i
f
\
I
!â¢
i ?*â
BIJBELSGHE GESCHIEDENIS
VOOR
Heï Katholieke Redeplandgehe üolk.
6'
o/gt;V
BlIBtLSCHE GESCHIEDENIS
VOOR
HET KHTHOLIEKE NEDERLMDSCHE VOLK
BtuWKUK DOOK
J. G. HEERES
MET IIOISDEKD PLATEN
VAN
\
GUSTAVE DORÃ
' / y, - -
Derde drak
M K T KERK F, 1. IJ K K (j O K 1) K. K U R I N G.
's H KRTOGENBOSCH, i'. STOKVIS amp; ZOON.
1898.
REIMPRIMATUR.
lirscoDuci, 2 Ski'ikmium 189S.
J. .1. VERSTERllEN, Rector, cd hoc delego tas.
1 NL EI DIN G.
-VAWWV
hc Jiljhelsche (Geschiedenis is lt;/lt;'. geschiedenis, die in den li IJ HKL of de li. Schrift staat opgeteeieend.
liet hooge gewicht, dat de II. Schrift hoven alle andere hoeken, die ooit geschreven zijn, bezit, spruit vooral voort uit een tweevoudige bron.
Kersten* is zij niet op gcivone ivijze door gewone menschelijke schrijvers tot stand gekomen; have vervaardigers ivaren heilige, (lodgeivijde mannen, die rechtstreeks door (lod zeiven tot schrijven ivevdcn opgewekt en daarbij door den II. (leest zoo iverdoi geleid en voorgelicht, dat zij rolkonien innirheid en niets dan waarheid schreven. Door die leiding en voorlichting des II. (leesles heeft de II. Schrift een boveninensehelijk, on f ei than r gezai/.
Niet minder dan door deze irijze van haaf ontstaan is de II. Schrift van het allerhoogste belang negens haar itihond. Zij bevat voor hit grootste gedeelte (de mondelinge (herlevering voor een kleiner deel) de door (lod (/eoj)enbaarde ivoarheden en de door Hem gegeven geboden ; zij verbaidt ( met genoemde overleveriiKi) de instelling der heilsmiddelen, die den zondaar h r rechlvaardiginti, den rechtvaardige ter zaliqheid moeten brengen; zij geeft een ivaardige, volmaakt vertromvhare oplossing van de alles beheerschende vraagstukken des menschelijkeh levens; zij deelt mede, hoe de menseh door de schepping het aanzijn kreeg, boe hij dour de zonde zich in het verderf stortte, hoe hij door de barmhartige hand dods en het /oenbloed des \'erlossers uit zijn. val iveder ivevd opgebeurd en nogmaals in staat werd gesteld, om voorgelicht door dods a-aarheid, geholpen door Cods genade, den weg van dods (/eboden te beivandelen en zijn eeuwig einddoel te bereiken.
Al deze bovengenoemde zaken echter in de II. Schrift zelve te lezen, is, wegens de vele moeilijk vershatnhare plaatsen, die de Hijbei bevat, voor een groot deel der menschheid met doenlijk, en levens, a-egens het gevaar van verkeerd verstaan, in het algemeen niet naalzaain. Sedert onheugelijke lijden werden daarom door katholieke schrijvers Hijbelsche geschiedenissen vervaardigd, ivaarin de voornaainste inhoud des Bijbels m een voor onze dagen begrijpelijker vorm en he/,nopter bestek werd medegedeeld.
Overeenkomstig den oord der stof wordt de Hijbelsche geschiedenis 'verdeeld in een desch ledenis des Ouden en een deschicdenis des Ni ouwen Testaments. Ih Geschiedenis van het Mcvwc Testament zal in dit werk ter geschikter plaatse door een eigen Inleiding worden voorafgegaan ; hier vohje thans nou een enkel woord Ier Inleiding van het Oude Testament.
OmJir het (hide TesUivuiit, als historisch lijd perl- heschownl, verst,uil men den tijd van de Srhej.j.in;, der wereld af tol aan de komst des Verlossers. IhtiydsUj, .imrde ongeveer vierduizend jaar. In de eerste helft dier reeh ran eeuwen eefde de menseh, zooals men het (lewooiilijl: uitdrukt, onder de Wot der ^iümu. I tl uil niet zeagen, dat dod het âeslaeht run Adam aan zich zelf, d. i. aan eigen natnurlijke kennis 'en eigen krachten overliet; integendeel, aan bovennatuurlijke openharing onlbiah het niet, en bovennatuurlijke genaden werden, om de verdiensten des toekomhgen Verlossers, aan ieder in cienoegzame mate aangeboden. De benaming ^ ot derNatum wordt alleen gebezigd ter onderscheiding van de Geschreven Wot, waaronder de
nakomelingen van Abraham, Isaac en .Jacob leefden. â , ⢠,⢠r/nl
De bcteekenis, die het Oude Verbond in het jjlan Gods. inneemt, ts die can
wemijzer m fmUrH*r ** * XMjnMe,'. J* WH (»«» *»lt;*gt;«
aenevenr - schrijft de apostel Pan lus in zijn brief aan de Galaten JIJ. 24 â J de opvoedster .jevee.t to, ChUm.' AU* offen, ut * mmmn, ** *£ op zich zelve krachteloos, hadden ten doel heen Ie wijzen naar let oneindige Offa, dat eens in dc volheid der lijdenquot; door den Zoon Gods zon worden opgedragen, al de rein gingen en wasschingen, waarvan die offers vergezeld gwgen, moesten dienen alsl ZL van de innerlijke reiniging, die hel oP Golgotha vergoUn Bloed eennuad
in n aarheid 'voor het geloovig hart zou aanbrengen. Ook de leiding door de I aan den loon der dagelijksche gebeurtenissen gegeven, en meer nog Gods .uhtsUeek^ ZeZlaiJliik beslier 'van zijn volk, waardoor Hij quot; ^
overzond hèl de overwinning over zijne vijanden deed behalen of de n, In laag lijden het vrijheid schonk of het aan de onderdrukking ten prooi gaf het moe.
in s lie'ren hand hel middel zijn, om de behoefte aan den red enden Mess s inm,r dieper te doen gevoelen, hel verlangen naar Hem steeds te doen '
den weg lol zijn komst altijd beter Ie bereiden en zoo hel woord des profeien rervulling te doen gaan : âalle dal zal aangehoogd, alle berg en heme geslecht noulen dc kromme wegen znlhn recht en de on effen e jadn, effen g,waakt worden, en vleesch zal het heil Gods zien.
Ten einde een gemakkelijker overzicht van de Geschiedenis des quot;tquot;â¢^!'
te verkrijgen verdeelt -men haar gewoonlijk in tijdvakken; dit zal ooi hm pU ,
vinden Bet eerste tijdvak zal loopew. van de schopping der vvorold tot den zondvloed
Z Zede: van den zondvloed tot Moses; hei derde: van Moses tot kon.ngfeaul; het vierde: van koning Saul tot do vcrdeeling dczMifis-, het vijfde: van des Kijks tot de Babylonische gevangenschap; het zesde: van do â w
gevangenschap tot de Machabëen ; het zevende: van de Machabeen tot Chnstus.
GesÃÃiiis rai liet Onie TeslaieBt
VAN DE SCHEPPING DER WERELD TOT DEN ZONDVLOED.
tijdvak strekt zich uit over ecu duur van 1656 jaren.
Op|^4iL geschiedenis daarvan werd, op ingeving des H. Geestes, geschreven door
JUsy- ' Moses in de vijl eerste hoofdstukken van het Boek Genesis. Zij laat zich in korte CTV woorden aldus samenvatten:
God, die van eeuwigheid is, maar buiten wien niets bestond, schiep in den aanvang 1 des tijds alle zichtbare en onzichtbare dingen â ook den mensch. Deze, de koning der zichtbare schepping, uitgerust met de schoonste eigenschappen en bestemd voor een eeuwig geluk, liet zich echter door den duivel, den gevallen geest, verleiden tot het overtreden van Gods gebod cn stortte daardoor zich zelven en zijn nakomelingschap in een eindelooze zee van allerlei rampen, zoo naar het lichaam als vooral naar de ziel. Toen toonde God zijne eeuwige liefde cn barmhartigheid; Hij beloofde een Redder, zijn Messias, die den zwakken sterveling uit den val zou oprichten en krachtens wiens toekomstige verdiensten leeds Adam en Eva vergitlenis konden verkrijgen, een deugdzaam leven kouden leiden en hunne zaligheid bewerken. Desniettegenstaande bleet de zonde, die eenmaal op de aarde haar intrek had genomen, daar heerscheu. De moord van Cain op Abel, -was de eerste schakel in de lange keten van misdaden, die elkander snel opvolgden en immer talrijker werden. Zulke schrikbare vorderingen maakten vooral de zinnelijkheid en de wellust, dat het getal der godvreezenden weldra tot slechts enkele personen was ingekrompen. Om ook deze laatste overblijfselen van het goed legen den dreigenden stroom des kwaads te behoeden en tevens de goddeloozen te strallen, besloot God de wrekende en reddende wateren des zoudvloeds over de aarde te zenden.
Het verhaal dezer verschillende gebeurtenissen te leveren is het doel der eerstvolgende vier hoofdstukken.
BIjBHI.SCHH GFSCHIROENIS.
HOOFDSTUK I.
DE SCHEPPING DER WERELD.
(Het jaar 4004, voor Christus' geboorte.)
den beginne schiep God hemel en aarde.
jllly De aarde was woest en ledig; duisternis lag over de afgronden en Gods Geest zweefje over de wateren. Alsdan sprak God: het worde licht! en het werd licht. 'lïJr En God zag dat het licht goed was en Hij scheidde het licht van de duisternis. Het if licht noemde Hij dag en dc duisternis uacht. En het werd avond en morgen; dit
l was de eerste dag.
Vervolgens sprak God: Er zij een firmament te midden der wateren en het sclieide wateren van wateren. De wateren beneden het firmament werden dan gescheiden van de wateren daarboven (in de wolken). Het firmament nu noemde God hemel. Terwijl dit aldus geschiedde, werd het wederom avond en morgen, dit was de tweede dag.
Daarna sprak God: Dat de wateren, die onder den hemel zijn, naar écne plaats bijeenvloeien en het droge te voorschijn kome! Het droge noemde Hij aarde cn de wateren x.ce- 1 oen sprak God nog: Dat de aarde groenende kruiden voortbrenge en vruchtboomen, die hun zaad volgens hunne soort in zich hebben. En het geschiedde aldus, inmiddels werd het avond en morgen; dit was de derde dag.
God sprak nu: Dat er lichten zijn aan het firmament des hemels. En Hij maakte twee groote lichten, het grootste voor den dag cu het kleinste voor den nacht, benevens dc sterren. En wederom werd het, terwijl dit aldus geschiedde, avond en morgen; dit was de vierde dag.
God sprak verder: Dat de wateren visschen voortbrengen en er vogels zijn in de lucht. En God schiep de groote zeemonsters en alles wat in het water lecit en al het gevogelte in onderscheiden soort. En God zag, dat het goed was. En Hij zegende deze schepselen, zeggende: Wast en vermenigvuldigt u en vervult dc wateren der zee, cn dat dc vogels zich vermenigvuldigen op aarde. Inmiddels werd het wederom avond en morgen; dit was de vijfde dag.
Nu sprak God: Dat de aarde voortbrenge levende wezens in verschillende soort, tam vee en kruipend gedierte en wilde beesten. En God zag dat het goed was. focn sprak liij. Laat ons den mcnsch maken naar ons beeld en onze gelijkenis, en dat hij heerschappij voere over de visschen der zee en over de vogelen des hemels en over de viervoetige dicien en over de gansche aarde en over al hetgeen kruipt op aarde. God schiep een man en cene vrouw. En God zag alles, wat Hij gemaakt had, en het was zeer goed. Middelerwijl werd het nogmaals avond en morgen; dit was de zesde dag.
Dc schepping van den mcnsch nu, op dien zesden dag, geschiedde aldus: God nam slijk der aarde of leem, vormde daar een lichaam van en ademde in het aangezicht den adem des levens, dc ziel. Dc naam van den eersten mcnsch was Adam, wat beteekent man uü aarde. God plaatste nu Adam in het Paradijs. Dit was een uitgestrekte lusthof, waai in
God _ op den derden scheppingsdag â allerlei boomen uit dc aarde had doen ontspiuitcn,
die schoon waren om tc zien cn vruchten opleverden van een aangcnamcn smaak. Daar stond ook dc boo rn des levens alsmede de boom der kennis van goed c n kwaad. Door een grootcn waterstroom eindelijk, die zich verder over de aarde in vier takken vculcelt, werd het Paradijs besproeid. De takken heeten Phison, Gehon, Ti[jer cn Euphraat. God
2
émmaéééé
__
Bijm-xscHR GHSCHii;ni:Nis. 5
voerde nu naar Adam alle dieren eti vogels, opdat üij van hem hun naam zouden ontvangen. Terwijl hij hun dien gaf, elk naar zijn aard, zag hij dat allen tol paren waren vereenigd; hij zelf echter bezat niemand, die aan hem gelijk was, God sprak dan; Het is niet goed, dat de mensch alleen zij, laat ons hem een hulp maken aan hem gelijk, en liet daarop Adam in een diepen slaap vallen, gedurende welken Hij hem een zijner ribben wegnam, waarvan Hij de vrouw maakte. Als God haar nu bij Adam bracht en deze, die inmiddels wakker was geworden, haar zag, sprak hij: Dit is dan gebeente van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch; daarom ook zal de mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen en zij zullen twee in één vleesch zijn. God gaf nu aan beiden zijn zegen, zeggende: Wast en vermenigvuldigt u, vervult de aarde, maakt haar aan ,u onderworpen en heerscht over de visschen der zee, over het gevogelte des hemels en over de dieren des velds. En ziet, ik heb u gegeven al de kruiden en al de hoornen met hunne vruchten, opdat zij u ten voedsel zijn. â Dit alles had plaats op den zesden dag.
Nadat alzoo in zes dagen hemel en aarde in al hunne heerlijkheid voltooid waren, rustte God, op den zevenden dag, van het werk dat Hij gewrocht had, d. i. Hij hield op met het scheppen van nieuwe soorten van wezens. Daarom heeft Hij ook den zevenden dag gezegend en geheiligd.
j. In zijn verhaal van het ontstaan der dingen maakt Moses geen uitdrukkelijk gewag van de engelen. Later, als zij op de mensclielijke geschiedenis inwerken, zal hij hen noemen.
Of echter hunne schepping ook niet zijdelings en ingewikkeld door hem vermeld wordt, hierover loopen de gevoelens der Schriftverklaarders uiteen. Sommigen willen de engelen begrepen zien in de woorden hemel en aarde; volgens anderen werden zij geschapen tegelijk met het licht; eene derde meening, die echter door den H. Thomas van Aquine minder waarschijnlijk wordt geacht, stelt hunne wording vóór die der zichtbare wereld.
2. Van meer belang wellicht is de vraag naar de zes scheppingsdagen. Bedoelt de li. Schrift bepaaldelijk gewone dagen van vier en twintig uren, of laat zij de opvatting vrij in den zin van tijdperken, die eenige duizenden jaren kunnen geduurd hebben? Het laatste wordt verdedigd door een breede schare nieuwere katholieke theologen met den uitstekenden kardinaal Wiseman aan het hoofd. Hier staat echter het allergewichtigst feit tegenover, dat de lange tijdperken geheel onbekend zijn aan de Kerkvaders, onbekend zijn aan de oude Schriftverklaarders, onbekend aan de scholastieke godgeleerden en den H. Thomas van Aquine; ze steunen enkel op de zoogenaamde geologie, eene wetenschap van zoo weinig vastheid en zekerheid, dat, wat ze gisteren als onomstootbare waarheid verkondigde, reeds heden door haar weder als dwaling wordt verworpen. Alleen in het tijdsverloop, sedert Buflbn in 1767 met zijne stellingen optrad, tot het jaar 1806 riep de geologie meer dan tachtig verschillende systemen in het leven (en hoevelcn nog daarna?), waarvan er ge ene enkele zich tot nu toe heeft kunnen staande houden. Al strijden dus de lange tijdperken niet rechtstreeks met de uitdrukkelijke verklaringen der 11. Schrift, al heeft de Kerk ze niet bepaald veroordeeld, zij schijnen toch op veel te onvolledige gronden te rusten, 0111 er groote waarde aan te hechten. (Men zie over deze quaestie o. a. het maandschrift de Katholiek, jaargang 1868; de leer van kardinaal Wiseman is te vinden in zijn werk over het verband tusschen wetenschap en openbaring, vooral in de Zesde Voorlezing â er bestaat o. a. ecu Duitsche vertaling van door Dr. Haneberg en een Fransche van de Belgische Société des bons livres.)
3. Dat de wereld door God uit niets is voortgebracht, werd door de Kerk op het vierde Lateraansche Concilie in 1215 als geloofspunt vastgesteld en daardoor de leer eener oorspronkelijke, eeuwige stof als ketterij veroordeeld. Eveneens behoort tot het dogma, dat er vóór Adam geen menschen hebben bestaan, maar uit hem het geheele geslacht zijn oorsprong neemt.
4. Bewonderen wij bij de lezing van liet scheppingsverhaal Gods oneindige Almacht, die zoovele en zoo groote dingen wrocht. De geleerden â en hunne wetenschap blijft immer zeer onvolledig â tellen tegenwoordig reeds ver over de 50,000 bekende soorten van planten, daarbij vermoedende, dat eeu tweede 50,ooo-tal tot heden aan de nasporing za! zijn ontsnapt. Van de dieren zijn er ongeveer 100,000 soorten bekend, terwijl de onbekende op nogmaals 100,000 â sommigen spreken zelfs van 150,000 â soorten worden geschat. Er zijn dieren zoo klein van afmeting, onder andere de bacteriën, eene klasse der infusoriën, dat een kubieke streep of ongeveer het vierde gedeelte van een waterdroppel zeshonderd dertig millioen dier wezentjes kan bevatten. Slechts door een zeer sterk microscoop worden zij zichtbaar, terwijl dan tevens blijkt, dat zij in ontzettende menigte overal verspreid zijn, in het water, in de lucht en op de vaste voorwerpen.
Zooals deze levende schepseltjes door hun kleinheid, wekken de hemellichamen de verbazing door den ont-zettenden omvang, d e zij hebben. Men heeft berekend, dat als de zon inwendig hol ware en daar de aarde kon â worden binnengerold, deze er nis een stofje zou liggen, bijna niet weer te vinden. De verhouding, in cijfers
4
uitgedrukt, is: als i (grootte der aarde) tot 1,404,928 (grootte der zon). De sterren, waarvan er sommige nog aanmerkelijk grooter zijn, heeft men, ter betere oaderscheiding, verdeeld in 16 klassen. De negende klasse alleen bevat van genoemde lichamen een aantal van 140,000. En al deze ontzaggelijke bollen, met zoovele andere duizendtallen meer, die men nog niet kent, zelfs waarschijnlijk nimmer kennen zal, zijn ontstaan op één enkel woord. Het woord van Hem, wien de psalmist toezingt: De hemelen, het werk uwer handen, zullen vergaan â maar Gij zult b lij ven; allen zullen zij als een kleed verouderen en als een gewaad zult Gij ze veranderen en zij zullen veranderd worden Gij cchtcr b 1 ijft dezelfde en uwe jaren zullen nimmer eindigen.
HOOFDSTUK II. DE ZONDE EN HARE STRAF.
eerste menschen leefden in het Paradijs in een staat van onschuld der heiligheid, :«â .gt; van geluk en onsterfelijkheid. Onderworpen noch aan den dood, noch aan ziekten, noch aan lijden, vrij van allen strijd tusschen het vleesch en den geest, zouden zij een tijdlang hier op aarde God dienen, liet Paradijs bearbeiden en bewaken; zonder ^ dat dit hun moeite, zorgen of afmatting kostte, en dan eindelijk met lichaam en ziel ten hemel varen, om daar, door het aanschouwen, beminnen en genieten der oneindige heerlijkheid Gods, hun geluksstaat onder alle opzichten voltooid te zien. Zoo had God het niet hen voor en met heel hun nakroost. Om hen nu in de gelegenheid testellen, dit geluk te verdienen en van hun trouw en gehoorzaamheid te doen blijken, had God hun een gebod gegeven, zeggende: Eet vrij van alle boomen in liet Paradijs, maar van den boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten, en op den dag, dat gij er van eet, zult gij sterven â d. i. sterfelijk worden, het beginsel des doods in u dragen.
Dit gebod, reeds nitt moeielijk op zich zelf, werd door den bijstand der bovennatuurlijke genade den niensch nog lichter gemaakt. Doch de duivel, sedert zijn val, vol haat tegen God, brandde ook tegen het bevoorrechte, nog schuldelooze schepsel Gods van nijd en afgunst. In de gedaante eener slang naderde hij Eva, om haar door zijn vleitaal en sluwe misleiding tot de zonde en bijgevolg ten verderve te voeren. Waarom, vroeg hij haar met schijnbaar belangstellende vriendschap, waarom heeft God u geboden, om niet van alle boomen des Paradijzes te eten? Daarop antwoordde zij: Wij eten van alle boomen, alleen â¢van de vrucht des eenen booms, die midden in het Paradijs staat, mogen wij niet eten of haar ook maar aanraken, opdat wij niet sterven. En wederom sprak de slang: Gij zult niet sterven; integendeel, God weet, dat op welken dag gij van den boom eet, u de oogen zullen opengaan en gij aan God gelijk zult zijn en kennen goed en kwaad. De vrouw door deze woorden reeds half voor het kwaad gewonnen, sloeg vervolgens de oogen op naaiden boom en ziende dat de vrucht goed was om te eten en behaaglijk van uitzicht, nam zij er van en at.
Zoo hadden dan onze eerste ouders hun geloof en hunne gehoorzaamheid aan God opgezegd, om den duivel aan te hangen. Werkelijk gingen hun nu de oogen open, maar om tot hun schande en straf te zien, waaraan zij vroeger in den staat van onschuld nooit gedacht hadden, dat zij naakt waren. P^n zich schamende voor zich zeiven en voor elkander, vlochten zij vijgeboom-bladeren te zamen en trachtten daar schorten van te maken om hunne naaktheid eenigszins te bedekken. Dit gelukte evenwel inderhaast niet zoo goed als zij het gewcnscht hadden. Want toen zij een oogenblik daarna Gods stem in liet Paradijs vernamen, verborgen
rUlUHI.SCIIH GHSCtlll-DFNIS.
zij zich voor 's Heeren aanschijn in het midden van het hout. God de Heer riep dan Adam en vroelt;T: Waar zijt gij? Adam antwoordde: Ik hoorde uwe stem in het Paradijs en werd bevreesd, omdat ik naakt was en verborg mij derhalve. Hierop sprak God; Wie heeft u gezegd, dat gij naakt zijt, tenzij dat gij gegeten hebt van den boom, waarvan ik u verboden had te eten ? En Adam antwoordde: De vrouw, die gij mij tot gezellin hebt geschonken , gaf mij van den boom en ik at, Toen vroeg God Eva: Waarom hebt gij dit gedaan? Zij antwoordde; De slang heeft mij verleid. Alsdan sprak God tot de slang: Dewijl gij aldus deedt, zul', gij vervloekt zijn onder alle dieren; gi; zult op uwen buik kruipen en stof eten, zoolang gij leeft. Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; zij zal u den kop verpletteren en gij zult haar den hiel belagen.
En tot Eva sprak God: Ik zal uwe moeielijkheden vermeerderen, in smart zult gij baren, onder de macht des mans zult gij staan en hij zal uw heer zijn, Tot Adam eindelijk sprak Hij : Omdat gij gehoor hebt gegeven aan de verleiding uwer vrouw en van den boom gegeten hebt, waarvan ik u verboden had te eten, zij de aarde om uwentwil vervloekt, zij zal u distelen en doornen voortbrengen; in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, totdat gij in de aarde terugkeert, waarvan gij genomen zijt. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren. God gaf nu aan beiden kleederen van dierenvellen en omhulde hen daarmede. Hierna verdreef Hij hen uit het Paradijs en stelde daar cherubijnen voor met vlammende zwaarden om den ingang te bewaken.
i. D o o r é é u m e n s c h , zegt de Apostel, is d e z o n d e in de wereld gekomen en door de zonde de dood en zoo is de dood tot allen overgedaan, omdat allen in eenen gezondigd hebben, lichter is het kwaad in de menschelijko natuur niet inheemseh, maar daar van buiten ingebracht door den gevallen engel. Hoe langen tijd deze eerder viel dan de mensch, geeft de 11. Schrift nergens aan. Alleen hel feit van zijn vroogeren val is zeker, want zoolang het niet had plaats gegrepen, had hij geen verleider kunnen zijn. Oorspronkelijk toch waren alle geesten goed. De leer der Kerk hierover vastgesteld op het vierde Lateraansche Concilie vindt hare bevestiging in de duidelijke uitspraak der rede. immers God, de oneindig heilige, kan geen kwade wezens scheppen en ongeschapen is cr^ buiten God, niets of niemand.
Dit eerste punt geeft aanleiding tot de verdere vraag; Vanwaar dan bij d e goede wezens, bij de engelen, do mogelijkheid des kwaads? Zij toch konden niet, als de mensch , door andere schepselen verleid worden, veel minder door God.
De oorzaak lag in hen zeiven, namelijk in de onvolkomenheid hunner natuur. Al wat aan hen was, was goed; maar zij bezaten niet alle goeds. Geen schepsel immers is oneindig volmaakt; dit is God alleen. Tengevolge dier onvolmaaktheid waren hun verstand en wil, hoe verheven en voortreffelijk ook, immer nog beperkt en konden zich dus op een verkeerd gekozen voorwerp richten.
In dien slaat hebben alle engelen zich eenmaal bevonden. Want God, die hen voor de eeuwige zaligheid had bestemd, wilde dat zij dit geluk door hun eigen medewerking en hunne getrouwheid jegens hem zouden verdienen. Met dat doel had Hij hen in het bezit der bovennatuurlijke, hoiligmakende genade gesteld en daar nog werkende genade bijgevoegd, maar hun ook hunne vrijheid gelaten. Velen der engelen bleven getrouw en werden, ter belooning hiervoor, door God in het goede en in de glorie bevestigd, zoodat zij voortaan zalig en niet meer tot zonde in staat waren. Deze noemen wij de goede engelen. Andere daarentegen, namelijk Lucifer met zijn aanhang, misbruikten hunne vrijheid, versmaadden de hun verleende genade, kwamen tegen God in opstand en werden voor eeuwig veroordeeld. Allen worden zij booze geesten of duivelen genoemd ca een hunner die ook de duivel bij uitnemendheid heet, heeft het kwaad in het mensjhelijk geslacht ingevoerd. Want waren hva en Adam al de naaste oorzaak van hun misdadige handeling, de duivel was de eerste aanleiding. Hij kon het niet dulden, dat, terwijl hij zelf zoo diep rampzalig was geworden, den mensch de blijde hoop op een eeuwig geluk nog tegenlachte. Derhalve trachtte hij hem tot de zonde en daardoor tot den dood, tijdelijk en eeuwig, te brengen, zooals er o. a. geschreven staat in het Boek der Wijsheid II: 24: Door den nijd des duivels is de dood in de wereld gekomen. Hierom noemt ook de Zaligmaker, bij Joannes VIII: 44, den duivel, een menschen moorder van den beginne. En in het Hoek der Openbaring III: y, wordt er gezegd: De oude slang, die de duivel en Satan wordt genoemd, die de wereld heeft verleid. Het grootte middel ter verleiding is ook thans nog de leugen. De zonde, die een kwaad is en bittere gevolgen heeft, wordt ons voorgesteld als iets goeds en aangenaams, het geloof aan de eeuwige straf als iets onredelijksJ zelfs zijn eigen bestaan zal de duivel gaarne onder de sprookjes rangschikken, als hem dit slechts dienen kan, om ons te gemakkelijker en ongemerkt te naderen. Gelooven wij hem niet; alles is berekend op bedrog. Reeds
6
het eenvoudig luisteren naar /ijne taal is gevaarlijk. Toen Eva het deed, was ^ij bereids zoo goed als verloren zij had den verleider in 't geheel niet moeten ter rede staan.
2. Wanneer Adam en Eva zondigden, hoeveel tijd er namelijk tusschen hun schepping en hun val verliep, kan alleen met eenige waarschijnlijkheid bij benadering worden opgemaakt uit de omstandigheid, dat zij inmiduals niet gegeten hebben van den boom des levens, wat zij evenwel hadden mogen doen. Groot zal de tusschen-tuimte dus in geen geval zijn geweest. Vele 11. Vaders spreken van slechts eenige uren, zoo'Ut schepping en val op denzelfden dag zouden hebben plaats gehad. Dit laat zich ook overigens lichtelijk verklaren uit het heete verlangen des duivels, om zijn werk zoo spoedig mogelijk te -beginnen.
Vreeselijk werd de duivel voor dat werk gestraft. Hij had nu eene vrouw verleid, doch eenmaal zou er eene optreden, een tweede Eva, die hem de meester was. Vijandschap zou er zijn tusschen hem en haar; maar elk zijner pogingen om haar te schaden en haar den hiel te belagen, zou zijne machteloosheid te sterker doen uitkomen; want aie poging zou tot niets anders dienen, dan dat daardoor, zoo dikwijls hij ze waagde, aan de vrouw opnieuw zijn kop werd aangeboden, opdat zij dien telkens meer en beter verpletterde. Dit wasvoorden trotschen geest het verschrikkelijkste wat hem treffen kon: altijd te moeten strijden onder het stellige vooruitzicht der altijd zekere nederlaag. En het zaad dier vrouw (de Messias) zou zijn werk eindelijk geheel vernietigen.
In die straf des verleiders lag de hoop der verleiden; het mensehdom zou worden gered uit de zondj. Krachtens de verdiensten des Redders hebben dan ook, zooals blijkt uit het Boek der Wijsheid X: 2, Adam en Eva zich later bekeerd en zijn zij, volgens het algemeen gevoelen der H. Vaders, bij 's liecrcn hemelvaart mede opgestegen za de eeuwige zaligheid binnengegaan.
HOOFDSTUK III. CAIN EN ABEL.
dam gaf aan zijne vrouw den naam van Eva, omdat zij bestemd was de moeder te zijn van allen, die het leven zouden ontvangen. Na eenigen tijd baarde zij dan » ook reeds een zoon, dien zij Cain noemde. Een volgenden noemde zij Abel. De =â¢. jj4 eerste werd, nadat hij opgegroeid was, landbouwer, de tweede schaapherder. Op ;b zekeren dag brachten beiden een offer, Caïn uit zijne veldvruchten. Abel uit de eerstelingen zijner kudde. Het offer van Abel, die met een oprecht hart het beste aanbood wat hij bezat, was den Heer welgevallig, maar het offer van Caïn versmaadde God. Caïn werd hierover zoo boos, dat zijn gelaat er de zichtbare tcekenen van droeg, leen sprak God tot hem: Waarom zijt gij vertoornd en valt uw gelaat in? Zult gij niet, als gij wel handelt, beloond worden, terwijl indien gij slecht doet, de straf der zonde voor de deur staat? Gij zult dan uwe kwade begeerlijkheid ten onder brengen en haar beheerschen.
Caïn, wiens toorn nu nog meer ontvlamde, bewoog Abel, om met hem naar den akker te gaan, en als zij daar gekomen waren, sloeg hij verraderlijk zijn broeder dood. God vroeg alstoen den moordenaar: Waar is Abel, uw broeder? Caïn wilde echter zijne schuld niet belijden, maar gaf barsch ten antwoord : Ik weet het niet; ben ik de hoeder mijns broeders? God sprak wederom: Begrijp wat gij gedaan hebt; zie, het bloed uws broeders roept mij om wraak. Daarom zult gij vervloekt zijn op de aarde, cn als gij haar bebouwt, zal zij u hare vruchten weigeren en gij zult geen bestendige woonplaats hebben. Caïn gaf zich nu over aan de wanhoop en uitroepende; mijne zonde is te groot dan dat ik vergiffenis verdien, vluchtte hij van 's Heeren aanschijn en zwierf als balling op aarde rond.
God schonk vervolgens aan Adam en Eva in de plaats van den verslagen Abel een anderen zoon, dien zij Seth noemden.
DOOD VAN ABEL. Bladz.
HljRHLSCHH GliSCI IIi;Di;\IS. 7
1. Het verdient opmerking, ii.it Abel «.lood geslagen werd om zijn offer. De ware godsdienst is bestreden van het begin der wereld af en tot het eind der wereld zal die strijd voortduren. Altijd zullen er Caïns gevonden worden met onwaardige offers maar sterke knodsen, en Abels bereid om voor hun plicht te «terven. L ij hebben mij vervolgd, zegt de Zaligmaker tot die na hem komen, zij zullen het u ook doen. Toch blijft do eindoverwinning aan den man die den heer vreest... terwijl het verlangen der zondaren zal te s c h a n d e n w o r d e n. (I's. n i.)
2. Toen de broedermoord geschiedde, moet Caïn ongeveer 128 jaren oud zijn geweest. Hij wis namelijk geboren in het eerste of tweede levensjaar van Adam eu beging den moord een weinig voor de geboorte van Seth die plaats vond toen Adam juist 150 jaren telde.
Luidens Genesis V : 4, hadden Adam en Eva, behalve de opgenoemde nog andere zonen en ook dochters. Een dezer laatste volgde Caïn op zijne vlucht als zijn reeds toenmalige of nog toekomstige vrouw. De huwelijken tusschen broeders en zusters waren namelijk in die allereerste tijden uit noodzakelijkheid geoorloofd. Hoe spoedig daardoor de aarde bevolkt werd, is niet met zekerheid te bepalen. De kerkelijke geschiedschrijver Rohrbacher haalt eenige gevoelens aan. die willen, dat er ten tijde van den broedermoord reeds meerdere duizendtallen menschen zouden geleefd hebben. Uit den aard der zaak echter kunneu dit weinig meer dan geleerde gissingen zijn
HOOFDSTUK IV.
VERMENIGVULDIGING DES MENSCHDOMS EN UITBREIDING VAN HET KWAAD.
JSLhs huisvrouw schonk hem verscheidene kinderen, waaronder Henoch, naar wiens naam hij eene stad bouwde. Van Henoch stamde af Irad, van Irad Maviaêl, van V Maviaël Methusaêl en van dezen Lamech. Lamech bedreef, evenals zijn stamvader, Caïn, een moord. Ook nam hij het eerst twee vrouwen, waarvan de eene hem Jabel /|\ en Jubal schonk, de andere Tubalcaïn en eene dochter Noëma. De drie zonen zijn ^ bekend door verschillende uitvindingen. Jabel werd de vader der tentbewonende herders, Jubal de vader der harp- en orgelspelers, Tubalcaïn was bedreven in alle werken van koper en ijzer.
De gezamenlijke nakomelingen van Caïn, zoowel de hier opgenoemden, als de velen wier namen niet vermeld staan, worden door de H. Schrift om hunne verdorvenheid de kinderen der menschen geheeten, in tegenstelling van de kinderen Gods, die het nakroost zijn van den deugdzamen Seth.
Seths geslachtslijst telt, Adam en Noë meegerekend, tien namen. Zij zijn: Adem, Seth, Enos, Caïnan, Malaliêl, Jared, Henoch, Mathusala, Lamech, Noë. Adam leefde 930 jaren en bracht zonen en dochters voort; Seth leefde 912 jaren, Enos 905 â hij begon het eerst het volk te verzamelen voor de openbare godsdienstoefening â Caïnan leefde 910 jaren, Malaliël 895, Jared 962 jaren. Henoch, geliee! het tegenovergestelde van zijn naamgenoot uit het geslacht van Caïn, was zeer vroom en deugdzaam. Hij verkeerde op aarde 365 jaren en stierf niet, wijl God hem levend opnam. Mathusala leefde 969 jaren en had tot zoon Lamech, die 777 jaren leefde. Al deze aartsvaders hadden verscheidene kinderen, â¢/.00 dochters als zonen. Een der zonen van Lamech was Noë. Noë gewon, toen hij 500 jaren oud was, Sem, Cham en Japhet.
Terwijl alzoo het menschdom sterk vermenigvuldigde, namen op gelijke wijze de goddeloosheid en het zedenbederf toe en breidden zich zelfs uit tot onder de afstammelingen van Seth, of de kinderen Gods. Deze namelijk, de dochters van de kinderen der menschen y.iende en ze schoon vindende, namen daaruit hunne huisvrouwen. Nu ontstond er een geslacht, even woest en sterk als boosaardig, een geslacht van reuzen, afgericht op strijd en wellust.
8 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
A!s eindelijk liet kw.uul tot eene schrikbarende hoogte was geklommen en alle vleesch zijn weg had bedorven, betoonde God spijt, dat hij den mensch had geschapen. En God sprak: Het einde van alle vleesch is gekomen; de aarde is vervuld van de boosheid der menschen en ik zal hen van de aarde verdelgen. En met den mensch alles, tot de viervoetige en kruipende dieren en de vogelen. Noë echter, die rechtvaardig was en wandelde voor het aanschijn des Heeren, vond genade. Tot hem sprak God; Bouw u van bewerkt hout eene ark, maak daarin verschillende vertrekken en bestrijk de ark van binnen en van buiten met lijm. Gij zult haar maken, driehonderd elleboogsmaten lang, vijftig breed en dertig hoog. Maak een venster in de ark; haar dek moet een elleboogsmaat hoog zijn, haar ingang zij ter zijde en zij hebbe drie verdiepingen. Want ik zal een watervloed over de aarde zenden en alle vleesch, dat leven heeft ontvangen, zal sterven.
Noë, wien de uitspraak des Heeren heilig was, werkte dan aan de ark al den tijd, die er voor de vervulling der bedreiging nog verloopen moest, en hield tevens niet op, den menschen boetvaardigheid te prediken. Maarzij sloegen aan zijne woorden geen geloof, versmaadden de lankmoedigheid waarmede God hen afwachtte en hielden zich bezig met eten en drinken, met ten huwelijk geven en ten huwelijk nemen, tot den dag toe, dat Noë in de ark ging.
1. Bij het lezen den hoogen ouderdom der aartsvaders denke men zich geene jaren aanmerkelijk korter, dan die waarnaar wij thans gewoon zijn te rekenen. Uit verschillende gegevens toch blijkt met zekerheid, dat, zoo er al tusschen het Hebreeuwsche jaar en het onze verschil moge bestaan, dit zich hoogstens tot eenige weinige dagen bepaalt. Door dien hoogen ouderdom kon, ook langs bloot natuurlijken weg, de oorspronkelijke openbaring Gods en de geschiedenis der eerste menschen gemakkelijk onvervalscht aan het nageslacht worden overgeleverd. Adam leefde nog 56 jaren samen met Lamech, den vader van Noë , en toen Lamech stierf, was Sem reeds 95 jaren oud. Sem kon dus na den zondvloed aan Isaac, met wien hij nog 50 jaren leefde, alles verhalen, wat hij van Lamech en Lamech van Adam zeiven vernomen had. Isaac wederom verkeerde met zijne kleinkinderen, de twaalf zonen van Jacob en de stamvaders van het Joodsche volk.
2. Tot meerder duidelijkheid volgen de geslachtslijsten van Caïn (voor zoover bekend) en van Scth hier neven elkander.
1 Caïn. i Seth.
2 Henoch. 2 Enos.
5 Irad. 3 Caïn an.
4 Maviaël. 4 Malaliël.
5 Methusaël. S Jared.
6 Lamech. 6 Henoch.
7 Jabel en Jubal; Tubalcaïn en Noëma. 7 Mathusala.
8 Lamech.
9 Noë.
Van de nakomelingen der andere zonen van Adam wordt door de H. Schrift niemand genoemd en ook de lijst van Caïn niet verder voortgezet dan tot en met het zevende geslacht. Dit geheel of gedeeltelijk stilzwijgen der Schrift valt wellicht hieruit te verklaren , dat de kwade stroom des mcnschdoms toch geen invloed op de latere geschiedenis zou hebben. Uit den zondvloed blee. namelijk van het nakroost der andere kinderen van Adam niemand over; alleen Noë en zijne drie zonen werden gespaard en deze stamde af van Seth.
3. Volgens eene oude overlevering werd Adam eerst te Hebron begraven, maar nam Noë bij den zondvloed het dierbaar gebeente met zich in de ark en verdeelde het later onder zijne zonen. Sem zou het hoofd lubben ontvangen, dat hij vervolgens op den Calvarieberg begroef, ter plaatse waar eenmaal het kruis des Verlossers, de schuld van den eersten zondaar en de schuld van allen moest delgen. Zeer vele â misschien de meeste â H. Vaders houden deze overlevering, althans wat het laatste punt betreft, voor waar. Met hun gevoelen is de naam des bergs in overeenstemming; c a 1 v a r i e toch beteekent hoofdschedel.
4. De vorm der ark was vierkant, waardoor zij minder geschikt was tot varen maar zooveel te beter om met een zwaren last op het water te drijven. Dat zij meer dan groot genoeg was voor haar doel, is door verschillende schrijvers uitvoerig aangetoond. Ook indien men de elleboogsmaat slechts op ruim een halven meter of een en drievierden rijnlandschen voet bepaalt, levert deze berekening een uitkomst van 3,600.000 kubieke moeten, en schiet er, na aftrek der ruimte voor de gangen, voor bergplaatsen van het voedsel en voor verschillende vertrekken ten behoeve der 8 personen, nog 48 kubieke voet over voor elk dier of vogel.
VAN DEK ZJHDVLOED TOT DE ROEPING VAN MOSES.
Dit tijdvak strekt zich uit van het jaar 165^ na tie schepping tot liet jaar 2513, dus over een lengte van 857 jaren. De voornaamste gebeurtenissen daarin voorgevallen zijn : de zondvloed, de torenbouw en de spraakverwarring te Babel, de verspreiding van het niensch-dom, de roeping van Abraham, zijn offer, de belofte hem gedaan, de zegen van Isaac over Jacob, de geboorte van Jacobs twaalf zonen, waarmede hij eindelijk, nadat Josef door de wonderbare leiding van Gods voorzienigheid was voorafgegaan, naar Egypte trekt en daar blijft wonen.
HOOFDSTUK V.
DE ZO N I) V L Ã 1, D.
(Het ja.ir der wereld 16^6.)
0'1 ^evc' 'n zevt'n dagen tijds van alle dieren een paar in de ark
vcrzameltl, van de reine dieren echter zeven paren, benevens het noodige 'y voedsel, begonnen de wateren de aarde te overdekken. Het was toen het zes-jlamp; hondeiste levensjaar van Noc, de zeventiende dag der tweede maand. Op dien dag A quot;'quot;R in de ark met zijne huisvrouw, met zijne drie zonen en hunne huisvrouwen, l en de fleer sloot de deur der ark achter hen dicht. Nu openden zich de wellen des algionds en de sluizen des hemels en ontzettende slagregens vielen neer veertig dagen en \eeitig nachten lang zonder ophouden. Geheel de aarde werd onder het water bedolven, dat zich nog vijftien elleboogsmaten boven den hoogsten berg verhief. Al wat op aarde lenen had ontvangen, wat gaat en kruipt en vliegt, kwam om, behalve de acht menschen en de verschillende dierenparen, die in de ark een veilige schuilplaats gevonden hadden.
Honderd en vijltig dagen bleef de aarde door het water overdekt. Toen was Gnd Noe en de dieren, die niet hem in de ark waren, indachtig en zond een sterken wind om het water weg te nemen. De ark bleef rusten op de bergen van Armenië. Dit geschiedde den zevenentwintigsten dag der zevende maand. Van dien tijd af verminderden de wateren, zoodat op den eersten dag der tiende maand de toppen der bergen zichtbaar werden. Nadat er vervolgens nog veertig dagen voorbij waren gegaan, opende Noë het venster der ark en het een raaf uitvliegen, die niet terugkeerde. Vervolgens zond hij een duif uit, om te zien of het water was opgedroogd, maar daar dit niet het geval was en do duif geen plaats vond voor haar voet, keerde zij naar de ark terug en Noë, de hand uitstekende, nam haar binnen.
Bijmn.SCHE GF.SCI IIF.DRXIS.
Na andcnnnal zeven dagen wachtens zond Noc ecne tweede duif uit; deze bleef tot den avond weg en kwam toen niet een groen olijftakje in haar bek teruggevlogen. Hieruit merkte Noe dat het water 200 goed als verdwenen was. Desniettemin wachtte hij opnieuw zeven dagen en dc duif, die hij toen uitliet, keerde niet weder. Het was alsdan de eerste dag der eerste maand, het zeshonderd en eerste levensjaar van Noc, cn de aarde was van het water bevrijd, hoewel nog niet slijk overdekt. Den zcveiientwiiitigstcn dag echter der tweede maand was zij geheel opgedroogd.
Noë ging op Gods bevel met de zijnen en met de dieren uit de ark cn God zagend.' hen, zeggende: wast en vermenigvuldigt u. Het eerste werk van Noë was thans een altaar te bouwen, waarop hij uit alle reine dieren en vogels een ofler aan den Allerhoogste bracht. Dit was Godc welgevallig, en hij zegende daarna Noc cn diens zonen opnieuw en gaf hun tot voedsel niet slechts alle kruiden, maar thans ook-dc dieren, de vogelen en dc visschen
_ alleen het vlecsch, waarin nog bloed aanwezig was, mochten zij niet eten. Dit verbod
diende om hen af te schrikken van het vergieten van mcnschcnbloed. leder, die het bloed eens menschen vergiet, sprak God, van hem zal ik dit bloed uit zi;nc handen opeischen cn zijn bloed zal insgelijks vergoten worden, want de niensch is geschapen naar het beeld Gods.
God maakte ook een verbond met Noë, met diens zonen en hun nageslacht, dat de aarde nitnniernicer door het water zou verdelgd worden. God sprak namelijk: Dit is het tecken tics verbomis tusschen mij en u cn alle schepselen tot in dc verste geslachten: als ik den hemel met regenbuien zal overtrekken, zal mijn boog in dc wolken staan en ik zal mijn vc'-bond indachtig zijn, dat ik met u gesloten heb.
1. 1 'liic /00 ontzettende gebeurtenis als liet vergaan van al liet geschapene moest wel op de weinige over-blijvenden een indruk maken, sterk genoeg, om niet alleen zeiven dit feit nooit te vergeten, maar het ook 111 de levendigste kleuren aan hunne kinderen en kindskinderen bij elke gelegenheid af te schilderen. Het behoeit ons dan ook niet te verwonderen, dat alle volkeren, hoever overigens ook van de waarheid afgedwaald, dc herinnerng aan den zondvloed steeds hebben behouden. Dit laatste is niet alleen het geval bij de volkeren dei oudheid, maar evenzeer bij de door reizigers nieuw ontdekte stammen in dc binnenlanden van Alrika en dc zwervende horden van Amerika; allen, al kleeden zij hun verhaal verschillend in, weten te spreken van een geweldigen vloed, waarin geheel de wereld met uitzondering van een gering aantal menschen verging. Ondcv meer anderen deelen kardinaal Wiseman, Rohrbacher en Stolberg belangwekkende proeven hiervan mee. â De ark is het beeld der Kerk. Ook buiten Petrus* scheepje geen heil, namelijk tegen de wateren der dwaling en der zonde.
2. l'it bovenvermelde dagteekening blijkt de lengte van het jaar, waarnaar de H. Schrift in Genesis gewoon is te rekenen. Noë ging in de ark, toen hij 600 jaren telde, op den tyen dag der 2e maand. Denzelfden d^i-begon de vloed, die de aarde 150 dagen lang onder water hield. Vervolgens, den jyen dag der 7e maand blcc: de ark op liet gebergte in Armenië (volgens den Hebreeuwschen tekst; op den berg Ararat in Armenië) rusten. Elke maand had dus allerminst 28 dagen en waarschijnlijk meer, omdat het blijven rusten der ark toch wel niet op den I5den dag /.elven zal hebben plaats gehad, maar eerst eenige dagen later, toen het water reeds ee.i weinig gezakt was. Gesteld dat hier 10 dagen over verliepen, dan telde de maand 30 dagen. Sedert liet begin van den vloed waren er Jus nu reeds t6o dagen voorbijgegaan.
Vervolgens werden op den ren dag der 10e maand de toppen der bergen zichtbaar, dat is op den 64611 da., na dc 160 dagen, dus 224 dagen na liet begin van den vloed, loen wachtte Noë 4° dagen, \ooi hij dc 1.1. uitliet, dit maakt 264 dagen. Driemaal liet hij een duif uit met een tusschenruimte van telkens 7 dagen; wij hebben dus reeds 285 dagen. Toen was het de ie dag der ie maand van liet volgend jaar; maar Noë bleef nog in de ark tot en met den 27611 dag der je maand, derhalve nog 56 dagen, makende met de vroegere te zanien 341 dagen. Den 17611 dag derzelfde maand van het vorige jaar was Noë dc ark binnengegaan; hij was cr di's 1 jaar en 10 dagen in geweest; zoodat het jaar zeer zeker 331 dagen telde. Doch allerwaarschijnlijkst telde het meer, omdat men met grond mag aannemen, dat Noë niet zeven dagen na het uitlaten van den eenen \ogL. den anderen lict gaan, maar zeven dagen na den terugkeer van den eersten. Hoelang nu bleef de duif, die den olijftak haalde, weg? Hoelang wachtte Noö op den terugkeer der raaf? Dit zegt de H. Schrift met. b.r kunnen dus telkens eenige dagen tusschenbeide voorbij zijn gegaan, die bij de reeds verkregene som van 351 da^cn gevoegd, het jaar der berekening van Genesis ongeveer even lang maken als het onze.
Dat de raaf niet terugkeerde en de na haar uitgevlogen duiven wel, schrijft men algemeen hieraan toe, dat de eerste op de drijvende lijken van menschen en dieren haar voedsel en hare rustplaats vond.
3. De vraag hoe eene geheele aarde tot vijftien elleboogsmaten boven den lioogsten berg onder water kan staan, vindt geredelijk, althans voor een groot deel, hare beantwoording In den toestand derzcllde aarde voor
den tweeden en derden scheppingsdag. ..
4. Eene andere vraag, of er voor den zondvloed al dan niet een regenboog aan den hemel verschenen zi|,
HljBl'LSCHh OhSCMII-DHN'IS.
mag, in zooverre zij betrekking heeft op het vcrboiul (ioJs niet Xüë, tamelijk overbodig heeten. In ieder geval was die boog thans ecu tecken, wat zij bij ccn mogelijk vroeger bestaan niet was.
5. Hoezeer de nood drong, om door het verbod betrcfl'ende het eten van bloedend vleesch, den mensch af te schrikken van het vergieten van het bloed zijns natuurgenoots, blijkt uit het later gedrag der heidenen, die niet alleen menschenvleesch aten, maar, volgens de getuigenis van Tertuliaan, zelfs menschenbloed dronken.
HOOFDSTUK VI.
NOJ-'S ZO N H N EN DE TOREN VAN 13 A B E L.
a den zondvloed werden Noe's zonen, Sem, Cham en japhet, met kinderen gezegend.
Eon van Chams zonen heette Chanaiin. Noë, die zich op den landbouw toelegde, quot;sj1 k -
had ook een wijnstok geplant. Toen hij op zekeren dag gedronken had van den wijn, welks kracht hij niet kende, werd hij daardoor bevangen en viel ontkleed in zijne tent neder. Cham dit ziende, ging het spottend boodschappen aan zijne (, beide broeders Sem en Japhet. Dezen echter namen in hun kinderlijken eerbied een mantel, legden dien op hunne schouders tusschen hen beiden in, en zoo elk aan een kant van Xoë achterwaarts gaande, met afgewend gelaat om huns vaders naaktheid niet te zien, spreidden zij den mantel over hem uit. Toen Noë nu wakker werd en vernam wat zijn zoon Cham had gedaan, sprak hij: Vervloekt zij Chanaiin, de zoon van Cham, hij zal de slaaf der slaven van zijne broeders zijn. Maar gezegend zij de Heer, de God van Sem; Chanaiin zij zijn slaaf. God make Japhet groot, dat hij wone in de tenten van Sem en dat Chana-ln zijn slaaf zij.
Noë leefde nog 350 jaren na den zondvloed en had in het geheel, bij zijn dood, den ouderdom van 950 jaren bereikt.
Het menscheiijk geslacht, als opnieuw uit een stamvader, Noë, ontsproten, vernienigquot; vuldigde zich nu weder zeer sterk. Een groot aantal namen wordt ons door de H. Schrift genoemd; doch alleen van de personen uit Sems nakomelingschap â het geslacht, dat het uitverkoren volk en den beloofden Verlosser zou voortbrengen â vinden wij den ouderdom opgegeven. Onder Chams nakroost kenmerkte zich vooral Nimrod, als een geweldig jager en veroveraar.
Al de menschen woonden in den beginne in hetzelfde land en spraken dezelfde taal; maar weldra om hunne steeds aangroeiende menigte genoodzaakt zich te verspreiden, zonnen
zij, voor dit zou geschieden, nog eerst op een middel, om hun naam voor de na wereld te vereeuwigen. Zij zeiden dan tot elkander: Komt, laat ons steenen maken en ze bakken in het vuui. Want daar zij in ecne vlakte woonden, de vlakte van Sennaiir, hadden zij geen hardsteen, en in de plaats van cement namen zij aardharst. i'oeii zeiden zij vervolgens; Laat ons ecne stad bouwen en een toren, welks spits tot aan den hemel reikt, en daardoor onzen naam groot maken, voor wij over de aarde uiteengaan. God kwam dan neder om deze stad en den toren, waaraan de kinderen der menschen bezig waren, te beschouwen en sprak: Zie, zij zijn slechts een eenig volk en spreken allen dezelfde taal en zullen van het begonnen werk niet aflaten, voor zij het geheel voltooid hebben; laat ons dan hunne taal verwarren, zoodat een ieder zijnen buurman niet meer versta. Aldus verspreidde God hen over de geheele aarde en zij hielden op met bouwen. Daarom is ook de naam van die plaats Babel (Babel bcteekent verwarring) genoemd, omdat God daar de spraak dei menschen heeft verward en hen over alle landstreken heeft doen uiteengaan.
1
Niet Chain wordt tloor Noë gevloekt, maar Chams zoon, cn slechts écu zijner zonen, hoewel hij er vier bezat, waarvan Chanaan de jongste was. De reden van het eerste punt is misschien hierin te zoeken, dat Cham na den zondvloed door God zeiven gezegend werd en dus later door Noë, uit Gods naam, niet gevloekt kou
12 BIjBELSCHE GESCHIHDKXIS.
wordci.. Aangaande het tweede punt merkt ü Lapide op, dat, volgens het beweren der Hebreen, waarbij zich ook Theodoretus aansluit, Chanaan, als een knaap van omstreeks tien jaren, met zijn vader over Koc's ongeluk zou meegespot hebben.
Zoowel deze vloek van Koe als de zegeningen over zijne beide andere zonen uitgesproken zijn in den loop der tijden letterlijk vervuld. Ka de Babelsche spraakverwarring werd langzamerhand het grootste deel van Azië door de mkomelingen van Sem, liuropa door die van Japhet, en Afrika door de kinderen van Cham bevolkt, liet kroost van Chains zoon, Chanaan, vestigde zich het eerst in het land van dien naam. Weldra kwamen echter de Israëlieten. â afstammelingen van Sem â de Chanaanieten gedeeltelijk verdrijven, gedeeltelijk verdelgen, gedeeltelijk tot den staat van dienstbaarheid vernederen : Chanaan werd slaaf. Israël, langen tijd in het bezit van den waren godsdienst, eindigde met zijn Messias en de waarheid te verwerpen, en nu kwam Japhets kroost, tot dusver heiden, en vestigde zich in de door Sem ontruimde tent; het nam den Verlosser aan en zette de geschiedenis van het volk Gods voort.
In zijne Gesprekken over het verband t u s s c h e n wetenschap en openbaring heeft de geleerde kardinaal Wiseman op verschillende gronden aangetoond dat cn langs welken veg de eerste bewoners van Amerika en Australië daar uit Azië zijn heengetrokken. (Over de spraakverwarring is een uitmuntend werk geschreven door Franz Kaulen, getiteld: Die S p r a c h v e r w i r r u n g z u 13 a b e 1. Men zie over de daarmee verwante vraagstukken het maandschrift de Katholiek, deel 55.)
HOOFDSTUK Vil.
D E 11 O E P I N G V A N A B R A H A M.
(liet jaar na de schcppinj; 211X5 â liet jaar vóór Clinstus geboorte 1921.)
werd 600 jaren oud; zijn zoon Arplmnd 338, vervolgens Sale .133, daarna Heber 464, Plialeg 239, Reu 239, Sarug 230, Kachor 148, Th are 205 jaren. De â j'laatste was dus de kleinzoon van Sem in het achtste geslacht â of eigenlijk in 'V v' het negende, want volgens Lucas III: 36 staat tusschen Arphaxad en Sale nog Chaïnan. 'fV Thare had drie zonen: Abraham, Nachor cn Aran. Aran stierf nog voor zijn
1 vader en liet een zoon na. Loth. Met Abraham en diens huisvrouw Sara, met Nachor en Lot ging Thare uit Ur der Chaldeën wonen in Haran in Mesopotamia. Als nu de afgoderij, die overal hcerschte, ook Thare's huisgezin binnendrong, riep God Abraham en zeide: Verlaat uw land cn uwe maagschap cn het huis uws vaders en ga naar het land, dat ik u zal aanwijzen. En ik zal u maken tot een groot volk, u zegenen en uw naam verheerlijken. EN' 1M U ZULLEN' GEZEGEND WORDEK ALLE GESLACHTEN DER AARDE.
Abraham vertrok dan met Sara, met Loth en met zijn geheel huisgezin naar Chanaan en reisde het land door tot Sichem. Hier verscheen hem de Heer en sprak: Uit land zal ik geven aan uw nakroost. Na ter plaatse, waar de gunst der verschijning hem geschied was, een altaar te hebben opgericht, trok Abraham verder, kwam aan den berg ten oosten van Bethel, bouwde er insgelijks een altaar, waarop hij den naam des Heeren aanriep en wendde zich vervolgens naar het zuiden. Doch daar inmiddels in het land een hongersnood ontstaan was, reisde hij als vreemdeling naar Egypte. Alvorens hier binnen te gaan, sprak hij tot zijne huisvrouw Sara: Ik weet, dat gij eene schoone vrouw zijt, en dat de Egyptenaren u ziende, zullen zeggen, het is zijne huisvrouw, en dan zullen zij mij dooden, om u te behouden. Ik bid u dus, zeg dat gij mijne zuster zijt, opdat het mij welga om u.
Toen hij nu het land was ingetrokken, en de Egyptenaren Sara's schoonheid gezien hadden, berkhtten zij daarover aan den koning en roemde haar zeer bij hem. De koning liet haar in zijn paleis voeren en aan Abraham werden om harentwille .schapen, ossen en ezels geschonken en dienstknechten en dienstmaagden en ezelinnen en kameelen, en hij weid zeer wel behandeld.
Doch God sloeg Pharao en zijn huis met groote plagen ter oorzake van Sara, Abiahams vrouw. Pharao ontbood toen Abraham bij zicli en sprak: Wat hebt j.;ij toch gedaan;
BI.IBI-LSCHF. GP.SCHIEDF.NIS. 15
waarom üekiet gij mij niet, dat ^ij uwe vrouw was? En waarom hebt gij, zeggende dat zij uwe zuster was, mij haar tot vrouw laten nemen? Zie, ik geef ze u hier terug, neem haar en vertrek. Hierop gaf Pharao last aan zijne mannen, om Abraham met zijne vrouw en alles wat hij bezat, het land uit te voeren.
1. In boven meegedeelde geslachtslijst staat op de vierde plaats, als de achterkleinzoon van Sem, opge-teekend llcbcr. Naar dezen hebben Abraham (Hebers afstammeling in het zesde gelid) en zijn nakroost wellicht den naam van Hebreen ontvangen. Die naam is in de lijn Isaa -Jacob steeds bestaan gebleven, ofschoon hij in later tijd veelal vervangen werd door dien van Kinderen Israels of de Israëlieten.
2. Degene, in wien de zegen Abrahams aan alle geslachten zou verwezenlijkt worden, is cle Messias, die hier dus opnieuw aan het menschdom wordt beloofd. Toen de patriarch deze belofte ontving, was hij vijf en zeventig jaren oud.
3. Reeds in het huis van Thare levert Abraham de eerste proeven van zijn sterk geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. God beveelt hem, zijn land en zijne maagschap vaarwel te zeggen, zelfs vóór hij nog vernomen heeft, waar hij heen moet gaan. God z a 1 het hem toonen, doch toont het hem niet aanstonds. Abraham weet dus wat hij verlaat, hij is onwetend omtrent hetgeen hij terug zal vinden, maar gehoorzaamt. Hij doet nog meer. Want als hein later het land is bekend gemaakt en hij er eindelijk is aangekomen, dan wordt het nog niet zijn land â immers klinkt het andermaal tot hem: Niet aan u, Abraham, zal ik dit land schenken, maar eerst aan uwe nakomelingen â desniettemin biedt de geloofsheld onverwijld en blijmoedig op een nieuw opgericht altaar den Heer zijn offer aan.
4. Met Sara enkel zijne zuster te noemen, verzweeg Abraham een gedeelte der waarheid, maar sprak geen leugentaal. Want inderdaad was zij van Abraham, wat in het Hebreeuwsch spraakgebruik eene zuster heet cn wij met den naam van bloedverwante bestempelen. Zoo wordt ook Lot door Abraham broeder genoemd, hoewel hij slechts zijn neef was. De eigen broeders van Abraham waren Aran en Nachor. Uit Aran stamde Lot en hoogst waarschijnlijk ook Sara. Neemt men deze laatste waarschijnlijke afstamming als zeker aan, dan waren Lot en Sara eigen broeder en zuster, en was Abraham de oom van beiden â hij was het zeer zeker van Lot â.
Een zoon van Nachor, Abrahams tweeden broeder, was Bathuël, van wien Laban cn Rebecca de kinderen waren. Rebecca, die de vrouw werd van Abrahams 20. ; Isaac, was dus levens zijn nicht. Haar broeder Laban gaf later zijne twee dochters Lia en Rachel aan Rebecca's zu -n. Jacob, tot huisvrouwen.
5. Ongetwijfeld hebben ook de oudvaders kunnen dw .1 en zondigen. Hchter vindt de handelwijze van Abraham opzichtens Sara en Pharao hare verdedigers in den 11. Augustinus en den 11. Ambrosius. De eerste merkt op, dat, daar Abraham zich niet in staat achtte tegelijkertijd zijn leven en de eer zijner vrouw te verzekeren, hij de laatste aan God overliet. Hn hij kon, meent de II. Ambrosius, d t to veiliger doen, omdat God die hem geboden had zijn land te verlaten en die hem nu naar Hgypte geleidde, ook wel / m zorgen, dat daaruit geen kwaad geboren werd. Daarbij rekende de oudvader op de hem zoo wel bekende deugd cn standvastigheid zijner echt-genoote. Zij zou dan ook, naar het beweren van Procopius, in Pharao's huis geen letsel hebben ondervonden.
HOOFDSTUK. VIII.
SC III-ID ING VAN ABRAHAM HN LOT. â STRIJD VAN NEGEN KONING E N. M E L G H IS E 1) E G H.
oen de hongersnood voorbij was, keerde Abraham niet zijne huisvrouw cn Lot naar Ghanaan terug. Wijl nu Lot zoowel als Abraham zeer rijk was aan schapen, koeien en tenten, zoodat het land voor hen gezamenlijk te klein bleek, ontstond â er twist tusschen beider herders. Om hieraan een einde te maken stelde Abraham j aan Lot eene schikking voor, zeggende; Zie, het geheele land ligt voor u open, ik bid u laat ons scheiden. Indien gij links afslaat, zal ik mij rechts wenden. Lot liet dan zijne oogen gaan over liet land gelegen langs den Jordaan, dat voor de verwoesting van Sodoma en Gomorrha zeer vruchtbaar was. Terwijl nu Lot deze streek voor zich koos, bleef Abraham in het land van Ghanaan.
Nadat de scheiding aldus was tot stand gekomen, sprak God tot Abraham; lief, van de plaats waar gij staat, uwe oogen op naar het noorden en zuiden, naar het oosten en westen. Al dit land, zoo ver uw blik reikt, zal ik u en uw nakroost geven ten eeuwigen
i4 'ilJHELSCHE GHSCH1HDEN1S.
dage. Dit kioost zal ik maken talrijk als de zandkorrels der aarde, zoodat wanneer iemand de zandkorrels kan tellen, hij het ook uw geslacht zal kunnen doen. Abraham ging dan wonen in de vlakte van Mambre en richtte er den Heer een altaar op.
Lots verblijfplaats was Sodoma. Nadat hij daar eenigen tijd gewoond had, brak er een oorlog uit van vijf koningen tegen vier. De vijf koningen waren die van Sodoma, van Gomorrha, van Adama, van Scboim en van Segor. Onder de vier koningen was Chador-lahomor, koning der l-lemieten, de voornaamste. Twaalf jaren lang hadden de vijt koningen hem schatting betaald; daar zij dit het dertiende jaar weigerden, ging in het veertiende jaar de strijd aan. Hij viel uit ten nadeele der vijf verbondenen; hunne mannen werden verslagen, zoodat het overschot naar de bergen moest vluchten. Zegevierend trok de vijand Sodoma en Gomorrha binnen en voerde alles weg wat hij daar vond, waaronder ook Lot met geheel zijne have.
Als dit treurige voorval aan Abraham door een vluchteling geboodschapt was, verzamelde hij zijne knechten ten getale van driehonderd achttien en trok den vijand achterna tot Dan, Na hier zijne troepen verdeeld te hebben, viel hij des nachts op de vier koningen aan, versloeg ze en vervolgde hen tot Hoba, dicht bij Damascus. Hun geheele buit viel hem daarbij ten deel, en al de gevangenen; ook Lot en de zijnen werden bevrijd. Terwijl hij nu als overwinnaar terugkeerde, kwam hem de koning van Sodoma met vreugdebetoon te gemoet, benevens Melchisedech, de koning van Salem. Deze, die tevens priester des Aller-hoogsten was, droeg een offer op van brood en wijn. Daarna zegende hij Abraham, zeggende : Gezegend zij Abraham van den allerhoogsten God, die hemel en aarde geschapen heeft, en geloofd zij de allerhoogste God, door wiens bescherming uwe vijanden thans in u\,e handen zijn. Abraham gaf dan aan Melchisedech de tienden van alles.
Nu sprak de koning van Sodoma tot Abraham: Geel mij slechts de gevangenen terug en behoud hunne en mijne bezittingen voor u. Maar Abraham antwoordde: Ik hef mijne hand op tot God den allerhoogste, den bezitter van hemel en aarde, dat ik van de draden des weefsels af tot den schoenriem toe niets nemen zal, wat het uwe is, opdat gij niel zegt: ik heb Abraham rijk gemaakt. De bondgenooten echter, die met mij gekomen zijn, Aner, Lschol en Mambre moeten hun aandeel in den buit ontvangen.
1. Lot, die bij de keuze cener woonplaats alleen op tijdelijk voordeel lette, vond zich in de uitkomst zijner berekening evenzeer bedrogen als dit nog dikwijls het geval is met sommige Christenen, die uit gewinzucht er niet naar vragen, in welke omgeving zij zich vestigen ol in welk huisgezin zij gaan dienen.
2. De heerlijke verschijning van Melchisedech,-die koning is van Salem â Salem beteekent vrede â en als Priciter het offer van brood en wijn den Allerhoogste opdraagt, is het beeld van den eigenlijken en eeuwigen vredevorst, van wien het in den psalm voorspeld is: Gij z ij t priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech. In zijn brief aan dc Hebreen vestigt de li. Paulus er onze aandacht op, .Lt aan Melchisedech, een priester van het onbloedig oller, zelfs door Abraham, waaruit het joodsche priesler-
' .lacht voortspruit, tienden zijn gesclionken. Abraham erkende dus Melchisedech als den hoogere in waardigheid.
HOOFDSTUK IX.
DE GEBOORTE VAN 1SMAÃL.
-â¢-
sprak God lot Abraham: Vrees niet Abraham, ik ben uw beschermer en uw overgroot loon. Abraham antwoordde: Heer, mijn God, wat zult gij mij geven? ik heb geen kinderen en deze Eliëzer van Damascus, de zoon van mijn W huisverzorger, zal mijn erfgenaam worden. Maar onmiddellijk hernam God: Deze V zal uw erfgenaam niet zijn; een eigen telg, uit u ontsproten, zal u opvolgen. 1 oen I geleidde God hem naar buiten en sprak: Zie op ten hemel en tel de sterren als gij kunt; zoo zal uw nakroost zijn. Abraham sloeg geloof aan God en het werd hem aangerekend ter rechtvaardigheid.
BIJBKLSCI-ir-: GI'SCIIIF.DI-N'IS,
Nog sprak God: Ik ben de Heer, die u gevoerd heb uit Ur der Chaldccn, om u dit land in bezit te geven. Abraham vroeg daarop: Heer, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal? F.n de Heer antwoordde: Neem en offer mij een koe van drie jaren, een geit van drie jaren, een bok van drie jaren, een tortel en een duif. Als nu Abraham dit gedaan had, openbaarde God hem in een droomgezicht, wat met hem gebeuren zou. Abraham hoorde namelijk eene stem: Weet dat uw nageslacht in een land zal wonen dat niet het zijne is en dat het daar vierhonderd jaren in slavernij gehouden en verdrukt zal worden. Maar ik zal over zijne verdrukkers vonnis vellen en dan zal uw volk met talrijke bezittingen uit dat land vertrekken. Wat u aangaat, gij zult in vrede tot uwe vaderen verzameld worden in een hoogen ouderdom. En in het vierde geslacht zullen uwe nakomelingen hier in het land Chanaan terugkeeren; want de maat der boosheid van de Amorrheën, die thans het land bezitten, is nog niet vol.
Sara, Abrahams huisvrouw, was echter nog altoos kinderloos. Zij bewoog derhalve haren man, om hare dienstmaagd Agar tot eene tweede vrouw te nemen, opdat ik, zeide zij, ten minste door haar kinderen bekome. Als Abraham hieraan gehoor had jre^even en
O tgt; '
Agar bemerkte, dat God haar met een kind zou zegenen, begon zij zich trotsch te gedragen tegen hare meesteres Sara. Sara klaagde daarover bij Abraham, die haar antwoordde: Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, handel met haar gelijk gij goedvindt. Doch toen daarop Sara Agar te hard viel, vluchtte deze weg naar de woestijn. Hier evenwel verscheen haar een engel, die haar zeide; Agar, dienstmaagd van Sara, keer weder tot uwe vrouw en verneder u ouder hare handen. Gij zult een zoon baren en de Heer zal u ontelbare nakomelingen geven. Agar gehoorzaamde aan dit bevel, keerde weder en schonk aan Abraham een zoon, dien hij Ismaël noemde. Abraham was alsdan 86 jaren oud.
1. In een rond getal, 400, worden aan Abraham de jaren bekend gemaakt, die zijn nageslacht zou omzwerven in een vreemd land. Onder dit land heelt men niet enkel Egypte te verstaan, waar de Israëlieten â zooals later (Derde Tijdvak) zal aangetoond worden â slechts 21; jaren verbleven, maar ook de overige streken in en bij het land Chanaan, waar Isaac en Jacob rondzwierven en die destijds nog alle door vreemde volkstammen bcwoorul werden.
2. God heeft in het Paradijs het huwelijk ingesteld tusschen één man en eene vrouw; later, ten tijde der patriarchen en onder de wet van Moses, was het geoorloofd meerdere vrouwen te hebben, totdat Christus de oorspronkelijke instelling hernieuwde.
HOOFDSTUK X.
HET VERBOND GODS MET ABRAHAM. â DE VERSCHIJNING
'5
VAN DRIE ENGELEN'.
ij en tijde dat Abraham 99 jaren was geworden â- Ismaël was nu 15 â verscheen , hem de Heer en zeide: Ik ben de almachtige God: wandel voor mijn aanschijn en wees volmaakt. Een verbond zal ik met u aangaan en uw geslacht bovenmate vermenigvuldigen. Toen viel Abraham aanbiddend op zijn aangezicht ter aarde. En God sprak verder: Uw naam zij voortaan niet meer Abram â zooals hij tot nu toe altijd genoemd werd â maar Abraham, omdat ik u gesteld heb tot vader van vele volkeren; koningen zullen uit u ontspruiten en mijn verbond zal met u zijn en met uw nageslacht ten eeuwigen dage. Ik zal ook aan u en uwe nazaten dit land van Chanaan tot een altijddurend bezit geven en mij uw God en beschermer toonen. Daarentegen zult gij en uw geslacht mijn verbond nakomen. Dit nu is het verbond: alle mannelijke kinderen, niet alleen welke u zelf worden geboren, maar ook die van uwe knechten en die gij door aankoop verkrijgt, zullen op den achtsten dag besneden worden. Het kind dat niet besneden
16 BIJBHLSCHE GESCHIHDEXIS.
wordt, zal uit zijn volk worden uitgeroeid. Gij zult ook uwe huisvrouw niet meer, als voorheen, Saraï noemen maar Sara. En ik zal haar zegenen en u uit haar een zoon schenken, op wien mijn zegen zal rusten; volkeren en koningen van volkeren zullen van hem voortkomen, Nogmaals viel Abraham op zijn aanschijn neder, doch zeide lachend bij zich zelven: Meent Gij dat een honderdjarige een zoon kan bekomen en dat Sara, die negentig jaren telt, moeder zal worden? En tot God sprak hij: Och, dat slechts Ismacl moge blijven leven, Maar God hernam; Sara, uwe huisvrouw, zal u een zoon schenken; zijn naam zult gij Isaiic noemen en ik zal mijn verbond met hem vaststellen en met zijn nakroost na hem. Ook voor Ismacl heb ik u verhoord; ik zal hem zegenen en hem maken tot een groot volk. Maar mijn verbond zal zijn met Isaiic, dien Sara u zal baren op dezen tijd in het volgend jaar. Abraham volbracht dan aan Ismacl en aan al de zijnen de besnijdenis, die God hem als teeken des verbonds bevolen had.
Later verscheen de Heer nog eens aan Abraham in het dal van Mambre. Terwijl Abraham namelijk in de deur van zijn tent zat, op het midden van den dag, stonden drie mannen onverwacht in zijne nabijheid. Hij liep hun te gemoet, wierp zich ter aarde en zeide tot den voornaamste: Mijn heer, indien ik genade heb gevonden in uwe oogen, ga dan de woning van uw dienaar niet voorbij, maar Iaat mij u een weinig water halen opdat gij uwe voeten wascht en uitrust onder dezen boom. Ik zal ook brood opdienen'om uw hart te versterken, waarna gij uwen weg kunt vervolgen. Zij antwoordden: Doe gelijk gij gezegd hebt.
Abraham spoedde zich dan in de tent van Sara en beval haar terstond drie maten meel te nemen en er onder de asch koeken van te bakken. Vervolgens liep hij naar de kudde, nam een jong en goed gemest kalf en gaf het aan een dienstknecht, die het kookte. Daarna diende hij het op, benevens boter en melk. Terwijl de drie onbekenden aten, bleef hij bij hen staan onder den boom.
Nadat zij nu gegeten hadden, vroegen zij hem: Waar is Sara, uwe vrouw? Hij antwoordde : in de tent. Toen hernam de voornaamste der drie : Het volgend jaar tegen dezen tijd zal ik weder hier zijn en dan zal Sara een zoon hebben. Maar Sara die achter de deur der tent stond en dit hoorde, lachte heimelijk, wijl zij twijfelde aan de vervulling der belofte. De Heer vroeg dan aan Abraham: Waarom heeft Sara gelachen en gezegd: Zal ik inderdaad op mijn ouden dag een zoon verkrijgen? Is er iets bij God moeielijk? Maar, gelijk ik gezegd heb, het volgend jaar keer ik weder en dan heeft Sara een zoon.
Sara, door vrees bevangen, ontkende thans dat zij gelachen had. Doch de Heer zeide: inderdaad hebt gij gelachen.
i. Uit Abraham zijn ontsproten; langs Je lijn Isaac-Jacob, de Twaalf Stammen met hun koningen van Jmla en Israël; langs de lijn Isaac-Esau, de Idumecn of Edomieten met hun koningen; langs de lijn Ismacl, de Ismaëlicten, die in een aantal stammen of volken verdeeld, meestal Arable tot woonplaats hadden. Meer naar de zijde van het joodsche land woonde de stam Nabajoth of het volk der Nabatcën; in verder oostelijke richting de stam Cedar; langs den persischen zeeboezem de stam Thema, Nog worden in de latere boeken der H. Schrift vermeld de volkstammen van Duma, Hadad en Jetur of de Itureën, allen namen met die der zonen Isinaëls gelijkluidend, zoodat genoemde volken hoogst waarschijnlijk door Ismaël uit Abraham zijn voortgekomen.
Bovendien had Abraham nog verscheidene zonen bij Cetura, zijne vrouw na den dood van Sara. Van een dezer, met name Madian, stammen de Madianieten af. Van een anderen zoon, Jecsan, wiens zoon Saba was^ kwam het volk van Saba voort. Onder Madians zonen was er een met name Epha, Deze drie volkeren, benevens Nabajoth uit Ismaëls geslacht, worden door den profeet Isaïas genoemd, waar hij in zijne voorzegging over Jerusalem en de heerlijkheid, die daar tengevolge van de komst des Verlossers zou gezien worden, spreekt; «Sta op en wordt verlicht Jerusalem, want uw licht is aan het dagen en de heerlijkheid des Hecren gaat over u op,. Een drom kameelen zal u bedekken, de dromedarissen van Madian en Epha, allen zullen van Saba komen, goud en wierook aanbrengen. Do rammen van Nabajoth zullen u (o Heer) dienen en op uw zoenaltaar gelegd
worden,quot; _ Isaïas LX: 6, 7, â Het denkbeeld is grootsch en treffend: de verschillende nakomelingen van
Abraham, zoowel uit Agar, Ismaëls moeder, als uit de andere nevenvrouw Cetura, in hunne vertegenwoordigers gezamenlijk vereenigd om den écnen grooten Nakomeling, de Hoop van Isaiic en Israël, de Spruit uit Davids huis en tie Verwachte der volkeren! De li. Kerk laat de voornaamste plaats uit bedoelde profetie aan de geloovigen voorlezen op den H. Driekoningendag.
; â â
BIJHHLSCHH GESCHIEDENIS.
2. Op het hooien der belofte van een zoon lachten beide, Abraham en Sara. Bij haar kwam dit bepaaldelijk voort uit twijfel, bij hem, meenen de li. Ambrosius en Augustinus, lagen blijdschap en verbazing ten grondslag.
3. De vraag of zich onder de personen, die aan Abraham verschenen, de Heer zelf bevond, dan wel of alle drie engelen waren, wordt door de meeste II. Vaders in den laatsten zin beantwoord. Dat Abraham ben in den beginne niet voor engolen maar voor gewone vreemdelingen hield, is met het oog op de aangerechte tafel en het aanbieden van water voor hun voeten, meer dan waarschijnlijk Later, toen de engel hem een zoon beloofde, begreep Abraham door wien of uil wiens naam er tot hem gesproken werd.
4. De Hebreen bogen zich ter aarde: voor God, om hem te aanbidden, voor voorname menschelijke personen, ten blijke van hoogachting of ook van dankbaarheid voor genoten gunsten.
1IOOFDSTUK XI.
GODDIZLOOSHKID VAN SODOMA EN VERWOESTING DIER PLAATS.
oen de drie mannen zich op weg begaven naar Sodoma, en Abraham hun uitgeleide deed, sprak de lieer, de voornaamste der drie: Zai ik voor Abraham kunnen 'oyC' verbergen, wat ik voornemens ben te doen? Neen, want ik weet, dat hij zijnen kinderen en huisgenooten zal bevelen te wandelen in de wegen des Heeren. De Heer j zeide hem alzoo : Het geroep over de zonden der inwoners van Sodoma is ten zeerste toegenomen; ik ga zien of de maat hunner boosheid vol is.
Abraham naderde dan den Heer en vroeg: Zult gij den brave met den goddelooze verderven? Als er eens vijftig rechtvaardigen in de stad waren, zoudt gij dan de stad sparen? De Heer antwoordde: ik zou haar sparen om die vijftig. Abraham hernam: Omdat ik nu eens b-gonnen ben, zal ik voortgaan te spreken tot mijnen Heer, ofschoon ik stof en asch ben: als er eens vijf minder waren dan vijftig? Ik zou de stad sparen, sprak de Heer. En wederom Abraham: Als er eens veertig waren, wat zoudt gij doen? De stad sparen om die veertig, sprak de Heer. En Abraham: Ik bid u. Heer, word niet op mij vertoornd, als ik nog eens vraag: Wat zult gij doen, als er dertig zijn? Ik zal, sprak de Heer, de stad niet verdelgen, als ik er dertig vind. Omdat ik nu eenmaal begonnen ben, zeide Abraham nogmaals, zal ik voortgaan te spreken tot mijnen Heer; Wat, als er twintig zijn? Ik zal, antwooulde de Heer, de overigen niet dooden, om die twintig. En weer Abraham: Ik bid u, Heer, word niet vertoornd, als ik nog eens spreek: Wat, als er tien gevonden worden? En de Heer: Ik zal de stad niet verwoesten, om die tien. â Hierna verwijderde zich de Heer en Abraham keerde naar zijne woning terug.
Twee der engelen kwamen te Sodoma tegen den avond, en Lot, aan de poort der stad zittende, stond op, ging hun te gemoet, boog zich op den grond en zeide: Ik bid u, mijne Heeren, neemt uw intrek in het huis uws dienaars; blijft daar, wascht uwe voeten, dan kunt gij morgen uwen weg vervolgen. Zij antwoordden: Geenszins, maar wij willen op de straat overnachten. Hij drong dan zijn verzoek nog sterker aan, en als zij, eindelijk hieraan toegevende, bij hem waren binnengetreden, bereidde hij hun een maaltijd, waarvan zij aten.
Maar voor zij zich ter ruste begaven, had al het volk van Sodoma, van jong tot oud, de deur van het huis belegerd en eischte van Lot de twee mannen, om hen schandelijk te mishandelen. Daarop ging Lot, de deur achter zich sluitende, tot het volk naar buiten en zeide: wilt toch, mijne broeders, deze zonde niet bedrijven, doet dien mannen geen kwaad, want zij zijn als gastvrienden mijn huis binnengegaan. Maar zij antwoordden: Wijk terug ! hoe, gij zijt hier vreemdeling en wilt ons de wet stellen ? Wij zullen u nog erger mishandelen dan die twee. Reeds begonnen zij de deur te bestormen, toen de engelen Lot binnentrokken en hen die buiten waren met blindheid sloegen, zoodat zij de deur niet konden vinden.
17
i8 BIJBHLSCHE GESCHIHDRNIS.
De maat der boosheid was thans vol en de engelen spraken tot Lot: Woont er in de stad nog iemand der uwen, een schoonzoon otquot; zonen of dochters, voer ze dan naar buiten, want wij gaan de stad verdelgen. Lot begaf zich hierop naar zijne toekomstige schoonzonen, de bruidegoms zijner dochters, en verwittigde hen van het plan Gods met de stad ; maar zij sloegen geen geloof aan zijn woorden en hielden ze voor scherts.
Toen het nu morgen begon te worden, drongen de engelen opnieuw bij Lot aan: Sta op, neem mve vrouw en uwe dochters, opdat gij niet met de goddeloozen vergaat. Als hij echter nog talmde, namen de engelen hem en zijne vrouw en dochters bij de hand en geleidden hen naar buiten. Daar bevalen zij hem: Red uw leven, zie niet om en blijf hier niet in de nabijheid, maar vlucht naar de bergen. Doch Lot vroeg, om in plaats van naar den berg, zich naar de kleine stad Segor te mogen begeven, wat hem werd toegestaan. Tegelijk met het opgaan der zon trad hij Segor binnen.
Thans zond God over Sodoma en Gomorrha en nog twee andere steden een regen van zwavel en vuur, waardoor zij geheel verdelgd werden met al hare inwoners en het omliggende land. En Lots huisvrouw, die tegen het gebod des Heeren op hare vlucht achterom zag, werd tot straf van die ongehoorzaamheid veranderd in een zoutzuil.
Terwijl dit alles geschiedde, stond Abraham, na dien morgen vroeg zijne legerstede verlaten te hebben, op de plaats, waar hij den vorigen dag met den Heer had gesproken. En zijne oogen opslaande naar Sodoma en Gomorrha en de geheele streek daaromtrent, zag hij een dichten rook van de aarde opstijgen als uit een vuurhaard. Lot vreesde nu ook om langer te Segor te blijven en ging met zijne twee dochters naar het gebergte en woonde daar in eene spelonk. Van deze dochters stammen af de Moabieten en Ammonieten.
1. De belofte Gods, om ter wille van tien rechtvaardigen eene geheele stad te sparen, mag ongetwijfeld ook ons, iu deze treurige tijden van ongeloof en zedenbederf, tot niet geringen troost strekken.
2. Uit liet Boek der Wijsheid, 10: 7, blijkt, dat het omzien van Lots huisvrouw eene zonde was van ongeloof. Aangaande de zoutzuil, waarin zij veranderd werd, getuigt de joodsche geschiedschrijver Mavius Josephus, dat die ten zijnen tijde nog bestond.
3. Zelfs bij de Grieken en Komeiuen was de geschiedenis der verwoesting van Sodoma en de andere steden bekend; Strabo, Solinus, Plinius en Tacitus spreken er tamelijk uitvoerig en nauwkeurig van. Over het aantal steden is men het niet geheel eens. Zeker is het, dat er vier verwoest zijn, nl.: Sodoma, Gomorrha, Adaina en Seboïni. Deze immers maakten met Segor de Pentapolis of het «Land der vijf Stedenquot; uit. Nu zegt het Boek der Wijsheid, lo: 6, dat de Pentapolis door het vuur werd verdelgd. Dit is dus te verstaan van alle steden, die niet opzettelijk door de H. Schrift worden uitgezonderd. Van Segor getuigt echter de Schrift, dat het op Lots voorbede, althans vooreerst, werd gespaard. Of de stad later nog werd verwoest, nadat Lot haar weder verlaten had, daarover juist loopen de meeningen uiteen. De H. Ambrosius en eenige andere Schriftverklaarders houden het er voor van niet. â Waar eens de Pentapolis lag, ligt thans de Doode Zee, waarin noch visch, noch watervogel, noch plant kan leven, en welker bodem met een dikke laag zout en asphalt is bedekt. Onze hoog eerwaarde landgenoot P. M. S. pr. beschrijft in zijne Pelgrimsreize gedaan, in het jaar 18)9, de Doode Zee aldus: »Ten half elf braken de pelgrims op, en trokken door de golvende zandvlakte naar de Doode Zee. Alle sporen van plantengroei verdwenen meer en meer; het is een grootsch maar huiveringwekkend tafreel: ziedaar de oevers der Doode Zee. De loodvervige watermassa lag onbeweeglijk dood. Naderbij gekomen bevonden zij het water helder van kleur, maar voor den smaak onverdraaglijk; alles ook was door zijne uitdamping met
salpeter bedekt..... Hier te lang loeven ware (nog om een andere reden) onvoorzichtig geweest; in dit land des
doods is ook de ontmoeting met levenden altijd gevaarlijk.quot;
1 I
i
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. i9
HOOFDSTUK XII.
GEBOORTE VAN ISAAC. VERDRIJVING VAN AGAR EN ISMAEL.
(Het jaar na de schepping 2108.)
||.olgens Zijne belofte van het vorige jaar, bezocht de Heer thans Sara; zij baarde
__II, een zoon die van zijn vader den naam van Isaiic ontvinij cn den achtsten daar
â ^plrb besneden werd. Abraham was toen honderd jaren oud en Sara negentig. Dat Mp' zij zich dus over niets minder dan over een wonder te verheugen had, drukte Sara 'W uit door de woorden: Zie, God heeft mij een lach verwekt en allen, die van het I gebeurde zuquot;en hooren, zullen medelachen; wie zal gelooven dat Sara een zoon zoogt, dien zij een grijsaard baarde? Het kind echter groeide op en ten dage dat het gespeend zou worden, richtte Abraham een groot gastmaal aan.
Als nu Sara op zekeren tijd zag, dat Ismaèl haren zoon bespotte en vervolgde, zeide zij tot Abraham : Zend de slavin cn haar zoon weg, want de zoon der slavin zal geen erfgenaam zijn met mijn zoon Isaiic. Aan Abraham echter viel deze taal hard, om wille van Ismaël, die toch ook zijn kind was. Doch God bemoedigde hem met de woorden: 1 aat hetgeen gij gehoord hebt, u niet hard zijn en doe zooals Sara u zegt, want uit Isaac zal uw geslacht voortkomen; maar ook den zoon der slavin zal ik groot maken, omdat hij uw zaad is.
Abraham stond nu des morgens vroeg op, nam een brood en een lederen zak met water en legde beide op Agars schouder, waarna hij haar met den knaap wegzond. Zij sloeg den weg in naar de woestijn Bersabee en dwaalde daar rond. De voorraad water, dien zij bij zich droeg, was spoedig uitgeput en moeder cn zoon begonnen dorst te lijden. De laatste vooral. Dit was een pijl in Agars hart, die haar te pijnlijk werd ; zij liet den knaap onder een boom liggen, verwijderde zich, ging op een boogscheut alstands van hem neerzitten en riep onder een vloed van tranen uit: ik kan den knaap niet zien sterven. Maar de Heer kreeg medelijden met haar en zond een engel om haar te zeggen : Wat doet gij. Agar? vrees niet, want God heeft uwe bede voor het kind verhoord. Agars oogen werden nu geopend, zij zag een put, vulde snel den ledigen waterzak en gaf den knaap te drinken. Ismaèl groeide vervolgens op, woonde in de woestijn Pharan, waar hij een boogschutter werd, en zijne moeder nam hem eene vrouw uit de dochters van Egypte.
Toen de bovenvermelde gebeurtenis voorviel, moet Ismaël omstreeks ró jaren hebben geteld. Nog eenmaal zagen hij en Isaac elkander terug, toen zij gezamenlijk hun vader begroeven te 11-bron. In het vijfentwintigste hoofdstuk van Genesis worden de namen genoemd der twaalf zonen, die Ismaël gewon. Hij stierf in den ouderdom van 137 jaren.
Den profetischen zin van het gebeurde verklaart de Apostel Paulus in den brief aan de Galaten, het vierde hoofdstuk, waarvan het desbetrefl'ende gedeelte jaarlijks op den vierden zondag van de Vasten in de kerk wordt voorgelezen.
RljBF.LSCHF. C ESCH1EDEN1S.
HOOFDSTUK XIII.
ABRAHAM EN ABIMELECH. â OPOFEERING VAN ISAAC.
P zekeren dag kwam Abimelcch, koning van Gcrrara, met den overste zijns legers, Phicol, bij Abraham, om met hem een verbon.1 te sluiten van vrede cn vriend-schap. Zweer mij, sprak hij tot Abraham, dat gij ingevolge het goede dat ik u bewezen heb, ook mij geen schade zult toebrengen, noch mijnen nakomelingen, ju noch mijn land, waarin gij als vreemdeling verkeert. En Abraham antwoordde-: j ik zal het zweren.
Vervolgens klaagde Abraham bij Abimelech, dat diens knechten een waterput in bezit hadden genomen, die Abraham toekwam. Abimelech antwoordde, dat hij hiervan niets wist, dat Abranam er hem nooit te voren over gesproken had cn dat hij het heden voor het eerst hoorde. Daarop liep Abraham naar zijne kudde, nam er zeven lammeren uit en plaatste die, van de overigen afgezonderd, bij elkander. Abimelech vroeg hem: Wat moeten deze lammeren bcteekenen? Abraham antwoordde: Deze zeven lammeren zult gij uit mijne hand ontvangen, opdat zij mij tot een getuigenis zijn, dat ik den put gegraven heb. Zij bezwoer ju nu beiden hunne overeenkomst aangaande den put, en daarom werd de plaats waar dit geschiedde van toen af Bersabec genoemd. Abimelech ging vervolgens naar zijne verblijfplaats Gerrara in het land der Philistijnen terug cn Abraham bleef nog vele jaren als vreemdeling te Bersabee wonen, waar hij een bosch plantte cn den naam van den Heer den cenigen God vereerde.
Eenigen ti|d later riep God Abraham, om hem te beproeven: Abraham! Abraham! Deze antwoordde: Hier ben ik. Daarop sprak God : Neem uw zoon Isaac, uw ceniggeborene, dien gij bemint, en draag hem mij, op een der bergen dien ik u zal aanwijzen, ten bi and-offer op. Hoewel het nu nacht was, stond Abraham dadelijk gereed, zadelde een ezel, nam twee knechten mede en ook Isaac, zijn zoon, cn na nog het hout voorliet brandoilei te hebben gehakt, begaf hij zich op weg naar de plaats, die de Heer hem bevolen had. Twee dagen had hij reeds gereisd, toen hij op den derden dag, zijne oogen opheffende, van verre den berg zag. Nu beval hij den twee knechten : Blijft hier met den ezel wachten, totdat ik en de knaap boven ons gebed hebben verricht en tot u terugkeeren. Het hout laadde hij op Isaiics schouders cn zeil nam hij het zwaard en het vuur. 1 oen zij nu zoo gezamenlijk voortgingen, zcide Isaac: Mijn vader! Abraham antwoordde: Wat wilt gij, mijn zoon ? Wider, vroeg Isaac, hier is wel het hout cn het vuur, maai waai is het slachtoffer? Het antwoord luidde: God zal er in voorzien, mijn zoon! Zij gingen nu verder zwijgend voort.
Eindelijk te bestemder plaatse aangekomen, maakte Abraham een altaar gereed, legde er het hout over heen, bond Isaac, zijn zoon, en legde hem op het hout. Daarna strekte hij zijne hand uit en greep het zwaard, om er zijn zoon mee te oftcrcn, toen op hetzelldc oogcublik een engel uit den hemel hem toeriep: Abraham! Abraham! Hier ben ik, is het antwoord. En de engel: Steek uwe hand niet uit tegen den knaap en doe hem geen leed; want nu weet ik, dat gij God vreest en uw eenigeu zoon voor Hem niet hebt gespaaul. Abraham, uaarna zijne oogen opslaande, zag achter zich een bok met de hoornen tusschen de struiken verward; dezen nam hij cn droeg hem op tot een brandoffer, in de plaats van zijn zoon.
Nu riep dc engel des Hecrcn ten tweede male van den hemel tot Abraham : Ik heb bij mij zelf gezworen, zegt dc Heer, omdat gij aldus hebt gedaan en uw eeniggeboien zoon voor mij niet hebt gespaard, zal ik u zegenen cn uw geslacht vcrmeiiigvuldcn gelijk
BIJBHLSCMH GF.SCHlliDllXIS.
de sterren des hemels en als de zandkorrels aan het strand der zee, zoodat het dc steden zijner vijanden zal bezitten. Hm im uwen s'akomeung zui.lem ai.i.e geslachten' der aarde c,i;zEGENn worden' , omdat gij naar mijne stem hebt geluisterd
Daarop keerde Abraham naar zijne knechten terug en zij gingen te zamen naar Bersabee, waar zij woonden,
1. Merkwaardig is het eerste gedeelte van dit hoofdstuk als een schets uit de H. Schrift van de eenvoudige levenswijze der patriarchen en van hun goede trouw. Voor dtae herdersvorsten niet hunne talrijke kudden, die soms uren in den omtrek geen water vonden, was een put een levensvraag. Maar als zij over zaken van dit hooge belang een verbond sluiten , doen zij het zonder eenige getuigen ( zonder een ander bewijsstuk dan de zeven lamineren, die Abraham aan Abimelech schenkt. Zoo achten zij het voldoende; want mocht nu ooit in 't vervolg Abimelech of een der zijnen aanspraak op den put willen maken, dan zou Abraham hem zeggen: de put is de mijne, herinner u slechts de zeven lammeren, die ik u gaf. â Bersabee, waar deze gebeurtenis voorviel, is de laatste stad van het beloofde land ten zuiden, gelijk Dan die ten noorden is. Vandaar lioct he1 later in de H. Schrift, telkens, waar de uitgebreidheid des lands ter spraak komt: »van Dan tot Bersabee.quot;
2. Bij het roerend verhaat van Abrahams bereidwilligheid tot het offeren van zijn zoon is alle toeli'hting overbodig. Hik woord spreekt voor zich, het is klaar en duidelijk. Maar ook elk woord heeft zijn kracht. Neem, zegt God, uw zoon â niet Ismael, maar hem op wien alleen gij al uw vertrouwen stelt, waaruit uw geslacht zal voortkomen, neem dien zoon, uw eeniggeborene; gij hebt thans geen anderen meer, want Ismael is weggezonden; neem dan Isaac, dien gij bemint, bemint meer dan u zelven, meer dan alles â welnu breng hem mij ten offer. Hoe hard zal dat Abraham gevallen zijn, vooral toen hij bij 't opgaan van den berg, uit Isaacs mond de zoo kinderlijk onschuldige vraag moest hooren, waar dan toch het offer was. Dit alles kon Abraham echter geen oogenblik doen wankelen. Geloovende, dat God machtig is om ook van de dooden op te wekken, hoopt hij, al is het tegen aile hoop in, uit Isa.ïc zijn nakroost te ontvangen en offert uit liefde tot God het dlciv.i.irste wat hij bezit. Zoo werd hij het beeld van dien hemelschen en eeuwigen Vader, die ook quot;zijn eenlgen Zoon niet ge paard , maar hem gegeven heeft voor ons allen.quot;
HOOFl )STUK XIV.
DOOD HM Bl'GRAFF.XLS VAM SARA. â HET HUWELIJK VAN* ISAAC.
|».gt;a.-a leefde 127 jaren en stierf te Hebron in het land van Chanaan, in dat gedeelte iSais^-s, waar de zonen van Heth woonden. Nadat Abraham haar volcens de gebruikelijke rouwplechtigheden betreurd en beweend had, ging hij naar de zonen van Heth en sprak: Ik ben aankomeling en vreemdeling in uw land, verkoopt mij een graf ^ \ voor mijne doode. Maar zij antwoordden: gij zijt een aanzienlijk man onder ons, 1 begraaf vrij uwe dooden, waar gij verkiest. Abraham wilde echter geen graf voor niets nemen, zooals zij hem aanboden, maar kocht van hen, voor vierhonderd sikkelen zilver, de dubbele spelonk van Ephron en begroef er Sara zijne huisvrouw. Dc spelonk bleef voortaan Abrahams eigendom,
Sara was nu dood en Abraham hooghc'-nnl. Ann rijkdom en aanzien ontbrak het hem niet; God had hem in alles gezegend; maur iicgene, die zijn geslacht moest voortzetten, Isaiic, was nog niet tot een vasten levensstaat gekomen. Abraham sprak dan tot zijn oudsten dienaar, Eliëzer, die het oppertoezicht had over al zijne zaken: Leg uwe hand in mijne lenden, opdat ik u bezwere bij den Heer den God van hemel en aarde, dat gij voor mijn zoon geene huisvrouw neemt uit de dochters der Chanaanieten, onder welke ik woon, maar dat gij naar mijn land en mijne maagschap zult gaan en van daar eene vrouw voor Isaac nemen. De dienaar vroeg: Maar als de vrouw niet met mij hierheen wil gaan, moet ik dan uw zoon terugvoeren naar het land, waaruit gij vertrokken zijt? -â Neem u daarvoor in acht, antwoordde Abraham, voer nimmer mijn zoon derwaarts. De Heer de God des hemels, die mij uit het huis mijns vaders en uit het land mijner geboorte wegriep, en
BIJBFLSCHE GF.SCHIIIDENIS.
mij gezworen heelt, het hinJ, waar ik thans woon, aan mijne nakomelingen te zullen geven, hij zal zijn engel voor uw aanschijn uitzenden, opdat gij ginds een vrouw voor mijn zoon vindt. En mocht dit niet ziin en de vrouw weigeren met u mee te gaan,, dan zult gij van uw eed ontslagen wezen. Alleen dit blijve vast staan : voer nooit mijn zoon derwaarts.
De dienaar zwoer nu den eed en na dit gedaan te hebben, nam hij tien kameelen en een aantal knechten, benevens rijke geschenken uit al de goederen van zijn heer en vertrok naar Xachors stad in Mesopotamië. legen het vallen van den avond kwam hij daar, op het uur dat de vrouwen gewoon zijn uit te gaan om water te putten. Hij deed alsnu zijne kameelen neerliggen bij een put buiten de stad en begon onderwijl te bidden. Heer, God van Abraham, sprak hij, sta mij heden bij en betoon uwe goedertierenheid aan mijnen heer. Zie, ik sta aan den put en de dochters der stad-zullen hier komen om water te scheppen; de dochter nu, die op mijne vraag om mij te drinken te geven, zal antwoorden: drink en ook uwe kameelen zal ik drenken, zij zal het zijn die gij voor uw dienstknecht Isaac hebt bereid, en daaraan zal ik erkennen, dat gij aan mijnen heer uwe gunst betoont.
Nog had hij deze woorden niet gesproken, als reeds Rebecca naderde, de dochter van Bathucl, die een zoon was van Nachor, Abrahams broeder. Zij was een uitgelezen schoone maagd, hier komende om haar waterkruik te vullen. De dienaar trad op haar toe met de vraag: geel mij een weinig water te drinken uit uwe kruik. Rebecca antwoordde: drink, mijnheer, en snel liet zij de kruik van haar hoofd op den arm neder. Daarna sprak zij: ik zal ook aan uwe kameelen te drinken geven. Hare kruik hierop in een drinkbak uitgietende, liep zij terug naar den put om nog eens te scheppen, totdat al de kameelen gedronken hadden. Eliëzer sloeg haar inmiddels nauwlettend gade, en als zij gedaan had met putten, haalde hij gouden oorringen en armbanden te voorschijn, en vroeg haar: Wiens dochter zijt gij cn is er in uvvs vaders huis plaats om te overnachten ? Zij antwoordde: Ik ben de dochter van Bathuël, die een zoon is van Nachor; stroo en hooi is er bij ons in overvloed en ruimschoots plaats om te verblijven. De dienaar boog zich daarop aanbiddend neder voor den Heer, den God van Abraham.
De dochter liep nu naar huis en verhaalde daar alles. Toen haar broeder Laban, die naar haar luisterde, ook de gouden oorringen en armbanden zag, ging hij naar den man heen, die nog steeds met zijne kameelen bij den put stond. Daar aangekomen sprak hij tot hem: Ga binnen, gezegende des Heeren; waarom staat gij buiten? ik heb het huis gereed gemaakt en een plaats voor de kameelen. Hij geleidde hem daarop naar binn.n, gaf voeder aan de dieren en water voor Eliëzer en de knechten, om hunne voeten te wasschen, en diende brood op. Maar de man zeidc: ik zal niet eten voor ik mijne woorden gesproken heb. Hem werd geantwoord : Spreek. Hij zeide nu : Ik ben de dienaar van Abraham. God heelt mijn heer gezegend en machtig gemaakt en hem gegeven schapen en koeien, goud cn zilver, dienstknechten en dienstmaagden, kameelen en ezels. En hij heeft éen zoon, dien zijne huisvrouw Sara hem op hoogen ouderdom gebaard heeft. Verder verhaalde de dienaar alles, wat Abraham hem bezworen, wat hij bij den put gedacht, gesproken en gezien had, en vroeg daarop om de hand van Rebecca. Laban en Bathuël antwoordden: Hier is de wil Gods zichtbaar; zie, Rebecca zij u gegeven, neem haar, vertrek, en dat zij de huisvrouw zij van den zoon uws heeren. Toen Abrahams dienaar dit hoorde, wierp hij zich ter aarde c;i aanbad den Heer, Vervolgens nam hij de zilveren en gouden sieraden, die hij had meegebracht, en insgelijks fraaie kleederen, wat hij alle Rebecca aanbood. Ook hare broec.ers en moeder ontvingen geschenken.
Thans werd er een gastmaal bereid, waaraan allen vroolijk deelnamen. Maar reeds des andcrenuaags morgens vroeg stond de dienaar gereed en bad, dat men hem zou laten, vertrekken. Doch Rebecca's broeders zeiden: Laat de maagd minstens nog tien dagen bij ons blijven, dan kan zij heengaan. Als evenwel de dienaar, ten einde spoedig zijn heer door den gelukkigen uitslag zijner zending te verblijden, op een onmiddellijk vertrek bleef aandringen, kwam men eindelijk overeen, dat Rebecca zelve zou gehoord worden.
ELIÃZER EN REBECCA AAN DE BRON. Blad;
BljBELSCHE GESCHIF.DF.N1S.
Hare broeders vroegen haar dus; Wilt gij met den man heengaan ? Zij antwoordde: ik zal gaan. Toen wenschten zij haar alle heil, zeggende: Gij zijt onze zuster, groei aan tot duizenden en duizenden, en dat uw geslacht de steden zijner vijanden bezitte. Daarop lieten zij haar vertrekken met hare voedster, met den dienaar van Abraham en zijne gezellen. Zij en hare dienstmaagden waren gezeten op kameelen, en de dienaar bespoedigde de reis.
Terzelfdertijd wandelde Isaiic, tegen het vallen van den avond, in het gebed verdiept, op den akker, en zijne oogen opslaande zag hij in de verte de kameelen. Ook Rebecca van haren kant zag Isaac. Aanstonds steeg zij van haar kameel af en vroeg aan den dienaar: Wie is die man, die daar over den akker ons te gemoet komt? Toen hij geantwoord had, dat het zijn heer Isaac was, nam zij haren sluier, waarmede zij haar gelaat dekte. De dienaar deelde nu zijn wedervaren aan Isaac mede, die daarop Rebecca naar dc tent zijner overleden moeder Sara geleidde en haar tot vrouw nam. En zoozeer beminde hij haar, dat de smart over het verlies zijner moeder er door verzacht werd. Isaiic had toen den ouderdom van 40 jaren bereikt.
Abrahams voorname zorg is, om /.ijn geslacht, waaruit de Gezegende aller volkeren moest voortspruiten, te bewaren voor ongeloof en zedenverb isteriug. Om die reden mag Isaac tot geen prijs eene vrouw nemen uit de dochters van het afgodische Chana.in ; maar evenmin wil Abraham hem naar Mesopoiamie laten terugkeeren; want ook daar dreigde hem bij eene vaste nederzetting het bederf. Slechts in het leven als vreemdeling onder vreenuien lag het behoedmiddel.
HOOFDSTUK XV.
DOOD VAN ABRAHAM. GEBOORTE VAN ES AU EN JACOB. â HET LINZEN.MOES.
^Moen de dagen van Abraham tot 175 jaren waren aangegroeid, werd hij eindelijk yisl tot zijne vaderen verzameld, dat is; hij stierl. Zijne beide zonen Isaac en Isinaël «T* begroeven hem in de dubbele spelonk van Ephron te Mambre naast Sara. viS1 Twintig jaren was Isaiic thans niet Rebecca in den echt vereenigd geweest, en lt;VJ nog had God hem geene kinderen geschonken, landelijk echter werd zijn gebed ⢠verhoord, er werden hem tweelingen geboren. Den eerste van hen noemde hij Esau, den tweede Jacob. Reeds voor zij het levenslicht hadden gezien, was Rebecca over hunne lotsbestemming door een openbaring van boven ingelicht. De Heer had namelijk tot hilar gesproken ; Twee volken zullen uit vi voortspruiten, het eene volk zal het andere beheerschen en de oudste zal den jongste dienen â de eerstgeborene Esau zal dienstbaar zijn aan den tweede, aan Jacob.
Groot was het verschil tusschen dc beide broeders. Esau, roodharig en ruig over zijn geheele lichaam, legde zich toe op den landbouw en het woeste jachtbedriji; Jacob daarentegen, zacht van vel en van inborst, koos het leven bij zijne schapen. Isaac, die gaarne van de jacht at, beminde daarom Esau, terwijl Jacob de lieveling van Rebecca was.
/.00 einsr het leven der beide broeders heen, totdat op zekeren dag Esau, vermoeid
rgt; o â 1 .
van het jagen huiswaarts gekeerd en ziende dat Jacob linzenmoes gekookt had, hem vroeg: Geef mij van dit roode kooksel, want ik ben uitgeput. Jacob, wellicht reeds door zijne moeder met de voorzegging des Hemels bekend gemaakt, antwoordde: verkoop mij dan uw eerstgeboorterecht.
Esau toonde zich aanstonds hiertoe bereid; want, zeide hij, wat helpt mij ook mijn eerstgeboorterecht, wanneer ik toch van honger sterf? Zweer het mij dan, hernam Jacob. Esau zwoer liet hem en stond alzoo zijn recht af. Daarna nam hij het linzenmoes, at en dronk en ging heen, zich weinig om hetgeen hij verkocht had bekommerende.
BljBELSCHE GESCHIEDI.N'IS.
Hel recht van den eertgeborene bestond hierin: i. dat iiij een dubbel erfdeel genoot; 2. dat hij het hoofd en de meester zijner broeders was, als tredende in de plaats des vaders; 3. dat hij van den vader, bij diens sterven, een bijzonderen zegen ontving en 4. was hij misschien ook de priester der familie. Dat Esau dit alles, en met name den bijzonderen zegen en liet priesterschap voor een schotel linzenmoes afstaat, toont wel zijn onverschillig en aardschgezind karakter. Niet minder dwaas handelt de christen, die de genade en het recht op den hemel verkoopt voor een genot van een spanne tijds.
HOOFDSTUK XVI.
DE ZEGEN VAN ISAAC OVER JACOB EK ESAU. â JACOBS VLUCHT.
-â Vquot;
f saiies verder leven had met dat zijns vaders menig punt van overeenkomst. Even als Abraham werd hij door den hongersnood gedwongen het land Chanaan te Vv'! ' verlaten; hij trok echter niet naar Egypte, zooals zijn oorspronkelijk plan was, ^ maar bleef op Gods bevel te Gerrara in het land der Philistijnen toeven. Hier ontving ,hij van den Heer de bevestiging der belofte, reeds bij herhaling aan Abraham gedaan: Ik zal, sprak God, uw zaad menigvuldig maken gelijk de sterren des hendels en aan uwe nakomelingen al deze landstreken geven ex in uw zaad zui.lex gezegexd wokdex
al de volkeren dek aarde.
Vijl zijne huisvrouw Rebecca zeer schoon was, vreesde Isaac, dat hij om harentwil door de inwoners des lands zou worden gedood en noemde haar, ter afwending van dit gevaar, zijne zuster. Koning Abimelcch echter, die beiden vertrouwelijk met elkander zag omgaan, maakte hieruit op, dat zij echtgenooten warer. en gaf aan al het volk het bevel: Wie de vrouw dezes mans aanraakt, zal den dood sterven. Later geraakte Isaac, die inmiddels zeer rijk was geworden, toch nog niet de Philistijnen in spanning. De twist liep namelijk over de putten, vroeger door Isaacs vader gegraven, die de Philistijnen weer dempten. Als nu ook koning Abimelech zich met' de zaak bemoeide en tot Isaac sprak : ga van ons heen, want gij zijt ons veel te machtig geworden, verliet de aartsvader de stad Gerrara, trok eerst naar de beek van dien naam, maar toen daar eveneens herhaaldelijk over de putten strijd ontstond, keerde hij eindelijk naar Bersabee weder. Te Bersabee richtte hij een altaar op, riep er den naam des Heeren aan en ontving er ten slotte een bezoek van koning Abimelech, die van Gerrara was overgekomen om met hem een verbond te sluiten.
Na al deze voorvallen had hij thans den leeftijd van 137 jaren bereikt en zijne oogen waren zoo verduisterd, dat hij niet meer konde zien. Hij achtte dan het tijdstip gekomen, om aan zijn nageslacht zijn zegen achter te laten, voor hij misschien onverwacht stierf. Met dit doel riep hij zijnen eerstgeborene, Esau, bij zich en zeide hem : Mijn zoon, gij ziet, ik ben oud geworden en den dag mijns doods weet ik niet; neem derhalve uw pijlkoker en boog, en als gij iets op de jacht vermeesterd hebt, bereid mij dan daarvan eene spijs, gelijk gij weet dat mij aangenaam is, breng ze mij vervolgens, opdat ik na gegeten te hebben, u mijn zegen geef, eer ik sterf. Esau ging dan uit ter jacht, zooals hem gezegd was.
Maar Rebecca, die het gesprek van Isaac gehoord had en wist, dat het niet in overeenstemming was met de openbaring door haar van den hemel ontvangen, spoedde zich naar Jacob, deelde hem het gehoorde mede en zeide: Mijn zoon, luister naar mijn raad; ga naar de kudde en haal daaruit twee geitebokjes, opdat ik er een spijs van bereide, die uw vader aangenaam is en gij hem die brengt, ten einde hij u zegene, voor hij sterft. Doch Jacob antwoordde: Gij weet immers, dat mijn broeder Esau ruig is en ik glad van vel. Indien mijn vader mij aanraakt, zal hij mij voor een bedrieger houden en ik ontvang zijn vloek in plaats van zijn zegen. Deze vloek, mijn kind, hernam zij, neem ik op mij;
B1JBELSCHE GESCHIFDF.XIS.
doe slechts volgens mijn woord en haal mij wat ik gezegd heb. Nadat zulks geschied was, nam zij Esau's beste kleederen, trok ze Jacob aan, overdekte hem de handen en den hals met de geitenvelletjes en gaf hem de toebereide spijs tegelijk met brood dat zij gebakken had.
Daarmede bij zijn vader gekomen, sprak Jacob dezen toe: Mijn vader! Wat is er, mijn zoon, zeide Isaac, wie zijt gij? En Jacob: Ik ben uw eerstgeborene Hsau, ik heb gedaan gelijk gij mij bevolen hebt; richt u overeind en eet van mijne jacht, om mij vervolgens te zegenen. Isaac hernam: Hoe hebt gij zoo spoedig iets kunnen vinden, mijn zoon? Jacob beweerde, dat de wil des hemels het aldus had beschikt. Maar Isaac, door dit antwoord niet gerustgesteld, sprak: Kom nader, mijn zoon, opdat ik u betaste en wete olquot; quot;ij mijn zoon Esau zijt of niet. Jacob kwam dan nader en Isaac hem betastende zeide: De stem is wel Jacobs stem, doch de handen zijn Esau's handen. Door de ruige velletjes misleid, herkende hij namelijk den persoon niet, die voor hem stond. Reeds was hij op het punt, om aan diens verlangen te voldoen, toen hij hem nog eens vroeg; Gij zijt toch wel mijn zoon Esau? Ik ben het, bevestigde Jacob. Geef mij dan, hernam Isaac, uw wildbraad, opdat ik u daarna zegene. Jacob gaf het hem en voegde er wijn bij. Nadat Isaac gegeten en gedronken had, zeide hij wederom: Kom nader, mijn zoon, en geef mij een kus. Jacob kwam en kuste hem. Zoodra Isaac nu den aangenamen geur ontwaarde, die van [acobs kleederen uitging, sprak hij, door profetischen geest bezield: Zie, de geur mijns zoons is als de geur van een weibeladen akker, dien de Heer heelt gezegend. God geve u den dauw des hemels, de vruchtbaarheid der aarde en koren en wijn in volheid. Volkeren zullen u dienen en stammen u hulde bewijzen ; heer zult gij zijn over uwe broeders, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u buigen. Die u vloekt, zij gevloekt, en die u zegent, worde met zegeningen overladen.
Nauw was Jacob na liet ontvangen van dezen zegen heengegaan, of Es;iu, van de jacht teruggekeerd, kwam binnen, bood de spijs, die hij had gereedgemaakt, zijnen vader aan en sprak: Richt u op, mijn vader, en eet van mijn wildbraad, opdat gij mij zegent. Isaiic vroeg: Wie zijt gij dan, mijn zoon? Ik ben uw eerstgeborene, Esau, was het antwoord. Daarop ontstelde Isaiic hevig, en met een onbeschrijfelijke verbazing riep hij uit: Maar wie is het dan geweest, die mij even te voren zijn wildbraad bracht, waarvan ik ook gegeten heb? Ik heb hem gezegend en hij zal gezegend zijn. Toen Esau dit hoorde, brak hij in een rauwen kreet uit, en geheel terneergeslagen vroeg hij: Zegen ook mij, mijn vader. Uw broeder, antwoordde Isaiic, heeft uwen zegen reeds weg. Esau hernam: terecht is hij Jacob geheeten (Jacob beteekent onderkruiper), want hij heeft mij nu reeds voor de tweede maal den voet gelicht; eerst ontnam hij mij het eerstgeboorterecht, thans rooft hij mijn zegen; maar, vader, hebt gij nog niet een zegen voor mij? Isaac antwoordde; Ik heb hem tot uw heer gesteld en al zijne broeders aan hem dienstbaar gemaakt; koren en wijn heb ik hem verzekerd, wat rest mij na dit alles voor u? Hebt gij dan, mijn vader, vroeg Esau, slechts één zegen? zegen mij toch ook, bid ik u. En hierop begon hij luide te schreien, zoodat Isaiic, daardoor bewogen, ten laatste sprak; Uw zegen zij clan in de vruchtbaarheid der aarde en in den dauw des hemels; van uw zwaard zult gij leven, maar aan uw broeder dienstbaar zijn; echter zal de tijd komen dat gij zijn juk afwerpt.
Ter oorzake dezer gebeurtenis vatte Esau tegen Jacob een geweldigen haat op, zoo zelfs, dat hij het voornemen maakte hem, na Isaiics dood, van het leven te berooven. Toen dit Rebecca ter oore kwam, gaf zij Jacob den raad, naar haar broeder Laban, te Haran in Mesopotamië, te vluchten, ten einde daar te blijven tot Esau's toorn bekoeld zou zijn en zij hem terug ontbood. Er ontbrak aan de uitvoering van dit plan maar alleen de toestemming van isaiic. Om deze te verkrijgen, hield Rebecca haren man voor, hoeveel verdriet zij ondervond, doordien Esau vrouwen genomen had uit de dochters van Heth, den zoon van Ghanaiin ; als Jacob insgelijks deed, zeide zij, zoude ik wenschcn te sterven. Isaiic, die het hierover geheel met haar eens was, liet nu Jacob roepen, vermaande hem
25
4
26 BUBELSCHE GESCHIEDENIS.
om locn geen gemeenschap met Chanaiin aan te knoopen, maar naar het huis van Bathucl in Mesopotamie te gaan, ten einde uit Labans dochters zich eene vrouw te zoeken. Hierop gaf hij hem ten slotte zijn zegen voor de reis.
r. De uit bovenstaande geschiedenis gereedelijk voortvloeiende vraag, of Jacob, niet Isaac omtrent zijn persoon te misleiden, zich aan een leugen en dus aan zonde schuldig maakte, is ten allen tijde door de schriftverklaarders veelvuldig besproken en in verschillenden zin beantwoord.
Onder de ouden zijn er enkelen die het feit van de leugen aannemen, maar de zonde ontkennen, omdat, meenen zij, in sommige gevallen het spreken zelfs van bepaalde onwaarheid geoorloofd kan zijn. Deze meening is echter, als strijdig met het in de Kerk algemeen heerschend gevoelen, te verwerpen,
Eene andere uitlegging geeft de H. Augustinus. Volgens hem was Jacob niet aan zonde schuldig, omdat hij het aan de lengen niet was. Hij zou zich namelijk Esau hebben genoemd, niet met het oog op diens persoon, maar enkel lettende op de hoedanigheid, die voor het ontvangen van den zegen â waarvan trouwens alleen spraak was â in aanmerking kwam, de hoedanigheid van eerstgeborene. De eerstgeborene nu was Jacob; de openbaring aan Rebecca had het aldus bepaald en hij zelf had later het recht daarop van zijn broeder gekocht. In dien zin, maar ook in dien zin alleen, was hij dus inderdaad Hsau. Een dergelijk voorbeeld van naamsverwisseling biedt het Nieuwe Testament aan. Daar wordt Joannes de Dooper Eli as genoemd, niet omdat hij werkelijk Elias was, maar wijl hij den geest en de kracht van Elias bezat.
Een derde rij van schriftverklaarders neemt mot deze uitlegging geen genoegen. Niet waar immers is het, dat Jacob alleen het oog had op een hoedanigheid; hij bedoelde wel degelijk den geheelen persoon van Esau. Dit blijkt uit zijne antwoorden aan Isaiic, waarin hij zonder omwegen te kennen geeft, dat hij op jacht is geweest, spoedig een stuk wild heeft vermeesterd, enz.
Wij hebben hier alzoo met een werkelijke leugen en derhalve met eene zondige daad te doen. Uit die daad weet echter Gods Voorzienigheid het beoogde goede gevolg voort te brengen, evenals Zij de leugen van Juditli aan de nederlaag der Assyriërs, en de boosheid der Joden, die Christus kruisigden, aan de verlossing der wereld dienstbaar maakte. God wil het kwaad niet, maar is het eenmaal begaan, dan laat Hij er het goed uit voortkomen, dat Hij beoogt. Zoo kwam de zegen van Isaiic aan dengeno, voor wien hij, krachtens de openbaring aan Rebecca, bestemd was, nl. aan Jacob.
De leiding Gods ten deze blijkt verder uit het feit, dat Isaiic, na het bedrog ontdekt te hebben, en niettegenstaande zijne hevige ontroering daarover, toch onmiddellijk verklaart: Gezegend heb ik hem en gezegend zal hij blijven. Hij erkent dus de hand des Machtigen wiens werktuig, ztj het ook onwetend, hij geweest is en op wiens beslissing hij niet kan of mag terugkomen.
2. Waarschijnlijk behoorden de geitjes, met wier velletjes Jacobs handen bekleed werden, tot een der in het Oosten niet onbekende soorten, die, zooals bv. de angora-geit, een zeer zacht haar hebben, bijna aan menschenliaar gelijk.
5. Isaacs voorspelling werd ook ten opzichte van Esau letterlijk vervuld. Door koning David namelijk werden de Edomieten, de nakomelingen van Esau, aan het geslacht van Jacob onderworpen (2 Kon, VIII: i.j); later onder een van Davids opvolgers, koning Joram, vochten zij zich vrij (4 Kon. VIII: 20).
HOOFDSTUK XVIL
DE VERSCHIJNING TE BETHEL.
-4-
Sflpj/.aran in Mesopotamie, waarheen Jacob vluchtte, lag ongeveer tien dagreizen van Bersabee verwijderd. Op het einde van den eersten dag ter plaatse aangekomen, waar hij overnachten wilde, nam de vluchteling een der steenen, die daar lagen, W tot zijn hoofdkussen, strekte zich vervolgens op den grónd onder den blooten hemel ^ uit, en sliep weldra in. Nu zag hij, in den droom, een ladder met het eene eind I op de aarde bevestigd, met het andere ten hemel reikende, waarop Gods engelen omhoog stegen en afdaalden, terwijl de Heer boven op de ladder tot hem sprak: Ik ben de Heer, de God van Abraham en de God van Isaiic; het land, waar gij slaapt, zal ik geven aan u en uw nageslacht. Dit nageslacht zal talrijk zijn als de zandkorrels, het zal zich uitstrekken naar het Oosten en het Westen, naar het Noorden en het Zuiden, r.x im U EN UW ZAAD ZULLEN GEZEGEND WORDEN ALLE VOLKEREN DER AARDE. Ik zal UW hoeder zijn,
â :
JACOB BIJ LAB AN.
Black. 27.
27
-waar gij ook gaat, u terugvoeren naar dit land en u niet verlaten, voor ik alles heb vervuld, wat ik gesproken heb. Toen Jacob hierop ontwaakte, riep hij, door heilige vrees bevangen, uit: Waarlijk, de Heer is op deze plaats en ik wist het niet! Hoe verschrikkelijk is die plaats; het is hier niets minder dan het huis Gods en de poort des hemels. Daarna opstaande, nam hij den steen, die hem tot hoofdkussen had gediend, stelde hem tot een gedenkteeken en zalfde hem met olie. Den naam der plaats veranderde hij van Luza, zooals zij tot nu toe geheeten had, in Bethel, dat is: Huis Gods. Ook deed hij eene gelofte, zeggende: Indien God met mij is en mij behoedt op den weg, dien ik bewandel, en mij brood te eten geeft en kleederen om mij te dekken, en ik gelukkig in het huis mijns vaders terugkeer, dan zal de Heer mijn God zijn, en deze steen, dien ik ten gedenkteeken oprichtte, zal het Huis Gods worden genoemd; terwijl ik van alles, wat Gij, o Heer, mij geeft, U de tienden zal offeren.
1. De geheimzinnige ladder, door Jacob gezien, is de symbolische openbaring der wijze, waarop God met den mensch wil verkeeren. Niet van den mensch gaat dit verkeer uit. J)e pogingen, om langs den toren te Babel ten hemel op te klimmen, werden te schande. Langs do ladder te Bethel daalt de hemel neer; de Meer treedt met de aarde in gemeenschap, zijne heilige engelen zijn de tusschcnpcrsonen, de bemiddelaars.
2. Ongetwijfeld wist Jacob, dat God overal tegenwoordig is. De katholieke Kerk wc-.-t het niet minder. Toch is de plaats, waar God zich op bijzondere Wijze aan* hem openbaarde, voor Jac V.gt; u.i i ::nc:iJlic'.l licilig en trekken de Katholieken met geestdrift naar hnnne bekende pelgrimsoorden, liet oni:gt;iaan der prua ien is» hiermede verklaard ; zij vinden haar grond in de II. Schrift.
HOOFl )STUK XYIII.
JACOB HIJ LABAN.
:a gelukkig volbrachte reis kwam Jacob op het Plaransche grondgebied aan, bij eeu waterput in het veld. Drie kudden schapen waren daar rondom gelegerd, in afwachting dat ook de andere kwamen; dan zouden de herders den steen van j eV den put afwentelen, hun vee drenken en den put wederom sluiten. Zoo was het in die streek gebruikelijk.
' Jacob vroeg aan de herders; Broeders, van waar zijt gij? Van Haran, was
liet antwoord. Kent gij dan, vroeg hij verder, Labau, den zoon van Nachor? Ja, zeiden zij, wij kennen hem. Is hij, vroeg Jacob, welvarend? Ja, klinkt het nogmaals, en zie, zeiden zij, daar komt zijne dochter Rachel aan met hare kudde. Toen Jacob haar ontwaarde, wetende dat het zijne nicht was, en hij ook de schapen zag, die aan zijn oom Labau toebehoorden, wentelde hij aanstonds, hoewel de herders gezegd hadden, dat eerst al de kudden moesten aangekomen zijn, den steen af, drenkte het vee van Rachel, omhelsde haar onder tranen van vreugde en aandoening, en maakte zich aan haar bekend als den broeder (neef) haars vaders en den zoon van Rebecca, Dit hoorende liep z'j snel heen, om haar vader de blijde tijding mede te deelen. Labau trok Jacob te gemoet, wierp zich niet vurigheid in zijne armen en geleidde hem naar huis. Als hij daar het doel zijns neefs had vernomen, hoe deze nl. zich door de vlucht voor Esau zocht te verbergen, zeide hij: gij zijt mijn vleesch en bloed, blijf gerust bij mij.
Een maand nadien vroeg Laban aan Jacob: Zoudt gij, omdat gij mijn broeder zijt, mij voor niels dienen? Zeg slechts welk loon gij begeert. Laban nu had, behalve Rachel, nog eene dochter, met name Lia ; doch Jacob beminde haar niet, want zij was leepoogig, maar hare schoone zuster. Daarom gaf hij aan haar vader, op diens vraag naar het loon, ten antwoord: Ik zal u zeven jaren dienen voor uwe jongste dochter Rachel. Gereedelijk stemde Laban hierin toe; want, zeide hij, het is beter dat ik haar aan u geef, dan aan een
mjBHLSCHE GESCHIHDF.NIS.
anderen man. Jacob diende dan voor Rachel zeven jaren, en die tijd viel hem niet lang, om de bovenmatige liefde die hij baar toedroeg.
Toen de zeven jaren voorbij waren, en Jacob zijn oom aan de afspraak herinnerde, richtte deze een groot bruiloftsmaal aan, waartoe hij vele vrienden noodigde. In plaats echter van aan Jacob Rachel te geven, wist hij hem door bedriegelijke middelen Lia in handen te spelen. Kerst na dc voltrekking des huwelijks bemerkte Jacob het bediog en hief daarover bij zijn oom, thans zijn schoonvader, bittere klachten aan, doch onuing ten antwoord, dat het landsgebruik niet toeliet, de jongste dochter voor de oudste uit te huwen. Tevens echter sloot hij met Laban eene nieuwe overeenkomst. Hij zou namelijk ook Rachel bekomen, en reeds over zeven dagen, maar tegen belolte van daarna andermaal zeven jaien
voor haar bezit te dienen.
Zoo had dan Jacob thans twee vrouwen. Wijl hij echter, als voorheen, aan de eene boven de andere de voorkeur gaf, schonk God, met voorbijgaan van de schoone Rachel, aan de geminachte Lia kinderen. Achtereenvolgens bracht zij vier zonen ter wereld, die zij Ruben, Simeon, Levi en Juda noemde. Dit viel Rachel zwaar te duiden, en zi) paf daarom aan Jacob hare dienstmaagd Hala tot eene nevenvrouw, om ten minste door haar kinderen te bekomen. Die wensch ging in vervulling: Dan en Nephtaiie werden geboren. Thans was het Lia, die, vreezende zelve geen kinderen meer te zullen krijgen, op het voetspoor van Rachel, hare dienstmaagd Zelpha aan Jacob gaf, bij welke hij Gad en Azer gewon. Naderhand baarde Lia nog Issachar, Zabulon en eene dochter Dina. Maar nu werd eindelijk ook Rachels gebed verhoord; zij kreeg een zoon, dien zij josef noemde.
Na deze laatste gebeurtenis was het tweede zevental der dienstjaren van Jacob verstreken, en verlangde Ir.j met zijne vrouwen en kinderen naar het land Chanaan terug te koeien. Doch Laban, hem wenschende te behouden, dewijl hij wist dat om Jacobs wil de zegen Gods over zijn huis was gekomen, vroeg zijn schoonzoon, welk loon deze voor zijn langer verblijf begeerde. Gij weet, antwoordde Jacob, hoe ik u gediend heb; gij bezat weinig toen ik tot u kwam, thans zijt gij rijk; het is dus billijk, dat ik eindelijk ook eens voor mij zeiven zorg. Zij kwamen nu overeen, dat at wat onder Labans schapen en geiten snikkelig, gevlekt en gestreept was, afzonderlijk zou worden geweid; werden er daarna uit hetquot; overblijvende blanke deel der kudde weer bonte lammeren geboren, zoo zouden
deze Jacobs eigendom zijn. -ia
Niet minder dan drie dagreizen ver werden de beide kudden van elkandei vuwineu quot;ehouden de gevlekte onder de leiding van Labans zonen, de eenkleurig onder Jacobs hoede. Jacob wist echter, door bonte â gedeeltelijk afgeschilde, gedeeltelijk groene takjes â die hij in de drinkbakken der aan zijne zorg toevertrouwde dieren wierp, er bi) deze op te werken, dat zij zooveel mogelijk gevlekte lammeren ter wereld brachten. Dit middel wendde hij aan in de lente, als de lammeren van uitmuntende hoedanigheid zi)n; in den herfst echter, wanneer zij minder waarde hebben, deed hij het niet. Zoo wen Jaco bovenmate rijk en kwam gedurende de zes jaren, die hij nog bij Laban doorbracht, in het bezit van kudden, van dienstmaagden en knechten en van kameelen en ezels in groote menigte.
28
29
HOOFDSTUK XIX.
JACOBS TERUGKEER NAAR ZIJN GEBOORTELAND.
4^?! wlntiff iaren liad Tacob nu in den dienst van Laban doorgebracht cm daarin, nevens Jlfïïtf vcc' üocls, ook zeer veel onaangenaams ondervonden. Zoo had hij alleen in de zcs 'aatste jaren moeten zien, dat Laban niet minder dan tien keei-Cii de tusschen hun beiden bestaande overeenkomst gebroken en eigenmachtig het loon veranderd t had. Want als de schapen meest bonte lammeren wierpen, bepaalde hij, dat in 't vervolg de witte voor Jacob zouden zijn; maar wanneer daarop de -witte lammeren het talrijkst werden, dan heette het weder; neen, de bonte zullen voor u zijn, Daarbij kwam nog de nijd van Labans zonen. Op zekeren dag namelijk hoorde Jac-ob hen zeggen: Zie, die Jacob heeft al wat onzen vader toebehoorde, voor zich genomeia, cn van onze bezittingen is hij rijk en machtig geworden. Ook Laban zelf kon zijn neef ca schoonzoon met geen goed oog meer aanzien.
Dit alles werd oorzaak dat Jacob de neiging in zich voelde opkomen , om heen te gaan. Met voornaamste echter was, dat God zelf tot hem sprak; Ik ben de God van Bethel, waar gij den steen hebt opgericht en gezalfd en mij uwe geloft* hebt gedaan; keer terug naar het land uwer vaderen en naar uwe maagschap en Ik zal niet u zijn.
Nu was Jacobs plan gemaakt; hij zou vertrekken, maar in stilte, opdat Laban, die het anders wellicht belet had, het niet zou bemerken. Met dit doel liet hij zijne huisvrouwen Rachel en Lia weten, om zich tot hem te begeven in het veld, waar hij de schapen hoedde. Daar zette hij haar zijn gedrag tegenover dat baars vaders uiteen en voegde er ten slotte bij, welk bevel hij zoo pas geleden van den Hemel ontvangcm liad. Zij antwoordden: Ook wij zijn door onzen vader als vreemdelingen behandeld; cflc vruchten van onzen arbeid verkocht hij en behield den prijs voor zich; hebben wij nog wel cenig erfdeel van hem te verwachten'! Maar God heeft ons beloond, door de bezittingen onzes vaders in uwe hand aan ons cn onze kinderen te geven; doe derhalve alles wat Godm bevolen heeft. Thans maakte Jacob zich reisvaardig; zijne vrouwen en kinderen deed lij plaats nemen op kameelen, verzamelde alles wat hij bezat, zijne kudden cn zijne goederen, en trok heen. Dit geschiedde toen Laban uitgegaan was om de schapen te schercn, zoodat hij Jacobs vlucht niet aanstonds bemerkte, maar zij hem eerst den derden da.g geboodschapt werd. Nu draalde hij geen oogenblik langer; hij verzamelde zijne bloedverwanten, reisde zeven dagen aanhoudend door, en haalde Jacob in op den berg Galaad, Doch des nachts in een droom verscheen hem de Heer, die hem zeidc: Zie wel toe, dat ^Lj geen kwaad woord tegen Jacob spreekt,
Jacob had zijne tent uitgespannen op den berg. Nadat Laban insgelijls had gedaan, begaf hij zich tot zijn schoonzoon en zeide: Waarom hebt gij aldus gehandeld, dat gij buiten mijn weten mijne dochters wegvoert, als hadt gij ze met het zwaard veroverd? Waarom zijt gij heengegaan heimelijk cn zonder er mij iets van te ke nnen te geven ? Ik had ii anders met vreugdebetoon, onder zang, paukslag en harpgeklank uitgeleide gedaan. Door uw overhaast vertrek hebt gij mij niet eens in de gelegenheid gesteld, mijne dochters en kleinzonen den afscheidskus te geven. Dat was dwaas van u gedaan, en ik zou de macht hebben, u dit gedrag betaald te zetten, indien nnet de God uws vaders mij gisteren bevolen had; wacht u van Jacob hard toe te spreken. Ik vraag it dus alleen; wanneer gij ook al vcrlangdet naar de uwen te gaan en naar uws vaders huis, waarom hebt gij dan daarenboven mijne goden gestolen? Dit had namelijk Rachel gedaan; zij had de afgodsbeeldjes haars vaders heimelijk bij hare goederen Ingepakt, zoodat
BljBHLSCHF. G1-SCH1EDF.NIS.
ook Jacob daar geen kennis van droeg. Daarom antwoordde hij aan zijn schoonvader: Dat ik buiten uw weten vertrok, deed ik uit vrees, dat gij mij uwe dochters zoudt ontnemen; maar wat den dietstal aangaat, waarvan gij mij beschuldigt, zie, bij wien gij uwe goden vindt, dien moogt gij ten aanzien uwer broeders dooden; zoek vrij of iets van het uwe onder mij berust. Laban doorzocht de tenten van Jacob, van Lia en van de beide dienstmaagden, doch vond niets. Toen hij hierna de tent van Rachel wilde binnengaan, verborg zij snel de afgodsbeeldjes onder een kameelzadel, ging daar op zitten en zeide tot haar vader, die inmiddels al de andere zaken doorzocht, maar niets vond, dat zij zich ongesteld gevoelde cn dus niet kon opstaan.
Nu was de beurt om boos te worden aan Jacob; verwijtend vroeg hij zijn schoonvader: Welke schuld bestaat er toch bij mij, dat gij mij zoo vervolgt en zelfs al mijn huisraad doorsnuftelt ? Wat hebt gij gevonden ? Leg het hier voor uwe broeders en mijne broeders bloedverwanten), en dat zij oordeelen tusschen u en mij. Heb ik u daarom twintig jaren gediend, om zoo behandeld te worden? Uwe schapen en geiten zijn onder mijne hoede liet onvruchtbaar geweest, de rammen uwer kudde heb ih niet gegeten, ik heb u geen door de wilde beesten verscheurd dier getoond, alle schade vergoedde ik zeil; daarenboven oraclit gij mij ook nog het gestolene in rekening. Dag en nacht leed ik hitte en koude m de slaap week uit mijne oogen. Zoo heb ik u twintig jaren gediend, veertien voor uwe dochters en zes voor de kudden. Mijn loon hebt gij tienmaal veranderd, en had de
⢠iod mijns vaders Abraham en de God, dien Isaac vreest, het niet voorkomen, dan zoudt â ;ij mij thans wellicht naakt en bloot hebben weggezonden. Maar God heeft op mijne ,rodheid en op het werk mijner handen neergezien en u gisteren gewaarschuwd.
Nadat Jacob aldus had gesproken en Laban zich vervolgens de nauwe verwantschap e binnen bracht, die er tusschen hem en het huisgezin van zi|n schoonzoon bestond, deed ij het voorstel om een verbond te sluiten. Gaarne werd hierin door Jacob toegestemd; hij nam een steen, richtte dien op en verzocht, dat Labans bloedverwanten hunne steenen daarbij zouden voegen. Daarna gingen zij op dien steenheuvel gezamenlijk eten en bepaalden, dat hij een heuvel der getuigenis zoude zijn tegen dengenen van hen, die ooit, in den loop Ier tijden, met een vijandig doel het grondgebied van den andere zou pogen te betreden. Dan zou namelijk dit gedenkteeken, dat hij op zijn weg ontmoette, hem aan het verbond cn aan den eed herinneren. Na aldus hunne zaken geregeld te hebben, scheidden zij in vrede en vriendschap: Laban kuste zijn schoonzoon, zijne dochters en klc;nkinderen en iceerde naar zijn land terug; Jacob daarentegen vervolgde zijn weg naar Chamuin.
Ilct/.ij Laban de beeldjes, waarvan hier sprake was, vereerde als huisgoden, die men omtrent de toekomst ondervroeg, hetzij ze hem dienden als talismans tot vermeende bescherming tci;on onheilen, in beide gevallen chijnt het niet twijfelachtig, of hij vereeni^de met den dienst van den waren God de vereering van de afgoden ..cs lands, waar hij woonde. Dat er inderdaad in Mesopotamic voor besmetting van dien aard groot gevaar oestond, bewijst reeds de geschiedenis van Abraham, die mede te dier oorzake door (icul vandaar werd weggeroepen»
Over de vraag, wat Rachel kan bewogen hebben de beeldjes te stelen, is men liet niet eens. Volgens â¢ommigen zou zij bedoeld hebben, zich door deze voorwerpen, die meestal van goud waren, schadeloos te stellen voor 't geen haar door haar vader onrechtmatig was onthouden. Anderen meenen, dat zij zelve, als Labans «..ochter, in den beginne niet geheel vrij was van afgoderij of minstens van bijgeloof. In dit geval echter heeft
⢠.j zich later oprecht bekeerd, toen zij de beeldjes aan Jacoi^ ter vernietiging overgaf.
3«
HOOFDSTUK XX. ONTMOETING VAN JACOB EN ESAU.
Je vrees voor zijn schoonvader Laban was Jacob nu wel gelukkig bevrijd, ||||| maar hein dreigde nog altijd het niet geringe gevaar van den kant zijns broeders Esau. Om hem ook in dezen nood te bemoedigen, zond God hem eene ver-schijning van engelen, op welk gezicht Jacob uitriep: dit is de legerplaats Gods! De 4 plaats der verschijning noemde hij Mahanaïm, dat is: legerplaats.
r Daarna zond hij boden tot Esau in het land Seïr, in het gewest van Edom, en
beval hun: Dit zult gij aan mijnen heer Esau zeggen : Jacob uw broeder laat u weten; Bij Laban heb ik vertoefd tot op dezen dag; ik bezit koeien, ezels en schapen, dienstknechten en dienstmaagden en zend dit gezantschap aan mijnen heer, opdat ik genade vinde in uwe oogen,
De boden keerden terug met de tijding: Zie, uw broeder Esau komt u te gemoet met 400 man. Toen Jacob dit hoorde, werd hij zeer ontsteld. Om echter zooveel mogelijk voorzorgen te nemen, dat Esau niet alles zou verslaan, splitste hij zijn volk alsook het vee in twee afdeelingen; werd dan al de eene afdeeling getroften, zoo bleef toch de andere gespaard. Na deze maatregelen genomen te hebben, verzuchtte hij : God van mijn vader Abraham en mijn vader Isaiic, Heer die mij gezegd hebt: Keer terug naar uw land en ik zal u met weldaden bejegenen â ik ben al uwer ontfermingen en uwer trouw onwaardig. Alleen met mijn wandelstok ben ik dezen Jordaan overgestoken, ik keer er over terug met twee legers. Verlos mij nu uit de hand mijns broeders, want ik ducht hem zeer en vrees, dat hij de moeder met de kinderen versla. Gij hebt immers beloofd, dat gij mij weldoen en mijn geslacht vermeerderen zoudt gelijk de zandkorrels aan het zeestrand, die wegens hare menigte niet kunnen geteld worden.
Des anderendaags zonderde Jacob van al hetgeen hij bezat geschenken af, als: 200 geiten, 20 bokken, 200 schapen, 20 rammen, 30 zogende kameelen met hare veulens, 40 koeien, 20 stieren, 20 ezelinnen en 10 ezelveulentjes en zond ze, verdeeld in verschillende groepen, door eenige tusschenruimte van elkander gescheiden, op zijnen weg vooruit. Aan den geleider van iedere groep gaf hij bevel: Indien gij mijn broeder Esau ontmoet en hij vraagt: wie zijt gij, of werwaarts gaat gij, of wien behoort, hetgeen gij voor u uitdrijft, toe? antwoord dan: Het is een geschenk van uw dienaar Jacob, dat hij aan zijn heer zendt; hij zelf volgt.
Den nacht daarop bracht Jacob nog in zijne legerplaats door; maar zeer vroeg opstaande, voerde hij zijne twee vrouwen met'hare beide dienstmaagden en de elf kinderen over de beek Jaboc, terwijl hij zelf geheel alleen achterbleef. Nu verscheen hem een engel in de gedaante van een man, die met hem worstelde tot aan den dageraad. Doch toen de worstelaar zag dat hij Jacob geen meester kon worden, gaf hij hem een stoot op de zenuw zijner heup, die terstond krachteloos werd. Dan vroeg hij hem: Laat mij gaan, want het wordt dag. Jacob zeide: Ik laat u niet gaan, voor gij mij gezegend hebt. Hoe is uw naam? vroeg nu weer de engel. Mijn naam is Jacob, klonk het antwoord. Doch de engel sprak: Niet aldus, maar Israel zult gij voortaan heeten, want dewijl gij sterk zijt geweest tegen God, hoeveel te meer zult gij het zijn tegenover de menschen.
Terwijl Jacob zi|nc reis voortzette, zag hij in de verte Esau naderen met 400 man. Terstond rangschikte hij zijne vrouwen en zijn kroost in drie afdeelingen ; voorop plaatste hii de beide dienstmaagden met hare kindereu. vervolgens Lia met de haren en achteraan
3-
Rachel met Josef. Hij zelf trad dc rijen vooruit en boog zich onder het voortgaan, totdat hij Esau genaderd was, zeven malen ter aarde.
Geheel in strijd met Jacobs vrees, was de ontmoeting zoo \rieiulschappelijk mogelijk. Met open armen snelde Esau zijn broeder tegen, otnlielsde hetn , drukte hem aan zijne borst en kuste hem onder tranen van blijdschap. Daarna zijne oogen opheffende en de vrouwen met hare kinderen ziende, vroeg hij: Wie zijn deze; zijn het de uwen? Het zijn de kleinen, antwoordde Jacob, die God mij schonk. Deze bogen zich nu met hunne jnoeders voor Esau neer. Esau vroeg verder; Wat waren dat voor kudden, die ik ontmoet heb ? Ik zond ze, antwoordde Jacob, om genade te -vinden in uwe oogen. Doch Esau hernam : Ik heb goederen in menigte, beste broeder, behoud dus de uwe. Jacob drong echter aan : Laat het zoo niet zijn, bid ik u, maar indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, ontvang dan mijn geschenk; want toen ik uw aangezicht zag, scheen het mij (wegens het vertrouwen dat uwe onverwachte goedheid mij inboezemde) als zag ik het aangezicht Gods. Eindelijk gaf Esau aan den drang zijns broeders toe, nam de geschenken in ontvangst, maar bood op zijne beurt aan, om Jacob tot hulp en geleide te verstrekken op diens verdere reis. Jacob meende van dat anbod geen gebruik te mogen maken, omdat hij kleine kinderen en dragende schapen en koeien met zich voerde, die bij een te snel aandrijven lichtelijk konden sterven. Laat dan toch, ging Esau voort, ten minste eenigen van mijn volk bij u blijven. Het is nietnoodig, antwoordde Jacob; het is mij genoeg, dat ik gunst vinde in dc oogen van mijnen heer.
Hierop keerde Esau terug naar Seïr en Jacob kwam behouden aan in het land van Chanaan. Daar vestigde hij zich in de nabijheid der stad Salem of Sichem, kocht er van Hemors volk voor den prijs van honderd lammeren den akker, waar hij zijne tenten had opgeslagen en bouwde een altaar ter vereering van den aluiachtigen God van Israël,
r. Indien de onverwachte verandering in Esau's genioedsstemniing opziclitens Jacob misscliien al geen eigenlijk wonderwerk in d^n strengen zin is geweest, geschiedde /ij toch ongetwijfeld onder bijzondere, zij het ook natuurlijke leiding der Voorzienigheid die Jacob beschermde. Deze bijzondere leiding kan blijken uit andere gebeurtenissen, die met de bedoelde in het nauwste verband staan en wel degelijk van hoven natuurlijken aard waren, zooals de herhaalde verschijning -van engelen, het bevel Gods om de reis te aanvaarden, enz.
Hoeveel overigens, reeds langs den gewonen menschelijken weg, de zachtmoediglieid en vernedering vermogen , om den toorn eens tegenstanders te ontwapenen, hiervan deelt de Grieksche geschiedschrijver Plutarchus ons het volgende treilende voorbeeld mede. Toen nl. Thales, de wijze koning van een Indisch gewest, zijn vijand den veroveraar Alexander den Groote ontmoette, sprak hij hem onder vele plichtplegingen minzaam aldus toe «Waarvoor dient een oorlog tusschen ons; gij zijt immers niet gekomen om ons het wateren het noodige voedsel te ontnemen? Welnu, alleen voor het behoud van deze zaken zouden verstandige menschen strijd kunnen voeren. Want indien ik aan overtollige bezittingen rijker ben dan gij, zal ik er u gaarne van meedeelen; ben ik echter armer daaraan, dan weiger ik niet, met een dankbaar hart uwe gaven te ontvangen.quot; Deze taal nam den veroveraar dermate in, dat hij Thiles aan zijn borst drukte en hem in de volgende krachtige tegcristclliiiLi zijne uitmuntende gezindheid te kennen gaf: «Meent gijquot;, vroeg hij, »do or uwe vriendelijkheid den strijd te kunnen ontkomen? Dan verkeert gij in dwaling. Strijden zal ik nietu, maar op het veld der menschlievendheid f om namelijk niet door u in het weldoen overtrolfen te worden.quot; Ma hierop vele gesclienken van Thales te hebben aangenomen, gaf Alexander hem grootere terug en voegde bovendien daar nog duizend talenten gemunt zilver bij.
2. Aangaande den engel, met wien Jacob worstelde, loopen de nieeningen zeer uiteen. Sommige H. Vaders houden hem voor den Zoon Gods zeiven, andere voor een engel, die den Zoon Gods vertegenwoordigde. Terwijl verder de 11. Thomas van Aquine aan eenc figuurlijke worsteling denkt, houdt het algemeen gevoelen der Schriftverklaarders haar als werkelijk geschied. Zij moest in de eerste plaats dienen, om Jacob vertrouwen in te boezemen voor zijn aanstaande ontmoeting met Hsau; vervolgens: om een afbeelding te zijn van de moeite^ die het den heiligen des Ouden Verbonds, zooals Moses, lüias en anderen kostte, om niettegenstaande de ondankbaarheid der Joden, den bijstand Gods voor dit volk ie behouden â en ten laatste: om den verheven strijd aan te duiden, dien de Messias tegen dc rechtvaardigheid zijns Vaders voor de verlossing der wereld in Gethsemane en aan het kruis zou te volvoeren hebben.
5. De rivier Jaboc is een oostelijke nevenstroom van den Jordaan en ontspringt in het gebergte Galaad.
4. De stad, waar Jacob zich na zijn vertrek uit Mesopotamië metterwoon vestigde, wordt, behalve Sichem, ook nog Sichar geheeten. Onder deze laatste benaming komt zij voor in het verhaal (Joannes IV) van liet gesprek des Zaligmakers met de Samaritaansche vrouw bij den put van Sichar. Deze put werd door Jacob gegraven.
Vorst van Sichem was Ifemor; zijn zoon, de jonge prins van wien in het volgend hoofdstuk gesproken, wordt, droeg denzelfden naam als de stad.
mjBI-LSCHE GESCHIEDENIS,
HOOFDSTUK XXI.
ROOF VAN JACOBS DOCHTER D1NA. JACOBS VERTREK VAN BETHEL. GEBOORTE VAN BENJAMIN. DOOD VAN RACHEL EN ISAAC.
«ijdens Jacobs verblijf te Sichem ging Dina, de dochter van Lia, op zekeren dag uit, om de vrouwen dier streek te zien. Bij die gelegenheid werd zij opgemerkt ^00r vorst '^enlors zoon, Sichem, den jongen prins des lands, die aanstonds in â¢^V liefde ontvlamde en de maagd met geweld wegvoerde naar zijn huis. Om haar in â de droefheid, die zij over deze schandelijke bejegening gevoelde, te troosten, trachtte hij haar eerst met üoete woorden te winnen en ging vervolgens tot zijn vader, opdat deze bij Jacob de dochter voor hem ten huwelijk zou vragen.
Jacob, die intusschcn het gebeurde reeds vernomen had, zweeg daarover totdat zijne zonen, welke niet hun vee in het veld waren, zouden teruggekeerd zijn. Terzelfder tijd dat dit laatste geschiedde, was ook Hemor aangekomen, met het verzoek om de hand van Dina voor zijn zoon. Verder stelde Hemor voor, dat de beide volken zich zouden verbroederen, over en weder huwelijken sluiten en het land gemeenschappelijk bezitten. Sichem, de jonge prins, die bij dit onderhoud tegenwoordig was, herhaalde met aandrang van redenen dat gedeelte van het verzoek zijns vaders, hetwelk hem persoonlijk betrof. Laat mij genade vinden, zeide hij tot Jacob, in uwe oogen, en al wat gij mij oplegt, zal ik doen; stel een hoogen huwelijksprijs, eisch geschenken, gaarne zal ik ze u geven.
Thans was de beurt van spreken aan Jacobs zonen. Ofschoon ten hoogste verbolgen over het schenden hunner zuster, wisten zij zich echter voor Hemor en zijn zoon goed te houden, ten einde des te beter hunne geheime wraakplannen te volvoeren. Met dat doel namen zij den schijn aan, alsof zij in het dubbele voorstel van Sichem en Hemor toestemden. Slechts bedongen zij deze voorwaarde, dat de Sichemieten zich aan de wet van Abraham, de wet der besnijdenis, zouden onderwerpen. Aan een man immers, zeiden zij, welke die wet niet naleefde, konden zij hunne zuster onmogelijk ten huwelijk geven.
Met dit antwoord keerden Hemor en Sichem naar de stad terug en zetten hun volk, bij de stadspoorten vergaderd, de beweegredenen uiteen, die tot aanneming der gestelde voorwaarde konden leiden. Hun land, meenden zij, was groot en uitgestrekt en had behoefte aan inwoners, terwijl Jacob rijke kudden bezat, die den Sichemieten ten goede zouden komen. Al het volk stemde hiermede in en nam de wet van Abraham aan.
Thans zagen Jacobs zonen het doel, dat zij met hunne bedrieglijke woorden beoogd hadden, bereikt: de meest geschikte gelegenheid ter wraakneming was aangebroken. Na drie dagen trokken Simeon en Levi, Dina's volle broeders, op de stad los, sloegen met het zwaard in de vuist alle mannelijke ingezetenen dood, onder dezen ook Hemor en zijn zoon, bevrijdden hunne zuster uit het huis des vijands en keerden met haar naar hunne woontenten terug. Hierop gingen de overige zonen van Jacob de stad plunderen en voerden de vrouwen en kinderen gevankelijk mede.
Vooral de daad van Simeon en Levi mishaagde Jacob zeer. Gij hebt mij bedroefd, zeide hij, en mij gehaat gemaakt bij de Chanaanieten en Pherezieten, de inwoners van dit land. Wij zijn slechts weinigen in getal en zij zullen zich tegen mij vereenigen, zoodat ik met mijn huisgezin zal verslagen worden. Maar Simeon en Levi antwoordden: Moesten zij dan onze zuster schendeu?
Terwijl Jacob door deze vrees voor de naburige volken gekweld werd, sprak God tot hem; Vertrek naar Bethel om daar te wonen, richt er ook een altaar op voor Mij den God die u verscheen, toen gij voor uw broeder Esau vluchttet. Jacob riep dan zijn huis
s
KimiiLSCHE GliSCHir.DHNlS.
bijeen en gebood aan allen, de valsche goden weg te werpen, zich te reinigen en van kleederen te wisselen. Ingevolge dit gebod -werden de afgodsbeelden en oorringen naar Jacob gebracht, die ze onder een terpentijnboom in het veld begroef. Te Bethel gekomen richtte de patriarch, zooals hem bevolen was, het bedoelde altaar op en ontving toen van God, nevens de bevestiging van den naam Israel, de hernieuwing der belofte omtrent zijne toekomstige grootheid en het bezit van het land Chanaan. Terzelfder tijde stierf Debora, Lias voedster, en werd begraven onder een eik.
Van Bethel vertrok Jacob in de richting naar Hebron en kwam op dien tocht, tegen het aanbreken der lente, in de nabijheid van Bethlehem. Daar schonk hem zijne meest geliefde huisvrouw Rachel zijn twaalfden zoon Benjamin, wat haar echter zelve het leven kostte. Jacob begroef haar bij Bethlehem aan den weg en richtte boven haar graf een gedenkteeken op, hetwelk daar in de dagen, toen Moses deze gebeurtenis te boek stelde, nog gevonden werd. Van hier brak Jacob op naar Hebron, waar zijn vader Isaac woonde, en bleef bij hem. Isaiic was intusschen reeds ver op zijne dagen gekomen; hij bereikte eindelijk den leeftijd van 180 jaren, stierf en werd begraven door zijne beide zonen Esau en Jacob.
1. De afgodsbeelden door Jacob onder den terpentijnboom begraven, zullen gedeeltelijk dezelfde zijn, die door Rachel uit Labans huis waren niecgenomen, gedeeltelijk waren zij wellicht den Israëlieten bij de plundering der Clianaanitische stad Sichem in handen gevallen. De oorringen zullen een toort amuletten of talismans, voorwerpen van bijgeloof, zijn geweest.
2. Het gedenkteeken op Rachels graf bestaat nog; door de christenen werd er eene kleine kapel over heen gebouwd, die echter later in het bezit der Turken kwam, en thans in de handen der Joden is overgegaan.
5. Uit hoofdstuk XV blijkt, dat Jacob 60 jaren jonger was dan zijn vader. Tijdens zijne vlucht naar Mesopotamië had hij reeds den ouderdom van 77 jaren bereikt; 20 jaren diende hij Laban en zwierf toen 10 jaren in verschillende streken van Chanaan rond, waarna hem te Bethlehem Benjamin geboren werd en Rachel stierf. Vervolgens bleef hij bij zijn vader Isaac wonen, tot deze als grijsaard van 180 jaren ten grave daalde, dus nog 13 jaren lang.
Josef was geboren in Mesopotamië op het einde van Jacobs veertiende dienstjaar bij Laban; hij werd door zijne broeders als slaaf verkocht toen hij zijn i7do jaar was ingetreden, â derhalve in hetzelfde jaar van Benjamins geboorte en Rachels dood, maar op een verder gevorderd jaargetijde, of hoogstens een jaar later. Immers gemelde geboorte en dood hadden plaats in de lente, te Bethlehem, terwijl de verkooping als slaaf geschiedde, nadat Jacob Bethlehem verlaten had en reeds te Hebron vertoefde. Daar heeft Josef, vóór zijne wegvoering naar Egypte, nog een oo^cnblik met Isaac kunnen verkeeren.
Bij Isaacs doo.i op iSojarigen leeftijd, had Jacob den ouderdom van 120 en Josef dien van 29 jaren bereikt, waarvan toen reeds 12 of 13 jaren in slavernij waren doorgebracht.
HOOFDSTUK XXII.
JOSEF DOOR ZIJNE BROEDERS VERKOCHT.
iöiifii..
oen Josef op zestienjarigen leeftijd zijne oudere broeders, de zonen van Bala en Zelpha, de kudde hielp weiden en hen bij die gelegenheid schuldig bespeurde aan een gruwelijk wanbedrijf, maakte hij dit, gelijk plicht en geweten hem geboden, zijnen vader bekend. Zoowel hierom, als wijl Israel hem boven zijne andere zonen beminde en hem zelfs een veelkleurig kleed geschonken had, werd Jozef dooide broeders dermate gehaat, dat zij hem met geen goed oog meer konden aanzien. Dit verergerde nog, toen hij hun op zekeren dag een droom verhaalde, die als een voorspelling zijner toekomstige grootheid kon gelden. Het scheen mij toe, zeide hij, dat wij op den akker korenschoven bonden en mijne schoof overeind ging staan, terwijl de uwen zich daar rondom ter aarde bogen. Spijtig antwoordden de broeders: Zult gij als onze
koning heerschappij over ons voeren? Nog een anderen droom deelde hij mede: Ik zag sprak hij, in eene verschijning de zon, de maan en elf sterren zich voor mij nederbuigen Over dit laatste verhaal was ook Jacob in den beginne eenigszins geraakt en vroeg berispend Wat moet die droom beduiden; zullen ik, uwe moeder en broeders voor u in het .sto: knielen? Later nam Jacob het gehoorde in stille overweging, maar voorde broeders werd het een aanleiding om hun haat nieuw voedsel te geven.
Toen eenigen tijd na dit voorval de gezamenlijke broeders hunne schapen te Sichem weidden, en Jacob verlangde iets naders omtrent den welstand van herders en vee te vernemen, zond hij Josef, die bij hem te Hebron was gebleven, om inlichtingen uit. TeSichem waren Jacobs zonen niet meer te vinden, doch van een man, die hem op het veld zaa ronddwalen, vernam Josef, dat zij naar Dothaïn waren vertrokken. Toen hij nu daarheen ging cn de broeders hem in de verte zagen naderen, spraken zij tot elkander: Daar komt de droomer aan, laat ons hem dooden en in een ouden waterloozen put werpen; aan vader kunnen wij zeggen, dat een wild beest hem verscheurd heeft; dan zal het blijken wat hem zijne droomen baten. Ruben was het hierover met de anderen niet eens. Wel nam hij genoegen met het plan, in zoover het den put betrof, doch hij wilde Josef levend daarin geworpen zien, om hem later heimelijk er uit te halen en aan zijn vader terug te zenden. Uit dien hoofde sprak hij tot de broeders: Doodt den knaap niet, en bezoedelt uwe handen niet met bloed ; in dezen eenzamen put zal hij immers toch omkomen en gij zijt van bloedschuld vrij. Dit voorstel vond ingang. Zoodra Josef nu zijne broeders bereikt had, grepen zij hem vast, trokken hem het lange, veelkleurige kleed uit en lieten hem in den diepen put afzakken.
Maar terwijl zij vervolgens zich neerzetten om hun brood te nemen, zagen zij reizende Ismaëlitische en Madianitische kooplieden, die van Galaiid kwamen en op hunne kameelen specerijen, hars en mirrhe naar Hgypte voerden. Dit gaf Juda aanleiding om tot de broeders te zeggen: Wat hebben wij er aan, onzen broeder om het leven te brengen en onze bloedschuld te verhelen; het is beter hem aan de Ismaëlieten te verkoopen en onze handen niet te bezoedelen, hij is toch ons vleesch en bloed. Deze voorslag werd goedgekeurd en Josef, na uit den put te zijn getrokken, voor den prijs van twintig zilverlingen als slaaf aan de Madianieten verkocht.
Ruben was bij dien handel niet tegenwoordig geweest, en derhalve van het gebeurde geen kennis dragende, liep hij naar den put, maar vond den knaap niet. Met gescheurde kleederen (ten teeken van rouw) spoedde hij zich nu naar de broeders, uitroepende: de knaap is verdwenen, wat zal ik beginnen?
Om hun vader het spoor der begane misdaad bijster te maken, zonden de broeders aan Jacob den veelkleurigen rok, dien zij vooraf in het bloed van een geslacht bokje gedoopt hadden, en lieten vragen : Wij hebben dit kleed gevonden, is het misschien de rok van uw zoon? Nauwelijks had Israël dit bloedig overblijfsel zijns lievelings herkend, ol hij riep jammerend uit: Het is de rok mijns zoons; een boosaardig dier heelt hem verslonden, een wild beest heeft Josef verscheurd ! Dan reet hij zijne kleederen stuk , trok een rouwzak aan en betreurde zijn zoon gedurende langen tijd. Zells toen later de schuldige broeders te huis kwamen cm de smart huns vaders te lenigen, wilde hij van geen vertroosting weten, maar weeklaagde : Treurende zal ik tot mijn zoon in het doodenrijk afdalen. En hij ging voort met weenen.
i. De meeste v;in Jacobs kinderen bezaten op verre na niet zijtic tiengd. De eerstgeborene , Ruben, een zoon van Lia, ma.iktc zicli, zooals blijkt uit Genesis , aan eene vreeselijkc misdaad met zijns vaders neven-vrouw Bala scliulilig. Simeon en Levi, insgelijks kinderen van l.ia en na Ruben de oudsten, bedreven den moord op de inwoners van Sichem. De zonen der belde nevenvrouwen, van Zelplia nl. en der reeds genoemde Bala, begiiigpn de zonde, waarover in bet begin van dit liool'dstuk gesproken is, maar die door de H. Schrift niet nader met naam of onistandighedcn wordt aangeduid. Hovendien waren zij het vooral, die bet wraakplan tegen Josef opvatten en uitvoerden. Alleen Rachels kinderen, Josef en Benjamin, leefden onschuldig en deugdzaam.
36 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
2. Sommige oude joodsche Schriftverklaarders, o. a. de geleerde rabbi Moses ben Maimon, beweren, doch zonder tenig afdoend bewijs, dat de man die Joset in het veld te Sichetn vond dwalen en hem terecht hiel}., een engel zou geweest zijn.
3. De Ismaëlieten en Madianieten, aan wie Josef door zijne broeders verkocht werd, stamden af van 1 s m a ü het kind, dat Abraham bij Agar gewon, en van Mad i an, die de zoon was van Abrahams derde vrouw Ccthura. Zij waren dus onderling en eveneens aan de Israëlieten verwant.
HOOFDSTUK XXIII.
JOSEF IN P U T 1 F H A R S HUIS,
'sma^eten voerden Josef naar Egypte en verkochten hem als slaaf aan Putiphar fcyMl den hoveling en legeroverste van koning Pharao. Ook hier was de Heer met oMy 'n a' z'-'ne verr'c'lt'ngen. Putiphar, die dit weldra bemerkte, begon hem
daarom te waardeeren en stelde hem aan tot opzichter over zijn huis en het verdere wat hij bezat. De Heer zegende dit huis om Josefs wille en vermeerderde de bezittingen des meesters, die van toen af zooveel vertrouwen in zijn opzichter stelde, dat hij zelf van niets meer kennis nam, tenzij van hetgeen hij at en dronk.
Geruimen tijd bracht Josef in dezen dienst door en muntte, behalve in trouw en deugd, ook door schoonheid van lichaam uit. Dit ontstak den hartstocht van Putiphars vrouw, zoodat zij den edelen jongeling tot zonde zocht te verleiden. Doch hij gaf haar verontwaardigd ten antwoord; Mijn meester laat mij alles over; zelf weet hij niets van hetgeen in zijn huis omgaat, en is er geene zaak, die hij niet in mijne macht heeft gesteld, u zijne echtgenoote alleen uitgezonderd; hoe zou ik dan dit kwaad kunnen bedrijven en aldus zondigen tégen mijnen God? Desniettemin ging zij voort met eiken dag den jongeling opnieuw lastig te vallen, maar hij weerstond haar onwrikbaar.
Die tweestrijd hield aan, totdat op zekeren tijd, toen Josef alleen de kamer binnentrad, de vrouw het waagde hem bij den mantel te grijpen, om hem met geweld tot haar voornemen over te halen. Doch ook deze poging was vruchteloos; snel wendde de kuische jongeling zich af, liet zelfs den mantel in hare handen achter, en vluchtte de kamer uit. Met dat kleedingstuk, het dubbel bewijs van haar snoodheid en haar nederlaag, voor zich, ontstak zij in feilen haat, riep al de dienstbare mannen uit haar gezin bijeen en betichtte nu Josef van hetgeen zij zelve voornemens was geweest. Ziet, zeide zij, Putiphar heeft een Hebreeër in zijn huis gehaald om ons te honen. Deze heeft het zelfs durven wagen hier te komen om mij te verleiden; maar toen ik begon te roepen, liet hij den mantel achter, waarbij ik hem had vastgegrepen, en vluchtte naar buiten. Desgelijks sprak zij ook tot haren man, nadat hij huiswaarts was gekeerd, en toonde hem den mantel als bewijs voor hetgeen zij zeide. Putiphar, die te lichtvaardig aan de woorden zijner vrouw geloof sloeg, werd zeer vertoornd op Joset en wierp hem in den kerker, waar de gevangenen des konings waren opgesloten.
Doch daar evenmin als in zijn vroeger verblijf ontbrak het Josef aan de genade en de hulp des hemels. God deed hem namelijk gunst vinden in de oogen van den overste des kerkers, die Josef aanstelde tot opzichter over al de gevangenen, zoodat er niets gebeurde dan onder zijne leiding. De overste zelf bemoeide zich met geen enkel ding meer, maar vertrouwde alles aan Josef toe, want de Heer was met Josef en deed al zijne handelingen gunstig uitvallen.
i. liet bovenstaande voorval had plaats, toen Josef ongeveer 10 jaren in Putiphars dienst was geweest en in yt geheel 27 jaren telde. Immers de volgende 5 jaren bracht hij in den kerker door en, bij zijne verlossing daaruit, was hij 30 jaren oud.
BIjBELSCHR GESCHIEDENIS.
2. Het eenige middel tegen het hier bedoelde soort van bekoringen is do vlucht, lien man als Josef, in de kracht van zijn leven, ware het zeker niet moeielijk gevallen, zijn mantel aan de handen eener vrlt; uw tc ontwringen; doch dan had hij ook de enkele ininuut, die daartoe noodig was, nog in hare tegenwoordigheid moeten verwijlen. Dit was hoogst gevaarlijk en die het gevaar bemint zal er in omkomen.
HOOFDSTUK XXIV.
JOSEFS B E V R Ij DING U 1 T D E N K E R K E R.
{ adat het voorgaande had plaats gehad, gebeurde het dat de opperste der schenken. Jr en de opperste der bakkers van koning Pharao om een zekere misdaad, door hen J ^ begaan, in denzelfden kerker werden geworpen, waar Joaef verzuchtte. Evenals jkp' de andere gevangenen werden ook deze twee door den kerkermeester aan Josefs opzicht en zorgen toevertrouwd. Na eenigen tijd hadden beiden 's nachts een droom, [ waaraan zij geene uitlegging wisten tc geven. Toen Josef bij zijn morgenbezoek hen daarover treurende vond, vroeg hij; Waarom is uw gelaat heden droeviger dan gewoonlijk? Zij antwoordden: Wij hebben een droom gehad en hier is geen droomenver-klaarder ter onzer beschikking. Josef hernam: God alleen verklaart de droomen; deelt mij uwe nachtgezichten mede. De opperschenker verhaalde dan, dat hij een wijnstok had gezien met drie ranken, die uitbotte, biocide en vruchten droeg, welke vruchten de schenker in Pharao's beker uitperste en dien beker den koning aanbood. Dit is, sprak daarop Josef, de uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen; daarna zal zich Pharao uwer herinneren en u in uw ambt herstellen. Wanneer dit geschied zal zijn, wil dan, bid ik u, op uwe beurt ook mijner gedenken en van den koning mijne bevrijding vragen; want ik ben uit mijn land weggcroofd en zucht onschuldig in dit hol. Thans begon de opperbakker, door de vorige uitlegging bemoedigd, zijn verhaal. Hij had gedroomd, dat hij drie manden op zijn hoofd droeg, van welke de bovenste allerlei gebak inhield, waarvan de vogelen des hemels kwamen eten. De drie manden, sprak Josef, zijn drie dagen; daarna zal Pharao u doen onthoofden en uw lijk aan een galg laten hangen tot aas der vogelen. De derde dag nu vierde de koning zijn verjaringsfeest en er geschiedde gelijk Josef voorzegd had.
Twee volle jaren waren er sedert dit laatste voorval wederom verloopen, zonder dat Josef nog het uur zijner bevrijding had zien aanbreken; want de opperschenker had, ondankbaar genoeg, de ontvangen weldaad met den weldoener vergeten. Thans had Pharao zelf een droom. I lij zag uit de rivier zeven schoone, bovenmatig vette koeien opduiken, die in het oevergras gingen weiden; daarna doken zeven andere koeien op, afzichtelijk van magerheid, welke insgelijks langs den oever graasden en de zeven vette koeien verslonden. Op dit gezicht werd Pharao wakker, doch sliep weldra weer in en had een tweeden droom. Zeven aren namelijk, vol en schoon, groeiden op één halm; zeven dunne en verzengde aren kwamen daarna en verslonden de eerste. Andermaal wakker geworden en over het dubbele gezicht ten hoogste ontsteld, zond Pharao, met het aanbreken van den morgen, tot alle waarzeggers en wijzen van Egypte, liet hen bij zich komen en deelde hun de droomen mede, die echter geen van hen kon uitleggen.
Toen dacht eindelijk de opperschenker aan Josef, wiens vroegere voorzegging en den goeden uitslag daarvan hij aan den koning verhaalde. Josef werd thans op koninklijk bevel uit den kerker losgelaten, geschoren, van andere kleederen voorzien en binnengeleid. Nadat hij aan Pharao was voorgesteld, sprak deze tot hem: Ik heb een droom gehad dien niemand kan verklaren, maar ik hoor van u verzekeren, dat gij een zeer bedreven uitlegger zijt. Niet ik, antwoordde Josel, maar God moge (door mij) den koning een gunstig antwoord
57
3« BIJBELSCME GESCHIKDENIS.
geven. Als de koning hem daarop de droomen verhaald had, begon Josef: Beide gezichten beteekenen dezelfde zaak; zij behelzen namelijk de voorzegging van hetgeen God voornemens is te doen. De zeven vette koeien en zeven volle aren zijn zeven vruchtbare jaren, die vooraf zullen gaan; daarop zullen volgen, algebeeld in de zeven magere koeien en de zeven verzengde aren, zeven jaren van hongersnood, waarin alles zal verteerd worden, wat van de vruchtbaarheid is overgebleven. Dat de Koning tot tweemaal toe een droom had van dezelfde beteekenis, wil zeggen, dat God vast besloten is het aangekondigde te volvoeren en dat de tijd daarvoor aanstaande is. De koning moge dus uitzien naar een wijzen en ijverigeu man, die aan het hoofd van geheel Egypte geplaatst worde, met de macht om in de verschillende gewesten ondergeschikten aan te stellen, ten einde het vijfde deel der vruchten van de voorspoedige jaren in de koninklijke voorraadschuren op te stapelen tegen den dag des hongersnoods, wanneer men van het verzamelde zal moeten leven.
Deze raad behaagde den koning en al zijnen dienaren, tot wie hij daarom de vraag richtte : kunnen wij wel een anderen man vinden, zoo vervuld van den Geest Gods ? En tot Josef sprak hij: Waar vind ik een man, wijzer dan gij, wien God alles geopenbaard heelt, wat gij gesproken hebt? Gij zult dan staan over geheel mijn huis; al het volk zal u gehoorzamen, ik alleen zal door dezen koninklijken troon u te boven gaan: zie, ik heb u gesteld over geheel het land van Egypte.
Daarna nam de koning een ring van zijn vinger en stak dien aan den vinger van Josef: hij deed hem ook een kostbaar kleed aantrekken, hing een gouden keten om zijn hals, deed hem op den tweeden rijkswagen klimmen en rondrijden, terwijl een heraut vooruitging, om aan ;e kondigen, dat allen zich voor Josef zouden neerbuigen en weten, dat hij aan het hoofd stond van het gansche land. ik ben Pharao! zeide de koning verder; niemand zal in Egypte een voet of een hand bewegen tenzij op uw bevel. Eindelijk gaf hij Josef een nieuwen naam, welke in de Egyptische taal Behouder der Wereld beteekent, en schonk hem Aseneth, de dochter van l'utiphar, priester der stad Heüopolis, tot vrouw. Josef reisde nu Egypte door; hij was toen dertig jaren oud.
De zeven vruchtbare jaren namen een aanvang. Het overvloedige koren, dat in hoeveelheid het zand aan den oever der zee evenaarde en alle mate te boven ging, werd verzameld in de koninklijke schuren, waarvan er een in elke stad was gebouwd. Inmiddels werden Josef achtereenvolgens twee zonen geboren, Manasses en Ephraïm. Daarna begonnen de zeven jaren van hongersnood in al de omliggende landen, maar Egypte had brooa genoeg. Want als het volk gebrek kreeg en om voedsel riep, sprak Pharao: Gaat tol Josef en doet wat hij u zeggen zal. De hongersnood nam dadelijks toe, doch Josef opende de schuren, verkocht koren aan de Egyptenaren en zelfs aan de omliggende landen, vanwaar men het bij hem kwam halen.
1. Droomen kunnen hun oorsprong vinden óf in een bovennatuurlijke inwerking Gods, óf in den duivel die ze bc/.i^t als middel van bekoring, óf in de natuurlijke gesteldheid van het menschelijk lichaam. Dat dk der eerstgenoemde soort onder de christenen, welke de volheid der openbaring bezitten en daarin alles vindei wat /.e noodig hebben, niet dan uiterst zeldzaam voorkomen, is licht begrijpelijk. Enkele gevallen zijn echtei aan te wijzen. Zoo verhaalt de Romeinsche Brevier, dat ouder Paus Liberius de H. Maagd in een droom verscheen aan den godvruchtigen Romeinschen edelman Joannes en zijne echtgenoote, om hun aau te kondigen, op welke plaats in de Heuwige Stad zij den tempel wenschte opgericht te zien, dien het vrome echtpaar ziel door eene gelofte verplicht had te bouwen. Tengevolge dezer openbaring verrees op den Esquilijnschen heuve, de prachtige basiliek, thans algemeen bekend onder den naam van Maria Maggi ore. Insgelijks in een droon; verscheen de II. Maagd aan den II. Raymundus, den II. Petrus Nolascus en aan koning Jacobus I van Arragon. om hen aan te sporen tot de stichting der orde tot vrijkooping der gevangenen, â Dat bij andere gevallen dr duivel werkzaam kan zijn, geeft de Kerk niet onduidelijk te verstaan in haar hymne van het completoriuni waar /ij (iod smeekt om de droomen en nachtelijke begoochelingen van ons te verwijderen, en onzen vijand, den duivel, te bedwingen. Meestal echter zal men te dezer zake aan natuurlijke, lichamelijke invloeden hebben te denken*.
2. De in het bovenstaande hoofdstuk bedoelde rivier is de Nijl, waarvan Hgypte's vruchtbaarheid afhangt.â Josefs schoonvader Putiphar blijkt niet dezelfde te zijn als de lieer, bij wien hij het eerst als slaaf in dienst kwam. Gene immers was priester, deze legeroverste. De eerste woonde te Heliopolis, de tweede in de Hoofdsta l Memphis, waar ook de koning verblijf hield en de boven verhaalde gebeurtenis voorviel.
agezichteiï âod voorere jaren, âcn cn de -rden, wat oom had se tc vol--en wijxen Je macht âijlde deel
stapelen
ââ¢ven.
-ile vraag ^)ds ? Eu penbaard volk zal ik heb
â an Josei':
=lt;ijn hals,
vooruit-, dat hij -tier; nie--I; gaf hij
:kent, en gt;*
quot;i vrouw.
in hoe-
ig, werd Inmiddels -a begon-jtd brood Gaat tol -â¢(' opende =en, van-
llcn duivel '
â i. Dat dit 111cs vindei.
zijn echtci .Iroom verkondigen .
-litpaar ziel Jien heuve i een droon.
Arragon.
gevallen dr npletorium â \ijand, den te denken1.
.afhangt. â
=enst kwam.
Hoofdsta l
39
HOOFDSTUK XXV. JACOBS ZONEN IN E G Y P T E.
V'fVif-Sï's0 ,D.
»-,â de algcmeene hongersnood ook het land Chanaan had aangetast, zond Jacob, ^'c 8e'loori-' h^d dat in Egypte koren te koop was, zijne zonen, met uitzondering 4# van den jongsten. Benjamin, derwaarts om het benoodigde te halen. Benjamin wilde hij niet laten gaan, want, zeide hij, er mocht hem soms onder weg iets kwaads overkomen.
De tien oudsten trokken dan op reis en hadden weldra de hoofdstad bereikt. Hier begaven zij zich tot den man, die de voorraadschuren onder zijn toezicht hield en wiens vergunning voor den verkoop van koren moest gevraagd worden. Hun eerste werk, toen zij bij hem binnentraden, was, den machtigen heer des lands de blijken hunner onderdanige hulde en vereering aan te bieden; in een oogwenk wierpen alle tien zich diep voor hem ter aarde. Joset herkende hen; het waren zijne broeders, die daar voor hem lalt;'en; de droom zijner jeugd was vervuld en hij herinnerde zich dien.
Wederkeerig werd hij echter door de broeders niet herkend. Om hen nu in die onkunde nog eenigen tijd te laten blijven (met het doel, te beproeven ol zij andere en betere menschen waren geworden), sprak hij ze als vreemdelingen met hardheid toe. Van waar komt gij? vroeg hij. Wij komen uit het land Chanaan, was het antwoord, om levensmiddelen te koopen. Gij zijt verspieders, hernam hij barsch; gekomen zijt gij om de zwakke plaatsen des lands te leeren kennen. Deemoedig trachtten zij deze beschuldiging te wederleggen met de verzekering: Geenszins, heer; wij, uwe dienaren, kwamen om voedingsmiddelen tc koopen; allen zijn wij zonen van cénen man, vreedzame lieden, die niets kwaads in den zin hebben. Onwaarheid! hield Josef vol, gij zijt wel degelijk gekomen om de min versterkte plaatsen op te nemen. Nogmaals luidde hunne verzekering: Wij uwe dienaren, zijn twaalf broeders, zonen van éénen man in het land Chanaan- de' jongste bleef bij onzen vader tehuis, een andere is niet meer. Wederom hield Josef staande: Cj1| zijt verspieders! doch ik wil de zaak onderzoeken en daarom verklaar ik u: Bij het heil van Pharao! gij zult niet van hier gaan, eer ook uw jongste broeder is aangekomen. Zendt een uwer om hem te halen; gij overigen gaat inmiddels in de gevangenis, totdat het bewezen zij of gij waarheid of leugentaal hebt gesproken. Anders verklaar ik u nolt;r-maals: bij het heil van Pharao! gij zijt verspieders!
Hij deed hen dan drie dagen lang gevangen zetten, maar op den derden dag liet hij hen los en beval hun: Doet thans hetgeen ik u gezegd heb, opdat gij uw leven moo-t Kl.ouden; want ik vrees God (en wil geen onschuldigen veroordeelen). Indien oü dus vreedzame menschen zijt, laat dan een uwer in den kerker blijven, terwijl gij overigen met ie .01 en naar uwe woonsteden reist en vervolgens uw jongsten broeder hier brengt, opdat ik beunde of uwe verzekeringen op waarheid berusten.
i hans brachten Jacobs zonen, door hun eigen nood daaraan herinnerd, zich het lilden te binnen, dat zi, zeiven weleer Josef in Dothaïn hadden aangedaan. Vrijmoedig spraken z, daarover onder elkander, mecnende dat de machtige heer'van Egvpte! omdat S ÃS
wnrllr01'- VH Tquot; ''I ^ bo,tliei,d' hen quot;iet verstond. Naar verdienste, zeiden zij, ' 11 'llUS czoclt. wijl wij tegen onzen broeder gezondigd hebben, Wij zagende
rquot; t ,oquot;, «t - - ««*..« «ü «lefLr,
111 'erkeerCn W1J nu 0P O'126 iquot; druk. Ruben voegde hier nog bij: Zeide
BljBHLSCHH GHSCHll-DI-.Nlb.
ik u niet. dal gij u toch niet aan den knaap zoudt bezondigen? Maar gij gaaft geen gehoor, en thans wordt zijn bloed van ons opgeëischt.
Josef had alles verstaan. Zijn gemoed schoot vol, en hij wendde zich een weinig ter zijde, om ongestoord zijn tranen den vrijen loop te laten. Daarna keerde hij zich weder tot hen, sprak nog het een en ander, deed vervolgens Simeon voor hunne oogen in boeien slaan en gaf eindelijk (in de Egyptische taal) zijnen dienaren bevel, om de zakken met koren te vullen, het geld van ieder boven in den zak te leggen en daar leeftocht voor de reis bij te voegen.
Zoodra alles gereed was, laadden de broeders het graan op hunne ezels en trokken heen. Maar toen onderweg een hunner zijn zak opende om den ezel te voederen, vond hij het geld in het bovenste van den zak en deelde deze gebeurtenis terstond aan de anderen mede. Ten zeerste hierover verbaasd, zeiden zij tot elkander: Wat is dil, hetgeen God ons doet overkomen ?
Eindelijk in het land Chanaan teruggekeerd, verhaalden zij hunnen vader geheel hun wedervaren en daaronder ook den eisch, door den machtigen heer van Egypte gesteld, dat Benjamin mede derwaarts zou gaan. Hierna wilden zij de zakken uitstorten, doch vonden tot niet geringer verwondering van Jacob dan van hen zei ven, in ieders zak zijn geld terug.
De eisch betreffende Benjamin lag Israël zwaar op het hart. Gij berooft mij, was zijn klachte, van al mijne kinderen; Josef is niet meer, Simeon ligt in de gevangenis, en nu zult gij daarenboven nog Benjamin wegvoeren? Al deze rampen zijn over mijn hoofd gevaren. Ruben verzekerde hierop: Vader, sla mijne twee zonen dood, zoo ik Benjamin niet terugbreng; vertrouw hem gerust aan mij toe, ik zal hem u weder leveren. Neen, hernam Jacob, mijn zoon zal met u niet medegaan; zijn broeder is dood, en indien ook aan dezen op weg iets kwaads overkwam, zoudt gij mijne grijze haren met droefheid ten grave doen dalen.
Intusschen drukte de hongersnood zwaar op het ganschs land. De kleine voorraad levensmiddelen, door de broeders uit Egypte gehaald, was weldra opgeteerd en dientengevolge zag Jacob zich genoodzaakt tot zijne zonen te zeggen: gut nogmaals op reis om ons een weinig spijs te koopen. Doch Juda antwoordde: Die man daar ginds heeft ons met eede verklaard, dat wij nimmer zijn aangezicht weder zouden aanschouwen, wanneer wij onzen jongsten broeder niet medebrachten; wilt gij dus dezen laten gaan, dan zullen wij de reis aanvaarden; wilt gij het echter niet, dan blijven ook wij tehuis. Hierop zeide Jacob: Tot mijne smart hebt gij den man gezegd, dat gij nog een jongeren broeder hadt. Maar zijne zonen hernamen: De man vroeg ons naar onze maagschap, of namelijk onze vader nog leefde, of wij nog een broeder hadden, en wij antwoordden hem daarop zonder omwegen; â konden wij ook weten, dat hij zeggen zoude: brengt uw broeder met u hierheen ?
Terwijl er aldus eenigen tijd over en weder geredekaveld was, nam Juda eindelijk een krachtig besluit en zeide tot zijn vader: Geef den knaap mede, opdat wij heengaan en leeltocht halen, ten einde met onze kinderen niet van honger om te komen. Ik spreek borg voor hem; vorder hem uit mijne handen op: als ik hem u niet wederbreng, wil ik voor u schuldig staan geheel mijn leven lang. Reeds te veel is er getalmd, anders waren wij bereids den tweeden keer terug. Daarop sprak Jacob ten slotte: Wanneer het dan aldus zijn moet, zoo doet gelijk u goeddunkt.
Nu hij eenmaal deze toestemming gegeven had, regelde de grijsaard verder met zijne zonen de bijzonderheden van het reisplan. Neemt, zeide hij, van de uitgelezenste voortbrengselen onzer landstreek: balsem en honig, hars, myrrhe, therebinthen-noten en amandelen, om ze den man tot een geschenk aan te bieden; neemt vervolgens het dubbele geld, ten einde tevens hetgeen gij in uwe zakken gevonden hebt, terug te geven, want wellicht is het bij vergissing daarin geraakt; neemt daarna ook uwen broeder en trekt heen. Godalmachtig geve, dat gij bij den man genade moogt vinden en hij den anderen broeder, dien hij ge-
40
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 41
vangen houdt, tegelijk met Benjamin en u allen weder naar huis late gaan; ik zal dan in dien tusschentijd geheel verlaten en kinderloos zijn.
Zij deden nu gelijk hun vader gezegd had en kwamen weldra bij Josef aan. Toen deze hen zag, met Benjamin bij zich, beval hij zijnen hofmeester hen binnen te brengen. Laat beesten slachten, gebood hij verder, en richt een gastmaal aan, want de mannen zullen hedenmiddag bij mij eten. Josefs dienaar volvoerde zijn last en bracht de broeders binnen. Doch deze geraakten daarover in groote vrees en zeiden tot elkander: Om wille van het geld, dat wij de vorige maal weer medenamen, worden wij hier heengebracht, opdat de man eene aanklacht tegen ons instelle en ons met geweld tot zijne slaven make, ons en onze ezels. Nog bij de deur naderden zij daarom den hofmeester en zeiden: Wij bidden u, mijn heer, verleen ons een oogenblik gehoor: reeds eenmaal vroeger zijn wij hier geweest, om spijs te koopen, die wij ook betaald hebben; het geld dat wij later in onze zakken vonden, brengen wij u bij dezen terug, en nog ander geld hebben wij meegenomen om opnieuw te koopen; wie het eerste in onze zakken heeft gelegd, weten wij niet. De hofmeester antwoordde: Weest gerust, vreest niet; uw God en de God uws vaders gaf u een schat in uwe zakken; want het geld, dat gij mij betaaldet, bezit ik nog. Na dit antwoord ging hij heen, om echter weldra met Simeon terug te keeren. Vervolgens gaf hij hun water om hunne voeten te wasscben en voorzag ook hunne ezels van het noodige. .Zij intusschen beijverden zich de geschenken, door hen meegebracht, uit te pakken, om gereed te zijn als Josef tegen den middag bij hen zou komen.
En Josef kwam. Onmiddeliik namen nu Jacobs zonen hunne geschenken in handen, boden ze den machtigen heer aan en bogen zich voor hem ter aarde. Hij van zijn kant groette hen minzaam eu vroeg: Vaart uw grijze vader, van wien gij mij gesproken hebt, nog wel? Zij antwoordden: Het gaat uwen dienaar, onzen vader, wel. En andermaal wierpen zij zich ter aarde. Daarna liet Josef zijne oogen op Benjamin vallen, die met hem het kind van dezelfde moeder was, en vroeg: Is dit dus uw jongste broeder? Den knaap zeiven voegde hij toe: God zij u genadig, mijn zoon! Meer kon hij niet uitbrengen; zijn hart werd ontroerd, tranen welden in zijn oogen op en hij verwijderde zich snel naar eene andere kamer, om er ongestoord te weenen.
Over eenigen tijd, na zijn aangezicht gewasschen te hebben, kwam hij de eetzaal binnen en beval de spijzen op te dienen. Zij werden opgediend afzonderlijk voor Josef, afzonderlijk voor de broeders en afzonderlijk voor de mede uitgenoodigde Egyptenaren; want het is dezen niet geoorloofd met de Hebreen aan denzelfden disch te zitten; zulk een maaltijd is voor hen een gruwel. De broeders waren geplaatst aan een tafel recht tegenover Josef en juist naar de orde als zij in levensjaren elkander opvolgden â eene omstandigheid, waarover zij zich zeer verwonderden. Van zijne tafel zond Josef hun stukken van het eeregerecht, dat voor hem stond; maar aan Benjamin gal hij een deel vijfmaal zoo groot als dat der anderen (de eereportie). Zij aten en dronken nu in vroolijkheid.
Hierna beval Josef zijnen hofmeester: Vul de zakken der mannen met koren, zooveel er in kan, leg elks geld boven in den zak, en in dien van den jongste nog daarbij mijn zilveren beker.
Des anderen daags 'smorgens, toen liet licht werd, gingen de broeders vertrekken. Doch nauw waren zi| een eind op weg, of Josef riep den hofmeester en gebood hem: Ga snel die mannen achterna en, hebt gij ze ingehaald, vraag hun dan: Wat is dit, dat gij goed met kwaad vergeldt? De beker, door u gestolen, is juist die, waaruit mijn meester drinkt en welken hij tot waarzeggen gebruikt; gij hebt een erg stuk bedreven. Toen hun deze woorden werden overgebracht, antwoordden zij: Hoe kan onze heer aldus spreken, alsof zijne dienstknechten zoo zware misdaad zouden begaan hebben? Zelfs het geld, dat wij den vorigen keer in onze zakken vonden, hebben wij teruggegeven; hoe is het dan denkbaar, dat wij thans goud of zilver zouden stelen? Bij wien onzer gij het vermiste vindt, hij moge sterven, en wij allen zullen de slaven uws meesters zijn. De hofmeester hernam:^
BljBHLSCHH GHSCHIHDEN1S.
U geschiede naar uw woord; die den beker heeft, worde mijn slaaf, gij overigen echter üijt vrij. Haastig openden zij hunne zakken; in die der oudsten was de beker niet, uit Benjamins zak kwam hij te voorschijn.
Radeloos van schrik en ontzetting scheurden zij hunne kleederen, laadden in stomme smart bet koren weer op de ezels en keerden naar de stad terug. Met Juda voorop gingen zij tot Josef en vielen voor hem ter aarde. Ernstig sprak hij hun toe : Waarom hebt gij aldus met mij gehandeld; wist gij niet, dat mijns gelijke in de kunst van waarzeggen niet gevonden wordt? Juda betuigde: Wat zullen wij mijnen heer antwoorden of hoe ons rechtvaardigen ? God verhaalt op ons de misdaden, die hij in ons bevonden heeft. Zie, wij allen zullen mijns heeren slaven zijn, de overigen zoowel als hij, bij wien de beker ontdekt werd. Josef hernam : Verre zij het van mij aldus te handelen; die den beker stal is mijn slaaf, gij anderen moogt vrij tot uwen vader terugkeeren.
Thans trad Juda een weinig nader en sprak op vertrouwelijken toon: Ik bid u, mijn heer, laat uw dienstknecht een woord spreken tot uw oor, en word daarover niet vertoornd. Gij zijt immers, na Pharao, mijn meester. Gij vraagdet dan voorheen aan uwe dienstknechten : hebt gij nog een vader of broeder ? En wij antwoordden u, onzen heer: ja, wij hebben een grijzen vader en deze heeft nog een jongen zoon, die hem in zijn hoogen ouderdom geboren is. De broeder van dien zoon, het kind derzelide moeder, is dood, zoodat hij van hen beiden alleen is overgebleven; zijn vader bemint hem innig. Gij echter, mijn heer, geboodt aan uwe dienstknechten; voert dien broeder tot mij, dat mijne oogen hem aanschouwen. Wij brachten daar tegen in: De knaap kan zijn vader niet verlaten, anders sterft deze. Doch gij spraakt; Als uw jongste broeder niet met u hierheen komt, zult gij mijn aangezicht niet meer zien. Toen wij daarop bij uw dienstknecht, onzen vader, terugkeerden, brachten wij hem al de woorden mijns heeren over. En als vervolgens onze vader sprak: gaat weder heen en koopt ons een weinig koren, zeiden wij, dat wij niet konden gaan, tenzij onze jongste broeder met ons ging; want dat wij anders het aanschijn van den man niet meer zouden zien. Hierop sprak onze vader tot ons: Gij weet, dat mijne huisvrouw Rachel mij twee kinderen schonk; de eene is van mij weggegaan en gij verzekerdet, dat een wild dier hem verscheurd had; sinds zag ik hem niet weer. Neemt gij nu ook dezen zoon Benjamin en overkomt hem op weg eenig ongeval, dan doet gij mijne grijze haren met droefheid ten grave dalen. â Zoo sprak onze vader. Als dus, mijn heer, ik, uw dienstknecht nu bij den ouden man kwam, zonder den knaap, aan wien mijne ziel hangt, en hij zag hem niet in ons midden, zoo zou hij sterven en uwe dienstknechten brachten zijne grijze haren met smart ten grave. Laat mij dus uw slaaf zijn, want ik heb voor den knaap borg gesproken en zeide tot onzen vader: breng ik u den jongste niet terug, dan wil ik voor u schuldig staan al mijn leven lang. Ik, mijn heer, wil derhalve uw slaaf zijn, maar de knaap keere niet zijne broeders weder.
Dat was voor het goedig hart van Josef te veel. Hij kon zich voor de aanwezige Egypte naren niet langer bedwingen, gebood hen heen te gaan en riep daarop tot de broeders onder luid geween, zoodat de lieden, die hij weggezonden had, het hoorden: Ik ben Josef! leeft mijn vad.'r nog?
Van verslagenheid konden Jacobs zonen eerst geen woord uitbrengen; maar de wedergevondene sprak hun minzaam toe: Treedt nader, ik ben uw broeder Josel, dien gij naar Egypte verkocht hebt. Weest evenwel daarover niet beangst; God immers heelt mij voor u hierheen gezonden, tot uw behoud. Want sedert twee jaren is de hongersnood in dit land, en er komen nog vijf jaren, waarin men noch zaaien nog oogsten zal. Niet door uw raadsbesluit ben ik herwaarts gekomen, maar door de leiding Gods. God heeft mij als tot een vader voor Pharao, tot heer van diens huis en tot den gebieder van het gansch' land gemaakt. Gaat, spoedt u naar mijn vader en boodschapt hem : Zoo spreekt uw zoon Josef: God heeft mij gesteld tot heer over al het land van Egypte, kom tot mij, toef niet, vestig uwe woonplaats in de landstreek Gessen in mijne nabijheid, gij met uwe zonen
BIJBKLSCHE GESCHIEDENIS. 45
en de zonen uwer zonen, uwe schapen en runderen en alles wat gij bezit. Daar zal ik u voeden, terwijl nog vijf jaren van hongersnood in aantocht zijn, opdat gij niet moogt omkomen, gij en uw huisgezin. â Boodschapt dit aan mijn vader. En ziet, mijne broeders, uwe oogen en de oogen van Benjamin zijn getuigen, dat mijn mond, de mond van Josef, tot u spreekt. Verhaalt dan aan mijn vader geheel mijne heerlijkheid en alles wat gij gezien hebt in Egypte; spoedt u en brengt uw vader hier. Toen viel hij Benjamin om den hals en weende, en Benjamin weende ook. Vervolgens kuste hij al zijne broeders, en zijne tranen vloeiden op ieder van hen. Nu eerst waagden zij het, tot hem te spreken.
De roep, dat Jcs:efs broeders waren aangekomen, drong snel in het huis des konings door. Pharao verheugde zich met al zijne dienaren hartelijk os'er deze gebeurtenis en sprak tot Josef: Zeg aan uwe broeders; Laadt uwe ezels op, trekt naar Chanaiin, neemt uw vader en de zijnen en komt tot mij; al het beste wat Egypte bezit, zal ik u geven. Laat hen ook van hier wagens medenemen, om hunne vrouwen en kinderen over te voeren, en dat zij zoo spoedig mogelijk hun vader halen.
Joset bezorgde dan de wagens volgens 's konings bevel, liet nog aan ieder der broeders een feestgewaad geven; aan Benjamin echter gaf hij, behalve driehonderd zilverlingen, vijf prachtige eerekleederen. Aan zijn vader schonk hij evenveel en daarenboven tien ezels, beladen met de rijkste zegeningen van Egypte, benevens een gelijk getal ezelinnen, die koren droegen en leeftocht voor de reis. Ten slotte richtte hij tot zijne broeders de vermaning, om onder weg elkander geene verwijtingen te doen (over het aandeel dat ieder van hen had genomen in den verkoop huns broeders.)
1. Toen de bovenvermelde geschiedenis plaats greep, had Josef den ouderdom van 59 jaren bereikt, waarvan hij er negen zeven vette en twee magere â als onderkoning had geregeerd. Dat hij, vooral in dit tijdperk zijner macht, geene pogingen aanwendde om zijn vader cn broeders op te sporen ten einde hun van zijn leven en wedervaren te berichten, wordt door den 11. Thomas toegeschreven aan de leiding der Voorzienigheid, die hare plannen met Israel op de vastgestelde wijze wildé vervuld zien.
2. Joscls schijnbare hardheid tegen de broeders had ten doel, hen op de proef te stellen omtrent hun verbeterde gezindheid, zoowel in t algemeen als meer bijzonder ten opzichte van Hcnjaniin. Dat deze, wijl hij de zoon van Jacobs meest geliefde hnisvroiiw Kachel was, door zijn vader boven de overigen bemind, maar juist ook dientengevolge door de broeders lichtelijk benijd en gehaat kon zijn , mocht Josef, op grond van eigen levenservaring, als niet geheel onwaarschijnlijk vermoeden. Daarom meent hij dit punt aan een meer nauwkeurige en bijzondere proefneming te moeten onderwerpen. Tot zijne innige blijdschap viel die proef ten gunste der broeders uit; van haat of afgunst was bij hen geen spoor meer; integendeel getuigden al hunne woorden en daden slechts van liefde en bezorgheid voor den knaap.
3. De soort van waarzeggerij, die in latere tijden bij de Grieken en Romeinen bekend stond onder den naam van I e k a n o m a 111 i e, was bij de heidensche volken in het Oosten reeds vrij vroeg tamelijk algemeen verspreid Men vulde een schotel (?*f/ V/J lekané) of beker met water, wierp daar, benevens gouden cn zilveren munten, een aantal door gegraveerde magische teekens gekenmerkte edele steenen in , en staarde vervolgens sterk en aanhoudend op den bodem des bekers. Allicht kon op die wijze de verbeelding daar zekere gestalten en figuren meenen te ontdekken; soms ook stegen, wat zeer natuurlijk is, blaasjes in het water omhoog, cn uit beide zaken, te zamen ot afzonderlijk, dacht men de toekomst en andere onbekende dingen te lezen. â Dat Josef zich met dergelijke bespottelijke en goddelooze bijgeloovige kunsten, niet afgaf, wordt ons door geheel zijn heilig leven, zoowel als door de wonderdadige gave der wezenlijk echte voorspellingen, waarmee God hem begiftigde, overvloedig gewaarborgd. De l-.gyptcnaren konden hem echter, juist om diezelfde voorspellingen, gemakkelijk, hoewel ten onrechte, voor een toovenaar houden, en nu deze meening eenmaal bij hen bestond, liet Josef dienovereenkomstig door zijn hofmeester aan de broeders vragen; Waarom hebt gij den beker gestolen, dien mijn hec.' tot waarzeggen gebruikt ? Hierdoor moesten zij met nog te grooter angst worden vervuld. Zij zouden zich dus van iets hebben meester gemaakt, dat in Egypte voor een heilige zaak werd gehouden ? Het denkbeeld was verseluikkelijk I
In plaats der woorden; »de beker, dien mijn heer tot waarzeggen gebruikt,quot; hebben de Chaldceuwsche en Arabische vertalingen; »de beker, waarmede mijn heer u op do proef heeft willen stellen,quot;
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XXVI.
JACOB IN EGYPTE.
(Jaar der wereld 2298; â jaar voor CU. 1706.)
Vjii^^pJoDdra de broeders van hunne reis waren teruggekeerd in het land Chanaan , haastten rfejjplfi, zij zich het heuglijk nieuws aan hun vader mee te deelen. Uw zoon Josef leeft n0»gt; 1iePei1 zij hem toe, en is heer over het gansche land van Egypte! Op dit bericht ontwaakte Jacob als uit een diepen droom en kon zijne zonen niet aanstonds gelooven. Doch toen zij vervolgens geheel hun wedervaren uitvoerig verhaalden en hij bovendien de wagens zag en alles wat uit Egypte was meegezonden, leefde zijn geest weer op en sprak hij; Het is mij genoeg, dat Josef mijn zoon leeft; ik zal derwaarts gaan en hem zien, eer ik sterf.
Jacob trok dan uit met al wat hij bezat en kwam vooreerst te Bersabee (de grens van het land, waar hij en zijne vaderen rondgezworven hadden, maar dat hij nu ging verlaten), droeg er een offer op en had des nachts daarna eene verschijning van God, die hem toeriep; Jacob, Jacob! De geroepene antwoordde; Zie, hier ben ik! En de Heer sprak; Ik ben de Sterke, de God uws vaders; vrees niet, ga naar Egypte; want ik zal er u maken tot een groot volk, en ik zal met u derwaarts gaan en u vandaar terugvoeren, en Josef zal u de oogen sluiten. Door deze verschijning gerustgesteld, dat zijn plan den Heer behaagde, trok Jacob verder. Zijne zonen vervoerden hem met hunne vrouwen en kinderen op de wagens door Pharao gezonden; ook hun vee en alles wat zij in Chanaan bezeten hadden, werd medegenomen. Zoo kwamen zij eindelijk in Egypte, in het landschap Gessen aan, te zamen, behalve de vrouwen en dochters, 67 mannelijke leden sterk. Met Josef en zijne beide zonen bestond Jacobs huis in 't geheel uit 70 mannen en knapen,
Juda werd vooruitgezonden om de komst zijns vaders aan Josef te boodschappen. Terstond liet deze zijn wagen bespannen, en kwam den grijsaard tot Gessen te gemoet. Daar zag hij hem, viel hem om den hals en weende van vreugde. Israël sprak ; Thans wil ik gaarne sterven, nu ik uw aangezicht aanschouwd heb. Daarna gaf Josef aan zijne broeders te kennen, dat hij naar Pharao ging, om dezen met hunne aankomst bekend te maken. En als dan de koning u laat roepen, zeide hij hun verder, en u vraagt, welk uw handwerk is, zoo zult gij hem antwoorden; Wij, uwe dienaren, zijn herders van onze jeugd af, zooals ook onze vaderen waren. Dit zult gij namelijk zeggen om woonplaatsen te bekomen in het landschap Gessen, want de Egyptenaren hebben van alle schaapherders een afschuw.
Josef begaf zich dan naar Pharao en nam vijf zijner broeders mede, om hen den koning voor te stellen. Op 's konings vraag naar hun handwerk, was het antwoord ; Wij, uwe dienstknechten, zijn schaapherders, gelijk ook onze vaderen waren; in uw land zijn wij gekomen, omdat in Chanaan geene weiden meer gevonden worden voor de kudden uwer dienaren, en de hongersnood daar zeer toeneemt; weshalve wij u bidden, dat gij ons, uwe dienaren, toelaat in Gessen ons verbijf te nemen. De koning zeide daarop tot Josef, dat deze zijn vader en broeders de beste streek zou aanwijzen cn hun het landschap Gessen ter woonplaaats geven. En, ging de koning voort, zijn er onder hen vlugge mannen,zoo stel hen aan tot opzichters over mijne kudden.
Hierna geleidde Josef ook zijn vader tot den koning. Jacob zegende Pharao en gaf vervolgens op de vraag naar zijn ouderdom ten antwoord; De dagen mijner omzwerving zijn honderd en dertig jaren; weinig waren zij en slecht, en zij reiken niet tot het getal der dagen, die mijne vaderen hebben omgezworven. Na hierop nogmaals Pharao gezegend
44
BIJBKI.SCHR GFSCHII'DFNIS.
te hebben, ging Jacob heen. Josef gaf toen, ingevolge 's konings last, zijn vader en broeders het beste deel der landstreek Gessen, met name Harnesses, ter woon en onderhield hen daar.
Geheel het land nu had gebrek aan brood; want de hongersnood, die alom op aarde heerschte, drukte voornamelijk Egypte en Chanaan. Al hun geld hadden de Egyptenaren reeds uitgegeven, waarom zij thans aan Josef, in ruil voor koren, hun vee aanboden en eindelijk zelfs hunne akkers en personen. Zoo kwamen dc gezamenlijke landerijen rechtstreeks in de hand van Pharao; de bewoners ontvingen levensmiddelen alsook zaaikoren, onder verplichting om van den oogst, dien dit laatste üou opleveren, met behoud van vier deelen voor zich en hunne huisgezinnen, het vijfde gedeelte aan den koning op te brengen. Deze verplichting van het vijfde deel werd van toen af als 't ware eene wet voor geheel Egypte, met uitzondering alleen van de landerijen der priesters. De priesters namelijk ontvingen krachtens hun ambt koren uit de koninklijke voorraadschuren en bleven daardoor van de noodzakelijkheid om hunne eigendommen tc verkoopen, bevrijd.
1. Uit hoeveel personen in het geheel Jacobs hulsgezin in Hgypte bestond, is inoeielijk te bepalen. Slechts twee dingen staan op de uitdrukkelijke getuigenis der II. Schrift vast, nl. dat het aantal mannen en knapen zeventig beliep en dat dit cijfer gevormd werd door Jacob zeiven, zijne zonen, kleinzonen en achterkleinzonen. Het aantal vrouwen en dochters echter wordt door de H. Schrift niet vermeld. Evenmin bevredigt /.ij onze weetgierigheid opzichtens de vraag, of de patriarch in zijne nieuwe verblijfplaats dienstknechten en dienstmaagden bezat. Vroeger bezat hij die zeker en zelfs in vrij groote menigte. Bereids van Abraham vinden wij, Genesis 14, opgeteekend , dat hij met 318 zijner dienstknechten (hij had cr dus nog meer) tegen de vier koningen van Sennaar enz. ten strijde trok. Abrahams eenige erfgenaam was Isaac, van wien de Schrift getuigt, dat hij zijne bezittingen nog vermeerderde en «geweldig grootquot; werd. Jacob genoot dubbelen voorspoed. Eerst verwierf hij zich, tijdens zijn verblijf bij Laban, grooten rijkdom, zoodat hij toen reeds vele kudden en dienstmaagden en dienst-knechter. bezat (Gen. 50: 43); vervolgens trad hij daarenboven in de rechten van zijn vader Isaac. Heeft hij nu deze bezittingen, althans de dienstknechten, in lateren tijd weer verloren? Daarvan blijkt nergens iets. Indien hij ze derhalve tot vóór zijn vertrek naar Egypte nog bezat, dan hebben zij hem ook naar dit land vergezeld. Genesis 48: 4 en $ toch verzekert uitdrukkelijk, dat naar Egypte werd meegenomen alles, wat Jacob in Chanaan bezeten had. Derhalve zou, in het gestelde geval, Jacob met eene niet onaanzienlijke herdersbevolking in Egypte zijn aangekomen, eene bevolking die allicht met de vrouwen en kinderen â want ook de dienstknechten en dienstmaagden waren veelvuldig gehuwd â een paar duizend personen, zoo niet meer, sterk kon zijn. De landstreek Gessen echter bood daarvoor ruimte en weideplaatsen in overvloed aan.
In allen gevalle, hoe groot of hoe klein in getal, vormden de Israëlieten een zwervenden herderstam. Waarschijnlijk is daaruit het woord van Josef tot zijn vader tc verklaren, als iiij verzekerde: de Egyptenaren hebben van alle schaapherders een afschuw. Die afschuw namelijk kon moeielijk do herders in 't algemeen betreffen, want ook onder de Egyptenaren waren er, die dit bedrijf uitoefenden, en al behoorden deze tol een der lagere kasten, waarin het volk was ingedeeld, sterk veracht evenwel waren zij niet. Zij hadden meestal vaste woonplaatsen en hoedden hunne eigene kudden, of stonden bij de hoogere standen, die evenals Pharao zelf, vee hielden, in dienst. Alleen voor de zwervende stammen van vreemden oorsprong koesterden de Egyptenaren vrees en afkeer, wijl dergelijke scharen meermalen een vijandelijken inval, vergezeld van roof en plundering, in het land gedaan hadden.
2. Tot de hoogste kaste behoorden de priesters, onder welken naam begrepen werden, behalve de bedienaars der afgodstempels, de geleerden, de rechters, de geneesheeren en de gezamenlijke staatsambtenaren. Krachtens hun ambt ontvingen zij hun onderhoud van staatswege en koren uit de koninklijke voorraadschuren. Dat zij dientengevolge, tijdens den hongersnood, van de noodzakelijkheid om hunne egendommen te verkoopen bevrijd bleven, daarin lag voor niemand eene onrechtvaardigheid. Alleen zou het de vraag kunnen zijn, of het geen onrecht was, de overige Egyptenaren hier wel toe te noodzaken, zooals Josef deed. Doch ook deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Want vooreerst zijn de begrippen omtrent eigendom en grondbezit in het Oosten ook nu nog geheel anders dan in het Westen. Verder was vooral Egypte een land, dat om te blijven bestaan en zijne inwoners te kunnen voeden, werken noodig had van ontzettenden omvang, waartoe op de eerste plaats behoorde het graven van velerlei kanalen en waterleidingen. Dit werd, als de koning de algemeene landeigenaar was, zeer vergemakkelijkt, oovendieu ontvingen de inwoners hunne gronden in bruikleen terug waarvoor zij het vijfde gedeelte der vruchten aan den koning moesten uitkeeren. Deze belasting, die in een land zoo vruchtbaar als Egypte, tamelijk licht te dragen was, kon dienen om in de uitgaven te voor/ien , die voor het onderhoud der groote werken, voor den koning, hel hof en het leider vereischt werden.
BIJRI-LSCHE GESCHIRDENIS.
1IOOFI )STUK XXVII. JACOBS DOOD.
og zeventien jaren bracht Jacob met zijn huisgezin, dat zich gedurende dit tijdperk zeer vermeerderde, in Egypte door en bereikte den ouderdom van 147 jaren. Toen gevoelende dat zijn einde naderde, liet hij zijn zoon Josef komen en sprak tot hem: Indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo zweer, dat gij mij de liefde en trouw zult bewijzen van mij niet in Egypte te begraven, maar mij weg te voeren en te leggen in het graf mijner vaderen. Josef antwoordde: Ik zal doen â wat gij beveelt â en hij zwoer het. Daarop keerde Jacob zich naar het hoofdeinde van zijn bed en aanbad God.
Korten tijd hierna ontving Josef, die inmiddels weer naar de hoofdplaats was teruggekeerd, het bericht dat zijn vader ziek was, en onmiddellijk ging hij met zijne beide zonen Manasses en Ephraïm op reis. Als nu den grijsaard de aankomst zijns zoons geboodschapt was, verzamelde hij zijne krachten en richtte zich in zijn bed overeind. Nauw was Josef binnen getreden of Jacob sprak hem toe : God de almachtige, verscheen mij voorheen te Luza (Bethel), zegende mij en zeide; Ik zal u dit land geven, u en uw geslacht na u, tot een altijddurend bezit. Daarop ging Jacob voort de erfopvolging van dit bezit te regelen en sprak: Uwe beide zonen, die u geboren zijn eer ik in dit land kwam, zullen de mijne zijn; Ephraïm en Manasses zullen mij evenveel gelden als Ruben en Simeon (zij zullen elk een vollen stam uitmaken). De overige zonen echter, welke gij gewonnen hebt na deze twee, zullen de uwe zijn; zij zullen erven op naam hunner broeders (als onder-deelen van de stammen Ephraïm en Manasses).
Onder dit gesprek had Jacob, want zijne oogen waren verduisterd, niet bespeurd, dat de beide genoemden in het vertrek aanwezig waren. Als hij hen nu zag, doch zonder hen te herkennen, vroeg hij aan Josef: Wie zijn dezen? Josef antwoordde: Het zijn de zonen, die God mij geschonken heeft. Jacob hernam : Breng ze bij mij, opdat ik hen zegene. Nadat dit geschied was, kuste en omhelsde hij hen, terwijl hij, tot Josef sprekende, voortging: Ik had niet gedacht nog uw aangezicht te zullen aanschouwen, en nu laat God mij zelfs uwe kinderen zien. Nadat Josef zijn beide zonen van zijns vaders borst verwijderd had, viel hij zelf plat ter aarde. Vervolgens plaatste hij Ephraïm aan Israels linkerhand en Manasses aan de rechter. Doch de grijsaard legde zijn rechterhand op het hoofd van Ephraïm, die de jongste was, en de linker op het hoold van Manasses, zijne armen aldus kruisende. Daarna zegende hij alle twee tegelijk, zeggende: God, in wiens tegenwoordigheid mijne vaderen Abraham en Isaac gewandeld hebben, God, die mijn hoeder is geweest van mijne kindsheid tot op den dag van heden, de engel die mij van alle kwaad verlost heeft, zegene deze kinderen; mijn naam en de naam mijner vaderen Abraham en Isaiic zal op hen overgaan en zij zullen talrijk worden op aarde. Josef die intusschen bemerkte, dat Jacobs rechterhand op Ephraïm rustte, en meende dat er bij den grijsaard een vergissing plaats had, nam die hand om haar op Manasses hoofd te plaatsen, terwijl hij tot Jacob sprak: Niet alzoo, vader, want deze is de oudste. Doch Jacob antwoordde: Ik weet het mijn zoon, ik weet het. Wel zal Manasses talrijk en groot worden, doch grooter zal zijn het nageslacht van zijn jongeren broeder. Nog ging de grijsaard voort: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u wezen en u terugvoeren in het land uwer vaderen. In dat land geef ik u een deel boven uwe broeders vooruit, het deel dat ik uit de handen der Amorrheers gewonnen heb met mijn zwaard en mijn boog. (Misschien wordt Sichem bedoeld, dat Jacob eerst kocht en daarna vermoedelijk â hoewel de H. Schrift dit niet uitdrukkelijk vermeldt ââ¢
46
lilJBHLSCHK GHSCHIHDHNIS.
tegen vijandelijken aanval verdedigde. Daar werd ook in later tijd Josefs gebeente begraven.)
Toen riep Jacob al zijne zonen bijeen, om hen te zegenen en hun op goddelijke ingeving te voorspellen, wat elks geschiedenis in de toekomst zou zijn. Tot Juda sprak hij de merkwaardige woorden: Dc scheptcr ~xal van Juda niet ivorden weggenomen, noch de heerscher uit ^ijn geslacht, totdat degbne kome, die gezonden moet wokden; deze zal de verwachting der volkeren zijn'.
Vervolgens gebood hij zijnen zonen nogmaals ; Begraaft mij bij mijne vaderen op den akker van Hphron den Ethcüï , in de dubbele spelonk Mambre, die Abraham heeft gekocht tot zijne erfelijke begraafplaats. Daar is hij zelf begraven en Sara zijne huisvrouw; daar zijn begraven Isaac en Rebecca; daar rust ook Lia.
Na deze woorden gezegd te hebben, strekte Jacob zich op zijne legerstede uit en gaf den geest.
Bijzonder hetgeen Jacob onmiddellijk vóór zijn dood deed en sprak, behoort tot de treffendste en verhevenste gebeurtenissen uit de geheele H. Schrift. Hij, de laatste der drie groote patriarchen, staat op het punt om uit deze wereld te scheiden. Zijne zonen, die achterblijven, hebben de roeping stamvaders te zijn van het volk, dat alleen onder alle volkeren, gedurende een reeks van eeuwen, de Waarheid en de Belofte ongeschonden zal moeten overleveren van geslacht tot geslacht. De stervende weet dit en beseft er het hooge gewicht van. Maar hij weet meer. Hij kent het deel, dat ieder dier zonen in 't bijzonder tot de geschiedenis des volks en der heilsorde zal bijdragen. Zijn God en de God zijner vaderen laat het hem met profetisohen blik in de toekomst aanschouwen. Doch ook zijne zonen zullen het vernemen; hij zelf zal het hun verkondigen. Plechtig klinkt de oproeping, waarmee hij hen aan zijn sterfbed ontbiedt:
Komt te zamen, opdatik u aankondige wat u geschieden zal in de verste dagen. Komt te zamen en luistert, zonen van J acob, 1 u is t ert naa r I sr aël, u wen va d er.
Zegen en bestraffing treffen elk der zonen, naar hij verdiend heeft. Ruben, de eerstgeborene, het begin van Jacobs vaderzorg en vadersmart, heeft zich, door een schuldig gedrag, zijn hoogen rang onwaardig gemaakt. Gelijk water vervliet, zoo vervloot zijne deugd en daarmee zijn eers(geboorterecht. De dubbele erfportie is reeds aan Josef toegewezen; deze erft voor twee personen in zijne kinderen Ephraïm en Manassos. Maar ook het recht, om het hoofd te zijn der familie en het recht op het priesterschap worden Ruben ontnomen.
Ruben, m ij n eerstgeborene, g ij m ij n e k r a c ht en het begin m ij n e r smart, de eerste in gaven, de grootste in macht. Uitgestort zijt g ij als water, g ij zult niet t a Ir ij k worden: omdat g ij de legerstede u ws vaders hebt beklommen enz ij nerustplaats hebt o n t w ij d.
Na Ruben zijn Simeon en Levi de oudsten; echter zal het eerstgeboorterecht, dat Ruben verloor, niet op hen overgaan, wijl de bloedschuld, wegens het vermoorden der inwoners van Sichem, op hunne ziel kleeft.
Simeon en Levi, broeders, str ij dlustigewerktuigenderongerech tig hei d. M ij n e ziel kome niet in hunne beraadslaging, en in hunne vergadering v e r b 1 ij v e niet m ij n roem: omdat z ij in hunne woede den man vermoordden en in h u n moedwil den muur ondergroeven. Vervloekt zij hun woede, omdat zij o n b 1 n s c h b aa r, e n h u n n e grimmigheid, omdat zij hardvochtig was: ik zal hen onder Jacob verdeden en hen verstrooien onder Israël.
Na de verovering van het beloofde land, in latercn tijd, ontvingen de kinderen van Simeon hun deel midden tusschen de bezittingen der kinderen Juda's in. De nakomelingen van Levi herstelden zich, door hun ijver voor den dienst Gods, althans gedeeltelijk, van den vloek, die hun vader getroffen had. Zij zagen zich zelfs tot priesterlijken stam verheven, doch woonden als zoodanig door het gansche land verspreid.
Juda, de vierde zoon, is de bevoorrechte, die Rubens verloren rang beërft. Uit zijn geslacht, het beroemdste en talrijkste, zullen de koningen ontspruiten en zelfs de Leeuw des stams, de Sterke, de Heerschcr:
Juda, u zullen uwe broeders loven: uw hand zal z ij n op den nek uwer v ij a n d e n, voor u zullen zich buigen de zonen uws vaders. Do welp eens leeuwsis Juda: o :n buit, mijn zoon, trekt gij op: rustende vlijt g ij u neer als ee n 1 e e u w e n a Is ee n e Ie e u w i n. Wie zal hem doen opspringen?
Deschepter zal van Juda niet worden weggenomen, noch de aanvoerder uit zijn geslacht, totdat degene kome, die gezonden moet worden; deze zal de verwachting der vo 1 k e r e n z ij n.
Aan den wijngaard bindt hij zijn ezelveulen en aan den druivenrank zijne ezelin. Zijn kleed zal hij wasschen in wijn en in het bloed der druif zijn mantel. Fonkelender zijn zijne oog en dan wijn en zijne tanden blanker dan melk. ^
Met het laatste gedeelte dezer voorspelling, zeggen de H. Vaders, had de stervende patriarch bepaaldelijk ,den Messias op 't oog, die komt tot zijn volk «zachtmoedig, zittende op eene ezelin, en op het veulen van een
41
4S BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
lastiirageiui ü;i.'rquot; (Zacli. 9; 9; Matth. 21: 5). Hij is mie schoonste onder de kinderen der menschenquot;, doch Mtreedt de wijnpers alleenquot; en «daar is aan hem gedaante noch schoonheid meer.quot; (Ps. 44: 5: Is. 63 : 3 en 52:
Thans vernemen de nog overige zonen hunne lotsbepaling:
Z a b u 1 o 11 zal wonen aan den oever der zee en de r e e d e voor zijne schepen zal tot S i d o n reiken.
I s s a c h a r is een sterke ezel, die t u s s c h e n grenzen ligt. M ij ziet dat de rust goed is en li e t land u i t n e m e n d en hij n e i g t z ij n schouder tot dragen en is schatplichtigge w orde n.
Deze stam, tusschen de grenzen van viet andere stammen ingesloten, beminde de rust, bebouwde zijn vruchtbaren akker en verkoos het dragen van lasten boven den strijd. Hiervan had hij zelfs een bepaalden afkeer. Terwijl o. a geheel Israël uittrok, om zich met meer dan driemaal honderd duizend krijgers bij David in Hebron te voegen, bleven de zonen Issachars, op tweehonderd verstandige mannen na, eenparig te huis.
Dan is moediger en listig tevens. In zijn grooten zoon Samson zal hij aan Israël een rechter geven, die door kracht en beleid den vijand neervelt.
Dan zal rechter zijn over zijn volk, als ieder andere stam in Israël. Dan zal als de slang z ij n aan den weg, als de basilisk langs liet pad, stekende naar den hoef d e s p a a r d s, dat de ruiter er ruggelings afstort.
Gad zal wel uitgerust voor hem kampen en hij zal zich wapenen in den rug.
Het brood van A se ris vet en hij zal lekkernijen den koningen bezorgen.
Een hert in den vrijen loop is Nephthali en sierlijke reden spreekt hij uit.
De stam Nephthali onderscheidde zich, op zijne schoone, woudrijke bergen, onder anderen ook door dichter-gaven. Een der zonen uit dit geslacht, Barac, zong met Debbora den prachtigen lofzang na het verslaan der Philistijnen (Recht. 5).
Josef, de schoone jongeling, was eens het mikpunt der giftige pijlen van den nijd zijner broeders; hij echter zocht zijn steun en wapenrusting in God, die hem dan ook beschermde en uit de boeien verloste. Zoo werd hij de herder en verzorger Israels in den nood. Zegen gewerd hem van alle zijden.
Een gedijende zoon is Josef, een gedijende zoon en liefelijk van aanschijn: de dochter e n liepen uit naar den stads m u u r (om hem te zien). Maar z ij verbitterden, scholden en b e n ij d d e n hem, de mannen met p ij 1 e n gewapend. Doch b ij den Sterke is z ij n boog, en geslaakt zijn de boeien z ij n e r armen en handen door de hand des Machtigen van Jacob: zoo werd h ij tot herder en grondsteen Israël s. De God uws vaders zal uw helper wezen en de Almachtige zal u zegenen met den zegen des hemels van boven, met den zegen der diepte die beneden ligt, met de zegeningen van moeders, vruchtbaar in welgevoede kinderen. De zegeningen uws vaders (over u) zullen de zegeningen z ij 11 er vader e n (over hem) te boven gaan, totdat k o m e het Verlangen d e r H c u w i ge H eu-velen (de Messias). Dat z ij k 0 m e n (de zegeningen) over het hoofd van J o s e f e n over de kruin der Nazarieërs onder z ij n e broederen.
Eindelijk is de jongste. Benjamin, aan de beurt. Ook hij zal het lot zijner nakomelingen vernemen, wier aard nog al van den zijne blijkt te verschillen.
Benjamin is een roofgierige wolf die 's m o r g e n s buit verslindt en 's a v o n d s buit uitdeelt.
Deze stam bleef klein, maar oefende door zijne onrustige, krijgshaftige natuur een niet onbeduidenden invloed op de geschiedenis van het volk Israels uit. Voornamelijk echter was het de apostel Paulus, die, volgens het gevoelen der H. Vaders, in de aangehaalde woorden door Jacob bedoeld werd. Uit Benjamins bloed gesproten, deed hij zich in den morgen zijns optredens als een waren wolf, een bloedgierigen vervolger der christenen kennen, totdat hij, in een apostel veranderd, op den avond zijns levens een rijken buit van bekeerde heidenen en Joden der Kerk des Heeren toevoerde.
Met deze laatste toespraak van zegeningen, bestraffingen en voorspellingen aan zijne kinderen, had Jacob de taak zijner roeping als stamhoofd van het volk Gods voltooid en kon kalm en vertrouwend zijne ziel in de handen haars Scheppers overgeven.
B1JBHLSCHK (ilgt;i;iiil Di XIS.
HOOFDSTUK XXVIII.
BEGRAFENIS VAN JACOB. DOOD F.N BFGRAl-'HNIS VAN JOSI.F.
0en Jose'quot; zaogt; ^al: zijn vilder verscheiden was, wierp iiij zich weenend op het lijk jLifewi en kuste het. Daarna gaf hij den geneesheeren last, het te balsemen, wat veertig dagen duurde; zoo wilde het de regel, welke bij deze verrichting gebruikelijk was. Ook werd er zeventig dagen rouw gepleegd dorr geheel het land van Egypte, f Na afloop hiervan trok men uit ter begrafenis: Josef met zijn huis, de broeders met hunne volwassen zonen, alle waardigheidsbekleeders aan het hof van Pharao en alle oversten des lands, met eene menigte wagens en ruiters. Toen men gekomen was aan den dorschvloer Atad op de grenzen van het land Chanaiin, aan gene zijde des Jordaans, werden, onder hevig geween en geklaag, de lijkplechtigheden gevierd, zeven dagen lang.
Hierna zette de stoet den weg tot Mambre voort, waar men den doode in de dubbele spelonk begroef om vervolgens naar Egypte terug te keeren.
Fas was men daar aangekomen cn ging alles weer zijn geregclden loop, of de broeders, beducht, dat, nu Jacob niet meer leefde, Josef misschien wel op wraakplannen zou zinnen, zonden een bode om hem te doen weten: Uw vader gaf ons voor zijn sterven in last, om u uit zijnen naam te zeggen: Ik bid u, vergeef toch uwen broeders de zonde en de arglist, die zij tegen u begaan hebben. En ook wij bidden u, dat gij den dienstknechten van den God uws vaders deze schuld kwijtscheldt. Toen Josef zulke taal hoorde, begon hij te weenen. En als vervolgens de broeders persoonlijk tot hem kwamen, voor hem ter aarde vielen en zeiden: Wij zijn uwe slaven â antwoordde hij; Vreest niet; kunnen wij Gods Voorzienigheid wederstreven? Gij zont er op, mij kwaad te doen; doch God keerde uw aanslag ten goede, om mij te verheffen en een menigte volks in het leven te behouden. Vreest niet, ik zal u verzorgen, u en uwe kinderen. Zoo troostte hij hen, hen zacht en minzaam toesprekende.
Josef woonde met zijne broeders in Egypte tot op den leeftijd van honderd cn tien jaren. Zijne kleinzonen zag hij tot in het derde geslacht; toen was ook zijn uur van scheiden daar. Hij zeide dan tot de broeders: Na mijn dood zal God u bezoeken en u van hier voeren naar het land, dat hij met cede heeft beloofd aan Abraham, Isaac en Jacob. En als hij hen vervolgens had laten zweren, dat zij zijn gebeente bij hun uittocht naar het land der belofte zouden medeneraen, stierf hij, honderd en tien jaren oud, werd gebalsemd en in eene doodkist bijgezet.
Al is Josef onderkoning van Ugypte, hij beschouwt zich als levende onder een vreemd volk, dat hem wel is waar tijdelijk ter verzorging was toevertrouwd, maar met welks verdere lotgevallen zijn lot en dat zijner kinderen niets gemeens had. Geheel zijn roem en grootheid is, deel uit te maken van liet volk Gods; zijn erfdeel ligt in Jacob en zijn verlangen in Israël. Tegenover dit geslacht heeft hij de roeping om er, als een der twaalf apostelen, een dei twaalf stamvaders van te zijn.
Met Josefs dood sluit het boek Genesis cn het patriarchale tijdperk.
49
VAN MOSES TOT SAUL
lot uitgangspunt der berekening van den tijd, dien de Israëlieten, sedert Jacobs mtoJi ia l-Vypte tot den uittocht onder Moses, in dat land geleefd hebben, neemt men quot; algemeen den tekst van den H, Paulus, Gal. 111 : 17, waar de Apostel zegt: hen â¢â¢f ' Verbond, door God bevestigd, wordt door de Wet, die vierhonderd en dertig )aiera t daarna ontstaan is, niet krachteloos gemaakt.
' Het hier bedoelde Verbond werd nl. voor de eerste maal door God met Abra uin
aesloten, toen deze, tegelijk met het bevel om uit zijn land te vertrekken, de belofte ontvino- dat hij zou aangroeien tot een groot volk, en in hem alle geslachten dei aard zouden gezegend worden - zie hoofdstuk Vil, Abraham was desti^is v.,1 en zevent.g jaren oud. Vijf en twintig jaren daarna werd Isaac geboren, weer zestig later Jacob, en toen lacob in Egypte kwam, telde hij honderd en dertig jaren. Op dat tijdstip waren cr dus van de boven bedoelde 430 jaren reeds 215 verloopen, zoodat er p.oS juist 215 overschieten tot aan den uittocht onder Moses. . , . .
Deze 215 jaren waren aldus verdeeld: 17 jaren na den intocht stierf Jacob; 54 liter dus 71 jaren na den intocht, ontsliep Josetquot;. Vervolgens kwam er een kon mg aan het bestuur, die dc Israëlieten om hun steeds sterker toenemend aantal op gewelddadige wii-e verdrukte. Inmiddels werd, 64 jaren na Josefs dood en 135 jaren na den intoclit, Moses creboren. Moses vluchtte op veertigjarigen leeftijd van het hol van I harao, waar hij opgevoed was, naar Madian. Hier bleef hij nog veertig jaren svone.i, totdat hi), 215 jaren na den intocht, de Israëlieten, thans 600.000 weerbare mannen sterk, uit Egypte
geleidde op weg naar Chanaan. , â lt; n,-.
Voor zij daar aankwamen, zwierven zij veertig jaren rond 111 de Woesti|n. Op liet
einde van dien tijd stierf Moses, en Josue, die hem opvolgde, voerde de Israeheten het
beloofde land binnen. ..
Na losne's dood leefden de Israëlieten, 3 39 jaren lang, nu eens onder eene eenvoudige
familie- of stamhoofden-regeering, dan weder onder het bestuur van rechters die Gods geest hun verwekte: totdat eindelijk, in het jaar 2909 na de Schepping, Saul als eerste koning over Israël op Gods bevel door Samuël werd gezalfd.
Het verhaal .dezer verschillende gebeurtenissen, van de geboorte van Moses tot koning: Saul - een tijdvak van 476 jaren - is ons opgeteekend in dc vier laatste boeken vaii Moses, genaamd Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en verder m het boet Josue, het boek der Rechters, het boek Ruth en de eerste hoofdstukken van het custe
boek der Koningen.
BIJBELSCHE GESCHIF.DHNIS,
HOOFDSTUK XXIX.
VERDRUKKING DER KINDEREN ISRAELS. GEBOORTE EN ROEPING VAN MOSES.
â O
;^:P P^padat josef, zijne broeders en al de anderen uit het geslacht van dien tijd gestorven ^ijpaptl waren, vermeerderden zich hnnne nakomelingen op buitengewoon sterke wijze, ^ zoodat zij weldra het geheele land vervulden. Middelerwijl was er in Egypte \y' een nieuwe koning opgestaan, die zich Josef niet meer herinnerde. Deze sprak tot zijn volk: Ziet, de zonen Israels zijn talrijk en machtiger dan wij: laat ons hen ! dus listig onderdrukken, opdat zij niet toenemen en zich, als er oorlog tegen ons onstaat, bij onze vijanden aansluiten, dm, na ons overwonnen te hebben, uit het land heen te gaan. Overeenkomstig die woorden, stelde de koning opzichters over de Israëlieten aan, die hen door zwaren arbeid moesten kwellen en ternederdrukken. Zij werden gebruikt tot het bouwen der Steden Phithom en Ramesses, tot het delven van klei, het maken van tichelsteenen en het verrichten van de moeielijkste werkzaamheden voor den veldbouw (zooals het aanleggen van dijken en het graven van kanalen). Maar naarmate zij meer verdrukt werden, groeiden zij des te sterker aan.
Toen de koning dit zag, begon hij op nieuwe maatregelen te zinnen en gelastte aan de vroedvrouwen, dat zij alle kinderen van het mannelijk geslacht, die den Israëlieten geboren werden, terstond om het leven zouden brengen. Doch de voedvrouwen. God meer vreezende dan den koning, volgden het gegeven bevel niet op en werden hiervoor door den Hemel beloond met een gezegend huisgezin. Toen aldus de beide vorige maatregelen onvoldoende waren gebleken, vaardigde Pharao eene nieuwe wet uit, waarin aan geheel zijn volk geboden werd, dat alle pasgeboren knaapjes der Israëlieten in de rivier den Nijl geworpen moesten worden en slechts de dochtertjes mochten behouden blijven.
Nu geschiedde het, dat Amran, uit den stam van Levi, en zijne vrouw Jochabed, die reeds van vroeger eene dochter, Maria, en een zoon, Aiiron, bezaten, andermaal met een kind gezegend werden. Dit was een knaapje, dat echter door zijne ouders, om zijne bijzondere schoonheid, drie maanden lang verborgen werd gehouden. Toen dit ten laatste niet meer mogelijk was, nam Jochabed een biezen mandje, bestreek dit met hars en pek, legde er haren lieveling in en plaatste hem in het riet aan den oever der rivier. Het eenige jaren oudere dochtertje werd inmiddels op wacht gesteld, om uit de verte toe te zien, wat er met den kleine zou gebeuren, Niet lang duurde het, of de dochter van Pharao ging met hare dienstmaagden naar de rivier om te baden. Hier viel haar oog op het mandje; zij zond een van de dienstmaagden om het te halen, het mandje werd geopend: een schreiend knaapje lag erin. Op dit gezicht werd het hart van Pharao's dochter door medelijden bewogen, terwijl zij sprak: Het is een van de kinderen der Hebreën. Daarop vroeg haar de zuster des kleinen: Wilt gij, dat ik een Hebreeuwsche vrouw voor u roepe, die het kind kan groot brengen? En na een bevestigend antwoord te hebben bekomen, ging het meisje heen en riep hare moeder. Deze ontving den last om den kleine te verzorgen, met de verzekering, dat haar hiervoor eene goede belooning zou ten deel vallen. De eigen moeder van den knaap werd aldus zijn voedster, en nadat hij opgegroeid was, bracht zij hem naar Pharao's dochter, die hem tot haar zoon aannam en hem den naam van Moscs gaf (welke naam beteekent: de uit het water geredde).
Aan het koninklijk hot. waar Moses nu voortaan, ingevolge zijne verhouding tot de prinses, bleef wonen, werd hij in alle wetenschappen der Egyptenaren onderwezen. Hierbij vergat hij echter zijne stamgenooten, die in de verdrukking leefden, niet. Terwijl hij op zekeien dag, nadat hij den ouderdom van veertig jaren had bereikt, uitging om hen te
51
Bljm i.SCHK GFSCHIEDHNIS.
bedoeken, was hij cr getuige van, dat een der Hebreen door een Egyptenaar geslagen werd. Moscs zag rond, of iemand in de nabijheid hem bemerkte, en daar hij meende, dat dit niet het geval was, sloeg hij den Egyptenaar dood, waarna hij het lijk onder het zand verborg. Des anderendaags weder uitgaande, zag hij twee Hebreen met elkander strijd voerenden sprak tot den een, die geweld gebruikte; Waarom slaat gij uwen naaste? Deze antwoordde: Wie heeft u aangesteld tot heer en rechter over ons? Wilt gij soms ook mij dooden, gelijk gij gisteren dien Egyptenaar gedood hebt? Op het hooren dezer taal verschrok Moses en vroeg: Hoe is dit bekend geworden? Bekend echter was het; zelfs kwam het ter oore van Pharao, die daarom Moses het leven zocht te benemen. Zoodra Moscs dit vernam, vluchtte hij uit Egypte naar het land van Madian. Hier aangekomen, nam hij zijn intrek bij Jethro, den priester des lands, kreeg een van diens dochters, met name Sephora, die hem liter twee zonen, Gersam en Eliëzer, schonk, tot vrouw, hoedde de schapen zijns schoonvaders en bleet veertig jaren bij hem.
Inmiddels was Pharao gestorven en een nieuwe koning in zijne plaats getreden. Het lot der kinderen Israels verbeterde daardoor niet; onder zuchten en smeeken nepen zij derhalve
tot den Heer, die eindelijk, gedachtig aan zijn verbond met Abraham, Isaac en Jacob, zich over de verdrukten ontfermde en besloot hen te verlossen.
Moses zou daartoe in de hand Gods het middel worden. Op zekeren dag namehik, dat hij zich met zijne schapen in de woestijn bij den berg Horeb bevond, verscheen hem de Heer te midden van een doornbosch, dat brandde, zonder evenwel te verbranden, Door dit gezicht ten hoogste verbaasd, trad Moses nader, om naar de reden, waarom het boscli niet verbrandde, te onderzoeken. Doch de Heer riep hem uit het midden der doornen toe: Moscs, Moses! Hij antwoordde: Zie, hier ben ik. Wederom sprak de Heer: Kom met nader, trek uwe schoenen uit, want de plaats, waar gij staat, is heilig. Ik ben, 8l;,g Heer voort, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jacob. Toen Moses dit hoorde, bedekte hij zijn gelaat, want hi, durfde naar den Heer
niet quot;opzien. Maar de Heer sprak verder: Ik heb de ellende mijn volks aanschouwd en zijne klaagtonen over de hardheid zijner opzichters gehoord en ik ben neergedaald om
hi âi. £ hand» tie, Egypt.na,câ « ,C,lossen. Da».» .al .k » .oUta.o « d.. . opdat gij mijl, volk, dc 2omi, Is,aOI», uit Egypte wegvoert. Moses anwoo.dde. Wie ik, om L Vhatao te gaan eo de .«âen Israels weg te voeten! Doch God Sp,.k weder Ik zal met o zijn, en dit zal u tot een «eken wezen, dat ik â zend: ak gi| i»»*
volk â¢weggevoerd hebt, zult gij mij op dezen berg een oller opdiagen. anneti s. ^ , hernam Moses, bij de zonen Israels kom, om hun te zeggen dat de
mij gezonden heeft, en zij vragen mij: hoe is Zijn naam? wat zal ik dan antwoo d^i? God sprak: k ben, die ben; zoo zult gij dus antwoorden; Die is heelt mi) tot u ^ ^ Verder beval de Heer nog aan Moses: Ga en roep üe oud.ten van Israel ^ ^'quot;en en verhaal hun; De Heer, de God uwer vaderen, is mij verschcncn /e-^eiue. v gezien, wat u in Egypte is wedervaren en heb besloten u uit de
naar het land der Chananeën en Hetheën en Amorrheën en Iherezecn en Hevecn Jebuseën, een land overvloeiende van melk en honig. - Zeg du den °u ^ Cquot;; ^ V01 gens me; hen naar den koning van Egypte en spreek; De Heer, de God Uc. He gt; en, heef ons geroepen; wij wenschen een reis van drie dagen in de woesti.n te doc ' 1 1 quot; r onzen Goll een offerande op te dragen. Ik weet echter, dat de tenzij door machtige hand daartoe gedwongen. Doch tk zal mi.ne
slaan' door al mijne wonderen, die ik werken zal, en dan zal de kpng u luen v^Um Moses zeide: De zonen Israels zullen mij niet gclooven. maar beweeg, de Heer » u geenszins verschenen. Daarop sprak God ; Wat houdt gi, m uwe woordde Moses. Werp, sprak God, dien staf op den grond. Dit ^«ddc Wikke-lijk veranderde de staf in een slang, zoodat Moses zelf ^'^h ^ ^ eiu ^ g Doch de Heer gebood hem; Grijp haar bij den staart. Moses deed net en blaiiö
B1JBF.LSCHF. GRSCHIHDKNIS.
weder een staf. Nu beval de Heer nog, dat Moses zijn hand in den boezem zou steken en haar vervolgens terugtrekken; de hand was daarop wit geworden van melaatschheid ; andermaal in den boezem gestoken en teruggetrokken, had zij hare gewone gedaante herkregen. Als de kinderen Israels, sprak God, u op het eerste teeken niet geloovcn , zullen zij het op het tweede doen; doen zij het evenwel niet, giet dan water uit de rivier op den vasten grond, en al het water, dat gij geschept zult hebben, zal in bloed veranderen.
