken, drukte zij de hand op haar bevend hart.

VIII.

Veitel Itzig bevond zich in de grootste gejaagdheid. Ilij, de nuchtere, de matige Veitel geleek in al zijn vrije uren sprekend op een dronken lap. Zijn lippen bewogen zich voortdurend tot een levendige alleenspraak, en een koortsachtige blos bedekte zijn puntige, uitstekende kakebeenen. Op straat was hij reeds van verre te kennen aan de aller-wonderbaarlijkste bewegingen van handen en voeten. Rustige slaap was iets dat hij ter nauwernood kende. En dat alles omdat een rijke weduwe haar schoothondje had verloren. Deze mop was op een mooijen lentemorgen, verleid door den zonneschijn of door de liefelijke geur van een slagersjongen, met moeite de stoep afgeklommen en op straat gekomen. En daar was hij verdwenen, verdronken, door dieven gestolen, door booswichten vermoord, kortom, weg was hij en bleef hij, en geen dagbladadvertentie, geen oproeper kon het vette lichaam van den vluchteling naar de woning terugbrengen, waar hij zoo lang als dwingeland had geheerscht. Uit smart over dit verlies was de weduwe gevaarlijk ziek'geworden en Veitel stelde zoo'n levendig belang in haar leed, dat hij zelf gevaar liep zijn gezondheid er bij te verliezen. Veitels hoop was, helaas, niet gevestigd op het leven van de dame. Hij had een co-lossale zaak ondernomen; hij had ze gewaagd, na lang beraad met zijn waardigen meester Hippus, en nadat hij dikwijls in het holle van den nacht zijn portefeuille voor den dag gehaald en zijn vermogen berekend had. Do zaak was een van de mooiste, die iemand van Veitels beginselen ondernemen kon. Zij was misschien wat onzeker, maar zoo zuiver als een pasgeboren kind, nadat het afgewasschen is.

Een arme drommel van een landeigenaar had slechts huisgehouden en was zoo lang bedrogen dat hij eindelijk zijn landgoed op den treu-rigen weg van noodzakelijke publieke veiling had verloren. Bij dien verkoop was een hypotheek van twaalf duizend daalders er bij ingeschoten. De schuldeischer, wiens vordering door de verkoopsom niet gedekt werd, had te vergeefs beproefd nog wat van den verarmden landeigenaar te halen. De schuldenaar was geheel zonder middelen, de rechtbank vond niets dat zij hem kon afnemen. Hij was frustra exciissus, gelijk onze rechtsgeleerden zeggen, en ondervond het genot der armoede, dat bij namelijk zijn schuldeischers niet langer behoefde te vreezen; dit wanhopend geluk was voor hem na zooveel di'oevige jaren een soort van groenlandschen zonneschijn. De houder van de hypotheek echter tuurde treurig op zijn verkreukelden eigen-domsbrief, die onder de gegeven omstandigheden voor hem haast zoo-

ocr page 189

■181

veel waarde had als scheurpapier. De ijverige navorschingen van Itzig was deze zaak niet ontgaan. Hij stond reeds sints een jaar in nauwe betrekking tot den landeigenaar; hij had de goedheid gehad hem oude rokken af te koopen, ja zelfs wel eens geld voor te schieten, en was in menig klein geheim van dit schipbreukelingsleven itigevvijd. Zoo had hij ook uitgevonden dat zijn kliënt alle zeilen bijzette om een veiligheidshaven, in den vorm van het testament eener oude tante, binnen stevenen, en kwam langzamerhand tot de overtuiging, dat dit hem wel gelukken zou. Twee zijden halsdoeken en een paar gouden oorringen moest Veitel aan de dienstmeid van de rijke weduwe geven, om nauwkeurig op de hoogte te worden gehouden. De neef las zijn tante dievenen moordenaarsverhalen uit de couranten voor, hij werd gevraagd als de tante haar lievelingsspijs liet klaar maken, de tante sprak er over om hem tot man te nemen, deed het echter niet, en eindelijk, als alle levenslust van de oude tante door een aanhoudende regenbui van vier weken lang geheel weggespoeld was, liet zij een notaris bij zich komen, joeg haar neef, die op het punt van te weenen zijn zakdoek al in de hand hield, de kamer uit, en noodzaakte door deze vreemde maatregelen het meisje aan de deur te gaan luisteren, waar zij hoorde dat zij haar testament maakte en den armen neef daarin zeer goed bedacht. Zoodra Veitel dit bericht had gekregen, sloeg hij den tweeden grooten slag en kocht den houder van de hypotheek het stuk, benevens alle rechten, die deze op den persoon des schuldenaars mocht hebben, voor vier honderd daalders af.

Nu was de hond weg. De hevig bedroefde tante lag te bed, acht dagen later was zij gestorven, en de neef kreeg het grootste deel der nalatenschap, Veitel getroostte zich bovenmenschelijke inspanningen en moeiten, om te beletten dat de schuldenaar door een van de vele kunstgrepen, welke Veitel allen van nabij kende, de erfenis zou verdonkeremanen. Als een spook vervolgde hij den ongelukkigen erfgenaam ; ter nauwernood had deze eenige luchtkasteelen voor zijn toekomstig geluk gebouwd, of Veitel stond als een onverbiddelijke schuldeischer, die hem aan het verledene kwam herinneren, voor hem, en sloeg door zijn ijskoude vorderingen de warme dampen neer, die uit het blijde hart des erfgenaams opgestegen. Het was onmogelijk hem te ontkomen; als met ijzeren tangen hield hij zijn schuldenaar vast, en de wet hielp hem zoo krachtig, dat de erfgenaam, na vele zijsprongen en ontduikingen, met hem moest onderhandelen. Voor acht duizend daalders, het grootste gedeelte zijner erfenis, kocht hij zich vrij.

Heden was de gelukkige dag, dat de jonge handelaar zijn groot kapitaal in den zak naar huis droeg. Hij vloog over straat, hij vloog den trap op naar zijn achterkamer, haast waarzinnig van genoegen. Het geweld, dat hij zich zoolang had aan gedaan om koel te schijnen, terwijl zijn hart in bange verwachting, als een smidshamer klopte, was niet langer noodig. Hij was als een kind, hoezeer dan ook niet zoo onbedreven; hij sprong in de kamer rond, ja, hij lachte van pleizier en vroeg mijnheer Hippus, die hem sints eenige uren wachtte: «Welken wijn wil je drinken. Hippus?»

«Wijn alleen zal niet genoeg wezen,» antwoordde Hippus voorzichtig. — «Maar 't is al lang geleden dat ik geen hongaarschen wijn heb gedronken; haal een flesch, eerste kwaliteit, of, wacht eens,'t is buiten al donker genoeg, ik zal ze zelf halen.»

«Wat kost hij?» vroeg Veitel.

ocr page 190

182

«Twee daalders», zei Hippus.

«Dat is veel geld», meende Veitel, «maar het doet er niet toe, daar zijn ze.»

Met een stoute beweging zijner hand haalde hij een dubbelen daalder uit zijn zak en wierp hem op tafel.

«Mooi zoo», knikte Hippus en greep haastig naar het geld. «Maar dit alleen is niet genoeg, mijn zoon. Ik verlang percenten van je winst. In aanmerking genomen dat wij oude kennissen zijn en dat men zijn vrienden niet villen moet, zal ik tevreden zijn met vijf percent van het kapitaal, dat ge van daag hebt opgestoken.»

Veitel stond ontsteld, zijn vroolijk stralend gezicht werd eensklaps zeer ernstig, met open mond zag hij naar den zwarten man op de canapé.

«Geen woord», vervolgde Hippus kortaf en wierp een boosnardigen blik over zijn bril op Veitel, «waag het niet een enkel woord over je geschachel tegen mij te spreken, we kennen mekaar; — ik heb gemaakt, dat je het geld winnen kondt, ik en niemand anders. Je hebt mij noodig en je ziet dat ik je ook gebruiken kan. Geef me dadelijk vier honderd daalders van je acht duizend.»

Veitel wou spreken.

«Geen woord», herhaalde Hippus en sloeg met het geldstuk in de maat op do tafel, «geef op het geld.»

Veitel zag hem aan, tastte eindelijk zwijgend in zijn rokzak en lei twee perkamenten stukken voor Hippus neer.

«Nog twee», sprak deze op denzelfden toon. Veitel voegde er honderd daalders bij. «En nu de laatste honderd, mijn zoon», zei de oude, Veitel opvroolijkende, en sloeg weer met den daalder op de tafel.

Veitel draaide een oogenblik en zag anstig naar den oude, die een uitdrukking van boosaardige vreugde niet langer kon onderdrukken. Op dat gelaat was geen troost te vinden; wederom tastte Veitel in den zak, schoof het vierde perkament op tafel uit, en zei met een dolle stem: «Ik heb me in u vergist. Hippus.» En daarop trok hij zijn zakdoek, keerde zich om, snoot zich, en wiscbte de vochtige oogen af.

Hippus gaf weinig acht op de zwaarmoedige stemming van zijn leerling. Hij bevoelde het perkament, gelijk men een kostbaar voorwerp, dat men sints lang verloren had en onverwachts weer vindt, met liefde beschouwt. Eindelijk zei hij tot Veitel, zijn schatten opbergende: «Als je er goed over nadenkt, zult ge zien dat ik, als een oud vriend met je gehandeld heb. Ik had veel meer kunnen vorderen.»

Veitel bleef voor het raam staan en zag in den donkeren nacht naar buiten. Hij voelde zich ellendig. Terstond, op weg naar huis, toen hij van den notaris kwam, had hij aan den oude gedacht en besloten ook dezen een pleizierigen avond te bezorgen; hij had een nieuwe zilveren snuifdoos voor hem willen koopen en bovendien hem nog tien dukaten geven. En nu viel die Hippus hem zóó op het lijf!

Daar hij van verdriet over het gedrag zijns meesters geen woord sprak, stond Hippus bedaard op en zei welwillend: «Trek het je niet al te zeer aan, domoor; mocht ik eerder sterven dan gij, dan benoem ik je tot mijn erfgenaam. Dan krijgt gij je geld terug, als er nog iets van over is. Nu ga ik den wijn proeven. Op je gezondheid zal ik hem drinken, teergevoelige Itzig.» En met deze woorden sloop de oude de deur uit.

Nog eens greep Veitel naar zijn zakdoek en veegde een bitteren traan

ocr page 191

af, die langs zijn wang biggelde. Zijn blijdschap over de winst was bedorven. Het was een niet reclit duidelijke gewaarwording en een half onrein gevoel, dat hem in beweging bracht, want er liep veel verdriet onder om de verloren perkamenten, maar hij had nog meer verloren dan zijn kostelijk geld. De eenige mensch op aarde, voor wien hij een zekere vriendschap gevoelde en van wien hij voor zich een diergelijke gezindheid verwacht had, had zich ongevoelig, baatzuchtig en vijandig tegen hem betoond. Tegenover alle andere menschen stond hij op voet van oorlog en stelde zich van lien niets anders dan weder-oorlog voor; alleen voor den kleinen man met den bril had hij zijn hart geopend. En dit warme gevoel had de oude door zijn harden eisch doodelijk gekwetst. Het was afgeloopen tusschen hem en Hippus; hij kon niet buiten den man, maar van dezen oogenblik af voedde hij een wrok tegen hem: de oude had hem eenzelviger en slechter gemaakt. Zoo trof Voitel de vloek der boozen, dat zij ongelukkig worden gemaakt niet slechts (looi1 hun misdaden, maar ook door hun betere gevoelens.

Niet lang echter duurde de mismoedigheid van den jongen handelaar; weldra tastte hij in beide zakken, haalde den hem overgebleven schat voor den dag, onderzocht ieder stuk afzonderlijk, en teekende denom-mers, eerst in zijn portefeuille, daarna op een papiertje, op. Dit laatste verborg hij in een reet van de vloer. Deze bezigheid fleurde hem weer wat op. Èn nu richtte hij zijn gedachten op de toekomst. Wederom liep hij de kamer op en neer en maakte allerlei plannen. Zijn stelling in de wereld was ineens geheel veranderd. Als bezitter van acht duizend daalders baar geld — ach, hot was slechts zeven duizend zes honderd —-stond hij onder de kooplui van zijn soort als een kleine Croesus. Vele anderen zetten honderd duizenden om, zonder zooveel vermogen te hebben als hij. De wereld lag weerloos voor hem, als een mossel op een bord; het kwam er nu maar op aan, met welken hevel hij ze openen zou. Hoe zou hij zijn kapitaal beleggen, verdubbelen, vertienvoudigen? Nu moest hij kiezen en stond geheel alleen. Er lagen wel tien verschillende wegen voor hem open: hij kon voortgaan met geld tegen hooge intresten te leenen, hij kon in effecten speculeeren, hij kon handel drijven in wol of koren, en met een gevoel van zelfvertrouwen zei de deugniet tot zich zeiven, dat hij op ieder van die wegen zoo goed vooruit kon komen, als de geslependste van zijn kunstbroeders. Maar in elk van die ondernemingen stelde hij een geliefd kapitaal op het spel; hij kon er een rijk man bij worden, maar hij kon ook alles verliezen, en die gedachte was hem zoo vreeselijk, dat hij terstond al zulke plannen uit zijn hoofd zette. Een zaak was er, waarbij een sluw man veel kon winnen en waarbij het tevens mogelijk was groote verliezen te voorkomen. Van zijn geboorteplaats uit was hij als rondtrekkend marskramer dikwerf op de landgoederen iler grondbezitters geweest. Ten tijde van de wolmarkt had liij op straat aan de voorname heeren met snorrebaarden en ridderorden zijn diensten aangeboden. Op het kantoor van zijn patroon had hij zich voortdurend , bezig gehouden met hot vermogen en de geldzaken van den landadel. Hoe van nabij kende hij niet het stille verlangen van den ouden Khren-thal om zeker riddergoed te bezitten; hou dikwijls had de man met den bril hem in bijtenden spot aangeraden dat hij een adellijk landbezitter zou worden! En hoe kwam het toch, dat te midden van zijn vei'driet over den oude, hij plotseling aan zijn schoolkameraad Anton dacht en aan den dag dat hij dezen het laatst had ontmoet? Dien dag ook toon hij naar

ocr page 192

•18i

de stad reisde had liij op het landgoed van den baron rondgezworven, had voor de deur van den Isoestal gegaapt en de lange dubbele rij van het hoornvee geschat, tot een meid hem weg joeg. En als een bliksemstraal voer het door zijn hoofd: hij zelf'kon bezitter worden van het riddergoed, zoo goed als Ehrenthal; hij zelf kon anderen zijn witte wol laten wasschen en met twee, ja met vier paarden naar de stad rijden. Hij sloeg krachtig met beide handen op de tafel en riep luid: «Dat zal ik doen!» ging op een stoel zitten, en vouwde de magere armen over elkaar. En van dat oogenblik wilde hij iets en toog aan het werk.

En hij was slim, zoowel in zijn plannen als in zijn overpeinzingen. Hij had volgens zijn manier van zien op het goed des barons alleen door zijn pas genomen besluit een zeker recht verkregen ; dit recht wilde hij verzekeren door zijn geld, hij wou een hypotheek hebben op het goed. Zoo zou hij zijti sommetje voor jaren veilig plaatsen; rustig zou hij arbeiden tot de groote dag kwam dal hij met zijn kapitaal het geheele landgoed in zijn bezit bracht. En in het ergste geval, als zijn plan niet gelukte, dat van nu af het geheime doel zijns levens zou worden, was toch zijn geld niet verloren. Inmiddels zou hij agent of makelaar worden, hij zou koop en verkoop van wol bevorderen, evenals zoo vele anderen deden: arme drommels, die elkaar de halve percenten onderling misgunnen, of voorname heeren met groote titels, die den handel in landgoederen in 't groot drijven en honderdduizenden winnen door list, omkooping of langs ongeoorloofde sluipwegen. Veitel wist dat er weinig zijpaden waren, waar hij niet goed tehuis was. Zoo zou hij beginnen: vooralsnog moest hij als factotum bij Ehrenthal blijven, zoolang hij den oude gebruiken kon.

Rosa was schoon en was rijk, want Bernhard kon als erfgenaam des vaders niet meetellen. Misschien zou hij de schoonzoon van Ehrenthal willen worden, misschien ook niet; dat had geen haast. En er was nog iemand met wien hij het moest vinden: de kleine zwarte man, die nu op het oogenblik in het koffiehuis zijn duren wijn dronk. Ook met hem moest hij van heden af goede rekening houden; hij wou hem voor iedere dienst, die de oude hem bewees, betalen, en hem zijn vertrouwen schenken voor zoover zijn belang het vorderde.

Dit was de eindbeslissing van Veitels mijmeringen, en als hij zijn plan goed overdacht had, evenals een geleerde het boek dat hij wil schrijven, borg hij zijn kostbare stukken onder zijn hoofdkussen, sloot de deur, zette er een zwaren stoel tegen, en wierp zich, uitgeput door de inspanningen van den dag, op zijn hard bed neder; hij, de nieuwe wildopgeschoten spruit der Rothsattels, de medeeigenaar van het heerlijk landgoed. Wellicht was het slechts de bespottelijke inbeelding van een dwaas, wat de jonge koopman op zijn armoedig vertrek in zijn onrustige ziel bekookt had; misschien ook zou het 't begin zijn van een reeks stoute en goed samenhangende daden, noodlottig voor den baron en zijn familie. De baron zelf zou daarover beslissen.

Dienzelfden avond zat de baronnes en haar dochter in een rozen-priöel van het park. Beiden waren langzamerhand stil geworden. De moeder was in diep gepeins verloren over het dansen van een vlinder, die met den kleinen dikken kop volstrekt door de vlam der kaars wilde

ocr page 193

•185

vliegen en telkens tegen de glazen klok aankwam, die het lielit tegen den avondwind beschermde.

Leonore zat over een boek gebogen en wierp nu en dan een onderzoekenden blik op het gelaat harer moeder. Daar kraakte het zand en de oude rentmeester trad met de pet in de hand haastig nader en vroeg naar den baron.

«Wat koint ge doen?» vroeg Leonoro den grijsaard, «is er wat gebeurd?»

«Met het oude paard loopt het af,» antwoordde de rentmeester bekommerd; «hij heeft woedend om zich heen geslagen en in do kribbe gebeten, nu ligt hij weer en kucht alsof hij gaat sterven.»

«Dat mocht de drommel! riep Leonore opspringend.

«Leonore!» berispte de moeder.

«Ik ga mee om zelve te zien,» zei Leonore met vuur, en ijlde den ouden man achterna.

Het zieke paard lag op het stroo, druipende van het angstzweet en zijn zijden rezen en daalden door het zwoegend ademhalen. Bij het schijnsel van de stallantaarn stonden de knechts er om heen en zagen dood bedaard naar het lijdende dier. Toen Leonore binnen kwam sloeg het beest, alsof het hulp vroeg, smeekende blikken op het jonge meisje.

«Hij kent mij nog,» riep zij en wenkte een stevigen knecht om bij haar te komen.

«Hij heeft zich afgetobt,» zei de man, «nu is hij rustig.»

«Ga dadelijk te paard zitten en rijd naar den veearts,» beval Leonore den knecht.

De man had niet veel lust om zoo laat in den avond eenige uren ver te rijden ; hij antwoordde dralend : «De arts is nooit thuis ; voor hij komt is het met het paard afgeloopen,»

«Doe wat ik zeg ! beval Leonore koud en wees naar de deur. Do knecht ging pruttelend heen.

«Hoe is dat met dien knecht ?» vroeg Leonore, zoodra zij met den rentmeester alleen was.

«Hij deugt niet meer en moet weg, ik heb het reeds meermalen aan mijnheer uw vader gezegd. Maar tegenover den baron is de lummel kruipend als een oorwurm : hij weet dat hij een potje mag breken ; voor alle anderen is hij weerbarstig en ik heb dagelijks last van hem.»

«Ik zal er met mijn vader over spreken,» antwoordde Leonoro ernstig.

De oude gediende bleef staan en ging vertrouwelijk voort: «Ach, als gij u met do boerderij wat wildot bemoeijen, zou het oen waar geluk zijn voor het landgoed. Over don koestal 'bon ik ook niet tevreden. Do nieuwe boerin weet niet met de meidon om te gaan, zij is te vliogorig, te jufferachtig, strikjes hier, strikjes daar. Vroeger ging dat alles beter, toen kwam mijnheer de baron dikwijls zelf en zag den boel wat na. Nu hooft hij wel andere bezigheden, en als de menschon weten dat de eigenaar niet scherp toeziet, spelen zij togen den rentmeester op, zoo hij zo streng behandelt. Gij kunt streng zijn togen de bedienden ; 't is zonde en jammer dat gij geen heer zijt.»

«Ja, ge hebt gelijk, zonde en jammer,» knikte Leonore haar ouden vriend vriendelijk toe. «Maar men moet het met geduld verdragen. Met de melkerij zal ik mij bemoeijen ; van heden af zal ik dagelijks bij het bo-

ocr page 194

180

torniaken zijn. Hoe staat liet koren nu ? Jo bent immers onlangs naaide stad gereden ?»

«Ja,» antwoordde de oude gedrukt, «de baron had het gelast; ik weet echter niet wat hij er voor gekregen iieeft. Hij heeft reeds van deu winter den geheeleu voorraad op levering aan graanhandelaars verkocht. Ziet ge «freule,» vervolgde hij bekommerd en schudde met het hoofd, «vroeger verkocht ik en schreef het in het boek en stak hot geld op en betaalde het den baron uit. Nu kan ik de ontvangsten niet meer in mijn boek opteekenen; als de bladzijde vol is zet ik een streep, maar ik behoef geen som meer op te tellen.»

Leonora hoorde, met de handen op den rug, belangstellend de klachten aan. «Ilm, 't zal een van die nieuwe inrichtingen zijn. Wees er maar niet al te bedroefd om, onde vriend. Ik wil, zoo dikwijls papa niet tehuis is, 's namiddags met u het veld ingaan of u daar opzoeken. Ge zult uw pijp gerust mogen rooken. Hoe smaakt het uit den nieuwen kop, dien ik je laatst heb meegebracht?»

«Er is al een dikke korst in,» zeide dc rentmeester met zelfvoldoening en haalde tot bevestiging zijner woorden de pijp half uit den zak. «Maar om weer op het paard te komen, mijnheer de baron zal zeer boos zijn, als het ongeval hoort en wij kunnen het toch niet helpen.»

«Ei kom,» zei Leonore, «als wij het niet kunnen helpen, zullen we het ook maar rustig afwachten. Goeden nacht, rentmeester. Ga gij nog eens naar het paard zien.»

«Zonder makeeren, freule. Slaap wel,» zei de rentmeester.

Nog altijd zat de baronnes onder de volle knoppen der steeds bloeijende rozen; ook zij dacht aan haar heer en meester, ilie anders zelden afwezig was, wanneer zij den zoelen lenteavond in den buitenlucht doorbracht. Haar gemaal was geheel veranderd. Hij was hartelijk en teeder als altijd, maar dikwijls verstrooid, afgetrokken, prikkelbaarder, en om kleinigheden uit zijn humeur. Zijn vroolijkheid was luidruchtiger en zijn behoefte aan heerengezelschap grooter dan vroeger. Zijn huis, ja, zij zelve, had minder aantrekkingskracht voor hem dan voorheen, en zij vroeg zich telkens af, of die verandering het treurig gevolg kon zijn, dat de bloeijende tint der jeugd van haar wangen verdween ? Tegen dat gevoel streed zij en zocht angstig naar andere redenen voor de telkens herhaalde afwezigheid van haar man.

«Is vader nog niet terug?» vroeg Leonore terugkomende. «Ik hoorde een wagen op den straatweg.»

«Neen. mijn kind,» zeide de moeder, «bij heeft zeker iets in de stad te doen; het is wel mogelijk dat hij eerst morgen terug komt.»

«Ik ben er niet tevreden over, dat papa tegenwoordig zoo dikwijls naaide stad gaat en zooveel bij onze buren rondrijdt,» zei Leonore; «'t is een heelen tijd geleden dat hij ons 's avonds niet heeft voorgelezen.»

«Hij wil dat gij mij zult voorlezen,» zei de moeder glimlachend. «Ge moet van avond maar beginnen. Kom, ga een boek halen en gezellig bij mij zitten, gij ongeduld.»

Leonore trok mokkende met den mond en in plaats van het boek te nemen, zette zij zich naast de baronnes neer, omvatte haar met beide armen en zei, liet hoofd der moeder tot zich trekkende en haar lokken streelende; «Beste moeder, ook gij zijt treurig, ook gij hebt verdriet;

ocr page 195

187

zijl ge over papa bezorgd? Hij is niet zooals liij vroeger was. Ik ben geen kind meer, zeg mij tocli wat hij uitvoert.»

«Je bent niet wijs,» antwoordde de baronnes op kalmen toon. «Ik heb niets voor je te verbergen. Als je vader werkelijk iets heeft, dat hij ons niet wil zeggen, mogen wij vrouwen er niet naar vragen; het is onze plicht te wachten totdat het uur komt, waarop de heer des huizes ons zijn hart wil openen.»

«En middelerwijl zullen wij ons ongerust maken, en misschien wel om niets!» riep Leonore.

«Wij moeten ons best doen bedaard te zijn en als wij vertrouwen stellen in hem, dien we liefhebben, valt dat niet moeijelijk,» antwoordde de baronnes, zich van Leonore losmakende.

«En toch zijn uwe oogen vochtig en verbergt gij mij uw zorgen,» sprak de dochter. «Als gij wilt zwijgen, ik wil het niet, en zal vader naar de reden vragen.»

«Dat zult ge niet,» zeide de baronnes ernstig en zeer gestreng.

«Daar komt vader!» riep Leonore. «Ik hooi- zijn stap.» — De lijzige gestalte van den baron stapte met haastige schreden naar het prieel. «Goeden avond, lieve huiskrekeltjes,» riep hij reeds van verre met een heldere stem. Hij sloot zijn vrouw en zijn dochter te gelijk in zijn armen en zag ze zoo vroolijk aan, dat de baronnes haar verdriet en Leonore haar vraag vergat, «'t Is lief van je, dat je zoo vroeg terug komt,» zei de huismoeder met een vriendelijk lachje. «Leonore wou je van avond volstrekt bij ons zien. De avond is zoo heerlijk.»

De baron ging tusschen zijn vrouw en dochter zitten en vroeg: «Merkt ge geen verandering aan mij, kinderen?»

«Je bent opgeruimd,» zei de baronnes hem in de oogen ziende, «overigens de oude.»

«Gij hebt uw uniform aangehad en visites gemaakt,» zei Leonore, «ik zie het aan de witte das.»

«Gij hebt beiden gelijk,» antwoordde de baron, «maar ik heb toch ook iets te vertellen: de koning is zoo genadig geweest mij de ridderorde te verleenen, welke mijn vader en grootvader hebben gedragen; het verheugt mij dat het kruis bijna erfelijk is in ons geslacht. En met de orde kwam een vereerend schrijven van den vorst, waarbij hij mij geluk wenscht en zeer goedgunstig zich nog do jaren herinnert die ik in zijn nabijheid heb doorgebracht; en ook aan u heeft hij gedacht, veel gezochte parel van het hol. Ik wou dat hij u nog eens zag; hij zou het niet kunnen gelooven, dat er zooveel jaren verloopen zijn, sints hij u ten dans geleidde.»

«Wat een geluk!» riep de baronnes haar man hartelijk omhelzende. «Ik heb jaren lang die ster voor uw toilet gewenscht.» Leonore opende intusschen het doosje en bekeek bij het licht van de kaars het kruis van alle kanten. «Kom, moeder, laten we hem de decoratie omhan-en!» De moeder maakte het kruis vast en als een ware riddersdochter uste zij eerst haar gemaal en dan het kruis.»

«Nu,» zeide de baron, «wij weten wel wat we in onzen tijd van zulk een sieraad moeten denken. Maar ik beken toch volgaarne, dat juist dit teeken mij het liefst van allen is. Ons geslacht is een van de oudste en in onze lijn zijn, wat tegenwoordig wel een wonder is, nooit huwelijken beneden onzen stand geweest. Dit kruis is thans zoo wat do

ocr page 196

188

laatste herinnering aan den ouden tijd, toen men aan zulke dingen nog waarde hechtte. Thans treedt een andere macht in de plaats van onze voorrechten: het geld. En ook wij zijn in de noodzakelijkheid daarvoor ons best te doen, als wij ons geslacht in aanzien willen honden. In den brief van den vorst wordt de oudheid van onzen naam vermeld en de wensch genit dat hij nog vele menschengeslachten als tot nu toe «in voorbeeldige adellijkheid,» zoo zijn de woorden van den brief, moge blijven voortbloeijen. (iij, Leonore, en je broeder, moet daar nu voor zorgen.

«Ik leef al in voorbeeldige adellijkheid,» antwoordde Leonore. «En voor de eer van het geslacht kan ik niets doen. Als ik trouw, waarin ik nog volstrekt geen lust heb, moet ik toch een anderen naam aannemen, en het zal mijn ouden stamvader in de wapenrusting, die daar boven in de ridderzaal hangt, vrij onverschillig wezen, wien ik tot mijn heer en meester maak. Een Rotsattel kan ik toch niet blijven.»

De vader lachte en trok zijn dochter tot zich: «Als ik maar wist • van waar mijn kind aan die ketterijen komt.»

«Zij is langzamerhand zoo geworden,» zei de moeder.

«Dat^ zal alles wel in orde komen,» antwoordde de vader en kuste zijn dochter hartelijk op het voorhoofd. Hier, lees den brief van den vorst, ik ga naar het paard en dan eten we samen in de open lucht.»

«Ik ga mot u naar den zieke,» zei Leonore.

De ridderorde, een liefelijke herinnering aan een machtig verbond van geestelijke ridders, die landen veroverd en een eigen rijk gesticht hadden, wierp een helderen zonneschijn in het hart des barons, hoe onverschillig hij er zich ook onder hield. De gelukwenschen zijner talrijke kennissen deden hem goed, en de achting voor zijn eigen persoon kreeg er een geheimen steun door, dien hij menigmaal noodig had. Zoo vond hem na verloop van een week ook Ehrenthal, de handelaar, toen hij zijn weg naar een nabijgelegen dorp even aanreed om den baron te feliciteeren. Hij had reeds zijn afscheidsbuiging gemaakt, toen hij nog eens bleef staan en als terloops zei: «mijnheer de baron heeft vroeger eens plan gehad een beetwortel-suikerfabriek aan te leggen. Ik hoor dat men nu bezig is een compagnie te vormen, die zoo'n diergelijke fabriek In uw buurt wil opzetten; ik ben verzocht om deel te nemen aan de zaak en wou toch eerst vragen of mijnheer de baron er nog over denkt.»

Dit belicht was den baron zeer onaangenaam. Sints jaren had hij met het plan rondgeloopen een zoodanige fabriek op zijn grond te vestigen, hij had een menigte dergelijke inrichtingen bezocht, had ontwerpen laten teekenen, met deskundigen er over gesproken, en reeds een plaats uitgekozen, waar het gebouw het minst hinderlijk zou zijn geweest. Hij had dit plan een tijd lang met grooten ijver vastgehouden, langzamerhand had het hem minder toegelachen. De vrees van een voorzichtig man voor de nieuwe en toch onzekere industrie, de klachten van eenige kennissen over de groote kosten en bovenal over de onrust en vele lasten, welke zoodanige onderneming in het leven van een landeigenaar en de bestiering van zijn goed tengevolge had, dit alles te zamen had hem bewogen deze gedachte te laten varen en de voorkeur te geven aan een zekere belegging van zijn kapitaal, natuurlijk tegen goeden percenten. Nu kon een onderneming, die hij zich

ocr page 197

d8ü

altijd voor later tijd hacl voorbeliouden, door anderen worden tot stand gebracht; het was duidelijk dat zijn eigen plan daardoor vernietigd werd. Want twee gelijke fabrieken op zoo geringen afstand moesten elkander tegenwerken. Op knorrigen toon riep hij: «En dat juist nu, dat ik mij de vrije beschikking voor eenige jaren henomen heb.»

«Mijnheer de baron,» zeide Ehrenthal hartelijk, «gij zijt een rijk man en algemeen geacht in deze streek. Als gij verklaart dat gij zelf die fabriek wilt oprichten, gaat de vennootschap denzelfden dag uiteen.»

«Maar gij weet dat ik nu niet kan,» antwoordde de baron kregel.»

«Als gij wilt kunt gij ook, mijnheer de baron,» hernam de koopman met een eerbiedig lachje. «Ik ben de man niet die u tot zoo'n onderneming bepraten zal. Wat hebt gij noodig geld te verdienen? Maalais gij nu tot mij zegt: «Ehrenthal, ik wil een fabriek oprichten,» dan is er kapitaal tot uw dienst, zooveel gij wilt. Ik zelf heb een som van zeven, ja van tienduizend daalders voorhanden, gij kunt ze eiken dag van mij krijgen. En ik wil u een voorstel doen. Ik bezorgd u het geld, dat gij noodig hebt, tegen billijken intrest. Voor de som, die ik u zelf geef, laat gij mij een aandeel in de zaak tot den dag, dat gij mij het geld terug betaalt. Voor het meerdere geld, dat gij noodig hebt, neemt gij een hypotheek op uw goed, totdat gij weer uitkeert na eenige jaren de geheel e leening.»

De voorslag scheen onbaatzuchtig, ja zelfs vriendschappelijk, maaide baron besefte te levendig de groote verandering, die zulk een onderneming in zijn leven zou brengen; hij zag met een angstige benauwdheid en een zeker mistrouwen, zoowel tegen zich zei ven als tegen Ehrenthal, een wereld van verwikkelingen en moeijelijkheden te gemoet. Hij bleef daardoor koel bij Ehrenthals voorstel. «Ik dank u,» zeide hij, «voor het vertrouwen; maar met een andermans geld wil ik niet oprichten, wat toch alleen uit de batige saldo's van eigen inkomsten mot zegen wordt gebouwd.»

Slechts zij, die eens in haar leven et'n gevierde danseres is geweest, kan zich een begrip maken van de menigte kleine briefjes, pakken en bezendingen die de baron in de eerste vier weken van 'alle kanten uit de stad ontving. Eerst schreef mijnheer Ehrenthal: «Ik heb de actiehouders hun plan vier weken doen uitstellen,» dan schreef mijnheer Karfunkelstein, een actiehouder: «Ik hoor dat gij een fabriek wilt oprichten, is dit zoo, dan geef ik mijn plan op.» Dan weer schreef Ehrenthal: «Hierbij gaat de berekening over een geheel jaar van een dergelijke fabriek, waaruit^ gij kunt zien wat er bij te winnen is.» Dan weer schreef een mijnheer W ohlilorf': «Men zegt hier, dat mijnheer de baron over een fabriek denkt; ik heb kapitalen beschikbaar tegen billijken intrest en zou fn'j gelukkig achten als ik een hypotheek kreeg of'nog liever een aandeel in de zaak.» Ten laatste schreef zelfs een zeer onduidelijke heer Itzigveit: «Mijnheer de baron, (Jij moet de zaak niet doen met Ehrenthal, zooals men hier in de stad vertelt. Ehrenthal is een rijk, maar een geldzuchtig man ; gij moet hen althans niet tot compagnon aannemen. Ik, die u schrijf, wil u betere kapitalen bezorgen en gansch andere deelnemers.» Waarop mijnheer Ehrenthal weer genoodzaakt was te schrijven: «Door mijn vijanden worden allerlei kuiperijen iti 't werk gesteld om aan mijnheer den baron ander geld voor zijn mooije zaak te bezorgen; gij kunt doen naar verkiezen, ik ben een eerlijk man en dring mij niet op.» De baron was verbaasd te zien hoe gemakkelijk en in overvloed de ka-

ocr page 198

190

pitalen zijn naam loerolden, en dat geheel onbekende menschen bereid waven de onderneming op zijn grond en erf voor een solide, schitterende, benijdenswaardige zaak te houden, Hij was in zijn speculatiën tot heden bepaald gelukkig geweest, hij had den afkeer tegen geldzaken vrij goed overwonnen, en zich gewend om min of meer aanspraak te maken op de kapitalen van anderen. Thans werd hij allengs vertrouwd met de gedachte het geld voor het oprichten der fabriek van vreemden te nemen. En enkele omstandigheid hinderde zijn trots, en die was, den vriendelijken, voorkomenden Ehrenthal als compagnon te moeten lijden: in zoover had de brief van den onduidelijken schijver gewerkt. En hij besloot om ingeval de onderneming tot stand mocht komen, den koopman, voor zijn geleend geld vaste intresten te geven. Vier weken was de baron in voortdurende tweestrijd, dikwijls was zijn voorhoofd bewolkt, dikwijls zag de baronnes weer met diepe smart de gejaagdheid van haar echtgenoot, dikwijls reed deze naar de stad of naar de landgoederen zijner kennissen, om diergelijke inrichtingen te bezien en de mogelijke voordeelen uit verschillende begrootingen te berekenen. Van de maatschappij, waarvan Ehrenthal hem had gesproken, kon hij niets met zekerheid gewaar worden. De minder gunstige berichten, die hij aangaande de resultaten van enkele fabriekanten inwon, schreef hij toe aan een zeer natuurlijke vrees voor concurrentie of aan de onvoordeelige inrichting hunner zaak.

Vier weken verliepen er en een nieuwe brief van Ehrenthal kwam opdagen, waarin de baron dringend verzocht werd zijn besluit mede te deelen, omdat eenige van de aetiehouders niet langer wachten wilden.

Het was de avond van een drukkend warmen dag, toen de baron, na de boerderij te hebben bezocht, buiten kwam. Laag aan den hemel schitterde een geel verblindend licht door een zwarten nevel heen, dik opeengepakt hingen de wolken boven zijn hoofd, als donkere luchtrotsen met sneeuw bedekt. Do dampkring om den grondeigenaar ademde benauwdheid, moedeloosheid en bange voorgevoelens, In het koren piepten de krekels luider dan naar gewoonte, onophoudelijk klonken hun waarschuwende stemmen den baron in het oor. De vogeltjes in de boomen van den grooten weg klaagden angstig op de takken, fladderden van den eenen boom op den anderen en riepen elkander toe, dat er iets vreeselijks in aantocht was: «Wij kleinen, zullen er wel doorkomen,» schreeuwden zij, «maar de grooten moeten oppassen.» De zwaluwen streken langs den grond en vlogen dicht voorbij den baron heen, alsof hij er niet stond, en de plaats, die hij besloeg ledige ruimte was. Do wilde kruipplanten lieten haar bladen machteloos hangen; zij waren met akelig stof bedekt en zagen er uit als gewassen van een vroegere wereld, die voor vele jaren groen waren geweest en bloemen hadden gedragen. Een dikke stofwolk golfde over den weg den baron te ge-moet; de naar huis keerende wagens reden hem voorbij. Moeijelijk stapten de paarden voort en lieten de koppen hangen. De akelige, gele wolk dwarrelde met hen voort en verborg den omtrek van hun lichaam, zoodat de halzen alleen uitkwamen en zij den baron als schimmen toeschenen, die in de lucht zweefden. Achter hen kwam langzaam in drie hoopen de kudde schapen, ook gehuld in dikke stofwolken. De klokjes van de dieren klonken dof in de zware lucht en als van een verren afstand liet zich, dan hier dan daar, te midden van het

ocr page 199

101

suizen des winds, de stem van een spookaclitigen herdershond hooren. En als de herder zelf zijn heer groetende voorbij ging, zag de man er zoo grauw, zoo schimachtig uit als een geest uit liet graf, die eenmaal op de groene aarde werkelijke schapen heeft geweid.

De landheer bleef voor de paarden en de schapen staan, hij stond stil bij de verlepte bloemen aan den rand van de sloot, hij luisterde naar de vogelfjes in het groen: het waren sombere gedachten die zij bij hem opwekten. Hij ging verder naai' don dam bij den vijver; waar Anton weleer den laatsten blik op het kasteel had geworpen. Daar stond het in den rooden gloed met zijn torens en muren voor den baron, met heldere lichtstralen op de spitsen van de torens; als in een brand llikkerden alle glasruiten, en als groote droppels bloed rustten de volle rozen op het donkergele loof van de slingerplanten. Maar boven het kasteel pakte de lucht zich dichter opeen en steeds naderbij kwam zij met zwarte wolken om het prachtig gebouw in een diepen nacht te verbergen. Geen blad aan de hoornen bewoog, geen windje verontrustte den waterspiegel, dood lag do vijver daar, als een Stroom van de onderwereld. De baron bukte en zocht naar een teeken van leven, al was het maar een waterspin, een mug, die de doodsche stilte om hem mocht verbreken; — daar staarde hem uit de diepte een menschengezicht aan, dat hij er van terugdeinsde en voor een tweeden keer in 't water moest zien, om te glimlachen en te erkennen dat het de weerkaatsing van zijn eigen gelaat was. Ook hier ademde de dampkring om den baron benauwdheid, moedeloosheid en bange voorgevoelens.

ilij leunde tegen een hollen wilgenstam en zag met strakken blikken naar zijn huis en naar de vensters, waar zijn dierbare vrouw en dochter woonden; hij zocht naar dén omtrek harer gedaante, hij haakte naar een noot van de piano der baronnes, hij wenschte dat maar een kleurig lint van Leonore van het balcon harer kamer mocht wapperen. Maar ook in het slot was geen teeken van leven te bespeuren, het was als uitgestorven, eenzaam als een overblijfsel uit overouden tijd, door een spookachtig schijnsel verlicht; — nog weinige oogenblikken en het moest in den grond wegzinken, dan kon het water er over heenstroo-rnen en konden de menschen elkaar vertellen, dat daar vroeger een schoon kasteel had gestaan, waarin een trotsche baron woonde, maar dat was lang, lang geleden.

Een gevallen huis, een uitgestorven geslacht! —

Als de tijd kwam, dat een vreemdelingen op zijn plaats zou staan, en het nieuwe huis beschouwde, dat hij voor zich had gebouwd, dan lag die waterspiegel voor den vreemdeling, evenals nu voor hem; dezelfde akker, welken nu zijn ploeg doorsneed, bracht dan ook den lateren bezitter vrijwillig vruchten voort. Dan gaven de korrels uit zijn koren nog_wit meel, de lammeren van zijn schapen dartelden om denzelfden steenen waterbak, het uitgestrekte land lag voor den nieuwen eigenaar uitgebreid, evenals thans voor hem, op dezelfde plaats stroomden wellicht beekjes door het veld, de rietstengels voor hem schoten even goed als nu wortel onder het water: alleen hij en zijn geslacht, die thans over alles hoerschten, zij zouden dan verdwenen zijn, verdwenen op een schrale herinnering na I

Zoo stond de grondbezitter, slap door den akeligen nevel die over de aarde en zijn ziel hing; hij haalde diep adem en wischte zich de zweet-drogpels van het voorhoofd; hij was radeloos en als 't ware geheel geknakt.

ocr page 200

192

Daar floot een schrille toon door de kruinen der boomen: 't was de jachtkreet der wolken. Nog eens werd alles stil, toen loeide de stormwind eensklaps wild door de bosschen, hij huilde in de toppen hij gierde over het water; diep bogen de wilgen hun grauwe takken en de stofwolken langs den weg werden door dolle dwarrelwinden opgejaagd; de gele gloed op den muur van het kasteel verdween, een loodkleurige tint verfde het landschap. Een flikkerende bliksemstraal schoot door de duisternis en lang en statig rolde de donder. De woeste jager der lucht hield zijn drijfjacht over de velden der menschen.

De baron richtte zich recht op en opende de borst voor den voorbij-trekkenden stormwind, liladeren en boomtakken vlogen over hem heen en groote regendroppels vielen op zijn hoofd; maar hij keek in de wolken naar het onweder en naar de bliksemstralen die elkaar kruisten alsof hij van boven een eindbeslissing wachtte. Eensklaps hoorde hij het getrappel van een paard en een opgeruimde mannenstem riep hem uit de hoogte : «Vader» toe. Een jong officier van de cavalerie hield voor hem stil.

«Mijn zoon, mijn inniggeliefde zoon», riep de vader rnet bevende stem: «üe komt juist van pas.» Hij trok den jongeling hartelijk tot zich en toen hij hem uit zijn omarming los liet, drukte hij nog lang zijn handen en kon zijn oogen niet aan hem verzadigen. Ook de ruiter voor hem was met grijs stof bedekt, maar een jeugdig gelaat en twee fiere oogen spraken in dit oogenblik beslissende woorden tot den vader. De onzekerheid, de bange voorgevoelens, alles was verdwenen; hij voelde zich weer sterk, gelijk het 't hoofd des huizes betaamt. Voor hem stond in bloeijende jeugd de toekomst van zijn geslacht. Dat deze vermaning nu juist tot hem kwam op het oogenblik dat hij een besluit moest nemen, beschouwde hij als een schikking des noodlots. «Kn nu, ga mee naar huis», zei hij, er bestaat geen reden meer om onzen welkomstgroet in den regen voort te zetten.»

Terwijl de baronnes haar zoon op de canapé tot zich trok en zich maar niet genoeg over zijn recht mannelijk uiterlijk kon verheugen, terwijl Leonore terstond een kleinen woordenstrijd met haar broeder begon, wandelde de baron in de huiskamer op en neer, en wierp van tijd lot tijd door den neerplassenden regen een blik op het landschap voor zijn kasteel. Telkens sneller volgden de bliksemstralen, telkens korter werd de tijd, die tusschen het flikkeren van den bliksem en het ratelen des donders verliep.

«Sluit het venster», verzocht de baronnes, «het onweer nadert.»

«Met zal ons huis geen kwaad doen», antwoordde de baron haar geruststellend. «De afleider staat boven op het dak, hij schitterde zoo evenals een licht in de donkere wolken. Zie daarheen, waar de lucht het dichtst en zwaarst opeen gepakt is, ginds boven dien witten esdoorn.»

«Ik zie de plaats», antwoordde zijn vrouw.

«Wel nu, bereid er u maar op voor», vervolgde de baron glimlachend, «dat uw blauwe hemel daar voor altijd door donkere wolken zal bedekt zijn, daar zal de schoorsteen der fabriek ver boven de boomen uitsteken.»

«Wilt ge gaan bouwen?» vroeg de baronnes angstig.

«Wilt ge een fabriek opzetten ?» riep de luitenant op verwijtenden toon.

«Ja», zei de baron tot zijn echtgenoot, «de onderneming zal veel verdrietigs hebben voor u en voor mij, en zal mij noodzaken al mijn krachten in te spannen en gansche dagen bezig te zijn. Maar als ik het in weerwil van die bezwaren toch onderneem, doe ik het niet om onzentwil, maar

ocr page 201

193

voor tie kinderen, voor mijn geslacht. Ik wil liet landgoed duurzaam in mijn huis bevestigen, ik wil de opbrengsten zoo vermeerderen, dat de eigenaar van dit kasteel in staat zal zijn ook voor de toekomst der dierbaren te zorgen, aan wie hij, volgens het oude recht van eerstgeboorte en de opvolging in mannelijke lijn, het goed niet laten kan. liet heeft me een hangen strijd gekost, heden heb ik mijn besluit genomen!»

IX.

De baron sloeg met lust handen aan het werk voor het oprichten zijner fabriek. Hij zocht althans een gedeelte der steenen zelf te bakken, hij merkte de stammen in het bosch, die in den winter voor bouwstof moesten geveld worden. Een bouwmeester werd hem door Khrenthal aanbevolen, en een deskundige door den baron zeiven aangenomen. ilij deed zoigvuldig navraag naar het vroegere leven van den man, aan wien de inrichting en goede aanleg der fabriek zon worden toevertrouwd en achtte zich gelukkig, toen hij na lang zoeken een eerlijk man vond, die een zeldzame theoretische kennis had, Wellicht was deze laatste eigenschap, in hot bijzonder geval van den baron, niet zonder bezwaar, want van den man zijner keus, zeide minstens tien praktici, dat hij nooit een fabriek haar rustigen gang kon laten gaan, maar door overijlde invoering van nieuwe uitvindingen het dagelijksch werk te dikwijls stoorde. Daarom werd hij voor duur en onzeker gehouden. Voor den baron echter was het helder inzicht en de eerlijkheid van den man de hoofdzaak, meer nog dan bij ieder ander, omdat hij inwendig de stille overtuiging had, dat deze eigenschappen van den deskundige de misstappen van zijn eigen leiding weer zouden goed maken.

Hoe opwekkend echter de vooruitzichten ook waren, was de zaak toch lang niet zonder schaduwzijde. Orde en genoegen waren op het buitengoed niet meer te vinden, zij waren midden in den zomer weggevlogen, zooals do ooijevaars, die sints vele jaren boven de grooTe schuur hun nest hadden gehad, ledereen werd door den nieuwen bouw lastig gevallen. De baronnes verloor een hoek van het park, zij moest het met leede oogen aanzien dat een dozijn van de grootste hoornen werd geveld. Een hoop vreemde arbeiders trok met bijl, schop en kar als een troep hannekemaaijers over het landgoed. Zij vertrapten de grasperken, zij lagen in hun schofturen in de nabijheid van het kasteel en kwetsten de dames dikwijls door hun gebrek aan ontzag en welvoeglijkheid. De tuinman wrong in wanhoop de handen om de ontelbare diefstallen aan vruchten en groenten gepleegd. De rentmeester was radeloos over de wanorde, die in zijn administratie doordrong. De nieuwe arbeiders die hij had aangenomen maakten hem het opzicht over het werkvolk moeijelijk. De nieuwe trekdieren, in der haast gekocht, waren niet goed. De werkpaarden werden hem voorden neus weggehaald, als hij ze het meest noodig had voor den landbouw. Wat zijn goede trekossen betreft, het was of hij er niets meer over te zeggen had. De uilgaven van het huishouden werden grooter; de inkomsten dreigden geringer D Kil KT KN C1IKD1T I. ];j

ocr page 202

194

te zullen worden. Ook de akkers, die voor den beetwortelbouw bestemd waren, gaven den ouden man de handen vol werk. In de opvolging van den oogst moest veel veranderd, de arbeiders voor liet nieuwe werk gedrild worden. Leonora luid moeite hem te troosten, en bracht hem menig pond tabak uit de stad, opdat hij zijn verdriet met de blauwe wolkjes in de lucht zou kunnen uitblazen. Den zwaarsten last torschte natuurlijk de baron zelf'. Zijn werkkramer, vroeger alleen door eenige ongelukkigen ot' den rentmeester bezocht, werd nu een open plaats, als of het een winkel was. Naar tien verschillenden kanten moest hij raad geven, antwoorden, moeijclijkheden uit den weg ruimen. Bijna dagelijks reed hij naar de stad, en als hij eindelijk met den rustaan-brengenden avond op zijn buitengoed terugkwam, was hij in zijn familiekring dikwijls afgetrokken, bekommerd knorrig, afgewonden, 't Was een blijde hoop, die hem vervulde, maar het kostte moeite ze in werkelijkheid te doen overgaan.

Een zekeren troost vond de baron in de levendige belangstelling en hartelijkheid van Ehrenthal. Deze wist zich overal nuttig te maken, had steeds een goeden raad klaar, en was nooit om een hulpmiddel of uitweg verlegen. Dikwijls bezocht hij het kasteel, een welkome gast voor den baron, doch bij de dames minder gezien. Deze verdachten hem heimelijk en meenden, dat aan hem die stioom van bezigheden te wijten was, die door alle reten der vensters en deuren binnendrong. Gelukkig duurden zijn bezoeken altijd maar kort, en al kon men het hem aanzien, dat hij er trotsch op was zoo veel op het kasteel te komen, zijn houding tegenover do dames en zijn eerbied waren onberispelijk.

Óp een zonnigen middag trad Ehrenthal met diamanten doekspeld en geplooid overhemd de kamer van zijn zoon binnen.

«Wil je vandaag meerijden naar het buiten van de Rothsattels, Bern-hard ? lli lieb den baron gezegd dat ik je eens zou meebrengen om je aan de familie te presenteeren.»

Bernhard sprong van zijn stoel op. «Maar vader, ik ken de menschen in 't geheel niet.»

«Als je het kasteel gezien hebt, zal het je niet langer vreemd zijn, en als je gesproken hebt den baron, de baronnes en de freule, dan zul je ze kennen, 't Zijn goede menschen,» voegde hij er genadig bij.

De zoon opperde nog veel bezwaren, maar de vader ruimde ze uit den weg door de bepaalde verzekering, dat de baron hem verwachtte,

Bernhard zat in het rijtuig; hoog boven zijn hoofd vlogen de vogels, de populieren langs den weg verdwenen als dooi' een touw getrokken achter hem weg, lachend scheen de zon op zijn bleek gelaat en vroeg: «Waar kom jij vandaan, mannelje, ik ken je niet;» liij schoof onrustig op zijn plaats heen en weer. Sints hij Anton kende, ja al langer, sints hij zijn dichters las, had hij van zijn klein eenzaam studeervertrek verlangende blikken geslagen op het vroolijke bestaan van do zoodanigen, die er maar op toeleven en een afkeer bobben van het nutteloos mijmeren. lieden kwam het hem voor alsof hij zelf er maar op toeleefde, heden reed hij de wijde wereld in naar een edelman, dien hij niet kende, naar het huis van een beroemde schoonheid, die hij eens wilde gaan opnemen. Hij trok zijn boordjes recht, drukte zich den hoed diep in de oogen en sloeg de armen over elkaar.

Met een doordringenden blik nam hij de voorbijgangers op en do

ocr page 203

195

vrouw aan het tolhek, die het geld aannam, keek hij zoo stout in de oogen, dat zij haar halsdoek recht trok en hem glimlachend toelonkte. Inmiddels was de oude Ehrenthal onuitputtelijk in de lofuitingen on den baron en zijn familie. «Edele menschen,» riep hij ; «als Je die baronnes gezien hebt, gelijk zij is, als zij haar kanten muis op heeft, alles zoo lijn zoo fatsoenlijk! Te fatsoenlijk voor de wereld, zooals de wereld thans 's. De klompen suiker zijn te groot, en de wijn, dien men aan tatel drinkt, is te duur; maar dat is hun stand, het staat hun goed.»

«1' reule Leonore moet een zeldzame schoonheid wezen,» vroeg Bern-hard. «Is zij trotsch, gelijk de jonge dames van haar rang gewoonlijk zijn?» Onze arme Bernliard kende niet veel dames, noch uit dezen, nocli uit een anderen stand.

^ i* ^''otsch,» antwoordde zijn vader, «maar het is waar, zij is mooi. Onder ons gezegd, zij bevalt mij beter dan mijn eigen Rosa.»

«Is ze blond?» De oude Ehrenthal bedacht zich. «Wat zou ze anders zijn dan blond of bruin, maar 't is waar zij heeft blauwe oogen. (je kunt ook de kudden op het buitengoed eens bekijken en vergeet niet het park door te wandelen. Zie eens rond, of je een plaats vindt waar je graag met een boek zoudt zitten.

De argelooze Bernhard zweeg en zag met schitterende oogen naar de donkere omtrekken van het park, dat aan den horizont zich vertoonde.

Het rijtuig hield voor het kasteel stil. De knecht deed het portier open. JJe gasten vernamen dat do baron op zijn kamer en de baronnes op het oogen blik met te spreken was, de freule echter wandelde inden tuin, Ehrenthal liep het kasteel om, Bernhard met nieuwsgierige blikken achter hem. Over het grasperk kwam de slanke, rijzige gestalte van Leonore de vrienden tegen. Ehrenthal stelde zich in postuur, kromde zijn linker arm in den vorm van een boog, stak er den hoed in en piesenteerde: «mijn zoon Dernhard, hier hebt ge de freule.» Bernhard maakte een diepe buiging, 't Was maar een koele groet, dien Leonore den geleerde gunde.

«Als gij mijn vader zoekt, hij is boven op zijn kamer.»

«Ik zal naar hem gaan, zei Ehrenthal onderdanig. «Bernhard, gij kunt intusschen bij de freule blijven.»

Op de kamer des barons lei de handelaar eenige duizend daalders op tafel en zei: «Hier is het eerste geld. En hoe wil mijnheer de baron het schikken om mij zekerheid te geven?»

«Volgens onze afspraak,» antwoordde deze, «zou ik er u hypotheek O)) mijn binten voor geven.»

«Weet je wat, mijnheer, voor iedere duizend daalders, die ik u geef, kunt ge mij niet telkens een hypotheek laten opmaken, dat veroorzaakt veel kosten en brengt het goed iu een kwaden reuk. Laat lever door de rechtbank een hypotheek opmaken, voor een groote som, twintig duizend daalders bij voorbeeld. Laat ze vastzetten op den naam van mevrouw de baronnes, dan hebt ge een vast pand, dat gij lederen dag kunt verkoopen en uw goed wordt niet door een nieuw kapitaal bezwaard. En mij geeft gij telkenreize, als ik u iets betaal, een eenvoiuhge schuldbekentenis, waarin gij mij op uw woord van eeilijk man belooft, dat ik voor het bedrag der som die ik u leen, aanspraaak zal hebben op die hypotheek van twintig duizend daalders, die op het hypotheken-register onmiddellijk volgt op de pandbrieven. Dat is eenvoudig en zoo blijft het geheim tusschen ons bei-

ocr page 204

196

den. En als gij geen verdere voorschotten noodig hebt, regelen wij de zaak voor den notaris. Gij staat mij dan de hypotheek zelve af en ik geef li uw schuldbekentenissen terug en betaal bij, als er nog iets aan de twintig duizend daalders ontbreekt. Ik verlang niets van u dan uw woord van eer op een stukje papier, dat niet grooter is dan dit reepje. En als de rechtbank de hypotheek voor u in orde heeft gebracht en heeft laten registreeren, zon het mij aangenaam zijn, zoo gij haar bij mij aan huis wildet deponeeren.»

Toen de baron bij deze laatste voorwaarde ontevreden opzag, lei Ehren-thal zijn hand op den arm des barons en sprak vertrouwelijk : «Wees gerust, mijnheer, gij kunt er toch niet tegen hebben dat ik het stuk gaarne zelf wil bewaren. Ik kan er geen misbruik van maken en het dient tot mijn geruststelling. Ieder rechtsgeleerde zal u zeggen, dat ik in dit geval ii een vertrouwen schenk, zooals zelden in den handel voorkomt. Dikwijls wordt een woord verbroken, dat de een den ander heeft gegeven, maar als er iets op deze wereld veilig voor mij is, dan is het als gij mij uw woord van eer geeft. Is het al niet echt koopmansachtig, mijnheer de baron, dan denk ik maar, 't is toch vriendschappelijk.»

lihrenthal zei dit met een uitdrukking van hartelijkheid, die niet geheel en al geveinsd was. Wat hij aanbood toonde inderdaad een groot vertrouwen. Na langdurige beraadslagingen met Veitel Itzig was hij tot dit besluit gekomen. Hij wist dat de baron behalve de twintig duizend daalders nog menig kapitaal zou noodig hebben. Het was ook in het belang van den koopman, dat de baron zonder moeite nog andere sommen kreeg. En hij vertrouwde den edelman; hij, de doortrapte fielt, had een vast geloof in den ridderlijken zin van den andere. Ook wanneer Veitel hem niet onophoudelijk op het achtenswaardig karakter des barons opmerkzaam had gemaakt, zou hij hem toch nooit van oneerlijkheid hebben kunnen verdenken. De weinige achting en liefde, waarvoor in zijn hart nog ruimte was, gevoelde hij geheel voor den baron. Deze was sints lang het voorwerp zijner bijzondere zorg, van zijn inspanning, zijn ijverzuchtige waakzaamheid; hij was voor den schurk, wat voor den landman zijn akker, voor de huismoeder haar lievelingsdier is. Er was een allerbeminnelijkst ziertje genegenheid in zijn verhouding tot den baron. Ook de huismoeder springt ijverig in de bres voor de deugden van haar vierbeenig pleegkind; zij beschouwt het met liefde en vindt zijn humeur buitengewoon zacht. Zij is geneigd haar lieveling voor het beste exemplaar van zijn soort te houden, en is de slachtdag daar, dan stort zij misschien wel een traan! Maar, bij den heiligen Antonius! hoe leed het haar ook is, geslacht moet het lieve dier worden.

Intusschen zei Leonore tot Bernhard: «Hebt gij lust het park door te wandelen?» Dernhard volgde zwijgend en zag verlegen naar de freule, die haar hoofd trotsch opstak en weinig gesticht scheen over zijn tegenwoordigheid. Bij het groene perk, waar Anton eens zoo verrukt had gezeten, bleef zij staan en wees op den weg. «Dien kant af gaat het naaiden vijver, en hier langs naar den tuin.» En met een lichte beweging der hand wilde zij afscheid nemen. Doch Bernhard zag verwonderd in 't rond, naar de torentjes van het kasteel, de slingerplanten van het balcon en riep: «Dat heb ik meer gezien en ik ben toch nooit hier geweest.»

Leonore bleef staan: «Hot huis is toch nooit naar de stad gewandeld,

ocr page 205

•107

voor zoover ik weet; er kunnen wel anderen zijn die er veel op gelijken.»

«Neen, hernam Bernhard nadenkend, «ik heb hel kasteel op een teeke-ning op de kamer van een vriend gezien, ilij moet u kennen,» riep hij verheugd uit, «en hij heeft er mij toch nooit iets van gezegd.»

«Hoe heet die mijnheer, die vriend van u?»

«Het is een zekere mijnheer Wohifart.»

De jonge dame keerde zich levendig naar den geleerde om: «Wohifart? Een koopman bij T. O. Schröter, in koloniale waren? Is het die? — En die mijnheer is uw vriend? Uoe kent gij hem?» vroeg zij streng en plaatste zich voor Bernhard, met de handen op den rug, even als een meester, die een kleinen schelm wegens gestolen appelen onder handen neemt.

Bernhard vertelde hoe hij Anton had leeren kennen en hoe dierbaar hem de degelijke vriend was geworden. Daarbij verloor hij iets van zijn verlegenheid en de freule zeer veel van haar stroefheid.

«Ja, als het zoo is,» zei het meisje nog steeds verwonderd. «En hoe gaat het met mijnheer Wohifart? Vertel nu eens spoedig, hoe ziet hij er uit, is hij vroolijk? Ilij heeft zeker veel te doen?»

Bernhard vertelde en werd hoe langer hoe welsprekender. Leonore nam plaats in het prieel en gaf hem genadig een teeken om tegenover haar te gaan zitten. Toen hij uitgesproken had, zei zij vriendelijk: «Als mijnheer Wohifart uw vriend is, wensch ik u daarmee geluk; hij is een best mensch; ik vertrouw dat gij het ook zijt.»

Bernhard glimlachte: «Te midden van mijn boeken ben ik maar zelden in de gelegenheid mijn goeden wil te toonen. Ik leef zeer stil en eenzaam en piep als een krekel; als ik de blikken op de wereld rondom mij sla, vind ik mij zelven dikwijls geheel onnut.»

«Al dat studeeren zou mij niet bevallen,» hernam Leonore. «Men kan liet u ook aanzien, dat ge u weinig in de vrije lucht beweegt. Kom, mijnheer, ik zal u het park laten zien; maar zet toch uw hoed op.»

De knecht kwam met het theeblad uit het kasteel. Leonore wenkte hem en zag met een zekere verbazing, dat Bernhard het warme vocht zoo haastig opslurpte, als een matroos zijn valreepje naar binnen slaat.

«Pas op dat ge u niet brandt,» zei zij op waarschuwenden toon.

Daarop volgde zij hem door den heerlijken aanleg, zooals zij vroeger Anton rondgeleid had. Bernhard was een waar kind van de stad. Noch het dichte lommer der boomen, noch de sierlijke bloembedden in het grasperk, noch de torentjes van het kasteel konden hem bekoren. Zijn oog hing slechts aan de jonge dame. liet was een heldere avond in September. Het zonlicht viel schel door het groen het zand was door den gelen glans en de donkere schaduwen sterk afgezet. Zoo dikwijls een zonnestraal door de bladeren heen Leonores hoofd verlichtte, schitterden haar lokken als goud. Het trotsche oog, de fijne mond, de zachte gestalte van het gezonde meisje betooverden den jongen geleerde. Zij lachte en liet het kleine witte tandjes blinken, en hij was verrukt; zij brak een takje af en sloeg daarmee op de heesters langs het pad, en het was hem alsof de takken en bladeren voor haar vrijwillig bogen.

Zij kwamen bij de brug aan den weg van het park naar het veld. Eenige meisjes liepen op Leonore toe, negen voor haar en kusten haar de handen; zij nam al die eerbewijzen aan als een koningin. Twee

ocr page 206

1!)lt;S

kleine meisjes imdden de holle stengels van een leeuwentand aan elkaar geregen en er een langen ketting van gemaakt; zij stonden verlegen voor Bernhard cn reikten hem den ketting toe.-

«Weg, onbeschaamd bedelaarspuk!» riep Leonore. «Hoe kunt gij ons zoo den weg versperren, ziet ge niet dat mijnheer van het kasteel komt? - - Dat li'ngs den weg liggen leert ge van die vreemde arbeiders!» En Bernhard voelde zicli trotsch dat hij op dit oogenblik bij haar behoorde. Hij tastte in zijn zak en maakte zich van de meisjes af.», amp;'t Is lang geleden dat ik zoo'n ketting heb gezien, sprak hij. cNog een llauwe herinnering heb ik, dat ik als een kleine jongen ook eens in het gras zat en de steelen aaneenstak.» Hij plukte eenige stengels van den leeuwentand en beproefde of hij het kinderwerk nog kende. «Hebben de geleerden ook op met zulke speler?» vroeg Léonore lachend. «O, ja!» antwoordde Bernhard. «Ik heb menigmaal kransjes gevlochten van riddersporen en madeliefjes en ze in mijn boeken bewaard; dan droogde ik de bladeren en geheele bloemen, en zoo begon ik een soort van kruidenverzameling aan te leggen. Wat ons als volwassen mensclien belang inboezemt, staat meestal in nauw verband met een liefhebberij van onze kinderjaren. Uit hot kind, dat bij toeval eenige bonte kristalstukken in handen krijgt, groeit later wellicht een mineraloog, en meer dan één reiziger is door de geschiedenis van Robinson Crusoë latei1 tot zijn ontdekkingen gekomen, 't Is altijd een genoegen om op te merken, hoe een knap man datgene heeft gevonden wat zijn ziel geheel vervult.»

«Wij vrouwen beschouwen ons gansche leven door de natuur als kinderen, zei Leonore, «wij spelen met de glinsterende steenen en bonte bonte bloemen nog in onze oude dagen, gelijk de meisjes daar voor ons doen. En de kunst is zoo beleeft om bloemen en steenen voor ons na te maken, opdat wij nooit gebrek aan speelgoed zouden hebben. — Als gij zoo goed tehuis zijt in de kruipplanten, dan is daar iets voor u,» en met deze woorden wees zij naar een kruipplant langs den weg. Hebt gij ooit een muts van die bladeren gemaakt?»

«Neen,» antwoordde Bernhard met een bang voorgevoel.

«Dan zult gij er dadelijk een hebben,» zei Leonore. Zij ging naar de plant. Bernhard plukte de bloemen en gaf er haar eenige handen vol van. Zij hechtte ze aan elkander en maakte een muts met twee kleine horentjes. «Dat moogt gij nu opzetten,» zei ze genadig.

Bernhard hield het kleine ding in de handen. «Alleen durf ik niet,» sprak hij, «de vogels op de boomen zouden mij al te vreemd aangapen. Als gij ook een muts wildet opzetten — —»

«Juist zoo een als gij kunt gij niet verlangen,» hernam Leonore, «maar gij zult uw zin hebben. Keer maar mee terug. Ik zal u laten zien, hoe wij als meisje onze mutsen maakten.» Zij bracht hem naaide plaats, waar een perk zonnebloemen met zwarte harten en gele stralen langs den rand van het bosch liep. Daar sneed zij met een klein snoeimes eenige bloemen af, stak de stengels door en bond ze in den vorm van een helm samen, dien zij zich lachend op hot hoofd zetten. Het was een wonderlijk tooisel en gaf aan haar schoon gelaat een vreemde uitdrukking. «Zet gij nu uw muts ook op,» beval zij. Bernhard gehoorzaamde en zijn eerwaardig, gerimpeld gezicht, de zwarte rok en de witte das maakten onder die vermomming zoo'n potsierlijk figuur, dat Leonore haar lachen niet kon onderdrukken en te vergeefs haar

ocr page 207

199

mond achter haar zakdoek verborg. «Ge ziet er verschrikkelijk uit,» Bernhard zette de muts terstond weer af. «Kom mee naar het water, daar moet ge u zeiven eens bezien.

Zij geleidde hem naar de plaats, waar de grond voor het fabriekge-bouw werd uitgegraven, 't Was een treurig gezicht. Aardhoopen, eenige duizende steenen, boomstammen en balken, alles onordelijk en verward. De werklui waren aan het feestvieren en hadden de plaats verlaten ; slechts eenige kinderen uit het dorp kropen onder het hout en zochten spaanders voor een vuurtje, Op korten afstand achter den aanleg sprong een bocht van den vijver in het land, door heestergewas omgeven en met groene waterplanten bedekt.

«Hoe verwilderd ziet het er hier uit,» klaagde Leonore, «de takken van de heesters zijn geknakt, ook de hoornen zelve beschadigd. Dat komt alles van dat bouwen. Wij komen om die vreemde werklui maar zelden dezen kant uit. Ook de kinderen van het dorp zijn onbeschaamd geworden. Zij hebben hier een speelplaats aangelegd, en men kan ze er niet van at slaan.»

Op dit oogenblik kwam een bootje van achter de heesters te voorschijn. Een klein boerenmeisje, een aardig wicht met bolle wangetjes, stond er in, wankelde angstig bij de snelle beweging van het bootje, dat haar oudere broeder met een roeispaan van den oever stak. «Ziet ge,» riep Leonore verstoord, «de deugnieten hebben zelfs onze boot genomen. Wil je wel eens dadelijk aan wal komen!» De kinderen schrikten van dien toon, de spaan ontglipte den knaap en dreef in 't water, het meisje kantelde in den angst van haar kwaad geweten, verloor het evenwicht en sloeg over boord. De knaap dobberde hopeloos midden in de bocht. Een luide gil van den waterkant, een angstige kreet van den jongen volgde op den val van het meisje: «Red het kind 1» riep Leonore buiten zich zelve. liernhard liep gehoorzaam het water in zonder er aan te denken dat hij niet kon zwemmen, hij waadde eenige schreden vooruit en stond terstond daarna hulpeloos tot aan zijn schouders in het slik en in het water. Hij strekte de hand uit naar de plaats waar het kind gezonken was, maar het punt was nog eenige stappen van hem af. Intusschen was Leonore snel als een bliksemstraal achter een struik geschoten; na verloop van eenige oogenblikken kwam zij te voorschijn en spoedde zich naar een vooruitstekende punt van den oever. Uit de diepte der waterplanten zag Bernhard met ontsteltenis en innig behagen naar de edele gedaante op. Nog rustte de wonderlijke bloemenkrans op haar hoofd, het luchtige gewaad hing thans met lichte plooijen om haar lichaam neer, haar oogen staarden vast besloten op de plaats, waar het jakje van het ongelukkige kind weer zichtbaar werd. Zij hief den arm hoog boven het hoofd en stortte zich met een stouten sprong in het water. De krans viel af en met lange slagen zwom zij naar kind. Zij greep den rok, nog tweemaal kliefde zij het water met de vrije hand, en zij had de boot bereikt. Zij klemde zich er aan vast, spande al haar krachten in om het kind er in te tillen, greep den ketting van het schuitje en trok het achter zich aan wal. Bernhard, die doodsbleek haar pogingen had gadegeslagen, werkte zich met moeite naar den oever terug, hij reikte haar de hand toe en trok de boot nader. Leonore greep het bewustelooze kind, Bernhard droeg den knaap aan wal, en haastig ijlden beiden naar de tuinmanswoning, terwijl de jongen luid gillende achter hen liep. liet natte gewaad sloot zich nauw om de leden van Leonore, de schoone vormen

ocr page 208

'200

werden in de haastige beweging voor liet oog van haar metgezel genoegzaam geheel en al zichtbaar. Zij stoorde er zich niet aan. Bernhard drong met haar in het vertrek van den tuinman, doch Leonore jaagde hem er even spoedig weer uit. Met behulp van de ontstelde tuinmansvrouw kleedde zij het meisje uit en zocht het door wrijven in 't leven terug te brengen. Intusschen wachtte Bernhard voor de deur, klappertandend van de kou, en in een staat van opgewondenheid die zijn oogen als kolen deed glinsteren. «Leeft het kind?» riep hij door de deur.

«Het leeft,» antwoordde Leonore aan het bed staande.

«God zij geprezen!» Juichte Bernhard en vouwde de handen; maar de God, aan wien hij op dat oogenblik dacht, was de prachtige vrouw daar binnen, van wier bekoorlijkheden zijn oogen meer hadden aanschouwd dan eenig ander man. Lang bleef hij nog staan, huiverend en in gedachten verzonken, totdat een groote vrouwengedaante in een wollen rok en grof keurslijfje het huis uitkwam. Het was Leonore in de kleeren van de tuinmansvrouw, nog aangedaan door de inspanning en den angst, maar met een vroolijk lachje op de lippen. Zich zeiven niet meer meester greep Bernhard hartstochtelijk haar hand, en kuste ze herhaalde malen. Hij had voor haar op zijn knieën willen vallen.

«Ge ziet er aardig uit, mijnheer,» sprak Leonore lachend, «pas op, gij zult kou vutten.»

Hij stond voor haar, druipnat, met wanterplanten en kroos bedekt.

«Ik voel niets van kou,» riep hij en beefde over al zijn leden.

«Gauw naar binnen,» drong Leonore. Zij opende de deur en riep de vrouw toe: «Geef mijnheer de kleeren van je man in ruil. Ga nu ginds in die kamer uw loilet maken.» Bernhaid liep naar de kamer, de tuinmansvrouw bracht hem wat zij in der haast van kleeren kon vinden. Na een poosje kwam hij in een boerenjongen herschapen voor het huis, waar Leonore in de avondzon haastig op en neer wandelde.

«Kom nu mee naar hel kasteel,» zei de freule, die weder geheel haar air di; proteclion had aangenomen.

«Nog eens wou ik het kind zien,» verzocht Bernhard. Zij gingen naar het bed, waarop het meisje lag. Met moede oogen zag het kind op het rimpelige gelaat van den jongen man, die zich over haar heen boog en haar voorhoofd zoende, «'t Is een kind van een daglooner uit het dorp,» zei de vrouw. Bernhard lei, zonder dat Leonore het merkte, zijn beurs op liet bed.

Vlug wandelden Leonore en Bernhard naar, het kasteel, waar Ehren-thal in zijn rijtuig ongeduldig de terugkomst van zijn zoon afwachtte en zijn oogen niet kon gelooven, toen hij in den tuinmansjongen zijn Bernhard herkende.

«Geef mijnheer een mantel,» gelastte Leonore aan een knecht; «hij heeft het koud. Wikkel er u goed in, uw wandeling onder de waterplanten zou u anders jaren lang kunnen heugen.»

En zij heugde Bernhard jaren lang. Hij dook in zijn mantel in een hoekje van het rijtuig; op het koude bad volgde een gloeijende brand, koortsachtig stroomde het bloed hem door de aderen. Hij had de schoonste vrouw van de wereld gezien, hij had iets beleefd, wat voor hem grooter en wegsleepender was, dan alle dichterdroomen op zijn

ocr page 209

201

perkamenten, Met een gevoel van schaamte herinnerde hij zich hoe hulpeloos hij zelf was geweest, en als uit zijn lagen stand in het water zag hij naar de heldin op, die zich zoo ras besloten en sterk had betoond. Slechts met korte, afgebroken woorden kon hij op do vragen van zijn vader antwoord geven. Zoo zaten vader en zoon naast elkaar koude arglistigheid naast den gloed van den hartstocht. Beiden hadden op dezen rit bereikt, waarnaar hun hart zoo lang had gedorst, de \adei een recht op het schoone landgoed, de zoon een avontuur, dat aan zijn leven een nieuwe richting gaf'.

Op het ridderlijke landgoed verrees het fabrieksgebouw langzamerhand, in de geldkas van Ehrental vulde zich allengs het kistje des barons met zijn schuldbekentenissen on de nieuwe hypotheek, en terwijl liernhards zwak gestel sukkelde aan de gevolgen van het koude bad, raakte zijn ziel hoe langer hoe meer bedwelmd onder liefelijke herinneringen en zoete droomerijen.

X.

Op een achtermiddag bracht de brievenbesteller een brief met zwart lak aan \ on iMiiks adres, deze opende den brief en ging zwijgend naar zijn kamer, loen hij niet spoedig naar beneden kwam, ijlde Anton bezorgd de trappen op en vond Von Fink op de canapee zitten met het hoofd op de hand geleund.

«Je hebt slechte tijding ontvangen?» vroeg Anton.

«Mijn oom is gestorven,» antwoordde Von Fink. Hij, wellicht de njkste man van de Walstraat te New-York, is op een reis voor zaken met de machine van een Mississippi-boot in de lucht gevlogen. Hij was een ongenaakbaar man; doch mij heeft hij op zijn manier veel liefde bewezen en ik heb het hem als een onverstandig kind met ondank vergolden. Deze gedachte maakt mij zijn dood pijnlijk. Bovendien is net een beslissende gebeurtenis voor mijn toekomst.»

«Je wilt ons verlaten?» viel Anton hem ontsteld in de rede.

«Ik ga morgen vertrekken. Mijn vader is tot universeel erfgenaam van den overledene benoemd, mij heeft hij zijn landgoed in het westen lt; ei eieenigue Staten als legaat vermaakt. Mijn oom speculeerde veel ui land en ik zal de handen vol hebben om de moeijelijke en ver-warde zaken te beredderen. Daarom verlangt mijn vader dat ik zoo spoedig mogelijk naar New-York zal gaan en ook ik besef dat de persoonlijke tegenwoordigheid der erfgenamen daar vereischt wordt. - ijn. vader heeft op eens groot vertrouwen gekregen in mijn voorzichtigheid en kennis. Lees zelf zijn brief maar.»

Anton aarzelde den brief aan te nemen. '(Lees maar gerust Anton,» zei Von 1' ink met een weemoedigen glimlach, «in onze familie schrijven vader en zoon elkaar geen geheimen.» Anton zag op een plaats: «De uitmuntende berichten, die mijnheer Schröter mij geeft omtrent uw praktischen geest en helderen blik in zaken, nopen mij u te verzoeken zelf daar heen te gaan. Ik zou u in dat geval mijnheer West-lock van ons kantoor medegeven.»

Anton lei den brief zwijgend op tafel neer en Von Fink vroeg: «Wat

ocr page 210

202

zegt gij van ile goede getuigonis die mijn patroon zoo ongevraagd van rnij geert.' Zooals je weet had ik eenigen grond om te onderstellen dat ik niet best bij hem sta aangeschreven.»

«lin toch acht ik den lof billijk en zijn oordeel juist,» hernam Anton.

«Onverschillig om welke redenen hij aldus geschreven heeft,» antwoordde Von Fink, «het beslist mijn lot. Ik word thans, wat ik sints lang gewenscht heb, landeigenaar aan gene zijde van bet water. Ook wij moeten van elkaar, beste Anton,» vervolgde bij en reikte zijn vriend de hand, «ik had niet gedacht dat dit zoo spoedig zou gebeuren. Maar we zien elkaar terug.»

«Wellicht,» zei Anton treurig en drukte hartelijk de hand van den jongen erfgenaam. «Maar ga nu naar den beer Schröter; hij heeft recht om het eerst van allen te hooren dat gij ons gaat verlaten.»

«Hij weet bet reeds,» hervatte Von Fink, «ook hij heeft een brief van mijn vader ontvangen.»

«Des te eerder zal hij verwachten dat gij met hem spreekt.»

«Je bebt gelijk, ik zal gaan.»

Anton keerde naar zijn plaats terug en Von Fink trad het kleine vertrek binnen van den patroon, achter het tweede kantoor. De koopman kwam hem ernstig tegemoet en zei, nadat hij hem op waardige wijze zijn deelneming had betuigd: «'t Spreekt van zelf dat van dit oogenblik af uw betrekking tot mijn zaak verbroken is; gedurende de dagen, die gij nog hier vertoeft, verzoek ik dat gij u als een gast van mijn huis beschouwt, wien ik voor zijn ijver eu werkzaamheid in mijn belang veel dank verschuldigd ben. üa zitten mijnheer Von Fink, en laat ons rustig samen bespreken, waarin ik u nog van dienst kan zijn.»

Von Fink sprak, op de canapee zittende, met even groote beleefdheid. «De plannen, die mijn vader voor mijn toekomst heeft gemaakt, komen zoozeer overeen met hetgeen ik mij zeiven voor mijn toekomstigen werkkring gewenscht heb, dat ik u daarvoor mijn oprechten dank moet betuigen. Uw oordeel over mij is gunstiger geweest dan ik het na zooveel, dat er gebeurd is, had durven denken. Waart gij inderdaad over mij tevreden, dan zal het mij hoogst aangenaam zijn, dit uit uw eigen mond te vernemen.»

«Ik was het niet geheel en al, mijnheer Von Fink,» hernam de koopman op vasten toon. «Gij waart hier niet op uw plaats; dat mocht mij echter niet weerhouden als mijn oordeel op te geven, dat gij voor een anderen, vooral voor een grooter werkkring uitstekende begaafdheden hebt. Gij hebt een zeldzamen slag om alles te regelen en de men-schen voor u te doen buigen en bezit een buitengewoon sterke wilskracht. Voor zoo'n karakter is de lessenaar op een kantoor niet de beste plaats.»

Von Fink boog zich. «Het zou evenwel mijn plicht zijn geweest alle werkzaamheden van deze betrekking te vervullen; ik beken dat ik niet altijd even getrouw daarin ben geweest.»

«Gij kwaamt hier zonder aan vaste bezigheden gewend te zijn, en in de laatste maanden was er nog maar een zeer gering onderscheid tus-schen u en de ijverigste klerken. Om deze reden en wijl ik de overtuiging heb dat gij door uw natuurlijken aanleg niet zoozeer voor koopman als wel voor fabriekant geschikt zijt, heb ik aan mijnheer uw vader zoo geschreven als ik gedaan heb.»

ocr page 211

dlt;ij lioiull mij voor geschikt om fabrikant te worden?» vroe»- Von 1' nik met een buiging, die dienen moest om den koopman voor diens goeden dunk te bedanken.

dn den uitgestrekten zin des woords,» hernam deze. «Iedere werkzaamheid, die nieuwe handeisvoorwerpen in 't leven roept, is eiquot;enliik werkzaamheid van den fabrikant; zij wordt alom in de wereld voor cie anstokratische gehouden. Wij kooplui zijn slechts daar om die voorwerpen aan den man te brengen.»

«fn dien zin kan ik mij met uw beschouwing wel vereenigen,» antwoordde Von l' nik en stond van zijn plaats op.

«Uw vertrek zal voor een onzer vrienden een groot verlies zijn,» sprak de koopman, den erfgenaam uitgeleidende.

Von Fink bleef staan en zei driftig; «Geef hem mij mee naar Amerika. Jlij heeft den aanleg in zich om fortuin te maken.»

«IJebt gij er reeds met hem over gesproken?» vroeg de koopman.

«Neen,» zei Von Fink. 1

«Dan zal ik u niet verbergen wat ik er tegen heb. Wohlfart is jong en de beperkte geregelde bezigheid der zaak schijnt mij voor de 'vorming van zijn karakter nog jaren lang wenschelijk. Overigens weet quot;ij dat ik volstrekt geen recht heb hem in zijn vrije keus te belemmeren, ik zou hem ongaarne verliezen, zoo hij echter overtuigd is met u spoediger fortuin te maken, zal ik geen bezwaar maken.»

«Geef mij de vrijheid hem terstond mijn voorstel te doen,» zei Von Fink.

Anton werd op het kantoor geroepen, en Von Fink sprak: «Anton, ik heb aan mijnheer Schröter verzocht je aan mij af te staan. Het zou voor mij zeer veel waard zijn, je mee te nemen; je weet dat ik met hart en ziel aan je gehecht ben, wij zullen in de nieuwe betrekking samen iiks vooruit komen, gij zelf kunt de voorwaarden stellen, waarop je met mij mee wilt gaan. Mijnheer Schröter laat je geheel vrij m je keus.» 0

Anton stond getroffen en dacht na; de beelden van de toekomst, die zoo eensklaps voor hem verrezen, lachten hem wel zeer toe, maar hij was spoedig besloten, zag zijn patroon aan en vroeg dezen: «Zijt gij van oordeel dat ik verstandig doe als ik ga?»

«Niet geheel en al, mijn waarde Wohlfart,» antwoordde koopman ernstig.

«Dan blijf ik,» sprak Anton vastberaden. «Wees niet boos op mij, Von ink, dat ik je niet volg, ik ben een wees en heb geen ander thuis, dan deze woning en deze zaak; ik wil, als mijnheer Schröter mij wil houden, bij hem blijven.»

Door deze woorden aangedaan sprak de koopman: «Maar bedenk ook dat gij door dit besluit veel opoffert. In mijn kantoor kunt gij met rijk worden, noch ook het leven in het groot leeren kennen. Onze zaak is beperkt en er zullen wel dagen komen dat die beperking ook u pijnlijk zal schijnen. Al wat de zelfstandigheid van uw toekomst verzekert, vermogen en uitgebreide kundigheden, kunt ge daar ginds u eerder verwerven dan bij mij.»

«Mijn brave vader heeft mij dikwijls gezegd: Blijf In het land en verdien je brood eerlijk. Ik wil naar zijn raad leven,» antwoordde Anton met een stem, die van mwendinge aandoening zacht klonk.

«Hij is en blijft door en door een burgerman,» riep Von Fink in oen aanval van wanhoop. ,

«Ik gelooi echter dat die burgermanachtigheid een zeer achtenswaardige

ocr page 212

204

grondslag is voor liet geluk van den mensch,» zei de koopman, en de zaak was afgehandeld.

Von Fink sprak niet verder over zijn voorstel, en Anton beijverde zich om door ontelbare, kleine oplettendheden zijn vriend te toonen, hoe dierbaar hij hem was en hoe zwaar hem zijn vertrek viel.

's Avonds zei Von Fink tot Anton: «Luister, mijn zoon, ik heb lust een vrouw mee naar genen kant van den oceaan te nemen.

Ontsteld zag Anton zijn vriend aan, en als iemand, die een sterke aandoening voor een ander wil verbergen, vroeg hij met gemaakte vroolijkheid: «Hoe? wil je freule Von Baldereck —?»

«Malligheid!» riep Von Fink ondeugend, «wat zou ik daar ginds mot een vrouw beginnen, die aan niets anders denkt, dan hoe zij zich met het geld van haar man den tijd zal korten?»

«Aan wie denk je dan? Je wilt toch niet aan de tante van de zaak je hand aanbieden?»

«Neeti, mijn waardste, maar aan de jonge dame van het huis.»

«Dat nooit!» riep Anton van zijn stoel opspringend. «Dat zou een fraaije geschiedenis geven.»

«Geenszins,» hernam Von Fink koeltjes, «twee gevallen zijn denkbaar: of zij neemt mij en dan word ik een stil, ordelijk man, of zij neemt mij niet, en dan vertrek ik zonder vrouw.»

«Je zult zonder vrouw moeten weggaan,» riep Anton. «Heb je er ooit vroeger aan gedacht mejufvrouw Sabine tot je vrouw te kiezen?» vroeg hij onrustig.

«Nu en dan, zei Von Fink, «het laatste jaar dikwijls. Zij Ls de beste huisvrouw, en het edelste, belangelooste hart van de wereld.

Anton zat zijn vriend verbaasd aan te kijken. Nooit had Von Fink door de minste toespeling laten blijken, dat Sabine voor hem grooter waarde had dan eenige andere dame van zijn kennis. «Maar je hebt mij er nooit iets van gezegd?»

«IJebt gij mij ooit iets van je gevoelens voor een andere jonge dame verteld ?» antwoordde Von Fink lachend.

Anton bloosde en zweeg.

«Dat zij mij wel mag lijden, geloof ik zeker,» vervolgde Von Fink, «of zij mee zal gaan weet ik niet; doch zal zullen we terstond hooren ; ik ga naar beneden om het haar te vragen.»

Anton sprong tusschen zijn vriend en de deur. «Nog eens, Von Fink, ik bezweer je, bedenk eerst goed bij je zelf wat je wilt doen.»

«Maar wat valt daar lang te bedenken, onnoozele,» lachte Von Fink, ofschoon een ongewone drift in zijn bewegingen merkbaar was.

«Heb je mejufvrouw Sabine lief,» vroeg Anton.

«Dat is weer een van die burgermansvragen,» hernam Von Fink. «Nu ja, wat dat betreft, ik heb ze lief.»

«En je wilt ze meenemen naar de nieuwe volkplantingen en bosschen?»

«Juist daarom wil ik trouwen; zij zal een edele, sterke vrouw zijn, zij zal mijn leven kracht en degelijkheid bijzetten. Zij is niet overbe-tninnelijk, men kan althans niet zoo gemakkelijk met haar keuvelen als met menige andere, maar als ik een vrouw neem, verlang ik er een die mij vatten kan, en geloof me, het zwartkopje is daarvoor berekend! En nu, laat me los, ik moet weten hoe de zaken staan.»

«Spreek eerst met den patroon,» riep Anton Von Fink, die de deur uitstormde, na.

ocr page 213

'205

«Keist met liafir,» riep liij terug en vloog de trappen af.

Anton wandelde met gevouwen handen de kamer op én neer; al wat Von Fink in jufvrouw Sabine prees, was volkomen waar, dat quot;e-voelde hy duidelijk; liij wist dal zij hem in haar hart liefhad, maar Inj vermoedde toch dat zijn vriend togen onbekende hinderpalen zou stnJ(len bobben. En die haast, dat overijlde stond hem niet aan het was te zeer in tegenspraak met zijn eigen natuur. Dan was er noquot; 1.ets. n'et beviel: \ on Fink had alleen van zich gesproken, maar

had hij wel aan het geluk van liet meisje gedacht? Had hij ook besef van hetgeen het haar zou kosten den innig geliefden broeder te verlaten, uit haar land weg te gaan, onder den innig geliefden broeder te verlaten, uil haar land weg te gaan, onder een vreemd volk, wellicht aan een vreemd leven zich te wagen? .la, hij was er van overtuigd; Von rink was de man om alle bloemen van de nieuwe wereld voor haar voeten uit te strooijen; maar hij was ook onrustig steeds met allerlei plannen rondloopende; zou hij ooit kunnen komen in de fijne gevoe ens van zijn duitsche vrouw? Onwillekeurig koos onze held in gedachten weer partij tegen zijn vriend; het kwam hem voor dat Sabine niet uit de zaak weg mochl, hij gevoelde diep de leegte, die zij zou achterlaten als zij verdwenen was verdwenen, van de tafel uit de huishouding, en bovenal uit het leven van haar broeder. Zoo stapte hij gejaagd op en neer. Het werd donker, uit het tegenover litr^end venster viel een zwak licht in zijn donkere kamer, en nog kwam'Voii 1' ink met terug.

Intusschen werd Von Fink bij Sabine ingediend. Zij kwam hem haas-lig tegemoet en haar wangen bedekte een sterke blos, toen zij tot hem zei: «Mijn broeder heeft mij medegedeeld, dat gij ons moet verlaten.»

Von Fink begon hevig bewogen: «Ik moet, ik kan niet van u weggaan, zonder openhartig en oprecht tegen n te zijn geweest. Ik kwam hier zonder eemge belangstelling in het stille leven, waaraan mijn ver-strooide geest zoo weinig gewoon was; ik heb hier het geluk en de gezelligheid van een duitsch huishonden leeren kennen. U, mejufvrouw heb ik steeds als den goeden gee.ït van dit huis vereerd. Gij hebt mij' al spoedig na mijn komst, op zekeren afstand trachten te houden, t geen mij dikwerf pijnlijk aandeed. Ik kom nu om u te zeggen, hoezeer mijn hart, geheel mijn ziel steeds aan u heeft gehangen; ik gevoel dat mijn leven gelukkig zon zijn, als ik uw stem steeds kon hooren, en als uw geest den mijne kon begeleiden op do wegen mijner toekomst.»

feabine werd zeer bleek en ging een paar schreden achteruit: «Spreek met verder, mijnheer Von Fink,» zei ze smepkend en bewoog half bewusteloos de hand, als wilde zij afwenden wat haar te wachten stond.

«Vergun mij uw aandacht ten einde toe,» vervolgde Von Fink haastig.

«Ik zon het als het hoogste geluk beschouwen, zou ik de overtuiging

met mij nemen mocht, dat ook ik genade in uw oogen had gevonden.

ik ben met zoo aanmatigend om van u te verlangen dat gij mij thans

zoudt volgen, een onzeker bestaan te gemoet, maar schenk mij de hoop

«lat ik na een jaar mag terugkeeren om u te verzoeken mijn vrouw te worden.» J

«Kom met terug,» zei Sabine, onbewegelijk als een standbeeld, met nauwelijks hoorbare stem. «Ik bezweer n, maak een einde aan dit onderhoud.»

ocr page 214

206

Haar hand klemde zicli krampachtig aan de leuning van den naasten stoel, zij hield er aan vast en stond zonder een droppel bloed in de wangen voor den deemoedigen smeekeling. Maar nu en dan door haar tranen heen zag zij hem strak aan, met een blik zoo vol smart en teederheid, dat de wilde man geheel van zijn stuk raakte, en in den angst over haar aandoening al zijn zelfvertrouwen, ja zelfs zijn aanzoek vergat en nergens aan dacht dan om haar te bedaren.

«Het spijt mij inderdaad u zoo'n schrik te hebben aangejaagd,» zei hij, «vergeef mij, Sabine!»

«Ga heen!» sprak Sabine steeds onbewegelijk met roerende zachtheid. «Laat mij toch niet zoo geheel zonder troost van u weggaan, geef mij een antwoord. Zelts het pijnlijkste is beter dan dit stilzwijgen.»

«Nu, luister dan,» hernam Sabine met een onnatuurlijke bedaardheid, terwijl haar boezem golfde en haar hand beefde; «Ik ben u genegen weest van den eersten dag uwer aankomst af; als een Jong kinachtig meisje heb ik met verrukking naar het geluid uwer stern geluisterd, en naar alles wat uw mond zoo innemend wist te schilderen. Maar ik heb dat gevoel bestreden. Ik heb het bestreden,» herhaalde zij. «Ik mag de uwe niet zijn, want het zou mij ongelukkig maken.» «Waarom?» vroeg Von Fink in ongeveinsde wanhoop,

«Vraag mij dat niet,», antwoordde Sabine met gesmoorde stem, «Ik moet uit uw mond mijn vonnis hooren.» riep Von Fink, «Gij hebt gespeeld met uw eigen leven en met het leven van anderen ; gij zult eenmaal, ook zonder u aan iets te storen, voor uw eigen plannen handelen. Gij zult groote edele zaken ondernemen, maaide menschen zult gij daarbij niets tellen. Ik kan zoo'n gezindheid niet verdragen. Gij zoudt goed voor mij zijn, dat geloof ik gaarne, doch gij zoudt mij in alle opzichten moeten sparen, en dat zou een last voor u worden; en ik, ik zou alleen zijn in een vreemd land. — Ik ben zwak, ik ben verwend, door honderderlei draden ben ik gebonden aan de gebruiken van dit huis, aan de kleine plichten van het huishouden en aan het leven mijns broeders,»

Von Fink zag somber voor zich, «Gij straft in dit uur zeer streng, wat u in mij heeft mishaagd,»

«Neen,» riep Sabine hem de hand toereikende, «dat is het geval niet, mijn vriend! Als ik oogenblikken had dat uw gedrag mij met smart vervulde, menig uur ook heb ik beleefd, waarin ik vol bewondering tot u opzag. En ziet ge, dat juist is het wat ons voor altijd van elkander houdt. Ik kan niet kalm zijn in uw nabijheid ; voortdurend gevoel ik mij van de eene aandoening in de andere voortgejaagd, nu eens in bange vrees, dan in groote blijdschap. Ik ben mij zelve niet meester tegenover u, en dat zou altijd zoo blijven. Ik zou dien strijd moeten verbergen, ofschoon ik in een betrekking tot u stond, waarin ik mij met geheel mijn hart aan u zou moeten aansluiten. En gij zoudt het opmerken en er verdrietig over zijn,»

Zij reikte hem nogmaals haar hand toe, Von Fink boog zich diep en drukte een zoen op de kleine hand,

«Geluk op uw verderen levensloop,» zei Sabine, bevende over al haar ledematen, «Als gij uren hebt gehad dat gij u gelukkig onder ons ge-voeldet, denk dan aan ons in den vreemde. Als gij in het duitsche burgerhuishouden, iu het wezen en zijn mijns broeders ooit iets gevonden hebt, wat u achtenswaardig voorkwam, o, herinner u dat in den vreemde!

ocr page 215

207

In den grootten kring, die u te wachten staat, te midden van de sterke verleidingen, in den harden strijd, die gij zult moeten voeren, zie dan rummer uit de hoogte neer op onze manier van zijn.»

Von 1' mk hield haar hand in de zijne. Beiden zagen elkaar sprakeloos in de oogen, beiden met bleeke wangen. Eindelijk riep Von Kink met den diepen' klank zijner wellnidejido stem; «Vaarwel'»

«VaaiweH» zei liet meisje zacht, zoo zacht, dat Von Fink het nauwelijks kon verstaan. Hij ging langzaam naar de deur, stapte den drempel over ; zy zag hem met onafgewende blikken na, even als men een verschijning nastaart.

Toen de koopman na het sluiten van het kantoor de kamer zijner zuster binnen kwam, ijlde Sabine hem te gemoet, klemde zich vast aan hem en rustte met haar hoofd aan zijn borst. «Wat is er mijn liefste?» vroeg de broeder bezorgd en streek liet haar van het klamme voorhoofd weg.

«Von Fink was zoo even hier, riep Sabine zich oprichtende, «ik heb met hem gesproken.»

«Waarover? Heeft hij u ten huwelijk gevraagd? Is hij onbeleefd ge-weest r» vroeg de koopman schertsend.

«Hij heeft mij ten huwelijk gevraagd,» zei Sabine.

De koopman deinsde ontsteld achteruit. «En gij zuster?»

«Ik heb gedaan wat ge van mij kondt verwachten, ik zal hom niet weerzien.» Daarbij schoten haar de tranen in de oogen, zij vatte de hand van haar broeder en kuste ze: «Wees niet boos omdat ik schrei, ik ben nog zoo aangedaan, liet zal niet lang duren.»

«Mijn dierbare zuster, lieve, lieve Sabine!» riep de koopman en om-Jielsde feeder zijn weenenende zuster, «ik mag niet veronderstellen dat gij aan mij hebt gedacht, toen gij de hand van den rijken erfgenaam hebt afgewezen?» 0

aa,quot;.111 en aan mv opofferend, nauwgezet leven, en zijn verleidelijk uiterlijk verloor de schoone kleuren, waarin ik gewoon was hem te beschouwen.»

«Sabine, gij hebt mij dat offer gebracht?» zeide de broeder ontsteld.

«Neen, Traugott, als het een offer was, dan heb ik het aan dit huis gebracht, waarin ik onder uw bescherming ben opgegroeid, en aan de nagedachtenis onzer goede ouders, wier zegen op ons nederiquot; leven rust.» 1 0

Het was laat toen Vink Antons kamer binnentrad, hij zag er bejaagd uit, lei den hoed op tafel, ging op de canapee zitten en zei'tot zijn vriend; «In de eerste plaats geef me een cigaar.»

Met het hoofd schuddende bood Auton hem een pakje aan en vroeg-«Nu, hoe staan de zaken?»

«Van bruiloft houden komt niets,» hernam Von Fink onverschillig. «Zy heeft mij te kennen gegeven dat ik een deugniet ben en geen aannemelijke partij voor een fatsoenlijk meisje. Zij nam de zaak weer veel te gevoelig op, verzekerde mij van haar hoogachting, gaf mij een korte schets van mijn karakter, en liet mij vertrekken. Maar de duivel zal in ij halen» nep hij opspringende en wierp de cigaar in een hoek, «als zy niet de beste ziel is, die ooit in een vrouwenrok de deugd gepredikt heeft. /ij heeft maar één fout, namelijk dat ze niet met mij trouwen wil; en eigenlijk heeft zij daar toch gelijk in.»

ocr page 216

208

De opgewondenheid van zijn vriend maakte Anton bezorgd. «Maar waar ben je zoo lang geweest en van waar kom je nu?»

«Niet uit liet koffiehuis, zooals je scherpzinnigheid schijnt te vermoeden. Als iemand een blauwtje loopt, heeft hij toch wel liet recht een paar uren verdrietig te zijn; ik heb mij gehouden, zooals ieder ander in dergelijk geval pleegt te doen; ik heb een poosje rondgewandeld en met mij zeiven gefilosofeerd. Ik ben boos geweest op de heele wereld, te weten op mij zeiven en op het zwartkopje, en ben eindelijk hiermee geëindigd, dat ik voor een met een kaars verlichten kruiwagen ben blijven staan en van een vrouw deze sinaasappelen heb gekocht.» Met deze woorden nam hij eenige vruchten uit zijn zak. «En nu, mijn zoon, is het verleden afgeloopen, laat ons thans over de toekomst spreken ; het is de laatste avond, dien we samen zullen doorbrengen, geen wolk van droefheid mag dus over ons gemoed hangen. Maak een glas punch en pers er die dikke vrucht in uit, sinaasappelenpunch te maken is een van de talenten, die je aan mij te danken hebt. Ik heb het je geleerd, en nu maakt de schelm ze beter dan ik. Kom aan, mijn vriend, met moed aan hot werk en kom dan naast mij zitten.»

Den volgenden dag kwam vader Sturm in eigen persoon op de kamer van den jongen erfgenaam om zijn reiskolTer in het rijtuig te dragen. Anton had den geheelen morgen met Von Kink ingepakt, en aldus de treurige gedachten van zich afgezet, die den achterblijvenden vriend meer plaagden, dan de wereldburger.

Von Kink vatte Anions hand en zei: «Voor ik van de anderen afscheid ga nemen, herhaal ik wat ik in de eerste dagen tot je gezegd heb: Werk ijverig aan het engelsch, en maak dat je mij weldra kunt volgen. En waar ik ook zijn moge, in een kajuit of in een kasteel, voor u zal ik altijd een plaatsje openhouden. Zoodra deze oude wereld je verveelt, kom je maar naar mij toe. Wees intusschen overtuigd, dat ik van nu af aan ophoud malle streken te doen. En nu geen aandoening, mijn jongen, er zijn geen afstanden meer op aarde.»

Hij rukte zich los, spoedde zich naar het kantoor, zocht nog een oogenblik zijn vorigen patroon op, en het deed Anton goed te zien, hoe die twee zoo uiteenloopende mannen, de groote breedgeschouderde gedaante van den burger en de rijzige gestalte van den aristocraat, daar naast elkander stonden. Nog één blik wierp Von 1' ink op de dames in huis, drukte nog eenmaal zijn vriend aan de borst, on sprong in het rijtuig, weg naar de nieuwe wereld.

Anton echter keerde treurig naar het kantoor terug en schreef een brief aan den heer Stephan te Wolsburg, waarbij hij den eerzamen koopman een nieuwe prijscourant en monsters suiker toezond.

Anton voelde lang en zeer pijnlijk het verlies van zijn vriend. De eerste dagen bleef hij voor Von Kinks deur staan, omdat liij zijn har-telijken lach meende te hooren; dikwerf zag hij op het kantoor van zijn plaats op om zich te verkwikken in Von Kinks spotachtige trekken en een vluchtigen blik mot hem te wisselen.

Zijn positie in het huishouden werd door het vertrek van den vriend merkelijk gewijzigd. Dit droeg zich aldus toe: mijnheer Siebold had thans aan tafel naast de tante moeten zitten, zoo het naar rang en waardigheid gegaan. Alzoo was het ook altijd geweest en Von I' ink

ocr page 217

20(J

was tuaschen hem en de tante ingeschoven. liet is voor een waarheirl-hevend geschiedschrijver pijnlijk te moeten bekennen, dut mijnheer ,quot;01quot; over die soort van miskenning zeer gelukkig was geweest daar hy beweerde dat het zeer aangenaam was naast dames te zitten' en niemand wist ook den omgang met vrouwen op hooger prijs te stellen dan hij; maar somtijds was zoo'n buurtschap toch zeer lustiquot;' vooial alle dagen en inzonderheid aan tafel en bij uitnemenheid, wanneer de dame de jaren van jeugdige dwaasheden reeds achter den rug had. iJeze laatste reden voor zijn vooringenomenheid legen de eereplaats bekende hij alleen aan zijn vertrouwdste vrienden, en zijn vijanden waartoe de kassier behoorden, beweerden dat hij zich naast de jonquot;è nicht nog veel yerlegener en onpleizieriger zou gevoelen, dan naast de kalme schoonheid der tante. De slotsom intusschen was dat op het kantoor, ten gevolge van de plaats aan tafel, een stille spanning en eene geheime kuiperij onstonden, waarvan de laatste grond, tot schande van het mannendom zij het gezegd, deze was, dat geen van de heeren naast de tante en zoo dicht bij den patroon wilde zitten. Den avond voor on r inks vertrek werd daarover, terwijl Anton eenige boodschappen voor zijn vriend bezorgde, in het achterhuis groote raad belegd, onder vooizitting van den heer Jordan. De heer Specht verklaarde zich bereid overal en naast alle mogelijke tantes te zitten, maar de voorzitter bracht hem met veel beleefdheid onder het oog, dat zijn tegenwoordigheid aan het ander einde der tafel tot opfleuring van het gesprek onontbeerlijk was; want zijn gewaagde stellingen aan te vallen en tegen te spreken, was het grootste pleizier zijner buren. En als daarop alle aanwezenden, ieder op zijn beurt, tegen de groote eer hadden geprotesteerd, stelde Jordan als zijn gevoelen voor dat Wohlfart naast de tante zou zitten; dit kwam hem hierom vooral geschikt voor, dewijl hij het meest met Von 1quot; ink bevriend was geweest, en een quot;oed ka-laktei had voor oudere dames. Zoo werd Anton eenparig door zijn ambtgenooten tot de ontruimde eereplaats bevorderd, waarop dit besluit door den bediende naar het voorhuis gebracht werd en de stille bekrach-tiging der dames verkreeg.

Nog een tweede verandering beleefde Anton. Weinige da quot;-en na Von rinks vertrek ontving de heer Schröter een brief uit IJambum-, waarin een open briefje van Von Fink aan Anton was gesloten. Deze schreef: «De meubels in het vertrek, dat ik heb bewoond, behooren mij; ik benoem u hiervan, zoowel als van alles wat ik heb achtergelaten, tot mijn erfgenaam.» Het woord «erfgenaam» was onder-schrapt. «ik heb mijnheer Schröter verzocht u op mijn kamer te laten wonen.» Anton trok naar het smaakvolle vertrek van de eerste verdieping en de heer Baumann kreeg de tweede kamer van Von IMnk en bleef zoo Antons buurman. Anton vergat niet de gele kat van zijn schrijftafel mee naar beneden over te brengen. De kat hield zich intusschen voortdurend dood bedaard en maakte volstrekt geen bewegingen meer met haar voorpooten. Misschien kwam het wel hier van daan, dat Anton bij het stille werkzame leven, dat hij leidde, niet meer, zooals vroeger, angstig droomde.

Sinds dien tijd werd hij op het kantoor Von Finks erfgenaam genoemd en die erfenis werd voor hem belangrijker dan zijn ambtgenooten hadden geclacht. Hij zat thans aan het boveneinde van de tafel en had dagelijks zijn bescheiden deel aan het gesprek, dat door de familie word gevoerd.

ÜKDliT en cuiiim' [. 14

ocr page 218

210

De tante, wier lieveling Von Fink was geweest, was weldra met de verandering tevreden en num de kleine dienstbetooningen van Anton genadig aan en de koopman richtte dikwijls liet woord tot hem en had genoegen in de verstandige, mannelijke beschouwingen van den jongeling; ook Sabine gewende zich met hem over de belangen van 'den dag te spreken, en haar oog, dat vroeger de plaats van haar tante zoo zorgvuldig had vermeden, rustte thans met een vriendelijken glans op het open gelaat van onzen held. Tusschen beiden heerschte er een geheime verstandhouding, een van die kleine aantrekkelijkheden, die het leven zoo aangenaam opsieren. Sabine zag in Anton den vriend, wellicht den vertrouwde van den dierbaren vriend, en Anton gevoelde voor de dame een onbegrensden eerbied, die zijn gedrag jegens haar zóó fijn en kiesch maakte, dat Sabine het somtijds met zekere aandoening gevoelde. Hij sprak aan tafel nooit over Von l ink, ofschoon zijn hart vol van hem was, en als de tante in haar goedaardige onschuld bij honderderlei gelegenheden aan Von Fink wist te herinneren, verstond hij de kunst om met groote behendigheid haar toespelingen af te wenden 'en het gesprek weer op een minder gladde baan te brengen.

Ook in de zaak veranderde Antons verhouding ; liij was tot nu toe een van .Tordans adjudanten voor do afdeeling «platteland» geweest, thans kreeg hij zijn bezigheden voor hel «buitenland» onder den patroon zelven. Hetzelfde werk dat Von Fink had gedaan, werd hem opgedragen, en hij kreeg weldra iets van Von Finks meesterlijken slag om met mijnheer Tinkeles om te gaan en de gekaarde wol uit Hongarije te beoordeelen.

ocr page 219

D E li I) E B O E Tv.

i.

Een bang jaar was aangebroken; een plotselijk gerucht van oorlog verontrustte de duitsche grensprovinciën in het oosten, en daaronder ook ons gewest. De treurige gevolgen van een algemeenen schrik deden zich weidra gevoelen. Uet verkeer stond stil, de waarde der goederen en koopwaren daalde; ieder zocht het zijne te redden en onder zijn bereik te brengen ; vele kapitalen werden opgezegd; groote sommen, die in groote handelsondernemingen waren uitgezet, kwamen in gevaar. Niemand had moed voor nieuwe plannen; verbroken werden honderden van banden, die de tnenschen langen tijd achtereen tot onderling nut vereenigd hadden, leder op zich zelf staand leven word onzekerder, verlatener, armer. Overal zag men ernstige gezichten, ge-fronsde voorhoofden. Het land was een verlamd lichaam gelijk; traag stroomde het geld, dat bloed van den handel, van één deel van liet groote lichaam naar het andere; de rijke was bevreesd dat hij veel zou verliezen; de arme zag zich de mogelijkheid ontnomen om zelfs een klein winstje, te doen. De toekomst was eensklaps donker, onheilspellend, verderfdreigend, even als de lucht voor een zwaar onweder.

De angstbarende kreet «opstand in Polen» had dezelfde uitwerking in Duitschland. Het volk op het platte land aan genen kant der gren-zen, opgewonden door oude herinneringen en door zijn landheeren, was opgestaan, het trok, door dweepzieke geestelijken aangevuurd, langs de grenzen heen en weer, hield reizigers en bezendingen van koopwaren aan, viel plunderend en vernielend op de eigendommen van

ocr page 220

kantoor: «Ik lioop dut onze goederen op de grenzen zullen liggen, do voerlui zijn ter wille hunner paarden voorziclitig, zij zullen wel oppassen om de muiters in handen te vallen. Zijn de wagens echter op vijandig gebied, dan zullen we ons best doen ze er van daan te krijgen.» Tot Anton voegde hij er lluisterend bij; «Schrijf gij terstond naar het grenskantoor en aan onzen expediteur; zeker gaan er extratreinen dien kant uit, een nachttrein kan antwoord brengen ; morgen weten we hoe het gesteld is.»

Daarmede was de zaak voor dien dag afgedaan en alles ging op het kantoor zijn gewonen gang. Mijnheer Siebold schreef zijn groote getallen in het grootboek, de heer Purzel schikte stapeltjes daalders in orde en deed papieren reepen om groote pakken bankbiljetten, en mijnheer Pix vatte het penseel op, schilderde bij de groote schaal hieroglyphen op puklinnen en kommundeerde de pakhuisknechts met zijn gewone beduard-lieid. De putroon zelf richtte zich tot den heer Jordan, ontving de aangekomen brieven, die gedeeltelijk een bevestiging behelsden vati de oorlogademende tijdingen, bepraatte hetgeen geantwoord moest worden, en gaf ze daarna aan de verschillende klerken. Daarop verschenen de makelaars, de agenten en commissionairs, en als naar gewoonte hoorde men van de lessenaars des patroons korte opmerkingen of een aardigheid, als de vrinden zich al te zeer in do ijselijkheden van den burgeroorlog verdiepten. Het fluisterend gesprek in het kantoor tusschen de klerken was iets levendiger; overigens ging alles als van ouds. 's Middags aan tafel was het onderhoud zoo kalm en bedaard, alsof er nooit een poolsche boer zijn zeis had gezwaaid, en na den eten reed de koopman met zijn zuster een paar dames van haar kennis naur buiten en de handelslui die hem zagen zeiden met bewondering: «Hij gaat van daag uit rijden, hij heeft het zeker, juist als altijd, vooruit geweten; 'tis toch een schrandere kop, een solied huis. Hoed af!»

Anton verkeerde den ganschen dag aan zijn lessenaar in een staat van zenuwachtige opgewondenheid, zooals hij nooit te voren gekend had. Hij was beklemd en in gespannen verwachting, en toch was die stemming hem niet onaangenaam ; hij had een voorgevoel dat hij groote gebeurtenissen beleven zou. Hij besefte ten volle het gevaar, dat de (Irma en den patroon bedreigde, maar was volstrekt niet teneergesla-gen of moedeloos, 't Was hem of hij springveeren had in armen en beenen; zijn pen vloog bij do onverschillige brieven, die hij over zaken te schrijven had; in weerwil van de gedachte aan het gevaar, dat voortdurend in zijn gemoed de alarmklok luidde, was zijn vlugheid van begrip nooit grooter, zijn stijl nooit duidelijker geweest, nooit had hij zoo vlug provisiekosten en muntspeciën berekend. Het waren oogenblik-ken van een verhoogde, bijna genoegelijke bedrijvigheid. Hij merkte het zelf op en verwonderde er zich over. Bij zijn patroon bespeurde hij dezelfde stemming, ook deze liep met glinsterende oogen en lichten tred door het kantoor.

Nooit had Anton hem zoo oprecht vereerd als heden; hij scheen hem een bovennatuurlijk wezen. Met een zekere dolle vreugde zei Anton tot zich zeiven: «Dal is eerst poëzie, de poëzie van den handel. Zulk een opwekkende kracht ondervinden slechts mannen als wij, wanneer wij tegen den stroom opzwemmen. Als de menschen zeggen dat onze tijd arm is aan alle poëzie en ons vak het meest, weten zij niet wat schoon en groot is. Van dien man staat in dit oogenblik alles op het spel, waaraan zijn hart hangt: ziju zaak, de vrucht van een lang arbeidsleven, zijn ge-

ocr page 221

215

iioegen, zijn trots, zijn eer, en hij zit bedaard voor zijn lessenaar, schrijft brieven over verfwaren, en oordeelt over klaverzaad, ja, ik geloof wezenlijk, hij lacht inwendig.» Zoo dacht Anton toen hij 's avonds zijn lessenaar opruimde en met de andere heeren naar het achterhuis ging. (Jok zijn ambtgenooten gaven nu teekenen van opgewondenheid. Zij vereenig-den zich in Jordans kamer, en spraken met aandoenlijken angst onder het genot van een kopje zwarte thee over het nieuws van den dag en over den invloed dien het op de zaak kon hebben. Allen waren geneigd aan te nemen dat de firma wel eenige schade zou lijden, maar dat zij de mannen waren om meer te redden dan eenig ander handelshuis. Mijnheer Specht maakte vol blijde verwachting de opmerking, dat bij iederen opstand een ongehoorde hoeveelheid koloniale waren werd verbruikt en dat de firma een prachtige winst zou maken met allerlei vloeibare stofl'en op do grenzen. Zoo de opstand maar een maand of drie duurde, was het mogelijke verlies meer dan gedekt; want drinken moesten allen, vrienden zoowel als vijanden. Ten laatste gaf mijnheer Jordan als zijn gevoelen te kennen, dat men nog volstrekt niet kon weten hoe de zaak zou alloopen. Deze nieuwe en juiste beschouwing werd door de meesten aangenomen, waarop allen zich naar hun verschillende kamers begaven. Op zijn vertrek gekomen hoorde Anton door den dunnen muur, hoe zijn buurman, mijnheer Baumann voor hij naar bed ging voor de zaak en den patroon bad. Dit trof hem zoozeer, dat hij met groote passen zijn kamer op en neer wandelde, totdat de kaars in de pijp brandde en de gele kat op de schrijftafel ontsteld en koortsachtig begon te bibberen.

Het was laat geworden, toen de knecht zacht Antons kamer binnen kwam en half fluisterend hem zei, dat mijnheer Schröter verlangde hem nog te spreken. Ulings volgde Anton den bediende naar de eerste verdieping van het voorhuis en trad in gespannen verwachting het donkere studeervertrek van den patroon binnen. De koopman stond voor den gepakten koffer, zijn portefeuille lag op tafel, en daarnaast het onmiskenbaar teeken van een verre reis: de groote engelsche cigarenkoker van buffelleer. Deze kon honderd stuks bevatten, was sints oude tijden een geliefkoosd voorwerp van bewondering voor den heer Specht, en gold bij het geheele kantoorpersoneel voor een soort van krijgsvaandel, dat slechts dm voor den dag gehaald en in den wagen gepakt werd, als ile hoofdmacht der firma op een buitengewone onderneming uitging. Sabine was aan de latafel bezig en bracht zwijgend aan, wat haar zorg voor den reiziger nuttig oordeelde. Zij wierp een vluchtigen blik op Anton en boog liet hoofd, toen zij op zijn gezicht las, wat haar zelve met bange voorgevoelens vervulde. De patroon kwam Anton vriendelijk te gemoet. «Ik heb u nog laat hierheen laten komen, ofschoon ik niet dacht dat gij nog op zoudt zijn.»

En als Anton antwoordde; «De ongerustheid hield mij uit den slaap,» viel weer een straal uit het oog der zuster op hem, zoo bekommerd en tevens zoo dankbaar voor zijn belangstelling, dat hij hevig bewogen werd en niets meer zei om zijn aandoening niet te verraden.

Do patroon echter vatte lachend het woord op; «Ge zijt nog jong, de rust komt wel met de jaren. Het zal noodig zijn dat ik zelf morgen naai1 onze goederen ga zien. —• Ik heb gehoord dat de Polen een groot ontzag voor de Duitschers toonen; mogelijk vleien zij zich met de gedachte dat onze regeering hun niet ongenegen is. Deze vergissing kan

ocr page 222

216

niet lang blijven beslaan, maar het zal niet verkeerd wezen, als wij daarvan voor onze waren partij zoeken te trekken. C!ij hebt de brieven geschreven en weet zelfs wat mij daar te doen staat. Ik zal naar de grenzen reizen en dan beslissen welke maatregelen ik verder zal nemen.»

In angstige spanning hoorde de zuster naar zijn woorden; zij zocht in zijn blikken te lezen, wat hij uit teedere zorg voor haar verzweeg; doch Anton begreep wat die taal beteekende; zijn meester ging de grenzen over naar het oproerige land.

.Met smeekende stem verzocht hij nader bij den koopman komende: «Zou ik niet in uw plaats de reis kunnen ondernemen? Ik begrijp wel dat ik u nog geen reden heb gegeven om mij in een zaak van zoo groot gewicht te vertrouwen. Maar ik zou toch mijn best doen, zooveel mogelijk, mijnheer Schröter.» Antons wangen gloeiden, toen hij dit zei, hij gevoelde op dat oogenblik een bepaalden lust om met alle Polen om de koopgoederen te haarplukken. «Dat is liks gesproken en ik dank er u voor,» hervatte de patroon, «maar ik kan uw aanbod niet aannemen; de reis zou licht moeijelijkheden kunnen opleveren, en daar het voordeel voor mij is, zal het ook billijk zijn dat ik die lasten draag.» Anton was verdrietig. «Integendeel ik ben voornemens u met bepaalde orders hier achter te laten voor het geval, dat ik overmor-genavond niet terug mocht wezen.»

Sabine had angstig naar het gesprek geluisterd, thans vatte zij de hand haars broeders en zei zachtjes: «Neem hem mee.»

Deze stern gaf Anton nieuwen moed. «Als gij mij niet alleen wilt zenden, vergun mij dan ten minste u te vergezellen; wellicht kan ik u in het een ot ander van dienst zijn, ik zou het althans zeer gaarne willen.»

«Neem hem mee,» herhaalde Sabine dringend.

De koopman richtte zijn blik langzaam van zijn zuster op het eerlijke open gelaat van Anton, dat van dienstijver straalde, en verheugd over de vurigheid der jeugd antwoordde hij: «Welnu, dat is goed. Gij zult mij morgen tot aan tie grenzen vergezellen. Mocht mijn afwezigheid voor langer tijd vereischt worden, dan zal het van belang zijn u op de plaats zelve de noodige inlichtingen te geven. Tot zoo lang kan Jordan voor de loopende zaken zorgen. Het is niet nooilig dat er van onze reis hier in de stail iets uitlekt. En nu, slaap rustig, mijnheer Wohlfart. Een onzer knechts wacht aan het station de nachttreinen af; men heeft mij beloofd dat de conducteurs ons antwoord zullen komen brengen. Is dit van dien aard gelijk in voorzie, dan vertrekken wij met den eersten trein. Goeden nacht!»

Anton maakte een buiging en zag nog bij het weggaan dat Sabine in hevige aandoening den hals van haar broeder omvatte. ging naar zijn kamer, pakte zonder eenig leven te maken de reistas, haalde de fraai gepolijste pistolen, die Von Eink hem vermaakt had, voor den dag, en wierp zich half gekleed op bed, waar hij eerst laat in den nacht de rust vond. Tegen den morgen werd hij door een zacht tikken op de deur gewekt, de knecht kwam zeggen: «De brieven zijn met den trein aangekomen.» Anton spoedde zich naar het kantoor en vond daar den heer Jordan reeds in een levendig onderhoud met den patroon; bij zijn binnenkomen riep mijnheer Schröter hem midden tusschen het bepraten van tie noodzakelijkste zaken toe: «Wij vertrekken zoo aanstond.» »üoed,» dacht Anton. «Wij gaan naar het land der vijanden, wij znllen vechten met do zeisenmannen en hen dwingen ons onze waren terug te geven; want

ocr page 223

217

dat zij ons zouden kunnen dwingen, mag, als men do vastheid en do wilskracht van den patroon kent, niet worden aangenomen.»

Nooit had Anton de deuren harder toegeslagen, nooit sneller de trappen opgevlogen en hartelijker de handen zijner ambtgenooten geschud dan in het eerstvolgende uur. Toen hij zoo druk bezig door den donkeren huisgang ijlde, hoorde hij een zacht ruischen naast zich. Sabine kwam haastig op hem toe en nam zijn hand: «Wohlfart,» sprak zij, «bescherm mijn broeder tegen gevaar!» Anton beloofde met vuur dit op alle mogelijke wijzen te zullen doen, tastte naar zijn geladen pistolen in den rokzak, en ging, in den wagon: zelfs geladen met de edelste en heerlijkste gevoelens, die ooit een jongen held hebben bezield. Hij ging uit op avontuur, hij was trotsch op het vertrouwen van den patroon, en in zijn eigen oogen veredeld door de teedere betrekking, waarin hij tot de heilige van het huis was gekomen, In één woord, hij was gelukkig.

De locomotief snoof en vloog door de uitgestrekte landstreek, als een ros uit Beëlzebuks stal. In alle waggons van den trein zaten soldaten : zij hingen op de pakgoederen, zij koken uit de kleine raampjes der goederen wagens; overal flikkerden bajonnetten en helmen, overal zag men ransels, veldketels, trommels. Aan alle stations stonden scharen van nieuwsgierigen, overal haastige vragen en antwoorden, overal verrassende nieuwtjes, schrikbarende geruchten en vreemde verhalen. Anton was blijde, toen zij aan het einde van de spoorlijn van de soldatengroepen zich afzonderden en in een licht rijtuig met postpaarden de grenzen naderden. Op den straatweg was het stil, eenzamer dan gewoonlijk. Slechts kleine detachementen uit de vestingen nabij de grenzen werden door reizigers voorbij gereden. De soldaten zongen lustig, alsof zij aan het execeeren gingen ; hier en daar zei een spotvogel een aardigheid over de snelvoetige burgers, soms reed een officier beleefd groetende naar den wagen, als hij den koopman kende, of een boodschap voor zijn nachtkwartier vooruit wilde zenden. Mijnheer Schröter sprak geen enkel wooid tot Anton over zaken, maar met groote opgeruimdheid over allerlei andere dingen, over zijn vroegere lotgevallen, over het leven aan de grenzen, over smokkelen, over tolbeambten, en behandelde zijn reisgenoot met die vertrouwelijke hartelijkheid, welke een ouder kameraad den jongeren pleegt te toonen. Alleen voor de pistolen bleef de koopman zoo onverschillig, dat Antons strijdlustige moed er een weinig door bekoeld werd: toen deze name-iijk bij de tweede pleisterplaats zijn moordtuig zeer behoedzaam van den eenen wagenzak in den anderen overbracht, zag de patroon ontevreden naar de beide loopen, en zoodra de reizigers de laatste huizen van het dorp voorbij waren, wees hij op de bruine kolven, die zeer broederlijk het hoofd uit den zak staken en zei tot Anton: «Ik geloof niet dat het u zal gelukken door die levenmakers onze goederen te heroveren. Zijn ze geladen?»

Anton bevestigde het en hernam met het laatste overblijfsel van zijn oorlogzuchtig zelfvertrouwen: «Het zijn getrokken loopen.»

«Zoo!» zei de patroon ernstig, nam de pistolen uit den zak, gelastte den voerman de paarden stil te houden en schoot ze koelbloedig beiden af; «'t Is beter dat we ons bepalen tot de wapenen, die we gewoon zijn to gebruiken,» zei hij welwillend, terwijl hij Anton de pistolen terug gaf. «Wij zijn mannen van den vrede en verlangen niets dan ons eigendom. Als wij het niet krijgen, doordat wij anderen van ons recht overtuigen'

ocr page 224

'218

dan bestaat er weinig kans. Ei' zal daar ginds veel onnut kruit worden verschoten: allemaal uitgaven, die niets opbrengen, en onkosten die land en burgers arm maken. Er is geen ras dat zoo weinig geschiktheid heeft om vooruit te komen en zich door zijn kapitalen beschaving en ontwikkeling eigen te maken, als het slavische. Wat de menschen daar, in lediggang, door onderdrukking van de domme volksmassa bijeengebracht hebben, verdoen ze aan allerlei beuzelarijen. Bij ons zijn het alleen de bevoorrechte klassen die zoo handelen, en de natie kan het nog des noods verdragen. Daar ginds echter beweren die bevoorrechten het volk zelf uit te maken. Alsof adellijken en lijfeigenen ooit een staat konden vormen! Zij hebben er even weinig geschiktheid voor, als die hoop musschen daar in de boomen. Het ongeluk is maar, dat wij nog hun erbarmelijke pogingen met ons goede geld moeten betalen.»

«cZij hebben geen burgerstand,» zei Anton met warmte.

«Dat wil zeggen, zij hebben geen beschaving,» vervolgde de koopman; «'t is opmerkelijk hoe ongeschikt zij zijn om den stand, die vooruitgang en ontwikkeling bewerkt en die een hoop verstrooide landlieden tot een staat weet te hervormen, uit hun midden voort te brengen.»

«Maar daar hebt ge toch Conrad Günther in de oproerige stad voor ons; en dan de handelshuizen der drie Hildebrands in Gallicië,» merkte Anton aan.

«Brave, goede menschen,» gaf de koopman hem toe, «maar allen nit den vreemde daar gekomen. De eerwaardige burgerzin heeft er geen wortel geschoten, gaat zelden op het volgende geslacht over. Wat men daar steden noemt, is niets dan een schaduwbeeld van de onzen, en haar burgers hebben bitter weinig van hetgeen bij ons de nijvere burgerij tot den eersten stand van don staat verheft.»

«Tot den eersten ?» vroeg Anton.

«Wel zeker, waarde Wohlfart; in de vroegste tijden waren de individu's vrij en in de hoofdzaak gelijk; toen kwam de halve barbaarsch-heid der bevoorrechte vrijen en der lijfeigenen; eerst sints de opkomst van de steden hebben we beschaafder staten in de wereld, eerst van dien tijd af is het geheim geopenbaard, dat de vrije arbeid alleen het leven der volken groot en zeker en duurzaam maakt.

Tegen den avond kwamen de reizigers in de grensplaats aan. Het was een klein dorp, dat behalve de belastingkantoren en de woningen der tolbeambten slechts armoedige hutten en een ellendige herberg bevatte. Op de open plaats tnsschen do huizen en rondom het dorp bivakkeerden twee escadrons kavalerie, die hun posten langs de smalle grensbeek hadden uitgezet en met een afdeeling jagers de grenzen bewaakten. In de herberg was het een wild verward leven : huzaren en jagers liepen in en uit, huzaren en jagers zaten op een hoop gedrongen in do gelagkamer, bonte dolmans en groene rokken lagen overal door het huis op stoelen, tafels, waggelende tonnen en op het eerste het beste meubel, dat maar gelegenheid voor zitten aanbood. Anton kwam en zij als even zoovele heeren Pix voor, zoo ongegeneerd gingen zij met de herberg om en met al wat zij opleverde, onverschillig of het eetbare of drinkbare waar was. Met een woordenrijke begroeting ontving de joodsche kastelein den hem welbekenden koopman ; door zijn gedienstigheid werd de laatste plaats in het huis voor de reizigers ontruimd, een klein afgeschoten hokje, waarin zij althans den nacht alleen konden doorbrengen.

ocr page 225

210

Nauwelijks was do koopman uit den wagen gestegen, toen hem een halt' dozijn voerlui met luide vreugdekreten omringden, de eigenaars van de wagens, die onlangs door het handelshuis afgezonden waren. Geheel zonder averij waren zij er niet afgekomen. Na het verhaal van den oudsten waren zij op den grooten weg aan genen kant van de grenzen, dooi' het gezicht van een gewapenden hoop boeren, tot oen haastigen terugtocht gedreven, liij het omkeeren was een rad van den achtersten wagen gebroken, de voerman had in den angst de paarden afgespannen en den wagen daar ginds laten staan. Terwijl do gevluchte koetsier mot zijn pet allerlei circels in de lucht beschreef en zich zocht te verontschuldigen, kwam de kommandeerende ritmeester bij den koopman en bevestigde het bericht van de voerlui.

«Men kan den wagen en de goederen op duizend pas aan den overkant van de brug op den weg zien liggen,» verklaarde hij, en toen de koopman de vergunning verzocht om op de brug te gaan, zei hij zeer vriendelijk: «Ik zal u een mijner officiers meegeven.»

Een jong officier van het escadron, die juist van een patrouille was teruggekomen, liet zijn vurig ros voor de herberg rondspringen.

«Luitenant Von Kothsattel,» riep de ritmeester, «vergezel gij de heeren op de brug.»

Met ware verrukking hooide Anton den naam, waaraan zich voor hem zulke liefelijke herinneringen verbonden. Hij wist terstond dat de officier op het paard niemand anders kon zijn dan de broeder der freule van het landgoed. De luitenant, een rijzige gestalte met een kleinen knevel, geleek zoo op zijn zuster als, het verschil van geslacht in aanmerking genomen, maar mogelijk was. Anton gevoelde onmid-delijk een vriendschappelijke hoogachting voor hem, die de jonge heer wellicht uit Anions groet opmerkte, althans hij bedankte hem door een zeer genadig hoofdknikje. Dansend liep zijn paard langs de kooplui tot aan de brug. Daar stonden de schlldwachien, de pistolen met overge-haalden haan in de hand, onbewegelijk als standbeelden ; de paarden alleen gaven nu en dan door een minzaam zwaaien van den staart of het trappelen met do pooten teekenen van leven. De reizigers liepen haastig de brug op tot half weg en zagen met vorschende blikken voor uit. Voor hen op een afstand bespeurden zij den reusachtigen wagen ; als een witte olifant lag hij daar, gerold op éénen kant.

«Nog kort geleden was hij niet geplunderd,» zei de luitenant, «het linnen hing er nog opgeblazen om heen ; maar ja, zij hebben opgeruimd, ginds aan den hoek fladdert het witte zeil.»

«Het schijnt niet heel erg te zijn,» antwoordde de patroon.

«Als gij een rad en een span paarden over wilt brengen, kunt ge het ding wel terughalen,» merkte de luitenant onverschillig op. «Onze mannen hadden er den heelen dag grooten trek in. Zij zouden gaarne hebben willen onderzoeken of er iets drinkbaars bij was. Maar wij hebben streng bevel niet over de grenzen te gaan. Anders is het een kleinigheid den wagen hierheen te halen, als de kommandeerende officier u vergunt de posten door te gaan en ge met de lui daar klaar kunt spelen.» Met deze woorden wees hij op een troep boeren, die aan den anderen kant van de brug buiten geweerschot achter eenige verminkte, wilgenboomen lagen en een gewapend man als schildwacht op den grooten weg hadden geplaatst.

«Wij zullen den wagen halen, als de kommandeerende officier het ons

ocr page 226

220

toestaat,» zei de koopman: «ik hoop tint liet mogelijk zal wezen mij met die menschen te verstaan. En Anton kon niet nalaten te mompelen : Den geheelen dag hebben die heeren een paar duizend daalders zoo maar op den weg laten liggen : zij hadden, dunkt me, tijd genoeg gehad den wagen voor ons hierheen te brengen.»

«Men moet geen onbillijke eischen aan het leger stellen,» antwoordde de koopman glimlachend, «wij zullen zeer dankbaar zijn als men ons veroorlooft ons eigendom uit de handen van de boeren te redden.» De reizigers gingen naar den ritmeester terug en de koopman deelde hem zijn verlangen mee.

«Als ge paarden en menschen kunt vinden, heb ik er niets tegen,» antwoordde deze.

Terstond daarop werden de voerlui samen geroepen; de patroon vroeg wie hem met de paarden wilde volgen; hij bleef borg voor de schade die zij mochten lijden. Na eenig hoofdkrauwen en eenig ronddraaijen met de pet, verklaarden verscheidenen zich bereid. Fluks werden vier paarden ingespannen, een kinderslee van den kastelein voor den dag gehaald, een rad en eenige hefboomen er in gelegd, en de kleine ka-ravane zette zich in beweging naar de brug toe, gevolgd dooi- allerlei toepasselijke aardigheden der soldaten en vergezeld door eenige officieren die in den veldtocht zooveel belangstelling schenen te nemen, als met hun militaire waardigheid bestaanbaar was.

Bij de brug zei de ritmeester: «Ik wensch u veel geluk; tot mijn leedwezen staat het niet in mijn macht u mijn soldaten tot hulp mee te geven.»

«liet is ook beter zoo,» antwoordde de heer Schroter, hem groetende, «wij willen als vreedzame menschen onze goederen terughalen en zijn niet bang voor de heeren daar, maar willen ze ook niet boos maken. Wees gij zoo goed, mijnheer Wohlfart, uw pistolen achter te laten ; wij moeten die gewapende lui toonen dat wij met het oorlogstoestel niets te maken hebben.

Anton had de pistolen in zijn rokzak gedaan, waar zij weer grimmig hun koppen uitstaken : hij gaf ze nu aan een jager, dien de luitenant Rothsattel tot zich liep. Aldus gingen zij de brug over. Bij het einde van de brug zwenkte de luitenant ontevreden het paard en prevelde: «Die peperhuizen trekken nog eerder in het vijandig gebied dan wij,» en de ritmeester riep hun nog achterna: «Mocht uw leven in gevaar komen, dan zal ik het niet als een overtreden mijner bevelen beschouwen, als ik u den luitenant Von Rothsattel met eenige soldaten te hulp zend.» De luitenant draafde weg en kommandeerde de af-deeling, die op eenigen afstand stand hield, zeer strijdlustig: «Stil gezeten!» waarop hij weer naar het einde van de brug rende en met groote belangstelling en echt soldatenongeduld de burgers met het oog volgde. Tot zijn eer en die van het geheele leger moet hier erkend worden, dat hij zoowel als zijn manschappen, de reizigers een warme ontvangst en ernstige moeijelijkheden toewenschen, om daardoor zelve het recht te erlangen zich er in te mengen en er wat op in te houwen.

[iet was geen ontzagwekkend binnenrukken in het vijandig gebied, die optocht van de kooplieden ; met en zekere gemoedelijkheid bedaard zijn cigaar aanstekende wandelde de patroon vooruit, dicht bij hem Anton, daarachter drie stevige voerlui met de paarden. Zoo waren zij tot op ongeveer

ocr page 227

2'ii

dertig pas een troep boeren met witte kielen genaderd, toen deze de geweren velden en niet een poolschen kreet «halt!» riepen. De patroon antwoordde met luide stem in hun taal; «Roept uw opperhoofd.» Gehoorzaam wenkte een van de halve barbaren met zijn hand een verwijderden hoop toe. De anderen hielden met dreigende blikken van geweren gereed en mikten, zooals Anton zonder overgroot genoegen bemerkte, niet verraderlijk oogknippen allen juist op hem, Intusschen kwam met groep getier de aanvoerder der bende naderbij. Hij droeg een blauwen rok met bonte koorden, een vierkante roode muts met grijs bont bezet, en hield een lang ganzenroer in de hand. IJet was over het geheel genomen een donkere kerel, die er gevaarlijk uitzag, voorzien van een langen snorrebaard, die aan beide kanten van zijn mond afhing. Toen de man binnen het bereik der stem was, sprak de koopman in gebroken poolsch op onbevreesden toon hem aan: «Wij zijn vrienden! Ik ben de eigenaar van den wagen daar en wil hem weghalen. Zeg aan uw manschappen, dat ze mij daarbij behulpzaam zijn, zij zullen een goed drinkgeld hebben.» Bij het woord «drinkgeld» gaven de geweren van zelve vol hoogachting hun dreigende houding op. De aanvoerder echter plaatste zich zeer aangedaan midden op den weg en begon met een levendig gebarenspel een lange toespraak, waarvan Anton zeer weinig en zijn patroon lang niet alles verstond, doch die door den voerman in dezen zin werd verklaard, dat het den man zeer speet mijnheer Schröter niet van dienst te kunnen zijn, maar dat hij bevel had gekregen van een achter hem staand legerkorps den wagen te bewaken, tot dat de paarden kwamen, die hem naar de stad zouden brengen.

De koopman schudde goedaardig met het hoofd en antwoordde op een toon alsof hij een bevel gaf: «Dat gaat zoo niet; de wagen komt mij toe en ik moet hem meenemen, ik kan niet wachten totdat uw generaal mij de vergunning geeft.» Daarbij tastte hij in den zak eu stak den muiteling in den blauwen rok zonder dat de anderen het zagen een half dozijn blinkende daalders toe: «Zooveel voor u en even zooveel voor uw mannen.» De aanvoerder zag naar de daalders, zette zijn vingers in het haar, krabde zich een poos en draaide de muts rond, waarop hij eindelijk tot het besluit kwam; als de zaak zoo stond, dan moest mijnheer den wagen maar meenemen.

Als in zegepraal trok de karavaan naar den wagen ; de voerlui namen de hefboomen en lichtten met vereenigde kracht den gevallene op, ruimden de overblijfselen van het gebroken rad weg, zetten het nieuwe aan, en spanden de paarden voor: alles onder trouwe hulp van eenige boeren, broederlijk bijgestaan door hun aanvoerder, die in eigen persoon een hefboom bestuurde. Daarop werden dé paarden fiks aangezet en de wagen rolde den weg naar de brug over onder het luide: hoi I hoi! van den Pool, die daardoor wellicht een verwijtende stem in zijn binnenste wilde overschreeuwen.

«Ga gij met den wagen vooruit,» zei de koopman tot Anton en, toen deze draalde zijn patroon alleen onder de boeren achter te laten, voegde hij er kortaf bij; «Ik verlang het.» A lzoo reed de wagen langzaam naar de grenzen en reeds van verre hoorde Anton het lachen en de welkomstgroeten der soldaten.

Inmiddels bleef do koopman in levendig gesprek met den tolk en den aanvoerder achter en scheidde eindelijk in de beste verstandhouding van

ocr page 228

den muiteling, die met eclit slavische beleefdheid op den straatweg de honiinurs waarnam en de reizigers blootshoofds tot op een geweerschot van de grenzen begeleidde. Bij de brug haalde de patroon den wagen in, luisterde naar het «halt! werda!» der schildwachten, onderwierp zich aan alle daarmede verbonden formaliteiten, en ontving op bevriend terrein de lachende gelulcwenschen van den ritmeester, terwijl de luitenant spottend tot Anton zei: «Ge hebt geen reden gehad om de afwezigheid van uw zakpistooltjes te betreuren.»

«'t Is ook beter zoo,» antwoordde Anton, «'t was een lastig geval. De arme drommels hebben niets gestolen-dan een vaatje rum.»

Een uur lang zaten de reizigers met de officieren van de kavallerie en de jagers in het kleine vertrek van de herberg bij ettelijke flesschen ouden hongaarschen wijn, die de kastelein uit den verborgensten hoek van zijn kelder had opgevischt. Niet het minst gelukkig was Anton. Hij had voor het eerst van zijn leven een klein, maar wezenlijk oorlogsgevaar bijgewoond en was over het geheel met zich zeiven tevreden, en nu zat hij naast een jong officier, die hij zeer geneigd was hoog te achten, en had het genoegen hem zijn eigaren te mogen presenteeren en met hem over het avontuur van den dag te praten.

«De boeren mikten in het begin immers op u?» vroeg de jonge hoer, onverschillig aan zijn knevel trekkende, «dat was u zeker niet heel pleizierig.»

«Niet bepaald,» hernam Anton zoo koel mogelijk; «oen oogenblik was ik bang, toen de geweren op ons waren gericht en achter de geweren andere mannen met hun zeisen deden alsof zij hoofden afsloegen. Het kwam mij vreemd voor dat de trompen allen juist op mijn gezicht waren aangelegd. Later had ik voor den wagen te zorgen en dacht er niet meer aan. En toen nu op den terugtocht ieder der voerlui beweerde, dat men alleen op hem gemikt had en op niemand anders, begon ik te begrijpen dat deze veelzijdigheid een bijzondere eigenschap der geweerloopen moest zijn, een soort van optisch bedrog, dat niet veel te beteekenen heeft.

«Wij hadden er u wel uitgehaald, als de boeren er ernst van hadden gemaakt,» antwoordde de luitenant welwillend. «Die eigaren zijn goed.»

Anton was daar blij over en schonk zijn buurman nog eens in. Zoo keuvelde hij en keek nu en dan naar zijn patroon, die er van daag bijzonder op uit was om met de bonte hoeren over oorlog en vrede te praten. Anton zag dat de koopman de officieren met de groote beleefdheid behandelde, waardoor hij den lossen toon, waarin de hoeren de partij begonnen hadden, krachtig tegenging. Weldra werd het gesprek algemeen en men luisterde met oplettendheid naar den koopman, die van het oproerige land, waarmee hij door vroegere reizen zeer bekend was, veel vertelde, en enkele belhamels van den opstand wist af te schilderen.

Alleen de jeugdige Von Rothsattel scheen tot Antons groote teleurstelling niet tevreden met de aandacht, die zijn kameraads den burger verJjr leenden en met het leeuwendeel, dat deze in het gesprek zich toegeëigend had; hij leunde onverschillig achterover in zijn stoel, zag verstrooid naar den zolder, speelde mot het gevest van zijn sabel en liet zich korte aanmerkingen ontvallen, die aan verveling, welke hij ondervond, lucht moesten geven. Toen de ritmeester zei dat hij den volgenden morgen den bevelhebber van het grensleger verwachtte en de koopman daarop antwoordde:

ocr page 229

223

«Uw overste, zal voor morgen avond niet hier zijn, althans hij heeft het mij heden op den spoor, waar ik hem ontmoette, nog gezegd,» speelde de duivel des hoogmocds bij den jongen officier den baas en hij zei vrij onbeleefd: «.Gij kent dus onzen overste ^persoonlijk? Waarschijnlijk koopt hij zijn suiker en koffie bij u?»

«Ten minste vroeger was het zijn gewoonte,» zei de koopman beleefd, «ik heb zelfs als jongen meermalen de koffie voor hem afgewogen.»

Onder de officieren heerschte een zekere verlegenheid en een van de ouderen beproefde om van zijn standpunt uit een pleister op de wond te leggen, door van een zeer respectabele firma te spreken, waarbij elk, militair of niet militair, niet anders dan met genoegen al wat hij noodig had, op kon doen.

«Ik dank u voor de goede meening, die gij van mijn zaak schijnt te hebben, kapitein,» zei de koopman lachende, «'t Is waar, ik bun er trotsch op dat mijn handelshuis solide is geworden door mijn ijverige zorgen en die mijner medearbeiders.»

«Luitenant Ilothsattel, gij hebt de nachtpatrouille, 't is tijd voor u om op weg te gaan,» herinnerde hem de ritmeester. Met den sabel kletterend stond de luitenant op.

«Hier brengt onze brave kastelein een nieuwe fiesch, waar hij hoog van opgeeft, het is het beste merk uit zijn kelder. Zou mijnheer Von Ilothsattel niet eerst nog een glas kunnen proeven, eer hij voor onze nachtrust gaat zorgen?» vroeg de koopman op beleefden toon, zich tot den ritmeester wendend. De jonge heer bedankte uit de hoogte en ging brommende de kamer uit. Anton had zijn lieveling wel willen afranselen, zoo boos was hij op hem. De ritmeester gaf echter aan deze spanning eenige afleiding door een levendig gesprek, dat lüj met den koopman aanknoopte.

Het was laat geworden en Anton zag met groote bevreemding dat mijnheer Schröter voortging met de uiterste beleefdheid de plichten van een gastheer waar te nemen en in het proeven van den hongaar-schen wijn een zeker genoegen te vinden, dat met het doel zijner reis niet best overeen te brengen was. Eindelijk, nadat nog een nieuwe fiesch was opengetrokken en ook de ritmeester een nieuwe cigaar van den koopman had geprezen, merkte deze ter loops aan: «Ik wou morgen graag naar de hoofdstad der muitelingen reizen en vraag daartoe de vergunning als het noodig is.»

«Wat wilt ge? nu?» riepen de officieren aan tafel.

«Ik moet,» zei de koopman ernstig en verklaarde hun in korte woorden waarom hij moest.

De ritmeester schudde bedenkelijk liet hoofd. «De bewoordingen waarin mijn bevelen vervat zijn, laten het wel in het midden of ik de grenzen voor iedereen moet afsluiten, doch het afsnijden van gemeenschap met het oproerige land is zeker het eerste doel onzer zending.

«Dan zou ik mijn verlangen aan den overste moeten kenbaar maken, ^Jat zou mij langer dan een dag ophouden, en dit vertoef zou het doel ^hijner reis kunnen verijdelen. Gelijk gij mij zoo even nog hebt medegedeeld, is er thans betrekkelijk nog eenige orde onder de opstandelingen, het is onmogelijk dat dit lang zoo blijft. Voor mij intusschen bestaat de eenige mogelijkheid om mijn waren terug te krijgen in de omstandigheden, die ik daar zal vinden; want de vrachtwagens kan ik slechts met de goedkeuring van het revolutionnair bestuur uit de stad brengen.

ocr page 230

'224

«En hoopt gij die vergunning te erlangen?» vroeg de ritmeester.

«Ik moet liet althans beproeven,)) antwoordde de koopman. «In ieder geval zal ik mij krachtdadig tegen de plundering en vernieling van mijn eigendom verzetten.»

De ritmeester dacht bij zich zeiven na: «Wat gij verlangt, brengt mij eetiigzins in verlegenheid; mocht u een ongeluk overkomen, zooals ik half vrees, zoo zou men bij kunnen verwijten, dat ik u heb toegestaan do grenzen over te trekken. Kan dus niets u bewegen van die reis af te zien?»

«Niets,» hernam de koopman, «niets dan de wet.»

«Hecht gij dan zoo groote waarde aan die vrachtwagens, dat ge uw leven daarvoor in gevaar wilt stellen?» vroeg de ritmeester niet zonder eenige ontevredenheid.

«Ja, waarde ritmeester, daar ligt mij even zooveel aan gelegen als u aan de vervulling van uw plicht; voor mij heeft liet bezit van die vrachtwagens meer te beteekenen, dan eenvoudig een geldelijk voordeel. Ik moot de grenzen over, zoo mij niet een onvoorwaardelijk en onherroepelijk verbod der regeering er in verhindert. Daartegen zou ik mij natuurlijk niet verzetten «maar ik zal alles aanwenden om voor mij een uitzondering te bewerken.»

«Welaan dan,» zei de ritmeester opstaande, «Ik wil u in uw reisplan niet langer tegenhouden. Gij zult mij uw woord van eer geven, dat gij daar ginds in geen geval iets zult spreken over de sterkte van dezen grenspost, over de plaatsing onzer troepen, of over datgene, wat ge wellicht van onze voorgenomen plannen hebt gehoord.»

«Ik geef u mijn woord,» zei de koopman.

«Uw persoonlijkheid staat wij wel borg, dat uw verklaringen aangaande het doel uwer reis overeenkomstig de waarheid zijn; echter zou ik, tot geruststelling van mijn officiersgeweten, gaarne ile noodige papieren zien, als gij die bij u hebt.»

«Hier zijn zij,» antwoordde de koopman even vormelijk. «Hier mijn buitenlandsche pas voor een jaar, hier de factuur van den poolschen verkooper, hier de kopieën mijner brieven aan het tolkantoor en aan den hier gevestigden expediteur, en hier hun antwoorden. De ambtenaren van het tolkantoor en de expediteur kunnen bovendien nog de waarheid der inlichtingen bevestigen.»

De ritmeester zag de papieren met een vluchtig oog door en gaf ze terug, «Gij zijt een moedig man, en ik wensch u den besten uitslag,» zei hij met waardigheid.» En hoe zult gij reizen?»

«Met postpaarden. Ingeval men mij de paarden mocht weigeren, zal ik ze koopen en zelf rijden; een wagen zal de kastelein mij wel afstaan. Ik denk morgen vroeg te vertrekken, omdat ik bij nacht reizende slechts meer achterdocht zou opwekken.»

«Nu dan, morgen met het aanbreken van den dag zie ik u nog. Naar mijn gedachte zal het op zijn langst drie dagen duren, voor wij zelve het vijandig land binnenrukken. Ingeval ik tot dien tijd niets van u gehoord heb, zal ik u in de veroverde stad opzoeken. Wij sluiten de partij, mijn heeren, de zitting heeft al lang genoeg geduurd.»

De officieren trokken af, de sabels achter zich sleepende, en Anton en zijn patroon bleven met de leege flesschen alleen in de kamer. De koopman opende het venster en keerde zich toen tot Anton, die het

ocr page 231

225

met groote belangstelling gevolgd had. «Wij zullen hier moeten scheiden mijn waarde Wohlfart,» begon hij.

Voor hij zijn woorden kon uitspreken, vatte Anton zijn hand en zei met tranen in de oogen: «Sta mij toe met u mee te gaan, zend mij niet naai- huis terug! Ik zou het mij mijn gansche leven door verwijten, als ik op dezen tocht u verlaten had.»

«Het is noodeloos, wellicht onverstandig, als gij meereist. Wat daar ginds te doen is, kan ik alleen zeer goed afmaken; mocht er eenig gevaar dreigen, wat ik echter niet geloof, dan kan uw tegenwoordigheid mij niet daartegen beschermen, en ik zou maar het pijnlijk gevoel hebben dat ik een ander om mijnentwil in verlegenheid had gebracht.»

«Ik zon u toch hoogst dankbaar zijn, zoo gij mij wildet meenemen,» smeekte Anton dringend, nog steeds de hand van zijn patroon vasthoudende. «Ook mejuffrouw Sabine heeft het verlangd,» voegde hij et-bij, terwijl hij zeer verstandig den sterksten overredingsgrond het laatst uit zijn bewogen binnenste voortbracht.

«Zij is een teeder zorgend meisje,» zei de koopman glimlachend. «Daar gij er echter zoo vriendschappelijk op aandringt, heb ik er vrede mee. Wij zullen samen reizen; roep gij nu den kastelein en laten we lt;le beste gelegenheid met hem bepraten.»

II.

Het was nog half nacht, toen Anton de deur van de herberg uittrad. Ken dikke nevel hing over de vlakte en golfde onrustig in het schemerlicht van den aanbrekenden dag; beneden aan den horizont lag in vurige strepen de plaats waarheen de reizigers zouden trekken. Met een valen sluier omhulden de dampen van den nacht een donkeren hoop op den grond. Anton trad naderbij en zag dat het een aantal mannen, vrouwen en kinderen waren, die op den grond gehurkt zaten: bleeke, uitgehongerde, gerimpelde gezichten. «Zij zijn uit het dorp daar ginds,» zei een oude wachtmeester die in zijn dikken mantel er bij stond. «Hun dorp brandde af, zij waren in de bosschen gevlucht, dezen nacht kwamen zij bij de rivier, strekten de handen uit en riepen jammerlijk om brood. Daar het grootendeels vrouwen en kinderen zijn, heeft de ritmeester hun vergund over de grenzen te komen en hun eenige sneden brood laten geven. Na hen kwamen grooter troepen ; allen riepen luid: «brood! brood!» en wrongen wanhopend de handen. Wij hebben eenige kogels over hun hoofd gejaagd en ze schoon weggeveegd.»

«Welnu komaan!» dat ziet er niet best uit voor onze reis. Wat moet er nu van die arme menschen worden?»

«Het zijn arme grensdrommels, antwoordde de wachtmeester geruststellend, «de eéne helft van het jaar smokkelen en drinken zij, de andere helft lijden zo honger. Deze hier hebben nu last van de kou.»

«Kan men niet een ketel soep voor hen koken?» vroeg Anton modelijdend en tastte in zijn zak.

DEBET EN CREDIT I. 15

ocr page 232

220

«Waarom soep?» zei de wachtmeester koelbloedig, «een goede slok brandewijn zou aan alle leden van het gezelschap vrij wat aangenamer zijn; daar ginds drinkt alles brandewijn, zelfs de kinderen aan de borst. Als gij er wat voor over hebt, zal ik het hun uitdeelen en een eerlijk soldaat niet vergeten.»

«Ik zal den kastelein zeggen dat de meid iets warms voor hen kookt, en wees gij, mijn vriend, zoo goed toe te zien dat alles behoorlijk toegaat.» Met deze woorden haalde hij een stuk geld voor den dag en de wachtmeester beloofde gereedelijk zijn krijgsmanshart voor het medelijden te openen.

Een uur later rolden de reizigers in een open rijtuig door de voorposten. De koopman reed; Anton zat achter hem en zag met vorschende blikken vooruit en om zich heen, en kon in weerwil van de duisternis en van den nevel reeds enkele voorwerpen onderscheiden. Ongeveer twee honderd pas hadden zij gereden, toen van achter een dikken wilgenstam een poolsche kreet zich deed hooren; de koopman hield de paarden in en een man naderde voorzichtig den wagen. «Stijg op, mijn vriend,» riep de koopman den vreemde toe, «ga naast mij zitten.» Beleefd nam de vreemdeling zijn pet af en sprong op den bok van den wagen, liet was de Pool van gisteren met zijn langen snorrebaard. «Houd gij hem in het oog,» zei de koopman in hel engelsch tot Anton ; «hij moei, ons als vrijgeleide dienen en wordt er voor betaald; als hij mij te lijf wil, pak hem dan van achteren beet.»

Anton haalde de verachte pistolen uit een ouden tas van don wagen en stak zo in het gezicht van den Pool zeer duidelijk in den zak van zijn overjas. De gids in den linnen rok echter lachte vriendelijk en bleek weldra zeer goedaardig en gezellig van aard te zijn; beide reizigers knikte hij vertrouwelijk too, nam een slok uit Antons velddesch en stelde pogingen in het werk om over zijn schouders met dezen een gesprek aan te knoopen, terwijl hij hem in gebroken duitsch «Uw Excellentie» noemde en hem mededeelde dat hij veel van tabak hield, maar op het oogenblik niets bij zich had. Ten laatste verzocht hij de eer te mogen hebben de heeren zelf te rijden.

Zoo waren zij voorbij een troep vervallen huizen gegaan, die aan een poel op een kale vlakte stonden, als reusachtige paddenstoelen, op een ongezonde plaats hoog opgeschoten; daar zagen zij zich eensklaps door een hoop muitelingen omsingeld. Het waren mannen van de landweer, zooals zij er reeds den vorigen dag hadden gezien ; eenige dorsch-vlegels, enkele rechtgemaakte zeisen, oude geweren, linnen kielen, een sterke brandewynlucht en glazige oogen. De troep greep de paarden bij de teugels en met ongeloollijke snelheid, maakten zij zich gereed ze uit te spannen. Daar stond de Pool van zijn plaats op en lei een zeldzame welsprekendheid aan den dag, terwijl hij met handen en voeten zijn woorden klem bijzette. Hij verhaalde dat de reizigers groote heeren waren, op weg naar de hoofdstad, omdat zij met de regeering moesten spreken; dat het een ieder het hoofd zou kosten, die het maar wagen durfde zelfs maar een haar uit de staarten hunner paarden te trekken. Op deze toespraak volgden even woordenrijke en levendige antwoorden, waarbij een gedeelte de vuist toonde, een ander deel de muts afnam. Daarop sprak de hoofdman hem nog krachtiger aan en opende alle patriotten het vooruitzicht dat zij gevierendeeld zouden worden, zoo zij zich mochten verstouten de paardenkoppen maar

ocr page 233

'2li7

scheel aan te zien. Nu werd liet getal fier gebalde vuisten geringer en dat der afgenomen mutsen nam toe. Eindelijk maakte de koopman een einde aan de vertooning, doordat hij de paarden met een fermen zweepslag aanzette en den laatste» weerbarstlgen patriot tot een haastigen zijsprong noodzaakte. In galop vlogen de paarden voorwaarts, eenige krachtige verwenschingen volgden lien, en een kogel iloot onschuldig over ile hoofden der reizigers, waarschijnlijk meer als proeve van vaderlandsliefde, dan met een bepaald doel afgeschoten.

Zoo ging het eenige uren door. Niet zelden reden zij troepen gewapende boeren voorbij, die of schreeuwden en hun knuppels zwaaiden, of een geestelijke met het kerkvaandel volgden, het hoofd aandachtig gebogen, geestelijke liederen zingende. De reizigers werden enkele malen aangehouden en bedreigd, soms ook met grooten eerbied begroet, vooral Anton, die op de achterste bank zittende, voor den hoofdpersoon werd gehouden.

Eindelijk naderden zij een groot dorp, de troepen werden talrijker, het geschreeuw luider; te midden van de boerenkleeren zag men hier en daar een uniform, vederbossen en bajonetten. Hier gaf de gids eenige teekenen van onrust en verklaarde den koopman dat hij hen niet verder kon begeleiden en dat zij zich hier bij den kommandant moesten aanmelden. De patroon had er vrede mee, gaf zijn leidsman het bedongen loon en hield het rijtuig, bij den eersten hoop, die den weg bezette, stil. Een jong man in blauwen mantel, met een roode en witte sjerp om het lijf, kwam aanloopen, verzocht de reizigers af te stijgen, en voerde hen met overdreven gedienstigheid naar de hoofdwacht. De koopman hield de teugels van de paarden in de hand en lluisterde Anton in het oor dat hij onder geen voorwaarde den wagen uit het oog zou verliezen. Anton in zijn hart ongerust, deed alsof' er niets gaande was en drukte den trouwen Pool, die achter den wagen wegkroop, iets in de hand, met verzoek dat hij de paarden oen bos stroo zou bezorgen. De wachtkamer was in een huis, waarvan het rieten dak door de witte verf der muren een tint van voornaamheid had gekregen. Daar stonden eenige jachtgeweren en oude muskelten tegen houten palen geleund, bewaakt door een jong volontair in blauwen rok sn roode muts. Daarnaast zat de kommandeerende officier, een plat gezicht onder een ontzaglijk witte vederbos; hij was met een on-geloollelijke zijden sjerp en een sabel met knnstig gedraaid gevest versierd. Deze heer werd uitermate bewogen, zoodra hij de vreemdelingen zag naderen; hij drukte zijn steek diep in de oogen, streek nijdig over de verwarde baard, en begon een verhoor. Volgens vroeger gemaakte afspraak zeiden de belde reizigers, dat zij het hoofdbestuur over zeer gewichtige aangelegenheden moesten spreken. Over het doel hunner reis weigerden zij eenige nadere inlichting te geven. Deze verklaring beleedigde het gevoel van eigenwaarde van den kommandant. Hij maakte hatelijke toespelingen op verdachte personen en spionnen, en gelastte zijn wacht onder het geweer te treden. Vijf jonge mannen in blauwe jassen kwamen uit het huis, plaatsten zich op een rij, en kregen met een stroom van woorden last hun geweren klaar te houden. Anton sprong onwillekeurig tusschen de blauwjassen en zijn patroon, intusschen scheen de heer met den grooten sabel van zijn moorddadig plan wat terug te komen, loen hij bemerkte dat de koopman zeer bedaard bij den post bleef staan, waaraan hij de tengels had vastgemaakt. De kom-

ocr page 234

'gt;28

mandant stelde zicli tevreden met licin nogmaals te verzekeren, dat hij hem voor zeer gevaarlijk hield en daarom grooten lust had hem als verrader te laten doodschieten.

De koopman haalde de schouders op en zei kalm en beleefd: «Gij verkeert in een schromelijke dwaling omtrent het doel mijner reis. Gij kunt ons niet in ernst voor spionnen houden, want wij hebben ons met opzet door een uwer landslieden naar u laten brengen om door uw goedheid een geleide naar de hoofdstad (e krijgen. Ik verzoek u nog eens ons niet langer op te houden, daar onze zaken bij het hoofdbestuur van dringenden aard zijn, en ik u voor iedere onuoodige vertraging en verzuim aansprakelijk zou moeten stellen.» De kommandant begon na deze woorden op nieuw te vloeken; hij raasde tegen den koopman en Anton dronk eindelijk een groot glas brandewijn, en kwam tot een besluit. Hij riep drie van zijn manschappen en beval hun met de reizigers in den wagen te gaan en hen naar do hoofdstad over te brengen.

Een versche bos stroo werd in den wagen geworpen, twee gepreste jonge kerels namen met hun geweren achter de reizigers plaats, voor hen ging een boei' in een wit linnen kiel zitten, greep de teugels en reed, geheel onverschillig, zijn vracht, verdachten, patriotten en alles, in lustigen galop naar de hoofdstad toe.

«Onze toestand is er niet beter op geworden,» zei Anton, «vijf man in den kleinen wagen en de arme paarden zijn dood moe.»

«Ik heb u wel gezegd, dat onze reis met eenige moeielijkheden gepaard zou gaan,» antwoordde de koopman. «De menschen zijn nooit lastiger dan wanneer ze soldaatje spelen. Overigens is dit geleide geen ongeluk, wij zullen althans onder hun bescherming de stad worden binnengelaten.»

Het was al avond toen zij de stad naderden. Een roodachtige glans aan de lucht gaf reeds in de verte het doel aan van hun tocht, en naar mate zij dichterbij kwamen werden de benden gewapenden, die de stad introkken of ze verlieten, talrijker. Aan de pooi t volgde een lang verwijl, een verwarring van vragen en antwoorden, een opnemen van de reizigers met lantaarns en brandende fakkels, nijdige blikken en onverstaanbare bedreigingen, ten slotte een lange rit door de straten der oude hoofdstad. Rondom hen heerschte nu eens doodsche stilte, dan tierde een woest geschreeuw van een volksoploop, dubbel akelig, omdat de woorden voor de vreemdelingen onverstaanbaar waren.

Eindelijk draaide de koetsier een hoek om, kwam op de marktplaats, en hield voor een deftig huis stil. De reizigers werden door een gedrang van bonte uniformen, gegalonneerde rokken en witte kielen, voortgestuwd en een breede trap opgedrongen. Daar duwde men ze een kamer in en bracht ze in tegenwoordigheid van een heer met wit-glacé handschoenen aan, die een schriftelijk rapport inzag en hun met korte woorden zei, dat zij volgens het bericht van den kommandant van den wachtpost als spionnen verdacht werden en voor den krijgsraad zouden worden gehoord.

De koopman antwoordde terstond zeer ontevreden: «Dan spijt het mij zeer dat uw ondergeschikte een groote onwaarheid heeft gezegd, want wij hebben op klaarlichten dag over den straatweg gereisd, met het bepaalde doel om den opperbevelhebber te spreken; de paarden en de wagen, die mij voor dit huis gebracht hebben, behooren mij, en het was een geheel overbodige beleefdheid van uw officier, dat

ocr page 235

229

liij mij een geleide heeft meegegeven. Ik verlang den lieer, die hier het opperbevel heeft, zoo spoedig mogelijk to zien; aan hem alleen wil ik het doel mijner reis meedeelen; wees gij zoo goed hem mijn pas te overhandigen.»

De poolsche heer bekeek den pas en vroeg eenigszins beleefder, terwijl hij op Anton zag: «Maar die heer? hij lijkt me een oiïicier van uw leger.»

«Ik ben klerk bij den heer Schröter,» antwoordde Anton roet een buiging, «van top tot teen civiel.»

«Wacht even,» sprak de jonge man op genadigen toon, eti ging met den pas naar een zijvertrek.

Daar hij eenigen tijd weg bleef en niemand de reizigers hinderde, gingen zij op eeti bank zitten zagen er zoo gerust uit, als maar eenigszins mogelijk was. Anton intusschen sloeg een bezorgden blik op zijn patroon, die somber voor zich uitzag en nam toen met verbazing al wat hem omringde op. Het was een hoog vertrek, waar zij waren binnengelaten; de zolders prachtig gestukadoord en beschilderd; de muren berookt en morsig; tafels, stoelen en banken stonden slordig dooreen: zij schenen wel uit een kroeg daarheen gebracht; aan de tafels stonden eenige klerken over hun papier gebogen en langs de muren zaten of lagen gewapende mannen; zij sliepen of spraken hardop, gedeeltelijk in het fransch. De vervallen kamer maakte met haar treurige verlichting geen vroolijken indruk op Anton en fluisterend zei hij tot den koopman: «Als revolutie er altijd zoo uit ziet, is het geen mooi gezicht.»

«Zij vernielt steeds en bouwt zelden iets nieuws. Ik vrees dat do ge-heele stad op dit vertrek zal lijken. Zie de geschilderde wapenen aan den zolder en de morsige bank, waarop wij zitten, als zulke tegenstrijdige voor-werpen elkander ontmoeten, mag een eerlijk man wel zijn testament maken. De adel en het gepeupel zijn ieder op zich zelf al erg genoeg, als zij aan het politiseeren gaan; maar als zij het samen eens zijn, richten zij ongetwijfeld het huis te gronde, waarin zij zich vereenigen.»

«De groote lui zijn voor ons lastiger,» zei Anton. «Ik voor mij prijs onzen Dool, dat was een beleefde muiter, en hij had nog gevoel voor een tienstuiverstuk; de heeren hier echter handelen volstrekt niet zoo als het behoort.»

«Laat ons maar wachten,» hernam de patroon.

