BEKNOPT OVERZICHT
van de
ANATOMIE EN HISTOLOfllE lütlM ^
JiKWhRKT NAAR DK ARTIKELEN
Prof. KLEMENSIE WICZ; âIIaut und IIautorgane'
en
Doc. G. BEHREND; âHa,\requot;
IN DE
Real-Encyclopadie rter fjesainiiiten Heilkmule
van
Prof. Dr. A. EULENBÃRG,
door
Dr. F w. van Haelten,
Officier van Gcsoiid/tcid der 211'' kl. O. I. L.
Uitgegeven mnl tocstemniing der Uilgeikré.: URBAN amp; öGI HVA RZEN BKR O.
BATAVIA, Jav. Boekh. amp; Drukkerij. 1 8 96.
RUKSUNIVEFISITEIT UTRECHT ^
5 0003
U.B, Utreoht
ASU 241
law
\c*
BEKNOPT OVERZICHT
VAN DE
ANATOMIE EN HISTOLOdlE DER IH IH,
l'.KWERKT NAAR 1)K ARTIKKl.luN VAN
Prof. KLEMENSIEWÃCZ: âHaut ünd 1 Iautorgam;quot;
en
Doc. G. BEUREND; âIIaauequot;
in dl,
Real-Encyclopartie iler gesammten Heilkumlü
van
Prof. Dr. A. EULENBURG,
door
Dr. F. W. van Haellen,
Officier van Gezondheid der 2quot;v kl. O. I. L
f gt;l(H'(]('^c.n nu t fni's/citnunif/ der I Ihiciu rs :
1'UliAN amp; SCHWAKZKKIJKUC
b a ta via,
â l:iv. Boekli. tV IIrukkorij. 1 8 9 G.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
â
â â â ......â
-â ,â â :â¢â â¢â .â â â¢â -,
... -, - ......
â â ïflfe '
quot; 'f I
,
'.aboratorium voor Hisloloqie 'n u^tomie
quot;Vquot; ooit?~w~ooii?c3â
Bij het bestudeeren van de artikelen âHaut und Hautorganequot; cn âHaarequot; in den derden druk van EULENBURG's Real-Encyclopadie voelde ik de behoefte in mij opkomen, om dat alles in het Nederlandsch nog con.s voor me te zien, daar mijne belangstelling in de hier wel beknopt maar toch volledig behandelde onderwerpen te kampen had tegen den vorm waarin die opstellen waren gegoten, welke in wijze van uitdrukking zoozeer van in onze taal gestelde verschilden, dat zulks storend werkte op het volledig verstaan van het geschrevene.
Mij dunkt, dat ook anderen vóór mij hetzelfde bezwaar tegen den zeer verdienstelijken oorspronkelijken tekst zullen hebben gehad, en na mij zullen hebben, en het is daarom, dat ik deze vertaling in de belangstelling van den lezer aanbeveel, in de hoop, dat hij haar eene aandacht schenke die hij wellicht geaarzeld zou hebben aan het origineel, als âlastig te lezenquot;, te wijden.
Overigens zal men bij vergelijking met do oorspronkelijke verhandelingen bemerken, dat mijn arbeid zich niet uitsluitend tot vertalen heeft beperkt.
I. STRUCTUUR
Lti de huid kan men voornamelijk drie lagen ondorscheidon: (1)
1°. de opperhuid (epidermis). 2°. do lederhuid (curium, derma). 3°. hot onderhuidsche bindweefsel.
1. De Opperhuid (epidermis).
Dc opperhuid wordt gevormd door lagen van epithelium-cellen.
Naar de consistentie der cellen onderscheidt men: ccne vastere buitenlaag, de hoornlaag of stratum conicntn en ccne weekere, dieper gelegen, zoogenaamde slijmlaag [stratum mucosum, rete Malpighi).
Iedere laag is uit afzonderlijke lagen samengesteld.
stratum Malpighi. De onderste laag van het Stratum Malpighi bestaat uit cylinder- of kolfvonnigc cellen.
VAN DE HUID.
1
Volgons Krommjeh kan men do volgende indeeling maken;
1°. Purenchym-huid (cutis parenchymatosa, enchydormis), bestaande uit:
a. epidermis;
h. cutis vasculosa (pars pajjillaris cutis, corium vasculare).
2°. Lederhuicl, culls propria (pars reticularis cutis, corium, derma).
3quot;. Suhcutaan bind- (vel-) weefsel (hypodorm, subcutis).
Kr bestaat namelyk tusschen de pars papillaris cutis en de epidermis een nauw physiologisch verband; de eerste is hot voedende bindweefsel dor laatste. Ofschoon de epidermis uit het ectoderm, de pars papillaris cutis uit het mesoderm ontstaan is, moeten zij evenals de epithelia en het interstitieele bindweefsel van andere parenchymateuse organen (nier, lover) als hjj elkaar behoorende en te samen één orgaan vormende weefsels beschouwd worden. Evenzoo is op te merken, dat epidermis en pars papillaris vaak gemeenschappelijk ziek worden.
6
Daarop volgen bol- cn kubusvormige cellen, met vele druk-facetten; eindelijk, een laag cellen, die afgeplat zijn in eene richting evenwijdig aan de oppervlakte van de huid.
Al (') deze cellen hebben eene stekelige oppervlakte, zoodat men deze laag ook stekellaag [stratum spinosum) genoemd heeft (Unna),
De stekels zijn draadvormige uitsteeksels van het cellichaam, die de cellen onderling verbinden en wel zóó, dat tusschen de stekels nog spleten overblijven.
Ondoriingo vorhin- Wat de onderlinge verbinding der stekels van twee naast dini| elkaar gelegen cellen betreft, daarover heerschen verschilllende
meeningen.
Max SCIIULTZE denkt, dat zij, als de tanden van tiuee horlogeraderen tn elkander grijpen.
BlZOZZERO meent, dat de toppen der stekels van twee aan elkaar grenzende cellen samenhangen.
RanvieR stelt zich, evenals BlZOZZERO, voor, dat de stekels met de toppen tegen elkaar liggen, doch meent, dat een elastisch knobbeltje [elastisch orgaan), hetwelk belangrijke uitzetting der stekels toelaat, de verbinding tusschen hen vormt.
Lott beweert, dat de stekels overlangs met elkaar ver-eenigd zijn.
Afmciinyen der zijn volgens Ranvier stekels van zoodanige lengte,
sickcis. yjj om eene cci heenloopcn en in eene daaropvolgende
overgaan, terwijl zij volgens Unna eene buitengewone grootte bereiken in zeer snel groeiende gezwellen (spitse condylomen).
De stekels hebben hoogst waarschijnlijk geen constanten vorm. Wellicht zijn de lineaire verhevenheden, die opgemerkt worden aan de oppervlakte van sommige epithelium-cellen der mondholte, modificaties van de stekels der cellcn in de diepere lagen (BlZOZZERO).
7
Of echter hunne vormverandering slechts van passievcn (Ranvier), clan wel van actieven (unna) aard is, is niet uitgemaakt.
Hei protoplasma Het protoplasma der stekclcellen heeft volgens Ranvier
dei btckeiceiicn. fibrillaire structuur. De zeer fijne intracellulaire fibrillen kruisen elkaar in de nabijheid van de kern. Vele fibrillen kan men door de heele cel heen vervolgen en men neemt zelfs waar, dat zij door de stekels heen in de naburige cellen overgaan.
De fibrillen zijn van elkander gescheiden door cene homogene tusschenstof, die als hun omhulsel ook in de stekels overgaat (Ranvier).
Membraan der IlMi meent, dat de stekclcellen een membraan hebben en siekeicelion. tjc stckels voor uitioopers van deze membraan.
inierHiuiairo Over de ruimten tusschen de stekelcelien zal later (zie: ruimten. lymphvatcn en pigment der huid) gehandeld worden.
Oo korreüaag. Op de stekellaag [stratum spinosuni, Unna) volgt eene cellenlaag, die op zichzelf weer uit één, twee of drie lagen bestaan kan.
De cellen vertoonen hier aan hunne oppervlakte nog korte stekels en hebben een' korreligen inhoud, die door kernkleurende stoffen uiterst intensief gekleurd wordt (Langeriians).
Deze laag, de korrellaag [stratum granulosum, unna) ontwikkelt zich eerst op het einde van het vruchtleven; zij ontbreekt aan de lippen en het nagelbed; zoo ook aan het epithelium van het mondslijmvlies, waar wel dikke lagen van hoorncellen voorkomen, maar het slijmvlies toch glazig, rood en doorschijnend is, evenals de huid bij het foetus.
Daar de korrels het licht sterk reflecteeren en zij bij door-vallend licht donker en bij opvallend licht wit schijnen, zoo is aan die korrels (volgens Unna) de blanke huidkleur van het Kaukasische ras toe te schrijven.
Men kan de korrels in de korrelcellen het duidelijkst zichtbaar maken door toevoeging van ijsazijn en ammoniak.
8
Wel worden dc korrels ook in de middelste lagen van de stekellaag gevonden, doch slechts in kleine hoeveelheden. Daarentegen bevatten de cellen van dc korrellaag zóóveel korrels, dat, met uitzondering van eene fijne randzouc, die daarvan vrij blijft, het geheele cellichaam daarmede gevuld is. Uit een chemisch oogpunt beschouwd lijken de korrels veel op hyaline, waarom men ze keratohyaline (WALDEIJER) noemde.
Op het verband, dat er bestaat tusschen het voorkomen van deze stof en het verhoorningsproces enz. zal nader teruggekomen worden in het hoofdstuk der âharenquot;.
De hoorniaay. Hoven de korrellaag bevindt zich de hoorn laag [stralum corneuni).
Deze bestaat uit helder doorschijnende cellen, zonder kernen en waarin geene keratohyaline korrels gevonden worden, behalve in hare diepste lagen, waarin men slechts door middel van kleurstoffen (haematoxyline) fijne korreltjes kan aantoonen.
Aan hare oppervlakte hebben de cellen korte, fijne uitsteeksels (rudimentaire stekels).
Na pepsin- of trypsinbehandeling is duidelijk te zien, dat dc cellen slechts aan de periferie verhoornd zijn; hierbij wordt de inhoud der cel opgelost en blijft het honigraatachtige hoornweefsel over.
Typen van ver- Volgens Zander kan men twee typen van verhoornde hoornde cellen. cci|cn onderscheiden:
1. Cellen van de eene type vertoonen cenen glanzigen homogenen rand, terwijl midden in de cel eene lichte plek (kernholte) te zien is. De overige ruimte van het cellichaam bevat een netwerk van zeer fijne vezelen. De cellen hebben hier nog protoplasma-resten.
2. Cellen van de tweede type daarentegen zijn geheel verhoornd.
De cellen van de eerste type worden slechts op die plaatsen gevonden, waar de hoornlaag zeer dik is (vola, planta).
Beun acht het onnoodig twee typen te onderscheiden, want blijkbaar zijn de cellen der eerste type niet anders dan over-
V
9
li
Ij gangsvormen van protoplasmahoudencle in geheel verhoornde
cellen.
i.agcn van lid Onder de werking van osmiumzuur, picrocarmijn en andere
slralum cornoum. i -n i n i
stoffen worden de verschillende cellagen van het stratum corneum verschillend gekleurd, zoodat men in de hoornlaag 4 tot 5 verschillende lagen kan onderscheiden.
Dit feit wijst niet alleen op eene opvolgende verandering van het protoplasma, maar ook op ecne verandering van de intercellulaire ruimten, die de banen zijn waarlangs de kleurstoffen zich door de epidermis verspreiden.
De onderste der kigen van het stratum corneum is het stratum lucidum (OeüL).
Oe «ezelen der Tn de onderste lagen van de epidermis vond 1IKRXIIHIMKR 1 1 ' J spiraalvormige vezels, die tusschen twee epithcelcellen door dc naaste cellaag bereiken. Hij houdt hen voor een stelsel van vochtwegen, welke opvatting door EddüWES gedeeld wordt,, die bovendien meent bewezen te hebben, dat zij van fïbrineusen aard zijn.
Kromaijer geeft aan deze vezelen den naam van basaal-vezelen, terwijl zij, naar hij meent, protoplasma-vezelen zijn, die door de epitheliumcellen gaan.
Il
2. Dc lederhuid (corium, derma).
Ue lederhuid is een vezelachtig weefsel, voor liet grootste deel uit bundels van bindweefsel bestaande, die in de bovenste lagen dicht ineengeweven zijn, maar dieper minder dicht op elkaar liggen.
Het bovenste deel noemt men /gt;ars papillaris [tcpelvormig lichaam), het dieper gelegen netwerk pars reticularis.
Pars reticularis Dit laatste bestaat uit vezelbundels van verschillende dikte, die elkaar regelmatig kruisen.
:
i
10
Uit de fasciae, ligameiita intemuiscularia en diepere cleelen ontspringende, loopen de oorsprongsbundels eerst vrij wel loodrecht naar de oppervlakte der huid, om, zoodra zij de lederhuid bereikt hebben, ecne schuine richting aan te nemen en elkaar vervolgens onder verschillende hoeken te kruisen. Zij vormen dus mazen, die meestal ruitvormig zijn; de hoeken der ruiten worden echter ook wel afgerond door in andere richtingen loopende vezelbundels, zoodat dan rhomboïde veelhoeken ontstaan.
Van de richting en lengte der vezelbundels zijn respectievelijk de splijtbaarheid en bewegelijkheid der huid afhankelijk, waarover onder âalgemeene eigenschappen der huidquot; zal worden gehandeld.
Bij microscopisch onderzoek vertoonen tie vezelbundels van de uitgesneden en ongespannen lederhuid de structuur van fibrillair bindweefsel, terwijl zij bovendien eenigszins gekronkeld zijn; in natuurlijken toestand daarentegen zijn zij lijnrecht.
Door bepaalde reagentia kan men aantoonen, dat tie vezel-bundels voor een grout deel uit lijmgevende stof bestaan.
Oe kit-siof. De vezels zijn door kits tof tot bundels vereenigd, welke tusschenstof niet alleen het bintlmitltlel is tusschen de fibrillen onderling, maar ook tic fibrillcubundels omyeeft en de mazen tusschen deze aanvult.
Bij behandeling der lederhuid met kalk- of barytwater gaat tie kitstof in de maceratievloeistof over, zoodat dan tic vezel-bundels in kleinere en in afzonderlijke fibrillen gesplitst kunnen worden.
Volgens TOMSA is het tic kitstof, die, behalve het bindweefsel, ook de elastische vezelenen de overige bestan dtleclcn der lederhuid samenhoudt.
Welke functioneelc bctcckenis zij heeft, zal bij âde veerkracht der huidquot; aangegeven worden.
Bindweefselcelien. Bitidivcefselcellen worden in de lederhuid alleen in tie onmiddellijke nabijheid van de groote vaten gevonden. Zij
11
zijn plat, bevatten een kern cn liggen als platen op de vezelbundels, die zij gedeeltelijk of geheel omhullen.
Op de dwarse doorsnede ziet men dc vezelbundels omsloten door een halve maan of ring van korrelig protoplasma met elliptische kernen.
Pars papillaris 1 Iet corpus papillare (tepclvonnig licliaaui) is een dicht CI'I|S' weefsel van vezelen, die ontspringen uit het bindweefselnet van de pars reticularis cutis.
De bindweefselbundels kruisen elkaar onregelmatig.
De buitenste oppervlakte van het stratum papillare vertoont overal tepelvormige verhevenheden, die zeer ongelijk zijn in vorm en grootte. De grootste komen in den borsttepel en aan de corona glandis voor.
In de handpalm en voetzool zijn zij in den regel wat kleiner, ongeveer 0,2 m.M. hoog (Unna); nog kleiner zijn zij aan de genitalia externa der vrouw cn bij de gewrichtsplooien aan de rugzijde der vingers.
De kleinste papillen, die 0,05 m.M. hoog zijn, vindt men over verschillende lichaamsdeelen verbreid.
liet aantal papillen varieert tusschen 75 en 130 per vierk. millimeter, met uitzondering van de handpalm, waar ongeveer 36 per vierk. m.M. geteld worden.
De vorm is verschillend: kegelvormig of vlak, enkelvoudig of samengesteld (wanneer de top ingekerfd is).
In verschillende tijdperken van het leven wisselen vorm en grootte der papillen belangrijk, m. a. w. de bovenste lagen van de lederhuid zijn zeer plastisch en voegen zich steeds naar de door den groei ontstane vormveranderingen der opperhuid. Zoo zien wij, dat bij atrophic van dc epidermis de papillen vlakker worden cn ten slotte, zooals bij grijsaards, geheel verdwijnen (Unna).
12
Wanneer daarentegen lt;le epidemis hypertrophieert, hetgeen waarschijnlijk van de vierde maand van het foetaalleven plaats vindt, worden papillen gevormd.
Aan gespannen huidstukken zijn bij microscopisch onderzoek geene papillen waar te nemen; ook de voren en plooien der huid zijn daarbij verdwenen.
In de handpalm en voetzool staan de papillen op rijen, waardoor lijstvormige verhevenheden ontstaan, zoodat de buitenste oppervlakte der huid een geribd voorkomen krijgt.
IClke lijst bestaat uit twee rijen papillen, tusschen welke een vlakke groeve is waarin de zweetklieren uitmonden.