Nog kon Moses in zijne zending naar de Israëlieten en naar Pharao niet berusten; hij was, beweerde hij, voor die taak te slecht ter taal. Doch God antwoordde hem: Wie heelt den mond des menschen gemaakt? Immers ik. Ga dan, ik zal uw mond bestieren en u ingeven, wat gij spreken zult. Moses hernam; Ik bid u. Heer, zend iemand anders, wien Gij wilt. Nu werd God op Moses vertoornd en zeide: Uw broeder Aaron is welbespraakt, richt u tot hem, breng hem mijne woorden over, hij zal voor u tot het volk spreken en uw mond zijn; gij echter zult hem ingeven wat hij spreken moet. Ga dan en neem in uwe hand dezen staf, waarmede gij de wonderen zult verrichten.
i. Hoelang na ik;i ilood van Joscf ile onderdrukking der Israëlieten begon, is n;et met zekerheid uit te maken, doJi minstens verliepen er tusschen beide nog drie en twintig jaren. Cornelius a Lapide yrelt dit getal zells oji 34 jaren, zoodat de onderdrukking in 't geheel 90 jaren zou geduurd hebben, nl. van liet tiende of elfde ja.ir vóór de geboorte van Moses tot aan den uittocht.
I5c.!e berekening steunt op de volgende gronden: In de eerste zeven jaren na zijn huwelijk met Lia en Rachel gewon Jacob elf zijner zonen; Levi was de derde zoon van Lia en kan dus eerst ongeveer drie jaren na Jacobs huwelijk geboren zijn; maar vóór dc genoemde zeven jaren om waren, had ook Joscf reeds het levens-licln aanschouwd. Hij kan dus hoogstens vier jaren jonger zijn geweest dan Levi. Dc laatste stierf, volgens Exodus VI: 16. toen hij 157 jaar oud was, aldus 25 jaren na Josefs dood. Nu is boven gezegd, dat de onderdrukking begon, toen de broeders van Joscf gestorven waren en al de anderen uit het geslacht van dien tijd. quot;lot du geslacht behoorde echter ook Levi's zoon Caath, die zestien jaren na zijn vader stierf, Phares en enkele anderen van Jacobs kleinzonen, die den intocht in Lgypte medemaakten, schijnen nog eenige jaren later dan Caath gestorven te zijn, zoodat de berekening, die de verdrukking onacvcer 10 jaren vóór AIoso' voortc en 54 jiiren na Josefs dood laat beginnen, zeer a.umemelijk schijnt.
Die verdrukking was het werk van twee elkander opvolgende nieuwe koningen. Raadpleegt men de geschiedenis van het oude Egypte, van den tijd af, dat /ij ccnig vertrouwen K int in tj boezemen (de alleroudste geschiedenis van dat land is fabelachtig), dan wordt het zeer waarschijnlijk, Jat deze nieuwe koningen tevens de hoofden eencr nieuwe dynastie waren. Vernuic.lclijk toch rue.i de, ten lijd.' van Joscf en Jacob, de dynastie der Hyksos. De Hyksos waren herdersvorsten, die uit het Oosten, van den kant van Arabië, Egypte binnenvielen, het veroverden en eenige honderden jaren onder hun ic macht hielden. Daarna gelukte het deu afstammelingen der vroegere inlandsche Pharao's, de vreemde ovcrheerschers eerst uit Opper-, vervolgens uit Beneden-Egypte te verdrijven, en opnieuw den troon, ook in het laatstgenoemde deel des lands, te bestijgen. Dit had waarschijnlijk plaats eenige jaren na Jos.-fs dood, en daar de nieawe â eigenlijk de in hunne vorige macht herstelde â heerschers de verdreven herdersvorsten en dezer regeeringsdaden evenzeer zullen verafschuwd hebben, is het geen wonder, dat zij Josef, hoeveel goeds hij overigens aan Hgypte bewezen had, niet kenden, of minstens niets van hem wilden weten. Dit gaf hun evenwel nog volstrekt geen recht, om Josefs nakomelingen en die zijner broeders te knevelen en te verdrukken, gelijk zij deden. Maar het gemoed, vooral van den tweeden der beide heerschers, was verstokt en verhard; de rechtmatige straf Gods bleef dan ook niet uit.
2. Jethro, naar wien Moses de vlucht nam, schijnt een priester van den waren God te zijn geweest. Dit laat zich trouwens lichtelijk verklaren door zijn afstamming van Madian, die een zoon was uit het huwelijk van Abraham met diens tweede nevenvrouw Cethura.
5?
HIIRF.I.SCHF, GFSCIIH'OFVIS.
HOOFDSTUK XXX.
M OSES P. N AARON VOO R P H A R A O.
:^rflladat Moses de stem Gods op den Horeb vernomen had, ging hij tot zijn schoon-vader Jethro, nam afscheid van hem cn rustte zich met zijne vrouw en hare -Y^ beide kinderen voor de reis naar Egypte uit. Zijn staf â ter oorzake van de wonderen, die er mede gebeurd waren en nog gebeuren zouden, door de H. Schrift â , de Staf Gods genoemd â nam hij in de hand. Onderweg verscheen hem nogmaals
r j 0 ' 0 0
'l de Heer, die hem zeidc: Zie wel toe, dat gij alle teekenen, waartoe ik u de macht heb gegeven, ten aanschouwe van Pharao volvoert; echter zal ik zijn hart verstokken en hij ; il het volk niet laten gaan.
Inmiddels had ook Aaron een openbaring ontvangen, waarbij hem gelast werd, zich tot Moses in de woestijn te begeven. Nog bij den berg Horeb troi hij Moses aan. Deze verhaalde zijn broeder alles wat de Heer gesproken en bevolen had, en daarop samen voortreizende, kwamen zij weldra in Egypte, waar zij de oudsten der kinderen Israels bijeenriepen. Aiiron voerde tot hen het woord en deelde hun de verzekeringen des Heeren mede, terwijl Moses het gesprokene door teekenen voor het volk bevestigde. Het volk, verheugd, dat de Heer eindelijk op de verdrukking der zijnen neerzag, wierp zich in aanbidding voor Jehova ter aarde.
Daarna gi-igen Moses en Aiiron tot Pharao en zeiden: Zoo spreekt de Heer, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, opdat het mij in de woestijn een otter opdrage. Pharao antwoordde; Wie is die Heer, dat ik naar zijn bevel zou moeten luisteren? Ik ken hem niet en zal Israel niet laten vertrekken. Moses en Aiiron hernamen: De God der Hebreen heeft ons geroepen, om eene reis van drie dagen in de woestijn te doen en den Heer onzen God een offer op te dragen. Pharao sprak weder: Waarom, Moses en Aiiron, houdt gij het volk van het werk? Begeeft u aan uwen arbeid. Vervolgens gaf de koning aan de opzichters het bevel, den Israëlieten nog zwaarder taak op te leggen, zoodat zij het voor de tichelarij benoodigde stroo, dat hun vroeger verschaft werd, voortaan zeiven moesten gaan zoeken, zonder dat het getal der dagelijks te leveren steenen er iets om verminderd werd. Want, sprak de koning, dat volk heeft te veel ledigen tijd en daarom roept liet; Laat ons gaan, om aan onzen God te offeren. Het moet dus met arbeid worden overladen, om niet naar leugenachtige woorden (de woorden van Moses en Aiiron) te luisteren.
Nadat de opzichters dit bevel hadden overgebracht, verspreidde zich het volk over geheel Egypte om stroo te zoeken, en toen dientengevolge het gewone getal steenen niet kon geleverd worden, ontvingen de Israëlitische onderopzichters van de Egyptische opzichters daarvoor geeselslagen. De hoofden van Israël brachten te dier zake hun beklag bij Pharao in; doch deze wees hen barsch terug met de verklaring: Gij hebt te veel tijd, daarom wilt gij gaan offeren; begeeft u aan uw werk; stroo zal u niet verschaft worden, maar liet getal steenen zult gij leveren. Door dit antwoord als radeloos, wendden zich de hoofden tot Moses en Aiiron, hun verwijtende, dat zij het waren, die Pharao het zwaard in de handen hadden gegeven, om het volk te slaan. Moses stortte daarop zijn hart uit voor God, zeggende : Waarom, o Heer, bezoekt Gij uw volk met verdrukkingen cn waarom hebt Gij mij gezonden ? God antwco'dde: Thans zult gij zien, wat ik aan Pharao zal voltrekken; door sterke hand gedwongei, zal hij namelijk het volk niet alen laten gaan, maar het zelfs het land uitdrijven. Zeg dus aan de kinderen Israels: Ik ben de Heer, die u uil de gevangenis der Egyptenaren en uit de slavernij zal bevrijden en u verlossen door mijn verheven arm. Ik zal u aannemen tot mijn volk, en gij zult weten, dat ik uw God
HIJBHLSCHE GF.SCHIÃDHNIS. 55
ben, die u voeren zul in het land. dat ik met eede aan Abraham, Isaac en Jacob heb beloofd en aan u zal geven. Moses deelde dit alles aan de kinderen Israels mede, maar zij sloegen geen acht op zijne woorden, ter oorzake hunner groote benauwdheid en van hun harden arbeid.
Doch God sprak opnieuw tot Moses; Ga naar Pharao en zeg hem, dat hij de kindei en Israels late gaan. Moses antwoordde: De kinderen Israels zeiven geven mij geen gehoor, hoe zal Pharao het dan doen, te meer wijl ik moeielijk spreek God hernam: Zie, ik heb u met wondermacht toegerust en Aaron zal het woord voeren, waardoor Pharao zich echter met zal laten bewegen; doch dan zullen alle Egyptenaren weten, dat ik de Heer ben, die mijne straffende hand over hen uitstrek en de zonen Israels uit hun midden wegvoer. Moses en Aaron gingen en deden gelijk hun bevolen was.
Voor Pharao verschenen, nam Aaron de roede van Moses, wierp haar den konin- en zijnen hovelingen voor de voeten, en oogenblikkelijk veranderde zij ineen slan-.0 De koning ontbood daarop zijne wijzen en toovenaars, die door hunne geheime kunstenarijen het wonder nabootsten; want zoodra zij hunne staven nederwierpetl, veranderden deze insgelijks in slangen ; doch de slang van Aaron verslond de overige. Bij dit alles bleef Pharao's hart verstokt.
Toen Moses en Aaron voor den koning stonden, was Moses tachtig en Aiiron drie en tachtig jaren oud.
r. God verstokte l.ct hart van Pharao, niet in dien zin, dat Hij hem tot kwaad aan/ettc of liem ook maar de noodige genade onttrok ; integendeel ontving de koning zoo innerlijke als uiterlijke genadebewijzen genoeg van de 'aatste zelfs meer dan genoeg. Ongerekend nog de vel ; wonderen, was dit reeds een blijk v .m (i ids goedheid, dat hij niet aanstonds aan Pharao den vollen eisch stelde, om voor altijd het volk te laten vertrekken maar de vordering voorloopig tot slechts drie dagen bepaalde. Had Pharao in dit weinige, dat hem .revm-d werd, aan de stem Gods gehoor gegeven, dan zon hij zich waardig hebben gemaakt, om ook dat deel van sHeeren plan, t welk nn nog voor hem verzwegen werd, te vernemen, cn aldus immer verder medewerkende, steeds meerdere genade te ontvangen. Hij deed het echter niet, en zoo werden de woorden en de daden Gods voor Pharao de door God niet gewilde, maar slechts toe:;eUtene aanleiding, om in de boosheid voort te .'aan en er steeds dieper in te verzinken. In dezen zin dus verstokte God het hart van Pharao, dat, hetgeen God sprak en deed, de toegelaten aanleiding werd voor Pharao's verhardheid; de oorzaak echter'iwel van aanleiding te onderscheiden) was Pharao zelf. Hij had anders kunnen en moeten handelen.
2. De Egyptische toovenaars verrichtten hunne knusteuarijeii d.ior de werking des duivels. Tot een eigenlijk wonder, in de strenge beteekenls des woords is de booze geest, ofschoon zijne macht zeer ver die des menschen overtreft, met m sta.t. Tijd cn afstand baron hem weinig moeite; ook weet hij, door bijeenvoeging van verschillende grondstoilen. nieuwe voorwerpen te vormen ; maar iets voortbrengen uit niets, of loven Wekken in een voorwerp, dat leven mist, is hem evenzeer onmogelijk. Het veranderen van de roeden der toovenaars in slaugen kan dus slechts naar den schijn, niet in werkelijkheid, hebben plaats gehad. Xaar den schijn kon het geschieden, ol doordien de duivel de toeschouwers met zinsbegoocheling sloeg, óf doordat hij elders aanweziVe reeds bestaande slangen met bliksemsnelheid binnen 'skonings paleis voerde cn de roeden op dezelfde wijze verwijderde. Zulke handelingen namelijk gaan op zich zelve, en in de veronderstelling dat God ze om bijzondere oogmerken wil toelaten, de macht des duivels niet te boven.
Iwee der voornaamste toovenaars worden ons door den H. Apostel Paulus in den brul aan zijn leerlinsr J imotheus (2 Tim. 11!; 8) genoemd. Zij heetten Jannes cn Mambres.
BIJBnLSC11li GI-SC 11 llïDHXIS.
HOOFDSTUK XXXI.
DE NEGEN PLAG E N.
â - --- ⢠â¦
Ijljn harao's hart was verstokt, zoodat hij aan het bevel des Heeren, om het volk te laten vertrekken, niet wilde gehoorzamen. God sprak nu tot Moscs : Ga in den lip morgenstond, wanneer do koning zicli naar de rivier zal begeven, hem aan den i'jjfj oever opwachten met uw staf in de hand, en zeg hem: De Heer, de God der jik Hebreen, heeft mij gezonden om u aan te kondigen, dat gij het volk zoudt laten «aan. Tot heden echter hebt gij niet willen hooren; doch dit zegt God: Hieraan zult quot;ij weten, dat ik de Heer ben : het water der rivier zal in bloed veranderen. Moses begaf zich dan met zijnen broeder Aiiron op weg. Te gestelder plaatse troffen zij den koning aan, omringd door zijne hovelingen, en, het bevel des Heeren uitvoerende, sloeg Aaron, ten aanschouwe van allen, met den staf op het water. Oogenblikkelijk waren dc rivier, de waterleidingen, de meeren en boezems in bloed veranderd, zoodat dc visschen stierven, en de menschen, wijl zij het vuile en stinkende vocht niet konden drinken, beproefden, om in de nabijheid der rivier putten te graven. Dc Egyptische toovenaars echter bootsten, door hunne kunstenarijen, het wonder na (waarschijnlijk met water, dat zij uit de niet bedorven putten der Hebreen gehaald hadden) en Pharao s hart bleef verstokt. _ Aldus was de uitslag van deze eerste plaag.
Nadat er zeven dagen voorbijgegaan waren, sprak God weder tot Moses: Ga en zeg aan Pharao; Zoo spreekt de Heer: Laat mijn volk uittrekken om mij een offer te brengen, of ik zal uw geheele land met kikvorschen straffen. Deze woorden deelde Moses, op God,-, bevel aan Aaron mede, die daarop zijne hand over het water uitstrekte, zoodat er een ontzettende menigte kikvorschen te voorschijn kwamen, die het gansche land van Egypte overdekten. Zij drongen in dc paleizen, in dc slaapkamer des konings, tot op zijne legei-stede, in dc huizen zijner dienaren, in dc woningen van al het volk, in de baktroggen, in de voorraadkamers, ja zelfs dc lichamen des konings en der gezamenlijke Egyptenaren bleven niet gespaard. Ook dit wonder bootsten de toovenaars door hunne bezweringen na. Dc kikvorschen veroorzaakten zooveel last, dat Pharao Moscs en Aaron riep, om hun te zeggen: Bidt den Heer, dat hij deze bezoeking wegneme van mij en mijn volk, en ik zal heTvolk van Israël laten gaan. Moses antwoordde: Stel den dag vast, waarop ik zal bidden, dat dc kikvorschen u verlaten. Morgen, antwoordde Pharao. Er zal, was het wederwoord van Moscs, geschieden, gelijk gij gezegd hebt; dc kikvorschen zullen u verlaten, opdat gij weten moogt, dat niemand is, zooals de Heer onze God. Daarop begal Moses zich inliet gebed, dat door den Heer verhoord werd: de kikvorschen stierven en de Egyptenaren veegden ze in zulke menigte bijeen, dat uit dc rottende hoopen een onaangename o-eur opsteeg. â Zoo eindigde dc tweede plaag.
Nauwelijks zag Pharao zich hiervan bevrijd, of zijn gemoed verhardde opnieuw; nog wilde hij aan 's Heeren bevel niet gehoorzamen. De Heer sprak nu tot Moses: Zeg aan Aaron, dat hij met zijne roede op het stof der aarde sla, en er zullen bijtende muggen uit voortkomen over geheel Egypte. Aaron deed het, en menschen en dieren waren met muggen overdekt. Ook dit wonder beproefden de toovenaars na te bootsen, doch konden hebniet; zoodat zij zei ven, hunne onmacht belijdende, tot Pharao zeiden: Hier toont zich dc vinger Gods. Pharao's hart bleef echter versteend. â Voor zijne bekeering ging ook
deze derde plaag vruchteloos voorbij.
Daarop sprak God tot Moscs: Sta morgen vroeg op, begeef u naar Pharao aan de rivier en zeg hem: Zoo spreekt de Heer: Laat mijn volk gaan, om mij een ofter tc
miüHLsciiH gi;sciiii;di:n'is.
brengen; want indien gij het niet doet, zal ik over u, uwe dienaren en al uw volk ecne menigte vliegen zenden van allerlei slag, die al de huizen zullen vervullen en het land overdekken; maar in de landstreek Gessen, waar mijn volk woont, zai geen enkele vlieg gevonden worden. Opdat gij weten moogt, dat ik de Heer des lands ben, zal ik onderscheid maken tusschen volk en volk, en reeds morgen zal dit teeken gcschieden. De vliegen kwamen dan in zoo groote menigte, dat de toestand onhoudbaar werd, en Pharao andermaal Moses en Aaron liet roepen, om hun te zeggen: Draagt in dit land uwen God een offer op. Moses antwoordde: Niet aldus kan hot geschieden , want wij wenschen drie dagreizen ver in de woestijn te gaan, om daar te offeren, gelijk de Heer ons bevolen heeft. Pharao hernam: Ik zal u laten vertrekken, maar verwijdert u niet verder en bidt voor mij. Ik zal, was Moses' wederwoord, voor u b'dden, en reeds morgen zullen de vliegen verdwenen zijn, doch bedrieg ons niet opnieuw. Moses verliet nu den koning en begaf zich in het gebed ; geen enkele vlieg bleet bestaan, maar ook Pharao's belofte vervloog in het niet en zijn hart werd weder verstokt. â Hiermede eindigde de vierde plaag.
Weder sprak God tot Moses: Ga aan Pharao zeggen: Aldus spreekt de Heer, de God der Hebreen: Indien gij alsnog weigert mijn volk te laten vertrekken, zal mijne hand op uwe akkers drukken, en uwe paarden, ezels, kamcelen, ossen en schapen zullen met de pest geslagen worden. Daarbij zal de Heer het wonder doen zien, dat van al wat Israël bezit, niets zal vergaan. Reeds morgen zal dit woord vervuld worden. Nadat er nu des anderdaags eene groote sterfte onder het vee der Egyptenaren ontstaan was, zond de koning, om naar de kudden Israels te onderzoeken, en het bleek, dat er geen enkel stuk van gestorven was. Doch Pharao's hart bleef verstokt, zoodat hij het volk niet liet gaan, â Aldus was de uitslag van de vijfde plaag.
Nu sprak God tot Moses en A.sron : Neemt handenvol asch uit den oven, en dat Moses ze in de lucht omhoog werpe, d i zal er asch komen over geheel Egypte, en menschen en dieren zullen met zweren en blaren overdekt worden. Moses deed het, met het gevolg, dat zelfs de toovenaars in zij x' tegenwoordigheid van de zweren niet staande konden blijven. Pharao's gemoed echter bleet verhard. â Dit was reeds de zesde plaag.
Andermaal sprak God tot Moses : Ga morgen vroeg aan Pharao zeggen: Daartoe liet ik u leven, om mijne macht aan u te toonen, opdat mijn naam over de geheele wereld zou verheerlijkt worden. Nog houdt gij mijn volk terug en wilt het niet laten gaan ? Ik zal daarom morgen op dit uur een hagel over Egypte zenden, gelijk daar bij menschen geheugenis nooit is gevallen. L.iat dus terstond alle levende have uit het veld halen, want al wat buiten blijft en door den hagel getroffen wonit, zal er door gedood worden. Onder de dienaren des konings waren er, die het woord des Heeren vreesden en hunne dienstknechten en beesten naar binnen haalden, doch ook anderen, die ze buiten lieten blijven. Den volgenden dag nu strekte Moses, op Gods bevel, zijn stat naar den hemel uit; oogen-blikkelijk begon het te donderen, t; hagelen en te bliksemen, dat alles ijs en vuur was, en er steenen vielen van zoodanigeu omvang, als in lv;vpte nooit gezien waren, sedert het volk bestond. Alles wat op het veld was, van mensch tot dier, kwam om; de kruiden des akkers werden verpletterd en de hoornen braken. In de landstreek Gessen echter, waar de kinderen Israels woonden, viel geen hagelsteen neer. Door den nood gedrongen, liet Pharao haastig Moses en Aaron roepen; tot wie hij sprak: Ik heb gezondigd; de Heer is rechtvaardig, maar ik en mijn volk zijn boos. Doch bidt den Heer, dat Hij den donder en den hagel doe ophouden, opdat ik u laat gaan en gij hier niet meer blijft. Moses antwoordde: Zoodra ik buiten de stad zal gekomen zijn, zal ik mijne handen tot God opheflen en aan dit weder zal een einde wc/en, opdat gij moogt weten, dat het land aan den Heer behoort; overigens is het mij niet onbekend, dat gij en uwe dienaren nog geenszins den Heer vreest. Moses deed, gelijk hij gezegd had, en het onweder hield op. De schade, die het aan de veldgewassen had toegebracht, bepaalde zich voornamelijk bij de gerst, die reeds aren schoot, en bij het vlas, dat zaadknoppen begon te krijgen; de
Sl.im-LSCHE GF.SCHI1-.DENIS.
tarwe en spelt, die later zijn, hadden geen letsel bekomen. â Nadat deze plaag (reeds de zevende) voorbij was, vermeerderde Pharao nog zijne boosheid, zoodat zijn hart buitengewoon verstokt werd.
Moses en Aiiron kregen daarom van God het bevel nog eens naar Pharao te gaan en hem nieuwe teekenen aan te kondigen. Zij deden dit, zeggende: Zoo spreekt de Heer, de God der Hebreen: Tot hoelang zult gij weigeren mij te gehoorzamen? Laat mijn volk gaan, om mij een offer op te dragen, of ik zal morgen over uw land de sprinkhanen zenden. Pharao's dienaren zeiden derhalve tot hem : Hoelang nog zullen wij deze ergernis lijden; laat toch die menschcn gaan, om aan hun God te offeren. Ziet gij niet, dat geheel Egypte ten gronde wordt gericht? Zij riepen daarop Moses en Aaron terug, tot wie Pharao sprak; Gaat, om aan den Heer uwen God te offeren. Wie zijn het, die daartoe zullen uittrekken? â Wij allen, antwoordde Moses, met onze zuigelingen en onze grijsaards, onze zonen, dochters, schapen en runderen; want het geldt een plechtigheid voor den Heer onzen God. â Niet aldus, hernam Pharao, zal het geschieden, maar gaat gij, mannen, alleen. En na dit gezegd te hebben, liet hij Moses en Aaron uit zijne tegenwoordigheid verdrijven. Moses strekte daarop, naar Gods bevel, zijn staf over Egypte uit, cn er ve.ihict zich een verzengende wind, welke een dag en een nacht voortduurde om tegen den morgenstond de sprinkhanen aan te voeren. Deze kwamen in zoo groote menigte als nooit te veren; zij overdekten den gehcclen bodem, verslonden de kruiden des velds en de vruchten der boomen, in zoover die door den hagel gespaard waren, en knaagden alles kaal; zoodat er geen grasscheutje in gansch Egypte overbleef. In allerijl ontbood Pharao Moses en Aaron, om hun te zeggen: Ik heb gezondigd tegen den Heer en tegen u; doch vergeeft mij nog dezen keer mijne zonde en bidt uwen God voor mij, dat Hij den dood, waarmee de spiinkhanen dreigen, van mij afwende. Moses deed het; en zijn gebed werd verhoord. God zond een geweldigen wind uit het westen, die de sprinkhanen opnam en ze in de roode zee wierp, zoodat er geen enkele overbleef. Toen Pharao dit zag, werd zijn hart opnieuw verstokt, en hij liet Israël niet heengaan, ofschoon het reeds de achtste plaag was, die hem getroffen had.
Thans sprak God tot Moses: Strek uwe hand uit in de lucht, en er zal over Egypte eene zoo dikke duisternis vallen, dat men ze tasten kan. De duisternis die daarop ontstond, was huiveringwekkend; zij hield drie dagen aan, gedurende welke niemand zijn naaste kon zien; geen mensch bewoog zich van de plaats, waar hij zich bevond. Daar echter, waar de kinderen Israels woonden, was het licht. Alweder liet Pharao Moses en Aai on roepen, tot wie hij zeide: Gaat en offert aan uw God, laat alleen uwe schapen cn runderen hier; uwe kinderen echter kunt gij medenemen. Moses antwoordde: Onze kudden hebben wij voor ons doel noodig, vooral daar wij niet weten, welk ofler wij moeten opdragen, en ons dit eerst te gestelder plaatse zal gezegd worden. Doch Pharao's gemoed was ^verhard; hij wilde Israël niet laten gaan, maar sprak integendeel vertoornd tot Moses: Wacht u wel, om weder in mijne tegenwoordigheid te verschijnen, want op den dag, dat gij het doet, zult gij sterven. Moses antwoordde: Er zal geschieden, gelijk gij gezegd hebt; ik zal uw aanschijn niet meer zien. Doch verneem eerst het woord des Heeien. Dit zegt do Heer : Tc middernacht zal ik door Egypte trekken, en alle eerstgeborenen der Egypte-naren zullen sterven, van den eerstgeborene van Pharao, die op den tioon zit, tot den eerstgeborene der slavin, die den molen draait, en zelfs tot wat onder het vee het eerst geboren werd. Op dat uur zal er in Egypte zoo groot een geschrei opgaan, als er voor dezen nooit werd gehoord noch na dezen gehoord zal worden; onder de kindei en Isiacls echter zal niemand jammeren, zelfs geen hond, opdat gij weten moogt, hoe wondeibaai de Heer onderscheidt tusschen de Egyptenaren en Israël. Dan zullen al uwe dienaren tot mij (Moses) komen en mij in de nederigste houding smeeken, om met al het volk uit te trekken, en wij zullen uittrekken. Na dit gezegd te hebben, ging Moses hevig vertoornd van Pharao weg.
B1JBHLSCHE GESCHIEDENIS.
1. De roede of staf (herdersstaf), die in de IT. Schrift nu eens do staf vm Moses, dan weer van Aarou wordt genoemd, was dezelfde, door beiden beurtelings gebruikt.
2. Het derde te eken, de wonderbare voortbrenging der muggen, kon de duivel niet meer nabootsen, wijl God liet hem belette en aldus in die kleine diertjes den trotsclien geest beschaamde.
3. De tarwe en spelt rijpen in Egypte ongeveer 536 weken later dan het vlas en de gerst. Uit de werken van Plinius, den bekenden Romeinschen schrijver, in verband met sommige afbeeldingen en geschriften, die in den nieuweren tijd op de grafmonumenten van Beni Hassan, Berscheh en Sint (in Midden-Egypte) ontdekt zijn, kunnen wij ons thans van den landbouw in het oude rijk der Pharao's een tamelijk volledige voorstelling vormen. Tegen het einde nl. van Juli, volgens onze tijdrekening, of in het begin van Augustus, begon de overstrooming van den Nijl. Het vette, troebele water, dat door eene menigte gegraven kanalen overal diep het land werd ingeleid, liet na de vier maanden, die de overstrooming duurde, een dikke laag vruchtbare slib achter. Daarna werden in December en Januari de akkers met het houweel en den ploeg, die meestal door ossen, soms ook dooi' slaven getrokken werd, voor de bebouwing geschikt gemaakt, vervolgens bezaaid, en ten slotte traden kudden schapen en geiten het zaad in den grond. De gerst werd in het begin van Maart, de tarwe tegen het einde van April met den sikkel gesneden, tot garven gebonden en door ossen uitgedorscht.
Met deze tijdsbepaling van Plinius komt die der II. Schrift geheel overeen. In Maart is nl., volgens genoemden schrijver, de gerst rijp. Zij was het, zooals blijkt uit het verhaal in bovenstaand hoofdstuk, nog niet geheel toen dc hagel viel, maar had toch reeds aren geschoten. Wanneer nu viel de hagel ? Niet zeer lang vóór het joodsche paasclifeest. immers het verschrikkelijk onweder was de zevende plaag. Nog drie plagen moesten «leze volgen; daarna zouden de Israëlieten het paaschlam slachten en eten, om dan terstond uit Egypte te vertrekken. Het paaschfeest nu valt geregeld op het einde van Maart of in het begin van April. Neemt men aan dat er tusschen de drie laatste plagen evenveel tijdsruimte is verloopen als de II. Schrift uitdrukkelijk vermeldt, dat er tusschen de eerste en tweede verliep, nl. telkens zeven dagen, en voegt men daarbij de drie dagen, .lie de duisternis duurde, alsmede de vier dagen voorbereiding voor het paaschlam, dan kon inmiddels de tijdens ⢠cn hagelslag reeds in aren staande gerst, indien zij niet vernield was, gemakkelijk tot rijpheid zijn gekomen.
HOOFDSTUK XXXII.
HET PAASCHLAM. DE DOOD DER EERSTGEBORENEN.
DE TOCHT DOOR DE ROODE ZEE,
â O .......
u de uiitocht uit Egypte op handen was, ontving Moscs van God het bevel, om aan het volk van Israel te zeggen, dat ieder man van zijn egyptischen buurman 'X ei1 vrouw van lmi' buurvrouw gouden en zilveren vaatwerk te leen zou
\y' vragen, welk verzoek de Egyptenaren gewillig zouden toestaan.
Daarna sprak God tot Moses en Aaron: Deze maand zal u het begin der maanden i zijn, de eerste onder dc maanden des jaars. Zegt dan aan de gehecle vergadering der kinderen Israels: op den tienden dag dier maand, voorzie ieder huisgezin zich van een lam, en indien het gezin te klein is, om het lam op te eten, worden er zooveel buren bijgevraagd, als voldoende zijn. Het lam zul wezen ongevlekt, van het mannelijk geslacht, een jaar oud; het kan echter ook een geitenbokje zijn van dezelfde hoedanigheden. Dit lam of bokje zult gij bewaren tot den veertienden dag der maand; dan worde het tegen den avond geslacht en met het bloed zult gij de stijlen en drempels van de deuren uwer woningen bestrijken. Het vleesch, aan het spit gebraden, zult gij tegen het vallen van den nacht eten met ongedesemd brood en wilde latuw (een bittere salade-soort). Tot en met den kop en de ingewanden (hart, lever) zult gij alles ver'eren, zoodat des morgens niets zij overgebleven, of indien er iets overblijft, zult gij dit verbranden. Bij het eten zult gij uwe lendenen omgord, schoenen aan de voeten cn een stok in de hand hebben, cn gij zult eten met haast, want het is Phase, dat is de Voorbijgang des Heeren. Dien nacht namelijk zal ik Egypte doortrekken, al het eerstgeborene van menschen en dieren slaan en mijn strafgericht houden over de goden van Egypte, ik de Heer. De huizen echter waarin gij woont, zullen geteekend zijn mot bloed; dit ziende zal ik voorbijtrekken,
59
miBELSCHH GKSCHll:.Di;\TlS.
zoodat de plaag, waarmede ik al de overigen ga slaan, u niet zal treffen. De veertiende dag alzoo dezer maand zal u een jaarlijks terugkeerende gedenkdag zijn; gij zult hem als een den Heer gewijden dag houden tot in de verste geslachten.
Nadat God aldus tot Moses gesproken had, riep deze de oudsten der zonen Israels te zamen, om hun het ontvangen bevel kenbaar te maken; hij deelde hun mede, hoe ook in het vervolg het paaschfeest moest gevierd worden, en liet daarop volgen: Als later, nadat gij in het land van Chanaan zult zijn aangekomen, uwe kindereu u vragen; Wat is dit voor een godsdienstviering ? dan zult gij hun antwoorden : Het is het offer van den Voorbijgang des Heeren, toen Hij, de Egypténaren slaande, de huizen der kinderen Israels voorbijging. Op het vernemen dezer mededeeling wierpen de oudsten zich in aanbidding voor God ter aarde.
De middernacht brak aan en daarmede het tijdstip, waarop de Heer zijne uitspraken zou vervullen.' van den zoon des konings tot den zoon slavin en het jong \an het vee bleef geen eerstgeborene in geheel Egypte gespaard. Pharao, zijne dienaren en al het volk stonden dien nacht (door de smartkreten der stervenden gewekt) van hunne legersteden op; er verhief zich alom in het land een groot gejammer en geschrei; want er was ^een huis, waarin geen uoode lag. In dezen uitersten nood riep Phaiao Moses en Aiiion, om hun te zeggen: Maakt u op, trekt weg van mijn volk, gij en de kinderen Israels, gaat den Heer een oiler brengen, gelijk gij gezegd hebt; neemt uwe schapen en runderen mede, en zegent mij bij uw heengaan. Ook de overige Egyptenaren verlangden, niet minder vurig dan de koning, uit hun benarden toestand verlost te worden; zij spoorden derhalve het volk aan, om toch zoo spoedig mogelijk te vertrekken; anders, zeiden zij,
zullen wij nog allen sterven.
Er was nu voor de Israëlieten geen tijd meer om hun brood te bakken; het ongezuurde deequot;- werd in mantels gebonden en over den schouder gehangen, levens werden in haast gouden en zilveren vazen benevens eene menigte kleedingstukken op Gods bevel van de Egyptenaren ter leen gevraagd; God maakte, dat het gevraagde werd toegestaan en, zooals God verder bevolen had, namen de Israëlieten alles mede, om er de {.-ypienaren van te berooven.
Zoo stonden dan eindelijk zesmaal honderd duizend weerbare mannen met hunne vrouwen en kinderen, hunne ontelbare kudden schapen, runderen en ander gedierte tot vertrekken gereed, terwijl bovendien een groote schare van allerlei volk uit Egypte zich bij hen aansloot om den tocht mede te maken. In legerbenden afgedeeld, behoorlijk van wapenen voorzien en- met liet gebeente van josef in haar midden, brak deze ontzettende menigte ijt Gessen op naar Socoth. liet was in den morgenstond, op het uur, dat de Egyptenami bezig waren om toebereidselen te maken voor de begravenis der eertgeborenen, welke dien nacht gestorven waren. Tot een altijddurend aandenken aan de weldaad, dat de Israëlieten onder hunne kinderen geen enkelen doode te betreuren hadden, gaf God hun te Socoth hot bevel: Al wat u het eerst geboren wordt, zoo van menschen als van vee, zult gij den Heer toeheiügen.
In hetzelfde Socoth namen de Israëlieten eenigen tijd rust, bakten er van het medegenomen deeg koeken onder de asch en trokken vervolgens (in zuidoostelijke richting) door de woestijn, die aan de Roode Zee paalt, naar Etham; want de Heer wilde niet, dat zij (in noordoostelijke richting) den korteren weg door het land der Philistijnen zouden nemen; omdat, als dit volk hun soms met de wapens in de hand den doortocht mocht betwisten, zij wellicht over hun vertrek uit Egypte spijt zouden gevoelen en nog zouden willen teiug-keeren. Den weg door de woestijn wees God hun aan door eene wonderbare kolom, die zich des daags als eene donkere wolk, des nachts als een lichtende vuurzuil vertoonde. Deze wolk ging hun vooruit en verliet hen niet eerder dan nadat zij in het beloolde land waren aangekomen.
Van 1 tham werd de tocht â in zuidoostelijke richting â langs de kust der Roode Zee voortgezet naar Phihahiroth. Inmiddels was aan Pharao geboodschapt, dat de kinderen
6 o
I'ljliHLSCHIi GF.SCI-]li;i)i;xiS.
Israels zich tot geen reis van drie dagen bkken te bepalen, maar het integendeel op een vluchten aanlegden. 1 oen werd zijn hart weder verstokt, vooral nu hij zag, dat de vluchtelingen, met zuidelijk al ie wijken, zich tusschen de zee en de woestijn hadden ingesloten en dus gemakkelijk achterhaald konden worden. Hij en zijne dienaren zeiden tot elkander; Hoe hebben wij er toch toe kunnen besluiten, dit volk te laten heengaan en ons van de vruchten zijner dienstbaarheid te berooven ? Ten einde tie Israëlieten no; bij tijds, zoo hij meende, tot den terugkeer te noodzaken, verzamelde hij haastig zijn leger en sloeg met zeshonderd uitgelezene strijdwagens en eene groote menigte voetknechten den we^ naar Phihahiroth in. Toen de Israëlieten de Egyptenaren tot dicht in hun nabijheid zagen genaderd, beving hen eene groote vrees, terwijl zij Moses verwijtend toevoegden: Waren er dan misschien in Egypte geene graven genoeg, dat gij ons hierheen gevoerd hebt, om ons in de woestijn te doen sterven ? Hebben wij u in den beginne niet reeds gezegd: Ga weg van ons, opdat wij de Egyptenaren dienen, want het is ons beter dit te doen dan des doods te zijn? â Doch Moses antwoordde: Vreest niet, nog hed n zult gij de groote daden aanschouwen, die de Heer zal stellen : de hgyptenaren, die gij thans ziet, zult gij in eeuwigheid niet wederzien; weest dus gerust en zwijgt. De Heer sprak nu tot Moses: Beveel het volk voorwaarts te gaan, en gij, hel uw stat omho.'g, strek de hand uit over de zee en deel haar in tweeën, opdat de kinderen Israels er droogvoet doortrekken. Vervolgens plaatste de wonderbare kolom, die anders den Israëlieien vt iuitging, zich achter hen, zoodat zij tusschen het leger van Israël en dat der Egyptenaren stond. Aan de zijde van Israël straalde zij des nachts een helder licht uit, terwijl zij de Hgyptenaren het donker liet en hun daardoor het voorwaarts-trekken belette. Intusschcn strekte Moses zijn hand uit over de zee, die met eene breeJe klove vaneenscheidde, zoodat dc wateren ter rechter-en ter linkerhand als twee muren omhoog stonden. Dewijl G terzelfder tijd door een hevigen en brandenden wind, die den geheelen nacht aanhield, den bodem der ;;oe deed opdroogen, werd deze den Israëlieten als ten vasten weg, waarop zij veilig voortschreden. Toen Pharao dit tegen den morgenstond zag, trok ook hij met zijne ruiters, wagens en voetknechten de diepte in, den Israëlieten achterna. Doch God deed aan den hemel een verschrikkelijk onweder opkomen, dat zich boven de hoofden des konings en der zijnen ontlastte j de bliksems llikkerden, de donderslagen knalden, het leger geraakte in verwarring en dc krijgswagens vielen omver. Onder den uitroep : de Heer strijdt voor Israël tegen ons! wilden de Egyptenaren haastig naar den vasten wal terugkeeren. Met was reeds te laat; want op Gods bevel strekte Moses, bereids op den anderen oever aangekomen , wederom zijne hand over de zee uit, waardoor het water tot zijn vroegeren stand terugkeerde en Pharao en geheel zijn gevolg in de golven hun graf vonden. De Israëlieten, die dit wonder aanschouwden en kort daarna de lijken der Egyptenaren langs het strand zagen drijven, vreesden den Heer, stelden vertrouwen in zijne uitspraken en in Moses, zijn dienaar; terwijl allen instemden in den heerlijken lofzang, dien Moses, uit dankbaarheid voor de verleende weldaad, zijnen God aanhiel. Denzellden lofzang zongen de vrouwen, aangevoerd door Maria, de zuster van Moses en Aaron, onder paukslag er godsJienstigen dans.
i. De ma.iiul, waarin, op den veertienden dag, de Istaëliclen he-t pa^chlam aten, im onmiddellijk daarna Ik .1 te gaan, heet niet haar Uebreeuwschen naam Nisan. Zij kunit overeen met ongeveer de laatste helft van on/e maand Maart en de eerste helft van April, en opende liet joodsdie kerkelijk jaar. Hiernevens hadden de ju..en nog een boeren- of landbouwjaar, dat met de maand Thischri (de laatste hoift van September en de eerste van October) begon. De landbouwer iMinelijk â en bijna alle Israëlieten Icg.len z;ch in Chanaan o;i den landbouw toe sloot zijn jaar, als de laatst.: vruehten, die van den wijnstok, geoogst waren. Dit nu w.is het geval in September waarin dns ook het nienwe jaar, dat natuurlijk onmiddellijk op het mule volgde, een aanvang nam. Van het landbouwjaar wordt er o, a. gesproken in hxodus XXHl; ih en XXXIV; 22, waar Moses gebiedt, dat er feest (het Loofhuttenl'cest) zal gevierd worden «met het eindigen van het jaar, wanneer gi) al de vruchten van uw akker zult verzameld hebben.quot; Ook het jubeljaar rustte op dezen gromisla
Het kerkelijk jaar gold als burgerlijk jaar voor geheel het volk tot aan de scheiding der rijken Juda en Israël, Ka die scheiding bleet in het eerstgenoemde rijk de oude tijdliuleeling voortleven; maar het rijk vaa Israël, welks
BljliKLSCHn GF.SCHIHDHXIS.
kuuin-en er belang bij hadden, om zooveel mogelijk een van Juda afwijkenden, eigen regel te volgen, berekende zijn burgerlijk jaar naar het landbouwjaar. Bij het lezen der geschiedenis van beide rijken, vooral waar er van tie opvolging der koningen spraak is, dient op dit verschil gelet te worden.
De tegenwoordige Israëlieten, ofschoon nakomelingen der bewoners van het rijk Juda, en dus in den .neer eigenlijken quot;zin Judeërs of Joden, volgen nochtans de tijdrekening van het rijk Israël en beginnen hun burgerlijk jaar in September.
2. Dal de Israëlieten bij hun uittocht cene groote hoeveelheid goud, zilver en kleederen van de Egyptenaren leenden met de bedoeling het geleende niet terug te geven, was eene geheel geoorloofde daad. Vooreerst toch hadden de IVyptenaren jarenlang, op de onrechtvaardigste wijze, den nakomelingen Jacobs allerlei even onverplichte als onbetaalde diensten afgeperst en daardoor jegens hen stilzwijgend eene schuld aangegaan, die de waarde van hét bedoelde goud en zilver ver overtrof. Toen de Egyptenaren in de erkenning en kwijting dezer schuld nalatig bleven, gaf God den onderdrukten vrijheid, zich zeiven recht te verschalfen. Bovendien heten de Israëlieten, bij hur vertrek, vele huizen, bouwgronden en verdere eigendommen achter, zoodat de Egyptenaren aan wie natuurlijk deze zaken ten deel vielen, zich daardoor alleen reeds voor het hun ontnomene ruimschoots schadeloos geste.d zagen.
Doch ook, al waren de Egyptenaren den Israëlieten niets schuldig geweest en al hadden zij niets van hen ontvangen, dan nog konden de laatsten de door hen te leen gevraagde goederen veilig tot de hunne maken; want God gaf ze hun, en God had daartoe, als de hoogste eigenaar en Heer van alles, zeer zeker de macht. No» dadelijks schenkt Hij - door overvloedige oogsten hier en schrale ginds, door rijzing of daling van waarden â de bezittingen des eeuen aan den andere; waarom zou Hij hetzelfde zonder de genoemd® middelen, niet even coed kunnen quot;doen? Het komt er slechts op aan, of Hij het wil. Aan de Israëlieten - en dit doet hier alles af â was deze goddelijke wil op de duidelijkste wijze geopenbaard. Van den boosdoener, die, in onze dagen, eene dergelijke openbaring durfde voorwenden, zouden wij allereerst een aantal wonderen vragen, zoo groot eu zoo voor ieder zichtbaar als Moses er gewrocht heeft.
5. Met 6004)00 weerbare mannen trokken de Israëlieten uit; met slechts 70 mannen en knapen was Jacob Egypte binnengetrokken. Om deze wonderbare vermenigvuldiging zooveel mogelijk natuurlijk te verklaren, hebben sommigen eeu beroep gedaan op wat hiervoor, hoofdstuk 26, aanteekening 1, bladz. 45, is gezegd omtrent de dienstknechten en dienstmaagden, die den aartsvader kunnen vergezeld hebben en wier nakomelingen in dat geval met de zijne tot één volk zouden zijn amengesmolten. Als bewijs voor dit laatste wordt aangevoerd het bij de telling in de woestijn gebleken kleine getal der nakomelingen van Levi, 25.000 man, in betrekking tot de overige stammen, die allen veel talrijker waren. Uit deze bijzonderheid wordt n. 1. door de verdedigers van straks genoemde vooronderstelling de gevolgtrekking afgeleid, dat elke stam waarschijnlijk het recht had vreemdelingen bij z.ch in te lijven, wat echter bij uitzondering den Levieten niet vrijstond, omdat hun stam, als bestemd voor den meer onmiddellijken dienst van Jehova, van alle vreemd bloed zuiver moest blijven.
Neemt men nu de gemaakte drie vooronderstellingen aan! n. Dat Jacobs dienstknechten naar Egypte meetrokken. b. Dat elke stam, met uitzondering der Levieten, het recht had en gebruikte, om de nakomelingen dier dienstknechten bij zich In te lijven, c. Dat die nakomelingen onder de 6.gt;0.000 weerbare mannen, die uit hgypte trokken, begrepen zijn â dan zou dit getal zijn voortgesproten, niet alleen uit 70 man, maar tevens uit zooveel
meer als Jacob dienstknechten meenam.
Deze geheele redeueering, die trouwens slechts door wondervrees s hijnt ingegeven te zijn en zich niet den t.kst der H. Schrift moeielijk laat rijmen, wordt volkomen overbodig, zoodra men bedenkt, dat God, die een buitengewoon talrijk geslacht aan de patriarchen beloofde, ook de middelen boz.it om zijn belolte na te komen.
.(.quot;Tegenwoordig wordt de landstreek, die de Israëlieten in Egypte bewoond hebben, doorsneden door den spoorweg, die van Cairo naar Ismailia loopt. De nieuwste beschrijvingen roemen haar ook thans nog als »een vreedzaam en rijk landschap.quot; De trein voert den reiziger door onafzienbare akkers, waar beurtelings graan, katoen, maïs, witte klaver te veld staan. Boomen zijn er weinig; slechts een paar rijen acacia-gomboomen langs hel kanaal, enkele breedgekruinde vijgeboomen, en rondom de dorpen eenige groepen palmen.
Van de stad Phithom, die Pharao er door de kinderen Israels liet bouwen (zie hoofdstuk XXIX, bladz. 51) en die in den loop der eeuwen onder een dikke laag zand en klei werd bedolven, is in den menweren tijd een gedeelte weder blootgelegd. DU gedeelte â berichten de «Katholieke Missiën,quot; je all. 1887 â wordt gevonden tusschen den oever van het zoetwater-kanaal en den nieuwen aanleg van Tell-el-Machoeta. De muren zijn dik, rechthoekig en van tichelstcea met kalk gemetseld. Men vindt er nog brokstukken van zwarte beeldengroepen en steenen met hiëroglyplilsche opschriften. Deze muren, beelden en sleen chrift, alles 13 ongetwijfeld het werk der Israëlieten, ongeveei' 5400 jaar geleden door hen in harde slavernij en onder de zweep der Egyptische op-/.ichtcrs tot stand gebracht.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XXXIII.
H E T M A N N A.
un tocht door de Roode Zee kwamen dc Israëlieten in de woestijn Sur (een eelte van steenachtig Arabic), waar drie dagreizen ver nergens een bron of «w!* ^ PLtt te ontdekken was, zoodat nos; alleen de geringe inhoud der 'lederen zakken
jiwkvj 1 _ 0 00
Ik/' menschen en dieren voor volkomen versmachten kon behoeden. Eindelijk werd te 4^ Mara water gevonden, doch wijl het zoo bitter was, dat niemand het drinken kon l begon het volk tegen Moses te morren. Deze wendde zich tot den Heer, die hem een hout aanwees, dat hij in het water moest werpen, hetwelk daardoor zoet werd.
Van Mara ging de reis verder naar Elim. Hier, waar zich naast twaalf bronnen zeventig palmboomen verhieven, nam het leger eenigen tijd rust, om vervolgens, op den vijftienden dag na den uittocht uit Egypte, dc woestijn Sin in te gaan, die tusschcn Elim en den berg Sinaï ligt. In de woestijn begon het volk opnieuw tegen Moses en Aaron te morren: Och, was de klacht, of wij in Egypte gebleven waren, waar wij bij de vleeschpotten zaten en brood ter verzadiging hadden! Hoe hebt gij kunnen besluiten ons in de woestijn te voeren, waar wij van honger zullen omkomen? Op Gods bevel antwoordden Moses en Aaron: De Heer heeft uw morren gehoord, want niet tegen ons, maar tegen Hem was dit gericht; echter zal Hij u nog dezen avond vleesch te eten geven, en morgen zult gij zijne heerlijkheid leeren kennen aan het brood, dat Hij u zenden zal. Nauw was nu de avond gevallen, of een ontelbare vlucht wachtels kwam over de zee aangestreken en viel rondom de legerplaats neder, waar er eene menigte van gevangen en vervolgens gegeten werd.
Des anderendaags 'smorgens zagen de Israëlieten den grond bedekt met een klein wit korreltje, dat zeer veel geleek op bevrozen dauwdruppelen of rijm. In hunne verwondering hierover vroegen zij elkander; Man hu? hetwelk beteekent: Wat is dit? Want zij kenden het niet. â Moses antwoordde: Dit is het brood, dat de Heer u te eten heeft gegeven. En aldus spreekt de Heer: Dat ieder hiervan zooveel verzamele als noodig is voor hem en de zijnen, een gomer (zekere inhoudsmaat) per hoofd. Toen de Israëlieten zich hierop aan het werk hadden gezet, bleek het, dat degenen, die meer dan een gomer verzameld hadden, toch ten slotte niet meer behielden; terwijl anderen, die maar weinig konden bijeenbrengen, even goed als dc eersten hun gomer gevuld zagen. Daar waren er ook, die, in strijd met Moses' verbod, van bet verzamelde bewaarden tot den volgenden dag; doch toen krielde het van wormen en was geheel onbruikbaar. De inzameling geschiedde nu geregeld
c 00 O D
lederen morgen in de vroegte; want als de zon aan den hemel stond, vond men niets meer; dan was alles gesmolten. Telkens mocht er slechts voor één dag worden verzameld, maar op den zesden dag voor twee dagen, omdat dc Sabbat volgde, waarop alle arbeid verboden was. In weerwil van dit verbod gingen toch eenigen op den Sabbat ter inzameling uit, doch zij vonden niets, wijl er dien nacht geen enkel korreltje was gevallen. Bovendien laadden zij door hun kwaad voornemen den toorn Gods op hunne hoofden; want God sprak tot Moses: Tot hoelang zal dit volk weigeren mijne instellingen en wetten na te leven? Gij ziet, dat dc Heer u den Sabbat heeft gegeven en u daarom den zesden dag de dubbele hoeveelheid spijs zendt; dat ieder uwer dus op den zevenden dag binnen de legerplaats blijve en niet meer uitga. De Sabbat werd nu voortaan naar behooren gevierd , en de spijs, door den Heer gezonden, ontving, naar aanleiding van den uitroep, waarmede zij het eerst door de Israëlieten begroet was, den naam van man of manna. Op een handmolen gemalen, of gestampt in een mortier, werd het manna in potten tot koeken gebakken, die in l.et gebruik veel overeenkomst hadden met een mengsel van tarwemeel en honig, maar boven-
6j
6 I BIJBFLSCHE GESCHIEDENIS.
dien bezat dit wonderdadige voedsel nog de opmerkelijke eigenschap, van aan ieders bijzonderen smaak te kunnen voldoen. Veertig jaren lang, totdat de grenzen van het beloofde land bereikt waren, lict God dagelijks, behalve op den Sabbat, het manna van den hemel vallen; daarna daalde het niet meer neer. Maar op Gods bevel werd er een gomer vol van bewaard ter altijddurende gedachtenis voor de toekomstige geslachten.
Het manna, dat ook thans nog in Arabic uit het sap eener plaat gewonnen wordt, heeft met de spijs der Israëlieten niets gemeens. Eerstens toch is het slechts in geringe hoeveelheid voorhanden en bezit veel meer eene oplossende dan voedende kracht, zoodat het hoofdzakelijk als geneesmiddel gebruikt wordt. Maar daarenboven verschilt het van het manna der woestijn in deze gewichtige punten, dat het laatste eiken dag neerviel en alleen op den Sabbat niet; dat het in den loop «Ier week slechts een dag kon duren en voor den Sabbat juist twee dagen; dat het smolt in de zon, cn niet door de hitte des vuurs, waardoor het gekookt en gebakken werd; dat degenen, die het verzamelden, nooit meer of niindei' dan een gomer per hoofd bijeen konden brengen; wat a.m die maat ontbrak, werd van zelf aangevuld; wat er te veel was, verdween ongemerkt. Geen natuur-voortb:v;'i scl derhalve was het, maar een brood uit den hemel gedaald, om Je Joden to vocJou ge l : ⢠! ⢠!. tn .urdsche pelgrimsreis, en om te strekken tot een voorafbeelding van het ware hemelbrood, dat dv . ten Merkt op zijn tocht door de woestijn dezes levens naar het beter en eeuwig Vaderland.
HOOFDSTUK XXXIV.
WATER UIT DE STEENROTS. OORLOG MET AMALEC.
BEZOEK VAN JETHRO.
--â» â « gt; «» ----
.fj n Je woestijn Sin trok liet leger der Israëlieten verder tot Raphidim, bij den bergquot; Horeb. Hier was weder gebrek aan water, zoodat het volk opnieuw begon te ^V'', v * morren. Moses wendde zich derhalve tot den Heer en sprak: Hoe zal ik met dit volk handelen ? Het staat bijna op het punt om mij te steenigen. De Heer quot;pj. antwoordde: Ga met eenigen der oudsten van Israël voor het leger uit, neem uw i staf, waarmede gij den Nijl sloegt, in de haiul; zie, op een der rotsen van den Horeb zal ik voor u staan; sla op dc rots en er zal water uit vloeien, ten einde het volk drinke. Na aldus gedaan te hebben, gaf Moses aan dc plaats, waar hij het wonder wrocht, den naam van Verzoeking, wijl dc kinderen Israels er den Heer beproefd hadden, zeggende: Is dc Heer met ons of niet ?
Gedurende het verblijf der Israëlieten in Raphidim, kwamen dc Amalccieten, de nakomc-lin ; i van een der kleinzonen 1 s.iu's, om strijd te voeren. Moses sprak derhalve tot Josue : Kii mannen uit, trek tegen Amalec te velde; ik van mijn kant zal morgen op den top de. heuvels staan met mijn staf in de hand. Josue deed gelijk hem gezegd was, en Moses bi'lom, in het gezelschap van Aaron en Ilur, den heuvel. Zoolang Moses zijne handen lol den Heer ophief, overwon Israël, maar liet hij ze een weinig zakken,.dan droeg Amalec de zege weg. Op den duur viel het aanhoudende opheffen der handen Moses te zwaar; maar Aaron en Hur namen een steen, deden er Moses op neerzitten, en gingen vervolgens naast hem staan, om zijne handen te ondersteunen. Zoo werden de handen niet vermoeid tot den avond toe; Josue won den strijd, Amalec werd op de vlucht gedreven en verslagen. Daarop sprak de Heer tot Moses ; Schrijf dit ter gedachtenis in een bock cn lees het Josue voor, want ik zal de nakomelingen van Amalec van de aarde verdelgen. Hierna richtte Moses uit dankbaarheid voor dc behaalde overwinning een altaar op, waaraan hij den naam gaf; De Heer is mijne verheffing.
Niet ver van den Horeb woonde Jethro, de priester der Madianicten en Moses'schoonvader. Toen hij hoorde, wat dc Heer al aan Moses en aan het volk van Israël had gedaan, nam hij Scphora, de huisvrouw van Moses, die door dezen uit Egypte naar haar vader was teruggezonden, en begaf zich met haar en hare beide zonen naar de legerplaats der
rnjBRLscnr-: grschiedenis. 65
Israelieten op weg. Inmiddels werd een bode vooruitgezonden om Moses van hunne aankomst te verwittigen, Zoodra Moses Jethro zag, boog hij zich voor hem ter aarde, kuste hem en voerde hem, onder vele wederzijdsche begroetingen, in zijne tent. Daar deelde hij zijn schoonvader alles mede, wat de Heer aan Pharao en de Egyptenaren om Israels wil had laten overkomen ; welke moeielijkheden de Israëlieten op reis hadden ondervonden, en hoe de Heer hen uit de hand der Egyptenaren had gered. Jethro verheugde zich hierover zeer, loofde God en sprak; Nu erken ik, dat de Heer groot is boven alle goden.
Des anderendaags zette Moses zich ter neder om het volk te rechten. Jethro, die bij den gerechtshandel tegenwoordig was en alles nauwlettend gadesloeg, vroeg zijnen schoonzoon: Waarom zit gij alleen ten gerichte, zoodat het volk van den morgen tot den avond moet wachten ? Moses antwoordde: Het volk komt tot mij, om de uitspraak Gods te vernemen en de onderlinge twisten door mij beslecht te zien. â Maar gij handelt, sprak Jethro, in dezen niet wel; want met onnoodigen arbeid kwelt gij u af, en vermoeit bovendien het volk, welks geleider gij zijt. Hoor derhalve mijn raad: Bestuur gij het volk in datgene wat Godes is, leer het de ceremoniën kennen, en de wijze, waarop God gediend wil zijn, benevens den weg, dien bet te bewandelen, en de plichten, die het te betrachten heeft. Doch zie verder uit naar invloedrijke en godvruchtige mannen, die de waarheid liefhebben en de hebzucht haten; stel hen aan tot hoofdmannen over duizend, over honderd, over vijftig en over tien. Zij zullen ten allen tijde bereid zijn om recht te spreken over zaken van minder aanbelang, terwijl gij u zeiven alleen het gewichtigste voorbehoudt. Als gij dit doet, zal het werk u licht vallen; gij zult de geboden Gods doen naleven, en het volk zal in vrede het oord zijner bestemming bereiken.
Die raad beviel Moses; hij liet door het volk de bedoelde mannen kiezen en stelde hen daarna als rechters aan. Vervolgens nam hij afscheid van zijn schoonvader, die hierop naar zijne woonplaats terugkeerde.
De oorlog, dien de Amalecieten tegen liet volk Israels voerden, was van hun kant, wijl zij er geen enkelen deu^delijken beweeggrond voor hadden, bepaald onrechtvaardig. Hierom, zoowel als tot straf voor de talrijke andere misdaden, waaraan Amalec zich voortdurend schuldig maakte, besloot God, dit volk door de Israelieten van de aarde te doen verdelgen. Het bevel ter verdelging werd, vier eeuwen later, aan den eersten koning van Israël, Saul, gegeven, die het echter slechts gedeeltelijk (en uitvoer bracht, zoodat Samuël het begonnen werk voltooien moest. Deze nalatigheid van Saul in het vervullen van den hem opgedragen last werd een der redenen, waarom hij later door God als koning verworpen werd.
HOOFDSTUK XXXV.
DE WETGEVING OP SINAÃ EN DE INWIJDING DES OUDEN VERBONDS.
p den derden dag der derde maand sedert den uittocht der kinderen Israels uit I Egypte kwamen zij in de woestijn Sinaï en sloegen hunne tenten op tegenover ^crS van denzelfden naam. Hier sprak God tot Moses: Zeg aan het volk, jy het huis van Jacob: Gij zelf hebt gezien, wat ik aan de Egyptenaren heb gedaan, r hoe ik u daarentegen op arendsvleugelen draag en mij u heb aangetrokken. Indien 1 gij dus naar mijne stem luistert en mijn verbond houdt, zult gij mij een bijzonder eigendom zijn uit alle natiën, een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk. Toen Moses deze woorden voor de Israëlieten herhaalde, riepen zij gezamenlijk uit éénen mond; Alles, wat de Heer bevolen heeft, zullen wij doen. Daarna ging God tot Moses voort: In eene donkere wolk zal ik nederdalen, opdat het volk mij met u hoore spreken en u voor altijd geloove. Heilig het daarom heden en morgen, en dat allen hunne kleederen wasschen, om tegen den derden dag gereed te zijn, want alsdan zal ik op den Sinaï verschijnen. Stel
9
r.IJBHI.SCHR GESCHIEDENIS.
rondom den berg de grenzen vast, die het volk niet mag overschrijden; al wie het doet en den berg beklimt, of hem ook maar aanraakt, hetzij mensch of dier, zal des doods zijn; men zal hem steenigen of met pijlen doorschieten.
In de vastgestelde voorbereidingen, in reiniging van lichaam en ziel gingen de aangewezen twee dagen voorbij. Eindelijk brak de derde dag aan en daarmee de menigte van teekenen, door God voorspeld. Het begon vreeselijk te donderen en te bliksemen; eene zeer dichte wolk overdekte den berg en een luid geschal der bazuin liet zich hooren. Van eerbied en ontzag sidderde het volk in de legerplaats, toen het door Moses naar buiten geleid en, op den bepaalden afstand, rondom den voet des bergs werd geschaard. Verschrikkelijk was de berg om aan te zien; tusschen den dichten rook, die hem van alle kanten omhulde, schoten vuurvlammen uit, en het geschal der bazuin weerklonk met immer krachtiger en immer langer gerekte tonen. De Heer daalde neder op de kruin des bergs, vanwaar hij Moses toeriep, om op te stijgen. Toen deze dientengevolge boven gekomen was, ontving hij het bevel, om te zorgen, dat het volk de vastgestelde grenzen aan den voet des bergs niet overschreed; slechts hij en zijn broeder Aaron mochten den Sinai beklimmen.
Nadat Moses, die inmiddels wederom naar beneden was gegaan, deze woorden aan het volk had overgebracht, klonk de stem des Heeren tot de menigte der kinderen Israels rondom den berg :
Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte, uit het huis der slavernij heb gevoerd. Gij zult geen vreemde goden nevens mij hebben. Gij zult u geen gesneden beeld noch eenioe gelijkenis maken van hetgeen in den hemel daarboven en op de aarde daarbeneden is, noch van hetgeen is in de wateren onder de aarde. Gij zult die niet aanbidden noch godsdienstig vsreeren: ik ben de Heer uw God, een machtige en ijverzuchtige God, die de misdaden der vaderen aan de kinderen strat tot in het derde en vierde gelid dergenen, welke mij haten; maar die daarentegen barmhartigheid bewijs in het duizendste geslacht aan hen, die mij beminnen.
Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken, want de Heer zal niet onschuldig houden, die den naam Gods, zijns Heeren, lichtvaardig op de lippen neemt.
Gedenk dat gij den Sabbat heiligt. Zes dagen zult gij werken en al uwen arbeid verrichten, maar op den zevenden dag is het de Sabbat van den Heer uwen God; dan zult gij niet met werken bezig zijn, gij noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw knecht of dienstmaagd, noch uw lastbeest, noch de vreemdeling, die zich binnen uwe poorten bevindt.
Eer uw vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven in het land, dat de Heer uw God u geven zal.
Gij zult niet doodslaan.
Gij zult geen overspel bedrijven.
Gij zult niet stelen.
Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uwen naaste.
Gij zult uws naasten huis niet begeeren. Gij zult niet begeeren zijne huisvrouw, noch zijn knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van hetgeen hem toebehoort.
Roerloos bleven de Israëlieten luisteren tot het laatste woord. Alles, waarvan zij getuigen waren: het ratelen der donderslagen, het flikkeren der bliksems, het schetteren der bazuinen, de rookende en brandende berg, en eindelijk het spreken des Allerhoogsten â geheel deze ontzettende gebeurtenis had hen van schrik en angst als doen verstijven. Zoodra echter de stem des Heeren zweeg, wendden zij zich tot Moses, om hun beklemd gemoed lucht te geven in de bede: Waarom moet dit vreeselijke vuur ons verslinden? Want indien wij nog langer des Heeren stem hooren, zullen wij sterven. Spreek gij dus met God en deel ons zijne woorden mede; wij zullen ze uit uw mond vernemen en ze volbrengen. Deze taal behaagde den Heer, die daarom aan Moses verklaarde: Ik heb gehoord, wat de kinderen Israels zooeven tot u spraken ; zij hebben wól gesproken. Och, mochten zij immer
a
131 jBHLSCHF GESCHIEDENIS.
aldus gezind zijn, mij vreezen cn mijne geboden onderhouden, opdat het hun en hunnen kinderen welga ten allen tijde. Ik 7W. hun uit het midden hunner broederen een profeet
verwekken aan u gelijk; mijne woorden zal ik in zijxen mond stellen en hij zal hun alles zeggen wat ik hem gebied.
Na deze verzekering (de hernieuwing der Messias-belofte) ontving Moses het bevel zich van den berg te verwijderen en de Israëlieten naar hunne woontenten terug te leiden. Vervolgens sprak God, zult gij weder hier komen, opdat ik u nog verder mijne geboden, ceremoniën en inzettingen bekendmake.
Zoodra hij deze woorden uit den mond des Heeren vernomen had, daalde Moses andermaal den berg af, deelde aan het volk het gehoorde mede eti schreef het ter neer in een boek. Des anderendaags 's morgens, na vroeg zijne legerstede te hebben verlaten, richtte hij aan den voet des bergs ecu altaar op, benevens twaalf steenen, volgens het getal der stammen van de kinderen Israels. Daarna liet hij door eenige jongelingen kalveren brengen en slachten, welke hij den Heer tot een brand- en vredeoffer opdroeg. De helft van het bloed dezer dieren bewaarde hij in bekkens; de andere helft goot hij op het altaar uit. Vervolgens las hij nog eens uit het boek de woorden der wet aan het volk voor. Het volk antwoordde: Al wat de Heer bevolen heeft, zullen wij nakomen, cn den Heer gehoorzaam zijn.
Aldus was het wederkeerig verbond tusschen Jehova en de zijnen tot stand gebracht; alleen de laatste plechtige bezegeling en inwijding moesten nog volgen. Moses nam derhalve het bloed der offerdieren, dat in de bekkens bewaard werd, besproeide er eerst het boek, daarna het volk mede en sprak: Dit is het bloed des Verbonds, dat de Heer met a gesloten heeft.
t. Op üen veertienden dag der eerste maand waren de Israëlieten uit Hijypte getrokken; op den derden dag der derde maand kwamen zij aan den Ivr^ Sinaï; twee da^en later, op den vijftigsten dag na den uittocht, had de al'kondiy.ing t Wet plaats. De jaarlijksclu; gedachtenis der wetgeving vieren de Joden op hun Pinksterfeest.
2. De volgorde der Tien Geboden, /ooals /.ij in dit hoofdstuk naar Exodus XX is gegeven, wijkt eenigszins af van die Mj Dcuteronoinium V. Het veis hi! betreft alleen de twee laatste voorschriften. Terwijl nl. Exodus leest: nGi) zult uws naasten liuis niet begeeren ; gij zu It niet be â v .mi zijne huisvrouwquot;, heeft Deut.: âGij zult niet begeeren uws naakten huisvrouw. Gij zult niet begeeren zijn huis.quot; Verdere afwijking bestaat er niet. Onze gewone christelijke volgorde is aan Deuteronomium ontleend.
5. In de aan Moses op den berg meegedeelde verdere geboden en ceremoniën, waarvan hierboven spraak is, komen onder andere de volgende bepalingen voor: Indien iemand een slaat' uit zijn eigen volk had gekocht, moest hij dien het zevende jaar vrijlaten ; verkoos echter de slaaf te blijven , dan zou zijn meester , ten teeken hiervan, hem met een priem ot' naald het oor doorbooren , in welk geval de sl iaf niet eerder weer vrij werd dan met het jubeljaar. Die willens en wetens een manslag begaan had, moest ten dood gebracht worden; was de manslag onder verzachtende omstandigheden, niet met voorbedachten rade, ,.svMiied , dan zou den moordenaar eene vluchtplaats aangewezen worden, waar hij veilig was. (Deze vluchtplaatsen « f vrijsteden werden later, onder Josue, nader bepaald.) Het slaan of ook slechts het vervloeken van vader en moeder zou met den dood gestraft worden. Dezelfde straf was bepaald voor het rooven van een mensch, met het doel om hem als slaaf te verkoopen. Wanneer bij een vechtpartij een der twistende niet tierf, maar van zijne wonden herstchie, was de andere gehouden tot vergoeding der schade uit verzuim, en der kosten bij den geneesheer :maakt. Die zijn slaaf olquot; slavin sloeg, zoodat zij een oog of een tand daarbij verlorer , moest hen onmiddellijk in vrijheid stellen. Indien iemands os een menseh doodde, zonder dat de eigenaar den kwaden aard van het beest kende, moest de os sterven; had echter de eigenaar reeds een eu twee dagen te voren ./ien, dat het beest gevaarlijk was, dan zou hij zelf ten dood worden gebracht. Dit laatste kon hij echter met toestemming van de familie des verslagenen afkoopen, door zooveel, als hem gevraagd werd, ter vergoeding te geven. Doodde de os des eenen onverhoeds dien des anderen, dan zou het levende dier verkocht en het geld tegelijk met het vleesch van het gedoode beest verdeeld worden. Kon de eigenaar weten, dat zijn os gevaarlijk was, dan moest hij voor het gedoode dier een levend beest in de plaats stellen; in het eerste geval werd dus de schade gedeeld, in het laatste droeg de bedoelde eigenaar haar alleen.
Diefstal van ossen, met het doel om ze te verkoopen of te slachten, moest vijfdubbel, van schapen vierdubll worden vergoed. Wie een dief, welke nachtelijke inbraak pleegde, wondde of doodde, was van bloedschi.M vrij; had echter de doodslag bij zonlicht plaats, dan was zij eene halsmisdaad. Van zijn kant was de dief gehouden het gestolene te herstellen; bleek hij hiertoe niet bij machte, dan werd hij als slaaf verkocht. Het toebrengen van schade, door menschen, dieren of vuur, aan eens anders akkers en wijngaarden moest op verschillende wij/en hersteld worden. Dit gold eveneens voor het plegen van bedrog of verwaarloozing opzichtens het toevertrouwde pand.
68 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Wie ecne nog niet verlooide jonge dochter verleidde, was gehouden haar tot vrouw tc nemen, of, als de vader dit niet toestond, haar een geldelijken uitzet te geven.
Tooverij, olFeren aan vreemde goden en sommige onnatuurlijke zonden waren stafbaar met den dood.
Den vreemdeling, die bij u komt wonen, sprak God, zult gij niet bedroeven of verdrukken, want zei ven zijt gij vreemdelingen geweest in het land van Egypte. Aan weduwen en weezen zult gij geen nadeel toebrengen; indien gij het evenwel doet, en zij roepen tot mij, zoo zal ik hun geroep verhooren, mijn toorn zal tegen u ontvlammen, ik zal u slaan met het zwaard, en ook uwe vrouwen zullen weduwen, uwe kinderen weezen worden.
Een arme in zijn nood geld op woeker leenen was ongeoorloofd. Indien zijn opperkleed tot pand was genomen, moest dit vóór zonsondergang worden teruggegeven, wijl de arme anders niets had om zich des nachts te dekken.
4. Ofschoon Moses, wat geboorte, waardigheid van persoon , kracht en glorie aangaat, oneindig door Ghristn ; overtroffen wordt, die tegelijk God en mensch is, was er toch geen profeet, die in zijn openbaar leven zoozo. : op den Verlosser geleek als hij. Immers, gaf Christus de wet van het Nieuwe Verbond, Moses gaf die van Ik-t Oude; beiden leerden hun volk; beiden voerden het uit de slavernij, de een uit de slavernij van Egypte naar het land Chanaan, de andere uit de slavernij des duivels naar het vaderland hierboven; beiden wijdden hu a Verbond in met bloed, Moses niet het bloed van kalveren, Christus met zijn eigen bloed; beiden verrichtten buitengewone wonderen, waren de vrienden Gods en bemiddelaars tusschen Hem en den mensch. Het groote onderscheid echter was, dat terwijl Moses in alles slechts handelde als afgezant Gods, Christus optrad in eigen naam, als de Zoon Gods zelf, volmaakt aan zijn Vader gelijk, en de eeuwige wetgever in persoon.
HOOFDSTUK XXXVI.
DE TWEE STEEN EN TAFELEN. HET GOUDEN KALF.
--------
a de imv'Ming des Verbonds sprak God tot Moses: Stijgt opwaarts, gij cn Aaron , Mm ut-quot;- Nadab en Abiu cn zeventig der oudsten van Israël, en aanbidt mij van verre. JfeSS' De genoemden voldeden aan het hun gegeven bevel en begonnen den berg 10 ffpquot; beklimmen, toen hunne oogen eensklaps gctrollcn werden door oen schouwspel, vol ' verrukkelijkheid en luister, /-ij zage 1 Israels God, rustende op een voetstuk, gelij/. aan ecu beeldhouwwerk van saffierstecn, doorschijnend als de hemel bij helder weder.
Vervolgens sprak de Heer tot Moses: Stijg verder naar mij omhoog en ik zal u steencn tafelen geven, waarop ik mijne geboden geschreven heb. 1 erwijl Moses zich gereedmaak ij, om met zijn dienaar Josue aan dit bevel te voldoen, zeide hij aan de oudsten: Blijit hier wachten, totdat wij terugkceren; inmiddels hebt gij Aaron en Uur bij u; ontstaat ei een strijdvraag, zoo legt ze hun ter beslissing voor. Daarna steeg hij met Josue omhoog, en eene donkere wolk bedekte elen berg zes dagen lang.
Op den zevenden dag riep God uit het midden der wolk Moses bij zich ; deze klom derhalve tot op den kruin des bergs, trad de wolk binnen en bleef cr veertig dagen en veertig nachten, zonder te eten of tc drinken. Gedurende dien tijd gaf God hem een gioot aantal wetten, aangaande de vetbondstent of den tabernakel, de kandelaars, het iciuwck. , de tafel der toonbrooden, de arke des verbonds, dc priesterkleeding en andere zaken, die voor den dienst des Heeren moesten worden vervaardigd. Den vorm des tabernakels toonde God hem in een voorbeeld aan, terwijl Beseleêl de zoon van Uri, die een zoon vvas van Hur, werd uitgekozen, om dit werk tot stand te brengen. Ferzelfder tijd bepaalde God, dat Aaron en diens zonen door Moses tot priesters zouden gezalfd worden, om den Heer
in zijn tabernakel te dienen.
Middelerwijl Moses op den berg vertoefde, werden de Israëlieten om zijn lang uitblijven ongeduldig; zij liepen naar Aaron en zeiden: Maak ons goden, die ons den weg wijzen, want wal er van Moses geworden is, die ons uit Egypte geleidde, weten wij niet. A.iiou (meenende, hen door eene harde vordering van het goddelooze plan te knnnen alschruken) antwoordde: Neemt de gouden ringen uit de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en dochters, en brengt ze mij. Doch, de Israëlieten kwamen van hun voornemen niet terug; zij brachten
RIJBHr.SCHF. GFSCHIi:Di:\'!S.
trouw hetgeen gevraagd was, en Aiiron, na alles gesmolten te hebben, goot er een kalf van. Toen het volle hierover zijne vreugde te kennen gaf en uitriep: Dit, o Israel, zijn de goden, die u uit het land van Egypte hebben gevoerd, â bouwde Aaron ook een altaar, plaatste het kalf daarop en liet door herauten aankondigen: Morgen is het des Heeren feest! Reeds vroeg waren de Israëlieten des anderendaags met hunne brand- en vredeoffers voor den nieuwen God gereed; het volk zette zich neder om te eten en te drinken en het stond op om te spelen.
Ten hoogste over zooveel ondank en trouweloosheid verbolgen, sprak Jehova tot Moses: Laat mijn toorn tegen dit volk ontstoken worden, om het te verdelgen; dan zal ik uit u een ander groot volk doen voortkomen. Doch Moses smeekte: Waarom, o Heer, verheit zich uw toorn tegen dit volk, dat gij, onder ontzaglijke teekenen door uw sterken arm uit Egypte hebt geleid. Laat toch, bid ik u, de Bgyptenaren niet zeggen: Hij heeft hen uit list weggevoerd , om hen in het gebergte te dooden en ze van de aarde te verdelgen. Laat uw toorn bekoelen; gedenk Abraham, Isaiic en Israël, uwe dienaren, wien gij m-.: eede gezworen liebt, dat gij hun nageslacht menigvuldig zoudt maken als de sterren des hemels, en aan dit geslaclu het land, waarvan gij spraakt, tot een eeuwig erfdeel zoudt geven.
Nadat God zich door deze woorden ten gunste des volks had laten verbidden, daalde Moses den berg af, met de twee tafelen der wet, door Gods vinger beschreven, in zijne handen. Josue, die niet evenals Moses van den Heer vernomen had, wat er beneden aan den berg voorviel, was verwonderd, toen hij onder het neerdalen een luid geroep uit de legerplaats hoorde opgaan. Hij dacht, dat het krijgskreten waren en gaf deze meening aan Moses te kennen. Moses antwoordde: Ik verneem niets, dat aan opwekking tot vechtc-.i of aansporing tot vluchten doet denken, maar enkel de stemmen van dansenden en zingende;-. Toen hij daarop de legerplaats naderkwam en met eigen oogen het kalf en de juichende reien aanschouwde, greep een heilige toorn hem aan; hij wierp de tafelen der wet (die de Israëlieten niet waardig waren te ontvangen) tegen den voet des bergs aan stukken, rukte het gegoten kalf omver, verbrijzelde het tot stof, wierp dit stof in water, dat hij aan de schuldige menigte te drinken gaf, en zeide tot Aaron; Wat heeft dit volk u gedaai, dat gij het in zoo zwaar eene zonde liet vallen? Aaron trachtte zijn vertoornden broeder te verbidden en verhaalde hem de geheelc toedracht der zaak. Daarop ging Moses staan aan den ingang der legerplaats en riep: Wie liet met den Heer houdt, kome tot mij. Er schaarden zich aan zijne zijde al de zonen van Levi, tot wie Moses vervolgens zeide: Di gebiedt de Heer, de God van Israël: Gordt uwe zwaarden aan de lenden; gaat midden dooide legerplaats heen en doodt ieder, die nog buiten zijne tent met de afgoderij bezig is, al ware het ook uw broeder, uw vriend of uw naastbestaande. De zonen van Levi trokken dus uit en versloegen op dien dag drie en twintig duizend man. Hierover werden zij dot Moses geprezen, die hun zeide: Gij hebt heden uwe handen den Heer toegeheiligd, n; . : niemand, zelfs geen broeder of zoon voor hein te ontzien; hij zal er u voor zegenen. D. anderendaags sprak Moses tot het volk: Gij hebt u ontzettend bezondigd, maar ik zal d. Heer bidden, u deze schuld kwijt te schelden, Daarop wendde hij zich tot God en zeide: Dit volk, o Heer, heeft eene overgroote zonde begaan, het heelt zich goden van gou gemaakt; doch ik smeek u, vergeef liet zijne schuld, of indien Gij dit niet wilt doen, wis: dan mijn naam uit het boek des levens. God antwoordde: Die gezondigd heelt, hem z, ik uitwisschen uit mijn boek; gij echter sta op, voer het volk naar het land, waarvan tl gesproken heb, en op den dag der wraak zal ik de schuldigen om hunne zonde bezoekc Ten gestelden tijde bracht de Heer zijne bedreiging in vervulling en sloeg het volk vo de zonde, met het gegoten kalf begaan.
i. Op dc twee stc.-iicn tafelen, door Moses va» de kruin des berg®jmeegebracht en vervolgens tegen d voet des bergs verpletterd, had Uod zijne Tien Geboden geschreven. Van deze geboden hebben de eerste reel streeks betrekking op GoJ en zijne vereering, de volgende op de plichten jegens den naaste en ons zeiven, J bekende joodsche gcsclredsclirijver Flavins Joseplms de joodsche wijsgeer Pbilo â die in het bc;in der chns'.
70 BrjBRLSCHE GESCHIEDRN1S.
'ijke jaartelling te Alexaiulrië leefde â houden het er voor, dat op de eene steenen tafel de vier eerste geboden stonden, op de andere de zes laatste. Om die meening te rechtvaardigen, deelen zij het eerste gebod in tweeën en verkrijgen langs dien weg vier geboden, welke op God betrekking hebber ; daarna het negende en tiende gebod samenvoegende, houden zij zes geboden over voor de plichten jegens den naaste en ons zelvcn. Zoo wordt bv. het gebod om des Heeren Sabbat te heiligen voor hen het vijfde, het gebod om geen overspel te doen het zevende, enz. Deze meening, die later door Calvijn van Joseplius en Philo werd overgenomen, is echter met het eenparig' gevoelen van alle oudere en nieuwere katholieke godgeleerden in strijd. Volgens hen hebben dc drie eerste geboden op God betrekking en waren op de eerste tafel geschreven, de overige zeven stonden op de tweede tafel.
2. Aaron schijnt slechts uit vrees voor zijn leven, en niet omdat hij innerlijk in het kwaad behagen vond, aan de eischen der Iraëlieten te hebben toegegeven, wat evenwel zijn gedrag geenszins geheel verontschuldigt. Het denkbeeld om een kalt te maken, ontleende hij wellicht aan hct;;con iiij in 1'quot; gyp te gezien had, waar een os, onder den naam Apis, algodisch vereerd werd. Hoe Mosjs het aanlegde om het gietsel tot stof te verbrij-z.icn, is niet met zekerheid bekend; tegenwoordig valt zoo iets niet bijzonder moeielijk, maar onze hulpmiddelen waren niet de zijne.
5. In plaats van drie en twintig duizend â het aantal der door de Levieten gedoode Joden â lezen de Hebreeuwsche tekst en de'Septuagint drieduizend.
4. Gelijk de toekomstige eerste Opperpriester van het Oude Verbond, Aaron, Jehova verloocliende om een gouden kali te aanbidden, uit vrees voor de kinderen Israels; zoo verloochende de toekomstige erstj Opperpriester des Nieuwen Verbonds, Petrus, zijn Meester en Verlosser, op het woord eener dienstmaa;.!.
HOOFDSTUK XXXVII.
VERPLAATSING DER WOLKKOLOM. HERNIEUWING DER STEENEN TAFELEN.
sPra^ ^ Moses: Maak u op van deze plaats, om het volk, dat gij uit Egypte gc^eid hebt, naar het land te voeren, dat ik met eede aan Abraham, Isaac en Jacob heb beloofd, Ik zal mijn engel voor uw aanschijn uitzenden, maar niet X zelf mede optrekken; want dewijl het een hardvochtig volk is, zou ik het misschien i onderweg verdelgen ; evenwel, dat allen hunne versierselen afleggen ten teeken van ' rouw, .'11 ik zal nog zien, hoever ik in mijne goedertierenheid jegens hen kan gaan. Toen de Israëlieten deze uitspraak des Heeren hoorden, waren zij zeer bedroeld en wierpen onmiddellijk hunne versierselen af.
Wijl de Heer, zooals Hij gezegd had, niet langer in het midden des volks wilde wonen, nam Moses eene tent, begaf zich daarmede, van Josue vergezeld, buiten de legerplaats en sloeg haar hier op. Al de Israëlieten stonden aan den ingang hunner tenten Moses na te staren, tot dat hij in de nieuw opgerichte tent verdween. Zoodra hij zich daarbinnen bevond, daalde de wolkkolom over te tent af en bleef voor haren ingang rusten; allen zagen dit en bogen zich uit de verte in aanbidding neder. Het zichtbaar teeken der tegenwoordigheid Gods was alzoo uit het midden der kinderen Israëls heengegaan, en wanneer zij later eene beslissing omtrent twijfelachtige dingen te vragen hadden, begaven zij zich naar de tent buiten de legerplaats; daar hield ook Moses zijn verblijf, en de Heer sprak er met hem van aangezicht tot aangezicht, gelijk een vriend spreekt met zijn vriend.
Na eenigen tijd ontving Moses van den Heer het bevel, om in de plaats en naar het voorbeeld der steenen tafelen, die tegen den voet des bergs waren stuk geworpen, twee nieuwe te maken, waarop God andermaal zijne wetten wilde schrijven. Des morgens vroeg moest Moses den Sinaï beklimmen tot boven toe, om op diens kruin de komst des Heeren af te wachten. Niemand mocht hem vergezellen, niemand ook op den geheelen berg gezien worden; zelfs de ossen en schapen mochten er niet weiden. Nadat Moses alzoo, met dc tafelen in zijne handen, de kruin van den Sinaï bereikt had, daalde God in eene wolk tot hem af. Moses' eerste werk was, den naam des Heeren aan te roepen; vervolgens smeekte hij om barmhartigheid en vergeving voor zijn volk, hetwelk hij, plat ter aarde
MOSES DAALT VAN DEN BERG SINAL Bladz.
UIJBm.SCHF, GESCHIKDENLS.
gebogen, der ontferming des Heeren aanbeval. Heer, sprak hij, ik bid u dat Gij weer met ons optrekt, onze misdaden en zonden van ons wegneemt en ons opnieuw als uw eigendom beschouwt. â De Heer antwoordde : Ik zal een verbond met u aangaan voor aller oogen, en wonderen doen, zooals nooit op aarde gezien zijn, opdat bet volk, in welks midden gij woont, van dit verschrikkelijke werk des Heeren getuige zij; ik zal namelijk voor uw aanschijn uitdrijven de Amorrheers en Chanaaneers en Hethieten en Pherezieten en Hevieten en Jebusieten. Draag zorg, dat gij met deze volken geen vriendschap slut, maar verwoest hunne altaren, verbreek hunne afgodsbeelden en roei hunne iieilige bosschen uit. Nadat God aldus gesproken had, deelde hij aan Moses nog verscheidene wetten en voorschriften mede, om de afgoderij te vluchten, den waren God te dienen, hem de eerstelingen van menschen, dieren en veldvruchten te wijden en zijne feestdagen te vieren.
Evenals den vorigen keer, bleef Moses ook nu wederom veertig dagen en veertig nachten op den berg j gedurende al dien tijd at hij geen brood en dronk hij geen water, en de ileei schieei op de tafelen de woorden der lien Geboden, Toen hij daarna niet de nieuwe wetstafelen in de handen den berg afdaalde en zijn gelaat, zonder dat hij zelf het wist, ten gevolge van zijn nauw verkeer met God, stralen uitschoot, welke op hoorns van licht geleken, durfden Aaron en de kinderen Israels, dit ziende, hem niet naderen. Doch hij riep Aaron en de oversten tot zich, die hieraan gehoor gevende, dichterbij traden, zoodat Moses met hen spreken kon. Vervolgens kwamen ook de andere Israëlieten, wien hij alles gebood, wat hem op den Sinaï gezegd was. Na het voleindigen zijner woorden bedekte hij zijn aanschijn met een sluier; dien sluier nam hij weg, zoo dikwijls hij tot den Heer ging om met hem tc spreken, maar begaf hij zich naar het volk terug, dan bedekte hij zich weder.
De hoofdtrekken in het karakter der Iraelieten waren zinnelijkheid en hardnekkigheid, waarop de liefde weinig vermocht, maar dio voornamelijk door vrees en schrik moesten beteugeld worden. Daarom droegen ook de wonderen .welke God ten gunste van dit volk wrocht, veelal het eigenaardig kenmerk dat zij tegelijker tijd een straf waren voor andere volken, teneinde hierdoor de Joden tc doen zien, wat hun te wachten quot;stond â wanneer zij zich aan dezelfde misdaden als die volken schuldig maakten. Toen zij dan ook dit laatste, door hunne vereering van het gouden kalf, gedaan hadden, schonk God, hoezeer door Moses verbeden, hun niet aanstonds volledige vergiffenis! maar als wilde hij hun Heer en beschermer niet meer zijn en niet langer in hun midden verblijven, liet hij zijne wolkkolom rusten buiten de legerplaats, vóór de tent. door Moses opgericht. Deze tent was niet dc tabernakel of heilige tent. die eerst later vervaardigd werd.
HOOFDSTUK XXXVIII.
HET BOUWEN VAN DHN TAIBERNAKEL.
9
»Sf0SCS rieP ^ geliec,e menigte der kinderen Israels tc zamen en sprak: Dit gebiedt df Ilcer: Dat ictlcr quot;wcr gewillig en met een goed hart den allerhoogste zijn ' ' giften aanbiede: goud, zilver en koper, hemelsblauw, purper en tweemaal
' geverfd scharlaken, fijn lijnwaad, geitenhaar, rood en blauw geverfde rams-; t vellen, acaciahout, olie om de lampen te voeden en reukwerken tc bereiden, onikssteenen i en ander edelgesteente, om het priesterlijke schouder- en borstkleed te versieren. Die onder u begaafd is met wijsheid, kome en vervaardige alles wat de Heer bevolen heeft: den tabernakel met zijne bedekking en omkleeding, zijne ringen, zijstukken, sluilboomen, kolommetjes en voeten. Verder de ark des verbonds met hare draagstangen, haar o-cnade-troon en haar voorhangsel; de tafel der toonbrooden met hare draagstangen en vazen ⢠de lichtkroon met haar toebehooren en hare lampen; het reukaltaar, eveneens met zijne draagstangen en zijn reukwerken van specerijen; het altaar der brandoffers met zijn koperen
mjlïKLSCHH GF.SCHIF,DENIS.
rooster, draagstangen en vazen; het waschbekken met voetstuk; de gordijnen van het voorhof met bijbehoorende kolommen en voeten, het voorhangsel aan den ingang des voorhofs; de kolommen van den tabernakel en van het voorhof met haar koorden; de gewaden die gevorderd worden voor den dienst des heiligdoms, het kleed van Aaron, den hoogepriester, en de kleederen zijner zonen.
Zoodra Moscs met spreken ophield, gingen de kinderen Israels heen om hunne giften te halen. De mannen zoowel als de vrouwen brachten gouden armbanden, oor- en vingerringen en allerlei gouden sieraden. Wie hemelsblauw, purper, scharlaken, lijnwaad of stoften van geitenhaar bezaten, zooals vele bekwame vrouwen, die deze zaken eigenhandig gesponnen hadden, gaven hiervan met blij gemoed. De oniks- en andere edele steenen, alsmede de oüe en specerijen, werden voornamelijk geschonken door de oversten des volks.
Daarop sprak Moses: Ziet, de Heer heeft Beseleël uitgekozen, den zoon van Uri, die de zoon is van Hur, uit den stam Juda; met zijn Geest heeft de Heer hem vervuld en hem wijsheid en verstand gegeven tot het bewerken van goud, zilver en koper, tot het snijden van steenen, het behandelen van hout en het voortbrengen van alles, wat met kunst vervaardigd wordt. Verder koos de Heer Oöliab, den zoon van Achisamech, uit den stam Dan. Beiden, Beseleël en hij, zijn bedreven in alle timmerwerk, kunstweverij cn borduurwerk, terwijl zij daarenboven nieuwe uitvindingen weten te doen.
Nadat Moses aldus had gesproken, boden nog vele andere wijze mannen zich vrijwillig aan, om den uitgekozenen behulpzaam te zijn. De geschonkene materialen werden nu ter hunner beschikking gesteld, en het werk nam een aanvang. Inmiddels ging het volk voort met rog eiken morgen zooveel nieuwe geschenken te brengen, dat de werkmeesters tot Moses gingen, om hem te zeggen: Het volk geelt meer dan wij noodig hebben. Moses liet derhalve door een heraut afkondigen; Noch man, noch vrouw brenge voortaan iets voor den bouw des heiligdoms. Op deze wijze kwam er aan het geven van
geschenken een einde.
Het goud, dat te zamen gebracht was, bedroeg negen en twintig talenten en zevenhonderd dertig sikkels; het werd geschonken door a'lc mannen, die den ouderdom van twintig jaren bereikt hadden, dat is door alle weerbare mannen, zesmaal honderd en drie duizend en vijfhonderd en vijftig (603.550) in getal, Aan zilver waren er gegeven honderd talenten, en aan koper zeventig talenten en twee duizend vierhonderd sikkels.
Eigenlijke munten schijnen de Joden ten tijde van hun tocht door de woestijn, en nog lang daarna, niet gekend te hebben. Men bepaalde het goud en zilver bij het gewicht: een sikkel, een talent, enz. Uit de opgaven der H. Schrift blijkt, dat 5000 sikkels een talent vormden. Over de waarde van beide gewichten loopen de meeningen der oudheidkundigen cenigszins uiteen. Volgens sommigen (Calmet, Glaire) stond een talent zilver ongeveer gelijk met 2200 Ned. guldens; anderen (Marx in het Kirchenlexicon, Loch en Reischl) berekenen het talent op circa 4500 guldens; nog anderen (zooals dr. Cumberland) op 4256 guldens. Volgens de laatste berekening zouden dus de honderd talenten zilver, die de Israëlieten voor den bouw van den tabernakel met zijn toebehooren gaven, ongeveer .(23,600 guldens van onze munt uitmaken. D.ur het goud nagenoeg zestien maal zooveel waarde heelt als^het zilver (de vooronderstelling, dat het goud ook bij zilveren sikkels begroot werd, schijnt niet aannemelijk) stonden de 29 talenten goud, voor den tabernakel gegeven, ongeveer gelijk met 1,965,504 guldens. In het geheel werd alzoo aan goud en zilver te zamen opgebracht een bedrag van ruim twee en een derde millioen guldens. Deze schat, die ongetwijfeld aan kleinodiën, versierselen, enz. uit Egypte was medegenomen, heelt met het oog op een volk van wellicht twee millioenen zielen, niets bevreemdends.
Onder de verschillende lengtematen, waarvan de Israëlieten zich bedienden, was de elleboogsmaat de voornaamste. Zij stond, volgens het vrij wel overeenstemmend gevoelen der Schriftuurverklaarders, gelijk met 0,55 meter van ons tegenwoordig stelsel. â Na deze voorafgaande opmerking volgt hier eene korte beschrijving van den tabernakel enz. naar Hxodus XXXVI tot XL.
1) E T A B E R N A K E L.
De tabernakel in wijderen zin bestond uit drie deelen: het voorhof, het heilige en het heilige der heiligen.
Het voorhof was eene onoverdekte, langwerpig vierkante ruimte van 100 elleboogsmaten (55 meters) lengte en 50 elleboogsmaten (27^ meters) breedte. Dit plein was aan de vier
RIJBL'LSCHE GESCHIEDENIS.
zijden afgezet met verzilverde, op koperen voetstukken rustende kolommen van meters hoogte. Aan den noord-, west- en zuidkant was langs de kolommen een fijn lijnwaad gespannen; aan den oostkant hing, in het midden, waar de ingang was, een voorhangsel van kostbaar tapijtwerk ter breedte van 11 meters: links en rechts van den ingang was weder lijnwaad gespannen.
In dit voorhof stond de tabernakel in engeren zin , de langwerpig vierkante houten tent, 16^ meters lang, 5-^ breed en 5-^- meters hoog. Daar de tent ten alle tijde vervoerd moest kunnen worden, waren hare verschillende samenstellende deelen niet vast aan elkander bevestigd, maar door ringen en sluitboomen verbonden. De lange zijwanden aan den noorden zuidkant bestonden elk uit 20 zeer dikke, recht opstaande planken van acaciahout; de korte westelijke achterwand had 8 zulke planken. Naar het oosten, aan den voorkant der tent, stonden vijf kolommen van acaciahout; zij vormden vier ingangen, welke gezamenlijk door een allerrijkst voorhangsel van tapijtwerk werden afgesloten. Deze kolommen waren met goud overtrokken, hadden koperen voetstukken en gouden kapiteelen.
Van de bovengenoemde drie houten wanden had iedere plank 54- meter hoogte bij 8J decimeter breedte, en rustte op twee voetstukken van zilver. Al de planken waren met sponning en voeg ineengezet; daarenboven werden zij saamgehouden door acaciahouten sluitboomen, die in dwarsche richting over de planken heenliepen en met gouden ringen daaraan bevestigd werden. Deze sluitboomen waren, evenals de planken, met goud overtrokken.
Van boven werd de tent gedekt door vier op elkander gelegde kleeden, Hiervan was het eerste, dat aan den binnenkant gezien werd en daar ook langs de zijwanden afhing, het prachtigste. Het bestond uit tien zeer breede banen van een fijn tapijtwerk, uit byssus vervaardigd en met hemelsblauwe, purperen en scharlaken draden doorweven. De verschillende banen waren aan iedere zijde van 50 hemelsblauwe linten voorzien, waarmede zij aan gouden ringen te zamen gestrikt werden. Het tweede dekkleed was gemaakt van gesponnen geitenhaar; de banen er van werden verbonden door strikken en koperen ringen. Het derde dekkleed bestond uit rood geverfde rams vellen, het vierde en bovenste eveneens uit ramsvellen, maar violetkleurig geverfd.
Van binnen werd de tent in tweeën afgedeeld door een aan vier acaciahouten kolommen hangend tapijt van dezelfde stof en bewerking als het eerste dekkleed. Wijl de tent 5^ meter breed was en het tapijt even ver van den achterwand hing, werd daardoor een zuiver vierkant gevormd, of eigenlijk een cubus; want ook de hoogte was 5^ meter. Dit was het heilige der heiligen. De overblijvende ruimte, van dezelfde breedte, doch tweemaal zoo lang, nl. 11 meters, heette het heilige.
In het heilige der heiligen, waar alleen de hoogepriester, en nog slechts een keer 'sjaars, mocht binnentreden, was niets aanwezig dan de arke des Verbonds en een gouden wierookvat. Later werden daar nog bijgevoegd een gouden gomer met manna, de bloeiende stat van Aaron en het boek der Wet. In het heilige, waar de priesters toegang hadden, was de plaats voor dc tafel der toonbrooden, voor den kandelaar en het reukaltaar. In het voorhof, dat de tent omringde en waar het volk kwam om te bidden en zijne offers door de handen der priesters op te dragen, stonden het brandofferaltaar en het waschvat.
DE ARK DES VERBONDS.
De ark des Verbonds, ook wel ark der getuigenis genoemd, was een uit acaciahout vervaardigde, van binnen en van buiten met het fijnste goud overtrokken kist. Zij had eene lengte van i| meter, op eene breedte en hoogte elk van decimeter. Het vlakke deksel van zuiver goud droeg twee cherubijnen, insgelijks van goud vervaardigd, die, met de aangezichten naar elkander toegekeerd, boven hunne hoofden hunne vleugelen derwijze uitspreidden, dat de punten elkander raakten. Dit deksel werd het verzoendeksel genoemd, omdat daarop het bloed der verzoening werd geplengd, en de Heer, die er tus-
10
75
mjBI-LSCHE GESCHIEDENIS.
scben de beide cherubijnen idjne woonplaats had, vandaar aan het volk zijne bevelen gaf en vergiffenis van bedreven zonden schonk.
Aan de hoeken van de beide lange zijden der ark waren vier gouden ringen bevestigd, waarin met goud overtrokken handboomen staken, aan welke de ark gedragen werd als het leger der Israëlieten den tocht door de woestijn voortzette. Hare vaste plaats in den tabernakel was in het heilige der heiligen tegen den achterwand; zij bevatte enkel de twee steenen tafelen der Wet.
DE TAFEL DER TOONBROODEN, DE KANDELAAR EN HET REUKALTAAR.
De tafel der toonbrooden â die, met de beide andere hier genoemde voorwerpen, hare plaats had in het heilige â was uit acaciahout vervaardigd en met goud overtrokken. Zij was iets meer dan een meter lang, half zoo breed en ruim drie vierde meter hoog. De rand v.n het blad was aan den bovenkant versierd met een opstaanden gouden krans, en aan den onderkant met een gouden lijst, ter breedte van een hand. Aan de hoeken waren, evenals bij de ark, gouden ringen en draagboomen bevestigd. Op deze tafel lagen voortdurend twaalf met wierook bestrooide brooden, zes aan den eenen en zes aan den anderen kant; ook stonden er gouden bekers met wijn op, alsmede gouden schalen, schenkkannen en wierookvaten met uitnemenden wierook. De brooden werden door de Levieten gebakken van fijne tarwebloem met olie; iederen Sabbat werden zij tegen versche verwisseld, terwijl de oude door de priesters, in de heilige plaats zelve, werden gegeten.
De kandelaar was uit zuiver goud met den hamer gedreven en woog een geheel talent, of volgens ons gewicht, nagenoeg 43 kilogram. Hij bestond uit een op een voetstuk rustenden rechtopgaanden stang, met zes zijarmen in den vorm van kwart-cirkels. De uiteinden van de zijarmen en van den stang â die den zevenden arm vormde â droegen lampen, welke met de zuiverste olijfolie gevoed werden. Op drie onderscheiden afstanden werden de armen, ter versiering, omvat door een in een leliekelk uitloopenden appel. De lampen op dezen kandelaar werden door de priesters verzorgd; zij brandden van's avonds tot's morgens; op den dag werden zij gereinigd en opnieuw van olie voorzien. Evenals de kandelaar zelf waren ook de bijbehoorende snuiters en snuitselbakjes van goud.
Het reukoffer-altaar, van acaciahout vervaardigd en met goud overtrokken, was ruim een halven meter lang en breed, en ruim een meter hoog. lederen morgen en avond werd er van den uitstekendsten wierook op gebrand in een kostbaar gouden wierookvat. Dit altaar was geplaatst tegen den achterkant (den westkant) van het heilige, daar waar dit laatste door het midden-voorhangsel van het heilige der heiligen gescheiden was. Links er van, aan den zuidelijken zijwand des tabernakels, stond de kandelaar, en rechts, aan den noordelijken zijwand, de tafel der toonbrooden.
HET BRANDOFFERALTAAR EN HET W ASCII VAT.
Het brandofferaltaar â dat, met het waschvat, in het voorhof des tabernakels, dus buiten de heilige tent stond â was zuiver vierkant, juist 2J meter lang en breed, en een weinig minder dan if meter hoog. De vier zijstukken waren vervaardigd van acaciahout en met dikke koperen platen overtrokken. Het altaar had geen middenstuk of tafelblad, maar in plaats daarvan een hollen rooster van stevig koperen rietwerk. De rooster lag los in de zijwanden en kon door vier aan de hoeken bevestigde sterke koperen ringen worden omhoog gelicht. Op dit altaar werden de offerdieren geheel of gedeeltelijk verbrand; de asch van het brandhout viel in bakken, onder den rooster geplaatst. De tangen, vorken, haken, vuurpannen en ketels, bij het offeren benoodigd, waren alle van koper. Aan de buitenzijden van het altaar waren koperen ringen bevestigd, waarin draagboomen gestoken werden, als men het altaar wilde vervoeren. Aan den bovenkant, op de vier hoeken, had het altaar vier uitstekende punten in den vorm van horens.
Het waschvat, dat evenals zijn voetstuk geheel vervaardigd was van de koperen spiegels
74
BIlliHLSCMF. GESCHIEDENIS,
der vrouwen, diende den priesters, om hunne handen en voeten te zuiveren, eer zij het heilige binnengingen, en verder tot het reinigen van het voor het offeren benoodigde vaatwerk en tot het wasschen van sommige deelen der offerdieren.
1) E PRIESTER K L E E D E R E N.
Behalve den tabernakel met zijn toebehooren werden door Beseleël, Oöliab en hunne medehelpers nog vervaardigd de door God aan Moses voorgeschreven heilige kleederen, die de hoogepriester en de gewone priesters bij hun heilig dienstwerk moesten dragen, Dc;;e kleederen bestonden uit een lang linnen onderkleed, een lijlrok, een gordel en een linnen hoofdhulsel.
Over het linnen onderkleed, dat van het hoofd tot aan de voeten reikte, droeg de hoogepriester een tot aan de knieën hangenden rok van fijn hemelsblauw lijnwaad. Van onderen was die rok afgezet met granaatappelen, kunstig gemaakt van hemelsblauwe, purperkleurige en karmozijnroode wol. Daartusschen hingen 72 gouden belletjes. Het geluid, dat deze belletjes gaven, moest de Israëlieten tot eerbied en ontzag stemmen voor de verheven waardigheid, die de hoogepriester, als bemiddelaar tusschen den Heer en zijn volk, bekleedde. Over den bedoelden lijfrok werd nog een ander kostbaar gewaad gedragen, dat ten halven lijve reikte en ephod heette. Dit kleedingstuk werd van achteren op de schouders vastgemaakt met twee gouden haken, welke twee kostbare edele steenen omvatten, waarin de namen der twaalf stammen gegraveerd stonden, in eiken steen zes namen. Aan den voorkant had het ephod een borstschild, bezet met twaalf steenen, die in vier rijen, elk van drie steenen, boven elkander stonden. Iedere steen droeg den naam van een der verschillende stammen. Op dit borstschild stonden ook de woorden leering en waarheid. Met gouden ringen en hemelsblauwe linten werd het borstschild â dat een vierkanten vorm had â aan het ephod bevestigd. Op het hoofd droeg de hoogepriester een hoofdhulsel of mijter, terwijl het voorhoofd omsloten werd door een gouden plaat, waarin de woorden gesneden stonden; het heilige des Heeren. (Nadere bijzonderheden over deze verschillende kleedingstukken en hunne figuurlijke beteekenis zijn te vinden o. a. bij D u r s c h : Symbolikdes m o s a i s c h e n u n d c h r i s 11 i c h e n Cultus, bladz. 9 tot 46.)
HOOFDSTUK XXXIX.
INWIJDING DES TARERNAKELS. WIJDING DER PRIESTERS. AARONS EERSTE OITER. NADAB EN AH1U. HET PAASCHITEST.
lm oen al de zaken, die dc Heer aan Moses op den berg had voorgeschreven, door Beseleël en zijne medehelpers waren vervaardigd, ontving Moses van God het bevel, om op den eersten dag der eerste maand van het jaar den tabernakel op te richten , de heiligdommen daaibinnen op hunne bepaalde plaats te zetten, alles plechtig in te j wijden en tegelijker tijd Aaron en diens zonen te zalven tot priesters, om den tabernakel te bedienen.
Nadat alzoo ten vastgestelden dage de tabernakel was opgericht en geheel Israël, op Gods bevel, ter bijwoning der plechtigheid, voor den ingang der heilige tent geschaard stond, nam Moses Aaron en diens vier zonen Nadab, Abiu, Eleazar en Ithamar, reinigde hen door de voorgeschreven wasschingen en bekleedde Aaron met het hoogepriesterlijk gewaad.
Vervolgens nam hij de zalfolie, uit verschillende specerijen en olijfolie bereid, en bestreek daarmede de tent en haar toebehooren. Het brandofferaltaar in het voorhof besprengde hij eerst zevenmalen; toen zalfde hij het, tegelijk nvt het vaatwerk; ook het groote waschvat met zijn voetstuk werd gezalfd. Daarna goot hij de oiie uit op het
75
RIjBHI.SCHF. GRSCHIF.DF.NIS.
hoofd van Aaron en zalfde cu wijdde hem, om vervolgens oo!c Aiirous zonen met hun gewaad te bekleeden.
Nu werd een kalf ten zoenoffer geslacht, op welks kop de hoogepriester, Aaron, en zijne zonen, de priesters, hunne handen legden, ter belijdenis hunner zonden Met een gedeelte van het bloed, waarin hij zijn vinger doopte, bestreek Moses de altaarhorens; het overige deel goot hij uit op den bodem des altaars. Het vet, dat het ingewand omsluit, alsook het net, waarin de lever ligt, en de beide nieren met haar vet werden verbrand. Daarna werd nog tot brandoffer een ram geslacht en een andere ram tot wijoffer. Met het bloed van dit laatste dier raakte Moses het rechteroor, den duim der rechterhand en den grooten teen des rechtervoets van Aaron en diens zonen aan. Het vet van den ram, den staart, het levernet, de beide nieren en het rechter schouderstuk legde hij, tegelijk met ongedeesemd brood en ander meelgebak, op de uitgestrekte handen der vijf gewijden, die dit alles voor den Heer omhoog hieven. Het daarna uit hunne handen terugnemende, plaatste hij het op het brandofferaltaar, om het door de vlammen te laten verteren. Vervolgens vermengde hij zalfolie met bloed, van het altaar genomen, en besprengde er Aiiron en diens kleederen mede, gelijk ook de zonen van Aaron en hunne kleederen. En na hen aldus gewijd te hebben, gebood hij hun, het vleesch van den wijdingsram voor den ingang des tabernakels te koken en het daar, met wijdingsbrood, te eten. Ten slotte sprak hij tot hen: Zeven dagen lang zult gij u niet van den ingang des tabernakels verwijderen, want zoolang duurt de tijd uwer wijding.
Op den achtsten dag riep Moses Aaron en diens zonen met de oudsten van Israël te zamen en sprak tot Aiiron: Neem een kalf tot zoenoffer voor uwe zonden en een ram tot brandoffer, beide zonder gebreken, en draag ze den Heer op. Zeg ook aan de kinderen Israels, dat zij een bok brengen tot zoenoffer (voor hunne zonden), een kalf met een lam, beide zonder gebreken en van een jaar oud, tot brandoffer, en een os met een ram tot vredeoffer; elk dezer offers moet van offermeel vergezeld gaan. Nadat dit alles door de kinderen Isrr.ëls was gebracht, sprak Moses: Heden zal de heerlijkheid des Heeren u verschijnen.
Zoodra Aiiron, bijgestaan door zijne zonen, al deze verschillende offers voor zich zei ven en de kinderen Israels had opgedragen, keerde hij zich tot het verzamelde volk en gaf het op plechtige wijze, met uitgestrekte hand, zijn eersten hoogepriesterlijken zegen. Vervolgens ging hij met Moses binnen de heilige tent, en toen zij daaruit, thans alle plechtigheden dei-inwijding vervuld hebbende, in het voorhof terugkeerden, verscheen de glorie Gods aan dc geheele vergadering. De wolkkolom namelijk, het zichtbare teeken der bijzondere tegenwoordigheid des Heeren, verplaatste zich van de tent, vroeger door Moses buiten de legerplaats opgericht, boven den nieuwen tabernakel en bleel daarop rusten. Tegelijker tijd daalde er uit die kolom vuur af en verslond het brandoffer, dat op het altaar lag, geheel en al. Toen de scharen dit zagen, wierpen zij zich, in lofprijzing, voor den Heer op hunne aangezichten ter aarde.
Het uit de wolkkolom afgedaalde vuur was het heilige vuur, dat in 't vervolg altijd moest blijven branden. Hiervoor hadden de priesters te zorgen, door er eiken morgen en avond een nieuwen voorraad hout op te werpen. Geen ander vuur mocht voor de offeranden gebruikt of in de wierookvaten gelegd worden.
Het laatste gedeelte van dit gebod werd al spoedig overtreden door twee van Aarons zonen. Nadab en Abiu, die uit achteloosheid (misschien ter oorzake van dronkenschap) hunne wierookvaten vulden met gewone kolen. Doch een vuur, door God uitgezonden, trot de beide schuldige priesters op het eigen oogentdik, te midden hunner ambtsverrichtingen aan het altaar, en doodde hen voor het aanschijn des Heeren. liet rechtvaardige dezer verschrikkelijke slraf bracht Moses Aiiron onder het oog met de woorden: Dit is het, wat de Heer gesproken heeft: Ik wil dat degenen, die mij naderen (mijne priesters), mij heilig houden en mij voor het gansche volk verheerlijken. Vervolgens riep Moses de zonen van Oziël, den oom van Aiiron, en beval hun: Neemt de lijken uwer broeders (neven) uit het
BIJBRLSCHF. GESCHIEDENIS.
gezicht des hciligdoms weg en brengt zc buiten de IcgcrpKuts. Daarop zich weder tot A.iroa en diens twee overige zonen, Eleazar en Ithamar, wendende, sprak hij: Gij zult uwe hoofden niet ontblooten, noch uwe kleederen scheuren (geen uiterlijke teekenen van rouw dragen). Uwen bloedverwanten staat het vrij, om, met geheel Israël, hetgeen geschied is, te betreuren; gij evenwel zult, op straf van door den Heer gedood te worden, den ingang des tabernakels niet verlaten; want de olie der heilige zalving is over u uitgegoten. Wijn en alles wat dronken kan maken, ging Moses voort, zult gij en uwe zonen niet drinken, wanneer gij de tent der getuigenis moet binnengaan. Dit is een altijddurend gebod voor u en uwe nakomelingen, opdat gij (in het volle bezit uwer geestvermogens) steeds in staat zult zijn, om onderscheid te maken tusschen heilig en onheilig, tusschen rein en bevlekt. Wie dit gebod overtreedt, zal sterven.
Tevens beval God aan Moses, dat de kinderen Israels over weinige dagen, namelijk op den veertienden dag der eerste maand, plechtig het paaschfeest zouden vieren. Daar evenwel eenigen hunner zich verontreinigd hadden en dus aan het feest geen deel mochten nemen, bepaalde God, dat dezulken het zouden vieren op den veertienden dag dei-tweede maand. Deze bepaling zou ook voor latere tijden gelden, indien zich dan weder hetzelfde geval voordeed.
r. De volgorde der gebeurtenissen, in bovenstaand hoofdstuli vermeld, was deze: Bijna een vol jaar na den uittocht uit Egypte, op den eersten dag der eerste maand (dc eerste maand heette Nisan en stond in den regel met de ' laatste helft onzer maand Maart en de eerste helft van April gelijk) werd de tabernakel opgericht en ontvingen Aaron en zijne zonen hunne wijding als priester. De plechtige naviering dier wijding duurde, met inbegrip van den dag zeiven, eene week lang. Daarna, den achtsten dag der maand, droc; Aaron zijn eerste hoogepriesterlijk ofi'er op. Misschien denzelfden dag, of hoogstens een paar dagen later viel bel gebeurde met Nadab en Abiu voor, en eindelijk werd op den veertienden dag het paaschfeest gevierd.
Deze feestviering schijnt iu de 59 overige jaren, die de Israëlieten in de woestijn doorbrachten , niet herhaald te zijn; althans de H. Schrift gewaagt daarvan met geen enkel woord. Alleen stelt zij vast (Hxod. XII : 25) dat de plechtigheid jaarlijks in Chanaan moest plaats hebben , zoodra de Joden dit land zouden zijn binnengetrokken» De vermelde viering bij den berg Siuai was dan ook door een afzonderlijk gebod van God verordend, wat baar exceptioneel karakta- genoegzaam aanduidt.
2. Nog v,'! : â hier, naar aanleiding van hei1.., :i hovou omtrent de wijding der priesters en hunne heilige verrichtingen is verhaald, in 't algemeen een woord over
II E T O F L E R.
Bij de Joden, evenals bij de geheele oudheid, van de tijden van Caïn en Abel af, was het offer de spil en het middelpunt van den ganschen eeredienst. Iedere voorname godsdienstige gebeurtenis, iedere wijding, ieder gedenkfeest werd met een offer geopend, er door geheiligd en er mede besloten. Geen dag ging voorbij, zonder dat het gewone morgen- en avondoffer behoorlijk werd opgedragen. Niet alleen had God dit aldus bepaald, maar Hij schreef ook aan Moses nauwkeurig de ceremoniën voor, waarvan de verschillende offers, overeenkomstig hun verschillende beteekenis, moesten vergezeld paan.
In twee hoofdsoorten waren de offers verdeeld, in bloedige en onbloedige. De laatste werden onderscheiden in spijsoffers, d r a n k o f f e r s en wierookoffers. De eerste, de bloedige offers, bestonden uit brandoffers, zoenoffers en vredeoffers.
Als bloedig offer werden opgedragen stieren en koeien, rammen en schapen, bokken en geiten, benevens tortelduiven en jonge duiven, behalve de tortelduiven en jonge duiven, moest het offerdier minstens acht dagen oud zijn, maar mocht van den anderen kant den leeftijd van drie jaren niet te boven gaan. De priester leidde het dier voor den ingang der heilige tent en legde het daar, met uitzondering alleen van de tortels en jonge duiven, zijne handen op den kop. Gold het een offer voor de geheele natie, dan moesten de oudsten en de stamhoofden het allen hunne handen opleggen. De oplegging der handen beteekende, dal de slachtoffers de plaats innamen van hen, die ze offerden en met de door dezen begane zonden beladen waren. Ten tijde van Moses slachtten zij, die het dier ter offerande aanboden, het zeiven, terwijl de priesters het bloed opvingen; later (11 Paral. 29)
77
nijBF.LSCiii-; geschii:DF-;NIS.
geschiedde ook het slachten door dc priesters. Met het opgevangen bloed bestreek de priester de horens van het altaar in het voorhof, of hij besprengde er het voorhangsel tusschen het heilige en het heilige der heiligen mede, of wel hij stortte het uit op het verzoendeksel der ark, volgens den verschillenden aard van het ofler. Voorts sneden dc priesters en Levieten het dier, na het van het vel ontdaan te hebben, aan stukken; soms deden dit ook degenen, die het offer brachten, zeiven. Dikwijls ging het bloedig otfer vergezeld van een offer in meel, brood en met olie bestreken koeken.
Her. brandoffer was hierdoor van dc beide andere soorten van bloedige offers onderscheiden. dat er alleen dieren van het mannelijk geslacht voor mochten dienen en dat alles â vleesch, vet, ingewanden en beenen, â geheel verbrand werd. Gewoonlijk waren de stieren, die als brandoffer werden opgedragen, drie jaren oud, de rammen en bokken één jaar. De brandoffers voor den hoogepriester persoonlijk en die voor het gezamenlijke volk hadden nog dit eigenaardigs, dat zij verbrand werden, niet op het altaar in het voorhof, maar buiten de legerplaats.
Zoenoffers werden opgedragen voor sommige uit achteloosheid bedreven zonden, voor kleinere onopzettelijke overtredingen, voor hen, die van dc melaatschheid waren genezen, en tot zuivering der moeders, veertig of tachtig dagen na dc geboorte van een kind. Van deze offers werden alleen sommige gedeelten verbrand, terwijl het vleesch door de priesters in het voorhof gegeten werd.
Vredeoffers droeg men op, of om God te bedanken voor een ontvangen weldaad ol om zijn zegen af te smeeken. Gedeeltelijk werd zoodanig offer op het altaar verbrand ; het overige deel werd gegeten, niet alleen door de priesters, maar mede door hen, die het offer gebracht hadden.
HOOFDSTUK XL.
VOLKSTELLING. LEGERORDENING. REINIGING EN OPDRACHT DER LEVIETEN.
jit'n het tweede jaar na den uittocht, op den eersten dag der tweede maand, ..p.^ sprak God tot Moses: Neem het getal op der kinderen Israels, zooals zij, naar ^ afkomst, in stammen en geslachten zijn ingedeeld; alle mannen van twintig 'â mu jaren en daarboven zult gij tellen, gij en Aitron. Stamvorsten zullen zijn Elisnr van ji^ den stam Ruben, Salamiël van den stam Simeon, Nahasson van Juda, Nathanael van l Issachar, Eliab van Zabulon, Elisama van Ephraïm, Gamaliel van Manasse, Abidan van Benjamin, Ahiêzer van Dan, Phegicl van Aser, Eliasaph van Gad, en Ahira van den stam Nephtali. Dit zijn de hoogedele vorsten van Israël en de hoofden hunner legerafdeelingen.
Moses en Aaron riepen nu de genoemden met de geheele menigte der kinderen Israels te zamen, en telden de strijdbare mannen van den leeftijd van twintig jaren en daarboven.
7«
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en veldteekenen; voorts moesten de verschillende afdeelingen drie aan drie bijeengevoegd worden tot vier hoofdafdeelingen. De eerste hoofdafdeeling, bestaande uit de stammen Juda, Issachar en Zabulon, te zamen i86,.ico man, werd gesteld onder Juda's vorst Nahasson. |
151)15HLSC11H GRSC111RDHNIS.
De stammen Ruben, Simeon en Gad, 151,450 man sterk, vormden de tweede hoofd-afdeeling, die aangevoerd werd door Elisur, vorst van Ruben.
De derde hoofdafdeeling, waartoe de stammen Ephraïm, Manasse en Benjamin behoorden, telde 108,100 man, onder het opperbevel van Elisama, vorst van Ephraïm.
De vierde hoofdafdeeling bestond uit de stammen Dan, Aser en Nephtali; zij was 157,600 man sterk en had tot aanvoerder Dans vorst Ahiëzer.
AI de vier hoofdafdeelingen te zamen telden 603,550 strijders.
Nadat aldus het getal der voor den krijgsdienst geschikten was opgenomen en de legerordening vastgesteld, ontving Moses het bevel, ook de zonen Levi's op te roepen, om hen voor den dienst des Heeren te bestemmen. De Levieten, sprak God, heb ik mij uitgekozen in de plaats der eerstgeborenen van Israël; lel hen dus, namelijk al wat mannelijk onder hen is, van ééne maand en daarboven oud.
In drie geslachten was deze stam verdeeld, volgens de afkomst zijner leden van een der drie zonen van Levi: Gerson, Caath en Merari, Het geslacht Geron telde, met inbegrip der knapen van ééne maand, 7500, het geslacht Caath 8600, en het geslacht Merari 6200 man. Tot het geslacht Caath behoorden ook Moses en Aaron met hunne zonen. De zonen van Moses werden onder de eenvoudige Levieten gerangschikt; terwijl aan Aiiron en zijne nakomelingen het priesterambt bleef opgedragen, leder der straks genoemde drie geslachten had een eigen aanvoerder; dat van Gerson stond onder Eliasaph, dat van Caath onder Elisaphan, en van Merari onder Suriël. Daarenboven werden al de Levieten te zamen onder de opperleidiug van Aarons zoon, den priester Eleazar, gesteld.
De Levieten moesten hunne plaats in het legerkamp innemen rondom den tabernakel, welken zij te bewaken hadden. Achter hen, in een ruimeren cirkel, legerden zich, oostwaats van de heilige tent, vorst Naliasson met zijne 186,400 strijders, zuidwaarts vorst Elisur met zijne 151,450 man, westwaarts vorst Elisama met zijne 108,100, en noordwaarts vorst Ahiëzer met zijne 157,600 manschappen.
Brak het leger op, dan moesten Aiiron en zijne zonen de arke des Verbonds, benevens de tafel der toonbrooden, den gouden kandelaar, het reukaltaar, het altaar der brandoffers, de heilige vaten, tangen, schalen, en wat verder voor het heilig dienstwerk gebezigd werd, met de voorhangsels en kleeden des tabernakels zorgvuldig bedekken en deze gezamenlijke zaken aan de Levieten uit het geslacht Caath te vervoeren geven, liet geslacht Gerson werd aangewezen, om de kleeden te dragen, die rondom het voorhof waren gespannen, alsmede het voorhangsel des voorhofs, de strikken, koorden en sommige heilige vaten. De zonen van Merari eindelijk moesten de wanden des tabernakels uiteennemen en de planken, sluitboomen, kolommen en voetstukken dragen.
Toen in dezer voege alle zaken geregeld waren, sprak de Heer tot Moses: Neem de Levieten en reinig hen aldus; met reinigingswater zullen zij besproeid worden; zij zullen zich al het haar van hoofd en gelaat afscheren, en nadat zij hunne kleederen gewasschen hebben en gereinigd zijn, zullen zij een os nemen, alsmede een spijsofler van meel, met olie besprenkeld; terwijl gij een anderen os neemt tot brandofler. Daarna zult gij de Levieten voor de tent des Verbonds plaatsen, waar de vergaderde zonen Israels hun de handen zullen opleggen en Aiiron hen als gave der kinderen Jacobs aan den Heer zal opofferen, opdat zij mogen staan In des Heeren dienst.
Nadat alzoo geschied was, sprak de Heer nog: Dit is de wet der Levieten: met hun vijf en twintigste jaar zullen zij hun dienstwerk in den tabernakel des Verbonds beginnen, en daarvan ontslagen zijn, wanneer zij hun vijftigste jaar hebben voleind,
1. De Israëlieten waren, naar hun verschillende afkomst, ingedeeld in stammen, de stammen in geslachten, de geslachten in familicn, de familiën in huizen. Zoo behoorden b. v. Moses en Aaron tot den stam Levi, tot het geslacht Caath en de familie Amram. Evenwel worden in de 11. Schrift deze benamingen niet altijd onderscheiden, doch zeer dikwijls de eene voor de andere gebruikt.
2. Het geheele aantal der Levieten boven den ouderdom van ééne maand bedroeg 22,500 man, en na
79
BljBHLSCHE GESCHIEDENIS.
afvrck der eerstgeborenen onder hen, 22,000 man. De reiniging en verdere ceremoniën, waarmede de Levieten door Moses aan God werden toegewijd, hadden, evenals de wijding der priesters, slechts eenmaal 1 laats en gokien niet alleen voor de betrokken personen zeiven, maar tevens voor geheel hunne nakomelingschap; zoodat er in 't vervolg nergens meer in de U. Schrift van priesterwijding of Levieten-reiniging gesproken wordt.
HOOFDSTUK XLI.
HERHAALD VERZET TEGEN MOSES. MARIA EN AARON AAN HET MORREN.
X- .
S|Ãêadat lsrat:lieten nagenoeg een geheel jaar bij den berg Sinaï vertoefd hadden, v Ksiaxv gaf God, den twintigsten dag der tweede maand van het tweede jaar, doormiddel ^ der wolkkolom, die van den tabernakel, waarop zi] rustte, omhoog steeg, het teeken om te vertrekken. Onniiddelijk werd alles voor het vertrek in gereedheid 7^ gebracht, en het leger zette zich in beweging. Voorop ging de sterke afdeeling van 186,400 man, over welke Juda's vorst, Nahasson, het bevel voerde. Dan volgden de Levieten uit de geslachten Gerson en Merari met de verschillende deelen des
O c
tabernakels, die zij op espresselijk daartoe door de stamvorsten geschonken wagens vervoerden. Achter hen ging de legerafdeeling van Elisur, vorst van Ruben, gevolgd door de Levieten uit het geslacht Caath, die de ark, de tafel der toonbrooden, den kandelaar, het rciikofferaltaar en het altaar der brandoffers droegen. Daarop kwam de derde legerafdeeling, aan wier hoofd Elisama, vorst van Ephraïm, stond; terwijl eindelijk de 157,600 man, onder bevel van Dans vorst, Ahiêzer, de achterhoede uitmaakten.
Voor de tocht begon, sprak Moses tot zijn aanverwant Hobab, den zoon van Raguël uit Madian die hem gedurende het oponthoud bij den berg Sinaï bezocht had; Ga met ons mede naar het land, dat de Heer ons beloofd heeft, en wij zullen u veel goeds bewijzen. Toen echter Hobab in het eerst weigerde, zeide Moses wederom: Verlaat ons niet; want gij zijt bekend niet de plaatsen in de woestijn, waar wij het best ons legerkamp kunnen opslaan, en kunt dus onze leidsman zijn.
Na dit gesprek (waarvan de uitslag was, dat Hobab medeging) trokken de Israëlieten vooruit. Nog niet zeer ver waren zij gevorderd, ol ze sloegen reeds, wegens de moeielijk-heden, welke zij op weg ontmoetten, aan het morren. Tol straf hiervoor deed God in het achterste gedeelte des legers (wellicht wijl daar de ontevredenheid hoofdzakelijk schuilde) een brand uitbreken, die slechts op de voorbede van Moses gestild werd.
Nauw was die straf voorbij, of het morren ving op nieuw aan. Ditmaal ging het oorspronkelijk uit van de bonte volksmenigte, die zich in Egypte bij de Israëlieten had aangesloten, om den tocht naar Chanaan mede te maken. Deze ordelooze scharen zeiten zich, in haren onwil en hare ongeregelde begeerlijkheid, klagend en schreiend neer, en riepen met luider stemme om het vleesch, de visschen, agurken, meloenen, preien, het knoflook en de uien, die zij in het land der Pharao's gegeten hadden. Onze geest is dor geworden, jammerden zij, en onze oogen zien niets dan manna.
Deze taal werkte aanstekelijk op de Israëlieten, bij wie zich weldra eenzelfde stemming openbaarde; aan den ingang hunner tenten gezeten, braken ook zij in bittere klachten uit.
Zooveel herhaalden ondank van den kant des volks tegenover al de weldaden, die God het bewezen had, kon Moses niet langer verdragen. Hij stortte zijn hart uit voor den Heer en bad : Waarom laat Gij uwen dienaar deze smart overkomen, en waarom legt Gij den last, om voor dit volk te zorgen op mij? Heb ik dit volk voortgebracht, en is het mijn kind, zoodat Gij mij gebiedt: draag het aan uwen boezem, gelijk een voedster haren zuigeling pleegt te dragen, en geleid het in het land, dat aan zijne voorvaderen is beloofd? Vanwaar zal ik vleesch bekomen voor zoovelen ? Want zij klagen tegen mij, zeggende;
So
BIJBHLSCHE GESCHIEDKNIS. 81
Geef ons â vleesch, om te eten. Ik kan niet langer alleen den last van dit volk torschen: hij wordt mij te zwaar. Indien Gij mij daarvan niet ontheffen wilt, laat mij dan, bid ik U, liever sterven, en dat ik genade vinde in uwe oogen, om van zooveel smarten, als mij nu kwellen, bevrijd te zijn. De Heer antwoordde: Breng zeventig der oudsten en voornaamsten van Israël bijeen, plaats hen aan den ingang des tabernakels, en ik zal neerdalen, om van den Geest, die op u is, te nemen en aan hen mede te deelen, teneinde zij u den last des volks helpen dragen en gij er niet meer alleen onder gebukt gaat.
Tevens zult gij het volk zeggen: Heiligt u, want morgen zal de Heer u vleesch geven, niet slechts voor één dag, of voor vijf of tien of twintig dagen, maar voor een geheele maand, en zoo overvloedig, dat het u tot een walg zal worden.
In uitvoering van het ontvangen bevel riep Moses de bedoelde zeventig oudsten bij den tabernakel te zamen; de Heer daalde vervolgens neer en schonk hun den Geest, die op Moses rustte, zoodat zij, door een inwendig bovennatuurlijk licht bestraald, in profeten-taal God en zijne groote daden verheerlijkten. Twee der opgeroepenen echter, Eldad en Medad, waren (wellicht, omdat zij zich cte hun toegedachte hooge onderscheiding onwaardig keurden) in de legerplaats achtergebleven; doch ook over hen kwam de geest Gods af, zoodat zij insgelijks profeteerden. Een knaap, die hen hoorde, liep naar Moses, om hem te boodschappen: Eldad en Medad profeteeren in de legerplaats. Oogenblikkelijk drong Josue, Moses' dienaar, er bij zijn heer op aan, het hun te verbieden; maar deze antwoordde: Wat drijft u, om aldus voor mijn naam te ijveren? Och, of de Heer zijn Geest over geheel Israel uitstortte!
I hans wilde God ook zijne belofte omtrent het zenden van vleesch vervullen: eene ontzettende menigte wachtels (nog talrijker dan bij eene vroegere gelegenheid) kwam over zee aangevlogen en streek, in de legerplaats en nog een dagreize ver daar rondom, in zulke dichte vluchten neer, dat het was, alsof het vogels regende. Dewijl zij ter zelfder plaatse bleven omvliegen, konden de Israëlieten er gedurende twee dagen en een nacht eene onzaglijke hoeveelheid van grijpen, en die zij grepen, legden zij vervolgens, om het vleesch tegen bederf te bewaren, in de zon te drogen. De verzamelde voorraad was zoo groot, dat wie ook maar weinig gevangen had, er nog tien vaten van kon meten.
Nog was deze voorraad niet verbruikt, of de gramschap des Hecren werd tegen het volk gaande gemaakt, en Hij sloeg het met eene geweldige plaag, waaraan er velen bezweken. Naar hunne zonde ontving de plaats, waar zij begraven werden, den naam van Graven der Begeerlijkheid.
Van hier braken de Israëlieten op naar Haseroth, waar zij weder eenigen tijd uitrustten. Gedurende dit verblijf geraakten ook Maria en Aaron tegen hunnen broeder aan het morren. Heeft God, vroegen zij, alleen tot Moses gesproken? Sprak hij niet eveneens tot ons? Moses nu was de zachtmoedigste man, die op aarde leefde, en de Heer, die het morren tegen hem hoorde, beval hem, gelijk ook aan Aaron en Maria: Begeeft u alle drie naar den tabernakel. Toen zij daar aangekomen waren, daalde de Heer in de wolkkolom naar beneden en plaatste zich aan den ingang der heilige tent, waar hij tot Aaron en Maria sprak: Geeft acht op mijne woorden; indien er onder u een profeet is, zal ik hem verschijnen in een visioen of droom; zoo echter handel ik niet met mijnen dienaar Moses, die de getrouwste is in mijn geheele huis; met hem verkeer ik van aangezicht tot aangezicht; openlijk, en niet door raadselen of figuren ziet hij den Heer. Waarom dan hebt gij niet gevreesd, zijne grootheid te beknibbelen? â Na dit gezegd te hebben, ging God vergramd heen, en op hetzelfde oogenblik werd Maria wit als sneeuw van melaatschheid. Toen Aaron dit zag, zeide hij tot Moses: Ik bid u, mijn heer, wil ons dezen misslag niet toerekenen, dien wij dwaaslijk begaan hebben; zie, de helft van Maria's vleesch is reeds weggevreten door de melaatschheid. Moses riep nu tot God: Ik bid U, Heer, geneesbaar. De Heer antwoordde: Als haar vader haar in het aangezicht gespuwd had, zou zij dan niet minstens zeven dagen lang rood van schaamte moeten zijn ? Dat zij dus zeven dagen
11
82 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS.
uit de legerplaats verwijderd worde; daarna zal men haar terugroepen. Zooals de Heer bevolen had, geschiedde.
1. Sommige Schriftverklaarders, o. a. ook i Lapide, meenen, dat de beide oproerige bewegingen tegen Moses, welke in liet begin van dit hoofdstuk vermeld staan, niet na elkander, maai- gelijktijdig zijn voorgevallen, zoodut zij slechts één enkele gebeurtenis vormden, die zich volgenderwijze zou hebben toegedragen: Het gemor ging van de vreemdelingen uit en sloeg tot de Israëlieten over; beiden werden daarvoor eerst gestraft na het eten der wachtels; de geweldige plaag, waaraan velen bezweken, zou nl. de brand zijn geweest, die ofschoon vroeger vermeld, eerst later volgde. In allen gevalle schijnt het zeker, dat van welken aard de plaag ook geweest zij, zij ten doel had, de ongeregelde begeerlijkheid der Israëlieten naar vleescli en hunne gulzigheid in het eten daarvan te straffen.
2. Ileeds in hoofdstuk 34 is er van zeventig oudsten (of ouden) gesproken , die, op het voorstel van Jethro, door Moses tot rechters over het volk werden aangesteld. Dezen hadden echter op verre na niet die uitgebreide macht, welke de zeventig man van thans ontvingen. De laatsten toch, hoewel misschien gedeeltelijk uit deeerst-genoemden gekozen, hielpen Moses in het bestuur des volks, ook waar dit bestuur de zaken Gods betrof. Later, toen het volk in Chauaau was aangekomen, vormden de opvolgers dezer zc-ventig met den hoogepriester den hoogen raad der Joden, die nog ten tijde des Zaligmakers bestond en toen gewoonlijk het Sanhedrin genoemd werd.
HOOFDSTUK XL1I.
DE TWAALF VERSPIEDERS. OPROER IN HET LEGER.
1
M.
a\M|-aii Haseroth trokken de Israëlieten verscheiden dagreizen ver door de woestijn Pharan, eene verschrikkelijke, zeer uitgestrekte wildernis, en sloegen hunne tenten op bij Cades of Cadesbarne, dat aan den voet van het gebergte der Amorrhecn ligt. Hier zeide Moses tot het volk: Gij zijt gekomen in de nabijheid van het Amorrheërgebergte, het begin van het land, dat de Heer onze God ons geven zal; beschouwt het land, trekt er heen en neemt het in bezit. De Israëlieten antwoordden: Laat ons mannen uitzenden, die het land bespieden, 0111 ons te berichten, langs welken weg wij het moeten binnengaan en tegen welke steden wij hebben op te trekken. De Heer gebood aan Moses dienoverkomstig te doen, en Moses zond twaalf mannen uit, onder welke Caleb en Josue, en beval hun: Trekt het land binnen aan de zuidzijde, bespiedt het goed, alsook zijne bewoners, of deze sterk of zwak zijn, of hun aantal klein of groot is; bespiedt, of de steden ommuurd zijn of niet, of de bodem des lands vet of mager en of hij bosch-rijk is. Weest moedig en brengt ons van de vruchten des lands; â het was namelijk de tijd, dat de vroegste druiven rijp waren.
De mannen togen dan uit en namen het beloofde land op van de woestijn Sin tot Rohob, in de nabijheid van Emath, dat in het zuiden ligt. Daarna kwamen zij te Hebron, waar Achiman en Sisaï en Tholmaï woonden, de zonen van den reus Enac; vervolgens te Nehelescol, dat is: Druivenbeek; daar sneden zij van een wijngaard een rank met haar druiventros af, die, aan een stok gehangen, door twee mannen gedragen werd; ook staken zij granaatappelen en vijgen bij zich. Na veertig dagen het land in alle richtingen doorkruist te hebben, kwamen de verspieders te Cades terug en deelden aan Moses en Aiiron en aan de gansche menigte der kinderen Israëls hunne bevinding mede. Het land, zeiden zij, vloeit over van melk en honig, gelijk gij uit deze vruchten kunt zien; maar het heeft zeer sterke inwoners en groote ommuurde steden; ook woont daar het geslacht van Enac, terwijl Amalec in het zuiden verblijf houdt, de Hetheën en Jebuseën en Amorrheën de bergstreken bezetten, en de Chanaiineen aan den zeekant en langs de oevers des Jordaans gevestigd zijn.
Toen het volk deze woorden uit den mond der verspieders vernam, begon het tegen Moses te wrevelen; doch Caleb, om het gemor te onderdrukken, zeide: Laat ons optrekken en het land in bezit nemen; want wij zijn in staat, het te veroveren. Doch de anderen
mjRF.I.SCHF. GF.SCHIF.DF.XI.S.
der twaalf spraken: Geenszins kunnen wij tegen dit volk optrekken, want het is machtiger dan wij; ook is de landstreek ongezond, en daarenboven hebben wij er monsterachtig groote menschen gezien uit het reuzengeslacht van Enac; waarbij wij vergeleken slechts sprinkhanen schenen.
Nu brak het gemor voorgoed los. Al de Israëlieten riepen en schreeuwden tegen Moses en Aaron: Och, waren wij maar in Egypte gestorven, of mochten wij nog in deze uitgestrekte woestijn omkomen, en dat de Heer ons toch niet in dat land voere, waar wij door het zwaard zullen vallen en onze vrouwen en kinderen in slavernij gesleept zullen worden. Is het ons niet beter, alsnog naar Egypte weder te keeren? Vervolgens zeiden zij tot elkander: Laten wij ons een aanvoerder uitkiezen en den terugweg naar Egypte inslaan.
Toen Moses en Aiiron deze taal hoorden, wierpen zij zich, ten aanschouwe van geheel Israël, voor den Heer plat ter aarde, terwijl josue en Caleb, na van droefheid hunne kleederen gescheurd te hebben, tot het volk zeiden; Het land, dat wij zijn doorgetrokken, is uitmuntend; als de Heer ons genadig is, zal Hij er ons binnenvoeren en ons dien van melk en honig overvloeienden grond schenken; wilt dan toch tegen den Heer niet weerspannig zijn. Wat de inwoners des lands betreft, vreest hen niet, wij kunnen hen verpletteren ; want alle bescherming (van boven) is van hen geweken, terwijl integendeel ons de hulp des Heeren is.
Op iiet vernemen dezer woorden begon de menigte luide tegen Josue en Caleb te schreeuwen en wilde hen zelfs steenigen, toen eensklaps de Heer boven den tabernakel (in de wolkkolom) verscheen en tot Moses sprak : Hoelang nog zal dit volk mij lasteren , hoelang aan mijne beloften geen geloof hechten, bij al de wonderen, die ik ten zijnen aanzien wrocht? Daarom zal ik het met de pest slaan en het verdelgen, om u vervolgens te maken tot aanvoerder over een ander volk grooter en machtiger dan dit. Hierop sprak Moses biddend tot God: Maar, o Heer, wanneer de Egyptenaren, uit wier midden gij het volk van Israël verlost hebt, en de inwoners van Chanaan, die vernomen hebben, dat Gij uwe woontent onder dit volk hebt opgeslagen en daaraan van aangezicht tot aangezicht verschijnt, en dat Gij het des daags in een wolkenzuil vooruitgaat en des nachts in eene vuurkolom â wanneer zij hooren, dat Gij dit gansche volk als één man hebt doen omkomen, zullen zij zeggen; Hij had de macht niet, om het volk te voeren in het land, dat Hij het onder eede beloofd had; daarom heeft Hij het in de woestijn gedood. Toon dus, o Heer, uwe macht door langmoedig te zijn en barmhartig; vergeef, bid ik U, de zonden dezes volks volgens de grootheid uwer ontfermingen, gelijk Gij het genadig zijt geweest sedert den dag, dat het uit Egypte vertrokken is, tot nu toe. De Heer antwoordde: Op uw woord vergeef ik het volk zijne zonden en, zoo waar ik leef, de glorie van mijn naam zal over de geheele aarde weerklinken. Doch van al de mannen, die de wonderen aanschouwd hebben, welke ik in Egypte en in de woestijn heb gewrocht, en die naar mijne stem niet geluisterd, maar mij nu reeds tien keeren getergd hebben, van hen zal niemand, behalve Caleb en Josue, het land, dat ik hunnen vaders beloofd heb, aanschouwen. Breek morgen het legerkamp op en keer in de woestijn terug naar de Roode Zee. Zeg tevens aan het volk; Zooals gij begeerd hebt, zal u geschieden: in de woestijn zult gij sterven, gij allen, die gemurmureerd hebt, van den leeftijd van twintig jaren en daarboven. Uwe kinderen echter, voor welke gij bevreesd waart, dat zij de buit des vijands zouden worden, zal ik Chanaan binnenvoeren; zij zullen het land aanschouwen, dat u niet behaagde. Doch eerst zullen zij nog veertig jaren in de woestijn rondzwerven, om de straf uwer zonde te dragen, totdat de beenderen hunner vaders vergaan zijn. Na deze woorden sloeg God, met uitzondering van Josue en Caleb, de tien overige verspieders, die door hun booze taal de oorzaak van het oproer waren geweest, met een plotselingen dood, zoodat zij nog in het gezicht der heilige tent stierven.
J oen de kinderen Israels dit alles hoorden en zagen, werden zij bovenmate bedroefd, en reeds in den vroegen morgenstond van den anderen dag, den top des bergs beklimmende.
«3
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
zeiden zij; Wij bekennen, dat wij gezondigd hebben en zijn thans bereid naar het land op te trekken, waarvan de Heer ons gesproken heeft, Doch Moses antwoordde hun; Waarom overtreedt gij het verbod des Heeren,. (die nu niet meer wil, dat gij optrekt)? Wat gij voorhebt, zal u niet gelukken; gij zult vallen door het zwaard der Amalecieten en Chanaaneën; want de Heer is niet met u. In hunne verblindheid trokken zij evenwel op, doch zonder Moses, die met de ark des Verbonds terugbleef. De uitkomst hunner dwaze daad was, dat de vijand hen versloeg en hen tot Horma achtervolgde.
1. De reden, waarom de druiventros, van welken hierboven spraak is, door twee der verspieders aan een stok werd gedragen, geeft de H. Schrift niet op. Uit den samenhang des verbaals mag men echter besluiten, dat het geschiedde èn om de buitengewone grootte van den tros én om de druiven niet te beschadigen , maar ze versch en glanzend aan de Israëlieten tc vertoonen. Dit laatste zou niet mogelijk geweest zijn, als de tros ware ingepakt, en om door één man voortdurend in de hand te worden gedragen, daarvoor was hij te zwaar. In Palestina toch worden niet zelden druiventrossen gevonden, die, meer dan een halven meter lang, vijf tol acht kilogrammen wegen. Snabo (een Griek en beroemd aardrijkskundige, ten jare 19 na Chr. in Klein-Azie geboren) schrijft zelfs, wijnstokken gezien te hebben, welker stam nauwelijks door een mar. kon omvademd worden, en die trossen voortbrachten van twee elleboogsmaten (ruim een nieter) lengte.
2. Toen de Joden, zooals in dit hoofdstuk verhaald is,, voor de eerste maal aan den ingang van Chanaan stonden, waren zij nog geen twee jaren uit Egypte vertrokken. Hadden zij de bevelen des Heeren opgevolgd, dan zouden zij toen onmiddellijk het beloofde land hebben kunnen binnengaan; nu echter werden zij, om hunne zonden van ongeloof en ongehoorzaamheid, veroordeeld om 40 jaren (waartoe ook de reeds verloopeu anderhalf jaar moeten gerekend worden) in de woestijn rond te zwerven.
HOOFDSTUK XLI1I.
SABBATSCHENNIS. OPROER VAN CORE, DAT HAN EN AB 1 RO N. DE BLOEIENDE STAF VAN AARON.
adat de Israëlieten in de woestijn waren teruggekeerd, gebeurde het, dat een man IriSSt'quot; ttit het leger hout raapte op den Sabbat. Hij werd voor Moses en Aaron en voor de geheele menigte van Israels kinderen gevoerd, die, wijl zij niet wisten, quot;j Ã/quot; hoedanig in dit geval te handelen, den man voorloopig in de gevangenis opsloten. j â :gt; Weldra gal de Heer de beslissing; Deze mensch zal den dood sterven; het geheele \ volk zal hem steenigen buiten de legerplaats. Men voerde hem dan naar buiten en steenigde hem, gelijk de Heer bevolen had.
Eenigen tijd later volgde een groot oproer. Core, de zoon van Saar, uit den stam Levi, en Dathan, Abiron en Hon, alle drie uit den stam Ruben, kwamen met 250 man uit de voornaamsten des volks tegen Moses en Aaron in verzet en spraken; 't Is lang genoeg met u; want de geheele menigte van Israels kinderen is heilig en de Heer is in hun midden; waarom stelt gij u boven het volk des Heeren? loen Moses dit hoorde, viel hij voor God plat ter aarde, en vervolgens weder opstaande, sprak hij tot Core en diens aanhang uit de Levieten; Morgen zal de Heer u doen weten, wie de zijnen zijn: die Hij zich toegeheiligd heeft, zal Hij tot zich nemen, en die Hij uitkiest, zullen Hem naderen. Doet derhalve aldus; dat ieder uwer, gij, Core, met de Levieten van uwe partij, morgen zijn wierooksvat neme, er vuur in legge en daar reukwerk op strooie voor den Heer; hij, die dan door den Heer wordt uitgekozen, zai hem (als priester) toegeheiligd zijn. Verder sprak Moses nog tot hen; Gij zoekt u wel zeer te verheffen, zonen van Levi! Is het u te weinig, uit geheel Israël door den Heer tc zijn gekozen, om in zijn dienst te staan, zoodat gij ook aanspraak maakt op het priesterschap?
Daarna ontbood Moses Dathan en Abiron, de zonen van Ruben; doch zij antwoordden; wij komen niet. Is het nog niet genoeg, voegden zij daarbij, dat gij ons uit een land
131JBELSCHE GESCHIEDENIS.
(Egypte) gevoerd hebt, hetwelk van melk en honig overvloeide, om ons in de woestijn te doen sterven; wilt gij daarenboven over ons heerschen ? Wel inderdaad hebt gij oas gebracht in een land, waar melk- en honigbeken vloeien, en ons in het bezit gesteld van schoone akkers en wijngaarden; wilt gij ons ook nog beletten, onzen toestand in te üien ? Wij komen niet! â Op dat woord van bitteren spot ontstak Moses in toorn, en zich tot den Heer wendende, sprak hij: Gij weet, Heer, dat ik zelfs geen ezel van hen heb aangenomen en dat ik niemand hunner verdrukt heb.
Zooals Moses aan Gore en zijne partijgenooten had voorgesteld, schaarden deze zich des anderendaags met hunne 250 wierooksvaten aan den ingang der heilige tent, terwijl ook Aiiron met zijn wierooksvat gereed stond. Inmiddels verscheen de glorie des Heeren boven den tabernakel en de Heer sprak tot Moses en Aaron: Verwijdert u van dezesaam-geschoolden, opdat ik hen eensklaps verdelge. Maar Moses en Aiiron wierpen zich ter aarde en baden: Almachtige God van leven en dood, zal, omdat één gezondigd heeft, uw toorn tegen allen woeden?
Daarop begaf Moses zich, gevolgd door de oudsten van Israel, naar de tenten van Dathan en Abiron en sprak tot ue menigte: Verwijdert u van de tenten dezer goddeloozen en raakt niets aan van hetgeen hun toebehoort, opdat gij niet in hunne straf wordt mede-gesleept. Toen de menigte zich op dit woord verwijderde, gingen Dathan en Abiron met hunne vrouwen en kinderen (in uitdagende houding) aan den ingang hunner woningen staan. Nu sprak Moses tot het volk: Hieraan zult gij weten, dat de Heer mij gezonden heeft en ik niet uit mij zeiven handel: indien namelijk dezen een gewonen dood sterven, zoo heeft de Heer mij niet gezonden; wanneer integendeel, door een tot nog toe ongekend wonder, de aarde openslijt, om hen met al het hunne te verzwelgen, zoodat zij levend in het doodenrijk afdalen, weet dan, dat zij God gelasterd hebben. â Nauwelijks had Moses deze woorden voleind, of de aarde scheurde en verslond de goddeloozen met hunne tenten en al wat zij bezaten. Op hun angstgeschreeuw zetten de Israëlieten, die daar rondom stonden, het op een loepen, uit vrees, dat de aarde ook hen zou inzweigen.
Een andere straf werd voltrokken aan de 250 man, die bij den ingang des tabernakels bezig waren met reukwerk te offeren; een vuur, door God over hen afgezonden, deed hen onmiddellijk allen dood nedervallen. Daarop ontving de priester Eleazar het bevel, om de wierooksvaten, waarvan de getroffenen zich voor hun eerzuchtig doel bediend hadden, te verzamelen, ze tot platen uiteen te slaan en deze aan het altaar vast te hechten, ter altijddurende waarschuwing voor alle Levieten en voor geheel Israël, dat wie ooit, als Core, zich de rechten der priesters uit het geslacht van Aiiron zou aanmatigen, ook met Core zou vergaan.
In plaats van door deze verschrikkelijke straf gestild te zijn, brak het oproer des anderendaags in nog grooter hevigheid uit. Met den vervaarlijken kreet: Gijlieden hebt het volk Gods gedood! liepen de Israëlieten van alle stammen tegen Moses en Aaron te hoop. Weldra werd het geraas en getier zoo algemeen en zoo dreigend, dat Moses en Aiiron de vlucht namen naar den tabernakel des Verbonds. Doch ook nu wederom vertoonde zich de glorie des Heeren boven de heilige tent, en de Heer gebood : Verwijdert u, Moses en Aiiron, van deze menigte, want ik zal hen allen verdelgen. Oogenblikkelijk gaf Moses, ten einde den toorn Gods af te wenden, aan Aiiron het bevel: Neem uw wierooksvat, leg er vuur van het altaar in, strooi daar wierook op en begeef u spoedig te midden van Israels kinderen, om voor hen te bidden; want reeds .worden zij door de wraak des Heeren getroffen. Aiiron plaatste zich nu tusschen de dooden en de levenden; zijn gebed steeg omhoog, en de vlammen, waardoor het volk verteerd werd, hielden op te woeden. Het aantal dergenen, die in den brand waren omgekomen, beliep veertien duizend en zeshonderd, ongerekend de tweehonderd en vijftig man van den vorigen dag.
Nadat aldus aan het oproer en zijn straf een einde was gekomen, beval God aan Moses: Spreek tot de kinderen Israels en neem van elk der twaalf stamvorsten een staf; schrijf den naam van lederen stamvorst op zijn staf; neem bovendien een staf van de zonen Levi's en
IMjlMXSCHli GESCHIEDENIS.
schrijf daarop den naam van Aaron; leg deze gezamenlijke staven in den tabernakel voor de ark des verbonds, en de stat' van hem, dien ik mij tot priester heb uitverkoren, zal bloeien. Zoo wil ik voorkomen, dat de kinderen Israels in 't vervolg andermaal tegen u en Aaron morren. Toen Moses, na aldus te hebben gedaan, des anderendaags den tabernakel weder binnenging, vond hij de staven der twaalf stamvorsten onveranderd terug; maar de dertiende staf, die van Aaron, was vol bladeren, knoppen en bloemen, welke zich openden en amandelen voortbrachten. Vervolgens bracht hij de staven uit den tabernakel naar buiten, opdat het volk zich van het wonder, door den Heer gewrocht, zou overtuigen, en nadat dit geschied. was, werd op Gods bevel de bloeiende staf van Aiiron, tot een altijddurend aandenken, in den tabernakel bij de ark des verbonds bewaard.
1. Zooals uit Numcri XXVI blijkt, bicven de zonen van Core bij den ondergang huns vaders gespaard; zij moeten zich dus aan zijne zonde niet medeplichtig hebben gemaakt.
2. De staf of roede van Aiiron, welke bloeide, is eene andere dan die, waarmede dc wonderen in Egypte en in de woestijn waren verricht. Deze behoorde eigenlijk aan Moses, en al werd hij, evenals tie bloeiende staf van Aiiron, in den tabernakel bewaard, zoo zien wij hein ook in't vervolg nog soms door Moses gebruikt worden.
5. De gebeurtenissen, in bovenstaand hoofdstuk vermeld, hadden plaats in het tweede jaar sia den uittocht. De verdere lotgevallen der Israëlieten in de woestijn, gedurende een tijdperk van 38 jaren, worden door de H. Schrift stilzwijgend voorbijgegaan. Wat in het volgende hoofdstuk zal worden behandeld, behoort tot de geschiedenis van het veertigste jaar, waarmede de gewijde schrijver den draad van zijn onderbroken verliaal veer opvat.
HOOFDSTUK XLIV.
D O O D V A N M A R I A. W A T E R UIT DE ROTS. DOOD V A N AARON, DE VURIGE SLANGEN.
u, a lange zwerftochten kwamen de Israëlieten in de woestijn Zin en sloegen ('gelijk 4',U^Pk zij dit ook voor 38 jaren gedaan hadden) hun leger op te Cades, waar thans } v Maria, de zuster van Moses, stierf en begraven werd. Dewijl liet volk hier gebrek aan water had, begon het weder tegen Moses en Aiiron te morren en zeide: /j? Hoe hebt gij toch het leger des Heeren in de woestijn kunnen voeren, waar wij en [ ons vee van dorst bezwijken ? Moses en Aaron begaven zich daarop naar den tabernakel, om in het gebed hun hart voor God uit te storten. Heer God, baden zij, verhoor toch het geroep des volks; open het een bron, opdat het zijn dorst kunne lesschen en er aan het gemor een eind kome. De Heer antwoordde ; Neem uw staf, vergader de kinderen Israels en gebied in hunne tegenwoordigheid aan de steenrots om water te geven. Moses nam dan zijn staf, die op Gods bevel in den tabernakel bewaard werd, voorts riep hij de Israëlieten bijeen en sprak tot hen: Hoort, gij wederspannigen en ongeloovigen : Zullen wij voor u water uit deze steenrots kunnen doen ontspringen? Vervolgens sloeg hij met den staf tweemalen op de rots, zoodat er overvloedig water uit voortkwam voor menschen en dieren. De weifelende toon echter, waarop Moses bij het verrichten van dit wonder gesproken had, mishaagde den Heer dermate, dat Hij tot Moses en Aiiron zeide: Omdat gij ongeloovig zijt geweest en mij niet voor de kinderen Israels hebt verheerlijkt, zult gij hen niet binnenvoeren in het land, dat ik hun beloofd heb.
Terwijl de Israëlieten zich nu gereed maakten, om van Cades te vertrekken, zond Moses mannen tot den koning van Edom (Edom is de andere naam van Esau, gelijk Israël die van Jacob), met de boodschap: Uw broeder Israël laat u weten: Gij kent al de moeielijkheden die wij verduren: hoe namelijk onze vaderen eerst naar Egypte zijn vertrokken en daar langen tijd gewoond hebben; hoe de Egyptenaren ons en onze vaderen hebben verdrukt; hoe wij eindelijk tot den Heer hebben geroepen en de Heer ons uit
BiiBFLSCHi-; GHSciiii-:nr;N'is.
hgyptc hcett verlost â en zie, nu bevinden wij ons te Cades, dat aan de uiterste grenzen van uw gebied gelegen is, en smeeken u, ons te veroorlooven, om uw land door te trekken. Wij zullen niet over uwe akkers of uwe wijnbergen gaan, maar langs den gebaanden weg; uw water zullen wij niet drinken en noch ter rechter- noch ter linkerzijde afwijken. Edom antwoordde: Den doortocht over mijn grondgebied zal ik u met het zwaard in de hand beletten. De Israëlieten herhaalden: Inderdaad zullen wij gaan langs den breeden weg, en indien wij of ons vee aan uw voorraad water raken, zullen wij het genotene betalen en geen zwarigheid maken omtrent den prijs, terwijl wij bovendien snel zullen voortreizen. Gij zult, was nogmaals het antwoord, mijn grondgebied niet betreden; en de daad bij het woord voegende, trok Edom gewapend tegen Israël op. Dientengevolge sloegen de Israëlieten den weg in, die naar den berg Hor geleidt.
Toen zij daar waren aangekomen, sprak God tot Moses: Aaron zal bij zijne vaderen verzameld worden; want om zijn ongeloof opzichtens het wonder met het water te Cades, zal hij het land, dat ik den kinderen Israëls schonk, niet binnengaan. Beklim dus met hem en met zijn zoon Eleazar den berg Hor; ontdoe daar den vader van zijne hoogepriesterlijke kleederen en trek ze den zoon aan; hierna zal Aaron op den berg sterven. Zoodra dit alles volgens het bevel des Heeren geschied en Aaron gestorven was, daalden Moses en Eleazar den berg af, en de geheele menigte van Israëls kinderen beweende den ontslapen hoogepriester dertig dagen lang.
Van Hor wilden de joden het beloofde land binnentrekken langs den weg, dien vroeger (voor 38 jaren) de verspieders genomen hadden; doch de Chanaiinitische koning van het landschap Arad, dit hoorende, trok tegen hen op, versloeg hen en keerde met buit terug. Daarop legde Israël de plechtige gelofte voor den Heer af: Indien gij dit volk in onze handen levert, zullen wij zijne steden verdelgen. De Heer verhoorde dit gebed en leverde den Chanaiineër over; de Israëlieten verwoestten zijne steden en gaven aan de landstreek den naam Horma, dat is: Banvloek.
Nadat alzoo deze eerste overwinning op den meest zuidelijk wonenden volksstam van Chanaan behaald was, trokken de Israëlieten het land door in de richting van de Roode Zee. Die lange weg begon hen echter zoozeer te vervelen, dat zij nogmaals tegen Moses aan bet morren sloegen en klaagden : Waarom hebt gij ons uit Egypte in de woestijn gevoerd? Het ontbreekt ons aan brood; wij hebben geen water; ons hart walgt van zoo lichte spijs; gelijk het manna is. Om de morrenden voor hunne herhaalde zonde te straffen, zond God onder hen eene menigte vurige slangen, aan wier brandenden beet er zeer velen stierven; zoodat er weldra een algemeen geroep tot Moses opging, ten einde door zijne tusschenkomst van God de afwending der plaag te verkrijgen. Hij begaf zich derhalve in het gebed en ontving van den Heer ten antwoord: Maak eene koperen slang, richt haar, aan een paal bevestigd, als teeken omhoog, en al wie gebeten is en tot deze slang opziet, zal het leven behouden. Moses deed, gelijk hem bevolen was, en de gebetenen, die de koperen slang aanschouwden, werden genezen.
1. Maria stierf in de eerste maand van het veertigste jaar na den uittocht, vier maanden vóór Aaron en elf maanden vóór Moses. /.ij bereikte, volgens een hoogst waarschijnlijke berekening, den leeftijd van ijo jaren; van Aaron is met zekerheid bekend, dat hij 125 jaren oud werd.
2. De zonde, waaraan Moses zich bij het wonder des waters te Cades schuldig maakte, meenen sommige Schriftverklaarders hierin te zien, dat hij in plaats van, zooals God geboden had, rechtstreeks de rots te bevelen, zijne woorden richtte tot het hem omringende volk. Anderen zijn, en wellicht met meer recht, van gevoelen, dat Moses inderdaad eenigszins twijfelde, wel niet aan Gods macht, maar dan toch aan den bepaalden wil Gods, om in het gestelde geval ten bate van een zoo ondankbaar en zoo ongeloovig volk een zoo heerlijk wonderwerk te verrichten.
5. De koperen slang is een afbeeldsel van den aan 't kruis omhoog geheven God-mensch, die de genezing en het leven schenkt aan al degenen, welke, door de slang des paradijzes gebeten, geloovig en verlangend naar Mem opzien.
87
88
HOOFDSTUK XLV. B A L A A M.
Mm*n den berg Hor, die ten zuiden van Chanaan ligt, trokken de Israëlieten op in èlpffljl noordelijke richting, langs de oostelijke grens van het beloofde land. Eerst j|$. ' kwamen zij te Oboth, daarna te Jeabarim, vervolgens bij de beek Zared en eindelijk (jj bij de rivier de Anion, welke het grondgebied der Moabieten en der Amorrheën scheidde. ^ Een van de koningen der Amorrheën was Sehon, die regeerde over de stad Hesebon ' met hare omliggende vlekken. Sehon weigerde den Israëlieten den doortocht over zijne bezittingen, trok met een leger tegen hen op, doch werd verslagen, en zijn geheele gebied viel den overwinnaars ten deel. Dit gebied lag midden tusschen de landen der Moabieten en Ammonieten. Aangaande deze beide volken beval de Heer aan Moses: Tegen Moab en Ammon, de zonen van Lot, zult gij geen strijd voeren, en van het land, dat zij bewonen, zal ik u niets geven, omdat ik het aan hen geschonken heb.
Na Sehon te hebben verslagen, trokken de Israëlieten naar Jazer, veroverden die streek en deden de bewoners voor de macht hunner wapenen wijken. Vervolgens zetten zij hun tocht voort naar Basan, welks koning Og hun met al zijn volk te gemoet trok oin slag te leveren. Doch de Heer sprak tot Moses: Vrees Og niet; want ik zal hem in uwe handen geven, en gij zult met hem doen, gelijk gij gedaan hebt met Sehon, den koning der Amorrheën, die over Hesebon gebood. De Israëlieten versloegen nu Og en namen zijn land in bezit.
Van hier trokken zij verder en legerden zich op de velden van Moab, aan de oostzijde van den Jordaan, ter plaatse waar aan den anderen kant Jericho ligt. Toen Balac, de koning der Moabieten, dit vernam, en zich tevens herinnerde, hoe het den Amorrheën in hun strijd met Israël vergaan was, stelde hij zich, uit vrees dat zijne eigene krachten ontoereikend zouden zijn, in verbinding met de vorsten der Madianieten, tot wie hij zeide : Dit volk van Israël zal allen verdelgen, die binnen onze grenzen wonen, gelijk een os het gras pleegt af te weiden tot aan den wortel. Voorts zond hij boden naar Balaam, den waarzegger, die aan den zoom van het land der zonen Ammons woonde, om hem te ontbieden en te laten weten: Zie, uit Egypte is een volk gekomen, dat het aanschijn der aarde bedekt en vlak tegenover mij gelegerd is; kom dus en vervloek dit volk, want het is machtiger dan ik, wellicht zal ik het dan kunnen verslaan en uit mijn land verdrijven, ik weet toch, dat wien gij zegent, gezegend is, en wien gij vloekt, gevloekt zal zijn. De boden waren gekozen uit de vorsten der Moabieten en der Madianieten; zij brachten geschenken voor den waarzegger mede en herhaalden hem trouw hetgeen Balac hun gelast had. Balaam antwoordde: Blijft hier dezen nacht, en ik zal u zeggen, al wat de Heer mij gebieden zal. Des nachts nu sprak de Heer tot Balaam: Ga met deze mannen niet mede en vervloek het volk van Israël niet, want het is gezegend. Onverrichterzake keerden dus de boden naar hun land terug; doch Balac zond opnieuw vorsten uit, nog meerder in getal en hooger in waardigheid. Toen deze bij den waarzegger aankwamen, zeiden zij: Zoo spreekt Balac, de zoon van Sephor: Aarzel niet tot mij te gaan; ik ben bereid u hoog te eeren, en al wat gij begeert, zal ik u geven; kom slechts en vervloek dit volk. Balaiim antwoordde: Al gaf Balac mij een huis vol zilver en goud, zoo kan ik toch niet anders spreken, dan de Heer mij geboden heeft; doch blijft ook gij hier dezen nacht, opdat ik u mededeele, wat de Heer mij verder zeggen zal. De Heer zeide thans: Ga mede. doch onder dit voorbehoud, dat gij niet anders zult handelen, dan ik u gebied. Balaam aanvaardde dan des morgens de reis, zittende op zijn ezelin en door twee dienaren begeleid. Terwijl hij
no Sipaoui saa^w : ansof ioa jjBjds jodh sp ua 'puojs luai sSjlpii -isp SuïSui uap ueb atp ' ujoioa^iotó ap ui .raapj ap unq uaaips.iaa 'ua.iba\ uauuiq .njcp \vz b-ipoo^ â¢ja^Biuaqui nap ui iifiiuatuBzaS ïebS ua ansof dao.i ! [iqBu si spoop sA\n Si'p ap '312; : aiaq loj po^ BareBQ -uapjaAv pSiajpaq laAs. .taip s.i3pajj,i3Ao ap aaui.iEBA\ 'uayc.ijs a^hja^si.iqDsjaA s^aaj aSucj suaa suaAauaq 'uapuoq.iaA iaA\. spog uba uaAapu jaq ucu 'uoS^oa u3Suiua2az ap sasopY laij uaSuijqapjapuo U3 ua2aiuBiu.iaA a-iapue ajSiuaiu auaa Sou ua azap Jq
'Uvnoq laiu sinq jaq japaojq uau[iz aip 'ueuS ubui uauaa jaq jcz snpiY : U3§S3Z ua Suiaqac-iaA uba U3gt;{aaa uai uauiau jaoA uap uua uaoi(DS uap uiaq liz jez ooz 'A^no.iA ioj jam .tBBq jiav 'sji ; SuiJsppaA aujiz hq uajspuo ap jooa [iq lj(i|g 'j^buiu apucqas ai s.iapaojq suliz siuajqaupaScu ap (iq iep 'uaScpiuci: uajspno ap [iq uiaq ua (uap.ioA\ uapnoqaS ua8ui.iapB§jaAS5j|OA ap jbeav) ubeS yoodspt-js ap .iubu (iz |uz ucp ' u3Auu[ aj aAMipaAv ap .iapao.iq ap i.i3§iay\Y ('uajaoA uaAlqq 's.iapeA uaSia sunq 'subiu uap33As.j ssp ilibeu uap uaijnz .lajqaa iia.iapuiq ajapjaA ap) f uappS u3uapapiaAo sap uooz ap sp pz 'ua.ioqaB â 5iIi[3Mnq 3A\n3Ri i3q iin 'iituds 3qli[3uuEUi ajsj3a ap ï uagt;ppA\.iaA ai ieezeu uauaa .lapaojq uaAJOisaS uap .iooa 1110 'uauiau a\no.iA joj aA\npaAV sp (iuBM.iaAp30[q ap.iapjuuaA .laaiu uaa sj3puB jo) .lapacuq uliz jez UBp 'uaiE[ ai .laupE ua.iapuiq .lapuoz 'ubiu uaa 3j.iai§
â¢3[Oisu[iM. u3A\n uba ua uatuooqjlqo aaa\n uajqaujA ap suauppdo uaop (ig qnz safqaSssQ â¢uauunS saaAV uap ua aA\npaA\. ap 'Suippiusa.ia uap JEBq .ieecu 'uapq ai .ieeij mo ua.ia3gt;[j3paAS. piu I18 qnz 'iqnq U313S.I3A .is^jqB uap do jooqas 31133 uassBA\a8pi3A .iaA\n uapuiEZui jsq !iq (ig sjy â¢;BBSj3puo uoz 3p .iaa 'uapjaq uiaq hg qnz 'ajjqau-iaA ppq.iB ujiz (iq do.ieeav 'Sep uapjpzuap ;u3isn.i3q ua]b[ ti japuo isui aSiyaoqaq U3p uba uooppaM. ;aq qnz (ig â uaui3u pubd aj usAaj ufp si jip iubav ; piiEd 3j uiaq uba uajouipuEq uliz uba uasjs u3is.iapuo jo uaisuaAoq u3p jaiu luiaa^ â¢uapuiApsoS ujiz jeeu 3Suajq pui'd uas n [pj jBpjoj ' usiqabav uebjs jnsp ap ueb qnz (18 .ibeui 'uauiau aj ptiEd 101 sjsi rao 'ubeS sinq ultz ui jaiu (iS quz 'si Sippqas n (iq u33Sjaq aqosi3Sn.iai jspaojq Avn uba (jbeI apu3A3Z jaq uajinq) (18 sjy
â¢35[llA\JB 13UI 13AV ap UBA U3 's.I3p30.lq au[lZ U3AOq 3p3l[.I3A 'SjlipipSJO.H 13IU ipiz 'U3Z33.IA ajaa[ pog uauliz .133H uap (iq iBpdo 'suaA3[ sujiz uaSEp ap p uaz3[ ui .ia ua uaqqaq qiajaq ujiz .lapuo spaajs liq jez ïpoq jeq 'usyBips.wA U3|piz luaq s.iajsaud sp IBp 'ljUipspuEq i3i[ .iebu u3A(i,itps.i3A0 qaiz .iooa iaA\ .lap qaoq jip [iq pz ucp 'u.nuiuoppq psaz uagt;i(ii^uiuoii uap (pi yaajq â¢i^zo^aSiin si por) .ioop atp UEp 'uliz uaSoiu japuE uaaS jip pz 'uajpjs 5jia\ n J3AO Suiuogt;[ uaa 'uatuopo puBj 3pjoopq iaq ui 'hS .laauiiE \\
'ijssq Sipoou (iq iea\ 'uauaaj
jpnoz laiu uiaq (18 lEp 'apaoAS. ^eez.ioo 11338 ua iiapuaA\je sop .I3p30.tq ua.wn uba i3iu 800 jaq n 3}ipEp3S aip jBpdo â apuBEisuBE si (uap.iOA\ ubjj p.i3p.io.\a8Sn.i3i jaiu apu33p8 jaq uueba) Suip]3ipsj[ia\q .iap jee! jaq '.iee[ apuaAaz jaq : uaaio)[do n ui jaiu ajipBpaS azooq ap UBp ibb| 'ua3[ .iai sjai n hq iSbe.ia ug 'usuado jjtipppui az .ibeui ' U3iinp uiaq .iooa lain puEq a-\\n 113 u3p.1uq.13a j3iu paoiuaS a\n [18 jjnz 'jqeEjaS 3p30iii.ib 111 u3i.iood 3a\n uauuiq s.i3p30jq a3a\n U33 sjy 'SuipjaqDSjliM^ .iap jee( jaq si jaq jueav ! 3isebu u3Mn uba i3iu 'u3j3p.10ASn.13j apSip|nqDs.i3A iaq liS 5iingt;[ SuijauiosjuEE U3p us apui3a.ia uap uba fsi 8ip]tups n aisEEU A\n jo puauA ami ieav uappqDsi(ia\gt;[ [18 jjnz (.iBidpqnj 3ui3[gt;| jaq) .ibe! apuaAaz }3i[ uj 'saaA\ U3p ua aAs.npaA\ ap ' Sui[3piu3a.ia uap .iooa 'uajaiAaq 3p .iooa u3J3puozjE apuau usa 8ou (18 qnz jbbI 3p.i3p isq uiq 'n .i3puo papuEE .lapuB ud3s uaqqaq (iz jueav 'uaj33p3iH uea.iBBp uapnz u3i3iA3'j sp f js3t5jj3a lis iba\ ' U3J3 u3 U3doo5] sjEEpi aSqiaq 3p do ppS Jip uba ua ua^Btu appS 3i uapu3ij ap (iS jpiz UBp ' p.i3p(ia\.i3a sinq aui uba .isa 31 siBBjd 3ip si â¢U3Z05j3Sjin ij33q J33J-J 3p aip 'siBiqd aSqiaq ap ui 53q jaa ua 'jp.io.w ua.ioqaS U3ppnq aAvn uba n jo ipo.iS j3}iqE ami do s^hpebl uaaSi, uba je aip3paS apuan pq }J3puo2
â gt;ip.\ pSiii3q383oj 3po0 usa j(iz (18 .ibeui ' uadoo^wa ai3q pq jo U3Aa8 jip |iS iSooui 8tiippiua3.ia uap ueb 5 si u3A.iojs33 ieav 'uaja liS qnz uiiuu3Ag -uaja }3ui (18 qnz uaziiuiu33[a ua uaddoq ' u3ub5]ipd 's.iaqinp 'uassiqi 'u3tiB.uz ' siaSia.i qoosp 'u3gt;(p'A us iKipn ' spSoAsuuis suaAauaq ' si upEpaSusABJ jaq uba jbav sanE ua ua^^iabq '1134318 'uapuajE sp'ooz 'auiajuo 3p .ibeui fspSoA aupj ap uaj3 (iS jpiz ^oq
96-
-up-iuo si '.laupa si pqnipsnSuo iuav ! Jjsoq uaqqmps ua udz31iaui3A\z iba\ 'uap.icm udio8d§ \sz uaipssi.v op .mpuo jam joq icprao 'up.iuo 'jliids u3A\ni;p[ sufiz iep c us^.ika
laq -sjoo si ooz i u0AD0q usjajdsaS uaaS (iz uaqqsq ' u3a\m;5j.ioi[ (iz uocnpsjo jucas. ' uia-iuo ujiz SEBijSuuds ap ua SEïq ap 'pauicq 3Q quot;uaja li§ aSooiu 'jMn^iaq suaAai ua yaaq uaAunq-^ uajajdsaS ieas. sajp ' pjooAS. uaa ui 'uajiaSS.iaq 'ua^-ijoquaajs 'spjjnq ' uaaaj 'uawaq 'ua.iapunx 'ua-iaip auia.uio uaa§ jag -uazoiiaSiin jjaaq po£) A\n .laapj ap aip 'asiuBid wi jbeiu 'ppinppaoS n iai[ .iüïav 'j§cc.ipdo [b.iaao jaiu sjajopuKjq atón liS ii3p
â¢uaui05[uu jpnoz jaq [iS jcpdo 'wïq ami ui ua puoui uaA\n ui si iaq f (iq^u .iaaz n si pjoo^ jaq .iïcj-v is; uapoqaS iba\ 'uaop ua ua.tooq !ia\ u'pdo 'uaSua-tq suo jaq ua uajpjs.iaAO aaz ap \V7. ai^V : upnjAqn ap .iooa ujiz noz sjBEjd .ia icpooz 1 aaz ap jbao aaq j§q uiiuuaAg ^uaqna-iaA }aq [iav aputa uoi 'usjvq aj .iBEp urA suo jaq uio 'uaSjijs puiaq uai [uz jazuo aiy\\ : uaSSaz uauun;[ jpnoz liS lïpooz 'puiaq uap ui aaiu jgq jaq ï ua^aoz ai jsa qaou 'uaSouuaA A^n uaAoq jaiu si 'pnoq.iooA uapaq n -sji j^p 'poqaS iaj^ ipp 3A\n paqaS iin ua ai.iïq jatpsucS uua juaip uioji ua juiuiaq iuap{ 'ippunav uaSaAV auliz ui 'isoa.ia luapi jiS iep UBp 'n uüa s.iaput: pog A^n .laapj ap isuiua jbav j pe.isr o 'uup
â¢yaaq ua.ioA\zaS ua.iaprA aAui uet: [ipj uaip ' uaop 3ppA\ pucjsaS paa uau[iz ua puq jaq n jqi jBptuo .unnu â Siq^aupauq aiuauiaAoq iliz (i§ liiUiVi â uajjrq sAvn ppqSiiqaa.iaS ap uea jo pgnap aA\n uua aniAs. uio ipaq ua^uoqasaS jaiu put] auooqos j]p n pog A\n .laaj^ ap ivp 'p.iaijaz.iaA isaaAv qaop 'â iiap.io,vva§ pSuaiu.iaA 'ppqsoopppoS auunq suaSaAS. 'jsuio^ube aA\.n do ' uapuooAS. .laiq aip ua.i3^[0A ap uliz .rem si 13a\ quot;pjajsaS yaaq puB[ 5ip uea iizaq jaq ui [tui pof) lüp 'pSnap au[im mo si ia{-j : uaApz n liq jam ^oo aA[i:q.iop jSa^ â soojj luopua.oia .lapuozliq u(iz aoj ua.iagt;iiOA aip yn qaiz lif] jup ua uooqaq .laaj-j uap arp 'gt;[[oa uaa ijiz s.iaaiuii 1t0 's[ud uauiuivp ap ubu â 5[.iaA\ppaq uapausaS unq yaao ua jin uaqassoq aSijpq auunq ipo.i 'uappaqspoSjB auunq qazluqjaA 'laoA uap Japuo ua.iBjp auunq snp yi:i'pi 'uauaip uaop ai uapoS apiuaaJA uaq iuo 'ua^Eiu 2i1[ïajt; poQ ui:a ua uapppiaA uauoz aA\n (iz uaqnz qaoa sjapue f uauooqasjaA ai uaq japuo uaSiuaa jo uayn[s aj puoq.iaA uaa puciua; jam japuoz 'uBïjsjaA s.iauo.wui ap hS ynz 'uauiau JbeS yzaq lig uba.iehav ' pucj jaq ui uaqqaq upwqaS pz n po0 Mn jaa^ sp -laauuB/^
â¢jbe[ ajsou.iaaA jaq nu si jaq 'jaiz ua 'uapajjaS pspoqas ii(iz joop jaiu si jsoa A\n ua uajapiaA uiop.iapno uea jaiu u[iz ua.iapaap[ aA\fi â¢juiogt;ij.iooa puoiu spo^ jin jEp 'p.iooAA .iapai uea jeeui ' uaa[]E poo.iq uea jjaa[ jaiu qssuaiu ap jEp 'uauooj aj n uio 'euueui jaui n jq-j spslids 'jpaaj ^a.iqaS (18 uaoj^ â¢uaAao.idaq aj ua ua2ipaouijoo.iaA aj n uio 'piapSpuoa jjaaq u[ijsaoAv ap joop ua-iEf Sij.iaaA n poQ ami .taaji ap do.iECAv 'SuqaEpui SaAV uaSuE[ uazap ^00 spaajs j}[i[g -uajag-iaa aj 'joop n jaoi jaajq ap JEp 'puoq.i3a jaq iuo '[aEJSj o 'jooa gippAgjoz uEp n .ia jqDEy\Y â uaui3u jizaq spuiS .U'Ep puE[ ajijqayojjjooa jaq uea ua uaop jaq jjnz aajqaa [18 f u3gt;[gt;pjj.iaAo j3iu uEEp.iof uap jez ua u(ijs30av azap ui j.iajs yji 'jajz
: apuaSpA jaq gt;]oo sasoj\j ijE-ids â jeejs ppauaA 'joojS ua^^jnjspjooq H ' ujniaiouo.i3jnaQ'^3oq jaq ui sajp uaaSjaq â .waai [aaA .lapuQ quot;jaq.iaA ua-isa^ sap ua§3As. ap jaq jasuuEAV 'uayajj uapnoz ppjliA\ja8uo jaq atp 'uapnoq 3j uaisoo jooa uaduiEj ayjlipjj^uqas 1 -jaA ap jaq ua uauEuuaA aj ' uajqai.uapuo aj gt;[ioa jaq jaui jqaEjqjoop ua§Ep ajsjEE] i uhz '(uaAaj aj puBEiu auaa jaaAaSuo ocu piu[ liq) ap.iapBii apuia ufiz JEp apuajaM pb 'saso^ jEp 'jaq sea\ jbeq 'qojop-i uap uea jaA uazpjsep jp 'suEEpjof ssp apliz azap uee 'qEoj\' uba uaj^bja ap ui ua§E[S3Sdo jaga] unq uappcq uajajiaEJsj aQ â¢aidA8y uea jqaojiin uap bu jbci ajsSij-iaaa jaq uea piiBBiu apjp ap suEqj sea\
â¢Ciooa n h nhcivci hxsxvv1 .shsow
'iiAix gt;inxsaHOOH
i6
'SINHOHIHDSHD HHDSlHOfia
â¢sm simiiueis sp.|l3210ti )]n ciAii;ii«p psof mogopmiq joi.s% 'bi.r-j^ pSvcj^ 'jj op ,3iu ^adà pq -e -o -E.WJIQ 'siuvis sivri[ urm ii.i.i joui ua.wnojj udjssoiu 'usppiui sjopoojq ua»» aip ; uaSSaz [i.w jtp 'sjDupopjJa sp nt|»is 'jooadswoDA ujjapaogmius jop 3uujva\joa uaaS jmitup icptuo 'iiapijAv (iz uoiav »sui uaAvnq snp uapuojj uz ijizaqpjojg uaag japsA unq uca uaSuiAiuo 'uajm uauoz gt;|oo jccav 'uauuizaSsniq sjaiqaop bq -z
â¢Sui^^ajiaq uaaS suiuoAsgiiuaojiin
mil prq uaq do ojqjnf mn; o^iuop tioai â icujs Sjaq uap uea uoqajisiuo ap ui a- -o 'sjapja uapuooA\ pqsaS lip uva qjoj ua^iu ouapmpsja^ -UCTisaq ai do m-ipviv ur\ jq.iiqsaS apaqag jaq jaju jajqsa ppiq pauuucQ 'pjao-iaojin liwpogjr na ppquapuoqagno auunq uio ⢠pAaq spon do ' uliz ai uauuoAuaAo lacjsi joop ru napjaA^ ua MazaSaaau uaiaiquojAj ap japuo qaiz uappcq 'si ua^ojdsaS uaAoqjajq sjav iiua ⢠uajauieipcj^ ag -i
'uop.ioM pS[OADx? iiaj[UAoS 3gt;i[!pSi.ioos ui j0ju1 gt;100 |uz jaggj azap uiouiau usooiu uirjs uoSp .im| iin supsis nzna^ jajcq uiuu nap prci|d[i:s uba sjajipop ap jrp'w.ik ap i|aaAaq uiojrup uaqqaq assuuriY uba uauoz oq : ua.a\w Sip.ioo.v\ua8aj
pnoq.iapuo jip (iq aip ' uajaipiusi 0P ï0! do.n;i;p ^Bjds saKoi\' -ua^BjaS uapnoz pguauuaA .iapuv;i[a .tapuo uaumuns apiianapsjaA jap ua.iapaoS ap ua umqiaS p.i3M jaiu ai .iaaA\ pucqjauiBZ -Suiq iiapuo.tx) .iap iuipapjaA uagt;puu ai nu ap jup 'uaqqaq SioAag joj jip jsaoiu ooz 'jooa uaip;Aaé o^hpSjap .laaui Sou .laiiq qaiz uapoQ â¢iun:8.iaAo noz uibjs uajp ui asscuü^ quot;ba uaSuujizaq jap pap uaa 'uuns uo.ioput: uaa 5111 uauuEiu jaui uaio]? ^(ipMnij uaa sjaupop appopaq ap .iaauuBA\'jbp'do sasoj\; ^[ipuiBii .ia uazaAV 'pBq p.iooqaq piuiqdiBg uibjs .ioiav jo] 'assbubjy quot;ba uauoz aQ 'P!'Bqd[Bi,' uba sjaupop j[ia ap uia.muo SiuiBdaq aj5|BBUiag .laSaojA ap suaiqaizdo piaqguBMz auaa jojjaq jan 'JaAo uapaSaj ai ja paiq Surp uaa go^
â¢ua.inisaq uaisaom guipapjaA ua guijopaA ap ansof ua .iBZBajH lam aip 'uaa uauiuiBis apuiaouag .iap ^qa lm 'uauuBiu uau spuoisuBB sasojv apiuaouaq 'ubbS noz jjjaAA .ibbi| 111 ^ippjo gt;ibbz azap jBpdQ 'uapjoAA ppapjaA jsaoiu io] laq uba loppiiu .100p jaq agt;[iaA\ japuo 'uazaA\agao} assbubjv uibjs uap uba ijpaq a.iapin: ap ubb ua uaumiBjs agi.iaAo uaSau op ubb nu p.iaAv suBBp.iof sap aphz auag ubb piuq japj 'gumizaq ojsba uaa joj 'Sq ua uoipg nagujuo^ agipuiuooA .iap ua^lu ap ui uaSapg 'ua(uapuB| ua^uapajs ap assbubjaf uba uibjs uaApq uap ubb ua pBQ ua uaqnfl uba uauoz ap ubb sasojAf jrg Juapa.iAaj guuBpi-iaA azap jaj^ 'uagpsaA aj paiqagpuojg apgBB.iAag uaq .ioop jaq do paog j00a qaiz 'ppjsag sbav jaapj.ia ufiz uba jizaq jaq ui pB.isj ]aaipS jaauuBAv 'jsjaa uio ' uaq^a.ij.iaAo tiBBpjof uap uauuuBjs ajapuB ap jaui sjaga] sap sjids ap ubb uaApz uz uapnoz 'pgqpAaq uinpdtuoj.iaAo asjjippiiBliA ajqa uagaj 'uauoA\ uaAaiq uapajs apjnnuuuo A\nauido ui aaA ja ij jam jBBp azap iiiauaj .ibbiu iua^iuu jqupsag ua-iapupi ua uaAvnojA auunq jooa uaaqB gidoo|jooA uajs3A\.a§ ap.iaAojaA ap uappw. [iz ;gB[ guqaopaq auunq ui jam j^ajjsioA 'appz sasojv uaagjaq jsp 'uapjBB[5(«A 'apuapajj .lapuu dBjs uaa siappuuu; 'sjagBJA ap qaoQ «IBZ uaquaqas unq jaajf ap aip 'uasjBBjd ap .ibbu UBBg aj do uio ' j^uqasjB uba ja JoopjBBp uaq ||g JBp ' Jaiu hg idfuga^ juappj uaAa] gpsm uaa jaiq (ig ua uagt;ppjj aplujs
uaj sjapaojq aA\n UBp uajaojv : app.iooAvjuB sasojv -uBBpjof uap jaAo jaiu suo jjaoA ua 'jizaq ut pmq jip ' uajBiiaip uaA\n 'suo jjaaS ooz 'uagoo a ami in uaqqaq uapuoAag apBuag (iav uaipuj : gt;pozjaA jaq jam ' uaumiBjs ajapuB Jap uajsjOA ap ua jBZBajg ua sasop\' jooa 'grp iiajagt;pz do ' jiz uauaipsjaA 'uajBzaq pdBjsaaA uappjqagjin uaa pBQ ua uaqny uba
f6
'ui3.iiio si '.isupa si pqni[Dso§uo iïav ! jpaq usqqmps ua U3Z3I|\UI3A\Z 'uap.ioAv uaioSsS |bz uaipssiA ap .inpuQ jaiu pq jupmo ' up.iuo 'jlijds U3.vmie[gt;[ gujiz jup ' us^.iea.
33q ijoo si ooz f uaAaoq uaisidsaS iiaaS liz uaqqsq ' usMnrn.iaq hz uootpsjo juem, 'uis.iuo uliz sBuqSuuds sp us suuq 3p 'psunnj 3q 'usis (iS :§ooui 'iA\m;q.i3q su3A3i us yssq usAMitqq uaisjdssS ieas. S3[[E ' p.i00AS. U33 ui 'U3ji3§§.i3q 'usqqoqtiasas 'spjjnq 'u333.i 'uai-isq 'iw.'spun^j 'us-isip 3ui3.iuo U338 J3g â¢ii3Z05pg;m jj33q pog A\n .isaj-j sp 3ip 'asjKiqd jsi jbbiu ' igt;[unpp3og n 13q ,i«ua\ 'iSuBjpdo p.iSAO jsiu s.ioyopuujq 3ami jig uqi 'iSjog
â¢u3uiogt;[i'u jpnoz 13q [is jupdo 'ysq ami ui 113 puoui usami ui si isq ; [iqtu .laaz r si piooM. jsq .a'v;j,Y és! uapoqsS iïav 'u30p ua ua.iooq Iia\ jcpdo 'ua§ua.iq suo iaq ua uaqais.iaAO saz ap jez ai^w : uptqAjin ap jooa u(iz noz sjüBid ja jspooz ' aaz ap jaAO }aq acq uuuuaAg juaqriA.iaA i3q Iiav spuia uai 'uapq ai .lucp uca suo }aq mo 'uaSlns poiaq ua; pz jiazuo ai^w : uaSSaz uauunq jpnoz li§ lïpooz 'ptuaq usp ui jaiu i°q jaq ! ua^aoz ai .ISA qaou 'uaSouuaA a\n uaAoq jaiu si ' pnoq.iooA uapsq n â qi jup 'poqaS lajq ipiz aA\n paqaS im ua 31.u:q asqDsucS uua juaip ui3jq ua lutiuaq uiapj 'ippuEAV ua2aA\ auhz ui '1S33.ia luajq jig ;Ep UEp 'n uea s-iapuE pog ami .laafq sp jSeeja ibav j peasj o 'uup n^[
â¢jjssq u3.ioA\zaS u3.iapEA aAMi heb [ijq uaip ' uaop apjiAV pucissS pas uauhz ua pEq jaq n lijq jEpuio .ibbiu â §iqqaup.iBq aiuaiuaAoq iliz ji8 1UBA â u3i.iBq sAMi pisqSiupajaB ap uea jo pSnap a ami uba aii|A\ uio ipaq uaquoqasaS laiu puE| auooqas lip n peg ami .laapq ap lEp ' pjaqaz.iaA }S33A\ qaop fuap.10M.3S pSpaiu-iaA 'ppqsoojappoS auunq suaSaAs. 'isiuoquBE 3Avn do £uapuooA\ jaiq a|p ua.iaqjoA ap u[iz .ibb/Vi si 13A\ quot;PiajsaS jjsaq puE[ lip uba ipsq wq ui Ijui pog asp 'pSnap sufiui 1110 si ia{q : uaApz n jiq aaiu qoo aAjEq.iap i§32 quot;soo^ uiopusSia .lapuozjiq uliz ioj ua.iaqjOA a|p; iin qaiz lijq IBp us i.iooqaq .ia3jq nap jEp 'qjOA uaa jliz s.i3iuuii [iq -sliid uaimmqA ap ueb q.iaA\ppaq uapausaS unq yasquot; us qn uaqassoq aSqiaq auunq ipo.i 'usppaqspogjB auunq ipzluq.iaA 'isoa usp .ispuo u3,iei[e auunq snp IJEBj-j 'uauaip uaop a; uapo? 3piuaa.iA uaq uio 'uayfEiu SjUBAjc P03 uea ua uspppisA u3uoz 3A\n [iz uaqnz qaoi s.i3puE i uauooqas.isA ai uaq japuo uaSiuaa jo ua}in|s ai puoq.iaA uaa puEiuai law japuoz 'lanqsjaA sjsuomui ap (;§ qnz 'uauiau jbbS jizaq [18 UBAJEEM. 'puBf iaq ui uaqqsq iqoE.iqaS jez n po£) Ain jaajq ap jaauuB^
meeI ajsSu.iaaA iaq nu si jsq 'latz ua 'uapajjaS jasiacqas ufiz joop J3iu si jaoA A\n ua uaiajsaaA aiop.iapno uea isiu u[iz ua.iapaa[gt;[ aA\fj â¢uuoqj.iooA puoiu spo£) iin iBp 'p.iooAS. japsi uba jbeiu ' uaaqB poo.iq uea yaaj laiu qasusiu sp iEp ' usuooi sj n uio ' buubui jaiu n (ijq opsjids 'jpas] qa.iqaS ji§ uaox quot;uaAao.tdaq aj ua uaSipaoiuioo.iaA ai n uio 'piapgpuo.1 jjaaq ulijsaoM ap joop usje! gp.isaA n po0 ami jaapj 3p do-iBBAv ' giupcpui SaAv uaSuEj uszap ^00 spaais ij(i[g 'uajao-iaA ai 'joop n jam .laajq ap lEp 'puoq.ia\ jaq uio 'pB-isj o 'jooa §ip[nA§.ioz UEp n .ia upEy\\ 'uauiau jizaq spui§ JBEp puE[ aqliiajjaJWooA iaq uea ua uaop iaq Ijnz jajqaa (i§ ! uaqqaiuaAo jaiu uEBpjof usp jez us ujiisaOiYi. azap ui j.iais qi 'jaiz
: apuaS[OA iaq qoo sssoj,^ qe.ids â iebjs ppuuaA '}oo.i§ tiaqqmspjooq 'luniuiouojsmsQ'qaoq jaq ui saqB uaagjaq â .loom [ssa .ispuQ 'Pq-isA uajssjq sap uag3a\ sp jaq iaauuBAv 'uajja.u uapnoz ppj(iA\ia§uo jaq aip 'uapnoq ai uagoo jooa uaduiE.i aqlqaqqi-iqas 1 -jsa ap iaq ua uauEtujsA si ' uaiipi.uspuo ai qjOA jsq iaui npBjqjoop uaSiip aisiBBj \ uhz '(uaAai ai pubbui auaa jaaAaSuo Sou pEq (iq) apiapiui apuis uliz iBp apuaisM m 'sasoj^; iBp 'iaq seav jeeq 'qajopi uap uua .isa uszpjSBp jp 'siiBBp-iof ssp spliz azap ueb 'qEoj\r uba usi^eja sp ui u3SE[s3§do jagsi unq usppEq usisqaEJSj 3Q â¢sidA8ï[ uea iqaouin uap eu jbe} aisSiussA isq uba pubbui spjjs sp suBqj seav j3^|j^»|p
â¢Cl O o a N H N H CI V a 3 X S X VV 1 lt;S 3 S O N â¢1IA1X MOLSCMOOH
$6
'SINHQHIHDSHO HHDS'I3«fia
â¢sua simiums opjiozidi] im OAiEiiJop josof uiogopiiuq jdiw ⢠cijvjv; (itfin'iv 'H 'P l31quot; joij 't -o
-r.sv J!U â¢sunns sjsini ticui uod lorn us.wnojj umsDom 'usppsq sjapoojq uoaS nip : uaSïbz [iav jcp 'sjsjipopjjj sp nipn|s 'luo.idsjjoo.v uajspsoSuios jap Sukuvausa umS jiiucup icpiuo ' uopiiitt liz iidiav jsui nsA\nq snp ii3puoi[ liz Ijizsqp.ioaS nosg japuA uiu| uca uoSiuauio 'udjca\ usuoz i[oo jvcAi 'uoiiuizDSsnii[ jm sjsupop sq -z
â¢siiigt;ii|54i3q ii33s sumoAsSunsojitn
l.m| pin[ usij do !â ojqinf m-c .-«iiinp ii;mi â jcuis §.i3q uap uba us^djjsiuo Dp ui â « -o 'sjspts nspuooA\ â â paisos Iip uca qDOl uo^n otiopiDtjDSJD^ â¢ucrissq si do mnpcjv ur^ iq.-gt;i:iso3 oiMqsS joq jsiu jsjips ppm
â psuutiCfJ -piooji^in [uDpoSjï 113 pi.-iquapuoqsSiio suunq mo ' pAaq spor) do 'uhz 01 iisiiiioavjsao ijbjsj joop tu
â u,ipj3A\ us 'jszsSisau uaiajquojAi op japtio ipiz uoppvq 'si usuoidssS uoAoqjoiq aiA\ uca 'usjsjueiptj^ sq -i
'uop.ioAv p§[OA3S iinnrAoS a^lipgyoos in joiq ^00 \vz pSaj azap Uioiuou ud.001u uirjs uoSio .uuu[ jin supois 3znr»[ utnu nap pmjdicg uüa sjsjijDop ap
irp-.ind]| op jpsaoq uiojrrp igt;[!!ioi3 uoqq.-)i[ ossiiuuja; uua uduoz oq ; u3.u;a\ SipjooMuaSsj piioq.inpuo iip (iq oip 'uajajinKjsj np joi do.njvp gt;[r.ids soso]\f 'uo^iuaS uapnoz pSuauusA .iopuvgt;iio .icipuo uauuiiKjs 3puoi|iq3s.i3a jop luunpaoi; op no iu;i;poS p.ioa^ joici oj .iooav purqjouiBZ -oiiu| uopuo.iS .top iuqoop.ioa iiogt;p'ui 01 nu op jup 'uoqqoq SjoaoS jo) jip jsoom ooz 'jooa u3i]i:aoo ogt;i!i|oS.iop .loom Sou .lojri ipiz uopoQ -urrSjoAO noz uibjs uojp in ossein;^ uüa noSniui/oq jop [oop noo 'nuns uojopnc 1100 }jn uanniuii join nojojs ^(i|oamiij uoo sjojqaop oppopoq op .loouum'jup'do sosoja; gt;|(i[ouu;n .10 uozoav 'puq p.iooqoq piiKqdius iuujs joias. joj 'ossmirjY iu-a uouoz oq -priuidp^ iu;a sjoupop j(ia np jno.umo Sujitdoq apjmnnog .ioSooja op susupizdo piaqgumz anoa jojjaq japj -jaAo nri|.-gt;Saj 01 .10 joo|q Snip uoo go^
â¢uajmsoq uoisaoui gnqoopaoA no SuiiopiaA op ansof us .ipzcajT] lam oip 'uaa nainiucis opmaouaS jop gt;|]0 jin 'nouuinu nan spuoisuin: sasoj^ opaioouoq 'iibuS noz 5J4oa\ .uuiq 11; gt;|(iiapjo }|buz ozap irpdQ niapjoAv ppapjOA isooui io] 3311 UBA ppptui .loop J3i[ agt;ii0A\ .lopuo lt;u3Z0A\3§aoj assiuii;^ uuns nop uca ypq o.topiiK op UBB U3 uommms oéuoAo uoSou ap uuu nu p.i3A\ suucp.iof sap opltz suag ubc puiq japj -oinnjzaq ajsiiA uoo joj 'Sq no uoi|3§ naSuuioj aSipmt.iooA .iap uaijlu ap in naSopg ' nslijopucj U3 napois op 3sscubjy UBA IUB1S naAjBq n3p ubb no peg no nsqny uba noiioz op ubb sasojAj jrS ' uapajAsj Suub^jsa 3zop jojAf â uaSijsaA 3j p3!qo§pnoj§ spginuAog noq .loop joq do p3o.o JOOA ipiz 'pjojssg SBA\ jaapj.13 nliz uba ][Z3q iai| in joimsj [aaiioS jaauuBAV 'jsjoa mo 'uagt;igt;(3.ij.ioAo iiBBpjoj nap uauiuiBjs 3japiii; 3p jam sjo§3[ sap sjids op ubb uaApaz (iz uopnoz 'pgfliOAaq Sujpdino.uoAo B^ltppiiBltA 3^10 uoSoi 'uonoA\. uoAoiq nopojs 3p.iniuniuo Avnauido ut 33A j a i] lam .tBBp a zap |(ia\J3J jbbiii !uagt;ibm jgt;iups3§ na.iapnpi no u3A\nojA snunq jooa U33|[b gld00[J00A U3JS3AV38 3p.I3A0J3A 3p UOpjlM (tZ i gB[ gui|00p0q olllinil 111 jotll 15|0.1JS[0A 'optoz SOSO]V nooSiaii jBp 'napjBiq^jaA 'apuapaj; .topBii dsjs 1133 spppiuun 'sjoSb.ia op ipoQ i\V7. u35jnoips unq .iooj-[ op oip 'nosiBiqd op jbbh ubbS 3J do mo '^uijdsjb uba .13 JoopjBBp u3i[ [ig ibp 'lain Jig id(t.igas[ i uappj U3A3[ gijsnj uaa .loiq (ig j[ia\ na ua^ppji spjujs ii31 sjspaojq a ami usp iioiao^r : oppjooAMui: sosoja; -uBBpjof nop joao join suo uooa no 'aiz3q ui pubj lip 'no.iBU3ip uaami 'suo ijaag ooz 'nagoo oami in uoqqoq impnoAag aptniog (lai uoipnj : 5pozj3A jaq 13111 'U3UIIUB1S 3J3pnB J3p U31SJOA ap us jBZBop.] no sasoi\- jooa ' gbp u3.lagt;[0z do *IlZ ll3U3ipSJ3A ' U31BZ3q J3dBJS33A ll3p!3jq3gljn U33 pb0 113 113qny uba
â siNaaaiHDSHO aHDsiaafm t6
uauoz op nu .iubq â¢uajo.ijaSuEB iiDp.i3A\ uspiaM ouoa apA juuai 'suüBp.iof sap splizjsoo
op UBB p.I3AO.IDA u0^0.uspuv[ 3U]3p[ 3U3pi3q3SJ3A Sp33.1 SllBl[l UOppBq II3J3113EJSJ SQ
â¢pjcmaq is^-EUjaqB}
usp ui '131US] .13AO s.isqqsqpAsq ap uBA pi3q.iBBqgt;iUBp .T3p siu3loiru3§ apuo.inpi.iooA uaa jol '.ICZïaig 113 sasoj^ .loop U3p.I3A\ 's|agt;p[is SqjllA U3 p.I3pU0qU3A3Z pUDZinpU3US3Z UBA SpjBEM. a^IiliiaainzsS jsj 'u3gt;iU3q3S3S ozoq â¢u3Suijj3gt;]sjBq 113 iwipqjoo ' uaoiiujaSuiA 'iiapuBqmiB ua -U3aq uapnoS ubb U311BA3S si ia3p uaj suo jCiYv sajjB .i3yo udj .ia3{q U3p (im u3§u34q uiojrcp : MB.iqiuo muu 3i3gt;[u3 usaS na 'p^ajaS ' uspuojs suo .lapuo aip 'uajBpjos ap U3qq3q !LW : s3so[,\' ioi naqB.ids ptwzinp jsao swqqaqpAsq ap .ibbiu i qin.iqaS pi3qp§30A3q az3p uba u3niBinu s.i3pji.iis auoA\aS oq 'piuj pSuqoBiuaq l]i[ iba\ 'uapnoqaq J3p(i.us .Tapai iqaoui UBA.I3U| ! ppap.iaA i3iu p.i3Av 'u3[3sj3is.iaA ua pBB.isinq lt;na,i3p3aigt;| s[booz 'aABq a.icq]u oq
â u3p.oBBLu ua ua.iapup] ooo'üJ ua sjaza ooo'ij 'iia.iapun.i ooo'zL 'uadBips ooo,$£9 uai33p.i3A 3i .13 uaptA paipg iaq uj -uaiaiAaq ap .100a n3.i3puoz 3i jb pap aisoiijjiA uaa apu3gt;pgaoi unq isq uba 'isBjag pjaAs. u3i3ipBJS[ uaS[.i3A0 nop i uajpis .iBZBSjg uba gunpuqasaq .lai 'jaajq uap jooa uaSuqaisjaa sp ajpapsS aisp,i3puoqj|iA ipa s.i3p[uis ap uaisaoui ijpq acumq 111;/^ â¢iiauiBZ ai uayB ' uaiaqaBJsj agiiaAo ap ubb 3Jainu; ap ' uappBq piBBqaq iinq uap aip ' sjapjuis puazmp jpBMi ap ubb uazaM -38301 p.i3AV anaa sp ubajbba\ 'ppap.i3A uaijpq a^[i[3S aaMj ui liq p.iaA\ 'puoisaq napScBUi 113 u3.ï3puigt;[ U3U10U3°U3§UEA3§ ua saA im fiq .laAooz .iooy\ 'uaAaSaS uapjoAv Suiuiuiaisaq anfiz iniq i.3p ubb Sou 1S30U1 sbav ppga-iaS Sniuaiusjuo ua quot;uioiuia.i asp jund laq iBpBf^ â ppo.ids3Q uop.ioA\ .i3iBA\sSuix)Rua.i laui |bz aSi.iaAO laq 'iwpjoAV pjauiopS .innA iaq ui U3iinz uavjBZ 3.iBqpuG.iq.i3Ano a.i3p.i3A na ua'pooj'.lazli ',i3dogt;[ 'jaAjiz 'pnog : ijaaq uaAaSaS ss.-ojaj iibc [ip] q]aA\iaq '113.133^ ssp poqaS asq si iiq : appz aip 'jBZBajg joop pjBBdaq .ispBU p.i3Av 'uapaupsao isaotu Suiuatusnio ap do.iBBA\ 'szIiav 3q 'lainsuio n3p.i0A'i. 'si pSipjBBA -J3A inoi: jo .iBBq ' uaipa.Muaqqoq itn jba\ ]b suaAauaq 'uaps.iais.i3A ua pBB.isinq cua.iap3a[q sp'ooz '3Acq a.iBqpi ai;[BBUi3Si[nq ap [bz gt;joq pgiup.isS uap.ioA\ 2bp U3pu3A3z ua U3p.i3p uap pz ' igt;[bb, 3.uUbb ijsaq gt;ih[ uaa jo yaaq poopsS puBliA uaa aiA\ ! usAjijq siBBidjaSsj ap uaiuiq I18 qnz Smq u3SEp usAa^ : s.iaS(uyj aqlquaiuBzaS ap 501 sasoj^ gt;pjds si.iooy\
â¢u3pnoqaq (u3p§BBUi}su3ip sp) [i3 I.000LU sjaupop aguoj azoopppqas ap ua salspiu auisjq ap siqaajs : pcqsS U3qqaq SubSiuo uaiiiiELU lam ajp 'uaA\no.iA ajp 3A[nq.tap ipooQ ^ puaq5jojaq uaqqsq ua.taajq sap jb.iis ap ua apBuaSuo ap unq .ioop.nn;p 113 pja].t3A s|aB.isi uauoz ap pbbj suiBBpg do sip 'isiu isq (iz u!lZ ipiBEdsoo u3A3j i3q u3A\nojA sp ItS }qai| IU0.IBB^\ : s,ia§ai sap sjapjaoAUBB ap 101 gt;[B.ids na Siujooi |uj p.ia.w 'Sbz 'uap.iaoA3paui hz aip 'uaA\no.iA ap hq uaoi jbbiu ! laomaS 3; s.n:cuiiiA\.iaAo U3p sqpA sap najs.ioA sp ua JBZBaig i3iu SuiS sssoj^ â¢puB.iq ui usd.iop na U3pais auliz u3gt;|bis ua 'iBZsq hq u33oiaq p uba ua uappnq susip uba .laissaiu ipiz toj^bbui 'uaSiiBAaS spuBjiA sap ua.iapuigt;[ ua u3A\no.iA ap uaiucu 'josg uba uooz uap 'uiBepg qoo uappoop ' usis.ioA aqDsuajuBipi;^ jIia ap uaSaojsjaA jtz f pBjda§az ap uappBipq u3i3i[aB.is][ sq 'uaqq3.11 31 do uBipBpY uaëai ' umi apjuis uai asiu uaumzBq aBqisq ap atp ' saauiqj uooz s.iBZE3]g uba apppS jspuo nio ' u3uadBA\ uapnoz qaiz uboi puazinp uibis us.iapai im IBp ' [3Aaq iaq qjoA pq ubb sasoj/v ji;S spuoisuBy quot;uaiaiUBjp'BjAj sp do sjaBasj uajapuiq ap isjaa Sou 'ijjsis (iS .iooa 'qaaj^w isssojy 101 .ispaA'i po[) qBids wuBBp plu uaSiuag â¢pBq uajoAaq iii3L| .laajq ap q[ip§ 'nu paap sasopv 'siob.isj usuoz sp p isiu [uj 'usjsaqSniai us U3qgt;p.uip [iq pz .iBZBspq uba p.iooA\. laq do na 'ubb§ apBJ ai Jaaiq nap (iq inaq .iooa .iBZBapi pz uBp 'usupLusA si SuippuBq aSinpiA\aS ansa [iq ysafj â¢a.isisin| uapAaq au(iz jbbu -jjpA jaq apuia usi 'jsao lUDq do ppqgt;ilq.ioaq .iaA\a jaap uaa §Biup ua apsiu uspoqaS snfitu uaip uba ua.iooqiiBB usi lusq jaap ! ua.tapun] spB-isj uba aiSiuaiu aqasuBS ap jooa us 'jsisciudsSooq nsp '.iBZE3]g jooa uisq .isoa 'do piiBq sA\n msq Saj !pjnA.iaA si isaag uanlira uba sip 'unjsj uba uooz nsp 'snsof oiasjyj : .iap3A\ qs.ids .isspj sq '.tsp.isq jspuoz usdBqas sp [u: lain qjOA isq iBpdo 'apppS aiSmaiu azsp snnqd aujuu ui sip 'sizjooa ubui usa uba nBp qaiz .laajq ap ibq : appjooAsitiB sssoj,^ -ubbS mnqi.iof uap .isao isiu ipz (iS fSnjaj
£6
â¢SIX-ICI-IIHDSHO â¢IHDSTJafia
join gt;[cnz oip do uio^i fSsoua® si 53: jjejds jtuui 'joju jaupa uioij Dp.iooqj.ia po0 quot;uaiz oj opfiz auoS unc pui5[ o^liijaoq jat] no uogt;|^oj} si jsao uccp.iof uop gt;[00 nu (iiu ungja.v ; puoojoS upniu us pioipoojg omh jrcuoip uoami uct; ju DimiÃaq nop uua iqoq [iS 'pog uliiu 'jddj-i : apiDz U3 uoppiqjoA aj aaoj^ uap Sou ojupc.u sosoja; -jqoq nilqjDoqjSA jdcjsj .100a jam (uu 'sjoiuaajs ap jm sjajm sop j3puoA\ idij uca pioquaSopS jsj 1 uspiaq jig jvpmo ' ueeSoSjejooa si spaoj n uojpy Jopoo.iq a\n ^jDAMoq jeeu 'u3p.10.v1. ppuavjaA ^jjoa amt fiq fi§ 5inz 'jqaq pMnoipsucr i3q (18 sje uo 'pjz u3a3§ s[3ejsi uajapuisi uap jcp â¢putq j3q jrcpucA Mnoqasuct: 'luijcqy Swq U3p isasopv joj pog j[i:.ids t;uj3iH
â¢usppS noz pSa-t apjjazap
unjiKAsg agt;][iiaSjap o.ian;i u! ^I00 ï';P quot;3 UEEjsaSaoj uap.ioAV jsaoiu acrq sjajqaop jap o'uc.'a op jcp 'appjooMiuu aip «jaaH nop qctz ozap joao apSasjdpBEj sasop^ -sjapuA sazuo 113.13pao.1q op join popj.io uao suo Jjang ^ uuuS u3.io].iaA spujsj ua.iopuiq ap japuo uiuuu ujiz mojaiq nu \vz -uajEpScu uauoz ausoS ij3oq uo uoajojsoS ' uliz uta-Saq uhjsaoAv op ui a^aM. â uapuoz ap ukk Sutiuaupap aufiz suaSaA\ si .iapuA azuQ : uappz aip 'assuuuj^ tuns nap iin pruqdics ouicu looi uuui uoo uua sjsjipop j(ia 'spu.isj uojopuiyj jap SuiJoprgjoA oi[dsue3 ap U3 .iczuoig ua sasoj^ jooa xa uouaipsjaA 'p.ioA\ ppgajaS snpju sa[[E jip ^Iia^joj^
â¢uomoqaq poiq3gpuo.iS gt;i(i[.iapuozji: uaoS uapnoz 'Soojpnq ooo-fc sucqi purinii auaa uca phijooj nop uoAoq jejube joi/a 'uajaiAa-j oq unnqoxijoAC pjoM Suissijssq .idj ioj ioi[ uur! ' uoSSij noz poiqagpuo.iS jip ubcubiq uba aqaapaS qpM ui 'Sbb.ia ap jBp 'apuejsjaA uaip jam .lojipa ' uoSubajuo piaq opjoopq joij ui paiqoSpuojS .lauiapi jo ,13100.18 uaa uamuiBjs opuaniipsjaA ap uapnoz ajqjajssjBjaS aSip-'ooAiiagaj ouunq suaSio;\ 'pprpag sbas. ubiu ooz-zz do oof'6s uba 'sbav js^lquaiziiBB jaq Suuapuiiu.i3a ap ua^pa\ fiq 'uoouiig iubjs ap papuaSajui ijpuaj ! uauiuioisjag sbw oo£'z$ joj ubiu ooc'e£ uba aip 'assuui;^ uiejs nop fiq uaiuouagjBBA^ pja.vv gusgjiniooA ajsjoo.18 oq M3sv uo ubq 'uiuicftisg ' ossbub^t 'uoinqB^ '-nnpcssi 'Bpnf uaiumBjs ap uo.ic.w uomouaSaoj aj^piajs uj -sbai uagt;[uc[S3S oii-ioy joj oSS'Sop uba doopaAspltj guBlSij-iopua -U13B joq ui siapluis jBjag opoipg joq jBp 'ubb apuooj jsmoqjm 3Q 'uaAoqjBBp ua usjbI guutAvj uba iiauuBiu ajBq.iaaAv ap (iq .lapaAv nu ^00 ipiz gujipj op appsdaq 'jagao^A 1 s[BLi0Ag -uaAO] UI jaam puBluam'q3iB3 ua onsof ' sasoj^ uojinq 'ja scav 'uojbav ppjag ajsSij.iaaA jaq subiji sba^ jaq â iqoojjm uap bu jbb_( apaaAvj jaq ui aip Jjjf ' U3UUBUI ap JB UBA jubav ! uapnoq aj oai|pjs^0A 31133 A\n3iudo 'jaAaq jaq po^ uba JBZBapj jajsaudsgooq op ua saso]A( uaguiAjuo 'jaoqsg pBq poop uap jam pBBpsiui
azap 'pliAvaSoo; pbq jogaqdpoy ucb ipiz jbp 'uajaipBJsj jsp pap jaq jCp^
--*--
quot;O N n ÃÃ -I CI gt;1 3 A a N V 1 3 X S H H 3 'N V 1 a V W N 3 0 3 1 O O 'UI O O quot;D X 111 3 X S NI O A 3 0 AV n 3 I N gt;1 3 H
'iaquot;ix gt;in.LsaaooH
â¢uquivz sm ii3;p uva hiüeu sq -scav iubjs nsprasoaaS
S!jr.US IIEA IIDJSJOA JCp U33 ' pjOA\ pOOJuS SSSUItJJ JOOp DSuipi|liop3Ul Ou(]Z 13UI Sip ' j5j|^rjs| Dp ivp 'jgt;|J3UI3SdO
iinpioA\ aj Samsstu opuctisusAoq jnp SujSiissAsq s|b tusipjoa So{v{ -Dpavcqusdo ' Siinpisgt;[[OA oSuoa ap jaopss â¢UICIS tiszop [iq I1?|Z Oip ' «l5|J31SSli:ioS ll| !uin.l3|nnUI.i0a 0!l(j[U3IZllB!! 3p jsao ipjo-w pjbeqjsa !]mspj00l| 3pU39[OA 33q III U333l3l| Jin )B -b 'O I13UI 5pi3| 1IQ â¢ll3p.IOAV3S «jlz II3U0J)3S UOZ piStpHqM^S S3j(!iaq3SU3UI .I3p pjBCAIZ joq 113 Sj3iu3tj SDp 3l!B|d op Joop )S30ui Wl[ gt;(00 UBp itioaBcp 31 p ' J^BBtusS Sqi]iu|3s iisqqsq 31 II03UMS UIBIS op ibjooa ipiz ;ulnps JoS3lnll33{[ poSjB I13p uba u3j3djda joq 113 SJ3Upop 3q3S3|jiqbo]^ 3p 131u 3ptIOZ 3p iiby 'S
â spon ptIBll Op 111 SBAV Spil^JDAV 1133 SJipSJS pilOUl JBBq JBBp ! 3pi3Z llZ JBA\ 'iSIAN. )0U1 SAJSZ '!l(![jnmfa ' (iz JBp ' 113gt;l.l3uul0 SJ0p.lBBp[.I3Ayuq3S 3p usop lll[3Z3 3pil3ï[3jds SUIBiqEfl U13J11UO T â¢St piuaonss ll3|Btll.I33Ul Sp33.1 3]p ' pBBJ I13gt;|lipj J3pj3A U3p liq Jb3 U3 StlJO) UlOq III ipsll3lU 3pilO 3p 3pa33gt;| ' SB.U ]BA33 531) i3§iiBH3!UUiBBiBg J3UI 31SIBBH1P Bjpoo^ â¢ti33|iiuq38 3j ^iinppsoS Uinj! joq IWI.A ' j)|iiuqoH pop llflz J01 por) 31'P '5-l!![q 1111-131H â¢113A3.I1PS33 gt;1] qoq 'q.iq ii3A3Ji|os33 sji pjooAMUB ii3i Soa\uogt;| n.opoj jop U3jrA\z3q
â¢SIX-IG-IIHDSHO â¢UlDSTdUllü
SjipUjqDSui uoSsucup np do 115 onipoii siiugt;| jan uur usAoq yuipsdo sp sjsssoi-id^v s:gt;P I3gt;!» usp Dip ' sniEjij uk.i
Plo;.qjoo.\ loi] .loop pS3[joDA\ ^lipvpicmoij ipjoA\ SuiuDam ozop ⢠uoSipuo)(j3a uwi usuun^ ' SEissa^ nap jusauuo 5|oo ' pioiurrAv np .:nuirgt;ipuopoïgt;|i! noolrf aoop po'^ noz sji: ' 11 njjaq ïfuuDAVDq op .lopjSA U' \\ 'zun ' piooj.tljiin i)DDi[ sjnSSoz -4S«a\ op lit] 11'P ' puaipjoiillBB )pjüA\ JOl 101 SIMSof SuillO!) linp 1DI| .UU' W ' IHXX '^gt;1 Al â ipiI'A SuiAAllOllUSA ouliz 114.13a opjiozioii J1TA\ 'niAX 'ÃMCI ! quot;â i331ilpi-,i;.i '1 sjaSSozat:i'a\ ' ip.ioAv uspoqioA i|li|sgt;|i|njpru uspof nap jiicai 'XIX 'e 'o ailüoSjOA usjaj -ijddS spAinp sop uoSiiii?ijoa\ ubb piioiiiqsiin aueiu 'spog noojcud «03
IIBB 1I0ÃU IlZ lUUBU UOgt;[[OAV 1 ipjOAS. p|0dui01S3q 'snjoilliq ^'aoSSoZlBBAVH lmA uibbu nop 10U1 Tl[l(Op|BBqiOq n,\[02 5JUipg 'IJ op lOOp UlBBpïg ll'p : UBB UOJOOAoS OpOOAVl 10l[ UVA SJOpimiSJOOA op UOJOOA SiiuoouDpo.1 ozop uoSoj^
â¢Süpnf pisodc iiogppinioSuo uop uca smopsupsoS op isliA^oq 'si ^lipSom lUBzoJjspoS uoo jiq gt;100 ppq^ba^z oquot;lin'pooz irf] 'uodooilulD 10I| ot' ,1'JJ joop ipiz (U| OpOUUBBAV ' pnoS 10l| UB a lipBJÃJ Op lUlB ooi SJ03o0[llU opnozop UOAllJipS 1 JllS SJOlipop oipsuojqboi^ op lUOJlUlO üq uoip 1 pBBJ uo^ljpjjop -jOA nop iro ju a iiajoiBj uil'/ 'opiUBls HiBqBjqv l!n â BinqiOQ joop â snp uo opjooqoq uoionnupiq^ lop quot;ïHOa loq 101 ll 1[ IBp 1 llllOOUUl'b UOUI uoipui * UOJiqMJOA U01B[ -llïppoojoë por) IIOJBAA UOp ub A SlUUOlj SUlBll[bg X[0!Z 11OZ SUOS -jjoao 'uoqqoq pSojoS spAinp sop JBiiuoip uoo uba puoui uop ui iioou por) noz 'liz uouooiu 'oiiojojd oguiiqisnp ouo-i 'uoqqoq i)U!gt;|gt;pJloq sbissoj^ uop do sjpz 5((ipiioopo!ei uo lllrz iipo uo||« 0q|0a\ * uoSujuodsjooA ouliz vlo ito 'IJOOSUI Uioq pot) 1BA\ 'UOHOjds 11Bgt;) supojs !m JBp 'pSopSjB UlOll joop 3ll1 JOljOZJOA spiBBqioq op do 'iizoq po9 UOJPAV uop UBA JBBqqlliq UIVB[BJ£ Oip Siuuoq Op do ' UO[OOAOë Ullll UBA SlllABlS ld ' ipiz uodoojoq U01SJ03 Of |
â¢SpAlup sop lOOJOjd UOD
uouoii * spoQ looioid uoo (iq si uozofj 'ioiuBipBj\ uoo jooa â ipj0A\ piuoouoS qiuspjooq opuolt;1[oa ioq ui oip â siBiqd|(i|qjoA ojonq ouliz do .oOü ioq lom 'moq uopiioq nojopuB !opjooqoq simpi uopojiutiB uioq iioiUBzo^ SOiqi'JI jim'w ' OllUBlodoSOJ^ ill UIBJV 01 qlipquojdsjoo lll| IBp ' 110 u no lil UOSllUlllOg â¢lllBB|ri[ joao spi ' ppopjOA jooz -ooz j Ojiiii oio.\'.r.o;u op uo sjopv\ *|i op uo uliz 'pjauuoA iji.iips 'li 3P U1 * uoosjod uooiï joao 14^illo.VV
â¢pSapS usSbi pgnop 3A\n U?. unqqaq 'uois.io.v .i.iuunq
uoo uu.v .taupop op 'iq^o') .inisnz suunq .ioop aiiïAV ftisq nnqs.ia.v us uapurliA a.wn sp;
uojniuuiprpyT op aAMioq.i.oji :s.oso;\j uui: Sou por) (KAoq ^liiopuiq 'iio^ojquio noz npiqso.o
u[iz 1111 s.ioisoi.id uuu 11üou ioq irp 'oyopq op .iodj] uop uua sooupu Suimuo piu;p oqoopi
ouliz .100 \ 'uoppi.q uopuoAaS poop uop umi ooo' I z 'supo.ioS sop lu.u; uopuoqo.i.w uop .loop
sp; iiuiqd .iop a§[OAoë uoi ooz '.10 icpuu 'puoA\oi)ji! gt;11oa ioq uua spoQ ppqu3i)[oq.ioA op
p.ioA'i snpiv 'oii'iiqoqdopoiu ouhz iolu gt;l[ipS oi iu3i| ;]ns'.ioop uo rujoupn io|pi:.is] uooiprp
-sim uop doq '.loods uoo tuuu 'do sgt;|[Oa sop uoppioi oi liq puois 'rii.z lip '.iBZi'opq .loisoijd
-ooooq uop un.v uooz op 'spoiiu|j uooj_ 'innixj oi uouujq '!qzo[) oumu lom 'amio.ia oipsii
-ouuqpuiv .10u03 aSuiuoav op 'uopjoouis ihnqd .inp ouipiioaxju uio sqoqim.ioqpi sop iiuunui uop
udu oip 'usjopoo-iq .louliz 3a\noqosu«E uoi 'Sup uoupil-it'cpi do uua 'ppqinois op loiiou.isj
uoo pi'.q Dpuin:isuogo3iop.isoQ â¢onipi.unn; uoSippups op .lopno uoSuiisooan.ioa o^hjosooiA
Oip (isod op qlquliqos.iim.w) iui imqd ouoo poQ puoz pliuoiihioSoj, â¢uop.io.w iqoiMqoS poop
.uil uojsooiu s.ioupo.i op .loop ozIias. opuo.iuquoizdo .lopuuu do uaiojipv.isi ouoavoS op |Iiav.13i
! UoSlllUJ 01 UOopVo mu; .oUi;.u.lOpUOSUÃZ JOl ' USp.l3A\ P|010o SqpA sop UOIS.IOA op .lopuo hz ooz
's.iuuuoipuopoSju op ' sosopv uru poQ |r.\oq 'uouliz .iop ScjpsS ïjliiopuEqDs lip .ioao iuooi
uhz iq -uoppliAxooi (isnqoAv uop uua po.o uoqosipiqroiv uop) .loSoipipoji uuu qoiz uo uopoS
.Ã3.1 Ul[ 0.100 .101 s.IOJJO op UBC uoiuiuqoop SjJOZ IlZ lup ' 110.130A.TOA Spi:i:A\gt;[ SOp SoAV UOp do
.nnu[ .loop ipiz hz uoioq .lOAOO^ â¢uoïiipuoz 01 uoioiqro^ .iop s.iojqoop op joui .louunq usjoa
UOUUOoOq 'uosooisdo ululo^ 01 .logol UUL] plu uoSiuoo vu UOIOlpiUS] op u301 UltlAV ;i.iooa
UoSlOAOj) Oïjlipj.lOp.lOA ouliz .100Z 01 P -lUlULl iqOU.lq ' UDAOiiOÃ) uuuquy .loop ' pur.1 3Q
â¢sSoo.w suhz
S111S oiqrji ^00 uo uiuupti gt;10.11.10a do.uiCQ -iisi-iois oi j.iop.ioA loq 111 opuoopooz uoq uio
'uopiopiOA uonq 01 iqoiuuo 101 uoauio.ia oqDS]ioiquoj\t joop uoioipiMSj op ' piuu uojljippoj
-.10A uop oupy uia' 'uoop uonnz 01 pi;i| pSszoquot; uoAoq spoo.i [iq sjuooz ' dOü [iq jvw -loupo
is.'oo isio.iSiuoi op jooa pos.ioS qoiz unppy sppmu 'uoqqoq 01 uoqo.ids3.o snpp
â¢uLn;.o .lopuo
U3i uoApz ^00 pup loq 111 JCUIU fuoSppJOA uoo.iqopj op ' uüuüi.w.ioao sjouassv op U0[inz (iz !(uouiout))j op) UOUIOI) uoisoy\\ loq 1111 J3 U3[inz uodoqos dQ 1 ipiAJOA soqc lip JOOH op JOOUUUAS. ' U3A3J uoAlqq |CZ 01 Av j oo^w 'u3.100A.o0Av u3.oUi;A3.o a pïz (sjpi.iXssv op) qooi jnssy iuspnoq optuuns n liS ipnoz Sou uvp Ãinqooq '1117) imns uop Jopuo ouoJO^JOAim op j,g 1.IUUA1 p 113 'sio.1 op UI ISOU AMI (lo lOpAVllOq p ipop iSulllO.^ 3AMI pA\ S} ISl'A
â¢SlX-lCniilOSd'J â¢lil'JS IdllllU
: ^B.ids un tmjnuiQ np .iccu ipiz fuj appuoAV susSioA.ta^ â u\\7. SuiSnaiataA op \v.7. spnio uhz ;o3[i:uiy si u3.i35[[oa sp jopuo ,oui[3is.i.-)3 n.ioo,\ an:v|r{[ SmS (pinojnSim ultz jnrg Joop .iou'[ oip) unpuooAv uaiapaiEuiv op .iuüa\. unp jrcu apuapusM ipiz im.iBKQ
â usSppjaA \V7. goj apuojS ugj pns ap aip cuou(ups.ioA .i3ips.i3at[ op \vz qo^rf ]ifi -usipA jnop uoi uioq \\'7. (opuooAV uiopg jebav) .iiog utja pnpj.io joq fttDp.ioAV guujjZDq sujiz \V7. (nesg) mop3 uua puE| p[[ â¢(uiop -ipsuam jnq paqaS) qia^ uc.y uanoz aip usSurt.iq jspuo usj us uojpAJOOii (uj jcz quopv uba u3pjooq.iaSo[ sp fn-iviisj xm nhzfniaaa mhxcihhds naa nh nvvojo «ODvf xia ^vz â aaxs hn3'q â¢}suiogt;inoi ojscrui ap in jaiu ipop 'oiajj Avnoqos !joui Sou .irmi '(suisssjAf uop) uiop[ oiz :liq ppo-ids ooz isrj usSinpraqy S3P usuaoisiA op ti; ud uajsSooq.isnv sop dvqos -iw}3A\ sp oip 'uuui.i3a U3J33H ssp pJOOM. pq STp qsop 'si j3gt;iuop (jpz qoiz Iin) Soo suslat uecu op ppsjds ooz 'josg iu:\ uooz op 'raiuqnq igt;i33.ids 007 : ;jooa (iq guiS 'apusjju.vdo J33AV Sujipds.iooA ungt;|ojq.i3piio uhz bujkcq -isoui uaop ^joa jip ubc -sqoA Avn u'av ' imoS pre.! U33 n -gt;51 \V7. 'nSussq s[b ^iwipAogjoAV usgp juuu ua^jds ptiEA«i jo paog
11338 113 tI3p3.Il.I3AO 13TU pof) II3u[uu .133^ tI3p uba pA3q 13q qDOl J{I UBJf OOZ ' pUOo U3 J3A1IZ IOA smq uhz (ira DBjtg ji:8 \\7 :pS3Z38 tiapoq oami ucb spsoj aoiu qoj^ : 3pp.iooA\uu; uJEBiug 'pjoojsq utja.a'up n ajsoq jsoji op ipop ;u3pu[.i3Ao oj uDzjiMaqwa joui n 'u3jo|soq p-eq -SU -Jliz ii3UJOgt;p2 1,3 .iïumuüa Sn.ioa J03gt;{ isicai U3p.i3p uoi spssj nu ii3q nioSsz jiS us U3^30]A 3i uopunjiA oufiiii uio 'iisdso.rag n q3q -s]! : daiJitn U3 Soo]su33ut uspurq ouhz ppM3§ ioojS i3iu fiq lup 'Siujooi ooz hq p.i3AV 'sp.icoq u3pjooA\. szop 3K[t:g U3o j â U3p.ioa\ pil3gt;[3J3S U315pOIA3S 3p J3pUO 'iqSOJA tl 3Tp 113 'u(lZ pU3§37oS (ÃZ 'lliaSoZ n 3I(] *uo.iois 31 lolTM 13q PUBUISUI isn.1 .I3LVi 'ulMtiaaj 31133 SJB 110 '.13311 q31Z ]3i;.ISJ l(l|A A\n33j U33 spy â¢U3.IOq.TOOp U3l[ld 13UI U3q 113 ' U3gt;p.iq 01U33q3S U3pUB{lA .I3p ' lI0piiqS.I3A 1 U3pUlï(lA 3iumq (u3J3^joa sp iio[[nz (ïz fs0.i3D0uiqi nop urA sip uub si onj.iois ouunq à p.i30A32 3id.(x)V{
im sqoDrf u3J3piugt;[ sp ij33q .133^ ?o 'uouioo.hs.koibas. 3p mn; s.iopoo sp fjosf-j nop joop usBïissSdo ' u3pgt;n:u.i3qt;i sp; fus^pq 3p sgurj uoAoqisrq 3pi3o.idsoqpAV sp !(iz uhz uopp s^lfupnoAv sjv ; ipt.isj o ' u3A[qq.i3A oami us 'qoorf o ' nsiusiuooAA sami ujiz uooqos sopi : ^K.lds U3 puoiu u3u[TZ apusdo liq ip|31Z3q spo0 1S33{) nop .loop [uj p.IOA\ 'llOppAS. 131] U3J3p -un| SJOIUS] uea 3lglU3lU 3p .13AO U3^p|qq 3u(lZ ' p.I335[3.o tllusnOAV sp .lebu 'liq lupooz 1UPAV !l3iu .iwpo qoiz uuuqcg 3p.inp[iM.i3A 'U3qq3q 31 iqoiqssg ii3.ioip.ioyo uo upi.lsSdo us.irqu 'JsSsOJA SJCU3A3 'suüqi 5JOO l'x â¢U3.u;A\, p.l333pS uoioijor.ls] op .u'l'a\ 'ujusOOAS. op ueu isuojS 'llH3??!111110 3!P '-loSoqj U3p uoimuoppq uo ju uSsuqj usp uouirz 3i nu uapjucp h/
â¢ppop i-oimsj .un;p uba (18 iep ' sSom uoStnpq poQ usiqossiui i3q jo 'siEEjd op.Tsp 3U33 .teeu 'oiqi'j[ qiMcls 'opsui urp uio)i ^pooqoS luu pof) uooSioq 'usop noz supajs â sp iep 'pgszaS 10111 11 'uunqt^[ uïa p.iooA\.i3p3AV isq si;.v\ 'gt;[i qojj 'isju ^00 SU31SUIUI urp i3q tisgoz 'ijias. ii3-gt;po]A i3iii ^[oa itp (1,8 siv :3pp.iooA\iiu; oiqrg â¢uo^uo.ip -3« Ij33q u3U3giqsj3A jsp paojq i3q uo ijooq uopuo[s.ioA imq uliz I3q lup.iooA 'uofqA.ioou J33AV qoiz isq pz .i3pj33 i3iu iuszjugooqmo Asnoaj uao sp uo ' hiauiooj 31133 sp muqsdo pz ^joa i3q '317 -usipquio isuto^poi op pv-isj uo qoocf ucc ijsz pof) jrz aplii uoppisoS U3i fjoujsi ui jT.i3g83z.iBi;Av qoou 'qoorf ui isun^.iOAOoi 11338 si .rq â¢Ji3ipu.i00qsn3u 131] uba oip UBB si ïjjtpS 3iq.i3is sgt;||OA\ ' p.iooAog q[OA iip pof) ij33q 3idAS;| iifj 'guuzpqnl s|ob.isj lgt;pipi Sutuoji uoip .100a uo uioq lom si ' po9 uliz ' .loojq op ipoiusj ui ppoquopoS tioaS 'qooBf ui pogjB 11338 si .uu'Q â¢u3pttoq§n.i3i 13111 qi iii;q uoSsz nap ' inpuozoo uio[.[ .ioop
U3q U3U3S3Z 31 UIQ lt; U3|pA.I3A 13IU p.IOOAV ullZ U3 U3q3.lds s10i ' UOUIOqi'II 10UI 10I| U3 I10§8oz s13i UEp jljq |EZ !ll3J3pUlM0A HOZ Iq ] ivp 'U31|DSU3UI sop tiooz iioo sp ipou ' spnoz uoSsq [ih iep 'qostwiu 1133 sp lom si pog :.iooq 'aoqdsg uüa uooz j.loisuq uo 'oiqrq Bl§ iijB-ids 113 8n.ioi fiq op.iooq 'suai uouoqos.isA ui3q .i33]q 3p i'.ipoo-/ â¢uogoidpuBi 01 .iooh nop IUO ' b8u031[ gt;11 3pup uoi ' .ioiq jjiig ;oppz §uiuoq nop 101 uio.iopoA\ ju] luubtav iuoui -lUEJ U3A3Z U3 U3.I0A[Kgt;J U3A3Z Op.lOyO UO lioupi.ldo UO-IIUp UOAOZ UIi;B[U{[ 10IJ .IOlq ^OQ
â¢cSsBqj 8.i3q ii3p uba uin.iq 3p .u;cii uioq jiq oppiopS 'opu3883Z iqi us ! i^pop -.13A .IBBp UBA uoq (l8 IBpdo ' U3IZ lllll^ US.IOpiin] S|OB.ISJ UBA aipopog UOO supojs [18 .IBBAV
'SIXHCIHIl 1 JS.1L) illi:)S l-Ulli'cl
Zl
'siï^d a.ispuB 3U33 .iehu jiui aam 'DBiug apiaz 'imp n joosag iJpoiqoS (uu .103^ op lm
uba suijljlmjb ui u3gt;l3.lds ' uibbfïg §30.ia ' y[l UCgt;I £ u31| u13§3z popnosoiui ll§ 113 'tlsipoja 31
uapiiEjiA sujiui uio 'usdso.isS n q3ii iioop [18 u33Si3ii 'iep si ;t'^\ :3pp.iooA\uiu o^ivg â i liz ^[ipS ouunil 3311 UCB 31S.I31in ulltu 113 3A.T3JS U3Sip.a'BA}ip3.t .I3Z3P poop U3p [312 3U(UU aïQ i ;3B4SI UBA U3SUIPU105\BU asp U313AV ]CIUBB 331-1 113 IWJp; u3uungt;[ q03i;f UBA (31§1U3UI 3p) JOIS J3l| |BZ 3!:\\ â U3p.IO/A pU3gt;J3.I33 }3IU U3q 10UI 113 113.13J[[O.V 3J3puB 3p UBA u(lZ pJ3puOZ3.oJC [BZ ^JJOA JTQ quot;013^ -Slt AMIOUDSUBE U3]3An3lJ 3p UBA U3 ([SBJSj) UI3l[ 31Z U3SIO.I SSOOIJ sp UB^Y ,! upsU3AU3A 131U .I33H 3p U3ip ' SUsSlIsp U3ipSU3A\.I3A 30q fjipOJA 33IU pO0 U3m ' U3gt;[30[A gt;|i JBZ 301] ipOQ quot;l^B-isj U3ipSU3A\.l3A 3J UIO 'n ISBBq fqODBf gt;pOJ.U3A U3 uiojj :opioz i]3 (uu (iq dsi-i usjsoq wq ui u3§.i3q 3p uba fusdao.isS 'usisiqbop^; .isp Suiuot 3p ' 3B|Bg liiu jj33q (3UUBiodos3iAj ui) aiB-iy lifl : (iq ^B.ids spususdo puoui ii[iz ua 'ubbjs .ibbijb i3q
llq Sou U313iqB0p\ J3p U31SJ0A 3p ]B J3UI §UIU05[ U3p UIBBJEg pUOA '3pU3.l33^8nJ3a UBpS{Y â¢3q3q U3U!0U.I3A (lS U332l3q q33.lds U3 Sn.I31 3BJBg JBBU .I33\I : 3pp.IOOA\3UB 433pj 3Q pSspS U1BJ U33 113 J|«I U33 .I3p3I do 113 Upi.wSdo U3.IB11B U3A3Z qsq gt;|J ; J33H U3p JOJ (iq ^B.lds ,U33qDsj3A B.ipp/A ui3q .i33fj 3p us §ui8u33q unuqBg do.iBBp U30J, quot;ipsiqsS [uu jip] JCAV £U3§S3Z S3|IB n 5JI |BZ UBp f JBZ U3ujiq3S.I3A §3A\J3pU0 SUIOS jlUI .133^ 3p JO 'II3IZ 31 UIO ' 3J3p[lMJ3A jlUI gt;|I IBpdo 'JBBIJB 13q jiq Spill §1UI3AS. U33 .Ã3iq j|l[g : 3pi3Z 8UIU0gt;[ U3p 101 UIBBlBg BLUBBAV JBBljB .13p3l do IUIU U33 U3 J[Bgt;J U33 U3U1BZ 31 jlZ U3p§3l ' SBA\. p3UpS3§ Jip U30J^ 'U3LUIUB.I 3pA00Z U3A3 U3 U3J3A]Bq U3A3Z jlUI S.IOZ3q U3 do U3.IB1[B U3A3Z .I3iq iqDIJI : 3B|Bg 101 UiBBlBQ 3pi3Z .IBBQ 'USIZ UO-i] ]3B.ISI ^(OA 13q 31J3A 3p UI U31U JBBAMIBA ' p(lA'i3§ JBBg pOojB U3p UBB 'U31§00q 3p do lUBBI^g (iq 3p.I30A UsS.IOUI U3pU3SjOA U3Q
â¢(b2 U31S.I0A 3pU3pppS3q U13q 3p II3 lUBBJBg ubb U35iqnis (iq ubajbbav 'u3dbq3s us ussso OBjEg siupiqs J3ijq 'iSii qsoj^ uba u3zu3.i§ 31SJ3im sp UBB 3ip 'pBIS 3u33 ui U31UBA\^ U3 1.100A u31ubz 31 tlU u3qgt;[0.H \]2 'iSsi puoui usp ui jiiu po0 U33§i3q UBp 'iwjp-ids u3uunq â¢gt;[! \V7, sjopiu; si3iu qDop f.i3iq suiup uoq gt;11 '312 : app.IOOAVlUB UIBBJBg ^ usuoopq ubij a3iu isuio-sj 3A\n gt;11 IBp ' jlS 1u33ui ; U3d30J 13l[ n ^i U301 'UEbs3§33UI |bbiu 31SJ33 3p pU01S.i3l 13IU (lo lllZ UlOJBB^Y : lU3q fiq §30.IA JBBp 'UOUJY U3p UBB 3ÃpBlS 1133 101 130UI38 31 .I3SlZp.I U3p jiq 'ilO.Il ' 3pj00q lip 3B[l!g 1130^
â¢uooa sp.I 3u[lz UIBBJBg 3113z ooz1v quot;l^pASq jbz 11 'sji u33§13q UBp 'u3gt;p.lds 31 SJ3pUB s13i lipB ui U iu33u .IBBUI '3p3;U U3pOq Op ISUl bS 'sp.Su3 S3p pj00M.I3p3\\ 13q sbm '13111 ibq â¢usjssqSn.wi qi jbz ooz 'oqms sp.i 3uliui qi IBp 'Sou pAvuaAa I18 i]ia\ iipuois (iui jooa (li) IBp ' 13TU isiAv qoop 'pppiiBqoS q[qBAvq q3q qi :3pp.iooAViUB UIBBJBg â¢U3qq3q usibps u3A3j iaq aBBq us poopoS n noz qi ' u3q3m3§3p!iz.i3i hui jooa iniu uipza 3p o.icav U3 'pop pj33q.i3a u33 jooa lllZ sp.i do (l8 jllAV ' u3.i.I3ds.i3a 31 83A\ U3p U uio u3aioq3§ uaq qj ^u3J33q sap spssj nu uipz3 sami hS naqs uio.ibb^y ;qBjds isSus 3Q 'sp-iBB .131 lusq .iooa Sipsiqjsa qaiz dj3iA\ u3 piBBA\z sioojqiuo i3q loLU [38113 uop Ssas. ujiz do 8bz liq ! lUBBJBg UBA U3800 3p q00 J33[q 3p 3pU3do SUBqX '[tq 3pp.IOOAVlUB 'lioofvj ^ UBBpsS U3p3q sju 1100 qi q3q 'hui S3Z fu3p[i,i 31 ihz uooavbS spssis h§ do.ibba\. '.isip a\n i3iu qi U3g MspsM. qBJds ui[3Z3 3Q 'poop n S30[s qi 'p.iBBAVZ U33 qi pBq ! (liu 13UI lods usp ij (up (18 1UBM. ' pU3ipj3A 13q iq3q (19 :3ppz UIBBJBg ^ ibbjs 3JBUI U3p.I3p U31 Sp33.I hra (18 IBp ' uBBpsS n qi q3q ib^w : uiBBjcg 101 qB.ids hz U3 ' uijszs J3p puoui usp U30i 3pil3do J33iq 3q 'iqDBJqOOl U38BJS 38qiJ3A\3§ JBBq ' piI.I001.I3A 31BUI 31s§00q 3p ui ' UIBBJBg doJBBAV ' U3JJBA.I33U J3pjl.I3q U3JBq J3pilO q3IZ (iZ 13q 'UBBIS 8bZ JBBp UI3q uqszs 30 1130J_ â¢pi3M qjijaSouiuo siq33J jo squq SuiqhA^iin sqjs IBp lt;d3ij30i avubu ooz 83A\. 3p .ibbjW 'mud J3pUB u33 JBBU J38u3 3p Sui3 OU qDOJI f U3SbJS3§ UIBBJBg JOOp JOOAJSiq hz PJ3AS. IIIOJ3P -3^ 'uap-innqDS u3S3i.iBBp J3plu3q u3jbq uba U3U3oq 3p iBpooz '.mnui U3p sSubj q[]j38oui iqDip ooz qoiz 111J3Z3 sp Suo.ip 'uaqlmiuo 31 uisq iuq â¢d3ij.ioop u3Sj3quhAv 33a\i uba usjnai ap usqossni u3 sba\ mhbu .issz pBd isq .ibba\. 'jund a3pub u33 jbbu ijdiz j38u3 sp jb83q 'uSAlup Dl 8nJ31 SliqDBJl 83M. H3UBS3q U3p JBUà UoSBJSqOlS .loop .IBBq UIBBJBg do.lBBp U30X â¢pj3AA\.n0q isq j3a0 Sui8 u3 lin 3p(lZ.131 q33A\. 'ubbis SbZ J3Su3 U3p 3ip ' uij3z3 3Q ^SAV usp ui maq qaiz pjBB^z uaSoisSim lom jaSua 1133 lund .ijq3Z do spjais 'qo.111.tooA snpjr
68
RIJBF.r.SCHF. GESCHIEDENIS.
dapper; want gij zult de kinderen Israels geleiden in het land, dat ik hun beloofd heb, en ik zal met u zijn.