Een kwartier uurs was verloopen, toen oen jong mensch van rijzige gestalte en edel uiterlijk, gevolgd door den heer met de witte handschoenen, uit het zijvertrek binnen kwam; beleefd naderde hij den koopman en zei met luide stem, zoodat ook de slapers op de bank hem moesten hooren: «Ik verheug mij u hier te zien; ik had zoo iets verwacht, wees zoo goed mij met uw reisgezel te volgen.»

«Drommels! onze papieren rijzen!» dacht Anton. Zij volgden den plechtigen redenaar naar een kleine hoekkamer, die min of meer hot boudoir van het hoofdkwartier was; althans er stond een sofa in, groote stoelen mot zachte kussens, en een smaakvolle schrijftafel van kostbaar hout. Verscheidene kleedingstukken en uniformen hingen hier en daar over de meubels, en op de tafel lag, naast papieren, een keurig, prachtig ingeleid zakpistool met twee loopen en een groot cachet van bonten steen in goud gevat.

Terwijl Anton voor zich zelf de opmerking maakte, dat het er in dat vertrek zeer prachtvol, maar tevens zeer slordig uitzag, zei het

ocr page 236

'j:30

jonge opperhoofd met wat meer waardigheid tot den koopman: «Gij zijt dooi' een misverstand aan een ruwe behandeling blootgesteld geweest, gelijk zulks in tijden van oproer niet altijd te voorkomen is; de mannen, die u hierheen hebben begeleid, hebben uw verklaringen bevestigd. Ik verzoek u mij nu mee te deelen, wat u tot ons brengt.» l)e koopman vertelde hem kort, maar duidelijk, het doel van zijn reis, noemde de namen zijner handelsvrienden in de stad, en beriep zich op hen, zoo men de waarheid van zijn verhaal mocht in twijfel trekken.

«Ik ken enkele van die heeren», antwoordde de kommandant onverschillig. Hij vestigde een doordringenden blik op den koopman en vroeg na eenige oogenblikken: «Hebt gij mij niets meer te zeggen?»

De patroon antwoordde van neen, doch de andere viel hem haastig in de rede : «Ik begrijp wel dat onze ongewone toestand uw regeering verbiedt rechtstreeks met ons betrekkingen aan te knoopen, en dat gij, ingeval gij eenigen last voor oiis hebt meegebracht, de grootste omzichtigheid moet in acht nemen.

Even haastig echter vatte de koopman het woord op: «Voor gij verder spreekt, verzeker ik u nogmaals als man van eer, dat ik alleen voor mijn eigen zaken hier kom en dat die geen andere zijn, dan ik reeds gezegd heb. Daar ik echter uit uw woorden, en uit veel dat ik op reis gehoord heb, meen op te maken, dat gij mij voor een gevolmachtigde houdt, onverschillig van wie, gevoel ik mij genoodzaakt u te zeggen, dat ik met geen last hier heb kunnen komen, omdat een last, zooals gij er een schijnt te verwachten, onmogelijk is.»

De voorname hoofdman zag ernstig voor zich uit en zei na een oogenblik van sombere stilte: diet doet er niets toe. (Jij zult er niet onder lijden. ■— De wensch, dien gij mij kenbaar hebt gemaakt, is zoo buitengewoon, dat hij bij een wettig bestuur zeker niet vervuld zou worden; als het ons niet gegeven is u als een vriend te beschouwen, gebiedt ons de plicht der zelfverdediging u en uw eigendom als vijandig goed te behandelen. Mijn landgenooten echter hebben, zoo dikwijls zij de wapenen opnamen, de voor hen noodlottige deugd gehad, ook bij anderen op grootmoedigheid te rekenen en voor hun eigen voldoening ook dan edel te handelen, wanneer zij wisten geen dank er mee te zullen verdienen. Houd u overtuigd dat ik, zooveel in mijn vermogen is, n behulpzaam zal wezen om uw eigendom vrij te maken.»

Zoo sprak de edelman, met gevoel van eigenwaarde op lieren toon, en Anton gevoelde levendig dat iets waarlijk edels in de woorden doorstraalde, maar hij was reeds al te zeer koopman om aan zoodanigen indruk zich geheel over te geven; integendeel zijn bewondering werd aanmerkelijk getemperd door de gedachte; «Hij belooft ons hulp, en heeft niet eens onderzocht, of datgene, wat wij uit zijn stad willen halen, werkelijk ons eigendom is.»

«Tot mijn leedwezen ben ik zoo oppermachtig niet», vervolgde de kommandant, «dat ik zoo maar zonder verderen omslag aan uw verlangen kan voldoen; intusschen vlei ik mij u morgen een vrijgeleide voor uw wagens te zullen kunnen bezorgen. Maar zie gij vooral uit te vinden waar uw eigendom op het oogenblik is; ik zal u een mijner officieren tot bescherming medegeven. Morgen vroeg spreken we elkander nader.»

Met deze woorden werden de reizigers vriendelijk weggezonden en

ocr page 237

231

Anton zag bij liet weggaan, hoe de bevelhebber vermoeid in een zachten armstoel ging zitten en met gebogen hoofd het snijwerk van zijn pistool bewonderde.

Een klein heer met lange sjerp, bijna nog een kind, maar vol moed en zelfvertrouwen, ging met de reizigers het huis uit. Bij hun vertrek werden zij door verscheiden personen beleefd gegroet, en Anton begreep dat de voorkamer hen nog altijd hield voor mannen met een hoogst-gewichtige diplomatische zending belast. De officier vroeg waarheen hij de heeren zon brengen; hij had last gekregen hen niet te verlaten.

«Is het om ons te beschermen of te bewaken ?» vroeg Anton vroolijk, want hij had nu goeden moed.

«Gij zult mij geen reden geven om mij als uw bewaker te beschouwen», antwoordde de kleine soldaat in vlug fransch.

«Neen», zei de koopman, vol belangstelling den jongeling aanziende, «maar wij zullen het u wel lastig maken, want wij hebben heden nog vele voor u zeer vervelende en alledaagsche zaken te beredderen.»

«Ik doe niets dan mijn plicht», antwoordde op trotschen toon hun geleider, «als ik u den weg wijs, waarheen gij het moogt verlangen.»

«En wij den onze, als we haast maken», zei de koopman.

Zoo wandelden de reizigers door de straten der stad. De nacht was gevallen, maar iu zijn nevel werd het verward geraas nog akeliger. Hoopen van het laagste volk, afdeelingen van het leger, scharen voortvluchtige landlieden wemelden schreeuwend, vloekend, zingend, dooreen; vele vensters waren verlicht, en de glans der lampen wierp op de straten een flauw, spookachtig schijnsel. Hoven de huizen rolden dicht opeengepakte roodachtige wolken voort; er was brand in een der voorsteden en de wind joeg de gouden vonken en gloeiende houtspaanders boven de hoofden der reizigers. Daarbij luidden de klokken der torens met doodschen klank een eentonigen treurzang, ünze vrienden haastten zich zwijgend door het gedrang, de gebiedende woorden van hun geleider baanden hun een weg ook midden door dreigende volks-hoopen. Zoo kwamen zij bij het huis, waar de agent der firma T. O. Schröter woonde. De deuren en vensters waren gesloten en lang moesten zij kloppen, voor dat eindelijk een raam werd opengeschoven en een angstige stem van boven riep: «Wie is daar?»

Als zij binnen kwamen, liep de agent hun wanhopend tegemoet en viel den koopman luid kermende om den hals. De tegenwoordigheid van den jongen muiter verhinderde hem zijn gevoel lucht te geven; hij opende voor de gasten zijn kamer, en verzocht op ongelukkigen toon verschooning voor de wanorde. Kofl'ers en kisten stonden gepakt; vrouwen en dienstboden liepen angstig heen en weder, verborgen hier de zilveren luchters en pakten daar weer zilveren lepels uit. Intusschen wrong de huisheer onophoudelijk de handen, stapte de kamer op en neder, bejammerde zijn ongeluk en het ongeluk van de firma, zegende en beklaagde in één adem de komst van den principaal, en verzekerde onder dat alles den jongen krijgsman met half gesmoorde stem dat hij ook een patriot was, en dat alleen een onbegrijpelijk verzuim van het dienstmeisje de cocarde van zijn kalotje had zoek gemaakt. Uit alles bleek ten duidelijkste dat bij den man en zijn geheele huisgezin het hoofd op hol was. Mei moeite en eerst door een

ocr page 238

232

ernstige toespraak kreeg de koopman hem zoover, dat hij liem in een hoek van de kamer omtrent den stand der zaken behoorlijk op de hoogte bracht. De vrachtwagens waren in de stad gekomen, juist den dag dat de opstand was uitgebroken. Door den ijver van den voerman waren zij op de groote plaats van een afgelegen herberg bezorgd. Wat er sinds dien tijd van de bezending geworden was, wist de agent niet. Na een kort onderhoud zei de koopman: «Van uw gastvrijheid willen wij vooi' heden nacht geen gebruik maken; wij zuilen gaan slapen waar de wagens zijn.» Alle bezwaren, door den agent ti!gen dit besluit ingebracht, werden met vastberadenheid weerlegd. De eerlijke, maar zwakke man scheen wezenlijk bekommerd voor de nieuwe gevaren, waaraan zich zijn handelsvriend wilde blootstellen.

«Morgen vroeg haal ik u af,» zei de koopman bij het heengaan; «ik ben van plan morgen met mijn wagens te vertrekken; vooraf echter zal ik eenige oude klanten opzoeken, wijl dit, gelijk gij weet, noodzakelijk is; daarbij zou ik gaarne uw gezelschap hebben.» De agent beloofde bij daglicht alles te zullen doen, wat in zijn vermogen was.

Nu gingen onze reizigers weer in den donkereu nacht de straat op, voorafgegaan door den Pool, die met verachting naar het half luid gesproken onderhoud had geluisterd. Op straat zei de patroon, zijn cigaar knorrig wegwerpende, tot Anton:

«Onze vriend zal ons niet van groot nut zijn; hij is hulpeloos als een kind. llij heeft verzuimd bij het begin van deze onstuimige dagen zijn plicht te doen, gelden te inkasseeren, en zekerheid voor onze vorderingen te zoeken.»

«En nu zal niemand lust hebben,» sprak Anten bekommerd, «om ons of geld of zekerheid te geven.»

«En toch moeten wij morgen doortasten en gij zult mij daarbij behulpzaam wezen. Waaraehtig, zulke oorlogsstormen zijn voor den handel buitendien al lastig genoeg, zij verlammen iedere nuttige werkzaamheid van den mensch ; en toch is deze het alleen, die hem belet een dier te worden. Als een handelaar zich echter nog meer laat hinderen dan noodig is, maakt hij zich aan een vergrijp schuldig tegen de beschaving, een vergrijp, dat bijna in 't geheel niet te herstellen is.»

Zoo pratende kwamen zij in een gedeelte der stad, waar de leege straten en doodsche stilte rondom hen, bij het leven in de verte en den rooden gloed aan den hemel een pijnlijken indruk maakten. Eindelijk hielden zij stil voor een onaanzienlijke woning met een groote poort. Zij traden binnen en zagen in de gelagkamer, een morsige ruimte met zwarte balken, waar, op houten banken en tafels, patriotten zaten te schreeuwen en brandewijn te drinken. De jonge officier ging naar de deur en riep den herbergier. Een dikke man met rood gezicht dook uit den damp van de gelagkamer op. «In naam van de regeering, een kamer voor mij en mijn gezelschap,» beval de andere. Ontevreden nam de kastelein een bos verroeste sleutels en een vetkaars en bracht de vreemden naar de eerste verdieping; daar opende hij een dompig vertrek en zei op knorrigen toon dat hij geen andere kamer vrij had.

«Geef ons brood en een flesch van uw besten wijn,» zei de koopman, «wij betalen goed en terstond.»

De stemming van den dikken waard veranderde zichtbaar door deze woorden, ja hij kwam zelfs op de ongelukkige gedachte om een beleefd

ocr page 239

233

gezicht te willen zetten. Nu vroeg de koopman naar de voerlui en de wagens. Die vragen vielen den kastelein rauw op het lijf. Eerst veinsde liij van niets af te weten en zei dat er zooveel wagens zijn plaats waren opgereden; er waren ook wel voerlui, maar hij kende ze niet.

Te vergeefs deed de koopman zijn best hem het doel van zijn komst duidelijk te maken ; de kastelein bleef dom en werd weer gemelijk en grof, totdat de jonge Pool er zich in mengde en den koopman aan het verstand bracht, dat men met zulke menschen heel anders moest spreken. Uij plaatste zich voor den herbergier, schold hem ecnige malen voor hond uit, en beloofde hem op slaanden voet in hechtenis te nemen en te laten wegbrengen, zoo hij niet terstond de beste inlichtingen gaf.

De kastelein zag angstig naar den officier, en verklaarde zich eindelijk bereid weg te gaan en een der voerlui naar boven te zenden.

Kort daarop stommelde een lange mansgedaante met bruinen vilten hoed de trappen op, stond verbluft toen hij den koopman gewaar werd, en verklaarde eindelijk, met gemaakte vriendelijkheid dat hij tot zijn dienst was.

«Waar staan de wagens? waar zijn de vrachtlijsten?»

De wagens waren op de plaats van de herberg; de vrachtlijsten kwamen schoorvoetend uit de morsige leeren portefeuille van den voerman.

Je staat er mij voor in, dat je lading onbeschadigd en overeenkomstig de lijst is?» vroeg de koopman.

Knorrig antwoordde de vilten hoed dat hij daarvoor niet kon instaan. De paarden waren afgespannen en in een afgelegen stal verborgen, uit vrees dat zij door de regeering in beslag zouden worden genomen; wat van de wagens onder dak was gekomen, kon hij niet weten en ook niet verantwoorden; bij zoo een algemeene verwarring hield alle aansprakelijkheid op.

«Wij zijn in een dievenhol,» zei de koopman tot don officier,» «ik roep uw hulp in om de menschen tot rede te brengen.»

Nu was menschen tot rede te brengen Juist de kunst, waarin de jonge Pool zich vleide uit te munten. Glimlachend nam hij een pistool in de hand en zei beleefd tot Anton: «Doe gij even als ik en wees zoo goed mij te volgen.» Daarop pakte hij den voerman bij den kraag, als een doodgeschoten haas, en sleepte hem den trap af den gang in. «Waar is de kastelein?» donderde hij met zoo'n barsch mogelijke stem. «Hier, met dien bond van een waard, en een lantaarn!» Toen de lantaarn eindelijk gekomen was, bracht hij den geheelen hoop, de vreemdelingen, den gevangen voerman, den dikken kastelein, en al wat op het leven was komen toeschieten, naar de plaats. Daar zette hij zich met zijn gevangene als het middelpunt van een cirkel, zond den kastelein nog eenige scheldnamen naar het hoofd, gaf den voerman een paar fiksche slagen met den kolf van het pistool, en zei toen beleefd in het fransch tot den koopman; «De schedel van dien kerel klinkt opmerkelijk hol; wat verlangt gij nu van de lummels?»

«Wees zoo goed de voerlui bijeen te roepen.»

«Pest,» zei de Pool, «en dan?»

«Dan wil ik do lading der wagens onderzoeken, als het in den don-kei' mogelijk is.»

«Mogelijk is alles,» zei de Pool, «als gij u de moeite wilt getroosten bij nacht al dat oude linnen door te snuffelen. Ik zou u raden een llesch sauterne te drinken en een paar uren rust te nemen. Men moet in zulke gevallen de gelegenheid niet voorbij laten gaan om zich wat te versterken.»

ocr page 240

234

«Ik wou liever (ie Wiigens dadelijk zien,» antwoordde de koopman • glimlachend, «als gij er althans niets tegen hebt.»

«Ik ben van dienst,» zei de Pool, «dus frisch aan 't werk ; er zijn hier handen genoeg óm het licht voor u te houden. Hier, godvergeten schurken!» vervolgde hij in het poolsch, den voerman weer knijpende en den waard bedreigende. «Ik voer je allen gezamenlijk weg en laat krijgsraad over je houden, als je niet oogenblikkelijk de andere voerlui van dezen heer hier bezorgt. Hoeveel zijn er?» vroeg hij in het fransch aan den koopman.

«Er zijn veertien wagens,» antwoordde deze.

«Veertien moeten er wezen,» gilde de Pool tegen de anderen, «de duivel zal al je grootmoeders halen, als je niet terstond voor dezen heer aan het werk gaat!» Met behulp van een ouden huisknecht werden eindelijk een dozijn voerlui opgehaald, twee waren nergens te vinden; de kastelein bekende ten laatste dat zij zich bij het leger der patriotten hadden aangesloten.

De Pool scheen niet veel waarde te hechten aan die vaderlandsliefde. Hij zei, zich tot den koopman wendende; «Hier hebt go uw menschen, zie nu zelf naar de lading; als er maar één stuk ontbreekt, laat ik over het gansche gezelschap executie houden.» Met deze woorden ging hij onverschillig op een wagendissel zitten en bekeek bij het schijnsel der fakkels de punten van zijn bemodderde verlakte laarzen.

Ken aantal lantaarns benevens eenige fakkels waren aangebracht en na een bemoedigende aanspraak des koopmans, kropen de voerlui onder het heiiieger wagens, die op de groote plaats verzameld stonden ; eenige ledige wagens rolden ze op zij en openden den toegang tot hun vracht. De meesten hunner waren reeds vroeger in dienst van den koopman geweest en kenden hem en Anton persoonlijk ; sommigen toonden zich dienstvaardig en goedgezind, en terwijl de koopman den verstandigste van hen ter zijde nam en uitboorde, onderzocht Anton, voor zoover het in der haast mogelijk was, hoe het met de lading, die grootendeels uit wol en talk bestond, gesteld was. Eenige wagens hadden niets geleden, een ander was geheel afgeladen, verscheidene van de huiven beroofd en gedeeltelijk uitgeplunderd. De koopman naderde toen den jongen Pool: «Het is zooals wij vermoedden,» zei hij, «de kastelein heeft enkele van de voerlui bepraat om te gelooven dat, daar het nu oproer was, zij van hun verplichtingen ontheven waren : zij waren reeds begonnen de lading naar een aangrenzend gebouw over te brengen. Waren wij een dag later gekomen, alles zou weggeborgen zijn. De waard en eenige spitsboeven vati zijn slag hebben er hen toe aangezet, een deel van de voerlui is door dreigementen bang gemaakt.»

Op dit bericht volgde een nieuwe stroom van scheld- en vloekwoorden uit den mond van den kleinen officier ; de kastelein, wiens gezicht geen spoor meer van de vroegere roode kleur droeg, lag voor hem op zijn knieën en werd door hem bij de haren vastgehouden en nu en dan erbarmelijk geschud. Inmiddels liep Anton met de voerlui storm op de gesloten koetshuisdeur, brak ze open, en ontwaarde tot zijn blijdschap de wolzakken en de andere gestolen goederen.

«Laat de kerels opladen, zij mogen tot hun straf den geheelen nacht doorwerken,» zei de koopman. Na eenige tegenspraak gehoorzaamden de

ocr page 241

235

voerlui, overwonnen door een tal van beloften en bedreigingen. Do Pool joeg de dronken gasten der gelagkamer liet huis uit, liet de voordeur sluiten en alle lampen en kaarsen van het huis aandragen. Daarop sleepte hij onder voortdurend plukharen den kastelein naar de eerste verdieping, liet hem daar door eenige behulpzame patriotten met grooto cocarden, die zich onder het getal der gasten in de gelagkamer hadden bevonden, aan een beddepost vastbinden en maakte hem bekend dat hij voor dien nacht op geen andere aanraking met zijn bed moest rekenen. «Wanneer de waren, zonder dat er iets aan onbreekt, teruggevonden en uit je huis gered worden, zul je vergill'eni.s krijgen ; in het tegenovergestelde geval zal ik je laten vonnissen en doodschieten.»

Intusschen waren zij op de plaats druk bezig. Geratel van wagens, gerammel van kettingen werd voortdurend gehoord, met een verward geroep van menschenstemmen. Anton liet de wagens oppakken en de vracht vastmaken. In den ijver van het werk zag hij nauwelijks om zich heen eti dacht slechts nu en dan aan de vreemde omgeving en het avontuurlijke van dit tooneel. Het was een groote vierkante plaats, tusschen lage vervallen houten huizen, stallen en wagenloodsen ingesloten, met twee ingangen, een door do herberg zelve, een andere door een daar vlak tegenover liggende poort; een lap grond van verscheiden morgen uitgestrektheid, gelijk men zo dikwijls iu het oostelijk Europa bij de herbergen aantreft, die aan de groote handelswegen liggen, en even als de caravansera's van het morgenland bestemd zijn om groote goederenbezendingen en een onverwachts aangekomen menigte menschen, zoo goed en zoo kwaad als mogelijk is, een veilige rustplaats te bezorgen. Allerlei wagens stonden op de plaats in het groote vierkant dooreen ; liet was een warboel van ladders, dissels, raderen, groote gevlochten wilgenmanden, en grauwe linnen huiven; van bossen hooi en stroo, oude teertonnen en draagbare voerbakken. Behalve do stallantaarns en de flikkerende fakkels gaf ook de rootle lucht haar licht; nog steeds rolden brandwolken, samengepakte rook en gloeiende vonken over de hoofden der reizigers. Het vreemde schemerlicht bescheen hier althans een werk des vredes. De voerlui werkten dapper door ; een troep donkere gedaanten verdween nu eens in de schaduw der wagens en balen, dan sprong zij weer boven op de karren, en om hun levendig gebarenspel had men hem in den rooden glans voor wilden kunnen houden, die een onbekend nachtelijk werk verrichtten.

De koopman liep tusschen de plaats en de gelagkamer heen en weer, te vergeefs verzocht Anton hem toch minstens eenige uren rust te nomen. .«Voor ons is er dezen nacht geen tijd om te slapen,» antwoordde hij ernstig, en Anton las in den somberen blik van zijn patroon het vast besluit eens mans, die bereid is alles te wagen om zijn wil door te zetten.

Het was bijna morgen toen de laatste reusachtige wolzak met kettingen en touwen boven op den wagen was vastgebonden. Anton, die zelf mee handen aan het werk had geslagen, liet zich naar beneden glijden en bracht zijn patroon de welkome boodschap : «Wij zijn klaar.»

«Eindelijk !» antwoordde de koopman die ademhalend, en ging naar boven om het aan zijn vriendelijken begeleidei'te vertellen. Deze had een nacht op zijn manier doorgebracht; eerst nuttigde hij met smaak het brood en den wijn, die ontstelde dienstmeisjes op zijn last boven brachten, en vond nog altijd goed de eene zoowel als de andere genadig om het middel

ocr page 242

236

to pakken en haar eenige lieve woordjes in te fluisteren. Dan bekeek hij ile morsige bedden en wierp zich eindelijk met een franschen vloek op een er van neder, zag onverschillig naar het vertrokken gelaat van den schelmachtigen kastelein, die tegenover hem op den grond zat, tuurde op den zolder, en maakte, ofschoon hij reeds half in slaap was, den koopman, die af en aan binnen kwam zijn compliment over de ge-makkelijkheid, waarmee hij een nacht zonder slapen wist door te brengen. Ten laatste sliep hij gerust in. Althans de koopman vond hem zoo lang hij was uitgestrekt op het grove linnen, het fijne gelaat onder het lange zwarte haar genoegzaam verborgen, de kleine handen ineengevouwen, met een vriendelijk lachje om den mond. Zoo was hij met wat hem omringde geen ongeschikt beeld van de aristokratie van zijn stam; hij zelf een aanzienlijk kind met de hartstochten, ja wellicht met de gebreken van een man, en tegenover hem op den grond de ruwe gedaante van den geboeiden plebejer, die den schijn aannam als of hij ook «liep, maar telkens met nijdigen blik naar den jongen oflicier gluurde.

De aristokraat sprong op toen de koopman bij zijn bed kwam, opende het venster en zei «Goeden morgen, het is dag, ik heb overheerlijk geslapen.» Daarop riep hij een voorbijgaande patrouille toe halt te maken, vertelde den aanvoerder met korte woorden den stand van zaken, gaf bem het overschot van het avondeten, vertrouwde hem den kasteleiii toe, en beval hem zonder verderen omslag met zijn manschappen in het huis de wacht te houden, totdat hij zelf terug kwam. Vervolgens gelastte hij de voerlui in te spannen en geleidde de reizigers naar buiten in het schemerlicht van een somberen dag.

Op weg naar den agent zei de koopman tot Anton: «Wij zullen de noodzakelijkste bezoeken verdeelen; zeg gij aan onze klanten, dat het volstrekt niet onze bedoeling is het hun moeielijk te maken; dat zij zoodra de orde hersteld zal zijn, op de grootste inschikkelijkheid en toegevendheid staat kunnen maken, ja in zekere gevallen op een uitbreiding van crediet; dat wij nu echter vóór alles zekerheid verlangen. Wij zullen in deze verwarring niet veel kunnen afdoen, maar dat die heeren heden dooi' ons zelve aan de firma worden herinnerd, is wel de helft waard van onze uitstaande posten.» Meer op fluisterenden toon voegde hij er bij: «Deze stad heeft haar tijd gehad; wij zullen in het vervolg hier weinig zaken hebben, denk daaraan en houd u ferm.» En tot den Pool zich wendende, sprak hij : vdk verzoek u mijn reisgezel te vergunnen om onder begeleiding van onzen agent eenige bezoeken voor zaken te doen.»

«Als uw agent met zijn hoofd voor de terugkomst van, dezen heer wil instaan,» antwoordde de Pool aarzelend,» heb ik er niets tegen.»

Uet daglicht had zijn eigenaardige kracht om aan de bloem kleur en aan de vreesachtigen moed te geven, ook aan den agent bewezen. Deze verklaarde zich bereid met Anton uit te gaan. Onder de bescherming van de groote cocarde, die de agent aan zijn hoed droeg, ijlde Anton van huis tot buis, zelf vermoeid en bleek na den slapeloozen nacht, maar met een vast besloten hart. Overal werd hij met de grootste verbazing ontvangen, die niet altijd geheel vrij was van ontsteltenis. «Hoe was het mogelijk dat men in zulke omstandigheden, er aan kon denken om zaken af te handelen, te midden van wapengekletter en klokgelui, wanneer men in doodsangst verkeerde voor een vreese-lijke toekomst?»

ocr page 243

237

Anton antwoordde koeltjes: «Onze firma is niet voornemens zich aan het krijgsrumoer te storen, ais zij er niet toe wordt gedwongen; iedere tijd is geschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen; als liet voor ons een tijd was om hierheen te komen, dan is het voor u ook een tijd met mij af te rekenen.» Door zoodanige en diergelijke woorden gelukte liet hem hier en daar een belofte, toezegging. Ja zelfs eenige betalingen te ontvangen.

Na eenige uren van ingespannen arbeid, trof Anton in de woning van den agent zijn patroon weer aan. Toen hij verslag van zijn bezoeken had gegeven, zei de koopman hom de hand reikende: «Zoo we nu nog onze wagens gelukkig uit de stad brengen, hebben we zooveel gewonnen, dat wij de onvermijdelijke verliezen in deze stad wel kunnen dragen. Nu naar het Hoofdbestuur. Hij gaf den agent nog anderen last en zei hem bij het weggaan fluisterend ; «Binnen weinige dagen zullen onze troepen inrukken; ik neem aan dat gij tot zoo lang uw huis verlaat. Dan zullen we elkander weer zien.»

De agent smeekte met opgeheven handen de bescherming van allo heiligen over de reizigers af, sloot en grendelde de deur zorgvuldig achter hen dicht, en verborg zijn revolutionnairo cocarde achter de kachel.

De reizigers liepen met haastige schreden onder geleide van den Pool door liet gewoel der menschen. Wederom waren do straten druk en vol, wederom trokken scharen gewapenden mannen hen voorbij, het volk was woester en opgewondener en het geschreeuw luider dan den vorigen avond. Hevig klopte men op de huizen en verlangde binnengelaten te worden, vaten brandewijn werden over de steenen gerold en door dichte drommen van dronken mannen en vrouwen omringd ; alles duidde aan dat de uitvoerende macht niet stei k genoeg was om de orde op straat te handhaven. Ook in de woning van den komman-dftnt heerschten onrust en verwarring; gewapenden liepen in- en uit) en de tijding, die zij brachten, moest ongunstig wezen, want in de groote voorkamer fluisterende inen levendig op half luiden toon, en angstige verwachting was op ieders gelaat te lezen.

De jonge Pool werd bij zijn komst door zijn vrienden omsingeld en in een hoek ter zijde genomen. Na haastige vragen greep hij een geweer, riep eenigen bij hun naam af, en verliet de kamer zonder zich verder om do reizigers te bekommeren.

De koopman en Anton worden in het zijvertrek binnengelaten. Daar ontving hen de jonge kommandant. Ook hij was bleek en neerslachtig, maar bewaarde toch al de vormen van een voornaam heer, toen hij den koopman aansprak. «Ik heb mij beijverd aan uw verlangen te voldoen ; hier hebt gij een geleibrief voor u en uw wagens; ik verzoek u dit te willen beschouwen als een bewijs, dat wij de burgers van uw staat met goedheid wenschen te behandelen, meer wellicht dan de plicht van zelfbehoud raadzaam maakt.

«De koopman ontving liet gewichtig papier met glinsterende oogen ; «Gij hebt mij een allerbelangrijkste dienst bewezen,» zeide hij, «ik gevoel mij zeer aan u verplicht, en hoop dat mij eens de gelegenheid zal gegeven worden u mijn dankbaarheid te betoonen.»

«Wie weet,» antwoordde de jeugdige bevelhebber met een zwaarmoedig lachje, «wie alles op het spel zet, kan ook alles verliezen.»

«Veel, antwoordde de koopman met een beleefde beweging van het hoofd, «veel, maar niet alles, als men met ijver en eerlijkheid zijn best doet.»

Op dit oogenblik drong een dolle toon door tot de ooren der aanwezi-

ocr page 244

238

gen; een geluid als hot gegier van den huilenden wind, of het bruisen van een den dam doorbrekenden stroom. De kommandant stond onbewegelijk en luisterde. Eensklaps barstte vlak in de nabijheid een akelig valscli geschreeuw los uit vele kelen, enkele schoten volgden. Anton, dooi' nachtwaken en lange spanning voor angst en schrik vatbaar, deinsde terug; hij zag dat de hand van den patroon, die den geleibrief vasthield, hevig beefde. Daar werd de deur van het kleine vertrek opengerukt, eenige rijzige mannen stormden binnen met gescheurde klee-deren, de wapenen in de hand, op de ontstelde gezichten de sporen dragende van het straatgevecht, met den geleider der reizigers aan het hoofd.

«OproerU riep de jonge Pool zijn bevelhebber toe, «zij zoeken ui — Red ul Ik houd ze tegen.» Snel als de gedachte sprong Anton op zijn patroon toe, sleepte hem met zich mee, en beiden vlogen door de voorkamer de trappen af naar den gang. Hier troffen zij een troep gewapenden aan, die zich nog tegen een binnendringende volksmenigte bij den ingang van het gebouw zocht staande te houden. Maar hoe vlug onze reizigers ook waren, nog vlugger ijlde hun makker van den vurigen nacht de trappen af, plaatste zich aan het hoofd zijner vrienden, en wierp zich, onder het aanheffen van een woest geschreeuw, den dringenden volkshoop te gemoet. Wild golfden de zwarte haren om ziju bloote hoofd, en op zijn schoon, thans doodsbleek gelaat, straalde uit zijn oogen de onweerstaanbare wilskracht van eeti dapper man. «Terug!» riep hij met heldere stem het volk toe, en sprong als een tijger van de trappen van het portaal midden in den hoop, terwijl hij met de platte zijde van zijn sabel op de hoofden der binnendringers sloeg. De volksmassa week terug, de makkers van den dapperen Pool namen blakende van strijdlust de plaats achter hem in. Andermaal greep Anton den arm van zijn patroon en trok hem uit het gewoel, met de haast die een mensch slechts dan bezielt, als hij onwillekeurig e^n machtigen drang volgt. Reeds waren zij achter een vooruitspringend gedeelte van het huis, toen er een schot viel, en met innig medelijden zagen zij, dat de jonge Pool bloedende achterover viel. Zij hoorden nog zijn laatsten kreet; «Die schelmen!»

«Naar de wagens!» riep de koopman en sloeg een zijstraat in. Uit de verte werden nog enkele geweerschoten vernomen en het geschreeuw der oproerlingen; de reizigers drongen dooiquot; het gewoel van nieuwsgierige en ontstelde burgers, die hun loop door afgeleden straten belemmerden, en kwamen eindelijk, buiten adem en op het ergst voorbereid, bij de herberg. Ook hier was het oproep losgebroken. De achtergelaten wacht had den kastelein los gemaakt en was haastig weggegaan, zoodra het bericht van den opstand tot hen was gekomen. Thans was het een algemeen gekijf en geschreeuw van vele stemmen door elkander op de plaats. De waard, ondersteund door een hoop gepeupel, was in hettigen woordenstrijd met de voerlui. Een gedeelte der wagens was ingespannen en gereed om te vertrekken; van de andere was de huif afgerukt, een deel der voerlui, klaarblijkelijk de minderheid, hield voor de wagens post en verzette zich tegen de aanvallen van den kastelein en zijn bende. Het was een wanhopende toestand. De koopman scheurde zich van Anton, die hem terug wilde houden los, wierp zich midden in het gewoel der slrijilende partijen en riep, den vrijbrief in de hoogte houdende, in het poolsch: «Halt! Hier is het bevel van

ocr page 245

239

den kommanclant, rlat onze wagens de stad zidlen verlaten. Wie niet gehoorzaamt, zal gestraft worden. Wij staan onder de bescherming der regeering.»

«Van welke regeering? Gij schobbejak van een Duitscher!» gilde de waard met een gezicht zoo rood als een kers; «de oude regeering heeft niets meer te zeggen, de verraders hebben hun loon, en gij, spionnen, zult opgeknoopt worden.» Met deze woorden liep hij op den koopman toe en sloeg met een ouden sabel naar het hoofd van den ongelukkige.

Anton ging een rilling over het lijf; maar zoo als bij een mensch in de verschrikkelijkste oogenblikken op onverklaarbare wijze de zeldzaamste verbinding van begrippen kan opkomen, zoo ook scheen hem op eens de breede rug van den kastelein van buitengewone overeenkomst te hebben met den rug van een ouden schoolkameraad uit Ostrau, een goedtiardigen bakkerszoon, op wien hij bij verschillende kloppartijen zich in het jongenskunslje geoefend had om zijn tegenpartij door een zekeren ruk en gelijktijdigen duw, van achteren plat op den grond te werpen. Als een bliksemstraal schoot hij op den kastelein toe, pakte hem met reusachtige kracht in den nek, gaf hem den ruk volgens de regels der kunst, eti riep daarbij onwillekeurig: «Daar, hansworst!» — De neerzijgende sabel verloor zijn gevaarlijke richting, hij trof den arm des koopmans, doorkliefde den rok en drong in hot vleesch door; het bloed kleurde onmiddellijk hot witle linnen, dat door de mouw zichtbaar was. Toen de dikkert, als een kever spartelende, op den rug lag, hield Anton hem het getrouwe pistool voor het hoofd en riep in dolle drift: «Terug, schurken, of ik schiet hem dood!»

Deze snelle wending had voor het oogenblik krachtiger uitwerking, dan Anton naar den stand der zaken had durven verwachten. Het gepeupel, dat de kastelein uit de gelagkamer bijeengeroepen had en, dat toch niet voor eigen rekening handelde, week terug; en een half dozijn voerlui zetten zich met ijzeren bonten en andere wapentuigen om den koopman heen en schreeuwden thans even hard, als vroeger de anderen, dat den vreemden heer en zijn wagens geen kwaad zou worden gedaan. De koopman riep: «Jaagt het vreemde volk naar buiten?» vatte zelf den sabel, die den op den grond liggenden waard uit de hand gevallen was, viel aan het hoofd zijner getrouwen op de vrienden van den kastelein aan, en joeg ze door den gang de deur uit. De hals-starrigsten deden nog een vergeefsche poging om zich in de gelagkamer staande te houden, maar de een na den ander werden zij het huis uitgedrongen, zoodat zij razende en vloekende wegslopen. Daarop werd de huisdeur goed gesloten en de koopman spoedde zich naar de plaats terug, waar Anton nog altijd voor den onverbeterüjken waard geknield lag en dezen verhinderde op te staan. De andere voerlui waren bevreesd teruggetrokken. De koopman riep ze nu allen op en gelastte: «Spant in!» Tot Anton zei hij: «Dit huis moeten we terstond verlaten. Beter op straat onder den blooten hemel, dan in dit dievenhol.»

«Gij bloedt!» riep Anton, verschrikt naar den arm des koopmans ziende.

'tZal niet veel beteekenen, ik kan mijn arm bewegen,» antwoordde de koopman haastig. «Gooit de achterdeur open, vooruit met de wagens mannen! — Een van de voerlui zal u helpen den kastelein vast te houden.

«l'Jn waarheen gaan we?» vroeg Anton in het Engelsch. «Zullen we met de wagens ons begeven midden onder het bloedvergieten op straat?»

ocr page 246

240

«We hebben een geleibrief en zullen de stad verlaten,» antwoordde de koopman.

«Men zal den pas niet erkennen,» hernam Anton en hield den onge-duldigen waard het pistool op het voorhoofd.

«In het ergste geval zijn er altijd nog andere herbergen in dit ge-Sleelte der stad; iedere andere zal beter zijn dan deze.»

«Maar de voerlui zijn niet voltallig, en sommige hunner zijn kwalijk gezind.»

«Den kwaden wil van enkelen onderdruk ik,» antwoordde de koopman somber. «De wagens zijn kompleet, er ontbroken alleen knechts. quot;Wie paarden had, bleef getrouw aan zijn plicht. — De poort staat open; vooruit met de wagens.»

De achterpoort voerde op een open plein, dat met puin en bouw-steenen bedekt en met enkele armoedige woningen in de rondte bebouwd was. De koopman ijlde naar de poort en dreef de voerlui tot hun vertrek aan. Een stevig gezel kwam van zijn paarden, om Anton behulpzaam te zijn. 't Waren angstige oogenblikken. Nabij het huis worstelden Anton en zijn makker met den man op den grond, en aan de deur kermden de afzichtelijke vrouw van den waard en de beide dienstmeisjes. Als de eerste wagen door de poort reed, werd het gegil der vrouwen akelig; de waardin riep moord en brand en de meisjes klaagden luider. Tiaar mate de jonge voerman haar verzekerde dat den waard geen kwaad zou worden gedaan, als hij maar rustig bleef liggen; «de rekening,» zéide hij, «zullen ze ook wel betalen.»

Daar daverden kolfslagen op de gesloten huisdeur; de vrouwen vlogen er heen en maakten ze open, en zoo groot was de wanhopende spanning der laatste oogenblikken geweest, dat Anton met een zeker genot een sterken troep gewapenden de plaats zag binnenkomen, flij stond van den grond op en liet den kastelein los. De koopman echter ging met wankelende schreden, als een man die geheel op is, de vijanden te gemoet, die juist op het beslissende oogenblik zijn wil tegenwerkten. De aanvoerder der afdeeling, een van de patrouille, die de jonge Pool 's morgens in de herberg had geroepen, zei tot don koopman : «De regeering beschouwt u als haar gevangene en uw goederen mogen de stad niet verlaten,»

«Ik heb een vrijpas,» antwoordde de koopman met heesche stem en tastte naar den rokzak.

«liet nieuwe bewind verbiedt u te vertrekken,» hernam de gewapende kortaf.

«Dan moet ik mij onderwerpen,» antwoordde de koopman; hij ging werktuigelijk op een dissel zitten en hield zich met beide handen aan den wagen vast.

Anton steunde den bewustelooze met zijn arm en riep hevig bewogen: «Wij zijn in deze herberg reeds tweemalen beroofd; wij hebben zoo even in gevaar verkeerd van vermoord te worden, mijn vriend is gewond. Als uw regeering ons en de wagens voorloopig in de stad wil houden, bescherm gij dan toch ons leven en de goederen welke ons eigendom zijn. In deze herberg kunnen de wagens niet blijven; zoo gij ons van de wagens afscheidt en wegvoert, zal het nog moeielijker zijn te verhinderen, dat zij geplunderd en vernield worden.»

De soldaten staken de hoofden bijeen en hielden raad; eindelijk riep

ocr page 247

241

hun opperhoofd Anton, Na lang over en weer praten werd besloten de wagen naar een nabijgelegen herberg van gelijken aard, maar van beter faam, te brengen. Anton kreeg de vergunning om met den koopman onder toezicht in hetzelfde logement te blijven, totdat men verder zou hebben bepaald wat met hen te doen. De koopman had intusschen tegen het linnen van den wagen leunend onverschillig daar neergezeten. Anton deelde hom nu spoedig den uitslag mede van de onderhandeling.

«Wij moeten er ons wel in schikken,» sprak de patroon langzaam en deed moeite om op te staan. «Vraag gij de rekening aan den kastelein.»

«De waard zal door ons betaald worden,» zei de aanvoerder van den troep en duwde den eigenaar van de herberg vrij onzacht op zijde. «Denk nu slechts aan u zeiven,» voegde hij er op deelnemenden toon bij en vatte den arm des gewonden om hem te ondersteunen.

«Uetaal voor ons en voor de paarden,» herhaalde de koopman, «wij moeten hier niets schuldig blijven.»

Anton nam zijn portefeuille, riep de voerlui bijeen, overhandigde in hun bijzijn den kastelein een bankbiljet en zei tot hem: «Aldus betaal ik u, totdat uw rekening zal zijn opgemaakt, voorloopig deze som. Gij, mannen, zijt getuigen.» De voerlui knikten eerbiedig en keerden naar hun wagens terug.

De trein zette zich nu in beweging. Vooraan een gedeelte der manschappen, dan de vrachtwagens, die langzaam en met moeite over do steenen van den uitgang rolden, enkele zonder voerman, alleen dooide goed gedresseerde paarden in de rij gehouden. De koopman stond bij de poort, op Anton leunende en telde zachtjes als in een droom zoo dikwijls een wagen de poort uitreed; toen de laatste er door was, riep hij: «in orde,» en liet zich door Anton en den Pool achter de wagens naar de herberg geleiden. In de eerstvolgende dwarsstraat reed de trein eene ruime plaats van een logement op. ïoen eindelijk na lang uitstel de laatste wagen uitgespannen was en de wacht de poort van binnen gegrendeld had, viel de koopman Hauw neer en werd het huis binnengedragen.

In een klein vertrek werd de kranke neergelegd; de polen plaatsten een wacht voor de kamer der reizigers, een andere op de plaats; Anton bleef met zijn patroon alleen. Angstig knielde hij voor het leger van zijn vriend, maakte diens kleederen los en besproeide het gelaat met koud water. Na een poosje keerde het leven op het gelaat des koopmans terug, hij sloeg de oogen op, keek Anton dankbaar aan en wees naar het venster.

Anton zag naar buiten en riep verheugd: «Het ziet uit op de plaats, ik kan de wagens tellen en goed in liet oog houden. Hier, geloof ik, zijn we naar gelang van omstandigheden al vrij veilig, ofschoon we altijd gevangenen blijven. Nu echter moest gij mij in de eerste plaats toestaan naar uw wond te zien; uw kleeren zijn geheel en al met bloed bevlekt!»

«De zwakte komt meer van inspanning, dan van bloedverlies,» antwoordde de koopman, zich oprichtende.

Anton opende de deur en verzocht dat men oen heelmeester zou laten komen. De schildwacht voor de deur geplaatst verklaarde zich bereid en het na verloop van een pijnlijk uur een schofel mannetje binnen, die haastig een scheermes en een smerigen doek voor den dag haalde, het mes over zijn mouw veegde en den doek in een zeer angstwekkende nabijheid DEBET EN CREDIT i. KJ

ocr page 248

242

van Anions kin poogde te brengen. Met moeite werd hem aan zijn verstand gebracht, waarom liij geroepen was. Anton sneed de roks-mouw en het hemd open en onderzocht zelf de wond. Het was een houw in den bovenarm; hij scheen niet zeer diep, maar de arm was toch stijf en de koopman leed lievige pijnen. De barbier deed zijn best een verband te leggen en vertrok met de belofte dat hij spoedig weer zou komen. Uitgeput door de smart en het aanbrengen van het verband zeeg de koopman op zijn bed neer, en Anton zat het overige van den dag naast hem, lei compressen koud water op den arm en en bewaakte de zieke in zijn koortsachtige slaap.

Weldra verviel hij zelf in een httlven dommel, een staat van at-gewondenheid, die hem voor alles wat buiten de kamer voorviel, onverschillig maakte. Zoo kwam de avond en de nacht; Anton doopte iedere minuut de vingertoppen in koud water, en sloop somtijds van het bed des gewonden naar het venster om naar de wagens te zien, of naar de deur om eenige half fluisterende woorden met de schildwacht, die een goedaardige ziel scheen, te wisselen. Inmiddels woedde in de stad de brand steeds voort, en voor de poorten daverde het geschut van aanvallende troepen. Anton zag onverschillig naar de gloeienden vonken, die door den wind voortgedreven over do ongelukkige stad vlogen; hij hoorde met een flauwe verwondering dat het gedonder van het geschut steeds sterker werd en eindelijk in een vreeselijk kraken over ging; en als hij angstig geschrei of woest gebrul op straat hoorde, werkte het even weinig op hem, als het luiden voor de vroege mis, dat hij op zijn kamer in het huis des patroons kon hooren en dat niet bij machte was iemand uit zijn morgenrust op te wekken, dan wellicht enkele vrome moedertjes. Onbewust doopte hij den ganschen nacht door de handen in het koude water, lei doeken op den arm, en vloog op zoo dikwijls de zieke steunde of zich bewoog. Als deze echter tegen den morgen in een rustigen slaap geraakte, vergat ook Anton zijn werk; het hoofd drukte zwaar op de handen, die hij op de tafel had uitgestrekt; hij zag fn hoorde niets meer; hij was onder liet angstig gegil en het gebulder der kanonnen, dat de verovering eener hardnekkig verdedigde stad aankondigde, onder alle gruwelen van een bloedigen strijd, vast ingeslapen, als een schooljongen op zijn werk.

Toen hij eenige uren later wakker werd, was de morgen lang aangebroken ; de koopman lachte hem van zijn rustbed vriendelijk toe en reikte hem de gezonde hand. Anton drukte ze verheugd in de zijne en ijlde weer naar het venster: «Alles in orde.» Daarop opende hij de deur, de schildwacht was verdwenen. En op straat werd tromgerollel en de geregelde stap van binnenrukkende regimenten gehoord.

III,

«Wij hadden u al opgegeven,» riep de ritmeester, de kamer binnenkomende den koopman toe. «Het is hier ruw toegegaan, en al mijn navra-

ocr page 249

243

gen naar n baatte niets; gelukkig was het dat uw brief mij nog te midden van de algemeene verwarring vond.»

«Wij hebben onzen wil doorgezet,» zei de koopman, «maar gij ziet, niet geheel zonder bezwaren.» Hij wees glimlachend opzijn verbonden arm.

«Laat mij nu in de eerste plaats hooren welke vreemde avonturen u weervaren zijn,» vroeg de ritmeester voor het bed plaats nemende: «gij kunt meer teekenen van den strijd toonen dan wij.» Do koopman ging aan het vertellen. Hij weidde met vuur uit over Antons helden-daden, wien hij zijn redding toeschreef en eindigde met de woorden: «Mijn wond verbiedt mij niet te reizen, en mijn vertrek is dringend noodzakelijk. De wagens zal ik tot aan de grenzen met mij nemen.»

«Morgen vroeg gaat een trein een gedeelte van ons leger naar de grenzen brengen; daaraan kunt gij uw wagens aansluiten. Overigens is de groote weg veilig. Van morgen af zal de geregelde postdienst hersteld zijn.»

«Middelerwijl verzoek ik uwe tusschenkomst, ik wou nog gaarne van daag brieven met extra-post naar huis zenden.»

«Ik zal zorgen,» beloofde de ritmeester, «dat uw terugreis morgen door niets zal worden vertraagd.»

Toen de officier het vertrek had verlaten, zei de koopman tot Anton: «U, mijn beste Wohlfart, moet ik nu een tijding mededeelen, die u, naar ik vrees, niet zeer welkom zal wezen. Ik wenschte u hier in mijn plaats achter te laten.» Verbaasd naderde Anton hot bed van zijn patroon. Op onzen agent is in dezen tijd geen staat te maken,» vervolgde de koopman, «ik heb dezer dagen met blijdschap ondervonden, hoezeer ik op u kan vertrouwen. Wat gij bovendien nog gedaan hebt om mijn hoofd te redden, daar blijf ik u mijn leven lang dankbaar \ooi. En nu, kom met uw schrijftafel bij mij zitten, laat ons nog eens nagaan wat we te doen hebben.»

Den volgenden morgen hield een postrijtuig stil voor de herberg, ile koopman werd er door Anton ingeholpen en bleef aan den kant van de straat wachten, tot al de wagens een voor een de groote poort waren uitgereden. Toen drukte hij Anton nog eens hartelijk do hand en zeide; «Uw verblijf hier kan weken, ja maanden duren. Uw werk zal zeer onaangenaam en somtijds ook zonder vrucht wezen. Maar ik herhaal n, wees niet te angstvallig; ik verlaat mij op uw oordeel als op het mijne. Wees niet bevreesd ons eenig verlies te laten lijden, als gij de onzekere schuldenaars tot betaling kunt bewegen. Deze plaats is verwoest en voor het vervolg voor ons verloren. Vaarwel, mijn vriend, tot wederziens!»

Zoo bleef Anton alleen achter in de vreemde stad, in een betrekking, die door het groote vertrouwen, dat in hem gesteld werd, hem ook gi oote verantwoordelijkheid oplei. liij keerde naar zijn kamer terug, riep den kastelein, en maakte met dezen terstond eenige schikkingen voor zijn verder verblijf. De stad was zoo overbezet met soldaten, dat hij verkoos in de kleine woning, die hij reeds in bezit had, te blijven en gaarne de onaangenaamheden van het bekrompen kwartier verdragen wilde. 11 ij durfde zich niet vleien het elders beter te vinden.

Wel was het een verwoeste stad, door wier straten Anton nu zijn schreden wendde. Weinige dagen geleden vervulde haar het gewoel van hartstochtelijke menschen ; allerlei wilde en dolle plannen stonden toen op ieders gelaat te lezen. Waar was nu die trots, die strijdlust, die opgewondenheid der vele duizenden? — De zwermen landlieden, de hoopen van het ge-

ocr page 250

'2U

peupel, de drommen soldaten, het patriottenleger, alles was uiteengestoven, als schimmen welke de roffel van vreemde trommels verjaagd had. De menschen die men nog op straat zag, waren vreemde krijgslieden; maar hun bonte uniformen gaven de stad geen vroolijker of welvarender aanzien. De brand wel is waar, welks damp de laatste dagen den hemel verduisterd had, was gebluscht; doch in het grauwe herfstlichtstonden de huizen daar alsof ze uitgebrand waren. De deuren bleven gesloten, vele ruiten waren stuk geslagen, op de steenen lag morsigheid, vuil stroo, stukken van meubelen, hier een kar met gebroken raderen, ginds een zadel, daar wapenen en een dood paard. Op den hoek eener straat stonden kasten en tonnen, die men uit de huizen opeen geworpen had als laatste wal tegen de binnendringende troepen, en daarachter lagen de lijken van gesneuvelden, ter nauwernood met eenig stroo bedekt. Anton wendde met huivering zijn oogen af, toon hij de doodsbleeke hoofden onder de halmen gewaar werd. Op de pleinen hadden de nieuw binnengetrokken troepen zicli gelegerd, hun paarden stonden op een hoop te zamen, daarbij de kanonnen; door allo straten dreunde de pas van sterke patrouilles; slechts enkele malen waagde zich een gedaante in burgerkleeren op straat, met den hoed diep in de oogen en angstige blikken van ter zijde op de vreemde soldaten werpende; soms ook werd een bleek man door gewapenden over het plein gebracht en als hij te langzaam liep met de kolven vooruit gedreven. De stad had er akelig uitgezien tijdens den opstand; nog akeliger scheen zij in de doodsche ruste, die er thans heerschte.

Toen Anton van zijn eerste wandeling terugkeerde, vond hij voor zijn kamerdeur een huzaar, die als schildwacht met zwaren tred op en neer liep.

«Mijnheer Wohlfart!» riep de huzaar en vloog Anton te gemoet.

«Mijn beste Karei!» antwoordde deze, «dat is de eerste vreugd, die ik in deze treurige stad beleef. Maar hoe komt gij hier?»

«Gij weet immers, dat ik tegenwoordig mijn tijd uitdien. Wij troffen onze krijgskameraads op de grenzen aan, juist eenige uren nadat gij vertrokken waart. Van don kastelein, die mij nog uit het handelshuis kende, vernam ik uw vertrek. Gij kunt denken in welken angst ik was, — Van daag eerst kon ik verlof krijgen en het was mijn geluk, dat ik een der voerlui in den gang naar u vroeg, anders had ik u zeker nog niet gevonden. En nu, mijnheer Wohlfart, vertel mij eens spoedig, hoe maakt onze patroon het? Hoe staat het met de goederen?»

«Wees zoo goed binnen te gaan,» hernam Anton. «Ik zal u dan alles zeggen.»

«Bedaard wat!» zei Karei, «nog niet; eerst moet nog iets afgehandeld worden. Wat beteekent dat. «Wees zoo goed,» dat«u?» Dat mag ik niet hooren. Doe mij het pleizier, asjeblieft, en spreek tot mij alsof ik nog de oude Karei in do zaak was.»

«Maar gij zijt het immers niet meer,» zei Anton glimlachend.

«Dat pak hier is maar verkleedpartij,» zei Karei op zijn uniform wijzende; «in mijn hart ben ik nog altijd sjouwer-volontair bij T. 0. Schröter. Als ik mij bij u op mijn gemak zal gevoelen, moet gij me ook op de oude manier behandelen.»

«Zooals je wilt. Karei,» antwoordde Anton, «kom binnen en spits je ooren.»

Karei werd rood van kwaadaardigheid toen hij van den oneerlijken

ocr page 251

'245

waard hoorde: «Die gemeene schurk! Aan onze firma, aan onzen patroon heeft hij zich vergrepen. Maar dat zal ik hem betaald zetten: morgen breng ik hem een heele afdeeling van karnuiten in zijn herberg, fk zal hem op zijn eigen plaats laten rondjagen, hij zal als houten paard gebruikt worden, en wij springen een uur lang over hem heen, haasje-over, de een na den ander, en bij iederen sprong geven wij hem een tuip tegen zijn vervloekten kop.»

«Mijnheer Schröter heeft hem alles vergeven,» zei Anton hem bedarende, «.wees jij niet hardvochtiger. Hoor eens, je bent een knappe jongen geworden.»

«liet gaat nog al,» hernam Karei, wien dit compliment recht aangenaam was. «Met den landbouw heb ik mij verzoend. Mijn oom is een goed man. Als ge u mijn vader half zoo groot voorstelt als hij is, en dun in plaats van dik, en met een kleinen wipneus in plaats van zijn grooten, en met een lang uitgestreken gezicht in plaats van dat ronde, en met oen ezelkleurigen rok, zonder loeren schort, en daarentegen met twee hooge kaplaarzen, dan hebt ge mijn oom in levenden lijve. Een prachtig klein ventje! Hij meent het goed met me. In den beginne was het mij wel wat stil op het land, maar daarvoor had men veel kwakend volkje in de slooten; langzamerhand echter ging het. Bij den landbouw ziet men altijd de vruchten van zijn werk, dat is het grootste genoegen. Dat ik soldaat moest worden was mijn grijzen oom een streep door zijn rekening; mij deed het pleizier dat ik nu eenmaal in ernst op een paard kwam en iets van het gepluk-haar mee kon zien. Ellendige boerderijen hier in het land, mijnheer Wohlfart, en deze stad, 't is een jammerlijke verwoesting!» Zoo babbelde Karei tevreden dooi'. Eindelijk greep hij naar zijn muts: «Als gij nu hier blijft, geeft ge mij de vrijheid u nu en dan een kwartiertje te komen opzoeken.»

«Je kunt doen of je thuis waart,» zei Anton. «Als ge me soms niet hier vindt, de kastelein heeft den sleutel en daar staan de cigaren.»

Zoo had Anton een ouden vriend weer gevonden. Maar Karei bleef niet zijn eenige kennis in dolman en sleepsabel. De ritmeester had genoegen in den landsman, die zich zoo moedig tegenover de muiters gehouden had. Uij presenteerde hem aan den overste, die de troepen kommandeerde. Anton moest dezen zijn avonturen verhalen en werd in een grooten kring van epauletten zeer geprezen; daarop verzocht de ritmeester hem tegen een der eerstvolgende dagen bij zich aan tafel en stelde hem aan de officieren van zijn escadron voor. Antons bescheidenheid en gemakkelijkheid maakten een gunstigen indruk op do bonte heeren. In hun garnizoen waren zij, waarschijnlijk dooi' een zekere eigenaardige opvatting hunner menschenwaarde, verhinderd op vrijen voet met een jong koopman om (e gaan; hier in het veld waren zij zelve degelijker mannen, dan in de onbeduidende dienstbezigheden van den vrede; hun vooroordeelen waren minder sterk en de waardeering van een moedig man onbevangener. Daarom beschouwden zij den heer van het kantoor spoedig «als een verduiveld goeden jongen,» zij gewenden Zjch hem uit de aardigheid bij zijn voornaam te noemen en als zij in het koffiehuis na den middag hun kopje koffie dronken en een partijtje domineerden, riepen zij altijd zonder over te slaan Anton in hun midden. Een geheimzinnig sprookje van groot vermogen en van buitengewone familiebetrekkingen, daagde weer uit den nevel van het verleden op;

ocr page 252

246

maar om liet escadroii niet te belasteren moeten wij bekennen dat dit niet do hoofdreden was voor de onderscheiding, waarmede zij hun landsman behandelden. Anton gevoelde zich door den gemakkelijken omgang met deze adellijke jonge lieden meer gestreeld dan hij zich zeiven of Pix zou hebben durven bekennen. Hij verkeerde thans op gelijken voet met aanzienlijke mannen en gevoelde zich de evenknie van menigeen, tegen wien hij vroeger van uit zijn kantoor met zekeren eerbied had opgezien. Üiule herinneringen herleefden in hem, hij gevoelde zich op nieuw aangetrokken door de betoovering|van een kring, die hem vrij, lieer-lijk en schoon voorkwam. Ook de luitenant Von Rothsattel behoorde weldra tot de kennissen van Anton. Anton behandelde hem met de grootste oplettendheid, en de luitenant, eigenlijk een bedorven, lichtzinnig, maar goedaardig jong mensch, liet zich de hartelijke genegenheid van Anton gaarne aanleunen en schonk hem tot belooning zijn bijzonder vertrouwen.

De bezigheden van Anton behoedden hem voor het gevaar om onder de nieuwe kennissen zijn zelfstandigheid te verliezen. De stad was inderdaad een treurig verwoeste plaats; de wilde roes was voorbij; thans lag er een waas van neerslachtigheid over alle werken des vredes. De dagelijksche behoeften waren duur, en veel was er niet te verdienen. Menigeen, die vroeger laarzen had gedragen, ging barrevoets; wie in een anderen tijd een nieuwen rok zou gekocht hebben, liet nu een lap op den ouden zetten; de schoen- en de kleermaker gebruikten voor het ontbijt dunne soep in plaats van koflie met suiker; de winkelier betaalde zijn rekening bij den groothandelaar niet en de groothandelaar was niet bij machte zijn verplichtingen tegenover andere handelshuizen na te komen. Wie in zulk een tijd geld opeischt van hen, die wanhopend over zware verliezen klagen, heeft een moeielijke taak, Dit ondervond Anton in hooge mate. Overal hoorde hij klachten, die maar al te gegrond waren; op vele plaatsen zocht men zijn dringende eischen door allerlei kunstgrepen te ontduiken. Dagelijks was hij getuige van treurige tooneelen; dikwijls moesten eindelooze zaken voor een advocaat in het poolsch behandeld worden, waarbij het hem was alsof hij verraden en verkocht werd, ofschoon de agent toch als tolk fungeerde, 't Was een wonderlijk samengestelde handelsstand, waaronder Anton zich bewoog: mannen uit alle deelen van Europa. Het verkeer zou Duitsehers dikwijls onaangenaam en ongeregeld zijn voorgekomen. En toch oefende de gewoonte om aan zijn verplichtingen getrouw te zijn zulk een grooten invloed uit, zelfs op personen van moedeloos gestel, dat Antons volhouden meer dan eens de zege behaalde. De grootste vordering had zijn huis aan een zekeren heer Wendel, een klein droog mannetje, die in 't geheim aan alle kanten zaken deed. Men zei dat hij door smokkelen rijk was geworden en thans in groot .gevaar verkeerde van te springen. Zelf had hij den patroon onvriendelijk ontvangen en tegenover Anton stelde hij zich aan als een wanhopende. Anton had alweer wel een uur lang met den knorrigen oude gesproken, en hoe de man zich ook draaide en wrong, hij had zijn streng vastgehouden. Eindelijk barstte Wendel in een stroom van woorden uit: «Genoeg, ik ben te gronde gericht, maar gij verdient aan uw geld geholpen te worden. Uw huis heeft mij altijd royaal behandeld. Gij zult zekerheid hebben. Zend mij van daag nog uw agent, en kom mij morgen vroeg afhalen.

ocr page 253

247

Toen Anton op den bepaalden dag door den agent gevolgd bij den schuldenaar kwam, nam Wendel met een somber gezicht een grooten verroesten sleutel, wierp langzaam een ouden verschoten mantel om, met een tal van kragen de een boven den ander, evenals de pannen op een dak, en geleidde de schuldeischers in een afgelegen wijk dei-stad naar een vervallen klooster. Zij gingen door een langen kruisgang. Anton zag met bewondering naar den kunstigen bouw van het gewelf; de tijd had vele bogen gespleten en hier en daar stukken afgebrokkeld; de groote steenen van den gang waren met puin als bezaaid. Langs den wind waren de grafsteenen der oude bewoners vastgemetseld; uitgesleten opschriften verkondigden het onverschillige geslacht der levenden aan, dat weleer vrome monniken in deze plaatsen den vrede hadden gezocht. In dezen overdekten gang hadden zij dagelijks met het gebedenboek in de hand op en neer gewandeld ; hier hadden zij gesmeekt en gepeinsd, totdat zij hun arme ziel aan de voorbeden van hun heiligen moesten toevertrouwen. Binnen in het gebouw opende Wendel een verborgen deur en voerde zijn begeleiders een steenen wenteltrap af naai' een grooten verwulfden kelder. Eenmaal had de wijn van het rijke klooster daar gelegen, en de broeder keldermeester was, ach hoe dikwijls! diezelfde trappen afgegaan; hij had tusschen de rijen dei-fusten rondgewandeld, had hier en daar een proefje getapt, en als liet klokje boven hem klepte, had hij haastig het hoofd gebogen en een gebedje gepreveld, en had dan den wijn aan de lippen gebracht, of in een genoegelijke stemming wat heen en weer gekuierd. De klokken van het klooster waren sints lang versmolten, de ledige cellen dei-broeders waren vol spleten, en graan werd nu bewaard, waar eertijds de prior aan het hoofd der broeders bij het eenvoudige maal voorzat. Alles was verdwenen, slechts de kelder had zich goed gehouden, en, evenals voor vier eeuwen, lagen daar nog thans de vaten van den vurigen hongaarschen wijn. Nog altijd liepen do bogen van het schoonë verwulf in groote rosetten samen, nog altijd was de ruimte helder gewit, de vloer met schoon zand bestrooid; nog altijd bestond het gebruik dat de keldermeester slechts met een waskaars bij den edelen wijn mocht komen. liet waren niet dezelfde vaten, waaruit de monniken hun verversching tapten, maar het was hetzelfde gewas van de wijnbergen van Hegyalla, de lichtkleurige Meneswijn, de roem van Oedenburg en de zachte drank van den zorgvuldig bewerkten Rustwijn.

«Honderdvijftig vaten, het vat tegen achttien, vier en twintig en dertig dukaten,» zei de agent, en het opteekenen der vaten begon. Met gebogen hoofd ging Wendel van het eene vat naar het andere, de kaars in de hand houdende. Telkens bleef hij staan en veegde met een schoon linnen lapje angstvallig het geringste teeken van schimmel af, dat op enkele vaten zich vertoonde. «liet was mijn liefste wandeling hierheen,» zei hij tot Anton. «Sints twintig jaar ben ik met iederen wijnoogst op reis gegaan en heb ik voorraad ingeslagen. Dat waren blijde dagen, mijnheer Wohlfart! Maar die zijn nu voor goed voorbij. Dikwijls heb ik hier heen en weer gewandeld en naar het zonlicht opgekeken, dat van boven op de vaten viel, en dacht ik aan hen, die voor mij hier geweest waren. Heden ben ik voor de laatste maal in dezen kelder. Wat zal er nu van den wijn worden? Zij zullen hem wegzenden, men zal hem in den vreemde zonder kennis des onderscheids opdrinken; in dezen kelder zal een brander zijn

ocr page 254

248

spiritus bergen of een nieuwe brouwer zijn beiersch bier. De goede oude tijd loopt af', ook voor mij ! —- Dit bier is het edelste gewas,» zeide bij, op een vat wijzende. «Ilv had liet er uit kunnen nemen vóór onze afrekening. Maar wat baat mij dat vat alleen ? Zou ik het uitdrinken ? Neen, ik drink geen wijn meer. Het moet maar weg met de andere. Doch afscheid moet ik er van nemen.» Hij schonk een glas in. «Hebt gij ooit zoo iets geproefd?» vroeg hij en reikte met bedroefd gelaat Anton het glas toe. Naar waarheid kon Anton getuigen nooit iets zoo overheerlijks gedronken te hebben.

Langzaam stegen zij de trappen weer op. Bij den drempel stond de koopman nog eens stil en staarde een langen tijd in den donkeren kelder; daarop keerde hij zich moedig om, sloeg de kelderdeur dicht, nam er den sleutel af en overhandigde hem plechtig aan Anton. «Hier is de sleutel van uw eigendom, onze rekening is gesloten. Vaartwel, heeren !» Met loome schreden en het hoofd gebogen keerde hij door den overdekten gang terug. In het schemerlicht van den triestigen dag leek hij wel een oude keldermeester van het klooster, die nog als een geest dooi' de overblijfselen der lang vervlogen heerlijkheid rondwaarde. De agent riep hem achterna: «Maar het ontbijt, mijnheer Wendel!» De oude schudde met het hoofd en gaf een weigerend teeken met de hand.

Ja, het ontbijt! Iedere afrekening werd in de stad onder den wijn gezet. Die lange zittingen in een koffiehuis, die ook in deze treurige tijden niet overgeslagen werden, waren Anton niet weinig onaangenaam. Uij zag dat men in dat land veel minder werkte en veel meer leuterde en dronk dan te huis. Zoo vaak het hem gelukt was een zaak behoorlijk te schikken, moest hij ook aan het ontbijt deel nemen. Dan gingen de koopers, de verkoopers, de raadsleden, en wie verder nog tot de kennissen behoorden, in een wijnhuis om een ronde tafel zitten; men begon met porter, at kavivaar bij ponden, en sabelde dan den rooden Jiordeauxwijn. Gul werd er rechts en links geschonken; wie een bekend gezicht had werd in het gelag opgenomen; telkens groeide bet gezelschap aan, en menigmaal duurde de partij tot in den avond. Middelerwijl lieten de vrouwen, aan zulke voorvalletjes gewoon, het middageten wel driemaal op en afbrengen en besloten eindellijk dood bedaard het tot den volgenden dag te bewaren. Dikwerf dacht Anton in zulke uren aan Von Fink, die hem, den weerbarstige, een zekere gemakkelijkheid zou hebben gegeven, om met fatsoen zich door die lastige partijtjes heen te slaan.

Op zekeren middag zat Anton aan het domineeren. Daar riep een oude ^«itenant van zijn courant de spelers toe: «Gisteren avond zijn een onzer huzaren twee vingers der rechterhand stuk geschoten. De man, waarmee bij was ingekwartierd, heeft met zijn karabijn gespeeld, die nog geladen was. De dokter houdt de afzetting voor onvermijdelijk. — 't Is jammer van den Hinken kerel, 't was een van de bruikbaarsten van het geheele escadron. Zoo'n ongeluk treft altijd de besten.»

«Hoe heet de man?» vroeg mijnheer Von Boiling, zijn steen aanzettende.

«'t Is Sturm.»

Anton sprong op, dat de steenen op tafel dansten. «Waar ligt de gewonde ?»

ocr page 255

249

De luitenant duidde hem uit waar de infirmerie was.

Op een donkere kamer, vol bedden en zieke soldaten, lag de bleeke Karei, en stak Anten zijn linkerhand toe. «Met is voorbij, zei hij, «het heeft duivelsch zeer gedaan, maar ik zal de hand toch weer kunnen gebruiken. De pen kan ik nog besturen, en ook het overige zal ik beproeven, en gaat het niet met de rechter, dan moet de linker het maar doen; maar met gouden ringen zal zij niet meer prijken.

«Ongelukkige, ongelukkige Karei!» riep Anton, «met je dienen is het nu afgeloopen.»

«Weet je wat?» zei Karei, «dat ongeluk is wel te dragen. Een fatsoenlijke oorlog wordt dit toch niet; als in het voorjaar de tijd om te zaaien daar is, ben ik weer in orde. Ik zou nu al kunnen opstaan, als de dokter niet zoo streng was. Hier is het niet bijzonder fraai,» voegde hij er zich verontschuldigende bij, «vele van onze manschappen zijn ziek geworden en dan moet men in een vreemde stad zich wat behelpen.»

«Maar je zult niet op deze kamer blijven,» zei Anton, «als ik er iets aan doen kan. Er is hier zoo'n ziekenlucht, dat een gezond mensch er krank van wordt; ik zal verzoeken dat je chef je de vergunning geeft om bij mij je intrek te nemen.»

«Mijn beste mijnheer Anton 1» riep Karei verheugd. «Stil,» zei deze, «ik weet nog niet of men ons verzoek zal toestaan.

«Nog één ding wou ik u vragen,» zei de zieke, toen Anton wegging, «of gij de tijding zóó aan mijn Goliath mee wilt deelen, dat hij niet al te ongerust wordt. Als hij het bij toeval van vreemden hoorde, zou hij zich aanstellen als een menscheneter.

Anton beloofde het en liep haastig naar den officier van gezondheid en zijn goeden vriend, den ritmeester.

«Ik wil gaarne al het mijne doen,» zeide deze, «om hem verlof te bezorgen. Daar bij den aard van zijn wond zijn ontslag niet kan uitblijven, kan hij bij u wel wachten, dat hij het daar krijgt.»

Drie dagen later trad Karei met zijn verbonden hand Antons kamer binnen. «Daar ben ik,» zei hij, «vaarwel, Dolman, vaarwel, Selim, mijn vosje! Nog een week moet gij geduld met mij hebben, mijnheer Anton, dan licht ik weer met stevigen arm tafel en stoel op, zonder moeite.»

«Hier heb je een antwoord van je vader,» zei Anton,» «debrief is aan mij.»

«Aan u ?» vroeg Karei verwonderd. «Waarom aan u? Waarom heeft hij mij niet geschreven ?»

«Luister maar!» Anton nam een groot vel! dat van boven af niet letters, een halven duim groot, beschilderd was, en begon : «Geachte mijnheer Wohlfart! Dat is een groot ongeluk voor mijn armen zoon. Tsvee vingers van de tien geeft nog acht. Al zijn het dan ook kleine vingers, het doet toch altijd pijn. Het is een zeer groot ongeluk voor ons beiden, dat wij mekaar niet kunnen schrijven. Daarom verzoek ik u de goedheid te willen hebben hem alles te zeggen wat nu volgt. Hij moet niet al te verdrietig zijn. Boren zal nog wel gaan, misschien ook nog wel het een en ander met den hamer. En als de hemel beslistte dat dit niet mogelijk was, moet hij toch niet al te verdrietig wezen. Er is voor hem gezorgd, door een ijzeren kist. Als ik dood ben, vindt hij den sleutel in mijn vestjeszak. Dus laat ik hem recht hartelijk groeten. Zoodra hij weer rijden kan, moet hij bij mij komen, en dit des te eerder, daar ik hem niet meer

ocr page 256

250

scliriftelijlv kan zeggen, dat ik altijd ben zijn getrouwe vader Johannes Sturm.» — Anton reikte den invalide den brief toe.

«Het is in orde», zei Karei, tusschen lachen en schreien in, «hij heeft zich in den eersten schrik in 't hoofd gezet, dat ook hij mij niet meer kan schrijven, omdat ik aan de hand gewond ben. Nu, hij zal groote oogen opzetten, als liij mijn eersten brief ontvangt.»

Zoo woonde Karei verscheiden weken op de kamer naast Anton. Zoodra hij zijn hand weer kon bewegen, maakte hij zich meester van de kleerkast van zijn vriend en begon eenige van de kleine diensten te vervullen, die hij jaren geleden in het huis van den patroon op zich genomen had. Anton had moeite hem te beletten, dat hij nu de geheel onnoodige rol van oppasser zou vervullen. «Heb je daar al weer mijn rok onder den borstel?» zei hij, Kareis kamer binnenkomende, «je weet immers dat ik het niet hebben wil?» — «Uet was maar om den mijne gezelschap te houden)), verontschuldigde zich Karei, «twee bij mekaar gaat altijd beter dan een. Uw koffie is gereed, maar de ketel deugt niets; de koffie smaakt altijd naar den spiritus.» Daar hij voor Anton niet nuttig kon wezen, zooals hij zei, begon hij voor zich-zelven te werken. Bij zijn oude voorliefde voor timmerman, had hij spoedig een menigte van allerlei gereedschappen om zich heen, en zoodra Anton het huis had verlaten, ging het aan een zagen, boren, schaven en hameren, dat zelfs de doove artillerie-kapitein, die in het huis daar naast was ingekwartierd, begon te gelooven dat daar een schrijnwerker was komen wonen: hij zond zijn ingevallen bed om het op te knappen. Daar Karei zijn rechterhand nog moest ontzien, oefende hij de linker met alle werktuigen, de rij af, en was als een kind zoo blij over de vorderingen die hij maakte. En toen hem de dokter voor de eerste weken ook deze bezigheid nog afried, begon hij met de linkerhand te schrijven en vertoonde dagelijks aati Anton staaltjes van zijn kunst. «Het is maar voor de oefening)), zei hij, «de mensch moet weten wat hij kan. Overigens is het slechts een gewoonte met de handen te schrijven; wie er geen heeft doet het met zijn voeten, en ik geloof dat die zelfs niet noodig zijn, het zou ook wel met het hoofd gaan.

«Je bent een malle vent», zei Anton lachende.

«Neen, in ernst», vervolgde Karei, «een lange pen in den mond, met twee draden, die achter de ooren vastgemaakt worden, om de bewegingen te leiden, mij dunkt liet zou vrij goed gaan. Daar is hot ivoren ringetje van uw sleutelgat afgevallen, dat zullen we er eens gauw inlijmen.»

«Het verwondert me, dat het al idet van zelf gaat vastzitten», lachte Anton, «want uit je kamer komt een vreeselijke lijmlucht hier binnen trekken, 't Is louter lijm, wat we inademen.

«De hemel beware mij!» zei Karei, «dat kan niet; het is lijm zonder reuk, die ik heb, een nieuwe uitvinding.»

Toen de trouwe vriend met zijn paspoort op zak naar huis terugkeerde, gevoelde Anton zich zoo verlaten, alsof hij nu eerst uit den tooverkring van de groote weegschaal naar den vreemde getrokken was.

Op zekeren dag wandelde Anton voorbij de noodlottige herberg, waar zijn patroon gewond was geworden. Hij stond een oogenblik stil en zag met belangstelling naar het oude huis en naar de plaats.

ocr page 257

waar nu soldaten in witte rokken bezig waren iiuii ledergoed te poetsen en glad te wrijven. Daar ontwaarde hij een gedaante in een zwarten langen japon, die als een schim uit de gelagkamer kwam en dwars den drempel over stak. [Jet waren de zwarte lokken, het kleine zwarte kapje, figuur en houding van zijn ouden vriend Schmeie Tinkeles. Maar ach, het was hetzelfde gezicht niet. De vorige Tinkeles was in zijn soort een knappe jongen geweest. Hij had zijn lokken altijd zoo mooi glimmend en netjes gedragen, als voor een handelaar voeg geeft; hij had aardige roode lippen gehad en een licht blosje op zijn gele kaken. De tegenwoordige Schmeie was slechts een schaduw van wat hij vroeger was. Uij zag er spookachtig bleek uit, zijn neus was spits en lang geworden, en zijn hoofd hing voorover, als de kelk eener geknakte bloem van de beek Kedron.

Anton riep verbaasd; «Tinkeles, zijt gij het inderdaad?» en kwam naderbij. Tinkeles kromp ineen als door den bliksem getroffen en staarde met wijde opgesperde oogen Anton aan, een levendig beeld van schrik en vrees. «Rechtvaardige hemel!» waren de eenige woorden, die van zijn witte lippen vielen.

«Wat heb je, Tinkeles? Je ziet er uit als een arme zondaar! Wat doet ge hier op deze plaats? en hoe voor den drommel komt ge juist in dit huis?»

«Ik kan het toch niet helpen, dat ik hier ben», antwoordde de schacheraar nog altijd in een toestand van halve bewusteloosheid; «ik kan het niet helpen, dat den patroon zoo'n ongeluk overkomen is. Zijn bloed heeft gestroomd om de koopwaren, die de smous Fischel had afgezonden en waarvoor hij het geld reeds had ontvangen. Ik ben onschuldig, mijnheer Wohlfart, op mijner ziele zaligheid, ik heb niet geweten dat de waard een slecht mensch was en de hand zou slaan aan onzen heer, die daar voor hem stond zoo zonder hoed, zonder pet. — Zonder pet», klaagde hij luider, «met zijn bloote hoofd. Gij moogt gerust gelooven, het was mij alsof een dolk in mijn hart werd gestoken, toen ik zag, hoe de waard ombarmhartig te werk ging tegenover den man, die voor hem stond met een lier hoofd, als een eerlijk man, wat hij zijn leven lang ook is geweest.

«Hoor eens, Schmeie», zei Anton, den Galliciër verbaasd aanziende, die voortdurend zijn best deed om door een vloed van woorden weer op zijn verhaal te komen, «hoor eens, mijn jongen, je bent in deze herberg geweest toen de wagens geplunderd werden, je hebt uit een schuilhoek onzen strijd met den kastelein aangekeken. Je kent den waard en woont nog hier, ik wil je dus met ronde woorden zeggen, wat je mij half hebt bekend. Je hebt van het afladen der wagens kennis gedragen, en ik wil je nog wat in het geheim zeggen, je hebt er een persoonlijk belang bij gehad, dat de voerlui hier achterbleven en je hebt met den waard onder één dek gelegen. Na hetgeen je mij gezegd hebt, laat ik je niet vrij voor ik alles weet. Ge zult of mee naar mijn kamer gaan en mij vi'ij willig vertellen al wat je weet, of ik lever je in handen van de militaire overheid en laat je door de soldaten verhoeren.»

Tinkeles stond verpletterd. «O God mijner vaderen! het is schrikkelijk, het is schrikkelijk», kermde hij zacht en klappertandde.

Anton gevoelde medelijden met den grooten angst van den man en zei: «Kom mee, Tinkeles; ik beloof je, als je eerlijk opbiecht, zal je geen kwaad gedaan worden.»

ocr page 258

'252

«Wat zal ik tocli opbiechten,» kermde Schmeie, «als ik toch niets te vertellen heb?»

«Als ge niet goedschiks mee gaat, roep ik de soldaten,» sprak A.nton barsch.

«Neen, geen soldaten,» smeekte Tinkeles, rillende van angst, «ik wil met u gaan en alles zeggen wat ik weet, als gij mij ook belooft dat gij mij niemand zult verraden, niet aan uw patroon, en niet aan den smous Fischel, ook niet aan dien schurk van een waard, en ook niet aan de soldaten.»

«Kom,» zei Anton en wees hem met de hand den weg. Zoo voerde iiij den weerloozen Tinkeles als een gevangene met zich mee en wendde geen oog van hem at', uit vrees dat Schmeie naar de ingevingen van zijn kwaad geweten luisterende een zijstraatje mocht inslaan.

Maar de Galliciër had er den moed niet toe ; hij sloop met gebogen hoofd naast Anton voort, zag hem somwijlen zuchtend aan en prevelde onverstaanbare woorden bij zich zelf. Op Antons kamer begon hij uit eigen beweging; «Het is mij geweest een drukkende last op mijn hart, ik heb niet kunnen slapen, ik heb niet kunnen eten of drinken, en als ik uit was gegaan oin een zaakje te doen, lag het in mijn ziel als een steen in een glas; als men wil drinken valt de steen op de tanden en men bemorst zich met water, ü wee! wat heb ik mij dikwijls bemorst.»

«Nu, spreek dan op,» zei Anton weer bewogen door die oprechte klacht.

«Ik ben hier gekomen om de wagens,» vervolgde Tinkeles haastig en zag Anton vreesachtig aan. «üe smous had toch al tien jaren zaken met u gedaan, en altijd eerlijk, en gij hebt een aardige duit aan hem verdiend, en daarom meende hij dat nu de tijd was gekomen, dat hij een groote zaak ondernemen kon en tevens met u afrekenen. En toen nu het geschreeuw en het lawaai uitgebroken was, daar kwam hij bij mij en zei; «Schmeie, zei liij, je bent niet bang, zei hij. Laat ze schieten en ga onder hen en zie dat je de wagens voor mij aanhoudt. Wellicht kun je ze onder weg verknopen, wellicht breng je ze mij terug, 't is altijd beter dat wij ze hebben, dan dat een ander ze krijgt.» Zoo ben ik hierheen gegaan en heb gewacht, totdat de wagens aangekomen zijn en heb met den kastelein gesproken; daar de koopgoederen toch niet in uw handen zouden komen, was het maar het best dat zij weer in de onzen kwamen. Maar dat de waard zoo'n bloedhond zou zijn, dat had ik niet gewild en ook niet geweten, en sedert ik gezien heb hoe hij uw patroon den rok heeft stuk gehouwen, heb ik geen rust gehad en ik heb nog altijd het bebloede hemd voor oogen en het lijne laken van zijn groenen rok, dat in tweeën gesneden was.»

Anton hoorde Tinkeles bekentenissen met een belangstelling aan, die den afkeer dien hij tegen de — helaas niet zeldzame — streken der gallicische kooplieden ondervond, overtrof. Hij stelde zich tevreden met den zondaar toe te voegen: «Aan uw schurkachtigheid dus heeft mijn patroon zijn wond te wijten, en waren we niet juist van pas in den weg gekomen, dan hadt gij ous nog bovendien voor twintigduizend daalders bestolen.»

«'t Is geen twintigduizend,» riep Schmeie, «de wol staat slecht en met talk is niets te verdienen, 't Is minder dan twintig.»

«Zoo?» zei Anton verachtelijk. «En wat zal ik nu met je doen?»

«Doe niets met mij,» verzocht Schmeie dringend en lei zijn hand smeekend op Antons arm. «Laat de geheele geschiedenis rusten. Gij

ocr page 259

253

hebt nu tie waren weer, wees daarmede tevreden. Met was een mooie zaak, die de smous Fischel niet heeft kunnen klaar spelen, omdat gij het hem hebt belet.»

«En dat spijt je nog,» hernam Anton vertoornd.

«Neen, het doet mij pleizier, dat gij de waren hebt,» zei de jood, «want gij hebt uw bloed er voor gegeven. En daarom, mijnheer Wohifart laat mij met rust; ik wil zien of' ik u ook in een andere zaak van dienst kan zijn. Als gij hier in de stad iets voor mij te doen hebt, het zal voor mij een genot zijn, als ik u in iets kan helpen.»

Anton antwoordde koel; «Al heb ik jo ook beloofd je schelmstuk niet bij het gerecht aan te geven, begrijpt ge toch dat we geen zaken met je kunnen doen. .Ie bent een slecht mensch, Tinkeles, en heb je schandelijk tegenover ons huis gedragen. Van nu af hebben we niets meer met elkaar te maken.»

«Waarom zegt ge dat ik een slecht mensch ben ?» klaagde Tinkeles. «Gij hebt mij sints Jaren als een eerlijk mensch gekend; hoe kunt gij zeggen, dat ik slecht ben, omdat ik voor een enkelen keer eens een zaak heb willen doen en daarbij een ongeluk heb gehad en niet ben geslaagd ? Is dat slecht ?» —

«Het is genoeg,» zei Anton, «je kunt nu gaan.» Tinkeles bleef staan en vroeg: «Kunt gij misschien ook nieuwe keizerlijke ducaten gebruiken? Ik kan ze u bezorgen tegen vijf en een kwart.» — Ik wil niets van je weten,» zei Anton, «vertrek.»

De jood ging schoorvoetend naar de deur en keerde nog eens terug. «Er is een mooie zaak te doen in haver, als gij de leverantie mee wilt aannemen, dan zal ik u eeu deel er in bezorgen; het is een zeldzaam kansje.»

«Ik doe geen zaken met u, Tinkeles, ga toch weg, in Godsnaam.»

De jood droop af; nog eenmaal krabbelde hij aan de deur, maar het geweten was in den schelm zoo wakker geworden, dat hij zich niet meer in de kamer waagde. Eenige minuten later zag Anton hoe hij zwaarmoedig de straat afslenterde.

Van dien tijd werd Anton door den berouwvollen zondaar in staat van beleg verklaard. Geen dag ging er voorbij, zonder dat de Galliciör op de een of andere manier zieh bij Anton wist binnen te dringen en vrede met hem zocht te maken. Nu eens overviel hij hem op straat, dan stoorde hem oen bedeesd fikken op de deur, terwijl hij in drukke bezigheden aan zijn schrijftafel zat; altijd had Tinkeles wat aan te bieden, of iets nieuws te vertellen, waardaar hij genade in Antons oogen hoopte te zullen vinden. Roerend was zijn vindingrijkheid, hij was bereid alles voor Anton te koopen of te verkoopen, allerlei boodschappen en loopjes voor hem te doen, te spionneeren en te verklikken. En toen hij ontdekte dat Anton ook met officieren omging en dat voornamelijk een jong luifenantje met een fijn gezicht en een kleinen knevel soms met Anton uit het koffiehuis kwam en hem op zijn kamer opzocht, begon hij ook van die dingen aan te bieden, welke volgens zijn meening voor een officier aangenaam moesten wezen. Anton bleef wol is waar aan zijn voornemen getrouw al wat naar zaken geleek mot don zondaar te vermijden, maar kon het op het laatst niet langer over zijn hart verkrijgen den armen drommel barsch te behandelen, en Tinkeles bespeurde uit een met moeite onderdrukt lachje of uit enkele korte vragen van Anton dat hot niet onmogelijk was, Anton nog eenmaal tot zijn voorspraak bij het hoofd dor firma te maken; en

ocr page 260

254

daarvoor diende hij met het geduld en de lankmoedigheid van zijn stamvader Jakob.

Op zekeren morgen kwam de jonge Rothsattel Antons kamer binnen kletteren. «Ik ben ziek verklaard, ben zwaar verkouden en moet op mijn ellendig kwartier blijven,» zei hij, op de canapee plaats nemende. «Gij kunt mij van avond helpen den tijd wat te dooden. Wij zullen een partij whist maken. Ik heb ook onzen dokter en nog een paar kameraads verzocht. Wilt ge komen?» — Verheugd en niet weinig gevleid nam Anton de uitnoodiging aan. «Goed,» vervolgde de luitenant, «maar dan moet gij mij ook in de mogelijkheid stellen mijn geld aan u te verliezen; dat vervloekte vingt-et-un heeft in mijn zakken schoonmaak gehouden. Leen gij mij voor een dag of acht twintig dukaten.» «Met pleizier,» zei Anton en trok haastig zijn beurs.

Toen de luitenant met onverschillig gelaat het geld in zijn zak liet glijden, werd voor liet venster de hoefslag van een paard gehoord; dadelijk liep hij naar het raam. «Duivels, dat is een mooi vosje, poolsch bloed, de paardensmous heeft het zeker van een muiter gestolen en wil er nu een eerlijk soldaat mee beet nemen.»

«Waaraan zie je dat het paard te koop is?» vroeg Anton, die intus-schen aan zijn schrijftafel een brief verzegelde.

«Ziet ge niet dat een paardenkooper het dier nu ter vertooning rondleidt ?»

Op hetzelfde oogenblik werd er zachtjes aan de deur geklopt en Schmeie Tinkeles stak eerst zijn hoofd met lange lokken en daarna zijn zwarten japon in de kamer en prevelde onderdanig: «Ik wou aan de heeren vragen, of zij ook een paard willen bezien, dat zooveel goudstukken waard is als het daalders kost. — Als gij u de moeite maar wilt geven naar het venster te gaan; gij kunt het toch altijd bekijken: zien kost immers geen geld.»

«Is die vreemde gedaante een van uw handelsvrienden, Wohlfart?» vroeg de luitenant lachende.

«Niet meer, mijnheer Von Rothsattel,» antwoordde Anton op denzelfden toon, «hij is in ongenade gevallen. Deze reis geldt zijn bezoek u. Pas maar op, hij zal u verleiden het paard te koopen.»

De koopman luisterde aandachtig naar het gesprek en vestigde nieuwsgierig zijn blikken op den luitenant. «Als mijnheer de baron het paard wil koopen,» zei hij ietwat vrijpostig tot den luitenant naderende en hem strak aanziende, «zal het een schoon rijpaard zijn, ook op uw landgoed.»

«Wat voor den drommel weet gij van mijn landgoed?» zei de luitenant, «ik bezit er geen.»

«Kent gij mijnheer?»

«Hoe zou ik hem niet kennen, als hij het is, die dat groote goed heeft iti uw laml en thans een fabriek heeft gebouwd, waarin hij suiker maakt uit voeder voor het vee.»

«Hij bedoelt mijnheer uw vader,» zei Anton tot den luitenant; «Tinkeles heeft ook relaties in onze streek, en houdt zich dikwerf maanden lang bij ons op.»

«Wat hoor ik daar?» riep de Galliciër nadenkend, «het is de vader van mijnheer den luitenant. Vraag excuus, mijnheer Wohlfart, gij zijt dus bekend met mijnheer den baron, die de vader is van mijnheer?» Om den snorrebaard van den luitenant speelde een fijn glimlachje.

ocr page 261

255

«Ik heb althans den vader van mijnheer we] eens gezien,» antwoordde Anton eenigszins knorrig over de vrijpostige vragen van den koopman en ook omdat liij voelde dat liij een kleur kreeg.

«En nogmaals verschooning als ik u vragen mag, gij kent dus mijnheer den luitenant van nabij, zooals men een goed vriend kent?»

«Wat hebt gij daarmee te maken?» vroeg Anton barsch en kleurde nog sterker, wijl hij niet wist wat hij op de vraag zou antwoorden.

«Ja, hij is een oude vriend, jood,» zei de luitenant, op Antons schouder kloppende. «IJij is mijn bankier, hij heeft mij van daag juist twintig dukaten, geleend en zal mij geen geld geven om het paard te koopen. Dus, loop naar den drommel.

De koopman luisterde met uitgestrekten hals naar ieder woord van den officier en bekeek den jongen mensch met een nieuwsgierigheid, en gelijk Anton meende te bespeuren, met een belangstelling, die van zijn gewone manier geheel verschillend was. «Dus twintig dukaten heeft hij u geleend,» herhaalde hij onwillekeurig, «hij zal u nog meer voorschieten, als gij meer van hem verlangt. «Ik weet het,» mompelde hij, «ik weet het wel.»

«Wat weet gij?» vroeg Anton.

«Ik weet immers wel hoe het onder jongelui gaat, als zij vrienden zijn,» antwoordde de koopman met een veelbeteekenend hoofdschudden. «Dus kunt gij hot paard niet gebruiken, mijnheer Wohlfart.» Dan heb ik de eer u mijn compliment te maken, mijnheer Wohlfart.» Met deze woorden keerde hij zich om en verdween. Terstond daarop hoorde men het paard wegdraven.

«Dat is een malle vent!» riep de luitenant, terwijl hij Tinkeles, die zich haastig verwijderde, nazag.

«Hij is anders zoo vlug niet om weg te gaan,» hernam Anton, verwonderd over de raadselachtige houding van den koopman. «Waarschijnlijk heeft uw uniform zijn vertrek verhaast.»

«Ik hoop dat zij u daarmee een dienst zal hebben bewezen. Dus tot lieden avond,» zei de luitenant hem groetende en verliet de kamer.

's Middags klonk wederom het zacht kloppen op Antons deur, en wederom was Tinkeles daar. Hij zag voorzichtig in het vertrek rond en wandelde, zonder op Antons somber gelaat te letten, recht op hem aan. «Vergun mij,» sprak hij met een vertrouwelijk knikje, «u te vragen, is het waarheid dat gij hem twintig dukaten geleend hebt en dat gij hem nog meer zoudt geven als hij meer wou hebben?»

Anton zag den man verbaasd aan en zei opstaande: «Ik heb hem het geld gegeven en zal hem nog meer leenen. En nu, zeg gij mij zonder omwegen wat u door het hoofd maalt, want ik zie dat gij mij iets te vertellen hebt.»

Tinkeles zette een sluw gezicht en knipte veelbeteekenend met de oogen. «Al is hij ook uw goede vriend, zou ik u toch raden voorzichtiger te zijn met hem geld te leenen. Weet ge wat, leen hem geen enkelen gulden meer,» herhaalde hij met klem.

«En waarom niet?» vroeg Anton. «Om je goeden raad geef ik niets, als ik niet weet op welken grond ge mij waarschuwt.»

«En 'als ik u zeg wat ik weet, wilt gij dan voor mij bij mijnheer Schröter een goed woord doen, dat hij niet langer denkt aan de vrachtwagens, als hij mij op het kantoor ziet?» zei de jood snel.

ocr page 262

256

«Ik wil liom' zeggen, dat gij mij in andere zaken sints dien tijd eerlijk iiebt gediend. Wat hij dan doen zal, is zijn zaak,» antwoordde Anton even haastig.

«üij zult voor mij spreken,» zei de schacheraar, «dat is voor mij genoog. En gij zult hooien hoe gij uw geld kunt behouden, — Het ziet er slecht uit met den ouden Rothsattel, den vader van dien officier, zeer slecht; het ongeluk houdt een zware hand over hem uitgestrekt, Hij is een verloren man. Hij is niet meer te redden.»

«Van waar hebt gij die berichten?» riep Anton ontsteld. «Het kan niet waar zijn,» vervolgde hij geruster, «'t is een leugen, 't zijn praatjes van winkelbedienden en zulk volk.»

«Geloof gij maar wat ik zeg,» sprak de jood met een nadrukkelijke-lijken ernst, die zijn houding waardigheid bijzette en zijn stem minder krassend maakte. «Zijn vader is in de handen geuallen van iemand, die in 't geheim rondwaart als een engel des verderfs. Hij gaat en werpt zijn strikt om den hals der menschen die hij gestempeld heeft, zonder dat iemand hem ziet. Hij trekt den strik aan, en zij vallen om als houten kegels. Waarom wilt gij «w geld verliezen aan zulke menschen, die de lijn al om den hals hebben?»

«Wie is de duivel, dien gij bedoelt, wie heeft den baron in zijn macht?» riep Anton in een vervoering, die hem alle voorzichtigheid deed vergeten.

«Wat doet de naam er toe?» hervatte de Galliciër kalm. «Als ik den naam wist, zou het u toch niets baten en den ouden Uotsattel ook niet. want gij kent den man niet, en de baron wellicht ook niet.»

«Is het Ehrenthal?» vroeg Anton,

«11 kan den naam niet zeggen,» herhaalde Tinkeles de schouders ophalende, «maar Hirsch Ehrenthal is het niet.»

«Als ik je geloof zal schenken en je mij een dienst wilt bewijzen,» vervolgde Anton bedaarder, «moet gij' mij alles nauwkeurig mededeelen. Ik moet den naam van dien man weten, en gij moet alles vertellen, wat gij omtrent hem en den baron gehoord hebt.»

«Niets heb ik gehoord,» antwoordde de koopman halsstarrig, «als gij mij ondervragen wilt, zooals de rechtbank verhoort. Een woord, dat gesproken is, vervliegt in de lucht, evenals een geur; de een vangt dit, een ander dat op. Ik kan u de woorden niet vertellen, die ik gehoord heb, en ik wil ze u niet zeggen voor nog zoo veel. Ik wil mijn vingers niet opsteken en voor het gerecht getuigen. Wat ik zeg is goed voor uw oor en voor niemand anders. U echter vertel ik dat twee samen hebben gezeten, niet één avond maar vele avonden, en niet één jaar maar vele jaren achtereen, en zij hebben samen gefluisterd in onze herberg, achter op het balcon, waaronder het water loopt. I'ln het water murmelde onder hen en zij (luisterden boven het water. Ik lag in de kamer op een stroozak, zoodat zij meenden dat ik sliep. En dikwijls heb ik uit beider mond den naam Rothsattel gehoord en den naam van zijn landgoed. En ik weet dat een ongeluk hem boven het hoofd hangt, maar meer weet ik niets. En nu is het er uit en ik ga heen. Üe goede raad, dien ik u gegeven heb zal uw loon zijn voor dien dag, toen ge met uw pistool gevochten hebt voor de wol en de huiden. En ge zult denken aan de belofte, die gij mij hebt gegeven.»

Anton zag bekommerd voor zich uit. Door Bernhard wist hij, dat de baron veel zaken deed met Ehredthal, en die verhouding van den adellij-

ocr page 263

'257

ken landeigenaar lot den slecht befaamden speculant, liail hem reeds meermalen bevreemd. Maar wat Tinkeles zei, klonk hem toch zoo oti-geloollijk ; hij zelf had nooit kwade noten hooren kraken over de omstandigheden van den baron. «Met hetgeen gij mij heden verteld hebt^i sprak hij na een korte pauze, «kan ik niet tevreden zijn. «,1e zult Je wel willen bedenken; wellicht herinnert ge u de namen en enkele woorden, die ge hebt opgevangen.»

«Wellicht zal ik ze mij herinneren,» hernam de Galliciër met een vreemde uitdrukking op het gelaat, die den bekommerden Anton ontging. «En zoo hebben we onze rekening gesloten; ik heb n in zorgen gebracht en in gevaar, daarvoor heb ik u heden een dienst bewezen. Een groote dienst» zei hij, weltevreden op het angstige gezicht van Anton starende. — «Kunt gij ook goudstukken gebruiken voor bankpapier?» vroeg hij eensklaps op koopmanstoon, «ik kan u goudstukken laten, als gij mij daarvoor papier wilt geven.»

«Gij weet, ik houd me niet met geldzaken op,» antwoordde Anton verstrooid. — «Kunt ge misschien wissels afgeven op goede huizen in Weenen?» — «Ik heb geen wissels af te geven,» zei Anton knorrig.

«Goed,» zei de jood, «een voorstel bijt niet,» en hij keerde zich om alsof hij wou vertreken. Bij de deur stond hij nog even stil: «De arme ziel, die het paard voor de heeren heeft rondgeleid, en oen halven dag op de heeren heeft moeten wachten, heb ik twee gulden moeten geven, 't Is een zuiver voorschot geweest, dat ik voor u heb gedaan; wilt ge mij mijn guldens niet teruggeven?»

«üen hemel zij dank!» riep Anton, tegen zijn zin lachende, «nu ben je weer de oude Tinkeles. Neen, Schmeie, die twee guldens krijg je niet.»

«En gij wilt de goudstukken ook niet overnemen tegen panier op Weenen?»

«Ook niet,» antwoordde Anton.

«Adieu,» zei Tinkeles. «Als ik u weer zie, zijn we goede vrienden samen.» Hij nam de kruk der deur in handen. En als gij den naam wilt weten van dien man, die den ouden Rothsattel zoo ongelukkig zal maken, dat hij klein wordt als het zand aan den weg, waar iedereen op trapt, vraag dan slechts naar den boekhouder van llirsch Ehrenthal, met name Itzig. Veit Itzig moet hij heeten.» Mot deze woorden ijlde Tinkeles de deur uit. Anton sprong hem achterna, maar de man hoorde niet naar zijn roepen en was uit het huis verdwenen, voordat Anton hem kon inhalen. Daar hij echter gegronde hoop had hem eerstdaags weer te zien, keerde hij, gansch vervuld met de mededeelingen, hem door den wonderlijken man gedaan, naar zijn kamer.

Wat hij gehoord had moest hij terstond aan den zooti oververtellen. Hij bekende zichzelven dat bij de groote fijngevoeligheid van den officier die mededeeling vrij lastig was. «Maar het moet gebeuren; van avond nog moet ik hem apart spreken, ik ga vroeg naar hem heen, of blijf, als de anderen weggaan, nog wat zitten.»

Do fortuin begunstigde hem niet in de volvoering van zijn plan. Hoe vroeg Anton zich ook naar het kwartier van den jongen Rothsattel spoedde toch vond hij de kamer reeds door vijl of zes huzaren-officieren bezet. Eugène lag in een kamerjapon op de canapee; het escadron bad zijn tenten om DEBET EN CUEDIT 1. 17

ocr page 264

258

hem opgeslagen, Kort na Anton kwam de dokter ook binnen. «Hoe gaat liet?» vroeg hij, naar den zieke gaande.

«'t Schikt nog al», antwoordde Eugène, «ik heb u giftpoeder niet noodig.»

«Een beetje koortsig», vervolgde do dokter, «gloeierig en zoo voort, 't Is hier te warm, ik stel voor het venster te openen.»

«Voor den drommel neen! dokter», riep een jonge heer, die zich uit twee stoelen een soort van rustbank gemaakt had. «Gij weet dat ik buiten do dienst volstrekt geen tocht kan lijden,» — «Kom, laat hem maar begaan», riep Eugène, «wij zijn homoeopathen, de warmte verdrijven wij door warmte. Wat zullen we drinken?»

«Een licht punchje zal voor den zieke altijd het best zijn», zei de dokter. «Krijg gij de ananas, waardste Anton, zij ligt met al haar toebe-hooren hier naast», verzocht Eugène.

«Ei!» riep de dokter, toen Anton de vrucht en de oppasser een mand wijn binnenbracht, «een heerlijke vrucht, een prachtig exemplaar. Met uw goedvinden, ik zal de punch maken; het brouwsel moet naaiden toestand van den patient ingericht worden,» Ilij tastte in den zak, haalde een zwart doosje voor den dag, en zocht een mes om de vrucht door te snijden,

«Duivels! dokter, ben je mal? loop naar de maan met je doos!» riepen alle luitenants opspringende. Als een geregeld pelotonsvuur vlogen do vloeken en verwenschingon om het hoofd van den onge-lukkigen dokter,

«Mijne heeren», riep de dokter, volstrekt niet van zijn stuk gebracht door de uitbarsting van ontevredenheid, «heeft iemand van u een mes? Geeft u de moeite niet er naar te zien; ik weet het al, niemand heeft er een; spiegels en zakkammetjes, meer mag men in uw zakken niet zoeken. En is er een uwer op do hoogte om een bowl punch te maken, die een man van eer en smaak kan drinken? Ze uitdrinken, ja, maar maken kunt ge ze niet,»

«Ik wil het wel eens probeeren, dokter», zei Bolling uit zijn hoek. «Ah, mijnheer Von Boiling! gij ook hier?» hernam de dokter met een buiging.

Boiling nam de ananas en hield zo zorgvuldig buiten het bereik van den arm des dokters. «Kom hier, Auton», riep hij, «en pas op dat dit monster van een dokter met zijn voorsnijmes niet te dicht bij het edel vocht kome,»

Terwijl Anton met den ouden luitenant druk bezig was, haalde de dokter twee spel kaarten uit zijti rok en lei ze plechtig op tafel,

«Weg met de kaarten», riep Eugène, «van avond willen we zonder zonde bij mekaar zijn,»

«Dat kunt ge niet», spotte de dokter, «Gij zeil zijt de eerste, die de hand er naar zal uitstrekken. Ik bedoelde niets anders dan een onschuldig winstje, met vasten pari rechts en links, een spel voor vrome kluizenaars. Wat gij echter met die kaarten doen zult, zal do tijd leeren. Hier liggen zij bij den kandelaar,»

«Luistert niet naar den verleider», riep een van de luitenants lachende. «Wie de kaarten het eerst aanraakt, geeft een ontbijt tot straf», zei een ander. ,

«Hier is de drank», zei Bolling en zette den bowl op tafel. Hij schonk in. «Proef eens, bloedhond», zei hij tot den dokter.

ocr page 265

'259

«Sleclit bewerkt.» meende deze; «morgen avond zal hij drinkbaar zijn.»

Terwijl de heeren over den drank twistten, trok Eugène een spel kaarten naai' zich toe en verdeelde het onwillekeurig in twee hoopjes, die hij naast elkander lei. De dokter riep: «Hei daar gevangen. Hij zelt betaalt de boete.» Allen lachten en kwamen bij de tafel. «Bank, dokter,» riepen de officieren. Zij wierpen hem de kaarten toe; in een oogwenk kwamen nog eenige spellen uit de zakken der heeren; do dokter lei een hoopje banknoten en zilver voor zich, en het spel begon. Men zotte juist niet hoog, speelde voor zijn pleizier, en zei aardigheden over de winst en het verlies der spelers. Ook Anton nam een kaart en zette zonder eenige belangstelling. Hij had moeite zich in het gesprek te mengen en zag met innige deelneming naar den jongen Rothsattel, die zonder iets kwaads te vermoeden, geheel in zijn spel verdiept was. Anton won eenige daalders, maar bemerkte tot zijn verdriet dat Eugène voortdurend ongelukkig was. De eene dukaat na den anderen vloog in de kas des bankiers. Daar Anton in het verlies van zijn gastheer zijdelings betrokken was, maakte hij er volstrekt geen aanmerking op, maar de dokter zelf zei tot zijn patiënt, toen hij weer eenige dukaten had opgestreken: «Gij hebt u te veel opgewonden, gij hebt de koorts; het zou verstandig zijn, zoo gij niet meer speeldet; ik heb nog nooit een lijder aan de koorts gehad, die niet met het faro verloor.»

«Dal is uw zaak niet, dokter,» antwoordde Eugène knorrig en zette weer.

«Je bent ongelukkig, Eugène,» riep de goedaardige liolling, «je gaat weer door den wind.»

Toen er een nieuw spel moest begonnen worden nam de dokter de kaarten en stak ze gemoedelijk in zijn zak: «De bank heeft gewonnen,» zei hij, «maar ik schei er toch mee uit; al te veel is ongezond.»

Wederom verhief zich een storm onder de officieren. «Ik wil de bank houden,» riep Eugène; «geef mij uw geld, Anton.»

De dokter pruttelde tegen; eindelijk troostte hij zich met de gedachte: «wellicht heeft hij geluk als bankier, men moet oen mensch de gelegenheid niet ontnemen om een bres te stoppen.»

Anton nam eenige bankbiljetten uit zijn portefeuille en lei ze zwijgend voor Eugène, maar zelf speelde hij niet meer. Treurig zat hij daar en zag naar zijn goeden vriend, die met een gezicht dat van den drank en de koorts gloeide, op de kaarten der spelers staarde. Weer ging het eene spel na het andere, en wederom verloor Eugène wat hij voor zich had. Do banknoten vlogen van hem weg, nauwelijks een enkele zet die voordeelig voor hem was. Verwonderd zagen de officieren elkaar aan. «Ook ik stel voor om op te houden,» riep Dolling, «een andermaal geven wij revanche.»

«Ik wij ze van avond hebben!» riep Eugène, sprong op en sloot do deur. «Niemand komt eruit. Zet ordentelijk en waagt; hier is geld.» Hij wierp een hoopje lucifers op tafel. «Het stuk een dubbele daalder, morgen betaal ik; ik sta toe dat het houtje eenmaal gebroken worde, maar geen zet onder den daalder,» En op nieuw vlogen de kaarten over de tafel en ging het spel met vernieuwden ijver voort. Anton maakte zich intusschen heimelijk meester van den punchlepel en besloot niet meer in de glazen to scheppen. Eugène bleef maar aan het verliezen ; de lucifers werden als door een geheime kracht naar alle kanten weggetrokken. Eugène haalde nieuwen voorraad en riep: «Bij het weggaan maken we de rekening op.»

ocr page 266

260

Doch daar stond Bolling op en stampte met den stoel op den grond.

«Een hondsvot wie de kamer verlaat,» riep Eugène.

«Je bent niet wijs,» zei de ander ontevreden, «het is niet goed zijn besten kameraad het geld uit den zak te kloppen, gelijk wij van avond met u doen. Jk heb nooit zoo iets bijgewoond. Als de satan hier mee in 't spel is, wil ik hem althans niet helpen.» Hij schoof van de tafel terug; Anton ging naar hem toe; beiden waren zwijgend toeschouwers van den overmoed, waarmee het geld van de eene hand in de andere werd geworpen.

«Ook ik heb genoeg,» zei de dokter en toonde een dikken bos lucifers.

«Het is een opmerkelijke avond; sints ik de kaarten ken is mij nog nooit zoo iels voorgekomen. Hij kan geen enkelen zet winnen.»

Wederom sprong Eugène naar het tafeltje waar de lucifers lagen, maar Boiling nam al wat er nog over was, opende het venster en wierp ze op straat. «Beter dat die vervloekte houtjes daar beneden een laars verbranden, dan hier je beurs,» riep hij. Daarna wierp hij de kaarten op den grond. «Het spel moet ophouden; gij hebt ons strakjes afgesnauwd als een soldaat op post, ik doe het nu op mijn beurt.»

«Ik verzoek van zulke bevelen verschoond te blijven,» riep Eugène gebelgd.

Bolling gespte zijn sabel om en sloeg de hand aan het gevest: «.Ie zult je heden moeten onderwerpen,» sprak hij ernstig, «morgen wil ik je voor het geheele corps te woord staan. Komt, heeren, maakt je rekening op, wij gaan weg.»

De houtjes werden op tafel geworpen; de dokter telde.

«Eugène trok somber zijn portefeuille uit den zak en teekende de schuld op. Onpleizierig, met een korten groet, verwijderde zich het gezelschap. «'t Is om en bij de achthonderd daalders,» zei de dokter op weg naar huis. Bolling haalde de schouders op. «Ik hoop dat hij het gelil weet te vinden, maar ik wou nog liever dat gij dat prentenboek des duivels in uw zak hadt gehouden. Als er van de geschiedenis iets uitlekt, zal Rothsattel geen reden hebben om er zich over te verheugen. Wij zullen allen verstandig doen zoo we er maar over zwijgen, ooku,. mijnheer Wohlfart, verzoek ik het.»

Anton ging in hevige gejaagdheid naar huis. Den ganschen avond had hij als op gloeiende ' kolen gezeten en den verkwister in stilte bittere verwijten gedaan. Hij was boos op zichzelven dat hij hem het geld had geleend, on gevoelde toch hoe weinig kiesch het zou geweest zijn het hem te weigeren.

' Toen hij den volgenden morgen Eugène wilde gaan opzoeken, ging de deur open en Eugène zelf kwam de kamer binnen, bleek, moedeloos, weifelend. «Wanhopend ongelukkig gisteren avond,» zei hij; «ik zit nu erg in de klem; ik moet van daag achthonderd daalders vinden en heb in dit gat niemand tot wien ik mij wenden kan dan u. Wees gij verstandig, Anton, en bezorg mij het geld.»

«Ook mij valt dat niet gemakkelijk, mijnheer Von Rothsattel,» antwoordde Anton ernstig! «'t is geen onbeduidende som, en de gelden waarover ik kan beschikken, behooren mij niet.»

«Ge zult er wel iets op vinden,» drong Eugène bij hem aan; «als gij mij niet uit de verlegenheid redt, ben ik radeloos. Onze chef laat niet met zich lachen, ik ben in gevaar alles te verliezen, als de geschiedenis niet spoedig uit de wereld is.» In zijn verlegenheid vatte hij Antons hand en

ocr page 267

261

drukte ze angstig. Anton beschouwde liet ontstelde gelaat van Leonores broeder en antwoordde, zich zeiven overwinnende: «Ik bezit een kleine som, die mij toekomt, in de kas onzer firma, en heb van hier geld naar het kantoor to zenden. Ik zal den kassier verzoeken met mijn gold de som aan te vullen, die ik voor uw gebruik hier achterhoud.»

«Gij zijt mijn reddende engel, riep Eugène, aanmerkelijk verlicht; «op zijn laatst binnen vier weken betaal ik u achthonderd daalders terug,» voegde hij er bij, in het vooruitzicht op het geld, geneigd om het beste te hopen.

Anton ging naar zijn schrijftafel en telde den luitenant het geld voor. Het was een groot gedeelte van de som, die hem nog van zijn erfdeel overschoot.

Toen Eugène onder levendige dankbetuigingen hot geld en papier had geborgen, begon Anton ; «En nu, mijnheer Von Rothsattel, wou ik u nog iets zeggen, dat mij gisteren den heelen avond op hot hart hoeft gelegen. Ik verzoek u vooraf dringend mij niet voor bemoeiziek te houden, zoo ik niet voor u verborg wat gij weten moet, en wat een vreemde toch tor nauwernood het recht om u te zeggen.»

«Als ge mij zedelessen wilt geven, is het oogonblik slecht gekozen,» antwoordde de luitenant knorrig; «ik weet bovendien wel dat ik een mallen streek heb gedaan en ben al op een boetpredikatie van mijn • ouden heer voorbereid. Wat ik van hem aannemen moet, wil ik liever niet van een dorde hooien.»

«üij kent mij al zeer weinig kieschheid toe, mijnheer Von Rothsattel,» riep Anton, wezenlijk gekrenkt door hot antwoord van den officier. «Ik heb gisteren uit een wel is waar niet zeer zuivere bron vernomen, dat mijnheer uw vader door de listen van oneerlijke speculanten in moeijolijk-heden is gewikkeld, die zijn vermogen ernstig bedreigen. Ook do gevaarlijke monsch, die hem de strikken spant, is mij genoemd.»

De luitenant staarde verwonderd op het ernstige gelaat van Anton en zei; «Drommels, ge maakt mij bang. Maar neen, 't is onmogelijk.Papa heeft er mij nooit iets van gezegd, dat zijn zaken niet best in orde waren.»

«Wellicht kent hij zelf de plannen en de boosheid dor menschen niet, die het voornemen hebben zijn krediet voor hun bedoelingen te gebruiken.»

De baron Von Rotsattel is de man niet om zich door iemand te laten gebruiken,» hernam de luitenant trotsch.

«Dat geef ik 11 gaarne toe,» zei Anton vriendelijk. «En toch bid ik u te bedenken, dat de laatste groote ondernemingen van mijnheer uw vader hem herhaaldelijk iu aanraking hebben gebracht met sluwe en niet zeer nauwgezette handelaars. Die mij den raad gaf, deed het klaarblijkelijk met een goede bedoeling. Als zijn gevoelen, dat naar ik vrees door een menigte handelaars van den tweeden en derden rang gedeeld wordt, gaf hij mij te kennen, dat mijnheer uw vader in groot gevaar verkeerde belangrijke sommen te verliezen. En ik noodig u dringend met mij naar den man te gaan; wellicht gelukt het ons meer van hem te wete te komen. Met is dezelfde koopman dien gij gisteren bij mij zaagt.»

De luitenant keek mistroostig voor zich heen, nam zonder een woord te spreken zijn politiemuts, en beiden spoedden zich naar de herborg waar Tinkeles zijn verblijf hield. Het zal het beste wezen,» zei Anton op straat, «dat gij zelf naar hem vraagt.» Do officier ging het huis binnen, ondervroeg

ocr page 268

'mi

den knecht, den kastelein, alle huisgenooten, die hem tegenkwamen, maar — Schmeie was gevlogen. Van de herberg gingen zij naar het politiebureau en vernamen eindelijk, na lang vragen, dat de pas van Tinkeles voor Turkije geviseerd was. Zoo was de indringer eensklaps verdwenen en door zijn vertrek kreeg zijn waarschuwing voor heiden groote kracht. Hoe langer zij over vreemde woorden spraken, hoe onrustiger de luitenant werd en hoe minder hij wist wat te doen. Eindelijk barstte bij hevig aangedaan in de klacht uit: «Mijn vader is nu wellicht zelf' in verlegenheid. Hoe zal ik hem mijn schuld bekennen ? 't Is een vervloekt geval voor mij. Wohlfart, gij zijt een fatsoenlijk man, want gij hebt mij het geld geleend, ofschoon gij de berichten van dien onzichtbaren jood reeds hadt ontvangen. Gij moet u nu ook verder fatsoelijk houden en mij de som voor langer leenen.»

«Zoo lang, totdat gij zelf' den wensch te kennen geeft om zo terug te betalen.»

«Dat is edelmoedig,» riep de luitenant, «en nu nog iets: schrijf gij zelf aan mijn vader. Gij weet het best wat de raadselachtige man u gezegd heeft, en voor mij is het zoo onpleizierig papa zoo iets mee te deelen.»

«Maar mijnheer uw vader zal de inmenging van een vreemde terecht voor ongepast houden,» antwoordde Anton, reeds verlegen door het vooruitzicht om in briefwisseling te treden met Leonores vader.

«Mijn vader kent u immers ?» zei Eugène, hem overhalende ; «ik herinner mij, dat mijn zuster mij van u heeft gesproken. Schrijf maar, dat ik het u heb verzocht, 'fis inderdaad beter, als gij het op u neemt.» Anton stemde er in toe. Hij ging terstond aan 't schrijven en deelde den baron de waarschuwing mede van den poolschen jood.

Zoo kwam hij in den vreemde met de familie des barons in een nieuwe betrekking, die voor hem en de Rothsattels rijk in gevolgen zou worden.

IV.

Gelukkig de voet die over uitgestrekte velden van eigen grond wandelt; gelukkig het hoofd dat de kracht der uitbottende natuur vaneen verstnndigen wil weet te onderwerpen! Al wat den mensch sterk gezond en goed maakt, dat is het deel van den landbouwer. Zijn leven is een onafgebroken strijd, een telkens hernieuwde overwinning. Hem versterkt de zuivere lucht des velds de spieren van liet lichaam; voor hem dwingt de eeuwenheugende orde der natuur ook do gedachten in een geregelden loop. Hij is de priester, die standvastigheid, tucht, zedelijkheid, de hoofddeugden van een volk, moet handhaven. Als andere soorten van nuttige bedrijvigheid verouderen de zijne is eeuwig als het leven der aarde; als ander werk den mensch binnen nauwe muren opsluit, in de diepte der aarde of tusschen de planken van een schip, zijn blik heeft maar twee grenzen : den blauwen hemel boven, en beneden, den vasten bodem. Hem valt het reinst genot van den arbeid ten deel: immers wat zijn eiscli van de natuur vordert, plant en dier, dat groeit onder zijn zorg tot een vrij zelfstandig leven op. Ook voor

ocr page 269

203

de» stoileliiig is het groene gras en tie gouden korenaren, zijn de runderen in de weiden en liet dartelend veulen, is het dichte lommer der bosschen, is de f'rissche geur der velden een verkwikking voor het hart; maar krachtiger, fierder, edeler is het welgevallen van den man, die over zijn akkers wandelt met het bewustzijn; dit alles is mijn eigendom, mijn kracht schiep het, mij gedijt het ten zegen. Want niet in onnut genot beschouwt hij de beelden, door de natuur hem voorgehouden. Aan lederen blik verbindt zich een verlangen, aan iederen indruk een voornemen; elk voorwerp heeft voor hem een bestemming; want alles, het vruchtbare veld, het dier en de mensch moet naar zijn wil, den wil des meesters, iets nieuws voortbrengen. De dagelijksche arbeid is zijn genot en in dit genot groeit zijn kracht. Zoo leoft de man, die zelf de ijverige verpleger is van zijn land.

En driewerf gelukkig de eigenaar van een grond, waarop de achtereenvolgende menschengeslachten een krachtige strijd tegea de wilde luimen der natuur is gevoerd. De ploegschaar dringt diep door in den gezuiverden bodem, trotsche planten breiden haar breede bladen uit in welige pracht, aan de stengels verrijzen groote knoppen en zaadrijke peulen, en onder den grond groeit de vleezige knol aan. Dan komt de tijd, dat de kunstige nijverheid haar zetel op de bebouwde akkers opslaat. Dan komen de vreemde gedaanten van de stoomwerktuigen op het landgoed, de monsterachtige ketel nadert met bloemen bekranst, groote raderen met honderd tanden draaien gehoorzaam in een kring rond, lange buizen kronkelen door de nieuw opgerichte gebouwen, de reusachtige ledematen bewegen zich zonder tusschenpoo-zing dag en nacht door. Edele nijverheid! Zij ontkiemt uit de kracht van den grond en vermeerdert op haar beurt die kracht. Waar de eigen bodem zijn vruchten overvloedig aan de fabriek toevoert, daar werken in de open lucht de ploegschaar in het gemetselde huis de warme stoomketel, broederlijk samen, om hun meester rijker te maken, maar zelfvertrouwend en wijzer. Zoo lang hij slechts de oude halmvruchten verbouwde, het groene voeder voor het vee en de ronde knol, waren «prijzen» op de naastbijzijnde stadsmarkt waarschijnlijk het voornaamste wat hem op de geheele wereld belang inboezemde, en als de boer in het dorp tegen hem opbood was dit wellicht zijn grootste ergernis. En met een fierheid die alles van zich afstoot, zag hij uit zijn beperkten kring als in het oneindige verschiet neder op het woelig leven der groote steden, op de in elkaar grijpende betrekkingen, die door een nieuwen tijd zijn voortgebracht. Thans staat hij zelf midden tusschen de raderen van de nieuwerwetsch scheppingskracht; hij volgt de vele bewegingen van den menschelijken geest, ook buiten de grenzen zijner velden. Vele wetten des levens leert hij kennen, en vele gedachten der menschen ; hij krijgt een anderen maatstaf voor de beoordeeling van 's menschen waarde, nu hij bij het gewoel der markt, hel studeervertrek van den geleerde ook zelf nooilig heeft. Ilij hecht zijn draden aan menschen van een ander beroep; vreemden mogen hem de hand reiken en hun voordeel met het zijne verbinden. Telkens grooter wordt de kring waarin zijn belang hom sleept, telkens krachtiger de invloed dien hij op anderen ver-krijgt.

Naast den eenvoudigen daglooner bouwt een nieuw geslacht van nijvere menschen zijn hutten op de velden, verschillend naar gelang van kennis

ocr page 270

264

en ontwikkeling; voor allen kan hij nuttig, allen tot zegen worden. Sterk groeit de kracht aan van zijn landgoed, van jaar op jaar slygt de waarde van den grond; het verleidelijke lokaas van groote winst drijft ook den koppigen boer uit het spoor der oude gewoonte, liet slechte voetpad wordt een straatweg, de moerassige sloot een kanaal. Tusschen de graanvelden door rolt een tal van vrachtwagens ; op woeste plaatsen verheffen zich de roode daken van nieuwe woningen; de brievenbesteller, die weleer maar tweemaal in de week zijn lederen las over de velden droeg, komt thans alle dagen ; zijn ransel is zwaar van de brieven en nieuwspapieren, en als hij bij een nieuw huis ophoudt om de jonge vrouw, die van verre weg met haar man herwaarts kwam getogen, een brief van huis te overhandigen, neemt hij dankbaar het glas melk aan, dai de verheugde hem aanbiedt, en vertelt haar hoe lang hem vroeger de weg van het eene dorp naar het andere in de brandende zon was gevallen. Dan ontwaakt ook de begeerlijkheid, de kinderachtige nicht van den vooruitgang. De naald van den kleermaker heeft het druk met nieuwe stollen; tusschen de boerenhuizen slaat de kleine kramer zijn winkel op; hij logt zijn citroenen voor het venster, de tabak in nette pakjes, en verleidelijke lles-schen met zilveren briefjes. En de meester in het dorp klaagt over het groot aantal leerlingen; een tweede schoollocaal wordt gebouwd, een hoogere klasse opgericht; in een kast van zijn woonkamer legt de meester de eerste leesbibliotheek aan, en de boekverkooper in de stad zendt hem nieuwe werken om te verkoopen. — Zoo wordt het leven van den krachtigen ondernemenden grondeigenaar een zegen voor den omtrek, een zegen voor geheel het land.

Maar wee den grondeigenaar, wiens bodem onder zijn vouten wegzinkt en een prooi wordt van vreemde machten ! Hij is verloren, zoo zijn arbeid niet meer voldoende is om de eischen te bevredigen, die andere nienschen aan hem stellen. De geesten der natuur schenken hun zegen alleen aan hem, die vrij en zelfvertrouwend tegen hen overstaat; zij zijn verstoord, zoodia zij zwakheid, overhaasting en weifelmoedigheid bespeuren. Geen werk gedijt meer. De gele bloesem van het oliezaad en de blauwe bloem van het vlas verdrogen zonder vruchten; roest en brand tasten het koorn aan ; in een doodelijke ziekte verkwijnt de kleine knol dei-aardappelen ; de geesten, voorheen aan gehoorzaamheid gewoon, weten thans ieder verzuim streng te stralfen. Dan wordt voor den meester de dagelijksche wandeling door de velden een dagelijksche vloek; als de leeuwerik uit de rogge opvliegt, moet hij denken dat de vrucht reeds is verkocht; als een span ossen de klaver naar de stallen rijdt, weet hij dat de opbrengst van melk en vleesch reeds door vreemde schuldeischers is opgevorderd ; en hij moet betwijfelen of de vruchtbaarheid, die hij door het herkauwen der eetlustige dieren voor zijn akker in het volgende jaar hopen mug, hem zeiven wel voordeel zal aanbrengen. Sobber, knorrig, wanhopend, keert hij naar huis terug. Al licht vervreemdt hij dan van zijn bouwerij en velden, hij zoekt ver van zijn weiden zijn kwellende gedachten te ontvlieden, en door de vlucht verhaast hij zijn ondergang. Wat hem wellicht nog had kunnen redden, een toewijden van zich zelf met alle krachten aan den arbeid, dat wordt hem onuitstaanbaar.

Kn driewerf wee den landeigenaar, die onberaden in onverstandige begeerlijkheid de Zwarte Kunst van den stoom over zijn akkers brengt, om

ocr page 271

205

krachten uit hen op te zweren, die er niet in leven, Hem treft de wreedste vloek die over stervelingen beschoren is. Niet hij alleen wordt zwakker, hij maakt ook vele anderen slecht, die hij aan zijn dienst verbonden heeft. In de vaart der raderen, die hij ondoordacht in zijn kring plaatste, wordt meegesleept wat nog onaangetast was ; de kracht van den grond put zich uit in vruchtelooze pogingen ; zijn trekdieren verlammen door zware fabriekvrachten, zijn eerlijke landlieden ontaarden in een morsig, hongerig bedelaarspak. Waar weleer rustige gehoorzaamheid althans het noodige voortbracht, woekert nu wrok, weerbarstigheid, bedrog. Hij zelf is geslingerd in den draaikolk van lastige bezigheden ; als bruisende golven slaan de schuldvorderingen over hem heen ; in wanhopenden strijd grijpt hij, als een drenkeling, om hulp naar alles wat onder het bereik zijner handen komt; afgemat door het vergeefsche worstelen zinkt hij in de diepte weg.

Op het goed van den baron had het graan dikwijls beter gestaan, dan bij de buren ; zijn kudden waren in den geheeien omtrek als door en door gezond bekend; ongelukkige jaren, die anderen drukten, hadden hem betrekkelijk weinig schade veroorzaakt. Thans was dit alles als door een boozen geest verkeerd. Onder de runderen berstte een pestziekte uit; het koren stond hoog op den akker, maar als de schoven op den vloer gedorscht werden, waren het slechts weinig schepels, die men verzamelde. Overal was zijn raming hooger geweest dan de opbrengst. In andere tijden zou hij het kalm hebben gedragen, thans maakte het hem ziek. De landbouw begon hem tegen te staan en hij liet dien geheel aan den rentmeester over. Geheel zijn hoop vestigde zich nu op de fabriek, en als hij zijn velden doorwandelde was het alleen om naar de beetwortels te zien, aan wier verbouwing hij de beste krachten van zijn goed had besteed.

Achter de hoornen van het park verhief zich het nieuwe fabrieksgebouw. De stemmen van velen, met den nieuwen aanleg bezig, riepen verward door elkaar. De eerste beetworteloogst werd binnengebracht en tot bewerking opgehoopt. Den volgenden dag zou de fabriek geregeld aan den gang gaan, Nog steeds hamerde de kopersmid ; aan de grooote machine werkte de mechanicus, en ijverige vrouwen droegen korven met spaanders en stukken kalk naar buiten, en reinigden met schuurlappen de plaatsen, waar zij voortaan mee zouden werken. De baron stond voor het huis; hij hoorde ongeduldig naar het kloppen der hamers, die reeds zoo lang de voltooiing van het werk hadden vertraagd. Met den dag van morgen begon hem een nieuwe tijd. Hij stond nu voor de poort van zijn schatkamer. De oude zorgen kon hij ver van zich afschuiven; in de eerstkomende jaren betaalde hij af wat hij had opgenomen, dan ging hij aan het opleggen. En terwijl' hij zoo peinsde, zag hij onverwachts zijn afgebeulde paarden en het bekommerde gelaat van zijn rentmeester, en een heimelijke vrees kroop als een knagende worm over de onrustige bewogen bladen zijner gedachten. Hij had alles op dezen slag gezet, en zijn goed zoozeer met hypotheken bezwaard, dat hij zich vragen kon hoeveel daarvan hem zeiven nog toekwam? Ja alles, en zulks om door de kunstmatige bereiding van de akkervruchten het wapenbord van zijn geslacht in eer en aanzien te verhellen.

ocr page 272

200

Wees voorzichtig, baron! Gedenk den man, die de kosten niet vooraf berekent, den man, die op een zandgrond bouwt.

De baron zelf was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. Rimpels op het voorhoofd, twee knorrige plooien om den mond, grijze lokken om de slapen, deze waren de eerste vruchten van die voortdurende bezorgdheid voor zijn kapitaal, voor zijn familie, voor de toekomst van zijn landgoed. Zijn stem, die weleer krachtig en vol uit de borst had geklonken, was scherp en heesch geworden, en in zijn bewegingen verrieden zich sporen van onrust. Veel zorgen had de baron in den laatsten tijd gehad. Wat het zegt bij oen groote onderneming gebrek te hebben aan geld, die ellende had 1'ij van nabij leeren kennen. Ehrenthal was thans een geregeld bezoeker van het slot. Zijn paarden hadden iedere week kostelijk hooi uit de ruiven van den baron genoten, en iedere week had hij zijn portefeuille getrokken en rekeningen gebracht, of bankpapier voorgeteld. Zijn hand, die in het eerst zoo eerbiedig naar de tas greep, was traag geworden, en slechts langzaam woelden de fladderende papieren zich van zijn vingers los, Zijn gebogen hals was stijf, zijn onderdanig lachje was in een drogen groet overgegaan ; hij liep thans met een onderzoekenden blik door de bouwerij en in plaats van de overdreven lofredenen van weleer, ontviel menige aanmerking zijn mond. De demoedige agent was een aanmatigend schuldeischer geworden en de baron verdroeg met steeds klimmenden tegenzin de vrijpostigheid van een man, dien hij nu niet meer missen kon. Maar niet Ehrenthal alleen ook andere vreemde personen klopten aan de werkkamer van den grondbezitter en hadden zaken met hem onder vier oogen. Het dikke lichaam van den onbeschaafden Pinkus waggelde elke drie maanden uit de herberg van het dorp naar het slot, en telkenmaal als zijn lompe voet de trappen beklom, sloop de mismoedigheid achter hem het huis binnen.

Geen week was er voorbij gegaan, zonder dat Ehrenthal op het goed was gekomen; nu was de moeielijkste tijd aangebroken en geen oog ontwaarde den handelaar. Hij was op reis, zei men in de stad, en onrustig luisterde de baron naar het geratel van iedercn wagen, of niet eindelijk een den draler zou brengen, don gehate, den onmisbare. Daar kwam Leonore haar vader opzoeken, een rijpe schoonheid, heerlijk van vormen en prachtig van bouw. Dat ook haar de onrust des levens niet ongemoeid had gelaten, toonden het peinzend oog en de bezorgde blik, dien zij op den baron sloeg. «De bode heeft deze papieren meegebracht,» zei zij, een pak brieven en couranten overreikende. «Er is zeker weer geen brief van Eugène bij?»

«Die heeft tegenwoordig wel wat anders te doen dan te schrijven,» antwoordde de vader, maar hij zelf zocht begeerig naar liet schrift van zijn zoon. Daar zag hij een brief van een onbekende hand, met het postmerk der stad die Eugène was binnengetrokken, liet was Antons brief. Haastig brak hij hem open. Als hij in den eerbiedigen toon de goede bedoeling erkende en den naam van Itzig gelezen had, verborg hij den brief spoedig in zijn zak. De geheime angst, die thans menigmaal zijn hart deed inkrimpen, overviel hem weer, en terstond daarop volgde de kwellende gedachte dat zijn verlegenheid een punt was, waarover men zich in den vreemde onderhield. Zijdelingsche waarschuwingen had hij nu het minst van allen noodig. Zij hinderden hem slechts. Lang stond hij in een somber stilzwijgen verzonken naast

ocr page 273

207

zijn (lochler. Daar do brief echter berichten over Eugène behelsde, deed hij zich geweld aan om te zeggen ; »üat schrijven is van een mijnheer Wohlfart, die thans als koopman ginds over de grenzen rondreist en kennis met Eugène heeft gemaakt.quot;

»Wohlfart?quot; riep Leonore.

»11 ij schijnt een knap mensch te zijn geworden,quot; vervolgde de baron na inwendigen strijd. »liij spreekt met warme belangstelling over Eugène.quot;

riep Leonore verheugd, «wat nauwgezet heet en getrouw be-teekent, dat leert men kennen als men met hem omgaat. Hoe toevallig! Be broeder en de zuster! Wat heeft hij u geschreven, vader?quot;

»0ver zaken ; waarschijnlijk is het goed gemeend maar 't kan mij toch niet van eenig wezenlijk nut zijn. De dwaze jongens hebben deze of gene praatjes uit de derde hand gehoord en zich over mijn omstandigheden noodeloos bezorgd gemaakt!quot; En met loome schreden wandelde hij zoo sprekende naar de fabriek.

Verontrust volgde Leonore hem. Eindelijk opende hij de courant en sloeg onverschillig de bladeren om, tot zijn oog op een gerechtelijke aankondiging viel. Een donker rood overtoog zijn wangen, het blad ontglipte hem en viel op den grond ; hij greep met de hand naar den rand van een wagen en boog het hoofd. Onsteld nam Leonore het nieuwspapier op en zag den naam van het poolsch landgoed, waarop haar vader, gelijk zij wist, een groot kapitaal had staan. Een dag voor publieken verkoop op verlangen der schuldeischers werd aangekondigd.

Als een bliksemstraal trof den baron dit bericht. Zoo dikwijls hij zijn eigen goed had bezwaard, had hij altijd op de som, die hij op het vreemde landgoed gevestigd was, als op den laatsten grondslag van zijn rijkdom, gerekend. Dikwijls had hij gedacht ot het niet onverstandig was anderen in den vreemde zijn geld te laten en hier vreemd geld maar al te duur te betalen; altijd had hij een zekeren angst gevoeld om ook dit schoone kapitaal in zijn onderneming te steken ; hij beschouwde het als de weduwsom zijner vrouw, als het erfdeel der dochter. Thans liep ook die som gevaar, de laatste zekerheid was verdwenen, alles om hem heen stond wrak. Ehrenthal had hem bedrogen ; deze had met den gevolmachtigde van den poolschen graaf do briefwisseling gevoerd; hij had bij den laatst verschenen termijn de interesten nauwkeurig voorgerekend ; er viel niet aan to twij-felen: Ehrenthal had van den slechten toestand geweten en dien voor hem verborgen gehouden.

»Vader,quot; zei Leonore, hem van den wagen wegvoerende, »houd goeden moed : spreek met Ehrenthal, rijd naar uw advocaat, er zal nog wel hulp zijn tegen dit ongeluk.quot;

»Ge bobt gelijk mijn kind,quot; sprak do baron met doil'e stem, nog is het mogelijk dat het gevaar niet zoo groost is. Laat inspannen; ik zal naar do stad rijden. Vertel niet aan uw moeder wat ge gelezen hebt, en ga gij, beste Leonore, met mij mede.quot;

Toen de koetsier voorkwam vond hij den baron nog op dezelfde plaats, waar de tijding hem als een donderslag had getroffen. Zwijgend zat hij gedurende den tocht in een hoek van het rijtuig.

In de stad bracht hij zijn dochter naar de woning, die hij nog altijd had aangehouden, uit vrees dat zijn vrouw of kennissen anders mochten vermoeden, dat het met zijn zaken niet te best stond. Zelf reed hij naar

ocr page 274

208

Elirenthal. Toornig trad hij liet kantoor binnen en hield na onbeefden groet den koopman het nieuwsblad voor. Elirenthal stond langzaam op en zei met het hoofd knikkende: «Ik weet het al, Löwenberg heeft er mij over geschreven,»

«Gij hebt mij bedrogen, mijnheer Elirenthal,» riep de baron, zich geweld aandoende om bedaard te blijven.

«Hoe dat?» antwoordde de jood, de schouders ophalende, «waarom zou ik voor u verborgen houden, wat de courant u toch melden moest? Zoo iets gebeurt bij iedere vaste bezitting, bij elke hypotheek. Wat is dat nu voor een ongeluk?»

«De zaken van den eigenaar zijn in de war; gij hebt het al lang geweten,» riep de baron, «gij hebt mij bedrogen!»

«Wat praat gij toch van bedrog?» stool' Elirenthal op; «pas maar op, dat een vreemde uw woorden niet hoort. Ik heb mijn geld bij u staan: hoe kan ik er belang bij hebben u kleiner te maken en uw verlegenheid te vergrooten? Ik zelf zit daar bij u te diep,» en hij wees op de plaats, waar bij de menschen het hart gewoonlijk klopt. «Had ik geweten dat die fabriek zou verslinden mijn goede geld, de eene duizend daalders voor, de andere na, evenals een dier vreet, dat van achteren open is, ik zou mij wel eerst bedacht hebben en u niet hebben voorgeschoten een enkelen daalder. Ik wil met mijn geld onderhouden een troep olifanten, maar nooit meer een fabriek. Hoe kunt gij dus zeggen dat ik u bedrogen heb ?» eindigde hij in steeds grooter dritt.

«Gij hebt toch van de opvordering door de schukleiscliers geweten,» antwoordde de baron, «en mij verzwegen hoe het met den graaf gesteld is.»

«Ikn ik het geweest, die u de hypotheek heb verkocht?» vroeg de verstoorde Elirenthal. «Ik heb ieder half jaar de interesten voor u ontvangen, dat is mijn onrecht, ik heb u bovendien betaald nog groote sommen geld, dat is mijn bedrog.» — Doch op meer verzoenenden toon vervolgde hij: «Beschouw gij do zaak eens rustig, mijnheer de baron; een andere schuldeischer heeft aangedrongen op den verkoop van het landgoed, de rechtbank heeft er ons geen kennis van gegeven, of zij hebben de kennisgeving aan een verkeerd adres gezonden. Wat doet het er nu toe? Gij zult nu na de publieke veiling ontvangen uw kapitaal, dan kunt gij afbetalen de sommen, die op uw goed staan. Er zijn, naar ik hoor, stukken van groote waarde bij dat landgoed en gij hebt niets te vreezen voor uw kapitaal.»

Met deze flauwe hoop moest de baron vertrekken. Mismoedig steeg hij in het rijtuig en riep zijn koetsier toe: «Naar den advocaat Horn I» maar halverwege gaf hij tegenbevel en reed naar zijn woning terug. Er was tusschen hom en zijn ouden rechtsvriend een zekere verkoeling ontstaan. Hij had er tegen opgezien dezen zijne voortdurende moeie-lijkheden mede te deelen, en was door eenige welgemeende waar-scliuwingen van hem beleedigd: daarom had hij meermalen de hulp van andere rechtsgeleerden ingeroepen.

Itzig was uit groote kieschheid het kantoor uitgevlogen, zoodra hij de paardenkoppen van den baron op straat zag; nu stak hij het hoofd weer binnen: «Hoe was hij?» vroeg hij aan mijnheer Elirenthal.

ocr page 275

269

«Ja, hoe zou hij geweest zijn?» antwoordde Ehrenthal kregel, «hij was als een visch, die veel graten heeft; hij heeft zoo wat in het wilde gepraat en ik heb mij boos gemaakt. Mijn geld heb ik gestoken in zijn landgoed, en zorgen heb ik er voor, zooveel als haren op mijn hoofd, sints ik gevolgd heb uw raad.»

«Als gij denkt dat een riddergoed u komt toezwemmen als een visch met den stroom, zoodat ge uw hand maar behoeft uit te steken en stil te houden, dan heb ik medelijden met u,» antwoordde Veitel spottend.

«Wat doo ik met de fabriek?» vroeg Ehrenthal, «het landgoed was mij dubbel zooveel waard, zonder den schoorsteen.»

«Welnu, dan verkoopt gij de pannen, als gij eerst den schoorsteen hebt,» hernam Veitel grijzende. «Ik wou u nog zeggen dat ik morgen een bezoek krijg van een kennis uit mijn land. Ik kan morgen niet op het kantoor komen.»

«(•ij hebt in het laatste jaar zoo dikwijls boodschappen op uw eigen hand gehad,» zei Ehrenthal grof', «dat het mij niets schelen kan, als gij nooit terugkomt op mijn kantoor.»

«Weet ge wel wat ge gezegd hebt?» viel Veitel uit. «Gij hebt mij gezegd: «Itzig, ik heb je niet langer noodig, je kunt gaan.» Maar ik zal gaan als ik hot goed vind, en niet als het'u goed dunkt.»

«Gij zijt een onbeschaamde rekel,» riep Ehrenthal, «ik zal je verbieden voortaan zoo tegen mij te spreken. Wie zijt gij, jonge Itzig?»

«Wie ik ben? Ik ben de man, die al uw zaken weet; ik ben do man, die u ongelukkig kan' maken, als bij wil, en ik ben de man, die het goed met u meent, beter dan gij zelf. En daarom, als ik overmorgen op het kantoor kom, zult gij zeggen : «Goeden morgen, Itzig!» Hebt ge mij begrepen, mijnheer Ehrenthal?» — Hij nam zijn pet en ijlde naai' buiten ; op straat barstte zijn onderdrukte toorn in volle kracht uit; hij sloeg heftig met de handen en prevelde dreigende woorden. Hetzelfde deed ook Ehrenthal op zijn kantoor.

De baron reed naar zijn dochter terug; neerslachtig ging hij op de canapee zitten en de hartelijke woorden van Leonore ruischten langs zijn ooren, zonder tot zijn hart door te dringen. Er was niets dat hem nog in de stad terughield, dan zijn angst om de treurige tijding aan de barones mede te dealen. Hij peinsde over plannen hoe hij het mogelijke verlies kon te boven komen, en schilderde zich weder met de zwartste kleuren af welke gevolgen de gebeurtenis hebben moest. Intusschen zat Leonore in gedachten verzonken voor hot venster en staarde op het gewoel der staat, op de vrachtwagens die voorbij ratelden, en op den stroom van menschen die haastig voortliepen, zonder rust, zonder ophouden, druk in de weer voor winst en genot. En terwijl Leonore zich afvroeg of wel een van de menschen, die zoo voorbijsnelden, den heimelijken kommer, den angst, de neerslachtigheid gevoeld had, die in de laatste jaren haar jeugdig hart zoo vaak hadden gekweld, zag meer dan een van hen naar de spiegelglazen van het statige gebouw op. Dan rustte zijn oog vol bewondering op het schoone meisje, en hij benijdde wellicht liet geluk der grooten, die zoo rustig van uit de hoogte neerzien op de menschen, die voor hun onderhoud zwaar moeten zwoegen.

ocr page 276

270

Aliens werd het donker op straat, het licht der lantaarns wierp een Hauw schijnsel In het vertrek; Leonore tuurde op de schaduwen en lichtstrepenj die over den muur zich bewogen, en met de toenemende duisternis werd de angst in haar borst al knellender en knellende!. Voor de huisdeur intusschen stonden twee mannen in een levenclig gesprek; de een trad de woning binnen, de bel werd getrokken, een zware tred dreunde in de voorkamer. Do knecht kwam binnen en diende mijnheer Pinkus aan. Bij dien naam vloog de baron op en

spoedde zich in het zijvertrek. .

De herbergier werd bij den baron binnengelaten en boog eemge malen het dikke hoofd, maar haastte zich met te spreken; de baron hield zich aan de tafel vast, als iemand die er op voorbereid is liet ergste te hooren. «Wat komt ge mij nog zoo laat vertellen C»

«Mijnheer de baron weet dat het morgen de vervaldag is van den

wissel, groot tienduizend daalders.» .

«Begrijpt ge dan niet dat ik voor de verlenging ook nog tien percent zal betalen?» vroeg de baron verachtelijk. «Ik dacht eerst morgen ie

rekening op te maken.» ,, igt;- i i i,

«Daar hut u niet best gelegen komt», antwoordde 1 mkus, «sta ik niet op die tien percent. Ik kom echter om u le melden dat ik hee onverwachts het geld noodig heb; ik zal u morgen om de tienduizend

Vl De'baron deinsde een paar schreden achteruit. Dat was de tweede slag en deze trof zijn leven. Hij had een voorgevoel gehad, dat ei nog iets komen zou om hem te verpletteren; nu wist hij bepaald, dat alles wat hij nog zeggen kon, nutteloos was. Zijn gelaat was vaal b eek, toen hij met schorre woorden begon: «Hoe kunt ge dien e.sch doen, na hetgeen wij samen afgesproken hebben? Hoe dikwijls hebt gij mij verzekerd dat die wissel niet dan een bloote formaliteit was.»

«Tot heden is hij een formaliteit geweest», zei Pinkus, nu wordt luj een dwangmiddel. quot; Ik heb morgen tienduizend daalders noodig vooi

een man, wien ik ze schuldig ben.»

«Wel nu, spreek dan met dien man», zei de baron, «ik ben bereid nog meer toe te geven, maar het is mij thans onmogelijk te betalen.

«Dan spijt het mij, mijnheer de baron, u te moeten zeggen, i a men volgens het wisselrecht tegen u zal procedèeien.»

De baron zweeg en keerde zich om.

«Wanneer kan ik morgen om mijn geld komen?» vroeg link . «Om dezen tijd», antwoordde een stem, die zwak klonk als de stem

V'UMet een ^ vertrouwelijk knikje verwijderde zich Pinkus; de baron waggelde naar zijn kamer terug, zijn hoofd viel neder tegen de leaning van de canapee, half bewusteloos dacht hij aan hetgeen nu gebeuicn zou. Leonore knielde naast hem, zij omvatte zijn hoofd en deed op haar schouder rusten, zij riep hem met de teederste namen en smeekte hem toch tot haar te spreken. Hij hoorde mets en zag mets, in zijn binnenste echter klopte het als met een hamei, s ct.i s fcne gt; steeds harder. De holle bonte zeepbellen, die hij geblazen had,

uiteen in de ledige ruimte; hij besefte thans de schrikkelijke waarhmd.

hij was een verloren man. Zoo zat hij tot laat in den avond, moeite kon zijn dochter hem eindelijk bewegen een glas wijn te drinken en aan den terugtocht te denken. «Ja, van hier weg», nep hij, naar

ocr page 277

'i71

buiten !» Zij vertrokken. Toen de boomen van tien grooten weg hem voorbij vlogen en de f'risscbe wind over zijn gezicht speelde, herleefde zijn geest. Deze nacht en de geheele volgende dag waren nog voor hem, in dien tijd moest hij hulp vinden. Het was niet de eerste verlegenheid, waarin hij zich bevond, en hij hoopte thans zelfs dat het niet de laatste zou zijn. [lij had die wisselschuld van oorspronkelijk zevenduizend daalders en eenige honderden aangegaan, omdat de schurk, die hem heden het geld kwam opzeggen, weinige jaren geleden hem opgezocht en hem het geld aangeboden, ja bijna opgedrongen had eerst tegen de laagste interesten. In het zeker vt-r trouw en op een gelukkige onderneming, had hij de som aangenomen. Eenige weken had zij ongebruikt gelegen, toen had hij ze aangesproken en langzamerhand had de schuldeischer zijn vordering hooger gesteld tot op een wissel op-zicht en een overdreven interest. Nu werd de schelm brutaal. Was hij evenals de rat, die den naderenden ondergang van het schip bemerkt en zich poogt te redden? De baron barstte in een lachen uit, dat Leonore er van rilde, — maar hij was de man niet om zich zoo zonder tegenspartelen aan den schelm over to geven. De nacht en de volgende dag moesten raad schaffen. Ehrenthal kon hem niet in den steek laten.

Hij gevoelde hoe noodzakelijk het was zich te bedwingen, en hij verkreeg liet van zich om met zijn dochter over onverschillige dingen te spreken. «Het zijn onaangename zaken.» zei hij, «die zich nu opeen-hoopen, en ik ben door de vele drukten van de laatste tijden ook lichamelijk van mijn streek. liet zal wel over gaan, mijn beste. Iedere ondernemer heeft zulke moeielijkheden; is de fabriek eens aan den gang dan is het ergste achter den rug.»

Het was nacht toen zij tehuis kwamen; de baron spoedde zich naar zijn kamer. Hij ging naar bed, maar hij wist dat het een komedie was, die hij ten gevalle van zijn kamerdienaar speelde; ook deze nacht was er een, waarin de slaap zijn oogen niet bezoeken zou. Op den toren van de dorpskerk sloeg het eene uur na het andere, de baron telde iederen slag, en met elk uur stroomde het bloed onstuimiger doorzijn aderen en knellender werd zijn angst. Waar was redding? Geen andere bleef er voor hem dan bij Ehrenthal. Hoe groot ook de tegenzin was, dien iiij gevoelde, om den volgenden dag als smeekeling voor dien man te staan, hij werd weggespoeld, door het angstzweet dat langs zijn voorhoofd gutste. Zoo lag hij en wrong de handen, en als de slaap, het stille kind van den nacht, zijn legerstede naderde, verhief zich het akelig spook, de angst, naast zijn hoofd en verdreef met dreigend gebaar den weldadigen god uit zijn nabijheid. Tegen den morgen eerst verloor hij het bewustzijn van zijn ellende.

Snijdende wanklanken drongen van het plein voor het kasteel in zijn kamer door en wekten hem; de arbeiders der fabriek kwamen in feestelijken optocht met dorpsmuziek onder zijn venster en brachten hem een serenade. Op een anderen tijd zou hij zich over den hartelijken ijver hebben verblijd; heden hoorde hij de valsche tonen en zij hinderden hem. Haastig kleedde hij zich aan en ijlde naar het plein. Zijn huis was groen gemaakt, de arbeiders stonden voor de deur in orde geschaard, zij ontvingen hem met luide kreten, hij moest hun toespreken en hun zeggen, dat hij met dezen dag gelukkig was en er veel goeds van verwachtte, en terwijl hij het woord voerde, voelde hij,

ocr page 278

272

hoe onwaar zijn verzekeringen waren en hoe deerlijk geknakt zijn moed. Hij liet inspannen, nog voor iiij zijn vrouw en dochter had begroet, en reed weer naai' de stad. Hij stond voor Ehrenthals huis en trok aan de deur van liet kantoor, docli zij was nog gesloten. Zijn knecht moest den koopman van zijn ontbijt naar beneden halen.

Verontrust door liet buitengewoon vroege bezoek, verscheen Ehrenthal; deze reis had hij zich niet hard gehaast den ouden kamerjapon uit te trekken. Do baron lei hem zijn verlangen bloot, met al de kalmte waarover hij na den slapdoozen nacht beschikken kon. Ehrenthal was ten hoogste verontwaardigd. «Die Pinkus,» riep hij herhaalde malen, «hij heeft het gewaagd u geld te leenen tegen een wissel ? Hoe kan hij u leenen een zoo groote som? De man bezit geen tienduizend daalders, hij is een man zonder middelen.» De baron bekende dat de som eerst kleiner was geweest, maar die bekentenis verhoogde de ontevredenheid van Ehrenthal.

«Van zeven tot tien!» riep hij en liep driftig op en neer, zoodat de slaaprok om hem heen fladderde, als de vlerken van een uil. «Bijna drieduizend daalders heeft hij verdiend! ik heb altijd een slechten dunk van dien man gehad, nu weet ik wat hij is! llij is een spion, een huichelaar, die ze achter de mouw heeft. Hij heeft de zevenduizend ook niet gegeven, zijn heele winkel is niet zooveel waard.»

De toorn van den handelaar deed een straal van hoop in het hart des barons opkomen; hoe onbillijk had hij dien man dikwijls in zijn gedachten beoordeeld! Ook ik heb reden dien Pinkus voor een gevaarlijk inensch te houden,» zei hij.

Doch die verklaring deed den baron kwaad; de toorn van Ehrenthal richtte zich nu tegen hem. «Wat spreek ik van Pinkus,» tierde hij, «hij heeft gehandeld zooals een mensch van zijn slag handelen moet. Maar gij, een edelman, hoe hebt ge op die wijze mij kunnen behandelen? Gij hebt buiten mij om, met een ander zaken gedaan en hebt hem in korten tijd laten verdienen drie van de zeven op een wissel? Weet gij wat dat beteekent, een wissel?»

«Ik wou dat de schuld niet noodig was geweest,» antwoordde de baron. «Daar liet heden echter de vervaldag is en de man van geen uitstel wil hooren, moeten we op de eene of andere wijze het geld zoeken te vinden.»

«Wat beteekent dat wij,» stoof Ehrenthal driftig op, «gij moet het geld vinden, en zie gij maar hoe ge het geld zult bekomen voor den man, dien gij drieduizend daalders in den zak hebt gespeeld. Gij hebt mij niet om raad gevraagd toen gij den wissel teekendet, gij behoeft mij nu ook niet te vragen hoe ge dien betalen zult.»

Dij den baron waren angst en toorn in heftigen tweestrijd. «Matig u wat in uwe woorden, mijnheer Ehrenthal!» riep hij.

«Wat zou ik mij inhouden?» schreeuwde de geldman, «gij hebt u ook niet ingehouden, en Pinkus heeft zich ook niet ingehouden, ik wil mij ook niet inhouden.»

«Ik zal terugkomen,» sprak de baron, «als gij weer in zoover u zeiven meester zult zijn om u tegenover mij te gedragen, zooals ik, in welke omstandigheden dan ook, van u verlang.»

«Als gij geld van mij wilt hebben, kom dan maar niet terug, mijnheer de baron,» riep Ehrenthal, «ik heb geen geld voor u; liever gooi ik al mijn daalders op straat, dan dat ik u nog een enkelen voorschiet.»

ocr page 279

273

De baron verliet zwijgend het kantoor. Zijn ellende was diep, hij moest de brutale woorden van den gemeenen man verkroppen. Nu reed hij in de stad bij zijn kennissen rond en leed de foltering om telkens op nieuw geld te vragen en telkens een weigerend antwoord te ontvangen. Tegen den middag was hij op, naar lichaam en ziel.

Ilij keerde naar zijn woning terug en overlei of hij nog eens naar Ehrenthal gaan of de betaling van den wissel op grond van woeker-interesten weigeren zou. — Daar sloop hij het huis binnen, hij die tot dien dag in een wijden kring het leven des barons als met een web had omsponnen, de toekomstige eigenaar van het landgoed, de erfgenaam der Rothsattels. Hij! De baron zag verwonderd op, toen een vreemde gedaante, die hij ter nauwernood een- of tweemaal had gezien, zijn kamer binnentrad; een mager gezicht tusschen rood haar gezet, twee sluwe oogen, en om den mond een grijnzende lach, zooals men op de vastenavond maskers ziet.

Veitel maakte een diepe buiging en begon; «Uoogwelgeboren heer baron, ik smeek u onderdanig de goedheid te willen hebben mij te vergeven dat ik met mijn zaken tot u kom. Ik hub den last van den heer Pinkus het geld voor den wissel in te kasseeren. Ik wou u aller-beleefdelijkst vragen of gij wellicht zoo genadig wilt zijn mij te betalen het geld.»

De droevige ernst van het oogenblik week voor den baron op den achtergrond, toen hij de lange gestalte zag, die zich kromde, gezichten trok, eti zich in allerlei bochten wrong. «Wie zijt gij ?» vroeg hij met de waardigheid van een groot heer.

«Veitel Itzig is mijn naam, mijnheer de baron, als ik zoo vrij mag zijn u dat te zeggen.»

De baron huiverde op het hooren van den naam Itzig. Dat was de man, tegen wien hij gewaarschuwd was, de onzichtbare, de onmee-doogende. Weer neep de angst hem het harte toe.

«Ik was tot nu toe boekhouder bij den heer Ehrenthal,» vervolgde Veitel bescheiden. «Maar Ehrenthal wordt mij te voornaam; ik heb oen klein vermogen geërfd, ik heb het Pinkus in zijn zaak toevertrouwd. Nu ben ik op het punt zelf mij te gaan vestigen.»

«Gij kunt het geld nu niet krijgen,» hernam de baron meer op zijn gemak. Die hulpelooze man kan moeielijk een gevaarlijke vijand wezen.

«Uitmuntend,» zei Veitel, «het doet mij zeer veel eer van mijnheer den baron te hooren, dat hij het mij in den namiddag zal betalen. Ik heb den tijd.» Ilij trok zijn zilveren horloge. «Ik kan wachten tot van avond. En opdat ik mijnheer den baron niet lastig valle, door op een uur terug te komen dat u niet aangenaam mocht zijn, of dat gij niet tehuis waart, zal ik de vrijheid nemen op uw trap post te vatten. Ik kan wel staan,» zei hij, alsof hij een uitnoodiging van den baron om op de trap te gaan zitten voorkomen wilde. «Ik houd het uit tot van avond vijf uur. Mijnheer de baron behoeft zich voor mij niet te geneeren.»

Door den onderdanigen toon van Veitel klonk dit alles als spotternij ; de baron gevoelde weer al het vreeselijke, al het pijnlijke van het oogenblik. Veitel ging met diepe buigingen naar de deur eti verliet als een kreeft achteruitgaande het vertrek. De baron riep hem terug. Als betooverd bleef Veitel in gebogen houding staan. Hij zag er op dat moment juist uit als iemand, die half onnoozel, die niet al te wel bij het hoofd is. De waarschuwende brief had den armen drommel te laste gelegd, wat Ehrenthal DEBET EN CUEU1Ï I. 18

ocr page 280

274

misschien zelf gesponnen liad. In ieder geval was deze man handelbaarder dan de andere.

«Kunt gij mij zeggen,» vroeg de baron met groote zelf belieerscliing, cdioe ik u voor uw schuldvordering zekerheid kan geven, zonder lieden of in de eerste dagen de som te betalen?»

Veitels oogen glinsterden als die van een roofvogel, maar hij schudde met het hoofd en haalde bedenkelijk de schouders op, terwijl hij den schijn aannam alsof hij naar een middel zocht. «Mijnheer de baron,» sprak hij eindelijk, «wellicht is er één middel, het laatste. Gij hebt een hypotheek van twintigduizend daalders op uw landgoed, die u toekomt en bij Ehrenthal op het kantoor berust. Ik wil bewerken dat Pinkus de tienduizend niet opvordert, en wil er nog tienduizend bij bezorgen, als gij aan mijn vriend de hypotheek afstaat.»

De baron luisterde aandachtig. «Waarschijnlijk weet gij niet,» antwoordde hij gestreng, «dat ik het stuk reeds aan Ehrenthal heb afgestaan.»

«Vraag nederig om verschooning, mijnheer de baron, dat hebt gij niet gedaan; er bestaat geen rechterlijke afstand van.»

«Maar een schriftelijke belofte van mij,» zei de baron.

Veitel haalde de schouders op. «Als gij Ehrenthal beloofd hebt hem een nieuwe hypotheek te geven voor zijn geld, waarom moet het dan juist die wezen? En wat hebt gij een hypotheek voor Ehrenthal noodig? In den loop van dit jaar krijgt gij uw kapitaal, dat gij op het landgoed bij Rosmin hebt staan, terug, dan kunt gij hem betalen met klinkende munt. Tot zoolang kunt gij de hypotheek rustig in zijn handen laten; geen sterveling heeft er iets van te weten, dat gij ze ons hebt afgestaan. Zoo gij de goedheid wilt hebben met mij naar een notaris te gaan, en door hem de hypotheek op mijns vriends naam laat zetten, bezorg ik u van daag nog twee duizend daalders; en den dag dat gij het stuk aan ons ter hand stelt, betaal ik het overige.»

De baron had zich geweld aangedaan om met een onverschillig lachje r.aar het voorstel te luisteren. Eindelijk zei hij kortaf: «Wat gij mij voorstelt kan ik niet aannemen; bedenk dus een anderen weg.»

«Er is er geen,» zei Veitel; «maar het is eerst middag ; ik kan wachten tot vijf uur.» Hij maakte wederom een diepe buiging en keerde zich bij de deur nog eens om. «Wat gij, mijnheer de baron, op het oogen-biik noodig hebt,» zei hij ernstig, «dat zijn niet alleen die tienduizend daalders. Gij zult in de eerste maanden nog evenveel moeten hebben voor uw fabriek en om uw kapitaal te redden op het poolsche landgoed. Als gij mij de hypotheek afstaat, hebt hij het geld. En — nog één verzoek heb ik aan u, mijnheer de baron ; wees zoo goed geen enkel woord met Ehrenthal te spreken over onze zaak ; hij is een hardvochlig mati en zou mij zijn leven lang benadeelen.»

«Wees daaromtrent onbekommerd,» zei de baron met de hand hem een teeken gevende dat iiij vertrekken kon. Veitel trok af.

De baron liep met groote schreden op en neer. Wat die eerlijke ziel hem had voorgeslagen, woelde steeds in zijn binnenste voort. Ja, het was redding voor hem uit deze en de eerstvolgende moeielijkheden; maar hij kon er zich niet mee inlaten, dat sprak van zelf. Het was bespottelijk, dat die man hem genoemd aanbod had gedaan, en men kon niet eens boos op hem zijn, hij begreep het niet anders. Maar

ocr page 281

'275

de baron had zijn woord van eer gegeven, hij mocht zelf niet langer aan de zaak denken.

En tocli, hoe luttel was het gevaar! De stukken bleven rustig in Ehren-thals hand, totdat de baron zijn poolsche gelden ontving; dan betaalde hij de som in eens af en kreeg de hypotheek terug. Niemand behoefde iets van de zaak te hooren, en als liet op zijn ergst liep, liet hij een nieuwe hypotheek voor Ehrenthal op zijn landgoed opmaken, hij gaf hem bovendien nog een kleine schadeloosstelling, en de geldwolf zou tevreden zijn. Telkens zette hij de gedachte van zich af, en telkens keerde zij terug. De klok sloeg een, sloeg twee uur; hij belde den knecht en beval hem in te spannen, en vroeg meteen of die vreemde man nog in huis was. De koetsier kwam voor : de vreemdeling stond beneden aan de trap. De baron ging hem voorbij zonder naar hem te zien en klom in het rijtuig. Toen de knecht met ontbloot hoofd bij het portier stond en vroeg waarheen de koetsier moest rijden, viel het hem zeiven voor het eerst in, dat hij het niet wist. «Naar Ehrenthal,» zei hij eindelijk.

Ehrenthal had intusschen een onrustigen morgen gehad. De stoute inbreuk, die een derde op zijn rechten had gemaakt, deed hem het vermoeden opvatten, dat behalve hem nog een andere onbekende macht tegen den baron aan het werk was. Hij zond naar Pinkus, overlaadde dezen met verwijten, en zocht op alle mogelijke manieren uit te visschen, van waar het kapitaal was gekomen. Pinkus echter was opperbest gedresseerd, hij toonde een stalen voorhoofd en was grof. Daarop zond Ehrenthal naar Itzig. Itzig was nergens te vinden.

Zoo was hij in een slechte bui, toen de baron weer bij hem kwam ; hij wist zelf best, dat deze nieuwe schuld niet noodig was om den edelman in den loop van het jaar het bezit van zijn landgoed te ontnemen, en was daarom verstoord op hem, als op een onverstandige, die zich znlk een noodelooze moeite op den hals haalde. En hij zei hem met droge woorden dat de dag eindelijk was gekomen, dat zijn geld-schieten moest ophouden. Wederom was er een heftig tooneel; de baron verliet verbitterd het kantoor, nam plaats in zijn rijtuig, en besloot nog een laatste poging te wagen bij een ouden vriend, die bij hem als een rijk man bekend stond.

Het was over vieren toen hij geheel hopeloos aan zijn woning terug kwam. Aan de trap geleund stond de magere gestalte, die een diepe buiging voor hem maakte en verder rustig bleef staan. De kracht van den baron was uitgeput. Hij ging in een hoek van de kanapee zitten, evenals den vorigen dag, en staarde voor zich uit. Er was geen redding, dat wist hij voor goed ; geen andere dan die, welke daar beneden in de schaduw van den pilaar op hem wachtte. In een staat van zenuwachtige spanning verbeidde hij wat er gebeuren zou. Bewusteloos, zonder zijn hoofd van de leuning op te heffen, hoorde hij de kwartieren van vier op vijf uren spelen. Weer bonsde het in zijn hoofd, als met een hamer; ieder slag bracht hem het oogenblik nader, dat over zijn lot zou beslissen. De laatste slag van vijven was gehoord, daar luidde de schel in de voorkamer, de baron stond van de kanapee op. Itzig opende de deur en hield twee papieren in de hand.

«Ik kan niet betalen,» riep hem de baron op heeschen toon te gemoet.

Itzig boog weer en bood hem het andere papier aan : «Uier is het ontwerp voor een schikking.»

ocr page 282

270

De baron nam zijn hoed en zei zonder den vreemdeling aan te zien: «Kom mee naar den notaris.»

liet was avond toen de baron naar liet slot zijner voorvaderen terugkeerde. Het bieeke maaniiclit scheen op de torentjes en de vooruitspringende deelen van liet gebouw; zwart als pik was de vijver, zwart de kolommen, die het balcon schraagden. En kleurloos als het park en de woning, was het gelaat var. den man die achterover in den wagen zat, en zijn lippen toeneep, als iemand die na langen strijd een besluit heeft genomen. Hij staarde onverschillig op het water, op de muren van zijn kasteel, op het koude maanlicht op het dak, en toch deed het hem goed dat de zon niet scheen, en dat hij het huis zijner vaderen niet in liet heldere daglicht behoefde te aanschouwen. Hij deed zijn best om over de toekomst te denken, die thans veiliger voor hem was; hij berekende alle voordeden die hij van zijn fabriek zou trekken, hij dacht zich in den tijd, dat zijn zoon daar zou wonen als een gezeten rijk man, zonder de zorgen, die den vader in aanraking met ruwe geldmannen gebracht, en zijn haren grijs geverwd hadden. Hij dacht aan alles; maar zelfs de aangenaamste zijner mijmeringen waren hem onverschillig geworden en hij moest zich geweld aandoen om ze vast te houden. Hij steeg af en tastte, voor hij zijn echtgenoot de hand reikte en Leonore met een hoofdknikje begroette, dat haar angstig oog gerust moest stellen, naar de gevulde brieventas. Hij sprak hartelijk tot de dames, en het gelukte hem aardigheden te zeggen over den moeitevolllen dag; maar hij gevoelde dat er iets tusschen hem en zijn teergeliefden gekomen was: ook zij schenen hem vreemd. Als /.ij hem omhelsden en zijn hand vatten, trilde hij zacht kens alsof hij zijn hand moest terugtrekken. En als zijn vrouw hem teeder aanzag, lag er in haar oog, waarop hij vroeger altijd, zelfs te midden van het bitterste leed, als op den laatsten troost gerust had, thans iets, dat hij niet kon verdragen ; en hij moest het zijne neerslaan. Hij wandelde naar de fabriek, waar de arbeiders nog de aankomst van den meester afwachtten en bemerkte zijn naam, die voluit in gekleurde glazen boven de deur flikkerde : daarboven de kroon met de zeven paarlen van zijn geslacht; en hij wendde de oogen af. De glans der lampen deed hem pijn aan het hart.