De ondervlakte der opperhuid past nauwkeurig in de oppervlakte iler lederhuid, zoodat zij een duidelijken afdruk levert van den vorm van het corpus papillare.
Beziet men nu de binnenvlakte der epidermis, dan vindt men:
1°. lijsten, gevormd door epidermis, die de vlakke groeve tusschen twee rijen papillen aanvullen; zij heeten klicrlijstcn, omdat de uitloozingsbuizen der zweetklieren daar doorheen loopen;
2°. plooien, voortzettingen der epidermis, tusschen de dubbele rijen papillen;
3°. dwarslijsten.
Het corpus papillare heeft geen constanten vorm; voortdurend verandert deze, niet alleen door de wisselende spanningen van het huidnct('), maar ook onder den invloed der verandering in de onderlinge verhouding tusschen de groeiende opperhuid en de lederhuid.
De meeste papillen bevatten bloedvaatlissen; slechts gedeeltelijk bevatten zij tastlichaampjes, in de handpalm ongeveer elke vierde of vijfde papil.
Zeer zelden vindt men papillen, die zoowel een tast-lichaampje als een capillairlis bevatten.
De bloedvaten zijn meestal haarvaten. Hun richting, wijdte
13
en vorm zijn zeer verschillend, wat liet gevolg is van de rekbaarheid van het weefsel waarin zij gelegen zijn.
De elastische De elastische vezelen zijn zeer dik en sterk vertakt en vormen grove netten in dc pars reticularis en in 't ondcr-huidsche bindweefsel; zij volgen in de pars reticularis den loop der bindweefsclbundcls.
Zij omgeven de fibrillenbundels krings- of spiraalsgewijs (Menle, Ranvier), of wel, zij loopen evenwijdig hiermede als grove vezelen, die vaak de spleten tusschen de bundels geheel aanvullen (BlaSCIIKO).
In de bovenste lagen van de lederhuid, het corpus papillare, zijn de elastische vezelen dunner en liggen zij dichter naast elkaar.
De functie van het elastische weefsel zal later bij ,,de spanning der huidquot; behandeld worden.
De huiilspieren. Gladde spiervczelen worden in de huid bijna op alle plaatsen van het lichaam aangetroffen, behalve in de handpalm en voetzool. Het meest ontwikkeld zijn zij aan het scrotum, den penis, den tepelhof en in den tepel.
De musculi arrectores pilornm zijn spieren, die uitgespannen zijn tusschen het corpus papillare en een gedeelte van de haarzakken.
Zij ontstaan in de pars papillaris uit vele spierbundeltjes, die zich in de pars reticularis tot één of meer grootere, vlakke bundels vereenigen.
Zeer vaak vindt men, dat dc arrectoren zoodanig loopen, dat de haarzakklier tusschen haar en spierstreng ingeschoven schijnt (Sapi'EY).
Op vele plaatsen (op het voorhoofd, de wangen, den rug) zijn de gladde spiervezelen tot netten vereenigd, die uitgaan van de pars papillaris en in de bovenste twee derde deelen van dc pars reticularis eindigen. Deze spierncttcn werken dus
14
evenals de arrectores pilorum in eene richting schuin door de dikte van tie huid [diagonale hnidspieroi).
runciio der huid- De functic van de meeste huitlspieren bestaat in het spannen uiquot;e|equot;. huid; wij komen hierop nader (zie; âspanning der huidquot;)
terug. Er zijn er, die de huid in horizontale richting (zooals de tunica dartos) en andere, die haar in schuine richting spannen (waartoe de arrectores pilorum en de diagonale huidspieren behooren).
Verder oefenen de gladde spiervezelen, evenals het elastische weefsel, invloed uit op den vochtstroom in de huid.
Nog eene andere werking van huidspieren is de bevordering van den afvoer van het secretum der smeerklieren door de samentrekking der arrectores pilorum, hetgeen trouwens uit de ligging der spierbundels ten opzichte van de klieren is af te leiden.
3. Het onderlmidsche bindweefsel.
Met onderlmidsche bindweefsel bestaat uit een netwerk, in welks mazen vet is afgezet. Hij de geboorte is de vetlaag buitengewoon ontwikkeld (relatief vijfmaal zoo sterk als bij een vetrijk volwassen individu) en tamelijk gelijkmatig overliet geheele lichaam verbreid; later neemt de vetlaag af en hoopt zij zich slechts hier en daar op.
Zij ontbreekt op plaatsen, waar de huid strak over de onderlaag ligt (het rood der lippen, oor behalve het lelletje), of waar zij zeer verschuifbaar en rijk aan spieren is (scrotum).
Het vet doet zich in verschillende vormen voor: als ronde kwabjes, de eigenlijke âvetkwabjesquot;als strengen, die de vaten begeleiden, âveistrengenquot;; of ook als kleine groepen cellen, de zoogenaamde âveteilandjesquot;.
De kwabjes hebben vele eigen bloedvaten, de strengen zijn minder gevascularlseerd, de veteilandjes kunnen geheel vaat-loos zijn.
15
Het vet bestaat in hoofzaak uit vetcellen en bindweefsel. 13e eerste ontwikkelen zich uit platte vertakte bindvveefscl-cellen, waarin hot vet zich eerst als droppels vertoont. De yeheele cel gaat later groeien, de vetdroppels vloeien tot kogelvormige massa's samen en eindelijk wordt het celplasma geheel naar den rand gedrongen.
liet vetweefsel kan de volgende veranderingen ondergaan: bij eenvoudige atropine worden de vetcellen kleiner; bij serense atropine blijft het plasma onveranderd en is alleen de vetkogel der cel veranderd;
bij woekeratrophie heeft kernvermeerdering plaats (KLEMMING).
Het meest komt sereuse atrophic voor; daarbij vindt men op een gegeven oogenblik de ruimte van de cel, die eerst den vetkogel bevatte, met eene sereuse vloeistof gevuld.
l?ij elke atrophic worden zoowel in de atrophische cellen zelve, als ook in het intralobulairc weefsel, kleine vetdroppels, de nevendroppels (Klemming) gevonden, die van anderen aard zijn (vooral wat de kleur betreft) dan de hoofddroppels.
Met vet in dc cellen is dikwijls vast, n. 1. bij spiritusprae-paraten, en in den vorm van naalden of bosjes gekristalliseerd.
In het onderhuidsche bindweefsel liggen de grootc bloedvaten, lymph vaten en zenuwstammen.
4. De klieren der huid.
A. De zweetklicren [glandulae sudoriferae). Elke zvveet-klier bestaat uit eene lange onvertakte buis, waarvan het blind uitloopend onderste gedeelte tot een kluwen opgerold en óf in het corium, óf in 't onderhuidsche bindweefsel gelegen is.
Vorm en grootte van deze klieren zijn zeer verschillend. De grootste vindt men in dc okselholte, waar dc doorsnede varieert tusschen i en 2 m.M., dc kleinere hebben een door-
16
snede van 0,2 tot 0,3 m.M. en komen overal in de huid voor, behalve in liet nagelbed, terwijl de allerkleinste een diameter van 0,1 m.M. hebben.
Zeer talrijk zijn zij aan handpalm en voetzool (400 op 1 vierk. c.M. Sappev).
De klier bestaat uit twee in functie van elkander verschillende gedeelten: de secretiebuis en de excretiebuis (IIevnolu).
De secrctiebuis bestaat uit écu enkele laag van cylindrische epitheliumcellen, die het onregelmatige lumen omgeven. De buitenwand is een membraan, de mcmbrana propria, terwijl tusschen de cellen en de membrana propria gladde spier-vezelen liggen.
De excretiebuis wordt gevormd door:
1°. een bindweefselmembraan met circulaire vezelen;
20. een structuurlooze membraan, en
3U. twee rijen epitheliumcellen.
Tusschen de epitheliumcellen en het ronde lumen is nog eene cuticula.
De uitvoerbuis gaat door het corium en treedt tusschen twee papillen door naar de oppervlakte van de huid; aan de hand mondt zij meestal in dc huidlijsten uit.
De bindweefselmembraan van de uitloozingsbuis gaat over in het weefsel van het corpus papillare, terwijl de structuurlooze membraan zich voortzet in den helderen zoom, die de opperhuid van de lederhuid scheidt (Ranvier).
Reeds onder het stratum granulosum van de opperhuid vindt men in de cellen van dc uitloozingsbuis droppels keratohyaline.
De kliercellen zijn fijn gestreept en bevatten vetdroppeltjes.
De spiervezelen van dc secretiebuis loopen in afzonderlijke bundels, die door groote tusschenruimten gescheiden zijn, spiraalvormig om de cellen van het kanaal.
Door de ruimten tusschen deze spierbundels zenden de cellen verbindingsdraden naar de membrana propria (ranvier).
De cellen der zweetklieren van den uitwendigen gehoorgang
17
hebben volgens Hevnolü een'scherp begrensden, homogenen rand, die op eene slijm- of colloïdmassa gelijkt (liANV l lik).
Volgens sommigen produceeren de zweetklieren, behalve het zweet, ook vet, daar ook op plaatsen waar geene smeer-klieren in de huid voorkomen, toch vet op de huidoppervlakte is aan te toonen.
B. De smeerklieren. Hiertoe behooren in de eerste plaats trosvormige kliertjes, waarvan de meeste, eigenlijke smeerklieren, met haren samenhangen, hetgeen niet het geval is met de in de oogleden gelegen Meyhoovtsche klieren.
Andere smeerklieren zijn de Tysonsche klieren aan den glans en het praeputium penis ; verder de groote smeerklieren in de kleine schaamlippen en eindelijk de smeerklieren aan den rand der lip.
De tiaarzakklieren zullen behandeld worden in het hoofdstuk âharenquot;.
5. Do bloedvaten der huid.
De bloedvaten der huid vormen drie stelsels:
1°. dat voor de papillen;
2°. dat voor het vetweefsel, en
3quot;. dat voor de zweetklieren.
Behalve deze drie vrij constant voorkomende stelsels zijn er nog vaten voor de spiervezelen der huid, voor de uit-loozingsbuizen der zweetklieren en voor de zenuwstammen. Deze ontwikkelen zich niet altijd zelfstandig uit dc hoofdarterie, maar zijn volgens Tomsa vaak nevenlissen van het bloedvaatstelsel der papillen.
Het vaatgebied van eene huidslagader is aan den romp en de strekzijden der ledematen veel uitgebreider dan aan dc
2
18
buikzijden daarvan. liet kleinst is hel aan de handpalm, de voetzool en in liet gezicht.
Op ile plaatsen waar de huid eene flugeUjkmatige splijtbaarheid bezit, loopen de vaten sterk gekronkeld naar dc oppervlakte en hebben zij een kegelvormig gebied. Waar daarentegen de huid gelijkmatig splijtbaar is, liggen de bloedvaten in één vlak (circulaticvlak, Tomsa), waaruit hier en daar takken naar buiten treden, die men als nevenlissen ot zijdelingsche verbindingstakken met naburige cireulatievlakken beschouwen kan. Deze vlakken staan loodrecht op de richting waarin de huid gespleten kan worden en loopen schuin dooide huid, bijna parallel aan dc haarzakken.
Deze opvatting van den bouw van het bloedvaatstelsel der huid is in den laatsten tijd door zorgvuldige injecticproeven van Sl'alteltolz gedeeltelijk bevestigd, gedeeltelijk gewijzigd geworden. Sl'altellolz komt tot de volgende resultaten:
De uit de diepere deelen naar de oppervlakte loopende huidartericn zijn, zoowel wat aantal als wat doorsnede betreft, evenredig aan de intensiteit der drukking, die op hen door uitwendige invloeden wordt uitgeoefend. Zoo hebben dc huidartericn in de regio glutaea, in dc planta pedis en palma manus de meeste takken.
In de lederhuid vormen de arteriën een cutaan en een snhpapillair net met zeer vele anastomosen.
Uit het subpapillaire net gaan vaten naar dc huidtcpcltjes, die geene anastomosen vormen , dus cindarteri'cn zijn. I Iet gebied van deze eindtakjes strekt zich steeds over verscheidene papillen uit.
Dc capillairen, die in de vaatpapil opstijgen, buigen op den top der papil lisvormig om in een veneus haarvat.
Uit het venense haarvat ontwikkelt zich een plexus, waaruit de grooterc venae ontspringen die in cenc richting tegenovergesteld aan die der arteriën en naast deze naar de diepe huidlagen loopen.
Alle vaten van het corpus papillare hebben een capillair karakter (endotheelbuis).
19
Eerst dicht bij het ouderhuidsche bindweefsel krijgen de grootere vaten eene zwak ontwikkelde media en eene adventitia. De arteriën zijn nauw, de venae zeer wijd.
De pars reticularis cutis is zeer arm aan bloedvaten.
Rijk aan bloedvaten is de huid op de grens van de lederhuid en het subcutane bindweefsel; hier ontspringen de takjes, waaruit de capillairlissen voor de huidpapillen ontstaan.
Bovendien krijgen de kluwens der zweetklieren, die door haarvaatnetten omsponnen zijn, van hier hun bloed, en ont wikkelt zich van daar uit ook het vaatstelsel voor de vet-kwabjes.
Aan de voetzool vormt het uit de papillen komende venen se vaatstelsel vier netten: één dicht onder de papillen, een tweede onmiddellijk daaronder, een derde in de onderste helft der lederhuid en een vierde tusschen de lederhuid en het ouderhuidsche celweefsel (Sl'Ai/riillOLZ).
Bij het pasgeboren kind vindt men allo huidarteriën in even groot aantal en op dezelfde plaatsen als bij den volwassene (Sl'ALTElIOLZ).
Op sommige plaatsen, vooral aan de vingers en teenen, gaan de huidslagaderen direct over inde huidaderen (1 Ioijkk). .
6. Dc lymplivaten clcr huid.
De lymplivaten der huid beginnen in spleten tusschen de weefselelementen.
In het bloedvaatlooze deel der huid, de opperhuid, kan men de intercellulaire ruimten tusschen de stekelcellen zoowel door injectie (Axel Key en Retziüs) als ook door impregnatie met kleurstoffen (Ranviek) zichtbaar maken.
liet is nog de vraag, of in die ruimten werkelijk een vochtstroom kan plaatshebben; de aanwezigheid of afwezigheid van kitstof in die ruimten beslist deze kwestie niet (Arnolu).
20
Ook voor de overige huidorganen neemt men aan, dat de lymphvaten hun oorsprong nemen in dc ruimten tusschen de vvecfselbcstanddeelen.
Bij de /.weetklieren is de ruimte tusschen dc membrana propria en dc cellen als de plaats van oorsprong der lymphvaten te beschouwen; zoo ook de intraepitheliale ruimten van de zweetklieren , de smecrkliercn cn de stekellaag van den haarzak.
1 let corpus papillare heeft een afzonderlijk stelsel van lymphvaten (Kromaijer).
1 Je schuine huidspieren en de kluwens der zweetklieren liggen in grootere lymphespleten, evenals de bindweefsel-bundels cn de grootere vetkwabjes, waarin zeer fijne lymphvaten uit de lymphscheeden binnendringen (1\j,e1n).
Grootc, eigenlijke lymphvaten, die eene endothelium-bekleeding hebben, vindt men in de huid relatief in gering aantal; zij loopen door de papillen naar beneden als een plexus, waaruit aan de grens van het onderhuidsche celweefsel ccnige grootere vaten, die reeds een spierlaag hebben (flemmln(i), ontspringen.
De lymphvaten der huid missen het vermogen om een _eenigszins sterke transsudatie uit de bloedvaten door sterkeren afvoer te compenseeren (Krom.ujkr).
Daar het aantal aderen dat der groote lymphevaten 5 a 6 maal overtreft, neemt men aan, dat een zeer groot deel van den lymphestroom in de huid door de aderen overgenomen wordt.
7. De huidzenuwen.
Dc huidzeninven komen in het onderhuidsche celweefsel als vrij grootc bundels voor. Er zijn minder zenuwen dan bloedvaten.
Zij loopen in het subcutane celweefsel vooral in horizontale richting en zenden takken uit, die naast de vaten naar de-oppervlakte loopen.
21
Zenuweindorganen in de huid.
Hiervan vindt men in hot algemeen drie soorten:
iü. dc fibrillaire eindvertakkingen 111 de epidermis;
2U. de tastlichaampjes, en
3°. de tast-menisken.
Dan viiult men in liet onderhuidsche celweefsel oj) bepaalde plaatsen van de huid de Pacinische lichaampjes.
n. De fibrillaire De fibrillaire eindvertakkingen in de epidermis zijn fijne
emdvorlakkinycn^ vczcitjcs tusscheii de cellen loepen, wat vooral
m do opidermiSi 0 J
duidelijk wordt door behandeling met goudchloride en door de methoden van Goi.üi en Ramon Y Cajal.
Deze vezeltjes komen uit merghoudende vezelen van het corpus papillare. Zij overschrijden de grens tusschen corpus papillare en epidermis en loopen tusschen de epidenniscellen naar boven.
In de diepere lagen der epidermis loopen zij in gelijke en min of meer bovenwaart;che richting; in hoogere lagen zijn dc vezelen onregelmatig vertakt en daarbij variceus.