Moses had al de woorden, die hij gesproken had, opgeschreven in een boek; dit boek was thans voltooid en hij gaf het den priesters over, met het bevel, het naast de Ark des Verbonds neder te leggen en het den Israëlieten, wanneer zij in het beloofde land zouden zijn aangekomen, op gezette tijden voor te lezen. Voorts sprak Moses nog een heerlijken lofzang uit, dien de kinderen Israels van buiten moesten lecren, en zegende ten slotte eiken stam met een bijzonderen zegen.
Nog denzelfden dag sprak God tot hem: Ga op den berg Abarim, beklim zijn top, den Nebo, die op het grondgebied van Moab ligt, vlak tegenover Jericho, en ik zal u het land toonen, dat ik den kinderen Israels geven zal. Zoodra Moses de kruin van den Nebo bereikt had, liet God hem (door een heerlijk wonder) het gansche land Chanaiin aanschouwen in de volle lengte en breedte, van Galaiid af tot het grondgebied, dat Dan zou ten deel vallen, en de uitgestrekte gewesten, waar eens Nephthali, Ephraïm en Manasse zouden wonen, alsook het geheele erfdeel, dat Juda zou bezitten, tot aan de zee toe, en al de streken in het Zuiden, van de vlakten van Jericho tot Segor. Terzelfder tijd sprak de Heer: Dit is het land, dat ik met eede aan Abraham, Isaac en Jacob heb beloofd; uwe oogen hebben het aanschouwd, doch gij zult het niet binnengaan.
Toen stierf Moses, de dienaar des Heeren, op den Nebo in Moabietisch land, en werd door God (d. i. op Gods bevel, door een engel) begraven in de vallei tegenover den bergtop Phogor, zonder dat tot op dezen dag toe, iemand zijn graf geweten heeft. Bij zijn dood was hij 120 jaren oud; zijne oogen waren niet verduisterd, noch zijne tanden losgegaan. De Israëlieten beweenden hem, in Moabs velden, dertig dagen lang; met den dertigsten dag was de rouwtijd ten einde.
Nu werd de leiding des volks aanvaard door Josue, die met den Geest der Wijsheid was vervuld, want Moses had hem de handen opgelegd. Maar nimmer werd in Israël weeleen profeet gezien gelijk Moses, die met den Heer sprak van aangezicht tot aangezicht; nimmer een profeet, die zoovele wonderen en teekenen wrocht, als hij in het land van Egypte en alom, met sterken arm, ten aanschouwe van gansch Israël, gedaan had.
1. God verborg het lijk van Moses, opdat, zegt de H. Chrysostomus, de Joden het uiet voor den dag zouden halen, om het afgodisch te vereeren.
Deze vereering had ongetwijfeld ook de duivel op het oog, toen hij, zooals blijkt uit den algemeenen brief van den H. Apostel Judas Thaddeus, met den aartsengel Michael een vinnigen strijd voerde, 0111 het lijk in zijne macht te krijgen, hetgeen hem echter niet gelukte.
2. Al wat tot nu toe is verhaald â van de schepping tot aan den dood van Moses â is ontleend aan de vijf boeken door dezen profeet geschreven, nl. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, die ook wel, met een woord, de Boeken der Wet heeten. Alleen het laatste hoofdstuk van Deuteronomium, waarin Moses' dood vermeld staat, is uiet van zijne hand. Als do vermoedelijke schrijver wordt door eenige uitleggers Eleazar genoemd, door anderen Josue, terwijl ook velen aan een geheel onbekende denken.
De nu volgende gebeurtenissen, rakende den intocht in het beloofde land, zijn opgeteekend door Josue in het boek, dat zijn naam draagt.
97
I.?
98
HOOFDSTUK XLVI1I.
OVERTOCHT OVER DEN J O R D A A N
Het jaar na de schepping 2553 â voor Christus 1451.
oen de in het vorige hoofdstuk vermelde rouwdagen voorbij waren, sprak de Heer â¢)Æ I tor Josue, den zoon van Nun; Mijn dienaar Moses is gestorven; sta op en trek ^over den Jordaan, gij met al het volk, naar het land dat ik den kinderen Israels % gcvcn za' gt; a^e plaatsen die uw voetzool zal betreden, zal ik onder uwe macht stellen, t zooals ik tot Moses gesproken heb. Van de woestijn en den Libanon tot aan den grooten stroom den Euphraat zal geheel het grondgebied der Hetheën (cn overige volken) het uwe zijn tot aan de groote zee ten westen. Geheel uw leven laug zal niemand u kunnen weerstaan; want, gelijk ik met Moses geweest ben, zoo zal ik ook met u zijn; ik zal van u niet heengaan en u niet verlaten. Wees kloek en dapper: gij zult onder de kinderen Israels, door middel van het lot, het land verdeelen, dat ik hunnen vaderen met cede heb beloofd. Wees dus, ik gebied het u, kloek en dapper; wil niet vreezen of versagen; de Heer toch zal met u zijn bij al wat gij onderneemt.
Zoodra Josue deze heerlijke belofte had ontvangen, liet hij door de geheele legerplaats uitroepen, dat het volk zich gereed zou maken, om na drie dagen over den Jordaan het beloofde land binnen te trekken. Inmiddels zond hij heimelijk twee mannen uit, met den last, de stad Jericho en hare omstreken te verkennen. De gezondenen togen aanstonds op reis en namen, in de stad aangekomen, hun intrek bij eene (hun als zoodanig onbekende) lichte vrouw., met name Rahab, wier huis aan den stadsmuur gelegen was. De koning van Jericho, hiervan onderricht, liet Rahab weten: Lever de mannen uit, die in uw huis gekomen zijn, want het zijn verspieders. De vrouw echter verborg snel de beide Israëlieten op het platdak van haar huis onder een hoop vlasstoppels cn antwoordde toen aan 's konings boden: Ik beken, dat die mannen tot mij gekomen zijn, doch ik wist niet van waar zij kwamen, en toen tegen het vallen van den avond de stadspoort gesloten werd, hebben zij zich, in welke richting weet ik evenmin, weder verwijderd; maar zet hen terstond achterna en gij zult hen nog kunnen vatten. De boden gaven hieraan gehoor en sloegen den weg in naar den Jordaan. Nauw waren zij heengegaan, of Rahab klom op het platdak en zeide tot de beide mannen, die daar verborgen waren ; Ik weet dal de Heer u dit land gegeven heeft; wij allen zijn dan ook met schrik bevangen, want wij hebben gehoord, dat toen gij uit Egypte vertrokt, de Heer op uwe aannadering de Roode Zee droog heeft doen worden; almede vernamen wij, hetgeen gij gedaan hebt aan de beide koningen Sehon cn Og, die gij met het zwaard hebt neergeveld. Dat is de reden, waarom bij uwe verschijning ons alle moed heeft begeven. De Heer uw God toch is de God in den hemel daarboven en op de aarde hier beneden. Zweert mij derhalve bij den Heer, dat, gelijk ik barmhartigheid aan u geoefend heb, gij ook aldus zult doen met het huis mijns vaders, en mij een betiouw-baar teeken zult geven, dat gij mij met mijn vader en moeder, mijne broeders en zusters en al wat wij bezitten, zult sparen. De mannen antwoordden : Wij verpanden u ons leven, dat, indien gij ons niet verraadt en wij later dit land in bezit nemen, wij u barmhartigheid zullen bewijzen en ons woord zullen houden. Daarop liet Rahab hen langs een koord het venster uit, en zoo stonden zij, omdat het huis aan den stadsmuur lag, meteen buiten de stad. Tegelijker tijd gaf Rahab hun den raad: Begeeft u, om de terugkeerende boden niet te ontmoeten, naar het gebergte en vertoeft daar drie dagen; daarna kunt gij uws weegs gaan. Zij van hun kant zeiden nog tot haar : Wij zullen ons van onzen eed ontslagen
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
achten, wanneer bij de komst van ons leger in de stad dit roode koord niet als een teeken uit uw raam hangt, en uw vader en moeder met al de uwen niet in dit huis bijeen zijn. Die zich buiten uw huis bevindt, wijte het zich zelf, dat wij hem niet sparen; maar voor allen, die hier aanwezig zullen zijn, staan wij met ons leven borg. Zij antwoordde: Gelijk gij gezegd hebt, zal geschieden. Vervolgens kwamen de verspieders, na drie dagen in het gebergte te hebben verwijld, bij Josue terug en deelden hem geheel hun wedervaren mede.
Nu brak Josue terstond des anderen morgens vroeg niet het leger op naar den Jordaan. De zonen van Ruben en Gad en de halve stam van Manasse ontvingen het bevel, om, ingevolge hun aan Moses gegeven woord, mede te trekken.
Zij waren hiertoe dadelijk bereid en zeiden: Al wat gij ons gebiedt, zullen wij doen, en waarheen gij ons zendt, zullen wij gaan; die uw bevel weerstreeft, zal des doods zijn. Veertigduizend hunner beste strijders sloten zich nu bij het leger aan; de overigen mochten op het hun door Moses geschonken grondgebied achterblijven, ter bescherming der vrouwen en kinderen.
Nadat de Israëlieten aan den oever des strooms drie dagen rust hadden genomen, liet Josue door herauten uitroepen ; Zoodra gij de priesters de Ark des Verbonds van den Heer uwen God voor u uit zult zien dragen, staat dan op en volgt hen, zoo nochtans, dut er tusschen u en de ark een afstand van drieduizend elleboogsmaten blijve, ten einde gij haar slechts van verre kunt zien en den weg zult weten, welke gij moet inslaan; want dien weg hebt gij nooit te voren betreden. Verder zeide Josue tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de Heer wonderen onder u verrichten. En tot de priesters zeide hij: Neemt de arke op en gaat het volk vooruit. Terwijl dezen dit deden, sprak God tot Josue: Heden zal ik beginnen met u te verheffen voor gansch braël, opdat allen weten, dat, gelijk ik met Moses ben geweest, ik ook met u zal zijn; beveel derhalve den priesters, die de ark dragen: Zoodra uwe voeten binnen de stroombedding lot aan het water genaderd zijn en dit aanraken, gaat dan niet verder. De priesters deden alzoo, en de Jordaan, ofschoon in dit jaargetijde op zijn hoogste peil staande, liep droog; het water aan de benedenzijde der rivier vloeide weg naar de Doode Zee; dat aan de bovenzijde stapelde zich opeen tot een ontzaglijken berg, dien men van verre, van Adom tot aan Sarthan toe, kon zien. Terwijl nu de priesters met de arke in het midden des droog geworden Jordaans bleven staan, trok het volk hen, op den voorgeschreven afstand, voorbij. Toen eindelijk allen den anderen oever hadden bereikt, riep Josue twaalf mannen, uit elk der twaalf stammen één, en gebood hun: Gaat naar het midden des Jordaans tot voor de ark des Heeren en haalt van daar ieder een steen; vervolgens zult gij twaalf andere steenen in de rivier oprichten, waar de voeten der priesters gestaan hebben. De priesters ontvingen inmiddels het bevel met de arke uit de stroombedding op te stijgen; zoodra zij dit gedaan hadden, keerden de wateren tot hun vroegeren stand terug. Het leger trok nu voorwaarts en kwam den tienden dag der eerste maand van het een en veertigste jaar na het vertrek uit Egypte te Galgala. Daar werden de twaalf steenen, die van den bodem des Jordaans waren meegenomen, opgericht tot een altijddurend gedenk-teeken voor de toekomstige geslachten.
Nog twee andere gewichtige plechtigheden hadden te Galgala plaats. Gedurende den veertigjarigen tocht door de woestijn was slechts eens, in het eerste jaar bij den berg Sinaï, het Paaschfeest gevierd, en de besnijdenis was in het geheel niet toegediend. Dewijl nu, met uitzondering van Josue en Caleb, alle mannen en knapen van het thans levend geslacht binnen de gemelde veertig jaar geboren waren, ontvingen zij te Galgala het heilic verbondsteeken, door God aan Abraham gegeven; daarna vierde de gansche menigte van Israels kinderen den veertienden dag der maand, op luisterrijke wijze het Paaschfeest. Terzelfder tijd hield het manna op te vallen en at men van de vruchten des lands.
Onderscheidene uitleggers zijn van meening, dat Rahab even goed een herbergierster ofkhanhoudstep kan geweest zijn als een lichte vrouw; want, zeggen zij, het Hebreeuwsche woord zon ah, door de tl. Schrilt gebruikt, laat beide verklaringen toe. Ia het algemeen moge dit waar zijn, er staat echter tegenover.
99
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
dat twee Apostelen, Ue H. Paulus in llcbr. XI: 31, en de H. Jacobus, in zijn brief II: 25, haar uitdrukkelijk pornê noemen, welk grieksch woord slechts ééne beteekenis heeft, nl. die van lichte vrouw.
Waarschijnlijk evenwel was Rahab niet eene zoodanige vrouw volgens onze gewone opvatting, maar een voornaam persoon en priesteres der Chanaanietische godin Astanhe, die op gezette tijden door ongebondenheid en wellust gediend werd. Voor deze meening pleit o. a. het gedrag van 's konings boden, die, in plaats van Rahabs huis te doorzoeken, gelijk zij wellicht bij burgers van minderen stand zouden gedaan hebben, haar terstond op haar woord gelooven.
Verder toont zij door haar gesprek met de beide verspieders, geheel op de hoogte te zijn van hetgeen met Israël is voorgevallen, wat zich bij eene openbare priesteres veel beter laat verklaren dan bij eene gewone zedelooze vrouw, die slechts leeft voor een karig tijdelijk gewin. Of zij op het tijdstip, dat de verspieders haar bezochten, en waarop zij reeds kennis droeg van den eenen waren God, zich nog aan hare vroegere afschuwelijke vereering schuldig maakte, mag met grond worden betwijfeld. Van den anderen kant schijnt het zeer aannemelijk, dat de kennis van God en zijne zedewet nog niet genoeg tot haar was doorgedrongen, om haar in de leugen, die zij om bestwil, ter redding van het leven der verspieders waagde, eene zonde te doen zien, wat deze toch werkelijk was.
Die leugen daargelaten, wordt Rahab door de beide straks genoemde Apostelen hoogelijk geprezen, ten eerste om haar geloof in den God van Israël, wiens wonderwerken haar aanstonds tot eene nederige en bereidwillige erkentenis zijner macht en glorie brachten, en ten tweede om hare werken van barmhartigheid, jegens de beide mannen geoefend.
HOOFDSTUK XLIX.
INNEMING VAN JERICHO.
11® algala, waar de Israclicten thans gelegerd waren, lag in de vlakte van Jcricho. Terwijl nu op zekeren dag Josue op den akker wandelde, die laatstgenoemde P1;,ats omringde, zag hij eensklaps een man met uitgetogen zwaard voor zich X staan. Hij ging naar hem toe en vroeg: Zijt gij een der onzen of behoort gij tot t Jen vijand ? De aangesprokene antwoordde; Ik ben de vorst van het heerleger Gods, en ben gekomen om u bij te staan. Toen Josue dit hoorde, wierp hij zich plat ter aarde en zeide: Wat beveelt mijn heer aan zijnen dienstknecht? Ontdoe u, luidde het antwoord, van uw schoeisel, want de plaats, waar gij staat, is heilig. En Josue deed alzoo.
De inwoners van Jericho nu hadden uit vrees voor de kinderen Israels hunne stad versterkt en hielden de poorten zorgvuldig gesloten, zoodat er niemand uit of in kon. Doch de Heer sprak tot Josue: Zie, ik heb Jericho met zijn koning en al zijne strijders in uwe handen gegeven; trek met uw leger rondom de stad, zes dagen lang, eiken dag eens; op den zevenden dag echter zult gij haar zevenmalen omtrekken, vergezeld van de priesters, die de ark des verbonds dragen en op de zeven bazuinen blazen, welke ten tijde van het jubeljaar gebruikt worden. Zoodra de bazuinen zich in lange, gerekte en doordringende tonen doen hooren, zal al het volk een zoo krachtig mogelijk geroep aanbellen, de muren der stad zullen tot op hunne grondvesten ineenstorten, en uwe strijders zullen de plaats binnendringen tegenover het punt, waar ieder hunner zich op dat oogenblik bevindt.
Toen Josue dit bevel aan de Israëlieten had medegedeeld, maakten zij zich terstond gereed; voorop gingen de strijdbare mannen, daarna volgde de ark en eindelijk kwam het overige volk. Josue gebood aan allen:' Roept niet, laat uw geluid niet vernomen worden en dat geen enkel woord uit uw mond kome, tot op den dag dat ik u zeggen zal; Roept nu en schreeuwt. Al het volk trok dezen eersten dag met de ark rondom de stad, zonder gedruisch te maken; slechts de bazuinen lieten zich hooren. Zoo werd gedaan zes achtereenvolgende dagen, en telkens keerde men des avonds met de ark in de legerplaats terug. Den zevenden dag echter, na zeer vroeg te zijn opgestaan, trokken de Israëlieten de stad zevenmalen om, en toen bij den zevenden omgang de priesters ('langer en doordringender) de bazuinen bliezen, sprak Josue tot het volk : Heft uwe kreten aan, want de Heer heeft
IOO
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
u de stad overgeleverd. Voorts sprak hij nog : De stad ligge met al hetgeen zij bevat, onder den bandvloek; alleen Rahab en die binnen haar huis zijn, zult gij sparen. Wacht er u voor, u iets van den buit toe te eigenen, opdat gij niet aan overtreding plichtig wordt en geheel het leger zich met schuld en straf belade; alleen het goud en zilver, benevens het koperen en ijzeren vaatwerk zullen bewaard worden voor de schatkist des Heeren.
Nauwelijks had Josue zijne woorden voleind, of een ontzettend geschreeuw ging er uit het volk op; de bazuinen stieten hare krachtige tonen uit; eensklaps stortten de muren in, en ieder stormde de stad binnen op het punt, tegenover hetwelk hij zich bevond. Terwijl nu alles werd neergesabeld, mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards, alsook de kudden runderen, schapen en ezels, sprak Josue tot de twee verspieders: Gaat naar het huis van Rahab, de lichte vrouw, en brengt haar met al het hare hier. De verspieders deden alzoo; zij haalden Rahab, hare ouders, broeders en aanverwanten, tegelijk met haar huisraad, en wezen haar een voorloopig oponthoud aan buiten de legerplaats; â later bleef zij met haar gansche familie onder de Israelieten wonen. Vervolgens werd de stad in brand gestoken, en Josue zwoer: Vervloekt zij de man, die de muren van Jericho weder opbouwt: zijn eerstgeboren zoon sterve, als hij de fondamenten legt, en zijn jongste, als hij de poorten in hare hengsels hangt.
1. Sommige uitleggers willen in den man, die met uitgetogen zwaard voor Josue stond en zich den aanvoerder van het heerleger Gods noemde, den aartsengel Michaël zien, den bijzonderen beschermer van Israël, die ook op den tocht door dc woestijn de wolkkolom bestuurde. Anderen meenen, dat het de Gezondene bij uitnemendheid, d. i.: de toekomstige Messias zelf was.
2. Rahab en de haren moesten zoolang buiten de legerplaats blijven, tot dat zij door het ondergaan der wettelijke reiniging (de mannen bovendien door het ontvangen der wet van Abraham) bij liet joodsche volk waren ingelijfd. Rahab is een schoone voorafbeelding van de Kerk van Christus. Ofschoon zondares, werd zij, op den grondslag des krachtigen en werkdadigen geloofs, dat God haar instortte, door de Gena le gered en herboren; â het teeken der redding, het roode koord, wijst op de bron van alle Godsgaven, het bloedig kruis van Golgotha.
Dezelfde vrouw genoot het verheven voorrecht van een der stammoeders te worden, uit welke later de Verlosser ontsproot.
j. Als open plaatsje vinden wij Jericho in den loop der geschiedenis terug; als versterkte stad met muren en poorten mocht het niet worden herbouwd.
HOOFDSTUK L. INNEMING VAN H A ï.
a11 Jericho zond Josue eenige mannen uit, om de stad Haï te verkennen, die dicht bij Bethaven, ten oosten van Bethel lag. Na hun last volbracht te hebben, keerden .Jp de boden terug met het bericht, dat zij he: onnoodig oordeelden, het geheele «y leger tegen Haï te laten oprukken, daar 3000 man voldoende zouden zijn, om de stad t te verdelgen. Diensvolgens trokken de gezegde drieduizend man uit, maar reeds bij ' den eersten aanval op de stad verloren zij 36 man en moesten voorts voor den zegevierenden vijand vluchten, die nu nog velen hunner versloeg en hen tot Sabarim terugdreef. Hierdoor werd het hart des volks met groote vrees bevangen en smolt als tot water. Ook Josue gevoelde het gewicht der nederlaag; hij scheurde zijne kleederen, wierp zich met de oudsten voor de ark des Heeren plat ter aarde, en terwijl allen, op zijn voorbeeld, hunne hoofden met asch bestrooiden, bad hij: Heer, mijn God, wat zal ik zeggen, ziende dat Israël op de vlucht is geslagen ? De Chanaanieten en al de inwoners dezer streken zullen het hooren en met elkander vereenigd ons omsingelen en ons van de aarde verdelgen; wat wordt er dan van uw grooten Naam ? De Heer antwoordde : Sta op; waarom ligt gij ter
lOi B1JBHLSCHE GESCHIEDENIS.
sarde? Israel heeft gezondigd en mijn bevel overtreden; het heeft van het goed (van Jericho) genomen, dat onder den banvloek was gelegd, en dit goed verborgen; daarom zal Israël zijne vijanden niet kunnen weerstaan, en ik zal niet met u zijn; totdat gij den schuldige van de aarde verdelgt. Sta dan op, heilig het volk en beveel het; Morgen zult gij u heiligen, want alzoo spreekt de Heer; Er is gebanvloekt goed in uw midden, o Israël: er zal dus morgen tusschen de verschillende stammen geloot worden en vervolgens tusschen de farniliën van den stam, die door het lot is aangewezen; daarna tusschen Je verschillende huizen der plichtige familie en eindelijk tussclien de mannen van het schuldige huis. Des anderen morgens vroeg werd liet lot getrokken en het viel op den stam Juda; voorts wees het de familie Zare aan, en in deze familie het huis Zabdi. Als de schuldige in dat huis werdt ontdekt Achan, de zoon van Charmi, die de zoon was van Zabdi, uit het geslacht Zare van den stam Juda. Josue sprak nu tot Achan: Mijn zoon, geef glorie aan den Heer den God van Israël; belijd mij wat gij gedaan hebt en verheel dit niet. Achan antwoordde: Waarlijk, ik heb tegen den Heer den God van Israël gezondigd. Zoo en zoo heb ik gedaan: ik zag onder den buit een zeer schoonen rooden mantel; benevens tweehonderd s.kkels zilver en een stang goud van vijftig sikkels; in mijne begeerlijkheid heb ik dit genomen en het onder den grond midden in mijne tent begraven. Oogenblikkelijk zond Josue zijne dienaren uit, die het verborgene te voorschijn haalden, daarmede in de vergadering terugkeerden en het ter aarde wierpen voor het aanschijn des Heeren. Josue nam daarop Achan, het zilver, den mantel, de stang goud, alsook Achans zonen en dochters (die ongetwijfeld van het in de tent begravene kennis droegen en dus medeplichtig waren) en verder zijne ossen, ezels en schapen, zijne tent en zijn huisraad en voerde alles naar de vallei Achor. Daar sprak hij tot den schuldige: Omdat gij ons beroerd hebt, beroere de Heer u op dezen dag. Vervolgens ging geheel Israël Achan steenigen, ook zijne zonen en dochters werden ter dood gebracht, en al hetgeen hij bezat, verbrandde men. Aldus werd de toorn des Heeren van het volk afgewend.
Nu sprak de Heer tot Josue; Vrees niet; zie, ik heb den koning van Haï en zijn volk met stad en land in uwe handen geleverd ; gij zult aan Haï en zijn koning doen, gelijk gij Jericho en zijn koning hebt gedaan; de tilbare have echter en het vee zult gij buit maken. Josue koos derhalve kloeke helden uit en zond hen 's nachts tegen Haï op weg; aan vijfduizend man gebood hij zich achter de stad, tusschen haren westermuur en het plaatsje Bethel, in hinderlaag te leggen; hij zelf zou met het overige volk op de stad aanvallen, maar terstond bij het eerste treffen den schijn aannemen van te vluchten, om zoodoende den vijand zoover mogelijk buiten de muren te lokken. Was dit geschied, dan moesten de mannen uit hunne hinderlaag treden en de stad verwoesten. Deze krijgslist slaagde naar wensch; want toen Josue den volgenden morgen met zijne manschappen ' ^gen de noordzijde der stad oprukte, en de koning van Haï, niet wetende, dat zich ergens mannen in hinderlaag bevonden, een uitval deed, hielden de Israëlieten zich, alsof zij van schrik op de vlucht gingen, en lieten zich een heel eind ver in de woestijn achtervolgen. Met zooveel geweld zetten de mannen van Haï en Bethel de gewaande vluchtelingen na, dat er niet een enkele hunner in de stad bleef, en zij zelfs de poorten openlieten. Toen zij ver genoeg weggelokt waren, sprak de Heer tot Josue; Hef het schild, dat gij in uwe hand houdt, tegen Haï in de hoogte, want ik heb u de stad overgeleverd. Op deze beweging met het schild (wellicht een te voren afgesproken teeken) traden de in hinderlaag liggende strijders eensklaps te voorschijn, drongen de stad binnen en staken haar in brand. Toen de mannen van Haï, die Josue nazetten, den rook uit hunne muren ten hemel zagen opstijgen, wilden zij op hunne beurt ('in ernst) de vlucht nemen, doch konden dit niet. Want behalve dat de leger-afdeeling, welke de stad genomen had, hen van dien kant aantastte, hield nu ook Josue stand, zoodat zij tusschen beide legers beklemd geraakten en totaal verslagen werden. De koning van Haï viel levend in de handen der Israëlieten, die hem voor Josue voerden en vervolgens naar de brandende stad terugkeerden, om ook de vrouwen en kinderen te ver-
RIjBELSCHF. GESCHIEDENIS.
slaan, en hetgeen door de vlammen gespaard was buit te maken. Het geheele aantal der verslagenen, zoo vrouwen als mannen, bedroeg twaalfduizend personen. Nog altijd hield Josue zijn schild in de hoogte geheven, en bleef daarmede voortgaan, totdat de laatste persoon gedood was. Den buit, bestaande in tilbare have en kudden, deelden de Israëlieten onder elkander, zooals de Heer aan Josue bevolen had; daarna staken zij de stad nog verder in brand, en ten slotte werd de koning aan een paal gehangen en zijn lijk bij de stadspoort onder een hoop stecnen begraven.
Uit dankbaarheid voor de behaalde overwinning richtte Josue den Heer een altaar op, gelijk in liet boek der quot;Wet van Moses was voorgeschreven, te weten: een altaar van onbehouwen steen, waarop hij den Heer brandofters en vredeoffers aanbood. Middelerwijl schaarde het gansche volk, zoowel de Israëlieten als de onder hen wonende vreemdelingen, zich in twee rijen aan weerskanten van de priesters, die de ark droegen; de eene rij stond op de helling van den berg Garizim, de andere op die van den Hebal. Daar zegende Josue het volk en las het de zegeningen en vervloekingen voor, met het overige, dat in het boek der Wet geschreven stond. Aldus volbracht hij trouw hetgeen Moses, de dienstknecht des Heeren, bevolen had, en niets van al wat bevolen was, liet hij na.
103
In hare beschrijving der inneming van Hal' is dc H. Sclirift, wat de hierboven meegedeelde hoofdzaak betreft, genoegzaam helder; sommige bijzonderheden echter iaat zij, door hare groote beknoptheid op die punten, in het onzekere. Zoo bijv. is het de vraag â en de uitleggers zullen het daarover wel nimmer eens worden â of Josue op één of op twee plaatsen mannen in hinderlaag heeft gelegd; of in dit laatste geval het aantal strijders ineen van dc beide hinderlagen 30,000 man belie;:; of Josue zelf met een kleine afdeeling tegen Haï optrok, dan wel met dc genoemde 30,000 man, of zelfs met geheel het leger. Op deze punten, die trouwens minder ter zake doen, heeft de H. Geest onze bloot menschelijke weetgierigheid niet willen bevredigen. Evenmin blijkt het, wat er van de mannen van hetliel, welke met die van Haï de Israëlieten achtervolgden, geworden is. Waarschijnlijk keerden zij nog bijtijds terug; althans van hunne nederlaag wordt niets vermeld.
HOOFDSTUK LI.
V F. R D E R E V E R O V E R 1 N G E N.
jHrj|5^gJg|x |f
oen de koningen der Hetheen, Amorrheën, Chanaaneën, Pherezeën, Heveën en Jebuseën, die op de bergstreken, in de vlakten, aan de oevers der zee en langs Libanon woonden, gehoord hadden, wat met Jericho en Haï geschied was, kwamen zij te zamen, om eenparig tegen Josue en Israël te strijden. De mannen van j Gabaon echter zochten hun heil in een list; zij namen oude zakken met reisbenoo-digdheden en gebarsten en verstelde wijnzakken, laadden die op ezels, trokken oude gelapte schoenen en geheel versleten kleederen aan, voorzagen zich van brood, dat door ouderdom hard en brokkelig was geworden, en gingen, aldus uitgerust, op weg naar de legerplaats der Isiaëlieten te Galgala. Daar spraken zij tot Josue en het volk: Wij komen uit een ver verwijderd land, om vrede met u te sluiten. De Israëlieten antwoordden: Wellicht bewoont gij een gewest, dat tot ons erfdeel behoort, en in dit geval kunnen wij met ii geen bondgenootschap aangaan. Hun wederwoord aan Josue luidde ; Wij zijn uwe dienaren. AV ie zijt gij dan, vroeg hij, en van waar komt gij? Zij bevestigden: Van een zeer veue stieek komen vgt;'ij, uit naam van den Heer uwen God; want wij hebben den roem zijnei macht vernomen en al wat Hij den Egyptenaren en den beiden koningen aan gene zeide des Jordaans, Sehon en Og, heeft gedaan. Daarom zeiden onze oudsten en al onze medeburgers tot otis: Voorziet u van mondbehoeften voor eene verre reis, trekt heen naar Israël en spieekt: Wij zijn uwe dienaren; sluit een verbond met ons. Zie, onze brooden waren nog warm, toen wij van huis gingen; nu zijn zij droog en brokkelig; onzen wijn
miBELSCHE GFSCHIFDRNIS.
goten wij in nieuwe lederen zakken, die thans gescheurd en losgegaan zijn; onze kleederen cn schoenen zijn op den langen weg versleten en bijna onbruikbaar geworden. Door deze woorden misleid, sloot Josue, zonder den Heer te raadplegen, met de Gabaonnieten eer; verbond, dat zij niet zouden gedood worden, en hij en de stamvorsten bezwoeren dit verbond met eede.
Reeds na drie dagen bleek het, dat de steden der Gabaonnieten: Gabaon, Caphira, Beroth en Cariathiarim in de buurt lagen. Onmiddellijk trok Josue met het leger daarheen, doch versloeg de inwoners niet. Toen het volk van Israel hierover tegen zijne hoofden begon te morren, antwoordden dezen; Wij hebben hun lijfsbehoud gezworen in den naam van den Heer den God van Israël; dus kunnen wij hen niet verslaan; maar zoo zullen wij doen: het leven zij hun gespaard, doch dat zij ten dienste des volks hout hakken en water dragen, Josue liet nu de Gabaonnieten voor zich komen en sprak: Waarom hebt gij u verstout ons te misleiden door te zeggen, dat gij uit een verre streek kwaamt, terwijl gij toch in ons midden woont? Daarom zult gij en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage houthakkers en waterdragers zijn voor het huis mijns Gods. Zij antwoordden: Er werd ons gezegd, dat de Heer uw God aan zijnen dienstknecht Moses beloofd had, u het geheele land te zullen geven en alle inwoners te zullen verdelgen. Hierom werden wij zeer bevreesd, en uit angst voor ons leven, vormden wij het thans volvoerde plan; zie, wij zijn nu in uwe hand, doe met ons, zooals u goed en billijk dunkt. Josue bleef bij zijn eerst gesproken woord, dat de Gabaonnieten ten dienste des volks en van het huis des Heeren houthakkers en waterdragers zouden zijn.
Toen Adonisedec, koning van Jerusalem, hoorde, dat de Gabaonnieten tot de kinderen Israels waren overgeloopen en een bondgenootschap met hen hadden aangegaan, maakte de vrees zich van hem meester; want Gabaon was eene groote stad, grooter dan Haï, en de inwoners stonden bekend als zeer dappere krijgslieden. Derhalve zond Adonisedec gezanten naar Oham, koning van Hebron, tot Pharam, koning van Jerimoth, tot Japhia, koning van Lachis en tot Dabir, koning van Eglon, om hen te laten weten; Voegt u bij mij met hulptroepen, en laten wij Gabaon veroveren, omdat het de zijde van Josue koos. Aan dit verzoek werd gevolg gegeven en de vereenigde legers der vijf koningen trokken tegen Gabaon op. In dezen nood zonden de inwoners der belegerde stad boden tot Josue, die te Galgala vertoefde, met de bede: Trek uwe hand niet af van uwe dienaren, maar snel ons onmiddellijk te hulp, om onze stad te ontzetten; want alle koningen der Amorrhecn, die het gebergte bewonen, hebben zich tegen ons vereenigd. Zonder verwijl begaf Josue zich met zijn leger op weg, en de Heer sprak tot hem ; Vrees niet, ik heb de verbondenen al te zamen in uwe handen geleverd en geen hunner zal u kunnen weerstaan.
Den geheelen nacht zette Josue zijnen marsch voort, viel tegen den morgenstond, onder de muren van Gabaon, den vijf koningen te lijf, bracht hun eene geduchte nederlaag toe en achtervolgde hen tot Azeca en Maceda, De Hemel hielp hem strijden; want toen de Amorrheën uit alle macht vluchtten, zond God hun reeds ter hoogte van Beth-horon een verschrikkelijke hagelbui over, die den ganschen weg, tot Azeca toe, aanhield. Er vielen steenen van ontzaglijke zwaarte, en meer vijanden sneefden door den hagel dan door het zwaard.
Inmiddels zat Josue nog steeds den vluchtelingen op de hielen, en toen de dag hem daarvoor te kort werd, bad hij tot God en sprak ten aanhooren van zijn leger: Zon, sta stil boven Gabaon, en gij maan boven het dal Ajalon I De maan nu bewoog zich niet van hare plaats, en de zon ging niet onder; een geheelen dag lang bleef zij midden aan den hemel stilstaan, totdat Israël zijne vijanden verslagen had. Aldus gehoorzaamde de Heer op de stem van een mensch, en voor noch na dien tijd is er ooit een zoo lange dag geweest.
Eindelijk besloot Josue met de zijnen naar de legerplaats te Galgala terug te keeren, toen hem inmiddels bericht werd, dat de vijf koningen zich in eene grot bij de stad Maceda verscholen hadden. Terstond beval hij zijnen strijders; Wentelt groote steenblokken voor
BIJBELSCHE GESCMIF.DEMIS.
dcn ingang der grot en stelt er mannen bij, om de opgeslotcnen te bewaken; gij overigen zult onderwijl het overschot der vluchtelingen nog verder nazetten. Er werd nu onder de vijanden eene zoo vreeselijke slachting aangericht, dat slechts eenige weinigen, die bijtijds de versterkte steden hadden kunnen bereiken, den dood ontkwamen.
Bij Maceda kwam het leger van Israël weder te zamen, en het bleek, dat geen enkele man gesneuveld ot' ook maar gewond was. Nu beval Josue zijnen dienaren: Opent de grot en brengt de vijf koningen, die er in opgesloten zijn, hier voor mij. Het waren; de koning van Jerusalem, de koning van Hebron, de koning van Jerimoth, de koning van Lachis en de koning van Eglon. Toen de dienaren hen gehaald hadden, sprak Josue (om door een schitterende daad zijnen strijders, die er bij tegenwoordig zouden zijn, voor de toekomst moed in te boezemen) tot de legeroversten: Komt, en dat ieder uwer zijn voet op den nek dezer koningen zette. Terwijl dit bevel werd uitgevoerd, sprak Josue verder; Wilt niet vreezen, noch versagen; weest kloek en dapper; want aldus zal de Heer doen aan al uwe vijanden, tegen welke gij zult te strijden hebben. Voorts liet Josue de vijf koningen dooden en hunne lijken aan palen hangen tot den avond toe; daarop liet hij hen begraven in dezelfde grot, waar zij zich verscholen hadden, en welker ingang ook nu weder met groote steenblokken gesloten werd.
Denzelfden dag nog bracht Josue Maceda onder zijner macht, verwoestte de stad, doodde hare inwoners en handelde met haren koning zooals hij gedaan had met dien van Jericho. Van Maceda trok hij naar Lebna, nam het en deed het in het lot van Jericho en Maceda deelen. Nu kwam hij te Lachis. Deze stad werd op regelmatige wijze belegerd; zij viel echter reeds na verloop van één dag en werd met al hare inwoners verdelgd, zoodat er geen levende ziel overbleef. Horam, de koning van Gazer, die met een leger kwam aansnellen, om Lachis bij te staan, werd eveneens ter vernietiging toe verslagen. Van Lachis gino-de tocht naar Eglon, dat nog denzelfden dag, waarop het belegerd werd, bezweek. Nu volgde Hebron, welks koning met die van Lachis en van Eglon door Josue bij Maceda was gedood; inmiddels had het een nieuwen vorst gekregen, doch ook dezen werd het lot van zijn voorganger bereid, en zijne hoofdstad en de omliggende vlekken werden veroverd en verwoest. Van Hebron sloeg Josue den terugweg in naar Dabir, dat insgelijks met zijn koning, zijne inwoners en onderhoorige vlekken viel voor de scherpte des zwaards. Aldus bemeesterde Josue de bergstreken des lands, alsmede de vlakten van Asedoth, het gansche zuidelijk gedeelte van Chanaiin. Over die geheele uitgestrektheid liet hij niemand (die hem in handen viel) het leven, maar sloeg al wat ademde ter neder, gelijk hem de Heer de God van Israel geboden had, en de Heer zelf streed voor hem.
Na het volbrengen van dezen eersten veldtocht keerde hij met zijne geheele krijgsmacht in het legerkamp te Galgala terug.
Toen eenigen tijd later (misschien wel, nadat Josue den winter in de legerplaats te Galgala had doorgebracht) Jabin, de koning van Asor, de verovering van zuidelijk Chanaan vernomen had, zond hij boden tot Jobab, den koning van Madon, tot de koningen van Semeron en Achsaph, en verder tot de koningen die in liet Noorden des lands woonden, zoo ook tot die er woonden in de streken van Ceneroth en langs de oevers der zee, en tot die in het Oosten en Westen regeerden. Al deze koningen verzamelden zich met hunne gansche macht bij de wateren van Merom (een meertje ten noordoosten van het meer Genesareth), om tegen Josue te strijden. Het was een ontzettend leger, talrijk als de zandkorrels aan het zeestrand, en het bezat paarden en krijgswagens in ongehoorde menigte. Doch de Heer sprak tot Josue: Vrees niet, morgen zal ik hen in uwe handen leveren. Do dag van morgen kwam, en zoo onverhoeds en met zulk een kracht viel Josue op de verbonden legerscharen aan, dat hij ze versloeg en tot het groote Sidon (de hoofdstad van Phenicié), tot de wateren van Maserephoth en tot de vlakte van Masphe, die ten oosten dezer wateren ligt, achtervolgde. Van het geheele ontzaglijke leger bleef niets over, dan wat zich in de bergen verschuilen of nog bijtijds de vestingen bereiken kon. Onmid-
U
ioj
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
dellijk na deze glansrijke zegepraal richtte Josue zijne strijdkrachten tegen de steden der verslagen vorsten, nam ze, met uitzondering van de op heuvels en hoogten gelegen vestingen, alle in, behaalde een aanzienlijken buit, maakte zich meester van talrijke kudden, en gaf de huizen en andere gebouwen aan de vlammen prijs. Den buit en de kudden deelden de kinderen Israels onder elkander.
Nog langen tijd (nog ongeveer vijf en in 't geheel zes of zeven jaren) zette Josue den krijg tegen verschillende steden en gewesten voort. Onder anderen versloeg hij de zonen van Enac (het reuzengeslacht, zie bladz. 83) die de gebergten van Hebron, Dabir, Anab en verdere streken bewoonden; al hunne steden werden verwoest, Gaza, Geth en Azot alleen uitgezonderd. In het geheel werden overwonnen en verslagen een en dertig koningen en volkeren,
1. Het verwijt, dat de Israëlieten, met de inwoners der veroverde steden, allen zonder onderscheid neer te sabelen, zich in hooge mate aan de naastenliefde en de zachtmoedigheid zouden vergrepen hebben, bewst, evenals zoovele andere beschuldigingen van den kant des ongeloofs, op eene geheel verdraaide voorstelling van zaken. Niet uit boozen lust toch handelde Israël, niet uit bloeddorst of wraakzucht, maar op het uitdrukkelijk bevel Gods.
God nu bezat,, ook zelfs volgens onze menschelijke wijze van zien, tot het geven van dit bevel het volste recht. Door hun om wraak roepend gedrag, hunne afgoderij en monsterachtige zedeloosheid hadden de volken van Chanaan, nadat God eeuwen lang vruchteloos hunne bekeering had afgewacht, zeker honderdmaal den dood verdiend. God had hen dien dood kunnen doen vinden in de pest, in eene overstiooming, bij wijze van een gedeeltelijken zondvloed, of langs verschillende andere wegen; maar het stond Hem evenzeer vrij, om menschen tot do uitvoering van zijn vonnis te gebruiken. Dit is zelfs den wereldlijken rechter geoorloofd; hoeveel te meer dan Hem, die alle macht bezit in den hemel en op aarde. Bevonden zich al onder de omgebrachten vele personen, kinderen vooral, die geen goed van kwaad wisten te onderscheiden, zoo bedenke men, dat bij iedere algemeene straf, die God het menschdom overzendt, steeds de schuldeloozen het met de schuldigen moeten ontgelden. Voor de eerstgenoemden was dat, wel beschouwd, in dit bepaalde geval minder een ramp dan een geluk; want door hun vroegtijdigen dood werden zij gevrijwaard tegen het kwaad, waaraan zij zich op lateren leeftijd, te midden van het algemeen bederf, ongetwijfeld zouden hebben overgegeven, en dat hen niet slechts tijdelijk, maar voor eeuwig ongelukkig zou gemaakt hebben.
2. Men verwarre koning Dabir niet met de stad Dabir.
HOOFDSTUK LIL
VERDEELING DES LANDS. TERUGKEER DER OVERJORDAANSCHE STAMMEN.
jyBjPw^aar Josue thans ver op zijne dagen gekomen was, sprak de Heer tot hem: Gij f zijt oud en hoogbejaard, en het land is nog niet door het lot verdeeld; verdeel
het dus onder de negen stammen en den halven stam van Manasse. Dc andere jgt;)As helft van Manasse had namelijk met de zonen van Ruben en Gad hare bezittingen â fa verkregen aan de oostelijke zijde des Jordaans, waar de vroegere bevolking geheel was uitgeroeid, behalve de Gessurieten en Machabieten, welke de kinderen Israels niet hadden willen verdelgen, en die voortaan onder hen bleven wonen.
Toen Josue nu met dc verdeeling van het land ten westen des Jordaans een begin wilde maken, verscheen Caleb voor hem en zeide : Gij weet, wat dc Heer aangaande mij en u, te Cadesbarne, tot Moses, zijnen dienaar, gesproken heeft. Ik was veertig jaren oud, toen Moses (in het tweede jaar na den uittocht uit Egypte) mij met de overige verspieders gelastte, het land te gaan verkennen. Terwijl de anderen (door hun valsche berichten) het hart des volks ontstelden, bleef ik (met u) den Heer mijn God getrouw, en getuigde hetgeen mij waar toescheen. Op dien dag zwoer mij Moses: De grond, welken uw voet betreden heeft, zal uwe bezitting zijn en die uwer kinderen tot in het verste geslacht. Het
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
is nu vijf cn veertig jaren geleden, dat Moses dit woord sprak, en al heb ik thans den leeftijd van vijf en tachtig jaren bereikt, zoo ben ik toch nog even krachtig als destijds, eu bezit dezelfde geschiktheid om te strijden en de hoogten te beklimmen. Geef mij derhalve, ingevolge de door u zeiven gehoorde belofte des Heeren, dezen berg, dien de zonen van Enac bewonen en waai zij hunne steden cn vestingen hebbenj wellicht zal de Heei met mij zijn, opdat ik hen moge verslaan, gelijk de Heer mij beloofd heeft. Josue gaf dan aan Caleb de bergstreek van Hebron en de stad Dabir (in welke beide plaatsen, vroeger door Josue veroverd, zich weder Enacieten hadden genesteld). Hebron heroverde Caleb zelf, en versloeg er de drie zonen van Enac: Sisaï, Achiman en Tholmaï; maar toen hij voor Darbir kwam, sprak hij: Wie Dabir inneemt, hem zal ik mijne dochter Axa tot vrouw geven. Othoniël, de zoon van Calebs jongsten broeder, nam den voorslag aan, maakte zich van de stad meester en kreeg, met de beloofde bruid, tevens eene streek gronds ten geschenke.
Bij de verdeeling des lands ontvingen het eerst hunne bezittingen de stammen Juda en Ephraïm en de halve stam Manasse.
De zonen van Juda moesten het dulden, dat in hun midden de stad Jerusalem, welke zij niet konden veroveren, door de Jebuseën bewoond bleef. Ook in het erfdeel van Manasse deed zich een dergelijk geval voor; daar hielden namelijk de Chanaaneën eenige steden bezet. De zonen van Ephraïm lieten de Chanaaneën in de stad Gaza bestaan; zij maakten hen echter aan zich cijnsplichtig; dit laatste deden in het vervolg van tijd ook de zonen van Manasse opzichtens de Chanaaneën, die onder hen woonden.
Zooals zij thans hun erfdeel ontvangen Tiadden, waren de stammen Ephraïm en Manasse daarmede niet tevreden; naar hunne bewering was het te klein in verhouding tot hun groot aantal. Doch Josue antwoordde hun: Indien gij zoo talrijk zijt en machtig, en u uwe bergen niet genoegzaam zijn, zoo trekt naar het woud en verschaft u ruimte in het land der Pherezeën en der Raphaïmieten.
inmiddels werd de tabernakel op plechtige wijze door de gezamenlijke Israëlieten naar Silo vervoerd. Daarna sprak Josue tot de zeven stammen, die hun erfdeel nog niet hadden ontvangen; Hoelang zult gij uwe dagen in lediggang slijten; waarom stelt gij u niet in het bezit des lands, dat de Heer u geschonken heeft? Kiest dus uit iederen stam drie mannen, die het land in zeven deelen opnemen en er mij een beschrijving van geven, opdat ik voor het aanschijn des Heeren het lot werpe.
Zoodra de mannen gekozen waren, maakten zij zich op weg, bezichtigden het land, stelden de grenzen van ieder deel vast, teekenden alles op in een boek en keerden tot Josue in de legerplaats te Silo terug. Nu werd het lot geworpen en op die wijze het land verdeeld. De stam van Levi ontving geen afzonderlijke bezittingen, daar zijne zonen, de priesters en de Levieten, naar het bevel door God aan Moses gegeven, over geheel Israël verspreid moesten worden. Hun erfdeel bestond in de spijs- en slachtoffers, die den Heer werden opgedragen; slechts eenige steden wees Josue hun ter woon aan met een smalle strook gronds, tot onderhoud van hun vee. Zoo werden op het grondgebied der stammen Juda, Simeon en Benjamin dertien steden afgezonderd voor de priesters; hieronder was ook begrepen de stad Hebron, welke in de bezittingen van Caleb lag. De Levieten uit het geslacht Caath ontvingen tien steden in Ephraïm, Dan en den halven stam van Manasse; die uit het geslacht Gerson dertien steden in Issachar, Aser, Nephthali en het gedeelte van Manasse aan den oostkant des Jordaans; terwijl eindelijk het geslacht Merari twaalf steden bekwam in de stammen Ruben, Gad en Zabulon,
Als vrijsteden, waarheen iemand ingeval van onopzettelijken manslag de vlucht kon nemen, werden aangewezen Cedes in het noorden des lands, Sichem in het midden, Hebion in het zuiden, en Bosor, Ramoth en Gaulon aan de overzijde des Jordaans.
De belofte des Heeren, aan de vaderen gedaan, was dan eindelijk vervuld: Israël had zijn erfdeel ontvangen. Het land, waar Abraham, Isaiic en Jacob zoovele jaren als vreemdelingen hadden rondgezworven en omtrent h.'. .velk God hun zoo dikwijls met eede had
107
loS BIJBHLSCHE GESCHIEDENIS.
verzekerd, dat Hij het aan hen en hunne kinderen zou geven ten eeuwigen dage, was thans voor het grootste gedeelte door die kinderen in bezit genomen. Daarmede was ook het oogenblik aangebroken, dat Josue de zonen van Ruben, Gad en den halven stam Manasse naar hunne, aan gene zijde des Jordaans achtergelatene betrekkingen kon terugzenden. Derhalve riep hij hen bij zich en sprak: Gij hebt alles vervuld, hetgeen Moses, de dienstknecht des Heeren, u geboden heelt; onder mijn bevel hebt gij gedurende een langen tijd tot heden toe (zeven of acht jaren) voor uwe broeders gestreden. Thans heeft de Heer dien broeders de rust en den vrede geschonken, welke Hij hun beloofd had; keert dus terug naar de uwen, en bezit het land, dat Moses u gaf. Weest daar echter Moses vermaning indachtig, om den Heer uwen God te beminnen, in zijne wegen te wandelen, zijne geboden te onderhonden, Hem aan te hangen en Hem te dienen uit geheel uw hart en met geheel uwe ziel. Nog sprak Josue: Ziet, gij keert terug met groote rijkdommen, met veel goud, zilver, koper en ijzer; deelt dien buit met uwe achtergeblevene stamgenoot en daarginds. Na dit gezegd te hebben, schonk hij hun allen zijnen zegen en liet hen gaan,
Toen de terugkeerenden den Jordaan bereikt hadden, richtten zij, nog in het land Chanaan, op een der heuvels langs genoemden stroom een altaar op van reusachtigen omvang. Zoodra de andere stammen dit hoorden, vergaderden zij te Silo, waar zij het besluit namen, om tegen de vermeende wetschenders op te trekken en hen te bestrijden. Inmiddels zonden zij een gezantschap, bestaande uit Phinccs, den zoon van den hooge-priester Eleazar, en tien vorsten vooruit. Deze vroegen aan de twee en een halve stammen: Wat is dit voor eene overtreding; waarom verlaat gij den dienst van den Heer den God van Israel, en richt (buiten zijn tabernakel, de eenige plaats waar geofferd mag worden) een heiligschennend altaar op? Is het u niet genoeg, door de vereering van Beëlphegor te hebben gezondigd, van welke misdaad de vlek tot op dezen dag ons aankleeft? Heden hebt gij den Heer (opnieuw) verlaten, en morgen zal des Heeren gramschap daarover tegen geheel Israel losbreken. Als gij meent, dat het land, hetwelk gij gaat bezitten, onheilig is, komt dan hier, waar de tabernakel des Heeren staat, en vestigt uw verblijf onder ons; maar wijkt van den Heer en van de gemeenschap met ons niet af, door een altaar op te richten tegenover het eenig altaar van den Heer onzen God. De zonen van Ruben en Gad en van den halven stam van Manasse antwoordden: Den Heer den almachtigen God is het bekend, en geheel Israël moge het weten, dat wij met geen verkeerd doel hebben gehandeld. Als wij dit altaar hebben opgericht om er brand-, spijs- en vredeoffers op te leggen, moge God over die daad recht doen en ons straffen. Geheel anders waren onze inzichten; wij dachten bij ons zeiven: Morgen zullen uwe kinderen tot onze kinderen zeggen: De Heer heeft den Jordaan als grensscheiding tusschen ons en u gesteld, zonen van Ruben en Gad, en derhalve hebt gij geen deel aan den Heer. Om dit te voorkomen en te zorgen, dat uwe kinderen onze kinderen niet van de vereering des Heeren terughielden, hebben wij het dienstig geoordeeld dit altaar op te richten, niet om er oiïers op te brengen, maar tot een gedenkteeken tusschen ons en u, opdat onze kinderen zouden kunnen zeggen: Ziehier is het altaar, dat onze vaderen bouwden, ter altijddurende getuigenis, dat wij het recht hebben, den Heer (in zijn tabernakel) onze offers op te dragen. Deze woorden behaagden aan Phineës, aan de tien vorsten en aan geheel Israël; die daarvoor den Heer loofden. Door de zonen van Ruben en Gad werd het bewuste altaar genoemd: Onze getuigenis dat de Heer onze God is.
B1JBELSCHE GESCIIIHDHNIS.
1 lOOI'DSTUK LUI.
DOOD VAN JOSUE EN E L E A Z A R,
den dag, dat God zijn volk vrede cn rust had gegeven, was er weder een Ji'^ik gefuime ti)d 0.f 9 jarcn) verloopen, toen Josue nog eens voor het laatst /j A p 1:'nK'' le Slc'K'ni tlce^ samenkomen. Daar sprak hij tot de vergaderden: /i Ik ben oud cn zeer bedaagd. Gij hebt alles gezien wat do Heer uw God gedaan l heeft aan de oude inwoners dezer gewesten, en hoe Hij voor u heeft gestreden.
W ijl nu de Heer u het geheele land door het lot heeft toegedeeld, van den Jordaan tot aan de zee, maar er nog in vele steden stamgenooten der verslagen volken overig zijn, zal de lieer uw God ook hen voor uw aanschijn doen verdwijnen, en gij zult het geheele land bezitten, indien gij slechts dapper zijt en zorg draagt, dat gij alles onderhoudt, hetgeen in de wet van Aloses geschreven staat, zonder daarvan af te wijken ter rechter-, of ter linkerhand. Als gij echter de dwalingen dezer volksstammen aanhangt en huwelijken met hen .sluit ol vriendschapsbanden aanknoopt, zoo moogt gij thans reeds weten, dat de Heer uw God hen niet za! uitroeien, maar dat zij u zullen worden tot een kuil en een val-!!quot;, I fl1. 'lat dc llm' quot; weder verdrijven uit dit schoone land, hetwelk Hij u schonk. Gelijk Hij het goede aan u vervulde, zoo zal Hij ook zijne bedreigingen uitvoeren, Lulien gij het verbond, dat Hij met u sloot, verbreekt en de afgoden aanbidt. Kiest thans, wie â¢â ij dienen wilt, den Heer of de goden van de volken, wier land gij bezit; ik echter en mijn huis, wij zullen den lieer dienen. Eenparig antwoordde het volk: Verre zij het van ons, den Heer te verlaten en den vreemden goden aan te hangen. Josue hernam: Gij zei-ven zijt getuigen, dat gij den Heer hebt gekozen. En wederom sprak het volk: Ja wij zijn getuigen. ' '
Al deze woorden schreef Josue in het boek der Wet des Heeren; daarna nam hij een zeer grooten steen, plaatste dien onder den eik, welke bij het heiligdom des Hoeren stond en sprak : Ziet, deze steen zal u ter getuigenis zijn van hetgeen gij'den Heer hebt beloofd, opdat gij dit later niet loochenen zoudt en liegen tegen den Heer uwen God.
Nadat Josue ten slotte het volk had laten gaan, stierf hij in den ouderdom van no jaren en werd begraven aan de grens zijner bezittingen, te Thamnathsare op het gebergte Hphraïm, ten noorden van den berg Gaiis. Ook Hleazar, de zoon van Aaron, stierf cn werd op hetzelfde gebergte Ephraïm ter aarde besteld. Het gebeente van Josef, dat de Israëlieten uit Egypte hadden medegevoerd, begroeven zij te Sichem, op den akker, dien Jacob voor honderd lammeren van de zonen Hemors gekocht had en die het erfdeel van Josef was geworden.
Met bovciistaamie gesdiietanis sluit liet Bock Josue, dat in 't geheel 2|, hoofdstukken telt. De tijd, dien Josue na Moses leefde, en gedurende welken hij het volk Gods bestuurde, wordt algemeen op 17 jaren berekend.
Wat op de nu volgende bladzijden zal vermeld worden, is ontleend aan het Hoek der Rechters waarvan naar het algemeen gevoelen, de laatste rechter, Samuel, de schrijver is. Uit boek is 21 hoofdstukken groot en ijtickt zich uit over ccn tijdperk van 317 jaren»
BIJBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK L1V.
GEDRAG DER ISRAÃLIETEN NA JOSUE'S DOOD,
! ;t'n de dagen van Josue hadden de Israëlieten steeds trouw den Heer gediend. Zij bleven ook hier nog een geruimen tijd voortgaan dit te doen, zoolang de ouden leefden, die alles aanschouwd en ondervonden hadden, hetgeen door den Heer gunste van Israël was gewrocht.
'T Kort na Josue's dood kwam het volk (te Silo) bijeen, om den Heer te raad-l plegen, en te vragen: Wie xal voorop gaan tegen de Chanaaneën en onze aanvoerder zijn in den strijd? De Heer antwoordde: Juda zal optrekken, en ziet: ik heb het land in zijne handen geleverd.
Juda sprak toen tot Simeon (wiens bezittingen grootendeels tusschen de zijne in lagen): Ga mede naar mijn erfdeel, om de Chanaaneën, die er zich nog bevinden, te verslaan, en ik zal u helpen tot het zuiveren van het uwe. Zij trokken dan gezamenlijk op en ontmoetten te Bezec, waarvan Adonibezec koning was, een leger van Chanaaneën en Pherezeën, 10,000 man sterk. Dit leger versloegen zij, namen den koning op zijne vlucht gevangen, kapten hem de uiteinden der vingers en teenen af en voerden hem naar Jerusalem, Adonibezec erkende in deze behandeling zijne rechtmatige straf voor hetgeen hij zelf eens aan zoovele anderen had gedaan, en sprak: Zeventig koningen kropen met verminkte handen en voeten onder mijne tafel om de kruimelen op te rapen, mijn gedrag ten hunnen opzichte wordt mij thans door den Heer vergolden. Vervolgens trokken Juda en Simeon op tegen de Chanaaneën, die te Sephaath woonden, versloegen en doodden hen, en noemden hunne stad Horma, dat is: Vloek. Daarna namen zij Gaza in, benevens Ascalon cn Accaron, en maakten zich meester van al de bergstreken in hun erfdeel; den vijand echter, die in de vlakte woonde, konden zij niet uitroeien, omdat hij met zeisenwagens vocht.
Ook de zonen Ephraïms legden in den beginne hunne goede gezindheid tot volledige bevrijding van hun grondgebied aan den dag; zij belegerden en veroverden Bethel, nadat een der inwoners hun, op de belofte dat hem en den zijnen het leven zou gespaard worden, een gemakkelijk pad had aangewezen, waarlangs zij de plaats konden overrompelen. Zoodra zij haar hadden ingenomen deden zij al wat leven had ontvangen voor de scherpte hunner zwaarden bezwijken, hieibij slechts eene uitzondering makende voor hun wegwijzer, die met zijn gansche maagschap vertrok, en elders, in het land der zonen van Heth, eene nieuwe stad stichtte, welke hij, naar den naam dien Bethel oudtijds gedragen had, Luza noemde.
Verder zetten de Ephraïmieten hunne veroveringen niet voort; zij lieten de stad Gazer ongedeerd en duldden, dat de Chanaaneën er in hun midden woonden. Eveneens handelden dc zonen Benjamins opzichtens Jerusalem; de Jebuzeën wonen daar (tot op den dag dat Samuel dit boek schreef) gezamenlijk met dc Benjamieten (de eersten in den sterken burcht Sion, de laatsten in de beneden-stad). Ook de zonen van Manassc maakten er geen werk van, de bewoners der steden Bethsan, Thanac, Dor, Jeblaam en Mageddo uit te roeien, maar lieten toe, dat zij daar naast hen gevestigd bleven; slechts moesten zij eene zekere schatting betalen. Een zelfde gedragslijn volgde Zabulon tegenover de steden Cetron en Naalol; ook daar bleef de Chanaaneër te midden van Israël genesteld en betaalde schatting. Ascr spaarde de bewoners van Accho, Sidon, Ahalab, Achazib, Helba, Aphec cn Rohob. Zoo deden ook Nepthali en Dan ten opzichte der Chanaaneën binnen hun erfdeel; in plaats van hen te verslaan, zooals het uitdrukkelijk bevel des Heeren luidde, lieten zij hen in hun midden verblijven en inden slechts schatting.
Dit gedrag der Israëlieten (dat hoofdzakelijk in gemakzucht, ten dcele ook in de
I 10
EEN ENGEL VERSCHIJNT AAN DE KINDEREN ISRAELS. Hladz.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
begeerte naar geldelijk gewin xijn grond had) mishaagde den Heer, die daarom door een engel, welke den kinderen Israels verscheen, liet zeggen: Ik heb u uit Egypte geleid, en u gevoerd m het land, dat ik met cede uwen vaderen beloofd heb; ik heb u gezworen mijn verbond met u te zullen houden, onder voorwaarde evenwel dat gij geen gemeenschap zoudt aanknoopen met de inwoners van dit land, maar hunne altaren zoudt omverwerpen; gi' echter hebt naar mijne bevelen niet geluisterd. Waarom hebt gij aldus gehandeld? Derhalve heb ik die volkeren niet geheel willen vernietigen; gij zult de overgeblevene stammen tot vijanden hebben, en hunne goden zullen u ten val worden. Nadat de en quot;el deze woorden gesproken had, begonnen de Israëlieten luid te weenen.
De voorspelling en de bedreiging des Heeren gingen allengs in vervulling: de kinderen Israels vielen den God hunner vaderen af en liepen de goden der volkeren na. Baal en Astaroth-c aai om leverde de Heer hen over in de handen hunner vijanden. Telkens wanneer zij door dezen hard verdrukt werden, riepen zij tot God, en God in zijne barmhartigheid verwekte hun herhaaldelijk een rechter, die hen uit de verdrukking bevrijdde. Doch niet zoodra was die rechter gestorven, of zij handelden nog erger dan te voren, totdat de hand hunner vijanden andermaal over hen verzwaard werd , en er een nieuwe rechter opstond, die hen weder verloste.
II sr-l,Hft0nlmigeiredenu ^ Z0quot;Cn JlU,a'S bii tec: veroverden, bleven, zooals uit later door de
â¢;â.ï |VCrm^e.SCbCren,SSen VOOrgOCl1 lu,nne handequot;- lktl'd- ''Oquot;' ^oneu
H l li-' |W ' Vr0eser 01quot;lcr â '0SUC ook rce'ls genomen, maar sedert weer verloren gegaan.
n , Ul,r0r,C eigeni i t0t eif',CCl Van !5equot;i:lmm' ^iHicht bij het grondgebied van
du eer, ⢠7 ' 0m tc lkkkcn- 0vi-'r dc quot;^â «sverandering van Bethel,
nat eertijds I.tiza heette, zie men hier vóór, bladzijde 27, hoofdstuk 17.
di-a'numTr gCS,ii,,tC SU'JcU naar ,ceds ^staande genoemd worden, voegt men voor
Ercsti-lit W0 quot; quot;mCmV ' 1 tiide CCl'lCr' l!:lt llet UVCede Lu2a' 1,1 l,ct h,'ui van Iletl.,
fehóudln quot;am n,Cquot; ZCer mCni«VuKli« dcquot; ouduquot; onveranderd over. Dit dient in het oog te worden
ceven cn quot; lquot;,quot;quot;' vcrstl,illundc l,h,iltscn der H- Schrift eerst eene stad als verwoest vindt opge-
sxJ n\~ T'v TC VCrklaring' a,S beStaandc en blocicquot;Jc wordt vermeld. Nu eens lag do nieuwe
⢠' n eg plaatse waar ilc oude geleden had, dan eens zeur ver daarvan verwijderd.
UeehLs'^Dil1''!quot;,1' , dCr 1,oofds,ukkcn is ontlecnd de vijf laatste capita van het Boek der
ïïn der Un l T ~S'T* * OP !!i£h Schctscn van dc quot;iel zeer roemwaardige
quot;es-hieiverl I quot; ? quot;quot; dc 8cwi'dc sc,,riivcr' vermoedelijk om den draad van zijn regelmatig
de lm H Ta °'lderbreke,1⢠als aaquot;quot;aquot;g-l achttr ziiquot; boek geplaatst. Uit verschillende zaken, o. a. uft
enz iru l', quot; ZOnen CCquot; gr01UiKcbicd zoclni-''1- dat ll1-' hoogepriester Phinees nog loefde,
enz., bh kt echter niet zeer veel waarschijnlijkheid, dat de feiten waarvan genoemd aanhangsel gewaag,, zijn villen 111 het tijdsverloop tusschen Josue en den eersten rechter Othoniël.
voorgeva
HOOFDSTUK LV. .
TAFEREELEN VAN REGEERINGLOOSHEID.
n c''e'1 tiid (waarschijnlijk na de ndood van Josue en voordat Othoniël rechter werd) woonde er op het gebergte Ephraïm een man met name Michas. Op zekeren dag vermiste zijne moeder eene som van elfhonderd zilverlingen, die zij ter zijde had ijti gelegd, en bezwoer haren zoon, haar te zeggen, of hij wist, waar dit geld gebleven K was. Hij bekende; Ik heb het. Zij antwoordde: Mijn zoon, gij moogt van den Heer l gezegend zijn! Toen hij haar daarop de som teruggaf, verklaarde zij: Ik heb dit geld den Heer geheiligd en toegewijd, opdat mijn zoon het uit mijne hand zoude ontvangen en er een gesneden en gegoten beeld voor zou laten maken; daarom geef ik het u weder. Doch hij weigerde het aan te nemen. Zijne moeder gaf er nu tweehonderd zilverlingen van aan een zilverwerker, opdat deze haar daarvoor het verlangde zou vervaardigen. Michas zonderde vervolgens in zijn huis een vertrekje voor God af, plaatste het beeld daarin, schafte zich een ephod (een priesterkleed) en beelden aan, en legde zijn zoon offers op de
111
BI1RF.LSCHR GESCHinDFNIS.
handen (aldus vruchteloos pogende hem tot zijn priester te wijden). In die dagen was er geen koning in Israel, en ieder deed, zooals hem recht dacht.
Daar woonde ook, te Bethlehem-Juda, een jeugdige Leviet, die op reis ging;, om ergens een goed onderkomen te zoeken. Al voortgaande bereikte hij het gebergte Ephraïm en trad het huis van Michas binnen. Toen Michas hem vroeg, vanwaar hij kwam, antwoordde hij: Ik ben een Leviet uit Bethlehem-Juda, en reis om te gaan wonen, waar ik kan en waar het mij voordeelig toeschijnt. Blijf bij mij, zeide Michas, gij zult mij tot een vader en priester zijn; daarvoor zal ik u jaarlijks tien zilverlingen geven, twee stel kleederen en het noodige levensonderhoud. Met dit voorstel nam de jonge man vrede en bleef bij Michas, door wien hij als kind des huizes behandeld werd. Michas legde hem offers op de bander; (hem daardoor trachtende te wijden) en sprak: Nu weet ik, dat de Heer mij zegenen za!, daar ik een priester bezit uit den stam van Levi.
In die dagen was er geen koning in Israël, en het geschiedde, dat de zonen van Dan, die het hun toegewezen erfdeel nog niet op den Amorrheër veroverd hadden, zich elders woonplaatsen zochten. Om die te vinden, zonden zij vijf der dappersten van hun stam op landverkenning uit. Daar de weg, dien deze mannen namen, over het gebergte Ephraïm liep, gingen zij eenigen tijd bij Michas uitrusten. Zij ontmoetten er den jongen Leviet, aan wiens spraak zij ontdekten, dat hij niet van Ephraïm herkomstig was, en vroegen hem: Wie heeft u herwaarts gevoerd; wat doet gij; waarom hebt gij hier uw verblijf gekozen? Hij antwoordde: Zoo en zoo heeft Michas tot mij gesproken en mij voor loon gehuurd, opdat ik zijn priester zou zijn. Zij verzochten hem daarop, voor hen den Heer te raadplegen, of zij eene gelukkige reis zouden hebben en hun doel bereiken. De Leviet verzekerde: Gaat in vrede: de Heer ziet neder op uwen weg en op de reis die gij aanvaard hebt.
De vijf mannen gingen nu verder en kwamen te Lafs. Daar zagen zij een volk, dat, gelijk bij de Sidoniërs de gewoonte is, zonder vrees voor eenigen vijand, zorgeloos en gerust zijne dagen sleet, zeer rijk was, en ver van Sidon en van allen omgang met menschen verwijderd woonde. Onmiddellijk keerden zij met dit bericht naar hunne stambroeders terug en zeiden tot hen: Maakt u gereed, laat ons gezamenlijk optrekken, want wij hebben een rijk en vruchtbaar land gevonden, dat wij zonder moeite in bezit kunnen nemen. Zeshonderd welgewapende mannen trokken dan op, kwamen eerst te Cariatniaiim, in het erfdeel van Juda, en daarna op het gebergte Ephraïm. Bij het huis van Michas zeiden de vijf mannen, die hier reeds eenmaal geweest waren: W eet gij, dat in dit huis een ephod is en een gesneden en gegoten beeld ? Overweegt wat u daaromtrent te doen staat. Voorts lieten zij de zeshonderd man op eenigen aistand wachten, traden liet huis binnen, groetten den Leviet met woorden des vredes, en terwijl hij buiten de deur stond, wilden zij het beeld, het ephod en de kleinere beeldjes wegnemen. Toen de Leviet dit zag, zeide hij: Wat doet gij ? Zij antwoordden: Zwijg toch, leg uw vinger op den mond (opdat Michas u niet hoore) en ga met ons mede, om onze vader en priester te zijn. Want wat is u b ter, priester ie wezen van één man of van een geheelen stam in Israël r Door dit-voorstel gewonnen, nam de Leviet het beeld, het ephod en de kleinere beeldjes, en ging met de runnen en met de daar buiten wachtende zeshonderd strijders vertrekken. Toen zij reeds een heel eind verwijderd waren, liep het mannelijk personeel, dat bij Michas in dienst stond, te zamen en snelde hen, roepende en schreeuwende, na. De zonen van Dan zeiden tot Michas: Wat wilt gij toch, waarom roept gij? Michas antwoordde: Hoe? gij hebt mijne goden, die ik heb laten maken, en mijn priester, en al hetgeen ik bezit weggenomen, en gij vraagt nog: wat wilt gij? Doch zij hernamen: Spreek geen woord meer, opdat gij bij sommigen onzer lieden geen kwaad bloed zet en met uw geheele huis ten gronde gaat. Hierna trokken zij verder, en daar Michas zag, dat zij sterker waren dan
hij, keerde hij naar zijne woning terug. , , ,
De zeshonderd man kwamen eindelijk, met hunnen priester en al wat zi| verder hadden medegenomen, te Laïs aan, overvielen de zorgelooze bevolking, deden haar voor de
1 I 2
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. ii3
scherpte van hun zwaard bezwijken cn staken de stad in brand. In dien strijd kwam niemand den lieden van Laïs ter hulp, omdat zij daarvoor te ver van Sidon woonden cn met geen enkel mensch gemeenschap hielden of handel dreven. De overwinnaars noemden de stad, naar hunnen stamvader, voortaan Dan. Het beeld van Michas bleven zij behouden, terwijl de Leviet en later ook zijne zonen hun tot priesters dienden. De naam van dezen Leviet was Jonathan: hij stamde af van Gersam, die een zoon was van Moses. â In die dagen was er geen koning in Israel.
Door dc lierliaalde verklaring, dat er in die dagen geen koning â dit wil hier zeggen: geen overheidspersoon, geen rechter â in Israël was, geeft de H. Schrift niet onduidelijk te verstaan , dat de meeste der boven gemelde daden streng moeten worden afgekeurd.
Dio afkeuring betreft op de eerste plaats liet gedrag van Michas en zijne moeder. Aan eigenlijke afgoderij schijnen zij zich niet plichtig te hebben gemaakt, zooals blijken kan uit de verklaring der moeder, dat zij het geld »dcn lieer heeft toegewijdquot;, en uit het vertrouwen haars zoons, dat «de lieer hem zegenen zalquot;, lieider schuld bestond hoofdzakelijk hierin, dat zij, ofschoon vasthoudende aan den waren God, hem dienden op eene wijze, met zijne heilige wet en met de eenheid van den joodschen «eredienst in openbaren strijd. Slechts op ééne plaats, namelijk in den tabernakel, mocht die eeredienst worden venicht, en buiten de priesters, was er niemand, geen Leviet, en nog veel minder een gewone jood tot offeren bevoegd. Al deze wetten wordendoor Michas overtreden; hij richt een soort van tabernakel op in zijn eigen huis, plaatst er een gesneden en gegoten â een houten verzilverd â beeld vnn Jehova of van de ark in; voegt daar kleine beeldjes, waarschijnlijk nabootsingen der beide op de ark rustende cherubijnen, aan toe; Iaat priesterkleederen vervaardigen; dient een persoon, die niet gewijd kon worden, eigenmachtig een soort van wijding toe, en stelt hem, tegen betaling eencr vaste som gelds, tot zijn vader en priester aan.
HOOFDSTUK LYI.
STRIJD VAN ELF STAMMEN TEGEN BENJAMIN.
en dien tijde was er een Leviet, die op het gebergte Ephraïm woonde en eene vrouw genomen had uit Bethlehem-Juda. Deze vrouw verliet hem en keerde naar llct l11quot;8 haars vaders terug. Na vier maanden reisde hij haar achterna, om zich nlet ^aar te verzoenen en haar weer onder het echtelijk dak te brengen; voor dit | laatste doel had hij twee ezels bij zich en een dienstknecht. Zij ontving hem vriendelijk en geleidde hem in haars vaders huis. Zoodra de vader zijnen schoonzoon zag, liep hij vol blijdschap op hem toe en viel hem om den hals. De schoonzoon bracht drie dagen in dc beste verstandhouding met zijn schoonvader door, en at en dronk met hem. Toen hij den vierden dag, des morgens vroeg, wilde vertrekken, hield de schoonvader hem staande met de wooiden : Neem eerst eene bete broods, om u te versterken, daarna kunt gij heengaan. Terwijl zij nu aan tafel zaten, sprak de schoonvader weder; Ik bid u, blij! nog heden bij mij, en laat ons tc zamen vroolijk zijn. Na eenig tegenstreven stemde de schoonzoon hierin toe. Den vijfden dag eindelijk ging hij met zijne vrouw, zijn dienstknecht cn zijne twee beladene ezels op weg, doch een weinig laat, zoodat hem reeds ter hoogte van Jerusalem de avond begon te overvallen. Zijn dienstknecht gaf hem daarom t.cn laad, in die plaats te overnachten, maar wijl Jerusalem nog gedeeltelijk onder dc macht dei Jebuseën was, besloot hij tot Gabaa door te reizen, welke stad aan de Ben-jamieten behooide. Deze kinderen zijns volks weigerden echter eenparig, hem gastvrijheid te vcrleenen cn lieten hem meedoogenloos met de zijnen op straat. Daar werd hij gezien door een oud man, die, even als hij, van het gebergte Ephraïm herkomstig was, maar thans te Gabaa woonde, en op dit oogenblik, na volbracht dagwerk, van zijn akker huiswaarts kecuie. Deze man tiad op hem toe en vroeg hem; Vanwaar komt gij en waar gaat gij heen? Hij antwooidde: V ij komen van Bethlehem en zijn op weg naar onze woonplaats, tege,i de helling van het gebergte Ephraïm gelegen; hier te Gabaa wil niemand ons onder
B1JBELSCHE GRSCI11F.DEN1S.
ziju dak ontvangen, Stroo en hooi tot voeder voor onze ezels, benevens brood en wijn voor mij en mijne vrouw, alsook voor mijn knecht hebben wij zelven, zoodat ons niets ontbreekt dan huisvesting. Dc oude man sprak: De vrede zij met u: ik zal u alles geven, wat gij noodig hebt, komt maar mede. Zij deden alzoo, en hij gaf hun voeder voor de ezels en water om hunne voeten te wasschen en richtte hun een maaltijd aan.
Terwijl zij nu aan tafel gezeten waren, en na een moeitevolle reis zich met spijs en drank verkwikten, kwamen de mannen van Gabaa, echte Belialskinderen (door en door verdorven lieden), het huis bestormen en lieten dezelfde kreten hooren als eens de bewoners van Sodoma voor de woning van Lot hadden aangeheven. Toen zij echter den Leviet niet in hunne macht konden krijgen, maakten zij zich van zijne vrouw meester, die zij zoo schaamteloos en zoo vreeselijk mishandelden, dat zij den volgenden morgen dood door haren man gevonden werd. De Leviet laadde het lijk op een zijner ezels en nam het mede naar zijne woonplaats. Daar gekomen, hakte hij het met een zwaard aan twaalf stukken en zond als een overtuigend bewijs van het verschrikkelijke kwaad, dat in Israël geschied was, aan ieder der twaalf stammen een stuk. Allen riepen in ontzetting uit: Zoo iets is nooit gezien sedert onze vaderen uit Egypte vertrokken tot op dezen dag; laat ons dus gezamenlijk daarover recht spreken, en beslissen wat er gedaan moet worden. Dientengevolge kwam men uit geheel Israël, van Dan tot Bersabee, en zelfs uit Galaad, dat aan gene zijde des Jordaans lag, ten getale van 400,000 man te Maspha bijeen. Nadat de Leviet op deze ^r-gadering nog eens de toedracht der zaak omstandig verhaald had, liepen allen als uit eénen mond uit: Wij zullen niet naar onze woontenten terugkeeren en geen enkel man zal den drempel zijner deur weder betreden, alvorens dit gruwelstuk gewroken is.
Er werden nu boden gezonden naar alle steden van Benjamin, met den eisch: Levert ons de mannen van Gabaa uit, die deze wandaad begaan hebben, opdat zij steiven en alzoo dit kwaad in Israël worde uitgeroeid. Doch de Benjamieten wilden van hunne broeders, de overige Israëlieten, geen bevelen ontvangen en kwamen met 25,000 man Gabaa tei hulp. Onder hen waren er 700 dapperen, die met de linkerhand zoo goed vochten als met de rechter, en zonder te falen met hun slingers een haar wisten te treilen.
Toen de zaken dezen loop namen, begaven de Israëlieten zich naar den tabernakel te Silo, om den Heer te raadplegen, wie hen tegen Benjamin zou aanvoeren. Zij ontvingen ten antwoord: Uw aanvoerder zal Juda zijn.
Nu werd een tiende gedeelte (40,000 man) der vergaderden uitgezonden, om leeftocht te halen, teneinde overigen (360,000 man) zich geheel aan den strijd zouden kunnen wijden. Reeds den volgenden morgen ging dit ontzaglijk leger naar Gabaa op maisch, en zich sterk achtende door zijne overwegende meerderheid, tastte het onveiwijld de stad aan; doch de Benjamieten deden een stouten uitval en versloegen 22,000 man. Dooi deze nederlaag zeer terneer gedrukt, begaven de Israëlieten zich weder tot den lleei, 0111 Hem te vragen, hoe zij verder hadden te handelen. Toen hun geantwoord was, dat zij den strijd moesten voortzetten, stelden zij andermaal, maar nog steeds vertiouwendc op eigen krachten, hunne gelederen tegen Gabaii in beweging. Evenals den eersten keei , deden dc Benjamieten ook thans een uitval en versloegen 18,000 man. Opnieuw togen delsiaëlieten (wellicht alleen de voornaanisten onder hen) naar Silo, wierpen zich weenendc \ooi den tabernakel neder, vastten een geheelen dag, droegen brandoffers en vredeoffers op, en lieten door den hoogepriester Phineës, den zoon van Eleazar, die een zoon van Aaron was, den Heer vragen wat zij moesten doen. De Heer antwoordde: I rekt nogmaals op. morgen zal ik de Benjamieten in uwe handen leveren. Eene afdeeling strijders legde zich nu ach.ei Gabaii in hinderlaag, terwijl de hoofdmacht de stad van de andere zijde nadci de. Reeds gewoon te zegevieren, openden de Benjamieten weder de poorten, stormden onveisclnokken op de aanvallende Israëlieten in, deden hun den rug wenden, achtervolgden hen en \eislocgen 30 man. De Israëlieten hadden juist beoogd, om achtervolgd te worden; hun doel was, door eene geveinsde vlucht dc Benjamieten zoover mogelijk buiten Gabaa te lokken, teneinde
ann de mannen, die achter de stad in hinderlaag gesteld waren , tijd en gelegenheid te geven, om het te voren afgesproken plan te volvoeren. Eensklaps traden deze mannen uit hunne schuilhoeken te voorschijn, trokken de stad binnen en staken haar in brand. Zoodra de Israëlieten, die door de zonen Benjamins werden nagezet, de rook als een zuil ten hemel zagen stijgen en hieruit begrepen, dat de krijgslist gelukt was, bleven zij stand honden en stelden zich dapper tegen hunne vervolgers te weer. Ook de Benjamieten hadden gezien â wat er gaande was. Dit, gevoegd bij de slagen hun op dit oogenblik door de Israëlieten toegebracht, werd oorzaak, dat zij den strijd verloren cn in een overhaaste, ernstig gemeerde â vlucht hun heil moesten zoeken. Doch ook dit redmiddel kon hun niet meer baten; want behalve dat de hoofdmacht der Israëlieten hun onverbiddelijk op de hielen zat, kwamen ook de mannen, die in hinderlaag gelegen hadden, uit alle macht toesnellen, zoodat de Benjamieten tusschen twee legers in het nauw geraakten, en cene vreeselijke slachting onderhen werd aangericht. Reeds waren er 18 000 hunner dapperste strijders gevallen toen de overige dwars door de woestijn naar de rots Remmon meenden te ontwijken; maar de eerste poging daartoe kostte hun nog 5000 man; terwijl er verderop weer 2000 hunner vielen. Slechts aan lt;5oo man gelukte het de rots te bereiken; het waren de ecnig overgeblevenen van een leger, dat oorspronkelijk, ongerekend de strijders uit Gabaa zelf, 25.000 man sterk was geweest.
Met eene zoo volkomene nederlaag hunner tegenstanders nog niet tevreden , liepen de zegenvierende Israëlieten in hunne verbittering liet geheele grondgebied van Benjamin ai, brachten de gansche daar nog aanwezige bevolking, tot het laatste Idnd toe, om hals, doodden zelfs het vee en staken de steden en dorpen in brand.
Eindelijk, na geruimen tijd, kwamen de Israëlieten tot besef van hetgeen zij gedaan hadden; weenende wierpen zij zich te Silo, waar zij inmiddels heen getrokken waren, voor den tabernakel des Heeren neder en riepen en weeklaagden tot den avond toe; Waarom, o Heer! is dit kwaad over uw volk gekomen, dat een stam in Israël zoo goed als geheel is uitgeroeid ? Niemand toch was er van dien stam overgebleven dan alleen de 600 man op de rots Remmon, En dezen konden niet opnieuw vrouwen bekomen; want de Israëlieten der elf andere stammen hadden reeds voor den strijd, toen zij nog te Maspha waren, op bet hooren van het verhaal des Leviets, zich bij eede verplicht, dat niemand hunner zijne dochter aan een Benjamiet ten huwelijk zou geven. Nog een anderen eed hadden zij te Maspha gezworen, om namelijk diegenen hunner stamgenooten, uit wier midden niet eenige mannen ter bestraffing der gruwelijke misdaad van Gabaa mede opgetrokken waren, te zullen dooden. Thans, te Silo, na den lieer brandoffers en vrede-otlers te hebben opgedragen, onderzochten de elf stammen, uit welke plaatsen vertegenwoordigers ontbraken, en het bleek, dat van de inwoners van Jabes, eene stad in Galaad, over den Jordaan, van den beginne af niemand in het leger aanwezig was geweest. Derhalve werden 10,000 der dappersten uitgezonden, om Jabes hiervoor te tuchtigen.
Gaat, werd hun gezegd, slaat alle mannen, gehuwde vrouwen en kinderen te Jabes dood en spaart alleen de jonge dochters. Het getal dezer laatsten beliep 400; zij werden uit de verschillende hoeken der stad bijeenverzameld en naar Silo gevoerd. Daarop werden er naar de 600 Benjamieten, die nu reeds vier maanden op de rots Remmon hadden doorgebracht, boden gezonden, die hun moesten zeggen, dat de kinderen Israëls gaarne weder vrede en vriendschap met hen wenschten te sluiten. Zij daalden dan van hun bergtop af en kwamen te Silo, waar 400 van hen de uit Jabes aangevoerde jongedochters tot vrouwen ontvingen. Daar namelijk de inwoners van Jabes niet te Maspha verschenen waren, en dus ooilt; den eed, dien de overige Israëlieten zwoeren, niet hadden afgelegd, bestonden er tegen de huwelijken hunner dochters met de Benjamieten geen bezwaren.
Nog altijd bleven er 200 man over, die geen echtgenooten bezaten. Om hun deze te bezoigen, en daardoor den bijna uitgeroeiden stam weder te doen aangroeien, bedachten de oudsten van Israël eene list. Zij gaven den Benjamieten den raad, zich tegen het aanstaande feest te Silo in de wijnbergen langs de wegen te verschuilen, om wanneer de
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
dochters der stad in reien naar buiten zouden trekken, haar eensklaps te overvallen, en te nemen wat hun niet gegeven kon worden. Zoo meenden de oudsten hun eed te kunnen houden en in weerwil hiervan toch de Benjamieten te kunnen helpen.
Nadat dit alles geschied was, keerden de Israëlieten naar hunne woonsteden tciug. In die dagen was er geen koning in Israël, en ieder deed wat hem goeddacht.
1. De zaak, die de Israëlieten van elf stammen met hun strijd legen Benjamin op 'toog hadden, de tucli-tiging der hoogst schuldige stad GabaS was goed. heilig en plichtmatig. Nochtans leden zij in den beginne tweemaal de nederlaag. Behalve ter beschaming van hun ijdel zelfvertrouwen, Het God hun dezen tegenspoed overkomen, om hen. zooals de H. Gregorius de Groote terecht doet opmerken, er aan te herinneren, dat wie eene zonde in anderen wil straffen, zelf zooveel mogelijk van alle vlekken zuiver moet ziin. D.t waren ue elf stammen op verre na niet; men denke slechts aan hetgeen in het vorige hoofdstuk over de zonen van Dan is gezegd Desniettemin waren diezelfde mannen van Dan ter tuchtiging van Benjamin mede opgetrokken. Niet onwa.ir-schünlijli zou men het daarom mogen achten, dat de herhaalde nederlaag vooral op hun hoofden is neergekomen.
2. Hoeveel strijders Gabaa zelf aan het leger der Benjamieten heeft geleverd, is uit de bovenstaande getallen niet met zekerheid op te maken. Het aantal der verslagenen van dit leger wordt door de H. Schrift eens in ronde cijfe-s op 25.000 man gesteld, en eens in een meer nauwkeung getal op 2;.100 man; 600 man redden zich op de rots Remmen; derhalve zou men. bij den eersten aanblik, uit Gabaa 700 strijders wiUen tellen, doe 1 deze berekening is verre van zeker, omdat er allerwaarschijnlijkst bij het eerste en -weede treilen ook van de
ziide van Benjamin eenigen zullen gesneuveld zijn. , , . ,
. Dat er in dezen strijd, en vooral daarna, veel geschiedde wat met de wet Gods volstrekt niet is overeen te brenger , duidt de H. Schrift genoegzaam aan door de herhaling van hare verklaring; In die dagen was er geen koning, d. i. geen overheid in Israël.
HOOFDSTUK LVII. DE EERSTE R E C H T E R S.
Dt straf en ter beproeving der Israëlieten, wilde God, zooals.Hij hun reeds (zie hoofdstuk 53) door den mond eens engels had verklaard, de oorspronkelijke bevolking van Chanaan niet geheel en al uitroeien. Behalve de vijf stammen der Philistiinen liet God nog bestaan eenige Chanaaneën, Hetheën, Amorrheen, I herezeen, f Tebuscën en de Sidoniërs, benevens de Heveën, welke het gebergte Libanon bewoonden ' van den berg Hermon totdat men te Emath komt. Weldra gingen de Israëlieten niettegenstaande het verbod des Heeren zich met die volken verbroederen; zij sloten met hen over en weder huwelijken, dienden Baal en Astaroth, vergaten den God hunner vaderen en zondigden aldus voor zijn aanschijn. Tot straf voor dit schandehjk gedrag leverde de Heer hen in de handen van Chusan Rasathaïm, koning van Mesopotamie, wien zi) acht jaren lang onderworpen bleven. Toen riepen zij tot God, die hun een redder verwekte.
met name Othoniël, welke als eerste rechter over Israël optrad. Hij was de zoon van Calebs jongsten broeder, en had, nog bij het leven van Josue ae stad Dab.r voor zijn oom Caleb ingenomen en daarvoor diens dochter Axa tot vrouw gekregen. Othomel nok tegen Chusan Rasathaïm te velde, overwon hem, en het land genoot onder zijn bestuur rust en vrede.
Nauwelijks echter was hij gestorven, of de Israëlieten bedreven weder kwaad m de oooen des Heeren, die daarom aan Eglon, koning der Moabieten sterkte gaf' om' eenigd met de zonen van Ammon en Amalec, Israël te verslaan; hij namde 1'Umcn^ (Jericho) in en hield de Israëlieten achttien jaren lang onder zijne macht. Op hun hei . . geroep om verlossing uit deze knellende banden, zond de Heer hun een mouwen redder in den rechter Aod, van den stam Benjamin. Deze doodde met de hnkerhand d e de Benjamieten evengoed wisten te gebruiken als de rechter, den verdrukker ^gon 'n d'en eigen paleis te Jericho en trok daarna aan de spits van een m haast biiecngezamek cger Moabieten in de Palmenstad op. Om hun den toevoer van hulptroepen uit hun
tegen de
ISHhS^
II
i^H
11 Ml i -1 i ^i i
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
land, dat aan gene zijtle des Jordaans lag, af te snijden, gaf hij eenigen zijner manschappen last, de veren der rivier te bewaken, en tastte toen met zijne hoofdmacht het Moabietisch leger van 10000 uitgelezen strijders onder zooveel krachtsbetoon aan, dat hij het geheel, tot op den laatsten man toe, versloeg. Tengevolge dezer zegenrijke overwinning genoot het land weder geruimen lijd rust.
Op Aod volgde Samgar. Met een ploegschaar versloeg hij (wellicht bijgestaan door zijne dienstknechten) 600 Philistijnen.
Eenigen tijd na den dood van Aod bedreven de Israëlieten andermaal kwaad in de oogen des Heeren en werden tot hunne straf overgeleverd aan den Chanaanietischen koning van Asor, met name Jabin, die hen twintig jaar lang geweldig verdrukte. Jabins leger, aan welks hoofd Sisara stond, telde behalve eene menigte voetknechten 900 zeisenwagens. Tegen ecne zoodanige macht gevoelden de Israëlieten zich niet opgewassen; zij riepen daarom tot den Heer om hulp en uitkomst.
In die dagen leefde er eene profetes Debbora, de vrouw van Lapidoth. Dagelijks zat zij, tusschen Rama en Bethel, onder een palmboom ten gerichte, en allen die eenig geschil hadden, kwamen het aan hare beslissing onderwerpen. Deze vrouw liet Barac, den zoon van Abinoëm uit Ccdes-Nephthali, bij zich komen en sprak tot hem: Do Hoerde God van Israël beveelt u: Ga, verzamel een leger van tienduizend man uit de zonen van Xephthali en de zonen Zabulons, en trek er mede naar den berg Thabor; daar, bij de beek Cison, zal ik u Jabins legeroverste, Sisara, met zijne wagens en zijne voetknechten te gemoet voeren en hem in uwe handen leveren. Barac antwoordde: Als gij medegaat, zal ik optrekken; weigert gij, dan blijf ik tehuis. Debbora hernam: Ik zal wel medegaan; doch de overwinning zal u niet worden toegerekend; want Sisara zal vallen door de hand ecner vrouw (door die van Jahel, de echtgenoot van Haber).
Barac verzamelde nu de tienduizend man en trok, door Debbora vergezeld, naar den beig I habor. Zoodra Sisara hiervan kennis kreeg, maakte ook hij zich met zijn negenhonderd wagens strijdvaardig en voerde zijn leger naar de beek Cison. Hierop sprak Debbora tot Barac; Dit is de dag, dat de Heer Sisara in uwe handen gegeven heelt; zie, de Heei zeil is uw geleider. Barac stortte zich nu, met zijne tienduizend man, van den berg op het leger van Sisara neder; de Heer zond den schrik onder dat leger, zoodat het in verwarring geraakte, en Sisara, van zijn wagen springende, het op een loop.n zette. O/k zijne strijdeis tiachtten zich op deze wijze te redden, maar Barac achtervolgde en versloeg hen.
Sisaia kwam op zijn vlucht in het dal Sennim dat tot het grondgebied van Ephraïm behoorde. Hier woonde een gedeelte der nakomelingen van Hobab, den schoonbroeder van Moses; het andere gedeelte bleef onder de zonen van Juda gevestigd , waar vroeger deze lamilie gezamenlijk gewoond had. Toen de zonen Ephraims tegen Sisara ten strijde trokken, namen de ki.ideien Hobabs aan dien tocht geen deel, want tusschen hen en de koning Jabin bestond vrede.
Een dezer Hobabieten heette Haber en zijne vrouw Jahel. Jahel, die Sisara naar haar dal zag vluchten, liep hem te gemoet en zeide: mijn heer, neem uw intrek bij mij, vrees niet. Aan deze uitnoodiging gevolg gevende, trad hij binnen en legde zich op den grond te uisten, teiwijl zij hem met cenen mantel dekte. Toen hij vervolgens vroeg: Geel mij, bid ik u, een veinig water, want ik heb grooten dorst, nam zij een lederen zak met melk, gal hem daaruit te drinken en dekte hem weder toe. Nu sprak hij tot haar: Ga buiten de deur staan, en indien men u vraagt, of iemand hier binnen is, zeg dan: niemand. Maar zij, in plaats van dit te doen, zocht zeer stil, zonder het minste gedruisch te maken, een grooten tentnagel en een hamer. Ongemerkt zette zij den nagel op een der slapen van Sisara's hoofd, dieef dien met den hamer er in en nagelde Sisara met zijn hoofd aan den grond vast.
Intusschen had ook Barac, die den Chanaaneeschen legeroverste op het spoor was, het dal Sennim bereikt. Onmiddellijk snelde Jahel naar hem heen en zeide: Kom mede, en ik zal u den man toonen, dien gij zoekt. Toen Barac daarop hare tent binnentrad, zag hij den dooden Sisara liggen met den nagel door zijn hoofd.
117
BIJBELSCHE GrSCHIFDF.XIS.
Zoo vernederde God Jabin voor de Eonen Israels, die van dag tot dag dezen koning meer in het nauw brachten en ten laatste aan zijn bestaan een einde maakten. Uit dankbaarheid voor de behaalde overwinning, zongen üebbora en Barac den Heer een schoonen lofzang, en het land ademde langen tijd weder rust en vrede.
1. Al had ook Jahel Sisara gespaard, zoo zou hij toch aan de handen van Barac, die hem van zoo nabij achtervolgde, niet zijn ontkomen. Jaliels dapperheid en de groote dienst, dien zij Israël bewees, worden in den lofzang van Debbora en Barac geprezen; hare daad echter op zich zelve keurt de IT. Schrift nergens goed. De H. Augustinus, die daad besprekende, meent haar te moeten veroordeelen. Want, zegt hij, daar Jahel Sisara ter redding opnam, had zij zelfs tegenover eencn vijand liaar eens gegeven woord moeten gestand doen.
2. De vraag, of ook Samgar rechter is geweest, en zoo ja, of hij het was over geheel Israël dan wel over een enkelen stam, is met geen genoegzame zekerheid uit tc maken. De H. Schrift laat deze zaak, zooals menige andere, in het duister.
3. De her vermelde koning Jabin was een opvolger des konings van denzelfden naam, die door Josue verslagen was.
HOOFDSTUK LVIII.
GE D EON.
fi#
|l||^e kinderen Israels bedreven alweder kwaad (afgoderij) tegen den Heer, die ben daarom overleverde ajn de Madianletcn, door wie zij zeven jaren zoo geweldig ^ 'X'r 'V' verdrukt werden, dat -velen in de holen en spelonken der bergen eene schuilplaats ' *'« zochten. Hunne velden zagen zij herhaaldelijk door ontzettende scharen van velerlei /'i soort volk verwoest. Pas toch stond het koren, dat zij gezaaid hadden, groen, of quot;1 Madian en Amalec kwaincn met nog andere rondzwervende stammen, waaronder ook de zonen Ismaels, uit het oosten opzetten, lieten door hunne talrijke kudden alles kaal weiden, maakten zich bovendien, zooveel zij maar konden, van de levensmiddelen en het vee der Israëlieten meester en trokken daarna quot;weder af.
Door zooveel rampen terneergebogen, begonnen de Israëlieten zich eindelijk den God hunner vaderen te herinneren; zij riepen Hem om hulp en redding aan, enquot; Hij zond hun eerst een profeet, die hen tot berouw over hun zondig leven trachtte op tc wekken. Daarna verscheen een engel des Kecren onder de gedaante van een man, met een wandelstaf in de hand, aan Gedeon, den zoon van Joas, uit den stam Manasse, te Ephra. Gedeon was juist bezig met koren te dorsclien in een wijnpershuisje; want op de gewone dorschvloer durfde hij zich niet wagen , uit vrees, dat de Madianletcn hem zijn graan zouden ontnemen. De engel groette hem niet de woorden: De Heer is met n, dappere lield! Gedeon (die den engel niet terstond herkende, maar hem wellicht voor een profeet aanzag) antwoordde: Ik bid u, mijn heer, als de Heer met ons is, waarom zijn dan al deze rampen ons overkomen? Waar zijn de wonderwerken des Hecren, die onze vaderen ons verhaald hebben? Dc Heer heeft ons verlaten en ons in de handen der Madianieten geleverd. â De engel zag hem aan en sprak (in den nnain des Hecren): Ga, verlos Israel door uw sterken arm; weet, dat ik u gezonden heb, Gedeon hernam: Ik bid u, mijn heer, hoe zal ik Israël verlossen? zie, mijn geslaclt is het kleinste onder de geslachten van Manasse en ik ben dc geringste in het huis mijns vaders. De engel sprak wederom: Ik zal met u zijn; gij zult de Madianieten verslaan, alsof zij slechts een cenig man waren. Daarop zeide Gedeon: Indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo geef mij een toeken, dat Gij het zijt, die tot mij spreekt (dat gij waarlijk een door God gezonden persoon zijt). En dit zeggende, liep hij heen, om voor den onbekende een gerecht te bereiden; hij kookte een bokje, bakte ongezuurde brooden, pakte zijn kooksel in een mandje, goot de saus in een pot, keerde
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
naar den man, die nog steeds op dezelfde plaats stond, terug, en bood hem zijne gaven aan. De man xeide; Leg het vleesch benevens de ongezuurde broodcn daar op dien rots-top en giet dc saus er over. 1 oen dit geschied was, raakte hij met zijn wandelstaf het vleesch en de broodcn aan, en er schoot uit de rots een vuur, dat alles verteerde. Op hetzelfde oogenblik was de onbekende verdwenen, zoodat Gedeon nu begreep, dat het een engel des Heercn was geweest.
Vervolgens sprak de Heer tot Gedeon; Trek met eenen stier het door uwen vader opgerichte altaar van Baal omver; roei het daar rondom staande (aan den afgod gewijde) geboomte uit; bouw van het hout, op eene andere plaats, een altaar voor den Heer uwen God; neem een tweeden slier, zeven jaar oud (evenkng had dc verdrukking geduurd), tn leg dien op dit altaar tot een brandoffer. Door tien dienstknechten geholpen hakte Gedeon Baiils bosch om, maar des nachts, want in het openbaar durfde hij het niet doen, uit vrees voor de wraak zijner bloedverwanten en der overige inwoners van het stadje. Dezen zouden echtei omtient den dadei niet lang onkundig blijven, want toen zij des morgens opstonden en zagen wat er gebeurd was, bleek hun, na eenig onderzoek, alras wie hier werkzaam Vias geweest. Zij zeiden derhalve tot Joas, Gedeons vader: Lever ons uw zoon uit, opdat hij stci \ e. Doch Joas, hoezeer anders zelf een afgodendienaar, gaf hun ten antwoord: Moet gij het voor Baal opnemen? Indien hij God is, dat hij zich zeiven wreke! â Van dien dag al werd Gedeon ook genoemd Jerobaal (bestrijder van Baal).
Als naar gewoonte waien de Madianietcn, Amalecieten en andere volksstammen uit het oosten ook dit jaar weder den Jordaan overgestoken en hadden hunne tenten opgeslagen in het dal Jezrahel. Doch Gedeon werd door den Heer met sterkte omkleed: hij bliefde bazuin, ücp ceist het huis zijns vaders, daarna den geheelen halven stam van Manasse op, om hem te volgen, zond voorts boden naar de stammen Aser, Zabulon en Nephthali, en ook deze volgden hem. Nu legde hij een wollen vlies op zijnen dorschvloer, bad'den Heer en zeide: Wilt Gij inderdaad door mijne hand Israël redden, gelijk Gij gesproken hebt, dat ei dan dauw valle op dit vlies en dc bodem daar rondom droog blijve; hieraan zal ik uwen wil herkennen. En aldus geschiedde: de bodem bleef droog en het vlies werd nat, zoodat Gedeon daaruit zooveel dauw kon wringen, dat er eene schaal door gevuld werd. Andermaal richtte hij zijne bede tot God en sprak: Laat uw toorn niet over mij komen, wanneer ik nog eens een teeken vraag; ik smeek u dus: dat het vlies droog blijve en de bodem nat worde. Ook dit teeken werd hem gegeven.
Thans rukte Jerobaal, dat is: Gedeon, met zijn volk op naar de aan het dal Jezrahel gienzende beigstreek, waar de bron Harad vloeide, en sloeg zich daar neder, niet ver van de Madianieten en hunne bondgenooten, die ten noorden van hem in de vlakte geleocrd waren. De strijdmacht der vijanden bestond uit 135,000 man, dc zijne uit slechts 32,000. Nochtans sprak de Heer tot hem : uwe strijders zijn te talrijk; aan hen zal Madian niet worden overgeleverd, opdat Israël zich niet tegen mij beroeme en zegge: door eigen krachten heb ik mij bevrijd. Laat dus in het leger omroepen: Wie kleinmoedig en bevreesd is, keere terug. Er gingen nu 22,000 man heen; slechts 10,000 bleven. Doch wederom sprak de Heer: Nog hebt gij te veel volk; voer het derhalve naar dc bron; daar zal ik zeggen, wie met u mogen optrekken en wie teruggezonden moeten worden. Toen Gedeon bij de bion gekomen was, sprak de Heer tot hem: Die het water scheppen met de holle hand en het daaruit slurpen op de wijze der honden, zult gij aan de ééne zijde plaatsen, en aan de andere degenen, die zich voorover werpen om te drinken (met hunne lippen aan den stroom). De laatsten maakten de groote meerderheid uit; want slechts 300 man hadden de holle hand gebruikt. Nu sprak God: door deze driehonderd man zal ik Israël bevrijden; zend derhalve de overigen naar huis.
Den nacht daaropvolgende gaf de Heer aan Gedeon het bevel: Daal geheel alleen in het kamp der vijanden af, om te vernemen, wat daar gesproken wordt; of, indien gij niet alleen duik gaan, neem dan uw dienstknecht Phara mede. Toen hij, ingevolge dezen last.
rsilBF.f.SCHE GESCHIEDENIS.
bij dc voorposten des vijands gekomen was, hoorde hij, dat iemand aan diens nevenman oenen droom mededeelde; ik zag, verhaalde de man, een onder de asch gebakken geiste-brood van den berg al in liet leger der Madianieten vallen; het viel tegen eene tent aan en wierp haar omver, zoodat zij geheel tegen den grond lag. De nevenman gaf hierop ten antwoord: Dit beteekent niets anders dan het zwaard van Gedeon, den zoon van Joas, den Israëliet; de Heer heeft Madian en het gansche legerkamp in zijne handen geleverd.
Na dit verhaal en de uitlegging er van gehoord te hebben, aanbad Gedeon denHeei, keerde naar zijne 300 man terug, verdeelde hen in drie benden, gaf iederen strijder een bazuin en een aarden kruik, waarin een brandende fakkel verborgen was, en beval allen hetzelfde te doen, wat zij hem zouden zien verrichten. Het leger der vijanden lag in het dal verstrooid als zwermen sprinkhanen, en de kameelen, die het bij zich had, waien tahijk als dc zandkorrels aan den oever der zee. Tegen het begin der tweede nachtwake (tusschen tien en elf uur) drongen Gedeon en de zijnen op drie verschillende punten dit uitgestiekte kamp binnen, bliezen dc bazuin, sloegen de kruiken tegen elkander stuk, namen dc daaiin verborgen fakkels in de hand, zwaaiden ze cn riepen: Des Heeren en Gcdeons zwaaul! De vijanden (die overal de bazuin hoorden blazen, overal eensklaps brandende fakkels zagen en overal krijgsgeschreeuw hoorden) sprongen verschrikt op en namen, ondei het slaken van verwarde quot;cn gillende kreten, in overhaasting de vlucht. Bovendien keerden zij, dooide duisternis misleid, hunne zwaarden tegen elkander en doodden al wijkende cn vechtende hunne eigen landgenooten, die zij voor tegenstanders hielden.
Intusschcn kwamen ook de door Gedeon teruggezonden mannen van Aser, Zabulon en Manasse weder opdagen, om de vluchtende Madianieten en hunne bondgenooten te achtervolgen. Tegelijkertijd zond Gedeon boden naar dc zonen Ephraïms, opdat deze de oeveis der verschillende wateren, met inbegrip van den Jordaan, zouden bezetten, om zoodoende den vijand den terugtocht naar zijn land af te snijden. Zij maakten twee van 's vijands vorsten gevangen, sloegen hun de hoofden af, brachten die naar Gedeon, maai vioegen hem tevens op verwijtenden toon: Waarom hebt ge ons niet geroepen toen gij den strijd aanvingt? En dit zeggende voeren zij hevig tegen hem uit cn stonden zelfs op het punt, om geweld te gebruiken. Doch hij antwoordde: Kon ik zoo groote dingen doen, als gij gedaan hebt? Gij hebt twee vorsten gevangen genomen, Oreb en Zeb; kon ik iets dergelijks doen; is dc naoogst van Ephraïm niet rijker geweest dan de oogst van het huis Abiezer? â Door deze woorden werden de gemoederen der Ephraïmieten beviedigd.
Met zijne driehonderd man trok Gedeon den Jordaan over, om de vijandelijke afdeelingen wie het gelukt was, naar gene zijde te ontkomen, verder na te zetten; maar zijn yolk was zoo uitgeput, dat het slechts met moeite vooruit kon. Hij sprak daarom tot de inwoners van Socoth : Geeft, bid ik u, mijn volk brood, opdat wij de Madianietische vorsten Zebeë en Salmana achtervolgen. Maar dc oversten van Socoth gaven hem spijtig ten antwoord: Houdt gij Zebeë en Salmana bereids bij de polsen, dat gij (uw loon vragende vóór liet verdiend is) nu reeds brood van ons eischt? Zijn wederwoord luidde: Welaan, als de Heer hen in mijne handen geleverd heeft, zal ik uw rug komen dorschen met diste en en doornen der woestijn. Zoo sprekende trok hij verder, naar Phanuël, vioeg ook daai noot, ont\in0 een zelfde weigering als te Socoth en antwoordde: Keer ik als overwinnaar weder, dan
zal ik te Phanuël den toren afbreken.
Reeds 120.000 vijanden waren er gesneuveld; de overblijvende 15.000, om ei aanvociin0 van Zebeë en Salmana lagen rustig in het Overjordaansche, waar zij zich buiten gevaai waanden. Gedeon naderde hen langs den weg ten oosten van Nobe en Jegbaa, viel hen andermaal te lijf, sloeg hen en nam hunne beide vorsten gevangen. Met dezen keerde hij naar Socoth terug. Onderweg vroeg hij een jongeling uit die stad dc namen harcr oversten cn oudsten; de jongeling noemde hem zeventig man. Na aankomst spiav uj tot die zeventig: Ziethier Zebeë en Salmana ! En dit gezegd hebbende, liet hi| de oversten
en oiuisten van Socoth met doornen geeselen. Ook aan i'hanuel gaf hij (wc ic u no0 \ooi
120
HIJI5ELSCHE GnSCMIEDENIS.
Socoth) het verdiende loon; hij verwoestte den toren en versloeg de inwoners der stad. Voorts richtte hij zich tot Zebcü en Sahnnna, die hij vroeg: Moe zagen dc mannen er uit, die gij op den Thabor hebt gedood? Zij antwoordden; Zooais gij; een hunner scheen daarenboven wel een koningszoon. Het waren, sprak Gedeon weder, mijne broeders, de zonen mijner moeder; zoowaar de Heer leeft, als gij hen gespaard hadt, zou ik u niet dooden. Nu echter gaf hij aan zijnen zoon Jether het bevel de beide vorsten neer ie slaan, en toen Jcthei, die nog slechts een knaap was, dit niet durfde, greep hij zelf het zwaard, om zijn vonnis te voltrekken.
\oor al hetgeen Gedeon verricht had, wilden de Israëlieten hem koning maken. Zij zeiden tot hem: Heersch over ons, gij en uw zoon en de zoon uws zoons, want gij lubt ons beMijd uit de handen van Madian. Gedeon antwoordde: Ik en mijn zoon zullen niet over u heerschen; de Heer alleen zal uw koning zijn. Ãén verzoek heb ik echter aan n : geeft mij de gouden ringen, die zich onder den buit bevinden. Daar waren er in groote menigte; want bij dc Ismaelieten was het een gebruik, ringen in de ooren te dragen. Gedeons vraag werd hem door de kinderen Israels gaarne toegestaan; zij legden eenen mantel op den grond en wierpen de ringen daarop. Deze alleen hadden een gewicht van 1700 sikkels, ongerekend de gouden versierselen, die de koningen der Madianieten droegen, en de gouden ketenen, waarmede zij de halzen hunner kameelen omhingen. Van het hem geschonkene (wellicht slechts van een gedeelte daarvan) liet Gedeon een ephod vervaardigen, dat evenwel later voor zijn huis een aanleiding werd ten val.
Aldus werd Israël bevrijd van de Madianieten, die de geledene nederlaag niet meer te boven konden komen. Het land genoot veertig jaren rust, zoolang Gedeon leefde en reenter was.
1. Een tak der Madianieten was door Moses uitgeroeid (zie bladz. 95); een anderen tak. die destiids nod den waren God sclnjnt gediend te hebben, troffen wij reeds vroeger (blad*. 53 en 64) in de omstreken van don Horeb en den Smal aan; de Madianieten van thans kwamen uit het oosten, vermoedelijk uit Arabie. Of zij van den Horeb daarheen verhn.sd waren, dan wel tot een derden tak van Madian behoorden , kan niet met zekerheid worden bepaald; dc laatste veronderstelling is echter de waarschijnlijkste.
Op hunne strooptochten naar het land Chanaan werden zij vergezeld door Ismaelieten. Reeds zeer vroeg, ! T (OOP Tquot; ( 35) VilKlC1gt; Wii tlCZl; ,Wee volkcrcquot; â beiden nakomelingen van Abraham (het
p ' ⢠bT'' T Agarj elkander VCrbond,;n' Ook de Amalecieten (de afstammelingen
kl0quot;quot;°0n Amal'Cgt; m3akten del1 strooptocht mede. En omdat de 11. Schrift in den meervoudsvorm
1 ⢠----- --------' uiijvuuiciingcn van /iLtraiiani (liet
het tweede uit Agar) nauw met elkander verbonden. Ook de Amalecieten (de afstammelingen v,â , . ^0quot; n,akc) maaktel1 dcl1 strooptocht mede. En omdat de H. Schrift in den meervoudsvorm
.111 «andere volken u.t het oosten» spreekt, bestaan er redenen voor het vermoeden, dat ook Moabieten en Ammonmeten (beiden nakomelingen van Lot) zich bij het groote leger hadden aangesloten.
v.r,,'' , ' ; Sch.rift ïedJ0eld mi:t llCt c'l)ho(i' dat Gc^on van de gouden oorringen der Ismaülieten deed
werd n T1' |a Het eigc,1,iikc ePh°d ^ was een hoogepriesterkleed (zie hl.uiz. 7i), het
doorweven was , grT T⢠quot;lquot; 1'imVaad' dat nlct geleurd wollen garen e.i enkele gouddraden een Ieleelt Llet ^^011 dquot;s zodanig kleed vervaardigen voor den prijs, dien de oorringen of rrLt t tvenTquot; 0pbraehtei'; 0fWel dced er buitengewoon vele eu buitengewoon zware goud-
uit Mauasse ,ll'i|mct dit klccd? Hii was niet eens priester, veel minder hoogepnester want hij stamde
Gods dit hen, quot;l , V T' gCofr';rd dit was slec,,ts g^chied krachtens een geheel bijzonder bevel
J o /set quot; f gCCn reC ,t rf' 00k in 'tVCrV0,g tC 'quot;togendee! was hem dit door dc algemeene
J7hi L bed^ , mT- ' ,en.CVCnZeer draBequot; vaquot; ephod. Aan den tabernakel
Ld zLÃ ' tCquot; gquot;Cl,Cllke ! want de H- Schrift zegt uitdrukkelijk, dat hij het te l-phn de
stad zijner inwoning, bewaarde, terwijl de tabernakel te Silo stond. Zond hij het w llieht lij enkele ple htioe
^ Ã'tlrÃr^; r te doen dragen ? Of Jas hetgeen cphi,tt
scheiding hiervan in d^H sS stld'quot;''!! ^u' ^ ciKCquot;Hikc ephod gelcck' en K'r quot;quot;J-
â , bteeds quot;hl1110 n ephodquot; heet? Dit laatste ephod werd oedrinen dnnr
gewo ie priesters door sommige nazireers, o. a. door Samuel van zijne prilste jeugd af, en bij eilkele pk- lni'v gelegenheden, ook door voorname leeken, o. a. door koning David. ' quot;
Madianiet'ilche Ãer^kki^'iet^^nquot;'1'quot; ^ SdlriflVC'ldaald- dat -k -ven jaren der
O v n I I.- o 11 in⦠1« ^') ______ 1 . «
l6
BIJRF.LSCHE GF.SC 1IIHDF.NIS.
HOOFDSTUK L1X.
A B I M E L E C H.
Hww n' anc'eis genaam^ Jerobaal, bezat bij verschillende vrouwen zeventig zonen.
Daarenboven had een slavin uit Sichem, die hij zich eveneens tot vrouw had rifR genomen, hem nog een anderen zoon, Abimelech, geschonken.
Zoodra hij nu in een goeden ouderdom gestorven cn in het graf zijns vaders, Joas, was bijgezet, vielen de Israëlieten weder den Heer af, om Baiil aan te hangen, met wien zij zells een verbond sloten, dat hij hun god zoude zijn. Ook herinnerden zij zich niet meer de weldaden, door Gedeon hun bewezen, en nog minder toonden zij zich daarvoor dankbaar jegens zijne nakomelingen (de zeventig zonen). Abimelech namelijk, de zoon der slavin uit Sichem, begaf zich naar de bloedverwanten zijner moeder in die stad en sprak: Zegt aan de inwoners van Sichem: wat is u beter, bestuurd te worden door zeventig mannen, allen zonen van Jerobaal, of door écn man, die tevens (door zijne moeder) aan u vermaagschapt is? De bloedverwanten herhaalden die woorden tot de mannen van Sichem cn deden hen voor Abimelech partij kiezen door de opmerking: hij is toch onze broeder. Dientengevolge gaven de Sichemieten aan Abimelech zeventig ponden zilver uit den tempel van Baal ten geschenke. Voor deze geldswaarde huurde Abimelech lieden uit de laagste volksklasse en landloopers, trok met hen naar zijne vaderstad Ephra en liet op éénen dag op een zelfden steen zijne zeventig broeders onthoofden, behalve den jongsten, Joatham, die zich verborgen had. Nu kwamen alle mannen van Sichem en Mello en stelden Abimelech tot hun koning aan.
Zoodra dit aan Joatham geboodschapt was, ging hij op den top van den bij Sichcm liggenden berg Garizim staan en riep luidkeels: Hoort mij, mannen van Sichem, opdat God u hoore : Eens wilden de boomen des wouds eencn koning over zich aanstellen en zeiden tot den olijfboom; wees gij onze vorst. Doch de olijfboom antwoordde: Kan ik mijne vettigheid, die God (als offer) dient en den menschen nuttig is laten varen, om onder de boomen de hoogste plaats te bekleeden? Toen werd de vijgenboom tot het koningschap uitge-noodigd. Deze antwoordde: Kan ik mijne zoetheid ten offer brengen en mijne behagelijke vruchten, om onder de boomen de eerste te zijn? De wijnstok, die nu het aanzoek ontving, gaf ten antwoord: Kan ik, om over de boomen gesteld te worden, m jn wijn prijsgeven, die God en menschen (bij de plechtigheden van den eeredienst) verblijdt ? Eindeiijk spraken de boomen tot den doornstruik : Kom gij en wees onze koning. De doornstruik antwoordde: Wanneer gij mij inderdaad voor uw gebieder wilt, rust dan onder mijne schaduw (dit is grootspraak, de doornstruik geeft geen schaduw); wilt gij echter, vervolgde de struik, mij als uw koning niet, dan zal cr van mij een vuur uitgaan, dat de ceders van den Libanon verslindt! â Na deze gelijkenis sprak Joatham verder; Welnu, mannen van Sichcm, indien gij volgens recht cn zonder zonde Abimelech tot uw koning hebt aangesteld ; indien gij meent daarmede goed te handelen jegens Jerobaal en zijn huis en zoodoende aan Jerobaal denkt te vergelden, dat hij u met gevaar van zijn leven uit de handen van Madian bevrijdde; gij, die trouwens tegen Jerobaals huis hebt gewoed en zijne zeventig zonen (op een na) hebt vermoord cn u Abimelech, den zoon der slavin, tot koning hebt gekozen; â indien gij met dit alles naar recht en plicht opzichtens Jerobaal hebt gehandeld, verblijdt u dan heden in Abimelech, en dat hij zich verblijde in u! Doch handelt gij verkeerd, dat cr dan van Abimelech een vuur uitga, om de mannen van Sichem cn Mello te verslinden, en een vuur van Sichem en Mello, om Abimelech te verteren! Na dit gezegd te hebben, vluchtte Joatham naar Bera, ten einde zich aan Abimeleclis wraak te onttiekken.
Drie jaren lang had Abimelech over een gedeelte van Israël (slechts ecnige steden) geregeerd; alsdan werden de inwoners van Sichem hem moede cn verfoeiden den mooul, door
t .12
l5IJ13ELSCHIi GESCHIEDHNIS.
hem met behulp van de oversten hunner stad op zijne broeders, de zonen van Gedeon, begaan; eenigen legden zich op de toppen der bergen tegen hem op de wacht, en toen hij niet kwam (waarschijnlijk woonde hij meestal tc Ephra) namen zij het rooverbedrijf ter hand en schudden de voorbijgangers uit. Dit werd aan Abimclech geboodschapt (wellicht door Zebul, dien hij als zijn plaatsbekleeder te Sichem had aangesteld). Inmiddels waren Gaal en zijne broeders (tegenstanders des konings) in de stad gekomen, wat den Sichemie-ten nieuwen moed gaf. Allen, ouden en jongen, gingen naar buiten, maakten zich meester van de wijnbergen (misschien het eigendom van Abimelech en van hunne gehate oversten), persten de druiven, trokken onder zang en dans naar den tempel van hun afgod, aten en dronken daar en vervloekten Abimelech. Te midden dezer opgewonden menigte schreeuwde Gaal: Wie is Abimelech, dat Sichem hem zou dienen; is hij niet Jerobaals zoon, en heeft hij niet zijn knecht Zebul gesteld tot vorst over de mannen van Hemor, Sichems vader? O, dat iemand mij met het bestuur van dit volk belastte; ik zou Abimelech weten uit den weg te ruimen !
Zebul, die deze woorden hoorde, liet aan Abimclech boodschappen; Zie, Gaiil, de zoon van Obed, is met zijne broeders te Sichem gekomen en stookt de stad tegen u op; begeef u dus met uw volk hierheen, houd u des nachts op het veld schuil, val de stad in den vroegen morgen aan, en als Gaiil tegen u uittrekt, geef hem dan zijn verdiend loon. Abimelech kwam en legde zijn leger in vier afdeelingen, aan even zoovele zijden der stad, achter het gebergte in hinderlaag. Gaiil, van niets wetende, stond des morgens in de stadspoort en sprak verwonderd tot Zebul, die zich in zijne nabijheid bevond: Zie, daar komt een menigte volks over de bergen aanzetten. Zebul, zich houdende, alsof hij van alles onkundig was, antwoordde: Gij vergist u; de toppen der bergen ziet gij voor menschen-hoofden aan. Een oogenblik later sprak Gaiil opnieuw: Zie, daar komt ook volk van het midden des lands, en nog een andere bende langs den kant van gindschen eik,
Thans achtte Zebul het niet meer noodig te veinzen; op overmoedigen toon zeide hij tot Gaiil: Waar is nu uwe grootspraak van onlangs, toen gij vroegt: Wie is Abimclech, dat wij hem zouden dienen ? Trek thans tegen hem uit, om te strijden. Gaiil deed dit maar leed de nederlaag, zoodat Abimelech hem tot aan de stadspoort achtervolgde en velen van zijn volk versloeg. Daarna trok de overwinnaar zich in Ruma terug; doch zijn plaatsbekleeder Zebul dreef Gaiil en diens manschappen de stad uit. Nadat dit des anderen daags aan Abimelech geboodschapt was, verscheen deze, op een tijd dat de inwoners naar hunne akkers waren gegaan, andermaal voor Sichem, deelde zijn leger in drieën, liet door twee afdeelingen het volk op den akker nazetten, sloeg zelf met de derde afdeeling het beleg voor de stad, nam haar in, doodde de inwoners, die hij er vond, haalde de huizen omver en bestrooide de puinhoopen, alsook de pleinen en straten met zout. Toen de lieden, die den toren (wellicht een burcht) bewoonden, dit zagen, vluchtten zij naar den (waarschijnlijk aan den toren belendenden) tempel van Baiilberit, een zeer sterk gebouw. Doch Abimelech begat zich met zijn volk naar den berg Selmon, hakte een tak van een daar staanden boom, beval zijnen manschappen insgelijks te doen, daalde den berg af, liet de boomtakken rondom den tempel opstapelen en stak ze in brand. Door den rook en de vlammen kwam ai nog ongeveer duizend personen, zoo vrouwen als mannen, die den burcht van Sichem bewoonden, om het leven.
Van Sichem rukte Abimelech op tegen Thebes. Deze stad had een hoogen toren, waarheen de aanzienlijkste inwoners, mannen en vrouwen de wijk namen; zij versterkten de deur en klommen op het bovenste gedeelte des torens, waar zij zich achter de borstweringen verscholen. Abimelech belegerde hen dapper; maar toen hij persoonlijk de deur naderde, om haar in brand te steken, wierp een der vrouwen hem een stuk van een molensteen op het hoofd en verbrijzelde hem zoodoende de hersenpan. Daar hij niet aanstonds stierf, riep hij zijn wapendrager en zeide: Trek uw zwaard uit de schede en doorsteek mij, opdat men niet zal kunnen zeggen: ecne vrouw heeft hem gedood. De wapendrager deed gelijk hem bevolen was, en het leger des verslagenen trok af.
BIJBF.I.SCHF. GF.SCHIEDF.NIS.
Zoo vergold God Abimelech het kwaad, dat deze, door het vermoorden zijner zeventig broeders (eigenlijk 69,) tegen zijn vader Gedeon bedreven had. Ook de Sicheniieten, die (door Abimelech geld te verstrekken) aan den moord medeplichtig waren, hadden hun verdiend loon ontvangen en de vloek van Joatham was over hen in vervulling gegaan.
Met olijfolie werden de koeken bestreken, die men als onbloedig offer in den tabernakel opdroeg; daarom laat Joatliam in zijne vergelijking den olijfboom zeggen; «mijne vettigheid die den Heer dient.quot; Op de tafel der toonbrooden Monden ook bekers met wijn, die als drankoffer werden opgedragen; zoo kon de druivenrank zeggen; «mijn wijn, die God en menschen verblijdt.quot;
De zin der vergelijking is deze; de edele boomen zijn de 70 zonen van Gedeon, die, uit meer aanzienlijke vrouwen geboren, evenwel liet koningschap niet begeerden; de doornstruik â die schaduw belooft maar niet geven kan , cn zich tevens bespottelijk maakt door zijne kinderachtige bedreiging tegen de ceders van den Libanon (de hoogste boomen) â is Abimelech, de zoon der slavin. Den Sichemielen verzekerende dat het hun dienstig zal zijn, door hun geregeerd te worden, laat hij hen aan wanorde ter prooi, zoodat hunne stad een roovershol werd, waar ieder deed hetgeen hem goeddacht, cn waar de partijen elkander verscheurden. De vlam in werke-lijken zin ging van den doornstruik, Abimelech, uit en verslond Sichem; terwijl de molensteen van het met Sichem verbondene Thebes het vuur werd, dat Abimelech verteerde.
HOOFDSTUK LX. J li PUT E.
mm a Abimelechs dood stond als rechter in Israel op Thola, de zoon van Phua, uit den stam Issachar. Hij bestuurde het volk 23 jaren, stierf en werd begraven te jK-gj? * Samir, waar hij bij zijn leven gewoond had. Zijn opvolger was een man uit l'p Galaiid over den Jordaan, met name Jaïr, die 22 jaren rechter was. Jaïr had dertig zonen, die op ezels reden cn vorsten waren van dertig steden in de landstreek Galaad.
[ Deze steden werden gezamenlijk genoemd Havoth Jaïr, dat is: steden van Jaïr.
Toen Jaïr gestorven en te Camon begraven was, vielen de Israëlieten weder den Heer af. Hunne oude zonden nog met nieuwe vermeerderende, dienden zij niet alleen Baal en Astaroth, maar ook de goden van Syrië, Sidon en Moab, benevens de goden der zonen Amnions en der Philistijnen. Ten zeerste hierover vertoornd leverde de Heer hen in de handen der Philistijnen en der zonen Amnions. De laatsten verdrukten eerst de Israëlieten, die in de landstreek Galaad (de voormalige koningrijken van Sehon en Og) woonden, en trokken voorts over den Jordaan in Chanaan, waar zij de stammen Juda, Benjamin en Ephraïm in het nauw brachten en het land verwoestten. Achttien jaren had de verdrukking reeds geduurd, toen de Israëlieten tot den Heer riepen en zeiden; Wij hebben gezondigd, Ã, den Heer onzen God, verlaten en Baal gediend. De Heer antwoordde (waarschijnlijk door een profeet of door den hoogepriester te Silo); Hebben niet de Egyptenaren, de Amorrheën, de Ammonnieten, de Philistijnen, de Sidoniërs, Amalecieten cn Chanaaneën u (ook vroeger) onderdrukt, cn heb ik, toen gij tot mij riept, u niet uit hunne handen verlost ? In weerwil hiervan hebt gij mij weder verlaten cn anderen goden aangehangen; daarom zal ik u niet meer bevrijden. Gaat, roept de goden aan, die gij u gekozen hebt; dat zij u redden ten dage uwer benauwdheid. De Israëlieten smeekten opnieuw: Wij hebben gezondigd; doe met ons, gelijk Gij wilt, maar red ons nog dezen keer. En de daad bij het woord voegende, wierpen zij alle afgodsbeelden weg en dienden den Heer hunnen God, die zich dan ook eindelijk over hen erbarmde:
De dag toch, waarop de Ammonnieten hunne macht zouden zien eindigen, brak aan. Want toen zij weder in Galaad hunne tenten opsloegen, kwamen de daar wonende Israëlieten te Maspha bijeen, op welke vergadering hunne oudsten en oversten tot elkander spraken: Wie van oils hel eerst den strijd tegen Amnion begint, z;il onze vorst zijn. Er hield zich
fe.i-
BIJBF.LSCI/E GF.SCH 1 F.DENIS.
nu ten dien tijde in liet land Tob (in Woest-Arabië, aan de grenzen van Galaiid) een zeer sterke en dappere strijder op, met name Jephte. Zijn vader, die (evenals de landstreek) Galaiid heette, had verscheidene zonen uit eene meer aanzienlijke vrouw. Deze zonen joegen Jephte, het kind eener vreemde moeder, toen hij groot geworden was, de deur uit, zeggende: Gij kunt geen erfgenaam zijn in het huis onzes vaders. Derhalve vluchtte hij naar het land Tob, waar hij eene menigte niets bezittende en stoutmoedige mannen om zich verzamelde, met wie hij, als hun aanvoerder, op buit uitging (waarschijnlijk tegen den gemeenschappelijken vijand, de Ammonnieten).
Tot dezen Jephte begaven zich de te Maspha vergaderde oversten en zeiden hem; Kom en wees onze aanvoerder in den strijd tegen de zonen Amnions. Hij gaf hun ten antwoord : Zijt gij het niet, die mij haat, en mij uit het huis mijns vaders gestooten hebt, en nu, door den nood gedrongen komt gij tot mij? De oversten hernamen : Juist hierom komen wij tot u, opdat gij, door uwen strijd tegen Amnion, vorst zoudt worden over allen, die in Galaiid wonen, Jephte sprak: Zijt gij waarlijk hier gekomen, opdat ik voor u de zonen Amnions zou bestrijden, en zal ik, als de Heer hen in mijne handen levert, inderdaad uw vorst zijn? Hun wederwoord luidde: De Heer, die ons hoort, moge getuige zijn, dat wij doen zullen, hetgeen wij beloven. Daarop ging Jephte met hen naar de volksvergadering en alle aanwezigen riepen hem tot vorst uit.
Zijn eerste werk was, boden te zenden tot den koning van Amnion, wien hij liet zeggen: Wat beweegt u, tegen mij op te trekken en mijn land te verwoesten? De koning boodschapte terug: Toen gij uit Egypte kwaamt, hebt gij mij mijn land ontnomen, van den Anion tot den Jaboc en den Jordaan; geef het mij dus goedwillig weder. Jephte zond andermaal boden, die zeggen moesten: Zoo spreekt Jephte: Israël heeft het land van Moab niet genomen, noch het land der zonen Ammons. Onzen tocht uit Egypte maakten wij door de woestijn, en toen Moab ons verzoek, om den weg door zijn land te nemen, afsloeg, trokken wij zijne grenzen 0111. Sehon, de koning der Amorrheën weigerde ons insgelijks den doortocht en rukte zelfs met een machtig leger tegen ons op. Doch de Heer leverde hem in onze handen, en wij namen zijn land van den Anion tot den Jordaan in bezit. Waarom maakt gij (want het was zijn land en niet het uwe) daar aanspraak op ? Behoort u niet met recht toe, wat gij in bezit neemt? Zoo nemen wij in bezit, wat de Heer onze God ons als overwinnaars in den strijd laat veroveren. Hebt gij betere rechten dan Balac, de zoon van Sephor en koning van Moab? Welnu, hij heeft (op het reeds ten zijnen tijde bemachtigde land) geen aanspraak gemaakt en niet tegen Israël gestreden. Reeds driehonderd jaar bewoont Israël Hesebon en de andere steden langs den Jordaan; waarom hebt gij die in al dien tijd niet opgeëischt? Ik zondig dus niet tegen u; maar gij handelt kwalijk opzichtens mij, met mij een onrechtvaardigen oorlog aan te doen. Dat derhalve de Heer rechte tus-schen Israël en de zonen Ammons. â Zoo liet Jephte door zijne boden spreken; doch de koning der Ammonnieten stoorde zich aan deze woorden niet.
Nu maakte Jephte, door den Geest des Hceren gedreven, zich strijdvaardig; hij trok geheel Galaiid (het land van Ruben, Gad en half Manasse) door, om nog meer manschappen te verzamelen en ging toen op den vijand los. Inmiddels deed hij den Heer eene gelofte, zeggende: Indien Gij de zonen Ammons in mijne handen levert en ik in vrede terugkeer, zal ik den eerste, die mij uit mijn huis tegemoet komt, als brandofter aan u opdragen. Daarna tastte hij de zonen Ammons aan, sloeg hen over de geheele uitgestrektheid van Aroër tot Mennith en Abel, en bracht hun eene zoo geduchte nederlaag toe, dat hunne macht volkomen gebroken was. Op zijn terugtocht, en terwijl hij niet ver meer van zijn huis verwijderd was, kwam zijne eenige dochter, tevens zijn eenig kind, aan het hoofd eener rei maagden, hem met paukslag en dans begroeten. Zoodra Jephte haar zag, riep hij uit: Helaas, mijne dochter! gij maakt mij. ongelukkig en bereidt uw eigen verderf; want ik heb mijn mond den Heer geopend, en moet, hetgeen ik sprak, volbrengen. Mijn vader! antwoordde zij, hebt gij uw mond den Meer geopend, doe dan aan mij, wat gij beloofd hebt.
125
126
naardien u de overwinning op uwe vijanden geschonken is. Willig mij slechts deze eenc bede in: laat mij twee maanden naar het gebergte gaan, om met mijne gezellinnen mijnen kinderloozen staat te beweeneu. Haar vader zeidc: Ga, Toen de twee maanden om waren, deed Jephte aan haar volgens zijne gelofte, en zij heeft geenen man gehad. Sedert dien tijd is het gewoonte geworden, dat de Israëlietische maagden jaarlijks te zamen komen, om de dochter van Jephte vier dagen lang te beweenen.
Jephte's optreden tegen de Ammonnieten verwekte ontevredenheid bij Ephraïm; mannen uit dien stam staken den Jordaan over, gingen daarop noordwaarts (naar de stad waar Jephte woonde) en spraken tot hem: Waarom hebt gij tot den strijd met de zonen Amnions ook ons niet geroepen? Wij zullen derhalve uw huis in brand steken. Hij antwoordde: Ik e'n mijn volk hadden tegen de zonen Amnions een harden kamp te bestaan; ik heb u geroepen, om mij ter hulp te komen; maar gij hebt niet gewild. Toen ik dat zag, heb ik mijne ziel in mijne handen gesteld (mijn leven gewaagd), ben tegen de zonen Amnions opgetrokken, en de Heer heeft hen in mijne macht geleverd. Wat heb ik alzoo misdreven, dat gij uitgaat, om met mij strijd te voeren? Voorts ontbood hij alle mannen Gakiids, van wie de Ephraïmieteu mede zeer smakelijk gesproken hadden, viel met hen de onruststokers aan en versloeg ze. Om den overgeblevenen den terugtocht af te snijden, bezetten de mannen Galaads de veren van den Jordaan, en vroegen aan ieder, die de rivier wilde oversteken: Zijt gij een Ephraïmiet? Antwoordde hij: neen, dan zeiden zij: Spreek het woord Schib-boleth uit â dat korenaar beteekent. â Kon hij dit woord niet op dezelfde wijze uitspreken als de overige Israëlieten, maar zeidc hij: Sibboleth, dan bleek het dat hij een Ephraïmiet was, en werd onmiddellijk gedood. Zoo beliep het geheele verlies, dat Ephraïm in den veldslag en aan den Jordaan leed, 42.000 man.
Zes jaren lang was Jephte rechter; toen stierf hij en werd begraven in zijne vaderstad GaUuid. Zijn opvolger Abesan, van Bethlehem, bestuurde Israël zeven jaren. Na hem kwam Ahialon, uit den stam Zabulon; hij bestuurde tien jaren lang en werd opgevolgd door Abdon, den zoon van Illel, uit de stad Pharathon, wiens bestuur acht jaren duurde.
1. Sommige uitleggers zijn van gevoelen, dat Jephte zijne dochter niet in liclumelijken maar in geestelijken zin zou hebben geofferd, door haar tot den altijddureiulen ongehuwden staat in dienst van den takernakel te verplichten. Tot staving dezer meening; beroepen zij zich op de woorden der H. Schrift, waarin gezegd wordt, dat de dochter twee maanden lang haren kinderloozen staat beweende, en dat zij geenen man heeft bekend.
Eene dergelijke uit'egging wordt echter, als strijdig met den volledigen tekst der Schrift, zoowel door bijna alle oude joodsche schrijvers, als door velen der voornaamste kerkvaders verworpen. Volgens hen heeft Jephte wel degelijk zijne dochter ter dood gebracht. Die daad zelve keuren zij ten strengste af. De joodsche geschiedschrijver Flavius Josephus zegt er van, «dat zij noch overeenkomstig de Wet, noch Gode aangenaam was.quot; De Wet verbood uitdrukkelijk aan do ouders hunne kinderen te offeren. In Deuteronomium XII: ;3 toch spreekt Moses tot de Joden; «Alle gruwelen, die de lieer verfoeit, hebben zij (de heidenen) voor hunne goden bedreven; zij hebben hunne zonen en dochters geofl'erd en op het vuur verbrand. Zoo zult gij voor den lieer uwen God niet doen.quot; Hetzij Jephte dit verbod niet kende, hetzij hij â wat eerder is aan te nemen â in het valsche denkbeeld verkeerde, dat men eene gelofte, ook wanneer zij bepaald ongeoorloofd is, toch moet houden, in allen gevalle meende hij eene godsdienstige daad te verrichten. Daarom zegt de H. Hieronymus van hem, «dat niet zijne offerande den Heer aangenaam was, maar alleen de meening, waarmede hij, te goeder trouw, handelde: non sacrificium placet sed animus offerentisquot;
2. Er waren verschillende steden, die Maspha heetten; de hierbedoelde stad lag in Galaad, binnen het stamgebied van Gad. Het in hoofdstuk 56, bladz. 114 en volgende, genoemde Maspha, waar de Israëlieten tegen Gabaa en de zonen Benjamins bijeen kwamen, lag in Benjamin.
In hetzelfde Maspha vergaderde Samuel het volk, om Saul tot Koning aan te stellen (zie hoofdstuk 67).
De twee of drie overige steden van denzelfden naam zijn van weinig belang.
RIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
1IOOFDSTUK LXL
GEBOORTE EN EERSTE DADEN VAN SAMSON.
Israclicten bedreven weder kwaad voor het aanschijn des Heeren, die lien daarom in de handen der Philistijncn leverde veertig jaren lang.
Er was toen te Saraa, in den stam Dan, ccn man met name Manue, wiens x)l*lt; vrouw geene kinderen had. Op zekeren dag echter verscheen haar, onder mcnsche-lijke gedaante, een engel des Heeren, die tot haar sprak: Zie, gij zijt onvruchtbaar { en kinderloos, maar gij zult met een zoon gezegend worden, Onthoud u derhalve van wijn en sterke dranken en van het eten van alles, wat onrein is; want aan uws zoons hoofd zal geen schaar raken, wijl hij nazirecr zal zijn van zijn geboorte af; hij zal beginnen Israël uit de handen der Philistijnen te verlossen. Zoodra dc vrouw haren echtgenoot zag, zeide zij hem; Een man Gods met een hemelsch gelaat is tot mij gekomen; aldus heeft hij gesproken, maar zijn naam wilde hij mij niet bekend maken. Manue bad derhalve den Heer: Ik smeek U, Heer, laat de man Gods, dien Gij gezonden hebt, nogmaals komen, om ons te leeren, hoe wij met den zoon, die ons geboren zal worden, moeten handelen. Dc Heer verhoorde zijn gebed en de engel verscheen opnieuw aan Mamie's huisvrouw, terwijl zij op den akker was. Oogenblikkelijk liep zij naar Manue, die zonder verwijl opstond, met haar ging en den man nog op den akker vond. Hij vroeg hem: Zijt gij het, die tot mijn vrouw gesproken hebt? Dc man antwoordde: Ik ben het. Manue hernam : Wanneer uw woord in vervulling zal gegaan zijn, hoe wilt gij dan, dat wij met den knaap handelen, en waarvan moet hij zich onthouden? De man zeide; Hij omhoude zich van al hetgeen ik uwe vrouw heb opgenoemd: wijn en sterke dranken zal hij niet drinken, niets wat onrein is eten, en bovendien doen en vervullen hetgeen ik hem gebieden zal. Manue, die den man nog altijd niet voor ccn engel hield, sprak wederom: Ik bid u, dat gij mijn verzoek niet afslaat, om u een geitebokje te bereiden. Dc engel zeide: Al dringt gij daarop aan, ik zal toch uwe spijs niet eten; wilt gij echter den Heer een brandoffer opdragen, zoo doe het. Manue vroeg: Hoe is uw naam, opdat wij, als uw woord vervuld is, u een geschenk aanbieden. Maar de toegesprokene antwoordde: Waarom vraagt gij mijn naam ? deze is wonderbaar. Manue nam nu het bokje, dat hij tot spijs voor den onbekende bestemd had, en droeg het, tegelijk met een brandoffer, aan den Heer op. Toen de vlam van het offervuur zich ten hemel verhief, steeg de onbekende eveneens naar boven en was eensklaps uit de oogen van Manue en diens vrouw verdwenen. Thans begrepen zij, dat het een engel was geweest, die met hen gesproken had; zij wierpen zich plat ter aarde; en Manue zeide tot zijne vrouw: Wij moeten sterven; want wij hebben een hemelgeest gezien. Doch de vrouw antwoordde: Als de Heer ons wilde dooden, zou Hij geen brand- en dankoffer uit onze handen hebben aangenomen en ons niet alles geopenbaard hebben, hetgeen ons geschieden zal. Na eenigen tijd baarde dc vrouw een zoon, dien zij Samson noemde; de knaap groeide op en de Heer zegende hem.
Toen hij groot geworden was, dreef de Geest Gods hem aan (om het werk zijner zending te beginnen); hij ging derhalve r.aar de Philistijnsche stad Thamnatha, zag daar cene zekere maagd, keerde naar zijn vader en moeder terug en zeide: Neemt mij de maagd, die ik onder de dochters der Philistijnen te Thamnatha zag, tot vrouw. Zijn vader en moeder antwoordden: Is er dan onder de dochters onzer broeders en van ons volk geene vrouw voor u, zoodat gij er cene bij de Philistijnen zoekt? Doch hij hernam: Neemt mij deze; want zij behaagt aan mijne oogen. Zijne ouders nu wisten niet, dat hij aldus handelde op ingeving Gods, om een aanleiding tot strijd tegen de Philistijnen te vinden. Eindelijk toch begaven zij zich met hem naar Thamnatha op reis; maar toen zij in do nabijheid der wijnbergen, die de stad omringden, gekomen waren (en Samson geheel alleen van den beganen weg ter zijde afsloeg) schoot ccn jonge leeuw grimmig en brullend
127
128 BIJBF.LSCME GESCHIEDENIS.
op hem toe. Hoewel ongewapend, greep hij, door den Geest des Heeren bezield, den leeuw vast en scheurde hem als een bokje aan stukken. Hiervan zeide hij echter niets tot zijn vader en moeder.
Te Thamnatha sprak hij met de dochter, die zijnen oogen behaagde, en keerde daarop voorloopig naar huis terug. Later, ter voltrekking van zijn huwelijk, andermaal (met zijne ouders) de reis aanvaardende, week hij opnieuw een weinig van den gewonen weg ter zijde, om de overblijfselen van den gedooden leeuw te beschouwen, en ziet, er had zich een bijenzwerm in den muil des leeuws genesteld en er een honigraat in gebouwd. Samson brak met zijn handen de honigraat uit, begon daar onderweg van te eten en gaf er ook van aan zijne ouders, zonder hun nochtans te zeggen, waar hij dien honig gevonden had. Zoo kwam hij ten tweeden male te Thamnatha terug, waar zijn vader hem een maaltijd bereidde, gelijk men voor bruidegoms placht te doen. Van den kant der burgers van Thamnatha werden hem dertig jongelingen als feestgezellen toegevoegd. Tot dezen sprak Samson; Ik zal u een raadsel opgeven; kunt gij dit, gedurende de zeven dagen die het feest duurt, oplossen dan schenk ik u dertig onderkleederen en even zooveel overkleederen; kunt gij het niet, dan schenkt gij dertig gewaden aan mij. Zij antwoordden: Laat uw raadsel hooren. Samson zeide: Het is het volgende; Van den eter ging spijs uit en van den grimmige zoetheid. Toen de jongelingen na drie dagen dit raadsel niet konden oplossen, gingen zij tot Samsons vrouw en zeiden: Streel uwen man en tracht hem over te halen, u zijn geheim bekend te maken; doet gij dit niet, zoo steken wij het huis uws vaders in brand en zullen u in de vlammen doen omkomen. Daarop begon de vrouw voor Samson tranen te storten en te klagen: Gij bemint mij niet, daarom wilt gij mij de oplossing van het raadsel, dat gij den zonen van mijn volk hebt voorgesteld, niet mededeelen. Hij echter gaf ten antwoord: Mijnen vader en mijne moeder heb ik mijn geheim niet willen zeggen, hoe zou ik het u dan hunnen openbaren? Nu herhaalde de vrouw al den tijd, dien het feest duurde, haar geween en geklaag, totdat Samson, dezen last eindelijk moede, haar op den zevenden dag het raadsel oploste. Oogenblikkelijk ijlde zij naar de jongelingen heen, die daarop nog voor de zon onderging, bij Samson kwamen en zeiden: Wat is zoeter dan honig en wat grimmiger dan een leeuw? Samson antwoordde: Hadt gij u niet van mijne vrouw bediend, om mij mijn geheim te ontlokken, gij zoudt het nooit geraden hebben. Terzelfder tijd gevoelde hij zich door den Geest des Heeren bezield; hij trok op naar de Philistijnsche stad Ascalon, versloeg daar dertig man, beroofde hen van hunne kleederen en schonk deze aan de dertig jongelingen, die het raadsel hadden opgelost. Vervolgens keerde hij in grimmigen toorn naar het huis zijns vaders terug; terwijl zijne vrouw zich kort daarop een anderen man uit zijne feestgezellen koos.
Samson, die hiervan onkundig bleef, kwam over eenigen tijd terug, om zijne vrouw te bezoeken en bracht haar een geitebokje ten geschenke mede. Doch toen hij hare kamer wilde binnengaan, weerde haar vader hem af, met de woorden: Ik meende, dat gij haar ongenegen waart geworden en heb haar daarom aan een uwer gezellen gegeven; maar zij heeft eene jongere zuster, die schooner is dan zij, neem deze tot uwe echtgenoote. Samson (over zooveel trouweloosheid ten hoogste vergramd) antwoordde: Van heden af zal ik den Philistijnen terecht alle mogelijke kwaad doen. Aldra gaf hij aan deze bedreiging gevolg; hij ving driehonderd vossen, bond ze twee aan twee met de staarten aan elkander, maakte tusschen elk paar aan de punten der staarten een brandende fakkel vast en joeg de dieren daarop in de koornvelden der Philistijnen. Het was juist in den tijd van den oogst, zoodat het koorn, zoowel het gedeelte dat nog op wortel stond, als dat reeds was afgemaaid , lichtelijk vlam vatte. De vlam deelde zich mede aan de wijngaarden en olijfboo-men, die tegelijk met het koorn verbrandden. Toen de hoofden der Philistijnen vroegen wie dit ongeval veroorzaakt had, werd hun geantwoord: Samson deed het, wijl zijn schoonvader hem zijne vrouw ontnomen en haar aan een ander gegeven heeft. Om dien schoonvader hiervoor te tuchtigen, staken de Philistijnen zijn huis in brand en deden hem met zijne
BIJBF.LSCHH GI-;SCIIIHDH\'IS.
dochter in de vlammen omkomen. Samson, wiens toorn daardoor nog niet gestild was, sprak tot de Philistijnen: Hoewel gij dit gedaan hebt, zal ik toch voortgaan, met wraak aan u te nemen. Hij sloeg nu met geweldige slagen op hen in, zoodat zij van schrik t.crngdeinsden. Vervolgens trok hij af cn ging wonen in dc spelonk Etam.
Uc Philistijnen rukten daarna met een leger het grondgebied van Juda binnen en sloegen hunne tenten op in een oord, dat later Lechi genaamd werd. üc mannen van Juda wroegen hun; Waarom zij^ gij tegen ons opgetrokken? Zij antwoordden: Om Samson gevangen te nemen en hem te vergelden, wat hij ons gedaan heeft. Teneinde het hun ilreigcncie gevaar af te wenden, gingen drie duizend man van Juda naar de spelonk in de lots Ltam cn zeiden tot Samson: Weet gij niet, dat dc Philistijnen onze meesters zijn; waarom hebt gij dan hunne verbolgenheid gaande gemaakt? Hij antwoordde: Ik heb hun gctlaan, gelijk zij mij. Wij zijn gekomen, zeiden die van Juda verder, om u te binden en aan de Philistijnen over te leveren. Samson sprak: Zweert mij, dat gij mij niet zult dooden. Do oden zullen wij u niet, werd hem geantwoord, maar u gebonden overleveren. Daarop b ouden zij hem met twee nieuwe touwen cn brachten hem uit dc spelonk te voorschijn. Oodi toen zij met hem de Philistijnen naderden, cn dezen hun juichend tegemoet snelden, iccet Samson, op aandrijving van den Geest des Heercn, dc twee nieuwe touwen aan stuk-kin, met een gemak, alsof het een paar vlasvezels waren, die door het vuur in brand \ lagen, \001ts greep hij een ezelskaak, die daar lag, en versloeg er duizend Philistijnen mede. Deze daad bezong hij met de woorden: Met een ezelskaak heb ik hen vernietigd, imct de kinnebak van het veulen eener ezelin versloeg ik duizend man. Nadat hij dit lied voelcindigd had, wierp hij de kaak weg en noemde dc plaats, waar dc heldendaad verricht Ar,is, Ramathlechi, dit is: Opheffing der kaak. Thans ontwaarde hij in zich een brandenden don st cn liep tot den Heer : Gij hebt door de hand uws dienstknechts dit heil cn deze groote overwinning bewerkt; maar zie, ik verga van dorst cn zal dientengevolge nog in de handen miijuer vijanden vallen. Op dit gebed deed dc Heer water ontstaan in een der holten van dc ezelskaak; Samson dronk daarvan cn gevoelde zijne krachten hersteld. â Hij bleef rechter in Israel gedurende verscheidene jaren.
1' Volgens ile wet, door God aan Moses gegeven, (Numeri 6) kon iemand zich voor een tijdlang door eene pleclitige gelofte den Heer toewijden. Hij mocht dan geen sterke dranken of wijn drinken, zelfs geen versche drui-vt « elenj geen schaar mocht er over zijn hoofd komen om zijn haar af te snijden, enz. Zoodanige aau God getijde droegen den naam van Nazireër. Hr bestond bovendien een nazireaat voor het geheele leven,
warnrtoe iemand of zichzelf verbond, of waartoe hij door zijne ouders verplicht werd. Dit laatste was, op bevel dc-J engels, het geval met Samson, «Aan uws zoons hoofd â bad de engel tot Manue gezegd â zal geen schaar raken; wijl hij Nazireër zal zijn van zijn geboorte af.quot; Dc buitengewone en bovennatuurlijke lichaams-krndit, waarmede Samson, zoodra hij opgegroeid was, werd begiftigd, stond met zijn nazireaat in het nauwste venband. Aan daar dat, toen hij zich, zooals in het volgende hoofdstuk wordt verhaald, door eene vrouw bet haar had laten afsnijden, en zijn nazireër-staat zoodoende opgehouden had te bestaan, hem ook onmiddellijk zijnic buitengewone sterkte verliet.
2. De bovengenoemde stad Ascalon was vroeger (Kcchters I: :8) door den stam Juda veroverd, maar later we der in liet bezit der Philistijnen geraakt. Thannutha â niet te verwarren met Thamna, op het grondgebied vau Juda lag niet ver van do Middellands;he Zee, ter plaatse waar dc grensscbeidlngen van Dan, Juda en Ep liraim elkander raken. Tot op Samsons tijd was deze stad steeds in de macht der Philistijnen gebleven.
J, Dat de vossen in het land Chanaan zeer menigvuldig waren, kan o. a. hieruit blijken, dat minstens dri.e steden naar deze dieren genoemd zijn. Het Hebreeuwsche woord, dat vos of een op ecu vos gelijkend dier betcekent, is Sual. Nu vindt men bij Josue XV: 28 eene stad met name Haser-Sual; bij 1 Koningen XIII: 17 Je stad (of landstreek) Sual, terwijl bij Josue XIX : 42 eene stad Selebin â volgens eene andere lezing Saallabbin â voorkomt, welk woord men van het Fenieische faalab of Arabische thaalab (vos) afleidt. In sommige lezingen ilor Septuagint staat uitdrukkelijk : «waar vele vossen waren.quot; In de Klaagliederen van Jeremias (Lament. V ; i,S) u-omlt gezegd, dat de burcht Sion zoo verwoest is, dat de vossen haar tot woonplaats hebben gekozen. Hooglied 11 = 1; getuigt, dat de vossen de wijngaarden ondermijnen; terwijl Psalm LXII ; 11 met de vossen als een straf des Hemels dreigt. 'Volgens sommige schrijvers waren vroeger en zijn nog de vossen in Palestina zoo talrijk, dat zij intaeniialen in groepen van ongeveer tweehonderd bijeen werden gezien. Samson kon er dus lichtelijk of zelf of met kdi.nlp van anderen , in nettenen strikken, een driehonderdtal vangen. De vos van Palestina, althans de hierbedoclde, is edner niet geheel dezelfde nis de onze; het is een soort wilde hond, die het midden houdt tusschen vos cn jakhals.
129
17
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LXII.
SAMSONS LAATSTE DADEN EN DOOD.
SfalJ: p zekeren tijd ging Samson naar Gaza, waar hij ecne lichte vrouw ontmoette, bij wie hij zijn intrek nam. Toen de Philistijnen dit hoorden, omsingelden zij het huis, waarin hij zich ophield, en stelden bij de poorten hunner stad mannen op wacht, met den last, om hem, als hij des morgens wilde uitgaan, te dooden. Samson süep tot middernacht; toen stond hij op, begaf zich naar de poort, nam haar ? (na de wachten verdreven te hebben) met vleugeldeuren, posten en al, op zijne schouders, en droeg de gansche poort op den top des bergs, welke tegenover Hebron ligt.
Daarna liet hij zijne oogen vallen op eene andere vrouw, die in het dal Sorec woonde en Dalila heette. Zoodra dit bekend werd, kwamen de vorsten der Philistijnen bij haar en zeiden: Zoek van hem door list te weten te komen, waarin het geheim zijner kracht schuilt, en hoe wij hem kunnen overmeesteren en binden; doet gij dit, ::oo zullen wij u elk elfhonderd zilverlingen geven. Dalila sprak nu tot Samson: Zeg mij toch, bid ik u, waarin ligt wel uwe ontzettende kracht, en waarmede zou men u moeten binden, als men u wilde beletten uwe banden stuk te rijten ? Hij antwoordde: Indien men mij bond met zeven versche, nog niet gedroogde pezen, zou ik niet sterker zijn dan andere menschen, Dalila liet zich derhalve zeven zoodanige pezen door de vorsten der Philistijnen bezorgen, en terwijl zij eenige mannen in eene andere kamer verborg, bond zij Samson, zooals hij gezegd had. Daarop riep zij: Samson, de Philistijnen komen! en oogenblikkelijk reet hij de peezen stuk alsof het vlasdraden waren. Ziende, dat zij bedrogen was, klaagde zij hem: Waarom drijft gij spel met mij en verhaalt gij mij onwaarheden? Zeg mij nu ten minste, waarmede men u zou moeten binden. Hij antwoordde: Als ik gebonden werd met negen touwen, die nooit gebruikt zijn, zou mijne kracht niet van die der andere menschen verschillen. Wederom plaatste zij wachten in de aangrenzende kamer, bond hem op de genoemde wijze en riep: Samson, de Philistijnen komen! Doch ook de negen nieuwe touwen verbrak hij even gemakkelijk als de zeven pezen. Andermaal hield Dalila aan en zeide: Hoelang nog zult gij voortgaan, mij de waarheid te verhelen ? Verklaar toch hoe men u binden moet, om uwe kracht te breken. Zijn antwoord luidde: Indien men mijn in zeven lokken gescheiden hoofdhaar samenvatte in een haarband, daaraan een ijzeren nagel bevestigde en dezen in den grond stak, zou ik krachteloos zijn. Dalila deed dit, terwijl hij sliep; doch toen zij daarop even als de beide vorige keeren riep, dat de Philistijnen kwamen, werd hij wakker en haalde met een enkelen ruk den nagel uit den grond. Nog gaf de vrouw den moed niet verloren; zij klaagde aanhoudend, dat hij haar niet beminde, en viel hem met die klacht en met hare smeekingen zoo lastig, hem dag noch nacht rust latende, dat hij eindelijk bezweek en haar zijn geheim openbaarde. Nooit â zeide hij â is er eene schaar op mijn hoofd geweest, wijl ik Nazireër, dat is aan God toegewijd, ben van den schoot mijner moeder af; werd ik van mijn haar beroofd (het uiterlijk teeken van mijn nazireaat) dan zou mijne kracht van mij geweken zijn, en ik met andere menschen gelijk staan. Daar de vrouw begreep, dat hij thans waarheid sprak, liet zij den vorsten der Philistijnen boodschappen: Komt nog eenmaal tot mij; dezen keer heeft hij mij zijn hart geopend. De vorsten kwamen derhalve, en brachten het geld, dat zij der vrouw beloofd hadden, aanstonds mede. Zij liet nu Samson op hare knieën inslapen, ontbood voorts een scheerder die hem de zeven lokken afsneed, en oogenblikkelijk was zijne sterkte verdwenen. Daarna stiet zij' hem van hare knieën weg en riep: Samson, de Philistijnen komen! Uit den slaap ontwaakt, wilde hij even als vroeger vluchten, want hij wist niet dat de Heer van hem geweken was. Doch de Philistijnen die nu inderdaad kwamen, grepen den krachtelooze vast, sloegen hem in ketenen, staken hemde oogen uit en voerden .hem naar hunne stad Gaza, waar hij den molen (handmolen) moest draaien.
130
ijl
Langzamerhand groeiden zijne haren weder aan en daarmede keerde ook zijne kracht terug. Hiervan onbewust, kwamen de vorsten der Philistijnen op zekeren dag bijeen, om uit dankbaarheid voor hunne welgeslaagde onderneming, hunnen god Dagon eene groote offerande op te dragen en feest te vieren; want, 2eiden zij, onze god heeft onzen vijand Samson in onze handen geleverd. Ook het volk sloot zich hierbij aan en herhaalde: Onze god heeft onzen tegenstander, die onze koornvelden verwoestte en vele mannen doodde, in onze macht gegeven. Het offeren nam nu in den tempel van Dagon een aanvang; daarop volgde de offermaaltijd. Behalve de vorsten waren bij de plechtigheid tegenwoordig drieduizend personen uit het volk, zoo vrouwen als mannen. Zij hadden gedeeltelijk plaats genomen op de bovenverdieping des tempels en op het platdak, (dat in het midden eene opening had, waardoor men in het gebouw kon neerzien). Na het offermaal lieten de vorsten Samson halen, opdat hij hen en de overige aanwezigen door zijn spel (gezang en dans) zou vermaken. Eenigen tijd had Samson gespeeld, toen hij tot zijn geleider sprak: Laat mij een weinig leunen tegen de beide hoofdzuilen, waarop het gebouw rust, ten einde ik een oogenblik adem scheppe. Middelerwijl riep hij den Heer aan en bad; Heer, mijn God, gedenk mijner en schenk mij mijne vroegere sterkte terug, opdat ik mijne vijanden ver-delge en voor het verlies mijner oogen voldoening bekome. Daarna greep hij de beide zuilen, de een met de rechter-, de andere met de linkerhand, en schudde ze zoo geweldig dat de tempel ineenstortte en vorsten en volk onder zijn puin begroef. Aldus doodde Samson er meerderen bij zijn sterven dan hij tijdens zijn leven had gedood Zijne broeders en zijn gansche maagschap, deze gebeurtenis vernemende, kwamen en haalden zijn lijk onder het puin weg en legden het in het graf zijns vaders Manue, tusschen de steden Saraii en Esthaol. Twintig jaren lang was Samson rechter geweest.
1. Zooals rcctls achter het vorige hoofdstuk, aanteekening i, is opgemerkt, was Samsons kracht niet ver-honden aan zijne haren als zoodanig, maar werd zij hem door God op bovennatuurlijke wijze verleend om wille van zijn nazireaat, waarvan zijn ongesneden haar slechts het uiterlijke teeken was. Dezen bovennatuurlijken oorsprong zijner kracht geeft de II. Schrift duidelijk te verstaan, door telkens, wanneer zij van Samson een heldenfeit meldt, er bij te voegen: »toen kwam de Geest des Heeren over hem of: «de Geest Gods was met hem,quot;enz.
2. Niettegenstaande zijne groote gaven, liet deze rechter in Israel zich vervoeren door zijne misplaatste liefde en zijne zinnelijke begeerte, die ten laatste zijn ondergang werden. In zijne gevangenschap echter, en terwijl hij van zijne zoo dikwijls misbruikte lichamelijke oogen was beroofd, openden zieh de oogen zijner ziel, cn keerde hij rouwmoedig tot God terug. Zijn dood onder het puin des tempels te Gaza was eene edelmoedige opoffering, om de Israëlieten, zijn volk, van een groot aantal hunner voornaamste verdrukkers te bevrijden , en de onverzoenlijke vijanden van den naam Gods te verdelgen.
3. De Philistijnsche afgod Dagon had van boven de gedaante eens menschen en eindigde in een visch. In het algemeen waren de goden der heidenen monstergestalten, zooals dit nog tegenwoordig het geval is met de afgodsbeelden der Chineezen cn der wilden en half-wilden in Australië cn Indië.
4. Het volgende hoofdstuk is ontleend aan het Boek Ruth, dat volgens het algemeen gevoelen geschreven werd door den profeet Samuël, na de zalving van koning David.
HOOFDSTUK LXI1I.
R U T H.
en dage van een der rechters (vermoedelijk Gedeon) heerschte er in Chanaan een ^ hongersnood, waarom zeker man uit Bethlehem-Juda, met zijne vrouw en zijne ^ twee zonen naar het land van Moab trok. De naam des mans was Elimelech, die der vrouw Nocmi; de zonen heetten Mahalon en Chelion. Het eerst stierf i Elimelech. Na zijnen dood huwden zijne zonen met Moabictische vrouwen, Mahalon met Ruth, Chelion met Orpha; daarna stierven zij, zoodat Noëmi, binnen den tijd van tien jaren van haren man en hare beide zonen beroofd, alleen in het vreemde land overbleef. Wijl zij hoorde dat de Heer op de kinderen Israels had neergezien en hun
BIJB 'I.SCHE GESCHIEDENIS.
weder spijs had geschonken, maakte zij zich gereed om naar Chanaan terug te keeren. Zij werd uitgeleid door hare beide schoondochters, tot wie zij, na een gedeelte van haren weg te hebben afgelegd, sprak: Keert naar het huis van uwe moeder weder, en dat de Heer ii de weldaden vergelde die gij aan de overledenen en aan mij hebt bewezen; moogt gij rust vinden in de woningen der mannen die gij bekomen zult. Na dit gezegd te hebben, omhelsde zij hare schoondochters, die luidkeels begonnen te wcenen cn spraken: Wij zullen met u gaan naar uw volk. Doch Nocmi antwoordde: Keert terug, mijne kinderen; waarom zoudt gij met mij gaan? Ik heb gecne andere zonen, die ik u kan schenken. Schreit niet aldus, want uwe droefheid verzwaart nog den slag, waarmede de Heer mij getroffen heeft. Nu braken zij opnieuw in tranen los, totdat ten laatste Orpha hare schoonmoeder omhelsde en heenging. Ruth evenwel wilde van geen terugkeer weten: Ik ga met u, sprak zij, werwaarts gij u ook begeeft; uw volk zal mijn volk , uw God mijn God zijn, cn de aarde die uw lijk ontvangt, zal ook mij in haren schoot opnemen; de Heer moge mij straften , indien ooit iets anders dan de dood mij van u schelde. Toen Nocmi deze vastberadenheid bij hare schoondochter aanschouwde, wilde zij zich niet langer tegen haar verzetten; zij gingen dus gezamenlijk verder en hadden weldra Bethlehem bereikt. Nauw waren zij hier bij haar binnentreden door ecnigen opgemerkt, of oogenblikkelijk vloog de mare van Noëmi's wederkomst door dc geheele stad ; de vrouwen wezen elkander de teruggekeerde aan en zeiden: Ziet, daar is Noëmi. Doch deze sprak; Noemt mij niet langer Noëmi â dat is Schoone â noemt mij Mara, â dat is Bittere; â want met bitterheid heeft de Heer mij gedrenkt. Vol (in het bezit van echtgenoot cn kinderen) ben ik heengegaan; ledig voert de Heer mij terug. Waarom dan noemt gij mij Noëmi, daar toch de Heer mij vernederd en de Almachtige mij met droefheid overstelpt heeft ?
De tijd van Noëmi's wederkomst viel samen met het begin van den gerstoogst. Ruth sprak alsnu tot hare schoonmoeder: Als gij het goedvindt, zal ik naar het veld gaan, om, waar ik eenen weiwillenden eigenaar vind, achter de maaiers aren te lezen. De schoonmoeder antwoordde: Ga, mijne dochter. Ruth ging dus, en las aren op den akker van Boöz, een zeer rijken man uit dezelfde familie, waartoe de overledene Elimelech had behoord. Boöz kwam dien dag bij zijne maaiers op het veld cn groette hen, zeggende: De Heer :zij met u. Zij antwoordden: De Heer zegene u. Vervolgens vroeg hij aan den jongeling die het opzicht over de maaiers had: Wiens dochter is dit? De jongeling zeide: Het is de Moabietische, die met Noëmi overgekomen is; zij verzocht mij, hier aren te mogen lezen, en reeds van den vroegen morgen al is zij bezig, zonder een oogenblik naar huis te zijn gegaan. Daarop gelastte Boöz nog iets aan zijne maaiers, richtte zich vervolgens tot Ruth en sprak: Hoor, mijne dochter, ga niet naar den akker van een ander, maar blijf bij mijne dienstmaagden; ik heb ook aan mijne knechten bevolen, dat niemand u lastig zou vallen, en als gij dorst hebt, drink dan van het water dat voor mijn volk bestemd is. Ruth boog zich voor Boöz ter aarde en zeide : Vanwaar komt mij het geluk, dat ik genade vind in uwe oogen en gij u gewaardigt, op mij neder te zien, die een vreemde vrouw ben. Boöz antwoordde: Ik heb vernomen, al wat gij sedert den dood van uwen man aan uwe schoonmoeder gedaan hebt cn dat gij uw vaderland hebt verlaten, om tot ons te komen. De lieer vergelde u uwe weldaden; moget gij er de volle belooning voor ontvangen van Israels God, onder wiens machtige hoede gij u begeven hebt. Voorts sprak hij nog : Als het etensuur is aangebroken, kom dan bij mij brood eten en doop uwe beten in mijnen azijn. Zij zette zich derhalve op het bepaalde uur naast de maaiers neder, en Boöz gaf haar geroosterd brood, zooveel zij wilde; zelfs mocht zij hetgeen zij overhield bewaren, om het straks mede naar huis te nemen. Nadat zij gegeten had, vatte Ruth hare taak weder op ; terwijl Boöz den maaiers het bevel gaf, om nu en dan ongemerkt een handvol halmen ter zijde te werpen, opdat Ruth te grooter hoeveelheid zou vergaderen, lot den avond toe bleef zij lezen; toen dorschte en wande zij hare aren, die haar een ephi, dat is drie modi, geist schonken. Daarop keerde zij naar huis terug, liet hare schoonmoeder den verzamelden
BI) BP. I.SCI IE GHSCIl IE DENIS.
voorraad zien en gaf haar het brood dat zij des middags had overgehouden. Noëmi vroeg : Waar hebt gij gelezen ? Toen nu Ruth haar den akker had aangeduid en zij voorts den naam van Boöz noemde, zeide Nocmi: Gezegend moge hij zijn van den Heer, omdat hij dezelfde toegenegenheid, die hij aan de levenden (mijn echtgenoot en zonen) heeft betoond, hun ook nog blijft toedragen nu zij gestorven zijn, die man behoort tot onze maagschap. Hij heeft, hervatte Ruth, mij gezegd dat ik bij zijne maaiers zou blijven, zoolang de oogst duurt. Daar Noëmi hiermede zeer tevreden was, bleef Ruth op het veld van Boöz aren lezen, totdat de laatste schoof gesneden en gedorscht was.
J er gelegenheid dat de gerst gewand werd, was men gewoon feest te vieren. Des daags voor dit bij Boöz plaats had, sprak Noëmi tot Ruth: Mijne dochter, ik denk er aan, uw levensgeluk te verzekeren; vvasch en zalf u morgen, trek uwe beste kleederen aan, begeef u naar den dorschvloer van Boöz, en hij zal u zeggen wat gij doen moet. Toen Boöz haar nu den volgenden dag ontwaarde en haar voornemen begreep, sprak hij: Gezegend, mijne dochter, moogt gij zijn van den Heer; want de vroegere blijken van liefde jegens uwen overleden man hebt gij heden nog overtroffen, nu gij niet het huwelijk zoekt met een jongeling, (maar met mij, des overledenen bloedverwant, die volgens de Wet verplicht ben u tot echtgenoot te nemen en het geslacht op den naam van Mahaloti voort te zetten.) Vrees niet; hetgeen gij verlangt, zal ik volbrengen; want de gelieele stad weet, dat gij eene deugdzame vrouw zijt. Ik beken dat ik van uwe maagschap hen, maar er is u nog iemand nader dan ik. Ik zal hem morgen over de zaak spreken ; wil hij zijn recht laten gelden, dan is het wel; doet hij er afstand van, dan treed ik als de eerstvolgende op. Boöz begaf zich deihalve des anderen daags naar de stadspoort (de plaats, waar de vergadering der oudsten gehouden werd, waar recht werd gesproken en andere openbare zaken werden behandeld) en ging daar neerzitten. Weldra zag hij den naderen aanverwant van Ruth voorbijgaan; hij riep hem en zeide; Zet u hier neder. Toen deze dit gedaan had, sprak hij verder: Noëmi, die uit het land van Moab is teruggekeerd, is van plan om den akker, die aan onzen broeder Elin:elech heeft toebehoord, te verkoopen. Ik wilde u dus, ten aanhooren van allen, die hier zitten, en in de tegenwoordigheid van cie oudsten des volks vragen, of gij uw verwantschapsrecht handhaaft, want anders ben ik de naaste. De man antwoordde: Ik zal den akker koopen. Boöz hernam : Wanneer gij den akker koopt, zult gij tevens Ruth tot uwe huisvrouw moeten nemen, opdat de overledene Mahalon een kind op zijn naam bekome (op welk kind ook de akker later moet overgaan). De man antwoordde: Dan sta ik mijn recht af; want ik zou door het te handhaven mijn huisgezin benadeelen. â Nu was het van oudsher gewoonte in Israël, dat wanneer onder bloedverwanten de een den ander zijn recht afstond , hij zijn schoen van den voet nam en dien, ter bevestiging der overeenkomst, aan zijnen bloedverwant gaf. Daarom zeide Boöz: Neem uw schoen van uw voet. Terwijl de man dit ten aanschouwe der oudsten en van al de aanwezigen deed, sprak Boöz tot de vergadering: Gij lieden zijt getuigen, dat ik alles aanvaard, hetgeen Elimelech, Mahalon en Chelion aan Noëmi hebben nagelaten, en dat ik ook Ruth tot mijne huisvrouw neem. De vergaderden antwoordden: Ja, wij zijn getuigen; moge God deze vrouw, welke uwe woning zal binnengaan, gelijk maken aan Rachel en Lia, die het huis Israëls hebben opgebouwd; dat zij een voorbeeld van deugd zij in Ephratha, en haar naam gevierd moge worden in Bethlehem.
Boöz nam nu Ruth ten huwelijk. Nadat zij hem eenen zoon had geschonken, kwamen de vrouwen der stad bij Noëmi en wenschten haar geluk met de woorden: Gezegend zij de Heer, die niet heeft toegelaten, dat een opvolger in uwe familie ontbrak en een naam in Israël verloren ging. Gij bezit thans een spruit, die uwe ziel verblijdt en uw ouderdom opfrischt. Noëmi verzorgde het kind harer schoondochter met teedere liefde; zij nam het op haren schoot en voedde en koesterde het. De naam van den knaap was Obed; hij werd de vader van Isaï, die de vader van David werd.
'53
BIjnr.I.SCHE GF.SCHIF.DFNIS.
1. Mahalou en Cheliou, die Moabietisclie vrouwen nemen, doen geen ongeoorloofde daad; het huw'elijk niet de dochters van Chanaan was bij de wet verboden, niet dat niet de dochters van Moab.
2. De bevoegdheid om op eens anders akker aren ce lezen, was armenrecht, dat niet kon geweigerd worden. Evenwel had de eigenaar des akkers het in zijne keuze, welke armen hij wilde toelaten; vandaar kon Ruth zeggen dat zij zou gaan lezen, waar zij een liaar goedgunstig gezinden meester vond.
3. De Joden doopten hun brood in azijn of zuren wijn, ter verfrissching in de brandende hitte.
Over het huwelijk met de vrouw van ilcii overledenen broeder of verderen bloedverwant zie men hoofd-stnl. 47, bladz. 96. Het ceremonieel dat voorgeschreven was, wanneer de naaste bloedverwant weigerde, behoefde hier niet te worden opgevolgd, omdat Boöz zich vrijwillig als plaatsvervanger aanbood.
5. Ephratha was de vroegere naam van Bethlehem.
6. De eerstvolgende 16 hoofdstukken zijn ontleend aan het lierste Boek der Koningen, ook het Eerste iek Samuel genoemd.
HOOI DSTUK LXIV. SAMUl'L EN HELI.
» en tijcie dut de hoogepries'.er Heli rechter was, leefde er te RamatViaïm-Sopliini, op het gebergte Ephraïm, een man uit den stam Levi, met name Elcana. Hij had twee -vrouwen, Anna en Phenenna, van welke de laatste kinderen bezat, de eerste niet. Op de dagen door de Wet bepaald, ging Elcana met zijn huisgezin I naar den tabernakel des verbonds te Silo, om den Heer te aanbidden en zijne offers op te dragen. Bij den offemualtijd gaf hij aan Phenenna en al hare zonen en dochters aandeden van de geofferde spijs; aan Anna kon hij slechts één aandeel schenken, voor haar zelve. Dit gaf hij haar met een droevig gelaat; want hij beminde haar, en het ging hem aan het hart, dat zij van het voorrecht van kinderen te hebben verstoken was. Door het gemis van dien schat reeds ongelukkig genoeg, moest Anna nog daarenboven allerlei beleediginren verdragen van de ijverzuchtige Phenenna die zelfs zoover ging, er haar een verwijt uit te maken, dat de Heer haar den moederzegen onthouden had. Aldus deed Phenenna jaarlijks, zoo dikwijls Elcana met de zijnen te Silo kwam.
Eens, toen dit weder plaats had, en Anna haren toestand diep gevoelde, begon zij te schreien en nam geen spijs tot zich, Elcana vroeg haar; Anna, waarom schreit gij; waarom eet gij niet; ben ik u niet beter dan zeven zonen ? Nadat zij nu een weinig gegeten en gedronken had, stond zij op om liaar geprangd gemoed voor den Heer te ontlasten. Onder heete tranen bad en beloofde zij ; Heer der heerscharen, indien Gij nederziet op de jroefheid uwer dienstmaagd en mij cenen zoon schenkt, zal ik hem u toewijden voor geheel jijn leven, en geene schaar zal er op zijn hoofd komen. Heli, die aan den ingang des tabernakels op zijn zetel zat, en de vrouw nauw merkbaar hare lippen zag bewegen, zonder dat hare stem gehoord werd, meende hieruit te moeten opmaken, (want de Joden baden overluid), dat zij beschonken was, cn berispte haar met harde woorden over deze hare onmatigheid, welke zich zelfs in het aanschijn des tabernakels niet verloochende. Anna â¢ntwoordde: Neen, mijn heer; maar ik ben eene diep ongelukkige vrouw; wijn en al wat dronken kan maken, heb ik niet gebruikt; in de volheid mijner smart en mijner droefheid heb ik mijn hart uitgestort voor den Heer. Zie toch uwe dienstmaagd niet aan voor eene lïelials-dochter. â Thans sprak Heli; Ga in vrede, en de God van Israël geve u waar gij om gebeden hebt. Daarop zette Anna zich weder aan tafel, at en dronk en haar aangezicht teekende geen droefheid meer.
Den volgenden dag gingen Elcana en de zijnen in den vroegen morgenstond nog eens den Heer aanbidden, keerden toen huiswaarts, en binnen een jaar werd Anna met eenen zoon gezegend, dien zij Samuel noemde. Tot haren man, die als gewoonlijk ook nu naar Silo optrok, sprak zij : Ik zal n.et medegaan, alvorens de knaap mijne eerste zorgen ontberen
BIJBELSCHF- GI-SC1 IIFDF.NIS.
kan en genoegzaam ontwikkeld is, om in het huis des Heeren te verschijnen en daar voor altijd te blijven. Elcana zeide; Doe, wat u goed dunkt. Toen Anna eindelijk het door haar bepaalde tijdstip gekomen achtte, nam zij drie kalveren, drie maten meel en een kruik wijn, en begaf zich, in gezelschap van haren man, met den knaap naar Silo. De knaap was evenwel nog slechts een kind (vermoedelijk ongeveer drie jaren oud). Nadat Elcana en zijne echtgenoote eerst de door hen meegebrachte kalveren en verdere gaven hadden geofferd, boden zij Heli hun zoontje aan, terwijl Anna sprak: Mijn heer, ik was die vrouw, welke te dezer plaatse God om het bezit van dit kind smeekte; God heeft mijn gebed verhoord; daarom wijd ik Hem den knaap toe voor diens gansche leven. Voorts aanbad nj den Heer, zong hem een schoonen lofzang en keerde daarop met haren man naar huis terug.
De knaap bleef te Silo, waar hij, onder de zorgen van Heli, in den dienst des heilig-doms werd opgeleid. Hij droeg een klein linnen ephod (hem op kosten van de schatkist des tabernakels verschaft), en jaarlijks, wanneer zijn vader en zijne moeder, als voorheen, naar Silo gingen, bracht de laatste haren zoon een nieuwen lijfrok mede, dien zij zelve vervaardigd had. Heli zegende de godvreezende ouders, hun toebiddende dat zij voor het pand, aan den Heer geleend, beloond mochten worden met nieuwe spruiten. Die bede ging in vervulling: Anna werd later moeder van nog drie zonen en twee dochters.
Terwijl Samuel dagelijks toenam in welbehagen bij God en bij de menschen, gedroegen zich de beide zonen van Heli, Ophni en Phineës, als ware zonen van Belial. Zij wandelden noch in de vreeze des Heeren, noch betrachtten zij hunne priesterlijke plichten jegens het volk. Kwam er iemand om zijn offer op te dragen, dan haalden zij met een krauwel de beste stukken van het offervleesch uit den pot of den ketel, waarin het gekookt werd. Een andermaal eischten zij, dat het vleesch hun ongekookt zou gegeven worden, zelfs nog eer het vet op het altaar verbrand werd. Weigerde de man die het offer aanbood en zeide hij: Laat eerst naar recht en regel het vet verbrand worden, en neemt daarna wat gij verlangt â dan antwoordden zij: Neen, onmiddellijk zult gij mij het geven, of ik neem het niet geweld. Zoo handelden zij tegenover ieder, die te Silo kwam, en maakten op die wijze het volk van het offeren afkeerig. Daarenboven werden zij de verleiders van vrouwen, met wie zij zich (zelfs in het heiligdom) aan zonde overgaven.
De hoogbejaarde Heli, hoewel van dit alles onderricht, nam geene afdoende maatregelen, om het kwaad te stuiten, maar bepaalde er zich toe, zijnen zonen eenige zachte vermaningen te geven. Waarom, sprak hij, doet gij zulke slechte dingen? Gedraagt u niet aldus mijne zonen; want ik hoor booze geruchten over u; gij maakt, dat het volk de voorschriften des Heeren overtreedt. Doch zij luisterden niet naar de stem huns vaders.
Nu kwam op zekeren dag een man Gods (een profeet) bij Heli en zeide: Zoo spreekt de Heer: Heb ik niet uit alle stammen Israels het huis uws vaders gekozen, opdat het mij tot priestergeslacht zou zijn, de treden van mijn altaar beklimmen, reukwerk offeren en het ephod dragen zou voor mijn aanschijn? Heb ik het niet zijn wettig aandeel gegeven in de slachtoffers, die het volk zou brengen? Waarom ontheiligen dan uwe zonen (door hunne hebzucht) de gaven, die ik geboden heb, dat mij in mijn tabernakel zouden worden opgedragen, en waarom eert gij uwe zonen meer dan mij? Daarom zegt de Heer de God van Israël : Ik had besloten het huis uws vaders voor altijd in de hoogepriesterlijke waardigheid te bevestigen; thans zij dit verre van mij; maar die mij eert zal ik eeren, en die mij veracht, zal verachtelijk worden. Zie, de dagen zullen komen (ten tijde van Salomon) dat ik u den arm afsla, (het hoogepriesterschap uit uw geslacht wegneem) en geen uwer nakomelingen zal een ver gevorderden ouderdom bereiken. En dit zal u tot een teeken zijn : uwe beide zonen Ophni en Phineës zullen sterven op één dag. Een trouwen hooi'e-priester zal ik mij verwekken, (uit een andere lijn van Aiiron), een man (Sadoc) die handelen zal naar mijn hart en mijne inzichten. Tot hem zal ieder, die uit uw huis overblijft, komen en zeggen: Neem mij aan als priester, opdat ik brood hebbe om te eten,
Samuel (thans tol een aankomenden jongeling opgegroeid) diende den Heer in den
mjUELSCHE GESCHIEDENIS.
tabernakel. Eens, toen hij zich des nachts in het voorhof, met ver van Heli, te slapen had gelegd, riep de Heer hem. Hij, meenende dat Heli het deed, snelde naar dezen heen en zeide: Gij hebt mij geroepen; zie, hier ben ik. Heli antwoordde: Ik heb u niet geroepen; keer naar uwe legerstede terug. Na eenige oogenblikken riep de Heer hem ten tweeden male. Opnieuw spoedde Samuel zich naar Heli en ontving op eenzelfde verklaring eenzelfde antwoord. De jongeling kende nog de stem des Heeren niet, want hij had nog nooit eene openbaring ontvangen; derhalve ging hij, toen hij voor den derden keer geroepen werd, nogmaals naar Heli en sprak als vroeger: Zie, hier ben ik; want gij hebt mij geroepen. Heli, die thans begreep, dat God den jongeling riep, zeide: Ga, leg u weder ter niste, en als gij daarna nog eens uw naam hoort, antwoord dan; Spreek Heer, uw dienaar luistert. Gelijk Heli voorzien had, gebeurde: de Heer riep opnieuw en nu tweemaal achter elkander: Samuel, Samuel! Toen Samuel hierop antwoordde, zooals hem gezegd was, sprak de Heer: Zie, ik sla een vonnis in Israël, dat ieder die het hoort, er de beide ooren van zullen suizen: ten zijnen tijde zal ik op Heli en zijn huis doen neerkomen al wat ik gesproken heb ; beginnen zal ik en voleindigen. Ik heb hem voorzegd (door den profeet) dat ik voor eens en voor altijd gericht zou houden over hem en zijn huis, dewijl hij, de ongerechtigheden zijner zonen kennende, hen niet heeft bestraft. Daarom zweer ik hem, dat de zonde van zijn huis ten eeuwige dage door geen offers en gaven zal worden afgeboet.
Dit verschrikkelijke vonnis durfde Samuel, toen hij des morgens opstond en den ingang-des tabernakels opende, niet aan Heli mededeelen. Doch Heli riep hem en zeide: Samuel, mijn zoon, wat heeft de Heer tot u gesproken? Ik bid u, verheel het mij niet; God straffe u, indien gij mij er een enkel woord van verborgen houdt. Samuel openbaarde hem dus al wat hij gehoord had, en Heli antwoordde: Het is de Heer; dat Hij doe, hetgeen goed is in zijn oogen.
Van dien tijd af erkende gansch Israël, van Dan tot Bersabee, dat Samuel een waarachtige profeet des Heeren was, en gansch Israël luisterde naar zijn woord.
1. Het vonnis door God tegen Heli geslagen en aan Samuel geopenbaard, was de bevestiging van hetgeen de ongenoemde proleet, de »man Godsquot;, had voorspeld. Het eene deel dezer voorspelling; de dood van Heli's beide zonen, ging reeds spoedig in vervulling (zie het volgende hoofdstuk); het andere punt: het verlies der hoogepriesterlijke waardigheid, werd eerst latef verwezenlijkt. Inmiddels had Heli nog drie opvolgers: zijn kleinzoon Achitob, diens zoon Achimelech en eindelijk Achimelechs zoon, Abiathar. De laatste was hoogepriester ten tijde van David, maar werd in het begin van Salomons regeering afgezet en door Sadoc vervangen. Met dezen Sadoc was de gemelde waardigheid in een ander huis overgegaan, om nimmer meer in dat van Heli terug te koeren.
2. Over het ephod, door Samuel gedragen, is reeds met een enkel woord gesproken in aanteekening 2 , achter hoofdstuk 58. Een priesterkleed kan het niet geweest zijn; want Samuel, hoewel gesproten uit den stam Levi, was geen nakomeling van Aaron, maar gewoon Leviet.
5. De bovenstaande gebeurtenissen hadden, volgens de meest algemeene berekening, nog gedurende het leven van Samson plaats; zoodat er toen tegelijkertijd twee rechters waren, die elk een verschillend gedeelte van Israël bestuurden.
HOOFDSTUK LXV.
STRIJD MET DE PHILISTIJNEM. DE ARK GENOMEN EN TERUGGEVOERD.
sf^^jjicli was veertig jaren rechter. In het laatste jaar van zijn bestuur, onmiddellijk voor splpl ^'j11 droevig uiteinde (en vermoedelijk kort na den dood van Samson) trokken de Philistijnen tegen de Israëlieten te velde en legerden zich bij het stadje Aphec.
Ook de Israëlieten maakten zich strijdvaardig en sloegen hunne legerplaats op bij den f Steen der Hulp. Reeds bij het eerste treflen leden zij de nederlaag, werden op de I vlucht gedreven, en keerden met achterlating van vier duizend dooden in hun kamp terug. Nu spraken de oudsten des volks: Waarom heeft de Heer ons tegen de Philistijnen
136
137
geen stand doen houden? Laat ons van Silo de ark des verbonds halen, opdat zij ons redde uit de handen onzer vijanden. Deze raad werd opgevolgd ; gedragen door de beide zonen van Heli, kwam de ark weldra in de legerplaats aan. Bij hare verschijning ging er uit het kamp een geroep en gejuich op, dat de grond er van dreunde. Dc Philistijnen, die in de verte het gejuich hoorden, vroegen elkander: Wat bcteekencn toch deze geweldige kreten in het leger der Hebreen? Toen zij er vervolgens de reden van vernamen, werden zij zeer bevreesd en spraken; God is in het kamp gekomen; wee u, Philistijnen! want gisteren en eergisteren hoordet gij zulk gejubel niet. Wee u dus ! want wie zal ons redden uit de handen van dien machtigen God, die Egypte sloeg niet allerlei plagen? Doch, Philistijnen! vermant u en schept moed; zorgt dat wi] den Hebreen niet dienstbaar worden, gelijk zij het ons zijn geweest; weest derhalve kloek en strijdt dapper.
In het gevecht dat nu geleverd werd, leden de Israëlieten een nog veel grootere nederlaag dan den eersten keer; dertigduizend lijken der hunnen overdekten het slagveld; ook de beide zonen van Heli sneuvelden, en de ark Gods werd genomen. Haastig liep een man uit den stam Benjamin met gescheurde kleederen en asch op zijn hoofd naar Silo, om Heli de tijding der ontzettende gebeurtenis te brengen. Heli, die reeds acht en negentig jaren telde en blind was, zat op zijn zetel voor den tabernakel, met het gelaat gekeerd naar den weg, die naar het slagveld leidde; want hij was ten zeerste bezorgd voor de ark. Zoodra de bode te Silo aankwam en de inwoners van het gebeurde kennis kregen, braken zij in luide jammerklachten uit. Heli, de verwarde klanken hoorende, vroeg: Wat is er toch gaande ? Inmiddels spoedde de bode zich naar hem heen en sprak: Ik kom van het slagveld. Hoe is de strijd afgeloopen, mijn zoon? vroeg Heli haastig. Israel, antwoordde de bode, heeft voor de Philistijnen moeten vluchten; eene groote menigte volks is gesneuveld; ook uwe beide zonen zijn gevallen, en de ark Gods is genomen. Toen de hoogepriester dit laatste woord : de ark Gods, hoorde uitspreken, viel hij achterover van zijn zetel, met het hoold tegen den ingang des tabernakels, brak zijnen nek en stierf. Op hetzelfde oogenblik werd de vrouw van zijn zoon Phineës noodlottiger wijze moeder van een zoontje, dat zij nog even den tijd had khabod te noemen; daarna bezweek zij, onder het uitspreken der woorden: De glorie is van Israël heengegaan, Hiermede doelde zij op de ark en op haar man en haar schoonbroeder.
De Philistijnen voerden de ark naar de stad Azot en plaatsten haar in den tempel van hun afgod Dagon. Reeds aanstonds toonde de Heer aan de Azotiêrs zijne macht, want toen zij zich des morgens naar den tempel begaven, vonden zij Dagon voor de ark des verbonds op den grond liggen. Zij plaatsten hem weder op zijn voetstuk, doch den volgenden morgen was hij opnieuw ter aarde geworpen, terwijl hij nu bovendien zijn beide handen en zijn hoofd verloren had, die van den romp gescheiden op den drempel lagen. Van dezen tijd dagteekent het gebruik dat de priesters van Dagon en allen die zijn heiligdom binnengaan, over den drempel heenstappen en dien niet betreden. Nog op andere wijze deed de Heer tien Azotiêrs zijnen toorn gevoelen; zij werden geslagen met pijnlijke zweren, waaraan er velen stierven, en hunne dorpen en velden krielden van muizen. Dientengevolge spraken zij tot elkander: Dat toch de ark van Israels God niet langer in ons midden blijve, want zijn hand drukt zwaar op ons en op onzen God Dagon. Voorts riepen zij de vorsten der verschillende Philistijnsche steden te zamen en vroegen hun: Wat zullen wij met de ark beginnen ? Dc mannen van Geth gaven den raad, haar het land rond te voeren, van de eene stad naar de andere. Het eerst werd zij gebracht naar Geth zelf; doch daar deze plaats weldra in de rampen deelde, die Azot geteisterd hadden, besloten de inwoners de ark len spoedigste naar Accaron te zenden. De Accaronnieten, haar ziende naderen, riepen uit: Men brengt ons de ark van den God Israëls, opdat Hij ons doe sterven. Andermaal werden nu de vorsten der Philistijnen bijeengeroepen, om te beraadslagen, hoe verder te handelen. Hun oordeel luidde : Zendt de ark terug naar hare plaats (te Silo), anders zullen wij het allen met den dood bekoopeu. Nadat aldus besloten was, werden de Philistijnsche priesters gehoord aangaande de wijze, waarop de terugzending zou geschieden. Voert, spraken zij,
18
138
de ark niet terug, zonder tevens aan Israels God te betalen, wat gij Hem voor uwe zonde schuldig zijt; maakt dus^ naar het aantal uwer provinciën, vijf gouden afbeeldingen van de rampen die u troffen, en geeft (door dit geschenk) glorie aan den God Israels; misschien laat Hij zich bewegen zijn straffende hand van u en van uwe goden af tc wenden. Waarom verhardt gij uw gemoed, gelijk de Egyptenaren en Pharao hebben gedaan? Voorts gaven de priesters den raad; Laat een nieuwen wagen maken; bespant dien niet twee zoogende koeien, welke nooit te voren het juk getorscht hebben en wier kalveren gij in denstal opsluit; plaatst op den wagen de ark en naast deze, in een kistje, de vijf gouden afbeeldingen; daarna moet gij acht geven: slaan de koeien (ondanus den natuurlijken trek tot hare kalveren) vanzelf den weg in die naar Bethsames geleidt, zoo zij net u kennelijk dat Israels God ons deze groote rampen heeft laten overkomen; nemen zij echter eon andere richting (naar hare kalveren), dan zult gij weten, dat onze ongelukken niet aan de hand diens Gods, maar aan een toevallige oorzaak zijn toe te schrijven. Het eerstgenoemde geschiedde ; de voorgespannen koeien gingen regelrecht en loeiende naar Bethsames, gevolgd door de vorsten der Philistijnen, die van den afloop der zaak getuigen wilden zijn. Toen de Bcthsa-mieten, die juist bezig waren hunne tarwe te maaien, de ark Gods, na eenc afwezigheid van zeven maanden, in Israel zagen terugkomen, verheugden zij zich zeer. Weidia bleef de wagen stilstaan op den akker van Josue den Bethsamiet, bij een grooten steen. Nadat de levieten de ark hadden afgeladen, hakte men het hout van den wagen aan stukken; op dit hout werden de koeien door de handen der priesters tot een brandoffer aan den Heer opgedragen; terwijl de Bethsamieten daar nog andere brandoffers en ook vrede-offers bijvoegden. Zoodra de vorsten der Philistijnen dit alles gezien hadden, keerden zij naar Accaron weder.
De ark (die door de Philistijnen teruggezonden was, zooals zij haar genomen hadden, nl. met een kleed overdekt) werd voorloopig tc Bethsames bewaard, doch toen de inwoners de stoutheid hadden het kleed op te lichten en het heiligdom ongedekt te aanschouwen, wat zelfs den levieten ten strengste verboden was, sloeg God velen hunner met een plot-selingen dood. Dit deed de overigen uitroepen; Wie zal er kunnen staande blijven voor het aanschijn van dien heiligen God, en waarheen zullen wij de ark voeren? \ oorts zonden zij boden naar de inwoners van Cariathiarim, om hen te laten weten ; De Philistijnen hebben de ark teruggezonden ; komt en brengt haar over naar uwe stad. De mannen van Cariathiarim gaven aan dit verzoek gehoor; zij haalden de ark en plaatsten haar in het huis \,in Abinadab, wiens zoon hleazar geheiligd en aangesteld werd, om bij de ark de wacht te houden.
1. De plaats, die hier reeds Steen der Ihilp wordt geheeten, ontving eerst later dien naam. - Zie volgend hoofdstuk.
2. Het terugbrengen der ark naar de grenzen van Israël ging vergezeld van niet minder dan een viervoudig wonder. Eerstens trokken de koeien, die nog nooit getrokken hadden, uit eigen beweging, zonder door iemand bestuurd te worden ; ten tweede sloegen zij den weg in, dien de natuur haar niet voorschreef; ten derde deden zij dit met die gelijkmatigheid, dat geen van beide een stap links of rechts uitweek; »zij gingen ééns weegs, itinere uno,quot; zegt de H. Schrift, «zonder noch ter linker- noch ter rechterhand af te slaan;quot; ten vierde bewees haar loeien, dal zij den natuurlijken trek tot hare kalveren niet vergaten, maar in weerwil daarvan door hoogere macht gedreven werden.
3. Volgens den Hebreeuwschen tekst hebben de Bethsamieten de ark niet alleen ongedekt van buiten aanschouwd, maar zagen zij daar ook in. Hoevelen hunner hiervoor door God met den dood gestraft werden, blijkt niet zeer duidelijk. De H. Schrift zegt; «de Heer sloeg van het volk zeventig man, en vijftigduizend man van het volk.quot; De H. Hieronymus meent, dat men dien tekst aldus moet verstaan: de Heer sloeg zeventig man van het volk, dat vijftigduizend man sterk was. Ook latere schrijvers zijn van deze meening en staven haar met tal van voorbeelden , aan het bijbelsch taaleigen ontleend. Nog vindt hetzelfde gevoelen zijne bevestiging in het verhaal van Flavius Josephus, dat slechts van zeventig gedooden gewag maakt.
4. Door vele uitleggers wordt de vraag besproken, of de Bethsamieten de twee koeien in de gegeven omstandigheid als brandoffer mochten opdragen ?
Voor alle antwoord zij opgemerkt, dat de Wet van Moses in hare bepalingen omtrent den offerdienst vorderde: a. een bevoegd persoon; b. zekere eigenschappen iu de te offeren zaak; c. de aangewezen plaats.
Aan bevoegde personen nu ontbrak het in het bedoelde geval niet; want Bethsames was een priesterstad. De vereischte eigenschappen ecliter in de te offeren zaak werden gemist; koeien mochten als vrede- cn zoe noflcrs, niet als brandoffers worden opgedragen; voor deze laatste soort van offers vorderde de Wet dieren van het mannelijk geslacht â zie bladz. 78, over het offer. Voorts bepaalde de Wet als eenige plaats om te ofleren den tabernakel â zie bladz. 95, onderaan. â De Bethsamieten evenwel offerden op het vrije veld, ver buiten lt;le heilige tent, die destijds te Silo stond.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Nochtans Vv'ordt hun van deze onregelmatigheid door de II. Schrift nergens een verwijt gemaakt. Sommige uitleggers denken daarom aan eene bijzondere vergunning Gods. Die vergunning strekte zich meermaals, zooals de eigen woorden der H. Schrift getuigen, zelfs 1101* verder uit. Men herinnere zich o. a. Gedeon, die ofschoon niet eens leviet, veel minder priester, toch van God het bevel ontving, om te offeren op het altaar, dat hij te Ephra, dus buiten den tabernakel had opgericht. Men denke verder aan Manne, Samsons vader, die, evenmin als Gedeon uit den stam Levi gesproten, door een engel werd aangespoord tot het offeren van een geitenbokje op een steenrots.
Andere uitleggers zijn van oordeel, dat eene dergelijke vergunning in het gegeven geval te Mcthsames niet noodig was. De wet toch, meenen zij, zag slechts op den gewonen loop der zaken en op den ollicicclen oflerdienst; voor geheel buitengewone gelegenheden bevatte zij â althans omtrent het punt waarover hier gehandeld wordt
â geene voorschriften, maar liet de Joden de aandrift hunner godsdienstige gemoedsstemming volgen; of liever, de wet duldde dat zij die volgden. In de latere geschiedenis wordt soms het offeren op «de hoogten,quot; de heuvels en rotsen, door God wel niet veroorloofd, maar toch toegelaten; terwijl de H. Schrift op andere tijden en bij andere gelegenheden dit offeren afkeurt.
$. De ark keerde nooit in den tabernakel weder; zij bleef in het huis van Abinadab te Cariathiarim , totdat koning David haar eerst naar het huis van Obededom en vervolgens naar den berg Sion overbracht; later, toen de tempel gebouwd was, verkreeg zij hierin hare bestendige plaats.
De tabernakel met zijn toebehooren â het brandofferaltaar, do tafel der toonbrooden , enz.â werd minstens tweemaal verplaatst. Hoelang hij naar de verwijdering der ark nog te Silo gestaan heeft, is niet bekend; maar ten tijde van Davids vlucht voor Saul stond hij te Nobe, onder de bediening van den hoogepriestcr Achimeh'di
â hoofdst. 74. Later, in het begin van Davids regeering, vinden wijden tabernakel te Gabaon. Op deze plaats werd er regelmatig in geofferd door de afdeeling priesters, die onder de leiding van Sadoc gesteld was, terwijl eene andere afdeeling, met den hoogepriester Abiathar aan het hoofd, de ark op den burcht Sion bewaakte â hoofdst. 81. Te Gabaon bleef de heilige tent gedurende hel geheele koningschap van David tot het twaalfde jaar der regeering van Salomon. In het begin zijner regeering ging laatstgenoemde koning eenmaal in plechtigen optocht met de voornaamsten van zijn volk naar Gabaon, om daar te offeren. Eindelijk werd de tabernakel, tegelijk met de ark, overgebracht naar het nieuwe huis Gods, den tempel, waarin hij voortaan tot een aandenken bewaard werd.
Op de vraag, waarom de ark na haren terugkeer uit het land der Philistijnen niet weder in de heilige tent (die trouwens, zie vorig Hoofdstuk, door Heli's zonen gruwelijk onteerd was) geplaatst werd, geeft de H. Schrift in Psalm 57, het antwoord: God verwierp den tabernakel van Silo... en verkoos den berg Sion, dien hij liefhad.
HOOFDSTUK LXVI.
OVERWINNING OP DE PHILISTIJNEN. DE ISRAÃLIETEN VRAGEN EEN KONING.
Sala ^611 van Heli werd Samuel recliter. Hij bezorgde den kinderen Israels, door
hen tot den God hunner vaderen terug te voeren, een tijdvak van twintig jaren rust. Al aanstonds sprak hij tot hen: Indien gij u van ganscher harte bekeert, de vreemde goden, Baiil en Astaroth, uit uw midden verwijdert, uwe harten voor den Heer bereidt en Hem alleen dient, zoo zal Hij u uit de handen der Philistijnen verlossen. De Israëlieten luisterden naar dit woord, zij wierpen de valsche goden weg en dienden den Heer. Nu sprak Samuel verder: Laat geheel Israël te Maspha samenkomen, opdat ik voor u bidde. Diensvolgens stroomden van alle kanten de Israëlieten naar de genoemde stad heen, putten er water, goten het uit voor het aanschijn des Heeren (ten teeken van de vermorseling hunner harten), hielden een vastendag en bekenden en beleden: Wij hebben tegen den Heer gezondigd.
Toen de Philistijnen van de volksvergadering kennis kregen (en begrepen, dat er waarschijnlijk plannen tegen hen beraamd werden), rukten zij onverwijld met een leger op Maspha aan. Bij het bericht hiervan ontstelden de Israëlieten hevig en spraken tot Samuel: Houd niet op, den Heer onzen God te bidden, dat Hij ons uit de handen der Philistijnen redde. Samuel nam nu een zuiglam, bood het den Heer tot een brandoffer aan en smeekte voor Israël om behoud. Zijn gebed werd verhoord; want nauw was de strijd, nog tijdens het opdragen des offers, begonnen, of de Heer toonde zijne glorie en zijne macht. Een vreeselijk onweder brak over de Philistijnen los, hun leger geraakte in verwarring, het werd geslagen, op de vlucht gedreven en door de zegevierende Israëlieten tot Bethchar achtervolgd. Om het aandenken aan dien dag te vereeuwigen , richtte Samuel tusschen
139
Mo BIjBELSCHE GESCHIEDENIS.
Maspha en Sen een steen op, dien hij den Steen der Hulp (Eben Haëzer) noemde; want, zeide hij: Tot zoover heeft ons de Heer geholpen. Tengevolge der geleden nederlaag stonden de Philistijnen de verschillende sleden, die zij vroeger op Israël bemachtigd hadden, weder af, en zoolang Samuel leefde, durtden zij geen nieuwen aanval wagen.
Samuel oefende ijverig zijn rechter-ambt uit; jaarlijks reisde hij naar Bethel, Galgala en Maspha; om in die plaatsen het volk te besturen, daarna keerde hij naar zijn huis te Ramathaïm (ook Ramatha genaamd) terug, gaf daar insgelijks beslissingen en verordeningen, en richtte er den Heer een altaar op.
Twintig jaren lang bleef hij op die wijze Israël besturen; toen, gevoelende dat hij oud werd, stelde hij zijne twee zonen, Joiil en Abia, te Bersabee tot mede-rechters aan. Daar zij echter hebzuchtig waren en zich door geschenken lieten omkoopen om het recht te verdraaien, namen de oudsten des volks hieruit aanleiding, om tot Samual te Ramatha te gaan, met het verzoek: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet in uwe wegen; geef ons derhalve een koning, zooals de andere volken er een hebben. Deze vraag (die uit een verkeerde beweegreden voortkwam) mishaagde aan Samuel zeer. Evenwel wilde hij daaromtrent niet zijn eigene inzichten volgen, maar nam in het gebed zijn toevlucht tot God. God antwoordde hem : Doe wat deze mannen u zeggen ; zij hebben echter niet u verworpen, mijn bestuur willen zij niet langer. Luister dan naar hunne stem; maar maak hun tevens de rechten bekend, die de toekomstige koning zal bezitten. Samuel sprak dus: Dit zal het recht des konings zijn, die over u regeert: Hij zal uwe zonen nemen tot bestuurders van zijne strijdwagens, tot ruiters en tot voorloopers van zijne vierspannen; hij zal hen nemen tot zijne hoofdmannen over duizend en over honderd, tot beploegers van zijn akkers, maaiers van zijn koorn en tot zijne wapen- en wagensmeden. Uwe dochters zal hij maken tot zijne zalvenmengsters, zijne keukenbedienden en zijne baksters, Uwe beste akkers, uwe uitstekendste wijnbergen en uwe voortreffelijkste olijfboomen zal hij geven aan zijne hovelingen. Uwe dienstknechten en dienstmaagden, uwe beste jongelingen en uwe ezels zal hij in zijn dienst nemen. Hij zal de tienden vorderen van den opbrengst uwer velden en uwer wijnbergen; ook van uwe kudden zal hij tiendrecht heffen, en gij zult zijne dienaren zijn. Op dien dag zult gij tot den Heer roepen, om van den koning dien gij uw koost, bevrijd te worden, maar de Heer zal u niet verhooren, dewijl gij zei ven een koning hebt verlangd.
De oudsten luisterden niet naar de waarschuwing, hun door Samuel gegeven, maar herhaalden: Een koning moeten wij hebben, dan eerst zullen wij aan andere volken gelijk zijn; onze koning zal recht over ons spreken; hij zal voor ons uitgaan ten strijde en ons aanvoeren. Andermaal nam Samuel zijn toevlucht tot den Heer, en de Heer antwoordde: Doe wat zij vragen; stel een koning over hen aan. Daarop sprak Samuel tot de mannen: Ieder uwer keere naar zijne stad terug.
Reeds Moses luui gezegd, dat de Israëlieten een koning zouden hebben; zelfs had hij bereids enkele der voornaamste verplichtingen diens konings vastgesteld â zie bladz. 96, in 't midden. In de h o 0 f d z a a k was de vraag der oudsten aan Samuel dus billijk en kon zij noch aan dien profeet, noch aan God mishagen. De oudsten gingen echter uit van een verkeerd doel, van het trotsch verlangen om aan andere volken gelijk te zijn. Israël echter was geen volk als een ander; het was een uitgelezen geslacht, onder de bijzondere hoede. maar ook onder het bijzonder opperbestuur van God.
Ook de wijze, waarop de koning, volgens hel verlangen der oudsten, zou regeeren, was verwerpelijk; verlangd toch werd een koning «zooals de andere volken hadden.quot; De koningen nu dezer volken gedroegen zich in hun bestuur, als waren zij volstrekt onbeperkte heeren en meesters, die, aan geen hoogere wet gebonden en vau geen liooger gezag afhankelijk, met hunne onderdanen konden leven naar welgevallen, Zoo mocht een koning vau Israël zijn volk niet regeeren.
Om de twee genoemde redenen had God in de vraag der oudsten geen behagen, leneinde hun dit te doen begrijpen en hen tevens van hunne verkeerde inzichten terug te brengen, stelde Samuel hun de rechten eens konings voor, niet zooals de koningen van Israël zouden hebben, maar gelijk de vorsten der volken bezaten of althans meenden te bezitten. Daar evenwel de vraag in de hoofdzaak goed was, werd zij ten slotte toegestaan, cn gaf God aan de Israëlieten een koning, met rechten en macht, niet volgens de opvattingen der oudsten, maar ondergeschikt aan zijn goddelijk opperbestuur.
VAN KONING SAUL TOT DE VERDEELING DES RIJKS.
V aadat de kinderen Israels, onder de leiding van Moses, in de woestijn langzamcr-tjBjMSSaE hand tot een zelfstandig volk waren gevormd, en Josue hen vervolgens in liet * bezit had gesteld van het beloofde land, waar zij thans reeds eene lange reeks 1van jaren (339 jaren sedert Josue's dood), nu eens onder aanvoering hunner stam-hoofden, dan weder onder het bestuur van rechters, hadden gewoond, was eindelijk de tijd aangebroken, dat God hun koningen wilde schenken.
De eerste koning was Saul, de zoon van Cis, uit den stam Benjamin. Door Samuel gezalfd en aangesteld, regeerde hij, volgens de gewone berekening, 40 jaren. In den beginne, zoolang hij klein was in zijne eigen oogen, behaagde hij aan God; later werd hij om zijne herhaaldelijke ongehoorzaamheid door God verworpen. Tot zijn opvolger werd, nog bij zijn leven, op Gods bevel, door Samuel een andere man gekozen en gezalfd, een man naar Gods hart, die aanvankelijk alleen wegens den roem zijner dapperheid, daarna ook om zijne uitverkiezing, jaren lang door Saul werd belaagd en vervolgd.
Deze man, David, de zoon van Isaï, uit den stam Juda, was de tweede koning. Na Sauls dood regeerde hij eerst ruim 7 jaren te Hebron over de zonen Juda's; later te Jerusalem nog 33 jaren over geheel Israël. In zijne vele gelukkig gevoerde oorlogen bracht hij de Philistijnen ten onder, roeide de Moabieten voor twee derde gedeelten uit, versloeg Adarezer, koning van Soba, maakte de Syriërs van Damascus aan zich schatplichtig, en sloeg hen later nog eens tegelijk met de Ammonnieten. Zijne dubbele zonde van overspel en moord werd hem door God om zijn oprechte boetvaardigheid genadig vergeven. Later, nadat hij eenigen tijd voor zijn oproerigen zoon Absalom had moeten vluchten, werd zijn land eerst drie jaren door hongersnood geteisterd, en vervolgens brak, omdat hij tegen Gods wil zijn volk had laten tellen, de pest uit, die drie dagen aanhield.
Davids zoon Salomon was de derde koning. Hij regeerde insgelijks 40 jaren, bracht in dien tijd het land tot het hoogste toppunt van bloei en welvaart, bouwde den prachti-gen tempel te Jerusalem, ontving om zijne uitstekende wijsheid een bezoek van de koningin van Saba, doch liet zich eindelijk door zijne ongeregelde liefde voor zijne heidensche vrouwen zelfs tot afgoderij verleiden, waarom hem tot zijn straf door God werd aangekondigd, dat na zijn dood de grootste helft des rijks aan zijn dienaar Jeroboam zou ten deel vallen.
Dit vonnis werd uitgevoerd onder Salomons zoon en opvolger Roboam.
Van Saul, die koning werd in het jaar 2909 na de schepping of 1095 voor Christus, tot de verdeeling des rijks in het jaar 3029 na de Schepping, 975 voor Christus, verliepen er dus 120 jaren.
i.i2 iïijbi;lschI' ghschiedenis.
HOOFDSTUK LXVII.
SAUL T O T KONING G li K O Z E N.
(Jaar der wereld 2909 â voor Chr. 1095.)
j-jgt;r leefde te Gabaii een man uit den stam Benjamin, niet name Cis, die een zoon had, Saul geheeten, een buitengewoon sclioone en welgebouwde jonge man, wiens â hooge en forsche gestalte een hoofd boven de menigte uitstak. Eens, toen de
-'ly- ezelinnen van Cis vermist waren, werd Saul door zijn vader met een der knechten j1 ter opsporing uitgezonden. Na lang en vruchteloos zoeken op het gebergte Ephraim J en in de landstreken Salisa, Salim en Suph, sprak Saul eindelijk, bij de stad Ramatha , tot den knecht: Laat ons naar huis terugkeeren; mijn vader zou anders misschien meer om ons bekommerd kunnen zijn dan om de ezelinnen. De knecht echter meende, dat zij eerst nog eene verdere poging moesten doen: Er woont, zeide hij, in deze stad een man Gods, die zeer beroemd is; alles wat hij zegt, komt zonder falen uit; laat ons dus tot hem gaan, of hij ons soms, omtrent het doel waarvoor wij op reis zijn, eenige aanwijzing weet te geven. Saul vond dit plan aanstonds goed, doch (daar het in het Oosten gebruikelijk was nooit voor een voornaam persoon te verschijnen, zonder hem als teeken van hulde een klein geschenk aan te bieden) vroeg hij den knecht: Wat zullen wij den man Gods vereeren? Er is geen brood meer in onze reis-maal en iets anders heb ik evenmin. Maar de knecht was nog in het bezit van een vierde sikkel, en nu begaven zij zich gezamenlijk naar de stad, die op een heuvel lag. Toen zij dezen bestegen, vroegen zij aan eenige jonge dochters, welke uitgingen om water te putten: Is de ziener hier ? Zoo spraken zij; want wat thans (toen deze geschiedenis geschreven werd) een profeet heet, werd oudtijds ziener genoemd. De dochters antwoordden: Ja, hij is juist heden in de stad gekomen, doch zoo aanstonds begeeft hij zich naar de hoogte, waar een offer zal worden opgedragen. Het volk wacht met den offermaaltijd tot hij komt, want hij zal de spijs zegenen; haast u dus, dan zult gij hem nog vinden in de stad. Saul en zijn knecht deden , gelijk hun gezegd was, en trollen Samuel, op het oogenblik dat hij de poort wilde uitgaan.
Samuel was van Sauls komst onderricht; den vorigen dag had de Heer hem gezegd: Morgen op dit uur zal ik u een man zenden uit Benjamin; zalf hem tot vorst over mijn volk; hij zal Israël (verder) uit de handen der Philistijnen redden. Zoodra nu Samuel Saul in het oog kreeg, zeide de Heer tot hem: Ziehier is de man, van wien ik u gisteren gesproken heb. Van zijn kant trad Saul op Samuel toe en vroeg hem: Wijs mij, bid ik u, het huis des zieners. Samuel antwoordde: Ik ben de ziener; kom mede naar de hoogte, om heden met mij te eten; dan zal ik u morgen laten vertrekken, na u geopenbaard te hebben al hetgeen u op het hart ligt. Wat nu de ezelinnen betreft, bekommer u daarover verder niet, want zij zijn teruggevonden (er is iets gewichtigers, dat ik n heb mede te deelen): Voor wkn namelijk zal al het beste zijn in Israël? immers voor u en voor het huis uvvs vaders? Saul antwoordde: Ben ik niet uit Benjamin, den geringsten stam van Israël, en is mijn geslacht niet onder alle geslachten Benjamins het onaanzienlijkste; hoe kunt gij dan aldus spreken? Zonder over zijn gezegde in nadere opheldering te treden, geleidde Samuel Saul en diens knecht naar de hoogte, plaatste hen aan het hoofd der deitig genoodigden en gaf den kok bevel, Saul afzonderlijk het schouderstuk des oilerdieis \ooi te zetten. Na den maaltijd ging Saul, op verzoek van Samuel, mede naar diens huis en bleef bij hem overnachten.
Den volgenden dag nadat Samuel zelf des morgens Saul gewekt had, deed hij hem uitgeleide tot buiten de stad. Daar gekomen, sprak hij tot hem: Beveel uw knecht, dat hij vooruitga en blijf gij een weinig staan, opdat ik u het woord des Heeren kenbaar make
RijBKLSCHi-: Gi-:sciiii:ni-Nis.
Toen dit geschied was, nam Samuel een kruik met zalfolie, goot die uit op het hoofd van Saul, kuste hem en zeule: Zie, de Heer heeft u gezalfd tot koning van zijn erfdeel; gij zult zijn volk verdedigen tegen alle vijanden van rondom. En dit zal u tot een teeken zijn, dat de Heer u waarlijk tot koning zalfde: gij zult straks, wanneer gij van mij zijt heengegaan, bij het graf van Rachel op de grenzen van Benjamin twee mannen ontmoeten, die u zeggen: de ezelinnen, ter welker opsporing gij uitgetogen waart, zijn gevonden en nu is uw vader bekommerd over u. Verder gaande zult gij in de nabijheid van den Eik Thabor drie mannen aantreffen, van wie de een drie bokjes draagt, de ander drie brooden, de derde een kruik wijn; zij zullen u groeten cn u twee brooden aanbieden, welke gij uit hunne hand zult aannemen. Nog verder, bij den Heuvel Gods, zult gij cene schaar profetenleerlingen onder zang en muziek van de hoogte zien afdalen; dan zal de Geest des Heeren over ii komen en ook gij zult profeteeren (in heilige geestdrift Godgewijde liederen zingen) en ii een ander mcnsch gevoelen. Als al deze teekenen vervuld zijn, doe dan hetgeen uwe hand vindt te doen; vervolgens zult gij u naar Galgala begeven, om brandoffers en vredeoffers aan te bieden.
Saul gevoelde zich reeds oogenblikkelijk een ander mensch, zoodra hij van Samuel was heengegaan. De Heer gat hem namelijk een ander hart (vol wijsheid en moed). Ook de voorspelling omtrent de teekenen, die hem zouden gegeven worden, kwam nauwkeurig uit. Zelfs dreef de Geest des Heeren hem aan, zich onder de profetenleerlingen te mengen en met hen in te stemmen. Toen degenen die hem gisteren en eergisteren (vroeger) gekend hadden dit zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is er geschied met den zoon van Cis; is Saul ook onder de profeten? Deze laatste vraag is sedert dien dag in Israel spreekwoord geworden.
Zoodra Saul in zijne woonplaats, Gabaii, wedergekeerd was, vroeg zijn oom hem en den knecht: Waar zijt gij geweest? Zij antwoordden: Wij zochten de ezelinnen, en daar wij die niet vonden, hebben wij onze toevlucht tot Samuel genomen. Wat heeft Samuel u gezegd? vroeg de oom verder? Hij heeft ons gezegd, antwoordde Saul, dat de dieren opgespoord en teruggebracht waren. Bij deze verklaring liet Saul het; van het koningschap gewaagde hij tegenover zijn oom met geen enkel woord.
Niet lang na bovenstaande gebeurtenis beriep Samuel cene groote volksvergadering te Maspha, waar hij tot de gezamenlijke Israëlieten sprak: Dit zegt de Heer de God van Israel: Gij heb^mij verworpen, uw God, die alleen u uit de handen van alle u vijandelijke koningen heb gered, en gij hebt gezegd: Geef ons een koning. Hierna ging Samuel, in eigen naam sprekende, voort: Welaan dan, rangschikt u volgens stammen en familiën, opdat ik het lot over u werpe, wie de man zijn zal. Het lot viel op den stam Benjamin, voorts op het geslacht Metri cn ten laatste op Saul den zoon van Cis. Aanstonds ging men Saul zoeken; doch daar hij zich niet onder de menigte bevond, raadpleegde Samuel den Heer, of hij komen zou. De Heer antwoordde: Hij heeft zich. te huis verborgen. Nu men dit wist, was hij spoedig genoeg gehaald en in het midden der vergadering geplaatst, en niemand behoefde te vragen waar hij stond, want hij stak een hoofd boven allen uit Thans sprak Samuel tot het volk: Gij ziet, wien de Heer gekozen heeft, want geen ander in Israël is aan dezen man gelijk. Met den uitroep: Leve de koning! werd die toespraak door het volk beantwoord. Vervolgens maakte Samuel aan het volk de wetten bekend, waarnaar de koning zich zou te gedragen hebben, en welke door Samuel werden geschreven in een boek, dat bij de ark, naast de Wet van Moses werd neergelegd. Eindelijk werd de vergadering ontbonden cn Saul keerde naar zijn huis terug. Doch terwijl velen hem volgden, vroegen enkele kwaadwilligen, zonen Belials: Zal deze ons kunnen beschermen? Hoe krenkend zulke taal voor Saul ware, sloeg hij nochtans daarop geen acht, maar deed alsof hij niets gehoord had.
Profetenleerlingen waren personen, die zich onder leiding van Samuel, den profeet, toelegden op dekennis der Wet en het zingen van Godgewijde liederen.
BljRKLSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LXY111.
SAULS EERSTE OVERWINNING EN SAMUELS AFTREDING. â-â¦-
nSevccl' eene niaand nadat Saul koning geworden was, nikte Naas, de vorst der Am-. raonnieten, met een leger op tegen de stad Jabes in Galaad (het land over den Jor-
daan, door Ruben, Gad en half Manasse bewoond). De oudsten van Jabes, Naas denkende te bevredigen, stelden hem voor zijne bondgenooten te worden, en hem in i'' die hoedanigheid te dienen. Naiis liet antwoorden: Ik neem uw voorstel aan, maar onder ) beding, dat ik u het rechteroog uitsteke en u aldus voor gansch Israël te schande make. 1 iet wederwoord der mannen van Jabes luidde : Sta ons zeven dagen toe om boden naar onze broeders te zenden; daagt er niemand te onzer hulp op, dan zullen wij ons overgeven.
Dc boden richtten hunne schreden naar Gabaii, de woonplaats van Saul, en maakten daar aan het volk het droevig lot dat Jabes wachtte, bekend. Saul bevond zich op dat oogenblik niet in de stad; hij was des morgens met een span ossen uitgegaan, om zijn akker te bebouwen. Toen hij terugkeerde en de luide jammerklachten des volks hoorde, vroeg hij wat er gaande was. Zoodra hij dit vernomen had, kwam de Geest des Heeren over hem; hij greep een zwaard, hakte zijne beide ossen aan stukken en zond deze door geheel Israël, met de bedreiging: Zoo zal het den ossen vergaan van ieder die niet oogenblikkelijk de wapenen aangordt en Saul en Samuel volgt. Die daad maakte indruk; driemaal honderdduizend man uit Israël en dertig duizend uit Juda kwamen te Bezech bijeen. Nadat Saul zijn leger gemonsterd had, liet hij door boden den mannen van Jabes aankondigen: Morgen, als de zon aan den hemel staat, zal u hulp geworden. Toen de mannen van Jabes die tijding vernamen, waren zij zeer verblijd; zij berichtten echter aan de Ammonnieten (om hen door deze krijgslist tot zorgeloosheid te verleiden): Morgen zullen wij ons overgeven, opdat gij met ons handelt naar welgevallen.
De dag van morgen brak aan, en Saul, na zijn leger in drie afdeelingen gesplitst te hebben, viel de vijanden met zooveel geweld te lijf, dat van degenen, die de slachting ontkwamen en op de vlucht gingen, geen twee man bijeen bleven.
Thans herinnerde het volk zich, dat bij gelegenheid van Sauls verkiezing eenigen gezegd hadden: zal deze ons kunnen redden uit de handen onzer vijanden? â Het vorderde die mannen op, om hen voor hun kwaadwillige spotternij ter dood te brengen. Saul echter sprak: Dat op dezen dag niemand sterve, vermits de Heer heden dit groote heil in Israël bewerkt heeft. Vervolgens nam Samuel het woord op, en sprak tot het volk: Laat ons naar Galgala gaan, om gezamenlijk onzen koning in zijne waardigheid te bevestigen. Van ganscher harte stemden de Israëlieten met dit voorstel in; zij trokken eenparig naar Galgala, huldigden Saul opnieuw en droegen, onder de levendigste vreugdeblijken, vredeoffers op aan den Heer.
Tevens wilde Samuel van deze gelegenheid gebruik maken, om het rechtersambt, dat hij tot nu toe had uitgeoefend, neer te leggen. Ziet, sprak hij tot dc vergaderde menigte, ik heb uw eisch ingewilligd en een koning over u aangesteld, hij zal van nu af u voorgaan. Ik ben intusschen oud en grijs geworden; gij kunt mijne jaren afmeten aan mijne zonen, die hier bij u staan; vroeger, van mijne kindsheid at tot thans, ging ik u voor. Welaan, verklaart voor den Heer en zijn gezalfde, of ik in al dien tijd iemands os of ezel heb genomen, ot ik iemand onrechtvaardig behandeld of hem verdrukt heb, en of ik mij door geschenken heb laten omkoopen; dan wil ik nog heden genoegdoening geven en het onrecht herstellen. Allen verklaarden: Gij hebt ons niet onrechtvaardig behandeld, noch ons verdrukt, noch geschenken uit onze handen aangenomen. Samuel hernam: God is getuige van uwe verklaring, en getuige is zijn gezalfde. Ja, antwoordde het volk, getuige. Getuige, herhaalde Samuel, is dezelfde God, die Moses en Aaron heeft aangesteld en onze vaderen uit Egypte gevoerd.
RIJBHLSCHE GESCHIEDENIS,
Daarna herinnerde Samuel het volk de voornaamste weldaden, die het van God had ontvangen, en de strallen, welke het wachtten, zoo het den weg der zonde zou bewandelen. Eindelijk, om zijne woorden door een wonderteeken kracht bij te zetten, sprak hij: Ziet, het is thans niet de tijd van den tarweoogst (als wanneer er regen valt): ik zal echter den Heer aanroepen, en Hij zal donder en regen zenden, opdat gij moogt zien en weten, dat gij gezondigd hebt, ook met (uit verkeerde beweegredenen) een koning te vragen. Voorts riep hij tot den Heer. en de Heer liet het donderen en regenen. Toen het volk hierom met aroote vrees
O O
bevangen werd, sprak Samuel: Vreest niet; hebt gij vroeger ook al gezondigd, wijkt nu niet weder van den Heer af, maar dient Hem van ganscher harte, en de Heer zal u niet verlaten. Geeft gij u echter opnieuw aan de boosheid over, dan zult gij allen vergaan, gij en uw koning.
HOOFDSTUK LX1X.
SAULS EERSTE ONGEHOORZAAMHEID. MOED VAN JONATHAS.
NEDERLAAG DER PH1LIST1JNEN.
'iet S1'0016 leger, dat tegen de Ammonnieten gevochten had, behield Saul 3000 WMk 111311' 2000 onder eigen aanvoering, en 1000 onder die van zijn zoon Jonathas;
de overigen zond hij naar hunne haardsteden terug. Met zijn 1000 man versloeg Jonathas de Philistijnsche bezetting van Gabaa in Benjamin (een ander Gabaii dan de V geboorteplaats van Saul). Toen de Philistijnen deze daad vernamen, lieten zij haar ' door eene oorlogsverklaring volgen; doch ook Saul rustte zich uit; hij deed de trompet blazen, om zijn volk ten strijde te roepen. Met een ontzettend leger trokken de Philistijnen naar Machmas, waar Saul aan het hoofd van zijne 2000 man eenigen tijd vertoefd had. Op dit oogenblik bevond hij zich in de groote legerplaats te Galgala. Nauw hadden de Israëlieten begonnen zich daar om hem te verzamelen, of, op de lijding der aannadering van het krijgsheer der Philistijnen, werden zij met zoo grooten schrik bevangen, dat zij van hun koning wegliepen en zich deels in holen en spelonken verborgen, deels over den Jordaan naar Galaiid vluchtten. Slechts een klein getal bleef bij hem, en ook dit werd gaandeweg minder; want zeven dagen moest Saul, volgens het hem gegeven bevel, te Galgala wachten op de komst van Samuel. Toen deze ten bepaalden dage niet spoedig genoeg verscheen, droeg Saul zeil een brandofter en vredeoffers op. Pas was de oflerplechtigheid voleindigd, of Samuel naderde, en Saul liep hem te gemoet, om hem te begroeten. Samuel vroeg berispend: Wat hebt gij gedaan? Saul verontschuldigde zich met te zeggen: Omdat ik zag dat het volk wegliep en gij uitbleeft, terwijl de Philistijnen mij ieder oogenblik konden aanvallen, zonder dat ik de gunst des Heeren had afgesmeekt, zag ik mij door den nood gedrongen, het offer op te dragen. Samuel hernam: Gij hebt dwaas gehandeld en het gebod des Heeren overtreden; hadt gij dit niet gedaan, zoo zou de Heer uw geslacht voor altijd in het koningschap bevestigd hebben; nu zal de Heer u deze waardigheid ontnemen. Reeds heeft Hij een man uitgekozen naar zijn hart, om hem tot koning over 's Heeren volk te maken, wijl gij de geboden van den Heer niet onderhouden hebt. â Na deze woorden gesproken te hebben ging Samuel heen.
In het geheel had Saul van al zijn volk slechts zeshonderd man overgehouden, met welke hij vervolgens opging naar Gabaa in Benjamin, waar Jonathas lag met zijn duizend man. Zoodra laatstgenoemden Saul en zijne mannen zagen aankomen, trokken zij hun te gemoet, en de beide legertjes bleven gezamenlijk te Gabaii.
De Philistijnen, geen ernstigen vijand tegenover zich vindende, zonden drie benden uit om te plundeien; de eene bende trok (noordoostelijk) naar het landschap Sual, de andere (westwaaits) naar Beth-Horon, de derde naar de streek, die aan het dal Geboim grenst; hunne hoofdmacht was echter nog steeds in de vlakte bij Machmas gelegerd.
145
19
B1JB1-LSCHE GESCHIEDENIS.
Destijds woonde er in bet geheele land van Israël geen smid; want de Philistijnen hadden (in de dagen hunner macht, onder het rechterschap van Heli) alle smeden weggevoerd, opdat Israël zich geene zwaarden en lansen zou kunnen doen vervaardigen. Had een Israëliet een ploegschaar, een houweel, een bijl, een spade of een ossenprikkel aan te scherpen, dan moest hij daarmede bij de Philistijnen komen, die hier en daar te midden der Israëlitische bevolking in bezetting lagen. Ook nadat Samuel de Philistijnen grootendeels uit het land verdreven had, was het eenmaal bestaande gebrek aan smeden blijven voortduren, zoodat van de mannen die thans te Gabaa lagen, niemand een zwaard of lans bezat; alleen Saul en Jonathas waren daarmede gewapend (de overigen hadden waarschijnlijk slechts slingers en knodsen).
De Philistijnsche hoofdmacht tusschen Machmas en Gabaa had hare voorhoede doen post vatten op een vooruitstekende rots. Jonathas, dit ziende, sprak tot zijn wapendrager: Kom laat ons naar deze voorhoede gaan en haar aanvallen; wellicht zal de Heer, wien het even gemakkelijk is door weinigen als door velen de overwinning te doen behalen, ons helpen. De wapendrager antwoordde: Doe, wat uw hart u ingeeft, ik zal u volgen, werwaarts gi] wilt. Jonathas hernam: Welaan dan, laat ons gaan, en dit zal ons een teeken zijn: roepen de Philistijnen ons toe: blijit daar, wij zullen tot u afkomen, dan trekken wij ons terug; spreken zij integendeel: klimt tot ons op, dan zullen wij hieraan weten, dat de Heer hen in onze handen geleverd heeft. Zooals Jonathas gezegd had, geschiedde. Nauwelijks hadden hij en zijn wapendrager zich aan de Philistijnen vertoond, of deze riepen: Ziet, de Hebreën kruipen uit hunne holen, waarin zij zich verborgen hadden; gaat tot ons op, en wij zullen u leeren ! Jonathas kroop nu (waarschijnlijk langs een kant, van waai de Philistijnen hem niet verwachtten) op handen en voeten tegen de rots op, en zijn wapendrager volgde hem. Onverwijld sloegen beiden op de vijanden in ; eenigen dezer vielen door de hand van Jonathas, anderen door die zijns wapendragers; in het geheel waien het ongeveer twintig man, die aldus den dood vonden. I oen dc vijandelijke hoofdmacht, welke in de vlakte lag, dit wonder aanschouwde, maakte schrik zich van de gemoederen meester, ook degenen, die op plundering waren uitgegaan en juist terugkeerden, ontstelden hevig; het geheelt leger geraakte in verwarring en stool naar alle kanten uiteen.
Ijlings werd dit aan Saul door de wachten die hij uitgesteld had, geboodschapt, waarop hij, van Jonathas' plan geen kennis dragende, het bevel gal. Onderzoekt, wie uit ons midden is heengegaan. Toen hem bericht werd, dat het Jonathas en diens wapendrager waren, sprak hij tot den hoogepriester Achias, die zich met de ark in het kleine eger bevond : Regeef u naar de ark (om den Heer te raadplegen). Pas echter had hij dit gezegd, of er liet zich in het vluchtende Philistijnsche leger een vreeselijk geschreeuw en wapengekletter hooren, dat ieder oogenblik in hevigheid toenam. Haastig gaf Saul aan den hoogepriester tegenbevel, riep zijn handvol strijders te zamen, snelde naar de Philistijnen heen, en was er getuige van, hoe dezen in blinden schrik de zwaarden tegen elkander keerden. Van die venvardng maakten de Israëlieten, welke (misschien geprest) in het Philistijnsche leoer dienden , gebruik, om tot Saul over te loopen, en ook het volk , dat zich in de spelonken vaquot;) het gebergte Ephraïm verscholen had, kwam te voorschijn, zoodat Sauls macht binnen weinige oogenblikken aangroeide tot tienduizend man.
Nu bezwoer Saul zijn leger met de woorden; Gebanvloekt zij de man, die iets zal nuttigen, voor wij ons op onze vijanden gewroken hebben, tot den avond toe. Daarop zette0 hij de vluchtende Philistijnen achterna. Zijn weg liep door een bosch, waar wilde bijen (in holle boomstammen en rotskloven) zooveel honig vergaderd hadden, dat zij over den grond vloeide. Geen strijder durfde het wagen er iets van te proeven; doch Jonathas, die ck bezwering zijns vaders niet gehoord had, nam met de punt van zijn stok een weinig honig tot zich en gevoelde hierdoor zijne krachten versterkt. Een der mannen, die dit zag,quot;deelde hem mede, wat Saul gezworen had. Jonathas antwoordde : Mijn vader heeft niet quot;oed gehandeld; gij ziet zelf, hoe mijne oogen verhelderd zijn, doordien ik een weini? honig heb genuttigd; hoeveel te meer zou het volk nieuwe krachten hebben bekomen,
146
BIJBEI,SCHE GF.SC11IEDF.X1S.
als het gegeten had van den buit, dien liet in de legerplaats dei Philistijnen vond; de nederlaag onzer vijanden zou er te grooter om zijn geweest.
Deze was toch nog groot genoeg; tot Ajalon toe werden de Philistijnen geslagen en achtervolgd. Toen begon de avond te vallen en ook konden de Israëlieten van vermoeienis niet verder gaan. Zoozeer kwelde hen bovendien de honger, dat zij, zoodra het vechten gestaakt was, als razenden op de buitgemaakte schapen, koeien en kalveren aanvielen, ze op den grond slachtten en (wat de Wet verbood) het vleesch aten, terwijl het bloed er nog in was. Toen Saul dit hoorde, sprak hij tot de mannen, welke het hem geboodschapt hadden: Het volk zondigt; rolt derhalve gindschen grooten steen herwaarts, verspreidt u voorts onder de manschappen, en beveelt, dat ieder, die zijn schaap nog niet heeft geslacht, het hier brenge, opdat het op dezen steen worde gedood (en het bloed er kunne uitvloeien). Aan dit gebod werd voldaan; ieder kwam met zijn schaap, of wat hij had, aangeloopen, en het slachten en eten duurde tot zeer laat in den avond voort. Tevens richtte Saul uit dankbaarheid, voor de eerste maal in zijn leven, den Heer een altaar (als gedenksteen) op.
Zoodra deze plechtigheid geëindigd was, en het volk inmiddels zijn krachten hersteld had, sprak Saul: Laat ons zonder verwijl de Philistijnen opnieuw achtervolgen tot den morgen toe, ondat er ireen enkele hunner het leven behoude. Het volk antwoordde: Doe
O 'i O
hetgeen goed schijnt in uwe oogen. De hoogepriester echter was van oordeel, dat men eerst den Heer moest raadplegen; dit werd gedaan, doch de Heer gaf geen antwoord. Saul begreep dadelijk, dat de reden hiervan moest gezocht worden in de eene of andere zonde, door het volk begaan, en gelastte derhalve, dat men zou bijeenkomen, om den schuldige te ontdekken. Tegelijkertijd sprak hij: Zoo waar de Heer de Redder van Israël leeft, al was het kwaad ook bedreven door mijn zoon Jonathas, sterven zal hij zonder genade. Voorts klonk zijn bevel: Dat al het volk zich aan éénen kant schare; ik en mijn zoon Jonathas zullen ons aan de andere zijde plaatsen. Toen werd het lot geworpen; eerst viel het op Saul en Jonathas, cn voor de tweede maal op Jonathas alleen. Saul sprak tot hem: Zeg mij, wat hebt gij gedaan? Jonathas antwoordde: Ik heb een weinig honig genuttigd op de punt van mijn stok, zal ik nu daarom dos doods zijn? Des doods zult gij zijn, hernam Saul; God moge mij straffen, als ik mijn woord niet gestand doe.
Op dat oogenblik kwam het volk, hetwelk tot nu toe gezwegen had, tusschen beiden. Hoe, riep het uit, moet Jonathas sterven, die heden dit groote heil in Israël heeft bewerkt? Dat is onrecht! Zoo waar de Heer leeft, er zal geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden, want door hem heeft de Heer ons gered. Aldus bevrijdde het volk Jonathas van den dood, en Saul trok zich in zijne tent terug, Het gevolg dezer gebeurtenis was, dat de Philistijnen niet verder werden nagezet en rustig aftrokken naar hun land.
Later vatte Saul herhaaldelijk de wapenen weder tegen hen op; ook bevocht hij nogmaals de Ammonnieten, tastte voorts de zonen van Moab en Edom aan, en strekte zijne krijgstochten uit zelfs tot Soba (in Mesopotamie).
Zijne vrouw, eene dochter van Achimaas, heette Achinoam, de namen zijner zonen waren: Jonathas, Jessuï (ook Abinadab geheeten), Melchisua en Esbaal (tevens Isboseth genaamd). Zijne dochters droegen de namen Merob en Michol. Zijn legeroverste Abner was een zoon van 's konings oom Ner.
1. Uit niets blijkt, dat Snul te Galgala iti eigen persoon geotterd heeft; had hij het gedaan, dan zou hem daarvan door Samuel uitdrukkelijk een punt van berisping zijn gemaakt; hij had trouwens ook priesters genoeg bij zich, om door hunne handen zijn offei' op te dragen. Zijne zonde bestond hierin, dat hij ongehoorzaam was aan li£t hem door Samuel in naam van Goj gegeven bevel, om te wachten tot Samuel was aangekomen. Of misschien Samuel van God in last had, zelf de oflerplechtigheid te verrichten ? Het is niet onwaarschijnlijk. Zeker is het, dat hij, hoewel evenmin als Saul uit Aaron gesproten, nochtans gerechtigd was, én om te ofTeren en om dit te doen buiten den tabernakel. Die dubbele macht was hem door eene bijzondere vergunning van God verleend.