Rondom hem was het dolle vreugd; de arbeiders brachten hem de eene gezondheid na de andere; de dorpsmuziek speelde vroolijke dansen. speelde ook dezelfde marsch, waaronder hij weleer met zijn regiment meermalen voor zijn ouden generaal, die den jongen luitenant als een vader had liefgehad, gedefileerd had. Hij dacht aan het eerwaardig gelaat vol litteekenen van den ouden krijgsman, en aan zijn kameraads ; hij dacht ook aan een eererechtbank, waarbij de officieren van zijn regiment een ongelukkige veroordeeld hadden; die zijn woord van eer lichtzinnig gegeven en verbroken had. Hij ging naar zijn slaapkamer en begon zich meer op zijn gemak te gevoelen, toen het om hem heen donker werd en hij niets meer zag, zijn kasteel niet, de fabriek niet, den vorschen blik zijner vrouw niet. En wederom hoorde hij op zijn bed het eene uur na het andere slaan, en bij iederen slag moest hij denken: «Nu is er een ander man van het regiment, die met grijze haren hetzelfde heeft gedaan, wat toen een jongeling er toe dreef om zich een kogel door het hoofd te jagen. Hier ligt de man, en hij kan niet slapen, omdat hij zijn woord van eer verbroken heeft.»

ocr page 283

-17

V.

Do voorjaarsstoi'men loeiden over de vlakte, toen Anton naar huis teruggeroepen werd. De winter was voor hem een tijd van zwaren arbeid, van groote moeielijkheden geweest. Uit de vreemde stad had hij dikwijls, in kou en sneeuw, tochten ondernomen door liet woeste land naar steken, ver weg in het oosten en het zuiden, tot aan de bergen van Zevenbergen en de weilande der Magyaren. Hij had veel ellende gezien; afgebrande sloten, vernielde welvaart, wispelturige menschen, honger, onbeschaafdheid en gloeiende partijhaat.

«lioe laat komt hij?» vroeg Sabine haar broeder.

«Binnen weinige uren, mei den volgenden trein.»

Sabine vloog op en nam haar sleutelmand. «En nog zijn de meisjes niet klaar! ik moet zelve den boel gaan nazien. Heden avond moet hij met ons eten, Traugott; wij dames ook iets van hem hebben.»

De broeder lachte. «Verwen hem maar niet.»

«Daar is geen nood voor,» zei de tante. «Zit hij eenmaal weer op het kantoor, dan is hij als in een schuiflade, geborgen ; men kan hem, behalve aan tafel, lang zoeken.»

Intusschen schommelde Sabine onder haar schatten, belaadde den arm van een knecht met allerlei pakken, en zag ongeduldig naar de plaats, of de heeren nog niet uit het achterhuis naar het kantoor gingen. Eindelijk wipte zij zelve Antons kamer binnen. Zij wierp een onderzoekenden blik op het kanapeekussen dat zij voor den reiziger geborduurd had, en schikte in een albasten vaas alle bloemen, die de tuinman had kunnen verzamelen. Toen zij zoo over de vaas gebogen stond, viel haar oog op den muur der kamer, waai' nog de teekening hing, die Anton in de eerste weken na zijn komst gemaakt had, en op het kostbare tapijt, dat Von Fink nog op den vloer had laten leggen. Voor de eerste maal na langen tijd was zij in dit vertrek, dat zij voorheen altijd had vermeden, zoolang de ander een bewoner van het huis was geweest. Waar leefde hij thans ? Het was haar heden alsof zij sints vele jaren van hem gescheiden was geweest, en de herinnering aan hem kwam bij haar op als het benauwde gevoel na een zwaren droom. Den trouwhartigen man, die nu hier woonde, kon zij uit haar volle hart zeggen, hoe dierbaar hij haar was geworden ; en met vreugde mocht zij het oogenblik te gemoet zien, dat zij hem danken zou voor al wat hij voor haar broeder had gedaan.

«Maar Sabine !» riep de tante verschrikt aan de deur. Ook de tante had zich allengs naar de kamer van haar tafelbuur getrokken gevoeld.

«Wat hebt gij ?» vroeg Sabine, opziende.

«Maar het zijn immers de geborduurde gordijnen, die ge hebt laten ophangen ? Die hooren toch niet in het achterhuis ; in dat heerenhuishouden !»

«Laat ze maar hangen,» zei Sabine met een vriendelijk lachje.

«En die slopen, en die handdoeken, neen, het is ongehoord, het zijn uw beste stukken. Genadige hemel! De slopen met kant en de rozen-roode voering er onder !»

«Ocli, tante, wees er niet boos om,» smeekte Sabine met een blosje.

ocr page 284

278

dJij, .1 ie heden terugkomt, hoeft wel verdiend dat hij het be.ste uit de linnenkast krijgt!»

Maar de tante bleet' bedenkelijk het hoofd schudden. «Als ik het niet met mijn eigen oogen zag, zou ik liet niet willen gelooven. Zoo iets voor dagelijksch gebruik te geven! Ik begrijp je niet meer, Sabine.— Men zal hem langzamerhand eenige nommers lager moeten zetten; hij zal het niet eens merken, dat is mijn eenige troost. Neen, dat ik zoo iets beleven moest!» Zij sloeg de handen ineen en verliet eenigszins gebelgd de kamer.

Sabine nam haar sleutelmand op en liep haar na. Zij gaat nog klappen bij Traugott,» sprak zij zachtjes, «ik moet haar bewijzen dat het niet anders geschikt kon worden.»

Intusschen gevoelde ook onze reiziger zich als een zoon, die na een lange afwezigheid, naar het ouderlijke huis terugkeert. Op de laatste stations voor de hoofdstad klopte zijn hart mot blijde slagen; het oude huis en de collega's, de zaak en zijn lessenaar, de patroon en Sabine, allen gingen in vriendelijke beelden langs zijn oog voorbij. Eindelijk hield de vigilante voor de geopende huisdeur stil. Daar stonden de vrachtwagens, de vaten, de ladders. Daar galmde vader Sturm, met een stem die Hink over de breede straat klonk, zijn naam uit, rukte het portier open, en tilde hem er uit evenals een vader zijn kind uit den wagen neemt. Daar vloog mijnheer Pix tot op straat hem te gemoet, schudde hem hartelijk de hand en bemerkte in zijn blijdschap niet dat middelerwijl zijn zwart penseel van die bewegingen partij trok om op Antons pels allerlei strepen en punten te schilderen. Daar ging Anton de groote weegschaal voorbij en trok met de hand, blijde een oude kennis weer te zien, aan den ketting. Daarop trad hij het kantoor binnen, waar de lampen reeds brandden en riep uit volle borst: «Goeden avond!» Onder luid gejuich stonden alle collega's als één man op en drongen om hem heen. Mijnheer Schröter kwam haastig uit zijn achterkantoor, en als hij zijn «welkom, Wohlfart!» hem toeriep, en hom de hand reikte, schoot een glans van blijdschap over zijn ernstig gelaat. Dat waren gelukkige oogenblikken! En Anton werd weeker om het hart, dan voor een zoo bereisd man past. En toen hij, na de eerste vragen en antwoorden, uit het kantoor naar zijn kamer ging, sprong Pluto op het plein uitgelaten op hem aan en kwispelde met den harigen staart dat er geen eind aan kwam, en Anton had moeite zijn lief-koozingen van zich af te houden. Voor zijn kamer kwam hem de knecht met een blijden lach tegen en wierp zeer eerbiedig de deur voor hem open. Verrast zag Anton in het rond: het vertrek was feestelijk opgesierd; in een kachel brandde een vroolijk knappend vuurtje, een groene krans hing boven de deur, op de kanapee lag een nieuw gewerkt kussen; op de tafel stond een fraai smaakvol theeservies, en daarnaast een albasten vaas mot bloomen. «Mejufvrouw Sabine heeft zelve alles geschikt,» zei Frans hem in vertrouwen. Anton boog zich over de vaas en bekeek de verschillende bloemen zeer nauwkeurig. Over het algemeen waren zij niet geheel ongelijk aan andere natuurvoortbrengselen van die soort, maar Anton staarde er toch op, alsof hij nooit iets van dien aard had gezien. Daarop nam hij het kussen, bevoelde en bestreek het borduursel, en lei het weer vol bewondering op zijn plaats. Ten laatste nam liij ook dc kat, aaide ze op den rug en zette ze terstond daarna, alsof het een wezenlijke kat was geweest.

ocr page 285

279

voorzichtig op de schrijftafel neer: en zij scheen niet ongevoelig voor dat vriendschapsbewijs, want in den roodachtigen glans van het haardvuur glom zij vroolijk en klonk het in de kamer al.sof zij zacht-kens spon.

Wederom spoedde Anten zich naar het kantooi', om zijl! patroon te vertellen wat hij in de laatste dagen had uitgevoerd. De koopman nam hem in zijn klein vertrek en besprak met hem de gebeurtenissen van den jongsten tijd, zoo hartelijk als men zich slechts met een vriend over gewichtige zaken onderhoudt. En het was een zeer belangrijk gesprek. Veel was verloren en niet weinig stond nog op het spel. Eerst in den vreemde was Anton met den ganschen omvang van het gevaar bekend geworden, dat de lirma had bedreigd. En hij besefte dat de ijver en inspanning van vele jaren gevorderd werden om de verliezen weer goed te maken, en in de plaats van afgebroken betrekkingen weer nieuwe aan te knoopen. Met korte woorden zei de koopman hem hetzelfde: «Aan uw voorzichtigheid en uw vasten wil,» zei hij, «heb ik veel te danken; ik hoop dat gij mij behulpzaam zult wezen om het verloren terrein op een andere manier te heroveren ; hot onvermijdelijke zullen wij dragen.» En toen Anton de kamer uitging, riep hij hem vriendelijk achterna: «Er is nog iemand, die zeer verlangt u te bedanken; ik verzoek u heden avond mijn gast te willen zijn.»

Nu ging Anton naar zijn lessenaar, opende hem na de lange afwezigheid en lei papier en pen in orde. Maar van het schrijven kwam dien avond niet veel. Jordan weigerde bepaald hem brieven te geven, en in de beide kamers was het een gedurig heen en weer loopen. De een na den ander verliet zijn plaats en kwam naar Anton. Mijnheer Baumann klopte zijn buurman meermalen zachtjes op den rug-en keerde dan telkens tevreden naar zijn stoel terug, en mijnheer Specht hing in groote opgewondenheid over het hekje naast Antons plaats, en zijn vragen en verbaasde uitroepen vielen als een stortvlaag op Anton neder. Mijnheer Siebold lei zijn vloeipapier verscheiden minuten voor het sluitensuur in het grootboek en wandelde naar het voorkantoor. Zelfs mijnheer Purzel verliet, met het heilige stuk krijt in de hand, zijn hok; ten laatste kwam ook Pix binnen om Anton in 't gamp;heim mee te deelen dat hij reeds sints maanden geen solo had gespeeld, en dat Specht in dien tusschentyd in een toestand was gekomen, die met waanzinnigheid een onmiskenbaren familietrek had.

's Avonds ging Anton naar de bovenverdieping van het woonhuis. De portière werd op zij geschoven. Sabine stond voor hem. Haar mond lachte, doch in haar oogen parelde een traan, toen zij de hand aannam, die het doodsgevaar van den geliefden broeder had afgewend.

«Mejufvrouw!» riep Anton ontsteld en trok zijn hand terug.

«Ik dank u, o ik dank u, Woblfartl» zei Sabine en hield hem met beide handen vast. Zoo zag zij hem zwijgend aan: onvergelijkelijk schoon door een aandoening, die zij niet kon overmeesteren. Als Anton liet meisje beschouwde dat met blozende wangen, zoo bewogen en zoo dankbaar tot hem opzag, erkende hij eensklaps dat sints dien houw van den poolschen sabel ook zijn verhouding tot de familie en tot haar veranderd was. De muur was gevallen, die tot nog toe den klerk uit het kantoor van de Jufvrouw had gescheiden. En met een trotsche vreugde, die zijn hart deed zwellen, gevoelde hij ook dat hij in dien tijd een man was geworden, wel

ocr page 286

280

waardig ilat eeti vrouw zich aan zijne krachtige leiding toevertrouwde.

Hij verhaalde haar nog eens, wat zij door vele vragen uit zijn mond zocht te hooren : den strijd om de wagens, de angsten van dien woesten tijd. Aandachtig luisterde Sabine naar zijn woorden. Ook hij was voor haar een ander mensch geworden: zijn trekken waren vaster, zijn houding getuigden van zelfvertrouwen, zijn taal was mannelijk. Haar oog zocht den helderen glans van het zijne, en als zijn volle blik blijde zich op haar vestigde, sloeg zij onwillekeurig het hare neer. Nooit had zij er aan gedacht, hoo groot en flink hij er uitzag. Heden bemerkte zij ook dit. Een open mannelijk gelaat en daarbij kanstanjebruine lokken, twee prachtige donkerblauwe oogen, een schoongevormde mond, en op de wangen een lljne tint die bij verschillende aandoeningen wisselde, evenals het zonlicht op de lachende weide. Hij was voor haar geheel nieuw, en toch weer aan den anderen kant een goede, trouwe vriend.

Do tante kwam binnen; de geborduurde gordijnen hadden haar ziel in een verwarring gebracht die nog voortduurde, en onder den zijden japon en de nieuwe muts niet geheel verborgen kon worden. Haar verwelkomst was luid en woordenrijk, en haar opmeiking «dat de nieuwe bakkebaard den lieer Wohlfart goed stond,» werd door een zwijgend knikje der nicht beaamd.

«Daar hebt ge den held van het kantoor!») riep de koopman. «Toont thans, dames, dat gij de ridderdiensten beter weet te beloonen dan alleen met woorden. Laat voor hem opdisschen, al wat keuken en kelder opleveren. Kom aan, mijn trouwe reisgezel, de rhijnwijn staat te wachten, dat gij na menigen teug zwaren poolschen wijn ook hem eens eer bewijst.»

De kamer zag er allergezelligst uit in den helderen glans der lampen, toen de vier aan tafel gingen zitten. De koopman reikte Anton over tafel het glas toe: «Welkom in het vaderland!» — «Welkom in huis!» riep Sabine. Daar antwoordde hij aangedaan: «Ik heb een vaderland, ik heb een huis, waarin ik mij gelukkig gevoel. Door uwe goedheid heb ik die verkregen. Vele avonden, als ik daar ginds in een slechte herberg zat, onder wild vreemde menschen, wier taal ik maar gebrekkig verstond, heb ik aan deze tafel gedacht, en hoe groot een genot het voor mij zou wezen weer uw gelaat en deze plaats te aanschouwen. Want het treurigst op aarde is toch zich in de uren van rust alleen te gevoelen, zonder een goeden vriend, zonder een plaats, waaraan het hart met liefde hangt.» En toen hij laat in den avond wegging, zei de koopman bij het afscheid: «Wohlfart, ik wensch u nog nauwer aan de firma te verbinden. Jordan verlaat ons het eerstvolgend kwartaal om als associé in de zaak van zijn oom te komen. Ik heb u voor zijn plaats bestemd. Ik weet dat ik niemand beter kan kiezen om als plaatsvervanger voor mij in de zaak op te treden.»

Toen Anton naar zijn kamer terugkeerde, voelde hij wat de mensch slechts weinige oogenblikken zijns levens ongestraft ondervinden mag: dat hij gelukkig was zonder wroeging, zonder wensch. Hij ging op de kanapee zitten, zag naar het kussen en de bloemen en zijn gedachten verwijlden bij de laatste uren. Telkens zag hij Sabine voor zich, zooals zij zijn hand vatte en hem dank zei. Lang zat hij zoo in een diep gepeins verzonken, en lei zijn vermoeid hoofd op de zijden figuren welke Sabins hand had geborduurd. Daar viel zijn oog op de tafel, een brief lag op het kleed, het postmerk was van New-York, het adres door Von Fink geschreven.

ocr page 287

'281

Von Fink had hem in de eerste jaren na zijn vertrek enkelen malen geschreven; bijna altijd slechts korte regels, nooit iets van zijn zaken, nog minder van de plannen die hij in het achterhuis voor zijn toekomst' had gemaakt. Toen was er een lange lijd verloopen, waarin Anton zonder de minste tijding van zijn vriend was gebleven; hij wist alleen dat Von Fink veel tijd op reis doorbracht in de westelijke Vereenigde Staten, waar hij als gevolmachtigde van het handelshuis, aan het hoofd waarvan zijn oom had gestaan, en in het belang van verscheiden maatschappijen, waarin de overledene aandeelen had gehad, werkzaam was. Maar met innerlijke ontzetting las Anton'het volgende;

«Eindelijk moet er uit wat ik u gaarne gezwegen zou hebben. Ik ben onder roovers en moordenaars verzeild geraakt. Als ge een verstokten keelafsnijder noodig hebt, richt je dan maar tot mij. Ik heb niets tegen een jongen vent, die uit vrije keus een schurk wordt; hij smaakt althans het genoegen een aardig verdrag met sinjeur den duivel te sluiten, en kan de soort van gemeenheden uitzoeken, waarin hij zich tehuis gevoelt. Mijn lot is minder aangenaam. Ik word door den drang der schelmstukken, die anderen hebben uitgedacht, op een weg voortgedreven, die schrikbarende overeenkomst heeft met de gladde banen, welke lawienen op haar val naar de diepte maken. Evenals het rotsblok in de sneeuwmassa, zit ik van alle kanten ingesloten in de felle koude der vreeselijkste speculatie, welke stoute woekerzucht ooit heeft uitgedacht. De dierbare afgestorvene heeft de goedheid gehad juist mij tot erfgenaam zijner lievelingsplannen te benoemen, de speculatie in land. Lang heb ik vermeden mij in de bijzonderheden van die zaak te verdiepen. Ik heb een gansch jaar Westlock dit gedeelte der erfenis laten behandelen. Zoo dit laf was, vond ik een verontschuldiging in den hoop van bezigheden, die de beursaangelegenheden van den zaligen oom mij gaven. Eindelijk kwam het uur dat ik ook dit werk moest overnemen, en als ik reeds vroeger min of meer een begrip had gehad van de zeer groote rekbaarheid van den luchtzak, dien de doode in plaats van een geweten er op nahield, dan is het mij thans ten duidelijkste gebleken dat de bedoeling van zijn testament was om zich over de kwajongensstreken, waarmede ik hem geplaagd had, te wreken; en wel dooi' mij tot den handlanger en bondgenoot te maken van oude, godvergeten schurken, wier sluwheid zoo groot is, dat Satan zelf den staart zou laten hangen en hun ontloopen zou.

«Dezen brief schrijf ik u uit een nieuwe stad in Tennesse, een liefelijke plaats, die er juist niet beter door wordt, dat zij op speculatie van mijn geld is gebouwd. Eenige houten hutten, voor de helft kroegen, tot de vliering toe opgepropt met een troep morsige en ellendige landverhuizers, waarvan het meerendeel aan tering en koorts ziek ligt. — Wat nog op de been bleef, is ook een hologig uitgeteerd volkje, allen aspiranten voor den dood. Dagelijks, als de arme zielen de opkomende zon aanschouwen. Zoo dikwijls zij den onbescheiden lust in zich voelen opkomen om iets te eten of drinken, dagelijks van den vroegen morgen tot den laten avond, is het hun lievelings-tijdverdrijf op de landhaaien te vloeken, die hun het geld voor vervoer, voor land en ontginningen afgetroggeld en hen naar deze streek gevoerd hebben, die twee maanden in het jaar onder water staat en de overige meer op dikke taaie brei gelijkt, dan op bewoonbaar land. De mannen nu, die hun langs dit slikkerig pad den weg

ocr page 288

282

naar den hemel wijzen, zijn mijn agenten en bomlgenooten, en ik, Frits Von Vink, ben de gelukkige, die hier alle uren van den dag met allerlei duitsclie en iersche vloeken wordt verwenscht. Wat nog gezonde beenen heeft zend ik weg ; wat als bewoner van mijn gasthuis hier rondwaart, kan ik met wittebrood en sinasappelen onderhouden. In mijn kamer kruipen, terwijl ik dit schrijf, drie naakte paddykinderen op den vloer rond. Hun moeders zijn snood geweest dit tranendal te verlaten, en ik heb het voorrecht de afzichtelijke gedrochten te mogen afwasschen. Een fraaie bezigheid voor mijns vaders zoon ! Hoe lang ik hier geplakt zal zitteii, weet ik niet; wellicht totdat de laatste gestorven is. Inmiddels heb ik met mijn vennooten woorden gehad ; ik ben zoo gelukkig geweest algemeene ontevredenheid op te wekken ; de aandeelhouders van de groote landmaatschappij hebben een vergadering belegd, men heeft speeches tegen mij gehouden en besluiten genomen. Ik zou er mij niet zwaar om bekommeren, als ik maar een middel zag om mij van die bende los te maken. Maar de doode heeft de zaak zoo slim ingericht, dat ik gebonden ben als een slaaf in een negerschip. Er steken ongehoorde sommen in deze speculatie. Als ik hun den boel opzeg, ben ik zeker dat zij er iets op zullen vinden, om mij de geheele som te laten betalen, waarvoor de afgestorvene geteekend heeft; en hoe ik het nu zal doorzetten, zonder niet slechts mij, maar wellicht ook de firma Von Fink en Becker ongelukkig te maken, weet ik nog niet recht.

slntusschen verlang ik geenszins uw gevoelen te vernemen omtrent hetgeen ik behoor te doen. Dat kan mij niet baten, want ik weet het al lang. Ik verlang zelf niet eens een brief van u, eenvoudige ouder-wetsche duitsclie Tony, die nog gelooft dat eerlijk te handelen even gemakkelijk is als een broodje te smeren. Want heb ik eenmaal alles gedaan wat ik kan : den een begraven, den ander gespijzigd, en mijn compagnons zoo boos gemaakt als mij maar eenigzins mogelijk is, — dan ga ik eenige mijlen verder het westen in, naar een eerlijke prairie, waar minder gekras van alligators en nachtuilen en ietwat meer arris-tokratische zin te vinden is dan hier. Zoo ik op de prairie soms inkt en pen mocht hebben, schrijf ik je weder. Is deze brief de laatste, dien ge van mij ontvangt, schenk mij dan een enkelen traan en zeg op uw zalvende toon : »'t Is jammer van den vent, hij had zijn goeden kant.quot;,

Daarop volgde een omstandige uiteenzetting der zaken von Von Fink en de statuten der landmaatschappij.

Anton las den weinig opwekkenden brief meermalen achtereen, vervolgens ging hij aan zijn schrijftafel, en schreef in weerwil van Von Einks verbod den ganschen nacht aan hem door.

De eerstvolgende dagen behield Anton dezelfde opgewonden stemming. Als hij op het kantoor werkte en met zijn ambtgenooten schertste, gevoelde hij telkens hoe vast hij zich geworteld had in den grond van liet oude huis; ook voor de anderen werd dat merkbaar, 's Middags aan tafel was het onderhoud levendiger dan vroeger. Niet altoos en alleen de patroon, ook Sabine en Anton voerden het woord. In een tijd, dat de zaak niet veel verblijdens opleverde, kwam in deze drie een nieuw leven. De koopman wendde zich bijna uitsluitend tot Anton, en als deze vertelde, luisterde de geheele tafel aandachtig, en somtijds weerklonk een vroolijk

ocr page 289

283

gelucli der collega's aan den anders zoo plechtigen disch. Ook 's avonds was Anton een bevoorrecht persoon. Hij werd dikwijls in het voorhuis genoodigd ; dan zat hij niet de dames en den patroon aan de kleine tafel, en den gastheer kon men het aan zien, hoe liet' hem de verhouding werd tot een man, die zoo innig met de belangen der zaak verbonden was en in wiens frisschen en ordelijken geest hij het beeld zijner eigen jeugd aanschouwde.

Voor Sabine werden deze uren een waar genot. Het was voor haar een blijde gewaarwording, als zij In een gesprek over da nieuwtjes van den dag, over een gelezen boek, over gebeurtenissen, die zij beleefd, over gevoelens die zij ondervonden had, bespeurde dat de man die jaren lang zoo in haar nabijheid had geleefd, in zooveel opzichten met haar overeenstemde. Zijn ontwikkeling, zijn oordeel verbaasden haar; zij zag een trouw, eerlijk hart eensklaps in de heerlijkste kleuren voor zich staan: evenals de reiziger met verrukte oogen een schoone landstreek beschouwt, die langen tijd in een dikken nevel voor hem verborgen had gelegen. Zonder eenige afgunst te gevoelen, hadden de ambtgenooten vrede met de verhouding van Anton tot den patroon. Dat hij hem het leven had gered, wisten zij uit den mond des hoeren Schröter zeiven, en deze bijzonderheid was ook voor den heer Pix een reden om zich aan de uitnoodigingen van Anton in hot voorhuis niet te ergeren. Anton deed ook het zijne om bij het kantoorpersoneel bemind te blijven. Op vrije avonden verzocht hij enkele van de heeren op zijn kamer; niet zelden verscheen het geheele gezelschap. Jordan beklaagde zich schertsenderwijze, dat hij reeds bij zijn leven vergeten werd, en het kantoor raakte er aan gewoon iti Anton zijn opvolger, den stillen raadgever der jonge lieden te zien. Het liefst zat Anton met Baumann, die in het laatste halve jaar weer sterke aanvechtingen van zendelingsijver had gehad, en thans alleen teruggehouden werd door de overtuiging dat in de tegenwoordige moeielijke tijden een geoefend rekenaar niet gemist kon worden. Het krachtigste echter streefde do opgewonden Specht naar Antons gunst. Hem scheeen de reiziger van nu af aan met een stralenglans omgeven evenals een heilige. Wat Anton weervaren was, schilderde de levendige verbeelding des heeren Specht met de schitterendste kleuren af. Hij was geneigd om aan te nemen dat zijn ambtgenoot, behalve de avonturen die hij openlijk vertelde, er nog vele vreeselijke en heerlijke had beleefd, die iiij om redenen van geheimen aard genoodzaakt was te verzwijgen.

Spechts verhouding tot zijn ambtsbroeders was echter in Antons afwezigheid merkelijk veranderd. Hij was altijd het voorwerp geweest van den spot en de aardigheden der anderen, en menigmaal had hij in gevaar verkeerd van onder de vonken van hun vernuft versmoord te worden. Thans zag Anton tot zijn leedwezen dat de goede mijnheel'Specht algemeen in diskrediet was. Zelfs zijn kwartet had hom opgegeven, althans hing er tusschen hem en de beide bassen een donkere wolk van ontevredenheid. Zoo dikwijls Specht een stelling in het midden bracht, die niet geheel onbetwistbaar was, haalde Pix de schouders op en snauwde hem op een verachtelijke toon toe : «pompoen,quot; Bijnaailes wat Specht zei was «pompoen,quot; en zelfs aan tafel rolde die vrucht aan het lagereinde van den eenen mond naar den anderen; en telkens als het woord werd uitgesproken, geraakte mijnheer Specht in heftigen toorn, brak diep beledigd het gesprek af, en trok zich uit het gezelschap der anderen in zich zeiven terug.

ocr page 290

284

Anton bezocht op zekeren avond den vogelvrij verklaarde op zijn kamer. Reeds voor de deur hoorde hij de schelle stem van zijn amb-genoot, die het beroemde lied: «Hier sitz ich auf Rasen mit Veilchen bekriinzt,» van zijn verheven standpunt — mijnheer Specht woonde drie trappen hoog — uitgalmde. Toen Anton stilletjes de deur opende, zal Specht in een kunstige houding, bevallig op een arm leunende, bij zijn lamp aan tafel, en zong met zoon'n innig genoegen, dat Anton eenige oogenblikken bleef staan om den in geestverrukking gebrachte niet te storen. Het was geen ruim vertrek, dat Specht bewoonde, en de vindingrijkheid van den eigenaar had jaren lang gearbeid om er iets eigendommelijks aan te geven, zooals men op geen andere kamer vond. En inderdaad het had niets van het verblijf van een gewoon sterveling. Alle muren waren met platen behangen, met portretten van beroemde zangeressen en tooneelspeelsters, velen in het kostuum van haar rol, daartusschen ontelbare gipsen consoles, beladen met kleine vazen, schelpen en beeldjes. Daar er meer consoles waren dan beschikbare voorwerpen, had Specht voorloopig de ledige met kopjes en champagneflesschen versierd. Boven het bed hing een middeleeuwsch ridderschild van schitterend staal, daarnaast groote schermhandschoenen en een koker met pijlen. Boven de pijlen was een papier geplakt met een geschilderd doodshoofd en twee doodsbeenderen over elkaar gekruist, en daarop de waarschuwing: «vergiftigd!» Daar achter drie uitroepingsteekens.

Het wonderlijkste echter was het midden der kamer ingericht. Daar hing eventjes boven manshoogte een ongeloofelijk groote hoepel, met garen aan een haak in den zolder vastgemaakt. Daaronder stonden bloempotten met aarde gevuld, en van die potten liepen verscheiden gespannen koorden naar den hoepel. Onder den hoepel stond een kleine tafel van knoestige boomstammen en eenige stoelen van wilgenhout. Door dien toestel leverde de kamer een allervreemdst gezicht, en de vrije beweging van de daarin zich bevindende ledematen werd, voor ieder ander dan den ervaren bewoner, zeer moeielijk. Men kon volstrekt niet begrijpen met welk doel die toestel was opgeslagen. Ongetwijfeld herinnerde de landelijke tafel, de stoelen en de aarden potten, den menschelijken geest min of meer aan een tuin en aan de vrije natuur, terwijl van den anderen kant de gespannen koorden een flauwe overeenkomst hadden met touwladders die naar den top van den mast leiden. Ten laatste was Anton geneigd te gelooven, dat deze uitvinding een menschen-muizenval moest voorstellen, die naar het model van een spinneweb gebouwd, en bestemd was om de hoofden en beenen van boosaardige arnbtgenooten vast te houden. Ten minste Specht zelf zat als heer en meester in het midden van het net, en zijn sirenenzang kon wel het lokaas zijn om de bezoekers door lachende groene zoden en bedriegelijke vioolkransjes in het touw te verstrikken.

Anton bleef voor den val staan en riep eindelijk van de deur tot Specht: «Wat, voor den drommel, wat hebt gij in uw salon voor een bindgarenweb opgehangen ?»

Specht sprong op en antwoordde met glinsterende oogen :

«'t Is een prieel.»

«Een prieel? En ik zie geen spiertje groen!»

«Dat moet nog komen,» zei Specht en geleidde zijn bezoeker naar de bloempotten.

ocr page 291

285

Bij nadere bescliouwing ontwaarde Anton eenige ziekelijke klimop-takken, die ei' bestoven en verstikt uitzagen: niet ongelijk aan do indrukken van nevelachtige droomgezichten, die den mensch bij zijn ontwaken nog eenige oogenblikken voor den geest blijven, om terstond daarop voor altijd te verdwijnen.

«Maar, Specht, die klimop zal niet gelukken,» zei Anton.

«Jiii' is ook niet alleen klimop,» fluisterde Specht hem geheimzinnig toe; «kijk eens, hier komt nog wat anders.» Hij wees op andere magere, uitgemergelde ranken, die uit de potten opschoten en die bij niets konden vergeleken worden dan bij de wanhopende pogingen tot uitloopen, die een aardappel tegen het voorjaar in een warmen kelder in 't werk stelt.

«En wat moeten die spruiten beteekenen?»

«Het zijn boonen en pompoenen» zei mijnheer Specht. «Het geheel wordt een pompoenenpriëel; binnen weinige weken zullen de draden door de ranken bedekt zijn. Verbeeld u eens, Woblfart, hoe heerlijk het er zal uitzien! Van alle kanten de groene takken, de bloemen en de groote bladeren. Het zal oen formeele tent worden met twee ingangen. De meeste pompoenen wil ik afsnijden, anders zou do last te zwaar worden; de overige laat ik hangen en daaronder worden netjes vastgemaakt. Ik bid je, stel je dat dichte groen voor den geest, daar-tusschen de gele bloemen, het zal allerbekoorlijkst wezen. Dat wordt een zitje om met goede vrienden een flesch wijn te drinken en een kwartetje te zingen.»

Maar ach! de goede vrienden hadden Specht verlatsn ; hij Hot zich echter eiken Zondag door den knecht een halve flesch wijn halen, zette vier glazen op tafel, en dronk het eene na het andere uit.

«Hoor eens. Specht,» zei Anton lachend, «kunt ge in ernst meenen dat de pompoenen hier op dit zolderkamertje groeien zullen?»

«En waarom niet?» riep Specht gekrenkt. «Het zijn net pompoenen als andere. De planten hebben hier immers zon, ik zorg voor versche lucht, ik begiet ze met ossenbloed, zij hebben letterlijk alles wat zij verlangen kunnen.»

«En toch zien ze er akelig ziekelijk uit.»

«Dat is liet begin maar, de lucht buiten is nog koud, en wij hebben eenige weken gehad dat de zon wat heel zuinig is geweest. Later schieten ze eensklaps op. Als men geen tuin heeft, moet men zieh weten te behelpen.» Hij zag recht tevreden in de kamer rond. «Zie je, in het opaieren van een kamer sta ik mijn man, hoe rijk hij ook moge wezen. Ik natuurlijk altijd naar mijn middelen. Met schilderijen heb ik niets op, zij worden in den regel zwart; voor mijn platen hier is het ergste geval dat zij wat verschieten. Het heeft mij geld gekost, maar nu is het ook netjes. Mijn kamer is niet groot, maar pleizierig om te bewonen.»

«Ja,» antwoordde Anton, «uitgezonderd voor de onbehoorlijke manieren van sommige menschen, als daar zijn: recht opstaan, rondwandelen enz. Daar moet men hier van afzien. Gij kunt alleen zulke bezoekers ontvangen, die dadelijk bij de deur op den grond gaan zitten.»

«Stoelvastheid is immers altijd de eerste wet voor een gezellig onderhoud,» hernam Specht. «Maar al te dikwijls zijn de menschen slecht en hardvochtig. Vindt ge ook niet, Wohlfart, dat op ons kantoor eenige van de ambtsbroeders ongevoelig zijn?»

«Nu en dan wel wat kort af,» meende Anton, «maar de bedoeling is goed.»

ocr page 292

286

«Dat ben ik niet met je eens,» zuchtte Specht. «Ik sta thans geheel alleen en moet mijn troost buiten 's huis zoeken. Als ik kan ga ik naar de komedie of naar het paardenspel, of waar een dwerg te zien is of een zeehond, en natuurlijk naar alle concerten.»

«Maar dat helpt niet veel tegen de eenzaamheid.»

«Neen,» antwoordde Specht, «en bovendien het kost geld, en je weet, ik heb geen hoog salaris en vrees dat ik nooit veel meer zal krijgen dan thans. Van mij zeiven had ik geld,» zei hij op gewichtigen toon, «maar een neef van me, die mijn voogd was, heeft me bestolen. Jliid ik liet nog, dan kon ik misschien met de vier rijden. Maar geloof me, ik zou er niet gelukkiger om zijn. Als Pix maar niet zoo grof was,» klaagde hij wederom, (diet is ijselijk, Wohlfart, dat alle dagen te moeten aanhooren. — Ik wou hem uitdagen, toen gij op reis waart,» riep hij en wees naar een oud rapier, waarvan de kling boven het bed uitstak. «Maar hij gedroeg zich ellendig. Ik schreef hem dat het mij pijn deed hem te moeten uitdagen en dat het mij onverschillig was waar hij met mij vechten wou. ik sloeg hem of den berg voor op de wandeling of onze zolders, waar ook ruimte in overvloed is, en verzocht hem mij te zeggen welke wapenen hij koos. Toen antwoordde hij mij onbeleefd dat hij alleen op de open plaats zou duelleeren, waar hij den geheelen dag te vinden was, en wat de wapenen betrof, zoo kon ik vechten waarmee ik wilde; zijn wapen zon het gewoon penseel wezen, en hij was bereid mij op beide wangen te merken. .Ie zult moeten bekennen dat ik zoo iets niet kon aannemen.»

Anton stemde hem dit toe.

«Nu hitst hij de andere ambtgenooten tegen mij op,» vervolgde Specht half fluisterend, «üe toestand is voor mij ondragelijk, ik kan in 't geheel niet meer met de anderen zijn zonder beleedigd te worden. Maar ik weet wel hoe ik mij wreken zal. Ik ben nu aan het potten. Zoodra de pompoenen bloeien, geef ik aan allen een feest, alleen Pix laat ik thuis; net als hij het vroeger eens met u heeft gedaan, Wohlfart. Ik wil ons beiden op hem wreken.»

«Goed,» zei Anton, «dat staat me aan. Maar weet je wat? daar ik mijn collega's ook een beleefdheid moet aandoen, willen we de partij samen geven op uw kamer.»

«Dat is een uitmuntende inval van je. Wohlfart,» riep Specht opgewonden.

«Lln zij zullen niet wachten,» vervolgde Anton, «totdat de pompoenen groot zijn geworden, maar we zullen ons voorshands met ander groen behelpen.»

«Best,» zei Specht, «misschien met denneboomen?»

«Daarvoor zal ik wel zorgen,» antwoordde Anton, «en dan, wij zullen Pix niet uitsluiten; integendeel, we zullen hem het eerst vragen. Dat is een veel fijner wraak, die uw goed hart eer zal aandoen.»

«Deukje?» vroeg Specht ongeloovig.

«Wel zeker,» zei Anton. «Ik stel den volgenden zondag voor. De uitnoodigingen doen wij gezamenlijk.

«Schriftelijk,» riep Specht verheugd, «en op rosé papier.»

'diet is mij wel,» zei Anton. En daarop overleiden de beide vrienden in het prieel, hoe zij het feest zouden aanleggen.

De ambtsbroeders waren niet weinig verbaasd, toen zij eenige dagen later door fijnkleurige briefjes, welke de heer Specht in 't geheim vóór

ocr page 293

287

het openen van liet kantoor op iedere plaats had gelegd, in het pom-poenenpriëel op de kamer des heeren Specht werden genoodigd. Daar Antons geachte naam er mede onder stond, bleef hun niets over dan de uitnoodiging aan te nemen. Inmiddels nam Anton de jonge dame in 't geheim en verzocht van haar uit den tuin eenige klimoptakken en wat er verder van de bloemen gemist kon worden. Specht echter werkte de gansche week met gesloten deuren in zijn kamer, en op den dag van het feest bedekte hij met de hulp van een knecht de naakte touwen met groene ranken, plaatste eenige bloeiende ruikers in vazen, liet een menigte bonte illumineerlampen halen, en maakte aan de ranken trechtervormige tuiltjes vast (eigen vinding) van geel en wit papier, die met pompoembloesem een groeten gelijkenis-trek hadden.

Door deze schikkingen kreeg de kamer het uiterlijk, dat de heer Specht in zijn droomen reeds meermalen zich had voorgesteld. Op den avond van het feest waren de heeren ten hoogste verrast. Het laatst verscheen mijnheer Pix; ook hij kon een verbaasd «drommels» niet smoren, toen hij het armzalige prieel mot takken omstrengeld en met gele bloesems bedekt zag, die in het bonte licht der lampjes fleurig straalden cn aan hun draad vriendelijk knikten. De aarden potten waren onder groen verborgen, in het midden van het priëel hing een roode lamp, en op de tuintafel stond een reusachtige pompoen. Anton verzocht het kwartet plaats te nemen in het priëel en bezelte met de anderen de nog overgebleven ruimte. Ook het bod was met kussens bedekt en tot een tweede kanapee ingericht.

Toen allen zich op hun gemak hadden gezet, naderde Specht den grooten pompoen en zei op plechtigen toon ; «Gij hebt mij lang met den pompoen geplaagd, zie hier mijn wraak. Dit is de pompoen. Hij nam den korten steel en ligtte het bovenste gedeelte op. De pompoen was hol; een bowl stond er in.

De collega's lachten en riepen ; «Bravo !» en Specht vulde de glazen.

Evenwel kon men niet ontkennen dat er in het begin een zekere stroefheid heerschte tusschen Specht en de andere heeren. Met ongelukkige «pompoen» werd wel niet meer telkens gehoord, doch zijn voorstellen vonden zelden terstond ingang. Toen Anton een pak turksche pijpen, die hij in den vreemde voor zijn ambtsbroeders had gekocht, binnenbracht, en onder do gasten ronddeelde, opperde Specht het denkbeeld, of het niet eigenaardig zou zijn dat allen als Turken met de beenen over elkaar op het bed en den grond gingen zitten. Dit voorstel viel in het water. Ook als hij de stelling opwierp dat de circassische meisjes, die tot nu toe door haar ouders aan turksche familiën verkocht werden, door de grootere uitbreiding onzer handelsbetrekkingen met het Oosten, tot bij ons zouden komen, om als bufl'et-jufvrouwen in de beiersche bierhuizen te fungeeren, kon zelfs die stelling, hoe bekoorlijk ze overigens was, geen ingang vinden. Maar langzamerhand begon de liefelijke inhoud van den pompoen op de strenge gemoederen der ambtgenooten te werken.

Eerst werd de oneenigheid tusschen de muzikale talenten van het gezelschap uit den weg geruimd. Anton stelde de gezondheid van het kwartet voor. Het kwartet bedankte met eenige verlegenheid, daar het juist vier weken geleden in treurige dissonanten was opgelost, liet bleek uit duizend toespelingen der bassen, dat Specht iets geheel en al onbehoor-

ocr page 294

'288

lijks van hen had verlangd. Mijnheer Specht namelijk had hen willen gebruiken om een paardentemster van het cirque, de bekoorlijke Tillebi, een serenade te brengen. De bassen hadden geweigerd bij zulk nachtwerk mee te helpen, en Specht was op dat antwoord in hevigen toorn ontstoken en had een duren eed gezworen geen noot meer met de anderen te zingen, zoolang zij om allerlafste redenen weigerden aan de onvergelijkelijkste rijdster de verschuldigde eer te bewijzen. «Had hij de serenade nog 's avonds willen brengen,» sprak Balbus, «wij zouden ter wille van den lieven vrede met hem zijn gegaan; maar hij beweerde dat hel 's nachts om vier uur moest gebeuren, daar dit de tijd was, waarop de kunstrijders opstonden om de paarden te voederen. Dat was ons wat heel erg. Inmiddels is de schoone dame met oen clown op hol gegaan.»

«Dat is een leugen!» riep Specht. «De clown heeft haar met geweld geschaakt.»

«In alle geval hoeft hij er ons een dienst mee bewezen, zei Anton, «want hij heeft aan Specht de vervulling van zijn eed onmogelijk gemaakt. En daarom zie ik geen reden, waarom gij als kunstenaars en trouwe ambtsbroeders nog langer van de beoefening uwer muzikale talenten zoudt afzien. Naar ik hoor waart gij, mijn beste Specht, wat heftig; maak daarover uw excuses aan de heeren, gelijk het een man van eer betaamt, en dan stel ik de heeren voor, het kwartet op nieuw in 't leven te roepen.»

De heer Specht stond op en sprak: «Op raad van mijn geachten vriend Wohlfart maak ik u mijn exuses, en ben overigen bereid u op alle wijzen te woord te staan.» Daarop dronk hij zijn glas leeg en schudde hun hartelijk de hand.

Nu werden de muziekboeken opgezocht en mot een gevoel van innerlijk welbehagen zetten de vier in het pompoenenpriëel hun stemmen uit.

Nog bleef de verzoening met Pix, het moeielijkst werk, over. Specht zag zijn vijand den ganschen avond wantrouwend aan.

Pix zat onverschillig op het bed en streek Pluto, die met hem naar boven was gekomen. Specht schonk Pix in en zette het glas op den bed-depost. Pix dronk het zwijgend uit. Specht vulde het opnieuw en begon op fijn beleefden toon: «Nu Pix, hoe vindt ge den pompoen?»

«'t Is een dronkenmans-idee,» zei Pix.

Beleedigd keerde Specht zich om on zag weer onrustig naar zijn vijand. Na een poosje strekte hij zijn beenen uit, verborg de handen in zijn zakken en sprak over zijn schouders heen: «Ge zult mij wel willen toegeven, Pix, dat men over verscheiden dingen een verschil van meening kan hebben en dat men daarom nog niet vijandig behoeft te wezen.»

«Dat geef ik toe,» zei Pix.

«Waarom dan,» vervolgde Specht hartstochtelijk en sprong op, «waarom dan zijt gij mijn vijand? Waarom ziet ge zoo laag op mij neer? Het is hard met zijn collega's in vijandschap te leven. Ik wil u niet verzwijgen dat ik u hoogacht en dat uw gedrag tegenover mij zeer onaangenaam is. Gij hebt geweigerd mij voldoening te geven en blijft toch nog boos op mij.»

«Maak u niet al te driftig,» zei Pix, «ik heb u geen voldoening geweigerd en ben niet boos op u.»

«Wil je mij dit voor al deze heeren herhalen?» vroeg Specht ver-

ocr page 295

'289

heugd. «Wil je met mij klinken?» Hij haalde zijn glas.

«Kom hier,» sprak Pix goedhartig, «ik heb niets meer tegen u; ik zeg alleen, dat met die pompoenen was een bespottelijke inval!»

«Het is nog mijn inval,» riep Specht het glas terugtrekkende, «ik begiet ze met ossenbloed, binnen eenige weken zullen ze groen zijn.»

«Neen,» zei Pix, «dat is al lang afgeloopen, morgen zult gij zeil'het inzien. En nu kom hier en klink met mij; over de pompoenen zal verder tussclren ons niet gesproken worden.»

Overbluft klonk Specht met hem en werd terstond daarop zeer vroo-lijk. Het pak was van zijn hart genomen, dat hem zoo lang had benauwd. Hij zong, hij drukte aau alle collega's de hand, en werd onvergelijkelijk in stoute stellingen.

Toen Anton met zijn vrienden de trappen afging, bemerkte hij dat Pluto iets geels in den bek had en er met lust op kauwde. «Het zijn Spechts pompoenen,» zei Pix, «de hond heeft ze voor rundvleesch aangezien en allen afgebeten.»

VI.

Anton stond voor het ziekbed van Bernhard en zag met innige deernis op het vervallen gelaat van zijn vriend. liet aangezicht van den jeugdigen geleerde nog gerimpelder dan vroeger; zijn huid doorschijnend als van was; verward hing zijn krullend haar over het matte voorhoofd, de oogen schitterden van koortsachtige opgewondenheid. «Zoo lang waart gij in den vreemde,» riep hij zuchtend; «ik heb alle dagen naar u verlangd. Nu gij terug zijt, zal ik ook wel spoedig beter worden.»

«Ik zal dikwijls bij u komen, als ik u niet door mijn toespraak te onrustig maak,» hernam Anton.

«Neen,» antwoordde Bernhard, «ik zal kalm luisteren; gij moet van uw reis vertellen.»

Anton begon zijn verhaal. «Ik heb in dien tijd gezien, wat wij ons dikwijls hebben toegewenscht, vreemde menschen en een vreemd leven. Ik heb ook goede vrienden in den vreemde gemaakt, maar toch is, bij alles wat ik beleefd heb, de overtuiging bij mij versterkt dat er geen grooter geluk is, dan in zijn vaderland onder zijn landgenooten met ijver werkzaam te zijn. Veel heb ik ondervonden, dat ook u aangenaam zou hebben aangedaan, omdat het poëtisch was en de ziel aansprak, maar over het geheel had het onaangename toch de bovenhand.»

«Het was ginds als overal op de wereld,» zei Bernhard. «Waar een edel gevoel het hart aangrijpt en den mensch zou willen voorwaarts drijven, bezoedelt de wereld liet door haar onreinheid: al wat schoon is kwijnt weg, en al wat edel is wordt belachelijk gemaakt, 't Is op andere plaatsen ook nog niet beter dan bij ons.»

«Uat is altijd ouzo oude strijd,» hernam Anton vroolijk; «zijt ge nog niet bekeerd, ongeloovige ?»

Bernhard plukte met zijn vingers aan de deken en antwoordde met neergeslagen oogen: «Mogelijk ben ik het wel, Wohlfart.»

DliUET EN CUEUIT I. 19

ocr page 296

290

«Wolzoo!» riep Anton, hem plagemle, «en wie heeft uw bekeering bewerkt? Is er iets dut u overkomen is? Ja zeker dat moet het zijn.»

«Wat het ook zijn moge,» zei Dernhard met een glimlach, die als een heldere straal zijn bleek gelaat opluisterde, «ik geloof thans dat er ook bij ons schoonheid en beminnelijkheid bestaan ; ik geloof dat ook bij ons het leven groote hartstochten kan in beweging brengen, heilige genoegens en bittere smarten. En ik geloof,» vervolgde hij treurig, «dat men ook bij ons onder den drang van een vreeselijk noodlot te gronde gaat.»

Bekommerd luisterde Anton naar die woorden en zag hoe het groote oog van den zieke als in geestverrukking hemelwaarts staarde. «Ongetwijfeld is het zooals gij zegt.» antwoordde hij eindelijk, «maar bet allerschoonste, dat aan dit leven de grootste waarde bijzet, is toch wanneer de kracht der menschen grooter is dan iedere andere macht buiten hen. Ik heb eerbied voor den man die noch door hartstochten, noch door een streng noodlot zich laat overheerschen, die, zelfs wanneer hij gedwaald heeft, telkens zich weer weet los te scheuren.»

«Maar als het nu te laat is ?» als de drang der omstandigheden sterker wordt dan hij ?»

«Ik houd er niet van om te gelooven aan den drang der omstandigheden,» zei Anton. «Ik verbeeld me dat al is iemand r:og zoo in het nauw, hij, zoo hij slechts al zijn krachten wil inspannen, zich er wel zal kunnen doorslaan ; hij zal wonden bekomen, evenals een soldaat in den strijd, maar zij zullen eervol wezen. En zoo hij de overwinning niet behaalt, kan hij althans strijden als een held. En delft hij op die wijze het onderspit, dan zullen toch de blikken van allen met belangstelling op hem rusten. Alleen hem die zonder weerstand te bieden zich overgeeft, als de storm uitbarst, vaagt do wind van deze aarde weg,

«Een donzen veer wordt door geen bidden in steen veranderd, zegt do dichter,» hervatte Dernhard en blies een veer van zijn kussen in de lucht.

«Ik moetje iets vragen, Wohlfart,» vervolgde hij na een kleine pauze. «Verbeeld u dat ik een christen ben en gij mijn biechtvader, voor wien men geen geheimen mag hebben,» hij keek angstig naar de deur van de naaste kamer en vroeg zachtjes: «Wat denkt gij van de kostwinning mijns vaders?»

Ontsteld deinsde Anton terug; Dernhard zag in groote spanning naar zijn vriend op.

«Ik heb weinig verstand van die dingen, ach ! wellicht te weinig. Ik wil niet weten of hij voor rijk doorgaat of arm, maar ik vraag aan u, als aan mijn vriend, wat denken de menschen van de wijze, waarop hij zijn geld verdient? Het is schrikkelijk en misschien een grove zonde, dat ik, zijn zoon, zoo'n vraag doe; maar mij dwingt iets, waaraan ik geen weerstand bieden kan. Wees gij oprecht tegenover mij, Wohlfart.» Hij richtte zich in zijn bed op en zei, den arm om Antons hals slaande, hem fluisterend in 't oor: «Wordt mijn vader bij mannen van uw soort voor eerlijk gehouden?»

Antons hart kromp van innerlijke deelneming ineen ; hij durfde niet zeggen wat hij dacht en hij durfde Dernhard ook niet bedriegen. Dus zweeg hij een poosje, de ziekte viel op zijn kussen terug, en een zacht gekreun deed zich hooren in het vertrek.

«Mijn beste Dernhard,» hervatte Anton, «voor ik den zoon antwoord

ocr page 297

201

geef op zoodanige vraag, moet ik eerst weten waarom hij een derde ondervraagt. Als gij het alleen doet om op mijn meening uw eigen oordeel over de zaken van uw vader te gronden, dan moet ik u het antwoord weigeren, onverschillig hoe het ook zijn moge. Want het eenige wat ik er van weet, zijn de koude, wellicht partijdige beschouwingen van vreemden, en zoodanige opvattingen mag de zoon van een handelaar nooit tot de zijnen maken.»

«Ik vraag het,» zei Bernhard plechtig, «omdat ik in groote zorg verkeer aangaande liet geluk van anderen ; mogelijk kan uw antwoord aan vele menschen angst en ellende besparen.»

«Dan,» zei Anton, «wil ik je antwoorden. Ik weet geen enkele handeling van je vader, die naar koopmansbegrippen oneerlijk is. Ik weet slechts dat hij tot de groote klasse van handelaars behoort, die bij hun zaken niet al te zeer vragen of hun eigeti voordeel wellicht door het verlies van anderen gekocht wordt. Mijnheer Ehrenthal gaat doorvoor een voorzichtig en geslepen man, die op den goeden dunk van solide mannen hooger prijs stelt dan honderd anderen. Hij zal wellicht veel doen, wat een koopman met een fijn gevoel van eigenwaarde nalaat, maar hij zal ongetwijfeld ook een weerzin gevoelen tegen veel, dat gewetenlooze speculanten in onze dagen ondernemen.»

Wederom klonk een angstige zucht van de lippen des kranken ; een pijnlijk stilzwijgen volgde. Eindelijk richtte Bernhard zich op en Jluis-terde zoo dicht aan Antons ooi', dat deze den brandenden adem op zijn wangen voelde : «Ik weet het, gij kent den baron Rothsattel ?» Anton zag verbaasd op. «De freule heeft het mij zelve gezegd dat zij een kennis van u is.»

Het is zooals freule Leonore u heeft verteld,» hernam Anton, met moeite zijn aandoening verbergende.

«Weet ge iets van de betrekking waarin mijn vader tot den baron staat?» vroeg Bernhard verder.

«Niet veel,» zei Anton, «alleen wat gij mij zelf bij gelegenheid hebt verteld, dat mijnheer Ehrenthal den baron geld op zijn goed heeft geleend. Nu, terwijl ik in den vreemde was, heb ik gehoord dat den baron eenig gevaar dreigt, ik heb zelfs gemeend hem voor een intrigant te moeten waarschuwen.» Bernhard staarde angstig op Antons gelaat. Anton schudde het hoofd, «'t Was echter iemand,» zeide hij «die aan uw huis niet vreemd is, uw boekhouder Itzig.»

«t Is een schurk,» riep Bernhard driftig en balde zijn magere hand.

«'t Is een gemeen, laag mensch. Van den eersten dag af dat hij in ons huis kwam, heb ik een afkeer van hem gevoeld, als van een onrein dier.»

«liet komt mij voor,» vervolgde Anton, «dat Itzig, dien ook ik uit vroeger tijd ken, buiten uw vader om tegen den baron aan het werk is. De waarschuwing, die ik in het belang van den baron ontving, was zoo duister, dat ik er slechts weinig uit kon opmaken ; ik kon niets doen dan ze aan den baron zoo mededeelen, als ik ze zelf had ontvangen.»

«Die Itzig drijft mijn vader,» fluisterde Bernhard; «hij is een booze geest in onze familie; als mijn vader zelfzuchtig tegenover den baron handelt, dan is het de schuld van dien mensch.»

Gaarne gaf Anton dit toe. Ik moet weten hoe het tusschen mijn vader en den baron staat,» begon Bernhard op nieuw: «ik moet weten wat er

ocr page 298

292

gedaan mnet worden, om die familie uit den nood te helpen. Ik kan helpen,» vervolgde de zieke, en weer vertoonde zich een flauwe straal van vreugde op zijn gelaat. «Mijn vader houdt veel van mij. Hij houdt zeer veel van mij ; thans in mijn ziekte heb ik ondervonden hoezeer zijn hart aan mij gehecht is. Als hij 's avonds bij mij mij aan bed komt en met zijn hand over mijn voorhoofd strijkt, als hij tegenover mij gaat zitten, waar gij nu zit, en mij uren lang bekommerd aanziet. — Wohlfart, hij blijft toch altijd mijn vader.» Hij sloeg de handen ineen en verborg zijn gezicht in het kussen. «Gij moet mij behulpzaam wezen, mijn vriend,» sprak hij weer, «gij moet mij zeggen wat er gedaan kan worden om den baron te redden. Ik verlang dat van u. Ik zelf zal mijn vader ondervragen. Ik zie op tegen het uur, waarin ik met hem over de zaak zal spreken; maar na hetgeeen gij mij gezegd hebt, vrees ik dat hij ook niet alles weet, of,» vervolgde hij binnen'smonds, «hij zal mij niet alles zeggen. Gij moet dus den baron zelf opzoeken.»

«Vergeet niet, boste Bernhard,» antwoordde Anton, «dat het ook aan de zuiverste bedoelingen niet vrij staat zich zoo ongevraagd in de zaken van een ander te mengen. Hoe goed wij het ook meenen, ik ben voor den baron een vreemdeling. Mijn tusschenkomst zal hem, evenals uw vader, licht als ongepaste bemoeizucht voorkomen en ik vrees dat wij langs dien weg niet veel hooren zullen. Ik zeg niet dat de maatregel geheel onnut is, maar ik houd hem niet voor zeker, 't Zal veel eerder mogelijk zijn dat gij zelf op de plannen uws vaders invloed uitoefent.»

«Och, ga gij toch naar den baron,» smeekte Bernhard, «en als hij ook tegen u gesloten blijft, ondervraag dan de freule. Ik heb ze gezien,» vervolgde hij, «ik heb het u verzwegen, zooals de mensch zijn dierbaarst geheim verbergt, heden zult gij ook dit hooren. Ik ben meer dan eens op het landgoed der Rothsattels geweest. Ik weet hoe schoon zij is, hoe fier haar houding, hoe edel haar bewegingen 1 Als zij over het grasperk wandelde, geleek zij een koningin der natuur, een heldere glans straalde om haar hoofd; waar zij haar oogen wendde, boog alles zich onder haar blik —■ haar tanden zijn als paarlen en haar boezem als een rozenheuvel,» voegde hij er zacht bij en viel in het kussen neer met gevouwen handen en flikkerende oogen.

«Hij ook al,» dacht Anton. «Mijn arme vriend, ge ijlt.»

Bernhard schudde met het hoofd: «Van dien dag af weet ik dat ons leven niet zwart is,» zei Bernhard lachende, «het is niet zwart, het is hard. Wilt gij met den baron en zijn dochter spreken?»

«Ja dat wil ik,» zei Anton opstaande. «Maar ik herhaal het u, ik doe iets1 zeer vreemds, waaruit licht nieuwe verwikkelingen kunnen voortkomen, ook voor ons beiden.»

«Die zoo op het ziekbed ligt als ik,» antwoordde Bernhard, «vreest geen moeielijkheden ; en gij,» vervolgde hij en zag Anton met een diepen blik aan, «gij zult uw geheele leven door zijn wat gij mij heden hebt gezegd, een man, die er zich weet doorheen te slaan en die het, ook als hij wonden ontvangt, voor zijn taak houdt tegen het lot te kampen. Mij, Anton Wohlfart, mij zal de stormwind wegvagen.»

«Kleinmoedige,» zei Anton geroerd, «dat is een gevolg uwer ziekte. Met de genezing zal ook uw moed herleven.»

ocr page 299

293

«Hoopt gij het ?» vroeg ile zieke twijfelend. «Dikwijls doe ik liet ook, slechts nu en dan overvalt mij de moedeloosheid. Ja, ik wil leven en anders leven dan tot nu toe : ik wil alle krachten inspannen om sterker te worden ; ik wil niet meer zooveel droomen als vroeger, mij niet meei' kwellen en opwinden op mijn studeerkamer. Ik wil beproeven hoe men leeft, als men een fiksch man is, die eiken slag terug geeft, dien hij ontvangt,» zoo sprak hij met gloeiende wangen en reikte zijn vriend de hand.

Anton boog zich over hem heen, en verliet daarop het vertrek,

's Avonds kwam Ehrenthal aan het bed van zijn zoon, gelijk hij gewoon was te doen, als hij het kantoor gesloten en den sleutel op zijn slaapkamer verstopt had. «Wat heeft de dokter vandaag gezegd, Bernhard ?»

Bernhard lag met het gezicht naar den muur; thans keerde hij zich om en zei haastig: «Vader, ik moet u over iets spreken ; sluit de deur, zoodat niemand ons beluisteren kan.»

Verschrikt liep Ehrenthal naar de beide deuren, draaide ze gehoorzaam af, en keerde toen naar het bed van zijn zoon terug. «Wat is ei' dat je hindert, mijn Bernhard ?» zei hij en lei de hand op het voorhoofd van den zieke. Bernhard trok zijn hoofd terug, de hand des vaders viel op de deken. «Ga daar zitten,» sprak de zoon somber, «en beantwoord mijn vragen zoo oprecht alsof ge met u zeiven spraak t.»

De oude ging zitten en zei: «Vraag maar, mijn zoon, ik zal u op alles antwoorden.»

«Gij hebt mij gezegd dat gij den baron Rothsattel veel geld hebt geleend, dat ge hem niet langer wilt voorschieten, en dat de edelman zijn landgoed niet zal kunnen behouden.»

«Het is zooals ik gezegd heb,» antwoordde de vader voorzichtig, alsof hij in een verhoor zat.

«En wat zal er nu van den baron en zijn familie worden.»

Ehrenthal haalde de schouders op. «liij zal zijn landgeed moeten verlaten, en als de dag komt dat het landgoed gerechtelijk verkocht wordt, zal ik om mijn geld moeten bieden op het landgoed, en ik hoop dat ik het koopen zal. Ik heb een hypotheek, die goed is, en een kleine geheel achteraan, die wellicht niet veel deugt. Om die slechte hypotheek zal ik het goed moeten nemen.»

«Vader,» riep Bernhard met een schelle stem, zoodat Ehrenthal opsprong, «gij wilt uw voordeel doen met het ongeluk van dien man, gij wilt u in zijn plaats dringen ! Ja, gij zijt naar het landgoed des barons gereden en hebt mij meegenomen, wellicht met de gedachte om van de verlegenheid des edelmans partij te trekken, liet is schrikkelijk, schrikkelijk!» Uij verborg zijn gelaat in het kussen.

Ehrenthal schoof onrustig op zijn stoel. «Spreek toch niet op zoo'n toon over zaken waarvan ge geen verstand hebt. De zaken zijn voor den dag; als ik 's avonds bij je kom, moet ge u om mijn bezigheden niet bekommeren. Ik wil het niet hebben, dat je de handen zoo wringt en zoo akelig gilt.»

«Vader,» riep Bernhard, «als je niet wilt dat ik van schaamte efi verdriet sterven zal, zult ge van uw plan moeten afzien.»

«Afzien ?» vroeg Erhenthal ontsteld. «Hoe kan ik mijn geld zoo opof-

ocr page 300

294

feren? Hoe kan ik iifzien van het landgoed, waarvoor ik werkzaam bon geweest dag en nacht? Hoe kan ik afzien vati de grootste zaak, die ik in mijn leven heb gedaan? Je bent een ondeugend kind, en geeft ons veel verdriet. Wat voor onrecht heb ik gepleegd, dat ik den baron mijn geld heb geleend? Hij zelf heeft het gevraagd. Wat voor kwaad doe ik nu als ik zijn landgoed koop ? Ik red mijn geld.»

«Vervloekt zij iedere daalder, dien gij daarvoor hebt uitgegeven; vervloekt de dag, waarop gij dat rampzalige besluit heb opgevat!» vervolgde Bernhard en hief de hand dreigend tegen zijn vader op.

«Wat is dat ?» riep Ehrenthal opspringend. Welke booze gedachte heeft getroflen het hart mijns zoons, dat hij zoo spreekt tegen zijn vader? Al wat ik gedaan heb, voor wien heb ik het gedaan? Niet voor mij of voor mijn ouden dag. Jk heb daarbij altijd gedacht aan u, mijn zoon, die een heel ander mensch zijt dan uw vader. Ik zal den last en het verdriet hebben en gij zult wandelen uit het kasteel in het park en weer terug naar het kasteel, en als go daar loopt, zal de rentmeester de pet voor u afnemen en de knechts op het land u groeten, en zij zullen zeggen; Dat is de jongeheer Ehrenthal, die onze meester is.»

«Ja,» riep Bernhard bitter, «dat is uw liefde. Mij wilt ge tot medeplichtige maken van de slechte zaak. Ge vergist u, vader; nimmer zal ik uit het kasteel met mijn boek onder den arm in den tuin gaan; eerder weel ik als een arme bedelaar mijn brood afsmeeken van de gemeente, dan een voet zetten op het landgoed, dat door onrecht en bedrog is gewonnen.»

«Bernhard,» riep de oude, de handen wringende, «je werpt steenen op mijn vaderhart; ik voel ze drukken, en hun gewicht buig mij naart den grond.»

«En gij, gij vermoordt uw zoon!» riep Bernhard in stijgende drift: «Bedenk wel, voor wien gij geknoeid en gelogen hebt; maar zoo waar er een hemel boven ons is, niemand zult ge ooit zeggen, dat het gedaan is voor uw ongelukkigen zoon.»

«Mijn zoon,» jammerde de vader, «tref mijn hart toch niet met uw vloek. Sinds ge een kleine jonge waart, die zijn gebedenboekje naar school droeg, ben ik trotsch geweest, zoo dikwijls ik je aanzag. Ik heb je vrijheid gelaten te doen al wat je wildet, ik heb je boeken gekocht, ik heb je geld gegeven, meer dan je verlangdet; als ik een wensch in je oogen lezen kon, heb ik hem terstond vervuld. Als ik beneden in het kantoor mij den geheelen dag afgetobd had, dacht ik steeds : mijn zoon zal eenmaal vroolijk zijn, omdat ik mij moeite geef.» Hij nam een slip van zijn kamerjapon en veegde zijn oogen af, te vergeefs zijn best doende om weer kalm te worden. Zoo zat hij, een diep getroflen man tegenover zijn zoon.

Bernhard zag zwijgend naar de gebogen gedaante; eindelijk strekte hij de hand uit. »Vader !« riep hij geroerd. Ehrenthal greep haastig met beide zijn handen naar de aangeboden rechterhand en klemde ze vast alsof zij hem weer kon onttrokken worden; hij schoof dichter bij het bed, kuste en streelde den schat. «Nu zijt ge weer mijn brave jongen,» zei hij aangedaan, «nu zult ge zulke beleedigende woorden niet meer spreken en niet meer met je vader kibbelen om dien baron.» • Bernhard trok haastig zijn hand terug.

«Ik wil hem niet lastig vallen, ik zal inschikkelijk voor hem zijn met de interesten,» vervolgde de vader smeekend en zocht de hand van zijn zoon.

ocr page 301

«O, liet is mooito verloren met hem te spreken,» riep Bernhard diep ongelukkig, cdiij begrijpt niets van mijn woorden.»

«Ik wil alles begrijpen,» zei Ehrenthal, «als ge mij je hand maar terug geeft.»

«Wilt ge uw plannen op het landgoed laten varen ?» vroeg Bernhard.

«Spreek niet over het landgoed,» bad de oude.

«Te vergeefs,» prevelde Bernhard, zich omkeerende, en hij verborg zijn gelaat met beide handen.

Ehrenthal zat als een toonbeeld van ellende naast het bed van zijn zoon; ook hij zuchte diep.

«Luister naar mij, mijn zoon,» smeekte hij eindelijk met een zachte stem, «ik wil zien dat ik hem een ander landgoed bezorg, dat hij met zijn middelen kan aanhouden. Ileb je het gehoord, mijn Bernhard?»

«Ga,» riep Bernhard, niet bitter, maar met de kracht eener diepe smart, »ga weg en laat mij nu alleen.»

Ehrenthal stond op en verliet met gebogen hoofd de kamer; in het vertrek daarnaast liep hij dr iftig heen en weer, wrong de handen en sprak tot zichzelven. En nog eens opende hij zachtjes de deur, ging naar Bernhards bed, en vroeg klagend ; «wilt gij me je hand niet geven, mijn zoon ?» — Bernhard lag met afgewend gelaat en bewoog zich niet.

Met kloppend hart zei Anton aan den knecht des barons zijn naam.

«Wohlfart ?» riep de baron vragend en de herinnering aan den brief van Anton werd in eens pijnlijk levendig in zijn hart. «Laat hem binnen komen.» Met een koelen groet beantwoordde hij Antons diepe buiging. «Ik mag u wel eerst bedanken voor uw schrijven,« zeide hij, «dat ik er niet op geantwoord heb, wat de goede bedoeling wel had verdiend, moet gij mij niet kwalijk nemen en het wijten aan mijn vele bezigheden.»

«Als ik nu voor dezelfde zaak kom,» begon Anton, «verzoek ik u vriendelijk dit niet aan bemoeizucht toe te schrijven. Men brengt hier de last van een kennis, die de warmste belangstelling gevoelt voor n en uw familie, 't Is de zoon van den koopman Ehrenthal. Hij zelf wordt dooi' ziekte verhinderd zijn compliment bij u te komen maken ; hij laat u daarom door mij verzoeken om van den invloed, dien hij op zijn vader heeft, in uw belang partij te trekken. Ingeval zijn hulp u in eenig opzicht voordeelig kan zijn, moet ik u vragen uw wenschen aan hem bekend te maken.»

De baron hoorde vreemd op. Nu, op het oogenblik dat alles hem begaf, dat hij zich zelf had opgegeven, drongen nieuwe gestalten om hem heen: Itzig, Wohlfart, de zoon Ehrenthal. Wat Wohlfart hem kwam aanbieden, klonk hem vreemd, maar het kon voor hem een redmiddel worden voor hetgeen hem onophoudelijk aan zijn hart knaagde, een redmiddel voor de vorderingen van Ehrenthal, voor het vreeselijke gevaar, waarin zijn goede naam verkeerde. «Ik ken den jongen man slechts weinig,» antwoordde hij met waardigheid ; «ik verzoek u in de eerste plaats mij te willen verklaren, hoe ik do eer geniet van in zoo hooge mate het voorwerp zijner welwillende belangstelling te zijn.»

Anton hernam met vuur; «Bernhard Ehrenthal heeft een edel hart en zijn leven is rein. Onder zijn boeken opgegroeid, heeft hij weinig verstand van de zaken zijns vaders, maar hij is op het vermoeden gekomen dat deze

ocr page 302

206

dooi1 slechte raadgevingen zich laat verleiden, om vijandig tegen u te handelen. Hij heeft veel invloed op zijn vader, zijn fijn gevoel van eer is zeer gekweld, en hij verlangt dringend zijn vader terug te houden van handelwijzen, die hij zelt' niet voor eerlijk houdt.

Daar was redding! Dat was een frissche luchtstroom, die in den stikkenden dampkring van een ziekekamer doordrong; maar den zieke was die frissche lucht onaangenaam. Die eerlijke lui, die zoo vlug waren om te veroordeelen wat hun niet eerlijk toescheen, waren hem hinderlijk. En nu reeds, terwijl hij het belang erkende, dat dit onverwacht aanbod voor hem hebben kon, gevoelde hij een zekeren weerzin om zijn bevrijding uit den angst aan deze twee te danken te hebben. Den ijverigen Wohlfart althans, die al was, wat eerlijk en nauwgezet heette, dien wilde hij niets verder mededeelen. En zoo antwoordde hij nu met een vriendelijkheid, die niet uit het hart voortkwam: «Mijn verhouding tot den vader van uw vriend is ongetwijfeld van dien'aard, dat de welmeenende tusschenkomst van een derde voor beiden van belang zou kunnen zijn. Of de jonge Khrenthal daartoe de geschikte persoon is, kan ik niet beslissen. Zeg gij hem echter dat ik hem dankbaar ben voor het belang dat hij in mijn zaken stelt, en dat ik mij voorbehoud om bij gelegenheden met hem er nader over te spreken.» Na dit antwoord stond Anton op, de baron deed liem uitgeleide tot aan de deur, en (mirabile dicht!) maakte daar een diepe buiging voor hem,

liet was geen toeval, dat juist op het oogenblik waarop Anton de voorkamer doorging, Leonore daar binnenkwam. «Mijnheer Wohlfart!» riep zij verheugd en liep op hem toe. «Waarde freule,» riep ook hij en beiden groetten elkaar als oude kennissen, In een oogwenk hadden zij de laatste jaren vergeten; zij waren evenals voor jaren de cavalier en de dame van de dansles. Beiden vertelden elkaar hoezeer de tijden veranderd waren, en terwijl zij daarover spraken, waren zij in gevoel en woorden zooveel jonger geworden, als er jaren waren verloopen sints hun laatste onderhond.

«Gij draagt weer staande boordjes.» zei Leonore zacht verwijtend. Anton sloeg ze terstond om.

«Hebt gij nog den kap van toen?» vroeg hij. «Hij was met roode zijde gevoerd, freule ; hij stond u bekoorlijk.»

«Die van thans heeft een blauwe voering,» zei Leonore lachend. «En begrijp eens, de kleine gravin Lara trouwt dezo week ; wij hebben nog kort geleden over u en het dagboek gesproken. Ook Eugène heeft ons van u geschreven. Hoe alleraardigst, dat gij mijn broeder ook hebt leeren kennen. Kom binnen, mijnheer Wohlfart, ik moet toch hooren, hoe het u al dien tijd gegaan is.» Zij leidde hem naar een salon en noodigde hem uit in een fauteuil plaats te nemen. Zij zat over hem en zag hem met die vriendelijke oogen aan, wier groet hem weleer zoo gelukkig had gemaakt. Veel was in hem veranderd; wellicht schudde thans een ander meisjeshoofd haar krullen in het vertrek der gele kat; maar als hij de koningin zijner jonge jaren, dat wilde oprechte meisje, nu als een groote dame tegenover zich zag, herleefden alle gevoelens van het verledene in hem, en hij ademde met verrukking de aristo-kratische lucht in van de smaakvolle zaal die zij bewoonde.

«Nu ik u zie,» zei Leonore, «is het mij alsof de dansles gisteren heeft plaats gehad, 't Was een pleizierige tijd, ook voor mij! Sints toen heb ik ook met den ernst des levens kennis gemaakt,» voegde zij er

ocr page 303

297

bij en boog liet hoofd. Anton betuigde zijn leedwezen daarover met een warmte, die de freule dwong weer vroolijk op te zien en hem vriendelijk aan te kijken.

«Wat liaet't u mijn vader doen opzoeken?» vroeg zij ten laatste op geheel anderen toun.

Anton sprak van Bernhard, van de lange ziekte zijns vriends en van diens belangstelling in de familie; hij verheelde haar niet, dat zij voornamelijk de aanleiding er toe was, zoodat Leonore op haar zakdoek tuurde en de puntën op elkander paste. Hij vertelde haar hoezeer de ziekte van zijn vriend hem ongerust maakte: «Als gij aan mijnheer uw vader de tusschenkomst van Bernhard kunt aanbevelen, doe gij het dan. Ik kan een heimelijke vrees niet van mij afzetten, dat op het kantoor van Ehrenthal een samenzwering tegen u is gesmeed. Wellicht vindt gij een middel om Bernhard te laten weten, hoe wij mijnheer den baron van nut kunnen zijn.»

Leonore zag angstig op naar Antons gelaat en schoof haar stoel dichter bij : «Gij zijt een oud vriend van mij, u kan ik toevertrouwen wat mij kwelt. Vader verbergt voor moeder en mij, wat hem hindert; ach! hij zelf is van jaar tot Jaar heel anders geworden. Hij heeft voor de fabriek veel geld noodig gehad, en hij hoeft nog dikwijls gebrek, dat weet ik. Dagelijks bidden moeder en ik den goeden üod ons den vrede terug te geven, een tijd als toen ik u leerde kennen. Zoodra ik iets hoor, zult gij het weten. Ik zal u schrijven,» riep zij vastbesloten, «en als Eugène met verlof hier komt, zal hij u opzoeken.»

Zoo verliet Anton de woning des barons, opgewonden over het terugzien zijner schoone vriendin, vervuld met den besten wil om haar en haar familie van nut te zijn. Voor de deur ontmoette bij mijnheer Ehrenthal. Met een lichten groet liep hij den gevaarlijken man voorbij, die hem nog achterna riep, dat hij toch spoedig zijn zoon liernhard zou komen zien.

Ehrenthal had eenige treurige dagen beleefd; hij had nog nooit zooveel gezucht, zooveel met zijn hoofd geschud, zooveel op en neer gewandeld. Te vergeefs vroeg mevrouw Sidonie aan haar dochter: «Wat scheelt den man toch, dat hij zoo zucht?» Te vergeefs zoclit Ilzig liet neergeslagen hart van zijn patroon door lachende beelden der toekomst op te wekken. Al de ontevredenheid, die zich in de ziel van den koopman had opgehoopt, barstte uit tegen den boekhouder, «Gij zijt het, die mij geraden hebt zoo met den baron te handelen,» schreeuwde hij, den morgen na het gesprek met Bernhard, hem toe: «Weet ge wat gij zijl? Een intrigant zijt ge!

Itzig keek verbaasd naar het gelaat van Ehrenthal, haalde de schouders op en zei: «Als Je niet anders weet, wat is dat voor een woord: intrigant? Moet ik het opslaan in het woordenboek, waarin de vreemde woorden staan? Praat toch niet zoo kinderachtig, Erenthal.» Daarop zuchtte de oude weer en verborg zijn hoofd achter de courant.

Langer dan twee dagen kon hij de smart van zijn zoon, die zichtbaar achteruit ging en van allo toespraak der ouders met korte woorden zich afmaakte, niet uithouden. «Ik moet een ofl'er brengen.» zei Ehrenthal tot zicb zeiven. «Ik moet de rust aan zijn nachten terug geven en maken dat hij ophoudt te kermen. Ik wil aan mijn zoon denken en den baron het andere landgoed bezorgen bij Rosmin, waarop hij zijn geld heeft staan,

ocr page 304

2lt;»8

en zuo niet, dan wil ik dat geld voor hem redden, zonder eenig voordeel voor mij zeiven. Ik verlies daarbij een aardige winst, die ik met Löwenberg deelen kon; meer dan duizend daalders verlies ik er bij. Maar, enlin, ik hoop dat het mijn zoon Bernhard voor mij zal vermurwen.» Vast besloten zette hij zijn hoed op, trok hem diep in de oogen, om de weerstrevende ge.dachten, die nog telkens bij hem opkwamen, te onderdrukken, en ijlde naar de woning van zijn schuldenaar.

De baron ontving het onverwacht bezoek met den angst, die hem bij eiken verschijning van een handelsman den adem bemoeielijkte. Nauwelijks is de waarschuwende stem weg, of daar komt de vijand zelf. Thans zal hij den formeelen afstand der hypotheek van mij verlangen ; nu komt wat daarop volgen moet.» Maar zeer verheugd zag hij op, toen Ehrenthal met beleefde woorden uit eigen beweging aanbood voor hem naar Rosmin te reizen, en zoo het noodig was van daar verder op, om hem bij de veiling van het poolsche landgoed te vertegenwoordigen. «Ik wil oen vertrouwd man medenemen, den advocaat VValther uit Rosmin, opdat gij zeker moogt zijn dat alles behoorlijk geschiedt. Gij zult mij volmacht geven om op het landgoed te bieden en den koop net zoo hoog op te jagen, totdat uw hypotheek gedekt is door den koopprijs, dien een ander betaalt,»

«Ik weet dat het noodzakelijk zal zijn,» zei de baron, «maar in Godsnaam, Ehrenthal, wat zullen we doen, als het goed in mijn handen blijft?»

Ehrenthal haalde de schouders op. «Gij weet het, ik heb u de hypotheek nooit aangeraden, ja ik kan zeggen, als ik het mij goed herinner, ik heb ze u afgeraden. Als gij toen naar mij geluisterd hadt, hadt, ge wellicht de hypotheek niet gekocht.

«Maar 't is nu eenmaal zoover,» antwoordde de baron kregel.

«Eerst verzoek ik u, mijnheer de baron, mij te betuigen dat ik onschuldig ben.»

«Dat doet immers niets ter zake?»

«Voor u is het onverschillig,» zei Ehrenthal, «maar niet voor mij en voor mijn naam als handelaar.»

«Wat meent ge daarmee?» stoof de baron op, zoodat Ehrenthal er van schrikte, «waagt gij het te beweren dat mij iets onverschillig is, dat zelfs u geen eer zou aandoen?»

«Wat zijt ge toch opvliegend, mijnheer de baron,» zei de handelaar, «ik zeg immers niets tegen uw eer. God beware me!

«Gij zeidet toch zoo iets,» bromde de ongelukkige man.

«Uoe kunt gij een oud vriend zoo verkeerd verstaan?» klaagde Ehrenthal.

Ik verlang niets dan de verzekering van uw kant, dat ik onschuldig ben aan den koop der hypotheek.»

«Nu wat dat betreft, goed!» riep de baron, van ongeduld op den grond stampende.

«Zoo is het in orde,» zei de koopman gerust gesteld. «En als het nu ongelukkig alloopt en gij aan het landgoed blijft hangen, zullen we zien wat er dan aan te doen is. Hel is een slechte tijd om geld te leenen maar ik wil toch borg voor u blijven en u de kosten voorschieten tegen een hypotheek op het landgoed.»

Daarop sprak hij over den vorm der volmacht en over zijn reis naar de aangrenzende provincie. Toen hij den baron verliet, bleef deze als een speelbal van strijdige aandoeningen achter.

ocr page 305

2!)l)

Was liij verloren? Was luj gered? Een bange vrees overviel hem dat deze hypotheek over zijn lot zou beslissen, ilij besloot er zelf heen te gaan en niets aan Ehrenthal over te laten. Maar van den anderen kant kwam de gedachte bij hem op, dat hij den man nu een groot vertrouwen moest bewijzen, om ook niet zijn vertrouwen op te wekken. Zoo dreef hij machteloos rond in een zee van gevaren. De golven rezen hemelhoog en sloegen tegen zijn leven aan.

's Avonds trad Ehrenthal de ziekenkamer binnen en lei zijn zoon een in alle vormen gestelde volmacht voor.

«Kunt ge mij nu je hand geven?» vroeg hij zijn zoon, die somber voor zich heen zag, «Ik ga voor den baron op reis om een nieuw landgoed voor hem te koopen. Wij hebben alles samen bepraat. Hier is de volmacht, die hij mij heeft gegeven; ik zal hem bovendien nog een kapitaal voorschieten ; als hij verstandig is kan hij nog een rijk man worden.»

Hernhard zag bedroefd naar zijn vader en schudde met het hoofd : «Dat is nog niet genoeg, vader» zei hij.

«Ik heb toch met den baron vrede gemaakt en hij heeft mij bekend dat ik aan dit ongeluk geheel onschuldig ben. Is het nu genoeg, mijn zoon?»

«Neen,» zei de zieke. «Zoo lang ge op uw kantoor dien slechten kerel, dien Itzig, houdt, zal ik geen rust in mijn leven hebben.»

«Ilij zal weg,» riep Ehrenthal terstond, «als mijn zoon Bernhard het verlangt, zal hij weg, het eerstvolgende kwartaal!»

«En wilt ge ook van het plan afzien om het landgoed van den baron voor u te koopen?» vroeg Bernhard verder, zich tol zijn vader wendende.

«Als het eenmaal tot de veiling komt, wil ik denken aan hetgeen gij mij hebt gezegd,» antwoordde de vader ontwijkend. «Praat niet meer over het landgoed; als gij weer mijn gezonde zoon zult wezen, zullen wij er samen over spreken.» En daarmee greep hij do hand, welke Bernhard nog aarzelde hem toe te reiken, hield ze vast in de zijne en zat zwijgend bij het bed.

Was hij ooit in zijn leven gelukkig, dan was het nu, dat hij zich den vrede met zoon gekocht had.

VII,

De eene golf voor, de andere na sloeg over het hoofd van den drenkeling.

De fabriek had in den winter eenige maanden gewerkt. De beetwortel-oogst was mislukt; de opbrengst, waarvan de baron zooveel had verwacht, was niet toereikend geweest. Vele van de kleine landbouwers hadden aan hun verplichtingen niet voldaan; andere slechte waar geleverd. Er was gebrek aan beetwortel, er was gebrek aan geld, de fabriek stond stil, de arbeiders verliepen. Ehrenthal was naar het poolsche riddergoed gereisd ; de baron verkeerde in koortsachtige gejaagdheid. Ilij bestelde postpaarden om zijn gevolmachtigde te volgen; hij liet ze weer afzeggen, want hij beefde

ocr page 306

300

voor den verkoopdag, voor het bieden, het geschacher, en den voort-durenden angst tot aan liet opmaken van de slotakte, En zoo hij ook den koopman ai niet vertrouwde, op den advocaat te Ros min kon hij toch staat maken. Zoo brak de sombere dag aan, dat Ehrenthal met den brief van den advocaat Walther voor hem stond. Het kapitaal van den baron had men alleen kunnen redden door hot landgoed voor den baron te koopen. J)e houders van de eerste hypotheek van honderdduizend daalders hadden hem opgejaagd tot honderdvierduizend, toen waren zij weggereden, geen andere kooper had zich opgedaan, «[let landgoed behoort thans aan u, mijnheer de baron,» zei de handelaar. «Opdat gij echter in staat zoudt zijn uw bezitting aan te houden, heb ik met de houders der eerste-hypotheek een schikking gemaakt; zij zullen de honderdduizend op het goed laten staan. Ik heb vierduizend daalders voor u voorgeschoten en de kosten.»

De baron zei geen woord; zwaar viel zijn hoofd op het blad van zijn schrijftafel. Ehrenthal vertelde hoe hij het landgoed voor den baron had overgenomen. Aan de deur mompelde hij binnin'smonds: «Het is afgeloopen met hem. liet eerstvolgend kwartaal verliest hij zijn vaderlijk landgoed, en hij heeft geen kracht om het andere behoorlijk te bestieren. Het slot zal zijn dat ik ook nog die bezitting zal moeten koopen.»

Thans naderde de termijn, waarop de baron de interesten moest betalen van al de opgenomen gelden. Hij reed rond en zocht weer geld. Te vergeefs. Ten laatste kwam hij bij Georg Werner, die thans eigenaar was van het landgoed zijner moeder. Eenigszins verlegen ontving hem de jonge mensch, die gedurende jaren Leonore zijn hof had gemaakt, maar later voorzichtig was afgetrokken. De moeielijkheden waarin de baron verkeerde, waren geen geheim meer. De buurman betuigde de deelneming, die bij zulke gelegenheden aan de orde is. Het speet hem zeer dat de baron op het nieuw gekochte riddergoed een zoo groote hypotheek uitstaande had. «Wien hebt gij naar de verkooping gezonden?» vroeg hij.

«Hirsch Ehrenthal,» antwoordde de baron mismoedig.

Nu werd de buurman woordenrijk. «Ik ben bang,» zei hij, «dat deze man uw belangen slecht heeft behartigd. Ik ken den woekeraar. Hij heeft ons jaren geleden door zijn schurkerij een groote som geld doen verliezen. Mijn vader had op zijn goed in het noorden der provincie een bosch laten vellen en het hout aan een houtkooper afgeleverd. Ehrenthal heeft met dien man geknoeid; hij kocht hem het hout tegen een spotprijs af; de andere vluchtte naar Amerika. De beide schelmen hebben het geld mijns vaders samen gedeeld.»

De wangen van den baron werden loodkleurig; hij stond op, sprak geen woord meer van zijn zaken, en sloop als een misdadiger uit het iiuis zijns buurmans.

Sinds dien dag zat hij voortdurend somber te peinzen in zijn armstoel; als hij uitging deed hij het slechts om zich tijdelijk te bedwelmen. Hij was grof tegen zijti echtgenoote, geheel ontoegankelijk voor zijn dochter. De vrouwen waren diep ongelukkig.

Nog een flauwe hoop bleef er schemeren: de tusschenkomst van Bernhard. En ditmaal had hij gelijk, langs dien weg was redding te vinden. Maar hij vatte de hand niet aan, die zich belangeloos aan hem aanbood; niet Anton liet hij roepen, maar een ander, die hem een

ocr page 307

301

ergernis was, als hij liem niet zag, en wiens kruipende onderdanigheid hem goed deed, zoo dikwijls hij hem aanschouwde. Nog eenmaal in de laatste ure liet het goedertieren lot hem de vrije beschikking over zijn toekomst. Maar, ach, hij zelf' was niet langer vrij. Het was de vloek eener slechte daad, die thans zijn oordeel benevelde.

Weer stond Itzig voor hem; do baron zag de gebogen gedaante van ter zijde aan: «De jonge heer Ehrenthal heeft mij aangeboden mijn geschil met zijn vader bij te leggen.»

Itzig sprong op, als door een kogel getroffen. «Bernhard 1» riep hij uit.

«Zoo heet hij, geloof ik; hij moet ziek zijn.»

«Hij gaat sterven,» antwoordde Veitel.

«Wanneer?» vroeg de baron; hij bezon zich echter dadelijk en zei: «Wat scheelt hem?»

«Het zit hier,» hernam Veitel, op de borst wijzende, «het gaat net als een blaasbalg; als er een gat in komt houdt de wind op.»

De baron deed zijn best om er meewarig uit te zien, maar bedacht dat hij zelf' haast had.

«De zieke moet veel invloed hebben op zijn vader, zoodat door hem op de toestemming van Ehrenthal gehoopt kan worden.»

«Wat weet die Bernhard van zaken? hij is een gek!» riep Veitel, niet in staat zijn ontevredenheid te verbergen. «Als men hem een oud perkament voorlegt, dat met letters beschreven is, geeft hij daarvoor alle hypotheken van de wereld; hij is dom.»

«Naar ik zie, bevalt n deze weg niet?» vroeg de baron radeloos.

Voor Itzig antwoordde, stond hij lang te denken; onrustig rolden zijn oogen van den baron naar de uiterste hoeken van het vertrek. Eindelijk sprak hij met ongewone vriendelijkheid; «Mijnheer de baron heeft gelijk. Het zal het best zijn als gij en Ehrenthal aan het b.ed van den zieke elkander ontmoet en daar uw zaken afmaakt.» Wederom zweeg hij een poos, en zijn gezicht gloeide van de onstuimige gedachten, die in hem rondgingen. «Wil mijnheer de baron het aan mij overlaten hem dag en uur te zeggen, waarop hij Bernhard het best zal kunnen spreken? Als gij het kantoor zijt binnengekomen, zal ik haastig naar Bernhard gaan en hem zeggen dat gij er zijt. Intusschen zijt gij zoo goed op het kantoor te wachten, en al duurt het een half uur voor ik terug kom, gij wacht slechts. Als ik u naar boven kom halen, zal alles zich schikken, want wat Bernhard van zijn vader verlangt kan hij krijgen.»

«Ik zul nadere tijding van u afwachten,» zei de baron, reeds gekweld door het vooruitzicht op den pijnlijken dag.

Itzig verliet den baron en ijlde in hevige gejaagdheid naar zijn kamei' in het huis van Pinkus. Driftig liep hij daai'op en neer en balde de vuisten tegen Bernhard. I lij opende de oude schrijftafel en haalde uit een verborgen lade twee sleutels, die hij op tafel lei; lang bleef hij er voor staan en er op staren. Eindelijk stak hij ze in zijn zak en spoedde zich naar beneden in de gelagkamer. Daar knikte in een hoek van het balcon mijnheer Hippus, de verstandige vriend en raadgever van Itzig. Hippus was in de laatste jaren door den drang der omstandigheden verhinderd def-tiger, jonger, en eerlijker te worden; integendeel hij zag er bijzonder uitgeteerd en boosaardig uit. Nu zat hij ineengedoken in een hoek, waar het

ocr page 308

302

warme zonlicht viel, en las een vuilen roman. Toen Veitel met haastigen tred op het balcon kwam, boog hij zijn hoofd lager op het boek, en scheen in eiken letter meer belang te stellen dan in den jongen koopman voor hem.

«Sluit je boek en luister naar mij,» riep Veitel ongeduldig. «Roth-sattel zal zijn schuldbrieven van Ehrenthal terug ontvangen, hij zal mij de hypotheek geven, en ik zal hem de achtduizend daalders moeten bezorgen, die er nog te betalen overschieten.»

«Komaan, komaan,» zei de oude, zijn leelijk hoofd heen en weer schuddende, «wat een mensch niet al beleeft! Als Ehrenthal zijn geld aan oen schavuit geeft, die zijn woord heeft verbroken, dan wordt het tijd, dut wij ook vroom worden en ter biecht gaan. Voor we een woord verder spreken, kunt ge me iets halen, dat ik gaarne eet en drink. Ik ben dorstig en zeg niets meer.»

Veitel liep naar beneden om het verlangde te halen; de ouden zag hem na en prevelde: «Nu komt het,» en staarde, altijd met het hoofd schuddende, over het boek heen.

Toen Veitel het gevraagde maal voor den advocaat had klaar gezet, vroeg hij: «Hoeveel ?■)

«Driehonderd,» zei do oude, «en dan moet ik er nog eens over denken. Met is mijn vak niet, beminnelijke Itzig. In mijn beroep sta ik voor minder geld ten dienst, zooals je zelf indertijd ondervonden hebt, maar voor een stoute onderneming in den stijl van Cartouche en andere van je vrienden, verlang ik een betere betaling. Hier ben ik slechts dillettant. En ik kan niet zeggen dat ik een bepaalde voorliefde heb voor die zaken.»

«En ik dan ?» riep Itzig. «Als er een middel is om het te vermijden, zeg het dan. Als gij weet hoe men den baron en Ehrenthal van elkaar kan houden en den een door den ander kan uitkleeden, zeg het dan. De eigen zoon van Ehrenthal wil ze met elkaar verzoenen, hij zal tuschen hen staan, als een naakt cupidootje met vleugels aan de schouders op een prent staat tusschen twee verhelden, en wij zullen de bedrogenen zijn.»

«Wij?» grijnsde de oude vergenoegd. ».lij zult de dupe zijn, uil! Wat gaan mijn je zaken aan ?»

«Tweehonderd,» zei Veitel.

«Drie,» antwoordde do oude en dronk zijn glas uit; «maai' ik doe het niet alleen, je moet er bij zijn.»

«Als ik er bij wil zijn,» sprak Veitel, «kan ik het ook wel alleen en heb je hulp niet noodig. Luister nu naar mij. Ik zal zorgen dat het huis leeg is, dat Ehrenthal en de baron te gelijk het kantoor verlaten; ik zal je een teeken geven of de papieren op tafel liggen of in de kast. Het zal donker zijn en je zult een half uur tijd hebben. Ja, ik zal de voordeur sluiten; den uitgang in het zijstraatje, die gewoonlijk dichtgegrendeld is, zal ik openmaken. Het is zoo veilig, dat een kind van tien jaar het gemakkelijk zou kunnen doen,»

«Veilig genoeg voor jou,» bromde de oude, «maar niet voor mij.»

«Alles wat men doen kan met de wet hebben wij beproefd en het is niet gelukt,» riep Veitel, «dus moet het nu maar gaan tegen de wet.» Hij sloeg met zijn vuist op de leuning en drukte te tanden op elkaar, zoodat zij knarsten. «En wilt gij het niet doen, dan zal het toch gebeuren, ofschoon ik weet dat de verdenking terstond op mij valt, als ik gedurende den tijd niet in de kamer van Bernhard ben.»

ocr page 309

nos

«Zoo is het goofl, vroolijke flzig,» zoi de oude en schoof zijn bril wat op om de toornige vastberadenheid van den ander nauwkeuriger te bekijken. «Daar je zoo dapper bent, wil ik jc niet in den steek laten; maar driehonderd.»

De onderhandeling begon. De beiden kropen in den versten hoek van de galerij en fluisterden samen totdat het donker werd.

Lenige dagen later zat Anton in het schemeruur aan hot bed van den zieken Bernhart. «In 't voorbijgaan ben ik even aangekomen om te zien hoe gij het hebt.»

«Zwakjes,» antwoordde Bernhard, «nog altijd zwak; de ademhaling wordt mij lastig. Als ik maai' eens in de open lucht kwam, maai' eens uit deze sombere kamer».

«Wil de dokter hebben dat ge uitrijdt? Als de zon morgen lekker schijnt, kom ik je met een rijtuig afhalen.»

«Ja,» zei Bernhard, «dat Is goed, gij moet komen. Nu zal ik je ook iets vertellen.» Mij keek voorzichtig rond. «Ik heb vandaag mét den post een ongeteekend briefje gekregen.» Hij trok van onder zijn kussen een klein briefje en gaf het geheimzinnig aan zijn vriend. «Neem gij het, wellicht kend gij de hand.»

Anton ging voor het venster on las : «Do baron Rothsatthel wenscht u heden avond te spreken. Maak gij dan dat gij met uw vader alleen zijt.«

Toen Anton den brief terug gaf, bekeek liernhard het padier aandachtig en stak het weer onder het kussen, «Kent gij de hand ?» vroeg hij.

«Neen,» antwoordde Anton, «zij schijnt verdraaid, het is niet het schrift van de freule.»

«Wie ook de schrijver zij,» vervolgde Bernhard half fluisterend, «Ik verwacht vuel goeds van dezen avond; Wohlfart, die strijd ligt mij als een honderdponder op de borst, hij beneemt mij den adem, ik voel den last net als een gewicht. Van daag zal dat beter worden, vandaag wordt ik vrij.»

Het spreken viel hem moeielijk. Slechts in afgebroken zinnen kon hij zijn woorden uitbrengen. «Dus tot weerziens, tot morgen,» riep Anton. loen Anton opstond, kraakten zachte datnesschoenen; de moeder en Ilosa kwamen naar het bod van den zieke en begroetten den gast. «Hoe gaat het, Bernhard?» vroeg de moeder. «Je zult van daag met je vader alleen zijn, er is vati avond groot concert, Roza zal op de piano spelen. Wij hebben den vleugel iu de achterkamer laten zetten, mijnheer Wohlfart, opdat zij Bernhard dooi- haar studeeren niet zou hinderen.»

«Ga nog een oogenblik zitten, moeder,» zei Bernhard, «ik heb u in langen tijd niet in uw mooie kleeren gezien. Gij ziet er goed uit; juist zoo'n japon droogt gij, toen ik als kleine jongen het roodvonk kreeg. Als ik van u droom, zie ik altijd hetzelfde kleed voor mij. Geef mij uw hand, moedor, on als gij van avond muziek hoort, denk dan ook eens aan uw Bernhard; ik zal hier in stilte muziek maken.»

De moeder ging voor hot bed zitten. «Hij heeft de koorts weer,» ze zij tot Anton. Anton knikte van ja.

«Morgen ga ik rijden, naar buiten,» riep Berharnd vroolijk, «dat zal een ploizier wezen I»

ocr page 310

304

«Het rijtuig is voor,» herinnerde Rosa haar moeder, «wij moeten met onze mooie kleeren door het achterhuis, waar het zoo morsig is. Itzig heeft vader gezegd dat het rijtuig niet voor moest komen, omdat het Dernhard zou hinderen.»

«Rust wel, Dernhard,» zei de moeder en reikte hem nog eens de mollige hand. De dames verlieten de kamer; Anton volgde haar.

«Wat zegt gij van Dernhard?» vroeg de moeder hem op den trap.

«Ik houd hem voor zeer ziek,» antwoordde Anton.

«Ik heb het al aan mijn man gezegd: als het verder in den zomer is, ga ik met Rosa naar een badplaats, dan zallen we Dernhard tnedenemen.»

Anton verliet met een beklemd hart het huis.

Het werd stil daarbinnen; in de vertrekken van Ehrenthal hoorde men niets dan do zware ademhaling van den zieke. Alleen beneden aan den vloer was geritsel. Een muis knaagde daar. Onrustig luisterde Dernhard. «Hoe lang zal zij uog knabbelen, voor ze een opening heeft doorgebeten? Dan komt zij in de kamer.» Een rilling ging hem door zijn leden, hij woelde angstig heen en weer, de duisternis was hem pijnlijk, de lucht zwaar. Hij belde zoo lang, dat de oppasser kwam en de lamp binnen bracht. Nu zag hij met matte oogen rond. De kamer kwam hein heden oud en ongezellig voor, 't was hem alsof hij in een vreemd vertrek, alsof hij voor korten tijd in een logement was. Onverschillig keek hij naar zijn boekenkast en naar de schuiflade, waarin de dierbare handschriften lagen. De olievlek op den vloer, de spleet in de deur, waardoor het licht van de kamer daarnaast alle avonden scheen, dat alles zou hij morgen verlaten om met Anton uit het benauwde vertrek de vrije lucht in te gaan. Hij dacht er over of zij niet den weg konden rijden, waarlangs de freule naar het landgoed gingen terugkeerde. Wellicht kwam hij ze dan tegen; zijn oog glinsterde, hij hoopte zeker haar op den weg te zullen ontmoeten. Zij zat trotsch in den wagen, de sluier wapperde om het schoone gelaat, haar blanke arm verhief zich en bewoog zich vriendelijk groetend naar zijn kant. Ja, zij herkent hem, ze weet dat hij haar vader een dienst heeft bewezen', wellicht laat ze ophouden en vraagt hoe het met hem gaat. Zoo zal hij met haar spreken en het edel geluid harer stem hooren. Nog eenmaal zal zij hem toeknikken, dan gaan de beide wagens elkaar voorbij, de een hier, de ander daarheen. En waarheen zou hij rijden? «De vroolijke, levendige zon in,» fluisterde hij.^ — En weer luisterde hij angstig naar de knagende muis.

Een haastige tred dreunde door de voorzaal; Dernhard richtte zich op en het bloed steeg hem in 't gelaat. Het was de vader van Leonore, die daar aankwam. Zachtjes ging de deur open, een afzichtelijke gedaante sloop binnen en keek schuw rond. Verschrikt riep Dernhard: «Wat doet gij hier?» Gejaagd naderde Itzig het bed en sprak kortaf en met een stem, die even zwak klonk als die van den zieke: «De baron is juist op het kantoor gekomen. Hij heeft mij gezegd naar n te gaan en met u te spreken, opdat gij, hetgeen hij van uw vader verlangt zoudt ondersteunen.»

«Heeft hij dat aan n gezegd?» riep Dernhard. «Hoe kan de baron zulk een boodschap aan een man doen zooals gij zijt?»

«Zwijg,» antwoordde Veitel ruw, 't is nu geen tijd voor veel woorden.

Luister naar mij. De baron heeft uw vader op zijn woord van eer een zekerheid voor twintigduizend daalders beloofd en hij kan hem dat bewijs

ocr page 311

305

niet geven, omdat hij hetzelfde stuk aan een ander heeft verkocht, Hij heeft zijn woord verbroken en verlangt nu van uw vader dat hij van dat bewijs af zal zien. Kunt gij nu meehelpen om uw vader twintigduizend daalders te laten verliezen, doe het dan.»

Bernhard beefde dat de handen heen en weer gingen. «Gij zijt eon leugenaar,» riep hij, «Het woord dat uit uw mond komt is bedroquot; huichelarij, valschheid,»

«Zwijg!» herhaalde Veitel in koortsachtigen angst, «Ge moet uw vader zijn eigen verlies niet aanraden. De baron is toch niet te helpen hij is een vlieg; die zijn vleugels heeft verbrand, en nu nog op den grond kruipt. En als Ehrenthal gek genoeg is om den slechten raad te volgen, dien gij hem geeft, omdat gij nergens verstand van hebt, kan hy toch met den baron in zijn bezit handhaven. Ik heb er geen voordeel bij als ik u dit zeg,» vervolgde hij onrustig en luisterde naar een geraas voor hot huis, «ik doe het slechts uit gehechtheid aan uw familie,»

Bernhard snakte naar lucht; «üe kamer uit,» i iep hij eindelijk, «'tis alles bedrog en leugen op deze wereld,»

«ik ga den baron en Ehrenthal halen,» zei Veitel en ijlde weg.

Luid klonk beneden de vertoornde stem van Ehrenthal: «Ik \vil mij tot de rechtbank wenden, ik zal u aangeven, u en uw knoeierijen!» Veitel rukte de deur open. Op den leeren stoel zat de baron, zijn gelaat achter zijn handen verbergende; voor hem dreigde Ehrenthal, bevende van woede; op den lessenaar stond het kistje van den baron met de noodige schuldbekentenissen en de hypotheek, Veitel riep, het vertrek binnenkomende: «Houd toch op, Ehrenthal, uw Bernhard is hard ziek, hij hgt boven alleen en roept u, en roept ook om mijnheer den baron; hij wil li beiden aan zijn bed hebben,»

«Wat is dat?» schreeuwde Ehrenthal, «knoeit gij achter mijn rug om, ook met mijn zoon?»

«Hebt gij hem de nieuwe hypotheek getoond, die gij voor hem besteld hebt?» vroeg Veitel den baron in vliegende haast,

«Mij heeft ze in 't geheel niet willen zien,» zei de baron somber, «Geef hier,» hernam Veitel, en lei een nieuw stuk voor Ehrenthal op tafel,

«Gij wilt mij goven een stuk papier voor mijn goede geld, een prul dat niet waard is dat ik het in liet vuui' gooi.»

«Talm toch niet langer,» riep Veitel wederom met angstige stem, «Er is niemand boven bij Bernhard, hij roept om u en dén baron, hij zal zich kwaad doen. Haast u toch om naar boven te gaan, hij heeft gekermd, dat ik u toch dadelijk bij hem zou zenden,»

«Rechtvaardige hemel!» riep Ehrenthal en greep zijn hoed, «wat moet dat toch? Ik kan niet bij mijn zoon komen, ik ben banquot;- voor mijn geld,»

«Hij zal zich dood schreeuwen,» zei Veitel, «over het geld kunt quot;ij later lang genoeg praten. Haast u, haast u!»

De baron en Ehrenthal verlieten het kantoor, Itzig volgde, Ehrenthal sloot de deur, deed den ijzeren boom er voor en draaide het slot om. Zij vlogen de trappen op, Veitel achteraan. Op de trap rolde een geldstuk, Ehrenthal keek om, «'t Is niets,» zei Itzig, «'t viel uit mijn zak,»

De baron en Ehrenthal traden de ziekenkamer binnen ; achtei hen sloop ook Veitel in, en schoof langs den muur naar het venster, achter het hoofd DEBET EN CREDIT I. lt;■)()

ocr page 312

30G

van Bernhard, zoodat deze hem niet zag. De baron ging aan het hoofdeneind zitten, de vader aan den voet van het bed. Uit de lamp viel een (lauw schijnsel op de partijen, die naar den doodzieke kwamen, om over kapitaal en zekerheidsb'ewijzen te kijven. De edelman begon met beleefde woorden, hij herinnerde zich de vroegere bezoeken van Bernhard, en sprak van de hoop dat hij hem weldra weer op zijn kasteel zou mogen zien. Maar zijn oogen zagen angstig op het uitgeteerde gezicht en een stern in hem riep : «liet was hoog tijd.» Bernhard zat op zijn bed, het hoofd op de borst neergebogen, hij hief de hand op en viel den baron in de rede: «Met uw verlof, mijnheer de baron, zeg mij wat gij van mijn vader verlangt en wees zoo goed er aan te denken dat ik geen koopman ben.»

De baron zette hem de zaak uiteen. Ehrenthal beproefde dikwijls hem in de rede te vallen, maar Bernhard wenkte hem met de hand, waarop de ander zich bedwong en zijn hart lucht gal door sterk met het hoofd te schudden en binnensmonds te prevelen.

Toen de baron had uitgesproken, wenkte Bei'tdiard zijn vader: «Kom wat dichter bij, luister bedaard naar mijn woorden.» De vader hield zijn oor bijna voor den mond zijns zoons. «Wat Ik zeg,» sprak Bern-hard zacht, «is mijn vaste wil; en niet eerst vandaag is dat besluit bij mij tot rijpheid gekomen. Als gij geld verdiend hebt, was uw onveranderlijke gedachte, dat ik u zou overleven en na uw dood uw erfgenaam zou zijn. Was het zoo niet?» Ehrenthal knikte van ja. «Als gij nu in mij uw erfgenaam ziet,» vervolgde Bernhard, «let dan op mijn woorden. Als ge mij liefhebt, handel dan naar 't geen ik u zeg. Ik sta mijn erfdeel af, terwijl wij beiden nog leven. Wat ge voor mij bijeenvergaderd hebt, hebt ge om niet vergaard. Ik verlang niets voor mijn toekomst. Als het voor mij is weggelegd weer gezond te worden, zal ik mij door mijn eigen werk voorthelpen; ik wil leeren op mijzel-ven te vertrouwen; behalve uw liefde en uw zegen verlang ik niets voor mij. Bedenk dit wel.»

Ehrenthal stak de handen ten hemel en riep: «Wat is dat voor een taal, mijn Bernhard, mijn arme zoon? «Je bent ziek, je bent hard ziek.»

«Iloor verder,» smeekte Bernhard, «welk recht gij op het landgoed van den baron hier tegenwoordig moogt hebben, zullen we niet onderzoeken. üij hebt sints lange jaren in betrekking tot hem gestaan, gij moogt de oorzaak niet zijn dat zijn familie ongelukkig wordt. Ik verlang niet dat gij hefn de groote som kwijt zult schelden ; dat zou u te veel pijn doen en den baron vernederen ; maar ik verlang van u dat gij de zekerheid aanneemt, die hij u aanbiedt. Heeft hij u vroeger iets anders beloofd, vergeet het; hebt gij papieren onder u, die hem beangst maken, geef ze hem terug.»

«llij is ziek,» kermde de vader, «hij is zeer ziek.»

«Ik weet dat het u verdriet zal doen, vader. Sints gij het huis van grootvader verliet, als een arme jodenjongen, barrevoets, met een daalder in den zak, sints dien tijd hebt gij aan niets anders gedacht dan aan geld verdienen. Niemand heeft u iets anders geleerd, uw geloof heeft ii uitgesloten van den omgang met de zoodanigen, die beter weten wat aan het leven waarde bijzet. Ik weet dat het u aan het hart gaat een groote som in gevaar te brengen. Maar gij zult het toch doen, gij zult het doen, omdat ge mij liefhebt.»

Ehrenthal wrong de handen en zei onder een stroom van tranen: «Je

ocr page 313

• 307

weet niet wat je verlangt, mijn zoon! Wat je begeert, is een diefstal aan je vader!»

De zoon vatte de hand zijns vaders. «Gij hebt mij altijd lief gehad. Gij hebt gewild dat ik anders zou worden dan gij zijt. Gij hebt altijd naur mijn woorden geluisterd, en eer ik een wensch had geuit, hadt gij hem reeds vervuld ! Wat ik nu van u verlang, zie, is het eerste groote verzoek, dat ik u doe. En dit verzoek zal ik u in 't ooi' fluisteren, zoo lang ik leef; het is het eerste verzoek, vader, het zal ook mijn laatste zijn.»

«Je bent een onverstandig kind,» riep de vader, «je verlangt mijn loven, je verlangt mijn gansche zaak.»

«Haai de papieren,» hervatte Bernhard. «Ik wil met eigen oogen zien hoe gij aan den baron terug geeft al wat hij geteekend heeft, en hoe ge uit zijn hand ontvangt wat hij u nog kan geven.

Ehrenthal trok zijn zakdoek en weende luid : «Hij is erg ziek. Ik zal hem verliezen, en ik zal bovendien nog verliezen mijn geld.» De baron zat intusschen zwijgend op zijn stoel en zag voor zich uit. Aan het venster daarentegen balde Itzig krampachtig zijn hand, en zonder het te merken trok hij het gordijn van de roede.

Do zoon zag met onafgewende blikken naar zijn vader en riep eindelijk met groote inspanning: «ik wil het vader haal de papieren!» Daarop viel hij achterover op het kussen. De oude wou op hem toesnellen, maar met een teeken van afkeer wees Bernhard hem van zich af, en met moeite ademhalende, stamelde hij: «liet is genoeg, gij doet mij pijn.»

Ehrenthal vloog op, nam haastig zijn kantoorblaker, en waggelde de kamer uit. Doodsche stilte heerschte in het vertrek, alleen de benauwde ademhalingen van de achtergeblevenen werden gehoord. Steeds nog zat de baron gebogen, maar te midden van zijn spanning gevoelde hij toch iets door zijn hart gaan, dat naar vreugde geleek. Hij zag een plek'aan den hemel, waar de zon door de donkere wolken heenbrak. Hij was gered. Zijn woord van eer was hem terug gegeven, en achtduizend daalders had hij van den man aan het venster in 't vooruitzicht. Thans kon hij weer opzien, thans weer zijn hoofd rechtop dragen. Hij vatte de hand van den zieke, drukte ze, en fluisterde hem toe : «Ik dank u, mijnheer, o ik dank u uit den grond mijns harten ; gij zijt mijn red-dei', gij behoedt mijn familie voor wanhoop en mij voor schande.»

Bernhard hield de hand des barons vast en oen zalig lachje zweefde op zijn lippen. Inmiddels stond er aan het raam iemand in vreeselijken angst te klappertanden, en drukte zijn rug met kracht tegen den muur, om de koorts te bedwingen die hem heen en weer schudde. Lang bleef de stilte voortduren, Niemand sprak. Ehrenthal keerde niet terug. Eensklaps werd de deur opengerukt; in volle woede stormde een man de kamer in, het gezicht vertrokken, de haren verwilderd. Het was Ehrenthal. Hij hield de flikkerende kaars in de hand, maar niets anders.

«Verdwenen !» gilde hij en sloeg de handen ineen, zoodat het licht op den grond viel: «Alles is weg, gestolen, gestolen !» Hij wierp zich op het bed van zijn zoon en stak de armen naar hem uit, alsof hij van hem hulp wilde afsmeeken. De baron sprong op, niet minder ontsteld dan Ehrenthal. «Wat is er gestolen?» vroeg hij hem.

«Weg is alles,» kermde Ehrenthal, alleen naar zijn zoon ziende, «de schuldbekentenissen zijn weg. de hypotheken zijn weg. Ik ben bestolen,»

ocr page 314

308

schreeuwde hij opspringende, «diefstal, inbraak! Gauw naar de politie!» en wederom stormde hij naar buiten, en de baron hem achterna.

Bedwelmd, half bewusteloos, zag Uernhard hem na. Daar stapte van het venster naar het bed hij die achter was gebleven. De zieke keerde zijn hoofd naar hem en staarde op den man, evenals de betooverde vogel op de slang, liet was het gezicht van een duivel, waarop hij keek. tiet roode haar stond borstelig in de hoogte, helsche angst en helsche boosheid stonden te lezen in de afzichtelijke trekken. Bernhard sloot de oogen en bedekte ze nog met zijn hand. Maar het gelaat kwam nader tot hem en een heesche stem (luisterde hem iets in 't oor. Inmiddels stonden beneden in het kantoor twee mannen tegenover elkander en zagen elkaar met versufte oogen aan. Het kistje met zijn inhoud was verdwenen; verdwenen wat de baron op den lessenaar had geleid. Ehrenthal had als altijd met zijn sleutels het kantoor geopend, niets was aan de sloten beschadigd, alles lag op zijn plaats. Als er in de open kist geld ontbrak, kon het niet veel zijn. Aan de goed verzekerde blinden was geen spoor van geweld te bespeuren, het bleef een raadsel hoe de stukken waren weggenomen.

De beide mannen liepen den gang door, en lichtten daar overal bij ; achter den trap, achter een oude kist, bij den ingang van den kelder, op een donkere plaats. Nergens was iets te zien. Zelfs de huisdeur was gesloten. Dit herinnerden zij zich dat de voorzichtige boekhouder, voor zij naar boven gingen, had gedaan. En weder keerden zij naar het knntoor terug en doorzochten, telkens angstiger, telkens gejaagder, alle mogelijke hoeken. Dan zaten zij met bleeke wangen tegenover elkander, in een angst die iedere seconde aangroeide, de een den ander wantrouwend, de een met vijandige blikken op den ander loerend of niet een teeken het slecht geweten zou verraden. En weer spiongen beiden op, en overlaadden elkaar met bittere verwijten zooals de wanhoop ze ingeeft, en terwijl zij als dollemannen tegen elkander do handen ophieven, begrepen zij beiden dat de een evenveel verloor als de ander, en dat zij reden hadden hun stem wat te onderdrukken, opdat geen vreemde getuige mocht worden van het tooneel.

Uit Ehrenthals kantoor waren de papieren verdwenen op het oogen-blik dat hij tegen zijn zin aan het verlangen van zijn zoon toegaf, om zich met den baron te verzoenen. Hij had nog nauwelijks zijn toestemming gegeven, en was alleen gegaan, geheel alleen, om de papieren te halen. Zou men gelooven dat zij werkelijk waren gestolen ? Zou zijn eigen zoon het wel gelooven?

Van den anderen kant hing voor den baron alles aan de papieren. O zijn verlies was verreweg het grootst! Juist had hij zich met de hoop op redding gevleid, en nu zonk hij in een afgrond, welks diepte zijn oog nog geenszins peilen kon. De schuldbekentenissen waren in vreemde handen. Als de dief er partij van wist te trekken, ja zoo de dief slechts voor de rechtbank werd gebracht, was hij verloren. Ook als zij niet weder werden gevonden, was hij reddeloos weg. Jaren kon het duren voor dat de verduisterde hypotheken door de rechtbank nieuw opgemaakt zouden worden, en zijn lot moest binnen eenige weken beslist zijn. Hij was niet bij machte zich met den vijandig gezinden Ehrenthal te verstaan, hij was niet bij machte de andere schuld-eischers zekerheid te geven. Thans was hij onherroepelijk verloren. Vóór hem lagen armoede, verval, schande. Weer dacht hij aan die

ocr page 315

309

eererechtbank, aan zijn kameraads, en aan den ongelukkigen jongen man, die zichzelf gevonnisd had. Hij had toentertijd den doode moeten zien; iiij wist hoe iemand er uitzag, die zoo was gestorven, llij wist nu ook hoe men er toe kwam zulk een dood te sterven. Vroeger had hij voor de gedachte aan den dood gehuiverd, nu voelde hij geen afgrijzen meer. Zijn lippen bewogen zich, en als in een droom zei hij tot zich zei ven de vertroostende woorden: «Dat is de laatste uitkomst.»

Zoo zaten de mannen in stil gepeins verzonken en de minuten, die over hun hoofden heenvlogen, misvormden hun trekken, verwarden hun gedachten.

Onrustig flikkerde het licht, de deur werd opengerukt, langzaam wendden beiden hun blikken naar den binnenkomende. Een afzichtelijk hoofd stak door de geopende deur en een wilde kreet werd gehoord: «Naar boven, Hirsch Ehrenthal, je zoon sterft!» De verschijning verdween: met een luiden gil vloog Ehrenthal naar boven, de baron waggelde als een afgeleefd grijsaard de deur uit.

Toen de vader voor het bed van zijn zoon neerviel, verhief nog eenmaal de witte hand zich dreigend opwaarts; toen viel een lijk achterover. Bernhard reed uit naar de liefelijke zon.

Daar buiten was hot een warme avond. Een lichte wolkensluier verborg de sterren, maar een aangenaam schemerlicht bescheen de aarde. Van de bloeiende heestergewassen der stadswandelingen dreef ile windkoelte liefelijke geuren in de straten d';r stad. Langzaam, gingen de wandelaars, die van him uitstapje terugkwamen, de huizen voorbij. Het kostte hun moeite de weldadige buitenlucht te verlaten en zich binnen hun muren op te sluiter.. Met genot strekte de bedelaar zich uit op den stoep vati het marmeren paleis; ieder jong gezel, die een meisje had, haastte zich om van avond bij haar te komen en met haar te gaan wandelen; wie vermoeid was vergat het werk van den dag; wie verdriet had, voelde het heden minder; wie anders alleen stond, zocht van avond zijn buurman op. Voor de deur stonden de menschen te praten en te lachen; de kinderen speelden op straat; zij verstopten zich in de halve duisternis of dansten op de vlakke steenen. Heden kweelde de nachtegaal in de kooi haar schoonste lied; zij zong dat de lieve zomer terug was, de gelukkige tijd, dat het leven licht wordt en de verwachtingen beginnen te ontluiken.

Loom stapte door de dichte drommen der wandelaars de gestalte van een man, met het hoofd op de borst gebogen. Zijn paarden stampten ongeduldig en verwachtten de terugkomst van hun meester, om hem uit het gewoel der handwerkslui naar het aanzienlijk gedeelte der stad te brengen. Zij wachtten te vei'geefs tot laat in den nacht: hij, dien zij dienden, had hen vergelen. Hij hoorde niets vau het gezang des nachtegaals, en ging door den kring van de dansende meisjes zonder een enkelen toon van de vroolijke stemmen te onderscheiden. Zijn hwofd was zwaar en traag de gang zijner gedachten. Zoo kwam hij uit do stad op de wandeling, langzaam beklom hij een rijk met bloemen versierden heuvel en ging zeer vermoeid op een bank zitten rusten. Beneden, aan zijn voeten, liep de donkere stroom naar zee; tegenover hem verhieven zich de reus-

ocr page 316

310

nclitige steenklompen van den ouden dom in de wolken. De rivier, vóór hem, was bedekt met houtvlotten, die van boven afkwamen om stroomaf te zakken tot diclit bij zee. Op de vlotten stonden de huisjes der roei-gnsten; daarnaast vlamden kleine vuren, waarop de menschen hun avondeten klaar maakten. Door de stille lucht klonk nu en dan het hartelijk lachen of' het ruwe geschreeuw der schipper?. Het stroomende water, de stoute omtrekken der kerktorens, den doorschijnenden wolkensluier, hoog in de lucht zag hij als in een nevel. Slechts één gedachte flikkerde op in zijn hart, evenals die vurige stip beneden hem op de rivier. Ook hij had met zulk een houtvlot zaken gemaakt, en het geld dat hij er mee verdiend had, werd door anderen bloedgeld genoemd, liet was een andermans goed, evenals de som, die zijn kameraad in het leger had genomen. Hij stond haastig op en ijlde den heuvel af. In een laan van liooge plataanboomen liep hij heen en weer en wederom bleef hij vermoeid staan en leunde tegen een stam. Voor hem verrezen de schoorsteenen van de wijk, waar do fabrieknijverheid haar zetel had opgeslagen ; een rij van reusachtige naalden stak uit boven de daken der mensclienwoningen. Hij wist wat dat inhad zulk een zuil de wolken in te bouwen. Ook hij had in zijti goeden bouwgrond alles gestoken, wat tot dien tijd zijn steun, zijn geluk was geweest, zijn kracht, zijn geld, zijn eer. Met slapelooze nachten, met grijze haren had zijn onverstand voor dat oogenblik geboet; het was de grafzuil van zijn geslacht, die hij op zijn voorvaderlijk landgoed had opgericht. En wat hij hier voor zich in het nevelachtige licht van den nacht aanschouwde, was een onmetelijk kerkhof, waren vele spookachtige grafteekenen, waaronder de zielerust van gelukkige menschen begraven lag. En hij knikte met het hoofd en zei, zoodat hij zelf de woorden verstond : «Dat was het laatst.» Hij vermande zich en richtte zijn schreden huiswaarts.»

Op weg ondervond hij hoe aangenaam het hem was aan alles te denken, wat hem van die akelige beelden los kon maken. Zoo trad hij zijn woning binnen. Hij zette een tevreden gezicht, toen de ganglamp hem in de oogen scheen. Toen hij in het voorhuis stond, hoorde hij in de kamer der barones spreken. Leonore las voor. Hij luisterde een oogenblik en bemerkte dat het uit een roman was. Hij wou de dames niet verschrikken. Maar er was een achterkamer in het huis, geheel afgezonderd ; het vertrek daarnaast was onbewoond, daarheen wou hij gaan. Terwijl hij nog daar stond, ging de deur open en de barones keek naar buiten. Onwillekeurig deinsde zij terug, toen zij hem zag. Hij lachte en ging met een opgeruimd gelaat naai' binnen. Zijn vrouw gaf hij een hand. Leonore streek hij over het hoofd, en boog zich om te zien wat zij las. De barones betreurde het dat zij zonder hem had theegedronken, en hij plaagde haar met haar ongeduld, dat zij niet een oogenblik had kunnen wachten. Daarbij bedacht hij dat het bij hem volstrekt niet op een uur aankwam. Hij ging naar de kooi, waar twee vogeltjes uit verre landen op hun stokje zaten te slapen, dicht bij elkaar; het eene kopje tegen het andere geleund ; hij stak de vingers dooi' de ijzeren traliën of hij ze wilde streelen en zei om iets te zeggen : «Zij zijn al gaan slapen.» Daarop nam hij de kaars uit de hand van den knecht aan en begaf zich naar zijn kamer. Toen hij den knop van de deur aanvatte, bemerkte hij dat het oog zijner vrouw hem angstig volgde. Hij keerde zich nog eens om, en knikte haar vriendelijk toe en sloot de deur. Op zijn kamer gekomen,

ocr page 317

:)i 1

haalde hij uit zijn schrijftafel een fraai gepolijst kistje, en droeg het, met het licht, naar de afgelegen kamer van het huis. Hier was hij zeker niemand te ziillen storen.

Langzaam laadde hij het pistool. Onder het laden bekeek hij het in-legsel van den kolf. liet was een kunstig werk van een armen drommel van een geweermaker: zijn kennissen hadden het dikwijls bewonderd. De pistolen zelve waren een geschenk van den generaal, die bij de bruiloft als vader zijner ouderlooze bruid was opgetreden. Haastig drukte hij den laadstok in den loop, daarop zag hij om: als hij viel wou hij niet op den grond ligger., Hij wou hen die binnen zouden komen niet door het akelig gezicht verschrikken, waardoor zijn kameraad, die op den vloer lag, zoo'n onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt.

11 ij zette de tromp aan zijn slapen. Daar werd hel gillend geschreeuw eener vrouw gehoord; zijn echtgvnoot vloog de kamer in, zijn arm werd met de kracht der wanhoop gegrepen, hij rilde, de vinger bewoog den trekker. Een vuurstraal, een knal; en hij viel achterover op de canapee, en greep kermende met beide handen naar zijn oogen.

In het huis van den handelaar steeg uit de sterfkamer een vader met een kaars in de hand de trappen af naar het kantoor. Angstig keek hij rond op den lessenaar, in de kast, in alle hoeken van het vertrek, hij ging zitten, schudde het hoofd en zag verwonderd rond. Dan sloot hij zijn kantoor, klom weer naar boven en viel onder hevig zuchten en kermen voor het bed neder. Zoo deed hij den ganschen nacht door: een ellendig, afgeleefd, rampzalig man.

VIII.

Bij den koopman verliep hot leven weer als van ouds met ellen stroom. De kleine bewegingen, die Antons terugkomst in (Ilmi gladden spii'gel had gebracht, waren allengs tot rust gekomen. De ongehoorde prachtstukken uit de notenboomhouten kast hadden voor andere nom-mers plaats gemaakt, die ook wel uitmuntend, maar voor de tante toch begrijpelijk waren. Ook daarin had de tante een waar woord gesproken, dat Anton van deze stille zegepraal van het kalme verstand op de hartstochtelijke dankbaarheid niet het minst bemerkte. Een enkele verandering bleef bestaan, de grootste, de roemrijkste ; de bewoner van het achterhuis behield een bevoorrechte plaats in het hart zijner jonge meesteres, en zijn rijzige gestalte vertoonde zich thans meermalen onder de beelden, die Sabine bij het werkmandje en in de schatkamer met zich ronddroeg. Heden liep Sabine voor den eten onrustig in haar kamer op en neer. De tante, die alles wist, had haar zoo even verteld dat een meisje uit Ehrenthals huis op het kantoor was gekomen, om Dernhards dood aan den vriend bekend te maken. «Hoe zal hij die tijding verdragen?» dacht Sabine. En bij den naam van Ehren-thal moest zij aan het verledene denken, en aan een ander, die thans zeer ver van haar af leefde, en aan het uur, waarin aan het weifelen van haar hart door een brief uit het sterfhuis eensklaps een einde was gemaakt. En Anton wist van dien strijd af. O, hoe dikwijls had zij dat uit

ocr page 318

312

zijn bezorgd oog, uit zijn omzichtige woorden kunnen merken! Hoe kieseli vvus zijn houding tegenover haar gewet st, hoe ridderlijk de stille hulp, die hij haar bij de gesprekken had verleend! Of hij ook wel eenige kennis droeg van de schitterende overwinning, die zij na lang hardnekkig kampen op haar jeugdige dwaasheid had behaald ? Zij schudde met het hoofd. «Neen, daar weet hij niets van, nog altijd ziet hij in mij het meisje, dat voor tie zwakte harer kinderachtige neiging bezweek.» Zij bleef voor haar bloementafel staan. «Hier,» sprak zij, «verried het toeval hem, hoe het toentertijd in mijn hart gesteld was. Heden nog staat het verledene als een donkere wolk tusschen hem en mij. Overal gevoel ik de schaduw van den reiziger om mij heen: als ik 's avonds naast Wohlfart zit, als hij mij groet, als hij mij aanspreekt. Altijd zegt zijn toon, zijn gansche houding: «Zij is niet alleen, hij is bij haar.» Zij trilde en streek met de hand licht over het vroolijke groen, als om de gedachte weg te vegen die haar kwelde. Zij kon hem niet zeggen, dat zij thans geheel vrij was van de lang verborgen smart. Maar van daag, nu hij een vriend had verloren, die hem zoo dierbaar was, moest zij hem toch toonen, dat hij nog andere harten bezat, die hem hartelijk genegen waren. En wederom liep zij in gedachten heen en weer, en zocht een middel hem alleen te spreken.

De knecht luidde voor het eten. Anton kwam met do andere heeren en ging terstond op zijn plaats zitten. Er was geen gelegenheid om vóór tafel met hem te spreken. Maar hij zag haar met een diep wee-moedigen blik aan, zoodat zij niet kon nalaten hem vriendelijk toe te knikken. «Hij eet van daag niets,» fluisterde de tante haar toe; niet eens gebraden vleesch,» voegde zij er verwijtend bij, Sabine werd zeer ongerust en bezorgd. Nu moesten de heeren oprijzen, dan verliet hij met hen de kamer, en zij zag hem den geheelen dag niet meer. Reeds stond mijnheer Jordan van zijn stoel op; ijlings koos zij haar partijen riep tot Anton: «De groote camelia is open; gij hadt laatst zoo'n plei-zier in den knop, blijf nog een oogenblik, ik wou zo u gaarne laten zien.» Anton maakte eene buiging en bleef. Nog eenige pijnlijke minuten, toen stond ook de broeder op; zij ging naar Anton en geleidde hem in haar kamer naar de bloementafel.

«Gij hebt van daag een treurige tijding ontvangen,» begon zij zachtjes.

«De boodschap zelve heeft mij niet verrast,» antwoordde Anton geroerd ; «de dokter gaf geen hoop. Maar ik verlies veel aan hem.»

«Ik heb hem nooit gezien,» zei Sabine, «alleen door u weet ik, dat zijn leven eenzaam was, arm aan vreugde en genot.»

Zij schoof een stoel voor Anton naderbij en liet hem van zijn vriend vertellen. Met warme belangstelling luisterde zij naar zijn woorden, met hartelijkheid wist zij te vragen en te antwoorden. Voor Anton was liet een behoefte over den vriend te spreken, en met gloed schilderde hij diens afgezonderd leven, geleerdheid, en opgewonden dichterlijk gevoel. Na een korte pauze zag Sabine hem vriendelijk aan en vroeg: «Hebt gij ook tijding van mijnheer Von Fink?

Hij was de eerste maal dat zij tegen Anton den naam uitsprak. Hij gevoelde hoe roerend het vertrouwen was, dat zij juist op dit oogenblik naar den geliefde van haar hart vroeg. In zijn aandoening vatte hij haar hand, die voor hem op de tafel rustte. Langzaam trok zij ze terug en sloeg de oogen neer. Doch slechts een oogenblik. Toen zag ze hem weer vertrouwelijk aan.

ocr page 319

313

«Hij gevoelt zicli in zijn nieuw leven niet gelukkig,» antwoordde Anton ernstig. «In zijn laatsten brief heerschte een nijdige stemming, en daaruit, nog meer dan uit do woorden zelve, maak ik op dat ginds veel niet zoo is als liij het verwachtte. De zaken, waarin hij door den dood zijns ooms gewikkeld Is, bevallen hem niet.»

«'t Zijn geen beste zaken,» riep Sabine snel.

«Althans niet wat hier in huis eerlijk zou heeten,» antwoordde Anton, «Von l'ink denkt te edel en heeft te lang in de nabijheid uws broeders geleefd om genoegen te kunnen vinden in die wilde speculaties, die daar ginds maar al te gewoon zijn. Zijn handelsvrienden zijn grootendeels gewetenlooze menscheu en zijn nobel hart kan het met hen niet vinden.»

«Eu kan mijnheer Von Fink het in zulk een toestand een enkelen dag uithouden?» vroeg Sabine.

«'t Is een opmerkelijke bestiering,» antwoordde Anton, «dat hem, die zijn eigen wil tegenover anderen zoo onverzettelijk wist door te drijven, juist hem, die zoo weinig gezind was naar uitwendigen drang zich te schikken, toch in zijn tegenwoordige bedrijvigheid overal de handen gebonden zijn. De geheele inrichting van die speculatie in Amerika is zoo'n gesloten geheel, dat een enkel aandeelhouder daar weinig aan veranderen kan. En zoo is Von Finks toestand, nu dat hij zijn wenscheu heeft bereikt, groote kapitalen, beschikking over vele vierkante mijlen land, inoeielijker dan ooit te voren. Hij verkeerde altijd min of meer in gevaar om laag op de menschen neer te zien ; nu hindert mij de diepe verachting, waarmee hij over zijne eigen leven spreekt. Zijn laatste brief schilderde een onhoudbaren toestand en liet het een of ander overijld besluit vermoeden.»

«Er is voor hem maar één keus,» riep Sabine. «Mag ik vragen wat gij hem geantwoord hebt?»

«Ik heb van hem verlangd dat hij terstond, op welke voorwaarden ook, zich van die zaken zal losscheuren. Als hij waarlijk wil zal er wel een middel te vinden zijn, ook zoo de uitweg, dien ik hem voorsloeg, onmogelijk mocht zijn. En ik heb hem verzocht óf zijn plan te volvoeren en inderdaad grondbezitter in Amerika te worden, óf naar ons terug te keeren.»

«Ik wist dat gij zoo zoudt schrijven,» zei Sabine, vrij ademende. «Ja, hij moet terug komen, Wohlfart,» vervolgde zij nog zachter, «maar niet meer bij ons.» — Anton zweeg.

«Eu gelooft gij dat mijnheer Von Fink uw raad zal volgen?»

«Ik weet het niet,» hernam Anton langzaam, «mijn raad was niet erg amerikaansch.»

«Maar hij was zooals gij hem geven moest,» zei Sabine met blijden trots.

«Daar is een officier, die mijnheer Wohlfart wenscht te spreken,» kwam een knecht zeggen. -— Anton sprong op. Sabine ging naar haar bloemen, en boog zich treurig over de groene bladeren. Nog zweefde de schaduw van den ander tusschen haar en hem.

De haastige woorden van den knecht vervulden Anton met een onrust, waarvan hij zich zeiven geen rekenschap kon geven ; hij haastte zich naar de voorkamer en vond daar Eugène Von Rothsattel. Anton wilde hem met een hartelijken groet welkom heeten ; daar zag hij het hevig ontstelde gezicht en verschrikt trad hij tei ug. Eugène echter lluistei'de gejaagd als

ocr page 320

314

met een kwaad geweten: «Mijn moeder wenscht zeor u te spreken, er i.s iets verschrikkelijks Lij ons aim luiis gebeurd. Anton haalde terstond zijn hoed, vloog naar het kantoor, waar hij Baumann verzocht hem bij den patroon te verontschuldigen, en begeleide toen den luitenant naar den woning van den baron. Als verplet liep Eugène naast Anton over straat, hij had zijn bezinning geheel en al verloren. On-zamenhangend en voor Anton niet zeer duidelijk was hetgeen hij vertelde : «Mijn vader heeft zich gisterenavond bij ongeluk met een pistool gewond, — een expresse heeft mij uit mijn garnizoen naar de hoofdstad ontboden, — toen ik aankwam vond ik mijn moeder in een llauwte. Wel een uur lang is zij er In gebleven. Ik en mijn zuster weten geen raad. Leonore heeft mijn moeder op haar kieën gesmeekt iemand naar u te zenden. Uij zijt de eenige mensch die wij in onze omstandigheden kunnen vertrouwen. Ik heb volstrekt geen verstand van zaken, maar het moet er met mijn vader al zeer slecht uitzien. Moeder is geheel buiten zichzelve. Alles In huis is in de grootste verwarring.»

Uit hetgeen hij zei en hetgeen hij zocht te vei zwijgen, uit zijn afgebroken woorden en zijn angstige blikken, kreeg Anton eénig vej moeden van het schrikkelijke voorval, dat den vorigen avond had plaatsgehad. In de kamer der barones vond hij Leonore; met beweende oogen en uitgeput waggelde zij hem tegemoed. «Beste Wohltart,» riep zij, zijn hand vattende, en op nieuw begon zij te snikken, en onmachtig zonk haar hoofd op zijn schouder. Inmiddels liep Eugène de handen wringende ke kamer rond, ging eindelijk In een hoek van de canapee zitten en weende stil.

«I let is verschrikkelijk, mijnheer Wohlfart,» kermde Leonore, het hoofd oprichtende; «niemand mag bij vader komen, Eugène niet, ik niet; moeder alleen en de oude Johan zijn bij hem. Ln vat; morgen vroeg kwam Khrenthal hier, hij voer uit tegen mama, noemde papa een bedrieger, zoodat mama flauw op den grond viel. Toen ik de kamer binnen kwam, ging de ijselijke man weg en dreigde nog met zijn vuist.»

Anton geleidde Leonore naar een stoel en wachtte tot zij wat tol bedaren was gekomen. Aan troosten viel hier niet te denken; hem zelve schokte het ongeluk tot in het binnenste van zijn hart. «Ga mama roepen, Eugène,» zei Leonora eindelijk. Do broeder verliet de kamer. «Verlaat ons toch niet,» bad Leonore met smeekende tranen. »De nood is bij ons op zijn hoogst geklommen, zelfs uw hulp is niet bij machte het ongeluk af te wenden.»

«Hij die het wellicht alleen had kunnen doen, is dood,» antwoordde Anton treurig. «Of ik u van nut kan zijn, weet ik niet; dat ik het van ganscher harte wensch, daaraan zult ge wel niet twijfelen.»

«Neen,» riep Leonore, «ook Eugène dacht terstond aan u »

De barones trad binnen. Met moeite naderde zij Anton en hield zich met de hand aan den stoel vast, doch zij groette hem met waardigheid. «Wij zijn in een toestand geraakt, waarin wij een vriend noodig hebben, die van zaken moer verstand heeft dan wij. Ken ongelukkig toeval verhindert den baron, waarschijnlijk voor vrij langen tijd, zelf met zijn aangelegenheden zich bezig te houden, en hoe weinig ik ook op de hoogte der omstandigheden ben begrijp ik toch dat de grootste spoed in ons belang vereischt wordt. Mijn kinderen hebben mij uw naam genoemd; ik verg veel van u, als ik u verzoek uw tijd voor ons op te offeren.» Zij

ocr page 321

rt 15

ginp; zitten, g;if Anton een wenk plaats te nemen en zei tot de kinderen ; «üant gij heen, ik zul het weinige dat ik weet gemakkelijker aan mijnheer Wohlf'art kunnen zeggen, als ik uw droefheid niet zie.»

Toen zij alleen waren wenkte zij Anton dat hij dichterbij zou komen, en beproefde te spreken; maar haar lippen beefden en zij verborg haar gezicht achter haar zakdoek.

Met medelijden vervuld merkte Anton den strijd op dien het haar kostte hem de zaak te vertellen.

«Voor ik kan toegeven, mevrouw de barones, dat gij mij een zoo vereerend vertrouwen schenkt, moet ik u in uw belang vragen ; heeft mijnheer uw echtgenoot geen bloedverwant of goeden vriend, dien gij met minder moeite een geheim van zoo kieschen aard kunt mede-deelen ? Ik verzoek u dringend wel te bedenken, dat mijn eigen ondervinding in zaken niet groot is, en mijn stand niet van zulk aanzien, dat ik voor een geschikt raadgever van mijnheer den baron kan doorgaan.»

«Ik weet niemand,» zei de barones troosteloos en keek voor zich uit. «Het is mij gemakkelijker aan u dan aan een onzer kennissen te zeggen wat ik niet mag verzwijgen. Beschouw u zeiven als een dokter die bij een zieke is geroepen. — De baron heeft mij van morgen eenige inlichtingen omtrent den staat van zijn vermogen gegeven.»

En nu vertelde zij hem wat zij van de moeielijkheden van haar echtgenoot had begrepen, van het gevaar waarin het landgoed verkeerde, van het kapitaal dat hij noodig had om de poolsche bezitting te kunnen aanvaarden. Het was onvolledig, wat zij hem zeggen kon, maar toch voldoende om Anton met angst en zorg voor de toekomst der familie te vervullen.

«Mijn man heeft mij de sleutels van de secretaire gegeven; I-ij verlangt dat Kugène, bedaarder dan de baron zelf kan, met een deskundige over onze zaken zal spreken. Tot u richt ik het verzoek, of gij met mijn zoon dit onderzoek op u wilt nemen. Waar gij nadere inlichtingen noodig acht, zal ik mijn best doen u die door mijn echtgenoot te laten geven. Het is alleen de vraag of gij voor ons, die u toch vreemd zijn, gezind zijt u die moeite te getroosten.»

«Gaarne ben ik daartoe bereid,» hernam Anton ernstig, «en ik hoop door de inschikkelijkheid van mijn patroon daartoe den noodigen tijd te krijgen, tenzij gij het doelmatiger acht aan den bekwamen advocaat van uw man die zaak op te dragen.»

«Later zal de gelegenheid zich wel opdoen dezen heer om raad te vragen,» zei de barones.

Anton stond op. «Wanneer verlangt gij dat we beginnen.»

«Terstond,» antwoordde zij ; «ik vermoed dat er geen dag verloren moet worden. Ik zal mijn best doen u bij het nazien der papieren behulpzaam te zijn.» Zij bracht Anton naar do aangrenzende kamer, liet Eugène roepen, en stak den sleutel in de secretaire van den baron. Toen het blad open ging, verloor ook zij voor een oogenblik haar zelfbeheersching en aan haar mond ontvielen de woorden : «De nalatenschap eens afgestorvenen.» Ze waggelde naar het venster, en de trillende beweging der gordijnen verried den strijd waardoor haar lichaam geschokt werd.

Het droevig werk begon; uur op uur verliep; Eugène kon het onder zoek niet uithouden; maar zijn moeder reikte Anton de brieven en stuk-

ocr page 322

310

ken too, die zij belangrijk oordeelde, en hoe dikwijls zij ook haar arbeid staken moest, zij hield vul. Anton schikte wat voorhanden was en zocht, door een vluchtig lezen van enkele stukken, althans een oppervlakkige kennis van den toestand te krijgen.

Intusschen was het avond geworden, üe oude knecht opende ontsteld de deur en zei: «Daar is hij weer.» De barones gaf een gesmoorden gil en maakte met de hand een beweging, alsof zij iemand van zich wilde weren.

«Ik heb hem gezegd dat niemand thuis is, maar hij laat zich niet wegzenden; hij maakt een leven op den trap nog zoo, ik kan niet van hem afkomen.»

«Het is mijn dood, als ik hem weer hoor,» lluisterde de barones.

«Als het Ehrenthal is,» zei Anion opstaande, «wil ik beproeven hem weg te zenden. Het noodzakelijkste is hier gedaan; wees zoo goed mevrouw, ile papieren te bewaren en mij toe te staan morgen terug te komen.» Do barones gaf door een teeken haar toestemming te kennen en viel achterover in haar stoel. Anton nam zijn hoed en spoedde zich naar de voorkamer, waar hij reeds van verre de schreeuwende stem van Khrentlial hoorde.

Hij schrikte van het uiterlijk van den handelaar. Den hoed achter in den nek, het bleek gezicht als door den drank opgezet, de glazige oogen rood van het schreien, zoo stond Ehrenthal voor hem en gilde in afgebroken zinnen om den baron, klaagde en vloekte. «Hij moet komen,» schreeuwde hij, «dadelijk moet hij komen, de schurk. Een edelman wil hij wezen, een schavuit is hij, tegen wien ik de politie hier zal halen. Waar is mijn geld, waar is mijn hypotheek? Ik wil het zekerheidsbewijs terug hebben van dien man, die niet te huis is.»

Anton ging vlak voor hem staan en zei op vasten toon: «Kent ge mij, mijnheer Ehrenthal?»

Erhenthal vestigde zijn verglaasde oogen op hem, langzamerhand herkende hij den vriend van den overleden zoon.

«Hij heeft li lief gehad,» riep hij kermende, «hij heeft met u meer gesproken dan met zijn vader. Gij zijt de eenige vriend geweest, dien hij op aarde heeft gehad. Hebt gij gehoord wat er bij Ehrenthal aan huis is gebeurd?» vervolgde hij lluisterend. — «Toen zij gestolen hadden de papieren, is hij gestorven. Hij is gestorven met zijn hand zoo....! Hij balde de vuist en sloeg zich tegen het voorhoofd. «O mijn zoon, mijn zoon, waarom hebt gij uw vader niet vergeven ?»

«Wij gaan naar uw zoon,» sprak Anton en nam den arm des handelaars. Ehrenthal bood geen weerstand en liet zich door hem de trappen af' naar zijn eigen huis geleiden.

Van daar haastte Anton zich naar den advocaat Von Horn en had met dezen een lang onderhoud.

Hartstochtelijk bewogen kwam hij 's avonds laat te huis. In zijn bezorgdheid om de menschen, wier onwankelbaar geluk sinls jaren zijn verbeelding had bezig gehouden, kromp zijn hart ineen; het vertrouwen, waarmee zij hem in hun ongeluk hadden ingewijd, vervulde hem met trots. Hij brandde van begeerte om hen te helpen; hij hoopte dat het aan zijn ijver zou gelukken middelen tot redding te vinden. Nog zag hij niets. Toen hij in den maneschijn het groote handelshuis voor

ocr page 323

317

zich ontwaarde, de ramen van de onderste verdieping met traliewerk voorzien, kluizen en kelders met ijzeren deuren gesloten, alles zoo stevig, zoo zeker in de duisternis van den nacht, ging eensklaps een licht voor hem op: als iemand helpen kon dan was het zijn patroon. Zijn scherpe blik wist in allo donkere schuilhoeken, waarin de baron het slachtofl'er van list en verraad was geworden, door te dringen; voor zijn ijzeren wil moesten de schurken, die den landbezitter in hun macht hadden, bukken. Ja, en hij had een edel hart; zonder moeite, zonder strijd, vond hij altijd wat goed, wat eerlijk was. Anton zag naar de bovenverdieping, De geheele voorgevel van het huis was donker, alleen in een hoekkamer brandde licht. Dat was de boekenkamer van zijn patroon. Na een kort beraad zocht Anton een knecht op en liet zich bij den heer Schioter aandienen. Verwonderd zag deze op en zei: «Wat nieuws brengt gij, Wohlfart? fs er iets gebeurd?»

«Ik kom u om raad, ik kom n om hulp vragen,» riep Anton.

«Voor u zeiven of' voor anderen?» vroeg de koopman.

«Voor een familie, waarmee ik door toeval in aanraking ben gekomen. Zij gaat verloren, zoo niet een krachtige vriendenhand het onheil afweert.» Daarop verhaalde Anton in groote haast, wat hij dezen namiddag beleefd had, vatte in zijn aandoening do hand des koopmans en riep: «Wat ik gezien heb was verschrikkelijk. Heb medelijden met de ongelukkige vrouwen, en verleen uw hulp.»

«Hulp?» vroeg de koopman ernstig. «Hoe kan ik dat? Hebt gij in last het mij te verzoeken, of is het alleen uw deelnemend hait dat u dien wensch doet uiten?»

«Tk heb geeti last,» zei Anton, «alleen het warme belang, dat ik in het lot des barons stel, drijft mij tot u.»

«En welk recht hebt gij dat geheim aan mij te vertellen, dat u toch zeker alleen in het grootste vertrouwen door de vrouw van den landeigenaar is meegedeeld?» vroeg do koopman gestreng.

«Ik ben niet onbescheiden als ik n zeg wat binnen weinig dagen zelfs voor vreemden geen geheim meer zal wezen.»

«Gij verkeert op het oogenblik in een buitengewonen staat van opgewondenheid, anders zoudt gij niet vergeten, dat onder alle omstandigheden de koopman, de eerste klerk van mijn kantoor, zulke mededeelingen alleen doet met bijzondere vergunning van hen die er in betrokken zijn. Het spreekt van zelf dat ik geen misbruik zal maken van hetgeen gij mij gezegd hebt, maar liet was toch niet in den regel, Wohlfart dat gij zoo openhartig tegen mij waart.»

Anton zweeg getroffen. Hij zag in dat zijn patroon gelijk had, maar hij vond het wreed, dat deze op zulk een oogenblik dat vertrouwen berispte. Ook de koopman zweeg en liep de kamer op en neer; eindelijk bleef hij voor Anton staan. «Ik vraag u thans niet hoe het komt dat gij zulk een levendig belang stelt in deze familie, ik vrees dat het een kennis is die gij aan Von Fink te danken hebt.»

«Gij zult alles weten,» sprak Anton.

«Neen, nu niet,» hernam de patroon, «nu wil ik u alleen herhalen dat het mij onmogelijk is zonder door do belanghebbenden daartoe rechtstreeks aangezocht te zijn, mij in vreemde zaken te mengen. Ik voeg er bij dat ik dat verzoek niet wensch. Ik verberg u niet, dat ik zelfs in dat geval waarschijnlijk zou weigeren iets voor den baron Von Rothsattel te doen.»

ocr page 324

318

«Anions bloed begon te bruisen. «[Jet komt er op aan een eerlijk man, twee beminnelijke vrouwen uit de strikken van schurken te redden, waarmede deze hen omspannen hebben. Dat, dunkt mij, is de zaak van iedereen, en voor mij bepaaldelijk houd ik liet voor een dure verplichting, waaraan ik mij niet mag onttrekken. Zonder uw ondersteuning kan ik echter niets.» -

«Hoe deukt gij dan dat de onder schulden begraven landeigenaar zou kunnen geholpen worden?» vroeg de koopman, terwijl hij weer ging zitten.

Eenigszins bedaarder antwoordde Anton: «In de eerste plaats alleen hierdoor, dat een man van helder inzicht en veel ondervinding, zooals gij, de zaken zoeke te ontwarren. Er moet een punt zijn waarop de schurken gevat kunnen worden. Uw raad, uw oordeel, zouden het vinden.»

«Elk rechtsgeleerde bezit die eigenschappen in hooger mate dan ik,» hernam de koopman ; «zonder eenig bezwaar zal de baron geschikte en eerlijke advocaten kunnen vinden. Als de tegenpartij van den baron aan de wet slechts eenigszins vat geeft, zal het speuroog van een advocaat dat het eeist ontdekken.»

«Maar de advocaat van den baron geeft, helaas, weinig hoop,» zei Anton.

«Dan, beste Anton, zal er ook moeielijk iets voor anderen aan te doen zijn. Toen mij een man, die in verlegenheid is en kracht heeft om zich aan een toegereikte hand op te helpen en zeg mij : Help hem !» dan zal ik, omdat ik uw vriend ben en u veel te danken heb, mijn hand niet weigeren. Ik hoop dat gij daarvan overtuigd zijl.»

«Dat beu ik,» antwoordde Anton half luid.

«Dit is echter naar al wat ik hoor het geval niet met den baron. Voor zoover ik uit uw woorden, en uit hetgeen men in de stad van hem vertelt, zijn zaken begrijp, kan hij alleen daardoor in de handen der woekeraars zijn geraakt, omdat hem ontbrak, wat alleen aan het leven der menschen waarde geeft, een zelfstandig oordeel en een volhardende ijver.»

Anton moest dit met een zucht toegeven.

«Zulk een man te helpen,» vervolgde de koopman onverbiddelijk, «is een ondankbare taak, waartegen het verstand met grond mag opkomen. Men moet wel is waar aan niemands verbetering wanhopen, maar juist het gebrek aan kracht wordt het allermoeielijkst verholpen, ünze macht om voor anderen te werken is beperkt en eer men een zwak mensch de hand reikt, moet men zich wel afvragen of men zich daardoor de mogelijkheid niet beneemt een beter man te helpen.»

Anton riep ongeduldig; «Maai' verdient hij dan niet eenige toegevendheid? liij is opgevoed met bepaalde eischen aan het leven, hij heeft niet als wij geleerd door eigen krachtsinspanning zich zijn weg te banen.»

De koopman lei de hand op de schouders van den jongeling: «Juist daarom. Geloof mij : een groot deel van die l.eeren die aan hun oude familieherinneringen lijden, kunnen niet geholpen worden. Ik ben de laatste om te ontkennen hoe groot het aantal van degelijke menschen is ook in die klasse. En waar een groot talent of een edele persoonlijkheid onder hen zich vertoont, kan zij Juist door haar bevoorrechten stand zich voortrefl'elijk ontwikkelen; maar voor hot groote middelsoort van dio menschen is de toestand niet gunstig. Wie van zijn geboorte af den eisch stelt om van het leven te genieten, en ter wille zijner voor-

ocr page 325

:Mn

ouders een bevoorrechte plaats in te nemen, die zal meestal zijn volle kracht niet behouden om zich zulk een plaats waardig te toonen. Zeer velen van onze oude adellijke familien zijn te gronde gegaan en het zal geen ramp voor den staat zijn als zij allen uitsterven. Hun familie-herinneringen maken hen trotsch zonder eenige aanspraak beperken hun gezichteinder, benevelen hun oordeel.»

«En als dat alles waar is, zei Anton, «mag het ons toch niet beletten den individu als onzen medemensch te helpen, waar ons medelijden bewogen wordt.»

«Neen.» zei de patroon, «als het bewogen wordt. Maar op rijperen leeftijd ontbrandt het niet meer zoo snel als in do jeugd. De baron, hoor ik heeft zijn best gedaan zijn eigendom uit den grooten stroom van kapitalen en menschenarbeid los te maken ten einde het vooralle eeuwen aan zijn geslacht te verzekeren. Voor alle eeuwen! Gij weet al;; koopman wat van zulk een streven te denken is. Waarlijk, wel moet ieder verstandig man wenschen dat het adellijke geknoei met grondbezit in ons land eindelijk eens ophoude. leder zal het als een geluk beschouwen, wanneer de bebouwing van denzelfden grond van vader op zoon overgaat, omdat daardoor de krachten van de akkers het best met liefde en verstand onderhouden worden. Wij hechten waarde aan een meubel, dat onze voorouders hebben gebruikt, en Sabine zal n met trots lederen hoek dezer woning openen, waarvan reeds haar overgrootmoeder de sleutels hetjft gedragen. Zoo is het ook natuurlijk, wanneer in het hart van den landbezitter de wensch opkomt, het gedeelte der natuur, dat hem omringt, de bron van zijn bestaan en welvaart, voor die menschen te behouden, die hem het dierbaarste zijn. Maar daarvoor is slechts één middel, en dat middel heet; zijn leven krachtig te maken om het erfdeel te handhaven en te vermeerdere. Zoodra de kracht in een familie of bij een enkel persoon ophoudt, moet ook het geld ophouden ; het geld moet vrij en onbelemmerd aan andere handen toerollen, en de ploegschaar moet in een andere hand overgaan, die ze beter weet te voeren. En de familie, die door liet voortdurend genot verslapt is, moet weer zinken op den grond van het volksbestaan, om voor frisch opkiernende kracht plaats te maken. Iedereen, die ten koste van de vrije ontwikkeling van anderen voor zich en zijn nakomelingen op voorrechten aanspraak maakt, beschouw ik als een vijand der geregelde ontwikkeling van den staat. En als zulk een man zich door dat streven in den grond werkt, zal ik het ja zonder er vreugde over te gevoelen aanzien, maar ik zal zeggen dat hij loon naar werken heeft, omdat hij tegen den eersten grondslag van onze maatschappij heeft gezondigd. En als een dubbel onrecht zal ik iedere ondersteuning van dien man beschouwen, zoo lang ik vreezen moet dat mijn hulp wordt aangewend om eeu ziekelijke familieberekening te ondersteunen.»

Anton zag treurig voor zich neer; hij had belangstelling, wanne deelneming in zijn wenschen verwacht, en ontmoette bij den man, die zoo hoog bij hem stond aangeschreven een hardvochtigheid, die hij wanhoopte te zullen overwinnen. «Ik kan u niet tegenspreken,» sprak hij eindelijk, «maar in het gegeven geval kan ik niet denken zooals gij. Ik heb de onuitsprekelijke smart in de familie van den baron aanschouwd, en mijn ge-heele ziel is met weemoed en medelijden en met den wensch vervuld om ten minste iets te doen voor menschen, die hun hart voor mij hebben ontsloten. Na hetgeen gij mij nu gezegd hebt, waag ik het niet meer u te

ocr page 326

320

verzoeken lüer van eenige dienst te willen zijn. Maar ik iicb aan de barones beloofd, zooveel mijn zwakke krachten kunnen en voor zoover uw goedheid het mij vergunt, haar bij het regelen harer zaken behulpzaam te wezen. Ik vraag u daartoe de vrijheid. Ik zal mij beijveren mijn kantooruren trouw bij te houden. Zoo ik echter in de eerstvolgende weken nu en dan een uur verzuim, verzoek ik u het door de vingers te zien.»

Wederom liep de koopman de kamer op en neer; eindelijk bleef hij voor Anton staan, zag hem met diepen ernst in het gloeiende gelaat, en er lag iets dat naar droefheid zweemde in zijn trekken, toen hij met zelfbeheersching autwoorde: «Bedenk gij ook, Wohlfart, dat elke werkzaamheid, waarbij het hart wordt bewogen, licht een macht over den mensch verkrijgt, dat zijn levensgeluk zoowel belemmeren als bevorderen kan. Deze overweging is het die mij de vergunning vau uw verzoek moeielijk maakt.»

«Ook ik heb, nu weken geleden, dat als het ware onbewust gevoeld,» zei Anton zacht. «Thans echter kan ik niet anders.»

«Welnu, doe gij dan wat gij doen moet,» eindigde de koopman stroef', «ik zal u niet tegenwerken. En ik hoop dat gij na verloop van eenige weken de geheele zaak verstandiger zult beschouwen.» Anton verliet eenigszins bedaarder de kamer. De koopman tuurde lang met gefronst voorhoofd op de plaats, waar zijn eerste klerk had gestaan.

In zijn binnenste intusschen was Anton niet kalmer geworden. De koele. Ja onvriendelijke wijze waarop zijn verzoek, was aangehoord, krenkte hem diep. «Zoo hard, zoo onverbiddelijk!» riep hij, toen hij vermoeid op zijn kamer zat. In een hoek zijner ziel rees het vermoeden op, dat zijn patroon toch meer zelfzucht en minder gevoel had dan hij van hem had gedacht. Enkele opmerkingen van Von Fink vielen hem weer in; de avond kwam hem voor den geest, waar Eugène Von Rothsattel in jongensachtigen overmoed tegenover den koopman den grooten heer had uitgehangen. «Zou het mogelijk zijn dat hij die onbeleefdheid nog niet heeft vergeten?» vroeg hij zich zei ven af. En achter de heerlijke gedaanten der edele vrouwen verbleekte het diep geplooide gelaat van zijn patroon. «Ik handel niet verkeerd,» sprak hij, «wat hij ook zeggen moge, ik heb gelijk zelfs tegenover hem. En mijn lot zal het wezen om van heden af voor mij zeiven alleen den weg te zoeken, dien ik bewandelen moet.» Zoo zat hij lang in den donker, en somber als de kamer waren zijne gedachten. Hij ging naar het venster en keek op de donkere plaats neer. Daar schemerde in het matte schijnsel, dat uit de wolken in zijn kamer viel, een prachtige witte kelk spookachtig naast hem. Verbaasd greep hij er naar. Hij stak hot licht aan en zag de prachtige bloem van Sabines bloementafel. Sabine had ze stilletjes op zijn kamer laten zetten, nu hing zij geknakt aan don stengel. Als een treurig voorteeken beschouwde hij het kleine ongeluk. Hij plukte de bloem, lei ze voor zich op tafel, en lang zat hij zwijgend en staarde op de ineengerolde bladen.

Sabine kwam met de kaars in de hand haars broeders kamer binnen. «Goeden nacht, Traugott,» knikte zij hem toe. — «Wohlfart was van avond bij je, eerst laat heeft hij je verlaten.»

«Hij zal ons geheel verlaten,» antwoordde de koopman somber. Sabine schrikte, de blaker klapperde op de tafel. «Om Gods wil, wat is er gebeurd? Heeft Wohlfart gezegd dat hij weg wil?»

«Nog niet, maar ik zie het aankomen, pas voor pas. Noch ik, en wat

ocr page 327

van zelf spreekt, ook gij niet, kunnen iets doen om hem tegen te houden. Toen liij hier voor mij stond en met glouiende wangen en bevende stem hulp voor den verloren man vroeg, begreep ik wat hem di ijft.»

«Ik begrijp u niet,» zei Sabine en zag haar broeder verwonderd aan.

cdhj heeft lust de vertrouwde van een verloopen landeigenaar te worden. Een paar meisjesoogen trekken hem van ons af, het schijnt hem een waardig doel van zijn eerzucht i'entmeester vau de Hotlisattels te worden. Hij heet op het kantoor Von l'inks erfgenaam. Deze verbinding met den adellijken grondbezitter is de erfenis die Von Kink bem heeft nagelaten.»

«En gij hebt hem uw hulp geweigerd?» vroeg Sabine zacht.

«De dooden mogen hun eigen dooden begraven,» zeide de koopman en keerde zich om naar de schrijftafel. Zwijgend vertrok Sabine. De blaker trilde in haar hand toen zij door do lange reeks van kamers ging. Haar eigen tri d joeg haar angst aan en een huivering overviel haar: het was haar, alsof een vreemde gestalte onzichtbaar langs haar heensloop. Dat was de wraak van den ander. De schaduw, die uit het verledene op baar onschuldig leven viel, verjoeg thans ook den vriend uit haar nabijheid. Aan een andere vrouw hirig Anions gevoelig hart; zij zelve was eene vreemde voor hem gebleven, zij die een verwijderde bemind en versmaad had, en die nu in weduwsluier op het uitstervend gevoel barer jeugd terug zag.

De eerstvolgende weken verliepen voor Anton in een afmattende bedrijvigheid. Hij deed dubbel zijn best om in de kantooruren zijn werkzaamheden waar te nemen. De avonden, elk vrij oogenblik, bracht hij door aan de aktentafel of in vergaderingen niet den rechtsgeleerde en de barones. Intusscben ging het ongeluk van den baron zijn geregelde loop. Hij bad de interesten der kapitalen, die op zijn familiegoed stonden, bij den laatsten termijn niet betaald; een gansche reeks van hypotheken werden hem op één dag opgezegd: bet familiegoed kwam onder liet beheer der rechtbank. Ingewikkelde processen ontstonden. Ebrenthal klaagde hem aan en vorderde de eerste hypotheek van twintigduizend daalders en verlangde dat zij op nieuw zou worden opgemaakt; hij had echter ook wel lust aanspraak te maken op de laatste hypotheek, welke de baron hem in bet nootlottig uur bad aangeboden, Löbel Pinkus vorderde eveneens de eerste hypotheek en beweerde de volle som van twintigduizend daalders betaald to hebben. Ebrenthal had geen bewijzen en voerde het proces ongeregeld. Weken achtereen was bij buiten staat aan zijn zaken te denken. Pinkus daarentegen streed met alle listen die een verstokte zondaar kan verzinnen, en bet verdrag, dat de baron met hem gesloten had, was zulk een meesterstuk van den sluwen advocaat, dat de rechtsgeleerde raadgever des barons al dadelijk bij den aanvang van het proces weinig hoop gaf, In 't voorbijgaan gezegd: Pinkus won zijn zaak, de hypotheek werd hem toegekend en op nieuw voor hem opgemaakt,

Anton was langzamerhand op de hoogte van de zaken des barons gekomen, Alleen den dubbelen verkoop der eerste hypotheek vei borg deze zorgvuldig voor zijn echtgenoote. Hij noemde de vordering van Ebrenthal ongegrond, en gaf het vermoeden te kennen dat Ebrenthal zelf den diefstal op zijn kantoor zou hebben gepleegd. Dit was ook werkelijk zijn vaste meening geworden. Zoo werd de naam van Itzig in 't geheel niet in An-DEliliï KN CUEUIT 1. 'il

ocr page 328

tons bijzijn genoemd, en het vermoeden tegen Elirenthal, dat ook de advocaat deelde, verhinderde Anton bij dezen verdere inlichtingen te zoeken.

Tusschen Anton en den koopman was een spanning ontstaan, die door liet gansche kantoorpersoneel met de grootste verbazing werd opgemerkt. Streng zag de koopman naar Antons leegen stoel, zoo dikwijls deze in de werkuren afwezig was; en onverschillig naar het gelaat van zijn klerk, dat door gemoedsaandoeningen en aanhoudenden arbeid vermagerde. Evenals vroeger voor Von Finks ongeregeldheden, had hij nu ook voor Antons nieuwe werkzaamheden geen woord over, hij scheen ze in 't geheel niet op te merken. Zelfs tegenover zijn zus-ter bewaarde hij een hardnekkig stilzwijgen. Sabines pogingen om het gesprek op Woblfhart te brengen, weerde hij kort, maar ernstig af. Antons gevoel ergerde zich aan die hardvochtigheid. Na zijn terugkomst als een kind van den huize behandeld, geprezen, gevierd, vertroeteld. en nu op eens mishandeld als een loondienaar, die het brood niet waard is, dat men hem toewerpt! Zoo zat hij teruggetrokken naast de familie, en zweeg als hij voor zijn lessenaar zat, maar's avonds in de eenzaamheid op zijn kamer kwam het verschil tusschen weleer en thans zoo levendig voor zijn geest, dat iiij dikwijls driftig opsprong en met den voet op den grond stampte.

Slechts één troost bleef hem over; Sabine was niet boos op hem. Hij zag ze thans weinig. Ook zij was stil aan tafel on vermeed Anton too te spreken, maar hij wist toch dat ze hem gelijk gaf. Korte dagen na het gesprek met den koopman stond Anton bij de groote weeg-schaal, terwijl de pakhuisknechts voor de deur met een vrachtwagen bezig waren.' .luist op dat oogenblik kwam Sabine de trappen af en ging zoo strijkelings voorbij hem, dat haar japon hem aanraakte. An-toi|Dging terug en maakte een plechtige buiging. «Gij moogt mij niet nis een vreemde beschouwen, Wohlfart,» zei zij zachtjes en zag hem smeekend aan. Het was maar een oogenblik, een korte groet, doch op beider gelaat schitterden blijdschap en aandoening.

Zoo naderde de tijd dat'Jordan de zaak zou verlaten. De patroon liet Anton weer op het kleine kantoor komen; maai1 zonder een spoor van die hartelijkheid, welke hij hem vroeger had laten blijken, begon hij ; «Ik heb u reeds van mijn voornemen kennis gegeven om u in Jordans plaats te benoemen, om u de handteekening te geven. Uw tijd is in de laatste weken door andere bezigheden meer bezet geweest dan voor mijn plaatsvervanger wenschelijk is, — daarom vraag ik u zeiven, zijt ge in staat van nu af de werkzaamheden van Jordan op u te nemen ?»