Tusschen de cellen in de diepere lagen vindt men naast de zenuwvezelen op cellen gelijkende elementen, die na kleuring door goudchloride, óf als zenuwcellen (KtsiiRT en Merkki.) óf als lymphoïde cellen (Arnstkin en Ranvikr) opgevat kunnen worden. Zeer waarschijnlijk is de laatste opvatting de juiste, daar de intercellulaire ruimten de banen zijn, waarlangs de lymphoïde cellen zich voortbewegen en ook in andere weefsels onder toevoeging van goudchloride deze cellen zich zeer intensief kleuren, zelfs sterker dan dc eigenlijke weefselcellen.
Tot dusver heeft men zenuwvezelen niet verder kunnen vervolgen dan tot het stratum granulosutn (Unna).
De einden der fijne vezelen zijn spits of knopvormig en liggen tusschen de cellen (Ranvier). Het is niet uitgemaakt, of de zenuwvezelen in de cellen zelve binnentreden (Unna).
22
h. Detastiiohaam- IJc tiutlich(lanipjcs zijn ovale organen, die in een aantal
pjos. , . 1
huidtepeltjcs gevonden worden, welke zij bijna geheel vullen. Aan hunne oppervlakte zijn zij duidelijk gestreept, terwijl zij in verbinding staan met merghoudende zenuwvezelen.
Dikwijls bestaan zij uit 2 of 3 deelen (Thin), die dicht op elkaar liggen en ieder een afzonderlijken zenuwvezel hebben, welke in ieder van hen in een kluwen eindigt.
Oozooüonaam- De zoogenaamde tastschijven zijn koirclvonnive lichamen, 1I0 taslschijvon.
bestaande uit tvvee hairkogclvormige ccIIlmi , die met hare platte vlakken tegen elkaar sluiten, zóódanig, dat het einde vaneen zenuwvezel daartusschen ligt. Het vlak van aanraking is parallel aan de huidoppervlakte.
(I. de lastme- De tastineiiiskcii zijn napvormtg en met de holle zijde steeds naar boven gekeerd. Aan deze zijde staan zij in verband met eene epidermiscel, terwijl op verschillende plaatsen van haren bollen kant zenuwvezelen erin dringen.
Verscheidene van zulke tastmenisken liggen naast elkaar en zijn de schotelvormige einden van eene vertakte aenuvv.
Ranvikr heeft ze waargenomen in de interpapillaire ruimten der epidermis, nabij de uitloozingsbuizen der zweetklieren. Volgens dezen geleerde liggen zij slechts buiten tegen de cellen aan; volgens Bonnet eindigen de zenuwvezelen met hunne menisken /muien de cellen, en wel tusschen celkern en celmembraan.
lt;1, Dc Pacinischc De Pactnische Hcliaampjes zijn eivormig en doorzichtig.
''' Zij worden in groot aantal gevonden in het vetweefsel aan de bmgrjijde van vingers en teeneu, dicht bij de aan de zijden verloopende zenuwen.
28
Kik licluiampjc bestaat uit een sproot aantal in elkaar geschoven kapsels, die ecne langwerpige centrale holte, de bin-nenkolf, omsluiten. In het midden van deze ruimte ligt het merglooze einde van den zenuwvezel, die aan de ecne pool het lichaampje is binnengetreden. Deze zenuwvezel eindigt in één enkelen knop, of verdeelt zich in takjes, die elk een knopje dragen.
De kapsels zijn gevormd uit de bindweefselscheede der zenuwen, en bekleed met endotheliumcellen.
Elke kapsel bestaat verder uit ecne binnenste laag van overlangs loopcnde, en ecne buitenste laag van kringvormige vezelen. De bloedvaten van deze lichaampjes vormen aan hunne buitenzijde een netwerk cn aan hunne binnenzijde lange lissen.
/. Oo lichaampjes De lichaampjes van Krausc in de conjunctiva lijken geheel
Vein Krausc. i d ⢠⢠i i- i
op de 1 acimsche lichaampjes.
Zij bestaan alleen uit een kleiner aantal kapsels en hebben een rek.tief ruime kolf, waarin een of meer zenuwvezelen eindigen.
De haren, de zweetklicren en de vaten van de huid worden ook door zenuwvezelen voorzien, die zich op verschillende wijze daarin vertakken.
(- De zenuwen voor de haren richten zich eerst ter hoogte
van de smecrklieren naar den haarzak, dringen vervolgens in het glasvlies en vertakken zich hier. Bovendien zenden zij vezels uit naar de wortelscheede en de smeerkliercn (Arnstein).
Unna heeft zenuweinden gezien in de secretorischc epithc-liumcellen der zweetklicren.
II. ALGEMEENE EIGENSCHAPPEN.
a. Do oppervlakte Jin ccn nian van 1.60 tot 1.65 M. lichaamslengte beslaat (Ier huid. ... ,
de huul ceuc oppervlakte van 15.000 vierkante centimeter,
welk cijfer echter kan stijgen tot 20.000 vierkante c.M., ja,
in exceptioneele gevallen nog veel hooger.
Voor eene vrouw van gemiddelde grootte is dit cijfer,
volgens Saitey, 11.500 vierkante c.M.
h. Do dikie der ] )e dikte der huid (zonder onderhuidsch bindweefsel) is niet
huid.
overal dezelfde; in het tilgenieen li^t zij tusschen y.. en 4 m.M.
Zeer gering is die dikte op den bodem van den uitwendigen gehoorgang, aan het trommelvlies en aan de oogleden, doch op plaatsen, die aan uitwendige drukking blootgesteld zijn, zooals de voetzool en de handpalm, is zij veel aanzienlijker.
Eveneens is de huid dikker op plaatsen, waar spieren daaraan zijn vastgehecht, zooals bij de wenkbrauwen, den neusvleugel en de bovenlip op te merken is.
r. De stoviijlisid j)c stevigheid der huid is vrij belangrijk; zij is afhankelijk
der huid. i i-i i ⢠i â¢
van de dikte. Reepjes huid van 2 111.M. breedte en 3 m.M. lengte dragen, zonder te scheuren, een gewicht van 2000 gram; is de breedte 10 m.M., zoo kan de belasting 7000 tot 8000 gram zijn.
Ook tie breedte van voor proeven gebezigde stukjes huid is derhalve van invloed op de stevigheid daarvan.
rf, De rekbaarheid /eer groot is de rekbaarheid der huid onder den invloed
rfcr huid. i i â¢
van belasting. De uitzetting volgt aanvankelijk snel, doch wordt spoedig minder, wanneer de belasting grooter wordt.
25
Tot op zekere hoogte is de rekbaarheid evenredig aan de belasting, maar al zeer spoedig is verdere rekking niet meer mogelijk.
Deze is niet naar alle richtingen even groot, omdat zij afhangt van de onderlinge ligging der weefselbestanddeelen van de huid (zie bij: âveerkracht der huidquot;).
Du vcorkivoht 1 )c vccrkracht van de levende huid is bij sxcriime belasting
dor huid. J tgt; ib fa
buitengewoon groot: kleine gewichten geven namelijk reeds betrekkelijk groote uitrekking, terwijl de huid bij het wegnemen van het gewicht dadelijk in haren vorigen toestand terugkeert.
Is de belasting echter grooter, dan is weliswaar ook de uitrekking belangrijker, doch de huid herneemt niet zoo spoedig hare normale afmetingen.
Om eene voorstelling te krijgen van de elastische en andere eigenschappen der huid moet men zich het netwerk, dat gevormd wordt door de bindweefselvezelen der lederhuid, over tie oppervlakte van het lichaam strak gespannen denken.
Wordt er aan de huid getrokken of daarop gedrukt, dan ondergaan de mazen van het net eene vormverandering.
Nu blijkt uit proeven, dat de huid in zekere richting meer uit te rekken is dan in eene andere, loodrecht op de eerste, en dat zij in het algemeen het rekbaarst is in de richting van de korte as der ruitvormige mazen, dus min of meer loodrecht op de vezelbundels.
Het is de tusschenstof in de mazen van het net, de zoogenaamde kitstof, die de gerekte huid weer in haar vorigen vorm terugbrengt, zoodat aan deze stof hoofdzakelijk de elastische eigenschappen van de huid moeten worden toegeschreven.
Door looiing gaat de kitstof en daarmede ook de elastische eigenschappen der huid verloren (Roi.I.ETT).
Dc splijtbaar- De splijtbaarheid der huid hangt samen met den vorm der iicni der hmi1. inazen tusschen de vezelbundels van het huidnet.
2(5
De vorm toch dezer mazen is, evenals hare grootte, zeer verschillend.
Op vele plaatsen zijn zij zóó smal en zoozeer in de lengte uitgerekt, dat het lijkt, alsof de vezelbundels evenwijdig aan elkaar loopen.
Om ledematen en romp loopen de vezelbundels gedeeltelijk kringsgewijs, gedeeltelijk spiraalsgewijs.
Als men op die plaatsen (ledematen, romp) een spoel-vormigen priem in de huid sleekt, ontstaat cene spleetvonuige wond. Dit is echter niet overal het geval. Op andere plaatsen namelijk krijgt men gescheurde wonden, die meestal driehoekig, in enkele gevallen vierhoekig zijn.
De driehoekige steekwonden zijn zeer regelmatig van vorm en liggen meestal aan de grens van die deelen der huid, waar zich bij doorboring of andere invloeden regelmatige spleten vormen.
Zoowel de lijnvormige spleten als de driehoekige wonden zijn tot bepaalde plaatsen van de luiidoppervlakte beperkt.
Langer heeft bij zijne proefnemingen geheele rijen van zulke spleten verkregen, die eene opvallend gelijkvormige teekening gaven, welke in bepaalde streken van het lichaam steeds verkregen wordt.
Er bestaat een verband tusschen de richting der huidspieren en de richting, waarin de huid zich splijt.
Waar de huid zich namelijk volgens rechte lijnen splijt, vindt men, dat dc spierbundels loodrcchl op dc splijtingsridiliug loopen.
Meer onregelmatig, vaak netten vormend, loopen zij waar dit niet het geval is.
'/. De beweodijk- Van grootcn invloed op de bewegelijkheid der huid is het heul der buid, [je vezel^ullciels vall cie lederhuid vaak heel lang zijn
en in zeer schuine richting de oppervlakte bereiken, zonder tusschen dieper gelegene plaatsen en de oppervlakte strak te zijn gespannen.
a?
Aan het hoofd, in de handpalm en aan de voet/.ool zijn tie bundels korter.
Zuuder gespannen te zijn, is de huid hier toch weinig verschuifbaar, tengevolge van de vele aanhechtingen.
Behalve op zulke plaatsen, is de huid overigens tamelijk verschuifbaar over de lichaamsoppervlakte uitgespannen.
De verschuifbaarheid der huid is volgens Unna het geringst waar de grootere bloedvaten en zenuwen, en vooral, waar beenderen, kraakbeen en pezen onmiddellijk onder de huid liggen.
A. De spanning Dat de huid in normalen toestand overal (behalve aan den schedel, in de handpalm en de voetzool) min of meer gespannen is, kan men hieraan zien, dat uitgesneden stukjes huid niet meer passen in de blootgelegde plek. Het verschijnsel berust zoowel op terugtrekking van de wondranden, als oj) de inkrimping van de uitgesneden huidlapjes zelve.
Sterke spanning der huid in eene bepaalde richting heeft groote splijtbaarheid in die richting ten gevolge; daarentegen is de huid, waar zij zich niet in eene bepaalde richting laat splijten, meer gelijkmatig naar alle richtingen gespannen.
De spanning van de huid is afhankelijk van de gevuldheid der onder haar gelegen ruimten, van de bewegingen der gewrichten en van spierwerking.
Op de spanning van de huid is ook het elastische weefsel van invloed, dat innig samenhangt met de gladde spiervezelen. Volgens Tomsa staat het tot de huidspieren in gelijke betrekking als de pezen tot de willekeurige spieren. Wanneer de huidspieren zich samentrekken, werken zij in op het elastische weefsel, en daar dit weefsel in de huid in relatief groote hoeveelheid aanwezig is en innig samenhangt met de bind-weefselbestanddeelen , zal lgt;ij contractie der hmdspieren, invloed uitgeoefend worden op de geheele huid.
Somt' kan de spanning van de huid zoo groot worden, dat scheuren ontstaan, zooals bij vochtophooping onder de huid,
28
bij vetafzetting en bij zwangerschap; ook kan zulk ecne sterke spanning eene blijvende verandering in de richting der huid-vezelbundels teweegbrengen.
i. De kleur on hel De kleur der huid verschilt naar het ras, het individu, de E0quot;' 'lL' streek van het lichaam en den leeftijd.
Wat het ras betreft, zoo dient opgemerkt, dat de huidkleur onafhankelijk is van het klimaat.
De oorzaak van de huidkleur der gekleurde rassen ligt in de pigmenti ijkheid hunner opperhuid. Hij elk ras vindt men individueele verschillen van huidkleur, die vooral opvallend zijn bij personen van het blanke ras.
Ook onder den invloed der jaargetijden verandert de kleur, maar, zooals van zelf spreekt, geldt dit alleen voor de aan zonnestralen blootgestelde, onbedekte lichaamsdeelen.
Op enkele plaatsen van het lichaam is bij den volwassene van het blanke ras de huid donkerder getint; bij den man aan het scrotum, bij de vrouw aan de groote en kleine schaamlippen en den tepelhof.
Hij de geboorte is de huidkleur van het blanke ras rood achtig wegens de groote bloedrijkheid der huid; eerst later wordt zij lichter, eindelijk blank, om op ouderen leeftijd donkerder en meestal geelachtig te worden, ten gevolge van hare mindere bloedrijkheid en doordat zij, door seniele veranderingen, dunner en meer gerimpeld wordt.
De blankheid der huid hangt volgens Kromayer af van de volgende invloeden;
iquot;. de relatieve doorzichtigheid van epidermis en cutis;
2quot;. de anaemie van het corpus papillare;
3quot;. het vetgehalte van het onderhuidsche bindweefsel.
Wat de anatomische verschillen in tie structuur van de huid bij verschillende rassen betreft, zoo worde hier opgemerkt, dat de huid van het zwarte ras grover, dikker en vaster is, dan die van het Kaukasische. Het corium is daar uit een
29
dichter vezelnet samengesteld ; de klieren zijn grooter en in verhand daarmede ook de vaten en zenuwen krachtiger ontwikkeld. Verder is de epidermis zeer dik en geel van kleur.
Onderling verschillen rle gekleurde rassen weder in tint naaide meerdere of mindere donkerheid van het pigment. Immers de hoeveelheid hiervan is bij den Neger en den Mulat even groot; maar bij den laatste vertoonen de pigmentkorreltjes eene lichtere kleur (Morison).
Het pigment der huid wordt zoowel in de lederhuid als in de epidermis gevonden in den vorm van zeer fijne of grovere korrels of ook van kogeltjes.
In het bindweefsel worden pigmentkorrels zeer weinig aangetroffen; talrijk zijn zij daarentegen in de epidermis, waar zij meestal in de epitheelcellen en constant in de basaalcellen voorkomen.
Volgens Aeüij lossen de pigmenthoudende lymphoïde cellen, die in de ruimten tusschen de stekelcellen gevonden worden, zich daar op, terwijl hun inhoud door de cpitheliumcellen opgenomen wordt. Het pigment wordt echter ook in de andere cpidermislagen gevonden.
liij den Neger hebben de pigmenthoudende cellen vele uitloopers, en zijn zij zoowel in de lederhuid als in de epidermis in rijke mate aanwezig.
Volgens llALPERN zijn er ook in de gepigmenteerdc huid van den blanke vertakte pigmenthoudende cellen. De kleur der korrels is hier minder donker, het pigment is fijnkorrelig en van lichtgele kleur.
Zuiver korrelig pigment heeft Hali'ERN nergens gevonden.
Omtrent de vorming dezer stof bestaan verschillende meeningen. liet pigment moet volgens JARISCII niet altijd en ook niet uitsluitend van Jiaeviatogcnen oorsprong zijn; hij geeft wel toe, dat het door lymphoïde cellen wordt aangevoerd , dat er wel pigmentverplaatsing bestaat tusschen leder-huid en opperhuid, maar beweert dat dit niet uitsluitend in tie richting naar de opperhuid gebeurt.
30
Mij neemt aan, dat pigment zich in de epidcrniiscellcn door victabolie vormt.
Vroeger nam men aan, dat liet pigment eerst va degclworte ontstond, dat dus de huid van negerkinderen bij de geboorte geen of slechts op enkele plaatsen pigment bezat.
Volgens de onderzoekingen van MoRlSON echter moet ais vaststaand aangenomen worden, dat de huid van negerkinderen reeds in de achtste foctaalniaand pigment bevat, dat met het ongewapende oog duidelijk te zien is.
j. De plooien en Door heivegtugcn der ledematen ontstaan o. a. aan de groeven van de
huid, strekzijden der gewrichten blijvende plooien in de huid. Deze komen doorgaans in richting overeen met die vezel bundels, welke dwars of schuin over de gervrichten loopcn.
Daaruit volgt het belangrijke feit, dat hij huigiug en strekking nooit spanning van vezelbundels behoeft te worden overwonnen, daar de rekbaarheid der huid, zooals gezegd is, het grootst is in eene richting loodrecht op die der vezclbundels en bij de bewegingen der ledematen de huid over de gewrichten juist in deze richting uitgerekt wordt.