De gewone priesters bezaten de beide laatstgenoemde volmachten niet, en daar er toch waarschijnlijk, zooals boven gezegd is, door hen te Galgala werd geofferd, leiden sommige schriftverklaarders hieruit af, dat de tabernakel met het brandoffer-altaar (de ark was te Cariathiarim) in het begin van Sauls regeering of misschien
147
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
reels vroeger, van Silo naar Galgala was overgebracht. Deze uitlegging is, gelijk reeds hoofdstuk 65, aantee-kening 5, met ile woorden »mi listens tweemaalquot; werd te kennen gegeven, niet van grond ontbloot. Met zekerheid echter zijn, van den tijd dat do heilige tent te Silo stond totdat zij in den tempel werd bewaard, slechts twee verplaatsingen bekend, naar Nobe en naar Gabaon.
Het vonnis, door Samuel uit naam van God tegen Saul om zijne ongehoorzaamheid uitgesproken, was niet aanstonds van absoluten aard; het veronderstelde: indien gij u niet bekeert en geen boete ploegt. Later na eene tweede ongehoorzaamheid (zie volgend hoofdstuk) werd het onherroepelijk.
2. liet wegvoeren der smeden uit een overwonnen land was oudtijds geen ongewoon verschijnsel. Nabuchodo-nosor beroofde de stad Jerusalem niet alleen van hare smeden, maar ook van de timmerlieden, metselaars, enz. Een eenigszins anderen doch op hetzelfde neerkomenden maatregel nam Porsenna, opdat de Romeinen hem niet te machtig zouden worden. In het vredestractaat, dat hij met hen sloot, werd oruler meer bepaald, dat de Ko-mcinen geen andere voorwerpen van ijzer mochten bezitten, dan die zij voor den landbouw noodig hadden â wne ferro nisi in agricultura uterentur1', zegt Plinius.
Ondanks het verbod der Philistijnen, zullen er in Israël waarschijnlijk nog wel sommigen geweest zijn, die zwaarden en lansen bezaten; de H. Schrift zegt alleen, dat van de 600 man welke Saul naar Machmas volgden, niemand met die wapenen was uitgerust.
Het spelen met eeden en met menschenlevens, dat Saul hier doet, toont wat er eenmaal van hem worden kan en zal.
HOOFDSTUK LXX.
SAULS TWEEDH ONGEHOORZAAMHEID. ZIJNE VERWERPING.
eeds verscheidene jaren had Saul geregeerd en vele oorlogen gevoerd tegen verschil-^ , _ lende volken van rondom, toen op zekeren dag Samuel bij hem kwam en sprak: H1-'01quot;- Ik overwogen, wat Amalec aan de kinderen Israels heelt gedaan, toen zij uit Egypte op weg waren naar Chanaan; ga dus, versla Amalec, Y verdelg zijne bezittingen, spaar niets van al hetgeen hem toekomt, dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.
Saai riep alsdan zijn volk te wapen, en had weldra 200.000 man uit Israël en 10,000 uit Juda om zich verzameld. Met dit leger trok hij op tegen de Ainalecietische hoofdstad; doch eer hij haar aantastte, zond hij boden naar de onder Amalec wonende Cinieten (de nakomelingen van Moses' schoonbroeder Hobab) die hij liet weten : Verwijdert u van de Amalecieten, opdat gij niet in hun lot deelt; gij toch hebt aan de lunderen Israels, toen zij uit Egypte trokken, barmhartigheid bewezen. Zoodra de Cinieten zich verwijderd hadden, opende Saul den strijd ; hij behaalde de overwinning en sloeg de Amalecieten over de geheele uitgestrektheid van hun grondgebied, van Hevila af tot Sur, dat naar den kant van Egypte ligt. Al het volk (dat hem in handen viel) deed hij met het zwaard ombrengen, den koning, Agag, echter liet hij het leven. Ook spaarde hij de beste runderen cn schapen en gaf aan zijn volk vrij eid, om de schoonste kleederen en al wat er verder goeds en voortreffelijks was, buit te maken; alleen het minste en hetgeen weinig waarde had, werd vernietigd. Aan deze ongehoorzaamheid tegenover het uitdrukkelijk bevel Gods paarde Saul nog de trotschheid, van zich zeiven eene triomfboog te laten oprichten.
Toen kwam het woord des Heercn over Samuel; de Heer sprak; Het berouwt mij, dat ik Saul tot koning heb aangesteld; want hij heeft mijne wegen verlaten en mijne bevelen niet ten uitvoer gebracht. Ten zeerste hierover bedroefd, begaf Samuel zich nog dien eigen nacht naar Galgala, waar hij aankwam op het oogenblik dat Saul bezig was, uit de eerstelingen van den buit een offer op te dragen. Zoodra de koning den profeet zag, liep hij hem te gemoet en begroette hem met de woorden: Gezegend moogt gij zijn van den Heer; ik heb het woord des Heeren vervuld, llebt gij, vroeg Samuel, liet woord des Heeren vervuld; vanwaar komt dan het geblaat cn geloei der kudden in mijne ooren ? Dit vee, antwoordde Saul, is uit Amelec medegevoerd; het volk liceft de beste schapen en runderen gespaard tot een offer voor den Heer uwen God, al de slechtere dieren hebben wij gedood. Samuel hernam : Laat mij u aankondigen, wat de Heer mij dezen
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
nacht geopenbaard heeft. En op het woord van Saul: doe het â ging Samuel voort: Heb ik niet, toen gij klein waart in uwe oogen, u tot hoofd gemaakt van alle stammen in Israël en u tot koning gezalfd ? En nu had de Heer u gelast: Ga, dood de goddelooze Amalecieten en verdelg hen (en het hunne). Waarom hebt gij naar de stem des Heeren niet geluisterd, maar u den buit toegeëigend en aldus kwaad bedreven in de oogen des Heeren ? Ik heb naar de stem des Heeren geluisterd, antwoordde Saul, en den last volvoerd, dien Hij mij had opgedragen; den koning Agag heb ik gevankelijk hier gebracht en het volk van Amalec gedood ; terwijl mijne strijders de beste stuks vee bewaard hebben, om ze als eerstelingen den Heer aan te bieden. Daarop sprak Samuel: Vraagt de Heer dan brand- en slachtoffers, en niet veeleer het nakomen van zijn geboden? Gehoorzaamheid is beter dan offerande, en naar zijne stem luisteren gaat boven het opdragen van het vet der rammen. Want wederspanuigheid staat als 't ware gelijk met -waarzeggerij, en ongehoorzaamheid met het dienen der afgoden (beide zijn een soort van afval van God). Derhalve, nadat gij het woord des Heeren hebt verworpen, heeft de Heer u verworpen; Hij wil niet meer, dat gij koning zult zijn. Nu kwam Saul tot besef van hetgeen hij gedaan had. Ik heb gezondigd, riep hij uit; want ik heb het bevel des Heeren overtreden uit vrees voor mijn krijgsknechten en om aan hun verlangen (naar buit) te voldoen ; maar neem toch, ik smeek het u, mijne zonde van mij weg, en ga met mij den Heer aanbidden. Toen Samuel weigerde hieraan gehoor te geven en reeds heenging, greep Saul hem bij den mantel, die daardoor scheurde. Samuel sprak ; Aldus scheurt de Heer heden het koningschap van u af, om het te geven aan een ander, die beter is dan gij. Andermaal smeekte Saul: Ik heb gezondigd, maar eer mij toch voor de oudsten en voor het volk, en ga met mij den Heer uwen God aanbidden. Eindelijk liet Samuel zich bewegen en begaf zich met Saul onder het volk. Nu gebood hij: Brengt Agag, den koning van Amalec, hier. Agag werd daarop gehaald; hij was buitengewoon zwaarlijvig; sidderend stond hij voor Samuel en verzuchtte: Moet ik alzoo den bitteren dood sterven ? Samuel antwoordde : Gelijk uw zwaard moeders kinderloos heeft gemaakt, zoo zal uwe moeder kinderloos zijn onder de vrouwen. Vervolgens greep Samuel een zwaard en hakte den goddeloozen Amaleciet aan stukken, voor het aanschijn des Heeren in Galgala.
Daarna keerde Samuel terug naar Ramatha en Saul begaf zich naar zijn huis te Gabaii. Nimmer zag Samuel Saul weder; de laatste ging later nog eens naar Ramatha om Samuel en David te zoeken, doch keerde onverrichter zake terug.
De vrccselijke slag, waarmede God de Amalecieten trof, was de welverdiende straf voor dc velerlei soort van zonden en misdaden, gedurende eene lange reeks van j.ircn door dit volk bedreven. Over de aanleiding tot het thans aan Saul gegeven bevel ter uitroeiing â de door niets gerechtvaardigde en onmenschelijke handelwijze der Amalecieten tegenover een volk, dat rustig door de woestijn trok â zie men hoofdstuk 3.4. Een klein gedeelte der Amalecieten schijnt door de vlucht aan de algemeene slachting ontkomen te zijn; althans later, hoofdstuk 78, vinden wij opnieuw van Amalecieten gewag gemaakt, maar slechts als van zwervende rooverbenden ; liet volk als volk was uitgeroeid.
HOOFDSTUK LXXL
ZALVING VAN DAVID TOT KONING. DE BOO ZE GEEST
VAN SAUL. DAVID BIJ SAUL IN DIENST.
--â¢--
oewel Samuel zelf het vonnis des Heeren tegen Saul had uitgesproken, smartte het hem toch bij voortduring zeer diep, dat de koning, dien hij had aangesteld, door God verworpen was. God sprak alsdan tot hem : Hoelang zult gij nog over Saul - euren? Sta op, vul uw hoorn met zalfolie, opdat ik u zende tot Isaï, den Bethlehemiet; lt; want ik heb mij onder zijne zonen een koning uitgekozen. Samuel vroeg: Hoe zal ik kun-I nen gaan, zonder dat Saul het bemerkt en mij zoekt te dooden? De Heer antwoordde: Neem een kalf aan uw hand, zeg te Bethlehem, dat gij gekomen zijt, om een ofter op te dragen.
'49
B1JBELSCHE GRSCHIEDENIS.
noodig Isaï ten offermaaltijd, en ik zal u den man toonen, dien gij zalven moet. Deze voorzorgsmaatregel bleek weldra noodig te zijn, want nog pas had Samuel den voet binnen Bethlehem gezet, of de oudsten der stad, verwonderd over zijne buitengewone verschijning, liepen naar hem heen en vroegen ; Is uwe komst vreedzaam? Ja, vreedzaam, antwoordde Samuel; ik ben gekomen om den Heer een ofter op te dragen, heiligt u dus en komt ten offermaaltijd,
Isaï en zijne zonen ontvingen eene bijzondere uitnoodiging. Toen zij verschenen, vestigde Samuel zijne oogen op den eertsgeborene, Eliab, en sprak tot den Heer: Is dit degene, dien ik zalven moet? De Heer antwoordde: Let niet op de schoonheid van zijn gelaat ol op zijne hooge gestalte; ik heb hem niet verkozen; want ik ben niet als een mensch, die naar het uiterlijk oordeelt. Daarna stelde Isaï (die wellicht heimelijk met Samuel gesproken had) den profeet zijn tweeden zoon Abinabab voor; doch Samuel verklaarde: ook hem heeft de Heer niet verkozen. Op dezelfde wijze werden achtervolgens Isaï's zeven zonen aan Samuel voorgesteld, doch de profeet gaf telkens een zelfde antwoord. Eindelijk vroeg hij: Zijn dit nu al uw zonen? Isaï's wederwoord luidde: Er is nog een, de jongste, maar hij is op het veld, waar hij de schapen hoedt. Laat hem roepen, gebood Samuel; wij zullen niet aan den maaltijd beginnen, voor hij hier is. Oogenblikkelijk werd nu de jongste zoon gehaald en aan Samuel voorgesteld. Het was een schoone jongeling met goudgeel haar en blozend gelaat; zijn naam was David. Zoodra Samuel hem zag, sprak dc Heer tot den profeet: Sta op, zalf hem, want deze is het. David werd dan gezalfd, en van dien stond kwam de Geest des Heeren over hem en bleef hem in 't vervolg bezielen. Samuel had alzoo zijne zending volbracht; '.oen de maaltijd geëindigd was, keerde hij naar zijne woonplaats, Ramatha, terug
Terzelfder tijd, dat de Geest des Heeren over David kwam, week Hij van Saul; zelfs liet God toe, dat de koning nu en dan de aanvallen van een boozen geest te verduren had. 's Konings dienaren spraken derhalve tot hem: Zie, een booze geest valt u lastig; dat dus onze heer bevele, en wij, uwe dienaren, zullen een man zoeken, die de harp kan bespelen, opdat, als gij weder gekweld wordt, hij u door zijn spel uw toestand dragelijk make. Toen Saul aan dit plan zijne goedkeuring hechtte, zeide een der dienaren: Ik ken een van Isaï's zonen, die uitmuntend speelt, een krijgshaftigen jongeling van groote sterkte, voorzichtig in zijn spreken, schoon van gestalte en de Heer is met hem. Terstond vaardigde Saul iemand naar Isaï af, met de boodschap: Zend mij uw zoon David, die op het veld de kudde hoedt. Isaï was hiertoe dadelijk bereid, hij belaadde een ezel met brood en wijn, voegde daar een geitenbokje bij en zond dit alles, onder Davids geleide, den koning ten geschenke. Zoo kwam David bij Saul in dienst; de koning vond behagen in hem en maakte hem tot zijn wapendrager. Inmiddels liet hij Isai weten, dat de jongeling uitmuntend voldeed en in 's konings dienst bleef.
Wanneer nu in het vervolg de booze geest zijn aanval op Saul hernieuwde, greep David de harp en speelde; Saul gevoelde zich hierdoor verkwikt en de booze geest nam de wijk.
1. Samuel kon Davitl zalven, zonder dat de broeders en de andere aanwezigen begrepen, waartoe die zalving dienen moest; zij kon immers ook ten doel hebben eene bijzondere toeheiliging van den jongeling aan God, of zijn aanstelling tot do eene of andere waardigheid beneden die van koning, of eindelijk wie kon weten, welke buitengewone zending dc profeet van God ontvangen had?
2. Sommige uitleggers meenen onder den boozen geest, die Saul kwelde, alleen eene lichamelijke ongesteldheid â zwartgalligheid of iets dergelijks â te moeten verstaan. Anderen houden zich aan den letterlijken zin des woords. Misschien kunnen beide meeningen tegelijk waar zijn. De duivel ontving, vooral eer hij door het kruis verwonnen was, soms eenige macht over den mensch â men denke slechts aan Job, en het is licht verklaarbaar, dat hij in zoodanig geval van de bestaande lichamelijke gesteldheid partij trok, om zekere kwalen te voeden en te verergeren.
150
BIirSFLSCHE GHSCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LXX1I.
DAVID V li R S L A A T G O L 1 A quot;Jquot; H.
Mc Philistijnen, alweder ten strijde gerust, deden een inval in liet erfdeel van Juda en sloegen zich neder tusschen de steden Socho en Azeca. Dit noodzaakte Saul, (j^ zich insgelijks te wapenen en naar den vijand heen te snellen. Weldra stonden jvjlt;v de beide legers, op twee slechts door een nauw dal gescheiden bergen, tegenover elkander geschaard, maar de aanval bleef uit. Toen na eenigen tijd in dien toestand nog geene verandering was gekomen, trad uit de gelederen der Philistijnen een man te voorschijn, een reus van zes elleboogsniaten en een palm (3^ meter) lengte, wiens naam Goliath was. Op zijn hoofd droeg hij een koperen helm; zijn harnas van hetzelfde metaal woog 5000 sikkels (ongeveer 70 kilogram); koperen platen bedekten zijn beenen, een koperen schild hing aan zijn arm, en zijne lans ter dikte van een weversboom had een ijzeren punt van 600 sikkels (ongeveer 8 kilogram) zwaarte. Deze man riep den Israëlieten toe: Waarom zijt gij ten strijde getogen? Ben ik geen Philistijn, en zijt gij niet de dienaren van Saul ? Kiest dus uit uw midden iemand, die afkome, om met mij een tweegevecht aan te gaan; weerstaat en overwint hij mij, dan zullen wij uwe dienaars zijn: versla ik hem, zoo zult gij ons dienen; ziet, ik heb heden de heerscharen Israels gehoond. Toen Saul en zijn volk die taal des Philistijns hoorden, sloeg de schrik hun om het hart.
In het leger van Saul bevonden zich onder anderen Isaï's drie oudste zonen Eliab, Abinabab en Samma; David was alsnu naar zijn vader teruggekeerd, om de schapen te hoeden. Op zekeren dag riep zijn vader hem en zeidc : Neem een ephi geroosterde gerst en tien brooden voor uwe broeders, benevens tien kazen, tot een geschenk voor den hopman, en begeef u op reis, om naar den welstand uwer broeders te vragen. De reus Goliath herhaalde zijne smaadreden tegen Israël eiken morgen en eiken avond, veertig dagen lang. Juist den veertigsten dag kwam David in het kamp, op het oogenblik dat de beide legers slagvaardig tegen elkander over stonden. Zoodra hij dit zag, wierp hij zijne pakken van de schouders, gaf ze iemand in bewaring cn snelde naar zijne broeders. Nauwelijks had hij naar hun welvaren vernomen, of Goliath trad uit de gelederen en hernieuwde zijne honende uitdaging. Overal, waar hij zich vertoonde, weken de Israëlieten terug, want zij vreesden hem zeer, en niemand durfde den kamp met hem bestaan, ofschoon de koning beloofd had, dat wie den reus versloeg, zeer rijk zou gemaakt worden, 'skonings dochter tot vrouw zou bekomen, en met het huis zijns vaders van het opbrengen van belastingen zou worden vrijgesteld. Davidj die van Goliaths uitdaging getuige was geweest, vroeg aan de strijders in zijne nabijheid; Wat zal men den man geven, die den reus verslaat en de schande van Israël uitwischt; want wie is toch die heiden, dat hij de heerscharen des levenden Gods durft honen ? Terwijl David aldus sprak en van de omstanders de mededeeling der koninklijke belofte ten antwoord ontving, trad Eliab, Davids oudste broeder, op hem toe en zeide toornig cn minachtend; Waarom zijt gij hier gekomen en hebt uwe schaapjes in de woestijn gelaten? Ik ken uwen trots en de kregelheid uws harten; gij zijt gekomen om te zien vechten. Met de vraag: w.it voor kwaads heb ik gedaan? wendde David zich van zijn broeder af en herhaalde voor een andere groep strijders zijne woorden van straks.
De moedige taal van den jongen herdersknaap trok weldra in ruimer kring de aandacht en kwam ten laatste ook ter oore van Saul, die nu David bij zich ontbood. Al aanstonds sprak David tot den koning: Niemands hart zij ontmoedigd wegens die Philistijn, ik uw dienaar zal optrekken om tegen hem te strijden. Gij kunt hem niet weerstaan, antwoordde Saul, want gij zijt slechts een knaap en hij is een krijgsman van zijne jeugd af. Om den koning te overtuigen, beriep David zich op zijn verleden: Terwijl uw dienaar, zeidc hij, bezig was de schapen
'Si
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
zijns vaders te hoeden, kwam er eens een leeuw, en een ander maal een beer, die een ram uit de kudde wegnamen; ik liep de roovers achterna, velde hen neder, ontrukte hun den buit, en toen zij daarop hun aanval legen mij richtten, greep ik hen bij de keel en â worgde hen. Zoo zal het ook dien Philistijn vergaan. Ik ben oogenblikkelijk bereid, de schande, die hij Israël heeft aangedaan, uit te wisschen. Wat beteekent die heiden, om zich te veroorloven, het leger van den levenden God te smaden! De Heer, die mij redde uit den leeuwen- en berenklauw, zal mij ook bevrijden uit de handen van dezen Philistijn. - Ga dan, was Sauls antwoord, en de Heer zij met u.
Alvorens David aan zijn plan gevolg gaf, zette Saul hem zijn eigen koninklijken helm op het hoofd, gespte hem zijn harnas om de borst en gordde hem zijn zwaard aan. Op die wijze in een krijgsman herschapen, beproefde David eenige schreden op en neer te gaan, docl\ sprak weldra: Zoo kan ik mij niet bewegen, want ik ben deze uitrusting niet gewoon. Hij legde haar dus weder af, nam zij staf, dien hij altijd bij zich had, in de hand, begaf zich naar een in de nabijheid vlietende beek, vischte er vijf zeer gladde keien uit, legde die in zijn herderstasch, greep zijn slinger en trok, aldus gewapend,, op den Philistijn af. Toen deze den jongeling met het schoone, blozende gelaat zag naderen, haalde hij medelijdend de schouders op en sprak vervolgens tot hem: Ben ik een hond, dat gij op mij afkomt met een stok (den herdersstaf) ? Voorts vervloekte hij David bij alle goden der Philistijnen, en dreigde, dat hij Davids vleesch als aas zou geven aan de vogelen des hemels (gieren en arenden) en aan de wilde dieren. David antwoordde: Gij komt tot mij met zwaard, lans en schild; ik echter kom in den naam van den Heer der heerkrachten, den God der legerscharen Israels, en nog heden zullen door mijne hand de lijken der Philistijnen aan de vogelen en de wilde dieren ter prooi vallen, opdat het geheele land wete, dat er een God in Israël is, die ook zonder zwaard of speer de overwinning verzekert. Want het is zijn strijd, dien wij voeren, en hij zal de Philistijnen in onze handen leveren. Nadat er aldus over en weder gesproken was, renden de beide kampvechters op elkander in. Goliath met gevelde lans, David met zijn slinger, waarin hij een der vijf keien had gelegd. Nog eer den Philistijn de gelegenheid geboden was, van zijn wapen gebruik te maken, had David hem met zooveel kracht den kei tegen het voorhoofd geslingerd, dat de steen daarin bleef steken en de reus voorover ter aarde stortte. Zonder verwijl snelde David op hem toe, plaatste hem den voet op den nek, trok hem zijn eigen zwaard uit de schede en hieuw hem daarmede het hoofd af.
Toen de Philistijnen zagen, dat hun sterke held gedood was, sloegen zij van schrik op de vlucht. Onder het aanheffen van een vervaarlijk krijgsgeschreeuw zetten de mannen van Israël en Juda de vluchtelingen na, achtervolgden hen tot voor de poorten van Accaron en Geth, deden eene groote menigte hunner sneuvelen, en keerden vervolgens terug om het verlaten vijandelijke kamp te plunderen. David nam voor zich de wapenrusting van den door hem verslagen Goliath en droeg het hoofd van den reus in de legerplaats rond. Inmiddels kwam de legeroverste Abner hem halen, om hem, zooals hij daar ging, met zijn zegeteeken in de hand, aan Saul voor te stellen. Saul vroeg hem nauwkeurig naar zijn afkomst en zijne familie (misschien om te weten, hoevelen en wie hij van het opbrengen van belasting moest ontslaan) en sprak ten slotte, dat David niet weder in den dienst zijns vaders zou terugkeeren, maar aan het koninklijke hof zou blijven. Later bracht David het hoofd van Goliath naar Jerusalem, diens [zwaard naar den tabernakel des Heeren en de overige wapenrusting naar het huis van zijn vader Isaï te Bethlehem.
Van het eerste oogenblik, dat David nu weder aan het hof verkeerde, vatte Sauls zoon Jonathas voor den jeugdigen held eene groote genegenheid op, die weldra tot een bond der innigste vriendschap leidde. Als blijk hoezeer hij David achtte, gaf Jonathas hem zijn eigen overkleed, zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel ten geschenke. Ook bij de dienaren des konings maakte David zich in hooge mate bemind; terwijl hij voorts de bevelen van Saul stipt ten uitvoer bracht.
152
mÃmMm
UjlihLSCHH GlvSCHlEDliXIS
Bene zaak was er, die Saul David maar niet kon vergeven. Toen namelijk de strijd met de Philistijnen zoo roemrijk geëindigd was, hadden de Israelietische dochters uit verschillende steden zich tot koren vereenigd en waren onder dans en muziek den koning en het leger te gemoet getrokken met den zang: Saul heeft er duizend verslagen, en David tienduizend. Deze zanlt;» kwetste Sauls eigenliefde. Zij geven, sprak hij, David tienduizend en mij slechts duizend; wat ombreekt hem nog tenzij alleen het rijksgebied? Van dien dag af kon Saul David met geen goed oog meer aanzien en zocht hij hem zelfs van het leven te berooven. De eerste poging daartoe waagde hij, bij'gelegenheid dat David, om 's konings boozen geest te verdrijven, voor hem op de harp speelde. Toen greep Saul een speer en wierp daarmede naar David, om hem aan den wand vast te steken; doch David had den toeleg doorschouwd, hij week snel ter zijde en ontkwam de speer.
Nu sloeg Saul een anderen weg in. Hij zag, dat David voorzichtig was en door den Heer werd beschermd, zoodat het niet gemakkelijk zou vallen, hem op de reeds eenmaal te vergeefs beproefde wijze uit den weg te ruimen. Derhalve stelde hij hem aan tot hopman over duizend krijgsknechten, zond hem met hen ten strijde en beloofde hem, dat als hij zich dapper kweet, 's konings oudste dochter Merob (zij was David ondanks de vroegere belofte nog niet gegeven) zijne vrouw zou worden. Het doel, dat Saul hierbij had, gaf hij (aan zijne vertrouwelingen) te kennen met de woorden: Niet mijne hand zal David dooden, maar de handen der Philistijnen zullen het doen.
Ofschoon David de voorwaarden ter verkrijging van Merob nauwgezet vervulde, hield lt;3e koning ook nu weder zijne belofte niet, maar schonk zijne dochter aan Hadriël den Mokuhiet. Toen hem daarna werd gezegd, dat zijne tweede dochter, Michol, David beminde, sprak hij: Ik zal ze hem geven, opdat ik eene aanleiding hebbe, hem in 't verderf te storten. Voorts beval hij zijnen hovelingen: Gaat naar David en zegt hem, schijnbaar buiten mij om: Zie, gij behaagt den koning en zult zijn schoonzoon worden, onder beding, dat gij als bruidschat aanbrengt honderd koppen van Philistijnen. Gaarne stemde David in die voorwaarde toe; hij toog met zijne mannen ten strijde en was weldra bij machte, niet honderd maar tweehonderd koppen voor 's konings voeten te leggen. Nu durfde Saul zijne belofte niet opnieuw onvervuld laten; hij deed derhalve het huwelijk met Michol voltrekken.
Het blijkt uit de II. Schrift niet duidelijk, of David reeds spoedi; na liet verslaan van Goliath liet hoofd van den reus naar Jerusalem bracht, dan wel later, toen hij reeds koni:u; was en te Jerusalem zetelde. Neemt men de eerste veronderstelling aan, dan doet zich verder de vr.ia^ voor. wat David tot de daad kan bewogen hebben? Misschien liet veilangeii, om den Jebuseen, die no-; altijd de bovenstad Sion in hunne macht hadden, schrik in te boezemen en hen zoodoende er toe te brengen, Jerusalem te verlaten? Ãtquot; hebben wij aan eene andere, geheel onbekende reden te denken?
HOOFDSTUK LXX1I1.
D A V I 1) H N JON A T 11 A S.
â¦
aul, die nog altijd David zeer kwalijk gezind bleef, moest tot zijn spijt ondervin-den, dat zijn schoonzoon zich bij al zijn doen en laten kenmerkte door eene \ â¢' groote mate van voorzichtigheid en kloekmoedigheid, zoodat blijkbaar de Heer â j,' ^ met hem was. Daarenboven beminde 's konings dochter Michol haren man met eene oprechte en teedere liefde. Tegenover de vijanden van Israël betoonde David zich I voortdurend denzelfden onvermoeiden strijder. Geen der andere legerhootden wist de plannen der Philistijnen met zooveel beleid te verijdelen als hij, wat natuurlijk zijn naam groot deed worden bij het gansche volk.
Om al deze redenen begon Saul David zoo ernstig te vreezen, dat hij aan zijne dienaren en aan zijn zoon Jonathas het bevel gaf, hem te dooden. Jonathas, die David zeer
20
BlJliHLSCHH GESCHIEDliXIS.
beiDinde, verwittigde zijn vriend van het hem dreigende gevaar, raadde hem, zich een dag lang te verbergen en sprak vervolgens tot hem: Morgen, als mijn vader in het veld wandelt, zal ik mij bij hem voegen, om hem over u te spreken en u daarna den uitslag mede-deelen, Diensvolgens sprak Jonathas tot zijn vader: Wil toch, o koning, niet zondigen tegen uw dienaar David, want hij heeft ook tegen u niet gezondigd, maar u integendeel groote voordeelen aangebracht. Met gevaar van zijn leven te verliezen, is hij tegen Goliath opgetreden , en de Heer heeft door hem de zegepraal aan Israël geschonken; gij zelf waart bij zijne moedige daad tegenwoordig en hebt er u in verblijd. Waarom dan wilt gij onschuldig bloed vergieten en David dooden, die niets misdreven heelt? â Op dit woord kwam Saul tot inkeer; hij zwoer: Zoo waar de Heer leeft, David zal niet gedood worden. Jonathas meldde dit zijn vriend, die nu weder als te voren voor Saul verscheen.
Deze betere gezindheid des konings duurde echter niet zeer lang. Er brak andermaal tegen de Philistijnen een oorlog uit, waarin David de overwinning behaalde, daar de vijand met zwaar verlies op de vlucht werd gedreven. Nu werd Saul opnieuw door den boozen geest gekweld (die hem gedachten van afgunst en wraak in het hart stortte), en terwijl D.ivid zijn harp bespeelde, om den koning te verkwikken, greep deze een lans en beproefde nogmaals den harpspeler te doorspietsen; doch David week ook nu ter zijde en snelde heen; de koning had slechts den wand van het vertrek getroffen. Woedend over het mislukken van dezen herhaalden aanslag, zond Saul tegen den avond dienaren naar Davids woning, met het bevel om daarvoor gedurenden den nacht in alle stilte de wacht te houden en David den volgenden morgen te halen, opdat hij zou kunnen gedood worden. Michol had echter de wachten bespeurd; zij kwam haastig bij haren man geloopen, deelde hem hare bevinding mede en zeide: Als gij u dezen nacht niet redt, zijt gij morgen verloren. Zij liet hem nu heimelijk (langs een koord) het venster uit, en hij redde zich door de vlucht. Op de plaats, waar hij anders gewoon was te rusten, legde Michol een houten beeld neer, welks hoofd zij met een harig geitenvel overdekte, en toen des morgens de wachten binnentraden, om haar man weg te voeren, zeide zij (op eenigen afstand naar het beeld wijzende) dat hij ziek te bed lag. Met dit bericht kwamen de dienaren bij Saul terug, doch deze gebood: Keert aanstonds weder, en haalt hem met zijn bed hier, opdat hij gedood worde. In plaats van met David, kwamen de boden terug met de tijding, dat zij bedrogen waren geworden en het bed slechts een beeld bevatte. Nu liet Saul aan zijne dochter Michol zeggen: Waarom drijft gij den spot met mij, door mijn vijand te laten ontkomen? Michol antwoordde: Omdat hij dreigde, in geval ik hem niet liet gaan, mij te zullen dooden.
Inmiddels had David door de list van Michol en de daardoor veroorzaakte vertraging in zijn achtervolging, tijd gewonnen, om naar Samuel te Ramatha te vluchten. Hij vernaalde den profeet alles wat hij van Saul had moeten ondervinden en begaf zich daarop met Samuel naar de profetenschool te Najoth (eene voorstad van Ramatha). 1 oen dit Saul tei oore kwam, zond hij zijne dienaren derwaarts, met den last, David gevangen te nemen. Doch nauw waren de dienaren in de tegenwoordigheid der schaar profetenleei lingen gekomen, die onder aanvoering van Samuel, in heilige geestverrukking Godgewijde liederen zongen, of zij gevoelden zich door den Geest des Heeren bezield cn begonnen insgelijks profetentaal te spreken en te zingen. Saul, weldra hiervan onderricht, zond nieuwe dienaren uit, maar ook deze begonnen te profeteeren. 1 oen dit evenzeer met nog andere dienaien het geval was, ontstak Saul in woede en ging zelf op reis. Doch reeds bij den giooten put te Socho, waar hij naar den weg vroeg, kwam de Gee.st des Heeren over hem en hij profeteerde al voortgaande, totdat hij te Ramatha kwam. Daar voegde hij zich, na zijn overkleed te hebben uitgetrokken, bij de proletenleerlingen en bracht dien dag en den volgenden nacht onder hen door. Van dien tijd verbreidde zich in nog tuimei kling het spreekwoord: Is Saul ook onder de profeten?
Op het vernemen van Sauls komst te Najoth, vluchtte David daar weg en ging Jonathas zoeken. Wat heb ik gedaan? vroeg hij zijn vriend. Welke schuld ol misdaad heeft uw
'55
vaJer in mij gevonden, om mij liet leven te willen benemen? Jonathas antwoordde; Gij vergist u grootelijks; gij zult niet sterven; mijn vader doet niet het geringste zonder er mij kennis van te geven: zou hij dan alleen dit plan voor mij verborgen hebben gehouden? D.u is onmogelijk. David hernam: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade gevonden heb in uwe oogen en hij zal denken: laat Jonathas mijn voornemen niet kennen, het zou hem te zeer bedroeven. Maar, ging David voort, zoo waar a!s de Heer en gij, Jonathas, leven, er ligt tusschen den dood en mij slechts ééne schrede. Jonathas wederwoord luidde: Al wat gij mij zegt, zal ik doen. David zeide: Zie, morgen is het de eerste dag der nieuwe maan, als wanneer ik volgens gewoonte bij den koning ten maaltijd zou moeten verschijnen; sta mij echter toe, dat ik mij tot den avond van den derden dag verborgen houd. Ziet uw vader, dat mijn plaats aan tafel onbezet is, en vraagt hij naar mij, zeg hem dan, dat ik u verzocht heb, naar Bethlehem te gaan, wijl mijn geheelo geslacht daar een plechtig offerfeest viert. Antwoordt uw vader: het is wel, zoo weet gij dat het vrede is tusschen hem en mij; wordt hij integendeel boos, dan blijkt het, dat hij kwade plannen heeft. Nade-maal nu gij, onder aanroeping van den naam des Heeren, een verbond van vriendschap met mij hebt gesloten, zoo bewijs mij de barmhartigheid, dat, indien er iets strafwaardigs in mij is, ik door uwe hand moge sterven, maar lever mij niet over aan uwen vader. Jonathas antwoordde: Dit alles zij verre van u; want hoe zou het mogelijk zijn, dat, als ik een boos plan bij mijn vader tegen u ontdekte, ik het u niet terstond zou mededee'len? David vroeg weder: Zal ik, ais uw vader harde woorden aangaande mij spreekt, deze te weten komen? Kom, zeide Jonathas, laat ons naar het veld gaan. Toen zij daar gekomen waren, sprak hij ten aanhooren van David: Heer, God van Israel! wanneer ik de gunstige stemming mijn; vaders jegens David verneem morgen of overmorgen, en ik hiervan mijn vriend geen mededeeling doe, dan zende de Heer mij straf op straf! Daarna zich tot David richtende, ging Jonathas voort: Maar mocht mijns vaders booze gezindheid mij blijken, zoo zal ik u hiervan eveneens kennis geven, opdat gij ongedeerd in vrede kunt heengaan en (wordt gij later koning) dat alsdan de Heer met u zij, gelijk hij met mijn vader geweest is. Vindt die dag mij nog in het land der levenden, zoo bewijs mij barmhartigheid om des Heeren wil (ga voort mij als uw vriend te behandelen); ben ik gestorven, betoon dan uwe goedheid aan mijn nageslacht. Al worden ook alle vijanden Davids door den Heer machteloos gemaakt, het geslacht van Jonathas blijve gespaard. Xa aldus gesproken te hebben, hernieuwden beide vrienden hun verbond van liefde en trouw en bekrachtigden het andermaal met een eed.
Nu deze zaak geiegeld was, maakten zij samen afspraak over de wijze, waarop Sauls gezindheid aan David zou worden bekend gemaakt. Zie, zeide Jonathas, morgen begint
het feest der nieuwe maan, ga dus naar Bethlehem en blijf daar twee dagen _ inmiddels
zal men u aan tafel missen â keer voorts ten derden dage weder en houd u schuil op In t veld bij den steen Ezel; ik zal daar eveneens komen, met mijn boog in de hand, als rm mij in het mikken te oefenen. Nabij den steen zal ik drie pijlen afschieten en ik zal eui knaap, die mij vergezelt, zenden, om ze op te rapen. Roep ik hem in zijn loop toe: de pijlen liggen achter u, kom dan uit uw schuilhoek te voorschijn, want alles is wel- maar klinken mijne woorden: de pijlen liggen voor u, zoo is dit een teeken dat gij vluchten moet. De Heer zij onze getuige, dat wij, hetgeen hier afgesproken is, trouw zullen nakomen.
Het bedoelde nieuwe-maanfeest brak aan, en op het uur voor den maaltijd bestemd, begaf Saul zich met de zijnen aan tafel; hij zelf zette zich, volgens gewoonte, neer op den zetel naar den kant van den muur; zijn legeroverste Abner zat naast hem, maar de plaats van David bleef ledig. Den eersten dag liet Saul dit onopgemerkt voorbijgaan, want, dacht hij, het kan zijn, dat David zich volgens de Wet verontreinigd heeft. Toen evenwel ook den tweeden dag de plaats onbezet bleef, vroeg hij aan jonathas: Waarom is de zoon van Isaï heden noch gisteren ten eten gekomen? Jonathas antwoordde: Hij heeft mij dringend verzocht, naar Bethlehem te mogen gaan, wijl een zijner stambroeders
156 Bijr.i'Lsciir. Gr.sciiir.DHXis.
daar eenc groote plechtigheid viert; daarom kon hij niet aan 's konings tafel verschijnen. Ziedende van toorn viel Saul tegen Jonathas uit: Kind eener schaamteloo/.c moeder! weet ik i.'iet, dat gij den zoon van l.saï bemint tot uw eigen verderf? Begrijp toch, dat zool; ng hij leeft, gij niet in het koningschap zult bevestigd worden; laat hem dus onmiddelijk halen, opdat hij des doods zij. Waarom moet hij sterven? waagde Jonathas aan te merken; wat heeft hij gedaan? In zijne woede over dit woord greep Saul een lans, om daarmede Jonathas te doorboren, doch deze wist door eene snelle beweging den steek te ontwijken en ijlde, zonder gegeten of gedronken te hebben, de zaal uit.
Den volgenden morgen begaf Jonathas zich, van een kleinen knaap vergezeld, naar de plaats, waar hij David, op de wijze als zij samen bepaald hadden, Sauls gemoedsstemming zou kenbaar maken. Toen hij te dien einde zijne drie pijlen had afgeschoten, en de knaap vooruitsnelde, om ze op tc rapen, zond hij nog een pijl over hem heen en riep: De pijl ligt ver voor u, haast u, sta niet stil! Zonder argwaan zocht de knaap de verschillende pijlen op, keerde daarmede bij zijn meester terug en werd vervolgens door dezen weggezonden met het bevel, om boog en pijlen naar de stad te brengen. Zoodra de knaap buiten het gezicht was, kwam David uit zijn schuilhoek te voorschijn, wierp zich driemaal voor Jonathas ter aarde en stond toen op, om zijn vriend, van wien hij nu moest scheiden, voor het laatst nog eens zijne liefde en dankbaarheid te betuigen. Ook Jonathas was diep geroerd; beide vrienden omhelsden elkander en beiden weenden, maar David het meest. Ten slotte sprak Jonathas: Ga in vrede! het verbond, dat wij in den naam des Heeren voor ons en onze kinderen gesloten hebben, blijve in eeuwigheid! Toen ging David vluchten en Jonathas keerde naar de stad terug.
1. l'it hetgeen op den vooravond van het nieuwe-maanfeest tnsschen Jonathas en David gesproken werd, blijkt, dat de laatste zijn vriend q et onknnd g had gelaten van zijne zalving door Samuel en zijne roeping tot het koningschap. Dat Jonathas desniettegenstaande David trouw bleef, pleit niet slechts voor de oprechtheid zijner vriendschap, 111411' meer nog voor zijne ootmoedige onderwerping aan den wil des Heeren.
2. Michols antwoord aan Saul, dat David haar had willen dooden, zoo zij hem niet had helpen ontvluchten , was evenzeer een leugen als hare verklaring aan de wachten, dat hij ziek te bed lag. Hare liefde tot haar echtgenoot, hoe voortreilelijk op zich zelve, kon deze dubbele zonde niet goed maken.
HOOFDSTUK LXXIV.
DAVIDS VLUCHT. VERMOORDING DHR PRIESTERS VAN NOHE.
Tl P z'ine v'uc'lt kwam David te Nobe, waar destijds de tabernakel des Heeren stond, en begaf zich daarheen. De hoogepriester Achimelech, verwonderd hem zonder eenig geleide te zien, vroeg: Hoe komt het, dat gij alleen zijt en ' ^ niemand bij u is? Dit komt, zeide David, wijl do koning wilde, dat mijne zending quot;|IJ geheim zou blijven; daarom heb ik mijnen mannen gelast, zich in de stad, die ik i hun bepaald heb, bij mij aan te sluiten. Doch het ontbreekt ons aan voedsel; hebt gij hier dus eenige brooden, al waren het er maar vijf, zoo geef ze mij. Gewone brooden, antwoordde de hoogepriester, heb ik niet, alleen dezulke, die op de tafel der toonbrooden aan God zijn geofferd; maar zijn uwe mannen rein? Toen David hierop verzekerde, dat zij reeds gisteren en eergisteren niets gedaan hadden, wat hen voor de Wet verontreinigde, gaf Achimelech hem hetgeen hij verlangde. Voorts vroeg David den hoogepriester: Hebt gij hier soms een lans of een zwaard? want ik heb mijne wapenen achtergelaten, omdat er bij het bevel des konings haast was. Achimelech antwoordde: Zie, hier is het zwaard van Goliath, dien gij verslagen hebt; het is in een doek gewonden en hangt achter het ephod; een ander heb ik niet. Er is ook geen ander zoo goed als dit, hernam David, geet het mij derhalve. Achimelech deed het en raadpleegde bovendien voor David den Heer.
BlJBhLSCHli GLSCHIHDENIS.
In den Uibcmakcl bevond zich op hctzulfJc oogenblik ccn man, die ongemerkt alles afluisterde; het was Doëg, een Idumeër (een nakomeling van l'^sau) en de opperste dei-herders van Saul. David kende dien man en begreep, zoodra hij hem bij het uitgaan uit den tabernakel bespeurde, aanstonds, dat het voorgevallene aan Saul zou worden ovorgebraeht.
Hij vluchtte nu verder en begat zich tot Achis, koning der Philistijnen te Geth. Achis' dienaren, David binnenleidende, spraken tot hun vorst: Is deze niet David, een der oversten in Israel; is hij het niet van wien men gezongen heeft: Saul heeft er duizend verslagen en David tien duizend. Op het vernemen dier woorden sloeg David de schrik om het hart, doch zich onmiddellijk herstellende, hield hij zich krankzinnig; hij zeeg in de armen der dienaren neer, stond weer op en krabbelde allerlei figuren op de deurposten, terwijl de kwijl hem uit beide hoeken van den mond over kin en baard liep. N'iet weinig vertoornd, dat men zulk een man bij hem had toegelaten, zeide Achis berispend tot zijne dienaren: Zaagt gij niet, dat het een gek was? hebben wij in ons eigen land geen gekken genoeg, dat gij dezen vreemdeling moest binnenbrengen, om in mijne tegenwoordigheid zijne dwaasheden te vertoonen ? Op die wijze ontkwam David het hem dreigende gevaar, en vluchtte voorts naar het grondgebied van Juda. waar hij zich in de grot Odollam verschool.
Daar sloten zich weldra zijne broeders met het geheele huis zijns vaders bij hem aan, en vervolgens allen die in nood verkeerden, of door schulden gedrukt werden, zoodat hij binnenkort aan het hoofd stond van vierhonderd man. Met hen begaf hij zich naar het land van Moab, welks koning hein op zijn verzoek een stad aanwees, waar zijn vader en moeder tegen de mogelijke vervolging van Saul beveiligd waren en waar hij ook zelf kon verblijven. De profeet Gad echter sprak tot hem : Blijf hier riet, maar keer naar het land van Juda terug. David gat hieraan gehoor en vertrok met zijne mannen naar het (ten oosten van Jerusalem gelegen) woud Haret.
Davids wederkomst op het grondgebied van Israël kwam Saul eerst tij geruchte te weten; zijne dienaren, die meest allen zijne eigene st.ungenooten waren, hadden (blijkbaar door toedoen van Jonathas) hem van deze zaak, evenals van zoovele andere, welke op David betrekking hadden, onkundig gelaten. Hierover ten zeerste vertoornd, riep hij hen bij zich en sprak: Hoort, zonen van Jemini (Benjamin); zal de zoon van Isai (uit den stam Juda) u akkers en wijnbergen schenken, dat gij daarom tegen mij samenspant, en niemand mij iets aangaande Davids doen en laten bericht, en wel voornamelijk, wijl mijn zoon niet den zoon van Isai een verbond heeft gesloten? Is er dan geen uwer, die uit medelijden mijae zijde kiest, daar toch mijn zooi; Jonathas mijnen onderdaan, die mij tot heden lagen legt, tegen mij opzet? Xu trad Doëg, de Idumeër, nader en sprak: Ik heb den zoon van Isai te Nobe gezien bij den hoogepriester Achimelech, die voor hem den Heer geraadpleegd heeft en, na hem van leeftocht te hebben voorzien, hem ook het zwaard van Goliath heelt gegeven. Toen de koning dit hoorde liet hij onmiddellijk den hoogepriester, tegelijk met alle priesters die te Nobe waren, halen en sprak tot Achimelech: Hoor, zoon van Achitob, waarom zweert gij met den zoon van Isaï tegen mij samen; waarom gaaft gij hem brood en een zwaard en waarom raadpleegde! gij voor hem den Heer, terwijl hij toch tegen mij in opstand is en mij voortdurend belaagt? Achimelech antwoordde: Kon ik, o koning, dit weten? was dan niet David de getrouwstc uwer dienaren en 's konings eigen schoonzoon, die in alles naar uwe bevelen handelde en geeerd was in uw huis? Heb ik heden voor het eerst den Heer voor hem geraadpleegd? geenszins immers! Dat toch de koning van mij, zijnen dienaar, geen verkeerde gedachte hebbe, of van iemand uit mijns vaders huis; niet het minste of geringste heb ik van de zaak geweten. Het wederwoord des Konings luidde: Sterven zult gij, Achimelech, gij en geheel het huis uws vaders. Daarop beval de koning zijnen wapendragers: Slaat de priesters des Heeren dood, want zij houden het met David. Dit gruwelijk en hoogst onrechtvaardig bevel verd niet ten uitvoer gebracht; de wapendragers schrikten er voor terug, hunne handen met liet bloed van schuldelooze priesters te bezoedelen. Toen sprak Saul tot Doëg: Gij dan, val
B1JBELSCHH GKSCHIHDHNIS.
op de priesters aan. Doeg deed het, en vijf en tachtig gezalfden des Heeren, gekked in het linnen ephod , vonden onder de handen des Idumeers den dood. Maar nog was auls wrok niet genoeg gekoeld; hij zond zijne soldaten op Xobe los, waar de priesters gewoend hadden, en liet de gansche stad uitmoorden; mannen noch vrouwen, kinderen noch zuige-geüngen, ossen noch ezels bleven gespaard. Een der zonen echter van Achimelech, Abiathar, wist nog intijds te ontkomen; hij vluchtte naar David en deelde hem de ontzettende gebeurtenis mede. David zeide: Ik ben de oorzaak van de slachting der uwen; doch blijf bij mij; zoo lang ik leef, zal u geen leed geschieden.
:. Hel huisgezin van isaï en zijne verdere bloedverwanten gingen zich bij David in de grot Odollam verschuilen, om zich te onttrekken aan de wraakplannen, die Snul vermoedelijk tegen hen koesterde. Dat deze vrees niet geheel ijdel was, bleek uit hetgeen kort daarna met de priesters der stad Kobe geschiedde. Den overigen personen die zich bij David aansloten, den armen en bedrukten, was het waarschijnlijk tc doen, om onder aanvoering van den roemrijken bestrijder der Philistijnen, tegen deze erfvijanden van Israël op te trekken en zich langs dien weg levensonderhoud en buit te verzekeren. Met zich aan hun hoofd te stellen beoogde David geenszins, tegen Saul in verzet te komen; integendeel bleef hij, zooals uit zijne latere daden zal blijken, den koning steeds de incest ongeveinsde hoogachting en liefde toedragen. Al wat Saul, in strijd hiermede, sprak van lagen h'ggen en van opstand, vond slechts in het eigen achterdochtig gemoed des ongeiukkigen konings zijn oorsprong. Zelfs zijne dienaren schijnen dit te hebben ingezien; om hun vorst nuttelooze kwellingen en het begaan van wreedheden te besparen, spraken zij hem over David zoo weinig mogelijk en hielden d ens doen en laten voor hem verborgen.
2. De verzekering van David aan Achimelech te NTobe omtrent ecne geheime zending des konings enz., was blijkbaar eeue onwaarheid. De H. Schrift keurt deze niet goed: zij verhaalt slechts wat voorgevallen is. Men houden dit ook voor later in 't oog, wanneer soms van andere heilige en godvruchtige personen minder goede of zo.uiige daden worden vermeld.
HOOFDSTUK LXXV,
SAULS EERSTE TOCHT TER VERVOLGING VAN DAVID,
⢠-----
n het woud Haret ontving David bericht, dat de Philistijnen de stad Ccila , op Pil- het grondgebied van Juda, belegerden en in den omtrek de korenschuren plun-derden. Oogenblikkelijk gevoelde hij zich aangespoord, de stad ter hulp tc komen; doch alvorens daartoe te besluiten, raadpleegde hij den Heer en vroeg: â ji} Zal ik optrekken en de Philistijnen slaan? De Heer antwoordde: Irek op, gij zult lquot;1 de Philistijnen slaan en Ceila ontzetten. Nu riep hij zijne strijders, die inmiddels tot 600 man waren aangegroeid, bijeen en deelde hun zijn plan mede. Doch zij spraken: Hier zijn wij reeds niet veilig; wat zal het dan zijn, wanneer wij naar Ceila gaan, om ons legen de heerscharen der Philistijnen te wagen? Ten einde het geopperde bezwaar bij zijne mannen uit den weg te ruimen, raadpleegde David andermaal den Heer en kreeg opnieuw ten antwoord: Maak u op, ontzet Ceila, ik zal de Philistijnen in uwe handen leveren. Sterk door deze herhaalde goddelijke verzekering, snelde D.ivid thans, zonder verderen tegenstand te ontmoeten naar de vijanden heen, bracht hun eene gevoelige nederlaag toe, ontnam hun het vee dat zij bij zich hadden, en trok met zijne kleine schaar het bevrijde Ceila binnen.
Zoodra dit Saul ter oore kwam, riep hij uit: Nu is David in mijne handen geleverd, want hij heeft zich zelf opgesloten in eene stad, die poorten en grendels bezit. Om daar aanstonds, zoo hij meende, z.jn voordeel mee te doen, bracht Saul, zooveel mogelijk in het geheim, een leger op de been, ten einde David onverhoeds ic overvallen en Ceila ie omsingelen. David echter waakte; op het eerste gerucht, dat hij omtrent Sauls plannen vernam, richtte hij zich tot den hoogepriester Abiathar en zeide: I rek het ephod aan en raadpleeg den Heer. Zoodra de hoogepriester gereed was, sprak David: Heer, God van Israël, uw dienaar heelt gehoord, dat Saul het voornemen heeft naar Ceila te komen en de
'59
stad om mijnentwil te verderven; is het waar, zal hij komen? De Heer antwoordde: Hij â /.al komen. Opnieuw vroeg David; Zullen de inwoners van Ceila mij en mijne mannen aan Saul uitleveren? Wederom antwoordde de Heer: Zij zullen u uitleveren. Dit was David genoeg; hij wist thans, dat hij te Ceila niet kon toeven en ging heen. Saul, die hiervan inmiddels bericht had ontvangen, zag nu ook van zijne vervolging af.
In de woestijn Ziph bevonden zich vele schuilplaatsen, vooral op een berg, die met dicht geboomte bezet was. Deze plaatsen koos David, toen hij uit Ceila moest vluchten, zich bij afwisseling ten verblijf. Eens, dat hij zich in het woud ophield, kwam Sauls zoon, Jonathas, hem bezoeken, om hem te bemoedigen en te versterken. Vrees niet, sprak Jonathas, mijns vaders hand zal u niet bereiken; gij zult koning van Israel worden en ik zal de tweede zijn in het rijk; mijn vader zelf beseft dit zeer goed. Beide vrienden hernieuwden nu nog eens hun verbond en bekrachtigden het andermaal met eenen eed ; daarna keerde Jonathas naar Gabaa terug en David bleef in het woud.
Aan de zuidelijke grens der woestijn Ziph lag eene stad van denzelfden naam. Eenige mannen uit deze plaats reisden naar Saul en zeiden: Zie, houdt David zich niet in onze nabijheid schuil, in het woud, op den heuvel Hachila? Doe dus gelijk uwe ziel begeert, kom tot ons over en wij zullen uwen vijand in uwe handen leveren. Saul ontving deze verzekering met den blijden groet: Gezegend moogt gij zi)n van den Heer, wijl gij medelijden met mij gevoelt. Voorts sprak hij: Keert nu, bid ik u, terug, gaat ijverig na, in welk oord hij zich ophoudt en wie hem daar gezien heeft, want hij is tegen mij op zijne hoede; vorscht dus al zijne sluiphoeken uit; wanneer gij zeker van uwe zaak zijt, komt dan weder hier, opdat ik met u ga, en al had hij zich ook in den grond begraven, ik zal hem te voorschijn halen.
Weldra waren de mannen met hunne nasporingen gereed, en Saul begaf zich met hen op weg. Toen dit aan David geboodschapt werd, week hij naar de woestijn Maon. Doch ook daar werd hij achtervolgd; David en zijn mannen gingen langs de eene en Saul en de zijn.n aan de andere zijde van den berg. Reeds was David geheel door het koninklijke leger omsingeld en wanhoopte hij aan zijn behoud, toen op hetzelfde oogenblik een bode naderde, die Saul de tijding bracht: De Philistijnen zijn in het land gevallen, kom spoedig, Saul zag nu vooreerst van Davids achtervolging al en trok op de Philistijnen los. Sedert dien lijd werd de plaats, waar Saul en David zich van elkander verwijderden, de Rots der Scheiding genoemd.
De strijd met de Philistijnen was weldra op eene voor Israel gewenschte wijze ten einde gebracht, zoodat Saul zijne onderbroken vervolging van David kon hervatten. Inmiddels was David van verhlijlplaats veranderd. Ondervonden hebbende, dat het in de woestijn Maon voor hem niet veilig was, had hij zich naar de nog woestere wildernis Engaddi b.geven, waar hij zich in de meest ondoordringbare oorden, in holen en bergkloven schuilhield. Zoodra Saul hiervan kennis kreeg, trok hij met drieduizend uitgelezene mannen David na en achtervolgde hem zelfs tot op de steilste rotspunten, die bijna alleen voor een steenbok toegankelijk waren. Ku gebeurde het eens bij die gelegenheid, dat Saul zich eenige oogenblikken van zijn leger afzonderde en een groote berggrot binnentrad, om aan eer.e natuurlijke behoefte te voldoen, i oevallig diende het verder naar achter gelegen gedeelte dier grot op dat oogenblik David en zijnen mannen tot schuilplaats, zoodat de mannen, Saul ontwarende, David toefluisterden : Zie, dit is de dag, dat de Heer uwen vijand aan u heeft overgeleverd, opdat gij hem doen zoudt, wat welbehagelijk is in uwe oogen. Van dien voorslag, om den gezalfde des Heeren te dooden, wilde David echter niets weten, en ook zijne mannen verbood hij, den koning eenig leed te doen. Alleen om hem straks te kunnen bewijzen, dat hij hem in zijn macht had gehad, sloop David zeer stil naar Saul heen, en sneed hem^ met een kloppend hart, den zoom van zijn mantel af.
I as had Saul zich weder uit de grot verwijderd, of David liep hem na en riep: Heer koning! 1 oen Saul op dit woord omzag, boog David zich voor hem ter aarde en ging
r
BIJBF.I.SCHE GI-SCHIl-Dl'NIS.
voort te roepen: Waarom, o koning, luistert gij naar de taal van hen, die u zeggen: David zoekt uw verderf? Zie, heden kan het u blijken, dat de Heer u in deze spelonk aan mij had overgeleverd; ik heb ook een oogenblik de gedachte in mij voelen opkomen, om ii te dooden; maar mijn oog heeft u gespaard, want ik heb tot mij zeiven gezegd ; Ik zal mijne hand niet uitsteken naar mijn vorst, wijl hij de gezalfde des Heeren is. Ja, mijn vader! aanschouw dit stuk van uwen mantel, dat ik in mijne hand houd, en erken dat toen ik het afsneed, ik u geen leed heb willen doen; begrijp daaruit, dat erbij mij geen booze plannen tegen u bestaan en ik uw leven niet belaag, maar gij belaagt het mijne en wilt mij dooden. De Heer zij rechter tusschen ons: Hij wreke mij op u, maar mijne hand zal zich tegen u niet keeren. Het spreekwoord zegt, dat de goddeloosheid uitgaat van de goddeloozen; tot dezen behoor ik niet, want ik wil u geen kwaad. Wien vervolgt gij dan toch, o koning van Israel; wien vervolgt gij ? Gij vervolgt een dooden hond en 'een vloo. De Heer oordecle tusschen u en mij; Hij zie toe, om mij recht te verschaften en mij te redden uit uwe hand.
Deze woorden lieten niet na, op het gemoed van Saul een diepen indruk te maken. Is dit niet uwe stem, mijn zoon David? riep de ongelukkige vorst uit, en meteen brak hij in tranen los. Daarna ging hij voort: Gij zijt beter dan ik, want gij hebt mij niets dan goed bewezen en ik heb het u met enkel kwaad vergolden. Nog heden hebt gij uwe welwillendheid getoond; want schoon de Heer mij in uwe handen had geleverd, hebt gij mij niet gedood. Welk mensch, wanneer hij zijnen vijand in zijne macht heeft, zal hem ongedeerd laten heengar.n? dit deedt gij; de Heer moge het u vergelden. Wat mij aangaat, ik weet thans zeker, dat gij eens zult regeeren en den rijksstaf van Israël in uwe hand zult voeren; bewijs mij nu de goedheid, mij voor den Heer te zweren, dat gij mijn nakomelingschap niet zult uitroeien en mijn naam in het geslacht mijns vaders zult laten voortleven. Nadat David hem dit gezworen had, keerde Sau! naar zijn huis te Gabaii terug en David begaf zich naar de woestijn Pharan.
Omstreeks den zei ld en tijd stierf Samuel; hij werd beweend door gansch Israël en begraven in het graf zijner familie te Ramatha.
j. Uit het eens tot liem gesproken woord: »I)c Heer lieeft u verworpen en zich reeds van een anderen koning voorzien, van een mnu naar zijn hart,quot; kon Saul, wanneer hij naging, hoe wonderbaar God David beschermde en hoezeer deze in alle deugden uitblonk, gemakkelijk tot de gevolgtrekking komen, dat David die «man naar Gods hartquot; moest zijn, en hem dus het koningschap was weggelegd.
2. Het doei, dat Saul bewoog naar de grot te gaan, waar David hem den zoom van zijn mantel afsneed, wordt in den Hebreeuws dien tekst uitgedrukt met de woorden: »hij ging daar binnen, om zijne voeten te dekken.quot; Deze duistere plaats wordt door onze Vulgata vertaald, zooals boven is meegedeeld. De Syrische en Arabische vertalingen lezen: «hij ging daar binnen om te slapen.quot; Xcemt men deze laatste lezing aan, dan wordt het te lichter begrijpelijk, hoe David eerst met zijne mannen kon spreken, vervolgens naar Saul heengaan, en eindelijk hem den zoom van zijn mantel kon afsnijden, zonder dat de koning iets daarvan bespeurde.
5.gt; Da ids overwinning op zich zeiven, zegt de II. Chrysostonuts, was roemwaardiger dan die op den reus Goliath; destijds prezen hein vrouwen, thans de koren dor engelen.
HOOFDSTUK LXXVI. N A 1! A L H N' A B I G A ï L
if.r woonde te dien tijde in Maon een man uit het geslacht van Caleb, met name Nabal. Hij was zeer rijk, want hij had niet minder dan drieduizend schapen en duizend geiten, die op zijne uitgestrekte bezittingen op en om den berg Carmel
weidden. Zijne echlgenoote, met name Abigail, was eene zeer verstandige en schoone I vrouw; maar hij zelf was hardvochtig en van een slechte en kwaadaardige inborst, j Nu gebeurde het op zekeren dag, toen Nabals schapen geschoren werden, dat
David tot tien zijner mannen sprak: Gaat naar den Carmel, groet Nabal namens mij en
16 i
BIJBF.LSCHH Gl-SCHIRDMNIS.
zegt hem: Uwen broeders en u zij de vrede; vrede zij ook uwen geheelen huize en al wat gij bezit! Ik heb gehoord dat uwe herders, die zich dagelijks met ons in de woestijn bevinden, de schapen scheren; wij zijn hun nooit lastig gevallen, en nooit, zoolang wij bij hen waren, hebben zij (door roovers of wild gedierte) een enkel stuk vee vermist, vraag het hun zeiven, zij zullen u getuigen dat ik waarheid spreek. Laat derhalve ons, uwe dienaren, genade vinden in uwe oogen, en geef heden â want wij komen ten rechten tijde â aan uw zoon David, wat uwe hand vindt te geven. Deze woorden brachten Davids mannen, gelijk hun bevolen was, aan Nabal over en wachtten toen stilzwijgend Nabals antwoord af. Ten laatste sprak Nabal: Wie is David en wie de zoon van Isaï? Er zijn tegenwoordig zoovele dienaren, die hun meesters ontloopen zijn; zal ik mijn brood en mijn water benevens het vleesch van het vee dat ik voor mijne scheerders geslacht heb, geven aan mannen die ik niet ken ? Met dit onvriendelijk bescheid keerden Davids volgelingen naar hun aanvoerder terug. Terstond gaf deze aan vierhonderd man last zich te wapenen, ook hij zelf gordde zijn zwaard aan, en terwijl hij tweehonderd anderen ter bewaking der schuilplaats en van den daar verzamelden voorraad achterliet, trok hij met de vierhonderd op, om Nabal voor den hoon, hem en zijnen mannen aangedaan, te tuchtigen.
Inmiddels kwam een van Nabals dienaren, die begrepen had aan welk gevaar Nabal zich door zijne dwaze handelwijze had blootgesteld, bij Abigail geloopen en sprak: Zie, David heeft mannen gezonden, om onzen meester den zegenwensch te brengen; doch Nabal heeft hen dwars behandeld. De mannen nu zijn altijd zeer goed voor ons geweest; zoolang zij met ons in de woestijn vertoefden, vielen zij ons nooit lastig; integendeel zoowel bij nacht als bij dag waren zij ons als een muur, waarachter wij ons veilig konden rekenen. Overweeg derhalve wat u te doen staat, want zij zijn zeer vertoornd op uw echtgenoot en op uw geheele huis, en Nabal is een Belialskind, niemand kan een verstandig woord met hem spreken. Aanstonds had Abigail haar plan gemaakt; zij nam tweehonderd brooden, twee zakken wijn, vijf gekookte rammen, vijf maten geroosterd koren, honderd trossen rozijnen en tweehonderd koeken vijgen, liet dit alles op ezels laden en beval haren dienaren voor haar uit te gaan. Haren man sprak zij over hare onderneming geen woord. Toen nu alles gereed was, en de dienaren voor haar uitgingen, besteeg Abigail haren ezel en reed den berg af, David en diens mannen te geinoet.
David, welke niets van dien aard verwachtte, sprak onderweg tot de zijnen: ik heb dan alzo'o Nabals bezittingen tevergeefs in de woestijn beschermd? tevergeefs is het geweest, dat hij geen enkel stuk vee verloren heeft; hij zal mij nog kwaad voor goed vergelden? Zoo en zoo moge de Heer mij doen, als er morgen nog een enkele man of knaap van Nabal leeft.
Middelerwijl was Abigail David genaderd. Zoodra zij hem zag, sprong zij van haren ezel, boog zich diep voor David ter aarde, en sprak, aan zijn voeten geknield: Op mij, mijn heer, moge de schuld van dit onrecht neerkomen. Laat, bid ik u, uwe dienares tot u spreken en luister naar hare woorden. Mijn heer en gebieder, sla toch geen acht op dezen onredelijken man: te recht heet hij Nabal, want hij is (wat die naam beteekent) een dwaas. Uwe dienares, mijn heer, heeft uwe mannen, die gij gezonden hebt, niet gezien, lin nu, mijn heer, zoowaar de Heer leeft en uwe ziel leeft, de Heer heeft u (door mijne tusschenkomst) er van teruggehouden uwe hand met bloed te bevlekken ; mogen overigens al uwe vijanden, die u kwaad willen, zoo (onbeduidend) zijn als Nabal. Neem thans deze geschenken aan, welke uwe dienares voor u, mijn heer, heeft medegebracht, en geef ze aan de mannen die u volgen. Wisch de (overgenomen) schuld uwer dienstmaagd uit; want de Heer zal u een roemrijk geslacht verwekken, wijl gij, mijn heer, den krijg des Heeren voert; derhalve worde er in u geene misdaad bevonden al de dagen uws levens. Staat er ooit iemand op, om u te vervolgen en uwe ziel te belagen, zoo moogt gij met alle rechtvaardigen bij den Heer bescherming vinden, terwijl uwe vijanden weggeworpen worden als een steen uit den slinger. En wanneer de Heer alles vervuld zal hebben, wat Hij u, mijn heer, beloofde en Hij u gesteld zal hebben tot bestuurder van Israel, zoo zult gij u
2 I
1( 2 niJBELSCHE GESCHIEDENIS.
(door thans te vergeven) tegen dien tijd het verdriet cn de wroeging hebben bespaard van uw eigen rechter te zijn geweest en onschuldig bloed te hebben vergoten; en wanneer het u op dien dag wel gaat, dan zult gij u nog uwer dienstmaagd herinneren.
Door deze taal diep getroffen, riep David uit: Gezegend zij de Heer, de God van Israel, die u mij te genioet heeft gevoerd! gezegend uw woord! gezegend gij zelve, die mij heden belet bloed te vergieten en mijn eigen rechter te zijn. Want waart gij mij niet spoedig te gemoet gesneld, zoo waar de Heer leeft, geen man of knaap in Nabals huis zou morgen nog de zon hebben zien opkomen. Vervolgens nam David de geschenken uit Abigails hand aan en sprak tot haar: Keer in vrede naar uwe woning terug; uit ontzag voor u zal ik doen, zooals gij gezegd hebt.
Onderwijl Abigail zich aldus beijverde den toorn Davids van haren man en zijn huisgezin af te wenden, had de zorgelooze Nabal een gastmaal laten aanrechten als van een koning; hij at en dronk met zijne schapenscheerders en gaf zich over aan de luidruchtigste vroolijkheid, totdat de wijn hem ten laatste geheel van zijne zinnen beroofd had. In dien toestand trof Abigail hem bij hare tehuiskomst aan. Zij zeidc hem derhalve dien dag niets; eerst toen hij des morgens zijne dronkenschap had uitgeslapen, deelde zij hem mede, welk gevaar hem bedreigd had. Nu hij dit hoorde, kromp zijn hart van schrik ineen en zat hij onbeweeglijk daar neer als een steenblok; tien dagen later nam de Heer hem uit het leven weg. Toen David dit hoorde, riep hij uit: Gezegend zij de Heer, die recht doende over den smaad mij aangedaan, zijn dienaar van eigen wraak heeft weerhouden ! Voorts zond David naar Abigail, om haar ten huwelijk te laten vragen. De mannen met deze taak belast, troffen Abigail op den berg Carmel aan en spraken tot haar; David heeft ons gezonden, opdat wij u zouden uitnoodigen, zijne vrouw te worden. Op het vernemen dezer woorden boog Abigail zich voor David, door zijne gezanten vertegenwoordigd, ter aarde en sprak: Ziehier uwe dienstmaagd, om mijns heeren dienaren de voeten te wasschen. Vervolgens maakte zij zich reisvaardig, besteeg haren ezel, ging van vijf dienstmaagden vergezeld met Davids mannen op weg en werd zijne vrouw. David nam nog eene andere echtgenoote, Achinoam, uit de stad lezrael; Michol, trouwens, was hem door Saul weder ontnomen en aan Phalti, den zoon van Laïs, gegeven.
1. Zooals reeJs onderscheidene malen is opgemerkt, stond de Wet den Israëlieten meerdere vrouwen toe; maar geene vrouw kon aan haren man tegen zijn wil ontnomen worden. In sommige gevallen was alleen eene vrijwillige scheiding geoorloofd, doch niet dan om gewichtige redenen, en nadat de man aan de vrouw een onder alle opzichten wettelijken scheidbrief had gegeven; bovendien mocht hij zich later niet opnieuw mei haar verbinden. De daad van Saul was dus hoogst onrechtvaardig en Michols huwelijk met Plialti ten eenemalc kr:ichteloos. David heeft dan ook nimmer de geldigheid er van erkend, en toen hij koning geworden was, eischte hij eenvoudig Michol van Phalli weder op.
2. De woorden «onschuldig bloed vergietenquot; zien niet op Nabal, maar op zijne dienaren en op de kinderen, die, als Abigail het niet verhinderd had, evenzeer als Nabal xell ge.lood zouden zijn.
HOOFDSTUK LXXVII.
SAULS TWEEDE TOCHT TER VERVOLGING VAN DAVID.
ndermaal kwamen de mannen van Ziph bij Saul te Gaba.i en zeiden: Zie, David houdt zich schuil op den heuvel Hachila, die tegenover de woestijn ligt. Op het ontvangen dezer tijding trok Saul, ongeacht zijne vroegere voornemens en verzekeringen, met drieduizend der uitgelezensten van Israël naar de woestijn, om ij? David te zoeken. Toen de geruchten dezer nieuwe vervolging tot David doordrongen, l zond hij mannen op kondschap uit en ervoer weldra, dat dc geruchten waatheid hadden behelsd. Inmiddels kwam Saul nader en legerde zich bij den heuvel Hachila langs den weg. Des nachts ging David, vergezeld van Achimelech den Hetheër en van Abisai,
RIJBELSCHE GESCH1! DHN'IS. 165
den zoon zijner zuster Sarvia, Sauls kamp van zoo nabij mogelijk bespieden. Van eene hoogte (wellicht half verscholen achter een rotspunt) blikte hij neer en kon (bij den helderen oosterschen sterrenhemel, misschien bij maanlicht) duidelijk de tent onderscheiden, waarin Saul sliep, zoo ook de plaats waar Abner rustte, alsmede de strijders die in een wijderen kring op den grond lagen uitgestrekt. Daarop sprak hij tot Achimelech en Abisaï: Wie daalt met mij in de legerplaats af? Toen Abisaï zich hiertoe bereid \erklaarde, drongen beiden heimelijk het kamp binnen en stonden weldra voor de geopende tent van Saul. Saul sliep nog altijd rustig voort; zijn beker lag naast hem en zijn lans stak aan het hoofdeinde van zijn veldbed in den grond. Behoedzaam fluisterde Abisaï David in het oor: Heden heeft de Heer uwen vijand in uwe handen geleverd ; laat mij hem een steek met zijn lans geven, dat hij geen tweeden meer noodig heeft. David fluisterde terug: Keen, dood hem niet; want wie kan zonder dat hij schuldig wordt aan misdaad, zijne handen uitsteken naar den gezalfde des Heeren ? Zoo waar de Heer leeft, de Heer zelf moge hem slaan, ol hij kan in den strijd sneuvelen; maar mijne hand â de Heer zij mij genadig! â zal zich nimmer met het bloed van 's Heeren gezalfde bevlekken. Neem alleen des konings lans weg en zijn beker, en laat ons gaan. liven ongehinderd als beiden in het kamp gekomen waren, geraakten zij er weder uit; geen mensch zag of hoorde hen; want alle strijders lagen, door Gods beschikking, in een zeer diepen slaap gedompeld.
Met de lans en den beker des konings keerden David en Abisaï op den heuvel Hachila terug, en nadat David een der hoogste rotstoppen beklommen had, riep hij uit alle macht tot Abner; Abner, hoor dan toch! Abner antwoordde; Wie zijt gij, die daar roept en den koning in zijnen slaap stoort? David vervolgde: Gij zijt immers een man, Abner; er is immers uws gelijke niet in Israel! Waarom bewaakt gij dan uwen koning niet beter? Hr is iemand binnen uwe legerplaats geweest, die het in zijne macht heeft gehad den koning, uwen meester, te vermoorden. Gij hebt uw plicht verwaarloosd en zijt des doods schuldig, gij allen, die uwen meester, den gezalfde des Heeren, zoo slecht hebt bewaakt. Zie maar eens, waar de beker des konings gebleven is en zijn lans, die aan het hoofdeinde van zijn bed stond. Toen nu ook Saul wakker werd en deze woorden hoorde, riep hij: Is liet niet uwe stem, mijn zoon David, die ik verneem? Ja, heer en koning, antwoordde David, het is mijne stem. Waarom toch vervolgt mijnheer zijn dienaar; welk kwaad is er in mij bevonden? Welnu, mijn heer cn koning, mag uw dienaar u een woord zeggen? Luister dan, bid ik u; Indien het, met toelating des Heeren, de booze geest is, die u tegen mij opzet, tracht dan den Heer door offeranden te verzoenen; zijn het echter menschen-kinderen, die het kwaad veroorzaken, zoo zij hun de vloek voor hun goddeloos bedrijf; want daardoor hebben zij mij uit het erfdeel des Heeren (uit Israël) verbannen, en als 't ware tot mij gezegd ; Ga maar (in het land der Philistijnen en Moabieten) de valsche goden dienen. Laat toch, o, koning, mijn bloed niet vergoten worden; immers, gij vervolgt eene vloo (een hersenschim), gelijk men op het gebergte een patrijs najaagt.
Voor de tweede maal kwam Saul thans tot bekentenis van zijn verkeerd gedrag. Ik heb gezondigd! riep hij uit; keer tot mij terug, mijn zoon David; ik zal u geen kwaad meer doen, want mijn leven is heden kostbaar geweest in uwe oogen ; ik zie in, dat ik dwaas heb gehandeld cn dat ik u niet heb gekend. David nam de uitnoodiging om tot Saul terug te keeren, niet aan ; maar antwoordde alleenlijk; Zie, hier is de lans des konings, dat een van 's konings dienaren kome, om haar te halen. Voorts sprak hij: De Heer vergelde een ieder naar zijne rechtvaardigheid en zijn trouw ; gelijk ik u niet heb willen dooden, ofschoon gij heden in mijne macht geleverd waart, zoo moge de Heer mij redden uit alle gevaren. Hierop riep Saul uit : Gezegend zijt gij, mijn zoon David ! wat gij begint, zult gij voleindigen, en uwe heerschappij zal blijvend zijn. Daarna ging David zijns weegs en Saul keerde naar Gabaa terug.
164 BljBHLSCllH GliSCHlHDEXlS.
HO()l;DSTUK LXXV1I1.
OORLOG MET DE PH1LIST1J\1;N. SAUL HIJ DE WAARZEGSTER TE LNDOR. DAVID VERSLAAT DF. OVERBEIJESl-Ã.EiX DER AMALEGIHTEX. SAUL SNEU\'ELT.
£ vv.'
7': - â
J;'! gt; iet huig na de voorgaande ontmoeting sprak David bij zicii zciven: ik zal toch
nog eens Saul in handen vallen; zou ik dus niet het best doen niet geheel en
Jj ^ ai van Israels grondgebied te vluchten en de wijk te nemen naar het land der Vl I '
hy Philistijnen , waar Saul mij niet durlt zoeken? Ja, dit zal ik doen. Na aldus besloten A te hebben, riep David zijne zeshonderd man bijeen, en zij vertrokken gezamenlijk, L eik met zijne vrouw en kinderen en David met zijne twee vrouwen, naar Achis, koning van Getli. Achis, die inmiddels gehoord had, dat de koning van Israël en David vijanden waren, nam den laatste met zijne mannen gaarne op, en wenschtc, dat zij zich bij hem te Geth zouden vestigen. David wilde dit liever niet en sprak derhalve tot Achis: indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo b-'paal mij eene andere stad uws rijks tot woonplaats; want waarom zou uw dienaar met u in uwe hoofdstad verblijven? Achis wees hem nu Siceleg aan, welke stad naar aanleiding daarvan later het eigendom werd der koningen van Juda.
Te Siceleg bracht David een jaar en vier maanden door; van tijd tot tijd ondernam hij uit die plaats kleine tochten tegen Israels vijanden, de rondzwervende stammen der Ges-surieten, Gerzieten en de overblijfselen der Amaiecieten, en keerde, na deze horden verslagen to hebben, met rijken buit huiswaarts. Vroeg Achis hem: Tegen welke streek zijt gij opgetrokken? dan gaf hij (dubbelzinnig) ten antwoord: Tegen het zuiden van Juda, en van Jerameël en Ceni, Om op dit pnnt niet verraden te worden, droeg hij er vooral zorg voor, geene krijgsgevangenen mee te voeren; want, zeide hij, zi) zouden tegen mij getuigen. Aldus handelde David gedurende al de dagen , die hij in het land der Phiüstijnen woonde, zoodat Aciiis telkens meer vertrouwen in hem stelde en bij zich zeiven sprak: Hij doet zijn volk Israël veel kwaad en zal dus genoodzaakt zijn, voor altijd mijn dienaar te blijven.
Nu geschiedde liet in die dagen, dat de gezamenlijke vorsten der Philistijnen, onder welke ook de koning van Geth, zich wederom tegen Israël ten strijde uitrustten. Derhalve sprak Achis tot David: Weet wel, dat gij en uwe mannen met mijn leger zult moeten optrekken. David antwoordde (weder dubbelzinnig): Gij zult zien, wat uw dienaar doen zal. En ik, hernam Achis, zal u overste mijner lijfwacht maken voor geheel mijn leven.
De Philistijnen drongen het grondgebied van Ephraïm binnen en sloegen zich neder in de vlakte Jezrahel. Weldra kwam ook Saul, die inmiddels geheel Israël te wapen had geroepen, met zijne strijders aanrukken en legerde zich, in der Philistijnen nabijheid , op het gebergte Gelboe. Al aanstonds, bij den eersten blik dien liij van daar over de vijandelijke krijgsmacht liet wijden, maakte eene groote vrees zich van hem meester; hij raadpleegde den Heer, doch de Heer gaf hem noch door droomen, noch bij monde van priester of profeet eenig antwoord. !n deze verlegenheid nam hij een hoogst misdadig besluit. Ofschoon hij vroeger, ingevolge het voorschrift der wet van Moses, alles in het werk had gesteld, om de toovenaars en waarzeggers uit te roeien, sprak hij tot zijne dienaren: Zoekt mij eene vrouw, die van een waarzeggenden geest bezeten is, opdat ik mij tot haar om antwoord begeve. Toen zijne dienaren hem op dit bevel hadden medegedeeld , dat er zich te Eador eene zoodanige vrouw bevond, verkleedde hij zich, ging tegen den avond niet twee zijner mannen op reis en kwam in liet begin van den nacht te Endor aan. Stel u aan het werk, sprak Saul de waarzegster toe, en wek mij den geest
RIJBHI.SCHF. GI-SCHIl'DF.XIS.
Tan den verstorvene op, dien ik u noemen zal. De vrouw antwoordde: Zie, gij weet hoe Saul bevolen heeft de toovenaars en waarzeggers uit te roeien; waarom dan spant gij mij strikken, die mij mijn leven zullen doen verliezen? Doch Saul zwoer haar: Zoowaar de Heer leeft, er zal u wegens deze zaak geen kwaad geschieden. Hierdoor gerustgesteld vroeg de vrouw: Wien zal ik u opwekken? Wek rr.ij Samuel op, gebood Saul. Nauw was dit woord hem van de lippen, of reeds zag de vrouw (zonder dat zij nog eenige bezwering gebruikt had) Samuel te voorschijn komen; zij keerde zich tot Saul en riep in de grootste ontsteltenis uit: Waarom hebt gij mij bedrogen? gij zijt immers Saul zelf! Wees niet bevreesd, antwoordde Saul; zeg mij, wat ziet gij? Ik zie, sprak de vrouw, een goddelijk man uit den grond opkomen. Hoe ziet hij er uit? vroeg Saul. Het is, zeide zij, een oud man, in een mantel gewikkeld. Saul begreep, dat het Samuel zijn moest en boog zich eerbiedig ter aarde; onderwijl verwijderde de vrouw zich en liet den koning met Samuel alleen.
Samuel sprak tot Saul: Waarom verontrust gij mij; waarom wekt gij mij op? Saul antwoordde: Omdat ik in grooten nood verkeer; de Philistijnen staan tegen mij slagvaardig en God is van mij geweken : Hij geeft mij noch door een profeet, noch door droomen eenig antwoord; derhalve heb ik u opgeroepen, opdat gij mij zeggen zoudt, wat ik doen moet. Samuel hernam: Waarom vraagt gij mij dit, daar toch de Heer van u is geweken en op uw mededinger is overgegaan? De Heer zal u doen, gelijk Hij door mijnen mond gesproken heeft; Hij zal u het rijk ontnemen en het geven aan David, wijl gij den Heer ongehoorzaam zijt geweest en zijn bevel tegen Amalec niet hebt volbracht ; derhalve heeft de Heer u heden rampen beschoren; hij zal u, en Israel met u, in de handen der Philistijnen leveren; reeds morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn (met mij onder de dooden gerekend worden.)
\Ta deze woorden verdween Samuel, en Saul viel van schrik en ontzetting ter aarde; bovendien waren zijne krachten uitgeput, daar hij den geheelen dag niets gegeten had. De vrouw, die thans weder binnenkwam, vond den koning liggen en sprak hem toe: Zie, uwe dienstmaagd heeft naar uwe stem geluisterd en met gevaar voor haar leven aan uw verzoek voldaan ; luister gij nu naar hare stem en eet een weinig brood, dat ik u z.il voorzetten, ten einde gij weder bij krachten moogt komen en de terugreis kunt aanvaarden, Saul wees dit aanbod van de hand; ik zal niet eten, sprak hij. Doch toen de beide mannen, die hem naar Endor vergezeld hadden, hunne pogingen met die der vrouw vereenigden, stond hij van den grond op en nam plaats op een rustbed. De vrouw was in het bezit van een gemest kalt; haastig ging zij het slachten en koken, ook kneedde zij meel tot deeg, bakte daar ongezuurde brooden van en richtte voor Saul en zijne dienaren een maaltijd aan. Toen Saul en de mannen gegeten hadden, begaven zij zich aanstonds op weg en konden nog voor den morgenstond het gebergte Gelboë bereiken.
Nog steeds lagen de legers der Israëlieten en der Philistijnen werkeloos tegen elkander over. Dat der laatstgenoemden telde sedert eenige dagen David niet meer onder zijne gelederen. Hij was daaruit verwijderd op aandringen der Philist jnschc vorsten, die, zoodra zij hem met zijne mannen in het gevolg van hun medevorst Achis ontdekten, tot dezen spraken: Wat moeten toch die Hebreen? Ofschoon Achis antwoordde, dat David reeds sinds jaar en dag bij hem vertoefde en zich altijd zeer loffelijk gedragen had, bleven toch de vorsten aanhouden en zeiden tot Achis: Zend dien man terug; laat hem blijven wonen in de plaats, die gij hem hebt aangewezen, maar hij trekke niet met ons ten strijde; want in de hitte des gevechts zou hij, als middel om zich met zijn koning Saul te verzoenen, zijne wapenen tegen ons kunnen kceren. Die man is niet te vertrouwen; is hij niet David, van wie de reien gezongen hebben: Saul heeft duizend verslagen, maar David tienduizend? Achis sprak dus tot David: Zoo waar de Heer leeft, ik beken, dat gij een uitmuntende man zijt, niets kwaads heb ik in u bevonden; maar gij mishaagt aan de vorsten, keer derhalve, om hun geen aanstoot te geven, morgen in de vroegte naar uwe woonplaats terug.
David deed dit en kwam na drie dasren te Siceleff aan. doch vond de stad in den
i66 BljRI-I.SCHE GESCHIEDENIS.
ellendlgstcn toestand. V.in zijne afwezigheid hadden de Amalecietische roofhorden gebruik gemaakt; zij waren plotseling uit het Oosten komen opzetten, hadden Siceleg ingenomen, de vrouwen en kinderen, van wie er gelukkig geen enkele gedood werd, gevankelijk weggevoerd en daarna de stad in brand gestoken. Zoo vonden David en de zijnen hunne woonplaats terug, brandend, en wat het ergste was, zonder hunne vrouwen en kinderen. Eene ontzettende droefheid maakte zich van hen meester, zij braken in luide jammerklachten uit en weenden totdat zij geene tranen meer hadden. Bovendien moest David nog dc smart verduren, dat zijne mannen, wijl hij de stad zonder verdedigers had gelaten, hem van de wegvoering hunner vrouwen en kinderen de schuld gaven en hem zelfs wilden steenigen. Maar David gedroeg zich moedig; in plaats van den tijd nog langer in onvruchtbaar treuren te laten voorbijgaan, deed hij den hoogepriester, Abiathar, het ephod aantrekken, en verzocht hem, in zijn naam den Heer te raadplegen en te vragen: Zal ik de roovers nazetten en hen kunnen achterhalen? Dc Heer antwoordde: Zet hen na, gij zult hen achterhalen en hun den roof ontnemen.
Onverwijld begaf David zich met zijne zeshonderd man op weg, en zoo snel spoedde hij voorwaarts, dat bij de beek Besor tweehonderd man van vermoeidheid niet meer konden gaan. David liet zich hierdoor niet afschrikken; met vierhonderd man trok hij de beek over en zette zijn vervolgingstocht voort. In het veld, waar hij nu kwam, vond hij een Egyptischen man, die bewusteloos op den grond lag en, zooals later bleek, in drie dagen niets gegeten of gedronken had. Deze man werd met brood, vijgen, rozijnen en water weldra weer bij zinnen gebracht; daarna vroeg David hem: Van waar zijt gij en waar gaat gij heen? Ik ben, antwoordde hij,een Egyptische man, de dienaar van een Amaleciet; mijn meester heeft mij, wijl ik ziek begon te worden, eergisteren hier laten liggen; wij kwamen toen van de zuidelijken grens van Juda en van het land der Philistijnen . waar wij de stad Siceleg in brand hebben gestoken. Kunt gij mij, vroeg David, naar het oord geleiden, waar de bende zich thans bevindt? Ik kan dit doen, zeide de man, maar zweer mij bij God, dat gij mij niet zult dooden en mij niet uitleveren aan mijn meester. David zwoer dit, en de man wees hem de plaats, waar de Amalecieten zich ophielden. Zij lagen in een wijden kring op den grond, etende en drinkende, en gaven zich, ter oorzake van den rijken buit, op Juda en de Philistijnen behaald, aan de luidruchtigste vroolijkheid over. Onmiddellijk viel David de roovers te lijf; een geheelen dag en nacht sloeg hij zoo geweldig op hen in. dat slechts vierhonderd jonge mannen op kameelen de vlucht konden nemen; al de overigen sneuvelden of werden omgebracht. Aldus gelukte het David, de weggevoerde vrouwen en kinderen tot den laatsten persoon te redden en maakte hij zich bovendien meester van groote kudden schapen en runderen en van allerlei anderen zaken, die de roovers uit Juda en sommige plaatsen der Philistijnen hadden weggesleept.
Terwijl David met dc vrouwen , de kinderen en de veroverde have naar Siceleg terugkeerde , kwamen de tweehonderd man, die bij de beek Besor waren achtergebleven en daar den voorraad van het kleine leger bewaakt hadden, hem gelnkwenschende te gemoet. David groette hen vriendelijk, maar eenige kwaadwilligen onder de vierhonderd spraken: Wijl zij niet met ons zijn opgetrokken, zullen zij geen aandeel hebben in den buit; hunne vrouwen en kinderen zullen wij hun wedergeven, maar het daarbij laten. Den mannen, die aldus spraken voegde David toe: Wilt toch , mijne broeders, zoo niet handelen met hetgeen ce Heer ons in zijne goedheid heeft doen behalen; maar dat alles naar evenredigheid verdeeld weide tusschen hen die tegen den vijand hebben gestreden en de anderen, die bij onzen legen ooi-raad zijn achtergebleven. Deze regeling (reeds van ouds gebruikelijk) werd van nu aan als krijgsrecht vastgesteld. Tevens werden van dien buit geschenken gezonden aan de oveisten van eenige plaatsen in Juda, die David en zijnen mannen vroeger vriendschap hadden bewezen.
Terzelfder tijd dat Davids wapenen op dc Amalecietische roofhorde de zege wegdroegen, leed Saul tegenover de Philistijnen eene verschrikkelijke nederlaag. Nog den eigen dag waarop de koning, des morgens vroeg, van de waarzegster te Endor in zijn legei op liet gebergte Gelboë was teruggekeerd, openden de Philistijnen het gevecht, brachten dc Isiac-
niJBHLSCHH G1:SCH1EDHN1S.
lieten aan het wijken en versloegen er velen. Reeds waren Sauls zonen Jonathas, Abiiuuiab en Melchisua alle drie gesneuveld, toen het volle gewicht van den strijd neerkwam op den koning zeiven. Voornamelijk was het eene afdeeling vijandelijke boogschutters, die hem zeer in het nauw bracht en hem doodelijk wondde. Gevoelende, dat hij niet langer weerstand kon bieden, riep hij zijn wapendrager en gaf dezen het misdadig bevel; Trek uw zwaard en doorboor mi], opdat ik niet valle in de handen dezer heidenen, die niet alleen mij zullen dooden, maar mij ten spot stellen bovendien. Daar de wapendrager, terugschrikkende voor de gedachte om zijn vorst te doorboren, het gegeven bevel niet uitvoerde, stortte Saul zich in zijn eigen zwaard, en de wapendrager deed evenzoo. Het woord van Samuel, 'snachts te voren tot Saul gesproken, was in vervulling gegaan; morgen, had de profeet gezegd, zult gij en uwe zonen bij mij zijn.
Zoodra de Israëlieten zagen, dat hun koning en aanvoerder gestorven was, nanun zij de vlucht door het dal Jezrahel en zelfs tot over den Jordaan. Ook de mannen, die tiaar, aan gene zijde des strooms woonden, sloegen op de vlucht en gaven hunne steden aan een hen achtervolgenden vijand prijs.
Toen des anderen daags eenige Phiüstijnen het slagveld bezochten, vonden zij Saul en zijne zonen liggen; zij beroofden de lijken van hunne wapenen en kostbaarheden, hieuwen Saul het hoofd af, droegen dit in triomf het land der Philistijnen rond en stelden het beurKlings in de verschillende afgodentempels voor het volk ten toon. Sauls wapenen werden als zegeteeken opgehangen in den tempel van Astaroth, terwijl men zijn van het hoofd gescheiden romp naast de lijken zijner zonen ter bespotting aan den muur der in het Jordaan-dal gelegen stad Bethsan vasthechtte. Toen de mannen van Jabes in Galaad dit hoorden, begaven de dappersten hunner zich aanstonds op weg, reisden den ganschen nacht door, namen de lijken van den stadsmuur van Bethsan weg, keerden er mede naar Jabes terug, verbrandden ze (gedeeltelijk , begroeven de asch en het gebeente in het bij Jabes gelegen woud, onder een eikenboom, en hielden zeven vastendagen ten teeken van rouw.
1. Uc dubbelzinnige antwoorden waarvan D.ivid zich tegenover koning Achis bediende, om een openlijken leugen te vermijden, komen toch eigenlijk op een leugen neer en moeten als zoodanig worden afgekeurd. Ook kon David daardoor niet beletten, dat Achis hem â den toekomstigen koning van Israël â tc;;en het leger van Saul wilde doen strijden; God echter redde David uit deze moeielijkheid door hem aan de overige vorsten der l'Iiilistijnen te laten mishngen.
2. Meestal zijn de kunstenarijen der toovenaars en waarzeggers slechts goochelspel en misleiding. Toen dan ook de toovenares van Endor inderdaad Samuel zag te voorschijn komen, schrok zij zelve het eerst en het meest. Samuel kwam trouwens niet op hare bezwering; dit had een duivel of een verdoemde kunnen doen, maar geen proleet, die in de genade Gods was afgestorven. Hij verscheen, overeenkomstig den wil des i keren, uit eigen beweging, om nog eenmaal Saul te bestrallen en hem zijn naderend uiteinde te voorspellen.
Waar, bulten dit geval, de toovenaars in hunne kunstenarijen soms slagen, â men herinneve zich Pharao â worden zij door den duivel geholpen. Overigens zijn dergelijke zaken als b. v. doodenbezweering, waartoe wij in de gcheele oudheid pogingen zien aangewend, een bewijs voor het geloof dier tijden aan de onsteriel..iJieid der ziel.
HOOFDSTUK LXX1X.
D A V 1 D, K O N I M G V A N J U D A.
O
i».-n derden dag na de nederlaag der Israëlieten op het gebergte Gelboë, ter-Nvii' ^av't' van zijn tocht tegen de Amalecieten reeds twee dagen te Siceleg ofvSr was teruggekeerd, kwam daar bij hem, met gescheurde kleederen en asch op het hoofd, een man, die zich eerbiedig voor hem ter aarde wierp. David vroeg ck den man ; Van waar komt gij ? Ik kom uit de legerplaats van Israël, was het ant-i woord. Wat is er voorgevallen? vroeg David verder. Het volk, antwoordde de man, heeft voor zijne vijanden de vlucht moeten nemen, eene groote menigte strijders is op het slagveld gevallen, ook Saul en zijn zoon Jonathas zijn dood. Verschrikt riep David uit; Hoe weet gij, dat Saul en zijn zoon Jonathas dood zijn ? Nu begon de man zijn verhaal
1' 7
BljBHLSCHH GHSC1IIKDI-NIS.
(dat hij, om zich bij David aangenaam te maken, met vele dingen van eigen vinding doorweefde). Ik kwam, zcide hij, bij toeval op het gebergte Gelboë ; Saul leunde gewond op zijn lans, terwijl de vijandelijke ruiters en strijdwagens hem van alle kanten naderden. Mij ziende, riep hij mij en vroeg : Wie zijt gij? Ik antwoordde hem, dat ik een Amaleciet was. Daarop luidde zijn bevel; Maak u op en doorsteek mij, want ik ben doodelijk benauwd en mijne geheele levenskracht is nog in mij. Daar het mij genoegzaam bleek, dat hij toch aan zijne wonde zou bewijken, heb ik hem gedood; voorts nam ik hem de kroon van het hoofd en de armbanden van zijne polsen en ben daarmede herwaarts gekomen, om ze u aan te bieden.
Pas had de Amaleciet dit verhaal ten einde, of David en zijne mannen scheurden hunne kleederen; zij schreiden en weeklaagden en vastten tot den avond toe, van droefheid over den dood van Saul en Jonathas en van zoovele helden uit het volk des Heeren. Inmiddels sprak David opnieuw tot den man, die hem de treurige tijding gebracht had: Wie zijt gij? De man antwoordde; Ik ben de zoon van eenen vreemdeling, van eenen Amaleciet. Hoe hebt gij het durven wagen, vroeg David, uwe hand uit te steKen, om den gezalfde des Heeren te dooden? Bijna gelijktijdig met die vraag, beval David aan een zijner dienaren: Sla den man neer. Tevens sprak hij tot den Amaleciet: Gij draagt zelf de schuld van uw verderf; uw eigen mond heeft tegen u getuigd en gesproken: Ik heb den gezalfde des Heeren gedood. Op hetzelfde oogenblik sloeg Davids dienaar toe en de Amaleciet stortte levenloos ter aarde.
In zijn smart over de verschrikkelijke gebeurtenis, welke op Gelboë had plaats geliad dichtte David een treurzang, dien het volk van buiten moest leeren, en die in het (latei-verloren gegane) Boek der Rechtvaardigen werd opgeschreven. Dit nu is de treurzang dien David zong:
Gedenk, o Israël, degenen die aan hunne wonden zijn bezweken op de hoogten; uwe edelste zonen, Israël, zijn op uwe bergen gesneuveld. Ach, gevallen zijn de helden!
Maakt het niet bekend te Geth, verkondigt het niet in Ascalons straten; opdat de maagden der Philistijnen zich niet verblijden, en de dochters der he denen niet ten reidans gaan.
Bergen van Gelboë! er dale op u noch dauw noch regen; geen eersteling-schoot rijpe op uwe akkers; want daar werd het schild der helden weggeworpen, het schild van Saul , alsof hij niet met olie gezalfd ware!
Nooit snorde Jonathas' pijl zonder het bloed der doorboorden, zonder de levenssappen der helden. En Sauls zwaard, nooit miste het zijn slag.
Saul en Jonathas, vrienden en eergenooten in hun leven, zijn ook in den dood niet gescheiden, zij, sneller dan arenden, sterker dan leeuwen!
Dochters van Israël! weent over Saul , die (van den buit op den vijand behaald) u naar hartelust in purper kleedde, die u gouden sieraden schonk tot uw tooi.
Ach, gevallen zijn de helden in den strijd ! Jonathas is verslagen op uwe hoogten, o Israël!
Ik treur om u, Jonathas, mijn broeder, heerlijk en mij dierbaar boven alles. Gelijk eene moeder haar eigen zoon bemint, zoo beminde ik u.
Ach , gevallen zijn de helden, verbroken zijn hunne wapenen !
Na in deze woorden aan zijne smart over Sauls en Jonathas' dood te hebben lucht gegeven, raadpleegde David den Heer en vroeg: Zal ik oprukken naar een der steden van Juda? De Heer antwoordde: Trek op. Wederom vroeg David: Naar welke stad ? Des Heeren antwoord luidde: Naar Hebron. David riep derhalve zijne mannen bijeen, en zij gingen gezamenlijk, met hunne vrouwen en kinderen uit Siceleg en het land der Philistijnen veitiekken.
Nauw was David te Hebron aangekomen, of hij werd er door de zonen van Juda tot koning over hunnen stam gezalfd. Ook ontving hij daar het bericht, dat de mannen van Jabes^ in Galaad, het gebeente van Saul hadden begraven. Uit erkentelijkheid voor dit blijk van liefde jegens zijn gewezen meester, liet David door boden aan de inwoneis van Jabcs zeggen: Gezegend moogt gij zijn van den Heer, wijl gij barmhartigheid hebt
l6S
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
geoefend aan mijn gebieder en hem hebt begraven. De Heer zal u deze goedheid en trouw vergelden; maar ook ik zal u dankbaar zijn voor hetgeen gij gedaan hebt. Toont u sterk en weest dapper; al is uw heer Saul gestorven, de stam Jiula lieeft mij tot koning gezalfd.
Intusschen ging Sauls legeroverste Abner met Lsboseth, den overgebleven zoon van zijn gesneuvelden vorst, naar eene andere stad in Galaad, de Legerstad (Mahanaïm) en riep er lsboseth 10; koning uit. Alle stammen, behalve Juda, sloten zich achtereenvolgens bij deze daad aan. lsboseth was destijds veertig en David dertig jaren oud.
Twee jaren hadden beiden over hunne verschillende onderdanen geregeerd, toen Abner net Isboseths strijders uit dc Legerstad, naar het aan Juda grenzende Gabaon, in Benjamin, :rok. Nu rukte ook Davids legeroverste Joab met zijne mannen op en sloeg zich bij Gabaon aan den oever van een grooten waterplas neer, aan welks overzijde Abner gelegerd was. Weldra stelde Abner aan Joab voor, om eenige jongelingen een tweegevecht te doen houden. Toen Joab hierin had bewilligd, traden er twaalf jongelingen op uit den stam Ben-i.imin en twaalf uit het Leger van David. Met de eene hand grepen zij elkander vast, waaiden met dc andere hunne zwaarden en lieten niet af, voor de beide laatsten doodelijk gewond ter aarde stortten. Nu werd de strijd algemeen; van weerskanten vocht men met de grootste dapperheid, totdat eindelijk Abner en zijne mannen op de vlucht werden gedreven.
In Davids leger bevonden zich drie broeders, zonen van Davids zuster Sarvia; het waren: Joab, de legeroverste, Abisaï, die vroeger met David Sauls lans en beker had weggehaald, en Asaël, de jongste der drie. Asael, die vooral door snelheid in het loopen uitmuntte, achtervolgde den vluchtenden Abner, en was hem al spoedig zeer na op de hielen. Abner zag om, en vroeg: Zijt gij het, Asael? Op het bevestigend antwoord voer Abner voort; Laat dan van mij af, wend u links ot rechts tot een mijner mannen, om hem zijne wapenrusting te ontnemen. Toen Asael, hieraan geen gehoor gaf, maar Abner bleef nazetten, sprak deze weder; Asael, laat af, achtervolg mij niet verder, opdat ik mij niet genoodzaakt zie, u te doorsteken, wat ik ongaarne doe, omdat ik dan mijne oogen niet meer zou durven opheffen tot uwen broeder Joab. Daar Asaël ook deze bedreiging in den wind sloeg, keerde Abner zich om, en gaf met zijne lans Asaël een steek in de zijde, dat hij dood neerviel. Allen (vluchtelingen en vervolgers) die de plaats waar dit geschied was, voorbijkwamen en den dooden Asaël zagen liggen, bleven (uit deernis met het ongelukkig lot van den jongen held) een oogenblik staan.
Tot zonsondergang bleef het leger van Joab Abners verstrooide troepen bestoken; toen verzamelden deze zich op den heuvel Amma, van welke hoogte Abner tot Joab riep; Zal uw zwaard voortgaan te woeden, totdat er niemand meer over is? Weet gij niet, dat het gevaarlijk kan zijn, wanhopigen te maken? Waarom gebiedt gij dan niet aan uw volk, dat het ophoude zijne broeders na te zetten?
Joao antwoordde: Zoo waar de Heer leeft, hadt gij eerder aldus gesproken, reeds dezen morgen zou mijn volk van zijne broeders hebben afgelaten. Meteen gaf hij bevel, de trompet te blazen, waardoor aan de vervolging een einde werd gemaakt.
Nog dienzelfden nacht gingen Abner en zijne mannen heen; zij trokken den Jordaan weder over en kwamen tegen den morgenstond in de Legerstad aan. Zij hadden 360 man in den strijd verloren; van Joabs leger waren slechts twintig man gevallen. Asaël werd plechtig ter aarde besteld in het graf zijns vaders te Bethlehem.
1. Dc Legerstad â in het Hebrccuwsch Mahanaïm, ook Manaïm â had dien aam van Jacob ontvangen,toen de patriarch, ties nachts vóór de ontmoeting met zijn broeder Esau, op het zien der menigte engelen die God hem tot zijne bem ediging verschijnen liet, uitriep: «Waarlijk, dat is de legerplaats Gods â Vergel. hoofdstuk XX, bladz. 31.
2. Van Sauls geslacht waren, na den slag op de berden van Gelboë nog overgebleven: een zoon, de bovengenoemde lsboseth, en een kleinzoon Miphiboseth, die een zoon was van Jonathas. Bovendien had Saul, bi) eene nevenvrouw Hespha, no* twee zonen: Miphiboseth en Annoni ; doch dezen stonden, om wille hunner moeder, in rang en waardigheid niet op eene lijn met lsboseth en met Jonathas* zoon Miphiboseth. Over de zonen der nevenvrouw zie men hierachter Hoofdstuk 89.
i 69
HIJISHI.SCHH GI-SCIllHDENIS.
MOCJI'DSTUK LXXX.
ZALVING VAN DAVID TOT KÃN1XG OVER GANSCH ISRAÃL.
vijf cn een lialf iaar bleef de strijd tusschen de huizen van Saul en David voort-X.iMPfe duren. Sauls huis ging eiken dag in macht en aanzien achteruit; daarentegen ^ won David steeds veld, terwijl ook bij de stammen die hem tot nog toe niet ||y gevolgd waren, allengs de zucht levendig werd om onder zijn bestuur te geraken, â jv Inmiddels zag David zich te Hebron met zes zonen gezegend; zijne vrouw Achinoam l schonk hem zijn eerstgeborene, Amnon; zijn tweede zoon Chcleab (ook Daniël genoemd) was het kind van Abigail, de voormalige echtgenoot van Nabal; zijn derde, Absalon, werd hem geboren uit Maacha, een dochter van koning Tholmaï van Gessur; zijn vierde, Adonias, had tot moeder Haggith; de vijfde, Saphatia, was het kind van Abital; do zesde, Jethraham, de zoon van Egla.
In Sauls huis berustte alle macht en invloed nagenoeg alleen in de handen van Abner. Toen deze legeroverste eindelijk zoover ging, van betrekkingen aan te knoopen met Sauls nevenvrouw Respha, nam Isboseth (die hierin terecht een poging van Abner kon zien, om zelf koning te worden) dit zeer kwalijk. Op de berispende vraag echter, welke Isboseth te dier zake tot Abner richtte, antwoordde deze; Ben ik een hondskop; ik, die uw groote steun ben tegen Juda; ik, die het huis van Saul barmhartigheid heb bewezen, en die u niet in de handen van David heb geleverd ? Moest gij mij aanmerkingen maken ter oorzake van eene vrouw? God straffe Abner, als ik het van heden al niet houd met David, wien de Heer gezworen heeft, dat het rijksgebied aan Sauls huis zou ontnomen worden, en dat de schepter Davids zich zou uitstrekken over geheel Israël, van Dan tot Bersabee. Op deze woorden bleef Isboseth, uit vrees voor Abners toorn, het stilzwijgen bewaren.
Aan zijn voornemen gevolg gevende, zond Abner boden tot David, om hem te zeggen : Wie heeft het land in zijne macht ? Niet ik ? Maak dus vrede met mij, dan zal mijne hand met u zijn en u geheel Israël toevoeren. David liet antwoorden : Zeer goed; ik zal vrede met u sluiten, echter onder één beding: gij zult mijn aangezicht niet aanschouwen, als gij niet zorgt, dat ik Sauls dochter, Michol, terug ontvang; doet gij dit, dan moogt gij komen. Tegelijkertijd zond David mannen naar Isboseth met het verzoek: Geef mij mijne vrouw Michol weder, die ik mij voor den prijs van honderd koppen van Philistijnen verworven heb. Isboseth was terstond bereid, aan dit verzoek te voldoen; hij het Michol uit de woning van Phalti halen en zond haar naar David. Phalti, haar (onwettige) man, volgde haar schreiende een groot eind weegs, totdat hij ten laatste, op Abners bevel, terugkeerde.
Ondertusschen begaf Abner zich tot de oudsten van Israël en sprak: Reeds gisteren en eergisteren hebt gij gewenscht, dat David over u mocht regeeren; welaan, laat die wensch in vervulling komen, nademaal toch de Heer aangaande David gesproken heeft: Door de.hand van mijnen dienaar David zal ik mijn volk Israël uit de macht van de Philistijnen en van alle vijanden verlossen. Op gelijke wijze sprak Abner nog afzonderlijk tot de oversten van den stam Benjamin (waartoe Saul behoord had) en toen hij geen tegenstand van eenige beteekenis ontmoette, vertrok hij van twintig man vergezeld, naar Hebron, om David den uitslag zijner pogingen mede te deelen. David ontving Abner en de zijnen vriendelijk en rechtte hun een gastmaal aan. Middelerwijl sprak Abner: Ik maak mij gereed, om binnen kort geheel Israël rondom u, mijnen heer, te verzamelen, opdat, naar uws harten wensch, alle stammen u als koning erkennen.
Nadat deze zaak aldus geregeld was en David Abner uitgeleide had gedaan, keerden, bijna op hetzelfde oogenblik, Joab en zijne mannen met buit beladen van een tocht tegen de roevers terug. Weldra hoorde Joab van een der inwoners van Hebron: Abner is zoo
RTIBFT.SCHH GESCHIHOrNTS.
pas hier geweest en de koning heeft hem in vrede laten gaan. Dit was Joab te veel; hij snelde naar David en sprak: Wat hebt gij gedaan! Abner is bij u geweest en gij zijt in vriendschap gescheiden? Voorwaar, gij kent den zoon van Ner niet; hij was opzettelijk gekomen, om u te misleiden en al uw gangen te bespieden. Na dit gezegd te hebben, verwijderde joab zich, en zond, buiten weten van David, Abner boden achterna, die hem moesten terugroepen. Zonder argwaan ging Abner met de boden mede, Joab kwam hem ie gemoet, geleidde hem, als had hij geheime zaken met hem te bespreken, naar een afgelegen hoek onder de poort, cn stak hem daar op verraderlijke wijze overhoop.
Zoodra David hiervan kennis kreeg, riep hij uit: Ik ben onschuldig aan het bloed van Abner; op mijn rijk worde het in eeuwigheid niet gewroken, het kome neer op het hoofd van Joab en diens huis. Voorts sprak David tot Joab en tot al zijne dienaren: Scheurt uwe kleederen, hult u in zakken, en wanneer straks Abner ten grave wordt gedragen, gaat dan weenend de lijkbaar vooruit. David zelf volgde de baar, en toen het lijk in het graf was nedergelaten, en al het volk op 's konings voorbeeld in tranen uitbrak, sprak deze: Niet als een bloodaard, o Abner! zijt gij gevallen; uwe handen waren niet in boeien geslagen (als van iemand, die zich in den krijg lafhartig heeft laten gevangen nemen); gevallen zijt gij, gelijk men valt door zonen der boosheid (door sluipmoordenaars). Op het hooren dezer toespraak, begon het volk nog luider te weetien.
Nadat de begrafenisplechtigheid geëindigd was, bood men David een maaltijd aan, doch hij wees dien standvastig van de hand en sprak: God strafte mij, als ik voor den avond brood of iets anders nuttig. Alle aanwezigen waren met deze handelwijze ten hoogste ingenomen en geheel Israël werd daardoor nog meer overtuigd, dat Abners dood niet den koning ten laste kwam. Evenwel bevond de koning zich in de onmogelijkheid de misdaad te straffen; daarvoor waren joab en diens broeder Abisaï, vooral de eerste, die als legeroverste de strijders op zijne hand had, hem op dat oogenblik nog te machtig. Openlijk gaf David dit aan zijne dienaren te kennen met de woorden; Weet gij niet, dat er heden een vorst, en wel een groot vorst (Abner) in Israël gevallen is? Ik ben nog te jong koning, cn deze mannen, de zonen van Sarvia, zijn nog te sterk; derhalve moet ik de zaak aan den Heer overlaten, die den boosdoener vergeldt naar zijne boosheid.
Niemand leed meer door den dood van Abner dan Sauls zoon Isboseth. Nu zijn kloeke legeroverste, de steun van zijn huis, hem ontvallen was (en hij niemand bezat, diequot; hem zulke gunstige voorwaarden voor zijn overgang tot David bedingen kon) liet hij geheel en al den moed zinken, en gansch Israël niet hem. Doch hierbij bleef het niet. Isboseth had namelijk, als oversten van huurtroepen, twee mannen in zijn dienst, Baana en Rechab, uit den stam Benjamin. Deze mannen (ziende, dat zij van hun heer niets meer te verhopen hadden, en denkende zich aangenaam te maken bij David) traden op het midden van den dag, terwijl Isboseth sliep, en ook de deurwachtster was ingedommeld, zijn huis binnen, als wilden zij koren halen, staken hem op zijn legerstede dood , sloegen hem voorts het hoofd af en brachten dit naar Hebron, waar zij het aan David vertoonden, met de woorden: Ziehier het hoofd van Isboseth, den zoon van uwen vijand Saul; heden heeft de Heer u, onzen koning, gewroken op Saul en zijn geslacht. David antwoordde: Zoo waar de Meer leeft, die mij bevrijd heeft uit allen druk! â heb ik dengene, die mij Sauls dood kwam boodschappen, doen vastgrijpen en neersabelen, hoeveel te meer zal ik booswichten, die een onschuldigen man in zijn eigen huis op zijn bed vermoord hebben, hunne wandaad doen boeten en bloed voor bloed eischen! Voorts liet David door zijne dienaren de beide moordenaars dooden, hun de handen en voeten afhakken, en hunne verminkte lijken, tot een afschrikwekkend voorbeeld voor ieder, bij den vijver te Hebron aan palen ophangen. Het hoofd van isboseth werd met eer in het graf van Abner bijgezet.
Ihans trokken vertegenwoordigers van alle stammen, ter erkenning van Davids gezag, naar Hebron op. Ook van Juda togen mannen derwaarts; zij wilden zich bij hunne broeders mt de andere stammen aansluiten, om door eene gezamenlijke daad den vorst, die tot
int
BIjBKLSCHE GESCHIF.DENIS.
dusver over hen alleen geregeerd had , plechtig als koning over het gansche volk te huldigen.
Het getal dergenen, die optrokken, bedroeg: Uit Juda 6800 man; zij waren gewapend met schild en lans. Uit Simeon trokken op 7100 man, allen zeer dappere strijders. De stam Levi zond in het geheel 8300 man, namelijk 4600 Levieten en 3700 priesters. Onder deze laatsten, wier aanvoerder Jojada was, bevond zich, met nog 22 anderen uit het huis zijns vaders, een jongeling, Sadoc, die grootc geestesgaven bezat. Uit Benjamin telde men slechts 3000 man, wijl velen van dien stam hel nog altijd met het huis van Saul hielden, waarvan nog Miphiboseth, de zoon van Jonathas was overgebleven. Uit het machtige Ephraïm trokken op 20.800 man, allen uitstekende strijders en de voornaamsten van hun stam. Van Manasse leverde de eene helft, die binnen het land Chanaiin woonde, 18.000 man. Uit Issachar verschenen alleen de allervoornaamsten, ten getale van 200 man; maar hun gansche stam was het, als altijd, zoo ook in deze zaak, volkomen met hen eens. Uit Zabulon kwamen 50.000 man; zij vormden een geheel leger, waren allen welgewapend en trokken in gelederen op. Nephthali leverde 38.000 man, uitgerust met schild en lans. Uit Dan verschenen 28.600 man, op dezelfde wijze gewapend, en uit Aser 40.000 man, eveneens gewapend. Uit Galaad, over den Jordaan, waar de stammen Ruben en Gad met de andere helft van Manasse woonden, verschenen, tot één leger vereenigd, 120.000 man, behoorlijk uitgerust. Het geheele getal der vertegenwoordigers van alle stammen te zamen bedroeg 340.800 man.
Bij monde van hunne woordvoerders legden de vergaderden David de redenen bloot, waarom zij hem tot koning wenschten. Zie, zeiden zij, wij zijn uw vleesch en bloed (gij behoort niet uitsluitend aan Juda, maar zijt evenzeer als wij een afstammeling van Jacob, ons aller vader). Ook hebt gij reeds vroeger, toen Saul nog leefde, Israël aangevoerd en zegevierend teruggeleid. Bovendien heeft de Heer tot u gesproken : Wees herder van mijn volk en bestuur Israel. â Daarop sloten de oudsten, in naam van allen, met David een verbond, waarbij zij hem trouw zwoeren, terwijl hij van zijn kant den eed aflegde, om overeenkomstig de voorschriften van Mos-es te zullen regeeren. Ten slotte ontving hij de plechtige zalving tot koning over het gansche volk.
Na afloop hiervan vierden alle aanwezigen met David feest, drie dagen lang. Spijs en drank, om zoo groote menigte te voeden, was er in overvloed; daarvoor hadden gedeeltelijk de mannen uit Juda gezorgd, terwijl de stammen die het dichtst aan Juda grensden, brood, meel, vijgen, rozijnen, wijn en olie op ezels, kameelen en muilezels hadden geladen, en ook vele slachtossen en rammen hadden medegevoerd. Zoo was er ruimschoots in alle behoeften voorzien, want ieder had begrepen dat het groot feest in Israël was.
1. De meermalen in de II. Schrift terugkeerende uitdrukking: «reeds gisteren en eergisterenquot; beteekent: reeds voor geruimen tijd, reeds sedert lang.
2. Abner werd Isbosetii om het door dien vorst tot hem gerichte verwijt niet zoozeer afvallig; het verwijt gaf slcchls den laatsten stoot aan het waarschijnlijk reeds sedert eenigen tijd bij den veldheer rijpende plan, om David nis koning te erkennen; maar tevens die erkenning vergezeld te doen gaan van de meest gunstige voorwaarden voor Isboseth en zich zeiven. Bedoelde voorwaarden niet David te bespreken en ze van hem te bedingen, was het doel van Abners reis naar Hebron.
Joab vermoordde Abner, uit vrees dat deze in zijne plaats legeroverste zou worden. Later ontving Joab voor die daad zijne gerechte straf.
3. Ouder de voornaamste helden, welke bij Davids inhuldiging tegenwoordig waren , worden met zeer veel onderscheiding genoemd : Jesbaam, Eleazar en Semma. Deze drie waren reeds Davids volgelingen, toen hij voor Saul vluchtte en zich in de grot Odollam verschool. David had destijds eens uitgeroepen: O, mocht iemand mij water geven uit de bron die bij de poort van Bethlehem ligt! Dit woord hadden de drie mannen opgevangen ; zij sloegen zich door het Philistijnsche leger, dat Bethlehem bezet hield, heen en brachten David het begeerde water. David wilde dit echter niet drinken; hij goot het uit als een dankollcr voor den Heer, terwijl hij sprak: Verre zij het van mij, het bloed dezer mannen te drinken, die mij met gevaar van hun leven dit water haaUien,
172
BijBi-i.sciii-: Gr.Sf:iiii;Di:Nis.
HOOFDSTUK LXXXI.
INNEMING VAN DEN BURCHT SI ON. OORLOG MKT D F. PHIL1 STIJN EN. OVERBRENGING DER ARK.
fm.-ia wilde aanstonds door cenc grootc daad zijne rcgccring over lt;;thccl Israël inwijden en bezegelen. In het erfdeel van Benjamin lag de stad Jerusalem, welk sterken burcht op den berg Sion de Israëlieten, ofschoon zij reeds meer dan 400 jp* jaren in het beloofde land woonden, nooit hadden kunnen bemachtigen. Dit ging ,;V David thans beproeven. Zich de aanwezigheid van zoovele mannen, die hem waren komen huldigen, ten nutte makende, rukte hij met een talrijk leger op Jerusalem aan. De Jebuseën, welke den burcht bewoonden, gaven hem te kennen, dat blinden en kreupelen voldoende zouden zijn, om de sterkte tegen hem te verdedigen. David liet zich echter door dit trotsche woord niet van zijn begonnen werk afschrikken; vastberaden sprak hij tot zijn volk: Wie het eerst den Jebuseër slaat, zal legeroverste zijn. Aanstonds was Joab bereid ; met eene afdeeling manschappen beklom hij den berg, maakte zich stormenderhand van den burcht meester en werd in zijn rang van legeroverste bevestigd. David koos den burcht tot zijn vast verblijf; hij legde de vestingwerken over den geheelen berg uit, liet door Joab het inwendige van den burcht verbouwen en gaf aan de plaat, den naam van Davidsstad.
1 liiam, koning van Tyrus, die David genegen was, liet hem door boden met de behaalde overwinning gelukvvenschen; tevens zond hij hem, niet een voorraad cederhout, bekwame timmerlieden en metselaars, die hem een passend huis moesten bouwen.
Op dc Philistijnen maakte het gebeurde een tegcnovergestelden indruk. Met leedwezen hadden zij reeds gehoord dat David tot koning over gansch Israel was gezalfd ; toen zij nu ook zijn jongste heldendaad vernamen, vielen zij met een machtig leger in zijn land en sloegen hunne tenten op in het dal Raphaïm. Zoodra David hiervan kennis droeg, raadpleegde hij den Heer en vroeg ; Zal ik tegen de Philistijnen optrekken en zult gij hen in mijne handen leveren? De Heer antwoordde: Trek op, ik zal hen u leveren. En aldus geschiedde: David sloeg de Philistijnen, Daarna sprak hij: Dc Heer heeft mijne vijanden voor mijn aanschijn uiteen gejaagd, gelijk water uiteen vliet. Na eenigen tijd echter hadden de Philistijnen hunne verstrooide troepen weder verzameld en legerden zich opnieuw in het dal Raphaïm. Evenals vroeger, raadpleegde David ook thans den Heer en ontving ten antwoord: Val hen niet van voren aan, maar maak een omweg en leger u in hun rug, bij de berkenboomen. Wanneer gij voorts in de toppen dier boomen een gesuis hoort, alsof er iemand door het loof liep, begin dan den strijd, want dat is het oogenblik waarop de Heer voor uw aanschijn uitgaat, om het leger der Philistijnen te slaan. David deed gelijk hem bevolen was, sloeg de Philistijnen en achtervolgde hen van Gabaa (in Benjamin) tot Gaser (in hun eigen land).
Nadat David op deze wijze dc belangen van het rijk verzekerd had, wenschte hij ook de godsdienstige zaken te behartigen, die sedert langen tijd zeer verwaarloosd waren. Te dien einde hield hij raad met de bevelhebbers over duizend en over honderd en met alle oversten, tot wie hij sprak : Als gij het goedvindt en het overeenkomstig Gods wil oordeelt, zullen wij boden zenden naar onze broeders door het gansche land en naar de levieten en priesters, om hen uit te noodigen, zich bij ons te voegen, opdat wij gezamenlijk de ark onzes Gods, waarom wij ons in Sauls dagen te weinig hebben bekommerd, herwaarts brengen.
Daar alle aanwezigen van heeler harte met dit voorstel instemden, werden de bedoelde boden gezonden, en zag David zich weldra door 50.000 der uitgelezensten van Israël omringd. Met deze trok hij opwaarts naar Cariathiarim, waar de ark, in het huis van
gt;73
ptTprt cniïï CF^rHiFnnx's.
Abinadab, bewaard werd. Men plaatste de ark op een nieuwen wagen, die door Oza en Ahio, zonen van Abinadab, werd bestuurd, terwijl David en al het volk voor den Heer op harpen en citers speelden, de bazuinen bliezen en op pauken sloegen. Toen de stoet den dorschvloer van Nachon genaderd was, dreigde de wagen, tengevolge van het struikelen der ossen, op zij te slaan. Oza, die naast den wagen ging, stak zijne hand uit naar de ark, om haar voor omvallen te behoeden, doch op hetzelfde oogenblik werd hij voor zijne onbezonnenheid door God gestraft; hij zeeg dood naast de ark neder. Dit treurig voorval vervulde Davids hart met schrik en vrees, zoodat hij de ark niet naar zijne stad durfde overbrengen en haar om die reden in het huis van den leviet Ãbcdcdom deed plaatsen. Daar bleef zij drie maanden, en stonden aan dat zij er rustte, zegende de Heelden leviet op bijzondere wijze.
Toen David dit vernam, riep hij andermaal een gedeelte des volks benevens de zonen van Levi te zamen, om met hen de ark over te brengen naar Sion, waar hij reeds een prachtige tent voor haar had laten gereed maken. Inmiddels was hem uit de Wet van Moses gebleken, dat de ark niet op een wagen mocht vervoerd, maar gedragen moest worden door levieten. Derhalve sprak hij tot dezen: Heiligt u en draagt de ark, opdat wij niet weder iets ongeoorloofds doen en daarvoor, evenals de eerste maal, door God worden gestraft. Voorts rangschikte hij de zonen Levi's (priesters en levieten beiden) in zeven afdeelingen of koren, en beval den aanvoerders, dat zij onder hunne broeders de mannen zouden uitkiezen, die het meest bekwaam waren, om voorzangers te zijn en de verschillende muziek-instrumenten te bespelen. Nadat dit alles geregeld was, werd de ark in plechtigen optocht uit het huis van Obededom gehaald; de levieten, die hiertoe waren aangewezen, droegen de ark aan hare vergulde acacia-houten draagstokken op hunne schouders; hunne broeders zongen en speelden, en terwijl het overige volk zich bij hen aansloot, ging David, na zijn koninklijken mantel tegen een linnen ephod verwisseld te hebben, dansende de ark vooruit. Telkens als een zevende gedeelte van den weg was afgelegd, stonden de dragers stil en offerde David (door de handen der priesters) een os en een ram. Zoo kwam men eindelijk op den Sion aun en plaatste de ark in de haar door David opgerichte tent. Tevens bepaalde de koning, dat eenige afdeelingen der zonen Levi's, niet den hoogepriester Abiathar aan het hoofd, volgens beurten, dag en nacht de ark zouden bewaken en heilige liederen zingen; de andere afdeelingen, onder bevel \an SadoCj werden naar Gabaon gezonden, om in den zich daar bevindenden tabernakel, op het brandoffer-altaar, den lieer eiken morgen en avond de door de Wet vooigeschievene offers aan te bieden. Ten slotte wenschte de koning aan alle aanwezigen, die de aik met hem naar Sion hadden overgebracht, den vrede des Heeren, en liet hen gaan.
Davids huisvrouw, Michol, die door een der vensters van haar vertrek haren echtgenoot voor de ark had zien dansen, verachtte hem daarom in haar hart, en hem, bij zijne tehuiskomst te gemoet tredende, voegde zij hem smadelijk toe: Hoe heerlijk heelt de koning van Israel heden geschitterd, door zich ten aanschouwe van de vrouwen xijnei dienstknechten van zijn koninklijken mantel te ontdoen en zich als een kluchtspeler te gedragen! David antwoordde haar: Voor den Heer, die mij in de plaats uws vaders tot koning o\er Israël heeft gesteld, zal ik spelen en mij klein en verachtelijk betoonen; in de oogen der vrouwen, van welke gij gesproken hebt, zal ik er des te grooter om schijnen.
i. De levieten moesten de ark aan bare draagstokken vervoeren; haar onmiddellijk aanraken, zooals O/a deed, toen de wagen op zij dreigde te vallen, mochten /.ij niet; dit was slechts L-u priesters r. gt; Uza echter \s.i geen priester, maar een gewoon leviet.
'71
BIJBELSCHF GF.SCIIIF.DF.XIS.
HOOFDSTUK LXXXII.
DAVID, DOOR non 1\T IIF.T RfJKSGi:BlHD BEVESTIGD, A'ERZEKERT HET KIJK TEGEN VERSGHILLENDE VIJANDEN.
t'iS. nigen ''i1' na voormclJc gebeurtenis sprak David tot den profeet Nathan; Zie, ik
,-^4 woon in een huis van cederhout, en de ark des Heeren rust onder een dak van dieremellen. Kathan, die hieruit Davids plan tot het bouwen van een tempel ;gt; begreep, antwoordde: Doe hetgeen in uw hart besloten is, want de Heer is met u.
Dit zeide dc pioieet uit ^ich zeiven; doch des nachts ontving hii eene openbaring J des Heeren, waarin hem werd aangekondigd: Ga en zeg aan David: Zoo spreekt de Heer: Niet gij zult mij een huis bouwen. Ik heb immers van den dag af, dat ik Israël uit Egypte voelde tot nu toe, nooit in een huis gewoondj ik trok in een tent van plaats tot plaats, en met mij woonde geheel Israel in tenten. Heb ik ooiteen der rechters, wien ik opgedragen had mijn volk te hoeden, gevraagd: Waarom bouwt gij mij geen huis uit cederhout? \\elnu, zoo spreekt de Heer: Ik heb u (David) uit de weiden, waar gij achter dc schapen genomen en u tot \oist gemaakt van mijn volk Israël; steeds was ik met u in al uwe verrichtingen; ik sloeg uwe vijanden voor uw aanschijn en bezorgde u een quot;rooten en loemrijken naam, cn zie, thans kondig ik u aan, dat ik u een duurzaam nageslacht . d geven en dat een uwei zonen u zal opvolgen in het rijk. Hij zal mij een huis bouwen 111 'Is ^'*1 zijn troon bevestigen in eeuwigheid. Ik zal hem tot vader en hij zai. ,\ii| tot /mok zijn*. Indien hij \eikeeid handelt, zal ik hem tuchtigen met roeden, zooals men mannen doet, en men slagen, gelijk men toedient aan nienschenkinderen; mijne barmhartigheid echtei zal ik hem niet onttrekken, zooals ik haar onttrokken heb aan dengene , dien ik van mijn aangezicht veistooten heb (Saul), Uw huis zal blijvend zijn, uw rijk in eeuwigheid duren en uw troon vaststaan voor altijd.
Deze woorden des Heeren bracht de profeet getrouw aan David over, en David spoedde zich naai de tent, waar dc ark rustte, boog zich voor den Heer ter aarde en sprak: Wie ben ik, o Heer mijn God, en wat is mijn huis, dat Gij mij zoo verheven hebt ? Doch dit scheen nog weinig in uwe oogen en daarom hebt Gij ook van het huis uws dienaars in de toekomst gesproken. Wat kan David nog verder tot u zeggen? Gij kent hem immers. Welaan dan, o Heer! doe uw woord, dat Gij aangaande uw dienaar en zijn huis gesproken hebt, in eeuwigheid gestand en volbreng hetgeen gij beloofd hebt, opdat uw naam verheerlijkt worde voor altijd, en men zeggen moge: De Heer der heerscharen is Israels God, en het huis van zijn dienaar David zal voor den Heer vaststaan.
Vooral in dc eerste jaren zijner regeering over gansch Israël had David tegen de naburige volken verschillende oorlogen te voeren, die hij echter alle gelukkig ten einde bracht. Hij sloeg de Philistijnen, maakte hen machteloos en ontnam hun het geheole gewest, waarvan Geth de hoofdstad was (en waarin ook Siceleg lag).
Vooits sloeg hij de Moabieten, die zich op genade cn ongenade moe ten overgeven. De helft dezer onverzoenlijke vijanden van Israël deed hij met het zwaard ombrengen; de andere lielft,^ welke het leven behield, werd veroordeeld tot het betalen eener jaarlijksche schatting.
1 erzelldei tijd keerde hij zijne wapenen tegen Adarezer, koning van het Syrische landschap Soba. Adarezer was juist opgetrokken om zijn gebied tot aan den Euphraat uit te l' eiden (en ook het aanzijn rijk grenzende Emathte veroveren^). Opdien tocht trof David hem aan, sloeg hem, ontnam hem tooo strijdwagens, 7000 ruiters benevens 20,000 voet-Knechten, en behaalde een belangrijken buit. Aan alle wagenpaarden, op honderd na, liet hij dc peezen der pooten doorsnijden, opdat zij niet weder voor den oorlog zouden kunnen dienen ; de honderd paarden die hij uitzonderde, behield hij (tot andere dan krijgsdocleinden)
'75
176 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
voor zich zclvcn. De buit, waarvan hij zich meester maakte, bestond hootdüakelijk in gouden pijlkokers en koperen vaatwerk; de pijlkokers waren in het bezit geweest der voornaamste mannen van het verslagen leger; het vaatwerk werd genomen uit de beide steden Bete en Beroth.
Inmiddels kwamen de Syriërs uit Damascus met een machtig leger opdagen, om Adarezer bij te staan; doch David trok hun te gemoet, versloeg 22.000 hunner manschappen, legde in Damascus een Israëlictische bezetting c;i maakte het gewest, waarvan genoemde stad de hoofdplaats was, aan zich schatplichtig.
Op zijn terugtocht naar Jerusalem trot hij in het Zoutdal (het zuidelijk gedeelte van Israël) een leger Edomieten aan; hij versloeg van hen 18,000 man, bracht hun geheele land tot onderwerping en legde in verschillende steden bezetting.
Ten gevolge van Davids krijgsverrichtingen tegen Adarezer was Thou, de koning van Emath, gelukkig aan de hem dreigende gevaren eener overheersching ontsnapt. Uit dankbaarheid liet hij door boden, aan wier hoofd zijn zoon Adoram stond, David met de behaalde overwinning gelukwenschen en hem rijke geschenken aanbieden. David voegde deze geschenken bij den voorraad goud, zilver en koper, dien hij op de straks genoemde volken had buit gemaakt, en wijdde alles den Heer toe, opdat het later zijn zoon, van wien de Heer hem gesproken had, zou dienen tot den bouw en de versiering des tempels.
Nadat David aldus zijn rijk tegen zijne verschillende buitenlandsche vijanden verzekerd had en weder rustig op den burcht Sion woonde, sprak hij bij zich zeiven : Zou er nog iemand uit Sauls huis in leven zijn, wien ik om Jonathas' wille barmhartigheid kan bewijzen? Ten einde hieromtrent zekerheid te bekomen, liet de koning een van Sauls gewezen dienaren, Siba, roepen cn vroeg hem; Is er nog iemand uit Sauls huis overgebleven? Siba antwoordde; Ja, er leeft nog een zoon van Jonathas, Miphiboseth. Waar bevindt hij zich? vroeg de koning verder. Hij bevindt zich, luidde Siba's antwoord, in het huis van Machir te Lodabar (in Galaad).
Miphiboseth ging aan beide zijden mank, welk euvel hem op vijfjarigen leeftijd bij ongeluk door zijne voedster veroorzaakt was. Toen namelijk te Gabaa, zijne geboorteplaats, het bericht ontvangen werd, dat de Israëlieten op Gelboë door de Philistijnen verslagen en dat ook Saul en Jonathas gesneuveld waren, had de voedster in haren angst den knaap gegrepen en was met hem op de vlucht gegaan; doch daar zij zich hierbij al te zeer haastte, was hij haren arm ontglipt en zwaar gevallen. Dit was de oorzaak zijner kreupelheid.
Op Siba's inlichtingen uit het huis van Machir gehaald, verscheen de manke jongeling voor David en groette dezen met den diepsten eerbied. David trad hem vriendelijk te gemoet, noemde hem bij zijnen naam en sprak; Vrees niet; om wille van uwen vader Jonathas zal ik u barmhartigheid bewijzen, u al de bezittingen van uwen grootvader teruggeven en u bovendien aan mijne tafel opnemen. Andermaal boog Miphiboseth eerbiedig ter aarde en antwoordde; Wie ben ik uw dienaar toch , dat gij genadig nederziet op een dooden hond, gelijk ik ben ? Tot antwoord liet David Siba roepen, en sprak tot hem; Al wat aan Saul en aan geheel zijn huis behoord heeft, heb ik aan den zoon (kleinzoon) uws meesters gegeven; ga dus, bewerk zijnen akker, gij met uwe zonen en uwe knechten en verschaf hem spijs (voor zijne dienaren en zijn huisgezin); hij persoonlijk zal mijne tafel deelen. Siba sprak hierop; Gelijk gij bevolen hebt zal geschieden : Miphiboseth zal een hofhouding kunnen voeren, als ware hij 's konings eigen zoon. Aldus bleef de telg van Jonathas bij David te Jerusalem wonen; hij huwde en werd gezegend met een zoon, Micha, die later vader werd van vier zonen.
Davids regeering was voor gansch Israël een tijdperk van bloei en welvaart; de koning deed recht en gerechtigheid wedervaren aan het geheele volk en droeg groote zorg voor een geregeld bestuur. Joab, de zoon zijner zuster Sarvia, was zijn legeroverste; Josaphat, uit het huis van Ahilud, bekleedde het ambt van geheimschrijver, Sadoc en Abiathar waren priesters; Sarajas hield het oppertoezicht op de geslachtsregisters; Bajanas was de opperste van de koninklijke lijfwacht en der gerechtsdienaars, terwijl 's konings zonen hofheeren waren.
BIJBKLSCHH GESCHIEDHNIS.
1. Uit I Paralipomenon XXII: 8 cn 9 blijkt, dat David den Heer geen huis mocht bouwen, omdat hij wvcel bloed vergoten en zeer vele oorlogen gevoerd had;quot; God wilde /ijnc heilige woonplaats zien opgericht door een »man des vredes.quot; wiens naam »Vredevorstquot; (Salomon) zou zijn.
2. Behalve dat het Oude Verbond, in zijn geheel genomen, eene zakelijke profetie, eene voorafbeelding is van Christus en zijne Kerk, hebben onder dat Verbond ook de profeticquot; a in h^.t bijzonder dikwijls nog een tweede profetische beteekenis, d. w. z. de gebeurtenis of de persoon, die zeil voorzegd wordt, sluit stilzwijgend in zich de verdere voorzegging, dat nog een andere, meer verwijderde gebeurtenis zal plaats hebben, of nog een andere persoon â Christus â zal geboren worden , of iets zal doen, iets tot stand brengen enz. God voorspelt aan David een zoon, die den lieer een huis zal bouwen; deze voorspelling ziet in de eerste plaats op Salomon, mair in hare verdere en diepere beteekenis op hem, die de Zoon Da v ids bij uitnemendheid wordt genoemd. Hij zal den Heer een huis bouwen , niet van vergankelijke bouwstof, maar »een geestelijk huis van levende steenenquot; (I Petrus II: 5), een huis waar «geestelijke oiieranden worden opgedragen. die Gode door Jesus Christus welbehagelijk zijnquot; (ibidem). Door dezen Zoon zal Davids rijk »i n eeuwigheid duren en zijn troon vast staan voor altijd.quot; Hem zal God «tot vader en hij zal God tot Zoon zijn.quot; â De woorden win eeuwigheidquot; en «voor altijdquot; kunnen trouwens ook alleen op hem slaan, niet op Salomon, wiens rijk slechts 40 jaren duurde, en evenmin op Salomons opvolgers, die allen te zamen nog geen vijf eeuwen geregeerd hebben. David zelf heeft dan ook de hem gegevene belofte in hare diepere beteekenis van niemand anders dan van den Messias verstaan. Uit zijne psalmen, vooral uit ps. LXXXVII1 en ps. H, blijkt dit overtuigend. In ps. LXXXVIII zegt hij, o. a. âIk (de Heer) heb eens voor altijd in mijne heiligheid gezworen â en zal ik David beliegen? â zijn geslacht zal eeuwig bestaan; zijn troon zal zijn als de zon voor mijn aanschijn en als de maan, die bereid is voor altijd.quot; In ps. II spreekt hij: wik ben door Hem (God) tot koning gestold over zijn heiligen berg Sion , om te verkondigen zijne Wet. De Heer -leeft tot mij gesproken: Gij z ij t mijn zoon, heden heb ik u geteeld... en ik zal u de volkeren tot erfdeel geven, en tot bezitting de grenzen der aarde.quot; In ps. CIX noemt hij zijn zoon uitdrukkelijk zijn Heer. »De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden stelle tot een voetbank uwer voeten. Met u is de heerschappij ten dage uwer macht in den glans der Heiligen. Vóór de morgenster heb ik u uit mijnen boezem voortgebracht.quot;
3. Eene doode hond noemt Miphiboseth zich ten overstaan van David; hetzelfde had David gedaan ten overstaan van Saul. Het woord, eene uitdrukking van geringschatting van zich zei ven, had overigens in dien tijd niets verachtelijks.
4. Boven is gezegd: «Sadoc en Abiathar waren priesters.quot; Wanneer het woord »priestei ,quot; zooals hier, /.iet zekere blijkbare onderscheiding door de H. Schrift wordt gebezigd, beteekent het meestal hoogep r ie ster. Daaruit hebben vele Schriftverklaarders willen afleiden , dat er in dezen tijd twee hoogepriesters bestonden. Dit is ook de meening van den joodschen geschiedschrijver Flavius Josephus, die verhaalt, dat toen na den priestermoord te Nobe, Abiathar naar David vluchtte, Saul Sadoc tot hoogepriester aanstelde, en dat David later, deze daad erkennende, beide hoogepriesters hunne bediening liet blijven uitoefenen, den een te Jerusalem bij de ark, den ander te Gabaon, waar de tabernakel stond.
De zwarigheden tegen dit gevoelen zijn niet gering. Vooreerst, zooals reeds bladz. 156 is aangeteekend, werd Abiathar later door Salomon afgezet (5 Kon. II: 27) en Sadoc «in zijne plaats gesteldquot; (2 Kon. H: 55). Dit »in de plaats stellenquot; (de eigen woorden der H. Schrift) kon moeielijk geschieden, als Sadoc reeds hoogepriester was; er kon dan slechts spraak zijn van hem als eenig hoogepriester aan te stellen. Doch er is meer. Volgens de gewone berekening verliepen er tusschen den priestermoord te Nobe en Davids huldiging door geheel Israël 13 jaren. Nu was Sadoc tijdens de laatste gebeurtenis, zooals de H. Schrift getuigt, nog een «jongelingquot; â zie bladz. 172. Het woord jongeling moge in de taal der H. schrift een andere beteekenis hebben dan thans en in 't algemeen slechts als gelijknamig met n iet-oude-man gelden, toch schijnt het lastig te rijmen, hoe iemand die reeds 13 jaren de verhevene waardigheid van hoogepriester heeft bekleed, nog een jongeling of jongeman kan geheeten worden. Hierbij komt, dat de Wet nergens de mogelijkheid van twee gelijktijdige hoogepriesters veronderstelt, en haar dus, zou men zeggen, uitsluit. Heeft David met de Wet in strijd gehandeld? Het is van een zoo ijverigen dienaar Gods moeielijk te gelooven. Vele uitleggers houden het er daarom voor, dat wij hier opzichtens Sadoc en Abiathar te doen hebben met een geval als 4 Kon. XXV: 18, waar gesproken wordt van een hoogepriest.i en zijn plaatsvervanger. Dit laatste zal ook Sadoc zijn geweest, terwijl Abiathar de eenige eigenlijk gezegde hoogepriester was.
177
BIJBELSCHE GHSCHIHDFNIS.
cn bedolven het onder een lioop steenen. Terzelfder tijd liet Joab de bazuin blazen, ten teeken, dat de zijnen van de thans doelloos geworden verdere achtervolging hunner tegenstanders moesten afzien. Zoo eindigde deze strijd, waarin, van Absaloms zijde, 20.000 man gevallen waren; de overgeblevene manschappen verspreidden zich in alle richtingen en 1.eerden, een iegelijk naar zijn huis, terug.
In het leger van Joab bevond zich ook Sadocs zoon Achimaiis. Brandende van verlangen, om David niet het bericht der behaalde overwinning te verblijden, sprak hij tot joab: Ik snel naar den koning en ga hem boodschappen, dat de Heer hem uil de handen zijner vijanden verlost heelt. Joab antwoordde: Dezen keer zult gij geen bode zijn, gij zult het zijn op een anderen dag, maar thans wil ik het niet, want de zoon des konings is dood. Voorts sprak hij tot Chusi: Ga gij en meld den koning hetgeen gij gezien hebt. Chusi boog zich voor Joab en ging. Toen hij reeds vertrokken was, drong Achimaiis bij Joab aan: Wat is cr legen, zeide hij, dat ik Chusi nasnel? Joab echter bleef weigeren, zeggende: Waarom, mijn zoon, wilt gij gaan? gij zoudt een ongeluksbode wezen. Andermaal hernam Achimaiis: Hoe het ook zij, Iaat mij gaan. Eindelijk gal Joab zijn tegenstand op cn zeide: Ga.
Hoezeer Chusi zich haastte, wist Achimaas hem langs een korteren weg een eind vooruit te komen. Inmiddels zat David te Mahanaïm onder de poort, en de wachter, die op de tinne van den toren der poort stond, riep den koning toe : Ginds in de verte komt iemand geheel alleen op de stad aansnellen. David riep terug: Als hij alleen is, zal hij goede tijding brengen (vluchtelingen komen veelal met meerderen tegelijk). Eenige oogenblikkcn later, riep de wachter opnieuw: Ik j.ie nog een anderen man, insgelijks alleen. Wederom gat David te verstaan: Ook deze brengt gunstig bericht. Na een korte tusschenpoos, riep de wachter nogmaals: Den voorste erken ik aan zijn loopen als Achimaas, den zoon van Sadoc. David antwoordde: Dat is een goede man, die goede boodschap brengt.
Zoodra Achimaas op een afstand genaderd was, dat zijn geluid kon verstaan worden, riep hij: Leve de koning! Daarna de poort bereikt hebbende, maakte hij voor David eene diepe buiging en sprak tot hem : Geloofd zij de Heer uw God, die de mannen, welke hunne handen tegen u, mijn heer en koning, hadden opgeheven, vernederd heeft! Oogen-Mikkelijk vroeg de koning: Is mijn zoon Absalom ongedeerd? Achimaas antwoordde: Ik zag een grooten oploop, toen Joab mij zond; meer weet ik niet. David gaf Achimaas bevel te wachten tot ook Chusi zou zijn aangekomen. Nadat dit geschied was, sprak Chusi: Ik breng goede tijding, mijn heer en koning! de Heef heeft u heden recht verschaft ten overstaan van al degenen, die zich tegen u verzet hadden. Ook nu vroeg David weder het eerst naar Absalom, en Chusi's antwoord luidde: Gelijk Absalom mogen varen alle vijanden des konings en al wie u kwaad willen ! Toen de koning deze woorden hoorde, werd hj zeer bedroefd; hij stond op, begaf zich naar de zaal boven den ingang der poort cn riep, reeds onderweg, aanhoudend uit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, och, of ik in uwe plaats gestorven ware! Absalom, mijn zoon! mijn zoon Absalom!
1 en spoedigste werd aan Joab gemeld : de koning treurt om zijn zoon. Ook Joabs manschappen kwam dit bericht ter oore, en van stonden aan was al hunne vreugde over de behaalde zegepraal verdwenen; zij weigerden Mahanaïm binnen te trekken en weken ter zijde uit, als hadden zij de nederlaag geleden. Nog ging David voort te treuren; hij bond een doek voor zijne oogen en riep luidkeels, zoodat het volk het hoorde: Mijn zoon Absalom! Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Om aan deze handelwijze een einde te maken, ying Joab tot den koning en sprak: Gij beschaamt heden het aangezicht van al uwe dienaren, die uw leven hebben gered en het leven uwer zonen, uwer dochters en uwer vrouwen. Gij bemint hen die u haten, en gij haat die u beminnen; daarbij toont gij, dat gij uwe legeraanvoerders en uwe manschappen voor niets telt; ja, het wordt mij duidelijk, dat als Absalom slechts behouden ware en wij allen den dood hadden gevonden, «ni
1 1 ⢠â r 1 ' ö )
tevreden zoudt zijn. Welaan, sta op, ga naar buiten en spreek uwe strijders toe, 0111 aan hunne wenschen voldoening te geven; doet gij dit niet, dan, ik zweer het u, zal geen
BljBELSCHE GF.SCHIHDF.NIS.
enkele man nog dezen nacht bij u blijven, en dit zou het ergste zijn, wat u ooit overkomen is van uwe jeugd af tot op dit uur. De koning liet zich door deze woorden bewegen; hij stond op, ging naar buiten en zette zich in de poort neder. Zoodra het volk hoorde, dat de koning daar zat, verscheen het voor hem en was tevreden.
1. De II. Augustinus zegt, dat David niet zoozeer den lichanielijkcn als wel den geestelijken dood van Absalom beweende. Te midden der zwaarste zonden stierf deze ongelukkige zoon zonder eenig teeken van berouw; David wenschte in zijne plaats gestorven te zijn, opdat Absalom tijd tot bekeering en boete mocht gehad hebben.
2. Volgens Jozef Kimchi, een geleerden rabbijn nit de 12c eeuw, omwonden de Israëlieten, wanneer zij treurden, hun gelaat, als wilden zij uitdrukken, dat hunne droefheid te groot was, om door iemand gezien te worden.
HOOFDSTUK LXXXVII.
DAVIDS TERUGKEER NAAR JERUSALEM.
fn de verschillende stammen die Absalom hadden aangehangen, openbaarde zich ; thans eene sterke beweging ter verzoening met David. Op den toon der bitter-
'' quot; heid sprak men alom tot elkander: De koning heeft ons steeds zoo heldhaftig 3;^ tegen onze vijanden beschermd, hij redde ons uit de handen der Philistijnen, en 'U niettegenstaande dat alles heeft hij voor Absalom de vlucht moeten nemen; boven-1 dien is Absalom, dien wij ons verkoren hadden, in den strijd gedood; welnu dan, o Israel, hoelang zult gij nog talmen, den koning terug te voeren? Zoodra deze gesprekken en het daarop gevolgde besluit tot handelen den koning ter oore kwamen, liet hij aan Sadoc en Abiathar, te Jerusalem boodschappen; Zegt uit mijn naam aan de oudsten van den stam Juda: Gij, mijne broeders, gij één gebeente en vleesch met mij, waarom zijt gij de laatsten, om het plan op te vatten, den koning terug ie brengen? Wijders moesten Sadoc en Abiathar van Davids wege tot den overste van Absaloms leger, Amasa, spreken: Zijt gij niet mijn bloedverwant? God strafte mij, indien gij niet in Joabs plaats mijn legeroverste zult zijn. Deze en de overige woorden hadden het gewenschte gevolg; de oudsten en familiehoofden van Juda maakten zich reisvaardig, om eenparig den koning tot Galgala en den Jordaan te gemoet te trekken; middelerwijl lieten zij bij voorbaat den koning berichten: Keer terug, gij met al uwe dienaren.
Terwijl dit in het stamgebied van Juda voorviel, had in Galaad de ontmoeting plaats tusschen David en Berzellai. Berzellaï, de rijke man, die den koning te Mahanaim voor een gedeelte van levensmiddelen voorzien had, wilde hem ook bij zijn vertrek uitgeleide doen tot aan den Jordaan en zelfs nog verder. Ondanks zijne tachtig jaren verliet hij zijne woning in de stad Rogelim en spoedde zich op weg. David, die den edelmoedigen grijsaard gaarne tot diens dood bij zich wenschte te houden, sprak te dien einde tot hem; Ga mede naar Jerusalem, ik zal u den avond uws levens aangenaam maken. Doch de oude man antwoordde: Zou ik, zoo hoog bedaagd, nu nog met den koning naar Jerusalem gaan? Zijn dan mijne zintuigen nog scherp genoeg, om het zoete van het bittere te onderkennen? Kan uw dienaar nog behagen vinden in keur van spijs en drank, of zal hij met genoegen luisteren naar het lied der zangers en zangeressen? Immers neen. Uw dienaar zou mijn lieer en koning slechts tot last zijn. Ik zal u tot even over den Jordaan vergezellen; vergelding voor mijne daden begeer ik niet; slechts één wensch heb ik: naar mijne stad terug te keeren, om daar te sterven en er in het graf van mijnen vader en mijne moeder ter ruste te worden gelegd. Ziehier echter mijn zoon Chamaara, neem dezen mede en behandel hem volgens uwe goedgunstige gezindheid. Zeer wel, antwoordde David, laat Chamaam medegaan; ik zal hem doen, gelijk u behaagt, en al wat gij verzoekt, zult gij verkrijgen.
De oudsten en oversten van Juda waren te Galgala aangekomen en hadden zich ver-
1 oo
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
volgens naar den Jordaan begeven, om er don koning op te wachten. Ook bevonden zich daar Semeï, van Bahurim, en Siba, de dienaar van het huis Saul; zij hadden zich, de eerste met duizend Benjamieten, zijne stamgenooten, de laatste met zijne vijftien zonen en twintig dienstknechten, bij de mannen van Juda gevoegd en waren gezamenlijk hierheen gereisd. Semeï, die den koning op diens vlucht zoo boosaardig gevloekt en beleedigd had, betoonde zich thans (in de hoop op vergiftenis) vol ijver en toewijding; hij stak zelfs den Jordaan over, om, met zijne mannen en met Siba, het koninklijk gezin, dat zich nog aan de oostzi]de van den stroom, in Galaad, bevond, bij den overtocht behulpzaam te wezen. Na dit gedaan te hebben, wierp hij zich voor den koning plat ter aarde en sprak: Reken mij toch, mijn heer en koning, mijne misdaad niet toe, noch gedenk het kwaad dat ik bedreef, toen mijnheer en koning uit Jerusalem heenging; ik erken mijne zonde en daarom ben ik het eerst van allen mijn heer en koning tegemoet gesneld. Joabs broeder Abisaï, die bij dit onderhoud tegenwoordig was, sprak tot den koning: Zal Semeï, uit aanmerking van deze zijne woorden, niet gedood worden, hij, die den gezalfde des Heeren heeft vervloekt ? De koning antwoordde : Wat heb ik met u te doen, zonen van Sarvia (Abisaï en Joab) ; waarom zet gij mij aan tot bloedvergieten; zal er heden iemand in Israel sterven, ten dage, dat ik (opnieuw) koning ben geworden ? Daarna sprak hij tot Semeï: Gij zult niet sterven. Thans was voor David ook het oogenblik aangebroken, om van Berzellaï afscheid te nemen; de oude man had den koning nu ver genoeg vergezeld â zooals hij in den beginne gezegd had : tot even over den Jordaan. David viel zijn weldoener om den hals, kuste hem en liet hem onder de hartelijkste zegenwenschen naar Rogelim, in Galaad, terugkeeren. Daarop zette de koninklijke stoet zich in beweging en vertrok naar Galgala. Zij werd begeleid door de mannen van Juda, door Semeï met zijne duizend Benjamieten en door Siba met de zijnen.
Te Galgala trof men de afgevaardigden der overige stammen aan. Hoewel zij de eersten waren geweest, die het denkbeeld, om den koning terug te brengen, hadden opgevat, hadden zij zich het minst gehaast en waren ook nu nog slechts voor de helft aanwezig. Zij hadden den koning niet zoo spoedig verwacht en namen het hem kwalijk, dat hij, in plaats van tot hunne aankomst bij den Jordaan te vertoeven, zich alleen door zijne stamgenoten had laten inhalen. Waarom, zeiden zij tot David, hebben onze broeders uit Juda u gestolen en den koning en zijn gezin buiten ons weten over den Jordaan gevoerd ? De zonen Juda's, die dit verwijt als aan hen gericht achtten, antwoordden; Omdat de koning ons nader is dan u. Hoe kunt gij, voeren zij voort, u over deze zaak belgcn? hebben wij van 's konings voorraad gegeten of zijn ons geschenken gegeven. De anderen brachten' hiertegen in : Wij gelden bij den koning als tienmaal zoo talrijk (wij zijn tien stammen) ; David behoort ons dus meer dan u. Waarom hebt gij ons dan verongelijkt door ons niet het eerst te laten weten, onzen koning in te halen ? Toen de zonen Juda's hierop nog een harder antwoord gaven, greep een Benjamiet met name Seba, een echt Belialskind, de bazuin, deed er een paar krachtige stooten in en sprak: Welaan dan, wij hebben geen deel aan David, geen erfenis aan den Zoon van Isai; keer dus terug naar uwe woontenten, o Israel! Op dat woord gingen de elt stammen heen, om Seba te volgen, terwijl Juda alleen den koning naar Jerusalem begeleidde.
Toen de koning die stad naderde, kwam Miphiboseth, de kleinzoon van Saul, hem te gemoet. Miphiboseth had zijne voeten niet gewasschen, zijn baard niet verzorgd en zijne kleederen niet gereinigd sedert den dag, waarop David was gevlucht. David vroeg hem: Waarom zijt gij niet met mij gegaan, Miphiboseth? Deze antwoordde: Mijn heer en koning, mijn dienstknecht Siba heeft mij veracht; ik had hem bevolen, mijn ezel te zadelen, om daarop met den koning heen te rijden, want ik uw dienaar ben lam (doch Siba luisterde niet naar mijn bevel en nu moest ik achterblijven). Daarenboven heeft hij mij bij mijn heer en koning aangeklaagd; gij echter, mijn heer en koning, zijt als een engel Gods (begaafd met doorzicht, om waarheid van valschheid te onderscheiden), doe dus hetgeen u behaagt. Ofschoon gij mijns vaders huis had kunnen laten dooden, hebt gij mij, uw dienaar, onder
BIJBF.I.SCHF. GESCHIEDENIS.
uwe dischgcnooten opgenomen; welke reden tot klagen kan ik alzoo hebben (ook al doet gij iets, hetgeen mij minder aangenaam is)? De koning zeide hierop: Spreek niet verder; het blijft vast staan, wat ik besloten heb: gij en Siba zult de goederen deelen. Miphiboseth verzekerde: Hij moge alles nemen; het is mij genoeg, dat de koning in vrede is teruggekeerd.
t. David wiKlc Amasa in Joabs plaats tot legeroverste aanstellen, niet omtlat de eerste hem door familiebanden nador verwant was dan de tweede â beiden toch waren zij zonen van Davids zusters, Amasa van Abigail, Joab van Sarvia â maar de koning was reeds lang den aanmatigenden trots van Joab en evenzeer van diens broeder Abisaï moede. Herhaaldelijk sprak hij tot hen: Wat heb ik met u te doen, zonen van Sarvia? Daarenboven had Joab, op het einde van Davids zevenjarige regeering over Jiula, Isboseths veldheer Abner vermoord en nu onlangs wederom was hij het geweest, die tegen Davids uitdrukkelijk bevel Absalom had gedood. Bij den moord van Abner had David Joab moeten ontzien, omdat hij destijds nog niet machtig genoeg was, dezen overigens dapperen en scherpzinnigen veldheer af te zetten. Thans dacht hij daartoe over te gaan, maar Joab wist, zooals uit liet volgende hoofdstuk zal blijken , zich op zijne plaats te handhaven , door Amasa even verraderlijk als Abner uit den weg te ruimen. Eerst onder Davids opvolger Salomon ontving de moordenaar zijn verdiende straf.
2. Doven wordt eerst van tien, daarna van elf ontevreden stammen gesproken. Men kan zich de toedracht der zaak aldus voorstellen: Jnda trok op, om David in te halen; Semei en Siba, beiden Benjamieten, sloten zich, de een met 1000 man, de ander met zijn i1) zonen en 20 dienstknechten bij Juda aan. De stam Benjamin was dus gedeeltelijk vertegenwoordigd. Later kwamen de vertegenwoordigers van tien stammen en ook zij hadden een aantal Benjamieten bij zich. Aanstonds toonden de tien stammen zich gebelgd op Jnda, De Benjamieten, wijl er van hunne broeders bij beide partijen aanwezig waren, hielden zich in het eerst meer onzijdig. Doch toen de twist hooger liep, moesten zij partij kiezen. Diegenen hunner, welke met de tien stammen gekomen waren, verklaarden zich voor dezen, en dewijl zij veel talrijker waren dan hunne broeders, die Juda vergezeld hadden, en vooral nu een hunner, Seba â wel te onderscheiden van Siba â, de bazuin stak, spreekt de H. Schrift ten slotte van elf ontevreden stammen.
I lOOFDSTUK LXXXVIII.
HET OPROER VAN SEBA.
tl^Sfe-eba, die te Galgala de bazuin gestoken en de vertegenwoordigers der elf stammen |p||iv bewogen had, zich van David en de zonen Juda's te verwijderen, werd de aan-voerder van een nieuw oproer (dat waarschijnlijk ten doel had, de genoemde /Ifv, stammen tot een afzonderlijk rijk te vormen). Om hierin te slagen, trok hij een i 1 groot gedeelte des lands door en verzamelde een leger, waarmede hij David het I hoold zou kunnen bieden.
David zag aanstonds het gevaarlijke dezer beweging in. Nog pas te Jerusalem teruggekeerd, beval hij zijn nieuw legerhoofd Amasa, binnen drie dagen geheel Juda ten strijde te roepen, en toen Amasa, ter uitvoering van dezen last op reis getogen, over den bepaalden tijd uitbleef, sprak de koning tot Abisaï: Seba, de zoon van Bochri, zal ons nog meer in het nauw brengen dan Absalom; neem derhalve mijne dienstmannen en achtervolg hem, eer het hem gelukke zich binnen eene vesting te versterken en onze handen te ontkomen. Abisaï begaf zich alsdan met Davids lijfwacht en een aantal geharde strijders op weg. Bij den grooten steen te Gabaon (een halve dagreis van Jerusalem) kwam Amasa met zijne nieuw aangeworvene manschappen hem te gemoet. Van deze gelegenheid trok Joab, die zich bij Abisaï bevond, partij, om zijne plannen tegen Amasa te volvoeren. Joab was gekleed in een nauw;luitenden lijfrok; zijn kort zwaard hing hem, aan een gordel, in eene schede langs zijne lenden; het was zoo gemaakt, dat hij het zonder de geringste moeite uit de schede kon trekken, om er iemand mede te doorboren. Aldus gewapend, trad hij, onder den schijn van vriendschap, op Amasa toe, vatte hem met de rechterhand bij de kin, als wilde hij hem kussen, maar greep terzelfder tijd niet de linkerhand, zonder dat Amasa hier iets van bemerkte, zijn zwaard en doorstak hem. Geen tweede steek was meer noodig ; de ingewanden vloeiden Amasa uit den buik en hij stierf bijna onmiddellijk. Joab
192
ttfJBELSCHE GESCHIEDENIS.
toonde zich over zijne daad niet het minst ontroerd ; als ware er niets gebeurd, zette hij niet Abisaï zijnen marsch voort. De strijders, die het dichtst achter Joab gingen en tot zijne vertrouwelingen behoorden, bleven een oogenblik bij het lijk van Amasa staan en zeiden, den moord goedkeurende: Ziehier de man, die in Joabs plaats de eerste naast David heeft willen zijn! Het lijk lag midden op den weg, omringd door een grooten plas bloed. Daar er langzamerhand meer strijders bij bleven stilstaan, nam een hunner, om hieraan een einde te maken, het lijk op, ging er mede ter zijde in het veld, legde het daar neer en overdekte het met een mantel. De manschappen die nu volgden, zagen niets dat hunne bijzondere opmerkzaamheid lokte, en trokken geregeld voort.
Intusschen had Seba met een handvol krijgers (het. grootste gedeelte zijner troepen was op de nadering van Joab en Abisaï verloopen) de stad Abela, in het noorden des lands, bereikt en trachtte zich te verdedigen. Joab (aan wien Abisaï het opperbevel had afgestaan) was Seba spoedig gevolgd en begon Abela te belegeren. Hij liet rondom de stad eene rij verschansingen opwerpen en gaf last de stadsmuren te ondermijnen. Terwijl zijne manschappen hiermede bezig waren, riep eene vrouw hun toe: Hoort, mannen, hoort! zegt namens mij aan Joab: Kom Jer, opdat ik met u spreke. Joab naderde dus, en de vrouw vroeg hem: Zijt g| Joab? Ik ben het, gaf hij ten antwoord. De vrouw hernam: Er is een oud spreekwoord, hetwelk luidt; Wie raad noodig heeft, vrage den lieden van Abela en hij zal zijn doel bereiken; â welnu, gij zoekt eene stad te verwoesten, die eene moeder is in Israël? waarom verstoort gij het erfdeel des Heeren ? Joab antwoordde: Dit zij verre; ik verwoest noch verstoor; zoo staat de zaak niet, maar een man, met name Seba, de zoon van Bochri, heeft zijne hand tegen koning David opgeheven, lever hem ons uit en wij zullen ons van de stad verwijderen. De vrouw gaf hierop de verzekering: Zie, zijn hoold zal u over den muur worden toegeworpen.
Nadat de vrouw met deze woorden haar gesprek geëindigd had, begaf zij zich naar de plaats waar hare stadgenooten vergaderd waren, en wist hen door hare vroede taal tot de uitvoering harer belofte over te halen; zij hieuwen Seba het hoofd af en wierpen het over den muur. Nu was Joab voldaan; hij liet de bazuin blazen, ten teeken dat de belegering der stad was opgeheven, en keerde naar Jerusalem terug. Opnieuw werd hij in zijne nu reeds ten tweeden male bedreigde waardigheid van legeroverste bevestigd.
Zooals reeds vroeger iso pgemerkt, bevestigde David den moordenaar in zijne waardigheid slechts door den nood gedwongen, omdat hij hem en zijn aanhang vreesde.
HOOFDSTUK LXXX1X.
DE HONGERSNOOD EN DE GABAONIETEN. VIER OORLOGEN MET DE PHlLlSTlJNEN.
n die dagen ontstond er een hongersnood in het land, welke drie jaren duurde, David vroeg den Heer, uit wat oorzaak deze ramp over Israël gekomen was, en ontving ten antwoord : Om wille van Saul en zijn bloedgierig huis, wijl hij de ibaonieten gedood heeit.
De Gabaonieten waren de nakomelingen van den Chanaanietischen volksstam, t welken het door list gelukt was, met Josue een verbond van vrede en vriendschap te sluiten. Ofschoon de list spoedig ontdekt werd, had Josue evenwel het verbond, uit aanmerking van den eed waarmede hij en zijne onderaanvoerders het bezworen hadden, niet durven verbreken; hij liet de bedriegers te midden van Israël wonen maar veroordeelde hen en hun nageslacht, ten eeuwigen dage houthakkers en waterdragers te zijn (zie hoofdst. 51). Ook ten tijde der rechters (ongeveer 400 jaren lang) was dat verbond geëerbiedigd. Saul echter had het geschonden j uit misplaatsteu ijver voor Israël wilde hij de Gabaonieten
25
btJftRLSCHE GRSCHIEDENtS.
uitroeien; allen, die hem van dit volk in handen vielen, had hij ter dood laten brengen, de overigen hadden de wijk genomen naar Geth in het land der Philistijnen (waarschijnlijk waren zij onder Davids regeering naar Israël teruggekeerd).
David liet deze Gabaonieten bij zich komen en vroeg hun : Wat wilt gij dat ik u doen zal, opdat gij het volk des Heeren weder zegent? Hun antwoord luidde : Wij begeeren geen zilver of goud; onze eisch betreft enkel Saul en zijn huis. Wat wilt gij dus? vroeg David andermaal. Wij moeten, antwoordden zij, den man die ons wederrechtelijk verdrukte, zoo verdelgen, dat er uit zijn geslacht niemand overblijve in geheel Israël. Negen afstammelingen van Saul waren nog in leven; doch daar David, om den eed aan Jonathas gezworen, Miphiboseth en diens zoon niet aan de Gabaonieten wilde overleveren, vroegen zij minstens zeven man. David gaf hun dus de twee zonen van Sauls nevenvrouw Respha en de vijf zonen uit het huwelijk van een van Sauls dochters met Hadriël. Dezen werden nu door de Gabaonieten op een heuvel bij de stad Gabaa gekruisigd.
Het was in het begin van den oogst, toen de gemelde gebeurtenis voorviel, en de lijken zouden aan de kruisen blijven hangen, totdat er regen kwam. Gedurende al dien tijd gaf Respha de teederste bewijzen harer moederliefde; zij nam een haaren kleed, spreidde dit in de nabijheid der kruisen op den grond uit en zette zich daarop neder, om bij dag de vogels en des nachts de verscheurende dieren van de lijken af te weren. Toen dit aan David geboodschapt werd, deed hij de lijken begraven in het graf van Cis, den vader van Saul. Tezelfder tijd gaf hij zijnen dienaren last, de overblijfselen van Saul en Jonathas, die door de mannen van Jabes-Galaad ter aarde waren besteld, (zie hoofdstuk 78) naar het vaderlijk graf over te brengen.
Nog viermaal had David oorlog te voeren tegen de Philistijnen. De eerste dezer oorlogen had hem bijna het leven gekost. Er bevond zich nl. in het Philistijnsche leger een man uit het reuzengeslacht van Kapha, Jesbibenob genaamd, die, behalve een nieuw zwaard, dat hij aan zijn gordel droeg, gewapend was met eene lans, waarvan de ijzeren punt driehonderd sikkels woog. Op een oogenblik, dat David erg vermoeid was, viel de reus op hem aan, doch Joabs broeder, Abisaï, schoot bijtijds zijn koning te hulp en had het geluk, den reus te dooden. Dit voorval maakte een diepen indruk op Davids manschappen; zij bezwoeren hem ; Trek toch nimmer meer met ons ten strijde, opdat gij de lamp van Israël niet uitbluscht.
In den tweeden oorlog, die, even als de beide volgende, zonder Davids tegenwoordigheid gevoerd werd, versloeg een van Israels dapperste helden, met name Sobochaï, een anderen reus, Saph, eveneens uit het geslacht van Rapha. In den derden krijg vond weder een reus, een broeder van Goliath, den dood door de handen van Adeodatus, een bontwever uit Bethlehem. De vierde oorlog werd gevoerd in het Philistijnsche landschap Geth; nogmaals sneuvelde een reus. Deze nakomeling van Rapha had zes vingers aan elke hand, en aan lederen voet zes teenen. Terwijl hij vreeselijke lastertaal tegen Israël uitbraakte, werd hij verslagen door Jonathan, den zoon van Davids broeder Samma. â Uit dankbaarheid voor al de overwinningen, nu en vroeger hem door God geschonken, zong David een heerlijken lofzang, beginnende met de woorden: De Heer is mijn rots, mijn kracht en mijn redder. De Heer is mijn sterkte, op Hem zal ik hopen; Hij is mijn verlosser, die mij beschermen zal tegen de ongerechtigheid.
z. In de bovenstaande geschiedenis zien wij wederom een voorbeeld van de groote soberheid en de beknoptheid der H. Schrift. In hare beschrijving van Sauls leven en daden liet zij er ons geheel onkundig van , dat Saul, behalve zijne andere kinderen, door de Schrift op hunne plaats genoemd, (en hiervoor hoofdstuk 69 vermeld) nog bij eene nevenvrouw, Respha, twee zonen bezat. Het bestaan dier vrouw zelve wordt ons eerst bericht nadat Saul reeds geruimen tijd gestorven was en Isboseths legeroverste, Abner, met haar betrekkingen had aangeknoopt (hoofdstuk 80), maar van hare zonen wordt ook daar nog gezwegen, totdat zij hier, als t ware toevallig, ter spraak worden gebracht. Misschien mag men de reden van dit vroeger stilzwijgen der Schrift toeken in de vermoedelijke omstandigheid, dat Respha slechts eene nevenvrouw van minderen rang is geweest, in hare aonen niet in den strengen, zin »ls tot het koninklijk huis behooreade werden gerekend, Maat ook v»n
BljBKLSCHE GESCHIEDENIS.
het vermoorden der Gabaonieten â zeer zeker toch een gewichtig feit â werd destijds met geen enkel woord door de H. Schrift gewag gemaakt, totdat het hier, wederom ais 't ware toevallig, nagenoeg eene halve eeuw nadat het gebeurd is, door haar wordt medegedeeld, naar aanleiding van den hongersnood, waarmede God hel begane kwaad strafte. Had hel God behaagd, dien hongersnood niet te zenden, dan zouden wij waarschijnlijk van het ombrengen der Ciabaonicten zoomin kennis dragen als van Sauls zonen bij zijne nevenvrouw Respha.
Deze opmerking moge levens strekken ter beantwoording van de vraag, hoe God op geheel Israël eene zonde kon wreken, die Saul bedreven had? Ongetwijfeld, Saul had haar bedreven, maar hij alleen? De H. Schrift, die het eerste verzekert, ontkent daarmede hel laatste niet, zij zwijgt er over. Het blijft dus zeer goed mogelijk, dat het volk de daad zijns konings had goedgekeurd, dat hel uit dien hoofde aan den moord zedelij-kerwijze medeplichtig was en bijgevolg de straf des Heeren had verdiend. Overigens zijn ook de voorbeelden niet zeldzaam, dat het gansche volk de misdaden van enkelen moest boeten â men herinnere zich o. a. de nederlaag der Israëlieten voor Haï om de zonde van Achan, hoofdstuk 50 verhaald.
Wat verder de terechtstelling der zeven afstammelingen van Saul betreft, hel is meer dan een bloote gissing, dat deze personen, zoo zij zich al ten opzichte der Gabaonieten niets te verwijten gehad hebben, loch om andere redenen wel degelijk des doods schuldig waien. Er zijn uitdrukkingen in de H. Schrift, die tot dit vermoeden min of meer grond geven. Doch, hetzij men dit laatste aanneme of niet, immer blijft het waar, dat de Schrift op zeer vele punten onze menschelijke weetgierigheid niet heeft willen bevredigen en dat wij dus geen volledig oordeel kunnen uitbrengen over zaken, die wij slechts ten halve kennen.
2. De kruisiging in den zin, waarin zij aan den Verlosser en aan de beide moordenaars voltrokken werd, was geen joods*.he, maar een Romeinsche straf. De joden voltrokken de doodstraf op andere wijze, door het zwaard of door steeniging; eerst daarna hingen zij tot meerdere schande de lijken aan kruisen of palen. Zoo zal er dus zeer waarschijnlijk ook met de zeven afstammelingen van Saul zijn gehandeld.
Volgens de Wel van Moses mochten de doode lichamen niet langer aan het kruis blijven hangen dan een dag; de Gabaonieten hebben zich aan die Wet niet gehouden. â Respha, die bij de kruisen de wacht hield, om de roofvogels en het wild gedierte af te weren, werd in deze taak ongetwijfeld door hare dienaren bijgestaan.
3. Het reuzengeslacht, dat Rapha (ook Arapha geheeten) lot stamvader had, was reeds ten tijde van Moses bekend. Een tak van dit geslacht had zich vroeger ten oosten van den Jordaan opgehouden; Og, de koning van Hasan, was er de laatste telg van. Deut. III : 11; Josue XII : 4. De Philistijnsche tak zette inmiddels zijn bestaan nog gedurende eene lange reeks van jaren voort.
HOOFDSTUK XC.
DAVID MET DE PEST GESTRAFT, DIENSTREGELING DER PRIESTERS EN LEVIETEN. HET LEGER EN DE BEAMBTEN.
had door zijne zonden den toorn des Heeren tegen zich gaande gemaakt, en de Heer liet toe, dat satan David aanspoorde, om liet volk te laten tellen. 1'^ ' ' David riep alsdan Joab en de mindere bevelhebbers zijns legers bij zich en sprak tot hen: Doorwandelt alle stammen Israels en neemt het volk op, ten einde ik wete, If hoe talrijk het is. Joab bracht hiertegen in: De Heer uw God moge uw volk 1 honderdmaal vermeerderen ; maar wat bedoelt mijn heer en koning met deze telling? David echter bleef bij zijn bevel, en joab, hoe ongaarne hij in dit geval ook gehoorzaamde, begaf zich met de andere oversten op reis. Hij voerde evenwel zijn last niet ten volle uit, maar keerde na negen maanden en twintig dagen, zonder de stammen Levi en Benjamin geteld te hebben, naar Jerusalem terug. Het getal dat hij aan David opgaf, bedroeg voor Israël 800.000 strijdbare mannen en voor Juda 500.000. (Uit een latere opgave, bij 1. Para-lipomenon XXI: 5, bleek Israël te bezitten 1,100,000 strijders en Juda 470,000.)
Onmiddellijk nadat de zaak haar beslag had gekregen, begon den koning het geweten te knagen (wijl hij met een verkeerd doel had gehandeld) en hij sprak tot den Heer; Ik heb met deze telling zwaar gezondigd, maar neem de ongerechtigheid uws dienaars weg, want dwaas heb ik gedaan. Doch de Heer liet David door den profeet Gad zeggen : Zoo spreekt de Heer: Van drie dingen wordt u de keus gegeven, zie toe, wat gij kiezen wilt; of, dat er drie jaren lang hongersnood heersche in uw land, of dat gij drie maanden vluchtet voor uwe vijanden, of dat uw land drie dagen door de pest geteisterd worde. David antwoordde: Van alle kanten word ik benauwd, doch het is mij beter te vallen in
19« t-ljDELSCHE GESCHIEDENIS.
de handen des Heeren, wijl zijne barmhartigheden menigvuldig zijn, dan in de handen der menschen. De Heer zond dus zijn engel, die Israël met de pest sloeg en den eersten dag stierven er van Dan tot Bersabee 70.000 menschen. Ook naar Jerusalem werd de engel gezonden. In zichtbare gedaante zweefde hij boven den dorschvloer van den Jebuseër Oman, op den berg Moria, met het uitgetogen zwaard tegen de stad gekeerd. Reeds begonnen er hier en daar dooden te vallen, toen David, den engel ziende, zich met de oudsten voor het aanschijn des Heeren plat ter aarde wierp ; allen waren zij in rouwzakken gekleed (ten teeken van boete) en David bad overluid: ik, o Heer, heb gezondigd, ik heb slecht gehandeld; maar wat hebben deze schapen (dit volk) gedaan? laat toch, bid ik u, uwe hand zich tegen mij keeren en tegen het huis mijns vaders. De Heer zond nu den profeet Gad, die tot David sprak: Ga en richt op Ornans dorschvloer den Heer een altaar op. Aanstonds was David bereid en begaf zich naar de hem aangewezene plaats. Toen Oman den koning zag, boog hij zich voor hem ter aarde en sprak: Ãit welke oorzaak komt mijn koning tot zijn dienaar? David antwoordde: Om uw dorschvloer te koopen en er den Heer een altaar op te richten, ten einde de sterfte, die onder het volk heerscht, moge ophouden. Ornan zeide: Mijn heer en koning neme (zonder geld) en offere wat hem belieft: hier hebt gij een span ossen tot een brandoffer, terwijl de wagen en de jukken der ossen kunnen dienen als brandhout. De koning hernam: Neen, niet aldus, maar ik zal alles van u koopen volgens zijne waarde; want ik wil den Heer mijn God geen offer opdragen , dat mij niets kost. David kocht alsdan den dorschvloer en de offerdieren en voorts ook den geheelen berg Moria voor den gezamenlijken prijs van zeshonderd sikkels goud, nauwkeurig gewogen; de dorschvloer en de offerdieren alleen beliepen in dit bedrag vijftig sikkels zilver. Zoodra de prijs was vastgesteld, bracht David het bedoelde altaar tot stand, droeg brandoffers en vrede-offers op en riep den naam des Heeren aan. De Heer liet zich verbidden. Hij kreeg medelijden met het volk wegens de grootheid van de ramp die het trof, en sprak tot den engel: Het is genoeg, trek uwe hand terug en steek uw zwaard in de schede. Terzelfder tijd zond de Heer (als teeken van zijn welbehagen) een vuur van den hemel, dat de offers verteerde.
Uit dit wonder vooral begreep David, dat de Heer voortaan op den Moria (een der bergen van Jerusalem) wilde gediend worden; en hoewel de tabernakel met zijn altaren nog in wezen was en zich te Gabaon bevond, waagde de koning het niet meer in die tent te offeren, want steeds was hij de verschijning des engels en het bevel des profeets betreffende den Moria indachtig. Ook sprak hij: hier zal het huis Gods (de tempel) gebouwd worden, en hier het altaar staan, waarop Israël zijne offers zal brengen. Reeds bij voorbaat zorgde hij, dat voor dit grootsche plan, eenmaal door zijn zoon uit te voeren, bekwame werklieden werden bijeenverzameld en dat het niet aan de noodige bouwstoffen zou ontbreken. Hij liet steenen behouwen en polijsten, en de hoeveelheid cederhout, die de Tyriërs en Sidoniërs hem brachten, kon niet begroot worden.
Met het oog op den toekomstigen tempel regelde David ook terstond de dienstverrichtingen der priesters en der Levieten. De priesters, de nakomelingen van Aaron, rangschikte hij in 24 afdeelingen, waarvan er 16 tot het talrijke nageslacht van Eleazar en 8 tot het geslacht van Ithamar behoorden. (Eleazar en Ithamar waren de beide jongste zonen van Aaron; de beide oudsten Nadab en Abiu waren door den Heer gedood zonder kinderen na te laten. â Zie hoofdstuk 39.) Elk der genoemde 24 afdeelingen had aan haar hoofd een priestervorst (in het Nieuwe Testament opperpriester genoemd), terwijl de hoogepriester het hoofd van allen was,
Bij beurten moesten de verschillende afdeelingen den heiligen dienst waarnemen. De eerste beurt werd, door de beslissing van het lot, toegewezen aan de atdeeling, aan wier hoofd Jojarib stond; de tweede beurt viel ten deel aan Jedeï en de zijnen, de derde aan Harim en zijne afdeeling, de vierde aan Seorim en zijne onderhoorigen, de vijfde aan Melchia, de zesde aan Maiman, de zevende aan Accos, de achtste aan Abia (tot deze beurt
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
behoorde in lateren tijd Zacharias, de vader van Joannes den Dooper), de negende aan
Jesua, de tiende aan Sechenia, de elfde aan Fliasib, de twaalfde aan Jacim, de dertiende aan Hoppha, de veertiende aan Isbaab , de vijftiende aan Belga, de zestiende aan Emmer, de zeventiende aan Hezir, de achttiende aan Aphses, de negentiende aan Pheteia, de twintigste aan Hezechiël, de een en twintigste aan Jachin, de twee en twintigste aan Gamul, de drie en twintigste aan Dalajau en de vier en twintigste aan Maaziau.
Het aantal levieten boven de dertig jaren bedroeg 38.000 man. Van deze werden 24,000 man voor den dienst in den tempel bestemd; 6000 werden als rechters over verschillende deelen des lands aangesteld; 4000 ontvingen de opdracht, de deuren des tempels te bewaken, en 4000 werden tot psalmisten aangewezen.
De 24.000 man die in den tempel dienst moesten doen, werden, evenals de priesters, in 24 klassen verdeeld, terwijl door het bi werd uitgemaakt, welke levieten-afdeeling tegelijk met iedere priester-afdeding de beurt zou vervullen. Van dc 6000 rechters wordt geene indeeling vermeld; maar de 4000 deurwachters werden in 24 klassen verdeeld, en evenzoo de 4000 psalmisten. De psalmisten moesten op instrumenten spelen en heilige lofzangen zingen. Later werd door David bepaald, dat de levieten reeds na voleinding van hun twintigste jaar hun heilig dienstwerk zouden beginnen.
Priesters en levieten beide verbleven niet bij voortduring te Jerusalem, zij hadden (zooals vroeger, hoofdstuk 52 reeds vermeld is) hunne woonplaatsen in de verschillende priester- en levieten-steden, over het geheele land verspreid; wanneer het hunne dienstbeurt was, moesten zij naar Jerusalem optrekken. (Zacharias, de vader van Joannes den Dooper, van de beurt van Abia, woonde waarschijnlijk te Hebron.)
Ook het krijgsvolk, dat in tijd van vrede 288.000 man telde, was in 24 klassen ingedeeld ; elke klasse â met haar eigen aanvoerder en hare hoplieden over duizend en honderd â behoefde slechts eene maand in het jaar dienst te doen. Het geheele lesier
1 o
stond onder het opperbevel van Joab, terwijl Banajas overste was van de koninklijke lijfwacht , die uit de twee keurbenden der Cerethi en Phelethi gevormd was.
Van de burgerlijke beambten bekleedde Josaphat, uit het huis van Ahilud, de waardigheid van geheimschrijver, terwijl raadsliceren waren Jonathan, Jahicl, Chusaï en Jojada ; laatstgenoemde was in de plaats van Achitophel gekomen. Sarajas hield het oppertoezicht op de geslachtsregisters; Azmoth was belast met de zorg over de schatkist te Jerusalem; Jonathan (een ander dan de raadsheer) moest waken over de inkomsten in de overige steden en dorpen. Ezri had het oppertoezicht op de koninklijke landerijen en veldarbeiders, Semeias op de wijngaardeniers, Balanan op de olijf- en vijgenplantingen, Zabdias op de wijnkelders, Joas op den olievoorraad, Satraï op de runderen die in de vlakte van Saron weidden, Saphat op de runderen welke graasden in de dalen, de Ismaeliet Ubil op de ka-meelen, Jadias op de ezels en Jazis op de schapen.
De bewaking van den heiligen schat (voor de viering van den openbaren eeredienst) was toevertrouwd aan de levieten. Deze schat werd gevormd door vrijwillige giften, door vaste bijdragen volgens het voorschrift der Wet en door liet gedeelte van den oorlogsbuit dat aan den Heer werd toegewijd. Over dit laatste gedeelte van den heiligen schat was in het bijzonder de zorg opgedragen aan de levieten Selomith en zijne broeders, die afstammelingen waren van Gersom, den zoon van Moses. Oorlogsbuit hadden bij verschillende gelegenheden aan den Heer toegewijd de rechter Samuel, koning Saul, Isboseths legeroverste Abner, koning David, zijn legeroverste Joab, verscheidene stamvorsten, zoomede hoplieden over duizend en over honderd.
1. De volkstelling door DaviJ bevolen, was op zich zelve geen ongeoorloofile daad, zooals blijkt uit het voorbeeld van Moses. David handelde echtcr uit een verkeerde beweegreden, wclliclit uit ijdellieid of uit de begeerte, 0111 niet slechts in den oorlog, in welk geval dit uoodig was, maar ook in tijd van vrede meer manschappen onder de wapenen te roepen, wat het volk nutteloos een te zwaren last zou berokkend hebben. De pest, als straf voor deze handeling, toonde haren boveunatuurlijkeu oorsprong zoowel door haar plotseling out-
197
RljBF.LSCHE GESCHIEDENIS,
staan als door hare even plotselinge verdwijning; ziekten welke eene bloot natuurlijke oorzaak hebben, breken niet over een geheel land tegelijkertijd uit, zij verspreiden zich langzaam en nemen vooral langzaam weer af.
De reden, waarom God voor den verkeerden stap des konlngs het volk strafte, lag in dit volk zelf; dit was, hoewel David het in zijn gebed zooveel mogelijk trachtte te verschoonen, niet onsuhuldig, want het had den toorn des Heeren tegen zich gaande gemaakt, of zooals de H. Schrift woordelijk zegt: «des Heeren toorn ontbrandde tegen Israël», natuurlijk om Israel's zonde. Welke zonde dit meer bepaaldelijk geweest is, wordt door de H. Schrift niet vermeld ; maar waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan den herhaalden opstand des volks (onder Absalom en onder Sebaj tegen zijn wettigen koning, den «gezalfde des Heeren.quot;
Naar het zich bijna met zekerheid laat aanzien, heelt de genoemde straf, welker duur oorspronkelijk op drie dagen vas vastgesteld, reeds in het begin of op het midden van den tweeden dag een einde genomen, wijl God zich door de boetvaardigheid van David en der oudsten liet bewegen , om zijne bedreiging niet ten volle uit te voeren.
2. Jerusalem was gebouwd op vier heuvelen, in de H. Schrift gewoonlijk bergen genoemd; het waren de Slon, de Moria, de Acra en de Bezetha. De Bezctha lag naar het noorden, de Acra naar het westen, de Moria naar het costen en de Sion naar liet zuiden. Ten oosten \an den Moria lag het dal van Josaphat, waardoor de beek Cedron van het nooiden naar het zuiden vloeide. Ging men over de beek het dal verde. oostwaarts 111, dan kwam men aan den Olijfberg, waarop zu:h ten tijde des Zaligmakers de hof Gethsemane bevond. De Moria is uit de vroegere geschiedenis bekend door Abraham, die op dezen berg zijn eenigen zoon ten offer wilde brengen. -â Zie hoofdstuk XUI.
De Jebuseér Oman wordt in de B. Schrift, op andere plaatsen, ook Areuna genoemd. In 't algemeen zij hier opgemerkt, dat bij de Israëlieten vele personen alsook sommige steden en landstreken dubbele namen dreggen.
HOOFDSTUK XCI.
SALOMON TOT KONING GEZALFD.
-- ⢠.4 » « --
Ml.an Davids zonen was de eerstgeborene, Amnon, door zijn halfbroeder Absalom omgebracht (de tweede Cheleab, was waarschijnlijk aan eene ziekte bezweken); de derde, Absalom, had in zijn oproer den dood gevonden, zoodat Adonias, de zoon van Davids vijfde vrouw Haggith (de eerste, Michol, had geene kinderen), var j'? al de nog levende zonen des konings de oudste was. David, die in zijne dagen \ele 1 vermoeienissen had doorstaan en strenge boete over zijne bedreven zonden had gepleegd , telde thans 70 jaren en leed aan uitputting van krachten. Hierom besloot Adonias (ongetwijfeld had hij ook zijns vaders voorliefde voor Salomon bespeurd) zich bijtijds de opvolging op den troon te verzekeren. Hij schalte zich wagens en paarden aan, omgaf zich met eene lijfwacht van vijftig man en trad in bespreking met Joab en den hoogepriester Abiathar. die beiden op zijne hand waren. Sadoc echter en Banajas, de bevelhebber dei koninklijke lijfwacht, zoomede de profeet Nathan, Semei, Rei en de kern van Davids leger waren tegen Adonias.
Terwijl Adonias nu op zekeren dag bij den steen Zoheleth, in de nabijheid der bron Rogel (even buiten Jerusalem aan de oostzijde der stad), een offermaaltijd hield, waaitoe hij de voornaamste mannen van Juda die bij David in dienst waren, en al zijne broedeis, des konings zonen (doch niet Salomon, en waarschijnlijk evenmin de drie jongere zonen van Bethsabee) had uitgenoodigd, snelde de profeet Nathan naar Salomons moeder, de juist genoemde Bethsabee, en sprak tot haar: Hebt gij gehoord, dat Adonias, de zoon van Hag-giih, reeds (bijna) koning is, en onze Heer David weet daar niets van! Volg dus, om het leven van u en uwen zoon te redden, mijn raad : begeef u onmiddellijk tot den koning en spreek; Hebt gij, mijn heer en koning, mij, uwe dienares, niet gezworen; Uw zoon Salomon zal na mij regeeren en zitten op mijn troon? Waarom regeert dan Adonias? â Terwijl gij, ;'.eide Nathan, aldus tot den koning spreekt, zal ik u op den voet volgen en uw gesprek voortzetten.
Bethsabee ging alsdan naar het vertrek, waar de koning zich bevond en boog zich eerbiedig voor hem neder. David vroeg haar; Wat verlangt gij? Mijn heer en koning, luidde haar antwoord, gij hebt mij, uwe dienares, bij den Heer uwen God gezworen; Sa-
198
t99
lomon, uw zoon, zal na mij regeeren en op mijnen troon zetelen, en zie, nu is Adonias (zoo goed als) koning, zonder dat gij, mijn heer en gebieder, liet â¢weet. Hij hee.'t ossen en ander mestvee en eene menigte rammen geslacht, en al de zonen des konings benevens den hoogepriester Abiathar en den legeroverste Joab uitgenoodigd ; uw dienaar Salomon echter noodigde hij niet. Welnu, mijn lieer en gebieder, op u zi|n de oogen van gansch Israël gericht, ten einde gij verklaren zoudt, wie na u op uwen troon zal zitten. Beklimt Adonias den troon, dan zal hij, wanneer mijn heer en koning bij zijne vaderen rust, mijn zoon (als zijn mededinger) en mij des doods schuldig achten.
Terwijl zij nog sprak, meldden de dienaren des konings den profeet Nathan aan; Beth-sabee ging dus heen en Nathan werd binnengeleid. Hij boog zich voor den koning ter aarde en sprak: Mijn heer cn koning, hebt gij verklaard; Adonias zal na mij regeeren en den troon beklimmen? Immers, hij ollert heden ossen en rammen en hij heeft al des konings zonen benevens de legerhoofden en Abiathar genoodigd ; zij eten en drinken met hem en roepen: Leve koning Adonias! mij echter, uw dienaar, en Sadoc, alsook Banajas en Salomon heeft hij niet genoodigd. Is deze zaak van mijn heer en gebieder uitgegaan ? en gij hebt mij, uw dienaar, (die u het woord des Heeren omtrent uw nakomeling heb medegedeeld) niet gezegd, wie den troon van mijn heer en koning na u zal bezitten ? Als ten antwoord op die vraag wendde David zich tot zijne dienaren en sprak : Gaat Bethsabee roepen. De dienaren deden het, en terwijl Nathan zich verwijderde, kwam Bethsabee binnen.
Nauw stond zij voor den koning, of deze sprak tot haar; Zoowaar de Heer leeft, die mijne ziel uit allen nood heeft gered ! wat ik u bij den Heer den God van Israël gezworen heb, zeggende: Uw zoon Salomon zal na mij regeeren, hij zal op mijn troon zitten, dat zal ik nog heden volvoeren. Bethsabee maakte eene diepe buiging en sprak ; Lang leve mijn gebieder David ! Daarna ging zij heen.
David beval alsnu zijnen dienaren ; Roept Sadoc hier en Nathan en Banajas. Zoodra dezen gekomen waren, sprak de koning tot hen; Verzamelt de dienaren uws heeren, plaatst mijn zoon Salomon op mijnen muilezel cn geleidt hem naar Gihon (eene bron aan de westzijde der stad); daar zullen Sadoc en Nathan hem zalven, en terwijl de bazuin gestoken wordt, zult gij allen roepen: Leve koning Salomon ! Voorts zult gij hem volgen, en hij zal hier komen, mijn troon in bezit nemen en in mijne plaats koning zijn over Israël en over Juda. Banajas antwoordde: Amen, zoo spreekt de Heer de God van mijn heer en koning I Gelijk de Heer met u geweest is, zoo zij hij ook met Salomon, en hij doe den troon van dezen nog verhevener zijn dan hij den troon van mijn heer en koning David gemaakt heeft.
Binnen weinige oogenblikken was alles voor de plechtigheid gereed: Sadoc had de heilige zalfolie genomen, Banajas stond met de koninklijke lijfwacht, de beide keurbenden der Cerethi en Phelethi, niarschvaarc':g en ook Nathan had zich bij den stoet gevoegd. Men deed nn Salomon op Davids muilezel plaats nemen, en geleidde hem, onder den toeloop eener onafzienbare menigte volks, r.u Gihon. Zoodra Sadoc, door Nathan bijgestaan, hem de heilige zalfolie over het hoofd gegoten had, werd de bazuin gestoken en al het volk riep: Leve koning Salomon! Daan.i trokken de scharen met den nieuwen koning in feestelijken optocht naar de stad terug; zij speelden op fluiten en zongen en juichten, dat de grond van hunne vreugdekreten dr in Toen de stoet bij David was aangekomen, wenschten Sadoc, Nathan, Banajas en de ove'quot; ^ dienaren hun ouden gebiedc-met de volvoering zijner bevelen geluk. David richtte z'ch op zi ibLjed overeind , aanbad den Heer en sprak: Gezegend zij de Heer de God van Israel, die heden mijne oogen dengene doet aanschouwen, welke op mijn troon gezeten is.
Adonias i.,.d juist ziju offermaaltijd geëindigd, toen de vreugdekreten des volks, dat Salomon feestelijk inhaalde, bij de bron Rogel gehoord werden. Verwonderd vroeg Joab; Wat beteekenen deze klanken en dit gejuich daar ginds in de stad? Nog had hij die woorden niet voleindigd, of Jonathas, de zoon van den hoogepriester Abiathar, kwam uit alle macht op Adonia's kestgenooteu toesnellen, Joab riep hem te gemoet; Kom hier, wakkere man,
nijBELSCHE GF.SCHIF.np.NIS.
gij brengt gewis goede *'iding. tbas wendde zich met zijn antwoord tot Adonias en
zcide: Geenszins: onze lit, on gebieder David heeft Salomon tot koning aangesteld; hij heeft hem op zijn muilezel u. ^n plaats nemen en hem door Sadoc, Nathan, Banajas tn da keurbenden der Cerethi en Phelethi c-^en begelijden naar Gihon, waar Sadoc en Nathan h .-m gezalfd hebben. Ook heeft eene groote menigte zich bij de plechtigheid aangesloten en de geheele stad juicht; vandaar de klankc welke gij gehoord hebt. Op dit bericht werden quot;allen die door Adonias genoodigu waren, met schrik bevangen; zij stonden van hunne zetels op en spoedden zich naar huis. Adonias, vreezende, dat Salomon hem zou laten dooden, zocht bescherming bij het (op Ornans dorschvloer staande) altaar des Heeren ; hij greep zich vast aan een der horens van het altaar en sprak: Nog heden zwere mij Salomon, dat hij mij niet zal laten ter dood brengen. Deze woorden werden aan Salomon geboodschapt, die daarop verklaarde: Wanneer Adonias zich rustig gedraagt, zal er geen haar van zijn hoofd op den grond vallen; maar wordt er kwaad in hem bevonden, dan zal hij sterven. Vervolgens liet hij Adonias halen; déze boog zich voor hem ter aarde, en Salomon sprak tot hem: Ga naar uw huis.
1. In het algemeen hadden de koningen van Israël het recht, dengene onder hunnï zonen tot troonop-volger te bestemmen, dien zij daarvoor het meest geschikt achtten of op wien hunne keuze viel. David schijnt echter in deze zaak niet geheel vrij te zijn geweest; eene aandachtige lezing der H. Schrift toch maakt den indruk, dat hij omtrent Salomon eene bijzondere openbaring des hemels had ontvangen, zoodat hij geene andere keuze kon of mocht doen, In allen gevalle was de latere bewering van Adonias (zie hoofdstuk XC11I), dat hij als oudste zoon recht op den sehepter zou gehad hebben, geheel bezijden de waarheid.
2. Volgens de meest waarschijnlijke berekening had Salomon bij zijne troonsbestijging ongeveer den ouderdom van 20 jaren bereikt. Hij schijnt vroeg, wellicht omstreeks zijn achttiende jaar, met zijne eerste vrouw
Naama, eene Ammonietische koningsdochter, gehuwd te zijn; want toen hij na eene veertigjarige regeering stiel f,
telde zijn oudste zoon, Roboam , 41 jaren.
). De drie jongere zonen van Bethsabee, Salomons volle broeders, heetten Samua, Sobab en Nathan. Laatstgenoemde erlangt eene groote beteekenis door de betrekking, waarin hij tot de afstamming des Zaligmakers staat, gelijk te bestemder plaatse nader zal worden uiteengezet.
HOOFDSTUK XCII.
DAVIDS LAATSTE DADEN EN DOOD.
(Jaar der wereld 2990 â voor Chr. iO!4.)
gevoelde, dat zijne dagen ten einde spoedden; hij ontbood derhalve zijn zoon Sa-tiwf Jr lomon en de voornaamsten des rijks: de stamvorsten, de oversten van legerbenden, c'e l'10P''et'lt;;n over duizend en over honderd, benevens de opzichters over zijne goe-deren cn zijne dapperste helden, en nadat hij van zijn bed was opgestaan , sprak hij tot ^ hen: Aanhoort mij, mijne broeders en mijn volk: Het was mijn voornemen, den lieer 1 een huis te bouwen, waarin de ark des VerbonJs zou rusten en ik heb alles vooi dien bouw in gereedheid gebracht; doch de Heer sprak tot mij: Niet gij zult mij een huis bouwen, wijl gij een krijgsman zijt, die veel bloed hebt vergoten; Salomon uw opvolger zal het doen, want Ik heb hem mij tot zoon uitverkoren en zal hem tot vader zijn. Zijn rijk zal Ik beveslken voor altijd, indien hij mijne voorschriften en mijne instellingen blijft naleven, trelii . hij heden doet. Welnu, mijne broe s en mijn volk, voor deze geheele vergadering en voor God, die ons hoort, bezweer ik u, doet uw best, al de geboden van den Heer onzen God te leeren kennen en te onderhouden, opdat gij dit schoone land moogt blijven bezitten en het aan uwe kinderen nalaten. En gij, Salomon, mijn zoon, ken den God uws vaders en dien Hem van ganscher harte en met een gewillig gemoed. De Heer toch doorgrondt de geheimste gedachten en begrijpt de meeningenj als gij Hem zoekt, zult gi) Hem
BIJBELSCHK GRSCHIKDEMIS.
vinden, maar verlaat gij Hem. dan zal Hij u verwerpen voor altijd. Welaan dan, wijl de Heer u heeft uitgekozen, om zijn huis te bouwen, zoo vat het werk met moed ter hand en voltooi het. Voorts gaf David zijn zoon nog bijzondere aanwijzingen aangaande den bouw en de inrichting des tempels alsmede over de vervaardiging der heilige offergereedschappen en van andere gewijde zaken: Al deze aanwijzingen, zeide hij, heb ik van den Heer ontvangen.
Daarna wendde hij zich weder tot de geheele vergadering en sprak: Mijn zoon Salomon is door den Heer voor dit werk uitgekozen; hij is nog jeugdig en onervaren, en het is een zware taak, die op zijne schoudeis rust, want niut voor de menschen. maar voor den Heer moet hij een huis bouwen. Ik echter heb uit al mijne krachten zeer veel van hetgeen hij noodig zal hebben, bijeenverzameld: goud, zilver, koper, ijzer, hout, onyxen en ander edelgesteente, zooals ook marmer, in groote hoeveelheid Behalve wat ik voor den opbouw van het huis des Heeren bijeenbracht, geef ik nog drieduizend talenten goud uit Ophir (Indië) en zevenduizend talenten zilver waarmede de muren van het huis moeten bekleed worden. Zoo er nu nog iemand genegen is, heden een vrijwillig offer aan den Heer te brengen, dat hij geve hetgeen hem belieft. Oogenblikkelijk waren de aanwezigen daartoe bereid; de een beloofde deze, de andere die bijdrage, zoodat hunne giften te zamen beliepen 5000 talenten goud, 10,000 gouden muntstukken, 10.000 talenten zilver, 18 0C0 talenten koper en 100.000 talenten ijzer. Bovendien boden degenen, welke edele steenen bezaten, ze gewillig den Heer ten offer aan.
Nadat deze zaak ten einde was, gevoelden allen zich over hunne beloften met groote blijdschap vervuld, en ook David verheugde zich zeer daarover; hij loofde en prees God en wekte de vergaderden op, desgelijks te doen. Gaarne gaven zij aan die uitnoodiging gehoor; zij verheerlijkten den God hunner vaderen en wierpen zich voor Hem in aanbidding ter aarde.
Eene groote plechtigheid bleef voor den volgenden dag bewaard. Salomon, die vroeger de heilige zalving slechts in tegenwoordigheid der koninklijke dienaren en van het volk van Jerusalem ontvangen had, zou thans, nu de gezamenlijke stamvorsten en andere voorname personen uit geheel Israël aanwezig waren, in hun bijzijn en met hunne medewerking andermaal worden gezalfd Reeds vroegtijdig was alles hiervoor in de weer: men slachtte en offerde eene groote menigte stieren, runderen, en lammeren en terwijl de offervlammen naar boven stegen, werd (waarschijnlijk door Nathan) de heilige olie over Salomons hoofd uitgegoten. Terzelfder tijd ontving Sadoc de zalving tot hoogepriester.
Onmiddellijk daarna zette Salomon zich op zijn troon; al de stamvorsten en machtigen alsook zijne broeders, de koninklijke prinsen, brachten hem hunne hulde; zij legden hunne handen in die des nieuwen gebieders en beloofden hem gehoorzaarnheid. Eindelijk werd door den plechtigen offermaaltijd, waaraan allen in opgewekte stemming deelnamen, de feestelijkheid van den dag bekroond.
Kort voor zijn dood liet David zijn zoon Salomon nog eens bij zich komen, om hem zijne laatste vermaningen te geven. Zie, zeide hij tot hem, ik ga den weg van alle vleesch, gedraag u moedig en wees man. Wandel in de paden des Heeren, betracht zijne voorschriften en onderhoud zijne instellingen en zijne geboden, gelijk zij geschreven staan in de Wet van Moses, opdat de Heer zijne beloften aan u vervulle. Daarna sprak hij: Gij weet, wat Joab gedaan heeft aan de twee legeroversten van Israël: Abner en Amasa; verraderlijk heeft hij hen gedood; in lijd van vrede heeft hij. alsof het oorlog was. hun bloed vergoten; doe derhalve aan hem volgens uwe wijsheid en laat hem zijne dagen niet rustig ten einde brengen. Gij hebt ook bij u Semer van Bahurim, die mij, toen ik naar Mahanaïm moest vluchten vreeselijk heeft gevloekt; wijl hij mij echter op mijn terugtocht te gemoet kwam, heb ik hem bij den Heer gezworen: Ik zal u niet dooden. Gij evenwel, laat hem niet ongestraft; uwe wijsheid zal u zeggen, hoe gij in deze zaak te handelen hebt. De zonen van lierzeila'i uit Galaiid zult gij onder uwe dischgenooten opnemen, ter vergelding der barmhartigheid, door hen en hunnen vader mij tijdens mijne vlucht voor uwen broeder Absalom bewezen.
Na deze en andere vermaningen ontsliep David en werd begraven in zijne stad (op den
26
201
R1JBELSCHE GESCHIEDKNIS.
berg Sioni. Hij had den leeftijd van ruim 70 jaren bereikt; 7 jaren en 6 maanden had hij geregeerd te Hebron over den stam Jnda. en 33 jaren over Jnda en Israël te zamen.
-1. David li;nl plichten to vei'vullmi als menscli cn jiN koning AU in^nsch kon liij 111 pnrsoonlijkn Itoleodigingen, ilii' liij van Semuï liaci ondervonden, verbeven; uls koning moest iii.i tegénpver oen vcnnctelen aanrander van don
Gezalfde ties lleeren tie gereclitighfid linndtiavgt;-n. /.fit'eoliti'iquot; wilde liij diL niet ....... met een hootvaanlig liai'L lunl hij
van den beginne al'Semeïs vn-vlouking'li verdrag..... in .'i â liui'tvnnriligheiii wilde hij voortgnnn tot zijn dood Ivrst nis
hij niet meer was, en er das vour nilos, wal naar ijersoonlijko wraak goleek, geen mogeliiklmid moer bestond, zon zijn zoon Salomon het recht zijn beloop geven.
2. Snïlijo word iiij liezo golegenheid tot hoogopriuKti-r gezall'd, maar niel t-rstond nis zoodanig anngeste d : dit laatste ge-oldedde eerst eonlgon tijd nn Dnvlda dood â zie volgend lioofdstuk. Wnni'Boh()niyk liebbon wy hior dus ta
donken nan eon soortgeiyk geval, nis ...... David plnats hnd tijdens hot loven van Snul. Hoow 1 reeds als Jongeling
gezalfd, gaf deze zalving aan David geon andere ri chten, dan om eenmaal S ini op te volgen.
3. De 150 psalmen van Duvid. voor het. meerendei I door hem zeiven vervaardigd, terwijl hij voor de overige de denkbeelden leverde, werden door do koren der levieten eerst in de tent op den lerg Moria, waar dquot; ark voorloopig rustte, en latey iti den tempel gezongen, /'ij bovatten onder meer. treilende vo'rspellingon omtrent den N ei los ei.
In Psalm 11 en Psalm CIX wordt hij als de Zoon Ooda, als Koning ovor do gnhsohe wereld ón nl* H'ogeprioster
aangekondigd: . -i i ;
Dr Hoer heeft tot Mij gesifroleen: (lij :/// mijn '/.nou: hnlen heb il, quot; ijeleoht. i'/vcii; uuu. mij en ili zul n ih volken tot erfdeel ijeuen, en lot nice l/exitlini/ de (jrenzen der dunte - De lieer heeft nrxivoren en het -lt;d hem niet beronwen ; Gij lijt jirieftler in eeitwiijheid voliiens tie orde van Melehiseilecli.
in l'snim XWIX biedt de Zoon zh b den Vader tot zoenoller aan voor de ......ten iler in nsi hheid.
Brandoffers en zoenoffers hebt gij niet gewild; toen heb it,- ijezeyd: Zie, dtm kooi ik l In de HockroKloah) xhuit eon mij (lesehrceen, dol ik oivrn ivil zoo doen: mijn (lod. ilgt;' leil het en ntve Wel is in het midden vtu mijn Intl.
Psalm XXI beschrijft int lijden des Verlossers aan het kruis
Ooi/, miin loid. zie oji mij neder: waarom heb! ijiJ mij eerlaleo . .. Keo ivonn bi'n il.' en 'teen menseh, de hoon th'i' nienselien en de ventehlimj des volks Mlen dir mij zien. bespot In, mij. zij mompelen met hunne liigt;iien en schudden het hoefd (zeggende;) Hij heeft vp den Hen- jiehmiit : dat deze bent nn redde, hij heelt initiiers zijn teebje
vallen in hem!.....\/,s- tvctlcr ben ik uitacyuten en al mijne beenderen zijn nil hun verband nernkt. Mijn hart is
c/eivorden als teas, xi,lellende in hel midtlen eon mijne borst. Mijne l.raehl is venlord als een iitilnelterl en mijne tont! kleeft aan mijn rjelteutelle : lt;/»/ hebt mij tjerue, tl in hel slof ties d.â.,ls Mij omritojett vele bointen en hel rol tb r boosivichten omletjert mij. /ij hebben mijne bonden en t ttelen tlooebttortl; zij hebben al mijne bcendeeen yeleltl. /.J blikten en sahouirtien op mij: zij hebben onder clktmth een mijtte l.jeetb reti verdeeld en over mijn oigt;iierijcteaad het lol geworiien. Maar tjJ, lieer, vertrijder tiwe hulp niel ran mij: tjeef aebt ter mijne bexeliermintj... 11; zal itiu Xaam verltOndifien aan mijne broederen : in hel midden tier eerijttderi 101 zol il: tl loj /irijzen.
Psalm XV ziet van hel begin lot het einde op .ie .........rlijking dlijd nd n lieiliinds. I) â licilaiid spreekt tot
zijn iicmolschen Vilder van zijn nTtlcl en zijne vGrriJz^nU.
Dc llrrr i* hel (/('lt;'/ mijnrr 'â¢r/rnis en run mijn l.rll:, Æ//'/ 'JJt hrt, die mij mijn rr/rni* termj (Ji'r/f. Hef mi'i'tsnoi')' is o/i In-I hccrlijl.st ('quot;lt;gt;r mij niliicvnllcn : mijne Ci-ft'iiis hu h is hccrlijli riinr mij . . (tok mijn rlca-trh â¢janl In- msfr in hooit. Want ây râ;( myâe -«.J , iel in hel doodrm ijk lillen, en tttven lleilitje het bederf niel doen zien. Hij hebt mij de wegen des levens bekenil tiemaalJ : tjij zult ntij ^j'Ztidigen mei blijtlstdnip eoor tnv ttonijezielil; tjenentjlen (zal ik smaken) aan mrc rechtvrhand lol in rciuriyhcicl.
203
I!TJBF.LSCHE GKSCHIF,DENIS.
FiOOFDSTUK XCIIl.
A F Z K T '1' 1 N G VAN A B I A T H A R.
A I) ON I AS, J O A B KN SKMEI MET DEN DOOD GESTRAFT.
I
!iet begin van Salomons regeeiing, kort na zijns vaders dood, begaf de koninkje lijke prins Adonias zicli tot Bethsabee, de moeder van Salomon, en sprak: Gij â¢=5^ weet, dat ik het rijk hud moeten beërven en dat geheel Israël mij tot koning bad bestemd; maar het rijk is mij ontnomen en aan mijn broeder overgedragen, daar het hem door den Heer beschoren was. Doch nu heb ik eene bede aan u en c7 ik hoop, dat gij mij die niet zult afslaan: ga naar Salomon, den koning, en vraag hem, want hij kan u niets weigeren, dat hij mij Abisag tot vrouw geve. Abisag was eene edele maagd uit Sunam, welke David uitsluitend met het oogmerk om door haar verzorgd te worden, in zijne laatste dagen tot zijne nevenvrouw genomen had. Bethsabee, die er niels onbehoorlijks in zag, dat deze maagd aan Adonias ten huwelijk zou worden geschonken, antwoordde op zijne vraag: Goed, ik zal uw verlangen den koning voordragen.
Toen zij te dien einde bij Salomon binnentrad, rees deze haastig van zijn troon op, liep zijne moeder te gemoet en deed voor haar een troon plaatsen naast den zijne. Terwijl zij daar zat aan zijne rechterhand sprak zij: Ik heb een klein verzoek aan u, sla mij dit niet af. Vraag, moeder, zeide hij, want het is niet betamelijk, dat ik u iets weiger. Zij hernam: Mijne bede is, dat Abisag, de Sunamietische, aan Adonias tot vrouw worde gegeven. Salomon antwoordde: Waarom vraagt gij Abisag voor hem? gij kunt evengoed het rijk voor hem vragen (want die een nevenvrouw des vorigen konings verlangt, geeft daardoor te kennen, dat hij ook den troon begeert): bovendien is Adonias mijn oudste broeder (wat zijn streven nog gevaarlijker maakt) en hij heeft den hoogepriester Abiathar en Joab, den zoon van Sarvia, op zijne hand. Voorwaar, deze vraag (waaruit zijn toeleg blijkt) zal hem bet leven kosten: nog heden zal hij sterven.
Met onverbiddelijke gestrengheid werd dit vonnis uitgevoerd: Salomon ontbood den overste der lijfwacht, Banajas, en beval hem oogenblikkelijk heen te gaan, om Adonias te dooden. Ook Abiathar en Joab (die met Adonias hadden saamgezworen) ontvingen hunne straf. Tot den eerste sprak de koning: Begeef u naar uwen akker bij de stad Anathoth ; gij hadt eigenlijk den dood verdiend, maar ik zal u dien heden niet doen ondergaan, wijl gij de ark des Heeren voor mijn vader David hebt gedragen en omdat gij al de moeielijk-heden, die mijn vader te verduren had, hebt gedeeld. Zoo werd Abiathar als hoogepriester des Heeren afgezet, opdat bet woord vervuld zou worden, dat de Fleer over het huis van Heli (zie hoofdstuk 64) had uitgesproken, Joab zocht zijne straf te ontkomen, door naar den tabernakel te vluchten en een der hoornen des altaars te omvatten : doch Banajas werd hem (met eenige manschappen) nagezonden, om hem te dooden. Dit ging in den beginne met zwarigheden gepaard; want toen Banajas aan den ingang des tabernakels Joab toeriep: Aldus gebiedt de koning: kom naar buiten! â antwoordde Joab: Ik ga niet naar buiten, hier wil ik sterven. Nu durfde Banajas niet voortvaren, zonder eerst den koning nieuwe bevelen te hebben gevraagd. De koning (overwegende, dat de tabernakel geen vrijplaats was voor iemand, die, als Joab, zelfs tweemaal, een moord met voorbedachten rade had bedreven) sprak tot Banajas: Doe hem volgens zijn verlangen, dood hem ter plaatse waar hij staat, opdat het onschuldig bloed, dat hij vergoot, niet (door mijne nalatigheid, om hem te straffen) op mij en op hel huis mijns vaders nederkome. Dit bloed kleve op hem, want hij is er plichtig aan; twee rechtvaardige mannen, die beter waren dan hij, de legeroversten Abner en Arnasa, heelt bij vermoord; mijn vader had vooruit van zijn plan niet de minste kennis. Hij en zijn geslacht mogen dus de gevolgen van zijne bloedschuld dragen; met David echler en diens huis en troon zij de vrede des Heeren in eeuwigheid.
203
BTJBKLSCHE GESCHIF,DENIS
â Thans begaf Banajas zich opnieuw naar den tabernakel, waar hij Joab doodde. Deze werd vervolgens begraven in het graf zijns vaders bij de woestijn. In Joabs plaats werd Banajas tot legeroverste, en Sadoc in Abiathars plaats tot hoogepriester aangesteld.
Evenals hij opzichtens Joab gehandeld had, wilde Salomon ook Semeï niet straffen, alvorens deze door een nieuwe overtreding daartoe aanleiding had gegeven In zijne vaderstad Bahurim, waar hij ver genoeg van het koninklijke hof verwijderd was, om niet voldoende bewaakt te kunnen worden, bleef Semeï, met zijn licht veranderlijke gezindheid, altijd een gevaarlijk persoon; daarom riep de koning hem bij zich en beval hem: Bouw u een huis te Jerusalem, ga dat betrekken en verwijder u niet uit de stad; op den dag, dat gij u over de beek Cedron begeeft, zult gij sterven; weet dus wat gij doet. Semeï gehoorzaamde en bleef langen tijd veiiig te Jerusalem wonen. Eindelijk gebeurde het, dat zijne slaven hem wegliepen en naar Geth tot koning Achis vluchtten. Semeï liet zijn ezel zadelen, reisde zijne slaven na en keerde daarop naar Jerusalem terug Zoodra dit Salomon ter oore kwam, ontbood hij Semeï en sprak lot hem: Heb ik u niet bij den Heer betuigd en vooruit gezegd: Op wat dag gij u verwijdert, zu't gij sterven? Semeï antwoordde: Ja, ik heb dit bevel gehoord. Waarom dan, hernam Salomon, hebt gij mijn gebod niet onderhouden? Gij zijt u al het kwaad bewust, dat gij tegen mijn vader David bedreven hebt; de Heer doe op uw hoofd uwe boosheid neerkomen, maar de koning Salomon (die het recht handhaaft) worde gezegend en de troon Davids sta vast voor den Heer in eeuwigheid. Daarna werd Semeï, op Salomons bevel, door Banajas met het zwaard verslagen Aldus zag Salomon het rijksgebied in zijne handen bevestigd. Ook verbond hij zich met Pharao, den koning van Egypte, door een van diens dochters tot vrouw te nemen.
Scrm ï s veroor.It'clinu- was ondcv nilquot; opziclitrn reclitvajirdig. Zijne vroegere misdaad daargelaten, had hij zich thnns ann een nieuw vcrurijp sclmldig p'maaKt, door in ytiijd ni'-l Salomons uitdrukkelijk bevel Joru.salem te verlaten. I) â¢/ â on^'lioor/.namlK'id was /waarder dim zij missoliicn bij d 'ii eer-ten aanblik kan seliijmm. liet gebeurde onder Davi Is iv^tM'hn^ Inid hcwr/cn, lioo .ucmakl rlijk lid d -n ei'iii'n of ai d ren onrnstigen geest viel, e«*n gedeelte
tlquot;s volks in een oproer m -c t»' sl-M-p 'ii en liet land in t.'tin hlocdi^tMi burgerkrijg te wikkflcn. Dit moest Salomon er op bednclit doen zijn. ti-uen eonc lierhaling van di'rut'lijke tooneelen stren â¢' voorzorgsmaatregelen t-- m-men, en geen ontviiiolit'- sl.iviMi â die immers, in 't a li â¢â meen gesproken, op lt;â n ontvan^i'ii order konden liamlelen â mochten voor S'-nn ï ids red n ^â¢â¢Iden, om het h m g 'gev'1!! In-vel te nvcrtreden ; hij ha 1 le-n door anderen, bv. door zijne zonen ot' dienaren, rno- ten laten opspori n. maar ni t zelf mo'ton gaan. â Veronderstelt men. wat evenwel niet bewezen is, dat zijne daad gedeeltelijk uit achteloosheid voortsproot, dan verminderde dit zijne schuld; doch hij werd ook niet om die daad alleen ter dood gebracht, maar boete het oude met het nigt; nwe.
HOOFDSTUK XCIV.
S A L O M ONS W IJ S H K I 1) E N R IJ K 1) O M.
quot;B^y::-Iquot;mquot;n werd door God bemind en gezegend, omdat hij, op het voetspoor van zijn vader David, in de wegen des Heeren wandelde; echter deed hij dit met die J iv afwijking, dat hij even als zijn volk, van lijd tot tijd op de hoogten offerde. Om
0 ook in dat punt de Wet des Heeren na te komen, riep hij de voornaamste oversten van geheel Israël bijeen en begaf zich met hen naar Gabaon, waar de tabernakel en T het brandofferaltaar stonden, die door Moses in de woeslijn vervaardigd waren. Op dit altaar deed hij door de handen des priesters eene groote menigte offers opdragen.
Des nachts daarna verscheen hem in een droom de Heer, die tot hem sprak: Vraag van mij, wat gij wilt, en ik zal het u geven, Salomon antwoordde: Gij hebt, o Heer, uwe groote barmhartigheid betoond aan mijn vader David, en dewijl hij wandelde voor uw aanschijn in waarheid en gerechtigheid en met een u toegewijd hart, hebt gij uwe barmhartigheid aan hem gestand gedaan en hem een zoon gegeven, die zijn troon heeft
204
SALOMON'S EERSTE RECHT. Klack. 205.
RIJBFJ.SCHF, GRSCHIFDENIS
beërfd, zooals nu is geschied. Welaan dan, o Heer, daar Gij mij in de plaats mijns vaders koning hebt gemaakt, mij den zwakken en onervaren jongeling, en daar het volk, dat Gij mij te regeeren hebt gegeven, groot is en om zijne menigte bijna niet geteld kan worden, zoo schenk uwen dienaar een leerzaam hart en wijsheid en verstand, opdat hij dit volk kunne rechten en wete te onderscheiden tusschen goed en kwaad. Wie toch zal zulks zonder uwe gaven vermogen tegenover een volk dat zoo uitermate talrijk is? Deze vraag behaagde den Heer en Hij sprak tot Salomon: Omdat gij niet begeerd hebt een lang leven, noch rijkdom, noch den dood uwer vijanden, maar wijsheid, om rechtvaardig te oordeelen; zie, zoo zal ik doen naar uw woord; wijsheid en een verstandig hart zullen u worden gegeven maar ook, wat gij niet gevraagd hebt, rijkdom en roem, zoodat er onder de koningen uws gelijke niet voor u geweest is noch na u komen zal. Kr wanneer gij wandelt in mijne wegen, en mijne geboden en instellingen onderhoudt, gelijk uw vader gedaan heeft, ?a! ik u bovendien een lang leven schenken. Na deze openbaring werd Salomon wakker, hij stond op, keerde naar Jerusalem weder, droeg daar voor de ark des Heeren, uit dankbaarheid, brandoffers en vredeoffers op en rechtte een grooten maaltijd aan, waartoe hij al zijne dienaren uitnoodigde.
Weldra zou Salomon van zijne hem door den Heer verleende wijsheid in eene zeer moeielijke zaak het schitterendste blijk geven. Kr kwamen tot hem twee vrouwen van een los levensgedrag, van welke de eene tot hem sprak : Ik bid u. mijn heer, ik en deze vrouw wonen in eenzelfde kamer. Nu gebeurde het, kort geleden, dat ik een zoontje ter wereld bracht, en drie dagen later kreeg ook zij een zoontje. Anderen dan wij beiden woonden er in het huis niet. Op zekeren nacht drukte zij haar kind in den slaap dood. Vervolgens ontwakende en ziende wat er gebeurd was, stond zij zeer stil van hare legerstede op, nam, terwijl ik uwe dienares sliep, mijn kind van mijne zijde weg en legde het hare daarvoor in de plaats. Toen ik des morgens mijn kind wilde zogen, maar het dood vond, beschouwde ik het nauwkeuriger bij hel daglicht en kwam tot de ontdekking, dat het mijn zoontje niet was â Zoo sprak de eene vrouw lot den koning. De andere zeide: Neen, het is niet gelijk zij beweert; haar zoon is dood, de mijne leeft. Omgekeerd! hernam de eerste, gij liegt! mijn kind leeft, het uwe is dood. Op deze wijze gingen beiden voort in tegenwoordigheid des konings legen elkander uil te varen en werden daarbij hoe langer zoo heviger. Eindelijk sprak de koning: De eene zegt: mijn zoon leeft, de uwe is doodl de andere: neen, de uwe is dood, de mijne leeft (getuigen zijn er niet); welaan, beval hij zijnen dienaars, noemt een zwaard, deelt het levende kind in tweeën en geeft elke vrouw er de helft van. Dit vond de vrouw, die het eerst gesproken had, zeer goed; doch de andere, en daardoor toonde zij wie inderdaad de moeder was, verzette zich met kracht tegen 's konings uitspraak. Ik bid u, mijn heer, zeide zij, schenk haar het kind geheel en dood hel niet. Thans besliste de koning: Geeft aan deze het levende kind. want zij is er de moeder van. â Toen het volk van dit vonnis kennis kreeg, vallen allen een diepen eerbied op voor de groote wijsheid huns konings, die bij gebrek aan getuigen, het twistgeding zoodanig had welen te leiden, dat door het luide spreken der natuurstem de waarheid aan het licht trad.
Evenals zijn vader David had Salomon zijn legeroverste, zijn geheimschrijver, zijne raadsheeren en verdere beambten; maar bovendien stelde hij over verschillende deelen des lands mannen aan, die elk uit het hem aangewezen gewest, en elk voor céne maand, den koning en diens zeer talrijke dienaren van spijs moesten voorzien. Dagelijks waren hiertoe benoodigd dertig maten meelbloem, zestig maten meel, tien gemeste ossen, twintig ossen zooals er in het veld weidden, en honderd rammen, ongerekend het gemest gevogelte en hetgeen de jacht aan reeën en buffels opleverde. Op zoo hoogen voet kon Salomon zijne hofhouding en zijn rijksbestuur inrichten, want bij heerschte niet slechts over Israël; ook al de omliggende volken aan deze zijde des Euphraats, van Thapsa tot Gaza, waren hem schatplichtig en zijn land had het toppunt bereikt van bloei en welvaart. De kinderen van
205
BIJ HELSCH F, GESCHIEDEN IS.
Juda en Israël waren talrijk als de zandkorrels aan den oever der zee; zij hadden overvloed van spijs en drank, en ieder rustte (na volbrachten arbeid) in vrede en vroolijkheid onder de schaduwen van zijn wijnstok en zijn vijgenboom.
In wijsheid ging Salomon allen, die in het Oosten, en insgelijks allen, die in Kgypte woonden, te boven, hij was wijzer dan Ethan de Ezrahiet, wijzer dan Heman en Chalcol en Dorda, de zonen van Mahol, zoodat zijn naam groot was bij alle volken wijd in het rond. Hij gaf het aanzijn van dertigduizend spreuken, en de liederen, die hij dichtte, waren duizend en vijf Hij wist te spreken over de ceders van den Libanon en het hysop' plantje, dat aan den muur groeit, over het vee en het gevogelte, over de kruipdieren en de visschen. Uit alle landen en alle volken kwam men te Jerusalem, om hem te hooren en zijne wijsheid te bewonderen.
I Wiiaiscliijnlijk zift d'1 o|K(!mmiiig v:in Snhnnons rijkdom «mi van lt;lo voortbreD^fjrli ii vjiii zijn geest op ecu hitcr tij(l|H rk gt;⢠ij11s mnnr is zij Itij vooil»:i:if dour »le 11. Schrift hier gfliook'.
2. On-clKon ii- Oo.-trr che hofhoudingen in h t algemeen op grooten voet wnren â en nog zijn â ingcricht. Ik,'! 1m ii pchttM' d â in« t'.-t Knropccsche vui'stlt;'n vnn ilen togenwoordigon tijd vrij wat m» er noodig voor linn dagelijksclt onderhoud dan do wnarde vnn de opienoemdo mntrn mei en van het gi incld»! nnntnl o.-sen en rammen. Volgens een (September ls7(i) door de diigbladen meegedeelde I» ri-keiang van een ntatislieus kost het hof te Petersburg dagelijks â in lond»; cijfers â 50.000 guldons, dat te Gon-tantinoijel 42.000, te W^onen 23 000, te Berlijn 49.000, te Londen in.OlO gultlens, enz.
HOOFDSTUK XCA'.
DE TEMPEL.
'Ji *
I Kfrgvprft *
liü aJirani, koning van Tyrus, die tot David steeds in de beste verstandhouding had {« gestaan, zond, zoodra hij van diens dood kennis kreeg, een gezantschap naar Jerusalem, om Salomon over het verlies zijns vaders te ttooslen, en met hem hel verbond van vrede en vriendschap te hernieuwen.
J ^ Eenigen tijd later zond Salomon zijne dienaren tot Hiram, om hem te laten
boodschappen; Gij weet, dat mijn vader David, ondanks zijn verlangen daartoe, den Naam van den Heer zijnen God geen hu's heeft kunnen bouwen, wegens de vele oorlogen waarin hij gewikkeld was. Mij echter heeft de Heer mijn God vrede gegeven; er is niemand die tegen mij opstaat. Daarom gedenk ik den naam des Heeren, mijns Gods, een huis op te trekken, overeenkomstig het woord, dat de Heer tot David, mijn vader gesproken heeft; Uw zoon, dien ik in uwe plaats op uwen troon zal doen zetelen, hij zal mij een huis bouwen. Dit huis, hetwelk ik bouwen zal, moet groot en prachtig zijn. want onze God is groot boven alle goden. Wie ben ik. om Hem eene waardige woonplaats te bereiden? De hemel en de hemel der hemelen vermogen Hem niet te omvatten. Doch zijn huis zal dan ook slechts dienen, om er wierook voor den Heer in te branden, orn de toonbrooden daarin (op hunne tafels) te leggen, om er des morgens en des avonds, op den Sabbat, op het nieuwe-maanfeest en op de andere feestdagen des Heeren brandoffers in op te dragen, gelijk het aan Israël bevolen is. Zend mij derhalve een bekwamen kunstenaar, bedreven in goud- zilver-, koper- en ijzerwerken, in het vervaardigen van purperen en violetkleurige stoffen en in het maken van snijwerk, opdat hij de kunstenaars bijsta, die ik te Jerusalem heb en die mij door mijn vader zijn nagelaten. Zend mij ook ceder-, dennen- en pijnboonunhout van den Libanon ; want ik weet dat uwe dienaren deze boomen (op uitstekende wijze) kunnen vellen; mijne dienaren zullen hun overigens behulpzaam zijn, en ik zal u'»vcn dienaren geven: 20.000 maten tarwe, even zooveel gerst, 20.000 maten wijn en 20 000 maten olie.
Deze woorden werden door Hiram met groote vreugde vernomen. Hij zond Salomon gen schrijven, waarin hij zeide: Dewijl de Heer zijn volk bemint, heeft Hij u daarover
206
RIJRELSCHK GESCHIKI)EN1S
tot koning aangesteld. Gezegend zij de Heer de God van IsraiH, de schepper van hemel en aarde, die aan David een vroeden. kloeken en voorzichtigen zoon heeft gegeven, opdat deze den Heer een huis en ?ich zeiven e^ne woning zuu bouwen. Ik zend u hiernevens een ver-standigen en zeer bekwamen man Hiram, een zoon van een Tyrischen vader en van eene (Israëlietische) moeder uit de dochters van Dan. De tarwe, de gerst, de olie en de wijn, welke gij beloofd hebt, zult gij mijnen dienaren doen geworden. Op den Libanon zullen wij hout vellen, zooveel gij behoeft; wij zullen het over zee nair Joppe vlotten; van daar kunt gij het te land naar Jerubaleni vervoeren. iTyrus en de Israelielische stad Joppe lagen aan de Middellandsche /ee).
Thans riep Salomon 30 030 man uit Israel op, die hij in drie afdeelingen, ieder van 10.000 man. bij afwisseling naar den Libanon zur.d, zoodat zij, na daar eene maand gewerkt te hebben, zich voor twee maanden naar huis konden begeven, om vervolgens weder hunne beurt te vervullen. Hij stelde hen onder het opzicht van zijn schatmeester Adoniram. Behalve deze Israëlieten (die het lichtere werk moesten verrichten) zond Salomon naar den Libanon nog 153.600 man van vreemde Chanaiinietische) afkomst; 70 000 hunner zouden gobezigd worden tot het dragen van lasten. 80 000 moesten in de steengroeven werken, en de verdere 3600 werden over hunne broeders tot opzichters aangesield.
Voor de grondslagen van het gebouw beval de koning, dat men vierkante blokken steen zou houwen van zeer groeten omvang; zij moesten, evenals de sieenen voor het muurwerk, in en bij de groeven pasklaar en glad gemaakt worden, zoodat zij, op de plaats van bestemming aangekomen geene verdere bearbeiding behoefden. Ook het hout moest aanstonds geheel worden bewerkt.
Zoodra alles genoegzaam gereed was, werd in het jaar 480 na den uittocht uit Egypte, in het vierde jaar van Salom jns regeering. in de tweede maand des jaars (de eerste na die, waarin het Paaschfeest viel) met bouwen een begin gemaakt, en na ruim zeven jaren was de tempel voltooid.
Hij stond, evenals Moses den tabernakel geplaatst had, met den ingang naar het oosten. Het hoofdgebouw, d. i het heilige der heiligen en het heilige, was, van binnen gemeten, 60 elleboogsmaten (33 meter) lang, 20 elleboogsmaten (II meter) breed en 30 elleboogsmaten (ló'/'j meter) hoog. (Moses had den tabernakel 30 elleboogsmaten lang, 10 elleboogsmaten breed en 10 elleboogsmaten hoog gemaakt â zie hoofdstuk 38 â de tempel was derhalve tweemaal zoo lang, tweemaal zoo breed, driemaal zoo hoog, en dus van inhoud twaalfmaal zoo groot als de tabernakel.) De muren waren, vooral beneden, zeer dik: boven werden zij iets dunner, doordien zij, aan den buitenkant, ter hoogte van 5 en van 10 elleboogsmaten telkens één elleboogsmaat terugsprongen. Het dak bestond uit zeer dikke planken of dunne balken van cederhout. Het heilige der heiligen had onder dit dak nog een tweede, tien elleboogsmaten lager.
Het heilige was, bij eene breedte van 20 elleboogsmaten, 40 elleboogsmaten lang, en daar het slechts één dak had, was het 30 elleboogsmaten hoog. Het heilige der heiligen had eveneens 20 elleboogsmaten breedte; tevens was het 20 elleboogsmaten lang, en wijl het onder het tweede dak ook 20 elleboogsmaten hoogte had, was het in alle richtingen zuiver vierkant.
Aan de binnenzijde waren de muren, zoo van het heilige als van het heilige der hei-ligen, geheel beschoten met dikke cederhouten planken, waarop, in verheven beeldhouwwerk, cherubijnen, palmboonien en bloemen prijkten, die als uit den wand schenen voort te komen. Deze houten bekleeding was overtrokken met dunne platen goud, die (om wille van het beeldhouwwerk gedeeltelijk gedreven) met groote, van zware koppen voorziene gouden nagels, ieder 50 sikkels (ongeveer 4 kilogram) wegende, aan het cederhout waren vastgeklonken. Ook het cederhouten dak was aan den binnenkant van het gebouw met goud overtrokken, en platen van hetzelfde metaal bedekten den pijnhouten vloer. Alleen voor het heilige had men 600 talenten goud (eene waarde van bijna 40 millioen guldens) gebruikt.
207
TilJRELSCHK GESCHIEDENIS
Aan het heilige was een voorportaal bevestigd, dat zich over de geheele breedte van het gebouw uitstrekte en dit 10 elleboogsrnaten langer maakte.
Aan de lange noord- en zuidkanten en aan de korte westzijde was het gebouw van buiten omgeven door eene galerij van drie verdiepingen. Deze verdiepingen waren elk vijf elleboogsrnaten hoog. l^e breedte was verschillend; doordien, namelijk de tempelmuren naar boven tweemaal een elleboogsmaat terugsprongen, was de onderste verdieping der galeiij 5, de tweede 6 en de derde 7 elleboogsmaten breed. De balken, die de tweede en de derde verdieping droegen, waren niet in de tenipelmuren bevestigd, maar rustten op de naar beneden tweemaal vooruitspringende gedeelten dier muren Ken wenteltrap in de onderste verdieping, zuidwaarts van het hoofdgebouw, voerde naar de beide hoogere verdiepingen.
Daar de galerij met hare drie verdiepingen 15 elleboogsrnaten hoog was en het hoofdgebouw 30, bleef er van het laatste een muurvlak van 15 elleboogsmaten over, waarin de vensters of openingen voor licht en lucht gemaakt waren. De vensters hepen naar binnen schuin toe, zoodat zij, uit het inwendige des tempels gezien, merkelijk nauwer waren dan aan de buitenzijde.
Behalve door de galerij was, in wijderen kring, het hoofdgebouw omgeven door twee ruime voorhoven: het binnen- of priestervoorhof en het buitenhof of voorhof des volks.
Al deze verschillende deelen van het uitgestrekte gebouw hadden eene afzonderlijke bestemming.
In het heilige der heiligen, dat de hoogepriester slechts eenmaal in het jaar mocht betreden, was, tegen den westelijken achterwand, de plaats voor de ark. Aan weerszijden daarvan stond, met het aangezicht naar den ingang ten oosten gekeerd, een tien elleboogsmaten hooge, uit olijfhout vervaardigde en met goud overtrokken cherubijn. Beide cherubijnen strekten hunne vleugels, die elk vijf elleboogsmaten lang waren, derwijze uil, dat de punt van den rechtervleugel des eenen en de punt van des anderen linkervleugel tegen het midden van den achterwand, vlak boven de voor de ark bestemde plaats, elkander raakten, terwijl de twee andere vleugels tot den zuider- en noorder-zijmuur reikten.
In het heilige, dat alleen voor de priesters toegankelijk was. stond, evenals in den tabernakel van Moses, het gouden reukofifer-aliaar; doch in plaats den eenen gouden kandelaar en de eene toonbrooden-tafel des tabernakels waren in het heilige des tempels van elk dezer voorwerpen tien aanwezig. De bij deze kandelaars en tafels behoorende snuiters en snuitselbakjes, wierookvaten, schalen en schenkkannen waren gemaakt van het fijnste goud.
Buiten het hoofdgebouw, in het priestervoorhof, stonden het koperen brandofferaltaar, het groote koperen waschvat en tien kleinere waschvaten van hetzelfde metaal. Hel groote, wegens zijn ontzaggelijke afmetingen ook de koperen zee genaamd, had, bij een dikte van een
hand breed, eene hoogte van 5 en een omvang van 30 elleboogsmaten en kon 2000 bath (56Q hectoliters of vaten) water inhouden. Het werd gedragen door twaalf koperen ossen, die drie bij drie hunne koppen naar de vier hemelstreken keerden. De tien kleinere vaten hadden elk, bij een omvang van 12 elleboogsmaten, een inhoudsvermogen van 40 bath (ruim 11 hectoliter). Op sierlijk gebeeldhouwde onderstellen bevestigd, die van raderen voorzien waren, konden zij vertrokken worden; hunne gewone plaats echter was langs de beide zijmuren. In de kopeien zee wieschen de priesters hunne handen en armen, terwijl in de kleinere vaten het offervleesch gewasschen werd. Al deze vaten, het groote en de kleinere benevens eene ontelbare menigte potten, tangen, schalen en andere gei eedschappen, alles van koper, werden gegoten in den klei-bodem bij den Jordaan. tusschen de steden Socoth en Sarihan.
In het groote voorportaal, dat toegang gaf tot het heilige, stonden twee reusachtige kopeien kolommen, die van binnen hol waren en ieder een omtrek hadden van 12 elle-oogsmaten. De schachten dezer kolommen waren 18 elleboogsmaten hoog; de kapiteelen, in den vorm van leliën, hadden eene hoogte van 4 elleboogsrnaten, en op de leliekelk rustte een koperen bol van één elleboogsmaat; de geheele kolom had alzoo een hoogte
208
lil J BELSCI1E GESCt 11K DEN IS.
can 23 elleboogsmaten. Om de kapiteelen liep een krans van netwerk en granaatappelen, alles van koper. De eene kolom werd genoemd Jacliin, hetwelk bet eekent; Hij (God) ?al vestigen; de andere Boaz (In Hem is sterkte).
Uit het voorportaal begaven de priesters, wanneer hun dienstverrichting hen derwaarts riep, zich naar het heilige door twee prachtig gebeeldhouwde, met goud overtrokken deuren, waarvan de beide helften, bij het openen, op gouden pennen tegelijk ronddraaiden
Tusschen het heilige en het heilige der heiligen bevond zich slechts één zoodanige deur. Voor deze hing aan gouden kettingen een heerlijk voorhangsel van allerrijkst tapijtwerk, waarin op kunstige wijze cherubijnen geweven waren.
Zoo stond dan eindelijk na zeven jaren en vijf maanden het huis Gods op den berg Moria voltooid. Gedurende den bouw werd Salomon in zijne onderneming gesterkt door den Heer, die tot hem sprak; (lij trekt nu dit huis op; als gij (daarenboven) in mijne geboden wandelt, mijne uitspraken behartigt en al mijne instellingen onderhoudt, zoo zal ik u mijn woord, dat ik tot uwen vader David gesproken heb, (om u op den troon te bevestigen) gestand doen, en ik zal wonen in het midden der kinderen Israels en mijn volk niet verlaten. â Daarop was de begonnen arbeid regelmatig voortgezet, en bij geheel den bouw werd noch moker, noch kapbeitel, noch eenig ander ijzeren werktuig van dien aard gehoord j want al de steenen waren te voren volkomen op maat gehouwen en glad gemaakt.
1. Buiten Iiot hierboven meegedeelde blijven er in do beschrijving, door dlt;' IT. Schrift v;m don bouw on do in-richling des f.empels gogevon, ondersoheidone pun t-ii over, die voor onze tijden niet mooi' tlt; ii voile vlt; rst!iniil)a:ir zijn. Zoo bv. wordt er g gt;zogd; dat do pijnhouten vIimt van hot hoofdgohouw gohoel mot goud ovortrokken was, on tevens, Jat hij belegd was met «allerkostbaarst marmer van groote schoonheid3 Kon. VI: 30 en 2 Parol. III: (5. Lagen ar dus op oak oio plaatsen marmorsteencn, en was hot overige van den vloer mot gond overtrokken? Het i - monel ijk; want waar do II Schritt do woordon i/clicel of alles gebruikt, bedoelt zij sunis, zooals uit don samenliang blijkt, alleen tien zeer (/root gedeelte. Is ilit ook op dez ⢠plaats het geval, of was, wat hier in.irmor wnlt genorind, edejg. sifcnto dat tot nu'ordero versiering van den vloer in het gouden overtreksel was aangebracht? Deze en meer moei olijk hoüen van gelijken aard, welke overigons voor de hoofdzaak van weinig beteokonjs zijn, zullen de uitleners wel nimmer tot klaarheid brengen,
In groote omtrokken kan men zich don tempel aldus voorstellen: Op don berg Moria, welks kruin waarschijnlijk was afgeplat, verhief zich in hot midden: het heilige tier heiligen, het heilige en hot voorportaal, te zamen, met inbegrip van do dikte der muren, ongeveer HO motor lang, 14 meter breed en meter hoog. Van drie zijdon was dit gebouw
omringd door oen uit drie verdiepingen bostaandea nevonboew van S.5 meter hoogte on ruim 3.7.quot;) nelor .......ito. Deze
nevenbouw was omgeven door twee andere uitgestrekte nevengebouwen, het binnen- en blt; t bnitenvoorhor. Met laatst genoemde voorhof had vier poorten, uitkomende op de \ ier windstreken. De tempo! van ITorodes ten tijde des Zaligmakers bezat nog een dorde voorhof, hot voorhof dor heidenen.