«Neen,» antwoordde Anton.

Kunt gij mij een niet al te zeer verwijderd — tijdstip noemen, dat gij van uwe tegenwoordige drukte bevrijd zidt wezen?» vroeg de koopman. «Ik zou in dat geval voor den eersten tijd het een of ander hulpmiddel bedenken.»

Anton hernam treuiig: «Nog kan ik niet bepalen, wanneer ik weer geheel meester over mijn tijd zal wezen ; ik gevoel dat ik door herhaalde afwezigheid reeds al te voel van uw toegevendheid gevergd heb. Daarom verzoek ik u, mijnheer Schröter, bij de vervulling dier betrekking mij niet in aanmerking te nemen.» Het voorhoofd des koop-mans plooide zich en, zonder een woord te spreken, gaf hij Anton met de hand een toeken dat hij zich kon verwijderen. Toen Anton de deur

ocr page 329

323

van het kantoor achter zich sloot, gevoelde hij dat dit oogonb||k de breuk tusschen zijn patroon en hem onherstelbaar had gemaakt. Hij ging voor zijn lessenaar zitten en leunde met liet gloeiende hoofd op zijn hand. Terstond dlarop werd Baumann bij den patroon ontboden. HÜ kreeg de plaats van Jordan. Zoodra hij in het voorkantoor was teruggekomen, ging hij naar Anton en zei fluisterend: «ik heb geweigerd de betrekking aan te nemen, maar de lieer Schröter stond er op. Ik handel onrechtvaardig tegenover u.» Kn 's avonds las mijnheer Battmann op zijn kamer in het eerste boek van Samuel, de hoofdstukken die van den nijdigen koning Saul, zijn patroon, en van tie vriendschap tusschen Jonathan en den vervolgden David handelden, en sterkte daardoor zijn hart.

Den dag daarop trad Anton in het vertrek der barones. Leonore en haar moeder zaten aan een groote tafel te midden van prachtige kleederen en kistjes van allerlei gedaanten. Een koffer romdorn met ijzer beslagen stond op den grond voor de barones. De gordijnen waren neergelaten.

De getemperde zonneschijn vervulde de i'ijkversierde kamer meteen mat licht; op het tapijt lagen kransen van immortelles, eu vroolijk tikte de pendule op den schoorsteenmantel. Onder een bloeiende myr-thenboom zaten twee rijstvogeltjes in een verzilverde kooi, zij piepten onophoudelijk tegen elkaar, en als het mannetje op een ander stokje sprong, riep zijn wijfje hem angstig, totdat hij terugvloog. Dan zaten beiden gezellig dicht bij elkaar. De zwakke kinderen van een warmen hemel, waar het zachte leven nooit dooi' een kouden stormwind verstoord wordt, schitterden van de roode en groene veeren. Zoo was hot vertrek, prachtig en geurend. — «Hoe lang nog?» dacht Anton. De barones stond op. «Alweer vallen wij u lastig. Wij zijn aan een werk, dat ons vrouwen veel moeite kost.»

üp de tafel lag allerlei damesopschik : gouden kettingen, diamanten ringen, armbanden, alles op een hoop. «Wij hebben uitgezocht, wat wij kunnen missen,» zei de barones, «en verzoeken u den verkoop dezer dingen te willen bezorgen. Men heeft mij gezegd dat enkele er van niet zonder waarde zijn, en daar nu geld in de eerste plaats noo-dig is, zoeken wij hier een hulp, die de zorgen onzer vrienden kan verminderen.»

Anton zag aangedaan naar den schitterenden hoop. «Zeg eens oprecht, Wohlfart,» riep Leonore diep bedroefd, «is het noodig en kan het iets baten ? Mama heeft er op aangedrongen al onze kleinoodiën en al het zilver dat wij niet dagelijks gebruiken, te verkoopen. Wat ik zelve kan geven is niet waard dat er over gesproken wordt, maar de kleinoodiën van mama zijn kostbaar, er zijn vele geschenken onder, lierinneringen die zij niet moet opgeven, zoo gij niet zegt dat het noodig is.»

«Ik vrees dat het noodig zal wezen,» antwoordde Anton ernstig.

Leonore sprong op. «Arme, arme moeder!» riep ze en sloeg haar armen om den hals der barones.

«Neem ze weg, asjeblieft,» zei de moeder zacht tot Anton, «ik zal bedaarder zijn als ik weet dat wij het mogelijke hebben gedaan.»

«Maar is liet goed alles te geven? «vroeg Anton smeekend. «Veel wat u wellicht dierbaar is, zal voor den juwelier minder waarde hebben.»

«Ik zal geen juweelen meer dragen,» hernam de barones koud; «neem alles, alles.» Zij iiield de hand voor de oogen en keerde zich om.

ocr page 330

324

«Wij imutelen mama,» riep Leouore hartstochtelijk; «pak alles wat op tafel ligt in, en breng het zoo spoedig mogelijk het huis uit.»

«Ik kan die kostbaarheden niet zoo overnemen,» zei Anton, «zonder eenigen maatregel die mijn verantwoordelijkbeid eenigszins dekt. In de eerste plaats zal ik in uw tegenwoordigheid even opteekenen wat gij mij wilt toevertrouwen.»

«Waartoe die onnutte wreedheid?» vroeg Leonore.

«Het zal niet lang duren.» Anton scheurde eenige blaadjes uit zijn portefeuille en schreef stuk voor stuk op. -

«Gij moogt er niet bij zijn, moeder; ik wil het niet hebben,» bad Leonore en verwijderde haar moeder uit de kamer. Daarop ging zij bij Anton zitten en 'zag hoe hij de enkele voorwerpen inpakte, met nom-mers teekende, en gezamenlijk in een kist lei.

((Die voorbereidselen voor de markt zijn verschrikkelijk,» klaagde Le-onore, «het geheele leven mijner arme moeder wordt verkocht. Aan ieder stuk zijn herinneringen verbonden. Zie eens, Wohlfart, dit diamanten stel heeft zij van de prinses gekregen, toen zij met vader trouwde.»

«liet zijn prachtige brillanten,» zei Anton, ze bewonderende.

«Deze ring is van mijn grootvader afkomstig, en deze steenen hier zijn geschenken van mijn ongelukkigen vader. Ach! niemand weet hoe dierbaar ons die dingen zijn. Het was altijd een feestdag, ook voor mij, als mama die brillanten aandeed. Nu komen we aan mijn schatten, die hebben niet veel te beduiden. Zon deze armbad goed goud zijn!» Zij reikte hem haar hand toe.

«Ik weet het niet.»

«Wij zullen het maar bij het overige doen,» zei Lenore, streek den gouden band van haar arm en lei hem op tafel. «Ja, gij zijt een goed mensch, Wohlfart,» vervolgde zij en zag hem trouwhartig in de vochtige oogen. «Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten? Mijn broeder heeft volstrekt geen ondervinding, en is hulpeloozer dan wij. Het is ook voor mij een vreeselijke toestand. Voor mama doe ik mijn best kalm te zijn, maar ik zou den ganschen dag wel kunnen snikken.» Zij viel in een stoel en hield zijn hand vast. «Beste Wohlfart, verlaat ons niet.»

Anton boog zich over haar heen en beschouwde hevig bewogen de schoone gedaante, die zoo vertrouwelijk te midden van haar tranen tot hem opzag. «Ik wil u van nut zijn, waar ik kan,» sprak hij, met moeite zijn aandoening meester, «ik wil bij u wezen, zoo dikwijls gij mijn hulp noodig hebt. Doch gij hebt een te goeden dunk van mijn kennis en mijn kracht; ik kan u minder helpen dan gij meent. Maar wat ik vermag, dat zal ik doen, op alle wijzen, met allen ijver.»

Met een warmen druk liet zij zijn hand los, het verdrag was gesloten.

De barones kwam in de kamei'terug. «Onze advocaat was heden morgen bij mij. Thans vraag ik ook u om raad. Naar hetgeen de advocaat mij zei, bestaat er geen hoop het familiegoed des barons te behouden.»

«In dezen tijd, dat het geld duur is en moeielijk te krijgen, niet de minste,» antwoordde Anton.

«lin gij zijt ook van gevoelen dat wij alles moeten doen om het poolsche landgoed te redden?»

«Ja,» zei Anton.

«Ook daartoe zal geld noodig wezen. Wellicht zal ik door mijn bloed-

ocr page 331

325

verwanten een som, al is zij dan ook gering, voor u beschikbaar kannen stellen; deze zal met dit,» zij wees op het kistje—«voldoende zijn om de kosten van de eerste schikkingen te dekken. Ik wou de sieraden liever niet hier verkoopen; bovendien zal voor de ontvangst der som, waarop ik meen te mogen rekenen, een reis naar de hofstad noodig wezen. De advocaat des barons heeft met grooten lof van nw kieschheid gesproken. Het is ook zijn verlangen dat mij heeft doen besluiten u een verzoek te doen: Wilt gij in de eerstkomende jaren althans zoolang totdat de grootste moeielijkheden overwonnen zullen zijn, ons uw geheelen tijd wijden? Ik heb met mijn kinderen de zaak besproken; beiden zien, evenals ik, in uw krachtige en werkzame hulp de eenige redding. Ook de baron is het met ons eens. Het is dus nu slechts de vraag of uw omstandigheden u veroorloven ons ongelukkigen een tijd lang uw bijstand te verleenen. Onder welke voorwaarden gij het ook moogt doen, wij zullen u altijd dankbaar zijn. Zoo gij een vorm vindt, waardoor wij de groote verplichtingen, die wij aan u hebben, in uw verhouding tegenover ons kunnen laten blijken, wees zoo goed ons die te zeggen.»

Anton stond verstomd. Wat de barones van hem verlangde, was scheiding van de zaak, scheiding van zijn patroon en Sabine. Was dezelfde gedachte al vroeger wel eens bij hem opgekomen, als hij voor Leonore stond, of de brieven des barons doorzocht, thans nu het groote woord gesproken was, schokte het hem hevig. Hij zag naar Leonore, die in smeekende houding achter haar moeder stond. «Ik ben in een betrekking,» antwoordde hij na lang bedenken, «die ik niet zonder de toestemming van anderen kan verlaten; ik was op dit voorstel niet voorbereid, en verzoek u, mevrouw, mij eenigen tijd tot overleg te laten, 't Is een schrede, die over mijn gelieele toekomst beslist.»

«Ik dring er volstrekt niet op aan,» zei de barones, «ik vraag alleen. Hoe uw besluit ook moge uitvallen, op onzen warmen dank kunt gij altijd rekenen; als het u onmogelijk is onze zwakke krachten te schragen, vrees ik dat wij niemand zullen vinden. Bedenk dit wel,» voegde zij er smeekend bij.

Met gloeiende wangen ijlde Anton de straat over. De smeekende blik der adellijke dame, de gewrongen handen van Leonore, lokten hem uit het domperige kantoor de vrije lucht in, naar een vreemde toekomst, uit wier nevelen enkele beelden schitterend voor hem verrezen. Met waardigheid was een verzoek tot hem gericht, en hij gevoelde zich haast onwederstaanbaar aangetrokken om er aan toe te geven. Een ijverig en opofferende vriend was voor de dames onmisbaar om haar voor het grootste ongeluk te behoeden. Ln hij deed een goed werk, zoo hij dien drang volgde; hij vervulde zijn plicht.

Zoo trad hij het handelshuis binnen. Ach! wat hij hier aanschouwde, strekte ook de hand uit om hem terug te houden. Hij zag in het donkere magazijn, op de trouwe gezichten der pakhuisknechts, op de kettingen van de groote weegschaal, en op de verfpot van den eerlijken Pix, en gevoelde weer dat hij hier thuis hoorde. De hond van Sabine liefkoosde met vochtigen snuit zijn hand en volgde hem kwispelstaartend tot aan zijn kamer. Zijn kamer en de kamer von Von Fink! Hier had het kinderlijk gemoed van den ouderloozen knaap een vriend gevonden, goede kameraads, een tehuis, een vast, eervol doel voor zijn leven. En hij keek

ocr page 332

326

door het venster naar de plaats beneden, naar de hoeken en gebouwtjes van de groote woning, naar het getraliede venster, waarachter mijnheer Siebold voor het grootboek zat, naar het kantoor waar zijn lessenaar stond, en naar de kleine kamer waar hij werkte, die thans boos op hem was, en die jaren lang zijn vaderlijke vriend was geweest. Dan viel zijn oog op hot raam van Sabines pioviciekamer; dikwerf had hij daar een lichtstraal gezocht, die het geheele groote huis bescheen en ook zijn vertrek gezellig maakte. Kn eensklaps opstuivende zei hij tot zichzelven; «Zij zal beslissen b

Sabine stond verwonderd op, toen Anton met haastigen tred tot haar kwam. «Ik word onwederstaanbaar naar u heen gedreven,» sprak hij. «Ik moet omtrent mijn toekomst een besluit nemen en ik ben onzeker en vertrouw mijn eigen oordeel niet. Gij zijt altijd voor mij een deelnemende vriendin geweest, van den dag mijner aankomst af'. Ik ben gewoon bij alles, wat in dit huis mijn hart beweegt, op u te letten, aan u te denken. Laat mij ook heden uit uw mond hooren wat gij voor goed houdt. Mij is door mevrouw Von Rothsattel het voorstel gedaan, om als gevolmachtigde des barons in een vaste betrekking bij hen te komen. Zal ik het aannemen, of' moet ik hier blijven ? Ik weet niet. Zeg gij mij wat goed is voor mij en voor anderen.»

«Ik niet,» zei Sabine, terwijl zij terug ging en haar wang verbleekte. «Ik durf' over zulk een gewichtig punt niet beslissen. En gij zelf verlangt het niet, Wohlfart, want gij hebt reeds uw besluit genomen.»

Anton zag voor zich uit.

«Gij hebt er reeds aan gedacht het huis te verlaten, en die gedachte is reeds een wensch geworden, l^n nu zou ik u nog gelijk moeten geven en uw besluit prijzen ? Dat wilt ge van mij,» vervolgde zij bitter. «Maar ik kan dat niet doen, Wohlfart, want ik ben bedroefd, omdat gij van ons weg gaat.»

Zij keerde hem den rug toe en hield zich aan een stoel vast.

«Uch, wees niet boos, mejufvrouw Sabine,» smeekte Anton, «dat kan ik niet uithouden. Ik heb in de laatste weken al zoo veel geleden. Mijnheer Schröter heeft mij eensklaps zijn vriendschap, die ik als den grootsten schat op aarde beschouwde, onttrokken. Ik heb zijn koelheid niet verdiend. Wat ik in den laatsten tijd heb gedaan was niet verkeerd, en ik heb het gedaan met zijn voorkennis. Ik was wellicht door zijn goedheid verwend, maar daarom juist heb ik zijn misnoegen dubbel gevoeld. En als er iets was dat mij rust gaf, zoo was het de gedachte dat gij mij niet zoudt veroordeelen. Wees daarom niet koel tegen mij, het zou mij voor mijn leven ongelukkig maken. Ik heb geen sterveling op aarde dien ik om liefde kan vragen en om raad in mijn tweestrijd. Had ik een zuster, van daag zou ik haar hart zoeken. Gij weet niet wat voor mij, den op zich zelf' staande, uw groet, uw hartelijke handdruk tot heden is geweest. Wend u toch niet zoo koel van mij af, Sabine.»

Sabine zweeg lang en met een afgewend gelaat vroeg zij eindelijk : «Wat trekt u naar den vreemde? Is het een blijde verwachting? — Is het alleen medelijden'! — Wees strenger voor u zeiven, dan ik. het vooi' li ben, als gij op deze vragen antwoord geeft.»

«Wat mij thans mijn vertrek van hier mogelijk maakt, weet ik niet. Als ik voor de aandoening in mij een naam zoek, dan is het warme dankbaarheid voor een enkele. Zij was de eerste die den reizenden

ocr page 333

327

knaap vriendelijk toesprak, loen liij alleen de wijde wereld introk. Ik heb haar bewonderd in den heerlijken glans van haar vroeger leven. Ik heb dikwijls van haar gedroomd. Er was een lijd dat een teederder gevoel voor haar mijn gansche hart vervulde, toen waande ik voor altijd aan haar beeld geboeid te zijn. Maar de jaren brachten daar wijziging in ; ik leerde de menschen en het leven met andere oogen beschouwen. Nu vond ik haar terug, kommervol, ongelukkig, wanhopend en het medelijden in mij werd overmachtig. Als ik van haar af ben, weet ik dat zij een vreemde voor mij is, en als ik voor haar sla, voel ik niets dan haar allesoverweldigt nde smart. In die vroegere dagen, toen ik als een boosdoener uit haar kring mij moest verwijderen, in die dagen ijlde zij mij na en ten aanschouwen van het spottende gezelschap reikte zij mij haar hand toe en schaamde zich niet over mij. En nu komt zij en verlangt mijn hand om haar vader te helpen. Mag ik weigeren ? Is het verkeerd dat ik aldus gevoel ? Ik weet het niet, en niemand kan het mij zeggen, niemand dan gij.»

Sabines hoofd was allengs op de leuning van haar stoel gezonken. Thans richtte zij het eensklaps op en met een stem vol liefde en smart riep zij ; «.Volg gij de stem, die u roept; ga gerust, Wohlfart; ga van ons heen.»

r.INDI' VAN IIKT KERSTE DEET,

ocr page 334

I !quot;■

■

1 •

■ ■

■ H

' '- iipf

s'v...('' m p''

HI

■ ■

■

■ H

■■ :

■ ■

■ ■ ■ ■

■ ■

■ ■

■ ■ ■

■

.

:M*

„ ,

■ '

.....

.:

■ ■

■ I

||

.....fm mlm ?#

■

. .. ..... .

H

quot;1 ' ■

■ ■

H 'iza

ocr page 335

DEBET EN CREDIT.

ocr page 336

,,

1^..,

PWÊ

j

..... . -..-.;gt; • :

. .. • • •

.

.:ia

ocr page 337

DEBET EN CREDIT.

ROMAN IN ZES BOEKEN

VAN

G US T A y FREYTAG.

Kaar het Hoogduitsch,

DOOIl

Dr. J. C. VAN DEVENTER.

VIERDE DRUK.

TWEEDE DEEL.

ROTTERDAM, 3Zgt;. BOXjXjE.

ocr page 338

Snelpersdruk — M. O. Bronsveld — Wngemngen.

ocr page 339

DEBET EN CREDIT.

VfKUDE 1)0 KK.

I,

Op een konden dag van de maand October reden twee mannen door het ijzeren hek der stad Hosmin de vlakte in, die eentonig en onafzienbaar voor hen open lag. Anton zat in een pels gewikkeld, den hoed diep in do oogen, en naast hem do jonge Sturm in een ouden huzarenmantel, met de soldatenmuts luchtig op een oor. Voorop op een stroozak had de knecht van een landman zijn plaats en joeg de kleine paarden voort. De wind veegde, als met een reuschachtigen bezem zatid en stroohalmen over de stoppelvelden; de weg was breed, zonder slooten en boornen; de paarden waadden dan eens door modderpoelen, dan zakten zij diep in het mulle zand. Geel zand glinsterde overal tusschen het armoedige groen der akkers door waar een veldmuis den ingang tot haar hol gemaakt, of waar de ijverige mol naar vermogen zijn best had gedaan om de vlakte door kleine heuvelketens af te breken. In de lage deelen van de streek stond drassig water. Op zulke plaatsen staken holle wilgenstammen hun magere armen in de lucht, hun takken sloegen tegen elkaar, en de verlepte blaren vielen beneden in het water neer. Hier en daar zag men een boschje van dwergachtige pijnboomen, een rustoord voor kraaien, die door den wagen opgejaagd, onder eon akelig gekras over de hoofden dei'reizigers vlogen; geen huis was er langs den weg te bespeuren, geen wandelaar, geen rijtuig.

Karei keek van tijd tot lijd naar zijn in gespeins verzonken reisgezel en zei eindelijk op do paarden wijzende: «IJoe borstelig is hun haar en lioe prach-DICllET KN CRKDIT II. i

ocr page 340

2

tin- het grauw muizenvel! Ik wou wel eens weten hoeveel stuks van deze diertjes op liot paard van ïnijn wachtmeester zouden gaan/ -Toen ik van mijn vader afscheid nam, sprak de oude; «Wellicht kom ik ie eens opzoeken, kleine man, met kerstmis, als ze daar ginds de kerstboomen aansteken.» «Je zult het niet kunnen doen,» zei ik. «Waai-om niet?» vroeg hij. «Je durft in geen postwagen gaan,» zei ik. Toen riep de oude : «Kom, kom, de postwagens zijn stevig gebouwd, daar durf ik wel in.» — Nu mijnheer Wohlfart, weet ik zeker dat vader ons nooit opzoekt.»

«Waarom niet?? vroeg Anton.

't Is mogelijk dat hij tot Rösmin komt. wel met in den wagen, maar daarnaast.0 Want zoolang hij weet dat hij een of twee plaatsen voor zich heelt, zal hij wel desnoods naast de post loopen. Zoodra hij echter deze paarden en dezen wagen ziet, keert hij terstond om. «Zou ik een land ingaan, waar het zand onder de beenen wegloopt en waar de muizen voor den wagen gaan ?» zal hij zeggen ; «dit land is mij

niet stevig genoeg.» . . , , , , i

«Do paarden zijn het slechtste nog niet in deze streken,» antwoordde

Anton verstrooid : «kijk maar, ze loopen hard genoeg.»

«Ja,» hernam Karei, «maar niet als gewone paarden, zij slaan hun beenen door mekaar als twee katers, die in de peterselie aan het vechten zijn. En welke voeten hebben ze, precies hazepooten; voor die hoeven is nog geen ijzer gevonden.» ,

«Als we maar vooruit komen,» zei Anton, «de wind is snijdend en ik heb het koud onder mijn pels.»

«Mijnheer de rentmeester heeft de laatste nachten weinig geslapen,» zei Karei eerbiedig ; «de lucht blaast hier als over een dorschvloer. De aarde is dezen kant uit niet rond, zooals elders, maar plat als een koek. 't Is of de menschen hier een woestenij aangelegd hebben, wij rijden al een uur lang, en nog is er geen dorp te bespeuren.»

«Ja, wel een woestenij,» zuchtte Anton, we willen hopen dat het

beter zal worden.» .

Daarop ging het een tijdlang onder diep stilzwijgen voort, handelijk hield de koetsier op bij een kolk, spande de paai den af zonder zich om de reizigers te bekommeren, en voerde ze naar het water.

«Wat drommel, moet cllt;it beteekenén ?» riep Karei, van den wagen springende.

«Ik ga ze voeren,» antwoordde de knecht knorrig en met een vreemden tongval. i i • i- i

«Ik ben nieuwsgierig om te zien hoe hij dat doen zal.» zei .varel

tot Anton, die nog in het rijtuig zat.

«Er is geen spoor van een haverzak te zien.»

De paarden echter bewezen dat zij ook zonder haver de kunst verstonden om te leven; zij strekten de borstelige halzen naar den grond uit en beten liet gras en de bladeren van de heesters langs het water af:' nu en dan bogen zij den kop tot op den waterspiegel en slurpten het troebelige vocht in. De knecht haalde nu een knapzak van onder zijn bank te voorschijn, ging voor den wind op den grond zitten, dooi een elzenboom beschut, en sneed met zijn mes brood en kaas, zondei onze reizigers met een enkelen blik te verwaardigen.

«Hoor eens, Ignatius of Jakob.» riep Karei, hem onzacht op de schouders tikkende, «hoe lang moet het ontbijt duren ?»

ocr page 341

3

«Een uur,» antwoordde de knecht voorlkauwende.

«En Jioover is het nog van hier naar het buitengoed?»

«Twee uur, misschien nog langer.»

«Je komt niets verder met hem,» zei Anton, «we moeten ons de gebruiken van hier maar getroosten.» ilij klom uit den wagen en wandelde naar de paarden.

Anton is op weg naar het poolsche landgoed. Hij is thans de rentmeester van den baron. Kommervolle maanden heeft hij beleefd. _

Een scheiding van zijn patroon en van het handelshuis was rijk geweest aan treurige gewaarwordingen. Anton stond den laatsten tijd geheel op zich zelf, ook onder zijn ambtgenooten; alleen de stille Baumann was op zijn hand, het overige kantoorpersoneel beschouwde hem als een verlorene. Met een ijskoud gelaat vernam de patroon het bericht dat Anton de zaak zou verlaten, en nog in het oogenblik van het afscheid lag zijn hand als hard metaal in de zijne. — Sints dien tijd had Anton in het belang der familie eenige reizen gemaakt naar de hoofdstad om schuldeischers te spreken. Nu zou hij met Karei, dien hij voor de boerderijen van den baron had meegenomen, op het landgoed do zaken wat beter gaan regelen. Ehrenthal had na den verkoopdag krachtens zijn volmacht de bezitting overgenomen; hij had den poolschen administrateur nog voor den baron aangehouden. Met de overname was het wild en onordelijk toegegaan, en in Rosmin zei men dat de rentmeester groote verkoopingen gehouden en nog grooter bedriegerijen voorgenomen had. Dus had Anton ook van dien kant geen rustige dagen in het vooruitzicht.

«Nu is het oogenblik gekomen mijn last te volbrengen,» riep Karei en tastte met beide zijn handen in het stroo van den wagen. I lij haalde er een grooten verlakten trommel uit en bracht hem aan Anton. «Dit heeft rnejuf viouw Sabine mij voor u meegegeven.» Vroolijk lichtte hij het deksel op en liet hem de bestanddeelen zien van een rijk voorzien ontbijt, een flesch wijn en een zilveren beker. Anton stak de handen naar den trommel uit. «Hij is heel netjes gemaakt,» zei Karei. «Jufvrouw Sabine zelve heeft hem zoo besteld.» Anton bekeek het ding van alle kanten en zette het met zorg op een zachte grasplek, toen nam hij den beker en zag daarop zijn naamletter met de woorden: «Uw welzijn.» Heel het ontbijt en zijn gansche omgeving vergat hij, en in gedachten verzonken tuurde hij op den netten trommel.

«Vergeet nu liet ontbijt niet, mijnheer de gevolmachtigde,» herinnerde hem Karei.

«Ga naast mij zitten, trouwe vriend.» zei Anton, «eet en drilde met mij. Laat nu die beleefde vormen varen; wij zullen weinig hebben, maar wat we verdienen, dat zullen we broederlijk samen deeleu. Neem do flesch als je geen glas hebt.»

«Niets beter dan leer,» sprak Karei, een klein bekertje van bruin leer uit zijn zak halende. «Imi wat gij daar zoo even gezegd hebt, was goed gemeend, en ik zeg er u dank voor. Subordinatie echter moet er wezen, en daarom zal mijnheer de gevolmachtigde mij wel willen toestaan dat ik hem eerst de hand druk, maar dat het overigens bij het oude blijft. Zie eens die paarden, mijnheer Anton, waarachtig, de krengen vreten ook distels.»

Wederom werden de paarden ingespannen; wederom krabbelden zij met hun korte pootjes door het zand en wederom reden zij de kale

ocr page 342

4

streek verder in. Eerst door een naakte vlakte, toen door een dennen-bosch, vervolgens over een reeks lage zandheuvels, die als duinen boven den aan planten armen bodem uitstaken, eindelijk op een vervallen brug over een kleine beek.

«Daar is bet landgoed,» zei de koetsier, zich omkeerende, en wees met de zweep naar een hoop donkere rieten daken, die juist vooi'hun oogen zichtbaar werd. Anton stond van zijn plaats op en zocht de boomgroep, waarin het heerenhuis kon liggen, ilij zag er niets van. Dicht bij het dorp was bijna niets te vinden van hetgeen ook de armoedigste boerenwoningen van zijn vaderland versierde; geen vruchtboomen achter de schuur, geen omheinde tuin, geen linden in de dorpskom, eentonig en naakt stonden de morsige hutten naast elkaar.

«Akelig,» zuchtte hij, terwijl hij weer ging zitten, «veel erger dan men ons in Rosmin had gezegd.»

«Het dorp ziet er uit alsof' er een vloek op rust,» riep Karei, «de paarden werken niet in het veld, en geen koe of schaap is er op die stoppelvelden te bemerken. Waarschijnlijk houden zij ze hier op stal.»

De knecht sloeg de paarden, en in galop reden zij met horten en stooten tusschen twee rijen van leemen hutten door het dorp en hielden voor de herberg stil. Karei sprong uit den wagen, opende de gelagkamer, en riep den herbergier. Een jood stond langzaam van zijn stoel op en kwam naar buiten. «Is de diender uit Rosmin aangekomen?» vroeg Anton. — Hij was het dorp ingewandeld. Waar is de wegnaar het riddergoed ?»

De kastelein, een oud mannetje met een slim gezicht, beschreef den weg in het duitsch en poolsch en bleef voor de deur staan, geheel overbluft, zooals Karei zei, op het gezicht van twee menschen. De wagen sloeg een zijweg in, die aan beide kanten met stompen van dikke boomen bezet was, het treurig overschot van een trotsche laan. Dooide gaten van den weg, door modderpoelen en over steenen ratelde de wagen een hoop hutten voorbij, waarop nog sporen te zien waren van een witten gemetselden schoorsteen. «De schuren en de stallen zijn leeg,» riep Karei, «want in het dak zijn gaten, groot genoeg om ei met onzen wagen door te rijden.»

Anton zei niets meer; hij was nu op het ergste voorbereid. Dooreen opening tusschen de stallen reden onze reizigers de plaats der boerderij

op; een groote, hoekige ruimte, aan drie kanten door vervallen gebouwen

ingesloten, de vierde was open naar het veld. Daar lag een hoop puin, leem en verrotte balken, de overblijfselen van een ingestorte schuur. De plaats was overigens ledig; van akkergereedschap of menschelijke bedrijvigheid was niets te bespeuren. «Waar is de woning van den opzichter?» vroeg Anton verbaasd. De koetsier keek naar ade kanten om; eindelijk wees hij op een klein huisje van eén verdieping, met een rieten dak en morsige vensters.

Op het geraas van den wagen kwam een man aan de deur en wachtte daar bedaard totdat de vreemdelingen waren afgestegen en vlak voor hem stonden. Het was een breedgeschouderde kerel, met een opgezwollen jenevergezicht, in een buis van ruige stof; achter hem stak een even ruige hond zijn snuit buiten de deur en bromde tegen de reizigers. «Zijt gij de opzichter van deze goederen?» vroeg Anton.

«Dat ben ik,» antwoordde de man in gebroken duitsch, zonder een voet te verzetten.

ocr page 343

5

«En ik ben de gevolmachtigde van den nieuwen eigenaar,» zei Anton.

«Dat kan mij niet scheien,» bromde de ruige man op onbeleefden toon, keerde zich om, ging naar zijn kamer terug en grendelde de deur achter zich dicht.

Anton werd knorrig. «Sla het raam in en help mij den schurk pakken,» riep hij zijn metgezel toe. Deze nam koelbloedig een stuk hout, sloeg op de ruiten dat de vermolmde posten krakende in de kamer vielen, en sprong in een wip door de opening naar binnen. Anton volgde. De kamer was leeg, het vertrek daarnaast ook; van daar kon men door een venster naar buiten komen; het raam stond open, de man was er uitgesprongen. «Door het venster naar binnen, en door het venster er weer uit, evenals de geesten,» riep Karei en sprong den vluchteling achterna. Anton liep haastig het huis om. Hij hoorde hondengeblaf en zag hoe Karei den ontrouwen opzichter op het lijf viel en hem onder het woedende gekef van den hond bij den kraag vasthield. Anton snelde hem te hulp en pakte den schelm; terwijl Karei den hond een schop gaf, dat deze een heel eind verder op den grond te recht kwam. Daarop brachten beiden den opzichter, die met alle macht zich verweerde, den hoek om in het huis.

Rijd naar de herberg en haal den diender en den kastelein riep Anton den koetsier toe, die zonder zich eenigszins met den twist der heeren te bemoeien, inmiddels het goed der reizigers uit den wagen had gepakt. De knecht reed op zijn gemak weg, de vluchteling werd naar de kamer gebracht. Karei nam eeti ouden halsdoek en bond hem de handen op den rug. «Neem me niet kwalijk, mijnheer de opzichter,» zei hij, «'t is maar voor een uur of wat, totdat de diender uit Rosqiin, dien we besteld hebben, gekomen zal zijn.» Intusschen keek Anton in de woning rond; behalve de noodzakelijkste meubelen en een bed was er niets te vinden; van boeken of rekeningen geen spoor. Met was buiten allen twijfel, dat ook dit huis vooraf leeg gedragen was. Uit den rokzak van den gevangene stak een bundel papieren. Anton haalde ze er uit: het waren notarieele stukken en contracten in het poolsch. Middelerwijl kwam de knecht met den kastelein en den gewapende diender terug. Do waard bleef verlegen aan de deur staan. Anton vertelde den diender kortelijk wat er gebeurd was: «Dien uw klacht bij de rechtbank in,» zei de diender, «en geef mij dezen man terstond mee. Ilij zal in uw rijtuig naar Rosmin gaan. Het zal het best wezen, dat gij hem zoo spoedig mogelijk wegzendt, want het is hier een kwade streek en iiij zal te Rosmin beter bewaard zijn dan hier, waar hij vrienden en handlangers heeft.» In de herberg vond men na lang zoeken een vel papier. Anton schreef daar zijn klacht op en op verzoek van den diender, die bedenkelijk met het hoofd schuddende de poolsche stukken ingezien had, voegde hij deze er bij. De gevangene werd in den wagen gezet, de diender ging naast hem zitten en zei vóór het afrijden nog tot Anton ; «Ik heb al lang gedacht dat iets van dien aard gebeuren zou. Gij zult mij in deze dagen waarschijnlijk nog wel meer noodig hebben.» Daarop reed de wagen weg en Anton had het landgoed overgenomen. Ilij gevoelde zich verlaten, als op een eenzaam eiland. Zijn reiskoffers en andere benoodigdheden stonden onder den blooten hemel tegen een muur; de kastelein van de poolsche herberg was de eenige rnensch, die hem eenige inlichtingen geven en goede raad aanbieden kon in zijn neteligen toestand.

ocr page 344

G

Nadut de opzichter vertrokken was, werd de herbergier spraakzaam; hij scheen zeer welgezind te zijn en bood deemoedig zijn diensten aan Éen lang onderhoud volgde nu. Wat Anton vernam was ongeveer zooals hij na de waarschuwingen van den rechter Wulther en de ambtenaren in Rosmin gevreesd had. De weggevoerde opzichter had in de laatste weken zijn best gedaan om den inboedel geheel en al te verdonkermanen. Door een gerucht dat zich uit de stad over de dorpen verspreid had, had hij zeker meenen te weten dat de nieuwe eigenaar het landgoed niet zou overnemen. Eindelijk brak Anton het gesprek af met de woorden ; «Wat die oneerlijke man zoek heeft gemaakt, zal hij moeten verantwoorden; onze eerste zorg is nu te behouden wat nog voorhanden is. Gij moet van daag onze gids wezen.»

Zoo namen zij gezamenlijk de van menschen geheel ontbloote ruimte op. Vier paarden met twee knechts — zij waren in het bosch ge-vlucht — enkele beschadigde ploegen, een paar eggen, twee hooiwagens, een kales, een kelder met aardappelen, eenige schepels haver, een beetje stroo, — het opteekenen vorderde niet voel tijd noch papier; de gebouwen waren allen zonder uitzondering in een ellendige staat, niet van ouderdom, maar door de onvergeellijke zorgeloosheid der menschen, die de verwoestingen van de elementen sints Jaren niet hadden tegengegaan.

«Waar staat het woonhuis?» vroeg Anton. De kastelein geleidde hem van de boerderij naar een grasveld, een uitgestrekte vlakte, die langzaam glooiend naar den oever der beek afliep. Het was een groote weide. De runderen en schapen hadden er gaten in gemaakt, de snuiten der zwijnen hadden den grond omgewoeld, grauwe molshopen en plakken onkruid bedekten den bodem. De kastelein strekte de hand uit: «Ginds is het slot. Dit kasteel is beroemd in den omtrek,» voegde hij er met bewondering bij: «zoo een steenen huis heeft geen edelman hier in de gansche streek. De heeren wonen hier allen in leemeu hutten. Zelfs de rijkste, de heer Von Tarow, heeft maar een eenvoudig huis.»

Ongeveer driehonderd pas van de laatste schuur verhief zich een gebouw van ruwe baksteenen, met een leien dak en een dikken ronden toren, liet sombere metselwerk op dat weiland zonder boomen, zonder een spoor van leven, stond onder den grijzen hemel als een spookachtige vesting, door een boozen geest uit den schoot der aarde voortgebracht, om uit haar wallen het frissche leven der landstreek te verwoesten.

De mannen wandelden er heen. Het kasteel was reeds een ruïne, voor dat do arbeiders hun werk hadden voltooid, Sinds overouden tijd had op deze plaats de wanstaltige toren gestaan; hij was uit groote vierkante steenen gebouwd met kleine vensters en schietgaten. De oude meesters van de streek hadden vandaar uit op de toppen der boomen neergezien, die toen nog, zoover het oog reikte, de vlakten bedekten; zij hadden daar als strenge heeren over hun lijfeigenen neheerscht, die voor hun voeten het land bebouwden en voor hen werkten en stierven. Menige sarmatenpijl was op den naderenden vijand door de kleine vensters afgeschoten en menig tartarenpaard, dat in vollen ren op den steenen muur aanstormde, was teruggejaagd. Aan den grijzen toren had vele jaren geleden een despoot der streek, als tot boete voor bedreven zonden, de muren van een klooster opgebouwd, Maar het klooster was nooit afgemaakt, en lang hadden de muren doelloos gestaan, totdat de vorige bezitter ze tol een hee-

ocr page 345

7

reuhuis voor zijn geslacht had iugerichtt. Hij wou een prachtig paleis laten zetten, zooals er in de geheele streek geen bekend was.

Het front van liet huis was zoo aan den toren verbonden, dat deze in het midden stond en uit de rechte lijn in een halven cirkel vooruit sprong; twee vleugels van het nieuwe gebouw liepen naar de beek. IJet was de bedoeling geweest den toegang naar het kasteel over een hooge glooiing te brengen, de hoofdpoort was in den toren uitgebroken, en met steenen bogen voorzien, doch de glooiing was niet afgemaakt en de marmeren stoep der huisdeur lag ver boven manshoogte in den muur, en was zonder ladder niet te bereiken. Geen deur sloot de wijde opening. De venstergaten van de onderste verdieping vertoonden nog de ruwe kalk, zij waren armoedig met planken betimmerd ; in de bovenverdieping waren enkele ramen met kunstig gedraaide lijsten versierd en groote ruiten had men er in gezet, doch later weer stuk geslagen. In andere openingen hingen hulpramen van roodachtig dennenhout, met kleine verweerde glazen. Op tie spits van den toren zat een troep kraaien en zag verbaasd op de vreemde mannen neer ; somtijds vloog er een met een akelig gekras op en viel op een andere plaats van het dak neder om weer op de onverwachte gasten te staren.

«Een verblijf voor kraaien en vleermuizen, maar niet voor men-schen,» riep Anton, «nergens zie ik een ingang van dit rooversnest.» De kastelein leidde hem het kasteel om. Aan de achterzijde, waar twee vleugels een soorl van hoefijzer vormden, waren lage ingangen naar de gewuifde kelders; daar ook waren de stallen, groote keukens, en kleine celletjes voor de knechts. Van het grasperk echter voerde een houten trap naar de onderste verdieping. Knarsend draaide de deur in de hengsels; een smalle gang liep door de zijvleugels naar de vertrekken van het voorhuis.

Daar was alles op een groote schaal gebouwd en op een rijke inrichting berekend. De koepelvormige voorzaal, een gewelf van den ouden toren, was met bonte marmersteenen, evenals mozaïek ingelegd, bevloerd ; door de wijde opening van de deur had men een uitgestrekt gezicht over den omtrek. Een breede trap, prachtig als in een vorstelijk paleis voerde naar de bovenverdieping. Uier was weder een zaal met koepeldak en kleine vensters, de tweede verdieping van den toren. Aan beide kanten lag de reeks van vertrekken. Overal hooge, groote kamers, zware eikenhouten dubbele deuren en morsige witte muren; de zolderingen waren uit dikke beukenplanken getimmerd, die met ruiten als op een dambord in elkander liepen, in sommige kamers stonden ontzaglijke kachels, in andere ontbraken ze geheel, in enkele was de vloer kunstig en smaakvol ingelegd, in andere van noestig dennenhout ; een groote zaal met twee reusachtige schoorsteenen, waar geheele boomen in konden liggen, had een noodplafond van oude planken. Het slot was ingericht voor een wilde aziatische hofhouding, voor goudleederen en zijden behangsels, voor kostbare houtbetimmerig, voor zwaar zilverwerk, voor een trotschen heer, voor talrijke gasten, en voor een stoet van lijfeigenen, die als knechts de zalen en gangen moesten vullen. De stichter van het kasteel had aan het overdadige leven zijner voorouders gedacht, toen hij zijn plan opvatte ; hij had daarvoor honderden hooge booinen uit zijn bosschen laten vellen en zijn lijfeigenen hadden vele duizenden steenen gebakken ; maar de onver-

ocr page 346

8

bidilelijke tijd luid don vinger dreigend tegen zijn plannen opgeheven en niets van hetgeen hij gewenscht hud was tot stand gekomen. Hij zelf was in zijn vermogen achteruit gegaan en gedurende don bouw van het slot overleden ; en zijn zoon, een kind van een vreemd land, had zich gehaast, zooveel een lichtzinnig jongeling slechts kan, het oveiblijfsel van hot vaderlijk vermogen er door te jagen. Thans stonden daar de muren van het kasteel met wijd geopende deuren en vensters ; maar geen gulle gastheer bracht den bezoeker bij het binnentreden zijn welkomstgroet, slechts wild gevogellje vloog in en uit, en de marter sloop nieuwsgierig over de balken heen. Doelloos en spookachtig stonden de muren, zij dreigden af te brokkelen en in oen te storten, evenals het geslacht dat eenmaal daar gelieerscht had.

Anton liep met haastige schreden van het eene vertrek in het andere ; te vergeefs hoopte hij een kamer te vinden, waarin hij do beide vrouwen kon laten wonen, die op dit kasteel als op een laatsten schuilhoek rekenden. Hij opende alle deuren, hij klom de krakende trappen op, en ging weer naar beneden ; hij joeg de vogels op, die door de openingen binnen waren gekomen en nog aan do nesten van den vo-rigen zomer getrouw bloven, maar hij vond niets dan ongezellige zalen met vuile witte muren, overal tocht, slaande deuren die niet sloten, dichtgetimmerde vensters. In do groote zaal lag een kleine voorraad haver op don grond uitgespreid ; enkele vertrekken van do bovenverdieping hadden, voorheen wellicht, tot een armoedige verblijfplaats voor menschon gediend ; slechte stoelen en een ruwe tatol was geheel do voorraad dor meubelen.

Eindelijk beklom Anton ook don vervallen trap van den toren en stapte op het platte dak. Daar zag hij over den hoogen wal do diepte in on over do vlakte. Aan zijn linkerhand daalde de zon achter grijze wolken in do duisternis neer der pijnboomen, rechts van hom lag de onregelmatige vierhoek dor boerderij, verder op aan den grooten weg do ellendige hutten van het dorp, achter hem de beek, die uit het westen naar het dorp stroomde en langs zijn oever een stroop weidegrond besproeide. Rondom de weide en het grasperk lagen de bouwlanden als in doodsche rust, de moeste waren door scheuten onkruid overdekt; op enkele maar zag men vette kluiten, de eenige teekenen van bebouwing. Uier en daar verhieven zich wilde perenboomon, do liefhebberij van don poolschon landman, sterke dikke stammen mot een breede kroon ; slechts deze wilde hoornen, de woningen van ontelbare vogels, brachten eonigo afwisseling in de eentonige vlakte, en aan den rand van den gezichteinder het donkere woud ; want achter weide en bouwgrond on achter hot gele zand werd het uitzicht in de rondte door een dicht donnonbosch beperkt. De lucht was grijs, do grond vaal, de boomen en struiken aan de beken zonder groen en het bosch, met zijn inhammen en uitspringende punten aan een wal gelijk, scheen dit deel der aarde van alle andere menschon af te snijden, en te gelijk van allo beschaving, van al wat hot leven veraangenamen en verfraaien kan.

Antons hart was beklemd. «Arme Leonore, ongelukkige menschon !» zuchtte hij hoorbaar en vouwde de handen. «Het ziet er hier afschuwelijk uit, maar dat kan verholpen worden. Wie geld en goeden smaak hoeft vermag alles. Dat huis kan men opknappen en inrichten zonder buitengewone kosten; gordijnen, tapijten, eonigo honderd voet vergulde lijsten, —■ de behanger en de schilder zouden dat in een prachtig kasteel verande-

ocr page 347

9

ren. Zonder groote moeite kan liet grasperk gelijk worden gemaakt, dan met fijn gras bezaaid, eenige bedden met bonte, vroolijke bloemen er in gebracht, verder op een tal heesters geplaatst, de hutten van het dorp achter groen verborgen. En mocht dan met het huis en het park het gevoel van kracht en de lust tot werkzaamheid terugkeeren, dan zou ook deze streek, thans de treurigste en de eenzaamste, die men zich voorstellen kan, een vroolijk gezicht kunnen leveren. Daartoe wordt niets gevorderd dan kapitaal menschenhanden en een geest van orde. Maar hoe zal de baron deze bezitting aantrelTen? De gemakkelijke, gezellige inrichting van dit huis kan eerst de vrucht zijn van een werkzaam en voorspoedig leven ; en het leven van den eigenaar is geknakt; zij kan slechts tot stand komen door de overschotten, die dit goed zijn eigenaar vrijwillig opbrengt, duizenden daalders zullen er noodig zijn om in deze wanorde het begin van een nieuw leven te brengen, en jaren zullen er verloopen, voor dat de grond meer levert dan de gelden voor het onderhoud of den schralen interest van het daarin gestoken kapitaal.»

Inmiddels beschouwde Karei met kennersoog twee kamers van de bovenverdieping. «Deze beide bevallen mij het best,» zei hij tot den kastelein. «Zij hebben gewitte muren, zij hebben een ordentelijke vloer, zij hebben kachels, ja, zoo waar, zij hebben zelfs vensters. De ruiten zijn wel stuk, maar totdat de glazenmaker komt, is papier niet te versmaden. Uier slaan wij onze tenten op. Kunt gij mij iets bezorgen, dat met bezems en schuurlappen weet om te gaan? Goed, gij kunt het, en hoor eens, zoek een vel papier of wat voor mij ; een lijmpot heb ik zelf. Wij willen dadelijk hout gaan halen, dan zal ik vuur aanleggen, lijm koken, papieren ruiten maken en de spleten dichtplakken. Maar help mij eerst ons goed van beneden hierheen brengen. Voorwaarts, marsch !»

Zijn ijver was aanstekelijk; de kastelein liet zich meenemen. De koffers werden in de kamer gebracht. Karei pakte een kist met allerlei gereedschap uit en de waard liep naar de herberg om een meid te halen.

Terwijl dit alles op het slot voorviel, draafden op den grooten weg eenige ruiters naar het kasteel toe, statige mannen, die er als heeren uitzagen ; zij hielden voor de woning van den opzichter stil. Een van hen steeg af en klopte hard op de gesloten deur. Anton riep zijn makker en Karei snelde over het grasperk de vreemdelingen te gemoet. De ruiters kwamen naar hem toe : «Goeden dag,» riep de een in goed duitsch. «Is de opzichter te huis?»

«Waar is de rentmeester ? Waar is Bratzky ?» vroegen de anderen, ongeduldig als het trappelen hunner paarden.

«Zoo gij den opzichter van dit landgoed bedoelt,» antwoordde Karei droogjes, «zal hij u niet ontloopen, al vindt gij hem ook hier niet.»

«Wat beteekent dat?» vroeg de eerste en kwam nader bij Karei. «Ik verzoek u duidelijk te spreken.»

«Wilt gij mijnheer Bratzky zien, dan moet ge u de moeite getroosten naar de stad te rijden ; hij zit achter de tralies.»

De paarden steigerden, de ruiters drongen op Karei aan, levendige uitroepen in het poolsch vlogen van aller lippen. «Achter de tralies! Waarom ?»

«Dat moet ge aan mijn meester vragen,» hernam Karei en wees naar de deur van den toren, waar Anton zich vertoonde.

ocr page 348

10

«Heb ik liet genoegen den nieuwen eigenaar van het landgoed le zien ?» vroeg een der ruiters aan Anton en nam zijn hoed even af. Anton keek verbaasd naar den vreemdeling ; stem en gelaat deden hem aan een heer denken met wit glacé handschoenen, die in hachelijke omstan-dioiieden een alles behalve aangenamen ijver had laten blijken, om standrecht over Anton te houden. «Ik ben de rentmeester van den baron Van Rothsattel,» antwoordde hij. Met paard deed twee sprongen achteruit,

de ruiter keerde zich snel om en sprak eenige woorden tot zijn makkers.

Daar riep een oudachtig man met een sluw vossengezicht; «Wij wensch-ten gaarne den vorigen opzichter in een zaak, die voor u van geen belang is, te spreken. Wij hooren dat hij in verzekerde bewaring is quot;•enornen en verzoeken u ons te zoggen, waarom.»

«Hij heeft zich uit de voeten gemaakt om zich aan het overgeven der goederen te onttrekken en daardoor het vermoeden op zich geladen dat hij oneerlijk heeft gehandeld.»

«Is er beslag gelegd op zijn inboedel vroeg de untei weei. «Waarom vraagt gij dat?» zei Anton van zijn kant. . . , , «Neem mij niet kwalijk,» hernam de eerste, «de man had bij toeval eeniquot;'e stukken onder zich', die mij toebehooren: het zou mij in verlegenheid brengen zoo de vrije beschikking daarover mij werd ontnomen.»

«Zijn papieren zijn met hem naar de stad overgebracht,» antwoordde Anton. Daarop reden de vreemde heerén door elkaar, wisselden enkele woorden en vlogen toen na een korten groet in gestrekten draf naar het dorp terug; daar hielden zij een oogenblik voor de herberg op en verdwenen emdelijk op den grooten weg achter het bosch.

«Wat of die menschen willen?» vroeg Karei. «Dat was met recht een

vliegend bezoek.» , , ■ . i i t

Ja, inderdaad,» zei Anton, «ik meen ook reden te hebben om het voor zeer vreemd te houden. Zoo ik mij niet vergis, heb ik een dier heeren reeds vroeger, maar in een geheel andere omgeving, gezien. Waarschijnlijk heeft die Bratzky zich door den onrechtvaardigen mammon vrienden weten te maken.» ... i •

De avondschemering omhulde kasteel en woud in haar grauwen sluier. De knechts keerden met de paarden uit het bosch terug. Karei bracht ze voor Anton, sprak hen in het poolsch met korte woorden aan, en nam ze daarop voor hun nieuwen heer in dienst. Later kwam de kastelein nog even aanloopen ; hij bracht water en een dracht hout en zei tot Anton : «Ik verzoek u, mijnheer, dezen nacht toch vooral voorzichtig le zijn ; de boeren zitten in de herberg en redeneeren druk over uw komst; er zijn kwade kerels onder. Ik zou er niet op durven zweren, dat niet do een of ander van nacht een zwavelstok in het stroo zal werpen en u het huis af branden.»

«Ik vertrouw dat niemand het zal doen,» hernam Karei, een groot blok in do kachel leggende. «Er waait een liefelijke koelte naar den kant van het dorp. Niemand zal zoo gek zijn zichzelven de vol e schuur in brand steken, Wij zullen er voor zorgen dat die zeilde westenwind van heden af voortdurend blijft waaien zoo lang wij hier zijn. Vertel dat de vrienden maar. — Hebt ge mij de twee aardappelen meegebracht ?»

iVnton bestelde den kastelein tegen den volgenden morgen en de beide reizigers bleven alleen in het eenzame kasteel.

«Voor dat brandstichten behoeft ge niet bang te wezen, mynheer An-

ocr page 349

11

ton,» begon Karei, «overal in de wereld is het de gewoonte van dronken lui om daarmee te dreigen. En per slot van rekening — met allen eerbied gezegd — zou bet nog zoo'n groot ongeluk niet zijn. — Komaan, mijnheer Anton, nu zijn we onder ons, nu merkt men bijna niets van dat poolsche leven, nu begint bet gezellig te worden.»

«Ge hebt gelijk,» zei Anton en schoof zijn stoel dichter bij de kachel.

Vroolijk knapte het hout en het roode schijnsel van de vlam deed zijn best op de vloer een vurig tapijt te schilderen en strepen van licht en schaduw door do kamer le werpen.

«Dat vuurtje doet goed,» zei Anton, «maar ruik je geen rook?»

«Natuurlijk,» hervatte Karei, die met zijn mes ronde gaten in de aardappelen boorde. «Juist de beste kachels rooken in het begin van den winter het ergst, totdat zij weer aan liet werk gewoon zijn. En vooral deze dikbuik heeft wellicht sints een menschenleven geen vuur gezien; het spreekt dus van zelf dat hij niet zoo dadelijk goed trekt. Kom, snijd gij een stuk brood af en stop die reten dicht, ik ben bezig met de kandelaars te maken.» Hij nam een groot pak kaarsen, sneed de onderste helft der aardappels af, stak in elk een kaars, zette ze op tafel en haalde toen den blikken trommel. «Die is onuitputtelijk,» zei hij, »hij houdt het nog tot morgenmiddag uit.»

«Wel zeker,» bevestigde Anton vroolijk. «Ik heb een heerlijken eetlust. En laat ons nu eens bepraten hoe we ons huishouden zullen inrichten. De meubelen, die we niet missen kunnen, laten we uit de stad komen; ik zal terstond een lijst opmaken. Maar dat eene lioht doen we uit, we moeten zuinig wezen.»

Zoo ging de avond voorbij onder het maken van allerlei plannen. Karei kwam op den goeden inval dat hij uit oude kisten en planken binnen weinige uren een groot deel van de meubelen kon maken. En vroolijk klonk nu en dan het lachen der vrienden binnen de wanden van het sombere slot. Eindelijk besloot Anton naar bed te gaan. Zij schudden hun leger van stroo en hooi wat op, en zochten hun matrassen en dekens. Karei hing een slot aan de deur, onderzocht do lading van zijn karabijn, nam zijn aardappel, en zei met de hand aan de muts: «Hoe laat gelieft mijnheer de gevolmachtigde morgen geroepen te worden ?»

«Beste jongen !» riep Anton, hem de hand toereikende.

Zoo stapte Karei naar het zijvertrek, dat hij voor zich had gekozen. Kort daarop gingen de beide lichten uit, de eerste levensflikkering, die voor het eerst sinds jaren in het slot zich weer vertoonde, In de kachel droomden de kabouters nog lang over het vuur, zij gonsden in den schoorsteen, zij klopten aan de deuren en vensters, verbaasd over het werk der vreemde mannen. Eindelijk vlogen ze gezamenlijk naar een hoek van den ouden toren, en begonnen onder elkander te twisten of de vlam die heden avond ontstoken was, van nu af zou voortbranden, en of van nu af alle dagen een vroolijk licht uit de vensters op het grasperk, de weiden en het bosch zou schijnen. En terwijl zij in twijfel waren of het nieuwe sterk genoeg zou zijn om zich staande te houden, verdreef de rook de vleermuizen uit haar woningen in den schoorsteen, zoodat ze slaapdronken om de spitsen van den toren (ladderden, en de nachtuilen in de spleten der muren schudden bedenkelijk hun dikken kop en klaagden over den «tegenwoordigen tijd,»

ocr page 350

ll2

II.

Itiid op de gebaande wegen des levens gewandeld heeft, beschermd door wet, bepaald door orde, zeden en instellingen, welke in ziin vaderland sinds eeuwen van geslacht op geslacht zich hebben vooi -o-eulant en die zich plotseling geheel alleen onder vreemden ziet vei -ulaatst' waar de wet haar rechten nog niet kan handhaven en waar hij iich door eigen inspanning het recht om te blijven leven moet vei-overen hij beseft dan ten volle den zegen der heilige betrekkingen, door duizenden van natuurgenooten om den enkelen q®quot;

o-eroepen: de familie, de medearbeiders, den volkstam, den staat, ün verschilliquot;' of hij in den vreemde wint of verliest hij wordt een ander wezen Is hij zwak, dan zal hij zijn eigen karakter aan de vieemde machten opofferen, onder wier midden hij gekomen is. Heeft luj aan-letï voor een man, dan is zijn uur geslagen, ihibbe dierbaar woiden he'm de zegeningen, in wier bezit hij opgegroeid, wellicht ook dc voo -oordeelen waarmee hij behebt was ; en veel .lat hij anders als onver-schilliquot;' zou hebben beschouwd, zooals lucht en zonneschijn, woidt nu /ün hooKSte quot;ood. Eerst in het buitenland leert men het bekoorlijke der moedertaal kennen, eerst daar ziet men in wat het vader-

la Ook Anton zou ondervinden wat hij bezat en wat hem nog ontbrak Dadelijk den eersten morgen begon hij het terrein te veikennen c on te nemen. De bezitting bestond uit het landgoed en drie pacht-hoeven • slechts de helft van den grond was door den ploeg beweikt, een klein gedeelte lag als weide, genoegzaam de he ft wasch bosch en lanquot;s den zoom daarvan niets dan dor zand. Kasteel en doip la0en midden in den grooten cirkel door het bosch gevormd, twee pachthoe-v a n te quot;en over elkaar, een aan den oost-, de ander aan den westkant, beiden achter boomgroepen verborgen. De derde hoeve in het zuiden tardoor hei boscl^vai. het landgoed gescheiden had een eigen woning, on werd sinds onheugelijken tijd als een op zich zelf staa, sLu be-

schouwd. Zij bevatte meer dan een vierde van de geheele uitgestiekt

heid had een branderij, en was sedert eemge jaren aan een braude-wijnstoker, een welgezeten man, verpacht, ^

was door Ehtenthal voor eemge jaren verlengd de hum prys wa o-eriiiK en meer in het voordeel van den pachter dan van den e ^e n rir bepaald. Intusschen was toch dit kontrakt in de tegenwooidige olmtandiUieden een geluk voor het goed, daar het althans eemge renten opbracht. Het verwaarloosde bosch stond onder een ho

Ve De' eerste wandeling door de velden van het landgoed was alles ^-halve opwekkend ; de akkers waren, bijna zonder uitzondering, ^lstiekt niet voor het winterzaad in orde gebracht, en miu' een snoren van de ploegschaar vertoonde, was de vrucht dooi de bewoneis v in het dorp quot;cstolen, die het onbeheerde goed als hun buit beschouwde en de vreemde kolonisten knorrig en met kwalijk verborgen 1-nmpn Sinds iaren hadden zij geen spandienst noch handenai beid vei iel , en^e schout; di^n Anton bif zich liet komen, verklaarde op hoogen toon dat de gemeente het herleven van oude tijden met hebt zou gedooge. IJij deed alsof hij geen woord duitsch verstond en ook Kareis welsj;

Wie a

ocr page 351

13

kendheid kon hem niets dan halve zinnen afpersen. De bouwgrond, verwaarloosd en met onkruid bedekt, was op vele plaatsen beter dan Anton had durven verwachten, en de kastelein roemde de vruchtbaarheid; alleen in de nabijheid van het woud scheen de grond armoedig, hier en daar zelfs voor den graanbouw ongeschikt.

«Dat zal een zwaren dag geven,» zei Anton, zijn portefeuille in den zak stekende. «Laat de britska inspannen, wij zullen do koeien gaan zien.»

De hoeve, waar het rundvee zijn verblijf hield, lag in het westen, op een half uur afstand van het slot. Een ellendige stal, daar naast een knechtswoning, dat was alles. De kudde en een paar trekossen waren den meesterknecht toevertrouwd; hij woonde daar met zijn vrouw en een onnoozelen schaapherder. De menschen verstonden haast geen duitsch en boezemden weinig vertrouwen in ; de vrouw was onzindelijk, zonder schoenen en kousen, haar melkemmers hadden het reinigende vermogen van het water waarschijnlijk maar zelden ondervonden. De knecht en soms ook de herder ploegden met de ossen, waar het hun goeddacht; de kudden graasden op de onbebouwde akkers van de hoeve. «Hier is werk voor je,» zei Anton, «onderzoek de kudde en welke de voorraad wintervoeder is. Ik teeken de gebouwen op en den inboedel.» Karei kwam terug met het bericht: «Vierentwintig melkkoeien, ongeveer de helft jong goedje, en een oude stier ; hoogstens een dozijn koeien zijn te gebruiken, de andere doodeters. Over het geheel is het een slecht ras; in vroegere dagen zijn hier vreemde koeien waarschijnlijk uit Zwitserland, heengebracht, en daarbij een stier, die voor de hier tehuis behoorende soort veel te groot was; van daar is het een akelig vermengd slag van dieren. De beste stukken zijn ongetwijfeld verruild, want enkele armzalige beesten loopen onder de kudde, die zich bij elkaar houden ; ze kunnen nog niet lang onder de andere zijn. Wat het voeder betreft, er is nog wat hooi voor den winter en eenige zakken haver; stroo ontbreekt geheel en al.»

«De gebouwen zien er bitter uit:» riep Anton. «Naar de branderij, koetsier! Ik heb het huurkontrakt nauwkeurig doorgelezen en voel me daar nog het best thuis.»

De wagen ging over een slechte brug over een beek, verder dooi' akkers en een kale zandvlakte, spaarzaam met paardebloemen en grassprieten begi'oeid, in wier wortels somtijds het zaadje van een denne-boom had gekiemd en als kromme struik zijn takken over het zand uitstrekte. Dan volgde het bosch, kreupelhout en jonge boomen, met groote openingen, waar het kale zand bloot lag; overal wortels van gevelde boomen, met mos en heiplanten begroeid. Stap voor stap zwoegden de paarden door het mulle zand, geen van de beide reisgenooten sprak een woord, ongeduldig vestigde zich hun blik op iederen boom, dien een gelukkig toeval hooger en breeder had doen opschieten dan zijn magere buren.

Eindelijk werd het uitzicht weer ruimer; nog een dozijn denneboo-men, en op nieuw lag voor de reizigers een vlakte even zoo eentonig, even zoo met hout omringd, als de hoeve die zij juist hadden verlaten. Voor hen stond een dorpskerkje; zij reden voorbij een houten kruis en hielden op de open plaats der hofstede stil. De bi ander scheen reeds van hun komst te hebben gehoord; wellicht was hij met de omstandigheden van den baron beter bekend dan Anton aangenaam was, want hij ontving zijn bezoek met het uiterlijk van iemand, die zijn waarde

ocr page 352

u

voelde en die begreep dat hij niet zoo gemakkelijk kon gemist worden. 't Was maar mode dat liij hem in een leege kamer geleidde, en een zijner eerste vragen was; «Gelooft gij dan dat Von Rothsattel het goed zal kunnen aanhouden ? Er is veel aan te doen, en naar ik hoor is hij de man niet om er groote kapitalen in te kunnen steken.»

De aanmatigende en trotsche toon hinderde Anton, maar hij antwoordde met deze kalme zelfbeheersching, die de handel aan zijn ingewijden verleent : «Zoo gij mij vraagt ot' mijnheer do baron Von Rothsattel het landgoed zal aanhouden, geef ik u daarom ten antwoord, dat hij dit dan voornamenlijk zal kunnen doen, wanneer zijn pachters en huurders hun verplichtingen getrouw vervullen. Thans ben ik hier om te onderzoeken of' gij zelf daaraan hebt voldaan. Ik ben niet volmacht toegerust om uw inboedel, op grond van het huurcontract op le nemen. En gij als eenigen prijs stelt, nu of voor het vervolg, op de welwillendheid van mijnheer den baron, geef ik n den welgemeenden raad beleefder te zijn tegenover zijn vertegenwoordiger.»

«De gunst van den baron is mij gansch en al onverschillig,» hervatte de opgeblazen brander. «Maar daar gij van uw volmacht spreekt, laat me dan dat papier zien.»

«Hier is ze,» zei Anton, het stuk uit zijn zak halende.

De brander las het geschrift oplettend door, of nam er ten minste den schijn van, eindelijk gaf hij het onverschillig terug en zei op lompen toon : «Ik weet wel niet of gij het recht hebt mijn huis door te loopen, maar ik heb er niets tegen. Ga uw gang en neem maar op wat ge wilt.» Daarbij zette hij zijn pet op, keerde zich om, en wilde naar het andere vertrek gaan.

Karei greep in zijn woede een stoel en stampte er mee op den grond, doch Anton sneed den brander haastig den weg at en zei op een kalmen maar vastberaden toon ; «Ik laat u de keus of gij ons terstond zelf de geheele hofstee wilt rondvoeren of dat ik een inventaris door de rechtbank zal laten opmaken. Het laatste zal u op kosten jagen, die ik voor onnoodig houd. Uw tegenwoordigheid is noozakelijk om behoorlijk te inventariseeren en daarom zijt gij verplicht ons zelf te begeleiden. Buitendien wil ik u nog vertellen, dat voor iederen pachter de gunst van den eigenaar noodzakelijk is, als hij den huurtermijn verlangt te verlengen; en uw contract loopt binnen twee jaar af. Ook mij is het ver van aangenaam, in uw gezelschap (le eerstvolgende uren door te brengen ; als sij echter tegenover mij de plichten van het contract en der beleefdheid niet nakomt, zal de eigenaar uwer hofstee van de eerste afwijking der vastgestelde bepalingen gebruik maken om zijn betrekking tot u door de rechtbank le laten vernietigen. Nu kunt gij kiezen.»

De man staarde eenige oogenblikken versuft op het vast besloten gelaat van Anton en zei ten laatste; «Als gij er dan volstrekt op staat het was zoo kwaad niet gemeend.» Onwillekeurig kwam hij aan zijn pet en wees hem den weg naar buiten. Anton volgde hem en nam weder zijn portefeuille in de hand. De opname ving nu aan. No. i. Woonhuis. liet dak beschadigd. — No. 'i. Een koestal; een stuk van den muur omgevallen enz. — Zoo ging er een lange tijd voorbij met alles te bezien en nu en dan te twisten. De bedaarde houding van Anton en het krijgshaftig uiterlijk van zijn makker misten hun uitwerking op den brander niet;

ocr page 353

liij werd kleiner en prevelde ten laatste zelfs eenige verontschuldigingen. Toen Anton den wagen eindelijk weer liet voorkomen, zei hij tot den man: «Ik geef n vier weken tijd om de zaken, waarop ik aanmerking heb gemaakt, te herstellen. Na verloop daarvan kom ik terug.» En van den wagen af riep Karei den lompert toe: «Zoudt gij nu ook zoo goed willen zijn uw pet af te nemen, zooals ik doe? 't Is nu het juiste oogenblik. — Zoo is het goed, mettertijd zult gij het wel lee-ren. Vooruit, koetsier! — Als gij terugkomt,» zei hij tol Anton «zal die man zijn als een oorwurm, die uit een pruim komt kruipen. Hij is dik geworden op die hofstede.»

«En het riddergoed slechter door hem,» merkte Anton. — «Naar de nieuwe hofstede.»

Een armoedig woonhuis, aan den eenen kant de lange schaapskooi, aan den anderen de paardenstal en de schuur.

«'t Is vreemd,» zoi Karei, van verre de gebouwen bemerkende, «daar zijn geen gaten in het dak; ginds in den hoek is een lap nieuw stroo ingezet. Zoo waar ik leef, het dak is gerepareerd.»

«Dit is onze laatste hoop,» hernam Anton.

«Toen de wagen voorreed, vertoonde zich aan het venster het gelaat van een jonge vrouw, naast haar een blond krullekopje, beiden trokken zich haastig terug.

«Deze stee is het juweeltje van het goed,» i iep Karei en sprong over het portier het rijtuig uit. «Uier heb je duidelijke sporen van een mesthoop. Ginds loopt een haan en de kipjes er achteraan; waarachtig! een formeele haan met een prachtigen staart. En kijk eens, bloemen voor het raam! Hoezee! hier is een huismoeder, hier is het vaderland, hier zijn Duitscbers 1»

De vrouw kwam naar buiten, een zindelijk, knap mensch, gevolgd door den krullebol, die op het gezicht van de vreemdelingen zoo gauw hij kon zijn duim in den mond stak en zicli achter hot schort zijner moeder verborg. Anton vroeg haar naar den man. «Hij kan uw rijtuig van het veld zien, hij zal dadelijk hier zijn,» antwoordde de vrouw blozend. Zij verzocht de heeren binnen te komen en stofte met haar boezelaar een paar houten stoelen af. Het was een klein vertrek met witte muren, de meubels rood geverfd, maai' zindelijk onderhouden; op de kachel stond de koffie te koken, in den hoek tikte een ouderwetsche klok, en op een klein houten rekje stonden twee geschilderde porseleinen beeldjes en eenige kopjes; daaronder een dozijn boeken. Voor den spiegel stond een vliegenvanger en daarboven hing de fraai versierde tuchtroede, liet was het eerste gezellig en ordelijk vertrek, dat zij op de gelieele uitgestrektheid van het goed aantroffen.

«Een gezangboek en een tuchtroede,» sprak Anton vriendelijk, «ik denk dat gij een brave vrouw zijt. Kom eens hier kleine man.» Hij trok den verbaasden knaap naar zich toe en liet hem op zijn knieën rijden, in stap, in draf, in galop, totdat het ventje eindelijk besloot zijn handen ergens anders dan in zijn mond te bergen.

«Dat kent hij,» zei de moeder verheugd; «zijn vader doet het net zoo, als hij zoet is.»

«Gij hebt hier een moeielijken tijd gehad,» merkte Anton aan.

ocr page 354

«Octi, mijnheer,» riep de vrouw, «toen wij hoorden dat een Duit-scher het goed had gekocht, en dat wij nu alles voor u in orda moesten houder), en dat gij weldra komen en wellicht u hier vestigen zoudt, zijn wij zoo blij geweest als kinderen. Mijn man was den ganschen dag als iemand die wat te diep in het glaasje heeft gekeken, en ik heb van blijdschap geweend. Wij dachten dat er nu eindelijk eens orde in de zaken zou komen, en men wil dan toch gaarne weten voor wien men werkt. Mijn man heeft ernstig met den schaapherder gesproken, hÜ is ook uit onze streek — en zij hebben met hun beiden bepaald dat zij het niet lijdelijk zouden toezien, als de rentmeester nog iets wou verkoopen. En dat heeft mijn man den rentmeester zeiven ook gezegd; maar sints weken is hier niemand geweest; wij hebben alle dagen in de herberg laten hooren, en mijn man is naar Rosmin gegaan, en heeft bij de rechtbank gevraagd, totdat het ten laatste heette, dat gij in het geheel niet zoudt komen en het goed weer verkocht zou worden. Toen, het is nu bijna veertien dagen geleden, is de rentmeester met een vreemden slager gekomen en heeft verlangd dat mijn man hem de rammen zou geven. Mijn man weigerde het. Daarop hebben zij hem bedreigd en met geweld naar den stal willen sleepen. Doch de herder en mijn man hebben zich verzet en de twee anderen afgeslagen. Toen zijn ze al vloekende weggereden en schreeuwden dat zij de schapen toch wel zouden krijgen. Sints dien dag hebben onze mannen alle nachten gewaakt, ginds hangt het geladen geweer, dat mijn man te leen heeft gevraagd; en als de herdershond blafte of' er eenig leven in den tuin werd gehoord, ben ik opgesprongen en heb voor mijn man en liet kind vreeselijke angsten uitgestaan. liet is hier een gevaarlijk soort van menschen mijnheer de rentmeester; dat zult gij ook ondervinden.»

«Ik vertrouw dat veel ten goede zal veranderen,» zei Anton. Gij hebt hier een eenzaam leven.»

«Ja, wel eenzaam,» antwoordde de vrouw; «wij komen bijna nooit in het dorp; en alleen zondags nu en dan in de duitsche dorpen, als we naar de kerk gaan. Maar hier in huis is er altijd wat te doen, en,» vervolgde zij verlegen, «ik zal het maar ronduit zeggen, als gij het niet goed vindt, is het ook in eens gedaan. Ik heb een kleine plek grond achter de schuur omgespit, wij hebben er een heining om geplaatst en er een tuin van gemaakt, daar heb ik voor mij verbouwd, wat ik voor de keuken noodig had en dan,» ging zij stamelende voort, «dan zijn er nog de kippen, en een dozijn eenden, en, och, neem het mij niet kwalijk, de ganzen op de stoppelvelden, en,» zij sprak, met haar boezelaar de oogen afwisschende, «ook nog een koe en een kalf.»

«Ons kalf,» riep de kleine krullebol luid en sloeg met de beide handen op Antons knie.

«Als gij het niet goed vindt dat ik vee voor ons heb gehouden,» zei zij steeds weenende, «zal het niet langer gebeuren. Loon heeft mijn man eii de herder sints de laatste schering niet ontvangen, en wat we tot ons onderhoud noodig hadden, hebben we door verkoopen ons moeten aan-schaffen; maar mijn man heeft van alles boek gehouden en hij zal het u voorleggen, opdat gij zien moogt dat we geen oneerlijke lui zijn.»

«ik hoop dat het zoo zal uitkomen,» troostte Anton de bewogen vrouw. «Laat mij intusschen uw tuin zien; als het eenigszins kan zult gij hem houden.»

ocr page 355

-17

«Er is niets meor in,» zei de vrouw zich verontscluildigende en geleidde de gasten naai' de omheinde ruimte, waarvan de bedden voor den winterbouw reeds waren omgespit. Zij bukte voorover, om van de bloemen die nog over waren een ruiker te maken, enkele asters, en haar trots, de herfstviooltjes. Zij bond ze bij malkaar en reikte ze Anton toe. «Omdat gij een Duitscher zijt,» zei zij met een vriendelijk lachje.

Daar hoorde men haastige schreden naderen. De pachter kwam tnet roode wangen in zijn werkpak aanloopen en groette beleefd, 't Was een l ijzig jong man met een schrander gezicht dat vertrouwen inboezemde. Anton zei hem eenige opwekkende woorden, en in zijn ijver ijlde de man naar huis en haalde zijn rekenboek voor den dag.

«Laat ons eerst de boerderij bezien,» zei Anton, «de boeken neem ik mee; morgen komt gij op het kasteel, en dan bepraten wij de zaken nader.»

«De paarden zijn op het veld,» verklaarde de boer, «den cénen ploeg bestuur ik zelf, bij den anderen moet de herdersknecht helpen. Er zijn slechts vier paarden hier, vroeger stonden er twaalf op stal. Wij hebben dit jaar weinig meer verbouwd dan wat we moesten opbrengen en voeder voor het vee. Alles ontbrak.» Toch was de wandeling door de boerderij verkwikkelijk, de gebouwen waren vrij wel in orde, en de aanwezige voorraad deed de hoop koesteren de kudde den winter door te kunnen behouden. Het laatst opende de boer met een tevreden gelaat een deur in den gang van het woonhuis en wees op een hoop erwten, «tiet stroo hebt ge boven op de schaapskooi gezien, hier zijn de boonen, ik heb ze voor den rentmeester verborgen, omdat ik meende dat zij u toekwamen. Er liep wat eigenbaat onder,» voegde hij er eerlijk bij, «want het was zoo met ons gesteld, dat we niets meer kregen, en ik moest op een middeltje bedacht zijn om onze hofstede het leven te redden, als de winter geen hulp aanbracht.»

De vrouw van den pachter kwam met haar jongen er bij, toen de mannen weggingen; haar gelaat straalde van blijdschap over de vermoedelijke verbetering van haar lot.

«liet is goed,» zei Anton glimlachend, «ik hoop dat wij het samen wel zullen vinden. En nu naar de schapen. Wij gaan, kom met ons mee, vriend!» De wagen reed langzaam over het veld; de boei' weidde met lust uit over den toestand der verschillende stukken; geen vierdedeel van den bouwgrond, die tot de boerderij behoorde, was bewerkt; heele akkers lagen sints jaren als weidegrond in rust.

Ongeduldig snelde Karei vooruit, toen zij het wollige volkje naderden, dat nu bijna de eenige schat van het goed was. Langzaam, met groote passen, kwam de herder de vreemdelingen te gemoet, gevolgd door zijn twee honden, den goed gedresseerden oude, die gelijken tred met zijn heer hield en even opmerkzaam als zijn meester, den nieuwen rentmeester van het goed zag naderen, en een jongen spring-in-'t veld, die als leerling in het moeielijke vak van herdershond te vergeefs zijn best deed het uiterlijk van kalme waardigheid te handhaven. Telkens liep hij weer in jeugdige vurigheid zijn meester vooruit en blafte tegen de vreemden, totdat een afkeurend geknor van zijn zeer geleerden kameraad hem tot staan bracht. De herder nam met veel deftigheid zijn breed-geranden vilten hoed af' en wachtte dat de vreemdeling hem aansprak. Als denkend wezen en natuurkundige wist hij natuurlijk wien hij voor DEBET EN CUEUIT II. '2

ocr page 356

-18

zich zag maar het zou iemand, wiens gelieele leven daarop gericht was voorbarigheid en overijling bij schapen en honden te bestraffen, al zeer slecht hebben gestaan, zoo hij zelf de nieuwsgierigheid van een bokje had verraden. De boer presenteerde met een beweging zijner handde beide heeren aan den herder en deze knikte meermalen met het hoofd op een manier, die duidelijk te kennen gat dat hij de waarheid der verzekering geheel en al beaamde. «Len knappe kudde, herder,» sprak Anton tot hem.

«Vijfhonderd vijfentwintig stuk,» antwoordde do herder; «daaronder achtenzestig lammeren en daar ginds veertig rammen.»

Hij zocht met vorschende blikken onder de kudde naar een schaap, dat in zich de wenschelijke eigenschappen vereenigde om als proefstuk vertoond te kunnen worden, boog zich voorover, pakte het dier met vluggen greep bij de achterpooten en liet de wol bewonderen. Karei begon het onderzoek. Het waren groote sterk gebouwde dieren, zeer geschikt voor het goed, en wat hun gezondheid en wol betrof, in veel beter staat dan men verwacht had. «Als ze goed voer krijgen, geven zij kostelijke wol,» zei de herder trotsch. «'t Is puik.»

Een' onnoozel wicht van een jaar was onvoorzichtig genoeg om te hoesten. De herder zag ontevreden naar het onbescheiden dier. «De kudde is volmaakt gezond,» zei hij.

«Hoe lang zijt ge hier in dienst?» vroeg Anton.

«Negen jaar,» antwoordde hij. Toen ik hier kwam was het vee, evenals de poedels in de stad, van achteren kaal geschoren. Het heeft wat moeite gekost; niemand had zich om de kudde bekreund; maar t is toch alles in orde gekomen. Als ik maar altijd boonenstroo had gehad en dezen winter een behoorlijken voorraad boonen voor de moeders.»

«We zullen zien wat er gedaan kan worden,» sprak Anton; «het is dezen winter krapjes met den voorraad gesteld.»

«Dat is waar,» zei de herder «maar (lit is hier een schoone weidegrond.»

«Ik wil graag gelooven,» hernam Anton lachende, «dat uw schapen niet ontevreden zijn. Er zijn hier niet veel akkers, waarop uw hond niet in ieder jaargetijde zal hebben geblaft. Tot mijn genoegen heb ik gehoord hoe dapper gij de kudde voor uw nieuwen meester verdedigd hebt. Zijn de menschen hier u dikwijls hinderlijk geweest.'»

«Hier niet meer dan ergens anders, mijnheer,» antwoordde de herder, «de menschen zijn overal dezelfde, zij willen niet naar goeden raad luisteren en hebben geen overleg, ik dresseer liever een hond voor de kudde, dan een mensch.» Met zijn beenen wijd uiteen leunde hij op zijn staf en zag met innige tevredenheid op zijn hond, die intusschen aan zijn plicht gedachtig, de kudde samen geblaft had en naar zijn meester terug kwam om zijn neus vertrouwelijk aan diens broek af te vegen. «Kijk me dien hond eens aan! Als ik een hond twee jaar in de leer heb gehad, is hij of goed, óf hij is niet goed. Is hij niet goed, jaag ik hem weg en dan is het afgeloopen; als hij eenmaal goed is geworden, kan ik zoo lang hij leeft op hem rekenen als op mij zeiven. Dien jongen ginds bij de rammen heb ik al drie jaar in dienst en ik kan er geen uur voor instaan dat hij niet den een of anderen mallen inval krijgt, en in plaats van mijn schapen rechtsaf te drijven, zelf naar den linkerkant loopt. Daarom zeg ik u, op een mensch is geen staat te maken.»

ocr page 357

19

«En op wien verlaat gij u dan in deze wereld?» vroeg Anton.

«In do eerste plaats op mij zelvon,» antwoordde de herder, «want ik ken mij; en dan op mijn hond. Krumbovv, dien ken ik ook;eii ten laatste nog, zoo als het behoort,» — hij knikte met zijn hoofd naar den hemel, daarop floot hij zijn hond, Krambow ging weer de ronde maken. «En gij,» vervolgde de herder, «zult gij bij den baron blijven ?»

«Ik denk van ja,» antwoordde Anton.

«En mag ik nog vragen in welke hoedanigheid? Opzichter en rentmeester zijt ge niet, want gij hebt de rammen nog niet opgenomen. Die rammen moeten weg, 't wordt hoog tijd. Dus, mag ik u vragen, wat zijt gij bij den nieuwen eigenaar?»

«Als ik dan een titel moet hebben,» sprak Anton, «noem mij dan boekhouder.»

«Boekhouder,» zei de herder peinzend, «dan mag ik wel met u over mijn loon spreken.»

«Dat moogt gij, herder; maar den volgenden keer als ik u wederzie.»

«liet heelt geen haast,» hernam de herder, «men wil alleen graag weten hoe men het heeft. In mijn kamer is een ruit stuk, de glazenmaker zal nu wel eens op het kasteel komen, dan verzoek ik u, mijnheer de boekhouder, aati mij te denken.»

Karei en de pachter kwamen terug. Anton riep den koetsier toe: «Naar den houtvester.»

Wilt ge naar den houtvester,» vroeg de landman met een verlegen gezicht.

«Hij wil naar den houtvester! herhaalde de heider en kwam naderbij.

«Waarom bevreemdt u dat?» vroeg Anton, die reeds in het iij-tuig zat. J

«'t Is maar,» zei de landbouwer stotterend, «die houtvester is een wonderlijke vent. En als mijnheer de baron niet zelf komt, zal hij zich niet overgeven.»

«Woont hij dan in een vesting?» vroeg Anton lachend.

«Hij heeft zich ten minste goed versterkt,» zei de boer, «en laat niemand in zijn huis; hij leeft al heel raar.»

«'t Is een boschmensch,» bevestigde de herder, met het hoofd knikkende.

«De Polen zeggen dat hij een toovenaar is,» vervolgde de pachter.

«Hij kan zich onzichtbaar maken, zeggen ze,» riep de schaapherder.

«Geloof' gij dat ook?» vroeg Karei vroolijk.

«Neen, er zijn geen toovenaars of heksen meer,» zei de herder met sterke afkeuring van dat vooroordeel, «hier in het dorp gelooven nog velen er aan. De houtvester is een gewoon mensch.»

«Hij is in den grond een goed man, maar hij heeft zoo zijn eigenaardigheden,» zei de landbouwer.

«Ik hoop dat hij mijn volmacht zal erkennen en eerbiedigen,» antwoordde Anton, «'tzou in zijn eigen nadeel zijn als hij het niet deed.»

«liet zal toch beter wezen, zoo ik eerst met den houtvester spreek,» verzocht de boer. «Als gij mij wilt toestaan met n te rijden - hij stelt nog al vertrouwen in mij.»

«Wat mij betreft, ga uw gang,» sprak Anton, «neem de teugels, de knecht kan intusschen den ploeg besturen, op onzen terugtocht zetten we u af. En nu vooruit, naar den gevaarlijken man.»

ocr page 358

20

De pachter draaide een zijweg in, die tusschen jonge denneboomen naar het bosch voerde. Het was dorre zandgrond, het gewas armoedig, en over wortelen en steenen ging men het boscli steeds dieper in. Toen zij aan een partij van vijftienjarig hout gekomen waren, brak de rijweg af, de boer sloeg de teugels om een boom en verzocht de hoeren af te stijgen. Langs een smal voetpad wandelden zij door een dicht dennenwoud verder, de lange naalden raakten aan hun kleederen; zij ademden een sterke houtlucht in. Achter het jonge hout liep de grond af, de bodem werd vochtig, een zacht leger van groen mos lag daar uitgespreid, en een groep prachtige beuken verhief trotsch den donkeren kruinenboog in de lucht. Hier lag des houtvesters woning, door de bruine takken der boomen overschaduwd; een eenvoudig houten gebouw, met een sterke heining uit eikenplanken omgeven, waar langs aan den buitenkant een driedubbele rij van jonge pijn-boomen geplant was. Ken kleine beek kabbelde onder het hout voort; onder de bladen van groote varenkruiden verscholen, rolde zij murmelend over eenige steenen. Beneden het frissche mos, daarboven de stammen van eeuwenheugende boomen, met vele kruipplanten begroeid, en in het verschiet het huis achter de groene heining verborgen; dat was een gezicht, dat na zooveel heide en zand wel goed moest doen. Nergens was een weg te zien, door het mos niet eens het spoor van een voetpad; alleen het hondengeblaf bij het huis scheen aan te duiden dat niet «de schoone slaapster» of «klein duimpje met zijn broers» in de hut woonden, maar wezenlijke menschen.

De mannen liepen de heining rond tot ze aan een smalle deur kwamen, die uit sterke planken getimmerd en goed gesloten was.

«Zijn goudvink zit boven voor liet venster,» zei de boer, «dus is hij thuis.»

«Hoep hem dan,» gelastte Anton.

«Hij weet al lang dat wij hier zijn,» antwoordde hij en wees op een menigte kleine openingen in de heining. «Ziet gij die .spionneergaten ? Hij was al bezig ons op te nemen, maar dat is zoo zijn manier van doen. ik moet het signaal geven, anders maakt hij niet open.» De boer stak twee vingers in zijn mond en lloot driemaal, maar alles bleef stil. «Hij is kwaad,» zei de pachter bezorgd. Wederom gilde het fluitje, zoodat het geblaf der honden in gehuil overging, en de goudvink aan het dakvenster met zijn vleugels sloeg.

Eindelijk riep een barsche stem van den anderen kant der verschansing:

«Wien voor den drommel brengt gij me daar?»

«Doe open, houtvester,» zei de boer, «de nieuwe heer is hier.»

«Loop naar den duivel met Je nieuwen heer,» antwoordde de stem knorrig, «ik heb al mooi genoeg van al dat kommandeeren.»

De landman zag geheel ontsteld naar Anton. «Maak de deur open,» sprak deze, «het is raadzaam voor u goedschiks te doen, waartoe wij u anders zullen dwingen.»

«Dwingen?» vroeg de stem, «pas maar op dat ge het hier niet te kwaad mee krijgt.» Een geweer met dubbelen loop stak zijn neus door de deur naar buiten en bewoog zich gemakkelijk in alle richtingen.

«Het geweer zal u niet baten,» hernam Anton, «wij hebben iets bij ons

ocr page 359

21

dat van lieden af in dit boscli meer kracht zal hebben dan het geweld: de wet en ons goed recht.»

«Zoo?» vroeg de stem, en wie zijt gij dan?»

«Ik ben de gevolmachtigde van den nieuwen eigenaar en beveel u open te maken.»

«Heet ge Mozes of Levi ?» riep de stem weer. «Ik wil met geen gevolmachtigde ter wereld iets te maken hebben. Wie als gevolmachtigde tot mij komt, houd ik voor een schurk.»

«Nu, dan mag de duivel je komen halen,» riep Karei, ten hoogste verbolgen. «Wie heeft je in de wereld geschopt, om zoo oneerbiedig van mijn heer te spreken, jou vervloekte hondsvot ?»

«Hondsvot ?» hernam de stem ; «dat vind ik goed ; dat is het verstandigste woord dat ik in lang heb gehoord.» üe grendel werd weggeschoven en de houtvester kwam buiten de deur, die hij weer achter zich dicht sloot. Het was een klein breed geschouderd man met wit haar en een langen grijzen baard, die lol op zijn borst hing; in het gerimpelde verweerde gelaat llonkerden twee sluwe oogen uls kolen ; hij had een dikken, kaalgesleten rok aan, waar zon en regen geen kleur meer op hadden gelalen, hield zijn geweer in de hand en zag de vreemdelingen norsch aan. Zoo geleek hij wel een boomstam uit het bosch. Eindelijk zeide hij: «Wie heeft hier gescholden?»

«Ik,» antwoordde Karei, lol hem naderende, «en ge zult meer krijgen dan scheldwoorden, als ge in uw ongehoorzaamheid volhardt.»

«Wat hebt ge voor oen pet op? vroeg de oude, Karei oplettend bekijkende.

«Zijt ge dan in uw bosch een paddestoel geworden, dat gij die niet kent?» hernam Kaïel en zwaaide met zijn politiemuts om zijn hoofd.

«Huzaar?» vroeg de oude.

«Invalide,» antwoordde Karei,

De oude wees op een klein linlje aan zijn rok. «Landweer,» zei hij, «1813 en 1814.»

Karei sloeg aan ; «Eere wien eere toekomt, oude, maar een lompert zijt ge locli.»

«Nu, en aan u zou men niet zeggen dat go een invalide zijl,» zei de houtvester. «Je ziel er nog dol genoeg uil en vloeken kunt ge ook. Dus zijt ge geen schacheraars en kwanselaars ?» vroeg hij, zich tot Anton wendende.

«Nu wees dan toch verstandig,» riep de pachter,» Deze heer hier heeft den last hel goed over te nemen en van nu af te bestieren, totdat do eigenaar zelf komt. We zullen betere dagen krijgen, vriend; deze heer is geheel anders, dan die in den laatsen lijd hier waren. Je loopt immers Je eigen ongeluk in den mond door je weerbarstig gedrag ?»

«Meen je?» zei de houtvester. «Bekommer je niet om mijn ongeluk, dat zal ik zelf wel redden. Dus zijt ge een gevolmachtigde ? In de laatste jaren is hier telkens een ander gekomen met een volmacht. En dat wil ik u zeggen,» vervolgde hij driftig en deed eenige passen voorwaarts, «boeken en rekeningen vindt ge bij niet. Mijn zaken staan zoo: Sinds vijfjaren ben ik, als houtvester van dit bosch, voortdurend met gevolmachligden in strijd geweest; ieder van hen heeft hout laten vellen voor zijn eigen zak, en ten laatste zijn de boeren gekomen van de dorpen in den omtrek en hebben

ocr page 360

22

hout gebaald, zooveel ze wilden ; en als ik hun de ijzeren punt van mijn stok onder de neus liield, hielden ze mij een briefje van den schurkachtigen, gevolmachtigden onder den neus, die hun tot alles vrijheid gaf'. Ik had niets meer te zeggen en heb toen voor mij zeiven geleefd. Wild is er weinig ; wat ik geschoten heb, heb, ik opgegeten en de vellen verkocht, want een mensch moet toch leven. Sinds vijf jaren heb ik geen duit loon gezien; ik lieb het dus zelf genomen. Ieder jaar vijftien stammen van deze hoornen hier. Zoo ver als ge daar die gerooide plek ziet, stond overal negentigjarig hout, vijfmaal vijftien stammen heb ik voor mij geveld; voor nog drie winters is er voorraad, tot zoolang loopt mijn rekening. Als de laatste omgehakt was, wou ik mijn honden doodschieten en voor mij een stille plaats in het bosch opzoeken.» Somber zag hij op den grond. «Dertig jaren heb ik hier gewoond; mijn vrouw en kinderen heb ik op het duitsche kerkhof begraven; wat er nu verder met mij gebeurt kan mij niet schelen. Zoo ver als het geblaf mijner honden reikt en mijn kogel draagt, is het woud in goeden toestand; in het overige hebben de gevolmachtigden den baas gespeeld. Daar hebt ge mijn rekening en verantwoording; doe nu met mij wat ge wilt.» In hevigen toorn stampte hij met den kolf op den grond.»

«Op hetgeen gij mij hier verteld hebt.» sprak Anton, «zal ik u in de houtvesterswoning, en in de kamer die van nu af het eigendom is van den baron Von Rothsattel, bescheid geven.» Hij naderde tot de deur en lei de hand op de houten klink. «Alzoo neem ik het eigendom van den baron in bezit.» Hij opende de deur en wenkte den houtvester : «Houd uw honden achter en breng ons naar de kamer, zooals het past.»

De houtvester sprak niet tegen; langzaam ging hij vooruit, beval de honden stil te zijn, en opende de huisdeur.

Anton trad met zijn gezelschap de kamer binnen. «En nu, houtvester,» zei hij, «dat gij ons het huis geopend hebt, wil ik u terstond antwoord geven. Wat tot op heden door u aan het bosch gedaan is, kan niet veranderd worden; en daarvan zal voortaan geen spraak meer zijn. Van nu af ontvangt gij weer uw vast inkomen en uw deel aan hout, en wij zullen daarover samen een nieuw contract sluiten, lin van heden af stel ik het bosch en alles wat tot het bosch en de jacht behoort, onder uw toezicht. Uw plicht dus is om als een braaf houtverster des eigenaars goed recht te verdedigen, en met dit oogenblik reeds begint uw verantwoordelijkheid. Ik zal u handhaven en beschermen bij elke wettelijke handeling ; en waar mijn macht ontoereikend is, zal ik de hulp der wet voor ons inroepen. Elke schade, het bosch aangedaan, zullen we streng bestraffen, en zoodoende aan de vernieling een einde maken. Een beter orde zal op deze verwaarloosde bezittingen worden ingevoerd, en de nieuwe eigenaar verwacht van u dat gij als een gehoorzaam en getrouw dienaar hem zult behulpzaam wezen. Ook het wilde leven in het bosch, dat gij in de laatste jaren hebt geleid, moet ophouden ; wij zijn landgenooten, gij zult geregeld op het kasteel komen en rapport doen van den staat van het woud ; en wij zullen er voor morgen dat gij u in uw oude dagen niet verlaten gevoelt. Zijt gij bereid eerlijk alles te doen, wat ik verlang, geef mij dan uw hand.»

Do houtvester had verbaasd met afgenomen pet de toespraak van Anton aangehoord, nu greep hij de hem aangeboden hand en zei : «Ja, dat wil ik.

ocr page 361

23

«Met dezen handdruk,» vervolgde Anton, «noem ik u in naam des nieuwen eigenaars in zijn dienst.»

De houtvester hield langen tijd Antons hand in de zijne vast en riep eindelijk: «Als ik het nog beleef, dat het hier op het landgoed beter toegaat, zal ik recht gelukkig zijn. Ik wil doen wat ik kan, maar ik z?g het u vooruit, er zal een zware wijs op gaan. Door de opzichters en de schandelijke administratie zijn de lui hier in den omtrek als roovers geworden, en ik vrees dat mijn oud geweer menigmaal het laatste woord zal moeten spreken.

«Wij zullen geen onrecht verdragen en geen onrecht doen; den uilslap; moeten we afwachten,» hervatte Anton ernstig. «En nu, mijn vriend, laat ons uw woning zien, en maak u klaar om ons naar het bosch te begeleiden.» Anton wandelde door het kleine huis; het was uit balken getimmerd, de kamer van binnen met planken beslagen. Door de kleine ruiten viel liet licht somber naar binnen; de bruine kleur der planken en de zolder met zwarte balken vermeerderden de duisternis en gaven aan het vertrek iets spookachtigs. Met moeite kon men herkennen wat rondom aan den muur hing, als hertekoppen, halsbanden, jachtgereedschap en opgezette vogels. Hij de kachel .stond een kleine kast met keukengerij. «Ik ben mijn eigen kok,» zei de houtvester, «wat ik noodig heb haal ik uit de herberg.» Voor het venster hingen vogelkooien, twee, drie boven elkaar, en het getjilp van de kleine diertjes, een onophoudelijk gekijf, lokken en babbelen, klonk als een geheimzinnig gesprek, dat het bosch zelf met zijn ouden beschermgeest hield. Dicht bij de kachel zat een oude raaf; de witte veeren aan zijn kop en vleugels bewezen den hoogen ouderdom van den vogel, liij zat ingedoken en scheen geheel in gedachten verloren, doch zijn heldere oogen volgden iedere beweging dei vreemden. Naast het woonvertrek was de slaapkamer; daar hingen de geweren; onder het bed was een houten kast. Traliewerk voor het venster scheen aan te duiden dat dit de citadel was van het huis.

«Waarheen leidt deze deur?» vroeg Anton, op een luik in den grond wijzende.

«'t Is een keldergat,» antwoordde de houtvester weifelende.

«Is hij verwulfd?» vroeg Anton.

«Ik wil hem u wel laten zien,» zei de houtvester, «als gij alleen wilt meegaan.

«Wacht ons voor op de plaats,» riep Anton Karei en den pachter toe.

De houtvester stak een lamp aan, grendelde zorgvuldig de deur dicht en ging met het licht vooruit. «Nooit had ik gedacht,» zei hij, «dat bij mijn leven een vreemd oog mijn geheim zou zien.» Weinige trappen voerden naar beneden in een nauwe kluis, die door een scheur in den muur een flauw licht ontving. Aan den eenen kant was de vloer opgebroken; een lage, glooiende gang liep onder den grond door, de opening werd door boomstammen, die in een scherpen hoek zich yer-eenigden, vrij gehouden.

«Dit is mijn dassenhol,» zei de houtvester en hield de lamp in de driehoekige opening; «die gang gaat onder den grond door tot in het jonge hout; hij is meer dan veertig pas lang en ik heb geruimen tijd noodig gehad om hem uit te graven. Langs dien wegkruip ik het huis uit en er weer in, zonder dat iemand het merkt, aan hem heb ik het

ocr page 362

to danken dut ik liier het leven heb gehouden, want hij is de reden dut de domme boeren mij voor een toovenaar houden. Als zij mij beloerden en gezien hadden, dat ik de deur van de heining achter mij had gesloten en zij veilig meenden (e kunnen stelen, stond ik op eens weer achter hen. liet is nu al eenige jaren geleden dat een bende mijn huis overviel, toen was het op mijn leven gemunt, maar ik kroop als een das door de pijp. Verraad gij aan niemand, wat ik u heb laten zien.»

Dit beloofde Anton volgaarne en zij keerden naar de plaats voor het huis terug. Daar vonden zij Karei druk bezig met den houten bak van een jongen vos tusschen vier stokken, die hij in den grond sloeg, vast te zetten. De vos was zeer ongevoelig voor de beleefdheid van den huzaar; woedend toonde hij hem zijn tanden, rammelde met zijn ketting, en beproefde aanhoudend onder de plank door, waarmee Karei tijdelijk zijn hok had gesloten, de handen en de kleeren van den vreemdeling aan te vallen. «Wou je mijn hand zoenen, lieve roodkop!» riep Karei timmerend, «je bent een vriendelijke jongen, wat een lieve zachte oogen heb je! Zie zoo, klaar is Kees, nu kun je er over springen en terug. Uij is goed gedresseerd, houtvester. Een goedaardig dier, juist uw aard, kameraad!» De houtvester lachte. «Kunt ge met een vossenval omgaan?»

«Dat denk ik,» zei Karei.

«Er zijn meer van die gasten in deze streek,» vervolgde de houtvester, «als ge lust hebt, zullen we den val aanstaanden Zondag uitzetten.»

Zoo wandelden allen in de beste verstandhouding het bosch door. Anton riep den houtvester tot zich en liet zich door hem de noodige inlichtingen geven. Wat de oude hem te zeggen had, was wel niet heel opbeurend; het hout dat geveld kon worden was ternauwernood voldoende voor het huishouden. liet oude phmdersysteem had den houtbouw geheel te gronde gericht. Toen de houtvester aan de grens van het bosch zijn pet afnam en eerbiedig vroeg hoe laat hij den vol-quot;enden dag op het kasteel kon komen, bemerkte Anton met blijdschap dat het hem gelukt was de inwendige onrust te verbergen, die hem in zijn nieuwe betrekking dikwijls kwelde.

«Zie,» zei hij tot zijn trouwen Karei, toen beiden 's avonds bij de vroo-lijk brandende kachel zat^n,» «dat is het juist, wat mij hier de meeste zorg geeft; ik gevoel mij onwetend en hulpeloos tegenover den minsten knecht, en toch rust de taak op mij ook het bestuur zelf in eere te houden. Hoe weinig de goede wil alleen baat, heb ik in deze twee dagen al duidelijk ingezien, üeef mij nu eens goeden raad. Wat zullen we nu het eerst in dezen stand van zaken doen?»

«Wat van het vee onbruikbaar is, verkoopt gij terstond; de oneerlijke lui bij de koeien jaagt ge dadelijk weg. Het rundvee en de paarden laat ge op den grooten stal brengen, zoodat zij onder zeker toezicht staan. Wat met de geringe middelen die voorhanden zijn nog op het land kan gewerkt worden, dat moeten we bedaard doen, niet overhaast. In de eerste plaats moet er stroo en haver worden verkocht. Hier op het goed geeft gij tot toekomende lente, wann'eer een bepaalde opzichter noodig zal wezen, mij het opzicht ; ik zul mijn werk niet zoo heel goed doen, maar toch beter dan eenig ander van uw menschen.»

ocr page 363

Tiet was laat in den avond toen een haastige tred op de trappen werd gehoord. Met een groote stallantaarn en een gezicht vol jobstijdingen kwam de kastelein de kamer binnen.» Ik wou u toch even komen zeggen wat ik daar gehoord heb. Een Duitscher uit Kunau, die zoo juist doorkwam, heeft de tijding gebracht dat Bratzky gisteren niet in Rosmin is aangekomen.»

«Wat? niet gekomen?» riep Anton, opspringend.

«Een half uur van Rosmin is de wagen in het bosch door vier ruiters overvallen, liet was donker. Dratzky zat geboeid in het rijtuig, do diender naast hem. De ruiters echter hebben dezen aangegrepen, hem gebonden, Hmlsky met al zijn bagage uit den wagen genomen, en zijn met hem in het bosch verdwenen. Twee van hen zijn achter gebleven en hebben den koetsier gedwongen van den groeten weg in een kreupelbosch te rijden en daar hebben ze twee uren achtereen den koetsier en den diender hun pistolen voorgehouden. Daarop zijn zij ook vertrokken. De koetsier zegt dat de paarden heerepaarden waren en dat de mannen als grootelui met elkander spraken. De diender is zwaar gewond, verder hebben zij hem niets gedaan ; alleen uw klacht voor de rechtbank hebben ze hem ontnomen.»

De beide vrienden zagen elkander verbaasd aan en dachten aan de ruiters van den vorigen dag.

«Waar is de man die u het bericht heeft gebracht?» vroeg Anton en nam zijn hoed.

«Hij had haast om verder te komen, daar het al zoo donker was,» antwoordde de kastelein. «Morgen zullen we wel wat anders van het geval hoeren. Dit is sints jaren niet gebeurd, dat zij te paard een wagen hebben aangerand, waarin nog wel een diender zit. Als zij bij ons gestolen hebben, deden zij hot altijd te voet.»

«Kent gij een der ruiters, die gisteren middag hier in het dorp waren en naar den vorigen rentmeester vroegen ?» zei Anton.

De kastelein wierp een schuinschen blik op Anton en aarzelde te antwoorden.

«Nu,» sprak Anton driftig; «de heeren waren toch uit deze streek, den een of ander moet gij er wel van kennen.»

«En hoe zou ik hen niet kennen?» bevatte de kastelein gejaagd.' «'t Is immers de rijke mijnheer quot;Von Tarow zelf met zijn gasten. Een invloedrijk man, mijnheer Wohlfart, die ook het politietoezicht heeft over uw goederen. En wat had hij te maken met dien Bratsky? Bratzky heeft als rentmeester hier ook de politie waargenomen en is meermalen een agent geweest voor de adellijke heeren bij het koopen van paarden en dergelijken. Als nu do politie met Bratsky een woord heeft willen spreken, waarom zou zij dat niet mogen ? Die heeren Von Tarow zijn slimme vogels en weten best wat zij te doen en wat zij te zeggen hebben.» Zoo sprak de kastelein met een grooten woordenstroom, maar zijn oogen en de uitdrukking van zijn gelaat scheen heel iets anders te zeggen.

«Gij verdenkt iemand van dien aanslag; en de reden waarom?» riep Anton den kastelein strak aanziende.

«God beware mij om iemand of iets te verdenken,» vervolgde de kastelein verschrikt. «En mijnheer Wohlfart, als ik zoo vrij mag zijn u mijn gevoelen openhartig te zeggen, waarom zoudt gij ook iemand verdenken. Gij zult hier al genoeg te doen hebben met het goed en

ocr page 364

26

met de adellijke heemi, meer dan u aangenaam is. Waarom zo ik it ge u nog zonder noodzaak vijanden op den hals halen? Het is hier het land waar de groote heeren gerneene zaak maken, en zich vast aaneensluiten. Wie er zich niet aan stoort, handelt het verstandigst.»

Toen de kastelein met een «goeden nacht» de kamer had verlaten, zei Anton tot zijn trouwen gezel : «Ik vrees dat niet slechts dit gespuis ons moeite zal geven, maar dat er nog iets om ons gesponnen wordt, waartegen wij met al onze scherpzinnigheid niets zullen kunnen uitrichten.»

De drieste aanranding bracht de geheele streek in beweging. Anton werd de eerstvolgende weken herhaaldelijk naar Rosmin ontboden; zijn verklaringen hadden geen gevolg; het gelukte de rechterlijke macht niet de daders op het spoor te komen ot' den persoon van den ontvoerden rentmeester in handen te krijgen.

ill.

De eerste weken verliepen voor onze beide kolonisten onder zoovele werkzaamheden, dat zij zich 's avonds doodmoede op het leger wierpen. Langzamerhand begonnen zij zich thuis te gevoelen. Karei was den volgenden dag terstond ids opzichter aangesteld en voerde met krachtige hand de teugels van zijn bestuur. Uet huishouden en de keuken liet Anton aan een knappe vrouw over, die hij op een duitsch dorp uit den omtrek gevonden had ; zij zorgde voor den eenvoudlgen kost der slotbewoners en der knechts. De moeielijkste taak was om op eenigszins goeden voet met het dorp te komen. Intusschen gelukte het aan de kalme vastberadenheid van Anion een uitbarsting van de ontevredenen te voorkomen; een zijner eerste maatregelen was dat hij bij het gemeentebestuur op een vernietiging der wederzijdsche verplichtingen aandrong. Kareis huzarenmantel trok enkele oudgedienden aan, en door hen. de toongevers in her dorp, wonnen de vreemdelingen ook eenigen invloed op de anderen. Ten laatste boden ver-scheidenen uit eigen beweging zich aan om op liet slot te werken om als daglooners te arbeiden.

Anton had aan de barones geschreven en haar den toestand van het goed, de onaangename buurtschap en zijn bezwaren tegen de overkomst der familie, althans voor den eersten winter, niet verzwegen. Jlij had gevraagd ot' zij niet liever tot het voorjaar in de hoofdstad zou willen blijven. Jn antwoord kwam een brief van Leonore, waarin zij hem op last harer ouders mededeelde, dat zij in weerwil van zijn schrijven bij hun plan bleven om de stad te verlaten, waar een langer verblijf haar vader en ook de dames zelve pijnlijk was. Zij verzocht hem het slot zoo goed mogelijk in orde te brengen. Anton riep zijn getrouwen deelgenoot toe : «Zij komen toch!»

«Sapperloot!» zei Karei, «'t is gelukkig, dat wo naar de noodigste men-schen gevraagd hebben, metselaars, schrijnwerkers, smeden, glazenmakers. Zoo gij het goed vindt, zend ik dadelijk een bodo naar Rosmin. Als ik

ocr page 365

27

maar die ellendige bruine olieverf van de deuren liün afkrijgen, zij bedekt het schoone eikenhout, maar loog helpt niets. — Dus hoeveel kachels bobben we noodig ?»

Nu begon een ernstig overleg. «Do geheele benedenverdieping laten we zooals zij is,)? zei Anton, «de vensters betimmeren wij met dikke planken, alleen bij de opening in het voorhuis maken wij een sterke deur, omdat men daar alle uren voorbij moet. Zooals de muren nu zijn knnnen zij niet blijven, en wij hebben hier niemand clan een metselaar uit Uosmin.»

«Als dat het geval is,» meende Karei, «stel ik voor dat wij de kamers zelve beschilderen. Ik ben een eerste meester in het marmeren.»

«Zoudt gij dat kunnen doen ?» hernam Anton, zijn vriend eenigszins bekommerd aanziende. «Neen, we zullen liever alle kamers op dezelfde wijs laten verven ; wat zeg Je van bruin ?»

«Wel, dat is nog zoo kwaad niet,» zei Karei.

«Ik weet dat freule Leonore die kleur boven alle andere verkiest. Maar het moet niet te donker zijn, een frissche nuance uit geel, grijs, rood en groen, mogelijk ook wat zwart.»

«Ah zoo!» zei Karei overbluft, «zoo'n zekere kleur.»

«Natuurlijk,» vervolgde Anton haastig en schoof zijn stoel naderbij, «wij zullen zelf de verf maken.»

«Dat is een werkje voor mij.» zei Karei terstond, «maar ik zeg u vooruit dat die muurverven ellendelingen zijn. Zij strijken blauw aan en den volgenden dag is het wit. (ie hebt het mooiste in den kwasten als bet op den muur ingedroogd is, ziet het er uit als vuil linnen.»

«Om je de waarheid te zeggen,» hernam Anton, «we zullen het de dames toch niet naar haar zin maken; me dunkt, we moesten het maar zoo inrichten dat het ordentelijk is en er dragelijk uitziet.»

Den volgenden dag ging het hameren en verven aan den gang. In de benedenverdieping sloeg de schrijnwerker met zijn volk zijn hoofdkwartier op, boven ging de witkwast onvermoeid langs de wanden, en witte gedaanten met groote voorschotten droegen de witpotten trap op trap at. Karei was dien ganschen tijd als een man met tien armen; zoo dikwerf hij van zijn eigen zaken zich vrij kon maken, streek hij met het eerste het beste penseel over het hout of de muren, liep met een duimstok rond, sloeg spijkers en gordijnhaken in, en was in een oogwenk weer op het veld en in den paardenstal. Overal lloot hij lustig zijn soldatendeuntjes en zette de daglooners aan. Toen de voor-loopige schikkingen in huis wat gevorderd waren, werd hij met zekere verfraaiingswoede vervuld. Hij had een voorraad olieverf ingeslagen, die hij voortreffelijk vond en lei nu een zeldzaam talent in bet schilderen aan den dag. Trouw ondernam hij aan een menigte voorwerpen, die hem voor een verfje geschikt toeschenen, het uiterlijk van gevlamd hout te geven ; en het gelukte hem met behulp van een penneveer en zachte penseelen heerlijke efleiiteii te maken. Zijn schoonheidszin strekte zich zelfs tot de boerderij uit en hij liet Anton geen rust voordat deze hem toestond ook daar de kleiwanden af te poetsen. «Met dit weer droogt het als in den zomer,» zei Karei, «de rieten daken kan ik niet opfrisschen, dat is mijn eenige grief.» Maar daarom liet hij zich het genoegen niet ontnemen twee nieuwe aardappelwagens, de oude waterton en de beste ploegen met een helder blauwe olieverf op te knappen. «Er moet hier op do plaats toch iets zijn, waarop het oog

ocr page 366

28

met ploizier kan i'usten,» zei lüj, zich verontscluiIJigendo. «En hüt maakt goede rekening ook, want die Polen hier gaan veel voorzichtiger om met alles, wat behoorlijk in de verf' is.»

Het kasteel was gebrekkig in orde, toen op een konden Decemberdag de komst van den baron en zijn familie verwacht werd. üe hemel zelf was Kareis wenschen gunstig geweest; hij had zijn helder wit over het aardrijk uitgespreid en veel onaangenaams voor het oog der nieuwe gasten verborgen. De sneeuw lag op het grasperk en het zand, de toppen der dennen waren met witte kronen versierd en aan de bladerlooze hoornen schitterden de takken van prachtige ijskris-tallen. De leelijke stroodaken van de dorpswoningen waren wit, op de gebroken brugleuning lag de weldaad uit de wolken als bevroren scluiim; elke vooruitspringende hoek van het kasteel, de tinnen van den toren, de lijsten van het dak, alles droeg een wit feestelijk gewaad, en heerlijk staken de donkerbruine muren daarbij af. Het was voor de slotbewoners een flag vol beslommeringen en gespannen verwachting. Wagens met meubelen en huisraad werden uitgepakt en alles, zoo goed het in der haast mogelijk was, geplaatst. De huishoudster en de vrouw van den pachter vlochten groote kransen van wintergroen en versierden het voorhuis en de kamerdeuren.

Nu ging de zon onder en de zilvertint, die over het landschap had gelegen, veranderde in een gouden glans, daarna in een Hauw rood, totdat ook dit schijnsel verbleekte en de opkomende maan velden en bosch met een spookachtig licht bescheen. In huis werden eenige hanglampen aangestoken, in de vertrekken zoo veel kaarsen mogelijk geplaatst; in alle kachels brandde het vuur en de lekker ver-warmde kamers waren met de gezonde hartsgeur van de dennentakken vervuld. Na vele vergeefsche proeven had Anton eindelijk de bruine kleur gevonden, waarnaar hij zoo zeer had verlangd. De bonte gordijnen waren neergelaten en de geopende reeks van zalen zag er bij den glans der kaarsen dien avond zoo prettig uit, dat Anton zich verwonderd afvroeg: hoe het werk van eenige weken zoo groot eeti verandering had kunnen teweegbrengen. Karei had aan beide kanten van het kasteel pektonnen geplaatst, haar flikkerend licht viel op de sneeuw en wierp in groote kringen een rood schijnsel op do muren van het slot.

Beneden iu het voorhuis waren de dignitarissen der nieuwe bezitting in orde geschaard. Met een nieuwen groenen rok aan, op zijn borst het eeremetaal van zijn dienstjaren, en een hartsvanger op zijde, stond do houtvester in krijgshaftige houding naast den landbouwer en den herder. De huishoudster en de vrouw van den boer hadden haar beste linten op de mutsen gespeld en dribbelden ongeduldig en gejaagd om de mannen heen. Ook Karei sloot zich in zijn zondagspak bij hen aan. lutusschen wandelde Anton nog eenmaal de vertrekken door en luisterde naar de zweepslagen, die hem reeds van verre de komst des barons zouden aankondigen. Hevig klopte zijn hart, want ook voor hem zou van heden af een nieuwe tijd beginnen. Hoe rijk ook aan ontberingen het leven der kolonisten tot dien dag geweest was, hij en zijn trouwe makker hadden zich als meesters van het kasteel gevoeld, zij hadden in hun

ocr page 367

20

vriendscliappelijken omgang zelfs moeielij'ke uren aangenaam doorgebracht. Thans was Karei naar de boerderij getrokken. Anton moest op het verlangen van den baron in een vertrek van liet kasteel hlij-ven; daardoor kwam hij in dagelijksche aanraking met de familie, én hij vroeg zich af hoe zijn hooding tegenover hem zou wezen. De baron zelf was hem bijkans geheel vreemd, slechts enkele malen had hij hem even gesproken; in de ziekekamer, onder hevige smarten, had do lijdei de volmacht voor hem geieekend. Hoe zouden zijn persoonlijkheid en zijn bemoeiingen den baron bevallen? En dan, de man was blind. Ja, gehuel blind. Leonore had geschreven dat de dokter geen hoop had haar vader ooit het gezicht te kunnen geven. Uit medelijden had men die vreeselijke tijding voor den baron geheim gehouden; hijzelf troostte zich in zijn duisternis nog altijd met de verwachting, dat de tijd en een geoefende hand zouden wegnemen, wat als eeu donkere wolk over zijn oogen lag. Zijn trouwen vriend had Anton de waarheid niet verzwegen, ook aan de onderhoorigen had hij moeten zoggen, dat de baron tegenwoordig aan de oogen leed en een blinddoek droeg, Kn uit aller gezicht had hij kunnen lezen, hoezeer zij begrepen dat liet een ongeluk was, wanneer het oog des meesters niet over zijn goed kon waken. — En wederom klopte zijn hart onrustig, als hij aan Leonore dacht, met wie hij nu als huisgenoot dagelijks zou omgaan. Hoe zouden zij en haar moeder zich tegenover hem houden? ilij nam zich stellig voor alles te onderdrukken wat hij op dien oogenblik voor een dwaze aanmatiging hield, hij wou zich terstond op zoodanigen voet plaatsen, dat zij zijn eigenliefde niet konden krenken. En toch vroeg hij zich of zij hem als een vertrouwde en een gelijkgeboren huisgenoot zouden behandelen ; dan of zij hem zouden laten gevoelen dat hij hun brood at en in hun dienst stond. Te vergeefs zei hij zich dat hij zelf dit laatste moest verkiezen. Telkens weer rezen droombeelden uit zijn vroege jeugd in hem op, en bedacht hij hoe bekoorlijk het leven met Leonore voor hem kon worden.

Uit het dorp hoorde men de zweepslagen der koetsiers; in twee rijtuigen naderde het gezelschap het kasteel. Rondom de pektonnen stonden de dagloouers, de kastelein, en enkelen uit het dorp. Haastig opende de pachter het portier, en toen Leonore uitsteeg en haar gelaat door het heldere licht beschenen werd, drongen de vrouwen vooruit, de mannen hieven een luid gejuich aan, allen zagen in gespannen verwachting naar het rijtuig. Maar de voorkomendheid, waarmee de goede menschen zich beijverd hadden de gasten te begroeten, werd door geen vriendelijken wedergroet beantwoord. Met moeite werd de baron uit het rijtuig geholpen, met gebogen hoofd stapte hij, door zijn dochter en den knecht ondersteund, de trappen op. Uet bleeke gelaat der baronnes achter hen had slechts een stommen blik voor haar onderhoorigen, slechts een korten groet zelfs voor Anton, die hun te gemoet kwam om hun den weg naar de kamers te wijzen.

«Dat ziet er alles heel goed uit, mijnheer Wohlfart,» zei zij tot hem met bevende lippen en toen Anton bleef staan om haar eerste bevelen te ontvangen, wenkte zij hem met do hand en sprak : «Ik dank u.» Als de deur achter hem gesloten was, stond de baron ineengedoken, hulpeloos, midden in het vreemde vertrek, en brak de baronnes in een luid geween uit. Leonore leunde aan het venster ; zij zag naar buiten over de heldere sneeuw en naar den zwarten rand aan den gezichteinder,

ocr page 368

:iü

en dikke tranen biggelden ook haar langs de wangen. Met een beklemd hart keerde Anton naar de menschen beneden terug en zei hun, dat zijn meester en meesteres zeer vermoeid waren van de reis en hen eerst den volgenden dag zouden spreken. Karei liet de wagens uitpakken, geleidde de oude keukenmeid, die even uls haar gebiedster luid schreide naar het onderhuis en toonde haar do keuken. Niemand van do familie werd dien avond meer gezien. Weldra verdween het licht uit de kamers, alleen nog voor de deuren van het sombere kasteel flikkerde het pek in de tonnen ; door een rukwind voortgedreven waaiden de roode vlammen heen en weer en een vettige walm'trok langs de ramen op, waar de baron zat, niet zijn hoofd achter de handen verbolgen.

Zoo was de intrede van de familie in het slot.

«Hoe netjes heeft Wolfart alles ingericht, zei Leonore den anderen dag tot haar moeder.

«Die hooge vertrekken zijn akelig,» hernam de baronnes en wikkelde zitih rillende in haar doek; en dat eentonige bruin aan alle kanten maakt ze nog ongezelliger.»

«liet zal tijd worden hom eens hier te laten komen,» merkte de dochter verlegen op.

«Uw vader is nog niet in een stemming om hem te spreken.»

«Maar ge moet vader niet alleen met Wohlfart laten,» smeekte Leonore. «'t Zou vreeselijk zijn als vader hem onvriendelijk bejegende.»

De baronnes zuchtte. «Wij zullen er ons aan moeten gewennen een vreemdeling in ons huis te ontzien ; maar het zal uw vader, even als ons, moeite kosten.»

«Hoe zijt ge van plan het dagelijksche huishouden in te richten?» vroeg Leonore wederom. «Wohlfart zal toch met ons eten?»

«Dat kan niet,» antwoordde de baronnes bepaald. «Gij weet hoe treurig ons middageten afloopt; uw vader is nog niet bedaard genoeg om de dagelijksche tegenwoordigheid van een vreemdeling te kunnen vei dragen.»

«Moet hij dan met de dienstboden eten?» zei Leonore bitter.

«Er zal voor hem op zijn kamer worden gedekt; wij zullen hem Zondags bij ons aan tafel noodigen, en als uw vader het met hem vinden kan, ook dikwijls 's avonds; meer zou voor beide partijen een last wezen ; 'tis goed oin dadelijk en bij het begin zich een zekere vrijheid voor te behouden. De toestand van uw vader is daar een voldoende reden voor.»

Zij belde; Anton werd geroepen. Leonore ging hem bij zijn binnenkomen te gemoet en reikte hem zwijgend met vochtige oogen haar hand. Uok hij was aangedaan, toen hij op het gelaat der moeder de sporen van haar kommer las. De baronnes verzocht hem te gaan zitten en betuigde hem in uitgekozen woorden haar dank voor zijn trouwe zorgen. Zij liet hem vertellen wat hij op het kasteel had gedaan; zij prees genadig al zijn schikkingen en besprak met hem hoe zij nu het liuishouden wilde regelen. Zij vroeg hem daarbij als een vriend om zijn raad en liet zich door hemzelven voorstellen wat zij verlangde. Daarna ging zij voort:

«Mijn man wenscht u te spreken. Ik verzoek u dringend ieder oogen-blik te bedenken, dat de baron ziek is. Hij heeft vreeselijk geleden naar ziel en lichaam. Nog thans is hij geen dag zonder hevige pijnen, en het ongewone van zijn toestand foltert hem onophoudelijk. Wij zelve

ocr page 369

3-1

vermijden angstvallig al wat liem verbitteren kan, en tocli is het ons niet mogelijk uien, ja dagen van mismoedigheid van hem te weren. Ook gij zult toegevend zijn, zoo lüj in zijn sombere stemming n onaangenaam mocht behandelen. De tijd zul alles genezen, hoop ik, de tijd ook zal hem zijn rust teruggeven.»

Anton beloofde haar de grootst mogelijke omzichtigheid.

«Mijn man zal natuurlijk gaarne van alles onderricht willen worden, dat hem, als heer van dit goed, ter beslissing kan worden voorgelegd, liet laat zich verklaren, dat hij juist nu in zijn hulpbehoevenden toestand met een zekere ijverzucht er op gesteld is, zijn eigen zienswijze door te drijven, en toch zie ik met bezorgdheid eiken onaangenamen indruk te gemoet, die hem van buiten af kan worden gegeven. Daarom verzoek ik u, om zoo gij hem iets belangrijks hebt mee te deelen, het eerst aan mij te vertellen. Op die wijze gelukt het mij wellicht u menig pijnlijk uur te besparen. Ik zal mijn schrijftafel in een der vertrekken laten brengen, het naast bij uw kamer, en eiken morgen eenige uren daar doorbrengen. Leonore is do geheimsecretaris van haar vader geworden. Zoo zal het mogelijk zijn uw betrekking in ons huis u minder onaangenaam te maken. — Wees zoo goed hier even te wachten, ik zal uw bezoek aan den baron gaan aankondigen.»

De baronnes verliet de kamer. Anton zag ernstig voor zich neer. Leonore liep op hem toe en zei zoo vroolijk als zij kon ; «Alles bruin, Wohlfart; wij bruinen zuilen hier ook trouw ons aan elkander honden; ge vindt het maar half goed, dat wij hier gekomen zijn, gij ongalante ridder!

«Alleen om uwentwil,» hernam Anton en wees op het wintergezicht. «Als ik over de velden ging, heb ik telkens bij mij zeiven gedacht, hoe eenzaam gij het hier zoudt hebben. Als ik 's avonds door de groote zalen op en neer wandelde, vreesde ik dat de dagen u wat heel lang zouden duren. De hoofdplaats van het district is twee uren van hier, en ook daar zult gij weinig vinden; de kleine leesbibliotheek is niet eens voor u te gebruiken,»

«Welnu, dan zal ik teekenen,» zei Leonore: «ik z^il handwerkjes maken. Maar dat zal me zwaar vallen, mijnheer Wohltart ik ben er zoo onhandig in. Ik zelve geef niets om kragen en mouwen, maar mama, die gewoon is dat alles zoo in orde en in overvloed te hebben .. . och, ik heb zoo'n medelijden met mama!

Anton beproefde haar te troosten.

«Wij moesten uit de hoofdstad,» riep Leonore, «'t zou ons aller ongeluk zijn geweest, als we in die vroegere omgeving waren gebleven. Ons goed in vreemde handen, overal verlegen, koele gezichten, overal valsche vrienden, bittere woorden, en een beklagen, dat het hart boos maakt. Mij doet het goed hier onder ons te zijn. En als ik hier kou en honger moest verdragen, dan dat nog liever dan het schouderophalen van mevrouw Von Werner en haar kinderen. Ik heb de tnenschen lee-ren haten,» riep zij hartstochtelijk. — Als ge bij papa zijt geweest kom ik beneden, dan moet ge mij het huis, de plaats en het dorp laten zien; dlt; stel er belang in te weten waar mijn poney staat en hoe de tnenschen er hier uitzien.»

De baronnes kwam terug en geleidde Anton naar het vertrek van haar gemaal. Verlegen en met moeite verhief zich de baron van zijn stoel, loen Anton het vervallen gezicht, de gebogen houding en den

ocr page 370

32

zwarten doek over de oogen zag, gevoelde hij diep medelijden met den ongelukkige. Met vuur verklaarde liij hoe oprecht hij gezind was hem te dienen en hoezeer hij om toegevendheid verzocht zoo hij gedurende den verloopen tijd iets minder goed mocht hebben gedaan. Daarop vertelde hij hem nog eens hoe hij de zaken gevonden had en wat er tot nog toe verricht was.

üe baron luisterde zwijgend naar de mededeeling; slechts korte opmerkingen liet hij zich ontvallen. Toen Anton echter over de overige zaken van den baron begon te spreken, toen hij met de grootste kiesheid, maar toch zoo nadrukkelijk als het een rentmeester voegt, van de verplichtingen gewaagde, die thans op den baron rustten en van de ongenoegzame middelen om ze te vervullen, draaide de edelman op zijn stoel heen en weder, als een aangeklaagde op do pijnbank. En Anton ondervond terwijl hij sprak, hoe pijnlijk hel den baron moest zijn, dat hij als vreemdeling in diens geheimste belangen was ingewijd, hij een vreemdeling, die den anderen wel spaarde, maar bij ieder voorzichtig woord liet merken dat hij sparen moest. De baronnes, die achter den stoel stond, zag steeds angstiger hoe haar echtgenoot zich inspande om zijn toorn te onderdrukken; eindelijk wenkte zij met de hand en Anton moest midden in zijn verhaal afbreken. Nauwelijks had hij de kamer verlaten of' de baron keerde zich toornig naar zijn vrouw om en riep heftig bewogen; «Mevrouw, gij hebt mij onder cu-rateelen gesteld!» Hij was geheel buiten zichzelven, en te vergeefs trachtte de baronnes hem te bedaren.

Aldus was de intrede van Anton in do familie.

(Jok hij keerde treurig naar zijn kamer terug. In deze eerste uren begreep hij, dat bezwaarlijk de verhouding tusschen hem en den baron ooit dragelijk zou worden. Hij was in alle zaken aan spoed en duidelijkheid gewoon, en thans zou hij door den mond der dames, wellicht na langen omhaal en wijdloopige inlichtingen, een ongeschikt antwoord bekomen. Ook zijn betrekking tot de vrouwen lachte hem niet toe. De baronnes had hem met onderscheiding behandeld maar als een vreemde. Ook zij, vreesde hij, zou een groote dame blijven, die juist zoo veel vertrouwen schenkt als haar nuttig voorkomt, en iedere toenadering door een koele beleefdheid weet te voorkomen. Zelfs Leonores vriendelijke slem was niel bij machte hem op te wekken. Beiden wandelden zij door de plaats, in gedachten verzonken als twee handelaars, die aan niets anders dachten dan aan de waarde van het goed.

Even als in de eerste dagen van zijn verblijf was het leven voor Anton op het landgoed eenige maanden achtereenvolgens eentonig, ingespannen, gedwongen. Hij werkte en zat alleen op zijn kamer ; zwijgend bracht de oude knecht het eten op en nam het weer af. Ook wanneer hij als genoodigde met de familie den dag doorbracht, was het onderhoud niet zeer aangenaam. De baron zat als oen ijsklomp en maakte het onmogelijk dat het gesprek levendig werd. Vroeger had Anton de omgeving van de familie, de inrichting der vertrekken, de smaakvolle versiering der woning bewonderd. Thans stonden dezelfde meubels in de zalen, de vogeltjes der baronnes hadden door een zorgvuldige verpleging de bezwaren der reis

ocr page 371

33

doorgestaan, liet waren dezelfde tapijten, borduursels, dezelfde aangename geur, Maar nu, dat hij de vreemde vogels dagelijks zag, begonnen ze hem te vervelen, en aan de kamers vond hij weldra niets meer aardig, dan dat hij ze zelf in orde had gebracht.

Anton had een diepen edrbied gehad voor den gemakkelijken toon en de fijne vormen in den dagelijkschen omgang bij menschen van hoogen rang. Gedrukt, mismoedig en vernederend als de familie thans was, kon hij van haar deze bevallige opgeruimdheid niet verwachten, die hem in de danszalen van mevrouw Von Baldereck zoo aangenaam had aangedaan. Zij waren uit hun gewone kring losgescheurd, al de kleinigheden, die hun anders belang inboezemden, ontbraken. Gaarne bekende hij zich zeiven dat hij hun dit alles niet kou bezorgen. Maar er was nog iets anders, dat hem bevreemdde. Als hij na een stillen, bijna sprakeloozen avond naar zijn kamer terugkeerde, beklaagde hij zich dikwijls dat zij in veel dingen, die hem sints lang bekend waren, geen belangstelden, ja dat zij een geheel andere soort van beschaving hadden dan hij. En het duurde niet lang of hij nam de vrijheid te beweren, dat hun beschaving volstrekt niet de beste van de twee was. Het meerendeel van hetgeen hij geleerd had kende de familie niet; bij het praten over het courantenieuws, het gewone onderwerp van het gesprek, stond hij verbaasd over het weinige begrip dat zij hadden van den buitenlandschen staatkundigen toestand. De geschiedenis was den baron een gesloten boek, en wanneer hij de engelsche staatkunde veroordeelde, kon hij met zeker recht zijn standpunt onbevooroordeeld noemen, daar zij hem geheel vreemd was. üp een anderen avond bleek het tot Antons groote teleurstelling dat de beschouwing der familie aangaande de ligging van het eiland Ceylon in lijnrechte tegenspraak was met de plaats, die aan dit eiland door de zeevaarders op de wereld is toegewezen. De barones die smaak had voor boeiende boeken en veel hield van voorlezen, aanbad Chateaubriand en las behalve de modejournalen alleen de romans van ziekelijke schrijf-sters; Anton vond Atala onnatuurlijk en de romans flauw. Weldra zag hij in, dat zijn huisgenooten al wat hun in de wereld ontmoette, van een standpunt beschouwden dat het zijne niet was. Steeds waren in al hun oordeelvellingen, zonder dat zij het zelve wisten, de belangen van hun stand de eenige maatstaf. Wat dezen gunstig was, vond genade in hun oogen, al was het overigens nog zoo onuitstaanbaar voor andere menschen. Wat daarmee in strijd scheen te zijn, werd onvoorwaardelijk verworpen, af althans zwijgend ter zijde geschoven. Hun oordeel was dikwerf zacht, somwijlen zelfs liberaal, maar altijd schemerde er een onzichtbare helm met een kroon doorheen; zij zagen door de nauwe opening van het vizier op het leven der andere men-schenkinderen neer; en wanneer hen ergerde wat niet te veranderen was, lieten zij het vizier vallen en zonderden zich af. De baron was wel eens onhandig, maar zijn echtgenoot was meesteres in de kunst om door een kleine bevallige beweging van de hand al wat onaangenaam was van zich te weren.

De familie behoorde lot de duitsche kerk in Neudorf. Daar was echter geen koor, en geen afgezonderde bank naast het altaar, men had dus in het schip der kerk onder de boeren moeten zitten. Dat gal geen pas. De baron richtte een kapel in zijn huis in, en liet den geestelijke nu en dan op het kasteel komen. Anton vertoonde zich DEBET EN CUED1T II. 3

ocr page 372

34

zelden bij die huiselijke godsdienstoefening; liij reed naar Neudorf en zat daar naast den schout midden in de gemeente.

Ook in zijn werkzaamheden ondervond hij menige onaangenaamheid. De reiziger eener wijnafl'aire wist door de zandwoestijn en het dennenbosch een weg te vinden tot het vertrek van den baron. Hij was een lijne vogel, zeer welbespraakt, en een dolle liefhebber van wedrennen en steenplechase. Hij bracht een heelen voorraad van zulke nieuwtjes mee, en wist daardoor den baron zoo te bepraten, dat deze hem een okshoofd bordeauxwijn bestelde. Anton dacht aan de ledige kas, verwenschte het okshoofd, en liep driftig naar de kamer der barones. Er was een lang overleg noodig in den damesraad, om die bestelling tot een behoorlijker maat terug te brengen.

De baron was niet tevreden over zijn koetspaarden, zij waren niet jong meer, en het waren vossen. Deze laatste eigenschap had hem eigenlijk onverschillig moeten wezen, maar integendeel was het juist deze, die hem sints jaren hinderde. Want zijn familie had van oudsher een groote voorliefde gehad voor een bijzondere kleur van paarden. Volgens een oude legende had een der voorvaderen op een roodschim-mel in een bloedigen slag wonderen van dapperheid verricht; ja, er bestond nog een schoon lied, eerwaardig van ouderdom, waarin de volgende regels kwamen

Wat rijdt daar door het krijgsgewoel?

Een ridder, lier van taal;

Kood stroomt het bloed van 't witte ros,

Kood van het bit en 't zaid.

Dit lied pasten de Rothsattels op hun voorvader toe en hielden daarom roodschimmels boven andere paarden in eere. Daar die kleur echter bij paarden vrij zeldzaam is, was het den baron nog nooit gelukt een góed span te vinden. Thans wilde het toeval dat een paarden-kooper uit de buurt een paar roodschimmels kwam aanbieden. De blinde baron had liefhebberij in de paarden, wat aan de vrouwen recht veel genoegen deed. Telkens liet hij ze weer komen en op en neer rijden; hij luisterde naar den slag hunner hoeven, bevoelde ze oplettend, vroeg ook Karei naar zijn gevoelen, en peinsde lang over het plan om dooi1 hun aankoop zijn vrouw een pleiziertje te doen. Karei liep in zijn angst voor een onnutte uitgave naar Anton en deelde hem in 't geheim het dreigend gevaar mee. Anton ijlde weer naar de audientiekamer der barones, maar deze reis vond hij ook hier geen gunstig oor. De barones gaf toe dat hij geen ongelijk had, maar zij verzocht hem dringend voor dezen keer slechts haar echtgenoot zijn zin te geven. Ten laatste werden de paarden zeer in stilte aan de kribbe gebonden, en de kooper gat behalve zijn vossen en al het geld van zijn privaatkas den koopman nog de belofte hem van den eerstvolgenden oogst twee honderd schepel haver, tegen een ongehoord lagen prijs te leveren. Anton en Karei waren over deze laatste bepaling, die zij pas na verloop van eenige maanden vernamen, ter wille van het landgoed uitermate verstoord.

De houtvester had het ongeluk niet in bijzondere gunst bij den grondbezitter te staan. Dat Anton zijn eerste ontmoeting met den wildeman in levendige kleuren had geschilderd, mocht wellicht liet zijne hebben bijgedragen om den baron terstond tegen hem in te nemen. Den baron mishaagde dat de ander zoo kortaf was; de man had in zijn eenzaamheid,

ocr page 373

35

't valt niet te onkennen, die buigzaambeid verloren, welk de adellijke familie gaarne bij haar onderhoorigen zag. Op een theeavond werd het plan ter sprake gebracht om den man te ontslaan, voor hij door langer dienst aanspraak op onderhoud zon kunnen maken. In zijn plaats zou een jonger houtvester worden gezocht, die tevens, als het noodig was, in de liverei des barons als juger bij het dienen aan tafel kon gebruikt worden. Do familie was op haar vroeger landgoed aan zooiets gewoon geweest. Anton had moeite zijn ontevredenheid te onderdrukken, toen liij uiteenzette, dat bij de woeste en gevaarlijke buren juist de beproefde man, die door iederen wouddief van den omtrek gevreesd werd, veel beter en voordeeliger was dan eon vreemde. Leo-nore koos zijn partij, en onder een koud stilzwijgen van den baron en met een gelaten onderworpen blik zijner echtgenoote, werd het plan ter zijde gesteld. Beiden verdroegen voortaan met neergelaten vizier en zoo goed zij konden den barschen oude.

Dat waren van die kleine onaangenaamheden, die onvermijdelijk zijn, wanneer menschen van verschillende zienswijze en gewoonten gemeenschappelijk moeten loven ; maar het getuigde niet van groote tevredenheid met zijn lot, dat Anton zich dit herhaaldelijk moest voorpree-ken. liij kon het niet slechts veel beter met Karei vinden, maar ook in veel opzichten met den houtvester en den herder, dan met den eigenaar van het landgoed, en hij gevoelde thans dikwijls met een zekeren trots, dat hij anders dan zij en een man uit het volk was.

Ook Leonore was niet zooals hij zich had voorgesteld. Altijd had hij in haar de groote dame vereerd, en de vertrouwelijkheid, waarmee zij hem bejegende, als een gunst erkend. Thans was zij niet langer een verheven wezen voor hem. Hij kende de pratronen harer kanten mouwen van nabij, en was geenszins blind voor een kleinen torn in den hulsjapon, waarop de lichtzinnige Leonore in 't geheel niet lette. De weinige boeken die zij had meegebracht, had zij gelezen ; in hun gesprekken had ,hij meermalen den omgang harer kennis rondgewandeld. Haar oordeelvellingen sloten hem den mond niet meer, en hij zou thans bezwaarlijk zijn vriend Von Fink hebben willen afranselen om de vraag of zij verstand had. Neen, hij vroeg het zichzelf af en beantwoordde zeer koelbloedig. Zij had niet zooveel geleerd als eene andere dame van zijn kennis, en haar smaak was op lange na niet zoo gevormd ; maar zij was een goed, frisch meisje, krachtig in haar gevoel en eerlijk in haar oordeelen ; en zij was mooi. Altijd had hij dat gevonden, maar zijn teedere eerbied omgaf haar beeld langen tijd met een doorschijnende wolk, Nu, dat hij haar dagelijkse!) zag, in den eenvoudigen ochtendjas, in de gewone stemming van het huiselijke leven, nu eerst gevoelde hij geheel de kracht van haar bloeiende jeugd.

Dikwerf was hij ook boos op haar. Al terstond in de eei'ste dagen vroeg zij hem dringend, hoe zij in huis van eenig nut kon zijn. Hij antwoordde haar dat het toezicht over het huishouden en het nauwkeurig opteekenen der huiselijke uitgaven een zeer nuttig werk zou zijn. Hij maakte een opschrijfboek voor haar in orde, en daar zij toonde niet genoeg beoefend te zijn om de getrokken lijnen behoorlijk te gebruiken, had hij het genoegen haar dit te leeren. Met grooten ijver vatte zij het nieuwe werk op, en liep tienmaal daags naar lietje in de keuken om het een en ander te vragen. Doch haar rekening bleek niet zeer juist te zijn en de geheimzinnige strepen van Uetje waren nog veel beter te vertrouwen, lïn toen zo

ocr page 374

36

een week lang zeer nauwgezet het boek had gehouden, kwamen er eenige dagen dat de zon helder scheen. Toen kon ze niet van zich verkrijgen om niet reeds 's morgens vroeg met den houtvester op de jacht te gaan, of' op haar hilje over het landgoed rond te lijden, en vergat daardoor bode, keukemeid, huishoudboek en alles. — Zij wou geschiedenis lezen en onder Antons leiding ook engelsch leeren. Anton was opgewonden met den inval. Maar jaartallen kon ze niet onthouden, de vreemde woorden waren haar een gruwel; zij ontliep de hierogly-phen en ging naar den paardenstal of naar de woning van Karei, waar zij uren lang met de grootste belangstelling naar zijn knutselarijen kijken kon. Toen Anton haar eens voor de engelsche les zocht, vond hij ze bij Karei met een schaaf in de hand ijverig aan de bank van een nieuwe slede werkende ; en op goedaardigen toon voegde zij hem toe : «Geef u toch niet zooveel moeite voor mij, Wohlfart. Ik leer niets, ik heb altijd een zwak hoofd gehad.»

Wederom lag er sneeuw op de velden en duizenden ijskristallen flik-kerden in het zonlicht aan de takken der boomen. Karei maakte twee sleden in orde, een oude met twee zitplaatsen, en voor de freule een rensiede, die hij zelf in malkaar timmerde, en met Leonores hulp met een schoone olieverf bestreek. Op zijn gewone audientie zij Anton aan de barones, dat hij 's middags voor zaken naar Tarow moest. «Wij kennen de familie Von Tarowski,» zei de barones ; «we hebben ze op een badplaats ontmoet. We hebben daar dikwijls met genoegen mevrouw Von Tarowski en haar dochters gezien. Ik wensch zeer dat de baron niet geheel van de wereld zich afzonderde, wellicht kan ik hem overhalen heden met ons een bezoek aan de familie te brengen. In allen gevallen zullen wij dames van deze gelegenheid gebruik maken en onder uw geleide [den tocht ondernemen.»

Anton herinnerde vluchtig aan het raadselachtig verdwijnen van Bratzky en wat hij er van dacht.

«Nu, ja, dat is slechts een vermoeden,» zei de barones, »en onze verplichting om aan de familie een bezoek te brengen is ontegenzeggelijk. Ook kan ik niet gelooven dat mijnheer Von Tarowski de hand in die zaak heeft gehad.»

's Middags kwamen de sleden voor; de barones ging met haar gemaal in de grootste zitten. Leonore stond er op om in haar nieuwe slede zelve te rijden.

»Wohlfart, neemt achter mij op het bankje plaats,» besliste zij. De baron vroeg zijn vrouw fluisterend : «Wohlfart ?»

«Ik laat ze niet alleen rijden,» antwoordde de barones kalm. «Wees niet bevreesd. Daarenboven is hij in uw dienst, het kan geen kwaad; we komen toch gelijk voor.»

De belletjes klonken over de vlakte ; Leonore zat overgelukkig in haar notendop en zette haar paard met krachtige woorden aan. Zij keerde zich dikwijls om en liet Anton in haar lachend gelaat zien, dat onder het zwarte hoedje dien dag zoo schoon was, dat zijn gandsche hart haar te gemoet vloog. Haar groene sluier wapperde in den wind en beroerde zijn wangen, sloeg om zijn hoofd en benam hem het gezicht. Dm ont-waardde hij de schoone gestalte voor zich in een groen schemerlicht als

ocr page 375

37

uit een verren afstand, en terstond daarna raakte de adem van zijn mond het lint aan, dat om haar hals waaide, en bemerkte hij dat het zijden bekleedsel alleen zijn hand van haar gouden lokken en den blanken hals scheidde. Anton verdiepte zich in die gedachte en kon met moeite den lust weerstaan om zachtjes met zijn winterhandschoen over haar manteltje te strijken, toen eensklaps dicht bij hem een haas opsprong. De haas wenkte dreigend met zijn lepels en maakte met een veel beteekenenden blik op Anton een buiteling. Deze begreep de vriendschappelijke waarschuwing en trok zijn hand terug; de haas, blijde een goede daad te hebben verricht, galoppeerde vroolijk over de sneeuw.

Anton gaf zijn gedachten een anderen loop. «De witte weg vertoont geen enkel teeken van eeu levend wezen, geen wagenspoor, geen voettred, nergens is eenig leven te zien, overal niets dan de stille slaap der natuur. Wij gelijken wel reizigers die in een vreemd land dringen, dat niemand nog voor hen heeft betreden. De ééne boom is als de andere, de sneeuwvlakte is onbegrensd, rondom ons doodsche stilte, en boven ons de vroolijke zonneschijn. Ik wou dat het zoo den geheelen dag voortduurde.»

«Ik ben recht blijde dat ik u eetis rijden kan,» riep Leonora, keerde zich om en reikte hem haar hand.

Anton vergat onmiddellijk den haas, hij kon niet nalaten een zoen op den handschoen te drukken.

«'t Is deensch leer,» lachte Leonore, «doe geen moeite.»

«Uier is een gaatje,» zei Anton, bereid de proef nog eens te nemen.

«Ge zijt van daag al heel beleefd,» hernam Leonore, haar hand terugtrekkende, «dat vind ik recht aardig van u, Wohlfart.»

De winterhandschoen strekte zich uit om de voortvluchtige hand te volgen. Twee kraaien geraakten daarover in hevigen twist, zij krasten om strijd, vlogen op, en fladderden verachtelijk om Anton heen. «Loop naar den drommel, dom gespuis,» dacht de verliefde Anton, «ge zult mij niet storen.»

Maar Leonore zag hem trouwhartig aan. «ik weet toch niet of het wel lief van u is, zoo beleefd tegen mij te zijn,» vervolgde zij ernstiger. «(iij moogt mij de hand niet zoenen, want ik heb geen lust hot u ook te doen, en wat de eene pleizierig vindt, moet den ander ook welkom zijn. Kom, mijn beestje, vooruit!»

«Ik ben benieuwd te weten hoe die Polen ons zullen ontvangen,» zei Anton, om het gesprek weer aan den gang te brengen.

«Zij kunnen niet anders dan beleefd zijn,» antwoordde Leonore. «Wij hebben met mevrouw Von Tarowski weken lang in hetzelfde buis gewoond en altijd samen partij gemaakt. Zij was de elegantste dame van de badplaats ; zij en haar dochter maakten opgang door haar zeldzaam fatsoenlijk, voornaam uiterlijk ; zij zijn allerliefst en hebben zeer goede manieren.»

«Maar hij heeft twee oogen net als de vos van den houtvester,» zei Anton, «ik vertrouw hem in 't minst niet.»

«Ik heb mij van daag eens recht mooi gemaakt,» lachte Leonore, zich omkeerende, «want die meisjes daar zijn allerbekoorlijkst, en de Polen moeten niet zeggen dat wij een slecht figuur naast haar maken. Hoe bevalt u mijn japon, Wohlfart ?» Zij trok een slip van haar mantel weg.

«Gij zult er gansch niet onaardig in uitzien,» sprak Anton met een kenners gelaat, «er is iets bruins bij, dus overheerlijk!»

ocr page 376

38

«O, gij trouwe Wohlfart,» riep Leonore en reikte hem weder de hand door de slede been. Ach, nu waren de kleine waarschuwende dieren te zwak om de tooverkracht af te leiden, die den winterhandschoen naar den Deen trok; er moest iets grooters gebeuren. Toen Anton voor den derden keer zijn hand uitstrekte, bemerkte hij dat zijn eigen hand, tegen zijn bedoeling in, al hooger en hooger zich in de lucht verhief en een bocht maakte, terwijl hij zelf achterover zakte totdat hij zoo lang hij was in de sneeuw lag. Verbaasd beurde hij het hoofd op en zag Leonore eenige passen verdei' naast de omgeslagen slede zitten ; het paard stond kalm op den weg en lachte op zijn manier in zijn vuistje. Leonore had te veel naar haar reisgenoot en te weinig naar den weg gezien, zoo waren zij omgevallen. Lachend stonden beiden op en schudden de sneeuw af. Anton zette de slede weer oj) en in vliegenden galop ging het voorwaarts. Maar het sledesprookje was uit, Leonore lette meer op dsn weg en Anton schudde de sneeuw uit zijn mouwen.

De familie reed een ruim plein op. Een lang huis van één verdieping, de muren met kalk besmeerd en met een dak van sparretakken, stond met zijn blinde vensters vertrouwelijk tusschen de houten stallen. Anton sprong af en vroeg een knecht in lieverei naar de woning van den adellijken grondbezitter. «Hier is het paleis,» antwoordde de adellijke poolsche dienaar met een diepe buiging en hielp het gezelschap uit de sleden. Verwonderd zagen de barones en Leonore elkander aan.

werden een morsigen gang binnen gelaten. Verscheiden gebaarde gedienstige geesten schoten toe, namen met groote beweging de jassen en mantels aan en rukten een lage deur open. In de groote woonkamer was een talrijk gezelschap samen. Een statige dame in zwarte zijde kwam de gasten te gemoet en verwelkomde ze in de beleefdste bewoordingen. De dochters volgden haar, slanke meisjes met de oogen en de gestalte barer moeder. Énkele namen van de heeren werden genoemd, baron die, graaf die, alleen keurig gekleede heeren, keurig en naar den laatsten smaak. Eindelijk verscheen ook de heer des huizes. Zijn sluw gezicht glom van inwendig genoegen, en de vossenoogen blonken van onschuld. De ontvangst was onberispelijk ; van alle kanten de weldadige gemakkelijkheid van een zeker zelfvertrouwen. De baron en zijn vrouw werden als oude kennissen begroet ook Anton had zijn deel van de algemeene beleefdheid. Zijn zaken waren met weinig woorden afgehandeld, en mijnheer Von Tarow herinnerde hem lachende, dat hij hem reeds eens, ofschoon dan maar vluchtig, had gezien. «Die lummel van een rentmeester is ontsnapt,» zei hij deelnemend, maar wees daarover niet ongerust, hij zal zijn straf niet ontloopen.» «Dat hoop ik,» antwoordde Anton, «hij zoo min als zijn handlangers.» De oogen van mijnheer Von Taron deden hun best er zoo onschuldig als duivenoogen uit te zien, toen hij er bijvoegde : «De kerel moet hier ergens verstopt zitten.» Wellicht zelfs niet eens ver van hier,» zei Anton en wierp een wantrouwenden blik op de zijgebouwen van het plein.

Te vergeefs zocht Anton onder de heeren van het gezelschap den vreemdeling, dien hij reeds twee malen gezien had en van wien hij vermoedde dat hij liever voor duitsche oogen onbekend wilde blijven. Daarentegen was er een ander, die zich zeer op den voorgrond plaatste en door de overigen met veel achting behandeld werd. «Zij komen en verdwijnen,» dacht Anton, «zij steken de hoofden bijeen en verwijderen zich weer, zoo-

ocr page 377

39

als de kastelein zei; men lieeft hier niet met enkelen, die op zich zelf staan, te doen ; 't is een volledig ras.» Terwijl hij zoo stond te peinzen, naderde de vreemdeling tot hem en ving een gesprek met hem aan. Hoe onverschillig hij ook scheen, bemerkte Anton toch vrij spoedig, dat hij zijn best deed het gesprek een richting te geven en hem, den Duitscher, over zijn zienswijze en politieke gevoelens uit te hoeren. Uij liet zich daarom volstrekt niet uit en zoodra de Pool het bemerkte, verloor hij op eens alle belangstelling in den gast en wendde zich tot de dames.

Nu had Anton ruimschoots gelegenheid eens goed rond te zien. Te midden van de ruwe meubelen van gewoon hout stond een Weener piano, de vensterruiten waren gelapt, op den zwarten vloer lag bij de canapee een gescheurd kleedje. Do dames zaten op stoelen met Hu-weelen zittingen rondom een afgesleten tafel. De vrouw des huizes en haar dochters hadden smaakvolle parijsche japonnen aan, maar toen bij toeval een zijdeur werd geopend, zag Anton in de slecht verlichte kamer daarnaast eenige kinderen in zulk een armoedige kleeding rondloopen, dat hij bij de strenge koude waarlijk medelijden met hen had. Zij zelve echter schenen er niet veel om te geven, althans zij maakten een leven als een oordeel.

Uver de waggelende tafel werd een fijn damast servet gespreid; een zilveren theeketel werd opgedragen. liet gesprek vlotte overheerlijk. Lichte fransche geestigheden en levendige uitroepen in zangerig poolsch kruisten dooreen, en daartusschen rolde de eentonige deftige duitsche volzin. Aan het lustig lachen, de gebaren der sprekers en de levendigheid van het gesprek, bemerkte Anton dat hij onder vreemden was. Snel vlogen de woorden ; in de oogen en op de wangen schitterde het vuur der opgewondenheid, liet was een ander volk, bewe-gelijker, veerkrachtiger, uitbundiger, lichter aangedaan. Tot zijn verbazing zag Anton met hoe groot genot Leonore zich in dat gezelschap bewoog. Ook haar gelaat was hooger gekleurd. Zij lachte, stelde zich aan als de anderen, en driest keek zij in de oogen van de beleefde heeren. Datzelfde lachen, diezelfde hartelijke eenvoudigheid, die hem zoo dikwijls verrukt had, verkwistte zij nu aan vreemdelingen, die 's nachts op den openbaren weg tot nadeel van haar vader gehandeld hadden. Dat mishaagde hem ten hoogste. Daarbij kwam die kamer, zoo wonderlijk opgeschikt, die morsige en gesleten tapijten, de have-loove kinderen in het naaste vertrek, en de heer des huizes, in 't geheim de beschermer van een schurk en misschien nog iets ergers! Zoo laat het zich verklaren dat hij zich weinig met het gezelschap inliet, en niet meer dan het noodige antwoordde op de vriendelijke toespraak van den gastheer en van zijn gasten.

Eindelijk sloeg een der heeren eenige akkoorden op de piano aan ; allen sprongen op en wilden dansen. De barones belde, vier wildemannen stormden de kamer binnen, grepen het groote staartstuk, en droegen het zonder eenige voorzorg naar buiten, liet gezelschap ijlde door den gang naar de zaal, die tegenover de kamer lag. Toen Anton binnen kwam, wist hij niet of hij waakte of' droomde. Het was een ledige ruimte met- rood geschilderde muren, banken langs de zijden, en in den hoek een afzichtelijke kachel. Midden in de zaal hing linnen te drogen. Anton begreep niet hoe men daar wilde dansen. Maar in een oogwenk werd liet linnen door de vuisten der kneclits weggerukt, een van hen liep naar de kachel en blies het vuur aan. Een paar mi-

ocr page 378

40

nuteii later stonden er al zes paar voor een quadrille in orde. Daar er te weinig dames waren, bond een jonge graaf met een zwart vlassig baardje en twee lietrlijke blauwe oogen zijn batisten zakdoek om den arm en verklaarde zich met een bevallige nijging voor een dame. Terstond werd hij door een anderen heer ridderlijk ten dans opgeleid. Zalig draaide het volkje in de maat rond. Te midden van de onverschilligheid, die de mode van de dansers in het beschaafd Europa vordert, flikkerde nu en dan het vuur van hun stam. Leonore was er met hart en ziel bij. Ook de barones was in een levendig gesprek met den gastheer, en mevrouw Von Tarow stelde het zich tot taak den baron aangenaam bezig te houden. Dat was weder het voorname leven, het lichte genot van het oogenblik, dat Anton zoo dikwijls had bewonderd; maar heden vertrok zich zijn mond tot een koud verachtelijk glimlachje. liet kwam hem niet achtenswaardig, niet gepast voor, dat de duitsche familie zich zoo geheel op haar gemak gevoelde onder vreemden, die wellicht op dat zelfde oogenblik vijandige bedoelingen tegen hen en tegen hun volk in het hart koesterden. Toen Leonore na den eersten dans langs Anton wandelde en hem fluisterend vroeg: «Waarom danst gij niet met mij ?» antwoordde hij : «Ik verwacht ieder oogenblik het gelaat van mijnheer Bratzky hier ergens in een hoek van de zaal te zien »

«Wie kan nu aan zoo iels denken?» riep Leonore en keerde zich gebelgd om.

Dans volgde op dans, de hoofden der jonge heeren gloeiden, de haren hingen slap van de warmte. Zwaar gebaarde dienaars stormden weder binnen en schonken champagne frappé. Staande, op het punt om den dans weer te beginnen, slurpten de heeren den koelen drank in, en terstond daarop klonk van alle kanten tot den gouverneur der kinderen, die voor de piano zat, het geroep om een poolschen volksdans. Nu wapperden de rokken en de dansers huppelden als op springveeren door de zaal; als ballen vlogen de meisjes van den eenen arm in den anderen. Ach, en Leonore was er altijd bij en onder! Anton stond naast den voornamen Pool in een kwijnend gesprek en hoorde koel naar den lof, dien hij de duitsche dame zoo mild toezwaaide. Wat de poolsche meisjes natuurlijk stond, de haastige bewegingen, de sterke opgewondenheid, dat alles maakte Leonore wild, en gelijk Anton zich tot zijn leedwezen bekennen moest, onvrouwelijk. En van haar af doolde zijn oog langs de ruwe wanden, naar de bestoven kachel, waarin een groot houtblok smeulde, of naar de zoldering, waaraan lange, grauwe spinnewebben naar beneden hingen.

liet was laat toen de barones het teeken gaf om te vertrekken; dikke mantels werden binnengebracht, de gasten wikkelden zich er in, en het belletje klonk weer over de sneeuwvlakte. Maar Anton was er niet verdrietig om dat de dochter thans met haai1 vader reed en dat hij zelf achter de barones de teugels in handen hield. Zonder een woord te spreken bestuurde hij de slee, en voortdurend dacht hij bij zich zeiven dat een andere jonge dame van zijn kennis, onder de spinnewebben in het huis van vijanden nooit zoo lustig in een mazurka zou hebben rondgedraaid. (Jok Leonore had voor dien avond het vizier laten vallen.

ocr page 379

41

IV.

Mijnheer Itzig had zich als handelaar gevestigd. Wie hem kwam zien, moest door een druk bezoclit voorhuis gaan en beklom in een zijgang-een niet overzindelijken trap. Naast den trap schitterde de wit verniste deur, waar op een groote koperen plaat met uitgeslagen hoeken de naam van «V. Itzig» prijkte, üe toegang was gesloten, maar er was ook een dikke porseleinen schel, alles veel mooier en poëtischer dan het bij Ehrenthal was. Door de deur kon de bezoeker in een ledig portaal komen, waar zich den gelieelen dag een sluwe jongen ophield, half portier half loopjongen, en buitendien speurhond voor de zaken, die zijn heeren meester aan de hand had. De jonge man verschilde van den oorspronkelijken Veitel Itzig door een in 't oog loopende kale-heerachtigheid. Hij droeg de laatste overblijfselen van de kleerenaflaire af, prachtige zijden vesten, en een rok die hem maar een beetje te groot was. [Jij bewees dat de nieuwe lirma ook wat toiletbenoodigd-heden en goeden smaak betreft, meer op de hoogte was, dan de in vele opzichten geheel verouderde zaak van Ehrenthal. Ging men verder, dan werd men door mijnheer Itzig in twee kleine ineenloopende kamers ontvangen, waarvan de eerste weinig meubelen, maar twee bijzonder fraaie lampen bevatte, een noodzakelijke vergoeding voor niet behoorlijk betaalde interesten. De tweede was de slaapkamer: een eenvoudig bed, een lange canapee, een groote ronde spiegel met breede vergulde lijst; dit laatste stuk een koopje uit het geheimzinnig magazijn van den eerlijken Pinkus. Itzig zelf was onkenbaar veranderd; op donkere dagen was hij bij het twijfelachtig licht, dat van de plaats tot zijn kamer doordrong, van verre bekeken, bijna een heer. Zijn mager ge-gezicht was meer gevuld, de groote zomersproeten, die hom vroeger geprikkeld hadden, waren opgebleekt, en zijn haar had door pomade en kunstige borstelstreken een donkerder kleur en een handelbare buigzaamheid gekregen. Nog had de jeugdige koopman een zekere voorliefde voor zwarte kleederen, maar nu waren zij nieuw en zaten niet meer zoo overruim. Verder was mijnheel' Itzig ook vooruitgegaan in zijn levenswijze; hij gunde zich thans goed eten, ja op zijn werktafel was er nu en dan een leege (lesch te vinden, waarop het woord «moezelwijn» te lezen stond en daarbij een suikervaas en een zilveren lepel. Hoe prachtig intusschen zijn nieuwe woning was, Itzig gebruikte ze alleen 's nachts en in zijn bepaalde werkuren. Altijd nog dreef hem zijn hart naar de oude herberg, naar Löbel Pinkus. Zoo leidde hij een dubbel leven: voor de oogen der wereld, als een fatsoenlijk handelaar in de nieuw geverfde kamer onder den glans der albasten lampen, bediend door een naar de mode gekleeden dwerg; en een ander voor zijn hart, midden in het gewoel der herberg, een eenvoudig leven met roode katoenen gordijnen en een vierhoekige kast als een canepee. Wellicht was hem dat verblijf thans daarom zoo bijzonder welgevallig, omdat liij daar als heer en meester over den eigenaar van het huis gebood. Pinkus was, tot zijn schande zij het hier geboekt, gezonken tot een agent, een handlanger van Veitel, en jufvrouw Pinkus koes-

ocr page 380

42

tertle een afgodischen eerbied voor de rijzende zon, die haar man als lekkere beetjes, waarop lilj vroeger onthaald werd, voor den mond wegkaapte.

lieden zat Veitel op zijn kantoor op de canapee en rookte een sigaar uit een barnsteen pijpje. Hij was geheel en ai heer en verwachtte een voornaam bezoek. Óp eens hoorde men aan het portaal schellen de dwerg vloog naar de deur, een krijschende menschenstem drong tot Itzig door. Daarop volgde een twist op hel portaal, die Veitel bewoog om haastig de lade van zijn schrijftafel te sluiten en den sleutel in zijn zak te steken.

«Niet te huis? En hij is hier, ellendige, roodharige vlegel?» kraste de schelle stem tegen den jongen, die de wacht hield. Men hoorde een lichaam op zijde schuiven. Veitel boog het hoofd over een oude hypotheek, de deur werd opengerukt, en mijnheer Hippus stond met een rood gezicht, een kalen rok en verwarde haren bij den ingang. Nooit had hij zoo sprekend op een ouden raaf geleken.

«Je laat niet thuis geven? Je gelast dien aardworm ginds een oud vriend weg te zenden ? Natuurlijk, je bent een heer geworden, onnoo-zele ! Heeft men ooit zoo'n onbeschaamdheid gezien ! omdat de bengel zich in twee nieuwe kamers heeft genesteld, zijn de oude kennissen hem niet goed genoeg meer. Je hebt echter aan mij een verkeerde voor, ventje; ik laat me zoo niet afschepen.»

Veitel beschouwde den kleinen man, die daar boos voor hem stond, met eet) paar oogen die alles behalve vriendelijk zagen. «Wat maakt ge daar een leven met dien jongen? zei hij koel «hij heeft niets gedaan dan zijn plicht. Ik wacht een bezoek voor zaken en heb hem gelast alle vreemden af te wijzen. Hoe kon ik weten dat gij zoudt komen? Hebben we niet afgesproken dat ge mij alleen 's avonds zoudt opzoeken? Wat komt ge nu in mijn kantooruren?»

«Je kantooruren, jonge gans, die de eierschalen nog aan den staart rondsleept,» riep Hippus, nog steeds nijdig, en ging op de canapee zitten. «Je kantooruren,» hernam hij met een diepe verachting, «voor jou zaken is elk uur goed genoeg.»

«Je bent weer dronken. Hippus,» antwoordde Veitel, in ernst verstoord; «hoe dikwijls heb ik je niet gezegd dat ik niets met je te doen wil hebben, als ge uit de kroeg komt.»

«Zoo?» schreeuwde Hippus, «jij zoon van een oude tooverheks I Mijn komst hier is voor jou op elk uur van den dag een groote eer. En ik zou dronken zijn?» vroeg hij hikkende, «en dat waarvan, hansworst? Waarmee zal men zich dronken maken,» riep hij «als men geen geld heeft om een slokje te koopen?»

«Ik dacht het wel dat hij weer geen geld had,» prevelde Veitel, ten hoogste verontwaardigd. «Nog pas gisteren heb ik u tien daalders gegeven; maar gij zijt als een spons; het is jammer van iederen cent, dien men aan u verspilt.»

«Je zult me anders van daag weer eens toonen dat het geen jammer is,» antwoordde de oude spottend, «je zult me weer tien daalders geven en dat wel dadelijk.»

«Dat zal ik niet,» riep Veitel. «Ik heb er al genoeg van om je te onderhouden. Ge weet wat we bepaald hebben. Geld krijgt ge alleen wanneer ge er iets voor doet. En nu zijt ge niet in een toestand om iets ordentelijks te kunnen lezen of schrijven.»

ocr page 381

43

«Voor ii en uws gelijken ben ik altijd nog goed genoeg, zelfs al had ik tienmaal smakelijker ontboten dan van daag,» hernam de oude bedaarder. «üeef maar hier wat je te doen hebt. Je bent een akelige vrek geworden, maar ik wil er niets van zeggen. Ik wil je vergeven dat je mij wondt wegzenden; ik wil je ook vergeven dat je een trotsche ezel bent geworden en je op zoo'n lamp wat laat voorstaan, die voor beter menschen, dan jij bent, goed genoeg zou wezen, en ik wil je mijn raad niet onthouden, in de onderstelling namelijk dat je me betaalt. En nu, laat ons vrede sluiten, mijn zoon. Zeg mij, welken schurkestreek hebt ge nu weer in den zin?»

Veitel schoof hem een dik pak stukken toe en zei: «In de eerste plaats moet je dit voor mij nazien en er een uittreksel uit maken, dat mij van dienst kan wezen, en mij zeggen hoe het met de zaak gesteld is. Het is over een hypotheek die mij te koop is aangeboden. Nu echter wacht ik iemand, ge moet naar de andere kamer gaan, ga daar aan de tafel zitten en doe het werk. Als ge klaar zijt, spreken we nader over het geld.»

De heer Hippus nam het pak onder den arm en laveerde naar de deur der andere kamer. «Van daag doe ik nog eens je zin, omdat jij het bent,» zei hij goedig en hief zijn hand op om Veitel op den wang te streelen.

Veitel getroostte zich de lief koozingen en wilde de deur sluiten, toen de dronken oude lap nog eens binnen kwam en met een slim gezicht vroeg: «Dus wacht ge iemand, mijn beste jongen? Wien wachtje, kleine Itzig? Is het een mannetje of een wijfje?»

«Het is over geldzaken,» antwoordde Itzig, de schouders ophalende.

«Over geldzaken?» herhaalde de dronken Hippus met eeti teedere bewondering zijn troetelkind beschouwende. «Ja daarin ben je groot. Groot als mensch en als zwendelaar! Waarachtig, wie van jou geld wil hebben, die is verloren. Het was beter voor hem dat hij dadelijk in het water sprong, ofschoon water ook verachtelijk is. o Uij kleine verduivelde zwendelaar!» Bij deze woorden knikte hij met het hoofd en staarde met zijn glazige oogen liefdevol op het gelaat van Itzig.

«En toch zijt gij zelf gekomen om het van mij te krijgen,» antwoordde Veitel hem met een gedwongen lachje.

«Ja, ik houd vast,» antwoordde Hippus met dikke tong, «ik ben niet van vleesch en bloed, ik ben Hippus, ik ben de dood.» Daarbij deed hij zijn best om geestig te lachen.