De ruitvormige mazen van het huidnet worden bij beweging en terugbeweging der ledematen beurtelings verwijd en vernauwd, zoodat op plaatsen, waar deze vormverandering zich telkens herhaalt, ten slotte eene blijvende verandering ontstaat in de richting der vezelbundels. Niet alleen aan de gewrichten, maar ook aan het voorhoofd, het ooglid, de lippen en den hals is zulks op te merken.
Andere plooien ontstaan door het verdwijnen van het vet uit het onderhuidsche bindweefsel, wat eveneens van invloed is op de ligging der vezelbundels. Wanneer namelijk verschillende in de huid afgezette stoffen (vet, voedingsvocht enz.) verdwijnen, zooals bij seniele atrophic, zullen de ruiten van het huidnet smaller worden en er zich huidplooien vormen in dezelfde richting als die der vezelen.
31
Behalve de groeven, die in vcrsdniifbarc gedeelten der iiuid voorkomen, zijn er ook diepere, die door korte vezelbundels vast met de ondergelegen deelen verbonden zijn. Hiertoe behooren de groeven van de handpalm , die ontstaan zijn dooide buiging der vingers en de tegenstelling (oppositie) van den duim, het kuiltje in de wang, het kuiltje in de kin en de groefjes boven het heiligbeen.
Verder vindt men een groot aantal zeer fijne, als met eene naald in de huid gegrifte voren. (') Zij zijn overal op het lichaam aanwezig, maar het duidelijkst zichtbaar in de hand en op de voetzool.
l. Ou groei dor Er bestaat een zeker verband tusschen den groei der huid en den haargroei, namelijk, dat met het begin van den sterkeren haargroei de huid in groei achterblijft (Sciiein).
Volgens Sciikin groeien plooibare huidgedeelten sterker dan die, welke vast op de onderlaag liggen.
De hreedtcgroci van elk huidgedeelte is evenredig aan den groei en omvang van de spieren en beenderen, die er door bedekt worden. Toch kan soms een gedeelte van de huid, onafhankelijk van de diepere deelen, sneller groeien dan zijne omgeving (bijv. aan den borsttepel in de puberteit); en omgekeerd, ondanks een' sterkeren groei der ondergelegen deelen, in groei achterblijven, waardoor zijne spanning toeneemt.
Op den breedtegroci der huid is dus de innigheid van hare verbinding met de onderlaag van invloed. Hoe grooter deze is, des te geringer zal de groei zijn.
III. DE NAGELS.
De nagels van den mcnsch zijn hoornachtige platen, op de rugzijde der laatste kootjes van dc vingers en teenen gelegen, op eene eigenaardig gevormde plaats der huid, die het nagclbcd genoemd wordt.
Zij zijn zijdelings omgeven door dc nagclwallen, terwijl naar achter het nagellichaam door dc zoogenaamde huiula van de huid gescheiden is.
Tusschcn het nagclbcd en de wallen loopt aan iedere zijde een sleuf, dc nagclplooi, waarin de zijranden van den nagel rusten.
Dc achterrand ligt eveneens in eene huidplooi, die de plaats is, waarvan dc vorming van den nagel uitgaat en die daarom matrix unguis heet.
Het nagclbcd bestaat uit leder huid en epithelium.
De vezelen van dc lederhuid loopen deels evenwijdig met de lengteas van den vinger, deels loodrecht daarop, van het periost van het vingerkootje naar de oppervlakte, liet nagel-bed vertoont dus een aantal overlangs geplaatste kammen, die evenwijdig naast elkaar gelegen zijn.
Het epithelium, dat de kammen en groeven van het nagclbcd bedekt, is scherp afgescheiden van het weefsel van den nagel, behalve aan den achterrand, waar het zonder scherpe grens in de cellen van de matrix unguis overgaat.
Dc matrix kan als een uitgroeisel van epithelium in de lederhuid beschouwd worden. Wanneer de nagel uit deze instulping gevormd werd, zonder dat de omgevende dcclcn meegroeiden, zou hij (bij eene platliggende hand) schuin ten opzichte van het nagelbed gaan staan en zouden de nieuw gevormde hoornlagen opstaande draden vormen. Denken wij nu den nagel in zijn' gewonen stand teruggebracht, dan
volgt uit het voorgaande, dat zijne bovenste oppervlakte uit den achtcrwand van de matrixplooi gevormd wordt en zijne ondervlakte uit den voorwand.
Afwijkingen van de bovenste lagen van den nagel berusten dus op veranderingen van den achterwand der matrixplooi; die van de onderste lagen gaan van de Innnla uit (Unna).
Nagelcellen van gelijken leeftijd liggen in een vlak, dat schuin van achteren naar voren door den nagel gaat (âSchich-tungsebenequot; van Unna).
De nagelwal is uit dezelfde lagen samengesteld als de overige huid; het stratum Malpighi gaat hier geleidelijk inde cellen van de matrix over, terwijl de hoornlaag over de nagel-plooi tot op de nagelplaat reikt.
Het weefsel van den nagel bestaat uit verhoornde kern-houdende epidermiscellen, die zeer dicht aan elkander liggen.
De nagelsubstantie wordt uitsluitend gevormd door de matrix en niet door het nagelbed, waarover de van achter groeiende nagel zich beweegt, zonder nieuwe nagelstof daarvan te ontvangen.
Aan het voorste einde van den nagel, dat in natuurlijken toestand min of meer scherp is, heeft voortdurend afstooting van hoorncellen plaats. In natuurlijken vorm is de nagel eenigermate naar beneden gebogen over het laatste vingerkootje.
IV. HAREN.
Harnt zijn draden van hoornwccfscl, die bij den mensch bijna overal op de huid voorkomen.
Onhckacird zijn handpalmen en voetzool, het rood der lippen, de binnenvlakte van de voorhuid, de eikel, de binnenvlakte van de kleine en groote schaamlippen.
Op sommige plaatsen zijn de haren langer, dikker en donkerder van kleur, zooals op het hoofd, aan de wenkbrauwen , de oogleden, de okselholten, de schaamstreek en bij den man bovendien aan de kin, de wangen en de bovenlip. Daarentegen blijven zij op alle andere plaatsen dun en ongekleurd, zoodat zij niet opvallen en men zulke plaatsen tni onrcchtc wel eens voor ouhcJianrd houdt. Laatstbedoelde dragen den naam van wolJiai'cn [lanugo), in tegenstelling van de zoogenaamde rijpe haren.
De haren staan schuin geplant in instulpingen van de huid, de haarzakken [folliculi pilornni).
Met gedeelte, dat in den haarzak verborgen ligt, wordt haarwortel [radix pili) genoemd, terwijl het vrij uit den haarzak uitstekende gedeelte met den naam van haar schacht [scapus] bestempeld wordt.
De wortel vormt aan zijn ondereinde ecne min of meer bolvormige verdikking, den haarknop [bulhus fill). De bodem van den haarknop is naar boven uitgehold en rust op een tepeltje, dat beneden in den haarzak zit, den haar tepel [papilla pili).
Om den haarwortel kan men twee scheeden onderscheiden, â eene binnenste en eene buitenste wortelscheedc; de laatste behoort eigenlijk meer tot den haarzak.
35
IJe haarwortel is of uitgehold, of vol; den eerstgenoemdeu vorm noemt lÃCNLl' haarknop, den laatstgenoemden haarkolf, terwijl de Franschen van âpolls a bulbe creuxquot; en âpoils a bulbe pleinquot; spreken.
De vorm van de haarschacht is op de dwarse doorsnede niet cirkelrond, maar elliptisch of niervormig; soms ook vertoont de doorsnede een drie- of vierhoek met rechte, convexe of concave zijden. 1 iet haar loopt naar boven in een punt uit; waar het aan wrijving is blootgesteld, is het vrije einde min of meer rond afgesleten, hetgeen duidelijk waar te nemen is aan de wolharen van tien romp en de ledematen.
bij microscopisch onderzoek blijkt het haar uit drie morpho-logisch van elkander verschillende deelen te bestaan: het opper huidje, den bast en het merg. Aan de schacht is dit duidelijker te zien dan bij den bulbus pili, waar de drie be-standdeelen in elkander schijnen over te gaan. Echter heeft Unna aangetoond, dat zij ook hier reeds te onderscheiden zijn; wanneer men namelijk de coupes met picrocarmijn kleurt, dan blijken het opperhuidje (de cuticula) en de binnenste wortelscheede zich te ontwikkelen uit den hals van den haartepel, terwijl de bast daarbinnen en boven ontstaat en het merg met de meer centrale lagen van den haartepel samenhangt.
De cellen van den haarknop, die onviiddellijk op den haartepel liggen, zijn alle min of meer cylindrisch van vorm; zij vormen de matrix van het haar, aangezien de groei van deze cellen uitgaat.
De outioula. De cuticula, het opperhuidje, bestaat uit eene enkele laag' dunne hoornplaatjes, die den bast van het haar bekleeden. Zij vertoonen onder het microscoop onregelmatig golvende lijnen, die bij behandeling met alkaliën of zwavelzuur duidelijk uitkomen.
Zij liggen als dakpannen over elkaar en wel zóó om den bast gerangschikt, dat de plaatjes, die dichter bij den wortel gelegen zijn, de hoogere bedekken. Hierdoor kan men bij
30
ieder haarfragment gemakkelijk uitmaken, welk het boven- of het ondereinde is.
De afzonderlijke plaatjes of schubjes zijn/rrw/Wj en bestaan uit eene vaste, doorschijnende stof, die door reagentia niet opzwelt.
Toch moeten zij uit kernhoudende cellen ontstaan zijn; want, wanneer men de cuticula naar den wortel toe vervolgt, ziet men dat de plaatjes, die in het bovenste deel van den haarschacht nauw aan elkaar gelegen zijn, allengs schuin op de lengteas van het haar gaan staan en daarna meer loodrecht, om, terwijl zij langzamerhand nabij den bulbus het karakter van cel verkrijgen, in eene enkelvoudige laag van kernhoudende cylindercellen over te gaan.
Do haarbasi. 1JC haar bast is een doorschijnend, naar de tint van het haar verschillend gekleurd, fibrillair weefsel, met overlangs loopende vlekken en strepen.
Door behandeling met zwavelzuur gelukt het de vormelementen te isoleeren: tie bast splitst zich dan in afzonderlijke fibrillen, welke zich bij langduriger inwerking ontleden in langgerekte spoelvormige plaatjes, die in het midden een donker streepje vertoonen en, in tegenstelling met de hoorncellen van opperhuid en nagel, door alkaliën niet opzzvellen.
De streepjes zijn overblijfsels van celkernen, terwijl de plaatjes blijkbaar uit cellen ontstaan zijn. Immers, wanneer men den histologischen bouw van het haar tot aan zijnen wortel nagaat, ziet men aan de vormelementen van den bast allerlei geleidelijke overgangen van een fijnvezelig (en korrelig) weefsel tot langgerekte cellen met lange kernen, en eindelijk in ronde, kernhoudende cellen, welke op die van het stratum Malpighi gelijken.
Volgens Waldeijer bestaan de bastcellen van den haarwortel uit fibrillen en hangen de fibrillen van iedere cel door uitloopcrs met die van naburige cellen samen. Dit verklaart het feit, dat men bij voorzichtig uit elkander pluizen der bastcellen fibrillen kan verkrijgen, die langer zijn dan de cellen zelf.
87
Ook aan de vcrhoornde bastcelleu van de haarschachl komen deze stekels voor, maar zij zijn hier korter en daarom moeilijker aan te toonen.
Do iiiei'iizoifslaii. De vwrgrjclfstandiglieid van het haar ligt binnen de bast-
(Imlieid van hel ,^ t- i ⢠i , . r , , ,
haar zcirstaiuugheici en eindigt op eenigen atstaiul van de punt van het haar. Zij ontbreekt bijna altijd in de wolharen, vaak ook in pigmenthoudende hoofdharen.
Bij doorvallend licht vertoont het haarmerg zich als eene min of meer breede, donkere streep; de donkere kleur heeft het blijkbaar aan erin besloten lucht te danken, daar zij lichter wordt, wanneer men het haar met vloeistoffen behandelt, die in de haarzelfstandigheid binnendringen. Verdampen deze, dan krijgt het merg zijne vroegere kleur terug.
De mergsubstantie bestaat uit cellen, waartusschen men bij de haren van menschen en vele dieren lucht vindt.
Deze cellen zijn kcrnlooze, incengcschrompeldc blaasjes, met ingedroogde en gerimpelde membranen.
De histologische structuur van de mergzclfstandigheid komt aan den bulhns pili bijna geheel met die van het stratum Malpighi en van den haarbast overeen.
Hier hebben de cellen goed ontwikkelde kernen, en bevat hun protoplasma bovendien groote hoeveelheden eener stof, die door LanoKRHANS ontdekt, door R.WVIKR âeleïdinequot; en door Wau)KIJER âkeratohyalinequot; genoemd werd. Terwijl de onmiddellijk op de [jajjil gelegen cellaag (de matrix van het haarmerg) uit cubische cellen bestaat, worden deze in hooger gelegen lagen iets grooter en breeder, en gaan, terwijl hun keratohyolinegehalte allengs kleiner wordt en hunne kernen degeneeren, in de zoo even beschreven verschrompelde cellen over. Daarbij ontstaan met lucht gevulde ruimten tusschcn de indrogende cellen.
WALDEIJER heeft er op gewezen, dat de cellen van het haarmerg geribde cellen zijn, die door stekelachtige uitloopers
88
met elkander snmcnhang-en. Ook vond hij, dat tusschen de jonge cellen van het haarmerg spleten bestaan, ciie voedings-vocht voor de cellen bevatten.
De ruimten, die men in het merg van volwassen haren vindt, ontstaan door verdamping van het intercellulaire vocht; zij worden van hinten met lucht gevuld, terwijl de cellen zelve verdrogen. Dat de lucht in het haar werkelijk met de buitenlucht in gemeenschap staat blijkt daaruit, dat vloeistoffen van buiten in deze ruimten binnendringen en de lucht daaruit verdrijven kunnen; zij is dus van dezelfde samenstelling als de dampkringslucht, waarmede het haar in aanraking is.
Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat het verhoornen van het haar een verdrogingsproces is, dat gepaard gaat met bepaalde chemische veranderingen, waarbij de celinhoud in eene nog niet nader bekende stof, die men in het algemeen ,,hoornstofquot; (keratinc) zou kunnen noemen, wordt omgezet, terwijl daarbij tevens de samenhang tusschen de cellen nauwer wordt.
Wij willen nu een en ander mededeelen over de rol, die de kerathoyaline hij het vcrlioonnngsproct s speelt.
Ranvikr, die deze stof, zooals wij reeds vermeldden, eleïdine noemde, meende dat zij als een fervient de levende cellen in hoorneellen oinrjet en dat zij een tot dit doel gevormd afscheidingsproduct is.
Waldeijek heeft gevonden, dat zij geene olieachtige vloeit stof is, zooals Ranvier aannam, maar eene vaste, taaie stof, die in chemisch opzicht ongeveer overeenkomt met de door V. RecruNGIIAUSKN beschreven hyaline, zoodat hij er de benaming van keratohyaline voor gekozen heeft.
In het haarmerg, waar Waldeijek haar 't eerst aantoonde, komt zij voor in lt;le cellen op de ^rens tusschen h-verhoonuie en nog niet verhoonuie gedeelten', men vindt haar aldaar in elke cel om de kern; zij ziet er uit als een groote, glinsterende droppel, terwijl zij in de naastbij gelegen diepere laag cellen
39
meer in kleinere korrels s^evoiulen wordt en in tie allerdiepste laag geheel ontbreekt.
Naar de punt van het haar toe worden tie korrels weder kleiner en zijn in de geheel verhoornde cellen niet meer te vinden.
Hij weefsels, die verhoornen, vindt men de keratohyaline steeds op dc plaats, waar Jut proces begint.
Güntiier heeft haar daar ook in de cellen van de binnenste wortelscheede gevonden.
Zaui.udowski beschouwde de cleïdine als hoornstop in vloci-haren vorm, die langzamerhand verdikt.
Wai.DHIJer is van meening, dat men iquot; in de keratohyaline een degeneraticproduct van afstervende cellen behoort te zien cn 2° dat zij tot de omzetting van den celinhoud in hoornstof waarschijnlijk bijdraagt. Daarom wordt keratohyaline alléén gevonden in de mergcellen van haren, waarvan dc celinhoud geheel verhoornt en ontbreekt zij in het merg der haren van herten, gemzen, reeën en steenbokken, waar de cellen, zooals wij nog nader zien zullen, luchtcellen geworden zijn.
LlEURElCii schrijft aan deze stof eene andere beteekenis toe. I lij toonde aan, dat alle hoornwecfsels, zooals de epidermis, de haren, de stekels van den egel, als ook hoeven en klauwen cholestearine bevatten cn houdt eleuline voor eene dergelijke stop, wat Lkwin op grond van microchemische reacties meent te kunnen bevestigen. (*)
Evenals bij het menschenhaar bevindt zich de lucht in het merg van dc haren der meeste dieren tussehen dc cellen; bij enkele diersoorten echter, zooals bij herten, reeën, gemzen en steenbokken, is zij ook binnen de uitgedroogde en verhoornde cellen, waarin zij uit de intercellulairspleten gekomen is
(*) Omtrent dc botookonis ilor kcratoliyaline lioersolit dus onder de dermatologen verre van eonstemmiglieid. KiioJtAYKU, in zijno âAllgemeino Dermatologiequot;, acht het waiirsclujulijk, dnt de kcratohyaline-
korreln van de korrellaiig der cpidonuis uit /gt;ngt;l(gt;plasmai'c:elen ontstaan zijn, welke in deze laag ontbreken, maar nog te zien z^fi aan de cylinder-cellen van het stratum Malpiglii. Het ontstaan van de â /.. oleïdine van bet stratum lucidum uit keratohyaline is nog niet bewezen.