3. In bnvonvermolde hoogto, omvang en inhoud van het groote kopenn waschvat le eft men oen midtlel om zich to vergewissen, dat de waarde dquot;r joodscho lengte- en inhoudsmaten, zoouls die door de oudh â¢idkundigen â op gezag van rabbinischo overleveringen of nog bestaand1' niaten uil hot Machabei-rtijdvak â wordt opg- geven, tamelijk juist is. Voor wie in die zaak belang mocht stellen, volgt hier het bowij-?.
Naar do genoemde overlevering stond de inhoud van een bcilh gelijk met den inhoud van 4quot;V2 kippeneieren. Mot deze opgave vóór zich, kwamen do oudheidkundigen tot (Je bevinding, dat oen ba'h gevuld werd door bijna 2S,5 liter van onze maat â of in eene tiendeelige breuk nog juister uitgedrukt, door 2-S4o.Hitor. Het waschvat nu hield 2(i00 bath in, dus ruim 639 hectoliter, of goheel juist, 50'.) hectoliter en Is liter.
De lengte van een elloboogsinaat is reeds achter hoofdstuk 3S in do aanteekoning. als gelijkstaande mot 0.55 motor opgegeven. Dit cijfer is voor berekeningen, als op do genoeaide bladzijde voorkwamen, voldoende ; hoeft men echter, zooals hier, nut grootera getallen te werken, dan volgt men du meer nauwkeurige opgave van 0.5'ü meter. Hot groote wasc'ivat nu was 5 elleboogsmaten, dus '2,775 met;r, diep; do omtrek was ;») eileboogsmaien, of 10 (m meter I)oi;h dit was d(? omtrok van buiten; want de Schrift, 3 Kon. VII; 23, zegt woordelijk : een snoer van 30 elleboogsmaten omvatte hot rondom. «Dewijl nu do rand van het vat oen dikte had van een hand breed, dus van oen palm el' dooiineter, moet van het straks genoemde cijfer 2 maal 3 14 decbnoter word m afgetrokken, zoodat voor de binnen-omtrek blijft 1(),U22 meter. Volgt men vorder de verhouding van doorsnede tot cirkel als 1 tot 3,14, dan verkrijgt men voor den in oud van hot vat 023,5 hectoliter, berekend naar lengtemaat.
Dit maakt mot do berekening volgons inhouds- of bath-maat shrhls oen verschil van 40 hectoliter. Begroot men echter, waarvoor gegronde redenen bestaan, de dikte van den rand, oen enkelen nulim-tor minder dan eon palm, dan is het verschil gelijk nul. liet blijkt derhalve dat do opgaven der oudheidskundigen omtrent do waarde van een elleboogs-maat on van eon bath zeer juist ziju.
20Q
27
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XGV1.
DE INWIJDING DES TEMPELS.
âquot;=4 gt; â
* -kX
de tempel voltooid was, werden de hoofden van geheel Israrl door Salomon opgeroepen, om door hunne tegenwoordigheid aan de inwijdingsfeesten luister ^ bij te zetti n. Met de grootste bereidwilligheid gaf men aan deze uitnoodiging gehoor; van alle kanten stroomden de stamvorsten, de oversten der familiön, de oudsten, de priesters en levieten naar Jerusalem, en eene groote menigte volks van allerlei rang en ouderdom sloot zich bij hen aan.
Den achtsten dag der zevende maand des jaars (ongeveer de laatste helft van September) had de plechtigheid plaats. Reeds vroeg in den morgen verzamelde men zich op den berg Sion, waar de ark rustte, en terwijl de priesters deze opnamen, de levieten den tabernakel van Moses (die van Gabaon was gehaald) op hunne schouders laadden, en de iangkoren zich in beweging stelden, gingen de koning en de geheele menigte der aanwezige Israëlieten de ark vooruit. Van tijd tot tijd stonden de dragers stil, als wanneer andere priesters een groot aantal runderen en rammen slachtten en ze op in haast vet vaardigde altaren den Heer offerden. Zoo had men eindelijk den berg Moria en het nieuwe huis Gods bereikt, waar de ark in het heilige der heiligen, op de voor haar bestemde plaats tusschen de beide cherubijnen, die hunne vleugels over haar uitstrekten, werd neergezet. Ook de tabernakel van Moses, het daarbij behoorende brandofferaltaar en het heilige vaatwerk werden in den tempel (misschien in de tien elleboogsmaten hooge ruimte tusschen het eerste en tweede dak van het heilige der heiligen) tot een voortdurend aandenken bewaard.
Toen tie priesters die de ark gedragen en op bare plaats gesteld hadden, uit het heilige der heiligen terugkeerende, zich naar het voor hen bestemde voorhof begaven, stonden daar reed?, oostelijk van het brandoffer-altaar, de koren der levieten, gekleed in hunne lange witte kleederen, zingende en spelende, en naast hen 120 priesters, die de bazuin bliezen.
Inmiddels waren andere priesters aan het brandoffer-altaar bezig niet slachten en ofteren, terwijl de koning plaats nam op de vijf elleboogsmaten lange en breede en dtie elleboogsmaten hooge verhevenheid, die hij voor zich, midden in het voorhof des volks, recht tegenover het altaar in het priestervoorhof, had laten gereed maken. De priesters welke de ark gedragen hadden, voegden zich bij hunne broeders die de bazuin bliezen en bij de zangkoren der levieten Eenparig hieven allen, onder begeleiding van schalmeien, cimbalen, citers en harpen, den psalm aan: Looft den Heer, want Hij is goed; want in eeuwigheid duurt zijne ontferming. Krachtig klonk dat heerlijke lied, uit de volle borst van honderden zangers, door de gewijde gewelven en ver daarbuiten, toen opeens, in de gedaante van eene dichte wolk, de glorie des Heeren het geheele huis vervulde, zoodat de priesters wegens het heilig donker hun dienstwerk niet konden voortzetten en ook de koren van ontzag en eerbied zwegen. Toen wendde de koning zich van zijn verheven zetel tot de vergadering en sprak: De Heer heeft beloofd, in den donker te wonen; ik heb zijn Naam een huis gebouwd, opdat Hij hierin voor altijd zijn verblijf zou nemen en Hij heeft zijne gelofte gestand gedaan : in de donkere wolk daalde Hij af. Daarna zegende de koning de gansche in stille aandacht luisterende menigte, en ging voort te spreken: Gezegend zij de Heer de God van Israëli door daden heeft Hij vervuld, wat Hij door het woord zijns monds aan mijnen vader David betuigde, zeggende: Dat gij in uw hart overlegd hebt, mijnen Naam een huis te bouwen, hierin hebt gij wel gehandeld; niet gij echter zult mij een huis bouwen; uw zoon, die uit u zal ontspruiten, hij zal het doen. Dat woord heeft de Heer thans vervuld; ik ben in de plaats mijns vaders getreden en zit op den troon Israels, gelijk de Heer beloofd heeft, en ik heb zijn Naam een huis gebouwd en daarin eene plaats bereid voor de ark, die het (op de steenen tafelen geschreven) verbond bevat, dat de Heer mQt onze vaderen
gesloten heeft, toen zij uit Egypte kwamen.
210
BrjBRLSCHE GESCHIEDENIS,
Vervolgens keerde de koning zich naar het brandoffer-altaar, knielde, strekte zijne handen ten hemel en bad: Heer God Israels 1 aan u is geen (ingebeelde) God (der heidenen) gelijk, noch in den hemel daar boven, noch op aarde hier beneden ; Gij houdt uw verbond en uwe barmhartigheid jegens uwe dienaren, wanneer zij voor u wandelen van ganscher harte; Gij hebt mijnen vader David gestand gedaan, wat Gij hem beloofd hebt ; Gij spraakt met uwen mond en volbracht het met uwe hand, gelijk deze eigen dag getuigt. En nu, Heer, God Israels! houd jegens uw dienaar David, wat Gij hem hebt toegezegd met de woorden : Uit uw geslacht zal geen nakomeling ontbreken, die op uw troon zit, indien althans uwe zonen acht geven op hun weg en voor mij wandelen, gelijk gij wandelt voor mijn oogen. Welaan, Heer God van Issael ' bestendig uw woord, dat Gij spraakt tot uw dienaar, mijn vader.
Is het dan te gelooven, dat God waarlijk woont op aarde? daar toch de hemelen der hemelen u niet kunnen omvatten, hoeveel minder nog dit huis, dat ik u gebouwd heb. Doch zie neer op het gebed uws dienaars en op zijn smeeken. Heer mijn God. Hoor den lof en de bede, die uw dienaar heden tot u opzendt : dat dag en nacht uwe oogen geopend zijn over dit huis, waarvan Gij betuigd hebt; Mijn Naam zal daar wonen, om te verhooren het gebed, dat mijn knecht tot mij opzendt : dat Gij alzoo luisteret naar het smeeken uws knechts en van uw volk Israël : dat Gij al wat zij ooit in deze plaats u vragen, aanhooret in uwe M'oning des hemels, en na de aanhooring genadig zijt.
Als iemand gezondigd heeft tegen zijnen naaste, en hij komt hier, om den zuivering?-eed te zweren voor het altaar in deze plaats: hoor hem in den hemel en oefen recht over uwe dienaren, om des ongerechten daad op zijn hoofd te doen neerkomen, en den gerechte vrij te spreken, hem vergeldende naar zijne gerechtigheid.
Als uw volk Israël voor zijne vijanden moet vluchten, omdat het tegen u gezondigd heeft, en het bekeert zich en doet boete en roept smeekend uw Naam aan in deze plaats: verhoor het in den hemel, vergeef de zonden uws volks en voer allen terug in het land, dat Gij aan hunne vaderen geschonken hebt.
Als de hemel gesloten is, zoódat er geen regen valt om de zonden des volks, en het volk u bidt in deze plaats en uw Naam belijdt en afziet van zijne verkeerdheden : verhoor het in den hemel, scheld de misslagen uwer dienaren en van uw volk Israël kwijt ; toon hun den rechten weg, dien zij te bewandelen hebben, en verleen regen aan het land, hetwelk Gij uw volk ten erfdeel gegeven hebt.
Als er hongersnood in het land ontstaat, of pest of luchtbederf, of brandhalmen of roest in het koren ; als sprinkhanen of rupsen heerschen, als de vijand de omstreken der steden verwoest en de poorten belegett ; als welke andere plaag ook of ziekte woedt, en als dan iemand van uw volk Israël, zijn nood en druk gevoelend, zijne handen tot u uitstrekt in dit huis: verhoor hem in den hemel, in uwe hoog verheven woonplaats, en wees genadig, aan ieder doende en vergeldende volgens de gesteldheid zijns harten, opdat zij u vreezen al de dagen, die zij leven in het land, dat Gij onzen vaderen geschonken hebt. Ook als een vreemdeling, die niet van uw volk Israël is, uit verre landen komende, om uws Naams wille â want overal zal men hooien van uw grooten Naam, van uw sterke hand, van uw uitgestrekten arm â als dan die vreemdeling tot u bidt in deze plaats, verhoor hem in den hemel, in uwe hechte woonstede, en doe alles, waarom hij u smeekt, opdat allo volkeren uw Naam vreezen gelijk uw volk Israël, en ondervinden dat uw Naam ingeroepen is over dit huis, hetwelk ik u gebouwd heb.
Als uw volk ten oorlog getrokken is tegen zijne vijanden langs den weg, waarop Gij het zendt, en het bi lt tot u, me; het aangezicht gekeerd naar deze stad, die gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik in uwen Naam bouwde: verhoor in den hemel hun gebed en hun smeeken en verschaf hun recht.
Als zij echter tegen u zondigen â geen mensch toch of hij zondigt soms â en Gij, op hen vertoornd, hen overlevert aan hunne vijanden en hen gevankelijk laat wegvoeren
211
212 BTJBELSCHE GESCHIEDKNIS.___
naar een land, ver of nabij, en zij komen dan (ot inkeer en doen boete en bidden tot u in hel land hunner gevangenschap, zeggende: wij hebben gezondigd, wij hebben kwaad gedaan, wij hebben ongerechtigheid bedreven â en zij bekeeren zich uit geheel hunne ziel in het land hunner vijanden en wenden zich biddende naar het land dat gij hunnen vaderen schonkt, naar de st.id, die gij verkoren hebt, en naar den tempel, welken ik uw Naam bouwde; verhoor in den hemel, op uw vasten troon, hun gebed en hun smeeken, verschaf hun recht, scheld hun de zonden en misdaden, die zij tegen u begaan hebben, kwijt en doe hen barmhartigheid vinden bij degenen, die hen gevangen houden. Zij zijn immers uw volk en uw eifdeel. dat Gij gevoerd hebt uit het land van Egypte. Ciij zijt mijn God, och dat uwe oogen geopend zijn en uwe ooren acht geven op het gebed, hetwelk in deze plaats verricht wordt. Welaan dan, o Heer mijn God, neem bezit van uwe woonstede, G i en de atk uwer kracht; bekleed uwe piiesters met heil, en dat uwe heiligen zich verheugen in het goede. Heer mijn God, wend het aangezicht van uw gezalfde niet af, gedenk uwer
barmhartigheden jegens David uw knecht.
Thans stond de koning, die tot nu toe geknield was, op, keerde zich tot het volk en zegende het met krachtige stem, sprekende: Gezegend zij de Heer, die zijn volk Israel rust verleende zooals Hij belooft heeft; niet één woord bleef onvervuld van al het goede, dat Hij beeft gesproken door zijnen dienaar Moses. De Heev onze God zij met ons, gelijk Hij geweest is met onze vaderen. Hij verlate of verwerpe ons niet, maar neige onze harten tot zich, opdat wij wandelen in al zijne wegen, en onderhouden zijne geboden, zijne ceremoniën en al de verordeningen, die Hij onzen vaderen heeft voorgeschreven. Dat deze mijne woorden, waarmede ik den Heer gebeden heb dag en nacht den Heer onzen God. nabij mogen zijn, opdat Hij recht verschaflfe zijnen dienaar en zijn volk Israel alle de dagen, ten einde alle volkeren der aarde mogen weten, dat de Heer God is en dat er geen andei is builen Hem. Ook zij ons hart volmaakt voor den Heer onzen God, opdat wij wandelen in zijne instellingen en zijne geboden onderhouden gelijk heden.
Ter nauwernood had Salomon dit gebed en deze zegening voleindigd, of er daalde van den hemel een vuur, dat de brandoffers en de slachtoffers, die op het hoofdaltaar en de voor deze gelegenheid oprichte hulp-altaren lagen, verteerde, en de majesteit des Heeren vervulde het huis. De priesters slaakten hun dienstwerk, en al de kinderen Israels, die het wonder aanschouwden, wierpen zich plat ter aarde, aanbaden en loofden den Heer, zeggende: Want Hij is goed: want in eeuwigheid duurt zijne ontferming. Daarna werden wederom runderen cn rammen opgedragen in groote menigte ; de koren der levieten bleven voortgaan, met zang en snarenspel den God van Israël te loven, en onafgebroken klonk het door'den ruimen tempel: Want Hij is goed; want in eeuwigheid duurt zijne ontferming.
Des nachts daarop verscheen de Heer aan Salomon in een droomgezicht en sprak : Ik heb uw gebed cn uw smeeken. dat gij voor mij hebt uitgestort, verhoord; ik heb dit huis, hetwelk gij mij bouwdet, geheiligd en het mij uitgekozen tot een huis des offers. Als ik den hemel sluit, zoodat er geen regen valt; als ik den sprinkhanen gebied en beveel, het land te verwoesten; als ik de pest zend onder mijn volk, en mijn volk, waarover mijn Naam is ingeroepen, bekeert zich en het bidt tot mij en zoekt mijn aanschijn en het doet boetvaardigheid over zijne booze weger, zoo zal ik het verhooren in den hemel en ik zal het zijne zonden kwijtschelden en zijn land gezond maken. Mijne oogen zullen geopend zijn en mijne ooren zullen acht geven op de smeeking van hem, die in deze plaats zal bidden. Want ik heb deze plaats verkoren en geheiligd, opdat mijn Naam aaar zij voor altijd, en mijne oogen en mijn hart daar verwijlen alle de dagen. En gij, als gij voor mij wandelt, gelijk uw vader voor mij gewandeld heeft, als gij doet al wat ik bevolen heb en als gij mijne geboden en uitspraken naleeft, zoo zal ik uw troon bevestigen, gelijk ik uw vader David beloofd heb, zeggende : Er zal in uw geslacht geen man ontbreken, dre vorst zal ztjn 111 Israël. Doch wijkt gij en de uwen af; verlaat gij mijne geboden en voorschriften, die ik u gaf: loopt gij vreemde goden na, hen dienende en aanbiddende, dan zal ik u en do
SALOMON.
RrjBFLSCHF, GESCHTF,DENIS.
uwen wegnemen uit dit mijn land, hetwelk ik u schonk, en ik zal dit huis, dat ik aan mijn Naam heb toegewijd, verwerpen van mijn aanschijn; Israël zal zijn tot een schimp en een spot voor alle volkeren, en dit huis zal worden tot een voorbeeld (der strenge gerechtigheid Gods): ieder, die er voorbij gaat, zal verstomd staan en sissende (en het hoofd schuddende) vragen : Waarom heeft de Heer aldus gedaan met dit land en dit huis ? En men zal antwoorden: Omdat zij den Heer hun God, die hunne vaderen uit Egypte voerde, verlaten hebben; omdat zij vreemde goden hebben nageloopen, aanbeden en vereerd; daarom heeft de Heer al deze rampen over hen doen komen
Zeven dagen hield het feest der tempelwijding aan; toen begon een ander feest (het Loof-hutten-feest) dat insge'ijks zeven dagen duurde. In dat tijdsverloop werden geslacht 22 000 runderen en 120 000 schapen, waarvan de offerdeelen als vrede offers den Heer werden opgedragen, terwijl het vleesch aan den feestelijken offerdisch gegeten werd door de tallooze menigte, die uit geheel Israël en uit Jerusalem ter viering der plechtigheden was saamgestroomd.
Op den achtsten dag van het tweede feest, den drie en twintigsten dag der zevende maand des jaars, liet Salomon de vergaderden uiteengaan. Den koning prijzende en zegenende keerden zij huiswaarts, vervuld met vreugde en blijdschap over al het goede, dat de Heer aan David en Salomon en aan zijn volk Israël bewezen had.
HOOFDSTUK XCVII.
PALEIZKN EN STKDKN. DE VLOOT. DE KONINGIN VAN SABA.
het huis des Heeren bouwde Salomon te Jerusalem een huis des konings en (even
ilt; iöSwÃll'* '-)U'len stad, op een schaduwiijken heuvel) een zomerpaleis, dat het VVoudhuis UX, van den Libanon genoemd werd. Dit paleis was 100 elleboogsmaten lang, 50
breed en 30 hoog. Beneden bestond het uit vier zuilengangen (waarop de boven-verdiepingen rustten); ieder der vijf zuilenrijen, die gezamenlijk de vier gangen vorm-quot;[ den, telde 15 cederhouten kolommen, welke met balken van hetzelfde hout bedekt waren. Verder had het paleis een voorhof, 50 elleboogsmaten lang en 10 breed, benevens een voorportaal van kleinere afmeting. De troonzaal, waar behalve den prachtigen troon de rechterstoel stond, was van onder tot boven met cederhout bekleed De troon, geheel van ivoor, met goud overtrokken; had zes treden, waarop twaalf gebeeldhouwde leeuwen stonden, op iedere trede twee ; twaall andere leeuwenbeelden stonden naast de armleuningen, aan elke zijde zes.
Ook voor Pharao's dochter, die hij zich tot vrouw had genomen, bouwde Salomon een huis; want, zeide hij: mijne echtgenoote zal niet wonen in het (op den berg Sion gelegen) huis van David, omdat dit geheiligd is door het verblijf der ark (die er voor den bouw des tempels onder eene tent gerust had)
In dertien j.iren tijds waren al deze gebouwen tot stand gekomen, zoodat er sedert den dag, waarop met den tempel een begin was gemaakt twintig jaren verloopen waren.
De steenen en het hout, door Hiram, den koning van Tyrus, voor den tempel verschaft, waren hem met tarwe, gerst, wijn en olie betaald geworden ; maar bovendien had hij nog gezonden, ter bestrijding vooral van de kosten, die de paleizen en de verbetering van sommige steden vorderden, 120 talenten goud (eene waarde van bijna 8 millioen guldens), waarvoor Salomon hem twintig stadjes in Galilea afstond. Hiram kwam van Tyrus over om deze plaatsen te bezichtigen, doch daar zij hem niet bevielen, noemde hij ze Chabul (misvallig). Verder liet hij aan Salamon zeggen : Zijn dit nu de steden, die gij mij geschonken hebt, broeder ? en weigerde, ze aan te nemen.
Na de voltooiing der paleizen wijdde Salomon zijne zorgen aan verschillende groote werken betreffende de verdediging en den voorspoed zijns rijks. Te Jerusalem versterkte
213
214
hij Mello (den burcht of toren, door zijn vader David gebouwd) en de stadsmuren. Onderscheidene andere steden, en met name Heser, Mageddo, Boven- en Beneden-Bethoron Gazer en Baalath, werden, evenals de twintig sleden, die Hiram niet had willen aannemen' van nieuwe vestingwerken voorzien Gazer was een bruidsgeschenk van Salomons vrouw' de Egyptische prinses. Haar vader Pliarao had de genoemde stad, die nog door Chanaii. neen bewoond werd en onder Philistijnsrhe heerschappij stond, ingenomen en haar aan zijne dochter gegeven. In de (tusschen Damascus en den Euphraat gelegen) woestijn, welke Salomon op den koning van Soba veroverd had, slichtte hij de stad Palmira.
Te Asiongaber, eene stad op liet grondgebied van Idumea, aan de Roode Zee, bouwde Salomon eene vloot, waarmede zijne dienaren, bijgestaan door die van Hiram, welke de zee kundig waren, en in vereeniging met Hirams schepen, naar Ophir en Tharsis voeren. Beide vloten haalden daar goud, zilver, zeer kostbaar edelgesteente, ivoor, apen, pauwen en welriekend hout Nooit te voren was in Israël zulk hout gezien; Salomon liet er leuningen voor het huis des Heeren en het huis des konings, benevens harpen en citers van vervaar digen Iedere reis naar de genoemde verre streken duurde drie jaren. Bij hun eersten terugkeer brachten de schepen mede alleen voor Salomons deel, 420 talenten gouds (eene waarde van ruim 27 millioen guldens). Daarenboven trok Salomon jaarlijks aanzienlijke sommen uit de koninklijke landerijen, de belastingen de rechten op den groot- en kleinhandel en uit de schattingen, die de cijnsplichtige Arabische en andere vorsten moesten opbrengen.
Niet slechts door zijne rijkdommen, maar meer nog door zijne wijsheid en de goede orde in zijn bestuur blonk Salomon boven alle koningen uit, zoodat zijn roem zich heinde en verre verbreidde. De koningin van Saba, zich persoonlijk wenschende te overtuigen, of hetgeen zij van den wijzen vorst gehoord had. waar was, begaf zich, omringd door een schitterenden hofstoet, met tal van kameelen en eene groote hoeveelheid kostbaarheden van allerlei aard, naar Jerusalem op reis. Bij den koning toegelaten, stelde zij hem op de proef door hem eene reeks moeielijke vragen te doen. Salomon wist ieder punt, dat zij aanroerde, te verklaren en op geen harer vragen bleef hij het antwoord schuldig. Toen zij daarenboven des konings paleizen zag. zijne dienaren, hunne orde van dienen, hunne kleeding, hunne tafel, den tempel door Salomon gebouwd en de offers, die daarin dagelijks werden opgedragen, kende hare bewondering bijna geene grenzen, en zich tot den koning wendende riep zij tut: Alles, wat mij van u verhaald werd, is waarl Ik kon het niet gelooven alvorens ik mij met eigen oogen daarvan had verzekerd, maar thans zie ik, dat mij nog niet de helft uwer wijsheid is gemeld; gij hebt de faam, die van u uitging, door uwe daden verre overtroffen. Gelukkig uwe mannen en gelukkig uwe dienaren, die ten allen tijde voor uw aanschijn staan en uwe wijsheid aanhooren! Gezegend zij de Heer uw God, die u op den troon van Israël heeft doen zetelen; omdat Hij Israël liefhad en zijn behoud wilde, daarom heeft Hij u over dit volk tot koning aangesteld, opdat gij re^ht en gerechtigheid zoudt oefenen. Vervolgens bood zij den koning geschenken aan: 1?0 talenten goud, kostbaar edelgesteente en eene ontzaglijke hoeveelheid specerijen, zooals men nooit in Israël gezien had. Van zijn kant gaf Salomon aan de koningin alles wat zij verlangde, en voegde daar nog vele andere zaken bij, zoodat zij veel meer ontving dan zij geschonken had. Daarna keerde zij met haar gevolg naar haar land terug.
Nog steeds nam Salomon in rijkdom en heerlijkheid toe Hij liet van liet fijnste goud 200 groote en 300 kleinere schilden vervaardigen, waarmede zijne dienaren prijkten, wanneer zij den koning naar den tempel begeleidden. He groole schilden wogen ieder 600, de kleinere 3^0 sikkels; hunne gewone plaats, als zij niet gebruikt werden, was in de wapenzaal van het VVoudhuis van den Libanon.
Al het tafelgereedschap, tot dit huis behoorende, zoomede de bekeis, waaruit de koning dronk, liet hij van het fijnste goud vervaardigen; van zilver werd geen enkel stuk ge-vnaakt, want dit metaal achtte men in Salomons dagen als van bijna geen waarde.
Te Jerusalem en in andere sterke steden bouwde de koning stallen voor oorlogswagens
BIJEELSCHE GESCHIEDENIS 215
en paarden. Wagens had hij 1400 en ruiters 12,000. De paarden voor beide benoodigd, haalden zijne kooplieden uit Egypte en Coa (eene stad aan de Egyptische grenzen); een vierspan werd gekocht voor 600 sikkels zilver, en één paard voor 150 sikkels.
1. II''t Womlljiiis van don Libanon, lt;lat 100 Hloljoogsmnton lan^ en :'»(gt; Itreed was, stond ongf-vocr met d»- grootte van don toinpol gelijk, wannoor men van d ti la:ilsio di- novi*ii^lt;d)oii\vc'i nii-dcrokont.
2« Hot iioudon van vele pnarden w.if dooi* Moses, D^ut XVII: 1ü, den tooUomstigon koning verboden, opdaf doze y.i(h iijrt /ou v rlu lh.Mi op do talrijkhcid /.ijncr ruiter-. Saluinoii oliijnt van di' ovi'i trcdin^ van dit verbod niet geheel t ' /.ijn vrij to pleiten; welllclit b-^ing hij zijne foiil. to-n zijn hart roods mar verkeerd.' z ikon â waarover nader in het volgend hoofdstuk â hr-on te neigen.
.i. /ooals reeds in hoofdstuk 1)2 is aa n^-dnid. hoort tnoii. vol.-'-n - de m'esh' uil ! -gg 'i onder ()j)hir Indië te verstaan; Ihar.sis wordt door velen voor Spanjquot; gelionden. 1) IMe-niciërs van Tyrns, m -t wi â Silotnons dionaien de- bovenvermelde to.-liten oinlfriiam -n, zijn ook uit. d.' quot;n-ewijdo -eschi d^-nis ai- uiLsL^k.-nd.- zeidicdon bekend.
HOOFDSTUK XCV1II.
SALOMONS VAL, ZIJNE VIJANDEN EN ZIJN DOOD,
^iSy^al0m0n eindiSde n'et zc,oa,s hii begonnen had Hij liet zijne liefde vallen op een groot aantal vrouwen uit de dochters der Moabieten. Ammonieten, Idumeön, Sidoniërs en Hetheon, Met sommige dezer vrouwen, zooals de Sidonische en ! Hetheesche, mochten de Israülietcn niet in het huwelijk treden, wijl Moses zulks. ./K 0111 het gevaar van afgoderjj te voorkomen, verboden had. Den koning van Israöl T w'is liet nog in het bijzonder verboden, een te groot aantal vrouwen te hebben, omdat zij zijn hart lichtelijk van den Hoer konden aftrekken (Dent XVII : 17) Desondanks nam Salomon dochters uit al de bovengenoemde volken tot zijne echtgenooten ; hij had er .700 die hem als koninginnen golden, en 309 van minderen rang.
Deze vrouwen bedierven zijn hart en brachten hem op zijn ouden dag zoover, dat hij deel nam aan den dienst hater goden; hij vereerde Astarthe, de godin der Sidoniërs, en Moloch, den god der Ammonieten ; hij bouwde op een berg in de nabijheid van Jerusalem een tempel voor Chamos, don god van Moab, en desgelijks deed hij voor de goden van al zijne vrouwen. Zoo' verliet Salomon de wegen zijns vaders David, en minachtte hij de waarschuwing, door den Heer bij diens tweede verschijning (de verschijning na den tempelbouw) hem gegeven, om toch geen vreemde goden te dienen, maar de geboden en instellingen des Heeren te onderhouden.
I en zeerste over dit schandelijk gedrag des konings vertoornd, sprak de Heer tot hem : Wijl in u bevonden is, dat gij mijn verbond en de wetten, die ik u voorschreef, niet onderhouden hebt, zal ik uw rijk vaneen scheuren en het (voor het grootste gedeelte) geven aan uwen dienstknecht. Echter zal ik dit, om uws vaders David wille, niet doen bij uw leven, maar in de dagen van uw zoon ; niet het geheele rijk zal ik aan uw geslacht ontnemen; een stam zal ik laten aan uw zoon, om wille van uw vader David en om wille van Jerusalem, dat ik mij heb uitverkoren.
Al aanstonds verwekte de Heer Salomon een tegenstander, in den persoon van Adad, een zoon uit het geslacht der koningen van Idumea (het land van Edom). De levensgeschiedenis van dezen Adad was kortelijk de volgende. Toen naar aanleiding van het vermoorden der Israelietische bezetting, die David in Idumea had gelegd (hoofdstuk 82), Davids veldheer Joab met een ^ger was opgetrokken, om de lijken der vermoorden te begraven en het trouwelooze Edom voor het bedrijven van genoemd schelmstuk eene bloedige tuch ⢠tiging toe te dienen, gelukte het den hovelingen des konings van bedoeld land, met den jongen prins Adad, die nog een kleine knaap was, en met een aantal mannen naar Egypte te ontkomen. De koning van Egypte ontving de vluchtelingen met open armen ; hij schonk Adad een huis, spijaen en landerijen. De prins groeide op en geraakte zoozeer bij Pharao
216
in gunst, dat de Egyptische vorst hem eene zuster zijner eigene vrouw tot echtgenoote gaf. Deze echtgenoote schonk aan Adad een zoon, genaamd Genubath, die door Pharao's vrouw, welke Taphes heette, aan het koninklijk hof tegelijk met hare eigene kinderen werd opgevoed. Eenigen tijd later, toen Adad in Egypte hoorde, dat David ontslapen was en dat ook Joab niet meer leefde, sprak hij tot Pharao : Laat mij gaan, opdat ik naar mijn land terugkeere, Pharao vroeg; OntbreeKt het u bij mij aan iets. dat gij daarom naar uw land wilt wederkeeren ? Aan niets ontbreekt het mij. antwoordde Adad, maar ik bid u, laat mij heengaan Daarop gaf Pharao toe. Deze Abad nu werd de eerste der tegenstanders van Salomon.
Een andere tegenstander was Razon, een Syriër uit Soba. Hij had, toen David het leger van koning Adarezer versloeg (hoofdstuk 82), met een aantal mannen weten te ontvluchten naar Damascus, waar hij een tijdlang aan het hoofd zijner medevluchtelingen het rooverbedrijf uitoefende, totdat hij door zijne lieden over genoemde stad tot koning werd aangesteld. Zooveel hij kon, zocht hij Salomon te benadeelen, want hij haatte Israël.
Ook Jeroboam, de zoon van Nabat, uit den stam Ephraïm, was Salomon kwalijk gezind ; hij zou wel aanstonds de vaan des oproers hebben willen planten, als hij kans van slagen had gezien. Aanleiding tot die gezindheid had gegeven de versterking van den Mello (den reeds vroeger genoemden burcht of toren te Jerusalem). Toen Salomon met deze versterking begon, stelde hij Jeroboam, die als een kloeke, wakkere en arbeidzame jonge man bekend stond, tot opzichter aan over de afdeeling bouwlieden uit het huis van Josef. Jeroboam (aanmerking makende op de plannen des konings, welke hij als een te zwaren last voor het volk beschouwde) verliet Jerusalem en ontmoette buiten de stad in het veld den profeet Ahias, omhangen met een nieuwen mantel. Zoodra Ahias Jeroboam genaderd was en zag. dat zij met hun tweeën alleen waren, scheurde hij zijn mantel in twaalf stukken, gaf er tien van aan den jongen man en zeide: Neem deze tien stukken, want aldus spreekt de Heer de God van Israël: ik zal liet rijk van Salomon vaneen scheuren en u tien stammen geven, wijl hij, mij verlatende, Astarthe de godin der Sidoniërs, Chamos den god van Moab, en Moloch, den god der zonen Amnions, aanbeden heeft, en niet gewandeld heelt in mijne wegen, om gerechtigheid voor mijn aanschijn te oefenen en mijne geboden en instellingen te betrachten, gelijk zijn vader David Echter zal ik niet het geheele rijk uit zijne handen nemen, maar terwijl ik hem koning laat zoolangquot; hij leeft, zal ik het rijk nemen uit de handen zijns zoons, en u tien stammen gevende, zijn zoon één stam schenken, opdat aan David, mijnen dienaar, eene lamp (een navolger) blijve in de stad Jerusalem, welke ik mijn Naam ter woonplaats heb uitgekozen. Maar u zal ik aannemen, gij zult heerschen en koning zijn over Israël. Kn indien gij in alles aan mijne bevelen gehoorzaamt, in mijne wegen wandelt en doet wat recht is voor mijn aanschijn mijne geboden onderhoudende en mijne wetten, gelijk mijn dienaar David gedaan heeft, zoo zal ik met u zijn en u een duurzaam huis (nageslacht) bouwen, gelijk ik David een huis heb gebouwd, en ik zal u Israël geven» Davids geslacht zal ik deemoedigen, doch niet voor altijd.
Toen Salomon eenigen tijd daarna van het in het veld voorgevallene kennis kreeg, wilde hij Jeroboam uit den weg ruimen, duch deze vluchtte tot koning Sesac in Egypte en bleef daar tot Salomons dood.
Eindelijk na veertig jaren te Jerusalem over geheel Israël geregeerd te hebben, stierf Salomon en werd begraven in Davids stad (op den berg Sion).
1. Om ile nauwo verooniging, iliu or VilII nu af tussclioa JuUa on Bsnjiimin betond, worden zij in ilo U. ScluiU vnocstul ccii slum, do stam Juda genoemd. Aanscliouwelijk stolde do profeet Ahias dio voreeniging voor, door van zijn mantel, wolken hij in twaalf stukken scheurde, tien stukken aan Jjroboatn te geven on van d.! twoj overige slechts als van één stuk, do afboolding van één stam, to sproken.
2, Bavoii is gezegd, dat. Jorolnam was aangesteld tot opzichtor ovor d ⢠bouwlied m uit hot huis Joset; sommige uitleggers moenon oeliter, dat de aanstelling liet opzicht betrof over do bihutingon in gold, door hot huis Josof op te brongen. Ook ovor de beteokenis dio hier aan do uitdrukking: »het huis Josof' moH gehooht worden, is men hut niet «ons; eonigen verstaan daaronder de stammen Ephraïm en Munasse, anderen ICphraïm alleen.
bijbrlsche geschikdentis.
3. Op trelTundo wijzo blijkt uit do voorspelling des pi'ofcets nnn Jeroboam do lioogo wanrdo, die (J d nnn üiiviiis
goslaclit toekondi', omdnt iliinruit ocnmnnl dr Voriossor zou voortspruiten. God zal. zegt do profoet, dit ^vsiaoht de ........
dlgen, maar toch zal hot duurznnm zijn Da doom.....liging geschlodt om do zondon dor zonon uit gonootnd geslacht; zty
zal tïchlor niet wezen wvoor altijd ; want als Hij komt. de Zoon Davids hij uitnemondlieid. die zotal-r zoi.di- i- i*n gt; ia wiens
quot;....... 8non 'gt; drag is govondenquot;, zal Hij ganscll Nrai'i onder zijn s'diepti'i' in'ioouigi'n. Ka lsrai;l nii't all...... ulo voliii'n
falie nation) zullon Hom tot crfdocl wordon gosohonkonquot;, on zo'fs vorder dun hlor beneden zal Mij hoorschon; Hom »ia nlle mnelit geselionkon in don hoini'l on op narde' on nzijn rijk zal geen c lndo liobliruquot;.
4. Gelijk het Boek dor Psalmen zijn ontstaan te danken hoort aan David, sclnvo!'Solomon hot Heel.- iler Hfivnkm m 31 hoofdstukken, hot Boek Ecclesla$tes of dc^ Prediker, in 13 hoofdstukken, en hot Hooglied, In 8 hoofdstukken ; torwyi het Hack der Wijnheid. in l'.l hoofdstukken, bijronvorzamohl is nil d.-spreuken on ^rdachton, door Salonion oagelalm.
Do vier gemelde Boeken vormei...... niet onbelnngr(|k deel der H Schrift, In eene bljhelscho yencliledenia ......Ion zij,
evenals do peolmon, minder op hunne plaats wezen, waarom hlor ook slechts hunno ........ zonder ........ vermeld worden.
Alleonlijk worde hier nog opgoniorkt. dut genoemd.' Hoekon en vooral lo t Hoodie,!, voor 'l' ii lezer, die ^â en th.-ologisclio opleiding genoten hoeft, zeer rnoeielijk te verstaan zijn.
217
27
(5=:r
VIJFDE TIJDVAK.
~T%
VAN DE SCHEURING DES RIJKS TOT DE BABYLONISCHE
GEVANGENSCHAP.
gt;ï
ijadat onder de opvolgende regeer ingen van David en Salomon het rijk steeds in gt;!⢠grootheid en luister was toegenomen en eindelijk liet toppunt van zijn bloei had bereikt, werd het na Salomons dood in tweeën gescheurd. Juda, vereenigd met Benjamin, bleef Roboani. Salomons zoon en opvolger, getrouw ; de overige tien / - stammen weigerden hem te huldigen en kozen zich tot koning Jeroboam, uit den f stam Kplmiïm, welke stam na Juda de talrijkste en machtigste was. Dit geschiedde, in het jaar :i029 na lt;lc Schepping, 975 jaar voor Christus, Van toen af waren de nakomelingen Jacobs in twee rijken verdeeld: Juda en Benjamin vormden het rijk Juda, met behoud v.m Jerusalem tot hoofdstad; de andere tien stammen maakten het rijk Israël uit, welks hoofdstad eerst Sichem, vervolgens Tliersa en eindelijk Samaria was.
Het rijk Israël bestond 254 jaren, tot en met liet jaar 3283 na de Schepping, of 721 voor Christus, Gedurende dien tijd werd het bestuurd door 19 koningen uit 9 verschillende stamhuizen. Al deze koningen regeerden de een nog slechter en goddeloozer dan de andere. Reeds Jeroboam richtte, in openbaren strijd met de wet van Moses, twee gouden kalveren op, het een te Dan in het noorden des rijks, het andere te Bethel, in het zuiden. Zijn doel daarbij was, zijne onderdanen van het opgaan naar den tempel te Jerusalem terug te houden en aldus hunne verzoening met het huis Davids, dat over Juda regeerde, te voorkomen. Diezelfde handelwijze, Jeroboam door eene valsche staatkunde ingegeven, kenmerkte later al zijne opvolgers zonder uitzondering. Velen hunner lieten het daar niet eens bij blijven; zij vervielen van kwaad tot erger. Wanneer dan ten laatste de boosheid van het regeerende huis tot den hemel om wraak riep, werd, soms op Gods uitdrukkelijk bevel, soms onder zijne toelating, de koning door een zijner onderdanen, gewoonlijk een zijner legeroversten, die tegen hem in opstand kwam. van den troon gestooten en met geheel zijn huis ter dood gebracht. De gewezen onderdaan, nu door zijn aanhang tot koning uitgeroepen, regeerde veeltijds in den beginne iets beter dan zijn voorganger, doch weldra sloeg hij, of een zijner zonen na hem, denzelfden weg in, totdat weer een nieuwe opstand een nieuw huis ten troon voerde. Eindelijk zond God de Assyriërs, die eerst 3l/2 stam, daarna, onder den negentienden en laatsten koning Osee, al de bewoners van het rijk Israël, met uitzondering misschien van eenige weinige minder aanzienlijke lieden, in ballingschap zonden naar verschillende streken in het groote Assyrische rijk. Uit die ballingschap keerden zij nooit terug.
Het rijk Juda bestond tot het jaar 341(3 na de Schepping, of 538 voor Christus, dus 133 langer dan het rijk Israël. Het werd bestuurd door 19 koningen, allen uit het huis Davids, en door eene koningin van Achabs geslachts, met name Athalia, die den troon
mJRRLSCHF, (;KSCHIF,DENIS,
overweldigde en zich ruim zes jaren daarop staande hield. Eenige dezer koningen regeerden braaf en godvreezend, anderen volgden de koningen van Israël in hunne boosheid, totdat ten slotte Nabuchodonosor. koning der Chaldeön, aan het rijk een einde maakte en den laatsten vorst, Sedecias, met de voornaamste inwoners naar Babylonië in ballinschap voerde. Dit geschiedde in het jaar 3416 na de Schepping, 588 jaar voor Christus.
Het vijfde tijdvak, van de scheuring des rijks tot de Babylonische gevangenschap, omvat alzoo eene ruimte van 387 jaren
Gedurende dit tijdvak verwekte God in beide rijken een groot aantal profeeten, die den koningen en het volk hun afval van den Heer onder het oog brachten, boetvaardigheid en bekeering predikten, met de zwaarste straffen, in geval van verharding, dreigden en bij verschillende gelegenheden den toekomstigen Messias en zijn rijk voorspelden. Sommige dier profeten, hebben hunne onderrichtingen alleen mondeling uitgesproken, andere hebben die ook opgeschreven, en deze laatste profetieën zijn ons, gelijk hierna uitvoeriger zal blijken, in afzonderlijke boeken in de H. Schrift bewaard gebleven.
HOOFDSTL K XC1X.
SCHEURING DES R IJ K S.
(Jaar dor w-n-M vóór Chr. 975.)
Salomons zoon Roboam volgde zijn vader op als koning van Juda en Benjamin.
overige tien stammen waren bereid hem te huldigen, indien hij kon . besluiten in regeeringswijze, door zijn vader ingevoerd, eenige verandering
⢠. te brengen. Om daarover met hem tc onderhandelen en hein vervolgens als zij het eens geworden waren, plechtig tot koning uit te roepen, belegden zij, na alvorens Jero-: f N boam, die voor Salomon gevlucht was, uit Egypte te hebben laten halen, eene groote volksvergadering te Sichem (op het grondgebied van Ephraïm) en noodigden Roboam uit, zich naar die stad te begeven. Zoodra hij er aangekomen was, verschenen de vergaderden, met Jeroboam aan het hoofd, voor hem en zeiden : Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd (belastingen in geld en arbeid); maakt gij dit juk een weinig lichter en wij zullen u dienen. Roboam antwoordde : Gaat vooreerst heen en keert den derden dage tot mij terug.
Inmiddels vergaderden Roboam de oude raadslieden, die zijn vader hadden bijgestaan, en vroeg hun : Wat oordeelt gij, dat ik aan dit volk moet antwoorden ? De oude raadslieden zeiden : Wanneer gij heden de minste r-ijt, den wensch van dit volk inwilligt en het zachte woorden toespreekt, zal het u dienen, geheel uw leven lang. Die raad beviel Roboam niet en hij riep zijne jonge dienaren bijeen, welke met hem opgevoed waren. Deze gaven hem op zijne vraag, wat hij doen moest, ten antwoord: Tot dit volk, hetwelk u zegt: verlicht het juk uws vaders, moet gij spreken : Mijn kleine vinger is dikker dan mijn vaders lichaam om zijn midden; mijn vader tuchtigde u met geesels, ik zal u tuchtigen met schorpioenen.
Als nu het volk ten derden dage terugkwam, sprak Roboam het, met verwerping van den raad der oude dienaren, op harde wijze toe, zeggende, zooals de jonge dienaren hem geraden hadden : Mijn vader legde u een zwaar juk op, ik zal het nog verzwaren ; mijn vader geeselde u met roeden, ik zal u met schorpioenen geeselen. Door dit trotsche antwoord getergd, riep het volk uit; Wij hebben geen deel aan David, gecu erfenis aan den zoon van Isai 1 Keer terug naar uwe tenten, Israël! Laat David over zijn eigen huis regeeren â Met dezen kreet ging het volk uiteen. Roboam zond het nog zijn schatmeester Aduram achterna, om de gemoederen tot bedaren te brengen en de afgebroken onderhandelingen weder aan te knoopen ; maar het was reeds te laat. het volk wierp Aduram met steenen dood. begreep Roboam, dat ook zijn eigen leven niet meer veilig was, en vluchtte
210
220
ijlings van Sichem naar Jerusalem. Zoo viel het grootste deel van Israël van het huis Davids af en stelde Jeroboam tot koning aan.
Zoodra mogelijk bracht Roboani uit de dapperste strijders van Juda en Benjamin een leger op de been van 180.000 man, om daarmede tegen Jeroboam en Israël op te trekken Doch het woord des Heeren kwam over den profeet Semeia en deze sprak tot Roboam,, tot diens legeraanvoeders en tot al het volk : Dit zegt de lieer: Trekt niet op, om uwe broeders, de zonen Israels, te beoorlogen ; ieder uwer keere naar zijn huis terug, want deze scheuring is mijn werk. Oe koning en het volk gehoorzaamden aan het woord des Heeren en de scheuring bleef bestaan ; Jeroboam regeerde over de tien stammen, voortaan het Rijk Israël genaamd, en Roboam over het Rijk juda.
1 Do Btnm Kpliiiiïin. w;iar|jj| Jornlionm liohoorde, had zich steeds ijverzuchtig betoond op de andero sl.nminen en volt;gt;i'iiI op .ludn. na wion hij de t.ilnjkslr was. Vim die ijveiv.ncht liehlini de voorjjaandn hladzijden twee sprekende blijken K, I, vcd. M. n li i hinei ilc zich ih- p.'si'hledi'iiis van G' ilccn. ïoi-n deze reclitei- uit den stam Manasse hc/Jg was do Israë-heten van de vcrdnikklnj? der Madianieten t« hevi ijden en hij met zijne 300 man den vijand reeds eenn eerste
ge'dm hte neileriaag had toegebracht, namen de Ephraïmleten hein zijne handelwijze, van don strijd te hebben begonnen zonder hen, zmi l.waiijl,, ilut zij geweld tegen hem wllilen gehrniken en bij hen slechts door vleiende woorden van bun boos opzet kon te. ugbrengen. â hoofdstuk 5S. Nog erger bejegening ondervond Jephte, uit der. stam Gad. Zijne overwinning np di- Amnrjiiieten kostte hom een oorlog met Kphraïm, waarin eeliter V2.C00 man van dezen stamden dood vonden. â hoofdstuk i:0.
HOOFDSTUK C.
ROD O A M KN ZIJN ZOON A HI A S, KONINGEN VAN JUDA. J KRO 13 O AM, KONING VAN ISRAÃL.
--*â â^ âTquot;quot;*
4 -k
Bfcklli^a z'jne dwaze daad, die hem het verlies van tien stammen had gekost, regeerde l;ol)oam in c]cn eersten tijd voortretTelijk: hij wandelde in de wegen des Heeren en ftv % behartigde ijverig de belangen van het hem trouw gebleven gedeelte des rijks, ev .j ^ Om dit legen den aanval zijner vijanden te beschermen, versterkte hij de steden cjit Bethkhem. Klam, Thectië, Bethsar, Socho, Odollam Geth, Mareza, Ziph, Aduram, Lachis, Azeca, Saraa, Aialon en Hebron, van welke hij zeer sterke vestingen maakte. In tik deze sleden stelde hij een krijgsbevelhebber aan, bouwde er voorraadschuren voor koren en olie en richtte er tuighui/.en op, waarin lansen en schilden bewaard werden. Door de verhuizing der priesters, levieten en van vele andere godvruchtige personen, die, uit Israël verdreven, tot Roboam vluchtten, nam het rijk Juda zeer in macht en talrijkheid toe. De Wet van Moscs werd er trouw nageleefd ; oiken morgen en avond droegen de pries'ers op het altaar des Heeren in den tempel te Jerusalem de voorgeschrevene offers op, en koning en volk verheerlijkten den naam van den God hunner vaderen.
Slechts drie jaren bleet deze gelukkige toestand voortduren; toen vielen de koning en een groot gedeelte zijner onderdanen den Heer af en volgden het rijk Israël in zijne boosheid, Zij maakten zich op de hoogten altaren en beelden, plantten afgodische bosschen en gaven zich over aan de afschuwelijkheden en onnatuurlijke zonden der volken, die de Heei voor het aanschijn der kinderen Israels, bij de intrede in het beloofde land, had verdelgd Zoo beleedigden en tergden zij God meer dan hunne vaderen hadden gedaan.
In zijne rechtvaardigheid gebruikte God den koning van Egypte, Sesac. om Juda voor die euveldaden te tuchtigen. Met een leger van 1200 strijdwagens, 60,000 ruiters en eene ontzaglijke menigte voetvolk, bestaande uit Lybiërs, Iroglodieten en Kthiopiërs, diong de Egyptische vorst in het. vijfde jaar van Roboams regeering het land binnen, nam overal waar hij zich vertoonde, de vaste steden in en rukte op Jerusalem aan, Roboams bevelhebbers waren \oor den overwinnaar (eruggelrokken en hadden zich in de hoofdstad rondom
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 221
hun koning verzameld, toen eensklaps de profeet Semeia in hun midden verscheen en tot de vergaderden sprak : Dit zegt de Heer: Gij hebt mij verlaten, ik verlaat u (u overleverende) in de handen van Sesac, Als verpletterd riepen de koning en de bevelhebbers uit : De Heer is rechtvaardig! Hierdoor bewogen kreeg de Heer medelijden en sprak tot Serr eia: Omdat zij zich vernederd hebben, zal ik hen niet verderven, maar hun een weinig hulp verleenen, en mijne verbolgenheid zal zicli niet (ten volle) door Sesacs hand over Jerusalem uitstorten ; evenwel zullen zij hem dienstbaar worden, opdat zij het onderscheid leeren kennen tusschen mijn dienst en dien eens aardschen konings.
Zooals de Heer gezegd had, geschiedde. Roboam zag zich genoodzaakt, de voornaamste kostbaarheden, die Jerusalem bezat, aan den Egyptenaar uit te leveren ; de schatten van het huis des Heeren en van het huis des konings, onder andere zaken ook de gouden schilden die Salomon had laten vervaardigen. Dit alles werd aan Sesac gegeven, die daarna aftrok.
Allengs herstelde Roboam zich van de geleden schade en vernedering, en om de vele brave mannen, die zijn tijk nog bezat, kwam het weder tot bloei en kracht. De weggevoerde gouden schilden deed de koning vervangen door koperen; zij werden, wanneer hij zich naar den tempel begaf, door zijne schilddragers uit de wapenzaal gehaald, om zo^dra hij huiswaarts gekeerd was, weder in dezelfde zaal te worden neergelegd.
Op eenenveertigjarigen leeftijd had Roboam den troon van Juda beklommen; hij deed veel kwaad en bereidde zijn hart niet om den Heer te dienen. Met Jeroboam, den koning van Israël, leefde hij steeds in eene verhouding van wrijving en spanning. Zijne moeder was Nailma, eene dochter der zonen Amnions, en hij had achttien vrouwen en zestig nevenvrouwen. Van deze allen beminde hij het meest Maacha, eene dochter van Absalom ; haar zoon Abias stelde hij tot hoofd van diens broeders aan en bestemde hem voor den troon.
Na 17 jaren geregeerd te hebben, ging Roboam met zijne vaderen rusten; hij werd begraven in Davids stad, en zijn zoon, de reeds genoemde Abias, volgde hem op.
Abias wandelde in de wegen der zonde, gelijk zijn vader Roboam, en zijn hart was niet oprecht voor den Heer, zooals het hart zijns vaders David ; Doch om Davids wille, die de belofte had ontvangen, dit zijne lamp zou blijven lichten in Jerusalem, stootte God Abias niet van den troon. Kens zelfs kwam God hem (om de vele rechtvaardigen, die het rijk Juda bevatte, en om het vertrouwen dat de koning bij die gelegenheid betoonde) op wonderdadige wijze te hulp Er was namelijk tusschen Abias en Jeroboam, koning van Israël, een oorlog uitgebroken. Abias verzamelde een leger van 400,000 uitgelezene strijders en trok op naar de stad Semeron (op de grenzen der twee rijken) ; daarentegen verzamelde Jeroboam 800,000 man en trok insgelijks naar Semeron. Terwijl de beide legers slagvaardig tegenover elkander stonden, beklom Abias den bij de stad gelegen berg en sprak Jeroboam en diens strijders aldus toe: Luistert, Jeroboam en geheel Israël: Weet gij niet, dat de Heer de God van Israël aan David en zijn nageslacht het rijk heeft gegeven voor altijd? Toch stond Salomons knecht Jeroboam, de zoon van Nabat, op en kwam tegen zijn heer in verzet. Er verzamelden zich om hem nietswaardiger! en Belialskinderen en zij over-mochten Roboam, den zoon van Salomon ; want Roboam was onervaren en vreesachtig van hart, zoodat hij hen niet kon wederstaan. En nu meent gij tegen het rijk, dat de Heer door Davids zonen bezit, bestand te zijn wegens uw talrijk leger; doch bedenkt: gij vereert de gouden kalveren, die Jeroboam u gemaakt heeft; gij hebt de priesters des Heeren. de zonen Aiirons, alsook de levieten verjaagd en u priesters gemaakt, gelijk de volken hebben. Maar onze Heer is God, dien wij niet verlaten ; priesters uit Aiirons geslacht dienen bij ons den Heer, en de levieten vervullen hun ambt. lederen morgen en avond worden er brandoffers opgedragen, en ook wierookoffers worden gebracht, volgens het voorschrift der Wet; de toonbrooden worden regelmatig op hunne tafels geplaatst en de lampen worden telken avond ontstoken ; want wij onderhouden de geboden van den Heer onzen God, dien gij verlaten hebt. Bijgevolg is de Heer de aanvoerder van ons leger, en zijne priesters, die de bazuinen blazen, blazen haar tegen u. Zonen Israels,
RTJBELSCHF, GESCHTKDF.NIS,
wilt dus niet strijden tegen den Heer den God uwer vaderen, want het zal u niet baten.
Terwijl Abias aldus sprak, bereidde Jeroboam hem eene hinderlaag; hij deed een gedeelte van zijn volk den berg omtrekken, zoodat Abias en de zijnen tusschen twee sterke legerafdeelingen bekneld raakten. Zoodra de mannen van Juda dit zagen, riepen zij tot den Heer en de priesters staken de bazuin. De Heer zond den schrik onder Jeroboams leger; het werd geslagen, op de vlucht gedreven en 500,000 dappere strijdeis werden gewond. Abias achtervolgde de vluchtelingen en veroverde de stad Bethel met de omliggende dorpen, de stad Jesana met hare dorpen en de stad Ephon, insgelijks met hare dofpen. Zoo vernederde God de zonen Israels en maakte de zonen Juda's sterk, omdat laatstgenoemden op den Heer den God hunner vaderen vertrouwd hadden. Nog lang na deze gebeurtenis durfde Israël niets meer tegen Juda ondernemen
Abias had veertien vrouwen, die hem twee en twiniig zonen en zestien dochters schonken ; hij regeerde 3 Jaren, stierf en werd begraven bij zijne vaderen in Davids stad.
Terwijl over het rijk Juda Roboam 17 en Abias 3 jaren regeerden, heerschte Jeroboam over het rijk Israöl 22 jaren. Eerst vestigde hij zijn verblijf in het zeer door hein versterkte Sichem en later te Thersa (dat eenige uren noordelijker lag). Aan de oostzijde van den Jordaan, in het landschap Galaad, verbouwde en bevestigde hij de stad Phanuöl.
Uit vrees dat zijn volk, als het jaarlijks ter viering der godsdienstige feesten naar den tempel te Jerusalem optrok, hem zou afvallen, om tot Davids huis terug te keeren, richtte Jeroboam in zijn rijk twee gcuden kalveren op, het eene te Dan, het andere te Bethel, en sprak tot zijne onderdanen: Ziedaar, Israël, uw God, die u uit het land van Egypte geleid heeft. Voorts stelde hij op den 15,,,, dag der 8st0 maand een grooten feestdag in, eene nabootsing van het Loofhuttenfeest, dat in het rijk Juda, als vanouds, op den 15°quot; dag der 7(le maand gevierd werd.
De priesters, de levieten en velen uit het gewone volk wilden zich aan deze hoogst misdadige en heiligschennende verandering van den godsdienst hunner vaderen niet onderwerpen ; zij wenschten trouw te blijven aan de Wet van Mozes en zagen zich daarom door Jeroboam genoodzaakt, hunne steden en bezittingen te verlaten, en zich in het rijk Juda te vestigen, welks koning (zooals reeds boven gezegd is) hen met opene armen ontving. In de plaats der vertrokken priesters en levieten stelde Jeroboam andere personen, die niet uit het geslacht van Aiiron waren, tot de heilige bediening aan: ieder, wien het hem goeddacht, legde hij offers op de handen (hem zoodoende trachtende te wijden).
Op den bovengenoemden grooten feestdag begaf Jeroboam zich naar Bethel, om er in de tegenwoordigheid van het gouden kalf, zijn nieuwen godsdienst te vieren. Zelf beklom hij de ireden van het altaar en strooide, omringd door de schaar zijner eigenmachtig ge-vormde priesters, wierook op het offervuur. Terwijl hij hiermede bezig was, trad onverwachts een man Gods uit juda den tempel, waar de plechtigheid plaats had, binnen, keerde zich naar het altair en riep uit: Altaar, altaar! dit zegt de Heer: Kr zal het huis van David een zoon geboren worden, met name Josias; hij zal op u offeren de priesters der hoogten, die thans op u wierook ontsteken, en menschenbeenderen zal hij op u verbranden. En dit is het teeken, dat de Heer het gezegd heeft: Zie, het altaar /.a.\ vaneen scheuren en de asch, die er op ligt, zal verstuiven.
Nauw had de man Gods deze woorden voleindigd, of Jeroboam, in hevige gramschap ontstoken, strekte zijn arm naar hem uit en beval: Grijpt hein vast 1 Doch op het eigen oogenblik werd de arm stijf, zoodat de koning dien niet kon terugtrekken. Beschaamd en vernederd voor de oogen der gansche vergadering, richtte hij thans tot den man Gods het ootmoedig verzoek : Smeek den Heer uwen God en bid Hem voor mij, opdat mijn arm mij worde teruggegeven. Aan het verzoek werd voldaan, en oogenblikkelijk was de arm weder buigbaar als te voren.
Nu noodigde de koning den man Gods bij zich aan tafel; Ga mede zeide hij, naar mijne woning, opdat gij moogt eten en drinken en ik u geschenken aanbiede. Het antwoord
22'}
151J BKLSCH E G ESC HIK D KNIS.
luidde : Al schenkt gij mij de helft v.vn uw huis, ik zal niet met u medegaan, noch in deze stad iets nuttigen, want de Heer heeft mij bevolen: Gij zult daar geen brood eten, noch water drinken, noch zult gij langs denzelfden weg terugkeercn, dien gij gegaan zijt. Na dit gezegd te hebben, verwijderde zich de man Gods; hij sloeg een anderen weg in en spoedde zich huiswaarts
Ten tijde dat dit geschiedde, woonde er te Bethel een oude profeet, wiens zonen, die bij het offer van Jeroboam tegenwoordig waren geweest, hunnen vader alles verhaalden, wat de man Gods uit Juda tot den koning gesproken had. Ue oude profeet vroeg hun : Langs welken weg heeft hij zich verwijderd? Toen zijne zonen hem dit gezegd hadden, beval hij. zijn ezel te zadelen, reed den man Gods achterna en vond hem zitten onder een terpentijnboom. Zijt gij de man Gods, vroeg hij, die uit Juda gekomen is? Deze antwoordde: Ik ben het. Keer dan, zeide de vorige, met mij terug naar mijn huis, om bij mij uw maal te nemen üa man Gods verklaarde dit niet te kunnen doen, omdat de Heer hem geboden had : gij zult in die stad noch brood eten, noch water drinken. Doch de oude hernam : Ik ben evenzeer een profeet als gij ; nu heeft een engel, krachtens het woord des Heeren, tot mij gesproken ; Voer den man Gods terug naar uw huis, opdat hij brood ete en water drinke. Dit laatste was ecne onwaarheid; doch de man Gods. niet denkende dat de ander hem bedroog, geloofde hem en ging mede Terwijl zij nu te zamen aan tafel zaten, etende en drinkende, kwam het woord des Heeren in waarheid over den ouden profeet, en hij sprak tot den man uit Juda: Dit zegt de Heer: Omdat gij niet gehoorzaam zijt geweest aan den mond des Heeren, en het gebod, dat de Heer uw God u gaf, niet hebt opgevolgd, maar teruggekeerd zijt om te eten en te drinken in deze plaats, waarvan de Heer u gezegd had dat gij er niet eten en diinken mocht, daarom zal uw lijk niet in het graf uwer vaderen rusten. Na aldus gesproken Ie hebben, zadelde de oude profeet de ezel van den man Gods uit Juda en liet hem vertrekken.
Nog niet ver was de laatste gereisd, toen er een leeuw op hem toeschoot en hem doodde ; de leeuw bleef bij het lijk staan en evenzoo de ezel. Weldra kwamen eenige mannen langs den weg, waar dit voorviel, zagen het vreemde schouwspel en deelden het bij hunne aankomst te Bethel aan de inwoners dier stad mede. De oude profeet, wien men de zaak verhaalde, begreep terstond, wat er gebeurd moest zijn ; Dit is. sprak hij, de man Gods, die ongehoorzaam is geweest aan den mond des Heeren; daarom heeft de Heer hem overgeleverd aan een leeuw, die hem doodde volgens het woord, dat de Heer gesproken heeft Na dit gezegd te hebben, liet de oude man zijn ezel zadelen, reed den hem aangeduiden weg o]) en vond het lijk, terwijl de leeuw en de ezel er nog naast stonden; de leeuw had er niet van gegeten noch eenig letsel gedaan aan den ezel De profeet nam het lijk op, legde het op zijn lastdier, voerde het naar Bethel en hegroef het daar, met behulp van eenige andeien, in zijn eigen graf. Ook vierden hij en zijne helpers de rouwplechtigheden ; en beweenden en beklaagden den doode, zeggende ; Ach. ach, mijn broeder ! Vervolgens gaf de oude profeet (om te voorkomen, dat zijn gebeente met dat det priesters van de hoogten, op het onwettig altaar zou verbrand worden) aan zijne zonen hel bevel .⢠Wanneer ik dood ben, legt mij dan in hel graf, waar de man Gods rust ; legt mijn gebeente bij zijn gebeente ; want de bedreiging, die hij op Gods gezag, tegen bet aliaar le Bethel en tegen den tempel der hoogten heeft ui'gesproken. zal z nul er twijfel vervuld worden.
Ofschoon Jeroboam door het treurig ui einde van den man Gods (dal hem weldra ter oore kwam) genoegzaam begrijpen kon, dal indien eene kleine ongehoorzaamheid aan Gods hevel reeds zoo zwaar geboet was, hij de koning, voor zijne schandelijke misvorming van den geheelen godsdienst ongetwijfeld het ergste te duclven had, verbeterde hij loch zijn zondig leven niet, maar ging integendeel voort, menschen van allerlei afkomst als priesters aan ie stellen. Ceder die maar wilde, onverschillig uit welken stam, legde hij offers op de handen en zond hem naar dc tempels der gouden kalveren op de hoogten.
De straf voor zooveel goddeloosheid kon niet uitblijven ; zij werd Jeroboam op Gods
223
mjBELSCHE GESCHIEDENIS.
bevel aangekondigd door denzelfden profeet:, die hem zijne vei heffing op den troon iiad voorspeld. Bedoelde aankondiging geschiedde aldus: Jeroboams zoon Abia werd ziek, en de koning verlangende te weten, hoe het mei. den zieke zou afloopen, sprak iof zijne vrouw: Sta op, verander uwe kleeding, opdat niemand u als Jeroboams echlgenoote erkenne, en ga naar Silo, waar de profeet Ahias woon-, die mij voorzegd heefr, da' ik over dit: volk zou regeeren Neem met, u tien brooden, een koek en een vaaije honig (len geschenke voor den profeet) en hij zal u zeggen, wal met den jongeling zal gebeuren. De vrouw deed gelijk de koning haar bevolen had. Middelerwijl sprak God lot den profeet, die van ouderdom blind was gewoiden ; Straks zal Jeroboams vrouw tot u komen, om u ie raadplegen aangaande haar zoon, die ziek is, Tevens onderrichtte God den profeet, wat hij haar moest antwoorden. Toen nu de vrouw de deur opende, en de blinde Ahias hare schreden hoorde, sprak hij: Treed binnen, echtgenoote van Jeroboam ; waarom veinst gij eene andere te zijn? Ik heb tot u de zending van een strengen bode: ga zeg aan Jeroboam : Zoo spreekt de Heer de God van Israël; Ik heb u verheven uit het midden des volks, u aangesteld tot Israels koning, het rijk Davids heb ik vaneen gescheurd en het (grootendeels) aan u geschonken ; wijl echter gij des ondanks niet geweest zijt als mijn dienaar David, die mijne geboden onderhield en mij uit geheel zijn hart volgde, doende heigeen welbehaagelijk was in mijne oogen ; wijl gij integendeel meer kwaad hebt bedreven dan allen die u zijn voorgegaan, daar gij twee vreemde goden, gegotene beelden, gemaakt hebt, waardoor mijne verbolgenheid moest gaaande worden, en gij mij hebt verworpen ; daarom zal ik over het huis van Jeroboam alle rampen doen komen. Ik zal zijne knapen slaan en zijn geslacht wegvagen van de aarde, gelijk men het vuil pleegt weg te vagen totdat alles rein is Wie van Jeroboams nakomelingen in de stad sterft, zullen de honden verscheuren ; wie sterft op het veld zal door de vogelen des hemels (gieren, arenden en raven) verslonden worden. Zie, de Heer heeft gesproken. Gij nu, vrouw van Jeroboam, ga naar uw huis, en op het oogenblik, dat gij de stad binnentreedt, zal uw zoon sterven ; geheel Israël zal rouw over hem plegen, en hij zal de eenige zijn uit Jeroboams geslacht, die in het graf zal gelegd worden, wijl er door den Heer den God van Israël iets goeds in hem bevonden is. Voorts zal de Heer een koning over Israël aanstellen, die ten bestemden tijde het huis van Jeroboam zal slaan, dat het geslingerd wordt gelijk een riethalm in het water. Ook zal de Heer Israël slaan en wegnemen uit dit goede land en verstrooien aan gindsche zijde van den stroom (den Euphraat) omdit zij afgodische bosschen aangelegd en den Heer getergd hebben. De Heer zal Israël overleveren om wille der misdaden van Jeroboam, die gezondigd heeft en Israël heeft doen zondigen.
Met deze woorden eindigde de profeet, en Jeroboams vrouw ging heen Nog hadden hare voeten den drempel harer woning in de stad Thersa niet overschreden of haar zoon stierf en werd bij zijne begrafenis door geheel Israël beweend.
Jetoboam regeerde 22 jaren; daarna ontsliep hij tot zijne vaderen en werd opgevolgd door zijn zoon Nadab. Aan dezen Nadab en zijne verwanten ging de voorspelling des profeets betreffende de uitroeiing van Jeroboams geslacht in vervullinj,'.
224
B r J BE LSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK Cl ASA KONING VAN JU HA. VERSCHILLENDE KONINGKN VAN ISRAEL.
Jeroboam, de eerste koning van Israël na de scheuring des rijks, leefde nog en had het 20° jaar zijner regeering bijna voleindigd, toen de derde koning vanjuda, iv â¢5^- de zoon van Abias en kleinzoon van Roboam, met name Asa, den troon zijner .'0 vaderen beklom. Hij regeerde lang, 41 jaren, en gedurende dien tijd regeerden er ^1« in Israël achtereenvolgens zeven koningen : de reeds genoemde Jeroboam, Nadab, c7 s Baasa, Ela, Zambri, Amri en Acliab.
Asa deed hetgeen goed en welbehaaglijk was in de oogen des Heeren. Hij wierp de altaren der vreemde goden omver, verbrijzelde hunne standbeelden, stak hunne heilige bosschen in brand, verbande uit zijn rijk alle mannen, die zich aan de onnatuurlijke grutvelen der heidenen hadden gewijd, en beval aan geheel Juda den God der vaderen te dienen en de Wet in allen deele te onderhouden. Slechts in één punt had hij zich ijveriger kunnen betoonen ; hij liet namelijk het offeren op de hoogten (dat stieng genomen, alleen in den tempel mocht plaats hebben) stilzwijgend toe,
Tien jaien achtereen genoot zijn rijk een ongestoorden vrede. Dien tijd maakte de koning zich ten nutte, om zich behoorlijk uit te rusten tegen den dag, waarop hij soms in oorlog mocht gewikkeld worden. Hij voorzag onderscheidene steden van nieuwe muren, nieuwe poorten en sluitboomen, en bouwde nieuwe torens en andere verdedigingswerken of bevestigde de reeds bestaande. Zijn leger telde 300.000 man uit den stam Juda en 280.000 man uit den stam Benjamin ; de eersten waren gewapend met schild en lans, de laatsten met schild en boog.
Welke strijd er in het elfde jaar van Asa's regeering plaats vond, laat de H. Schrift onaangeroerd ; maar op het einde van het veertiende jaar vermeldt zij een geduchten oorlog. Zara, de koning der Ethiopiërs of Mooren, drong met een leger van een rnillioen manschappen en driehonderd krijgswagens het rijk Juda binnen en rukte tot Maresa voort. Asa trok hem te gemoet en stelde zijne slagorde op in het bij Maresa liggende dal Sephata. Tegen de overmacht des vijands nam hij zijne toevlucht tot den Heer, dien hij aanriep met de woorden : Heer, het is bij u geen onderscheid, of gij velen helpt of weinigen ; help ons, Heer onze God, want op u en op uw Naam vertrouwende, zijn wij tegen deze menigte opgetrokken. Heer, Gij zijt onze God, laat toch de menschen niets tegen u vermogen.
De Heer verhoorde dit gebed : Hij zond den schrik onder de Ethiopiërs, zoodat. zij in overhaasting de vlucht namen. Asa zette hen na tot Gerara, bracht hun een volslagen nederlaag toe, deed verschillende steden (die onder de heerschappij der Philistijnen stonden en den Ethiopiërs hulp verleend hadden) voor de kracht zijner wapenen bezwijken en keerde met een ontzaglijken buit van runderen, schapen en kameelen naar Jerusalem terug, De profeet Azarias, de zoon van Oded, deze luisterrijke overwinning vernemende, ging, door den Geest Gods bezield den koning en het leger te gemoet en sprak tot hen : Aanhoort mij, Asa en gansch Juda en Benjamin: De Heer is met u geweest, wijl gij met Hem waart. Als gij Hem zoekt, zult gij Hem vinden, maar verlaat gij Hem, dan verlaat Hij u. Er zullen eenmaal (in den tijd voor de Babylonische gevangenschap) vele dagen in Israël voorbijgaan zonder den waren God, zonder de Wet en zonder priester, die (de Wet) onderwijst Doch wanneer dan de kinderen Israels tot den Heer den God van Israël wederkeeren en Hem zoeken, zullen zij Hem vinden. In dien tijd (zooeven genoemd) zal niemand vrede hebben in zijne verrichtingen, maar overal zal schrik heerschen bij alle inwoners der landen ; want volk zal strijden tegen volk en stad tegen stad, wijl de Heer hen
29
225
BIJBKLSCHK GESCHIEDENIS
verwarren zal in allerlei benauwdheid. Gij echter weest sterk en laat uwe handen niet neerzinken, want uw werk zal zijne bclooning ontvangen.
Toen Asa deze voorspelling hoorde, legde hij er zich met nog grooter moed en ijver op toe, de afgodsbeelden weg te nemen, zoo uit zijn eigen rijk als uit de steden die hij (misschien in het bovengenoemde elfde jaar zijner regeering) op het rijk Israël veroverd had. Voorts vernieuwde hij het brandofferaltaar in het voorhof des tempels en riep tegen de derde maand van het vijfiiende jaar zijner regeering al zijn volk ter plechtige inwijding op. Daar er voortdurend uit het rijk Israel, en meer bepaaldelijk uit de stammen Ephraïm, Manasse en Simeon, vele godvreezende mannen, die zagen dat de Heer met hem was, tot Asa overkwamen, noodigde hij ook hen tot het bijwonen der plechtigheid uit. Van alle kanten stroomde het volk te Jerusalem samen, en het feest nam een aanvang. Niet minder dan 700 runderen en 7000 rammen van den buit op de Ethiopiërs behaald, werden op het nieuwe altaar den Heer ten offer aangeboden. Tevens ging de koning met zijn volk het verbond des Heeren hernieuwen. Indien iemand, sprak hij tot het volk, den Heer den God van Israël niet zoekt, hetzij oud ot jong, man of vrouw, zoo zal hij sterven. Nu werden de bazuinen gestoken, de trompetten schalden, en nadat een oogenblik stilte geboden was, zwoeren alle aanwezigen met groote blijdschap en met luider stemme, dat zij steeds den lieer zouden zoeken van ginscher harte.
Nog eene andeie gewichtige daad wilde Asa verrichten. Zijne grootmoeder Maacha, eene dochter van Absalom, had een beeld van den afgod (der wellust) Priapus laten vervaardigen en dit in een afgodisch bosch ur vereering opgericht. Voor die goddeloosheid werd zij door haar kleinzoon van hare hooge waardigheid als oud-koningin vervallen verklaard. Asa nam verder het beeld des afgods, kloofde het en verbrandde de stukken bij de beek Cedron. Zoo roeide hij de laatste sporen der afgoderij uit; de altaren op de hoogten echter, waarop het volk nog voor en na (ter eere van den waren God) ging offeren, liet hij bestaan.
Eunigen tijd later brak een oorlog uit tusschen Asa en Bailsa, den toenmaligen koning van Irael. Eaiisa, die niet langer dulden wilde, dat telkens meerderen van zijn volk lot A^a overliepen, viel na het sluiten van een verbond met Benadad, koning van Svrie, met een leger in Juda, bemachtigde Rama en begon om die stad (door welke de groote weg naar Jerusalem liep) een hoogen en steiken muur op te trekken, zoodat voortaan niemand meer langs genoemden weg tot Asa zou kunnen gaan. Asa, in plaats van met de wapenen dit plan te verijdelen, nam het goud en het zilver uit de schatten des tempels en uit de koninklijke schatkist en zond het naar Henadad te Damascus, niet het voorstel : Laat er tusschen mij en u een verbond zijn ; ook mijn vader en uw vader hebben steeds in goede verstandhouding geleefd, Ik zend u dus goud en zilver, opdat gij uw vetbond niet Baiisa zoudt laten varen en mij van hem zoudt verbossen, Benadad stemde hierin toe ; zijn leger rukte tegen Israël op en veroverde Ahion, Dani A-belmaïm en verdere ommuurde steden binnen het stamgebied van Nephthali. Zoodia Baiisa hiervan kennis kreeg, liet hij zijn werk te Rama steken en spoedde zith naar zijn land terug. Asa deed den voorraad steenen en hout, die te Rama opgestapeld stond, van Gabait en Maspha vervoeren en deze steden er mede versterken.
Inmiddels kwam de profeet Hanani bij Asa en sprak : Omdat gij uw vertrouwen gesteld hebt op den koning van Syrië en niet op den lieer uwen God, daarom is het leger diens konings (dat gij anders tegelijk me: dat van Israël zoudt verslagen hebben) aan uwe handen ontkomen. Hadden niet de Kthiopiërs en Lybiërs een veel grooter aantal wagens, ruiters en voetvolk, en heeft niet de Heer, omdat gij op Hem vertrouwde!, hen in uwe handen geleverd? De oogen des Heeren toch overschouwen de gansche aarde en Hij geeft sterkte dengenen, die op Hem betrouwen van ganscher harte. Gij hebt dus dwaas gehandeld en daarom zullen van nu af zich oorlogen tegen u verheffen. Asa werd om dit woord boos op den profeet en liet hem gevangen nemen. Ook deed hij eenigen van zijn volk (die met den profeet :;ijn gedrag afkeurden) ter dood brengen.
226
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
In liet 393tc jaar zijner regeering (van den tasschentijd sedert het 15lle jaar zwijgt de Schrift) werd Asa aangetast door eene ongesteldheid der voeten, welke hem hevige pijnen veroorzaakte. In deze bezoeking beging hij de zwakheid van te weinig op God te vertrouwen. Eindelijk, na 41 jaren over het algemeen goed en deugdzaam geregeerd te hebben, ging hij met zijne vaderen rusten- Zijne begrafenis was luisterrijk : men legde hem op een praalbed, brandde een groote hoeveelheid welriekende kruiden en kunstig door zalvenmengers bereide zalven, en zette hem vervolgens met alle plechtigheid bij in het graf, dat hij iich tijdens zijn leven in David's stad had laten gereedmaken.
Zooals reeds boven gezegd is, telde, gedurende Asa's regeering over Juda, het rijk Israël zeven koningen. In het tweede jaar der regeering van Asa volgde Nadab zijn vader Jeroboam op. Evenals deze bedreef hij veel kwaad : hij zette den dienst der gouden kalveren voort en trok het hart des volks af van den Heer, doch nu trof hem ook de straf door den profeet uit Silo voorspeld. Terwijl hij namelijk niet zijn leger naar de Philistijn-sche stad Gebhelhon was opgerukt, brak er in zijn kamp een oproer tegen hem uit, aan welks hoofd Baiisa stond, de zoon van Ahias uit den stam Issachar. Baitsa zegevierde : hij doodde Nadab en liet zich zelf door zijn aanhang tot koning uitroepen. Zoodra dit geschied was, deed hij Nadabs huisgezin en bloedverwanten, geheel het nageslacht van Jeroboam, ombrengen, zonder een enkelen man te sparen.
Ondanks dit vreeselijk strafgericht, dat hij voor oogen had gehad en waarvan hij zelf de uitvoerder was geweest, regeerde Baiisa njet beter dan de beide vorsten, die zoo gevoelig de tuchtroede des Heeren hadden ondervonden ; hij nam de gouden kalveren te Dan en te Bethel niet weg, maar spoorde integendeel zijn volk aan tot hunne vereering. Op zijne beurt werd hem nu zijn straf aangekondigd door den profeet Jelui, die namens den Heer tot hem sprak : Ik heb u verheven uit het stof en u gesteld tot vorst over mijn volk ; gij echter wandelt in de wegen van Jeroboam, gij doet Israël zondigen en tergt mij door zijne misdaden ; Zie, daarom zal ik de nakomelingen van Baiisa wegmaaien, gelijk ik het geslacht van Jeroboam heb weggemaaid; aan uw huis zal ik doen gelijk ik deed aan Jeroboams huis. Wie van Baasa's nazaten in de stad sterft zullen de honden verscheuren, en wie sterft op het veld, zullen de vogelen des hemels verslinden â Voor deze profetie werd Jehu door den koning (Baiisa of diens zoon Kla) gedood.
Baiisa's verbond met Banadad, koning van Syrië, en zijti oorlog met Asa, koning van Juda, zijn boven vermeld. Na ruim 23 jaren het rijk Israël bestuurd te hebben, stierf Baiisa, werd in zijne hoofdstad Thersa begraven, en zijn zoon Ela volgde hem op.
Ela genoot zijne nieuwe waardigheid slechts kort : in het 265tu jaar der regeering van Asa koning geworden, werd hij reeds in het 27stl! jaar van genoemde regeering vermoord. In bijzonderheden geschiedde de moord aldus : Ela had zijn leger naar Gebbethon gezonden, met den last, die plaats op de 1'hilistijnen te veroveren : de hoofdstad i'heisa was alzoo nagenoeg van troepen ontbloot. Nu gebruikte Ela op zekeren dag ten huize van den stads-overste den maaltijd en ging zich daarbij te ouiten aan den wijn. Deze dubbel gunstige gelegenheid nam Zambri, de bevelhebber van de helft der ruiterij, te baat, om zijn plan tegen Kla uit te voeren ; hij overviel den beschonken voist, doorstak hem en liet zich zelf door zijn aanhang tol koning uitroepen Voorts doodde hij niet alleen Ela's zonen en verwanten, maar ook diens vrienden en vertrouwelingen tot den laatsten man. Zooging de voorspelling, door den profeet Jehu aan Baiisa gedaan, in vervulling: Baiisa's nageslacht werd van ae aarde weggemaaid; de goddeloosheden, door dien vorst en zijn huis bedreven, waren daarvan de oorzaak.
Niet langer dan zeven dagen bleef Zambri in het bezit van den troon; het leger toch, dat voor Gebbethon lag, nam met het gebeurde geen genoegen en riep zijn veldoverste A'.nri tot koning uit. Amri brak onmiddelijk van Gebbethon op en snelde naar Thersa Zambri liet de poorten sluiten, doch weldra ziende, dat alle tegenweer nutteloos was, stak hij zijn paleis in brand en liet zich zelf in de vlammen omkomen.
227
?28 BIJBF.LSCHE OESCHTF.DENIS
Tot zoover had Amri zijn doel bereikt, toen zich onder het volk eene partij vormde, die Thebni, den zoon van Gineth, lot koning uitriep. Vier jaren lang bleven beide partijen elk haar koning handhaven ; ten laatste droeg Amri de overwinning weg en geraakte in het onbetwist bezit van den troon. Na twee jaren te 1 hersa gewoond te hebben, verplaatste hij zijn verblijf; hij kocht (eenige uren westelijker) van een man, Semer geheeten, voor twee talenten zilver een berg, bouwde daar eene stad op, die hij naar den vorigen bezitter der plaats, Samaria noemde, en maakte haar tot de hoofdstad des rijks.
Zijne regering was eene aaneenschakeling van ongerechtigheden ; hij voerde de tien stammen steeds verder op de wegen der zonde en der afgoderij, zoodat hij meer kwaad bedreef in de oogen des Heeren, dan alle koningen, die voor hem geweest waren. Hij stiei f in het 38stquot; jaar der regeering van Asa, koning van Juda, werd te Samaria begraven, en zijn zoon Achab volgde hem op.
De 11. Sclirlfv gebruikt in den regel sleclits ronde getallen. Waar zij tiv. f preekt van C jaren of In liet zcsdo jaar, zijn het dikwijls slec'its 5 jaren en een paar maanden, enz. Dit houdo men hij de vergelijking van de regoeringsjaren der koningen van Juda en van Israël In het oog.
HOOFDSTUK CII.
DE EERSTE REGEERINGSJAREN VAN ACHAB, KONING VAN ISRAÃL, EN VAN JOSAPHAT, KONING VAN JUDA.
* chab, die in het 38st0 jaar van Asa's regeering over Juda, zijn vader Amri in het 5 bewind over Israt-l opvolgde, was de slechte en goddelooste koning, dien dit rijk ooit bezeten had. Het was hem niet genoeg, de willekeurige veranderingen, 3^ door Jeroboam in den godsdienst der vaderen gebracht, en de vereering der gouden 4» kalveren te bestendigen, maar hij leefde geheel en al, alsof er geen Wet van Mcses, c f geen God van Israi'l meer bestond. Zonder zich te storen aan het voorschrift, dat den Israëlieten de huwelijken met de dochters der voormalige bezitters van Chanaan ten strengste verbood, nam iiij tot echtgenoote Jezabel, de dochter van Kthbaal, koning der Sidoniërs, eene allerboosaardigste vrouw, die hem van kwaad tot erger voerde, en onbeschaamd genoeg was, om wanneer hij niet verder durfde, zelve hare snoode plannen ten uitvoer te brengen. Al aanstonds bouwde hij voor haren afgod Baiil in zijne hoofdstad Samatia een heerlijken tempel, plaatste daar een altaar in en legde bij de stad een afgodisch bosch aan (waarschijnlijk ter eere van Astarthe, de met den Baalsdienst verbondene godin der wellust). Door afgodische priesters liet hij den tempel en het altaar van Uaal bedienen, terwijl hij ook persoonlijk den afgod aanbad en vereerde. /00 beleedigde hij den Heer den eenig waren God op schromelijke wijze en maakte diens gramschap in de
hoogste mate gaande.
Ook onder Achabs volk had de boosheid diepe wortelen geschoten. Een zeker man uit Bethel, met name Hiël. had de stoutheid, (wellicht op Achabs bevel) het door Josue met den banvloek geslagen Jericho te herbouwen Reeds meer dan vijf eeuwen was het geleden, dat Josue die stad innam ; hij had toen voor het aanschijn der kinderen Israels gezworen : Vervloekt zij de man, die de muren van Jericho weder opbouwt; zijn eerstgeboren zoon sterve. als hij de fondamenten ligt, en zijn jongste, als hij de poorten in hare hengsels hangt, (Deze banvloek was door alle geslachten geëerbiedigd tot op dezen stond; als open plaatsje was Jericho blijven bestaan, als vesting was het niet henezen.) De straf voor Hiëls stoutheid liet zich niet wachten: toen hij de fondamenten legde, stierf zijn eerstgeboren zoon Abiram, en zijn jongste, Segub, toen hij de poorten bevestigde.
Een geheel ander vorst dan Achab was Josaphat, koning van Juda, de zoon en opvolger van Asa. Hij beklom den troon te Jerusalem in den ouderdom van 35 jaren, het
BIJBFLSCHR GESCHIEDENIS.
vierde jaar der regeering van Achab. Beide koningen leefden onderling in vrede; maar terwijl Achab zijn volk steeds dieper in het verderf stortte, wijdde Josaphat zich met alle krachten aan den dienst des Heeren en aan de bevestiging des rijks. Hij wandelde in de wegen Gods zooals zijn vader David in diens beste dagen, en onderhield trouw hetgeen de Wet gebood. Daarom gaf de Heer hem roem en rijkdom, en zijn naam werd geëerd en gevreesd, niet in Juda alleen maar ook bij de omliggende volken
Hierdoor zich sterk gevoelende nam Josaphat de strengste maatregelen tegen de enkele zedebedervers, die ondanks de verbanningsbevelen van zijn vader Asa (zie vorig hoofdstuk) nog in het land waren gebleven; deze onmenschen deed hij thans voor goed het rijk ruimen. Hij deed echter meer. Ook tegen het offeren op de hoogten (aan den waren Godj trok hij met kracht te velde, en mocht het hem al niet gelukken, dit misbruik volkomen uit te roeien, hij gaf het toch een zwaren knak.
In het derde jaar zijner regeering besloot de godvreezende koning door eene buitengewone zending den ijver zijns volks voor den dienst des Heeren op te wekken. Hij riep bij zich twee priesters en negen levieten, gaf hun vijf vorsten van stamhuizen tot geleide en beval hun, met het boek dei Wet in de hand alle steden des rijks rond te reizen, overal het volk in den godsdienst te onderrichten en het de Wet te verklaren en in te prenten. De namen der twee priesters waren Elisama en Joran, die der negen levieten Semeias, Nathanias, Zabadias, Asacl, Semiramolh, Jonathan, Adonias, Thobias en Thabadonias ; de vijf vorsten heetten Benhaïl, Obdias, Zacharias, Nathanaël en Micheas.
Voor deze daad werd Josaphat zeer door den Heer gezegend. Zijne macht klom aanhoudend, en zelfs de Philistijnen en de Arabieren betaalden hem schatting, de eersten eene som zilver, de laatsten 7700 rammen en even zoovele geitebokken.
Ier bevestiging des rijks bouwde de koning in verschillende steden sterke burchten, herstelde en verbeterde de stadsmuren en legde in bedoelde steden, zoowel als in die, welke zijn vader Asa in Kphraim op het rijk Israël veroverd had, eene bezetting van krijgslieden. Zijn leger bestond uit vijl afdeelingen. Over de eerste afdeding, 300.000 man sterk, gebood de familievorst Ednas; over de tweede, van 280.000, vorst Johanan ; over de derde, 200.000 man groot, Atnasias, de zoon van /echri ; over de vierde afdeeling, groot. 200.000 man. voerde het bevel de held in den strijd Eliada; terwijl eindelijk de vijfde afdeeling, van 180.000 man aangevoerd werd door Jozabad Deze vijf afdeelingen vormden het leger te velde, waartoe niet gerekend werden de manschappen die in de steden in bezetting lagen.
Zoo bloeide het rijk in godsvrucht en kracht, en de naam des konings was naar alle zijden beroemd.
HOOFDSTUK C11I.
D E 1' R O F K E T E L I A S.
-Joor zijne menigvuldige zonden had Achab den toorn des Heeren uitgedaagd, en de Heer zond hem den profeet Klias den Thesbiet, die tot hem sprak : Zoo waar Vquot;K» de Heer de God van Israël leeft, voor wiens aanschijn ik sta : er zal in deze jaren noch douw noch regen vallen, eer mijn mond het zegt.
quot;jh Tot zoover had de profeet gesproken, toen de Heer hem gebood : Ga van hier, quot;f begeef u oostwaarts en houd u schuil bij de beek Carith aan de overzijde des Jordaans ; drink uit de beek, den raven heb ik gelast u te spijzigen. Elias ging dus en verborg zich (in een der bergspelonken) ter plaatse hem door den Heer aangewezen ; telken morgen en avond b achten de raven hem brood en vleesch, en hij dronk uit de beek. Toen deze echter na eenigen tijd droog werd. omdat er geen regen viel, sprak de Heer tot hem: Sta op en ga naar het land der Sidoniërs waar ik eene weduwe bevolen heb. in uw onderhoud te voorzien.
220
230 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. __
Elias begaf zich dus ten tweeden male op reis. In 'net land, zoowel wat hij doortrok als waar hij heenging, begon reeds duor de aanhoudende droogte hongersnood te ontstaan. Dicht bij de poort van Sarepta gekomen, de stad hem door den Heer genoemd, zag hij eene vrouw hout sprokkelen, en hij riep haar toe : Haal mij een weinig water, opdat ik drinke. Terwijl zij heenspoedde, om aan dit verzoek te voldoen, riep hij haar na ; Breng mij ook, bid ik u, in uwe hand eene bete broods mede Zij antwoordde ; Zoo waar de lieer uw God leeft, ik heb geen brood, alleen eene handvol meel in een vaatje en een weinig olie in eene kruik; en zie, nu was ik juist bezig eenig hout te sprokkelen, om van mijn voorraad iets gereed te maken voor mij en mijn zoon, opdat wij eten en vervolgens den hongerdood afwachten. Elias hernam: Vrees niet, doe gelijk gij van plan waart, maar bak eerst van uw meel een klein koekje voor mij onder de asch ; daarna zult gij iets gereed maken voor u en uw zoon. Dit toch /.egt de Heer de God van Israel; Het meel-vaatje zal niet ledig worden en de olie in de kruik niet verminderen tot op den dag, dat de Heer regen zal schenken aan het aardrijk. De vtouw deed volgens bet woord des profeets; zij nam hem bovendien bij zich in huis, wees hem de bovenkamer tot veiblijf aan, en al den tijd dien de hongersnood duurde, at zij met haar zoon, met hare verdere huisgenooten en met den profeet van haar kleinen voorraad, welke steeds dezelfde bleef.
Nog niet zeer lang had Elias bij de vrouw gewoond, toen haar zoon ziek werd en stierf. Zij ging daarop naar het bovenvertrek en sprak tot Elias: W at heb ik met u te maken, man Gods 1 Zijt gij daarom in mijn huis gekomen, opdat mijne zonden (door God) herdacht en mijn zoon mij zou ontnomen worden? De profeet antwoordde : Breng uw zoon hier. De vrouw nam alsdan het lijk van den knaap op hare armen, droeg het naar boven, en legde het in Elias' bed. Met luider stemme riep de profeet lot den Heer: Heer, mijn God I hebt gij nu de weduwe, die mij naar haar best vermogen onderhoudt, de smai t aangedaan, dat Gij haar kind deed sterven! Daarna strekte hij zich in de lengte driemaal over den knaap uit, inmiddels verzuchtende : Heer mijn God, doe toch de ziel van het kind in zijn lichaam wederkeeren. F,enige oogenblikken later schonk de profeet den knaap levend aan de moeder terug. Vol vreugde riep zij uit: Hieraan erken ik mog meer) dat gij een man Gods zijt en dat uw mond in waarheid het woord des Heeren spreekt.
Drie en een half jaar had de droogte nu reeds geduurd, en nog was er geen uitzicht op verandering, wijl Elias, zonder wiens woord er geen regen zou vallen, niet verscheen. Aan pogingen om hem op te sporen, had Achab het niet laten ontbreken ; tot alle naburige vulken had hij boden gezonden, maar overal was dezen ten antwoord gegeven. Hij is niet hier. De hongersnood nam intusschen hand over hand toe; menschen en vee kregen volslagen gebrek aan voedsel en aan drinkwater. Achab, op de eerste plaats voor zijne paarden en muilezels bezorgd, riep zijn opperhofmeester Abdias bij zich en beval hem, de helft van het land rond te reizen, om in de laag gelegen valleien water etl gras U; zoeken; hij zelf, de koning, zou de andere helft des lands voor zijne rekening nemen. Zij gingen
alsnu elk een verschillenden kant uit.
Inmiddels sprak God tot Elias: Ga, vertoon u aan Achab, opdat ik regen schenke aan het aardrijk. Elias begaf zich op weg en ontmoette weldra Abdias De opp rhofmeester was een man, die te midden van het bedelf dat hem omringde, den Heer getrouw was gebleven. Toen Jezabel de profetenleerlingen zocht uit te roeien, had hij honderd hunner in twee spelonken verborgen en hen van spijs en drank voorzien. Thans Elias op zijn weg vindende, boog hij zich voor hem ter aarde en sprak: Zijt gij het, mijn heer Elias? liet antwoord luidde: Ik ben het En voorts: Ga en zeg aan uw meester Achab: Elias is hier. Dit bevel deed Abdias schrikken: Wat heb ik gedaan, vroeg hij, dat gij mij aan Achab overlevert, om gedood te worden? Want hij heelt u overal laten zoeken, maar tevergeefs; ga ik hem nu uwe tegenwoordigheid aankondigen, en de Geest des Heeren neemt u inmiddels weg naar eene andere mij onbekende plaats, zoodat mijn meester (hier komende) u niet vindt, dan zal hij mij dooden. Elias hernam : Zoo waar de Heer der
BIJBRLSCHK GESCHIEDKNIS
heerscharen leeft, voor wiens aangezicht ik sla: ik zal heden voor hem (Achab) verschijnen (en niet naar elders vervoerd worden), Hierdoor gerustgesteld ging Abdias den koning zoeken (die zich reeds weder in de hoofdstad Samaria bevond).
Achab begaf zich tot Elias en vroeg hem onbeschaamd: Zijt gij het, die fsraël beroert? De profeet antwoordde; Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, die de geboden des Heeren verlaten hebt en Baitl zijt gevolgd. Doch roep nu geheel Israël tot mij te zamen op den berg Carmel, ook de 450 Baaisprofeten, en de 400 profeten van liet gewijde hosch die van Jezabels tafel eten
De koning deed gelijk Elias gezegd had. en de vertegenwoordigers van geheel Israël, alsmede de priesters en profeten van Baiil kwamen ten bestemden dage op den Carmel (in den stam Manasse, niet ver van de Middellandsche Zee) bijeen. Elias richtte het woord tot de vergadering en sprak: Hoelang nog zult gij aan twee kanten mank gaan? Indien de Heer God is, volgt hem; maar is Baiil God, zoo hangt hem aan. Toen het volk op deze vraag het stilzwijgen bewaarde, ging Elias voort : Ik ben de eenig overgebleven profeet des Heeren. Men brenge ons twee ossen ; laat zij (de Baillspriesiers) den eenen nemen, hem aan stukken houwen en op het olTethout des altaars leggen, maar geen vuur ontsteken; ik zal hetzelfde doen met den anderen os Vervolgens zullen zij den naam van bun god aanroepen en ik den naam des Heeren, en de God die antwoord geeft door vuur (van den hemel te zenden, ter vertering des offers) zal de ware God zijn. De geheele vergadering riep uit: Dit voorstel is opperbest 1
Nadat de altaren opgericht en de offerdieren gebracht waren, sprak Elias tot de Baiils-priesters: Kiest u een os uit en begint het eerst, want gij zijt de sterksten in getal, roept den naam uws gods aan, maar legt geen vuur op het altaar. En aldu? geschiedde: de Baaispriesters slachtten hun rund, legden het op het offerhout en riepen aanhoudend: Baiil verhoor ons ! (Jeene stem gaf antwoord op hun roepen. Nu hielden zij rondom het altaar een afgodischen dans, maar ook dit baatte niet. Reeds was het middag geworden, en Elias met hunne vruchtelooze pogingen spottende, zeide tot hen : Roept toch harder ! Baiil is immers God (hij zal u dus zeker helpen) ; maar wellicht is hij bezig met iemand te spreken, of misschien is hij in de herberg, of op reis, of hij slaapt, zoodat gij hem wakker moet toepen. De Baaispriesters begonnen nu te schreeuwen uit de volle kracht hunner longen; daarenboven sneden en kerfden zij zich, naar de voorschriften van hun eeredienst, met messen en vlijmen in het lichaam, zoodat zij (en laatste geheel en al met bloed overdekt waren.
Thans richtte Elias een altaar op; hij maakte het van twaalf steenblokken, naar het aantal der kinderen Israels, en groef rondom den voet eene breede waterleiding. Vervolgens stapelde hij er het brandhout op, slachtte zijn os, hieuw hem aan stukken en legde hem op het hout. Daarna gaf hij aan eenigen van bet volk bevel: Vult vier groote kruiken met water en giet ze uit op het offer en het hout Nog tweemaal herhaalde hij dit bevel, zoodal er twaalf kruiken werden uitgegoten en de waterleiding vol begon te loopen. Al het volk had de oogen op Elias gevestigd, en toen hij het geschikte tijdstip gekomen achtte, richtte bij den blik omhoog en bad: Heer God van Abraham, Isaac en Jacob, toon heden, dat Gij Israels God zijt, dat ik uw dienaar ben en dat ik deze dingen gedaan heb op uw bevel. Verhoor mij, Heer verhoor mij, opdat dit volk erkenne, dat Gij God zijt, en breng hun hart tot inkeer 1
Nauw had de profeet zijn gebed voleind, of er schoot uit den wolkeloozen hemel een vuurstraal neder, die niet alleen het offer en het hout verteerde, maar ook desteenendes altaars tot gruis sloeg en zelfs bet water in de waterleiding verslond. Van schr ik en ontzag wierp het volk zich voor den Heer ter aarde en riep uit: De Heer is God, de Heer is God! Nu gelaste Elias: Grijpt ue Baaisprofeten vast! dat er niet één ontkome 1 Daarop voerde hij deze afgodendienaars en verleiders des volks naar de zich in de nabijheid bevindende beek Cison en deed hen daar ter dood brengen. Vervolgens sprak hij tot Achab
231
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
(die met stomme verbazing alles had gadegeslagen): Ga naar uw huis, eet en drink, want ik hoor een gedruisch als van een opkomenden regen. Hoewel de lucht nog altijd even helder stond, als nu reeds drie en een half jaa»- lang het geval was, en zij door geen enkel teeken aanduidde, dat het woord des profeets spoedig zou vervuld worden, gehoorzaamde Achab en gaf bevel zijn reiswagen te bespannen.
Inmiddels beklom Elias den kruin des Carmels en boog zich biddende ter aarde. Na eenige oogenblikken beval hij den jongen man, die hem diende, op een rotspunt te gaan staan en uit te zien, of er zich boven de zee geene wolken vormden De jonge man, kwam terug met het bericht, dat er niets te bespeuren was, wat op een wolk geleek. Nog zes malen moest hij gaan zien, en toen hij ten zevenden male terugkeerde, bracht hij de tijding: Een wolkje ter grootte van een hand stijgt uit zee op. Ga dan, sprak de profeet, en zeg aan Achab; Maak haast met het bespannen van uw wagen, opdat de regen u niet overvalle. Pas had de jonge man dit woord den koning meegedeeld, of er verhief zich een geweldige wind, quot;geheel de lucht werd met zware en zwarte wolken overdekt en de regen stortte bij stroomen neder. Thans besteeg de koning in aller ijl zijn wagen en reed, zoo spoedig hij kon, naar jezraël, waar hij zijn zomerpaleis had. Op hetzelfde oogen-blik kwam de Geest des Heeren over Elias; door dien Geest gedreven, snelde de profeet den koninklijken wagen vootuil en had het eerst Jezraël bereikt.
Bij zijne tehuiskomst deelde Achab aan zijne echtgenoote Jezabel alles mede wat er op den Carmel was voorgevallen, en hoe Elias de Baaisprofeten had laten ombrengen. Oogen-blikkelijk zond zij tot Elias een bode, die hem uit haar naam moest zeggen : De goden mogen mij straffen, als ik niet morgen op hetzelfde uur met uw leven doe, wat gij met hun leven (dat der Baaispriesters) gedaan hebt. Op dit woord nam Elias de vlucht. Bij de stad Bersabee in Juda gekomen, zond hij den jongen man, die hem gediend had, weg en begaf zich geheel alleen eene dagteis ver in de woestijn. Hier wierp hij zicii onder een jeneverbessenboom neder, en wenschte te sterven (om niet langer van het vreeselijke kwaad in Israël getuige te zijn). Na eenige oogenblikken onder de schaduw des booms te hebben gerust, viel hij in slaap; doch een engel des Heeren stootte hem weldra in de zijde en sprak: Sta op en eet. Elias om zich heen ziende, bespeurde aan zijn hoofdeind een onder de asch gebakken brood en eene drinkschaal met water; hij verkwikte zich aan beide en viel weder in slaap. Ten tweede male wekte de engel hem en sprak ! Sta op en eet, want gij hebt nog eene groote reis te doen. Elias stond op, at en dronk, en door deze spijs gesterkt, reisde hij veertig dagen en veertig nachten tof. den berg Gods Horeb (diep in de woestijn, buiten het Joodsche land). Daar verschool hij zich in eene spelonk.
Ni eenigen tijd vroeg hem de Heer: Wat doet gij hier Elias ? De profeet antwoordde: Ik heb uit al mijne macht geijverd voor den Heer den God der heerscharen; de kinderen Israels toch hebben uw verbond verbroken, uwe gedenkteekenen omvergeworpen en uwe profeten gedood; ik alleen ben overgebleven, doch ook mijn leven willen zij nemen. Nu beval de Heer hem; Treed ui' uw spelonk en plaats u op den berg voor den Heer, en de Heer zal u (in eene verschijning) voorbijgaan. En zie, een sterke wind, die bergen omkeerde en rotsen vergruizelde, ging voor den Heer uit ; de Heer echter was niet in dien wind. Op den wind volgde eene aardbeving ; ook in de aardbeving was de Heer niet. De aardbeving werd gevolgd door vuur ; in het vuur was de Heer evenmin. Na liet vuur ontstond het ruischen eener zachte koelte. Toen Elias dit ruischen hoorde (waarin de Heer was), bedekte hij zijn aangezicht met zijn mantel, trad de spelonk uit, plaatste zich voor haren ingang op den berg, en de slem des Heeren klonk in zijn oor; Wat doet gij hier Elias? Elias gaf hetzelfde antwoord van zooeven; dat hij geijverd had voor den Naam des Heeren, maar dat Israël des Heeren gedenkteekenen omvergeworpan, de profeten gedood had en ook hem naar het leven stond. De Heer bemoedigde zijn dienaar met de verzekering, dal er nog 7000 man in Achabs rijk waren, die de knie niet voor Baal hadden gebogen, en tevens beval hij hem, Jehu tot koning over Israël te zalven, en naar Damascus te gaan,
232
â
RTJRRLSCHE GESCHIF,DENIS.
om aan Hazaël liet bezit aan te kondigen van den troon van Syrië, over welk land thans Benadad regeerde. Jelui en Hazaël zouden Achabs huis voor zijne goddeloosheid straffen. Al wie, sprak God, het zwaard van Hazaël ontkomt, zal door dat van Jehu den dood vinden, en wie Jehu's slagen ontvliedt, zal door (op bevel van) Eliseüs gedood worden. Eliselis was de zoon van Saphat uit Abelmeuna. Zalf hem, gebood de Heer, lot profeet in uwe plaats (tot uw opvolger).
Ter uitvoering van dit bevel begaf Elias zich op reis en trof weldra Eliseüs aan, terwijl deze en zijne dienstknechten met twaalf ossen dtn akker ploegden. De profeet nam zijn mantel en wierp hem om de schouders van Eliseüs, die hiervan terstond de beteekenis bevroedende sprak : Laat mij heengaan, om mijn vader en mijne moeder (ten afscheid; te kussen. Klias antwoordde : Ga, maar keer terug. B^liseüs ging, en teruggekeerd slachtte hij het span ossen, waarmede hij geploegd had, braadde hun vleesch (aan het spit) boven het hout van den ploeg en gaf het den knechten ten afscheidsmaal. Daarna volgde hij Elias als leerling en dienaar.
1. Do hlor genoemde berg Gods Horob is dezelfde, in welks omtrok Mozes 40 jaren lang do schap n van zijn schoonvader Jethro hoedde; op wolken de Heer hem in hel brandende hraambosch verscheen; uit wvlks rots hij lat^r, op den tocht der kinderen Israels door do woestijn, water sloeg, en waarop hij met uitgestrekte armen neorknlolde om te bidden, terwijl hot volk, onder Josue's aanvoering, tegi-n d»' Amalocietcn vocht.
'2. Do geheimvolle verscliijning des II 'â ren op dezen berg moest LOiias sterken en bemoedigen in zijn strijd met het bederf en de goddeloosheid, die hem van alle kanten omringden
3. Het bevel, door Go 1 aan Elias gegeven, om Hazaël het bezit van den troon van Syrië aan te kondigen en John tot koning van Israël to zalven, werd niet door Elias zolven uitgevoerd, ma ir door zijn opvolger ICIisrlïs. Deze vervulde do zending t'ot Hazaël persoonlijk; voor de zalving van Jehu echter bediendo hij zich van een prol'.'lonleerling â zie hierachter de hoofdstukken 112 en 114.
HOOFDSTUK CIV.
ACHABS OORLOGEN MEI' BENADAD VAN SYRIÃ.
--»-Sâ5â»-
dien tijde verzamelde Benadad, koning van Syrië, zijne legerscharen, gaf bevel
dat de 32 van hem afhankelijke kleine koningen hem met hunne hulptroepen zouden bijstaan, drong met deze geheele macht het rijk Israël binnen en rukte op de hoofdstad Samaria aan. Daarna zond hij boden tot Acliab met den eisch: Dit zegt Benadad : uw goud, uw zilver, uwe vrouwen en de beste uwer zonen behooren
4V
mij. Achab, zich tegen den machtigen Syriër niet bestand achtende, liet antwoorden : Volgens uw woord, mijn heer en koning, ben ik met al wat ik bezit de uwe. (Achab verstond den eisch waarschijnlijk in dien zin, dat hij zou moeten bekennen, alles van Benadad ontvangen te hebben en van hem afhankelijk te zijn ) Doch de Syriër zond andermaal boden, welke spraken: Dit zegt Benadad, die ons gezonden heeft: uw goud, uw zilver, uwe vrouwen en uwe zonen zult gij mij overleveren, en morgen op dit uur van den dag zal ik mannen afvaardigen, die uw huis en de huizen uwer dienaren zullen doorzoeken, om al wat hun bevalt mede te nemen. Achab (hieruit begrijpende, dat er niet alleen van werkelijke overgave spraak was, maar dat ook zijne dienaren, over wier bezittingen hij niet eigenmachtig mocht beschikken, in den eisch vervat waren) riep de oudsten van Israël bijeen, deelde htm mede, wat er tusschen hem en Benadad was verhandeld, en sprak; Gij ziet duidelijk dat hij ons lagen legt. De oudsten antwoordden eenparig: Geef hem geen gehoor en willig zijn eisch niet in. Diensvolgens sprak Achab tot Benadads boden: Zegt aan mijnen heer uw koning: Al wat gij eerst gevordetd hebt, zal ik doen, maar uw laatsfcen eisch kan ik niet bewilligen. De boden brachten die woorden aan hun meester over, doch keerden weldra weder met hel bericht, dat Benadad onder aanroeping van den naam zijner goden gezworen had, Samaria te zullen insluiten met een leger zoo talrijk, dat als elk zijner
30
BIJBFXSCHE GESCHIEDENIS.
soldaten een handvol puin van de verwoeste stad medenam, er geen puin genoeg zou wezen. Achab liet terug boodschappen : Hij die zich aangordt (tot den strijd) beroeme zich met alsof hij zich reeds ontgordde. Daarop deed Benadad de stad belegeren
Terwijl de zaken alzoo voor Achab zet r ongunstig stonden, naderde hem onverwachts een profeet, die tot hem sprak: Dit zegt de Heer: Gij hebt ongetwijfeld deze groote menigte bespeurd? Zie, ik zal haar heden in uwe handen leveren, opdat u blijken moge, dat ik de Heer ben. Achad geloofde het woord des Heeren, en om te welen, wat hij zijnerzijds doen moest, vroeg hij den profeet: Door wien (zal de Heer mij de menigte leveien)- De profeet antwoordde: Door de kiijgsknechten van de oversten der landschappen. Wie moet^ vroeg Achab verder, den strijd beginnen (üenadad of ik)? Het antwoord luidde: Gij
Nu monsterde Achab zijne troepen: de krijgsknechten van de oversten der landschappen waren slechts 232 in getal, terwijl de hoofdmacht des legers uit 7000 man bestond. Met deze weinige strijders, maar vertrouwende op he'geen hem door den profeet gezegd was, deed Achab een uitval ; voorop gingen de 230 man der oversten, de 7000 man volgden.
Het was juist het middaguur, en Henad.id zat met de 32 kleine komngen in zijne tent aan tafel. Zij deden zich duchtig te goed aan den wijn; toen op eens eenige mannen uit de Syrische voorposten de tent binnenstormden met het bericht, dat de Israëlie en naderden. In zijne verwatenheid antwoordde de half dronken vorst : Als zij gekomen zijn om te vechten, zoo neemt hen heelhuids gevangen ; zijn zij gekomen, om vrede te sluiten, neemt hen insgelijks gevangen Ondertusschen hieuwen de 230 man dapper op hunne (verstrooide) tegenstanders in, zoodat (door Gods bestier) den Syriërs de schrik om het hart sloeg en zij het op een loopen zetten Nu sloot de Israëlitische hoofdmacht zich bij de 230 man aan om gezamenlijk de vluchtelingen te achtervolgen; het vijandelijke leger leed eene geduchte nederlaag, en zelfs Benadad kon ter nauwernood, door ijlings met zijne ruiters te paard te stijgen, zijn leven redden.
De profeet verscheen thans voor Achab. om hem te waarschuwen, niet op de behaalde lauweren in te slapen, maar zijn land en volk in beteren staat van verdediging te stellen. Ga, zeide de profeet, versterk u. er. zie wel toe wat gij doet ; want het volgende jaar zal de koning van Syrië andermaal tegen u optrekken.
Ook deze voorspelling werd vervuld. De eerste aanleiding daartoe gaverf Benadads dienaren Zij meenden (overeenkomstig de dwaze begrippen van het heidendom) dat Israëls God slechts machtig was op de bergen, maar dat Hij in de vlakten zijn volk niet zou kunnen beschermen, en daar het gevecht op een berg had plaats gehad, weten zij aan die omstandigheid hunne nederlaag. Zij spoorden derhalve hun vorst aan, in een ander gedeelte des lands eerlang den strijd met de Israëlieten te hervatten. Hunne goden, zeiden zij, zijn berggoden, daarom hebben zij ons overwonnen ; het zal ons voordeeliger gaan wanneer wij in de vlakten strijden, daar zullen wij overwinnaars zijn. Voorts gaven zij Henadad den raad; Verwijder uit uw leger de (kleine) koningen; benoem in hunne plaats veldoversten, herstel het vroegere aantal uwer strijders, uwer paarden en uwer wagens, en gij zult zien, dat wij de zege wegdragen. Benadad vertrouwde op het woord zijner dienaren ; hij drong het volgende jaar wederom Israël binnen, rukte op Aphec aan en nam die stad in.
De Israëlieten telden, evenals den vorigen keer, slechts weinige strijders ; hun leger geleek in talrijkheid op een paar kudden geiten, terwijl integendeel de Syriërs over eene ontzettende macht beschikten. Met zijn klein leger spoedde Achab zich naar Aphec, toen opnieuw een profeet (misschien deielfde) zich aan hem vertoonde en sprak: Dit zegt de Heer; Dewijl de Syriërs gezegd hebben; de Heer is een God der bergen en niet der valleien, zoo zal ik deze gansche menigte In uwe handen leveren, opdat gij weten moogt, dat ik de Heer ben.
Zes dagen lang stonden de beide legers bij Aphec slagvaardig ; op den zevenden dag nam het gevecht een aanvang. Het was zeer bloedig; niet minder dan 100.000 Syriërs vonden den dood op het slagveld, terwijl van de overblijvenden die naar de stad vluchtten,
234
BiJBRLSCHE GESCHIEDENIS,
nogmaals, mede door het instorten van den stadsmuur, 27.000 man sneuvelden of gewond werden. Benadad nam de wijk in een huis en verborg zich in een afgelegen kamer. Hier voegden zich zijne dienaren bij hem en zeiden : Wij hebben gehoord dat de koningen uit het huis Israël goedertieren zijn ; laat ons dus, in zakken gekleed en met koorden om den hals, voor Israi'ls koning verschijnen ; misschien schenkt hij ons lijfsbehoud. Zij deden gelijk zij gezegd hadden, en spraken tot Achab : Uw dienaar Benadad verzoekt : Spaar mij, bid ik u, het leven. Achab (die hem reeds vermoedelijk dood gewaand had) antwoordde : Als hij nog leefr, zal hij mijn broeder zijn. Met groote vreugde vernamen de dienaren dit woord en zeiden : ]a. Benadad zij uw broeder. Gaat dan, gebood Achab, en brengt hem hier. Hij werd alsnu gehaald, en Achab plaatste hem naast zich op zijn strijdwagen. Thans sprak Benadad tot den koning van Israël; De sleden, door mijn vader op uw vader veroverd, zal ik teruggeven ; bovendien moogt gij fvoor uwe onderdanen, die met mijn volk handel drijven) te Damascus straten aanleggen, gelijk mijn vader te Samaria heeft gedaan ; laat ons op deze voorwaarden een verbond fluiten ; daarna zal ik heengaan. Het gevraagde verbond werd gesloten, en Benadad keerde naar zijn land terug.
Zoodra dit gedrag van Achab tegenover den koning van Syrië bekend werd, sprak een profetenleerling op bevel des Heeren tot zijn makker : Verwond mij Daar de makker weigerde, sprak de eerste opnieuw : Omdat gij naar des Heeren woord niet hebt willen luisteren, zal siraks, wanneer gij van mij zijt heengegaan, een leeuw u verscheuren. Nadat kort daarop deze strafbedreiging vervuld was geworden, wendde de profetenleerling zich met hetzelfde verzoek tot een anderen makker, die daaraan gehoor verleende.
De gewonde wreef zich een handvol stof over het gelaat, spoedde zich naar Achab en riep; Uw dienaar komt uit den s'rijd, en toen een vijand beproefde te vluchten, bracht een mijner medestrijders (na den vluchteling gevangen genomen te hebben) hem hij mij en sprak : Bewaak deze man; als hij u ontloopt, zult gij het met uw leven boelen, of mij een talent zilver betalen. Terwijl ik nu bevreesd her- en derwaarts ging, was de man eensklaps verdwenen. Achab liet zijne blikken over den spreker weiden en zeide toen, met het oog op diens wonden (welke hij geloofde, dat de medestrijder hem tot straf had toegebracht), dat hij loon naar werken had ontvangen. Op dit woord, waarmede de koning zijn eigen vonnis uitsprak, wiesch de profetenleerling zich het stof van het gelaat en sprak tot Achab, die hem thans herkende : Dit zegt de Heer: Dewijl gij een man hebt laien gaan (Benadad), die des doods schuldig was, zoo zult gij voor hem boeten en uw volk voor zijn volk. Achab versmaadde deze uitspraak ; hij weigerde boete te doen en keerde in hevigen toorn ontstoken, naar zijne hoofdstad Samaria terug.
235
236 BIJBELSCHE GESCHIEDEMTS.
met Aclinb hot geval: liij vertrouwde vóór den strijd op hot woord dos profoots; dnarom zoowol als om do weinige rechtvaardigen ili»; zijn rijk nog bevatte, schonk God hem do overwinning, ton einde hom on geheel Israël tot don Hoor te doen terugkceren.
HOOFDSTUK CV.
STEK M GING VAN NABOTH.
quot;ws
uWWj *1' zellt;ereii dag, toen Achab in zijn z jineipaleis te Jezrahel vertoefde, koesterde hij den wensch, om Naboths wijngaard, welke aan het paleis grensde, bij zijne be-
±''flt; .5^. zittingen te voegen. Te dien einde sprak hij tot Naboth : Sta mij uw wijngaard ^ af tot een moestuin en ik zal 11 elders een beleren in de plaats geven, of als gij dit liever A- wilt, zal ik er u zooveel geld voor betalen als hij waard is. Naboth antwoordde: c7 De Heer zij mij genadig, dat ik toch niet het erfdeel mijner vadeten verkoope.
Ten zeerste door deze weigering teleurgesteld en in gramschap ontstoken, keerde Achab naar zijn huis te (Samaria) terug, wierp z;ch spijtend en mokkend te bed, wendde zijn aangezicht naar den wand en wilde eten noch drinken. Zoodra Jezabel dit vernam, ging zij zijne kamer binnen, plaatste zich aan zijn bed en vroeg hem : Wat is dit, dat uwe ziel zoo bedroefd i^, en waarom eet gij niet 'i Hij verhaalde daarop hetgeen er tusschen hem en Naboth was voorgevallen en hoe deze hem zijn wijngaard geweigerd had. Met scherpen spot gaf zij ten antwoord; Gij hebt wel groot gezag en zijt een krachtige koning over Israël! Maar, ging zij op zachteren toon voort, stel u gerusr, sta op, eet en drink, ik zal u Naboths wijngaard leveren.
Zij schreef alsdan brieven in Achabs naam, zegelde die met zijn ring en zond ze aan de oversten der stad Jezrahel. He brieven waren van den volgenden inhoud : Roept een vastendag uit, wijn Naboth zijne plaats aan onder de voornaamsten des volks en doet twee mannen optreden, zonen Belials 'door en door verdorven lieden), die tegen hem getuigen ; Hij heeft God en den koning gelasterd ; daarna moet gij hem uit de vergadering naar buiten voeren, om hem te stcenigen. De oversten deden gelijk Jezabel hun geschreven had, en zonden haar, toen dit geschied was, boden met het bericht ; Naboth is gesteenigd en gestorven. Nu sprak zij tot Achab; Sta op en neem bezit van den akker, die men u niet voor geld heeft willen verkoopen ; Naboth is niet meer in leven, hij is dood. Zoodra Achab dit hoorde, reisde hij naar jezrahel en nam den akker in bezit.
Thans kwam het woord des Heeren over Elias den Thesbiet ; Maak u op. sprak de Heer tot hem, trek Achab, die Naboths wijnberg in bezit gaat nemen, te gemoet en kondig hem aan: Dit zegt de Heer: Terzelfder plaatse, waar de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen zij uw bloed lekken De profeet trof weldra den koning aan en sprak zooals hem bevolen was. De koning vroeg daarop : Hebt gij aan mij bevonden, dat ik u vijandig ben? Ik heb aan u bevonden, hernam de profeet, dat gij u verkocht hebt. om kwaad te doen voor den Hser. Zie, daarom zal ik (de Heer) kwaad doen komen over u ; ik zal uw nageslacht wegmaaien en met uw huis handelen gelijk ik gehandeld heb met het huis van Jeroboam en met huis van Baasa (u.ve voorgangers); want gij hebt (evenals zij) mijn toorn opgewekt, en gij hebt Israël doen zondigen. Maar ook heelt de Heer gesproken omtrent Jezabel en gezegd : de honden zullen Jezabel verslinden op het veld van Jezrahel. En, wie van Achabs nakomelingen in de stad sterft, dien zullen (insgelijks) de honden verslinden, terwijl wie sterft op het veld, zal verscheurd worden door de snavels der rooi vogels.
BTJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Van al het kwaad, dat Achab bedreef, droeg zijne vrouw Jezabel grootendeeh de schuld; zij was het, die hem tot elke boosheid aanzette; uit zich zelf was zijn hart niet zoo diep bedorven. Toen hij dan ook den profeet aldus hooide spreken, scheurde hij zijn gewaad, trok een haren boetkleed aan, vastte, sliep in een rouwzak en ging met gebogen hoofde.
Opnieuw kwam nu het woord des Heeren over Elias den profeet; Hebt gij gezien, sprak de Heer tot hem, hoe Achab zich voor mij verootmoedigt? daarom zal ik het kwaad (waarmede ik hem bedreigd heb) niet voltrekken in zijne dagen, maar in de dagen zijns zoons.
In hot 4tlo book dor Koning mi 1\ : 2(5 zegt Johu, do door Klias aan Achabs Imis voorspelde straf vormoldende, tot zijn hopman Badacor : »lk herinnoi' mij, dat toen ^ij en ik m-'t Achab liior waren, li' t strafvonnis dos Hooren over hem werd uitgesproken, luidende: Voorwaar, het blond van Naboth en het bloed zijner zenen zal ik op u wreken op dien akker.quot;â /ie hieraciiter hoofdstuk 114. Uit dezo woorden leiden sommigo Schriftverklaaidois af, dat ook Naboths zonen met hun vader zijn gesteenigd; andere verklaren de woorden, door et'iie omschijving aldus: Ik zal op u wreken het bloed van Naboth en de ellende zijner zonon, die door u van hun grond, hun wettelijk erfdeel, beroofd, tot bittere bloedige armoede zijn gebracht. Met het oog op het spraakgebruik der Schrift, die bitter lijden, bittere armoede, enz. soms ook bloed noemt, is laatsgenoeinde uitlegging minstens even aannemelijk als do eerste.
HOOFDSTUK CVI.
ACHAB KM JOSAPHAT INT OORLOG TKGKN SYRIÃ. ACHAB SNEUVELT.
-â¢-â¢i-a-iââ¢-
sRm osaphat, de godvreesende, koning van Juda, hai de onvoorzichtigheid, voor zijn zoon Joram eene dochter van Achab, met name Athalia, tot vrouw te nemen, en ging die jaren na den laalsten oorlog tusschen Israël en Syrië (hoofdstuk 104) c', ⢠Achab Ie Samaria bezoeken. Achab slachtte voor zijn hoogen gast en diens gevolg eene menigte schapen en runderen en sprak tot Josaphat: Trekt gij met mij op f tegen de stad Ramoth in Galaiid ? Deze stad bevond zich namelijk (ondanks Benadads beloften van voor drie jaren) nog s'eeds in de macht der Syriërs, zoodat Achab ze thans met geweld wilde nemen en daartoe de hulp van den koning van Juda vroeg. Josaphat antwoordde; Mijn volk en uw volk zijn één, en mijne ruiters zijn de uwe. Maar, ging hij voort, raadpleeg eerst den Heer.
Achab riep nu 400 profeten te zamen (waarschijnlijk de profeten van Jezabels afgodisch boscb, die niet op den Carmel tegenwoordig waren, toen Elias de 450 Baaisprofeten liet ombrengen â hoofdstuk 103). Inmiddels zetten de beide koningen zich met hunne vorstelijke mantels omhangen elk op een troon neder op het plein voor de poort van Samaria. De koning van Israël vroeg aan de 400 profeten : Moet ik optrekken tegen Ramoth-Gelaa l r Zij antwoordden: Trek op, de Heer zal de stad in 'skonings handen leveren. Voor den koning van Juda had dit antwoord geene waarde, weshalve hij Achab de vraag deed : Is hier geen profeet des Heeren. dien wij kunnen raadplegen? Achab antwoordde; ja, daar is er een, Micheas de zoon van Jemla; doch ik haat hem, omdat hij mij nooit goed, maar altijd kwaad voorspelt. Niettemin werd op Josaphats aandringen Micheas door een van Achabs kamerdienaren gehaald,
Ondertusschen gingen de 4CO afgodische profeten voort, Achab alle mogelijke heil te voorspellen: Trek op naar Ramoth, zeiden zij, reis gelukkig, de Heer zal de stad in s konings handen leveren. Een hunner, Sedecias, plaatste zich zelfs, om zijne uitspraak meer kracht bij te zetten, ijzeren hoornen op het hoofd en riep uit: Dit zegt de Heer; Zoo zult gij Syrië orastooten en het geheel verdelgen.
De kamerdienaar, die Micheas haalde, sprak (onderweg) tot hem; Alle profeten hebben uit één mond den koning goede dingen voorzegd, laat dus uw woord aan het hunne gelijk zijn; spreek ook goed Doch Micheas verzekerde: Zoo waar de Heer leeft, slechts wat Hij mij beveelt, zal ik spreken. Daarop voor den koning geplaatst en door dezen
237
BIJBRLSCHF, GESCHIEDENIS
ondervraagd: Moet ik tegen Ramoth optrekken? gaf hij in het eerst (om te toonen, hoe dwaas een vooruitbestelde voorzegging was), evenals de 400 man ten antwoord : Trek op, reis gelukkig, de Heer zal immers uwe vijanden in uwe handen leveren. Achab (den spot gevoelende) hernam ; Ik bezweer u, mij in den naam des Heeren te zeggen wat waar is. Thans sprak Micheas: Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen die geen herder hebben (strijders, wier koning gesneuveld is) en de Heer zeide; Zij hebben geen gebieder, dat ieder in vrede naar zijn huis terugkeere, Dit hoorende wendde Achab zich tot Josaphat met de opmerking: Heb ik liet u niet gezegd, dat hij mij altijd kwaad en nooit goed voorspelt ? Doch Micheas vervolgde 2ijne woorden en verzekerde, dat uit den mond der 400 afgodsprofelen slechts de leugengeest sprak. Daarom sclioot de gehoornde Sedecias in gramschap; hij gaf Micheas een slag in het aangezicht, terwijl hij hem toevoegde: Mij zou dus de Geest des Heeren verlaten en door u gesproken hebben ? Micheas antwoordde. Gij zult het bewijs er van zien op den dag. dat gij van kamer tot kamer zult vluchten, om u (voor de overwinnende Syriërs) te verbergen. Achab gebood alsdan zijnen dienaren: Voert Micheas naar den stadsoverste Anion en mar Joas en zegt hun : Dit beveelt de koning : werpt dezen man in de gevangenis en voorziet hem schaars van brood en water tot op den dag, dat ik in vrede (als overwinnaar) terugkeere Micheas liet daarop volgen: Als gij in vrede terugkeert, heeft de Heer niet door mij gesproken; hoort dit, o volkeren!
Ondanks de ontvangen waarschuwing trok Achab tegen Ramoth op, en Josaphat (om zijn eens gegeven woord niet te breken) sloot zich met zijne manschappen bij hem aan. Toen de strijd beginnen zou, legde Achab (inwendig meer voor de vervulling van Micheas, voorzegging bevreesd dan hij uiterlijk scheen) zijn koninklijk gewaad af (om niet door een vijand herkend te worden) en sprak tot Josaphat : Ga gij in uw gewaad tan strijde. De koning van Syrië nu had zijnen krijgers bevolen: Keert u tegen geen ander, hij zij overste of gewoon strijder, maar bevecht uitsluitend den koning van Israël, Zoodra dus de Syrische wagenmenners josaphat ontwaarden, vielen zij, in de meening dat hij Achab was, eenparig op hem aan. Doch Josaphat begon te roepen en werd herkend, weshalve de wagenmenners van hem afhielden. Terwijl de vijand nu in alle richtingen Achab zocht, maar hem nergens ontdekte, schoot een Syrische soldaat op goed geluk een peil af en trof als bij toeval den koning van Israël tusschen borst en buik. Oogenblikkelijk begreep Achab, dat de wonde doodelijk was en gaf zijn wagenmenner bevel, hem buite'n het gewoel te voeren. In de verte bleef hij op zijn wagen staan, om zijn volk in den strijd aan te moedigen, totdat hij eindelijk, door bloedverlies uitgeput, stcivend ineenzakte. Thans snelde een heraut door het Israëlietische leger en riep met luider stemme : Een ieder keere naar zijne landstreek en naar zijne stad terug. Vervolgens werd Achabs lijk te Samaria begraven, en toen men daarna bij den vijver der stad den koninklijken strijdwagen reinigde, kwamen de honden en lekten het afvloeiende bloed. Zoo was de voorzegging van Michias en die van den profetenleerling omtrent Achabs nederlaag en dood vervuld.
Inmiddels begaf Josaphat zich in vrede naar zijn huis te Jerusalem Op zijn weg kwam hem de profeet Jehu, de zoon van Hanani, te gemoet en sprak: Gij verschaft hulp aan den goddelooze (aan Achab) en door vriendschapsbanden verbindt gij u met hen, die den Heer haten ; deswege zou de toorn des Heeren over u moeten komen ; maar er zijn goede werken in u bevonden, want gij hebt de afgodsbosschen in Ju la uitgeroeid en uw hart bereid om den Heer den God uwer vaderen te zoeken (daarom zal God uwe minder goede daden niet gedenken).
Van nu af betoonde Josaphat zich nog ijveriger voor den Heer dan te voren ; hij reisde ^ijn gansche land door van Bersabee tot het gebergte Ephraïm en spoorde allerwegen zijne onderdanen aan, met geheel hun hart dm God hunner vaderen te dienen Voorts herstelde [rij in alle steden hel rechtswezen en gebood den rechters : Ziet wel toe, wat gij doet, want gij spant de vierschaar niet in naam eens menschen, maar in den naam des ('eeren, pn voor al wat gij beslist, zijt gij (bij God) verantwoordelijk. Dat dus de vrceze des
238
BI JBELSC H F, G ESC HI EDE NIS.
Heeren in u zij en dat gij met zorg uw ambt vervult; want bij den Heer onzen God is geene ongerechtigheid, noch aanzien des persoons, noch begeerte naar geschenken (om het recht te verdraaien) Ook vestigde Josaphat te Jerusalem een oppergerechtshof van priesters, levieten en familieoversten. Dit gerechtshof bestond uit twee afdeelingen, waarvan de eene, aan welks hoofd de hoogepriester Amarias stond, uitspraak moest doen in de zaken, die op den godsdienst betrekking hadden, terwijl de andere afdeeling, onder voorzitterschap van Zabadias, stamvorst van Juda, kennis nam van geschillen rakende den dienst des konings. Tot deze rechters sprak de koning; VVandelt trouw en van ganscher harte in de vreeze des Heeren, Omtrent iedere zaak tusschen verwanten en verwanten, welke voor u gebracht wordt door uwe broederen, die in hunne steden wonen, zoomede omtrent iedere vraag aangaande de Wet, aangaande een gebod, eene ceremonie en een recht, zult gij uwen broederen oplossing geven, opdat zij niet zondigen tegen den Heer en geen toorn (des Heeren) kome over ii en over hen. Handelt gij aldus (zorgvuldig en rechtvaardig), dan zult gij u van zonde vrijhouden. VVeest dus kloek en ijverig, en de Heer zal met u ?ijn tot alle goed.
HOOFDSTUK CV1L
J O S .\ r H A T V E R S L A A T I) K V E R E E N I G D E M U A B 1 E T E N , A M M O N I E T EN E iN E 1) O M 1 E T E N.
lt;£* â¢k^±v!-
^jHkJwS^iet lang nadat Josaphat van de rondreis door zijn rijk naai Jerusalem was terug.
gekeerd, vereenigder zich de zonen Moabs, de zonen Amnions endezonen van ? â £*â ' Hsau die het gebergte Seïr bewoonden, en deden een inval op het grondgebied sv' 0'^ van Juda. üeze gebeurtenis vervulde Josaphat niet schrik en vrees, maar hij zocht zijn toevlucht in het gebed en schreef voor geheel zijn volk een vastendag uit. In groote scharen trok het volk uit alle steden naar Jerusalem op, om zich in den tempel des Heeren bij het gebed zijns konings aan te sluiten. Velen namen behalve hunne vrouwen ook hunne kinderen en zuigelingen mede (opdat de Heer op het gezicht dier schuldclooze kleinen zich te hunner gunste zou laten bewegen). De koning plaatste zich in het midden dier menigte in liet groote voorhof des tempels en bad met geroerde stem: Heer God onzer vaderen. Gij zijt de God des hemels eu heerscht over alle volkeren ; in uwe hand is de sterkste en de macht, en niemand kan IJ wederstaan. Hebt Gij niet, Gij onze God, lt;ie (voormalige) bewoners van dit land ten aanschouwe van uw volk Israël vernietigd om het land voor altijd te geven aan de nakunielingen van Abraham, uw vriend ? Zij woonden daarin; zij hebben er in uw Naam een tempel opgericht en spraken daarbij: Als rampen over ons komen, het zwaard, de pest of een hongersnood, zullen wij voor uw aanschijn staan in dit huis. waarover uw Naam is ingeroepen ; wij zullen tot U onze stem verheffen in onze benauwdheid, en Gij zult ons verhooren en ons redden. En zie, thans zijn de zonen Ammons en Moabs en de bewoners van het gebergte Seïr gekomen, wier landen Gij niet wildet dat Israöl op zijn tocht uit Egypte zou doortrekken; Israël deed dit dan ook niet en doodde niemand hunner; maar nu zijn zij gekomen, om ons uit onze bezittingen te verjagen, die Gij ons geschonken iiebt. Heer onze God, zult Gij dan geen recht over hen spreken ? Wij toch hebben de macht niet, eene zoo groote menigte te wederstaan, daarom blijft ons in onze verlegenheid niets over dan onze oogen te wenden tot U.
Terwijl de koning te midden der zijnen aldus bad, kwam het woord des Heeren over den leviet Johaziël, die uit de schare zijne stem verhief en sprak : Hoort zonen van Juda, en gij bewoners van Jerusalem, alsook gij koning Josaphat! dit zegt de Heer: Wilt niet vreezen en voor deze menigte niet vervaard zijn, want het is niet uw strijd, maar de strijd Gods. Morgen zult gij tegen den vijand optrekken; gij behoeft niet te strijden, houdt slechts
23Q
BI J BELSC H R GESCHIRDENTS
met vertrouwen stand en gij zult de hulp des Heeren over u zien komen ; vreest niet en versaagt niet, morgen zult gij uittrekken en de Heer zal met u zijn. Deze woorden vervulden alle aanwezigen met groote blijdschap; koning en volk wierpen zich in aanbidding voor den Heer ter aarde, terwijl de levieten hunne stemmen verhieven, om den God hunner vaderen, die zoo genadig zijne hulp beloofde, te prijzen en te verheerlijken.
Den volgenden morgen trokken de vergaderden uit (waarschijnlijk de vrouwen en kinderen te Jerusalem achterlatende) en namen hun weg door de woestijn Thecuë. Daar sprak de koning hun toe: Aanhoort mij, mannen van Juda en gij bewoners van Jerusalem : Vertrouwt op den Heer uwen God, en gij zult veilig zijn ; gelooft zijne profeten en alles zal goed gaan. Vervolgens gaf hij eenige bevelen aan zijn volk en gelastte den zangkoren der levieten het leger vooruit te gaan en den psalm aan te heffen : Looft den Heer, want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.
Zoodra klonk niet deze zang over de vlakte, of de Heer toonde zijne macht; de hinderlagen, die de verbondene vijanden Juda bereid hadden, werden oorzaak van hun eigen verderf; de zonen Moabs en Amnions versloegen eerst gezamenlijk de Edomieten van het gebergte Se'tr en na dit gedaan te hebben, keerden zij de wapenen tegen elkander. Het gevolg hiervan was, dat toen de mannen van Juda na eenigen tijd vooritrekkens eindelijk het vijandelijk legeikamp bereikt hadden, zij overal, zoover zij zien konden, den grond slechts met lijken bedekt zagen, en geen enkelen levenden bestrijder meer ontmoetten; al wat vluchten kon, had uit vrees voor den eigen medestander de wijk genomen. Aldus was het woord des Heeren, bij monde van den leviet gesproken, vervuld: de mannen van Juda hadden niet noodig gehad te strijden, de Heer had gestreden voor hen.
Zoo groot was het getal der vet slagenen, dat Josaphat en zijn volk drie dagen lang bezig waren met de lijken van hunne versierselen en kostbaarheden te ontdoen en den aanzienlijken voorraad van allerlei huisraad en prachtig vaatwerk, dat de legerplaats bevatte, te verzamelen en te verdeelen. Toen zij eindelijk hiermede gereed waren, kwamen zij den vierden dag bijeen in het Dal der Zegening, hetwelk zij aldus noemden, omdat zij daar den lieer voor de hun geschonken gunst zegenden en lofprezen. Vervolgens keerd n zij met groote blijdschap naar Jerusalem terug en trokken onder harp- en cytherspel en het geluid der bazuinen de stad binnen. Ter oorzake van deze verwonderlijke gebeurtenis waarbij de Heer zoo blijkbaar getoond had, dat hij Israël beschermde, werden al de naburige volken met diep ontzag voor Josaphat en de zijnen vervuld, en het rijk genoot een tijdperk van ongestoorden vrede.
HOOFDSTUK CV11I.
OCHOZIAS KONING VAN ISRAEL. ZIJN DOOD. E 1.1 A S T EN II E M E L O P G E N O M E N.
amp; ***** JA
240
«^K^j^chab, koning van Israël, in den strijd tegen de Syriors gesneuveld, werd op-
gevolgd door zijn zoon Ochozias Ochozias beklom den troon in het zevende jaar van Josaphats regeering over Juda; hij bestuurde zeer goddeloos doch rrX' . slechts kort, ruim één jaar. In dien tijd rustte hij, in vereeniging met Josaphat, 4 die eerst niet wilde, maar latei toegaf, eene vloot uit, met bestemming naar Ophir c ^ en Tharsis. liertids lag de vloot in de haven van Asiongaber gereed om zee te kiezen, toen een zekere Eliëzer, de zoon van Dodau, uit Mareza, voor Josaphat verscheen en namens God tot hem sprak: Omdat gij u verbonden hebt met Ochozias, heeft de Heer uwe onderneming verijdeld Deze voorspelling beleefde weldra hare vervulling: nog in de haven werden de schepen door een storm beloopen en stuk geslagen.
ntjBELSCHE GESCHIRDENIS
Kenigen lijd daarna, terwijl Ochozias zich in het bovenvertrek (op het platdak) van zijn palcis te Samaria bevond, viel hij door het hekwerk naar beneden en werd zwaar gewond. Op het bed van smarten uitgestrekt, zond hij boden naar de Philistijnsche stad Accaron, om den afgod Beëlzebub te raadplegen, of hij genezen zou. Nauwelijks waren de boden op weg, toen een engel des Hoeren den profeet Klias beval, hun te gemoet te gaan en tot hen te spreken : Is er dan geen God in Israël, dat gij u opmaakt om Beëlzebub, den God van Accaron te raadplegen. Daarom zegt de Heer (tot uw meester); Van uw bed, waarop gij neerligt, zult gij niet opstaan, maar den dood sterven. Elias deed gelijk de engel hem gelast had, en de boden keerden op zijn woord, zonder de reis naar Accaron voort te zetten, tot hun meester terug.
Ochozias vroeg hun; Waarom zijt gij terugekeerd ? Zij antwoordden: Een man kwam ons te gemoet en zeide ons : Gaat weder tot den koning, die u gezonden heeft, en kondigt hem aan: Alsof er geen God in Israël ware, zendt gij tot Beëlzebub I daarom zult gij van uw bed niet opstaan, maar den dood sterven. Ochozias vroeg verder : Hoe zag de man er uit en welke kleeding droeg hij? Plet was, luidde het antwoord, een man met een haren kleed en hij had een lederen gordel om zijne lenden. Dan was het Elias! klonk hel wederwoord.
In zijn toorn zond de koning een zijner hoplieden met vijftig man, om Elias (met geweld) te halen. De profeet zat op de kruin van een heuvel en de hopman hem naderende, sprak trotschelijk ; Man Gods, de koning beveelt u af te komen. Ben ik een man Gods, zeide Elias, dat er dan vuur van den heuvel valle en u met uwe vijftig man verslinde! En aldus geschiedde : er viel een vuurstraal en doodde den hopman en zijne vijftig volgelingen.
Daar Ochozias de uitgezondenen niet zag ferugkeeren, vaardigde hij andermaal een hopman met vijftig krijgsknechten af tot hetzelfde doel. Ook deze hopman sprak (trotsch en spottend): Man Gods, dit zegt de koning: Kom af! spoedig! Wederom gaf Elias ten antwoord : Pen ik een man Gods, zoo valle vuur van den hemel en verslinde u met uwe vijftig. En ook dit geschiedde.
Nogmaals zond Ochozias een door vijftig sliijders begeleiden hopman. Deze, in plaats van te spotten, boog (tot teeken van eerbeid) de knie voor den profeet en sprak verzoekend: Man Gods, veracht toch mijne 'iel niet en de zielen uwer dienaren, die mij omgeven ; zie, het vuur des hemels is afgedaald en heeft de vorige hoplieden met hunne vijftig mannen verslonden ; welaan, ik bid u, spaar mij het leven. Thans zeide de engel des Heeren tot Elias: Daal tot dezen af en ga met hem mede; vrees niet. Op dit woord daalde de profeet af, begaf zich met den hopman naar den koning, plaatste zich aan diens legerstede en sprak tot. hem: Omdat gij (o koning) boden hebt gezonden, om Beëlzebub, den afgod van Accaron te raadplegen, alsof er geen God in Israël ware, tot wien gij uwe vraag kondt richten, diarom zult gij uw bed, waarop gij neerligt, niet verlaten, maar des doods zijn. Na dit woord ging de profeet ongedeerd heen, en kort daarop stierf Ochozias.
Thans had Elias zijne levenstaak volbracht en hij wist door goddelijke ingeving, dat hij van deze aarde ten hemel zou worden opgenomen. Voor het laatst ging hij nog eens de door hem bestuurde profetenscholen te Galgala, Bethel en Jeiicho bezoeken. Te Galgala sprak hij tot zijn dienaar en opvolger Eliseüs; Blijf hier, mij zendt de Heer naar Bethel. Doch Eliseüs, die van hetgeen met zijn meester gebeuien zou kennis droeg en daarbij tegenwoordig wilde zijn, antwoorde: Zoo waar de Heer leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zij reisden dan te zamen naar Bethel, waar de leerlingen der profetenscholen (vermoedelijk van boven ingelicht) Eliseüs vroegen : Weet gij, dat de Heer heden uw meester van tt zal opnemen? Eliseüs antwoordde: Ik weet het, zwijgt! Bethel verlatende, sprak Elias wederom tot zijnen dienaar: Blijf hier, mij zendt de Heer naar Jericho. Eliseüs' antwoord luidde andermaal: Zoowaar de Heer leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten Gezamenlijk met zijn meester te Jericho gekomen, vernam de dienaar daar van de leerlingen der profetenscholen dezelfde vraag als van die te Bethel en gaf eenzelfde antwoord. Nogmaals sprak alsnu Elias tot hem : Blijf hier, mij zendt de
31
241
liIJBELSCHE (GESCHIEDEN 1S.
Heer naar den Jordaan Ten derde male verzekerde Eliseüs : Zoo waar de Heer leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten.
Zij gingen nu beiden naar den Jordaan, in de verte gevolgd door vijftig profetenleerlingen, die van hetgeen gebeuren zou, getuigen wenschten te zijn. Bij den stroom aangekomen, nam Klias zijn mantel van zijne schouders, rolde dien ineen en sloeg er mede op het water, dat daardoor in tweën scheidde, zoodat meester en volgeling over de droge bedding konden gaan. Nadat dit geschied was en beiden weer op den vasten oever stonden, sprak Elias tot zijn dienaar : Vraag, wat ik u doen zal, bevorens ik van u worde opgenomen. Eliseüs vroeg: Ik bid u, laat een dubbel aandeel van uw geest over mij komen. E'ias antwoordde: Gij vraagt een zware zaak ; evenwel, als gij mij ziet, terwijl ik van u opvaar, zal u gegeven worden, wat gij verlangt, ziet gij mij echter niet, dan zal uw wensen onbevredigd blijven. Toen /ij nu nog een eindwegs voortschreden en met elkander spraken, verscheen eensklaps tu'schen hen beiden een met vurige paarden bespannen vurige wagen en Elias steeg in een hevigen wervelwind ten hemel op. Eliseüs zag hem opsiijgen en riep hem na: Mijn vader, mijn vader, de wagen en de wagenmenner van Israëli Vervolgens hem niet meer ziende, scheurde hij van droefheid over het verlies des geliefden leermeesters zijne kleederen.
Onder het opstijgen had Elias zijn mantel laten neervallen ; Eliseüs nam dien als een kostbaar aandenken op en aanvaardde de terugreis Evenals hij zijn meester bad zien doen, sloeg hij met diens mantel op de wateren des Jordaans, doch'daar zij niet aanstonds vaneen scheidden, sprak hij; Waar is nu de God van Rlias ? Daarop de wateren nog eens slaande, scheidden zij. zoodat Eliseüs droogvoets de stroombedding overtrok.
Toen de leerlingen der profetenschool te Jericho dit in de verte zagen, spraken zij tot elkander: De geest van Elias rust op Eliseüs. Zij trokken hem alsdan te gemoet, begon zich uit eerbied diep voor hem ter aarde en zeiden : Zie, uwe dienaren hebben vijfiig dappere mannen bij zich, die uw meester kunnen gaan zoeken; want misschien heeft de Geest des Heeren, hem (zijne ziel) opnemende, zijn lichaam op een der bergen of in eene vallei neergeworpen. (De leerlingen wilden het lijk laten zoeken, om het eene eervolle begrafenis te bezorgen.) Eliseüs antwoordde hun, dat zij die vergeefsche moeite zouden sparen. Daar zij evenwel bij hun plan volhardden, sprak hij ten laatste, om hen tevreden te stellen: Welnu, zendt dan de vijftig mannen. Deze gingen, zochten drie dagen lang en keerden eindelijk tot Eliseüs terug, met het bericht, dat zij niets gevonden hadden. Zijn antwoord luidde : Ik heb het u immers gezegd
In de eerste dagen koos Eliseüs zijn verblijfplaats te Jericho, De inwoners dier stad begaven zich tot hem en spraken : Zie, onze stad is goed, gelijk gij zelf bespeurt, maar het water deugt niet en de grond is onvruchtbaar. (Dit zeiden zij waarschijnlijk, opdat hij door een wonder daarin verandering zou brengen.) Zijn antwoord luidde : Stelt mij ter hand een nieuw (aarden) vat, gevuld met zout. Nadat zij dit gedaan hadden, begaf hij zich naar de bron, wierp het zout daarin en sprak: Dit zegt de Heer: Ik heb de wateren gezond gemaakt, zoodat zij voortaan geen dood of onvruchtbaarheid meer zullen veroorzaken. Gelijk de profeet gezegd had, geschiedde: het water was van dien dag af goed voor menschen en vee, en ook het land (dat er mede besproeid werd) leverde zijne vruchten op.
Vervolgens trok Eliseüs naar Bethel, Dicht* bij de stad (die op een hoogte lag en waar een der door Jeroboam opgerichte gouden kalveren stond) ontmoetten hem eenige knapen (wier ouders waarschijnlijk afgodendienaars waren) en riepen hem spottend toe; Kom opwaarts kaalkop, kom opwaarts kaalkop! Eliseüs zag de knapen aan, en tot straf voor hunne vermetelheid, met een gezalfde des Heeren te spotten, sprak hij namens God den vloek over hen uit. De Heer liet de misdaad der kleine boosdoeners niet ongewroken : uit een bosch schoten twee beeren toe, die twee en veertig van de knapen verscheurden.
Van Bethel ging de profeet naar den berg Carmel en van daar naar Samaria, de hoofdstad des rijks (waar zijne tegenwoordigheid ter beteugeling van het kwaad het meest noodig was.)
242
BI JBELSCHE GESCHIE DEN IS.
1 Do oopsto om do twoedn hopmiui wnron allorwaarschijnlijkst Baiilsdienarcn; don naam dMan Godsquot; gaven zij Eli as spottondorwijzo. Had de Heer lion niet voorbeeldig gestraft, liet gezag, dat do profoi;t, om good to kunnen stichten» zoozeer noodig had, zou er gevoelig onder geleden hebben.
2. IC li as was do grootste der profoten van het Oude Verbond, gelijk Moses er de wetgever van was. Tusschon beide heilige personen bestaan menigvuldige punten van ovoreenkoinst. Moses deed met zijn staf de wateren der Uoode Zee vaneen wijken, Klias scheidde met zijn mantel het water des Jordaans. H'iden li^bben hij hua loven voor een goddeloozen koning de vlucht moeten nemen naar de woestijn, Moses voor IMiarao, Elias voor Achab en dim-; diep verdorven vrouw Jezabel. Aan beiden verscheen de 11'i r op den berg Horeb, on beid(?r uiteindwas in zoover g-'lijk, dat nod Moses op geheimzinnige wijze uit het leven wegnam en Elias op wonderdadige manier deed opsiijgon. Hij de verheerlijking van Christus op den Thabor verschenen beid mi â en zij alleen â aU de vortegenwoordigers van gehe- i het Oude Testament.
Ondanks zijn opstijging kon Elias niet terstond don werkolijkon hom 1 binnengaan en d - eeuwige zaligheid genieten ; hij moest, tot don dag dat do Verlosser den om de zonde van Adam gesloten hemel heropende, in de plaats verblijven, voor de andere heilige oud vaders bestemd. Daar hij, evenals II â noch (hoofdstuk 4) niet stierf maar lovend werd opgenomen, en de II. Joannes in hot Boek der Openbaringen, caput II, zegt, dat op bot einde der wereld twee getuigen tegen den antichrist zullen optreden en ten laatste door dozen gedood worden» zoo I â¢iden de 11 Vaders in ovcreonstemming met alle nieuwere Schriftverklaarders daaruit af, dat de bedoelde g â¢tuigen Henoch on Khas zullen zijn.
II. Ellseüs beschouwt zich als Elias' geestolijken eerstgeboren zoon en vraagt daarom een dubbel erfdeel in diens geestelijke nalatenschap. Dit was een moeielijk te vervullan wmsch waaraan Elias krachtons eigen bevoegdheid niet kon voldoen, wijl hij niet oppermachtig over do bovennatuurlijke given G«»ds kon beschikken. Hij belooft echter, uitnaam van God, dat God hot gevraagde aan Eliseüs zal schonkon, waiin -or deze den prufoot zou /.ion opsLijgon.
4. Eliseüs' woord: (Waar is do God van Elias nu/quot; was ge?ue uiting van twijfel ol ongeduld, maar eenc liefdevol klagende bede tot (Jod, om zijn dienaar bij te staan, en te verleenen wat door den opstijgende was toegezegd.
HOOFDSTUK CIX.
JORAM, KONING VAN ISRAÃL, EN JOSAPHAT, KONING VAN JU DA, IN OORLOG MET MO A15.
Ochozias, koning van Israel, geen zoon had, werd hij bij zijn dood, in het achltiende jaar van J isaphats regeerinj; over Ju la, opgevolgd door zijn broeder ^7' joram, die twaalf jaren lang den troon bekleedde. Joram maakte zich niet aan ' zoo zware zonden schuldig als zijn vader Achah en zijne moeder Jezabel ; zelfs liet hij de standbeelden van Baal. door zijn vader opgericht, omverwerpen ; doch den kal-verendienst. dien Jeroboam, de eerste koning van Israël, had ingevoerd, liet hij bestaan.
In het begin zijner regeering geraakte Joram in oorlog met de Moabieten. Ofschoon een leger van dit volk, in een eenige jaren vroeger met de Ammonieten en Edomieten legen het rijk Juda ondernomen veroveringstocht, door verdeeldheid met de bondgenooten, eene nederlaag had geleden (hoofdstuk ]07gt;, had Mesa, de koning van Moab, die bij Achabs leven aan het rijk Israël schatplichtig was geweest, toch kracht genoeg behouden, om na Achabs dood het verder betalen van schattingen te durven weigeren. Ten einde hem tot het weder nakomen der oude verplichtingen te dwingen, riep Joram al de strijdbare mannen van Israël onder de wapenen cn zond voorts aan Josaphat het verzoek: De koning van Moab is mij afgevallen; kom, om met mij tegen hem op te trekken. Josaphat liet antwoorden: Ik zal met u optrekken ; mijn volk is uw volk en mijne ruiterij uwe ruiterij (beide volken, Israël en Juda, zijn één). Diensvolgens sloot Josaphat zich niet alleen met zijn eigen leger bij Joram aan, maar hij nam ook den van Juda afhankelijken koning der Edomieten met diens krijgsmacht mede. Welken weg, vroeg Joram, zullen wij inslaan? Den weg, antwoordde Josaphat, die door de woestijn van Edoni leidt.
Nu begaven de drie koningen, Joram van Israël, Josaphat van Juda en de koning van Edom, zich gezamenlijk tegen Mesa, koning van Moab, op marsch. Na zeven dagen lang te zijn voortgetrokken, kwamen zij in een ooid, niet ver van Moabs grondgebied, waar nergens water te vinden was, zoodat de strijders evenzeer als hunne oorlogspaarden en lastdieren gevaar liepen van dorst te bezwijken. Radeloos tegenover de hen dreigende ramp
243
BIJBF.LSCHE GESCHIEDENIS
riep Joram uit: Ach, ach, ach! de Heer heelt ons, drie koningen, te zamen vergaderd om ons in de handen van Moab te leveren! Josaphat echter gaf den moed niet verloren; hij vertrouwde op den Allerhoogste en sprak : Is hier geen profeet des Heeren, door wien wij den Meer kunnen verbidden? Een der strijders van den koning van Israël antwoordde: Eliseüs is hier, de voormalige dienaar van Elias. josaphat hernam; Hij hem is het woord des Heeren, â en dit zeggende ging hij niet den koning van Israël en den koning van Edom Eliseüs bezoeken. Verstoord sprak de profeet tot den koning van Israël, den vereerder der gouden kalveren : Wat heb ik met u te doen ? ga tot de profeten van uw vader en uwe moeder (Achab en jezabel) Waarom, vroeg joram, heeft de Fleer ons, drie koningen, te zamen laten komen, om ons in de handen van Moab te h-veren ? Opnieuw sprak Eliseüs : Zoo waar de Heer der heerscharen leeft, in wiens tegenwoordigheid ik sta, indien ik het aanschijn van Josaphat, den koning van Juda, niet ontzag, ik zcm op u geen acht slaan en niet op u letten; nu echter hale men mij een harpspeler (een leviet, die heilige liedeten speelt en zingt). Nauwelijks was aan dit bevel voldaan en litt de harpspeler zijn gewijde tonen hooren, of de Geest des Heeren kwam over den profeet, die zijn mond opende en sprak; Dit zegt de Heer: Graaft in dit dal een menigte grachten, want aldus spreekt de Heer: Gij zult wind noch regen zien, en evenwel zal dit dal met water gevuld worden, opdat gij drinkt, gij en de uwen en uwe lastdieren. En alsof dit nog weinig ware in de oogen des Heeren, zal Hij daarenboven Moab in uwe handen leveren ; gij zult alle voortreffelijke steden van Moab verwoesten, al zijne vruchtboomen uitroeien, al zijne waterbronnen en iederen uilgelezen akker met steenen (kei- en bergsteenen) bedekken.
Reeds des anderendaags vroeg, op het uur dat men te Jerusalem gewoon was het morgenoffer op te dragen, begon deze voorzegging in vervulling te gaan : er kwam van den kant van Fdom zoo overvloedig water aanvlieten, dat de lage deelen des dals erdoor bedekt werden en de grachten vel liepen.
244
Inmiddels hadden de Mcabieten, op de tijding dat de drie koningen tegen hen in aantocht waren, al hunne weerbare mannen tsn strijde geroepen en waren naar de grenzen gesneld Terwijl zij nu op den gemelden dag hunne blikken over het dal lieten gaan, waar zij evenmit» als den vorigen dag water vermoedden, en de opgaande zon hare eerste stralen over het intusschen toegestroomde water wierp, scheen dit den Mcabieten rood als bioed Zij geloofden, dat hel inderdaad bloed was en spraken onderling ; De drie koningen zijn het oneens geworden en hebben elkaar verslagen; welaan Moab, trek op. om u met hun buit te verrijken Op vreeselijke wijze werden zij uit dien waan gewekt, toen zij optrekkende het verbonden leger ongedeerd en strijdvaardig tegenover hen vonden; het viel met vereenigde krachten op hen aan, sloeg hen, dreef hen op de vlucht en rukte hun land binnen. De eene stad na de andere viel in de macht der overwinnaars ; de vruchtboomen werden omgehakt, de waterbronnen verstopt, de beste akkers met steenklompen bezaaid en koning Mesa werd in zijne hoofdstad belegerd. Hij waagde met 700 zijner dapperste mannen een uitval naar de zijde waar de met Jud.i verbonden troepen van Edom stonden, doch tevergeefs. Hierdoor tot het uiterste gebracht, nam Mesa, op den stadsmuur staande, zijn eerstgeboren zoon en troonsopvolger en droeg hem voor aller oogen tot een brandoffer aan zijne goden op Dit vreeselijk schouwspel vervulde de drie koningen zoozeer met schrik en afgrijzen, dat zij het beleg opbraken en naar hun land terugkeerden
BIJRF.LSCHF, GESCHIF.DF.N IS.
2 Waardoor do Moabioton liet harden strafvonnis, dat Elisoüs over lirn uitsprak, vordlf-nd hadden, doolt df II. Schrift niet mode. In hot algomcen hadden zij ongetwijfeld door hunne goddolooshoid en afgoderij den Henr moor dan gonoeg ^eloedigd, otn ook de strengst»; tuchtiging te beloopen, maar wellicht bestond or bovendien oeno meer hij/.ondore nanlei-ding, al wordt deze ons niot gemold.
HOOFDSTI K CX.
VKRSCHILLF.NDK WONDKRVVERKEN VAN ELISKÃS.
. 4,
Jo'nS vrouw van een der profetenleerlingen tot Kliseiis en klaagde : ^w J'on;iari niijn man, die zooals gij weet den Heer vteesde, is gestorven, en
bzie, nu komt zijn schuldeischer om mij mijne twee zonen te ontnemen en ze tot zijne dienstknechten te maken Kliseiis vroeg de vrouw: Wat wilt gij dat ik voor doen zal? en onmiddelijk vroeg hij verder: Wat hebt gij in uw huis? /.ij ant-zie, nu komt zijn schuldeischer om mij mijne twee zonen te ontnemen en ze tot zijne dienstknechten te maken Kliseiis vroeg de vrouw: Wat wilt gij dat ik voor doen zal? en onmiddelijk vroeg hij verder: Wat hebt gij in uw huis? /.ij ant-
moordde: Ik uwe dienares heb niets in mijn huis dan alleen een weinig olie om mij te zalven. Daarop sprak de profeet: Ga, vraag van uwe geburen een groote hoeveelheid ledig vaatwerk ter leen, keer daarmede naar uw huis terug, sluit de deur achter u en uwe zonen dicht en giet voorts van uwe olie in het vaatwerk. De vrouw deed gelijk haar gezegd was , zij vulde van haren geringen voorraad olie de eene vaas en de eene kruik na de andere, zoodat, toen zij ten laatste tot haar zoon zeide : geef mij nog een kruik, hij antwoorden moest : ik heb er geen meer. Verheugd liep zij naar Eliseüs en verhaalde hem. dat al het geleende vaatwerk tot aan den rand gevuld was. Weluan, spiak hij, verkoop de olie, betaal met een gedeelte der opbrengst uw schuldeischer en leef met uwe zonen van het overblijvende geld. De gelukkige moeder was alzoo met haar huisgezin door den profeet gered
Op een anderen dag, terwijl Eliseüs door de stad Sunam reisde, hield eene aanzienlijke vrouw hem staande met het verzoek, dat hij bij haar en haar man het middagmaal zoude gebruiken. Hij liet zich hiertoe bewegen, en zoo dikwijls hij in het vervolg door Sunam trok (dat aan den grooten weg tusschen Samaria en den berg Carmel lag) ging hij telkens bij die vrouw eten. Eindelijk sprak zij tot haren echtgenoot : Ik merk, dat deze man Gods een heilig man is, laat ons daarom in het bovengedeelte van ons huis eene kleine kamer voor hem in gereedheid brengen met een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar, opdat, als hij weer tot ons komt, hij eenigen tijd bij ons blijve. Dit plan was weldra uitgevoerd, en toen de profeet met zijn dienaar Giczi, die hem steeds vergezelde, bij eene volgende gelegenheid opnieuw te Sunam kwam, nam hij de voor hem gereed gemaakte kamer in gebruik.
Om zijn dank voor deze weldaad te betuigen, beval hij Giëzi: Ga naar de vrouwen vraag haar in mijn naam: /.ie, gij hebt ons steeds ijverig ten dienste gestaan, wat wilt gij, dat ik voor u doen zal ? hebt gij niet eene aangelegenheid, waarover gij wenscht dat ik te uwer gunste den koning zal spreken of den overste des legers? De vrouw antwoordde, dal zij te midden van haar volk woonde, rustig en goed, en geene voorspraak bij hooggeplaatste personen behoefde. Toen Giëzi dit zijn meester berichtte, vroeg deze : Maar wat wil zij dan. dat ik voor haar doen zal? 13e dienaar antwoordde: Vraag niet verder, zij heeft immers geen zoon (gij begrijpt dus zelf wat haar ontbreekt en wat zij zoo gaarne zou hebben). Nu gebood Eliseüs: Roep de vrouw hier. Nadat dit geschied was, sprak de profeet tot haar in naam des Heeren : Het volgend jaar op dezen tijd en dit uur zult gij een zoon hebben. In hare blijdschip zulks bijna niet kunnende gelooven, zeide zij : Wil toch, mijn heer, man Gods, uwe dienares niet beliegen. Van liegen kan hier geen sprake zijn, antwoordde de profeet, en op den tijd dien hij voorspeld had, werd de vrouw met een zoon gezegend.
Die zegen dreigde haar echter na eenige jaren weder te ontvallen. Toen het kind tot een knaapje was opgegroeid, liep hij op zekeren dag naar het veld, waar zijn vader 2,ich
245
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
bij de maaiers bevond. Nauw was hij daar aangekomen, of hij klaagde over pijn in het hoofd, weshalve de vader tot een der dienstknechten sprak : Breng hem naar zijne moeder terug. Zorgvuldig nam de moeder liet kind op haren schoot, waar het evenwel na eenige uren den geest gaf. Radeloos van smart, droeg zij het lijkje naar boven en legde het te bed op de kamer, die Kliseüs bewoond had. Vervolgens snelde zij naar haren echtgenoot, en zonder hem Ie zeggen wat er gebeurd was, sprak zij ; Stel een der dienstknechten met eene ezelin te mijner beschikking, opdat ik mij naar den man Gods spoede. Haar echtgenoot, nog niets vermoedende, vroeg haar: Waarom wilt gij naar den man Gods gaan ? het is immers geen nieuwe-maanfeest noch sabbat (op welke dagen Kliseüs waarschijnlijk gewoon was met het volk godsdienstoefening te houden). Zonder meer antwoordde de vrouw : ik zal gaan. Zij liet nu de ezelin zadelen en gebood den knecht de meest mogelijke haast te maken.
Rechtstreeks begaf zij zich naar den berg Carmel. Reeds in de verte zag de profeet haar aankomen en sprak tot zijn dienaar Giczi : Zie, daar komt de Sunamietische vrouw, loop haar te gemoet en vraag haar: Gaat alles wel met u, met uw man en met uw zoon ? Om zich door Giëzi niet te laten ophouden, antwoordde zij : Alles gaat wel. Voorts op den profeet toesnellende, wierp zij zich voor hem neder en omvatte zijne knieën. Giëzi wilde haar van de voeten zijns meesters verwijderen, doch Kliseüs sprak: Laat haar begaan, want zij verkeert in groote droefheid ; de Heer heeft mij echter de oorzaak hiervan niet geopenbaard. De vrouw begon nu te klagen : Heb ik mijn heer om een zoon gevraagd ? heb ik niet gezegd: spot niet met mij ? Kliseüs, die aanstonds den zin dezer woorden begreep, sprak tot Giëzi : Omgord uwe lenden, neem mijn staf in uwe hand en ga naar den dooden knaap. Indien u iemand onderweg ontmoet, groet hem niet, en indien hij ii groet, antwoord hem niet, maar spoed u vooruit en leg mijn staf op's knapen aangezicht.
Terwijl Giëzi ter uitvoering van dezen last vertrok, bleef de vrouw bij Kliseüs achter ; zij stelde in den dienaar en in den staf geen vertrouwen, maar wilde, dat de profeet zelf met haar zou gaan. Zoo waar de Heer leelt, sprak zij tot hem, en zoo waar uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten (eer gij aan mijn verzoek voldaan hebt). Kliseüs liet zich bewegen, en ging met de vrouw mede.
Toen hij de stad Sunam naderde, kwam Giëzie, die reeds weder op zijn terugreis was, hem te gemoet niet het bericht, dat hij den staf op het aangezicht van den knaap had gelegd, maar zonder gevolg. Dit kon voor Kliseüs geene reden zijn, om zich te laten weerhouden ; hij reisde door, trad het huis der vrouw binnen, sloot de deur achter zich toe, klom naar het bovenvertrek, strekte zich over het daar te bed gelegde lijk uit, in dier voege, dat zijn mond en zijne handen den mond en de handen des dooden raakten, en bl, ef daarmede voortgaan totdat het vleesch van den knaap warm werd. Toen stond hij op, daalde de trap af, liep het huis eenige keeien rond, klom weer naar boven en strekte zich nogmaals over het lijk uit. Eindelijk keerde het leven in den knaap terug; hij geeuwde zeven achtereenvolgende malen en opende de oogen. Thans riep de profeet zijn dienaar en gebood : Breng de vrouw hier. Zoodia zij boven was gekomen, sprak hij: Neem uw zoon en ga. De vrouw gevoelde zich overgelukkig ; de zegen die haar voor altijd scheen ontvallen, was haar teruggegeven.
Kenigen tijd later voorspelde Kliseüs aan dezelfde vrouw, dat er een hongersnood in aantocht was, waarom hij haar den raad gaf naar een ander land te trekken. Sta op, zeide hij haar, ga en verblijf met uw huisgezin elders, waar het u goeddunkt, want de Heer heeft den honger geroepen, en deze zal over het land komen, zeven jaren. De vrouw verliet derhalve haar huis en hare akkers en ging zich als vreemdelinge met de haren neerzetten in het land der Philistijnen.
Kens, toen de hongersnood reeds begonnen was, bezocht Kliseüs (zooals hij meermalen deed) weder de profetenschool te Galgala en sprak op zekeren dag tot een der leerlingen (wiens beurt het was, voor de tafel ie zorgen): Zet den pot ten vure en kook heden voor
246
mjBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
uwe makkers moeskruiden. De toegesprokene begaf zich naar het veld om wilde kruiden te lezen; hij vond een soort van veldpompoen met bladeren als van een wijnstok, plukte de pompoenen er af, verzamelde ze in zijn mantel, sneed ze, te huis gekomen, aan stukken en kookte ze, zonder evenwel te weten, wat hij kookte, want hij kende deze vrucht niet. De leerlingen zeiten zich des middags met den profeet aan tafel, rrnar nog pas hadden zij van het opgediende gerecht geproefd, of zij riepen uit ; Man Gods, de dood is in den pot (het kooksel is vergift). Inderdaad konden zij het niet eten, zoo bitter was het. Nu beval Kliseüs : Brengt mij een weinig meel. Toen dit geschied was, sprak hij: Werpt het meel in den pot. Aldus werd gedaan, en oogenblikkelijk was de bitterheid verdwenen.
Op een anderen dag ontving de profeet van een man uit Uialsalisa twintig gerstebroodjes en een weinig nieuwe tarwe in een reistasch ten geschenke, en hij sprak tot zijnen dienaar ; Geef het den leerlingen te eten. De dienaar antwoordde : Wat beteekent deze kleinigheid, om aan honderd man voor te zetten ? Kliseüs bleef bij zijn bevel: Geef het den leerlingen te eten, herhaalde hij, want dit zegt de Heer: Zij zullen eten en er zal nog overblijven. De dienaar gehoorzaamde, en al de leerlingen werden verzadigd : ook bleef er, volgens het woord des Heeren, van den voorraad nog iets over.
Daarna gebeurde het eens, dat de profetenleerlingen (waarschijnlijk van de profetenschool te Jericho) tot Kliseüs zeiden : Zie, onze verblijfplaats hier is te klein, laat ons dus naar den Jordaan gaan, om daar hout uit het bosch te kappen en er ons eene nieuwe woning te bouwen. Kliseüs antwoordde : Gaat. Daarop verzocht een der leerlingen den profeet hen te vergezellen. Goed, sprak de profeet, ik zal u vergezellen. Toen zij nu gezamenlijk, aan den jordaan gekomen waren en de leerlingen zich ijverig bezig hielden met houthakken, vloog van een hunner de bijl van den steel en viel in de rivier. Met den uitroep: Helaas, helaas! en ik had de bijl nog wel geleend! wendde hij zich tot den profeet, die hem daarop vroeg: Waar is het ijzer gevallen? De leerling duidde hem de plaats aan, en Kliseüs wierp een stuk hout in het water, met het wonderbare gevolg, dat het ijzer onmiddelijk kwam bovendrijven Nu sprak hij tot den leerling: Haal het uit het water. De leerling deed het en had zijn bijl terug.
(J'lijk roods mocrmalon opgomorkt, waren piMrotonlforliiiLr-n on mamioii, tli- zicli ond'r do loitlin^-⢠«ns
profot'ts toolopd((ii op de kennis d- r Wet en op hot zingen i n spclt-n van li'-ilifiquot; lied -rei», ofschoon het huwelijk hun niet verboden was. leefden toch. v )lgens h-'t getnigenis van di-n II. Iliermiyiniis velo pruletenl â 'â¢iiiiig',n van dezen tijd, in navolging hnnnor meesters ICIias on Elisohs, in don ongohuwden staat. Owrigens was ondei' de oude Wet, het huwelijk, om wille der zwakheid van het jood'-cho volk, zells aan tie priesters en levn len geoorloofd.
2. Het weinige meel, dat Kliseüs in den pot liet mengen, kon, natuurlijk, uit /i di /.lt;df de bitt'Te, halfv'-rgiftige moeskruid' n niet smakelijk en gw.ond maken, evenmin als do kleine voorraad brood en tarwe, die in een reistasch ver voord werd, honderd man kon spijzigen In beide gevallen was hot de hand des II eren, di', op het woord zijns dienaars, de genoemde wonderbare uitwerking veroorzaakte.
HOOFDSTUK CXI.
NAAMAN DOOR KLISEÃS VAM ZIJNK MKLAATSCHHK1D GKMKZKN.
^aaman, de legeroverste van Banadad, koning van Syrië, een rijkman, die gt;f bij zijn heer in hoog aanzien stond, wijl hij door zijne dapperheid meermalen T[S-, â¢lt;£-' hst land had gered, werd op zekeren tijd met melaatschheid geslagen. Nu had c.\jl^0 ; Naümans huisvrouw in haren dienst eene jonge dochter, die door Syrische roovers, Vta 0P een hunner strooptochten, als een klein meisje uit het land van Israël was weg-gevoerd. Deze sprak tot hare meesteres! Och of mijn heer eens naar den profeet ging, die te Samaria is. de profeet zou hem ongetwijfeld van zijne melaatschheid genezen. De vrouw verhaalde dit aan haren man, die er vervolgens zijn koning kennis van gaf en
247
BIJRELSCHR GESCHIRDENIS.
vergunning vroeg om de reis te aanvaarden. De koning antwoordde : Ga, ik zal u een brief medegeven aan den koning van Israël.
Nu voorzag Naüman zich van rijke geschenken, bestaande in 20 talenten zilver, 6000 sikkels goud en 10 feestkleederen, en ging, met een talrijk gevolg en met den brief zijns meesters aan den koning van Israel op reis De brief was van den volgenden inhoud : Wanneer gij deze letteren ontvangt, zoo weet, dat ik tot u gezonden heb Naaman, mijn dienaar, opdat gij hem van zijne melaatschheid zoudt genezen. Nauwelijks had Israëls koning deze regels gezien, of hij scheurde zijne kleederen en riep uit: Ben ik dan God, die over dood en leven beschikt, zoodat deze (de koning van Syrië) tot mij zendt, opdat ik den man (den legeroverste) geneze van zijne melaatschheid? Voorwaar, hij zoekt een voorwendsel tot oorlog tegen mij Intusschen had Kliseüs het gebeurde vernomen ; hij begaf zich naar den Koning en sprak: Waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd ? laat den man tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in Israël is
Naiiman trok dus met zijne ruiters en zijne wagens naar het huis van Kliseüs en hield voor de deur stil. Kliseüs zond hem een bode, om hem te laten weten : Ga, wasch u zevenmalen in den Jordaan, en uw vleesch zal zijne gezondheid terugb^koraen, gij zult gezuiverd zijn. Op dit woord ontstak Naaman in gramschap en sprak : I-k had verwacht, dat hij tot mij naar buiten zou komen, dat hij voor mij staande den Naam van den Heer zijnen God zou aanroepen en met zijne hand de plaats, waar mijne melaatschheid zetelt, zou bestrijken, om^mij aldus te genezen Zijn. Abana en Pharphar, de stroomen van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël, en ik zou mij in deze moeten wasschen, om gezuiverd te worden? Dit zeggende ging hij verontwaardigd heen.
Doch zijne dienaren naderden hem en spraken: Vader, indien de profeet u eene moeielijke zaak bevolen had, zoudt gij ongetwijfeld naar zijn woord hebben moeten doen, hoeveel te meer, nu hij u slechts beveelt: Wasch u en gij zult gereinigd zijn. De legeroverste luisterde naar dien raad; hij ging naar den Jordaan, wiesch zich, en na de zevende maal was zijn vleesch zoo zuiver als dat van een pas geboren kind.
Thans keerde hij naar den profeet terug, stond voor hem en zeide : Nu weet ik inderdaad, dat er geen andere God op den ganschen aardbodem is, dan alleen de God van Israël ; ik bid u dus, neem een geschenk van uwen dienaar aan. Kliseüs antwoordde : Zoo waar de Heer leeft, voor wiens aanschijn ik sta ik zal niets ontvangen. En ofschoon Naaman nader op zijne bede aandrong, bleef de profeet onverwrikt bij zijne weigering volharden. Ten laatste sprak Naaman: Laat het dan zoo zijn, maar sta mij, bid ik u, toe, om twee muildieren te beladen met aarde van dit land, teneinde (na daarop een altaar gebouwd te hebben) uw dienaar geen brandoffer of slachtoffer meer opdrage aan de vreemde goden, doch uitsluitend aan den Heer. Nog een verzoek heb ik : wanneer mijn koning naar den tempel van Remmon (een Syrischen afgod) gaat, om daar te aanbidden, en ik, den koning mijn schouder ten steun biedende, evenals hij de knie buig, bid dan den Heer voor uwen dienaar, opdat Hij mij deze daad vergeve, Kliseüs antwoordde : Ga in vrede, en Naaman aanvaardde de terugreis.
Nog had hij zich niet ver verwijderd, toen Giëzi, de dienaar van Kliseüs, bij zich zeiven sprak; Mijn meester heeft den Syriër met te veel verschooning behandeld, door geen geschenk van hem aan te nemen ; zoo waar de Heer leeft; ik ga hem naloopen en iets van hem vragen. Naaman, Giëzi ziende naderen, sprong van zijn wagen, ging hem eenige schreden te gemoet en vroeg : Is alles wel ? Alles is wel, antwoordde Giëzi, maar mijn meester zendt mij u achterna, met het bericht : Kr zijn juist twee profetenleerlingen van het gebergte Ephraïm tot mij gekomen, geef hun een talent zilver en twee feestkleederen^ Naaman sprak: Hut is beter, dat gij twee talenten (voor hen) ontvangt. Hij liet daarop twee talenten in twee zakken doen, voegde er twee leestkleederen bijen gelastte aan twee zijner knechten, het geschonkene voor Giëzi te dragen. Het was reeds avond, toen de drie mannen op reis togen (zoodat niemand hen herkende); Giëzi deed den schat op eene geheime plaats brengen, waarna hij de beide dienstknechten liet lerugkeeren en begaf zich tot Eliseüs-
248
mjBKLSCHR GESCHIEDEN IS
alsof er niets gebeurd was. Doch Eliseüs, die door eene openbaring des Hemels van alles kennis droeg, vroeg zijn dienaar: Vanwaar komt gij, Giiizi ? Uw dienaar, luidde het ml-woord. is nergens heen geweest. Hierop sprak Kliseüs met nadruk : Was mijn hart er niet bij tegenwoordig, loen de man van zijn wagen sprong en u Ie gemoet kwam? (jij hebt zilver en feestkleederen van hem aangenomen, om daarvoor olijfgaarden en wijnbergen, schapen en runderen te koopen en tt van dienstknechten en dienstmaagden te voorzien. Doch tot uw straf zal Naamans melaatschheid u aankleven, u en uw geslacht tol in de verste dagen Oogenblikkelijk werd dit vonnis door den Heer voltrokken ; want pas had de profeet zijn laatste woord gesproken, of reeds was Giczi wit van melaatschheid.
1 Dö wyiisclio koning srhreof nan Joram, koning van I-raol, bov^n 'ciio 'mdon hrli'lquot;. in de ini-ening, dat c n vorst niet alleen in tijdelijke, maar ovenzeiT In goddelijke zaken t * hevelen had n dat .loiam slechts Iji lioi-fdt! Ui r-pr'K'-n, om ópgenbiikkolijk lOliscü-? als ^i-hoo.v.ain mj dienaar tot etin wondiM werk h'r -id t'; vind-n Ook aan sommig ⢠vorston en staatsmannen van onzen lijd is deze Syrische donkwijze niet vroomd '/ij Ir-jiroevon In-t althans, di-n manii'11 (imls, don bisschoppen en priesters, di- rogels voor U' sehnivcn, naar \v -Iko lt;1 ⢠h )vennaltmrlijke gfnad»middtd-'n a:in h l volk zouden moeten worden uitgedeeld of onthouden. Koning Joram, hocz.'or overigens op sh-rhte Ai-gfii waml -l 'n llt;' fii d- n valschen g den aanhangemie, was b .⢠ter ingidi dit ; hij zond N.iiiman eerst dan tot K is' iis. toen d /. - nit «'ig.-n b-wouing dit goedgevonden had. Niiilmnn schoen in dt'n boginne wtd oenigszins van In t ^. vorl n zijns konings U'. w / â n. want hij eisehte (Jat de profeet tot h un, als /ijinle (jen on?/.igw.'kki'iid.! persona oorbh.'dig naar i»uit-'n z-oi kmii m. en li -m oj» vooraf bepaalde wijze zou gonczi ii. Om liem van dien waan terug b' brengi-n. verwaardigd'- lili^'ii- /.leb hi t. van /ijn zetel op te staan; hij zond den Syrü-r slechts im-ii bode; wild - Naiimau dit ui t voor ütl' manen, dan kon bij oa^en â /.-â n heengaan.
2. Naiimau moest krachtens liet door hem bi-kleedquot; ambt zijn Koning, wanneer deze naar 1» anmons t«Mn|)'I ging. vergezellen en kon, wanneer de vorst in aanbiilding in derkni dde, niet blijven staan, (nndat d ⢠cfr-t ⢠op /'Jus ilicaaars schouder leunde. Ofschoon cbj legeroverste, m't (Lm koning ne(l(;r\ni dende, bi üdoor geene aanbhbliag van den al'g »d b ⢠doelde, daar hij voortaan den waren God aLeen wilde dienen, gi-vo ld - hij toch z it, dat zijae d.iad om haar uit(!i !iiken sehijn, niet goed was en vergeving noodig had, weshalve liij den profe 't om zijne voorbfMi.' ver/odit. Kliseüs richt tquot;t den verzoeker den gewonen afscheidsgroet: ga in vredequot;, m uir b au'.wnordt zijn ⢠vraag niet. oaidat, als hij lean in eens al te zware lasten oplegde, de ni -uw Inke a'de wellicht zou terug^ ïschrikt zijn ; langzam â¢rhand zou d* g made Gods den moed en de kracht des Syriërs sterken. Missehieu ook voor/ag ile prof' t, dat dquot; koning voortaan den bedoelden dieus' niet meer van zijn legeroverste zou vorderen.
3. De twee talen'en zilver, door Giezi ontvangen, stonden gelijk met ongaveer 8472 gld, van o;ize munt.
HOOFDS TUK CXU.
DE SYRISCHE SOLDATEN DOOR ELISKÃS JUNNKN SAMARIA GEVOERD. OORLOG MET SYRIÃ. HONGERSNOOD TE SAMARIA.
Mik -kkk
Jp zekeren lijd (misschien reeds voor de genezing van N aam an) was Benadad, koning van Syrië, in oorlog geraakt met Joram, koning van Israël; hij beraadslaagde â over het te volgen krijgsplan met zijne dienaren en besloot eindelijk op eene bepaalde plaats eene afdeeling volks in hinderlaag te leggen. Nog maar kort was dit besluit genomen of Eliseüs verwittigde er Joram van, die aanstonds optrok en de aangeduide plaats met zijne troepen bezette. Toen zich deze geschiedenis meermalen herhaalde, begon koning Benadad achterdocht te koesteren ; hij belegde opnieuw een krijgS' raad en sprak tot zijne dienaren : Waarom wijst gij mij niet aan, wie mijn verrader is bij den koning van Israël? Een der dienaren antwoordde: Zoo draagt de zaak zich niet toe, mijn heer en koning, maar de profeet Eliseüs die in Israël is, maakt Israels vorst alle woorden bekend, die gij in uwe binnenkamer spreekt. Daarop beval de koning : Gaat en onderzoekt, waar Eliseüs zich bevindt, opdat ik mannen afzende, die hem gevangen nemen. Weldra berichtten de dienaren: Zie, hij bevindt zich te Dothan (eene stad niet ver van de Israëlitische hoofdstad Samaria). Nu zond Benadad eene met vele wagens en ruiterij uitgeruste legeraf-deeling, die het grondgebied van Israël binnenviel en des nachts de stad Doihan omsingelde.
32
240
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Des morgens vroeg, bij zijn ontwaken, zag de dienaar van Eliseüs wat er gebeurd was, liep naar zijn meester, deelde hem zijne bevinding mede en riep uit : Ach, ach, mijn heer, wat zullen wij beginnen : De profeet antwoordde : Vrees niet, er zijn meer strijders met ons, dan de Syriërs bezitten. Daarop bad hij : Heer, open toch de oogen van mijn dienstknecht, opdat hij zie. De Heer verhoorde dit gebed en de knecht zag den geheeien heuvel (waarop de stad lag) bezet met vurige ruilers en vurige wagens, die Eliseüs omringden.
Eenige oogenblikken later, toen de vijand zich voor de poort vertoonde (om KLseüs op te eischen) bad de profeet ; Heer, sla dit volk met blindheid (met zinsbegoocheling). De Heer deed het, zoodat Eliseüs, zonder gevaar van herkend Ie worden, tol de Syriërs naar buiten ging en sprak : Dit is niet de weg, noch de stad ; volgt mij, ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Nu geleidde hij hen naar Samaria, en zoodra zij daar binnen waren, bad hij : Heer, open hunne oogen, opdat, nj zien. Ook dit gebed werd verhoord, en de verbaasde Syriërs ontwaarden tot hun schrik, dat zij zich in de Israëlitische hoofdstad bevonden, te midden van eene hun vijandige bevolking en van het koninklijk leger. Mijn vader, sprak koning Joram. zal ik hen ombrengen ? Neen, antwoordde de profeet, gij zult hen niet ombrengen, want gij hebt lien niet door uw zwaard en uw boog gevangen genomen ; zet hun brood en water voor, opdat zij eten en drinken en naar hun meester terugkeeren. Joram voldeed aan dit bevel; de Syriërs keerden naai liun meester terug en in den eersten tijd kwamen geen vijandelijke legerafdeelingen meer het grondgebied van Israël door strooptochten verontrusten.
Niet lang echter mocht die gelukkige toestand duren, Benadad, koning van Syrië, verzamelde zijne gansche krijgsmacht, trok tegen Israël op en sloeg het beleg voor Samaria, Hierdoor klom de hongersnood (die zeven jaren ook het geheele land drukte) in de hoofdstad tot zulk eene ontzettende hoogte, dat een ezelskop er verkocht werd voor tachtig, en een vierde maat duivenboonen voor vijf zilverlingen. Toen dan ook de koning op zekeren dag over den stadsmuur ging, riep eene vrouw hem toe : Red mij mijn heer en koning 1 joram antwoordde ; Als de Heer u niet redt, hoe kan ik u redden ? van mijn dorschvloer of mijn wijnpershuis ? (beide zijn ledig.) Dairna vroeg hij verder: Wat wilt gij, dat ik voor u doe? Nu ze'te de verzoekster hem hare belangen uiteen, üp eene andere vrouw wijzende, sprak zij : Deze vrouw zeide voor een paar dagen tot mij : Laat ons heden uw zoon eten, morgen zullen wij den mijne nemen. Wij hebben diensvolgens mijn zoon gedood, hem gekookt en gegeten, doch toen ik den volgenden dag zeide : geef thans uw zoon, weigerde zij en verborg hem. Op het vernemen dier woorden, scheurde de koning zijne kleederen en alle omstanders zagen, dat hij op zijn naakt lichaam een haren boetkleed droeg.
Intusschen loonde hij, dat met dit kleed de geest van boetvaardigheid nog niet in hem was gekomen ; (meenende dat Eliseüs, de bevrijding van Samaria voorspellende, hem misleid had, of dat het Benadad met den oorlog alleen om den profeet te doen was) sprak Joram : God moge mij treffen, als heden het hoofd van Eliseüs nog op zijn romp blijft staan 1 Terzelfder tijd gaf hij een zijner dienaren bevel, heen te snellen en overeenkomstig dit woord te handelen. Nog eer de dienaar, die zich aanstonds op weg begaf, uit het huis van Eliseüs gezien kon worden, sprak de profeet lot een der oudsten, die hem omringden ; Weet gij, dat deze moordenaarszoon (wiens ouders, Achab en Jezabel, de profeten en Naboth vermoord hebben) iemand hierheen heeft gezonden, om mij het hoofd af'te slaan ? Sluit dus de deur en laat den man niet binnen, want ik hoor reeds het geluid der voet-' stappen zijns meesters achter hem. Pas had de profeet dit woord gezegd, of de afge-zondene stond voor de deur en vlak achter hem naderde Joram (om het gegeven bevel te herroepen, of minstens, voor het werd uitgevoerd, eerst met den profeet te spreken). Zie, zeide hij tot hem, zoo groote ramp (dat zelfs moeders hare kinderen eten) heeft de Heer over ons doen komen; wat kan ik nog van den Heer hopen? Eliseüs antwoorde : Hoor het woord des Heeren ; dit zegt de Heer ; Morgen op dezen tijd zal in de poort van Samaria een scab (ongeveer 14 liter) meel verkocht worden voor een zilverling en twee seah gerst
250
BIjrSELSCHE GESCHIEDENIS.
voor denzelfden prijs. Een der legerhoofden, die den koning gevolgd was, waagde het den profeet de aanmerking te maken : Al liet de Heer koren uit den hemel regenen, toch kan hetgeen gij zegt niet geschieden. Eliseiis gaf den hoofdman, hem hiermede tevens de straf van zijn ongeloof aankondigende, ten antwoord: Gij zult met uwe oogen den overvloed zien, maar er niet van eten.
Alras ging deze dubbele voorspeiling hare vervulling te gemoet. Vier melaatschen, die in het begin van den nacht voor de poort van Samaria zaten, spraken onder elkander ; Waarom zouden wij bij de onzen blijven, totdat wij van gebrek omkomen ? Zoowel in de stad als hier buiten wacht ons de hongerdood ; laat ons derhalve naar de legerplaats der Syriërs gaan; sparen zij on», dan behouden wij het leven, brengen dj ons om, welnu, hier moeten wij toch sterven. Zij begaven zich dus in het donker op weg. Ter plaatse gekomen, waar zij dachten, dat de Syrische voorposten stonden, troffen zij er geen enkelen soldaat meer aan. De Heer had namelijk even te voren in het vijandelijke kamp een ge-druiscli doen vernemen, alsof eene groote menigte wagens en voetvolk naderde. Hierdoor in den waan gebracht, dat de koning van Israël hulptroepen van naburige volken tegen hen had gehuurd en zij in den nacht overvallen werden, waren de Syriërs met zooveel overhaasting op de vlucht gegaan, dat zij, slechts op het redden van hun leven bedacht, hunne tenten, hun spijs en drank, hunne lastdieren en hunne verdere have hadden achtergelaten. De vier melaatschen, het kamp onbevolkt vindende, ofschoon zij er de reden niet van begrepen, gingen een der tenten binnen, aten en dronken tot zij verzadigd waren, maakten zich daarna van eene menigte gouden en zilveren voorwerpen en kleederen meester droegen hun buil weg, verborgen dien ergens in den omtrek en keerden voorts terug, om met eene andere tent op dezelfde wijze te handelen. Kindelijk echter spraken zij tot elkander; Wij doen niet wel; het is immers heden een dag van blijde tijding; blijven wij de zaak verzwijgen, dan zal men ons dit tot misdaad aanrekenen; komt dus, laat ons gaan en onze bevinding den koning bekend maken. Zij begaven zich met dat doel in den eersten morgenschemer op weg en deelden het heuglijk nieuws aan de poortwachters mede, die zich onmiddellijk naar het paleis spoedden.
Verrast door de onverwachte boodschap, sprong de koning van zijn legerstede op, maar na eenig uadenken een krijgslist vreezende, sprak hij tot zijne legerhoofden; Ik zal u zeggen, wat de Syriërs gedaan hebben: zij weten, dat wij met hongersnood gekweld worden, daarom hebben zij de legerplaats verlaten en zich op het veld (lusschen struiken en heuvelen) verscholen, bij zich zeiven denkende: als de Israëlieten zich buiten de stad wagen (naar de legerplaats) zullen wij hen krijgsgevangen maken en kunnen wij zonder tegenweer de stad zegevierend binnentrekken Een der hooiden antwoordde den koning: Laat ons de vijf paarden nemen die wij nog bezitten â de andere waren alle opgegeten â en op verkenning uitgaan. In plaats van vijf gingen slechts twee ruiters op verkenning uit; zij doorzochten den omtrek in alle richtingen tot aan den lordaan, maar zonder een enkelen vijand te ontmoeten; integendeel droeg de weg, die met weggeworpen kleedingstukken en kostbaarheden als bezaaid was, de duidelijkste sporen, dat hier inderdaad eene ernstige overhaaste vlucht had plaats gehad. Zoodra de beide ruiters met dit bericht te Samaria waren teruggekeerd, stormde het volk naar buiten, plunderde het van leeftocht rijk voorziene vijandelijke kamp, en inderdaad werd dien dag, zooals Eliseiis voorspeld had, een seah meel verkocht voor een zilverling en twee seah gerst voor gelijken pi ijs. Om wanorde te voorkomen, werd een hoofdman, dezelfde die daags te voren het woord des profeets in twijfel had getrokken, door den koning bij de poort op wacht gesteld, doch tengevolge van den geweldigen aandrang des volks geraakte hij onder den voet en werd vertreden : hij had met zijn oogen den overvloed gezien, maar er niet van gegeten.
Ten laatste was ook de algemeene hongersnood, die zeven jaren lang dojr het gansche land van Israël geheerscht had, geëindigd, en de vrouw uit Sunam, die op raad van Eliseiis in het begin van de ramp de wijk had genomen naar de Philistijnen, was thans naar Israël
251
niJBKLSCHF, GESCHTF.DENTS
teruggekeerd. Daar inmiddels haar luiis en hare akkers, als verlaten goed, door anderen in be^it genomen waren, besloot zij recht te zoeken bij den koning. Juist, toen zij zich met dat doel naar het paleis begaf, stond de koning met Giezi te spreken en vroeg hem onder meer: Verhaal nij al de groote daden, die uw meester Eliseüs verricht heeft. Giëzi verhaalde hem nu, hoe de profeet den zoon eener vrouw, die hem steeds vriendschap en gastvrijheid had bewezen, van den dood had opgewekt, toen hij midden in zijn gesprek plo:seling dc vrouw aan de poort van het paleis bespeurende, uitriep ; Mijn heer en koning, dit is de vrouw, en zij heeft haar zoon bij zich! De koning liet haar oogenblikkelijk voor zicli komen, ondeiliield zicii niet haar en gaf haar bij haar vertrek een zijner hovelingen mede, wien hij dtn lasl gaf te zorgen, dat al hare goederen haar werden teruggegeven.
Kenigen lijd daarna reisde de profeet Kliseüs naar Damascus, de hoofdstad van Syrië Zoodra de dienaren van koning Benadad dit vernamen, berichtten zij hun meester, die ziek te bed lag: De man Gods is hier. Benadad (zich ongetwijfeld de wonderbare genezing van zijn legeroverste Naaman door Eliseüs herinnerde) sprak op het ontvangen bericht tot een zijner voornaamste dienaren, Hazaël: Voorzie u van geschenken en ga tot den man Gods, om door hem den Heer te raadplegen, of ik van mijne ziekte zal herstellen.
Ingevolge dit bevel bracht Hazaël eene menigte kostbare zaken, die Syrië opleverde, bijeen, laadde ze op veertig kameelen en begaf zich naar de plaats, (het plein of het huis) waar Eliseüs zich bevond. Voor den profeet staande sprak hij eerbiedig: Uw zoon Benadad, koning van Syrië, zendt mij tot u met de vraag: Zal ik van mijne ziekte herstellen ? Eliseüs antwoordde: Ga en zeg hem: Gij zult (van uwe ziekte) herstellen Echter, ging de profeet tot Hazaël sprek ende voort, heeft de Heer mij geopenbaard, dat Benadad (door eene andere oorzaak) zal sterven. Na dit gezegd te hebben, zag de profeet Hazaël met strakken blik aan en begon te weenen. Hazaël vroeg hem: Waarom weent mijn heer? Omdat ik weet, antwoordde Eliseüs, wat al kwaads gij den kinderen Israels zult doen: gij zult hunne ommuurde steden in brand steken, hunne jongelingen met het zwaard doorboren, hunne kinderen verpletteren en hunne vrouwen door midden klieven Hoe zou, vroeg Hazaël, ik, uw dienaar, die slechts een hond (een onbeduidend persoon) ben, deze groote dingen kunnen doen? De Heer, antwoordde Eliseüs kortweg, heeft mij geopenbaard, dat gij koning van Syrië zult worden.
Hazaël keerde alsnu naar zijn meester terug, die hem aanstonds vroeg ; Wat heeft Elistüs u gezegd? Hij heeft mij gezegd, luidde het antwoord, dat gij (van uwe ziekte) herstellen zult. Reeds den volgenden dag echter nam hij (Hazaël een deken, maakte die vochtig, spande haar (zonder dat iemand het zag) over Benadads gelaat en verstikte hem. Na Benadads dood werd Hazaël (die zich waarschijnlijk bij het volk en het leger bemind had weten te maken) tot koning uilgeroepen.
l i zijn verscliillendr rodencn, wanrom vclo uitlojr^ers mecncn, dnt ln.tgoon in liet eerste gedeelte van dit hoofdstuk vcrlin.'ild is, moe l gebeurd zijn voor do g nczing vnn N iiman. Ken dim- redenen is liet mondgesprek van Giëzi niet den koning Isnii-I. Giö/.i loch was om zijne vrekkige handelwijze» npzlditens Naiimnn met molaatschheid gestraft en, tenzij men jijiiim niquot; dat hij boelvanrdiglieid gepleegd en danrdoor vergilVi nis en genezing van God verworven heeft, mocht hij niet in quot;skonings oniniddellijke nahijln-id komen. De Wet immers gebood den melnatsehen eiken miuwen omgnng met andere menschen b- veimi den en zich steeds op eenigen afstand te houden, om de ziekte niet over te planten.
ICIiseus, met nnn «ie Syrische soldaten voor Dothiin te zeggen ; »clit is niet de weg noch de stad,quot; maakte zich aan geen leugentaal schuldig. De gesprokene woorden waren wel duister en onbestemd, maar behelsden geene bepaalde onwaaiiieid; nn n kan ze evengoed aanvullen: «dit is niet de stad, waar Got/ wil, dat gij zijn zultquot;, als: »de stad, die IjiJ bedoelt.quot;
Do H. Schrift is over Henadads dood niet helder, liet blijkt namelijk met geen genocgzan e zekerheid, of Haz ël Benadad het.'ft doen stikken, dan wel of de koning zelf, inisschifii in een koorts, die hem zware hoofdpijnon veroorzaakte, zich een natte deken of doek op het hoofd en gelaat gelegd en daardoor zijn dood gevonden beeft. Er zijn nit-leggers, di-- dit la;i:ste aannemen.
Benadad moef ongetwijfo d tamelijk oud zijn geweest, want bij regeerde reeds-tijdens de eerste jaren van Achab. Dat llazaül bom tegenover Eliseüs izoonquot; noemt, is hiermede niet in strijd; dergelijke beleefdheidsuitdrukkingen treilen wij in de II. Schrift meermalen aan.
BTJBRI.SCHE GESCHIEDENIS. 253
HOOFDSTUK CXI1I.
jORAM EN OCHOZIAS, KONINGEN VAN JUDA. HKVRIJDWG DER EDOMFETEM.
ji^e godvruchtige Josapliat, die den troon van Juda beklommen had in het vierde ]gt;f jaar der regeeiing van Achab en gelijktijdig met dezen vorst en de twee volgende koningen van Israël, Ãchozias en Joram, regeerde, werd eindelijk, na een vijf si^Q : en twintigjarig bestuur tot zijne vaderen verzameld en naast hen begraven in Davids yit stad. Nog hij zijn leven (naar de waarschijnlijkste berekening twee jaren voor zijn dood) had hij zijn oudsten zoon Joram, die met Athalia, de dochter van Achab en Jezabel gehuwd was, tot medebesluurder des rijks verheven en aan zijn zes overige zonen geschenken van goud en zilver, een vast jaargeld en verschillende steden in Juda geschonken. Na zijns vaders dood behield Joram den troon, zoodat Israël en Juda thans koningen hadden van denzelfden naam.
Door zijn vrouw tot allerlei kwaad aangezet, regeerde Joram zeer goddeloos. Al aanstonds liet hij (wellicht uit vrees, dat het volk hem om zijne slechte daden zou verjagen en etn zijner zes broeders ten troon zou verheffen) al deze broeders vermoorden, benevens eenige andere voorname personen zijn rijks, die hij meende, dat hem in den weg stonden. Van nu af gaf hij zich geheel over aan zijne verkeerde neigingen en aan den invloed van Athalia, zoodat zijn gedrag niets beter was dan dat der verdorvene koningen van Israël , hij verliet den God zijner vaderen, richtte in verschillende steden en zelfs te Jerusalem heiligdommen op voor de afgoden en dreef zijn volk daarheen.
Een der eerste straffen, die de Heer hem voor deze gruweldaden overzond, was het verlies van het land van Edom. Tot op dien tijd waren de Edomieten aan Juda onderworpen en schatplichtig geweest; thans vei hieven zij de vaan des oproers en stelden een onaf hankelijken koning aan hun hoofd. Om hen weder tot onderwerping te dwingen, trok Joram met zijne strijdwagens en zijn leger den Jordaan over en rukte naar de stad Seira op Wel gelukte het hem, zich des nachts door het leger der Edomieten, dat hem reeds omsingeld had, heen te slaan en den vijand op de vlucht te drijven, maar hij kon niet beletten, dat Fdom ten slotte zich van de opperheerschappij van Juda vrij vocht en een onafhankelijk volk werd. Terzelfder tijd viel ook Lobna (eene stad van Juda op de grenzen van Edom) van Joram af
Ondanks deze verliezen bleef de koning in zijn zondig leven volharden. Er werd hem daarom (door een ongenoemde) een brief gebracht van den (reeds eenige jaren ten hemel opgenomen) profeet Elias. In dien brief had de profeet geschreven : Dit zegt de Heer de God van uwen vader David : Omdat gij niet gewandeld hebt in de wegen van Josaphat, uw vader, en van Asa uw grootvader, beiden koningen van Juda, maar den weg zijt gegaan der koningen van Israël, en in navolging van Achabs huis het volk van Juda en Jerusalem den waren God hebt doen verlaten; omdat gij daarenboven uwe broeders, de zonen uws vaders, die beter waren dan gij. hebt omgebracht: zie, zoo zal de Heer u en uw volk, benevens uwe zonen en uwe echtgenooten en al wat gij bezit met rampen slaan, terwijl gij zelf zult getroffen worden door eene afzichtelijke buikziekte, welke uwe ingewanden langzaam, dag voor dag uit uw lichaam zal doen vallen.
Deze strafbedrijving werd letterlijk van het begin tot het einde vervuld. Eerst werd de halsstarige getroffen in zijn volk (dat, door hem verleid, in zijne zonden had deelgenomen) en in zijn huisgezin. De Phiüstijnen, vereenigd met de Arabieren, wier land aan dat der Ethiopiërs grensde, deden een inval in Juda. verwoestten de akkers, plunderden de steden en het koninklijk paleis en doodden des konings vrouwen en zonen, behalve zijne vrouw Athalia en zijn jongsten zoon (die zich waarschijnlijk op dit oogenblik elders bevonden).
BIjBFLSCHF, GESCHIEDENIS.
Toen ook begon in zijne ingewanden de hem door den profeet voorspelde vieeselijke ziekte te woeden, die hem twee jaren kwelde en uitmergelde, totdat ten laatste de dood aan dit droevig bestaan een einde maakte. Acht jaren in het geheel had Joram geregeerd (ruim twee jaren met zijn vader en bijna zes jaren alleen. Eene luisterrijke begrafenis, als waardoor men de nagedachtenis zijner vaderen geëerd had, viel aan dezen goddeloozen vorst niet ten deel; geene welriekende kruiden werden bij zijn lijk gebrand en zelfs keurde men hem onwaardig om in het koninklijk graf ter ruste te worden gelegd.
Jorams opvolger was zijn jongste en eenig overgebleven zoon Ochozias. Twee en twintig jaren telde deze vorst, toen hij den troon van Juda beklom ; hij regeerde slechts één jaar, mair bedreef gedurende dat korte tijdsbestek veel kwaad in de oogen des Heeren vooral tengevolge van den invloed, door zijne moeder, de goddelooze Athalia, op hem uitgeoefend. Zij wist hem daarenboven te omringen met raadslieden uit Achabs huis, die hare plannen en inzichten deelden en hun jongen meester met rassche schreden zijn verderf te gemoet voerden.
Zoo stonden de zaken in het rijk juda, toen Joram, koning van Israël, de broeder van Athalia en oom van Ochozias, in oorlog geraakte met Hazaël, den nieuwen koning van Syrië, Hazaël deed een inval in het landschap Gelaad over den Jordaan, waar de zonen van Ruben, Gad en van den halven stam van Manasse woonden, en sloeg het beleg voor de stad Rntnoth. joram toog met een leger derwaarls, en Ochozias sloot zich met eenige hulptroepen uit Juda bij zijn oom aan. De Syriërs weerden zich dapper, zelfs zoo, dat Joram zwaar gewond werd en, na het bevel aan zijn hoofdman Jehu te hebben overgedragen naar zijn zomerpaleis te Jezrahel vertiok, om van zijne wonden te herstellen, Eenige dagen later (inmiddels werden de Syriërs geslagen en keerden zij naar hun land terug) begaf Ochozias, teneinde zijn oom een bezoek te brengen, zich insgelijks naar Jezrahel (waar ook de nog altijd in leven zijnde jezabel woonde). Deze reis werd voor hem de aanleiding lot zijn vroegtijdigen dood : met zijn oom en grootmoeder werd hij (zooals uit het volgende hoofdstuk nader zal blijken) door Jehu om het leven gebracht.
1 Aó n^r;i :i mlt; den brief, de or Klias jinn .lonini, koniiu van .) iiil;i, don vad'T van Oclio/.ias, gcschrovon. zijn ilo uit-|t';.r^t rs lid ui t ⢠i ns. Sumn i.i u willm, dut niet Klias d â Tlic M t. rn;i:ii' â¢â¢en andcro protVi-l van dt'i./'dldcn luiani do fclinjvt r zon zijn. Dit p vooIcm lt; dd. i . .dijk liovm ivcd- wwrl ;iai»^odind, vrij onwaaigt;â liijnlijk. Kene Iwcctlc r j van nitic^gt'is srtolt w. i lirn brift' lt;»p luimn \;iii dgt; n 'l li n i t, ni.iiir nK'ciit, dat liij h' in gcstdirovon zon lodtlx n loon hij nog lt; I» aarde vrrlv«ord«' en ln-m tot d n ^ -.(nnd a tijd Ier bcwiiiing zon hebhon i'-^i vrn ailjf) etm vi rlronwdcn jiersoon, Elntiis l/v. M t hot ot»- op (!-â p i (.lei i-tdie voorwet rn-chnp v.m den Thoshirt. ilt; dit govrli'ti ui t van ^rond ontbloot.
i ' dn dr 11!1 â 1 i: i l' i iad I |k wil. d,,i. .:lt;⢠hri- f i ⢠. hl-Ir. . L- nquot;.!, ib u lilt; nu 1 /'in ^c/undrii /ijn 'quot; n jj' vailo was df! bin 1' «.lit; .lornin kun dit wol.n f'odr voi Ii|l, in,^ mot ü mbro w.dlicbt n'h. â¢â¢ laa ml-' }.V ^'brirton van dozolfdi^ linnd. on vooral bit ( j\ b( t latlt;r, toer. do Iquot; dr. L in^. n. die or in vorv;it waron t-it do laat I â lolt.r mot (Jo groots to nanwkourigbeid vervuld wonb-n
- Do lidoiid.-ton w.noa do n:dlt;i'im lii ^on \;iii K-:ui. ook i'm .m lcli'-i lon. llnnm' Jiriiarik.'lijkho'nl van .i. cobs niifiiv slaoht al.'inodo hunno bovrijdiajj wan-a door l-;.;! ⢠. ; K an vouispold â zio hoofdstak 10.
HOOFDSTUK CXIV.
JKHU, TOT KONING VAN ISRAÃL GEZALFD,
â UITROEIING VAN ACHABS MUIS EN VAN DE BAALSPRIESTERS.
âlt; gt; â ^ -
254
B^6sgt;4.ortcn tijd nadat het leger, waarvan joram het opperbevel aan Jehu had overge-
dragen, de stad Ramoth (na de Syriërs verdreven te hebben) was binnengetrokken)
sprak Elistüs tot een der profetenleerlingen : Omgord uwe lenden, neem dit 5\lc. kruikje met olie in uwe hand en begeef u naar Ramo'h-Galaad, waar gij Jelui zult 'Jv\ vinden. Roep hem uit het midden zijner wapenbroeders naar een afzonderlijk vertrek, c ( giet de kruik met olie uit op zijn hoofd en spreek ; dit zegt de Heer: Ik heb u gezalf tot koning ever Israël. Daarna moet gij de deur openen en onnjiddelijk weer heengaan ; toef daar niet.
BTJBELSCHF, GESCHIEDENIS
De profetenleerling begaf zich alsnu op weg, en te Ramotli gekomen, vond hij de legerhoofden bijeen. Hij trad de vergaderplaats binnen en zeide ; Ik heb een woord tot u, bevelhebber. Jehu vroeg : Tot wien van ons allen ? Tot u, bevelhebber, klonk het. nogmaals. Jehu ging dan met den profetenleerling mede, en zoodra zij alleen waren, goot laatstgemoemde hem de olie op het hoofd en sprak : Dit zegt de Heer de (iod van Israël; ik heb u gezalfd tot koning over 's Ile.ren volk Israiil; gij zult het huis Achabs, uws meesters verslaan, opdat ik het bloed mijner profeten en van al mijne dienaren op jezabel wreke. Geheel het huis Achabs zal ik verdelgen, tot den Liatsten man; ik zal aan dit huis doen, gelijk ik gedaan heb aan het huis van Jeroboam en aan het huis van Baiisa. jezabel zullen de honden verslinden op het veld van Jeznhel, en er zal niemand gevonden worden die haar^ begraaft â Met deze woorden had de profetenleerling zijne zending volbracht en verwijderde zich.
Zoodra Jehu bij zijne onderbevelhebbers was teruggekeerd, vroegen zij hem: Is alles wel; wat had die dwaas u te zeggen? jelui (hetzij om de waarheid te verhelen, hetzij hij spotternij vermoedde) gaf den ondervragers ten antwoord: Gij kent den man en weet wat hij gesproken heelt (gij begrijpt, wat een dwaas te zeggen kan hebben â of: het is immers uw werk, gij hebt hem toch zeiven gezonden). Dat is onwaar 1 riepen zij uit, verhaal ons de zaak Jehu deelde hun nu het voorgevallene mede en op de eerste plaats het woord : Dit zegt de Heer : Ik heb u gezalfd tot koning over Israi1!. Ijlings stonden thans de onderbevelhebbers (die hun overste zeer genegen waren) van hunne zitplaatsen op, rukten hunne mantels van de schouders, spreidden die op den grond tot een kleed voor Jehu s voeten, en riepen hem met geheel het leger onder bazuingeschal tot koning uit.
Jehu's eerste zorg was, de poorten van Ramoth te doen sluiten, opdat niemand de stad zou verlaten om te Jezrahel, waar Joram en Ochozias zich bevonden, het gebeurde bekend te maken (want hij wilde Joram overvallen). Met dit oogmerk gaf hij links en rechts zijne bevelen, deed zijn paard zadelen en reed met eene bende ruiters (terwijl misschien het overige leger moest volgen) naar Jezrahel.
De wachter op den toren dier stad zag in de verte de ruiterbende aankomen en gaf er den koning kennis van. Oogenblikkelijk zond Joram een zijner dienaren met een wagen uit, om te vernemen, wie het waren, die daar naderden. Zoodra de dienaar hen bereikt had, sprak hij: De koning laat vragen, of alles in vrede is. Wat vrede! antwoordde Jelui, voeg u bij mijn gevolg. De man deed het, en de torenwachter, dit in de verte ziende, berichtte het den koning, die onverwijld een tweeden dienaar uitzond Middelerwijl met dezen hetzelfde gebeurde als met den vorigen afgezant, waren de ruiters zoover genaderd, dat de torenwachter tol den koning riep: Ook deze bode keert niet terug, maar ik herken Jehu. Toen de koning hoorde, dat het zijn legeroverste was, reed hij (misschien om hem als overwinnaar te verwelkomen) hem met zijn wagen te genioet, en Ochozias, insgelijks zijn wagen bestijgende, volgde zijn oom.
Dicht bij de stad, op den giond, die eens aan Naboth had behoord, en nog Naboths akker genoemd werd, troffen de beide koningen Jehu aan, Joram riep hem toe: Is het vrede Jehu? Wat vredel antwoordde hij; nog zijn de afgoderij en de tooverij uwer moeder Jezabel in vollen gang! Op het hooren dezer onheilspellende taal deed Joram door een forschen ruk aan de teugels zijn wagen keeren en riep, zich tot Ochozias richtende: Verraad, Ochozias! Zijne poging om te ontvluchten kon hem echter niet meer baten: Jehu zond hem een pijl na, die hem door den rug en het hart ging, zoodal hij onmiddellijk dood op zijn wagen ineen zeeg. Neem hem van den wagen af, beval Jehu aan zijn hopman Hadacer, en werp hem op Naboths akker, want ik herinner mij, dat toen gij en ik met zijn vader Achab hier waren, het strafvonnis des Heeren over hem werd uilgesproken, luidende: Voorwaar, het bloed van Nabolh en het bloed zijner zonen zal ik aan u wreken op dezen akker. Werp hem dus op dien akker, ging Jehu voort, opdat het woord des Heeren vervuld worde.
Terwijl dit met Joram geschiedde, gelukte het Ochozias, zich aanvankelijk door de
BIJBELSCHF, GRSCHIKDKNIS.
vlucht te redden ; doch Jehu beval eenigen zijner ruiters hem te achtervolgen en hem op zijn wagen dood te slaan. Zij sloegen hem, maar daar de wonden, die hij ontving, hem niet aan het leven gingen, kon luj vooreerst nog ontkomen en zicht eene korte wijle scluiil-houden, totdat hij ten laatste gegrepen en te Mageddo gedood werd. Zijne dienaren brachten het lijk huns meesters op zijn wagen naar Jerusalem en begroeven het in de koninklijke begraafplaats op den berg Sion, uit aanmerking der groote verdiensten van Josaphat, wiens kleinzoon de doode was.
Inmiddels maakte Jehu zich gereed, met zijne ruiterschaar Jezrahel binnen te trekken. quot;Vlak aan de poort woonde Jezabel, de gewezen vrouw van Acbab en moeder van Joram, Door hare dienaren van al wat ei voorviel verwittigd, smukte zij zich bij Jehu's nadering het hoofd, olankette haar gelaat (niet om te behagen, maar om eerbied en ontzag in te boezemen) en blikte, zoodra Jehu zich aan de poort vertoonde, met trotsche verachting uit het venster van een der bovenvertrekken van haar paleis op hem neder. Kan het, riep zij hem toe, een Zambri wel gaan, die zijn meester vermoordde? Jehu keek naar boven, om te vernemen vanwaar de stem kwam, en de vrouw ziende, riep hij: Wie is deze? Op dat woord bogen zich voor hem twee of drie kamerdienaren, die zich bij Jezabel bevonden. Werpt haar naar beneden 1 beval hij. De kamerdienaren deden bet, en Jehu liet de trotsche vrouw, de moordenares van zoovele profeten des Heeren, onder de hoeven zijner paarden vertreden, zoodal haar bloed tegen den muur spatte. Daarna reed hij door. Kenige oogen-blikken later, toen hij zich aan tafel zette, om te eten en te drinken, kwam Jezabel hem weder voor den geest en hij gebood: Gaat naar die vervloekte zien en begraalt haar, want zij is eene koningsdochter. Het laatste gedeelte van dit bevel kon echter niet meer worden uitgevoerd; de manschappen, die het moesten volbrengen, keerden terug met het bericht, dat van het lijk nog slechts de hoofdschedel en de handen en voeten waren overgebleven. Thans herinnerde zich Jehu, dat hij zijn bevel niet had behoeven te geven, daar toch KlifiS de Thesbiet destijds voorspeld had: Op den akker bij Jezrahel zullen de honden het vleesch van Jezabel verslinden.
Te Samaria woonden 70 zonen (en kleinzonen) van Achab. Jehu zond aan de oversten en oudsten der stad en aan de opvoeders (der kleinzonen) een brief, waarin hij hun schreef: Zoodra gij deze letteren ontvangt, gij, die de zonen Achabs in uw midden hebt en die strijdwagens, paarden, vaste steden en wapenen bezit â kiest u (als gij niet ge-looven wilt dat ik op Gods bevel ben gezalfd) den besten van de zonen uws meesters en die u het meest bevalt, tot koning uit, en vecht voor uws meesters huis (dan zal door don uitslag van den strijd de waarheid mijner goddelijke aanstelling blijken). De'e brief bracht onder de oversten en opvoeders eene groote ontsteltenis te weeg. Ziet, zeiden zij tot elkander, twee koningen hebben voor zijn aanschijn geen stand kunnen houden, hoe zouden wij dan bij machte zijn, hem te weerstaan? Zij zonden dus boden tot Jehu met het bericht: Wij zijn uwe dienaren; al wat gij ons beveelt, zullen wij nakomen en ons geen kuning kiezen; doe hetgeen u behaagt. Daarop schreef Jehu: Als gij de mijnen zijt en mij gehoorzamen wilt, slaat dan de zonen uws meesters de hoofden af en brengt die morgen te dezen ure bij mij in Jezrahel. Eenige oogenblikken na ontvangst van dit schrijven vielen de gevraagde hoofden onder het zwaard en werden, in manden gepakt, naar Jezrahel gezonden. Hunne aankomst aldaar werd door een bode aan Jehu gemeld Hij beval : Leg ze aan twee hoopen tot morgen (het was toen avond) bij de stadspoort. Den volgenden dag, zoodra het licht aanbrak, begaf Jehu zich naar de bloedige overblijfselen en sprak tot het volk, dat daar rondom vergaderd stond: Gijlieden zijt rechtvaardig (in uw oordeel); zegt mij dus: indien ik tegen mijn meester als samenzweerder gehandeld heb en hem heb vermoord, wie heeft dan deze hoofden afgehouwen? (Ik ben geen samenzweerder, maar de voltrekker van het strafvonnis Gods.) Gij ziet toch zelven, dat het hier eene vervulling betreft van het woord, hetwelk de Heer door den mond zijns dienaars Elias tegen het huis Achabs heeft doen hooren. Vervolgens deed Jehu onderzoek, of er zich te Jezrahel nog
256
ÃIJBELSCHK GESCHIEDKNIS.
nabestaanden van Aohabs huis bevonden en liet hen met al de daar wonende grooten en vertrouwelingen van dit huis ter dood brengen.
Thans begal' hij zich met zijne legerscharen naar Samaria, de hoofdstad des lands. Onderweg, ter plaatse genaamd het Huis der Herders, trof hij, bij eene bron, 42 verwanten aan van (Jchozias, gewezen koning van Juda. Wie zijt gij? vroeg hij hun. Wij zijn, luidde het antwoord, broeders (neven) van (Jchozias en wij gaan om de zonen van koning Joram (van Israël) te bezoeken. Grijjit hen vast ! beval Jelui zijnen manschappen. Dezen deden aldus, en de 42 verwanten van (Jchozias werden bij de bron onthalsd.
Ken weinig verder ontmoette jehu jonadab, den zoon van Rechab, een nakomeling van Mozes' schoonbroeder llohab (zie hoofdstuk 41). Met geheel het geslacht zijns vaders, de Rechabieten, aan wier hootd hij stond, leidde jonadab een godvreezend, streng en hoogst eenvoudig leven. Zij ontzegden zich het gebruik van wijn, bouwden geene huizen, maar woonden, op de wijze der aartsvaders, onder tenten, trokken niet hunne kudden van de eene plaats naar de andere (jereniias XXXV : 2â11) en bevonden zich op dat oogenblik op een kleinen afstand van het iitiis der Herders. Zoodra jonadab Jehu zag naderen, ging hij hem te geinoet en groette hein. Jehu vroeg: Is tnv hart welgezind jegens mij, gelijk mijn hart jegens het uwer Ja, antwoordde Jonadab. tieef mij dan, hernam Jelui, uwe hand. Jonadab deed het, en Jelui noodigde hein daarop bij zich m zijn wagen : Ga met mij, zeide hij, en aanschouw mijn ijveren voor den Heer. Zij reden nu te zamen naar Samaria.
Terstond na hunne aankomst in die stad liet Jehu alle verwanten van Achab, die er zich bevonden, ter dood brengen. Voorts belegde hij eene volksvergadering en sprak, om door een list de Baiilspnesters in zijne macht te krijgen : Achab heelt üaal slechts weinig getierd, ik zal hem grooter eer bewijzen ; roept dus alle profeten en priesters van Haal tot mij; geen hunner bhjve weg, want ik heb eene groote offerande aan Baal ; wie wegblijft, verbeurt zijn leven. Tevens zond Jehu aan de andere steden van fsraül hetzelfde bevel, zoodat er op den bestemden dag niemand van fiaals priesters en profeten in den tempel des afgods te Samaria gemist werd. Nadat Jehu last had gegeven, dat zij hunne gewijde kleeding zouden aantrekken, volgde hij hen, van Jonadab vergezeld, in den te upel en sprak tot hen ; Onderzoekt nauwkeurig of soms ook iemand van do dienaren des lleeren zic.i onder u bjviadl, want hier mogen alleen priesters van Baal zijn. Daarop nam het offeren een aanvang.
Inmiddels plaatste Jehu aan de ingangen des tempels een wacht van tachtig krijgsknechten, die hij met hun leven verantwoordelijk stelde voor eiken afgodenpriester of profeet, vvien het straks zou gelukken te ontvluchten. Kenige oogenbllkken later, toen het offer geëindigd was, beval hij zijnen manschappen en hunnen aanvoerders den tempel binnen te gaan en al de daar vergaderde priesters en profeten neer te sabelen tot den laatsten man. Verder deed hij de afgodsbeelden verbranden, den tempel afbreken en van het puin ter zelfder plaatse heimelijke gemakken oprichten, die daar eene lange reeks van jaren bleven staan.
Het loon voor zijn gedrag werd Jehu door den heer aangekondigd met de woorden : Omdat gij met ijver gedaan hebt, wat recht en welgevallig was in mijne oogen, en gii al datgene wat in mijn hart tegen Achabs huis besloten was, hebt ten uitvoer gebracht, daarom zullen uwe zonen tot bet vierde geslacht op den troon van Israël zetelen.
Jehu ging echter niet voort in de wegen des Heeren te wandelen ; den Baaldienst van Achab en Jezabel had hij uitgeroeid, maar de goud.n kalveren, door Jeroboam te Dan en te Bethel opgericht, het hij bestaan, zoodat het volk, in plaats van uit geheel zijn hart tot den God zijner vaderen terug te keeren, nog steeds die kalveren nal iep en daardoor grootelijks tegen den Heer bleef zondigen. Toen begon de lieer aan Israël een walg te krijgen, en Hazaül, de koning van Syrië (wien dii door Eliseüs weenende was voorspeld), viel met een leger in het landschap Galaiti, verwoestte er een menigte stelen en dorpen en bracht de inwoners um het leven.
Na 28 jaren geregeerd te hebben, .stierf Jehu; hij werd te Samaria begraven, en zijn zoon Joachaz volgde hem op.
257
33
25S BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
1. Het bovel om Jelui te zalven was, evenals dat om Hazaöl hot bezit van den troon van Syrië aan to kondigen, roods aan Klias gegeven â zio lioorUotuk 103 laatste gpiloéUo. Ellseüs, do goostolijke zoon en voortzetter van hot work van Klias, niet wion liij zedeiijkerwijze nis één persoon to beschouwon is, brncllt heido boveiun ten iiitvoor: hot eene, aaivnando Hazaël, zolf; liet andere, dnt Jc hu botrot, door boniiddeiing van eon profutenleerling. Deze word in hot eerst door Jehu's ondorbevollieUbers spottenderwijze een dwinif gfiioenid ; hun spot kwam ocliter moor uit oen te lesson loon van sprek m dan uit oen boos hart voert ; ilit hieok, toen zij kort daaiop zijne woorden geloovig aannnincn,
2. Jori'in van Juda, do zoon van Josaphat, was onwaardig gekonrd in de koninklijke bogranfplimts te worden bijgn-zet; aan Josaphats kleinzoon echter, Oohozias, werd die eer, om de verdiensten zijns giootvaders, toegestaan. Wellicht was hij, hoe verdorven ook, tooli minder sehuldig dan Joram, omdat iiij van zijne jengd af niets dan slechte voorbeelden voor oogen hi d gehad en zijne zonden na zijne troonsbokiimming meer het gevidg waren van do goddelooze raadgevingen van anderen dan van zijn eigen kwade inborst.
Jehu schijnt het hem gegeven iievel, om Achabs Imis uil te roeion, zoo te liobL'en opgevat, dnt liij daaronder ooi» begreep niet a'^en Oc iozias en diens neven, maar z lis d â te Juzrahei wonende i.groolon en vertrouwelingenquot; van gemeld imis. Wat Oeho/ias belrei't, die door zijne moed r Alhalia aan Achab verwant was, van zijn dood wordt .lehu nergens in lie II. Schiilt een verwijl gemankt; integendeel verkhiart de Schril't uitdrukkelijk, dal de reis des konings van Juda naar Snmuria oen werk was der Voorzienigheid, die Ochozias wilde strairen. Uver don dood vim Ochozias' neven spreekt de II. Sclirirt geen oordeel uit, maar do terCL'htstelling dor ïgroolen on viM trouwoiingenquot;, schijnt zij af te kou-ren. Althans bij den proleet Osiquot; 1: 4 lezon wij; «Nog een weinig tijds on ik zal hot bloed te Jezrahol (vergoten) op bet buis van Jehu wi eken. ' Die woorden kunnen ecliter ook li leekoneu; Zooals Johu, op mijn bevel, Acbabs huis uitroeide, zoo zal ook zijn huis om wille zijner zonden, worden venli l.d.
4. Gelooid en geblankel wilde Jezabol zich iu haar vullen lui-ler en glans van koningin-moeder ann Jelui vertoonon, om den wez'ii di naar ontzag in te boez â¢men en da;ir i ior, zoo mogelijk, haar leven te redden. Met lielzelfde doel gaf zij Jeiiu den naam van Zambri. Zambn wns â zio huufdstnk 101 â do legoroversto van koning Kin van Israël: bij vermuor :ilü dien vorst en plaatste zich zelf op den troon, doch werd reeds na ze en dogen door eei. ander legeroverste, Aniri, die den troon voor zich begeerde, deimnte in h l nauw gebracht, dal iiij zich met zijn pi.leis liet verbranden. Zoo, dreigde Jiznle i, zou hot ook Jelui gaan.
Wellicht liiid zij met haren tnoi en hare venvijtlugen neg een nevondecl: moest zij sterven, dan wenschte zij in nllon geviilie nis koniogiii-moedi'i' niet ecu zeker vertoon van w.i irdiglieid t'1 slurven. Met een gelukte dor liolsche en goilde-ioozo vrouw zoomin als bel andere,
5. Volgens don ilebroouwschen tekst vroeg Johu, naar het venster opziende, niet: owie is deze?quot; maar: uwle houdt liet met mij V'
li. Over Naiiolli en zijne zonen /.ie men hoofdstuk lüj ne t di.- nanteckening,
7. Jelm's ijveren legen de Uaiilpit'slers on legen Acimljs Imis was üod hehnnglijk, mnnr sommlgo middelen, waarvan iiij zidi bediende, en sunnnige bnilenspurigiieden konden niet anders dan Oud misvallen. Daarom wurden Jehu dan ook ijèluoning en strnf li rzelfdi r lijd nangekendigd : zijne niikomelingeii zullen op don troon v.m Israel zolelen, doch slcciits tot liet vierdo geslacht.
s D Uniilsdienst wend door Jehu uilgeroeid, mnar lift mot dien dienst verbondene heilige bosch, dat waarschijnlijk nuu Astarthe, do goein v.m den wellust, gewijd was, bleef, zooals int de goschiedonis van John's zoon en opvolger Joncliaz zul blijken, voor verwoesting gespaard. In Jehu's lijd sciiijnt van dit bosch door bel volk geen gebruik meer te zijn gein.ia kt. idlMins de II. Sohrifl duidt Jehu lie niet-uilroeiing or van niet geen enki I wooid ten kwade; zij zegt zelfs niel ei-;.s. dal li i hot ni 'l nitioL-idc. Van Joachaz inlegendeel wunit nitdrnkkelijk verlnnild, ihitoinier zijn'' regeering hel bosch bleef bestaan: wanrscbijnlijk begon hel volk zich toen daarin weder nan iifgodendieiist on ongebondenheid over lo goveii â /.i'' hoi'liisluk 117.
t). Den Kalvorendiensl. ....... afgoderij in den strengsten zin, maar meer oen verbastering en misvorming van do
door Hoses voorge-direvene üodevereering, lieten alle koningen vnn Isruld ml vnlscbo staatkunde vooi ldurm. Zij wildon nl, daardoor hunne onderdanen le iellen naar den tempel te gaan, die to Jerusalem, de hoofilslnd van bet rijk Juda, stoinJ.
r
W
r
V
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 25Q
HOOFDSTUK OXV.
JU D A'S TROON OVERWELDIGD DOOR ATHALIA. T R O O N S B E KLIMMING VAN J O A S.
I *
I;
1 'rl*
Ljadat koning Ochozias van Juda op den leefiijd van 23 jaren onder liet zwaard van
Jelui gevallen was, slechts jeugdige kinderen nalatende (hem door zijne verschil-
⢠â¢
â lende vrouwen geschonken), maakte zijne moeder de goddelooze Athalia, de dochter van Achab en Jezabel, zich van den troon meester en nam (om zich daarop te handhaven) het vreeselijke besluit haars zoons kinderen (de eenig overgebleven quot; telgen uit het huis Davids) om het leven te brengen. Inderdaad gelukte haar dit met allen, uitgezonderd één zoontje, Joas. Dit kind, ongeveer een jaar oud, werd met zijne voedster nog bijtijds gered door de vrouw van den hoogepriester Jojada, met name Josabeth, eene zuster van Ochozias (vermoedelijk eene halfzuster, uit eene andere moeder dan Athalia). Zij verborg haar kleinen beschermeling in een der nevengebouwen des tempels, zes jaren lang, en voedde hem daar op, evenals weleer Heli den jongen Samuel.
Eindelijk, toen de knaap zeven jaren was, achtte Jojada den tijd gekomen, hem als den afstammeling Davids bekend te maken en hem op den troon zijner vaderen te verheffen. Met dat doel wijdde hij vijf hoplieden (waarschijnlijk hoofden van de levieten-afdeeling, voor de tempelwacht bestemd) in zijn geheim in, en zond hen het geheele land rond, om de oversten der geslachten en familiën van Juda, alsmede de zonen Levi's die zich op dat oogenblik niet ter vervulling van hun heilig dienstwerk te Jerusalem bevonden, daarheen te ontbieden. Trouw kwamen allen op, en nadat zij zich bij de reeds aanwezige afstammelingen van Levi hadden aangesloten, toonde Jojada hun den jeugdigen koning (in diens vertrekken in een der nevengebouwen des tempels) en sloot met hen een verbond, waarbij hij onder andere sprak : Ziet, de koningszoon zal regeeren, zooals de Heer aangaande het huis Davids beloofd heeft. En dit zult gij doen : een derde uwer, dat is : van de priesters en levieten, die de wacht in den tempel houden, zal post vatten bij de (verschillende) ingangen, een derde bij de vertrekken des konings en een derde bij den ingang die de Eundamentspoort heet (de hoofdingang); al het overige volk (de hoofden der geslachten en familiën van juda) zal plaats nemen in het voorhof (des volks). Verder bepaalde de hoogepriesters, dat de priesters en levieten, voor den offerdienst bestemd, den tempel (het voorhof der priesters, waar het brandofferaltaar stond) zouden binnengaan, en dat nog eene afdeehng levieten (die geen diensbeui t te vervullen had) den koning zou omringen. Daarna deelde hij aan de wachten de spiezen. rondassen en schilden uit, die David (uit den buit op de vijanden behaald) in den tempel den Heer geheiligd had. Ook de levieten, die den koning omringden, werden van wapenen voorzien, en Jojada beval hun, ieder die de door hen afgezette ruimte zou willen binnendringen, op staanden voet te doorsteken.
Nadat allts aldus verordend was, en de zonen Levi's benevens de oversten van Juda de verschillende hun aangewezen posten hadden betrokken, werd Joas uit zijne vertrekken gehaald. Men plaatste hem op het door Salomon opgerichte koninklijk eeregestoelte, zette hem de kroon op het hoofd en gaf hem het Hoek der Wet in de hand. Nu goot Jojada, door zijne zonen bijgestaan, plechtig de heilige zalfolie over den jeugdigen vorst uit, en alle aanwezigen huldigden en begroetten den telg van Davids huis met groote blijdschap. De bazuin werd gestoken, allerlei speeltuigen deden hunne tonen hooren en daarmede vermengde zich het handgeklap der menigte en het geroep: leve de koning!
Athalia had in haar paleis de ongewone vreugdebedrijven vernomen en snelde naar den tempel om te zien wit er gaande was; maar nauwelijks had zij den gekroonden knaap op het koninklijk eeregestoelte te midden der hem onningende wachten ontwaard, of doodelijk
RTJBF.I-SCHF, GF.SCHTF.DFNTS
verschrikt scheurde zij hare kleederen en riep uit: Verraad! verraad! Op dat woord trad Jojada uit de rijen te voorschijn en beval den hoplieden : Voert haar buiten den tempel en doodt haar daar met het zwaard, en ieder die haar vol^t (om haar te verdedigen) zal insgelijks des doods zijn. De hoplieden vatten haar bij den hals, voerden haar door de Paardenpoort naar buiten tot bij het koninklijk paleis, en een oogenblik later was liet vonnis voltrokken
Nu deed Jojada den koning en al de aanwezigen : de oversten der f imiliën Juda's, de zonen Levi's (en de inmiddels toegestroomde inwoners van Jerusalem) plechtig het verbond hernieuwen, door God met de vaderen gesloten ; zij beloofden dat zij weder met geheel hun hart den Heer zouden dienen en ai? des Heeren volk zouden wandelen. Al aanstonds gaven zij van de oprechtheid en den ernst dezer belofte op de meest ondubbelzinnige wijze blijk ; in groote scharen trokken zij naar den in de nabijheid gelegen (vermoedelijk door Athalia opgerichten) tempel van linal, doorstaken den afgodspriester Mathan te midden van zijn afgodisch bedrijf, vernietigden de altaren, verbrijzelden de beelden en haalden de muren van het gebouw omver. Tevens regelde Jojada opnieuw het heilig dienstwerk in den tempel des Heeren ; de offers en de heilige lofïangen zouden weder met. die stiptheid en dien luister worden opgedragen en gezongen, gelijk de wet van Moses en de verordeningen van David bepaalden. Eindelijk voerden, op Jojada's bevel, de oversten der familiön en de nu ook aanwezige keurbenden der Cerethi en Pheleti den koning, onder begeleiding van al het voIk, in plechtigen optocht naar het paleis en deden hem plaats nemen op den troon zijner vaderen Kier werd hij nogmaals plechtig gehuldigd; de blijde kreten der menigte rondom het paleis vervulden de lucht, en stad en land verkeerden in rust en vrede, want de goddelooze Athalia (die beide verstoord zou hebben) had opgehouden te leven.
Di' In «l'-n tekst tn^schnn linnkjos goplnjitnto opli^ldorin^on jifvon in 't algemoon misschien genoog liclit nnngiinndo Im ( In loop der lii r vmneldo grliciirtei fs.-en Over ci'ii pnnr liijzondfrlicdeii nog ren enkel woord:
I M ii Jierinncro zkh, dut Duid de priesters en die khissen der levieten, welke voor den tempoldionst en do tcm-pnlwoelit li â â t'md waren, in 2'» diensthenrten liad vrdeeld â /ie lioofd-tiik quot;.0. De heuiten werden op den Snbbat ver-wisseM, /oodat er voortilnreml pri 'sters en levieten van do steiien, waar zij liiinne woningen liadd« n, naar .lernsalem op u-is waren. Dit reizen kon dus, al p .-cliiedde liet thans door meer peisonen dan gewoonlijk, bij Athalia en liare dienaren ni't liclit aekterdoclit wekken, te mimh r duar .lojada waaivcliijidijk /al ue/orgtl lubben, dat niet al te velen bijeen gezien werden, en dat vfrseliillende wegen werden ingeslagen. Vermoedelijk was bovendien «Ie Sabbat, dien liij uitkoos, teven-, een feestdag, zood.it ook de optocht van de oversten v.ni Jnda zich bij Allialin gemnkkelijk liet verklaren Neemt men voorts in aaiimei kn g. dat God. die aan David Ixdoel'd had, lt;lat steeds een zoon van In m op den Iroon te Jerusalem zou /.( telen, met /üne alnu clit g-' hulp d ⢠plt; gingen de- Ikm.j. pi ie-t- rs zal ge-( mid In Mien, dan b.iart bet volstrekt geen verwondering di t Athalia e.-r-t van het pl.-m gt;.'im is kiM'ej. t i'ii lid reeds zoo god als voltrokken was.
'2. Jojada bediende zich voor zijne zaak lgt;ij voorkeur van de zonen Levi's, on.d; t hij (p hun slilzwijgtn en buntrouw het be-1 kon rekenen.
3. Ib t koninklijk eei ⢠toelte in den tempel was een door Salomon, ten zijnen gebruike, opgerichte verhevenheid ter hreedt1' en lengte van oen ter hoogte van elleboogsmat'ii - zie hoofdstuk 101.
HOOFDSTUK CXVI.
RKGEERING VAN JOAS KN AMASfAS, KONINGEN VAN JU DA,
260
1
^
^even jaren lelde Joas, toen hij den troon zijner vaderen beklom en veertig jaren
bleef hij dien bezet houden. Zijne moeder (of zij nog leefde of reeds gestorven ^.li ...
K was, wordt niet gemeld) was Sebia van l'ersabee. Uit de hand van zijn wel-
i' ây doener en leidsman, Jojada (die uit Ochozias' voorbeeld maaralle goed wist, hoe-veel invloed de keus der vrouwen op het hart des konings en op de vorming van den troonopvolger kon hebben) ontving hij, tot den huwbaren leeftijd gekomen, zijne twee echtgenooten, die hem achtereenvolgens meerdere zonen en dochters schonken,
RIJRELSCHE GESCHIEDENIS. 261 3
Zoolang Jojada leefde, regeerde Joas voortreffelijk en deed wat recht en welgevallig et
was in Gods oogen. Vooral op één punt openbaarde liij een onverdroten ijver. De tempel des Heeren (die nu reeds ongeveer 140 jaren stond, had- allengs aan dak en muurwerk el
veel geleden. Niet alleen hadden Athalia en haar echtgenoot, koning Joram, niets tot ;n
herstel gedaan, maar zij en hare zonen iwier dood hoofdstuk 113, vermeld is) hadden bij hun leven opzettelijk de schade vergroot en daarenboven het heiligdom van zijne voornaamste versierselen beroofd, om er den tempel van Baiil mede op te luisteren In dien droevigen er
toestand wenschte Joas verandering te brengen. Hij ontbood de priesters en levieten en ie
beval hun het land rond te reizen, ten einde alom, behalve de gewone tempelschatting, ie
nog buitengewone gaven in te zamelen, (De tempelschatting, jaarlijks een sikkel per hoofd, !'s
was reeds door Moses als bijdrage tot het onderhoud van den tabernakel en de kosten van rs
den eeredicnst aan de Israëlieten in de woestijn voorgeschreven.) Joas beval, dat met het -n
ophalen dezer schatting en de inzameling der vrijwillige gaven spoed zou worden gemaakt,
opdat het werk tot herstel des tempels weldra een aanvang zou kunnen nemen Toen dit ,r'
echter ten gevolge van de nalatigheid der levieten na geruimen tijd nog niet was geschied, 'e'
ontbood hij jojada en sprak ; Waarom hebt gij de levieten niet genoodzaakt het geld te er
innen, dat Moses, de dienaar Gods, als bijdrage voor den tabernakel der getuigenis heeft :n-
vastgesteld ? Tevens nam de koning voor 't vervolg een anderen maatregel. Op zijn bevel ;r-
liet Jojada een van eene opening in het deksel voorziene offerkist vervaardigen en :m
in den tempel plaatsen ter rechterzijde des brandofTeraltaars, niet ver van de deur. In deze ofleikist stortten de priesters het. geld, dat van nu af door de oversten en het volk overv'oedig en met blijde harten werd gegeven. Van tijd tot tijd werd de kist door den ton
geheimschrijver des konings en een gemachtigde des hoogepriesters geledigd en het geld i','^
aan de bouwmeesters toevertrouwd. Dezen besteedden het tot aankoop van c teen en hout en 'll0
tot betabng van metselaars, timmerlieden, smeden en ander werkvolk. En zoo ruim bleef het geld vloeien, dat er na de volledige herstelling des gebouws nog eene behoorlijke som overbleef, waarvoor nieuw vaatwerk en andere, zoo gouden als zilveren, benoodigheden ',i^
voor den dienst des heiligdoms konden worden aangeschaft. ||r|'
Inmiddels had Jojada, die reeds bij Joas' verheffing op den troon een hoogbejaarde I!h
grijzaard was, zijne dagen dermate zien aangroeien, dat het einde niet lang meer kon uit- Joli
blijven. Hij leefde nog een korten lijd na de herstelling des tempels, totdat hij ten laatste yl°
den ouderdom van ISO jaren bereikt had. Toen stierf hij en werd, uit dankbaarheid voor â 10
al het goede dat hij het rijk Juda en meer bijzonder het huis Davids bew.zen had, op den berg Sion in de koninklijke begraafplaats bijgezet. at,
De dood zijns vriends en raadsman was voor Joas het begin van zijn val. Verdorvene oversten en hovelingen brachten hem door hunne kniebuigingen en vleierijen zoover,
dat hij hun toestand, den God hunner vaderen te laten-en in afgodische bosschen gesneden beelden openlijk te aanbidden. Hun voorbeeld werkte aanstekelijk op de inwoners van Juda en van Jerusalem, zoodat zij in groote menigte tot der, dienst der afgoden overliepen. In zijne barmhartigheid zond de lieer profeten, die de afvalligen tot inkeer en beterschap moesten brengen ; doch tevergeefs : naar hunne vermaningen werd niet geluisterd. Ook Zacharias, de zoon van Jojada, werd door den Geest Gods met het woord der openbaring uitgerust; hij begaf zich te midden des volks en sprak: Dit zegt de Heer uw God: Waarom overtreedt gij de Wet des Heeren, wat u tot niets nut, en waarom verlaat gij den Heer,
waarvan het gevolg zal zijn, dat ook Hij u verlaat? De verstokte afgodendienaars konden deze taal niet hooren ; zij grepen den boetgezant aan en steenigden hem op bevel des konings tusschen den tempel en het altaar in het voorhof. Stervende riep de heilige man uit: De Heer zie liet en doe recht.