«Buiten klonk de bel. Veitel riep: «houd je bedaard,» sloot de deur, ging op de canapee zitten, nam zijn cigarenpijpje in de hand, en wachtte de visite af.

Op het portaal hoorde men een sabel kletteren, een huzaren-officier trad binnen. Eugène Von Rothsattel was den laatsten winter een weinig oud geworden; zijn fijn gezicht was magerder en onder zijn oogen liep een blauwe kring. Schijnbaar onverschillig kwam hij de kamer binnen, zonder dat mijnheer Itzig echter een oogenblik zich er in kon vergissen, want achter dat masker herkende zijn ervaren en doordringende blik de gejaagdheid, die aan in 't nauw gebrachte schuldenaars eigen is.

«Mijnheer Itzig? vroeg de officier uit de hoogte.

«Dat is mijn naam,» antwoordde Veitel en stond zonder veel complimenten te maken van de canapee op.

Onrustig zag Eugène naar het gelaat van den woekeraar. Hij die thans

ocr page 382

u

de reden van zijn komst wenschte te hooren, was dezelfde voor wien zijn vader reeds gewaarschuwd was, en nu dreef hem het noodlot in hetzelfde net. «Ik Iteb dezer dagen een schuld aan een paar menschen hier in de stad te betalen,» begon de luitenant, «aan heeren van uw kennis. Toen ik daarover met hen een schikking wilde maken, is mij door beiden meegedeeld, dat zij hun schuldvorderingen aan u hadden verkocht.»

«Ik heb ze tegen mijn zin overgenomen,» hernam Veitel, «ik heb niet graag zaken met heeren officieren.» Hij snufl'elde in een lade en haalde er twee stukken uit. Erkent gij die handteekening voor de uwe ?» vroeg hij koud, «en erkent ge deze negentienhonderd daalders als de som, die aan u geleend is?»

«Het kan er althans wel instaan,» antwoordde de luitenant misnoegd.

«Ik vraag of gij bekent dat gij mij die som moet betalen voor deze twee schuldbekentenissen? vroeg Veitel nog eens.

«Nu ja, voor den drommel,» riep de luitenant, «ik beken de schuld, ofschoon ik niet de helft in geld heb ontvangen.»

Veitel sloot de wissels in zijn lessenaar en zei, de schouders ophalende, met een grijnzenden lach: «Ja, maar ik heb toch de volle som aan die heeren moeten geven. Ik zal dus morgen en overmorgen het geld bij ii laten halen.»

De officier zweeg een poos, langzaam kleurden zijn ingevallen wangen. Eindelijk na een bitteren strijd nam hij het woord weer op: «Ik verzoek u vriendelijk, mijnheer Itzig, mij nog wat uitstel te geven.»

Veitel speelde genoegelijk met zijn sigarenpijpje, terwijl hij antwoordde: «Ik geef ii geen krediet meer.»

«Luister toch naar rede, zei de olicier met gedwongen gemeenzaamheid. «Wellicht zal ik binnen kort in staat zijn u te betalen.»

«üe zult over eenige weken evenmin geld hebben als nu,» hernam Veitel grof.

«Ik ben bereid u een grooter schuldbekentenis te teekenen, als ge nog wat geduld wilt hebben.»

«Met zulke zaken houd ik mij nooit op,» loog Veitel onbeschaamd.

«Ik bezorg u een borgtocht voor de schuld van de hand mijns vaders.»

«Mijnheer Von Rothsattel heeft juist evenveel krediet bij mij als gij.»

üe luitenant sloeg vertoornd met zijn sabel op den grond. «En als ik niet betaal ? barstte hij los. «Gij weet dat ik volgens de wet er niet toe verplicht ben.»

«Ik weet het,» zei Veitel kalm. «Zult go morgen en overmorgen betalen ?»

«Ik kan niet,» riep Eugène in ongeveinsde wanhoop.

«Wees dan voorzichtig met den rok dien ge aan hebt,» zei Veitel, zich omkeerende.

«Wohlfart had gelijk mij voor u te waarschuwen;» sprak Eugène buiten zichzelven. «Gij zijt een doortrapte —» het laatste woord hield hij met moeite terug.

«Maak van uw hart geen moordenaarskuil,» zei Itzig «niemand hoort u. Wat ge zegt is als het vuur in de kachel; het knapt en llikkert, binnen een uur is het verkoold. Wat gij mij hier onder vier oogen zegt, zullen de menschen over drie dagen van openlijk op straat zeggen, als ge mij niet betaalt.»

Eugène keerde zich om met een vloek; bij de deur bleef hij nog een oogenblik staan, daarop ijlde hij woedend naar buiten.

ocr page 383

iS

Veitel zag hem met zegevierende blikken achterna, «'t Is met den zoon als met den vader; hij zit in de klem, zoo als hij zitten moet,» prevelde hij bij zichzelf, «hij kan het geld niet bezorgen. Met loopt af met de Rothsattels en Wohlfart kan ze er niet boven ophouden. — Als ik met Roza getrouwd ben, komen Ehrenthals hypotheken ook in mijn handen. Dan kunnen de schuldbekentenissen, die bij mijn schoonvader zoo wonderbaarlijk verdwenen zijn, toevallig onder mijn papieren worden teruggevonden. En dan heb ik den baron in mijn macht en het landgoed is mijn.»

Na deze alleenspraak opende hij de deur, die den heer Hippus en den voornamen bezoeker, den verdronkene en den verdrinkende, gescheiden had, en vond den kleinen advocaat ingesluimerd niet het hoofd op de handen en de handen op de stukken. Met een innige verachting zag Veitel op het zwarte hoopje en zei; «Hij wordt me lastig, Hij zei zoo even dat hij de dood was, ik wou dat hij dood en ik van hem bevrijd was.» Ruw trok hij den man bij den arm en riep : «Je deugt nergens voor, dan om te slapen; wat, moest ge hier komen om te snurken? Ga naar huis en ik zal je de stukken geven, als je weer beter in orde zult zijn.»

Toen de advocaat met de belofte van 's middags terug te zullen komen dommelig naar buiten was gerold, borstelde Veitel met benijdenswaardige handigheid zijn zijden hoed op, trok zijn besten rok aan, gaf zijn kuif voor den spiegel een kunstvolle plooi en stapte naar het huis van zijn ouden patroon, thans concurrent, Hirsch Ehrenthal.

Bij liet binnentreden van den gang wierp hij een schuwen blik op de kantoordeur en schoot voorbij naar den tiap. Op de onderste trede hield hij stil. «Hij zit weer in het kantoor,» zei hij tot zichzelven, «ik hoor hem mompelen; zoo prevelt hij ditwijls als hij alleen is. Kom, ik wil het wagen, ik ga naar binnen. Wellicht kan ik een verstandig woord met hem praten.» Schoorvoetende stapte hij naar de deur en luisterde weer; daarop verzamelde hij al zijn moed en opende ze snel. In het halfdonkere vertrek zat op den leeren stoel een ineengedoken gedaante met een ontzaglijken hoed op het hoofd; zij knikkebolde en mompelde onverstaanbare woorden. Wat was Hirsch Ehrenthal in het laatste jaar veranderd! Toen hij den laatsten keer van het buitengoed des barons wegreed, was hij wel doorvoed en gezet, een goed geconserveerd man, die met smaak zijn doekspeld wist le steken, om bij de dames zijn compliment te gaan maken. Het hoofd dat thans zenuwachtig knikte, was het hoofd van een grijsaard, en aan het gerimpelde gelaat hing een baard dien het scheermes sints weken niet had aangeraakt. Hij was een toonbeeld van dat jammerlijk verval, waarbij de geest het lichaam nog vooruit loopt op den weg naar de tweede wieg.

De jonge koopman stond voor do deur en zag met eenige aandoening naar zijn vroegeren meester, die in zijn mijmeringen verzonken maar half in de zakenwereld te huis was. Eindelijk begon hij naderend: «ik wou gaarne een woordje met u spreken, mijnheer Ehrenthal.»

De oude knikkebolde steeds voort en antwoordde met bevende stem: «Hirsch Ehrenthal, om u te dienen, wat hebt gij mij te zeggen?»

«Ik wou met u spreken over een belangrijke zaak, vervolgde Itzig.

«Ik luister, zei Ehrenthal, zonder op te zien. «Als het een belangrijke zaak is, waarom spreekt ge dan niet?»

ocr page 384

46

«Gij kent mij toch nog, Tlirscli Ehrenthal?» riep Veitel, zich naar den oude overbuigende.

i3e man op den leeren stoel sloeg de matte oogen op en staarde den ander aan; eindelijk herkende hij hem. Driftig sprong hij van zijn zetel op en bleef met uitgestrekten hals staan. Nog altijd knikte het hoofd, maar de oogen rustten met een uitdrukking vol van vrees en haat op den handelaar.

cVVat doe je hier op mijn kantoor?» riep hij met bevende stem. «Hoe durf je het wagen mij onder de oogen te komen? Vertrek, vertrek!» . ,

Itzig bleef staan. «Kraai toch zoo niet als een haan, ik doe u immers niets ; ik wil met u spreken over groote zaken, als gij u bedaard wilt houden, gelijk het een man van uw jaren betaamt.»

«'t Is Itzig,» prevelde de oude, «hij wil spreken over groote zaken, ik moet bedaard zijn. — Hoe kan ik bedaard zijn,)) riep hij weer uitbarstende: «als ik u hier voor mij zie? Gij zijt mijn vijand, gij hebt mij ongelukkig gemaakt, ellendig, in alle opzichten. Gij zijt voor mij geweest, als de booze geest met het zwaard, waaraan de droppel gal hangt. Ik heb den mond geopend en gij hebt het zwaard er ingestoken, de gal is doorgedrongen in mijn hart, en ik moet rillen als ik u zie.»

«Bedaar toch,» zei Itzig, «en als ge bedaard zijt, luister dan eens naar mij,»

«Heet hij Itzig?» mompelde de oude weer in zichzelven. «Hij noemt zich Itzig, maar als hij over straat gaat, huilen de honden hem achterna. Ik wil je niet zien,» gilde hij, het hoofd opheiTende, «marsch, de deur uit uw gezicht is mij een ergernis, ik wil liever met een spin te doen hebben dan met u!»

Veitel antwoordde gedwee : «Wat gebeurd is, Ehrenthal, is gebeurd, en gedane zaken nemen geen koer. Gij zijt vijandig geweest tegen mij en ik heb niet goed gehandeld tegenover u; we hebben elkaar niets te verwijten.»

«Hij heeft gegeten eiken Zondag in mijn huis,» knorde de oude.

«Daar gij er van spreekt,» sprak Veitel, «wil ik het mij ook herinneren. Ja, ik heb aan uw tafel gegeten en daarom spijt het mij dat we kwade vrienden zijn geworden. Ik heb altijd een groote gehechtheid gehad voor uw huis.»

«Je liebt mo je gehechtheid aardig getoond, jonge Itzig,» hernam de oude. «Gij zijt het die gekomen zijt in mijn huis en die mij geslagen hebt nog voor ik in het graf lig; gij zijt het die mij alle dagen tot ware dagen van kwelling en ellende maakt.»

«Wat praat je daar voor onzin,» riep Veitel boos, «wat doet ge altijd alsof ge dood waart en ik de booze geest met het zwaard ? Ik ben hier en wil u een gelukkig leven brengen, niet den dood. Ik wil maken dat je weer in aanzien komt onder onze menschen, en dat ze weer den hoed voor u zullen afnemen, zooals zij gedaan hebben, voordat Hirsch Ehrenthal kindsch werd.»

Ehrenthal nam werktuigelijk zijn hoed af en zette hem weer op. Zijn haar was spierwit geworden.

«We moeten samen vrede sluiten,» ging Veitel op overredenden toon voort, «en uw zaken zullen mij ter harte gaan als de mijnen. Ik heb u meer dan eens iemand uit uw familie gezonden en u laten zeggen wat

ocr page 385

47

ik van ii verlang; en uw echtgenoot, mevrouw Ehrenthal, heeft het u ook dikwijls gezegd. Ik ben een man geworden die zaken doet met de eerste lui; ik kan u een vast kapitaal toonen, dat grooter zal zijn dan gij denkt. Waarom zouden we ons geld niet bij elkaar doen ? Als gij mij uw dochter Roza tot vrouw wilt geven, zal ik als een brave schoonzoon voor u handelen.»

De oude Ehrenthal zag den man, die om de hand zijner dochter vroeg aan met een blik, waarin een overblijfsel van de oude sluwheid door zijn tegenwoordige onnoozelheid heenstraalde. «Als gij mijn dochter Roza wilt hebben antwoordde hij, «moet ge de eenige vraag hoo-ren die ik u te doen heb. Wat kunt gij mij geven, als ik u, Roza geef?»

«Ik ben bereid het u dadelijk voor te rekenen,» riep Veitel.

«Ja, ge kunt mij veel voorrekenen,» zei Hirsch Ehrenthal. «Maar ik wil slechts één ding van u vorderen. Als gij mij mijn zoon kunt wedergeven, dan zult ge mijn dochter hebben. Kunt gij mijn Bernhard niet uit liet graf' doen verrijzen, dan zeg ik u zoolang ik een tong in mijn mond, een stern in mijn keel heb: De deur uit! Verlaat mijn kantoor, 'marsch !» gilde hij weer in plotselinge woede en balde beide vuisten tegen den vrijer. Veitel trok ijlings naar de deur terug, de oude man viel op zijn stoel neder en dreigde en prevelde in zichzelven.

Itzig sloeg van de deur den ouden man gade, totdat zijn klachten ophielden en slechts onverstaanbare woorden van zijn lippen vielen ; dan haalde hij de schouders op en verliet het vertrek.

Terwijl hij den trap opging om bij de dames een bezoek te maken, bewoog hij nog dikwijls de schouders om zijn verachting voor den zwakken, ellendigen grijsaard uit te drukken. Daarop trok hij aan de bel en werd door de keukenmeid in de gekreukelde muts, die hem vertrouwelijk toelachte, binnengelaten.

Inmiddels vloog liugène radeloos van de eene officiers-kamer naar de andere. Hij liep bij Feroni in : de oesters waren niet te eten, de bourgogne smaakte als inkt. Wederom ijlde hij de straten door, het angstzweet op het voorhoofd. Zoo verliep de dag. Eindelijk ging hij doodmoede in een koffiehuis uitrusten eti overlei bij zichzelven alle mogelijke kansen. Als Wohlfart maar in de stad was ! Maar het was te laat om hem lijding te geven. De geldschieters hadden hem met onbepaalde beloften van uitstel aan de praat gehouden; eerst den vori-gen dag hadden beiden hem geschreven dat zij hun schuldvordering aan den heer V. Jtzig hadden overgedaan. Wel was het te laat om aan Wohlfart te schrijven, maar had die trouwe vriend niet de een ol' 'andere kennis hier? — Toen Anton den jongen Sturm had aanbevolen, had hij hem gezegd: «de vader van den jongen opzichter is een gevestigd man, niet geheel zonder middelen.» Van den vader van een huzaar, die bij zijn familie in dienst was, kon hij wellicht de som leenen, zoo althans do oude geld had. Dat was de vraag. Hij riep om het adresboek ; Johannes Stnrrn, sjouwerman. Eilandstraat no. 17. In een vigilante reed hij er heen. Haastig klopte hij aan. Een donderend «Binnen 1» was het antwoord. De gejaagde officier betrad de woning van den sjouwer.

Vader Sturm zat in zijn eentje bij zijn bierkan, een klein nieuwsblad

ocr page 386

in de hand, zoo klein, dat iedereen dadelijk zag dat het niet voor Sturm geschreven was nog gedrukt. «Een huzaar!» riep Sturm en bleef' van verbazing op zijn bank zitten. Ook de officier was getroffen door de reusachtige gedaante, die hem met groote oogen aanstaarde. Zoo zagen beiden elkander aan.

«Zoo waar,» zei deze, «'t is een huzaar van het regement van mijn Karei; de rok komt overeen, de koorden ook, Wees gegroet, kameraad.» Hij stond op. Nu eerst herkende hij het metaal der epauletten. «Duivekater, een officier!»

«Mijn naam is Eugène Von Rothsattel,» begon de luitenant; »ik ben een kennis van mijnheer Wohlfart.»

«Van mijnheer Wohlfart en mijn zoon Karei,» zei Sturm opgetogen, «ga zitten, luitenant, het is mij een buitengewoon g:root genoegen en eer.» Hij bracht een stoel aan en zette hem in zijn vuur met zulk een geweld voor Eugène neder, dat de deur er van dreunde. Eugène wilde gaan zitten. «Een oogenblikje geduld» sprak de oude Sturm, «eerst afvegen, de uniform mocht eens beschadigd worden. Sinds mijn Karei weg moest is het hier wat stoffig.» Hij sloeg den stoel af en poetste hem met een doek voor zijn gast schoon. «Zoo, mijnheer, vergun mij tegenover u te gaan zitten. Gij brengt mij zeker tijding van mijn kleine ?»

«Niets anders,» hernam Eugène, «dan dat hij wel is en dat mijn vader zeer tevreden is over ziju ijver.»

«Zoo ?» riep Sturm, met een gelaat stralende van genoegen en trommelde met zijn vingers op de tafel, dat de kamer als dooi- eene kleine aardbeving bewogen werd, «Ik wist wel dat mijnheer uw vader tevreden over hem zou wezen. Dat had ik wel zwart op wit willen geven. Hij was al een praktische jongen toen hij nog zóó groot was,» en Sturm gaf met de hand een maat van menschelijke kleinheid aan die aan geen sterveling, ook niet den eersten dag van zijn zichtbaar leven, gegund is.

«Maar kan hij alles wel doen ?» vroeg hij angstig ; «ge weet wel

van die......?» Hij stak den luitenant zijn groote vingers toe en beschreef

met deze eenige geheimzinnige figuren in de lucht. «Middelvinger en ringvinger, ach ! dat was een groot ongeluk, luitenant.»

Eugène herinnerde zich het ongeluk. «Hij is het al te boven,» zei hij, verlegen over de vreemde rol, die de groote vaderlijke teederheid van den ouden Sturm hem deed spelen. «Wat mij bij u brengt is een verzoek,»

«Een verzoek?» schaterde Sturm, «beveel, mijnheer de baron! Dat is geen manier van spreken. Een iegelijk uit het huis, waar mijn Karei woont en opzichter is, heeft het recht den ouden Sturm te bevelen. Dat is mijn eenvoudige meening.» Hij veegde met de hand over tafel.

«Om het dan maar kort te maken, mijnheer Sturm,» zei Eugène, »ik ben in de noodzakelijkheid om morgen een groote som te betalen en heb geld noodig. De zaak is eensklaps opgekomen, ik heb geen tijd meer mijn vader er kennis van te geven. Ik ken hier niemand in de stad, dien ik zooiets zou durven vragen, dan den vader van onzen opzichter.»

Sturm boog zich voorover en gaf den officier een hartelijken klap op de knieën, «Dat is een goed woord. Gij hebt nog respect voor den naam uwer familie en wilt niet bij vreemden loopen als gij het van uw onderhoorigen gedaan kunt krijgen. Dus hebt gij geld noodig ? Mijn Karei is opzichter bij mijnheer uw vader, mijn Karei heeft een aardig

ocr page 387

49

stuivertje geld, dus alles is in orde. Hoeveel hebt gij noodig ? Zijn het honderd, tweehonderd daalders? Geld in overvloed.»

«Ik ben haast verlegen, mijnheer Sturm, om u de som te noemen,» sprak Eugène beschaamd, «negentienhonderd daalders is het.»

«Negentienhonderd daalders!» herhaalde de reus verbaasd, «dat is een kapitaal, dat is een huis, dat is wat de menschen een zaak noemen.»

«Ja, dat is zoo, mijnheer Sturm,» vervolgde Eugène angstig. «Endaar gij zoo vriendelijk tegen mij zijt, wil ik u ook wel zeggen dat het mij spijt dat het zoo veel is. Ik ben bereid u een schuldbekentenis te geven en voor het geld zoo hooge interesten te betalen als gij wilt.»

«Weet je wat,» zei Sturm ernstig, «over de interesten willen we niet spreken, dat moet ge maar met Karei vinden. Wat de schuldbekentenis echter betreft, dat is een goede inval van u. Een papiertje is goed bij leven en sterven. Gij en ik hebben dat onder mekaar niet noodig, maar ik kan sterven voor mijn tijd. Dat zou nog niets betee-kenen, want dan blijft gij er nog die van de geschiedenis afweet. Maar gij kondt ook sterven, waarvoor ik echter volstrekt niet bang ben,» voegde hij er goedig bij, «maar gij kondt toch sterven en dan moet mijn Karei uw handteekening hebben om te kunnen opkomen en te kunnen zeggen : De ongelukkige jonge baron heeft dit onderteekend, betaal dit.»

«Dus wilt go zoo goed zijn mij het geld te leenen ?»

«'t Is geen goedheid,» antwoordde Sturm op verwijtenden toon. «'t is mijn schuldige plicht, daar het voor mij een geldbelegging is en mijn dwerg als opzichter bij uw vader werkt.»

Getroflen staarde Eugène op liet gelaat van den trouwhartigen reus. «Maar, mijnheer Sturm,» begon hij weer, «ik heb het geld noodig.»

«Natuurlijk,» antwoordde Sturm, «dat is mij juist recht aangenaam. Kom maar mee, luitenant.» Hij nam het licht en geleidde hem naaide andere kamer. «Neem niet kwalijk, alsjeblieft, dat het er hier wat onordelijk uitziet, ik ben een vrijgezel en den geheelen dag aan mijn werk. Kijk eens, hier is de geldkist.» Hij trok do ijzeren kist te voorschijn. «Voor schelmen is zij veilig,» zei hij met trots. «Niemand in de stad kan ze van haar plaats bewegen dan ik, niemand kan ze openmaken, want het slot is het meesterstuk van den vader mijner vrouw zaliger. Weinigen behalve ik, kunnen het deksel oplichten, en wanneer er velen komen, vinden zij een karrewei die hun wat warm wordt. Gelooft ge dat het geld hier goed bewaard is tegen boeven en zulk volk ?» zei hij zegevierend. Hij was op liet punt den sleutel in het slot te steken. «Wacht even,» sprak liij eensklaps, «nog één woordje. Ik heb een vertrouwen in u, mijnheer de baron, als in mijn eigen Karei, dat spreekt; maar beantwoord mij eerst nog deze vraag: Zijt gij wezenlijk de jonge baron ?»

Nu kon Eugène glimlachen, hij greep in zijn zak en zei; «Hier is mijn pas.»

«O! vraag excuus,» riep Sturm, nam het papier voorzichtig aan en las aandachtig den naam, vervolgens vergeleek hij het signalement met Eugène, boog zijn hoofd en gaf het stuk met diepen eerbied terug.

«En hier,» hervatte Eugène, «heb ik toevallig een brief van Wohlfart in mijn zak.»

«Akkoord !» riep Sturm, op het adres ziende, «dat is zijn hand.»

DKliET EN CREDIT II. 4

ocr page 388

50

«En hier zijn naamteekening,» riep Eugène.

«Uw toegenegen Wohlfart,» las de reus. «Na, als liij dat schrijft, kunt ge gerust gelooven dat liet waar is. — Komaan, nu zijn de formaliteiten afgeloopen,» vervolgde hij en opende de kist. «Hier is geld; dus negentienhonderd daalders.» IJij nam vijf groote zakken uit de kist, lichtte ze gemakkelijk met één hand op en overhandigde ze aan Eugène. «Dat is duizend.»

Eugène poogde te vergeefs de zakken vast te houden.

«Ja, ja,» zei de reus, «ik zal ze wel voor u in het rijtuig dragen ; het overige moet ik u in papier geven. Die zijn iets minder waard dan honderd daalders, dat weet ge natuurlijk.»

«Dat doet er niets toe,» zei Eugène.

«Neen,» antwoordde de reus, «gij moet het in de schuldbekentenis opteekenen. Zie zoo, nu is de zaak gelukkig afgehandeld.» Hij sloot de kist weer dicht en schoof ze onder het bed.»

Eugène verliet met een opgelucht hart de kamer. «Nu draag ik de zakken voor u naar het rijtuig,» riep Sturm.

«Eerst nog de schuldbekentenis,» sprak Eugène.

«'t Is waar,» knikte de reus, «orde moet er wezen. Zie eens of gij mijn grove pen kunt gebruiken. Had ik geweten dat ik zoo'n visite zou krijgen, ik had er een betere van mijnheer Schröter meegenomen.»

Eugène schreef de schuldbekentenis. Sturm zat intusschen naast zijn bierkan en zag hem met een tevreden gelaat aan. Daarop vergezelde hij hem tot het rijtuig en zei bij het afscheid : «Vele hartelijke groeten aan mijnheer Wohlfart en mijn kleinen Karei. Ik heb mijn zoon beloofd met kerstmis bij hem te komen, maar het gaat niet meer mot mijn gezondheid. De negenenveertig al achter den rug!»

Eenigen tijd daarna schreef Eugène aan Anton en meldde hem ter loops dat hij negentienhonderd daalders van vader Sturm had geleend. «Zoek gij de zaak te schikken,» eindigde de brief, «natuurlijk mag mijn vader er niets van hooren. E]en goedhartige, malle drommel, die oude Sturm ; bedenk eens iets aardigs voor zijn zoon, om hem mee te brengen, wanneer ik bij u kom.»

Verontwaardigd wierp Anton den brief op tafel. «Zij zijn niet te helpen, die menschen, mijn patroon heeft gelijk. Aan gouden armbanden voor een gemeene danseuse, met de dobbelsteenen onder lichtzinnige kameraads, heeft hij het geld verkwist, en nu betaalt hij zijn woeker-schuld met de zure winst van een eerlijk man.» Hij liet Karei bij zich roepen.

«liet heeft mij reeds meermalen gespeten dat ik je in dezen warboel gehaald heb, vandaag gevoel ik levendig dat het verkeerd was. Ik schaam me haast je te zeggen wat er gebeurd is. De jonge Rothsattel heeft van do goedheid van je vader misbruik gemaakt om negentienhonderd daalders van hem te leenen.»

«Negentienhonderd daalders van mijn oude!» riep Karei verbaasd. «Heeft mijn Goliath zooveel geld uit te leenen? Tegen mij heeft hij zich altijd gehouden alsof hij niet wist wat sparen was.»

«Een deel van je erfgoed is weggegeven tegen een schuldbekentenis van nul en geen waarde, en het geval wordt nog hatelijker door de onver-

ocr page 389

5'J

schilligheld, waarmee de lichtzinnige Rothsattel het behandelt. Heeft uw vader er dan geen enkel woord van aan u geschreven !»

«Hij?» riep Karei. «Dat doet hij van zijn leven nooit. — Mij spijt het alleen dat gij u zoo over de zaak ergert. Ik bid u in 's hemels naam, maak er geen leven over. Gij zelt weet het best, wat een dreigende wolken zich boven dit huis samenpakken; vermeerder het verdriet der ouders niet om mijnent wil.»

«Hier te zwijgen,» hernam Anton, «is zooveel als zich medeplichtig maken aan een gemeenen streek. Schrijf gij terstond aan uw vader, dat hij voortaan niet meer zoo vlug moet zijn met geld leenen ; want dat officiertje is in staat om bij de eerstvolgende gelegenheid weer naar je vader te gaan.»

Daarop schreef Anton aan Eugène : 't Is me onmogelijk uw schuld te schikken, zoo ik er uw vader niets van mag vertellen, en zelfs in dat geval weet ik niet hoe de som er door gevonden zou worden. Ik wil u niet ontveinzen dat ik uw geldopnemen bij den vader van den opzichter Sturm voor zeer ongepast houd. Gij en uw vader hebt behalve dat aan do zelfopofferende gedienstigheid en werkzaamheid des zoons reeds zooveel te danken, dat het geringe loon, hetwelk hij in dn tegenwoordige omstandigheden kan ontvangen, ter nauwernood als een voldoende vergoeding kan worden beschouwd. Daarom moet ik u dringend verzoeken den ouden Sturm zoo veel zekerheid te geven als in uw vermogen is. Deze zekerheid ligt in de erkenning der schuld door mijnheer uw vader. Gij zult het met mij eens zijn dat gij het best zelf aan mijnheer den baron de vereischte inlichtingen daaromtrent kunt geven. Ik verzoek u dit niet tot uw overkomst uit te stellen, omdat elke week, waarin deze zaak niet geregeld wordt, mij de verlenging toeschijnt van een bedriegerij die uwer onwaardig is.»

En tegen Karei zei Anton ; «Als hij zijn vader niet alles openhartig bekent, zal ik den eersten dag van zijn bezoek hier den baron in zijn tegenwoordigheid over de schuld spreken. Zeg daar nu niets tegen, quot;je bent net als je vader.»

De uitwerking van dezen brief was dat Eugène in 't geheel niet meer aan Anton schreef en in den eertvolgenden brief aan zijn vader enkele niet gansch duidelijke volzinnen voegde. Die Wohlfart was een man; aan wien zij zeker wel eenige verplichting hadden ; het was alleen maar lastig dat zulke menschen zich daar altijd zooveel op lieten voorstaan en een toon aannamen, die ondragelijk werd. Hot was maar het verstandigst zulke lieden met goed fatsoen af te danken. Deze beschouwing viel zeer in den smaak van den baron en hij prees ze als hoogst verstandig. «Eugène heeft altijd een helder oordeel gehad,» zei hij, «ook ik snak er naar, dat de dag eenmaal aanbreke, waarop ik zelf weer in staat zal zijn de zaken na te gaan en den heer Wohlfart voor zijn diensten te bedanken.»

De barones, die haar echtgenoot den brief had voorgelezen, merkte op : «Ge zoudt Wohlfart toch zeer missen, zoo hij ons eens verliet.» Daarna vouwde zij den brief op en lei hem in haar lessenaar.

Leonore kon haar ontevredenheid niet verbergen ; zwijgend verliet zij het vertrek en zocht Anton buiten in de bouwerij op.

«Wat hebt gij met Eugène gehad?» riep zij hem toe.

«Heeft hij mij bij u beschuldigd ?» vroeg Anton terstond.

ocr page 390

52

«Bij mij niet, antwoordde Leonore, maar in zijn brief aan papa en .mama spreekt hij niet van u zoo als vroeger.»

«Wellielit is het toeval,» meende Anton, «of een booze luim die wel weer voorbij zal gaan.»

«Neen, het is meer en ik wil het weten.»

«Als het meer is, kunt gij het alleen van hem vernemen.»

«Dan heeft Eugene iets slechts gedaan, Wohlfart.» riep Leonore, «en gij weet er van.»

«Wat het ook zijn moge,» hernam Anton ernstig, «'t is mijn geheim niet, anders zou ik het niet verzwijgen. Ik verzoek u dringend te willen gelooven dat ik eerlijk en oprecht tegenover uw broeder heb

gehandeld. , .

«Wat ik geloof kan u niet baten,» zei Leonore. «Ik mag nooit iets weten, ik heb nergens verstand van ; waarlijk in deze angstige tijden kan ik niets anders doen dan mij boos maken, wanneer men onbillijk is jegens u.»

«Dikwijls,» vervolgde Anton, «drukt mij de verantwoordelijkheid, die door uws vaders ongesteldheid op mij rust, als een zware last; zijn ontevredenheid valt natuurlijk meestal op mij. die hem slechte tijdingen kom brengen. Maar dat kan niet anders. Ik heb den moed om ook pijnlijke uren door te staan, zoolang bij mevrouw de barones en bij u de overtuiging vast blijft staan, dat ik altijd naar mijn beste weten in

uw belang handel.»

Mijn moeder weet zeer goed wat gij voor ons zijt,» sprak Leonore, «nooit spreekt zij mij over u ; maar ik merk het uit haar blikken, wanneer zij aan tafel u aanziet. Zij heeft altijd het talent gehad van te verbergen, wat er in haar omging, haar kommer en haar zorgen ; thans is zij nog geslotener dan weleer. Ook voor mij. Als achter een witten sluier zie ik haar rein beeld; haar lichaam is zoo verzwakt, dat menigmaal de tranen mij in de oogen komen als ik haar aanzie. Zij spreekt altijd lief en verstandig, maar zij schijnt voor bijna aljes onverschillig, en zelfs als zij om mijn gesnap glimlacht, is het mij alsof haar vroolijkheid haar pijn doet.»

«Ja, zoo is zij,» bevestigde Anton treurig.

«Zij leeft mi alleen om mijn vader te verplegen ; wat zij inwendig lijdt, weet niemand, zelfs niet haar eigen dochter. Zij is als een engel, Wohlfart, die slechts met weerzin hier op aarde vertoeft. Ik kan maar weinig voor haar wezen, dat voel ik ; ik ben een slechte troost en mij ontbreekt alles, wat mijn moeder zoo groot, zoo edel maakt: de zelt-beheersching, haar rustige houding, haar bekoorlijk uiterlijk. — Do ziekte van mijn vader, do lichtzinnigheid mijns broeders, en mijn moeder, in weerwil van al haar liefde, toch gesloten voor mij, Wohlfart, ik gevoel mij bitter eenig.» Zij leunde op den rand der bron en weende.

«Wellicht moest dit alles zoo loopen, voor uw eigen welzijn,» troostte haar Anton met warme deelneming aan den anderen kant der bron. «Gij hebt een krachtig levenslustig gestel; en ik geloof, dat ge zeer hartstochtelijk kunt wezen.»

«Ik kan zeer boos zijn,» zei Leonore, onder haar tranen dat toegevende «en dan weer zeer uitgelaten.»

«Gij waart zonder zorg, in gelukkige omstandigheden opgegroeid, en uw leven was als een spel.»

ocr page 391

53

«Het leeren is mij zuur genoeg gevallen,» pruilde Leonore.

«Ik geloof' dat gij met uw gestel gevaar liept wat al te wild eu overmoedig te worden.»

«Ik vrees dat gij gelijk hebt.»

«Nu hebt ge groote rampen moeten lijden, en de tegenwoordige omstandigheden zijn van zeer ernstigen aard. En als ik het u zeggen mag, waarde freule, ik denk dat gij hier juist datgene zult vinden, wat mevrouw de barones in de groote wereld zich heeft verworven: uiterlijke waardigheid en innerlijk gehalte. Mij dunkt menigmaal dat ge reeds veranderd zijt.»

«Ik was vroeger een recht ondragelijke wildzang, niet waar?» vroeg Leonore, tusschen de tranen door lachende, en zag Anton in weerwil van haar ernst met een paar schalksche oogen aan. Anton had moeite om haar niet te zeggen hoe beminnelijk zij op dat oogenblik was. Maar de goede jongen bedwong zich dapper en zei, zoo koel als hem mogelijk was: «Zoo eru' was het nop; niet, freule.»

«En weet ge wat ge zijt?» vroeg zij schertsend. «Gij zijt, gelijk Eugène schrijft, een kleine schoolmeester.»

«Dus heeft hij dat geschreven,» riep Anton, wien een pak van het hart viel.

Leonore werd eensklaps weer ernstig: «Laten we nu niet over hem spreken. Toen ik zijn brief gehoord had, kwam ik hierheen om u te zeggen, dat ik u meer vertrouw dan iemand anders op de wereld, met uitzondering van mijn moeder; dat ik u altijd vertrouwen zal, zoolang ik leef; dat niets mijn geloof aan u zal kunnen doen wankelen; dat ik overtuigd ben dat gij de eenige vriend zijt, dien we in ons ongeluk hebben, en dat ik u op mijn knieën excuus zou willen vragen, als iemand u in 't geheim met woorden beleedigt, of zelfs alleen doorzijn meening omtrent u.»

«Leonore, beste freule!» riep Anton gelukkig, «spreek toch niet zoo.»

«En nog wou ik zeggen,» vervolgde Leonore, «hoe ik u bewonder, dat gij zoo vast en zeker uw gang gaat en met alle menschen het weet te vinden, zonder ooit iets toe te geven, en hoe gij alleen het zijt die op dit landgoed orde en een beteren toestand invoert. Dat lag mij op het hart, en nu weet gij het, Wolhfart.»

«Ik dank u, freule,» antwoordde Anton. «Gij maakt mij door uw woorden recht gelukkig. Maar ik ben niet zoo zeker en precies als gij wel meent. En als ik dit landgoed aanzie en bedenk wat er aan gedaan moet worden, gevoel ik eiken dag duidelijker dat ik het niet ben die hier goed kan helpen. Als ik ooit kon wenschen dat gij niet de dochter waart van den baron, maar een man, dan is het wanneer ik door de velden van dit goed wandel.»

«Ja, zie je, dat is altijd het oude lied; onze vorige rentmeester heeft mij dat ook wel gezegd. Als ik aan mijn borduurwerk zit en u met den heer Sturm liet veld zie inwandelen, dan zit ik op heete kolen en werp de prullenboel op zij. Ik kan niets dan brood eten, en heb nergens verstand van dan om geld uit te geven voor kanten, en zelfs dat gaat me niet goed van de hand, zooals mama beweert. Maar gij moet de domme Leonore maar nemen zooals ze is en er tevreden mee zijn.» Daarbij zag zij hem trouwhartig in de oogen.

ocr page 392

54

«Sints lange jaren heeft mijn hart uw vriendschap als een groot voorrecht op lioogen prijs gesteld,» hernam Anton aangedaan. «Altijd, tot op dezen oogenblik, is het mijn grootst genot geweest mij in 't geheim als uw trouwen vriend te beschouwen.»

«En zoo moet het altijd tusschen ons blijven,» zei Leonore. «Nu ben ik weer bedaard. En nu moet ge u niet meer over Eugène's domme streken boos maken. Ik doe het ook niet meer.»

Zoo gingen zij van elkaar, als twee onschuldige kinderen die er een stil genoegen in vinden elkander datgene te vertellen, wat de hartstocht zoekt te verbergen.

V.

De vijandschap tusschen Pix en Specht was op nieuw en hevig losgebroken. Ditmaal echter stond Specht niet alleen; het kwartet was op zijn hand. Want Specht werd in gevoelens gekrenkt, die het kwartet gebillijkt en door zijn gezang geheiligd had. Mijnheer Specht was verliefd. Deze toestand was bij den levendigen man volstrekt niet vreemd; integendeel, men kan zeggen, dat het hoofdbestanddeel van zijn leven een niet te sterk gloeiend liefdegevoel was, dat gelijk aan het vuur van Vesta, als een dichterlijke vlam brandde, zonder dat ooit de potten en pannen van het platburgerlijke leven, de gedachte aan een huwelijk en een eigen huishouden, er mee in aanraking kwamen. De liefde van den heer Specht was eeuwig, maar de godheid, voor welke zijn vuur blaakte, veranderde telkens. Alle dames uit zijn kring hadden volgens de rij de eer genoten van door hem aangebeden te worden. Zelfs de tante was een tijdlang het voorwerp zijner mijmeringen geweest; in den tijd namelijk dat de aandoenlijke geschiedenis van de verhevene, maar niet meer piepjongen Sappho, zijn hart bewoog.

Voor deze reis echter had de neiging van vriend Specht een vasten, degelijken grondslag. Hij had een jonge vrouw ontdekt, een welgezeten dame, weduwe van een pelterij-affaire, met roode koontjes en twee vriendelijke bruine oogen. Hij liep ze na in de komedie en in publieke tuinen, wandelde zoo dikwijls hij durfde haar raam voorbij, en stelde al wat zijn verbeeldingskracht wist uit te vinden, in het werk om haar te vermurwen. Ilij stoorde de rust van haar kalm leven door ontelbare naamlooze briefjes, waarin een onbekende op rijm en in proza zijn voornemen haar mededeelde om de treurigheid van dit aardsche tranendal tegen het onbekende «aan geene zijde des grafs» te verruilen, zoo zij hem versmaadde. Midden onder adver-tentiën van versche kaviaar, schelvisch, en gouvernantes, prijkte in de stadscourant tot groote verbazing van het publiek vernuftig verzonnen dichterlijke figuren, waarin de voornaam der jonge weduwe «Adèle» nu eens aan het begin der regels, dan aan een reeks van zelfstandige naamwoorden door dikke letters uitkwam. Ten laatste kon mijnheer Specht zich niet langer bedwingen en hij besloot het kwartet in het geheim zijner liefde in te wijden. Het eerst opende hij zijn hart aan Siebold; maar op een avond, dat de bassen hem broederlijk bij het

ocr page 393

zingen van vurige minneliederen ondersteund hadden, waagde liij het ook dezen te bekennen, dat hij de dichter der veelbesproken Adèle-verzen was. De bassen waren zeer verbaasd dat een gebeurtenis, die zooveel opspraak had veroorzaakt, van hun kantoor was uitgegaan. Wel hadden zij dikwijls' met de andere heeren over de gedichten gelachen, terwijl Specht in stilte over de erbarmelijke kritiek van het kantoorpersoneel zuchtte, maar zoodra zij nu hoorden dat een uit hun midden de dichter was, ontwaakte hun espyit-de-corpa en zij leenden een welwillend oor aan zijn ontboezemingen. De zaak scheen niet onverstandig: de weduwe zag er lief uit, had een huis en, naar men zei, bovendien een niet onaardig stuivertje. Daarom besloten zij hun ambtgenoot voor een serenade hun hulp niet te weigeren. De nachtwacht voor het huis der weduwe ontving een paar kwartjes, de serenade werd gegeven, in de slaapkamer der weduwe werd zoetjes een raam opengeschoven, en iets wits schemerde door de duisternis heen. Specht zwom in een zee van zaligheid, en daar deze toestand juist niet de beste is om een sterveling die van nature mededeelzaam is, gesloten te maken, beging hij de onvoorzichtigheid ook in tegenwoordigheid der andere ambtsbroeders geheimzinnige toespelingen te maken. Zoo kwam Fix achter de waarheid.

Nu begon er in de stadscourant een allerzeldzaamste vertooning van het katten- en muizenspel. Duistere advertentiën werden er gevonden, waarbij een zekere heer S. op alle denkbare afgelegen hoeken der stad genoodigd werd, om daar iemand te vinden die hem dierbaar was. Specht liep er geregeld heen en vond nooit haar die hij zocht; daarentegen ondervond hij op zijn ontdekkingsreizen menige onaangenaamheid : hij leed zeer van de koude en den wind; hij werd dpor vreemde dames, die hij aansprak, bits afgesnauwd; een schoenmakersjongen, dien hij voor een verkleede schoone hield, wierp hem een stuk sigaar in het gezicht; hij werd in een steegje om zijn vorschende blikken voor een geheimen politieagent aangezien en uitgejouwd. Natuurlijk plaatste hij van zijn kant in het dagblad verbloemde, maar hevige klachten over de trouweloosheid der schoone gebiedster; deze gaven weer aanleiding tot verontschuldigingen en aanwijzing van nieuwe plaatsen ; nooit echter vond hij de zoo vurig gewenschte.

Dat duurde eenige weken voort en Specht geraakte over de onophoudelijke kwellerijen van het noodlot in een staat van koortsachtige opgewondenheid, die zelfs de bassen ongerust maakte.

Op zekeren morgen stond Pix als naar gewoonte op de plaats, toen een aardige dikke dame met bruine oogen en een prachtigen pels aan op het huis aanstapte en toornig naar den Schroter vroeg.

«Mijnheer Schroter is niet thuis,» zei Pix «Kan ik ook de boodschap aannemen ?» Hij lei het zwarte penseel weg, en daar de vreemde dame weifelde om te spreken, noodigde hij haar door een beweging der hand uit om ziel. uit het gedrang der pakhuisknechten en vaten in het goederenmagazijn te bergen. Zijn kalme, bevelende houding boezemde aan de dame ontzag in : zij trad binnen, en thans maakte Pix een buiging en vroeg genadig: «Verlangt gij iets uit onze zaak ?»

«Ik verlang het hoofd der firma te spreken,» begon de dame op nieuw.

«Ik sta hier in zijn plaats,» zei Pix met waardigheid.

De vreemde zag hem beschroomd aan en zei ten laatste : «Ik kom om

ocr page 394

56

over een dei- Iteeren van het kantoor te klagen. Sints langen tijd ben ik liet voorwerp van plagerijen en aardigheden, die mij gevaar doen loopen om de fabel der stad te worden. Ik ontvang brieven en gedichten van een mij onbekende hand, in de courant wordt met mijn naam op schandelijke wijze gespeeld. Ik heb vernomen, dat de dader van die onbehoorlijkheden op dit kantoor werkzaam is, en ik verhing dat het hem verboden zal worden.

Pix rook lont. Hij stak zijn hand in zijn vest en vroeg verder: «Kent gij ook den naam van dien heer?»

«Den naam weet ik niet,» antwoordde de weduwe, «maar hij moet lang zijn en heeft een krullebol.»

«Mager van postuur en een grooten neus?» vroeg Pix. «'t Is goed, mejuf-vrouw, van heden af zult gij geen last meer van hem hebben ; ik zal zorgen dat gij volledige voldoening zult ontvangen, daarop kunt gij rekenen.»

«Maar ik zou toch gaarne mijnheer Schröter zeiven» — hernam de dame in den pels.

«'t Is beter dat gij zulks niet doet. De jonge man heeft zich op een manier tegenover u gedragen, waarvoor ik geen naam weet. Maar uw goedaardig hart zal wel willen bedenken dat het niet zijn bedoeling was u te beleedigen. Hij is onhandig geweest, heeft het verkeerd, aangeleid, dat is zijn font. Doch de ongelukkige is ongetwijfeld met een teeder gevoel voor u vervuld. Sints ik de eer heb u te kennen, kan ik mij dat zeer goed verklaren.» Uier maakte hij een diepe, innemende buiging. «Zoo als ik zei, ik keur het af, maar ik kan het niet begrijpen;»

De aardige weduwe stond verlegen en wist niet recht wat zij den voornamen heer zou antwoorden.

«Intusschen,» vervolgde Pix, «haast ik mij u in naam onzer firma versehooning te vragen. Ons huis doet het wezenlijk leed u maar één onaangenaam oogenblik berokkend te hebben. Het zou ons zeer verheugen als de goedheid, die ik op uw gelaat Iee3, aan onze zaak, en in de eerste plaats aan den schuldige, vergiflenis schonk.»

«Ik ben natuurlijk niet van plan anderen verantwoordelijk te stellen voor het ongepaste gedrag van een uwer,» hernam de weduwe.

«Ik dank u van ganscher harte voor die goede woorden,» vervolgde Pix zegevierend, «en vraag u nu in de tweede plaats verschooning, dat ik u hierheen heb gebracht; maar ik wist niet met wie ik de eer had te spreken. Dit is het kleine goederenmagazijn voor de dagelijksche behoeften.»

«Voor de dagelijksche behoeften?» herhaalde de dame verbaasd. Pix tastte in een koffievat en liet een handvol boonen als een gouden regen In de ton afloopen. «Wellicht vindt gij hier het een en ander dat ii in uw huishouden niet geheel overbodig zou wezen,» voegde hij er bij, en met een bevalligen zwaai van den arm presenteerde hij haaide verschillende artikelen.

De mooie weduwe kon haar verwondering over den grooten voorraad koflie niet verbergen ; de heer Pix leidde haar langs eenige soorten van uitmuntende kwaliteit rond, vestigde haar aandacht op de ellendige steenen van de Domingo, en op de heerlijke groene kleur van een partij Java.

De dame luisterde met open ooren naar de huishoudelijke les, die de heer Pix haar zoo om niet gaf.

ocr page 395

«Ons huis zon zeer gelukkig wezen, zoo liet u althans een klein bewijs van zijn achting mocht iianbieden», zei Pix met een zeer beleefd lachje. «Wilt ge mij veroorlooven u eenige proeven van de beste soort te zenden?»

«Ik kan dat onmogelijk aannemen, mijnheer — —» hernam de dame voorzichtig.

«Mijn naam is Pix. Over de bezending verzoek ik verder geen woord te spreken. Wij hebben den kleinhandel wel sints lang opgeheven, maar 't spreekt van zelf, dat we voor enkele klanten een doorloopende rekening houden. Zoo gij in 't vervolg een kleinen voorraad wilt inslaan zou ik mij zeer gelukkig achten, zoo ik het u tegen onzen inkoopsprijs mocht berekenen. En wat dien heer betreft, waarover we gesproken hebben, ik verzeker u nogmaals, gij zult volledige voldoening hebben; ik zelf zal daarvoor zorgen.»

«Ik ben u zeer dankbaar, mijnheer,» zei de weduwe met een vriendelijk lachje; en geheel verzoend verliet zij het handelshuis.

Pix ging naar het kantoor en nam Specht onder handen: «Je hebt een mooi stukje uitgevoerd», begon hij streng. Weet je dat u zoo even een onweder bedreigd heeft dat u licht van uw lessenaar had kunnen neerstorten? De jonge weduwe was hier en wou met alle geweld u bij mijnheer Schröter aanklagen. Zij is woedend op u. Uoe hebt gij het durven wagen een fatsoenlijke vrouw tot het voorwerp van zulke laife liefdesverklaringen in do stads-courant te maken.'' Ge moest u schamen. Specht», riep hij met de grootste verontwaardiging.

Specht was sprakeloos van schrik. «Wel, zij is immers het eerst in de courant begonnen», sprak hij ten laatste mistroostig: «zij heeft mij besteld eerst in de komedie, dan in den buitentuin, later zelfs op den toren, om het schoone gezicht ie genieten.»

«Onnoozele» zei Pix medelijdend, «begrijpt ge dan niet dut een grappenmaker ii voor den gek heeft gehouden? De dame is zeer bedroefd over uw gedrag; ik zeg het u in 't geheim, zij heeft over u geweend.» Specht wrong radeloos te handen.

«Ik heb al gedaan wat ik kon om haar te bedaren, ik heb haar uit uw naam beloofd dat gij van heden af van alle aanvallen op haar rust in de courant zult afzien. Handel gij nu dienovereenkomstig; zoo niet dan hoort mijnheer Schröter de geheele geschiedenis.»

«Ik kan het daarbij niet laten berusten», riep de ongelukkige Specht; «gij weet niet wat ik gevoel.»

«Gevoel wat ge wilt,» zei Pix met verpletterende wreedheid, «maar waag het nimmer één regel aan Adèle te laten drukken, of ge hebt met mij te doen.» Daarmede ging hij toornig weg en liet Specht in een toestand achter, waarbij die van een pas gehangene nog benijdenswaardig mocht heeten.

Terwijl Specht met het kwartet overlei wat hem in zijne omstandigheden te doen stond, handelde Pix.

Een knecht droeg tegen den avond een groot pak met de beleefde groeten van mijnheer Pix naar de woning der weduwe en Pix liet, tot zijn eer zij het gezegd, de bezending te zijnen laste opteekenen. Dienzelfden avotid ging hij de weduwe een bezoek brengen en vertelde haar dat de schuldige streng gestraft en de rust harer dagen en nachten weer hersteld was. Den volgenden Zondag dronk hij zelf

ocr page 396

58

de koffie bij de weduwe, die om alle praatjes te vermijden, ook een vriendin had genoodigd. Vier weken later had er tusschen haar bruine oogen en zijn gebiedende manieren zulk een toenadering plaats gehad, dat hij op zijn mooist uitgedost, haar opzocht en ten huwelijk vroeg. Het verzoek werd aangenomen. Mijnheer Pix, de gelukkige minnaar, besloot in weerwil van de motten en haren de bontaffaire weer aan den gang te brengen, en als meester daar den scepter te gaan

zwaaien. ......

Tot zijne eer moeten we hier vermelden dat hij zich verplicht rekende Specht deze verloving het eerst mee te deelen, en dezen bij die gelegenheid eenige woorden toe te spreken, die men althans als een verontschuldiging kon opnemen. «Het toeval heeft het zoo gewild,» zei hij, «wees verstandig, Specht, en houd Je kalm. Troost u ten minste met 'de gedachte dat het altijd een uwer ambtgenooten is die haar trouwt.»

«Maar ik niet,» riep Specht wanhopend, «dat is voor tnij in het geheel geen troost, dat gij het zijt; want ik vrees dat gij niet eerlijk met mij hebt gehandeld.»

«Weet ge wat. Specht,» zei Pix, met het gelaat van een boetvaar-digen zondaar, «handel nu als een goede vent, zooals je werkelijk zijt en word maar spoedig op een ander verliefd. U kost dat geen moeite.»

«Gij denkt dat het zoo maar op kommando gaat,» riep Specht boos.

«Zeker gaat dat,» hernam Pix, «als men eerst maar ernstig wil. En wij blijven de oude goede vrienden. Op de bruiloft moogt gij niet ontbreken.»

«Ook dat nog!» kermde Specht.

«Gij moet de bruidspartij regelen, daar heb je uitmuntend slag van, en gij moet als bruidsjonker fungeeren. Haast je nu maar om een andere te vinden waar ge verzen voor kunt maken, of de dame Adèle heet of Genoveva is u onverschillig.»

Maar dit was mijnheer Specht lang niet onverschillig; hij was nog boos over de trouweloosheid van zijn medeminnaar Pix en ondervond de pijnlijke voldoening dat ditmaal het gansche kantoorpersoneel zijn partij koos, en mijnheer Pix in alle vertrekken van het achterhuis als een koude egoïst veroordeeld werd. Langzamerhand echter goot de tijd een verzachtenden balsem in het hart van Specht. Het toeval wilde dat de weduwe een nicht had, wier oogen blauw en wier lokken goudblond waren, en zoo gebeurde het dat Specht eerst de zomersproeten van het jonge meisje lief, vervolgens haar manieren ^bekoorlijk vond, en ten laatste op zijn kamer de gedachte bij zich liet opkomen de aangetrouwde neef van mijnheer Pix te worden.

De koopman zat in zijn leuningstoel en staarde in diep gepeins verzonken voor zich uit. Eindelijk wendde hij zich tot zijn zuster. «Von Kink is weer verdwenen,» sprak hij.

Sabine liet haar werk vallen. «Verdwenen ? In Amerika

«Van morgen was er een agent van zijn vader op het kantoor. Naar hij zei hebben er nieuwe onaangenaamheden tusschen vader en zoon plaats gehad, en deze reis, vrees ik, heeft Von Fink het recht meer op zijn kant dan de firma, Hij heeft eensklaps de leiding der zaken laten varen heeft een groote maatschappij, die zijn oom had opgericht, door doortastende

ocr page 397

50

maatregelen doen ontbinden, heeft ten voordeeele zijns vaders van zijn deel aan de nalatenschap afstand gedaan, en is verdwenen. Luidens de onzekere berichten, die uit New-York zijn gekomen, moet hij de onbewoonde streken zijn ingegaan.

Sabine luisterde in gespannen aandacht, maar sprak geen woord. Ook de broeder zweeg.

«Er zat toch verbazend veel in dien man,» zei hij ten laatste. «In onze tegenwoordige tijden hebben we zulk een wilskracht noodig als de zijne. — Ook Pix verlaat ons. Hij maakt zijn hof aan een weduwe die wat geld heeft, en wil zelf een zaak beginnen. Ik zal Balbus in zijn plaats nemen. Maar deze zal hem niet goed kunnen vervangen.»

«Neen,» antwoordde Sabine bezorgd.

«Het wordt leeg bij ons,» vervolgde de broeder, »en ik gevoel dat ook mijn kracht niet aangroeit. Het zijn zware jaren voor ons geweest, die laatste. Men went zich aan de gezichten, zelfs aan de zwakjes der menschen. Niemand bedenkt ooit hoe pijnlijk het voor het hoofd eener zaak is den band te verbreken, die hem aan zijn medearbeiders verbindt. Aan dien Pix had ik mij gewend als aan weinig anderen. Het valt mij hard hem te moeten missen. En ik word oud. — Ik word oud en bij ons loopt het leeg. In een sombere toekomst zie ik u hier alleen in het huis; als ik u moet verlaten blijft gij eenzaam achter. Mijn vrouw en kind zijn gestorven. Op uw bloeiende jeugd was al mijn hoop gevestigd; aan uw man en uw kinderen heb ik sinds dien tijd steeds gedacht, beste zuster. Ik ben gaandeweg oud geworden en ik zie u om mij heengaan met een vriendelijken lach en een gewonde ziel, bedi'ijvig, belangstellend, en toch alleen zonder eenig genot, zonder eenige hoop.»

Sabine boog het hoofd op den schouder haais broers en weende zacht.

«Een was u dierbaar, dien ge verloren hebt,» fluisterde zij.

«Geen woord van hem, denk niet aan hem,» zei de broeder somber, «Ook als hij van daar terugkeerde, zou hij toch voor ons verloren zijn.» iMet zijn hand streek hij over het gelaat dei zuster, nam zijn hoed, en verliet de kamer.

«En zelf denkt hij altijd aan Wohlfart,» riep de tante van haar hoekje aan het venster, «van daag nog heeft hij den ouden Sturm lang en breed naar Karei en het landgoed gevraagd. Ik begrijp dien man niet.»

«Ik begrijp hem,» zuchtte Sabine en nam haar werk weer op. De tante knorde. «Gij zijt allemaal eender, de een juist als de ander, met u kan men over sommige dingen geen verstandig woord spreken,» en knorrig verliet ook zij het vertrek.

Sabine bleef alleen zitten. In den haard knapte het vuur en de slinger der klok ging geregeld heen en weer. «Altijd door hetzelfde, altijd door hetzelfde,» tikte de hangklok ; zacht llikkerde de levensvlam in de goed-verzekerde ruimte dezer muren, eiken morgen opnieuw aangestoken, eikend avond uitstervende. Metkalmen ernst blikten de portretten der ouders neer op hun laatste kind, zonder eenige verandering sinds vele jaren. Zoo verliep haar jeugd : ernstig, stil, eentonig, als de portretten aan den muur. Sabine boog liet hoofd voorover en luisterde. Hoor, kleine denkbeeldige stapjes in de hoeken van de kamer, en luister een vroolijk lachen uit een /risschen kindermond, en dichter dribbelde het naar haar toe, en een vriendelijke krullebol rustte flemend op haar schoot, en twee kleine arm-

ocr page 398

(50

tjes strekte zich begeerig naar haar uit. Zij boog voorover, en kuste de lucht, en luisterde weer naar de liefelijke tonen, die haar hart in verrukking brachten, en blijde tranen in haar oog deden opwellen. Ach, zij greep met haar hand in de ledige ruimte, en niets was werkelijk dan de tranen, die langs haar wangen vielen !

Zoo zat zij langen tijd totdat de avondschemering in de kamer doordrong. Langzamer ging de slinger, het vuur in de haart stierf uit, de laatste vonken verdwenen, onduidelijker en onduidelijker werden de omtrekken der portretten, het eene hoofd verdween na liet andere in de duisternis. Nauwer en nauwer omsloot haar de nachtschaduw ; als een rouwfloers omhulde zij haar het hoofd en de leden.

Buiten klopte de hamer van den ouden Sturm lustig op de hoepels der tonnen. Sterk en krachtig klonk elke slag over de plaats en drong tot het woonhuis door. Sabine stond op. «Het moest zoo wezen,» sprak zij vast besloten. «Tweemaal heb ik gevreesd en gehoopt, tweemaal was het een zelfbedrog, thans is alles voorbij. Hij alleen, voor wien ik alles ben, is mij overgebleven. Ik kan hem den echtvriend, waarop hij gehoopt had, niet te gemoet voeren, en geen kinderen zullen de armpjes om zijn hals slaan. Ja, het zal voortgaan bij ons, zooals het nu geworden is, altijd stiller, altijd lediger. Mij echter zal hij behouden, mij en geheel mijn leven. Mijn broeder, gij zult niet meer met smart gevoelen, dat tevredenheid en vroolijkheid aan uw leven en het mijne ontbreken.»

Zij nam haar sleutelmand en haastte zich naar de kamer van haar broeder.

Intusschen had de tante het besluit genomen den heer Baumann een bezoek te brengen. Tusschen mijnheer Baumann en de tante heerschte sints den laatsten tijd een geheime verstandhouding. Het toeval had gewild, dat hij haar tafelbuur was geworden. Als de tante op de reeks barer buurlieden bij het middageten, de belangrijkste gebeurtenis van den dag, terugblikte, kwam zij tot do overtuiging, dat die reeks langzamerhand evenveel aan geestigheid verloren als in christelijke vroomheid gewonnen had. Von Fink was goddeloos, maar zeer onderhoudend geweest; Wohl-fart bewaarde in deugd en vroolijkheid een zeker weldadig evenwicht; Baumann was de vroomste, maar tevens de stilste. «Wat men al niet beleeft,» dacht de oude goede tante. Het gesprek der tante met den heer Baumann was nooit opwindend, maar het was stichtelyk, want ook te tante had veel op met godsdienst en zondags mochten beiden gaarne elkander hun opmerkingen over de laatste preek meedeelen. Behalve de theologische gesprekken bestond er echter nog een andere band tusschen de tante en Baumann, en deze band heette «Anton.» De tante kon nog nooit vrede hebben met hetgeen zij een onnatuurlijk afscheid noemde. Zij was het met haar zelve niet eens wien zij de schuld dier plotselinge stoornis geven moest, aan den patroon of aan den klerk. Maar onwrikbaar stond haar overtuiging dat dit vertrek van Wohlfart, on-noodig, onverstandig en nadeelig voor alle partijen was geweest; en zij was in 't geheim aan het werk om hem langs omwegen weer in de zaak terug te brengen, voor zoo ver zijdelingsche wenken en vriendelijke woorden de besluiten van mannelijke brompotten konden wijzigen. Zij had daarom den eersten tijd na Antons vertrek, zoowel tegenover den koopman als tegenover Sabine, bij iedere gelegenheid over Anton gesproken en hem geroemd. Maar dat was aan een doovenmansdeur geklopt, üe koopman antwoordde met enkele

ocr page 399

61

woorden, soms zelfs onbeleefd, met hem was niets te beginnen ; en Sabine gaf het gesprek een andere wending, of zweeg geheel, zoodra de tante haar lofzang aanhief. De tante liet zich daardoor niet misleiden. De geborduurde gordijnen hadden een onuitwischbaren indruk in haar ziel achtergelaten, naar welken zij, tevreden over haar schrander doorzicht, sints dien tijd Sabine beoordeelde. Zij wist dat mijnheer Baumann de eenige van de heeren was, die aan Anton schreef; heden besloot zij op staanden voet de stijfhoofdigheid van alle partijen te hulp te komen. Daarom nam zij een traktaatje, dat zij van mijnheer Baumann geleend had, — een verslag van een weldadige vereeniging — en wandelde onverschillig naar het achterhuis, waar zij in het voorbijgaan aan mijnheer Baumanns deur tikte en hem het boekje terug gaf. «Heel lief,» sprak zij bij den ingang, «de hemel zal aan de onderneming zijn zegen niet weigeren,» cgt;n daarbij reikte zij hem in oen papier gewikkeld haar bijdrage toe. «Teeken mij ook voor het vervolg voor dezelfde som op.» De heer Baumann bedankte uit naam der armen. Daarop begon de tante nog steeds voor de deur; «Wat nieuws is er van uw vriend Wohlfart? Hij is als uit het land der levenden verdwenen ; zelfs de oude Sturm weet niets van hem te vertellen.»

«Hij heeft veel te doen,» antwoordde de heer Baumann, steeds karig ook in zijn woorden.

«Nu, ik denk niet meer dan hier. Als het hem om werk te doen was, kon hij gerust hier blijven.»

«Hij heeft daar een moeielijken plicht te vervullen en verricht een goed werk,» vervolgde Baumann voorzichtig.

«Loop met uw goed werk,» riep de tante, trad in gedachte de kamer binnen en sloot de deur achter zich. «Dat wat hij hier de doen had was ook een goed werk. Neen, neem me niet kwalijk, zoo iets heb ik nog in mijn leven niet gehoord. Hij loopt hier weg, juist op een oogenblik dat een verstandig man, die in alle geheimen der zaak was ingewijd, het allernoodigst was. Daarvoor is geene verontschuldiging uit te denken. Als hij zelf een zaak had opgericht, of als hij getrouwd was, dan was het een ander geval; een mensch wil wel eenmaal een eigen huishouden, wil gaarne een eigen zaak hebben. Zoo iets is Gods wil, en ik zou er geen woord van zeggen; maar zoo uit het kantoor weg te loopen, midden onder schapen en koeien en onder de Polen en de grootelui, dat is onvergeeflijk ; en dan nog wel uit een zaak, waar men het zoo goed met hem meende, waar hij het bedorven kindje was in alle vertrekken. Weet je hoe ik dat vind, mijnheer Baumann?» ging zij met vuur voort, terwijl de linten van haar muts fladderden. «Ik vind het ondankbaar! — En hoe moet het nu hier gaan? 't Is hier in huis een volslagen uitsterving. Von Kink weg, Jordan weg, Wohlfart weg, Pix weg : gij zijt nog de eenige die van de goede heeren in het voorkantoor zijt gebleven, en gij kunt toch niet alles doen.»

«Neen,» zei Baumann bedroefd, «en ik verkeer ook in een moeielijk geval ; ik had mij den vorigen herfst als uitersten termijn gesteld om in de zaak te blijven en thans is het voorjaar ophanden en ik heb nog geen gehoor gegeven aan de stem die mij roept.»

«Praat toch niet zulken onzin,» riep de tante ontsteld. «Gij zult immers ook niet weg willen ?»

«Ik moet,» zei Baumann met terneergeslagen oogen. «Ik heb brieven

ocr page 400

6ki

ontvangen van mijn engelsche broeders; zij verwijten mij mijne lauwheid. Ik vrees dat het een groote zonde is dat ik nog niet ben gegaan, maar als ik weer op het kantoor kom en de stapels blieven en het bezorgde gelaat van mijnheer Schröter zie, en als ik bedenk, hoe'n moeielijke tijd het is, en hoe ongelukkig de firma met haar beste krachten is geweest, houdt dit alles mij steeds terug. Ik ook wou dat Wohlfart terug kwam; hij kan hier niet hest gemist worden.»

«[lij moet wederkomen,» zei de tante, «dat is niet meer of minder dan zijn plicht als christen. Schrijf hem dat. — Wel is waar is het bij ons juist geen vroolijk leven,» vervolgde zij vertrouwelijk, «hij kan het daar ginds wel beter hebben. Onder de Polen gaat het in één roes en soes door.»

«Och neen !» hernam Dautnann even vertrouwelijk, «in een roes leeft hij niet, Ik ben bang dat hij daar veel zorgen en moeielijke tijden heeft; wat hij schrijft is lang niet vroolijk.»

«Wel, wat zegt gij?» vroeg tante, plaats nemende en nieuwsgierig keek zij Baumann aan. Baumann schoof zijn stoel dicht bij de tante en de beide vromen begonnen half luid een klein menschlievend leuterpraatje.

«Hij schrijft bekommerd, hij ziet de toekomst zwart in,» begon mijnheer Baumann, «hij vreest nieuwe onlusten en slechte jaren.»

«üod beware ons!» riep de tante, «daar hebben we al ruim genoeg van gehad.

«Hij leeft in een onveilige streek,» vervolgde mijnheer Baumann, onder slechte menschen; de politie moet daar zeer gebrekkig wezen.»

«Er zijn daar schrikkelijke roovernesten,» bevestigde de tante opgewonden.

«En ik vermoed dat het met zijn verdiensten ook niet te best staat. In 't begin heb ik hem nog menigmaal enkele kleinigheden, waar hij aan gewoon was, van onze goede thee en onze cigaren moeten zenden ; in den laatsten brief schrijft hij mij dat hij zuinig wil worden en zich die dingen zal afwennen. Ilij moet weinig geld hebben,» zei Baumann, bedenkelijk het hoofd schuddende, «niet meer dan tweehonderd.»

«Hij lijdt gebrek,» riep de tante, «zeker, dat is zoo; die arme Wohlfart ! Als gij hem schrijft, moet ge hem een kistje peckothee zenden en een paar hammen.»

«Hammen naar een buitenman ?» vroeg Baumann verwonderd. «Ik zou denken, varkens vindt men daar wel het eerst.»

«Maar die zijn niet van hem,» merkte de tante aan. «Hoor eens, mijnheer Baumann, het is uw christenplicht hem terstond te schrijven dat hij dadelijk terug moet komen. De zaak heeft hem noodig, zij ver-eischt zijn tegenwoordigheid. Ik weet het best, hoe mijn neef in stilte zorg heeft over deze tijden en over het verlies van de beste heeren, die wij gehad hebben, en hoe blijde hij zou wezen zijn trouwen Wohlfart terug te zien.» Dit laatste was een vrome leugen der tante.

«Dat komt mij toch niet zoo voor,» merkte Baumann bedenkelijk op.

«Van daag nog heeft mijn nicht aan haar broeder gezeid, hoe dierbaar Wohlfart ons allen is geweest en wat wij aan hem verloren hebben. Als hij ginds plichten te vervullen heeft, plichten roepen hem ook hier en deze zijn van ouder datum.»

«Ik wil het hem schrijven,» antwoordde Baumann, «maar ik vrees, geachte mevrouw, dat het niet veel baten zal; want juist als het hem daar

ocr page 401

63

slecht gaat, is liij do man niet om den ploeg te verlaten, waaraan hij de hand heeft gelegd om anderen te helpen.»

«Hij hoort niet bij den ploeg, hij is een penneman!» riep de tante boos, «en hier is zijn plaats. Het andere is allemaal onzin. Als hij hier zijn thee drinkt en een ordentelijk bestaan heeft, doet hij daarom niet minder zijn plicht. Ln zoo zeg ik ook aan u, mijnheer Baumann, dat gy me niet weer met uw afrikaansche grillen aan boord komt.»

Baumann glimlachte in het bewustzijn zijner onwrikbare overtuiging. Maar toen de tante zijn kamer had verlaten, ging hij toch gehoorzaam zitten en schreef aan Anton zijn geheele gesprek met de tante; en hij voegde er bij hoe ernstig het leven in het handelshuis was geworden, en hoe somber het gelaat van den patroon er 's morgens uitzag, als hij door het voorkantoor kwam.

De sneeuw buiten is gesmolten, met geweld stroomt het water in de opgezwollen beken; nog is de landstreek doodsch en kleurloos, het levengevend vocht der aarde begint zijn eersten loop in de stammen der boomen en doet in de heesters langs het water de eerste bloempjes ontluiken. De geweldige stroom heeft de slechte brug omgeworpen; Anton staat niet ver van het kasteel bij het water, en ziet naar het werkvolk dat bezig is nieuwe balken te leggen en planken er op te ■ spijkeren. Leonore zit op een omgehouwen boomstam tegenover hem en volgt hem met haar oogen, wanneer hij met zijn duimstok het hout afmeet. «Het ergste is achter den rug,» roept Leonore, «het voorjaar nadert. Reeds zie ik in gedachten de boomen on het gras groen worden; ook het sombere huis zal in de liefelijke lente er vroolijker uitzien dan nu. Maar voor u wil ik het kasteel teekenen zooals het thans is. (jij moet u later kunnen herinneren hoe de eerste winter was dien we onder uw bescherming hier doorgebracht hebben.»

En Anton ziet met een stralend oog op het schoone meisje en teekent met een potlood het profiel van het fijne gelaat op een nieuwe plank, «üij treft me toch niet,» zei Leonore, «gij maakt mijn mond altijd te groot en de oogen te klein. Geef mij het potlood; die kunst versta ik beter, sta even stil. Kijk dat is uw gezicht, uw trouw, uw eerlijk gezicht; ik ken het van buiten. Hoezee ! daar is de brievenbesteller !» roept zij, werpt het potlood neer en vliegt naar het kasteel. Anton volgt haar, want de bode, beladen met zijn zwaren last, is voor de kasteelbewoners het schip, dat door het diepe zand stevent om aan het afgelegen eiland de goede tijdingen uit de bewoonde wereld te brengen. Voor liet huis wordt den man zijn last afgenomen ; Leonore ontvangt met blijdschap het teekenpapier, dat zij in Rosmin had besteld. «Kom, mijnheer Wohlfart, laat ons nu, het punt opzoeken, van-waai' ik het slot het best kan schetsen ; de teekening zal op uw kamer de andere vervangen, die mij treurig maakt zoo dikwijls ik ze aanzie. Lens hebt gij ons huis geteekend, nu zal ik het voor u doen. Ik zal wezenlijk mijn best doen, gij zult zien dat ik ook iets kan.»

Zoo spreekt zij vroolijk tot Anton, doch hij let niet op haar woorden. Ongeduldig heeft iiij den brief van Baumann opengebroken, en terwijl hij leest, bedekt van inwendige aandoening een roode kleur zijn gelaat. Langzaam, in diepe gedachten verloren, wandelt hij zijn kamer op en neer en komt niet weder buiten.

ocr page 402

04

Leonore neemt den omslag, die op den grond was gevallen. «Dit is weer de hand van zijn vriend uit het handelshuis,» sprak zij verdrietig ; «zoo dikwijls hij van daar een brief ontvangt, wordt hij ingetrokken en koud tegen mij.» Zij slingert den omslag ver weg en haast zich naar den stal, om haar lieveling, den poney, te zadelen.

VI.

flet was do gewone wekelijksche markt in de kleine provinciestad Rosmin. Sints overouden tijd was de marktdag voor de landlieden van den omtrek een feest van groot gewicht. Vijf dagen van de week moest de boer zijn kool bouwen of voor zijn strengen heer arbeiden ; Zondags was zijn hart verdeeld tusschen de heilige maagd Maria, zijn huisgezin en de herberg; de marktdag dreef hem van de enge grenzen zijner akkers de wijde, wijde wereld in. Dan gevoelde hij zich tegenover den vreemdeling een verstandig man, die voortbrengt en verbruikt; hij vond kennissen terug, die hij anders nooit ontmoette; hij zag nieuwe dingen uit den vreemde, hij hoorde over andere steden en landen praten, en genoot in volle teugen wat anderen voor hem hadden uitgevonden. En op den avond van dien merkwaardigen dag liepen de nieuwtjes uit de wijde wereld pijlsnel tot in het afgelegenste dorpje, drongen door tot iedere hut, tot elk menschenkind van de streek. Zoo was het reeds geweest ten tijde dat de Slavoniërs nog alleen daar gevestigd waren: de boer een lijfeigene onder een morsig stroodak, de edelman trotsch en ongenaakbaar in zijn houten paleis. In die dagen was wat thans Rosmin heet nog een open veld ; wellicht mocht er een kapel hebben gestaan met een heiligenbeeld, of een paar reusachtige boomen, overblijfselen van den heindenschen tijd, of het huis van een verstandig grondbezitter, die verder zag dan zijn zwaargebaarde landgenooten. Toen kwam de duitsche koopman over de grenzen ter markt met zijn wagens en knechten ; onder de bescherming van het heilige kruis of' van een slavonischen sabel opende hij zijn kisten, en bood de voortbrengselen van de volksnijverheid, lakens, bonte kleederen, geweven kousen, halsketenen van glas en kostbare koralen, heiligen beelden en kerksieraden, maar ook, al wat het gehemelte streelt, zoetigheid, vreemden wijn en saprijke citroenen te koop, en nam daarvoor in ruil aan wat de streek hom verschafte: wolvenhuiden, ottervellen honig, graan, zaden, en andere natuurproducten. Niet lang duurde hot of naast den koopman sloeg ook de ambachtsman zijn werkplaats op, de duitsche schoenmaker kwam, en de slotenmaker, de blikslager en de zadelmaker; de tenten en hutten veranderden allengs in vaste woningen, die in een kring om de groote marktplaats, waarop voor honderden poolsche pakwagens ruimte moest zijn, als uit den grond verrezen.

De vreemde kolonisten sloten zich nauwer aan elkaar, zij kochten den grond, zij kochten van de poolsche grondbezitters stedelijke rechten, zij gaven zich een bestuur naar het model der duitsche steden. De nieuwe burgers bouwden hun raadhuis in het midden van den grooten

ocr page 403

65

vierhoek, en daarbij een dozijn huizen voor kooplieden en herbergen, en daarmee was de omtrek van de markt gesloten. Om de open plaatsen, de achtergebouwen, en de straten werd de stadsmuur getrokken, en boven de beide gewulfte poorten volgens de gewoonte van het lieve vaderland een toren geplaatst: beneden woonde de ontvanger, boven huisde de nachtwacht. En met verwondering vertelde men elkaar buiten in bosschen en op de heide, hoe snel de mannen met de vreemde taal waren aangegroeid, en dat ieder boer die door do poort reed hun een stuk kopergeld vnor onderhoud van de brug moest betalen; ja zelfs de edelman, de almachtige, moest ook ofleren. Menigen Pool dreef het lot naar de burgers in de stad; hij begon zich thuis te gevoelen onder hen; hij werd ambachtsman, koopman, burger, als zij. Zoo was Rosmin, zoo vele duitsche steden ontstaan op den poolschen grond, en z'j gebleven wat zij in den beginne waren; de markten van de

groote vlakten, de plaatsen, waar poolsche akkervruchten ingeruild worden tegen de uitvindingen van duitsche nijverheid, de mazeti van een sterk net, dat de Duitscher over de Slavoniërs gespreid heeft. Kunstige mazen, waarin ontelbare draden samen loopen, die de geringe veldarbeiders in verbinding brengen mot andere menschen, met beschaving, met vrijheid, met een geordenden, ontwikkelden staat.

Nog altijd is de marktdag van Rosmin de groote dag voor den omtrek. Van den vroegen morgen af trekken honderden van wagens met veldvruchten naar de stad eti boven op de zakken zit de breedgeschouderde boer met zijn vrouw; maar niet langer drijft de lijfeigene de afgesleten rossen van zijn heer en meester voort: een vrijgeboren Polenkind bestuurt de sohoone stevige paarden, wier vader zelfs een hengst des konings is. En als het rijtuig des edelmans voorbij rijdt, zet de knaap ook zijn paard tot sneller loop aan, eti als hij goed gemutst is, raakt hij even aan zijn hoed. Langs alle straten en wegen trekt men naar de stad; de kleine boeren hebben hun ganzen op den kruiwagen en de vrouw draagt in een mand de boter van haar koe, en bessen, en paddestoelen, en geheel onderin mogelijk wel een goed verborgen haas, dien haar man door het werpen met een stok heeft gedood. Voor alle herbergen der voorstad staan rijen uitgespannen wagens, bij elke kroeg verdringt zich de in- en uitgaande man. Op de markt staan de graanwagens dicht naast elkaar, de groote plaats is bedekt met ronde zakken en tuigen, de paarden van allerlei grootte en kleuren zijn op een rij aan palen gebonden; op de beste plaatsen, aan de hoeken, ook de adellijke spannen der groote heeren. En binnen den vierhoek tusschen de honderd wagens, tusschen de knechts, de paardenkoppen en stroobossen, wringt zich als een aal de joodsche makelaar, met graanmonsters in al zijn zakken, in twee talen voortdurend vragende en antwoordende. Naast de wit linnen kiel en den blauwen rok met passement der Polen, en hun hoed met een pau-wenveer, vertoont zich het eentonige donkerblauw van den duitschen kolonist. Midden in dat bonte gewoel bewegen zich soldaten uit do naaste garnizoensplaats, stedelingen, rentmeesters en groote heeren van den landadel. Op den hoek der markt houdt, hoog verheven op zijn paard, de marechaussee de wacht; ook hij is heden druk iti de weer, en zijn stem klinkt gebiedend uit boven het geratel der wagens, die den ingang der straat versperren.

Overal in de stad zijn de winkels geopend en voor de huizen stallen DEBET EN CBEDIT II. 5

ocr page 404

06

de kleinhandelaars op tafeltjes en tonnen hun waren uit. Voorzichtig drentelt het boertje, gevolgd door de vrouwen van zijn hut, langs de verleidelijke vertooning; met korte woorden houdt hij de vrouwen in bedwang, die met begeerige blikken blijven staan en malkaar aanstoo-ten, wanneer ze voorbij een winkel met katoen, doekjes of' sieraden komen; totdat ook eindelijk zijn gekunstelde onverschilligheid in een uitroep van bewondering zich lucht geeft, als hij bij een tafel vol ijzerwaren staat, of bij een paardentuig, of bij een grooten ham in een slagerswinkel. Lang wordt alles bekeken voor de koop wordt gesloten; wel vijf minuten buigt hij liet stalen blad der zaag heen en weer, totdat de koopman hem ongeduldig het stuk uit de hand neemt, dan eerst gaat hij aan het bieden. Bijna even lang tikt zijn vrouw op de aarden potten, of wellicht een rammelende toon een barst zou verraden. liet genot van het koopen wordt hier in veel hooger mate gesmaakt, dan waar duizenden op een oogenblik worden uitgegeven. Telkens houdt men stil, wanneer een kennis of bloedverwant uit een ander dorp de kooplustigen tegenkomt. Dan hoort men een luid begroeten, de vrouwen staan op een hoopje, de nieuwtjes vliegen van den eenen mond naar den anderen, totdat het gansche gezelschap eindelijk gezamenlijk zijn tocht voortzet. Op het langelaatst houden ze nog eens stil voor' de tafel, waar doorgesneden worsten door hun gemarmerd hulsel heen hun onweerstaanbaar toelachen, waar stapels broodjes opgehoopt liggen, en waar de altijd gewenschte haring in de ton gepakt is. Hier geschiedt de laatste koop, en daarmee gaan ze naar een herberg. De flesch wordt gevuld, en daar er geen plaats meer op de banken te vinden is, schikt men zich in een hoekje op den grond en nuttigt op zijn gemak do lekkernijen. De llesch gaat rond, do wangen worden rooder, de gebaren levendiger, het gesprek luider, do mannen worden gemoedelijk, oude vijanden zoeken elkander op om te twisten. Ver op straat klinkt uit iedere herberg het gegons en geschreeuw. Wie andere boodschappen te verrichten heeft, gaat intusschen zijn gang; wie een klacht heeft in te dienen, heden gaat hij naar de rechtbank; wie belasting te betalen heeft, van daag is het kantoor open. Alle ambtenaren hebben de handen vol; alle klerken pennen zoo hard ze kunnen; alle dorpschouten vertoonen zich op het raadhuis om iets te vertellen, of iets te vragen. Ook de koffiehuizen zijn vol, en de wijnslijter Löwen-berg doet dien dag de beste zaken; hij heeft behalve zijn wijnzaak nog een uitgebreiden handel in graan en wol, hij leent geld en is de raadsman van vele grondbezitters. In zijn groote voorkamer zitten de gasten, elk gezelschap aan zijn tafeltje: duitsche ambtenaren, bejaarde poolsche landeigenaars, misschien wel een enkele rijke duitsche boer, die een voordeeligen koop heeft gesloten. In de achterkamer echter is het voornamer; daar is de adel uit de provincie samen. Menig wild gezicht kan men er aantreffen met domme trekken ; maar ook de schoone vorm van het poolsche type, krachtvolle mannen met een ridderlijk uiterlijk.

Daar vliegt de kurk van de champagneflesch, en behalve de gewone zaken wordt hier nog vi ij wat verhandeld, dat vreemde ooren niet hooren mogen. Is er geene belangstelling voor de politiek, dan rollen wellichtde dobbelstee-nen over de tafel, of een spel kaarten wordt midden onder de wijnglazen uit een zak getooverd. Dan vormt zich aan een hock van de tafel een kring, stille heerscht in het vertrek, alleen afgebroken dooi'korte uitroepen in het fransch. Zoo loopt de marktdag af in een gestadig praten en handelen,

ocr page 405

07

verdienen en genieten, le midden van wagengeratel en paardengehinnik, totdat de avond zijn grijzen sluier over het plein uitspreidt. Dan trekt de boerin haar man bij den rok, zij denkt aan de aarden potten, die zoo iiclit stuk geslagen worden, aan de kleine kinderen, die om hun moeder roepen. Nu rijden de wagens weer in alle richtingen uit elkander, de boerenjongen draagt een ruiker op zijn hoed, onophoudelijk klapt hij met de nieuw gekochte zweep, in dronkemans dolheid zei hij zijn paarden aan tot een hardloop met andere wagens. Langs de voetpaden trekken de minder gezegenden naar hun woning; de vrouw heeft haar potten en pannen op den rug gebonden, een mooie roode halsdoek en een peperkoek voor de kinderen liggen er in, en nieuwe potlepels en keukengereedschappen steken er boven uit. Naast haar loopt de man onvast en moeielijk, de stalen zaag op den schouder, te vergeefs zijn best doende om tegenover vreemden de waardigheid van een huisvader op te houden. Veel later komen ook de rijtuigen der heeren voor het koffiehuis ; de koetsiers moeten lang wachten, want ook aan de heeren valt het afscheid van de tafel en de galagkamer zwaar. Nu wordt het rustiger in de vermoeide stad, de koopman opent zijn geldlade, telt en sorteert zijn vreemde ontvangen munten, en spijkert de valsche zilverstukken nijdig voor op de toonbank, als een duidelijke waarschuwing voor alle oneerlijke betalers. Nu brengt ook de marechaussee zijn paard op stal, telt de landloopers na, die hij gepakt, de zakkenrollerijen, welke hij betrapt, de procsssen-verbaal die hij opgemaakt heeft, en vleit zich met een pluimpje van den burgemeester. Eindelijk doet de nachtwacht de ronde, hij let heden dubbel op de herbergen, waar nog altijd eenige schreeuwers zitten, en ziet bij het (lauwe lantarenlicht knorrig op de morsige marktplaats, die zijn bezem morgen schoon zal moeten vegen.

Zoo was de weekmarkt te Rosmin sinds tijden. Den laatst verloopen winter was het verkeer niet minder geweest dan vroeger, maar bij velen, vooral bij de heeren, vertoonde zich een zekere onrust. I3ij den wijnhandelaar zag men somtijds vreemde mannen met een krijgshaftig uiterlijk de achterkamer binnengaan en terstond daarop werd het vertrek gesloten. Op de straten zag men jonge kerels, wonderlijk gekleed, met roode vierkante mutsen, door de menigte heendringen. Zij klopten hier en daar een landman op den schouder, riepen anderen bij hun naam, en trokken hen uit het gedrang naar een hoek. Wanneer een soldaat zich in zijn uniform vertoonde, keken de rnenschen hem aan of hij eetj vreemd wild dier was ; sommigen vermeden hem, anderen waren dubbel vriendelijk tegen hem. In de herbergen zaten zij die tot de duitsche dorpen behoorden afzonderlijk en mengden zich niet onder de anderen; en de Polen, die op de goederen van den heer Von Tarow woonden, dronken veel en zochten nog meer twist dan gewoonlijk. De boei' van de nieuwe pachthoeve had op de laatste markt in de geheele stad geen zeis kunnen vinden, en de houtvester klaagde zijn nood bij Anton, dat hij kortelings in geen winkel meer kruit had kunnen krijgen, dan voor een week voldoende was. Er hing iets in de lucht; niemand wilde zeggen wat het was.

Heden was liet weer marktdag te Rosmin, en Anton reed met een knecht naar de stad. 't Was een van de eerste lentedagen; de zon scheen koesterend op den grond, die nog in den wintersluimer gedompeld lag. Anton dacht bij zichzelven dat thans de eerste bloemen in den tuin zouden

ocr page 406

G8

bloeien, en dat liij en de dames op liet kasteel er dit jaar geen zouden zien dan wellicht op de boerderij achter de schuur. Maar het was ook geen tijd om in bloemen pleizier te hebben. Overal waren de gemoederen in spanning, cn al wat reeds vele jaren achtereen zoo vast was geweest, scheen aan 't wankelen gebracht. Over geheele streken woedde de politieke stormwind voort, de couranten berichtten dagelijks vreemde en vreeselijke gebeurtenissen, een groote strijd scheen te naderen, het rustige bezit, de beschaving, do ontwikkeling, scheen in gevaar. Hij dacht aan de omstandigheden des barons en hoe groot het ongeluk voor dezen zou zijn, als het geld duur werd en het grondbezit goedkoop. Hij dacht ook aan de firma in de hoofdstad, aan zijn plaats op het kantoor, die hij nog in stilte als de zijne beschouwde, en aan den bekommerden brief, dien de heer Boumann hem had geschreven: hoe somber de patroon gestemd was, hoe twistziek de ambtsbroeders aan de theetafel in mijnheer Boumanns kamer.

Uit zulke pijnlijnke gedachten wekte hem een leven op den weg. Een tal van rijtuigen ging voorbij, in het eerste zat mijnheer Von Tarowsky, die in het voorbijrijden Anton beleefd groette. Anton zag met eenige bevreemding dat hij zijn jager op den bok had zitten, alsof hij op de jacht ging. Nog drie rijtuigen rolden langs hem heen, allen overvol gepakt, en daarachter volgde een schaar ruiters, onder welke ook de duitsche opzichter van Tarow.

«Jan,» riep Anton den koetsier toe, «wat was dat, dat ze daar in den tweeden wagen verborgen ?»

«Geweren,» antwoordde de koetsier bedenkelijk.

De lieve zon lokte na lange sneeuw- en regenbuien de menschen allen van huis naar de stad; in kleine troepen wandelden zij vroolijk voorwaarts, slechts weinig vrouwen waren er bij; voortdurend hoorde men de verschillende gezelschappen elkander toeroepen; er was een leven op den weg als anders 's avonds bij het naar huis gaan. liij de eerste herberg voor de stad liet Anton stilhouden. De koetsier zei: «'t Is een heel eind van hier naar de markt; hoe zal het gaan met het opladen van den haver ?»

«Blijf slechts bij de paarden,» beval Anton, «en ga niet naar de stad, als ik iets koop zal ik het hier laten bezorgen.» Haastig wandelde hij de poort door en bevond zich midden onder het gewoel op straat. Het was buitengemeen druk in de stad, reeds aan de poort verdrong zich de menigte; quot;met moeite konden de graanwagens erdoor. Toen Anton op het marktplein kwam, werd hij getroffen door het vreemde uitzicht der menschen. Overal verhitte gezichten, gespannen trekken; verscheidenen zag men in jagerscostuum, niet zelden met een poolsche cocarde op den hoed. Voor het huis van den wijnslijter was het gedrang het grootst; daar stonden de menschen hoofd aan hoofden zagen naar de vensters op, waaruit bonte vlaggen wapperden : bovenaan de poolsche kleuren, andere buiten-landsche daaronder. Nog stond Anton met een angstig hart naar het huis te zien, toen eensklaps de deur open ging en op den steenen trap mijnheer Von Tarow zich vertoonde en een vreemdeling met een sjerp om het midden. Anton herkende in hem den Pool, die hem vroeger eens met parate executie bedreigd, en eenige maanden geleden naar den rentmeester gevraagd had. Een jonkman sprong uit den vollen hoop op den ondersten trap, riep met luide stem eenige poolsche woorden, en zwaaide met de muts. Een luid geschreeuw was het antwoord, daarop volgde een

ocr page 407

G!)

diepe stilte. De lieer Von Tarowski hield een korte toespraak, waarvan Anton niets verstond, want achter hem ratelden de wagens en het gedrang werd grooter en grooter. Toen nam de heer met de sjerp liet woord. Hij sprak lang, meermalen werd hij door luide toejuichingen afgebroken, en toen hij geëindigd had barstte een oorverdoovend geraas los, een wilde poolsche goedkeuring. De deuren van het huis werden wijd opengezet, de menigte golfde als een onstuimige zee. Een troep stortte uit het huis en verdeelde zich op de markt, anderen vlogen naar binnen; wien het gelukt was door te dringen, kwam na korte oogenblikken niet een cocarde aan zijn muts en een Kuis in de hand weer buiten. In een oogwenk had zich een hoop mannen met zeisen en een andere troep met geweren gewapend voor het huis geplaatst, liet aantal gewapenden groeide telkens aan; kleine afdeelingen mannen met zeisen, door enkele geweerdragers aangevoerd, liepen haastig van liet huis naar de verschillende hoeken van het marktplein. Anton hoorde achter zich bevelen geven; hij keerde zich om en zag hier en daar gewapende ruiters, die met strenge woorden gelastten de wagens, welke op de markt stonden, uit den weg te ruimen. Het leven en het gewoel werd onstuimiger; onder angstige kreten sloegen de landlieden hun paarden; de kooplieden vluchtten met hun waren naar binnen; de winkels werden gesloten. Na verloop van eenige minuten zag de markt er akelig uit. De wagens waren opgeruimd, op de hoeken stonden posten van mannen met zeisen, hun lange speeren llikkerden in de heldere morgenzon. Op het plein zelf golfde de weifelende menigte. Ontsteld, geschokt, vertoornd spoedde Anton door den volkshoop heen, en kwam zoo aan den anderen kant van het plein. Daar stond het ontvangstkantoor, reeds van verre kenbaar aan het wapenbord, dat op hout geschilderd boven het raam hing. Ook daar weder was een wild gedrang; een post mannen met zeisen stond voor het huis, uit de verte zag Anton, dat een man een ladder er tegenaan zette, naar het wapenbord klom, en met een hamer er op sloeg dat het neerviel. Toen het op de steeneu rolde, werd er onder de opeengedrongen menigte een zacht geluid vernomen, alsof het een zucht was; een doodsche stilte had het rumoer vervangen, zoodat men een speld kon hooren vallen. Een troep dronken gespuis viel met een woest gejuich op het afgeslagen wapenbord, en onder een stroom van smaad- en scheldwoorden werd het door de goten en over de straat gesleept.

Anton was buiten zich zelf; een zee van onstuiminge driften woedde in zijn binnenste. «Oij, schurken!» riep hij luid, eu snelde door de menigte op de bende toe. Een krachtige arm hield hem tegen en een bevende stem riep hem toe: «Niet verder, mijnheer Wohlfart; heden is het hun dag, morgen komt de onze.» Anton rukte zich los en zag den reusachtigen schout van Neudorf naast zich staan ; een oogenblik latei-vond hij zich omgeven door een hoop donkere menschengedaanten. liet waren de blauwe rokken van duitsche boeren, gezichten vol toorn en bezorgdheid, die hem als met een muur omringden. «Laat mij door,» riep Anton, nog steeds woedend. Wederom echter daalde de zware hand van den burgervader op zijn schouder en met vochtige oogen zei de man: «Spaar uw leven, mijnheer Wohlfart, thans is alles te vergeefs; wij hebben niets dan onze vuisten en zijn verreweg de minderheid.» En van den anderen kant werd zijn hand gekneld als in een schroef en de oude houtvester stond snikkend naast hein. «Dat ik dezen dag,

ocr page 408

70

deze schande nog beleven moest!» Daarbij schiulde hij krampachtig Anions hand, sloeg zich met de beide vuisten voor het voorhoofd, en schreide als een kind. De hevige smart van den ouden man bracht Anion eenigszins tot bedaren, hij sloeg zijn arm om den hals des houtvesters en hield hem hartelijk vast. En wederom barstte in hun nabijheid een woest geschreeuw los en een slem brulde: «Onderzoekt de Duitschers! Neemt hun de wapenen af! Niemand mag het marktplein verlaten!» Anton wierp een haastigen blik om zich heen en riep: «Dat mogen we niet toelaten, mannen, dat we hier in een duitsche stad behandeld worden als krijgsgevangenen, en dat zij ons wapenbord onteeren, de ellendelingen!»

Op een afstand roffelde de trom. «Dat is de schutterstrom,» riep de schout; «de burgerwacht van Rosmin komt op. Zij hebben geweren.»

Wellicht is nog niet alles verloren,» riep Anton. «Ik ken hier eenige menschen, op welke we staat kunnen maken. Houd goeden moed, mijn oude vriend,» troostte hij den houtvester. «De Duitschers van het platteland moeten niet verstrooid blijven, dan weet niemand wat we doon kunnen. We willen gezamenlijk de markt verlaten; hier bij de bron zullen we ons vereenigen. Ieder gaat zijn weg en zoekt zijn kennissen op. En nu geen tijd verloren! Gij, dien kant uit, schout; gij gaat met mij, smid van Kunau!»

De schaar ging in twee richtingen uiteen, Anton door den houtvester en den smid gevolgd liep nog eens het geheele marktplein over. Nooit had hij ijveriger gezocht, nooit hadden ze elkander spoediger begrepen. Waar hij een Duitscher vond, was een teeken met het oog, een handdruk, het vluchtige woord: «De Duitschers vereenigen zich bij de bron, wacht ons,» genoeg om de besluiteloozen snel naar hun landslieden te drijven.

Voor het huis van den wijnslijter hield hij met zijn makkers een oogenblik midden onder den dichten drom stil. Ongeveer vijftig met zeisen gewapenden stonden voor de woning, naast hen een dozijn geweren ; nog waren do deuren wijd geopend en telkens gingen er menschen naar binnen om wapenen te halen. De groote menigte was angstig teruggeweken; Polen en Duitschers, stedelingen en landbewoners wemelden door elkaar. Anton bemerkte ook dat de poolsche landlieden ontsteld op een hoop stonden en elkaar met vragende blikken aanzagen, Op de stoep spraken eenige jonge heeren tot het volk. Terwijl de smid uit Kunau en de houtvester de Duitschers het teeken gaven, liep Anton op een kleinen man toe, die in zijn daagschen rok niet een berookt gezicht door de menigte drong en greep hem bij den arm: «Zoo, slotenmaker Grobisch, staat gij hier? Waarom haast ge u niet naar het vereenigingspunt; gij zijt schutter en burger, en wilt toch deze beleediging niet verdragen?»

«Ach, waarde heer rentmeester,» zei de slotenmaker, Anton op zijde nemende, «wat een ongeluk! Verbeeld u, ik ben daar met mijn liamer in mijn winkel aan het werk en weet van niets. Bij ons werk kan men weinig hooren. Daar vliegt mijn vrouw binnen —»

«Wit gij deze beleediging verdragen?» hei haalde Anton en schudde den man driftig.

«God beware me! mijnheer Wohlfart,» hernam de slotenmaker, ik kommandeer een afdeeling bij de schutterij. Terwijl mijn vrouw mijn rok op-

ocr page 409

71

zoekt, ben ik eens even liet plein opgeloopen om te zien hoeveel mannen hier staan. Gij zijt grooter dan ik, hoeveel gewapenden zijn er ?»

«Ik denk zoo wat vijftig zeisen,» antwoordde Anton haastig.

«Neen, de zeisen niet,» zei de kleine, «dat is maar samengeraapt gepeupel, de geweren alleen.»

«Een stuk of twaalf voor de deur, en mogelijk even zooveel in huis.»

«Wij zijn ongeveer dertig buksen,» zei de kleine man bekommerd, «maar heden is er niet op allen te rekenen.»

«Kunt gij ons geweren bezorgen?» vroeg Anton.

«Maar weinig,» hernam de slotenmaker, met het hoofd schuddende.

«We zijn hier een gansche troep Duitschers van het land,» zei Anton in vliegende haast, «we willen ons met geweld een weg banen tot aan «het roode hert» in de voorstad, daar laat ik mijn mannen halt maken. Zend gij ons iti Godsnaam door een patrouille nadere berichten, en zooveel geweren als ge vinden kunt. Als we de groote heeren verdrijven, verloopt de volkshoop van zelf.»

«Ja maar, de wraakzucht van die Polen!» zei de slotenmaker', met den wijsvinger aan zijn neus, «de stad zal het moeten betalen.»

«Niets zal zij betalen, baas ; morgen krijgt gij hulptroepen, als ge van daag de dolzinnigen de stad uitjaagt. Maar haast u, met ieder oogenblik wordt het gevaar grooter.»

Hij dreef den slotenmaker voort en spoedde zich naar de bron. Daar vond hij de Duitschers in kleine partijen bij elkaar staan ; de schout van Neiu'orf kwam hem te gemoet.

«Er is geen tijd te verliezen,» riep hij, «de anderen beginnen op ons te letten, ginds zet zich al een hoop zeisenvolk tegen ons in beweging.»

«Volgt mij,» riep Anton met luide stem; «slait de gelederen, de poort uit!» De houtvester draafde van den eenen troep naar den anderen en dreef de menschen voort. Anton ging met den schout vooruit. Toen zij aan den hoek van het plein kwamen, hielden twee mannen met zeisen hun wapenen dwars voor de nauwe straat, de aanvoerder van den post haalde den haan over en liep op gezwollen toon tot Anton: «Waarom wilt gij weg; mijnheer? Neemt de wapenen op, mannen, heden is de dag der vrijheid aangebroken.»

Verder kwam hij niet, want de houtvester sprong op hem toe en gaf hem een geweldigen slag in het gezicht, zoodat hij op den grond viel en zijn geweer onder den val afging. Op de markt verhief zich een luid geschreeuw, de houtvester greep het geweer en de beide zeisdragers, verrast en zonder orders als zij waren, werden door de voortdringende menigte op zij geschoven, de zeisen hun uit de handen gerukt en door de vertoornde Duitschers tegen de steenen stuk geslagen. Zonder vervolgd te worden ging de hoop door tot aan de stadspoort; ook daar week de vijandige post en liet den dichten drom ongestoord doortrekken. Zoo kwamen zij bij de herberg. Daar sprak de schout, door Anton daartoe uitgenoodigd zijn menschen aan :

«Daar ginds in de stad,» zei hij, «is het tegen de regeering bedoeld ; het is ook op ons Duitschers gemunt. Gewapende vijanden zijn er niet veel en we hfebben zoo even gezien hoe de boer ze op hun plaats weet te zetten. Wie ordelievend is blijft hier en helpt de burgers in de stad de vreemdelingen verjagen. De schutters zullen iemand

ocr page 410

7'2

tol ons zenden, om ons te zeggen hoe wij hen kunnen helpen, Daarom, mannen, blijft hier en sluit u aan !»

Na ileze woorden riepen velen; «Ja, wij zullen hier blijven.» Echter bekroop ook velen de vrees en zij slopen om het huis en vloden het veld in, üie bleef zucht een wapen, waar hij het vinden kon : zware knuppels, ijzeren stangen, hooivorken en wat er meer onder de handen kwam.

«Ik kwam hierheen om kruit en hagel te koopen,» zei de houtvester tot Anton, «nu heb ik een geweer en de laatste prop zal er aan gewaagd worden, om ons te wreken over de beleediging ons heden aangedaan.»

Middelerwijl waren deuren voor de kasteelbewoners als naar gewoonte verloopen tot aan den middag, üe baron wandelde, door zijn gemalin geleid, in den zonneschijn het slot rond ; hij bromde dat de molshoo-pen, waartegen zijn voet stuitten, nog niet glad waren gemaakt, kwam tot de overtuiging dat men op loontrekkenden en knechts niet rekenen kan, en zei dat Wohlfart nog slordiger en vergeetachtiger was dan alle anderen. De barones sprak hem slechts zooveel tegen als zij doen kon, zonder zijn prikkelbaar gestel te kwetsen ; eindelijk ging hij in de vrije lucht op een stoel zitten, dien een bediende hem had nagedragen en luisterde tevreden naar zijn dochter, die met Karei de ruimte voor een kleine boomkweekerij afbakende. Niemand had eenig kwaad vermoeden, ieder was met zijn eigen zaken bezig.

Daar verspreidde zich de booze tijding van een schrikkelijk voorval op de vleugelen van een ongeluksvogel over de vlakte ; ook tot het verlaten eiland des barons vond de vogel zijn weg; hij fladderde boven de dennen- en perenboomen, over korenvelden en weilanden. Eerst onduidelijk, evenals een kleine wolk aan den helderen hemel; dan grooter en grooter, als een monsterachtige vogel, die de lucht verduistert; hij vervulde met zijn onheilspellend gekras de harten aller menschen in het dorp en op het kasteel met angst, hij deed het bloed in de aderen stollen en joeg gloeiende tranen op de wangen.

Midden in zijn werk zag Karei eensklaps op en zei verschrikt tot de freule ; «Daar viel een schot.»

Leonore zag hem ontsteld aan, doch terstond lachte zij over haar eigen schrik en antwoordde : «Ik heb niets gehoord ; misschien was het de houtvester.»

«De houtvester is naar de stad,» hernam Karei ernstig.

«Dan is het weer zoo'n vervloekte strooper,» riep de baron knorrig.

«'t Was een kanonschot,» hield de stijfhoofdige Karei vol.

«Dat kan niet,» meende de baron, «er is geen geschut hier in den omtrek;» zelf echter luisterde hij oplettend met een bezorgd gelaat.

Op hetzelfde oogenblik riep een stem van de boerderij af: «Er is brand in Rosmin.» Karei zag het jonge meisje aan, wierp zijn schop weg, en liep naar de boerderij. Leonore volgde hem. Wie zegt dat er brand in Rosmin is?» vroeg zij aan de knechts, die van het land naar huis kwamen om te eten. Geen van hen had geroepen, maar allen riepen ontsteld van de plaats naar den grooten weg, om naar Rosmin te zien, ofschoon iedereen best wist dat de stad ruim twee uren ver was en men geen vrij gezicht had dien kant uit.

ocr page 411

T.]

«Een poosje geleden zijn hier vrouwen voorbij gekomen, die als in grooten angst naar Neudorf liepen,» zei een der knechts, en een ander riep: «Het moet daar ruw toegaan in Rosmin, men kan den rook boven het bosch zien.» Allen verbeelden zich terstond een donkere wolk te zien boven de plaats waar de stad lag, zelfs Karei niet uitgezonderd. Steeds grooter werd de ongerustheid, zonder eenigen zekeren grond. De dorpelingen kwamen op straat bijeen. Allen zagen naar den kant van Rosmin uit en spraken over het ongeluk dal de stad had getroffen. «De addellijke heeren zijn er heden,» riep er een; (,lt;zij hebbende stad in brand, gestoken,» en zijn buurman had van een arbeider in het veld gehoord, dat het heden een dag was, die alle grondbezitters lang zou heugen. De man zag met nijdige blikken naar Karei en zei: «Eer het avond is kan er nog heel wat gebeuren.» De kastelein kwam aanloopen en riep Karei van verre tegen: «Als de dag van heden maar voorbij was!» en Karei antwoordde In even groote bezorgheid: «Dat wou ik ook.» Niemand echter wist juist waarom. Van dien oogenblik af .volgde de eene Jobsbode den ander. «De soldaten en de Polen zijn slaags geraakt,» heette het. «Ook in Kunau in brand,» riepen eenige vrouwen, die van het land naar huis ijlden. Eindelijk kwam de boerin van de nieuwe landhoeve buiten adem op Leonore aanloopen : «Mijn man zendt me, omdat hij zelf dezen hangen dag de hoeve niet wil verlaten. Hij laat vragen of gij niets van den houtvester weet; in de stad woedt moord en doodslag, en men zegt dat de houtvester er lustig onder schiet.»

«Wie zegt dat?» stoof de baron op. «Iemand, die over het veld liep, heeft het aan mijn man verteld,» antwoordde de ontstelde vrouw, «en het moet waar zijn, dat daar ginds alles in de war is, want toen de houtvester naar de stad ging, had hij niet eens een geweer bij zich.» «Allen scheen het toe dat vooral daarom het ongeluk waar moet zijn. «En van nacht was er een vurige gloed aan den hemel,» vervolgde de vrouw, «onze kamer was er geheel licht door, mijn man is het bed uitgesprongen en naar builen geloopen. En toen zag hij een blauw licht als een zwavelvlam over het woud naar den kant van Rosmin heen.»

Zoo trof de faam de harten der menschen. Met moeite kon Karei de knechts bewegen om met de paarden naar het veld te gaan. Leonore beklom met hem den toren, om te zien of zij ook iets bespeuren konden. Dat er een rookwolk over de stad hing, wou Karei niet stellig verzekeren, maar op meer dan éene plaats ontwaarden zij achter de bosschen iets dat op vuurgloed en rookwolken geleek. Nauwelijks waren zij weer beneden, ot daar kwam een van do knechts met zijn paarden van het land terug en berichtte dat hem een boer van een ander dorp, die in galop dooi' het bosch kwam rijden, had gezegd, dat geheel Rosmin vol zeisdzagers was en menschen die roode vlaggetjes in de hand hielden, en die alle duitschers in die streek wilden doodschieten. De barones wrong de handen en begon te weenen; haar echtgenoot verloor den laatsten schijn van kalmte, dien hij mot moeite had weten te bewaren. Hij voer heftig uit tegen Wohlfart, die op zulk een dag niet thuis was, en liet Karei roepen, die, niet minder verschrikt, thans zich zeer ongerust maakte over Antons lot. De baron gelastte hem alles op het kasteel te sluiten; een oogenblik later ontbood hij hom weer en liet hem den kastelein verbieden dien dag aan

ocr page 412

74

do dorpelingen brandewijn te verknopen, en telkens vroeg bij weer of' iiij niets anders had gehoord. Leonore kon de drukkende lucht in het kasteel niet verdragen; zij liep onophoudelijk op het slotplein heen en weder en bleef in de nabijheid van [Karei, op wiens eerlijk gezicht nog de meeste troost te vinden was. Te gelijk keek zij telkens naar den straatweg of er niets te zien was, een wagen of een bode.

«Hij is bedaard,» zei zij tot Karei, ;(hij zal zich niet aan zoo'n vreese-lijk gevaar blootstellen;» zij hoopte op een geruststellend antwoord.

Doch Karei schudde mef het hoofd. «Op zijn bedaardheid moet ge niet te veel bouwen; als het in de stad gesteld is zooals de menschen vertellen, dan is mijnheer Anton niet de laatste dier er zich in mengt. Hij zal ook niet om zichzelven denken.»

«Neen, dat doet hij nooit!» riep Leonore in ware wanhoop.

Zoo duurde het tot den avond. Karei hield de daglooners, die allen op het plein stonden, streng onder zijn bevelen; hij nam zijn karabijn, hij wist zelf niet waarom; hij liet een paard zadelen en bond het weer aan de krib. Daar kwam de kastelein met een knecht uit do branderij naar het kasteel aandraven, reeds van verre riep de goedaardige man Leonore toe: «Hier is tijding, een vreeselijke tijding van mijnheer Wohl-fart!» Leonore naderde den vreemden knecht. De man gaf in het poolsch een verward verslag van hetgeen in Rosmin was voorgevallen. Hij had gezien dat op de markt Polen en Duitschers op elkander hadden geschoten, en dat mijnheer de rentmeester aan liet hoofd der duitsche boeren stond.

«Dat wist ik wel,» riep Karei trotsch.

Verder vertelde de knecht hoe hij zelf het hazenpad had gekozen, juist toen alle Polen te gelijk op Wohlfart hadden gemikt; of hij dood was of nog leefde, kon hij niet zeker zeggen, want hij was razend bang geweest; maar hij dacht toch wel dat mijnheer Wohlfart dood moest zijn.

Leonore hield zich met moeite staande tegen den muur; Karei sloeg zich in wanhoop tegen het hoofd.

«Zadel den poney,» zei Leonore met nauwelijks hoorbare stem.

«Gij wilt toch niet zelve in den nacht door het bosch den langen weg naar de stad gaan?» riep Karei.

Zonder hem te antwoorden snelde het moedige meisje naar den stal; Karei sneed haar den weg af. «Gij moogt niet!» riep hij. «Mevrouw de barones zou van angst om u sterven en wat kunt gij onder dien woedender. hoop uitvoeren?»

Leonore bleef staan. «Zorg gij dan dat hij hier komt,» riep zij half bewusteloos, «breng hem hier terug, dood of levend.»

«Maar kan ik u dan op dezen dag alleen laten?» vroeg Karei buiten zichzelven.

Leonore trok hem de karabijn uit den arm en zei; Ga heen, als gij hem liefhebt; ik zal in uw plaats hier de wacht houden.

Karei vloog naar den stal, nam het gezadelde paard en rende wat hij kon naar Rosmin. De hoefslag van het paard stierf weg, het werd weer stil. Leonore stapte met gojaag le schreden voor het kasteel op eu neder. Haar vriend verkeerde in doodsgevaar, wellicht was hij reeds verloren! Zij gevoelde een brandend verlangen om hem te zien, om zijn stem te hooien. Wat hij voor haar en haar ouders was geweest, overdacht zij

ocr page 413

75

nu gedurig en lt;]at vermeerderde haar ellende. Haar moeder zond om haar, haar vader riep haar uit het venster toe binnen te komen ; met korte woorden weigerde zij aan hun verlangen te voldoen; ai haar gevoel had zich opgelost in het besef van de reine en innige verknochtheid, die tusschen haar en den verlorene ontstaan was.

Bij de stad stond Anton met de landlieden wel een half uur in gespannen verwachting voor het Roode Hert. Telkens nog trokken de ontstelde marktgangers hen voorbij naar hun dorpen terug, de meeste met een haastigen tred, maar menigeen ook bleef staan en voegde zich bij hen; dikwerf ook werd een poolsche groet gehoord en verscheiden Polen kwamen bij Anton en vroegen of hij hen gebruiken kon. Eindelijk kwam, niet over de straat, maar uit den tuin van den kastelein, de slotenmaker in zijn groene uniform met epauletten, gevolgd door een troepje schutters.

Anton ijlde op hem toe en vroeg: «Moe staat het?»

«Achttien man zijn opgekomen,» zei de slotenmaker, «het zijn men-schen waarop wij kunnen rekenen. Het volk op de markt verloopt; die in de wijnslijterij zijn niet sterker geworden. Zij zijn er nu aan toe om de overheden af te zetten. Onze kapitein is vol moed ; als gij hem wilt helpen, is hij bereid iets te wagen. Wij kunnen van achteren in Löwen-bergs huis komen; ik heb het slot voor de achterdeur zelf gemaakt en weet er raad op; misschien wel is zij in 't geheel niet gesloten. Als we het goed overleggen, kunnen wij hen gevangen nemen, hen en hun wapenen.»

«Wij moeten tegelijkertijd van voren en van achteren aanvallen,» antwoordde Anton, «dan hebben wij ze zeker.»

«Ja,» zei de slotenmaker eenigszins ontsteld, «als gij met uw mannen van de voorzijde wilt komen.»

«Wij hebben geen wapenen,» hernam Anton. «Ik wil met u naar voren gaan, en de houtvester, en misschien nog wel een ander ; maar een ongewapende troep tegen de zeisen en een dozijn geweren in, dat is onmogelijk.»

«Zie je,» hernam de eerlijke slotenmaker, «voor ons is het moeielijk. Als men zoo in eens van vrouw en kind wordt losgerukt, is men ook Juist niet in de gemoedsstemming om zich dadelijk als een schijf aan te bieden. Onze menschen hebben zeker een goeden wil, maar die kerels in de slijterij geven om niets. En laat ons daarom maar bedaard achterom gaan; als wij hen overvallen, stroomt er minder bloed, en dat is ook van belang. Geweren breng ik niet mee, alleen een sabel voor u.»

Stil zette zich de troep in beweging; de slotenmaker wees den weg. «Onze schutters zijn in het huis van onzen kapitein verzameld,» zei hij, «daar kunnen we door de tuinen komen zonder dat de post aan de poort ons bemerkt.» Door groentetuinen trokken zij voort, enkele keeren moest de gelieele schaar over lage heiningen klimmen, vervolgens staken zij haastig den weg over, die rondom de stadsmuren liep, gingen over een paar planken de beek over, en door een gemetseld poortje kwamen zij in de open plaats van een looier. «Uier moet ge even wachten,» sprak de slotenmaker gejaagd. «De looier behoort tot de burgerwacht, door de voordeur komt men op dezelfde achterstraat, waar de ingang is naar Löwenbergs achterhuis. Ik ga naar den kapitein om hein onze komst te melden ; straks komen wij u afhalen.»

ocr page 414

70

Sleclits korte oogenblikken stoiulen zij te midden van de huiden, toen de houtvester, die als schildwacht aan de huisdeur stond, de aankomst der schutters berichtte. Op de achterstraat ontmoetten de beide troepen elkaar, en enkele woorden werden gewisseld. De kapitein, een stevige klant, verzocht Anton naast hem te gaan en zijn troep bij de schutters te doen aansluiten. Zwijgend kwamen zij bij de achterdeur van Löwenbergs Lmis; de deur was niet gesloten en niet bewaakt, de slotenmaker zag door het achterhuis op de ledige plaats. De troep hield een oogenblik stil; de houtvester liep haastig naar de aanvoeders. «Wij zijn sterker in getal dan voor binnen'shuis noodig is,» sprak hij haastig. «Hier langs de woning loopt een breede dwarsstraat die op de markt voert, üeef mij den trommelslager, een handvol schutters en de helft van de boeren ; wij loopen onder een luid geschreeuw tot op de markt en bezetten den mond van de dwarsstraat. Die op de markt staan worden daardoor afgeleid, zij moeten op ons letten, intusschen dringt gij binnen en neemt de geheele bende gevangen. Zoodra ik den roffel laat slaan, springt de kapitein met zijn manschap over de plaats het voorhuis binnen, de deur houdt gij bezet.»

«Mij is het wel,» zei de dikke kapitein, verhit en in de onrust, die voor een aanval zelfs den dapperen man de borst beklemt. «Voorwaarts, marsch 1»

De houtvester koos zes schutters, wenkte den schout en een troep boeren en trok met den hoop zonder veel leven te maken in de open zijstraat. Ook Anton voelde het bloed tegen zijn slapen kloppen als hij dacht aan de eerstvolgende oogenblikken. Eindelijk hoorde men trom-gerolfel, terstond daarop een luid geschreeuw. Als leeuwen sprongen de burgers over de plaats, de kapitein vooraan, zijn sabel zwaaiende, en naast hem Anton. Zoo drongen zij den gang binnen voordat iemand acht op hen gaf. Alles in huis was naar de ramen en de deur gevlogen.

«Hoezee !» riep de kapitein, «wij hebben ze,» en pakte in den gang een der heeren bij den nek. «Niemand zal ons ontsnappen. Sluit de deur!» gelastte hij en hield zijn offer bij den kraag vast, als een koe bij de horens. Door de vereenigde kracht van tien lichamen werd de huisdeur van binnen toegedrukt en gesloten, zoodat zij in hun vuur ook de vijanden, die in de deur stonden, er uitdrongen. Daarop stormden de schutters de kamer binnen, een gedeelte ging naar de bovenverdieping. Wat ei' van heeren in de zaal was sprong het venster uit. Zoo kwam het dat de burgers in de gelagkamer niets buit maakten dan een naamlijst, een hoop zamengebonden zeisen, en in een hoek een half dozijn geweren, die aan de edellieden behoorden. De slotenmaker nam terstond de geweren en ijlde met Anton en eenige anderen, die hij tot zich riep, weer achter het huis uit, de dwasstraat op, naar den troep, dien de houtvester aanvoerde. Dezen vonden zij in bedenke-lijken toestand. Moedig waren zij den houtvester gevolgd tot aan den mond der straat. De trommel en het hoerah en de daarop onmiddellijk volgende overrompeling in huis hadden de vijanden in verwarring gebracht. De zeisenmannen waren van het huis weggeloopen, zij stonden in ongeregelde hoopen midden op de mark, de man met de sjerp, zelf zonder geweer, gaf zich moeite om ze in orde te scharen. Daarentegen was de troep met geweren, bestaande uit opzichters, jagers en eenige jonge heeren, de aanvallers dapper te gernoet

ocr page 415

77

getrokken en liarl front tegenover hen gemaakt. Voor die gewapende menigte werd de burgerwacht bang en drong terug; de houtvester stond alleen midden tusschen de twee vijandige partijen. In deze ver-legenheid begon de trommelslager op nieuw uit ai zijn macht te rodelen, lt;1e Polen hielden de geweren aan de wang, de houtvester van zijn kant kommadeerde: «Legt aan,» en beide scharen bleven zoo tegenover elkander staan, beiden nog steeds teruggehouden door de vrees voor lt;le ontzettende gevolgen, die het eerste kommando zou kunnen hebben. Daai' verscheen de slotenmaker met zijn gevolg, bliksemsnel werden de geweren aan de mannen, die er naar grepen, in handen gegeven. Anton en de dappere slotenmaker drongen tot de eerste gelederen der schutters door. Een bloedige strijd scheen onvermijdelijk.

Op dit oogenblik klonk uit het venster van het wijnhuis de stem van den kapitein krachtig over de markt: «Mannen broeders, wij hebben ze. Hier is de gevangene. IJet is de baron Von Tarow zelf!» Terstond werden de geweren neergezet en iedereen luisterde naar de stem. De kapitein hield het hoofd van den gevangene, die zich in zijn lot schikkende geen poging deed om zich uit zijn pijnlijken toestand te bevrijden, buiten liet raam. «En nu luistert naar mijn woorden. Alle vensters van dit huis zijn bezet; alle straten zijn bezet, gelijk gij ginds aan dien kant kunt zien ; zoodra ik een vinger verroer, wordt gij allen plat geschoten.»

«Bravo, kapitein !» riep een stem juist tegenover hem uit een van de middelste huizen op de markt; en de koopman, die daar woonde, stak zijn ganzenroer uit het raam van de eerste verdieping, naast hem evenzoo do apotheker en de postmeester, de pachters van de stadsjacht.

«Goeden morgen, heeren,» riep de slager verheugd, want een aangenaam gevoel van zelfvertrouwen werd levendig in hem. «Gij ziel, mijn vrienden,» vervolgde hij, «dat alle weerstand nutteloos is, werpt uwe zeisen weg, of gij zijt allen zonder uitzondering kinderen des doods.» Een menigte zeisen kletterden tegen den grond.

«En gij, heeren jagers,» sprak de kapitein, «gij zult vrijen aftocht hebben, als ge uw geweren afgeeft; want als nog een uwer een vin verroert, zal het bloed van dezen man op uw hoofd neerkomen.» En daarbij greep hij het hoofd van den baron Tarowski, stak het weer hot raam uit, en trok een groot slachtmes van zijn zijde. De schede wierp hij op straat en zwaaide het mes zoo ijzingwekkend om het hoofd van den ongelukkigen gevangene, dat de brave slager er een oogenblik inderdaad vreeselijk en als een ware kannibaal uitzag.

Opgetogen riep de houtvester; «Hoezee, wij hebben ze ; voorwaarts, marsch !» De trommelslager begon te roffelen en met den stormpas drongen de Duitschers vooruit. Ook de schutters kwamen uit het huis op de stoep en de straat. De schaar der poolsche geweerdragers raakte in wanorde; sommigen der moedigsten vuurden ; ook uit de gelederen der aanvallers vielen eenige schoten. Nu rolden ook de overige zeisen op den grond, en de zeisenmaunen kozen het eerst in verwarde vlucht het hazenpad ; terstond daarop volgden de mannen met de geweren. De Duitschers zetten hen achterna, enkelen vuurden nog, de vluchtelingen werden over de markt heengejaagd, sommigen verborgen zich in huizen, anderen liepen de pooit uit. De tamboer wandelde het gelieele plein over en sloeg alarm. Van alle kanten kwamen nu gewapende burgers toeschieten ; ook de trage

ocr page 416

78

schutters verschenen, de een na den ander. De kapitein vertrouwde zijn gevangene aan eenige stevige kerels toe en riep, voor de gelukwenschen zijner vrienden met de hand bedankende : «De dienst voor alles, heeren 1 Het noodigst is dat wij de poorten sluiten en bezetten. Waar is de hoofdman onzer bondgenooten ?»

Anton trad voor. «Waarde kameraad,» zei de wakkere slager aanslaande, «ik dacht, het was niet kwaad als we onze manschap bijeen-trokken, een monstering hielden, en de wachten indeelden.» De verschillende afdeelingen plaatsten zich op de markt in het gelid: eerst de schutters, daarnaast onder aanvoering van den houtvester de landlieden, aan den anderen kant een troep vrijwilligers, die ieder oogenblik aangroeide, 't Was een lange rij en met een zekeren trots zagen de burgers van Rosmin hoe sterk zij waren. De hoofman liet zwenken en de troepen defileeren. Vervolgens werd de wachtdienst geregeld, de poorten bezet, en posten voor de regeeringsgebouwen geplaatst, half burgers, halt landlieden. De afgerukte wapenborden werden gereinigd, gedienstige vrouwenhanden brachten uit de tuinen de eerste bloemen aan om de schilden met kransen en groen te versieren. In een pleehtigen optocht werden zij naar liet belastingkantoor en de poort gedragen ; het geheele leger zette zich in beweging, presenteerde het geweer, en de hoofdman hief herhaaldelijk heilkreten aan, die door honderden kelen werden nageroepen. Anton stond op zij, en toen hij de lentebloemen op het wapenbord zag, viel het hem eensklaps in, hoe hij dien morgen getwijfeld had, of hij er dit jaar wel zien zou, en nu schitterden haar bonte kleuren vroolijk op het wapen van zijn vaderland! Maar wat had hij sints dien morgen al niet beleefd!

Uit zijn gepeins werd hij door den hoofdman gewekt, die hem verzocht naar het raadhuis te komen bij de commissie, die zich voor de veiligheid der stad had gevormd. Zoo zag hij zich plotseling in de raadkamer voor de groene tafel midden onder vreemde menschen, alsof hij een van de hunnen was. Weldra had hij een pen in de hand en stelde een verslag op van de gebeurtenissen aan de bevoegde overheid. De commissie was ijverig werkzaam, boden werden naar de naastbijzijnde garnizoensplaats gezonden, de huizen van verdachten onderzocht, voor de landlieden, (lie zich bereid hadden verklaard tot den avond in de stad te blijven, werd door vrijwillige bijdragen der burgers spijs en, drank bezorgd, patrouilles in alle richtingen uitgezonden, enkele gevangenen verhoord, en de berichten, die nu uit den omtrek in de stad kwamen, opgeteekend. Van alle kanten ontving men tijdingen. Uit verscheidene dorpen waren pool-sche benden op weg naar de stad, in het aangrenzende district was eveneens een oproer losgebroken en daar was het gelukt: de stad was in handen der poolsche jeugd, de vluchtelingen vertelden van roof, moord, brand, van een algemeenen opstand der Polen, en van de gruwelijke slachting, die zo onder de Duitschers zouden aanrichten. De gezichten der burgers te Rosmin werden langer, de blijdschap over de overwinning, die eenigen tijd op liet stadhuis geheerscht had, maakte plaats voor den angst voor een gevaarlijke toekomst. Eenigen meenden dat de stad met den krijgsgevangen heer Von Tarow moest zien een verdrag te sluiten, daar men zelfs de burgers niet allen kon vertrouwen ; vele poolschge-zinden bevonden zich binnen de muren en nog vele geweren waren

ocr page 417

70

verborgen. De bevreesden ecliter werden door den krijgsliaftigen geest der meerderheid overstemd. Men nam het besluit den ganschen nacht door onder de wapenen te blijven en de .slad tegen de vreemde troepen te verdedigen, totdat militaire hulp aankwam.

Zoo naderde de avond. Anton verontrust door de menigvuldige geruchten van plundering op hot platte land, verliet de raadzaal en zond den schout om de Duitschers uit hun streek tot een gezamenlijk vertrek bijeen te roepen. Tusschen den kapitein dei schutterij en den slotenmaker stapten hij onder trommelslag en een driemaal herhaald hoezee der burgerwacht met zijn manschap de pooi t uit, tot aan de laatste woningen der voorstad. Daar, aan de houten brug, die over de beek voert, namen de stedelingen en de landbouwers broederlijk afscheid.

«Uw wagen is de laatste die er overgaat,» zei de slotenmaker, «wij breken ze achter u af en plaatsen er een wacht bij.» En de kapitein nam zijn chakot af en zei; «Namens de stad en de waardige schutters-afdeeling bedank ik u allen voor de vriendelijke diensten ons bewezen. Als er een moeiielijke tijd nadert, gelijk wij allen vreezen, zullen wij Duitschers elkander trouw helpen.»

«Dat moge een waar woord wezen !» zei de schout en de landlieden riepen het hem na.

«Zoo trokken de landlieden de donkere vlakte in. Anton liet zijn wagen langzaam volgen, en wandelde met de schaar mede. De houtvester koos eenige jonge gezellen, uit den hoop, die de buitgemaakte geweren droegen, en vormde ze tot een voorhoede. De smid van Kunau, die iedereen uit die streken kende, vormde hetgeen de houtvester da spits noemde. Alle bosschen en verdachte plaatsen werden zorgvuldig onderzocht, enkele menschen die hun tegenkwamen, aangehouden en ondervraagd. Zij hooiden veel wat hen bekommerd maakte, maar vonden den weg nergens door slecht volk versperd. Aldus wandelden zij onder ernstige gesprekken voort. Allen vonden zich opgewonden door hun houding op dien dag, maar niemand ontveinsde zich, dat dit slechts het begin was en dat er nog moeielijker tijden ophanden waren. Hoe zullen wij hun op het land het hoofd bieden?» zei de schout, «in de stad hebben ze hun muren en wonen ze dicht opeen; wij echter zijn aan de wraakzucht van den eersten den besten booswicht blootgesteld, en als een half dozijn landloopei's met geweren het dorp binnentrekt, zijn we overgeleverd.»

_ «'t Is waar,» sprak Anton, «tegen de groote schare kunnen we ons niet verdedigen, en een ieder moet in deze tijden dragen wat de oorlog hem toezendt. Maar de groote hoopen, die onder het bevel van bepaalde aanvoerders staan, zijn voor ons niet het gevaarlijkst, liet ergste zijn die benden gemeen gespuis, die te zamen scholen, plunderaars en brandstichters, en tegen dezulken moeten wij van heden af op onze hoede zijn. Blijft gijlieden van Neudorf en Kunau morgen thuis, en zendt boden naar de andere Duitschers in de buurt, die zich bij ons willen aansluiten. Als ik morgen gelegenheid heb kom ik naar u toe, dan zullen we overleggen of we iets voor onze onderlinge veiligheid kunnen doen.»

Onder zoodanig gesprek waren zij bij den kruisweg gekomen, waar het pad door het woud naar het kasteel voerde. Anton bleef met den schout en den smid nog een poos alles bepraten; daarop namen de

ocr page 418

80

drie afscheid van elkander als oude vrienden, en iedere troep spoedde zich naar zijn dorp.

Anton ging in het rijtuig zitten en nam den houtvester met zich, opdat deze gedurende den nacht het kasteel mede zou helpen bewaken. Midden in het bosch werden zij door een luid; «Halt, wie daar?» aangeroepen.

«Karei!» riep Anton verheugd.

«Hoera, hoera, hij leeft!» juichte Karei buiten zich zelf van blijdschap en sprong naar den wagen. «Zijt ge zonder wonden?»

«Ja,» antwoordde Anton, «hoe is het op het kasteel.''»

Nu volgde een haastig verhaal van beide kanten. «Dat ik er niet bij was,» riep Karei telkens.

Toen zij het kasteel opreden, snelde een lichte gedaante op het rijtuig aan. «Freule Leonore!» riep Anton, er uitspringende.

«Beste Wohlfart!» fluisterde Leonore en vatte zijn beide handen. Een oogenblik leunde zij op zijn schouder en tranen rolden uit haar oogen. Anton klemde haar hand in de zijne en sprak, terwijl hij haar met teedere belangstelling aanzag: «Ken bange tijd nadert, ik heb den ganschen dag aan u gedacht.»

«Nu wij u weer hebben,» riep Leonore, «wil ik alles rustig aan-hooren; kom gauw mee naar mijn vader, hij vergaat van ongeduld.» En zij trok hem de trap met zich op.

De baron opende de deur en riep Anton op den gang toe: «Wat brengt gij ons?»

«Oorlog, mijnheer de baron,» hernam Anton ernstig, «den treungsten strijd van allen heb ik gezien: een bloedigen krijg tusschen huurlieden. Het gansche land is in oproer.»

ocr page 419

VU F DR BOEK.

i.

De beztittingen van den baron lagen in een afgelegen hoek van hot district Rosmin. Noordelijk achter het woud lag hot duitsche dorp Neudorf, en verder weg, in het oosten, Kunan. Door een uitgestrekte zandwoestijn waren deze plaatsen gescheiden en in het midden bevonden zich poolse he landgoederen, waaronder die van den baron Von laiowski het dichst bij waren. Aan den westkant en liet zuiden grensden streken met gemengde bevolking; de Duitschers waren daar sterk; iijke giondbezitters en welvarende dorpers woonden midden onder de Salvoniërs. Noordelijk van Neudorf en Kunau was de streek geheel poolsch: vele kleine adellijke goederen, grootendeels met schulden be-zwaard en niet verloopen familiön.

«Van dien kant dreigt ons voornamelijk het gevaar,» zei de baron den volgenden morgen tot Anton. «De dorpen zijn onze natuurlijke voorhoede. Zoo gij de boeren er toe brengen kimt een geregelde wacht-dienst in te ^ voeren, moesten hun posten de grenzen iu het noorden bezetten: wij zouden dan ons best doen met hen samen te werken, Veigeet vooral de wachtvuren niet en de alarmklokken. Daar gij reeds op zoo n vertrouwelijken voet met de boeren liebt, omgegaan, zult gij dit liet best kunnen bepraten. Laat voor mij het rijtuig inspannen. Ik wil in het naaste district rondrijden en zien of wij ook met de grondbezitters daar een diergelijke schikking kunnen treffen. Den jongen bturm neem ik mede.»

reed naar Neudorf. Daar waren 's nachts nieuwe onge-lukstijdingen aangekomen. Eenige duitsche dorpen waren door gewapende DKÜET EN CUE IJ IT II. (|

ocr page 420

82

benden bezet, de buizen onderzoebt, of er zich wapenen in bevonden, jonge mannen medegenomen. Niemand werkte op bet land; de mannen zaten in de herberg of stonden voor de burgemeesterswoning, niet wetende wat te doen. ieder oogenblik een aanval duchtende. Antons paard werd terstond door een dichten drom omgeven; toen de schout de mannen naar het gemeentebuis liet roepen, was na weinig oogenbhkken de raad voltallig vergaderd. Anton zette hun uiteen wat er gedaan kon worden om het dorp tegen de ramp van een overrompeling te behoeden; oprichting eener schutterij, geregelde wachten op de wegen langs de grenzen, seinpalen, patrouilles, een alarmklok m het dorp, en maatregelen van voorzorg, in den geest zooals de baron ze hem had opgegeven. «Gij zult daardoor,» vervolgde hij, «de hulp van ons, uw buren, binnen korten tijd kunnen inroepen; gij zult in staat zijn u gemeenschappelijk tegen een zwakken vijand te verdedigen, en tegen een sterken spoedig den bijstand der gewapende macht te ontbieden, bij zult uw vrouwen en kinderen, en wat u van uw huisraad het dierbaarst is wellicht ook uw vee voor pkuulering en mishandeling bewaren, let za'l geen geringe last voor u zijn, nacht en dag de wacht te houden, maar uw dorp is groot. Wellicht wordt deze maatregel eerlang door de regeering gelast; het is veiliger voor ons allen daar niet op te wachten. Als we willen, kunnen wij reeds in de eerstvolgende dagen m staat

zijn ons te verdedigen.»

Zijn met nadruk voorgedragen gevoelen en de invloed van den ver-standigen schout brachten den raad tot een eenparig besluit. Met den burgemeester en eenige raadsleden ging bij de grenzen rond, en bepaalde punten voor wachten en seinpalen, [ntusschen maakte de schoolmeester de lijst op voor de burgerwacht, teekende aan wie te paard en wie te voet konden dienen, en liet zich opgeven hoe groot de voorraad van wapenen in bet dorp was. Menigeen verklaarde zich beieiu voor eigen rekening een geweer te koopen. De jonge mannen m net dorp gloeiden van ijver, de huismoeders pakten voorzichtig in kisten en doozen het kostbaarste barer bezittingen op. Van Neudort reed Anton met de hoofden der gemeente naar Kunau ; ook daar vond hij de beste gezindheid; diergelijke inrichtingen als te Neudort werden bepraat, en ten laatste bepaald dat de jonggezellen van beide dorpen eiken zondagmiddag op het landgoed des barons zouden komen, om daar gezamenlijk te exerceeren.

Toen Anton op het kasteel teruggekeerd was, werden de verdedigingsmiddelen van het landgoed opgenomen. Een strijdlustige geest vervulde de duitsche volkplanting. Iedereen werd er dooi' aangegrepen, ook de vreedzaamsten; zelfs de herder en zijn hond Krambow, die door de nachtelijke voorpostendienst en door het patrouilleeren in een woede tegen vreemde kuiten ontstak, welke hij vroeger in zijn jongeren kameraad dikwijls bad beknord. De gedachten van allen waren op gevaarlijke werktuigen gericht, al wat bet landgoed aan moordwapenen bezat werd voor den dag gehaald. Ach I de stemming was voortreflehjk, maar het aantal was gering, en er was gebrek aan dienstdoende manschappen. Daarentegen was de staf uitmuntend. Eerst had men den baron zeiven, een invalide, 't is waar, maar voor de theorie onbetaalbaar, vervolgens Aai el en den houtvester, als aanvoerders van de ruiterij en bet voetvolk, en Anton, geenzins gering te stellen, voor de administratie en den vestingbouw.

De baron verliet thans dagelijks zijn vertrek, om in het middaguur krijgs-

ocr page 421

83

raad te liouden; hij besprak lioe de burgerwacht het best geoefend kon worden, hij hoorde de berichten aangaande de bewegingen in den omtrek, en zond boden naar de duitsche districten. Een glans van den ouden krijgsmanstrots blonk op zijn gelaat, hij lachte goedaardig om den angst zijner echtgenoot, sprak bemoedigende woorden tot de Duitschers, die in zijn nabijheid kwamen, en dreigde alle kwalijkgezin-den in het dorp dat hij ze op staanden voet tot nader order zou laten oppekken en op water en brood zetten. Voor het gansche gezin was het aandoenlijk den ouden blinden man te zien, als hij fier en recht op met een geweer in de hand voor het kasteel stond, om den houtvester eenige manoeuvres te toonen en dan het oor naar hem toe-hield, om uit het aanslaan der hand op te maken of de man hem goed had begrepen. Ook Anton stak een kokarde op zijn pel en zijn taal kreeg een tikje weg van de militaire barschheid, Sints den gedenk-waardigen marktdag te Rosmin droeg hij monsterwaterlaarzen en zijn stap dreunde zwaar op de trappen. Hij zon over zich zelf hebben gelachen, als men hem gevraagd had met welk doel hij de opgewondenheid zijner gemoedsstemming juist aan de boenen uitdrukte. Maar niemand vroeg hem zoo iets, iedereen besefte dat het noodig was. En dan Karei ! Deze verscheen nooit dan in de overblijfselen van zijn uniform, die hij netjes opgepakt had, met de politiemuts, den gegalon-neerden rok en den ouden soldatenmantel. [Jij krulde zijn knevel om en floot den geheelen dag zijn kazernedeuntjes. Daar de slotbewoners van de kwaadwilligen in hun eigen dorp het meest te vreezen hadden, riep hij alle oudgedienden in de herberg samen en hield met behulp van den houtvester, die als een heksenmeester in groot aanzien stond, een krachtvolle aanspraak tot hen, met zijn soldatenmuts op en in zijn dolman, den sabel op zij; hij behandelde ze als kameraads, sloeg op het gevest en riep: «Wij oude militairen willen hier onder de boeren orde houden,» Daarop liet hij een paar kannen brandewijn binnenbrengen en zong met hen gloeiend opgewonden krijgsliederen. Ten slotte deelde hij nieuwe kokarden onder hen uit, en nam ze als zwaar gewapende voetknechten voor het kasteel in dienst. Zoo hield hij de oproerigsten althans voor eenigen tijd in bedwang, en kwam door hen alle geheime booze plannen, die in tie herberg werden gesmeed, te weten.

Toen den dag daarop de strijdkrachten van het kasteel werden gemonsterd, zagen de mannen elkander verwonderd aan. Allen waren zij door de laatste dagen geheeel veranderd. De rentmeester zag er uit als een halve wilde, die uit een vreemd waterland was gekomen, waar hij dagelijks tot over de knieën in den modder waadt. En die van de nieuwe boerderij kwamen toegetakeld als geesten eener lang vergane wereld. De houtvester met zijn kort geknipt haar en zijn langen baard, in een verweerden rok, met het sombere gezicht vol rimpels, en de stekelige wenkbrauwen, leek wel een soldenier uit Mallensteins leger, die twee honderd jaar in een bosch had geslapen en thans het wereld-tooneel weer betrad, omdat jammer en ellende den boventoon voeren. En als wanhopende voornemens en een gloeiende haat tegen den vijand iemand tot een Wallensteiner maken konden, dan was hij het op en top. Als een vrome Hussiet stapte de herder naast hem. De breede rand van zijn ronden hoed hing tot op zijn rug, een lederen gordel omsloot zijn middel, in de had hield hij een staf, waaraan hij een schitterende ijzeren punt had vastgemaakt. Zijn kalm gelaat en de

ocr page 422

peinzende uitdrukking zijner oogen maakten hem den boschmensch zoo

ongelijk mogelijk. , , i i ■ t

Alles meegeteld bedroeg de gewapende macht van het landgoed niet meer dan twintig man. Met dit gering getal was het moeielijk een nachtdienst op hel kasteel en in het dorp te onderhouden. \ an ieder in liet bijzonder moest de grootste krachtsinspanning gevergd worden, en toch, zoo groot was de algemeene ijver, niemand klaagde ; allen, ook de oudsoldaten uit het dorp, waren tot iederen militaren arbeid bereid,

Nadat nu de manschap in weerbaren staat was gesteld, dacht men aan de versterking van het kasteel. Om de achterzijde van het gebouw 'teo-en een uachtelijken inval te verdedigen, liet Anton een schot van stevige planken zetten van den eenen vleugel tot den anderen. Daardoor werd een vrij ruime open plaats afgesloten, waar zij tegen de muren van het huis een loods bouwden, om vluchtelingen en paarden in geval van nood voor korten tijd te kunnen bergen. Daar de onderste0 verdieping van het slot ver boven den grond verheven was, de vensters door sterke houten blinden verdedigd waren, en alle ingangen tot het huis op de gesloten plaats uitkwamen, was het hun, die er niets te maken hadden, haast onmogelijk gemaakt om er binnen te komen. De bron lag buiten het beschot, midden tusschen de boerderij en bet kasteel; daarom liet Anton een groote waterton in het slot plaatsen en die eiken dag behoorlijk vullen.

Ook uit Rosmin kreeg men tijding. Na verloop van eemge dagen kwam de slotenmaker, op herhaald verzoek, om de deuren m den toren en liet schot met ijzer te beslaan en van duchtige grendels te voorzien. Hij bracht de groeten van den kapitein der schutterij en het bericht dat een afdeeling infanterie de stad was binnengetrokken. «Kr zijn anders maar weinig soldaten,» zei hij, «en ook wij, schutters, hebben nog een zware dienst.»

«En wat. hebt ge met uw gevangene gedaan?» vroeg Anton.

De slotenmaker krabde zich achter bet oor en trok aan zijn pet, toen hij halfverlegen antwoordde: «Dus hebt gij er nog niets van gehoord ! Al dadelijk den eersten nacht kwam er een boodschap van de vijanden, dat zoo wij hun den edelman niet terstond uitleverden, zij met geheel hun macht tegen de stad oprukken en onze schuren verbranden zouden. Ik sprak er tegen en onze kapitein ook, maar wie een schuur had begon te jammeren; en zoo is het gebeurd dat de stad met den heer \on Tarow een akkoord heeft gesloten. Hij moest zijn woord van eer geven, dat hij, noch de zijnen verder iets tegen de stad zouden ondernemen ; daarop hebben wij hem de brug overgebracht en vrijgelaten.»

«Dus is hij thans vrij, die gevaarlijke man,» zei Anton ontevreden.

«Ja, 't is zoo,» hernam de slotenmaker, «hij zit weer in zijn kasteel en heeft een troep jonge heeren bij zich. Zij rijden weer met hun kokarden het land door, evenals vroeger. Die mijnheer Tarowski is een slimme vogel ; die weet met een penneveertje elk slot open te maken ; die verstaat de kunst het met iedereen klaar te spelen ; hem kan men niet gemakkelijk aan het lijf komen.»

Natuurlijk leed de bouwerij onder de oorlogstoebereidselen. Wel zorgde Anton met gestrengheid dat althans het noodige werd gedaan, maar hij gevoelde dat er een tijd was aangebroken, waarin de zorg voor eigen ge-luk en welvaart op den achtergrond treedt door den angst voor het belangrijkste dat de mensch op aarde bezit. De geruchten, die eiken dag

ocr page 423

85

dreigender werden, hielden hein en zijn omgeving in een voortdurende spanning en veroorzaakten ten laatste een toestand, waarin die koortsachtige gejaagdheid voor de ziel gewoonte wordt. Men zag met koele onverschilligheid de toekomst te gemoet en schikte zich in het ongezellige van het tegenwoordig leven, als in een noodzakelijk kwaad.

Meer echter dan alle mannen van het kasteel te zamen, werd Leonore door de algemeene koorts aangetast. Sints den tijd dat zij Anton uit Rosmin had gewacht, begon voor haar een nieuw leven. De moeder treurde en begon te wanhopen; het jeugdig hart der dochter klopte moedig en fier en de gejaagdheid werd haar een genot, waaraan zij met hart en ziel zich overgaf. Zij was den ganschen dag buiten; in het ruwste weer liep zij in haar halve laarsjes tusschen het kasteel en de boerderij heen en weder, als adjudant van haar vader, of' als vrijwilliger op haar eigen hand. Aan de deur van de herberg was zij in die dagen even dikwijls te vinden, als de ergste lap in het dorp; want dagelijks had zij iets van den kastelein ot zijn vrouw te hooren. Sedert Karei zijn huzarenrok had aangedaan, behandelde zij hem vertrouwelijk als een kameraad, en als hij in gesprek stond met den houtvester, mengde Leonore zich aanstonds in de geheime beraadslaging. Uren achtereen zaten de drie in krijgsraad vergaderd in Kareis vertrek of in de open lucht; met achting luisterden de mannen naar den moedigen raad der freule, en bleven niet in gebreke om ook haar gevoelen in te winnen of het raadzaam was aan Jan, Piet of Klaas uit het dorp een geweer toe te vertrouwen. Te vergeefs smeekte, ja beknorde de barones haar strijdlustige dochter; te vergeefs zociit ook Anton haai' ei van af' te houden. Want hoe vol ijver Anton zelf was, zoo beviel hem toch die stemming bij het meisje volstrekt niet. Wederom kwam zij hem te driest voor, te heftig, en hij gaf het haar te kennen ; dan mokte zij een weinig en zocht haar belangstelling in de oorlogszaken voor hem te verbergen, maar zij veranderde daarom zelve niet. Zij zou, o zoo graag, met hem naar Neudorf en Kunau zijn gegaan om ook bij de buren soldaatje te spelen; maar Anton, anders zoo gelukkig in haar gezelschap, verzette er zich met kracht tegen, en het meisje moest op zijn verzoek aan het eind van het dorp naar huis terugkeeren.

Den dag dat de eerste exercitie van de weerbaremanschapvoor hei kasteel zou plaats hebben, kwam Leonore met een petje en een lichten sabel buiten, nam haar hitje uit den stal en zei tot Anton: «Ik ga mee.»

«Wel, freule, doe dat niet.»

«Ik wil het,» antwoordde zij op hoogen toon, «gij komt menschen te kort, ik kan even goed dienst doen als een man.»

«Maar, freule,» sprak Anton, «bedenk toch eens,'t is zoo wonderlijk.»

«'t Kan mij niet schelen of iemand het vreemd vindt,» zei Leonore. «Ik ben sterk, ik kan heel wat uitstaan, ik zal niet moe worden.»

«Maar voor de knechts,» hernam Anton; «gij vergeet u geheel en al tegenover uw onderhoorigen.»

«Dat is mijn zaak,» herhaalde zij hoofdig, «praat me niet langer tegen; ik wil het en daarmede uit.»

Anton haalde de schouders op en moest er vrede mee nemen. Leonore reed naast Karei en maakte de verschillende bewegingen mede, zooveel de dameszadel het veroorloofde; maar Anton zag uit de ge-

ocr page 424

so

lederen van het voetvolk ontevreden naar de schoone gestalte. Nooit was zij hem minder lief' voorgekomen. Als zij wild mei de anderen vooruitsprong, haar paard omwierp en met den sabel in de lucht zwaaide, als haar blond haar door den wind losraakte en haar oog van strijdlust gloeide, was zij wegsleepend schoon. En toch wat Anton, zoo het spel ware geweest, zou hebben verrukt, docht hem nu, dat die exercitiën treurige, bittere ernst waren, zeer onvrouwelijk; hij moest zijns ondanks aan een paardrijdster denken. Eenmaal had juist die gelijkenis geheel zijn hart veroverd; heden maakte zij hem kwaad in zijn ziel. En toen de oefening was afgeloopen en Leonore met gloeiende wangen dicht bij hem stil hield in de hoop dut hij haar zou aanspreken, zweeg hij; en Leonore zelve moest naar hem toerijden en hem lachend vragen: «Gij ziet er zoo grommig uit, mijnheer: weet ge wel dat u dat lang niet mooi staat?»

«Het bevalt mij niet dat gij zoo wild zijt,» antwoordde Anton.

Leonore keerde zich zwijgend om, gaf het paard aan een knecht, en ging boos naar het kasteel,

Van dien tijd af nam zij niet meer deel aan het exerceeren, maar ontbrak nooit als de gewapende macht opkwam; dan zag zij uit de verte met verlangende blikken naar de soldaten. En als Anton er niet bij was, vond zij middel om in stilte met Karei naar de dorpen in de buurt te rijden, of wel zij herstelde op haar wandeltochten uit eigen beweging de seinpalen ; zij zwierf alleen door veld en bosch, met een zakpistool gewapend, en was overgelukkig wanneer zij een wandelaar kon aanhouden en uithooren. Ook daarover maakte Anton haar aanmerkingen. «De streek is onveilig,» zei hij, «hoe licht kan het gebeuren dat een strooper u kwaad doet. En is het geen vreemde, dan zijn het wellicht menschen hier uit het dorp.»

«ik ben niet bang,» antwoordde Leonore, «en de mannen uit het dorp zullen mij niets doen.» En inderdaad wist zij het met hen veel beter te vinden, dan Anton of iemand anders. Zij alleen werd door iedereen, ook door de brutaalslen, eerbiedig gegroet; zoo dikwijls zij in trotsche houding het dorp doorreed, bogen de hoofden der mannen ter aarde en de vrouwen liepen naar het venster en zagen haar vol bewondering achterna.

En zij beleefde de vreugde dat de menschen zelve bet haar in Anions tegenwoordigheid zeiden. Op een Zondagavond, terwijl de boeren in de gelagkamer zaten te drinken, bevonden zich ook Karei, de houtvester, en de herder, als dienstdoende wacht in de herberg; want de Zondag was voor de sloibewoneis het gevaarlijkst. Karei had in hot gemeentehuis een kamer voor de dienst laten in orde brengen, en eenige bossen stroo om op te slapen, een tafel, banken en stoelen er in geplaatst. Dien dag kwam Leonore met eigen hand een llesch rum brengen, en citroenen van het kasteel voor de wacht, en gaf den schout den vriendelijken raad om er punch uit te bereiden. De herder en de boschman grinnikten van genoegen over deze beleefdheid, dat hun ooren meelachten. Karei sprong op en zette een stoel neer voor de freule ; de houtvester begon dadelijk een vreeselijk verhaal van een rooversbende uit de buurt en zoo ging het als van zelf, dat Leonore ook eenige minuten plaats nam en haar beschouwing omtrent den loop der zaken aan haar toehoorders ten beste gaf. Daar kwam, juist toen de punch klaar was en door het jonge meisje zelf in twee gla-

ocr page 425

87

zen werd geschonken, de deftige Anton binnen. Hij kwam liaar te onpas; dat was nu weer niets vour hem. Hij hield zich echter goed, knorde niet, maar keerde zich naar de deur en noodigde een vreemdeling die in den gang stond binnen te komen. Een ranke boerenjongen, met een blauwen rok aan, een soldatenmuts in de hand, do witlinnen broekspijpen in de hooge laarzen gestopt, trad fier de kamer in. Tor-stond viel zijn oog op het jonge meisje. Als een bliksemstraal zoo snel viel hij voor haar voeten neer, omvatte haar knieën en bleef toen met gebogen hoofd, de pet in de hand, de oogen op den grond gericht, voor haar staan. Karei trad naderbij. «Nu, Jakob, wat nieuws breng je uit de herberg?»

«O, niets,» antwoordde de jongen op ''zangerigen toon, waarmede de Pool het duitsch spreekt, «de boer zit daar en drinkt dapper.»

«Zijn er ook vreemden? Is er iemand uit Tarow gekomen?»

«Geen mensch,» antwoordde Jacob. «Er is niemand, dan do nicht van den kastelein, die zooeven gekomen is; het jodenmeisje, ge weet wel, Rebecca.» Onder deze woorden bleef hij onafgewend op Leonore staren, als de meesteres, aan wie hij zijn rapport brengen moest. Leonore ging naar de tafel, schonk een glas in en overhandigde het den jongen. Met een gevoel van gelukzaligheid nam de knappe jongeling het aan, keerde zich half om, dronk het zonder het van de lippen te nemen uit, zette het leeg weer op tafel neder, en maakte op nieuw een diepe buiging voor Leonore ; alles met een gemakkelijkheid, die een vorst hem zou kunnen benijden, «tiij moet niet bang wezen,» sprak hij in een aanval van geestdrift, «niemand in het dorp zal u kwaad doen ; wie iets tegen u onderneemt, dien slaan we dood.»

Leonore bloosde en zei, terwijl ze schuins naar Anton zag: «Gij weet het wel, ik ben volstrekt niet bang voor u.» Daarop zond de schout den berichtgever weg, met den last binnen eenige uren terug te komen.

Bij liet naar huis gaan zei Leonore tot Anton : «Hoe knap is heel zijn houding.»

«Hij heeft vroeger bij de garde gediend,» antwoorde Anton, «en is lang de slechtste niet in het dorp; maar ik verzoek u toch dringend u niet al te zeer op de ridderlijkheid van den eerlijken Jacob en zijn vrienden te verlaten. Ik ben den ganschen achtermiddag weder door uw afwezigheid ongerust geweest en heb u tegen den avond uw meisje op den weg naar Rosmin te gemoet gezonden. Want een ontstelde handwerksgezel kwam naar het kasteel rennen, en vertelde dat hij op den grooten weg dooi' een gewapende vrouw was aangehouden, en dat hij haar zijn zakdoek had moeten laten zien. Volgens zijn verhaal had die vrouw een verschrikkelijk grooten hond bij zich, zoo groot als een koe ; hij jammerde dat zij er vreeselijk uitzag. De man was geheel van zijn stuk;»

«'t Was een haas,» zei Leonore verachtelijk. «Toen hij mij met den poney zag, vlood hij weg, zeker door zijn slecht geweten voortgejaagd. Toen riep ik hem achterna en bedreigde hem met mijn zakpistooltje.»

Onder zoodanige toebereidselen wachtten de kasteelbewoners dagelijks de uitbarsting van den opstand af, ook in hun eenzame woestijn. De gloed van het oproer verbreidde zich reeds, evenals een boschbrand, over de geheele provincie. Waar de Polen dicht bij elkander huisden, sloeg de

ocr page 426

88

heldere vlam tot den hemel; langs de grenzen llikkerde het vuur nu hier dan daar, gelijk tie brand in het groene hout. Op menige plaats werd gebluscht, een tijd lang bleet' alles stil, dan herleefde de vlam plotseling.

Op zekeren zondag namiddag was het groot exercitie van de verbonden troepen. Met hun vaandel kwamen de boeren van Neudorf en Kunau aanrukken, het voetvolk voorop, de jonge borsten te paard achteraan; van het plein voor het kasteel reed de kleine ruiterbede, dooi' Kurel aangevoeld, hun te gemoet, en bovendien nog eenige mannen te voet, aan het hoofd waarvan de houtvester als opperbevelhebber der drie legercorpsen stapte. Ook Anton had zich onder de bevelen van den houtvester gesteld. Toen Leonore hen buiten zag komen, beval zij den poney te zadelen.

«Ik wil er eens naar gaan kijken,» zei zei tot Anton.

«Maar dan ook alleen kijken, freule.»

«Hang toch niet altijd den schoolmeester uit,» prevelde zij.

Aan den rand van het bosch was de exercitieplaats. De houtvester had deels uit oude herinneringen, deels uit nuttige wenken, hem door den baron medegedeeld, een soort van kommandeeren uitgedacht, die genoegzaam voldoende was om de menschen te laten doen wat hij van hem wilde, en Karei voerde zijn ruiterafdeeling aan met een vuur, dat het gemis aan kennis zoowel bij den aanvoerder als bij de manschappen moest goed maken. Aan den kant was een aarden dam opgeworpen en Karei had met het overschot van zijn olieverf een schijf geschilderd, waarop een draak met drie staarten en zes pooten angstwekkend vuur uitbraakte, maar overigens, als men aan die in zijn aard liggende onbeleefdheid niet ergerde, weer de harten won door de goedaardigheid, waarmee hij zijn eigen borst aan de kogels der liefhebbers aanbood. Een tijd lang marcheerde men in kolonnes, zwenkte, hield halt, en eindelijk werd er geladen. Dapper knalden de onschuldige schoten in het bosch. Leonore stond van verre toe te kijken ; op het laatst kon zij de verzoeking om de manoeuvres der ruiterij mee te maken niet langer weerstaan ; zij sloot zich aan den trein aan en zei lluisterend tot Karei: «Eventjes maar.»

«En als mijnheer Wohifart het ziet!» vroeg Karei op denzelfden toon.

«Ilij zal het niet zien,» antwoordde Leonore lachend, en daarmee reed zij in het gelid. De jonge mannen zagen nieuwsgierig naar de schoone dame, die naast hen draafde en dan alsof zij op verkenning ging, voor hen uitreed. Ten gevolge van de bewondering, waarmee zij naar het meisje keken, exerceerden zij slecht en Karei had vrij wat aanmeikingen te maken. «De freule doet het het best!» riep in de pauze een der Neudorfers; de bewonderaars zwaaiden met de hoeden en brachten haar een luid hoerah toe. Leonore boog vriendelijk en dwong den poney eenige kunstige toeren te maken. Maar die vreugde duurde niet lang, want Anton kwam dwars over het veld aanloopen, en naderde do freule. «Het is inderdaad niet zooals het hoort,» zei hij zachtjes, inwendig verstoord over haar krijgshaftigheid. «Gij stelt u bloot aan allerlei ruwe aanmerkingen, die wel niet kwaad gemeend zijn, maar u toch pijnlijk moeten aandoen. Dit is de plaats niet om uw rijkunst te vertoonen.»

«Gij gunt mij ook het minste genoegen niet,» hervatte Leonore gebelgd en keerde met den poney om.

Nu galoppeerde zij op haar paard alleen, liet het in de nabijheid van een grooten perenboom in eens pal stil staan en mokte in stilte tegen

ocr page 427

8!)

Anton, (illoe onvriendelijk dat hij mij zoo iets zegt,» dacht zij; «papa heeft gelijk, hij is zeer prozaïsch. Lang geleden, toen ik hem voor het eerst zag, zat ik ook den poney, toen beviel ik hem beter, toen waren we beiden nog wel kinderen, maar zijn houding tegenover mij toch veel eerbiediger.» üe gedachte rees bij haar op, hoe heerlijk, hoe vroolijk en gemakkelijk het leven vroeger voor haar was geweest, en hoe hard het tegenwoordige. En terwijl zij daarover mijmerde, liet zij het paard van den éénen kant naar den anderen over den weg traverseeren.

«Niet kwaad — alleen wat meer op den toom, freule Leonore,» riep een heldere mannestem naast haar. Verschrikt zag zij op. Tegen den boom leunde de rijzige gestalte van een vreemdeling met de armen over de borst gekruist, terwijl op liet schoon gevormde gelaat een spottend lachje zich vertoonde, üe vreemde stapte langzaam op haar toe, en nam den hoed af. «De oude heer krijgt het zwaar te verantwoorden,» zei hij, op het paard wijzende. «Ik hoop dat ge mij nog kent.»

Leonore zag hem strak in het gezicht, alsof het een verschijning was, en liet zich eindelijk in haar verwarring van het paard afglijden. Len beeld uit den ouden lijd kwam haar in levendigen lijve tegen; het koude lachje, de ongedwongen houding, de zelfbewuste zekerheid van dien man behoorden ook tot dat veiiedene, waaraan zij zoo juist had gedacht. «Mijnheer Von Fink!» riep zij verlegen. «Wat zal Wohl-fart blijde zijn u te zien!»

«En ik,» hernam 1' ink, «heb hem al van verre opgenomen, en zoo ik niet aan eenige onfeilbare kenteekenen,» - hier zag hij weer naar Leonore — «herkend had, dat hij het is, die daar als een ridder met zijn borstharnas aan door het zand baggert, zou ik het nooit hebben kunnen gelooven.»

«Kom, ga haastig naar hem,» riep Leonore. «uw komst is het grootste genoegen dat ons weervaren kan.»

Zoo stapte Fink naast haar naar de mannen, die nu zich juist gereed maakten om op den draak te mikken. Fink plaatste zich achter Anton, lei de hand op zijn schouder en riep: «Goeden dag Anton.»

Anton keerde zich ontsteld om en omarmde zijn vriend. Driftige vragen en korte antwoorden wisselden elkaar af. «Waar kom je van daan, beste weergevonden vriend ?» riep Anton eindelijk.

«Vrij wel in de rechte lijn van daarboven,» antwoordde Fink, zoo maar in t wild wijzende, «ik ben eerst sints weinige weken weer in het land. De laatste brief, dien ik van u ontving, was van verleden jaar herfst. Daaruit wist ik ongeveer waar ik u moest zoeken. Bij de algemeene verwarring, die hier onder u heerscht, houd ik het voor een bijzonder groot geluk dat ik je gevonden heb. Hé ! daar heb je vriend Karei ook,» riep hij, toen deze met een blijden groet op hem afkwam; «nu is de halve firma bijeen en wij kunnen dadelijk beginnen kantoor te spelen. Maar gij hebt hier een gansch andere uitspanning,» Hij richtte zich tot Leonore en sprak : «Ik heb mijn opwachting gemaakt bij mijnheer de baron, en van mevrouw uw moeder gehoord dat ik de strijdlustige jeugd hier in 't veld zou vinden. Nu zou ik gaarne nog uw voorspraak inroepen. Ik ken hier dezen jongen mensch een weinig, en zou graag eenige dagen in zijn nabijheid doorbrengen ; ik gevoel levendig, hoe onbescheiden het is in zulk een tijd van uw gastvrijheid te vergen een vreemdeling op te nemen.

ocr page 428

90

Muar breng gij om zijnentwil, daar hij toch over het geiieel genomen een goede jongen is een klein ofï'er, en gun mij het voorrecht hier te mogen blijven, totdat ik van het gezicht der ongeloot'e-lijke jachtlaarzen, die de jeugdige over zijn knieën heeft getrokken, wat bekomen zal zijn.»

Toen antwoordde Leonorc vriendelijk : «Mijn vader zal uw bezoek steeds als een groot genoegen beschouwen, in dezen tijd vooral heeft eeti goed vriend dubbele waarde, ik ga terstond naar huis om aan den knecht to zeggen dat hij alle laarzen van mijnheer Wohlfart op uw kamer zal brengen, opdat gij recht langer tijd noodig zult hebben om over het fatsoen na te denken.» Zij maakte een buiging en wandelde, den poney bij den teugel achter sich voerende, naar het kasteel.

Fink staarde haar na en riep: «liij Zeus ! zij is een bepaalde schoonheid. geworden ; haar taille is onberispelijk, zij verstaat waarachtig de kunst ook om te loopen. Ik trek nu geen oogenblik meer in twijfel, of zij verstand heeft.» Hij greep Antons arm en voerde den vriend van het schietgezelschap naar den wilden perenboom. Daar schudde hij hem hartelijk de hand en riep: «Nog eenmaal, wees hartelijk gegroet, trouwe, trouwe vriend ! Laat ik je zeggen dat ik van verbazing nog niel tot mijzelven kan komen. Als mij iemand ooit verteld had, dat ik je als een rood en zwart beschilderde Indiaan met een strijdbijl in de hand en hoofdschedels aan den broeksband zou weervinden, ik had den man voor krankzinnig gehouden. U, den rustige, den bedachtzame, in de wieg gelegd om een gouden horloge met een cachet te dragen, u vind ik hier terug op een dorren heigrond met moordplannen in uw hart en, bij mijn ziel, zonder das. Zoo wij veranderd zijn, is het bij u niet het minst. Nn, maar je kunt tevreden zijn met de verandering.»

«Gij weet toch hoe ik hier ben gekomen,» hernam Anton.

«Ik kan het zoo begrijpen,» zei Fink, «ik heb de dansles nog niet vergeten.»

Antons oog werd somber. «Vergeef het mij,» vervolgde Fink lachend, «en zie een oud vriend wat door de vingers.»

«Je verkeert in een dwaling,» antwoordde Anton ernstig, «zoo je meent dat een hartstochtelijk gevoel mij herwaarts heeft gedreven. Door een reeks van gebeurtenissen ben ik met de familie van den baron in aanraking gekomen.» — Fink glimlachte. — «Ik wil je toegeven dat zij mij kalm zouden hebben gelaten, zoo niet mijn gemoed zeer ontvankelijk was geweest voor de indrukken van dien kant. Intusschen mag ik met recht beweren dat het alleen door een samenloop van omstandigheden is gekomen, dat zij mij een groot bewijs van vertrouwen hebben geschonken. In een tijd dat de baron in een zeer moeielijken toestand verkeerde werd ik door zijn naaste betrekkingen voor den man gehouden, die althans den goeden wil had hun van dienst te zijn. Zij deelden mij hun verlangen mede dat ik een tijdlang voor hun belangen zou werkzaam zijn. Toen ik het voorstel aannam, is dit eerst na een harden inwendigen strijd geweest, een strijd dien ik zelfs aan u niet mag vertollen.»

«Dat klinkt alles heel mooi,» hernam Fink, «maar als de koopman een geweer en een sabel koopt, moet hij toch weten waarom hij deze uitgaven doet. En daarom neem mij mijn ronde vraag niet kwalijk : Wat wil je hier?»

ocr page 429

01

«Hier blijven, zoo lang ik de overtuiging heb dat ik hior noodig ben, en later een plaats op een kantoor zoeken.»

«Bij onzen ouden patroon?» vroeg Fink haastig.

«Of ergens anders.»

«Drommels!» riep Fink, «dat heeft niet veel van een rechten weg, ook niet veel van een openhartige bekentenis; maar men moet ook in de eerste oogenblikken niet te veel van je vergen. Ik wil meer met open kaart spelen. Ik heb mij daar ginds vrij gemaakt. Kn ik zeg je dank voor je brief en den wijzen raad, dien je mij hebt gegeven. Ik heb, zoo als je mij voorsloegt, de dagbladen gebruikt om mijn West-landmaatschappij te doen springen. Natuurlijk vloog ik mee in de lucht. Voor eenige duizend dollars kocht ik een half dozijn pennen en liet de couranten van New-York en enkele andere voortdurend afgrijselijke berichten aangaande de schandelijkheid der maatschappij opdis-schen. In iedere toon liet ik mij en mijn mededeelgenooten vervloeken. De zaak trok de aandacht. Broeder Jonathan werd oplettend, en al onze concurrenten bliezen denzelfden toon. Zoo had ik het genoegen mij en mijn maatschappij als bloeddorstige afzetters en beulen dagelijks in een dozijn couranten afgeschilderd te vinden. Alles, wel te verstaan, voor mijn eigen geld. Het was een dolle jacht. Na verloop van vier weken was de Westlandmaatschappij zoo gedaald, dat geen hond een stuk brood van haar zou hebben aangenomen. Nu kwamen mijn mededirecteuren van zelve mij opzoeken en boden aan mij uit te koopen en van hun maatschappij los te maken. Gij kunt begrijpen hoe blij ik was. Overigens heb ik die vrijheid duur gekocht en bovendien, tusschen twee haakjes, daar ginds den naam achtergelaten, dat ik de duivel in persoon ben. Maar kom, dat doet er niets toe, ik ben immers vrij! —■ Eu nu heb ik je opgezocht om twee redenen : vooreerst om je weer te zien en wat met je te praten, en ten andere om een ernstig woordje met je over mijn toekomst te spreken. En, ronduit gezeid, ik zou je daar weer voor willen aanwerven. Je hebt mij al dien tijd ontbroken. Ik weet nief wat ik in je vind, want eigenlijk bent je een saaie vent, en onverzettelijker dan mij dikwerf aangenaam is; en toch in weerwil van dat alles, gevoelde ik in den vreemde dikwijls een zeker heimwee naar je, Ik heb ook een explicatie met mijn vader gehad; 't is niet zonder een warmen strijd en daaropvolgende verkoeling afgeloopen. En nu herhaal ik je mijn ouden voorslag; ga met mij, naar zee, naar Engeland, het water over, alles naar gelang van omstandigheden. Wij willen samen bepraten en overleggen wat we zullen beginnen. Wij zijn thans beiden vrij en de wereld ligt voor ons open.»