40
cn die hierdoor luchtcellen (aëro-cpithelium, Wai.dkiiicr) worden.
Zulke mergcellcn zien er uit als platte lichamen, die bij doorvallend licht tengevolge van hun luchtgehalte donker lijken, terwijl merg, waarin lucht tusschen de cellen besloten is er korrelig en min of meer gestreept uitziet.
Het microscopische onderscheid tusschen de haren van verschillende dieren hangt in 't algemeen voornamelijk af van den vorm van de mergholte.
De haarwortel is omgeven door twee schecden, eene inwendige en eene uitwendige wortelscheede, die beide aan den hals van den haartepel beginnen.
Terwijl de iniwudigc ivortelschcedc reeds binnen den haai' :;ak eindigt en zijne opening niet bereikt, loopt de uitwendige wortelscheede tot aan den follikelmond door, om zich hier direct in het stratum Malpighi voort te zetten.
De iiiwDitiii(jcwor- De inwendige wortelscheede bestaat uit drie lagen, n.1.:
iquot;. eene binnenste laag, de cuticula, die innig met het
haar samenhangt;
2quot;. de laag van IIuXLEY, en 3°. eene buitenste laag, die van HENLE.
Deze drie lagen zijn duidelijk te onderscheiden ter hoogte van de breedste plaats der papil; bij verschillende dieren echter is deze plaats volgens GüNTliER nu eens hooger, dan weder lager gelegen.
Van dit punt benedenwaarts tot den bodem van den haarzak treft men vochtrijke kernhoudende cellen aan, waarvan zich de cuticula reeds als eene heldere laag afscheidt (UNNA). Iets meer naar boven zijn de cellen reeds verhoornd cn bestaat de laag van Henlk uit polygonale, kernlooze elementen, terwijl in de laag van IlUXLEV de kernen tot hooger op blijven bestaan, maar toch langzamerhand kleiner worden en ten slotte geheel verdwijnen.
De cellen van de cuticula tfer wortelscheede zijn analoog met die der haar cuticula en hebben, waar zij verhoornd zijn.
41.
ook ecne dakpansgewijze rangschikking, maar in omgekeerde richting, zoodat de tanden van de beide cnticula's in elkander grijpen. De cuticula der vvortelscheede is dus een soort bevestigingsmiddel voor het haar.
Do uiiwemliye wor- TJnna spreekt slechts van ééne zvortelscheede en noemt de
lülscbeodo.
zoogenaamde uitwendige wortelscheede âstekelUtag van den haar.â â¢jakquot;, en niet zonder reden. Want inderdaad is de uit-wendige wortelscheede slechts eene voortsetting van het stratum Malpighi. Terwijl namelijk de hoornlaag en het stratum granulosum der epidermis zich op den haarzak voortzetten en reeds aan de plaats van intnonding der smeerklieren in den haarzak eindigen, zetten de stekellaag en de cylindercellen-laag zich dieper in den haarzak voort, waar zij eindelijk in eene enkelvoudige laag cubische cellen aan den hals der papil eindigen en hier met de cellen van de inwendige wortelscheede en van den haarbulbus samenhangen.
Ter hoogte van het midden van den haarzak bestaat de uitwendige wortelscheede uit ééne enkele laag cylindercellen, waarop naar binnen verschillende rijen stekelcellen volgen.
De haarzak. De liaarsak is een bindweefselzak, die op den bodem eene
knopvorniige papil draagt, welke analoog is met eene huidpapil. Aan tie basis is de papil ingesnoerd, zoodat een zoogenaamde âhalsquot; ontstaat.
Aan den haarzak kan men drie lagen onderscheiden: iu. ecne buitenste laag van longitudinale bindweefselvezelen
niet talrijke bindweefsellichaampjes;
2°. eene laag van circulaire vezelen;
3quot;. ecne homogene laag, het zoogenaamde ,,glasvlies \ die direct aan de laag cylindercellen der buitenste wortelscheede grenst. Dit vlies is onregelmatig gestreept, wat vooral blijkt na behandeling met zilverpraeparaten, terwijl de strepen soms den indruk maken van grens-
42
lijnen tusschen ciulotheliumcellen (Cziiuw). Dikwijls vertoont liet glasvlies naar den kant der buitenste wortelscheede uitstekende gekartelde lijsten.
Aanhangselen van den haarzak zijn: de huidsmeerklieren en de haarzakspieren.
De liaai'zakMiorai. De suiccrklicrcu van den haarzak zijn trosvormige kliertjes, met eene korte uitloozingsbuis, die dicht bij de oppervlakte van de huid in den zoogenaamden âhals van den haarzakquot; uitmonden en ten getale van twee tot vier, soms meer, daaromheen gelegen zijn. Zij bestaan:
1°. uit een homogenen bindweefselband (tunica propria), die van de acini op de uitloozingsbuis en van deze op het glasvlies van den haarzak overgaat;
2°. uit epithelium, dat de voortrjctting is van het stratum Malpighi.
In de uitloozingsbuis bestaat dit uit verscheidene collagen; in de klierblaasjes evenwel uit écne enkele laag vochtrijke min of meer vethoudende cellen.
Het klierepithelium gaat aan den eenen kant direct over in het stratum Malpighi, aan den anderen kant in de uitwendige wortelscheede.
1 )e tunica propria hangt met den haarzak samen.
Verreweg de meeste huidsmeerklieren staan met de folliculi der haren in verbinding; toch zijn smeerklieren niet altijd aanhangselen van den haarzak. 1 Iet omgekeerde geval doet zich voor op plaatsen, waar de huid zoogenaamd onbehaard d. i. met lanugo bedekt is, waar de klier met eene groote, duidelijk zichtbare opening aan de vrije oppervlakte van de huid uitmondt en het haar uit deze huidporie te voorschijn treedt. Hier zit het haar zijdelings op den wand van de smecrklier en is het dus als een aanhangsel van deze te beschouwen.
Lanugoharen zijn dus schuin in de huid geplant, in welk feit sommige ziekteverschijnselen hunne verklaring vinden.
43
Een zich regencrcercnd lamigohaar kan bijv. aan de uil-monding van de smcerklier met zijn punt allicht tegen den tegenovergelegen wand der smeerklier stooten; het zal dan bij verderen groei ombuigen en spiraalvormig oprollen. Zóó kan de klieropening verstopt raken, het kliersecreet teruggehouden worden en comedonen en acne vulgaris ontstaan. In uitgedrukte comedonen-proppen vindt men ook dikwijls een of meer spiraalsgewijs opgerolde haren.
De afscheiding van de smeer klieren, het sebum (de talk) bestaat uit vetcelleu in allerlei vormen en uit vrij vet, ontstaan door de degeneratie der cellen. Voorts kunnen in het secre-Lum celmembranen of deelen daarvan aangetoond worden; ook moerberjievormige cellen, die kliercellen in een jonger stadium zijn en eindelijk ook cellen, afkomstig van de uitvoerbuis der klier, die zich pas later, na de afscheiding van het secretum, daarbij voegen (l'llll.U'.SüN).
Het dient om het haar vettig en de huid lenig te houden.
Volgens LiEBREICH is het vet, dat in de hoornweefsels (epidennisharen) gevonden wordt, niet uitsluitend van deze klieren afkomstig; immers beschouwt hij ook de eleïdine als cholestearine-vet.
De haarzakspimm Dc haarzakspieren zijn gladde spierbundels, die van den haarzak in schuinsche richting naar de huidoppervlakte gaan. Zij kunnen de haren een loodrechten stand geven, waarbij de bekende âcutis anserinaquot; ontstaat.
Tomsa heeft er het eerst op gewezen, dat de arrectoren bij hunne samentrekking niet hunne aanhechtingsplaats aan het haar tegen het papillairgedeelte optrekken, maar dat het eerste punt zich niet of weinig verplaatst en het laatste het meer bewegelijke is.
De inzinking ontstaat op tie plaatsen, waar de arrectoren het corpus papillare bereiken.
44
De vaton van den De va/cu van den haarzak zijn nauwkeurig onderzocht door
haarzak rn .. i i r i i i i â¢
lOMSA, die aangetoond heeft, dat tusschen de buitensLe en middelste laag van den haarzak een dicht vaatnet ligt, afkomstig van het subpapillaire vaatstelsel.
Elke haarpapil heeft een eigen vaatlis, die samenhangt met dieper gelegen bloedvaten van de lederhuid.
De klem' en lid 1 )c kleur van lut haar is afhankelijk van verschillende pigmont van het
haar. factoren, en wel in dc eerste plaats van het pigment. Ontbreekt dit geheel, zooals op ouderen leeftijd, dan schijnl het haar wit.
Het pigment. I Iet pigment komt in den bast in tweeërlei vorm voor, als korrelig en als opgelost pigment. Met opgeloste pigment, dat in de vezelen der bastzelfstandigheid diffuus verdeeld is, geeft aan dc haren eene kleur, die tusschen lichtblond cn hoogrood varieert; het korrelige pigment geeft echter de donkere kleuren, cn wel wordt de nuance donkerder, naarmate de hoeveelheid cn dichtheid daarvan toeneemt.
Volgens PtNCUS maakt het een bepaald verschil, of het korrelige pigment in de perifere of in de centrale deelen voorkomt, daar het naar zijne meening alleen in het eerste geval invloed uitoefent op de kleur van het haar.
Komt het korrelige pigment in de centrale deelen voor, dan zal het alléén dan kleur aan het haar geven, wanneer er ook diffuus pigment in de perifere lagen is; ontbreekt dit, dan schijnen de haren grijs, wat het gevolg is van dc aanwezigheid van lucht in de bastlaag.
In de laatste jaren zijn een aantal onderzoekingen gedaan naar den oorsprong van het pigment, waarvan we slechts willen vermelden, dat Rikiii, in lengte-en dwarscoupes van groeiende haren ter hoogie van den haartepel binnen in het weefsel van den tepel, onregelmatige, kernhoudende en veel pigment houdende cellen aangetroffen heeft, die vaak zeer lange en dunne
45
uitloopers hadden, welke als âpigmentdradenquot; tusschen de cellen van den haarwortel te vervolgen waren, terwijl het pigment van deze lymphoïdecellen door de cellen van den haarwortel wordt opgenomen.
Daar die pigmenthoudende cellen constant in het weefsel van den haartepel, en voornamelijk langs de vaten, worden aangetroffen, meent RlEUL, o. a. dat zij uit de laatste afkomstig zijn en later in het haar treden.
In het protoplasma van nog niet geheel verhoornde cellen van den bast vond hij korrelig pigment; in nog hooger gelegen, geheel verhoornde, cellen was meer diffuus verdeeld en maar weinig korrelig pigment aanwezig.
Door zijne onderzoekingen wordt verder de meening van Boccardi en Arena weerlegd, volgens welke het korrelig pigment der hoornlagen van het haar een neerslag uil het diffuse pigment zoude zijn. Trouwens, waldeijer had er reeds op gewezen, dat ook in de vveeke kernhoudende cellen van den haarknop korrelig pigment voorkomt.
Wat de ligging en rangschikking van het pigment in den haar has t betreft, deze is bij enkele menschen rassen zeer eigenaardig. Zoo heeft vircltüw gevonden, dat het bij de Sakalaven, een volkstam aan de Westkust van Madagaskar, en bij de Somali een dichten ring aan de periferie van het haar vormt, terwijl het centrum lichter van kleur is.
Ten tweede wordt de kleur van het haar bepaald door het luchtgehalte.
Landois heeft ons het feit leeren kennen, dat haren, zelfs pigmenthoudende, wanneer zij veel lucht in hunne bastzelf-standigheid bevatten, bij opvallend licht grijs schijnen, liij doorvallend licht (microscopisch onderzoek) schijnen de bast-laag en het luchthoudende merg donker gekleurd.
Dit verschijnsel is zóó te verklaren, dat de luchtblaasjes als lenzen werken, die het daarop vallende licht verspreiden en wel onder het microscoop naar onderen en bij gewone bezichtiging naar den onderzoeker toe.
40
Daarom schijnen gespleten haren (/.ooals bij trichophyton tonsurans) grijs en vertoonen zij, zelfs al bevatten zij veel pigvtent, eene krijtwitte kleur, wanneer men ze met chloroform behandelt en daardoor het vet eraan onttrekt, terwijl deze witte kleur door toevoegingquot; van vet weder verdwijnt. Lucht kan echter alléén dan eene grijze kleur aan liet haar geven, als zij in de perifere dcelen voorkomt; de lucht in het merg-kanaal oefent daarop geen invloed uit, behalve bij de haren van het hert, de ree enz., waar het mergkanaal zeer breed en de bast zeer dun is.
Hij pignuntvrije haren is het luchtgchaltc voor de kleur van geene beteekenis; zulke haren schijnen wit, of zij veel of weinig lucht bevatten. Het zuiverste wit wordt gevonden bij pigmentvrije haren met een groot gehalte fijn verdeelde lucht (witte ratten en muizen, hermelijn, enz.).
Een derde factor, die volgens Wai.dkijkr van invloed is op ile kleur, is de gladheid der oppervlakte van het haar] naarmate de oppervlakte van het haar ruwer is, zal ze het opvallende licht meer verspreiden en het haar lichter doen schijnen.
Deze factor speelt bij dc verschillende kleuren van het menschenhaar, waarvan dc oppervlakte steeds tamelijk gelijkmatig glad is, zeker niet eene zoo belangrijke rol als bij de haren van verschillende diersoorten. Zoo is de pigment- en merglooze, aan de oppervlakte ruwe schaapswol witter dan de varkensborstels, die eene gladde oppervlakte hebben. Toch is ook bij het menschenhaar dc oppervlakte voor de kleur niet geheel zonder beteekenis; immers een geribd haar, zooals er dikwijls in den baard voorkomen, ziet er donkerder uit wanneer men een kant beziet, dan wanneer het oog op een vlak valt, aangezien het licht op zulk een vlak gedeeltelijk weerkaatst wordt.
Gekleurde haren kunnen. zooals bekend is, van kleur veranderen.
47
Alttseut verhaalt van ceno dame, dio na oonc koorts in het kraambed hare blonde haren verloor en er zwarte voor in de plaats kroeg, terwijl bij een ander, persoon het na oene ziekte verlorene bruine haar door vuurrood vervangen werd.
Hot gi jjze haar van zekere (iöjarige vrouw heet eenige dagen vóór haar' dood zwart geworden te zijn; oen geval, dat voor liehtgeloovige monschen zeker interessant is.
Dutoel verhaalt ook dat oene blonde dame na doorgestanon typhus liet haar verloor en zwart or voor terugkreeg. Dit geval verdient geloof, evenals dat van Aliheut, want zonder twijfel kan de pigmentvonning in de haarpapil gewijzigd worden. Zoo zag G. linmtkmi bij alopecia areata, dat de kale plekken weder begroeid werden mot haren, die nn eens lichter dan weder donkerder van kleur waren dan de vorige.
Hetzelfde vond G. limntHNn soms ook na herpes tonsurans van het behaarde hoofd; hier was de haarbodem plaatselijk ziek, namelijk de haarpapil, d. i. het orgaan, waarvan de pigmentvorming uitgaat, zoodat te begrijpen is, dat hare functie anders werd.
In andere gevallen verandert het haar slechts voor korten tijd van kleur, n.1. telkens als een zelfde oorzaak daarop inwerkt. Hier kunnen wij alleen te doen hebben met wisselingen in het luchtgehalte van het haar.
Een ander verschijnsel, waarop reeds l'incus de aandacht gevestigd heeft, is het rood worden van het levende haar door herhaalde aanraking met soda- cn zeepoplossingen, of alkalische vloeistoffen in het algemeen.
Waardoor deze kleurverandering tot stand komt, is nog vrij wel onbekend. Dat de onttrekking van vet hierbij eene groote rol speelt, is daarom waarschijnlijk, omdat na het vetten van deze rood geworden haren de kleur weder wat donkerder wordt.
Unna meent, dat door het onttrekken van vet aan het haar eene sterkere verdamping plaats heeft, en als gevolg daarvan actieve zuurstof ontwikkeld wordt, wat het haarpig-vient doet ver Idee ken. Hij komt tot deze verklaring door het feit, dat donkere haren door behandeling met waterstofsuper-oxj'd (actieve zuurstof) eerst blond, daarna rood en eindelijk geheel ontkleurd kunnen worden.
48
Het pigment, zoowel het korrelige als het diffuse, gaat hierbij geheel verloren, zooals ook bij behandeling met chloor het geval is.