De Heer had het gezien, en voor er nog een rond jaar verloopen was, rukte Hazaël koning van Syrië, met een leger op Jerusalem aan. Ondanks het geringe aantal manschappen, waaruit dit leger bestond, versloeg het, onder de leiding der goddelijke Voor-
lUJBFLSCHE GKSCHIEDKNIS
zienigheid, die Juda en zijn koning wilde straffen, eene omzettende menigte volks en op de eerste plaats de oversten (dezelfden die de oorzaak van den afval waren geweest). Slecht, tegen uitlevering der schatten van den tempel en van het koninklijk paleis kon Joas de Syriers bewegen van hel verder beleg zijner hoofdstad af te zien en naar hun land terug tekeeren Maar hiermede was de straf die hij zich voor zijne goddeloosheid en voor het vermoorden van den zoon zijns weldoeners op den hals had gehaald, niet ten einde. Zijne eigene dienaren stonden tegen hem op en brachten hem, terwijl hij in het huis Mello ziek te bed lag, op verradelijke wijze om het leven, Zoo stierf deze vorst, die goed begonnen, maar slecht geëindigd had. De eer der begrafenis in het koninklijk graf werd aan zijn lijk geweigerd.
Joas' zoon Amasias volgde zijn vader in het bestuur van het rijk Juda op; hij telde 25 jaren, toen hij den troon besteeg, en bekleedde dien 29 jaren. Zijne moeder (een der beide vrouwen, door lojada aan Joas ten huwelijk gegeven) was Joadan van Jerusalem. Evenals Joas regeerde Amasias in den beginne overeenkomstig den wil en het welbehagen des Heeren.
Zoodra hij zich sterk genoeg gevoelde, deed hij de moordenaars zijns vaders hunne gerechte straf ondergaan. Ook verzamelde hij een leger tegen de Edomieten, die zich tijdens koning Jorara (zijn grootvader) hadden vrijgevrochten. Alle jonge mannen van Juda en Benjamin, die J5 jare i en ouder waren, te zamen 300.000 man, riep hij op, rustte hen uit met lans en schild en stelde aan hun hoofd hoplieden over duizend en over honderd. Bovendien huurde hij voor 100 talenten zilver nog eene schaar dapperen van 100.000 man uit het rijk Israël. Met deze laatste daad droeg hij echter het welbehagen des Heeren niet weg ; er kwam een profeet toquot; hem en sprak : Laat toch, o koning, de hulptroepen van Israël niet met u uittrekken, want de Heer is niet met Israël, niet niet de zonen Ephraïms. Indien gij meent, dat het geluk in den krijg afhangt van de sterkte des legers, zal de Heer u door uwe vijanden doen overwinnen ; het is God, die de zege verleent of op de vlucht drijft. Amasias vroeg den profeet: Hoe zal het dan gaan met de honderd talenten, die ik reeds aan de strijders uit Israël gegeven heb ? de profeet antwoordde : God is bij machte, u veel meer terug te geven. Amasias zond dus de huurtroepen van den stam Ephraïm weg en trok, in vertrouwen op God. met :,ijne eigene manschappen tegen de Edomieten te velde. Hij trof hen aan in het Zoutdal, leverde hun slag, deed 10.000 man sneuvelen en nam even zoovelen gevangen Deze laatsten dreef hij voor zich uit naar een hooge, steile steenrots, vanwaar hij hen in de diepte deed nederwerpen, zoodat geen hunner het leven behield.
Terwijl Amasias aldus in den vreemde met zijn leger tegen den vijand werd bezig gehouden, en zijn land hierdoor van de kern der weerbare mannen ontbloot was, verspreidden de 100.000 krijgers uit Israël, in plaats van rechtstreeks naar hunne haardsteden te gaan, zich over verschillende steden van Juda, moordden en plunderden er naar hartelust, en eerst daarna trokken zij af
Ten laatste keerde Amasias, met zijn zegevierend leger, huiswaarts. Onder den op de Edomieten behaalden buit voerde hij ook afgodsbeelden van dit volk mede, en ondanks de bescherming en de hulp door den Heer hem verleend, was hij dwaas en ondankbaar genoeg, deze beelden te Jezusalem als goden te vereeren, ze te aanbidden en er wierook voor te branden. Ten hoogste hierover vertoornd, zond de Heer hem een profeet die tot hem sprak : Waarom aanbidt gij goden, die hun eigen volk niet uit uwe hand hebben kunnen bevrijden ? Amasias gaf den proleet trotsch ten antwoord ; Zijt gij des konings raadsman r houd u stil, of ik laat u dooden. Op dat Woord verwijderde zich de profeet maar onder het heengaan sprak hij nog: Ik weet, dat de Heer besloten heeft u te dooden wijl gij dit kwaad hebt gedaan en daarenboven naar mijne stem niet hebt willen luisteren.
Niet lang daarna werd die voorspelling vervuld. Amasias daagde in zijne onbezonnenheid Israels koning Joas, den kleinzoon en tweeden opvolger van Jehu, lot een oorlog uit. Joas liet antwoorden : De distel, welke op den Libanon groeit, zeide eens lot den ceder op denzelfdtn berg ; Geef uwe dochter aan mijn zoon ten huwelijk ; maar zie, de wilde
RTJBELSCHF, GESCHIEDENIS. 263
dieren, die zich in het woud ophielden, kwamen en traden den distel plat. (Zoo zal het u gaan.) Gij hebt bij u zelven gedacht: ik heb Edom overwonnen, en die gedachte heeft uw hart tot trotschheid vervoerd (zoodat gij u niet mij op écne lijn stelt, evenals de distel dit met den ceder deed). Maar och, blijf tehuis; waarom wilt gij uw ongeluk uitdagen en u zelf in het verderf storten, u en Juda met u ?
Des ondanks trok Amasias tegen joas op De beide legers ontmoetten elkander bij de stad bethsanies, waar het tot een veldslag kwam. Joas behaalde de overwinning; het leger van jud.i werd op de vlucht gedreven en Amasias zelf gevangengenomen. Den gevangene medevoerende, rukte de overwinnaar op Jerusalem aan, brak de stadsmuren over eene lengte van 400 elleboogsmaten af, roofde het in den tempel en in het koninklijk paleis aanwezige goud en zilver, benevens een gedeelte van het heilige vaatwerk, liet zich gijzelaars geven (ten waarborg dat Amasias, die weder vrijgelaten werd. de hem voorgeschreven vredesvoorwaarden zou nakomen) en keerde daarop naar zijne hoofdstad Samaria terug.
Amasias overleefde zijne nederlaag nog verscheidene j.iren, maar de rust en den voorspoed, die hij genoten had in het begin zijner regeering, toen hij den Heer zijMGod diende, herkreeg hij nimmer, /elfs moest hij tot zijn straf ondervinden, dal op Ih . einde zijner dagen zijne eigene onderdanen tegen hem in verzet kwamen en hem naar helleven stonden. Om hunne aanslagen te ontkomen, nam hij de wijk naar de stad Lachis, maar de oproerlingen trokken hem na en vermoordden hem. Zijn lijk werd op een wagen naar Jerusalem teruggebracht en daar in Davids stad begraven.
Joas vorrogaando afwiikin^ van zijn vroo^oren ijver voor don dionst des lleoron. hoe bevreomdond ook bij d- n eersten annblik, laat zich nog hetor verklaren dan de id'val van Amasiiis. II t verlh'.s mi ouden, lu-pi m i.I mi leid-anans, gepaard aan de vleitaal van verdorven hovelingen, is ongetwijfeld in .-taaf, liet hart eens konings, dj.' zi.-h lichtelijk door don glans van den troon laat bedwelmen, in eene verkeerde richting te hren^n Rij Ainnnias e -hti'i was ^eet) dezer beide oor/aken aanwezig, en bovendien geschiedde zijn overgang van het -..â¢â d tot het kwaad op ve.d mind -r u- l- i lelijke wijze, bijna plot-eling. Voor den strijd tegen Edom was hij nog ei n voorbeeld van kinderlijke onderwi-rping aan den wil van ('quot;d ; lt;gt;|) het eerste woord des profeels z- ndt lm. zelfs met verlies van de 100 t.d''nt«'n zilv.-r, (h- Imlptroepen uit Ilt;ialt;d terng, om zieh geheel op den hijsland des llecren t.'' verlaten, en pa- is hij nit den tiijd weilrrgi-krcrd, of hij nanhidt di' afgoden. G-eno andere n den i- er voor. deze even dwaze ah onveiwachte veraiuhring denkbaar dan dit wvllieht. lt;le ov rwinning hem lt)t trotseho ingenomenheid niet zich z dvon h 'ft vi voerd N gt; nit nieti de/quot; r»den :illt; d.- wan- aan, dan wordt alles begrijpelijk. Ten eerste de noodolooze vvrc-dheid.waarinedc hij lO.OOOman vain-on 1 lots afwierp; â shndits ovcimoed i-i tot zulke daden in staat. Ten tweede zijn onb zonnen, lot niets di.-nende oorlog met Israel, het g-'volg eener dwaze ovlt; r.-chatting van eigen krachtfn. Kindelijk zijn af\al van den || â¢.gt;!⢠â¢â n /ijne voro^ncg der afgoden; (lod toch weerstaat den hoovaardige, alleen den ootmoedige gr.-ft Mij zijn ⢠gei.ade. (Jeen wonder, dat God hem overleverde in de liamh n dos tegonstainlers, die hem lot de diepste veined-ring en illendi' bracht: trotschheid vner' immer ten val Wat echter do wreedheid logon do 10.000 gevangenen betreft, zij was. zoonis gezegd is geheel noodolooa; want lo God had de uitroeiing der Edomieton niet bevolen; ware dit het geval geweest, dan had Amasias slechts eene daad van strallende gerechtigheid volbracht ; en 2o het oorlogsrecht, daaruit Noortvloeii nde, dat tb; vijaml, als hij overwinnaar was gew est. wellicht even wreed zou gehandel l hebben en das door eene teg n-wroedb-id nio -t word m afg â solirikt, kon hier rnoeielijlc worden inger.»ej»on, omdat de Kdoinieten de-tijds e n veel te zwak volk waren, dan dat van hen de strijd, tenzij voor hun vrijheid, het eerst zou uitgaan.
WjHF.LSCHR GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK CXVU.
JOACHAZ, JOAS EN JEROBOAM, KONINGEN VAN ISRAEL.
het 23L' jaar der regeeiing van Joas, koning van Juda, volgde Joachaz zijn vader Uli Je'iu 0P als koning van Isiaöl â hoofastuk 114. Evenals jelui zette hij de ver-
eering der gouden kalveren voort; bovendien liet hij door jezabel bij Samaria
geplante afgodsbosch bestaan, en werd zoodoende voor zijn volk een voortdurende ooi zaak van zonde, in groote menigte stroomde het volk naar Uan en Bethel, de plaatsen waar de kalveren stonden, om daar zijne offers op te dragen (en waarschijnlijk werd ook hel heilige bosch opnieuw liet tooneel van afgoderij en ongebondenheid). Tot straf voor deze aanhoudende boosheid leverde de Heer Israiil meer en meer in de handen van Hazaël, koning van Syrië. Het leger van Joachaz werd verslagen en als tot stof vertreden, slechts 5U ruiteis, 1U wagens en 1ÃÃÃà man bleven er van over, en Hazaël bedreef jarenlang in het land allerlei wreedheden. Hij zou, had Eliseüs hem weenende voorspeld, Israels oninuiuide sleden in brand steken, de jongelingen met hei zwaard doorboren, de kinderen verpletteren en de vrouwen door midden klieven â hoofdstuk 112.
Eindelijk nam Joachaz zijne toevlucht tot den Heer, en de Heer de diepe ellende aanschouwende, waaronder zijn volk gebukt ging, zond het een redder. Deze redder was Joas, de zoon en opvolger van Joachaz.
In het begin van Joas' regeering werd Eliseüs aangetast door eene doodelijke ziekte. Joas ging hem bezoeken en liep op het zien van den zieke weenend uit : Mijn vader, mijn vauert de wagen van Israël en zijn wagenmenner! De profeet gal den koning ten antwootd; Haal boog en pijlen. Zoodra aan dit bevel voldaan was, sprak hij: Leg uwe hand aan den boog. Joas deed het, en de profeet strekte zijne banden over die des konings uit. Daatna zeide hij : Open het venster, uat op het Oosten uitziet (naar den kant van byriëj. Het venster werd geopend en de profeet sprak verder : Schiet een pijl af. Toen ook dit bevel was opgevolgd, verklaarde Eliseüs; Een pijl van het heil des Heeren, een pijl des heils legen Syrië! gij zult de Syriërs slaan bij Aphec en hun eene bloedige nederlaag toebrengen. Daarna sprak de profeet nogmaals: Neem pijlen. Joas nam ze, en Eliseüs ging voort; Sla met een pijl op den grond. Joas sloeg met den pijl diiemaal achtereen; luen hield hij op. Misnoegd riep de proleet uit; Hadt gij vijf-of zes of zevenmalen geslagen, gij zoudt de Syriërs geheel vernietigd hebben, nu zult gij hen slechts driemaal verslaan.
Kort daarop stierf Eliseüs in hoogen ouderdom en werd bij Samaria begraven. Nog hetzelfde jaar verheerlijkte God het stoffelijk overblijfsel zijns dienaars door een schitterend wonder. Moabietische rooverbenden maakten het land onveilig, en eens, toen eenige mannen een lijk ten grave droegen, zagen zij zulk eene be.ide naderen. Haastig openden zij het graf van Eliseüs, wierpen het lijk daarin, doch pas had du het gebeente des proteets aangeraakt, of de doode herleefde.
Niet lang daarna ging ook de voorspelling, door Eliseüs op zijn ziekbed aan Joas gedaan, in vervulling. Hazaël, de koning van Syrië was gestorven, en zijn zoon Benadad, die hem opvolgde, werd driemaal door Joas geslagen, met het gevolg, dat hij al de door zijn vader op Israël veroverde steden weder aan dit rijk. moest afstaan. Daarna voerde Joas nog een oorlog (in het vorige hooldstuk beschreven) tegen Araasias van Juda; hij behaalde de overwinning, brak een gedeelte der muren van Jerusalem al en keelde met de gerooide schatten uit den tempel en het huis des konings naar zijn grondgebied terug. Eindelijk, na 16 jaren den troon van Israël bekleed te hebben, stierf hij en werd in het koninklijk graf te Samaria bijgezet.
In het algemeen regeerde Joas slecht: de gouden kalveren te Dan en te Bethel liet
264
miBELSCHR GESCHIEDENIS. 265
hij bestaan en werd daardoor zijn volk eene oorzaak van zonde en ongerechiigheid. Het was dan ook niet om zijnentwil dat de Heer redding gaf uit de verdrukking der Syriërs, maar de Heer gedacht zijn verbond, dat hij met Abraham, Isaiic en Jacob gesloten had, en wilde niet terstond Israël verwerpen maar het vooreerst nog sparen en het tijd schenken tot boetvaardigheid en beterschap.
Onder Joas' zoon en opvolger Jeroboam ging de Heer niet de blijken zijner goedheid voort, hoewel deze koning vooral niet beter regeerde dan zijn vader gedaan had, en zijn volk zich daarenboven aan weelde en aan allerlei uitspattingen overgaf, Desniettemin ontving Jeroboam van God de kracht, om het rijk nog eenmaal, voor het laatst, tot bloei en voorspoed te brengen. Zooals de profeet Jonas hem voorspeld had, voegde hij Kmath weder bij zijn gebied en breidde ook in het zuidoosten zijne grenzen uit tot aan de Doode Zee.
Aldus toonde God zijne goedheid en zijne lankmoedigheid, doch het volk maakte zich die al meer en meer onwaardig en naderde zoodoende langzaam maar zeker het tijdstip, waarop de Heer het zou verwerpen, het overleverende aan deh vijand en aan de ballingschap. De profeet Arnos, een herder uit Thecue, werd door God gezonden, om deze straf te voorspellen. Hij begaf zich onder de scharen en sprak; Dit zegt de Heer: Ik heb den troffel te midden van mijn volk Israël neergelegd en zal het niet verder opbouwen (mijne hand van Israël aftrekken). De hoogten der afgoden zullen vernietigd en Israels heiligdommen (waarin de gouden kalveren stonden) verwoest worden, en ik zal opstaan tegen het huis van Jeroboam met het zwaard.
Een der priesters van den kalverendienst te Bethel, genaamd Amasias. Arnos aldus hoorende spreken, zond een bode tot Jeroboam met het bericht : Amos is te midden van het huis Israël tegen u in opstand gekomen; het land kan (zonder gevaar) zijne woorden niet verdragen; dit toch zegt hij: Jeroboam zal door het zwaard sterven, en Israël zal gevangen worden weggevoerd uit zijn land. (Dat Jeroboam zelf door het zwaard zou sterven, had Amos niet gezegd, Amasias verzon dit, om den koning tegen den profeet op te zetten, wat hem echter niet gelukte). Daarna sprak hij tot Amos: Ziener, ga en vlucht naar het rijk Juda, eet daar uw brood en profeteer er, maar voorspel te Be'.hel niet meer, want het is des konings heiligdom en een koninklijk huis. Amos antwoordde den priester van den kalverendienst : Ik ben geen profeet en geen profetenleerling; een herder ben ik, die wilde vijgen plukt (ik wijd mijn leven niet uitsluitend aan den dienst des Heeren, zooals een profeet in den gewonen zin des woords; mijn dagelijksch bedrijf is, mijne schapen te hoeden op plaatsen waar wilde vijgen groeien, d. i. in de woestijn). Doch de Heer riep mij toen ik achter de kudde ging, en Hij sprak tot mij: Ga profeteer voor mijn volk Israël, Gij echter zegt; Profeteer niet voor Israël en Moit u niet uit betrekkelijk het huis van het afgodsbeeld (te Bethel). Verneem daarom het woord des Heeren; dit zegt de Heer: Uwe vrouw zal in de stad geschandvlekt worden, uwe zonen en uwe dochters zullen door het zwaard sterven, uw grond zal met een meetsnoer verdeeld worden, gij zelf zult in een onheilig land uw levensdagen eindigen, en Israël zal in gevangenschap worden weggevoerd uit zijn land.
Nagenoeg 41 jaren bleef Jeroboam liet rijk Israel besturen; daarna stierf hij, werd te Samaria in het koninklijk graf bijgezet, en zijn zoon Zacharias (de vierde en laatste spruit uit Jehu's geslacht) volgde hem op.
1. Syrië Ing, v.m Snmarln uit. mnosl oostelijk van Isrnöl, doch niot zuivor nanr dien kant, wnnt ln-t lag ook eenigs-zlns nanr hot noorden, of, zoonU men iiet in onzo dagen zou uitdrukken: in ooat-noordóOstclijko richiing. !)â II. Schrift telt echter gewoonlijk lt;lt' kleine byzonderheden niot mede; in hare tydscpgaven rekent zy by volle jaren, ook ;ils oen of t.woe dier jaren, hot rerste en In t laatste, nog niot vol zi n, en eveneens liandi'lt zij nu t do geboui tonissen ; zij vermeldt die slechts wat hoofdzaak holren. Of dus het d. or Klisoüs bed gt;olde venster znivor op het oosten uitzag of niet, deed voor het verhaal dor Schrift minder ter zake.
2. Bij do Israëli 'ten waren do gra en, althans van voornamere personen, in eeno rots uitgehouwen «mi zoor ruim. Het lijk word er, met doeken omwonden, ingoschamp;ven on do ingang met een steen gesioton.
3. Als God onder hot üudo Verbond door middel dor sloll'olijke ovorblijfsclon van eon heilige â hior van don profeet Blisoiis â wonderen wrocht, kan lij hot ook nog heden doen. Het geloof dor Katholieken aan do bomiddelendo
34
BTJRRLSCHR GESCHIEDENIS.
kracht der roliquieën, hetzij tot lichamelijk, hetzij meer bepaald tot geosteiijk heil, is dus geen bijgeloof. De Protestanten, die het tegonovergestddo loeren, worden door hun eigen Hij bel â welken /.ij. voor zoover zij oog geloovig zijn, met ons gemeen hebben â veroordeeld.
4. Do bovenvermelde koning Jeroboam, do zoon van .lu is, wordt gewoonlijk, ter onderscheiding van Jeroboam Nahats zoon, den eersten koning van Israël na de schenring ih rijks, Jeioboamll genaamd. De profei t Jonas, die Jeroboam II zijn gelukkigen strijd voorspelde, en van wien men met grond vermoedt, dat bij een Irerlmg van Klist lis was, begon zijn profetische loopbaan na r alle waarsehijnlijkbeid reeds onder de regeering van Jons. Mij schreef het IJoek der H. Schrift, dat den naam van I'roj'clif van Jonas draagt en wa; raan de gebeuitea s, in het volgend hoofdstuk medrgedet-ld, is onlieeiid.
f). Amos profeleetde omstreeks dt nzflfdcn tijd als Jonas. Van In m Ix zittfii wij in de II. Schrift het book gonaamd i'Vofeti i n van Amos. Zijne voorspelling aangaiuule de wegvoering dor tien stammen naar een heidonsch land, Assyrië» werd ruim een halve eenw later vorvuld.
HOOFDSTUK CXMII.
JONAS KN ü K STAD NINIVE. ca--
rk-k-k* amp; jtX*
profeet Jonas, uit wiens rtiond Jeroboam, koning van Israël, de voorspelling vernomen had, dat hij de oude grenzen r'es rijks zou herstellen, was de zoon van Amathi, uit de stad Geth Opher (in den stam Zabulon), Zijne werkzaam-ïy' . heid bepaalde zich niet tot Israël alleen, ook voor eene zending onder de hei-
yk deneil had de Heer hem bestemd.
t/r Diensvolgens kwam over hem ü|) zekeren dag het woord des Heeren, luidende ;
Maak u op, ga naar de groote stad Ninive (de hoofdstad van het machtige Assyrische rijk) en predik daar, dat hare boosheid is opgeklommen tot voor mijn aanschijn. Jonas maakte zich op, doch niet om naar Ninive te gaan, maar om het bevel des Heeren te ontwijken en de vlucht te nemen naar Tharsis (Spanje). Met dat doel begaf hij zich naar Joppe, waar hij een schip trof, dat ter afvaart naar Tharsis gereed lag; hij betaalde zijne vracht-penningen en nam plaais.
Pas was het schip in zee, of de Heer verwekte een geweldigen storm, zoodat het elk oogenblik in gevaar was van vergaan. Den opvarenden sloeg de schrik om het hart; ieder riep den naam aan van zijn Uod, en om het schip lichter te maken wierp men een gedeelte der lading overboord. Jonas echter lag beneden (in het scheepsruim of in een soort van kajuit) rustig te slapen. De stuurman ging naar hem toe, wekte hem en sprak: Wat laat gij u door den slaap overweldigen, sta op en roep uw God aan, of wellicht deze God ons indachtig wil zijn en ons voor vergaan behoeden.
Daar de storm aanhield, overlegden de schepelingen onder elkander: Komt, laat ons het lot werpen, opdat wij weten, om wiens wille ons dit ongeluk treft. Het lot werd geworpen en viel op Jonas Zij spraken nu tot hem: Zeg ons, uit welke oorzaak overkomt ons deze ramp? wat is uw bedrijf, welk uw vaderland en waarheen gaat gij of uit welk volk zijt gij? Jonas antwoordde: Ik ben een Hebreör, ik vrees den God des hemels, die de zee en het vaste land gemaakt heeft Voorts deelde hij hun mede, dat hij voor het aangezicht des Heeren vluchtte. Op het vernemen dier woorden werden de mannen met groote vrees vervuld en vroegen den profeet: Waarom hebt gij dat gedaan? wat zullen wij u doen, opdat de zee van ons allate? Deze toch woelde en schuimde. Jonas' antwoord luidde: Werpt, mij overboord, en de zee zal u met rust laten; want ik weet dat om mijnentwil deze geweldige storm over u gekomen is. Alvorens dit te doen, wilden de mannen nog eene laatste poging wagen om naar land terug te keeren; zij roeiden uit alle krachten, doch de woede der baren spótte met hun vruchteloos zwoegen. Toen riepen zij tot den Heer (dien Jonas hun had doen kennen als den Schepper van hemel en aarde en den verwekker van dezen storm): Heer, riepen zij, wij bidden u, laat ons niet te
266
JONAS DOOR DKN WALVISCH UITGEWORPEN. Blad?. 267.
BTJBFLSCHE GFSCHIEDENIS.
gronde gaan om wille van deze man, en laat van den anderen kant geen bloedschuld op ons geladen worden, want Gij, Heer, hebt gedaan gelijk het u behaagd heeft. Daarop wierpen zij Jonas in zee, en oogenblikkelijk ging de storm liggen. Dit wonder vervulde de schepelingen met diep ontzag voor den Heer ; zij droegen Hem offers op en spraken geloften uit.
Jonas werd door een grooten visch, dien de Heer gezonden had, ingeslokt; drie dagen en drie nachten bleef hij ongedeerd in den buik van dit zeemonster als in een levend graf begraven, en hij stierde zijn gebed tot God met de woorden :
Uit mijne benauwdheid roep ik tot den Heer en Hij verhoort mij ; ik roep uit den buik van het doodenrijk, en Gij luistert naar mijne s'em.
Ja, Gij storttet mij in de diepte, in het hart der zee, en de vloed omringt mij; al uwe golven en baren gaan over mij heen.
En ik zeide : Verstooten ben ik uit den aanblik uwer oogen, doch wederzien zal ik uwen heiligen tempel.
Mij omringen de wateren tot aan mijne ziel; de afgrond ontsluit mij, de zee bedekt mijn hoofd.
Tot de wortelen der bergen zink ik neer ; de sluitboomen der aarde sluiten mij voor altijd af; maar Gij zult mij uit het verderf opvoeren. Heer mijn God.
Daar mijne ziel in mij beangst is, gedenk ik den Heer, opdat mijn gebed tot u kome, tot uwen heiligen tempel.
Zij die vruchteloos zich hechten aan de ijdelheden (de valsche goden) verliezen de barmhartigheid.
Ik echter zal u offers opdragen met de stem des lofprijzens; de geloften aan den Heer om der redding wil zal ik volbrengen.
Zoo bad Jonas in den buik van den visch, en op Gods bevel spoog de visch hem behouden aan land. Nu sprak de Heer ten tweeden male: Maak u op naar de groote stad Ninive en verkondig daar wat ik u zeggen zal. Jonas maakte zich op, en al voortgaande kwam hij eindelijk voor de poorten van Ninive. De stad was drie dagreizen groot. Eén dagreis ver ging hij haar binnen : toen verhief hij zijne stem, en voortdurend klonk langs straten en pleinen het woerd, door den Heer hem ingegeven: Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan 1
Op zijne prediking kwamen de Ninivieten tot inkeer. De koning stond op van zijn troon, wierp zijn vorstelijken mantel af, trok een boetzak aan, zat terneer in de asch, en gelastte dat een algemeene vastendag zou worden uitgeroepen, Kenige oogenblikken later verschenen herauten, die in naam des konings en der rijksgrooten het bevel afkondigden: Menschen en lastdieren, runderen en schapen zullen niets nuttigen, noch water drinken. In boetzakken zullen de menschen zich en hunne lastdieren hullen : zij zullen roepen lot den Heer uit al hunne krachten. Ieder bekeere zich van zijne booze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijne handen kleeft. Wie weet, wellicht keert de Heer zich tot ons en schenkt vergiffenis en laat af van het vuur zijner gramschap, zoodal wij niet te gronde gaan. â En de Heer deed aldus; de goede werken der Ninivieten en hunne bekeering aanschouwende, ontfermde Hij zich hunner en spaarde hen.
Na zijne predik ng (die waarschijnlijk meerdere dagen duurde) voleindigd te hebben, begaf Jonas zich naar het veld ten oosten van Ninive, vervaardigde zich eene loofhut en zette zich daarin neder, om af te wachten, wat er met de stad gebeuren zou Ziende, dat de Heer haar spaarde, werd hij zeer misnoegd en sprak : Ach. lieer, dacht ik het niet, toen ik nog in mijn land was? Daarom wilde ik naar Tharsis vluchten, want ik wist, dat Gij een genadige en barmhartige. God zijl, langmoedig en van groote ontferming, vergiffenis schenkende voor de boosheid. Nu dan. Heer, neem, bid ik u mijne ziel weg, want de dood is mij beter dan het leven. De lieer antwoordde: Meent gij. dat gij met recht misnoegd zijt ? Als verder antwoord liet de Heer spoedig een eiloof-boompje uit den grond opschieten, dat met zijne bladeren de hut van Jonas overschaduwde.
267
BIJRFLSCHF. GF.SCHIF,DF.NIS
Dit vervulde het hart des profeets met groote vreugde. Doch zie, reeds des anderen
daags bij het opkomen der zon, deed God een worm aan den worlel van het boompje knagen, waardoor het binnen eenige oogenblikken stierf Daarna liet hij een verzengenden wind waaien, en de zon brandde met zoo heete stralen Jonas op het hoofd, dat Lij hijgende uitriep: Het is mij beter te sterven dan te leven. De Heer vroeg hem: Meent gij, dat gij met recht misnoegd zijt over het verlies van het boompje? Jonas antwoordde: Ja, met recht ben ik misnoegd, ten doode toe Nu sprak de Heer: Gij betreurt het boompje, waarvoor gij niet hebt gearbeidt en tot welks groei gij niets hebt bijgedragen, dat in één nacht ontstond en in één nacht verdorde; en ik zou geen medelijden hebben met Ninive, de groote stad, waarin zich 120.000 kinderen bevinden, die nog hunne rechterhand niet weten te onderscheiden van de linker, en daarenboven zoovele dieren.
i. Jorms vildquot; do wijk nomen nnar Tlwirsis, niet omdat hij /icli (hin r buit on het horeik Viin God nchttc, maar in do hoop, ihit :ds hij /i h oi'iimniil in diit verro Inml bovond. God hom nifl ini.vr n.'iar Niiilvo 7,011 zenden.
4J. I) â schtM psliiulcn waren, /.ooals blij\t uit liquot;t ft'it, ilnl «'li zijn Oud uaniioi),quot; hcidonon van vorscbiliondt; landen.
H. I) â ixlri'- d,i_i'ii 011 dii ' HMrldrn,quot; di»'Jonas in dm lunk van d«ii vi-ch doorbracht, moct n natuurlijk volgens do joodsclio wij/.o vi.n tlt;dlon on naar hot jood-che spraaIxgeliruik wordtin opgt'vnl. Mon kan er dus onder verstaan: eon vollon dng, twoo uodn Hon van dn^cn on twoo volh* nucliteii Dat deze opvatting dt; ware i^, mag men mot grond afloi den uil de wnorilr 1 des Zali^nnikt'rs bij Malth. Ml. 40: gt; Gflijk Jonas drie dagen imi drie nachten in don buik van don viscli i-; gt wcosl. zoo z:d do Zoon dos Monschon drie (la^-n cn drie nachlcn in den schoot dor aardo zijn.quot; FJe /aligma-kor nu heot'l in In t giaf gi-in-t: een gi'detdlo van don (ioeden Vrijdng, dm gehcelon Zaterdag, een gedeelte van don Zondag en de tw-'o nnchton van Vrijdag op Zaterdag «mi van Zaterdag op /ondag.
4. In dt ii jongstcn tijd vooral werden door ISngelsdio en Frjinseho oiKliioid-ondorz^okers de bouwvallen van Ninive van onder b't /aid d- r woestijn, waaronder de eeuwen /0 bedolven Ijiidden, weder te voorschijn gohauld. Die hoogst holanplijko op^rjivliut-n brachten 0 a aan In t lie t. dat de nanlog der oude A-^syri cle' boordstad bijna in niets op do bouworde onzer tlt;'gonwoordige steden geleek. Kigonlijk zou men Ninive niet ééno stad, maar drie steden kimmn noemen. In de h ugc toch lan^s de rivier de Tigiis l itr- n drie blokken bui/.cn met p ileizen on b nip'ds, tus.schen wtdko blokken zich telkens bonw- en weilandon bevomb-n. Daardoor kreeg de stad natu 111 lijk een ontzaggelijkè uitgestreUtbeid. die aan-stomls het woord der Sehiift begrijpelijk maakt, dat men ilrit^ dagreizen noodig bad, om Ninive door te trekken en dat de profei-t .btiia? een ^tdiotdo dagreis ver do stad kon hinnongaan, voor hij do goddelijke liedroiiïing omtrent Ninive's v:;i !;iiig- tb' sti;.tlt;'ii begon uit te roepen. Want, dat ook ieder dol1 drie blokken liui/.'-n, met paleizen en tompols, elk op v rb /elf reeds /.efr groot was, loont, naast de opgravingfii, ook do verklaring der II. Schrift, dat de stad meer dan 120 000 kleine, nog van niets bewuste kindoren b zat. Men zoodanig nnntnl dezer kinderen wijst minstens op een bevolking van i'on p;iar millioen,
11 t gelooi en goblaat van het hongerende en dorstende ver. b'i wi I bovendien de lastdieren, de paarden en kameel n, in plaats vnn met praohtigo kleoden, nu t haren zakken bedekt waron, moest op oen zinnelijk oostersch volk een kraelitigen indruk ma' en en zijn goiTuo-d op bnitengowone wijze tot boitvnaniiglo-id stommen.
(». Jonas beklaagdw zich over de genade, die Ninive vond, niet uil boosheid, maar wijl bij vreesde, dat hij voor een v:ilschen prol-et en lt;!â Ib-er voor een machteloozen God zon fiehomleu wordin, die zijne lx dreigingen niet ti 11 i.itvoor kon bi'Migt-n. Wtdhelit kwtdde hom dn: rbij. zegt de II llieror.ynuis, «1quot;' gedm hte. dat God, die deze heidenen ter wille van hunii'- boel \ :i;;idigle ilt;l spaarde, om do togenovt'i g'.steldo reden zijn volk Israël /011 verwerp 11. God leert hem door droefheid ov- r lo l verli s v:in een zon ir- ringo zaak nis het eiloofboompje medelijdon te hebben met de Ninivieten, wier rampen, als de lieer hm niet gquot;-paard had grenz- nloos zouden zijn geweest.
7. I) II. Srhrift breekt haar verb al over Jonas en Ninive plotseling af; wat er vorder gebeurd is, kunnen wij dus slechts jiesen Ni' t 011 waarschiji lijk is bet, dat dezelfdt proleet, die der nog onbekend»' stad de straf, welke haar hoven liet bool'd hin-. predikte, haar ook, na bare bekeering, vorkon ligdo dut (iod li lar vi rgill' iiis had geschonken.
26ft
BrjBF.LSCHF, GF.SCHIRDENIS.
HOOFDSTUK CXIX.
HKT RIJK JU DA ONDER DE KONINGEN OZIAS ES' J OATH AN.
a de vermoording (hoofdstuk 1 !6) van Amasias door zijne oproerige onderdanen (en i- den hierop vermoedelijk gevulyden tien jarigen toestand van regeeringloosheid) werd eindelijk, iigt; het 27° bestuursjaar vin Jeroboam, koning van Israël, Amasias'zoon Otias, op een leeftijd van 16 jaren, door gansch Juda ten troon veiheven De naam zijner moedsr was Jechelia; hij zelf werd behalve Ozias ook Azarias geheeten. Bijna den yeheelen duur zijner 52jarige regeering en vooral zoolang zijn leidsman, de wijze en door God met zienersgave begenadigde Zachatias (vermoedelijk een zoon van den onder koning Joas gedooden Zacharias) leefde, legde Ozias zich van ganscher harte op do deugd en de godsvrucht toe en werd hierdoor zichtbaar door den Heer gezegend, Hij veroverde Ailath (eene havenstad der Edomielen aan de Roode Zee) en omgaf liet niet nieuwe vestingwerken. Daarna trok hij op legen de Philistijnen, versloeg hen, haalde de muren hunner steden Geth, Jabnia en Azot omver en bouwde in hun land verschillende dwangbiirchten. Ook de Arabieren moesten de kracht zijner wapenen ondervinden, en insgelijks was dit het geval met de Ammonieten wien hij ecneaanzienlijkejaarlijksche schatting oplegde. Door deze en zijne menigvuldige andere overwinningen werd zijn naam beroemd tot zelfs aan de grenzen van Egypte. Zijne hoofdstad Jerusalem versterkte hij door het bouwen van torens opde Hoekpoort, op de Dalpoort en op sommige punten van den vestingmuur. Verder verrezen er torens in de woestijn, ter bescherming zijner talrijke daar weidende kudden, voor welke hij tevens putten liet graven, en ook op meer plaatsen buiten de woestijn hield hij kudden. Bovendien bezat hij wijngaarden op den Carmel en andere bergen, en in het algemeen was hij een liefhebber van alles wal tot landbouw en veelteelt behoort.
Het aantal strijders, dat hij in tijd van oorlog onder de wapenen kon roepen, bedroeg 507,500 man, die hij allen voorzag van schilden, lansen, helmen, pantsers, bogen en slingers. De aanvoering dezer manschappen was opgedragen aan D60Ã bevelhebbers van hoogeren en lageren rang. Op de totens van Jerusalem en op de vooruitspringende hoeken van den muur dier stad plaatste hij vernuftig uitgedachte krijgswerktuigen, waarmede hij zware steenen en ander schiettuig op den vijand kon werpen.
Aldus nam, onder Gods voortdurende bescherming, deze koning steeds in macht en grootheid toe, zoodat ieder, dij het rijk kwalijk gezind mocht zijn, door vrees op een afstand werd gehouden. Intusschen had die grootheid hare gevaarlijke zijde voor hem zeiven. Op zijn oiilt;ien dag drong het gif van den hoogmoed in : ijn hart ei» hij dreef zijne stoutheid zoover, dat hij den tempel binnentrad met liet plan, om op het reukofïeraltaar in het heilige, hetvelk slechts voor de priesters toegankelijk was, reukwerk te branden. Dehooge-priesters en tachtig priesters volgden den verraetelen vorst op den voet en stelden zich moedig tegen zijne poging te weer. Het is, zeiden zij, niet uw ambt, Ozias, reukwerk aan den Heer te offeren ; dit is het ambt der priesters, zonen van Aiiron, welke tot deze bediening beschikt zijn. Verwijder u uit het heiligdom, word geen wetschenner, want God zou het u niet lot eer rekenen. In plaats van door deze woorden lot inkeer te komen, werd Ozias toornig, en het wierooksvat in de hand houdende, bedreigde hij de priesters met zijne wraak Dcch op hetzelfde oogenblik vertoonden zich aan zijn voorhoofd vlekken van melaatschheid; en de hoogepriesler en de tachtig priesters dit ziende, gelastten hem den tempel te verlaten. Aan dit bevel gaf hij schielijk gehoor, want ook hij zelf gevoelde tot zijn scluik, dat de hand des lleeren hem getroffen had Daar hij melaatsch bleef, bracht hij zijne nog overige levensdagen door in een afgezonderd huis, terwijl de zorg voor het paleis ea voor het rijksbestuur door hem werd opgedragen aan zijn zoon Joathan.
269
BIJRF.LSCHK GESCHIEDENIS,
Eindelijk stierf hij en werd wegens zijne melaatschheid niet in het graf der koningen, maar in de nabijheid daarvan begraven.
Joathan, lot dusver rijksbestuurder, volgde zijn vader na diens dood als koning op. Hij bad toen den leeftijd van 25 jaren beieikt en hield den troon 16 jaren lang bezet. De naam zijner moeder was Jerusa.
Tot op zijn laatsten stond deed deze vorst wat recht en welgevallig was in de oogen des Heeren ; alleen aan het offeren op de hoogten, waaraan nog altijd velen uit het volk, in strijd met de Wet, gehecht waren, maakte hij evenmin als zijn vader een einde Hij vernieuwde de Hoogepoort van een der voorhoven des tempels en versterkte dat gedeelte van den stadsmuur, dat den naam Ophel droeg. Hij stichtte verschillende steden op de bergen van Juda (ter bevestiging des rijks tegen vijandelijke invallen) en in de wouden bouwde hij burchten en torens. De Ammonieten, die reeds sedert Davids tijd aan Juda onderworpen waren (maar zich thans zochten vrij te vechten), werden door Joathan verslagen en brachten hem drie jaren lang (behalve de gewone schatting) honderd talenten zilver op, benevens 10,000 maten tarwe en even zooveel gerst. Zoo nam Joathan toe in aanzien en welvaart, want de Heer zijn God, die hij zocht, geleidde en beschermde hem. Na 16 jaren geregeerd te hebben, werd hij in het graf der koningen op den berg Sion tot zijne vaderen verzameld, en zijn zoon Achaz volgde hem op.
Abraham, Isniic en Jacob luuldcn gcoflord op lioogten on steenblokken; ook hunne nnkomelingen hadden dit ruim twee eeuwen lang ilnnn, totdat de \V« t. doer God nan Moses gegeven, vaststelde, dat voortaan, tenzij in buitongewono gevallen, alleen op In t brnidofTtr! llanr in den tabernakel, en later in den temped, mocht geoilerd worden De/.o wetsbepaling scl.ynt voor de Joden een der mocirlijkste te zijn yewce.-t om er zich aan te gewennen. Altijd blevtn zij in meerderen ol minderen graad aan li» t oude gebruik ^ehcclit, en zelfs de zoo innig godvi nehlijj,r koning Josapbat lind het. met nl zijn ijveren voor den Heer, niet geheel kunnen uitroeien. Men zie verder wat over dit oll'eren gezegd is achter hoofdstuk CG aanteekening 4.
HOOFDSTUK CXX.
HET RIJK ISRAÃL ONDER DE KON ING FN Z ACH ARIAS, SELLUM. MANAHEM, PHACEIA EN PU AC EE
rP-*- *
RSf 'i, iie) achttiende jaar der regeering van Ozias, koning van Juda, volgde Zacharias, !gt;} de zoon van Jeroboam II, zijn vader in het bestuur van het rijk Israël op. Hij â lt;â £' bedreef veel kwaad voor bet aanschijn des Heeren, maar reeds na zes maanden ' kwam bij in een oproer om hel leven. Het hoofd des oproers was de zoon van ;;lv Jabes, Sellum, die na eerst in het ij;e',e',ri eene samenzwering gesmeed te hebben, ten laatste openlijk met zijn aanhang voor den dag kwam, Zacharias vermoordde en zich zelf tot koning liet uitroepen. Aldus werd het woord vervuld, dat de Heer tot Jehu gesproken had: Uwe zonen zullen tot het vierde geslacht op den troon van Israël zetelen. De zoon in het bedoelde vierde geslacht was Zacharias geweest.
Sellum genoot de vruchten zijner overweldiging slechts eene maand; tegen het einde van dien tijd rukte Manahem (volgens Flavius Josephus de overste der legerafdeeling, die te Thersa lag) op Samaria aan, overwon en doodde Sellum, en maakte zich van den troon meester. Vervolgens trok de nieuwe gebieder naar Thapsa en daar die stad hare poorten voor hem gesloten hield, deed hij ze met geweld openen en bracht de inwoners, zoo vrouwen als mannen, op wreedaardige wijze om het leven.
Manahems regeering was, door al het kwaad, waaraan hij en zijne onderdanen zich schuldig maakten, eene aaneenschakeling van zonde en ongerechtigheden. Tot zijne en hunne straf kwam Phul, koring der Assyriërs, met een leger opdagen en viel de grenspalen van Isiaël bimun. Mar.aUm bocd htm ICO talenten zilver, onder beding, dat de Assyriër
270
BIJRRLSCHR GESCHIEDENIS.
zijn bondgenoot zou worden en hem op den troon zou bevestigen. Djze stemde hierin toe, en nu legde Manahem, om het benoodigde geld bijeen te brengen, aan ieder der rijksten en voornaamsten zijns volks eene buitengewone belasting op van 50 sikkels. Phul nam de beloofde som in ontvangst en keerde naar zijn land terug. Na 10 jaren geregeerd te hebben, stierf Manahem en werd opgevolgd door zijn zoon Phaceia.
l'haceia, die evenals zijn vader den weg des kwaads bewandelde, regeerde slechts 2 jaren. Op liet einde van dien tijd ontplooide een zijner krijgsbevelhebbers, Phacee, de zoon van Romelia, de vaan des oproers, bestormde met zijn aanhang het koninklijk paleis te Samaria, doodde Phaceia en vijftig van diens dienaren, allen mannen uil Galaad, en zette zich zelf de kroon op.
Phacee regeerde 20 jaren. In de vier laatste jaren trok hij. verbonden met Rasin, koning van Syrië, tegen het rijk Juda op, waarover destijds Joathans zoon Achaz regeerde. Om den vereenigden vijand het hoofd te kunnen bieden, riep Achaz de hulp in van den koning der Assyriërs, Theglathphalasar (den opvolger van Phul). Deze kwam, drong Israël binnen, veroverde geheel Galaad (het ten oosten van den Jordaan gelegen grondgebied van Ruben, Gad en half Manasse), benevens het gewest, dat (in het noorden des lands) aan den stam Nephthali behoorde, en voerde de inwoners gevankelijk weg naar het groote Assyrische rijk. De gevangenen uit Nephthali moesten hun verblijf vestigen in de hoofdstad Ninive (Tobias I : II); aan de overige stammen werden als ballingsoorden aangewezen de landstreken Lahela, Habor, Ara en de oevers van de rivier Gozan (1 Paral. V : 26), Eindelijk verloor Phacee, na even slecht geregeerd te hebben als zijne voorgangers, den troon op dezelfde wijze, waarop hij hem verkregen had. Osee, de zoon van Ela (misschien gebruik makende van den wrok des volks over den inval der Assyriërs, waarvan Phacee door zijn tocht naar Juda de oorzaak was), smeedde eene samenzwering, vermoordde Phacee en overweldigde het rijksgebied.
Hij tweo ondorscliciduno gcïlegpiiticdon wcrih-n do Urticlicton v;iti het rijk iter lien stammon in biillin^chap naar As* syriii gevoerd. Do eersto wi^voering, waarin atlocn du stammen Uatien on Gad m 1 hull .\I1nns30 en Nephtliali â do li' Woneis van het nostetijke en nuordeliJUe deet dos lands -â betrokken waren, is hoven vonn.dd U- tweede wegvoering had plaats üü jaar later, onder den koning van Israël Osee. op hovl van d'ii Assyrls-chon koning Sahnonassar, Tlieglath phalasars opvolger.
Van do vroogore gosoliloilenis dur Assyriërs is weinig in-t z ikerhoid hquot;kond. In li 't eerste hod; d ril. Schrift. Oonosis. lezen wij daarover, cap. Will; 8 â 12 het volgende : »Clius (de zoon van Chatn. die e in zoon van Kou was) gewon Xeinrod ; deze ving aan mnclitig te zijn op aarde en was een geweldig jager. . .. tiet h 'gin van zijn koningrijk was Habyion ... in liet land Sunnaiir. Van dit land ging uit Assnr en bouwde Ninive.quot; Ninive werd dns later geslicht dan Unhylon of Uabel,
welliclit eenigen tijd na den bek........ torenbouw eu de spraakverwarring. Iv-rstgenoemde stad lag aan do rivier do
Tigris, de andere aan den Knphr.aat Het schijnt, dat ten tijde van David de Assyriërs nog niet buitengewoon machtig zijn geweest| althans in ps. LAW: '.t Wordoa de Assyriërs geteld onderdo hulpbenden der zonen van Lot,
Wat de Ongewijde geschietlenis over het oude rijk verhaalt, berust te veel op fabelen en onbewezen gissingen, om voldoend vorlronwen in te boezumen Als sticliter van Babyion noemt zij Uol, en als dien vnn Ninive Bds zoon Ninas. .Missch un kunnen Nomroil en Assur ook aldus gehei'ton zijn. wijl hot in de omllieiii m iel' gebruikelijk w.is, dat dozelfdu pel soon verscheidene namen voordo Volgons don (Jriekscheu ^i'schiedschrijver Herodotus echter zou Ninus eerst geloefd liebben ongeveer ol'i jaren vóór tie stichting van Romo. dus ongovei-r 8 rouwen na Assur, Wellicht was deze een andere Ninus dio de stad niet goKticht maar vergroot en verfraaid heeft
Het is genoegzaam zeker, dat onder den Assyrischen koning Sardanapalus het rijk in drieën word verdeeld Arbaces, stadhouder van Mediö maakte, gostunnd door een Uahyionischen priester lielesus, oproer, word eerst di iemaai door Sardanapalus verslagen, maar behaalde ton laatste een zoo volledige overwinning, dat tie Assyrlsche vorst zich zelf met zijn paleis liet verbranden Het gevolg was, dat M.-dië e.i Lïadylon nfzomlorlijke rijken werden, hot eerste ouder Arbaces, het tweede onder Helosns, terwijl het verkleinde Assyrio, \aa nu af door do geschiedschrijvers het Nieuw-Assyrischo rijk genaamd, onder Nimis den jongere voorthestond. De hoofdstad van dit rijk bleef, als vroeger, Ninive, gelegen aan de rivier do Tigris; Babylon, aan do ri.ier don Kaphraat, werd do hoofdstad van li d Babylonischo rijk.
Wanneer deze rijksschunring plaats had. is niet nauwkeurig te bopnlen. Volgons do eene mcening regeerde Sirdanapa-
Ins omstreeks H00 of 830 jaren vóór Cliristus. volgens eene .......... ie* halve ooow latei*. Vandaar dat sommige Schriftver-
klaarders, de eerste mooning toegodiuin, reeds 1'hul onder do Nieuw-Assyriseh ' koningen lellen; ile volgelingen dor tweede meening daarentegen nemen aan, dat Sardanapalus mg na Pliul regeerde, en dat Thoglath-phalasar dezelfde persoon was als Ninas de jongere, eu bijgevolg de eerste koning vnn liet nieuwe rijk. Do eersto meening schijnt verreweg de moest gegronde, on het is bijna aan geen twijfel onderhevig, dat onder Theglath-phalasar Babylonië en Medlö weder met Assyrio vereonigd werden. De Inndstiuken toch, waarheen deze koning do 31/2 stam van Israël in ballingschap
271
mjBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
zoii.l; Lahela, Habor, Ara en de covers van do rivier Gozan, behoorden, althnns godeoltelyk, tot het grondgebied van Modiö, zooals blijkt uit \ Kon. XVII : G â zie lilorachtor hoofdstuk 123.
In don togonwoordigon tij'! bc iooron do rivieren do Tigris en (hi Kuplirant tot Aziatisch Turkije.
HOOFDSTUK CXXI.
1 U ü A C) N I) E R D E N G O D D E L O O Z E N KONING A C H A Z. I S A 1'A S VOORSPEL T A C H A Z 1) E N M E S S I A S.
^chaz, de zoon van den godvruchtigen koning Joalhan, kwam in Juda aan het bestuur in het zeventiende jaar van Phacee's regeering over Israël, op een leeftijd van 20 jaren.
TV0' Zoozeer als de regeering zijns vaders door godsvrucht had uitgemunt, zoo slecht
A. en nog slechter regeerde Achaz. Hij verwijderde zich geheel van den Heer zijnen ^ God en bewandelde de wegen der meest goddelooze koningen van Israël. Zelfs ging hij nog verder; want niet alleen richtte hij standbeelden op voor Baal, maar bovendien volgde hij de volkeren na, die de Heer voor het aanschijn der kinderen Israels had verdelgd, en deed een zijner zonen door het vuur sterven (als een otler voor den afgod Moloch) Tot zijn straf ontvingen de koningen van Syrië en van Israël, Rasin en Phacee, van den Heer macht over hem. Na zich reeds in de laatste dagen van Joathan tot den ooi log te hebben toegerust, vielen zij thans, elk met een talrijk leger, het rijk Juda binnen, alom dood en verderf verspreidende. Phacee versloeg op één dag van Achaz'troepen 120 000 strijders, die evenals hun koning den lieer verlaten hadden. Terzelfder tijd doodde een machtig man uit Ephraïm Achaz' zoon Maasias, benevens Eziica, den overste van het paleis, en Elcana, den eerste in rang naast den koning. Met een onnoetnelijken buit en 200.000 gevangen genomen vrouwen en kinderen, zoo knapen als meisjes, aanvaardden de krijgers van Israël den terugtocht naar Samaria.
Op hun weg derwaarts kwam Oded, een profeet des Heeren, hun te gemoet en sprak tot hen: Ziet, de Heer de God uwer vaderen was vertoornd op de zonen van Juda en heeft hen in uwe handen geleverd ; doch gij hebt hen op gruwelijke wijze vermoord, zoodat uwe wreedheid ten hemel reikt. Bovendien wilt gij ook de kinderen uit Juda en Jerusalem tot uwe slaven en slavinnen maken, wat u voorwaar niet geooiloofd is, want daarin zondigt gij tegen den Heer uwen God. Hoort dan mijn raad : zendt de gevangenen, die gij uit uwe broeders medevoert, terug ; anders wacht u in hevige mate de toorn des Heeren.
Op dit woord traden vier oversten voor de gelederen en spraken tot de manschappen ; Gij zult de gevangenen niet verder medevoeren, opdat wij niet zondigen tegen den Heer. Waarom wilt gij onze zonden vermeerderen en nieuwe misdaden stapelen op de oude ? want eene groote zonde is het, en de grimmige toorn des Heeren dreigt over Israël los te bteken. Daarop brachten alle strijders hunne gevangenen en hun buit bij de vier oversten. Deze voorzagen uit den buit diegenen der gevangenen welke half naakt waren, van kleederen en schoenen, versterkten allen door spijs en drank, zalfden de vermoeiden met olie en droegen op alle mogelijke wijze zorg voor hen. Voorts plaatsten zij de zwakken en die moeielijk gaan konden op lastdieren en geleidden eindelijk de gansche menigte naar de tot Juda behoorende stad Jericho. Eerst daarna keerden de oversten naar Samaria terug.
Met dit al waren de rampen, die Juda om de goddeloosheid zijns konings en zijner bewoners troffen, nog niet ten einde. Idumeïsche horden stroopten het land af, en ook de Philistijnen kwamen, maakten zich meester van de steden üethsames, Aialen, Gaderoth,
11 rjBF.LSCHE GESCHÃEDKNÃS
Socho, Thamna en Garazo, en vestigden er zich. Rasin, de koning van Syrië, bracht Ailath, dal door Achaz' grootvader Ozias veroverd was, onder zijne macht, cn trok, in vereeniging met Phacee, zelf» tegen de hoofdstad van Juda, Jerusalem, op. Hun doel was, het huis Davids, waaraan God den schepter voor altijd had toegezegd, van den troon te stooten, het rijk aan zich te trekken en er een zoon van een zekeren Tabeül ais onderkoning over aan te stellen.
In dezen nood dacht Achaz er op, den koning van Assyric, Theglath phalasar, ter hulp te roepen. Inmiddels zoml God hem den profeet Isaïas, die tot Achaz sprak; Zie toe, dat gij gerust zijt; vrees niet, en dat uw hart niet beducht zij voor deze beide rookende stompen brandend hout, voor den grimmigen toorn van Rasin en van den zoon van Romelia (Phacee) Vrees niet, wijl de Syriërs met den zoon Romelia's een boozen aanslag legen u maakten en gezegd hebben: Laat ons tegen Juda oprukken en het aan ons trekken ener den zoon van Tabeel tot koning over aanstellen. Zoo toch spreekt de Heer: Dit zal niet bestaan en niet geschieden. Voorts sprak de profeet tot Achaz: Vraag van den Heer uw God een teeken, heizij in de diepte beneden, hetzij in den hooge daarboven (een teeken, dat Davids geslacht niet van den troon zal gestooten worden). Achaz antwoordde: ik zal niet vragen en den Heer niet beproeven. Ãe profeet hernam: Hoor dan, huis van David; is hel u weinig, menschen lastig te vallen (een mensch als mij door uw ongeloof omtrent mijn woord te beleedigen), zoodat gij mijn God ook lastig valt (Hem evenmin op zijn woord gelooft)? Daarom zal de Heer zelf u een teeken geven. Zie pk Maagd zat, ost-vanchix en eenkn ZoOX üaren en' zmx naam za I, z i.i x K.mm a .m ei,. (God met ons). Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij wete het kwade te vet werpen en het goede te kiezen.
Ongeacht deze goddelijke verzekering, dat hij de beide stokebranden Rasin en l'hacee niet te vreezen had, volhardde Achaz bij zijn plan, om Theglath-phalasar ter hulp te roepen. Hij zond hem door zijne gezanten al het goud en zilver, wat in het huis des Heeren en in de schatkist te vinden was, en liet daarbij zeggen i Ik ben uw dienaar en uw zoon; kom en red mij uit de handen des konings van Syrië en des konings van Israël, die tegen mij opgetrokken zijn
Theglath-phalasar gaf aan dit verzoek gehoor. Hij rukte met een machtig leger op Syrië aan, bedreigde tevens Israël en noodzaakte daardoor de twee verbondene vorsten, het beleg voor Jerusalem op te breken, om hun eigene staten te beschermen. Hunne pogingen hiertoe echter waren vruchteloos. Theglaih phalasar versloeg het Syrische leger, doodde den koning, verwoestte diens hoofdstad Damascus en voerde de bevolking in ballingschap naar Cyrene. Ook van Israël nam hij geheele l.mdstreken weg, wier bewoners naar Lahela, Habor, Ara en de oevers der rivier Gozan werden gevoerd â zie vorig hoofdstuk.
Te Damascus ging Achaz den overwinnaar bezoeken. Bij die gelegenheid zag hij het altaar van den tempel dier stad, dat hem zeer beviel. Hij deed eene afbeelding er van maken en zond haar naar Jerusalem aan den hoogepriester Urias, met bevel er een tweede altaar naar te laten vervaardigen, hetwelk dat van Salomon in den tempel des Heeren zou vervangen. Dit was ongeoorloofd, wijl God zelf aan Moses den vorm des Altaars nauwkeurig had bepaald, Urias echter had dien moed niet, zich tegen den koning te verzetten, en toen deze van Damascus te Jerusalem wederkeerde, vond hij het door hem bevolene werk gereed. Hij deed nu het oude brandofferaltaar wegnemen en droeg op bet nieuwe, daarvoor in de plaats gesteld, brandoffers en spijsoffers op, besproeide het met het bloed van vrede-offers en plengde er drankoffers op. Hel oude altaar wees hij voorloopig eene plaats aan legen den noordermuur des tempels, totdat hij er nader over zou beschikken. Ver volgens beval hij den hoogepriester : Draag op het groote altaar (hel nieuwe) het morgen brandoffer en het avond spijsoffer op, en hel brandoffer des Konings cn zijn spijsoffer, benevens het biandoffer des geheelen volks en zijn spijsoffer, en giet er hel bloed der brandoffers op uit en het bloed der slachtoffers. In al deze zaken voegde zich Urias naar des konings wenschen.
iVi
35.
BIJBRLSCHR GESCHIEDKNlS.
Nog was dit Achaz niet genoeg. Ook het groote koperen wasnhvat moest zijne veranderingswoede ondergaan: de koperen ossen en het koperen voetsiuk, waarop het stond, deed hij er onder wegnemen en vervangen door een voetstuk van steen. Voorts verplaatste hij den koninklijken sabbalszetel (van het voorhof des volks naar het voorhof der priesters) en veranderde den gang, die uit het paleis naar den tempel liep. Dit deed hij ten genoege des konings van Assj'rit! (waarschijnlijk om dien vorst, als hij soms de sabbatsviering in den tempel verlangde bij ie wonen, rechtstreeks toegang le geven tot het priestervoorhof, ofschoon daar behalve de piiesiers niemand, en wel het allerminst een heiden, mocht binnengaan).
Zoo poogde Achaz op allerlei wijze zich den Assyriër tot vriend te maken; maar noch zijne wetsovertredingen noch zijne herhaalde geschenken konden hem zijn doel doen be reiken, Theglath-phalasar, na de Syriiirs en Israël verslagen te hebben, begon ten laatste ook Juda lastig te vallen en het land te verwoesten. In plaats dat Achaz nu althans tot den God zijner vaderen zou terugkeeren. week hij inlegendeel nog meer van den rechten weg af en droeg offers op aan de goden van Damascus, bij zich zeiven zeggende; De goden der koningen van Syrië helpen hunne vereerders, ik zal door offers hunne gunst trachten te verwerven, dan zullen zij ook mij bijstaan. De goddelooze vorst ging nog verder: hij nam het gewijde gouden en koperen vaatwerk uit den tempel, sloeg het tot platen ineen, deed de deuren des tempels ïluiten. richlle in alle hoeken van Jerusalem en in allo steden des lands altaren op, legde daar wierook op te branden en maakte zich alzoo in dubbele mate schuldig voor het aanschijn des Heeten. Eindelijk, na 16 jaren geregeerd te hebben, stierf hij, en zijn zoon Ezechias volgde hem op.
V..ii d 'ii pntfi'.ct O'lfd is niots ;iih1'ts hakend dim li. L: quot; ii in bovciistaaml hoofd-Luk vorhanld i*. Zooveel to moor welen wij vim den r.-nigo iv^vU wrdor jrâ¢nofindcn Is ,V,is. Hij \vms d â zoon van c-'ii man, mot nami' Amos, dien de .Inodscli-' overknerlrg houdt voor ren In-ocdoi* v;iii koning a nasias van Juda. In liet sterfjaar van koning o/.ias. Ama-sin's /(jon, ontving I i;.i - van G td /.ijne rnri/m-- lot piofi » t, en hij prcd'-'tottrd-' ondor de opvolgeinli.' koningen Joathan, Achn/.. Iv/a t-hias cn tijdens do eersto rogeerlngsjarcn van Manasses. Volgens eeno zoor \vnarsch(jniyko overlevering stiorl hij di'ii martoidood l .uelijl: nn t d'1 vtde bravo on ^.o Ivniclili.L-f mannoii uit Jnda, wior Ulood, luidons hot 'ido l.'oek der
koningon \\l; 10. ........ M;ma- â¢â¢â¢â¢â¢ vo i-oton w.-id. ijne prof-liii-n. vordindd in 00 lioofdstukkeii, k'-nrn'rkon zich door een
verhovon nv.oid n .â¢nic air- nvoi w ddi-oude kraclit. M L on . crlMddt'üjivO ^nslronghoid liron^t hi) d-n .lodon hunne /unden on nasd; don onder h L en -quot;'liildoit linn in f-irscho li oldi'M dquot; vroi'.-idijke striilï.'ii. dio /.ij /.ieli door linn Godvergeten Irven onvoi niijdelijk op d-n h:ds hal n. /ijn â talrijke voor/ '^^ingen omtrent de gehoorto, li d lijden en de verquot; heerlijking van d n M -.-ias zijn zoo dnididijk en dalen d- imale in hijzonderhedcai af, dat do lieiü/e kerkvadgt; r Hierony-mus hem inelt;r een evangoli-t dan oi-n pi ifo.-t n Kimt. lOn. I di'r \ lornnamste van zij no Mi-sianistdiquot; prof'ileën znllen in hot vo'pnido ho .id^tuk word-n vei zanndil, t' golijk mot di â van Mi.dieas en van luid.
De eerste d ;⢠twee laatst genoemdon was eon tijdgenoot van I aïas ; zijn hook, )gt;ile Profelio» n van Micheas,quot; is ver-deold in 7 hoofdstukken. Van Joel wot m n nj-t met /. â k»M,ht.'id, waiineor hij In fdo ; nit sommi^o plaatsen eoliter van zijn O tek. ide rrofelieën van Joel, ' â dat slcehts 3 hoofdstukken bevat â leidt men af, dat hij nog eonige jnren vóór Isaïas profeteerde, onder koning Ozias van Juda.
HOOFDSTUK CXXlt.
MESSIANISCHE PROEETIEEN VAN ISAIAS, MICHEAS EN jOEL.
274
1
^
j^saias voorspelt, dat de Verlosser zal komen, de waarachtige God, die de zoon zal L zijn der Maagd; Hij zal voortspruiten uit het stamhuis van David,â wiens vader Isaï of Jesso heette â en te Betlehem geboren worden.
Dauwt hemelen van boven en dat de wolken den rechtvaardige afregenen; dat aarde zich opensplijte en den Verlosser doe ontkiemen. (Zoo zuchtten de oud-vaders.) Isaïas XLV: 8.
Wees getroost, wees getroost, mijn volk! dus zegt uw God. Spreekt (gij profeten) tot het hart van Jerusalem en roept het toe, dat zijne boosheid een einde heeft, zijne
BUdz. 274.
ISA i AS.
RTJBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
ongerechtigheid vergeven is ; dubbele (zegeningen) heeft het uit de hand des Heeren ontvangen voor al zijne zonde. Isaias XL : 1 en 2.
Zegt aan de kleinmoedigen : Weest getroost, wilt niet vreezen ; Ziet, uw God zal wraak brengen jover uwen vijand, den duivel) en vergelding : God zelf zal komen en u verlossen. Pan zullen de oogen der blinden geopend en de ooren der dooven ontsloten worden ; dan zal de lamme huppelen als een her^, en ombonden zal worden de long der stommen. (Deze wonderen zal de Verlosser verrichten.) Is. XXXV : 4, 5 6.
Zie, de Maagd zal ontvangen en een zoon baren en zijn naam zal zijn Emmanuel (God met ons). Is. VII: 14.
Kene spruit zal uit den wortel van Jesse voortkomen en uit zijn wortel een bloem opschieten. En rusten zal op Hem de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der wetenschap en der godsvrucht, en vervullen zal Hem de Geest van de vreeze des Heeren, Niet naar het zien der oogen zal hij rechten noch naar het gehoor der ooren : maar Hij zal de armen rechten in gerechtigheid en met billijkheid oordeel vellen over de vreedzamen der aarde. Met de roede zijns mond zal Hij de aarde slaan, en den goddelooze dooden met den adem zijner lippen. Is. XI: 1â5.
Een kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken; op zijne schouderen is gelegd de heerschappij, en zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Sterke, Vader der toekomstige eeuw, Vredevorst, Vermeederen zal zich zijne heerschappij, en des vredes zal geen einde zijn. Op den iroon van David en in diens rijk zal Hij zetelen, om het te bevestigen en te versterken door recht en gerechtigheid, van nu af tot in eeuwigheid. Is. IX: ö en 7.
En gij Bethelein Ephrata, al zijt gij te klein om te tellen onder Juda's duizenden (onder de steden met duizend strijdbare mannen, aan wier hoofd een duizendman stondi uit u zal voortkomen de Heerscher in Israël, en zijn uilgang (zijn goddelijk aanzijn) is van den beginne en van de dagen der eeuwigheid. Micheas V : 2,
Sta op, word verlicht Jerusalem ; want uw licht is gekomen en de heerlijkheid des Heeren is over u opgegaan. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volkeien, doch over u zal de Heer opgaan en in u zal zijne heerlijkheid zich vertoonen. En de heidenen zullen wandelen in uw licht en koningen in den glans die voor u opging. Hef uwe oogen op in het rond en zie ! die allen verzamelen zich, zij komen tot u : uwe zonen komen aan uit de verte, en ter zijde gaan uwe dochteien op. Dan zult gij zien en overvloeien, en uw hart zal verwonderd zijn en zich verwijden, als de rijkdom der zee (de kust- en eilandenbewoners) zich tot u keert, als het vermogen der heidenen tot u komt. Een stroom van kameelen zal u bedekken, dromedarissen van Madian en Epha; van Saba zullen zij allen komen, goud en wierook aanbrengende en verkondigende des Heeren lol, Is, LX; 1 â 6.
De Verlosser zal een voorlooper hebben en met zachtmoedigheid zijne leer verkondigen,
Eene slem des roependen in de woestijn, Bereidt den weg des Heeren, maakt in de wildernissen de voetpaden recht van den Heer onzen God. Alle dal zal aangehoogd en alle berg en heuvel geslecht worden; de kromme (naden) zullen worden tot rechte en de ongebaande tot effene wegen ; de heerlijkheid des Heeren zal zich openbaren, eu alle vleesch zal gelijkelijk aanschouwen hetgeen des Heeren mond gesproken heeft Is. XL : 3â6.
Ziehier (zegt God) n-.ijn dienstknecht (de gehoorzame Verlosser), ik zal Hem opheffen : mijn uitverkorene, in wien mijne ziel haar welbehagen heeft; ik heb mijn Geest over Hem uitgestort: recht zal Hij brengen den volkeren. Hij zal niet (twistziek) schreeuwen, geen aanziener zijn des persoons, en zijne stem zal niet gehoord worden in de straten Een geknakt riet zal Hij niet breken en het rookend lemmet niet uitdooven ; in waarheid zal Hij het recht te vootschijn brengen. Niet kkirmtedig zal Hij zijn noch een onruststoker;
275
276
Hij zal het recht op aarde brengen, en de eilanden wachten op zijne wet. Is XLII: Iâ5.
Het lijden en de verheerlijking des Verlossers
De Heer opende mij het oor (maakte mij tot zijn dienstbare) en ik wederstreef Hem niet, ik wijk niet terug. Mijn lichaam heb ik overgegeven aan die mij sloegen, en mijn wangen aan die ze ontvelden; mijn gelaat heb ik niet afgewend van die mij scholden en bespuwden. De Heer is mijn helper: daarom ben ik niet beschaamd geworden; daarora bood ik mijn gelaat aan als een keisteen, en ik weet dat ik niet te schande zal worden. Nabij is Hij die mij recht verschaft. Is IV : 5 â 8.
Wie beeft geloor geslagen aan onze verkondiging (betreflfende het, lijden des Verlossers) en aan wien is de arm des Heeren (de almacht Gods die zich in het werk der verlossing toont) geopenbaard ? Hij (de Verlosser) zal voor Hem opschieten als een (nietig) rijsje en als een wortel uit dorren grond. Geen schoonheid heeft Hij of luister, dat wij naar Hem zonden opzien, geen gedaante dat wij Hem zouden begeeren, Hem den verachte, den minste der menschen, een man van smarten, die weet wat zwakheid is; als verborgen was zijn gelaat en Hij was veracht ; daarom hebben wij Hem niet geteld. Waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen ; wij hielden Hem voor een melaatsche, voor iemand die door God geslagen en vernederd was. Om onze ongerechtigheden echter is dij gewond, en vertreden om onze misdaden Tot onzen vrede ligt op Hem de tuchtroede ; door zijne striemen worden wij genezen. Wij allen gingen als dwalende schapen ; ieder doolde langs eigen weg, en de Heer laadde op Hem de ongerechtigheid van ons allen. Hij is geofferd omdat Hij zelf het wilde, en Hij deed zijn mond niet open : als een schaap wordt Hij ter slachtbank gevoerd, en als een lam is Hij stom voor den scheerder, en opent zijn mond niet. (Doch nu wacht Hem ook de verheerlijking.) Uit de benauwdheid en het strafgericht is Hij (door zijn sterven) weggenomen, en wie zal zijn geslacht (de millioenen christenen, zijne kinderen) vermelden; want Hij is weggerukt uit het land der levenden ; om wille van de boosheid mijns volk sloeg ik Hem. En Hij (de Heer) zal de goddeloozen geven voor zijne begrafenis en den rijke voor zijn dood, wijl Hij geene ongerechtigheid bedreven heeft, en in zijn mond geen bedrog is gevonden. De heer heeft Hem willen verpletteren in zwakheid; maar als Hij zijn leven heeft gegeven voor de zonde, zal Hij een duurzaam nageslacht zien, en de wil des Heeren (de zaligheid der menschen) zal door zijne hand vervuld worden. Omdat zijne ziel gezwoegd heeft, zal Hij aanschouwen en verzadigd worden; door zijne kennis (doordat de menschen Hem kennen en in Hem gelooven) zal mijn rechtvaardige dienstknecht velen rechtvaardigen en hunne ongerechtigheden dragen. Daarom zal ik Hem vele (zielen) tot zijn aandeel geven en zal Hij den buit der machtigen verdeelen (den buit aan Satan ontrukken), omdat Hij zijne ziel aan den dood heeft overgeleverd en onder de boosdoeners gerekend is, en de zonden van velen heeft gedragen en voor de overtreders gebeden heeft. Isaïas; hoofdstuk LUI in zijn geheel.
Te dien dage zal de wortel van Jesse als banier staan voor de volkeren: de volkeren zullen biddend zich lot Hem wenden, en zijn graf zal heerlijk zijn. Is. XI ; 10.
De nederdaling des H. Geestes, de prediking der Apostelen en de glorie van Christus kerk.
Gij zult weten, dat ik in Israëls midden ben en dat ik ben de Heer uw God en anders geen, en mijn volk zal niet te schande worden in eeuwigheid. En daarna zal het geschieden : Ik zal mijn Geest uitstorten over alle vleesch; uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren ; uwe grijsaards zullen droomen droomen, en uwe jongelingen gezichten zien. Ja, ook over mijne dienstknechten en dienstmaagden zal ik in die dagen mijn Geest uitstorten. Joël 1: 27 â 30.
Ik (de Verlosser) kom, om alle volkeren en talen te verzamelen ; zij zullen komen en mijne heerlijkheid aanschouwen. En ik zal een teeken aan hen stellen (de verzamelden : de Apostelen en eerste christenen zullen kenbaar zijn aan hunne geloofseenheid en hunne
RTJBRI SCHE GESCHIEDENIS.
onderlinge liefde) en uit hen die gered zullen zijn, zal ik eenigen zenden naar de volkeren aan de zee, naar Afrika en Lydië, die den boog spannen (wier inwoners met pijl en boog strijden), naar Italië en Griekenland, naar de verre eilanden, die niet van mij gehoord hebben, die mijne heerlijkheid niet hebben gezien. Zij (de gezondenen) zullen den volkeren mijne heerlijkheid verkondigen. Is. LXV1 : 18 en IQ.
In den nieuwen lijd zal de berg van het huis des Heeren (de kerk van Christus) op den top der bergen staan en uitsteken boven de heuvelen (voor geheel de wereld zichtbaar zijn), en de heidenen zullen tot hem stroomen: Vele volken zullen gaan, zeggende : Komt, laat ons optrekken naar den berg des Heeren, naar het huis van Jacobs God: Hij zal ons zijn wegen leercn kennen, en wij zullen wandelen in zijne voetpaden ; want van Sion zal de wet uitgaan en het woord des Heeren van Jerusalem. Is. II : 2 en 3.
Uit Israël zullen weinigen, uit de heidenen velen tot de Kerk komen.
En nu beveelt de Heer, die mij van mijne wording af tot Zijn dienstknecht, maakte, dat ik Jacob tot Hem terugvoere, maar Israël zal niet (tot Hem) verzameld worden; ik echter ben verheerlijkt in de oogen des Heeren en mijn God is mijne sterkte geworden. Want Hij sprak : Het is slechts weinig dat Gij mij dient om de stammen Jacobs weder op te richten en dtn droesem (het overblijfsel) Jacobs te bekeeren : Zie, ik heb u gesteld tot een licht der volkeren, opdat Gij mijn heil zoudt zijn tot aan de uiteinden der aarde. Is XL1X : 5 en 6.
Te dien dage, zegt de Heer, zal ik de hinkenden verzamelen (de ellendigen, de heidenen) en ik zal vergadeien die ik verworpen en getuchtigd had. En ik zal de hinkenden maken tot het overblijfsel (hun de voorrechten van Israël schenken), en diegenen, welke bedrukt waren, zal ik maken tot een machtig volk, en de Heer zal op den berg over hen regeeren van nu af tot in eeuwigheid. Micheas IV : 6 en 7.
1 II' t woord, «Mij /.:il du zondon van vdon drngon,quot; li h-ft in n, natuurlijk, volgens In-t prof â¢tisch sprankgobruik op te Viitli n in don zin van: ido vtMon d:it is ^alli-n.quot;
2. Eono andrru nitdrukking, door den prolVrt g'-ltczigd, vcrelscht moi-r toolichtin^. '/ij is: ..cn li j /.al d ⢠^odd '-liiu/.ou geven vour zijm; liCLtriilVnU m dm rijke vour /ijn dund. ' D II. IIi»Toimnns cn de II. Cyrillns Ifiij;. n d^zr duistciv woordin aldns uit (iud do Vmlcr /1 nis lirlopnin;: voor In t oiiHrlnddig lijdon en stervon /ijii- Zmods. Hom do goddidoozen on «Ie rijkon, d i do vortir^n^viH.rdiuoi s van l;ot ^i wold on van In-t nnrdsrlio l«)t zijn oigondom seln nkon, opdat II i.wion
als worlt; ldvoiios.sor on daardoor als won ldovorwinnnar, ,, llo rnaolit gogeven i- in d«'n liom d on op a:irdo,quot; hi'do-ld god-doloo/cn en rijken door zijno gi-nndi' tot zijno kiiidon'ii m iko. of, als zij II â¢in wi d'-rstrovon, Io n als hnn II'M i- rotdito on voanisso, /.oodat zij, In-lzij vrijwillig, hotzij godwungon. in allen j;o\';d|.' zijiH! mntdit en lioorsidmppij znllon inoot-n erktmnon.
Fone tw.cde vorklaring, w ik ' /udi \ oornaniolijk grondt op don Ilobroouwschen t kst, is dt? v d j ndo Zijne vij.inden dio Urm krni-igdrii. iiaddon Ilnn t lt; n grnf toi goihiclit I-ij do iidosdoonors. maar do II. . r g.if Hom na zijn dood lt; â¢â¢11 rijk'1 â Jucph van Aiimatlioa âdio Hein eon lioorlijko bt ^rafonis bezorgde in eon nieuw steoiien graf.
I'oide vorklai ingin kunntn /-1 r goed samengaan ; do profeUn hadden dikwijls meer dingon ti-golijkoi 1 ijd op het oog en hunne woorden vorkn gon daardoor ueno volln id van betei konis, die vorsLdiillondo uitleggingen niot all ⢠n toelaat, maar soms zelfs noodzakelijk maakt.
HOOFDSTUK CXXI1I.
EINDE VAN HET RIJK ISRAKE. WEGVOERING DER INWONERS NAAR ASSVR1Ã.
t CpöQjjit800' na 'n 'let u'er('c iaar t'er regeering van Achaz, koning van Juda, vijn meester «BSSto* ^'iacee' Vlin Israël, in een oproer gedood te hebben en zich zeiven tot
, W koning te hebben doen uitroepen, geraakte eerst in het twaalfde jaar van Achaz'
h-j'0 regeering in het vreedzaam bezit van den tioon. Hij was de laatste koning van ^jlV Israël en bestierde zijn rijk Q jaren lang. Ofschoon hij niet in alles zoo slecht [ regeerde als zijne jongste voorgangers, maakte hij zich toch onder menig opzicht schuldig in de oogen des Heertn.
277
BIJRF.LSCHE GESCHIEDENIS
Schuldig in hooge mate maakte zich ook liet ganscha volk. Reeds de profeet Amos â die onder Jeroboam II leefde, â beschreef do misdaden der inwoners van het rijk der tien stammen volgenderwijze : '/ij verpletteren om wille van het stof der aarde (om tijdelijk gewin) de hoofden der armen en zij maken voor de geringen den weg krom (plegen ongercchten handel). Vader en zoon bedrijven zonde met dezelfde dochter, mijn heiligen Naam lot schande Op te pand genomen kleederen strekken ?,ij zich uit voor ieder altaar (der afgoden) en zij drinken den wijn der veroordeelden (den wijn, dien zij voor het geld der onrechtvaardige boeten gekocht hebben). Gij geeft wijn te drinken aan de nazireörs (die de gelofte hadden afgelegd, hem niet te drinken), en gij gebiedt den profeten: Profeteert niet! Amos II : 7, 8, ff, 12, â Gij vertreedt den arme en laat de behoeftigen versmachten, terwijl gij zegt ; Wanneer is het nieuwe maanfeest voorbij, opdat wij waren verkoopen ; en de sabbat, opdat wij onze graanschuren openen, met verkleining der maat, met verhooging van den prijs en met heimelijke gebruikmaking van valsche balansen ; opdat wij de behoeftigen onder onze macht brengen om geld (dat zij ons schuldig zijn) en den arme om een paar schoenen (welke hij niet betalen kan). Amos VIII : 4 â 7.
De profeet Osee (die een einig na Amos begon te profeteeren) sprak aangaande Israels goddeloosheid aldus: Hoort het woord des Heeren, zonen van Israël, want de Heer zal gericht houden met de bewoners des lands ; immers er is in het land geen waarheid, er is geen barmhartigheid, er is geen kennis Gods; maar het stroomt over van vervloeking en leugen, van doodslag, diefstal en echtbreuk, en bloed volgt op bloed. Osee IV : 1 en 2.
Pe profeet Micheas eindelijk getuigde thans (ten tijde van koning Osee) aangaande het volk van Israël: Wee u, die op ijdelheid zint en kwaad bedrijft op uwe legerstede. Zij doen dit (niet alleen in den donker, maar) bij het morgenlicht zelfs, want hunne hand is opgeheven tegen God (zij zondigen uit boosheid). Zij hebben begeerte naar akkers en nemen ze met geweld ; zij roeven huizen en onderdrukken den man en zijn huisgezin, den man en zijn erfdeel . . . En gij vorsten Jacobs, aanvoerders van het huis Israël, hoort 1 Is het niet uw piicht, de Wet te kennen, en gij haat het goede en bemint het booze. Aldus spreekt de Heer over de (valsche) profeten : zij verleiden mijn volk ; zij malen met hunne tanden (het voedsel dat men hun geeft) en verkondigen vrede; maar als iemand hun niets geeft in hunnen mond, verkondigen zij c\er hem strijd. Micheas II en III. â Verdwenen is de heilige uit het land, en een rechtvaardige is er niet meer onder de menschen ; allen loeren op bloed, ieder n aakt jacht op zijn broeder ten doode. Het booze hunner handen heeten zij goed; de overste eischt geschenken, de rechter beeft het oog op belooning (laat zich omkoopen) en de groote spreekt (vonnis) naar de lust zijner ziel ; zoo verwarren zij het (recht). De beste onder hen is als een distel, en hun rechtvaardige als een doorn uit de heg. Vertrouwt geen viiend, verlaat u niet op den aanvoerder; bewaakt den sluitboom uws monds voor haar, die aar. uwe zijde slaapt (vertrouwt uw eigen echtgenoote geen geheimen, want ook lot haar zijn het bederf en de valschheid doorgedrongen.) De zoon toch bereidt schande aan zijn vader, en de dochter slaat op tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoormoeder, en de vijanden des mans zijn zijne eigen huisgenoolen. Micheas VII.
Wat is de misdaad in Jacob (de hoofdzetel van het bedelf)? is het niet Samaria? Daarom zal ik (de Heer) Samaria gelijk maken aan een steenhoop op het \eld (de godde-looze stad zal verwoest worden), cn ik ?al hare sleenen in hel dal werpen ejn hare grond-ve^en bloot leggen. En al haar gesneden beelden zullen verbrijzeld wonden, cn al hare geschenken (aan de goden) zullen in het vuur verbranden, cn alle hare afgodsbeelden zal ik der vernietiging prijsgeven; want het zijn geschenken der afgoderij en zij zullen weder lot geschenken der afgoderij worden (de vijanden, de Assyriërs, zullen die beelden, aan de afgoderij van Israël gewijd, vernietigen en het goud, waarmede zij overtrokken zijn, wijden aan bun eigen afgoden), Micheas I â
Deze voorzegging van Micheas ging weldra in vervulling.
Toen koning Osee een tijdlang (vermoedelijk 4 of 5 jaren) over Israël geregeerd had,
BFJBELSCHE GESCHIEDENIS.
trok Salmanasar, koning van Assyrië, tegen hem op, bracht hem ten onder en veroordeelde hem tot het betalen van schatting. In het eerst voldeed Ãsee aan die verplichting, doch na Salmanasars aftocht zocht hij zijne onafhankelijkheid te herwinnen en zond te dien einde boden tot Sua, koning van Egypte, om dezen ter hulp te roepen. Zoodra Salmanasar hiervan kennis kreeg, begaf hij zich andermaal, aan het hoofd zijner troepen, naar Israël, trok het land zegevierend door, rukte op Samaria aan en belegerde de stad drie jaren lang. Eindelijk in het negende jaar van Usee's regeering, nam hij haar in, sloeg den koning in boeien, wierp hem (waarschijnlijk te Ninive) in den kerker en voerde al dc inwoners van Israël (met uitzondering van eenige weinigen, die hij blijven liet) naar het groote Assyrische rijk in ballingschap. Daar werden zij verspreid over de gewesten Hala en Habor, bij de rivier Gozan, in het land der Meden, terwijl aan enkelen de hoofdstad Nivive ten verblijf werd aangewezen. (Tobias I: 2 en 11.)
Zoo werd er aan het bestaan van het rijk Israël (234 jaren na de scheuring) een einde gemaakt. Dit geschiedde, zegt de II. Schrift, omdat de zonen Israëls zondigden tegen den Heer hun God, die hen gevoerd had uit het land van Egypte, en omdat zij vreemde goden dienden en wandelden naar de wijze der volken, die de Heer voor hun aanschijn had verdelgd. De zonen Israëls beleedigden den Heer hun Ciod met booze daden; zij richtten (voor de afgoden) hoogten op in al hunne steden, maakten zich standbeelden en legden afgodsbosschen aan op iederen heuvel, en brandden er wierook op de altaren, die zij daar, en onder eiken lommerrijken boom hadden doen verrijzen Zij bedreven voorts zeer slechte dingen waarmede zij den Heer vertoornden, en dienden de onreinheid, nieitegenstaande de Heer hun geboden had, dat zij zoo iets niet zouden doen. En de Heer betuigde zich in Israël en Juda door al zijne profeten en zieners, door wie Hij sprak : Ivcert terug van uwe booze wegen en onderhoudt mijne geboden en de ceremoniën der Wet, die ik aan uwe vaderen gegeven heb en u heb laten verkondigen door bemiddeling mijner dienaren, de profeten Zij echter luisterden niet, maar verhardden hun nek, gelijk hunne vaderen gedaan hadden, die ook aan den Heer hun God niet wilden gehoorzamen. En zij verwierpen zijne instellingen en het verbond, dat Hij met hunne vaderen geslo'.en had, alsook de eeden, waarmede Hij hen had bezworen, en zij liepen de ijdelheden (de machtelooze goden) na en handelden ijdel, en zij volgden de volken, die hen omringden en omtrent welke de Heer hun gelast had, dat zij niet zouden doen aU dezen En zij verlieten alle geboden des Heeren en maakten zich twee gouden kalveren, en zij aanbaden het geheele heir des hemels (zon, maan en sterren) en dienden Baill. En zij brachten hunne zonen en dochters ten offer door het vuur en gingen om met waarzegging en wichelarij. Zoo gaven zij zich over om kwaad te doen in de oogen des Heeren en Hem te tergen. Hierom werd de Heer geweldig op Israël vertoornd, en Hij verstootte hen van zijn aanschijn (uit het hun geschonken land) en alleen Juda bleef over. (De eerste oorzaak van Israëls kwaad lag in de scheuring.) De Heer verwierp het geslacht van Israël reeds van den dag af, dat het zich losrukte van het huis Davids, en Jeroboam tot zijn koning aanstelde. Want Jeroboam scheidde Israël van den Heer en deed het zondigen door een groote zonde (liet naloopen van de gouden kalveren). En de zonen Israëls wandelden in al de overtredingen van Jeroboam en weken daarvan niet af, totdat de Heer Israël wegnam van zijn aanschijn, gelijk Hij gesproken had door den mond van alle profeten, zijne dienaren.
In de eerste jaren na de wegvoering der Israëlieten naar Assyiië, bleef lutn land onbewoond ; later plantte Salmanasars kleinzoon en tweede opvolger, Asarhaddon, er volksstammen uit Babyion, Cutha, Ara, Emath en Sepharvaïm, Deze vreemdelingen kenden den waren God niet, maar vereerden, al naar hun herkomst, verschillende afgoden. Dien gruwel, welken Hij aan zijn eigen volk zoo zwaar gestraft had, in Chanaan met duldende, liet de lieer onder de nieuwe bewoners leeuwen woeden, door welke velen hunner gedood werden. Zoodra dit den koning van Assyrië werd geboodschapt, zond hij hun een der weggevoerde priesters van Israël, die hen in de Wet des Heeren moest onderrichten. Zij namen die Wet
279
mjBELSCHE GESCHIEDENIS.
aan en dienden den Heer, maar zooals het rijk Israël gedaan had en dus niet gelijk het behoorde; want in plaats van naar Jerusalem ter aanbidding op te trekken, maakten zij zich altaren op de hoogten en kozen hunne priesters, builen het eenig wettige geslacht van Aiiron, uit personen van allerlei afkomst. Zoo was het in Israël gegaan sedert Jeroboams tijd, zoo deden, naar de leer van den hun gezonden priester, ook deze vreemdelingen. Daarenboven vereenigden zij met den dienst des Heeren dien hunner afgoden- De mannen uit Babyion aanbaden Sochoth-benoth, die uit Cutha den afgod Nergel, de herkomelingen uit Emath hun god Asima, de mannen uit Ara vereerden Nebahaz en Tharthac, terwijl de liedtn uit Sepharvaïm hunne kinderen door het vuur ten offer brachten aan hunne goden Adramelech en Anamelech.
1. Hetgoon op rtozo on vorige bhulzijdiMi bij vei'schillemlo ^Ic^onlnHlou over do konin^on van Assyrio in bo-trekklnquot; tot hot rijk Isr..öl gozcgd is mogo, om drn lezer oono duidelijke voorstelling van den loop der gebeurtenissen te geven, in de â¢.olj.'.-i'iule regels kort akius worden sanmgovat.
a. I)»' eei'.-t'1 Assyrischo koning - voor zoover de Schrift meldt â die hel rijk Israël binnendrong, was Phul. Voor duizend talenten zilver bevestigde hij Manahem (hoofdstuk 120) op den troon te Sumaria en trok daarna weder af. Dit geschiedde tusschen de jaren vóór Christus 773 en 7H3.
b. Na Pl.nl kwam Thejilath-phalasar. Of hij al dan mot van Phul afstnmde en, zoo ja, in welken graad, is uit de H. Schiift niet op te maken. Door koning Aclniz van Juda tegen konirii? IMiacee van Israël (hoofdstuk l'il) te hulp geroepen, deed Theglath phalasar het oostelijke (het overjordaansche) en noordelijk gedeelte van Israël voor zijne wapenen zwichten en voerde de bewoners, de stammen van Uubon en Gad, den halven stam van Manasse en den stam Nephthali, in ballingschap naar Assyrië. Deze eerste wegvoering van Israëlieten had plants in het jaar voor Christus l'il.
c. Theglath phalasars onmiddelijko of midd 'l jke opvolger â misschien ook zijn zoon of kleinzoon, maar dit blijkt niet â was Salmanasar. IIij maakte den laatsten koning van Israël, Osee, eerst aan zich schatplielitig, en toen Osee daarop tegen hem in verzet kwam en hulp zocht bij den koning van Egypte trok hij andermaal tegon hern op, bracht het gfheeie land ten onder, nam na een belegering van drie jaren ook de hoofdstad gt;.imaria in, maakte aan het rijk een einde en voerde de bewoners in ballingschap. Die tweede wegvoering had plaats in het jaar vóór Cliristus 721.
d. Salmanasar weid opgevolgd door Saigon, waarschijnlijk zijn broeder of zoon, en Sai gondoorS-nnacherib, die blijkens Tobias 1 : 18, zeer zeker Salmanasars zoon was. Over Sennacherib en zijne vruelitoloozo poging om Jerusalem te bemachtigen, zal gesproken worden in het volgende hoofdstuk.
e. Na Sennacherib eindelijk regeerde zijn zoon, do bo engenoemde Asarhaddon, die aan het land, «lat door zijn uroot vader ontvolkt was, niemvc bewoners schonk Tusschen dez'* ontvolking, in het jaar der reg' i ring van ICzeehiiis over Juda, en de wederbevolking, na Ez chias' 14de jaar, verliepen dus minstens H jaren; misschien echter nn.'er, want het is volstrekt niet zeker, dat Asarhaddon terstond na zijne troonsbeklimming tol geinelden maatiegel besloot.
Naar aanleiding van de hier medegedeelde As-yrische koningslijst vinde de volgoi de misschicn niet onbelnngrijke opmerking eene plaats
Gelijk reeds achter hoofdstuk 118 in nanleekening 4 werd gezegd, hebben in den jongsten lijlt;l Fransclio en Engelsche onderzoekers de puinhopen van het oude Ninive grootendeels weder onder het zand der woestijn te voorschijn gehanld, waaronder de e uwen ze bedolven hadden Daardoor kwam niet alleen de vreemdsoortige Uitging «Ier stad aan hel Ãchl, maar werden ook de verrass ndste historische oorkonden ontdekt. à halve opschriften op zullen en platen vond men in de paleizen der koningen geheele bibliotheken, waai in bijna van jaar tot jaar de geschiedenis van A-syrie (althans in het bloeilijdp' i k. want van de allervroegste geschiedenis is weinig bekend) door de voornaamste personen zeiven, welke van die geschiedenis deel uitmaakten, was opget- ekend. IJ.' boeken dier bibliotln-ken bestaan, opmerkelijk genoeg, niet uit I ipirr, perkann-nl of andere betrekkelijk licht vergankelijke stof, maar uil een materiaal, dal eeuwen en eeuwen onder hel zand bedolven, daarvan niet hel minste nadeel ondervond Bedoelde boeken bestaan nl. uil dunne sltenen tegeltjes. De Assyriër nam zuiver gelijk gestrekene plaatjes laaie klei of leem. Op, of liever in die plaatjes, nog half vochtig, schreef hij, met een spits werktuigje, wal hij aan het nageslacht wilde overleveren. Nadat aldus oen menigte plaatjes waren beschreven, werden /ij bij 'en matig vuur langzaam gehard; do ingegrifte letters waren dan onnilwischbaar. Vervolgens werden de plaatjes, nu tegeltjes geworden, evenals de papieren binden van een boek, ingenaaid. Door de te-geitjes waren namelijk gaatj- s geboord, waardoor men dunne riempjes van een sterke ledersoorl stak en op die wijze de tegeltjes tot oen boek samennaaide.
Zooals gezegd is: geheele massaas van aldus vervaardigde steenen boeken zijn in den jongs ten tijd gevonden en grootendeels naar het Brilsch Museum te Londen en naar het Louvre te Parijs overgebracht, waar zij door du voornaamste Kuropeescho geleerden op dit gebied ontcijferd werden en er van hun inhoud telkens grootore brokstukken werden be-kond gemaakt.
Wat nu leeren die boek. n 7 Terwijl, voor betrekkelijk korten tijd nog, de mannen van het heele of halve ongeloof zich voortduren l op de beste oude grieksche en andere historie-schrijvers beriepen, om de waarheid dor II. Schrift aan te randen, komen opeens die oorspronkelijke steenen oorkonden uit hun eeuwenheugend graf ons toeroepen, dat de profane historieschrijvers ongelijk en de heilige liijbelboeken gelijk hadden. Meerdere Assyrische koningen, waarvan niet böUfl de namen aan bedoelde profane schrijvers bekend waren en die in do II. Schrift worden genoemd, worden door de steenen documenten uitvoerig, in verband met hunne regeeringsdaden beschreven â Zoo treedt telkens, hoe meer de menscheliike geest do echte bronnen onderzocht, niet des te meer klaarheid do waarheid der II. Schrilt aan hel licht.
2. Waar de Babyloniërs, die naar Israël werden overgeplaatst, het laatst gewoond hadden, is onbekend, doch ongetwijfeld niet in hun eigen land; ten tijde toch van Sennacherib en Asarhaddon was D.ibylon, zooals blijkt uit het vol gende hoofdstuk, weder een van Assyrië onafhankelijk rijk. De overige nieuwe bewoners van Israël kwamen allen uil landen, dio door Sennacherib en zijne voorgangers met de wapenen warea ten onder gebracht Met scliijnt dus dal do Assyrische koningen, ter bevestiging van hunne macht, het stelsel volgden van geregeld het eene onderwurpen volk naar hel land van het andere te voeren, want ook de Israëlieten gingen, althans gedeeltelijk, naar veroverde geweston.
3 Aangaande do ligging der landen, waar de Israëlieten heengezonden worden, weet men sommigo dingen met zekerheid, maar andere gist men.
2 SO
HIJHKLSCHE GKSCHIKDF.NIS.
Van de cersto wegvoering ondt r TiK'glatli-iihaln.sni* sprekende, gebruikt do Schrift (1 Par. V : 20) do woorden: Hij voerde Hu ben en Gnd «mi half M masse weg «u brailit hen na.-r LmIrI.i en naar liabor en Ara en dquot; rivier G'tznn.quot;
Ãe tweede wegvoering onder Salmanazar verli.ialt do Solnift aldus: u11ij voerde Isiaid weg naar Alt;-yriü rn vcs'i^do hen in Hala en in Mabor bij de rivior Gozan, in de steden drr Mndon '
Uit eeno nauwkourig(! vergelijking di-r bcidf? f-chrifluurid atsen bi kt, dat «Ie ballingsoorden onder Salmauasar do-zelfde waren als die onder Tlie^latli-phalasar. Vdoieerst loeli leest de. bebiMMMiwselie tekst in IViralipdincnon ook Il.ilafCha. Inch) in plants van Laliela, en verdi i' zijn velen van rneening, dat le t woord Ara of Mara kan vertaald worden ; »in het gebergte.quot; Hala en Habor nu waren bei'gstreken, g-'deelten van le t Mftlisch Hoogland; men meent dat bet dezelfde stroken waren, die door Claudius Ptoleineus, oen beroemd aardrijkskundige uit de elt; rstquot;- ei uw na Clii istus, ChalacheiKMi C ba boras genoemd worden I) ze gebrijver z-gt ook, dat in zijn lijd aan den voet d«r ber^.-ti e((k Chaboras (Chabor, Habol') lt;Ig stad Gauzania lag. tnssehen twee nevenstrooinpjes van de rivier do Cyrus. Strabo een tijdgenoot v:in I'tolemeus. lt; n niet minder in do aardiijkskunde ervaron, getuigt, dat bij in het Medisch Hoogland v» ! â vrecnid linglt; n vond. I) ze vreomdelingnn kunnen de weggevoerde stammen van Israël zijn geweest.
De stam Nephthali word naar do hoofdstad Niidve gevoeld ; het grootste deel reeds onder Tbeglath phalasar â zio 4 Kon \V: in verband niet Tobias 1 '2 en II
4 Niet allo Israëlieten waren aan boven door «Ie prof' ten opgenoemd*' misdaden schuldig. Gelijk blijkt uit bet boek Tobias, bevonden zich onder ben enkele reebtvaardigen, die voor Baill en de gouden kalveren de knie niet bogen, maar in weerwil der bun gestelde hinderpnlen jaarlijks naar Jerusalem gingen, om in den tempel des Meeren bunno olfers op to dragen en alles te vervullen wat de Wet voorschreef. Iv-nige andeivn, die dit vroeger nie-t gedaan hadden, gavlt; n echter (zie volgend hoofdstuk) gehoor aan Ezechias' stem om hot dan toeh van nu af te doen. Doch, zooals gez -gd is, de overgroote meerderheid was diep bedorven.
5. Wat er van de weggevoerde stammen in den loop der eeuwen geworden is, is onbekend ; nooit echter keerden zij, enkele personen misschien uitgezonderd, naar hun land
0. De weinige Israëlieten, die door Salmanasar in het land waren achtergelaten, si bijnen zich, na den aftocht des vijands, in bergvestingen, zooals Bethulië en andere sterke steilen. te hebben verzameld. Ten tijde van .luditb en van koning Josias gehoorzaamden zij weder aan het huis Davids en aan den hoogepriest.er te Jerusalefn zii' hoofdstuk 1110 en quot;131 Later vermengden zij zich met de door Asnrhaddon nieuw ingevoerde bewoners des lands; dezen lieten langzamerhand hum e afgodei ij varen en er ontstond een half-heidcnsch. half I i .liMieti-i b nages'acht, dat in le t Ni' nw Testament den naam van Samaritanen dr iagt. D-- Samaritanen dienden dm éénen wai' n (iod; deeh zij d'den dit op hunne Wijze, door op den berg Gari/.im bij Samaria in plaats van te .b rusalem te aanbidden. Van de II Schrift namen zij all en de vijf eerste boeken aan, gewoonlijk de Pentateuch of de Vijf Uoekoi Muses genoenal ; di1 v rdei '' boeken verwierpen zij. Dit Inngt samen met hunne aanbidding op den Gnrizim ; in d'-n Pentateuch wordt, iiane lijk wlt; l -''ze.iitl, «lot God slechts op óéno plaats, door Hem uitte kiezen, wilde gediend worden; mair welke plaats dit zin zou, wordt door Moses niet bepaald; eerst later, onder David en Salomon, wees God Jerusalem aan
7. Op het oogenbbk der la it^te wegvoering van de Tien Stammen, in het jaar der were d 3283, het jaar vóór Christus 721, hadden over bet rijk Israël geregeerd 1(.gt; koningen, nl ; 1 J roboam - Nadab, i? H iii-a, 4 ICIa. 5 /ambri, (5 Amri, Achab, 8 Ochozias, D Joram, 10Je.hu, 11 Joaeb;iz, 12 Joas, !3 Ji-i'oboam, l'i Z iehanas, irgt; S Hum, Ui Mamiliein, 17 Pha-ceia, 1H Pbacee, li) Osee.
Binnen denzelfden tijd regeen'en over Juda 12 koningen en 1 koningin, Athalia uit bet stamhuis van Achab. De 12 koningen waren allen uit het bu s Davids ; zij boetten: 1 Roboam, 2 Abias, 3 Asa, 4 Josaphat. 5 Joram, 6 Ochozias, [op Ochozias volgde Athalia | 7 Joas K Amasias, Ozias 10 Joath n, II Acbaz. 12 Kzechias.
Na hot einde van het. rijk 1 raël regeerden over Juda, dat 133 jaar langer bestond, nog de volg mie K koningen, ins. gelijks allen uit het luns David^: 1 de reeds geine iml' Ivz-r.liias, 2 Man iss.^, 3 Amon, 4 Jo-das, 5 Joatdia/. (gt; Joakim, 7 Joachin, 8 Sedecias. Daar Iv/ecIdas hier tweemaal genoemd wordt, omdit hij vóór en u i de wegvoering der li- u stammen regeerde, hal Juda in het geheel, evenals Israël, maar in 133 j»ren Itugeren tijd, ook 1') koningen, behalve nog eene koningin.
281
282 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDS 1 UK CXXIV.
EZECHIAS, K.ONINÃ VAN JUDA, HKRSTELT DEN OPENBAREN EEREDIENST.
â¢AA.â¢k
[â ^erzelfder tijde dat de bewoners van het grondgebied der Tien Stammen zich aan 11 alleilei ongeredhtigheden overgaven, zoodat er ten laatsie door Salmanasar aan hun lijk een einde werd gemaakt en zij zich in ballingschap naar Assyrië zagen ü-,1 0 verwezen, bloeide liet tijk Juda door de deugden van zijn vromen koning Ezechias.
In hei derde jaar van Usee's regeering over Israël volgde Ezechias zijn vader, quot;f den goddeloozen Achaz (hoofdstuk 121), in het bestuur van juda op Hij had toen
Uen leeitijd van vijf en twintig jaren bereikt, en hij regeerde 29 jaren (dus ongeveer 0 jaren voor de laatste wegvoering van Israël naar Assyrië en nog J3 jaren daarna). De naam zijner moeder was Abi.
(Jeen zijner voorgangers op den troon van het rijk Juda was in deugd en vertrouwen op God aar. dezen koning gelijk. Op het voetspoor van zijn voorvader David diende Ezechias den Heer uit geheel zijn hart, weck niet af van des Heeren wegen en vervulde al de geboden, door God aan Mozes gegeven. Al aanstonds, in het eerste jaar zijns be-stuurs, heropende hij met gioote plechtigheid den tempel dien zijn vader Achaz had laten siuiten. Hij riep de voornaamste pnesteis en levieten te zamen en sprak tot hen: Hoort mij, zonen Levisl heiligt tl (door de ceremuniën ter reiniging, welke Mozes heeft voorgeschreven); zuivert voorts het huis van den Heer den God uwer vaderen en neemt alle bezoedeling (alle sporen der afgoderij, die zelfs den tempel was binnengedrongen) uit het heiligdom weg. Onze vaders (mijn vader, koning Achaz, en uwe vaders tijdens zijne regeeringI hebben gezondigd; zij hebben kwaad bedreven voor het aanschijn van den Heer onzen God door Hem ie verlaten; zij hebben hun aangezicht van des Heeren woontent afgekeerd en haar den rug gewend. De deuren van het voorportaal hebben zij gesloten, de lampen i.in het heilige) uitgebluscht, hel reukwerk niet doen rooken en geen brandoffers opgedragen. Daarom is de toorn des Heeren ontvlamd tegen Juda en Jeiusalein en Hij leverde hen over aan de verontiusling, aan het verderf en den spot. Ziet, onze vaderen vielen om hunne misdaden door het zwaard; de zonen en dochters en de echtgenooten van ons volk werden gevangen weggevoerd (door het leger van 1 hacee, koning van Israël hoofdstuk 121). Derhalve is het mijn verlangen, dat wij een verbond sluiten met den Heer den God Israëls en Hij zal de grimmigheid zijns toorns van ons afwenden. Mijne kinderen (mijne onderdanen), weest niet traag; u (de zonen Eevi s^ heelt de Heer uitverkoren, om in zijn dienst te staan, Hem te vereeren en wierook voor Hem te branden.
Op dit woord togen de voornaamste levieten uit en vergaderden hunne broeders, met wie zij zich heiligden en ten bepaalden tijde in het huis des Heeren verschenen, om het te reinigen. Ook de priesters namen ijverig aan het werk deel. Al wat zij onheiligs in den tempel (ook het nieuwe altaar, vervaardigd naar dat van Damascus) vonden, brachten zij naar buiten, en de levieten droegen het in de beek Cedron. Op deneeisten dag der eerste maand des jaars werd met de taak een begin gemaakt, en nadat op den achtsten dag de voorhoven gereinigd waren, werden andermaal acht dagen besteed aan de reiniging van het heilige, zoodat binnen zestien dagen het werk was afgeloopen.
Nu begaven de priesters en de levieten zich tot den koning en zeiden: Wij hebben geheiligd geheel het huis des Heeren, het oude brandoffer-altaar met zijn vaatwerk, de tafel der toonbrooden met haar vaatwerk en al het gereedschap des tempels, welke verschillende zaken door koning Achaz bezoedeld waren. Zie, alles is in zijn oorspronkelijken toestand voor het aanschijn van hel altaar des Heeren hersteld.
Des anderen morgens vroeg ontbood Ezechias de oversten van Jerusalem en begaf zich met hen naar den tempel. Daar droegen zij eerst, ter ontzondiging des heiligdoms,
RTIBKLSCHE GF.SCHIF.DENIS.
des rijks en des volks, door de handen der priesters een schuld- en zoenoffer op van zeven stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven bokken. Men legde den bokken de handen op het hoofd (ter belijdenis van zonde en schuld); de priesters slachten de verschillende dieren en goten het bloed op het altaar uit.
Daarna zou een plechtig brandoffer worden opgedragen. Om hieraan allen luister bij te zetten, gelastte de koning, dat de levieten cymbalen, harpen en cyters zouden nemen en de psalmen Davids aanheffen, en dat de priesters de bazuin zouden steken. Terwijl nu allen met hunne verschillende speeltuigen of tot zingen gereed stonden, en van het altaar de rook en de vlammen omhoog stegen, schetterden de bazuinen, klonken de snaren en het lied, en viel geheel de schare der oversten en de toegesnelde menigte met den koning aan het hoofd, in aanbidding voor Israels God ter aarde. En zoolang het offer duurde, bleven de levieten en de priesters met zingen en spelen voortgaan, en aanbad de menigte den Heer met ge-bogene knieën in groote blijdschap en vreugde.
Vervolgens wekte de koning de menigte op, om bid- en dankoffers, alsmede vredeoffers aan te bieden. Met zooveel bereidwilligheid en vromen zin werd aan deze uitnoodi-ging gevolg gegeven, dat het aantal priesters (velen waren nog niet ten tempel opgegaan) niet groot genoeg was, om de offerdieren van de huid te ontdoen. Hunne broeders, de levieten, moesten hen hierin bijstaan, totdat ook de overige priesters (die op verschillende plaatsen in den lande zich aan wereldsche bezigheden wijdden) zich zouden geheiligd hebben. Als brandoffers werden dien dag opgedragen !â¢' stieren, 100 rammen en 200 lammeren, en als vrede offers (waaraan alle aanwezigen door het houden van den gezamelijken offermaaltijd deelnamen) 600 runderen en 3000 schapen. Ook werden drankoffers geplengd, en zoo werd alles, wat de dienst in het huis des Heeren vorderde volbracht.
Op den veertienden dag der eerste maand des jaars (twee dagen voor den afloop der tempelreiniging) had naar de strenge toepassing der Wet van Moses het paaschfeest moeten gevierd worden. Daar dit echter, zoowel wegens de nog onvoltooide ontzondiging van het huis dis Heeren, als omdat geen genoegzaam aantal priesters zich geheiligd had en het volk uit de verschillende deelen des land afwezig was gebleven, niet had kunnen geschieden, hield de koning met de oversten en de vergaderde menigte van Jerusalem raad, wat in deze omstandigheden te doen. De vergadering kwam overeen, dat de feestviering, gelijk de Wet voor dergelijke gevallen veroorloofde, vier weken zou verschoven en op den veertienden dag der tweede maand gehouden worden. Verder werd besloten, dat men boden zou zenden ook naar het rijk Israël, om de broederstammen uit te noodigen aan het feest deel te nemen. (Het was het eerste jaar van Kzechias regeering, het viei de jaar der regeering van Osee, vijf jaren voor het einde van het rijk Israël, waarvan echter reeds vroeger, door Teglath-phalasar, 3' ., stam was weggevoerd. De boden ontvingen van Kzechias en van de oversten van Jerusalem uitnoodigingsbrieven aan geheel Israël en Juda. 1 iermede gingen zij op reis naar de verschillende steden der beide rijken.
Zij, die tot de steden van Israël gezonden waren, riepen het. volk aldaar toe. Zonen Israöls, keert terug tot den God van Abraham, Isaac en Jacob, en Hij zal zich keeren tot u, die nog niet (als de 3'., stam) door de Assyriërs in ballingschap zijt gezonden. Wilt niet doen zooals uwe vaders en uwe broeders, welke zijn afgevallen van den Heer, die hen daarom heeft overgeleverd aan den ondergang, gelijk gij /.iet. Wilt uwen nek niet verharden, maar reikt uwe handen den Heer toe en gaat op naar zijn heiligdom. d;it Hij zich gewijd hee t voor immer. Dient den Heer den God uwer vaderen, en de grimmigheid zijns toorns zal van u wijken. Want indien gij u tot den Heer bekeert, zullen ook uwe broeders (de 3' â stam) barmhartigheid vinden bij hunne meesters, die hen hebben weggevoerd, en zij zullen dit land wederzien. De Heer uw God toch is goed en goedertieren en Hij zal zijn aanschijn van u niet afwenden, als gij Hem zoekt.
Zoo spraken de boden tot Israël en in nagenoeg gelijken zin tot Juda. Eenige mannen uit Israël gaven aan de oproeping gehoor, maar voor het overige lachte geheel het volk
283
?84
de boden uit en bejegende hen met spot en verachting. De zonen Juda's (en Benjamins) integendeel toonden een bereidwillig hart; als één man maakten zij zich op en stroomden in breede scharen naar Jerusalem. Op aansporen van Ezechias was hun eerste werk aldaar, de altaren en de afgodsbeelden te verbrijzelen, die koning Achaz aan verschillende hoeken der stad had laten oprichten. Het puin dier altaren en beelden werd naar buiten gevoerd en in de beek Cedron geworpen.
Daarna nam ten bestemden dage de feestviering een aanvang De priesters, die zich thans nagenoeg allen geheiligd hadden, droegen in het huis des Heeren eene menigte brandoffers op, hierin bijgestaan door de levie'en. die hun het bloed aanboden ter besproeiing des altaars. Ook waren de levieten een deel des volks behulpzaam in het slachten der paaschlammeren, omdat vele der mannen, die uit Israël waren opgekomen, zich nog niet geheiligd hadden. Dezen aten dan ook het paafchlam niet in dien staat, waarin de Wet bepaald had, dat zij het moesten eten, namelijk na de reinigings-ceremoniën ondergaan te hebben (waartoe hun echter de gelegenheid had ontbroken) Maar de koning Ezechias, vertrouwende dat de Heer zou neerzien op de bereidvaardigheid, waarmede zij ter feestviering waren heengetogen, bad voor hen, zeggende: De goedertieren lieer zal genadig zijn allen, die van ganscher harte den Heer den God hunner vaderen zoeken; Hij zal het hun niet toerekenen, dat zij zich niet genoeg geheiligd hebben. De lieer verhoerde dit gebed en was het volk genadig.
Nadat de feestviering de bij de Wet bepaalde zeven dagen geduurd had, besloot men een tweede zevental dagen bij elkander te blijven. Ook nu werden, evenals de eerste week, talrijke brandoffers en vrede-offers opgedragen; priesters levieten en volk aanbaden en loofden den Heer den God hunner vaderen, en telken dage hielden zij offermaaltijd met groote vreugde. Tot het opdragen der offers en tot de offermaaltijden had de koning geschonken lOCO stieren en 7C00 schapen, aan welk getal door de oversten der stad nog 1000 stieren en '0.000 schapen waren toegevoegd. Zoo luisterrijk en zoo algemeen was het paaschfeest nn Salomons dagen niet meer gevierd; want niet slechts waren de hoofden en het volk van geheel Juda aanwezig, maar ook hadden mannen uit het rijk Israël (in grooter getale dan ooit hoewel zij nog betrekkelijk weinigen waren) aan het feest deel genomen, en zelfs sommige vreemdelingen, die in beide rijken woonden, waren mede naar Jerusalem opgetrokken. Aan het einde der tweemaal zeven dagen zegenden de priesters en levieten het volk, en hun gebed werd verhoord in de heilige woning des hemels. Met dien zegen was de feestelijkheid afgeloopen.
Onder het naar huis keeren, verbrijzelde de menigte, op bevel des konings, in geheel Juda, alsmede in eenige steden van Israël, de afgodsbeelden en roeide de afgodsbosschen uit. Zelfs gelukte het Ezechias â wat geen zijner voorgnngeis op den troon van Juda, ook niet de zoo vrome Josaphat had vermocht de aliaren en bosschen op de offerhoogten te vernietigen, die het volk daar, wel is waar voor den waren God, maar in strijd met de Wet had opgericht. Nog was er eene zaak, die veel aanstoot gaf. De door Moses in de woestijn vervaardigde koperen slang, welke degenen, die door de vurige slangen gebeten waren, hadden moeten aanschouwen om genezing te vinden, was allengs in den loop der tijden een voorwerp geworden, waarvoor het volk (met een afgodische of minstens bijgeloovige bedoeling) wierook brandde. Om die reden liet Ezechias genoemde slang wegnemen en aan stukken slaan.
Voorts regelde hij opnieuw den dienst der priesters en levieten. Als in de tijden voor Achaz moesten zij, naar de beurten door koning David verordend, van nu af weder den Heer de vastgestelde brand- en vrede-offeis opdragen en Hem ],rijzen en loven met psalmen en snarenspel. Uil zijne eigene bezitting bezorgde Ezechias het dagelijks morgen- en avondbrandoffer, zoomede de brandoffers op den Sabbat, op het nieuwemaan-feest en op de overige feesten des jaars. En teneinde de priesters en levieten zich onverdeeld aan hun heilig dienstwerk zouden kunnen wijden (en niet, zooals onder Achaz, genoodzaakt zouden
BIjriF.LSCITF, GRSCHIF,DENTS.
zijn. in wereldsche bezigheden hiin bestaan te zoeken), gelastte Ezechias het volk van Jerusalem, trouw de eerstelingen en andere gaven tot onderhoud der zonen Levi's te offeren, Met zooveel vreugde werd aan dit bevel voldaan, niet alleen door de bewoners van Jerusalem, maar ook door de overige steden van Juda, dat de priesters runderen en schapen in overvloed ontvingen, en zij den hoeveelheid wijn en olie en vooral de ontzaglijke menigte veldvruchten van allerlei aard niet konden verbruiken. Zij stapelden daarom voor later het overtollige koren tot groofe hoopen op. Dit begonnen zij te doen in de derde maand des jaars (écne maand na de feestviering), en in de zevende maand hadden de hoopen een ontzettenden omvang gekregen, Ezechias en de oversten dit ziende, loofden den Heer en prezen de mildheid zijns volks Opdat echter de tienden en gaven beter bewaard zouden worden, beval de koning voorraadkamers in het hui.s des lleeren (in de voorhoven) te maken, en daarheen alles over te brengen. Tevens stelde hij uit de priesters en levi'ten te Jerusalem mannen aan, die onder het oppertoezicht des hoogepriesters met de zorg over de voorraadkamers werden belast, terwijl aan andere zonen Levi's en Aaron's in de verschillende ptiester- en levietensteden des lands de taak werd opgedragen, het verzamelde regelmatig onder de huisgezinnen hunner medepriesters en levieten te verdeelen. Zoo bloeide de godsdienst door de ijverige bemoeiingen des vromen konings, die hiervoor op zichtbare wijze van den Heer gezegend werd.
1 Vijf on twintig jnrcn, de II. Schiift, was Hlzoclii is oud, tomi hij koning word Uit eon.â vergelijking van di â¢
opgjinf nu t don ondordom on do regooringsiaren zijns vilders Adiaz (hoofdstuk 1-1) zou men, tovons lotttMido op het gebruik dor Schriff, om hij hot, hogin 'ïii mm hot oind (M-nor tijdniiintquot; jivdoolton van jaren voor vollo te rokórum. g â¢-neigd zijn t it tlr govolglrckking, dat, toon Kzochi is gcburi'n word, Aj-haz luiogstens 14 jarmi tiMf. 11quot; w -l nu t'^n /â »o-danlg go val in eon oo-fcr.-eh land. waar do mi'nsch zich snol ontwikkelt â nrn denko slochts aan onlt; O «-t-Itili;'' â volstrekt ni t tot do nnmtU' lijkhnl 'ii liohoort. zoo is h't tofh vorrt; \ ;iii /.-k'T. dat df v iin'ld.' g-'volgtiN'kking juist is. Achaz kan bv. zeer gord van zijn 0 ⢠jaar af eerst oonig-n tijd togolijk mot zijn va l r g -rogi'ord hol)l)iMi, / m«dat li th'.»gia zijmM- nlh'mdiiM'rschappij. die Ml jaren dnurdo. van l:itcr d:in g'tioemd jiiar d.igtc-kcnt, «mi hij dn- l)ij /ijn don I oadci' was dan :W5 jaren D ' grwoto sobcrln-id d r 11 Sclirift toch mi har.' soms lt; ig'ii.mnliwij/.! van jaartelling maken het ons dikwijls mofielijk. oi-n onkelen keer zelfs omnog ⢠ijk t»1 weten, van wolk tijdstip zij in -n g^gevon g-vnl spreekt of vanwaar /.ij begint te tellen II â¢(, !ag trouwens geons/ins in do liedoellng dor In-iligi' schrijvers e^n werk vun tij lrek'Mi-
kunde tlt;' laveren ; zij wild- n ons in hoofdzaak slechts een beknopt er.....nvoiidix verhaal nal.il vi van de vourmiam-t â¢
g.'benrtenis-cn en lotgevall.-n, welke hquot;t volk Gads (mdor tie \ i l.'ii.lquot; hand iler Voar/.i'iiighfid (hmrli-p lot gt;1 ⢠kamst des beloofden Verlossers, die het rnenschelijk geslacht door zijnquot; leer en zijn lijdtm zou ri'iM n uit het \ eid',rf, w ui' in do eerste ouders in het paradijs het gestort hadden
2. In den regel meest ieder Imi-vadi-r zelf zijn paasehlam sliuditfii ; wijl dit - \ 'ir.v d \ hai fer 1» iv.mi\ â¢nn â¢Id'-n uit hoofde hnnncr wett(dijko onreinln id niet geaarbjofd w:is, verlichtten lt;l- levi'ten het in linmn plaits, «mdink «lie voorzorg maakten bedoelde personen zich op een ander punt schuldig. I) ⢠Wot b»eh verhood hun in den staat, waarin zij ver-kooiden. niet onkel het slachten ib s paaselilatns, maar meer noj. liet oton daarvan, en v;in dit laatstquot; onthielden /ij
zich niet Zij vonden echtei' om hunne ijverigo opkom t tot* feestviering en wellicht ook om hunne goheele of halve on wetendheid betrelVende hot bestaande verbod, op des k aiings vaorb.'ib! bij Gad vorstdiaoning.
HOOFDSTUK CXXV.
INVAL DER AS Ril RS JN JUDA. EZKCHIAS' /.IKK TK, KX WOND KR DA DIG E
üKMbZLMG DE VIJAND DOOR EEN ENG KL VERSLAG KN.
âlt; gt; -lt;-gt;â
j m /ijne vroomheid en zijn vast betrouwen op God mocht Ezechias de vreugde
'4 smaken, het onder de vorige regeering in diep verval gedompelde rijk weder tot /'tv bloei en welvaart ie zien komen. Al spoedig gevoelde hij zicli bij machte, het
0 verbond, door zijn vader Achaz met de Assytiërs gesloten â maar dat dezen, door JV hunne plundering van Juda zeiven het eerst hadden geschonden â te verbreken, en ' f weigerde hij hun langer schatplichtig te zijn. Ook de Philistijnen. die op Achaz verscheidene steden hadden veroverd, moesten weldra ondervinden, dat thans eene andere
285
BiyBFLSCHF, GKSCHTF.DKNIS
koning de zaken bestuurde. Ezechias sloeg hen herhaaldelijk en dreef hen binnen hunne landpalen terug. Omstreeks denzelfden tijd, in het zesde jaar van Ezechias' regeering, het negende jaar van koning- Osee, maakte de Assyrische heerscher Salmanasar aan het rijk Israël een einde (hoofdstuk 123), maar het rijk Juda bleef ongemoeid
Acht jaren later echter kwam Sennacherib, Salmanasars zoon en opvolger, met een machtig leger naar Juda afzakken en begon verschillende kleinere vestingen aan te tasten. Ezechias, die terecht begreep, dat het zwaartepunt van den strijd ten laatste te Jerusalem gelegen was, ontbood zijn volk daarheen en was er ernstig op bedacht de stad zooveel mogelijk in staat van tegenweer te stellen. Na raadpleging met zijne legeroversten liet hij rondom Jerusalem alle bronnen verstopper en leidde de beek (Cedron) af, opdat de Assyriërs, als zij de stad kwamen belegeren, geen water zouden vinden. Tevens werkte hij met spoed aan de verbetering van den stadsmuur, deed den burcht Mello op den berg Sion versterken en liet schilden en wapentuig van allerlei aard vervaardigen. Zijn volk sprak hij moed in met de woorden; Gedraagt u mannelijk en weest dapper; vieest niet den koning van Assyrië en zijne krijgers; er is grootere macht met ons dan met hem. Met hem is een arm van vleesch, met ons de Heer onze God, die onze helper is en vour ons strijdt. â Deze toespraak miste hare uitwerking niet; zij riep bij de manschappen eene levendige begeene wakker, om alles te doen wat maar mogelijk was.
Nog wilde de koning ec-ne poging aanwenden, om der stad den last eener belegering te besparen. Sennacherib, die op dat oogenblik ^oor de sterke vesting Lachis lag, ontving weldra van hem een gezantschap met het voorstel: Trek van mij af, en ik zal doen wat gij mij oplegt. De Assyriër eischte 300 talenten zilver en 30 talenten goud (te zamen ruim 5 millioen gulden). Wijl nu de koninklijke schatkist zooveel niet bevatte, werd het ontbrekende door eenige kostbaarheden uit den tempel aangevuld en de gevraagde som betaald.
Inmiddels werd Ezechias door eene zware ziekte getroffen, en de ptofeet Isaïas begaf zich tot hem met de aankondiging: Dit zegt de Heer; Regel uw huis, want gij zult sterven en niet leven. Op dat woord wendde de koning zijn gelaat naar den muur en onder het stormen van overvloedige tranen bud hij : Ik smeek u Heer, gedenk hoe ik voor u gewandeld heb in oprechtheid en met een ongeveinsd hart, en hoe ik gedaan heb wat welgevallig was in uwe oogen. Dat gebed vond genade bij God Nog had de profeet, zich uit hel paleis verwijderende, het midden des Toorhofs niet bereikt, of de lieer sprak tot hem: Keer terug en boodschap aan Ezechias, aan den leidsman van mijn volk : Dit zegt de Heer: Ik heb uw smeeken gehoord, uwe tranen aanschouwd, en zie ik heb u genezen: binnen drie dagen zult gij weder opgaan naar dem tempel des Heeren en ik zal nog vijftien jaren bij uw leven voegen. Bovendien zal ik u en d«ze stad redden uit de handen des konings van Assyrië: deze stad zal ik beschetmen om mijnent wille en om wille van mijn dienaar David.
De koning vroeg den profeet: Aan welk teeken zal ik weten, dat de Heer mij genezen zal? He profeet antwoordde: Dit is hel teeken: U'üt gij dat de schaduw (op den zonnewijzer) tien graden voorwaarts ga of even zooveel achterwaarls? Des konings wederantwoord luidde: Het valt der schaduw gemakkelijk, tien graden voorwaarts te gaan; ik vraag dan ook niet, dat dit geschiede, maar dat zij tien graden achterwaarts ga. Daarop riep de profeet den Heer zijn God aan, en op den zonnewijzer, die Achaz (waarschijnlijk op de trappen voor het paleis) had laten maken, ging de schaduw tien graden terug. Xu beval Isaïas, dat men vijgen zou brengen ; hij legde die op het gezwel des konings, en oogen-blikkelijk volgde de genezing.
Ofschoon Sennacherib beloofd had, tegen betaling van 300 talenten zilveren 30 talenten goud te zullen aftrekken, was hij na de ontvangst dier som trouweloos genoeg, zich aan zijn gegeven woord niet gebonden te achten Terwijl hij zelf met een gedeelte zijner troepen het beleg van Lachis voortzette, liet hij de overige manschappen onder aanvoering van zijne bevelhebbers Tharthan, Rabsaris en Eabsaces naar Jerusalem oprukken. Voor die stad aangekomen, vroegen de bevelhebbers met Ezechias een mondgesprek. Ezechias zond hun Eliacim, overste
386
BrjBELSCHE GESCHIEDENIS.
van zijn huis, Sobna, oppertoeziener op de geslachtsregisters, joahe, koninklijk geheimschrijver. Zoodra deze drie mannen de voor het onderhoud bestemde plaats hadden bereikt» sprak Rabsaces hen aldus toe : Boodschapt aan Ezechias; Dit zegt de groote koning, de koning der Assyriërs: Waarop vertrouwt gij ? Misschien hebt gij het besluit genomen, u ten strijde te nisten. Op wien steunt gij, om u te verzetten ? Stelt gij uwe hoop op Egypte, een broden rietstok, welke ied-T, die er op leunr. in de hand stuk breekt ' Zoo is Pharao voor allen, die op hem vertrou ven (hij is machteloos). Ze^t gij mij: op den Heer onzen God stellen wij onze hoop â dan antwoord ik u ; Heeft Ezechias niet des Heeren altaren op de offerhoogten weggenomen en aan Juda en Jeruzalem bevolen ; Bij dit altaar te Jerusalem alleen zult gij aanbidden? Welaan, geeft u over aan mijn meester den koning der Assyriërs. Immers al schonk ik u tweeduizend paarden (voor uwe ruiterij) dan hadt gij nog geen mannen, die ze konden berijden (zoo weinig talrijk en zoo onbedreven in den krijg zijt gij). Hoe zult gij dan ook maar den geringste der vorsten mijns meesters kunnen weerstaan ? Bovendien, ben ik zonder den wil des Heeren tegen dit land opgetrokken ? (Immers neen.) De Heer toch zeide mij ; Trek op tegen dat land en verwoest het.
Tot zoover was de vijandelijke bevelhebber met. zijne van scheeve voorstellingen en onwaarheden overvloeiende rede gevorderd, toen Ezechias' gezanten hem de opmerking maakten. Wij bidden u, spreek Syrisch met ons, wij verstaan die taal; spreek geen Joodsch, want het volk op den stadsmuur hoort u. Om dit laatste was het Rabsaces juist te doen. Heeft dan, antwoordde hij, mijn meester mij gezonden tot uwen gebieder en niet veeleer tot de mannen, die op de muur slaan, en die (als gij de stad niet overgeeft) genoodzaakt zullen wezen (van honger en dorst) hun eigen vuil to eten en te drinken : Daarop riep hij in het Joodsch, zoo luide hij kon: Verneemt de woorden des grooten konings. des ko-nings van Assyriö 1 Dit zegt de koning: Dat Ezechias u niet misleide; hij kan u niet ui^ mijne hand redden Dat hij u geen (ijdel) betrouwen op den Heer inboezeme, zeggende: De Heer zal ons bevrijden; deze stad zal niet in de handen des konings van Assyriü vallen. Luistert niet naar Ezechias, want aldin spreekt de koning der Assyriërs: Onderhandelt niet mij omtrent hetgeen u dienstig is; komt tot mij over; ieder uwer zal de vruchten van zijn wijnstok en van zijn vijgenboom genieten, en gij zult watet drinken uit uwe bronnen, totdat ik u verplaatse naar een land. dat aan het uwe gelijk is, een land vnichtbaar en rijk aan wijn, brood en druivenranken, een land van olijfboomen, olie en honig. Doet dit (komt over), dan zult gij leven en niet sterven. Hoort niet naar Ezechias; hij bedriegt u met zijne verzekering, als hij zegt : De Heer zal ons bevrijden. Hebben de goden der volken hun land kunnen redden uit de hand des konings van Assyrië ? Waar is de god van Emath en Arphad, van Sepharvaïm, van Ana en Ava ? Hebben de goden van Samaria die stad verlost uit mijne macht ? (Samaria was ingenomen door Sennacheribs vader Salmanasar.) Welke onder alle goden der aarde hebben hun land tegen mij gevrijwaard, en zou dan de Heer Jerusalem uit mijne hand redden ? Zoo sprak Rabsaces namens Sennacherib, maar geen der mannen, die op den muur stonden, opende zijn mond om eenig antwoord te geven, want Ezechias had allen het stilzwijgen geboden.
Thans keerden de drie gezanten van Ezechias: Eliacim, Sobna en Joahe in de stad terug en verhaalden lum meester nauwkeurig wat Rabsaces gesproken had O i het hooren hiervan schuurde de koning zijne kleederen en begaf zich naar het huis des Heeren. Voorts zond hij Eliacim en Sobna, benevens de oudsten der priesters, allen in rouwzakken gehuld, tot den profeet Isaïas met het bericht: Het is een dag van rampen, van kastijding en smaad. Mocht toch de Heer uw God letten op al de woorden, welke gesproken heeft Rabsaces, die door den koning der Assyriërs, zijn gebieder, gezonden is, om den levenden God (e lasteren en Hem te honen met eene taal, die de lieer uw God gehoord heeft ! Och, bid voor degenen (van Gods volk) die nog zijn overgebleven (terwijl de tien stammen reeds in ballingschap zuchten). Isaias gaf den drie gezanten, die hem dit verzoek overbrachten, ten antwoordi Meldt aan uw meester; Dit zegt de Heer: Wees niet ontsteld
2S7
filJBELSCHE GESCHIEDENIS.
over de taal, door u vernomen, waarmede de dienstknechten van den koning der Assyriörs mij gelasterd hebben. Zie, ik zal hem een geest (van schrik) instorten; hij zal een gerucht hooren, naar zijn land terugkeeren, en daar zal ik hem door het zwaard laten omkomen.
Toen Rabaces gezien had, dat zijne toespraak tot Ezechias' gezanten en tot het volk op den muur zonder uitwerking bleef, keerde hij (waarschijnlijk zijne krijgsmacht onder bevel van Tharthan en Rabsaris voor Jerusalem achterlatende) na.ir zijn meester terug, om dezen van zijne zending verslag te geven. Sennacherib was inmiddels van Lachis opgerukt tegen de nabij gelegen stad Lobna. Daar hoorde hij het bedoelde gerucht, dat Tharaca, koning der Ethiopii rs, (door Ralisaces Pharao van Egypte genoemd) met een leger in aantocht was, om tegen hem te strijden (en de joden te helpen). Sennacherib, meenende dat het getucht waarheid behelsde (of het inderdaad waar was, blijkt niet), valte aanstonds het plan op, den Ethiopiër te gemoet te trekken ; doch voor hij daartoe overging, wilde hij eerst neg eene nieuwe poging wagen om Jerusalem in zijne macht te krijgen. Door zijne boden zond hij Ezechias een brief, waarin hij onder herhaling der godslasterlijke woorden van Rabsaces, nog meer volken opnoemde, die hij en zijnen vader overwonnen en wier landen zij verwoest hadden.
Met dien vreeselijken brief begaf Ezechias zich naar het huis des Heeren, legde hem geopend voor des Heeren aanschijn neder en riep in vurig gebed uit : Heer God van Israël, üie boven de cherubijnen troont. Gij alleen zijt de God van alle koningen der wereld ; Gij hebt hemel en aarde gemaakt Neig uw oor en luister; open. Heer, uwe oogen en zie: aanhoor al deze woorden, die Sennacherib gezonden heeft, om voor ons aanschijn den levenden God te honen. Inderdaad, Heer, hebben de koningen der Assyriërs alom de volken overwonnen, hunne landen verwoest, hunne goden op het vuur geworpen. Maar het waren dan ook geen goden, het waren maaksels van menschenhanden uit hout en sleen; daarom konden zij verdelgd worden. Gij Heer onze God 1 welaan, red ons uit zijne hand, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen, dat Gij alleen lieer en God zijt.
Zoo bad de koning, en de profeet Isaïas zond hem een bode niet het bericht; Dit zegt de lieer de God van Israël: Uwe smeekingen aangaande den koning der Assy:iers heb ik gehoord; ziehier wat de Heer omtrent hem spreekt; Sions dochter, de dochter Jeiusalems, lacht met u en schudt het hoofd achter uw rug, Wien hebt gij gehoond en tegen wien uwe godslasteringen geslingerd? tegen wien uwe stem verheven en uwe blikken naar den hooge geslagen ? Tegen den Heilige van Israël. Door den mond uwer dienaren hebt gij den Heer gesmaad en gezegd : Met de menigte mijner krijgswagens heb ik de hooge rotsen op den top van den Libanon bestegen ; omgehouwen heb ik zijne ranke ceders ;n zijne uitgelezene dennen. En ik ben gekomen aan zijne grenzen, en het woud van den Jarmel heb ik geveld. Vreemde wateren dronk ik (het water in vreemde landen), en op mijn /oetspoor droogden de bronnen op (mijn talrijk leger dronk ze ledig). â (Zoo hebt gij, Sennacherib, gesproken, den Heer honende, doch dit zegt de Heer tot u); Hebt gij gehoord wat ik van den beginne aan gedaan heb? Van de oude dagen af heb ik het besloten en tiians heb ik het uitgevoerd ; tot steenhoopen zullen gemaakt worden de vaste steden op de sterke hoogten. (Wat gij, Sennacherib u beroemd gedaan te hebben, steden en landen te hebben verwoest, was het werk mijner Voorzienigheid tot straf der zondige bewoners). En zij, die in die steden hun verblijf hadden, lieten de handen zinken ; zij sidderden en beefden, zij zijn geworden als het hooi des velds, en als het dakgras, dat verdort eer het tot rijpheid komt. Uw wonen, uw uit- en ingaan, den weg (dien gij bewandelt) en uw woeden tegen mij heb ik vooruit gekend. Met waanzin zijt gij tegen mij bezield; uw trots is opgeklommen tot mijne ooren : daarom zal ik u (als een wild dier) een ring door den neus slaan, een gebit in den mond wringen en u terugdrijven langs den weg dien gij gekomen
zijt) _ Wat u aangaat, Ezechias, dit zal u een teeken zijn: Eet in het tegenwoordige
jaar hetgeen gij vindt (er is nog genoeg aan de verwoesting ontkomen), het volgend jaar hetgeen van zelf groeit (waarschijnlijk was dat een sabbatjaar, waarin er niets verbouwd
288
HlJIiKLSCHF, C; K S C HI F. I) F, NIS.
mocht worden); in het derde jaar zult gij zaaien en oogsten, wijnstokken planten en hunne vruchten genieten (alsof er nouit een vijand in het land geweest was). Van den koning der Assyriéirs zegt de lieer: Hij zal deze stad niet binnengaan, geen pijl daarin schieten, met geen stormdak haar naderen door geen belegeringswal haar omringen; langs den weg, dien hij gekomen is, zal hij afirekken, zegt de Heer.
Des nachts daarop toog de engel des Moeren uit en versloeg in het vijandelijke kamp 185 000 man. Door die ontzettende ramp gedwongen, nam Sennacherib met het overschot zijner troepen de vlucht en keerde naar zijn land en zijne hoofdstad Ninive terug. Daar wreekte hij zich op de ballingen uit hot rijk Israel, van wie hij er velen liet ombrengen. Reeds 4gt; dagen daarna echter, ter gelegenheid dat hij naar den tempel van zijn afgod Nesroch was gegaan om te aanbidden, werd hij duur twee zijner zonen Adramelech en Sarasar, gedood: het woord, dat de Heer door Isaïas gesproken had, was vervuld. â De beide moordenaars namen de wijk naar Armenië en een andere zoon, Asarhaddon, volgde zijn vader als rijksgebieder te Ninive op.
Op die wijze had de Heer zijn volk uit de handen der Assyriiirs gered en gedurende de 15 jaren, die Fzechias, volgens de voorspelling van den profeet, nog leefde, genoot juda in bloei en voorspoed de vmchten des vredes. Na Fzechias zouden er echter koningen regeeren, die op één na allen den weg des verdetfs zouden bewandelen, en reeds nu besloot de Heer, zijn volk de straf voor die goddeloosheid te doen weten. Kzechias moest haar vernemen door den mond des profeets, naar aanleiding van eene z jndige ijdelheid, waaraan hij zich eens in den loop zijner laatste vijftien levensjaren schuldig maakte. Dit geschiedde aldus Berodach Baladan, koning van Babylon, die gehoord had, dat Kzechias ziek was geweest en dat er bij zijn genezing iets wonderbaars met de schaduw der zon was gebeurd, zond hem een gezantschap, hetwelk hem met zijn herstel geluk wenschen en tevens nadere inlichtingen moest inwinnen omtrent het wonder. Kzechias ontving du gezanten van een zoo machtigen vorst met groote blijdschap en toonde hun, om hen zijn rijkdom te laten bewonderen, zijne voorraadkamers voor welriekende kruiden zijn goud, zijn zilver, zijne specerijen en zalven van allerlei soort, benevens het gebouw waar zijn vaatwerk bewaard werd, zijne schatten en alles wat hij bezat, zoodat er nieis overbleef', wat hij hen niet liet zien. Toen nu de gezanten vertrokken waren, kwam de profeet Isaïas bij den koning en vroeg hem: Wat hadden die mannen te zeggen en vanwaar zijn zij gekomen? Kzechias antwoordde: Zij kwamen uit een ver land, uit Babyion. Wat hebben zij in uw huis gezien ? vroeg de profeet. Zij hebben alles gezien, luidde het antwoord, wat mijn huis bevat, en er is niets onder mijne schatten of ik heb het hun getoond. Thans sprak de profeet: Verneem het woord des Heeren : Zio, de dagen zullen komen, dat alle zaken, welke zich in uw huis bevinden en door uwe vaderen (en u) verzameld zijn tot op de/,en dag, naar Babyion zullen gevoerd worden: niets zal er overblijven, zegt de Heer. Maar ook uwe nakomelingen, die uit u zullen voortspruiten, zal de koning van Babyion wegnemen en hen maken tot dienstknechten in zijn huis. â Ootmoedig onderwierp Fzechias zich aan dit vonnis: Rechtvaardig, zeide hij lot den profeet, is de ui.spraak des Fleeren welke gij verkondigd hebt. Alleen voegde de koning er nog den wensch bij, dat minstens gedurende zijn leven door des volks getrouwheid aan God de vrede mocht bewaard blijven. Die wensch werd vervuld Geacht en bemind van allen, bracht Kzechias rustig zijne dagen ten einde ; na zijn dood werd hij op eene eereplaats in het graf der koningen bijgezet, en geheel Jerusalem en Juda namen aan de viering der rouwplechtigheden deel.
Dezelfde profeet Isaïas voorspelde later de bevrijding uit de Babylonische gevangenschap en eindelijk ook Babylons ondergang.
De eerste dezer beide profetieën luidde: De Heer verlost Jacob, en Israël zal verheerlijkt worden. Dit zegt de lieer, uw bevrijder en die u vormde voor uwe geboorte : Ik ben de Heer, die alles maakte, die den hemel uitspande, ik alleen; die de aarde bevestigde, en geen andere (God) is er nevens mij... Ik ben, die tot Jerusalem spreek : Gij zult
37
289
BIJRELSCHE GESCHIEDENIS.
(weder) bewoond worden; en tot de (overige) steden van Juda; Gij zult herbouwd worden, en ik zal u uit de verwoesting opwekken. Die tot de diepten zeg (tot den door Babyion vlietenden Euphraat): Wijkt terug, ik zal uw strooinbedding droogleggen. Die iet Cyrus spreek; Gij zijt mijn herder en zult geheel mijn wil vervullen. (Bijna 200 jaren na deze profetie zou Cyrus, de koning der Perzen, door het droogleggen van den Euphraat, de stad Babyion innemen, en de zonen juda's uit de gevangenschap bevrijden) Dit zeg ik, de Heer, tot Cyrus mijn gezalfde, die ik bij zijne rechterhand vat, om de volkeren voor zijn aanschijn te onderwerpen en de koningen voor hem te doen vluchten en de poorten voor-hem te openen, en de poorten zullen niet gegrendeld zijn. En ik zal voor u uitgaan; de roemruchtigen der aarde zal ik vernederen; de koperen poorten zal ik verbrijzelen en hare sluitboomen verbreken. En ik zal u verborgene schatten schenken en geheime kleino-dliin; opdat gij (Cyrus) moogt weten, dat ik de Heer ben, die u bij uw naam noem (eer gij nog geboren zijt), ik de God van Israël Om wille van mijn dienstknecht Jacob en van Israël mijn uitverkorene, riep ik ü bij uw naam en maakte ik u tot een af beelding (van een anderen Redder) zonder dat gij mij kendet. Ik ben de Heer en niemand anders; buiten mij is er geen God ; ik heb u aangord, eer gij mij kendet, opdat zij die in het Oosten en liet Westen wonen, weten mogen, dat buiten mij geen (God) is; ik ben de Heer, en geen ander is het. Isaïas XL1V: 23 â XLV ; 7
Omtrent den ondergang van Babyion voorspelde de profeet onder meer hei volgende: Rliiii ai, zet u neder in het stof, maagd, dochter van Babyion; zet u neder op den grond. De dochter der Clialdeën (Babyion) heeft geen troon meer, en niet langer zal zij heeten de teedere, de zachte. Neem den molen en maal meel (word slavin); ga rnet naakte schouderen, naakte beenen, doorwaad de stroomen (slavin in uw kleeding, slavin in uw werk).... Zet u zwijgend neer en trek u terug in de duisternis, dochter der Chaldeën , niet langer zult gij heerscheresse der koninkrijken genoemd worden. Ik was vertoornd op mijn volk (de zonen Juda's). .. en leverde hen in uwe handen; maar gij zijt niet barmhartig jegens hen geweest; gij legdet een zwaar juk zelfs op den grijsaard. En gij zeidet: Ik zal heerscheres zijn in eeuwigheid... En nu hoor dit, gij weekelijke en zorgelooze: Deze twee dingen zullen plotseling over u komen op éénen dag: kinderloosheid en weduwstaat; dit alles zal over u komen om de menigte uwer tooverijen en om de groote verstoktheid uwer waarzeggers. Ongeluk zal over u komen, zonder dat gij weet vanwaar, en rampen zullen over u losbreken, die gij niet kunt af boeten; eensklaps zal over u de ellende komen die gij niet kent. Is. XLVII: l ^â-12
290
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
slocl ts óón altaar voroorloofdo âop de plaats die door den Heer was uitgekozen,quot; d.l. vroeger In den tabernakel, thans in dt n tempel. â Op dezelfde wijze ontstaat de valsche opvatting der onkntholieken: begrippen passen zij op
onze z iken toe, om ze daarna, van dat standpunt uit, te veroordeolen.
Wat Hal) aces verder verzekerde: dat dn Heer liem gezonden had, was van het begin tot het eind een verdichtsel, om de Joden vrees aan te jagen. Misschion kwam hij daartoe, doordien hij het een of ander woord vernomen had van i do bedrcicingen, welke de profeten voortdurend tot de Joden richtten, dat Go»! hen straffen zou, wanneer zij van Hem afgeweken waren en zich niet bekeerden. Thans echter, ondi-r hun vromen koning, hadden zij zich bekeerd, en bestond er dus, zorlartg zij volhardden, voor die straffen geene vrees.
3 Ten dezen tijde regeerde in Egypte de Ethiopische dynastie. De derde koning of Pharao uit die dynastie, in de II Schrift Tharaca genoemd, heet bij de Grieksche geschiedschrijvers Thearkon; op de Egyptische monumenten kómt hij voor onder den naam Thaharkwo. Babyion, zooals boven blijkt, was thans weder een van Assyriö onafhankelijk rijk.
4. De profetie omtrent Babylons ondergang werd in den loop der eeuwen letterlijk vervuld. Eerst nam Cyrus met zijne Perzen ei Meden de trotsche stad in (zie hierachter hoofdstuk 13H); daardoor geraakte zij niet alleen onder vreemde heerschappij, i;iaar verloor toen ook hare vestingmuren. Later, na Alexander den Grcote, wien de dood in zijn plan, om der stad haar ouden luister te hergeven, verhinderde, kwam zij allengs geheel tot verval; do inwoners trokken naar andere plaatsen â de dochter der Chaldeën werd ,,weduwe en kinderloosquot; â en van hare prachtige paleizen bleef niets over dan een grootsche puinhoop.
HOOFDSTUK CXXVI.
EK NE SCHETS UIT DE ASSYRISCHE BALLINGSCHAP. TOBIAS.
1*
yj Je voormalige bewoners van het rijk Israël zuchtten nu bereids eenige jaren in de )â Assyrische ballingschap. Onder hen bevond zich een zeker man uit de zonen rv_ Neplitali's, niet name Tobias.
c 1 0 Ofschoon zijne stamgenooten reeds onder Teglath-Phalasar waren weggevoerd,
werd hij (vermoedelijk wijl hij destijds naar het grondgebied van een anderen stam c/f was gevluchi) eerst bij den geheelen ondergang des rijks (26 jaar later) door Sal-manasar uit zijn land verwijderd. Tot zoolang (waarschijnlijk tot zijn 39° jaar) had hij daar; in zijne vaderstad in Opper Galilea (en voorts in andere plaatsen) gewoond en er aan allen, die hem kenden, een voorbeeld gegeven van ernst, godsvrucht en milddadigheid.
Reeds als kind toonde hij in zijn gedrag niets kinderachtigs, en toen hij de jongelingsjaren bereikt had, en geheel Israël de gouden kalveren naliep, die door Jeroboam te Dan en te Bethel waren opgericht, begaf hij alleen zich naar den tempel te Jerusalem. Daar aanbad hij den Heer zijn God en offerde niet vroom gemoed de tienden en eerstelingen van al wat zijne bezittingen hem opbrach'en. Even trouw zonderde hij om het derde jaar nog andere tienden af, welke volgens het voorschrift van Moses (hoofdstuk 47) voor de arme vreemdelingen, de weduwe en den wees bestemd waren. Ook de verdere bepalingen der Wet werden trouw door hem nageleefd, en niets liet hij achter van hetgeen geboden was. Tot den mannelijken leeftijd gekomen, nam hij eene vrouw uit zijn stam. Anna geheeten, welke hem een zoon schonk, dien hij, naar zijn eigen naam, Tobias noemde, en wien hij van kindsbeen af inprentte, den Heer te vreezen en zich van zonden te onthouden.
Toen hij niet vrouw en kind door Salmanasar werd weggevoerd, en zijne medeballingen uit do over ige stammen zich naar andere oorden verwezen zagen, werd hem geboden, zich te voegen bij zijne stamgenooten, die door Teglath-Phalasar naar Ninive gevoerd waren. Ook hier ging hij voort den Heer te dienen en de Wet te onderhouden Al aten ook allen van Je spijzen der heidenen, Tobias bewaarde zijne ziel van elke vlek en nuttigde die
291
T'TJRFLSCHF, GF.SCHIF.nFNTR
spijzen nooit. Ter belooning van zijn trouw deed God hem genade vinden in de oogen van Saltnanasar, den koning, die hem vrijheid verleende om te gaan en te doen, waar en wat hij wilde. Tobias gebruikte die vrijheid, om zijne medeballingen te bezoeken en hun heilzame vermaningen te geven. Op een zijner reizen, met dat doel ondernomen, kwam hij te Rages, eene stad in het land der Meden. Daar trof hij onder de menigte ongelukkige Israëlieten ern stamgenoot aan, met name Gabelus, die groot gebrek leed, Tobias had vroeger van Salmanasar eene sorn gelds ontvangen, waarvan hij op dit oogenb'ik nog tien talenten zilvers bezat: deze leende hij (Jabelus tegen afgiHe van een handschrift (een schuldbekentenis )
Inmiddels stierf Saltnanasar, en zijn zoon Sennacherib, die hem opvolgde, droeg den kinderen Israels een kwaad hart toe. Daardoor vermeederden zich hun lijden en hun nood in niet geringe mate. Met verdubbelden ijver ging Tobias hen digelijks bezoeken, troostte hen en was voor allen, zoover zijne middelen reikten, een steun en een helper. Den hon-gerigen gaf hij te eten, de naakten kleedde hij. en wie gestorven of door de Assyriërs vermoord waren, werden door hem begraven. Tot het bewijzen van laatsgenoemden liefdedienst zou hein weldra ruimschoots gelegenheid worden geboden. Sennacherib had in Juda door de hand van den engel des Heeren een zware nederlaag geleden, en, in zijn land teruggekeerd, wreekte hij zich op de arme ballingen uit Israël, van wie hij een groot aantal wreedaardig liet ombrengen. Tobias nam hunne lijken heimelijk weg en begroef ze.
Toen dit den koning geboodschapt werd ontstak hij in toorn en gaf bevel den edel-moedigen weldoener te dooden en zijne goederen in beslag te nemen Tobias wist nog tijdig zijn leven in veiligheid te stellen : hij verschool zich met vrouw en zoon in het huis van een zijner medeballingen, die hem gaarne opnam, want hij was algemeen bemind.
Toen daarop Sennacherib, 45 dagen na zijn terugkeer uit Juda, door twee zijner zonen vermoord werd en Asarhaddon den troon had beklommen, kon Tobias zijn schuiloord ver-laien en werd bij in het bezit zijner goederen hersteld.
Nu gebeurde het eenigen tijd later, toen er ter gelegenheid van een feestdag een goede maaltijd bij Tobias op tafel stond, dat hij tot zijn zoon zeide : Ga en haal eenigen van onze siamgenooten. die God vreezen, opdat zij met ons eten De zoon ging, en verhaalde bij zijn terugkeer, dat hij het lijk van een vermoorden Israëliet op straat had zien liggen. Aanstonds sprong de vader van tafel op. nam het lijk heimelijk weg en droeg het in zijn huis, om het na zonsondergang ongemerkt te begraven Daarop zich weder aan den disch zettende, nuttigde hij zijne spijs niet droefheid in het hart, en gedacht daarbij het woord, dar de Heer door den profeet Amos gesproken had : Uwe feestdagen zullen in klaagtonen en treurigheid veranderd worden Zoodra de zon was ondergegaan, droeg hij het lijk raar buiten en begroef het. Zijne naastbestaanden maakten hem hiervan een verwijt, met de woorden: Reeds eenmaal vroeger beeft men om die zaak u willen doen sterven, en nauw zijt gij den dood ontkomen, of gij gaat wederom lijken begraven ? Tobias evenwel liet zich door die taal niet terughouden God meer dan den koning vreezende, nam hij alle lijken weg, die l.ij vond, verborg ze des daags in zijn huis en begroef ze te middernacht.
Up zekeren dag vam deze bezigheid vermoeid naar zijne woning wedergekeerd, legde hij zich tegen den muur te slapen, toen er uit een zwaluwenest warme drek op zijne oogen viel, tengevolge waarvan l ij blind werd. Deze beproeving zond God hem over, opdat den nakomelingen een voorbeeld zou gegeven worden van geduld en lijdzaamheid.
Tobias gaf dat vooibeeld : evenals hij van zijne jeugd af den Heer gevreesd had, zoo kwam er thans bij de ramp. die God hem beschikt had, geen klacht over zijne lippen ; onveranderlijk bleef hij voortgaan in de vreeze des Heeren, Hem lovende en prijzende al de dagen zijns levens.
Gedurende de blindheid van haar man ging Anna dagelijks uit weven, om van hetgeen zij daarvoor ontving, haar gezin te onderhouden. Op zekeren keer bracht zij een geitenbokje tehuis. Tobias, die het dier hoorde blaten (en wellicht reden had zijne echtgenoote of have werkgevers eenigszins te wantrouwen), sprak tot Anna; Zie wel toe, of het bokje
202
RIJBF.LSCHR GF.SCHIF.DF.NTS.
misschien niet gestolen is; in dat geval moet gij het aan den eigenaar teruggeven; want het is ons niet geoorloofd iets gestolens te eten of ook maar aan te raken. Hierop ontstak de vrouw in toorn en antwoordde: Kennelijk is uwe hoop ijdel, en wat uwe aalmoezen u gebaat hebben, zie' men. Met deze en meer andere, even heftige als onrechtvaardige verwijtingen, voer Anna tegen haar man uit en griefde hem ten zeerste. Onder een vloed van tranen wendde Tobias zich tot den Heer, Heer, bad hij, Gij zijt rechtvaardig, en rechlvaardig zijn uwe oordaelen, en al uwe wegen zijn barmhartigheid en waarheid en recht. Kn nu. Heer, wees mijner gedachtig ; neem geen wraak over mijne zonden en gedenk niet mijne misdaden noch die mijner ouders. Dat wij aan uwe geboden niet gehoorzaam zijn geweest, daarvoor zijn wij overgeleverd aan de berooving, aan de gevangenschap, aan den dood, en aan de schimp en den spot van de volken, waaronder Gij ons verspreid hebt. Groot, Heer, zijn uwe oordeelen, want wij hebben niet gedaan volgens uwe geboden en niet oprecht voor u gewandeld. En nu, Heer, doe met mij naar uwen wil en neem mijne ziel in vrede (tot u) op; want het is mij beter te sterven dan te leven.
Op denzelfden dag, dat Tobias te Ninive de beleedigende verwijten zijner vrouw te verduren had, werd in eene stad (Ecbatana) in het land der Meden, eene maagd, de dochter van Raguel, met name Sara, niet minder smadelijk bejegend door eene van haars vaders dienstboden. De aanleiding hiertoe was deze Raguel had zijne dochter achtereenvolgens aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar telkens als de echt zou voltrokken worden, had (met Gods toelating) de duivel Asmodeüs den bruidegom gedood. Toen nu Sara eens de bovenbedoelde dienstmaagd ovei iets te berispen had, gaf deze honende ten antwoord: Dat uit u nimmer kinderen mogen voortkomen, moordenares uwer mannen ! Wilt gij ook mij ombrengen, gelijk gij uwe zeven mannen hebt omgebracht ? Die beleediging, zoo boosaardig en zoo ongegrond, sneed Sara als een pijl door de ziel; zij liep weg, snelde naar hare kamer in het bovengedeelte des huizes, weigerde te eten of te drinken endeed drie dagen en drie nachten niets dan den Heer aanroepen en Hem smeeken, dat Hij baar toch aan den smaad van kinderloos te blijven wilde ontrukken. Eindelijk op den derden dag besloot zij haar gebed met de woorden : Hoog geloofd zij uw Naam, God onzer vaderen! A's Gij vertoornd zijt, schenkt Gij barmhartigheid, en ten tijde iter verdrukking deigt (Jij de zonden uit van wie u aanroepen. Tot u, Heer, wend ik mijn aanschijn, tot u richt ik mijne blikken. Ik smeek u. Heer, dat Gij mij uit de banden dezer schande bevrijdt, of wel inij van de aarde wegneemt. Gij weet, Heer, dat ik steeds mijne ziel rein heb gehouden van alle begeerlijkheid ; nooit heb ik mij onder de dartelen gemengd, noch onder hen die wandelen in lichtzinnigheid. Ik heb er in toegestemd eenen man te nemen in uwe vreeze, niet uit een verkeerd hart. Wellicht was ik hunner (de mannen die mij gegeven werden) niet waardig of zij mijner niet, en hebt Gij mij voor een anderen bewaard. Geen mensch toch is in staat uwe raadsbesluiten te doorgronden Hiervan alleen mag ieder, die u dient, zich verzekerd houden, dat zijn leven, wanneer het in beproeving is geweest, zal bekroond worden; dat hij, als lijden hem trof, zijne verlossing zal zier, en dat, als hij de tuchtroede gevoeld heeft, hij barmhartigheid kan erlangen. Gij toch schept geen vermaak in ons verderf; na storm gebiedt Gij stilte, na tranen en geween overgiet (lij ons met blijdschap. Uw naam. God van Israel, zij gezegend in eeuwigheid.
Zoo stortten terzelfder tijd Tobias en Sara, de eene te Ninive, de andere in het land der Meden (te Ecbatana) hun hart voor den Heer uit. Hun gebed klom op tot den lieer, en Hij zond zijn engel Raphael, die beiden uit hun smarfelijken toestand zou verlossen.
1 Do boven gobruiKtc nnnm ICcbatona voor dr stnd, waar Hngucl met zijno vrouw on zijne doclitcr Sara woondo, U oiiLUhihI aan di-n Griek-clicu telot ol'ilo Si-ptna^int. !)'⢠L.iiijnsclie Vnlgata leest hier. evt'iials waar/ij (iabulih' woonplaats noemt, Rages. Dit veigt;clii,,ii;:el, (Uit verscliilleiid'' .'â teden gelijke namen droegen, ol'd.it twue namen werden gevoerd door een zelfde stad, komt in de geschiedenis der oudheid vrij dikw ijls voor. Om in het gegeven geval alle onduidelijk lieid te vermijd» li, zal ook op de volgende bladzijden de woonplaats van Raguel steeds Kebatana, en die van Gabelus Rages genoemd worden.
203
BIJBKLSCHE GESCHIEDENIS.
2. Ho« het kwi m, dnt li rwijl do Bo'irolo «tnni Nofilithnli to Ninlve govostiKd wns, Oabolus on Rnguol. olfclioon tot dim stiim behooiondo, elders woondon, gooft d- II Schrift nii t op Wnnrschijnlijk zullon liij do wegvoering sommigo personen verniongd zijn gernnkt ónder do stnmmen, op wier grondgoLiod zij zich destijds voor korteron of langoren duur
hadden neergezet. i â¢â¢ i n
3. Tobhis schijnt bij Salmnnnsar tamelijk in aanzien te zijn geweest ; volgens den Grlckschen tekst wns nij hullc-
verancier.
HOOFDSTUK CXXV1I.
V KR VOLG. DE JONGE TOBI VS MET DEN AARTSENGEL RAPHAEL OP REIS. ZIJN HUWELIJK MET SARA.
^ ^ -O-
®^ n de verwachting, dat de Heer hem op zijn gebed weldra van de aarde zou weg-nemeni r'eP Tobias zijn zoon bij zich en sprak tot hem: Aanhoor, mijn zoon, 4de woorden mijns mends en leg die als een vasten grondslag in uw hart. Wanneer ®yCri( God mijne ziel zal ontvangen hebben, begraaf dan mijn lichaam en eer uwe moeder JL* al de dagen haars levens; want gij moet indachtig zijn hoe vele en hoe groote c f gevaien zij bij uwe intrede in de wereld om uwentwil doorstond. Heeft ook zij eenmaal haar levensloop voleind, begraat haar dan naast mij. Houd al de dagen uws levens God voor oogen; wacht u ooit in eene zonde toe te stemmen en de geboden van den
Heer onzen God niet na te komen.
Geef van hetgeen gij bezit aalmoezen en wend uw gelaat van geen arme af; zoo zult gij bewerken dnt de Heer zijn aanschijn van u niet afwendt. Wees barmhartig naar vermogen. Hebt gij veel, geef veel; hebt gij weinig, beijver u, ook van het weinige mee te deelen. Aldus toch verzamelt gij u een schat tegen den dag van nood (tegen uw stervensuur!; want de aalmoes bevrijdt van alle zonde en van den dood, en zij zal verhoeden, dat uwe ziel in de (eeuwige) duisternis ga De aalmoes zal aan allen, die haar gegeven hebben, eene groote gerustheid schenken voor God den Allerhoogste.
Wacht ti, mijn zoon, voor alle onkuischheid ; dat nimmer uw geweten u op dat punt iets te verwijten hebbe. Laat nimmer in uwe gedachten of in uwe woorden de hoovaar-digheid heerschen; uit haar toch heeft alle verderf zijn begin genomen. Geet aanstonds het loon aan wie voor u gearbeid heeft, en laat de verdienste van uw daglooner niet onder u blijven berusten. Zie wel toe, da! gij aan geen ander doet, \\at gij niet wilt dat u gedaan worde. Eet uw brood met de hongerigen en de noodlijdenden en bedek met uwe kleederen de naakten. Vraag steeds raad aan wijze mannen. Loof te allen tijde God en bid Hem, dat Hij uwe wegen bestiere en al uwe ondernemingen in Hem verblijven.
Na deze vermaningen had Tobias nog de zaken van zijn huis te reyelen en prak daarom verder: Ik heb ti mee te deelen, mijn zoon, dat toen gij nog een kind waart, ik tien talenten zilvers heb geleend aan Gabelus te Rages, eene stad der Meden, en ik heb zijn handschrift onder mijne berusting. Zie dus uit, hoe gij bij hem zult komen, om genoemd gewicht zilvers van hem te ontvangen en hem het handschrift terug te geven. Tobias sloot zijne toespraak met de woorden: Vrees niet, mijn zoon; wel leiden wij een arm leven, maar wij zullen groote schatten bezitten, als wij God vreezen, ons van iedere zonde verwijderd houden en het goede betrachten.
De zoon antwoordde: Alles wat gij mij bevolen hebt, vader, zal ik doen Hoe ik echter het geld zil ontvangen, weet ik niet. Hij (Gabelus) kent mij evenmin als ik hem, en welk bewijs zal ik hem geven ? Bovendien weet ik den weg niet, die daai ginds heenvoert. De vader hernam ; Ik bezit immers zijn handschrift, toon hem dit en hij zal u het geld geven. Maar ga nu eerst een vertrouwden man zoeken, die voor loon met u gaat, oidat gij het geld ontvangt terwijl ik nog leef. De zoon ging en trof weidia een
294
â
BIJBELSCHK GESCHIEDENIS.
schoonen jongeling aan, met opgeschort kleed en geheel reisvaardig. Dit was de aartsengel Raphael, door God gezonden, maar de jonge Tobias kende hem niet en vroeg hem; Van waar zijl gij, goede jongeling ? De engel in de gedaante des jongelings antwoordde : Ik ben uit de zonen Israels. Tobias de zoon vroeg voorts : Kent gij den weg, die naar het land der Meden leidt? Ik ken dien, luidde des engels antwoord; ik ben hem dikwijls gegaan en ik nam dan mijn intrek bij onzen broeder Gabelus,'die te liages, eene stad der Meden, woont. De ondervrager sprak thans: ik bid u, toef hier een weinig, opdat ik dit mijnen vader boodschappe.
iïij zijn vader gekomen deelde de zoon hem zijne ontmoeting mede. Verwonderd beval Tobias, dat men den nog onbekenden jongeling in huis zou noodigen. De engel voldeed aan dit verzoek en binnentredende groette hij den ouden man met de woorden : Vreugde zij altijd met u. Welke vreugde zou met mij zijn ? zeide Tobias; ik ben in duisternis gehuld en aanschouw niet het licht des hemels. De engel hernam : Houd goeden moed, weldra zult gij door God genezen worden, Tobias vroeg hem: Kunt gij mijn zoon geleiden naar Gabelus te Rages, eene stad der Meden? ja, luidde het antwoord, ik zal hemgeleiden en hem weder tot u voeren. Ik bid u, vroeg Tobias verder, -lt;eg rnij, uit welk huis of uit welken stam zijt gij ? Daarop zeide de engel: Is het u te doen om de afkomst van uw loondienaar of om dien loondienaar zeiven, opdat hij uwen zoon geleider Doch, ging hij voort, laat ik u niet bezorgd maken: ik ben Azarias, de zoon van den grooten Ananias. Tobias sprak : Gij zijt uit een aanzienlijk geslacht; duid het mij, bid ik u, niet euvel, dat ik uw atkomst wenschte te weten. De engel antwoordde: Gezond zal ik uw zoon heen- en terugvoeren. Welaan dan, zeide Tobias, voorspoedig moogt gij reizen; de Heer zij met u op uwe wegen, en zijn engel vergezelle u.
Daarop nam de jonge Tobias afscheid van zijn vader en zijne moeder en spoedde z met zijn geleider heen. /oodra hij vertrokken was, brak Anna in tranen los en zeide snikkende tot haar man : Ciij hebt den staf van onzen ouderdom weggezonden; och, of dit quot;eld, dat hij gaat halen, maar nooit bestaan had. Wij waren in onze armoede tevreden p-' rekenden het onzen rijkdom, onzen zoon te bezitten. Tobias trachtte zooveel mogelijk u» bedroefde op te beuren. Ween niet, zeide hij; onze zoon za) gezond terugkomen en uwe oogen zullen hem andermaal aanschouwen, want ik ben overtuigd dat een goede engel Gods hem zal vergezellen, en alles wat met hem gebeurt ten beste zal doen uitvallen, zoodat hij in vreugde tot ons wederkeert. Gp dat woord droogde de moeder hare tranen af en was getroost. Met zijn geleidsman sloeg de jonge Tobias, terwijl de hond hem nasnelde, den weg in, die langs de rivier de Tigris loopt. Den eersten avond maakten de beide reizigers op eene geschikte plaats aan den oever hun nachtleger gereed Voor hij zich ter ruste legde, wilde Tobias nog eerst in de rivier zijne voeten wasschen ; doch terwijl hij daarmede beii» was schoot een ontzaglijke viich op hem toe, om hem te verslinden. Verschrikt riep Tobias uit : Mijn heer, hij valt mij aan ! De engel, tot wien die uitroep gericht was, antwoordde : Vat hem bij de kieuwen en trek hem op het droge. Tobias deed dit, en weldra lag de visch mach'.eloos voor zijne voeten te spartelen. Nu sprak de Engel : Haal het hart er uit en de gal en de lever, en bewaar die, want het zijn voortreffelijke geneesmiddelen. Nadat Tobias aldus had gedaan, gingen de beide reizigers een gedeelte van den visch op kolen bakken voor hun avondmaal ; het overige werd gezouten om medegenomen te worden, en zij aten daarvan gedurende den geheelen tucht. Omtrent het hart, de gal en de lever vroeg l'obias zijn geleidsman: Ik bid u, broeder Azarias, zeg mij welke geneeskrachten hebben deze zaken? De Engel antwoordde: Als gij een stukje van het hart of van de lever op kolen legt, verdrijft de damp alle soort van booze geesten hetzij van man of vrouw, zoodat zij voortaan niet meer tot hen komen. Met deze gal eindelijk bestrijkt men de oogen, die met een wit vlies bedekt zijn : zij worden er door genezen
Na verscheidene dagen te zijn voortgereisd, kwamen de tochtgenooten in eene stad (Echatana) in het land der Meden, Waar wilt gij, dat wij overnachten ? vroeg Tobias den
205
BIJBKLSCHE GESCHIEDENIS.
Engel. Deze antwoordde : Hier woont een man met name Raguel, een bloedverwant van u, uit uwen stam; hij bezit eene dochter, Sara geheeten; een zoon of een andere dochter heeft hij niet. U behooit haar gansch vermogen er. gij moet haar tot vrouw nemen; vraag haar aan haren vader, hij zal ze u niet weigeren. Tobias bracht daartegen in : Ik heb gehoord dat zij reeds gegeven is aan zeven mannen, die allen gestorven zijn. en ook heb ik vernomen, dat een booze geest hen gedood heeft. Ik vrees dus dat mij heizelfde zal overkomen, en daar ik de eenige zoon mijner ouders ben, zou ik hunne grijze haren met smart ten grave doen dalen. De engel antwoordde: Aanhoor mij; ik zal u toonen, wie liet zijn, over welke de booze geest macht heeft. Zij, die het huwelijk zoo aangaan, dat zij God buiten hun hart en hunne gedachten sluiten en slechts hunne zinnelijkheid raadplegen gelijk een paard of muilezel, over hen heeft de booze geest macht. Gij echter, wanneer gij haar tot vrouw neemt, breng drie achtereenvolgende dagen met haar in het gebed door. Den eersten nacht, wanneer gij de lever (en het hart) van den visch verbrandt, zal de booze geest verdreven worden; daarna zult gij in de gemeenschap der heilige oudvaders worden opgenomen (aan hun zegen deelachtig worden), en eindelijk, den laatsten dag, zult gij de genaden verkrijgen, dat de kinderen, welke God u schenken zal, gezond en welgeschapen zullen zijn.
Na deze woorden traden beiden het huis van Raguel binnen. Raguel ontving hen vriendelijk, en Tobias aanziende zeide hij, zonder hem nog te kennen, tot zijne vrouw : Hoe gelijkt die jongeling op mijn neef! Vervolgens vroeg hij den vreemdelingen; Van waar zijt gij, jongelingen broeders? Wij zijn, was het antwoord, uit den stam Nephthali, uit de ballingen te Ninive ? Kent gij dan, vroeg Raguel, mijn neef Tobias. Ja, zeiden zij, wij kennen hem. Toen hij daarop met grooten lof over hem uitweidde, zeide de engel; Tobias, van wien gij spreekt, is de vader van dezen jongeling. Pas had Raguel dit woord vernomen, of hij viel den jongen Tobias om den hals, kuste hem onder tranen van b'ijd-schap en riep uit : üezegend moogt gij zijn, mijn zoon; gij zijt het kind van een goeden, een allerbesten vader ! Ook Raguels huisvrouw Anna en zijne dochter Sara gaven door weenen aan hare ontroering over deze onverwachte ontmoeting lucht.
Toen de eerste vreugdebedrijven voorbij waren, gelastte Raguel, dat men een ram zou slachten en een maaltijd zou aanrechten Nadat dit bevel was uitgevoerd en de tafel gereed stond, werd den gasten verzocht plaats te nemen. Doch Tobias sprak; Ik zal hier heden eten noch drinken alvorens gij mijne bede inwilligt, en belooft, mij Sara uwe dochter tot buisvrouw te zullen geven. Op dat woord ontstelde Raguel hevig; hij dacht aan hetgeen den zeven mannen was overkomen en vreesde, dat het Tobias evenzoo mocht gaan Toen bij om die reden besluiteloos voor zich heen staarde en geen antwoord gaf, sprak de engel tot hem: Wees niet beducht hem uwe dochter te schenken, want aan dezen, die God vreest, behoort zij toe. Thans antwoordde Raguel aan Tobias: Ik twijfel niet, of God heeft op mijne gebeden en tranen neergezien, en ik geloof dat Hij u daarom hier heeft doen komen, opdat deze dochter (.die eene erfdochter is) met een man uit haar stam zou verbonden worden, gelijk de wet van Moses voorschrijft ; vrees dus niet, ik zal ze u geven. Daarop Sara's hand vattende legde hij die in de band van Tobias en sprak: De God van Abraham, de God van Isaiic en de -God van Jacob zij met ulieden ; Hij vereenige u en vervulle u met zijn zegen. Voorts nam men papier en schreef de huwelijksoorkonde ; daarna zette men zich aan tafel.
Middelerwijl geleidde Anna hare dochter naar de voor haar gereed gemaakte kamer. Sara weende (wellicht beducht voor eene herhaling der vroegere gebeurienissen); maar hare moeder troostte haar met de woorden: Houd goeden moed, mijne dochter; de Heer des hemels verleene u blijdschap voor de droefheid, die gij doorstaan hebt.
Na het einde van den maaltijd werd Tobias bij zijne ech'genoote gebracht. Zoodra zij alleen waren, opende hij, gedachtig aan het woord des engels, zijn leiszuk, nam er een stuk lever (en hart) van den visch uit, legde dat op brandende kolen, en op het eigen
206
BlJliF.LSCHF, GRSCHIKDÃNIS.
oogenblik greep dezelde engel Raphael mei onzichtbare hand den boozen geest vast en verbande hem naar de woestijn van Opper Kgypte. Intusschen sprak Tobias : Welaan Sara. laat ons den Heer bidden dezen nacht, morgen en overmogen ; want wij zijn kinderen der heiligen en mogen niet doen geiijk de volken, die God niet kennen. Hij bad d.in : Heer God onzer vaderen, u moeten loven hemel en aarde, zee, bronnen en stroomen, met allj schepselen die zij bevatten. Gij hebt Adam gemaakt van het slijk der aarde en hem Kva tot eene hulp gegeven. En nu Hoer, Gij weet dat ik niet uit dartelheid deze mijne zuster tot vrouw neem, maar uit verlangen naar een nageslacht, waardoor uw Naam geprezen zal worden in de eeuwen der eeuwen. â En Sara bad : Wees ons genadig, o Heer, wees ons genadig, opdat wij te zamen in gezondheid oud mogen worden.
Vroeg in den morgen, tegen den tijd van het eerste hanengekraai, wekte Raguel zijne dienstknechten en ging met hen naar buiten om een graf te delven ; er mocht toch, zijde hij, dezen man eens hetzelfde overkomen zijn als wat met de zeven vorigen geschied is. Toen het graf gereed was, begaf hij zich weder naar huis en sprak tot zijne vrouw : Laat eene dienstmaagd gaan zien, of hij gestorven is ; dan zal ik hem begraven voor het dag wordt. De dienstmaagd ging ; zij trad behoedzaam de kamer der jonggehuwden binnen en vond hen beiden gezond en welvarende, maar onder het bidden in slaap gevallen. Zoodra zij met die blijde lijding terug was, loofden en danklen Raguel en zijne vrouw den Heer. Heer God van Israel, zeiden zij, wij prijzen u, wijl niet gebeurd is gelijk wij meenden. Gij hebt groole barmhartigheid aan ons beloond en onzen vijand (den boozen gcesl), die ons vervolgde, verdreven. Gij hebt u ontfermd over twee ecnige kinderen hunner ouders. Maak Heer, dat zij u nog meer prijzen en u voor hunne redding het ofifer huns lufs brengen, opdat alle volken mogen erkennen, d.u Gij alleen God zijt op geheel de aude. â Daarna gebood Raguel zijnen knechten, den grafkuil zoo spoedig mogelijk weder te vullen.
In plaats van (reurplechtigheden zou men thans bruiloft vieren. Raguel gaf last, twee vette koeien en vier rammen te slachten ; hij liet al zijne geburen en vrienden uitnoodigen en bezwoer zijn schoonzoon veertien dagen te blijven (om de feestelijkheden, die in den regel binnen een week afliepen, voor dit buitengewone geval tweemaal zoolang ie doen duren). Moeielijk was het voor Tobias te weigeren. Hij riep derhalve den engel, dien hij nog steeds voor een mensch hield, en sprak tol hem : Broeder Azarias, al schonk ik mij zeiven aan u tot diensknecht, ik zou u daardoor niet kunnen vergoeden al wat gij voor mij gedaan hebt. Niettemin bid ik u, neem lastdieren en knechten en reis naar Ga-belus, om van hem het geld te ontvangen en hem tevens te verzoeken, op mijne bruiloft te komen. Oogenblikkelijk verklaarde de engel zich bereid. Met uer diensknechten op twee kameelen gezeten spoedde hij zich naar Rages (welke stad drie dagreizen van Ecbatana verwijderd lag), nam het geld in ontvangst, \erhaalde Gabelus alles wal met den jongen Tobias was voorgevallen, en noodigde hem ter bruiloft.
Inmiddels was de feestelijkheid ten huize van Raguel begonnen ; de genoodigdo vrienden en buren waren verschenen, en men at en dronk met groole blijdschap in de vreeze des Heeren. Raguel schonk zijn schoonzoon al aanstond de lulft van al zijne bezittingen en maakte eene oorkonde op, waarin bepaald werd, dat, bij zijn dood en dien zijner vrouw, Tobias de andere helft door erfenis zou verkrijgen.
Na verloop van eenige dagen kwam de engel van Rages terug met Gabelus bij zich. Zoodra de laatste Tobias zag, snelde hij op hem toe; beide bloedverwanten omhelsden en kusten elkander, en onder een vloed van tranen sprak Gabelus tol zijn jongen vriend ; U zegene de God van Israël! gij zijl de zoon van een besten, rechtvaardigen en godvree-zenden man, van een man die aalmoezen geeft ! Zegen zij over uwe echigenoote, zegen over uw beider ouders 1 Moogt gij uwe kinderen en kindskinderen aanschouwen tot in het derde en vierde geslacht, en dat ook zij gezegend worden door Israels God. die leeft in de eeuwen der eeuwen ! Amen i klonk het uil aller mond en daarop zette men zicli aan den disch.
297
38.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
1. De ongel noemt zich Azanas, de zoon van Ananias, niet volgons hotgocn hij naar zijn innerlijk wozon was, maar .nel het oog op zijne aangenomone, voor Tobias zichtbare g.Mlaante, die Azarias voorstelde. Bovendien lag er in dat woord dos engels oen schoon ziimeboeld ; Azarias toch beteekent, »God helptquot;, en Ananias »God is genadig.' !)⢠hulp Gods. do engel, was dus de zoon, het uitvloeisel van de genade of barmhartigheid Gods
2. De jonge Tobias, zooals boven blijkt, kende Sara's lotgevalion reeds, wat zich uit aanmerking van de nauwe bloodvorvvantschai) tusschen beider ouders lichtelijk laat vorklaren.
3. Sara was al- eenig kind en erfdochter gehouden een man uit haren stam te nemen, opdat hare bi'/iiting n in dien stam zouden verblijven â vergelijk hoofdstuk 40. â Viindaar kon de engel met recht zeggen; »llnar gan-che vermogen behoor', u toe, en gij moet h.iar tut vrouw nemen.quot; Vnn de toestemming zijner ouders â die in gewone gevidlen altijd moet gevraagd en vvrkregen worden â mocht Tobias y.ich vooruit verzekerd houden, het geval wns zo» buitengewoon, de ving' r Gods zoo zichtbaar, en de hemebche geleidsman work te door zijne geheimzinnigo macht zoo krachtig op bet hart van zijn beschermeling in, dat deze aan het volkomen wettige zijner daad geen oogenblik kon twijlelon.
4. Dat de lever en het hart van den visch alleen krachtens eene bijzondere beschikking Gods en niet uit zich /.elf het vermogen bezaten om don duivel te verdrijven, zal bij eenig nadenken wel ieder duidelijk zijn.
HOOFDSTUK CXXVI11.
V E R V C; L G : D E T E R U G K E E R. DE GENEZING. D O O D D E S OUDEN EN DES JONGEN TOBIAS.
^adat de bepaalde veertien dagen om waren, wilde Raguel zijn schoonzoon nog i* niel laten heengaan. Tobias echter weigerde te blijven : zijne reis, meende hij, duurde ten gevolge der feestviering, al had ook de engel inmiddels het geld van ®|\0 Gabelus gehaald, toch reeds lang genoeg. Tevergeefs beloofde Raguel, door een j'A bode te Ninive te zullen laten berichten dat alles wel was, Tobias volhardde bij zijn 'T besluit. Eindelijk zag Kaguel van verdere pogingen af; hij gaf zijn schoonzoon, volgens belofte, de helft van zijne dienstknechten en dienstmaagden, alsmede de helft zijner schapen, kameelen en runderen, benevens een aanzienlijke som gelds, en liet hem met Sara, met den engel en met genoemde bezittingen vertrekken. Bij het afscheid drukten Raguel en zijne vrouw hunne dochter op het hart, hare schoonouders te eeren, haren man lief te hebben, het huisgezin goed te besturen en zich zelve in alles onberispelijk te gedragen. Daarna wenschten zij, onder kussen en omhelzingen, hair en Tobias eene voorspoedige reis en in de toekomst alle heil.
Langzaam trok hel reisgezelschap voort ; na elf dagen te Charan gekomen, had men nog slechts de helft van den weg naar Ninive afgelegd. Daarom sprak de engel ; Broeder Tobias, gij weet, onder welke omstandigheden gij uw vader verlaten hebt; als het u derhalve goeddunkt, zullen wij voorluiigaan : uwe vrouw kan ons met de dienstboden en het vee ongehaast volgen, Tobias was het aanstonds geheel daarmede eens, en na op aansporing van den engel de gal van den visch bij zich te hebben gestoken, spoedden de twee vrienden zich voort.
Het werd trouwens daarvoor hoog tijd. Herhaaldelijk hadden de beide oude lieden te Ninive den dag berekend, waarop zij hun zoon hoopte weder te zien, en toen zij zich in die verwachting bedrogen vonden, vroeg de oude man zich zeiven af: Waarom, denkt gij, toeft mijn zoon, ot waarom houdt men hem ginds op? zou wellicht Gabelus gestorven zijn, zoodal niemand hem hel geld geeft ? Aldus tot zich zeiven sprekende hegon hij te schreien, en zijne vrouw nog erger. Hare tranen waren bijna niet te stillen; snikkende riep zij uit: Ach, ach, mijn zoon! waarom hebben wij u toch in den vreemde gezonden, u, het licht onzer oogen. den steunstok van onzen ouderdom, de troost onzes levens, onze hoop op nakomelingschap ! In u alleen bezaten wij alles tegelijk ; wij hadden u niet moeten laten heengaan 1 Zoo kermde en weeklaagde de vrouw. Haar blinde echtgenoot trachtte haar naar zijn beste vermogen te troosten: Bedaar toch, zeide hij; bedroef
298
BIJBELSCHF, GESCHIEDENIS.
u niet te zeer, onze zoon is gezond ; de man, met wien wij hem hebben laten vertrekken, is getrouw genoeg Maar zij liet zich niet troosten ; onophoudelijk door hare onrust opgejaagd ging zij telken dage (buiten de stad) naar alle wegen, waarlangs haar zoon kon terugkeeren, en zette zich op den top van een heuvel neder, om hem reeds van verre te kunnen zien aankomen.
Eindelijk ontdekte zij hem met zijn geleidsman, heel in de verte ; haar moederlijk oog zeide haar duidelijk, dat hij het was, en zoo snel zij kon spoedde zij zich naar hare woning tot haren man en riep uil : Onze zoon komt ! Kort daarop (terwijl Anna reeds weder was heengegaan) verscheen de hond die de reis had meegemaakt ; hij was zijn jongen meester vooruit geloopen en sprong kwispelstaartend tegen den ouden blinden vader op. Nu kon deze het in huis niet langer uithouden ; hij strompelde, zoo goed en kwaad het ging, naar buiten gaf daar de hand aan een knaap en trok zijn zoon tegemoet. Eenige oogenblikken later lag hij met zijne vrouw in de armen huns lievelings en beide ouders weenden van geluk en vreugde.
Bij hunne tehuiskomst was het eerste, wat de jonge Tobias verrichtte, zijn God aanbidden en bedanken ; zoo had de engel hem onderweg gezegd, dat hij doen moest, Daarop, terwijl men zich nederzette, nam hij de gal van den visch, bestreek er de oogen zijns vaders mede, en na verloop van een half uur liet zich in de oogen een wit vlies los, dat veel geleek op het vlies van een ei. De oude man trok het er uit: hij had zijn gezicht terug Uit aller harten stegen de vurigste dankzeggingen naar boven ; vooral de gelukkige herstelde zelf verheerlijkte God uit al zijne krachten. Heer God van Israël, sprak hij, Gij hebt mij gekastijd, maar weder genezen ; ja, ik aanschouw Tobias, mijn zoon 1
Na zeven dagen kwam Sara aan, met de dienstboden, de kudden en de verdere bezittingen, Op de hartelijkste wijze werd zij ontvangen ; ook waren twee van Tobias' neven gekomen, Achior en Nabath, om hem en al de zijnen geluk te wenschen, en nu vierde men in het huis van Tobias feest, zeven dagen lang, met groote blijdschap.
Ten laatste riep de oude Tobias zijn zoon alleen en sprak tot hem : Wat kunnen wij geven aan dien heiligen man, die met u de nis gemaakt heeft ? Ja, vader, was het antwoord, welk loon zullen wij hem geven, of wat kan zijner weldaden waai dig zijn ? Hij heeft mij gezond heen en terug geleid ; het geld van Gabelus is hij zelf gaan halen : hij heeft mij in het bezit eener echtgenoote gesteld, den duivel van haar verdreven, haren ouders vreugde beieid, mij voor het verslinden van den visch bezwaard en u het licht des hemels doen zien : met alle goed zijn wij door hem overladen. Wat kunnen wij hem ter vergelding daarvoor aanbieden? Maar ik bid u, vader, vraag hem, of hij zich misschien wil gewaardigen de helft te ontvangen van al hetgeen is meegebracht.
Vader en zoon riepen daarop den heiligen geleidsman bij zich en smeekte hem hun aanbod niet te versmaden, Doch hij antwoordde vertrouwelijk : Zegent den God des hemels en belijdt Hem voor alle schepselen, wijl Hij barmhartigheid aan u heeft betoond. Ue geheimen toch eens konings te bewaren is goed ; maar lofwaardig is het de werken di s lleeren te openbaren en te belijden. Het gebed, gepaard met vasten en aalmoezen, is beier dan schatten gouds te vergaderen; want de aalmoes beviijdt van den dood, zij zuivert van zonde en doel, barmhartigheid en het eeuwig leven vinden. Diegenen integendeel, die zonde en ongerechtigheid bedrijven, zijn vijanden van hunne ziel
Ik openbaar u dus de waarheid en wil u het geheim niet verbergen. Toen gij (oude Tobias) onder tranen badt en de dooden bezorgdet; toen gij uw middagmaal liet staan en de lijken des daags in uw huis verborgt om ze des nachts te begraven, heb ik uw gebed aan den Heer opgedragen. En omdat gij den Heer welgevallig waart, was het noodig, dat gij door lijden beproefd werdt. Maar nu heeft de Heer mij gezonden, opdat ik u genezen, en Sara, uws zoons echtgenoote van den duivel bevrijden zou. Want ik ben de engel Raphael, een der zeven, die voor den Heer staan.
Toen zij dit woord vernamen, werden vader en zoon door ecne heilige ontzetting
299
mjTVF.L^CHE GESCHIF.DF.NTS
aangegrepen, en bevende wierpen zij zich op hunne aangezicht», n leraarde. Doch de engel sprak; Vrede zij u, wilt niet vreezen; want dat ik hij u was, geschiedde op den wil van God; zegent Hem en zingt Hem lofliederen. Ik scheen wel is waar met u te eten en te drinken, maar ik geniet eene spijs en een drank, die voor de nienschen onziciitbaar zijn. Thans is het tijd. dat ik terugkeer tot Hem, die mij gezonden heeft; gij nu prijst Goden verkondigt al zijne wonderwerken. â Dit zeggende verdween de engel uit hunne oogen.
Diie uren bleven de beide mannen ter aarde liggen, God lovende en verheerlijkende; daarna opstaande verhaalden zij de wonderen, die de Heer aan hen gewrocht had. En de oude Tobias, door profetischen geest bezield, voorspelde den val van het tegenwoordige Jerusalem en de glorie van het nieuwe (de kerk van Ghristus). De laatste woorden dezer voorzegging luidden: De poorten Jerusalems zullen gebouwd worden van saffier en smaragd, en de muren van kostbaar gesteente. Met reine witte steenen zullen de straten geplaveid zijn en in hare wijken zal het Alleluja weerklinken. Gezegend zij de Heer, die haar verheven heeft; /ijre heerschappij over haar dure in de eeuwen der eeuwen. Amen.
De oude man leefde nog 42 jaren. Toen hij 56 jaren oud was, had hij het gezicht verloren, en thans 60 jaren tellende, het herkregen. Zijne dagen sleet hij van nu af in vreugde, fn hij zag de kinderen zijner kleinkinderen, fn zijn laatste ure riep hij zijn zoon met diens zeven zonen bij zich en sprak tot hen: De ondergang van Ninive is aanstaande; het woord des Heeren (door Jonas gesproken, maar destijds niet uitgevoerd) blijft niet onvervuld (nu de boosheid weder het hoofd heeft opgestoken). Voorts voorzegde hij zijn zoon en kleinzonen, dat Jerusalem na ingenomen te zijn, herbouwd zou worden, en dat de weinigen van Israël, die God vreesden, met de kinderen Juda's uit het land der ballingschap zouden terugkeeren, om naar Jerusalem op te trekken. Daarna beval hij het geven van aalmoezen aan en het wandelen in de wegen des Heeren, om ten laatste te sluiten met de woorden: Kn nu, mijne zonen, hoort mij: blijft hier niet; maar als gij uwe motder naast mij zult gelegd hebben in hetzelfde graf, maakt u dan op weg en gaat van hier, want ik zie dat de boosheid der stad haar ten ondergang voert. â Eindelijk stierf de grijsaard in den ouderdom van 102 jaren en werd eervol te Ninive begraven.
Nadat ook de moeder gestorven was, vertrok de jonge Tobias met zijne vrouw, zijne zonen en kleinzonen naar zijne schoonouders; hij vond hen op hun ouden dag in het genot eener goede gezondheid. Nog een tijdlang rnocht hij zich in hun bezit verheugen, hun zijne zorgen wijden, en eindelijk ook hen de oogen sluiten, Hij zelf bereikte den ouderdom v an Q9 jaren en werd met groote plechtigheid ter aarde besteld. Zijne nakomelingen had hij gezien tot in het vijfde geslacht; zij bleven voortgaan een heiligen levenswandel te leiden en waren bemind, zoo bij God als bij de menschen (bij luin volk), ja, bij al de inwoners des lands.
HOOFDSTUK ('XXIX.
JUDA ONDER DE G0DDE1.007F, KOMNGKM MANASSES EN AMON.
rk-X-kk ^
iA v ^ .
\gt;¥q vrün,e Kzechias (wiens leven in de hoofdstukken 124 en 1 25 is verhaald) werd in het bestuur van Juda opgevolgd duor zijn ontaarden zoon Manasses. Pas 12 jaren telde Manasses, toen hij den troon beklom, en hij regeerde (met inbegrip van den tijd zijner hierna te melden gevangenschap) 55 jaren. De naam zijner moeder was Haphsiba.
In alles was de nieuwe koning het tegenbeeld zijns edelen vaders. Had deze in zijne oprechte verkleefdheid aan den Heer, den dienst der valsche goden uitgeroeid, hunne beelden vetbiijzeld tn liunne heiligdcmmec oin\ eigehaald â Manasses beijverde zich, de
300
B1JBELSCHE GESCHIFDF.NF?.
afgoderij niet alleen in den ouden luister, dien zij onder zijn grootvader Achaz genoten had, te herstellen, maar haar zelfs meer dan ooit te doen bloeien. Hij richtte altaren op voor Baal, plantte in navolging van den goddeloozen Achab, gewezen koning van Israël, een heilig bosch (ter eere van Astarthe de godin der wellust), bracht eenige zijner eigene kinderen door het vuur ten offer aan den afgod Moloch, gaf zich af met waarzeggerij, doodenbe-zwering en duivelskunsten, en aanbad hel geheele heir des hemels: zon, maan en sterren. Daarbij bezoedelde hij den tempel des waren Gods op de verregaandste wijze. Binnen de beide voorhoven verrezen altaren ter vereering van genoemde hemellichamen. Een der nevengebouwen werd ingericht tot stalling voor aan den dienst der zon gewijde paarden en wagens. In een ander nevengebouw deed de koning woningen maken voor zekere mannen, ellendelingen, die zich aan de onnatuurlijke gruwelen der heidenen wijdden, en in den tempel zelf (in liet heilige) werd een beeld geplaatst, dat aan het afschuwelijke bosch herinnerde (wellicht het beeld der godin zelve).
Het overgroote deel der onderdanen volgde den koning op den weg der, afvals. Orn hen daarvan terug te brengen zond de Heer zijne heilige proleten, die in zijn naam tot vorst en volk moesten spreken; Dewijl Manasses, koning van Juda, deze gruwelen heeft bedreven, erger dan al wat de Amorrhecn oudtijds gedaan hebben, en hij ook Juda zich aan die onreinheden heeft doen schuldig maken, daarom zegt de Heer; Zie, ik zal over Jerusalem en Juda rampen doen neerkomen, welke ieder die er van hoort, de beide ooren zullen doen suizen. Ik zal over Jerusalem het meetsnoer van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis Achab; ik zal Jerusalem (van de aarde) uit wisschen, gelijk men schrijl-tafeltjes uitwisclit. Dc overblijfselen van mijn erfdeel zal ik verlaten en ze overleveren in ce handen hunner vijanden; zij zullen tot verwoesting en tot roof worden voor al hunne tegenstanders, omdat zij kwaad voor mijn aanschijn hebben bedreven en voortgegaan zijn mij te vertoornen, van den dag af dat hunne vaderen uit Egypte trokken tot nu toe.
Zoo spraken de profeten, maar tevergeefs. In plaats van op hunne bedreigingen tot inkeer te komen , scheen de verdorven vorst het er als 't ware op toe te leggen, om door liet vermeerderen zijner schuld de gerechtigheid des Hemels uit te dagen. Zeer vele brave mannen, die het met de profeten hielden en zijne gruwelen verfoeiden, liet hij wreedaardig ter dood brengen, zoodat in Jerusalems straten het bloed bij stroomen vloeide. (Volgens cene oude rabbinische overlevering werd de profeet Isaïas door midden gezaagd.)
Eindelijk was de maat der boosheid vol en trad de Heer niet zijn straflende hand tusschenbeide. De krijgsbevelhebbers des konings van Assyrië kwamen met een machtig leger na Juda afzakken, namen Manasses gevangen en voerden hem in ketenen geklonken naar Babylon (dat destijds weder met Assyrië vereenigd was). Deze gevangenschap (welke waarschijnlijk verscheidene jaren duurde) strekte den schuldigen koning ten zegen. Den God zijner vaderen, dien hij op den troon had miskend, werd hij in de vernedering indachtig; rouwmoedig hief hij zijne handen tot Hem op, smeekte in een allervurigst gebed om genade en ontferming, en pleegde de strengste boete. Eindelijk liet de Heer zich bewegen; Hij beschikte den loop der gebeurtenissen derwijze, dat de gevangene zijne vrijheid en zijn rijk terugkreeg.
Van nu af was het Manasses* streven, om door een Gode welgevallig bestuur zijne vroegere misdaden zooveel mogelijk weder goed te maken. De altaren der valsche goden en het beeld van het heilige bosch werden uit den tempel verwijderd en buiten Jerusalem geworpen; het altaar des Heeren werd hersteld, en als ia de oude dagen rookte het opnieuw van de talrijke brand- en slachtollcrs, door de Wet van Moses bepaald. Velen van het Volk echter, die in de eerste jaren van Manasses' regeering het door zijn vader Ezechias afgeschafte ülFeren op de hoogten weder hadden ingevoerd, bleven ook thans nog daarmede voortgaan.
De belangen van zijn rijk trachtte de koning te bevorderen, zoowel door het versterken der muren van Jerusalem, als door in de overige steden geschikte mannen aan te stellen, ais voor de krijgszaken moesten zorgen. Ten laatste waren de dagen van Manasses' aardsche
302 nilBELSCHE GESCHIEDENIS.
loopbaan vervuld; hij sliert en werd in den tuin van zijn palcis begraven, terwijl zijn zoon Anion in den ouderdom van 22 jaren hem opvolgde.
Anions regeering was niet n inder goddeloos dan die zijns vaders in haar eerste tijdperk. Alle aan de valsche goden gewijde zaken, die Manasses na zijne terugkomst uit de gevangenschap had laten afbreken en wegnemen, richtte Anion weder op, en andermaal geleek het, alsof de dienst des waren Gods in Juda was uitgeroeid. Dit duurde zoo ongeveer twee jaren ; loen smeedden de dienaren des konings eene samenzwering en brachten hem op verraderlijke wijze om het leven (blijkbaar met het doel, een hunner op den troon te plaatsen). Het volk nam daarmede geen genoegen; liet versloeg de samenzweerders, begroef den vermoorden vorst in den tuin van zijn paleis cn riep zijn zoon Josias tot koning uit.
1. Ir; plaats van de bij ons gebruikelijke lei bedienden de ouden zich van omlijste houten bordjes of tafeltjes, overdekt met een dunne laag zachte was. Zij schreven daarop met een puntige bronzen, zilveren of gouden stift, door de Romeinen stylus genaamd â waarvan ons woord stijl (schrijfstijl) is afgeleid. Aan het dikkere eiud was dit werktuigje voorzien van een rond plaatje, waarmede de was, na beschreven te zijn, weder werd glad gemaakt. Dit noemde men het tafeltje uitwissclien. Aldus, dreigden de profeten, zou (iod Jerusalem uitwisschen , het van de aarde verdelgen, wanneer het zich niet bekeerde.
2. De nneste schriüverkla.irders meenen, dat de geschiedenis, die verhaald wordt in het Bock Judith, is voorgevallen tijdens de ja en, welke M.masses in den kerker te Babyion zuchtte. Zekerheid bestaat daarover niet, zoodat enkele andere uitleggers aan een lateren tijd denken. Van weerskanten worden voor de beide gevoelens gewichtige gronaen aangevoerd, d e hier echter onvermeld mogen blijven. Alleen worde aangestipt, dat de vraag, hoe het mogelijk was dat de Assyriërs na hunne nederlaag den gevangen koning de vrijheid hergaven, geene bijzondere moeiclijkheid baart. Kr kunnen namelijk in die jaren lichtelijk een of zelfs meer troonsverwisselingen of nog belangrijker gebeurtenissen in Assyrie hebben plaats gehad, al maakt de 11. Schrift daarvan geen gewag. â Ikdjelde geschiedenis wordt meegedeeld in het volgende hoofdstuk.
I lOOFDSTUK CXXX. GESCHIEDENIS VAN J U D1 T H.
laxad, koning der Meden, had zich door het ten onderbrengen van vele volken
______m tot een niachtiii vorst «remaakt en besloot nu ook zijne hoofdstad Ecbatana, op
quot;W P .. r â \ ii -
eene aan zijne grootheid passende wijze, te verfraaien en te versterken. Hij
omringde haar met een muur, die, uit vierkante, glad gehouwen steenen opgetrokken, ijü bij eene hoogte van 30 elleboogsniaten, 70 ellcboogsmaten dik was. (Volgens den 1 Griekschen geschiedschrijver Herodotus waren het eigenlijk zeven muren, die aan elkander verbonden, in den vorm van een ontzaglijk terras de stad omsloten.) Op dit muurwerk verhieven zich vierkante torens, 100 elleboogsniaten hoog, waarvan elk der zijden van het vierkant 20 voet breed was. De poorten hadden dezelfde hoogte als de torens. â Binnen die geduchte vesting zetelde Arphaxad als ongestoord gebieder, vertrouwende op zijne talrijke legerscharen en op de voortreffelijkheid zi|ner wagens en vierspannen.
In het twaalfde jaar echter van zijne regeering trok Nabuchodonosor, koning der Assyriërs, teo-en hem te velde en versloeg hem in de groote vlakte van Ragau, tusschen de rivieren den Euphraat en den Tiger. Toen zwol Nabuchodonosors hart op en hij zond gezanten naar de landstreken van het Westen, tot allen die in Cilicio, te Damascus en op liet gebergte Libanon woonden, tot de volken van den berg Carmel en Cedar, tot de bewoners van de groote vlakte van Esdrelon (in liet voormalig rijk Israël), tot allen die te Samaria woonden, en naar Jerusalem en het Over-Jordaatische en tot het volk der landstreek Jesse (Gessen in Egypte) tot op de grenzen van Ethiopië, met bevel zijne opperheerschappi: Ie erkennen; doch zij weigerden eenparig en zonden zijne gezanten zonder geschenken terug. In zijne verbolgenheid hierover zwoer hij bij zijn troon en zijn rijk, dat hij zich zoude wreken.
Te dien einde belegde hij in het 13quot; jaar zijner regeering, op den 22quot;quot; dag der
BIjRF.LSCHF, GESCHIEDENIS. 50)
Ie maand , in zijn paleis te Ninive eene vergadering zijner rijksgrooten en krijgsbevelhebbers en deelde hun als zijn plan mede, genoemde landen langs den weg des gewelds aan zijn gebied te onderwerpen. Toen alle aanwezigen hiermede instemden, sprak hij tot zijn legeroverste Holofernes ; Trek op tegen alle landstreken van het Westen, die mijn bevel veracht hebben; dat uw oog geen enkel rijk spare; iedere ommuurde stad zult gij onder mijne macht brengen.
Weldra trok een leger van r20.000 man voetvolk en 12.000 man boolt;rschutters te paard, voorzien van een groot aantal krijgswagens en van allerlei oorlogsmiddelen en levensbehoeften, de grenzen over. Geheele landstreken vielen Holofernes bijna zonder slag of stoot in handen; de sterkste vestingen bezweken, hare kostbaarheden werden geroofd; hier en daar werden zaadvelden plat gebrand, vruchtboomen omgehouwen, wijngaarden uitgeroeid, en al wie het waagde weerstand te bieden, vond den dood door het zwaard. Thans haastten zich de verschrikte vorsten der overige rijken, door het zenden van gezanten, den zegevierenden legeroverste hunne onderwerping aan te bieden en zijne goedertierenheid in te roepen. De voornaamste burgers trokken hem bij zijne nadering, onder paukslag, zang en dans, met kransen en fakkels tegemoet. Niets echter mocht baten: met onverbiddelijke gestrengheid plunderde hij hunne steden, verwoestte hunne tempels en roeide hunne heilige bosschen uit. Zijn meester toch had hem uitdrukkelijk gelast, alle goden der aarde te verdelgen, opdat hij, Nabuchodonosor, door alle volken, die Holofernes hem onderwierp, als de eenige god zou vereerd worden.
Aldus brandende en verwoestende trok Holofernes voort en naderde al dichter de grenzen van Chanaan. Den zonen Juda's sloeg de schrik om het hart; zij vreesden dat de wreede legeroverste met Jerusalem en den tempel des Heeren zou doen, gelijk hij met de andere steden en hare tempels had gedaan. In plaats echter van hem gezanten te zenden, stelden zij zich zoo geducht mogelijk in staat van tegenweer. Dit deden zij niet alleen in zoover het hun eigen land betrof, maar ook ten opzichte van vele streken van het voormalige rijk Israël. De hoogepricMcr Eliachim schreef brieven aan allen die woonden in de groote vlakte van Esdrelon en op andere plaatsen, waarlangs de vijand kon naderen, dat zij hunne steden zouden versterken, levensmiddelen verzamelen en vooral de bergpassen zouden bezetten, die naar Jerusalem leidden. Terwijl aan dit bevel voldaan werd, wendde het gansche volk, zoowel vrouwen als mannen, zich met vasten en bidden tot den Heer, om zijne hulp af te smeeken. De priesters trokken boetkleederen aan, hulden het altaar in rouwgewaad, deden de kinderen zich nederwerpen voor den tempel, en riepen in luide weeklachten tot den Heer, dat toch hunne zonen en dochters niet tot roof, hunne vrouwen niet tot buit des vijands mochten worden; dat hunne stad voor den ondergang, hun heiligdom voor ontwijding en voor den smaad dezer heidenen mochten gespaard blijven. Tegelijkertijd trok de hoogepriester het land rond en sprak allen moed in met de woorden: Herinnert u den dienaar Gods, Moses, die het volk van Amalec, dat op zijn machtig leger, zijne schilden, wagens en ruiters vertrouwde, verwonnen heelt, niet door het nut het staal te bestrijden, maar door heilige gebeden (hoofdstuk 34); zoo zal het allen vijanden van Israël gaan, indien gij slechts volhardt in het werk dat gij begonnen zijt. â-Op deze woorden wijdde het volk zich met nog meer ijver aan gebed en boete.
Ondertusschen was Holofernes de stad Bethulië (in Galilea) genaderd en vernam daar, dat de kinderen Israels, op weerstand bedacht, de toegangen tot hun land afsloten. In zijn trotsche verbolgenheid riep hij de vorsten van Moab en Amnion, die zich reeds onderworpen hadden, bij zich en vroeg hun: Zegt mij, wat is dit voor een volk, dat de bergpassen bezet? Hoe groot en hoevele zijn zijne steden; over welke macht en welk aantal beschikt het, en wie is zijn legeraanvoerder? Waarom heeft het alleen van alle volken ons durven verachten, en waarom is het ons niet tegemoet getrokken ? Achior, de vorst van Amnion, antwoordde : Indien gij u gewaardigt mij te aanhooren, mijn heer, zal ik u omtrent dit volk de waarheid zeggen, en geen leugenachtig woord zal er uit mijn mond isüinen, Dit volk is van Chaldeeuwsche afkomst (Abrahams vader Thare woonde oor-
5o.( tMjBELSCHE GESCH1HDEN1S,
spronkelijk in Ur der Clialciecn). Eerst hield het (in den persoon van Abraham) zijn verblijf in Mesopotamia (waarvan Chaldea een deel was), maar omdat het de goden zijnei: vaderen (van Thare en diens huisgezin) niet wilde dienen, verliet het de gebruiken dier vaderen en diende den eenen God des hemels, die het beval naai Charan te verhuizen. â Voorts verhaalde Achior de geheele geschiedenis der Israëlieten in Egypte, hun aan wonderen rijken uittocht en hunne verovering van het land Chanaan; hij deelde mede, hoe God ook later bij elke gelegenheid dit volk zichtbaar had beschermd, zoolang het Hem getrouw bleef; maar hoe Hij het integendeel telkens in de handen des vijands had overgeleverd, als het Hem afvallig was geworden. Nog niet zeer lang geleden was een groot deel van dit volk om zijner zonde wille uit zijn land in ballingschap weggevoerd. Ten slotte gaf Achior Holofernes den raad, te onderzoeken, of de Joden op dit oogenblik weder van den Heer waren afgeweken. Is dit het geval, zeide hij, laat ons tegen hen optrekken, want hun God zal hen in uwe handen leveren; maar is dit niet zoo, dan zullen wij hen niet kunnen ten onder brengen; hun God zal hen beschermen, en wij zullen voor geheel de wereld te schande gemaakt worden.
Al de krijgsbevelhebbers van Holofernes ontstaken op deze taal in woede. Zij wilden Achior dooden en spraken tot elkander: Wie is deze, die durft zeggen, dat de zonen Israels, ongewapend als zij zijn, en zonder kennis van de krijgskunst, den koning Nabuchodonosor en zijne legerscharen kunnen wederstaan? Holofernes zelf, die zich niet minder dan zijne bevelhebbeis door Achior gegriefd voelde, sprak tot hem: Om u te toonen, dat er geen andere God is dan Nabuchodonosor, zoo zal, wanneer wij Israël verslagen hebben, het zwaard der Assyriërs door uwe zijde dringen; doorboord zult gij onder de gewonden van Israël vallen en met hen verdelgd worden. Gelooft gij, dat deze mijne woorden niet in vervulling kunnen gaan, en dat gij waarheid gesproken hebt toen gij zeidet, dat de zonen Israels door hun God zullen beschermd worden, dan behoeft gij niet te vreezen. Opdat gij echter al aanstonds moogt weten, dat gij tegelijk met hen dit ondervinden zult, zoo zult gij op het eigen oogenblik met hen vereenigd worden, om, nadat zij hun verdiende straf ontvangen hebben, op uwe beurt mijne wraak te gevoelen. Daarop voerde eene kleine afdeeling krijgslieden Achior naar de stad Bethulië, om hem aan de Israëlieten over te leveren.
Zoodra dezen de krijgslieden in het gezicht kregen, vielen zij met hunne slingers tegen hen uit; doch de Assyriërs weken om den hoek van een berg, bonden Achior daar aan een boom en keerden terug. De Israëlieten daalden tol den gebondene af, voerden hem binnen hunne stad, en plaatsten hem in het midden des volks, waar hem gevraagd werd, uit welke oorzaak aldus met hem was gehandeld. Hij verhaalde nu breedvoerig zijn gesprek met Holofernes, en hoe deze en zijn krijgsoversten, in toorn ontstoken, hem aan de Israëlieten ludden overgeleverd, omdat hij gezegd had: de God des hemels is hun beschermer. Allen die om den verhaler geschaard stonden, luisterden met gespannen aandacht, en zoodra hij uitgesproken had, besloten zij een vastendag te houden, waarop zij zich eenparig voorden Heer nederwierpen en met luide weeklachten tot Hem riepen: Heer, God des hemels e'n der aarde, smeekten zij, aanschouw Holofernes' hoogmoed en onze vernedering; laat uw blik rusten op het aanschijn der u toegewijden; toon, dat Gij niet verlaat degenen, die op u betrouwen, en dat Gij ter neder werpt de trotschaards, die roemen op eigen kracht.
Tegen den avond, toen zij genoeg geweend, gevast en gebeden hadden, stonden zij op en spraken Achior troost in met de woorden: De God onzer vaderen, wiens macht gij verheerlijkt hebt, zal voor u zorgen, zoodat gij veeleer hun (der Assyriërs) ondergang zult aanschouwen (dan zij den uwe). Wanneer dan onze God zijne dienstknechten zal bevrijd hebben, zoo zij Hij ook met u in ons midden; wij toch wenschen dal gij met al de uwen, indien het u behaagt, onder ons uw verblijf vestigt. Daarna nam Ozias, de overste der stad, Achior mede naar zijn huis en rechtte een maaltijd aan, waartoe hij benevens zijn gast al de oudsten des volks uitnoodigde. Na den afloop hiervan werd het volk weder biieen geroepen en bracht men den ganschen nacht in verzuchtingen en gebeden door.
ÃljRP.I.SCHF, GESCH1F.DKNIS. 30;
Den volgenden dag beval Holofernes, Betbulië te belegeren. Dit ging niet gemakkelijk, want de Israëlieten hadden post gevat op den berg (waarop of waarachter hunne stad gelegen was). Doch Holofernes deed al de bronnen door wachten bezetten, ten einde de burgen door dorst tot de overgave te noodzaken. Twintig dagen teerde men in de stad op den voorraad water, dien de regenbakken en andere verzamelplaatsen bevatten; maar toen deze ledig waren, ontstond er in de stad zoo groot gebrek ;:an drinkwater, dat mannen, vrouwen en kinderen eenstemmig üzias kwamen smeeken: Wij bezweren 11 bij hemel en aarde, de stad aan de legerscharen van Holofernes over te geven, opdat ons einde kort zij door het zwaard terwijl ons anders lange martelingen wachten door den dorst. Na dit gezegd te hebben, braken allen in luide jammerklachten uit en riepen tot God uren achtereen; Wij hebben gezondigd, riepen zij, gelijk onze vaderen, wij hebben misdaden bedreven, overtredingen begaan; doch Gij, die goed zijt, ontferm u onzer, of straf onze zonden nut eigen hand; maar lever hen, die uw Naam belijden, toch niet over aan een volk, dat u niet kent, opdat de heidenen niet zeggen: Waar is hun God? Eindelijk stond O/.ias open sprak onder overvloedige tranen: Weest welgemoed, mijne broeders, nog vijf dagen zullen wij de barmhartigheid des Heeren verbeiden; wellicht vermindert Hij zijn toorn en geeft Hij eer aan zijn Naam. is ei na vijf dagen geen redding gekomen, dan zullen wij doen wat gij zegt (de stad overgeven).
Er leefde te dien tijde te Bcthulië eene weduwe, met name Judith, uit den stam Simeon. Zij was van eene zeldzame schoonheid, en haar man, die drie en een half jaar geleden gestorven was, had haar groote rijkdommen nagelaten. Zij maakte er echter geen gebruik van om aardsche genoegens te bejagen; steeds droeg zij een haren boetkleed, vastte eiken dag, behalve de sabbatdagen, de nieuwe maanfeesten en andere feesten van Israël, en leefde niet hare dienstmaagden van de wereld afgezonderd op de bovenvertrekken van haar huis. Toen deze vrouw het besluit van Ozias vernomen had , liet zij hem met twee der oudsten des volks, Chabri en Charmi, bij zich komen en sprak tot hen: Wat is dit, dat Ozias heeft toegestemd, de stad aan de Assyriërs over te geven, als ons binnen vijf dagen geen hulp gewordt? Wie zijt gij, om den Heer op de proef te stellen? Deze zaak zal Hem niet tot barmhartigheid bewegen, maar veeleer zijn toorn doen ontvlammen; want gij hebt Hem den tijd voor zijne ontferming bepaald en naar uw eigen goedvinden Hem den dag voorgeschreven. Doch wijl de Heer lankmoedig is, zoo laat ons ook voor dezen stap boete doen en met tranen zijne goedertierenheid afsmeeken. En nu broeders, daar gij de oudsten van Gods volk zijt, en het heil des volks (door het behoud of de overgave der stad, die de sleutel is tot het overige deel des lands) van u afhangt, zoo wekt aller harten op door hen er aan te herinneren, hoe onze vaderen beproefd zijn geworden, of zij hun God waarlijk dienden. Allen moeten indachtig zijn, hoe Abraham, onze vader, in da beproeving is geweest, en, door vele wederwaardigheden goed bevonden, Gods vriend is geworden Zoo hebben ook Isaac, Jacob, Moses en allen, die Gode behaagden, vele kwellingen doorstaan en zijn trouw gebleven; degenen integendeel, die de beproevingen niet in de vreeze des Heeren hebben uitgehouden, maar door schandelijk morren tegen den Heer van hun ongeduld blijk gaven, zijn door den verderfengel verdelgd en door de (vurige) slangen omgekomen. Laat ons alzoo niet ontevreden worden over hetgeen wij lijden; maar bedenken wij, dat deze straften lichter zijn dan onze zonden, en houden wij ons overtuigd dat de geeselslagen waarmede wij gekastijd worden, 'ot onze verbetering strekken, niet tot ons verderf.
Ozias en de beide oudsten antwoordden: Alles wat gij gezegd hebt is waar, en niets valt er op uw gesprek aan te merken. En nu, bid den Heer voor ons, want gij zijt eene heilige vrouw, die God vreest. Judith hernam: Gelijk gij erkent dat het uit God komt, wat ik gesproken heb, zoo wecst overtuigd, dat het eveneens uit God is, wat ik van plan ben te doen. Dezen nacht moet gij de wacht houden bij de poort; ik zal dan met mijne dienstmaagd uitgaan; onderzoekt niet wat ik ga ondernemen, later zal ik het u mededcelen, en inmiddels geschiede niet anders voor mij dan een aanhoudend gebed tot den Heer onzen
3?
5o6
God. â Welaan, sprak Ozias, ga in vrede, en dc Heer zij met u tot bestraffing onzer vijanden.
Zoodra de drie mannen zich verwijderd hadden, begaf Judith zich naar haar bidvertrek. Daar wierp zij zich, in haar haren boetkleed en niet asch op het hoofd, voor den Heer neder en verzuchtte; Heer God van mijn vader Simeon, ^ie thans op liet leger der Assyria's, gelijk gij vroeger zaagt op dat der Egyptenaren, toen dezen, vertrouwende op hunne krijgswagens, hunne ruiterij en de menigte hunner strijders, uwe dienaren (Moses en het leger Israels) nazetten ; dc afgrond verstrikte hunne voeten en het water overdekte hen. Zoo moge het ook den Assyriërs gaan, die roemen op hun groot aantal, op hunne wagens, hunne speren, schilden en pijlen, en die niet weten, dat gij onze God zijt, die van ouds het geweld des oorlogs breekt. Hef als voorheen uw arm op en verpletter hunne macht; zij zijn immers voornemens uwe heilige zaken te Jerusalem te schenden, de woontent uws Naams te bezoedelen en uw altaar te vernielen. Maak Heer, dat Holofernes' trots door zijn eigen zwaard worde neergeveld; geef mijne ziel standvastigheid om hem te versmaden en sterkte om hem te verslaan; het zal een gedenkstuk zijn uws Naams, als hij valt door de hand eener vrouw. Niet toch in menigte van strijders. Heer, bestaat uwe macht, en nooit hadt Gij welbehagen in de hoovaardigen, maar het gebed der zachtmoedigen en der néderigen vond steeds bij u genade. God der hemelen. Schepper der zeeën. Heer va», al het bestaande, verhoor mij arme, die u aanroep en op uwe barmhartigheid vertrouw. Gedenk, Heer, uw verbond, leg uwe woorden (als ik voor de Assyriërs zal staan) in mijnen mond en versterk mij in mijn besluit, opdat uw huis voor ontheiliging bewaard blijve, en alle volkeren mogen erkennen, dat Gij God zijt en geen ander nevens u.
Na aldus gebeden te hebben stond Judith op, legde haar boetkleed en het weduwen-gewaad af, wiesch en zalfde zich, trok haar feesttooi aan, stak ringen aan de ooren en aan de vingers en deed armbanden om de polsen en sandalen aan de voeten. Daar geen zinnelijkheid, maar het deugdzaam verlangen om voor de redding van haar volk en van Gods heiligdom werkzaam te zijn, haar tot dien opschik dreef, verhoogde de Heer nog hare schoonheid, zoodat zij in aller oogen schitterde met onvergeliikelijken glans. Aan een barer dienstmaagden, die haar zou vergezellen, gaf zij een reistasch gevuld met een kleinen voorraad wijn, olie, geroosterd koren, vijgen, brood en kaas; daarna spoedde zij zich heen. Het was vroeg in den morgen, en Ozias stond nut de oudsten bij de poort. Hij liet de reizigster, wier doel hem geheim bleef, uit met de zegenbede: De God onzer vaderen zij u genadig. Hij vensterke u in het besluit uws harten, opdat Jerusalem op u moge roemen, en uw naam genoemd worde onder het getal der heiligen en der rechtvaardigen. Al de omstanders zeiden daarop: Amen! Zoo zij bet.
Biddend schreed Judith met hare dienstmaagd voort. Tegen het opgaan der zon de bergen van Bethulië afdalende, trof zij de Assyrische voorposten aan, die haar vroegen: Van waar komt gij en waar gaat gij heen? Judith antwoordde: Ik ben een dochter der Hebreën, en daar ik voorzie dat zij u ten roof zullen worden geleverd, zoo ben ik van hen weggevlucht en sprak ik tot mij zelve: Ik zal naar den legeroverste Holofernes gaan, om hem hunne geheimen te openbaren, en hem te toonen, hoe hij hen kan ten onder brengen zonder een enkelen man van zijn volk te verliezen, (Van deze en verdere leugens meende Judith, ongetwijfeld te goeder trouw dwalende, zich in een zoo belangrijke zaak te mogen bedienen.) De Assyrische krijgers door hare schoonheid voor baar ingenomen, haastten zich haar te verzekeren: Gij hebt uw leven gered door zulk een voornemen op te vatten en u tot onzen heer te begeven; wees overtuigd, dat als gij voor zijn aanschijn zult staan, gij welgevallig zult zijn aan zijn hart. Daarop geleidden zij haar naar huns meesters tent.
Holofernes zat daar binnen onder een purperen, rijk met goud en edelgesteenten versierden troonhemel. De schitterende verschijning der heerlijke vrouw maakte op zijn hart een overweldigenden indruk. Judith wierp zich voor den legeroverste ter aarde, maar hij deed haar spoedig door zijne dienaren opheffen en sprak haar vriendelijk toe: Vrees niet, ik heb nooit iemand leed gedaan, die bereid was koning Nabuchodonosor te erkennen.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Doch zeg mij, om welke redenen zijt gij van uw volk gevlucht en heeft het u behaagd
tot ons te komen? Zij verlualde hem nu onder vele plichtplegingen, dat de Israëlieten ter oorzakc van hunne menigvuldige zonden ontwijfelbaar zeker aan hem zouden worden overgeleverd; zij zeiven wisten dit trouwens zeer go.'d; vandaar dat geheel Bethulië in schrik en angst verkeerde, te meer nog daar de stad volslagen gebrek had aan drinkwater, en bovendien de hongersnood begon te dreigen. Dit alles, zeide zij, had zij bij zich zeiven overwogen en haar God had haar aangespoord het Ilolofernes bekend te maken. Want haar God diende zij en het was haar voornemen. Hem ook onder de Assyriërs te blijven dienen; zij mocht dan stellig verwachten, dat Mij haar het juiste tijdstip zou openbaren, waarop Ilij de Bethuliërs wilde overleveren; zij van haren kant zou dit voorts aan Ilolofernes mededeelen, hem eindelijk het ganschc land door voeren en hem zelfs binnen Jerusalem brengen.
Deze taal behaagde den legeroverste en zijnen dienaren dermate, dat zij onder elkander spraken: Zoodanige vrouw is er geen tweede op aarde in schoonheid en in wijsheid van woorden, l il tot Judith zeide Holofenvs: Uw God heeft wel gehandeld, met u van dat volk te laten vertrekken, opdat gij het in onze handen zoudt overleveren; doet Hij voorts hetgeen gij belooft, dan zal Ilij ook mijn God wezen; gij zult groot zijn in het huis van Nabuchodonosor, en uw naam /al beroemd worden over geheel de aarde. Daarop gelastte hij zijnen dienaren, haar naar eene andere tent te geleiden, waarin zijne schatten bewaard werden, en haar van zijne tafel te spijzen. Tegen dit laatste had Judith bezwaar: Ik mag niet eten, zeide zij, wat gij gebiedt mij voor te zetten, daardoor zoude ik mij met zonde beladen; ik zM derhalve nuttigen wat ik heb meegebracht. Maar als dat opgeteerd is, vroeg Holofernes, wat dan? Judith antwoordde: Zoo waar uwe ziel leeft, het zal niet opgeteerd zijn tegen den dag, dat God door de hand uwer dienares zal volvoeren hetgeen ik voornemens ben. (Dit verstond Hololernes ia den zin, waarin Judith zooeven tot hem gesproken had, zij daarentegen doelde op haar plan om hem te verslaan.) Ten laatste vroeg en verkreeg zij van den legeroverste vergunning, om zich geregeld des nachts naar buiten te begeven, teneinde voor het opgaan der zon haar gebed te verrichten; daarna volgde zij de dienaren naar de andere tent.
Klken nacht ging Judith met hare dienstmaagd naar de bron in de vlakte van Bethulië, waar zij zich (door godsdienstige wasschingen) reinigde en de hulp des Hemels over hare poging ter bevrijding van Israël afsmeekte. Tegen den morgenstond in hare tent teruggekeerd, bleef zij vasten tot den avond; dan eerst nam zij eenig voedsel. Zoo had zij reeds drie dagen gedaan, toen op den vierden dag Holofernes met zijne krijgsbevelhebbers een grooten maaltijd hield, waartoe hij door zijn kamerdienaar Vagao ook Judith liet uit-noodigen. Zij verscheen aan de feesttafel, maar nuttigde er slechts de spijzen welke hare dienstmaagd haar van den meegebrachten voorraad opdischte. Holofernes was uitermate over de tegenwoordigheid der schitterende vreemdelinge verheugd en in zijne hartstochtelijke opgewektheid dronk hij meer wijn dan ooit te voren. Zijne krijgsbevelhebbers volgden daarin zijn voorbeeld.
Eerst laat in den nacht nam het feest een einde; de gasten gingen heen en Holofernes wierp zich dronken op zijne legerstede neder, waar hij weldra in diepen slaap viel. Op zijn bevel had Vagao Judith met hare dienstmaagd bij hem in de tent gelaten. Toen na eenige oogenblikken alles stil was geworden, stelde Judith de dienstmaagd buiten het slaapvertrek op wacht, plaatste zich voor het bed van den legeroverste, en onder tranen en met nauw bewogen lippen smeekte zij den Heer, haar in dit beslissend oogenblik de kracht te willen schenken tot uitvoering van haar besluit. Aan een kolom van het hoofdeinde der legerstede hing Holofernes' zwaard; Judith gespte het los, trok het zacht uit de schede, en nogmaals biddende: versterk mij, Heer, in dit uur â vatte zij met de eene hand den legeroverste bij de haren en hieuw hem met de andere hand in twee slagen het ïioofd af. Zij wikkelde dit in een der bedgordijnen, die zij met dat doel had afgerukt, wentelde den romp van het bed op den grond, schoof het voorhangsel voor de leger-
5oS flnRF.T.SCHF. GESCH1EDRN1S.
stede dicht en gaf het hoofd aan hare dienstmaagd om het in de reistasch te steken.
Na eenige oogenblikken wachtens (om van hare ontsteltenis en inspanning te bekomen) ging zij met hare dienstmaagd heen, als wilde zij naar gewoonte bij de bron haar gebed verrichten. Zoo geraakte zij ongehinderd de voorposten door en schreed regelrecht op de stad aan. Reeds in de verte riep zij den wachten op dc muren toe: Opent de poort; de Heer is met ons! Hij heeft zijne macht ter gunste van Israël getoond. De wachten erkenden terstond hare stem en snelden naar de oudsten der stad (bij wie de sleutels berustten). Zoo werd het heuglijke nieuws van Judiths terugkomst, waarop niemand zoo spoedig gerekend had, door de geheele plaats bekend. Allen van groot tot klein liepen met brandende fakkels te zamen, om Judith te zien en naar haar wedervaren tc vernemen. Zij plaatste zich op een hoogte, verzocht stilte en sprak : Looft den Heer onzen God, want Hij heelt niet verlaten die op Hem vertrouwden, en aan mij, zijne dienstmaagd, heelt Hij zijne barmhartigheid vervuld, welke Hij aan het huis van Israël heeft toegezegd. Door mijne hand heeft Hij dezen nacht den vijand zijns volks verslagen. Daarop het hootd uit de reistasch nemende, riep zij uit: Ziehier het hoofd van Holofernes, den legeroverste der Assyriërs, cn ziehier het gordijn, waaronder hij in zijn dronkenschap sliep, toen de Heer onze God hem door de hand eener vrouw versloeg! En zoo waar de Heer leelt! zijn engel heeft mij bewaard bij mijn heengaan, gedurende mijn verblijf daarginds en bij mijn terugkeer, en de Heer heeft niet toegelaten, dat zijne dienstmaagd bezoedeld werd, maar zonder de smet van eenige zonde bracht Hij mij weder tot u, in vreugde over zijn zegepraal, over mijne ontkoming en over uwe redding. Looit Hem allen, want Hij is goed, want in eeuwigheid duurt zijne ontferming. Op dat woord bogen allen in aanbidding voor dtn Heer ter aarde, en tot Jndi'h zeiden zij: De Heer heelt u gezegend in zijne kracht, want door u heeft Hij al onze vijanden tot niets gemaakt. De overste üzias voegde daarbij: Gezegend, o dochter, zijt gij van den Heer, den grooten God, boven alle vrouwen op aarde. Gezegend zij de Heer, die hemel en aarde geschapen liL-eit, en die u bestierde om het hoofd af te slaan van den aanvoerder van al onze vijanden; heden heeft Hij uw naam zoo o root gemaakt, dat uw lof niet wijken zal uit den mond der menschen, die de kracht des Heeren eeuwig zullen gedenken, wijl gij uw leven hebt veil gehad voor de bedruktheid en den nood des volks, en het van den ondergang hebt gered voor het aanschijn van den Heer onzen God. â Amen! klonk het uit aller mond, zoo zij het!
Thans werd ook Achior geroepen, en Judith sprak tot hem: De God van Israël, van wien quot;ij getuigd liebt, dat Hij zijnen vijanden de nederlaag zou bereiden, heeft dezen nacht door mijne hand alle ongeloovigen beschaamd. En opdat gij weten moogt, dat het zoo is, ziehier het hoofd van Holofernes, die in zijne trotsche laatdunkendheid Israëls God verachtte en u met den dood bedreigde. Bij het zien van dit hoofd viel Achior van ontzetting in onmacht, nvaar niet zoodra was hij weder tot zich zeiven gekomen, ol hij wierp zich aan Judiths voeten en riep uit: Gezegend zijt gij van uw God in geheel de woontente Jacobs, wijl onder alle volken, die uw naam zullen hooren, om uwentwille Israëls God zal geprezen worden.
Daarna sprak Judith tot de oudsten en tot de vergaderde menigte: Aanhoort mij broeders, stelt dit hoofd (als een zegeteeken) op onze muren en als straks de zon opgaat, neemt dan allen uwe wapenen en trekt naar buiten met groot gedruisch, niet om werkelijk naar beneden (tot den vijand) if te dalen, maar toch den schijn aannemende als wildet gij een uitval wagen. Dan zullen de voorposten heciisnetlcn om hun legeroverste (uit zijn slaap) ten strijde te wekken, en als hunne bevelhebbers dan de tent van Holofernes binnentreden en zijn in bloed badenden romp zien liggen, zal de schrik hun om het hart slaan. Ziet gij hen daarop vluchten, gaat dan en zet hen zonder bedenken na, want de Heei zal
hen voor uwe voeten verpletteren.
Gelijk Judith voorzien had, geschiedde. Op het gedruisch dat de Bethuliërs maakten, als wilden zij een uitval doen, spoedden de Assyrische voorposten zich naar Hololernes
ireistasch te steken, unning te bekomen) â e bron haar gebed â d regelrecht op de Bpent de poort; de
2 wachten erkenden cis berustten). Zoo
i spoedig gerekend :pen met brandende semen. Zij plaatste ;x)d , want [lij heeft iLjd, heeft Hij zijne :zegd. Door mijne ip het hoofd nit de ia legeroverste der Biep, toen Je Meer _.le Heer leeft! zijn rginds en bij mijn â )edeld werd, maar _le over zijn zege-want Hij is goed, in aanbidding voor =id in zijne kracht, las voegde daarbij; =1 alle vrouwen op riie u bestierde om iceft Hij uw naam â icn, die de kracht z)or de bedruktheid aanschijn van den
âod van Israël, van :iden, heeft dezen =n moogt, dat het â idheid Israels God
3 Achior van pnt-gekomen, of hij
ZGod in geheel de uwentwille Israels
âc; Aanhoort mij ^;s de zon opgaat, niet om werkelijk âide als wildet gij ^eroverste (uit zijn âlolofernes binnenhui het hart slaan. _vant de Heer zal
âthuliërs maakten, naar Hololernes'
JUDI TH VERTOONT HET HOOFD VAN HOLOFERNUS. Blad?. 308.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 309
tent; de mannen die bij de tent op wacht stonden, maar het slaapvertrek niet mochten binnen gaan, maakten voor de deur een geweldig leven, doch tevergeefs. Inmiddels waren de krijgsbevelhebbers toegesneld en zeiden tot de kamerdienaars: Gaat binnen cn wekt hem, want de muizen zijn uit hunne holen gekropen en dagen ons uit ten strijde. Vagao opende het vertrek, deed een paar schreden voorwaarts en klapte in de handen. Nog geen teeken van leven bespeurende naderde hij de legerstede en schoof het voorhangsel weg â daar lag de romp van Holofernes, met eene laag geronnen bloed overdekt, op den grond. De kamerdienaar slaakte een rauwen kreet, en zijne kleederen scheurende en jammerende liep hij naar de andere tent, om naar Judith te zien. Zij was verdwenen. Met een sprong stond hij weer buiten en riep gillend uit: Eene Hebreeuvvsche vrouw heelt liet huis van Nabuchodonosor te schande gemaakt; Zie, Holofernes ligt op den grond en heeft geen hoofd meer!
In een oogwenk vloog de vreeselijke tijding de legerplaats door. De bevelhebbers bestierven het bijna van schrik; de manschappen barstten in luide noodkreten uit, ieder was radeloos, en te midden dier algemeene verwarring weerklonk het dreigend krijgsgeschreeuw der naderende Israëlieten. Zonder bevel te geven of op te volgen, zonder aan het redden van tenten of kostbaarheden te denken, sloegen al die duizenden Assyriërs in wilde benden op de vlucht. Zoodra de Israëlieten dit zagen, veranderden zij hunne schijnbeweging in een werkelijken aanval en deden eene aanzienlijke menigte vluchtelingen sneuvelen. Om de overwinning volkome i te maken, liet üzius door snelloopers aan alle steden in den omtrek berichten, den vijand geen tijd ter hereeniging te gunnen, maar zich onverwijld bij de hem achtervolgende Bethuliërs aan te sluiten. Alle jonge mannen Israëls stroomden op dit bericht te zamen, en zij rustten niet, voordat de laatste Assyriër buiten de landpalen gedreven of gedood was. Een ontzaglijke buit aan runderen, lastdieren en kostbaarhecen werd uit de verlaten legerplaats naar Bcthulië gevoerd; alles wat Holofernes* eigendom was geweest, werd aan Judith geschonken.
Uit Jerusalem kwam de hoogepriester Eliachim met een groot aantal priesters naar Bethuliê, om de kloeke vrouw te zien en te bewonderen. Zij trad uit haar huis tot hen naar buiten, en allen begroetten haar eenstemmig met de woorden: Gij zijt de glorie van Jerusalem, de vreugde van Israël, de eer van ons volk! Mannelijk hebt gij gehandeld en moedig was uw hart; omdat gij de kuischheid bemind en na uw (eersten) echtgenoot geen tweeden genomen hebt, daarom heeft de Heer u gesterkt en zult gij gezegend zijn in eeuwigheid? Geheel de toegestroomde menigte antwoordde: Zoo zij het, zoo zij het!
Judith gaf van alles aan God alleen de eere; in dankbare vervoering zong zij een schoonen lofzang, begeleid door het harp- en citlierspel van vrouwen, maagden en jongelingen. Vervolgens togen al de inwoners van Bcthulië naar Jerusalem, om brandofters op te dragen, en de geloften te vervullen, die zij den Heer gedaan hadden. Judith legde zoowel de wapenrusting van Holofernes, welke het volk haar gegeven had, als de gordijn van zijn bed, die zij zelve had medegebracht, tot een eeuwig aandenken in den tempel neder. Daarop wijdde men drie volle maanden aan vreugdebedrijven over deze schitterende zegepraal.
Na dien tijd leefde Judith weder, als te voren, stil en eenvoudig in het huis van haar overleden man; alleen op de feestdagen vertoonde zij zich in het openbaar en was dan voor ieder het voorwerp van eerbied cn hoogachting. Zij stierf in den ouderdom van 105 jaren, en geheel het volk beweende haar zeven dagen lang.
Achior, de vorst der zonen Amnions, zeide na de nederlaag der Assyriëis zijne heiden-sche dwalingen vaarwel, nam de wet van Moses aan en bleef met geheel zijn huis onder de Israëlieten wonen.
1. Ier toclicluing van Judiths daad komen drie zaken in aanmerking: het doel, de daad op zich zelve dc middelen.
n. II t doel door Judith beoogd â haar vaderland cn den tempel des Heeren van den ondergane en d« ontheiliging te redden â was groot en lofwaardig.
li. In tijd van oorlog met ecu buitenlandsche macht had iedere Israëliet, cu dus ook Judith, het recht
\
BIJBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
«anval te helpen afweren en den vijand te dooden. Aan hare daad op zich zelve viel bijgevolg niets te berispen.
c. Alles komt dus ten slotte neer op de vraag: Mocht zij Holofernes op geheime wijze uit den weg ruimen? Was destijds het oorlogsrecht geweest als thans, en had Holofernes zich daaraan gehouden, dan zou men de vraag ontkennend moeten beantwoorden; maar geen van heide veronderstellingen is waar. Wat wij gewoon zijn verraad te noemen, speelde toenmaals, als door het gebruik geijkte krijgslist, een groote rol, eu Holofernes van zijn kant voei'de den oorlog op eene wijze, die schier alles tegen hem geoorloofd maakte. Branden, moorden, verwoesten scheei, zijn eenig doel. want hij deed het ook daar waar er vo'sti ekt geen aanleiding voor bestond, in de landen wier bewoners hem met vredepalmen waren tegemoet gesneld om vrijwillig hunne onderwerping aan te bieden. Door z;lf a'dus tegenover anderen zich aan geen gebruiken of wijze van strijdvoering te binden, deed hij, naar den regel der wederkeerigheid, afstand van zijn recht om te eischen, dat anderen zich tegenover hem gebonden achtten. Met het oog daarop is Judith ook in de keuze harer middelen, één alleen uitgezonderd, evenmin te veroordeeld! als om hare daad op zich zelve.
De uitzondering betreft de leugens, waarvan zij zich, eetst bij de ontmoeting der voorposten eu later in haar onderhoud met Holofernes bediende; doch de H. Thomas is van meeuing, dat zij op dit punt te goeder trouw dwaalde. Hi. inderdaad, het zuu inoeie ijk vallen, die goede trouw te betwijfelen. De Joden toch bezaten niet het heldere licht des Hvangelies; onder de oude nog onvolmaakte Wet werden zij opgevoed en voorbereid, om eenmaal de volmaakte openbaring uit de handen des Verlossers te ontvangen, li] wisten, dat de leugen in het algemeen ongeoorloofd was, maar dat die regel om zwaarwichtige redenen ook in bijzondere gevallen geen afwijkingen duldde, kou hun gemakkelijk ontgaan.
2. Om alle onware gevolgtrekkingen uit het bovenstaande te voorkomen, herinuere men zich het gezegde onder letter : i-Je hoofdgrond van haar recht om Holofernes te dooden ontleende Judith aan het feit van den oorlog; de omsiandigheden waarmede die oorlog gepaard ging, wettigden sleclits de wijze, waarop zij vim haat recht gebruik maakte. Hij gebreke van genoemden hoofdgrond, had zij Holofernes op geen er lei wijze den dood mogen toebrengen. Vandaar moeten aanslagen op het leven van verdrukkers der burgerlijke of godsdienstige vrijheid, zooals in de niewere tijden enkele gepleegd werde i, steeds a's hoogst misdadig worden verworpen.
5. De pr.cln, die Judith ten toon spreidde, moest haar I.elpen, zich in de oogen der Assyriërs aangenaam te maken, om daardoor gemakkelijker tot Holofernes toegang te verkrijgen en langs dien weg haar doel te bereiken. Een eenvoadig gekleede vrouw zou allicht terstond door de voorposten zijn afgewezen, of misschien wel _ want de Assyriërs speelden met mens. heul. . .s â zonder veel omhaal als een nietswaardig schepsel zijn gedood.
4. Holofernes' verklaring aan Judith, dat hij, als hare beloften vervu d werden, den godsdienst van Israel zou omhelzen, was evenzeer een leugen als zijne verzekering, dat hij noo t iemand leed had gedaan, die koning Nabuchodonosor wilde gehoorzamen. Het een zoowel als het ander werd door zijne daden zoo in het oogvallend mogelijk gelogenstraft, en dat hij ook tegen Judith zeer snoode plannen koesterde, bekende hij zelf met ronde woorden â die boven 'niet zijn meegedeeld â aan zijn kamerdienaar Vagao; hij wilde haar meer dan haat leven rooven: hare eer en hare deugd.
5. In ha.,r onbepaald vertrouwen op God, in haar heilig verlangen om des noods met opoITerlng van zich zelve haar volk te redden, en vooral in hare onthechting van de wereld en hare liefde tot de zuiverheid is Judith een beeld der 11. Maagd. De woorden waarmede zij door den hoogepriester werd begroet: ȟij zijt de glorie van Jerusalem, de vreugde van Israel, de eer Van ons volkquot; past de H. Kerk in het door Paus Pius IX voorgeschreven Officie der Onbevlekte Ontvangenis op M.ii'ia toe.
6. Uit het bovenstaand en nog meer uit het volgend hootdstuk blijkt, dat de weinige overgeblevene Israëlieten, die zich, na de wegvoering van het grootste gedeelte hunner broeders, meestal in de beter verdedigbare bergstreken hadden gevestigd, weder het gezag erkenden van den vorst uit Davids huis, of bij zijne afwezigheid, dat van den hoogepriester.
IIOOFDSTUK CXXXI.
JUDA ONDER DEN VROMEN KONING JOSIAS.
-- -----
«Ifosias, de zooi» en opvolger van den vermoorden Amon, was bij zijne troonsbe-klimming nog een kind van nauwelijks 8 jaren en hij regeerde gedurende 31 J jaren. Zijne moeder, eene dochter van lladaia van Besecath, heette Idida.
Reeds op den jeugdigen leeftijd van 16 jaren (toen hij het rijksbesticr uit de 'jt handen van zijn voogd overnam) toonde Josias, dat het zijn ernstig streven zou zijn, l niet te regeeren als zijn vader en grootvader, maar in alles den wil des Heeren te vervullen. Van die goede gezindheid begon hij vooral op zijn 20° jaar, toen hij meer in de regeering bevestigd was, schitterende blijken te geven. De door Manasses opgerichte en weder omvergehaalde, maar door Amon herstelde altaren der valsche goden werden
BIJBELSCME GESCHIHDEKIS. 311
met hun toebehooren en met het beeld van het afgodisch bosch uit den tempel verwijderd en buiten Jerusalem bij de beek Cedron verbrand. Ook het bedoelde bosch en meerdere bosschen van denzelfden aard lagen weldra voor den grond. De waarzeggers en de doodenbezweerders, zoowel als de hcidcnsche priesters die wierook offerden aan de zon, maan en sterren, ontvingen het bevel, hun goddeloos bedrijf te staken, terwijl de woningen der ellendelingen, die zich aan den dienst der wellust hadden gewijd, werden afgebroken. Het in het dnl Ennom (buiten Jerusalem) opgerichte heiligdom van Moloch werd onder den voet gehaald, opdat voortaan niemand meer zijn zoon of zijne dochter dezen afgod zou ten oll'er brengen. De aan den dienst der zon gewijde paarden, welker stallen zich in een der nevengebouwen des tempels bevonden, werden weggevoerd en de wagens verbrand. Voorts werd de tempel gereinigd en hel altaar des Heeren weder op zijn plaats gezet, maar diegenen der priesters, welke op de hoogten hadden geofferd, verklaarde de koning inzoovcr van hunne waardigheid vervallen, dat zij niet met hunne broeders op het herstelde altaar het heilig dienstwerk mochten verrichten. Hun aaudeelen echter in de opbrengsten van dit dienstwerk zouden zij blijven genieten (om niet door nood gedrongen tot hun vorig leven terug te keeren).