Anton sloeg de arm om zijns vriends hals, «Mijn beste fink,» riep hij, «reken dat ik u alles gezegd heb wat ik in mijn binnenste gevoel voor uw edelmoedigen voorslag. Maar je ziet, voorloopig heb ik hier nog plichten.»

«Naar hetgeen je mij zoo even officieel hebt medegedeeld, meen ik dat zij niet eeuwig zullen duren,» hernam Kink,

«Dat is waar, maar onze wederzijdsche betrekking is toch niet gelijk. Zie,» zei Anton, de hand uitstrekkende, «hoe onbekoorlijk deze landstreek is, en hoe onaangenaam ook een deel der menshen, die hier wonen, moge zijn, beschouw ik ze toch met andere oogen dan gij. (Jij zijt veel meer wereldburger dan ik; gij kunt geen groot belangstellen

ocr page 430

92

in hot welvaren van tien staat, waarvan deze vlakte en uw vriend een deel, al is het dan ook maar een klein, uitmaken,»

«Neen,» zei Fink verwonderd op Anton ziende, «een groot belang stel ik er niet in, en wat ik thans van het huishouden hier bij u hoor en zie, maakt mij dien staat volstrekt niet achtenswaardig, al is het ook nog zoo zeer uw trots en eer er een fragment van te zijn.»

«Maar ik denk er anders over,» vie! hem Anton in de rede. «Wie er niet toe gedwongen wordt, moet zijn land juist nu niet verlaten.»

«Wat hoor ik?» riep Fink verbaasd.

«In een hangen tijd heb ik ondervonden,» vervolgde Anton, «hoezeer mijn hart aan het land gehecht is, waarvan ik een burger ben. Sints dien tijd weet ik waarom ik in de wereld ben. Rondom ons is voor hot oogenblik alle wettelijke orde verbroken; ik draag wapenen tot zelfverdediging, en, even als ik, honderd anderen, onder een vreemden stam. Welke zaak ook mij, den onbeduidende, hierheen gebracht heeft, thans sta ik hier als een der veroveraars, die door vrijen arbeid en zedelijke ontwikkeling de heerschappij over dezen grond aan een zwakker ras hebben ontnomen. Wij en de Slavoniërs: het is een oude strijd. En met trots gevoelen wij het: beschaving, arbeidzaamheid, degelijkheid zijn op onze zijde. Wat de poolsche grondbezitters hier in den omtrek geworden zijn — en onder hen worden vele rijke en verstandige menschen gevonden — eiken daalder, dien zij kunnen uitgeven, hebben zij rechtstreeks of zijdelings door duitsche ontwikkeling en nijverheid gewonnen. Door onze schapen zijn hun kudden veredeld; wij bouwen de stoomfabrieken, waardoor zij hun branderijen aan het werk brengen; op duitsch crediet en duitsch vertrouwen steunt de waarde, welke hun pandbrieven en hun goederen tot heden hebben. Zelfs de geweren, waarmede zij beproeven ons te dooden, zijn in onze fabrieken gemaakt, door onze handelshuizen hun geleverd. Niet door een slinksche staatkunde, maar langs den vreedzamen weg dooi' onzen arbeid, hebben wij de werkelijke heerschappij over dit land verkregen. En daarom handelt hij, die als een man uit het volk der veroveraars hier staat, lafhartig zoo hij thans zijn post verlaat.»

«Gij spreekt zoo boud op vreemden bodem,» hervatte Fink, «en ginds bij u beeft de eigen grond.»

«Wie heeft dit gewest onder Duitschland gebracht?» vroeg Anton, de hand uitstrekkende.

«De vorsten van uw geslacht, ik ontken het niet,» zei Fink.

«Fn wie heeft de groote landstreek veroverd, waarin ik geboren ben?» vroeg Anton verder.

«Een, die oen man was.»

«Een kloeke man was het,» riep Anton, «hij en anderen van zijn huis. Met geweld of met list, bij verdrag of door overrompeling, op allerlei wijzen hebben zij den grond aan zich gebracht in een tijd toen in het overige Duitschland bijna alles dood en erbarmelijk was. Als dappere mannen en verstandige volkplanters hebben zij hun grond bestuurd. Zij hebben kanalen gegraven door de heide, hebben menschen overgeplant in onbewoonde streken, en hebben een geslacht opgevoed, gehard, arbeidzaam, begeerig, gelijk zijzelve waren. Zij

ocr page 431

93

hebben een staat gevormd uit afgeleefde verloopen stammen; zij hebben met edele bedoeling hun Imis geplaatst als het middelpunt voor vele millioenen, en hebben uit den mengelmoes van ontelbare nietsbeteekenende vorstendommetjes een levende, heerlijke macht geschapen.»

«Dat,» zei Fink, «dat deden de voorouders.»

«Zij hebben voor zich gewerkt, toen zij ons schiepen,» ging Anton voort, «maar nu hebben wij leven gekregen en een nieuw duitsch volk is opgestaan. Nu vorderen wij van hen, dat zij ons frisch, krachtig leven erkennen. Het zal hun moeielijk vallen, hun juist, die gewoon zijn bun bijeengewonnen land als een eigendom van hun zwaard te beschouwen. Wie kan zeggen wanneer de strijd tusschen hen en ons zal geëindigd zijn? lange jaren wellicht zullen wij de treurige uitspattingen verwenschen, welke die strijd veroorzaakt. Maar hoe hij ook eindigen moge, hiervan ben ik overtuigd, als van het daglicht: de staat, dien zij in het leven hebben geroepen, zal niet meer in de puinhoopen vervallen, waaruit hij is opgekomen. Hadt gij, even als ik, de laatste jaren, in verschillenden werkkring, maar veel vooral onder de geringere menschen geleefd, gij zoudt mij thans ge-looven. Nog zijn wij als volk arm, nog is onze kracht zwak; maar wij werken ons er bovenop, met ieder jaar groeit met onzen arbeid ons verstand, onze welvaart, en de overtuiging dat we een geheel uitmaken. En op dit oogenblik gevoelen wij in het vreemde land ons onderling als broeders. Wanneer zij, die daar verder binnenslands wonen, op ergelijke wijze met elkander strijden, zijn wij eensgezind, en onze strijd is zuiver.»

«Welaan,» zei Fink, met een teeken van goedkeuring, «dat was gesproken gelijk een Üuitscher altijd zal spreken. Hoe don er de tijd, hoe groener de hoop. Uit dit alles zie ik intusschen, master Wohlfart, dat je geen lust hebt nu met mij te gaan.»

«Ik mag niet,» antwoordde Anton getroffen, «wees gij er niet boos om.»

Fink zag somber voor zich heen. «Hoor eens,» begon hij eindelijk, «wij hebben sints onze scheiding de rollen verwisseld. Toen ik voor eenige jaren van u wegging, was ik als een ros in de woestijn, dat een bron ruikt; ik hoopte, van het vervelende leven bevrijd, in een vroolijk, frisch groen te komen, en wat ik vond was een dampend moeras. En nu kom ik afgemat tot u en vind u onversaagd met den dood en den duivel aan het kaartspelen. Gij zijt frisscher dan ge waart. Van mij kan ik niet hetzelfde zeggen. Wellicht komt het hiervan, dat gij een vaderland hebt, ik niet. — Maar nu: pas voor meer wijsheid. Kom laat me zien op welke wijze gij hier oorlog voert. Stel mij aan uw soldaten voor, en toon mij zoo mogelijk een vierkan-.ten voet land op deze heerlijke bezitting, waar men niet tot aan de enkels in het zand zakt.»

Anton geleidde zijti vriend naar de krijgslieden, dan door het bosch naar de posten der naburige dorpen; hij wees hem de rij der seinpalen en de alarmklokken en vertelde hem van de maatregelen die genomen waren om het kasteel tegen een overrompeling te beveiligen. 1' ink luisterde met aandacht naar de bijzonderheden en zei ten laatste: «liet hoofddoel toch hebt ge bereikt; gij krijgt orde onder uw menschen en goeden moed.»

ocr page 432

94

Intusschen maakte men op liet kasteel schikkingen voor den onver-wachten gast. De baron liet door zijn knecht nazien of er een voldoende voorraad Bordeaux en Rhijnvvijn in den kelder was, en gromde op den koetsier, die een klein defect aan het rijtuig nog niet had laten herstellen ; de barones gelastte een japon voor den dag te halen, die zij sedert haar komst op het kasteel niet had gedragen. Ook Leonore dacht met een inwendige onrust aan den overmoedigen man, die reeds op de dansles haar zoo groot ontzag had ingeboezemd, en dien zij sints dien tijd dikwijls als een droombeeld voor zich had gezien. In de onderaardsche gewesten was de onrust en gejaagdheid niet minder. Met uitzondering van korte visites was dit de eerste gast. De trouwe keukenmeid wou aan een kostelijke meelspijs haar kunst vertoonen; maar in dit ongelukkig land ontbraken haar daartoe de noodzakelijkste ingrediënten; zij kwam op de gedachte eenige hoenders van de boerderij te slachten, doch daartegen verzette zich hartstochtelijk Suska, eenquot; klein poolsch meisje, do vertrouwde van Leonore, Zij stortte tranen over de koelbloedige wreedheid der keukenmeid en dreigde de freule te roepen, totdat de keukenmeid een inval had en-een jongen, die geen kousen of schoenen ooit had gekend, in allerijl naai'den houtvester zond orn hem iets buitengewoons te vragen. Tegen spinnewebben en stof werd een algemeene kruistocht uitgevaardigd en de kamer naast Anton in orde gebracht. De kleine divan van Leonore, de gemakkelijke stoel en het tapijt der moeder werden afgestaan om de eer der familie op te houden. . ...

Fink had in de verte geen denkbeeld van de opschudding, die zijn aankomst veroorzaakte; hij wandelde naast Anton over do velden, vroolijk gestemd, zoo als in lang niet het geval met hem was geweest. Hij vertelde van zijne avondturen, van de schandelijke geldzaken en den kolossalen aanwas der nieuwe wereld. Ln Anton hoorde met blijdschap dat in de spotternijen zijns vriends een diepe verontwaardiging doorstraalde over de bedorvenheid, waarvan hij getuige was geweest, «'t Is daar ginds een krachtig leven,» zei hij, «maar ik heb het te midden van dat gewoel eerst recht duidelijk begrepen, dat gijlieden hier ook iets waard zijl.» Zoo pratende kwamen zij op het kasteel terug, en gingen van kleederen veranderen; Anton wierp een verbaasden blik op de inrichting der logeerkamer, en kort daarna werden zij door den knecht genoodigd in de zaal te komen. Nu, dat de angst voor de schikking geweken was en de lampen haar zacht schijnsel door do vertrekken heen verspreidden, gevoelde de familie zich door het bezoek van den rijken, smaakvollen l ink aangenaam verrast. liet was weer als vroeger in hun huis, de gemakkelijke toon van de groote wereldconversatie, het fijne gevoel dat een ieder doet vatten waardoor hij het genoegen van den ander verhoogen kan. Het waren de oude vormen waaraan zij gewoon waren, soms ook dezelfde onderwerpen. En Fink kweet zich van de taak, die den eersten avond bij een familiebezoek op den gast rust, met een gemakkelijkheid, waarover de schelm te beschikken had zoo dikwijls hij wilde. Allen gat hij het gevoel dat hun huiselijkheid hem bijzonder aangenaam was. Den baton behandelde hij met de eerbiedige vertrouwelijkheid die een jongen man van gelijken stand betaamt, de barones met onderscheiding, Leonoie met eenvoudige hartelijkheid. Meermalen richtte hij het woord tot haar en spoedig had hij haar beschroomdheid overwonnen. Do familie

ocr page 433

95

gevoelde dat hij een der hunnen was, er was een soort van vrijmetselarij onder hen. En ook Anton vroeg zichzelven af hoe het mogelijk was, dat Fink, de nieuwe gast, geheel een oude vriend des huizes scheen, en hij een vreemdeling. En weer rees in zijn ziel iets op van het ontzag dat hij als jongeling gevoelde voor alles wat aanzienlijk, voornaam, exclusief scheen; maar die gewaarwording was nu slechts een lichte schaduw, die tijdelijk ziju helder oordeel benevelde.

Toen 1'ink opstond verzekerde hem de baron met oprechte hartelijkheid dat hij hem gaarne recht lang als gast bij zich zou zien, en zelfs de barones zei, nadat hij de kamer had verlaten, dat de engelsche modes hem goed stonden en hij den indruk maakte van een groot heer. Leonore dacht niet over zijn uiterlijk, maar zij was woordenrijk geworden, als in lange niet. Zij vergezelde haar moeder naar het slaapvertrek, ging nog op oen voetbankje naast het bed zitten, en begon vroolijk te praten : niet over den gast, maar over veel dingen, waarin zij vroeger belang had gesteld, totdat de moeder haar op hot voorhoofd kuste en zei; «Voor van avond genoeg, liefste, ga nu naar bod en droom niet.»

1'ink rekte zich zoo lang hij was op de canapee uit. «Die Leonore is een prachtige vrouw,» riep hij opgewonden. «Eenvoudig, kortaf, niets van dat ziekelijke dwepen, anders aan een meisje zoo eigen. — Kom, ga nog een uurtje bij mij zitten, als in de dagen van olim, Anton W ohlfart, gij van zijn hoogwelgeboren heer den baron Von Rothsattel de rentmeester in een Slavonische Sahara! Hoor, gij verkeert in een zoo allervreemdsten toestand, dat van verbazing mijn haren nog steeds te berge rijzen. Gij hebt mij weleer bij mijn malle streken menigmaal als een verstandige beschermgeest lor zijde gestaan; thans zijt 'gij zelf tot over de ooren in de dolheid verzonken, en wijl ik thans het voorrecht geniet gezond van hart en zinnen te zijn, verbied mij mijn geweten je in deze verwarring te verlaten.»

«1* rils, beste Erils! riep Anton verheugd.

«Goed, goed,» zei Fink. «Ik wou dus den eerstvolgende lijd in je nabijheid blijven. Gij zuil zelf best weten hoe dat gebeuren kan. Met de vrouwen zult ge wel klaar komen, maar de baron ?»

«Je hebt het zelf gehoord,» antwoordde Anton; «ook hij houdt het voor een gelukkig toeval dat juist nu een ridder als gij zijn eenzaam slot komt opzoeken, het is maar •—• hij zag bedenkelijk de kamer rond. — «Je zult het geringe voor lief moeten nemen.»

«Hm, ik vat je,» zei 1' ink, «ge zijt overleggend geworden.»

«Ja, het moet wel,» antwoordde Anton ; «als ik het gele zand in het bosch in zakken kon doen en voor graan verkoopen, dan zou ik veel zakken moeten afzetten om in onze kas een vasten bodem te brengen.»

«Daar gij je hier als kassier hebt ingedrongen.» zei Fink, «kon ik wel begrijpen dat de kas leeg moest zijn.»

«Ja,» hernam Anton, «mijn brandkas is een oud toillettrommellje, en ik geef je mijn woord dat er nog ruimte in overvloed is. Ik gevoel tegenwoordig meermalen een onverwinlijken nijd tegen Purzel en zijn krijt op het kantoor. Zoo ik slechts eens het geluk had een rij grauwlinnen zakken te zien; aan banknoten en een portefeuille met acties durf ik zelfs niet denken.»

rink lloot een deuntje. «Gij, arme jongen,» zei hij. «Maar het is toch

ocr page 434

90

een uitgestrekte bezitting en een geregelde administratie; het goed moet óf opbrengen óf geld kosten ; waarvan leeft gij dan ?»

«Dat,» sprak Anton, «is het geheim der dames, dat mag ik u niet verraden. Ünze paarden vreten diamanten,» fluisterde hij hem geheimzinnig toe. ••li

Fink haalde de schouders op. «Maar hoe is het mogelijk dat de Rothsattels zoover gekomen zijn !ygt;

Met kieschheid schilderde hem Anton den achteruitgang en het verval des barons, en weidde daarna met geestdrift uit over de waardige berusting der barones, de gezonde kracht van Leonore.

«Ik zie,» zei Fink, «dat de zaken nog slechter staan dan ik gedacht had. En hoe kunt gij zoo'n leven uithouden? De vogels op de boo-men zijn renteniers in vergelijking met u.»

«Zoo als de omstandigheden nu zijn,» antwoordde Anton, »is het de hoofdzaak deze : ons te behelpen en er ons door te redden, althans tot de publieke veiling van liet familiegoed. De schuldeischers zullen nu niet lastig zijn en de roclitbanken rusten bijna geheel en al. De baron kan zonder groote kapitalen dit goed niet aanhouden ; hij kan het nu ook niet laten varen; dan wordt het weinige nog vernield, dat voor de toekomst een verkoop mogelijk maakt, cn bovendien zou de familie geen onderkomen hebben. Al mijn pogingen om hen in dezen onrustigen tijd te bewegen de provincie te verlaten, zijn te vergeefs geweest; zij zijn als wanhopenden vast besloten hier hun lot af te wachten. De trots van den baron kan de gedachte niet verdragen naar den kring terug te keeren, waarin hij eenmaal heeft geleefd, en de dames willen hem niet verlaten.»

Maar zend ze dan ten minste naar de een of andere groote stad hier in de buurt, en stel ze niet bloot aan een aanval van den eersten den besten dronken boerenhoop.»

«Ik heb gedaan wat ik kan; op dit punt ben ik geheel machteloos,» hernam Anton somber.

«Laat me je dan zeggen, mijn zoon, dat je militaire toerustingen niet zeer bemoedigend zij ik Met het dozijn mannen dat je in het dorp nog eerst te zamen toeteren moet, zult go bezwaarlijk een bende boeven weren. .Ie kunt daarmee het plein niet verdedigen, niet eens zelfs de vlucht der vrouwen dekken, lieb je geen vooruitzicht om versterking te ontvangen?»

«Volstrekt geen,» zei Anton.

«Een recht pleizierige, troostvolle toestand!» riep I*ink. «En toch heb je de velden braaf bewerkt, en de bouwerij gaat geregeld haar gang. Ik heb mij door Karei laten vertellen, hoe het goed er uitzag toen hij hier kwam, en wat ge er al aan hebt verbeterd. Je hebt je wezenlijk goedgehouden, ik heb er allen eerbied voor. Dat had geen Amerikaan, geen andere landsman volgehouden; in zulke wanhopende gevallen prijs ik de Duitschers. Maar de vrouwen moeten, zoowel als uw jonge bouwerij, beter worden beveiligd. Huur twintig man met krachtige vuisten, zij zullen dit huis be-wakem»

«Ja, maar je vergeet dat wij twintig doodeters evenmin onderhouden kunnen, als de uil daar ginds op den toren.»

«Ze moeten werken en geen doodeters zijn,» riep I'ink ; «je hebt hier

ocr page 435

!)7

een uitgestrektheid grond, waarop honderd handen arbeid genoeg zouden vinden. Hebt ge geen moeras te drogen, geen sloten te graven? Daar ginds immers zie ik een tal akelige poelen.»

«Dat is werk voor een ander jaargetijde,» meende Anton, «de grond is nu te nat.»

«Laat eenlge honderd morgen boschland bezaaien of beplanten. Houdt de beek zomers water?»

«Ik hoor van Ja.»

«Welnu, laat de mannen dan iets anders doen.»

«Vergeet toch niet,» zei Anton glimlachend, «hoe moeielijk het zal wezen geschikte arbeiders, die nog daarbij militairen aanleg moeten hebben, Juist nu voor onze slecht befaambe streek te werven.»

«Loop naar de maan met al Je bezwaren!» riep Von Kink. «Zend Karei uit om in een dultsche streek kerels te werven, hij brengt er Je zooveel Je wilt.»

«Maar we hebben geen geld, zei Ik Immers. De baron is zelfs niet bij machte een groote verbetering te ondernemen, die eerst na eenlge jaren rente zon geven.»

«Dan laat mij het doen,» hernam Von Fink.

«Je znlt inzien dat het niet kan, Von Fink; de baron kan van zijn gast zulk een olTer niet aannemen.»

«Gij betaalt me, zoodra ge geld hebt,» zei Von Fink.

«'t Is onzeker, of we ooit In staat zullen zijn het geld terug te geven.»

«Welnu, hij behoeft Immers zelf niet te weten wat die menschen hem kosten.

«Hij is blind,» sprak Anton op zacht verwijtenden toon, «eh ik sta in zijn dienst en ben verplicht, hem van alles rekening te doen. Hij zal zeker een voorschot van u, na eenlge bezwaren, zooals do adellijke heeren ze opperen, met genoegen aannemen; want zijn opvatting van den toestand verandert telkens met de stemming van het oogenblik. De dames echter lijden niet aan dezelfde zinsbegoocheling. Uw tegenwoordigheid zon haar zeker pijnlijk aandoen zoodra zij overtuigd waren, dat zij aan uw vermogen een verbetering in haar omstandigheden te danken hadden.»

«En het veel grooter offer, dat gij haar gebracht hebt, hebben zij zonder aarzelen aangenomen,» zei Von Vink ernstig.»

«Wellicht,» hervatte Anton blozend, «houden zij mijn stille bedrijvigheid voor geen ofler; zij hebben er zich aan gewend mij als den rentmeester, als den bediende des barons, om zich heen te zien. Gij zijt haar gast; haar gevoel van eigenwaarde zal ze bewegen het benarde van haar toestand zooveel mogelijk voor u verborgen te houden. — Om voor u de kamer netjes en gezellig te maken, hebben ze haar eigen vertekkken geplunderd ; de canapee waarop ge ligt is uit de slaapkamer der freule.»

Von Fink beschouwde den divan oplettend en strekte zich weer op zijn gemak uit. «Daar ik er toch geen zin in heb,» zei hij, «om zoo spoedig weer te vertrekken, zult ge wel zoo goed willen zijn mij een middel aan de hand te geven, hoe ik met goed fatsoen hier blijven kan. Vertel mij spoedig het een en ander aangaande de hypotheken en de vermoedelijke opbrengst van het goed. Stel eens voor het oogenblik dat ik een ongelukkig kooper was voor dit paradijs.»

DEBET EN CREDIT II. 7

ocr page 436

OH

Anton lei hem de zaken uit.

«Dat althans is niet wanhoopend,» zei Von Fink; «luister nu naar mijn voorstel. Zooals het tot nog toe hier gegaan is, mag hot niet blijven ; dat zuinig huishouden is ongezond voor allen, en in de eerste plaats voor u. Ue gronden hier mogen vreeselijk verwaarloosd zijn, maar het dunkt me dat er nog wel iets van te maken is. Of zij de menschen zijn om het goed aan te houden, wil ik niet beslissen ; als ge lust gevoelt nog eonige jaren van je leven er aan te geven, en je verder voor de belangen van anderen op te offeren, is het niet gansch onmogelijk ; alijd in de onderstelling dat ge in rustiger tijden het noo-dige kapitaal quot;kunt opnemen. Intusschen geef' ik nu eenige, wellicht vijtduizend daalders ; de baron geeft mij tot zekerheid hypotheek op dit goed. Deze leening zal u niet achteruit zetten, maar liet u integendeel gemakkelijker maken dit vervloekte jaar door te komen.»

Anton stond op en liep onrustig de kamer op en neer. «Het kan niet,» riep hij eindelijk «wij mogen uw grootmoedig aanbod niet aannemen. Zie, Von Fink, verleden jaar voor ik deze menschen hier zoo van nabij kende als thans, heb ik vurig gewenscht dat onze patroon zich de zaken des barons zou aantrekken ; toen zou ik hoogst gelukkig zijn geweest, als gij mij dat zelfde voorstel hadt gedaan ; maar zooals ik den baron en zijn omstandigheden nu ken, beschouw ik het onbillijk tegenover u en tegenover de dames, uw voorslag in te willigen.»

«Moet dan de divan uit Leonores slaapkamer door de tabakasch der inkwartiering bemorst worden ? Nu doe ik het, later zullen de poolsche zeisenmannen het doen.»

«Wij moeten het ons getroosten,» hernam Anton treurig:

«Stijfkop,» riep Von Pink, «je bent nog niet van me af. En nu, maak dat je weg komt, hoofdige Tony.»

Sints dat gesprek gewaagde Von Fink niet meer van zijn leeniugs-plannen ; daarentegen hield hij den volgenden dag geheime bijeenkomsten met den huzaar. En tegen den avond zei hij tegen den baron : «Mag ik morgen uw rijpard eens gebruiken? liet is een oude kennis van mij. Ik won gaarne uw velden eens doorrijden. Neem mij niet kwalijk, mevrouw de barones, zoo ik morgen niet aan tafel verschijn.»

«[lij is rijk, hij komt hier om te koopen,» zei de baron stilletjes tot zich zeiven. «Deze Wohlfart heeft zijn vriend zeker verteld dat hier zaken te doen zijn ; de speculatie begint, laat ons nu voorzichtig zijn.»

II.

Het was een zonnige morgen in de maand April. Een van die heerlijke dagen, waarop een vochtige warmte de knoppen der boomen doet openbarsten en het hart der menschen met sneller slagen beweegt. I.eonore wandelde met den hoed op en den parasol in de hand van het kasteel naar buiten en ging in den koeienstal de rij der gehoornde dieren langs. Met groote oogen staarde haar het stomme vee aan, allen openden den

ocr page 437

9!J

wijden bok ; hier en daar loeide een vroolijke koe en verzocht om een lekker beetje uit haar hand. «Is mijnheer Wohifart hier?» vroeg Leonore den opzichter, die den stal voorbij kwam.

«Hij is op het kasteel, freule.»

«Waarschijnlijk weer bij hem?» vroeg zij verder.

«Mijnheer Von Fink is van morgen vroeg al naar Neudorf uitgereden, die heeft geen rust op zijn kamer; hij zit het liefst te paard. Dat zou een goed huzarenofficier geweest zijn.»

Toen Leonore op die manier uitgevischt had, waarheen mijnheer Von Fink gereden was, ging zij, om den gast niet te ontmoeten, een anderen kant uit over de beek en de akkers naar het bosch. Zij zag naar den blauwen hemel en de ontkiemende aarde. In het heldere morgenlicht schitterden het winterkoren en de groene grassprietjes zoo lustig, dat haar hart van blijdschap bonsde. Op de wilgen aan de beek lag de lente, als een doorschijnend waas; de goudgele twijgen zwollen op van het sap, en uit de dikke knoppen braken de eerste bladeren. Ook het zand was haar heden geen ergernis ; met lichten tred stapte zij over den breeden gordel, die het bosch omgaf, en snelde langs het voetpad onder de dennenboomen naar de woning van den houtvester. In het bosch vierde onder zacht gekweel en gelluit de kleine dierenwereld het lentefeest. Waar een groep heestergewassen onder de hooge boomen stond,' klonken de krachtige slagen van den goudvink, of het drukke getjilp van een Jonggehuwd paar boschvogels, die met elkaar kibbelden op welken tijd zij dit jaar hun nest zouden bouwen. In hun zwart harnas bromden de torren om de knoppen der berken; soms gonsde een wilde bij, die vroeg uit den winterslaap was ontwaakt. Ook de bruine kapellen fladderden reeds ovel' de be-ziënstruiken, en waar de grond lager was, glinsterden in de schaduw de witte sterren der anemonen en de gele paardenbloemen. Leonore nam de stroohoed af en liet de zoele lucht om haar slapen spelen ; met lange teugen ademde zij do boschgeur in, die om de jonge dennenstammen zweefde. Dikwijls stond zij stil en luisterde naar de geluiden om haar heen, zag in het teedere groen der boomen, en sloeg met de hand op den witten bast van een berk ; zij stond bij de kabbelende beek voor de houtvesterswoning en streek liefkoozend over de kleine pijnboomen, die kort en opeengedrongen daar stonden als borstels, liet was haar alsof zij het bosch nooit zoo levendig had gezien. De honden in den tuin des houtvesters blaften woedend; zij hoorde den vos met zijn ketting rammelen ; zij zag naar den roerdomp, die in zijn kooi op en neer sprong, en, evenals de grootc heeren, de honden, wel graag zou willen blaffen.

«Stil, Bergman, stil. Hector,» riep Leonore, aan de deur tikkende. Het ontstuimig gehuil der honden ging over in een vriendelijken groet. Toen zij het poortje opende, kwam haar Bergman, de dashond met zijn kromme pooten, te gemoet en kwispelde vroolijk, terwijl Hector in stoute sprongen om haar heen huppelde en aan haar tas rook; zelfs de vos kroop in zijn hok, lei den kop loerend op zijn etensbak en gluurde sluw naar het schoone meisje. Aan den anderen kant van de heining echter zag zij een paardenkop tusschen de pijnboomen door steken, en zie, juist hij, dien zij had willen vermijden, was hier in de eenzaamheid. Een oogenblik stond zij in twijfel en was al op het punt zich stilletjes te verwijderen, toen de houtvester op den drempel trad en

ocr page 438

100

liaar vriendelijk begroette. Nu kon zij niet meer terug, zij volgde den oude naar binnen. Midden in de kamer stond Von Fink, scherp verlicht door een zonnestraal, die door de kleine ruiten op hem viel. Hij kwam haar beleefd te gemoet. «Ik ging uit om het terrein wat te verkennen, en ben nu juist bezig,» zei hij, op den houtvester wijzende, «mij te verlustigen in uw fleren onderdaan en zijn geheimzinnig verblijf.» De houtvester schoof een stoel nader bij. Leonore moest gaan zitten ; Von Fink stond over haar, tegen den bruinen houten muur geleund, en zag haar met ongeveinsde bewondering aati. «tiij zijt een prachtige tegenhanger voor dezen ouden jongen hier en deze kamer,» zei hij, rondziende. «Och, zwaai zoo niet met uw parasol, alsjeblieft; al deze opgezette vogels wachten slechts op uw bevel om weer levend te worden en voor uw voeten neer te vallen. Zie, die reiger daar richt zijn kop al in de hoogte.»

«Hij komt maar van de zon,» zei de houtvester op geruststellenden toon.

Leonore lachte. «Die uitvluchten kennen wij,» sprak Von Fink. «Gij zijt mee in het komplot. Gij zijt de kabouter dezer koningin. Als hier geen tooverij gepleegd wordt, wil ik alle dagen mijns levens doorslapen. Eén teeken met dezen staf en de zoldering van deze groote kooi slaat open en gij vliegt met uw gevolg uit de hut de vrije lucht in. Er bestaat hoegenaamd geen twijfel; in die kruinen der dennen, in het woud is uw plaats, is het luclitige paleis, waar uw troon staat, machtige gebiedster dezer hut, blondgelokte godin dezer lente !»

«Ik troost mij maar met de gedachte,» antwoordde Leonore eenigs-zins verlegen, «dat niet ik het ben die u tot zulke scheppingen aanleiding geef. liet genoegen in de schepping zelve alleen windt u op. Ik ben maar toevallig het onwaardig voorwerp uwer dichtwoede, gij zijt de dichter.»

«Foei hoe kunt ge zoo iets van mij zeggen,» riep Von Fink; «ik, een dichter! Behalve eenige luchtige matrozenliederen, welker woorden een goedgunstig lot ver van uwe ooren moge houden, ken ik geen enkel gedicht van buiten. Wat ik van poëzie op hoogen prijs stel, zijn slechts enkele fragmenten der oude school, bij voorbeeld : «Hoera, hoera, hop sa sa,» in een gedicht dat, zoo ik mij niet vergis, uw naam draagt. En zelfs aan die klassieke regels heb ik nog te hekelen dat zij meer den loggen draf van een boerenknol, dan den pijlsnellen gang van een geestenpaard uitdrukken. Maar men moet het met de heeren van het studeervertrek niet zoo nauw nemen. Behalve deze regels zullen er weinig dichterlijke voortbrengselen in mij te vinden zijn. Wellicht nog ile hartroerende rijm van den grooten Schiller : «Potz Blitz, das ist ja die (instel des Blase-witz.» In die plaats ligt veel waarheid.»

«Gij lacht mij uit,» zei Leonore gekrenkt.

«Op mijn woord niet,» verzekerde haar Von Fink. «Als het u genoegen kan doen, wil ik gaarne nog eenige poëtische kleinigheden in haar volle waarde erkennen; onder beding altijd, dat ik ze maar zelf niet behoef te lezen. Hoe kan men in onzen tijd verzen maken of zelfs lezen, wanneer men alle dagen zulke poëtische toestanden beleefd? Sedert ik weer hier in dit land ben, verloopt er nauwelijks een uur, waarin ik niet iels zie of hoor, dat aan de heeren dichters voor honderd jaren en meer voedsel voor hun pen zou geven. Prachtige onderwerpen voor allerlei kunstvoortbrengselen. Had ik het ongeluk een dichter te zijn, dan moest ik nu van geestdrift in verrukking raken, en hals over kop naar de vos

ocr page 439

101

buiten de luit springen, en daar op behoorlijken afstand een harttoch-telijk gedicht maken, terwijl de vos mij in de beenen bijt. Maar aangezien ik geen ridder van de pen ben, wil ik liever het schoone dat ik hier zie genieten, en het niet op vers brengen.» En wederom zag iiij vol bewondering naar het schoone meisje.

«Leonore!» riep een booze stem achter in het vertrek.

Leonore en Von Vink zagen verbaasd om.

«Hij heeft het geleerd,» zei de houtvester, op den raaf wijzende : «hij wil anders niets meer leeren, en zit daar, nijdig op alle schepselen maar dit toch heeft hij geleerd.»

De raaf bij de kachel boog zijn kop voorover en zag met scherpe blikken naar de beide gasten; hij bewoog den bek en scheen in zich zelf te spreken; nu eens knikte hij met den kop, dan schudde hij hem bedenkelijk.

«Daar beginnen de vogels reeds te spreken,» riep Von Vink, naar den raaf gaande, »de zoldering zal strakjes wel openstaan en ik hier alleen achter blijven en met Bergman en Hector u treurig nastaren. Nu, heksenmeester, kookt het water?»

De houtvester zag in den ketel. «Als een zee,» antwoordde hij, «maar wat nu gedaan ?»

«Wij roepen de hulp in van de freule,» zei Von Vink. «Ik was voornemens,» sprak hij, zich tot Leonore wendend, «met dezen men-schenhater door het bosch naar de branderij te trekken en van daar verder op. Hier heb ik meegebracht wat mij op reis altijd tot ontbijt en middageten dient.» Mij toonde eenige koekjes chocolade.. «Wij willen hieruit iets brouwen, dat op een drank gelijkt. Als ^ij het niet beneden u vindt ons bij ons werk gezelschap te houden, stel ik voor te beproeven deze chocolade zoo goed mogelijk met het water te vermengen. Het zou allerliefst van u wezen, als gij woudt zeggen hoe gij van oordeel zijt dat wij het aanvangen zullen,»

«Hebt gij een stamper of strijkijzer ?» vroeg Leonore den houtvester lachende.

«Dat tuig houd ik er niet op na,» antwoordde de boschmensch.

«Maar een hamer,» vroeg Von Vink, «en een schoon vel papier?» De hamer was dicht bij de hand, en het vel papier werd na lang schommelen gevonden. Von Kink nam den last op zich de chocolade stuk te slaan, de houtvester haalde versch water uit do bron, Leonore spoelde eenige glazen om en Von Kink sloeg er dapper op toe. «Dit is ante diluviaansch papier,» zei hij kloppende, «perkamentachtig, uit den tijd toen er nog geen papiermolens waren; het moet mintens eenige eeuwen in deze toovenaarskluis hebben gelegen.» Leonore wierp de bijeenvergadei'de stukken in den ketel met water en roerde ze met een potlepel om. Daarna gingen allo drie aan tafel zitten en dronken met grooten smaak uit de glazen de vrucht van hun handenarbeid.

Met gouden glans drongen de zonnestralen in de kamer. Zij zochten de liefelijke gestalte van het schoone meisje en het krachtige gelaat van den man tegenover haar; dan vielen zij op den wand, waar zij den kop des reizigers beschenen en de vleugels van den sperwer. De raaf eindigde zijn alleenspraak, hij fladderde van zijn stok af, ging voor de voeten van Leonore staan en kraste daar opnieuw: «Leonore; Leonore!»

Aangenaam onderhield Leonore zich met den gast, en de houtvester.

ocr page 440

■102

sprak er nu en dan een verstandig woordje tusschen in. Het gesprek liep over de landstreek en de menschen.

«Overal waar ik in vreemde landen Polen heb ontmoet,» zei Von Fink, «heb ik liet goed met hun kunnen vinden. Nu spijt het mij dat de spanning het hier zoo lastig maakt ze in hun eigen land te gaan opzoeken, want eigenlijk leert men de menschen eerst dan goed kennen, wanneer men ze onder hun eigen dak ziet.»

«liet moet een groot geluk zijn zooveel van de wereld te zien,» riep Leonore.

«Alleen in het begin, freule, wordt de ziel sterk getroOen door het vreemde, het wonderlijke. Wanneer men verschillende volken heeft «adegeslageu, komt men tot de conclusie dat de menschen overal veel op elkaar gelijken. Keu beetje verschil in de huid, de kleur en andere kleinigheden; maar liefde en haat, lachen en weenen ontmoet de reiziger alom, en die dingen zien er overal net eender uit. liet is nu twintig weken geleden, toen was ik een halve wereld ver van hier in de houthut van een Amerikaan, op een eenzame prairie. Met was niets anders dan hier. Wij zaten aan een dikke houten tafel als deze, en mijn gastheer geleek op dezen ouden vriend, als twee drop-pels 'water. En ook juist als hier viel het licht der winterzon door de kleine ruiten. — En als de mannen over 't algemeen meer hebben wat ze onderscheidt, de vrouwen toch zijn in de hoofdzaak overal dezelfde. Slechts in één kleinigheid verschillen zij.

«En welke is die?» vroeg de houtvester.

«Iets meer of minder zindelijkheid,» zei Von 1* ink onverschillig, «dat is het geheele verschil.»

Leonore stond gebelgd op, meer over den toon nog dan over de woorden. «Uet wordt tijd dat ik weg ga,» zei zij koud en zette den stroohoed op,

«Nu gij opstaat, verdwijnt de zonneglans uit de kamer,» nep Von Fink.

«'t Is slechts een kleine wolk voor de zon,» zei de houtvester, naar het venster gaande, «die geeft de schaduw.»

«Onzin,» hernam Von Fink, «de stroohoed geeft ze, die het haar van de freule verbergt; van die goude lokken straalde het licht.»

Zij verliet de woning, de houtvester sloot de deur, in tegenovergestelde richting gingen zij uiteen.

Leonore ijlde naar huis, het sijsje zong de meerle floot, zij lette er niet op. Zij was boos op zichzelve dat zij bij den houtvester was bm-nen^egaan en toch kon zij niet nalaten er voortdurend aan te denken. De vreemdeling maakte haar ongerust en gejaagd. Was hij overmoedig, omdat hem niets heilig was? Of stak het alleen in het bewustzijn zijner zekerheid ? Moest zij vertoornd op hem wezen, of was dat gevoel van angst slechts de dwaasheid van een onbedreven meisje? Dit vroeg zij zichzelf telkens af; en, ach, zij vond geen antwoord.

Toen Anton tegen den avond den herder een bevel wilde zenden, waren nog Karei, noch een bode te vinden; en daar de kudde op een grooten afstand van het kasteel graasde, wandelde Anton zelfs langs het pad, dat naar de branderij voerde, om den herder op te zoeken. Hij was niet weinig verbaasd toen hij op een der laatste velden zijn vriend Von Fink te

ocr page 441

103

paard ontdekte, en Karei en den pachter druk aan het werk bij hem. Von Fink reed als een kunstrijder korte einden in galop; de anderen droegen zwart en wit beschilderde palen, die zij in den grond staken en er weer uittrokken; en daarbij zag Karei door een kleinen verrekijker, dien iiij boven zijn paal had vastgemaakt. «Vijfentwintiggalopsprongen,» riep Von Fink.

«Twee duim daling,» riep Karei terug.

«Vijfentwintig, twee, opgeteekend,» zei de pachter, en schreef de getallen in zijn portefeuille op.

«Wat komt gij hier doen?» riep Von Fink zijn vriend lachend toe. «Wacht nog een oogenblik, we zijn dadelijk klaar.» Nog eenige galopsprongen, nog eens meten door den verrekijker en opteekenen; toen pakten de mannen hun palen op. Von Fink greep haastig de brieventas van den pachter en ging aan het rekenen. Eindelijk gaf hij de tas met een glimlachje terug en zei: «Kom verder mee, Anton, nu wil ik je iets laten zien. Ga met je gezicht naar liet noorden staan en zie naar de beek en liet kasteel. Dan vormt de beek, iiulien ge ze als een rechte lijn beschouwt, een koorde, die van het westen naar het oosten loopt; de rand van het woud achter u een cirkelboog, liosch en beek omsluiten een cirkel afdeeling.»

«üat is duidelijk,» zei Anton.

«In ouden tijd liep de beek anders,» vervolgde Von Fink; «hier langs het bosch in de kromming van den boog; de oude bedding is nog zichtbaar. Wanneer men van den ouden boschrand in de oude water-goot voortloopt, komt men ginds in het westen aan het punt, waar de oude bedding zich van de tegenwoordige verwijdert. Het is liet punt, waar een slechte brug over de beek leidt en liet water in zijn tegenwoordige bedding een val heeft van meer dan een voet; sterk genoeg om dezen molen in beweging te brengen. De vervallen gebouwen eener boerderij staan er naast.

«O, ik ken het punt heel goed, zei Anton.

«Beneden het dorp kronkelt de oude bedding van het bosch af, weer naar de beek heen. Zij omvat een groote uitgestrektheid, meer dan vijfhonderd morgen, als ik op de sprongen van dit ros kan rekenen. Dit geheele terrein heeft een daling van de oude bedding naar de nieuwe. Fr liggen slechts eenige morgen weidegrond in en schraal bouwland; het meeste i*; zand en knotwilgen, naar ik hoor; het slechtste gedeelte van het landgoed.»

«Alles akkoord,» zei Anton nieuwsgierig.

«En nu opgelet. Als men de beek weer in haar oude bedding terug leidt en haar dwingt in een boog te loopen, in plaats van als een koorde, kan men met het water, dat thans tot uw schande geheel nutteloos hier stroomt, de gansche vlakte van vijfhonderd morgen besproeien en het dorre zand in heerlijken weidegrond herscheppen.»

«Je bent een slimme kerel,» riep Anton, verrast door de ondekking.

«Wat kost u hier de morgen door mekaar?» vroeg Von Fink,

«Dertig daalders.»

«En even zooveel op zijn hoogst genomen, bedragen bij dezen grond de kosten van het aanleggen; maakt te zamen zestig daalders, dus drie daalders jaarlijksche renten; voeg daarbij voor onderhoud, belasting enz., per morgen jaarlijks twee daalders dan krijg je vijf daalders kosten. Reken je daartegen van den morgen tweeduizend ponden

ocr page 442

icn

hooi, tegen een Imlven daalder, dan steek je van lederen morgen vijf daaldersquot;netto winst op; dus van de vijfhonderd morgen tweeduizend vijfhonderd jaarlijks. Om deze winst te verkrijgen is hoogstens een kapitaal noodig van vijftienduizend daalders. Dat was het, Anton, wat ik je vertellen wilde.»

Anton stond verbaasd. liet was niet te loochenen dat de getallen, welke Von Fink genoemd had, niet geheel uit de lucht waren gegrepen; zoomin de uitgaven als de opbrengsten. En het vooruitzicht dat zich daardoor voor het landgoed opdeed, hield hem zoo bezig, dat hij langen tijd in een diep stilzwijgen naast Von Fink voortwandelde. «Je laat me in de woestijn water en frissche weiden zien,» sprak hij ter. laatste, «dat is wreed van je; want niet de baron zal die verbetering kunnen tot stand brengen; een vreemde zal het zijn. Vijftienduizend daalders!»

«Wellicht zouden ook tien voldoende zijn,» zei Von rink spottend. «Ik heb je dat verleidelijke beeld alleen voor oogen gehouden, om je te straffen voor je koppigheid van gisteren avond. Laat ons nu over

iets anders praten.»

Dienzelfden avond riep de baron met een gewichtig gelaat zijn vrouw en dochter. «Gaat mee naar mijn slaapkamer, ik heb u iets in 't geheim te vertellen.» Daar schoof hij zijn armstoel naderbij en zei, terwijl hij zich inwendig tevredener en gelukkiger gevoelde dan in langen tijd het geval was geweest: «Het was gemakkelijk te begrijpen dat dit bezoek van Von Fink niet louter toevallig was, en niet alleen veroorzaakt door de vriendschap voor mijnheer Wohlfart, gelijk de jongelui het wilden laten voorkomen. Gij zijt beiden slimmer dan ik; maar nu heb ik toch gelijk gehad, het bezoek heeft een reden; die ons meer van nabij aangaat dan onzen rentmeester.» De barones wierp een ontstelden blik op haar dochter. Leonores oogen echter waren met zooveel aandacht op baars vaders gelaat gevestigd, dat de moeder er door gerustgesteld werd.

«En wat meent gij wel dat dien heer uit den vreemde hierheen voert ?» vervolgde de baron. De dames zwegen. Eindelijk zei Leonore: «Beste vader mijnheer Von Fink is sints lang zeer bevriend geweest met Wohlfart; zij hebben elkaar in verscheiden jaren niet gezien. Ik vind het heel natuurlijk, dat Von Fink van een oppervlakkige kennis met u partij trekt, om eenige weken bij zijn vriend te komen doorbrengen. Waarom zouden we naar een anderen grond voor zijn tegenwoordigheid hier zoeken?»

«Gij spreekt zooals de onbedreven jeugd die zaken beschouwt. De men-schen worden minder door die hoogverheven gevoelens, op meer door eigen belang gedreven, dan uw jonge wijsheid wil gelooven.»

«Eigenbelang?» vroeg de barones.

«Vindt ge dat zoo verwonderlijk?» zei de baron ironisch; «beiden zijn kooplui; Von Fink heeft ook zooveel van de bekoorlijkheden des handels leeren kennen, dat hij niet kan nalaten een goede zaak te doen wanneer zich de gelegenheid aanbiedt. Ik zal u vertellen hoe hij hier is gekomen. Onze vertrellelijke, eerlijke Wohlfart heeft hem geschreven; «Hier is een landgoed en dit goed heeft een heer, die tegenwoordig niet in staat is alles zelf na te gaan. Er valt hier wat te vei-dienen; gij hebt geld, kom over. Ik ben u vriend, voor mij zal er wel wat op overschieten.»

ocr page 443

105

De barones bleef onafgewend op haar gemaal staren, maar Leonore sprong op en riep; «Vader, ik kan niet hooren, dat ge zoo over een man spreekt, die ons nooit iets anders dan de grootste belangeloosheid heeft laten blijken. Zijn vriendschap voor ons gaat zoo vei', dat hij zich de ontberingen van dit eenzame verblijf, en liet pijnlijke dat zijn betrekking voor vele anderen ondragelijk zou maken, met een onbeschrijfelijke lankmoedigheid getroost.»

«Zijn vriendschap?» vroeg de baron. «Op zoo'n groote eer hebben we nooit aanspraak gemaakt.»

«Wij hebbep het wel gedaan,» riep Leonore met gloeiende wangen.

«In een tijd toen moeder niemand vond die ons wilde helpen, was het Anton Wohlfart die ons trouw bleef. Hij alleen heeft van den dag af, dat mijn broeder hem bij ons bracht, tot op dezen oogenblik voor ons gezorgd en uw plaats bekleed.»

«Nu,» merkte de baron op, «ik zeg immers niets tegen zijn ijver? ik geel gaarne toe dat hij goed boek houdt en voor een gering loon zeer vlijtig is. Zoo gij do menschen en hun leven beter kendet, zoudt ge mijn woorden zoo hoog niet opnemen. Per slot van rekening steekt er niets kwaads in 't geen hij gedaan heeft,» voegde hij er eenigs-zins mistroostig bij. «Mij ontbreekt tegenwoordig gereed geld, en ook van een anderen kant zit ik, gelijk ge weet, in de klem. Wat kan ik er dus tegen hebben, wanneer anderen mij een voorstel doen, dat hun voordeel aanbrengt en mij geen schade?»

«In Godsnaam, vader, wat is dat voor een aanbod? liet is niet waar dat Wohlfart ei eenig ander belang bij kan hebben, dan uw eigen welzijn.»

De moeder gaf Leonore een wenk dat zij zwijgen zon. «Wil Fink het landgoed koopen ?» zei ze, «dan zal ik dat besluit zegenen als het grootste geluk dat je thans juist ten deel kan vallen, beste Oscar.»

«Van koopen was tot nog toe geen spraak,» antwoordde de baron; «ik zou ook, zelfs onder de tegenwoordige omstandigheden, niet zoo gauw er toe overgaan om het landgoed weg te doen. Hij wil pachter worden voor een gedeelte.»

Leonore viel zonder een woord te spreken in een stoel.

«Hij wil vijfhonderd morgen van den zandgrond huren om ze in weiden te veranderen. Ik wil niet ontkennen dat hij oprecht en als een man van eer met mij heeft gesproken. Hij heeft mij met getallen aangetoond, hoe groot zijn voordeel zou wezen; hij heeft zich bereid verklaard den huurprijs voor de eerste jaren terstond te betalen; ja hij heeft zelfs aangeboden het pachtkontrakt na verloop van vijfjaren te verbreken en mij de weilanden af te staan, wanneer ik hem de onkosten van den aanleg terugbetaal.»

«Goede hemel!» riep Leonore, «gij hebt zijn edelmoedig voorstel toch van de hand gewezen ?»

«Ik heb tijd verlangd voor beraad,» hernam de baron zelftevreden.

«Het aanbod is, gelijk ik zei, ook voor mij juist niet nadeeling, maar het zou toch onvoorzichtig kunnen zijn een vreemdeling vijf jaren lang zulke belangrijke winsten te doen genieten, daar er gegronde hoop bestaat dat ik zelf in een jaar over de noodige sommen zal kunnen beschikken, om dien aanleg voor eigen rekening te doen.»

«Gij zoudt het nooit zelf kunnen doen, beste, arme man,» riep de

ocr page 444

IOC

barones luid snikkende ; zij sloog haar armen om den hals van haar echtvriend en hield haar hand op zijn oogen. De baron zakte ver-pletterd ineen en lei als een kind zijn hoofd tegen haar borst.

«ik moet weten of Wohlfart van dit plan gehoord heeft en wat hij er van zegt,» riep Leonore vastbesloten. «Als ge het goedvindt, vader, zend ik iemand naar hem toe en laat hem hier komen.» Daar de baron geen antwoord gaf, belde zij den knecht en verliet de kamer om dezen bij de deur af te wachten.

Intusschen zat Fink in Antons kamer, druk bezig om zijn vriend te plagen. «Sints ge geen sigaren meer rookt, is je goede genius van je geweken, nadat hij zich eerst al zijn haren heeft uitgetrokken om Je ongevoeligheid. Nu zit hij in den hemel onder de psalmzingende engelen, kenbaar aan een pruik, en onze lieve lieer moet van tijd tot tijd door zijn kamerheer laten vragen: «Wie is toch die ongelukkige genius met zijn pruik?» Dan antwoordt Raphael: «Die sinjeur was weleer aan dat monster Anton Wohlfart meegegeven.» En wederom vraagt de Heer; «Waarom heeft hij hem verlaten?» waarop Raphael antwoorden moet; «Omdat de rampzalige de tabak heeft afgezworen.» En toornig zal de Heer spreken: «Weg met hem naar de hel. Zijn ziel moet in een dekblad gewikkeld en daar alle dagen zijns levens door kleine spuwduivels gerookt worden.»

«Ben je in Amerika lid geworden van een vrome gemeente, dat je zoo thuis bent in den hemel?» vroeg Anton, van zijn boeken opziende.

«Houd je mond! riep Fink, «vroeger had je nog enkele uren om pleizier te maken ; nu ben je eeuwig aan het boekhouden, en bij Tantalus. 't helpt je toch niets!»

De knecht kwam binnen en verzocht Anton bij den baron te komen. Toen Anion aan de deur was riep Fink hem toe : «apropos, ik heb den baron voorgesteld de vijfhonderd morgen van hem te huren. Twee en een halven daalder huur voor den morgen; na vijf jaar teruggaaf van de weidegronden tegen vergoeding der aan-legkosten, betalen in klinkende munt of hypotheek. Nu kunt ge gaan, mijn Jongen.»

Toen Anton de kamer des barons binnentrad, zat de barones naast haar echtgenoot, met zijn hand in de hare, terwijl Leonore gejaagd heen en weer liep. «Hebt gij iets geweten van het voorstel dat de heer Von Fink aan mijn vader heeft gedaan?» vroeg zij.

«Juist op het oogenblik heeft hij er mij over gesproken,» antwoordde Anton. De baron vertrok den mond tot een spottend lachje.

«En wat is uw gevoelen? mag mijn vader het aanbod aannemen?»

Anton zweeg. «Voor het goed is het voordeelig,» zei hij ten laatste na een inwendigen kamp. «üe ontginning zou zeker een van de beste hulpbronnen worden voor deze bezitting.»

«Dat vraag ik niet,» viel Leonore hem ongeduldig in de rede, «maar of gij als vriend ons aanraadt het voorstel aan te nemen.»

«Neen,» zei Anton.

«Ik wist dat gij zoo spreken zoudt,» riep Leonore en ging achter den stoel van haar vader staan.

«Gij zegt neen, en mag ik ook weten waarom?» vroeg de baron.

c L)e tegenwoordige omstandigheden, die voor niets eenigen waarborg

ocr page 445

107

leveren, schijnen mij zeer ongeschikt voor een zoo groote onderneming. Bovendien geloof ik dat Fink bij zijn aanbod door zekere gedachten gedreven wordt, die hem eer aandoen, maar welke voor u, mijnheer de baron het aannemen van zijn voorstel zeer moeielijk moeten maken.»

«Gij zult rnij wel willen toestaan zelf te beoordeelen wat ik mag aannemen en wat niet,» hernam de baron geraakt. «De onderneming kan als zaak voor beiden voordeelig zijn.»

«Dat kan ik niet ontkennen,» zei Anton.

«En hoe men den tegenwoordigen politieken toestand beschouwt, is een zaak van individueele opvatting. Wie zich daardoor in zijn plannen niet laat storen, verdient zeker meer geprezen te worden, dan hij die ten gevolge eener onbepaalde vrees, verzuimt te doen wat nuttig is,»

«Ook dit stem ik toe.»

«Zou die onderneming ten gevolge kunnen hebben dat mijnheer Von Fink voor goed zich In onze streek kwam vestigen ?» vroeg de baronnes.

«Dat zou ik niet denken, mevrouw. De werken zelve zal hij hoogstwaarschijnlijk aan een deskundige opdragen; zijn levendige, rustelooze geest zal hem wel weer spoedig de wijde wereld indrijven. Wat hem er toe bewogen heeft dit voorstel aan den baron te doen, kan ik tot heden slechts vermoeden. Ik geloof dat de achting, die hij voor uw familie gevoelt, en het verlangen om in deze dagen met eenig recht in uw nabijheid, wellicht ook in de mijne, te blijven, er een belangrijke i'ol in speelt. Juist dat wat anderen, deze streek doet vermijden, heeft voor zijn moedig hart iets uitlokkends.»

«En zou het u niet recht aangenaam zijn uw vriend hier te houden?» vroeg de barones.

«Tot heden heb ik het nog niet gewenscht,» antwoordde Anton. «In vroeger tijd was het somtijds mijn taak hem van overijlde besluiten terug te houden, waarbij hij om een gril veel op het spel zette.»

«Gij houdt het dus voor overijld,» zei de baron, «dat uw vriend mij zoo iets heeft voorgesteld ?»

«Zijn aanbod is gewaagd voor hom zeiven,» antwoordde Anton met nadruk, «maar er is ook iets in, mijnheer de baron, dat mij voor u persoonlijk niet bevalt, ofschoon het mij moeielijk zou wezen met ronde woorden te zeggen wat.»

«Wij zeggen u dank,a zei de baron, «en willen u niet verder lastig vallen; de zaak heeft bovendien geen haast.» Anton boog en verliet de kamer.

Lenonore stond zwijgend voor het venster en staarde hem langen tijd na. «Moeielijk zou het mij wezen met ronde woorden te zeggen wat,» zoo herhaalde zij Antons laatste woorden en een tal van angstige beelden en voorgevoelens vervulden haar hart. Zij was verdrietig over de zwakte haars vaders, gebelgd over Kink, die het waagde hun zijn weldaden aan te bieden. Of haar vader aannam of van de hand wees, hun aller verhouding tot den gast was van nu af veranderd. Zij hadden een verplichting aan hem, hij was hun geen vreemdeling meer, hijzelf had zich als vertrouwde in hun stille zorgen ingedrongen. Zij dacht aan de plooien van zijn mond, aan zijn gefronste wenkbrauwen ; zij hoorde al hoe hij lachte over haar vader en haar. Vrijpostig was hij in hun huis gekomen en reeds na korte dagen greep hij onverschillig en

ocr page 446

•108

als uit gekheid naar de teugels om hun lot naar zijn goedvinden te bestieren. Aan zijn overmoed, aan zijn grillen zouden wellicht haar ouders hun redding nog te danken hebben. Heden had zij nog met hem, den beschaafden man van de groote wereld kunnen schertsen; hij was een gast met wien men op gelijken voet staat. Maar hoe zou zij voortaan hem beschouwen? Van dit oogenblik af was hij een groot heer voor haar, en haar vader inderdaad zijn ondergeschikte. Haar aangeboren fierheid verzette zich krachtig tegen dat karakter, welks macht zij op dit oogenblik zoo levendig gevoelde. Zij nam zich voor hem koel te bejegenen; zij peinsde over de woorden, die hij haar zou kunnen toespreken, over de antwoorden die zij hem geven zou, en voortdurend zweefde haar geest om het beeld van den krachtigen vreemdeling, even als eens opgejaagde vogel om den vijand van zijn nest.

«En wat zult gij doen, Oscar?» vroeg de barones.

«Vader kan het niet aannemen», riep Leonore heftig.

«En wat is uw gevoelen?» zei de baron, tot zijn vrouw zich richtende.

«Doe een keus, die u zoo spoedig mogelijk van dit goed losmaakt, die alle zorgen van u neemt: die droefgeestigheid, dien angst, die u ieder oogenblik in 't geheim kwellen. Laat ons ver van hier gaan, waar de hartstochten minder afzichtelijk zijn, ver weg uit dit land. In de bekrompenste omstandigheden zal ik mij vrij en gelukkiger gevoelen dan hier.»

«Gij raadt mij dus zijn aanbod aan te nemen,» zei de baron. «Wie eerst een deel heeft gehuurd, koopt later licht wellicht het geheel.»

«En betaalt ons een lijfrente,» riep Leonore.

«Gij zijt een onverstandig kind,» zei de vader, «ge windt u onnoodig op, dat quot; baat niets. Het aanbod is te belangrijk om het zoo maar ondoordacht af te slaan of overhaast aan te nemen. Ik wil er nog nader over denken. Uw vriend Wohlfart zal de gelegenheid hebben om de voorwaarden te overwegen», voegde hij er in betere stemming bij.

«Luister, bid ik u, vader, naar hetgeen Wohlfart u zegt en eerbiedig wat hij verzwijgt.»

«Ja, ja, ik zal hem raadplegen,» eindigde de baron. «En nu, goeden nacht, ik zal er eens op slapen.»

(dlij zal het aannemen,» zei Leonore in het vertrek der barones, «hij zal het aannemen, omdat Wohlfart het afgeraden heeft en omdat de andere hem geld geeft. «Moeder, moeder, waarom hebt ge hem niet gezegd, dat wij vrouwen dezen vreemdeling niet meer onder de oogen durven zien, zoodra hij ons in ons eigen huis aalmoezen schenkt?»

«Ik heb geen trots, ik heb geen hoop meer,» lispte de moeder.

Toen Anton langzaam naar zijn kamer terugkeerde, riep Fink hem vroolijk tegen: «Hoe slaan de zaken, mijnheer de rentmeester? mag ik pachter worden, of zal de baron de ontginning zelf ondernemen? Hij had er grooten lust in. In dat geval verg ik een vergoeding voor mijn ontdekking. Vrij verblijf voor mij en mijn paard, zoolang zij hier soldaatje spelen.

«Hij zal uw voorslag wel aannemen,» antwoordde Anton, «ofschoon ik het hem heb afgeraden.»

«Jij?» vroeg Fink, «ja, dat lijkt net naar je! Als een muis op het punt is van te verdrinken en aan een houtblok zich vastklemt, zult gij ze een

ocr page 447

-10!)

lange preek gaan houden over liet hoog gewicht van zedelijke verplichtingen, ett ze weer in het water stooten.»

«Ja, je bent net zoo onschuldig als een houtblok,» zei Anton, tegen zijn zin lachende.

«Hoor,» sprak Fink, «ik ben niet overdreven gevoelig, maar in dit geval zou ik het toch niet vriendschappelijk vinden, als je me een strafpredikatie tot mijn stichting woudt houden. Is het je dan zoo onaangenaam dat ik je help een ellendigen tijd door te leven?»

«ik ken je al genoeg, deugniet,» zei Anton, «om te weten hoeveel je vriendschap voor mij in dit aanbod tef zeggen heeft.

«Wezenlijk,» spotte Fink, «en hoeveel dan? 't Is een treurige tijd, waarin we leven; men mag zoo deugdzaam en braaf handelen als voor een sterveling slechts mogelijk is, men wordt toch zoo lang ontleed, totdat de deugd onder het mes der boosheid in zelfzucht is veranderd.»

Anton klopte hem op do schouders: «Ik ontleed niet,» zei hij. «Gij hebt mij een edelmoedig voorstel gedaan en ik ben niet boos op u, maar op mijzelven. In de eerste blijdschap over je komst heb ik je over de omstandigheden des barons en het stille verdriet der dames meer gesproken dan ik doen mocht. Ik zelf heb je ingewijd in de geheimen dezer familie, en je hebt op je gewone handige manier van die wetenschap partij getrokken. Zoo heb ik zelf je in deze familie verward en je kapitalen in dit oproerig land in gevaar gebracht. Uat het zoo eensklaps gebeurd is druist tegen mijn gevoel aan, en dat mijn onvoorzichtigheid er een aanleiding toe is geweest, maakt mij verdrietig.»

«Natuurlijk,» lachte Fink, «voor u is het grootste genoegen als je de zorgen voor je omgeving alleen draag.»

«Tweemaal nu is het mij overkomen,» vervolgde Anton, «dat ik, met wiens overvoorzichtigheid je zoo dikwerf den spot drijft, ongeroepen over den toestand dezer familie met vreemden heb gesproken. Den eersten keer vroeg ik om hulp voor de Kothsattels, zij werd mij geweigerd; en zulks heeft meer dan iets anders mij van het kantoor naar dit huis gedreven. Thans brengt mijn tweede onbescheidenheid den niet meer verlangden bijstand in het huis. Wat zal er de vrucht van wezen ?»

«Dat zij je weer uit dit huis en naar het kantoor terugdrijft,» zei Fink. «Heeft men ooit zoo'n spitsvondigen Hamlet in vetlaarzen gezien ? — Als ik er maar eens achter kon komen, of gij zoo'n logisclien afloop in stilte wenscht of vreest?» Hij nam een geldstuk uit den zak. «Kruis of munt, Anton? Blond of bruin? Willen we opgooien?»

«Je bent niet meer in Tenessee, oude zielverkooper,» antwoordde Anton.

«Het zou anders een eerlijk spel zijn,» zei Fink bedaard het geld weer opstekende. «Ik wou je de keus laten. Denk daaraan in het vervolg.»

111.

De baron nam aan. En inderdaad het was moeielijk Finks aanbod van de hand te wijzen; zelfs Anton moest toegeven dat een weigering bezwaarlijk kon volgen, nadat de zaak eenmaal ernstig besproken was.

ocr page 448

110

Evenwel kwam de baron niet tot zijn eindbesluit langs de rechte lijn, waarin anders liet gewone menschenverstand recht toe recht aan op zijn aardsche belangen loslaat. Zijn ziel maakte vele zijsprongen. Telkens rees de gedachte bij hein op dat hij een aanmerkelijke winst, getrokken nit zijn landgoed, eenige jaren achtereen aan een vreemdeling ging overlaten; en als hij zich eiiulelijk al zuchtende had bekend dat het onmogelijk was dit verlies te ontduiken, viel het hem weer, in hoe overhaast het van den vreemdeling was geweest hem reeds den derden dag na zijn aankomst zulk een voorstel te doen, en hoe Leo-nores voortdurende tegenstand toch wel een goeden grond kon hebben. Dan vond hij zichzelf armzalig, onzelfstandig en onder Antons voogdijschap, en vatte verbitterd het plan op de zaak te laten varen. Maar na zulke opwellingen keerde hij ten laatste telkens tot zijn welbegrepen eigenbelang terug, llij wist zeer goed welke steun de vooruitbetaalde huur voor het loopende jaar zou zijn; hij vermoedde dat de ontginning binnen weinige jaren (ie waarde van het landgoed bijna zou verdubbelen. Ja, hij gaf toe dat Kink zelf in deze onrustige dagen een zeer wenschelijke bondgenoot was. Tegenover de dames bewaarde hij een diep stilzwijgen. Leonores herhaalde pogingen om hem tot haar gevoelen te brengen, weerde hij met een onverstoorbare opgeruimdheid af; zijn gelieele manier van zijn was in deze tijden van beraad opgewekter.

Na eenige dagen riep hij zijn trouwen knecht en zei tot hem in het diepst geheim: «Let goed op, Johann, of mijnheer Wohlfart van daag uitgaat en of de heer Von Kink alleen op zijn kamer is; kom het mij dan zeggen en haal mij af.» Toen hij heel in stilte bij 1' ink was binnengeleid, zei hij hem op beleefden toon dat hij zijn voorstel aannam en aan hem de zorg overliet om met den notaris te Rosmin een kontrakt op te maken.

«Afgehandeld,» riep Kink, hem de hand schuddende; «maar hebt gij ook wel bedacht, mijnheer de baron, dat ik door uw goedgunstige toestemming in de noodzakelijkheid kan komen om nog voor weken, ja wellicht maanden, de gastvrijheid van uw huis voor mij op de proef te stellen. Want mijn tegenwoordigheid hier houd ik voor wenschelijk, althans totdat het werk begint.»

«Het zal mij een groot genoegen zijn,» antwoordde de baron oprecht, «als ge u in ons nog niet goed ingericht huis wilt blijven schikken. Ik zal de vrijheid nemen eenige vertrekken in dezen vleugel voor u op orde te laten brengen, en geheel te uwer beschikking te stellen. Hebt gij wellicht een knecht die u lang heeft gediend, laat hem dan gerust hier komen.»

«Een knecht, o neen,» hernam Kink, «als ge uw Johann wilt vergunnen mijn kamers in orde te houden, is dat meer dan voldoende. Maar ik heb iets beters, waarvan ik niet graag lang gescheiden zou willen zijn : een halfbloed, dat nog bij mijn vader op stal staat.»

«Zou het niet mogelijk zijn het paard hier te laten komen?»

«Als gij het hebben wilt,» zei Kink, «ben ik er u zeer dankbaar voor.»

Zoo praatten ze beiden in de beste verstandhouding over hun schikking en de baron verliet Kinks kamer met het gevoel, dat hij een slim-men zet had gedaan.

«De zaak is ih orde,» zei Kink tot Anton, toen hij binnenkwam.

ocr page 449

lid

«Jammei' nu niet, maar zoek je er in te schikken, het ongeluk is nu eenmaal gebeurd. In twee kamers van dezen vleugel zal ik mij gaun nestelen ; voor de meubels zorg ik zelf. Morgen rijd ik naar Rosmin en van daar verder op. Jk ben een geschikt man op het spoor, die de ontginning leiden zal; dien man en eenige arbeiders breng ik mee. Kun je mij onzen Karei ook voor een dag of acht afstaan ?»

«[Jij kan hier moeielijk gemist worden, maar als het zijn moet zal ik trachten hem te vervangen. Laat mij slechts een verzameling wijze lessen achter.»

Den volgenden morgen vertrok Fink, door den huzaar vergezeld, en de orde keerde op het kasteel terug. De kleine troep schutters hield geregeld zijn exercitiën; patrouilles deden de ronde, evenals vroeger ; kwade tijdingen werden met een zeker genoegen verteld en aangehoord. Eens kwam het bericht dat op den naastbijzijnden groeten weg een schaar mannen met zeisen in aantocht waseen andermaal drong een bende ruiters binnen de grenspalen, doch reed zonder het dorp aan te doen door het bosch voorbij. Ook militairen werden nu en dan voor een enkelen nacht ingekwartierd ; kleine afdeelingen, die het land verder introkken. De oflicieren waren aangename gasten op het kasteel, zij vertelden van den strijd der hartstochten aan gene zijde dei' bosschen, en stelden de dames gerust door de kloeke belofte dat aan den opstand spoedig een einde zou worden gemaakt. Alleen Anton ondervond den lust, die zelfs door die korte bezoeken op het goed werd gelegd.

Bijna veertien dagen waren er verloopen en Fink en Karei als verdwenen. Op zekeren zonnigen dag was Leonore druk bezig met haar kweekerij ; zij liet door een arbeider gaten uitgraven voor de wortels van kleine boomen. lieeds maakten een honderdtal pijnboomen en jonge berken een aardig boschje, die evenwel aan een patrijs meer schaduw aanbood dan aan een rnensch. Met haar stroohoed op en een kleine spade in de hand scheen Leonore aan Anton, die voorbij kwam loopen, zoo allerbekoorlijkst, dat hij niet laten kon te blijven staan en naar haar te zien.

«Ueb ik je daar eindelijk, trouwelooze ridder!» riep zij hem toe. «Sedert acht dagen hebt ge u in het minst niet om mijn boomen bekommerd, ik heb alles alleen moeten begieten. Hier is uw schop, kom en help ons een handje.»

Anton nam gehoorzaam den schop aan en begon dapper de graszoden uit te steken. «Ik heb in het bosch jonge jeneverbessen gezien; misschien kunt gij die wel gebruiken.»

«Ja, aan de kanten,» antwoordde Leonore meer dan ten halve verzoend.

«Jk heb het in de laatste dagen volhandiger gehad dan anders,» vervolgde Anton; «overal mis ik Karei.»

Leonore stak haar spade diep in den grond en boog voorover om de opgeworpen aarde glad te maken. «Ueeft uw vriend nog in 't geheel niet geschreven ?» vroeg zij onverschillig.

«Ik weet niet wat ik er van denken moet,» antwoordde Anton ; «de postdienst is niet gestremd, want andere brieven heb ik gekregen. Ik begin haast te vreezen dat onze reizigers een ongeluk is overkomen.»

ocr page 450

112

Leonore schudde met het hoofd. «Kunt gij u verbeelden dat mijnheer Von Fink een ongeluk zou overkomen ?» vroeg zij voortgravende.

«'t Is zeker moeielijk om het zich voor te stellen,» sprak Anton lachend, «hij ziet er niet uit alsof hij zich door een boos noodlot zou laten terneerslaan.»

«Dat zou ik ook denken,» hernam Leonore droog.

Anton zweeg een poosje, «'t Is opmerkelijk dat we nog met samen over de groote verandering hebben gesproken, die door Finks langer verblijf hier plaats heeft,» begon hij eindelijk niet zonder eeinge aarzeling, want hij gevoelde, hij wist zeil niet juist waarom, dat 0er tusschen Leonore ' en hem een zekere verlegenheid was ontstaan, een lichte schaduw op den groenen akker, van welke men zelf niet begrijpt hoe ze er komt. «Zijt ook gij niet tevreden dat hij zich hier vestigt ?» Leonore keerde zich om en trok aan de takken van een kleinen boom. «Zijt gij tevreden ?» vroeg zij op haar beurt.

«Ik voor mij kan mij best schikken in de tegenwoordigheid van mijn besten vriend,» zei Anton.

«Dan zal ik het ook doen,» antwoordde Leonore, hem aanziende. «Maar 't is toch wonderlijk dat Sturm ook niet heeft geschreven. Wie weet of ze wel in 't geheel weerom komen,» riep zij uit.

«Voor Karei durf ik instaan,» sprak Anton.

«En voor den anderen ? Die ziet er uit alsof hij wispelturig is als

het weer.» , . .... . ,

«Dat is toch niet zoo,» hernam Anton; «wanneer hij moeielijkneclen te overwinnen heeft, ontwaakt al zijn wilskracht; alleen wat hem geen moeite kost, verveelt hem spoedig,»

Leonore zweeg en spitte ijverig door.

Op eens hoorde men in de verte het geluid van vroolijke stemmen ; de arbeiders liepen van hun werk den grooten weg op. «Daar komt mijnheer Sturm,» riep een knecht de gravenden toe. — Len statige trein trok door het dorp naar het kasteel. Vooraan stapte een quot;half dozijn mannen in gelijke kleeding; zij droegen grijze jassen, breedgerande hoeden, die aan één kant opgeslagen en met een groene veer versierd waren, op den schouder een licht jachtgeweer, op zij een matrozenmes. Achter hen volgde een rij wagens, de eerste vol schoffels, spaden en bijlen ; aardwagens, die met kunst en smaak bij elkaar waren gezet; voorts andere wagens met meelzakken, kisten, kleederen en ingepakte meubelen. De trein werd gesloten door een tweede afdeeling mannen in grijze uniform en met dezelfde wapenen als de eerste. Dicht bij het slot sprong Karei met een vreemdeling uit het laatste rijtuig; Karei plaatste zich aan het hoofd van den stoet, liet de wagens het plein voor het kasteel oprijden, schaarde de mannen in twee rijen, en kommandeerde met vrij gunstigen uitslag: «Presenteert het geweer ?» Achteraar. kwam Fink te paard aangaloppeeren.

«Welkom!» riep Anton zijn vriend te gemoet.

«Gij brengt een heel leger met bagage,» zei Leonore lachend; «trekt gij altijd met zoo'n groot gevolg te velde?»

(dk breng een corps, dat van heden af in uw dienst zal staan,» apt-woordde Fink, van het paard springende. «Het schijnen ordentelijke kerels,» zei hij tot Anton ; «zij zullen de kern uitmaken van mijn arbeiders.

ocr page 451

H3

Maar liet heeft me moeite gekost ze bij mekaar te brengen. Handen zijn tegenwoordig schaars, en toch wordt er niets uitgevoerd. Wij hebben in Je vaderland getrommeld en gelokt, als werfofficieren. Alleen om te werken zouden zij niet mee zijn gegaan. De grijze jassen en de jagerhoeden hebben ze ingepakt. Er zijn enkele oude gedienden onder; je huzaar weet er ordo onder te houden, als een geboren generaal.»

De baron en zijn echtgenoot kwamen in het voorhuis, waarvan de deuren wijd openstonden. De arbeiders riepen op Kareis bevel driemaal een luid vivat! daarop trokken zij in gesloten gelederen rechts van het kasteel en legerden zich in de zon.

«Uier zijn uw mineurs, generaal,» zei Fink, nadat hij eerst den baron had begroet. «Daar gij zoo goed zijt geweest mij te vergunnen vooreerst nog uw huisgenoot te blijven, heb ik daardoor ook het recht verkregen voor de veiligheid van het kasteel te waken. Het ziet er angstig uit in deze provincie. In Rosmin zelf acht men zich geen dag zeker. Uw oprichten van eet; boerenwacht is ook den vijand niet ontgaan en heeft zijn aandacht op uw huis gevestigd.»

«Het is mij een groote eer,» zei de baron, «aan deze heeren te mishagen.»

«Ongetwijfeld,» knikte Fink beleefd. «Maar des te meer rust op hen, die u achten, de verplichting om voor de persoonlijke veiligheid van u en uw geëerde familie te zorgen. Zelfs nu nog zijt gij ter nau-wernood sterk genoeg om het kasteel tegen dolzinnige aanvallen van de dorpelingen te verdedigen. Het dozijn arbeiders dat ik meebreng, kan nu een wacht vormen voor uw woning; de menschen hebben wapenen en gedeeltelijk weten zij er mee om te gaan. Ik heb de arbeiders op bepalingen aangenomen, die zooveel overeenkomst met de militaire dienst hebben, dat zij voldoende zullen zijn om hen in orde te houden. Zij zullen dagelijks een uur minder werken en dien tijd gebruiken om zich verder te oefenen, do wacht waar te nemen, en voor zoover het u, mijnheer de baron, wenschelijk voorkomt, zullen zij zich voortdurend in aanraking stellen met den omtrek. Onderhoud en bekostiging komen natuurlijk voor mijn rekening ; ik heb voorloopig reeds voor de eerste weken gezorgd. Mijn verlangen is een woning voor hen op het veld te bouwen ; tot zoolang intusschen zal liet noodig wezen ze bij mekaar te houden en als het kan in de nabijheid van het kasteel. Daarom vraag ik u voor het begin om gastvrijheid ook voor deze menschen.»

«Al wat gij begeert, beste Fink,» riep de baron medegesleept door den ondernemenden geest van den jongen man ; «de ruimte, die ons overblijft, stel ik geheel te uwer beschikking.»

«Dan ben ik zoo vrij,» sprak Anton, «u voor te stellen in het slot een vertrek van de onderste verdieping als wachtkamer in te richten. Daar kunnen de wapenen on gereedschappen bewaard worden, en eiken nacht trekken eenigen daarheen op post. Zoo zullen zij er aan gewoon raken dit kasteel als het vereenigingspunt te beschouwen.»

«Uitmuntend,» zei Fink, «als de dames slechts niet al te boos zijn, om de onrust en den last, die hiervan de gevolgen zullen zijn.»

«De vrouw en de dochter van een oud militair zullen de maatregelen, welke voor haar eigen veiligheid genomen worden, met allen dank aannemen,» hernam de baron met waardigheid.

DEUKT KN CREDIT II. S

ocr page 452

IU

Aldus waren allen evenzeer gezind de nieuwe kolonie met hartelijkheid op te nemen. De wagens werden afgeladen. De ingenieur en de arbeiders vonden voorloopig een noodlogies op de boerderij.

Het eerste werk der arbeiders was linnen en stroo van de meubels af te nemen en ze naar de vertrekken van hun nieuwen heer te brengen. De dienstboden van het slot stonden er bij en zagen nieuwsgierig naar het eenvoudig huisraad. Eén stuk echter wekte zoo algemeene en luide bewondering, dat ook Leonore naderbij kwam. Het was eene kleine canapee, allervreemdst van vorm. Pooten en armen waren de klauwen van een groot roofdier, de kussens waren overtrokken roet liet vel van dezelfde kattensoort, geelachtig een bruine grond met regelmatig gezaaide zwarte vlekken. Voor de ruggeleuning en de zij-knssens waren drie monsterachtige kattenkoppen gedrukt; het onderstel was, in plaats van hout, kunstig gesneden ivoor.

«Hoe allerbeelderigst!» riep Leonore.

«Als het ding u niet mishaagt,» sprak Fink onverschillig, «stel ik u een mil voor. Op mijn kamer staat een kleine divan, waarop men zoo gemakkelijk rusten kan, dat ik hem gaarne zou houden, öeet gij aan deze menschen de vrijheid om dit monster in een ander vertrek van het slot te plaatsen en sla mij daarvoor den divan af.»

Leonore wist niet wat hierop te antwoorden ; zij boog en gaf zoo stizwijgend te kennen dat zij er in toestemde. En toch was zij ontevreden op zichzelve dat zij den ruil niet dadelijk van de hand wees, Toen zij op haar kamer kwam, vond zij de kattencanapee al geplaatst. Daarover ergerde zij zich nog meer; zij riep Suska en den knecht, om het meubel ergens anders te brengen ; maar beiden protesteerden ten sterkste en maakten een groot leven, terwijl zij beweerden dat het prachtige dier nergens beter kon staan dan in de kamer van de freule; totdat Leonore ten laatste, om geen opzien te baren, beiden wegzond, en zich gelaten in den ruil schikte. Zoo vlijde zich thans Leonores schoone gestalte neer op de tijgervellen, die Fink in verre bosschen buit had gemaakt.

Den volgenden dag begon liet nieuwe werk. De landmeter trok met zijn instrumenten het veld in ; de arbeiders werden aan het werk gezet, Karei spoorde daglooners op in de duitsche en poolsche streken, en ook in hei dorp waren eenigen bereid om mee te doen. Na verloop van weinige dagen had Fink een vijftigtal mannen op het gehuurde land aan den gang. Intusschen mag niet worden verzwegen, dat het lang niet zonder moeite was gegaan: de menschen waren onrustig en afgetrokken, de arbeiders uit de omliggende dorpen kwamen veel ongeregelder dan wenschelijk was ; maar de kern hield zich goed, en Finks inrichting bleef in stand, omdat hij zoowel als Karei de menschen in bedwang wist te houden, hij door zijn overwegende wilskracht, Karei door zijn onverstoorbaar goed humeur en de verstandige wijze waarop hij sommigen prees, anderen berispte. Om de militaire exercitiën te leiden, kwam de houtvester dag aan dag uit zijn bosch; het kasteel werd iederen naclit met posten bezet; voor de patrouilles naar de naburige dorpen stipt gezorgd. De krijgshaftige geest breidde zich van het slot uit over den geheelen duitschen omtrek.

Spoedig ontkiemde in de bende met breedgerande hoeden een zeker rsjD'il de corps, dat de handhaving der krijgstucht gemakkelijker maakte ;

ocr page 453

415

liet duurde niet lang of Fink werd overstroomd met verzoekschriften van andere menschen, dat liij ook iiim een uitrusting en een geweer, goeden kost en arbeidsloon geven, en hen in zijn dienst opnemen zou.

«.De wachtkamer is in orde,» zei Fink tot Anton, «laat nu nog alleen in de blinden van de benedenverdieping schietgaten snijden.»

Aldus werden op het slot de lasten van den tijd met nieuwen moed gedragen. De gast bracht in liet bestaan van ieder individu een nieuwen gang; zelfs de bouwerij merkte zijn tegenwoordigheid, en de houtvester was er trotsch op zulk een heer in het boscli te ontvangen en hemde behoorlijke eer te bewijzen. Fink was veel met Anton in hot veld, en deze evenals Karei, gewenden zich om hem in alles raad te vragen. Hij kocht twee stevige werkpaarden; naar hij zei, voor eigen gemak en voor de nieuwe weilanden ; maar hij liet ze fiks in de boerderij werken en lachte zijn vriend uit, omdat deze een bijzondere rekening voor die beide paarden aanlei en eerlijk het aantal hnnner werkdagen opteekende. Anton zelf was gelukkig den vriend bij zich te hebben. Iets van dien vroolijken ouden tijd was terruggekomen, van die avonden, waarin de beide jongelingen samen hadden zitten praten, zooals alleen jonge menschen doen kunnen, nu eens in kinderachtige uitgelatenheid, dan hoogst ernstig over de belangrijkste zaken. In veel opzichten was Fink veranderd: hij was bedaarder geworden, en zoo als Anton in koopmansstijl zei, solieder. Maar hij was wellicht nog meer dan vroeger geneigd om andere menschen voor zijn eigen belangen te gebruiken en ze te beschouwen als zijn speelgoed. Zijn levenslust was nog oven frisch. Als hij 's morgens bij de ontginning gestaan, met den houtvester het bosch doorkruist had, als hij na den eten, te paard, in weerwil van Antons ernstige vertoogen, uren ver het onveilige land was ingetreden om nieuws te hooren, of betrekkingen aan te knoopen, en hij op den terugtocht de wachtposten van het landgoed en de dorpen had opgenomen, was hij 's avonds nog aan de theetafel der barones een vroolijke gast, die noeit uitgepraat was en menigmaal door Antons wenken herinnerd moest worden, dat de kracht van de vrouw des huizes niet zoo onuitputtelijk was als de zijne. Den baron had hij binnenkort geheel voor zich ingenomen. Voor de zwartgalligheid, die den ongelukkigen ouden heer allengs een gewoonte was geworden, toonde hij niet de minste inschikkelijkheid. Geen scherpe aanmerking, geen harden uitval tegen Wohlfart of tegen de eigen dochter liet hij voorbijgaan, zonder den baron terstond zijn onrechtvaardigheid te doen gevoelen. Daardoor was het dat de baron in zijn tegenwoordigheid althans zich met kracht be-heerschte. Daarentegen deed hij hem ook menig genoegen, en wist dat steeds met zijn eigen belang overeen te brengen. Hij hielp hem op weg orn een partij whist te spelen, door hem den raad te geven kleine teekentjes aan de kaarten te maken, die hij met de vingers kon voelen ; hij plaatste Leonore aan de whisttafel en leerde haar den loop van het spel. Het kwam als van zelf dat Wohlfart in do partij werd opgenomen. Daardoor won hij den baron menig vervelend uurtje uit, en bewerkte dat zijn vriend van nu af bijna alle avonden binnen bij de familie doorbracht en nog niet naar bed was, als Fink lust voelde een nachtgesprek te houden, gezellig een glaasje grog te drinken en een cigaar te genieten.

ocr page 454

110

Alleen de dames op liet kasteel schenen niet zoo gelukkig door Flnks teaenwoordiaheid als alle overige bewoners. De barones werd ziek.

teaenwoormgneiu ais am. uvcng^ - j „„ „„„

't Was quot;een hevige ziekte en tocli kwam zij plotseling, s Middags no0 had zij opgeruimd en wel met Anton gesproken en eemge brieven van hem ontvangen, die de post voor den baron had gebracht, s Avoik s verscheen zij niet aan de theetafel; de baron zelf beschouwde haai ongesteldheid als van tijdelijken aard. Zij klaagde over mets, dan over zwakte; de dokter die uit Rosmin zich naar het kasteel waagde, wist niet wat van de zaak te denken. Glimlachend wees zij alle medicijnen van de hand, en zei zelve zeker te gelooven dat dit gevoel van matheid en afaewondenheid wel over zou gaan. Om Leonore en haar echtgenoot „iet aan de ziekenkamer te kluisteren, gaf zij meermalen den wenscli te kennen om bij de familieavonden tegenwoordig te zijn; maar zij liaa dan geen kracht om op de cauapee te blijven zitten en lei haar hoold

op het kussen neer. . , . ,

Zoo hield zij in stilte de anderen gezelschap; haar oog vestigde zich menigmaal op baar echtgenoot en rustte onuerzoekend op Leonore, totdat beiden aan de speeltafel zaten; dan viel zij in haar kussen tel ug en scheen als van den arbeid uit te rusten. lt; gt; i •• • i lt;

Anton gevoelde een innige belangstelling voor de zieke. Als hij in liet spel een oogenblik rust had, bleef hij nooit ,n gobreke zachtjes naar de canapee te stappen en te vragen of zij iets noodig had. liet was hem een genoegen als hij haar een glas water aangeven, of een ander boodschapje voor haar doen kon. Altijd zag hij met bewondering op het fijne gelaat, dat thans nog, ofschoon bleek en ingevallen, de schoone trekken van vroeger toonde. Er was een soort van stille verstandhouding tusschen de zieke en hem. Zij sprak met hem nog minder - an'v.et lt; e anderen. Want als zij in de nabijheid van haar echtgenoot dikwijls op vroolijken toon liet woord opvatte en de verhalen van haar gast met oogen en hoofd volgde, voor Anton deed zij zich geen geweld aan om haar zwakheid te verbergen. Zij zakte dan ineen of staarde half bewusteloos in de kamer rond; maar als zij hem aanzag was het met het kalme vertrouwen, dat men een ouden huisgenoot schenkt, vooi wien men geen geheimen meer heeft te bewaren. Wellicht was ie , omdat de barones de voortreffelijkheid van zijn hart juist wist te waar-deeren; wellicht ook wijl zij hem sints den dag dat hij haar zijn diensten had aangeboden, tot op dezen oogenblik, als een trouwen dienaai der familie had beschouwd. Maar al waren deze vermoedens bij onzen held tot zekerheid gekomen, het zou zijn ridderlijke trouw aan de barones niet aan het wankelen hebben kunnen krijgen Zooals zij was scheen zij hem afgerond en in haar soort volkomen, als een beeld, dat het hart weldadig aandoet van een ieder die het J ''XJ

gedachte niet van zich afzetten, dat een oorzaak van buiten, we'll een van de brieven die hij haar den dag van haar ziek wo den had overhandigd, de verandering in haar gezondheid had bewerkt; want hij herinnerde zich dat op een dier brieven het adres met een bevende hand stond geschreven; de brief zelf had er oiiheilspe end u t-o-ezien, en Anton had een flauw voorgevoel gehad dat er een slechte tijding in moest staan. Op zekeren avond dat de anderen aan de speeltafel zaten, was het hoofd der zieke van het zijden kussen afgegleden. Toen Anton het kussen rechtgezet en de kranke haar hoofd me moeite er op gelegd had, zag zij hem dankbaar aan en fluisterde hem in

ocr page 455

117

liet oor hoe zwak zij was. «Ik wenschte gaarne nog eens met u te spreken,» vervolgde zij na een korte pauze : «nu niet maar de tijd zal komen,» en daarbij zag zij met een zoo diepe uitdrukking van smart en liefde naar de hoogte, dat Antons hart met droefheid en vrees werd vervuld.

De baron noch Leonore gevoelden zoo groote zorg. «Mama heeft reeds meermalen aan zulk een zwakheid geleden,» zei Leonore; «telkens was de zomerlucht haar beste medicijn: ik hoop alles van den tijd, als het warmer wordt.» Leonore was zelve niet vrij genoeg om met scherpe blikken gade te slaan wat rondom haar gebeurde ; ook zij was veranderd. Menigen avond zat zij sprakeloos aan de theetafel en sprong als uit een droom op, wanneer het woord op haar werd gericht; op andere tijden was zij uitgelaten vroolijk. Zij vermeed Fink, maar zij ontliep ook Anton; tegenover beiden was zij gegeneerd. Haar bloeiende gezondheid scheen geschokt; haar moeder zelve dreef haar uit de ziekenkamer de vrije lucht in : dan liet Leonore haar paard zadelen en reed alleen door het bosch, waar zij uren lang ronddraafde, en het soms niet eens bemerkte, wanneer de kreupele pony haar, zonder haar bevelen af te wachten, naar huis terugbracht. Anton merkte die verandering met stillen weemoed op. Hij gevoelde diep dat het anders werd tusschen iiern en Leonore; maar hij vermeed een woord met haar er over te spreken en kropte in zijn hart op al wat hij ondervond.

Het was een zoele, drukkende namiddag in do maand Mei. Boven de bosschen hingen zwarte onweerswolken en de zonnestralen vielen verzengend neer op het droge land. Daar kwam de man die op verkenning naar de dorpen gezonden was, in grooten haast naar de wachtkamer op het slot en berichtte dat een hoop vreemd volk in het Ku-nausche bosch op de loer lach, en dat de ingezetenen van Kunau lieten vragen wat zij doen moesten, rink gaf aan de arbeiders het alarmsein en zond een bode naar den houtvester en naar de nieuwe boerderij. Terwijl de arbeiders hun gereedschappen 0|) het kasteel brachten en de knechts met de paarden van het veld naar huis reden en zich tot den optocht gereed maakten, kwam een man te paard van Kunau aanrennen met het bericht dat een poolsche bende een hofstede in het dorp had overvallen; de boeren smeekten om hulp.

Allen waren in de moedige stemming, welk een plotseling gevaar veroorzaakt, wanneer het tevens het vooruitzicht op avonturen opent.

«Houd eenige arbeiders achter,» zei Fink tot Anton, «en zorg voor de veiligheid van het kasteel en uw dorp; zend mij den houtvester met de manschappen naar Kunau, ik zelf ga met Karei en de knechts vooruit.» Hij ijlde naar den stal, zadelde zelf zijn paard, terwijl Karei het rijpaard des barons voor zich buiten bracht.

«Zie eens naar die wolken, mijnheer Von Kink,» riep Karei, «neem uw mantel mee, we krijgen een zwaren donderbui. Van nacht zal het haver regenen voor het land.» Fink liet zijn plaid halen en de kleine schaar draafde naar Kunau.

Toen zij in het bosch kwamen, gevoelden zij hoe drukkend de lucht was. Zelfs de snelle beweging der paarden gaf geen verfrissching. «Ziet ge wel hoe onrustig de dieren zijn?» vroeg Kaï'el, «mijn paard spitst de ooren, er is hier iets in het woud.» De ruiters stonden stil. «Ginds in het

ocr page 456

118

dichte hout draaft er een, ik hoor het geridsel der bladeren.» Het paard waarop Karei zat wendde zijn kop dien kant heen en snoot luid.

«Het is een bekende, iemand van de onzen,» zei Fuik, de bewegingen van het paard volgende.

De takken van het geboomte gingen uiteen; op haar hitje kwam Leo-nore aan galoppeeren en sneed de ruiter,3 den weg af; «Halt, wie daar.» riep zij lachende.

«Drommels! de freule!» riep Karei.

«Het parool!» vroeg Leonore krijgshaftig. .

Fink naderde haar, sloeg aan en zei fluisterend: «Potz Blitz, das ist

ia ilie Gustel von Blasewitz.» .

Leonore bloosde en lachte. «Gij kunt doorgaan,» zei zij, «maar ik

«Natuurhik,» antwoordde Fink. «Vooruit!» Het hitje deed zijn best en scharrelde met zijn korte poodjes aardig naast het groote paard voort. Zoo kwamen zij te Kunau aan en maakte halt voor net ge-meentehuis. Daar was de burgerweer al onder de wapenen; de smid, als aanvoerder, kwam hun met bezorgde blikken te gemoet.

«Wat in ons bosch verscholen ligt is vervloekt volk,» zij hij; «gewapende Polen. Heden op klaarlichten dag is een troep van tien man, met geweren gewapend, aan de stee van Leonhard, die daar ginds naaiden boschkant licht, gekomen; zij hebben de deuren bezet; toen is hun opperhoofd met zijn bende de kamer binnengedrongen, waar de men-schen juist aan tafel zaten, en heeft geld verlangd en het kaïf uit den stal Het was een gemeene vent met een groot geweer, hij had een pauwenveer op zijn hoed en roode koorden op den rok. De boer heett natuurliik geweigerd hel geld te geven; toen hebben zij hem het geweer op de borst gezet, zoodat zijn vrouw in doode ijken angst naar het kabinet is geloopen en den ellendelingen het geld heeft toegeworpen. Vervolgens hebben zij het kalf uit den stal genomen en vier 'rauzen, die op de plaats rondliepen, en zijn met hun buit naar het bosch teruggekeerd. Vier mannen met geweren hebben zij op de hotstede als wacht achtergelaten, zoodat niemand er uit kon, eer de anderen met de gestolen goederen in het bosch waren. Als toegift hebben twee van het gespuis hun geweren in het dak afgeschoten en daarop zijn ze allen weggeloopen. Het dak begon al te branden, maar we hebben

het noK kunnen blusschen.» , , .

«Er zijn al uren verstreken sints toen,» zei Fink, «de schurken zijn

zeker reeds ver weg.» r , , . ,

«Ik geloof van niet,» hernam de smid. «Leonhard heb ik met onze

ruiters • dadelijk het bosch omgezonden naar de grenzen, met last dat y'u zouden opletten, wanneer de roovertroep het woud uitkwam. Ln een vrouw uit Neudorf, die in het bosch was, heeft nog pas twee uur o-eleden poolsche kerels gezien, den kant uit naar het neudorfsche bosch, juist daar waar de grenspaal staat onder den ouden eik. Zij hadden een dier bij zich, of het een kalf was of een hond kon de vrouw in haar angst niet zien; als het een kalt was hebben de uitge-hongerden het zeker liever opgegeten dan met zich genomen. Ik kom /00 even van Neudorf terug, de Neudorfers zijn evenals wij ondei de wapenen. Wij zouden een drijfjacht door de bosschen kunnen ondernemen, als uw menschen ons helpen, en gij ons de richting wilt aangeven.»

ocr page 457

119

«Best,» zei Von Fink, «dapper aan het werk.» Hij zond den houtvester een bode te gemoet, opdat ook zij die van het kasteel kwamen, terstond van hun kant den drijftocht zouden beginnen en besprak met den smid de plaatsing en de bewegingen der Kunauers. Karei met de knechts zond hij naar de kunausche ruiters, die aan den anderen kant van het bosch op post stonden, waarheen de Polen, zoo zij er nog waren, opgejaagd zouden worden.

«Maak niet veel omslag met de schurken.» riep hij Karei nog achterna en wees op de pistolen in de halsters. «Voorwaarts,» zei hij tot den smid, «ik zelf rijd naar Neudorf. Als gij het jonge hout hebt afgestapt, wacht ons; daar zal de troep uit Neudorf zich bij u aansluiten.»

Zoo trokken de boeren uit Kunau op weg om den roof te wreken. Von Fink galoppeerde door Leonore vergezeld naar het naburige dorp. Op weg zei hij tot haar : «Hier moeten we scheiden, fj'eule.» Leonore zweeg.

Von Fink zag haar van ter zijde aan. «Ik geloof niet,» sprak hij, «dat de schelmen ons het genoegen zullen doen om ons bezoek in het bosch af te wachten. En als zij willen wegloopen, de avond is ophanden, zullen wij het hun moeielijk kunnen beletten. Maar de jacht is een goede oefening voor onze mannen en daarom vind ik het niet onaardig.»

«Als ge zoo denkt, ga ik mee het bosch in,» zei Leonore vast besloten.

«Noodzakelijk is dat juist niet,» antwoordde Von Fink, «ik vrees wel geen gevaar voor u, maar de vermoeienis en wellicht nog regen.»

«Laat me toch meegaan,» verzocht Leonore hem vriendelijk aanziende.

«Ik heb het n verstandig afgeraden, meer is van een sterveling niet te verlangen; en onder vier oogen gezegd, mij doet het pleizier dat gij zoo dapper zijt. In galop, kameraad.»

In Neudorf zette Von Fink de paarden op stal bij den schout en voerde de schaar der boeren naar den boschkant. De lijn werd get'ormd, het doorzoeken van het woud begon. In een langequot; keten traden de mannen het bosch in, de afstand tusscben de enkele schakels moest grooter zijn dan Von Fink wenschelijk voorkwam. Von Fink liep met Leonore aan den uitersten rechter vleugel, waar die van Kunau zich met hem zouden vereenigen, de vleugelman van Von Fink moest de richting geven. De jagers stapten onder een doodsche stilte voort eti zagen met scherpe blikken rond; geen boom werd onopgemerkt voorbijgegaan. Toen zij het bosch ingingen, rnischte de wind door de boomtakken; door de openingen van het dennenhout zag men de dreigende lucht. Hij was alsof de drukkende hitte van den dag nog in het gebladerte was blijven hangen: de vogels zaten op de takken ineengedoken, de torren hadden zich onder de struiken der boschbeziën verscholen.

«De hemel zelf leent de schurken de behulpzame hand.» zei Von Fink op de wolken wijzende; «het wordt daar boven zoo donker, dat we over een half uur geen tien pas voor ons uit zullen kunnen zien.»

Het hout werd dichter, het daglicht werd flauwer en flauwer. Leonore had moeite de lijn der mannen te zien. De grond werd drassig en Leonore zakte tot over de enkels in den modder. «Als ge maar niet verkouden wordt,» lachte Von hink.

«Geen nood,» antwoordde Leonore dapper; de tocht in het bosch echter scheen haar niet zoo onschuldig meer als een uur geleden.

De man naast Von Fink bleef staan; een zacht teeken liep de keten

ocr page 458

-120

door, de lunge rij hield stil om de Kunauers af' te wachten. Met iedere minuut werd het zwarter boven de boomen, donkerder in liet woud. In de verte rolde de donder; als een dof geratel klonk het onder het « dak der pijnboomen. Zoo stonden de mannen wel een kwartier lang ;

op eens hoorden zij een zacht geroep, de drijvers uit het naburige dorp naderden. De waarschuwing: «Een ieder houde zijn buurman rechts en links in het oog!» ging van mond tot mond, en daarop zette de ge-lieele stoet zich in beweging, de aanvoerders uit de beide dorpen naast elkaar; Von Fink en Leonore volgden onmiddellijk. Daar viel een zware donderslag over het bosch, de wind floot en huilde akelig, de regen begon. Eerst werd hij slechts gehoord op de bladeren der boomen, weldra drongen enkele zware druppels door. Steeds luider kletterde de regen op de kruinen en steeds heviger droop hij van de bladeren; eindelijk stroomde de watervloed uit den hemel neer en door de takken heen op den grond; iedere stam, elke naaldentros, elke neergebogen tak veranderde in een goot. Als een lloers benamen de waterdroppels het uitzicht. De mannen riepen elkaar met onderdrukte stem toe uit vrees dat zij anders de richting mochten verliezen. Terwijl Leonore naar Von Fink zag, had zij het ongeluk tegen een boomwortel te stooten, met moeite hield zij een uitroep van smart terug, en viel op haar knieën. Von Fonk snelde naar haar toe.

«Ik kan niet verder,» sprak zij, de pijn onderdrukkende, «laat mij hier achter, ik bid u, en haal mij op uw terugtocht weer af.»

«U in dezen toestand achterlaten,» riep Von Fink, «zou een wreed-heid wezen, in vergelijking waarvan menscheneten een onschuldig vermaak mag genoemd worden. Gij zult u mijn gezelschap maar moeten getroosten. In de eerste plaats echter, vergun mij dat ik u hier uit den drup naar een plaats breng, waar de regen iets minder onbeschaamd is. Onze voorhoede heb ik toch al uit het oog verloren, ik kan niets meer zien van de breede schouders der trouwe kerels.» Hij richtte Leonore op; zij beproefde met den gewonden voet op te staan, maaide pijn perste haar een nieuwen klaagtoon af, zij waggelde, en klemde zich aan Von Fink vast. Met teedere zorg sloeg hij zijn plaid om haar heen, nam haar van den grond op en droeg haar, gelijk men een kind draagt, op zijn armen onder eenige dennen, die met liun dichte takken een kleine schuilplaats aanboden. Als een mensch zich wat boog kon hij daaronder vrij gemakkelijk zitten.

«Hier moet ge nu plaats nemen, lieve freule,» zei Von Fink en zette Leonore voorzichtig neer. «Ik zal voor uw groene woning de wacht houden en u mijn rug toekeeren, terwijl gij uw natten zakdoek om uw onbeleefder! enkel bindt.» Leonore kroop diep in het dichte dennen-hol; Von Fink ging met den rug naar haar toe tegen een boom leunen. «Er is toch geen kwaad bij,» vroeg hij, «kunt gij uw voet in het gewricht bewegen?»

«Het doet wel wat pijn,» antwoordde Leonore, «maar het gaat toch.»

«Dat is mooi,» sprak Von Fink over zijn schouder, «wind er nu den doek stevig om; binnen tien minuten, hoop ik, kunt gij weer opstaan. Wikkel u goed in den plaid hij is warm; anders haalt mijn kameraad zich nog de koorts op den hals, en daarmee zou de jacht op het gestolen kalf toch te duur betaald zijn. Zijt gij klaar met het verband?» vroeg hij weer, «mag ik mij omkeeren?»

«Ja,» zei Leonore.

ocr page 459

121

«Goetl, dan wil ik u eens goed inwikkelen.» Te vergeefs verzette het meisje zich tegen deze ridderlijke dienst. Von Fink sloeg den groeten doek om haar heen en bond hem van achteren in een knoop vast. «Daar zit ge in het bosch als een juffertje in 't groen.»

«Een beetje gezicht moet gij mij open laten,» verzocht Leonore.

«Zoo,» zei Von Fink, «nu zult ge het lekker krijgen.» Weldra gevoelde Leonore een weldadige warmte; zwijgend zat zij onder de takken, verlegen met den wonderlijken toestand, waarin zij zich bevond. Von Fink had weer zijn plaats bij den boom betrokken en keerde haar ridderlijk den rug toe. Na een korte stilte riep Leonore uit de boom-struiken; «Zijt ge nog daar, kameraad?»

«Houdt ge mij voor een verrader, die zijn tochtgenoot zou verlaten?» vroeg Von Fink op zijn beurt.

«Hier is het geheel droog,» vervolgde Leonore ; «alleen op mijn neus valt nu en dan een druppel, maar gij, arme vriend, wordt druipnat. Wat een vreeselijke regen !»

«Maakt die regen u bang?» vroeg Von Fink, de schouders ophalende, «'t is maar een zwak kind. Als hij een tak van de hoornen afslaat, meent hij al heel wat gedaan te hebben. Neen, dan heb ik meer op met den regen in die landen, waar de zon heeter is. Droppels als appels, neen, geen droppels, stralen als een arm zoo dik, het water stort uit den hemel als een waterval. Blijven staan kan men niet, want de grond onder je drijft; onder booraen vluchten kan men ook niet, want de stormwind slaat de dikste boomstammen neer als stroo-halmen. Men loopt naar een huis, dat wellicht niet verder is dan van li naar den boomwortel die uw voet heeft gewond; en het huis is verdwenen, op zijn plaats is een kuil, een stroom, een hoop aangespoelde rotsen. Wel mogelijk dat dan de aarde ook een weinig begint te beven en golven doet oprijzen, als in de zee gedurende een storm. Dat is nog een regen met eere! Kleeren, die hij doortrokken heeft, worden nooit meer droog; wat een rok was, is acht dagen later een wanstaltige zwarte hoop, die het uiterlijk eti de vochtigheid van een morille heeft. Houdt men zulk een rok aan, dan blijft hij stevig genoeg zitten, de opslagen aan den elleboog, de rug aan den hals, maar nimmer zal men hem weer kunnen uittrekken, behalve mogelijk met behulp van een pennemes, en in smalle repen, even alsof men een appel schilt.»

In weerwil van haar pijn moest Leonore lachen. «Zulk een regen wou ik wel eens zien,» zei ze.

«Ik ben geheel belangeloos als ik mijzelven niet toewensch u in zoodanige omstandigheden te ontmoeten,» hernam Von Fink. «De vrouwen zijn er het ergste aan toe, alles wat zij tot haar kleeding kunnen meerekenen, wordt in zoo'n slagregen onverbiddelijk meegesleept. Is n het toilet van mevrouw Venus van Milo bekend?»

«Neen,» antwoordde Leonore schuchter.

«Juist als deze dame zien alle vrouwen er uit, welke een tropische regen heeft getroffen; en de mannen als vogelverschrikkers. Ja, men vertelt zelfs dat menschen door zoo'n regen plat neergeslagen zijn als een koperen knoop, alleen met een puntje bovenop, dat bij nader beschouwing een menschenhoofd bleek te zijn en den voorbijgangers treurig toeriep : U, mannen broeders, dat komt er van, als men zonder parapluie uitgaat!»

ocr page 460

I '2L2

Wederom moest Leonora lachen. «Mijn voet doet veel minder pijn,» sprak zij, «ik geloot' dat ik mi weer zal kunnen loopen.»

«Maar gij moogt niet,» antwoordde Von F ink, «de regen houdt nog niet op, en het is zoo donker dat men geen hand voor oogen zien kan.»

«Doe gij mij dan het genoegen en zoek de mannen op. Ik gevoel mij thans veel beter ; ik zit hier als een hinde, beveiligd tegen den regen en de vreemde menschen.»

«Neen, dat mag niet,» zei Von Fink van zijn boom.

«Ik verzoek het u dringend,» riep Leonore angstig en hief haar handen tot hem op : «laat mij thans alleen.»

Von Fink keerde zich om, vatte haar hand en drukte ze aan zijn lippen ; daarop snelde hij zwijgend weg, den kant op, dien de boeren waren uitgegaan.

Zoo zat Leonore alleen onder de dennentakken. Steeds nog stroomde de regen; hij kletterde op de boomtoppen en viel met geweld op den grond neer. Daarboven ratelde de donder, het onweer zette op; van tijd tot tijd schoot een schel licht door de duisternis, dan zag Leonore de verlichte boomstammen in lange rijen als goudgele zuilen van een on-al'zienlijk gebouw over zich staan, terwijl een zwart zeil met flonkerende lichten er over uitgespreid hing. Dan leek haar het bosch een betooverd paleis, dat uit de aarde oprijst en in een oogwenk weer verdwijnt. Tusschen dan regen door werden geheimzinnige geluiden gehoord, zooals die 's nachts in het woud klinken. Boven haar hoofd was het een voortdurend kloppen tegen den stam, even alsof een akelig boschspook op de deur van haar hut bonsde; zij dook ineen en vroeg zich af of het mogelijk een specht kon wezen, of wellicht een boomtak. In de verte klonk het schorre gekras eener kraai, tot wier nest het water was doorgedrongen, en die daardoor in haar eersten slaap was gestoord. Dicht bij haar schaterde het ijzingwekkend: «huhu, huhu!» en wederom ontstelde Leonore. Was het een boosaardige kabouter of was het slechts een kleine uil? In honderd zwaarmoedige geluiden sprak de natuur. Leonores gemoed was het eene oogenblik vervuld met een gevoel van genot in deze woeste eenzaamheid, het andere met een aanval van angst. En daar tusschen door rezen andere gedachten bij haar op: hoe dwdas zij gehandeld had met zoo in stilte uit huis weg te looper. en zich bij een tocht te voegen, die haar aan zulke ongevallen blootstelde; hoe men haar op het kasteel zou zoeken ; en bovenal, hoe hij over haar zou denken, die haar op haar verzoek had verlaten. Zij trok den doek van haar hoofd weg en luisterde : geen menschelijke stem was er te hooren ; niets dan het vallen van den regen en de zuchten van het woud. Maar naast haar ruischte iets, eerst Hauw, daarna duidelijker; het regenwater liep in een kleine grebbe en bruiste als het tegen een struik wand beziën aankwam, tegen een wortel, of do knol van een varenkruid. En achter haar ritselden de bladeren en met een haastigen sprong naderde het; zij steunde verschrikt haar hoofd tegen den boomstam, liet ging naast haar zitten en een vreemd lichaam raakte den doek aan, dien zij om had. Zij tastte voorzichtig met haar hand naar den buurman en voelde het zachte vel van een haas die door het stroomend water uit zijn leger opgejaagd evenals zij onder de boomen een schuilplaats zocht. Zij hield den adem in om het onschuldig dier niet bang te maken en een poos lang zaten beiden naast elkaar gehurkt; de haas kroop dicht onder den doek.

ocr page 461

12:3

Docli hoor! Daar knalden in de verte te midden van regen en donderslag enkele schoten. Leonore trilde; met een hangen sprong vlood de haas de duisternis in. Ginds streden rnenschen tegen elkaar, ginds werd bloed vergoten op den donkeren grond. Een luid geschreeuw drong tot haar dooi-, nog uit de verte zelfs klonk het toornig en dreigend ; daarop weer doodsche stilte. «Was hij in gevaar geweest?» vroeg zij zich af; daarover echter was zij niet bekommerd, en onder den doek schudde zij het hoofd. Waar hij ook was, hem dreigde geen gevaar. Uet geweer, dat op hem mikte, sloeg een vallende boomtak op den grond ; het mes dat tegen hem getrokken werd, splinterde uiteen als een houten spaander vóór het hem trof; de man, die op hem aanviel, moest struikelen en vallen, eer hij zijn trotsch hoofd bereikte. Hij was krachtig tegenover elk gevaar; hij was krachtig tegenover elke vrees; hij kende geen zorg, geen smart, ach! hij gevoelde ook niet als andere menschen. Vrij hief hij zijn hoofd op en fier was zijn oog, waar alle anderen mismoedig hun blikken op den grond sloegen. Geen moeie-Hjkheid schrikte hem af, geen hinderpaal versperde hem den weg. Met een lichte beweging van zijn voet ruimde hij uit den weg wat anderen belemmerde. Zoo was hij ! En die man had haar nu zwak gezien, onberaden en hulpeloos ! Door haar eigen schuld had hij het recht gekregen haar met een zekere vertrouwelijkheid, min of meer als haar beschermer, te behandelen. Zij sidderde op het denkbeeld dat hij van dat recht gebruik zou maken met een blik, een spottend lachje, een luchtig woord. Luid klopte haar hart en angstig vlogen haar gedachten wel een uur lang.

Het onweder ging voorbij. In plaats van de kletterende stortvlagen viel nu een kalme, vruchtbare regen uit de wolken, zachter murmelde het beekje, en vaker klonk het geschreeuw der uilen. Op de afwisseling van zwarte duisternis en oogverblindend licht volgde een mat grijs aan de lucht en in het woud. In de eentoonlge schemering sprongen alleen de naastbij staande boomstammen als sombere schimmen uit de onderwereld in het oog. Angstig benauwde Leonore het gevoel der eenzaamheid. Wederom klonk daar het geluld van menschenstemmen uit de verte In haar oor, vragen en antwoorden werden duidelijk, en de stem van den opzichter riep : «Ginds over den poel zijn zij weg gegaan, mannen van Neudorf.» De voetstappen kwamen nader bij: dicht langs de dennen bewoog zich de gedaante van een man. Karei zette de handen aan den mond en riep hard het bosch in : «Hola hé ! freule Leonore !»

«Hier ben ik !» antwoordde een stem vlak voor zijn voeten.

Verwonderd ging Karei een paar pas achteruit en riep verheugd : «gevonden!» De boeren omringden Leonores schuilplaats en juichten vroolijk.

«Onze freule is hier!» galmde een jonge man uit Neudorf en allen jubelden als bij een bruiloft. Leonore stond op : nog deed de voet haar pijn, maar op Kareis arm leunende beproefde zij dapper voort te loo-pen. «Nog een klein eindje slechts,» zei Karei, «ginds staan de hoornen wijder uit een.» Intusschen braken de mannen eenige takken af en leidden er dennenloof overheen. In weerwil van haar tegenspartelen werd Leonore door de gedienstige vrienden gedwongen op de kunstig gevormde baar plaats te nemen, terwijl een van hen naar het huls van den schout voortliep om haar paard te halen.

ocr page 462

124

«Hebt ge de dieven gevangen ?» vroeg Leonore den opzichter, die naast haar wandelde.

«Twee,» antwoordde hij. «Het kalf was geslacht; wij brengen de huid en een gedeelte van het vleesch ; de ganzen hingen met omgedraaide halzen aan een tak, maar het geld hadden de schurken al verdeeld. Bij die twee is er niet veel van gevonden.»

«Het zijn kerels van Tarow die we geraakt hebben,» zei de schout somber, «liet slechtste volk uit het dorp. En ik wou toch dat zij van een andere plaats waren, want er wonen daar wraakgierige menschen.»

«Ik hoorde schieten,» vroeg Leonore verder, «is or een ongeluk gebeurd ?»

«Wij hebben niets geleden,» hernam Karei. «In hun overmoed hadden zij een vuur aangestoken, ginds, niet ver van den boschkant, waar wij te paard den ketting vormden. Nog door den regen heen glom het vuur ; zoo hebben zij zich zelve verraden. Wij stegen van de paarden, kropen stil nader bij, en overvielen hen. Zij schoten hun geweren af en vluchtten in het hout. Daar verdwenen zij in de duisternis. Het duurde lang voor dat de mannen te voet door het bosch bij ons waren ; zonder de schoten en het leven hadden zij ons niet gevonden. Mijnheer Von Fink heeft ons de plaats beschreven, waar wij u zouden vinden. Hij brengt de gevangenen over den grootcn weg naar het kasteel ; morgen zenden wij ze verder de duitsche streken in.»

«Maar dat mijnheer Von Fink u in het bosch zoo alleen heeft gelaten,» zei de eerlijke schout, met het hoofd schuddende, «dat was toch wat al te gewaagd.»

«Ik had hem verzocht niet bij mij te blijven,» antwoordde Leonore, en in weerwil van de duisternis sloeg zij de oogen neer.

Halverwege het dorp kwam Leonores hit haar tegen. In Neudorf ontving Karei het paard des barons uit de handen van den knecht en geleidde de freule naar huis. Het was laat in den avond toen zij daar aankwamen. Leonores lange afwezigheid had den angst der moeder gaande gemaakt en den baron in het slechtst mogelijke humeur gebracht. Haastig maakte de dochter zich van de vragen at, waarmede men haar overstelpte, en ijlde naar haar kamer. Een uur later kwam Von Fink met den houtvester uit Kunau en bracht de beide gevangenen, die met geboeide handen onbeschaamd tusschen hun wachters in liepen en hun pauwenveeren zoo hoog droegen, alsof zij naar de herberg gingen om te dansen.

«Wij zullen het u betaald zetten,» zei een van hen in het poolsch tot de mannen die hem bewaakten en balde zijn vuist,

VI.

Nog altijd regende het door. Bij het aanbreken van den dag had de hemel een klein oogenblikje rust genomen, maar alleen om zijn voch-tigen arbeid met verdubbelde kracht te hervatten. De landontginners waren 's morgens vroeg naar het veld gegaan, doch spoedig weder tehuis gekomen. Nu zaten ze rustig in de wachtkamer van het kasteel en droogden hun druipnatte kleederen bij de kachel.

ocr page 463

125

De baron lag achterover in zijn lederen armstoel; liij liet zich door den ouden Johann de couranten voorlezen, die den vorigen dag gekomen waren. De eentonige stern van deti kamerdienaar had nu en dan kwade tijdingen te berichten, de regendroppels stroomden uit de dakgoot, en de stormwind loeide en huilde om de hoeken van het slot; een treurig accompagnement voor de woorden des lezers. Anton zat aan zijn schrijftafel. Voor hem lag een brief van den advocaat Horn, die hem kennis gaf dat de termijn voor de publieke veiling van het familiegoed tegen de helft van den volgenden winter bepaald was; en verder dat terstond na aankondiging van den verkoopdag verscheiden hypotheken op het goed van de eene hand in de andere waren overgegaan, naar hij vreesde, opgekocht door één speculant, die zich achter verschillende namen schuil hield. Ju sombere stemming dacht Anton na over den moeielijken toestand des barons. In het vertrek naast zijn kamer hield Fink de dames gezelschap; de barones lag gedoken in de kussens der canapee, toegedekt met een doek van Leonore. Zij zag zwijgend voor zich uit, en alleen wanneer haar dochter met teedere bezorgdheid haar naderde, knikte zij haar vriendelijk toe en zei haar geruststellende woorden. Leonore was bij het raam aan een handwerk bezig en hoorde met verrukking naar de aardigheden, waardoor Fink de sombere tint der kamer wist op te fleuren. Uij was heden, in spijt van den regen, in de opgeruimdste stemming. Somtijds drong Leonore's lach door de eikendeur heen tot in Antons ooren ; dan vergat Anton verkoopdag en hypotheken, zag met een bewolkt voorhoofd naar de deur, en gevoelde niet zonder eenige bitterheid dat een nieuwe strijd voor hem en de famillie in aantocht was.

Buiten plaste de regen, lloot de storm. Met luide stom riep de wind van den boschkant af zijn klaagtoon naar het slot. In het dennenwoud kraakten de takken, en de toppen der pijnboomen wuifden dreigend naar het kasteel. In de pereboomen op het bouwland sloegen de bladeren en de witte bloemen sidderend door elkaar. Toornig wierp de storm den bloesem op de aarde, drukte hem door de regendroppels vast op den vochtigen grond, en huilde : «Weg met dien lachenden glatis ; grijze rouwkleur moet heden alles dragen wat tot het slot behoort!» — Van de boomen trok de verwoede naar de muren van het kasteel; hij schudde de vlaggestokken op den toren, hij joeg het vocht der wolken met dikke stralen tegen de ruiten aan, hij drong steunende door de reten binnen en donderde om de deuren. Hij elke opening galmde hij: «Past op uw huis!» Zoo duurde het uren achtereen, maar die daar binnen zaten verstonden zijn taal niet.

Evenzoo ging het hun met den ruiter, die zijn afgemat paard in woesten ren door het dorp naar het kasteel joeg. Eindelijk klopte de hamer tegen het paalwerk van de achterplaats, ongeduldig werden de slagen herhaald, en stemmen op het plein, op de trappen, kwamen nader bij. Anton opende de deur, een gewapend man, druipnat van den regen, bespat met modder en klei, trad de kamer binnen.

«Zijt gij daar?» riep Anton verbaasd.

«Zij komen,» zei Karei voorzichtig opziende, «houd u bedaard; deze reis geldt het ons.»

«De vijand?» vroeg Anton haastig; «hoe groot is de hoop?»

«'t Is geen hoop, dien ik gezien heb,» hernam Karei ernstig, «'t is een

ocr page 464

120

leger; ongeveer duizend zeisendragers en ruim honderd ruiters. Zij zijn op weg naar liet hoofdcorps. Ik hoor dat zij last hebben om alle poolsche mannen mee te nemen en de duitsciie gemeenten te ontwapenen.»

Anton opende de deur van het zijvertrek en verzocht Von rink bij hem te komen. ^ .

«Ah zoo!» riep Von Fink met een oog op Karei «wie zoon vracht modder de kamer indraagt, brengt, niet veel goeds. Van welken kant komt de vijand, sergeant?»

«Van het neudorfer berkenbosch trekt hij in groote scharen op ons aan. De menschen uit het dorp zitten allen in de herberg, drinken brandewijn, en hebben ruzie.»

«Geen seinpaal is ontstoken, nog geen bericht is er van de omliggende dorpen tot ons gekomen,» riep Anton aan het venster.

«Hebben de Duitschers in Kunau en Neudorf geslapen ?»

«Zij zijn zelve verschalkt,» vervolgde de ongeluksbode ; «hun wachten hadden reeds gisteren avond den vijand gezien; hij trok een halt uur van Neudorf den grooten weg over naar Rosmin. Toen hij de plaats voorbij was, waar het zijpad naar Neudorf van den hoofdweg alloopt, kregen de Neudorfers goeden moed. Hun ruiters volgden op een afstand de zeisendragers, totdat de laatste troep uit het oog was. 's Nachts echter is liet leger omgekeerd, heden morgen hebben zij het dorp overvallen. Zij hebben huis gehouden als gevleeschte duivels. De schout ligt op een bos stroo met wonden overladen, een kind des doods; het gemeentehuis is in brand gestoken, ginds boven liet bosch zou men den rook dog zien, zoo die dikke regen niet viel. Nu hebben de vijanden zich verdeeld; zij doorzoeken de duitsche dorpen, een gedeelte trekt op Kunau aan, een hoop op onze nieuwe boerderij, een derde schaar komt hier heen.»

«Hoeveel tijd hebben wij nog om de heeren behoorlijk af te wachten?» vroeg Von Kink.

«Met dit weer zal het voetvolk wel een uur noodig hebben.»

«Is de houtvester gewaarschuwd,» vroeg Anton, «en weten ze het op de boerderij ?»

«Ik had geen tijd het hun te gaan zeggen ; de boerderij ligt verder van Neudorf dan het slot; ik was wellicht te laat gekomen. Onze seinpalen heb ik aangestoken, maar bij dit ellendige weer kan men licht noch vuur zien, cn alle teekenen gaan verloren.»

«Als zij niet voor zich zeiven hebben gezorgd,» zei Von Fink, hem gelijk gevende, «dan kunnen wij niets verder voor hen doen.»

«De houtvester is een slimme vos,» hervatte Karei, «hem vangt niemand ; maar de pachter op de boerderij en zijn jonge vrouw . . . . de hemel zij hun genadig!»

«Red, bid ik u, onze menschen!» riep een smeekende stem naast Von Fink, en Leonora stond in het vertrek, bleek, met saamgevouwen handen.

Anton vloog naar de deur, door welke Leonore ongemerkt was binnengekomen. «Mevrouw uw moeder,» riep hij bezorgd.

«Zij heett nog niets gehoord,» antwoordde Leonore haastig, «zend spoedig iemand naar de boerderij, help de ongelukkige menschen.»

Von Fink nam zijn pet. «Breng mijn paard voor,» zei hij tot Karei.

«Gij moogt thans niet weg,» riep Anton, hem den weg afsnijdende, «ik. zal je paard nemen.»

ocr page 465

-127

«Vraag excuus, mijnheer Wohlfart,» viel Karei hem in de reden, «als

ik het paard van mijnheer Von Fink gebruiken mag...... ik kan het

toertje nog wel maken.»

«Wat mij betreft, ga je gang,» zei Von Fink. Den houtvester en wien gij nog meer als hulp vinden kunt, zent gij hierheen; de vrouwen, paarden en schapen stuur je het bosch In. De boer moet met het vee het hout diep ingaan en bij de oude pijnboomen aan de zandkuil het slot in 't oog houden. Gij blijft op mijn paard, dat ik tot mijn leedwezen voor de eerstvolgende dagen aan uw beenen moet overlaten. Rijd dadelijk naar Rosmin, zoek de eerste afdeeling de beste der troepen, en zeg dat wij ze dringend om hulp laten vragen; als het kan, wat paardenvolk er bij.»

«Onze roodmutsen moeten, naar men zegt, een uur achter Rosmin staan,» zei Karei; «de smid van Kunau riep het mij achterna, toen ik hem voorbij reed.»

«Hoe meer militairen gij kunt laten oprukken, hoe beter. Terwijl gij het paard opzadelt, schrijf ik een paar regels aan den commandant.»

Karei sloeg aan, maakte rechtsomkeer en verliet het vertrek; Anton volgde hem. Toen Karei den zadelriem vastgespte zei Anton : «zeg in het voorbijgaan aan de menschen op de boerderij dat Ik strakjes komen zal. — Arme jongen, ter nauwernood heb je van morgen ontbeten, en er bestaat niet veel kans dat je in de eerste uren wat krijgen zult.» Hij ijlde naar huis terug, haalde uit de keuken een llesch brandewijn, een brood, en het overschot van een ham, pakte den voorraad netjes In een zak en gaf dien met den brief aan zijn vriend, die juist op het punt stond het plein af te rijden.

«Dank je hartelijk,» zei Karei, :'ijn hand drukkende, «gij zorgt voor alles. Maar nu heb ik nog een verzoek : denk ook aan uzelven, mijnheer Wohlfart; dit poolsche goed hier en verderop is niet waard dat ge uw leven daarvoor waagt. Er zijn daar ginds bij ons thuis nog menschen die er onder zouden lijden, als u een ongeluk overkwam,»

Anton schudde de hand van zijn trouwen lotgenoot. «Vaarwel, ik zal mijn plicht doen. Vergeet niet den houtvester tot ons te zenden, en red in de eerste plaats die arme vrouw. De troepen moet ge door het bosch hierheen geleiden.»

«Wees niet bezorgd,» zei Karei vroolijk, «de voorname brulnstaart zal heden merken wat een paar pennelikkersboenen van hem gedaan kunnen krijgen.» Met deze woorden zwaaide hij zijn pet en verdween in gestrekten galop achter de gebouwen der boerderij.

Anton grendelde de poort dicht; daarop spoedde hij zich naar de wachtkamer. Ilij gelastte den hoofdman de mannen te laten opkomen, de achterdeur te bezetten, en niemand onverhoord binnen te laten, zelfs niet de vluchtelingen. «Eet met smaak en drinkt met mate, we zullen vandaag de handen vol hebben,» zei hij hun. Intusschen stond 1' ink boven in zijn kamer en laadde de geweren. Leonore reikte hem aan wat hij noodig had; zij was bleek, maar haar oogen glinsterden in een opgewondenheid, die Antons blikken niet ontging. «Laat deze ernstige zaken aan ons over,» verzocht hij, tot haar gaande.

«Het is het huis mijner ouders dat gij verdedigt,» riep Leonore, «mijn vader is niet in staat zich aan quot; het hoofd te stellen. Gij moogt niet om onzentwil uw leven op het spel zetten zonder dat ik er bijn ben.»

ocr page 466

-12«

«Neem mij niet kwalijk,» antwoordde Anton, «maar uw eerste plicht is thans mevrouw uw moeder op het naderend gevaar voor te bereiden en haar in de eerste uren niet te verlaten.»

«Mijn lieve, ongelukkige moeder!» klaagde Leonore, de armen op-heflende; zei lei den kruithoren neer en vloog naar het zijvertrek. «Ik laat de mannen eten,« zei Anton tot bink. «Neem gij van nu

af hot oDoerbevel over.» . ,

«Best hernam Fink, «hier is je uitrusting; dit geweer is licht, een loop met een kogel, de andere met schroot. De kogelzak ligt ondei

''e «Delik je dat het een belegering zal worden ?» vroeg Anton.

«Wij moeten óf in 't geheel geen weerstand bieden en ons op ^ nade aan de barmhartigheid der wilde schaar

tot den laatsten kogel, tot den laatsten droppel bloed, ons trachten te verdedigen. Op het laatste geval hebben wij ons steeds voorbei eid , wellicht0 is overgave verstandiger, maar ik beken dat ze met quot;quot;Jquot; smaak valt. Daar hier echter nog een heer en meestei is, kan hij

hp slissen. 0«x ncUir den baron.» i ^ ^

Anton liep met haastige schrede door den gang naar den anderen vleugel. Reeds van verre hoorde hij in de kamer van den barmj hev^g met de stoelen schuiven. Op een toornig: «binnen!» trad hij het vertrek in. De baron stond recht op midden in de kamer en voegde hem dadelijk toe : «Ik hoor dat er iets gaande is, en moet het alb een onvergeeflijken misslag, als een volslagen gebrek aan eerbied beschouwen,

dut men mil nergens kennis van geeft.» ...

«Vergeef het mij, mijnheer de baron,» hernam Anton, «weinig minuten geleden is de tijding gekomen dat een gansche schaar zeisendia-

Zs en mannen te paard tegen uw goed in aantocht is; w.j hebben m de grootste haast een bode naar den naasten militairen post ge zonden; toen hebben wij de poorten gesloten en wachten thans uw bc-

Ve «Gaaien heer Von Fink roepen,» zei de baron gebiedend.

«Hij is op het oogenblik in de wachtkamer.» i , „i;„

«Ik laat hem verzoeken terstond hier te komen,» nep (,e e.e(1 «' de edelman, «met u kan ik niet over krijgszaken spreken. 1 ink is een ridder en half soldaat, hem zal ik de noodige orders geven Wat draalt quot;e noW» vervolgde hij ruw. «Meent gij, jonge heertjes, dat ge met nf Ptten kunt? omdat ik het ongeluk heb blind te.zijn? Wie mijn brood eet en mijn geld trekt, die moest althans mijn bevelen

«Vader6!»^riep Leonore, de handen vouwende bij den ingang en met

een smeekende blik zag zij naar Anton. Antmv ^ik vnae u

«Gij hebt gelijk, mijnheer de baron,» antwooidde Anton, »ik v aag u nogmaals vergeving, dat ik in de verwarring mijn eersten plicht heb vergeten. IkD zal mijnheer Vonk Fink onmiddellijk hier zenden.» Hij vloog de kamer uit en vertelde Fink in het voorhuis hoe kregel en

knorrig de baron was.

reïlii is een oude gek,» zei bink.

«Ga maar dadelijk naar boven,» verzocht Anton; «de dames moeten het anders misgelden.» Daarop trok Anton het buis van een arbeider aan

en iilde in weerwil van den regen, door de achterpoort naar buiten, naai

de boerderij. Daar zag het er treurig en verward uit. Duitsche gezinnen

ocr page 467

120

van de naburige dorpen waren in liet gemeentehuis gevlucht en zaten daar met hun kinderen en enkele stukken huisraad. Er waren wel twintig personen ih de dorschschuur verzameld, mannen, vrouwen en kinderen; de vrouwen Jammerden, de kinderen weenden, de mannen zagen somber voor zich uit; de meesten van hen behoorden tot de landweer; hier en daar had een enkele zijn vuurwapen. Op de plaats voor het huis stonden de kleine wagens der vluchtelingen. Knechts, paarden, koeien, alles liep door elkaar. Anton riep den ingenieur te hulp om toezicht te houden, Aan den knecht, dien hij het best kon vertrouwen, en aan de duitscho meid gaf hij de werkpaarden en do runderen in bewaring. Hij nam den knecht, een likschen man, ter zijde en bepaalde met hem eenige plaatsen in het hout, niet ver van do zandkuil, waar voor menschen en dieren veiligheid en beschutting tegen het weder te hopen was. Daarheen moest de knecht do kudde drijven en voortdurend den pachter in het oog houden, die in het bosch het bevel zou voeren. Vervolgens gelastte hij de meid een koe achter te laten, opende voor de luidde de staldeur, en zag hoe zij mot levensmiddelen bepakt naar het woud trokken.

«Maar wat zullen we met de paarden van den baron doen?» vroequot;1 de ingenieur m haast. 0

«Zij moeten met eenige wagens naar het slot, het ga hoe het ga. V\ie weet of we met genoodzaakt worden de vlucht te nemen, als het op het uiterste komt.»

Anton liet nu spoedig eenige mudden aardappelen, meel en haver in ile nieuwe geverfde wagens van Karei laden, en de verdere ruimte met bossen stroo aanvullen. Ook voor de waterton zette hij een span paarden en net net vat van versch water voorzien. Steeds nog regende liet als met emmers uit den hemel en in dat vreeselijke weer wierpen de knechts zakken, kisten en bossen in de wagens; allen liepen door mekaan ween-den en vloekten in het duitsch en het poolsch. Toen Anton onder de vluchtelingen trad, barstten de vrouwen in luid gekerm uit, de mannen omringden hem en begonnen over hun ongeluk uit te wijden, de kin-deien omvatten zijn knieën; kortom 'twas een treurig gezicht. Anton troostte hen; «Houdt u in Gods naam kalm, wij zullen 11 beschermen zoo Roed wij kunnen. Ik hoop dat geregelde troepen ons te hulp zullen komen; inmiddels zijt ge op het kasteel in veiligheid. Gij hebt ons trouw bijgestaan in deze moeielijke dagen; zoolang wij brood hebben, zult gij geen gebrek lijden.»

Zoodra dit lastige werk eindelijk was afgeloopen, keerde Anton naar net kasteel terug. De knechts reden met de wagens naar de achterpoort, de schaar der vluchtelingen volgde. Telkens kwamen er nieuwe menschen bij, die zich uit de duitsche dorpen gered hadden; ook de smid van Kunau stond met een hoop zijner dorpelingen voor de slotpoort. De gansche stoet werd nu in orde geschaard en allen volgens de rij af binnengelaten. De vrouwen en kinderen bracht Anton in twee kamers van de benedenverdieping, die wel is waar donker, maar toch altijd gezelliger waren dan de noodschuren of het van den regen doortrokken veld. De grootste moeite veroorzaakte het plaatsen der paarden; dicht op e kander gedrongen stond een twaalftal dieren onder een loods, ge-biekkig beschut tegen den regen en de kogels. Midden op het slotplein weid de waterton gezet en de aardappelenwagens tegen het houten eschot aangeschoven, om aan de schutters in geval van nood een goede

DEliET EN CREDIT 11. ()

ocr page 468

130

standplaats te bezorgen. Daarop werden de weerbare mannen door den smid bijeengeroepen; behalve de landontginners en vier knechts waren er nog vijftien kolonisten, de meesten gewapend. Zwaar dreunde hun stap in den langen gang van het slot; zij trokken naar het voorhuis en namen hun post naast de arbeiders. Daar was de strijdbare macht der vesting verzameld; Fink wandelde in zijn jachtbuis voor de arbeiderscompagnie op en neer. Anton ging naar hem toe en zei hom wat er tot nu toe gedaan was.

«Je brengt ons mannen,» zei Fink, «dat is in orde; maar ook een heelen troep vrouwen en kinderen ; bet slot is vol als een bijenkorf, meer dan zestig monden en bijna een dozijn paarden; we zullen in weerwil van je aardappelenwagens nog eer het vierentwintig uren verder is in de steenen moeten bijten.»

«Kon ik ze dan buiten laten?» vroeg Anton eenigszins knorrig.

«Zij zouden in het bosch even veilig zijn geweest als hier,» zei Fink, de schouders ophalende.

«Best mogelijk,» hernam Anton, «maar de menschen in dien slagregen het bosch in te jagen zonder voedsel en in den vreeselijken angst van een vlucht zonder doel, dat zou een wreedheid zijn geweest, die ik niet op mijn rekening wou nemen. En bovendien, geloof je dat we de mannen gekregen hadden zonder de vrouwen en kinderen?»

«De mannen althans kunnen we gebruiken,» eindigde Fink en keerde zich om; «zorg gij nu slechts voor het onderhoud van de menigte.» Fink gaf' aan de ongewapenden geweren en verdeelde de manschappen in vier afdeelingen, de eene voor het plein, twee voor de boven-en de benedenverdieping, en een als reserve in de wachtkamer. Daarna liet hij zich door den smid van Kunau en eenige anderen nadere berichten omtrent den vijand geven. Intusschen was Anton naar het onderhuis geloopen: daar gaf hij den ingenieur het opzicht over den voorraad levensmiddelen en liet door den knecht des barons hout en water aandragen. Een zak aardappelen en een met meel werden binnengebracht en de groote ketel boven het vuur gehangen. Bij het weggaan zei hij de keukenmeid iti stilte dat er een koe in den stal was gezet, waar het paard van den heer Von Fink had gestaan, zoodat ten minste de baron en de dames in deze dagen geen gebrek aan melk zouden hebben. De oude Bet werd vlug van angst. «Ach, mijnheer Wohlfart, wat een schrikkelijk ongeluk,» riep zij, «de kogels zullen in mijn keuken vliegen.»

«Geen nood,» zei Anton, «het raam is te laag; gij zit hier bomvrij, kook maar rustig op. De menschen zijn uitgehongerd, ik zal u twee van de vreemde vrouwen zenden om u te helpen.»

«Wie zal in zulk een gevaar willen eten?» vroeg de keukenmeid.

«Wij zullen allen eten,» antwoordde Anton kalm.

«Verlangt gij een soep of aardappelenbrei?» vroeg Betje in haar wanhoop en sloeg met den lepel rechts en links.

«Beide, moedertje.»

De keukenmeid hield hem tegen. «Maar, mijnheer Wohlfart, er zijn geen eieren voor de familie boven; niet één enkel in 't heele huis. Wat zal mijnheer de baron zeggen als hij van avond zijn eitje niet krijgt?»

«Loop naar de maan met je eieren!» riep Anton ongeduldig; «vandaag moet men zoo nauw niet zien.»

ocr page 469

131

Toen hij terugkwam riep Fink hem toe ; «De posten zijn geplaatst wij kunnen nu bedaard hun komst afwachten. Ik ga boven op den toren staan en neem eenige schutters mede. Ais ei' iets gebeurt ben ik daar te vinden.»

Alles werd leeg in het voorportaal en weer stil in huis. De wachten stonden zonder een woord te spreken en staarden op den zoom van het woud : in de wachtkamer zaten de mannen te {luisteren ; alleen m de kinderkamer hield het leven niet op, en er kwam eeti druk verkeer tusschen de benedenverdieping en de keuken, In on-i ustlge spanning liep Anton heen en weer, uit huis naar buiten, en weer naar zijn kamer, waar hij de papieren van den baron bijeenbond ; dan weer door de gangen en de vertrekken, waar de gewapende posten stonden. Zoo verliep het eene kwartier na het andere ; eindelijk kwam Leonore uit de kamer harer moeder en riep ; «Deze onzekerheid is ondragelijk!»

«Ook van de nieuwe boerderij komt geen bericht,» antwoordde Anton somber, «maar de regen houdt op en wat nog heden gebeuren moet, zal bij helderen zonneschijn plaats hebben. Ginds breken de wolken, de blauwe lucht komt door. Hoe gaat het met mevrouw de barones?»

«Zij is voorbereid,» zei Leonore, «voorbereid op alles.»

Beiden liepen de voorzaal zwijgend op en neer. Eindelijk gino-J-n-e v'a'c voor Anton staan en riep op hartstochtelijken 10011°; «Wohltart, het is vreeselijk voor mij, dat gij om ons in dezen toestand zyt gekomen.»

«Is die toestand dan zoo schrikkelijk?» vroeg Anton met een droefgeestig lachje.

«Voor uw gevoel wellicht niet,» sprak Leonore, «maar gij offert voor ons veel meer op dan wij verdienen. Wij zijn ondankbaar tegen u; gij zoudt m andere omstandigheden gelukkiger zijn.» Zij gino- naar het venster en weende bitter. Ontsteld naderde Anton haar om haar te bedaren, «Wanneer gij de driftige woorden uws vaders van zooeven bedoelt,» zei hij, «is er geen reden om mij te beklagen. Gij weet wat wij over dit punt reeds samen besproken hebben.»

«Dat is het niet alleen,» antwoordde -Leonore schreiende.

Anton wist even goed als zij, dat dit niet het eenige was; hij gevoelde dat er in haar woorden een dieper beteekenis lag. «Wat het ook zijn moge,» sprak hij opgeruimd, «wilt gij mij nu niet eens het genoegen gunnen een avontuur te beleven ? Zeker ben ik een onhandig soldaat, maar naar het schijnt willen de vijanden mij ook geen quot;ele-genheid geven om mij te oefenen,»

«Niemand zegt u dank voor hetgeen gij om onzentwil 11 getroost, niemand!» klaagde Leonore op nieuw.

«Niemand ?» vroeg Anton. «Ln heb ik dan niet hier een vriendin, die maar al te zeer geneigd is het weinige dat ik wellicht doen kan voel te hoog aan te slaan? Leonote, gij hebt mij veroorloofd vrijer met u te zijn, dan in gewone omstandigheden passend zou wezen. Rekent gij het dan voor niets dat ik eenige van de rechten eens broeders op u verkregen heb?»

Leonore vatte bevend zijn hand en drukte ze. «Ook ik ben den laat-sten tijd anders tegen u geweest dan ik had moeten zijn. Ik henzeer ongelukkig,» riep zij hartstochtelijk uit, «Aan niemand kan ik bekennen wat er in mij omgaat, aan mijn moeder niet, ook aan 11 niet. Al mijn

ocr page 470

zelfvertrouwen, alle zekerheid lieb ik verloren,» Zij hield haar doek

voor de oogen.

«Leonore b riep haar vader ongeduldig uit zijn kamer.

«Thans is het niet het oogenblik voor verdere verklaringen,» hernam zij bedaarder; «als wij dezen dag doorgeworsteld hebben, wil ik mijn best doen sterker te zijn dan nu. Wees gij mij daarin behulpzaam,

Wohlfart.» ,, „ ..

Leonore spoedde zich naar de kamer des barons. Anton bleet met zijn treurige gedachten alleen. Ondertusschen viel de vroolijke zonneschijn op de^open plaats achter hot slot; de mannen verlieten de wachtkamer on gingen aan de deur staan ; ook de vrouwen kwamen in de donkere kamer quot;en moesten met ernstige woorden teruggezonden worden.

Nadat de eerste schrik wat bedaard was, hadden de menschen weer moed gekregen en vleiden zich met allerlei gedachten. «Wie weet of zij het slot niet vergeten hebben,» zeiden sommigen; «of zijden moed wel zullen hebben om ons aan te vallen,» een ander ; en een verstandig snijdersbaas beweerde door een handig samenlappen van de verschillende berichten, dat alle poolsche rokken reeds lang achter Rosmin verdwenen waren. Maar hoe stellig allen ook hun overtuiging uitspraken dat het gevaar voorbij was, toch luisterden zij angstig naar de schreden der wachten en telkens zagen zij naar den toren, of van daar nog niet een sein werd gegeven. Ook Anton vond dit wachten onuitstaanbaar; eindelijk beklom hij zelf den toren. Daar vond hij op het plat den staf van het leger vergaderd ; de baron zat op zijn stoel, achter hem leunde de rijzige gestalte zijner dochter, die haar parasol voor de oogen van haar vader hield ; voor de wijde schietgaten waren vier scherpschutters geplaatst en boven op den muur liet Von Kink zijn beenen in de vrije lucht bengelen en blies de blauwe wolken zijner cigaar in den wind.

«Nog niets to zien ?» vroeg Anton.

«Niets,» antwoordde Von Kink, «dan oen troep dronken boeren uit het dorp, die ginds over den straatweg naar Tarow trekken.» Hij wees op een donkeren hoop, die juist in het bosch verdween, 't Is een geluk dat wc juist dat gespuis kwijt zijn. Zij zijn bang voor de grijze jassen en houden het voor raadzamer ergens anders te plunderen, leder uur uitstel is winst; wij hebben juist uitgerekend dat we, als alles meeloopt, eerst morgen middag hulp kunnen verwachten. Voor een bezoek van volle vierentwintig uur zijn de heeren achter het woud niet fatsoenlijk genoeg. — Een uitmuntend punt, mijnheer Von Rothsattel, dat dak hier. Veel te zien valt er juist niet, een stukje dennenbosch, uw bouwland, en zand. Maar een prachtige hoogte voor de verdediging. Dat het rondom hot slot zoo kaal is en er geen boom, geen struik staat, is door sentimenteele harten onaangenaam gevonden. Ik vind het integendeel overheerlijk ; mot uitzondering van die voorste schuur der boerderij, die toch nog altijd in de rechte lijn driehonderd pas van hier verwijderd ligt, is er voor oen tirailleur der vijanden geen schuilplaats hooger dan een molshoop. Zoo ver een geweerkogel draagt, hoeft men hier een onbelemmerd uizicht over de vlakte. quot;Alleen dat boschje ginds staat in den weg, ik geloof dat het een nieuwe aanleg is van freule Leonore.»

«Ik beken schuld,» zei Leonore.

«Goed,» hernam Von Fink onverschillig, «dan kunt gij ook de verple.

ocr page 471

133

gingskosten betalen, als wij gewond worden. Een half dozijn schutters vindt daar een schuilhoek.»

«'t Is Leonores lievelingsplek,» zei de baron, haar verontschuldigende, «zij heeft daar een graszodenbank; 'tis de eenige plaats waar zij in de open lucht kan zitten.»

«O!» zei Von Fink, «dat is een andere zaak.» Hij zag naar Leonore om; zij was van haars vaders zijde verdwenen. Een oogenblik later werd de slotpoort geopend en Leonore, gevolgd door eenige arbeiders, liep haastig naar het boschje. Von Fink riep verwonderd naar beneden: «Wat gaat ge doen, freule?» Leonore antwoordde met gebaren dat zij het om ging hakken; zelve nam zij een jong boompje en trok liet met krachtsinspanning uit den grond. De mannen volgden haar voorbeeld. Na verloop van weinige oogenblikken was de kweekerij vernietigd. Daarop nam Leonore den schop en sloeg op de zodenbank om deze ook om te halen.

Anton had de boomen met het jonge meisje geplant. Beiden hadden zei pleizier gehad in het lieve gezicht, dan het boschje aanbood. Dagelijks had Leonore den groei nagegaan, elk der kleine stammen was haar een persoonlijke vriend geworden. Thans was Anton zwijgend een toeschouwer van de verwoesting; ten laatste kon hij zich niet bedwingen en zei eenigszins geraakt: «Die kleine kweekerij zou ons niet veel kwaad hebben gedaan; gij zijt zeker tie schuld van een geheel onnutte uitroeiing.»

«Zoo?» hernam Von Fink, «Mij dunkt dat freule Leonore als een verstandig vestingkommandant handelt. Het eerste werk van zulke menschen is alle gebouwen en boomen nabij de vesting om te halen en dit boschje kan de eerstvolgende lente weer geplant worden.— Draagt het hout verder op naar de boerderij,» riep hij de mannen toe, «haalt ook den houten rand van de bron uit mekaar, brengt de planken mee en bedekt de opening.»

Toen Leonore weer achter den stoel des barons stond, knikte hij haar toe, als een oud kameraad der jongeren, nam zijn verrekijker, en onderzocht weer den rand van het bosch.

Zoo bleef het gezelschap wel een uur bijeen; niemand had lust te spreken, en de aardigheden, die Von Fink van tijd tot tijd luchtte, vielen in het water. Anton ging naar beneden om de menschen daar in orde te houden, maar de onrust dreef hem weer naar den toren en evenals de anderen zag hij met afgewende blikken naar het bosch. Eindelijk zei Von Fink, zijn cigaar weg werpende: «'t Wordt avond, wij bewijzen onze gasten te veel eer, als we zoo voortgaan hen in stilte af te wachten. Toen hot bericht van hun oprukken hier kwam, waren Wohl-' fart en ik op het kasteel noodig, en daar Karei, God weet waar, mijn ongelukkig paard kreupel rijdt, hadden we niemand dien we op verkenning konden uitzenden. Thans boeten we voor die zonde; wij zitteh hier in onze vesting opgesloten en de mannen worden moe en lusteloos, eer de vijand komt. Het wordt noodzakelijk dat een van ons met oen paar man te paard gaat zitten, en iets naders aangaande den vijand tracht te vernemen. Deze stilte is onnatuurlijk; men ziet op het gansche open veld geen sterveling, niemand op één van de voetpaden; het dunkt me vreemd, dat sints twee uren geen vluchtelingen meer uit het woud komen; ook de rookwolk boven Neudorf is vervlogen.»

Anton maakte zich zwijgend gereed den toren te verlaten. «Ga, mijn zoon,» zei Von Fink, «neem de vertrouwdste mannen mee, onderzoek

ocr page 472

134

eens hoe het in het dorp gesteld is, en pas vooral op het dennenbosch. Wacht even, nog een oogenblikje, ik wil nog eens met mijn verrekijker het woud onderzoeken.» Lang bleef hij turen, beschouwde lederen boom en lei den kijker weer neder. «Er is niets te zien,» sprak hij bedenkelijk. «Droegen de heeren, die we verwachten, iets anders dan boerenzeisen, dan zou men moeten gelooven dat er hekserij onder schuilt. Nu echter is alles onzekerheid. Nog eens, mijn vriend, wees voorzichtig met het bosch.»

Anton verliet den toren, riep den ingenieur en twee knechts, liet het paard van den baron en drie van de vlugste werkpaarden opzadelen en door den smid de poort openen. De ruiters reden het eerst langs de boerderij, vlak bij het kasteel. Alles was stil en in de grootste rust. De hoenders, welke Karei eenige weken geleden gekocht had, hippelden op den mesthoop, zijn duiven kirden op het stroodak, een kleine hond, die den smid uit Kunau gevolgd had, had zich middelerwijl tot wachter van de verlaten woning opgeworpen en blafte kwaadaardig tegen de ruiters. In gesloten gelederen draafden zij door het dorp 'naar de herberg; de gelagkamer was leeg. Anton riep den waard. Na een kort toeven kwam de man doodsbleek aan de deur, en sloeg de handen ineen toen hij Anton zag : «Genadige hemel, mijnheer Wohl-fart, gij nog hier? Ik had gedacht dat gij al lang met de familie naar Rosmin waart gevlucht. Goede God, wat een ongelukkige tijd is het! Bratzky is hier in de kamer geweest en heeft de boeren opgestookt tegen de slotbewoners en tegen de Duitschers. Hij kon ze echter niet overhalen om tegen het kasteel op te trekken. Nu is het meerendeel der dorpelingen naar Tarow gegaan om zich aan te sluiten bij de Polen; die achtergebleven zijn hebben zich verstopt. Ik was juist bezig met alles te begraven wat ik in der haast maar bergen kan,»

«Waar staan de vijanden nu?» vroeg Anton.

«Ik weet het niet,» riep de kastelein, «maar ik weet dat het een groot leger is; Uhlanen ook zijn er bij, in uniform.»

«Weet je of het bosch den kant naar Neudorf uit veilig is?»

«Hoe zou het veilig zijn? in de laatste dagen is niemand van Neudorf hier gekomen. Was de weg vrij, dan zou het halve dorp hier wezen, in mijn herberg of bij u op het kasteel.«

«Ge hebt gelijk. Wilt ge de bende hier afwachten? zei Anton voor dat hij weg reed, «op het kasteel zijt gij veiliger.»

«Wie weet?» riep de kastelein. «Ik kan met weg; als ik van hier ga wórdt me de heele winkel vernield.»

' «Maar de vrouwen?» vroeg Anton, het paard nog stil houdende.

«Ik moet menschen hebben om mij te helpen,» klaagde de waard wanhopend. «Al zijn zo wat jong, ze moeten er zich maar doorredden. Daar hebt ge Rebekka, mijn zusters kind; zij is uit een familie, die gewoon is aan zulke dingen. Zij weet best met de boeren om te gaan, zij weet g«ld le krijgen, ook wanneer zij dronken zijn. «Rebekka !» riep hij het huis in, «mijnheer Wohlfart laat je vragen of je naar het kasteel wilt, om veilig te zijn voor de ruwe kerels?» Het ronde gezicht van Rebekka, met roode lokken omhangen, kwam uit het keldergat uitsteken.

«Wat zou ik op het slot doen?» riep zij vast besloten. «Wat noemt ge ruwe kerels? Onze boeren zijn de ruwste kerels der geheele streek; als ik met hen klaar kan komen, zal het mij ook wel met de anderen gelukken. Mijn moei is heel van haar stuk, er moet toch iemand zijn om de gasten

ocr page 473

135

te helpen. Ik dank u vriendelijk, mijnheer, ik ben niet bang; de liee-ren, die onder den troep zijn, zuilen niet toelaten dat mij kwaad wordt gedaan.»

«Vooruit, mannen!» riep Anton. Zij reden verder door liet dorp; overal waren de deuren gesloten, uit de vensters staarde hier en daar een ontsteld vrouwengezicht de ruiters achterna. Zoo kwamen zij op den breeden weg tot in de nabeiheid van het bosch. «Waar de weg het hout inloopt,» zei een der knechts tot Anton, «is aan de linkerhand jong hout. Daar kunnen velen honderden zich verscholen hebben, en wij zien ze niet; zij zullen ons ontsnappen of' ons den weg naar het kasteel afsnijden.»

«Je hebt gelijk,» zei Anton, «we zullen over het veld rijden tot aan de achterzijde van liet Jonge hout, daar staan de boomen verder uiteen, we .......en er in en weer uit. Van daar doorzoeken we te voet

verder het bosch.» Alzoo pratende verlieten zij den breeden weg, gingen over het braakland, en hun paarden naderden het woud. «Afgestegen,» zei Anton tot de knechts. Zij gaven de teugels aan den inge-nienr, namen de geweren in de hand, en wandelden voorzichtig naar het lage hout. «Schiet er in,» beval Anten, «en dan naar de paarden terug zoo gauw ge kunt.» De schoten ratelden door de boomen, eenige sekonden later werd er met een verward vuren van verscheiden geweren geantwoord en een luid geschreeuw volgde. De kogels (loten over Antons hoofd maar de afstand was groot genoeg, en in haastigen loop kwamen onze mannen ongedeerd bij hun paarden. «In galop! we weten al genoeg. Zij waren niet slim genoeg om zich stil te houden.»

Vlug rende de kleine troep over den grooten weg naar het slot terug; achter hen hoorden zei luide kreten, li ui ten adem kwamen de ruiters voor het kasteel, op het slotplein vonden zij alles in alarm. Von Fink wachtte hen bij den ingang.

«Je hadt goed geraden,» riep Anton hem toe, «zij lagen verscholen zeker al sints verscheiden uren. Wellicht hadden zij het liefst gezien dat zij n of' ons beiden op weg naar Neudorf gepakt hadden. Dan hadden zij het slot zonder slag of stoot in handen gekregen.»

«Hoe sterk kunnen ze wel zijn?» vroeg Von Fink.-

«,1a, je hebt het gezien, we hadden geen tijd om ze te tellen,» hernam Anton. «Zeker is liet slechts een vooruitgezonden troep en ligt de hoofdmacht verderop in het bosch.»

«Wij hebben ze opgejaagd,» zei Von Fink, nu kunnen we op hun bezoek rekenen, liet is voor onze menschen beter mi voor zonsondergang dan in den nacht.»

«Daar komen zij !» riep Leonore van den toren af.

De vrienden vlogen naar boven, Toen Anton over de borstwering van den toren zag, daalde de zon naar het westen. De hemel schitterde in prach-tigen goudgloed en veranderde het groen der bosschen in een bruinachtig brons. Van den boschkant draafde een troep ruiters, ongeveer een half escadron, naar het dorp toe; meer dan honderd man te voet volgden, de eerste afdeeling met geweren, de tweede met zeisen gewapend. Het heerlijke avondlicht omscheen do gestalten op den toren. Een kever gonsde vroolijk om Anton heen en boven in de lucht klonk het avondlied van den leeuwerik. Intusschen naderde beneden het gevaar. Steeds dichter en dichter kwam over den kronkelenden weg een donkere, lange schaar, zwijgend en stil, alleen merkbaar voor het oog. De kever bleef rondgonzen

ocr page 474

130

en de leeuwerik vervolgde zijn lustig gezang. Eindelijk verdween de trein achter de eerste woningen van het dorp. Het waren oogenblikken van doodsche stilte. Allen zagen onafgewend naar het punt waar de vijand weer te voorschijn moest komen; naast Anton stond Leonore, zij klemde in haar linkerhand een klein geweer en hield de rechter in een weitas, waarin haar hand, zonder dat zij het wist, door het trillen tie kogels dooreenrammekle. Zoodra de ruiters midden in het dorp zich weer aan hun oog vertoonden, nam Von Fink zijn pet af en zei op plechtigen toon: «Thans op onzen post, heeren. Uij, Anton, wees zoo goed mijnheer den baron naar beneden te geleiden.» leen Anton, den baron ondersteunde, de trappen afging, wees hij op Leonore, die onbewegelijk naar den oprukkenden vijand staarde. «Ook u, ireule, verzoek ik dringend voorzichtig te zijn.» sprak Von Fink tot haar.

«Ik ben hier het veiligst,» antwoordde Leonore lier, en sloeg met den kolf van het geweer op de steenen. «Gij zult niet verlangen dat ik nu mijn hoofd onder de kussens der canapee zal verbergen, wanneer gij op het punt zijt het leven voor ons te wagen.»

Von Fink zag vol bewondering op het schoone gelaat en zei: «Ik heb er niets tegen. Als gij besluiten kunt op dezen stoel te gaan zitten, zijt gij hier zoo veilig als ergens anders in het kasteel.»

«Ik zul voorzichtig zijn, geloof me,» hernam Leonore.

«En gij, jongens, verbergt u achter den muur,» zei Von Innk, «past op dat gij geen schouders, geen puntje van uw mutsen laat zien en vuurt niet voordat ik li met dezen schreeuwleelijk het teeken zal 'hebben gegeven, (üj zult het geluid hierboven wel hooren, Hij trok een grootc fluit van wonderlijke vorm uit den zak. «Tot weerziens,» zei hij, Leonore, met een glinsterend oog beschouwende.

«Tot weerziens,» antwoordde Leonore, terwijl zij hem met de hand groette, en zag hem nog na, totdat de deur achter hem dicht

Den ouden baron vond Von Fink in liet voorhuis. De arme man was door de onnatuurlijke spanning van den langen dag en door het o-evoel zijner onbruikbaarheid, daar waar hij het als een van de eerste plichten van zijn stand beschouwde om vooraan te staan, diep onge-lulikiquot;-. In vroegere tijden had hij met de grootste bedaardheid aan alle gevaren het hoofd geboden. Hoezeer zijn kracht geknakt was, bleek0thans, nu het hem onmogelijk was zijn kalmte te bewaren. Zijn handen tastten angstig in het rond, alsof zij naar een wapen zochten, en klagende zuchten rezen diep uit zijn hart op. «Mijn waarde gastheer, sprak quot;Von Fink tot hem. «daar uw kwaal het u moeielijk moet maken zelf met de vreemdelingen te onderhandelen, vraag ik u vrijheid

liet in uw naam te mogen doen,»

«Ik n-eef u volmacht, beste Von Fink,» antwoordde de baron met schorre stem; «inderdaad is de staat mijner oogen niet van dien aard dat ik hopen kan van eenig nut te wezen. Een ellendige invalide » oilde hij uit, en bedekte zijn gelaat met beide de handen. Von 1'ink, niet erg aangedaan, keerde zich om, opende een raampje in de eikenplanken deur, die bestemd was om naar den nog niet opgehoogden aarden wal voor het kasteel te voeren, en zag naar buiten.

«Wees zoo goed,» smeekte Anton den baron, «mij toe te staan u naar een plaats te geleiden, waar gij niet zonder noodzaak aan de kogels zult zijn blootgesteld.»

ocr page 475

J 37

«Laat me met rust, jonge heer,» zei de baron, «bekommer u niet om mij; aan mij is heden minder gelegen dan aan den amrsten dag-looner, die om mijnentwil een geweer opneemt.»

«Hebt go nog iets te gelasten?» zei Anton tot Von Fink.

«Niets,» antwoordde dezo glimlachend, «dan dit, dat gij uw voor-zichtigheid niet moet verliezen, als gij zelf in den strijd wordt gemengd. Goed succes!» Uij reikte hem de hand; Anton drukte ze hartelijk en ijlde naar het plein.

«Nu zijn de vijanden bezig uw landgoed op te nemen,» zei Von Fink tot den baron; binnen weinige oogenblikken zullen we de heeren hier hebben; daar komen zij, ruiters en voetvolk. Zij houden stil bij de schuur; eenige ruiters naderen, het is de staf; knappe jongens zijn er onder, een paar schoone paarden; zij houden zich buiten schot. Zij zijn voorzichtiger dan ik dacht. Nu zoeken zij een ingang, wij zullen strakjes den klopper aan de achterdeur hooren.»

Alles bleef stil. «'t Is vreemd,» vervolgde Von Fink. «Ik dacht dat het gebruik was de bezetting vóór den aanvang tot overgave op te vorderen ; ginds echter keeren de officieren, den hoek van het kasteel om, in vollen ren naar het voetvolk terug, lieeft Anton ze zoo bang gemaakt dat zij v e n t r e-a-t e r r e gevlucht zijn?»

De stappen der paarden en de dolle pas der infanterie werd duidelijk gehoord.

«Drommels!» begon Von Fink op nieuw, «het geheele leger trekt als voor een parade naar deze zijde van het kasteel ; als zij van dezen kant uw vesting willen aanvallen, moeten zij al zeer wonderlijke begrippen hebben van de bestorming eener sterkte. Zij maken front tegenover ons, en tweehonderd pas afstand. liet voetvolk twee man diep in het midden, de ruiters aan de vleugels. Geheel en al een romein-sche slagorde, Juhus Caesar in het klein. Kijk, zij hebben een tamboer ook ; de man treedt voorwaarts; het geraas dat ge hoort is de roffel. — Ah, daar komt de aanvoerder ook naderbij ; hij houdt juist voor de deur op. De beleefdheid vordert dat wij vragen wat er van zijn dienst is». Von Fink nam den zwaren bout van de deur, schoof hem weg, de deur sprong open, en Von Fink plaatste zich op den drempel, den ingang dekkende, met zijn geweer in de hand. Toen de ruiter de rijzige gestalte in het nette jachtkostuum zoo ruslig voor zich zag staan, boog hij beleefd en groette ; Von Fink bedankte met een lichte beweging van het hoofd.

«Ik verlang den eigenaar van hot landgoed te spreken,» riep de aanvoerder.

Woes yoorloopig maar met mij tevreden,» antwoordde Von Fink, «ik sta hier in zijn plaats.»

«Zog dan aan den baron dat wij een last der regeering in zijn huis moeten volbrengen,» zei de ruiter.

«Mag ik u verzoeken het mij niet euvel te duiden, wanneer ik u vraag welke regeering zoo lichtzinnig is geweest aan u een last te geven voor den baron Von Rothsattel ?» Naar ik gehoord heb zijn de begrippen omtrent de regeering hier in het land niet al te heldor.»

«Het poolsche centraal-comite is uw wettige overheid, zoo goed als de mijne.»

«Het is zeer beleefd van u dat gij aan het centraal-comitee de vrije

ocr page 476

138

beschikking glint over uw leven ; gij zult ons echter toestaan in dit opzicht van eeu andere meening te zijn.

«Gij ziet dat we de middelen hebben om tot gehoorzamheid aan de bevelen onzer regeering te dwingen en ik raad u aan ons niet door ijdelen wederstand tot het aanwenden van geweld te noodzaken.»

«Ik dank u voor uw raad en zou u nog dankbaarder zijn, zoo gij in uw arooten ijver niet wordt vergeten, dat de grond, waarop gij staat, o-een vrij veld is, maar bijzonder eigendom, en dat de vreemde paardenhoeven alleen met toestemming van den eigenaar hier hun sprongen mogen doen. Voor zoover mij bekend is hebt gij die nog niet gevraagd.» . , , .. ..

«Genoeg, mijnheer, 't is tijd een einde te maken aan die praatjes,» riep de ruiter ongeduldig; «uls gij inderdaad gerechtigd zijt den eigenaar van dit landgoed te vertegenwoordigen, dan eisch ik van u den toekan0, tot dit kasteel onverwijld te openen en uw wapenen uit te le-

Ö O

veren.» . . , ... .

ccTot mijn leedwezen,)) hernam Von h ink, «ben ik in de onmogelijkheid li uw verlangen toe te staan. Ik voeg hierbij nog het verzoek, dat oii en de heeren met gescheurde laarzen, die daar achter u staan, zoo luoedig mogelijk dit goed zult verlaten. Mijn jeugdige vrienden hier zijn juist op het punt te probeeren ot' zij de molshoopen onder hun voeten kunnen raken. Het zou jammer zijn zoo zij te gelijk de bloote 'teenen uwer krijgskameraden troffen. Vertrek, mijnheer.» nep hij eensklaps, zijn onverschilligen, half spottenden toon veranderende, met een zoo sterke uitdrukkking van toorn en minachting, dat het paard des ruiters steigerde on de man zelf' naar zijn pistool greep.

Onder dit gesprek waren de ruiterij en eenige troepen van het voetvolk naderbij gekomen, om de woorden die gewisseld werden, te hooren. Meer dan eens richtte zich een geweerloop op Von I'nik maar werd telkens door enkele der officieren, die met hun paarden langs de celedereu der gewapenden reden, neergeslagen. Bij de laatste woorden vaiiquot; Von Fink echter lei oen woeste kerel in een oud jachtbuis op hem aan ; een schot viel, en de kogel vloog langs Von Finks wangen in de planken der deur. Op hetzelfde oogenblik werd in de hoogte een half gesmoorde gil gehoord, boven van den toren een bliksemende vuurstraal gezien, de voorbarige vijand viel getroffen op den grond. De parlementair keerde zijn paard om, de vijanden trokken terug, en Von Fink sloot de deur. Toen hij omzag stond Leonore achter hem, met het afgeschoten geweer in de hand, de groote oogen ontsteld op Von Fink vestigende. «Zijt ge gewond?» vroeg zij buiten zich zelve.

«In «reenen deele, trouwe kameraad,» riep Von Fink. Leonore wierp net geweer weg en viel voor de voeten van haar vader neder, haai gelaat tusschen zijn knieën verbergende. De vader boog over haar heen, nam haar hoofd tusschen zijn handen, en de koortsachtige gejaagdheid van de laatste uren maakte dat hij zenuwachtig begon te snikken. De dochter omknelde hartstochtelijk het trillende lichaam baars vaders en hield hem zonder een woord te spreken in haar armen. Zoo stonden zij elkander omvattende : een gebroken leven, en een ander, waarin de gloed des levens tot verteerende vlammen oversloeg. Von Fink zag naar buiten ; de vijanden waren teruggegaan, de aanvoerders reden buiten schot open

neer, naar het scheen, om samen de zaak te overleggen. Haastig trad hij

op Leonore toe, en de hand op haar arm liggende, zei hij: «ik dank u,

ocr page 477

1.19

freule, dat gij zoo zonder te weifelen den ellendeling voor zijn verraad hebt gestraft. Nu verzoek ik u dringend met mijnheer uw vader deze plaats te verlaten. Wij zullen ons beter houden, zoo niet de zorg voor u onze oogen van den vijand aftrekt.» Leonore beefde heftig, toen hij haar aanraakte, en een gloeiend rood bedekte haar wangen en voorhoofd.