Afgesneden haar gedraagt zich tegenover alkalische oplossingen anders dan levend haar; het wordt daardoor namelijk niet rood gekleurd; daarentegen is het bekend, dat donker haar van lijken, door jarenlang onder de aarde te liggen, dikwijls rood wordt. UNNA verklaart dit eveneens op de boven aangegeven wijze. Dat de verklaring niet altijd opgaat, blijkt wel daaruit, dat soms juist het omgekeerde plaats heeft en lijken, die met blond haar begraven werden, later bleken donker haar gekregen te hebben.
SoNNENSCTIElN verklaart het roodworden der haren van lijken uit de inwerking van in den bodem aanwezige htnninzuren.
Vorm der haren, Wat den vofvi der haren betreft, zoo is reeds vermeld, dat de rolronde vorm tic zeldzaamste is.
liet is bekend, dat het haar van niet alle menschen, zelfs niet dat van alle Europeanen of ook van individuen van een zelfden volkstam, even glad is; dat vele personen kroes, andere krullend en nog andere golvend haar hebben, dat zelfs bij personen met glad hoofdhaar de baardharen, als ook de schaamharen en de haren van de okselholten gewoonlijk kroes of krullend zijn.
Hel krullen van Waarop het krullen van het haar berust, is nog niet goed quot; uitgemaakt; mogelijk hangt het van den vorm van het haar af,
want inderdaad zien wij dat haren, die op de doorsnede hoekig, ovaal, niervormig of ingedrukt zijn, krullen, terwijl bij volkeren met gladde haren de doorsnede meestal rond is. Intusschen moet nog nauwkeuriger nagegaan worden, in hoeverre de vorm van den haarzak hierbij van invloed is, want van wol weten wij, dat zij gekroesd is, omdat de haarzakken van schaapsharen een gedraaiden vorm hebben en ook bij sommige
49
menschenrassen met kroes haar is de haarzak niet recht. Zoo deelt GöTTK, en dit is later door STUART bevestigd, mede, dat bij liet negerhaar de haarzak boogvormig gekromd is en als een haak in de huid vastzit, wat hij ook bij de Bosjesmannen geconstateerd heeft.
Oo inplaniing van ] )c inplanting van het haar hangt af van de richting van hot haar.
den haarzak, die gewoonlijk schninsch is; slechts de oogharen en volgens Unna ook de embryonale lipharen, de vibrissae en de haren van den uitwendigen gehoorgang zijn recht ingeplant.
Elk haar staat in een eigen haarzak; wanneer men meer haren op dezelfde plaats uit de huid ziet komen, bestaat meestal toch slechts eene vergroeiing van haarzakken in hunne bovenste deelen, terwijl dieper elk haar zijn eigen zak bezit.
Een geval, waarbij meer haren door één enkele wortelscheede omsloten worden en tot den bulbus toe in één enkelen haarzak rusten, zooals door F LEMMING eens toevallig aangetroffen is, behoort tot de grootste zeldzaamheden.
Rangschikking dor Wat de rangschikking dér haren, d. vv. z. hun stand ten opzichte van elkaar, betreft, zoo heerscht hierbij eene zekere regelmaat.
In de eerste plaats valt op te merken, dat de baard- en lichaamsharen op regelmatige of bijna regelmatige afstanden van elkaar in de huid zijn bevestigd, dat de hoofdharen daarentegen in bosjes bij elkander staan en in kromme lijnen gerangschikt zijn. Volgens Krause vormen eenige van deze groepen groote cirkels. Deze plaatsing der haren in bosjes vindt men bij alle volkeren; aan geschoren hoofden is zij zeer duidelijk zichtbaar, maar bij sommige rassen ziet men haar reeds aan de wijze, waarop de haren, zoodra zij eenige lengte verkregen hebben, zich naast elkaar voegen. De haren van het schaap groeien uitsluitend aan bosjes. Verder hebben
4
50
Ksciiru'HT en later Voigt aangetoond, dat men reeds aan het foetus in de 9de en ioclc maand en bij pasgeborenen duidelijk kan waarnemen, dat de haren uit bepaalde vereenigings-punten [kruinen) in constante richtingen loopen, zoodat de zoogenaamde âhnarstroonunquot; ontstaan.
Deze eigenaardige loop der haren is aan verschillende oorzaken toe te schrijven:
iquot;. aan het aannemen van een scheeven stand door de haarzakken, (die oorspronkelijk meer rechtop loopen), tengevolge van de rekking der huid bij de eerste bewegingen van het foetus;
2°. aan de uitzetting van de huid bij haar verderen groei, waardoor tevens hare vezelrichting bepaald wordt.
Physischo eigen- Het haar is een tamelijk elastisch lichaam; het is hygrosco-pisch en een slechte geleider van warmte en electriciteit.
Elastisch is het haar in zijn volkomen verhoornde deelen en wel is deze eigenschap uitsluitend afhankelijk van de hast-xelfstandighcid. I loc breeder tie bast is, des te elastischer is het haar, en hoe breeder de mergholte in verhouding tot de bast is, des te minder veerkrachtig is het.
Zoo zijn do haren van reeën, gemzen en steenbokken, die eene bijzonder breede mergholte en maar weinig bast hebben, zeer broos. I daarentegen is het menschenhaar, en in sterkere mate het staart- en maanhaar van het paard zeer elastisch. Alle invloeden, die de bast losser maken, geven natuurlijk ook aanleiding tot vermindering der elasticiteit van het haar; zoo y.ijn haren, die veel lucht bevatten, of door schimmels door-woekerd zijn, broozer dan normale haren.
Om do olaaticitcits-coflfflciont van hot haar te bopalon, gebruikte Miciiulsitn tweo kleine klemschroevcn, waarin tie einden van het haar bevestigd werden en waarvan de eene vastgezet, de andere verbonden werd mot eene schaal. Deze wordt nn zoo lang met hagel bezwaard tot het baar knapt; uit de gewichten vindt men dan de elasticiteit,s-cocfficient.
51
Als slechte warmtegeleider heeft het haar vooral voor de dieren groote beteekenis, daar het hunne voornaamste beschutting tegen lage luchttemperaturen is. Daar de haren de electri citeit slecht geleiden, kunnen /.ij electrisch gemaakt worden; bij vele personen geschiedt dit buitengewoon gemakkelijk.
V. ONTWIKKELING VAN DE HUID.
Ue opperhuid, de nagels, de epidermoïdale declcn van het haar en de cellen der huidsmeerklieren ontstaan uit de hoornplaat van het buitenste kiemblad; het bindweefsel en de spiervezelen van de lederhuid zijn afkomstig van het middelste kiemblad, en wel van tie zoogenaamde huidplaat (RkMAK), terwijl de vaten en zenuwen in die Imidlagen binnengroeien.
De opperhuid bestaat aanvankelijk uit ééne laag veelhoekige cellen, waaronder later (vijfde week) eveneens ééne laag, maar van kleinere cellen, verschijnt, die het begin is van het stratum Malpighi.
Daarna neemt het aantal lagen in korten tijd snel toe, zoodat in de 6(lc maand de opperhuid aan de voetzool o. a. reeds 0,15 m.M. dik is.
De korrellaag ontwikkelt zich eerst tegen liet einde van het vruchtleven; daarom is de opperhuid van het foetus in vroege ontwikkelingsstadia nog glazig doorschijnend en wordt zij pas later witachtig.
De bovenste lagen van de opperhuid worden gedurende het foetaalleven waarschijnlijk voortdurend afgestooten en vormen met het huidsmeer, dat van af de 5'le maand wordt afgescheiden, de zoogenaamde vernix caseosa of het smegma enibryonum. De vernix caseosa is eene geelachtige, reukelooze massa, die van af de 6llc maand als eene dunnere of dikkere laag op de huid van het foetus ligt.
1 Iet pigment van de opperhuid ontstaat bij gekleurde rassen volgens CAMPER eerst na de geboorte.
Tegen deze bewering voert Morison twee gevallen aan, waarbij in een negerfoetus reeds vóór de geboorte, n.1. in den laatsten tijd der foetaalontwikkeling, pigment in de huid ge-
53
vonden is. Bij blanke individuen zet het zich eerst in den loop van het eerste levensjaar op bepaalde plaatsen van het lichaam af.
Igt;e leder huid heeft in den beginne ecne effene oppervlakte en gaat daarom voor het oog onmerkbaar over in liet stratum Malpighi. Vóór de 3ll'J maand ziet men tusschen leder- en opperhuid een teer, structuurloos vliesje, waarvan nog bij oudere vruchten overblijfselen te vinden zijn.
Het is echter niet uit te maken, of dit tot het corium of tot de epidermis moet gerekend worden.
In het begin van de tweede maand zijn de cellen tier lederhuid spoelvormig en met lange kernen. In de derde maand ziet men deze laag zicli in tweeën splitsen, n.1.; in de lederhuid en in het onderhuidsche celweefsel. Dit laatste bestaat dan uit een tamelijk ontwikkeld bindweefsel met duidelijke fibrillen, doch zonder elastische vezelen en met zeer kleine vettrosjes.
In de vierde maand beginnen in de handpalm de papillen zich in den vorm van ribben te ontwikkelen; pas in de zesde maand zijn /.ij afzonderlijk als kleine wratvormige verhevenheden en gerangschikt in dubbele rijen op deze ribben te zien.
In het onderhuidsche celweefsel wordt tot aan de geboorte steeds eene groote hoeveelheid vet afgezet.
De nagel ontstaat in de derde maand ouder de hoorn laag; de laatste differentieert zich dan op de plaats, waar de nagel zal ontstaan, en onder deze hoornlaag ontwikkelt zich de jonge nagel, die tot aan de 5'lr maand door deze laag bedekt blijft (eponychium van Unna). De rest van deze hoornpiaat vinden we aan den volkomen ontwikkelden nagel terug als lunula.
Volgens Köu.ikkk vormt zich de nagel op het geheele nagelbed, terwijl Unna heeft waargenomen, dat op de plaats van de matrix een nagclldem ontstaat, van waar uit de embryonale nagel onder de hoornplaat door naar voren geschoven wordt.
54
De zwcctklicrcn ontstaan in dc vijfde maand van het vrucht-leven als massieve uitwassen van het stratum Malpiyhi in de lederhuid ; zij ontwikkelen zich uit de ondervlakte der opperhuid niet een steel, die tot eene kolf uitbroeit. Daarna bestaat zij uit ronde cellen, die geheel gelijk zijn aan die van het stratum Malpighi.
In de zesde maand ontstaat in dezen steel een centraal lumen zonder uitgang, noch in dc opperhuid, noch in de kolf.
Tn de zevende maand zijn voor het eerst zweetporien en nog zeer weinig gekronkelde kanalen in de opperhuid waar te nemen.
Met klierlichaam is eerst haakvormig gebogen en in de zevende maand opgerold (KöLLIKER).
De sviccrklicrcn ontwikkelen zich volgens KöiXlKER geleidelijk met de haarlakken. Zij ontstaan op het eind van de vierde maand als uitgroeiingen van de haarzakken waarop zij in den vorm van massieve knopjes zitten die door het groeien der haarzakken peervormig ui/gerekt worden.
Hinnen de smeerklieren ontstaan vethoudende kogelvormige cellen, zoodat men later duidelijk cene binnenste van eene buitenste zone kan onderscheiden. De inhoud der smeerklieren staat dan nog niet in verbinding met dc holte van den haarzak.
Onder toenemende vetvorming in het binnenste van het klierlichaam komt eindelijk eene opene verbinding met den haarzak tot stand.
De ontwikkeling der smeerklieren houdt gelijken tred met die der haren; daarom bereiken zij, evenals deze, niet overal gelijktijdig hun wasdom; o. a. ontstaan zij aan de wenkbrauwen en op het voorhoofd vroeger dan aan de ledematen (Kol.UKlik).
VI ONTWIKKELING VAN HET HAAR; HAARWI8SELING.
De eerste haren van den niensch ontstaan in de derde of vierde maand van het vruchtleven, en wel het eerst op de wenkbrauwen, daarna op het voorhoofd, het schedeldak, latei-op den romp, de armen en boenen, en het laatst up de rug-vlakten van hand en voet.
In het stratum Malpighi gaan de cellen zich deelen en ontstaat een knopje, waaruit zich een massieve kegel ontwikkelt, die in de huid dringt.
Dan begint zich aan de punt van dezen kegel van epithe-liumccllen uit de lederhuid eene ophooping van ronde en spoelvormige cellen te vormen, die eerst een knopvonnig verlengsel (de latere haarpapil) naar den genoemden kegel richten, en verder om dien kegel heengroeien, in bindweefsel veranderen en den haarzak vormen.
De kegel van cpithelinmcellen wordt later buitenste wortel-se Iteedc ; terwijl het haar en de binnenste wortelscheede zich ontwikkelen uit eene celgroep, die zich daarvan afscheidt. Deze celgroep, door UNNA primitieve haar kegel genoemd, groeit om de papil, verlengt zich dan naar boven en al spoedig is verhoorning waar te nemen en zijn twee lagen daarin gedifferentieerd, namelijk een lichtgekleurde mantel en een donkere kern. Uit den mantel ontstaat de binnenste wortelscheede met hare drie lagen; uit de kern ontstaat het haar met zijne bastzelfstandigheid en cuticula, maar zonder merg-substaiitie, want deze ontbreekt bij foetale haren.
liet haar zelf groeit sneller dan de binnenste wortelscheede, doorboort deze ten slotte en baant zich tusschen de epithe-liumcellen door een weg naar de oppervlakte der huid.
56
Zóu bedekt zich het lichaam van het foetus van de zesde tot de achtste maand met haren, die echter, evenals de haren van volwassen personen, niet blijven voortleven; in dc volgende maanden vallen zij uit, terwijl nieuwe haren daarvoor in de plaats komen [foetale haarwisseling), en dit proces gaat na de geboorte door en eindigt eenige weken later.
UNNA noemt de eerste foetaalharen âprimaire harenquot;, de latere âsecundaire harenquot;.
De donkere hoofdharen, waarmede vele kinderen ter wereld komen, zijn nog de laatste resten van dc âprimaire harenquot;.
Uitgevallen haren van het foetus vindt men bij de geboorte in het vruchtwater; zij worden hiermede ingeslikt en met het meconium weder ontlast.
Uit dc aanwezigheid van haren in het meconium mag besloten worden, dat het afkomstig is van een foetus van minstens acht maanden of van een kind van hoogstens tien dagen (WaldeVER); na 10 dagen houdt gewoonlijk het voorkomen van haren in de ontlasting op.
Het foetale haar leeft dus buitengewoon kort. De latere haren hebben een langeren levensduur, die ecliter bij verschillende individuen en voor een zelfden persoon naar den zetel van het haar varieert. Zoo wordt door Donders en Müee de levensduur der oogharen op 110 dagen, die van het hoofdhaar door PlNCUS op 2 tot 4 jaren geschat.
Neemt men aan, dat het hoofdhaar dagelijks 1 m.M. groeit, dan volgt uit deze getallen, dat liet eene gemiddelde lengte van 0,72 tot 1,5 meter bereiken kan, en voorts dat de dagelijksche groei der oogharen al bizonder gering moet zijn.
De groei van het haar heeft uitslvtend van uit den wortel plaats. Kr vormen zich namelijk op de papil voortdurend nieuwe cellen , waardoor de hooger gelegene opschuiven. De onmiddellijk op den haar tepel gelegen laag cellen is de eigenlijke plaats, waar voortdurend nieuwe haarcellen gevormd worden; deze laag wordt daarom de matrix van het haar genoemd.
Volgens Giuvannini echter vindt ook in hoogere lagen van
57
den haarbulhus ccldccling plaats. Als dit waar is, moet uien aannemen, dat bij den groei van het haar een vrij groot deel van den bulbus actief werkzaam is. In ieder geval kan nieuw haarweefsel alleen gevormd worden door nog levende en voor ontwikkeling vatbare cellen, zooals die gevonden worden in de diepste lagen van het haar.
Ue voorstelling, dat door het afknippen van het haar de haargroei bevorderd wordt, is onjuist, wat door metingen is aangetoond; a priori is ook niet anders te verwachten, want de gedeeltelijke eliminatie van een niet meer productief materiaal kan onmogelijk de aanleiding zijn tot actiever productie van cellen. Toch is gebleken, dat kort geknipte haren stijver worden en dikker schijnen; doch het microscopisch onderzoek heeft geleerd, dat dit alleen het gevolg is van het ontstaan van spleten, uitdroging van de haarzelfstandigheid en een grooter gehalte van in de bastlaag gedrongen lucht.
Op deze wijze worden haren door het afknippen dikker, maar die toename in dikte is slechts schijnbaar en er heeft werkelijk geene meerdere vorming van haarstof plaats.
Intusschen valt niet tc ontkennen, dat er middelen zijn, die een prikkel op de matrix van het haar en dus invloed op de haarvorming kunnen uitoefenen, evenals wij dat o. a. bij ontstekingen van den haarzak waarnemen.
Zulke prikkels moeten echter in de diepte werken, n. 1. tie matrix zelf treffen.
Middelen, die den levensduur van het haar bevorderen, kennen wij niet. Wel kan de levensduur wanneer hij door ziekteprocessen (alopecia b. v.) verkort is, tot op den normalen gebracht worden, maar in ieder geval valt een haar uit, zoodra zijn typische levensduur ten einde is en wordt het onder normale omstandigheden door een nieuw haar vervangen.