Na aldus Jerusalem en geheel Juda van de openbare teekenen der afgoderij gezuiverd te hebben, begaf de ijverige koning zich naar het voormalige grondgebied der tien stammen, om Jaar in gelijken geest te handelen. Te Bethel, waar een der twee door Jeroboam opgerichte gouden kalveren had gestaan, haalde hij den tempel en het altaar omver, stak beide in brand, opende de graven van de onwettige priesters, die daar in de nabijheid rustten, en wierp hunne beenderen op het brandende altaar om ze daarmede door dezelfde vlammen te laten verteeren. Terwijl hij vervolgens rondzag, ontdekte hij nog een graf en vroeg aan de inwoners der stad: Wiens gedenkteeken is dit? Het antwoord luidde; Dit is het graf van den man Gods, die uit Juda gekomen is en alles voorspeld heeft wat gij (thans) met het altaar (hier) te Bethel hebt gedaan. Daarop beval de koning; Laat hem rusten, niemand roere zijn gebeente. Aldus bleven de overblijfselen van den man Gods uit Juda ongeschonden en evenzoo die van den ouden profeet, welke met hem in hetzelfd grat had willen begraven worden. Het woord des Heeren (nu 3 50 jaren geleden gesproken, zie bladz. 222) was tot in zijne kleinste bijzonderheden vervuld.
Na Bethel kwam de beurt aan eene menigte andere steden. Nu eens trok de koning zuidwaarts van Juda, naar het voormalig stamgebied van Simeon, dan weder noordwaarts naar de streken, waar de stammen Ephraim en Manasse hadden gewoond, en zelfs tot het land van Nephthali in het hooge noorden strekte hij zijne tochten uit. Overal waar hij tempels op de hoogten aantrof, wierp hij ze voor den grond. De onwettige priesters versloeg hij bij hunne heiligschennende altaren, en ten teek en zijner diepe verachting, liet hij op die altaren doodsbeenderen verbranden (wat als de grootste bezoedeling gold.)
Eindelijk, in het 18'' jaar zijner regeering, toen hij 26 jaren oud was, had Josias de voormelde zuivering voltooid en wijdde hij zijne zorgen aan de herstelling van hel dak en het muurwerk des tempels te Jerusalem. Hij ontbood Saphan, den schrijver in dienst van het heiligdom, en beval hem: Ga tot Helcias den hoogepriester, opdat het geld bijeen gezocht worde, dat in den tempel des Heeren gebracht is en dat de deurwachters des tempels van het volk hebben ingezameld. Terwijl Helcias, oveieenkomstig des konings verlangen, de schatkamer doorzocht, vond hij toevallig het Boek der Wet van de hand van Moses (dat een vorige hoogepriester, onder Manasses en Anion, daar waarschijnlijk verborgen had, om het voor ontheiliging te bewaren). Met dit boek in de hand kwam Helcias bij Saphan den schrijver, die het bezag en las (0111 zich van de echtheid te overtuigen). Daarop begaf Saphan zich tot den koning en sprak: Uwe dienaren hebben het geld, dat in het huis aanwezig was, bijeen gebracht en het, ter verdeeling onder de werklieden, den opzichters over de werkzaamheden in handen gesteld. Bovendien, voer Saphan voort, heeft Helcias, de hoogepriester, mij dit boek gegeven. Meteen opende hij het boek
BIJRKLSCHE GESCH1RDRNIS.
en las er den koning een gedeelte uit voor (waarschijnlijk de hoofdstukken uit Deuterono-mium, het vijfde boek van Moses, waarin de zegeningen staan opgeteckcnd, die het volk ten deel zouden vallen, als het zicli goed ge4rocg, maar ook de vreeselijke straften, welke het zouden treilen wanneer het van God afweek.
Toen de koning die woorden hoorde voorlezen (die reeds aan tien stammen vervuld waren, terwijl ook Jiula voortdurend door machtige vijanden bedreigd werd), scheurde hij zijne klecderen en sprak: Gaat gijlieden (Saphan met den hoogepriester en eenige anderen) en raadpleegt den Heer voor mij, voor het volk en voor geheel juda omtrent de woorden van dit boek dat gevonden is; want heftig is de toorn des Heeren tegen ons ontvlamd, wijl onze vaderen geen gehoor hebben gegeven om alles te doen wat ons voorgeschreven is. De hoogepriester en de anderen begaven zich daarop, ter uitvoering van hun last, naar de Tweede Wijk te Jerusalem tot de profetes Holda, de vrouw van Sellum. De profetes antwoordde op de haar gestelde vragen; Meldt aan den man die u gezonden heeft; Dit zegt de Heer; Zie, ik zal rampen doen neerkomen over deze plaats en over hare bewoners, naar de woorden der Wet, welke de koning van Juda gelezen heeft. Wijl zij mij verlaten en aan vreemde goden geofferd hebben, mij tergende door al de werken hunner handen, daarom zal mijn toorn tegen deze plaats ontvlammen en niet uitgedoofd worden. Aan den koning van juda zult gij (wat hem zcit betreft) boodschappen; Dit zegt de Heer de God van Israel; Omdat uw hart op het vernemen van de woorden van dit boek week is geworden, en gij u gedeemoedigd hebt voor de oogen des Heeren ter oor-zake van hetgeen gezegd is tegen deze plaats en tegen de bewoners van Jerusalem, en gij, uit eerbied voor mijn aanschijn, uwe kleederen hebt gescheurd en voor mij geweend hebt; daarom lieb ik u verhoord, zegt de Heer. Ik zal u (als uw uur daar is) tot uwe vaderen verzamelen en gij zult in vrede rusten in uw graf; uwe oogen zullen de rampen niet aanschouwen, die ik over deze plaats en hare bewoners zal doen neerkomen. Zoodra de woorden der profetes den koning waren medegedeeld, ontbood hi; Jerusalem en gansch Juda tenipelwaarts.
Te midden der talrijk toegestroomde scharen en omringd door de zonen Aarons en Levi's beklom hij (in het voorhof des volks) eene verhevenheid en las de trellendste plaatsen uit het teruggevonden boek voor. Vervolgens sloot hij uit naam van allen met den Heer een verbond, dat zij van nu af zijne geboden, ceremoniën en inzettingen zouden onderhouden en alles nakomen wat het boek bepaalde. Om reeds aanstonds daarmede een begin te maken, spoorde hij den hoogepriester, de gewone priesters en de levieten-deurwaditeis aan, met nog meer zorg den tempel te zuiveren en alle sporen van den Baalsdienst, die er nog in konden overgebleven zijn, daaruit te verwijderen. Ten laatste zich weder tot de menigte wendende sprak hij: Viert het paaschfeest van den Heer uwen God naar hetgeen
in dit boek geschreven staat.
Groote zorg werd aan de voorbereiding tot het feest besteed. 13e priesters regelden hunne dienstorde, en de levieten onderrichtten het volk in de kennis der Wet, opdat het zich behoorlijk swuk.' kunnen reinigen. Nadat zij dit onderwijs gegeven hadden, sprak de koning tot hen; Plaatst de ark in het heiligdom des tempels (in het heilige der heiligen) en ordent u naar uwe huizen en geslachten in afdeelingen, gelijk David bevolen heelt en zijn
zoon Salomon heeft opgeteekend.
Den 14'quot; dag der V- maand des jaars nam het feest een aanvang. Geheel Juda en
Benjamin en de weinige overgeblevenen uit Israël bevonden zich te Jerusalem bijeen. De koning schonk van zijn eigen kudde aan het volk lammeren en bokjes benevens 3000 runderen en nog 30,000 stuks schapen en geiten. Zijne rijksvorsten voegden daaraan toe wat zij vrijwillig den Heer beloofd hadden. De oversten der priesters gaven 2600 stuks .deinvec en 300 runderen; de oversten der levieten 500 runderenen 5000 stuks kleinvee. Alc ceremoniën en voorschriiten werden met de meeste nauwgezetheid in acht genomen, zoodat nooit sinds Samuëls tijden in Israël een paajehfeest gevierd was (waarbij door den koning
BIJBELSCHE GESCHIEDEKlS.
en de vorsten zooveel vee voor de offermaaltijden geschonken werd) als het paaschfeest, in het 18quot; jaar der regeering van Josias.
In het 31quot; jaar dier regeering ontbrandde er een oorlog tusschen den koning van Assyrië en den Pharao van Egypte, genaamd Nechao, Met een machtig leger spoedde de ligypte-naar zich naar de rivier den Euphraat, om den Assyriër op die.is eigen gebied te bestoken. Hij nam zijn weg over Mageddo (eene stad binnen het voormalig stamgebied van Manasses). Josias (waarschijnlijk Nechao's verzekeringen van een vreedzamen doortocht niet vertrouwende) maakte zich gereed, gewapend tegen hem op te trekken. Toen Nechao dit vernam, zond hij Josias een gezantschap, door hetwelk hij liet vragen; Wat heb ik met u te doen, koning van Juda: Ik kom heden niet tegen u, maar ik strijd tegen een ander huis. Josias echter zette zijne uitrusting voort, en zoodra de beide legers elkander ontmoetten, kwam het tot een gevecht, waarin de koning van Juda zwaar gewond werd. Zijne dienstknechten voerden hem op een tweeden wagen, die zijn krijgswagen op het tooneel des strijds gevolgd was, meer dood dan levend naar Jerusalem, waar hij stierf. Diep betreurd door gansch Juda werd deze god-vruchtige vorst eervol in het graf zijner vaderen bijgezet, en de profeet Jcrcmias wijdde aan zijne nagedachtenis verscheidene rouwliederen, die nog lang daarna gezongen werden, maar sedert zijn verloren gegaan.
.'laar de gewone berekening stierf Josins in het jaar der wereld 339 1, liet jaar vóór Christus 610. Een of twee jaar later ging het Assyrische rijk te gronde. De stadhouder van Babylon , do Chaldeër Nabopolassar verklaarde zich niet alleen van genoemd rijk onalhankelijk, maar trok bovendien, in vereeni^ing met de Meden, tegen Ni-nive op. Hij verwoestte die stad en braciit geheel Assyrie onder 1'alyloni.sche heerschappij. Nabopolassars zoon en opvolger, Nabuchodonosor â wel te onderscheiden van zijn op blad/.. 302 vermelden naamgenoot die koning van Assyrië was â zullen wij in het midden en op het einde van het volgende hoofdstuk ontmoeten.
1IOOFDSTUK CXXXII.
DE GODDELOOZE KONINGEN JOACM.AZ EN JOAKIM. DE PROFEET JEREM1AS. BEGIN DER BABYLONISCHE BALLINGSCHAP.
csias liet bij zijn dood drie zonen achter: F.liakini, oud 23, Joachaz, oud 23, en Matthanias, oud ongeveer 10 jaren. Het volk riep den tweeden zoon, Joachaz, 1$* * 00^ genaamd, tot koning uit. Hij regeerde goddeloos, zooals zijne voor-
vaders Manasses en Anion hadden gedaan, doch reeds na drie maanden zag hij zich U het verder voortschrijden op dien weg belet. In een gevecht bij Rebla tegen Pharao l Nechao viel hij in handen des vijands, die hem geboeid naar Jerusalem voerde, hem daar van den troon vervallen verklaarde en zijn ouderen broeder F.liakim tot koning aanstelde. Nechao veranderde Eliakims naam in dien van Joakim, legde het land een schatting op van honderd talenten zilver en één talent goud en trok daarna met zijn leger weder af. Joachaz werd door hem medegenomen naar Egypte, waar hij, overeenkomstig de voorspelling van den profeet Jeremias, zijn graf vond.
Onder den nieuwen koning Joakim, die 11 jaren regeerde, nam in Juda het kwaad op schrikbarende wijze toe; vorst en volk wierpen zich in de diepste zedeloosheid en afgoderij. Met klimmenden ernst traden de profeten op, om het vreeselijk bederf te keeren. Vooral Jeremias liet het aan geen pogingen daartoe ontbreken. Op Gods bevel droeg hij op zijn schouders eerst een houten, daarna een ijzeren juk, als het zinnebeeld der slavernij, die de Joden wachtte, indien zij voortgingen door hunne zonden de gramschap des Heeren over zich af te roepen, Met dit juk verscheen bij aan de poorten der stad, aan den ingang des
40
2i4 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
tempels, overal waar hij eene verzamelde menigte aantrof, en zijne stem verheffende sprak hij, beurtelings betraft'end en verteederend, aldus;
Verneemt het woord des Heeren, huis van Jacob en gij geslachten van Israël. Dit zegt dc Heer: Welk kwaad hebben uwe vaderen in mij bevonden, dat zij zich van mij hebben verwijderd en de ijdclheid (dc vaLsche goden) hebben aangehangen? Zij hebben zich niet afgevraagd: Waar is de Heer, die ens uit het land van Hpypte geleid en ons gevoerd heefi door de woestijn, door een dor land, dal het beeld is des doods; door een land, waarin niemand verkeert, niemand woont, ik voerde n in het land, waar de Carmel ligt (een vet land), opdat gij zijne vruchten zoudt eten en het beste genieten wat het oplevert. Maar gij gingt het binnen en verontreinigdet mijn land, en maaktet mijn erf tot een gruwel. Uwe priesters vroegen niet: Waar is de Heer? Zij die de Wet in handen hadden, kenden mij niet; de herders (de overamp;ten) zondigden tegen mij; de (valsche) profeten spraken in den naam van li.uà en liepen de algodsbeelden na. Daarom «1 ik met u in liet gerecht treden, zegt de Heer, en met uwe kinderen een twistgeding openen: Gaat naar de eilanden van Cethim en ziet; zendt naar Cedar en onderzoekt nauwkeurig en overtuigt u, of ooit iets dergelijks gebeurd is: of een volk zijne goden (tegen andere) verwisseld heeft. En het waren niet eens goden. Maar mijn volk heeft mijne heerlijkheid verruild tegen afgodsbeelden. Verstomt hierover, gij hemelen; ontzet u, gij poorten des henuls! Eene dubbele misdaad heeft mijn volk begaan: Mij, de bron des levencen waters, hebben zij verlaten en zich vergaderbakken gegraven, gebarsten vergaderbakken, die geen water kunnen houden. Is Israël een slaaf of een lijfeigene? Waarom dan is het tot roof geworden? De zonen van Memphis en Thaphnes (de Egvptenaren) hebben u met schande overdekt tot op den hoofdschedel. Is dit niet daarom geschied, wijl gij den Heer uwen God verlaten hebt? Wat wilt gij op de paden van Egypte, om troebel water ie drinken, en wat hebt gij uit te staan niet de wegen der Assyriërs, om het water te drinken des strooms (Tiger of Euphraat)? Uwe boosheid zal u tuchtigen en uw afval u - traliën. Weet en ond.i vlnd, dat het onheilbrengend en bitter is, den Heer uwen God te hebben verlaten en de vrees voor mij te hebben verloren, spreekt God, de Heer der heerscharen. Van ouds hebt gij mijn juk verbroken, mijne banden stuk gereten, en gezegd; ik wil (u) niet dienen. Op iederen heuvel en onder eiken lommerrijken boom wierpt gij u neder (voor de valsche goden) als een trouwelooze. Ik daarentegen plantte u als een uitgelezen wijngaard, louter echte stekken. Hoe zijt gij voor mij ontaard, wilde wijnstok? Al zoudt gij u wasschen met loog en al gebruiktet gij overvloed van zeepkruid, zoo zijt gij toch in uwe schuld onrein voor mij, zegt de Heer uw God. Hoe kunt gij zeggen: Ik ben niet bevlekt, ik heb Baiil niet nageloopen? Zie op uwe werken in het dal (bij Jerusalem) en erken wat gij gedaan hebt. Gelijk een dief ilic op heeterdaad betrapt wordt, zoo moge zich schamen het huis van Israël, het volk en zijne koningen, zijne vorsten, priesters en (valsche) profeten, die tot een stuk (gesneden) hout zeggen: gij zijt mijn vader, en tot een stuk (gebeeldhouwden) steen: gij hebt mij voortgebracht. Mij hebben zij den rug gekeerd (en zich gewend tot de afgoden), maar ten tijde der verdrukking zullen zij (tot mij) roepen: Sta op en bevrijd ons. Waar zijn dan uwe goden, die gij u maaktet? Dat zij opstaan en u bevrijden in het uur uwer verdrukking. Zoo vele steden toch als er in Juda zijn, zoo menigvuldig zijn uwe goden. Wat wilt gij nog met mij in het gerecht treden; gij allen immers hebt mij verlaten, zegt de Heer. Tevergeefs heb ik uwe kinderen getuchtigd, zij namen de terechtwijzing niet aan. Integendeel, uw zwaard verslond de tot u gezonden profeten; als een verwoestende leeuw is uw geslacht. Hoort het woord des Heeren' Ben ik dan voor Israël tot een woestijn geworden, tot een land dat late vruchten oplevert? Waarom dan zegt mijn volk; Wij zijn afgeweken , wij willen niet meer tot u komen ? Vergeet eene jonkvrouw haar feesttooi of eene bruid haar (prachtigen) gordel ? Mijn volk echter heeft mij vergeten sedert ontelbare dagen. Aan den zoom van uwe kleederen kleeft het hartebloed der arme onschuldigen (der vermoorde rechtvaardigen en geofferde kinderen.) Kunne lijken vond ik niet in holen (zorgvuldig verborgen voor het oog des rechters), maar
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 315
op alle (openbare) plaatsen, die ik zooeven heb genoemd (op de heuvelen en onder ieder schaduwrijken boom, waar zij waren omgebracht of aan de goden geslachtollerd.) P.11 gij zegt nog: Ik beu zonder zonde en vlekkeloos! Ziet, ik zal niet u in het gerecht treden, wijl gij zegt; ik heb niet gezondigd. Hoe verachtelijk zijt gij geworden, terugkeerende tot ijwe wegen (de oude wegen der boosheid, nadat gij u onder Josias gebeterd hadt). Door Egypte zult gij te schande worden, gelijk gij le schande werdt door Assyrië. J e r e m i a s 11:4 tot 37- ~ O'01 strafgericht komt.) Verkondigt het in Juda en laat het hooien in Jerusalem; blaast de bazuin, roept uit alle kracht met de woorden : \ erzamelt u, joden, in de vaste steden, want ik (de Heer) zal kwaad over u brengen uit hel Noorden (uit Habvlon), een zware verdrukking. De leeuw (koning Nabuchodonosor van Babylon) maakt zich gereed; de volkenplunderaar is opgestaan; hij is uitgetrokken om uw iand tot eene woestenij te maken. Uwe steden zullen worden verdelgd, geen inwoner zal er in achterblijven (allen zullen gedood of in ballingschap gevoerd worden). Op dien dag, zegt de lieer, zal het hart des koniims (joakim) bezwijken en het hart der vorsten. De priesters zullen verstomd staan 'en de (valsche) profeten radeloos zijn. /.iet, de vijand rukt aan als een wolkgevaarte; zijne wagens zijn als de wind en zijne paarden sneller an arenden; wee ons, want wij quot;aan te gronde! Zuiver uw hart van de boosheid, lerusalcm, opdat gij inoogt behouden blijven. Hoelang nog zult gij voortgaan in uwe schandelijke gezindheid? j e r. 1\.
(Als gij u bekeert zal God u barmharligheid bewijzen.) Kom tot bezinning, afvallig Israël! zegt de Heer, en ik zal mijn gelaat niet van 11 afwenden. Heilig ben ik, zegt de Heer, en ik zal niet eeuwig vertoornd lijven. Erken slechts uwe boosheid, dat gij tegen den Heer uw God gezondigd hebt, dat gij de vreemde (goden) naliert onder eiken lommerrijken boom, en dat gij naar mijne stem niet hebt gehoord. I'. keert u, afvallige kinderen, zegt de Heer; indien het ook slechts een enkele uit cene stad ol twee uit een geheel geslacht zijn (die zich bekeeren), ik /al u aannemen en 11 Sion binnenleiden; ik zal u herders geven naar mijn hart en zij zullen 11 weiden met wijsheid en leering. J e r. 1 I I.
Eens toen Jeremias weder op dergelijke wijze het volk lot bekeering aanspoorde, liep hij groot gevaar voor zijn leven. Op bevel des llecren moest hij den ondergang van Jerusalem en de verwoesting des tempels voorspellen; hij plaatste zich in het voorhof en sprak lot de vergaderde menigte: Dit zegt de Heer: als gij niet naar mij luistert om te wandelen in mijne Wet, die ik u gegeven heb: als gij geen acht slaat op de woorden van mijne dienaren de profeten, die ik u heb gezonden, maar naar wie gij niet hoort, dan zal ik dit buis gelijk maken aan (den tabernakel van) Silo en deze stad tot een vloek van alle volken der aarde.
Bij die bedreiging ontslaken priesters en volk in woede; en onder den kreet: hij zal sterven! grepen zij den profeet vast. De vorsten van Jnda, die zich juist in hel koninklijk paleis bevonden, hoorden de opschudding in den tempel, spoedden zich daarheen en zetten zich aan den ingang neder, om recht te spreken. De priesters brachten den profeet voor hen, en na hem aangeklaagd te hebben, dat hij tegen de stad en den tempel had gesproken (wat zij huichclachlig als eene heiligschennis wilden beschouwd hebben), vorderden zij zi;n doodvonnis. Op dien eisch sprak Jeremias tot de vorsten en het volk: De Heer heelt mij gezonden, opdat i.; tegen dit iuiis en deze stad al de woorden zou profeteeren, die gij gehoord hebt. Welaan, betert uwen wandel en uwe begeerten; luistert naar de stem van den Heer uwen God, en de Heer zal het kwaad niet uitvoeren, waarmede Hij u bedreigd beeft. Wat mij betreft, ziet, ik ben in uwe handen, doet met mij wat recht en oorbaar schijnt in uwe oogen; doch weel dan ook en erkent, dat als gij mij doodt, gij onschuldig bloed laadt on u zei ven, op deze stad en hare inwoners. Want in waarheid heeft de Heer mij gezonden, opdat ik die woorden tot uwe ooren zoude spreken.
Onder de vorsten bevond zich Ahicam; hij was de zoon van den vromen en geleerden tempelschrijver Saphan, die het door den hoogepriesler Helcias teruggevonden Boek der Wet van Moses' hand aan koning Josias had voorgelezen. Genoemde Ahicam vooral be-
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
â werkte bij zijne medevorsten, dat zij zich door de hevige taal der priesters niet lieten
medesleepen. Zij stonden van hunne zetels op cn zeiden: Deze man heeft den dood niet verdiend, want hij sprak tot ons in den naam van den Heer onzen God. Eenige van de oudsten des volks be\e.tigden dit vonnis door een voorbeeld uit vroigeren tijd: Micheas van Morasthi, zeiden /ij, was profeet in de dagen van koning Hzechias, cn hij dreigde: Dit zegt de Heer: Sion zal als een veld geploegd, Jerusalem tot een steenhoop, en de berg van het huis des Heeren tot een woudhoogte worden. Hebben Ezechias en het volk van Juda Micheas om die woorden ter dood verooideeld? Hebben zij niet veeleer in de vreeze des Heeren om ontferming gesmeekt? En heeft niet de Heer (door hunne boetvaardigheid vermurwd) het kwaad, waarmede Hij hen gedreigd had, van hen afgewend? Wij dus zouden onze zielen beladen met eeue zware schuld (als wij dezen man, die voor ons staat, ter dood brachten).
Zoo ontkwam Jeremias aan de handen der priesters en van het volk; doch een ander profeet, Urias, die insgelijks uit naam des Heeren den ondergang der stad en van den tempel voorspelde, bezegelde zijne getuigenis met zijn bloed. Koning joakim zelf was zijn vervolger. Urias vluchtte naar Egypte, doch Joakim deed hem oplichten, cn hem naar Jerusalem terugvoeren, waar hij hem met het zwaard versloeg. Zelfs het lijk van den profeet werd nog smadelijk behandeld. J e r. XX V I.
Door niets evenwel liet Jeremias zich van zijn plicht brengen, maar ging voort het volk te bestraffen en te vermanen, zoo dikwijls de Heer het hem gebood. Op zekeren dag plaatste hij zich aan den ingang des tempels en riep: Dit zegt de Heer der heerscharen Israels: Betert uwe werken en uwe gevoelens, en ik zal met u wonen in deze plaats (in dit huis des Heeren). Laat u niet verleiden door de bedriegelijke woorden van hen die u zeggen: Het is des Heeren tempel, het is des Heeren tempel! Alleen als gij uwe werken en uwe gevoelens ten goede richt; als gij recht doet tussc'nen den man en zijn naaste; als gij den vreemdeling, den wees en de weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet in deze plaats, en de vreemde goden niet naloopt, alleen dan zal ik met u in deze plaats (dit huis des Heeren) wonen.
Maar gij vertrouwt op leugen woorden, die u tot niets nut zijn. Gij steelt, gij moordt, gij ziit echtbrekers, gij zweert valsche eeden, gij offert aan Baal cn loopt de vreemde goden na. En dan komt gij en treedt mijn huis binnen, waarover mijn Naam is aangeroepen, en (meenende dat dit alleen genoeg is) spreekt gij: Wij zijn gered, niettegenstaande wij al die gruwelen bedreven hebben. Is dan mijn huis een roovershol, dat huis, waarover mijn Naam is aangeroepen? Ik, ik ben het (de Alweende); ik heb gezien (wat gij volvoerdet), zegt de Heer. Gaat naar Silo, waar mijn Naam eertijds woonde (in den tabernakel van Moses), en aanschouwt wat ik daar gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël, (God had den tabernakel verworpen, om de veelvuldige zonden, die er in gepleegd waren â hoofdstuk 65 aint 6.) Zoo zal ik, zegt de Heer, ook doen met dit huis, en ik zal u van mijn aanschijn verwerpen, gelijk ik verworpen heb uwe broeders van het rijk Israël. J e r. VII.
Op een anderen tijd â het was het 4'' jaar van Joakim cn het i® jaar der regcering van Nabuchodonosor over Babylon â sprak ieremias tot het volk: Van het dertiende jaar van koning Josias, den zoon van Amon, tot op dezen dag, gedurende die drie en twintig jaren kwam het woord des Heeren over mij, en ik vermaande u van den vroegen morgen af, doch gij «aalt geen gehoor. De lieer zond tot u vele andere dienaren, zijne profeten,
quot; » ⢠*1 1 1
maar gij neigdet uw oor niet om te luisteren. Daarom zegt dc Heer; Ziet, ik zal zenden alle volksstammen van het Noorden, cn Nabuchodonosor, den koning van Babyion, mijn dienstknecht (den koning met de volksstammen zijns rijks, en ik zal hen brengen ovei dit land cn deszelfs inwoners en over alle volken in het rond, welke ik zal verdelgen en tot een schrikbeeld, tot spot cn eeuwige verwoesting maken. En ik zal uit hen (uit u en de u omringende volken) doen verdwijnen de slem der vreugde cn de stem der blijdschap, dc
riesters niet lieten
eft den dood niet I. Eenige van de eren tijd: Midieas s, cn iiij dreigde: steenhoop, en de ;chias en het volk niet veeleer in de eer (door hunne an hen afgewend? en man, die voor
; doch een ander ' stad en v.in den akim zelf was zijn ten, en hem naar ; het lijk van den
ar ging voort het ood. Op zekeren er der heerscharen in deze plaats (in en van hen die u ils gij uwe werken :n zijn naaste; als üdig bloed vergiet ; u in deze plaats
iteclt, gij moordt, loopt de vreemde 111 is aangeroepen, ^tegenstaande wij at huis, waarover b gezien (wat gij s woonde (in den loosheid van mijn zonden, die er in :r, ook doen met heb uwe broeders
__
aar der regeering het dertiende jaar ie drie en twintig i vroegen morden
O O
en, zijne profeten, /.iet, ik zal zenden â an Babylon, mijn brengen over dit verdelgen en tot hen (uit u en de der blijdschap, de
/
\
JEREMIAS LAAT BARUCH Z1]NK PKOFETIÃN OPSCHRIJVEN. Bladz. 317.
niJBELSCHE GESCHIEDENIS.
stem des bruidegoms en de stem der bruid, het gedruisch van den handmolen en het licht der lamp. En dit gansche land zal worden tot eene wildernis en een afgrijzen; en al deze volken zullen den koning van Babyion onderworpen zijn zeventig jaren lang. Maar nadat de zeventig jaren voorbij zijn , zal ik den koning van Babyion en zijn volk bezoeken om hunne boosheid, zegt de Heer; en ik zal het land der Chaldeën (Babyloniërs) maken, tot een altijddurende verwoesting (het zal onder de heerschappij van anderen geraken en zijne vroegere glorie nimmer terugzien).
Nog in hetzelfde jaar werd het begin dezer voorspelling vervuld. Nabuchodonosor rukte met een machtig leger op Jerusalem aan, nam die stad in, beroofde het huis des Heeren van een gedeelte der heilige vaten, en voerde vele voorname personen, vooral jongelieden van vorstelijken bloede, onder anderen Daniël, Ananias, Misaël en Azarias, met zich naar zijn land. Ook Joakim moest, in ketenen geklonken, zijn overwinnaar naar Babyion volgen. Na eenigen tijd echter kreeg hij, onder voorwaarde van eene jaarlijksche schatting te betalen, als afhankelijk koning zijn rijk terug. Pharao Nechao, aan wien Joakim vroeger schatplichtig was geweest, zag niet alleen Juda, maar ook de andere door hem gemaakte veroveringen weder verloren gaan; hij werd bij de stad Charcamis aan de rivier den Huphraat door Nabuchodonosor geslagen en trok niet het overschot zijner troepen af.
Joakim had door zijne vernedering niets geleerd, en ook zijn volk was even slecht gebleven. Met te grooter ijver gingen de profeten voort tegen het kwaad te waarschuwen, doch tevergeefs. Jeremias, die (om welke reden is onbekend) op zekeren tijd niet in hel openbaar kon verschijnen, ontbood zijn geheimschrijver en medeprofeet Bnruch, en liet door dezen hetgeen God hem ingaf, te boek stellen. Daarna sprak hij tot Baruch: Ik kan niet naar het huis des Heeren gaan, ga gij dus en lees aan het volk de woorden des Heeren voor, die gij uit mijn mond hebt opgeschreven; misschien werpen de zonen Juda's zich in ootmoedig gebed voor den Heer neder en bekeeren zij ziJi een ieder van zijne booze wegen, want eene groote gramschap en verontwaardiging heelt de Heer tegen zijn volk uitgesproken. Op een vastendag in het jaar van Joakims regeering, in de 9'' maand des jaars, plaatste Baruch zich in den tempel, waar hij aan de menigte, die uit alle steden van Juda naar Jerusalem was saamgestroomd, de woorden van Jeremias voorlas. Een zekere Micheas, daarbij tegenwoordig, boodschapte het den vorsten van Juda, die op dat oogenblik in het koninklijk paleis vergaderd waren. Dezen lieten Baruch komen en spraken tot hem: Zet u neder en laat ook ons die profetieën hooren. Baruch deed gelijk hem gezegd werd, en hetgeen de vorsten vernamen scheen hun zoo gewichtig, dat zij meenden er den koning kennis van te moeten geven. Zij deelden hun plan aan Baruch mede, doch alvorens het uit te voeren vroegen zij hem eerst nog: Hoe hebt gij al die woorden uit Jeremias mond opgcscheven? Baruchs antwoord luidde: Hij zeide mij al die woorden voor, alsof hij ze las, en ik schreef ze met inkt in dit boek. De vorsten vreezende, dat als Joakim zulks vernam, beide profeten gevaar zouden loopen, gaven aan Baruch den raad zich met Jeremias te verbergen. Daarna gingen zij tot den koning. Joakim gelastte een zijner dienaren het boek te halen en het hem voor te lezen. De dienaar gehoorzaamde, en de koning, aan een haard bij een kolenvuur zittende , luisterde oplettend. Nauwelijks echter had hij den inhoud van drie bladzijilen vernomen, of hij rukte den voorlezer het boek uit de hand, sneed het aan stukken en wierp het op het vuur. Van al de vorsten en de hovelingen waren er slechts drie, die hem dit zochten te beletten, doch hij sloeg geen acht op hunne vertoogen, en het boek werd door de vlammen verteerd. Daarmede niet tevreden zond hij eenige zijner dienaren om Baruch en Jeremias gevangen te nemen, maar dezen waren nergens te vinden. Na eenigen tijd ontving Jeremias van den Heer het bevel, dezelfde profetieën opnieuw door Baruch te doen opschrijven, en tevens aan Joakim als zijne straf aan te kondigen, dat Nabuchodonosor welhaast zou komen, om het land geheel te verwoesten en menscheu en vee naar Babyion te voeren. J e r. XXXV I.
Joakim sloeg in zijne hardnekkigheid aan deze voorspelling zoo weinig geloof, dat hij na drie jaren openlijk Nabuchodonosor afviel en weigerde hem verder schatting te betalen.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
De Babylonische heerscher leverde daarom Juda over aan Chaldeeuwsclie, Syrische, Moabieti-Eche en Animonietische rool'horden, die door aanhoudende plunderingen en verwoestingen het land tot de diepste armoede en machteloosheid brachten.
Omstreeks dien tijd vergaderde Jeremias op Gods bevel, in ecu der voorraadkamers van den tempel, den zwervenden herdersstam der Rechabieten, de nakomelingen van Moses* schoonbroeder Hobab (hoofdst. 114). Hij bood hun schalen en bekers met wijn aan en zeide: drinkt. Doch zi] spraken: Wij drinken geen wijn, want onze vader Jonadab, de zoon \an Rechab, heeft ons geboden: Gij noch uwe kinderen zult ooit wijn drinken; geen huizen zult gij bouwen, noch zaad zaaien, noch wijnbergen planten; maar al de dagen uws levens zult gij wonen onder tenten, opdat gij lang moogt leven op de aarde, in het land waar gij als vreemdelingen rondzwerft. Wij hebben dit gebod van onzen vader jonadab, den zoon van Rechab opgevolgd; maar toen Nabuchodonosor, de koning van Babylon, in ons land viel, hebben wij gezegd : Welaan! laten wij ons voor de troepen der Chaldeën en Syriërs urngtrekken binnen Jerusalem, en wij vestigden hier ons verblijf. Nadat zij aldus gesproken hadden, wendde hij zich op Gods bevel tot het volk van Jerusalem met de vraag: Zult gij (op dit voorbeeld der Rechabieten) mijne Wet aannemen en mijne woorden gehoorzamen ? zegt de Heer. Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rechab, zijnen kinderen gaf, werd door hen onderhouden: zij dronken geen wijn tot op dezen dag, uit gehoorzaamheid aan het bevel huns vaders. Ik echter (de Heer) heb tot u gesproken van den vroegen morgen (tot den laten avond) en gij hebt mij niet gehoorzaamd. Ik zond u mijne profeten reeds met het krieken van den dag, en sprak (door hun mond) tot u : Bekeert u een ieder van zijne slechte wegen, betert uwe gezindheid en loopt geen vreemde goden na om hen te dienen; dan zult gij blijven wonen in uw land, dat ik uwe vaderen gegeven heb. Doch gij hebt uw oor niet tot mij geneigd om tc hooren. Jonadabs zonen onderhielden het gebod huns vaders, maar dit volk (van Juda) verzette zich tegen mij (zijn Heer en zijn God). Daarom zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Ik zal over Juda en over Jerusalem doen neerkomen al de rampen, waarmede ik hen bedreigd heb; het geslacht Rechab echter zal het nimmer aan nakomelingen ontbreken.
Daar de Joden ondanks al deze vermaningen in hun zondig leven voortgingen, kwam Nabuchodonosor voor de tweede maal met een machtig leger naar Jerusalem afzakken. Drie maanden voor zijne aankomst stierf Joakim na eene regeering van elf jaren. Bene eervolle begrafenis werd dezen goddeloozen vorst niet geschonken; integendeel, zooals Jeremias voorspeld had, werd zijn lijk smadelijk buiten de poorten van Jerusalem geworpen om daar te verrotten.
1. I)c zevent n jaren, die de BVovl mis.-lie «jevnn ^enscliap dunrd', bcvint men !;e\vo'.mlijk te tellen van het vierde j.u.quot; van Joakims ic.v .rihl;, loc;! Xa'.nicliod.mosi'r voor cie cn .ie maal te Jcrr.sidcm verscheen en velen van het voomamcro volk met ccn uod .'he der tcmj clvaten we gvoerde.
2. Pb.nao Ncc'iao verander !e \:. naam, om hem daardoor te toonen, dat liij hem heel in zijne macht had , cn dat liet konin^scliap waartoe hij hem verhief, hem slechts een ondergeschikt en van l.Hvpte afhankelijk gezag verleende Xalnicliodonosor â /ie vul M.-nd hooldsiuk â handelde op gelijke wijze met Malthanias.
5. De proleet Jeremias, nit het ;u 1. clit van Aaron, werd .yboren te Anathoth , een stadje op liet grondgebied van Uenjainin, niet verre van jernsalein, waar zijn vader lielcias het priesterambt uitoefende. \ ele Schriftverklaarders meenen dat deze lielcias de hogepriester geweest is, die onder de regcering van Josias het Boek der Wet van Moses in den tempel terugvond; zeker is het in alle gevalle, dat hij minstens gewone priester was.
Ueeds vroeg werd Jeremias tot het profetenambt geroepen. Hij profeteerde, van het 13® jaar der regeering van Josias tot na de verwoesting van Jerusalem, ouder de koningen Josias, Joacliaz, Joakim, Joa hin en Sedecias, ongeveer .)2 jaren lang. Daarna werd hij door do weinige in het land overgeblevene Joden, die den Babvlonischen stadhouder Godolias vermoordden, te^en zijn wil naar Hgypte medegevoerd. Volgens eene oude overlevering zou hij daar door hen, om de standvastigheid waarmede liij zich tegen huil afval van den Meer en |iunnc navolging van den H^yptischen afgodendienst verzette, gestconigd en alzoo den marteldood gestorven zijn.
318
BIJRF.I.SCHE GESCHIi:DENIS.
HOOFDSTUK CXXX11I.
DE KONINGEN JOACI1IN E.N Sl-DHCIAS. DE l'ROM;Ti:\T JEREMIAS EN EZECHIEL. DE VERWOESTING VAN JERUSALEM.
«|a den dood van Jondiim beklom zijn iSjarige zoon Joachin, ook Jcchonias genaamd, den troon; doch reeds na 3 maanden en 10 dagen werd aan zijne regeering een jij-W * einde gemaakt. Nabuchodonosor was namelijk in dien tijd niet zijn leger voor
quot;'aA den troon; doch reeds na 3 maanden en 10 dagen werd aan zijne regeering een
.quot;I i 1 «
lj?/° Jerusalem aangekomen, en Joachin die zich tot hem naar buiten begaf, om zich te ^ zijner beschikking te stellen, werd veroordeeld, om met zijne moeder, zijne vro uven en zijne dienaren in ballingschap te worden gezonden. Daarop drongen de CIki deën de stad binnen. De schatkist des konings en die des tempels werden geplunderd; de meeste der heilige vaten, in zoover men die den vorigen keer gespaard had, werden geroofd, en het leger der stad, benevens de rijksvorsten, de voornaamste burgers en al de kunstenaars en handwerkers, te zamen ongeveer 10.000 man, moesten hun koning in ballingschap volgen. Slechts de geringe lieden en een enkele persoon van meer aanzienlijken stand, zooals de profeet Jeremias, mochten te Jerusalem blijven. Nabuchodonosor stelde over het land den oom van Joachin, Matthanias, als afhankelijk koning aan, liet hem op plechtige wijze den eed van getrouwheid zweren en veranderde zijn naam in dien van Sedecias. Daarna trok hij af.
Sedecias was 21 jaren oud toen Nabuchodonosor hem aanstelde en hij regeerde 11 jaren zeer goddeloos. In den eersten tijd zond hij (waarschijnlijk ter betaling der jaarlijksche schatting) als gezanten naar Babylon Elasa, den zoon van Saphan, en Gamarias, den zoon van Helcias. De profeet Jeremias gaf dezen mannen voor de ballingen een brief mede, waarin hij hen waarschuwde geen gelooi te slaan aan de valsche profeten (die ecnen spoe-digen terugkeer voorspelden), maar in het land hunner gevangenschap huizen te bouwen, wijngaarden te planten, hunne zonen en dochters huwelijken te laten sluiten, zich rustig te gedragen en den Heer te bidden, dat Hij aan Babyion den vrede wilde verleenen, opdat zij zeiven vrede mochten hebben. Niet binnen kort toch zouden zij wederkeeren. Integendeel, ook zij die nu nog te Jerusalem waren achtergebleven, zouden na de verschrikkingen eener langdurige belegering eveneens, met hun koning Sedecias aan het hoofd, den weg der ballingschap gaan, en eerst na zeventig jaren zouden zij gezamenlijk hun land terugzien. Jer. XXIX.
Intusschen trachtte een valsche profeet te Jerusalem, met name Hananias, het in den tempel vergaderde volk te doen gelooven, dat reeds na 2 jaren de bevrijding uit de ballingschap zou volgen, en dat de terugkeerenden de heilige vaten zouden medebrengen. Zelfs rukte hij, om zijnen woorden kracht bij te zetten, Jeremias het houten juk van de schouders, sloeg het aan stukken en sprak: Dit zegt de Heer: Zoo zal ik na twee jaren Nabuchodonosors juk van de schouders der volken nemen en het verbrijzelen. Jeremias gaf daarop te verstaan, dat men ecnen waren profeet kon kennen aan de uitkomst zijner voorspellingen. Voorts het houten juk door een ijzeren vervangende, sprak hij tot Hananias: Het houten juk hebt gij gebroken, maar er een ijzeren voor in de plaats gesteld (door het volk tot verzet tegen de Babyloniers op te ruien zult gij den last ons opgelegd nog verzwaren), Want dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Een ijzeren juk heb ik op den nek van deze volken gelegd, opdat zij Nabuchodonosor, den koning van Babyion, dienstbaar zijn, en zij zullen hem dienstbaar wezen; zells de dieren des velds heb ik hem gegeven. Hoor, Hananias! de Heer heeft u niet gezonden; gij boezemt dit volk vertrouwen in door leugens; daarom zegt de Heer: Zie, ik zal u van de aarde wegnemen; nog dit jaar zult gij sterven, want gij hebt tegen den Heer gesproken. Jer. XXV11I.
Gelijker wijs profeteerde Ezechiël in de ballingschap. In het vijfde -aar na zijne wegvoering uit Jerusalem, terwijl hij zich aan den oever der rivier Chobar in het Babylonische
520
rijk ophield, werd hij door God tot het profetenambt geroepen, en sedert aanschouwde hij in verschillende zinnebeelden de vreeselijke straffen, die Jerusalems volk en koning om hunne zonden zouden treffen. Onder meer sprak de Heer tot hem: Menschenzoon, neem ecu tichelsteen, leg hem voor u en teeken er de stad Jerusalem op. Orden tegen haar (tegen de stad op den tichelsteen) eeue belegering, bouw belegeringstorens, werp een wal op (van waar de vijand de stad zal bestoken), sla tegen haar een legerkamp op en plaats rondom haar stormrammen (balken met ijzeren koppen, om de stadsmuren te beuken). Neem een ijzeren pan (het zinnebeeld van harde verdrukking), stel die pan als een ijzeren muur tusschen u en de (op den steen geteekende) stad; zie haar (de stad) met strakken blik aan; zij zal in staat van beleg zijn, en gij zult haar belegeren. Dit is het teeken voor het huis Israël (het teeken der belegering en van den nood die Jerusalem zal treffen.) Ezechiël IV.
Menschenzoon, neem een scherp zwaard, dat het haar afsnijdt; haal het over uw hoofd en over uw baard; neem schalen en gewicht en verdeel het afgesneden haar. Een derde deel zult gij, als de belegering voltooid is, in de (op den steen geteekende) stad door vuur verbranden; neem een ander derde deel (van het haar) en snijd het met het zwaard midden door; het laatste deel zult gij in den wind verstrooien , .. Zoo toch spreekt de Heer (tegen de kinderen Jerusalems): Ja, zoo waar ik leef, zegt de Heer, wijl gij mijn heiligdom verontreinigd hebt door al uwe zonden en al uwe gruwelen, daarom zal ik u verdelgen; mijn oog zal niets sparen en ik zal geen medelijden hebben. Een derde deel van u zal omkomen door pest en hongersnood; een derde deel zal vallen door het zwaard dat rondom u woedt; een derde deel zal ik naar alle windstreken strooien. Ezechiël V.
Menschenzoon, voorzie u van reisgewaad, trek daarin voort bij hellen dag; trek van uwe woonplaats voor aller oogen naar een andere landstreek (als het zinnebeeld der wegvoering van de nog in Juda overgeblevenen). Hak voor aller oogen een gat in den muur en trek daardoor; laat u in den donker op den schouder dragen en verhul uw aangezicht om het land niet te zien; (doe dit alles aldus) want ik heb u gemaakt tot een voorteeken voor het huis Israël. Menschenzoon, spreek tot hen: Dit zegt de Heer: Dit vonnis geldt den koning (Sedecias), die te Jerusalem is, en het geheele huis Israël. Spreek tot hen: Ik (Ezechiël) ben uw voorteeken; gelijk ik gedaan heb, aldus zal aan u geschieden: gij zult in de wegvoering en in ballingschap gaan. En de vorst, die in uw midden is (de koning), zal op den schouder gedragen worden, hij zal uittrekken in den donker. Men zal den muur doorhakken om hem weg te dragen (hij zal des nachts door een geheime opening de vlucht nemen, gedragen op de schouders zijner dienaren); en zijn gelaat zal verhuld zijn (van schaamte) om het land niet te zien. En ik (de Heer) zal mijn net over hem werpen en hem vangen in zijne mazen (hij zal door de soldaten van Nabuchodonosor achterhaald worden), en ik zal hem naar Babyion voeren, naar het land der Chaldeën. Daar zal hij sterven, maar het land niet aanschouwen. Ezechiël XII.
Ondanks al deze voorspellingen gingen priesters, volk en koning in hun misdadig leven voort, en de laatste sloeg de aanhoudende vermaningen van Jeremias, om zich rustig te credragen en geen oproer tegen Nabuchodonosor te maken, hardnekkig in den wind. Omstreeks het 9'' jaar zijner regeering viel hij met verkrachting van den bij zijne troonsbestijging zoo plechtig gezworen eed van Babyion af, sloot een verbond met Egypte en bracht Jerusalem (dat door een toevloed van volk uit de overige aeelen des lands wedeiom versterkt was) zoo goed mogelijk in staat van tegenweer.
Toen Nabuchodonosor die schandelijke daad vernam, rukte hij aan het hoofd zijner troepen tegen Jerusalem op, en den iorquot; dag der ioe maand van het 9' jaar van Sedecias regeering werd de stad ingesloten. Na eenige dagen echter kwam de tijding, dat dc koning van Egypte met een leger lot hulp der Joden in aantocht was, hetgeen de Chaldeën het beleg deed opbreken, om de Egyptenaren te bestrijden. Te Jerusalem veroorzaakte dit eene groote vreugde. De valsche profeten verkondigden luide, dat de stad voor goed van den vijand verlost was. Het volk geloofde dit gaarne, maar Sedecias was daar niet
BIJBïïLSCIIE GESCHIEDENIS,
geheel gerust op en zond mannen tot Jeremias, om te vragen, wat verder geschieden zou. De profeet antwoordde den mannen: Dit zegt de Heer: Boodschapt den koning: Zie, het leger van Pharao, dat u ter hulp is gesneld, zal (verslagen zijnde) naar Egypte terugkeeren, en de Chaldeën zullen wederkomen, om de stad opnieuw te belegeren; zij zullen haar innemen en in brand steken.
Inmiddels was de vijand afgetrokken, waarvan Jeremias gebruik wenschte te maken, om naar zijn vaderstad Anathoth te gaan, ten einde er zijne goederen te verdeden. Maar de wacht bij de poort van Jerusalem hield hem staande en zeide: Gij wilt naar de Chaldeen overloopen. Ofschoon hij dit ten stelligste ontkende, greep de hoofdman der wacht hem vast en voerde hem voor de te Jerusalem aanwezige vorsten. Dezen, hevig op hem gebeten, wierpen hem in den kerker, een akelig hol in het huis van den schrijver Jonathan, die het opzicht over den kerker had.
Terwijl hij daar gevangen zat, ging zijne voorspelling in vervulling: de Egyptenaren werden verslagen en Jerusalem andermaal door de Chaldeën omsingeld, Na liet Sedecias, den profeet naar zijn paleis brengen en vroeg hem heimelijk (uit vrees voor de vorsten en valsche profeten): Meent gij inderdaad, dat uw woord van den Heer Is? Ja, antwoordde de profeet, en gij zult in de handen des konings van Babyion geleverd worden. Maar, ging hij voort, wat heb ik tegen u en tegen uwe dienaren en het volk misdaan, dat gij mij in den kerker laat versmachten? Waar zijn nu uwe profeten, die u voorspeld hebben: de koning van Babyion zal niet terugkeeren? (Hij is er reeds; wie heeft dus misdaan, uwe profeten die leugentaal verkondigden, of ik die de waarheid zeide?) Ik bid u derhalve, mijn heer en koning, zend mij niet weder naar dien kerker, ik zou er sterven, Dc koning gaf aan deze bede gehoor en zond den profeet naar het voorhof des kerkers (een ruimer en luchtiger vertrek).
Hier sprak Jeremias (tot de soldaten en tot ieder die hem kwam bezoeken): Dit zegt de Heer: Alwie in de stad blijft, zal sterven door het zwaard, door den hongersnood of door de pest; wie echter naar dc Chaldeën vlucht, zal zijn leven behouden. De stad toch zal in de handen des konings van Babyion worden geleverd. Deze woorden werden den vorsten geboodschapt. Zij begaven zich daarop tot den koning en zeiden: Wij vragen dat die man gedood worde, want met zulke taal te spreken verlamt hij de banden der strijders die in de stad zijn en de handen van al het volk. Voorwaar hij zoekt niet wat het volk tot vrede , maar wat het tot ongeluk strekt, Sedecias gaf den vorsten ten antwoord : Ziet, hij is in uwe macht; immers het betaamt niet dat de koning u iets weigere. Hierop gingen de vorsten heen, haalden Jeremias uit het voorhof des kerkers en lieten hem met touwen afzakken in een diepen waterloozen put, waarin zich een dikke laag slijk bevond. Gelukkig werd dit gezien, onder anderen door Abdemelech, een zwarten dienaar van het paleis. Deze spoedde zich naar den koning, welke op dit oogenblik voor de poort van Benjamin stond, en sprak: Mijn heer en koning, die mannen hebben niet Jeremias den profeet zeer kwalijk gehandeld; zij hebben hem in een put geworpen, opdat hij daar van honger omkome. De koning kreeg medelijden en beval: neem van hier dertig man mede en trek den profeet uit den put eer hij sterve. Dc zwarte kamerdienaar snelde op dat woord naar het paleis, zocht in het vertrek onder de schatkamer een menigte lompen bijeen, en zich daarmede, aan het hoofd der dertig man, naar den put begevende, riep hij Jeremias toe: Leg deze lompen onder uwe armen en bind het louw daarover heen. De profeet deed het, en nu trok men hem aan het touw behoedzaam omhoog; hij werd echter (zeker om niet opnieuw in de handen zijner belagers te vallen) niet in vrijheid gesteld, maar andermaal in hel voorhof des kerkers opgesloten.
321
Na eenigen tijd liet de koning hem weder bij zich roepen en sprak: Ik heb u een woord te vragen; verheel mij niets. Maar als ik u de waarheid zeg, vroeg Jeremias, zult gij mij dan niet dooden? En, ging hij voort, al geef ik u ook raad, gij luistert er toch niet naar. Nu zwoer de koning: Zoo waar de Heer leeft, die ons schiep, ik zal u niet dooden, noch u overleveren aan de mannen, die u naar het leven staan. Daarop sprak
\
41
322
Jeremias: Dit zegt de Heer der heerscharen, Israels God: Als gij uittrekt tot de vorsten des konings van Babylon (om u te onderwerpen), zult gij uw leven behouden en deze stad zal niet verbrand worden. Trekt gij niet uit, zoo zullen de Chaldeën de stad bemachtigen en in de asch leggen, terwijl gij zelf niet aan hunne handen zult ontkomen. Sedecias bracht hiertegen in; ik vrees, dat de Chaldeën mij aan de tot hen gevluchte Joden zullen overleveren, en dat dezen den spot met mij zullen drijven (wijl ik, na eerst hun gedrag veroordeeld te hebben, thans hetzelfde doe als zij). Volstrekt niet, verzekerde Jeremias; de Chaldeën zullen u niet overleveren, luister toch, bid ik u, naar de stem des Heeren, die door mij tot u spreekt, en het zal u welgaan, gij zult uw leven redden. Trekt gij echter niet uit, dan is dit het woord, dat de Heer mij geopenbaard heeft: Al uwe vrouwen en uwe zonen zullen den Chaldeën worden geleverd, ook gij zult hunne handen niet ontvluchten, maar door den koning van Babyion worden gevangen genomen. Wat voorts de stad betreft, zij zal worden plat gebrand. â Ondanks die waarschuwingen kon Sedecias niet tot den hem aangeraden stap besluiten; hij maakte aan het gesprek een einde, door tot den proleet te zeggen: Laat niemand iets van ons onderhoud weten, en mochten de vorsten, vernemende dat ik met u gesproken heb, u vragen, welke woorden er tusschen ons zijn gewisseld, zeg hun dan; Ik heb den koning deemoedig gesmeekt, mij niet weder in den kerker te werpen, want daar zou ik sterven.
Inmiddels werd Jerusalem van dag tot dag meer in het nauw gebracht. Nabuchodo-nosor zelf had zich naar Reblatha (even buiten de grenzen van Juda) teruggetrokken, na het opperbevel te hebben opgedragen aan zijn legeraanvoerder Nabuzardan, die het beleg met kracht doorzette. De gevolgen der langdurige insluitingen deden zich niet wachten: de stad viel ten prooi aan een verschrikkelijken hongersnood; oud en jong kwijnde weg. De kinderen riepen tot hunne moeders om brood en drinken, en daar er niemand was die het hun geven kon, bliezen zij op den schoot dier moeders den laatsten adem uit. Tegelijker tijd woedde het zwaard zoowel in de stad (tengevolge van partijschappen) als daar buiten; priesters en profeten werden in den tempel nedergeveld. (Klaagl. II en IV'.) En bij al deze rampen voegde zich, zooals Jeremias voorspeld had, de pest.
Eindelijk na eene belegering van 18 maanden, had voor Jerusalem het uur van zijnen ondergang geslagen. Op den 9quot;quot; dag der 4'' maand van het 11quot; jaar van Sedecias' regeering, bezweek een gedeelte der stadsmuren, en stormden de Chaldeën de bres binnen. Bij hunne verschijning week Sedecias hals over kop terug, en nadat hij zich eenige uren had weten schuil te houden, gelukte het hem in den nacht naar de woestijn te vluchten. Hij werd echter met de zijnen door den vijand in de vlakte van Jericho achterhaald en naar Reblatha gevoerd, om daar uit Nabuchodoiiosors mond de straf voor zijn ontrouw en afval te vernemen. Het vonnis was vreeselijk. Zijne eigene zonen werden met de vorsten van Juda voor zijn aanschijn ter dood gebracht; hem zeiven werden de beide oogen uitgestoken en voorts werd hij in ketenen geklonken en veroordeeld tot altijddurende gevangenschap in Babyion. Daar stierf hij zonder het land gezien te hebben; de voorspelling van Ezechiël te zijnen opzichte was tot de laatste letter vervuld.
Vier weken na de inneming, op den 7⢠dag der 5quot; maand ving het werk der verwoesting van Jerusalem aan. Onder bevel van den vijandelijken legeroverste Nabuzardan werden de tempel en het koninklijk paleis geplunderd ; de laatst overgeblevene heilige vaten gingen den weg der vroeger geroofde, het groot koperen waschvat en de beide kunstig bewerkte koperen kolommen in het voorhof werden in stukken geslagen en medegenomen; de stadsmuren werden omvergehaald, en het goddelooze Jerusalem ging met zijne prachtige gebouwen, zijne paleizen en zijn heerlijken tempel in vlammen op. De hoogepriester Saraias, zijn plaatsbekleeder Sophonias, drie hoofden der tempel wacht en zeven der voornaamste koninklijke beambten werden met 60 man uit het volk (die als bijzondere onruststokers bekend stonden) voor Nabuchodonosor te Reblatha gebracht en door hem ter dood verwezen. Al het overige volk van Jerusalem en Juda werd, met uitzondering
l
JERUSALEM ROUWT OVER ZIJN ONI
1 de vorsten Jen en deze â ën de stad quot;t ontkomen. -mi gevluchte -ik, na eerst verzekerde de stem des iven redden, quot;d heeft: Al j zult hunne n genomen, quot;schuwingen igesprek een !i weten, en Ike woorden :smeekt, mij
quot;Nabuchodo-iken, na het 1 beleg met Ken: de stad g. De kin--was die het igelijker tijd aar buiten; -i bij al deze
van zijnen =' regeering, . Bij hunne had weten Hij werd -ar Reblatha â; vernemen. =a voor zijn n en voorts ,n Babyion. 31 te zijnen
k der ver-quot;Mabuzardan uilige vaten iide kunstig egenomen; iijne prach-togepriester der voor-bijzondere door hem -itzondering
ftTJBELSCHE GESCHIEDENIS. ?2'
van de armen, naar Babylon in ballingschap gevoerd. Alleen de armen liet Nabuclio-donosor blijven, opdat zij het land zouden bebouwen. Als zijn stadhouder en landvoogi stelde hij over hen aan Godolias, den zoon van Ahicam, die een zoon van den gewezet tempelschrijver Saphan was.
Omtrent Jeremias had de koning van Babyion nog voor de plundering van Jerusalerr aan Nabuzardan gelast: Doe hem geen leed, maar handel met hem volgens zijn veilangen Onmiddellijk liet de legeroverste den profeet uit den kerker halen en gaf hem de keus, o hij in het land blijvei dan wel mede naar Babyion vertrekken wilde. Jeremias verkoos he eerste en had nog gelegenheid, op bevel des Heeren, de ark des Verbonds, het reukofferaltaar en den ouden tabernakel van Moses uit den tempel te halen en deze drie heilige zaket in een grot van den berg Nebo, op welken Moses gestorven was, te verbergen. Den ingan;: der grot stopte hij vervolgens zorgvuldig dicht. Eenige mannen die hem in het vervoeren dei heiligdommen behulpzaam waren geweest (en zich daarna verwijderd hadden), wilden latei de plaats (waarschijnlijk door het oprichten van een steen) kenmerken, doch behalve dat zi haar niet terug konden vinden, beliepen zij bovendien eene berisping van den profeet, di( hunne poging ontdekt had. De plaats, zeide hij, zou onbekend blijven tot den dag, waaroj het den Heer zou behagen, zijn volk genadig te zijn en zijne heerlijkheid weder te doet schijnen als in de dagen van Moses en Salomon. (2 Machabeën 11.) Aan degenen, die gereed stonden om naar Babyion te worden vervoerd, gaf Jeremias de vermaning, daargind; trouw de Wet des Heeren te onderhouden en zich niet te laten bedwelmen door den glan: der prachtige gouden en zilveren afgodsbeelden, die zij te Babyion zouden zien. Nog wen (waarschijnlijk op zijn bevel) door eenige priesters, die het laatst de dienstbeurt vervuK hadden, het heilige vuur van het brandofferaltaar genomen en in een diepen waterloozei put in een dal verborgen. (2 Mach. 1.) hindelijk vestigde de piofeet zich te Maspha bi den landvoogd Godolias, aan wiens zorg hij door Nabuzardan was aanbevolen.
Na de verwoesting keerde hij nog eens naar de stad terug', om over haren ondergang te treuren en te rouwen. Op hare puinhoopen neergezeten, vervaardigde hij zijne heerlijke klaagliederen, waarvan hier eenige verzen volgen.
I; 1. Hoe eenzaam is die stad, die zoo vol was van volk; de gebiederes der volkei is eene weduwe geworden, de vorstin der landen werd eene schatplichtige.
2. Zij weent, weent in den nacht, en hare tranen rollen over hare wangen; niem;m( is er die haar troost van al hare dierbaren; al hare vrienden verachten haar en zijn han vijanden geworden.
3. Juda trekt heen om der verdrukking en der harde dienstbaarheid wille; het woon onder de volken en vindt geene rust; al de verdrukkers der stad treffen haar aan in hc midden harer angsten.
4. De wegen Sions treuren, wijl niemand opkomt ter hoogtijdviering; al de poortei der stad zijn verwoest; hare priesters zuchten; hare jonkvrouwen zijn zonder tooi; zij zelvi is van bitterheid overstelpt.
5. Hare vijanden zijn hare meesters geworden; hare tegenstanders werden rijk (doo haar buit); want de Heer heeft tegen haar gesproken om de menigte harer misdaden hare kinderen zijn in gevangenschap gevoerd voor het aanschijn van den drijver.
it. Al haar voik zucht en zoekt om brood; het geeft al zijne kostbaarheden voor spijs 0111 zich te verkwikken. Zie Heer (dus weent zij) en aanschouw, hoe ik vernederd ben
12. O, gij allen, die voorbijgaat langs den weg, aanschouwt en ziet, of er eene smar is gelijk aan mijne smart, daar de Heer mij als een wijnberg geplukt heeft op den dag vai den gloed zijns toorns.
15. Uit den hooge zond Hij vuur in mijn gebeente en tuchtigde mij; Hij breidde eei net uit over mijne voeten en wierp mij op den rug ; allen troost ontnam Hij mij en lie mij verteeren van droefheid den ganschen dag.
14. Ter neder drukt mij mijner misdaden juk; het is mij door zijne hand bereid er
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
op den scliouder getast; mijne kracht is in mij bezweken; de Heer leverde mij over in eene hand, waaruit ik mij niet kan bevrijden
15. Weggenomen heeft de Heer mijne dapperen uit mijn midden; er is een feestdag (mijner vijanden) tegen mij uitgeroepen, om mijne uitgelezenen tc verdelgen; dc wijnpers heeft de lieer getreden op de jonkvrouw, de dochter Sions.
16. Daarom ween ik, en geven mijne oogen waterstroomen; want ver van mij is de vertrooster die mijne ziel opbeurt; omgekomen zijn mijne kinderen, omdat de vijand hen overmocht.
18. Rechtvaardig is de Heer, want ik prikkelde Hem tot toorn; hoort toch, gij alle volkeren, en aanschouwt mijne smart; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn in ballingschap gegaan.
19. Ik riep mijne vrienden (dc naburige volken en vooral Egypte), maar zij lieten mij in nood; mijne priesters cn mijne oudsten zijn in dc stad omgekomen, tciwijl zij (tevergeefs) naar spijs zuchtten om zich te verkwikken.
20. Zie, Heer, hoe ik gekweld word; mijn innerste beeft; mijn hart keert zich om in mijn boezem, want van bitterheid ben ik verzadigd; buiten moordt het zwaaid, en ook
hier binnen hcerscht dc dood.
11: 1. Hoe heeft de Heer in zijn toorn de dochter Sions met duisternis bedekt! van den hemel heeft Hij op de aarde neergeworpen de heerlijke van Israel, en niet gedachtig is Hij geweest op den dag zijns toorns de rusibank zijner voeten.
Cl. Hare poorten zijn in den grond gezonken; verbroken en verbrijzeld zijn hare sluitboomen; haar koning en hare vorsten bevinden zich onder de heidenen; zij bezit geen Wet meer, en hare profeten derven de ingevingen des Heeren.
10. De oudsten der dochters Sions zitten zwijgend ter aarde; zij hebben hunne hoofden met asch bestrooid en zich gehuld in treurgewaad; de jonkvrouwen Jerusalems laten het
hoofd zinken op den grond.
11. Mijne oogen versmelten in tranen; al mijne ingewanden zijn ontroerd; uitgestort is mijn hart op de aarde ter oorzake van den nood der dochter mijns volks, wijl kindei en cn zuigelingen versmachten in de straten der stad.
12. Zij riepen tot hunne moeders: Waar is biood en drank! (doch tevergeefs); zij stierven als gewonden in de straten der stad en bliezen op Ãen schoot hunner moedeis den levensadem uit.
13. Waarmede zal ik u vergelijken of met wat u gelijk stellen, dochter Jeiusalems!* Waartegen zal ik u opwegen om u te troosten, jonkvrouw, dochter Sions? Want eindeloos
als dc zee is uwe ellende; wie kan u genezen?
15. Alien die langs den weg gaan, slaan om uwentwil in de handen; zij sissen en schudden het hoofd over de dochter Jerusalems en vragen: Is dat die stad van een volmaakte schoonheid, de vreugde der gansche aarde?
16. Dc Heer heeft (tegen 11) gedaan wat Hij had vastgesteld van af de oude dagen. Hij heeft u verdelgd en u niet gespaard; uwen vijanden liet Hij zich over u verblijden en Hij verhief de macht uwer tegenstanders.
1. Omtrent de ark des Verhonds voorspelde JcremUs Hit 16 en 17, dat zij na den terugkeer der Joden uil de ballingschap eu gedurende het geheele tijdperk des Christendoms (»in dien tijd,quot; beteekent bij de profeten dikwijls het/elfde als eene andere door hen gebruikte uitdrukking »de volheid der tijden,quot; d. 1. de tijd des clmslendums) /al verbuigen blijven, en dat alle volken â de heidenen â zich, zonder de ark, te Jerusalem (het nieuwe Jerusalem, Je Kerk van Christus) zullen verzamelen «tn den naam des Heeren. Op het einde evenwel van dit tijdperk, op den dag ..dat de lieer zijn volk genadig zal zijnquot; (de Joden tot het Christendom ,.,1 voeren), dus op het einde der wereld, zal de ark door God weder te voorschijn worden gebracht, zooals mt boven aangehaalde plaats van a Machabeën II blijkt. Hoe dit zal gebeuren; in werkehjken of ui ligunrh|ken zin, blijft het geheim Gods; het eerste is echter het waarschijnlijkste. Sommige uitleggers verstaan de bedoelde teksten ook aldus, dat G01I op den oordeelsdag de ark en den tabernakel den onbekeerden Joden zal vertoonen als een sprekend getuigenis van zijne zorg cn zijne helde voor hen.
2. De zwarte kamerdienaar, een litl.iop.er, die Jeremias uit den modderput redde, ontving van den profeet
verde inij over in eene
211; cr is een feestdag lerdelgen; dc wijnpers
ver van mij is de vervijand hen overmocht. ; hoort toch, gij alle ne jongelingen zijn in
ypte), maar zij lieten ngekomen, terwijl zij
jn hart keert zich om 1 het zwaard, en ook
â duisternis bedekt! van acl, en niet gedachtig
n verbrijzeld zijn hare idenen; zij bezit geen
Ihebben hunne hoofden n Jerusalems laten het
:ii ontroerd; uitgestort s volks, wijl kinderen
;(doch tevergeefs); zij quot;hoot hunner moeders
j, dochter Jerusalems ? Sions? Want eindeloos
handen; zij sissen en idie stad van een vol-
an af de oude dagen, over u verblijden en
a den terugkeer der Joden beteekent bij de profeten .cr tijden,quot; d. i. de tijd des zonder de ark, to Jerusalem â es Heeren.1' Op het einde Joden tot het Christendom â v or den gebracht, zooals uit :rkeiijkcn of in ligunrlijkcn jggers verstaan de bedoelde .erden Joden zal vertoonen
z:, ontving van den profeet
T
r
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
op Gods bevel de verzekering, dat hij tot loon voor zijne edele daad bij den val van Jerusalem niet zon oinkomet Misschien volgde hij wel, evenals Baruch, den profeet naar Maspha. Van Baruch althans weten wij zeker, da hij in het land van Juda bleef, totdat hij zijn meester en vriend, Jeremias, naar H^ypte vergezelde. Daar vertoefd hij geruimen tijd en trok vervolgens, waarschijnlijk eerst na den dood van Jcreniia;, naar IJabylon, In de/.e sta schreef hij een eigen boek «de profetieën van Baruch,quot; dat, in 6 h )jfdsiiikUen verdeeld, een briel aan de Jodci in Juda, een profetisch onderricht, een klaag- en troostlied en een ouden brief van Jeremias bevat.
HOOFDSTUK CXXX1V.
DE LANDVOOGD GODOL1AS VERMOORD. DE JODEN VLUCHTEN NAAR EGYPTE.
!l^at Nabucliodonosor met zijn leger en de ballingen naar Babylon was s schikten de in Juda achtergeblevene armen zich zoo goed mogelijk in I * toestand. Zij bebouwden de akkers en de wijngaarden, die Nabuclio
Uadz. 325.
afgetrokken hun nieuwei Nabucliodonosor hui
11^'° gegeven had, en leefden rustig onder het bestuur van den landvoogd Godohas. Toei de oversten der hier en daar nog in het land zwervende kleine joodsche krijgsbendei l dit vernamen, begaven zij zich tot Godolias te Maspha, en de landvoogd zwoer hun dat als zij zich vreedzaam wilden gedragen, hun van wegc Babyion geen leed zou geschieden Deze oversten waren: Ismahel, uit het geslacht der koningen van Juda, Johanan, Jonathan Saraas en Jezonias. Nog andere Joden, die tijdens het beleg van Jerusalem naar de Edomicten Moabieten en Ammonieten waren gevlucht, vervoegden zich bij Godolias en ook zij mochte: in het land blijven.
Een korten tijd gedroegen allen zich rustig, toen op zekeren dag Johanan en vier de andere gewezen oversten den landvoogd berichtten, dat hun lotgenoot Ismahel met den koninj der Ammonieten afspraak gemaakt had , Godolias te vermoorden. Voorts bood Johanan ziel aan, den moordenaar uit den weg te ruimen, want hij vreesde, dat aks diens plan tegen dei landvoogd gelukte, de Ghaldeën daarover op alle Joden in Juda bloedige wraak zoude nemen. Godolias kon echter aan het bestaan van het plan niet gelooven en sprak tot Johanan Neen, doe het niet (ruim hem niet uit den weg); wat gij omtrent Ismahel verhaalt is vaksch
Kort daarop bewees de uitkomst dat de verhaler waarheid had geproken. In de 7 maand des jaars (ruim 2 maanden na de verwoesting van Jerusalem) bracht Ismahel me tien mannen van den koning der Ammonieten Godolias een bezoek. Door den landvoogd vriendschappelijk ten disch genoodigd, stonden zij onder den maaltijd op en versloegen hu gastheer met zijne lijfwacht en met de zich bij hem bevindende Ghaldeën. De moord blee tot den volgenden dag geheim. Toen kwamen er van Sichem en Silo en Saniana 80 Israë lieten met geschoren baard, gescheurde kleederen en ontsteld aangezicht, om op de puin hoopen des tempels te Jerusalem een wierookoffer op te dragen. Ismahel trok hun uit Masph vveenend te gemoet en zeide tot hen: Komt bij Godolias. Zij gingen met hem mede, doi toen zij zich midden in het stadje bevonden, viel hij hen met zijne tien gewapende strijder verraderlijk te lijf. Reeds velen hunner had hij verslagen, toen tien der Israëlieten uitriepen Dood ons niet; wij hebben op onze akkers tarwe en gerst en wij bezitten olie en honig Dezen tien mannen spaarde hij het leven; de lijken der verslagenen deed hij in een diepen pu werpen. Voorts drong hij al de inwoners van Maspha de stad te verlaten en met hem naa het land der zonen Amnions te vluchten. Nog bijtijds kwam dit ter oore van Johanan e van de andere oversten; zij trokken met hunne krijgsbenden Ismahel te gemoet en trofl'e hem aan bij de waterleiding van Gabaon. Ismahel nam niet acht zijner strijders (twee werde waarschijnlijk verslagen) de vlucht, en de inwoners van Maspha, die hij gedwongen ha medegevoerd, keerden in vreugde naar hunne stad terug.
Na eenigen tijd evenwel oordeelden Johanan en al het volk, dat zij niet alleen te Maspha maar in gansch Juda niet meer veilig waren, wijl hette vreezen stond, dat NabuchodonosQ
32
1
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
het vermoorden van Godolias op hen zou wreken. Zij verzamelden zich derhalve bij Bethlehem, om van daar naar Egypte te vluchten. Doch alvorens daartoe over te gaan, vroegen zij den profeet Jeremias voor hen den Heer te raadplegen. Alles, zeiden zij, wat de Heer u omtrent ons zal ingeven, zullen wij doen. Eerst na tien dagen ontving de profeet van den H er antwoord. Hij riep daarop Johanan en de andere oversten met hunne krijgers, benevens het volk van Maspha en diegenen, welke zich uit Gabaon bij hen hadden aangesloten, te zamen, en sprak tot hen: Dit zegt de Heer: Indien gij u rustig gedragende in dit land blijft, zal ik u opbouwen en niet verstoren, u planten en niet uitroeien; want reeds ben ik verzoend door het ongeluk, dat ik u heb laten overkomen. Vlucht niet voor den koning van Babyion, voor wien gij siddert en beeft, vlucht niet voor hem, zegt de Heer; want ik zal u barmhartigheid doen vinden (in zijne oogen) en u laten wonen in dit land. Zegt gij echter: Wij willen niet in dit land blijven en naar de stem des Heeren niet hooren, maar naar Egypte trekken, waar wij geen oorlog zullen zien, noch de klank der trompetten zullen vernemen, noch honger zullen te lijden hebben, dan zegt de Heer der heerscharen, Israels God; Als gij naar Egypte trekt, zoo zal u daar het zwaard treffen, dat gij hier ontvlucht; de honger dien gij vreest, zal u in Egypte aangrijpen, en gij zult sterven. Vertoornd over deze woorden, riepen allen uit: Gij spreekt leugentaal; de Heer heelt u niet gezonden, om tot ons te zeggen: Gaat niet naar Egypte; maar Baruch stookt u tegen ons op, met het doel ons in de handen der Ghaldeen te leveren en ons te doen omkomen. Daarop gingen zij huns weegs, en tegen zijn wil werd ook Jeremias niet Baruch door hen medegevoerd.
In Egypte vervielen zij weldra in grove afgoderij. Vooral de vrouwen vereerden met medeweten harer mannen de godin der maan en offerden haar zekere koeken. Krachtig verhief de profeet tegen deze nieuwe gruwelen zijne stem en hij herhaalde zijne voorspelling, dat allen die naar Egypte getogen waren, met uitzondering van eenige weinigen, zouden omkomen door het zwaard en den honger.
De gewijde tel-st meUlt den uitslag dezer vermaningen en waarschuwingen niet; maar een oude overlevering hcricln dat Jeremias, door liet liardnekUige volk gesteenigd, den marteldood stierf. Verder verhaalt FUvius Jusepluts, dat vijf jaren na de verwoesting van Jerusalem Nabuchodonosor tegen Egypte optrok eu de zijh daar bevindende Joden, voor zoover zij door het zwaard en den honger waren gespaard, naar Babylon voerde.
VAN DE BABYLONISCHE BALLINGSCHAP TOT DE MACHABEÃN.
J|gt;oor Sc'lr'^ werd ons tot nu toe van de opkomst en de geschiedenis des
ïiiÃfe%gt;. )00^scllcn vfgt;ks sinds de dagen van Abraham en dc patriarchen een tamelijk aan-iktty eengeschakeld verhaal geleverd in de geregeld op elkander volgende Vijl Boeken jjJ'V Moses, het Boek Josuc, het Boek der Rechters, het Boek Ruth, ilc Vier Boeken der Koningen en de Twee Boeken Paralipomenon. Daarna treffen wij in haar peen onafgebroken verhaal meer aan. Van hetgeen gedurende de Babylonische ballingschap voorvM, worden ons slechts enkele bijzonderheden medegedeeld door het Boek der Profetieen van Ezechiël en vooral door het Bock der Profetieën van Daniël. Verder worden ons in de 1 wee Boeken Esdras de terugkeer van een aantal Joden naar hun land en sommige hunner ontmoetingen aldaar gemeld, terwijl het Boek Esther ons nog een tafereel te aanschouwen geeft van Esthers verheffing tot koningin van het Perzische rijk en van haar gelukkio-geslaagde pogingen om haar volk voor den ondergang te behoeden. Dit alles zal worden beschreven in het nu volgende zesde tijdvak.
Eene bepaalde klasse van menschen, in bijzondere mate aan dit en het vorige tijdvak eigen, verdient met een enkel woord iets uitvoeriger te worden besproken, liet zijn de proleten. Nooit sedert de dagen van Moses liet God het zijn volk geheel aan deze heilicre, door zijn Geest verlichte mannen ontbreken; doch bij het gedurig toenemen des kwaads traden zi) met alleen in grooter aantal, maar ook met meer gezag en meer klem ender Israël en Juda op. Zij waren belast met de dubbele taak, door vermaningen, bedreigingen en aankondiging van straften dc Joden van de zonde en van den afval van God teruquot; te houden en tevens om door hunne talrijke en telkens bepaalder wordende voorspellingen omtrent den Messias het verlangen naar de toekomstige verlossing des menschdoms bij hen levendig te houden, '
328
De oudsten dier mannen Gods, zooals F.lias, Eliscüs en hunne tijdgenroten, hebben hurne profetieen niet opgeteekend; slechts hier en daar vinden wij er brokstukken van vermeld in de Boeken der Koningen en Paralipomenon. Van de lateren sedert Amos en Isaïas, hebben zestien (i) in afzonderlijke boeken, die te zanien een aanzienlijk gedeel.e der Schrift vormen, hunne woorden en d.ulen voor ons bewaard. Aan vier hunner: isaias, Jeremias met Baruch, Rzechicl en Daniël, geeft men den naam van groote profeten, om de uitgebreidheid hunner geschriften; de overige twaalf heet men kleine profeten, wijt zij minder geschreven hebben.
Sommige profeten hebben den tijd waarin zij leefden nauwkeurig aangegeven; van andere maakt men dien met meer of niinder waarschijnlijkheid uit den inhoud hunnet boeken op. Zoo komt men voor de gezamenlijke 16 profeten, wat den tijd betreft, tot deze volgorde; Amos, Jonas, Joel, Abdias, Osee, Isaias, Micheas, Nahum, Jeremias met Baruch, llabacuc, Sophonias, Ezechiël, Daniël, Aggeüs, Zacharias, Malachias. lizechiël en Daniël profeteerden gedurende de ballingschap, Aggeüs, Zacharias en Malachias na den terugkeer der Joden naar hun land. Van de meeste dezer profeten zijn op de vorige bladzijden de voornaamste uitspraken medegedeeld; van andere zal dit nog geschieden in het nu volgende tijdvak, terwijl enkele, omdat hunne geschriften geene historische bijzonderheden behelzen, in eene bijbelsche geschiedenis worden voorbijgegaan.
Het zesde tijdvak, dat zich uitstrekt van de verwo.'sting van Jerusalem in 588 voor Christus, tot net optreden der Mach.ibeën in 176 voor Christus, omvat alzoo eene ruimte van 412 jaren. Evenwel is van de eerste 16; dezer jaren, tot en met Nehemias, de ceschicdenis bekend; over de laatste 2 vy jaren zwijgt de H. Schriit geheel.
n '
HOOFDSTUK CXXXV.
DE JODEN IM DE BABYLONISCHE BALLINGSCHAP. DE PROFEET EZECHIÃL.
--*-
⢠\ r^e door Nabuchodonosor bij verschillende gelegenheden uit hun land weggevoerde f'llSit Joden werden gedeeltelijk overgeplant naar de stad Babyion, gedeeltelijk naar j verschillende steden langs den oever van de rivier Chobar (een zijtak van den
Euphraat). Op beide plaatsen werd hun door hunne overwinnaars een zekeie mate van vrijheid en zelfbestuur gelaten. Zoo goed en kwaad dit ging, leefden zij naar hunne i eigen wetten onder eigen rechtspraak en mochten huizen en landerijen bezitten. Ook liet God het hun niet ontbreken aan mannen, die met zijn Geest bezield, hen vermaanden, waarschuwden en hun in profetische voorspellingen de raadsbesluiten des Heeren onthulden.
Een dezer was Ezechiël, die, 11 jaren voor de verwoesting van Jerusalem met koning Joachin weggevoerd, in het 5quot;' jaar zijner ballingschap door een verheven wondergezicht zijn profetische loopbaan begon. (Hen gedeelte van het vervolg zijner profetieën, dat op Jerusalems verwoesting betrekking had, is reeds in hoofdstuk 133 medegedeeld.) Het hier bedoelde begin van zijn loopbaan verhaalt hij aldus:
Het gebeurde in de 4'' maand, op den 5⢠dag der maand , toen ik mij onder de ballingen aan de rivier Chobar bevond; daar openden zich de hemelen en ik schouwde de gezichten Gods. En ik zag; en zie, een stormwind kwam uit het noorden, en een groot wolkgevaaite, en daarin een vuur, en een glans daar rondom; en uit het midden hiervan, dat is uit het midden des vuurs, liet zich iets zien als glanserts, en daarin bevonden zich de gestalten van uei levende wezens. Elk had vier aangezichten en elk vier vleugelen; hunne voeten waien lecht-staande voeten, en hun voetzool was als de voetzool van een rund, en zij fonkelden als gloeiend erts. Onder hunne vleugelen aan de vier zijden waren menschenhanden; de aangezichten
(1) Strikt genomen ïiju het zeventien, maar Jeremias en Ta uch worden gewoonlijk ah c4n persoon beschouwd.
fi,
-olcn, hebben -skcn van vcr-Jcrt Amos en â ulijk geclccl'.e .inner: Isaï.is, =; profeten, â; profeten,
gegeven; van quot;ihóud hunner â d betreft, tot Jeremias met _ias. Ezechicl â ichias na den ige bladzijden Hen in het nu -ijzouderheden
in 588 voor eene ruimte ^Nehemias, de
â ZECH1EL.
â weggevoerde -eeltelijk naar Jjtak van den zekere mate ^ij naar hunne ^zitten. Ook vermaanden, =n onthulden. _ii met koning -ergezicht zijn up Jerusalems -.üer bedoelde
nr de ballingen de gezichten wolkgevaarte, â üt het midden â hen van vier waren recht-âfonkelden als aangezichten
KZKCHIÃL PR(
;ooti bescliouwd.
m â smi
felJBELSCHE GESCHlÃbENIS. 329
en de vleugelen hadden zij aan de vier zijden, en hunne vleugelen waren de een aan de ander verbonden. Zij (de wezens) keerden zich niet om, wanneer zij voortschreden, maar elk schreed recht voor zich uit. De gedaanten hunner aangezichten waren : liet aangezicht van een mensch en liet aangezicht van een leeuw aan de rechterzijde van alle vier; het aangezicht van een os aan de linkerzijde van alle vier, en het aangezicht van een adelaar bovendien aan alle vier. Hunne aangezichten en hunne vleugelen liepen boven uileen; twee vleugelen reikten aan elkaiukr en mei twee vleugelen bedekten zij hunne lichamen. Ieder van hen ging voor zich uit; waarheen de Geest hen dreef, daarheen gingen zij, en zij keerden zich niet om als zij gingen. Hn hunne gestalte was (aldus): hun uitzicht was als een gloed van brandende kolen en hun aanblik als van fakkelen. Tusschen de wezens zag men een beweeglijken vuurgloed, en uit het vuur schoten bliksemstrakn, en op de wijze van llikkerende bliksems gingen de wezens voor- en achter-â¢waarts. En toen ik hen zag, verscheen er naast ieder op den grond een viervoudig rad. En het gezicht der raderen en van hun maaksel was als van de zee, en alle vier hadden
O 7
denzelfden vorm; ook zag hun maaksel er uit als ware het rad in rad. Zi] (de raderen) liepen naar alle vier zijden, zonder zich te wenden als zij (voor- of achterwaarts of terzijde) liepen. Ook waren de raderen stevig en hoog en verschrikkelijk om aan te zien; de veilingen van alle vier waren vol oogen. Bewogen zich de levende wezens, dan bewogen zich de raderen mede, en hieven de wezens zich omhoog, dan verhieven zich ook de raderen ... want de geest des levens was in de raderen. En boven de hoofden der wezens was iets als het firmament, dat uitzag als oogverblindend kristal. En ik hoorde het ruischen der vleugelen als het geklots van breede water-stroomen ... als het gedruisch eener volksmenigte, het gedruisch van een leger,.. Wanneer er een stern boven het firmament werd vernomen, dat boven de hoofden der levende wezens was, stonden zij stil en streken hunne vleugelen. En boven het firmament was iets als safliersteen in den vorm eens troons, en op deze troongestalte was een gedaante met den aanblik van een mensch (de eeuwige Zoon Gods). lin ik zag inwendig in het rond in Hem iets als glans-erts, dat als vuur scheen; van zijne lenden naar boven en van zijne lenden naar beneden zag ik iets als vuur, dat rondom Hem schitterde. Ezechiël X: r tot 28.
Zoowel voor als na de verwoesting van Jerusalem voorspelde Ezechiël, dat de Joden, als de tijd der ballingschap om was, naar hun land zouden terugkeeren. Op zekeren dag had hij wederom eene verschijning, waarbij de Heer hem gebood: Spreek (tot het volk in de ballingschap); Dit zegt de Heer: Ik zal u vergaderen uit de volken en u te zamen brengen uit de landen, waarheen gij verstrooid zijt, en ik zal u (weder) het land Israël geven. En zij (de ballingen) zullen liet binnentrekken en alle aanstootelijkheden en alle gruwelen (de sporen der afgoderij en ontucht) daaruit wegnemen. En ik zal hun een eensgezind hart schenken, en een nieuwen geest in hun binnenste; het steenen hart zal ik uit hunne borst verwijderen en er een hart van vleesch voor in de plaats stellen, opdat zij in mijne geboden wandelen, mijne uitspraken onderhouden en er naar doen, teneinde zij mijn volk worden cn ik hun God zij. Diegenen echter, welke wandelen volgens de aanstootelijkheden en de gruwelen, hun weg zal ik op hun hoofd leggen (hunne handelwijze zal ik op hen wreken), zegt God de Heer. Ezechiël XI: 17 â 22.
En het gebeurde in het twaalfde jaar na onze wegvoering, toen kwam tot mij iemand, die uit Jerusalem gevlucht was, cn hij zeide; De stad is verwoest. De hand des Heeren was echter reeds des avonds voordat de ontvluchte bij mij was, over mij gekomen, en Hij (de Heer) opende mijnen mond, toen gene (de vluchteling) in den morgen tot mij kwam, en ik zweeg niet meer, daar mijn mond geopend was... En er kwam over mij het woord des Heeren, hetwelk luidde; Menschenzoon, profeteer omtrent de herders (de oversten) en spreek tot de herders: Dit zegt de Heer: Wee den herders die zich zeiven geweid hebben! Moeten niet door ie herders de kudden geweid worden?. . . Gij echter hebt mijne kudde niet geweid; wat zwak was, niet gesterkt; wat ziek was, niet genezen; wat gebroken was, niet verbonden; wat afgedwaald was, niet teruggevoerd, wat verloren was, niet gezocht. Daarom verstrooiden zich mijne schapen, wijl zij geen herder hadden, en zij zijn geworden
43
*
BIJBRLSCHE G1:.SCH1EDEN1S,
tot verscheuring voor alle wilde dieren des velds en zij zijn verstrooid... M uu ik zal mijne schapen bezoeken en hen bevrijden uit alle plaatsen, waarheen zij verspreid weiden op den dag des onweders en der duisternis... en hen teiugvoeien naar um
Ez. XXXIII en XXXIV. , , u
r.r, de hand des l.leeren kwam over mij en geleidde mij door den Geest des eu n
en voerde mij midden op een veld vol doodsbeenderen, l'.n Hij (de llcei) spia^ Ut j
Menschen/.oon, meent gij, dat deze beenderen levend zullen worden? Ik antwoordde:
Heer God, (lij weet het. En Hij gebood; l'^letecr over deze beenderen en spreek tot
hen: Dorre beenderen, verneemt het woord des Heeren. Dit zégt God de Heer tot deze beenderen: Zie. ik zal den geest in u zenden en gij zult leven. En ik zal u spieren geven en vlcesch np u laten groeien en een vel over u uilspannen, en ik zal u een geest schenUui, m d »k 1=â¢,, wc,⢠Ja. it do Hoe, bon, F.n ik profo.cordo 6oli|k do Hoor bevolen had, en terwijl ik profeteerde, ontstond er een gedruisch, en zie, taai vw.uu beweoina: beenderen voedden zich bij beenderen, ieder bij zijn gewricht. En ill zag; en zie. daar kwamen spieren en vleesch op, en er spande zich een huid over, maar een gec.t hadden zij nog niet. En Hij gebood mij; Profeteer tot den g.cst, proleteer menschenzoon en spreek tot den geest. Dit zegt God de Heer: Kom geest van de vier winden en adem in deze verslagenen, opdat zij herleven. Ik profeteerde gelijk de Heer m.) bevolen had en de geest kwam in hen, en zij stonden op quot;hunne voeten, een groot, een zeer groo k-Ter. En Hij (de Heer) zeide tot mij: Menschenzoon, al deze beenderen beteekenen iet huis van Israël. Onze beenderen, zeggen zij, zijn verdord, onze hoop is te met, wi) zim verworpen. Profeteer dus en spreek tot hen (tot het huis van Israel, de ballingen). Dit zelt;n God de Heer; Zie, ik zal uwe graven (uwe ballingsoorden) openen en u uit uue oroeven voeren, mijn volk! en u brengen in het land van Israël. En gi| zult weten, da ik de Heer ben, als ik uwe graven geopend en u gevoerd heb Lit uwe groeven, mi in volk! 1'n ik zal mijnen geest in u zenden, opdat gij leeft en ik zal u rust doen vm en op uw eigen (bodem), opdat gij weten moogt, dat ik gesproken heb en het heb vervuld,
zegt God de Heer. Ezech. XXXV II. i,
Een andermaal kwam het woord des Heeren over den profeet en gebood hem
Menschenzoon, spreek tot de zonen van uw volk: Als ik (de Heer) iet ^
oorlog) over een land breng, en het volk neemt een man en stelt hem tot waJitei n, , en deze ziet het zwaard over het land komen en blaast de trompet en verkondigt he al,oo doende aan het volk, en als dan iemand hel hoort en neemt zich met in acht, i e het gevolg dat het zwaard hem wegmaait, dan zal het bloed van dezen man op zijii eigen hoofd neerkomen (want hij is gewaarschuwd en is dus zelf de sdudd van zijn dlt; ck .) Maar blaast de wachter, het zwaard ziende komen, de trompet met, en iet vo * ikl zich niet in acht, en het zwaard maait iemand weg, dan zal deze wel is waar in /-ijne zonden sterven, maar zijn bloed zal ik opeischen uit uwe hand. Kondigt gi) alzoo den goddelooze aan, dat hij zich bekeere van zijne wegen, en hi) bekeert zich met van ziii wc-, zoo zal hij sterven in zijne zonden, gij overigens hebt uwe ziel (v^ schuld) vri e-houden. Derhalve, menschenzoon, spreek tot het huis van Israel; Gi) (ballingen) heb gezeul; Onze ongerechtigheden en onze zonden zijn ons boven het hoold gewassen S verteren er onder; hoe kunnen wij dan leven? Spreek (menschenzoon tot hen de dn ze-en)- Zoo waar ik leef, zegt God de Heer, ik wil den dood des goddeloozen met, maar dat hij zich bekeere en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe slechte wegen waaiom wilt gij sterven, huis van Israël?... De rechtvaardigheiu van den lechuaau â ^
niet bevrijden op den dag dat hij zondigt; maar ook de godddoosheid vaadu g Zal hem niet schaden op den dag dat hij zich bekeert van zMne go.lddoosheid. Wam ik ook zeg tot den rechtvaardige, dat hij leven zal, en hi|, V^! l,0 .''j ^⢠t âcjenken rechtvaardigheid, bedrijft booze dingen, dan zal ik al zijne tecitvaauig t i
Tl de zonden, die hij bedreven heeft, zal hij sterven. AU .k «.tegendeel tot den
3 50
niJRElSCHP. GESCHIEDENIS.
goddclooze zeg: Den dood zult gij sterven; maar hij pleegt boetvaardigheid over zijne zonde, en doet recht en gerechtigheid, en geeft het hein toevertrouwde pand terug, en herstelt het gerooide , en wandelt in de wegen de-: levens cn bedrijft geen onrecht meer , dan zal hij het leven leven en niel sterven. Alle zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet worden aangerekend; rccht cn gerechtigheid heeft hij gedaan; het leven zal hij leven, lizech. XXXllt.
1. Dat ilü uitleggers het omtrent ile beteclicnis van eerstgemelil \voiidcr^e/:clit niet op alle omtcrgesdiikte plinten eens zijn, is ^enijUkolijk te begrijpen, lienc c ikcle bijzdinierliekl huKlcrt de II. Schrift zelve op, zij zegt lil., bij l./cchiél X: 20, Uiit de levende wezens cherub.jiien waren, welke voor ecu oogenblik gemelde gedaante hadden aan-enomen. Ter vei\L-, e verklaring moge het v.ild 1011de ::ijii, hier aan te stippen, dat in Imrc liturgie ouze moeder de 11. Kerk met den 11. Ambrosius de verschijning, w.a lure bcteekenis iu het algemeen betreft locp.isi op dc vier evangelisten.
2. l it de laatste der in bovenstaand hojfdstuk aangehaalde pla.itscu van il/echiel blijkt ten duidelijkste dat de dwa/o, trDiiwens tlians reeds /. gt;.) ^ )ed a!s verou lorde leer der /.OD^enaaiiide »lici v()rllKâ¢:s,,, a'stif de inensch, die eenina.i! is «uitverkorenquot;, niet meer zou kunnen zondigen en verldicn };aan , n\et do II. Scliril't in openbaren tweestrijd is. Zoo worden die lieden, welke /.ich bij iedere ^eL-cnhciM , to pi on te (inpas, tc-cn dc Katholioken op don Hijbel beroepen, tekens door dion/.elfden lgt;ijbel gelogenstraft. SUelits d^ oone lloili^e Kerk, aan wie baar goddelijke Stichter zijn woord ter bewaring en uitlo ;-;in;; hoeft toevu tronwd , 011 wie Hij zijn Heiligen Geest als on feilbaren Leermeester heeft geschonken â slechts zij verstaat van dat woord met algeheele zokorheid den zin en de beteekenis.
3. Om de tijdsorde, waarin boven verhaalde en hierna te melden jjobenrleni-.sen zijn voorgevallen , althans in breede trekken in let oog te honden, herinnere men /.ich uit de vorige hoofdstukken, dat Jerusa'ein driemaal door Nabnchodouosor werd belegerd en ingenomen en dat tolken keore eon «;o dool to der bovolkiir; word woL'gev o.rd.
a. Ka de eerste belegering, die plaats had in het 4e jaar der ro^ociing van koning Joakim (hoofdstuk 132) , trof dit lot vele voorname personen en vooral jongelingen uit koninklijken en vorsteüjken bloodo.
b. Acht jaren later, nadat Joakim inmiddols, in zijn ye jaar, Xalnicliodonosor was algevallon 011 in zijn 12c jaar gestorven was, had de tweede belegering plaats onder z.j 1 zijiin en opvolger J.uciiin, die too i nog pas 3 maanden geregeerd had. Joachin werd naar Babylon gevoerd en daar in don kerker opgesloten. Mot hem werden weggevoerd: zijne moedor en vrunwon, het leger van Jorusalom, de rijk-.grooii.Mi , dc vo.irn.iainste burgers (ook h.zechiël) en al de kunstenaars ea handwerkors der stad, to zamon ongeveor 10.000 man. Slechts do geringe lieden en zeer enkele personen van aanzien mochte i blijven (liüofdstnk 153).
c. Weer 11 jaren later, dus 19 jaren 111 do eorste belegering on inneming, werd Jerusalem, dat zich inmiddels versterkt had, onder koning Sedocias, ton derde male bolo-erd en geheel vei woest. Sedecias werd door den overwinnaar ter dood gebracht en geheel het volk van Juda, niet uitzondering van de armsten onder hen, ging den weg der ballingschap.
HOOFDSTUK CXXXVI,
DAN 1 HL EN ZIjN'H GEZELLEN DE REDDIMG VAN' SUS.-VNNA. DE DROOM VAN
NABUCHODONOSOll.
--
nt'ei' l'c voorname jongelingen, die in het 4'' ja.tr der rcgocring van Joakim nit Jerusalem naar Babyion 111 ballingschap togen, liet Nalnichodono.sor door zijn opiierkamerling Asphenez, ecnigen uitzoeken van een gezond lichaamsgestel en j Æ V'L1S van bevatting^ die drie jaren in tie taal cn de wetenschappen der Chaldeen r zouden worden onderwezen, 0111 vervolgens in den dienst van het paleis te treden. ) Verder beval Xabuchodonosnr, dat men het hun aan niets mocht laten ontbreken cn dat hun spijs en drank zou gegeven worden van zijn eigene tafel. Vier dezer jongelingen waren Daniël, Ananias, Misaël en Azarias. Asphenez veranderde hunne namen: Daniël noemde hij Baltassar, Ananias Sidrach, Misaël Misach, en Azarias Abdenago. Daarop stelde hij hen onder de bijzondere zorg cn hoede van den kamerling Malasar.
Als trouwe volgelingen van de Wet van Moses zagen de vier jongelingen, Daniël vooral, er bezwaar in, hun voedsel en evenzoo hun wijn van de koninklijke tafel te ontvangen (wijl sommige spijzen den Joden verboden waren cn de wijn veelal eerst aan de
I
BIjmSCHE GESCHIEDENIS.
afgoden geofferd werd). Daniel gaf dit bezwaar aan Asphenez te kennen, maar deze, vreezende dat een minder krachtige voeding het viertal in lichamelijke ontwikkeling bij de andere jongelingen zou doen achterstaan, durfde van den hem door zijn meester voorgeschreven regel niet afwijken. Daniël waagde bij den kamerling een nieuwe poging: Bepro'-'f, zcide bij tot hein, uwe dienaren gedurende tien dagen, waarin ons niets dan groenten te eten en water te drinken wordt gegeven; vergelijk daarna ons voorkomen met dat der andere jongelingen, die van de koninklijke tafel gespijsd worden, en handel dan niet ons naar bevinding. Malasar willigde dit verzoek in, en toen hij ten bepaalden tijde zag dat de vier jongelingen in schoonheid en lichaamskracht hunne makkers zelfs nog overtroffen, diende hij hun ook voortaan slechts groenten en water op.
God verleende den deugdzamen jongelingen wijsheid en verstand in hooge mate; aan Daniël schonk Hij bovendien de profetische gave, om duistere geheimen en droomgezichten te ontsluieren. Toen zij na drie jaren aan den koning werden voorgesteld, stond deze dan ook verbaasd over hunne kennis en wetenschap. Hij deed hun verschillende vragen over ingewikkelde zaken en vernam uit hunne antwoorden, dat zij tienmaal meer verstand en doorzicht bezaten dan alle waarzeggers en wijzen van geheel zijn rijk, waarom hij hen onmiddellijk tot zijne dienaren aanstelde.
Kort daarna ontmaskerde Daniël door den profetischen geest, waarmede de Heer hem vervuld had, eene ergerlijke misdaad. Er woonde bij Babyion onder ue ballingen een zekere man, Joakim geheeten, die eene zeer schoone en godvreezende vrouw had, met name Susanna. Hare ouders, van ganschcr harte den Heer dienende, hadden in hunne dochter zorgvuldig dezelfde gevoelens aangekweekt en haar trouw in de Wet van Moses onderwezen. Joakim nu was zeer rijk, en in zijn huis, waarbij een groote schoone boomgaard lag, kwamen de Joden, wijl hij do aanzienlijkste onder hen was, dikwijls ter regeling hunner belangen te zamen. Ook werd bij hem, door daartoe benoemde oudsten, op zekere dagen recht gesproken.
In het jaar, waarin onderstaande geschiedenis voorviel, waren door hunne medeballingen tot rechters gekozen twee oudsten van het slag dergenen, van wie de Heer betuigde dat zij het kwaad bevorderden in plaats van het goed. Natuurlijkerwijze bezochten deze mannen, ter uitoefening van hun ambt, veelvuldig Joakims huis en bespeurden bij eenige dier gelegenheden, dat telkens na afloop der rechtspraak, als het volk zich verwijderd had, Susanna in den boomgaard van haren echtgenoot ging wandelen. Dit onstak in hen het vuur der begeerlijkheid. Zij sloten hunne oogen, om den hemel niet meer te zien, en de oordeelen Gods niet te gedenken, wijl zij in hun hart hadden vastgesteld, het kostte wat het wilde, aan hunne schandelijke neigingen voldoening te verschaflcn. De een droeg echter van het plan des anderen geen kennis; totdat op zekeren middag-, na zich reeds verwijderd te hebben om tehuis te gaan eten, beiden langs een omweg op hunne schreden terugkeerden en elkander ontmoetten. Van weerszijden naar de oorzaak hiervan vragende, beleden zij elkander wat in hun hart omging en besloten nu te zamen hun
voornemen uit te voeren.
Met dat doel verborgen zij zich op een bepaalden dag in een afgelegen hoek van den boomgaard. Als naar gewoonte ging Susanna hare wandeling verrichten, toen zij na eenigen tijd de twee dienstmaagden, die haar vergezelden, naar huis zond, om olie en zeep te halen, wijl zij zich in den boomgaard (bij een vijver of waterleiding) wilde wasschen. De dienstmaagden deden wat haar bevolen was, gingen daarop weder heen en sloten de deludes boonigaards dicht. Nu kwamen de beide rechters uit hun schuilhoek te vooischijn, traden op Susanna toe en zeiden haar: Zie, de deur van den boomgaard is gesloten; niemand ziet ons; wij zijn van liefde tot u ontvlamd; voldoe aan ons verlangen. Weigert gij, dan zullen wij tegen u getuigen, dat een jongeling u hier wachtte, en dat gij daarom uwe dienstmaagden hebt weggezonden. Met een diepe zucht antwoordde zij: Ach, van alle kanten word ik in het nauw gebracht! Willig ik uw eisch in, dan maak ik mij (voor God)
33»
333
des doods schuldig; weiger ik, dan zal ik uwe handen (uwe wraak) niet ontkomen. Doch het is mij beter zonder het plegen der daad in uwe handen te vallen dan te zondigen voor het aanschijn des Heeren. Daarop begon zij luide om hulp te schreeuwen; maar de beide minnen schreeuwden insgelijks, en een hunner liep naar de deur des boomgaards, welke hij opende. Toen de dienstboden des huizes het geroep hoorden, snelden zij door een zijdeur den boomgaard binnen. Hier van den oudsten vernemende, dat een jongeling met Susanna zou gezondigd hebben, werden zij rood van schaamte, want uooit hadden zij van hare godvreezende meesteres iets dergelijks gehoord.
Des anderen daags, toen het volk wederom in Joakims huis bijeenkwam, verschenen ook de beide rechters en spraken; Men late Susanna halen, de dochter van Helcias en echtgeuoote van Joakim. Aan dit bevel werd voldaan, en weldra trad de deugdzame vrouw de gerechtszaal binnen, gevolgd door hare ouders, hare kinderen en al hare bloedverwanten. Wreedaardig rukten de beide rechters haar den sluier, waarmede zij gedekt was, voor het aangezicht weg, om zelfs nog op dezen oogenblik zich in hare schoonheid te verlustigen. Susanna weende en allen die haar kenden weenden met haar. Terwijl zij in het midden des volks geplaatst, vol vertrouwen op den Heer, het vochtig oog ten hemel richtte, legden de beide oude booswichten hunne handen op haar hoofd en getuigden; Toen wij alleen in den boomgaard waren, zagen wij deze met hare twee dienstmaagden daar binnen gaan; zij zond de dienstmaagden weg en sloot de deur. Daarop naderde haar een jongeling, die zich in den boomgaard verscholen had, en zondigde met haar. Wij spoedden ons naar de plek, waar zulks geschiedde, maar den jongeling kouden wij niet vasthouden, omdat hij sterker was dan wij; hij opende de deur en vluchtte. Deze echter grepen wij en vroegen haar wat het voor een jongeling was, maar zij wilde het ons niet zeggen. Dit nu getuigen wij.
Het volk geloofde de beide mannen als oudsten en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. Op het hooren dezer onrechtvaardige uitspraak wendde zij zich tot den Heer en riep met luide stem: lieuwige God, Doorgronder der verborgenheden, die alles weet eer het geschiedt, u is het bekend, dat zij valsche getuigenis tegen mij hebben afgelegd, en zie, ik moet sterven, ofschoon ik niets gedaan heb van al wat dezen boosaardig tegen mij verzonnen hebben. Dat gebed klom op tot den troon des Allerhoogsten, en toen men Susanna naar buiten voerde, om het vonnis aan haar te voltrekken, werd Daniel, die nog een knaap was, door den geest des Heeren bezield en riep ten aanhooren der gansche menigte: Ik ben onschuldig aan haar bloed! Het volk zag om en vroeg: Wat is dit voor een woord, hetwelk gij geroepen hebt? Daniël plaatste zich in het midden van den optocht en sprak: Zonen van Israël, zijt gij zoo dwaas, om zonder onderzoek en zonder kennis der waarheid eene dochter Israëls te veroordeelen? Keert naar de gerechtszaal terug, want dezen hebben valsche getuigenis tegen haar gesproken. Overeenkomstig dien raad werd gehandeld.
Zoodra men zich weder in de gerechtszaal bevond en Daniël door de voornaamsten uitgenoodigd was de rechtspleging te leiden, gebood hij: Verwijdert de beide mannen ver van elkander en ik zal hen in verhoor nemen. Daarop liet hij den een voor zich brengen en sprak hem toe: Oude booswicht, nu komen uwe misdaden aan het licht, die gij eertijds begaan hebt met onrechtvaardige oordeelen te vellen, de onschuldigen te verdrukken en de schuldigen vrij te spreken. Welaan, indien gij Susanna betrapt hebt, onder welken boom dan hebt gij haar met den jongeling zien spreken? Onder een mastikboom, luidde het antwoord. Daniël zeide: Tot uw eigen verderf hebt gij gelogen. Daarna zond hij hem heen en het den ander komen. Dezen sprak hij toe: Gebroed van Chanaan en niet het zaad van Juda ! de schoonheid heeft u verlokt en de booze lust uw hart verkeerd. Zoo hebt gijlieden met de dochteren Israëls gehandeld, en uit vrees lieten zij zich met u in, maar deze dochter Juda's bewilligde uwe boosheid niet. Welaan, zeg mij onder welken boom hebt gij haar met een jongeling zien spreken? Onder een steeneik, luidde het. Ook gij, sprak Daniël, hebt gelogen tot uw verderf. Vol vreugde over deze ontmaskering der beide oude schelmen en over het redden der onschuld, prees en verheerlijkte het volk met luide stemme God den
554 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS.
Heer, die degenen behoudt, welke op Hem hopen. Daarna voerde men de beide oudsten naar buiten, om volgens de Wet van Moses aan hen te doen, wat zij door hunne valsche getuigenis voornemens geweest waren aan een onschuldige te berokkenen. Helcias en zijne vrouw zonden voor de redding hunner dochter, tegenlijk met Joakim , haar man, en met geheel hare maagschap, hun hartelijke zegenbeden hemelwaarts, en al'.en prezen God wijl er in Susanna geen vlek was bevonden. En wat Daniel betrof, zijn naam werd groot en geëerd bij al hel volk.
Weldra zou hij het eveneens worden bij den koning. Nabuchodonosor had namelijk in zekeren nacht een zonderlingen droom, waarvan hem des morgens nog de schrik was bijgebleven, hoewel hij den droom zelf had vergeten. Hij ontbood nu alle waarzeggers, wijzen, tooveraars en Chaldeeuwsche priesters en sprak tot hen; Ik heb een droom gehad, die mij zeer deed ontstellen; maar wat ik zag, weet ik niet meer. De priesters spraken daarop: Eeuwig leve de koning! deel uwen dienaren den droom mede, en wij zullen zeggen wat hij beduidt. De koning hervatte: De zaak is mij ontgaan; niettemin, zoo gij mij den droom en zijne beteekenis niet meldt, zult gij sterven, en uwe huizen zullen in het openbaar verkocht worden. Andermaal spraken de priesters: De koning deele zijn droom aan zijne dienaars mede, en wij zullen er de verklaring van geven. De koning antwoordde: Waarlijk, ik begin te bespeuren, dat gij uitvluchten zoekt, daar gij weet, dat de zaak mij ontschoten is. Daarom, als gij mij den droom niet meldt, dan kan ik het er slechts voor houden, dat gij eene valsche en bedriegelijke uitlegging wilt verdichten. Zegt mij derhalve den droom, opdat ik hieraan (dat u zulke geheime zaken bekend zijn) weie, dat ook uwe uitlegging waar is. Daarop spraken de priesters: Geen mensch is er op de wereld, o koning, die uw gebod kan vervullen; en geen heerscher, hoe groot en machtig hij ook moge zijn, zal ooit een dergelijke zaak van een waarzegger, wijze of priester vorderen. Dien ei .ch toch kan niemand nakomen dan alleen de goden, die echter met den mensch niet omgaan. Toen de koning dit hoorde, ontstak hij in hevige gramschap en beval, dat alle wijzen van Babyion (ouder welke men ook Daniël eu zijne vrienden rekende) zouden om hals gebracht worden.
Met de uitvoering van dit bevel werd belast Arioch, de overste der lijfwacht, loen hij bij Daniël kwam om hem te dooden, vroeg deze uit wat hoofde een zoo gruwzaam vonnis was geveld. De overste der lijfwacht verhaalde het hem, en nu spoedde Daniël met Ariochs goedvinden zich naar den koning en verzocht een kort uitstel, om te bidden en daarna Nabuchodonosor den droom en zijne beteekenis mede te deelen. Zoodra hem dat uitstel verleend was, snelde hij naar zijn huis, maakte Ananias, Misaël en Azarias het voorgevallene bekend en smeekte met hen den Heer om licht en genade. Hnn gebed werd verhoord: des nachts openbaarde God aan Daniël het geheim , voor welke weldaad de jeugdige proleet allereerst zijn hart in een vurige dankzegging uitstortte. De Naam des Heeren, sprak hij, zij gezegend van eeuwigheid tot eeuwigheid! Hem is de wijsheid en de macht; Hij veiandeit de tijden en den wereldloop, rukt koninkrijken omver en sticht nieuwe; Hij openbaait de diepte der verborgenheden; Hij weet wat door de duisternis is; bij I lem is het licht. L' God mijnei \ adeien, dank ik, U loof ik; want Gij hebt mij wijsheid en kloekheid gegeven; Gi) hebt mij datgene aangetoond waarom wij tl gebeden hebben; Gij hebt ons de zaak des konings geopeubaaul.
Daarop begaf hij zich tot Arioch en sprak: Dood de wijzen des konings niet; bieng mij bij den koning; ik zal hem de oplossing geven. Arioch spoedde zich naai den gebieder en zeide: Ik heb iemand gevonden onder de weggevoerde zonen Judas, die den koning het geheim zal bekend maken. Daniël werd nu voor Nabuchodonosor gebracht, en deze vroeg hem; Meent gij inderdaad mij te kunnen zeggen, wat ik gedroomd heb, en het te kunnen uitleggen? Het antwoord luidde: Het geheim, dat de koning wenscht te weten, kunnen de wijzen, de geleerden, de waarzeggers en de teekenduiders den koning met verklaren; maar er leelt een God in den hemel, die de verborgenheden openbaart, en die aan u bekend gemaakt heeft, wat geschieden zal in de verre toekomst. De dioom, dien gij gehad hebt, was deze: Gij begont, op uw bed liggende, te oveidenken, wat later gebeuren zou, en Hij (de Heer), die de geheimen ontsluiert, toonde hel u. Gij zaagt, o
335
koning; en zie, er stond een groot standbeeld. Dit was hoor* en verheven; het stond recht voor u, en het was verschrikkelijk om aan te zien. Het hoofd des standbeelds was gemaakt van het fijnste goud; de borst en de armen waren van zilver, de buik en de lenden van koper, de beenen van ijzer, terwijl een gedeelte der voeten insgelijks van ijzer, een ander gedeelte van pottebakkers-leem was. Zoo was uw verschijning , toen een steen van den berlt;T losliet, zonder toedoen van nunschenhanden. Hij rolde tegen de voeten des standbeelds aan, die gedeeltelijk van ijzer, gedeeltelijk van leem waren, en verbrijzelde ze. Tegelijker tijd werden verbrijzeld het ijzer, het leem, het koper, het zilver, het goud, en alles te zamen werd als het stof op een dorsciivloer in den zomer, dat de wind meevoert, zoudat hut nergens meer te vinden is. De steen echter, die tegen liet beeld was aangerold, werd tot een grooten berg, die de geheele aarde vervulde. Die was uw droom, o koning, en wij zullen u ook zijne beteekenis verklaren. Gij zijt de koning der koningen. De God des hemels heeft u liet oppergebied en sterkte en heerschappij en heerlijkheid geschonken, en alle.s, zoover er mensclien en dieren des velds wonen, zelfs de vogelen des hemels, heeft hij in uwe handen gegeven, en alles gesteld onder uw bestier. G j das zijt het gouden hoofd. Eu na u zal er een ander rijk ontstaan van zilver (hot rijk der Perzen en Meden) en daarna een derde rijk van koper, dat (insgelijks) de geheele wereld zal beheerschen (het rijk der Macedoniërs). En het vierde rijk zal als ijzer wezen (liet rijk der Romeinen); gelijk ijzer alles verbrijzelt en in kracht overtreft, zoo zal dat rijk alles verbrijzelen cn verpletteren. Dat gij voorts de voeten en teenen gedeeltelijk van leem, gedeeltelijk van ijzer zaagt gemaakt, beteekent dat dit rijk verdeeld zal worden, en dat het deels sterk, deels zwak zal zijn. In de dagen nu van dat vierde rijk zal de God des hemels een rijk stichten (het rijk van Christus, de Kerk), dat nimmer zal verstoord, nimmer in de handen van een ander volk zal geleverd worden. Het zal al deze rijken vernietigen en verteren, en zelf in eeuwigheid vaststaan. Dienovereenkomst g hebt gij gezien, dat zich een steen van den berg zonder toedoen van menschenhanden losliet en leem, ijzer, koper, zilver en goud verbrijzelde. Aldus heeft de groote God u, o koning, geopenbaard wat in de toekomst gebeuren zal ; de droom is waar en de beteekenis zeker.
Zoodra Daniël opgehouden had met spreken, wierp Nabnchodonosor zich op zijn aangezicht voor hem ter aarde, aanbad hem en beval dat in.ii hem slachtollers en wierook zou opdragen, (Daniël kwam ongetwijfeld daartegen in verzet met de verzekering dat hij slechts een eenvoudig werktuig was in de hand des Almachtigen, die hem deze zaken geopenba rd had.) En nu sprak de koning tot hem: Waarlijk, uw God is de God der ,i;oden, de Heer der koningen en de openbaarder der verborgenheden, zoodat gij dit geheim kondt ontsluieren. Daarop verhief N.ibucliodonosor Daniël tot hooge waardigheden en gaf liem vele geschenken ; hij stelde hem aan als vorst over de geheele provincie Babyion en maakte hem tot opperste van alle wijzen. Daniël echter bad den koning hem van liet bestuur over genoemde landstreek te ontheiïen, waarop in zijne plaats aangesteld werden Sidrach. Misach cn Abdenago, terwijl hij zelf als koninklijke raadsman aan het hof verbleef.
1. Dat Nabnchodonosor, na ilo even nauwkeurige als uitvoerige meJeJeeling van zijnen droom en zijne beteekenis, Daniel ais een hooger wc/cm , oen Go.i otquot; lialf-god wilde aanbidden. Iaat zich van een heidon lichtelijk verklaren; te e or der nog, wijl de Chaldeeuwsche priesters den koning ten stelligste verzekerd hadden, dat niemand zijn eisch kon vervuilen tenzij alleen de ^'oden. Daniël moest dus een dier uien zijn,
hen soortgelijk g val deed zich ten tijde du- Apostelen vdjt te Lystre, ecne stad van Lvcimië in Klein-Azië. loen Paulus, vergexeld van Barnabas daar op wonderdadige wijze een kreupele hul gene/en, riep het volk uit: «De goden zijn tot ons nedergedaald,quot; en de priesters van jupiter maakten reeds toebereidselen, om Paulus en Harnabas een oiler van st.eren op te dragen. Dit werd dooi' den Apostel en zijn metgezel verhinderd. Beiden verklaarden, dat zij geen goden maar gewone stervelingen waren, die den écnen God kwamen verkondigen. Handelingen der A post. XIV. â Hen zelfde verklaring heelt zonder twijfel Dauiél afgelegd, wijl Mabu-chodonosor onmiddelijk na zijn eerste plan den God des hemels loofde en verheerlijkte. Dat hij evenwel in deze gesteldheid niet lang volhardde, blijkt uit he; volgende hoofdstuk.
2. Hoe oud Daniël was toen hij Susanna van den dood redde, is niet met zekerheid te bepalen; de H. Scbrift noemt hem tijdens die geschiedenis een knaap of jongeling. Vermoedelijk kon hij tusschen de ia en 20 jaren geweest zijn.
53amp;
HOOFDSTUK CXXXVII.
DE DRII! JONGE M.VNNTN IN DF.N GLOF.IF.NDEN OVEN. NABUCMODONOSORS HOOGMOED EN STRAE. EV1L-MEROÃAC11.
J», Jie dagen deed Nabuchodonosor een gouden standbeeld vervaardigen, dat (met het voctsuik) een hoogte van 60 en cenc dikte van 6 elleboogsmaten had, en ll^ bestemd was, om in de groote vlakte van Dura in de provincie Babyion te worden opgericht, Tot bet bijwonen der oprichtingsfeesten liet hij uitnoodigen alle lifquot; landvoogden, aanvoerders, rechters, schatmeesters, edelen, bevelhebbers en alle o\er-1 sten van provinciën. Op den dag der plechtigheid, toen allen vergaderd waren, kondigde een heraut met krachtige stem bet bevel af; Dit zij u kenbaar gemaakt, volken, stammen en talen; Zoodra gij het geluid der trompetten, fluiten, citers, hoorns, snarentuigen, scbalmeien cn alleilei soort van muziekinstrumenten verneemt, zult gij u nederbuigen en het oouden standbeeld aanbidden; indien iemand zich niet nederbuigt en aanbidt; zal bij quot;e worp en worden in een gloeiende oven. Allen gehoorzaamden, uitgezonderd de drie oversten Ananias, Misaël en Azarias. Eenige Chaldeën, wien dit in het oog viel, naderden daarop den koning cn zeide; Eeuwig leve de koning! gij, o koning, hebt bevolen, dat allen het gouden standbeeld zouden aanbidden en dat hij, die het niet deed, in den gloeienden oven zou geworpen worden. Welnu, daar zijn joodscbe mannen, die gij tot oversten der provincie Babyion hebt aangesteld, Sidrach , Misach en Abdenago; deze mannen, o koning, verachten uw bevel; zij eeren uwe goden niet en weigeren het gouden standbeeld te aanbidden. Nabuchodonosor in gramschap ontstoken, deed Ananias, Misael en Azarias voor zich komen en vroeg bun; Is het waar Sidrach, Misach en Abdenago, dat gij mijne goden niet eert en het standbeeld, dat ik liet maken, niet aanbidt? Welaan, zoo gij alsnog daartoe bereid zijt, buigt u dan op het hooren der muziekinstrumenten neder en aanbidt; doet gij het niet, dan wacht u op hetzelfde oogenblik de gloeiende oven; en wie is de God, die u uit mijne handen bevrijdt? De drie mannen antwoordden: Zie, onze God, dien wij vereeren, is bij maclite ons uit uwe handen, o koning, te redden; doch ook al heeft Hij het anders besloten, zoo weet, o koning, dat wij evenwel uwe goden niet eeren, er. het standbeeld, dat gij opgericht hebt, niet aanbidden.
D.ior deze fiere taal klom Nabuchodonosors toorn ten top ; zijn gelaat nam een vreeselijke uitdrukking aan cn hij gelastte, dat de oven nog zevenmaal zoo heet zou gestookt worden. Zijne dienaren haastten zich aan dit gebod te voldoen, en een nieuwe voorraad hars, vlasstoppelen, pek en takkebossen deed weldra de vlammen tot een huishoogte ten oven uitslaan. Nu werden de drie mannen gegrepen, geboeid en, omdat de koning op spoed aandrong, met hunne kleed eren, tulbanden, schoenen en al in den vuurgloed geworpen. De dienai en , die hen er in wierpen, werden door de ontzettende hitte gedood; zij zeiven echter leden niet het minste letsel. Het vuur verteerde slechts de touwen waarmee zij gebonden waien, en een engel des Hcercn daalde met hen in den oven af, dreef de vlammen naar buiten en verwekte daarbinnen een trisschen, verkwikkenden luchtstroom. De drie mannen wandelden met den engel in den oven rond, God lovende en prijzende, en Azarias zong een heerlijken lofzang, beginnende met de woorden; Gezegend zij de Heer de God onzer vaderen; geprezen
en hooggeloofd zij zijn Naam in eeuwigheid.
Met dc grootste verbazing zag Nabuchodonosor in de verte dit schouwspel aan; hij stond van zijn zetel op en zeide tot zijne hovelingen; Hebben wij niet drie mannen 111 het vuur geworpen? en zie, ik ontwaar er vier; zij wandelen te midden van den gloed, zonder op eenigerici wijze gedeerd te worden, de vierde schijnt een bovenaardsch wezen. Daarop
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 337
naderde hij lot op eenigen afstand den mond des ovens en riep: Sidrach , Misach en Abde-nago, dienaren van den allerlioogsten God, komt er uit! Ren oogenblik later stonden de geroepenen voor den koning, omringd van de landvoogden, rechters en machtigen, die hen met stomme ontzetting aanschouwden, want zelfs geen haar op hun hoofd was geschroeid. Nu sprak Nabuchodonosor: Gezegend zij hun God, de God van Sidrach, Misach en Abdenago, die zijn engel gezonden en zijne dienaren gered heelt, welke op Hem vertrouwden; zij deden anders dan de koning beval ; zij gaven hunne lichamen over (aan het vuur) liever dan den koning te gehoorzamen en een anderen God te aanbidden dan den hunne. Daarom beveel ik, dat ieder, van welke afkomst of taal, die eene lastering uitspreekt tegen den God van Sidrach, Misach en Abdenago, zal sterven, en dat zijn huis verwoest worde; want er is geen andere God, die zoodanige redding kan schenken.
Geruimen tijd later had Nabuchodonosor des nachts andermaal een droom, waarover hij zeer ontstelde. Hij zag een boom, welks kruin tot den hemel reikte en die over de geheele aarde kon gezien worden. Het loof des booms was zeer schoon en hij droeg overvloedige vruchten. Onder zijne schaduw rustten de tamme en wilde dieren; de vogelen des hemels zetten zich neder in zijne takken, en al wat leven had ontvangen, at van hem. Doch een engel daalde uit den hooge neder en riep met sterke stem: Hakt dien boom om, kapt zijne takken weg, schudt hem zijn loof af en verstrooit zijne vruchten, dat de dieren onder hem en de vogelen uit zijne takken wegvluchten! Laat echter den stomp zijns wortels in de aarde blijven. Hij worde daar buiten in het gras aan ijzeren ketenen gelegd, door den dauw des hemels bevochtigd (aan weer en wind prijs gegeven), en met de dieren hebbe hij zijn deel aan de kruiden der aarde. Zijn menschenhart worde hem ontnomen en hem het hart van een wild dier in de plaats gegeven; zoo zullen zeven tijden over hem heengaan.
De koning stelde den droom voor aan zi|ne wijzen en waarzeggers, maar niemand kon hem dien uitleggen. Eindelijk wendde hij zich tot Daniël en sprak: Baltassar, opperste der teekenduiders, ik weet dat gij den geest der heilige goden bezit en dat geen geheim voor u ononthulbaar is; verhaal mij de beteekenis des drooms. Daar Daniël nog bleef zwijgen, moedigde de koning hem aan met de woorden: Baltassar, laat de droom en zijne uitlegging u niet bevreesd maken. Daarop begon de profeet: Mijn gebieder, de droom kome over hen die u haten, en zijne beteekenis over uwe vijanden! De boom, dien gij gezien hebt, welks kruin ten hemel reikte en die over de geheele aarde zichtbaar was, waarvan de twijgen schoon en de vruchten overvloedig waren, en op welks takken de vogelen des hemels zich nederzetten â gij zijt het, o koning, die groot en machtig werd; uwe macht groeide aan en reikte ten hemel, en uwe heerschappij strekte zich uit over geheel de aarde. Dat gij echter een heiligen wachter (een engel) uit den hooge zaagt neerdalen, die sprak: Velt den boom en verderft hem, maar laat den stomp zijner wortelen in de aarde blijven; met ijzer worde hij geboeid daarbuiten in het gras; de dauw bevochtige hem, en zijn voedsel zij met de wilde dieren, totdat zeven tijden over hem zijn voorbij gegaan â dit is hiervan de verklaring krachtens het vonnis des Allerlioogsten, dat over mijn gebieder geveld is. Men zal u uit de omgeving der menschen stooten, en bij het vee en de wilde dieren zal uwe woning zijn; gij zult gras eten gelijk een os, en van den dauw des hemels zult gij nat worden; zeven tijden zullen aldus verloopen , totdat gij erkent dat de Allerhoogste over het rijk der menschen heerscht en dat Hij het geeft aan wien Hij wil. Daar er echter bevolen is, den stomp der wortelen te laten staan, zoo zal uw koningrijk aan u verblijven, nadat gij de macht des Hemels zult erkend hebben. Dat u daarom, o koning, mijn raad behage: Koop uwe zonden af door aalmoezen en uwe misdaden door barmhartigheid jegens den arme; wellicht scheldt God dan uwe overtredingen kwijt.
Een jaar nadien, terwijl Nabuchodonosor op het platdak van zijn paleis wandelde en met welgevallen zijne blikken liet weiden over de prachtige gebouwen en verdedigingswerken, die hij had opgetrokken, zeide hij tot zich zeiven: Is dit niet het groote Babyion, dat ik mij tot huis de^ koningrijks heb gemaakt, door de kracht mijner sterkte en tot
43
33»
luister mijner heerlijkheid? Pas was het laatste woord hem van de lippen, ot er kwam eene stem uit den hemel die sprak; U, koning Nabuchodonosor, wordt aangezegd: Uw rijk zal u worden ontnomen; men zal u uit de omgeving der menschen stootcn; gras zult gij eten als een os, en zeven tijden zullen er verloopen, totdat g.j weet, dat de Allerhoogste regeert.
Op het eigen oogenblik ging het vonnis in vervulling: de trotsche heerschcr werd niet verlies van het menschelijk bewustzijn geslagen en uit het gezelschap der menschen verwijderd; buiten in het veld, waar hij zich ophield, at hij gras gelijk een dier; zijne haren groeiden als adelaarsvederen en zijne nagels werden als die van roofvogels, lang en krom. Ten laatste (in een helder oogenblik) erkende hij de hand des Hecren, beleed de eeuwige heerlijkheid Gods, die duurt van geslacht tot geslacht, en ontving zijn wrstand en zijn menschelijk voorkomen terug. Door zijne vorsten opgezocht en in het rijksbestuur hersteld, deelde hij hetgeen met hem was voorgevallen in een uitvoerig schrijven mede, eindigende met de woorden: Ik, Nabuchodonosor, prijs en verheerlijk daarvoor den Koning des hemels; al zijne werken zijn waarachtig, al zijne wegen gerecht, en degenen, die in trotschheid daarheen wandelen, kan Hij deemoedigen.
Gedurende Nabuchodonosors overige levensdagen namen zijne macht en zijn aanzien nog toe, en bij zijn dood, ongeveer 44 jaren na de eerste wegvoering der Joden naar Babyion, werd hij opgevolgd door Evil-Merodach (luidens de ongewijde geschiedenis zijn zoon). De nieuwe heerscher ontsloeg Joachin, voorlaatsten koning van Juda, uit den kerker, waarin hij na de tweede inneming van Jerusalem, door Nabuchodonosor was opgesloten, en verhief hem niet alleen boven alle vorsten des rijks, maar deed hem bovendien dagelijks aanzitten aan zijn disch en schonk hem levenslang een inkomen uit de openbare schatkist.
1. Bij dc oprichtingsfcesten van het waarschijnlijk aan den Babylonischcn hoofd-afgod gewijde standbeeld was Daniël, om eene onbekende reden, niet tegenwoordig.
2. Volgens dj berichten van verschillende oude schrijvers, o. a. van Berosus â een in de Grieksclieletterkunde onderwezen Chaldeeuwsche priester uit den tijd even na Alexander den Groote â en van Flavins Josephus, veroverde Nabuchodonosor niet alleen geheel Voor-Anië, maar ook 1-^ypte; terwijl bovendien Megastliencs â een tijdgenoot van Herosus â van hem getuigt, dat hij zijne krijgstochten zell's tot de Zuilen van Hcrkules, de zee-engte tnsschen Spanje en Afrika, uitstrekte. Zoo was hij inderdaad de boom, die gezien kon worden aan de uiteinden der gansche toenmaals bekende aarde.
3. Hcne oude Joodsche overlevering wil, dat Nabucho.ionosor na zijn herstel in het rijksbestuur zijn zoon l-vil-Merodach deed opsluiten in denzelfden kerker, waarin koning Joachin van Juda gevangen zat. Is dit waar, dan laat bovenvermelde handelwijze des nieuwen gebieders opzichtens genoemden Joachin zich te gereeder verklaren.
4. In het volgende hoofdstuk wordt gehandeld over een koning van Babylon, die Baltassar heette. Wie deze geweest is, valt niet met zekerheid te bepalen, lenigen meenen, dat hij de/elfde persoon was, die elders Hvil-Merodach genoemd wordt. Dit is evenwel, uithoofde van Jeremias XXVII: 7 â waar gezegd wordt: »Alle volken zullen hem (Nabuchodonosor) en zijn zoon alsook den zoon zijns zoons dienen â moeielijk aan te nemen, ten/ij men livil-Merodach reeds voor een kleinzoon van Nabuchodonosor houde. Anderen willen d.ui ook, naar het schijnt met meer recht, in Baltassar eerst den derden of vierden opvolger van Nabuchodonosor zien. Uit de II. Schrift blijken op dat punt slechts twee zaken: lt;/, dat Baltassar de laatste vorst was uit het Chaldeeuwsche koningshuis, en h, dat hij Nabuchodonosor zijn vader noemde. Dit woord vader beslat nochtans weinig. Evenals de H. Schrift niet alleen werkelijke broeders en zusters, maar ook neven en nichten, zelfs achterneven en achternichten allen onder den gemeenschappelijken naam broeders en zusters samenvat, zoo gebruikt zij ook voor vader, grootvader, overgrootvader enz. meestal hetzelfde woord vader.
De ongewijde geschiedschrijvers kunnen hier misschien eenig licht bijbrengen, hoewel hunne opgaven niet geheel overeenstemmen noch in het aantal koningen noch in dat van dezer regeeringsjaren.
Zoo bv. meldt de koningslijst van Berosus het volgende:
a. Nabuchodonosor regeerde 43 jaren (dit komt overeen met de II. Schrift). Op hein volgde:
/;. E v i 1 - m a r o d o ch u s, die 2 jaren onrechtvaardig en goddeloos regeerde. Hij werd vermoord door den man zijner zuster, met name:
c. Ne ri gl os sooru s, die 4 jaren aan het bewind bleef en opgevolgd werd door zijn jeugdigen zoon, genaamd:
d. Laboroso-archad us, die na 9 maanden door zijne rijksgrooten werd omgebracht. Dezen riepen daarop tot koning uit:
e. Nabonnedus, die 17 jaren geregeerd had, toen Cyrus, koning der Perzen, hem overwon en hem het rijk ontnam,
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Megastlienes sclirljft woordeliik het volgende! «Na (lt;i) Xabucliodonosor regecnle zijn /0011 (h) Amil-marudocus.
Hem vermoordde (c) Iglisares, die het njk naliet aan (il) Lubasso-orascus, zijn zoon. Nadat deze een geweldigen dood gestorven was, werd hel rijk gegeven aan (lt;â ) Nabannidochus: Daarop nam Cyrus Babylon in.quot;
De Astronomisclie Canon van Ptolomeiis geeft één koning, Laboroso-arcliadus, minder op dan beide bovengenoemde schrijvers. Henigsins andere opgaven levert Flavins Josepluis; hij kent o. a. aan Neriglossoorus 40 regeeringsjaren toe. terwijl, gelijk boven blijkt, Uerosus hen slechts 4 jaren geeft, Herodotus heeft weer geheel andere namen en andere jaartallen.
Baant men zich door deze verschillende gegevens met hunne overeenstemmende en uiteenloopende punten een weg en herinnert men zich bovendien, dat de liabvlonische heerschei-s dikwijls twee en meer namen droegen, dan komt men, wel niet met zekerheid, maar toch met eenige waarschijnlijkheid, uit de elkander aanvullende berichten der II, Schrift en der ongewijde geschiedenis tot de volgende slotsom;
Op Xabuchodonosor volgde zijn zoon hvil- 1 â rodacli. Daarop ging tijdelijk de regeering in een ander huis over, dat binnen liet verloop van 4 of 5 jaren een of twee koningen opleverde, totdat door de rijksgrooten in Baltassar-Nabonncdus, een kleinzoon van Evil-Merodai h , het huis van Nabnchodonosor op den troon werd hersteld liet was niet van belang ontbloot dit vraagstuk hier uiteen te zetten, omdat het ongeloof onzer dagen de oude ongewijde gescliiedschrijvcrs in strijd puogt te brengen met de 11. Schrift en daardoor het gezag van laatstge-noenide zoekt te ondermijnen. Aan dit eene voorbeeld /,1! de oplettende lezer genoeg hebben, 0111 te zien dat bij andere voorkomende gevallen, die natuurlijk, om dit werk niet te uitgebreid te maken, stilzwijgend moeten worden voorbijgegaan, de zoogenaamde moeilijkheden tegen de H. Schrift gemakkelijk kunnen worden opgelost, of, wat een enkel maal het geval is, als volkomen ongerijmd wurdeii aangetoond.
v Onder lialtassars rogeering voorspelde Daniël reeds de toekomstige verovering van het nieuwe l'erzisehe rijk door Alexander den Grootc en den op Alexanders dood volgenden strijd tusschen diens veldheereu tot op de dagen der Macliabeen, zooals later, in de inleiding tot het zevende tijdvak zal vermeld worden.
IJOOFDSTUK CXXXV1II.
D A N 11- L H N K O N 1 N G B A L 1' A S S A R.
---â â----
1 P zc^crequot; J-ig (aan de vereering der gezamenlijke afgoden gewijd) rechtte koning 4^;^ h.ilt.issa: te li.ibylon voor zijne duizend rijksgrooten een luisterrijk feestmaal aan, waai op ieder geëerd en onth.iald werd volgens zijn rang. Toen dc wijn den koning besangen had, gebood hij, dat men de door Xabuchodonosor uit den tempel j te Jerusalem gerooide heilige vaten zou brengen, wijl hij met zijne vrouwen, en i nevenvrouwen daaruit wilde drinken. De vaten werden gebracht; allen dronken er uil en .ooiden cn pie/en hunne gouden, zilveren, koperen, ijzeren, steencn en houten godi.n. Op hetzellde oogenblik verschenen er, tegenover den grooten kroon-kandelaar, op den muur mensehenvingers, die daarop geheimzinnige letters schreven. Hij dat irezicht vcibleekte B.iltassar; al!c zijne ledematen beelden, zijne knieën sloegen tegen elkander, en met luide stemme riep hij, dat men de wijzen, priesters en teekenduulers zou oniH.den. Zoodra zij verschenen waren, sprak de koning tot hen: Wie uwer dit schrift kan lezen en mij de beteekenis er van vendaart, zal in purper worden gedost, hij zal een gouden keten om zijn hals ontvangin cn de derde zijn in mijn rijk. Daar alle wijzen op dal woord zwegen, weid de koning nog veel meer beangst, cn ook van zijn rijksgrooten maakte zich de schrik meester.
landelijk trad de koningin (waarschijnlijk de koningin-moeder), wie het gebeurde ter oore was gekomen, dc zaal binnen, groette Haltassar en sprak: Laat uwe vrees u niet kwellen en dat uw gelaat niet verblceke; er leeft toch in uw rijk een man, die den geest der goden bezit, en bij vvkai in de dagen uws vaders wijsheid en wetenschap zijn bevonden; uw vader, koning Mabuchodonosor, heeft hem dan ook aangesteld als het hoofd van alle wijzen. Laat dus Daniël roepen, hij /,il u de begeerde verklaring geven. Die raad werd opgevolgd, cn dc koning sprak tot den profeet: Zijt gij Daniël, dien mijn vader uit ludea hierheen heeft gevoerd? ik hoor van u, dat gij de duistere dingen kunt uitleggen en de verborgene kunt onthullen; de wijzen konden dit schrift niet lezen en er de beteekenis niet
lt;
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
van verklaren; vermoogt gij het, dan zult gij in het purper worden gedost, een gouden
keten zal uw hals versieren, en gij zult de derde zijn in mijn rijk.
Daniel antwoordde den koning; Dat uwe geschenken de uwe blijven of verleen uwe gaven aan een ander j maar het schrift, o koning, zal ik lezen en er n den zin van aantoonen. bod de Allerhoogste, o koning, heeft uwen vader het rijk, groote macht, eer en heerlijkheid geschonken; en om de macht, hem door God verleend, vreesden en sidderden voor hem alle volken, stammen en talen; hij doodde wien hij wilde, verhief wien hij wilde en vernederde wien hij wilde. Doch toen zijn hart opgeblazen werd en zijn geest zich verstoutte tot trotschheid, werd hij van zijn troon gestort, en zijne heerlijkheid hem ontnomen. Hij werd uitgeworpen uit de menschenkinderen; zijn hait werd den wilden dieren gelijk, en zijne woning was met den woud-ezels. Hij at gras als een os, en zijn lichaam werd door den dauw bevochtigd (aan weer en wind prijs gegeven), totdat hij erkende, dat de Allerhoogste macht heeft in het rijk der menschen en daarover aanstelt wien het Hem behaagt. En gij, zijn zoon Baltassar, hoewel gij dal alles wist, hebt uw hart niet verootmoedigd maar het tegen den Gebieder des hemels verheven; de heilige vaten zijns huizes liet gij u brengen, en gij, benevens uwe machtigen, uwe vrouwen en nevenvrouwen dronkt wijn daaruit. Gij loofdet daarbij uwe gouden, zilveren en andere goden, die niet zien, niet hooien en geen gevoel hebben; maar den God, die uw adem en al uwe wegen in zijne hand heeft, hebt gij niet verheerlijkt. Daarom werden door Hem op den muur de vingeren gezonden, welke schreven wat daar staat.
Dit nu is het schrift: Mane, Fhekel, Piiares.
En dit is daarvan de beteekenis: Mane: Geteld â heeft God (de dagen van) uw rijk, en Hij maakt er een einde aan.
Theuel: Gewogen â zijt gij op de weegschaal en te licht bevonden.
Piiares: Verdeeld â wordt uw rijk en gegeven aan de Meden en Perzen.
Daarop werd Daniël op 's konings bevel in het purper gekleed; een gouden keten ontving hij om den hals, en een heraut riep hem uit als den derde des rijks.
Nog dien zeilden avond vond Baltassar den dood door het zwaard, en Darius de Meder werd koning in zijn plaats op een leeltijd van 62 jaren.
Volgens cle ongewijde geschiedenis, met n.ime volsens het verhaal van Xenophon Cvropae.lie Vil: 5, had de doodquot; van Baltassar op de volgende wijze plaats. Reeds twee jaren hadden do vcrccmKde Meden en Perzen onder aanvoering van Cyrus â een zoon de; konings van l'erzie en door zijne moeder aan het Medische hof vermaagschapt - Babylon vruchteloos belegerd. De muren waren ontzettend hoog en sterk , en midden door de stadquot;stroomde de luiphraat, die meer dan twee manslengten diep was. Cyrus begreep echter, dat hij met de rivier zijn voordeel kon doen. Hij liet breede en diepe kanalen graven, en op een nacht, terwijl geheel Babyion, bij gelegenheid van een groot jaarlijksch feest, zich aan wijn en ongebondenheid overgaf, liet hij de smalle dijken, die de kanalen van de rivier scheidden, doorsteken en leidde de laatste tot / .over af, dat zij doorwaadbaar werd. Onbemerkt drongen zijne manschappen onder aanvoeling van twee ovcrgeloopcne Babylomers, Gobryas en Gadatns, de stad binnen, rukten rechtstreeks op den koninklijken burcht aan en staken do soldaten, die c aar 11) de wacht hadden, overhoop. Hierdoor ontstond een krijgsrumoer, dat op den burcht gehoord werd, zoodat de koniiiquot; beval de poorten te openen en te zien wat er gaande was. Nu stormden de Meden en Perzen met geweU nair binnen. Baltassar trok zijn zwaard, doch het kon niet meer baten; met gelieel zijn omgeving werd hi) door den overmachtigeu vijand verslagen, en Babylon bevond ziel, in de handen van Cyrus. Reeds ongeveer 200 jaren geleden was deze gebeurtenis door Isaias voorspeld â zie hoofdstuk 125 aan het slot.
2 Darius houden de uitleggers algemeen voor denzelfden, die in de ongewijde geschicdems Cyaxares van Medic genoemd wordt, aan wien Cyrus het verover Je rijk afstond. Xenophon verhaalt dit aldus; aarna (na de inneming van Uabvlon) in Modië teruggekeerd, begaf Cyrns zich tot Cyaxares (zijn oom van moederszijde). Nadat zij elkander gegroet hadden, zeide Cyrns eerst tot Cyaxares, dat hi) m Bab; Ion voor hem een
paleis en een rijk veroverd had,., vervolgens gaf hij hen. nog vele andere schoone schenkingen. Cyaxares nam alles aan en liet zijne dochter voor Cyrns komen met een gouden kroon, armbanden, een halsketen en eei allerschoonst Perzisch kleed. Terwijl de maagd Cyrus kroonde, sprak Cyaxares; Ik geef 11, 0 Cyrus, ook deze vrouw zelve, die 'inijne dochter is. Evenzoo huwde uw vader mijns vaders dochter, uit welke gi| geboren zi| ... Ik geef aan deze mijne dochter als bruidschat mede geheel Medië, want een zoon is mij met ge loren.
Cyropacilie VIII: t t 11
Na Darius dood, die, zooals men algemeen meent, reeds na twee jaren volgde (hij was, zooals boven gemelü
540
BIIBELSCHE GESCHIEDENIS. 54T
Is, bij de inneming van Babyion 62 jaren oud) ging het geheele vereenigde Medisch-Perzisch-Babylonisclie rijk op Cyrus over. Deze vestigde evenals zijne opvolgers afwisselend zijn verblijf ie Susa, ie Ecbatanaen ie Babylon welke laatste stad door hem ontmanteld werd.
V Volgens de gewone jaartelling werd Babylon veroverd in het jaar ^ 58 vóór Christus; twee jaren later, toen
Cyias aan de (c^ccnng kwam, gaj hij den Joden vnj'i d om naar hun land terug ie U co ren, m 336 voor Clir.
HOOFDSTUK CXXX1X.
DANIÃL ONDER DE REGEERING VAN DEN KONING DARIUS.
aan,lt;t 'i â -j ' â¢â¢
verdeelde het rijk in 120 provinciën, waarover hij even zoo vele stadhouders vl-^â,, aanstelde, die wederom ondergeschikt werden jremaakt aan drie vorsten, aan wie zij, opdat de koning te minder zorg zou hebben, rekening en verantwoording van hun bestuur moesten afleggen. Een dezer drie was Daniel, Daar hij door zijne ^ bekwaamheid, die dc Geest Gods hem zoo ruimschoots verleend had, niet alleen al 1 de stadhouders, maar ook zijne beide medevorsten, verre overtrof, vatte de koning het plan op, hem over het gausche rijk te stellen. Dit wekte de afgunst van eenige stadhouders en van de twee andere vorsten, en wijl zij ia regeeringszaken niets op zijn ijver en trouw konden aanmerken, zochten zij gelegenheid hem strikken tc spannen voor zijn godsdienst. Met dat doel begaven zij zich tot Darius en spraken. Eeuwig leve de koning! alle vorsten, stadhouders en rechters uws rijks hebben raad gehouden en zijn van oordeel, dat er een besluit des konings uitgevaardigd moet worden, dat ieder die binnen dertig dagen van eenigen god of mensch iets vraagt en niet van u alleen, o koning, geworpen zal worden in den leeuwenkuil. Derhalve, o koning, bevestig deze bepaling en onderteeken het besluit, opdat het volgens de wet der Meden en Perzen onveranderlijk zij, en niemand vrijheid hebbe het tc overtreden. De koning willigde dit verzoek in, en het besluit werd afgekondigd.
Daniël nu was gewoon driemaal daags in het bovenvertrek van zijn huis, met geopende vensters en met het aangezicht naar Jerusalem gekeerd, knielende ziju God te aanbidden. Daar hij dit ook thans niet naliet, viel het zijnen hem zorgvuldig bespiedenden vijanden gemakkelijk, hem van wetsovertreding aan tc klagen. Zij gingen tot den koning en zeiden: Hebt gij, o koning, niet vastgesteld, dat ieder, die binnen de dertig dagen iets van goden ol menschen zou vragen, tenzij van u alleen, in den leeuwenkuil zou geworpen worden? Toen Darius deze vraag bevestigend beantwoordde, hervatten zij: Welnu, Daniël, een der weggevoerden van Juda, bekommert zich om dit besluit niet; driemaal daags verricht hij zijn gebed. Op dat woord werd de koning zeer bedroeld, want hij beminde Daniël en bleef den geheelen dag tot zonsondergang in nadenken verdiept, om zijn ijverigen dienaar alsnog te redden. De vorsten en stadhouders dit bespeurende spraken derhalve; Weet wel, o koning, dat volgens dc wet der Meden en Perzen geen door den koning uitgevaardigd besluit veranderd kan worden. Eindelijk dan gaf Darins toe. Daniël werd alstoen gehaald en naar den leeuwenkuil gevoerd, maar alvorens hij hierin geworpen werd, sprak de koning nog tot hem: Uw God, dien gij altijd dient, zal u bevrijden. Vervolgens werd het vonnis voltrokken en do kuil weder met den zwaren steen gedekt. Darius verzegelde den steen met zijn ring en liet hem ook door zijne rijksgrooten met hunne ringen verzegelen, opdat Daniël, als de leeuwen hem soms spaarden, van den kant zijner vijanden geen leed mocht ondervinden. Daarop ging de koning naar huis, wierp zich zonder iets te nuttigen tc bed en bracht den geheelen nacht slapeloos door.
Reeds vroeg in den volgenden morgen stond hij op en spoedde zich naar den leeuwenkuil. Zich daarover heenbuigende riep hij met klagende stem Daniël toe; Daniël, dienaar des levenden Gods! heeft uw God, dien gij steeds eert, u uit den muil der leeuwen kunnen redden? De trouwe dienaar antwoordde: Eeuwig leve de koning; mijn God heeft zijn engel
BURELSCHE GESCHIEDENIS.
gezonden en den muil der leeuwen gesloten; zij hebben mij niet gedeerd, omdat voor des Heemi aanschijn rechtvaardigheid in mij bevonden is, en ook tegen u, o koning, heb ik niet misdaan. Verheugd over deze wonderdadige redding liet de koning Daniël onmiddelijk uit den kuil trekken, en niet het minste letsel was aan den profeet te bespeuren, wijl hij op zijn God had betrouwd. Thans werden de mannen, die hem bij den koning hadden beschuldigd, veroordeeld, om zeiven het lot te ondergaan dat zij hun hoofd en medevorst hadden toegedacht. Met hunne vrouwen en kinderen wierp men hen in den kuil, en nog hadden zij den bodem niet bereikt, of reeds grepen de leeuwen hen aan en verslonden hen lot op het gebeente.
Zoodra dit geschied was, richtte Darius aan al de volken, stammer, en talen van zijn uitgebreid rijk een schrijven van dezen inhoud: Uw vrede (welvaart) verraeerdere zich! Door mij is bevel gegeven dat men op het gansche grondgebied mijns rijks den God van Daniël vreeze eu eere; Hij toch is de levende God, die blijft in eeuwigheid; zijn rijk zal niet verstoord worden ; zijne heerschappij duurt voor altijd. Hij is een redder en verlosser, teekenen en wonderen doende in den hemel en op aarde; Daniël heeft Hij verlost uit den kuil der leeuwen.
Daniël nu bleet in eere onder de regeering van Darius en onder die van Cyrus den Pers.
CjL'üjU in l.ct volronde IumKLi ,i k z.il vji.ucU worden, werd D.i.iiel no1 eens in Jen leen weit kuil geworpen. Wanneer dit gcsj'.iieJ is, blijkt uit niets; de II. Sjhrift spreekt slechts van âde koningquot;, maar zwijp;' over zijn naam.
S v.nmi â¢.j uiile; '^rs w Hen de gebe in r.iis terugbrengen onder Hvil-Merodncli, eu haar dus eenige jaren vroeger lat.-n ;.n . v.n.ie;; dm die. welke in bovensla.md hoofdstuk verhaald is. AnJeren mceuen dat uien onder den onge.i 'eniden, koi.ing Cyrns moet ver .laan. Wat daarvan zij, is moeielijk uit tc maken en doet overigens ook weinig ter zake.
HOOFDSTUK. CXL.
Hirr BHDROG DHR PRIHSTERS VAN DEN Al'GOD BEL TE BABYLON.
DE DRAAK. DANIÃL NOG EENS IN DEN LEEUWENKUIL.
--*-
1
r»quot;'V^a.i;èl was des konings dischgenoot en werd door hem hooger geacht dan alle andere rijksgrojlen en vertrouwelingen. Nu stond er te Babylon in een prachtigen tempel quot;Vi'UjV ^ 1:011 standbeeld van den afgod li el, svien men dagelijks twaalf groote maten meel, fyf* veertig schapen en zes groote kruiken wijn voorzette. De koning eerde den afgod Jk en aanbad hem trouw, Daniël echter aanbad ziju God. Op zekeren dag dat het gesprek hierover liep, vroeg de koning aan Daniël; Waarom aanbidt gij Bel niet? Daniël antwoordde; Omdat ik geene goden vereer, welke door menschenlianden gemaakt zijn, maar den levenden God, die hemel en aarde geschapen heeft en macht bezit over al wat bestaat. Dunkt u dan, hernam de koning, dat Bel geen levende God is? Ziet gij dan niet, hoeveel hij dagelijks eet? Lachende gaf Daniël ten antwoord; Laat u niet bedriegen, o koning; hij is van binnen leem en van buiten koper, en eet nooit. Daarop werd de koning toornig, liet de priesters van Bel roepen en sprak hun toe; Als gij mij niet zegt, waar al die spijzen blijven (welke Bel dagelijks worden voorgezet) zoo zult gij sterven; toont gij echter, dat Bel ze opeet, dan zal Daniël sterven omdat hij Bel gelasterd heeft. Daniël was met dat voorstel zeer tevreden en sprak tot den koning: Er geschiedde naar uw woord.
De priesters des afgods waren zeventig in getal en hadden groote en kleine kinderen. Op den dag, tot de vermelde proefneming bestemd, verscheen de koning, van Daniël vergezeld, bij hen in den tempel. De priesters spraken nu; Zie, wij zullen ons verwijderen; zet zelf, o koning, den god de spijzen voor en meng hem den wijn; sluit daarop de deur en verzegel die met uw ring. Wanneer gij dan morgen in de vroegte terugkomt en niet alles door Bel vindt opgegeten, zoo zullen wij sterven of Daniël, die tegen ons gelogen heeft. Dit zeiden zij met een onbezorgd gelaat; want in den vloer onder de breede tafel, die voor het standbeeld stond, bevond zich een geheim luik, waardoor zij eiken nacht niet hunne vrouwen en kinderen binnenslopen en den voorraad spijs en drank verteerden of medenamen,
1?I)BHLSCIIF. GESCHIF.DF.NIS.
Zoodra zij zich verwijderd liaddeti, zette de koning den afgod de gewone hoeveelheid meel, vleesch en wijn voor. Inmiddels deed Daniel door zijne dienaren over den geheelen vloer des tempels ccne lijne laag asch ziften, en toen dit geschied was, ging de koning met hem en hun beider gevolg naar buiten, verzegelde de deur met zijn ring en keerde naar zi)n paleis terug. Des anderen daags morgens stond hij reeds intijds weder voor den tempel en vroeg aan Danitil die hem vergezelde: Is het zegel ongeschonden, Daniel? Ja, het is ongeschonden, luidde het antwoord. Daarop werd de deur geopend; en nog pas had de koning den drempel overschreden, of ziende dat alle spijzen verdwenen waren, riep hij vol bewondering en eerbied uit: Groot zijt gij, o Bel, en daar is aan u geen bedrog! Lachend hield Daniël zijn gebieder tegen om niet verder te gaan en zeide: Zie eensnaar den vloer; vanwaar deze voetstappen? Onthutst sprak de koning: Ik zie inderdaad voetstappen van mannen, vrouwen en kinderen. Nu ontstak hij ii gramschap en liet de priesters met geheel hunne huisgezinnen voor zich komen; zij toonden hem eindelijk den verborgen ingang en moesten hun bedrog met den dood bekoopen. Het standbeeld des afgods werd door den koning ter beschikking gesteld van Daniel, die het verbrijzelde en den tempel voor den grond deed werpen.
Behalve Bel vereerden de Babyloniers een grooten levenden draak. Op dit monster wijzende, sprak de koning tot zi)n dienaar: Zie, van hem toch kunt gij niet zeggen, dat hij geen levende god is, aanbid hem derhalve. Ik aanbid, zeide Daniël, den Heer, want Hij alleen is de levende God, deze niet, geef mij slechts vrijheid, en ik zal zonder zwaard ol stok den draak dooden. De koning stond hem dit toe, en Daniël kookte een mengsel van pek, vet en haar, kneedde daar ballen van en wierp ze den draak voor, die ze gretig verzwolg en aan de gevolgen barstte. Daarop zeide hij tot den koning: Zie eens, welk een god gijlieden vereerdet
Dit een en ander wekte te Babyion groote misnoegdheid; openlijk sprak het volk uit: De koning is een Jood geworden; Bel heeft hij laten verbrijzelen, den draak laten dooden en de priesters laten ombrengen. Van dag tot dag nam de ontevredenheid toe, en eindeli|k bestormde men den koninklijken burcht met den eisch: Lever ons Daniël uit, of wij dooden u met geheel uw huis. De koning week voor het geweld en Daniël werd door het verbitterde volk in den leeuwenkuil geworpen.
De kuil bevatte een zevental dezer dieren, die men dagelijks voedde met twee lichamen (lijken ol veroordeelde misdadigers) en twee schapen, maar gedurende de zes dagen, die Daniël in den kuil door bracht, werd den leeuwen hun gewone voedsel onthouden, opdat zij te zekerder hem zouden verslinden.
Terzellder tijd dat dit te Babyion gebeurde, droeg in Jndea een profeet, met name Habacuc, een schotel gekookte moeskruiden, waarin hij brood gebrokkeld had, naar zijne maaiers op het veld. Onderweg verscheen hem een engel, die hem beval: Breng dit middag-eten, dat gij draagt, naar Babyion aan Daniël, die zich in den leeuwenkuil bevindt. Habacuc zeide: Heer, Babyion heb ik nooit gezien, en waar de leeuwenkuil is, weet ik niet. Thans greep de engel den profeet bij de haren, voerde hem door de lucht en liet hem neerdalen bo en den kuil te Babyion. De proleet boog zich met zijne schotel over het verblijf der leeuwen en riep: Daniël, dienaar Gods, neem dit middag-eten, dat God u gezonden heelt. In eene vurige dankbetuiging jegens den Heer, gaf Daniël zijne vreugde over deze onverwachte hulp te kennen: Zoo zijt Gij dan, o God, sprak hij, mijner indachtig geweest, en hebt niet verlaten dengene, die u bemint. Daarop at hij van de hem gebrachte spijs, en andermaal vatte de engel Habacuc bij zijn kruin en voerde hem, op dezelfde wijze als zooeven, naar Judea terug.
Inmiddels waien de onlusten te Babyion tot bedaren gekomen, en de konin» be^af zich op den zevenden dag naar den leeuwenkuil om Daniël te beweenen. Toen hij hem echter tot zijne groote verbazing ongedeerd te midden der verscheurende dieren zag zitten, riep hij met luider stemme; Groot zijt gij, heer God van Daniël 1 â Daarna guf hij bevel
BljBELSCHE GESCHIEDENIS.
den reeds dood gewaande uit den kuil te verlossen en diens voornaamste belagers daarin te werpen. Nog voor de oogen des konings werden zij door de uitgehongerde dieren verslonden, en ook nu ging er een gebod uit, dat allen over de gansclie uitgestrektlleid des rijks den God van Daniël zouden vreezen.
Mot bovenstaande gebeurtenis maakt de H. Schrift aan Daniels levensgeschiedenis ecu einde; van zijn laatste oogenblikken en dood wordt ons niets gemeld. Het blijkt echter dat hij eeu hoogcn ouderdom bereikte; want reeds tijdens de eerste wegvoering der Joden in het 4quot; jaar der regeering van kon n;.; Joakim kwam hij als knaap te Babyion en hij aanschouwde nog het einde der 70-jarige balling: chap. Volgens eene ge'oofwaardlge overlevering keerde hij niet met zijne landgcnooten naar Judea terug, maar bleet, o;n meer goed te kunnen slichten, aan hef hof van Cyrus, en werd na /.ij 11 dood te Susa, de perzische hoofdstad, in een prachtig graf bijgezet.
Van zijne profetieën zullen in het volgende hoofdstuk eenige der voornaamste plaatsen, die op den Messias betrekking hebben, worden medegedeeld, tegelijk met aanhalingen uit Ezecluël en uit de in het vervolg van tijd optredende profeten Aggeüs, Zacharias en Malachias.
HOOFDSTUK CXLI.
MESSIANISCHE PROFETIEÃN VAN JEREMIAS, EZECH1ÃL,
DANIÃL, AGGEUS, ZACHARIAS EN MALACHIAS.
â ⢠-
Jeremias beschrijft den Verlosser als den zoon Davids, den telg der gerechtigheid, die den waren kinderen Abrahams de Wet Gods in het hart zal prenten.
lt;C c.Ttvnjgw 1 u
' 'egt; c'e dagen komen, zegt de Heer, dat ik het goede woord verwerkelijk, hetwelk
? HÃM.s ik gesproken heb tot het huis van Israël en het huis van Juda. In die dagen en te Jicn tiiJe zal «k aan David een telg der gerechtigheid doen ontspruiten ; recht en gerechtigheid zal Hij oefenen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden I en Jerusalem in veiligheid wonen; en dit is de naam waarmede men Hem noemen ' zal: Heer, onze rechtvaardige. Jer. XXXI11: 14 â 17.
Zie, de dagen komen, zegt de Heer, dat ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet als het verbond, dat ik met hunne vaderen sloot op den dag toen ik hen bij de hand nam om hen uit het land van Egypte te voeren, een verbond dat zij te niet gedaan hebben, weshalve ik ook mijne macht liet gevoelen, zegt de Heer; maar dit zal het verbond zijn, dat ik met Israël zal sluiten na deze dagen, zegt de Heer: Ik zal mijne wet leggen in hunnen boezem en haar schrijven in hun hart, en ik zal hun God en zij zullen mijn volk zijn. En niemand zal voortaan zijn naaste, niemand meer zijn broeder onderwijzen, zeggende: Ken den Heer! want allen, van den kleinste tot den grootsten, zullen mij kennen, zegt de Heer; en ik zal hun hunne ongerechtigheid kwijtschelden en hunne zonden niet meer gedenken. Aldus spreekt de Heer, die de zon geeft tot verlichting des daags, de orde van maan en sterren tot een licht voor den nacht; die de zee beroert, zoodat hare baren bruisen; Heer der heerscharen is zijn naam. Als deze wetten (waarnaar zon, maan en zee bestierd worden) ophouden voor mijn aanschijn, zegt de Heer (en dut zullen zij nimmer zoolang de wereld staat), eerst dan zal Israëls zaad (de ware zonen Abrahams: de kerk van Christus) ophouden mijn volk te zijn voor eeuwig. Jer. XXXI: 31 â 37-
Ezechiël voorspelt den Messias als den nieuwen David, wiens rijk, de Kerk, een rijk zal zijn der eenheid, des vredes en der gerechtigheid.
Ik zal hun een eenigen herder verwekken, die hen weiden zal, mijn dienaar David; hij zal hen weiden en hun ten herder zijn. En ik, de Heer, zal hun God zijn, en mijn dienaar David zal vorst zijn in hun midden; ik, de Heer, heb het gezegd. Ezech. XXXIV: 23 en 24. â Dit zegt God de lieer: Zie, ik zal de zonen Israëls nemen uit liet midden
344
'
BIJBELSCHK GHSCHlHDliNlS.
der volken, tot welke zij gegaan zijn, en hen van allerwegen verzamelen en hen voeren naar hun land. En ik zal lien maken tot een enkel volk in het land op Israels bergen, en een eenig: koning zal over hen heerschen ; het zullen niet meer twee volken wezen, noch
O O '
zullen zij voortaan in twee rijken zijn verdeeld. . . En mijn dienaar David zal koning over hen zijn; een eenige herder zal er wezen over hen allen, en zij zullen wandelen in mijiic wetten, mijne geboden onderhouden en daarnaar bandelen ... en David mijn dienaar zal hun vorst zijn in eeuwigheid. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond zal het met hen zijn; en ik zal hen bevestigen en vermeerderen en mijn heiligdom in hun midden plaatsen voor altijd. Mijn woontent zal onder hen wezen, en ik zal hun God en zij zullen mijn volk zijn. Ezech. XXXVII : 21 â 28.
\ V
De tijd wanneer de Verlosser zal verschijnen wordt met groote nauwkeurigheid geopenbaard aan Daniel. Terwijl de profeet, in het eerste jaar van Darius, met vasten en bidden van God de bevrijding zijns volks uit de Babylonische ballingschap afsmeekt, verschijnt hem in dc gedaante eens mans de aartsengel Gabriel, die hem aankondigt, dat na 70 weken (weken van 7 dagen) het e r.de der ballingschap daar is. Doch dan volgen 70 andere weken (weken van 7 jaren) en een grootere verlossing, de redding des menschdoms uit de zonde, breekt aan. Met het begin der 70''jaanvcck zal Christus de Meer worden gezalfd (d. i. bij den doop in den jonlaan, zal Hij door den 11. Geest als dc Gezalfde des Heeren worden aangewezen); Hij zal vervolgens in het midden dier zelfde week (dus na ongeveer 5 jaren) ter dood worden gebracht; dan zal de nieuwe Wet beginnen, de oude ophouden en na dien tijd zal dc tempel verwoest worden en verwoest blijven tot het einde der wereld.
In het eerste jaar van Darius, den zoon van Assuerus, uit het geslacht der Meden, ervoer ik, Daniël, uit de (heilige) Boeken het getal der jaren, waarover het woord des Heeren gekomen was tot Jeremias den profeet, dat met 70 jaren dc verwoesting van Jerusalem zou ophouden. En ik wendde mijn aangezicht tot den Heer mijn God, om te bidden en te smeeken, onder vasten in een boetzak en in de asch... En terwijl ik nog sprak en bad, en mijne zonden beleed, en de zonden van mijn volk Israël.., zie, toen kwum op het uur van het avondoffer de man Gabriel, dien ik in een vorig gezicht gezien had, ijlings aangevlogen en raakte mij aan. En hij onderrichtte mij en sprak tot mij en zeide ; Daniël, thans ben ik uitgegaan om u te leeren en u opheldering te geven. Met den aanvang van uw gebed ging het woord uit; ik nu ben gekomen, om u aan te kondigen, dat j^ij een man des welgevallens zijt; gij al/,00 geef acht op het woord en begrijp het gezicht.
Zeventig weken zijn afgesneden (vastgesteld) over uw volk en over uwe heilige stad, opdat de overtreding gedelgd, aan de zonde een einde gemaakt, de ongerechtigheid uitge-wischt, eene eeuwige gerechtigheid aangebracht, het gezicht en de voorzegging vervuld en de Heilige der Heiligen gezalfd worde. Weet dan en begrijp: Van den uitgang des hevels, om de muren van Jerusalem te herbcuwen, tot aan Christus den Vorst zulten er zijn 7 weken en 62 weken; â de straten en muren zullen herbouwd worden in een bedrukten tijd; â en na de 62 weken zal Christus gedood worden, en het zal zijn volk niet zijn dat Hem verloochenen zal. En een volk (de Romeinen) met een toekomsiigen bevelhebber zal de stad en het heiligdom verderven, en het einde daarvan zal de verwoesting zijn, en de verwoesting is vastgesteld na het einde des krijgs, In eene week nu zal Hij (Christus) met velen het verbond bevestigen, en in het midden der week zullen de slachtoffers en spijsoffers ophouden; in den tempel zal de gruwel der verwoesting zijn, en de verwoesting zal voortduren tot de voltooiing en ten einde toe, Daniël IX.
34 5
44
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Toen de Joden, die van Cyrus vergunning hadden gekregen naar hun land terug te keeren, onder veel druk en tegenstand den tempel herbouwden, en deze op verre na niet zoo prachtig werd als vroeger (zie volgend hoofdstuk) bemoedigde de profeet Aggeüs den overste Zorobabel en het volk, eu voorspelde, dat dit huis Gods hot vorige op uitstekende wijze zou o\ei n ellen, doordien het binnen zijne muren den Verlosser zou aanschouwen.
In de 7quot; maand, op den 21' quot; dag der maand, kwam het woord des Heeren over Aggeüs, den profeet, cn hij sprak tot Zorobabel, den vorst van Juda, cn tot Josuë, den hoogepriester, en tot al het volk: Wie onder u is er overig, die dit huis gezien heelt in zijne eerste pracht, et, hoe vindt gij het thans? Is het niet als ware het niets in uwe oogen? Doch, vat moed, Zorobabel! zegt de Heer; vat moed, Josuë, josedecs 20011, hoogepriester, en vat moed, al gij volk des lands.... Want dit zegt de Heer der heerscharen: nog eene korte wijle..., en ik zal de volken in beweging brengen, en de Verlangde van alle volkeren zal komen, cn ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heer der heerscharen... Grooter zul de luister zijn van dit laatste huis dan van het eerste, cn in deze plaats zal ik den vrede geven, zegt de Heer der heerscharen. Agg. 11: 1 â n.
De profeet Zacharias, een tijdgenoot van Aggeüs (zie volgend hoofdstuk) voorspelt Jesus' intocht in Jerusalem, zijne verkooping voor 30 zilverlingen, de bekeeriug van vele Joden en hunne droelheid over het lijden, den Zaligmaker aangedaan.
Verblijd u. Slons dochter! jubel, dochter Jerusalems! zie, uw Koning komt tot u, de Gerechtige cn de Redder. Hij is arm; op eene ezelin is Hij gezeten en op een veulen, het jong eeiier ezelin... Hij zal vrede den volkeren verkondigen, en zijne macht zal reiken van zee tot zee, van de stroomen lot de uiteinden der aarde. Zach. IX: 9 en 10.
Iquot;n ik (de door den Heer aangestelde herder der kudde) sprak tot hen (de wcdeispaunige schapen van Israël): Bevalt liet u niet, zoo geeft mij mijn loon, zoo niet, dan laat het zijn. En zij wogen mij mijn loon toe: dertig zilverlingen. Eu dc Heer sprak tot mij: \\ erp hem den pottebakker toe, den heerlijken prijs, waarop ik door hen geschat ben. Eu ik nam de dertig zilverlingen en wierp ze iu het huis des Heeren voor den pottebakker. Zach. XI. 12 tu 13.
Ik zal uitstorten over het huis Davids en over de inwoners van Jerusalem den (icest der genade en des gebeds, en zij zullen hunne oogen wenden tot mij, dien zij doorboord hebben; en zij zullen Hem beweenen met een geween als over een eenigen zoon, en treuren zullen zij over Hem, gelijk men pleegt te treuren over den dood des eerstgeborenen... Op dien dag zal voor het huis Davids en de bewoners van Jerusalem eene bron geopend worden (de HH. Sacramer.ten) tot afwasschiug der zondaars en der onreiuen. En op dien dag zal het zijn, zegt de Heer: Ik zal tic namen der afgoden van de aarde verdelgen; men zal hen niet meer gedenken; en de valsche proleten en den onreiuen geest zal ik wegnemen van de aarde. Zach. Xll: 10 en Xlll: 1 en 2.
Malachias, de laatste der profeten van het Oude Verbond, voorspelt den voor-looper des Nieuwen Verbonds, Joannes den Dooper; hij vooispelt verder de komst des Verlossers in den tempel en de vervanging der oude oilers door liet oller der Nieuwe Wet, dat op alle plaatsen eu ondei alle volkeren zal worden opgedragen.
Zie, ik zend mijn engel, die den weg bereiden zal voor mijn aanschijn. En terstond zal tot zijn tempel komen de Heerscher, dien gij zoekt, en de Engel des Verbonds; naar wien gi) haakt. Zie, Hij komt, zegt de Heer der heerscharen... Ik zal u den profeet Elias
BIJBELSCHH GI-SCHIliDENlS.'
(Joannes den Dooper) zenden, eer de groote dag des Heeren komt. Mal. Ill: i en IV : 5.
Gij (de Joodschc priester) offert op mijn altaar een bezoedeld brood, en gij vraagt, waarin bezoedelen wij U?... Ik heb geen welbehagen meer in u, zegt de Heer der heerscharen, en geen offergave zal ik meer aannemen uit uwe hand. Want van den opgang der zon tot haren ondergang (van den ecnen eindpaal der wereld tot den anderen) zal mijn Naam groot zijn onder de volkeren, en in alle plaatsen zal aan mijn Naam worden feofferd en opgedragen een rein oiler; want groot zal mijn naam zijn onder de volkeren, zegt de Heer der heerscharen. Mal. 1 : 7, 8, 10 en 11.
1. l)c profetieën van Jcrernias en Ir/.echiël zijn well clit duidelijk genoeg; die van Daniël vereischt eenige toelichting.
liet woord week in de beteekenis van 7 jaren was den Joden niet vreenul. Reeds Moses spreekt, Lev.
XXV: 8, van weken van 7 jaren, en gelijk de Joden om de 7 dagen den sabbatdag vierden, zoo vierden /ij om de 7 jaren het sabbatjaar. Zeventig jaarweken nu maakten 70 maal 7 of 490 jaar. Trekt men van dit getal 7 jaren af â want de Verlosser zou eerst met bet begin der 70° jaarweek optreden â dan blijven er over .}85 jaren, die verloopen moesten tusscben ,,den uitgang des bevels om Jerusalem weder op te bouwenquot;, tot het open-baar leven des Verlossers, of lot zijn $ow jaar.
Onder ,,deii uitgang des bevelsquot; verstaat men gewoonlijk hot 20'' jaar der regeering van den Perzischen koning Artaxerxes Longimanus (Artaxerxes met de Lange Hand). Deze koning toch gaf in gemeld jaar, zooals hierachter ui; hoofdstuk CXI.IV blijkt, aan Nehemias vergunning tot den wederopbouw der vestingmuren van Jerusalem , dus tot het opbouwen der stad als zoodanig; terwijl Cyrus â zie eerstvolgend hoofdstuk â slechts vergunning had gegeven tot den herbouw des tempels. De âuitgang des bevelsquot; van Cyrus kan dus door Daniël niet bedoeld zijn. Wat de profeet verder zegt, dat ,,de straten en muren zullen gebouwd worden in ecu bedrukten tijdquot; stemt geheel met bovenstaande opvatting overeen. Nehemias toch kon het werk slechts onder de grootste tegenkanting der de Joden omringende kleine volksstammen tot stand brengen. Men zie daarover genoemd hoofdstuk
Dat er van liet 20'' jaar van Artaxerxes Longimanus tot het 50° levensjaar des Zaligmakers juist .jSj jaren verloopen zijn, kan men uit de geschiedkundige gegevens niet mot de nauwkeurigheid van een paar jaren aantoonen; de G ieksche geschiedschrijvers zeiven verscliilleu in hunne opgaven van de regeeringsjaren der Perzische koningen. Doch , zooals de geleerde kardinaal Hossuct (in zijn Discours sur l'h i fi t o i re u n i v 0 r s e 11 e) terecht doet opmerken, God zelf heeft het bewijs geleverd, dat de voorspelling des profeets in alle deele juist was. De voorspelling toch luidt: de Verlosser zal optreden, na een halve jaarweek sterven en daarna zullen ^ de tempel en de stad door een vreemd volk (de Romeinen) verwoest worden. Dit alles nu is gebeurd volkomen
in de volgorde waarin het voorzegd was. Met bewijs, hier bedoeld, is dus geleverd.
Hoelang na den dood van Christus de verwoesting zou geschieden voorspelde de profeet niet; tot en met Christus dood noemt hij de jaren, vervolgens zegt hij alleen, dat daarna âeen volk met zijn toekomstigen aanvoerderquot; de verwoesting zal bewerken, l it de geschiedenis echter weet men, dat de zaak heeft plaats gehad in het 70'' jaar der Christelijke jaartelling, dus ongeveer 36 jaren na des Verlossers lijden en sterven.
2. Het gehecle Xlc hoofdstuk van Zacharias, waarvan boven de verzen 12 en 15 zijn aangehaald, is volgens de meeste uitleggers een visioen, waarin de profeet /elf als beeld der toekomstige dingen , de hoofdpersoon vormt. In de woorden, die tot hem door den Heer worden gesproken, wordt voorspeld zoowel wat Judas zal doen als wat met den Verlosser zal geschieden; de profeet is u gelijkertijd beeld van beide gebeurtenissen. Houdt men dit in het oog, dan blijkt de zin van gemeld hooldstuk deze te - 'jn:
In vers 4 en 5 wordt door den Heer do herder a in^vsield, die de schapen zal weiden, welke de bezitters (de «I Joodschc Synagoge) slechts hoeden ten eigen voordcel, om er \ au te '. nieten en ze te slachten. De schapen echter wil
len , ondankbaar genoeg, van den aangestclden herder niets weten en betalen (aan Judas) 50 zilverlingen , om hen van dien horder te ontdoen. Die prijs waarvoor men een slaaf kon koopen, is voor ecu herder, en nog wel voor zulk een herder belachelijk gering en wordt dan ook spottender wij/c een âheerlijke prijsquot; genoemd. De verrader die den piijs oiitvangiMi heeft, wil hem later niet behouden, maar weipt liCm in den tempel voor den pottebakker.
3. Onder de verscliilleiule visioenen van Xacharias was er ecu, waarop bijgaande plaats betrekking heeft, van vier wagens met viev en-olen tot wagenmcmiers. Pc ceisle w.i^cu werd getrokken door roode, de tweede door zwarte, de derde door witte, de vierde door bonte p.iarden. Van een anderen eiiquot;,el, die met hem sprak . ontvii;^ de proleet op zijne vraag naar de beteekenis van dit go/icht ten antwoord: âliet zijn de vier winden des hemels die uitgaan , om zich voor den Gebieder der gansche aarde to stellen.quot; Algemeen zien de uitleggers in die vier winden, door de vier wagens vertegenwooidigd, de zinnebeelden der goddelijke strafgerichten, die de verdrukkers
* der Joden om hunne vele /ouden en gruwelen zouden treilen. De wagens met de zwarte en de witte paarden werden naar
het Noorden (de Chaldeeën) gevoeid, die nut de bonte paarden ging naar het Zuiden (Hgypte). De roode paarden, welke het sterkste waren , trokken hun wagen de gehecle aarde rond , als het zinnebeeld van het strafgericht over alle volken. Daarop ontving de profeet van den Heer het bevel zieh naar den tempel te begeven, ten einde er van eenige Joden uit Babylon , die gekomen waren om geschenken te oll'eren , goud en zilver aan te nemen , daarvan kronen te laten maken en deze den hoogcpricster op het hoofd te zetten. De beteekenis hiervan moest Zacharias den hoogcpricster aankondigen met de woorden: Dit /egt de Heer der heerscharen: Zie, de man (zal komen); de Spruit is z ij o naam , . . e n 11 ij zal den t e m p e 1 d e s 11 c e r c n b o u w c n ; 11 ij
»
4
347
-548 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
zal de majesteit voeren, en zittenen heerschenop zijn troon en Hij zal priester
zijn op zijn troon. (Hij de Spruit, de Messias.) Zach. VI.
4. De profeet Malachias leefde ten tijde van Nehenvas â zie hierachter hoofdstuk 144 en i.j5 â en misschien nog eenige jaren na hem.
$. Wie al de beloften en voorspellingen, rakende den Verlosser, in zoover zij in dit werk zijn meegedeeld (want de 11. Schrift bevat er veel meer) achtereenvolgens wenscht na- tc gaan, zie hoofdstuk 2, op 'teind: de belofte Gods aan Adam en l-va; â hoofdst. 7 in 't begin en hoofdst. 13 op 't eind: de belofte aan Abraham ;
â hoofdst. 17 in 't midden: do belofte aan Jacob; â hoofdst 27 op 't einde: de voorspelling van Jacob aan Juda; â hoofdst. 35 op 't einde: de voorspelling van Moses; â hoofdst. 45, op 't einde : de voorspellin«' van Balaam aan Balac, koning der Moabielen , omtrent de Ster die uit Jacob zou opgaan; â hoofdst. 82, in 't begin en achter dar/.clfde hoofdstuk in Aanteckening 2: de voorspelling door den profeet Nathan aan David;
â achter hoofdstuk 92 in Aanteckening 3: de uitvoerige voorspelling van David in de psalmen; â hoofdst 98 op 't einde: de voorspelling ten lijdc van Salomon door den profeet Ahias; â hoofdstuk 121 in 't midden: de voorspelling van Isaïas «an koning Achaz van Juda; â hoofdstuk 122: dit gehevle hoofdstuk Messianische Profetiën van isaïas, Micheas en Joc!.
6. Het volgende hoofdstuk begint met dc vrijlating der Joden door Cyrus. Flavins Josephus verhaalt , dat de op deze gebeurtenis betrekking hebbende voorzegging van Isaïas, hoofdstuk 125 op 't einde, na de inneming van Babyion aan Cyrus door de Joden werd voorgelezen.
HOOFDSTUK CXLII.
HIN'DE DER BABYLONISCH F. BALLINGSCHAP. EERSTE TERUGKEER DLR JODEN ONDER ZOROBABEL.
-â¢Â«vv, -Via.
â ........]l-v_
l-n het eerste jaar dat Cyrus (liet jaar voor Ch. 536) alleenheerscher werd van het V uitgestrekte Mcdo-Perzisch-BabyIonische rijk, gaf hij bij openbaar schrijven den ' Joden vrijheid om naar hun land terug te keeren. Genoemd schrijven was van Jtó den volgenden inhoud: Dit zegt Cyrus, koning der Perzen: Alle koninkrijken der aarde heeft de Heer de God des hemels mij gegeven en mij bevolen Hem een huis l te bouwen te Jerusalem, dat in Judea ligt. Wie onder u behoort tot zijn volk? Hij trekke naar Jerusalem in Judea en bouwe het huis van den Heer den God van Israel. Hij is de God die te Jerusalem woont. En alle overige mannen (die niet mede optrekken), in welke oorden zij ook gevestigd zijn, zullen hem (die optrekt) ondersteunen met hun zilver en goud, hunne bezittingen en vee, ongerekend hetgeen zij vrijwillig offeren voor den tempel Gods te Jerusalem.
Aan dit gebod werd voldaan: overal voorzagen de achterblijvenden hunne vertrekkende broeders van goud, zilver, vee, gereedschappen en allerlei goederen, en bovendien schonken zij vele olïers tot wederopbouw des tempels. Cyrus gal al de heilige vaten terug, die Nabuchodonosor uit den tempel had geroofd; door zijn schatmeester Mithridates deed hij ze verzamelen en ze den vertrekkenden ter hand stellen. Het waren 30 gouden en 1000 zilveren schalen, 29 slachtoll'crniessen (met gouden en zilveren heiten), 30 gouden en 410 zilveren bekers en eene menigte andere zaken, alles te zamen 5100 stuks.
Onder aanvoering van Zorobabel, den stamvorst van Juda uit het huis Davids, en Josue, den hoogepriester, werd de reis aanvaard. Zorobabel was de kleinzoon van koning Joachin, en Josue die van den hoogepriester Saraias, welke bij de verwoesting van Jerusalem door Nabuzardan naar Reblatha gevoerd en daar op last van Nabuchodonosor gedood was. Al de terugkeerenden maakten te zamen met vrouwen en kinderen 42,360 zielen uit, behalve nog 7337 dienstknechten en dienstmaagden (van vreemden oorsprong); zij trokken op met 736 paarden, 245 muilezels, '135 k ameelen en 6720 ezels. Bij hunne aankomst in Judea verspreidden zij zich, priesters, levieten en gewone Joden, over de verschillende steden, vroeger door hen of door hunne vaderen bewoond, en'vestigden er hunne huisgezinnen.
Spoedig daarop, in de zevende maand des jaars, kwamen alle mannen te Jerusalem bijeen om het loofhutten-feest te vieren. Het altaar des llcercn werd voorloopig temidden
mmr-r.sctm GRscufRDnNis,
«nig'e sI«tTLtdX7tâ°Pdo!tc,quot;tCtlaf'l berH ^ quot;,ö,, quot;quot; de
heen ten hemel. Ook na afloop der plechtWic Ion ' ^eP;u,ld ⢠steeg weder als voor-moigen- cn avondbrandofFers volgens de voorschnfnnquot;^quot; tï pnquot;ters voort. getrouw de De eerste Zprg der Joden was thans Z^!! M0SeS dcn Hecr 0P quot; dragen,
tempels; zij huurden steenhouwers en nKtsclaans/cMi'LtcVtr'1 T 0PboLnvin8
en olie door Sidoniers en Tiriërs hout op het .-vl. r'^quot; 'ta n° van koren, wijn vollen, zooals Cy.m km bevol» luul. Dc l..,.,» pli JJT quot;fquot;1 ? â Joppc de overige priesters de werkzaamheden en al de 1^ MeU,de 2i|nc zonen en
tot opzichters aangesteld. Zoo kon in de n, L U! twlquot;tlS lari-,n en Guder werden
wil een voorloopij inwlingrfees, s°viâJ, lâ i'.k 1,quot;ïï** SclreJ «'quot;en, de bazuin; de levieten sloegen de hand aan h t . â i1LXV', Seldeed bliezen de priesters en wederom klonken, als ten tijde van Salomon (iThJ'!'''!quot;, ü' tic' '1sa,mcn vaquot; David
Hij is goed; want eeuwig duurt zijne barmharli'.lieid' ^ NUgt;0Ucn; Loolt den Hoer, want nam het volk aan de plechtigheid deel. Niet -illcn cêl,. , 8|00t en hect^'-anen
ouderen., zoo onder de priesters als ouder de zoâeâ vt â'hT « Weu^egt; bii ^lge tempel nog gekend hadden, kwamen de tranen voort i I ' 1 T'111quot;' ^ ticquot; 0mtcn begin reeds duidelijk was, dat de pracht van het nieuwe quot;eb K 'i ^1'1 hCt ,nm uit dit in geen vergelijking zou kumien komen. Ãe jonoeren d.n' ?'quot;' Van het v,0^cre
) verwachting en hunne vreugde bedrijven vennen.'. 1 . ^Tquot; ^0quot; quot; l)p^t0-quot;ul van ouderen tot een machtigen stroom van geluiden die tut^v t'^'V quot; Wecklacllttn der
Zoodra de vreemde volksstammen in het voon r ^ -'iquot; quot; onn,'cli gehoord weid. Sair.aria genoemd, van het plan d Me -Z ^ '^1' tl'aquot;s het ^.schap
n.minste nânâen ,mJan k-»» ........
Benjamin: Lan, ons Jcc|llumâ a.n ⢠«â¢
lubben Hen, olfa. âpjeelragâ¢, sc,lc[. As.irhajtlon !fc r,'.jK-,,cquot; Pi. «
â eelt gevoerd. Zc.babe,, * quot;quot; ....... bn.J
tusschen u en ons niets gemeens om ne/,m.âl, i- i . ⢠oversten antwoordden; is
zullen het bouwen voor den Heer onzen God' 'â.n* ?quot;quot;quot; Uods tC bouwt,|,i wij alleen ons bevolen heeft. 1 gt; oquot;- Cyrus, de koning der Perzen
Joden het verder voonbo^ IJr;C,ntCn Vrcc,nde volksstammen den
Cyms als die van zijne opvolgers Assucius en \ amp;edureu^ ^ regeering van
bochten * ntAtbvoJi Je'e, koZt Z quot; Aquot;;quot;quot; 1 * W «.W
van door drie raadsheeren een bezwa.uschnrt te,rquot; '^cn einddl)k 0quot;der Artaxerxes zoover gen. door Eeiitn Mteeo, (!,« hoofd de, v tSquot; ^ ^ lj-opstellen, dat vetv,,!-' Ondmcekend en aat, den tâ.d.,â ^ Jen seltent.»!.,!^,
IM nquot;'1:quot;quot;quot;1 quot;quot; quot;quot; 'k'en inltnud:
den stam der Dineen, der AphaiLthLh^'^^l^X'n ^ l'|l'nne, OVL'riquot;c raadsmannen van Susanecheen, Dieveen, Hlamieten cn der overij voHcn ii^?' H,C,U1C^' 13;'hyloniers, Asenaphar (Asarhaddon) herwaarts gevoerd en in vel ''l (, i' g''00tC dooilud'tige (het rijk vaiO Snnnii ^ ⢠j Jiccit doen wonen in lt;{lt;⢠et- i
(den Huphraat) \ I V .U1 1,1 de vci'dci'e hiiulst^keii aan deze zijde vm I quot;
, 1 '''v1 -Van den koning ArtaxerxiN ft,.. . r , , 'ae v^11 den stroom
den stroom wonen, vvenschen u'hcil! - He't zd i -n r 'quot;'i 'ï' ^ ^ dc'c ^
^ van 11 hierheen zijn getogen, te Jeru'dem 1 komi1-.ko'ld g^aan, dat de Joden
booze stad te herbouwen, wairv.n zii ^ ^ ' 0,11 die 0Proerige en zeer
voegen. Nu moge de koning weten dit als dquot;vquot; Cn de 'ondamenten te zamen
^'1quot;, de Joden geen schatting, tollen en j-nrliih-h' quot;' l 10Uwd ls e,1 hare 'quot;quot;ren hersteld
U 1,11 dcn koil''quot;g tot nadeel zal strel ken Wii ' quot;f'0;' ;1,CCr ZL,l,cquot; opbrengen, en
stukken. Ui, nilgt; lndaduig dat wij|het2outdes
350
pnlcizes eten (van den koning bezoldigd worden) en de schade des konings niet mogen dulden â wij hebben om die reden gezonden en den koning kennis gegeven, opdat gij in de geschiedboeken uwer vaderen zoudt nalezen en in de acten geschreven zoudt vinden en weten, dat die stad een oproerige stad is, schade aanbrengende aan de koningen cr. de landschappen, en dat in haar van oudsher oorlogen verwekt werden, redenen waarom die stad dan ook verwoest is. Wij doen den koning weten, dat als de stad herbouwd is en bare muren hersteld zijn, gij geen bezittingen meer aan deze zijde des strooms zult hebben.
Aataxerxcs liet het volgende terugschrijven; Heil en vrede! De aanklacht, die gij ons gezonden hebt, is mij voorgelezen en door mij is bevolen (dat men zoeken zoude), en men zocht en vond (in de geschiedboeken), dat die stad van vroeger af tegen de koningen in opstand kwam, en dat onlusten en oorlogen in haar verwekt werden; want te Jerusalem waren zeer machtige koningen, die heerschten over het geheele landschap aan gene zijde des strooms; zij inden ook schatting en tollen en opbrengsten. Verneemt derhalve dit besluit: belet dien mannen de stad te herbouwen tot zoolang daarover door mij anders beschikt wordt, Ziet wel toe, dat gij uit besluit niet nalatig uitvoert, en het kwaad allengs tegen den koning aangroeit.
Met dit schrijven van Artaxerxes in de hand spoedden Reüm Belteëm, Sanisaï en de verdere hoofden der bewoners van het land van Samaria zich naar Jerusalem en verhinderden dei Joden nog krachtiger dan vroeger, met het begonnen werk voort te gaan.
De bouw stond thans een tijdlang geheel stil, totdat, na Artaxerxes, Darius (Darius Hvstaspis, wel te onderscheiden van Darius den Meder) den troon beklom. In het 2° jaar der regeering van genoemden koning, in de 6'- maand des jaars, op den i1'quot; dag der maand, kwam het woord des Heeren over den profeet Aggeiis, en deze sprak tot Zoro-babel en den hoogepiiester Josue: Dit zegt de Heer der heerscharen: Dit volk (het ontmoedigde volk van Juda) spreekt: De tijd, om des Heeren huis te bouwen, is nog niet gekomen. Maar is het dan de tijd voor u, om te wonen in (met prachtig cederhout) beschoten huizen, en dit huis ligt verwoest? Daarom zegt de Heer: Ziet wel toe wat gij doet! Stijgt op naar het gebergte, haalt hout en bouwt het huis; zulks zal mij welgevallig zijn en mij verheerlijken, zegt de Heer (Agg. 1). In denzelfden zin sprak de profeet Zacharias.
Zorobabel en Josue vatten nu, onder den bijstand der beide profeten, het werk weer ter hand. Pas echter was dit ter oore gekomen van des konings stadhouder van Samaria , Thathanaï, of op aanstoken van de vreemd ingevoerde volksstammen, begaf hij zich naar Jerusalem en vroeg aan de Joden: Wie heeft u aangespoord dit huis te bouwen? De Joden noemden hem de namen dergenen, die dat gedaan hadden, en voegden daarbij dat Cyrus in het eerste jaar zijner regeering tot den bouw vergunning had gegeven. Thathanaï teekende de namen op en schreef aan koning Darius om in de geschiedboeken te laten navorschen, of de beweerde vergunning inderdaad verleend was, en wat er thans met de personen, die den raad gegeven hadden om verder te bouwen, diende te geschieden. Het antwoord van Darius viel zeer ten voordeele der Joden uit: hij had, liet hij aan Thathanaï schrijven, de geschiedboeken doen nazien, en het was gebleken, dat Cyrus niet alleen den bouw des tempels gelast en met dat doel ook de heilige vaten had teruggeschonken, maar zelfs had hij gewild, dat de kosten van den bouw uit de koninklijke schatkist zouden bestreden worden. Daarom, zoo luidde Darius' brief verder, moet gij den vorst der Joden en hunne oudsten laten begaan, om het huis Gods te bouwen, en bovendien wordt door mij bevolen, dat dien mannen uit de koninklijke schatkist, namelijk uit de opbrengsten welke het landschap aan gene zijde des strooms afwerpt, nauwkeurig de kosten zullen ter hand gesteld worden, opdat het werk niet weder gestaakt worde. En als zij kalveren, lammeren en bokken noodig hebben tot een brandoller voor den God des hemels , of koren zout, wijn en olie om te doen volgens hunne voorschriften (om spijsoflers op te dragen), zoo zal dit alles hun dagelijks worden verschaft, zoodat zij zich niet te beklagen hebben, tn zij den God des hemels offers aanbieden en bidden voor het welzijn des konings en
BIJRRLSCHH GESCHIF.DF.NIS.
zijner kinderen. Derhalve beveel ik verder, dat als iemand de uitvoering van dit besluit tracht te beletten, men uit zijn huis een balk neme, hem daaraan bange, en zijn huis in het openbaar verkoöpe. God, die daar (te Jerusalem) woont, zal alle koninkrijken en alle volkeren verstoren welke hunne hand uitsteken, om zich tegen dit huis Gods te verzetten. â Ik Darius heb dit bevel gegeven en wil dat het nauwkeurig worde nageleefd.
Thathanaï en de oversten der vreemde stammen hielpen thans de Joden; de bouw vorderde met den dag, en eindelijk, in het 6'' jaar der regeering van Darius, op den j1quot;quot; dag lt;ier 12'' maand des jaars stond de tempel gereed. Men vierde.het inwijdingsfeest met al de plechtigheid, die de tijden en hel keine getal Joden veroorloolden; 100 kalveren, 200 rammen en 400 lammeren werden den Heer opgedragen, en als zoenoffer voor de zonden van geheel Israël nog 12 geitenhokken, naar het getal der twaalf stammen. Den 14.''quot; der volgende maand werd volgens de Wet van Moses het Paascbfeest gevierd; alle priesters en levieten hadden zich als één man gereinigd; het altaar des Heeren in den nieuwen tempel rookte wederom van talrijke offers, en men bracht de acht dagen der ongezuurde brooden door met gioote vreugde, daarbij gedenkende hoe God zijn volk genadig was geweest en het uit de Babylonische ballingschap verlost had.
Ter toelichting van liet bovenstaande mogen dc volgende opgaven dienen uil de ongewijde geschiedenis.
Al de landstreken, die vroeger onder Assyrie, daarna onder Babylonië, Medic en Per zie hadden gehoord, ver-eenigde Cyrus tot één rijk, van nu af liet Perzisclffe Kijk genoeiu.l. Hiermede niet tevreden strekte dc krijgshaftige vorst zijne tochten ook naar het verre westen uit. Dit verklaart, hoe zijne hovelingen en landvoogden, doordien hij of afwezig was, óf zijne aandacht aan andere zaken had te wijden, zijne bevelen omtrent de Joden onuitgevoerd durfden laten en ze zelfs dr.or onderlinge knoeierijen tegenwerken.
Ãp Cyrus volgde zijn zoon Cambyses, door de H. Schrift Assuerus genaamd. Na dezen gelukte het een der Perzische wijzen, door zicli voor den broeder van Cambyses, den vermoorden Smerdis uit te geven, zicli van den troon meester te maken. De 11. Schrift noemt hem Artaxcrxes, dc ongewijde geschiedenis Pseudo-Smerdis (valsche Smerdis). Na 7 maanden werd het bedrog ontdekt, de bedrieger ter dood gebracht, zijne besluiten en andere regeeringsstukken werden verscheurd, en Darius, de zoon van llystaspis, kwam aan het bestuur. Geheel hiermede in overeenstemming verhaalt de Schr.lt â zooals hierboven is meegedeeld â dat Darius, niet wat Artaxcrxes, maar wat Cyrns omtrent de Joden besloten had liet navorschen; Artaxcrxes* besluiten toch waren nietig verklaard.
Op Darius llystaspis volgde Xerxes. Vermoedelijk was deze iK- clfde koning, die door de II. Schrift ook Assuerus genoemd wordt en onder wien de in het volgende hoofdstuk vermelde geschiedenis van Esther voorviel.
HOOFDSTUK CXL11I.
DE GESCHIEDENIS VAN ESTHER.
lli|SSUerquot;S' van ''crzié, die van Indié tot Ethiopië heerschte over 127 land-
schappen, rechtte in het 3quot; jaar zijner regeering, in zijne Hoofdstad Susa, voor ijt'ö/ al zijne groote en machtigen onder de Perzen en Meden en voor de bestuurders landschappen, om hun zijne rijkdommen en zijne heerlijkheid te toonen, een ip gastmaal aan, dat 180 dagen duurde. Na afloop daarvan noodigde hij de gcheele ' mannelijke bevolking der hoofdstad van groot tot klein, en ontving haar in zijnen lusthof onder tenten van zeldzame pracht. Langs marmeren kolommen hingen aan purperen koorden, die door ivoren ringen liepen, fijngeweven voorhangsels van hemelsblauwe, roode violetkleurige stoften, terwijl de vloer geheel uit kostbare marmersoorten bestond. De zetels in deze tenten waren overtrokken met goud ot zilver; in keur van prachtige schalen werden de spijzen opgediend; en den wijn, die met koninklijke mildheid vloeide, dronk men uit gouden bekers. Aan elke talel had de koning een zijner vorsten aangesteld, belast met het toezicht, dat ieder vrijelijk kon laten staan of gebruiken wat hij verkoos. Terzelfder tijd had de koningin de vrouwen verzameld aan een feestdisch binnen het paleis.
Op den zevenden dag, toen de koning van den wijn verhit was, beval hij zijne kamer-
351
?52 RIjRF.I.SCHR GESCHIF.DENIS.
dienaren zich naar de koningin te begeven en haar zijn verlangen kenbaar te maken, dal ;;ij met de kroon op het hoofd tot hem naar buiten zou komen, opdat hij hare schoonheid door al het volk zou laten bewonderen. Onverrichter zake kwamen de dienaren terug: Vasthi weigerde te gehoorzamen. Ziedend van toorn, vroeg Assuerus aan de zeven wijzen, die volgens Perzisch gebruik altijd bij hem waren, wat de koningin voor hare weigering verdiend had. Het antwoord luidde; De koningin heeft niet alleen den koning beleedigd, maar tevens alle volken en vorsten, die in des konings landen wonen; want wat zij gedaan heeft, zal bekend worden aan alle vrouwen, met het gevolg, dat ook deze hare mannen verachten en zeggen: De koning Assuerus heeft bevolen, dat de koningin Vasthi tot hem zou komen, maar zij heelt niet gewild. Naar dit voorbeeld zullen allo vrouwen van de vorsten der Perzen en Meden de bevelen barer minnen niet tellen, en daarom is des konings toorn rechtmatig. Indien het u derhalve behaagt, zoo ga er van uw aanschijn een besluit uit, dat onderteekend worde volgens de wet der Perzen en Meden, welke het ongeoorloofd is te schenden, â een besluit, dat Vasthi voortaan den koning niet meer moge naderen, maar dat eene andere, die beter is dan zij, hare kroon ontvange. Dat besluit worde afgekondigd in uw gansche rijk, en alle vrouwen, zoo der grooten als der geringen, zullen hare mannen eerbiedigen, Dit voorstel behaagde de koning en zijne vorsten, en dienovereenkomstig werd gehandeld.
Geruimen tijd daarna, toen de gramschap van Assuerus bereids lang gestild was, begon hij met leedwezen aan het voorgevallene te denken, want Vasthi was inderdaad zetr schoon. De hovelingen, deze gevoelens bij hun meester bespeurende, gaven hem den raad , dat men in al de landen van zijn gebied, de voortreffelijkste jonge dochters zou bijeen zoeken en naar Susa vóeren, waar de opperkamerling Egeüs, haar in de vertrekken der koninklijke neven vrouwen moest verzorgen, totdat het den gebieder behaagde eene keuze te doen, en te bepalen aan wie hij de kroon wilde schenken.
Er woonde nu in die dagen te Susa een jood van aanzienlijke afkomst, met name Mardocheüs: wiens broeder, Abihaïl, bij zijn overlijden een dochtertje had nagelaten, Edissa of ook Esther geheeten. De moeder van dit kind was reeds vroeger gestorven, en Mardocheüs had daarom de kleine wees tot zich genomen en opgevoed. Haar innemend en liefelijk gelaat viel ieder in het oog en ontging dan ook niet aan de koninklijke dienaren, die haar uit dien hoofde met de overige maagden, welke zij uitgezocht hadden, bij Egeüs brachten. Zij maakte op den opperkamerling aanstonds een allergunstigsten indruk, en hij gelastte een zijner ondergeschikten bijzondere zorg voor haar te dragen en haar zeven jonge en schoone kamerdienaressen te geven. Twaalf maanden bracht Esther met de overige maagden in het paleis door; kostbare specerijen, zalven en versierselen werden aan ieder verstrekt naar begeeren; maar, terwijl hare gezellinnen daarvan gretig gebruik maakten, was zij om haar opschik onbekommerd en tooide zich slechts met die kleedingstukken, welke de opperkamerling voor haar noodzakelijk achtte. Hare afkomst maakte zij aan niemand bekend, want haar oom Mardocheüs had haar van den beginne at geraden over die zaak te zwijgen, en zij gehoorzaamde hem in alles, gelijk hij wederkeerig zijn pleegkind de teederste liefde toedroeg. In zijne bezorgdheid voor haar wandelde hij dagelijks voorbij de vertrekken, waarin zij zich bevond, om te beproeven of hij iets omtrent haar wedervaren kon te weten komen. Eindelijk, in het J'10 jaar van Assuerus' regeering, was de dag daar, dat de schoone Joodsche jonkvrouw voor haar koninklijken gebieder zou verschijnen, en wijl zij hem van al hare gezellinnen het meest beviel, nam hij haar tot zijne echtgenoote en plaatste op haar hoofd de kroon die Vasthi verloren had. Daarop werd een luisterrijk feestmaal gehouden; rijke geschenken werden met koninklijke mildheid uitgedeeld, en alle overwonnen landen ontvingen voor een jaar vrijstelling van sommige schattingen.
Ook nu nog ging Mardocheüs voort in stilte over zijne aangenomen dochter te waken; dikwijls vertoonde hij zich aan de poort van het paleis, om inlichtingen aangaande haar in te winnen. Eens bij zoodanige gelegenheid vernam hij toevallig, dat twee oversten van de wacht, Bagathan en Thares, met het plan omgingen den koning verraderlijk te overvallen
m
ÃIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
en te dooden. Hij liet dit door boden aan Esther bekend maken, en deze deelde het vervolgens aan Assuerus mede. De zaak bleek bij nader onderzoek waar te zijn; de beide oversten boetten hun misdadig voornemen met de galg, en de koninklijke geschiedschrijvers ontvingen den last het gebeurde aan te teckenen. Mardocheiis kreeg tot belooning niets dan een onbeduidend geschenk (hetwelk de geschiedschrijvers, zooals later uitkwam, niet der moeite waardig achtten* te vermelden); hij werd echter onder de dienaren van het paleis opgenomen.
Sedert verliepen er ruim 4 jaren, en in dien tijd had Assuerus een zijner gunstelingen, met name Aman, verheven tot eersten vorst des rijks en bevolen, dat alle dienaren ten hove de knie voor hem zonden buigen (en hem als een hooger wezen) vereeren. Alleen Mardocheiis weigerde dit gebod na te komen, en op de vraag naar de reden hiervan, gaf hij te kennen, dat hij een Jood was, wien een dergelijke daad als de voorgeschrevene niet vrijstond. De zaak werd Aman bericht, en deze besloot niet alleen Mardocheiis te treffen, maarniet hem alle Joden in geheel het Perzische rijk op één dag uit te roeien. Over den tijd, wanneer dat zon plaats hebben, werd het lot geworpen; men was toen in het begin der 1° maand van het 12^ jaar van Assuerus' bestuur, en het lot viel op de 12e maand. Vervolgens begaf Aman zich tot den koning om machtiging te vragen tot het volvoeren van zijn plan, dat, naar hij zijn gebieder verzekerde, 10,000 talenten zilver (ruim 42 millioen gulden) voor de schatkist zou afwerpen (ten gevolge van de verbeurd verklaarde goederen der vermoorden). De koning trok zijnen zegelring van den vinger en reikte dien Aman over, onder de woorden: Het zilver zij het uwe; doe met het volk gelijk gij goedvindt. Aman riep nu op den 15el1 dag der ie maand de koninklijke geheimschrijvers bijeen, en er werden in verschillende talen voor alle landschappen bevelschriften opgemaakt en met des konings ring gezegeld, dat op den ij»--quot; dag der 12^ maand in geheel het rijk de Joden gedood en hunne goederen in beslag zouden genomen worden. Snelloopers moesten deze bevelschriften naar de stadhouders der verschillende landschappen brengen, en toen zij vertrokken waren, ging Aman bij den koning ter maaltijd.
Te Susa, waar het onmenschelijk besluit nog dien eigen dag werd afgekondigd, verwekte het onder de Joden eene onbeschrijfelijke ontsteltenis; huilende en jammerende liepen zij bij de straten, langs alle kanten hun nood klagende. Mardocheiis hulde zich in een haren treurzak en spoedde zich, om Esther te spreken, naar het paleis. Wijl hij, in dien zak gehuld, niet mocht binnentreden, liet zij hem een ander kleed brengen, en toen hij weigerde dat aan te nemen, zond zij hem haar kamerdienaar, om te hooren wat hij te zeggen had. Hij gaf den dienaar een afschrift van het besluit, dat te Susa was aangeplakt, en gelastte hem, aan zijne meesteres te verzoeken, dat zij tot den koning zou gaan, om voor het behoud van haar volk te smeeken. Esther liet aan haren oom terugboodschappen: Alle dienaren des konings en alle landen onder zijn schepter weten, dat wie ook, hetzij man of vrouw, ongeroepen in het vertrek des konings verschijnt, onmiddelijk ter dood wordt gebracht, tenzij misschien de koning zijn gouden rijksstaf tot hem uitstrekke ten teeken van genade. Hoe zou ik dan tot den koning kunnen gaan, ik, die nu reeds gedurende dertig dagen niet door hem ontboden ben? Mardocheiis liet antwoorden: Meen niet, dat gij alleen van alle Joden uw leven zult behouden, omdat gij in het huis des konings woont; zwijgt gij thans, dan zullen de Joden door een andere oorzaak gered worden, en gij en uws vaders huis zult omkomen. Wie weet, of gij niet juist hierom koningin geworden zijt, om in een zoodanigen tijd redding te brengen. Dat woord maakte indruk ; nog eens kwam Esthers dienaar bij Mardocheiis terug, maar thans met het bericht; Ga, roep alle Joden bijeen, die gij te Susa vindt, en bidt voor mij; vast drie dagen en drie nachten; ik zal met mijne dienstmaagden desgelijks doen; daarna zal ik, tegen de wet in, mij ongeroepen tot den koning begeven en mij aan het gevaar des doods blootstellen.
Esther deed gelijk zij gezegd had: haar koninklijk gewaad verwisselde zij tegen treur-kleederen, en in plaats van haar hoofd met allerlei zalven te bestrijken, bestrooide zij het
353
354
met asch, vastte gestrengclijk. en bad \airig. Heer onze God, smeekte zij, red ons door uwe hand en help mij, die geene andere hulp bezit dan u, o Heer. Gij weet dat ik de heerlijkheid der goddeloozen haat cu dat ik met weerzin de echtgenoote ben geworden van een heiden ; Gij kent mijnen nood en weet, dat het teeken der hoogheid (dc kroon), hetwelk ik op mijn hoofd draag in dc dagen dat ik mij in het openbaar vertoon, mij een gruw 1 is, en dat ik het nooit draag in de dagen mijner eenzaamheid; dat ik ook nooit aan Amans disch heb gezeten , noch behagen heb gehad in de gastmalen des konings, noch den wijn der (aan de goden gewijde) drankollers heb gedronken. God, die machtig zijl boven allen, verhoor de stem dergeuen, die geene andere hoop hebben; red ons uit de hand der onge-rechten en bevrijd mij van mijne vrees.
Nadat ook Mardochcüs met de Joden te Susa zich zelven en al het volk door vasten en weenen den Heer had aanbevolen, legde Esther ten derde dage haar treurgewaad af, kleedde zich in haar schoonsten feestdos en begaf zich, van twee jeugdige kaïnerdienaressen vergezeld, naar de koninklijke zaal. Recht tegenover de deur zat Assuerus op zijn troon, schitterend van goud en edelgesteente. Zoodra hij de koningin zag binnentreden, teekende zich op zijn gelaat een vreeselijke toorn, en zijne oogen schoten vuurstralen. Bleek van schrik viel Esther in bezwijming en liet het neerhangend hoofd rusten in do handen harer dienstmaagden. Bij '.lat gezicht werd het hart des konings door den Heer tot zachtheid gestemd; hij sprong op van zijn troon, vatte zijne echtgonoote teeder in de armen cn vroeg minzaam: Wat is er, Esther? Ik ben uw broeder. Vrees niet; gij zult niet sterven. Dc/e wet is gemaakt voor alle anderen , niet voor u. Geen antwoord kwam er van de bleeko lippen, totdat de koning de bezwijmde met zijn gouden rijksstaf aanraakte, haar liefderijk omhelsde en vroeg; Waarom spreekt gij niet met mij ? Toen kwam zij tot zich zelve cn zL'ide; Ik zag u, mijn gebieder, als een engel Gods, en mijn hart werd ontroerd uit vrees voor uwe heerlijkheid. Daarna zeeg zij weder ineen, als ging zij sterven. Thans verschrok de koning op zijne beurt, en terwijl zijne hovelingen met hem wedijverden, om door zoete woorden de bezwekene bij te brengen, sprak hij no^ minzamer: Wat wilt gij, Esther, koningin? al begeert gij ook de helft mijns rijks, zij zal u gegeven worden. Hierdoor geheel gerust gesteld, stond zij op, kuste den haar toegestoken rijksstaf en antwoordde; Indien het den koning behaagt, zoo kome hij heden met Aman bij mij het maal gebruiken, dat ik bereid heb. Welaan, beval de koning zijnen dienaren, roept oogeublikkelijk Aman, opdat hij doe naar Esthers wil. Aan den disch vroeg de koning Esther nogmaals: Wat wilt gij dat u gegeven worde? wat begeert gij? al ware het mijn halve rijk, gij zult het verkrijgen. Als ten antwoord noodigde zij den koning met Aman ook voor den volgende dag bij zich, dan zou zij haar wensch bekend maken.
Vroolijk verliet Aman het paleis; doch toen hij aan de poort Mardocheüs zag zitt en die in plaats van voor hem op te staan cn eerbiedig de knie te buigen, zich nog geen duimbreed verroerde, was al zijn vreugde verdwenen. Op dat oogenblik hield hij zijn toorn in, maar tehuis gekomen, riep hij zijne vrouw Zares en al zijne vrienden bijeen, weidde tegen hen uit over zijn rijkdommen, over de menigte zijner zonen, over do hooge eer die de koning hem had bewezen door hem te verheften boven alle vorsten des rijks, en besloot met de verklaring, dat ofschoon hij alles bezat, cn de koningin hem alleen met den koning voor heden cn evenzoo voor morgen ter maaltijd had genoodigd, hij nochtans meende niets te bezitten, zoolang hij Mardocheüs aan de poort van het paleis moest zien. Zijne vrouw en de vrienden zeide daarop: Laat eene galg maken, vijftig elleboogsmatenhoog, en stel morgen vroegtijdig den koning voor, dat men Mardocheüs daaraan bange.
Dien nacht gebeurde het dat Assuerus niet kon slapen en zich daarom dc geschiedboe-ken der vervlogen jaren liet voorlezen. Toen men aan de plaats gekomen was, waar vermeld stond, dat Mardocheüs den aanslag van Bagathan en Thares op het leven van Assuerus had ontdekt, vroeg de gebieder: Welke eer of belooning heeft Mardocheüs voor zijn Louw ontvangen? Hij heeft in het geheel geene belooning ontvangen, luidde het
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
antwoord. Meteen hoorde de koning iemand in het voorhof; het was Aman, die reeds op dit uur naar het paleis w.is gegaan, teneinde onmiddelijk bij het ontwaken zijns meesters niet zijn voorstel omtrent Mardocheüs gereed te zijn. Laat hem binnenkomen, gebood de koning; want hij wilde zijn eersten dienaar spreken over het geval dat hij daar juist gehoord had. Aman trad dan binnen en Assucrus vroeg hem ; Hoe zal men handelen met den man, dien de koning wil ecren ? Aman meenende dat die vraag hem zeiven betrof, antwoordde: Den man, dien dc koning wil eeren, zal men de koninklijke kleeding aantrekken, hem plaatsen op het paard, waarop de koning gewoon is te rijden, hem de koninklijke kroon op het hoofd zetten, en de eerste der koninklijke vorsten zal het paard bij den teugel leiden door de straten der stad en uitroepen: Aldus moet geëerd worden, aan wien de koning eer wil bewijzen. Welaan, was het antwoord , neem de kleeding en het paard cn doe gelijk gij gezegd hebt aan Mardocheüs den Jood, die voor de poort van het paleis zit; zie wel toe, dat ge niets nalaat van hetgeen gij zeidet. Hoe ongaarne ook, Aman moest gehoorzamen; hij zelf, als de eerste vorst des rijks, ging, liet paard bij den teugel houdende, voor Mardocheüs uit en riep: Zulke eer is waardig dien dc koning wil eeren.
Zoodra dit geschied was, spoedde Aman, ia plaats van den koning verder te spreken , zich naar zijn huis en deelde zijne vreeselijke ontmoeting aan zijne vrouw Zares en zijne vrienden mede. Dc wijzen onder hen (die wellicht gehoord hadden hoe wonderbaar dc Heer zijn volk beschermde, wanneer dit Hem diende) zeiden tot Aman: Als Mardocheüs uit het geslacht der Joden is, zult gij hem niet kunnen weerstaan, maar voor hem vallen, zooals gij reeds begonnen zijt te doen. Terwijl men aldus sprak, kwamen de dienaren des konings aansnellen met het bericht, dat Aman zich haasten moest, wijl de maaltijd bij de koningin gereed stond.
Aan tafel vroeg de koning, nadat hij door den wijn vroolijk was geworden, evenals den vorigen dag: Wat is uw verlangen, Esther? wat wilt gij dat geschieden zal? Al vraagt gij de helft van mijn rijk, gij zult uw wensch vervuld zien. Nederig antwoordde de koningin: Indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, o koning, en indien het u behaagt, schenk mij dan mijn leven, om hetwelk ik u bid, en dat van mijn volk, waarvoor ik u smeek; want wij zijn overgeleverd, ik en mijn volk, om vertreden, gedood en verdelgd te worden. Och, of men ons nog voor slaven en slavinnen verkocht, het zou dragelijk zijn, en zuchtende zou ik zwijgen; nu echter hebben wij een vijand, wiens gruwzaamheid op den koning terugvalt. Wie is hij, vroeg de koning, en welke is zijne macht, dat hij zoo iets zou durven bestaan? Onze vijand, antwoordde listher, op den schuldige wijzende, is deze allerboosaardigste Aman. Aman verstomde; hij durfde zijn oogen niet opslaan, en de koning ziedende van toorn, verwijderde zich cn ging eenigen tijd rondwandelen in den lusthof. Van dat oogenblik maakte Aman gebruik om zich voor Esther op de knieën te werpen en om het behoud van zijn leven te smeeken. Toen de koning terugkeerde, vond hij hem aldus aan de voeten der koningin liggen, en, meenende dat hij haar kwaad wilde doen, sprak hij in nog grooteren toorn: Zie, hij wil ook dc koningin verkrachten, voor mijne oogen, in mijn huis! Nu bonden des konings dienaren Aman een sluier voor het gezicht, en een hunner, met name Harbona, sprak tot Assuerus: Zie, er staat bij Amans huis een galg, die hij voor Mardocheüs bereid had, van vijftig elleboogsmatcn hoogte, Hangt hem daaraan, beval dc koning, en liet vonnis werd nog op dien eigen stond voltrokken.
Amans huis werd aan Esther geschonken; aan Mardocheüs vcrtroiuvde Assuerus den koninklijken ring toe (benoemde hem tot groot-zegelbewaarder cn eersten vorst des rijks) cn in naam des konings werden brieven geschreven aan 'le bestuurders der landschappen, dat de daar wonende Joden, die evenals hunne broeders te Susa, reeds in angst cn vrees verkeerden, op den i j',|! dag der ir' maand niet het zwaard in de hand voor hun leven mochten strijden en ieder dooden, welke het zou wagen hen aan te vallen. In dien strijd weiden zij, uit ontzag voor Mardocheüs, door de bestuurders der landschappen cn andere rijksgrooten bijgestaan, en er vielen op genoemden 13'quot; dag onder hun zwaard in het geheele rijk ongeveer 75.000 man. Van de vrijheid die de koning den Joden gegeven
355
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
had, om zich de bezittingen der verslagenen toe te eigenen, maakten zij echter geen gebruik; het was hun genoeg hun leven gered te hebben. Ten altijddurend aandenken aan dezen merkwaardigen dag werd een feest ingesteld, dat jaarlijks gevierd moet worden en den naam van Phurim-dag of Dag der Loten ontving, wijl door het lot, in Amans huis getrokken, die dag bestemd was geweest, om alle Joden om te brengen, wat evenwel door de goedheid des Heeren voorkomen en in een overwinning op de vijanden veranderd was.
Het vreemde gedrag des konings, die heden toestemming geeft, de Joden uit ic roeien, en morgen woedend wordt over een legen hen beraamden aanslag, behoeft geene verwondering te wekken. Hen grilliger vorst toch en die meer van de indrukken van het oogenblik afhing den Assuerus-Xerxes, is zooals uit de gr!ekschc schrijvers blijkt, in dc geschiedenis nauw bekend.
HOOFDSTUK CXLIV.
TWEEDE TERUGKEI'R DER JODEN ON DHR ESDRAS. ONGEOORLGOEDE HUWELIJKSVERBINTENISSEN.
mMn het 70quot; jaar na den eersten terugkeer der Joden onder Zorobabel, vroeg Esdras, een in dc Wet Gods zier bedreven priester, aan koning Artaxerxes (vermoedelijk I' â ' den zoon van Assuerus en Esther) vergunning, om met allen die hem volgen wilden, naar het land zijner vaderen op te trekken. Esdras was bij den koning zeer gezien, en deze stond hem niet alleen zijn verzoek toe, maar stelde hem bovendien tot stadhouder van Judea aan en machtigde hem, om voor zijn vertrek bij alle te Babyion achterblijvende broeders cene inzameling te houden van goud en zilver en andere zaken van waarde. Verder gaf de koning hem voor de schatmeesters der landstreken ten zuidwesten van den Euphraat een brief mede van dezen inhoud:
Ik Artaxerxes heb verordend en bepaald, dat al wat Esdras, priester en schriftgeleerde van den God des hemels, u vraagt, gij het hem onverwijld zult geven, tot een bedrag van 100 talenten zilver (ongeveer 423.600 gulden), 100 core (285 mud) tarwe, 100 bath wijn (ruim 28 vat), too bath olie, en zout zonder mate. Al wat tot den dienst van den God des hemels noodig is, zal met zorg worden verschaft aan het huis van den God des hemels, opdat zijn toorn niet neerkome op den koning en diens kinderen. Bovendien maken wij u (schatmeesters) bekend, dat gij geen macht hebt, om van de priesters, levieten, zangers, deurwachters en andere dienaren van Gods huis schatting, tollen, of jaarlijksche opbrengsten te heffen. â En gij, Esdras, stel naar de wijsheid, u door uw God verleend, rechters en oversten aan, om over het volk aan gene zijde des strooms recht te spreken, over hen namelijk, die de Wet uws Gods kennen (de Joden), terwijl gij aan degenen, welke haar met kennen (de vreemdelingen), vrijelijk de Wet kunt onderwijzen. En al wie de Wet uws Gods en de wet des konings niet trouw vervult, hij worde veroordeeld, hetzij ter dood, hetzij tot ballingschap, hetzij tot geldboete of tot den kerker.
Behalve hetgeen in dezen brief verordend was, schonken de koning en zijne rijksgrooten aan Esdras, tot opluistering des tempels en van het heilig dienstwerk, uit hunne eigene middelen nog verschillende kostbaarheden, en ook de achterblijvende broeders droegen met onbekrompen hand tot den tempelschat bij. Esdras deed alles zorgvuldig inpakken en op den ipquot; dag der ic maand in het 70 jaar der regeering van Artaxerxes trok hij \an Babyion op naar de rivier, welke naar Aha va stroomt, daar zouden volgens afspraak allen, die tot den terugkeer waren besloten, zich uit de verschillende ballingsoorden verzamelen. Lr ie dagen wachtte Esdras aan de rivier, doch toen er in dien tijd wel gewone Joden en ook priesters in genoegzaam aantal kwamen opdagen, maar geene levieten en tempeldienaars van minderen rang, zond hij boden naar den overste dezer dienaars, Eddo, met het gevolg,
357
dat zich weldra 42 levieten, onder welke een zeer geleerde man van de zonen Moholi's, en 220 mindere tempeldienaars bij hem aansloten. Esdras koos van de priesters twaalf uit, aan wie hij de geschenken des konings en der achterblijvende broeders in bewaring gaf. Het was een aanzienlijke schat van niet minder dan 650 talenten zilver (ruim 2^ millioen gulden), 100 stuks zilveren vaatwerk, 100 talenten goud (ruim 6^, millioen gulden), 20 gouden bekers en 2 koperen vaten blinkend als goud. Eer men vertrok werd een vastendag gehouden, om den zegen des Hemels over de reis af te smeeken; want een gewapend geleide van Perzische ruiters wilde Esdras den koning niet vragen, wijl hij hem te voren verzekerd had, dat God degenen zou beschermen die Hem zoeken, evenals Hij zijne machtige hand zou keeren tegen allert die van boozen wille mochten zijn.
Met het een en ander waren 11 dagen voorbijgegaan; thans op den 12*'quot; dag toog de schare, te zamen 1500 man, op reis. God bewaarde de zijnen van alle onheilen, en juist 4 maanden na het vertrek uit Babyion kwam Esdras, op den 1''quot; dag der 5'' maand in het 70 jaar der regeering van Artaxerxes, met zijne volgelingen te Jerusalem aan. Drie dagen werden besteed om zich te huisvesten en om uit te rusten; daarna werden de schatten, die aan de twaalf priesters ter vervoering waren toevertrouwd, weder geteld en gewogen en op de rol van de tempelschatten ingeschreven. Vervolgens droeg men uit dankbaarheid den Heer eene menigte brandoffers op, als: 12 kalveren voor de twaalf stammen Israels, 96 rammen en 77 lammeren; bovendien werden opgedragen 12 bokken tot een zoenoffer. Ten slotte werd de brief des konings met de daarin vervatte verordeningen getoond aan de koninklijke oversten en schatmeesters, tot wier gebied de landstreken ten zuidwesten des Euphraats behoorden
Nadat dit alles geschied was, kwamen tot Esdras eenige lamilievorsten des volks, om hem mede te deelen, dat vele der mannen, wier vaderen onder Zorobabel waren teruggekeerd, zich vermaagschapt hadden met de heidenen, door vrouwen te nemen niet alleen van de Ammonieten, Moabieten en Egyptenaren (wat de wet onder zeker voorbehoud toestond), maar ook van de afstammelingen der oude Chanaiineen, Hetheën, Pherezeën, Jebuseën en Amorrheën, en dat het kwaad van de priesters en de vorsten was uitgegaan. Als een donderslag viel deze tijding Esdras op het hart; hij scheurde zijn lijfrok en zijn mantel, rukte zich de haren uit hoofd en baard en zat treurende in het huis des Heeren ter neder tot het uur van het avondbrandoffer. Allengs verzamelden zich om hem allen die den Heer vreesden en wier hart evenals het zijne onder de begane wetschennis zuchtte. Toen stond hij op, wierp zich op zijne knieën, sterkte de armen uit en bad met ontroerde stem: Mijn God, ik sta verplet en schaam mij mijne oogen tot u op te heffen: onze zonden zijn tot boven ons hoofd gestegen; onze misdaden zijn sedert de dagen onzer vaderen aangegroeid tot den hemel, en wij zei ven hebben die grootelijks vermeerderd. Om onze vergrijpen zijn wij, onze koningen en onze priesters overgeleverd geworden aan de beheerschers der (vreemde) landen overgeleverd aan het zwaard, de ballingschap, den roof en de beschaming. Ter nauwernood was thans een oogenblik ons smeeken tot den Heer opgeklommen en was ons weer vaste voet gegeven in zijn heiligdom (of wij waren wederom de oude knechten). En nu, wat zullen wij tot deze dingen zeggen, o mijn God! Wij hebben uwe geboden verlaten, die Gij ons voorgeschreven hadt door den mond van uwe dienaren de profeten, door wie Gij spraakt: Geeft uwe dochters niet aan de zonen dier volken, noch neemt hunne dochters tot vrouwen voor uwe zonen... Heer God Israëls, Gij zijt gerechtig, want wij zijn gespaard, om (volgens uwe belofte) behouden te blijven, en zie, wij zijn schuldig voor u en kunnen daarom voor u niet bestaan.
Terwijl Esdras aldus onder heete tranen bad, drong het volk, zoo vrouwen en kinderen als mannen, zich nauwer om hem heen en weende met hem mede. Eindelijk nam een zekere Sechenias (wiens vader en broeders zeiven vreemde vrouwen hadden getrouwd) het woord op en sprak tot Esdras: Wij hebben gezondigd, doch als daarover rouw is in Israël, laat ons dan een verbond maken met den Heer onzen God, om al de vrouwen uit de volk^a des lands niet hare kinderen weg te zenden, naar den wil Gods en van degenen,
t
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
die het gebod des Hoeren -vreezen; volgens de Wet zal men doen. Sta op, Esdras; uws is het te beslissen, en wij zullen roet u zijn; wees getroost en handel. Op die toespraak verrees Esdras van den vloer des heiligdoms, waarop hij nog altijd geknield lag, en liet de oversten der priesters, der levieten en des volks zweren zich naar deze woorden te zullen gedragen. Nadat allen den eed hadden afgelegd, ging hij in het vertrek van Johanan, den zoon van den hoogepriester Eliasib, doch van droefheid kon hij niet eten of drinken. Thans werden naar verschillende kanten boden gezonden, om alle mannen ter versraderinquot;
0 OO
naar Jerusalem op te roepen; wie binnen drie dagen niet kwam, zou met verbeurdverklaring van zijn huis getroflen en uit de gemeenschap des volks gebannen worden. Binnen den bepaalden tijd waren allen aanwezig en verzamelden zich, ondanks den regen die er viel, op het plein voor den tempel. Esdras spoorde hen aan, belijdenis hunner zonden af te leggen en de vreemde vrouwen te laten varen. De menigte antwoordde; Naar uw woord zal het geschieden, doch wijl er zooveel volk is, cn wij niet in den regen kunnen blijven staan, en het ook geen werk is van een paar dagen, â want er is veelvuldig op dit stuk gezondigd â zoo stelle men mannen aan, voor wie allen in onze steden, die vreemde vrouwen gehuwd hebben, op bepaalde dagen met de oudsten en rechters der stad zullen verschijnen, opdat uitgemaakt worde welke vrouwen moeten worden weggezonden.
Dit vond men goed. Vier mannen werden aangesteld; zij reisden de verschillende steden rond, onderzochten de zaken, schreven de namen dergenen op, die van de ongeoorloofde verbintenissen afstand moesten doen, en binnen drie manden was alles geregeld.
Uit den profeet M.i'achins, die in dezen tijd leefde, blijkt dat vele mannen iret alleen aan gemeld kwaa.l schuldig waren, maar dal zij daarenboven hunne eigene wellige vrouwen hadden verstooten ; deze moesten zij nu ongetwijfeld terugnemen. De bedoelde plaats bij Malachias li : 11 tot 1}. luidt: «Trouweloos is Juda geworden, en een gruwel is geschied in Israel en Jerusalem: Juda heelt hot heilige des Heeren ontwijd... en zich ver-eenigd met de dochters van een vreemden God (dochters die een vreemden God aanbidden). Uitroeien zal de Heer den man, die zulke dingen doel... Maar bovendien doet gij dit: Gij bedekt het altaar des Heeren met tranen, geween en zuchten (van de door u versmade echtgenoolen, die klagende tot het altaar haar toevlucht nemen)... De Heer toeh is getuige tusschen u en de vrouw uwer jeugd, wie gij ontrouw zijl geworden; zij immers was uwe gezellin en de vrouw uws bonds.quot;
Welke vreemde vrouwen werden weggezonden, allen of alleen diegenen met wie het huwelijk onder geene voorwaarde geoorloofd was, en hoe er verder met haar en de kinderen gehandeld is, meldt de II. schrift niet. Waarschijnlijk zal men op behoorlijke wijze in het levensonderhoud der vrouwen en in de opvoe.ling der kinderen hebben voorzien,
HOOFDSTUK CXLV.
TERUGKEER VAN NE1IEM1AS EN ZIJNE GEZELLEN, DE STADSMUREN HERSTELD. VOORLEZING DER WET. LOOEHUTTENEEhST.
-4-
lilifWjLertien jaren m Esdras, in het 20quot; jaar der regeering van Artaxerxes, keerde Ni.'hemias voor een tijdlang naar Jerusalem terug.
Nehemias was een zeer aanzienlijk man, schenker aan het Perzische hof. Op jplt;v zekeren dag, toen hij in de groote stad Susa den koning weder als naar gewoonte aan tafel den wijn aanbood, zag hij buitenmate treurig, want hij had van eenige uit Judea gekomen joden gehoord, dat de broeders te Jerusalem in veel druk en lijden leefden, en dat de vestingwerken der stad en de poorten nog steeds in een erbarmelijken staat verkeerden. De koning, wien de neerslachtigheid zijns schenkers niet ontging, vroeg hem: Waarom is uw aangezicht zoo treurig? ik bespeur toch niet dat gij ziek zijt. Eerbiedig antwoordde Nehemias: Eeuwig leve de koning! hoe zou mijn aangezicht niet bedroefd zijn.
359
daar de stad, die het graf mijner vaderen bergt, verwoest ligt en hare poorten verbrand zijn met vuur? Wat wenscht gij dan? hernam de koning. De schenker slierde eene korte verzuchting hemelwaarts en gaf ten antwoord: Indien het den koning goeddunkt, en uw dienaar voor uw aanschijn genade vindt, om mij naar Judea te zenden, naar de stad van het graf mijner vaderen, dan zal ik haar herbouwen. De koning en de aan zijne zijde zittende koningin vroegen: Hoelang zal uwe reis duren, en wanneer komt gij terug? De schenker bepaalde zoo ongeveer den tijd en kreeg niet alleen vergunning om te gaan, maar werd bovendien tol bestuurder van Judea aangesteld. Daarop verzocht hij van den koning brieven voor den landvoogd aan gene zijde des l uphraats om een gewapend geleide lot Jerusalem, en een bevelschrift aan den opzichter der koninklijke bosschen om hout lot hel vervaardigen der poorten en tot het bouwen van een huis waarin hij kon woneu. Artaxefxes stond hem het gevraagde toe, en, door het gewapend geleide beschermd, kwam Nehemias met eenige gezellen behouden ie Jerusalem aan.
Na drie dagen uitrustens reed hij met een paar mannen heimelijk des nachts op een lastdier de stad rond, om de verwoeste muren in oogenschouw te nemen. Van zijn onderzoekingstocht teruggekeerd, riep hij de stadsoversten bijeen en sprak: Gij kent de ellende, waarin wij ons bevinden; welaan, laat ons de muren van Jerusalem herbouwen, opdat wij niet langer lot een voorwerp van smaad zijn (voor de heidenen). Daarop schetste hij hun, hoe goed God ook nu weder voor zijn volk was geweest, en deelde hun ten blijke daarvan de gunstige beschikking des konings mede. Hierdoor bemoedigd, besloten de oversten de handen krachtig aan hel werk te slaan.
Dit was alles behalve naar den wensch van Sanaballal den Samaritaan, van Tobias den Ammoniet en van Gosem den Arabier. Deze drie mannen dreven den spot met de pogingen der Joden en vroegen hun: Wat begint gij toch; wilt gij misschien in opstand komen tegen den koning? Nehemias stond hun onverschrokken te woord; De God des hemels, zeide hij, helpt ons, en wij, zijne dienaren, zullen den bouw voltrekken, gij echter hebt noch deel, noch recht, noch aandenken aan deze stad. Daarop werd het werk ijverig voortgezet, en Nehemias stelde, tot eene herinnering voor hel nageslacht, zorgvuldig te boek welke groep bouwlieden elke poort of ieder stuk muur vervaardigde. De Schaapspoort (dicht bij den tempel) werd gemaakt door den hoogepriester Eliasib en ziine broeders de priesters; zij waren al spoedig met hun werk gereed en wijdden het plechtig in. De andere groepen deden nu nog meer hun best, om het gedeelte der taak, dat zij onder handen hadden, te voltooien.
Toen Sanaballat zag, dat men inderdaad vorderde, klom zijne afgunst tot hevige verbolgenheid, en met bijlende scherpte sprak hij ten aanhooren der bouwlieden tol zijne broeders en eene menigte Samaritanen: Wat willen toch die machtelooze Joden? Zullen de volken hen laten begaan? Zal hel werk inderdaad nog eens tot stand komen en zullen zij kunnen bouwen met steenen, die onder het puin en het verkoolde hout worden weggehaald? lobias de Ammoniet, die het dichtst bij Sanaballat stond, antwoordde: Laat ze bouwen; een vos kan gemakkelijk over hun muur heenspringen.
Inmiddels gingen de Joden door en brachten den muur tot op de helft der hoogte. Zoodra hunne vijanden Sanaballat, Tobias, de Arabieren, de Ammonieten en de Philislijnen van Azot dit vernamen, maakten zij gemeene zaak om tegen Jerusalem op te trekken; zij wilden dit echter niet doen in hel openbaar, maar namen zich voor, bij verrassing de stad te bespringen. Om hiertegen op zipie hoede te zijn, stelde Nehemias wachten uit bij dag en bij nacht; doch door dien maatregel werd een gedeelte der handen aan het werk onttrokken zoodal vele der bouwlieden den moed verloren. Hel aantal steendi'agers, zeiden zij, is te gering, en er valt nog zooveel puin op te ruimen; wij zullen den muur niet kunnen afbouwen.
Intusschen kwamen er telkens van de in de nabijheid der vijanden wonende Joden nieuwe berichten, dat het Sanaballat en de zijnen met hun plan van onverhoedschen aanval
jRo BIJRF.l.SClir. GESCHIEDENIS.
ernst was. Nu plaatste Nehemias al het volk achter den muur, rustte het uit met zwaard, spies en boug en sprak het moed i'.i met de woorden: Vreest hun aanschijn niet; gedenkt den Heer, den Groote en Machtige, en strijdt voor uwe broeders, voor uwe zonen en dochters, voor uwe vrouwen en uwe huizen. Daar de vijand zag, dat zijn plan was uitgelekt, had de beraamde aanslag geen plaats en keerden de Joden aan hunnen arbeid terug. Zij bleven echter op alles voorbereid; het zwaard hing voortdurend aan hunne heup, om terwijl ze met de eene hand den trolle! voerden, met de andere naar hun wapen te kunnen grijpen. Daarbij nam Nehemias nog ééne voorzorg. Het werk, sprak hij tot het volk, is groot en uitgebreid en wij zijn onder onzen arbeid ver van elkander verwijderd; derhalve, wanneer gij op eer.e plaats de bazuin hoort blazen, snelt dan allen daarheen, en onze God zal voor ons strijden. Zoo werd de bouw met volharding en vertrouwen voortgezet, ofschoon er dag en nacht moest gearbeid en wacht gehouden worden, en men zijne kleeren niet uittrok dan alleen om een bad te nemen ten einde zich van het stof en het vjil te reinigen.
Daar Sanaballat zag dat geweld niet kon baten, nam hij zijn toevlucht tot list. Hij en zijne partijgenooten: Tobias de Ammoniet, Gosem de Arabier en anderen, zonden boden tot Nehemias met de uitnoodiging, zich bij hen te voegen in de vlakte van Ono (op het voormalig stamgebied van Benjamin), om met elkander een verbond te sluiten, Nehemias liet terugboodschappen: ik heb een belangrijke zaak te verrichten en kan niet komen. Nog viermaal hernieuwden de vijanden hunne uitnoodiging, toch telkens ontvingen zij eenzelfde antwoord. Sanaballat gaf echter den moed niet op, de vijfdemaal zond hij een bode met een brief, welks inhoud luidde: Er gaat een gerucht onder de volken, en Gosem bevestigt het, dat gijlieden, gij en de Joden, afvallig denkt te worden (van Perzië), dat gij daarom de muren bouwt en dat gij u zelf tot koning over het volk wilt verheffen; met dat doel zoudt gij profeten hebben aangesteld, die te Jerusalem moeten verkondigen : Er is een koning in het Jodenland. Dit zal Artaxerxes ter oore komen; daarom kom, opdat wij samen beraadslagen. Nehemias liet antwoorden, dat dit gerucht niet liep, maar dat Sanaballat het verzonnen had (om Nehemias in zijne macht te krijgen en hem verraderh|k om hals te brengen).
Daarop spande Sanaballat hem de volgende strik. Hij kocht een Jood om (waarschijnlijk een priester), met name Semaias, die zich voor een proleet uitgaf en heimelijk bij Nehemias kwam met het voorstel ; Laat ons samen in het huis Gods gaan, in het binnenste des tempels (het heilige), en de deuren sluiten, want dezen nacht zullen er mannen komen om u te vermoorden, Uit een zoodanig voorstel begreep Nehemias aanstonds, dat Semaias geen profeet kon zijn, maar dat hij door Sanaballat en Tobias met geld bestoken was, om Nehemias iets zondigs aan te raden, teneinde hem later bij het volk te kunnen beschuldigen. Een gewone Jood toch mocht het heilige niet betreden, en zelfs den priesters was het verboden er buiten hun dienstwerk langeren tijd te verwijlen. Nehemias g^f dan ook ten antwoord : Zal iemand als ik den tempel binnengaan om zijn leven te redden? ik zal het niet doen.
Nog anderen van de voornaamsten der Joden stonden met Sanaballat en vooral met Tobias in geheime betrekking; zij hadden zich door een eed aan laatstgenoemde verbonden, wijl hij de schoonzoon was van een hunner, Sechenias, en wijl ook zijn zoon Johanan eene Joodsche vrouw, eene dochter van Mosollam, tot echtgenoote had. Veelvuldig werden er tusschen hen en Tobias brieven gewisseld, cn zelfs ontzagen zij zich niet de brieven, die zij van hem ontvingen en die er op berekend waren Nehemias vrees aan te jagen, aan dezen te laten zien, waarbij zij dan veel goeds van Tobias verhaalden. Zoo trachtten Sanaballat en de zijnen door allerlei middelen Nehemias onschadelijk te maken en het werk van den wederopbouw der muren, waarvan hij de groote aanvoerder was, te beletten. Desondanks kwam het werk binnen twee maanden tot stand. Zelfs de vijandige volken moesten hierin den vinger Gods erkennen en werden met vrees en eerbied voor de Joden vervuld.
De inwijding werd met grooten luister gevierd, Onder bazuingeschal cn het zingen en
IMjRELSCHE GESCHIEDENIS. 5^
spelen van heilige liederen trokken de vorsten van Juda, de priesters, de levieten en het volk ia twee koren over den brecden muur rond, om ten laatste bij den tempel saam te komen, waar men door het opdragen van eene menigte slachtollers den Heer voor de betoonde gunst dankte.
Bij de laatste wegvoering der Joden naar Babylon was het heilige vuur door eenige priesters, die destijds het heilig dienstwerk verrichtten, van het brandoflcraltaar genomen en in een diepen, drogen put verborgen (hoofdstuk 133). Nehemias zond de nakomelingen dier priesters om dit vuur wederom te voorschijn te brengen; zij vonden echter in den put niets dan drabbig water. Hij beval huu dit uit te scheppen, en er het offer en het ofter-hont mede te besproeien. Toen een oogenblik daarna de zon, die zich tol dusverre achter de wolken verscholen hield, hare stralen op het altaar schoot, vloog het hout met groot geweld in brand, waarop al het volk in kreten van verbazing en verwondering uitbarstte. Nehemias loofde God en sprak: Heer God, Schepper aller dingen! Vreeselijke, Sterke, Rechtvaardige en Barmhartige, die de alleen Goede Koning zijt, de alleen Voortreffelijke, de alleen Gerechte, de alleen Almachtige en de alleen Eeuwige; die Israël bevrijdt van alle onheilen, die onze vaderen hebt uitverkoren en u toegeheiligd; â ontvang dit offer voor geheel uw volk Israël en bewaar en heilig uw erfdeel. Verzamel onze verstrooiden, die in de dienstbaarheid der heidenen zijn, en zie genadig neder op de verachten en gesmaden, opdat de heidenen weten mogen, dat Gij onze God zijt. Tuchtig hen, die in hunne trotschheid ons verdrukken en mishandelen; plant uw volk in uw heilig land, gelijk Moses gesproken heeft.
Na dit gebed hieven de priesters een gewijd loflied aan en gingen voort met zingen, totdat het offer, waaronder het vuur op zoo wonderdadige wijze was ontstoken, geheel verteerd was. Nehemias liet het overige water uitgieten op de groote steenen (van het altaar), en nogmaals sloeg de vlam ten hemel. Toen dit wonder den koning van 1'erzië ten oore kwam, deed hij op die plaats (boven of bij den put) een heiligdom oprichten (waarschijnlijk slechts eenige overwelfde kolommen) tot een voortdurend aandenken aan hetgeen geschied was.