«Wij zullen gaan,» antwoordde zij met neergeslagen oogen. «Kom, vader.» Zij geleidde den baron, die haar gehoorzaam volgde, de trappen op naar het vertrek harer moeder. Daar wist zij met ongeloofelijke wilsinspanning zich zelve te beheerschen en zich bedaard te houden, ging naast het bed der lieve kranke zitten en kwam dien avond niet meer in Von Finks nabijheid.

«Nu zijn we onder ons,» zei Von Fink tot den wachtpost, nu op korten afstand uw man gekozen en goed gemikt. Als zij tegen dezen steenklomp aanstormen, zullen zij er niets dan bebloede hoofden mee winnen.» Zoo stond hij met zijn ki ijgsgezellen en zag met een scherpen blik op de troepen der vijanden. Daar heerschte een groote be-drijvigheid: enkele afdeelingen trokken naai' het dorp, de kavaleristen reden op den weg heen en weer; zij voerden iels in't schild. Eindelijk kwam een troep aan en voerde dikke planken en ledige wagens mede. De bovenstukken werden er afgenomen en de onderstellen op een rij geplaatst, met de dissels van het slot af, de achterwielen naar het kasteel toe gewend; daarop werden planken op den grond boven elkaar gespijkerd en schutdaken getimmerd, die schuins aan het achterdeel der wagens vast gemaakt, een voet of wat boven het onderstel uitstaken en aan vijf ot' zes man een vrij goede beschutting gaven.

«Verzoek mijnheer Wohlfart even hier te komen,» riep Von Fink een der schutters toe.

«Ik heb een schot gehoord,» zei Anton, het voorhuis binnenkomende, «is iemand gewond?»

«De dikke deur en een van het gespuis daar buiten,» antwoordde Von Fink. «Van den toren hebben zij zonder bevel op het eerste schot der vijanden geantwoord.»

«Bij het achterplein is geen vijand meer te zien. Eerst kwam er een troep paardenvolk aan de poort, één waagde zich tot dicht bij het beschot en wou door de reten zien. Toen ik echter boven de schutting uitkeek vloog hij geheel verbluft weg.»

«Kijk dien kant eens uit,» zij Von Fink; zij hebben daar een aardig gezelschapspelletje, zij maken barricades. Zoo lang het licht genoeg blijft om te zien is het gevaar niet groot. Maar in den nacht zonden zij met die raderdaken dicht genoeg kunnen komen.

«De lucht blijft helder,» antwoordde Anton, «een heerlijke sterrenhemel.»

«Als ik maar wist,» zei Von Fink, «waarom zij zoo dwaas zijn juist den sterksten kant onzer vesting aan te tasten. Ik geloof zeker dat je vriendelijk vreedzaam gezicht op hen gewerkt heeft als het Medusahoofd. Gij zult van nu af als een schrikbeeld beschouwd worden in eiken slavonenoorlog.»

«Het was donker geworden toen het timmeren aan de wagens ophield.

Fen kommando werd vernomen, de aanvoerders riepen sommigen bij namen op om zich aan de dissels te plaatsen ; zes beweegbare daken werden met groote vaart tot op ongeveer dertig pas van het slot voortgerold.

«Nu komt het er op aan,» riep Von Fink. «Blijf hier; Anton, en zorg

ocr page 478

•140

voor de benedenverdieping.» Von Fink sprong de trappen op; de lange reeks der vertrekken stond open, men kon van liet eene einde van het huis tot het andere zien. «Past op je hoofden,» riep hij de wachtposten toe. En terstond daarop vloog een ongeregelde salvo naar de vensters van de bovenverdieping, de loden hagelkorrels rammelden door de ruiten, kletterend vielen de stukken op den grond. Von Fink nam zijn fluit; een schelle toon klonk door het geheele huis; boven van den toren en uit de beide verdiepingen antwoordden de welkomstschoten den belegerden. Nu volgde van weerszijden een ongeregeld knallend geweervuur. De toestand der belegerden was ontegenzeggelijk gunstig; hun beschutting was beter en de duisternis in het slot grooter dan in de open lucht.

In de tusschenpoozen hoorde men Von Finks luidde stem: «uedaaru, jongens, voorzichtig.» Hij was overal; zijn lichte tred, zijn heldere stem, tusschendoor een aardigheid: dit alles hield den moed onder de men-schen levend. Ook de ziel van Leonore werd daardoor met een gevoel van bewondering en angst vervuld; niet langer dacht zij aan het vree-selijke van haar toestand en bij de krampachtige trekkingen van haar vader en het zachte kermen barer moeder, vertwijfelde zij toch niet, want even als een heilgroet klonken haar de woorden van den beminden man in de ooren.

Wel een uur lang duurde de strijd voor de muren des kasteels. bomber lag het reusachtig gevaarte in het matte licht der sterren; geen menschelijke gedaante was er van buiten in te ontwaren; de vuurstraal alleen die van tijd tot tijd uit een der vensteropeningen naar beneden schoot, verkondigde den vijanden buiten dat er doodend leven in het slot was. Wie door de vertrekken wandelde kon hier en daar een donkere gestalte zien in de schaduw van een pilaar verborgen; hij zag wellicht het oog fonkelen en het hoofd voorover buigen om de zwakke zijde van den vijand uit te vorschen. En toch geen van de mannen, die thans krijgsdienst verrichtten, was aan den bloedigen arbeid gewoon. Van den ploeg, van het ambacht, uit allerlei vreedzame bedrijven waren zij hier samen gekomen, en angstige spanning, koortsachtige ongeduldigheid had den ganschen dag op het gelaat van allen, ja van de dappersten zelfs, te lezen gestaan. Nu merkte Anton met een zeker pijnlijk genoegen op, hoe kalm hij zelf en hoe moedig de mannen waren. Zij waren in hun gewone doen; zij werkten; zelfs bij den doodelijken vernielingsarbeid kon men opmerken, welke vruchten de gewoonte van een ijverig streven den mensch oplevert. Na de eerste schoten laadden de mannen zoo bedaard, als of het hun dagelyksch handwerk was geweest. Het gelaat van den knecht was niets bezorgder, dan wanneer hij achter zijn ossen op de voren in den akker zag, en de knappe snijdersbaas behandelde loop en kolf van zijn wapen met dezelfde onverschilligheid als het hout van zijn strijkijzer. De posten op het achterplein alleen waren onrustig, niet uit angst, maar omdat zij ontevreden waren over hun eigen werkeloosheid. Nu on dan beproefde een vurig jonkman achter Antons rug liet huis binnen te sluipen, om aan den voorkant zijn geweer af te schieten, zoodat Anton genoodzaakt werd den ingenieur aan de plaatsdeur te zetten, om het dappere ontloopen te beletten.

«Och, ééns maar, mijnheer Wohlfart, laat mij ééns op die kerels schieten,» smeekte een jonge man uit het dorp dringend.

ocr page 479

141

«Wiidit maar,» antwoordde Anton lachende, «je beurt zal ook wel komen ; binnen een uur lost ge die van den voorkant af.»

Inmiddels rezen de sterren al hooger en hooger; van beide kanten verminderde het vuren; 't was alsof beide partijen afgemat waren.

«Onze mannen zijn in 't voordeel,» zei Anton tot zijn vriend; «die op het achterplein zijn niet meer te houden.»

«Over het geheel is het nu niet veel meer dan een schieten in den blinde,» hernam Vou Fink; «zij doen wel hun best om good te mikken, maar het is toch meestal toeval als de kogel kwaad doet. Behalve kleine wonden hebben wij niets geleden, en ik geloof dat die daar beneden hun genoegen ook niet veel duurder hebben betaald.»

Terwijl zij zoo spraken, hoorden zij liet rollen der raderen. «Luister, zij trekken hun strijdwagens terug.» Het schieten hield op; langs de geheele lijn verdwenen de donkere volkshoopen in do duisternis. «Laat de wachten aflossen,» vervolgde Von Fink, «en als ge iets hebt, geef hun dan wat te drinken, want zij bobben zich dapper gehouden. Dan wachten we verder rustig het voortzotten van hot werk af.»

Anton liot spoedig eenige vorverschingen onder de mannon uitdeelen, en doorliep hot geheele huis, terwijl hij de posten afloste en het go-bouw van den zolder tot den kolder onderzocht. In de vrouwenkamers van de benedenverdieping vernam hij reeds van verre oen kertnon en klagen dooreen. Toon hij binnen trad vond . hij de naakte wanden door een kleine keukenlamp armoedig verlicht, do grond was met stroo bedekt, en daarop hurkten en lagen in kleine hoopjes de vrouwen en kinderen bij de geredde goederen. De vrouwen gaven aan haar angst lucht door allerlei hartstochtelijke bewegingen; sommige staken ieder oogenblik de armen in do hoogte, en riepen de hulp dos homels in, zonder iets anders te gevoelen dan een onuitsprekelijken angst; andere staarden wanhopend voor zich uit, geheel versuft door al het schrikkelijke dat zij dien nacht haddon beleefd. Den aangenaamsten indruk nog maakten de kinderen, die naar hartelust weenden en zich verdei om niets bekommerden. Te midden van deze ellende lagen drie kleine kinderen met hun hoofdjes op een kussen rustende en sliepen, do handjes over de barst, zoo rustig, als tehuis in hun bedstee en een jonge moeder zat in een hoek, wiegde haar sluimerend kind, en scheen aan niets anders te donken. Kindelijk wandelde zij, altijd op haar kind ziende, naar Anton en vroog hom fluisterend hoj het haar man ging.

Intusschen leiden de vijanden van hun kant groote vuren aan: een deel der gewapenden zat bij de vlammen, men zag dat zij pannen op het vuur zetten en hun avondkost bereidden. Ook in hot dorp was alles op de been; daar hoorde men schreeuwen en komman-dooron; van het kasteel uit zag men overal lichten en een gedurig heen en weer loopen op de dorpstraat. «Dat lijkt niet voel naar rust,» zei Anton. Op hetzelfde oogenblik sloeg de klopper op do achterpoort; de vrienden zagen elkaar aan en snelden naar do plaats. «Rothsattel en palrijzon,» fluisterde een stom, hot wachtwoord verzinnende. «De houtvester !» riep Anton. Hij schoof den grendel weg en liet den oude binnen. «Maak dicht,» zei de houtvester, «zij zijn mij op hot spoor. Goeden avond saam ; ik kom vragen of ge mij ook gebruiken kunt?» «Gauw naar binnen,» zei Anton, «daar kun je ons alles vertollen.»

ocr page 480

-142

«In het bosch is alles stil als in de kerk,» zei de houtvester. «Op de weide aan de beek ligt het vee, ook de herder met zijn diertjes is daar De pachter houdt de wacht. Ik ben in den donker op verkenning in het dorp geslopen en kom om u te waarschuwen. Daar het met schieten niet gelukt is, willen de schelmen het nu met braiidstichling nrobeeren. Zij hebben al de teer en wagensmeer uit het gansche dorp onaexocht, de spaanders van de boerinnen uit de hofsteden gehaald, en waar zij een olielamp vonden hebben ze die over het rijs uit-

pe«Zif willen zeker de achterpoort in brand steken,» zei Von Fink.

De houtvester vertrok zijn gezicht. «Neen, de achterpoort is het niet; daar zijn ze zoo bang voor als voor de hel. Daar gij immers kruitwagens en een houwitser op do plaats hebt. . . .» , .

«Kruitwagens?» vroegen de vrienden verbaasd. «Welja,» knikte de houtvester; «zij hebben door de schietgaten van het schot blauwe wagens gezien en paarden en een mortier.»

Kareis nieuwe aardappelenwagens, het tweespan,» riep Anton, «en

de waterton.» , . , , n

«Dat zal wel de houwitser wezen,» hervatte de houtvester, «Up mün weg hierheen keek ik eventjes door de achterdeur in de herberg en loerde of ik ook een kennis kon vinden. Juist kwam Rebekka met emmers water buiten ; ik floot zachtjes en riep haar achter den stal. «Zilt o-ij daar ook, oude toovenaar!» zei het malle kind, «pas maar on dat ze je niet een kop kleiner maken; ik heb geen tijd meer om mii langer met je te bemoeien, ik moet de heeren bedienen, zij willen koffie drinken.» «Wel ja, waarom geen champagne,» zei ik. «liet zijn lieve jongens, die heeren, lieve engel,» hervatte ik, want met zulke zoete woordjes wint men de vrouwen. «Crij zijt zelf een leelijkeit,» zei liet meisje en lachte me vriendelijk toe, «maak dat je wee komt.» «Zij zullen ii toch niets doen, kleine Rebekka,» zei ik weer en kneep haar in de wangen. «Dat gaat je niet aan, heksenmeester,» antwoordde het lieve wicht, «als ik een kik geef, vliegt de heele kamer mii te hulp. Ik wil niets met jé te doen hebben. «Kom wees zoo boos niet » fleemde ik, «wees liever een goed kind, vul mijn (lesch eens en breng ze me weer hier. Men moet in slechte tijden iets voor zijn vrienden over hebben.» Daarop rukte zij mij de (lesch uit de hand en zei: «Wacht even, maar houd je stil,» en liep met haar emmers terug. Een oogenblik daarna kwam zij weer en bracht mij de llescli geheel gevuld, beste snaps; 'tis een goedig schepsel. En toen ze mij de llesch overhandigde, riep zij: «Als je bij de jonge heeren op het kasteel komt zeg hun dat onze gasten daar binnen mooi bang zijn vooi hun grof geschut; zij hebben ons gevraagd of het waar was dat ze kanonnen hadden. Ik heb gezegd dat ik wel wist dat er zoo n groot ding op het slot moest wezen.» - Nu sloop ik stilletjes weg en kroop in een sloot langs mannen met zeisen, die achter onze plaats op post staan. Toen ik hen honderd pas vooruit was, zette ik het op een loopen en hoorde hen achter mij vloeken; zoo staat het.»

«Dat brandstichtersplan is een lastige inval,» zei Von Innk; als zij de kunst goed verstaan, kunnen zij ons rooken als hammen.»

«De drempel is van steen en de groote deur staat hoog boven den grond,» zei de houtvester. , , ,

«Ik ben niet bang voor de vlammen, maar voor den rook en de gloed,»

ocr page 481

143

hei nam Von Fink; «als zij onze vensters verlichten zullen onze men-schen nog slechter raken. Ons geluk is het dat de heeren op en-gelsche zadels, die den vijand aanvoeren, tot nu toe waarschijnlijk geen andere vestingen hebben ingenomen, dan de zoodanige, die dooi eon viouwenrok verschanst-waren. Wij zullen alle manschappen naai voien brengen, op het achterplein alleen de noodige posten houden, en op Rebekka's leugens bouwen.»

Nieuwe patronen werden rondgedeeld en een andere indeeling der soldaten bepaald : in de zalen van de boven- en de benedenverdieping en op het platte dak werden meer mannen gezet; beneden kommandeerde de smid, op de bovenverdiepitig Anton; de houtvesier bleef met een kleinen troep in reserve. En het was hoog tijd, want wederom hoorde men in de verte een verward gegons: bevelen, den tred der aanrukkende vijanden en liet rollen der wagens.

«Houdt de kogels in den loop,» riep VorAnnk, «en schiet alleen op de kerels die de deur bestormen.»

De wagens met de schutdaken rolden nader, evenals vroeger ; de aanvoerders gelastten vuur, en een verwoed schieten der vijanden begon, nu hoofdzakelijk op de noodlottige deur en de ramen daarnaast gericht. Met luid geweld sloegen de kogels tegen de deur en de muren; meer dan één vond zijn weg door de vensterruiten en vloog over de hoofden der verdedigers in de zoldering. Von l'ink riep den houtvester: «Je moet iels wagen, oude ; schaar je mannen bij de achterdeur in orde, open de poort, sluip vlak langs het huis den hoek om en val de vrienden achter die drie wagens links, die wat al te dicht bij het slot gekomen zijn, in den flank aan. Irek ze zoo na mogelijk bij het lijf, je kunt ze alien plat schieten als je goed mikt. De wagens zijn niet gedekt;'vóórdat het gespuis hun te hulp kan komen zijt go weer terug. Wees vlug en voorzichtig ; ik zal je met mijn fluit het teeken geven, wanneer je uit de schaduw der muren hen moet overvallen.»

De houtvester riep zijn mannen bijeen en spoedde zich naar het plein. Von I ink zocht Anton op. .Telkens heviger werd het vuur der vijanden. «Ditmaal wordt het ernst,» zei Anton. «Onze mannen beginnen warm te worden.a

«Daar nadert het gevaar,» riep Von Fink en wees door het venster naar een hoogen vormloozen klomp, die langzaam al dichter en dichter bij kwam. Het was een hooiwagen, breed en ontzettend hoog geladen, die door een onzichtbare hand bestuurd, recht op liet kasteel aangeiold werd. ^«Een brandwagen ! bovenop glinsteren de gele stroo-bundels. Wat zij willen is duidelijk, /ij duwen aan den dissel en stooten den wagen tegen den toren aan. Nu komt het er op aan goed te mikken ; geen van de schelmen die meeduwen mag terug.x Hij vloog de trappen naar den toren op en riep de mannen die daar op het plat stonden toe; «Alles hangt thans van u zelve af; zoodra gij de menschen ziet, die den wagen vooruitschuiven, vuur! Die de hand aan dezen wagen heeft moet gedood worden.» Langzaam rolde het gevaarte naderbij. Von Fink nam zijn geweer met dubbelen loop op, en lei den kolf tegen don wang. Tweemaal mikte hij en tweemaal zette hij het ontevreden neer. De wagen was zoo hoog geladen, dat het onmogelijk werd de personen, die hom voortstuwden, te onderscheiden. Het waren oogenblikken van angstige spanning aan beide kanten: ook het vuur der vijanden hield op, aller blikken waren gevestigd op den

ocr page 482

iU

dreigenden wagen, die thans aan den verbitterden stiijd een vreeselijk einde zou maken. Ten laatste werd de rug der laatsten, die aan den dissel duwden, zichtbaar. Een dubbele vuurstraal schoot uit Von I'inks geweer, twee gillende kreten werden gehoord, de wagen bleef staan ; zij die hem duwden drongen dichter opeen, men zag twee donkere gedaanten op den grond. Von Fink laadde op nieuw; om zijn lippen speelde een woeste glimlach. Een woedend schieten tegen den toren was het antwoord der vijanden. Een van de mannen op het plat werd in de borst getroffen, zijn geweer viel over de borstwering en kletterde op den grond, de man zelf stortte voor Von Finks voeten neder. Von Fink wierp ter loops een blik op den ongelukkige en stampte den tweeden kogel in. Met bliksemsnelheid vlogen eenige personen uit de duisternis op den wagen, een luid kommando drong tot den toren dooien wederom rolde het vernielende gevaarte voort. «Dappere jongens,» prevelde Von Fink, «zij zijn kinderen des doods.» Nu begon men de lichamen aan den dissel duidelijker te zien. Von Fink lei nog eens aan en onmiddellijk op elkander vlogen van den toren de doodelijke kogels naar den wagendissel. Weer een angstkreet; maar de wagen bleet voortgaan. Ter nauwernood dertig pas was hij van do deur. Het werd hoog lijd. Daar giklo de doordringende toon van liet beenen lluitje, lang aangehouden, door den donkeren nacht heen ; uit de ramen van de bovenverdieping knalde het vurige salvo, en links van het slot vei -hief zich een luid geschreeuw. De houtverster deed zijn uitval ; een troep zwarte gestalten stormden tegen het stutdak, dat het naast bij den hoek stond ; een oogenblik slechts was er strijd, enkele schoten vielen; verschrikt liepen de verraste vijanden van den wagen weg, het open veld in. Voor de derde maal trof het vernielende vuur van den toren den dissel van den hooiwagen ; als door een panischen schrik aangetast, vluchtten de mannen van achter den wagen weg naar de duisternis. Niet tot hun redding. Van den toren en uit de ramen van het kasteel troffen doodaanbrengende kogels de hulpeloozen. De mannen op het slot zagen dat verscheidene der vijanden neerstortten. In de verte verhief zich een toornig geschreeuw ; met gezwinde pas naderde een nieuwe afdeeling om de vluchtelingen op te nemen. Een algemeen vnren op liet hnis begon. Daarna trok de vijand met den-zelfden spoed waarmee hij vooruitgedrongen was terug, en nam de ge-sneuvelden en de versterkte wagens mede buiten het bereik der kogels. Alleen de brandstichter, een donker gevaarte, stond nog op eenige passen van de deur. liet schieten staakte ; op den moordenden strijd volgde een akelige stilte. In het voorhuis ontmoetten Von Fink en Anton elkaar; de houtvester kwam er weldra bij. Zonder een woord te spreken beproefde ieder der vrienden in het flauwe schemerlicht te zien of de ander ongedeerd voor hem stond. i i ••

«Uitmuntend uitgevoerd, houtvester,» riep Von Fink; «verzoek nu bij den baron toegelaten te worden en breng hem van alles rapport.»

«En vraag dan meteen aan freule Leonore u het noodige te geven voor het leggen van een verband; wij hebben verliezen geleden,» sprak Anton treurig en wees op den grond, waar twee mannen tegen den muur geleund, zaten te steunen.

«Daar komt nog een derde,» antwoordde Von 1' ink, op een donkei lichaam wijzende, dat langzaam door twee mannen de trappen werd afgedragen. «Ik vrees dat hij dood is; hij lag als een stuk hout voor mijn voeten.»

ocr page 483

445

«Wie is het?» vroeg Anton huiverend.

«Barowski, de kleermaker,» zei op (luisterenden toon een der dragers.

«Wat een vreeseiijke nacht!» riep Anten, zicli omkeerende.

«Daaraan mogen we niet denken, «sprak Von Kink; een menschen-leven is slechts dan iets waard als de eigenaar de noodige bedaardheid heeft om het, zoodra het voeg geeft, te verlaten. De hoofdzaak is dat wij die brandfakkel van ons hebben afgehouden. Maar 't is gansch niet onmogelijk dat het den schelmen nog gelukt den wagen aan to steken, ofschoon hij ons daar, waar hij staat, niet veel kwaad zal doen.»

Op dit oogenblik viel eensklaps een fel licht door de schietgaten van den toren naar binnen. Alles vloog naar de ramen. Van den wagen sloeg een onverblindende vlam in de hoogte en met een harden ruk dreunde het logge gevaarte tegen de muren van het slot. Een enkele man sprong van het voertuig af, een twaalftal geweren waren in een oogwenk op hem gericht.

«Halt!» riep Von Fink mot doordringende stem: «hot is te laat, spaart hem; hij is een dappere kerel; het ongeluk is gebeurd.»

«Merci, monsieur, au revoir,» riep een stem van beneden, en ongedeerd verdween de man in de duisternis.

In een oogenblik stond de wagen in brand; uit het stroo en het rijs, waarmee hij hoog opgeladen was, stegen al (likkerend do gele vlammen, en door den hevigen gloed trokken dwarrelende witte rookkolommen in de hoogte. Het huis was opeens helder verlicht. De damp drong in dikke wolken door de stuk geschoten vensters.

«Dat is leelijk,» riep Von Fink. «Bedaard, rustig, mannen ! Wij slaan de vijanden af, als zij weer een aanval doen; ga gij, Anton, zien of gij het vuur meester kunt worden.»

«Water?» riepen verschillende stemmen tegelijk, «ginds beginnen de kozijnen al te branden.»

En buiten weerklonk een nieuwe kommandokreet, de trom roffelde, en onder een woest geschreeuw naderden de vijanden in grooten kring het slot. Opnieuw begon het vuur der belegeraars, om het blus-schen van den brandwagen te verhinderen. Uit de waterton op de plaats werd water aangedragen en over de verslindende vlammen van het venster gegoten; het was een gevaarlijk werk, want de voorzijde van het kasteel was na verlicht en op iedere gedaante, die zichtbaar werd, richtten zich de schoten der vijanden, welke steeds stouter voortdrongen. Angstig zagen de verdedigers naar de vlam en beantwoordden met onvaste hand het vuur. Ook de wachtposten op de plaats zagen meer achterom dan vooruit; de wanorde werd algemeen, de tijd van het grootste gevaar was aangebroken, alles scheen verloren.

Van den toren riep een man naar beneden : «Zij brengen korte ladders uit het dorp, men kan de bijlen in hun handen zien.»

«Ze willen het planken beschot overklimmen; zij slaan de vensters van de benedenverdieping in.» riepen de mannen verschrikt dooreen. De houtvester vloog naar de achterplaats en Von Fink nam eenige soldaten, die vlak bij hem stonden, mee naar den vleugel van het kasteel, die door een troep met ladders werd bedreigd. Alles schreeuwde in de grootste verwarring; zelfs Von Finks dreigende bevelen drongen niet meer door tot de ooren der ontstelde menigte.

DKBET EN CUEDIT 11. 10

ocr page 484

140

Te goeder ure kwamen eenige mannen met ijzeren stangen van de achterplaats naar het voorhuis aansnellen. «Plaats!» riep een stevige kerel, «dat is smidswerk.» Ue man schoof de grendels weg; de opening der deur was geheel gedekt door den brandenden wagen. Met de zware stang stak de smid in weerwil van rook en vlammen uit alle macht in het brandende hout van den wagen. «Helpt mee, lafl'e hazen,» riep hij in drift.

«Hij heeft gelijk,» sprak Anion; «komt, handen uit de mouwen, mannen.

Planken en disselboomen werden aangebracht en onversaagd drongen de mannen door den damp heen voorwaarts en staken en woelden in den gloeienden hoop. Meer dan eens moesten zij teruggaan, maar telkens opnieuw dreef de smid hen hut vuur in, Ten laatste gelukte het den moedigen man, enkele schoven van den wagen af te werpen. Door de opflikkerende vlam zag men boven de deur de donkere lucht: er kwam een tochtje, een lichte wind stak op, de damp werd minder stikkend.

«Nu hebben we de heele partij,» riep de smid juichend, en de eene brandende bundel na den ander vloog op den grond ; daar stierven de kleine hoopjes zonder kwaad te doen uit. Met verbazenden, steeds toenemenden spoed werd de wagen afgeladen: brandende veeren bedden en groote houtsblokken vieleti naar beneden.

Anton liet de deur half sluiten ; daar de kogels der vijanden nu door de vlammen van den wagen heensnorden, moesten de arbeiders hun hefboomen met grooter voorzichtigheid hanteeren. De wagenzijden vielen verkoold ineen en met een blijden kreet zetten de arbeiders hun stangen tegen het onderstel en schoven het onderschot van den wagen eenige passen van de poort af. Daarop werd de deur haastig gesloten en de dapperen, zwart als duivels, en met verbrande kleederen, wenschten elkaar geluk.

«Zoo een nacht maakt goede vrienden,» zei de smid verheugd en vatte in zijn blijdschap Antons hand, die niet minder zwart was dan de zijne. — Intusschen kletterden de bijlen der belegeraars tegen de blinden van verscheiden vensters in de benedenverdieping, de losgemaakte planken kraakten, en Von Finks stem donderde : «Slaat ze mot de kolven op den kop.» Anton en de smid ijlden naar de vensters, waardoor de belegeraars zochten binnen te dringen. Ook daar was het gevaarlijkste werk reeds afgeloopen, toen zij aankwamen. Von Fink kwam hun tegen, de bebloede bijl van een Pool in de hand houdende ; hij slingerde ze ver van zich en riep den troep bij Anton toe ; «Slaat nieuwe planken aan de ramen, ik hoop dat het moorden uit is.»

Nog enkele salvo's van buiten en enkele scholen van den toren ; daarna werd het weer stil in het slot en op de vlakte; nog speelde op de muren van het kasteel het roodachtig licht, maar het schijnsel werd flauwer en flauwer. Buiten verhief zich de wind en joeg den rook, die uit de verbrande deurposten opsteeg, langs de muren de duisternis in. De zuivere nachtlucht vervulde weer den gang en het voorhuis, en kalm schoten de sterren haar stralen op de gezichten der verdedigers, op holle oogen en bleeke wangen. De krachten der strijders waren uitgeput, op het kasteel zoowel als buiten op het veld.

ocr page 485

UI

«Hoe laat hebben we liet al?» vroeg Von Fink en ging naar Anton, die door de schietgaten de bewegingen van den vijand volgde. «Over twaalven,» antwoordde Anton. Zij beklommen den toren en zagen in de rondte. Het grasveld rondom het kasteel was geheel vrij. «.Zij zijn gaan slapen, de goede vrienden,» zei Von Fink,» «ook de wachtvuren ginds sterven uit; uit het dorp komen nog enkele geluiden tot ons. Alleen de schaduw daar verderop toont dat we omsingeld zijn. Zij hebben een ketting in een wijden kring om het kasteel geplaatst, dat zijn onze nachtwachten. Wij hebben eenige uren vrede voor ons. En daar wij morgen denkelijk niet rustig zullen kunnen uitslapen, moeten onze manschappen dien tijd goed gebruiken. Laat alleen de noodzakelijkste posten staan en ze om de twee uur allossen. Als ge er niets tegen hebt ga ik naar bed. Laat mij roepen zoodra zich buiten leven vertoont. Voor de nachtposten zult gij best zorgen, dat weet ik wel.» Met deze woorden keerde Von 1'ink zich om en ging naar zijn kamer, waar hij zich op zijn bed wierp en na korte oogenblikken rustig Insliep. Anton spoedde zich naar de wachtkamer, verdeelde met den houtvester de posten, en bepaalde de volgorde der aflossing. «Ik kan toch niet slapen,» zeide de oude, «vooreerst om mijn jaren en dan omdat ik jager ben; ik zal, als ge het goedvindt, voor de nachtwacht zorgen en overal een wakend oog laten gaan.»

Nog eens zag Anton op de plaats rond en in de stallen ; ook hier was de rust hersteld; alleen de paarden stampten ongeduldig op den harden grond. .Zachtjes opende hij de deur van de vrouwenvertrekken; in de tweede kamer had men de gewonden geleid. Toen Anton binnenkwam zat Leonore op een bankje naast een strooleger, voor haar twee van de vreemde vrouwen. Hij boog over het bed van den gewonde, maar de bleeke trekken en het verwarde haar staken akelig af bij de witte kussens, die Leonore van haar eigen bed gehaald had. «lloe gaat het met hem?» vroeg Anton fluisterend. «Wij hebben beproefd de wonden te verbinden.» antwoordde Leonore; «de houtvester zegt dat voor belden hoop op herstel bestaat. «Laat gij dan,» vervolgde Anten, «de verdere verpleging aan de vrouwen over en maak ook gij gebruik van deze uren van rust.»

«Spreek me niet van rust,» sprak Leonore opstaande, «ge zijt in het verblijt des doods.» Zij vatte hem bij de hand en geleidde hem naar een anderen hoek; daar lichtte zij een zwarten mantel op en wees hem een menschelijke gedaante die er onder lag.

«Hij is dood,» zei ze met nauw hoorbare stem, «toen ik hem met deze handen opbeurde, is hij gestorven. Aan mijn kleed kleeft zijn bloed, en het is niet het eenige dat heden vergoten is. Ik ben het geweest,» riep zij met een uitdrukking van wanhoop en klemde Antons hand krampachtig in de hare. «Ik heb een begin gemaakt met dat bloedvergieten, lloe ik dien vloek verdragen zal weet ik niet. Als er nog ergens op de wereld een plaats voor mij is dan is het in dit vertrek. Laat mij hier, Wohlfart, en bekommer u niet meer om mij.» Zij keerde zich om en ging weer op het bankje bij het strooleger zitten. Anton wierp den mantel over het lijk en verliet zwijgend de kamer.

Hij wandelde naar de wachtkamer en nam zijn geweer. «Ik ga naar den toren, houtvester,» zei hij.

ocr page 486

m

«Ken mensch zijn lust, een mensch zijn leven,» prevelde de oude. «De andere is verstandiger, die slaapt uit. Maar liet wordt koel daarboven ; zonder mantel mag liij er niet blijven.» Hij zond een man met een boerenmantel op den toren, en beval hem bij zijn heer te blijven. Anton spoorde den man aan wat rust te nemen, en wikkelde zich in het warme kleed.

Zoo zat hij zwijgend en leunde met zijn hoofd tegen de borstwering, waarover Leonore zich gebogen had, toen zij haar geweer afschoot. En zijn gedachten vlogen over de vlakte heen, uit het sombere tegenwoordige naar de onzekere toekomst. Mij zag over den kring der vijandelijke posten en over den nog donkerder kring der denneboschen, die hem hier gevangen hielden en hem bonden aan een toestand, die hem thans zoo vreemd, zoo wonderlijk voorkwam, alsof hij er in een boek over las. Z\jn eigen lotgevallen beschouwde zijn matte blik onverschillig, alsof het die van een ander waren; en rustig kon hij nu tot in de diepte zijner ziel zien, die anders door de beslommeringen der dagelijksche bezigheden voor hem verborgen had gelegen. Hij zag zijn vroeger leven als op een plaat zich voor hem ontrollen; de liefelijke gedaante der adellijke vrouw op het balkon van haar slot, het schoone meisje in het boot je te midden van haar zwanen, het licht der duizend kaarsen in de danszaal, de treurige stonde, toen de barones haar kleinoodiën hem overreikte: altemaal oogenblikken, waarin Leonores oog zoo liefdevol het zijne had gezocht. Al die tijden zag hij voor zich en duidelijk erkende hij nu de tooverkracht die zij op hem hadden uitgeoefend. Alles wat zijn verbeelding geboeid, zijn verstand beneveld, zijn eigenliefde gestreeld had, kwam hem thans als niets meer dan zelfbedrog voor.

Een dwaling was het van zijn jonge jaren, welke de ijdelheid had opgekweekt en levend gehouden. Ach! reeds sints lang was de stralenkrans verduisterd, die den armen zoon des ontvangers het leven der adellijke familie als krachtig, edel, begeerlijk had doen beschouwen. Een ander gevoel was daarvoor in de plaats gekomen, een reiner: een teedero vriendschap voor die ééne, welke in dien kring zich sterk had gehouden, toen alle anderen hem verlieten. En thans was ook dit gevoel, die band, gebroken; zij zelve had zich van hem losgemaakt. Hij gevoelde dat het zoo was, dat het eenmaal zoo wezen moest. Hij gevoelde het in dezen oogenbllk zonder smart, als iets natuurlijks, wat niet anders geschieden kon. En hij gevoelde er bij dat hij daardoor vrij werd van do banden, die hem hier hadden teruggehouden. Hij lichtte het hoofd Op en zag over de bosschen heen de verte in. Hij was ontevreden op zichzelf dat dit verlies hem niet meer leed deed, en dan weer, dat hij het als een verlies beschouwde. Zoo was er dan toch in het binnenste zijner ziel een geheime begeerte geweest, zoo had hij dan toch gedacht het schoone meisje voor de toekomst voor zich te zullen winnen, zoo had hij zich dan toch gevleid in de familie voor welke hij thans werkte, opgenomen te zullen worden, en wel voor altijd! Als hij in vroegere uren van zwakheid dat gevoel gehad had, nu veroordeelde hij het. Hij was niet altijd braaf geweest, hij had in stille zelfzucht aan zich gedacht, wanneer hij Leonore aanzag. Dat was verkeerd geweest en hij had zijn verdiende loon, dat hij nu alleen stond onder vreemden, in omstandigheden, die hem pijn deden, omdat zij niet zuiver waren ; in een toestand, waar-

ocr page 487

149

uit zijn eigen keuze hem niet redden kon, nu niet, en denkelijk ouk niet in de eerste tijden.

En tocli gevoelde hij zich vrij. «Ik zal mijn plicht doen en alleen voor haar geluk zorgen,» sprak hij luid. — Doch haar geluk ? en hij dacht aan Kink en aan het karakter zijns vriends, dat hemzelven nu eetis ontzag inboezemde, dan hem ergerde. Zou hij haar wezenlijk liefhebben, en zou hij zich laten vastkluisteren ? «Arme Leonorel» zuchtte hij.

Zoo stond Anton in gepeins verzonken, totdat de lichtstreep van den noordelijken rand des horizonts naar het oosten trok en van daar een vaal grijs aan de lucht oprees: de schrikaanbrengende bode der morgenzon. Nog eenmaal liet Anton zijn blikken gaan over de uitgestrekte vlakte voor hem; reeds kon hij de posten der landlieden onderscheiden, die twee aan twee om het slot stonden. Hier en daar glinsterde een zeis in het heldere licht. Anton boog voorover en wenkte den man, die naast de bloedplas van zijn gesneuvelden kameraad lag te slapen, daarop ging hij naar beneden in de wachtkamer, wierp zich op het stroo, dat de houtvester voor hem gespreid had, en sliep in, juist toen de leeuwerik van den vochtigen grond opvlooquot; om met zijn vroolijk gezani; de lieve zon te begroeten.

V.

Een uur later wekte hem de houtvester. Anton sprong op en zag met versufte blikken op de vreemde omgeving.

«Met is haast zonde u te sloren,» zei de houtvester, «buiten is alles rustig; alleen het paardevolk van de vijanden is den weg naar liosmin teruggetrokken.»

«Teruggetrokken?» riep Anton, «dus zijn wij vrij?»

«Op het voetvolk na,» zei de houtvester; «die zijn nog altijd twee tegen een van ons. Zij houden ons vast. — En ik heb u nog iets te zeggen. In de ton is geen water meer. De helft hebben ze gisteren opgedronken, en het overige is in den brand gebruikt. Ik voor mij geef niets om den drank, maar het kasteel is vol menschen; zonder een teug water zullen zij het moeielijk den geheelen dag uithouden.»

Anton sprong op. «Dat is geen beste morgengroet, oude.»

«De pomp is aan stuk,» vervolgde de houtvester, «maar als we nu eens een der vrouwen naar de beek zonden?» De posten zullen de vrouwen geen kwaad doen; misschien zullen ze haar niet eens beletten eenige emmers water te halen.»

«Eenige emmers,» zei Anton, «dat zal ons niet veel helpen.»

«'t Is toch altijd iets voor een hartsterking,» hernam de oude, «men moet het dan verdeelen. Als Rebekka slechts hier was, die zou ons wel water bezorgen. Nu moeten we het met een andere probeeren. Die kerels daar zijn niet kwaad tegen vrouwen, als deze namelijk maar goed hebben. Zoo ge er niets tegen hebt, zal ik het met een van onze meisjes beproeven.»

De houtvester riep naar de keuken beneden; Suska!» Het jonge meisje kwam uit het gewelf naar boven.

ocr page 488

150

«Uoor eens, Suska,» sprak de houtvester langzaam, amp;als mijnheer de baron wakker wordt, zal hij frisch water verlangen; de voorraad op het kasteel is uitgeput; om te drinken hebben we bier en sterken drank genoeg, maar welk menschenkind kan zijn handen in bier wasschen? Neem haastig de emmers en haal ons water; loop ginds naar de beek, je zult het met de vriendjes wel klaar spelen. Maar praat niet lang met hen, anders krijgen we nog leven van mijnheer den baron. — En hoor nog even, vraag aan de boeren waarom ze met hun lansen daar blijven staan, hun paardevolk is al lang weg. Wij hebben er niets tegen, uls zij ook optrekken.»

Met groote bereidwilligheid nam het meisje de emmers, de houtvester opende de plaatsdeur, en de kleine dribbelde naar de beek. In onrustige verwachting volgde Anton haar met de oogen. Het meisje kwam aan de beek door niemand tegengehouden en zonder zich te storen aan den wachtpost, die een pas of twintig van haar stond en nieuwsgierig naar haar zag. Eindelijk ging een van de zeisdragers tot haar, het meisje plaatste den emmer op den grond; zette de armen in de zij en beiden begonnen een vreedzaam praatje. Het duurde niet lang of de zeiseman nam zelf den emmer op, bukte om water te scheppen, en gaf hem gevuld aan het meisje terug. Langzaam droeg zij haar emmers naar het kasteel, de houtvester opende haar de deur en zei met glimmende oogen: «Knap zoo, Suska. Wat heeft die man al met je gesproken ?igt;

«Malligheid,» zei het meisje blozende, «hij heeft mij gezegd dat ik voor hem en zijn kameraden de poort zou openmaken, wanneer zij weer bij het kasteel komen.»

«Anders niet?» lachte de houtvester. «Dus willen ze het kasteel weer aanvallen ?»

«Zeker willen ze dat,» antwoordde liet meisje, «het paardevolk is do soldaten den weg naar Rosmin op tegemoet getrokken; zoodra zij terugkomen bestormen zij allen gezamenlijk het slot, zei de man.»

«We zullen ze er toch denkelijk niet inlaten,» hernam de houtvester, «niemand zal de poort door, dan je beste vriend daar. Je hebt het hem toch beloofd, als hij alleen komt en 's nachts?»

«Neen,» antwoordde Suska gebelgd, «maar ik durfde toch niet boos worden.»

«Zouden we het nog niet een tweede maal kunnen wagen?» vroeg de houtvester, Anton aanziende.

«Ik geloof van neen,» antwoordde hij; «ginds rijdt een officier langs de posten, de arme jongen zal buitendien al voor zijn ridderlijke dienst een barschen morgengroet krijgen. Kom, laat ons den kleinen voorraad verdeelen. De eerste helft is half voor den baron, half voor onze manschappen; de tweede zal gebruikt worden voor een morgensoep voor de vrouwen en kinderen.» Zelf goot hij water in de verschillende kruiken en kannen en plaatste er den smid als wacht bij. Onder het inschenken zei hij tot den houtvester: «Dit is hot zwaarste werk wat wij gedurende de belegering gehad hebben. Ik weet waarlijk niet hoe wij dat den geheelen dag zullen uithouden.»

«Het zal wel lukken,» antwoordde hem de houtvester bemoedigend.

Een heldere lentedag brak aan; onbewolkt verhief zich de zon boven de boerderij, weldra verwarmden haar zachte stralen de lucht, die voch-

ocr page 489

151

tig boven de muren van het kasteel liing. De mannen zochten een zonnigen hoek op de plaats; in kleine groepen zaten zij met de vrouwen en kinderen bij elkaar; allen waren vol moed en vertrouwen. Anton ging tot hen en zei: «Wij moeten ons goed houden tot van middag, misschien tot nadenmiddag, dan komen de geregelde troepen,» «Als die daar buiten niet meer doen dan nu, kunnen wij het rustig toezien,» antwoordde de smid; «zij staan zoo onbewegelijk als palen.» «Zij hebben gisteren den moed verloren,» zei een andei'verachtelijk. «Het was stroovuur, de smid heeft bossen van den wagen geworpen; zij hebben nu niets meer in de plaats,» riep een derde.

De smid sloeg de armen tevreden over elkaar, lachte vergenoegd, en met trots zag zijn vrouw naar hem op.

Nu begon men ook in de bovenverdieping teekenen van leven te geven ; de baron schelde en verzocht rapport. Anton vloog naar boven om hem en de dames alles te vertellen, daarna ging hij naar Finks kamer, en wekte den vriend, die nog in een diepen slaap lag.

«Goeden morgen, Tony,» geeuwde Fink en rekte zich op zijn gemak uit; «ik kom dadelijk beneden. Als ge mij door je uitgebreide relatiën wat water kondt bezorgen, zou ik je zeer dankbaar zijn.»

«Ik zal Je een flesch wijn uit den kelder halen,» antwoordde Anton, «je moet je vandaag met wijn wasschen.»

«Wat?» riep Fink, «is het zoo gesteld? 'Lis toch geen roode wijn?» «Wij hebben nog maar enkele llesschen,» vervolgde Anton,

«Je bent een ongeluksvogel,» zei Fink, zijn laarzen aantrekkende, «des te meer bier zal er in de kelders zijn,»

«Juist zoo veel als genoeg zal zijn voor één verversching der manschappen ; een tonnetje brandewijn is op het oogenblik onze groote schat.»

Fink lloot een deuntje. «Zie je nu wel, mijn zoon, dat je weekhartigheid voor de vrouwen en kinderen een beetje overdreven was? Ik zie je in mijn geest voor mij, hoe je met opgestroopte mouwen de magere koe slacht en met je oude nauwgezetheid ze aan het hongerige volk stuk voor stuk toedeelt, Uij in het midden, vijftig wijdga-pende monden om je heen. Laten we maar dadelijk een dozijn ber ketakjes zoeken en tot een roede te zamen binden; binnen weinige uren zal er oen gejank door de hongerige kinderen worden aangeheven dat je er naar van wordt, en gij zelf zult, in weerwil van je menschlievendheid, je genoodzaakt zien den geheelen troep naar buiten te jagen. Overigens geloof ik dat we ons gisteren niet kwaad hebben gehouden; ik heb uitgeslapen en dus mogen do zaken nu gaan zooals zij kunnen. Kom, laat ons eens naar den vijand gaan zien,» De vrienden beklommen den toren ; Anton vertelde hem wat hij vernomen had. Fink onderzocht zorgvuldig den ketting der wachtposten en nam met zijn verrekijker de uitgestrekte vlakte op, tot waar het donkere woud zijn gezicht belemmerde. «Onze toestand is te vreedzaam om troostrijk te mogen heeten,» zei hij ten laatste, den verrekijker inschuivende.

«Zij willen ons uithongeren,» zei Anton ernstig,

«Ik geloof ook dat zij zoo slim zijn en hun berekening is niet slecht, want onder ons gezegd, ik begin er hard aan te twijfelen, of we in het geheel wel op hulp mogen hopen,»

«Op Karei kunnen we rekenen.»

ocr page 490

152

«0|) mijn bruintje ook,» hernam Fink, «maar het is gansch niet onmogelijk dat mijn arme zwartvoet nu reeds het ongeluk heeft om liet logge lichaam van den een of anderen ruiter to dragen. Of vriend Karei quot;niet aan een van de troepen, die ongetwijfeld in den omtrek rondzwerven, in handen is gevallen ; of hij de duitsche troepen gevonden heeft; of deze verder lust hebben om ons te helpen, of zij eindelijk verstandig genoeg zullen zijn om juist bij tijds aan te komen, en of zij ten laatste sterk genoeg zijn om de schaar, die hun den weg naar ons verspert, te verslaan, dat, mijn waarde, zijn allemaal vragen, die wel opgeworpen kunnen worden ; maar ik wil liever alle aardbeien van de heele wereld opeten, dan er een vroolijk antwoord op geven.»

«Wij zouden een uitval kunnen wagen ; maar hij zou zeker bloedig worden,» meende Anton.

«Dat is het minst,» zei Fink, «maar wat erger is, hij zou ons niets helpen. Eén troep jagen we onmogelijk overhoop, en een uur latei-staat er een andere voor ons. Alleen een zegevierend ontzet kan ons nit den nood redden. Zoo lang we binnen deze muren ons recht handhaven zijn wij sterk ; op het open veld worden wij met onze vrouwen en kinderen door een handvol ruiters uiteengejaagd.

«Laten we dan maar bedaard de toekomst afwachten,» zei Anton somber.

«Een verstandig woord, Tony; de geheele levenswijsheid bestaat ten laatste hierin, dat men zich en anderen geen vragen voorlegt, die niet te beantwoorden zijn. Intusschen dreigt het geval vervelend te zullen worden.»

De vrienden gingen weer naar beneden en uur op uur verliep ; trage uren van zwaardrukkende werkeloosheid. Nu zag Anton, dan Fink, met den verrekijker naar de opening in het woud, maar er was niets bijzonders te bespeuren; patrouilles van de vijanden kwamen en gingen, gewapende scharen landlieden trokken naar het dorp en werden naar verschillende kanten weer uitgezonden, de postenketting werd behoorlijk onderhouden en om de twee uren afgelost. Do belegeraars waren thans bezig de dorpen in den omtrek te onderzoeken en te ontwapenen, om daarna het kasteel met vereenigde krachten aan te vallen. De Duitschers waren in hun steenklomp ingesloten als een wild dier in zijn leger, en do jagers wachtten met bedaarde zekerheid het oogenblik af, dat honger, of het vuur en het zwaard, de belegerden naar buiten zouden jagen.

Inmiddels beproefde Fink de menschen op het slot ook bezig te houden ; de mannen moesten hun wapenen schoonmaken en oppoetsen ; zij moesten opkomen en Fink zelf hield inspectie; daarna werd er kruit en lood uitgedeeld, kogels gegoten, en patronen gemaakt. Aan de vrouwen gaf Anton last het huis en de plaats op te knappen voor zoover dit zonder water gedaan kon worden. De goede uitwerking hiervan was, dat het de belegerden eenige uren in bediijvigheid hield en hun gedachten afleidde. De zon steeg hooger en de wind bracht het zachte luiden der klokken van het dorp naar het kasteel over. «De eerste maaltijd is vrij zuinig uitgevallen,» zei Anton tot zijn kameraad, «de aardappels zijn in de asch gebraden ; ook de voorraad vleesch en spek loopt op zijn einde ; de keukenmeid kan het meel niet meer bereiden, het water is weer op.»

ocr page 491

153

«Zoo lang wij do melkkoe nog op stal hebben,» bemoedigde hem Von Fink, «hebben we nog een schat, dien we hel hongerige volk kunnen vertoonen. Dan blijven nog de muizen en ratten over, en ten laatste onze laarzen. Wie in dit land wel eens veroordeeld is geweest om beefsteak te eten, zal leer niet voor een al te taaien kost houden.»

De houtvester kwam dit gesprek storen mot de boodschap: «Een enkelen ruiter komt van den kant der boerderij naar liet kasteel ; achter hem loopt een vrouw ; ik wil wedden dat het Rebekka is.»

De ruiter naderde, met een witten zakdoek wuivende, de deur van liet voorhuis, hield naast de verkoolde overblijfselen van den wagen stil, en zag naar de vensters van de bovenverdieping. liet was dezelfde parlementair van den vorigen dag.

«Wij willeti niet zoo onbeleefd zijn dien heer te laten wachten,» zei Von Fink, schoof den grendel weg, en trad ongewapend op den drempel. De Pool groette zwijgend, Von Fink nam zijn pet even af.

«Ik heb u gisteren avond gezegd,» begon de oflicier, «dat ik heden de eer zou hebben u weer te zien.»

«Och kom,» antwoordde Von Fink, «waart gij het die ons gisteren dien rook bezorgd hebt? 't Is jammer van den hooiwagen.»

«Gij hebt gisteren uw mannen verhinderd op mij te schieten,» vervolgde de Pool in hot duitsch, met een sterk poolsch accent, «ik ben er u dankbaar voor en zou u gaarne mijn erkentelijkheid bewijzen. Naar ik hoor zijn er dames op het kasteel; het meisje brengt haai1 melk. WTij weten ook dat er gebrek aan water is, en ik verlang geenszins dat de dames door onzen strijd zich het een of ander zouden moeten ontzeggen.»

«Gemeene huichelaar!» mompelde de houtvester.

«Als ge mij vergunt n voor de melk eenige flesschen wijn uit onzen kelder in ruil te geven, neem ik het geschenk met dank aan,» hernam Von Fink. «Ik onderstel dat dit vocht in de herberg voor u evenmin in overvloed zal stroomen.»

«Dat is goed,» zei de Pool lachend. Rebekka liep haastig met haar kruik naar de poort van het plein, gaf de molk af, en ontving van den brommenden houtvester de flesschen wijn. Do Pool intusschen sprak weer: «Al zijt ge ook goed voorzien van wijn, toch kan deze het water niet vervangen ; uw bezetting is talrijk, en wij hooren dat gij veel vrouwen en kinderen op het kasteel hebt.»

«Ik zal het zoo'n groote ramp niet vinden,» zei Von Fink, «wanneer de vrouwen en kinderen eenige dagen wijn met ons moeten drinken, totdat gij ons het genoegen doet, dat ik u gisteren reeds verzocht, dit landgoed en de bron daar ginds te verlaten.»

«Daar moet ge niet op hopen, mijnheer,» antwoordde de Pool ernstig. «Wij zullen al onze krachten inspannen om u te ontwapenen ; wij weten nu dat gij geen geschut hebt, en het is ons ieder oogenblik mogelijk ons den toegang tot het kasteel met geweld te openen. Gij hebt u als dappere mannen gehouden en wij wenschen niet verder te gaan dan noodig is.»

«Zeer voorzichtig en verstandig,» knikte Von Fink goedkeurend.

«Daarom doe ik u een voorstel, dat uw eergevoel niet zal krenken. Tusschen de militaire macht en dit dorp staat een sterke af-deeling onzer troepen; een ontmoeting van beide legers is in de

ocr page 492

15(3

stup voor stap, naderde do vrees de gemoederen, en aanstekelijk als een ziekte, greep zij den een na den ander aan. In het vrouwenvertrek brak zij los. Eensklaps gevoelden sommigen een onweerstaanbaar verlangen naar water, zij klaagden over dorst, eerst beschroomd, later heftiger, zij drongen dooi' tot de deur der keuken en begonnen daar luid te snikken. Niet lang duurde liet ol' alle kinderen schreeuwden om water, en velen, die onder andere omstandigheden aan geen drinken zouden hebben gedacht, gevoelden zich onbeschrijfelijk ongelukkig. Anton liet de laatste (lesschen wijn uit den kelder halen, sneed het laatste broodje op, doopte voor den een na den ander kleine stukjes in den wijn, tot ze geheel doortrokken waren, en deelde ze rond met de ernstige verklaring, dat dit het beste middel was tegen den dorst ; men behoefde het slechts in den mond te steken, dan was men een dag lang niet in staat water te drinken, al kon men er geld mee verdienen. Dat hielp een poosje, maar do angst vond andere deuren waardoor hij binnensloop. Velen begonnen te bedenken wat zij dan toch te verliezen hadden, als zij een oud geweer overgaven en daarvoor de vrijheid kregen en het recht om overal heen te gaan waar zij verlangden. Dit gevoelen werd al dadelijk door den houtvester bestreden, die midden in de wachtkamer ging staan en op fermen toon sprak: «Ik wil je vertellen, Gottlieb Fitzner, en aan u, dikke Bökel, dat het weggeven van het geweer voor ons allen niets beteekent; alleen komt daarbij de kleine onaangenaamheid, dat wie van u het eerst op die schandalige gedachte mocht komen, een door en door gemeene schoft zou zijn, dien ik telkens in 't gezicht zou spuwen, zoo dikwijls ik hem ontmoette.» Daarop gaven Fitzner en liokel hem volkomen gelijk en Bökel verklaarde dat hij met iedereen, die zoo iets durfde beginnen, hetzelfde zou doen als de houtvester. Zoo was ook dit gevaar uit den weg geruimd. Maaide afgeloste wachten waren ongerust en bepraatten de omstandigheden, waarin zij zich bevonden. De strijdkrachten van het slot werden met die van den vijand vergeleken en de onbeduidende sterkte van het paalwerk aan de achterplaats werd het voorwerp eener angstige beschouwing. Hot was duidelijk dat de eerstvolgende aanval daartegen zou gericht zijn en ook de moedigsten gaven toe dat het planken beschot slechts weinig weerstand zou kunnen bieden. Zelfs de trouwe smid rukte met de hand aan de heining en was niet tevreden met de wijze waarop de planken in malkaar waren gespijkerd. In de middaguren waren deze aanvallen van vreesachtigheid nog niet gevaarlijk, want het meerendeel der mannen wachtte met het geweer in de hand, ieder oogenblik het oprukken der vijanden. Maar toen de zon ter kimme daalde, zonder dat een aanval had plaats gehad en zonder dat de wacht op den toren het naderen van het ontzet berichtte, spanden werkeloosheid en uitgeputheid samen om het lijden en den angst algemeen te maken, liet middageten was niet toereikend: aardappelen in de schil en wat zout er bij. Natuurlijk kregen de menschen weer dorst; wederom liepen de vrouwen op Anton toe en klaagden dat zijn hulpmiddel maar voor korten tijd geholpen had. En ook onder de mannen verbreidde zich de vrees; het gevoel van honger en dorst liep van den eenen post naar den ander, beneden uit de wachtkamer tot boven op den toren. Anton had een dubbel rantsoen brandewijn uitgedeeld, doch ook dit hielp niet bij allen. De mannen werden niet oproerig, daarvoor was er een te goede geest in hen; zij werden beschroomd, moedeloos. Von 1' ink zag met

ocr page 493

-157

een minachtenden glimlach op de openbaringen van een gemoedstoestand, die voor zijn veerkrachtigen geest en stalen gestel onbegrijpelijk was. Maar Anton, bij wien allen met hun klachten en bezwaren aankwamen, gevoelde al de moeielijkheid dezer uren. Iets moest er gedaan worden om hulp te verschalTen, of alles was verloren. Daarom ging hij naar de open plaats, vast besloten de koe op te oll'eren. Hij plaatste zich voor het goede dier, klopte het op den hals: «Lief, arm beest, nu moet je er aan.» Toen hij ze bij het touw uit den stal trok, viel zijn oog op de ledige waterton en hij had een gelukkigen inval. De grond was slechts weinige voeten boven het water der beek verheven, de geheele streek was rijk aan bronnen, het was waarschijnlijk dat men op een geringe diepte water zou vinden. Het was voor de bezetting een gemakkelijk werk een welput te graven. Wanneer men de uitgegraven aarde tegen het beschot aanstampte, werd de vastheid der schutting aanmerkelijk verhoogd. En wat het voornaamste was, de arbeid zette alle ledige handen in beweging ; hij kon uren, ja dagen lang worden voortgezet. Uit vroegere proefnemingen wist hij', dat het water in de nabijheid van het kasteel drabbig was en in gewone tijden niet te gebruiken; maar zoo nauw kwam het er heden niet op aan. Anton zag naar de zon, geen minuut mocht er verloren worden.

Hij ontbood den ingenieur, en toen deze hem volkomen gelijk gaf, liet hij alle vrije handen van het kasteel komen, zelfs de vrouwen en de grootste kinderen. Het gereedschap der arbeiders werd opgezocht, na weinige oogenblikken waren tien mannen met schoppen en spaden aan den gang, midden in de plaats oen groot gat met scbuinsche helling-te graven; de vrouwen en kinderen moesten onder leiding van den ingenieur de uitgegraven aarde tegen het beschot aanleggen en vast-stampen. Enkele mannen en de vrouwen die nog beschikbaar waren riep At.ton om de arme koe te slachten, die nog eenmaal aan het volk vertoond werd, voor zij als een slachtofl'er van den treurigen dag vallen zou. Spoedig waren allen in de weer. De weiopening, veel wijder dan voor een eenvoudige pijp noodig was geweest, werd zichtbaar dieper en aan de houten schutting rees een aarden dam op als door de hulp van welwillende kabouters uit den grond opgetooverd. De mannen spanden hun krachten in zooals zij in hun leven niet hadden gedaan; in edelen wedijver vlogen de spaden der arbeiders; beentjes met bloote voeten sprongen over de aarde, klompen en sloffen stapten hun sporen er diep in. Ieder wou mee doen, er waren meer handen dan de plaats bergen kon. Alle vrees was verdwenen, vroolijke vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ook Vonk I'ink kwam er bij en zei tot Anton: «Je bent een ware heidenapostel, je verstaat de kunst om voor het xiele-heil van je gemeente te zorgen.»

«De gemeente arbeidt,» antwoordde Anton, gelukkiger dan hij in de laatste vierentwintig uren was geweest.

De welput werd dieper en dieper, zoodat men met een korte ladder ei in moest neerdalen ; de grond werd vochtig, de mannen werkten in een moei as; eindelijk moest het slijk in emmers worden toegereikt aan die boven stonden, allen verdrongen zicli om het te dragen; de emmers vlogen van de eene hand in de andere. Met een luid gelach, evenals kin-deien, begroetten zij elke moddervlek, die op de kleederen der ongedul-digen spatte. Intusschen verhief zich de wal reeds een voet boven het paalwerk, en daar er gebrek was aan zoden, sloegen zij aan den binnen-

ocr page 494

158

kant er hout en steenen tegen aan met een kracht, tlat de dam zoo stevig werd als een gemetselde muur. 't Was met moeite dat Anton de kleine zijdeur vrij kon houden. Onder de vijandelijke posten bij de beek vertoonden zich teekenen van onrust en beweging; mannen te paard reden de postenketen langs en zagen naar het nieuwe vestingwerk ; nu en dan waagde een zich wat dichterbij, maar trok terug zoodra de houtvester met zijn geweer zich boven den wal verhief. /.00 verliep uur op uur; de zon daalde weder en liet roode schijnsel van de avondschemering bedekte de lucht. De mannen op de plaats gaven er geen acht op, beneden in den donkeren put stonden hun vrienden tot aan hun midden in het water. Het was een gele, morsige vloeibare stof, maar allen staarden in de opening alsof' daar een schat van vloeibaar goud opborrelde. Eindelijk toen de avondschaduw dikker weid, beval Anton de arbeiders uit den put te stijgen. Een groot laken werd aangebracht en over den ton gelegd, men schepte het water in emmers op en liet het door het linnen loopen.

«Eerst mijn paarden,» riep een knecht, en trok de emmers voor de dorstige beesten tot zich. «Wanneer het maar eerst bezonken is, zal het even goed zijn als beekwater,» riep de smid vergenoegd. De arbeiders verveelde het volstrekt niet telkens opnieuw proefjes uit te scheppen, en ieder bevestigde de uitspraak van den invloedrijken man. In-tusschen liet Anton boven op don dam, die bijna tot den vloer van de bovenverdieping opgehoogd was, nieuwe palen inslaan en de sterke planken der aardappelenwagens er tegen vastmaken. Toen de duisternis des nachts liet slot omhulde, was het werk voltooid. De vrouwen zuiverden voortdurend het water boven de ton ; groote stukken vleesch werden naar de keuken gebracht; daar knapte een heerlijk vuur, en het verblijdende vooruitzicht op een smakelijk, krachtig avondeten lachte alle belegerden vriendelijk toe.

Daar roffelde alleronverwachts de trom der vijanden er. het schelle beenen lluitje gilde door de zalen van het slot. Een oogenblik stonden de mannen op de achterplaats ontsteld; in de laatste uren hadden zij in 't geheel niet meer aan de vijanden gedacht; maar allen stormden naar de wachtkamer en grepen naar de geweren. Haastig werd de onderste verdieping met een dubbele wacht bezet, de houtvester spoedde zich met een afdeeling naar de plaats en beklom den nieuwen dam.

«De beslissing is op handen,» zei Von 1' ink zacht tot Anton; «m de laatste uren zijn sterke troepen het dorp binnengetrokken, zooeven nog een schaar ruiters. Wij kunnen het een tweeden nacht niet uithouden. Zij zullen ons tegelijk aan alle kanten aanvallen; met een partij korte ladders dringen zij het kasteel binnen. En dat is hun vast voornemen, want zie maar, iedere afdeeling die uit het dorp optrekt is van een bijl en een ladder voorzien. Laat ons kalm en bedaard lijden wat niet te veranderen is; u komt de eer toe, wanneer we als mannen overwonnen worden en niet als lafhartigen. Ik ben bij den baron geweest, liij en de dames zijn op alles voorbereid; zij zullen bij elkaar in een vei-trek blijven. Hebt gij nog adem in de borst, wanneer een van die heeren

over uw lichaam heenstapt, herinner hem dan aan de dames. En nu. God zij met u, Anton; ik neem de zijde, gij liet front.»

«Ik kan mij maar niet voorstellen,» zei Anton, «dat we het onderspit zullen delven; ik heb nooit zoo goeden moed gehad als nu.»

«Hoop op ontzet?» vroeg Von Fink, de schouders ophalende, en wees

ocr page 495

151)

door het venster op de vijandelijke scharen; «al kwam de hulp binnen een uur, dan was het te laat. Sints Rebekka's kanon weg is, zijn wij in de macht van den vijand, zoodra deze een ernstig gemeenden stormaanval onderneemt. En wagen zal hij hem. Men moet zich geen illusiën maken, die niet langer glimmen dan een sigaar. Je hand, mijn vriend, vaarwel!» Hartelijk klemde hij Anions hand in de zijne en de trotsche lach speelde weer om zijn lippen. Zoo stonden ze beiden naast elkaar; vol liefde beschouwde de een de trekken van den ander, onzeker of hij ze wel ooit weer zou zien. «Vaarwel!» riep Von Fink en nam zijn geweer op, zijn hand uit die des vriends losmakende; maar hij bleef als vast-geworteld staan en luisterde, want boven het tromgeroffel der vijanden en het geraas van de naderende schare drong een helder geluid dooi' de nachtlucht; een vroolijk schaterende fanfare, en als antwoord werd de geregelde stormpas van een tamboer van een liniebataillon, daarna een krachtig salvo en een lustig hoera uit de verte vernomen.

«Zij komen,» riep men uit alle hoeken des kasteels, «onze soldaten komen!» De houtvester vloog het voorhuis binnen. «De roodmutsen!» riep hij, «zij rijden langs de beek naar de brug heen ; achter in het dorp rukt de infanterie vooruit.»

«Alle mannen op het plein,» riep Von Fink, «een uitval moeten we wagen; komt, mannen, voorwaarts!» De poort wei d opengerukt, de manschappen waren in een oogwenk buiten de verschansing; ter nauwer-nood had Anton den tijd om den ingenieur en eenige knechts als bezetting naar het kasteel te drijven. De houtvester wandelde de lijn langs en schaarde de troepen in orde, Von Fink nam poolshoogte van den strijd. De infanterie trok in gesloten gelederen van den kant des dorps naar het kasteel; het onafgebroken knallen van het geweervuur toonde de wederzijdsche verbittering, maar het vuur naderde allengs, de vijanden weken; reeds zag men enkelen links en rechts het hazenpad kiezen. Middelerwijl trok een afdeeling kavalerie de beek over vlak tegenover het kasteel; zij joeg een hoop der belegeraars voor zich uit. Von Fink deed zijn soldaten het slot omtrekken en plaatste ze bij een hoek, het naast bij het dorp. «Geduld,» riep hij, «zoodra ik het teeken geef, vergeet uw krijgskreet niet, anders loopt ge gevaar In de duisternis overreden te worden en verpletterd, evenals de vijanden.» 't Kostte veel moeite de van strijdlust Wakenden in 't gelid te houden.

Van de beekzijde rende een enkele ruiter op hen toe: «Hoera, Roth-sattel!» riep hij reeds van verre. «Sturm,» antwoordden hem een twaalftal stemmen- Anton sprong uit het gelid den trouwen vriend te gernoet. «De vijanden zijn ons,» zei Karei; «zij hadden den weg van Rosmin bezet, maar ik heb onze troepen langs zijpaden door het woud gevoerd.»

Een donkere hoop werd bij de laatste woningen van het dorp zichtbaar, mannen te paard reden vooruit; de troepen der vijanden maakten halt en verzamelden zich bij de boerderij. Daar begon de geregelde strijd; de aanvoerders dreven hun mannen weer in het gevecht. «Nu of nooit,» riep Von Fink. Met gezwinden pas trok zijn schaar over het grasperk, vatte links van den weg bij de eerste schuur post en een salvo uit vijfentwintig geweren begroette den flank der vijanden. Daardoor ontstond er verwarring in den dichten drom, de hoop liep uiteen en rende in wilde vlucht over de vlakte. Op nieuw schalde achter de bezetting van het slot de trompet; in vollen ren vielen de huzaren aan en joegen een hoop uiteen, die nog stand hield. Karei sloot zich

ocr page 496

l()ü

bij lien aan en verdween in het gewoel. Zoo dreven zij den vijand over de velden.

Nu echter kwamen uit het dorp de poolsche ruiters, de parlementair aan het hoofd, die met lulde stem zijn manschappen tegen de huzaren aanzette.

«Rothsattel!» riep een jeugdige stem te paard, dicht naast Anton, en aan de spits van een troep huzaren reed een slank officier de poolsche ruiters te gemout. Von Fink lei zijn geweer aan op don poolschen ritmeester.

«Dank u,» riep deze, op zijn paard waggelende, en schoot met zijn laatste krachten zijn pistool af in de borst van den huzarenofficier, die op hem aanrende. Doodelijk getroflen viel de ruiter ter aarde; met het lijk van den Pool vlood het paard weg.

Weinige minuten later was de omgeving van het kasteel geheel van vijanden gezuiverd; de wacht bedekte de vluchtelingen; beschermend breidden de boomen van het woud hun takken uit over de zonen des lands. In kleine afdeelingen vervolgden de overwinnaars den laatsten hoop der vijanden.

Voor het kasteel lag Anton op den grond geknield en ondersteunde het hoofd van den gesneuvelden officier met zijn armen. Met tranen in het oog zag hij van den stervende op naar den vriend, die met een troep officieren belangstellend er bij stond. De vreugde over de overwinning verstomde; de landlieden omringden in doodsche stilte de plaats. Langzaam werd de verstijfde op de handen der mannen naar het kasteel gedragen.

In het voorportaal stond bij de stoep de baron met zijn dochter, gereed om de gewenschte gasten te begroeten. Toen Leonore den gewonde zag, stortte zij zich midden onder de dragers, die zwijgend het lijk voor den baron neerlegden, en stortte met een angstigen gil op den grond.

«Wie is het?» klaagde de blinde man en tastte met zijn handen rond in de lucht. Niemand antwoordde, verlegen weken allen terug.

«Vader,» fluisterde de gewonde en een gulp bloed stroomde uit zijn mond. «Mijn zoon, mijn zoon!» gilde de blinde wanhopend en zijn knieën knikten.

De tijding van het beleg had den zoon uit zijn garnizoen naar het leger gedreven, dat zoo dicht bij zijn ouders zich verzamelde. Hij had het doorgezet bij een ander regiment overgeplaatst te worden, hij had vergunning gekregen het escradron te vergezellen, dat zijn vader te hulp werd gezonden. Hij wou zijn ouders verrassen, en bracht hun tegelijk met het ontzet zijn bloedende borst in het huis en den dood in het hart.

Thans lag een akelige stilte over het trotsche Slavenslot. De storm had uitgewoed; van de vruchtboomen op het veld vielen de witte bloesems af en bedekten grond, rein als een wit doodskleed.

Waar zijn zij nu, die luchtkasteelen van u, blinde man, die gebouwd, gezondigd, geleden hebt om ze te verwezenlijken? Luister, ongelukkige vader, met ingehouden adem; het is stil geworden in het slot en in de toppen der boomen, en toch knnt gij den eenigen toon niet meer hooien, waaraan gij voortdurend gedacht hebt, bij uw plannen, onder uw perkamenten; het hartkloppen van uw uitverkoren zoon, den eersten erfstamhouder der Rothsattels.

ocr page 497

ZESDE BOEK.

Treurige dagen beleefde het kasteel, moeielijk to verdragen voor een ieder die liet bewoonde. Aan de familie des barons knaagde bet bederf, even als de worm aan een vrucht. Na het noodlottig uur, waarin men den zwervenden zoon bij den vader hot luns had binnengedragen, verliet de baron zijn kamer niet meer. De weinige kracht, die nog in hem was overgebleven, was nu geknakt; do smart teerde meer aan zijn geest dan aan zijn lichaam; dagen achtereen zat hij in gepeins voor zich uit te staren, en noch de smeekingen van Leonore, noch de nabijheid zijner gade waren bij machte hem op te wekken. Toen de ongelukkige tijding, aan de barones werd meegedeeld, vreesde Anton dat de dunne draad, die haar ziel aan het lichaam verbond, zou breken ; en weken lang week Leonore niet van haar bed. Maar tot aller verbazing gebeurde juist het tegenovergestelde. De toestand van haar echtgenoot vorderde weldra zoozeer al haar zorgen, dat smarten zwakte plotseling schenen te verdwijnen. Zij toonde zich krachtiger dan zij vroeger was geweest; alleen denkende hoe zij haar ongeluk-kigen man het best zou troosten, vond zij sterkte om uren achtereen naast zijn stoel te zitten. De dokter schudde wel bedenkelijk het hoofd en zei aan Anton, dat men op deze tijdelijke opwekking niet veel rekenen kon. Leonore zag men in de eerste weken na baars broeders dood bijna in 't geheel niet. Als zij een enkelen keer buiten de zie-DEBKT JON CHKDlï II. 1 !

ocr page 498

d()2

kenkamer zicli vertoonde, waren het alleen vragen naar den toestand der klanken, die zij beantwoordde, of een verzoek om den dokter, dat zij tot Anton richtte.

En buiten het kasteel verliep een wilde lente ; een onstuimige zomer volgde. De akeligheden van een burgeroorlog waren wel is waar niet langer te duchten, maar de zware lasten deden zich drukkend gevoelen op de bouwerij. In het afgelegen woudeiland klonk thans dagelijks de trom of het geschal van de trurnpetten; dorp en kasteel haden inkwartiering, die ieder oogenblik veranderde. Anton had de handen vol om manschap en paarden onder dak te brengen. Weldra waren de geringe krachten van het landgoed uitgeput, en zonder Finks vooruitbetaalden huurprijs zou het onmogelijk zijn geweest dezen tijd door te komen. Ook in de bouwerij kwam geen einde aan de belemmeringen. Meer dan één morgen land was in de dagen der belegering door de voetstappen van paarden en menschen verwoest, nu eischen militaire transporten de werkpaarden; de arbeiders zelve verwilderden en verloren den lust voor geregeld werk. En toch wist Anton over 't geheel de orde nog te handhaven ; de werkzaamheden gingen naar het plan, dat in de lente ontworpen was, haar gang. Nog beter stond het met de ontginning. Niet alle arbeiders, welke Fink mot zich gebracht had, bleven trouw, maar zij werden door andere vervangen, welke in die dagen hun plicht hadden gedaan. Ja, het aantal grijze jassen en zwarte handen groeide aan, en de wacht van den heer Von Fink stond inden geheelen omtrek als een kloeke vereeniging bekend, met welke men liefst geen gekheid moest beginnen. Fink zelf was dikwijls afwezend ; hij had vele officieren leeren kennen, vele oude vriendschapsbetrekkingen weder aangeknoopt; hij reed in de provincie rond, volgde met vuur de militaire bewegingen, en nam als vrijwilliger deel aan het gevecht, dat op eenige uren afstand van het landgoed legen de muiters met goeden uitslag geleverd werd. Zijn verdediging van het kasteel had hem tot een gevreesd man gemaakt, op wien zich evenzeer alle haat der vijanden als alle bewondering der vrienden ver-eenigde.

Het was eenige weken na het ontzet van het kasteel, toen Leonore aan de plaatsdeur stond, voor welke Anton met den houtvester over zaken sprekende op en neer wandelde. Leonore zag over de plaats, waarin nu een pomp stond, en over de schutting, waarvan de aarden dam was weggenomen, het vrije void in, dat met het frissche groen van de eerste zomerdagen getooid was. Eindelijk sprak zij met een zucht: «'t Is zomer geworden, Wohlfart, en wij merken er niets van.»

Anton zag bezorgd op haar bleek gelaat. «Buiten in het woud is het thans goed ; gisteren was ik bij den houtvester. Na dien laatsten regen staan hoornen en heesters in volle fleur. Zoo gij er maar toe kondt besluiten om eens uit te gaan.»

Leonore knikte van neen. «Wat komt het er voor mij op aan?» riep zij bitter,

«Hoor eerst een tijding welke de houtvester mij zoo even heeft mede gedeeld,» vervolgde Anton. «De man, dien gij met uw kogel hebt getroffen, was de ellendige Bratzky. Gij hebt hem niet gedood. Als ge u daarover bezwaart, dan kan ik u die smart ontnemen.»

«Gode zij dank !» riep Leonore en vouwde de handen.

ocr page 499

103

«Reeds dienzelfden avond, toen de houtvester bij ons op liet kasteel kwam, zag hij dat de schurk met een verbonden arm in de herberg zat, Gisteren is hij als krijgsgevangene door onze troepen naar Rostnin gevoerd.»

«Ja,» zei de houtvester, zich in 't gesprek mengend, een kogel doet dien man niets, hij wil hooger op.» Hij wees met zijn hand naar zijn hals en maakte het gebaar van ophangen.

«Het vervolgde mij dag en nacht, sprak Leonore fluisterend tot Anton; ik waande mij zelve verdoemd; in de duisternis kwelden mij akelige droombeelden, zoodat ik verschrikt uit den slaap opsprong en gilde; voortdurend had ik den man voor mij, hoe hij de vuisten balde, neerviel en het bloed uit zijn wond stroomde. O, Wohlfart, wat een tijd hebben we beleefd!» Zij leunde tegen den deurpost en staarde met strakke blikken voor zich uit. Te vergeefs zocht Anton haar te bedaren; ter nauwernood verstond zij zijn woorden.

Terwijl zij zoo spraken, hoorde zij een paard over de steenen naderen; Kinks bruintje werd voorgebracht.

«Waar gaat hij heen?» vroeg Leonore haastig.

«Ik weet het niet,» zei Anton, «hij is tegenwoordig veel uit, er verloopen dagen dat ik hem niet zie.»

«Wat zou hij ook hier doen?» riep Leonore, «dit ongelukkige huis is geen geschikte plaats voor hem.»

«Als hij maar wat voorzichtiger wou zijn,» sprak de houtvester, «do Tarowers zijn kwaadaardig op hem; zij hebben gezworen hem een kogel door het hoofd te jagen, en hij rijdt altijd alleen, dag en nacht.»

«'t Helpt niets hem te waarschuwen,» zei Anton, «wees toch eindelijk eens verstandig «Fink,» riep hij zijn vriend toe, die naar buiten kwam, «rijd niet zoo alleen, ten minste niet over de Tarowsche heide.»

1quot; ink haalde de schouders op. «Ah zoo, de freule hier? Wij hebben in zoo lang het genoegen niet gehad u te zien, dat het ons hier reeds begon te vervelen.»

«Luister toch naar de waarschuwing van uw vriend,» zei Leonore gejaagd, «en wees op uw hoede voor de kwalijkgezinden.»

«Waarom?» vroeg Fink, «een ordentelijk gevaar is nergens te bespeuren, en voor een dommen duivel, die zich achter een boom verschuilt, kan in zulke tijden niemand op zijn hoede wezen; dat zou al te lastig zijn.»

«Zoo gij het niet voor u zeiven doen wilt, denk dan aan den angst uwer vrienden,» smeekte Leonore.

«Heb ik dan wezenlijk vrienden?» sprak Fink lachend; «mij is het reeds meermalen voorgekomen dat zij mij ontrouw waren geworden. Mijn goede vrienden behooren tot die soort, die zich wel zullen weten te troosten, ünze trouwe, brave Wohlfart, hier tegenwoordig, zal een schoonen zakdoek nemen en zijn plechtigst gezicht zetten, als ik mijn spel eenmaal verlies; en een andere krijgskameraad zal nog minder moeite hebben om zich bedaard te houden. Hier met het paard!» riep hij, sprong er op en draafde na korten groet weg.

«Hij rijdt recht op Tarow aan,» zei de houtvester, die hem had nagezien. Leonore keerde zwijgend naar het vertrek harer ouders terug.

Toen laat in den avond al de lichten op het kasteel waren uitgedaan, bewoog zich nog lang een wit gordijn, en een vrouw luisterde in angstige spanning naar den hoefslag van een terugkeerend paard. Uur

ocr page 500

m

op uur verstreek ; eerst tegen den morgen werd het vensterblind gesloten, toen een ruiter voor de poort stil hield en een deuntje neuriënde het paard zelf op stal zette. Na een hangen slapeloozen nacht verborg Leonore haar bezorgd hoofd in de kussens.

Zoo duurde het maanden. Eindelijk kwam de baron, op den arm zijner dochter en een dikken rotting steunende, weer dagelijks in de vrije lucht; dan zat hij of stil in de schaduw van den muur, of hij lette in een kwade luim op al wat hem slechts de minste aanleiding kon geven om te knorren. In zulke uren liepen de arbeiders en bedienden al licht een eind om, om niet in zijn buurt te komen, en daar Anton dit niet deed, was deze niet zelden het voorwerp, waarop de zwartgalligheid des barons zich uitstortte. Antons verhouding tot den zieke werd zoo lastig, dat alleen een ongewone graad van geduld en medelijden hem er door heen kon helpen. Dagelijks moest de baron hooren, dat de bedienden bij al zijn vragen zich verontschuldigden met de woorden: «mijnheer Wohlfart heeft het zoo bevolen» of: «mijnheer de rentmeester heeft het niet willen hebben.» Voortdurend trachtte i'ii alle maatregelen, welke Anton verordend had, door tegenbevelen te verijdelen. Alle wrok, alle bitterheid, die zich in de ziel van den ongelukkige had opgekropt, vereenigde zich in een machteloos gevoel van haat tegen zijn rentmeester.

Fink bemoeide zich thans weinig met den baron; als hij het gekibbel met Anton bemerkte, neep hij maar de fijne lippen dicht en zei op zijn hoogst: «Dat moest zoo komen.» Jlet best nog kon Karei met den baron omgaan; hij noemde hem nooit anders dan «overste» en sloeg als een waar militair aan, zoo dikwijls hij hem een rapport had te brengen; de oude blinde man hoorde dat gaarne en het (leed hem goed. Het eerste teeken van belangstelling dat de baron in het lot van anderen na den dood zijns zoons gaf, was ten gunste van den opzichter. Een tuinstoel was door de zon geheel uitgedroogd en dreigde uiteen te vallen ; Karei nam den stoel op en sloeg hem met zijn handen in malkaar. «Gij slaat toch niet met uw rechterhand, vriend Sturm ?» vroeg de baron.

«Zoo als het valt, overste,» antwoordde Karei.

«Maar dat moet ge niet doen,» vermaande de blinde, lt;rmet zoo'n wond moet men voorzichtig wezen, 't gebeurt dikwijls, dat na verloop van jaren er een ziekte uit voortkomt; gij kunt niet weten of dat ook niet het geval met u zal zijn.»

«Vroolijk leven en zalig sterven, overste,» hernam Karei, «aan de toekomst denk ik maai' niet.»

«Hij is een zeer bruikbaar mensch,» zei de baron tot zijn dochter.

De korenaren verloren haar bloesem, de groene akkers werden met een geel waas overdekt, de vreugde en de bedrijvigheid van den oogst begon. Toen de eerste wagen met korenschoven beladen de plaats der boerderij opreed, stond Anton bij de schuur en hield een oog over het afladen an opbergen. Juist kwam Leonore voorbij, zij ging naar hem toe en vroeg: «Hoe valt de oogst uit?»

«Voor zoover we dit jaar oogsten kunnen, ziet het er niet slecht uit. Althans over het aantal schoven is Karei tevreden; het schijnt grooter te wezen dan onze berekening was,» antwoordde Anton verheugd.

ocr page 501

105

«Dan hebt ge ten minste één pleizier in uw leven,» zei Leonore.

«Het is een genoegen voor allen op liet land; gij kunt het zelve zien aan de levendige bedrijvigheid der arbeiders. Zelfs hij, die anders lui is, werkt nu met verdubbelde kracht. Wanneer ik mij echter verheug, dan is het ook over uw vraag. (Jij zijt voor de bouwerij en alles op het landgoed is u in den laatsten tijd zoo onverschillig geworden.»

«Voor u althans niet, mijn vriend,» zei Leonore met terneergeslagen oogen.

«Gij moet op die manier zelve ziek worden,» vervolgde Anton met vuur. «Als ik durfde, zon ik u kunnen beknorren dat gij al dien tijd zoo weinig aan u zelve hebt gedacht. Uw hit op stal heeft stijve beenen gekregen; Karei moet hem nu en dan afrijden, anders zou hij het loo-pen geheel en al alleeren.»

«Wat mij betreft, mag het met den Int gaan als met het andere; ik zal er nooit meer op rijden. Och, Wohlfart, gij moet medelijden met mij hebben; dikwijls is het mij of ik niet recht bij mijn verstand ben ; alles op de wereld is mij onverschillig geworden.»

«Waarom zoo bitter freule?» riep een spotachtige stem achterhaar. Leonore schrikte en keerde zich om; Fink, die langer dan een week op reis was geweest, naderde hen. «Denk er toch om dat gij dien Jakob wegjaagt,» zei hij tot Anton, zonder verder op Leonore te letten; «de lummel is weer dronken; hij ranselt de paarden dat de arme dieren met striemen bedekt zijn. Ik had groeten lust zijn paarden een klein genoegen te doen en hem voor hun oogen een pak slaag te geven.

«Heb nog geduld tot na den oogst,» hernam Anton, «we kunnen hem nu niet missen.»

«Is hij overigens niet een goedig mensch?» vroeg Leonore beschroomd.

«Goedhartigheid is een mooi woord voor alles wat ongezond is,» antwoordde Fink. «Bij de mannen heet hot goedaardig en bij de vrouwen gevoelig.» [Jij zag Leonore aan. «Wat heeft die arme poney misdreven, dat ge er niet meer op rijden wilt?»

Leonore bloosde, toen zij het antwoord gaf: «Het rijden geeft mij hoofdpijn.»

«Ocli,» lachte Fink, «vroeger had ge het geluk wat minder teer te zijn; ik kan niet zeggen dat die pruilerige stemming u bijzonder goed staat, en de hoofdpijn zult ge er niet door verliezen.»

Leonore wendde zich mistroostig tot Anton. «Zijn de couranten al aangekomen? Jk kwam ze u voor mijn vader vragen.»

«De knecht heeft ze reeds bij mevrouw de barones gebracht.»

Leonore maakte een neiging voor Fink en keerde naar het kasteel terug.

Fink zag haar achterna en zei tot Anton: «Zwart kleedt haar niet; zij ziet er geheel anders uit. Zij heeft een van die gezichten, die alleen bevallen, als zij blozend en opgewekt zijn.»

Anton keek zijn vriend somber aan: «Je gedrag tegenover de freule is in de laatste weken zoo vreemd geweest, dat ik mij dikwijls er over geërgerd heb. Ik weet niet of het in je bedoeling ligt, maar je behandelt ze met een onbeleefdheid, die niet alleen haar kwetst.»

«Maar u ook, master Wohlfart?» zei Finken zag den vertoornde met groote oogen aan. «Ik wist niet dat ge ouk al de dienaar dezer dame waart.»

ocr page 502

-166

«Zulke praatjes helpen je niets,» hernam Anton kalmer. «Ik ben in mijn recht, als ik je onder het oog breng flat je meer dan ruw zijt tegen een eer lijk, oprecht hart, dat thans meer dan ooit aanspraak heeft op toegevendheid en zachtheid.»

«Wees dan zoo goed zelf haar die zachtheid te bewijzen, en laat mij ongestoord mijn gang gaan,» antwoordde Fink kortaf.

Frits, riep Anton, «ik begrijp je niet;'t is waar, je bent ongevoelig... »

«Hebt ge dat ooit ondervonden?» viel Fink hem in de rede.

«Neen,» zei Anton, «zoo gij het tegenover anderen waart, mij hebt go altijd getoond wat je inderdaad bent; edel van inborst eti vol belangstelling, maar juist daarom doet het mij leed, meer dan ik je zoggen kan, dat je met betrekking tot Leonore zoo veranderd zijt.»

«Daarom juist moet ge mij laten begaan,» sprak Fink. «Ieder vogelte zingt zoo als hot gebekt is. Vergun me alleen dit er bij te voegen, wanneer freule Leonore niet uit dat ziekelijke leven opgewekt wordt, dan gaal binnen kort wat het beste aan haar is verloren. De poney alleen kan het niet doen, dat weet ik; maar gij, mijn zoon, mot je weemoedige belangstelling, zult er haar ook niet bovenop halen. En dus we zullen de zaken haar loop laten. — Ik rijd van daag nog naar Rosmin, heb je ook boodschappen?»

Dit gesprek veroorzaakte wel geen verkoeling tusschen de beide vrienden, maar Anton kon het toch niet spoedig vergeten. Hij was in stilte boos over den gebiedenden toon van den ander en sloeg met zekere onrust elke ontmoeting van hem met Leonore gade. Fink zocht noch vermeed het meisje. De familieavonden werden niet hervat, ook niet toen de lierfst aanbrak. Als Fink op het kasteel was, at hij met Anton op zijn kamer; alleen in de open lucht sprak hij Leonore. Dan kon men aan haar houding zien hoe gedwongen zij zich gevoelde, en Fink behandelde haar sints zijn gesprek met Anton als een vreemde.

Anton zelf zou weldra op treurige wijze ervaren, hoe zijn diensten op het slot erkend werden. Hoezeer hij ook met zorg vermeed den baron onaangename berichten over te brengen, was er toch iets dat hij niet verborgen kon houden; de regeling der schulden, welke zijn zoon gemaakt had. Want spoedig na diens dood waren verscheiden brieven met pretensiën op het kasteel aangekomen. Leonore had ze aan Anton gegeven en doze had allen, daaronder ook de schuldbekentenis aan Sturm, naar den advocaat Horn toegezonden en dien eerlijken man verzocht hem zijn meening mede te doelen, in hoeverre de schuldvorderingen geldig waren. Het antwoord was juist heden aangekomen. De rechtsgeleerde ontkende niet dat de schuldbekentenis, welke de jonge Rothsattel voor den ouden Sturm onderteekend had, zoo gebrekkig was in den vorm, dat zij voor de rechtbank alleen als een kwitantie van ontvangen geld zou kunnen dienen. Ken wettige verplichting voor den baron om zijn zoons schulden te betalen, bestond er niet. Het bedrag er van bovendien was zoo groot, dat er aan dadelijke delging niet te denken viel. En Anton zelf had don jongen verkwister over de achthonderd daalders geleend. Toen hij de schuldbekentenis van Eugène onder zijn papieren uitgezocht had, staarde hij lang op de pennentrekken van den gesneuvelde. Dat was de som, welke zijn ijdelheid betaald had om hem in het bestaan der

ocr page 503

167

adellijke familie in te koopen. En wat had die koop liem opgeleverd ? Toen was liet een punt van eer geweest zijn hoogwelgeboren vriend uit de verlegenheid te helpen ; thans zag hij in, hoe onvoorzichtig hij den lichtzinnige als 't ware den weg had gewezen om zich geld te verschaffen, Met zichzelven ontevreden, sloot hij het stuk weer in de lade weg.

Met een bedrukt hart liet hij den baron verzoeken hem eenige oogenblikken voor een geheim onderhoud te gunnen. Reeds bij de eerste vermelding van zijn zoon werd de baron zeer aangedaan, en toen Anton in zijn gejaagdheid den gestorvene kortaf bij zijn voornaam noemde, begon do duivel des hoogmoeds in den beleedigden vader te heerschen. «Ik verzoek van zoodanige gemeenzaamheid verschoond te blijven ; mijn zoon blijft, levend of dood, voor u altijd de baron Von Rothsattel.»

Anton antwoordde, zich geweld aandoende : «Jonker Eugène, baron Von Rothsattel, heeft gedurende zijn leven iets meer dan vierduizend daalders schuld gemaakt.»

«Dat is onmogelijk,» riep de baron.

«De echte afschriften der schuldbekentenissen en wissels, even als het onderzoek der origineele stukken, dat de advokaat Uoru heeft ingesteld, stellen het feit boven allen twijfel. Aangaande negentienhonderd daalders, den grootsten post, kan geen oogenblik getwijfeld worden, of uw zoon heeft de volle som genoten, daar de vader van opzichter Sturm, die dit geld geleend heeft, een man van de beproefdste eerlijkheid is. Een brief van den overledene aan mij erkent deze schuld in duidelijke woorden.»

«Gij hebt dus van die schuld geweten?» riep de baron in klimmenden toorn, «en gij hebt het voor mij geheim gehouden? Is dat die zoo zeer geprezen trouw van u?»

Te vergeefs zette hem Anton de omstandigheden uiteen, de baron was zichzelven niet meer meester. «Reeds sints lang heb ik bemerkt,» zei hij met luide stem, «hoe eigendunkelijk uw handelen hier is. lüj maakt van mijn toestand misbruik om de bestiering van mijn vermogen in handen te krijgen ; gij maakt schulden, gij laat schulden maken, gij ontvangt het geld, gij geeft mij rekenschap van 't geen u goeddunkt.»

«Geen woord meer, mijnheer de baron,» riep Anton op zijti beurt ernstig. «Alleen het medelijden met uw hulpeloosheid verbiedt mij u het antwoord te geven, dat gij op dit oogenblik verdient. Uoe groot die deernis is, kunt gij hieruit opmaken, dat ik mijn best wil doen uw woorden te vergeten, en dat ik u eenvoudig afvraag: «Wilt gij de schulden, die mijnheer uw zoon gemaakt heeft, erkennen, en bepaaldelijk, wilt gij den sjouwer Sturm of zijn zooti, uw opzichter, door deze erkenning zekerheid geven, of wilt ge het niet ?»

«Niets wil ik doen,» tierde de baron, «als gij het op zulk een hoogen toon verlangt.»

«Dan is liet noodeloos verder met u te spreken. Ik verzoek u, mijnheer de baron, de zaak nog eens bij uzelven te overleggen, voor ge uw eindbesluit uitspreekt. Ik zal de eer hebben heden avond uw antwoord te komen hooren. Ik hoop dat in dien tusschentijd uw gevoel van recht en billijkheid de overwinning zal behalen op een booze luim, wier voorwerp ik niet een tweedemaal wensch te wezen.»

iMet deze woorden verliet hij den baron en hoorde nog hoe deze in zijn gramschap een stoel omwiep en tegen do meubels aansloeg. Nau-

ocr page 504

108

welijks was liij op zijn kamer terug, toen de vertrouwde knecht binnen kwatn en hem op last des barons de stukken en boeken verzocht, welke Anton tot nu op zijn kamer had bewaard. Zwelgend overreikte Anton de papieren aan den ontstelden man.

Hij was uit zijn dienst ontslagen, op de ruwste manier ontslagen ; zijn eerlijkheid werd In twijfel getrokken, deze breuk was ongeneeslijk. Wel zou de baron van gevoelen veranderen en Anton wist dat in weinige uren de vertoogen der dames den zieken man tot betere gedachten zouden brengen ; maar voor hem was een toenadering onmogelijk ; hij moest weg. Welke plichten hij ook tegenover de barones quot;en Leonore op zich had genomen, thans sprak de plicht, dien hij zichzelven verschuldigd was, luider dan ieder andere. Een bitter oogenbllk was het. Want nu reeds, terwijl hij vertoornd zijn kamer op en neer stapte, gevoelde hij dat in de beleedlglng, die hem was aangedaan, ook een welverdiende straf voor hem zeiven lag. Zuiver was zijn bedoeling geweest en onberispelijk zijn handelingen ; maaide overdreven gevoelens, die hem in dat huls hadden gebracht, waren niet gezond genoeg geweest om tusschen hem en den baron een zedelijke verhouding, zooals die van den heer en den dienaar Is, tot stand te brengen. Niet beider vrije wil, niet een besluit, met verstand en na rijp beraad genomen, had hem verbonden, maar de drang van verwarde omstandigheden en zijn eigen jeugdige opgewondenheid. Dit deed hem elschen stellen, hooger dan voor zijn betrekking paste, en veroorzaakte den baron een zekeren dwang, die hem drukte en zwak maakte.

In deze gedachten werd hij door Leonore gestoord, die haastig zijn kamer binnen kwam. «Mijn moeder verlangt u te spreken,» zei zij ; «wat zult ge doen, Wolhfart?»

«Ik moet weg,» antwoordde Anton ernstig. «Dat ik u in dezen toestand moet verlaten, terwijl uw toekomst nog zoo onzeker is, had ik nooit kunnen denken. Niets zou mij ooit hebben kunnen bewegen van hier te vertrekken, voor ik aan krachtiger handen de bestlering van dit landgoed kon toevertrouwen; niets dan één enkel ding. En dat Is juist gebeurd.»

«Ga dan,» riep Leonore buiten zlchzelve ; alles te gelijk treft ons ; er is geen redding meer, ook gij kunt ons niet helpen. Ga en maak uw leven los van ons, die te gronde gaan.»

Toen Anton bij de barones werd binnengelaten, lag de zieke op de canapee. «Ga hier naast mij zitten, mijnheer Wohlfart,» sprak zij met een zwakke stem, «het oogenbllk is gekomen dal ik u moet meJedeelen, wat ik om mijnentwil voor dien tijd bewaard heb, waarin men het openhartigst men elkaar spreekt, het laatste uur voor het vertrek. De baron is door zijn ziekelijkheid zoover gekomen, dat hij uw trouwe hulp niet langer erkent. Ja, uw tegenwoordigheid verergert den ongelukkigen toestand, waarin hij zich bevindt, dagelijks. Illj heeft in een opwelling van drift uw gevoel van eer zoo pijnlijk gekwetst, dat ik een verzoening niet meer voor mogelijk houd. Uij zou voortaan door uw verblijf hier niet in zijn verbeelding, maar in werkelijkheid worden beleedigd. Zelfs wij zouden het olfer, dat gij ons van heden af zoudt moeten brengen, te groot achten, om het te kunnen aannemen, ook wanneer gij alles wildet velgelen.»

ocr page 505

1G9

«'t fs mijn voornemen eerstdaag van hier te vertrekken,» antwoordde Anton.

«Wat mijn man tegen u misdreven heeft, kan ik niet goed maken, maar ik verlang n een gelegenheid aan te bieden om n op den baron le wreken, op een wijze uwer waardig. De baron heeft uw eer aangeland; de wraak, die ik, zijn vrouw, u daarvoor aanbied, is deze: dat gij hem zijn eer zult zoeken te redden.» Zij had bedaard gesproken, de woorden hadden lot zoo ver van haar lippen gestroomd als bij een gewoon gesprek in de groota wereld; nu hield zij op en zocht naar woorden. «Hij heeft jaren geleden zijn woord van eer verpand, en het in een oogenblik van wanhoop verbroken. L)e bewijzen daarvan zijn waarschijnlijk aan lage menschen in handen gekomen, die thans hun wetenschap gebruiken om hem in 't verderf te storten. Dat ik u dit juist nu vertel, zal u een blijk ziju met welk oog ik uw verhouding tot ons huis beschouw.» Zij trok een brief onder liet kussen weg. «Met dezen brief leg ik mijn toekomst en die van ons allen in uw handen; als iemand ons kan beschermen en maken dat de vijanden mijns mans de wapenen niet tegen hem zullen richten, zult gij het kunnen; als het nog mogelijk is zijn zieken geest rust te schenken, zult gij het doen.» Zij strekte haar hand uit en gaf hem den brief.

Anton ging naar het venster en zag (ot zijn verbazing het schrift van Ehrenthal. Tweemaal moest hij den brief overlezen, voor hij den zin begreep, 't Was een bevende hand en een verward hoofd, die de pen hadden bestuurd. In een helder oogenblik was den kindschen man de gedachte aan zijn vroegere betrekking met den baron ingevallen. In den angst voor zijn kapitalen herinnerde hij dezen aan de gestolen schuldbekentenissen, hij eischte het geld op en dreigde. En dan weer volgden klachten over zijn eigen zwakheid en do slechtheid van andere menschen. Wat de verwarde brief duister liet, werd helder door het afschrift van een schuldbekentenis, waarschijnlijk naar een concept, dat Ehrentlial en de baron samen hadden opgesteld; want Ehrentlial zei in den brief, dat het oorspronkelijke stuk door den baron was geschreven en dat hij er tegen hem gebruik van zou maken.

Anton vouwde den brief dicht en zei; «Die dreigementen, welke hij bij het meegedeelde afschrift voegt, mevrouw de barones, behoeven u niet te verontrusten; er staat niet eens een handteekening van den baron onder het concept, en Ehrentlial zou, al is de brief overigens nog zoo verward, niet hebben vergeten van die handteekening te gewagen. Ook is de som, waartoe deze schuldbekentenis den baron zou kunnen verbinden, niet aanzienlijk.»

«En gelooft ge dat de brief waarheid bevat?» vroeg de barones.

«Ik geloof van ja,» zei Anton; «hij verklaart mij veel, dat ik tot heden niet heb begrepen.»

«En ik weet zeker dat het waarheid is wat er in staat,» fluisterde de barones zoo zacht, dat het geluid met moeite door Anton werd opgevangen, «lloe ik langzamerhand tot die zekerheid ben gekomen, doet hier niets ter zake.» En een Hauw rood overtoog haar wangen.

«En nu, mijnheer Wolilfart, wilt gij uw best doen, die gestolen papieren ons terug te bezorgen?» vroeg zij opstaande.

«Dat wil ik,» hernam Anton ernstig; «maar mijn hoop om te slagen is gering. Op de gestolen schuldbekentenissen heeft de baron thans geen

ocr page 506

170

recht; zij behooren aan Ehrenthal; in de eerste plaats is het dus noodig dat ik het met dezen tracht te vinden. Dit zal zeer moeielijk gaan. Bovendien kan ik den samenhang der zaken niet best overzien, en ik vrees dat ik u nog lastig zal moeten vallen met het verzoek, om mij al wat gij wellicht aangaande den diefstal vernomen hebt, nauwkeurig mede te deelen.»

cdk wil beproeven het aan u te schrijven,» zei de barones. «Teeken mij duidelijk in bepaalde vragen op wat gij weten moet ; gij zult antwoord hebben zoo goed als ik het geven kan. Welke intusschen ook de uitslag uwer pogingen moge zijn, reeds nu dank ik u uit de volh iid mijns harten voor al de moeite, die gij u voor ons getroosten wilt. Hoe belangrijk en vruchtbaar uw ijver voor ons welzijn hier reeds geweest zij, de belangrijkste dienst kunt ge ons nog bewijzen. De verplichting, die ons huis aan u heeft, kunnen we nooit betalen. Wanneer de zegening eener stervende een liefelijk licht op uw verder levenspad werpen kan, neem ze dan op uw reis mede.»

Anton stond op.

«Wij zullen malkaar niet meer ontmoeten,» zei de barones. «Nu nemen we afscheid. Vaarwel, Wohlfart, op deze aarde zie ik u voor het laatst.» Zij reikte hem haar hand toe. Anion bracht ze eerbiedig aan zijn lippen en verliet, diep getroffen, met een buiging het vertrek.

Ja, zij verdiende ten volle een edele vrouw te heeten. Adellijk was haar geest, niet kleingeestig haar oordeel over anderen, en voornaam de wijze waarop zij Antons ijver beloonde. Zeer voornaam! Hij had in haar oogen altijd een witte pruik en zilveren kuitgespen gedragen.

Tegen don avond rinkelden Von Finks sporen in den gang en een oogenblik later stapte hij zelf de kamer van zijn vriend binnen. «Drommels, Anton, wat is hier in huis te doen? Johan sluipt zoo schuw rond, alsof hij de groote porseleinvaas had gebroken, en toen de oude Bet je mij zag, wrong zij als wanhopend de handen.»

«Ik moet hier van daan, mijn vriend, ik heb met den baron een zeer pijnlijk onderhoud gehad.» Hij vertelde hem wat gebeurd was, deelde hem het gesprek mee dat hij met de barones had gehad, voor zoover hij dit zonder onbescheidenheid doen kon, en besloot met de woorden : «Nooii was de toestand der familie zoo wanhopend als thans. De baron heeft nu weer de vrije beschikking noodig over twintig duizend daalders om een nieuw onheil af te weren.»

Von Fink ging op zijn gemak in een stoel zitten. «In de eerste plaats hoop ik dat je deze gelegenheid om je te ergeren zoo kalm mogelijk opgenomen hebt. Over het standje tusschen u en den baron zullen we geen woorden verspillen, de baron is niet meer verantwoordelijk. En om u de waarheid te zeggen, het gebeurde verrast mij volstrekt niet. Dat zoo iets vroeg of laat komen zou was te voorzién ; dat gij in deze wonderlijke betrekking het niet zoudt kunnen uithouden, heb ik den geheelen zomer verwacht. Even zoo duidelijk is het dat gij als biechtvader der dames en trouwe rentmeester iler familie voor die menschen geheel onmisbaar zijt. En dat je plotseling vertrek voor mij een streep haalt door verscheiden rekeningen, behoef ik je niet te vertellen. Voorop nu de vraag: Wat ga je nu doen ?»

ocr page 507

171

«Ik vertrek zoo spoedig mogelijk naar de hoofdstad,» hernam Anton «Daar zal ik gedurende eenige maanden in het belang der Rothsat-tels nog kunnen werken. Mijn dienstbetrekking overigens tot de familie is van heden af verbroken ; zoodra het riddergoed verkocht is, beschouw ik ook de zedelijke verplichting, welke ik vrijwillig op mij genomen heb, als geeindigd.»

«Goed,» zei Von Finl;; «dat is afgemaakt. Als je voortaan nog het een of ander voor die menschen wilt ondernemen, kan het thans alleen onder die voorwaarde geschieden, dat gij als vrij man hun uw medelijden schenkt. Erger is liet dat Rothsattel door zijn onverstandig gedrag ook hier in moeielijkheden is geraakt. Want zonder je hulp kan het hier op de oude manier geen vier weken duren. En zoo is in de tweede p'aats de vraag, master Wohlfart: Moe zal hot hier gaan ?»

«Ik heb er reeds den geheelen dag over gepeinsd,» zei Anton, «maar ik weet het niet. Er is maar één kans; dal gij zelf liet deel mijner werkzaamheden op u neemt, hetwelk Karei niet kan waarnemen.»

«Dank je voor het vertrouwen en ook nog voor je vriendelijk aanbod. Voor een gek, die nog niet onder corateelen staat, de zaken te administreeren, is zooveel als zichzelf tot een gek te maken. Neem het mij niet kwalijk, Anton, gij zelf zijt zoo'n goede gek geweest, ik heb er den nondigen aanleg niet voor. Na verloop van acht dagen zou ik in de treurige noodzakelijkheid zijn den man te mishandelen. Weet je geen beter raad ?

«Geen,» riep Anton. «Wanneer gij niet met al uw krachten u dit landgoed aantrekt gaat ontegenzeggelijk verloren al wat wij in dit jaar opgebouwd hebben, en onze duitsche volkplanting wordt opge-ruimd. liet goed valt waarschijnlijk aan bloedverwanten in de zijlinie van den vorigen eigenaar ten deel, die het grootste kapitaal er op hebben staan, en het oude poolsche leven begint opnieuw.»

«Dat is waar,» zei Von 1' ink.

«En gij. Frits,» vervolgde Anton, «hebt door je vriendschap voor mij een deel van je geld hier in gestoken; ook gij loopt gevaar verliezen te lijden.»

«Akkoord,» meende Von Fink, «gesproken als een boek. Gij loopt weg en laat mij met een bende onder de Polen achter. — Weet je wat, wacht mij hier; ik wil eerst eenige woorden met Leonora spreken.

«Wat wil je doen?» riep Anton, hem terughoudende.

«Geen liefdesverklaring,» antwoordde Von Fink lachend, «daar kun je op rekenen, mijn jongen.» Hij schelde en liet den knecht aan freule Leonore vragen of zij hem eenige oogenblikken in do huiskamer voor een gesprek kon afstaan.

Toen Leonore binnen kwam met beweende oogen en met moeite haar smart kon bedwingen, ging hij haar beleefd tegemoet en geleid-do haar naar de cannpee.

«Ik zal tegenover u geen enkel woord spreken over hetgeen hier lieden is voorgevallen,» begon hij. «Wij willen aannemen, dat het verblijf van onzen vriend in de hoofdstad voor uw belang nog wen-schelijker is dan zijn tegenwoordigheid hier. En na al wat ik gehoord heb is het inderdaad zoo. Wohlfart zal overmorgen vertrekken.»

Leonore verborg haar gelaat in haar handen. Von Fink sprak op kou-

ocr page 508

-17'gt;

dun toon voort: «Intusschen eischt mijn eigenbelang, dat ik mij beijver de zaken hier op de beste en zekerste wijze te regelen. Ik heb hier verscheidene maanden doorgebracht cn ben niet geheel onverschillig voor dit landgoed. Daarom verzoek ik u een voorstel aan uw vader te willen doen, waarvoor ik in dit oogenblik u het liefst als bode zou gebruiken. Ik ben bereid het landgoed van den baron voor mij te koopen.»

Leonore trilde heftig en sprong van de canapee op. «Voor de tweede maal,» riep zij in diepe droefheid uit.

«Wees zoo goed,» begon Von Fink opnieuw, «bedaard naar mij te luisteren. Het ligt geenszins in mijn bedoeling, om tegen den baron Von Rothsattel de rol van een reddenden engel te spelen; ik heb veel minder dan onze geduldige Anton iets op den rug dat naar een paar vleugeltjes gelijkt, en vooral heden gevoel ik mij volstrekt niet gezind om mijnheer uw vader eenig aanbod te doen, dat in de minste mate slechts in strijd zou kunnen schijnen met mijn welbegrepen eigenbelang. Beschouw gij mij voor het oogenblik als uw tegenpartij en mijn voorstel, zooals het is, als alleen in mijn voordeel gedaan. Wat ik aanbied komt hierop neer. De koopsom van dit landgoed zon, wanneer de baron dit zoo berekenen wilde, dat hij zelf er geen verliezen bij lijdt, nu over de honderdzestigduizend daalders bedragen. Ik bied u het hoogste wat het nu in mijn oogen waard kan zijn: overneming van de schulden, die op het goed staan, en uitbetaling van twintigduizend daalders aan den baron binnen de vierentwintig uren; na verloop daarvan gaat het goed in mijn handen over. Tot aanstaande paschen zou ik het kasteel aan u willen overlaten en zelf, zoo dit zonder bezwaar van beide kanten geschieden kan, tot zoolang mij als uw gast blijven beschouwen. Ik zal in den regel afwezig zijn en u niet lastig vallen.»

Leonore staarde angstig op zijn gelaat, dat er in dit oogenblik oven hard uitzag als dat van een verstokten Yankee; het weinigje bedaardheid verliet haar op eens, en onder den strijd van hevige aandoeningen brak zij in tranen los.

Von Fink leunde kalm in zijn stoel, en zonder zich door die uitbarsting te laten storen, vervolgde hij: «Gij ziet, mijn aanbod is een verlies voor u; wat ik u ontnemen wil, is waarschijnlijk de helft van uw erfdeel, maai het is niet meer dan billijk dat gij het verliest. De baron heeft te onberaden zijn vermogen in dit goed gestoken; dat uw familie voor dit gemis aan voorzichtigheid boet, zal onvermijdelijk zijn. Want hooger dan mijn bod is de koopwaarde van het goed, zooals het er thans uitziet, zeker niet. Ik zon oneerlijk zijn, wanneer ik verzweeg dat het bij een doelmatige behandeling binnen eenige jaren het dubbele kan waard zijn; maar ik ben innig overtuigd dat het onder de bestiering van den baron die waarde nooit zal krijgen. Was Anton hier gebleven, dan zou niet hij, maar de omstandigheden het hem wellicht mogelijk hebben gemaakt, dit vermogen voor u te verwerven. Thans is ook deze kans voor u verkeken. Ik verberg u evenmin dat Wohl-fart mij zooeven dringend heeft verzocht dat ik zijne plaats zou innemen.»

Leonore wenkte nog midden onder het snikken met haar hand van neen. «üet doet mij genoegen, freule, dat wij het hieromtrent eens zijn; ik heb dat voorstel zeer stellig en voor altijd afgewezen.» Nu zweeg hij en zag met onderzoekende blikken naar het meisje, wier hart hij door zijn wreede

ocr page 509

m

woorden had gebroken. Hij sprak hard tot haar, hij, de man voor wien zij alles zou gedaan hebben, om een lachje, een vriendelijken blik van hem te verdienen. Met kwalijk verborgen verachting sprak hij over haar vader, zijn taal was die van een kouden eogïst. En toch, zoodra de schelle toon, waarin hij gesproken had, in het vertrek was uitgestorven, kwam de gedachte bij haar op, dat zijn voorstel nog altijd een geluk kon zijn in hun rampzaligen toestand. En met den scherpen blik van een beminnend hart vermoedde zij achter den ruwen vorm een bedoeling, die haar niet recht duidelijk was, doch die als eon verwijderde straal van hoop den donkeren nacht barer smart verlichtte. Hoe hij zich ook mocht gedragen, er was geen laagheid in zijn houding te bespeuren. Het zenuwachtig snikken ging over in een hevig schreien ; zij beproefde van de canapee op te staan en viel neder op den grond. Zoo lag zij naast zijn stoel en drukte haar hoofd tegen de leuning, een beeld der lijdende onderwerping. En onder het stroomen harer tranen sprak zij: «Gij bedreigt mij niet, doe met ons wat ge wilt.»

Een trotsch lachje speelde om de lippen des mans, hij boog tot haar, sloeg zijn arm om haar hoofd, drukte een kus op haar lokken en zei; «ik verlang, kameraad, dat go vrij zult worden.»

Leonores hoofd rustte aan zijn borst, zij weende bedaard voort; hij hield haar in zijn arm. Eindelijk greep hij haar hand en schudde ze hartelijk. «Wij beiden zullen mekaar van heden af beter begrijpen. Gij moet vrij worden, Leonore, vrij tegenover mij, en vrij van alles wat u hier kwelt. Gij verliest een man, die de opofferende teederheid van een broeder voor u heeft gehad, en mij doet het genoegen dat hij van u weggaat. Ik vraag heden niet of gij als vrouw uw leven aan hot mijne wilt verbinden, want gij zijt nog niet vrij genoeg om naar de uitspraak van uw hart te beslissen. Uw lierheid zou u raden neen te zeggen het jawoord moet uw achting voor n zelve niet verminderen. Zoodra de vloek is weggenomen, die op uw huis ligt, en als het ii vrij zal staan hij mij te blijven of van mij te gaan, kom ik mijn antwoord halen. Tot zoolang, trouwe, eerlijke vriendschap, kameraad!»

Leonore stond op.

«En laat ons nu aan niets dan aan het landgoed denken,» hernam Von Fink op zijn gewonen toon ; «droog de tranen af, die ik zeer ongaarne in uw oogen zie, en deel gij het officieele gedeelte van mijn voorstel aan uw moeder mede. Zoo het niet eerder kan, verzoek ik althans morgen de beslissing te vernemen.»

Leonore ging naar de deur, daar bleef' zij staan ; nog eenmaal keerde zij tot hem terug en reikte hem de hand.

Langzaam wandelde Von Fink naar Antons kamer. Hij ging naar zijn vriend toe, die met gekruiste armen voor het venster stond en op de velden zag, die in den helderen maneschijn voor hem lagen. «Deukje nog wel eens aan hetgeen je mij den dag mijner aankomst over je vaderlandsliefde hebt gezegd. Anion?»

«Sints toen hebben wij er nog dikwijls over gesproken,» hernam Anton droefgeestig.

«Ik heb er mijn nut mee gedaan,» vervolgde Von Fink. «Dit landgoed zal niet meer onder den scepter van een Bratzky of zoo iemand komen. Ik koop de heerlijkheid als de baron het wil.»

ocr page 510

17.4

Anton keerde zich verbaasd om. «En Leonore ?»

«Zij deelt liet lot harer ouders; wij hebben dat zoo even samen besproken.» En hij vertelde zijn vriend van zijn aanbod.

«Nu hoop ik nog dat alles in orde zal komen,» riep Anton verblijd.

«Laat ons de toekomst afwachten,» zei Von Fink. «Daar boven gloeit een vagevuur voor den ouden zondaar. Ik ben blijde dat ik zijn gekerm niet behoef aan te hooren.»

Den volgenden morgen bracht do knecht aan elk der vrienden een brief uit het vertrek des barones; zij waren van Leonores hand ; haar vader had met bevende letters onderteekend. In het schrijven aan Anton verzocht de baron in met zorg gekozen bewoordingen vergiflenis voor de beleediging, welke hij hem in een opwelling van toorn had aangedaan, en betuigde hem zijn dank voor de trouwe diensten, die Anton hem had bewezen; in den brief aan Von Fink nam hij het voorstel aan en vroeg dat hij hem, den schrijver, zoo spoedig mogelijk van do zorgen zou onthellen, welke de bestiering van het landgoed hem in zijn ziekelijken toestand zou veroorzaken. Zonder een woord te spreken ruilden de vrienden hun brieven.

«Dus is het nu bepaald,» riep Von Fink ; «de halve wereld heb ik doorgezworven en vond het nergens naar mijn zin ; thans zal ik mij in deze zandwoestijn begraven, waar ik eiken nacht wel vuur tegen de poolsche wolven zal mogen aansteken. Maar gij, mijn vriend, hef uw hoofd vroolijk op, en zie voor u uit; want ik heb thans een tehuis gevonden, ook gij keert daarheen terug, waar het beste deel van uw hart verwijlt. — En daarom, mijn waardste, laat ons nog eenmaal bepraten wat je werk is. De taak rust op je om zekere gestolen papieren te vinden. Maar denk ook aan het tweede gedeelte. Doe wat ge kunt om de familie het weinige dat zij hier gered heeft, te verzekeren. Zorg dat het oude landgoed der Rothsattels een prijs maakt, die de schuldvorderingen van alle hypotheekhouders dekt. öij moet weg, ik verlang niet dat jo nog hier zult blijven, maar je weet dat onder alle omstandigheden gij daar een eigen huis vindt, waar ik woon. En nog iets ; gebruik al je welsprekendheid om je trouwen Sancho te bewegen hier te blijven, althans dezen winter nog.

«Niemand weet nog,» zei Anton, «dat ik van hier vertrek ; hij moet de eerste zijn die het hoort. Ik ga dadelijk nfgt;ar hem toe.»

Het morsige vertrek, waarin vroeger de heer Bratzky had gehuisd, was door Kareis handen in een zeer bewoonbare, gezellige kamer herschapen, die maar één gebrek had, dat zij te vol allerlei nuttige voorwerpen was. Karei had de kamer zelf met een roozeroode kleur geverfd ; aan den muur hing in een vergulden lijst een portret van den ouden ülücher en daarnaast een groote verzameling gereedschappen voor oorlogswerken zoowel als voor den vrede; geweer en kruithoorn, zaag en bijl, liniaal en driehoek. Voor het venster stond een kleine schaafbank, een menigte roodborstjes fladderden heen en weer; overal was een sterke lijmlucht. Menigmaal had Anton hier uitgerust en troost gezocht bij Kareis frisschen geest, wanneer in de laatste maanden hem het leven wat zuur was geworden. Toen hij weder op de bekende muren zag, drukte het hem als een steen op het hart dat hij ook van dien trouwhartigen man scheiden moest. Hij leunde

ocr page 511

175

tegen de schaafbank en zei: «Leg je rekeningen weg, Karei, en Iaat ons een ernstig woord samen spreken.»

«Nu komt liet los,» zei Karei, «reeds lang heeft er iets gebroeid ; ik zie aan uw gezicht dat alle bommen gesprongen zijn.»

«Ik ga van hier, mijn vriend.»

Karei liet de pen uit zijn hand vallen en gaapte in stomme verbazing zijn vriend aan.

Von Fink neemt het landgoed over, hij heeft het vandaag gekocht.»

«Hoezee!» riep Karei. «Zoo mijnheer Von Fink de man is, die.... enfin, dan is alles in orde. ik feliciteer u van harte,» zei hij. Anions hand vattende, «dat het zoo geloopen is. Laatstleden lente had ik in mijn onnoozelheid heel anders gedacht; maar nu is het in orde. En onze bouwerij is ook gered.»

«Maar gij, mijnheer Anton,» vervolgde Karei, en zijn gelaat werd op eens ernstig.

«Ik keer naar onze hoofdstad terug,» hernam Anton, «daar heb ik voor den baron nog eenige zaken te beredderen, en dan zoek ik een plaats op een kantoor.»

«En wij hebben hier samen een heel Jaar gearbeid,» zei Karei bedroefd, «gij hebt de moeite gehad en een ander zal oogsten.»

«Ik keer daarheen terug waar ik tehuis behoor. Maar, beste vriend, het is nu niet om mij te doen, maar om u; welk zal uw lot wezen ?»

«Ik ga natuurlijk met u mee,» riep Karei.

«Ik kom juist om je te vragen dit niet te doen. Konden we samen een zaak beginnen, dan zou ik je met al mijn macht zoeken bij mij te houden. Maar dat gaat met. Ik moet een plaats voor mij zeiven zoeken. Ik ben nooit in de mogelijkheid geweest om door mijn eigen vermogen mij een zelfstandige betrekking te bezorgen. Een gedeelte van het weinige dat ik bezat is zoek geraakt; ik vertrek van hier niet rijker dan ik gekomen ben. Dus zoaden wij toch van elkaar af moeten gaan, zoodra we thuis waren gekomen.»

Karei zat met het hoofd in de handen en dacht na. «Mijnheer Anton,» begon hij, «ter nauwernood durf ik u over iets spreken, waarvan ik zeil niet veel weet. Gij hebt mij enkele malen gezegd dat mijn oude een vrek is die op geldzakken slaapt. Wat zoudt gij er van denken ...?» vervolgde hij aarzelend, terwijl hij met zijn mes in den stoel sneed. «Als het voor u niet te weinig was, wat mijn oude in zijn ijzeren kist heeft — neem gij dat dan, en zoo het soms in koloniale waren kon gestoken worden — 't is wel zeer onbeschaamd van mij — dan kon ik u misschien als compagnon nog van dienst zijn. 't Is zoo maar een invallende gedachte en ge moet het mij niet kwalijk nemen.»

Anton antwoordde getroffen: «Hoor eens. Karei, dat gij mij zulk een aanbod doet, ligt geheel en al in je karakter; maar het zou slecht van mij wezen, als ik hem aannam. Het geld komt je vader toe, en zoo hij ook zijn toestemming gaf, 't geen ik wel geloof dat hij doen zou, zou toch je toekomst nog onzekerder worden dan zij thans is. In ieder geval zal het vermogen van je vader je in het vak, waarin je nu thuis bent, een beter bestaan bezorgen dan in een ander, dat je ter liefde voor mij nog zoudt moeten aanleeren. Daarom, mijn vriend, is het beter en voor-deeliger voor u, dat wij nu van elkander gaan.»

Karei trok zijn zakdoek en kuchte herhaaldelijk eer hij op nieuw

ocr page 512

476

vroeg: «Maar gij zoudt niet alleen voordeel van het geld trekken ? gij zoudt ons goede intressen geven.»

«Uet kan niet,» antwoordde Anton.

«Dan keer ik naar mijn oude terug en begraaf me onder een hooiberg hier of daar in ons land, riep Karei mistroostig.

«Dat moogt ge niet,» riep Anton. «Gij hebt dit landgoed beter loeren kennen dan iemand anders; het zou verkeerd zijn en schandelijk voor den nieuwen eigenaar, als hij u verloor. Von Fink heeft nu juist een man noodig, zooals gij zijt; de bouwerij hier kan je althans tot den volgenden zomer niet missen. Toen wij hierheen kwamen, trokken wij het land niet in om ons te goed te doen, maar om iets dergelijks tot stand te brengen. Mijn taak is afgeloopen. Gij bevindt u nog midden in het werk. Gij pleegt verraad aan u zelf en aan uw plicht als ge thans weg gaat.»

Karei liet het hoofd hangen.

«Wat mij uw verblijf hier somtijds pijnlijk maakte, was het geringe loon dat de baron u geven kon ; dit zal nu ook anders worden.»

«Laat ons daar niet over spreken,» zei Karei lier.

«Integendeel, het is nu juist do tijd daarover te spreken,» zei Anton, «want de mensch handelt verkeerd, als hij het beste wat hij heeft, zijn krachten, aan oen werk verspilt, dat hem niet in die mate beloont als zijn rustelooze ijver het verdient. Dat veroorzaakt oen ziekelijk leven en bovendien komt de mensch in gevaar het met zich zeiven oneens te worden. Dat moogt ge op mijn verantwoording als waarheid aannemen. Derhalve verzoek ik je hier te blijven, ten minste tot den volgenden zomer; dan zal bij de groote uitbreiding, die de landontginning en de bouwerij thans verkregen heeft, een knappe rentmeester uw plaats kunnen vervullen.»

«En zal ik dan ook moeten weg gaan?» vroeg Karei.

«Von Fink zal je altijd gaarne behouden; maar zoo Je dan weg wilt, Karei, denk dan eens aan hetgeen we in dit jaar samen zoo dikwijls bepraat hebben. Gij hebt je aan een leven onder vreemden gewend,

gij vereenigt in je allo vereischten voor een kolonist op vreemden bodem.

Als niet een hooger plicht je voortjaagt, is het je^ roeping hier te blijven als voortplanter van het duitsche element. /00 je van hier weg gaat, koop dan land onder vreemden. Het zal gemakkelijk leven voor je wezen, en je zult je vele genoegens moeten ontzeggen; maar wij leven niet in een tijd, dat een degelijk, krachtig man zijn rust moet nemen en op zijn gemak zijn koetjes op het droge moet zien te krijgen. Gij hebt een moedig hart, gij zijt niet gewoon te genieten, maar te verdienen. Ge zult hier met de ploegschaar in de hand een duitsch soldaat zijn, die den grenssteen onzer zeden verplaatst in het gebied onzer vijanden.» En hij wees naar het oosten.

Karei reikte zijn vriend de hand toe en zei : «Ik blijf.»

Toen Anton de woning van den opzichter verliet, stond Leonore voor de deur. «Ik wachtte u hier af,» sprak zij gejaagd tot Anton, «ga met mij, Wohlfart; zoolang gij nog hier zijt, beschouw ik u als mijn eigendom.»

«Waren uwe woorden minder hartelijk,» hernam Anton, «dan zou ik meenen dat gij in stilte u verheugt mij kwijt te raken. Want wezenlijk, freule, in langen tijd heb ik u niet zoo moedig gezien. Opgewekt en met frissche wangen komt gij mij te gemoet, en ook het rouwkleed is verdwenen.»

ocr page 513

177

«Dit is tlo japon dio ik aan had, toen wij samen in de sleden reden; toen vondt gij ze mooi. Ik ben ijdel,» vervolgdn zij met een weemoedig lachje, «ik wil dat de laatste indruk, dien ik bij u zal laten, een aangename is Anton, vriend mijner jeugd, wat een vreemde bestiering is liet toch, dat wij juist van elkander moeten scheiden, den eersten onbezorgden dag dien ik sints jaren beleef, liet landgoed is verkocht, heden haal ik weer vrij adem. Wat een treurig leven heb ik in de laatste jaren gehad: altijd gekweld, gedrukt, vernederd door vriend en vijand; altijd iets verschuldigd te zijn, nu geld, dan dank, het was vreeselijk. Niet tegenover' u, Wohlfart. Gij zijt de vriend mijner jeugd en als gij in het ongeluk waart, zou ik mij gelukkig achten, wanneer ook gij mij riept en tot mij zeidet: Thans heb ik u noodig. Kom nu en help mij, wilde Leonorel — Maar ik wil niet langer wild zijn. Ik wil aan alles denken wat gij mij gezegd hebt.»

Zoo sprak zij opgewonden tot hem en haar oog straalde. Zij nam vertrouwelijk zijn arm, hetgeen zij nooit had gedaan en leidde hem nog eens overal rond. «Kom, Wohlfart, de laatste wandeling samen door het goed, dat weleer het onze was. Deze koe met du bles hebben we samen gekocht,» riep zij ; «vóór deti koopt vroegt ge mij wat ik er van dacht, dat deed mij waarlijk goed.»

Anton knikte en zei: «Wij wisten geen van beiden best wat te doen en Karei moest beslissen.»

«Neen, neen; gij hebt het geld betaald, ik heb haar het eerst hooi gegeven ; dus komt zij ons beiden toe. — Bekijk nog eens dat zwarte kalf. liet ziet er heerlijk uit. Mijnheer Sturm dreigt mij dat hij de ooren rood wil verven, zoodat het juist een kleine duivel zal zijn.» Zij hurkte voor het kalf neer, trok het naar zich toe en liefkoosde het; eensklaps stond ze op en zei: «Ik weet niet waarom ik er zoo lief mee ben; het behoort mij niet meer, het is het kalf van een ander.» Maar in weerwil van haar boosheid, hoorde Anton er een ondeugende plagerij in. Zij troonde hem al verder mee. «Kom nu naar mijn poney,» vroeg zij. «Arm, klein dier! Het is oud geworden sints den dag dat ik in onzen tuin u achterop kwam rijden.» Anton streelde het dier, en de poney keerde den kop, nu eens naar hem, dan naar Leonore.

«Weet ge wel hoe het kwam, dat ik u op den poney achterop reed?» vroeg Leonore. 't Was geen toeval. Ik had u onder de heesters zien zitten, vandaag durf ik u dat wel zeggen, en ik dacht bij mij zelve: Sapperloot, dat is een knappe jongen, dien willen we wat meer van nabij bezien. En zoo is het gekomen.»

«Ja,» zei Anton, «eti zoo kwam de aardbeien, zoo kwam de vijver. Ik stond voor u en at de aardbeien op en was een beetje huilerig, maar toch was mijn hart vol van u, zoo schoon en heerlijk stondt gij daar voor mij ; ik zie u nog in het golvende kleed met de korte mouwen en aan den blanken arm een gouden bracelet.»

«Waar is de bracelet heen; vroeg Leonore ernstig en drukte haar hoofd tegen den hals van het paard; «gij hebt hem verkocht, ondeugende Wohlfart.» — De tranen rolden langs hare wangen, met beide handen greep zij over den rug van den poney naai' de trouwe hand van haar vriend. «Anton, we konden niet altijd kinderen blijven.» Toen streelde zij zijn wangen en riep: «Beste, dierbare vriend, vaarwel 1

DUIKT EN CREDIT II. li»

ocr page 514

178

Vaart wel, droomen mijner jeugd; vaarwel, korte, liefelijke lentetijd; ik moet thans leeren zonder mijn beschermengel alleen door de wereld te komen. ■— Maar ik zal n geen schande aandoen,» vervolgde zij ernstiger, «ik zal voortaan verstandig zijn, ik zal ook goed huishouden. Morgen reeds wil ik er mee beginnen; nu ga ik naar Butje in do keuken, ik weet dat u dat genoegen zal doen. fk zal weer boek houden, met drie lange 'strepen op ieder blad; ik zal alles opschrijven. Die spaarzaamheid zullen we ook in het klein noodig hebben, Wohlfart. Ach, arme, arme moeder! Zij vouwde haar handen samen en zag er zeer bekommerd uit.

«Kom,» zei Anton, «laat ons naar buiten gaan ; zoo gij er nieis tegen hebt, zullen we een wandeling in het bosch doen.»

«Niet naar het bosch, niet naar den houtvester,» zei Leonore ernstig, «naar de nieuwe boerderij wil ik met genoegen gaan.»

Zoo wandelden zij samen door do bouwlanden. «Gij moet heden bij mij blijven,» zei Leonore, «ik laat n niet los.»

«Leonore, gij wilt mij het afscheid zeer pijnlijk maken.»

«Zou het u pijnlijk wezen ?» vroeg Leonore verheugd, maar terstond daarop schudde zij met het hoofd. «Neen Wohllart, dat is niet waar; gij hebt in stilte meermalen gewenscht van mij weg te zijn.»

Anton zag haar verwonderd aan.

«Ik weet het wel,» riep zij vertrouwelijk en drukte zijn arm zachtjes. «Ik weet bet heel goed. Zelfs wanneer gij bij mij waart, was uw hart er niet altijd bij. Dikwijls wel, toen bij die sledevaart bij voorbeeld; maar menigmaal waart ge met uw gedachten in den vreemde. Als ge zekere brieven ontvingt, die verslondt ge met een haast, — hoe heet die heer ook?» vroeg zij.

«Uaumann,» antwoordde Anton zonder erg.

«Ingeloopen,» riep Leonore en drukte zijn arm op nieuw. «Weet je wel dat je mij een tijd lang diep ongelukkig hebt gemaakt ? Ik was een dwaas kind — nu zijn we wijs geworden, Anton; nu zijn we vrije men-schen, en daarom kunnen we nu gearmd loopen, beste vriend.»

Toen zij op de nieuwe boerderij waren gekomen, zei Leonore tegen de vrouw van den pachter: «Hij gaat ons verlaten. Hij heeft mij verteld dat gij hem het eerste genoegen hebt gedaan op het landgoed, door den ruiker dien gij voor hem pluktet. Haal nu den laatsten voor hem. Ik zelve heb geen bloemen, onder mijn zorgen tieren ze niet, Hier achter de schuur alleen hebben alle bloemen gebloeid, die men op het landgoed vinden kan.»

De boerin maakte weer een kleinen ruiker, bood hem met een neiging Anton aan, en zei daarbij weemoedig: « t Is juist weer zooals een jaar geleden.»

«Ja, maar hij gaat weg,» zei Leonore, keerde zich om en hield haar zakdoek voor de oogen.

Den pachter en den herder schudde Anton hartelijk de hand. «Ik hoop dat ge nog eens in vriendschap aan mij zult denken,» zeide hij.

«üij zijt altijd goed voor ons geweest,» zei de vrouw van den pachter.

«En hebt ons voedsel bezorgd voor menschen en dieren,» sprak de herder zijn hoed afnemende, «hebt overleg en orde in alles gehad.»

«Voor uw toekomst is gezorgd,» zei Anton, «gij krijgt een heer, die meer voor u kan doen dan ik.» Ten slotte kuste Anton nog den kleinen krul-lebol van den pachter, verzocht hem zijn spaarpot te halen, die in de

ocr page 515

17!)

kast stond, en deed er een stuk geld in. liet kind hield hem bij zijn panden vast en wou hem niet laten gaan.

Op de wandeling naar huis zei Anton; «Wanneer iets mij het scheiden minder smartelijk kan maken, is het de toekomst die het landgoed te gernoet gaat. En ik heb een voorgevoel en vast vertrouwen, dat zich ook in uw leven op een gelukkige wijze al wat nu nog onzeker en raadselachtig is, zal oplossen.»

Leonore liep een tijd lang zwijgend naast hem, eindelijk vroeg zij: «Mag ik met u over den man spreken, die thans eigenaar van het landgoed is? ik zou gaarne willen weten hoe gij zijn vriend zijt geworden.»

«Ik ben hot geworden, doordat ik een beleediging, die hij mij aandeed, niet goed opnam. Onze wederzijdsche verhouding is zoo onveranderlijk dezelfde gebleven, omdat ik hem in kleinigheden gaarne toegaf', in belangrijke zaken trouw aan mijn overtuiging bleef. Hij heeft grooten eerbied voor kracht en zelfstandigheid, maar wordt spoedig wreed, zoodra hij zwakheid van oordeel en gebrek aan wilskracht bespeurt.»

«Maar hoe zal een vrouw vastheid van karakter krijgen tegenover zoo iemand?» zei Leonore neerslachtig.

«Ja,» antwoordde Anton ernstig, «voor een vrouw, die zich geheel en al, die zich hartstochtelijk aan hem overgeeft, zal dat moeielijk worden. Alles wat slechts den schijn heeft van eigenzinnigheid en onwil zal hij met onverbiddelijke gestrengheid knakken, en de overwonnene geenszins sparen. Doch waar een edel on waardig karakter zich tegenover hem weet te handhaven, zal hij het eeren. En zoo ik ooit in de gelegenheid kwam zijn toekomstige echtgenoote een raad te geven, zou ik haar dit zeggen, dat zij in de eerste plaats zich voor alles moest wachten wat in een vrouw gewaagd en driest staat. Wat hem een vreemde dame aangenaam maakt, omdat het hem spoedig zekeren graad van vertrouwelijkheid verleent, dit juist zal hij het minst gaarne zien bij zijn vrouw.»

Leonore sloot zich vaster aan hem en boog het hoofd; zoo keerden beide in diepe stilte naar het kasteel terug.

's Middags liep Anton in gezelschap van Karei het bosch en de bouwlanden nog eens door. Steeds had hij het leven op het landgoed als een verblijf in den vreemde beschouwd, en nu, dat hij weg zou gaan, scheen hem alles zoo bekend en gewoon, alsof hij thuis was. Overal vond hij iets, waarvoor hij in dat jaar had gezorgd; op de bouwlanden, in de huizen, bij de dieren en de gereedschappen trof hij sporen zijner werkzaamheid aan. Hij had het graan gekocht, dat op dit stuk stond; hij had de nieuwe ploegen laten maken, waarmee de knecht, dien hij gehuurd had, werkte. Ginds had hij een dak vernieuwd, hier een slechte brug hersteld. En evenals ieder, die in een nieuwen werkkring komt, had hij op die aangebrachte verbeteringen plannen gebouwd; over alle deelen van het landgoed zweefden luchtkasteelen, verwachtingen en gelukvoorspellende gedachten. Altijd had hij geklaagd dat hij voor do zaken, die hij zoo haastig op zich had genomen, niet genoeg voorbereid was; thans, nu hij op het punt stond er van te scheiden, gevoelde hij maar al te zeer hoe dierbaar zij hem waren geworden. In het jagershuis zat hij nog een uur lang met den eerlijken oude te praten. Buiten op het veld sloeg de herfst de bladen van de boomen en verdreef het liefelijke groen. Hier om den oude was het bosch frisch, en in de volle

ocr page 516

480

kracht van den rijpen leeftijd zat de barsclie boscliman tegenover hem. Bij liet afscheid aan de poort zei de houtvester: «Toen gij voor het eerst den kling dezer deur oplichttet, dacht ik niet dat de hoornen boven ons zoo vast zouden staan, en dat ik nog eens met andere menschen zou moeten beginnen te leven. Gij hebt een oud man het sterven moeielijk gemaakt, mijnheer VVohlfart.»

Het scheidingsuur brak aan. Anton ging den baron op zijn kamer opzoeken en nam een kort en formeel afscheid van hem. Leonore smolt weg in tranen, en Fink was hartelijk als een broeder. Toen Anton naast hem stond en met medelijden naar Leonore zag, zei Fink: «Wees gerust mijn vriend, hier althans zal ik mijn best doen om te zijn zoo als gij waart.» Fink en Leonore vergezelden hem tot aan den wagen; nog één blik wierp Anton op het kasteel, dat dien somberen herfstdag even treurig op de eenzame vlakte stond, als de eerste maal toen hij het aanschouwde. Toen sprong hij in het rijtuig; een laatste handdruk, een laatst vaarwel, en Karei greep de teugels; voorbij de schuur sloegen zij den weg in naar het dorp, het kasteel was verdwenen. De rij der armoedige hutten, de brug over de beek, het bosch, alles zag hij voor den laatsten keer, althans voor langen tijd. Aan het einde van het bosch bij de grenzen van het landgoed, waar de weg naar Kunau en Neudorf liep, hield Karei op. Een troep mannen stond bij den grenspaal. Het waren de onderhoorigen van het landgoed; de houtvester, de pachter en de schaapherder, verder do smid van Kunau mot eenige buren en de zoon van den schout uit Neudorf.

Aangenaam verrast sprong Anton uit den wagen en begroette nog eens de hartelijke vrienden.

«Vader zendt mij om u voor hem te groeten,» zei de zoon van den schout; «het gaat beter met zijn wonde, maar hij mag zijn kamer nog niet verlaten, en do smid van Kunau riep hem als een laatst vaarwel toe: Groet onze landgenooten daar ginds in Duitschland en zeg hun dat zij ons nooit moeten vergeten.»

Zwijgend als den dag zijner komst, reed Anton naast zijn trouwen Karei over den groeten straatweg. Hij was thans vrij, vrij van de toovermacht die hem daarheen gelokt had, vrij van menig vooroordeel, vrij als een vogel in de lucht. Hij had een jaar lang rusteloos gewerkt en nu moest hij zich los maken van al wat hem hier had bezig gehouden; hij had de rechte lijn van zijn leven verlaten, om voor anderen werkzaam te wezen, en thans ging hij om voor zichzelven een nieuwen werkkring te zoeken; hij moest van meet af aan beginnen. Of hij zijn eigen toekomst door dit jaar sterker of zwakker had gemaakt, was nog do vraag. Hij had leeren inzien hoe hooge waarde een zelfbewust, gezond leven te midden van eigen werkzaamheid heeft, en hij gevoelde dat hij hiervan nu verder verwijderd was dan een jaar geleden. Hij moest bekennen dat hij met zijn krachten een gewaagd spel had gespeeld, en die gedachten verduisterden als met een droevig waas, den spiegel, waarin hij de beelden van de laatste tijden zag. Maar hem berouwde niet wat hij had gedaan. Hij had verloren, maar ook gewonnen; hij had doorgedreven dat op een onbe-bouwden grond een nieuw frisch leven ontkiemde; hij had meegewerkt om een nieuwe kolonie van zijn volk te bevestigen; had hij de menschen, die hij liefhad, den weg voor een rustige, veilige toekomst gebaand; hij zelf voelde zich rijper, verstandiger, bedaarder. En zoo zag hij over

ocr page 517

181

de koppen der paarden, die hem naar zijn vaderland brachten, du vlakte in, en zei tot zichzelven: «Voorwaarts! ik ben vrij en mijn pad licht vóór mij.»

II.

Intusschen stond Antons huisgeest, de leerkleurige kat, treurig op haar achterpooten. Een jaar, rijk aan lief en leed, aan rust en bedrijvigheid, was verloopen: de kat had er niets van gemerkt. Met gebogen kop zag zij in (ie ledige kamer rond. De gordijnen waren neergelaten en geen zonnestraal speelde om haar kleine ooren. Niets bewoog zich in het vertrek, dan de stof, die door de reten binnendrong, een poosje om de kat heendwarrelde, en eindelijk vermoeid op haar gipsen huid neerviel, op de schrijftafel, of op het tapijt, liet was een boos jaar voor het gipsen beeldje, en het zou in de eenzaamheid geheel vergeten zijn, zootlat men zijn slimme oogjes en zijn gladde huid onder de stoflaag nooit zou hebben kunnen herkennen, zoo niet een vriendelijk bezoek het nu en dan te hulp was gekomen. Somtijds op stille avonden bescheen het licht van een zwervende lamp de snorren van de kat. Dan streek een zachte vrouwenhand liefkoozend over het vel, de ramen werden voor een kwartier open gezet, een beetje maneschijn verlichtte de kamer, en verscheidene zeernleeren lappen en borstels van even zoovele dienstmeisjes werden ijverig in beweging gezet. Dan spon de kat een oogenblik, maar dadelijk daarop drukte haar de eenzaamheid zwaar op het hart en zij verzonk weer in haar beweging-loozen toestand.

Heden is het een frissche heldere maneschijn; alles in huis rust, in alle kamers en vertrekken zijn de tnensclien naar bed gegaan, alles slaapt en niemand denkt er aan, dat hij, die reeds een kind van het handelshuis was, toen zijn oude vader met het fluweelen kalotje hem op zijn knie hield, zich gereed maakte om naar huis terug te keeren. Niemand denkt er aan, en wie weet of velen het wel wenschen ? Maar het groote huis weet het en daar heerscht leven in alle hoeken en gaten : het hout kraakt, in de lange gangen gonst het, in alle kasten tikt het; de maan beschijnt alles met den lichten zilverglans en tot in de diepste hoeken dringen haar stralen door.

Wie dien nacht de gele kat kon zien, zou vreemd hebben staan kijken. Zij likt zich en streelt zich, zij strekt de stijve pootjes uit en krult vroolijk den staart; eindelijk springt zij van de schrijftafel af en gaat de deur uit naar de plaats. Statig wandelt zij door alle gangen en hoeken van het huis. En waar zij komt wordt het levendig, en al het kleine gespuis van huisgeesten, dat in zoo'n groote woning onvermijdelijk is, begint zich te bewegen en draaft door elkander heen. Grijze, schimachtige ventjes komen uit de schoorsteenen en van onder de lessenaars op het kantoor te voorschijn, zij vegen de trappen en de gangen schoon, en dansen om den ouden Pluto rond, die naast den slapende pakhuisknecht de wacht houdt, zoodat de groote hond niet kan inslapen en met een zacht geknor en geblaf het zwoegen en werken der huisgeesten aanziet. Nu komt de kat bij de

ocr page 518

■182

slaapkamer van Sabino en miauwt zaclitjes, voor menschen onlioor-baar; maar het kabouteitje, dat daar in den voet van Sabine's lamp woont, wil er niet uit, hij schudt met den kop en prevelt: Wij willen niet blijde zijn.» Ook op de kamer van den koopman is weinig goede wil om de terugkomst van den verwijderden vriend te vieren; de geesten, die daar huizen zijn trotsch, en schelden door het sleutelgat op de kat. Maar deze laat zich niet storen en het geheele huis laat zich niet storen. En op de groote weegschaal zit een talrijk, vroolijk gezelschap. Zoovele aardmannetjes als er in het huis zijn, en hun aantal is groot, allen zijn zij heden om een groot foest te vieren bij elkaar gekomen, en in het midden zit de kat, spinnende en glinsterende, en van pleizier likt hij zijn snorren, en de vroolijksten van het gezelschap klimmen boven naar de armen van de weegschaal, en trekken van daar gezichten tegen de kamer van den patroon, ja zelfs tegen hun lieveling Sabine. Geen sterveling weet dat hij terug zal komen, maar het huis heeft er een voorgevoel van, en het maakt zich mooi en zet de deuren open om den terugkeerende vriend gastvrij te ontvangen.

Het is nu de volgenden dag, tegen den avond; Sabine staat in haar schatkamer voor de geopende kasten; zij bergt het nieuwe linnen op en bindt weer rozenroode lintjes om de nommers der stellen. Natuurlijk weet zij niets, vermoedt zij niets. Haar wit damast schittert heden als zilver; de fljngeslepen deksel, dien zij van den familiebokaal afneemt, klinkt helder als een klok, en nog lang trillen de tonen in het hout der groote kast. Al de geschilderde koppen op het porce-leinen servies zien er heden bijzonder vriendelijk uit; dokter Maarten Luthei en de toovenaar Faust vertrekken hun gezicht en lachen; zelfs Ööthe glimlacht, en het is niet te beschrijven hoe hartelijk de oude Frits schatert. Alles blinkt en straalt in de verschillende vakken der kasten; iedere oude roemer, iedere kelk, verraadt een heimelijk verlangen om te klinken; maar Subine merkt niets, de verstandige vrouw des huizes weet niets van hetgeen allo kleinen weten, üf zou ze toch iets vermoeden ? Hoor ! zij zingt. Sints lang is geen vroolijk lied over haar lippen gekomen; heden gevoelt zij zich licht om liet hart, en als zij op de schitterende gelederen van zilver en glas ziet, die voor haar in de kast geschaard staan, vindt die bonte glans gemakkelijk den weg tot haar ziel; haar lippen beginnen zich te bewegen, en zachtjes, als het gekweel van een vogeltje, klinkt een lied uit haar kinderjaren in de kleine kamer. En van de kast stapt zij eensklaps naar het venster, waar het portret barer moeder boven den leuningstoel hangt, en vroolijk staart zij op de dierbare trekken en zingt voor het gelaat der moeder hetzelfde lied, dat de moeder op dienzelfden leuningstoel weleer voor de kleine Sabine had geneuried.

Daar sluipt een in een mantel gewikkelde gedaante den gang binnen.

Op de open plaats staat Balbus, die tegenwoordig den scepter zwaait bij de weegschaal; met een half oog ziet hij naar de gedaante en denkt bij zichzelven : «Uie kerel lijkt een beetje op Anton.» De pakhuisknechten slaan een kist dicht en de oudste keert zich toevallig om, en ziet een schaduw en houdt een oogenblik met timmeren op en zegt in stilte: «Dat was net ot het mijnheer Wohlfart was.» En achter op de plaats hoort men een luid blaffen en springen van den hond, en uitgelaten komt Pluto naar de pakhuisknechten loopen en kwispelstaart, en blaft en likt hun handen

ocr page 519

183

en vertelt op zijn manier de geheele geschiedenis. Muar ook de knechts weten niets en een van hen zegt: «'t Was een geest, men ziet niets meer.» Nu gaat de deur van Sabines kamer open. «Zijt gij het, Frans ?» vraagt Sabine, üeen antwoord. Zij keert zich om, haar oog staart angstig, nieuwsgierig op de gedaante, die voor de deur staat. Haar hand beeft, en grijpt naar de leuning van den stoel, zij houdt zich vast en hij snelt op haar toe, en in hevige aandoening knielt hij, zonder te weten wat hij doet, naast den stoel, waai'in zij is neergezegen en rust zijn hoofd op haar hand, Uat was Anton. Geen van beiden sprak een woord. Als op een liefelijke verschijning hield Sabine haar oogen op den geknielde gevestigd en zacht lei zij haar andere hand op zijn schouder. En in bet vertrek blijft het glinsteren en gonzen. De lamp werpt haar helder licht op de beide kinderen der firma, en het portret der moeder boven den armstoel ziet vriendelijk neer op de groep voor haar.

Zij vroeg niet waarom hij kwam, niet of'hij vrij was van de toovermacht, die hem het huis had uitgedreven. Toen hij zoo voor haar knielde en zij zijn open oog zag, dat vol vrees en teederheid het hare zocht, gevoelde zij dat hij terugkeerde tot het huis, tot haar broeder, tot haar.

«Wat zijt ge lang weggebleven,» zei ze verwijtend, maai' met een zalig lachje op het gelaat.

«Altijd was ik hier,» riep Anton hartstochtelijk. «Al dadelijk, het oogetiblik zelf, dat ik van deze muren mij verwijderde, besefte ik dat ik alles opofferde wat voor mij vrede en geluk heet. Thans word ik dooi' een onwederstaanbare macht naar u gedreven, ik moet u zeggen hoe het in mijn binnenste gesteld is. U heb ik altijd vereerd als een heilige, zoolang ik in usv nabijheid leefde. De gedachte aan u was ook in den vreemde mijn steun, mijn kracht. Zij beschermde mij in de eenzaamheid, in een wild leven, in groote verleiding. Uw beeld plaatste zich reddend tusschen mij en een ander. Dikwijls zag ik uw oog op mij gericht, evenals dien dag toen ik bij u hulp voor mij zeiven zocht; dikwerf hief uw hand zich op, zij wenkte en waarschuwde mij voor het gevaar, dat mij omgaf. Als ik niet slecht ben geworden, Sabine, heb ik dat aan u te danken.»

Wederom boog hij zich over haar hand. Sabine hield hem vast en sprak fluisterend : «Mijn vriend, mijn lieve vriend ! beiden moesten wij hetzelfde ondervinden, beiden hebben wij gedroomd en met een gevoel gekampt, en wij hebben een krachtig besluit genomen, beiden hebben wij overwonnen. Wat moet gij zwaar hebben geleden, mijn vriend!»

«Neen,» riep Anton, «het was niet hetzelfde leed, niet dezelfde kracht. Ik heb u gezien en aangebeden, toen gij in stille bedaardheid op u zelve vertrouwdet. Ik was een zwakke begeerige man, en ik weet niet hoe het met mij zou geloopen zijn, zoo niet de gedachte aan u in mijn ziel had geleefd. In tien vreemde werd de macht, die uw persoon op mij uitoefent, steeds grooter, en alleen dooi' dat ik voordurend aan u dacht werd ik vrij.»

«En weet gij dan of het bij mij niet juist zoo was?» vroeg Sabine en zag hem feeder aan.

«Sabine!» riep Anton builen zich zeiven.

«Ja, dat is uw eerlijk trouw gezicht,» riep het meisje. «Ach, ook in uw trekken lees ik de sporen van den harden tijd.» —Zij stond op. • «Wij hebben hier al van uw heldendaden gehoord, ofschoon gij in dat land niets voor ons over hadt, dan een korten kouden groet.»

ocr page 520

'18!:

«Kon ik liet anders?» vroeg Anton haastig.

Sabine knikte van ja. «Wat heb ik niet telkenmale naar de berichten geluisterd, die ons door uw vertrouwden Baumann werden overgebracht. Als ik in deze veilige haven aan den vriend dacht, die verreweg onder verbitterde vijanden leefde, aan een aanval der woestelingen blootgesteld — o Wohlfart, Wohlfart, ik ben zoo blij u weer te zien.

«Een ander draagt thans zorg voor het landgoed en de hopeloozen,» hernam Anton.

«Het is een bestiering van de Voorzienigheid dat hij daar gekomen is,» riep Sabine en zag met ongeveinsde vreugde naar den dierbaren teruggevondene.

In het eentonige leven, dat zij leidt, heeft zij sints jaren een innige genegenheid voor Anton in haar hart gekoesterd. Sedert hij van haar is weggegaan, weet ze dat zij hem bemint; met kalme zelfbeheersching heeft zij de smart voor zich zelve gedragen. Noch haar liefde, noch haar zelfverloochening is voor de leden van het gezin merkbaar geweest. Ter nauwernood heeft zij door een enkelen blik, door een enkel woord venaden wat in haar hart rondgaat, zooals het een kind voegt van een handelshuis, waarin het debet en credit der menschen stipt en zonder eenig medelijden geboekt wordt. Thans in haar vreugde over het weerzien breekt door haar bedaard uiterlijk heen de kracht harer liefde zich een baan. Zij staat, schitterende van blijdschap, voor don man en denkt aan niets, dan aan het geluk van hem weer te bezitten, en zij merkt in haar opgewondenheid niet eens dat in Anions bleeke trekken nog een andere gewaarwording doorstraalt. Hij heeft haar gevonden, maar alleen om ze voor altijd te verliezen.

Nog steeds houdt Sabine zijn hand in de hare geklemd en zij trekt hem door de oranjerie, door den gang naar de werkkamer van haar broeder.

Wat gaat ge doen, Sabine? Dit huis is een solide huis, maar erg poëtisch is het niet; niet licht laat het zich door gevoel of aandoening meesleepen, niet snel opent het de armen, of drukt het hem aan het hart, die alleen komt om met hartelijkheid ontvangen te worden. Het is een koud verstandig prozaïsch huis! Met korte woorden wordt hier geöischt en geweigerd. Eu het is een trotsch en gestreng huis! Bedenk dat wel; geeir teedere welkomst zal het zijn, die ge uw vriend voorbereidt.

Dat gevoelde Sabine ook, en haar voet draalde een oogenblik eer zij de deur opende, maar snel nam zij een besluit, en Autoris hand vasthoudende trok zij hem over den drempel, en met een gelukkig gelaat riep zij haar broeder toe: «Hier is hij, hij komt tot ons terug!»

De koopman stond van zijn schrijftafel op, maar bleef staan, en hel eerste wat hij zei, op kouden, kalmen toon, waren de woorden: «Laat de hand mijner zuster los, mijnheer Wohlfart.»

Sabine deinsde terug; Anton stond alleen in het midden van het vertrek en zag bewogen naar den koopman. De krachtige gestalte van den man was in het laatste jaar verouderd, zijn haar grijs geworden, de trekken nog sterker geteekend. Niet onbeduidend was de strijd geweest, die hem zoozeer had veranderd,

«Dat ik op het gevaar af van u onwelkom te zijn hier binnen kom,» sprak Anton, «zal u een bewijs wezen, hoe sterk mijn verlangen was u en het handelshuis terug te zien. Heb ik eenmaal uw ontevredenheid gaande gemaakt, laat het mij ten minste in dezen oogenblik niet gevoelen.»

ocr page 521

De koopman wendde zicli tot zijn zuster. «Laat ons alleen, Sabine; wat ik met mijnheer Wohlfart te bospreben heb, wil ik zonder getuigen afhandelen.» Sabine naderde haar broeder en bleef' onbeweegelijk voor hem staan. Zij sprak geen woord, maar met een helder oog, waarin een vast besluit te lezen was, staarde zij op zijn somber gelaat ; daarna verliet zij het vertrek. De koopman zag haar ontevreden achterna en richtte zich tot Anton. «Wat brengt n naar ons terug, Wohlfart vroeg hij, «hebt gij daar ginds niet bereikt, wat gij in uw jeugdige drift u voorsteldet, en komt ge thans hier om in een burger-huishouden het geluk te zoeken, dat u vroeger voor uw eischen te gering scheen ? Ik heb gehoord dat uw vriend Fink zich op het landgoed des barons heeft gevestigd ; heeft hij u hierheen teruggezonden, omdat gij hem daar in den weg stoudt ?»

Over Anions voorhoofd trok een wolk. «Niet als een fortuinzoeker, die op geluk uit is, treed ik voor uw oogen. Gij zijt onbillijk, zoo ge zulk een vermoeden uit, en mij voegt het niet het te verdragen. Er was een tijd dat gij gunstiger over mij oordeeldet, aan dien tijd dacht ik toen ik u opzocht; ik wil er nu nog aan denken om uw beleedi-gende woorden te vergeten.

«Gij hebt mij eens gezegd,» hervatte de koopman, «dat gij u in mijn zaak en iu dit huis gevoeldet als in uw ouderlijke woning. En gij luidt hier inderdaad een tehuis, Wohlfart, in ons hart, in onze zaak. In een vlaag van opgewondenheid hebt gij ons laten loopen, en wij hebben, ofschoon treurend en met een bang hart, hetzelfde met u gedaan. Waarom keert gij nu terug? Gij kunt voor ons geen vreemde wezen, want wij hebben u liefgehad, en ik persoonlijk ben u voel verschuldigd. Gij kunt de oude vriend voor ons ook niet meer zijn, want gij zelf hebt gewelddadig den band verbroken, die u aan ons boeide, (jij hebt mij, juist toen ik zoo iets het allerminst verwachtte, herinnerd, dat slechts een eenvoudig contract u aan mijn kantoor verbond. Wat zoekt ge nu? Wilt ge op nieuw een plaats op mijn kantoor? of wilt gij, zooals het allen schijn heeft, nog meer?»

«Ik wil niets,» riep Anton door zijn gevoel overweldigd, «niets dan uw vergiffenis, uw vriendschap. Ik verlang geen plaats op het kantoor, ook niets anders, liet oogenblik zelf, dat ik het landgoed van den baron verliet, stond het bij mij vast beslooten, dat mijn eerste gang moest zijn naar uw huis, en de daaropvolgende, uit uw huis, om mij elders bezigheden te zoeken, Wat ik ook in dit jaar moge verloren hebben, achting voor mijzelven, gevoel van eigenwaarde heb ik nog ; en wanneer gij mij zoo vriendelijk hadt ontvangen, als mijn hart mij naar u dreef, zou ik u het eerste uur het beste zelf gezegd hebben, wat gij uu van mij wenscht te hooren. Ik weet dat ik hier niet blijven kan. Ik heb het reeds ginds in den vreemde gevoeld. Zoo dikwijls ik aan dit huls dacht, sedert ik dezen grond weer heb betreden, uw zuster weer heb ontmoet, weet ik zelfs best dat ik hier niet blij ven kan zonder oneerlijk te handelen.»

De koopman wandelde naar het venster en zag zwijgend naar buiten. Toen hij zich omkeerde was de uitdrukking van hardheid van zijn gelaat verdwenen; hij zag met vorschende blikken op Anton. «Dat was eerlijk gesproken, Wohlfart,» zei hij ten laatste, «en ik wil hopen ook eerlijk gedacht; en even eerlijk wil ik u zeggen ; het doet mij thans nog leed, dat gij ons verlaten hebt. Ik kende u zoo als zelden een

ocr page 522

180

onder man eon jongeren leert kennen; onder mijn oogen waart gij in de zaak opgeleid, ik kon op de zuiverheid uwer gevoelens staat maken, ik wist dat geen oneerlijke gedachtte in uw ziel huisde. En nu, waarde Wohlfart, zijt gij een vreemdeling voor mij geworden. Neem mij niet kwalijk dat ik u dit zeg. l'Jen onnatuurlijk verlangen heeft u iu betrekkingen verwikkeld, die, naar alles wat ik er van gehoord heb, ongezond moeten zijn voor iedereen die er in leeft. Gij hebt in een streek, waar de gewetens doorgaans wijder zijn dan bij ons, en de maatschappelijke instellingen minder vast zijn geworteld, de bestiering gehad van een verloopen boedel; gij zijt de vertrouwde geweest van een bankbreukigen edelman, die nog menige eigenschap van een braaf man mag behouden hebben, maar die door slechte zaken en den omgang met gewetenlooze menschen datgene verloren heeft wat bij mij eer heet. Gaarne wil ik aannemen dat uw braafheid u verboden heeft ;daar iets te doen, wat legen uw overtuiging was, maar Wohlfart, ik herhaal u thans, wat ik reeds vroeger gezegd heb: elk langdurig verkeer en iedere werkzaamheid onder zwakke en slechte menschen brengt zelfs den rechtschapen man in gevaar. Allengs en zonder het zelf te bemerken, begint hij voor dragelijk te houden, wat een ander iu betere omstandigheden ver van zich weert, en de gebiedende noodzakelijkheid dwingt hem menigmaal met maatregelen genoegen te nemen, welke hij anders ongetwijfeld kort en bondig zou van de hand wijzen. Ik ben overtuigd dat gij gebleven zijt wat do wereld een eerlijk man noemt, maar die ongekreukte zuiverheid uwer eer als koopman, die helaas bij velen onzer tegenwoordige handelaars voor pedanterie versleten wordt, of gij haar bewaard hebt, weet ik niet; en dat dlt; juist den dag, dat ik u wederzie, daaraan moet twijfelen, en dat ik het u zeggen moet, ziet ge, dat maakt mij deze ontmoeting pijnlijk.»

Anton werd zoo bleek als de zakdoek, dien hij in de hand hield en hij antwoordde met bevende slem. «Genoeg, mijnheer Schröter! Dat gij mij het eerste uur terstond het wreedste zegt, dat men zijn vijand kan toevoegen, is voor mij een bewijs dat ik verkeerd heb gehandeld, toen ik dit huis weder betrad. Ja, gij hebt gelijk. Dit geheele jaar heeft het gevoel mij niet verlaten, dat het gevaar, waarvan gij hebt gesproken, om mij rondwaarde. Het gansche jaar is het mijn grootste verdriet geweest dat de zaken, waarvoor ik ijveren moest, mij niet toelieten den man hoog te schatten, voor wien ik werkte. Aan u echter kan ik, niet minder hooghartig dan gij gedaan hebt, ten antwoord geven dat de reinheid van den man, die angstig voor de verleiding terugbeeft, niets waard is ; en zoo ik Iets uit een jaar vol ergernissen en pijnlijke ondervinding gewonnen heb, is het juist dat trotsche bewustzijn, dat ik zelf op de proef ben gesteld, en dat ik niet meer als een knaap uit instinct of'gewoonte handel, maar als een man uit vaste beginselen. Ik heb in dit jaar op mijzelven leeren vertrouwen, wat ik vroeger niet deed; en daar ik mijzelven acht, zeg ik u thans, dat ik uw twijfel zeer goed begrijp ; dat ik echter, sints gij hem hebt uitgesproken, den band als verbroken beschouw, die mij ook in den vreemde aan uw huis vastknoopte. Ik vertrek om deze woning nooit meer te betreden. Vaarwel, mijnheer Schröter!»

Anton keerde zich om en wilde weggaan, doch de koopman hield hem terug en lei de hand op Antons schouders.

ocr page 523

187

«Niet zoo driftig, Wohlfart,» zei de koopman liefderijk; «de man, die den houw van den poolschen sabel van mij heeft afgewend, mag niet beleedigd en in toorn mijn huis verlaten.»

«Spreek niet van het verledene,» hernam Anton, «dit kan nu niets baten. Niet ik, gijzelf hebt beleediging en (oorn in onze ontmoeting gebracht. En gij, niet ik, hebt vernietigd, wat uit vroegeren tijd ons aan elkander bond.»

«Neen, Wohlfart,» zei de koopman. «Als ik u door mijn woorden gevoeliger gekrenkt heb dan mijn bedoeling was, vergeef het dan aan mijn grijze haren en aan een hart, dat jaren lang vol bange zorgen is geweest van zorgen, ook over u. Beiden zien we elkander niet terug, zooals wij waren, toen gij ons verliet; en wanneer twee mannen iets tegen elkaar op het hart hebben, moeten zij het dadelijk bij de eerste ontmoeting oprecht zeggen om hun wederzij Ische verhouding ongedwongen te maken. Waart gij mij minder dierbaar, ik zou mijn vrees wel verzwegen hebben, en mij groet ware zeker wel beleefder geweest. Nu echter bied ik u de hand, neem gij zo aan.»

Anton lei zijn hand in die van den koopman en sprak : «Vaarwel.»

Maar de koopman hield de hand vast en zei vriendelijk. «Niet zoo haastig, ik laat u nog niet vrij. — Bedenk dat het thans uw oudste kennis is die u verzoekt te blijven,» voegde hij er op ernstigen toon bij, toen Anton nog besluiteloos aan de deur stond.

«Ik zal heden avond blijven, mijnheer Schröter,» zei Anton met waardigheid.

De koopman geleidde hem naar de sofa. «Veel heb ik reeds gehoord van uw avonturen; uit uw mond zou ik gaarne nadere bijzonderheden vernemen. En gij zult ook verlangend zijn te weten hoe het ons hier is gegaan; dat dus het eerst.» En nu begon hij te vertellen wat in dien tusschentijd in de zaak was voorgevallen, liet was geen vroolijke schildering, die hij Anton voorhield; maar zijn mededeelingen verbanden voor een groot deel de kilheid uit Anions hart, welke de ruwe ontvangst daarin gebracht had; want Anton gevoelde welk vertrouwen de koopman hem door zijn verhaal schonk. Deze vertelde hem veel, dat een handelaar slechts zelden aan zijn vrienden in 't geheim mededeelt: alle zaken van gewicht, de geringste verdiensten en de groote verliezen van het laatste jaar.

Langzamerhand trokken weer vrede en een gevoel van welbehagen door het huis; als goede huisgeesten die gedurende het gesprek der beide mannen verschrikt in hun muizengaten waren gekropen, staken nu dapper de hoofden naar buiten, en die onder het geheim-grootboek ver-verborgen lagen begonnen met de anderen vertrouwelijk te worden.

Ongemerkt was Anton weer geheel in de zaak tehuis gebracht; met een haastigen blik overzag hij nog eens alle gebeurtenissen van het vorig jaar; zijn wang kreeg haar kleur, zijn dof oog den glans terug, en onwillekeurig begon hij over de zaken der firma te spreken, of hij er nog toe behoorde. Nog eenmaal reikte de koopman nu met een weemoedigen blik Anton zijn hand toe, en hartelijk werd zij thans aangenomen ; do vrienden waren verzoend.

«En laat ons nu iets van u hooren, waarde Wohlfart,» vervolgde de koopman. «Ciij hebt mij eens gesproken over uw bemoeiingen ten voor-deele van den baron; toen werd ik er ongeduldig over; nu vraag ik u mij te vertellen wat gij noodig hebt.»

ocr page 524

-188

Anton deelde hem mee wat geen geheim was. De koopman hoorde met aandacht, ja in zekeren angst, naar alles wat Anton van de zaken des barons en zijn eigen pogingen vertelde. Anton sprak met omzichtigheid, want voor zijn gevoel van eigenwaarde was dat uithooren hin-delijk. Intusschen zei hij den koopman toch genoeg om dezen gerust te stellen,

«Vergun mij thans ook een woordje over uw toekomst te spreken,» begon de koopman eindelijk en stond van zijn stoel op. «Na hetgeen gij mij hebt te kennen gegeven, verlang ik niet van u dat gij de eerste jaren op mijn kantoor zult doorbrengen, hoe welkom mij overigens uw hulp juist in deze tijden zou wezen. Maar ik verzoek u vriendelijk aan mij de zorg te willen overlaten een plaats voor u te zoeken die voor u geschikt is. Wij zullen gemeenschappelijk de zaak overleggen en ons niet overhaasten. Tot zoo lang blijft gij als gast bij ons. Uw kamer staat leeg, alles is onveranderd gebleven. Uit uw verhaal heb ik mee-nen te begrijpen, dat gij hier toch in de eerste maanden nog eenige zaken te richten hebt. Die kunt ge inmiddels afmaken. En als ge lust en tijd hebt om nu en dan op het kantoor mee te helpen, zal zulks mij hoogst aangenaam zijn. —■ Wat uw verhouding tegenover mijn familie betreft,» sprak hij op ernstigen toon, «schenk ik u mijn volle vertrouwen, liet is mij een behoefte u dit te toonen en juist daarom doe ik u dit voorstel.»