Dit proces, dat bij dieren aan bepaalde tijden gebonden is en het ruien genoemd wordt, heeft bij den mensch onafgebroken plaats, zoodat gewoonlijk du mensch dagelijks haren verliest en nieuwe krijgt (haarwisseling).
58
Dc haarwissfling heeft zóó plaats, dat de bulbus van hut oude haar van den haartepel loslaat en in den haarzak opschuift; daarbij verhoornen de kernhoudende cellen van den bulbus die daarbij kolfvormig wordt, doch uitgerafeld als een bezem (Huni.k's haarkolf). Terwijl het oude haar in den haarzak opschuift, neemt het gewoonlijk resten van de eveneens afstervende wortelscheeden mede. De cellen van de inwendige wortelscheede brokkelen allengs af en atrophieeren, zoodat eindelijk nog slechts de resten van dc buitenste zvortel-sc/ieede overblijven.
UNNA meent nu, tlat het haar als het van de papil gescheiden is, niet ophoudt met groeien, maar dat het, zoodra het bovenste deel van den haarzak bereikt is, zijne beweging staakt, en dan nog bastzelfstandigheid om zijn onderste gedeelte afscheidt. Zulke haren noemt hij âHeethaarequot;, dat zijn dus haren zonder papil en die toch door blijven groeien, omdat de cellen van de buitenste wortelscheede of stekellaag van den haarzak, die innig samenhangen met den bulbus van het uitvallende haar, zich ter hoogte waar dit zijne beweging staakt, gaan deelen en nieuwe bastzelfstandigheid produceeren.
Ter onderscheiding van de kiemlaag op de papil noemt unna dit haarproduceerende deel van de stekellaag van den haarzak: âHaarbeetquot;, d. i. haar heil. liet verdikte onderste gedeelte van het uitvallende haar staat in een later stadium door eene dunne streng van epithelium met de oude papil in verbinding. Uit dit epithelium vormt zich, naar hij meent, het nieuwe haar, zoodat âBeethaarquot; en wisselbaar inwendig samenhangen.
De meeste onderzoekers daarentegen nemen aan, dat het haar ophoudt met groeien, zoodra het zich van dc papil heeft losgemaakt.
Na de loslating van het haar blijven op de papil enkele cellen van de buitenste wortelscheede achter, terwijl de papil zelf verschrompelt en de haarzak samenvalt.
59
Uil ileze overgebleven cellen van ilc buitenste wortelscheede ontwikkelt zich ccne streng, die zich uitstrekt tot het ondereinde van het uitvallende haar; zij wordt de schcedeen tevens matrix van het nieuwe haar, dat ontstaat op de wijze, zooals hierboven voor het foetale haar is aangegeven.
De gecollabeerde haarzak verwijdt zich weder, de papil wordt grooter, en al groeiende schuift het nieuwe haar het oude geheel naar de oppervlakte.
LITERATUUR.
I. Over do Huid.
1) AiiiiY, hiu ilurkunft ties Pigments im Kpitbel. Mod. Cuntntlbl. 1885, n1' 10. 2) Arno/.an, Uoboi' dio Voitlioilung der normaloii KeUiilisou-dcning iiiil dio llaut. Amiiil. do Durmat. ot S.ypli. IS'.iiJ, 1.
;5) A iuin.son , iiintrago /.ur Konntniss dor oontralon mul jioriphoron Norvonondigungeu. Inang.-Dissort. Ãorlin 188(3 iiu Ansohlusso auEinu.irii'r* or.sto Motliylunblau-Arboit. *1) Auhhut, Vortboilimg dor iioriuakn Fottseorotion dor llaut. NiicU oinoiu Uoforato in don Mouatsh. f. jiralit. Dormat. 1892, XV, pag. I'iT. 5) Aul'iiam.mkk, Kriti.-iirondo liomorkuugon zu Sciiiioen'h Sat'/.: âLo utrato cornoo oto.quot; Vorliarullungon d. phy«.-mod. Gosollscli. in Wiirzburg. 18l)l(, 1. til lijiitx, Stndion iibor die Vorhornuug dor monscldiohon Oborbaut. Arch. f. mikr. Anat. 18(.t2, XXXIX. 7) Beiiuens, Zur Konntniss dos snbopitbolialon olastisolioa Not/.os dor llaut. Dissert, liostock 1892. 8) üiksiadki ki, Aus StiuckuiV llandbucb dor Lehro von don Gowobon. 1871, 20. Cap. 9) Ulasciiivü, Zur Anatomie und llntwickhingsgcsohiohte dor Oborbaut. Arch. 1'. Anat. u. L'hysiol. 1884. 10) Ulasciiko, t'ober don Bau dor llaut. Arch, f. Anat. u. l'hysiol. 1885. 11) Boas, Ein Heitrag znr Morphologie dor Nilgol, Kralle etc. Morphol. Jahrb. IX, pag. 389. 12) Bonnet, Uobor die glatte Musculatur dor llaut und dor Kniluoldriison, Bayer, ilrztl. Intolligon/.bl. 1885. 13) Bonnet, Uobor die MmiKi/schen Tast/.ellen in dor llaut. Bayer, ilrztl. Intolligon/.bl. 1885. 14) Bkenner, Dio Nervon dor Capillaren, dor kleinen Artorien .und Vonon. Arch. i. mikroskop. Anatomie. 1882, pag. 003. 15) Buz/.i, Koratohyalin und Kloidin. Monatsb. f. prakt. Derinat. 1888, VII, I. Theil; 1889, VIII, II Thoil. 10) Cajai., Contribution a Tétude dos cellules anastomosóos dos epitheliums paviui. stratif. Internat. Monatsschr. t. Anat. n. llistol. III. 17} Ca.ial, Nuovo concepto do la llistologia do los centros nerviosos. Barcelona 1893. Genauero Angaben fiber Cajal's Arboiton bis zuin Jahre 1893 s. Kollikek, Gewobciohro. II, Heft 1, pag. 72. 18) Canini, Dio. Endigung der Nerven in der Haut dos Froscblarvenachwan/.os. Arch. t'. Anat. und Physiol. 1883, pag. 149. 19) Casi'AUV, Ueber den Ort der Bildung des llaut-pigments. Viorteljahrschr. f. Dormat. u. Syph. 1891, pag. 3. 20) Colle.s,
61
Uebor das Vcrhaltnn der Wandcraoltcn. Vmonow's Aroliiv. 1881, LXXXVI. 21) Coiin Mojij/., Der augonblicldichc Stand der Pigmentfrago. Kino kritische Uebersioht. Monatsh. für prakt. Dermat. 1894. XVTIT, pag. 353. 22) (!oiin Mom/., znr Anatomie der Kpholiilen, rjentigines und Naevi pigmentosi. Ebenda. 1891. 23) CvjiULSKi, J)as Nervensystem der Schnauze und Oberlippen vom Ochsen. Zeitschr. f. wissenschaftl. Zoologie. 1883. 24) Diuscu, Znr Frage der Regeneration des Traoheale-pitbels. Sitzungsber. d. Kaiserl. Akad. d. Wissensch. Wien, 1881. 25) DiiAscir, 'Am Frage der Kogeneration mid dor Ans- wnd Uiickliildung der Epitbelzcllen. Kbenda. 1880, XCIII. 20) Kisneii, Untersncliungoii fiber die Uraachen der Anisotropic orgnnisirter Snbstan/.en. Leipzig, 1882. 27) Eddowks A., Ueber die Natur der llEiixinsiMEii'schen Spiralen der Oberbaut. Monatsh. f'. prakt. Dermat. 1890, XI, pag. 202 f. 28) Kma.icii, lieber die Mcthylenblanreaction der lebenden Nervensnbstanz. Dentschc med. Wochenschr. 1880, Heit 4. 29) Eukmann, Untersuclmngen über die Physiologic nnd Pathologie iles llantpigments. Vierteljahrschrift 1'. Dermat. 1885, |iag. 507. 30) Eukmann, Beitrag zur Physiologic der Pigmentzcllen nach Versnellen am Farbenwechsel der Aniphibien. Arch. 1'. Dermat. nnd Sypb. 1892, Helt 4. 31) Eiiumakn, '/au Kenntniss von der Entwicklung nnd Wandcrnng des Pigments bei den Aniphibien. Arch. 1'. Dermat. u. Syph. 1892, pag. 195. 32) Eiiumann, Ueber llautentfilrbung dnreb secundilre und syphilitischo Exantheme. Arch. i. Dermat. n. Syph. 1891, Ergilnznngshelt 2. 33) EicirnoKSï, Verbreitungs-weise der llantnerven beim Menschen. Zeitschr. f. Klin. Med. XIV, Helt 5 nnd 0. 34) Eknst, Ueber die Beziehungen dos Kcratohyalins zum Hyalin. Vinoiiow's Archiv. CXXX. 85) Fuenkkl, Nerven nnd Epithel am Froschlarvenschwanz. Arch. f. Anat. u. Physiol. 1880, pag. 145. 30) Fkenkel, Die Nerven im Fpithol. Vmciiow's Archiv. C1X, pag. 424. 37) Gaule, Ergilnzende Bemerknngen zu Canini's Arbeit. Arch. f. Anat. n. Physiol. 1883; im Ansehlnsse zn dor citirten Arbeit von Canini. 38) Gastuuicii, Die Durchsichtigkeit der menschlichcn llaut. Dissert. Erlangen. 39) van Gehuchten, Les découvertes récente» de Panat. et Phist. du syst. nerveux. Anniil. de la soc. beige de microscopie. 1891, XV. 40) van Gehuchten, La moëlle épinièrc et Ie eervelet. La Celluie. 1891, VU, Fase. I. 41) Gegenbauer, zur Morphologic des Nagels. Morphol. Jahrb. 1885, X. 42) Qoltjschhideu, Ilistologischo I'ntersucbungcn über die Endigungsweisc der Hautsinnesncrven beim Menschen. Arch. f. Anat. u. Physiol. 1888, pag. 191. 43) Goua, Nervensystem. In Ergcbnissen der Anatomie und Entwiclcbingsgeschichto von Mhiikhi, nnd UoNNKT. 1891, i pag. 250â328. 44) Golgi, Sulla fina anatomia degli org. centr. del sistoma nervoso. Milano 1880. 45) Golgi,
62
Kino Roilio von Arboiton in weinig vcvbreitetcn italionischen Zcitschriftcn pnlilicirt; s. Köi.i.iknii, Gcwobelehrc. Leipzig 1893, IT, 1 IlilH'tn, pag. 71. â ki) Grossh, Uobei' Keratobyalin nml Ele'idin etc. Dissert. Königsberg 18i)2. 17) Guldhejig, TJebcr dio Nagel matrix nnd die Veibornnng dos Nagels. Monatsheft f'. prakt. Dermat. IV, pag. 7. 43) IIai.i'ekn, Ueber daa Vcrhalton dos Pigments in dor Oberbinit dos Monsohon. Arch. f. Dormat. n. Sypb. 1801, Heft (i. -I!') IIansemann, Ueber Zelltboilnng in dor inenscblicben Kpidomiin. Viuciiow's Festscbrift. 50) Henlh, Das Wacbathnni dos inenscblicben Nagels nnd des Pferdebnfcs. Abhandlnng d. Ki'migl. Oesollscb. d. Wissonsch. zn Göttingen XXXI. 51) ITenle, Anatomie. 1873, II. 52) Hesnuji, Til Belysning of cellernos former. Cbristiania 1884, I; 1885, 11, Ref. Jabresbor. iibor die Fortscbritte dor Anatomie nnd Physiologic (Hoemank n. Schwalue). 1885, XIV, Holt 1, pag. 34 bis 37. 53) IIekxiieimer, Ueber oigentlnimliohe Fasern in dor Epidermis nnd im Epitbel gewisser Scbloimbilnte dos Menscben. Arcb. f. Dermat. n. Sypb. 1889, Nr. 5. 54) IIeynolti, Ueber die Knilneldriise des Menscben. Virciiow's Arcbiv. LX1. 55) IIoggan, On some cntanoons Nerve terminations. Linnean Soc. Journal Zoology. Juni 1882, XVI 50) IIoggan, None Formen von Nervonondignngen in der I hint von Siiugothiorcn. Arcb. f. mikroskop. Anat. 1884, XIII, pag. 509. 57) Holmes, Tbe epidermic growths of vertebrate animals. Proceed, trans. Croydon nat. bist. Club. LXH, 3. Tbeil, pag. 72. 58) Jaiuscii, Ueber die Anatomie und Entwicklung des Oborbautpigmonts beim Frosehe. Arch. f. Dermat. nnd Sypb. 1891, Heft 4. 59) Jarisch, znr Anatomie und Herknnft des Oberbautpigments beim Menscben und den Silnge-tbieren. Arcb. f. Dermat. n. Sypb. 1891, Ergilnzungsbeft 2. CO) Jarisch, Ueber die liilduug des Pigments in don Oberbautzellen. Arch. f. Dermat. u. Sypb. 1892, Heft 2. 01) Jariscu, Ueber Anatomie nnd Entwicklung dos Oberbautpigments. II. internationaler dermatolo-gischer Congress zn Wion 1892. 02) Ide M., Neue Beobachtnngen fiber die Epithelzollen. La Cellule. 1889, V, 2, Tbeil; citirt nach einem Referate in dom Monatsb. f. prakt. Dermat. 03) Kahlden, Beitrilge znr Anatomie dor AnmsoN'scben Krankbeit. Virciiow's Arcbiv. 1888, CXIV, pag. 05. 04) Kaposi, Ueber Pathogenese der Pigmentirungen und Entfilrbungen der Haut. Vierteljahrscbr. f. Dermat. u. Sypb. 1891, pag. 191. 05) Karg, Ueber Pigment. Verbandl. d. anat. Gesellsch. 1887. Anat. Auzciger, 1887, pag. 377. 00) Klemensiewicz, Ueber die Wirkung dor Hlntnng etc. Wiener Akad. 1887. 07) Ki.emensiewicz, Ueber den Einfluss der Körperstollnng ete. Wiener Akademie. 1887. 08) Klkmen-siewicz, Ueber Entzttndung und Fiterung. Jena 1893; G. Fisciikr, Zur Charaktcristik dor Wanderzellen. 09) Key u. Hetzius, Znr Kenntniss der
03
Saftbahnon der Hant des Mimschen. Biol. Untersuchungen 1881. 70) Koni.s, Die Kpithelzollon im Froschlarvcnscbwanz. Arch, f, Anat. u. Physiol. 1881). 71) Kovxiker, Eutvvicklungsgosohiohte. Leipzig 1879, 2 And. 72) Köllikeu, Handbuoh der Gewebelehre, Leipzig, Engelraann, li Aull. 73) Köi.i.tKER, Wolier stanmit dan Pigment in den Epiderniis-gebilden. Anat. Anzeiger. 1887. pag. 483. 74) Köllikeu, Ueber die Kntstohnng des Pigments in den Oliorhautgebilden. Sitznngsber. d. Wiirzburger physiol. Gesel'sch. 1887. 75) Köli.ikek, Ueber die Entste-Imng des Pigments etc. Zeitschr. 1'. wissenschaft]. Zoologie. 1887, XLV. 7(1) Köllikeü, Die Eufwickbing des menschlichen Nagels. Zeitschr. f. wissenschaftl. Zoologie. XLVI1, Heft 1. 77) Kollmaxn, Dor Tastapparat des Fusses von Afl'o und Mensch. Arch. f. Anat. u. Physiol. 1885. 78) K'rause, Beitriige zur Kenntniss der Haut der Aften. Dissert. Berlin 1888. 70) Kromayek, Was bedingt die wcisso Earbe unsercr Ilant? Deutsche mod. Wochenschr. 1890, nr. 25. 80) Kuomayeb, Ueber die Dontnng der von IIeiixmeieii im hlpithel beschriobenen Fasern. Arch. i. Dormat. u. Syph. 1890. 81) Ktiomayer, Vorschlag zu einer nonen Eintheilnng dor Hant. Monatsh. für prakt. Dormat. XXHT, pag. 431. 82) Kromatkr, Dio Protoplasmafasernng dor Epitholzellen. Arch. f. mikroskop. Anat. XXXIX. 83) Langer, Zur Anatomie und Physiologie dor Hant. Sitzungsbor. d. Kaiserl. Akad. d. Wissensoh. in Wion. 1801 â18(J2, XIjlV u. XLV. 84) Lanoejuians, Ueber mohrschichtige Epithelion. Virchow's Archiv. LVI1I. 85) Leniiossek, Dor feinere Bau dos Norvonsystoms im Lichte nouestor Forschungon. Portschr. d. Mod. 1892. 86) Lewin, Mikroohemischor Nachweis von Cholesterinfott in dor Körnorschicht der Epidermis. Berliner Klin. Wochenschr. 1880, nr. 2. 87) Lewinsky, Uobor Hantfurchen und Hautpapillon. Arch. f. Anat. u. Physiol. 1882. 88) Lewinsky, Uebor dio Furchen und Falten dor Hant. Virchow's Archiv. 1883, XCII. 89) Lieheiimann, Uebor dio Oxychino-terpon. Ber. d. doutschon chom. Gosellseh. 1885, 18 Jahrg. 90) Liebhek u, Uebor das Lanolin etc. Berliner Klin. Wochenschr. 1885, nr. 47. 91) Loewy James, lleitrage zur Anatomie und Physiologie dor Oberhant. Arch. f. mikroskop. Anat. XXXVH. 92) Lott, Ueber don feineren Bau und die pbysiologische Regeneration dor Epithelion. Untersucbungon an dem Institut 1. Physiol. u. Histol. in Graz. Leipzig 1873, Engelmann, licit 3. 93) Macallum, The nerve terminations in the cutaneous epithelium of the tadpole. Quart. Journ. of mier. science, 1885, pag. 53. 04) Meissneu, Zur Function dor Kniluoldriisen; aus dem Jahre 1857. Bericht fiber den Fortscbritt der Anatomie und Physiologie von Henle und Meissneu 1850. Vollstilndig mitgetheilt in dem Monatsh. f. prakt. Uermat. 1880, Ergilnzungsheft 2. 05) Mitbopiianow, Uobor die Endignng
04
dor Nnrvon im Epitliol ili'r Kanlquiippe. Arch. f. Anat. n. Physiol. 1884, pag 191. 07) Momson, Boitnig /.ur Fragc von tier Pigmontbildnng in der Nogerhant. Monatsch. f'. prakt. Dermat. IX, ngt;-. 11, pag. '185. Hi) Nalki'a, Die Intorcelliilarrrmnio des Mpithcla etc. Sit/ungsher. d. Kaiserl. Akad. der Wissensch. in Wien 1883. 98) Neumann, lieitragu zur Konntniss dor pathologischcn rigmente. Viwitow's Archiv. 1888, CXI, pag. 25. 99) Niemeijeu 11., Ein Fall von periodischcm I'igmentwcchsel bei eineui Kall'ern. Monatsh. 1'. prakt. Dermat. XIII, nr. 3. 100) Nothkagkt,, /,iir Pathologic des Morbus Addison. Zeitschr. 1. klin. Mod. IX, Hett 3 w. 4. 101) Nusshacm, Uebcr die Vertheilung der Pigmentkörner bei Karyokincso. Anatom. An/.eiger. 1893, iir. 20, pag. 606. 102) Ounr, It,., Mikroskopisch-anatomische Untersiichnngen zum Studium der Epulernns nnd Cutis der Palma maims. Mit dom Grassi-Preiso zu Pavia gekrönto Abhandlung aus dem Italienischcn von P. CI. Unna niitgetheilt in dom Monatsh. f. prakt. Dennat. 1889, Ergiinzungsheft 2. 103) Pfitzneu, Arbeit über die Nervenor.den in der Haut der Frosch-and Salamander-larven. Morpbol. .Tahrb. VIII, pag. 720. 104) Pjiilippson, Ueber die llcrstellnng von Flilchonbiltlern dor Oborhaut nnd der Lcderhaut. Monatsh. 1'. prakt. Dermat. VIII, ngt;'. 0, pag. 389, mit Abbildungen. 105) Philiitsok, liemevkungon /.ur normalen Histologie dor menschlichon Talgdriison. Monatsh. f. prakt. Dermat. 1890, XI, pag. 202 f. 10(3) I'lüsciikow, Heitriige zur Histologie der Haut (rusaisch)j s. Anat. Anzeigor, 0. Jahrg. 107) I'oi.i.it/.hu, A. M. D, Uebcr die Natur der von Zander im ombryo-nalen Nagel gofundencn Körncixellen. Monatsh. 1. prakt. Dermat. IX, pag. 340. quot; 108) Post, Ucbor normale nnd pathologische Pigmentirung der Oberhantgebildo. Anat. Anzeigor. 1893, nr. 17, pag. 579. 109)1! .mie, Ueber die Entwick.ung dor Pigmonte in den Dnncntedorn des Hilhnchons. Wiener Klin. Wochcnschr. 1894, n'. 20. 110) IUnvieu, Traité technique d'histologie. UI) «anvibk. Sur une substance nouvelle de lY-pidonno et sur 10° processus de Kératinisation du revètement tfpidermique, Compt. rond. de VAcad. des sciences. 30. Juni 1879. 112) Iïanvieu, De réldidino ot dc la repartition do cctto substance dans Ia peau, Ia muqueuse buccalo et oesophagienne des vertébres, Arcb. de phyaiol. 1884. 113) HANViun, Des lésions du tissu conjunctiv lache dans l'oodème. Compt. rend. 1872. 114) v. Recki.inghausen, Untersuchungon in Bezug auf colloidc und hyaline Substanzen. Tageblatt der 52. Naturforscherver-sammlung in 1 iaden-Baden. 115) Uktzius, Zur Konntniss des contralen Nervonsystems von Amphioxus nnd Myxine glutinosa. 1891, N. F nnd andere Arbeiten desselben Vortassers über die Methoden zur Darstellung des Nervonsystems s. Koelik nu. Gewebolehre If, 1. Hillfte, pag. 73. 110) liieiie, Zur Konntniss des Pigments etc. Viertel,jahrschr. f. Dcnnat.