Anton zag zwijgend voor zich uit.

«Ik verlang niets van u dat u pijnlijk mocht zijn, zei do koopman; «gij weet hoe het in ons huishouden toegaat; men moet dikwerf de gelegenheid zoeken om met elkaar te spreken. Voor Sabine en voor u wensch ik voor eenige weken het leven van vroegere dagen terug en als de tijd gekomen zul zijn, een kalm scheiden. Ik wensch dit ook zeer voor mijn zuster, Wohlfart,» voegde hij er openhartig bij.

«In dat geval blijft ik,» antwoordde Anton.

Intusschen liep Sabine onrustig haar kamer op en neer, en luisterde angstig naar elk geluid in het vertrek van haar broeder. Maar hoe dikwijls ook treurige gedachten haar overvielen, heden avond hadden zij geen vat op haar. Het vuur vlamde op en zij hoorde het tikken der klok, maar het dennenhout knapte en knetterde vroolijk in de kachel en maakte een buitengewoon leven. Telkens spleten de blokjes uiteen; de vonken spatten door het deurtje van den haard de kamer in. Zij kon niet bedroefd worden, zij kon zich niet ongerust maken, want telkens verstond zij uit het tikken van de klok. «Hij is terug, hij is hier!»

De deur ging open; de tante trad driftig binnen. «Wat hoor ik?» begon zij. «Is het mogelijk? Frans vertelt me dat Wohlfart bij uw broeder is.»

«Dat is zoo,» zei Sabine, het oog der tante ontwijkende.

«Wat is dat nu weer voor een geheimzinnigheid?» vervolgde de tante knorrig. «Waarom brengt Traugott hem niet dadelijk hier? En op zijn kamer is nog niets in orde. Hoe kunt ge hier zoo bedaard staan Sabine? Ik begrijp je niet.»

«Ik sta te wachten,» zei ze zacht; maar zij sloeg haar hand aan de leuning van een stoel en hield zich vast.

En juist naderden mannenstappen de kamer; de koopman leidde Anton binnen en riep reeds aan de deur : «Hier is onze gast.» En terwijl Anton en de tante elkaar verheugd begroetten, zei de koopman; «Mijnheer

ocr page 525

•18!)

Wohlfart xal eenige weken bij ons logeeren, totdat lüj een plaats heeft gevonden, zooals ik er een voor liem wensch.» Ten hoogste verbaasd hoorde de tante dit bericht aan en Sabine schikte met ijver de kopjes op het blad otn haar onrust te verbergen ; maar geen der dames maakte een aanmerking en het levendige gesprek aan den avonddisch breidelde de gejaagdheid, welke in aller harte heerschte. Ieder had veel te vragen en veel te vertellen, want voor allen was het verloopen jaar rijk aan gebeurtenissen geweest. Wel was er nog oen zekere gedwongenheid merkbaar, ook In Antons houding als hij van zijn leven in den vreemde sprak, of over Kink en de duitsche kolonie, die zich op het poolsche landgoed had neergezet. En met gebogen hoofd luisterde Sabine naar zijn woorden. De koopman daarentegen werd steeds vroolij-ker, en toen Anton opstond om naar zijn kamer te gaan, lag op het gelaat van den koopman bijna dezelfde uitdrukking van goedheid als vroeger; hartelijk drukte hij Antons hand en zei lachend: «Slaap wel mijn vriend, en let op uw droom den eersten nacht; men zegt dat zulk een droom meestal verwezenlijkt wordt.»

En als Anton het vertrek had verlaten, trok de koopman zijn zusster in de donkere zijkamer, daar kuste hij haar op het voorhoofd en (luisterde haar in het oor: «Hij is braaf gebleven, dat geloof ik thans uit den grond mijns harten;» en toen hij weer met haar in het goed verlichte vertrek kwam, glinsterde een traan in zijn oog, en hij begon de tante met haar geheime liefde voor Anton te plagen, zoodat do tante eindelijk de handen ineensloeg en uitriep: «De man is vandaag uitgelaten.»

Vermoeid en aangedaan wierp Anton zich op zijn bed. Vreugdeloos scheen hem zijn toekomst, en de gedachte aan de bittere bejegening van dien avond en aan den stillen strijd in de eerstvolgende weken, drukte hem loodzwaar. En toch sluimerde hij weldra in. — En het werd stil in het trotsche koopmanshuis. - Het was een koud prozaïsch huis, met vele hoeken en gaten. Het was geen geschikte plaats voor lijne gevoeligheid, brandenden hartstocht. Maar het was ook een goed huis, en het beschermde een ieder die er in sliep. En wederom waren de kleine huisgeesten dien nacht druk in de weer; zij liepen door elkaar en praatten en lachten en door alle kasten heen gonsde de tijding, dat het kind der firma terug was gekomen, en de kat op haar achterpooten zag trotsch naar den slapenden Anton, krulde lustig haar mooi geringden staart, en spon den ganschen nacht door.

Hl.

Den volgenden dag reeds begaf Anton zich op weg naar Ehrenthal. De zieke was niet te spreken en de dames ontvingen hem zoo onvriendelijk, dat hij het voor het bereiken van zijn doel schadelijk rekende haar iets omtrent de aanleiding tot zijn bezoek te zeggen. Uij liet daarom dienzelfden dag door den advocaat Horn aan den procureur van Ehrenthal schrijven dat twintigduizend daalders voor hem gereed lagen, om de aanspraak van Ehrenthal op die som terstond te delgen: voor de verdere schuldvorderingen welke Ehrenthal, zonder daartoe recht te heb-

ocr page 526

-J 00

ben, tegen den baron liad ingesteld, zou men de uitspraak der rechterlijke macht verbeiden. De procureur van den schuldeischer weigerde de som te ontvangen. Daarop liet Anton bij de rechtbank de noo-dige maatregelen nemen om Ehrenthal te dwingen het geld aan te nemen en van de verdere eischen af te zien.

Het was bijna avond toen Anion een ouden kantoorjas aantrok en met haastige schreden naar het huis van Lobel Pinkus stapte. Door het venster zag hij in de kleine galagkamer; hij vond den eerzamen Pinkus in zijn hullet en vroeg op onverschilligen toon: ((Mijnheer T. O. Schröter wenscht te weten of Schmeie Tinkeles uit Brody reeds gekomen is, dan of hij nog gewacht wordt. Hij laat hem verzoeken zoo spoedig mogelijk bij hem op het kantoor te komen.»

Pinkus antwoordde voorzichtig dat Tinkeles er niet was, en dat liij niet wist of en wanneer hij zou komen. Tinkeles liet dikwijls vooruit een kamer bestellen, dikwijls ook niet; hij kon niets bepaald zeggen. Overigens zon hij de boodschap overbrengen, zoodra hij den man zag.

Don volgenden morgen opende de knecht Anions deur en Schmeie Tinkeles sloop de kamer binnen.

«Ik heet je welkom, Tinkeles,» riep Anton hem toe, en zag met een weemoedig lachje op den man in don wijde japon.

Do schachoraar was verbaasd toen hij zich zoo eensklaps tegenover Anton vond. Over zijn sluw gezicht vloog een uitdrukking van angst, en een zekere inwendige onrust verried zich in de woordenrijkheid, waarmede hij zijn blijdschap over de onverhoopte ontmoeting zocht uit te spreken. «Genadige hemel, dat ik u hier in levendigen lijve voor mij zie ! Ik heb dikwijls op het kantoor van Schröter naar u gevraagd, en heb nooit te wettn kunnen komen waarheen gij vertrokken waart. Ik heb altijd gaarne zaken met u gedaan; wij hebben samen menigen goeden koop gesloten.

«Wij hebben ook samen oorlog gevoerd, Tinkeles,» merkte Anton aan,

«Ja, dat was een misselijke zaak,» zei Tinkeles ontwijkend. «Uetziet er tegenwoordig treurig uit met den handel; het gras groeit op do straatwegen, liet is een slechte tijd geweest in het land. IJo braafste man heeft, als hij 's avonds ging slapen, niet geweten of hij den volgende morgen wel beenen zou hebben om op te loopen.»

«Je hebt je er toch doorgeslagen, Tinkeles en ik onderstel, dat die tijd je niet kwaad bekomen is. Maar neem een stoel, ik heb wat met je te bepraten.»

«Waarom zon ik gaan zitler. ?» vroeg de jood wantrouwend, toen Anton naar de deur ging en ze afsloot; «in zaken heeft men geen tijd om te zitten. Neem me niet kwalijk, waarom sluit ge de deur? Men heeft geen sloten noodig, als men zaken wil behandelen. Niemand zal ons hier storen.»

«Ik wil in vertrouwen met u over een zaak spreken,» antwoordde Antoi; en plaatste zich vlak tegenover den jood «en je zult er niet kwaad bij varen.»

«Nu begin dan maar,» zei Tinkeles, «maar laat de deur open.»

«Luister naar mij,» sprak Anton; «je herinnert je zeker het laatste gesprok, dat we samen gehad hebben toen we elkaar op reis ontmoetten.»

«Ik kan mij niets herinneren,» hernam hij, mot het hoofd schuddende en zag onrustig naar de deur.

ocr page 527

lol

«Je hebt me toentertijd een goeden raad gegeven, en toen ik meer van je hooren wilde, waart ge uit de stad verdwenen.»

«Dat zijn oude geschiedenissen,» antwoordde Tinkeles, steeds minder op zijn gemak. «Ik kan er mij op het oogenblik niets van herinneren ; ik heb ook nog wat op de markt te doen; ik dacht dat gij mij over een zaak wildet spreken.»

«Het is een zaak, waarover we nu spreken, en voor u kan liet een heel goede zaak worden,» zei Anton met kiem. liij ging naar zijn schrijftafel en haalde er een rol geldstukken uit, dien hij voor Tinkeles op tafel lei. «Deze honderd daalders zijn voor hem, die mij de inlichtingen geelt, welke ik noodlg heb.» Tinkeles zag met een schuinschen blik naar het geld en antwoordde; «Honderd daalders is een mooie som, maar ik kan geen inlichtingen geven; ik weet niets, ik herinner mij niets. Telkens als ik n zie, komt ge met die nare dingen voor den dag,» vervolgde hij knorrig, «het is voor mij geen geluk iets met u te doen te hebben, ik heb er nog nooit iets dan zorg en last van gehad.»

Anton ging zwijgend naar de lade, nam een tweede rol en lei ze naast de eerste. «Tweehonderd daalders,» sprak liij, nam oen stuk krijt en trok om het geld vier groote strepen. «Dat is alles voor u, zoo ge mij de inlichtingen geeft, die ik hebben wil.»

De oogen van den Galicier vestigden zich smachtend op den vierhoek. Anton stond er zwijgend bij en wees met den vinger op de som. De schacheraar streed een zwaren strijd, hij keek naar Anton en vertrok zijn gezicht tol een onschuldig lachje; hij deed zijn best er onverschillig uit te zien en zag in de kamer rond, maar telkens viel zijn blik weer op Anions wijsvinger en op den verleidelijken vierhoek. Geen van ons beiden sprak een woord: dal zwijgen duurde eenige minuten, en toch was het even veelbeduidend als een levendig gesprek. Meer en meer begonnen de oogen van den Galiciër te glimmen; steeds onrustiger werden zijn gebaren; hij haalde de schouders op, krabde zich achter het oor, sperde zijn oogen wijd open, en deed wat hij kon om zich aan de beloovering, die hem omstrengelde, te ontworstelen. Ten laatste kon hij hel niet langer uithouden. JJij greep met de hand naar het geld.

«Eerst spreken,» zei Anton en hield de hand op het geld.

«Wees toch zoo wreed niet,» smeekte Tinkeles.

«Luister bedaard naar mij,» hernam Anton. «Ik verlang niels onbillijks van je niels waarover ten eerlijk man zich zou behoeven te schamen; ik zou wellicht door de rechtbank u tol spreken kunnen laten dwingen en zonder kosten de verlangde inlichtingen krijgen; maar ik weel nog van vroeger hoe groolen afkeer je van de rechtbank hebt, en daarom ook bied ik je dit geld aan. Waart ge een ander mensch, dan zoudt ge mij zeggen al wat ge weel, zoodra ik je vertelde, dal een familie diep ongelukkig is geworden door dat je mij vroeger niet alles hebt gezegd. Maar die taal zon bij u niet veel baten.»

_ «Neen,» zei Tinkeles eerlijk, «ze zou niets baten. Laat me het geld zien, dat ge daar voor mij hebt neergeleld. Zijn het werkelijk tweehonderd daalders?» vervolgde hij op do rollen starende, «'t Is goed, ik weel dal het in orde is. Vraag me nu wal ge wilt welen.»

«Je hebt mij verleid dal Itzig, de vroegere boekhouder van Ehren-

ocr page 528

'19'i

thai, er op uit is om den baron Von Rothsattel ongelukkig te maken.»

«Is liet niet gegaan zooals ik gezeid heb?» vroeg Tinkeles.

«Ik heb allen grond om aan te nemen dat je de waarheid hebt gesproken; maar je spraakt toen van twee: wie is de andere?»

De Galiciër zweeg. Anton greep naar de rollen.

«Laat ze liggen,» smeekte Tinkeles, «de andere heet Hippus, naar ik gehoord hei). Hij is een oud man en heeft lang bij Löbel Pinkus gewoond.»

«Is hij een koopman?» vroeg Anton.

«Neen, hij hoort niet tot de onzen; hij is geen handelaar; hij i.s advocaat geweest.»

«Sta je in eenige betrekking tot Itzig?» vroeg Anton verder

«De hemel beware mij voor dien mensch!» riep Tinkeles. «Den eersten dag dat hij hier in de stad is gekomen, heeft hij me de kast al willen open maken, waarin mijn goederen waren. Ik heb moeite gehad hem te beletten mij mijn mooie kleeren af te nemen. Hij zou het je van je lijf afhalen. Neen, met zoo'n mensch wil ik niets te doen hebben.»

«Des te beter voor je zeiven,» antwoordde Anton; «en nu, let op mijn woorden. Den baron is een kistje ontstolen, waarin papieren van waarde geborgen waren. De diefstal is in het kantoor van El.renthal gepleegd. Heb je bij toeval iets van den diefstal gehoord, oi kun je ook vermoeden wie de dief moet zijn ?»

Schmeie zag onrustig in de rondte, vestigde zijn blikken nu op Anton dan op liet geld en zei eindelijk vastbesloten met de oogen dicht: «Ik weet niets.»

«En dit toch moet ik juist van je hooren, en dit geld is voor hem, die mij omtrent den diefstal inlichting geeft.»

«Als ik dan spreken moet, dan moet het er maar uit. Ik heb gehoord dat de kerel die Hippus heet, een keer dat hij dronken was, geschreeuwd en gezegd heeft: «Nu hebben we den Roodstaart; hij is geleverd, door de papieren is hij geleverd.»

«En verder weet je niets?» vroeg Anton in gespannen verwachting.

«Niets,» antwoordde de Galiciër; «'t is lang geleden, en ik heb maar half kunnen verstaan wat zij samen spraken.»

«.Te hebt het geld hier voor je, niet kunnen verdienen,» hernam Anton na een korte stilte; «wat ge mij gezegd hebt, beteekent niet veel. Maar om je te laten zien dat hot mij ernst is door u inlichtingen te bekomen, geef ik je vrijheid honderd daalders te nemen ; de andere helft is je eigendom, zoodra je mij op het spoor van het gestolen kistje of van (ie ontvreemde papieren kunt brengen. Wellicht zal je dat niet onmogelijk zijn.»

«Het is niet mogelijk,» zei Tinkeles stellig, de ontvangen rol in de hand wegende en de andere met teederheid aanziende. «Wat die Itzig doet, doet hij niet zoo dat een ander hem in de kaart kan zien ; en bovendien ik ben maar een vreemdeling hier in de stad en houd mij niet op met schelmen.»

«Probeer het maar,» antwoordde Antou. «Zoodra je iets hoort, kom je het mij vertellen. Dit geld zal ik voor je opbergen. Ik behoef je zeker niet te zeggen dat je zeer voorzichtig zijn en bovenal vermijden moet Itzig of zijn medeboef iets te laten merken. Vertel aan niemand dat je mij kent.

ocr page 529

103

«Ik ben goen kind,» sprak Tinkeles zelftevreden; maar ik vrees dat ik u in deze zaak niet zul kunnen lielpen.»

Met deze woorden vertrok de Galiciër, nadat liij den geldrol deugdelijk in den zak van zijn jas had geborgen.

Anton had den naam gehoord van hem die wellicht den diefstal had gepleegd. Hem was nu de mogelijkheid geopend om aan dezen naam verdere navorschingen te verbinden. Doch de moeielijkheid om de ontbrekende stukken zonder de hulp der rechterlijke macht terug te krijgen, werd telkens grooter. In die omstandigheden nam hij een besluit, dat meer in den koopmansaard viel dan in dien van een zaakgelastigde. Het was een waagstuk, maar bood de mogelijkheid aan om in korten tijd en zonder ruchtbaarheid de papieren aan den baron terug te bezorgen. Hij wou met Itzig zeiven in onderhandeling treden en van het weinige, dat hij door den Galiciër had vernomen, tegenover den doortrapten, gewetenloozen schurk zoo goed hij kon partij trekken. Zeer goed zag hij in hoe onzeker die stap was en dat hem een verwoede strijd met Itzig te wachten stond. Had hij geweten al wat de ondernemende geest van den handelaar in zich ronddroeg, dan zou hij nog meer bezwaar hebben gemaakt om dien weg in te slaan.

Itzigs opgeschikte jongen deed de deur open en Anton stond voor zijn ouden schoolkameraad. De handelaar wist reeds dat Anton van het landgoed bij Hosmin naar de stad was teruggekeerd en had zich op dit bezoek voorbereid. ICenige oogenblikken namen de beide kennissen elkaar op, beiden verlangende om in de trekken en de houding der tegenpartij te lezen en zich te wapenen voor den naderenden strijd. Bij beiden had een langjarige voorzichtige omgang met menschen en de behandeling van zaken punten van overeenkomst doen ontstaan. Beiden waren zij gewoon den schijn van koelbloedigheid te bewaren, en het doel, waarnaar zij streefden, te verbergen; beiden waren gewoon aan vlug beraad, aan voorzichtig spreken, aan een onverschillige houding; beiden vertoonden ook in taal en voordracht iets van de vormen, welke de omgang in de handelswereld aan haar dienaren geeft; beiden waren heden inwendig zeer gejaagd, 't geen de wangen van Anton kleurde en de uitstekende kakebeenen van Veitel met een hoog rood bedekte. Maar tegenover den kalmen en bedaarden blik van Anton was het oog van Veitel onrustig, angstig loerend; tegenover Antons waardige ernstige houding was die van Itzig een mengsel van overmoed en onderdanigheid; beiden begrepen in het eerste oogenblik dat de tegenpartij gevaarlijk en moeielijk te overwinnen was, en beiden spanden al hun krachten in. De strijd ving aan. Itzig begon hem op zijn manier. «Het is mij een waai' genoegen u ook eens bij mij te zien, mijnheer Wohlfart,» zei hij op vriendelijken toon, «het is lang geleden dat ik het voorrecht heb genoten u te ontmoeten. Ik ben altijd zeer groot belang in u blijven stellen. Wij zijn samen op scliool geweest, samen denzelfden dag hier gekomen, hebben beiden door ons zelve onzen weg moeten vinden. Ik had gehoord dat gij naar Amerika waart gegaan. De menschen praten altijd zooveel. Ik hoop dat ge nu voortaan hier zult blijven. Misschien komt ge weer in de zaak van den heer Schröter; men zegt dat hij zeer over uw vertrek heeft getreurd.» Zoo UEÜET EN CHIiDIÏ H.

ocr page 530

J 94

stroomden hem de woorden van de lippen, maar zijn oog zocht door den uitwendigen mensch van Anton tot den inneriijken door te dringen en uit te vorschen wat hom hier had gebracht.

Uij had een zwakke zijde bloot gegeven, toen hij deed alsof hij niet wist waar Anion den laatsten tijd was geweest. Want dat hij den naam Rothsattel vermeed te noemen, gaf aan Anton de vaste overtuiging, dat hij reden had om bij de vermelding van dien naam uiterst voorzichtig te zijn.

Anton antwoordde, van die fout partij trekkende, zoo koud alsof de ander in 't geheel niets gezegd had; «Ik kom hier, mijnheer Itzig, om in een zaak van belang met u te onderhandelen. Gij zijt bekend met de omstandigheden van het riddergoed, dat aan den baron Von Rothsattel behoort, en thans ten gevolge van linantieele moeielijkheden publiek geveild zal worden.»

«In het algemeen is mij daarvan iets bekend,» antwoordde Veitel en leunde op zijn gemak in de canapee, «zooals men met zoo iets bekend raakt; ik heb er veel over hooren spreken.»

«Gij hebt op het kantoor van Ehrenthal de zaken tusschen hem en den baron, die over vele jaren liepen en met geldelijke aangelegenheden van het riddergoed in verband stonden, bezorgd, en gij moet, gelijk van zelf spreekt, daardoor geheel op de hoogte zijn. Daar ik thans met Ehrenthal om zijn ziekte geen zaken behandelen kan, verzoek ik u mij de noodige inlichtingen te willen geven.»

«Wat ik op Ehrenthals kantoor als boekhouder te weten ben gekomen moet een geheim blijven en ik mag het u niet meedeelen. liet bevreemdt me dat gij zoo iets van mij verlangt, eindigde hij met een spottenden lach.

Anton antwoordde koel: «Ik verlang niets van u, dat in eenige mate uw plichtbesef zou kunnen kwetsen. Ik heb groot belang om te weten in welke handen de hypotheken zich thans bevinden, waarmede het goed bezwaard is.

«Dat kunt go terstond te weten komen door een uittreksel uit het register der hypotheken,» zei Veitel met gemaakte overschilligheid.

«Gij zult wellicht gehoord hebben,» vervolgde Anton, die nu aanvallender wijs te werk ging,» dat eenige hypotheken gedurende de laatst verloopen maanden hier in de stad van de eene hand in de andere zijn overgegaan; de tegenwoordige houders althans staan niet in het boek opgeteekend. Het is waarschijnlijk dat de stukken opgekocht zijn om aan een koopgrage bij de publieke veiling den koop ot lastig óf gemakkelijk te maken.»

Tot zoover was het gesprek een alledaagsche voorbereiding geweest tot den ernstigen strijd, evenals de eerste zetten in het schaakspel, of gelijk het begin van een wedren. Itzigs ongeduld deed hem een sprong maken. «Hebt gij in last het goed te koopen?» vroeg hij eensklaps.

«Wel nu, ondersteld dat ik zulk een last had,» antwoordde Anton, «en mij van uw medewerking wenschte te verzekeren : zijt gij dan in staat mij binnen den kortst mogelijken tijd de noodige inlichting te verschaffen en wilt gij u belasten met de verschillende maatregelen die genomen moeten worden om de hypotheken op te koopen.'»

Itzig overdacht de zaak bij zichzelven. Het kon gebeuren dat Anton alleen bi j hem was gekomen met het dool om bij de veiling het riddergoed voor den baron en zijn vriend Fink te verzekeren. In dat geval verkeerde

ocr page 531

-105

hij in gevaar het geheime doel van jarenlanger! arbeid, van gewaagde daden verijdeld te zien. Zoo Fink door zijn fortuin den baron dekte, verloor Itzig het landgoed. Dan moest hij een anderen weg inslaan om den baron geld af te persen. Terwijl hij dit in hartstochtelijke gemoedsbeweging overlei, bemerkte hij hoe vorschend Anton hem aanzag. Met de scherpzinnigheid van een kwaad geweten trok hij hieruit het gevolg, dat Anton iets van zijn plannen geraden had en nog meer van hem wilde weten. Waarschijnlijk was deze voorslag niet oprecht gemeend. Hij haastte zich daarom met groote bereidwilligheid zijn medewerking te beloven en drukte zelfs de hoop uit dat het hem gelukken zou de hypotheekhouders nog tijdig uit te vinden.

Anton zag dat de schurk hem begrepen had en op zijn hoede was. Hij veranderde daarom den aanval.

«Kent gij een zekeren mijnheer Hippus?» vroeg hij plotseling en zag zijn tegenpartij strak in 't gezicht.

Een enkel oogenblik trilden de oogleden van Veitel en het rood bedekte weer zijn wangen. Weifelend, alsof hij in zijn geheugen naar een naam zocht, antwoordde hij : «Ja, ik ken hern. Hij is een ver-loopen, nietswaardig mensch.

Anton gevoelde dat hij het juiste punt had getroflen. «Misschien zult ge u herinneren dat voor anderhalf jaar ongeveer een kist je van den baron met papieren en stukken, die voor den baron van groote waarde waren, uit het kantoor van Elirenthal werd gestolen?»

Itzig bleef bedaard zitten, maar zijn oogen rolden angstig heen en weer.

Een vreemdeling zou dit teeken van een kwaad geweten niet hebben opgemerkt, doch Anton herkende in de veranderde trekken duidelijk het oude gezicht van den Ostrauschen schooljongen, hetzelfde gezicht dat de jeugdige Veitel gewoon was te zetten, wanneer hem de diefstal van een pen of een vel papier verweten werd. Itzig wist van den diefstal af.

Eindelijk antwoordde deze op koelen toon; «Ik heb van het kistje gehoord; het was korten tijd voor ik Ehrenthals kantoor verliet.»

«Juist,» vervolgde Anton; «de gestolen papieren nu konden voor den dief geen waarden hebben. Er bestaat intusschen grond om te gelooven dat zij hier in de stad in handen van een derde zijn gekomen.

«Dat is niet onmogelijk,» hernam Itzig, «maar waarschijnlijk vind ik het niet, dat iemand papieren zonder waarde zoo lang opbergen zou.»

«Ik weet,» zei Anton, «dat de papieren nog bestaan: ja ik weet dat ze gebruikt zullen worden om den baron op de een of andere wijze iets af te persen.»

Itzig schoof onrustig op zijn plaats heen en weder, zag voor zich neer, en de vlek op zijn wangen werd grooter; maar hij zweeg, en ook Anton hield zich een poos lang stil. Wikkend en wegend stonden bei-den tegenover elkaar. Eindelijk werd het zwijgen voor Itzig ondragelijk ; niet vasten wil stond hij op, verkreeg het van zich van zijn tegenpartij aan te zien, en vroeg met schorre stem ; «En waarom spreekt ge mij over die zaak?»

«üij zult niet lang in het onzekere blijven omtrent mijn verlangen,» zei Anton; «ik weet dat de papieren nog bestaan; ik heb ulle reden om te onderstellen dat het u door uw slimheid mogelijk zal wezen den houder op te sporen; gij zult wellicht door dien Hippus de noodige inlichtingen kunnen bekomen.»

ocr page 532

49ü

«Waarom juist door liem ?» vroeg Vcitel haastig.

«IJij heeft in tegenwoordigheid van anderen woorden gesproken, die de vaste overtuiging geven dat hij met den inhoud van die papieren nauwkeurig bekend is.» Itzig zette de tanden op elkaar en alleen een geprevel liet zich hooren, dat in woorden overgebracht, ongeveer zou geklonken hebben : «Die ellendige dronkaard !»

Anton vatte het woord weer op: «De baron heeft de rechten, welke Ehrenthal op de gestolen papieren heeft, dooi de som bij de rechterlijke macht te deponeeren, reeds afgekocht. Het kistje en zijn inhoud zijn het eigendom des barons. Zoo door uw hulp de papieren teruggevonden en den baron ter hand gesteld kon worden, zou deze, die minder belang stelt in de vervolging van den dief, dan in liet terugerlangen der stukken, bereid zijn daarvoor een som te betalen.»

Dit voorstel had voor Itzig veel verleidelijks; zelfs hij had al den tijd na den diefstal het kwellende der misdaad gevoeld; met steeds klimmenden tegenzin had hij de gemeenzaamheid van den dronken Hippus zich moeten getroosten. Wanneer thans vreemd geld den baron kwam steunen; wanneer hij, Itzig, de hoop moest laten varen om het goed voor zich te koopen, dm was nu het oogenblik daar, dat hij tegen eene goede som de noodlottige papieren aan den baron kon teruggeven. Maar de voorgestelde zaak was van den anderen kant gewaagd, zoo Anton na de uitlevering der papieren nog aan de vervolging der (lieven mocht denken. Daarom vroeg Itzig: «Als het waar is dat de baron zoo grooten prijs stelt op het terugvinden dier papieren, hoe komt het dan dat, toen zij verdwenen waren, er zoo weinig leven over is gemaakt, noch door Ehrenthal noch door den baron ? Ik heb nooit gehoord dat de zaak is aangegeven en dat men een onderzoek heeft ingesteld.»

Deze verregaande onbeschaamdheid maakte Anton dol. Hij antwoordde driftig: «De diefstal ging van omstandigheden vergezeld, die voor Ehrenthal een onderzoek pijnlijk moesten maken, het kistje verdween terwijl zijn kantoor gesloten was; wellicht is dit de reden geweest dat men de zaak heeft laten rusten.»

Itzig hernam: «Zoo ik mij goed herinner, zei Ehrenthal indertijd aan zijn kennissen, dat de zaak niet verder was onderzocht uit eerbied voor den baron.» Anton trof deze zet van den schurk smartelijk ; hij dacht aan Leonore, aan de menigte grievende bevindingen, welke de familie in de laatste jaren gehad had, en had moeite om zich bedaard te houden, toen hij zeide: «Wellicht had de baron nog andere redenen om de zaak vooreerst niet te laten vervolgen.»

Nu gevoelde Veitel zich op zekeren grond. Uit Anions kwalijk verborgen spijt zag hij hoe diep deze de noodzakelijkheid gevoelde om den baron te sparen ; zijn aanbod was dus ernstig gemeend, de baron zelf was bang voor den dief. En van dat oogenblik af herwon hij zijn geheele bedaardheid ; zijn houding werd zoo zeker en vrij, dat Anton begreep grond verloren te hebben, en vreesde dat zijn sluwe tegenpartij hem zou ontsnappen; want zonder omwegen begon nu Veitel; «Voor zoover ik dien Hippes ken, is hij een slecht te vertrouwen mensch, die dikwijls dronken is. Als hij in zijn roes iets heeft gezegd, vreesik dat het ons niet veel baten zal om tot de papieren te geraken. Heeft hij n wellicht een bepaalde aanwijzing gedaan, zoodat we hem een schikking kunnen aanbieden ?»

ocr page 533

■197

Nu was het de beurt voor Anton om op zijn hoede te zijn. «Hij heeft voor getuigen verklaringen gedaan, die bijkans zekerheid geven dat hij de papieren kent, dat hij weet waar zij zijn, en plan lieeft ze voor liet een of ander doel te gebruiken.»

«Wellicht is dat voor de heeren rechters voldoende, maar niet voldoende voor een man van zaken om in onderhandeling met hem te treden,» merkte Veitel aan ; «weel ge niet bepaald wat hij gezegd heeft?.»

Anton antwoordde ontwijkend en trof zijn tegenpartij door te zeggen ; «Zijn woorden zijn mij en andere personen zeer goed bekend ; zij zijn juist de reden waarom ik n bon komen opzoeken.»

tuig vond het geraden van dit gevaarlijke onderwerp af te stappen.

«Welke som,» vroeg hij, «wil de baron besteden? ik meen, is het een zaak die de opoffering van moeite en tijd zal beloonen ? Ik heb thans veel andere zaken aan de hand. Gij zult niet verlangen dat ik voor een paar goudstukken mijn tijd zal geven om iets op te zoeken dat zoo moeielijk te vinden is, als papieren welke een ander verborgen houdt.»

Jaren geleden toen de beide jongelingen naar de hoofdstad togen, die nu als vijanden tegenover elkaar stonden, was het de jodenjongen geweest, die naar papieren zocht, waarvan hij in zijn jeugdig onverstand meende dut het geluk zijner toekomst afhing. Toen had hij zich bereid verklaard liet landgoed van den baron voor Anton te koopen. En nu was de ander er op uit geheimzinnige stukken te zoeken ; nu eischte de ander het landgoed van hem op, en hij zelf was een inge-vyijde geworden. Mij had de raadselachtige recepten gevonden, hij hield het landgoed des barons vast in zijn handen, en de ontknooping van zijn lot naderde. Beide mannen dachten op hetzelfde oogenblik aan hun gezamenlijke reis.

Anton antwoordde: «Ik heb volmacht om met n over de som te spreken; ik breng u intusschen onder het oog dat de zaak spoed ver-eisclit. Daarom verzoek ik u mij in de eerste plaats te verklaren of gij bereid zijt de stukken aan den baron Von Rothsattel terug te bezorgen en bij het opkoopen der hypotheken in ons belang werkzaam te zijn ?»

«Ik zal eerst informaties nemen of ik u van dienst kan zijn,» hernam Veitel koel.

Op gelijken toon vroeg Anton : «Hoe veel tijd verlangt ge om een besluit te nemen ?»

«Drie dagen.»

«Ik kan u slechts vierentwintig uur gunnen,» sprak Anton stellig. «Zoo mij in dien tijd uw antwoord niet gewordt, zal ik op last van den baron elk middel, ook het uiterste, aanwenden om de papieren terug te vinden of mij te overtuigen dat zij vernietigd zijn. En van alles wat ik omtrent den diefstal en het honden der stukken weet zal ik partij trekken om hen uit te vorschen, die de misdaad hebben gepleegd.» Uij trok zijn horloge en wees naar het uur. «Morgen om dezen tijd kom ik uw antwoord halen.»

Zoo liep het onderhoud tusschen de beide mannen af. Toen Anton de deur achter zich dicht trok, was Itzigs besluit genomen. Hij volgde zijn vorigen kameraad met een blik vol vrees en haat. Deze was nu zijn gevaarlijkste vijand geworden. Hij wist thans ine( welken ijver Anton zich de belangen des barons aantrok, liij had een zeker onverklaarbaar gevoel, dat de verhouding van Anton met de adellijke fami-

ocr page 534

108

lie dien tlag reeds begonnen was, toen de ilocliter van den baron Anton over den vijver roeide en iiij in liet stof van den straatweg er getuige van was. Voor zich zelf' was hij overtuigd dat Anton op een gansch anderen weg dan hij naar het bezit van hetzelfde landgoed streefde. Zoo ontwaakte alle spijt van zijn zelfzuchtig gemoed. «Nog acht dagen,» prevelde hij, «tot de verloving met Roza. Den volgenden dag vind ik de schuldvorderingen in een hoek op Ehrenthals kantoor. Dan moeten Rothsattel en zijn vrienden de schikking zoeken op voorwaarden, welke ik hun zal stellen. Door de enkele bedreiging, dat ik de zaak voor de rechtbank zal laten onderzoeken en het gedrag van den baron bekend zal maken, dwing ik dezen Wohlfart tot al wat ik wil. Nog slechts acht dagen! Zoo lang houd ik hen aan het lijntje, en dan heb ik gewonnen.»

Toen Anton na verloop van vierentwintig uur aan Itzigs woning belde, kreeg hij geen gehoor. Denzelfden avond kwam hij tweemaal weer, niemand was voor hem tehuis. Den volgenden morgen ontving hem de sluwe jongen en antwoordde op Antons vragen ; «Mijnheer It-zig is uit de stad; het kan gebeuren dat hij reeds over een uur terug komt, maar 't is ook mogelijk dat hij eerst over eenige dagen te spreken is.»

Aan den toon en de woorden van den jongen merkte Anton dat het een van buiten geleerd lesje was.

Van ftzig ging hij naar een ambtenaar, die den naam had een der ijverigste leden der politie te zijn. Aan hem vertelde hij met de grootste voorzichtigheid het noodige over het kistje en zijn inhoud, en verzocht hem om raad ; hij gaf als zijn vermoeden te kennen dat de diefstal met medeweten van Itzig door den advocaat gepleegd was, en verzuimde niet de onvolledige aanwijzingen van den eerlijken Tinkeles mede te deelen. De ambtenaar luisterde met belangsteling naar Antons verhaal en zei ten laatste : «Bij de onvoldoende inlichtingen welke gij mij geeft, heeft de naam van Hippus voor mij de grootste waarde. Hij is een zeer gevaarlijk mensch, dien ik tot nog toe niet goed heb kunnen pakken. Wegens zwendelarij en kleine oplichterijen is hij meermalen veroordeeld en staat hij onder het toezicht der politie. Op dien anderen persoon, welke gij mij genoemd hebt, heb ik geenszins hetzelfde recht. Overigens zijn de omstandigheden, waarop gij wijst, zoo onbeduidend, dat een vervolging ambtshalve niet best mogelijk schijnt. De diefstal immers zelfs, voor meer dan een jaar gepleegd, is nog niet eens behoorlijk bij de politie aangegeven.»

«Raadt gij mij aan,» vroeg Anton, «naar hetgeen gij van dien Hippus weet, hem op te zoeken, om misschien door een minnelijke schikking de papieren te erlangen ?»

De ambtenaar haalde de schouders op en antwoordde: «Van mijn standpunt mag ik u dien raad niet geven ; bovendien vrees ik dat die maatregel u niet zou baten. Want zoo de persoon in kwestie destukken ten voordeele van een derde gestolen heeft, zal hij ze niet meer in handen hebben. En dat hij zijn medeplichtige verraden zal, is niet te onderstellen.»

«En zijt gij dan geheel buiten staat mij tot het terugvinden der papieren behulpzaam te zijn ?»

«Dewijl het eerste vereischte voor mijn werkzaamheid moet wezen dat

ocr page 535

190

de diefstal wordt aangegeven en dat bij de aanklacht de gestolen voorwerpen zoo nauwkeurig mogelijk worden beschreven, kan ik u thans bij uw nasporingen geen rechtstreeksche hulp verleenen. Daar gij echter juist mijnheer Hippus, in wien ik persoonlijk belang stel, tot het voorwerp uwer vervolging hebt gekozen, wil ik alles doen wat ik maar eenigszins kan. Ik wil nog heden een huiszoeking bij hem laten houden. Ik zeg u vooruit dat wij niets bij hem zullen vinden. Ik ben verder bereid dit zelfde onderzoek eenige dagen later te herhalen, op het gevaar af van mijn goeden naam in het oog van den wakkeren Hippus te verspelen. Want de kunstgreep om dieven door een slordige huiszoeking vertrouwen te geven, is wel goed bij nieuwelingen, maar voor dezen doortrapten gauwdief zoo weinig gepast, dat hij mij daarom wellicht zal verachten. Hoven allen twijfel staat dat we ook bij dit tweede onderzoek niets zullen vinden.»

«En welk nut kan die maatregel dan voor mij hebben ?» vroeg Anton.

«Veel grooter dan gij denkt. Daar gij den weg der minnelijke schikking met Itzig reeds hebt ingeslagen, zult gij wellicht door onze bemoeiing uw spel beter winnen. Want een onderzoek aan huis heeft in den regel de uitwerking, om hem dien het treft ongerust te maken. En ofschoon ik zelf niet weet hoe Hippus zich daarbij houden zal, geloof ik toch dat het ook hem alles behalve pleizierig zal wezen. Dat kan uw pogingen ondersteunen. Ik wil ten overvloede nog hiervoor zorgen dat het onderzoek den eersten keer slecht en met veel beweging zal worden ingesteld. Gelukkig voor ons heeft hij tegenwoordig weer een vaste woning; wij hebben hem een tijd lang met vrede gelaten, hij is weei' gerust geworden. Ook hoor ik dat hij oud en ziekelijk wordt, dat alles kan voor u meewerken om den man op de een of andere wijs te vangen.»

IV.

Het was een donkere Novembernacht; een dikke mist hing boven de stad, hij vervulde de oude straten en pleinen en drong door de deuren en vensters de huizen binnen. Hij pakte zich saam om de lantaarns, wier vlam in een roodachtigen bal (likkerde en geen drie pas ver den grond verlichtte. Hij dreef boven het water en rolde in dichte kolommen voort. Een schaar langstaartige, grauwe gedaanten trok over den zwarten stroom, langs de oude waterpalen, onder de brug door; een spookachtige troep verpestende dampen. Zij rolden tegen de trappen aan, klampten zich aan de spijlen der balcons vast en golfden gestadig dooi' elkaar. Soms kwam er een opening in de rijen der nevelbeelden, dan kon men het donkere water er onder zien, dat als een onderaardsche stroom des verderfs voorbij de menschelijke woningen heenvlood.

De straten waren eenzaam, hier en daar zag men in de nabijheid van een lantaarn een menschelijke gedaante opdagen en terstond daarna in de duisternis verdwijnen. Onder deze nevelachtige personen was ook een klein ineengedoken mannetje, die met onzekere schreden voorwaarts

ocr page 536

200

ijlde en oiulor tie lantaarns voortsloop, zoo snel hem de weifelende voeten liet toelieten. Door den gang waggelde luj de plaats binnen, waar Itzigs kantoor was, en zag naar de vensters van den handelaar op. De gordijnen waren neergelaten, maar door do opening viel het licht naar buiten. De kleine man deed zijn best vast te staan, staarde naar het licht, hief de gebalde vuist op en schudde ze dreigend ; daarna strompelde hij de trappen op en belde twee, driemaal. Eindelijk hoorde men een zachten tred, de deur ging open, de kleine man sloop binnen, en liep door de voorkamer, welke Itzig achter hem afsloot.

Veitel zag bleeker dan naar gewoonte en zijn oog volgde onrustig de gedaante van den laten gast, Hippus was nooit een toonbeeld van mannelijke schoonheid geweest, maar heden zag hij er waarlijk afschuwelijk uit. Zijn oogen stonden hol, zijn wangen waren ingevallen, spijt en angst vereenigd troonden op het leelijke gelaat, en boosaardig vlamden zijn oogen door dc aangeslagen brilleglazen op zijn vroegeren leerling. Zeker was hij weer dronken, maar een koortsachtige angst had zijn levensgeest opgewekt en voor het oogenblik den invloed van den brandewijn weggenomen.

«Zij zitten me achterna,» riep hij «zij zoeken mij.»

«Wie zoekt je?» vroeg Itzig, ofschoon hij het wel wist.

«De politie, ellendeling!» gilde de oude. «Om uwentwil zit ik in de benauwdheid. Ik durf niet meer naar huis, je moet mij verstoppen.»

«Zoo ver is het nog niet met ons,» antwoordde Veitel met al de kalmte die hem ten dienste stond. «Van waar weet je dat de dienders je op de hielen zitten?»

«De kinderen op straat spreken er van,» riep Hippus; «op straat heb ik het gehoord, toen ik weer in mijn hol wilde kruipen. Het was een toeval dat ze mij niet in mijn kamer vonden. Zij staan voor mijn huis, zij staan op den trap, zij wachten tot ik terug kom; je moet me verbergen, geld moet ik hebben, over de grenzen wil ik, hier kan ik niet langer blijven; gij moet me een heenkomen bezorgen.»

«Een heenkomen?» vroeg Veitel somber «en waarheen?»

«Ergens heen! waar de politie me niet kan vinden, de grenzen over, naar Amerika!»

«En wanneer ik niet wil?» zei Veitel boosaardig en bij zich zeiven nadenkende.

«Je zult willen, onnoozele bloed! Ben je nog zoo groen dat je niet weet wat ik zal doen, als je mij niet uit de klem redt, deugniet? Gij zult dan voor de rechtbank wel hooren wat ik van je weet!»

«Je zult zoo slecht niet zijn om een oud vriend te verraden,» zei Itzig op oen toon, die, schoon te vergeefs, hartelijk wilde schijnen. «Beschouw de zaak wat bedaarder; wat kwaad kan het ten laatste als zij je in hechtenis nemen? Wie kan je van schuld overtuigen? Ze moeten je uit gebrek aan bewijzen weer vrij laten. Je kent de wet immers even goed als de heeren van de rechtbank?»

«Zoo?» gilde de oude nijdig. «Denk je dan dat ik voor jou, voor zoo'u hansworst, achter de tralies wil gaan? Dat ik op water en brood wil zitten, terwijl gij hier kippenpastei eet en den ouden ezel Hippus uitlacht? Ik wil niet achter de tralies; ik wil weg, en totdat ik wegkom, moet jij me bergen.»

«Uier kunt ge niet blijven,» hernam Veitel, «dit is geen veilige plaats.

ocr page 537

201

voor u noch voor mij; de jongen zal je verraden, de menschen in huis zullen merken dat gij hier zijt.»

«Dat is mijn zaak niet waar je mij brengt, zei de oude, «maar van u eisch ik dat ge mij er uithelpt, of . . . .»

«Houd je mond» zei Veitel, «en luister naar mij. Zoo ik je ook al geld wilde geven eti maken dat je met den spoor naar Hamburg en over zee komt, kan ik het toch niet zoo dadelijk doen en je nu van hier laten vertrekken. Je moet van nacht een paar uur van hier naar een klein station gebracht worden; ik kan hot rijtuig niet huren, dat zou je kunnen verraden, en zooals je hier staat ben je te zwak om te loopen. Ik moet je met een gelegenheid wegzenden, die ik eerst nog moet zien te vinden. Intusschen zal ik je naar een andere plaats brengen, waarvan de politie niet weet dat ik er kom, want ik vrees dat 2'j .ie hij mij zal zoeken. Als je niet thuis komt, zal zij wellicht hier komen, en dat nog wel dezen nacht. Ik wil uitgaan en zien dat ik je een rijtuig bezorg en een plaats waar je vooreerst kunt blijven. Rust intusschen in de achterkamer uit totdat ik terug ben,» Hij opende de deur en mijnheer Hippus sloop als een opgejaagde vleermuis naar binnen. Veitel wou de deur achter hem sluiten, maar de oude schelm ging midden op den drempel staan en gilde in doodelijken angst; «Ik wil niet in den donker blijven als een rat: je moet me hier licht laten. Licht wil ik hebben, satan!» riep hij luid.

«Men zal beneden zien dat er licht in de kamer is; dat zal ons verraden.»

«Ik wil niet in den donker zitten,» herhaalde de oude.

Met een vloek nam Veitel de lamp op en bracht ze in de tweede kamer; daarop sloot hij de deur en ijlde naar buiten. Behoedzaam naderde hij het huis van l.öbel Pinkus. Daar was alles rustig; in den gang zag hij door een klein raampje in de gelagkamer, waar Pinkus en eenige gasten in de zorgeloosheid van een goed geweten samen zaten te kouten. Hij sloop de trap op naar zijn vroegere kamer haalde daar uit een verborgen hoek een bundel verroeste sleutels voor den dag, ging voorzichtig do slaapzaal binnen en bemerkte tot zijn blijdschap dat zij niet verlicht en ledig was. Haastig liep hij naar het bal-con. Daar bleet hij een oogenblik staan en zag op den voortrollenden nevel en het donkere water. Het oogenblik was gunstig en het werd hoog tijd om er gebruik van te maken, want nu en dan voer een kleine koelte over het water; reeds kon men aan den donkeren hemel een gejaagd drijven bespeuren, de mistwolken waren niet zoo dicht, meer, uiteengeslagen golfen zij over de rivier voort; het zou niet lang meer duren dat de wind ook het water, de omtrekken der huizen en de lantaarns zou vrij maken, die nu aan de hoeken der straten als roode vonken glinsterden.

Itzig spoedde zich naar het einde van het balcon en stak een sleutel in de deur, die den toegang tot de trap naar het water opende. Knarsend draaide de deur op haar hengsels; Veitel klom naar beneden tot op den kant van de rivier en onderzocht de diepte. Akelig klotste het water en de golven sloegen tegen de onderste trappen aan. Het voetpad, dat langs de huizen aan den kant der rivier bijna het geheele jaar zichtbaar was, stond nu onder. Maar slechts weinige schreden behoefde men door het water te gaan om van deze trap die van het naaste huis te bereiken. Veitel zag met sombere blikken op den stroom en stak zijn voet in het ijskoude water om te voelen hoe diep men gaan moesj

ocr page 538

'202

om grond te krijgen. Zoo bezorgd was liij den ouden man te redden, dut hij o[) de kou aan zijn been geen acht gaf, hij voelde ze zelfs niet. liet water kwam tot aan de knieën. Nog één blik wierp hij op de huizen in de buurt. Alles was duisternis, nevel, doodsche stilte; alleen het water bruiste en de wind huilde.

Intusschen was Hippus druk bezig zich in de afgesloten kamer op zijn gemak te zetten. Nadat hij Veitel met goddelooze vloeken en gebalde vuisten een gelukkige reis had toegewenscht, begon hij de kamer te onderzoeken. Hij waggelde naai' een klein kastje, draaide een sleutel om en zocht naar den een of anderen drank, om de hem ontzinkende krachten op te wekken en zijn droge keel te verfrisschen. Hij vond een flesch met rum, schonk haar in een bierglas leeg, en sloeg den inhoud met zoo'n grooten spoed naar binnen, als het krachtige vergift het gedoogde. Een koud zweet brak nu bij den ongelukkige uit, zijn voorhoofd parelde; hij trok een lapje uit zijn rok, dat een zakdoek moest verbeelden, veegde zich het gelaat af en ging zwaaiende en met steeds klimmenden moed de kamer op en neer, terwijl hij met luide stem tot zichzelven sprak:

«Hij is een schurk, een schoft, een lafle haas, een ellendige sclia-cheraar is hij; als ik hem een ouden zakdoek wil verkoopen, moet hij hom nemen, dat is zijn natuur; hij is een verachtelijk wezen. En mij wil hij de les lezen, mij wil hij achter de tralies laten zetten en zelf wil hij hier op de canapee zitten en zijn glaasje grog drinken, de hondsvot!» Daarbij nam hij de ledige llesch op en slingerde ze tegen de canapee, dat zij tegen de leuning in duizend stukken sprong. «Wie was hij?» vervolgde hij in toenemende woede, «een hansworst, een schacheraar. Door mij is hij geworden wat hij is, ik heb hem leeren lluiten, den schobbejak. Als ik lluit, moet hij dansen; hij is maar, mijn lokvogel ik de vogelaar. Uw vogelaar ben ik, vervloekt monster!» De oude wilde fluiten van «Schep vreugde in 't leven,» lichtte de beenen op, en deed een poging om vroolijk rond te springen. Wederom gutste het koude zweet hem van het voorhoofd, wederom trok hij den lap uit zijn zak droogde het gezicht af en borg den doek machinaal weg. — «Hij zal niet terugkomen,» riep hij opeens, «hij laat me hier zitten, ze zullen mij vinden.» Hij vloog naar de deur en schudde ze met kracht. «Opgesloten heeft mij de schoft, de smous heeft me opgesloten,» jammerde hij. «Ik moet in deze gevangenis sterven van honger en van dorst. Och, och, hij heeft mij ellendig behandeld, mij, zijn weldoener; hij is een ondankbaar booswicht, een duivelskind is hij.» Nu begon hij te snikken: «Ik heb hem verpleegd toen hij ziek was; ik heb hem loopjes geleerd, ik heb een man van hem gemaakt, en nu beloont hij zoo zijn ouden vriend.» De advocaat weende luid en wrong de handen. Daar bleef hij opeens voor den spiegel staan, waarop de heldere glans der lamp viel; verschrikt staarde hij op het zien van zijn eigen beeld, dat uit het glas hem tegengrijnsde. Steeds toorniger werd zijn blik, steeds akeliger de glans zijner oogen; van het spiegelglas zag hij op de lijst, schoof den afgezakten bril op en nam van nabij de lijst aandachtig op. De spiegel kwam hem bekend voor. Had het toeval een meubel van zijn vroegere pracht in de geheime kraam van Pinkus en van daar in de woning van Veitel gebracht, of werd de dronke man door een groote gelijkheid be-

ocr page 539

203

tli'ügen ? — Hoe het zij, de herinnering aan zijn lot vervulde hem met een nieuwe woede. «Het is mijn spiegel,» barstte hij uit; «mijn eigen spiegel is liet, dien de schurk op zijn kamer heeft!» Als razend liep hij door het vertrek, greep in zijn dolheid een stoel, en slingerde hem met de pooten tegen het spiegelglas. Kletterend viel het in scherven neer, maar wederom en wederom stootte de dronken Hippus met den stoel tegen de lijst en schreeuwde als een krankzinnige; «Op mijn kamer heeft hij gehangen, de schurk heeft mij den spiegel gestolen, hij heeft mij mijn geluk gestolen; naar de hel met hem 1»

Juist kwam Veitel binnen ; reeds in de voorkamer had hij het leven gehoord en vreesde het ergste. Toen de advocaat hem zag binnenkomen, liep hij met opgeheven stoel op hem toe en riep; «Jij hebt mij in 't ongeluk gestort, jij zult er voor boeten !» En met deze woorden sloeg hij met den stoel naar Itzigs hoofd. Bedaard ving deze den stoel op, wierp hem weg, en pakte den oude met groote kracht bij den arm. Hippus wrong en kromde zich als een wilde kat en braakte alle vloeken, die hij bedenken kon, tegen zijn ouden vriend uit. Veitel drong hem met geweld in den hoek van de canapee en fluisterde hem in 't oor: «Als je niet bedaard bent, oude lap, is het gedaan met je.» De oude las in de oogen van Itzig, dat hij van den vertoornde het ergste te duchten had ; de aanval van woede verliet hem, machteloos zakte hij ineen en klaagde met zachte stem en rillende over het ge-heele lijf; «Hij wil me vermoorden!»

«Dat wil ik niet, dronken gek, als gij je bedaard houdt ; welke booze geest drijft je aan om zoo'n verwoesting op mijn kamer ai£n te richten?»

«Hij wil me vermoorden,» jammerde de oude, «omdat ik mijn spiegel heb teruggevonden.»

«Je bent dol,» riep Veitel, hem bij den arm schuddende; «kom, verzamel al je krachten, hier kun je niet blijven, je moet weg, ik heb een schuilhoek voor je gevonden.»

«Ik ga niet met je,» steunde de oude, «je wilt me vermoorden.»

Veitel slaakte een afgrijselijke verwensehing, pakte den kalen hoed van Hippus, duwde hem dien op het hoofd, greep den oude bij de kraag en riep : «Je moet mee of je bent verloren. He politie komt je zeker hier zoeken en zal je vinden, als je nog draalt. Kom mee, of je noodzaakt mij je kwaad te doen.»

De kracht van den ouden man was geknakt, hij waggelde voort. Veitel nam hem onder den arm en trok hem, zonder dat hij weerstand bood, mee. Hij voerde hem de kamer uit naar beneden, angstig rondziende of iemand hem tegenkwam. Alles was stil. De advocaat kwam in de koele nachtlucht gedeeltelijk weer bij en Veitel beet hem in de ooren ; «Wees stil en volg mij, ik zal je uit de voeten helpen.»

«Hij zal mij uit de voeten helpen,» prevelde de advocaat en liep naast hem voort. Toen zij in de buurt van de herberg kwamen liep Veitel voorzichtiger, trok zijn makker in den huisgang en fluisterde; «Neem mijn hand en klim zachtjes met mij de trappen op.» Zoo kwamen zij aan de groote slaapzaal; het vertrek was nog leeg ; vrij wat opgelucht sprak Veitel; «Het huis hiernaast is een schuilhoek, daar moet je in.»

«Daar moet ik in,» herhaalde de oude.

«Volg,» riep Veitel en trok den advocaat achter zich op het balcon en van daar de trap af.

ocr page 540

204

De oude waggelde met onvaste schreden de trappen af en klemde zicli angstig aan den rok van zijn leidsman, die hem half naar beneden droeg. Zoo kwamen zij voetje voor voetje tot op den laatsten trap, waarover het water heenstroomde, Veitel ging vooruit, en zonder zich aan iets te storen, stapte hij tot aan de knieën in het water, zijn best doende den ouden man moe te sleepen.

Maar Hippus bleef staan, zoodra hij het water voelde, en riep met luide stem ; «Water !»

«Stil!» fluisterde Veitel toornig, «geen woord !»

«Water!» gilde de oude. «Hulp! hij wil mij vermoorden!»

Veitel pakte hem beet en hield hem den mond dicht, maar de doodsangst had nog eenmaal de levenskracht bij den advocaat opgewekt, hij zette zijn voeten op den eerstvolgenden trap, hield zich zoo goed hij kou aan de leuning vast en schreeuwde uit al zijn macht; «Hulp!»

«Ellendige schurk b knarste Veitel, door den hardnekkigen weerstand in woede ontstoken. Met een hevigen slag drukte hij den advocaat den ouden hoed diep over de oogen, greep hem met alle kracht bij zijn das, en wierp hem in den stroom. Üot water sprong schuimend op, het geplot' van een neervallend lichaam en een half gesmoord gorgelen werd vernomen ; daarna was alles weer stil.

Onder de loodkleurige nevels, die met lange staarten over het water golfden, werd nog eens een donkere gestalte zichtbaar, die met den stroom meeging. Na korte oogen blikken was zij verdwenen. Üe spoken van den nevel bedekten haar, de golven stroomden er over heen, Het water klotste' klagend tegen de palen en steigers, en boven huilde de wind zijn eentoonig lied.

De misdadiger stond eenige oogenblikken bewegingloos in de duisternis, tegen het houtwerk van de trap leunende. Daarna steeg hij langzaam naar boven. Onder het klimmen voelde hij aan zijn kleeren, om zich te overtuigen tot hoe ver hij nat was geworden. Hij bedacht dat hij ze nog heden nacht bij de kachel droogen moest; hij zag het vuur op zijn kamer branden en zich zeiven in zijn kamerjapon op den makkelijken stoel er voor, zooals hij gaarne placht te doen, als hij over zijn zaken peinsde. Als hij ooit in zijn leven het gevoel van weldadige rust had genoten was het in die uren geweest, wanneer hij moede van de zorgen en de bezigheden van den dag een blokje op den haard lei en in het vuur bleef staren totdat zijn matte oogleden neervielen. Hij gevoelde hoe moe hij ook heden was en hoe goed het hem zou doen bij het warme vuur in te slapen. In die mijmeringen verzonken bleef hij weer staan, als iemand die verlangt in te sluimeren, en gevoelde daarbij een geheime neep ergens in zijn binnenste, een pijn die het hem moeielijk maakje adem te halen en die zijn borst als met ijzeren banden dicht snoerde. Dan dacht hij aan den bal, dien hij zoo even in het water had geworpen ; hij zag hem wegzinken in den stroom, hij hoorde het ruischen van het water en herinnerde zich dat de hoed, dien hij den man over de oogen had getrokken, nog tot het laatst boven het water was te zien geweest, als een rond, vreemd voorwerp. Hij zag dien hoed duidelijk voor zich, de rand half afgescheurd en boven op den bol twee groote olievlekken, liet was een kale hoed. Als hij er aan dacht, merkte iiij dat hij weer lachen kon als hij wilde ; maar hij lachte niet. Terwijl zijn geest zoo in een staat van halve bewusteloosheid om de plaats rondwaarde, wier gezicht hem in zijn binnenste beklemde, was hij naar boven geklom-

ocr page 541

205

men. Toon hij de trapdeur dicht ging slaan, zag liij nog eens op die donkere kloof, waarin weinig minuten geleden twee waren neergedaald en waaruit thans maar één terugkeerde, Uij zag op de grijze schemering van het water en wederom voelde hij een geheimen steek. In groote haast sloop hij de ruime zaal door, do trappen af, naar beneden ; in den gang kwam hij een der gasten, die in de herberg logeerden, tegen; beiden gingen zonder een woord te spreken elkander haastig voorbij.

Deze ontmoeting leidde zijn gedachten in een andere richting. Was hij veilig? Nog steeds hing de mist dik boven de straat. Niemand had hem met drn advocaat zien binnengaan, niemand had hem bij het uitgaan herkend. En als men den ouden man in het water vond, zou het onderzoek beginnen. Was hij dan ook nog zeker?

Dit alles overdacht do moordenaar zoo kalm, alsof hij de geschiedo-nis in een boek las. Tusschendoor rees de gedachte bij hem op of hij zijn sigarenkoker wel bij zich had en waarom hij niet rookte. Hij mijmerde daar langen tijd over en kwam eindelijk te huis. Hij maakte de deur open ; toen hij ze de laatste reis had opengemaakt, was daar boven in de tweede kamer een wild leven. Hij bleef staan en luisterde of hetzelfde leven nog te hooren was. Hij wou het zoo graag hooren 1 Weinig minuten geleden was het er nog geweest, O, wat had hij niet willen geven, zoo de laatste oogenblikken waren uitgebleven ! Wederom voelde hij die smart, maar nu sterker, steeds heviger. Hij trad de kamer binnen ; de lamp brandde nog, de scherven der rhum-flesch lagen nog op en voor de canapee, het kwikzilver van den spiegel glinsterde op de vloer als echte daalders. Uitgeput viel Veitel op een stoel neer en zag met strakke blikken op de glinsterende stukken van zijn spiegel. Daar viel hem in, hoe zijn moeder hein dikwijls een kinderverhaaltje verteld had, waarin het echte daalders regende op do planken van een arm man. Mij zag de oude jodin voor het vuur zitten en zichzelyen als een kleinen jongen naast haar. Hij zag hoe hij dan nieuwsgierig op den zwarten vloei1 keek eti wachtte of het ook voor hem blanke daalders zou regenen. Nu wist hij dat het bij hem in de kamer er uit zag alsof het daalders had geregend. Hij merkte weer iets van die gejaagdheid en onrust, welke hij als kleine Veitel bij het verhaal zijner moeder had ondervonden, en te midden van die herinnering kwam weer die steek, die pijn, welke hij in zijn binnenste gevoelde, hij wist zelf niet wat. Met moeite stond hij op, hurkte op den grond, en zocht de scherven bijeen. De splinters borg hij in den hoek van een kast, de lijst maakte hij van den muur los en zette ze omgekeerd in een hoek. Vervolgens nam hij de lamp en het glas, dat hij gewoon was vooi' den nacht met water te vullen, maar zoodra hij het glas aanraakte, liep een rilling over zijn leden en hij zette het neer. Hij, die niet meer was, had uit dat glas gedronken 1 Zijn broek verstopte hy in de kast en haalde er een andere uit, waarvan hij de pijpen tegen zijn laarsen wreef, totdat zij bemodderd en bespat waren. Daarna draaide hij de lamp uit, en toen de pit, voor ze uitging, nog eens flikkerde, dacht hij er aan, toevallig als aan een geheel onverschillige zaak, dat men gewoon is de vlam van het licht bij het leven van een mensch te vergelijken, Ilij ook had een vlam uitgedraaid, En opnieuw voelde hij de smart in zijn borst, maar slechts Hauw. Zijn kracht was uitgeput, zijn zenuwen verslapt, hij sluimerde in. De moordenaar sliep.

ocr page 542

206

Maar als hij ontwaakt! Dan zal de sluwheid verloren zijn, waarmee zijn gekwelde geest als in waanzin naar alle kleine beelden en gedachten tastte, die hij in de duisternis verzinnen kon, om die ééne groote gedachte te verwijderen, dat ééne gevoel, dat van nu at' voor altijd hem drukt en beangst. Als hij ontwaakt! Dan zal hij reeds in den morgenslaap gevoelen, hoe de rust weggaat, en de angst, de ellende zijn hart binnen trekken; hij zal nog in den droom gevoelen, hoe aangenaam de bewusteloosheid is en hoe vreeselijk het denken ; hij zal met wanhoop strijden tegen het ontwaken, maar in dien strijd zal de smart steeds heviger, steeds knagender worden, totdat hij in vertwijfeling de oogen opent en blijft staren op een afgrijselijk heden, op een afgrijselijke toekomst.

En wederom zal zijn geest het ondernemen de spookgedaante met allerlei draden te omspinnen, en alle mogelijke gronden zal hij bijeenzoeken om de afschuwelijke daad verschoonbaar te maken ; hij zal bedenken, hoe oud de doode was, hoe bedorven, hoe ellendig; dat het een bloot toeval was, waardoor de dood veroorzaakt werd, een zwaai van zijn armen door plotselinge woede wat al te hevig, hoe ongelukkig het was dat de oude geen vaste grond had kunnen vinden! En dan zal hij zich eenklaps vragen of hij wel veilig is, en een heete koorts van angst zal zijn bleek gelaat rood kleuren; de stap van zijn jongen in den gang zal hem vrees aanjagen, het stooten van een ijzeren stang op de steenen van de plaats zal hij voor het gekletter der wapenen houden, welke de wet tegen hem uitzendt. En opnieuw zal zijn geest werken, terwijl hij angstig de kamer op en neer loopt; hij zal iedere schreden, die hij gisteren gedaan heeft, iedere beweging, elk woord, dat hij gesproken heeft, nog eens doorleven en zal bij al wat gebeurd is zich trachten te overtuigen dat hot onmogelijk kan ontdekt worden. Niemand heeft het gezien, niemand het gehoord; de ongelukkige oude man, half krankzinnig als hij was, heeft zichzelf den hoed over de oogen getrokken en zich verdronken !

Zoo zal hij ook van dezen kant allerlei draden spinnen om het lijk van den ouden man. En niettemin voelt hij voortdurend den vreese-I ij ken last, totdat hij eindelijk door den inwendigen strijd uitgeput naar buiten ijlt, naar zijn zaken, onder de menschen, vol vurig verlangen om iets te vinden dat hem van zichzelven verlost. Wie hem op straat aanziet zal hem hinderen; zoo hij een politiedienaar bespeurt, moet haastig een huis binnenloopen, om zijn vrees voor het spiedend oog te verbergen. Waar hij menschen vindt die hij kent, zal hij in den dichten hoop dringen, voor alles zal hij zijn ooren spitsen, in alles belang stellen; hij zal meer spreken en lachen dan vroeger, maar zijn oogen zullen onrustig rond rollen en zijn ziel zal in voortdurende angst verkeeren iets te hooren van den vermoorde, en hoe de menschen over dien plotselinge dood denken. Hij misleidt zijn kennissen; zij zullen hem wellicht voor zeer opgeruimd houden en misschien zegt de een of ander: «Die llzig is in zijn nopjes, hij heeft zeker goede zaken gedaan.» Hij zal menigen arm vatten, dien hij vroeger niet had aangeraakt, en zal aardige vertelseltjes opdisschen en zijn kennissen naar huis vergezellen, omdat hij weet dat hij niet alleen kan zijn. Hij zal de koffiehuizen druk bezoeken, en de bierkelders, om vrienden te vinden, en zal bij hen gaan zitten, en zal drinken en zich opwinden, evenals zij, omdat hij weet dat hij niet alleen zijn wil.

ocr page 543

En als hij dan 's avonds laat naar huis komt, moede tot op omvallen, verslapt en afgetobt door den vreeselijken strijd, dan gevoelt hij zich ruimer; het is hem gelukt het heeld dat in hem spookt onduidelijk te maken, en hij vindt een treurig genoegen in die afmatting en die bewusteloosheid, en verwacht den slaap als het eenige geluk dat hij nog op aarde heeft. En hij zal inslapen ; maar als hij den volgenden morgen wakker wordt, zal het fijne weefsel weer zijn verscheurd en zal de vcrgeefsche arbeid op nieuw moeten beginnen. Zoo zal het gaan een dag, vele dagen, alle dagen zijns levens. Niet langer leeft hij als een ander; zijn leven is voortaan een strijd, een afgrijselijke strijd tegen een lijk, een strijd dien niemand ziet, en die toch alleen zijn geest vervult. Wat hij op zijn kantoor, in gezelschap, in het verkeer met levenden doet, is niets dan schijn, dan leugen. Als hij lacht en anderen de hand schudt en wanneer hij op panden leent en vijftig percent verlangt, is het alles -slechts misleiding voor anderen. Hij weet dat hij verbannen is uit de menschelijke samenleving, dat alles wat hij onderneemt of aanraakt ijdel en verachtelijk is; slechts één ding is er dat hem bezig houdt, waartegen hij kampt, waarom hij drinkt en praat en onder de menschen verkeert, en dat ééne is het lijk van den ouden man in het water.

V.

Behalve de gipsen kat op Antons schrijftafel, verheugden nog andere levende wezens in het huis zich in stilte over de overwinning. Wie dit huis en zijn bewoners zoo door en door kende, a!s bijvoorbeeld de tante, die doorzag ook alle kleine bedriegerijen, waarmee zekere menschen zichzelve en anderen trachten om den tuin te leiden. Het kon gebeuren dat velen bedenkelijk het hoofd schudden over veel dat thans in de familie plaats had, maar de tante deed dit even zoo weinig als de overige goede huisgeesten. Dat Anton stil, ingetrokken, met bleeke wangen op het kantoor zat en behalve aan tafel nooit bij de familie verscheen j dat Sabine sints eenigen tijd in tegenwoordigheid van haar broeder een neiging tot blozen toonde, die zij vroeger nooit had gehad; dat zij uren lang zonder een woord te spreken bij haar werk zat en dan plotseling door het huis draafde, darteier dan oen klein katje, dat met een kluwen speelt; en dat eindelijk do huisheer zelf steeds zijn oogen op Anton vestigde, 't zij deze sprak of zweeg, en daarbij van dag tot dag vroolijker werd, zoodat hij niet kon nalaten de tante telkens te plagen: dat alles scheen ontegenzeggelijk zeer vreemd ; maar wie sedert vele jaren wist wat deze menschen het liefst aten en wat men hun maar ééns in de maand mocht voorzetten, ja, wie hun kousen gebreid en hun boordjes eigenhandig gestreken had, zoo als de tante voor de meesten van de drie gedaan had, die zou toch wel achter hun geheimen komen. Natuurlijk kwam de tante er1 achter.

De goede tante schreef aan zich alleen toe, dat Anton teruggekomen was. /ij had aan het kantoor den heer willen teruggeven, die haar zelve het liefst was ; verder had zij niet gedacht, althans zij' zou het in de eerste dagen van Antons terugkomst ten stelligste

ocr page 544

208

hebben ontkend. Want in weerwil van de rozeroode voering der slopen, wist zij toch dat het waartoe zij behoorde, een trotsch huis was, dat zijn eigen wil had en met veel onderscheiding en keurigheid behandeld wilde worden. En toen zij vernam dat de zwaarmoedige Anton slechts als gast bij hen zou blijven, begon zij zelve voor eenige weken te twijfelen. Maar het duurde niet lang of zij herwon op den koopman en haar nicht haar vorigen stillen invloed: want zij deed belangrijke ontdekkingen.

De tweede verdieping van het bovenhuis was sedert vele jaren ongebruikt. De koopman had bij het leven zijner ouders met zijn jonge vrouw daar gewoond. Toen hij kort achtereen zijn ouders, vrouw, en kleinen zoon had verloren, was hij naar beneden getrokken, en van dezen tijd af had zijn voet de tweede verdieping niet dan ongaarne betreden. Grijze gordijnen hingen het geheele jaar voorde vensters; meubelen en schilderijen waren met grijs linnen bedekt. Alles was somber en doodsch, en als van zelf werd de tred der vrouwen zachter, wanneer zij over den vloer van het sluimerende rijk moesten gaan.

Thans kwam de tante van den zolder. Uit den eindeloozen strijd met Pix had zij nog slechts een kleine plaats gered voor het drogen van de wasch. Zij philosopheerde er juist over dat de maatschappelijke betrekking den mensch toch zeer veranderd, want Balbus, de opvolger van Pix, van wiens bescheiden karakter zij de beste ver-wachtingen had gekoesterd, toonde zich in het waarnemen van zijn post evenzeer als zijn voorganger geneigd om ook in haar rechten in te grijpen. Weer vond zij een hoop cigarenkisten buiten de drie kamers geplaatst, welke Pix gewelddadig op haar grondgebied had gebouwd, en juist was zij voornemens Balbus daarover den oorjog te verklaren, toen zij tot haar ontzetting een deur van de bovenverdieping wijd open zag staan. Een oogenblik dacht zij aan dieven, en wilde om hulp roepen ; maar bij tijds weerhield haar de verstandige gedachte, dat zij de zaak eerst zelve zou onderzoeken. Op haar teenen sloop zij de somber behangen kamer binnen. Maar zij liep gevaar van verbazing te versteenen, toen zij haar neef geheel alleen in de woning aantrof. Hij, die sinls den dood zijner vrouw deze vertrekken niet bezocht had, was thans in de kamer, welke de dierbare afgestorvene had bewoond. Met gevouwen handen, in gedachten verzonken, stond hij daar en staarde op een portret, dat zijn vrouw als bruid voorstelde in een wit zijden kleed, de oranjebloesem in 't haar. üe tante kon zich niet bedwingen en zuchtte meewarig. Verrast keerde de koopman zich om. «Ik wil het portret beneden op mijn kamer nemen,» zei hij aangedaan.

«En ge hebt daar nog een ander portret van Marie, en dit heeft u altijd treurig gemaakt,» riep de tante.

«üe jaren maken ons kalmer,» hernam de koopman, «en mettertijd zal hier toch een ander moeten komen.»

De oogen der tante glinsterden als sterren toen zij vroeg: «Een ander?»

«Het was zoo maar een losse gedachte,» antwoordde haar neef ontwijkend, en wandelde de reeks der vertrekken door, nauwkeurig alles opnemende. Trotsch en met een spottend glimlachje volgde de tante hem. Die menschen mochten zich goedhouden zoo veel zij wilden, het hielp hun niets meer ; haar zouden zij niet langer misleiden.

En niet beter ging het met de voorzichtige Sabine.

ocr page 545

'ioo

Anton had aan tafel zonder een woord te spreken naast de tante gezeten. Toen hij zijn stoel wegschoof en opstond, lette de tante zeer goed op, dat Sabines oog met hartstochtelijke bezorgdheid op Antons bleek gelaat rustte en met tranen zich vulde. Zoodra hij de kamer had verlaten, stond zij ook op en ging naar het venster dat op de plaats uitzag. De tante kwam dicht bij haar staan en loerde door het gordijn. Sabine keek met de grootste aandacht op de plaats; plotseling glimlachte zij en zag sr in eens vroolijk uit. Heel zachtjes sloop de tante naderbij en keek eveneens op de plaats; maar daar viel niets te zien dan Anton, die haar den rug toekeerde en Pluto liefkoosde. Elij gat den hond een stuk brood en Pluto blatte lustig en sprong om hem heen. «Oho,» dacht de tante, «Pluto is het niet, om wien zij in één adem weent en lacht.»

En kort daarop, toen de neef eens de deur van de huiskamer opende zag de tante in het voorhuis een man met een groot pak staan. Haar scherp oog herkende den loopjongen van een grooten manufactuurwinkel. Üe koopman wenkte zijn zuster in een kamer daarnaast te komen; de tante luisterde. Eerst sprak de neef, daarna Sabine, maar heel zacht; dan hoorde de tante geluiden, die groote overeenkomst hadden met een gesmoord snikken. «Iloe pruilerig wordt dat meisje toch!» dacht zij verwonderd. Zij was juist voornemens de kamer ook binnen te gaan, toen broeder en zuster haar tegen kwamen. Sabine hing aan den arm haars broeders; haar wangen en oogen waren zeer rood, en toch zag zij er gelukkig en half verlegen uit. Toen de tante eenige minuten later naar het zijvertrek ging onder voorwendsel van iets te zoeken, vond zij het groote pak op een stoel liggen. Toevallig liep zij met haar hand er tegen aan, en daar het papier niet was dichtgebonden, viel het natuurlijk open, en zij ontdekte prachtige meubelstoffen en verdeiop nog andere dingen, die zoo sterk op haar zenuwen werkten, dat ook zij moest gaan zitten en dadelijk haar tranen klaar had. liet was een wit kleed van de zwaarste zijde, zooals een vrouw slechts eenmaal in haar leven op een plechtigen dag, vol ernst en blijde siddering pleegt te dragen.

Van nu af behandelde de tante haar omgeving met de zekerheid van een huismoeder, die anderen gaarne vergeeft, zoo zij zich een tijd lang dwaas aanstellen, omdat zij heel goed weet dat liet einde van al die geveinsdheid een belangrijke beweging zal zijn op haar gebied: groote bedrijvigheid in de keuken, een lange spijskaart, een onbekrompen slachten van gevogelte, en een vernielende aanval op alle flesschen met ingemaakte vruchten. Ook zij werd geheimzinnig. Alle potjes met confituren werden plotseling aan een scherp onderzoek onderworpen, en s middags aan tafel verschenen nu en dan proefstukken van de keurigste gerechten. De tante kwam zulke dagen met hooggekleurde wangen uit de keuken en was zeer gebelgd, zoo niet allen de nieuwe spijs overheerlijk vonden, ofschoon zij nooit in gebreke bleef er bij te zeggen; «liet is maar een probeerseltje van de keukenmeid.» En dan zag zij haar neef en nicht met zulk een zegevierenden blik aan, en waaruit zoo duidelijk straalde; «Ik heb alles geraden,» dat de koopman zich verplicht zag de wenkbrauwen te fronsen en zijn tante streng aan te zien.

Maar in den regel kon hij zijn efl'en gelaat zelf niet in den plooi houden. Sabine en Anton werden eiken dag stiller en ingetrokkener; hij, in DKliET EN CREDIT II. 14

ocr page 546

'iiO

't oogloopend vroolijker. Het was tegenwoordig spraakzamer dan weleer, en liet zich door geen mislukte pogingen afschrikken om telkens op nieuw Anton in 't gesprek te mengen. Hij noodzaakte hem te vertellen en luisterde met aandacht naar ieder woord dat van zijn lippen kwam. In de eerste dagen zag hij dikwerf onderzoekend op Anions lessenaar rond; na verloop van korten tijd deed hij ook in zijn zaken of in zijn verhouding tot Anton nooit eenige verandering had plaats gehad. Met luchtigen tred wandelde hij nu door het voorkantoor. Nog was het slap in den handel, maar hij bekommerde zich er niet om. Wanneer mijnheer Braun, de agent zijn bedrukt hart uitstortte, lachte hij er bij en zei de een of andere grap.

Anton merkte die verandering op. Als hij op het kantoor werkte, zat hij, op alles «ja en neen», antwoordende, tegenover zijn vriend Baumann en beijverde zich om aan niets dan aan de brieven te denken. De avonden bracht hij meestal alleen op zijn kantoor door, dan verdiepte hij zich in de boeken, welke Fink hem vermaakt had, en deed zijn best om zijn sombere gedachten ver van zich te zetten.

Hij vond de zaken niet zoo terug als hij ze verlaten had. Vele jaren lang was hier alles vast en zeker geweest, thans verkeerde het huis in een angstige krissis. Vele van do oude betrekkingen waren verbroken, verscheiden nieuw aangeknoopt, liij vond nieuwe agenten, nieuwe klanten, nieuwe artikels, nieuwe medearbeiders.

Ook in het achterhuis was het stil geworden. Behalve de dignitarissen van het tweede kantoor, de heeren Siebold en Purzel, die nooit zeer bezielende elementen van de burgerlijke maatschappij waren geweest, vond hij van zijn oude kennissen alleen Baumann en Specht terug; en ook deze dachten er over de zaak te verlaten. Baumann had terstond na Antons terugkomst zijn patroon gewaarschuwd dat hij do volgende lente moest vertrekken, en zelfs Antons ernstige vertoogen waren krachteloos voor het vaste besluit van den zendeling. «Ik mag den termijn niet langer verschuiven,» zei hij, «mijn geheele geweten komt er tegen op. Ik ga van hier voor een jaar naar Londen om mij in het genootschap te laten opnemen, en dan, waarheen men mij wil zenden. Jk beken dat ik een zekere voorliefde heb voor Afrika. 1m' zijn daar eenige koningen» — hij radbraakte enkele moeielijke uit te spreken namen — «die ik niet voor geheel slecht houd. Daar moet men met de bekeering nog iets kunnen uitrichten. Nog is het bij hen een ellendig huishouden. Den heidenschen slavenhandel hoop ik door hen te doen afschaffen. Zij kunnen hun menschen zeer goed gebruiken om suikerriet te planten en rijst te bouwen. Over een paar jaar zend ik u door mijn londensche vrienden de eerste proeven van onzen plantagebouw.»

En ook mijheer Specht kwam bij Anton : «Gij hebt mij altijd oprechte vriendschap bewezen, Wohlfart. Ik zou daarom gaarne uw meening willen hooien. Ik ben voornemens te trouwen: een allerliefst meisje, zij heet Fanny C., en is een nichtje van Pix.»

«Wel zoo?» zei Anton, «en bemin je het meisje?»

«Ja, ik bemin haar,» riep Specht hartstochtelijk. «Maar ik moet inde

zaak van Pix komen als ik haar trouw, en daarover wilde ik uw gevoelen vragen. Mijn beminde heeft eenig vermogen, en Pix is van oordeel, dat het best zou zijn dat geld in zijn zaak te steken. Nu weet ge, Pix is wezenlijk een goede kerel, maar ik had liever een anderen compagnon.»

ocr page 547

'21-1

«Wel, waarom dat, mijn oude Specht?» zoi Anton. «Gij zijt een beetje te voortvarend en het zal altijd goed voor u wezen een bedaarden, sekuren compagnon te hebben. Pix zal je dwingen zijn zin te doen, maar dat zal niet kwaad zijn, en je zult er wel bij varen.»

«Ja,» hernam Specht,» «maar bedenk den tak dien hij heeft gekozen! Niemand had het ooit voor mogelijk gehouden, dat Pix tot zoo iets zou hebben kunnen komen.»

«En wat heeft hij dan aan de hand?» vroeg Anton.

«Alles door mekaar,» riep Specht, «waar hij vroeger den neus voor zou hebben opgehaald ; behalve vellen en huiden, alle soorten van pelterijen, van den hermelijn tot den mol, en bovendien vilt en dier-gelijke, geheel naar zijn eigen natuur, alles wat harig en stekelig is. Er zijn allerlei gemeene artikelen onder, Wohlfart.

«Wees toch geen kind,» hernam Anton; «trouw gerust, mijn goede jongen, en stel je onder de voogdij van je zwager, het zal je niet berouwen.»

Den volgenden dag kwam Pix zeif op Anions kamer.

«Ik heb uw kaartje gevonden, Wohlfart, en kom u tegen Zondag verzoeken kot/ie bij ons te drinken, Cuba en Manilla; je moet mijn vrouw leeren kennen.»

«En je wilt Specht zoo tot compagnoti nemen?» vroeg Anton lachende, «Weleer luidt je er altijd veel tegen om je te associëeren.»

«Ik zou het ook met niemand anders willen doen dan met hem. Onder ons gezeid, ik heb altijd nog een schuld aan den ongelukkigen vent te betalen, en ik kan voor mijn zaak de tienduizend, die hij trouwt, best gebruiken. Ik heb een kleinhandel mee overgenomen, vervloekte bontwerkers artikelen, dien draag ik hem dan op. Dat zal hem genoegen doen. Hij kan alle dagen beleefd zijn togen do dames, die in den winkel komen, en alle jaar voor zich een nieuwe pels nomen. Hij zal daar veel bruikbaarder zijn dan hier op het kantoor.»

«Hoe komt het dat go juist die zaak hebt gekozen?» vroeg Anton.

«Ik moest wel,» antwoordde Pix; «illt; vond nog een heel magazijn van mijn voorganger, in een treurigen toestand, dat verzeker ik je, en ik zag me in eens verzeild onder een troep menschen, die hazevellen eti zwijnehorstels als zeer benijdenswaardige voorwerpen beschouwden.»

«Dat alleen toch heeft je keus niet bepaald?» hernam Anton lachende.

«Wellicht was er nog een andere reden,» zei Pix. «Hier in de stad moest ik blijven om mijn vrouw, en je zult erkennen, Anton, dat ik die in dit huis aan het hoofd heb gestaan van den plattelands-handel, mij in deze plaats niet in dezelfden tak kon vestigen. Ik ken den handel met het platteland beter dan de patroon, en alle kleine klanten kennen mij veel beter dan hem. Ik zou zijti firma veel afbreuk hebben gedaan, ofschoon mijn kapitaal kleiner is; ik had gemakkelijk goede zaken kunnen doen, maar dit huis zou het verlies hebben geleden. Daarom moest ik iets anders bij de hand nemen. Ik ging dus naar mijnheer Schröter, zoodra ik mijn besluit had genomen, en sprak in dien geest met hem. «In één artikel slechts zal ik met u concurreeren,» zei ik «en dat zijn paardeharen en daar in zal ik je er onder werken.» En ik heb dit ook aan mijn patroon zeiven gezeid.»

«Dat zal de (irma wel kunnen lijden,» zei Anton en drukte den borstelhandelaar Pix de hand.

ocr page 548

'21'i

Maar niot op het kfntoor alleen, ook onder de arbeiders bij de groote weegschaal had een verandering plaats gehad. Vader Sturm, de trouwste vriend des huizes, dreigde de firma en dezen kleinen wereldbol te verlaten. Een van Antons eerste vragen na zijn terugkomst was naar vader Sturm geweest. Het antwoord luidde niet gunstig: Sturm was sinfs eenige weken ongesteld en hield zijn kamer. Vol angst spoedde Anton zich den tweeden avond naar de woning van den reus.

Reeds op straat hoorde hij een ongewoon zwaar gegons, even alsof een zwerm reusachtige bijen in het rozenrood geverwde huis haar intrek hadden genomen. Zoodra hij den gang binnentrad, begon liet gegons meer op een verwijderd gebrul van leeuwen te lijken. Verbaasd tikte hij aan de deur; niemand antv/oordde. Toen dus de deur maar zelf openende, moest hij op den drempel blijven staan, want in het eerste oogenblik zag hij niet in het vertrek dan een grijzen on-doordringbaren rook, waarin een geel licht in een dikken dampkring flikkerde. Langzamerhand begon hij in den walm eenige donkere lichamen te onderscheiden, welke even als planeeten rondom het licht geplaatst waren. Van tijd tot tijd bewoog zich iets dat een menschenarm zijn kon, maar nog meer op een olifantspoot geleek. Ten laatste bracht de tocht der geopende deur do damp in beweging, en het gelukte hem door de wolken enkele blikken in het binnenste van het vertrek te werpen. Nooit had een menschenwoning meer op een cyclopen-rookhol geleken. Aan tafel zaten zes reusachtige mannen, drie op de bank, drie op eikenhouten stoelen; allen hadden cigaren in den mond en vóór zich houten bierkannen ; liet dreunende gebrom was hun spraak, die zoo klonk, omdat zij fluisterden, zooals het in een ziekenkamer past.

«Ik ruik iets,» riep eindelijk een forsche stem, «er moet hier iemand gekomen zijn, ik voel een frisclie lucht, de deur staat open. Wie is daar? Ilij melde zich aan!»

«Mijnheer Sturm,» riep Anton, nog altijd bij den ingang.

De lichamen kwamen in een draaiende beweging en verduisterden het licht.

«Hoort gij het?» herhaalde de stem, «er is hier een mensch gekomen.»

«Ja,» antwoordde Anton, en een oude vriend ook.»

«Die stem ken ik,» riep iemand driftig achter de tafel.

Anton trad nader bij; de sjouwers stonden op en riepen luid zijn naam. Vader Sturm kroop over zijn bank tot aan den uitersten hoek en stak Anton zijn beide handen toe. «Dat gij hier in de stad waart, wist ik al door mijn kameraads. Dat gij gezond zijt terruggekomen uit dat land, ongedeerd dooi' die zeisdragers en schreeuwleelijken, die hun ton met zuurkool in de woonkamer hebben is mij een groote vreugde.» Antons hand werd eerst in die van den ouden Sturm hartelijk gedrukt, dan ging zij de rij langs door die der vijf andere mannen, en kwam er weer uit, rood, opgezwollen, in het gewricht verdraaid, zoodat hij ze dadelijk in zijn rokzak verborg. Terwijl de sjouwers, de een na den ander Anton vriendelijk verwelkomden, vroeg Sturm plotseling; «Wanneer komt mijn Kareltje?»

«Hebt gij hem dan geschreven dat hij zou komen?» zei Anton.

«Geschreven?» herhaalde Sturm medelijdend met het hoofd schuddende.

ocr page 549

213

«neen, dat heb ik niet gedaan; om zijn betrekking als opzichter heb ik liet diet durven doen, want zoodra ik hem schrijf; «Kom,» dan zou hij komen, ook wanneer eeti miljoen zeisdragers tusschen hem en mij in stonden; maar hij kon wellicht daar ginds bij zijn meester noodig zijn. En daarom, als hij niet uit eigen beweging opdaagt, moet hij maar in 't geheel niet komen.»

«Heb maar geduld tot de volgende lente,» zei Anton en zag den vader met onderzoekende blikken aan.

De oude schudde weer met het hoofd. «Met de lente zal hij niet komen, althans niet bij mij; 'tis mogelijk dat mijn dwerg dan overkomt, maar zijn vader zal hij niet meer vinden.» Hij zette de bierkan aan de lippen, nam een lange teug, sloeg liet deksel weer toe, en schraapte dat de kamer en van dreunde; daarna zag hij Anton strak aan en drukte zijn vuist als een cachet op tafel. «Vijftig,» zei hij veelbeteeke-nend; «nog veertien dagen dan is het zoo.»

Anton lei zijn arm op den schouder van zijn ouden vriend en zag de anderen, die hun cigaren in de hand hielden en voor de groep stonden, als een grieksch koor in het treurspel, vragend in 't gezicht. «Ziet u, mijnheer Wohlfart!» begon de kooraanvoerder, die als mensch genomen groot, als reus kleiner was dan zijn overste, «dat zal ik u eens vertellen. Deze man gelooft dat hij zwakker wordt, en dat hij voortdurend zwakker worden zal, en dat binnen weinig weken de dag komt; dat wij, sjouwerlui, een citroen in de hand zullen nemen en een zwarten band om onzen hoed moeten doen; maar niet alzoo is onze wil.» Allen schudden het hoofd en zagen met afkeurende blikken op hun overste, «'t Is namelijk eeti oude strijd tusschen hem en otis over die vijftig jaar. Nu wil hij gelijk hebben, dat is het, en wij meenen dat hij ongelijk heeft. Hij is zwakker geworden, dat is best mogelijk. Somtijds heeft men meer kracht een anderen keer wat minder. Maar waarom moet die man nu denken, dat hij deze plaats zal verlaten?» ik wil u vertellen, mijnheer Wohlfart, wat het is; het is een verbijstering van hem.»

Alle reuzen beaamden door een hoofdknikken de woorden van hun aanvoerder,

«Dus is hij ziek?» vroeg Anton bezorgd. «Wat scheelt er aan, mijn oude vriend?»

«liet zit hier, het zit daar,» antwoordde Sturm; «het zweeft in de lucht het nadert langzaam, het beneemt eerst de kracht vervolgens den adem ; bij de beenen begint het, dan klimt het hooger en hooger.» llij wees op ziju voeten.

«Valt het opstaan je moeielijk?» vroeg Anton weer.

«Juist, dat is het,» hernam de reus, «het wordt mij moeielijk, en eiken dag erger. En ik zeg je, Willem,» vervolgde hij tot den woordvoerder, «over veertien dagen dan zal dat ook ophouden; dan zal niets meer zuur zijn dan uw citroenen, en ik hoop ook uw gezichten; een paar uren ten minste, tot den avond, dan kunt ge weer hier komen en op deze zelfde plaats gaan zitten. Ik zal wel zorgen dat de kan hier staat, evenals van avond; dan kunt ge van den ouden Sturm spreken als van een kameraad, die ter ruste is gegaan, en die niets meer oplichten zal, wat een last is; want ik verbeeld me dat daar, waar wij komen zullen, niets meer zwaar zal zijn.»

«Nu hoort ge het zelf,» sprak Willem bekommerd, «hij slaat weer door.»

«Wat zegt de dokter van zijn ziekte?» vroeg Anton haastig.

ocr page 550

21.1.

«Ju,» do dokter,» zei de oude Sturm, teals men hem eens vragen wou, liij zou genoeg te vertellen hebben; maar men laat hem niet komen. Onder ons gezegd, op de dokters kan men niet veel vertrouwen. Zij mogen weten hoe het er van binnen bij de meeste menschen uitziet, dat ontken ik niet; maar hoe zullen zij weten hoe het binnen bij óns gesteld is? Geen van hen. kan een vat oplichten.»

«Als ge geen dokter hebt, beste Sturm, zal ik dadelijk beginnen uw dokter te zijn,» riep Anton, liep naar de ramen en wierp ze open. «Als het ademhalen u moeielijk valt, dan is deze dikke lucht vergift voor Je, en als ge aan de voeten lijdt, moet ge ook niet meer drinken.» llij zette de bierkan op een andere tafel.

«Wel, wel,» zei Sturm terwijl bij Anton liet begaan, «de bedoeling is goed, maar het baat niets. Een beetje rook houdt den mensch warm en aan liet bier zijn we nu eenmaal gewoon. Als ik den ganschen dag hier alleen op mijn bank zit, zonder te werken, is het mij een groot genoegen, als mijn kameraads mij 's avonds gezelschap komen houden en hier hun gemak nemen. Zij praten dan met mij en ik hoor weer hun stem als vroeger, en verneem iets van de zaken en hoe het in de wereld toegaat.»

«Maar dan moest gij toch geen bier drinken en voor den rook u in acht nemen,» hervatte Anton. «Uw Karei zou hetzelfde zeggen, en daar hij niet hier is, neem ik de vrijheid het voor hem te doen.» Hij wendde zich tot de andere sjouwers. «Ik wil trachten hem te bewijzen dat hij ongelijk heeft; laat mij een half uur met hem alleen.»

De reuzen verwijderden zich, Anton ging tegenover de zieke zitten, en vertelde hem van hetgeen den vader het meest pleizier deed: van zijn zoon.

Sturm vergat zijn sombere voorgevoelens en kwam in de opgeruimdste stemming. '^Eindelijk zag hij Anton met half toegenepen oogen aan en zei, zich tot hem over buigende vertrouwelijk: «Negentienhonderd daalders; llij is nog eens hier geweest.»

«Ge hebt hein toch niets gegeven?» vroeg Anton bezorgd.

't Waren maar honderd daalders,» antwoordde de oude, zich verontschuldigende. «Hij is nu dood, de arme jonge heer; hij zag er zoo knap uit in zijn schitterende uniform. Zoo lang een mensch nog zoon is moest hij niet sterven, dat doet te veel pijn.»

«Over uw geld heb ik met mijnheer Von Fink gesproken,» zei Anton; «hij zal weten te bewerken dat u de som wordt uitbetaald.»

«Aan Karei,» verbeterde de oude. «En gij mijnheer Wohlfart, zult wel op u willen nemen aan Karei ter hand stellen wat daar ginds in de kist is, zoo ik den kleine niet meer zien mocht.»

«Zoo ge die gedachte niet laat varen, Sturm,» riep Anton, «word ik boos en zal ik u van nu af met de grootste gestrengheid behandelen. Morgen vroeg kom ik weerom en breng u den dokter van den heer Schröter mee.»

«Hij mag een goed mensch zijn,» zei Sturm; «zijn paarden krijgen goed voer, zij zijn sterk en dik, maar mij kan hij niet helpen.»

Den volgenden morgen bezocht de dokter den patiënt.

«Ik kan zijn toestand niet voor gevaarlijk houden,» zei hij; «zijn voeten zijn gezwollen en dat kan weer terecht komen; maar dat stille, zittende leven is voor zijn krachtig lichaam zoo ongezond, eu zijn leefregel is zoo slecht, dat do snelle ontwikkeling eener gevaarlijke ziekte daaruit zeer licht zou kunnen voortspruiten.»

ocr page 551

215

Anton schreef dus onmiddellijk aan Karei en voegde er bij: «Onder deze omstandigheden geeft mij het vaste geloof van uw vader, dat hij zijn vijftigsten verjaardag niet overleven zal, groote zorg. liet beste, dunkt mij, zou wezen, dat gij zelf tegen dien tijd hier kwaamt.»

Sints Anton dezen brief aan Karei had gezonden, was er een geruime tijd verloopen; hij had ondertusschen den zieke dagelijks bezocht. In den toestand van Sturm was geen merkbare verandering gekomen, maar hij bleef halsstarrig bij het voornemen zijn jaardag-niet te overleven. Op zekeren morgen kwam de knecht op Antons kamer en zei hem dat de sjouwer Sturm dringend verzocht hem te spreken.

«Is hij erger?» vroeg Anton verschrikt, «ik kom dadelijk bij hem.»

«Hij staat zelf met een wagen voor de deur,» zei de knecht.

Anton ijlde naar buiten. Daar stond een boerenkar: over het mandwerk was een groote hoepel gespannen en een witte huif bedekte dien. Een punt van het linnen was opgeslagen, en het hoofd van Sturm, onder een monsterachtige bonte muts verborgen, stak er onder uit. De reus zag op Anton en op de pakhuisknechts, die om de wagen stonden, evenals de reus op Klein Duimpje en zijn broers.

Maar zijn gelaat teekende bezorgdheid; Anton, die nader bij den wagen kwam, reikte hij een vel papier toe. «Lees dit, mijnheel1 Wohl-fart. Dezen brief heb ik van mijn Karei gekregen. Ik moet dadelijk weg. — Naar het landgoed boven Rosmin», riep hij den koetsier toe, een stevigen voerman, die naast den wagen stond.

Anton bezag den brief; hel waren de lompe letters van den houtvester; verbaasd las hij den inhoud:

Mijn waarde Vader!

Ik kan niet bij u komen, want een zeisdrager heeft mij onlangs afgehouwen, wat van mijn hand nog overbleef. Daarom verzoek ik u na ontvangst van dezen brief naar uw ongelukkigen zoon te vertrekken. Neem een grooten wagen en rijd daarmee tot liosmin. Daar moet ge voor «het Roode Hert» stilhouden. In het «Hert» wacht u een rijtuig en een knecht van het landgoed. De knecht verstaat geen woord Duitsch, is overigens een goede kerel; hij zal u dadelijk herkennen. Voor deze reis moet ge een pels koopen, ook bonte laarzen, die tot aan de knie rijken en van onderen met leer bezet moeten zijn. Zoo ge voor uw lange beenen geen laarzen kunt vinden, moet onze vriend, de bontwerker, nog 's nachts over uw knieën een pels vastmaken. Groet mijnheer Wohlfart.

Uw trouwe zoon Karei.

Anton hield den brief in zijn hand en wist eerst niet wat hij er van denken moest.

«Wat zegt ge van dat nieuwe ongeluk?» vroeg de reus treurig.

«In ieder geval moet ge dadelijk naar uw zoon», antwoordde Anton.

«Natuurlijk moet ik weg,» hernam de sjouwer. «Dat ongeluk doet me zeer aan; juist nu, overmorgen is het vijftig.»

Anton vatte het verband. «Hebt ge u ook ingericht, zooals Karei verlangt?»

«Ja wel,» zei de reus en sloeg de huif verder op; «alles is in orde, de

ocr page 552

210

pels en de laarzen ook.» Anton zag in den wagen en had moeite zich goed te houden. In een groot wolvenvel gewikkeld besloeg Sturm de geheele breedte van den wagen. Ook zijn voeten waren met bont overtrokken; als hij ooit op een monster had geleken, dan was het nu. Met zijn pet stiet hij boven tegen het linnen aan, en de zolen zijner voeten vulden de geheele ruimte tusschen de achter- en de voorbank. Hij zat op een beddezak en had een zak haver in den rug. Het weinigje vrije plaats dat in den wagen over was, werd nog in beslag genomen door allerlei pakken en manden met eten, welke de trouwe kameraads voor hun weggaande overste gevlochten en netjes rondom hem geplaatst hadden; kleine tonnen en vaatjes waren er nog bij gestopt, en vlak voor hem hing een gerookte worst en een veldflesch aan de hoepels. Hij zag er uit als een beer uit de voorwereld in zijn winterleger. Een groote sabel leunde tegen zijn zijde. «Dat is voor die zeisdragers,» zei hij, en stampte er toornig mee op den grond. «Nu heb ik nog een groot verzoek aan u, mijnheer Wohlfart. Mijn huissleutel bewaart Willem; wees zoo goed deze kist te nemen: hierin ligt wat onder mijn bed stond; bewaar gij het voor mijn Karei.»

«Ik zal het kistje aan mijnheer Schröter geven,» antwoordde Anton; «hij is naar het station gereden en kan ieder oogenblik terugkomen.»

«Groet hem voor mij,» zei de reus, «hom en mejuffrouw Sabine, en zeg beiden dat ik hen hartelijk laat bedanken voor al de vriendschap die zij mij en mijn Karei hebben bewezen.» — Aangedaan zag hij het oude huis aan. «Menig gelukkig jaar heb ik daar doorgebracht; als de ringen aan de honderdponders glad zijn alsof ze gepolijst waren, dan hebben mijn handen ordentelijk het hare daartoe meegedaan. Wat deze lirrna sints dertig jaren heeft beleefd, heb ik mede beleefd, geluk en ongeluk; maar ik mag gerust zeggen, mijnheer Wohlfart, wij hebben altijd onzen plicht gedaan. Ik zal uw vaten niet meer rollen,» zei hij tot de pakhuisknechts, «en een ander zal voortaan de ladder voor u tegen den wagen zetten. Denkt nu en dan eens aan den ouden Sturm, als ge een suikerton dicht maakt. Het kan niet altijd duren hier beneden, ook de sterkste komt aan het einde. Maar deze zaak mijnheer Wohlfart, zal blijven en bloeien, zoolang zij een patroon heeft als de onze is, en mannen als gijlieden, en eerlijke handen aan de weegschaal. Dit is mijn oprechte wensch.» Hij vouwde ernstig de handen en tranen biggelden over zijn wangen. «En nu, vaarwel, mijnheer Wohlfart, geef mij voor het laatst uw hand.» Hij trok een grooten handschoen uit en reikte Anton zijn hand toe. «En gij, Piet, Frans, Kees, gij allen pakhuisknechts, vaartwel en denkt in vriendschap aan mij,» De hond van Sabine kwam kwispelend bij den wagen en sprong tegen het mandenwerk op. «Daar is de oude Pluto ook,» riep Sturm en streelde den kop van het trouwe dier. «Vaarwel, Pluto». De hond lekte hem de hand. «Het ga u alleh goed!» riep hij nog eens. «Vooruit, koetsier, naar Rosmin.» Na deze woorden verdween hij onder de huif; de wagen ratelde over de steenen; eenige oogenblikken later werd het witte linnen nog eens opgeslagen en het groote hoofd van Sturm keek er uit en knikte zijn vrienden toe.

Anton verkeerde ettelijke dagen in de grootste bezorgdheid over Sturm. Ten laatste kwam er een brief van Kareis hand.

«Waarde mijnheer Wohlfart! Gij zidt wel hebben begrepen waarom ik die vorige regels aan mijn Goliath heb laten schrijven. Hij moest uit zijn kamer en ik moest hem die malle gedachten omtrent zijn jaardag uit het

ocr page 553

217

hoofd praten. Daarom verzon ik in mijn angst een nooclleugen. Ziellier lioe de zaak geloopen is :

«Den dag voor zijn verjaarfeest wachtte de knecht te Rosmiu in het Hert.» Ik zelf zat in de herberg tegenover, om te zien hoe mijn vader aankwam en hoe hij er uitzag. Ik hield mij verborgen. Tegen den middag kwam de wagen langzaam aanrollen. De voerman hiel]) mijn vader uit het rijtuig, want liet uitklimmen viel hem moeielijk, zoodat ik wezenlijk bezorgd werd voor de beenen, later bleek het dat het meer de schuld was van de pels en de groote laarzen. De oude nam op straat een brief uit zijn zak en las er in, daarop ging hij voor onzen Hannes staan, die zich houden moest of hij geen woord Duitsch verstond, en maakte voor hem allerlei teekenen en ontzettende bewegingen met de handen. Uij hield zijn hand twee voet boven de steenen en toen de knecht met het hoofd schudde, boog mijn oude zelf op den grond. Dit moest zooveel beduiden als: «mijn dwerg;» maar Hannes kon het niet begrijpen ; daarop nam mijn vader den pols van zijn eene hand met de andere en schudde de hand zoo stevig, vlak onder Hannes neus, dat de knecht, die buitendien al van den grooten man verschrikt was, bijna van angst was weggeloopen. Eindelijk echter werd vader met al zijn bagage in onzen mandewagen gestopt, nadat hij eerst herhaaldelijk het rijtuig rondgeloopen en vol vertrouwen bevoeld had. Nu reed hij weg. Den knecht had ik gelast dat hij terstond naar het jagershuis zou gaan, en met den houtvester had ik alles afgesproken. Ik sloeg een zijweg in, en toen de wagen tegen den avond aankwam, sprong ik in het bed van den houtvester en liet mijn hand onder de dekens vastbinden, uit vrees dat ik ze hem anders in mijn vreugde zou toesteken. Toen vader bij het bed kwam, was hij zoo geroerd dat hij weende en het deed mij in mijn ziel leed dat ik hem bedriegen moest. Ik vertelde hem dat het al veel beter ging en dat de dokter mij toegestaan had den volgenden dag op te staan. Daarop werd hij kalmer, en zei mij met een veelbeteekenend gelaat dat dit hem recht aangenaam was : «want morgen was voor hem een groote dag ; morgen moest ik aan zijn bed komen.» En daarna begon hij zijn onzin weer. Maar het duurde niet lang of hij werd vroolijk, de houtvester kwam er bij, en wij nuttigden wat de freule mij van het kasteel had toegezonden. Ik zette hem oud bier voor dat hij zeer ellendig vond. Toen maakte de houtvester wat punch en wij dronken alle drie zeer dapper: mijn vader met zijn wanhopende gedachte, ik met mijn afgehakte hand, en de houtvester in zijn vuistje lachende.

«Van de lange reis, de warme kamer en de punch werd mijn oude weldra slaperig. Ik had voor een groot bed gezorgd, dat in des houtvesters kamer was opgeslagen. Hij drukte mij bij het goeden nacht wenschen een kus op het voorhoofd en zei: «Tot morgen, mijn kleuter.» Terstond daarna hoorde ik hem snorken. Ik vloog nit bed en waakte den ganschen nacht bij hem; het was een bange nacht, en angstig luisterde ik telkens naar zijn ademhaling. Den volgenden morgen laat werd hij wakker. Zoodra vader zich in het bed begon te bewegen, kwam de houtvester in de kamer en reeds bij de deur sloeg hij de beide handen ineen en riep meer dan eens : «Maar, mijnheer Sturm, wat heb je nu gedaan ? «Wat heb ik dan gedaan ?» vroeg mijn Goliath, nog half in slaap en staarde verwonderd in de kamer rond. Alle vogels schreeuwden door mekaar en het geheele huishouden kwam hem zoo vreemd voor, dat hij niet recht wist of hij nog wel op aarde

ocr page 554

'218

was. «Waar Ben ik toch?» riep liij, «deze plaats staat niet in den bijbel!» De iioutvester van zijn kant bleef maar roepen; «Neen, zoo iets lieb ik van mijn leven niet gehoord,» totdat de oude heel ontsteld werd en korzelig vroeg: «Nu, wat dan?» — «Wat je gedaan hebt, mijnheer Sturm? Je hebt een nacht en een dag, en weer een nacht aan één stuk doorgeslapen.» «Wel ja, waarom niet?» zei mijn oude; «'t Is van daag de dertiende, woensdag.» «Neen,» hernam de houtvester «'t is donderdag, de viertiende.» Zoo kibbelden beiden inet elkaar. Ten slotte haalde de houtvester zijn almanak, waarin hij alle verkoopdagen had aangestreept en ook de verleden woensdag had een dikken streep ; bij den dinsdag had hij onder zijn gewone aanteekeningen ook geschreven : «Heden om zeven uur is de vader van den rentmeester Sturm aangekomen, een groot man, kan veel punch verdragen,» en oi) den woensdag: «Heden heeft die vader den ganschen dag geslapen.» Vader las het en zei ten laatste heel in de war : «'t Is in orde. Hier hebben wij het, zwart op wit dinsdag om zeven uur ben ik gekomen, de groote en de punch, alles is akkoord ; de woensdag is aangestreken, vandaag is het donderdag, de veertiende.» Hij lei den almanak weg en zat gansch en al verbluft in zijn bed. Waar is Karei?» riep hij eindelijk. Nu kwam ik de kamer binnen ; ik had mijn hand onder mijn jas gebonden eti hield me even goed als de houtvester, totdat vader ten laatste riep: «Ik ben als behekst, ik weet niet wat ik er van denken moet.» «Maar ziet ge dan niet,» vroeg ik, «dat ik op ben? Gisteren, terwijl gij laagt te slapen, is de dokter gekomen en heeft mij verlof gegeven om op te staan. Nu ben ik al zoo sterk, dat ik dezen stoel met mijn stijven arm kan oplichten.» «Til maar geen te zwaren last,» vermaande vader. «Ook over u heb ik met den dokter gesproken,» vervolgde ik, «hij is een verstandig man en heeft dus gezegd, een van beiden : of hij gaat om zeep, of hij slaapt door, als hij den geheelen dag doorslaapt is hij het te boven. Het is gevaarlijk voor hem ; er komen dikwijls zulke gevallen voor. «Bij ons sjouwers ten minste,» zei de oude. Op die manier brachten wij het zoo ver, dat hij besloot op te staan. En hij was recht opgeruimd. Maar ik bleef toch den geheelen dag bang voor hem en week niet van zijn zijde. Hij mocht niet naar buiten. En toch was haast alles nog mislukt, toen 's middags de pachter kwam om mij te spreken. Gelukkig dat de houtvester er aan gedacht had de deur af te sluiten ; hij ging nu naar buiten en vertelde den pachter wat hij zeggen moest. Zoodra deze binnen kwam, riep vader hem al van verre toe : «Welken dag hebben wij heden, vriend?» «Donderdag is het,» zei de pachter, «de veertiende.» Toen lachte mijn vader uit volle borst en riep : «Nu is het zeker zoo ; nu geloof ik het.» Nog één nacht sliep hij bij den houtvester, totdat zijn jaardag achter den rug was.

«Den volgenden morgen liet ik een wagen komen, en reed mijn vader naar de boerderij, en bracht hem naar de kamer tegenover de mijne, waar de ingenieur gewoond heeft. Ik had het vertrek netjes voor hem ingericht; mijnheer Von Fink, die de geheele zaak wist, had stevige meubels van het kasteel laten brengen, ik had er den ouden Bliicher voor vader opgehangen, de roodborstjes er in gelaten, de schaafbank met eenig gereedschap daar geplaatst, in één woord de kamer gezellig voor hem gemaakt. En nu zei ik lot hem: «Dit is uw kamer, vader. Gij moet nu bij mij blijven. «Oho!» riep hij, «dat gaat niet, dreumes.» «Het zal toch gebeuren,» zei ik weer;

ocr page 555

'210

«mijnheer Von Fink wil liel, mijnheer Wohlf'art wil het, mijnheer SchWitei' wil het. Gij moet u onderwerpen. Wij zullen nu niet meer van elkander gaan, zoo lang wij beiden nog op aarde zijn.» En daarop trok ik mijn hand uit mijn rok en hield hem een echte preek: hoe ongezond zijn leven was geweest en hoe hij om allerlei grillen mij wilde verlaten, zoolang totdat hij week om het hart werd en mij alles wat ik verlangde beloofde. Kort daarna kwam mijnheer Von Kink en verwelkomde mijn vader op zijn aardige, vroolijke manier, en na deu eten kwam de freule en bracht den baron mede. De blinde man had buitengewoon veel pleizier in mijn vader, zijn stem beviel hem goed, en meer dan eens betastte hij hem om zijn grootte te onderzoeken; ja, bij het heengaan noemde de baron hem een man naar zijn hart. En dat moest wel zoo wezen, want van dien tijd af komt hij eiken middag bij vader in zijn kamer en luistert, als mijti vader opsnijdt en verhalen doet.

«Nog is vader verwonderd over al wat hij hier ziet; ook omtrent dien dag, dien hij doorgeslapen heeft, is hij het nog met zich zelven niet eens, ofschoon hij toch wel iets vermoedt, want hij pakt tnij midden in een gesprek dikwijls bij de ooren en noemt me een kleinen schelm. Dezen naam zal hij nu voortaan wel gebruiken voor dien van dwerg, hoewel hij voor een rentmeester nog erger is. Hij wil zich nu op de wagenmakerij toeleggen, en heeft van daag reeds verscheiden spaken gesneden. Ik vrees alleen dat hij wat in het reusachtige zal vallen. Ik ben blij dat ik hem hier heb en dat alles zoo goed is afgeloopen. Als hij maar eens den winter door is, zal hij die zwakte in zijn voeten er wel uitloopen. Zijn huis in do stad wil hij verkoopen, maar alleen aan een sjouwer. Hij laat u verzoeken het aan Willem te koop te bieden, die in een huurhuis woont; hij zal het beter koop hebben dan een vreemde.;)

VI.

Acht dagen na den dood van den advocaat zat Anton op zijn kamer en schreef aan Von Fink. Hij berichtte hem dat men het lijk van den ongelukkigen man beneden de stad uit het water had gehaald, maar dat de oorzaak van zijn dood onbekend was. Een kind uit het huis waar de advocaat gewoond had, had verteld dat het hem den avond van de huiszoeking dicht bij zijn woning op straat was tegengekomen; van dien tijd af was hij niet meer gezien. Onder dezen omstandigheden was een zelfmoord niet onwaarschijnlijk. De politieagent intusschen bleef bij zijn gevoelen, dat de afgeslagen hoed een vreemde hand verried. Uij het doorzoeken van het huis had men de papieren niet gevonden. De verdere nasporingen der politie waren tot nog toe zonder gevolg geweest. Zijn eigen meening omtrent het geval was, dat Itzig de hand ook hierin had gehad.

Terwijl hij zoo schreef ging de deur open; de Galiciër trad haastig het vertrek binnen en lei, zonder een woord te spreken, een ouden bril met verroeste stalen randen voor Anton op tafel neer. Anton zag het onstelde gelaat van den man en sprong op.

«Zijn bril,» fluisterde Tinkeles met schorre stem; eik heb hem gevonden bij het water. Rechtvaardige hemel! dat men zoo'n schrik moet beleven.»

ocr page 556

220

«Van wien is die bril en waar lieb je hem gevonden?» vroeg Anton; liij vermoedde wat de Galiciër niet in woorden durfde uitspreken; «Bedaar eerst, Tinkeies, en spreek dan.»

«liet kan niet verborgen blijven, bet schreeuwt om wraak tot den hemel,» riep de Galiciër in heftige gemoedsbeweging. «Gij zult alles hooren hoe het gegaan is. Twee dagen nadat ik met u over die honderd daalders heb gesproken, ben ik 's avonds naar Löbel Pinkus gegaan op de slaapzaal. Toen ik het huis van Pinkus binnenkwam, is een man in den donker mij tegen het lijf geloopen. Ik dacht, is het Itzig of is hij het niet? En ik zei tot mij zeiven; het is Itzig, het is zijn gang, zooals hij loopt als hij haast heeft. Toen ik boven in de groote kamer kwam was alles leeg, en ik ben aan tafel gaan zitten en heb mijn brieventas doorgesnufleld; en als ik daar zoo zit, huilt de wind en het water slaat tegen de palen, en het is een aanhoudend kloppen, alsof er iemand buiten staat die binnen wil, en de deur niet kan openmaken. Ik ben verschrikt opgesprongen, en berg mijn papieren op en roep: «Wie is daar? Zoo iemand daar is, dat hij het zegge.» Niemand antwoordde, doch aan de deur duurde het kloppen maar voort. Toen heb ik mijn stoute schoenen aangetrokken, de lamp opgenomen, en ben naar het balcon gegaan en heb in alle hoeken rondgekeken. Ik zag niemand. En op nieuw klopte het dicht bij mij en opeens hoorde ik een grooten krak; daar vloog een deur open, die nooit open was geweest en van die deur voerde oen trap beneden naar het water. Toen ik nu met mijn lamp ook op de trappen bijlichtte, hebt ik gezien, dat een natte voet over de trappen gegaan en naar boven geklommen was; de sporen van den voet kon men volgen tot in de kamer, natte plekken op den grond. En ik verwonderde mij en zei; «Schmeie,» zei ik, «wie is hier in den nacht uit het water deze kamer ingekomen, en heeft de deur opengelaten als een spook; Het kan je niet schelen, het zijn je zaken niet. En ik ben bang géworden.

«En eer ik deur licht maakte, heb ik met de lamp op de trap nog eens bijgelicht en zie, daar onder aan het water op laatste tree lag iets dat flikkerde in het schijnsel van de lamp. Ik ben naar beneden gegaan, voorzichtig, voetje voor voetje; o wee, mijnheer Wohlfart, ik kan u zeggen, het was een zware arbeid. De wind huilde en blies om mijn lamp, en de weg de trappen af was zoo donker als een onder-aardsch hol. En wat ik opgeraapt heb was dit,» — hij wees op den bril — het glas, dat bij voor zijn oogen heeft gedragen.»

«En van waar weetje dat het de bril van den doode is!» vroeg Anton.

«Hij is te herkennen aan dit zwarte draadje ; ik heb hem dikwijls met dezen bril bij Pinkus in de gelagkamer gezien. Toen heb ik den bril bij mij gestoken en bij mij zeiven gedacht: ik zal Pinkus niets van het geval vertellen en het glas aan Hippus teruggeven en zien of het mij voor mijn zaak ook iets helpen kon. En zoo heb ik den bril tot heden bij mij gedragen en op Hippus gewacht en toen hij in't geheel niet kwam, ben ik naar Pinkus gegaan en heb hem gevraagd waar hij bleef; maar deze antwoordde mij; «Ik weet zelf niet waar hij is.» En van middag toeu ik weer in de herberg kwam, is Pinkus mij te gemoet geloopen en riep mij toe: «Schmeie, zei hij, als je Hippus nog wilt spreken, moet je in het water gaan. Hij is in het water gevonden.» Dat was mij of er een kogel door mijn hart ging, toen hij mij zei; üa in het water en zoek hem. Ik moest me aan den muur vasthouden.»

ocr page 557

'M

Anton liep naar de schrijftafel, schreef haastig eenige regels aan den ambtenaar van politie, die korte oogenbiikken te voren de kamer verlaten had, belde den knecht en gaf hem den last het briefje terstond te bezorgen.

Intusschen was Tinkeles dood moe op een stoel neergevallen ; hij staarde op de tafel en prevelde onverstaanbare woorden. Anton, niet minder diep getroffen, liep zijn kamer op en neer. Uet was een treurige stilte. Slechts ééns werd zij verbroken, toen de Galiciër van zijn prevelen tot duidelijker klanken overging en vroeg: «Zoudt ge denken dat de bril de honderd daalders waird zal zijn, welke ini voor mij in uw schrijftafel hebt ?»

«Ik weet het nog niet,» antwoordde Anton kortaf en zette zijn wandeling door het vertrek voort.

Schmeie verviel weer tot moedeloosheid en steunde, sloeg telkens zijn bevende handen samen en mompelde wat voor zich uit. Eindelijk zag hij weer op en zei; «Of tenminste toch vijftig?»

«IJoud nu toch op met dat geschacher,» hernam Anton op strengen loon.

«En waarom zou ik zwijgen ?» riep Schrneie boos; «ik sta duizend angsten uit, zal dat alles ziju om niets?» Kn weer overweldigde hem de smart.

«Weldra werd de ambtenaar van politie aangemeld en de kamer binnen geleid. De ervaren man liet den handelaar zijn verhaal nog eens opdisschen, nam den bril, bestelde een wagen voor zich en den weer-spannigen Tinkeles, en zei bij het vertrek tot Anton: «Houd u opeen spoedige ontknooping voorbereid; of ik gedaan zal krijgen wat ik verlang is nog twijfelachtig, maar voor u bestaat er meer kans de stukken, welke gij zoekt, te vinden.»

«Ja,» zei Anton, «maar ach ! tegen welk een prijs !»

De vertrekken in het huis van Ehrenthal waren schitterend verlicht; door de neergelaten gordijnen viel een doffe glans op den stofregen, die uit de dikke mistige lucht op straat neerdruppelde. Verscheiden kamers waren geopend, zware zilveren kandelaars stonden op de tafels, schitterende trekpotten, schalen van japansch porcelein, al hel moois was uit de kasten gehaald, opgepoetst en uitgestald. Geheel het huis had een feestelijk aanzien ; de vloei' was nieuw ingewreven en zelfs de keukenmeid droeg een nieuwe geplooide muts. De schoone Rosa stond te midden van al die pracht in een gewaad van gele zijde, met pur-perroode bloemen, heerlijk als een houri van het paradijs en bereid, evenals deze, om den uitverkorene te ontvangen. De moeder streek de plooien van de zware stof glad, zag zegevierend op haar werk en zei in een opwelling van moederlijke teederheid: «Wat ben je vandaag mooi, Rosa, mijn eenig kind !» Maar Rosa was al te zeer gewoon aan do aanbidding harer moeder, zij lette weinig op het compliment en peuterde knorrig aan een bracelet, die maar volstrekt niet op haar vollen arm vast wilde blijven zitten. «Dat llzig robijnen voor mij gekocht heeft, is weer recht dom van hem; hij had toch moeten weten dat ze niet meer in de mode zijn.»

«Zij zijn goed gezet,» zei de moeder; «'t is zwaar goud en het fatsoen is naar den laatsten smaak.»

«En waai' blijft itzig ? Van daag kon hij toch wel op zijn tijd komen; de familie zal weldra hier zijn en de bruidegom nog afwezend,» vervolgde Rosa mokkend.

«Hij zal op het juiste uur komen,» sprak Rzigs beschermvrouw; «je

ocr page 558

000

weet hoe liij slooft en zwoegt om je op prachtigen voet te laten leven. Je bent gelukkig,» zei zij zuchtend. «Ge begint nu uw leven en wordt een voorname dame. Ge zult na uw huwelijk eerst eenige weken in de hofstad u ophouden, waar Itzig je aan zijn familie zal presenteeren en waar ge samen in rust uw wittebroodsweken zult kunnen doorbrengen. Inmiddels zal ik deze woning voor u iu orde brengen en zelve de bovenverdieping betrekken. Ik zal het overige van mijn leven Khrentluil verplegen en met hom zitten in het eenzame vertrek.»

«Zal vader heden in het gezelschap komen ?» vroeg Rosa.

«Dat moet wel om de familie; hij moet als vader den zegen over u

uitspreken.» _ , ...

«[lij zal ons schande aandoen en weer allerlei onzin uitbraken,» zei

de teerhartige dochter.

«Ik heb hem voorgezegd wat hij spreken moet,» hernam de moeder, «en hij heeft mij geknikt dat hij het begrepen had.»

Er werd gebeld: een knecht opende de deur en liet de familie binnen. Weldra vulden zich de vertrekken. Dames in zware zijden kleederen, met veel goud, schitterende oorringen en halskettingen, namen plaats op de groote canapee en de stoelen die in een kring stonden, liet waren grootendeels gezette vrouwen, hier en daar een glinsterend oog, een mooi figuur. Zij zaten daar en deden denken aan een bont pei k met tulpen. Verderop stonden do heeren in groepen, slimme gezichten, met de handen in den zak, minder plechtig dan de dames, ook minder bevallig om aan te zien. Zoo verbeidde de familie de komst des bruidegoms, die nog steeds toefde.

Eindelijk verscheen hij, die het Kaïnrnerk op het voorhoofd droeg. Argwanend rolde zijn oog rond, gedwongen was de groet aan zijn bruid. Hij deed zijn uiterste best om eenige complimenten te vinden, die hij het schoone meisje maken kon, en hij zelf had heimelijk kunnen lachen over de lengte die hij in zich voelde. IJij zag haar stralend oog niet, niet haar schoonen hals en do heerlijke vormen van haar lichaam; toen hij haar naderde, moest hij opeens aan iets anders denken, aan iels dat hem thans altijd vervulde. Hij wendde zich haastig van Rosa af en mengde zich onder den troep heeren, die na zijn komst spraakzamer werden, llenige banale uitdrukkingen fluisterden zij elkaai toe, als: «Mejuffrouw Rosa ziet er bekoorlijk uit, of «denkt ge dat de oude Ehrenthal zal komen ?» of «deze lange mist is zeldzaam, hij is ongezond; we zullen flanel moeten gaan dragen,» totdat eindelijk een vreemde de woorden uitsprak : «vier en een half percent.» Nu was het gedaan met vragen, men had een gesprek gevonden. Itzig was een van do luidruchtigsten; hij sprak rechts en links, zwaaide met armen en beenen; men sprak van den wisselkoers, van de wol en van het ongeluk eens handelaars, die zoo lang gespeculeerd had, dat hij ten laatste gesprongen was. De dames waren in het vergeetboek geraakt, en, aan die afzondering gewoon, hielden zij plechtig haar theekopjes in de handen, streken de plooien van haar japonnen glad, en bewogen met gratie den hals en den arm, opdat de kettingen en armbanden in het licht zouden flikkei en.

Opeens werd het gesprek door een gedreun gestoord; een deur gmg open, een algemeene stilte verving het gegons, een groote armstoel werd de kamer binnengerold.

Op dezen armstoel zat een oud man met wit haar, een dik opgeblazen gezicht, twee dolle oogen, die voor zich uit staarden, het lichaam gebogen,

ocr page 559

223

lt;le armen slap over de leuning hangende. Dat was Hirsch Ehrenthoi, een kindsche grijsaard. Toen de stoel tot midden in liet gezelschap was neer gezet, keek liij langzaam rond, knikte met het hoofd en herhaalde de van buiten geleerde woorden: «Goeden avond, goeden avond.» Zijn vrouw hoog tot hem over en riep hem met luide stem toe: «Kent gij de heeren, dio hier zijn? Het is de familie.»

«Ik weet het,» knikte de oude, «'t is een partij. Zij zijn allen naar een partij gegaan en ik ben alleen op mijn kamer gebleven. — En ik heb aan zijn bed gezeten. Waar is Bernhard, dat hij niet bij zijn ouden vader komt?»

De genoouigden, die om den stoel hadden gestaan, verwijderden zich verlegen, en de vrouw des huizes riep den grijsaard in 'toor; «Bernhard is op reis, maar je dochter Rosa is hier.»

«Is hij op reis?» vroeg de oude treurig. «Waarheen is hij dan gegaan ? Ik heb hem een paard willen koopen om er op te rijden; ik heb hem een landgoed willen koopen om hem als een fatsoenlijk mensch gelijk hij altijd geweest is, te laten leven. «Ik herinner mij,» riep hij, «toen ik hem voor den laatsten keer gezien heb, was het op een bed. Op zijn bed lag hij en hij heeft zijn hand tegen mij opgeheven en heeft ze dreigend geschud tegen zijn vader.» Ilij zonk achterover in den stoel en kermde zachtjes.

«Kom hier, Hosa,» riep de moeder, zeer ontsteld door deze verbijstering van haar man. «Als vader je ziet zal liij andere gedachten krijgen.» De dochter naderde en knielde, haar zakdoek eerst uitspreidende, naast den stoel van haar vader.

«Kent gij mij nog vader?» riep zij.

«Ik ken je,» sprak de oude ; «je bent een vrouw. Waarom ligt hier een vrouw voor mij op den grond? Geef mij mijn bidmantel en spreek de gebeden na. Ik wil knielen, en voor u bidden, want een lange nacht is aangebroken. Maar als hij voorbij zal zijn, zullen wij licht aansteken en zullen wij eten. Dan zal het tijd wezen om bonte kleederen aan te trekken. — Hoe hebt gij een veelkleurigen japon aan, nu dat de Heer vertoornd is op zijn gemeente?» Hij begon weer een gebed te prevelen en zakte daarop ineen. Rosa stond knorrig op ; de moeder zei in de grootste verlegenheid : «'t Is van daag erger met hem dan het ooit is geweest. Ik heb gewild dat de vader tegenwoordig zou zijn bij het bruidsfeest zijner dochter, maar ik zie dat hij de plichten van gastheer niet vervullen kan. Daarom zal ik, als moeder, het gezelschap een blijde tijding rnededeelen.» Plechtig nam zij de hand barer dochter en sprak : «Treed nader bij, Itzig.»

Itzig had tot nu sprakeloos onder de gasten gestaan en op den oude gestaard. Somtijds had hij de schouders opgehaald of met het hoofd geschud over den onzin van den zieken man, omdat hij begreep dat dit door zijn verhouding tot de familie vereischt werd. Maar voor zijn oog zweefde een andere gedaante; hij wist beter dan de anderen wie jammerde en steunde, hij wist ook wie gestorven was en fiiet vergeven had. Zoo stapte hij machinaal naar de gastvrouw, de blikken steeds strak op den oude gevestigd houdende. De gasten omgaven hem en Rosa in een wijden kring; de moeder nam zijn hand.

Daar begon de oude in zijn leuningstoel weer te praten. «Weest stil,» zei hij zeer verstaanbaar, «ginds staat hij de onzichtbare. Wij keeren terug van do begrafenis en hij danst onder de vrouwen. Wien hij aanziet, dien treft hij in het hart. Daar staat hij,» gilde hij uiten

ocr page 560

'22«

en redding zocht. Tlij klampte zich vast aan het glibberig hout dei-palen, om niet uit te glijden. Hij stond voor de trap van het aangrenzend huis, hij voelde naar de sleutels in zijn zak, nog één draai den hoek om en zijn voet had de trap bereikt. Maar toen hij dien draai nemen wilde, deinsde hij onmachtig terug, de opgeheven voet zakte weer in het water; vóór zich op het paalwerk, boven de rivier, zag hij een donkere, ineengebogen gestalte. Hij kon de lijnen van den ouden hoed erkennen; hij zag in weerwil van de duisternis de akelige trekken van een hem welbekend gelaat. Onbewegelijk zat de verschijning voor hem. IJ ij wreef zijn oogen uit of hij zich niet bedroog, en sloeg met zijn handen door de lucht, alsof hij ze weg wilde jagen. Het was geen begoocheling; het spook zat weinige schreden voor hem. Eindelijk stiekte het schrikbeeld een hand uit naar Itzigs borst. Met een gil sprong do misdadiger terug, zijn voet gleed uit, hij viel tot aan zijn hals in 't water. Zoo stond hij in de rivier; boven hem huilde de wind langs zijn oor bruischte het water, steeds woester, steeds dreigender. Hij hield zijn handen in de hoogte; zijn oogen staarden voortdurend op de verschijning voor hom. Langzaam maakte de vreemde gedaante zich van de balken los, zij sloop over het pad dat hij zelf had betreden; het spook kwam met kalme schreden naderbij, weer strekte de hand zich naar hem uit. Verschrikt sprong hij verder de rivier in. Nog eens zinken en bovenkomen, een luide gil, de korte strijd van een drenkeling en alles was voorbij. De rivier rolde voort en voerde het lichaam van den bewustelooze met zich mede.

Aan de kanten der rivier werd het levendig, fakkels glinsterden op den oever, wapenen en uniformen flikkerden in het schijnsel der lichten. Men hoorde de stemmen der zoekende mensclien en beneden aan de trap waadde een man het pad langs en riep naar boven: «Hij is weggespoeld eer ik hem grijpen kon; morgen zal hij in de haven te vinden zijn.»

VII.

De herberg van Lobel Pinkus werd onderzocht, het geheime magazijn in het belendende huis in beslag genomen, en wijl men daar de overblijfselen van oude en nieuwe diefstallen verzameld vond, werd de waardige kastelein zelf voorloopig in de gevangenis gezet. Onder de gevonden voorwerpen was ook het kistje van den baron ; in een verborgen kast van het roofnest lagen de schuldbekentenissen en de beide hypotheekakten van de eerste en de laatste twintigduizend daalders. In de woning van den Handelaar Veitel Itzig werd een stuk gevonden, waarin Pinkus verzekerde dat Veitel Itzig eigenaar van de eerste hypotheek was. De verstoktheid van Pinkus werd door zijn inhechtenisneming eenigszins getemperd: hij bekende ten laatste (en hij had er ook niet veel belang bij het te loochenen), dat hij alleen op last van den onge-lukkigen Itzig den baron het geld had uitbetaald en dat deze inderdaad niet meer dan hoogstens tienduizend daalders ontvangen had. Zoo kreeg de baron zijn recht terug op de helft van de eerste hypotheek.

Pinkus werd tot eeti jarenlange gevangenisstraf veroordeeld. De herberg werd gesloten en Tinkeles, die de tweehonderd daalders terstond na Itzigs

ocr page 561

227

dood van Anton had verlangd, verborg voortaan zijn pakje en zijn wijden japon in een anderen schuilhoek. Zijn ijver voor de firma nam door de laatste gebeurtenissen zoo in warmte toe, dat het handelshuis begreep de grootste voorzichtigheid met hem te moeten inacht nemen, en zelfs eenige belangrijke zaken, welke hij aanbood, van de hand wees. liet natuurlijk gevolg dezer koelheid was, dat Tinkeles des te grooter eerbied gevoelde voor de schranderheid der firma, en voort ging het kantoor nu en dan met een bezoek te vereeren, zonder dat een nieuwe stoute speculatie de goede verstandhouding kwam verbreken. Het huis van Pinkus werd verkocht; een eerlijke verver nam er zijn intrek, en van het balcon, waartegen weleer de magere gestalte van den jongen Veitel geleund had, hing nu blauw en zwart geverfd garen tot in hel water neder. Na lange onderhandelingen met den procureur en de verslagen familie van Ehrenthal, ontving Anton langs den weg van minnelijke schikking de schuldbekentenissen en do laatste hypotheek tegen betaling van twintigduizend daalders.

Intusschen naderde de dag voor den verkoop van het riddergoed. Nog voor den termijn kwam een kooplustige Anton opzoeken; en volgens den raad van zijn advocaat en met goedvinden van den baron sprak Anton met dezen af, dat hij, kooper, bij de veiling minstens een som zou bieden, die den baron ook van zijn laatste schuld aan Ehrenthal zou bevrijden. J^ij de nog steeds geringe waarde der vaste goederen was een grooter prijs niet te verwachten, en bij de veiling, welker afloop Anton in groote spanning verbeidde kreeg de kooper werkelijk het riddergoed voor de vooraf bepaalde koopsom.

Den dag daarop schreef Anton aan de barones; hij zond haarde schuldbekentenissen vun den baron overenzijn volmacht. Hij lakte den brief dicht, met het aangename gevoel dat hij uit die schromelijke verwarring voor Leonore toch een erfdeel van ongeveer dertigduizend daalders had gered.

Op het dak van het poolsche slot lag weer de witte sneeuw en de kraaien lieten de sporen barer pooten daarin achter. Het schitterend feestgewaad van den winter was over bosch en weide uitgespreid ; in diepen slaapquot; rustte de aarde ; geen herdershond blafte op de velden, de landbouwgereedschappen stonden werkeloos in de schuren der boerderij. En toch vertoonden zich op het landgoed teekenen van leven, en over het breede slotplein draafden ijverige arbeiders met duimstok en zaag. Het terrein bij de boerderij was ongelijk, want de grond was hier en daar voor nieuwe gebouwen uitgegraven, en in de kamer, en zelfs buiten in den zonneschijn, arbeidde een schaar ambachtslui uit de stad, timmerlieden, schrijnwerkers en wagenmakers. Vroolijk floot de gezel zijn lied bij het werk en de gele spaanders vlogen hoog de lucht in. l'ji heerschte een nieuw leven op het landgoed, een nieuwe kracht, en wanneer de lente komt, zul een andere schaar arbeiders op den pool-schen grond gaan werken en den uitgerusten bodem noodzaken de vruchten van onvermoeiden ijver voort te brengen.

In zijn warme kamer zat vader Sturm bij de schaafbank, midden tusschen hoepels en duigen, en zijn ijzer boorde met kracht in het harde eikenhout. En tegenover hem leunde op den eenigen leuningstoel van het vertrek de blinde baron, den krukstok in de hand houdende, zijn oor naar den ouden Sturm gekeerd.

«üij moet moede zijn, Sturm,» zei de baron.

ocr page 562

'228

«Ei wat?» riep ile reus, «met de handen gaat het zoo goed als vroeger. Dit wordt hier een kleine Ion voor regenwater ; 't is kinderwerk.»

«Ook hij heeft eenmaal in een ton in de klem gezeten,» sprak de baron voor zich uit. «Uet was een zwak kind; de kindermeid had hem in het bad gezet en hij had zijn rug gebogen en zijn knieën tegen den voorkant gekneld, zoodat hij er niet meer uit kon. Ik moest de hoepels van de kuip laten afnemen, om den knaap uit zijn gevangenis te bevrijden.» De reus kuchte. «Waren het ijzeren banden?» vroeg hij belangstellend. «Het was mijn zoon,» antwoordde de baron.

«Ja,» zei Sturm zacht, «hij was rijzig, hij was een knap mensch, het was een pleizier zijn sabel te hooren kletteren, en te zien hoe hij aan zijn kleine knevels trok.» — Ach, hij had dat den vader al zoo dikwijls gezegd ; dagelijks moest hij het herhalen, als de baron bij hem zat!

«Het was de wil des hemels,» zei de baron en vouwde de handen. «Ja, dat was het,» zei Sturm hem na; «Onze Lieve Heer wilde hem tot zich nemen, juist toen hij aan zijn beste werk was. Dat was eervol voor hem, en geen sterveling kon de aarde op een schooner oogenblik verlaten. Voor zijn vaderland en voor zijn ouders trok hij te velde en hij overwon en joeg de Polen op de vlucht, toen Onze Lieve lletr zijn naam riep en hem onder zijn eerewacht opnam.»

«En ik moest achterblijven,» zuchtte de baron.

«En mij doet het pleizier dat ik onzen jonker nog gezien heb,» vervolgde Sturm met groote levendigheid, «want gelijk gij weet, hij was toen onze jonker. Gij vertrouwdet de bouwerij aan mijn Karei toe, en daarom was het voor mij een eer ook aan mijnheer tiw zoon mijn vertrouwen te toonen.»

«Het was toch niet goed dat hij bij u kwam om geld te leenen,» hernam de baron, met het hoofd schuddende. En hij sprak, zoo, omdat hij het troostvolle antwoord van Sturm reeds dikwijls had gehoord en het toch telkens op nieuw verlangde te hooren.

De reus lei zijn gereedschap weg, krabde zich in het haar en deed zijn best er recht moedig uit te zien, toen hij op lichtzinnigen toon begon : «Weet je wat, mijnheer de baron, voor de jeugd moet men ook inschikkelijk zijn. De jeugd moet eenmaal uitrazen. Menigeen neemt in zijn jonge jaren geld op, en vooral dan, als men zoo'n mooien rok aan heeft met zilveren kwasten. Wij waren ook geen heilige boontjes, mijnheer de baron,» vervolgde hij op vriendelijken toon en sloeg met zijn ijzer zachtjes op de knie van den blinden man. — «En mijnheer de luitenant was een aardig mensch, en ik geloof dat hij er een beetje in zat. En toen ik hem het geld gaf, kon ik het hem aanzien dat het hem verdriet deed het noodig te hebben. Ik gaf het hem daarom met des te grooter genoegen. En toen ik het voor hem in den wagen droeg en hij nog uit het portier zich tot mij boog, verzeker ik u dat hij zelf aangedaan was; zijn beide handen stak hij uit hot rijtuig, en zocht mijn vuist om ze nog eens hartelijk te drukken. Eu als hij daar zoo zat, viel het licht der straatlantaarn vlak op zijn gelaat. Het was een lief, vriendelijk gezicht, zooals het uwe, en nog meer zooals dat van mevrouw de barones, voor zoover ik dat gezien heb.»

Ook de blinde man stak zijn handen uit en zocht de vuist van den sjouwer. Sturm schoof de schaafbank weg, greep met zijn rechterhand de handen van den baron en streelde ze met zijn linker. Zoo zaten beiden een tijd lang sprakeloos naast elkaar.

ocr page 563

Eindelijk befron de baron met bevende stem : «Gij zijt de laatste geweest die mijn Eugène vriendschap bobt bewezen; ik dank u, ik dank u, ik dank u van gunsclier harte. Het is een ongelukkig, een gebroken man die dit zegt. Maar zoo lang ik nog op deze aarde leef', zal ik den zegen des Allerhoogsten op hw hootd afbidden. Het moest niet zoo zijn, dat mijn zoon mij in mijn oude dagen zou ondersteunen; u daarentegen heeft hij een goeden zoon gespaard. Al het geluk, allo voorspoed. dien ik voor mijn Eugène zou gewenscht hebben, bid ik van God dat uw zoon ten deel moge vallen.

Sturm veegde zich de oogen af en knelde terstond daarna de handen van den baron weer vast. Zoo zaten de vaders weer zwijgend naast elkaar, totdat do baron met een zucht opsprong. Voorzichtig vatle Sturm den arm van den blinden man en geleidde hem over liet grasperk en het plein naar het kasteel. Nu was er een weg opgehoogd voor de torendeur en een mooie breede weg ook, met vierkante steenen, waarover men te voet ot in een rijtuig de deur naderen kon. Sturm trekt het koord eener schel, en de kamerdienaar des barons snelt toe en helpt zijn meester do trappen op, want het trappenklim-men valt den ouden Sturm nog altijd zwaar.

Intusschen reed een wagen de boerderij op; Karei ijlde eerbiedig uit zijn kamer; de nieuwe eigenaar sprong uit het rijtuig.

«Goede dag, sergeant,» riep Von Kink ; «hoe is het op het slot en de bouwerij? Moe maken het de barones en de freule?»

«Alles in orde,» antwoordde Karei, «alleen met mevrouw de barones gaat het slapjes. Wij hebben u al sints veertien dagen gewacht. De familie op het slot heeft dagelijks laten vragen of ik geen tijding had gekregen.»

«Ik werd opgehouden,» zei Von Fink, «en ik zou misschien nog niet terug zijn gekomen, maar na die sneeuw valt er niet veel aan hot land te zien, Ik heb üobrowice gekocht.»

«Drommels!» riep Karei verheugd.

«Mooie grond,» vervolgde Von Fink ; «vijfhonderd morgen bosch, waarin de boomasch bijkans een voet hoog ligt. Iti het poolsche gat daar vlak bij, dat zij hier de districtstad noemen, wemelden de schacheraars, als een hoop mieren, door elkaar, toen zij hoorden dat van tin af onze sporen dagelijks over hnn markt zullen ratelen. Maar gij, trouwe rentmeester, zult er pleizier in hebben, als gij het nieuwe landgoed ziet. Ik heb lust u er morgen al heen te zenden. — Wat hebt gij daar in uw hand? Een brief van Anton? Geef hem mij.»

Hij brak den brief haastig open. «Is de freule op hot kasteel?»

«Ja, mijnheer Von Fink.»

«Goed. Van avond gaat er een bode naar den dominee te Neudorf.» Met snelle schreden wandelde hij naar het slot.

Leonore zat op haar kamer; rondom haar lagen stukken linnen; zij naaide. Vlijtig stak zij de naald in de harde stof, lei den zoom soms op haar knie, wreef hem met haar vingerhoed glad en bekeek dan, half tevreden, de steken, of zij wel klein en regelmatig waren. Daar dreunde in den gang de bekende tred; zij sprong op en krampachtig omklemde haar band het linnen. Maar zij beheerschte zich moedig en ging voort met haar werk. Er werd aan de deur getikt. Een hoogroode blos overtoog haar hals en wangen en haar «binnen!» drong ter nau-wernood door tot de ooren van den bezoeker. Von Fink zag bij het

ocr page 564

230

binnenkomen nieuwsgierig in de kamer rond ; aan den muur hingen eenige teekeningen van Leonores hand, overigens waren er slechts de hoogst noodige meubelen.

Toen Von Fink een diepe buiging voor Leonore maakte, vroeg zij op onverschilligen toon: «lleel't eenige onaangename bezigheid u opgehouden? VVij waren allen bezorgd.»

«Een landgoed dat ik heb gekocht vertraagde mijn terugkomst. Nu kom ik zoo spoedig ik kan mij bij mijn meesteres aandienen; tevens breng ik u een pak dat Anton voor mevrouw de barones gezonden heeft. Als de gezondheid van mevrouw uw moeder het veroorlooft, zou ik haar gaarne mijn opwachting maken.»

Leonore nam den brief'. «Ik ga dadelijk naar mama, excuseer mij.» Met een buiging zocht zij hem voorbij te gaan.

Von Fink hield haar tegen en zei schertsend; «Jk zie u echt huishoudelijk met schaar en naald in de weer. Wie is de gelukkige voor wien gij deze wigvormige stukken aaneen naait?»

Leonore bloosde wederom. «Dat is vrouwenwerk en een heer mag er niet naar vragen.»

«Ik meende toch dat de vingerhoed vroeger niet zeer in uw gunst deelde,» zei Von Fink goedaardig. «Is het dan bepaald noodig, freule, dat ge uw oogen bederft?»

«Ja, mijnheer Von Fink,» antwoordde Leonore ferm; «'t is noodig en 't zal noodig blijven.»

«Ei, ei!» riep Von Fink, met het hoofd schuddende, terwijl hij op zijn gemak over de leuning van Leonores stoel zich boog. «Gelooft gij dan dat ik uw heimelijke veldtochten met naald en schaar al niet lang bemerkt heb? En dan uw ernstig gezicht, en die wezenlijk prachtige onverschilligheid, waarmede gij mij, den overmoedigeu knaap, behandelt? Waar is de kattencanapee? Waar is de zusterlijke openhartigheid, die ik na ons gesprek meende te mogen verwachten? Gij hebt onze afspraak slecht gehouden. Ik zie duidelijk dat mijn lieve kameraad geneigd is mij te laten loopen en met het meeste fatsoen zoekt haar aftocht te blazen. Maar neem mij niet kwalijk, wanneer ik u doe opmerken dat het u weinig baten zal. Gij raakt mij niet kwijt.»

«Wees edelmoedig, mijnheer Von Fink,» viel Leonore hevig aangedaan hem in de rede, «maak mij mijn plicht niet nog moeielijker. Ja, 't is waar, ik bereid mij er op voor van hier weg te gaan, van u te scheiden.»

«Gij weigert dus steeds hier bij mij te blijven ?» vroeg Von Fink met een gefronst voorhoofd. «Welaan, ik zal weerom komen, zoolang smee-ken tot gij mij eindelijk verhoort. Als ge mij ontloopt, reis ik u achterna, en zoo ge uw schoone lokken afsnijdt en In een klooster vlucht, klim ik de muren over en schaak u. Heb ik niet om u gevrijd als de deug-uiet in het sproookje om de koningsdochter? Om u te winnen, trotsche Leonore, heb ik een zandwoestijn in grasvelden herschapen en mij zeiven in een eerzamen grondbezitter. Deze wonderen hebt gij gewerkt. Daarom, geliefde meesteres, wees verstandig en kwel u en mij zeiven niet langer door die meisjesgrillen.»

«O, eerbiedig die grillen, zooals gij ze noemt,» riep Leonore, in tranen uitbarstende. «In deze eenzame, lange weken heb ik eiken dag, elk uur gekampt, met mijn smart geworsteld. Ik ben een arm meisje, wier plicht

ocr page 565

liet thans is voor haai' ongelukkige ouders te leven. De bruidschat, dien ik u brengen zou, lieet ziekte, droefheid en liulpeloosheid.»

«Gij vergist u,» sprak Von Fink ei'nstig. «ünze vriend heeft voor u gezorgd. Hij heeft twee schurken liet water in gejaagd en de schulden van uw vader betaald; de baron houdt nog een aardig vermogen over; alle gevaar, alle ellende is geweken, en gij zelve, fiere dame, zijt volstrekt geen slechte partij, als u dat iets schelen kan. De brief, dien gij in uw hand hebt, vermoordt uw philosophie.»

Leonore bekeek het adres en wierp den brief van zich. «Neen,» riep zij, «Toen ik door mijn smart overweldigd aan uw borst lag, hebt gij mij gezegd dat ik krachtig moest worden, ook tegenover u. En eiken dag gevoel ik opnieuw dat ik geen kracht heb tegenover u, geen overtuiging, geen wil. Wat gij zegt, schijnt mij waar te zijn, en ik vergeet hoe ik vroeger anders over de zaak dacht; wat gij van mij verlangt moet ik doen, zonder verzet, zonder tegenspartelen, als een slavin. De vrouw, die aan uw zijde het leven doorwandelt, moet u gelijk zijn in sterkte en kracht en zich zeker gevoelen in haar eigen kring. Ik ben slechts een ongevormd, hulpeloos meisje. In een onverstandige opwelling van liefde heb ik u verraden dat ik om u kon wagen, wat een vrouw nooit wagen moest. Gij vindt in mij niets, waarvoor gij

achting kunt gevoelen. Gij zult mij kussen.....en mij dulden.» Leo-

nores hand balde zich en haar oogen fonkelden. Zoo stond zij voor hem en haar schoon lichaam beefde in den heftigen strijd van trots en liefde.

«Hebt ge dan zooveel berouw, dat ge voor mij een kogel hebt gejaagd in den schouder van een moordenaar /» vroeg Von Fink somber. «Wat ik in u lees, lijkt tüe* veel op liefde, veel meer op haat.»

«Ik u haten ?» riep het meisje en bedekte het gelaat met haar handen.

Hij trok haar de handen van het gezicht, haalde haar naar zich toe en drukte een zoen op haar lippen. «Stel vertrouwen in mij, Leonore,» lluisterde hij.

«Laat me, laat me,» riep Leonore weerstrevend, maar haar mond hing weer gloeiend aan de zijne; zij omklemde hem vast, en met een hartstochtelijke uitdrukking van liefde en vrees tot hem opblikkende, viel zij voor zijn voeten neer.

Ontsteld en geschokt boog Von Fink zich over haar en hief ze van den grond op. «De mijne zijt ge, de mijne zult gij blijven ! Met geweer en hagel heb ik u veroverd ! In één adem tegen mij teedere en wreede woorden! Wat drommel! ben ik dan zoo'n tiran, dat een brave vrouw vreezen moet onder mijn juk te komen? Zooals gij zijt, Leonore, ferm, koen, een kleine duivel van drift en hartstocht, juist zoo wil ik u hebben en niet anders. Wij zijn wapenbroeders geweest en wij zullen het in deze landen blijven. De dag kan weer komen, dat wij beiden in ons huis den kolf aan den wang moeten aanleggen, en het volk rondom ons verlangt menschen die eerder een slag geven dan er een verdragen. En al waart gij niet het ideaal van mijn hart al waart gij een man, ik zou trachten u als een trouw makker voor mijn leven aan mij te verbinden. Want Leonore, gij zult mij niet slechts een teergeliefde vrouw zijn, maar ook een moedige vriendin, de vertrouwde mijner daden, mijn beste kameraad.»

Leonore schudde met het hoofd, maar hield hem vast in haar armen. «Ik zou uw vrouw worden,» klaagde zij. Von Fink streelde haar

ocr page 566

teeder over haar blonde lokkon en kuste het bramlende voorhoofd. «Wees maar bedaard, mijn beste, en zie je erin te schikken. Wij licb-ben samen in een vuur gezeten dat warm genoeg was om een grooten hartstocht te doen rijpen. En wij kennen mekaar. Onder ons gezegd, wij zullen menigmaal een kleinen storm in ons huis hebben. Ik ben geen gemakkelijk vriend, althans niet voor een vrouw, en gij zult uw wil, over welks verlies gij nu zoo klaagt, zeker op zijn tijd terugvinden. Stel je gerust, mijn liefste, ge zult weer de oude worden, zooals ge vroeger zijt geweest, maak je daar maar niet ongerust over. En daarom wacht je op eenige onweersbuien, maar ook op innige hartelijke liefde en een vroolijk leven. Ge 'zult weer lachen als van ouds, Leonore. Mijn hemden behoeft ge niet te naaien, en als ge het huishoudboek niet wil opschrijven, moogt ge het gerust laten. En als ge onze jongens later in drift soms een klap mocht geven, dat zal ons kroost geen kwaad doen. Daarom denk ik, dat ge u maar moest overgeven.»

Leonore zweeg, maar knelde hem aan haar hart.

Von Fink trok haar met zich voort, «Kom,» zei hij, «ga mee naar uw moeder.»

Over het bed der zieke bogen Von Fink en Leonore. Een glans van dankbare blijdschap bescheen het bleeke gelaat, toen zij de handen op het hoofd van den man lei en hem haar zegen gaf.

«Zij is zwak en nog een kind,» zei ze tot hem. «Aan u, mijn zoon, is het thans toevertrouwd een goede vrouw van haar te maken.»

Zij zond de kinderen de kamer uit. «Gaat nu uw vader opzoeken,» verzocht zij, «brengt hem hier en laat ons dan alleen.»

Toen de baron naast zijn echtgenoote zat, bracht de barones zijn hand aan haar lippen en (luisterde: «Vandaag, Oscar, wil ik u dank zeggen voor de vele jaren van geluk, voor al uw liefde.»

«Arme vrouw !» prevelde de blinde.

«Wat gij doorgestaan en geleden hebt,» vervolgde de barones, «hebt gij doorgestaan en geleden voor mij en mijn zoon, en beiden laten wij u hier achter in een vreugdelooze wereld. —- U is het geluk niet gegund uw naam in uw geslacht voort te planten. In uw huis zijt gij de laatste die den naam van Uothsattel draagt.»

De baron steunde.

«Maar de naam dien wij achterlaten, zal zonder smet wezen, zooals uw

gansche leven was..... tot op twee uren van wanhoop na.» Zij lei de hand

van den blinden man op het pak van schuldbekentenissen en verscheurde elk stuk een voor een, belde een knecht en liet de papieren in de kachel verbranden. De vlam llikkerde vrolijk en wierp een rood licht door het vertrek; het knapte en kletterde tot alles verteerd was. De avondschemering vervulde de kamer, en voor het bed der zieke vrouw lag de baron geknield en verborg zijn hoofd in de kussens; en zij hield haar handen over hem saamgevouwen en haar lippen bewogen zich in een zacht gebed.

In het morgengrijs fladderden de kraaien en raven over de sneeuw van het slotdak. De zwarte vogels vliegen om de tinnen van den toren, en met een luid gekras trekken zij op naar het bosch, en vertellen hun makkers dat er op het kasteel een bruid is en een lijk. De bleeke vrouw uit het vreemde land is dien nacht gestorven, en de blinde, welke thans in de armen zijner dochter ligt, heeft te midden van zijn diepe smart één troost:

dat hij haar, die eindelijk rust heeft gevonden, binnen kort volgen zal. En

ocr page 567

de ongeluksvogels roepen naar alle kanten dat ook de vreemde kolonisten door den ouden vloek getrofl'en zijn, die sints eeuwen op liet kasteel en op het landgoed ligt.

Maar de man, die thans op het slot heerscht, stoort er zich weinig aan of een kraai krast dan wel of de leeuwerik zingt; en als er een vloek rust op zijn landgoed, hij blaast lachend in de lucht en blaast hem weg. Zijn leven zal een onafgebroken, zegevierende strijd zijn tegen de duistere machten van de streek; en uit dat poolsche slot zal een schaar flinke knapen voortspruiten en een duitsch geslacht, krachtig naar ziel en lichaam, zal zich over het land verspreiden, een geslacht van kolonisten en veroveraars.

Met weinige maar hartelijke woorden gaf Von Fink van zijn verloving en het overlijden der barones kennis aan Anton. Een verzegelde brief aan Sabine was ingesloten.

Het was avond toen de besteller den brief aan Anton bezorgde. Lang zat hij met liet hoofd in de handen op de mededeeling te turen ; eindelijk nam hij den brief voor Sabine en ijlde naar het voorhuis.

liij vond den koopman op zijn werkkamer en overhandigde hem den brief. De koopman riep terstond Sabine en zei haar : «Von Fink is geëngageerd ; hier is de kennisgeving voor u.»

Verblijd vouwde Sabine de handen samen en wilde op Anton toesnellen, maar over haar voortvarendheid blozende, bleef zij halverwege staan, ging daarop met den brief naar de lamp, en brak hem open. Er moest niet veel in staan, want in een oogenblik had zij hem gelezen ; zij deed zich geweld aan om ernstig te blijven zien. maar de mond wilde haar niet gehoorzamen, zij kon een glimlach niet onderdrukken. Anton zou een anderen keer haar gemoedsstemming met vurige belangstelling hebben waargenomen, heden gaf hij er ternauwernood acht op.

«Gij blijft toch van avond bij ons, Wohlfart?» vroeg de koopman.

Anton antwoordde : «Ik was zelf reeds voornemens u te verzoeken mij eenige oogenblikken te gunnen. Ik heb u iets te zeggen.» En onrustig zag hij naar Sabine.

«Welnu, laat ons dat nieuws eens hooren ! — Gij kunt wel blijven, Sabine,» riep de koopman zijn zuster toe, die, nadat Anion zijn verlangen had kenbaar gemaakt, wilde wegsluipen, «Gij zijt goede vrienden samen ; mijnheer Wohlfart zal zich aan uw tegenwoordigheid niet ergeren. Spreek vrij uit, mijn vriend, waarmee kan ik u dienen'.'»

Anton zag wederom op de geliefde vrouw, die tegen den deurpost leunende, haar oogen op den grond gevestigd hield. «Mag ik u vragen,» sprak hij eindelijk na een harden inwendigen kamp, «of gij de plaats reeds hebt gevonden, welke uw goedheid mij zou zien te bezorgen?»

Sabine werd onrustig, ook de koopman keek verwonderd op. «Ik geloof dat ik u iets zou kunnen aanbieden, maar heeft dat dan zoo'n groote haast, waarde Wohlfart!»

«Ja,» hernam Anton ernstig. Ik mag geen dag verliezen. Mijn betrekking tot de familie Von Rothsattel is thans geheel afgebroken; de vreeselijke gebeurtenissen, die in den loop der laatste weken, grootendeels door mijn bemoeiingen, veroorzaakt zijn, hebben ook mijn lichaam afgemat, fk verlang naar rust. Geregeld werk in een vreemde stad, waar niets mij aan het verledene herinnert, is voor mij nu behoefte.»

ocr page 568

234

Op nieuw bewoog zicli Sabine; een strenge blik van haar broeder liielil haar terug.

«l£n kunt ge die rust welke gij verlangt niet bij ons vinden ?» vroeg tie koopman.

«Neen,» zei Anton met gesmoorde stem, «ik bid u niet boos op mij te zijn, als ik heden afscheid van u neem.»

«Afscheid !» riep de gastheer verbaasd. «Ik begrijp volstrekt niet waarom dat zoo overhaasd gebeuren moet. In ons huis integendeel moest ge geheel en al herstellen ; de dames zullen beter voor u zorgen, dan zij tot heden hebben gedaan. Wohlfart klaagt over u, Sabine, liij ziet er bleek en uitgeput uit. Gij en de tante moogt dat niet lijdelijk aanzien.»

Sabine antwoordde niets.

«Ik moet weg, mijnheer Schröter,» sprak Anton op vasten toon ; «morgen vertrek ik.»

«En wilt ge uw vrienden niet zeggen waarom dat zoo op eens moet geschieden ?»

«Gij zelf weet, waarom. — Ik heb met het verledene afgerekend. Ik heb tot heden slecht voor mijn toekomst gezorgd, want ik bevind mij nu in de noodzakelijkheid om onder vreemden mij nog vertrouwen en goeden wil te gaan verwerven. Ik ben ook aan vrienden zeer arm geworden. Van alle menschen, die mij dierbaar zijn, moet ik voorjaren, voor langen tijd mij verwijderen. Ik heb eenige reden mij eenzaam te gevoelen, en daar ik mijn leven van voren af weer moet beginnen, is het tijd dit zoo spoedig mogelijk te doen, want elke dag dien ik hier langer blijf, is verloren, hij maakt mijn kracht minder en do noodzakelijke scheiding smartelijker.» Zoo sprak hij, hevig aangedaan; zijn stem beefde, maar hij verloor zijn kalme zelfbeheersching niet. Hij naderde Sabine en vatte haar hand. «In dit laatste oogenblik zeg ik u, in tegenwoordigheid van uw broeder, wat voor uw ooren niet beleedigend kan zijn, daar gij met uw oogen het sints lang in mij gelezen hebt: de verwijdering van u smart mij zeer dan ik u zeggen kan. Leef gelukkig.» Nu overweldigde hem de aandoening, hij keerde zich haastig om en ging naar het venster.

De koopman begon na een korte wijl: «Dat gij ons zoo plotseling wilt verlaten waarde Wohlfart, komt mijn zuster ook zeer ongelegen. Sabine wenschte nu juist een ridderdienst van u te vragen, zooals de zuster van een koopman er een verlangt. Ook ik zou gaarne zien dat gij haar die gunst niet weigerdet. Sabine verzoekt dat gij eenige boeken met haar zult doorzien en haar belang daarbij niet uit het oog zult verliezen. Het is geen zwaar werk.

Anton keerde zich met groote overwinning op zich zei ven om en gaf een teeken van toestemming.

«Vooraf echter moet gij een bijzonderheid hooren, die u wellicht nog niet bekend is,» vervolgde de koopman. «Sabine is sedert den dood mijner ouders in stilte mijn compagnon; haar raad en haar oordeel heeft op ons kantoor de zaken meermalen beslist dan gij zoudt denken.

is ook uw patroon geweest, Wohlfart.» Hij gaf zijn zuster een teeken en verliet de kamer.

Verwonderd zag Anton op zijn nieuwe patroon in het schoone vrouwenkleed. Vele jaren had hij dus zonder het te weten ook haar gediend, ook in haar belang gehandeld. En evenals in oude tijden de rijzige leenman voor zijn jonge leenvrouw boog) boog ook hij onwillekeurig

ocr page 569

235

voor de maagdelijke gestalte, die thans met een blos op liaar wangen tot hem naderde.

«Ja, Wohlfart,» begon Sabino schuchter. «Ook ik heb eenig recht gehad op uw leven en werken. En hoe trotsch was ik er op! — Ik was het die uw vader beloofde hier in huis voor u te zorgen. Ik was zelve nog een onbedreven kind en het vertrouwen van den vreemden heer maakte mij gelukkig. Uw vader, de waardige oude man, wou bij ons zijn kalotje, dat uit zijn zak kwam kijken, niet opzetten, totdat ik het er uittrok en op zijn grijze lokken drukte; toen dacht ik: zal mijn leerling ook zulke mooie krullen hebben? — En toen gij bij ons kwaamt en aan allen welgevallig waart, en mijn broeder u den besten van al de jongeheeren op het kantoor noemde, was ik zoo trotsch op u, als uw vader had kunnen zijn.»

Anton leunde tegen de schrijftafel en verborg zijn hoofd in zijn handen.

«En omdat ik steeds gevoelde dat gij min of meer mij toebehoordet, verzocht ik mijn broeder u op zijn gevaarlijken tocht mede te nemen; ik wist u toen bij hem en voelde mij niet geheel van hem gescheiden. Ook voor mij hebt gij daar in den vreemde gewerkt, Wohlfart, en toen gij in dien vreeselijken nacht, te midden van brand en wapengekletter, boven op de vrachtwagens stondt, waren het mijn goederen, welke gij reddet. En daarom, mijn vriend, kom ik ook nu als koopman tot u en nog eens verzoek ik u een werk voor mij af te maken. Oij moet mij helpen een rekening na te zien.»

«Ik ben bereid het te doen, mejuffrouw,» antwoordde Anton, nog steeds van haar afgewend, «maar nu kan ik niet.»

Sabine ging naar do kast, nam twee boeken, verguld op snee en in groenleeren banden en lei ze op de schrijftafel. En Anton bij de hand nemende, verzocht zij met bevenste stem: «Kom asjeblieft en zie mijn Debet en Credit na.» Zij sloeg het eerste boek open.

Onder prachtige krullen stonden de woorden: «Met God. Geheim grootboek van T. O. Schröter.»

Verschrikt sprong Anton terug. «Het is het geheim grootboek der firma,» riep hij, «dat is een vergissing.»

«'t Is geen vergissing,» hernam Sabine; «ik verlang dat gij het doorleest.»

«üat kan niet, mejuffrouw. Mijnheer uw broeder noch gij kunt dat in ernst meenen. Vurig bid ik dat God moge verhoeden dat ooit een ander aan dit boek zich waagt dan de hoofden der zaak. Zoo lang een firma bestaat, zijn deze bladen voor geen menschenoog dan de oogen der eigenaars, en na hun dood voor die der naaste erfgenamen. Wie in dit boek gelezen heeft, weet wat de vreemdeling nooit behoort te vernemen. Tegenover dit boek blijft de trouwste vriend zelfs Óen vreemdeling. Ala koopman en eerlijk mensch mag ik uw wensch niet vervullen.»

Sabine hield zijn hand vast. «Zie er toch eveti in, Wohlfart,» smeekte zij, «lees dan tenminste het opschrift.» Zij sloeg den band om. «In dit boek staat: T. O. Schröter: er zijn nog maar weinig witte bladen in, het loopt met dit Jaar af.» Zij opende het tweede deel en sprak: «Dit boek is nog leeg, maar hier staat een andere firma. Wat staat hier?»

Anton las; «Met God. Geheim-grootboek van T. O. Schröter en Co.»

Sabine drukte zijn hand teeder en zei op smeekenden toon: «En die nieuwe compagnon zult gij zijn, mijn vriend.»

Anton stond verstijfd, maar zijn hart klopte luid en het bloed steeg

ocr page 570

236

naar zijn lioofd. Steeds nog hield Sabine liem bij de hand, en zag haar gezicht vlak bij het zijne, en als een gloeienden adem ^eJehijhaar kus op zijn lippen. Nn sloeg hij den arm om do teergeliefde en spiake-

loos hielden de gelukkigen elkander omkneld. , n i i

De deur ging open ; de koopman stond op den drempel. «Houd hem stevig vast, den vluchteling,» riep hij. «Ja Anton, suits jaren heb ik naar dit oogenblik verlangd. Sedert gij in den vreemde voor mijn bed neerknieldet en mijn wond verpleegdet, koesterde ik in mijn hait den wensch n voor altijd met ons te vereenigen. Toen gij ons veihet, za0 ik mü in miin liefelijke hoop teleurgesteld. Nu houden wij u, heethoofd, in de bladen van het geheimboek en in onze armen gevangen.» Met deze woorden drukte hij beide beminnenden aan zijn hart. «Gij hebt u een armen compagnon gekozen,» nep Anton.

«Neen, broeder, Sabine heeft als een verstandig koopman gehandeld. Geld en overvloed hebben geen waarde, zoo mm voor den individu als voor den staat, zonder de gezonde kracht, die het doode metaalin levenscheppende beweging houdt, Gij brengt als kapitaa in de zaa uw jeugdige kracht, uw rijke ondervinding. Wees welkom in deze

zaak, wees welkom in ons hart. . , , , . u,,,,;

En stralend van geluk hield Sabine beide de handen van haai bi u -de quot;■om vast. «Ternauwernood kon ik het uithouden u zoo stil en tie -rig te zien. Eiken middag, wanneer ge uw stoel weg schooft, was het mij alsof ik u achterna moest vliegen en toeroepen: dat gij vooi altij bij ons behoordet. Gij hebt niet gezien wat m mij omging en Leonores

bruigom heeft toch alles geraden.» ,

«Hij?» vroeg Anton. «Ik heb hem toch nooit van u gesproken.» «Zie maar,» riep Sabine, en haalde Von Finks briefje uit haai zak. Er stond niets anders in dan de woorden: Veel geluk met uw vei-

lovinjr, waarde vriendin!» . i

En wederom sloot de gelukkige Anton zijn geliefde in de armen. Tooi u op, oud patricisch huis; verheug u, teerhartige tante, dan. en juicht, gij bedrijvige huisgeesten; maak vroohjke sprongen, snoi-

16 De dichterlijke droomen, welke de knaap Anton in zijn ouderlijke woning onder de heilwenschen der brave ouders gevoed heeft' wquot;r® droomen geweest. Zij werden verwezenlijkt. Wat hom verleidde, van zijn baan afbracht en in het gewoel des levens stortte heeft hlJ mannelijke kracht en moed overwonnen. Het oude boek de® 1

gesloten en in uw geheim grootboek, goede huisgeesten, woidt vooitaan

«met God» geteekend zijn nieuw

DEBKT EN CREDIT.

ocr page 571

*

■

ocr page 572

. V'

l-x

t.' i

i-'

F

I, ■

2^,

ocr page 573
ocr page 574