65
1884, pag. 33. 117) Rolleit, Ueber die Eiweisskörper des Bindegowebes. Sit/,ungsber. d. Kaiaerl. Akad. d. Wissensch. zu Wien. XXXIX. 118) Rollkïï, Ueber die physiol. Regeneration der Epithelien. Sitznngsber. d. Vereines d. Aerzte in Steiermark. 1873â1874. 119; Rosenberg, Uebev Nervenendignngen in dor Schleiuihaiit und im Epitbel der Silugethierzunge. Ber. d. Wiener Akad. Mai 1880, XClll. 120) Rossi, Die Geffihlsnervenendignngen der menschlichen Haut. Riforma med. 1803, nr. 107, 108, 199 u. 200. 121) Sappey, Traité d'Anatomie. 1877, III. 122) Sciieix Moriz, Ueber das Wachethuiu der Haut und der Haare der Menschen. Arch. t. Dermat. u. Sypb. 1892, Heft 3. 123) Sciiein Moriz, Ueber denselben Gegenstand in der Wiener Klin. Wochenschr. 1892, nr. 5. 124) Schmidt M. B., Ueber die Altersvex'ünderungen der elastiscben Pasern in der Haut. Virciiow's Archi?. CXXV. 125) Schwalbe, Ueber die Hauti'arbe des Menschen und der Silugethiere. Vortr. im naturwissenschaftlichen Vereine zu Strassburg; nach einem Kef. in d. Monatsb. i'. prakt. Dermat. XIV, nr. 9, pag. 369. 120) Spalteholz, Die Vertheilung der Blutgefasse in der Haut. Arob. t'. Anat. u. Physiol. Anat. Abth. 1898. 127) Spaltuiiolz, Die Arterien der menschlichen Haut. 13 stereoskop. Tafeln nach l'hotographien eigener Prilparate in Kupferdruck. Leipzig, Veit, 1895. 128) Steveriiial, Zur mikrochemischen Reaction des normalen menschlichen Fettgewebes, Dissert. Berlin 1888. 129) Sticker, Ueber die Kntwicklung und den Ban des Wollhaares beim Schai'e. J)issert. Berlin 1887. 130) Stöhr, Lehrb. d, Histol. 131) SuriiARi), Dos modifications dos cellules de Ia uiatrice et du lit de l'ongle dans quelques cas pathologiques. Arch, do Physiol. 1882. 132) Tomsa, Beitrilge zur Anatomie u. Physiologic der luenschlichen Haut. Arch. i. Dermat. u. Sypb. 1873, I. 133) Uhthoee, Ein Pali ungewöhn-licher Degeneration der menschlichen Conjunctiva, Virciiow's Archiv. LXXXV1. 134) Unna, Entwicklungsgeschichte und Anatomie der Haut. Ziemssen's Handb. d. Hautkrankb. Leipzig 1883. 135) Unna, Pari se r Briefe. Monatsb, f. prakt. Dermat. 1888, VII, Heft 11, 12. 13. 130) Uxna, Die Portscbritte der Hautanatomio in den letzten 5 .Taliren. Monatsb. i'. prakt. Dermat. 1888, VII. 137) Unna, Handb. der Hautkrankb. Leipzig 1883. 138) Unna, Beitrilgo zur Histologie und Entwicklungsgeschichte der menschlichen Oberhaut und ihrer Anhangs-gebildo. Arch. f. mikroskop. Anat. XII. 139) Unna, Ueber das Kerato-hyalin und seine Bedeutung für den Process der Verhornung. Monatsb. f. prakt. Dermat. 1882, I, Heit U*. 110) Unna, Portscbritte dor Haut-anatomie etc. Monatsb. für prakt. Dermat. 1887, pag. 300. 141) Unna, Portscbritte der Hautanatomie in den letzten fiinf Jahron. Monatsh. t. prakt. Dermat. 1889, VIII, pag. 210 u. 250. 142) Unna, Ueber l'roto-
66
plasmafilrbung nebst Bemerkimgen fiber die Bindegi;webazellen dcr Cutis. Monatsh. t'. prakt. Deruiat. 1894. XIX, nr. 5, pag. 225. 1-13) Waldeyer, Untersnchimgen ilber die Histogenese der Horngebilde. Henle's Festschrift, jiag. Hï). 144) Winki.ek, Zur Frage naob dem Ursprnnge des Pigments. Mitth. d. embryol.-histol. Institutes d. Univer-sitilt in Wien Holder 1892; nach einem Hef. ans den Monatsh. für prakt. Dermat. XV, pag. 457. 145) Wolit, Die Nerven des Frosch-larvenschwanzes. Verhandl. d. Berliner physiol. Gesellsch. 1884. 140) Zahdek, Der Ban der mensehlichen Epidermis, Arch. f. Anat. nnd Physiol. 1888. 147)Zandeii, Die frühesten Stadiën der Nagelentwicklung. Arch. 1. Anat. u. Physiol. 1884, pag. 103. 148) Zakdek, Untersuchungen ttber den Verhornungsprocess. I. Mittheilung fiber die Histogenese des Nagels helm mensehlichen Fötus. Arch. f. Anat. u. Physiol. 1886, pag. 273.
(Ki.emeksiewicz.)
II. Over het Haar.
1) W. Wai.deyeu , Atlas der menschlichen \ind tierischen Haare. Lahr 1884. 2) W. Wai.deyeu, Untersuchungen fiber die Histologie der Horngebilde, insbesondere der Haare nnd Federn; in âBeitriige zur Anatomie nnd Embryologie, Festgabe lür Jacoü Henlequot;, Bonn 1882, pag. 141. 3) B, Ekle, Die Lehre von den Haaren in der gesammten Natur, Wien 1881, 2 lide. 4) 0. Oesteulex, Das menschliche Haar, Tiibingen 1874. 5) pi'ai i, Das menschliche Haar, Leipzig 1869, 2Aufl. 6) G. Aubuiitin, Ueber physiologische nnd pathologische Verschiedenheiten des Haar-bodens. Inaug. Dissert. Berlin 1895. 7) Boccaedi nnd Axiexa, Hendi-conti della K. accad. delle Scienze fisiche e matematicbe Fasc. 7, 1877. 8) A. v. Buuxn, Zur Kenntniss der Haarwurzelscheiden. Arch. t. mikroskop. Anat. 1895, X 1,1 V, pag, 207. 9) F. Bum, Keratohyalin und Eleidin. Monatsh, 1 prakt,Deruiat, 1889, VIII, pag. 1, 149. 10) V. v. Ehïcer, Mikroskopische Studiën fiber Wachsthum und Wechsel der Haare. Sitzungsb. d, k. Akad. der Wissensch. Wien 1876, LXXIV. 11) Eschuiciit, Ueber die Richtung der Haare am menscblichen Korper. Mülleii's Archiv. 1837, pag, 37. 12) Feyebtag, Ueber die Bildung der Haare. Inaug. Dissertation Dorpat, 1875. 13) JI, Flesch, Locken von gekriluseltem Haar inmitten des sonst schlichten Kopfhaares. Monatsh, f, prakt. Derm. 1886, V, pag. 522. 14) S. Giovaskim, Sur la kdratini-
sation des poils et les alterations des follicules consécutives a Fépilation. Arch, de biologie 1891. 15) S. Giovaknini, De la regeneration des poils après Tépilation. Arch. f. mikroskop. Anat. 1890, XXX VI, pag. 528. 1(5) S. Giovanniki, üeber die normale Entwicklung nnd über einige Verilnderungen der monschlichen Haare. Vierteljahrschr. t. Derniat. 1887, pag. 1049. 17) Götte, Zur morphologie der Haaro. Arob. f. mikroskop. Anat. 1808. IV, pag. 273. 18) M. GTiktiieu, Haarknopf nnd innere Wnrzelscheide des Silugethierhaares. Inaug. Dissert. Berlin 1895. 19) Hekle, Ueber die Structur und Bildung der menschlichen Haare. Froriep's Kene Notizen. 1840, XIV. 20) Jaiusch, Zur Anatomie und Herknnft des Oberbautpigments nnd Haarpigments beim Menschen und Saugethier. Arch. f. Derniat. und Sypb. 1802, Ergilngungsheft. 21) A. Köllikek, Handbuch der Gewebelehre. Leipzig 1889, (i. Anil, I, pag. 22(1 tl'. 22) A. Köllikek, Entwicklungsgescbichte. Leipzig 1879. 28) Langer, Ueber den Haarwechsel beim Thier und Menschen. Denkschr. d. Akad. Wien 1850, I. 24) L. Landgis, Das plötzlicbe Ergrauen der Haupthaare. Vmcuow's Arcbiv. XXXV, pag. 575. 25) G. Lewin, Mikroohemischer Nachweis von Cholesterinfett in der Körnerschicht c!er Epidermis. Berl. Klin. Wochenschr. 1886, ur. 2, pag. 22. 26) O. Liebrek ii , Ueber das Lanolin, eine neue Salbengrundlage. Berliner Klin. Wochenschr. 1885, XXII, pag. 761. 27) E. MiluLY, Beitrilgo zur Anatomie, 1'hysiol. und Pathologie der Cilien. Zehcnder's Monatsb. f. Augenbk. Beilageheft, 1879, XVII. 28) J. 1'iscus, Der Einfluss des Haarpigments nnd des Markcanals auf' die Eiirbung des Haares, Arch. f. Dermat. und Syph. 1872, IV, pag. 1. 29) J. I'ikcus, Virciiow's Archiv. 1886, XXXV11. 80) .1. Pin'cus, Ueber den Ban des Haupthaares und den Haarwechsel irn mittleren Lebensalter. Arch. f. Anat. und Physiol. 1871. 81) Han vier, Ueber den fibrilliiren Bau der Epidermiszellen. Compt. rend. 1874, XCV. 32) P. Kater, Theoretisch-praktische Darstellung der Haut-krankbeiten. Aus dem Französischen von Stankius. Berlin 1889, 111, pag. 826. 88) F. Reikke, Untersuchungen über die Horngebilde der Siuigethierhaut. I. Ueber den Haarwechsel und die UsxA'sche Lebre vom âBeethaarquot;. Arch. f. mikrosk. Anat. 1887, XXX, pag. 181. 34) E. Reissner , Beitrilge zur Kenntniss der Haare des Menschen en der Silugethiere. Breslau 1854. 35) G. IIieiii, , Zur Kenntniss des Pigments im menschlichen Haar. Vierteljahrschr. f. Dermat. und Syph. 1884, XI, pag. 88. 86) K. ScnuLiN, Beitrilge zur Histologie der Haare. Zeitschr. f. Anat. und Entwicklungsgescbichte, II, pag. 375. 37) A. Sticker, Ueber die Entwicklung und den Bau des Wollhaares beim Schafe. Inaug. Dissert. Berlin 1887. 38) W. Tomsa, Beitrilge zur Anatomie und Physiologie der menschlichen Haut. Arch. f. Dermat. und Syph.
j
68
187:3, V, pag. 1. 39) P. G. Unka, Beitriige zur Histologie und Kut-wicklungsgesch. tlGr menscbl. Oberhtiut und ihrcr Auliiiiigsgebildc. Arch.
f'. mikrosk. Anat. XII, pag. (iOS und v. Ziejissen's Haudb. d. Haut-krankb. Leipzig 1883, 1, pag. 51 ff. 10) P. G. Unna, Ueber das Kei-ato-hyalin und seine Bedeutung für die Verhornung. Monatab. t. prako.
Demi. 1883, 1. H) R. Viticuow, Die Sakalaven, Monatsber. d. Berl.
Akad, d. Wisaenscb. 13 Dec. 1880. 12) A. Cii. Vohit, Abhandlung ttber die llicbtung der Haare am menscbl. Kövper. Uenkscbriften der math. â naturw. Classe der K. Akad. d. Wissensch. Wiun, 18-'7, XIIT.
43) AVeuïukim, Ueber den Bau des Ilaarbalges beim Menscben.
Sitzungsber. d. Iv. Akad. der Wisscbensch, 18ii l , L. 44) J. ZabluDOMski, Der Verhornungsprooess wilbrend des Eiubrvonallcbens. Mitth. aus dom embryol. Institut der K. K. Universitilt in Wien. 1880, II, pag. 65.
(Gusiav Beukend.)
i . .. â .
.
,
M-,., - ⢠⢠- .......
⢠â â
â ... kvi^lKf
â
iiiiiii â â â â â â - â â ' â â ' gt;n
â | ,
| I
'
.
.
...... â â
â ⢠â â â â â â â
quot;
.
...... â â
â ⢠â â â â â â â
quot;