Op een anderen tijd, den eersten dag der zevende maand (het jaar is onbekend), waren de Joden uit hunne verschillende steden te Jerusalem saamgekomen (om het Bazuinfeest te vieren, dat op dien dag viel). Het volk stond geschaard bij de Waterpoort en verzocht Esdras, den schriftgeleerde, het Boek der Wet te halen en voor te lezen. Esdras was daartoe aanstonds bereid; hij klom op eene kleine verhevenheid, zoodat hij gemakkelijk door allen kon gezien worden, en toonde hun het bock met een kort woord van lof op den Allerhoogste. Amen, amen! antwoordde het volk, strekte zijne handen uit en boog in aanbidding voor den Heer ter aarde. Nadat de levieten, die het naast bij de verhevenheid stonden, stilte hadden geboden, begon Esdras te lezen en las tot den middag. Onbewegelijk stond het volk te luisteren, en, bij het hooien van zooveel wat de Heer gesproken en thans reeds gedeeltelijk vervuld had, barstte het in tranen los. Doch Nehemias en Esdras zeiden: Het is een dag aan den Heer onzen God gewijd (een feestdag); treurt niet, weent niet; maar gaat, eet en drinkt feestelijk en deelt mede aan degenen, die niets hebben bereid (aan de armen). En aldus geschiedde: men at en dronk en vierde feest met groote blijdschap.
Den volgenden dag, toen men opnieuw vergaderd was, las Esdras uit de Schrift het gebod voor, dat de kinderen I;;raëls op het feest in de zevende maand (van den 15Jen tot en met den 22cquot; dag) in loofhutten moesten wonen. De plaats, waar Moses dit bevolen had, luidde aldus: In de zevende maand, op den ici' dag der maand, zult gij een plechtigen rustdag vieren onder het geschal der bazuinen (het bazuinfeest) ... Op den locquot; dag dier maand zal het de groote verzoensdag zijn; hij zal heilig gehouden worden; dan zult gij uwe zielen bedroeven (over uwe zonden) en den Heer een brandoffer opdragen .. . Van nf den i5en dag der maand zullen het de vierdagen der hutten zijn, zeven dagen lang, voor den Heer. De eerste dier dagen zal zeer plechtig en hoogheilig gehouden worden; geen
46
\
5^2 B1JBELSCHR GESCHIEDF.NIS.
slavclijken arbeid zult gij daarop verrichten; zeven dagen lang zult gij den Heer brandofTers opdragen, en de achtste dag zal wederom zeer plechtig en hoogheilig worden gehouden.
1 oeti de vorsten, de priesters en levieten deze woorden hoorden, riepen zij het volk toe: Gaat naar de bergen, haalt olijfgroen en twijgen van de schoonste boomen, myrten-takken en palmbladeren en twijgen van (andere) schaduwrijke boom.-n en maakt lumcn, gelijk er geschreven staat. Het volk ging en haalde wat gezegd was, en ieder maakte zich een loofhut, hetzij op het platdak van zijn huis, in zijn voorhof, in de voorhoven van het huis des Heeren, in de straat bij de Waterpoort of bij de poort van Ephraïm, Zoo plechtig en met zooveel geestdrift was het feest niet gevierd sedert de dagen van losue den zoon van Nun (die de Israëlieten binnen het beloofde land had gevoerd). Eiken dag werd er uit de Wet gelezen, en er heerschte een algemeene vreugde.
1. Tot de zoo spoedige voUooiing â binnen 2 maanden â van Jerusalems muren droeg ongetwijfeld veel bij, dal er, zooals de H. Schrilt niei onduidelijk u- verslaan geeft, hier en daar nou; brokstukken van de eerste muren stonden, en men, ook w.iar dit niet het geval was, op de oude fondementen kon bouwen. Overigens nam het gehecie volk, verscheiden dui/end menschcu, aan het werk deel, de priesters en levieten zoowel als de gewone Joden.
2. Dat het volk en vooral de priesters van de voornaamste bepalingen der Wet onkundig zouden zijn geveest, is bezwaarlijk tt: veronderstellen; zij werden er echter door do lezing en verklaring van Hsdras opnieuw aan herinnerd, en in dat plechtig oogenblik bracht dit op hen dien geweldigen indruk teweeg, waarvan boven gesproken is,
5. Op de bladzijden onmiddelijk achter die waarop de voorlozing der Wet staat beschreven, vormeUlt Ie H. Schrift een geval van openbare boetpleging; doch misschien (want de 11 Schrift let dikwijls weinig op tijdsor ie) heeft dit geval eerst plaats gehad na Nehemias' tweeden terugkeer en kan daarom gevoegelijk tegelijk met dien terugkeer in het volgende hoofdstuk worden medegedeeld..
HOOFDSTUK CXLVI.
TWEEDE VERBLIJF VAN NEHEMIAS TE JERUSALEM.
,tv~
/r f»y
5 adat liet verblijf van Nehemias te Jerusalem, waartoe hij van den koning Artaxerxes ft vergunning had gekregen, allengs tot 12 jaren was aangegroeid, keerde hij naar JlfsS? ^ het Perzische hof terug. Een geruimen tijd had hij er weder vertoefd, toen hem 'lli* 0P z'in verzoe^ nogmaals werd toegestaan, naar het land zijner vaderen te trekken.
Verschillende ergerlijke misbruiken vond hij daar gedurende zijne afwezigheid k ingeslopen. Vele Joden hadden Philistijnsche, Ammonietische en Moabietische vrouwen genomen, en hunne kinderen mengden de vreemde en de landstaal dooreen; zuiver Joodsch spreken konden zij niet. Zelfs een zoon van den hoogepriester Eliasib, Jojada, had een zijner zonen in het huwelijk doen treden met eene dochter van den erfvijand der Joden , Sanaballat. Vrceselijk trok Nehemias tegen dit kwaad te velde; hij vermaande en bezwoer de Joden zich toch niet meer met de heidenen te vermaagschappen en sprak ten slotte tot lien: Is dit niet Salomons val geweest? Zeker was er onder de volken geen koning aan hem gelijk; hij was bemind bij zijn God, cn God stelde hem tot koning over gansch Israël, en toch verleidden hem de vreemde vrouwen tot zonde. Zoo sprak Nehemias tot de overige Joden; den zoon van Jojada echter (die halstarrig schijnt geweest te zijn) bande hij uit de Joodsche gemeenschap.
Een ander niet minder ergerlijk kwaad was begaan door den hoogepriester Eliasib. Deze had de voorraadkamers des tempels, waarin vroeger de offers en tienden des volks aan koren, wijn en olie, benevens het heilig vaatwerk en de voor de priesters en levieten bestemde giften bewaard werden, ingeruimd tot een schatkamer voor Tobias den Ammoniet, niet wien hij (wellicht door een zijner kinderen of kleinkinderen) vermaagschapt was.
TBIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Die op zich zelve reeds ongeoorloofde daad had bovendien ten gevolge gehad, dat geene giften meer aan de levieten werden geofferd, zoodat zij zich gedwongen zagen, op het land bij hunne bezittingen en akkers hun onderhoud te zoeken, zeer tot nadeel voor het heilig dienstwerk, dat daardoor zoo goed als geheel stilstond.
Bij dat alles verwilderde het volk: de rustdagviering werd niet meer in acht genomen, de Wet scheen verleerd en vergeten. Nehemias zag verscheidene personen op sabbat de wijnpers treden, korengarven dragen, en druiven, vijgen en andere lasten op czils laden. Bij Jerusalem woonden kooplieden uit Tyrus, die op sabbat visch en andere eetwaren aanvoerden en aan de Joden verkochten. Nehemias liet de voornaamsten der stad bij zich komen en sprak tot hen in heilige verontwaardiging: Wat zijn dat voor booze dingen die gij doet, dat gij den sabbat niet heiligt! Hebben ook onze vaderen niet aldus gedaan, en heeft daarom niet onze God over ons en over de stad al deze rampen (wegvoering en verwoesting) gebracht? En gij vermeerdert nog zijn toorn over Israel door den sabbat te ontwijden? Om de vreemde kooplieden te weren, beval Nehemias, dat op sabbat de poorten gesloten zouden worden, en stelde hij eenige zijner dienaren daarbij aan om toezicht te houden. Alzoo bleven de kooplieden en de kramers in allerlei waren buiten de poort, en wachtten daar tot zij weder geopend werd. Een paar malen hadden zij aldus gedaan, toen ook dit Nehemias begon te vervelen, weshalve hij tot hen sprak; Waarom blijft gij buiten de stad wachten? dóet gij dat nog eens, dan laat ik de hand aan u leggen. Van dien tijd af heerschte er op sabbat rust.
Om hetgeen opzichtens den tempel gebeurd was te herstellen, begon Nehemias met de schatten van Tobias (waarschijnlijk koopwaren) uit de voorraadkamers te verwijderen, en na deze te hebben doen reinigen, liet hij er het heilig vaatwerk, de spijsoflers en den wierook weder inbrengen. Vervolgens riep hij de stadsoversten tot eene vergadering op en sprak tot hen: Waarom staat het huis des Heeren verlaten? Daarna verzamelde hij de levieten en zangers, beval hun het heilig dienstwerk ie hervatten, en van nu afbracht geheel Juda ook weder zijne tienden aan koren, wijn en olie. Vertrouwde mannen werden als opzichters en bewaarders daarvan aangesteld; het waren Selemia, een priester, Sadoc, schrijver in dienst des tempels, Phadaia een leviet, en Hanan.
Op een anderen tijd (dit kan ook op het einde van zijn eerste verblijf te Jerusalem geweest zijn) roeide Nehemias den woeker uit, waaraan de rijke Joden zich tegenover hunne arme broeders sclnildig maakten. De armen hadden in hunnen nood niet alleen hunne akkers en wijnbergen verpand, maar ook hunne kinderen aan de rijken in slavendierst moeten geven, terwijl zij geen geld bezaten om de hooge renten te betalen, veel minder om de panden in te lossen of hunne kinderen weder van de dienstbaarheid vrij te koopen. Toen Nehemias dit alles ven am, ontstak hij in gramschap en sprak tot de rijken: Eischt gij woekerrente, de eene broeder van den anderen? Voorts belegde hij eene volksvergadering, waarop hij de rijken aldus toesprak: Wij (ik en de mijnen) hebben, zooals ge weet, onze broeders, die Joden, welke aan de volken (rendom ons) verkocht waren, voor zooveel in ons vermogen was, vrijgekocht, en gij wilt uwe broeders verkoopen (hen noodzaken dit hunne kinderen te doen)? Op dat woord zwegen allen; niemand wist wat hij antwoorden zou. Nehemias sprak verder: Het is niet goed zooals gij u gedraagt; waarom wandelt gij niet in de vrceze onzes Gods, zoodat de ons vijandige volken ons niets te verwijten hebben? Ook ik en mijne broeders en mijne dienaren hebben veel geld uitgeleend (zonder interest); laten wij allen niets terug vorderen, maar hetgeen men ons schuldig ii kwijtschelden; geeft hun (den armen) heden hunne akkers, hunne wijnbergen en olijfgaarden weder. â Nehemias had nog veel meer voor de Joden gedaan dan hij hier zeide. Gedurende de 12 jaren, dat hij het land van Juda bestuurd had, had hij van het volk de inkomsten niet gevorderd, die den landbestuurder toekwamen, en bovendien had hij op eigen kosten dikwijls de stadsoversten, 130 man, benevens de vreemde gezanten, die van tijd tot tijd kwamen, aan zijne tafel ge-noodigd. De op de vergadering aanwezige rijken, wien dit alles bekend was, namen dan
BTfBELSCHE GESCHIEDENIS.
ook met ziin voorstel, om alle schulden kwijt te schelden, genoegen en deden hunne belofte gestand. Zoo werden de vrede en de goede verhouding tusschen armen en rijken hersteld.
1. Volgens Flavins Josephus droeg de door Neliemias uit de Joodsche gemeenschap gebannen zoon van Jojada en kleinzoon des hoogepriesters Ellsasib den naam van Manasses. Dezelfde schrijver verhaalt, dat Sana-ballat een paar jaren later op den berg Garizim tusschen de steden Samaria en Sichem een tempel bonwde, gelijk aan dien te Jerusalem, en dat hij gemclden Manasses tot hoogepriester daarvan aanstelde.
2. Na het bovenstaande verhaal zwijgt de II, Schrift ovet de lotgevallen der Joden gedurende nagenoeg 250 jaren tot het optreden der Machabeën. Uit de ongewijde geschiedenis weet men van hen enkele bijzonderheden, die later in de inleiding tot het zevende tijdvak zullen worden meegedeeld.
Inmiddels wordt hier ingela-cht het volgende op zich zelf staande hoofdstuk behelzende de geschiedenis van Job. Deze geschiedenis heeft veel vroeger plaats gehad, zonder dat men evenwel met juistheid weet aan te geven wanneer. Sommige uitleggers meenen, dat job leefde ten tijde van Abraham, andere ten tijde van Mosos. De H, ll;eronymus is van het eerste gevoelen; de oudere vaders omhelzen veelal met den Chaldee'twschen Paraplirast en met de vertaling der Septuagint de laatste meening. Hiermede in verband noemen eenigen Job een nakomeling van Abrahams broeder Nachor; anderen houden hem voor den achterkleinzoon van Jacobs broeder Esae, Voor elk dezer gevoelens worden meer of minder waarschijnlijke bewijzen uit het Boek Job zelf aangevoerd, doch overtuigend zijn zij geen van alle. De bewijzen van den een, dat in gemeld boek nergens zou gezinspeeld worden op de wonderen door God ter gunste der Israëlieten in de woestijn gewrocht, poogt een ander te niet te doen met de opmerking, dat ook over de wonderen betredende Abraham, Isaac en Jacob niet gesproken wordt. Nog anderen meenen op beide wonderen zelfs meerdere toespelingen te vinden. Over é n punt zijn alle uitleggers het eens: dat Job niet na Moses geleefd heeft. Uit zijne geschiedenis zelve blijkt, dat hij een voornaam herdersvorst was en dat het land Hus moet gezocht worden ongeveer ter plaatse waar Idumca aan West-Arabië grensde.
5. Wat in het begin van Jobs geschiedenis gezegd wordt van den Satan en de zonen Gods, de engelen, is volgens alle uitleggers een visioen, geen werkelijke gebeurtenis. Dit visioen werd aan Job getoond, om hem op aanschouwelijke, voor den mensch meest begrijpelijke wijze voor te stellen, dat zijne rampen, onder toelating Gods, hem door den duivel werden veroorzaakt te zijner beproeving.
4. Het Boek, dat Jobs naam draagt, is waarschijnlijk door hem zelf geschreven. Niet onaannemelijk klinkt het verder, dat Job zijn boek aan Moses zou ter hand gesteld hebben, en dat deze het naliet aan het Israëlietische volk. Zoo zou het onder Israël gebleven en bewaard zijn geworden.
HOOFDSTUK CXLVII.
GESCHIEDENIS VAN JOB.
-liCililquot;r 'cc''l'c 'n ',ct van Huü een man niet name Job. Ilij was eenvoudig en
!tM| oprecht, vreesde God en onthield zich van het kwaad. Achtereenvolgens werden 'lcm geboren zevai zonen en drie dochters. Zijn rijkdom was groot; hij bezat 7000 schapen, 3000 kameelen, 500 paar runderen, 300 ezelinnen, benevens een tal-
à rijke menigte dienstknechten en dienstmaagden, en stond in hoog aanzien bij allen, die in het Oosten woonden. Zijne zonen rechtten beurtelings, ieder in zijn huis, voor elkander een gastmaal aan (dat meerdere dagen duurde) en noodigden daarbij ook hunne zusters uit (die nog onder het ouderlijke dak leefden). Waren de dagen van het gastmaal om, dan liet Job zijne kinderen bij zich komen en droeg voor elk een brandoffer op, wijl hij dacht: misschien kunnen mijne kinderen gezondigd en God vaarwel gezegd hebben in hunne harten. Zoo deed Job na ieder gastmaal. rijke menigte dienstknechten en dienstmaagden, en stond in hoog aanzien bij allen, die in het Oosten woonden. Zijne zonen rechtten beurtelings, ieder in zijn huis, voor elkander een gastmaal aan (dat meerdere dagen duurde) en noodigden daarbij ook hunne zusters uit (die nog onder het ouderlijke dak leefden). Waren de dagen van het gastmaal om, dan liet Job zijne kinderen bij zich komen en droeg voor elk een brandoffer op, wijl hij dacht: misschien kunnen mijne kinderen gezondigd en God vaarwel gezegd hebben in hunne harten. Zoo deed Job na ieder gastmaal.
Op zekeren dag nu, terwijl de zonen Gods (de engelen) voor den troon des Hecren stonden, vertoonde zich ook de Satan. (Zie aanteekening 3 achter't vorige hoofdstuk.) De Heer vroeg hem: Vanwaar komt gij? Ik ben, luidde het antwoord, de wereld rond gegaan. Hebt gij, vroeg de Heer, mijn dienaar Job gezien, hoe er niemand op aarde hem gelijk is, een man eenvoudig, oprecht. God vreezendc en zich van het kwaad onthoudende? Satan antwoordde met de wedervraag: Vreest Job God voor niets? hebt Gij hem zeiven, evenals zijn huis eu zijne bezittingen niet met een wal omgeven, de werken zijner handen niet ge-
BITRHLSCHR r^SCHlF.DF.MTS. 3(^5
zegend, en zijn zijne bezittingen niet toegenomen op aarde? Strek slechts uwe hand een weinig uit en tast alles aan wat hij heeft; zal hij u dan nog in het aangezicht loven? De Heer antwoordde; Zie, al wal hij bezit is in uwe hand ; strek die hand alleen niet uit tot hem zeiven. Op dat woord ging Satan heen.
Kort daarna, toen Jobs zonen en dochters bij hun oudsten broeder aten en dronken , kwam er een bode tot Job met het bericht: Uwe ossen ploegden, en de ezelinnen weidden inde nabijheid, toen de Sabeën (een Arabische volksstam) ons overvielen, alles roofden en de dienstknechten met het zwaard versloegen; ik alleen ben het ontvlucht, om het u te melden. Nog had de bode niet uitgesproken, toen een tweede verscheen, die zeide: Er is een vuur uit den hemel gevallen (de bliksem), dal de schapen en de dienstknechten trof en verteerde; ik alleen ben het ontkomen, om het u te berichten. Onmiddellijk daarop volgde een derde met de tijding; De Chaldeën, in drie horden verdeeld, overvielen de kameelen, roofden ze en velden de dienstknechten door het zwaard; ik alleen ontvlood, om het u te doen weten. Pas was dit woord gesproken, ol er kwam een vierde bode en zeide; Terwijl uwe zonen en dochters zaten te eten en te drinken in het huis huns oudsten broeders, stak er plotseling uit de woestijn een geweldige wind op, die het huis aan alle vier hoeken deed schudden; het stortte in en viel op uwe kinderen, die er hun leven onder lieten; ik alleen ben gered om het u te boodschappen. Toen Job dit alles hoorde, scheurde hij zijne kleederen, schoor zijn hoofd kaal, wierp zich in aanbidding voor den Heer ter aarde en riep uit: Naakt ben ik ter wereld gekomen, naakt ga ik weder heen; de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen , gelijk het den Heer behaagde , zoo is het geschied; de Naam des Heeren zij geloofd.
Eenigen tijd later vertoonde Satan zich opnieuw voor den Heer, en de Heer vroeg hem; Hebt gij mijn dienaar Job gezien, wien niemand op aarde gelijk is, een man, eenvoudig, oprecht. God vreezende, zich van het kwaad onthoudende en ook nu zijne onschuld bewarende? Satan antwoordde: Strek uwe hand uit en tast hem aan in zijn gebeenten en zijn vleesch, en Gij zult zien, of hij u nog in het aangezicht zegent. De Heer sprak; Zie, hij is in uwe hand, spaar hem alleen het leven. Daarop ging de duivel heen en sloeg Job van den hoofdschedel tot de voetzool met allerboosaardigste zweren, zoodat hij op den mesthoop zittende, zich met een potscherf de etter van hel lichaam schraapte. Bij al die ellende moest hij nog den spot verdragen zijner vrouw, welke hem op bijtenden toon toevoegde; Blijft gij nog in uw eenvoud volharden? zegen God en sterf! Geduldig gaf Job ten antwoord; Gij spreekt als eene dwaze vrouw; als wij het goede uit de hand des Heeren hebben ontvangen, waarom zouden wij het kwade niet aannemen?
Jobs ongelukken kwamen ter oore van zijne drie vrienden, Hliphaz uit het landschap Theman, Baldad uit Suhe en Sophar uit Naama, die daarop afspraak maakten om hem gezamenlijk te bezoeken en te troosten. Toen ^ij aan hun voornemen uitvoering gevende, hem tot op eenige passen genaderd waren, kenden zij hem niet meer; zij begonnen luide te weenen en te weeklagen, scheurden hunne kleederen en wierpen het slof van den weg over hun hoofd. Zeven dagen en zeven nachten zalen zij bij hun vriend ter neder zonder een woord tot hem te spreken; want zij zagen dat zijne smarten grenzenloos waren.
Eindelijk opende Job zijnen mond en schetste hun in een lange toespraak zijne lichamelijke ellende en zijne zielefolteringen; doch zij, in plaats van hem op te beuren, trachtten hem door een macht van redenen (die in de H. Schrift verscheidene bladzijden beslaan) het betoog te leveren, dat hij wel zeer schuldig moest zijn, om aldus de strallende hand des Heeren te hebben verdiend. Hij daarentegen, al wilde hij gaarne belijden, dat niemand voor God rein was, betuigde zich van grove overtredingen vrijen schetste nogmaals zijne smarten. Ik heb â zeide hij onder meer â troostelooze maanden gehad en kommervolle nachten geteld. Als ik mij te slapen heb gelegd, zeg ik: wanneer zal ik opslaan? en wederom wacht ik op den avond en ben met smarten vervuld tot in de duisternis. Mijn vleesch is overdekt met verrotting en met vuil stol; mijn vel is verdord en verschrompeld. Mijne levensdagen zijn sneller afgesponnen dan een draad doorgesneden wordt door den wever, en zij zijn
RIIBELSCHE GESCHIEDENIS.
voorliijgegaan zonder hoop (voor lt;!e toekomst). Gedenk, o God, dat mijn leven slecht! een ademtocht is, en dat mijn oog niet weder het geluk zal zien ... Als ik denk; mijn bed zal mij troost aanbrengen, en ik zal verlichting vinden op mijne legerstede, dan tioel Oij mij door (benauwde) droomen opschrikken en doet mij sidderen voor gezichten, zoodat ik boven zoo Tets de verstikking zou verkiezen, en mijn gebeente den dood. Ik heb liet opgej^e.en ; ik wensch niet meer te leven; spaar mij, want mijne dagen zijn als niets. Job Vlf.
Opnieuw poogden de drie vrienden door eene lange reeks van redenen (die in den grond der zaak waar mochten heeten, maar verkeerd werden toegepast) Job als een grooten zondaar te doen voorkomen, dien zij tot bekeering moesten opwekken. Doch hij betuigde andermaal zijne onschuld, toonde dat God zoowel de goeden als de boozen doet lijden en kliiagde verder over het leed, dat de vrienden hem door hunne valsche betichtingen aandeden. Hoelang reeds, sprak hij lot hen, bedroeft gij mijne ziel en verplettert mij door uwe woorden! Ziet, tienmaal hebt gij mij gesmaad, en ontziet u niet mij te verdrukken ... Begrijpt toch, dat gij mij niet straft van rechtswegen (om mijne zonden) en mij niet (daarom) met geesels omringt. Ziet, ik roep, dat ik geweld lijd, en niemand hoort naar mij . . . Mijne naaste verwanten hebben mij verkuen, en die mij kenden vergaten mij. Mijne dienst-kncclUen en dienstmaagden (die mij nog zijn overgebleven) behandelden mij als iemand dia hnn niet aangaat, en als een vreemdeling was ik in hunne oogen. Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde mij niet, ofschoon ik hem smeekte met eigen mond. Mijne huisvrouw schuwde mijn adcni, en tot mijne kinderen (als ik deze nog had) zou ik vruchteloos roepen. Zelfs de dwazen (de goddeloozen, die zoo zwaar met eigen zonden beladen zijn) verachtten mij, en als ik van hen heenging, spraken zij kwaad van mij. Die eens mijne raadgevers waren, verafschuwden mij, en die mij het liefst was, keerde zich van mij af. Mijn vel kleeft aan mijn gebeente, terwijl het vleesch verteerd is; slechts mijne lippen om mijne tanden bleven mij over. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij dan toch ten minste, die mijne vrienden zijt; want de hand des Heeren heeft mij geraakt. Waarom vervolgt (ook) gij mij, gelijk God (mij treft), en verzadigt u aan mijn vleesch (lastert mij)?.. Doch ik weet, dat mijn Verlosser leeft en dat ik op den jongsten dag uit de aarde zal opstaan, en wederom zal ik met mijn vel omkleed worden, en in mijn vleesch zal ik mijn God zien. Ik zal Hem zien; ik zelf, en mijne oogen zullen Hem aanschouwen: geen ander (zal het zijn, maar ik zelf), deze hoop is in mijn boezem weggelegd. Waarom dan (mijne vrienden), waarom zegt gij: ^Vij zullen hem vervolgen en een uitgangspunt des woords tegen hem vinden? Vliedt voorden aanblik des zwaards (voor de straf, die u treffen zal om uwe hardvochtigheid) want het zwaard is een wreker der misdaad, en weet wel, dat er een gerecht (een oordeelsdag) is. Job XIX.
â Nog lang werd de woordenwisseling tusschen Job en de drie vrienden voortgezet, on toen hij lun ten slotte met een beroep op den Alwetende, den kenner zijner onschuld, had tot zwijgen gebracht, vatte een vierde, een jongere man, die tot dusver slechts toehoorder was geweest, het woord op. Hij betoogde, naar waarheid, dat als God den mensch rampen overzendt, dit niet altijd geschiedt tot straf en bekeering der boozen, maar dikwijls ook om den rechtvaardige te beproeven en hem tc bevestigen in de deugd. Ondanks die verzekering, hield ook deze vriend Job voor plichtig.
Ten laatste werd aan don strijd een einde gemaakt door God zelven. Uit het midden van een stormwind klonk zijne stem, om den vijf mannen te leeren, dat de werken des Altnachtigen ondoorgrondelijk, zijne wegen onnaspeurlijk zijn, en dat, als Job te ver was gegaan in zijne zelfverontschuldiging, de vrienden erger hadden gehandeld door hunne licKleloozc aantijgingen, liet eerst richtte d- Heer zich tot Job en sprak;
Wie is het, die de beslissing (over deze duistere zaken) omhult met woorden van onverstand? Aangord u als een man, en ik zal u ondervragen; antwoord mij. Waar waart gij, toen ik de grondv. sten der aarde legde? Zeg het mij, indien het u bekend is. Wie beeft de maat der aarde vastgesteld? weet gij het? of wie heeft het meetsnoer over haar gespannen? Op welke zuilen is zij bevcstigii? Of wk legde haar hoeksteen, toen de
mjBELSCHE GF.SCMIF.DENIS. 567
morgensterren gezamenlijk mij loofden en de zonen Gods (de engelen) jubelden? Wie omsloot de zee met deuren, toen zij nis uit den moederschoot (der schepping) te voorschijn brak, toen ik haar met een wolkenfloers overdekte en haar hulde als in kinderwindselen? Ik heb haar met mijne afdamming ompaald; ik gaf haar grendels en poorten, en sprak: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder; hier zult gij uwe trotsche baren breken. Hebt gij (o Job) na uwe wording aan de schemering wetten voorgeschreven, en aan het morgenrood zijr.e plaats aangewezen? Hieldt gij de zoomen der aarde, haar schuddende, vast? en schuddet gij de goddeloozen er af ?.. /.ijt gij ingegaan in de diepten der zee, en hebt gij gewandeld in het onderste des afgronds? Werden de poorten des doods u ontsloten en zaagt gij de duistere drempels? Hebt gij de breedte der aarde overschonwd? Zeg mij, indien gij alles weet, waar is de weg daarheen waar het licht woont, en waar is de plaats van de duisternis?. . Wi.st gij destijds, dat gij geboren zoudt worden, en kendet gij het aantal uwer dagen? Zijt gij doorgedrongen in de schatkameren der sneeuw en hebt gij de voorraadschuren des hagels gezien?.. Wie gaf aan de geweldige slagregens hun loop, en wees den weg a n den ratelenden donder?.. Wie is de vader van den zachten regen, of wie teelde de dauw-druppelen? Uit wiens schoot ontsproot het ijs, eu wie baarde de rijp?.. Voert gij de morgenster aan op haar tijd, en doet gij de avondster opgaan over de kinderen der aarde?.. Zendt gij de bliksems uit, zoodat zij gaan, en bij hun terugkeer zeggen: Hier zijn wij (uwe gehoorzame dienaren)? â Job XXXVIII: i â 56.
Wie heeft in des menschen binnenste wijsheid gelegd, of wie gaf den haan instinct?.. Vangt gij eene prooi voor de leeuwin, en stilt gij de begeerlijkheid barer welpen, wanneer zij zich in hunne holen nedervlijen, en op de loer liggen in hunne krochten? Wie bereidt den raaf zijn voedsel, wanneer zijne jongen tot God roepen, onrustig, omdat zij niets te eten hebben ? Kent gij den tijd der geboorte van de steenbokken op de rotsen, en hebt gij acht gegeven op het werpen der hinden ?.. Wie heeft den woudezel vrij gemaakt, en wie slaakte zijne banden (bewaarde hem voor het juk der dienstbaarheid)? De woestijn gaf ik hem tot huis, en het onvruchtbare land tot zijn woontent. Hij veracht de drukte van de stad en luistert niet naar de stem des drijvers... Verkiest het (groote en wilde) neushorendier u te dienen en verwijlt het aan uwe kribbe? De pennen des struisvogels zijn gelijk aan die des ooievaars of des haviks (toch kan hij niet vliegen; wie heeft dit zoo verordend?) Wanneer hij echter ten zijnen tijde zijne vleugelen opwaarts slaat, lacht hij met het ros en den ruiter (iaat hen in zijn snellen loop ver achter zich). Geeft gij het paard zijne sterkte; of bekleedt gij zijn hals met gehinnik? Het gebriesch zijner neusgaten, hoe vreeselijk! Met graaft in den grond met zijn hoef, steigert stout omhoog, snelt den gewapenden tegemoet. Op zijn rug rinkelt de pijlkoker, trillen spies en schild. Schuimend en zwoegend beukt het den bodem en bekommert zich om niets, zoodra dc krijgsbazuin klinkt. Hoort het de bazuin) d.m zegt het: ha! Reeds in dc verte riekt het den strijd, verneemt de bevelen der aanvoerders en het geroep der legerscharen... Verheft zich op uw bevel de arend en bouwt zijn nest op de hoogte? Op de rotsen woont hij, en verwijlt op de steile steengevaarten en op ongenaakbare klippen. Vandaar bespiedt hij zijne prooi, en zijne oogen zien ver voor zich uit. Zijne jongen slurpen bloed, en waar een lijk is, daar vertoont hij zich terstond. Job XXXVIII: 36âXL.
Zoo sprak dc Heer tot Job, en Job bekende en beleed; Ik heb lichtvaardig gesproken (ik ben te ver gegaan, met naar de oorzaak van mijn lijden te willen vorschen en mij voor mijne onschuld op God te beroepen, alsof ik met Hem in het gerecht wilde treden); wat kan ik thans inbrengen? ik zal de hand op mijn mond leggen. Ik heb iets gezegd, en och, ot ik het niet gezegd hadde; en iets anders zeide ik, en ik zal het niet weder zeggen. Daarop ging de Heer, tot Job sprekende, voort:
Aangord u als een man; ik zal u ondervragen; antwoord mij, Zult gij mijn recht te niet doen en mij veroordeelen om zelf rechtvaardig te schijnen ? Hebt gij een arm als God, en dondert gij met gelijke stem? Ga, omkleed u met luister, verhef u vol majesteit, wees
3^ iBIJBRt.Srilà ÃF.SCHlEDENtS.
glorierijk cn trek de heerlijkheid aan als uw gewaad; werp in uwen toorn de hoovaardigen ter neder en deemoedig met uwen blik den trotschaard ; blik (uit den hooge) af op alle pvennoedigen, maak hen te schande en verpletter de goddeloozen op hunne plaats; verberg hen allen tegelijk in het stof en dompel hun aangezicht in de diepte; dan (als gij dit alles kunt) zal ik zeggen, dat uwe rechterhand machtig is u te helpen job XL; i â10.
Zie, de behemoth dien ik geschapen heb evenals u, (misschien de mammouth, een monsterachtig groot landdier, thans uitgestorven); hij vreet gras als een os. Zijne sterkte is in zijne lenden, en zijne kracht in de spieren zijns buiks. Hij strekt zijn staart uit als een pijnboom... zijne knoken zijn als bronzen buizen, en zijne ribben als staven ijzer... De berden schenken hem kruiden, en alle do dieren des velds spelen bij hem (hij is niet gevaarlijk). In de schaduw slaapt hij, in het rietbosch en op moerassige plaatsen. Job. XL; 10 _ 17.
Kunt gij den leviathan (een ontzaglijk watermonster) vangen aan den hengel, cn bindt gij zijn tong met een snoer? Kunt gij hem een ring door den neus slaan, en hem een gebit door zijne kaken wringen? Zal hij met vele smeekingen tot u zuchten, en u zoete woordjes geven? Wie opent de poorten zijns beks? verschrikkelijk zijn zijne rijen tanden. Zijn lichaam is als een gegoten schild, bedekt met dichte schubben... Zijn niezen is als stralend vuur, en zijne oogen zijn al de oogen van het morgenrood. Uit zijne kaken schieten fakkels als vlammend pijnhout; uit zijne neusgaten wervelen rookkolommen, als uit een heeten, ziedenden ketel. Zijn adem doet gedoofde kolen ontbranden; de vlam breekt uit zijn bek. In zijn hals herbergt hij de sterkte, en de ontzetting schrijdt voor hem uit De spieren zijns vleesches grijpen in elkander; Hij (God) zendt zijne bliksems tegen hem af, en deze vallen niet naast hem neder (maar treffen hem). Job, XL; 20 â XL1; 15,
Job antwoordde den Heer: Ik weet, dat Gij almachtig zijt, en dat geene gedachte u verborgen blieft. Ik heb min wijselijk gesproken cn datgene wat mijne kennis ver te boven gaat. Daarom maak ik mij zelf vervvijtingen en doe boete in stof en nsch.
Thans sprak de Heer tot de drie vrienden; Mijn toorn is tegen u ontbrand, want gij hebt niet naar waarheid voor mijn aanschijn gesproken, gelijk mijn dienaar Job. Neemt daarom zeven stieren cn zeven rammen en draagt ze tot een brandoffer op; mijn dienaar Job zal voor u bidden en ik zal hem verhooren, opdat u uwe dwaasheid niet worde toegerekend. De vrienden en Job deden aldus en de Heer verhoorde Jobs gebed.
Van nu af nam Jobs lijden een einde, en geheel zijne verlorene have kreeg hij dubbel terug. Zijne menigte verwanten en bekenden kwamen hem bezoeken, troostten hem en gaven hem ieder een schaap en een gouden oorring. Deze giften, gevoegd bij het weinige dat hij nog had overgehouden, maakten onder Gods zegen allengs van hem een man, die 14,000 schapen, 6000 kameelen, 1000 juk runderen en iooo ezelinnen bezat, tweemaal zooveel als vroeger. Ook schonk de Heer hem opnieuw zeven zonen en drie dochters, cn aan deze laatstcn wees hij met hare broeders een gelijk aandeel toe in zijne goederen.
Na zijne beproeving leefde Job nog 140 jaren: hij zag zijne kinderen en kindskinderen tot in het vierde geslacht en stierf in hoogen ouderdom.
De Gricksche Bijbelvertaling, de Septuagint, zegt dat Job bij /iju dood 240 jaren hal bereikt; hij moet dus tijdens zijne beproeving een man zijn geweest van 100 jaren. Men herinnere zich hier, dat Job in de dageM der patriarchen of van Moses leefde, gelijk achter het vorige hoofdstuk meer uitvoerig is aangetcekend.
mam hb
w I
li
mmmmm
VAN HET OPTREDEN DER MACHABEÃN TOT CHRISTUS.
4M:. ZEVENDE TIJDVAK. . Wte
'â ^_ ]f t* J aagt;)S;@a@(è®u 3)lêamp;gt;®amp;)amp;gt;amp;amp;gt;amp;gt;«*) i j
11 '1Ct ^ jaar ''er reoecr'no van Baltassar, koning van Babyion, aan wiens rijk door de Perzen en Meden een einde werd gemaakt ? had Daniël te Sus.i een life quot; ^ gezicht. Het scheen hem, dat hij zich buiten die stad bij de rivier Ulaï bevond, aan welker oever hij een ram zag staan met twee hoorns, waarvan de eene steeds aangroeide. De ram stootte met de hoorns naar de vier windstreken, en geen enkel I dier kon hem weerstaan of aan zijne stooten ontkomen: hij deed wat hij wilde en hij was zeer machtig. Een oogenblik later kwam er uit het Westen een geitebok opdagen, met één hoorn midden op het voorhoofd; deze liep zoo snel dat zijne voeten nauwelijks den grond schenen te raken. Zoodra hij den ram bespeurde, rende hij met kracht op hem in, wierp hem ter aarde, verbrijzelde hem de beide hoorns en vertrad hem, en niemand kon den ram uit de macht des boks bevrijden. Do bok werd bovenmate groot, maar nadat hij met groeien had opgehouden, brak zijn eene hoorn en kwamen daar vier hoorns voor in de plaats, die naar de vier hemelstreken gekeerd stonden. Men dier hoorns werd tamelijk groot en zette zich uit naar het Zuiden, naar het Oosten en naar den kant van de heerlijke landstreek (Judea). Aan dezen hoorn werd, om der zonden wil, macht gegeven tegen het dagelijksche olkr, en de waarheid werd voor den grond geworpen. Daarop hoorde Daniël eene stem, welke riep: Gabriël, verklaar dien man het gezicht. De engel naderde den profeet, die zich van ontzag ter aarde boog, raakte hem aan, deed hem opstaan en sprak tot hem: Ik zal a aantoonen wat geschieden zal ten tijde van den laatsten vloek (de laatste verdrukking.) De ram, dien gij gezien hebt, met twee hoorns is de koning der Meden en Perzen. De geitebok is de koning der Grieken; de groote hoorn midden op zijn voorhoofd is hij zelf, hij de eerste koning. Dat er, nadat deze hoorn gebroken was, vier voor in de plaats kwamen, beduidt, dat er vier koningen uit zijn volk
i
47
BIJRF.LSCHE GnSCHlF.DF.NTS.
zullen opstaan, doch niet zoo machtig als hij. Na hunne regeering, wanneer de ongerechtigheid toeneemt, zal een koning opstaan met een onbeschaamd gelaat en volleera in sluwheid. Hij zal alles verwoesten en geluk hebben; de sterken en het volk der heiligen znl hij dooden naar willekeur. Zijne sluwheid zal met goed gevolg bekroond worden en zijn hart zal zich verheffen. En zich in voorspoed badende zal hij velen ombrengen cn tegen den Vorst der vorsten opstaan, maar (ten laatste) verbroken worden zonder menschen-hand (door den Vorst der vorsten zei ven). Dit gezicht is waar; daarom bezegel het (schrijf het op); want na vele dagen zal aldus geschieden. Daniël VIII.
Van stuk tot stuk was deze profetie de trouwe voorafspiegeling van den loop der gebeurtenissen, zooals die ons door de ongewijde geschiedenis, in verband met de H. Schrift, worden medegedeeld. Reeds vroeger, in hoofdstuk 138, werd verhaald, hoe Cyrus door de inneming van Babylon â in hel jaar 538 voor Christus â de Meden en Perzen tot de meesters van bijna geheel de toenmaals bekende aarde maakte. Op dat oogenblik waren de beide hoorns, de Perzen en Meden, nagenoeg even groot; daarna groeide de hoorn der Perzen aan; uit hen stamde het koningshuis en zij breidden ook naar buiten het rijk nog uit. Artaxerxes 1, onder wicn Nehemias de muren van Jerusalem herbouwde (453 voor de geboorte van Chr.) was Cyrus' zesde opvolger; na hem zaten blijkens de ongewijde geschiedenis, op den Perzischen troon nog 7 koningen, van welke Darius Codo-mannns de laatste was. Onder diens regeering daagde de geitebok met één hoorn, Alexander de Groote, koning der Macedoniërs, aan het hoofd der vereenigde Grieken uit het Westen op. Vooral door de snelheid zijner bewegingen bracht hij Darius nederlaag op nederlaag tce, versloeg hem ten laatste geheel en stichtte de Macedonische wereldheerschappij (330 voor Christus.)
Na Alexanders vroegtijdigen dood wierpen zijne voornaamste veldheeren, die hij nog bij zijn leven tot stadhouders over verschillende gewesten had aangesteld, zich tot eigenmachtige bestuurders dier landen op. Vier hunner overwonnen weldra de overigen, en zoo ontstonden uit het groote rijk vier kleinere rijken; Macedonië, Thracië, Syrië en Egypte. Aan laatstgenoemd rijk werd Palestina toegevoegd. De eerste koning van dat rijk, Ptolemeüs Lagi, plantte vele Joden naar Egypte over, waar zij goed behandeld werden; anderen volgden later uit eigen beweging. Ten behoeve hunner kinderen en van die der verdere broeders buiten Palestina werd eenigen tijd later, in de Egyptische stad Alexandrië, door 70 of 72 joodsche geleerden de H. Schrift van hel Hebreeuwsch in het Grieksch overgezet, dat toen de algemeen gekende taal was. Deze overzetting heet men, naar het aantal mannen die er aan werkten, gewoonlijk de Septuagint of de vertaling der Zeventig.
Na ruim 100 jaren aan de kroon van Egypte behoord te hebben, kwam Palestina in 198 voor Chr. onder de heerschappij van Syrië, over welk rijk destijds Antiochus de Groote regeerde. Deze koning trachtte door een rechtvaardig en mild bestuur de Joden aan zich te verbinden. Evenzoo handelde zijn zoon en opvolger Seleucus Philopator gedurende den eersten tijd van zijn bewind tot het jaar 176 voor Chr, Toen beproefde hij, door den bestuurder zijner geldmiddelen, Heliodorus, de schatkist van den tempel te Jerusalem te laten plunderen, maar zag zijne poging door eene hemelsche verschijning, welke Heliodorus terughield, verijdeld. Naar tijdsorde is dit de eerste gebeurtenis, die in de Boeken der Macnabeën met eenige uitvoerigheid verhaald wordt en in het volgende hoofdstuk zal worden medegedeeld.
Op Seleucus volgde, in het jaar 174 voor Chr., zijn broeder Antiochus de Doorluchtige. Deze vorst was de koning met onbeschaamd gelaat en volleerd in sluwheid, van wien Daniël spreekt. Niet alleen onteerde hij den tempel op gruwzame wijze en belette hij het dagelijksch offer, maar bovendien woedde hij, om de Joden tot afval van hun godsdienst en tot het omhelzen van het heidendom te noodzaken, als een vreeselijk dwingeland en doodde in menigte het volk der heiligen, toen de priester Malhathias met zijne zonen, onder
370
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
welke zich vooral Judas de Machabeër onderscheidde, het zwaard opvatte, om voor de rechten van zijn volk en het behoud van zijn godsdienst te strijden.
Naar Judas werd aan al de zonen van Mathathias de naam van de Machabeën gegeven; ook worden zij nog de Asmonecn genoemd, waarschijnlijk, naar Mathathias' overgrootvader Hasamoneüs, Over de beteekenis van het woord Machabeër zie men hierachter de korte aanteekening onder hoofdstuk 151.
De geschiedenis in de beide Boeken der Machabeën begint, zooals reeds gezegd is, met Seleucus' vruchtelooze poging tot plundering der tempelschatkist in 176 voor Chr., en sluit met den dood van den laatsten van Mathathias' zonen, den hoogepriester Simon, in 134 \oor Chr. Van de daarop volgende jaren tot de komst des Verlossers zwijgt de H. Schrift evenals zij dit deed van Nchemias lot de Machabeën.
IIOOFDSTUK CXLVI1I.
m lIOOGKl'RlliSTHR ÃXIAS EN DE TKMPHLROOVER HELIODORUS,
ïyamp;rfi?quot; de dagen toen Onias hoogepriester was (van 195 tot 175 voor Chr.) genoot de heilige stad Jerusalem (gedurende 19 jaren) rust en vrede. De hoogepriester was I v[ ^ een zeer vroom man. Door zijn ijver en den steun van alle welgezinden bloeide 'ii'Z te Jerusalem de deugd en werden de wetten er met de grootste nauwgezetheid it nageleefd. En zoo hoog stond destijds de heilige plaats in eere zelfs bij heidensche koningen en vorsten, dat zij den t.mpel met rijke geschenken begiftigden, en dat de Syrische koning Seleucus (evenals zijn vader en voorganger Antiochus de Grooie) uit de openbare middelen in al de kosten voorlag, welke de offerdienst vorderde.
Deze gelukkige toestand werd (in het jaar 176 voor Ch.) op het onverwachtst gestoord. Een Jood uit den stam Benjamin, met name Simon, die het opzicht had over den tempel, wilde in de stad iets ongeoorloofds ondernemen, waartegen Onias zich met kracht verzette. Uit spijt, dat hij zijn wil niet kon doordrijven, ging Simon naar den heidenschen stadhouder van Celesyric en Phenicië, Apollonius, cn gaf dezen te kennen, dat de tempelschatkist, die naar zijn zeggen onnoemelijke rijkdommen bevatte, gemakkelijk in handen des konin^s kon geleverd worden. Apollonius berichtte dit zijn gebieder, waarop Seleucus (die wegens zijn oorlog met het Romeinsche rijk gebrek aan geld had) zijn schatmeester, den heiden Heliodorus, gelastte naar Jerusalem te gaan, en gezegde rijkdommen in beslag te nemen.
Heliodorus begaf zich aanstonds op weg. Om echter zijn doel zoolang mogelijk verborgen te houden en den Joden geen gelegenheid te verschaffen, bijtijds de schatten in veiligheid te stellen, wendde hij voor, dat hij door de verschillende steden van het stadhouderschap Celesyric en Phenicië eene rondreis ging maken. Henmaal te Jerusalem aangekomen, kwam hij openlijk voor zijn plan uit en vroeg den hoogepriester die hem welwillend had ontvangen, of de schatkist inderdaad de sommen bevatte, waarvan Simon gesproken had. Onias bekende, dat er 400 talenten in zilver en 200 talenten in goud aanwezig waren, doch dat een gedeelte daarvan behoorde aan een zekeren Hircanus die het aan de schatkist ter bewaring had toevertrouwd, terwijl het overige diende tot ondeihoud van weduwen en weezen. Voorts betoogde hij, welk een stout en ongehoord bestaan het zoude zijn, dit geld weg te nemen van eene plaats, die in de oogen van geheel de wereld als bijzonder eerbiedwaardig en onschendbaar gold. Heliodorus echter liet zich door deze redenen niet van zijn voornemen afbrengen, cn bepaalde den dag, waarop hij het zou uitvoeren.
371
Eene vreeselijke ontsteltenis bracht het bericht hiervan in de stad teweeg. De mannen stroomden in dichte drommen naar den tempel om zich met de priesters te vereenigen in
l
BIJBF.LSCHE GESCHIEDENIS.
het openbaar gebed; de vrouwen liepen, de borst met rouwzakken omhangen, langs de straten; en zelfs de jonge dochters, die niet in het openbaar mochten verschijnen, klommen op de platte daken der huizen of vertoonden zich aan de ramen. De priesters, in plechtgewaad gekleed, wierpen zich voor het altaar neder en verzuchtten en riepen tot God, dat Hij toch zijn heiligen tempel tegen den dreigenden roof zou beschermen. Deerniswaardig vooral was de toestand, waarin de vrome Onias verkeerde. Zijn gelaat teekende een onbeschrijfelijke zielesmart en hij beefde en sidderde over geheel zijn lichaam, zoodat niemand hem kon aanzien, zonder tot in zijn binnenste geroerd te worden.
Terwijl deze gansche menigte: priesters, mannen, vrouwen en maagden, in den tempel, op de straat of tehuis, de handen ten hemel hief en van God alleen hulp en bijstand verwachtte, trad Heliodorus met eene bende dienaren en soldaten de schatkamer des heiligdoms binnen. Doch op het eigen oogeublik daalde uit den hemel een ruiter neder, vergezeld van twee andere engelen in de gedaante van jongelingen. De ruiter droeg gouden wapens en was ontzagwekkend van uitzicht. Zijn prachtig opgetooid paard rende op Heliodorus in en wierp hem met zijne voorpooten voor den grond, terwijl de dienaren en soldaten allen van schrik en ontzetting nederstortten. Nu plaatsten zich de beide andere engelen elk aan een kant des schatmeesters en geeselden hem zoolang en zoo hevig, dat het licht uit zijne oogen verdween en hij, aan een doode gelijk, moest weggedragen worden. Sprakeloos lag de tempelroover op het ziekbed uitgestrekt, van alle hoop op genezing verstoken; de hand des Heeren had zich aan hem getoond, en de Joden juichten en jubelden over de bescherming, door die hand hun verleend. Eindelijk kwamen eenige dienaren van Heliodorus bij den hoogepriester en smeekten hem, om voor hun meester, wiens dood xij elk oogeublik verwachtten, te willen bidden, opd;it deze ten minste het leven mocht behouden, De hoogepriester droeg tot dat doel een offer op, cn terwijl hij daarbij bad, verschenen in hetzelfde schitterend gewaad aan Heliodorus de beide jongelingen, die hem gegeeseld hadden, en spraken tot hem: Bedank Onias, den hoogepriester, want om zijnentwil se, enkt de Heer u het leven, en daar gij van God getuchtigd zijt (en dus bij ondervinding weet dat Hij zijn heiligdom kan beschermen), zoo verkondig aan allen zijne heerlijkheid en macht. Na die woorden gingen de engelen heen.
Trouw vervulde Heliodorus hetgeen hem gezegd was. Niet zoodra toch gevoelde hij zich hersteld, of hij liet aan den waren God, den redder zijns levens, een plechtig offer opdragen, sprak groote geloften daarbij uit en zeide hartelijk dank aan Onias voor al hetgeen deze voor hem gedaan had. Vervolgens met zijne dienaren en soldaten bij zijn koning teruggekeerd, verkondigde hij alom de grootheid des Heeren, zoo overtuigend aan hem gebleken. De koning, van plan nogmaals iemand naar Jerusalem te zenden, vroeg zijn schatmeester, wieu deze thans, na het mislukken der eerste poging, daarvoor geschikt achtte. Als gij een vijand hebt, antwoordde Heliodorus of iemand die uw rijk belaagt, zend hem, en gij zult hem gegeeseld terug ontvangen, zoo hij er niet het leven bij inbeet. In dat huis toch woont werkelijk een kracht Gods; Hij, dezelfde die in de hemelen troont, is in die plaats tegenwoordig en beschermt haar; en al degenen welke er komen om kwaad te doen, slaat of doodt Hij.
?73
HOOFDSTUK CXLIX.
AFVAL EN BEROERINGEN TE JERUSALEM.
--wm lt; gt; » --
bovenvermelde Simon, welke Onias reeds zooveel leeds berokkend had, was yiê4^ nog daarenboven onbeschaamd genoeg', zijne lafhartige daad dien heiligen man op den hals te willen schuiven. Lasterlijk strooide hij onder het volk uit, dat jnüv niet hij, maar de hoogepriester zelf Heliodorus tot het plunderen der tempelschatkist had aangespoord. Eeuige kwaadw lligen geloofden dit of namen er althans den schijn van aan, en zou ontstond in de stad eene partij, die onder Simons leiding niet alleen onrust en beroering verwekte, maar ten laatste zelfs een paar malen een moord beging. Met angstig hart sloeg Onias den loop der gebeurtenissen gade. Het was hem duidelijk, hoe gevaarlijk de strijd op den duur kon worden, te meer daar het te vreezen stond, dat Apollonius, de stadhouder van Celesyrië en Phenicic, idch niet ontzien zou, de boosheid van Simon te steunen. In dien nood ondernam Onias eene reis naar den koning, om dezen den staat van zaken bloot te leggen. Niet als aanklager van sommigen zijner medeburgers wilde hij optreden; zijn eenig doel was, aan de stad de rust en den vrede te hergeven. Daartoe oordeelde hij alleen eene koninklijke beschikking bij machte; met den goddeloozen Simon toch of met Heliodorus was niets aan te vangen.
Ongelukkig stierf omstreeks dien tijd Seleucus en zijn broeder Antiochus de Doorluchtige volgde hem op. Nu was niet alleen alle hoop op een gunstige uitkomst verdwenen, maar stond zelfs de grootste wanorde voor de deur. Onias' broeder, de slechte en eerzuchtige Jason, bood Antiochus jaarlijks 440 talenten zilver, als hij hem hoogepriester wilde makengt; en bovendien nog 150 talenten, wanneer hij hem toestond, te Jerusalem eene heidensche leerschool op te richten en hem de macht gaf, om den Joden het burgerrecht van de Syrische hoofdstad, Antiochië, te verleenen. De koning bewilligde tegen de aangeboden voorwaarden alles, en nu begon Jason onmiddellijk bij zijn terugkeer te Jerusalem de stad een geheel heidensch aanzien te geven. Op den berg Sion verrees de leerschool , waarin de jeugd in de heidensche wetenschappen en in de worstelspelen werd geoefend en waar zij tevens de ontucht leerde dienen. Met zulk een voorbeeld voor oogen week ook het volk weldra geheel van de voorvaderlijke wetten af. Het liet de besnijdenis varen, verzaakte aan de voorrechten en voorschriften door God aan Abraham, Isaac, Jacob en Moses gegeven, en volgde in alles de gebruiken der volkeren na. üe priesters kwamen niet meer in den tempel des Heeren om te offeren, maar woonden de schouwspelen bij of vertoonden zich in de kamp- en worstelperken, om deel te nemen aan het werpen naar de schijf. En zoo weinig als zij de eereplaatsen telden , door de voorvaderlijke wet hun geschonken, zoo zeer streefden zij er naar, bij de heidenen in aanzien te staan en dezer gunst te genieten.
Hun gewaand opperhoofd, de onwettige hoogepriester, ging hen steeds op dien weg voor. Ter gelegenheid dat te Tyrus de om de vijf j.iren terugkeerende Olympische spelen werden gehouden, waar ook de koning bij tegenwoordig was, zond Jason, om den vorst te believen, eene som van 300 didrachmen zilver tot een offer voor Hercules. De mannen, die dit geld overbrachten, zagen zelven in, hoe onwaardig het was dat iemand, die zich hoogepriester der Joden noemde, een Griekschen afgod een offer aanbood. Zij gaven dan ook eigenmachtig aan het geld eene andere bestemming, en verzochten den koning het te willen gebruiken voor zijne oorlogsvloot.
Kort daarop, toen Antiochus, in onmin geraakt met Egypte, zich aan het hoofd van zijn leger naar Joppe en vandaar naar Jerusalem begaf, beijverde Jason zich, hem zoo schitterend mogelijk te ontvangen. Onder het aanhelien van vreugdekreten en met brandende fakkels trok hij met de zijnen den gebieder te gemoet, en op zijn bevel vierde de geheele stad feest.
m
Toch kon hem dit alles het behoud zijner gekochte waardigheid niet verzekeren. Toen hij drie jaren later den bi ceder van Simon, met name Menelaüs , naar den koning zond ter betaling der vroeger vastgestelde schatting, en Menelaüs den vorst jaarlijks 300 talenten zilver meer bood, werd deze tot hoogepriester aangesteld. De nieuwe indringer was dit verheven ambt nog veel minder waardig dan Jason. Niet alleen toch miste hij, als Benja-miet, alle bevoegdheid ook maar voor de minste bediening in het heiligdom, maar daarenboven was hij een man van een wreeden en onbeschoftén aard, meer een redeloos dier dan een mensch. Zoodra hij met de koninklijke aanstelling te Jerusalem was teruggekeerd, noodzaakte hij Jason de vlucht te nemen naar de Ammonieten. Na zich aldus van zijn mededinger ontslagen te hebben, bekommerde hij zich verder om niets, en ook van het geld, dal hij den koning beloofd had, betaalde hij geen penning. Voor die weigering werd hij bij den koning ontboden, uit zijn ambt ontzet en zijn broeder Lysimachus in zijne plaats aangesteld.
Inmiddels brak in eenige steden van het landschap Cilicië in Kiein-Azië een oproer uit, en terwijl Antiochus optrok om de onlusten te dempen, liet hij een zijner dienaren, Andronicus, als rijksbestuurder te Antiochië achter. Die gelegenheid maakte Menelaüs zich ten nutte om naar Jerusalem terug te keeren en eenige gouden vaten uit den tempel te stelen. Hen gedeelte dezer schatten gaf hij Andronicus ten geschenke, een ander gedeelte verkocht hij te Tyrus en in een paar naburige plaatsen. Toen de afgezette wettige hoogepriester Onias, dis zich in de vrijstad Daphne bij Antiochië ophield, dit te weten kwam, riclute hij over die schandelijke daad tot Menelaüs ernstige vermaningen. Hiervoor op wraak belust, zette Menelaüs den rijksbestuurder Andronicus aan, Onias te dooden. De rijksbestuurder reisde daarop naar Daphne, bracht Onias een bezoek en trachtte hem te bewegen, het grondgebied der vrijstad te verlaten. Die raad kwam Onias verdacht voor, doch daar Andronicus hem de hand gaf en hem onder eede verzekerde, dat hem geen leed zou geschieden, liet hij zich eindelijk overhalen. Nauw echter was hij buiten de grenspalen der stad gekomen, of Andronicus viel hem verraderlijk te lijf en doorstak hem. Niet alleen de Joden, ook de andere volken waren over deze schandelijke vermoording van een zoo vromen en onschuldigen man als Onias diep verontwaardigd, en zoodra de koning uit Cilicië terug was, klaagden zoowel Grieken als Joden den rijksbestuurder over gemeld schelmstuk aan. Antiochus zelf, hoe goddeloos hij overigens mocht zijn, was bij het vernemen van het treurig uiteinde des waardigen Onias tot tranen toe bewogen. Hij liet den hooggeplaatsten moordenaar het purper van de schouders rukken, hem als een gemeenen misdadiger door de stad voeren en hem eindelijk op dezelfde plaats, waar hij de wandaad begaan had, ter dood brengen.
Menelaüs, die Andronicus tot den moord verleid had, bleef intusschen ongestraft; hij maakte met Lysimachus, zijn hem waardigen broeder, die hem van het hoogepriesterschap beroofd had, gemeene zaak, en op zijn raad en aansporing stal Lysimachus uit den tempel eene menigte gouden vaatwerk (dat tot beider voordeel verkocht werd). Bij de ontdekking van den diefstal werden de Joden woedend en spanden tegen Lysimachus samen; doch deze wapende 3000 man te zijner verdediging. De Joden grepen daarop stokken en steenen; er ontstond in de straten van Jerusalem een gevecht, waarbij velen gedood, anderen gewond of op de vlucht geslagen werden, en dat met de nederlaag van Lysimachus eindigde. Op de plaats zelve zijner misdaad, i 1 de schatkamer des tempels, werd de tempelroover afgemaakt.
Daarna- werd een gerechtelijk onderzoek ingesteld omtrent het aandeel dat Menelaüs bij deze onlusten gehad had. Terwijl de koning zich te Tyrus bevond, traden drie van Jerusalem gekomen Joden tegen den onruststoker als beschuldigers op. Menelaüs werd overtuigd, en daar hij zag, dat zijne veroordeeling moest volgen, beloofde hij aan een aanzienlijk persoon, een zekeren Ptolemeüs, eene groote som gelds voor zijne redding. Ptolemeüs naderde den koning en gaf hem, onder den schijn van zorg voor zijne gezondheid, den raad, de terechtzitting een oogenblik te schorsen en zich in het voorhof een weinig te gaan verfrisschen. Zoodra hij daar met den gebieder alleen was, trachtte hij hem te bewegen Menelaüs vrij
BIJBELSCHE GHSCHIEDENIS. 575
te spreken, wat hem gelukte. In de gerechtszaal teruggekeerd, verklaarde de koning Me-nelaüs onscliuldig en veroordeelde de drie aanklagers ter dood. Dit gruwelijk onrechtvaardige vonnis verwekte zelfs onder de heidensche Tyriers zoo groote verontwaardiging, dat zij op hunne kosten den drie veroordeelden eene luisterrijke begrafenis bezorgden.
Omstreeks denzelfden tijd rustte Antiochus zich uit tot een veldtocht tegen Iigypte, met het doel, dal rijk aan zich le onderwerpen. Zijn sterk leger, voetvolk cn ruiterij, door een geduchte vloot ondersteund , beschikte over een groot aantal strijdwagens en verscheidene ten oorlog afgerichte olilanten. Van zijn kant wapende de Hgyptische vorst, Ptolemeüs, zich evenzeer. Weldra ontmoetten de heide legers elkander, doch reeds hij den eersten schok sloeg Ptolemeüs op de vlucht, en Antiochus nam in Egypte do eene stad na de andere (totdat ten laatste de Romeinen hem noodzaakten zijne veroveringsplannen op te geven).
Inmiddels vertoonden zich boven Jerusalem gedurende veertig dagen allerlei vreemde verschijnselen en teekenen in de lucht. Ruiters in gouden gewaad en met lansen in de hand draafden af en aan Andere ruiters, van weerszijden in slagorde geschaard, reden tegen elkander in en werden handgemeen; men onderscheidde duidelijk het geflikker hunner helmen en pantsers, hunne bewegingen met de schilden, het trekken der zwaarden en het schieten van pijlen. Bij het gezicht dier teekenen baden de ontstelde Joden, dat er toch iets goeds in besloten mocht zijn!
Geen goed evenwel wachtte het schuldige Jerusalem, maar een herhaald vreeselijk bloedbad. Op een gerucht dat Antiochus gestorven was, verscheen de in het begin van dit hoofdstuk genoemde Jason eensklaps met een bende van 1000 man in de stad. Menelaüs, die na den dood van Lysimachus weder alleen aan het hoofd der zaken stond, vluchtte bij Jasons komst op den burcht Sion, Jason (gesteund door den aanhang, dien hij tijdens zijn onwettig hoogepriesterschap onder een gedeelte der burgerij gevonden had) woedde en moordde in de stad zonder verschooning. Kerst met zijn aftocht (op het vernemen dat genoemd gerucht valsch was, hield het bloedvergieten voorloopig op. Jason vluchtte naar het land der Ammonieten, en na vervolgens nog eenigen tijd in verschillende streken van stad tot stad te hebben rondgezworven, stierf hij, als een ellendeling, op vreemden bodem, van ieder veracht en verlaten, zoodat zijn lijk zelfs onbegraven bleef liggen.
Antiochus, die in Egypte het te Jerusalem voorgevallene vernam en daarin een vormelijke poging tot opstand zag, was woedend. Onmiddellijk rukte hij met zijn leger op de stad aan en leverde haar drie dagen lang aan het moordstaal zijner soldaten over. Niet minder dan 80.000 Joden, zoo mannen als vrouwen en kinderen, vonden daarbij den dood; 40.000 werden gevangen weggevoerd en een zelfde aantal als slaven verkocht. Vervolgens drong de koning den tempel binnen, ontheiligde dien, zonder dat de Heer, op den Jouen vertoornd, nogmaals tusschen beide kwam, en roofde, zoo aan heilige vaten als andere kostbaarheden, voor een bedrag van 1800 talenten. En in zijn overmoed tneenende, dat hij het land bevaarbaar en de zee begaanbaar kon maken, keerde hij aan de spits zijner troepen naar zijne hoofdstad Antiochie terug.
Daarmede was echter aan de straften voor Jerusalems boosheid nog geen einde. Voor zijn vertrek liet Antiochus als stadhouder een zijner dienaren achter, met name Philippus, een Phrygier van afkomst, een man die zijn meester nog in wreedheid overtrof. Tegelijkertijd werden over het landschap Samaria aangesteld een zekere Andronicus en de sluwe en onbeschaamde Menelaüs, Behalve dat deze drie personen de Joden op allerlei wijze plaagden en kwelden, zond de koning na twee jaren zijn veldheer Apollonius aan het hoofd van een leger van 22.000 man naar Jerusalem, met bevel alle oudere Joden die hem in handen vielen om te brengen en de jongere benevens de jonge vrouwen en dochters als slaven te verkoopen. In den beginne hield Apollonius het doel zijner zending zorgvuldig geheim en veinsde vrede en vriendschap. Eerst den volgenden sabbat, toen de Joden, niets kwaads vermoedende, in grooten getale gingen wandelen, gelastte hij zijnen soldaten hen te overvallen Er ontstond een vreeselijk geschreeuw en gehuil; het bloed vloeide bij stroomen, eu eene talrijke
37é mjnF.LSCHE GESCHlEDHmS.
jeugd werd gevangen genomen en weggevoerd. Daarna liet de wreedaard door zijne soldaten een groot gedeelte der stad plunderen en in brand steken; den burcht Sion echter voorzag hij van nieuwe verdedigingswerken, om zicli daar te vestigen. 1 oen vluchtten de meeste Joden, die aan den dood en de gevangenschap ontkomen waren, uit Jerusalem weg; de stad kreeg geheel en al het aanzien eenar woonplaats van vreemdelingen; geen plechtige feesten ter eere van Israels God werden er meer gevierd, en langs de gewijde tempelwanden klonken niet langer de blijde lofzangen van voorheen.
HOOFDSTUK CL.
GODSDIENSTVERVOLGING. ELE.VZAll. DE ZEVEN M.VCHABEESCHE BROEDERS.
ifWia lang na bovenstaande gebeurtenis (in het jaar 166 voor Christus) vaardigde ^ LSI Aiiüochus het onzinnige bevelschrift uit, dat alle Joden, zoowel die in Judea ah die in andere landstreken woonden, hunne voorvaderlijke overleveringen en quot; lt;5^ wetten moesten verlaten, om met de overige volken allen denzelfden godsdienst, het .H Grieksche heidendom, te belijden. Velen, die al lang meer Grieken dan kinderen ( Abrahams waren geweest, toonden zich aanstonds bereid dit bevel op te volgen, anderen echter (wellicht de meesten) weigerden. Om den weerstand der laatst:ii te breken; zond de koning zijne handlangers uit, die door strenge maatregelen de onwilligen moesten dwingen en met geweld het heidendom invoeren.
De arootste gruwelen zag men thans plaats grijpen. In den allerheiligsten tempel des Meeren verrees eeii beeld van den Olympischen Jupiter. Het altaar werd veranderd in een altaar van genoemden afgod, waarop varkens en andere onreine dicien werden geoifcid. Het heiligdom maakte men tot een plaats van openbare zwelgpartijen, waarbij eervergeten mannen en schaamtelooze vrouwen zich aan de grofste liederlijkheden overgaven. De sabbatdagen werden niet meer gehouden; het tojdieiien der besnijdenis was op doodstraf verboden. Twee moeders, welke ongeacht dit verbod hare kinderen besneden hadden, werden met die kinderen aan de borst van een hoogen muur te pletter geworpen. Verscheidene personen, die in holen en spelonken heimelijk den sabbat vierden, werden aan den stadhouder fhilippus verraden en verbrand. Mjt geweld werden de Joden voor Jupiters altaren gesleept, en wie weigerde te offeren en varkensvleesch te eten werd ter dood gebracht Op ^elijke wijze handelde men met hen, van wie ontdekt werd, dat zij in het bezit waren vaneen afschrift van het Boek der Wet van Moses. Alle dusdanige afschritten die de handlangers van Aiitiochus konden machtig worden, wierpen zij op het vuur.
Vele Joden wilden liever het ergste lijden dan lut goddelooze bevel des konings gehoorzamen. Een heerlijk voorbeeld van trouw aan zijn God gaf een der voornaamste wetgeleerden, de edele Eleazar, een man van 90 jaren met een bijzonder eerbiedwaardig voorkomen. Naar het heidensche offer ma al gesleurd en voor de keus gesteld of hij varkensvleesch wilde eten of sterven, antwoordde hij onverschrokken, dat hij het laatste verkoos. Reeds werd bevel ^en-even hem ter strafplaats te geleiden, toen eenige mannen (opzieners bij het oller-feest) quot;medelijden kregen en, uit aanmerking hunner oude vriendschap voor den grijsaard, po^in-en deden tot zijne redding. Zij trokken hem een weinig ter zijde en fluisterden hem in hetquot; oor, dat hij zich heimelijk vleesch zou laten brengen, waarvan het hem geoorloold was te eten, en dan den schijn zou aannemen, als at hij van het geofferde varkcnsvleescn. Met vastberadenheid wees Eleazar dit middel om zijn leven te behouden van de hand Zijner grijze haren indachtig, en zich herinnerende hoe hij van zijne jeugd al God in alles had gediend, haastte hij zich zijnen raadgevers te verklaren: Het is onzen leeln)d onwaar ig te huichelen j vele jongelieden in de meening dat de negentigjarige Eleazar tot het heidendom
mjBELSCHE GESCHIEDENIS. 577
â ware overgegaan, zouden daardoor verleid worden, en ik zou, om nog een korten tijd dit vergankelijke leven te genieten, mijn ouderdom met eene gruwelijke schandvlek beladen. En zoo ik ook al voor het tegenwoordige de marteling der menschen ontging, de hand des Almachtigen zon ik noch levend noch dood ontkomen. Daarom wil ik, door moedig uit deze wereld te scheiden, mijn ouderdom waardig blijken. Zoo zal ik tevens, als ik den eervollen dood voor onze dierbare en heilige wetten met bereidwilligheid en onbevreesd te gemoet treed, aan de jongeren van jaren een krachtig voorbeeld nalaten. â Deze woorden verbitterden de mannen, die hem zoo even nog genegen waren; zij konden zich de heldhaftige deugd des heiligen grijsaards niet naar waarheid voorstellen, en meenden dat hij slechts uit koppigheid en hooghartige verachting voor het lijden aldus gesproken had. Een oogenblik later zouden zij vernemen hoe weinig dit het geval was. Eleazar gevoelde inderdaad de pijnen der marteling zeer diep : alleen om zijn God verduurde hij die met geduld. Toen hij onder de slagen, hem toegebracht, bijna bezweek en den dood nabij was, verzuchtte hij tot God: Heer, die de heilige alwetendheid bezit, u is het bekend, dat ik mij van den dood had kunnen bevrijden; hevige pijnen lijd ik aan mijn lichaam; mijne ziel echter ondergaat die gaarne uit ontzag voor u. Met deze woorden stierl de martelaar, niet slechts aan de jongelieden maar aan geheel het volk een dierbaar aandenken aan zijn dood en een treffend voorbeeld van deugd en heldenmoed achterlatende.
Een niet minder hartverheffend schouwspel leverden (in de Syrische hoofdstad Antlochië) eene moeder met hare zeven zonen. Allen werden tegelijk gegrepen en voor het altaar van Jupiter gesleurd, waar men hen op bevel en in tegenwoordigheid des konings met riemen sloeg, om hen te dwingen varkensvleesch te eten. Te midden der slagen wendde de oudste broeder zich tot den koning en sprak: Wat is uw zoeken? wat verlangt gij aan ons te beproeven? wij zijn bereid liever te sterven dan de voorvaderlijke Wet Gods te overtreden. In hevigen toorn ontstoken, beval Antiochus, dat men een grooten koperen ketel zou gloeiend maken om den moedigen belijder des Heeren daarin te roosteren. Inmiddels sneed men hem, voor de oogen zijner moeder en broeders de tong uit de keel, rukte hem het vel van het hoofd en kapte hem handen en voeten af. Aldus verminkt werd hij in den gloeienden ketel geworpen.
Onderwijl hij daar langzaam aan zijne gruwelijke folteringen bezweek, spraken de moeder en de zes overige broeders elkander moed in en zeiden: God de Heer zal zijne beloften gedenken, gelijk Moses in zijn lofzang verklaarde: Zijne dienstknechten zal Hij vertroosten.
Zoodra de oudste broeder dood was, werd de tweede gegrepen. Men rukte hem het vel van het hoofd en vroeg hem, of hij nu eten wilde ; zoo niet, zou hij aan al zijne ledematen worden gefolterd. Op zijne weigering wierp men ook hem in den ketel. In het aanschijn des doods riep hij tot Antiochus: Gij, snoodaard, beneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijne Wet sterven, opwekken tot het leven dat eeuwig duurt.
Vervolgens greep men den derden broeder, Aan het bevel zijne tong uit te steken, opdat men die kon afsnijden, voldeed hij niet alleen blijmoedig, maar reikte bovendien den beulen uit eigen beweging zijne beide handen toe met de woorden: Van den hemel heb ik deze ontvangen, en voor de eer van God tel ik ze thans voor niets, want ik hoop ze terug te bekomen. Daarna werd de marteling aan hem voltrokken.
De vierde broeder sprak stervende tot den koning: Het is verkieslijk door de menschen om te komen en van Gods wege de hoop te voeden tot het leven te worden opgewekt; gij echter zult niet opstaan ten leven (maar ter eeuwige straf). De vijfde zag onder zijne marteling den koning aan en zeide : Gij bezit macht over de menschen en doet wat gij wilt, ofschoon gij zelf een sterveling zijt. Meen evenwel niet, dat ons volk door God verlaten is; wacht slechts een weinig, en gij zult zijne groote macht aanschouwen, als Hij u en uwe nazaten zal straffen,
a8
t
375
Thans was de beurt om gemarteld te worden aan den zesden broeder. Te midden zijner hevige smarten in den gioeienden ketel sprak hij tot Antiochus; Bedrieg u niet: wij lijden dit alles om wille van onze zonden, waarmede wij God bcleedigd hebben, en nu geschiedt aan ons dit bewonderenswaardige (dat God ons de barmhartigheid bewijst, door lijden die zonden af te boeten). Doch gij, geloof niet dat gij ongestraft zult blijven, gij die u vermeet strijd te voeren tegen God.
Reeds waien aldus zes broeders ter dood gebracht en de moeder, bij hun uiteinde tegenwoordig, had met vrouwelijke teederheid, gepaard aan mannelijke sterkte, éón voor één tot het lijden bemoedigd. Mijn zoon, luidden hare woorden, ik ben wel uwe moeder, doch niet ik heb u geest en leven geschonken, en uwe ledematen te zamen gevoegd, maar de Schepper der wereld. Hij, die den mensch bij diens wording vormt, en de oorsprong van ailes is. Hij zal u den geest en het leven teruggeven, waarvan gij thans afstand doet om wille zijner Wet. â Die woorden bleven niet zonder uitwerking toen de jeugdige martelaren niet zooveel onverschrokkenheid en heldenmoed hunne lichamen aan de beulen en de pijningen overleverden.
Antiochus was dan ook woedend. Hij stond met al zijn koninklijk geweld beschaamd en machteloos tegenover deze eenvoudige vrouw met hare zeven kinderen. Om nog te laatster ure zijne schandelijke nederlaag door een gedeeltelijke overwinning zooveel mogelijk te bedekken, riep hij den eenig overgebleven jongsten broeder bij zich en deed hem de schitterendste beloften. Hij zou hem rijk en gelukkig maken, hem als zijn bijzonderen vriend beschouwen en hem alles verschaften wat hij verlangde , als hij maar zijne voorvaderlijke wetten wilde laten varen. Daar dit alles niet hielp, wendde de koning zich tot de moeder en smeekte en bezwoer haar tusschen beide te treden, om haren zoon ten beste te raden. Na lang aandringen beloofde zij dit te zullen doen. Werkelijk begaf zij zich tot haar kind, doch den knaap in haren arm vattende sprak zij in liare vaderlandsche taal: Mijn zoon, zoolang heb ik u aan mijn boezem gekoesterd! drie jaren voedde ik u met mijne melk, en ik bracht u groot tot den leeftijd dien gij thans bereikt hebt. Mijn zoon, aanschouw den hemel en de aarde met al wat zij bevatten; dit alles en ook het menschelijk geslacht heeft God gemaakt uit niets. Begrijp dat, en gij zult dien dwingeland niet vreezen maar, uwen broederen waardig, moedig den dood ondergaan, opdat ik u met uwe broederen eens terugvinde in den schoot der barmhartigheid Gods.
O O
Terwijl zij nog sprak, wendde de knaap zich tot de beulen en zeide: Wat toeft gij? ik gehoorzaam het bevel des konings niet, maar het gebod der Wet, ons door Moses gegeven. Daarop zich tot Antiochus keerende, voer hij voort: Gij, stichter van al het kwaad dat de Hebreen treft, gij zult de hand Gods niet ontkoraea. Wij lijden om onze zonden, en als de Heer onze God te onzer tuchtiging en verbetering een korten tijd vertoornd is, zal Hij zich weder met zijne dienstknechten verzoenen. Doch gij, o goddelooste en slechtste van alle menschen, voed u niet met ijdele hoop, terwijl gij tegen Gods dienaren woedt; nog zijt gij het gerecht Gods niet ontvlucht. Mijne broeders zijn na een kortstondig lijden het eeuwige leven deelachtig geworden, maar gij zult door de oordeelen Gods de rechtvaardige straf uwer trotschheid ontvangen. Ik geef thans als mijne broeders mijne ziel en mijn lichaam over voor de Wet der vaderen, en ik bid God, dat Hij ons volk genadig wille zijn, en dat gij onder kwalen en slagen gedwongen wordet te bekennen, dat Hij alleen God is.
Bij het hooren dezer moedige taal geraakte Antiochus als buiten zich zeiven van woede. Hij beval dat men den jeugdigen martelaar, die hem zoo zeer te leur stelde en zijne schande nog vergrootte, de uitgezochtste pijningen zou doen ondergaan. Aldus stier! de knaap , de jongste en de laatstovergeblevene der zeven broeders. Eindelijk na allen werd ook de moeder ter dood gebracht.
Gewoonlijk noemt men deze zeven martelaren de Zeven Machabeesdie Broeders, niet omdat zij tot liet geslacht der Machabeén behoorden â waaraan zij wellicht niet eens verwant waren â maar omdat zij leefden in het Maehabeesehe tijdvak. Hun marteldood ha.l naar het algemeen gevoelen te Antlochlë plaats; terwijl Eleazar volgens sommigen eveneens te Antioclilë, volgens anderen te Jerusalsm gemarteld werd,
MATHATHIAS DOODT DEN AFGODENDIENAAR Bladz. 379.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK CLI.
M A THAT H IA S.
f
Mf statl Modin, niet ver van Jerusalem, woonde de priester Mathatliias met zijne
ISmIi,,' vijf zonen Joannes, Simon, Judas bij «renaanui de Machabccr, Elcazar en Jonathas. | t/; ' ' De gruwelen, waarvan Antiochus' soldaten Jerusalem het tooneel hadden gemaakt, ÃÃk' vcrvnldyn het hart des priesters met de diepste droefheid. Op zekeren dag sprak hij tot zijne zonen: Helaas, dat ik geboren werd om dc vernietiging mijns volks en de verwoesting der heilige stad te aanschouwen ! Haar heiligdom is in de macht des vreemdelings. Hare heerlijke tempelvaten gingen den weg des roofs, Hare grijsaards werden vermoord in dc straten. Hare jongelingen sneefden door het vijandelijke zwaard. Al hare schoonheid is van haar weggenomen. Vrij was zij en zij is slavin geworden. Waartoe is ons het leven nog nut! â Bij die woorden scheurden hij en zijne zonen hunne Idee-deren ; zij verwisselden hun oppergewaad tegen een boetzak en zaten ter neer om te treuren.
Kort daarop verschenen te Modin gezanten des konings, die, na een altaar opgelicht te hebben, de inwoners der stad en degenen welke van Jerusalem daar heen gevlucht waren, deden bijeenkomen, om wierook aan de goden te offeren. Een aantal zwakke Joden gehoorzaamden; anderen, op de eerste plaats Mathatliias en de zijnen, weigerden. Tevergeefs trachtten de gezanten hen door vleitaal en beloften te winnen. Gij zijt, spraken zij tot den priester, de voornaamste en aanzienlijkste in deze plaats; welaan, geef het voorbeeld, vervul het bevel des konings, gelijk alle volken, alsook dc Joden die te Jerusalem bleven, gedaan hebben; dan zult gij onder des konings vrienden geteld en met goud, zilver en vele andere geschenken verrijkt worden. Mathatliias antwoordde; Mogen alle volken den koning gehoorzamen, ik nochtans en mijne aouen en verwanten zullen ons houden aan de wet onzer vaderen. God zij ons genadig; het is ons niet dienstig de geboden en instellingen des Heeren te verlaten. Wij gehoorzamen den koning niet en dragen geen oiler op.
Pas had hij met spreken geëindigd, of een Jood naderde het altaar 0111 daarop voor aller oogen wierook tc strooici Mathatliias trilde bij dit gezicht van heilige verontwaardiging; als een andere Phineës sprong hij op den afgodendienaar toe en doorstak hem; een oogenblik later lag ook de hoofdman der gezanten dood voor zijne voeten, en was het afgodsaltaar omvergehaald. Daarop riep hij zoo hard hij kon: Alwie ijver heeft voor de Wet, en het Verbond wil onderhouden, treklc uit, mij na! Onder dien kreet vluchtte hij met zijne zonen en eenige anderen naar het gebergte.
Weldra vond dit voorbeeld op verschiltende plaatsen navolging. Velen, die de Wet liefhadden en de voorschriften van hun godsdienst ongestoord wenschten na te leven, trokken niet vrouwen, kinderen en kudden naar de wildste streken van de woestijn, waar zij zich in spelonken en bergholen verborgen. In één oord hadden zich ongeveer duizend man verzameld. Hunne schuilplaats werd ontdekt en door verraders aan de bevelhebbers van het op den burcht Sion in bezetting liggende leger bekend gemaakt. Onmiddellijk rukte ecne afdeeling soldaten uit, en daar hel dien dag sabbat was, waarop de vluchtelingen meenden zich niet te mogen verdedigen, terwijl zij van den anderen kant evenmin bereid waren aan de goden te offeren, werden zij in hunne holen en spelonken ellendig omgebracht.
Toen Mathatliias en zijne vrienden dit vernamen, zeiden zij lot elkander: Als wij allen handelen gelijk onze broeders, en niet strijden voor ons leven en onze Wet, zullen de heidenen ons spoedig van de aarde verdelgd hebben. Daarop besloten zij, dat zoo hen ooit iemand op een sabbat aanviel, zij zich niet ile wapenen in de hand te weer zouden stellen.
Langzamerhand schaarden zich om Matliathias zooveel ijveraars voor de Wet, dat hij
379
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
over een tamelijk aantal strijders kon beschikken. Hij vormde hen tot een leger en trok aan hun hoofd verschillende steden en dorpen in de nabijheid hunner schuilplaats rot.d. Overal waar hij kwam versloeg hij de afgodendienaars, baalde hunne altaren omver, herstelde de Wet en deed aan dc kinderen de besnijdenis toedienen. Steeds verder strekte hij zijne tochten uit, en door moed cn voorzichtigheid gelukte het hem den heidenen ontzag in te boezemen en menigen man zijns volks van hunne overheersching te bevrijden,
Voor zijn dood (in het jaar 165 voor Chr.) riep hij zijne zonen bij zich en sprak tot hen: Zier, de trotschheid heeft het hoofd opgeheven; het is een tijd van verdrukking, van verwoesting en van grimmigen toorn, Daarom, mijne kinderen, ijvert voor de Wet en geeft uw leven ten beste voor het Verbond onzer vaderen. Gedenkt der vaderen werken (en volgt hen na); dan zult gij u grooten roem en een onsterfelijken naam verwerven. Is Abraham niet in de beproeving getrouw bevonden, en is dit hem niet aangerekend ter rechtvaardigheid? Josef heeft in een harden tijd (toen hij in slavernij zuchtte) de geboden onderhouden, en is Heer van Egypte geworden. Phir.eës, onze vader (de kleinzoon van Aaron), ijverde met grooten ijver voor God (hij doorstak een overspeler op het oogenblik, dat deze de woning der Madianietische verleidster binnentrad) en ontving daarvoor de beloke, dat in zijn geslacht het priesterschap eeuwig zou voortduren (hoofdstuk 45 op 't einde). Josue was gehoorzaam en werd (na Moses dood) aanvoerder in Israel. Caleb gaf getuigenis voor de vergadering en kreeg een crldeel, Elias brandde van ijver voor de Wet en werd opgenomen ten hemel. Gaat zoo van geslacht tot geslacht na, hoe allen, die op den fleer hoopten niet beschaamd zijn geworden; dan zult ook gij de bedreigingen der godde-loozen niet vreezen; want hun roem is als drek en hunne heerlijkheid als wormen. Heden heffen zij trotsch het hoofd op en morgen zijn zij niet meer te vinden ; zij verteeren tol stof en hunne aanslagen zijn verijdeld.
Welaan dan, mijne zonen, wecst dapper en strijdt mannelijk voor de Wet. Simon, uw broeder, is mij bekend als een man van overleg; gehoorzaamt hem ten allen tijde; hij zal uw vader zijn. Judas de Machabecr was moedig en sterk van zijne jeugd ai; hij zij uw legeroverste en strijde den strijd des volks. Verzamelt rondom u allen, die de Wet onderhouden, en verdedigt uw volk tegen de heidenen. â Ten slotte gaf de grijze held aan zijne zonen den zegen. Daarna stierf hij en werd door hen, onder groot rouwbeklag van alle goedgezinde Joden, in het vaderlijke graf te Modin bijgezet.
Judas' bijnaam, de Machabeer, betcekcm volgens de meest waarschijnlijke afleiding de «hameraar.quot; Hij droeg dien naam wegens den sterken arm, waarmede l ij Ut verdediging /.ijns volks en zijner Wet op de vijanden Gods loshamerde. Van zijne jeugd af, verklaarde zijn vader, was hij sterk geweest, en hij toonde die sterkte vooral sedert hij met zijn vader en broeders uit Modin was gevlucht om den strijd des 1 keren ie strijden. Ãp de volgende bladzijden zullen wij nog menig roemrijUe daad van hem aantrcll'en.
HOOFDSTUK CLII.
JUDAS DE MACHABEÃR IN V E R S C H I L L E N D E G E V E C H T E N OVER W 1N N A A R. T E M PEL REINIGING.
Judas de Machabecr na zijns vaders dood de leiding van den strijd des Heeren | haj aanvaard, was het zijne eerste zorg, het aantal krijgers te vermeerderen.
Door heimelijke wervingen onder zijne vrienden en onder allen, die het Jodendom getrouw waren gebleven, zag hij zich welhaast aan het hoofd gesteld van 6000 man. Met dit leger overviel hij, meestal des nachts, verschillende steden en dorpen die zich in de macht der heidenen bevonden, versloeg of verdreef de bezetting, stak sommige plaatsen, voor h^.u van geen waarde, in brand, en maakte zich van andere meester om er zijn gezag le vestigen.
BljmSCHE GESCHIEDENIS.
Zou had hij reeds eenigen tijd den oorlog in het klein gevoerd, toen de Samaritanen, onder het opperbevel van Apollonius, met een vrij talrijk leger tegen hem oprukten. Die gelegenheid om voor den eersten maal in het open veld zijne krachten te beproeven, greep Judas onverschrokken aan. Hij trok den vijand te gemoet en'er ontstond een hevig gevecht, waarin de Samaritanen met achterlating van vele dooden en gewonden op de vlucht werden gedreven. Onder de dooden bevond zich de vijandelijke aanvoerder Apollonius zelf. Judas ontnam hem zijn uitmuntend slagzwaard dat hij voor zich behield, en waarmede hij vocht zoolang hij leefde.
Pas hadden de Samaritanen het land ontruimd of een nieuwe vijand was in aantocht. Seron, een bevelhebber der Syriërs, sprak tot zich zeiven: Ik wil mij een naam stichten en mij beroemd maken in het rijk, door Judas en de zijnen, die tegen de bevelen des konings zijn opgestaan, te beoorlogen. Diensvolgens rukte hij met een aantal troepen op in de richting van de stad Bethoron. De Machabeër trok hem te gemoet met eene kleine schare, die zich echter vooraf door vasten en bidden de hulp des Hemels waardig had trachten te maken. Toen deze weinigen het veel talrijker leger de.s vijands zagen, begon hun de moed te ontzinken en zij spraken tot Judas; Hoe kunnen wij met ons gering aantal strijden tegen eene zoo groote menigte, terwijl wij bovendien heden door het vasten verzwakt zijn? De Machabeër antwoordde: Bij God maakt het geen onderscheid, door velen of door weinigen de zege te laten behalen; de kracht komt van boven; vreest niet. Dit zeggende stormde hij plotseling vooruit, en zijne manschappen volgden hem. Seron week terug; de Joden zetten hem na tot in de vlakte van Bethoron ; 800 Syriërs overdekten bel slagveld; de overigen namen de wijk naar het land der Philistijnen.
Door deze dubbele glansrijke overwinning maakte Judas zich beroemd en gevreesd bij alle volken in den omtrek, en ook naar Antiochië tot de ooren des konings drong zijn naam door. Antiochus was woedend en riep de geheele krijgsmacht zijns rijks te zamen, ten einde in één slag den Machabeër te verpletteren. Tot zijn schrik echter ontwaarde hij, dat zijne geldmiddelen, nadat de benoodigde soldij er was afgenomen, hem niet meer toelieten, het weelderige leven, dat hij tot dusver geleid had, voort te zetten. In de laatste jaren toch waren de schattingen, welke verschillende hem onderworpen volken moesten opbrengen, slecht ingekomen. Hij besloot derhalve met de helft des legers naar Perzië te trekken, om de sommen, tot welker betaling dit land verplicht was, met geweld te innen ; de andere helft vertrouwde hij toe aan Lysias, dien hi) tot zijn plaatsvervanger te Antiochië aantselde en wien hij reeds de opvoeding van zijn zoon had opgedragen. Bij zijn vertrek liet hij aan Lysias het uitdrukkelijk bevel achter, den Machabeër en al die het met hem hielden ten onder te brengen en de Joden uit hun land weg te voeren.
Lysias stelde de hem gelaten troepen, 40.000 voetknechten en 7000 ruiters, onder de bevelen van Ptolemeüs, den stadhouder van Cclesyrië en Phenicië, en van de krijgsoversten Nicanor en Gorgias. Zoo zeker waande men zich van de overwinning, dat Nicanor beloofde, de 2000 talenten, welke de koning aan de Romeinen schuldig was, te zullen vinden uit den prijs, dien de als slaven verkochte Joden zouden opbrengen. Reeds had hij zich voor zijn doel in verbinding gesteld met eenige slavenhandelaars aan de Mildellandsche Zee, en men was overeengekomen, dat 90 Joden voor één talent zouden geleverd worden.
3«!
Niet zonder bezorgdheid zagen Judas en de zijnen het groote leger naderen. Om zich voor de ure des gevaars de hulp des Hemels te verzekeren, besloten zij, daar de tempel in de macht des vijands was, zich naar Maspha te begeven, eene oude bedeplaats, waar in zijn tijd de profeet Samuel gewoon was het volk te verzamelen. Daar riepen zij, onder vasten en in boetzakken gehuld, tot den Heer: Zie, Heer, de heidenen zijn tegen ons vergaderd; Gij weet wat zij met ons voorhebben. Hoe toch zullen wij hen kunnen wederstaan, als Gij, 0 God, ons niet helpt? Daarna liet Judas overeenkomstig het voorschrift van Moses afkondigen, dat de vreesachtigen en zij die vrouw en kinderen bezaten, indien zij zulks verkozen, naar huis konden terugkeeren. Op dit woord gingen 3000 man
«
BlIBELSCHE GESCHIEDENIS.
heen. De overige 3000 maakten, om zich onbezorgd aan den dood te kunnen wijden, hunne eigendommen te gelde, en trokken, van nu af tot alles bereid, koelbloedig den vijand te gemoet tot bij Emmaüs, waar zij ten zuiden van de stad hun leger opsloegen
De vijand lag aan de andere zijde in de vlakte. Een zijner legerhoofden, Gorgias, dacht den Machabeër onverhoeds te overvallen en rukte daarom des nachts in diepe stilte met 5000 voetknechten en 1000 uitgelezene ruiters op. Judas dit vernemende, trok op zijne beurt met al zijne dapperen naar de vlakte, waar de vijandelijke hoofdmacht, geen aanval voorziende, zorgeloos lag uitgestrekt. Met het aanbreken van den dag kwamen de Joden te bestemder plaatse, en tastten, onder inroeping van de hulp des Heeren, deSyriërs aan. Dezen leden een geduchte nederlaag; 3000 hunner sneuvelden, de overigen sloegen in groote verwarring op de vlucht. De Joodsche strijders wilden aanstonds de verlatene legerplaats plunderen, doch Judas belette het hun. Gorgias en zijne troepen, zeide hij, zijn nog in onze nabijheid, overwint hen eerst, daarna kunt gij u in veiligheid van den buit meester maken. Tevens stak hij (als teeken voor Gorgias, dat de hoofdmacht verslagen was) een gedeelte van het Syrischc kamp in brand.
Gorgias was des nachts bij de legerplaats van Judas aangekomen, doch haar ontruimd vindende, zocht hij de Joden op het gebergte, waarheen hij meende dat zij gevloden waren. Toen hij echter des morgens den rook bespeurde, die uit het kamp der hoofdmacht opsteeg, en hij daarenboven in de vlakte Judas en de zijnen blakende van strijdlust zag naderen, sloeg de schrik hem om het hart en vluchtte hij in allerijl naar het land der Philistijnen. 1 hans geen vijand meer te duchten hebbende, plunderden de Joden rustig de verlaten legerplaats. Behalve veel goud, zilver en kostbare gewaden, viel hun daarbij in handen een groot gedeelte van het geld, dat de reeds dadelijk met het leger meegekomen slavenhandelaars voor den aankoop van hen en hunne broeders bestemd hadden. Beladen met dien biu en onder het zingen van heilige lof- en dankliederen verwijderden Judas en de zijnen zich van het slagveld. De buit werd verdeeld tusschen de strijders, de armen, weduwen en weezen.
Niemand was erger teleurgesteld dan Lysias. In plaats van een schitterende zegepraal, waarop hij gerekend had, zou hij zijn koning bij diens terugkeer uit Perzië niets hebben aan te bieden dan eene schandelijke nederlaag. Om deze zooveel mogelijk weder goed te maken, rustte hij het volgende jaar (163 voor Ghr.) een nieuw leger uit van 60.000 man voetvolk en 5000 ruiters. Aan de spits dier troepen trok hij in persoon naar Judea op. Judas, wiens macht intusschen, tengevolge zijner roemrijke krijgsverrichtingen en het daaruit voortgevloeide vertrouwen bij het volk, van 3000 tot 10,000 man was aangegroeid, ontmoette den vijand bij Bethoron. Alvorens den ongclijken strijd tegen de overwegende meerderheid te beginnen, nam hij in een vurig gebed zijn toevlucht tot God. Redder Israels, riep hij. Gij die de kracht van den reus (Goliath) gebroken hebt door de hand uws dienaars David, en die het leger der Philistijnen hebt overgeleverd, in de macht van Sauls zoon Jonathas en diens wapendrager, lever ook dit leger (der Syriërs) in de hand uws volks, opdat allen, die uw Naam belijden, u mogen prijzen en lofzingen.
De Heer verhoorde dit gebed. In den nu volgenden strijd vochten de Joden, onder zijne hulp, met een moed en doodsverachting, waartegen de Syriërs niet bestand waren. Reeds lagen 5000 vijanden geveld, de overigen weken achteruit, geheel het leger geraakte in wanoide, en Lysias, zich ten slotte genoodzaakt ziende in de vlucht zijn heil te zoeken, keerde met het overschot zijner troepen naar Antiochië terug.
Dewijl nu de Syrische macht vooreerst althans genoegzaam gebroken was, spraken Judas en zijne broeders onder elkander: Ziet, onze vijanden zijn verslagen, laat ons derhalve optrekken om den tempel te reinigen en weder in te wijden. Op dit woord begaven zij zich met al de hunnen naar Jerusalem. Hen ontzettende aanblik wachtte hen daar: de deuren des heiligdoms waren verbrand, daarbinnen lag alles verwoest; het altaar des Heeren, niet. groote steenen overdekt, was op die wijze in een altaar van Jupiter veranderd; de
3S2
HljRF.LSniF, GESCHIF.DF.NlS. 5^3
voorraadkamers waren afgebroken, en in de voorhoven groeide gras ea onkruid. Bij dat. erbarmelijke schouwspel wierpen de Joden zich op hun aangezicht neder en hieven onder het steken der bazuin hun klaaggeschrei ten hemel. Judas maakte daaraan een einde door te bevelen dat een gedeelte der m.mschapp.n de Syriërs die nog op den berg Sion lagen in bedwang zon houden, terwijl de priesters met de overigen middelerwijl den tempel moesten reinigen, Oogenblikkelijk zetten laatstgenoemden zich aan liet werk. De groote steenen, die het altaar overdekten, droegen zij naar een onreine plaats; omireut het altaar echter stonden zij verlegen wat daarmede te doen. Eindelijk overwegende dat de ontwijding, die het van de heidenen had ondergaan, toch te groot was om het voortaan nog voor den dienst des waren Gods te gebruiken, besloten zij het af te breken en het. door een nieuw altaar te vervangen. De puin, door de albraak opgeleverd, bewaarden zij op een geschikte plaats, totdat een profeet zou komen, om hun te zeggen wat er mede diende tc geschieden. Daarop bouwden zij van ruwe steenblokken, zooals de Wet gebood, een ander altaar, aan 'net vorige gelijk. Vervolgens werden het heilige en het heilige der heiligen hersteld; een nieuwe kroonkandelaar, een nieuwe tatel der toonbrooden, een nieuw reukofFeraltaar en nieuwe heilige vaten werden vervaardigd; nieuwe voorhangsels werden tusschen het voorhof der priesters en het heilige alsmede tusschen dit laatste en het heilige der heiligen opgehangen; de lampen op den kroonkandelaar werden ontstoken, en alles werd zooveel mogelijk hersteld in den toestand als voor de ontwijding door dc heidenen.
Zoodra alles gereed was, wijdde men den gereinigden en herstelden tempel plechtig in. Acht dagen lang rookte het nieuwe altaar van talrijke brand- en dankoffers, en gedurende dien tijd vierde het gansche volk feest met groote vreugde. Na den afloop voorzag Judas den berg, waarop het heiligdom stond, van stevig muurwerk en torens, opdat de heidenen niet andermaal het huis des Heeren zouden overweldigen. Zoo werd dc heilige plaats aan de macht der ongeloovigen ontrukt, en was de Heer zijn volk genadig.
Wanneer men het bovenstaande, aan : Macbabecn III ontleende verhaal van den veldtocht van Ptolenieïis, Nicanor en Gorgias vergelijkt met 2 M.ich. VII; 8 en 9, zon het â zoo althans op beide plaatsen dezelfde gebeurtenis bedoeld wordt, wat evenwel niet zeker is â nog met meer bijzonderheden kimneii worden aangevuld. Dan zon nl. het plan van den veldtocht het eerst van Ptolemcüs zijn uitgegaan, terwijl hij daarvoor reeds 20.000 man verzameld had. Voorts zou dan later, tengevolge der beschikking van den koning en van Lysias, het aantal strijders op 40.000 man voetvolk en 5000 ruiters zijn gebracht en Ptolemeüs zelf als een der bevelhebbers mede zijn opgetrokken.
IIOOFDSTUK CL1II.
VERSCHEIDENH OORLOGEN DER MACHABEÃM MET NABURIGE VOLKEN.
tINw--
IjjlPl^l^oodra de volken in den omtrek hoorden, dat de tempel des Heeren hersteld was, |jb zochten zij hunne woede daarover te koelen op de Joden die onder hen verblijf hielden. Reeds waren er eeuigen dezer als slachtoffers gevallen, toen Judas met gt;1^ een leger uit Judea opdaagde om de vervolgde'broeders bij tc staan.
Het eerst keerde hij zijne wapenen tegen de Edomieten, wien hij eene zware nederlaag toebracht. Bij die gelegenheid nam hij tevens wraak op de zonen Beans voor de schelmstukken door hen gepleegd tegen vreedzame Joodsche reizigers, die zij op de openbare wegen verraderlijk besprongen, uitschudden en vermoordden. De versterkte plaatsen dezer roovers belegde Judas met den banvloek en gaf haar met al wat zij bevatten aan de vlammen prijs.
Vervolgens trok hij op tegen de Ammonieten. Een aanzienlijk leger van dit volk, onder aanvoering van Tiraotheüs, ^werd in eene reeks bloedige gevechten geheel door hem
5SU BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
vernietigd. Voorts nam hij Gazer en verschilleiule andere steden in en keerde met zijne zegevierende troepen naar Judea terug.
Pas was hij daar aangekomen, of brieven uit liet over den Jordaan gelegene Gala ad meldden hem, dat ook in die landstreek de Joden veel van de heidenen te lijden hadden. Henigen hunner waren vermoord; anderen stonden nog aan alles bloot; weder anderen waren in giooten getale naar de sterke vesting Datheman gevlucht, waar zij echter op dit oogenblik door hunne vervolgers werden belegerd.
Nog had Judas de lezing dier brieven niet voltooid, of boden uit Galilea brachten het bericht, dat ook daar de zaak der Joden hachelijk stond. De heidenen uit Ptolemaïs, uit Tyrus en uit Sidon waren tegen hen opgerukt en hadden geen geringer plan dat hen geheel te verdelgen.
Onmiddellijk belegde de Machabeër eene groote volksvergadering, waarop besloten werd, dat, terwijl hij en zijn broeder Jonathas aan het hoofd van 8000 man naar Galaad togen, een andere broeder, Simon, met 3000 man den Joden van Galilea zou ter hulp snellen. Verder ontvingen de bevelhebbers Josef en Azarias de opdracht, met het overige gedeelte des legers gedurende de afwezigheid der hooldmacht Judea te beschermen. Zij mochten echter niet aanvallender wijzer tegen de heidenen optreden, maar moesten zooveel mogelijk iederen slag met hen vermijden.
Nadat de zaken aldus geregeld waren, stak Judas met zijn 8000 man den Jordaan over. De stad Bosor was spoedig door hem vermecsterd cn in de asch gelegd. Daarop rukte hij voort naar de vesting Datheman, waarbinnen de Joden zich verschanst hadden. Juist was er tusschen ben en den vijand weder een gevecht begonnen en waren de stormladders reeds tegen de muren geplaatst, toen Judas op het terrein verscheen. Hij splitste zijn leger in drie afdeelingen en viel van even zoovele zijden, onder het steken der trompetten en het aanroepen van den Naam des Heeren, den belegeraars in den rug. Toen dezen ontwaarden, wie het was, die hen daar ontstuimig aangreep, stoven zij, als waanzinnig van schrik, in een oogwenk naar alle kanten uiteen; doch Judas zette hen na en deed ongeveer 8000 man sneuvelen. Daarop maakte hij zich van de eene stad na de andere meester, bevrijdde overal de broeders uit de handen hunner verdrukkers, en behaalde een aanzienlijken buit.
Bij zijn verder voortrukken evenwel hoorde hij, dat de voor Datheman verstrooide troepen zich tegenover de stad Raphon weder verzameld cn een aantal Arabische huurbenden in dienst genomen hadden, Om te weten over welke macht zij thans beschikten, zond hij verspieders uit, die weldra terugkeerden met de tijding, dat behalve genoemde Arabieren nog andere volken uit den omtrek de vijandelijke gelederen waren komen versterken, zoodat zij te zamen een zeer groot leger vormden. Zonder aarzeling trok Judas op deze nieuwe tegenstanders los en bracht hun zulke geduchte slagen toe, dat zij hunne wapens wegwierpen en binnen de stad Camaïn vluchtten, waar zij in cn bij den tempel van den afgod dier plaats bescherming hoopten te vinden. De Machabeër lachte met die ijdele poging. Na een kort beleg moest de stad voor zijne wapenen zwichten; de tempel werd in brand gestoken, cn allen, die er binnen waren, kwamen in de vlammen om. Daarop keerde de overwinnaar naar Jerusalem terug, gevolgd door alle Joden, die hij uit de handen der heidenen bevrijd had.
Middelerwijl dit in Galaad voorviel, had Simon met zijne 3000 man in Galilea geen minderen voorspoed. In verschillende heete gevechten versloeg en achtervolgde hij den vijand tot zelfs voor de poorten van Ptolemaïs, cn ook hij voerde de Joden uit de door hem getuchtigde gewesten naar Jerusalem.
Intussclien had men te midden der algemeene vreugde ook een ramp te betreuren. Da ter bescherming van Judea achtergelaten bevelhebbers Josef en Azarias waren de hun vct-strekte volmacht te buiten gegaan. Zij hadden, toen uit de verte de geiuchten der overwinningen van Judas en Simon hun ter oore kwamen, tot elkander gezegd: Ook wij willen ons naam maken en optrekken tegen de heidenen in onze nabijheid, Zij tastten
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
derhalve met hunne troepen de stad Jamnia aan, waar Gorjrias het bevel voerde. Deze deed een uitval, waarbij 2000 Joden den dood vonden, zoodat Josef en Azaiias het ovci-schot hunner macht slechts door een overhaaste vlucht in veiligheid konden b;engen. Dit was de noodlottige afloop hunner eigenzinnige en roekeloo/.e onderneming; niet door hen toch wilde de Heer Israël redden, maar door de hand van Judas en zijne broeders.
Zulks bleek op nieuw toen Judas tegen de volken ten Zuiden en ten Westen te velde trok. Het eerst versloeg hij de zonen Ezau's, die zich te Hebron en in de van deze stad afhankelijke plaatsen genesteld hadden. Daarna keerde hij zijne wapenen tegen de Samaritanen en eindelijk viel hij ook in het land der Ehilistijnen, vernielde er de afgodsbeelden en keerde met een rijken buit naar Jerusalem terug.
Cmlaïil, de landstreek vroeger door Ruben, Gad en lialf-Manasse bewoond, lag ten Oosten van Jude». Galilea was bet noordelijk gedeelte van liet voormalig Israel. De vesting Hebron, op bet vroegere stamgebied van Juda, lag eenige uren zuidelijk van Jerusalem, liet land der Pliilistijuen lag westelijk, cn de Samaritanen woonden voor een gedeelte noordwestelijk van Jerusalem.
HOOFDSTUK CL1V.
ELLENDIG UI T EINDE VAN A N T I O C H U S.
lIÃMiddderwijl koning Antioclnis met de helft van het Syrische leger Perzië doortrok, om van dit land de verschuldigde schatting te innen , hoorde hij dat de afgods-tempel te Hlymaïs een ontzaglijken rijkdom bevatte van gouden gewaden, schilden cn harnassen, welke Alexander de Groote van Macedonië daar had achter-«r gelaten. Aanstonds was zijn plan gemaakt die schatten te rooven; doch toen hij met dat doel Elymaïs naderde, sloten de burgers de poorten en verdedigden hunne stad met zooveel dapperheid, dat het roolleger met bebloede koppen moest afdeinzen. Verteerd van spijt en schaamte aanvaardde Aniiochus den terugtocht naar Babylon, toen hem reeds te Ecbatana een nieuwe slag trof. Een renbode bracht hem daar het bericht, dat niet alleen Gorgias en Nicanor, maar later ook Lysias zelf en daarna Timotheüs tegen de joden liet onderspit hadden gedolven, en dat voorts Judas de Machabeër het altaar van Jupiter in den tempel te Jerusalem omvergehaald, den tempel hersteld en hem met stevige verdedigingswerken omringd had.
Dit was meer dan de trotsche gebieder verdragen kon. Bevend van woede gelastte hij dat het leger met den meest mogelijken spoed naar Judea zou oprukken, om de voor Elymaïs geleden nederlaag in het bloed van Israël uit te wisschen en de Joden van de aarde te verdelgen. Pas echter was dit wraak- en moordbevel hem van de lippen, of hij werd door den Heer geslagen met hevige pijnen en weeën in zijne ingewanden. In plaats van hierdoor tot bezinning en tot herroeping van zijn goddeloos bevel te komen, drong hij integendeel op nog grooteren spoed bij zijn leger aan, totdat hij eindelijk, door het snelle rijden over den oneffen weg, van zijn krijgswagen stortte en aan geheel zijn lichaam zware kneuzingen bekwam. /00 lag dan de verwaten vorst, die even te voren nog gemeend had de zee te kunnen gebieden en de hoogste bergen in zijne hand te kunnen wegen, machteloos ter aarde en moest op een draagstoel vervoerd worden. Doch hierbij bleef het niet. Zijne gekneusde ledematen begonnen te rotten en te krielen van een heerleger van afzichtelijke maden, zoodat het vleesch hem bij stukken van het lichaam viel en hij rondom zich een stank verspreidde, dien hij ten laatste zelf niet meer kon verdragen.
Thans erkende bij, dat boven hem een God regeerde, die de trotsche stervelingen, welke zich vermeten tegen Hem te strijden, weet te deeraoedigen en neer te bonzen in het
49
i
386
slijk. Zeil van die verheven macht het maar al te droeve bewijs, riep hij in zijn noodtot den Heer om erbarming cn deed de heiligste beloften. De stad Jerusalem, welke hi) nog voor eenige oogenblikken van plan was ten gronde toe te verdelgen en tot een graf der Joden te maken, beloofde hij nu vrij te verklaren en aan hare bewoners dezelfde rechten te verkenen als aan de burgers te Antiochië. Den tempel, weleer zoo schandelijk door hem beroofd, zou hij voortaan met rijke geschenken begiftigen en uit zijn eigen inkomsten de kosten van den dagelijkschen offerdienst bestrijden. Wat meer is, hij beloofde zelf Jood te zullen worden en het aardrijk rond te trekken, om overal de grootheid des Heeren te verkondigen.
Ondanks dit alles zijne smarten niet voelende verminderen, liet hij in zijne vertwijfeling aan de Joden een brief schrijven, waarin hij hen toesprak niet den naam van beste burgers, wier heil en welvaren zijn vurigste begeerte was. Voorts meldde hij hun, dat hij op zijn terugkeer uit Perzië door een zware ziekte was aangetast, waarvan hij echter nog hoopte te herstellen; mocht hij evenwel bezwijken, dan beval hij hun zijn zoon Antiochus aan, dien hij tot zijn opvolger had benoemd, en van wien hij verwachtte, dat deze de Joden met zachtmoedigheid regeeren en hen als vrienden behandelen zou.
Eindelijk, toen hij zijn laatste uur zag naderen, riep hij zijne legerhoofden en vertrouwden bij zich en sprak tot hen: Thans gedenk ik al het kwaad door mij te Jerusalem gesticht; hoe ik de gouden en zilveren tempelvaten roofde, en hoe ik mijne legerscharen afzond, om de bewoners van Judea zonder reden te verdelgen. Ik erken, dat daarom mij deze kwaal getroffen heeft; en zie! ik kom om in mijne ellende in een vreemd land. Vervolgens benoemde hij zijn zoogbroeder Philippus tot voogd en verzorger van zijn minderjarigen zoon, die na hem regeeren zou, en gaf hem voor den nieuwen vorst zijne kroon, zijn koninklijken mantel en zijn zegelring. Daarna blies deze moordenaar en godslasteraar ver van zijn huis op vreemden bodem onder de verschrikkelijkste pijnen den laatsten adem uit. Al zijn roepen tot den Heer en zijn beloften (slechts door den drang der smarten lum afgeperst) konden hem niet baten; de Heer schonk dien booswicht geene barmhartigheid.
De groote schriftverklaarder Cornelius a Lapide vergelijkt de beloften van Antiochus met die van Pharao van Hgypte ten tijde van Moscs. Meermalen beloofde de Egyptische vorst, wanneer de hand des 1 keien hem al e zeer drukte, de Joden te zullen laten gaan; maar niet zoodra zag liij dat de heerfchende plaag had opgehouden, of hij was weder dezelfde verstokte zondaar van weleer. Eveneens zou het wellicht met Antiochus gegaan zijn, indien hij van zijne ziekte hersteld ware. God nu schenkt gccne barmhartigheid op leugenachtige woorden en lippenberouw, maar slechts aan het oprecht gezinde hart cn aan het ernstige verlangen tot ware bekeering. Heeft misschien, wat echter niet waarschijnlijk is, Antiochus dit verlangen gekoesterd, dm bestai: er hoop op het behoud zijner ziel, en moeten de woorden der II. Schrift, dat hij gccne baia/i.ui.^licid ontving en iel verstaan worden van zijn lichamelijk lijden en zijn vroegtijdigen aardschen dood.
HOOFDSTUK CLV.
STRIJD VAN' JUDAS F. N D F. ZIJNEN GEDURENDE DE R E G E E RING
VAN ANTIOCHUS E UFA T O R.
-â-
. ......
^001quot; ^en stervenden Antiochus tot voogd over zijn minderjarigen zoon cn tot
rijksbestuurder aangestelde Philippus kon zich als zoodanig te Antiochië niet doen
Jlp erkennen. Lysias toch, reeds vroeger, voor zijns meesters vertrek naar Perzië,
TOA tot dezelfde waardigheid verheven, wist zich daarin te handhaven; hij riep den jeug-
digen prins onder den naam van Antiochus Eupator tot koning uit en noodzaakte
t Philippus de vlucht te nemen naar Egypte.
De regeering van den nieuwen vorst verschilde weinig of niet van die zijns vaders,
BljBELSCHI: GESCHIEDENIS
/oodat de Joden zich gedwongen zagen den kamp voor hunne vrijheid en hunne Wet onverminderd voort te zetten, Een hunner eerste bestrijders was de in een vroeger gevecht reeds eenmaal overwonnen Timotheüs. Met een groot leger, bestaande uit vreemde voetknechten en
Aziatische ruiterij, drong deze onvermoeide vijand Judea binnen en dreigde het te veroveren. Judas riep derhalve zijne manschappen bijeen, en na zich met hen door boete en gebed tot den strijd hebben voorbereid, rukte hij, in vertrouwen op de hulp des Heeren, Timotheüs te gemoet. Hevig werd er van beide zijden geve;hten toen eensklaps, ten aanschouwe des vijands, vijf engelen in de gedaante van blinkende ruiters, wier paarden gouden teugels droegen, van den hemel nederdaalden, om den Joden tot legeraanvoerders te dienen. Twee hunner namen Judas in hun midden, en terwijl zij hem met hunne schilden dekten, slingerden zij pijlen quot;n bliksems op de tegenstanders, die, daardoor verblind en in verwarring gebracht, meer dan 20.000 dooden op het slagveld achterlieten. Timotheüs zelf redde zijn leven door naar de stad Gazara ie vluchten; doch de Joden trokken hem na en sloegen het beleg voor die plaats De inwoners, onder aanvoering van een zekeren Chareas, vertrouwende op de sterkte hunner vesting, spouen met de belegeraars en braakten de gruwelijkste godslasteringen uit. Twintig dappere jongelingen uit Judas' omgeving konden deze taal niet langer hooren; vol grimmigen moed beklommen zij de stadsmuren, waarna de overige manschappen hen nastormden en de vesting genomen werd. Gedurende de twee dagen dal de Joden de plaats te vuur en ie zwaard verwoestten, wist Timotheüs zich schuil te houden , maar werd eindelijk met den aanvoerder Chareas en met een zekeren Apollo-phanes gegrepen en ter dood gebracht. â Dankbaar voor de behaalde overwinning prezen en verheerlijkten de Joden den Heer den God van Israel, wiens hand hen zoo zichtbaar had bijgestaan en beschermd.
Kort daarop kwam de rijksbestuurder Lysias, die het voorgevallene vernomen had en daarover zeer ontstemd was, niet een leger van 80,000 man voetvolk, vele duizenden ruiters en 80 olifanten naar Judea afzakken en sIosj het beleg voor de in een bergpas gelegen sterke vesting Bethsura, Zoodra de Machabcei m de zijnen dit hoorden, wendden zij zich niet al het volk van Jerusalem onder tranen en weeklachten tot den Heer en smeekten Hem, een goeden engel ter bescherming van Israel te -.villen afzenden. Hun gebed klom op tol voor den troon des Allerhoogsten, en toen zij uittrokken om Bethsura bij te slaan, verscheen hun eensklaps in wit gewaad en gouden wapenrusting een hemelsche ruiter, die met gevelde lans voor hen uitreed. Op dit gezicht loofden allen den Heer en gevoelden in zich een moed ontwaken, groot genoeg om niet alleen menschen, maar ook de wildste dieren ie bevechten en zelfs door ijzeren muren heen te breken. Zij vielen dan ook met zooveel onstuimigheid op het Syrische leger aan, dal weldra 11,000 vijandelijke voetknechten en 1600 ruiters dood of stervend op het slagveld lagen uitgestrekt, terwijl de overigen, van welke nog velen gewond werden, in de vlucht hun heil zochten. Lysias eindelijk inziende, dat zoolang de Joden op zoo zichtbare wijze de bescherming des Hemels genoten, het onmogelijk zou zijn hen ten onder te brengen, besloot â an op billijke voorwaarden den vrede aan te bieden. Judas, wien het niet om bloedvergieten, maar om recht en vrijheid ts doen was, nam zijn voorstel tot onderhandeling aan, waarbij nu verder bepaald werd, dat men van weerszijden zich rustig zou gedragen en dal de Joden ongehinderu de voorschriften van den godsdienst hunner vaderen zouden kunnen opvolgen. Nadat de overeenkomst door den koning bekrachtigd en Lysias niet het overschot zijner troepen afgetrokken was, keerden ook de Joden naar hunne haardsteden terug en verwisselden het zwaard tegen het ploegijzer tn hel houweel.
Niet lang echter mocht deze gelukkige toestand duren; de koninklijke stadhouders en de naburige volken lieten den Joden geen rust en noodzaakten hen daardoor andermaal de wapenen aan te gorden. Een der laagharligste schanddaden werd gepleegd door de heidenen te Joppe. Onder het voorgeven, dal het nu toch vrede was, noodigden zij hunne Joodschc medeburgers uil, om in hun gezelschap, met vrouw en kinderen, in daartoe gereed
3'
',«H BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
liggende booten een tochtje op zee te ondernemen. De Joden, kwaad vermoedende, lieten zich om des vredes wille overhalen; doch nauwelijks waren zij in het ruime sop gekomen, of zij werden verraderlijk gegrepen en over boord geworpen. Op die wijze vonden niet minder dan 200 man den dood in de golven.
'oodra dit gruwelstuk Judas ter oore kwam , deed hij daarvan aanklachte bij God dei. rechtvaardigen rcchtci en rukte met eene afdeeling manschappen op , om Joppe eene bloedige uchtigmg loc tï dienen. Spoedig had hij zich van de haven der stad meester gemaakt; hii itak de booten en schept., benevens de in den omtrek staande gebouwen in brand en bracht een aantal vijanden om an Wen. Daarna hoorende, dat de heidenen van Jamnia op dezelfde wijze als die van joppe met de onder hen wonende Jodai wilden handelen, trok hij in allerijl naar hunne stad, na Joppe gedreigd te hebber dat hij zou terugkeeren, om de begonnen tuchtiging voort te zetten. Te Jamnia werd door zijn snel optreden het bedoelde plan verhi.iderd. Op het onverwachtst stond hij met het vallen van den nacht voor de poort, nam de havenstad in 1: gaf haar met de daar liggende schepen aan de vlammen prijs.
Het Pinksterfeest vierde de Machabeër te Jerusalem , maar na het feest trok hij weder te velde, om te strijden tegen den stadhouder van idumea, Gorgias. De strijd liep ten voordeele van Judas af; de vijand werd uiteen gejaagd en vetdreven, maar ook een klein aantal Joden sneuvelde. Wijl daarop de sabbat inviel, konden hunne broeders hen niet aanstonds begraven. maar gingen den dag godsdienstig doorbrengen in de stad Odollam. Des anderen daags keerden zij, om hun broederplicht te volbrengen, naar het slagveld terug. Tot hunne verwondering vonden zij op ieder lijk onder de kleederen het een of ander voorwerp aan de afgoden gesvijd, dat de gevallenen te Jamnia hadden geroofd, ondanks de Joden zich zoodanige zaken niet mochten toccigenen. Allen begrepen derhalve, waarom deze broeders gesneuveld waren; zij riepen voor hen tot den Heer om vergiffenis, en Judas vermaande de manschappBr., zich toch steeds voor het overtreden der Wet in acht te nemen. Vervolgens hield hij r;rne inzameling van liefdegaven en zond het bedrag, groot 12,000 drachmen zilvers, naar Jerusalem, o; dat voor de gestorvenen een zoenoffer zou worden opgedragen. Hij deed dit, wijl hij goed en godsdienstig dacht over de opstanding; indien hij immers niet gehoopt had, uat de gevallenen zouden verrijzen, moest hot hem overtollig en ijdel hebben toegeschenen voor de dooden te bidden. Daarenboven hield hij zich overtuigd, dat voor degenen, die in godsvrucht ontslapen zijn, een heerlijke genade is weggelegd. Het is derhalve een heilige en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zi; van hunne zonden ontslagen worden.
Behalve de heidenen voor Joppe en Jamnia en de Idumeè'n bekommerden zich ook de op den burcht Sion te Jerusalem in bezetting liggende Syriërs weinig om den gesloten vrede. Niet alleen deden zij telkens uitvallen tegen den tempelberg, en hielden zij daar de Joden als 't ware opgesloten, maar ook de heidenen in tien omtrek werden door hen gesteund. Om al die redenen besloot Judas zijn volk tegen de onruststokers aan te voeren ten einde dj'i I urcht te veroveren. Reeds stonden de stormrammen en de werktuigen, waarmede mf, rM'oote steenen op den vijand wierp, dreigend tegen de muren gekeerd, toen het een handvol belegerden gelukte door de rijen der belegeraars heen te breken en zich met eenige afvallige Joden, wier partij vóór den Machabeërtijd te Jerusalem den boventoon voerde,, naar Antio 1'é mt den koning te begeven. Na bij den gebieder te zijn toegelaten, spraken deze loden lot hem : Hoe... il; zult gij nog talmen rechtte doen en onze broeders te wreken? Wi) hadden besloten uw vader te dienen, in zijne geboden te wandelen en zijne bevelschriften op ie volgen, de zonen onzes volks vielen ons daarom af; ja zelfs doodden zij wie zij van ons 111 handen kregen, en rooiden onze goederen. En niet tegen ons alleen strekten zij ae hand uit, maar tegen het gansche land, en zie, op dit oogenblik belegeren zij den burcht van Jerusalem en hebben de vesting Bethsura (op de grenzen des lands) opnieuw versterkt. Indien gij hen niet met allen spoed voorkomt, zullen zij nog stoutere stukken wagen en gij zult hen niet meer kunnen bedwingen.
nrjBELSCHE GESCHIEDEN 389
Deze woorden troffen doel. De koning en zijn rijksbestuurder Lysias verzamelden eene strijdmacht van ruim 100,000 voetknechten, 20,000 man paardevolk benevens 32 ten oorlog afgerichte olifanten en rukten daarmede naar Judea op. Het leger werd gevolgd door Menelaüs, den valschen hoogepriester, die tijdens de regeering des vorigen konings zooveel kwaad onder zijn volk had gesticht. Hij trachtte den nieuwen gebieder door dezelfde middelen te winnen, welke hem bij diens vader zoo goed gelukt waren, en rekende er reeds op, dat zijne vleitaal en schoone beloften hem opnieuw hot hoogepriesterschap zouden bezorgen. De heilige en rechtvaardige God echter, de wreker des kwaads, had het anders besloten: onder de leiding zijner Voorzienigheid trad Lysias tusschen beiden en detd den koning inzien, dat van al de moeielijkheden, waarin het rijk thans tegenover de Joden gewikkeld was, Menelaüs hoofdzakelijk de schuld droeg. Daarop werd de woelgeest gegrepen en ter stikking in een vijftig elleboogsmaten höogen, met asch gevulden, toren geworpen. Na deze strafoefening zette de koning zijn marsch voort en sloeg het beleg voor Bethsura.
Inmiddels zocht Judas te Jerusalem zijne toevlucht bij God , die de zwakken sterk maakt; hij gebood zijnen manschappen dag en nacht tot den Heer te roepen en Hem te smeeken , ook nu weder hun helper te willen zijn, en toch niet toe te laten, dat zijn volk, nauwelijks van den druk der heidenen herademend, andermaal in hunne handen werd overgeleverd. Na alcus drie dagen onder tranen en vasten gebeden te hebben, trokken de Joden op en hadden weldra het koninklijke leger in het gezicht. Het zwaartepunt van den strijd zou ditmaal vooral op de olifanten neerkomen. Op den rug dezer dieren stonden houten torens, en iedere toren voerde 32 strijders behalve den Indiaan, die het beest bestuurde. Verder was aan eiken olifant toegevoegd eene al'deeling van 1000 sterk geharnaste voetknechten, met koperen helmen op het hoofd, en 500 ruiters. Om de dieren tot woede aan te zetten hield men hun het sap van roode druiven en van moerbeziën voor.
Vol vertrouwen op God greep Judas deze verschrikkelijke strijdmacht aan. Met een uitgelezene schaar dapperen, onder welke Eleazar (zijn broeder), brak hij door de vijandelijke gelederen heen en deelde links en rechts woedende slagen uit. Reeds bedekten verscheidene drommen Syriërs het slagveld met hunne lijken, toen Eleazar een der grootste en prachtigste olifanten ontwaarde. In de meening dat de koning zelf daarop gezeten was, en hopende dat hij met dezen te treffen het leger van schrik de vlucht zou doen nemen, besloot hij den aanval te wagen en zich voor zijn volk op te offeren. Onverwijld baande hij zich met zijn zwaard een weg, plaatste zich vlak onder den buik des olifants, doorboorde hem en werd onder het dood ter neder stortende gevaarte verpletterd.
In weerwil van deze koene daad moesten de Joden ten slotte voor de overmacht wijken en trokken zij naar Jerusalem terug, waar zij zich op den tempelberg verschansten. Daar het evenwel dat jaar een sabbatjaar was, waarin er niet gezaaid of geoogst mocht worden, was Jerusalem schaarsch van levensmiddelen voorzien, zoodat de Joden geen langdurige belegering konden uithouden. Toen dan ook de Syriërs, die de terugwijkende gevolgd waren, eenigen lijd voor de stad hadden gelegen, begon daarbinnen groot gebrek te heerschen en was men op het punt den tempelberg te moeten overgeven. Doch in dien nood kwam God den zijnen te hulp. Lysias hoorende, dat zijn mededinger naar het rijksbestuur, Philippus, uit Egypte was teruggekeerd en zich reeds te Antiochië deed gelden, sloeg den koning voor, met de Joden vrede te maken, om Philippus te bestrijden. Laat ons, sprak hij tot den gebieder, dezquot;n lieden de hand reiken en hun toestaan, volgens hunne Wet te leven gelijk vroeger; want om wille van hunne Wet, die wij geminacht hebben, zijn zij vertoornd en hebben zij ons dit alles aangedaan. De vrede, die nu weldra tot stand kwam, werd door den koning en zijne legerhoofden bezworen, waarop Judas met de zijnen naar buiten trok. Ofschoon de koning korten tijd daarna zijn eed gedeeltelijk brak, door de muren rondom den tempelberg omver te halen, begiftigde hij toch den tempel met geschenken en stelde Judas aan tot stadhouder en vorst over de gcheele landstreek van Ptolcmnïs af tot aan Gerara (dus bijna over de gansche uitgestrektheid der voor-
t
390
malige rijken Israël en Juda). Bij de heidenen van Ptolemaïs verwekte deze beschikking meer of min gevaarlijke onlusten, welke echter spoedig door Lysias gestild werden. Eindelijk
kwam de koning met zijn leger voor zijne hoofdstad Antiochië aan; doch haar reeds inde macht van Philippus vindende, moest hij zich met geweld de poorten doen openen (waarop Philippus, volgens Flavius Josephus, ter dood werd gebracht).
Het stikken van misdadigers in een met asch gevulden toren was oorspronkelijk een Perzische strafoefening, door Darius Ocluis uitgevonden, om zich van zekere oproerlingen te ontdoen, wien hij met cede beloofd had, hen niet door het zwaard â het gewone strafmiddel â te zullen laten ombrengen.
HOOFDSTUK CLVI.
LAATSTE DADEN EN DOOI) VAN JUDAS DEN MACHAEEÃR. --
j'; eene ruim tweejarige regeering van den jeugdigen Antiochus Enpator geraakte
quot;oliMlifC Syrië in handen van Demetrius. Deze, een zoon van Eupators oudoom, den Jiv, voorlaatsten koning Seleucus, scheepte zich te Rome (waar hij als gijzelaar leefde)
â¢y° met eenige ondernemende mannen in, landde gelukkig op de Syrische kust, in de haven van Tripolis, en rukte, nadat het leger tot hem was overgeloopen, naar Antiochië op. Enpator en zijn voogd Lysias werden vermoord, en Demetrius nam den troon zijner vaderen in bezit (in het jaar 160 voor Chr.).
Niet Ijng daarna begaven zich tot den nieuwen koning eenige kwaadwillige Joden, onder aanvoering van Alcimus, die, reeds vroeger tot hoogespiester benoemd, thans andermaal deze waardigheid zocht, en beschuldigden Judas en zijne broeders als de rustverstoorders des lands, tegen wie afdoende middelen dienden genomen te worden. Demetrius zond daarop een zijner vrienden, Bacchides, den stadhouder aan gene zijde des Huphraats, met een aanzienlijk leger naar Judea, om Alcimus in het hoogepriesterschap te bevestigen en de verdere zaken des lands te regelen. De Machabeër verwachtte van deze beide mannen, ondanks hunne vredelievende verzekeringen, niet veel goeds; doch vele zijner aanhangers en eene schaar wetgeleerden stelden vertrouwen in hen, vooral in Alcimus. Een man en priester uit het geslacht van Aaron, zeiden zij, zal ons immers geen ongelijk aandoen. Bij deze meening bleven zij, totdat Bacchides op zekeren dag zestig hunner verraderlijk liet grijpen en dooden; toen riepen de overigen verschrikt uit: Er is in hen geen goede trouw noch gerechtigheid; hunne belofte en den eed dien zij ons zwoeren hebben zij schandelijk gebroken! Tot een openlijken strijd met de wapenen kwam het echter voorloopig niet; Bacchides gaf het bestuur des lands aan Alcimus over, liet eene afdeeling manschappen bij hem achter, en keerde vervolgens naar Antiochië terug.
Hoeveel moeite Alcimus zich ook gaf, en hoezeer onder zijne bescherming de kwade partij het hoofd weder ophief, zoo gelukte het hem toch niet, zijn gezag genoegzaam te doen erkennen, om de macht en den iiivbed van den Machabeër te breken. Op de klachten, die hij deswege bij den koning, Demetrius, inbracht, zond deze zijn veldheer Nicanor aan het hoofd van een talrijk leger naar Judea, met bevel Judas gevangen te nemen. Reeds in een eerste treilen met den Machabeër verloor Nicanor 5000 man. Daarop een tweeden slag vermijdende, begaf hij zich naai Jerusalem en sprak tot de priesters, die hem de offers toonden, welke voor den koning werden opgedragen, dat als zij Judas niet in zijne handen leverden, hij den tempel zou in brand steken en met den grond gelijkmaken. Voorts, na nieuwe troepen uit Syrië ontvangen tc hebben, noodzaakte hij de Joden tc Jerusalem, zich bij zijn leger aan te sluiten en met hem tegen Judas op te trekken. Op een sabbatdag wilde hij den strijd beginnen, doch de Joden in zijn gevolg spraken tot hem; Handel toch
mjBFT.SCHF GFSCHIF.DF.NIS. ?ot
zoo gruwzaam niet, maar eerbiedig den dag der heiliging en eer Hem die alles ziet. Spottend vroeg de ongelukkige: Is er wel in den hemel een Machtige die geboden heeft den sabbat te vieren? De Joden antwoordden hem : De levende Heer zelf, die machtig is in den hemel, Hij heelt bevolen den zevenden dag te onderhouden. Hoogmoedig hernam Nicanor; En ik ben de machtige op aarde, die u beveel de wapenen op te vatten en de belangen des konings te dienen. Intusschen bracht hij zijn voornemen, om op dien dag te vechten, niet ten uitvoer.
Boogde de Syrische veldheer trotschelijk op eigen krachten. Judas stelde zijn vertrouwen op de hulp en den bijstand Gods. Om bij zijne manschappen dezelfde gevoelens aan te kweeken, hield lii| hun de uitspraken der Wet en der profeten voor, herinnerde hen hoe menigmaal zij zelve reeds op zichtbare wijze de bescherming des Hemels hadden ondervonden, en deelde hun len slotte een droomgezicht mede, waardoor allen ten zeerste bemoedigd werden. In dat gezicht was hem de vermoorde hoogepriester Onias verschenen, met een eerbiedwaardig voorkomen en de handen uitgestrekt, biddende voor het gansche volk. Vervolgens had zich een ander man vertoond, van een hoogen ouderdom en omstraald met glorie. Op dezen man wijzende sprak Onias: Dit is de vriend der broederen, die veel bidt voor het volk en voor geheel de heilige stad, Jeremias de profeet Gods. Daarop strekte Jeremias zijne hand uit en reikte Judas een gouden zwaard over met de â woorden: Neem dit heilige zwaard als een geschenk des Heeren, waarmede gij de vijanden van mijn volk Israël zult vellen.
Schitterend was de zegepraal, die God de zijnen liet behalen: het Syrische leger werd geheel vernietigd en Nicanor zelf vond op het slagveld den dood. Judas deed het lijk des trotschen spotters, het hoofd afslaan benevens den arm, dien de ongelukkige tegen den tempel had uitgestrekt, toen hij dreigde het heiligdom tot een puinhoop te zullen maken. Beide, hoofd en arm, werden naar Jerusalein medegenomen en daar getoond aan het volk en de priesters, die de bedreiging gehoord hadden. Daarop hield men (eest, om God voor de behaalde overwintiing te danken, waarbij tevens bepaald werd, dat die dag jaarlijks zou gevierd worden.
Kort daarna vatte Judas, wien de groote macht der Romeinen ter oore was gekomen, liet plan op, bij hen tegen de Syriërs bescherming te zoeken en een verbond van vrede en vriendschap met hen te sluiten. Als gezanten ter uitvoering van dit plan werden gekozen Eupolemus, de zoon van Joannes, en Jason, de zoon van Eleazar. Na eene lange reis kwamen deze mannen te Rome aan en droegen in de vergadering van den Senaat hunne belangen voor. De Senaat schonk hun een gunstig onthaal en er kwam een verbond tot stand, dat op koperen tafelen werd gesneden en van den volgenden inhoud was:
Wel moge het gaan den Romeinen en het volk der Joden te land en te zee voor immer; zwaard en vijand mogen ver van hen blijven! Indien het eerst tegen de Romeinen of tegen al hunne bondgenooten op hun gansche gebied een oorlog uitbreekt, zoo zal het volk der Joden, al naar de omstandigheden zulks veroorloven, hulp vcrleenen van ganscher harte. Genen (de Romeinen) zullen den krijgsvoeretulen (den joodschen hulptroepen) niet geven noch verschaffen levensmiddelen, wapenen, geld, schepen, zooals het den Romeinen behaagt, en dezen (de Joden) zullen hun plicht betrachten, en niets van genen ontvangen. Insgelijks, als er het eerst een oorlog ontstaat tegen het volk der Joden , zoo zullen de Romeinen hulp verleenen van ganscher harte, al naar de omstandigheden het veroorloven. Ook aan hunne hulptroepen zullen (door de Joden) gcene levensmiddelen, wapenen, geld of schepen verschaft worden , gelijk het den Romeinen behaagt (elk zal helpen op zijn eigen kosten), en dezen (de Romeinen) zullen hun plicht doen zonder bedrog. Dit stellen de Romeinen vast met het volk der Joden. Mochten echter later, hetzij dezen of genen, hier iets willen bijvoegen of er iets van laten vallen, zoo zal hun dit (na overleg met de andere partij) vrijstaan, en het bijgevoegde of weggelatene zal geldig zijn. â De Romeinsche Senaat verzekerde daarbij (mondelings): Reeds hebben wij aan koning Demetrius geschreven aangaande het
i
^2 teijnr.tscnE Gp.srnip,np,\n§.
kwaad, dat hij den Joden aandeed, en hem gevraagd: Waarom hebt gij uw zwaar juk op onze vrienden en bondgenooten, de Joiien, gelegd? Indien zij wederom bij ons komen (om over u te klagen), zullen wij hun tegen u recht verschaflen en u beoorlogen te water en te land.
Intusschen (nog voor de gezanten uit Rome terug waren en Demetrius het bovenstaande schrijven ontvangen had) rukte een Syrisch leger, onder aanvoering van Bacchides en Aldmus, tegen Judea op, om de nederlaag van Nicanor te wreken. Judas' troepen waren voor ccn groot deel uiteen gegaan; slechts 3000 man kon hij tegen den 22,000 man sterken vijand in het veld brengen, en er was geen tijd meer om zijne verdere manschappen te verzamelen. Buitendien bevonden er zich onder de 5000 man vele vreesachtigen, die den strijd met de overmacht niet aandurfden; dezen verlieten de legerplaats, zoodat Judas ten slotte nauwelijks 800 man overhield. Met die kkuie schare trok hij tegen de Syria's op en het gelukte hem hun rechtervleugel te slaan en op de vlucht te drijven. Zoodra de bevelhebbers van den linkervleugel dit bespeurden, maakten zij eene zijwaartsche beweging en vielen Jirdas in den rug aan, zoodat liij tusschcn de beide vleugels bekneld geraakte. Woedend werd er van weerskanten gestreden; het bloed der Joden vermengde zich met het bloed der vijanden; doch hoevelen er ook rondom Judas van de zijnen vielen, hij zelf hield nog altijd stand. Eindelijk stortte hij stervend ter aarde, na echter te voren zooveel ruimte in de vijandelijke gelederen te hebben gemaakt, dat zijne broeders Jonathas en Simon zijn lijk van het slagveld konden wegdragen, om het te Modin in het vaderlijke graf bij te zetten.
Groot was de verslagenheid, die dit onherstelbaar verlies onder de goedgezinde Joden veroorzaakte. Langen tijd werd de dierbare doode beweend, en algemeen was de hartroerende klacht: Helaas, de held is gevallen, die het volk Israël gered heelt!
HOOFDSTUK CLVII.
JUDAS' BROEDER JONATHAS AANVOERDER DES VOLKS EN HOOGEPRIESTER.
a den dood van Judas stak onder de Joden de kwade partij, die zich met het heidendom verbroederd had, het hoofd weder op en leverde Judea in de handen JjlfSl? '*â van Bacchides, die overal goddelooze mannen aanstelde, welke de vrienden der 1j^ Machabeën vervolgden en verdrukten. Toen de nood eindelijk op het hoogst ge-7V klommen was, verzamelden zich de welgezinden en kozen Jonathas, den broeder i van Judas, tot hun vorst en aanvoerder. Zoodra Bacchides dit vernam, zocht hij Jonathas te dooden, maar deze vluchtte met zijne beide broeders Simon en Joannes en met zijne overige volgelingen naar de woestijn van Thecue. Ook daar evenwel liet Bacchides dien mannen geen rust; hij stak den Jordaan over, om door een omtrekkende beweging Jonathas en de zijnen ter zijde aan te vallen, Van alle kanten ingesloten tusschen den Jordaan, moerassen en een ondoordringbaar woud, zag Jonathas zich genoodzaakt den strijd te aanvaarden; moedig sloeg hij op den veel talrijker vijand in, deed hem achteruit deinzen, stak met de zijnen den Jordaan over en was gered. Daarop keerde Bacchides met een verlies van ongeveer 1000 man aan dooden naar Jerusalem terug.
In de tweede maand des volgenden jaars (158 voor Chr.) wilde de met de heidenen heulende hoogepriester Alcimus den muur tusschcn de beide voorhoven des tempels omverhalen; nauw echter had hij daarmede een begin gemaakt, of hij werd met stomheid en verlamming geslagen en stierf kort daarop. Zijn plan bleef nu onuitgevoerd, en tot groot geluk voor het land dat daardoor twee jaren rust kreeg, trok Bacchides naar Syrië af.
Dit was den Joden, de tegenpartij van Jonathas, alles behalve naar den zin; zij riepen dan ook Bacchides weder in het land, opdat hij Jonathas en diens manschappen zou overvallen en hen allen in ién nacht uitroeien, Bacchides kwam met een aanzienlijk leger, raaar
BIJBI-LSCIIE GESCHIEDENIS.
Jonatlias was op zijne hoede en vluchtte met zijne volgelingen naar de vesting Bethbessen bij de woestijn. Bacchides sloeg het beleg voor die stad, doch verloor bij een uitval der belegerden veel volk, waarover hij zoo woedend werd, dat hij een groot aantal der jmkI-delooze Joden, die hem geroepen hadden, liet ombrengen. Mot Jonathas echter sloot hij vrede, zwoer hem, dat hij hem gedurende geheel zijn leven geen kwaad meer zou doen, en keerde naar Syrië terug. Van dien tijd af waren de macht en de invloed van Jonathas gevestigd; hij bestuurde het volk en hield de goddeloozen in bedwang.
Na geruimen tijd ( in 151 voor Chr.) wierp zich in Syrië naast Demetrius een nevenkoning op, niet name Alexander, en vestigde zich in de stad Ptolemaïs. Beide vorsten begrepen terecht, dat in hun strijd om de heerschappij Jonathas voor hen een gewichtige steun kon zijn, en zochten hem derhalve door goede woorden en gunstbewijzingen te winnen. Alexander zond hem een purperen kleed en een gouden kroon, begeleid van een brief, waarin hij hem tot hoogepriester (en opperbestuurder des lands) aanstelde. Zoodra Demetrius dit vernam, deed hij de volgende aanbiedingen: Hii zou den Joden vrijdom van belasting verleenen, Jonathas in de hooge priesterlijke waardigheid bevestigen, de Syrische bezetting uit den burcht Sion wegnemen en deze sterkte r.an Jonathas overgeven, Judea vergrooten met de drie gewesten van Samaria, en over het geheele land den hoogepriester als opperbestuurder aanstellen. Voorts beloofde hij, jaarlijks aan den tempel 15,000 sikkels zilver te zullen schenken en uit zijne eigene middelen de uitgaven te zullen bekostigen tot verbetering van het heiligdom en tot wederopbouw der muren van Jerusalem
Daar Jonathas evenwel redenen had Demetrius om diers vroeger gedrag te wantrouwen, koos hij de partij van Alexander. In een kort daarop volgend treffen tnsschen beide mededingers werd het leger van Demetrius verslagen; hij zelf bleef dood op het slagveld, en Alexander werd meester van geheel Syrië. Ruim een jaar later verbond hij zich in het huwelijk met Cleopatra, de dochter des konings van Egyp'e, en noodigdc ook Jonathas ter bruiloft. Bij die gelegenheid zochten eenige kwaadwillige Joden den hoogepriester bij Alexander verdacht te maken, doch deze, om te toonen hoe weinig hij aan hunne beschuldigingen hechtte, deed Jonathas in het purper kleeden en plaatste hem naast zich aan den disch. Toen de beschuldigers dit zagen, maakten zij zich uit de voeten, en Jonathas keerde met eerbewijzingen overladen naar Jerusalem terug.
Alexander zat ondertusschen niet rustig op den troon. Een der zonen van den verslagen Demetrius zocht het rijk zijns vaders te herwinnen en verzamelde een groot leger, waarover hij het bevel toevertrouwde aan Apollonius, den landvoogd van Celesyrië. Apollonius trok het eerst op tegen Jonathas, doch deze versloeg hem en behaalde groeten buit. Zoodra Alexander dit vernam, zond hij Jonathas een vorstelijk geschenk en vergrootte zijn grondgebied met de Philistijnsche stad Accaron en hare omstreken.
Nog in velerlei strijd werd Jonathas gewikkeld, totdat hij eindelijk, nadat Alexander door zijn schoonvader, den koning van Egypte, verslagen, en Syrië aan den jeugdigen Demetrius 11 gekomen was, door verraad het leven verloor. Thryphon, een van Alexanders aanhangers, zocht onder den schijn als wilde hij een jeugdig kind zijns verslagenen meesters op den troon plaatsen, het rijk voor zich zelf te veroveren. Jonathas nam den schijn voor de waarheid en verklaarde zich ter gunste van Alexanders zoontje. Tot zoover had Thryphon zijn plan zien gelukken, maar om het verder te volvoeren, begret p hij den van onedele daden afkeerigen hoogepriester uit den weg te moeten ruimen, en rukte met een groot leger naar Judea op. Jonathas trok hem met 40.000 man te gemoet. Thryphon, die eene zoo sterke macht niet verwacht had, veinsde thans met geene booze bedoelingen te zijn gekomen; hij ontving Jonathas als vriend en bondgenoot in den strijd voor dezelfde zaak en beval zijnen manschappen, ' n den edelen Machabeër te gehoorzamen als aan hem zeiven. Daarna sprak hij tot .m: Waarom hebt gij al dat volk (dat bij u is) lastig gevallen, daar er toch tusschen ons geen veete bestaat? Zend het naar huis en kies u eeuige weinige mannen ten geleide, om vervolgens met mij naar Ptolemaïs te vertrekken,
50
593
1
BIjBF.LSCHE GF.SCHIF.DENIS.
welke stad ik in uwe handen zal leveren. Jonathas geloofde den bedrieger en zond zijn volk, toi op 3000 man na, huiswaarts. Van deze 3000 man liet hij nog 2000 man naar Galilea in bezetting vertrekken, zoodat hij ten slotte rnet 1000 man te Ptolemaïs aankwam, Niet zoodra echter bevond hij zich binnen de muren dier stad, of Thryphon deed door de burgers de poorten sluiten, het gevolg van Jonathas ombrengen en hem zeiven in de gevangenis werpen. Voorts dacht hij eveneens de 2000 in Galilea liggende manschappen te verderven, doch dezen, wien reeds het gebeurde, onder den overdreven vorm dat men ook Jonathas vermoord had, was ter oore gekomen, ontvingen de tegen hen uitgezonden troepen met de wapenen in de hanJ en noodzaakten hen onverrichter zake af te deinzen. Daarop keerden zij naar Jerusalem terug en verbreidden er de vreeselijke treurmare, gelijk zij die zolven vernomen hadden. Geheel het land rouwde met droefheid om zijn, zoo men meende, gevallen held, die het nu gedurende ongeveer 18 jaren met zooveel dapperheid en beleid had bestuurd.
Onder de overige daden van Jonathas verdient nog vermeld te worden zijne hernieuwing van het verbond der Joden met de Spartanen en met de Romeinen. Laatstgenoemd verbond was, gelijk vroeger vermeld is, voor de eerste maal gesloten door Jonathas' broeder Judas; dat met de Spartanen was tot stand gekomen onder den hoogepriester Onias, nog voor het optreden der Machabeèn.
De bovenvermelde aanstelling tot hoogepriester door een heidenschen koning was natuurlijk op zich zelve van gecne waarde. Daar evenwel Jonathas tol liet nageslacht van Aaron belioonle en liij ingevolge de plaats die hij bij de Joden innam, zekere rechten op het hoogepriesterschap bezat, kwam zijne benoeming door Akxamler zeer gelegen; er bestond nu minstens geeue vrees, dat een onwaardige indringer zich onder koninklijke besJier-ming van hel verheven ambt meester maakte.
HOOFDSTUK CLV11I.
SIMON AANVOERDER DES VOLKS EN HOOGEPRIESTER.
felHl a de gevangenneming van Jonathas spanden de verschillende volksstammen der 4'omliggende landen tegen de Joden samen en spraken tot elkander: Zi) hebben ? ' ^ geen vorst of beschermer meer; welaan dus, laat ons hen beoorlogen, en hun v* naam onder het menschdom uitdelgen. Daar tegelijkertijd 1 hryphon met hetzelfde doel een groot leger verzamelde en geheel het land dientengevolge in schrik en i angst verkeerde, riep de Machabeër Simon het volk tot eene vergadering te Jeiu-salem bijeen. Gij weet, sprak hij daar de menigte toe, wat ik en mijne broeders, geheel het huis mijns vaders, gedaan hebben voor onze Wel en voor het heiligdom, en in well e oorlogen en moeielijkheden wij gewikkeld weiden. Deswege zijn al mijne broeders om Israels wille omgekomen; ik alleen ben overgebleven. Doch nu zij het verre van mij, mijn leven te ontzien in dezen ellendigen tijd; ik toch ben niet beter dan mijne broeders. Derhalve zal ik mijn volk, ons heiligdom en onze vrouwen en kinderen verdedigen, want alle volken hebben zich verzameld om ons te vernietigen. Op het hooren dezer bemoedige. d^ laai riep de menigte met luider stemme uit; Gij zijt onze aanvoerder in plaats van Judas en Jonathas, uwe broeders; voer onzen strijd, en alles wat gij ons beveelt zullen wij doen. Tevens werd hij door het volk en de priesters lot hoogepriester gekozen.
Terstond voltooide Simon de muren van Jerusalem, zond een zijner onderbevelhebbers ter bezetting van Joppe af en rukte intusschen met geheel zijne hoofdmacht tegen 1 hryphon op. Deze valschaard vermeed een open veldslag, om opnieuw zijn toevlucht te nemen tot verraad. Hij voerde den gevangen Jonathas in zijn leger mede en liet door zijne gezanten aan Simon boodschappen: Wegens het geld, dat uw broeder aan de schatkist des konings
394
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
schuldig is, houden wij hem gevangen; zend dus 100 talenten zilver, benevens zijne twee zonen als gijzelaars, en wij zullen hem loslaten. Hoewel Simon onmiddelijk begreep,, dat hier bedrog achter schuilde, meende hij toch aan Thryphons eisch te moeten toegeven, opdat hel volk niet later zeggen zou: Wijl hij het geld en de zonen niet gezonden heeft, daarom is Jonathas omgebracht. Nog eenigen tijd zwierf Tryphon in het land rond; bij zijn aftocht liet hij te Bascaman, in Galaiid , Jonathas en diens beide zonen vermoorden, om, nadat hij in Syrië was teruggekeerd, ook het voor den schijn tol koning uitgeroepen kind van Alexander uit den weg te mimen en zich zelf de kroon op te zetten. Zoodra hij vertrokken was, voerde Simon de lijken van Jonathas en diens zonen van Bascaman naar Modin, waar hij ze in het familiegraf bijbelle. Vervolgens richtte hij er zeven schoone grafmonumenten op; eeti voor zijn vader Malhalhias, een voor zijne moeder en vier voor zijne gestorven broeders, terwijl het laatste en zevende voor hem zeiven bestemd was.
Met de vermoording van Alexanders zoontje had Thryphon slechts gedeeltelijk zijn doel bereikt; naast hem toch regeerde nog altijd de jeugdige Denutrius II. Tot dezen, dien Simon als den echten koning erkende, zond hij een gezantschap om de ontheffing te vragen van de belastingen, die Judea jaarlijks aan Syrië moest opbrengen. Demetrius gaf den gezanten een schrijven mede, waarin hij, onder verklaring, dat al het vroeger gebeurde vergeten en vergeven was, den Joden van elke verplichting jegens Syrië ontsloeg en hun het onbelemmerd recht toekende op hunne steden en vestingen. Zoo werd in het 170'' jaar der Grieksch-Syrische tijdrekening (het jaar 141 voor Chr.) fudea van het juk der heidenen bevrijd en schreef men dit jaar op alle openbare brieven en oorkonden: In het eerste jaar onder Simon den hoogepriester, den grooten aanvoerder en vorst der Joden.
Van enkele sporen des heidendoms bleef het land nog te zuiveren. Op den burcht Sion, welks overgave destijds door Demetrius I, den vader des tegenwoordigen konings, beloofd, maar niet uitgevoerd was, lag nog eene Syrische bezetting, die Thryphon als haar gebieder erkende. Thans van alle kanten van de verbinding met Syrië afgesneden, kreeg deze bezetting het eindelijk te kwaad; zij kon zonder gevaar van door de Joden overvallen te worden den burcht niet verlaten om levensmiddelen en andere benoodigdheden aan te koopen, zoodat zij ten laatste, door honger en gebrek gedwongen, op voorwaarde van vrijen aftocht met Simon vrede sloot en den burcht ontruimde. Daarop trokken de Joden onder het wuiven met palmtakken, het zingen van heilige dankliederen en onder den klank van cyters, harpen en cymbalen er binnen. Simon vestigde zijne woning op den tempelberg, welks irmurwerk hij opnieuw versterkte, en stelde zijn zoon Joannes, een dapperen krijgsman, tot opperbevelhebber des legers aan.
Na de bevrijding des lands leefde Simon nog ongeveer 7 jaren. Op eene groote vergadering maakten het volk en de priesters het hoogepriesterambt en de vorstelijke waardigheid in zijne familie erfelijk, tenzij er later een getrouwe profeet mocht opstaan, die anders besliste. Nog eenmaal werd er, na den dood van Demetrius 11, uit Syrië eene poging beproefd om Judea weder afhankelijk te maken, doch zij mislukte: Judea bleef vrij, en het volk genoot rust en vrede.
De waardige hoogepriester evenwel stierf niet op zijn bed: zijn schoonzoon Ptolemeüs, die naar de heerschappij streefde, noodigde hem met zijn twee zonen Judas en Mathathias ten disch en liet hen door zijne dienaren verraderlijk overvallen en vermoorden. Voorts zond hij mannen uit, die ook Joannes moesten ombrengen, doch deze, door een renbode intijds gewaarschuwd, deed de moordenaars grijpen er. dooden. Daarna volgde hij zijn vader op als vorst en hoogepriester (in het jaar 134 voor Christus).
Met den dood van Simon en het optreden van zijii zoon Joannes, gewoonlijk bijgenaamd Hyrcanus, in het jaar 134 vóór Clir., eindigt de geschiedenis des Ouden Testaments. De verdere lotgevallen der Joden zijn alleen bekend uit Flavins Joseplius en een paar andere bronnen van minder gewicht. In grootu omtrekken waren zij de volgende:
Joannes Hyrcanus, die 29 jaren vroom en godvruchtig het volk bestuurde, was in het begin tegen de huitenlandsche vijanden ongelukkig, later hoogst gelukkig. Hij vergrootte Judea met het geheele grondgebied,
395
I
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
dat vroeger het rijk Israël had uitgemaakt, en onderwierp ook de Edomieten of KUimcën (de nakomelingen van Esau), die tot den joodschen godsdienst overgingen.
Van zijne opvolgers, die geen van allen zijn godsvrucht bezaten, maar zich integendeel door gruwzaamheid en zedenbederf kenmerkten, was de eerste zijn zoon Aristobulus I. Deze zette zich de koningskroon op het hoofd en breidde het rijk nog meer uit; doch reeds na één jaar stierf hij en werd opgevolgd door zijn broeder Alexander Janneus, onder wiens 27-jarige regeering een opstand en burgerkrijg in het bloed van 50.000 Joden gesmoord werd. Na Alexanders dood regeerde zijne weduwe Salome, ook Alexandra genoemd, 7 jaren, terwijl zijn zoon llyrcanus het hoogepriesterambt vervulde. Hen andere zoon maakte zich na het overlijden der moeder van den troon en het hoogepriesterambt meester en regeerde onder den naam van Aristobulus 11. Na 5 jaren werd hem zijn gezag door llyrcanus, die inmiddels als ambteloos burger geleefd had, met de wapenen in de hand betwist. De Uomeinsche veldheer Pompejus mengde zich in den strijd en liet de beide broeders voor zijn rechterstoel komen, om hunne zaken te onderzoeken. Pompejus gaf geen beslissing; de onlusten duurden voort, en eerst nadat Jerusalem, waar beide mededingers hun aanhang hadden, stormenderhand door de Romeinen veroverd â¢was, werd llyrcanus als hoogepriester en vorst erkend, maar hem het gebruik van den koningstitel verboden.
Van nu af kreeg Judea h e langer line meer het karakter van een Romeinsch wingewest, nog wel met eigen vorsten, maar onder het opperbestuur van Rome, totdat eindelijk in het jaar 37 voor Clir. een Idumeër, Herodes, door den Romeinschen drieman Antonius tot koning der Joden aangesteld, en twee jaren daarna de laatste vorst uit het bloed der Machabeën te Antiochië onthoofd werd.
De schepter, sinds Jacobs sterfdag steeds onder den een of anderen vorm aan Juda gebleven, was thans voor goed weggenomen ; een vreemdeling zat in Juda â in liet land zelf â op den troon. De tijd voor de komst van den Verlangde der volken was dus daar; de voorzegging liep ten einde, en nadat God voorheen vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken had door de profeten, wilde Hij thans tot ons spreken door den Erfgemam van alles, zijn eenigen Zoon, onzen Verlosser, den Godmenseh Jesus Christus.
EINDE VAN HET OUDE TESTAMENT.
GesiÃiis fan liet Nieuwe Testmnl,
*)
INLEIDING.
Sedert het noodlottig oogenblik, dat de mensch door de zonde in het Paradijs zijne onschuld, de heiligmahcnde genade, het kindschap Gods en het recht op den hemel verloren had, was onder al het geschapene niets of niemand in staat hem die goederen terug te bezorgen en den beleedigden Schepper weder met zijn weerspannig schepsel te verzoenen. Het onderhouden van de wet der natuur, de veelvuldige reinigingen en ceremoniën dei-wet van Moses, de talrijke offers, rookende op het altaar des Heeren in tabernakel of tempel, waren daartoe omnachtig. Alleen eene uitwendige zuivering konden zij aanbrengen; tot den innerlijken menscli, tot den geest en het geweten drong het bloed van redelooze dieren, van bokken en kalveren, niet door. Op de klemmende vraag, wie hier redden kon en zou, bleef éiin antwoord maar te geven over â slechts één.
Het werd gegeven. Het Eeuwige Woord, dat in den beginne was en bij God was (i), de Zoon, rustende in den schoot des vaders (2), en die het geen roof achtte aan God gelijk te zijn (3), bood zich zeiven dien Vader ter redding aan Slachtoffers â sprak hij â en offerande wildet gij niet; brandoffers voor de zonden behaagden u niet; toen heb ik gezegd; Zie, dan kom ik, om uwen wil tc doen, o God! (4). En hij kwam: uit den schoot des Vaders daalde hij neer in den schoot der Maagd, en het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond (5).
Zijn offer was van oneindige innerlijke kracht; want door de Eeuwige Liefde in persoon, door den H. Geest, droeg hij zich zelven onbevlekt aan God op (6), en niet door het bloed van bokken of stieren, maar door zijn eigen bloed is hij, eens voor al, het heilige der heiligen ingegaan en heeft een eeuwige verlossing verkregen (7). Om zijne verdiensten werden de oudvaders geheiligd, die voor zijn komst leefden. Door de alle tijden en alle menschen omvattende kracht zijns bloeds toch is hij het Lam, dat geslachtofferd is van de grondlegging der wereld af (8), en ook voor allen, die, na hem komende, hem gehoorzamen, is hij oorzaak geworden van eeuwige zaligheid (9).
Hij schonk hun de verloren onschuld terug, opdat zij zouden worden als pasgeboren kinderkens (10). Hij herstelde hen in het bezit der heiligmakende genade: ons alle misdaden vergevende, heeft hij het handschrift, dat ons vijandig was, weggenomen door het te hechten aan het kruis (n), en wij zijn gewasschen, wij zijn geheiligd,
1
BijBET.scnF. nr-sci iihdhnis.
wij zijn gerecht vaarciigd geworden (12). Hij schonk ons terug liet kindschap Gods en daarmede het erfrecht op den hemel: aan zoovelen als hem aannamen en in zijn naam gelooven gaf hij de macht om kinderen Gods te worden (13). Wij ontvingen een geest van aanneming tot zoonschap, in welken wij roepen Abba, Vader! Want de Geest geeft getuigenis aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, en, indien kinderen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus (14).
Voor dit alles wat de Redder deed, wijl hij de gerechtigheid liefhad en de ongerechtigheid haatte, heeft God, zijn God, hem gezalfd met vreugde olie (15); hij heeft hem verheven en hem een naam geschonken, die boven alle namen is, opdat in zijn naam alle knie zich zou buigen van hen die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn (16). Daarom ook is hem alle macht gegeven in den hemel en op aarde (17), en werd en blijft hij ten eeuwigen dage onze Wetgever, onze Hoogepriester, onze Koning.
Als Wetgever en Bemiddelaar van het Nieuwe Verbond (18) is hij gekomen, niet om de wet of de profeten af te schaffen, maar om ze te volmaken (19). Overeenkomstig de innerlijke heiliging, door hem aangebracht, gaf hij geboden, die ook den innerlijken mensch raken. Tot de ouden â spreekt hij â io gezegd: gij zult niet doodslaan (de uitwendige daad niet bedrijven); doch ik zeg u: al wie zich vertoornt op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht. En evenzoo: tot de ouden is gezegd: gij zult geen overspel doen; doch ik zeg u: al wie eene vrouw aanziet om haar te begeeren, heeft reeds overspel met haar bedreven in zijn hart (20).
Als Hoogepriester is hij van God gezalfd naar de orde van Melchisedech (21), en heeft hij, wijl hij in eeuwigheid blijlt, een eeuwigdurend priesterschap, weshalve hij ook voor eeuwig zalig kan maken degenen, die door hem tot God gaan, daar hij voor immer leeft, om onze voorspraak te zijn (22). Hij is een barmhartige en getrouwe hoogepriester, om de zonden des volks te verzoenen (23), een hoogepriester, die niet noodig heeft, gelijk de (joodsche) priesters, eerst voor de eigen zonden slachtoffers op te dragen, daarna voor die des volks, want dit heeft hij eenmaal gedaan, door zich zeiven te offeren (24). Zulk een hoogepriester betaamde ons, een die heilig is, onschuldig, onbevlekt, afgezonderd van de zondaren en boven de hemelen gesteld (25), een, die gezeten is aan de rechterhand van den troon der majesteit in den hooge (26), en die tevens medelijden kan hebben met onze zwakheid, een die in alles beproefd is geworden als wij, uitgenomen de zonde (27), opdat wij met vertrouwen zouden toetreden tot den troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden en hulp ten bekwamen tijde (28).
400
Als Koning eindelijk is hij het hoofd van alle overheid en macht (29); een schepter van gerechtigheid is de schepter van zijn rijk (30), en eenmaal, bij zijne tweede komst hier op aarde, zal hij dengenen die hem verwachten, verschijnen tot zaligheid (31), opdat, waar hij is, daar ook zijn dienaars zijn, (32) om honderdvoudig te ontvangen en het eeuwige leven te bezitten (33).
(1) Joan. 1; 1. (2) Joan. I: 18. (5) Philipp. II: 6. (4) Hebr. X; 5, 6, 7. (5) Joan. I: 14. (6) Ilebr. IX: 14. (7) Ilebr. IX: 12. (8) Apoc. XII!: 8. (9) Ilebr. V; 9. (10) 1 Petr. II; 2. (quot;u) Coloss. U : 13, 14. (12) 1 Corinth. VI; 11. (15) Joan. I: 12. (r4) Rom. VIII; 15, 16, 17. (15) Ilebr. I; 9. (16) Philipp. II: 9, 10. (17) Matth. XXVIII: 18. (18) Ilebr. IX; 15. (19) Matth. V: 17. (20) M.Uth. V: 21, 22, 27, 2S. (21) Ilebr. V: 10. (22) Hebr. VII; 24, 25. (2j) Ilebr. II; 17. (2t) Ilebr. VII; 27. (2;) Ilebr. VII; 26. (26) Hebr. VIII; 1. (27) Hebr. IV; 15. (28) Hebr. IV: 16. (29) Coloss. II; 10. (50) Hebr. 1:8. (31) Hebr. IX i 28. (52) Joan. XU ; 26. (35) Matth. XIX: 29.
VAN DE MENSCHWORDING VAN DEN ZOON GODS TOT JESUS' OPENBAAR LEERAARSAMBT.
HOOFDSTUK I.
GEBOORTE VAN JOANNES DENDOOPER. MENSCHWORDING VAN HET EEUWIGE WOORD.
(Lucas. I.)
oen het oogcnblik naderde, dat God zijn Zoon op aarde wilde zenden, ten tijd van koning Herodes, woonde in een der steden op het gebergte van Juda (waarschijnlijk te Hebron) een priester, genaamd Zacharias, die met zijne vrouw Elisabeth, welke evenals hij uit Aarons geslacht was gesproten, onberispelijk in al dc geboden en voorschriften des Heeren wandelde. Beiden waren reeds bejaard en hadden geene kinderen. Van de 24 klassen, waarin de priesters door David verdeeld waren, om beurtelings het heilig dienstwerk in den tempel te verrichten, was de klasse van Abia waartoe Zacharias behoorde, de achtste. Kwam de beurt aan deze klasse, dan trok Zacharias getrouwelijk met zijne broeders naar Jerusalem op. Eens, terwijl hij bij die gelegenheid in liet heilige het reukoffer opdroeg, verscheen hem aan de rechterzijde van het altaar de aartsengel Gabriel. Zoodra dc priester den engel zag, ontstelde hij zeer; doch de engel sprak tot hem; Vrees niet, Zacharias, want uw gebed (dat gij reeds meermalen gestort hebt om een kind te krijgen) is verhoord geworden; uwe huisvrouw Elisabeth zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam Joannes noemen. Hij zal groot zijn voor den Heer; wijn noch sterken drank zal hij drinken, en met den H. Geest zal hij vervuld worden terwijl hij nog rusten zal in den schoot zijner moeder. Velen der kinderen Israels zal hij tot den lieer hunnen God bekeeren en hij zal zijn voorlooper zijn in den geest en dc kracht van Elias, om de gezindheid der (vrome) vaderen weder te geven aan de (ontaarde) kinderen, om de ongehoorzamen terug te voeren tot de wijsheid der rechtvaardigen en den Heer een gereed volk te bereiden. Zacharias vroeg; Waaraan zal ik weten, dat dit geschieden zal? wantik ben oud en mijne huisvrouw is ver op hare dagen gekomen. De engel antwoordde: Ik ten Gabriel, die sta voor het aangezicht Gods, ca ik hen gezonden om tot u te spreken
1
402
en u deze blijde boodschap te brengen. En zie, omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd, daarom zult gij stom zijn en niet kunnen spreken tot op den dag, dat dit geschieden zal.
Terwijl dit in den tempel, in het heilige, plaats had, stond het volk te wachten in het voor hol, over het lang uitblijven des priesters verwonderd. Toen hij zich eindelijk vertoonde en door teckent-gt; te kennen gaf, dat hij niet kon spreken, begreep het volk, dat hij eene verschijning had gezien. Hij bleef nog te Jerusalem totdat de dagen van zijn dienstbcurt voorbij waren; daarop keerde hij naar zijne woonplaats terng , en de Heer zag cp zijne huisvrouw, Elisabeth, neder, om haren smaad van kinderloosheid onder de menschen weg te nemen.
Jn df zesde maand nadien werd dezelfde engel Gabriel door God gezonden naar eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene maagd die ondertrouwd was aan een man met name Joseph, uit het huis van David, en de naam van de maagd was iMaria. De engel kwam tol haar binnen en zeide; Wees gegroet, gij vol van genade; de Heer is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen! Maria ontstelde op dat woord en overdacht bij zich zelve, wat deze begroeting mocht beteekenen. Doch de engel sprak tot haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden hij God; zie, gij zuil ontvangen en eenen zoon baren, cn gij 2uli zijn naam Jesus heeien. Hij zal groot zijn en de Zoon des Allcrhoogsten genoemd worden, en God de Heer zal hem den zetel van zijn vader David geven; hij zal heerschen over Jacobs huis in eeuwigheid, en zijn rijk zal geen einde hebben. Maria vroeg den engel; Hoe zal dit geschieden, dewijl ik geenen man beken? De engel antwoordde: De Heilige Geest zal over u nederdalen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook zal het heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods zoon genoemd worden. En zie, Elisabeth uwe bloedverwante, ook zij heeft een zoon ontvangen in haren ouderdom, en dit is reeds de zesde maand voor haar die onvruchtbaar heet; want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. M.ina sprak: Zie de dienstmaagd des Hoeren; mij geschiede naar uw woord. Daarna verdween de engel.
Om zich met hare bloedverwante Elisabeth, wier gezegenden toestand zij van den engel vernomen had, te verblijden, reisde Maria mei spoed naar het gebergte van Juda, trad hei huls van Zacharias binnen en groette Elisabeth. Bi) dien groet sprong Elisabeths hoop en blijde verwachting in baren boezem op (de toekomstige Voorlooper werd door het bij Maria rustende Eeuwige Woord van de erf.-.met gezuiverd). Elisabeth zelve werd vervuld met den Heiligen Geest; zij begreep het ontzaglijk geheim, aan Maria voltrokken, en riep tot haar mei luider stemme: Gezegend zijt gij onder de vrouwen cn gezegend is de vrucht uws lichaamsl Vanwaar geschiedt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tol mij komt: Want zie, toen de slem van uwen groet in mijne ooren klonk, sprong het kindje van vreugde op in mijnen boezem. Zalig zijt gij die geloofd hebt, dewijl vervuld zullen worden de dingen, die u van wege den Heer gezegd zijn.
In een schoonen lofzang stortte Maria, voor de hooge haar ten deel gevallen gunst, haar dankbaar hart uit Mi)ne ziel, sprak zij, verheft den Heer, en mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker, omdat hij heeft nedergezien op de geringheid van zijne dienstmaagd. Want zie, van nu al zullen alle geslachten mij zalig noemen, dewijl hij groote dingen aan mij gedaan heeft, de Machtige, en heilig is zijn naam, en zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor degenen, die hem vreezen. Kracht heeft hij geoefend door zijn arm; hoogmoedigen in de gedachten huns harten heeft hij verstrooid, machtigen heelt hij afgezet van den troon, en geringen heeft hij vet heven; nooddruftigen heeft hij met goederen overladen en rijken ledig weggezonden. Mij is Israel, zijn dienstknecht, te hulp gekomen, indachtig zijner barmhartigheid, gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen, Abraham en diens zaad in eeuwigheid I â Drie maanden bleef Maria bij hare bloedverwante en keerde vervolgens naar haar huis ie Nazareth terug.
Kort daarop bracht Elisabeth haar zoontje ter wereld, cn hare geburen en vriendinnea
RIIBELSCHE GHSCHIHÃKNIS. 403
verheugden zich met baar, dewijl de lieer zijne barmhartigheid aan haar getoond had. Op den achtsten dag, toen bet kind zou besneden worden, wilden degenen, die daarmede belast waren, het den naam geven van zijn vader Zacbarias; doch Elisabeth zeidc: volstrekt niet! Joannes zal hij heeten. Nadat men haar geantwoord had; Er is in uwe maagschap niemand die dezen naam draagt, vroeg men door teekenen den vader, hoe deze zijn zoon wilde quot;cnoemd hebben. Zacbarias wenkte om een schrijfboek en schreef tot groote ver-wondering van allen : Joannes is zijn naam. Terstond daarop werd de tong des stommen ontbonden; hij werd vervuld met den Heiligen Geest en sprak in profetische vervoering: Gezegend zij de lieer en God van Israël, wijl hij zijn volk bezocht en verlossing gewrocht en een reddingshoorn voor ons opgericht heeft in het huis van David zijnen dienstknecht
_ oelijk hij gesproken heeft door den mond van zijn heilige aloude profeten â een hoorn
van reddinquot;' uit de macht onzer vijanden en uit de hand van allen die ons haten; om bavmhaniL'heid te doen aan onze vaderen, en gedachtig te wezen aan zijn heilig verbond, aan den eed, dien hij zwoer aan Abraham onzen vader, dat hij ons zou geven, dat wij, uit de hand onzer vijanden verlost, hem zonder vreeze zouden dienen, in heiligheid en ge-rechtighcid voor hem, al onze dagen. F.u gij, kind! een profeet des Allerboogsten zult gij oenoemd worden; want gij zult den lieer voorafgaan om zijne wegen te bereiden, om aan 'zijn volk kennis des heils te geven ter vergilTenis der zonden door de groote batmhartig-bcid van onzen God, door welke ons de Opgaande uit den hooge bezocht heeft, om te verlichten die in duisternis gezeten zijn en in de schaduwe des doods, ten einde onze voeten te richten naar den weg des vredes.
Deze wonderbare gebeurtenis werd over de gansche bergstreek van Judea bekend, en allen die er van hoorden, dachten er over na en zeiden bij zich zeiven : Wie zal toch dit kind eens zij'i? De knaap nu groeide op, en zoodra hij hiervoor sterk genoeg was. bracht bij zijn leven door in de woestijn, tot den dag dat hij in het openbaar als voorlooper des llecren onder Israël optrad.
(. Zacbarias twijfoUlc aan de waarheid van hotteen hem door den engel gezegd werd, en eischic een leela-n lor hevesiig'ng. Dit werd hem (»e.;cven in de stomheid, waarmede hij go^la^en werd, en die tcgclijUrtijd
de straf was voor zijn .......Iwf. Maria twijfelde 4-en oogenblik ; z.ij vroeg alleen aan den engel, hoe d. i. op
welke wijze heigcen hij zeide geschieden zou.
2. Door den reddingshoorn of hoorn van redding, d. i. een sterke en krachtige redding, wordt bedoeld de Messias.
5, Bij de J .den kwam een huwelijk iii den regel niet, zooals bij ons, door één, maar door twee verschillende plechtigheden lot stand, i-erst werd de jonge dochter door hare ouders g â â¢.oven aan een man eu sloot men het huwelijks verbond. Daarna bleef zij echter â in stal nog een jaar lang â onder hel ouderlijke dak J dan volgde de tw-ede plechtigheid; de man haalde zijne vrouw naar zijn huis.
I),. eerste plechtigheid, of-.choon /ij slechts de ondertrouw genoemd werd, was de belangrijkste; de jongelieden werden daardoor - al leefden zij dan ook oog een jaar l.rig ge -caeiden â rechtens eclugeno neu; zoodat, indien b. v. de bruid gedurende dat jaar zich aan vergrijp met een ander schuldig maakte, zij stralbaar was, niet wegens een gewone zonde tegen de zuivcrheU, maar wegens overspel, en als echtbreekster kon gesteenig 1 worden Ook werden zij in dat jaar reeds m a n en vrou w genoemd.
Houdt men dit in het o .. dan wordt h. igjen in het bovenstaande en in het volgende hoofdstuk gezegd is, duidelijk. Op bet tijdstip r.1,, dat de en â 1 (ubiiël tol Maria gczon.b-n w.rd. was zij ondertrouwd. Dit was ook nog hel geval, toen Joseph haar zwanger zag. lij wilde- zich alsdan van haar scheiden, d. i., haar ecu welle-hjken sc h e i d b r i et geven, waardoor bel huwelijks v e r b o n d \ erl roken en zij weder vrij werd. De engel e \ enw el oiub-rrichtte hem beter, en nu nair. Jo.sepb zijne vrouw âlot zichquot;, d. i. hij baalde baar in zijn huis. Daar leekten zij, als de engelen des hemels, rem en zuiver voor Gods aanschijn; hun huwelijk, hoewel waarlijken wettig tot stand gekomen , bestond voor ben alleen in eene heilige vereeniging der harten.
Vandaar kon vnn den eenen kant do II. Joseph in het evangelie telkens de man van Maria genoemd worden, en kon van den anderen kant Maria niettemin zeggen , dat zij geenen man bekent, liet een en hel ander is waar in vcrschillcmicn zin.
4. Op ile vraag, waarom tic Verlosser wilde, dat zijn maagdelijke moeder door wettelijke banden aan een man verbonden was, antwoordt de II. kerkvader llieronymns liet volgende:
«Ten eerste: opdal door de afstamming van Joseph de afstamming van Maria zon blijken (/ie hierover de «aantcckeningcn achter het volgende hocldstuk), 1 cn tweede' opdat Maria (als zij buiten een wettig huwelijk »moeder werd) door de Joden niet voor eene slechte vrouw zou gehouden en gesteenigd worden, len derde: »opdat zij op hare vlucht naar ligypte een steun zou hebben. De heilige martelaar Ignatius (een leerling van den
t
404
«apostel Joannes) voegt hier nog een vierde reden bij : opdat de duivel niet zou weten , dat de Verlosser door
»ee:i wonder uit eene maagd geboren was, maar meenen zou, dat liij volgens den gewonen loop dernatuur eene «gewone gehuwde vrouw tot moeder hadquot;. â Inderdaad, zooals latei' bij het verhaal van de bekoring in de woestijn blijken zal, kende de duivel het verlioven geheim niet; hij vraagt deu Verlosser zijdelings, of de/.c de Aiou Gods ,s; hij schijnt dus wel iets te vermoeden, maar heeft geen zekerheid.
HOOFDSTUK II.
D E G E BOOR T E VAN J E SUS
(Mat li hu s 1: i8-i6. Lucas II; 1â22)
--â¢!gt;tf,-* lt;!-c-
I
oen Joseph zijne bruid bevrucht zag en hij een rechtvaardig man was (die van den ecnen kant aan Maria's deugd niet kon twijfelen, terwijl hij van den anderen kant gc.cn mogelijk verkeerden stap wilde goedkeuren) besloot hij, ten einde Maria niet 'n opspraak te brengen, in stilte van haar te scheiden en de zaak verder aan God | over te laten. Doch, terwijl hij met dit plan omging, verscheen hem in den droom een engel des Heeren, die zeide: Joseph, zoon van David, schroom niet Maria, uwe vrouw, tot u te nemen; want wat in haar geboren is, is van den Heiligen Geest. Zij zal een zoon baren, en gij zult zijn naam Jesus heeten, want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. Dit alles nu geschiedde, opdat vervuld zou worden wat van wege den Heer gesproken was door den profeet, die zegt: Zie, de Maagd zal bevrucht worden en eenen zoon baren, en men zal zijn naam noemen Emmanuel, wat vertaald zijnde beteekent: God met ons (zie Oude Testament, hoofdstuk 122). â Nadat Joseph uit den slaap wa opgestaan, deed hij gelijk de engel hem bevolen had ; hij nam en behield Maria bij zich in zijn huis.
Omstreeks dezen tijd ging er een gebod uit van den romeinschen keizer Augustus, dat de gansche wereld (zoover het romeinsche rijk zich uitstrekte) zou opgeschreven worden. Dit gebod werd voor het joodsche land en omstreken uitgevoerd door Gyrinus , landvoogd van Syrië. Allen togen nu op weg om zich te laten opschrijven, een ieder naar de stad, waar zijn familie oorspronkelijk te huis behoorde. Zoo trok Joseph met Maria naar Bethlehem, wijl hij uit het geslacht was van David, wiens vader en voorvaders Bethlehem tot woonplaats hadden (Oude Testament, hoofdstuk 71). Toen zij daar aankwamen en nergens herberging vonden, namen zij hun intrek in een stal (die in e n berg-grot was gemaakt), Hier baarde Maria haar eeniggeboren zoon, wond hem in doeken en legde hem in eene kribbe.
Niet ver van Bethlehem hielden herders de nachtwake bij hunne kudde. Eensklaps stond een engel bij hen, schitterend van lichtglans, waardoor zij met groote vrees bevangen werden; Doch de engel sprak hen toe: Vreest niet; want zie, ik verkondig u eene groote blijdschap, welke wezen zal voor al het volk: heden is u in Davids stad een Zaligmaker geboren, die Ghristus de Heer is. En dit zij u een teeken: gij zult een kind vinden, in doeken gewonden en liggende in eene kribbe. Bij dien engel voegde zich eene geheele menigte van het hemel-sche heer. God prijzende met den lofzang: Eere zij aan God in den hooge en vrede op aarde aan de menschen, die van goeden wille zijn.
Nadat de engelen weder ten hemel waren gestegen, spraken de herders tot elkander: Laat ons naar Bethlehem gaan en deze zaak zien, die geschied is en welke de Heer ons heeft bekend gemaakt. Zij gingen met spoed en vonden Maria en Joseph, en het kind liggende in de kribbe. Dit ziende, erkenden zij dat alles waar was, wat de engel hun omtrent dit kind gezegd had, en God lovende en verheerlijkende keerden zij terug. Allen die deze gebeurtenis uit den mond der herders vernamen, gaven daarover hunne bewondering te kennen; doch Maria bewaarde (stilzwijgend) al die dingen en overwoog ze in haar hart. Op den achtsten dag werd aan het kind bij zijne besnijdenis de naam Jesus gegeven, welken naam de engel genoemd had, toen hij Maria de blijde boodschap bracht.
BIJBHLSCHR GESCHIHDKNIS.
i. Door twee der evangelisten, Mattheus, hoofdstuk I, en Lucas, hoofdstuk III, is de geslachtslijst des Verlossers opgeteekend. Van Abraham tot David stemmen beide lijsten nauwkeurig overeen; van David echter tot Joseph vcrschüleu zij geheel. Ziehier de lijsten naast elkander.
|
VOLGENS MATTHEUS. VOLGENS LUCAS, | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
uit wie Chribtus geboren is). Scnieï. Matiiathias. Mahath. |
Ilesli.
Nahum.
Amos.
Matliathias.
Joseph.
Janne.
Melchl.
Levi.
Malhat.
Heli.
Joseph (dc man van Maria),
Hoe de eenvoudige, ongeletterde protestant, die zijn Bijbel leest zonder ophelderingen of aantcekeningen, uit buvcüöuuude, zoozeer uiiceuloopeudc geslachtstafels tol klaaihcid moet komeu, nia^j ceu raadsel heclcu. Beide
l
mjRF.T.SCHE GESCIIIRD1-NIS.
lijsten toch moeten waar zijn, en zij zijn waar; de evangelisten kunnen ons niet In dwalir?g brengen. Zelfs nien schel ijker wij ze gesproken bestaat daarvoor op dit punt niet het allerminste gevaar; want â men leue liier wel op â niet in de personen uit de verste oudheid verschillen de beide evangelisten, maar in degenen, die lum meer of het meest nabij stonden, en in wier namen zij zich onmogelijk konden vergissen. Voor niemand toch was het destijds mociclijk ie weten, wie Josephs vader en grootvader waren. Ongetwijfeld leefden er homlorden menschen, die hen persoonlijk kenden of gekend hadden of minstens hunne namen meermalen nit den moiul hunner ouders moesten vernomen hebben. Vergissing is derhalve bij de evangelisten , zelf zonder goddelijke ingeving, niet denkbaar; te minder nog, wijl de Joden van dien tijd, zooals uit geheel het Oude Testament blijkt, iemand niet alleen met zijn eigen naam noemden , maar daar in den regel â wijl men niet als in onze dagen geslachtsnamen droeg â den naam zijns vaders en grootvaders aan toevoegden, bv. Roboam, de zoon van Salomon, die een zoon was van David, enz. Bovendien werden door de verschillende familiën, vooral van Davids huis â waaruit de Verlosser zou voortspruiten â de geslachtstafels zeer nauwkeurig bijgehouden. Dit alles maakt, dat bovengenoemde lijsten, ook slechts menschelijkerwijze gesproken, beide niet anders dan volstrekt waar kunnen zijn. Doch hoe moet nu de ongeletterde lezer uit den Bijbel-alleen deze twee zaken: de w.urachtigheid der evan-gelis.en en het verschil hunner stamboomen , met elkander overeenbrengen en dc oplossing van dit vraagstuk vinden? Dit is en blijft een raadsel, en iiij zeil /al dan ook de eerste zijn om te bekennen, dut hij er niets van begrijpt.
Eene eenvoudige verklaring echter maala dc zaak helder. Hij dc Joden kon namelijk ccn/clfde persoon twee vaders hebben, ccn volvc:;-. dc wet, ten kincliicus lichamelijke afstammiiu;. Men hciniRic zich hier de in het Oude T/stament, Ikk f.'.-iuk 17. medegedeelde bepaling v.m M . j. bij Deuteronominm XXV; 5, aldus luidmde: «Sterft een man zonder kinderen na te laten, dun zal zijn broeder (iemand uit hetzelfde stamhuis) dc weduwe tot vrouw nemen, om voor den gestorven broeder ecu nazaat te verwekken; de eerste mannelijke spruit uit het nieuwe huwelijk zal als de zo o n d e s o v e r I e d e n e n £ c 1 d e n. quot; In het Oude 1 e ' ment hooldstuU 6j vindt men deze bepaling toegepast in de gesch edenis van Hot)/, en Ruth. Boöz zegt daar, dat een aanverwant verplicat is, Ruth, de kinderlooze weduwe van Mahalon, ten huwelijk te nemen, opdat de overleden Mahal on een kind op zijn naam bekome, â Om die zaak zoo duidelijk mogelijk in te zien, denke men zich het volgende geval: l!en Jood, Aaron bv., laat bij zijn dood een weduwe. Sara, achter zonder kinderen. Hen der verwanten, Jacob, neemt daarop, volgens bovenstaande bepaling, Sara tot vrouw en verwekt bij h..ar drie zonen: Isaac, Benjamin en Levi. In dat geval weid de oudste, Isaac, beschouwd niet als de zoon van Jacob â wal hij toch werkelijk was â maar als dc zoon van Aaron, hij droeg dan ook den naam Isaac Aarons-zoon; de beide i1111 'eren integendeel bleven op naam huns werkelijken vaders staan en werden genoemd, Ben-jamir en Levi, Jacobs z mju. Bijgevolg had Isa.ïc twee vaders: den overleden Aaron, die zijn vader was voor de Wet en van wien hij o.dc erfde, en Jacob, die zijn vader was volgens lichamelijke afstamming. Dit geval nn deed zich inderdaad voor bij den 11. Joseph. Als de oudste zoon eener moeder, die uit haar eerste huwelijk gccnc kinderen bezat, had hij twee vaders, en derhalve eene dubbele geslachtslijst. Welke van beide geslachtslijsten, die bij Mattheus of bij Lucas, op de werkelijke, en welke op de wettelijke afstamming /iet, is niet met zekerheid uil te maken; vrij algemeen echter nemen de Schriftverklaarders aan, dat de lij^i van Mattheus de werkelijke afuain-ming aangeeft. Volgens de natuur stamde Joseph dus af von David langs dc lijn Salomon-Roboam; volgens dc Wel eveneens van David, maar langs de lijn X.iihan-Mathalh
2. Mattheus daalt in zijne geslachtslijii niet altijd rechutrei.ks van vader op zoon af; maar slaat soms één of meer geslachten over. Zoo zijn tuv chcu Joram en Ozias drie persoon uitgelaten: Ochozias, Joas en Amasias â zie Oude Testament, hoofdstuk 1 n, 115, 116, 119. Tusschcn Josias en Jechonias (in het Oude rcslament ook Joachin genaamd) is weggelaten Joakim â O. I'. hooldstuk 152 en 1'°* doel van den evangelist met deze weglating was, zooals hij zelf aanduidt, zijne lijst in drie evenredige reeksen te verdeden.
3. l'ukcle uitleggers zijn van meening, dat de lijst van l.ncas op de alstannning van Maria ziet, doch dit klinkt minder waarschijnlijk, aangezien de oudste christelijke s hnjvers en kerkvaders daarvan met geen enkel woord gewagen, maar allen in bovengenoemden zin sp.cken, Bovendien waren de joden met gewoon stam. ; ten van vrouwen op te maken en lag het dus voor de hand, dat de evangelisten zich naar het bei.taande gebiuik voegden. Overigens is het waar, wat reeds op de vori ge bladzijde uit den II. Hieronymus is aangeteekend, dal uit den stamboom van J )scph de stamboom van Maria kan blijken. Maria toch was eene erfdochtc r en mocht derhalve, volgens de uitdrukkelijke bepaling der Wet, niet buiten haar stamhuis huwen. Stamde Joseph dus uit het huis Davids, dan moet Maria, ingevolge genoemde bepaling, uit hetzelfde huis zijn gesproten, zoodal de Verlosser niet alleen voor het oog der wereld â door zijn voedstervader â maar ook in werkelijkheid, Joor zijne moeder, een nakomeling van gemelden koning was.
BIJBHI.SCHE GESCHIHDKNIS. ^07
HOOFÃSrUK 111.
DE AANBIDDING DHR WIJZHN. DE OPDRACHT IN DEN TEMPHL, DE KINDERMOORD TE lilTIHJUIKM.
(Math. II: 1 â 18, FA'C. II: 22 â 39.)
IrT
0' t n;l ^esus' Sc^oortc kwamen wijzen van liet Oosten te Jerusalem Waar is de nieuwgeboren koning der Joden? want zijne ster hebben wij gezien ln 'lct; Oosten cn wij zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij het vernemen jiy^ dezer tijding werd Herodes (die voor zijn troon vreesde) ontroerd, en geheel Jerusalem Vf met hem. Hij vergaderde al de opperpriesters en schriftgeleerden des volks en vroeg hun, waar de Christus moest geboren worden? Zij antwoordden: In Bethlehem van Juda; want zoo is er geschreven door den profeet: En gij Bethlehem, land van Juda, geenszins zijt gij de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een vorst uitgaan, die mijn volk Israël besturen moet. Daarop riep Herodes de wijzen heimelijk bij zich en vernam van hen nauwkeurig den tijd, wanneer de ster hun verschenen was. En hen naar Bethlehem zendende, zeide hij: Gaat en ondervraagt zorgvuldig naar het kind, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en het aanbidde. In waarheid echter wilde hij het laten dooden.
Zij nu, na den koning gehoord te hebben, gingen heen. Tot hun groote vreugde verscheen hun eensklaps weder de ster, welke zij in het Oosten gezien hadden, cn ging voor hen uit, totdat z.j stilstond boven de plaats waar het kind was. De wijzen volgden die aanduiding en vonden hot kind met zijne moeder Maria; zij vielen neder, aanbaden het, en hunne schatten openende, ollerden zij het geschenken: goud, wierook en mirre. Daarna door God in een droom vermaand om niet naar Herodes terug te keeren, gingen zij lanfs
O 'DO 'O
een anderen weg naar hun land terug.
Toen vervolgens na 40 dagen de dag der reiniging van Maria was aangebroken, bracht zij met Joseph het kind naar Jerusalem, om het aan den Heer op te dragen â gelijk er geschreven stond in de Wet: Alle mannelijke eerstgeborenen zullen den Heer worden toe-geheiligd â en tevens, om, naar de verdere bepaling der Wet, een ofl'er aan te bieden van een paar tortelduiven of twee gewone duiven.
Ie Jerusalem was in die dagen een man, rechtvaardig en godvreezend, met name Simeon; hij verwachtte de vertroosting Israels, en van den Heiligen Geest, die met hem was, had hij de belofte ontvangen van niet te zullen sterven voor hij den Christus des Heeren aanschouwd had. Door den II. Geest naar den tempel gevoerd omstreeks den tijd, dat Maria en Joseph daar binnentraden, nam hij het knaapje in zijne armen, cn hij loofde God en zeide: Nu laat gij, Heer, naar uw woord uw dienstknecht in vrede heengaan (sterven); want mijne oogen hebben uw heil gezien, dat gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken, een licht ter openbaring voor de heidenen en een luister voor uw volk Israël. â Maria cn Joseph (die nog niet geheel ingelicht waren dat het kind ook de heidenen zoude verlossen) stonden over het woord van Simeon verbaasd; doch de grijsaard prees hen gelukkig en sprak verder tot Maria aangaande haar zoontje: Zie, deze is gesteld tot val en tot opstanding van velen in Israël en tot een toeken dat tegengesproken zal worden ook door uwe eigene ziel zal een zwaard gaan â opdat uit vele harten de gedachten zich openbaren.
1 eizelfdeitijd was daar eene profetes Anna, eene dochter van Phanuël uit den stam van Aser. Na haren maagdelijken staat had zij 7 jaren met haren man geleefd en was thans eene weduwe van 8.1 jaren, die (bijna) niet uit den tempel week, dag en nacht God dienende met vasten en bidden. Ook nu, terwijl het kind binnengebracht werd, verscheen zij
cn zeiden;
4O8
in het heiligdom; zij loofde den Heer en sprak van den knaap tot allen die Israels verlossing verbeidden.
Inmiddels wachtte Herodes te Jerusalem tevergeefs op de wederkomst der wijzen. Toen hij eindelijk begreep, dat hij geene hoop meer had hen terug te zien en hij dus van hen de juiste verblijfplaats des kinds niet kon vernemen, besloot hij, teneinde den nieuwgeboren koning zeker te treden, in geheel Bethlehem en omstreken alle knaapjes te laten ombrengen van den ouderdom van twee jaren en daaronder, overeenkomstig den tijd dien hij van de wijzen had uitgevorscht. God echter zorgde voor het kind : nog voordat het gruwelijk besluit was vastgesteld, verscheen aan Joseph in den droom een engel en zeide; Sta op, neem den knaap en zijne moeder, vlucht naar Egypte en wees daar tot zoolang ik het u zeggen zal. Joseph deed gelijk hem bevolen was; nog dien eigen nacht stond hij op en vluchtte net Maria en haar zoontje naar Egypte. Zoo bleef dit kind, om hetwelk het Herodes alleen te doen was, voor den dood gevrijwaard; alle andere kinderen echter werden omgebracht, en het woord, door Jeremias den profeet gesproken, ging in vervulling; Eene stem is in Rama gehoord, geween en veel gekerm; Rachel beweende hare kinderen, en zij wilde niet vertroost worden, omdat zij niet meer zijn.
1. Behalve bovengenoemd BetMehem, dat in Juda lag, lag er een ander plaatsje van dien naam in he' voormalig stamgebied van Zabulon, in Gaiilea. Dicht bij Bethlehem, in de omstreken van Rama, was het graf van Rachel â zie gesclilcilenis van het Oude Testament, hoofdstuk 21.
2. Herodes vreesde, dat het kind, door dc wijzen »de nieuwgeboren koning der Joden1' genoemd, te eeniger tijde hem en zijne zonen van den troon zou stooten.
3. De opperpriesters waren de hoofden der 24 priesterbeurten, waarin koning David de nakomelingen van Aaron verdeeld had.
4. Bijna alle oude schrijvers zijn van gevoelen, dat de wijzen uit de voorzegging van Balaam aan Balac â⢠Oude Testament hoofdstuk 45 â door overlevering geweten hebben, dat er bij Je geboorte van den beioofdeu Messias eene buitengewone ster zou verschijnen.
5. De bovenaangehaalde profetie; »Hn gij Bethlehemquot; enz, is van Micheas; zie Oude Testament hoofdst : 122. De priesters halen de plaats niet letterlijk aan; zij geven slechts den zin er van. »Vorstenquot; beteekent hier nVorsten-stedenquot;: steden waarover een vorst gebiedt. »De minste onderquot; kan volgens liet hebreeuwsch spraakgebruik beteekenen »niet minder danquot;, evenals «gezegend onder de vrouwenquot; wil zeggen; «gezegend boven alle vrouwen.quot;
HOOFDSTUK IV.
DE TERUGKEER UIT EGYPTE. JESUS IN DEN TEMPEL.
(Math. II. Luc. II.)
N.f/1
MW- a den dood van Herodes verscheen in een droom een engel des Heeren aan Joseph t:|I% in Egypte en sprak: Sta op, neem het kind en zijne moeder en trek naar het 4 land van Israël; want zij die het kind naar het leven stonden zijn gestorven. I1?'' Joseph volbracht het woord des engels; doch toen hij, aan de grenzen van Israël gekomen , hoorde, dat Herodes' zoon Archelaüs in zijns vaders plaats in Judea regeerde, l vreesde hij daarheen te gaan, en trok, op een in een droom bekomen aanwijzing, naar Gaiilea. Zoo vestigden Maria en Joseph weder hun verblijf te Nazareth, opdat vervuld zou worden wat omtrent het kind door de profeten gezegd was; Hij zal een Nazareër genoemd worden.
Jaarlijks, met het Paaschfeest, waren Maria en Joseph gewoon, zich naar Jerusalem te begeven, naar den tempel des Heeren, en toen Jesus den ouderdom van 12 jaren bereikt had, ging hij met hen mede. Na den afloop van het feest, terwijl zijne ouders naar hnis terugkeerden, bleef de knaap alleen te Jerusalem achter. Gedurende dc eerste dagreize
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 409
bemerkten zijne ouders hier niets van; want zij dachten, dat hij zich in het gezelschap der medereizigers bevond. Daar zij hem evenwel des avonds, ter plaatse waar men overnachten zou, tevergeefs onder hunne bloedverwanten en bekenden zochten, trokken zij haastig weder naar Jerusalem, om hem daar te zoeken. Na drie dagen (sedert hun vertrek uit Jerusalem) vonden zij hem, in den tempel, zittende in het midden der leeraars, naar hen luisterende en hen ondervragende. En allen, die hem hoorden, stonden verbaajd over zijn verstand en zijne antwoorden.
Zijne moeder nu, hem ziende, was ontroerd, en hem medenemende, zeide zij tot licm: Kind, waarom deedt gij ons alzoo? Zie uw vader en ik zochten u met smart. Doch hij sprak; Waarom zocht gi; mi]? wist gij niet, dat ik in de dingen mijns Vaders moet wezen? Zij begrepen evenwel dat woord niet. Hij nu ging met hen naar Nazareth, en hij was hun onderdanig. Zijne moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. En Jesus nam toe in wijsheid en jaren, en in genade bij God en menschen.
1. Herodes was een afschuwelijke wreedaard, die behalve vele Joden zelfs zijne eigene echt^enootc M.irlamnc^ en twee zijner zonen onschuldig liet ombrengen. Na zijn dood werd het land onder zijne drie overgebleven zonen verdeeld, Archelaüs verkreeg, met den titel van volksvorst, het grootste gedeelte: Judea, Samaria en Klumea; Herodes Antipas werd viervorst van Galilea en Perea, en Philippus viervorst van Trachonitis, Gaulon, Batanea en Pan as. Archelaüs was weinig minder wreed dan zijn vader, waarom Joseph niet naar Bethlehem, dat in Judea l-, durfde gaan, wat hij anders waarschijnlijk zou gedaan hebben. Na eene regeering van tien jaren werd de volksvorst door keizer Augustus verbannen en Judea tot eene Romeinsche provincie gemaakt,
2. Bij de woorden: wllij zal een Nazareër genoemd worden,quot; teekent professor Beelen aan: »Dit ge/egde Staat in geen der profeten te lezen. Er kan aan getwijfeld worden, of Matheus hier wel inderdaad eene profetie heeft willci. aanhalen, waarin met dezelfde woorden, die wij hier lezen, of met di.-rgeiijke, voorzegd was, dat de beloofde Messias een Nazareer zou genoemd worden; de reden van dien twijfel zou zijn, omdat Matheus hier niet zegt, gelijk elders overal, wat gesproken is door den Profeet, maar in 't algemeen; door de profeten, De moeielijkheid kan misschien weggenomen worden op deze wijze: de Nazareers of de inwoners van Nazareth werden door het overige volk veracht (Joan. I: 46); nu hadden de profeten (psalm XXI: 7 en Isaias LUI) aangaande den loekomstigen Messias voorzegd, dat hij veracht zou wezen; deze voorzegging kreeg alzoo hare vervulling ook daardoor, dat Jesus een inwoner werd van Nazareth. Het is ook wel mogelijk, dat
fatheus ziet op eene p ofetie, \v Ike alleen door een overlevering bekend was, gelijk die voorzegging van Azarias Paralip. XV: 2 vlgg welke langen tijd gedaan was, voordat zij geschreven werd.quot;
52
VAN HET BEGIN VAN JESUS' OPENBAAR LEERAARSAMBT TOT AAN ZIJN LIJDEN EN DOOD.
11 O O F D S T U K V.
JOAXNT.S DOOI' J' IN' DEN JÃRDAAM, DE DOOP VAN' JESUS,
'M.Vlll, III. l.L'C. III. I â Ij)
-- «--
vquot;.»'
11 'lct viiftiende )a'u' ^er regcering van den Romcinschen keizer Tiberius (die keizer Augustus was opgevolgd); toen Pontius l'il.mis Romeinscli landvoogd was van J Judea, Herodes viervorst van Galilea, en zijn broeder Philippus viervorst van '^â 2 Iturea en de landstreek van Trachonitis; onder de lioogepricsters Annas en Caïphas It kwam het woord des Heeren over Joannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn. 1 En hij ging in de gansche omstreek des Jordaans, een boetdoop predikende tot vergeving der zonden, gelijk er geschreven staat in het boek der Godspraken van Isaïas den profeet: Bereidt den weg des Heeren; maakt zijne paden recht. Allo dal zal aangevuld, en alle berg en heuvel geslecht worden; de kromme (paden) zullen worden rechte, en de onettene tot eflene wegen, en alle vleesch zal het heil Gods aanschouwen.
Joannes droeg een kleed van kemelshaar; een lederen gordel omsloot zijne lenden, en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilden honig. Het volk van Jerusalem en gansch Judea, alsmede de bewoners der landstreek om den Jordaan liepen tot hem uit en lieten zich door hem in dien stroom doopen, terwijl zij hunne zonden beleden. Toen hij onder hen ook vele Pharizeen en Saduceën zag, zeide hij tot dezen : Gij adderen-gt broedsel ! wie heeft u gezegd dat (tenzij gij u bekeert) gij den toekomstigen toorn ontvliedt ? Brengt dan waardige vruchten van bekeering voort, en wilt niet zeggen bij u zelven: Wij hebben Abraham lot vader (alsof dit alleen genoeg ware) â want ik zeg u, dat God machtig is, uit deze steenen kinderen Abrahams te verwekken. Reeds ligt de bijl aan den wortel der boomen; alle boom, die geen goede vruchten voortbrengt, zal omgehouwen en in het vuur geworpen worden.
De scharen vroegen hem: Wat zullen wij dan doen? Hij antwoordde: Wie uwer twee kleederen heelt, geve er een aan die er geen bezit, en wie spijzen heeft doe eveneens.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Ook kwamen er tot hem, om gedoopt te worden, tollenaars (inners van belastingen, die dikwijls den belastingschuldigen te veel afpersten en zich onrechtvaardig verrijkten). Zij vroegen hem; Meester, wat zullen wij doen? Hij zeide: Vordert niets meer dan u bevolen is. Ook krijgslieden vroegen hem: En wij, wat zullen wij doen? liet antwoord luidde; Doet niemand overlast nog onrecht aan, maar weest tevreden niet uwe soldij.
Als nu het volk dacht, of Joannes misschien niet zelf de Christus was, nam hij het woord op en zeide; Ik doop u met water, m.ur daar zal er een komen, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden; deze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur. Zijne wan is in zijne hand, en hij zal zijn dorschvloer zuiveren; de tarwe zal hij verzamelen in zijne schuur, maar het kaf zal hij met onuitbluschbaar vuur verbranden. Met deze en meer andere vermaningen bereidde Joannes het volk voor tol het ontvangen der blijde boodschap des heils door den Messias.
In die dagen kwam ook tot hem, om gedoopt te worden, Jesus van Nazareth uit Galilea. Joannes wilde hem niet toelaten, m.iar zeide; Ik moest veeleer door u gedoopt worden, en gij komt tot mij! Jesus antwoordde: Laat het toe; want zoo betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen nu Jesus gedoopt was en uit het water ging, openden zich de hemelen; de Geest Gods daalde in de gedaante eener duif op hem neer, en eene stem uit de hemelen sprak: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb gesteld.
Jesus was, toen hij in liet openbaar optrad, ongeveer dertig jaren, en de wereld hield hem voor een zoon van Joseph.
1. Men zie ilo bovenaan^cliaalJe profetie van Is.Vfas: «Bereidt den weg dos Hccrcnquot; enz. Oude Testament hoofdstuk 12 2. De Rotwoorden zijn hier ccnigs/iiis verkort.
2. De Pluri/ccu, wier opkomsi rcc.U v.m liet Machabccr-tij.lv.ik, misschien var. nog vroeger, dagtcckent, ondersche ddeii zich oorspronkelijk van de overige Jod.Mi door hunne ^cirouwe wetsnaieving. Later ontaardde hun ijver in muggciiziflcrij, terwijl /ij kemels door/welgden. 1 Iet woord Pharizeër beteekent Afgescheiden.
4TI
De S.iddnceén v aien juist het om â¢.â¢.â¢keerde ; zij Iv-chouwden de Wet hoofdzakelijk als een bloot uitwendigen vorm, buiten welken de waie ^odsdicusliglieid, niecr hel werk van een »vroom gemoedquot;, zeer wel be taanbaar was. C)|) dien weg vervielen zij allengs lot voNlagen ongeloof; o. a. loochenden zij de onsterfelijkheid der /iel, dc verrijzenis des vlecsches, en/. ; tlaarentc;:,en heclitten zij zeer aan de koninklijke gunst en aan staatsambten en waardigheden. Het waren alzoo dc Liberalen van on/.en tijd.
HOOFDSTUK VI.
DE BEKORING VAN JF.SUS IN' DE WOI-STIJN, Dli ROF.PIN'G DER EERSTE LEERLINGEN. DE BRUII.OI T TI- CANA.
(Math. IV. Makc. I. Luc. IV. Joan. I cu II.)
aj, ET-quot;- '
ooJni Jesus gedoopt was, werd hij terstond Joor den Geest (Gods) nnar de woestijn IfSK- ^ gcvücnk 01,1 door den duivel bekoord te worden. Hij verbleef daar, alléén met wihb' dieren, veertig dagen en veertig nachten, zonder iets te eten. Eindelijk # kreeg hij honger, en tie bekoorder, hem naderende, sprak tot hem; Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dan dat deze steenen brood worden. Doch hij antwoordde: Er staat geschreven: De mensch leeft niet van brood alleen, maar van alle woord, dat uit Gods mond voorkomt.
1 oen nam de duivel hem op naar de heilige stad, stelde hem op de tinne des tempels en sprak: Indien gij Gods Zoon zijt, zoo werp u naar beneden; er staat immers geschreven; Want hij heeft zijnen engelen aangaande u bevolen, en op de handen zullen zij u nemen, opdat gij soms niet uw voet zoudt stooten aan een steen. Jesus antwoordde; Daar staat pok geschreven: Gij zult den Heer uwen God niet beproeven.
-i
BIJRFLSCHE GF.SCH1F.DF.N1S.
Wederom nam de duivel hem op naar een zeer hoogen berg, toonde hem alle koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid, en sprak: Dit alles zal ik u geven, indien gij
neder valt en mij aanbidt. Toen zeide hem Jesus; Ga weg, Satan! want er staat geschreven: Den Heer uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Daarop verliet 'lem d.i duivel, en de engelen kwamen en dienden hem.
Te dien tijde gaf Joannes de dooper bij verschillende gelegenheden getuigenis van Jesus. Eens, toen de Joden uit Jerusalem priesters en levieten uit de Pharizèën tol hem afzonden, om hem te vragen: wie zijt gij? beleed hij: Ik ben de Chribtii:. niet. Ook op hunne verdere vragen, of hij Elias was, of de (door Moses voorspelde) profeet, zeide hij: Neen; ik ben slechts de stem eens roependen in de woestijn: Maakt recht den weg des Heeren. Na voorts nog op de vraag, waarom hij dan doopte, indien hij noch de Christus, noch Eüas, noch de profeet was, geantwoord te hebben, dat hij alleen met water doopte, getuigde hij omtrent Jesus aan de gezondenen: In het midden van u staat, dien gij niet kent; hij is het, die na mij komen zal, die voor mij geweest is, wien schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden.
Des anderen daags zag Joannes Jesus tot zich komen en riep uit: Zietdaar het lam Gods! zietdaar, die de zonden der wereld wegneemt! Deze is het, van wien ik zeide: Na mij komt een man, die voor mij geworden is, omdat hij eerder was dan ik. Opdat hij iu Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, met water doopende. Ik heb den Geest als eene duif uit den hemel over hem zien nederdalen en op hem verblijven. En ik, ik kende hem niet, (niet persoonlijk); maar die mij gezonden heeft om met water te doopen, deze had tot mij gezegd: op wien gij den Geest zult zien nederdalen en op hem verblijven, hij is het die doopt met den Heiligen Geest. En ik heb het gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is.
Daags daarna stond Joannes wederom bij den Jordaan met twee zijner leerlingen, en op Jesus ziende, die daar wandelde, sprak hij: Zietdaar het lam Gods. De twee leerlingen, dit hoorende, volgden Jesus. Jesus, zich omkeerende, zag, dat zij hem volgden en vroeg hun: Wat zoekt gij? Zij zeiden: Rabbi â dat wil zeggen meester â waar woont gij? Hij antwoordde hun : Komt en ziet. Zij gingen dan, zagen waar hij zijn verblijf had, en bleven dien dag bij hem. Een der twee was Andreas, de broeder van Simon Petrus (de andere was misschien de schrijver zelf van dit verhaal, de toekomstige apostel en evangelist Joannes). Andreas zocht het eerst zijn broeder Simon en zeide hem: Wij hebben den Messias gevonden. Daarop bracht hij hem bij Jesus. Jesus, den nieuvvgekomene aanziende sprak: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult Cephas genoemd worden â wat hetzelfde wil zeggen als Petrus (d. i. Steenrots.)
Weer een dag later, terwijl Jesus van de omstreken des Jordaans naar Galilea terugkeerde, trof hij Philippus aan en zeide tot hem: Volg mij. Philippus was van Bethsaïda, de stad van Andreas en Petrus. Nadat hij door Jesus geroepen was, trof hij Nathanaël aan en sprak tot hem: Dengene, van wien Moses en de profeten in de Wet geschreven hebben, dien hebben wij gevonden, Jesus, Josephs zoon van Nazareth. Nathanaël vroeg: Kan er uit Nazareth iets goeds zijn? Philippus antwoordde: Kom en zie. Toen Jesus Nathanaël zag komen, verklaarde hij van hem: Ziedaar een ware Israëliet, in wien geen bedrog is! Nathanaël, dit woord hoorende, vroeg Jesus: Vanwaar kent gij mij? Jesus (een blijk van zijn alwetendheid gevende) antwoordde; Voordat Philippus u riep, terwijl gij u onder den vijgenboom bevondt, zag ik u. Daarop zeide Nathanaël; Rabbi, gij zijt de zoon Gods; gij zijl de koning van Israël! Jesus sprak: Omdat ik u gezegd heb: ik zag u onder den vijgenboom, gelooft gij; grooter dan dit zult gij aanschouwen. Daarop zich tot allen richtende, ging Jesus voort; Voorwaar, voorwaar, ik zeg ulieden: gij zult den hemel geopend zien, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des tnenschen.
Op den derden dag sedert Jesus' vertrek naar Galilea was er in die landstreek te Cana eene bruiloft, waarop de moeder van Jesus tegenwoordig was. Ook Jesus werd met zijne
ÃIJRF.T.SCHR GRSCIIIF.DF.NIS.
leerlingen genoodigJ. Toen er wijn ontbrak, zeide zijne moeder tot hem: zij hebben geen wijn meer. Jesus sprak tot haar: Vrouw, wat heb ik met u te doen? mijn uur is nog niet gekomen. Zijne moeder evenwel zeide tot de dienaren: Doet al wat hij u zeggen zal. Daar waren nu, opdat de Joden zich volgens hunne Wet zouden kunnen reinigen, zes steenen kruiken, elk van twee of drie maten. Jesus gebood den dienaren: vult de kruiken met water. Nadat zij ze tot boven toe gevuld hadden, beval hij: Schept nu en brengt het den hofmeester. Zoodra de hofmeester het water geproefd had, dat wijn was geworden â en hij niet wist -vanwaar deze was, maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het wel â riep hij den bruidegom en zeide tot hem: Ieder mensch zet eerst den besten wijn op, en wanneer de gasten goed gedronken hebben, den minderen; gij echter hebt den besten wijn tot nu toe bewaard.
Dit begin zijner teekenen wrocht Jcsiquot;- -e Cana in Galilea; hij openbaarde aldaar zijne heerlijkheid, en zijne leerlingen geloofden in hem.
1. Jesus wilde door den duivel bekoord worden, om ons de bekoringen te lieipen overwinnen. Zijne bekoring was bloot 11 it ven dig; de eeuwige Zoon Gods kon gcene inwendige bekoring hebben. IFet doel des duivels was; te weten te komen, of Jesus waarlijk de Zoon Gods was dan wel alleen een heilig mensch, in welk laatste yeval hij hem tot zonde hoopte te verleiden. Dat jesus zich door den duivel op de tinne des tempels en op ecu lioogcn berg liet voeren, evenals Habacnc in een oogenblik door een engel uit Judea naar Babyion verplaatst werd (Zie Oude Testament hoofdstuk K-hoeft ons niet te verwonderen, zegt de II. Gregorius, daar hij zich wel heeft laten geeselen en kruisigen door Satans dienaren.
2. Joannes, de zooti van Zacharias, kende Jesus niet persoonlijk, toen deze aan den Jordaan bij hem kwam, dat hij echter op dat oogenblik reeds, nog vöór de H. Geest over Jesus was nedergedaald, wist wie Jesus was, zoodat hij tot hem zeide; ik moest veeleer door u gedoopt worden â d,t had hij te danken aan een ingeving van boven, waarvan de verdere gebeurtenis de bevestiging werd.
j. Do benaming «vrouwquot; in plaats van moeder, en de uitdrukking «wat heb ik met u te doen?quot; â⢠woordelijk; »wat is er tusschen u en mijquot; â klonken in het hebreenwsche spraakgebruik geheel anders dan in onze taal; zij hadden daar volstrekt niet die hardheid, die zij bij ons zouden hebben. Jesus wil eenvoudig zeggen: De macht om wonderen te doen is mij door mijn hemelschen Vader, niet door mijne geboorte uit n, geschonken; niet aan u dus ligt het te bepalen, wanneer ik van die macht gebruik zal maken, en het uur, door mijn Vader bepaald, is nog niet gekomen. Na deze vrietule'ijke terechtwijzing aan zijne moeder toonde jesus evenwel onmiddellijk, hoe groot haar invloed hij hem was, door op hare voorspraak te doen waarvoor het anders zijn tijd nog niet zou geweest zijn.
1100FDSTUK VIL
HET EERSTL PAASCHl'EEST IN JESUS' OPENBAAR LEVEN. NICODEM.US.
(Joan. 11 en 111.)
Ilai a afloop der bruiloft te Cana ging Jesus met zijne moeder, zijne leerlingen en eenige bloedverwanten naar Capharnaüm, waar hij echter, om het ophanden zijnde 'â paaschfeest, dat hij te Jerusalem wilde vieren, slechts korten tijd verbleef. l'y/' Te Jerusalem vond hij in den tempel menschen, die ossen, schapen en duiven verkochten., alsmede geldwisselaars. Hij vlocht van koorden een soort van zweep, dreef daarmede de kooplieden benevens de ossen en schapen uit den tempel, wierp de tafels der wisselaars met het geld, dat er op lag, voor den grond, en terwijl hij den duivenhandelaars gebood: neemt die dingen weg van hier â sprak hij: Maakt het huis mijns vaders niet tot een verkoophuis. Zijne leerlingen dit aanschouwende, heiinnerden zich dat er gesclircvtn stond: De ijver voor uw huis heeft mij verteerd. De joden echter vroegen hem: We-lk toeken toont gij ons, dat gij het recht hebt die dingen te doen? Jesus antwoordde: Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal ik hom herstellen. De joden
4i4 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS.
zeiden: Zes en veertig jaren is er aan dezen tempel gebouwd en gij zoudt hem in drie dagen oprichten ? Doch hij sprak van den tempel zijns lichaams, en na zijne verrijzenis herinnerden zijne leerlingen zich dat woord.
Velen nu, die de wonderteekenen zagen, door Jesus gedurende dit Paaschfeest verricht, geloofden in zijn naam; hij echter schonk geen geloof aan hen (vertrouwde hen niet), omdat hij allen kende en niet noodig had, dat iemand getuigenis gaf van den mensch; hij zelf toch wist wat in den mensch was.
Onder de Pliarizeën bevond zich een man, een overste der Joden een lid van den Hoogen Ka.ui, met name Nicodemus, Deze man kwam des nachts in het geheim bij Jesus en zeide tot hem; Rabbi, wij weten dat gij als leer aar van God gekomen zijt; want de teekenen, die gij verricht, kan niemand doen, tenzij God met hem is. jesu. zeide; Voorwaar, \ oor waar, ik zeg u, dat, indien iemand niet opnieuw geboren wordt, hij het rijk Gods niet kan zien. Nicodemus vroeg: Hoe kan een mensch geboren worden, als hij een oud man is ? Jesus zeide: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u ; indien iemand niet herboren wordt uit water en den Heiligen Geest kan hij het rijk Gods niet ingaan. Wat uit het vleesch geboren is, is vleesch, en wat uit den Geest geboren is, is geest... Nicodemus vroeg; Hoe kunnen deze dingen geschieden? Jesus antwoordde; Gij zijt een leeraar in Israël en kent evenwel deze dingen niet? Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : wij spreken wat wij weten, en wij getuigen wat wij gezien hebben; doch gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. Zoo ik ulieden aardsche dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij dan gelooven als ik u hemelsche dingen zeggen zal? Niemand is opgeklommen ten hemel, dan hij die uit den hemel is nedergedaald ; de Zoon des menschcn, die in den hemel is. En gelijk Moses in de woestijn de koperen slang omhoog iiief, zoo moei de Zoon des menschen omhoog geheven worden (aan het kruis), Cf Jat ieder, die in hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. Want zoo lief heeft God de wereld geh,;d, dat hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder, die in hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwige leven geniete. Want God lieeit zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat hij de wereld zou oordeelen, maar opdat de vereld door hem zou behouden worden. Die in hem gelooft, wordt net geoordeeld; maar die ni.t gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet gelooft in den naam van den eeniggeboren Zoon v Ij. Dit nu is het oordeel; dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensch n meer di Juiste-nis hebben liefgehad dan het licht, wijl hunne werken boos waren. Want alwie kw xj . haat het licht en komt niet tct het licht, opdat zijne werken niet berispt worden; maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
1. De ossen, scliapen cn duiven werden vcrkoclit, om te di^noii voor ofleranden. Do w.sselaars zetten de vreemde muntspeciën van de buiten Palestina wonende Joden, die met het Paaschfeest naar Jerusalem optrokken, in joodsch geld om. Al deze dingen, hoe onschuldig ook op zich zeiven, mochten niet in den tempel plaats vinden, maar moesten daar buiten geschieden.
2. Om zich bij d- Joden aangenaam te maken, was Herodes de Groote 17 a 18 jaren vóór de geboorte des Verlossers begonnen, den tempel, die na den terugkeer der Joden uit de Babylonische ballingschap onder Zoro-babel gebouwd was (/ie O. T. hoofdst 142), bij gedeelten te verfraaien en te vergrooten. Na Herodes* doodgingen de Joden met het werk voort, en op het oo^cnblik, dut Jesus de kooplieden en de wisselaars uitdreef, was men reeds .|6 jaren met bouwen be/.i â .
5. Jesus* woord: «breekt den tempel af* en/, werd wellicht door de Joden niet aanstonds in den bedoelden zin begrepen. Jesus sprak meermalen, o. a. ook met Micoilemus, opzettelijk eenigszins duister, om de aandacht zijner hoorders op te wekken en hen over zijne woorden doen nadenken, liet lichtelijk verstaanbaar woord vervliegt dikwijls even gemakkelijk a's het begrepen wordt
BTJBELSCHE GESCHIFDENIS. 415
HOOFDSTUK VIII.
GEVANGENNEMING V A N JOANNES DEN D O O P E R. JESUS EN Dl- SAMARI TAA NSCHE VROUW.
(Joan, III en IV; Matth. XIVj Marc. VI; LuC. III.)
a het gesprek met Nicoilemus trok Jesus met zijne leerlingen van Jerusalem naar het platte land van Judea, waar hij door zijne leerlingen liet doopen. Terzelfder ïlr ^ doopte Joannes te Ennon, nabij Salim, omdat daar veel water was. Eenige I?'quot; van Joannes' leerlingen spraken nu tot hun meester; Rabbi, hij die bij u was over den Jordaan , van wien gij getuigenis gegeven hebt, zie, hij doopt (door zijne leer-L lingen), en allen komen tot hem. Joannes antwoordde; Een mensch kan niets nemen tenzij het hem gei ,'ven is uit den hemel. Gij zeiven zijt mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor hem uitgezonden. Die de bruid heeft, is de bruidegom; doch de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verheugt zich zeer om de stem des bruidegoms. (Jesus is de ware bruidegom der zielen; ik, Joannes, moet hem slechts den weg' bereiden en hem de bruiden toevoeren; hoe meer zielen dus tot hem komen, des te meer reden heb ik, om mij over het welslagen mijner zending te verheugen.) Deze mijne blijdschap nu is werkelijkheid geworden. Hij moet toenemen (aan invloed), maar ik afnemen. Die van boven komt, is boven allen; die van di aarde is, is van de aarde en spreekt van de aarde. (Ik, Joannes, ben slechts mensch en spreek menschelijke dingen.) Hij echter, die van den hemel komt, is boven allen; hij getuigt wat hij gehoord en gezien heeft, maar (bijna) niemand neemt zijne getuigenis aan. Die evenwel zijne getuigenis aanneemt, heeft bezegeld dat God waarachtig is. . . De vader heeft den Zoon lief en heeft alles in zijne hand gegeven. Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; doch wie niet gelooft in den Zoon, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Niet lang daarna werd Joannes door Herodes vervolgd. Herodes had de vrouw van zijn broeder Philippus, Herodias, tot de zijne genomen, en Joannes berispte hem daarover, evenals over liet andere kwaad, dóór den viervorst bedreven. Aangaande Herodias sprak hij onverschrokken tot hem; Het is u niet geoorloofd uws broeders vrouw te hebben. Over die berisping verbitterd, liet Herodes door zijne dienaren den boetgezant in boeien slaan en in den kerker werpen, Hij zou hem wel aanstonds hebben willen dooden, maar dit durfde hij niet uit vrees voor het volk, hetwelk Joannes voor een profeet hield. Ook Herodias zocht zijn dood, doch kon vooreerst haar oogmerk nog minder bereiken; Herodes toch leerde, ongerekend zijne vrees voor de Joden, Joannes allengs meer waardeeren en liet hem zelfs dikwijls bij zich komen, om hem te hooren prediken. Zoo bleef de boetgezant ge-ruimen tijd in den kerker, totdat eindelijk (zooals later zal vermeld worden) Herodias door een list haar wensch vervuld zag.
Toen Jesus na de gevangenneming zijns voorloopers vernam, dat de Pharizeën gehoord hadden; Jesus maakt en doopt meer leerlingen dan Joannes âofschoon hij zelf niet doopte, maar zijne leerlingen â verliet hij Judea en ging wederom naar Galilea, waartoe hij den weg door Samaria nam. In die landstreek iag het stadje Sichar niet ver van de bezitting, welke de aartsvader Jacob aan zijn zoon Josef geschonken had. In de nabijheid van het stadje bevond zich een put, door Jacob gegraven.
Vermoeid van zijne reis ging Jesus aan dien put een weinig uitrusten, terwijl zijne leerlingen inmiddels naar de stad gingen, om spijs te koopen. Het was omtrent de zesde ure, en een Sanuritaansche vrouw kwam bij den put om water te scheppen. Jesus sprak tot haar: Geef mij te drinken. De vrouw zeide : Hoe vraagt gij, die een Jood zijt, te drinken van mij, die eene Samaritaansche ben? Dit zeide zij, wijl de Joden geene gemeen
4i6
schap met de Samaritanen hielden. Jesus antwoordde haar: Indien frj^de gave Gods ken-det, en wist, wie hij is die tot u zegt: Geef mij te drinken, zoudt gij wellicht hem gevraagd hebben, en hij zou u levend water hebben ge^.ai. De vrouw zeide: Heer, gij hebt niets om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt gij dan levend water?
gij grooter dan onze vader Abraham, die ,.is den put gegeven heeft, en zelf er uit dronk met zijne zonen en zijn vee? Jesus quot;-.rak: Alwie van dit water drinkt, zal wederom dorsten; doch wie gedronken zal hebK.i van het water, dat ik hem geef, zal niet dorsten in eeuwigheid; het water toch, dat ik hem zal geven, zal eene bron worden, die springt ten eeuwigen leven. De vrouw zeide: Heer, geef mij van dat water, opdat ik geen dorst meer hebbe, noch hier moete komen om te putten. Daarop zeide Jesus: Ga heen, loep uw man en kom weder hier. De vrouw zeide: ik heb geen man. Jesus sprak: Terecht hebt gij gezegd: ik heb geen man; want vijf mannen hebt gij gehad, en dien gij thans hebt, is uw man niet; dit hebt gij naar waarheid gezegd. De vrouw zeide; Heer, ik zie dat gij een profeet zijt; onze vaderen hebben op dezen berg aanbeden, en gijlieden zegt, dat te Jerusalem de plaats is, waar men aanbidden moet. Jesus sprak: Vrouw, geloof mij: de ure komt, dat gij noch op dezen berg, noch te Jerusalem den Vader aanbidden zult. Gijlieden (Samaritanen) aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, want het heil is uit de Joden. Maar de ure komt en is nu daar, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; de Vader trouwens verlangt zulke aanbidders. God is een geest, en die hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid. De vrouw hernam: Ik weet dat de Messias komt â die Christus genoemd wordt; als hij dan zal gekomen zijn, zal hij ons alles verkondigen. Jesus zeide tot haar: Ik ben het, ik, die met u spreek.
Op dit oogenblik waren de leerlingen met spijs uit Sichar teruggekeerd. Zij zagen hun meester met de vrouw in gesprek en (daar zij niet begrepen, wat hij aan zulk een in hun oog onbeduidend wezen voor ernstigs kon te zeggen hebben) verwonderden zij zich daarover; niemand echter zeide hem: wat vraagt gij? of: wat spreekt gij met haar? De vrouw intusschen (aan wier gesprek met Jesus door de verschijning der leerlingen een einde werd gemaakt) liet hare waterkruik staan , snelde naar de stad en sprak tot de mannen van haar volk: Komt en ziet een mensch, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou hij niet de Christus zijn? De mannen gingen dan de stad uit en begaven zich tot Jesus.
Inmiddels boden zijne leerlingen hem de meegebrachte spijs aan en zeiden: Rabbi, eet. Doch hij sprak: Ik heb eene spijs te eten , die gij niet kent. Verwonderd vroegen de leerlingen elkander: Zou iemand hem te eten gebracht hebben? Jesus antwoordde; Mijne spijs is, den wil te doen van hem, die mij gezonden heeft opdat ik zijn werk volbrenge. Zegt gij niet: nog vier maanden en de oogst komt? Doch ziet, ik zeg u: Heft uwe oogen op en aanschouwt de velden, hoe zij alreeds wit zijn ten oogst. (De geestelijke oogst, het volk van Sichar, komt en is rijp om in de schuren van het rijk Gods te worden verzameld).
Terwijl Jesus dit zeide, waren de mannen uit de stad genaderd. Velen hunner geloofden reeds in hem op het woord der vrouw, die betuigde; hij heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb. Zij verzochten hem derhalve, bij hen zijn intrek te nemen. Gedurende twee dagen bleef Jesus bij hen, eu in dien tijd namen nog zeer velen zijn woord aan. Zij zeiden tot de vrouw: Wij gelooven nu niet meer op uw zeggen; want zeiven hebben wij gehoord, en wij weten dat deze waarlijk de Zaligmaker der wereld is.
i. Het doopsel van Joannes was geen sacrament en gaf bijgevolg uit zich zelf gpen vergiffenis van zonde het was sleclus een boet-doop, een voorbereiding en een teeken ter bekeering. Omtrent liet doopsel, dat Jesm hier door zijne leerlingen liet toedienen, zijn de HH. Vaders het niet eens. Sommigen houden het, evenals het doopsel van Joannes, slechts voor een voorbereiding; anderen meenen dat het reeds werkelijk het sacrament des doopsels was. Dit laatste gevoelen nemen vele nieuwere uitleggers als het meest waarschijnlijke aan.
De H. Evodius, de opvolger van Petrus op den stoel van Antiochië, meldt, dat Petrus alleen door Jesus eigenhandig is gedoopt.
3. Het woord Rabbi beteekent: meester, leeraar.
j. Dit ni«t in den Zoon Gods gelooft, is reeds geoordeeld, en de toorn Gods blijft op hem, omdat er geen
BIJRF.T.SCnn GF.SCHIF.DnNIS.
andere Middelaar ter zaligheid bestaat, en de ongeloovige juist dezen eenigen Middelaar verwerpt.
4. Over de Samaritanen zie men O. T. hooidsiuk 12}, aanteekening 5.
Omtrent de daarmede in verband staande vra.4, of men te Jerusalem dan wel op den berg Garizim moer-l aanbidden, verwacht de vrouw, dat de Messias, wanneer hij eenmaal komt, de oplossing zal geven. Jcsus geeft die oplossing door te verklaren, dat God een geest is, die in geest en waarheid wil aanbeden worden, niet door bloot uiterlijke wctsvervulling, waaruit alle geest en leven geweken is, en dio zich alleen bepaalt bij een bloot lichamelijke daad op deze of geene stoflelijke plaats.
Door de zoogenaamde «hervormersquot; der X.Vle eeuw is van die woorden schromelijk misbruik gemaakt. De Zaligmaker schafte niet alle uiterlijkheden af, maar alleen die, waaruit, zooals boven gezegd werd, de geest en het leven verdwenen waren. Hij zelf toch stelde zijne sacramenten in, als uileilijke teekenen, maar die vol zijn van inwendige genade.
HOOFDSTUK IX.
RONDRF.1S DOOR GALILF.A. VHRSC11ILLF.NDE WONDF.RWERKEN.
(Matth. IV; Marc, I; Luc. IV en V en Joan. IV.)
I* a zijn tweedaagsch verblijf te Sichar in Samaria trok Jcsus naar Galilea. Vooreerst Ki begaf hij zich nog niet naar het in die landstreek gelegen Nazareth, omdat, getuigde hij, een profeet in zijne vaderstad niet geëerd wordt.
De Galileërs, van wie er velen met hem te Jerusalem op het paasclifeest waren geweest en alles gezien hadden wat hij daar gedaan had, ontvingen hem goed. Hij verkondigde hun de blijde boodschap van het rijk Gods, waarbij hij onder meer sprak: De tijd is vervuld, het rijk Gods is genaderd; doet boetvaardigheid en gelooft aan het evangelie. Rr ging nu door geheel het landschap een goed gerucht van hem uit, en hij predikte daar alom in de synagogen en werd door allen hoog geprezen.
Op zijne reis kwam hij ook te Cana, waar hij vroeger water in wijn had veranderd. Daar naderde hem een zeker hoveling, wiens zoon te Capharnaüm ziek lag, en verzocht hem mede te gaan, om zijn zoon te genezen. Jesus zeide tot den hoveling: Als gijlieden geene teekenen en wonderen aanschouwt, gelooft gijniet. Doch de hoveling bad : Heer, kom toch, eer mijn zoon sterft. Thans sprak Jesus : Ga, uw zoon leeft. De man geloofde dit woord en ging heen. Onderweg kwamen hem reeds zijne dienstknechten te gemoet en boodschapten hem, dat zijn zoen leefde. Hij vroeg hun nu naar het uur, waarop zijn zoon beter was geworden. Zij antwoordden hem : gisteren ten zeven ure heeft hem de koorts verlaten. De vader erkende dat dit hetzelfde uur was, waarop Jesus hem gezegd had: Ga, uw zoon leeft; hij £ loofde alsdan met geheel zijn huisgezin. Dit was het tweede teeken, dat Jesus te Cana verrichue.
Van Cana ging Jesus naar Capharnaüm gelegen aan de Zee van Galilea, ook genoemd het Meer van Genezareth. Op zekeren dag langs liet meer wandelende, zag hij aan den oever twee schepen liggen, waarvao het eene toebehoorde aan Simon Petrus en diens broeder Andreas (dezelfden die hij vroeger geroepe i had, maar die zicli weder aan hun werk hadden begeven); het andere was het eigendom van de beide broeders Jacobus en Joannes met hun vader Zebedeüs. Daar het volk op Jesus aandrong om het woord Gods te hooien, ging hij op een der schepen dat aan Simon toekwam, en verzocht een weinig van land te steken. Vervolgens zich nederzettende leerde hij de scharen.
Nadat hij opgehouden had te spreken, zeide hij tot Simon: Steek in volle zee, en werpt (gij en uw volk) de netten uit ter vangst. Simon antwoordde: Meester, den ganschen nacht hebben wij gearbeid en niets gevangen, doch op uw woord zal ik het net uitwerpen. Toen zij dit gedaan hadden, vingen zij eene zoo groote menigte visschen, dat hun net èegon te scheuren, Daarop hunne medegellen van het andere schip wenkende, vulden zij
ii
4i8 bIJBEt.SCHE GRSCHIKDP.VI^.
beide schepen, zoodat deze bijna zonken. Dit ziende vie! Simon aan Jesus' knieën neder en zeide : Heer, ga van mij, want ik ben een zondig mensch ! Trouwens, verbazing had hem en al de zijnen aangegrepen om de vischvangst die zij gedaan hadden, en evenzoo Simons medegezellen Jacobus en Joannes. Jesus sprak nu tot Simon en vervolgens tot de anderen: vreest niet, voortaan zult gij menschen vangen. Alle vier verlieten thans hunne schepen en dienstknechten â de beide zonen van Zebedeüs bovendien hun vader â en volgden Jesus.
Gedurende zijn verblijf te Capharnaüm ging Jesus telken sabbat in de synagoge de scharen onderwijzen, en deze stonden verbaasd over zijne leer, want hij sprak niet als de schriftgeleerden, maar als met macht bekleed. Daar was nu in de synagoge een man, bezeten door een onreinen geest, welke door den mond des mans uitriep: Laat af, Jesus de Nazerener! Wat hebben wij met u te doen? Zijt gij gekomen, om ons te verderven ? Ik weet, wie gij zijt: de Heilige Gods. Op straffen toon gebood Jesus den boozen geest; Verstom, en ga. uit van hem! De booze geest, den man als vaneenscheurende en hem midden in de synagoge op den grond werpende, doch zonder hem verder eenig letsel te doen, ging schreeuwende uit. De scharen, hiervan getuigen, stonden ten hoogste verbaasd en spraken onderling: Wat is dit toch? Welke is deze nieuwe leer? Want met macht gebiedt hij ook den onreinen geesten, en zij gehoorzamen hem. â Het gerucht van dit wonder verbreidde zich snel over geheel de landstreek van Galilea.
Uit de synagoge begaf Jesus zich met Simon en Andreas, vergezeld van Jacobus tn Joannes, naar Simons en Andreas' huis, waar Simons schoonmoeder in een zware koorts te bed lag. De leeilingeu vroegen hun meester haar te genezen, en Jesus zich over de vrouw heenbuigende, gebood de koorts haar te verlaten. Oogenblikkelijk was de vrouw zoo geheel hersteld, dat zij opstond en Jesus en de zijnen aan tafel bediende,
Des avonds, toen de zon ondergegaan en dus de sabbat afgeloopen was, brachten allen, die zieken hadden aan verschillende kwalen, ze tot hem, terwijl geheel de stad voor het huis vergaderd stond. Hij legde aan ieder der zieken de handen op en genas hen. Ook bracht men hem velen, die door booze geesten waren bezeten: hij dreef de booze geesten uit, en deze gingen heen, roepende en schreeuwende: Gij zijt de Zoon Gods! Jesus echter legde hun het zwijgen op, wijl iiij niet wilde, dat door den onreinen mond des Satans zou verkondigd worden wie hij was.
Des anderen daags, na zeer vroeg te zijn opgestaan, begaf Jesus zich naar eene eenzame, woeste plaats en verrichtte er zijn gebed. Simon en de andere leerlingen gingen daar tot hem en zeiden: Allen zoeken u. Jesus stond dan op, doch sprak: Laat ons naar de naburige vlekken en steden gaan, opdat ik ook daar predik, want ten dien einde ben ik gekomen. De scharen wilden hem bij zich houden, maar ook tot deze zeide hij : Aan andere steden moet ik evenzeer het rijk Gods verkondigen: daartoe toch ben ik gezonden. Hij trok nu geheel Galilea door, overal in de synagogen het evangelie verkondigende, de zieken genezende en de duivelen uitdrijvende.
Wist de duivel vroeger niet, of Jesus de Zoon Gods dan wel alleen een buitengewoon heilig mensch was, in den laatsten tijd was hem dit duidelijk geworden, doordien hij de voorspellingen der profeten van het Oude Verbond stuk voor stuk in jesus vervuld zag.
RIJBELSCHE GESCHIEDENIS
HOOFDSTUK X.
J F. S U S ' R F, I S NAAR HET LAND DER G E R A S F N E N EN TERUG NAAR GAL II. FA. ROEPING VAN I'UIL 11'PUS EN MAT TM LUS. V E R S C H I L LEND E W O N D F R \V E R K E N.
(Matth. VIII en IX; ;.Uiic. IV, V en VI; Luc. IX, VIII en V.)
65115 ugt;t Galilca willende vertrekken, begaf zich naar liet Meer van Genesareth om tlit over te varen. Onderweg naderde hem een schriftgeleerde en zeide: Meester, fi'é 2a' 11 volgen, waarhten gij ook gaat. Jesus sprak tot dezen man (die vvaar-
schijnlijk door hoop op tijdelijk voordeel werd gedreven): de vossen hebben hunne 'l'5, holen en de vogelen des hemels hunne nesten, maar de Zoon des Menschen heeft 1 niets, waarop hij zijn hoofd kan ter ruste leggen. Tot een van zijne leerlingen die hem vroeg; Heer, sla mij toe eerst mijn vader te begraven, sprak Jesus; Volg mij; laat de dooden hunne dooden begraven; gij echter ga en verkondig het rijk Gods. F.en andei zeide tot hem: Ik zal u volgen, maar vergun mij eerst afstand te doen van wat ik tehuis heb. Tot dezen sprak Jesus: Niemand, die zijne hand aan den ploeg geslagen heeft en achterwaarts ziet, is voor het rijk Gods geschikt.
Des avonds op een dier dagen sprak Jesus tot zijne leerlingen; Laat ons het meer overvaren. Zijne leerlingen verwijderden zich van de scharen en klommen met hem in het schip. Daar waren bij hen ook nog andere schepen. Terwijl zij overstaken, verhief zich op het meer een geweldige storm, zoodat het scheepje, waarin Jesus zich bevond, telkens door de golven overdekt werd; hij echter sliep gerust op een hoofdkussen bij den achtersteven. Zijne leerlingen kwamen daar bij hem, wekten hem en zeiden: Heer, red ons; wij vergaan! Jesus antwoordde: Wat zijt gij bevreesd, gij kleingeloovigen? Voorts opstaande quot;bestrafte hij den wind en zeide tot het meer; Zwijg, verstom! Oogenblikkelijk ging op dat woord de storm liggen, en er kwam eene groote kalmte. Alle menschen (welke in dit schip en in de andere schepen waren) stonden verbaasd en zeide; Wie, denkt gij, is deze, die aan de winden en de zee gebiedt, en wien winden en zee gehoorzamen?
Daarna hunne vaart voortzettende landden zij aan het gewest der Gerasenen, tegenover Galilea. Zoodra Jesus hier uit het schip steeg, liepen hem twee door duivelen bezetenen te aemoet, die zich in grafholen ophielden en zoo woest waren dat niemand langs dien wequot; durlde gaan. Een hunner, die reeds langen tijd bezeten was, droeg zelfs geene kleederen aan zijn lichaam, en zijne woestheid was zoo groot, dat men hem met geen ijzeren ketenen kon boeien. Fens toen men dit beproefd had, had hij de ketenen verbroken en de voetkluisters verbrijzeld, en sedert kon niemand hem temmen. Dag en nacht waarde hij rond, nu eens op de bergen, dan weder in de zich daarin bevindende grafholen, aanhoudend schreeuwende en zich met steenen slaamle. Niet zoodra echter had hij Jesus gezien, ol hij wierp zich aan diens voeten neder en aanbad hem. Doch levens begon hij â ot eigenlijk de booze geest door zijn mond â te schreeuwen en te roepen: Wat heb ik met u te doen, Jesus, Zoon des Allerhoogsten 1 Zijt gij hier gekomen, om voor den tijd ons te kwellen? Desgelijks riep ook de andere bezetene, terwijl de eerste daar nog bijvoegde: Ik bezweer u bij God, kwel mij niet. Gebiedend vroeg Jesus den onreinen geest; Hoe is uw naam? Het antwoord luidde: Legioen is mijn naam; want wij zijn velen. Daarop baden hem de duivelen, dat hij hen toch niet buiten die landstreek en naar den algrond zoude verbannen. Er bevond zich nu in de nabijheid eene kudde varkens, waarin de duivelen verzochten te mogen gaan. Jesus stond het hun toe, en zoodra de duivelen de menschen hadden verlaten en in de varkens waren gevaren, liep de gansche kudde, nagenoeg twee duizend stuks, met groot geweld op het meer aan, stoute zich daarin en verdronk. Op dit
419
BIJBKLSCHE GESCHIEDENIS.
gezicht vluchtten de varkenshoeders verschrikt naar de steden en dorpen, waar zij tehuis behoorden, en verhaalden daar hetgeen met hunne dieren en met de beide van de duivelen bezeten mannen geschied was. Onmiddellijk trokken de Gerasenen uit, om zich met eigen oogen van het gebeurde te overtuigen. Zij kwamen bij Jesus en vonden aan zijne voeten den vroeger ontembaren man zitten, uit wien de duivelen verdreven waren; hij was nu gekleed en goed bij zinnen. De Gerasenen lieten zich door de omstanders alles nog eens breedvoerig verhalen en verzochten daarop Jesus van hen heen te gaan, want zij waren met groote \rces bevangen. Jesus keerde alsdan naar het schip terug, gevolgd door zijne leerlingen en door den vroegeren woesteling, die hém smeekte bij hem te mogen blijven. Jesus echter zeide hem: Ga naar uw huis en naar de uwen, en verkondig hun, welke groote dingen de Heer u gedaan en hoe hij zich over u erbarmd heeft. De man gehoorzaamde en verkondigde in geheel die landstreek de wonderwerken Gods, waarover allen, die ze hoorden, verbaasd stonden.
Inmiddels voer Jesus met dc zijnen over het meer weder naar Galilea en werd aan den oever ontvangen door de scharen, die zijn terugkomst verwachtten. Het huis te Capharnaüm, waar hij zijn intrek nam, was weldra door eene groote menigte menschen omringd, en onder degenen die daar met hem binnen waren, om zijne leer te hooren, bevonden zich ook Pharizeën en wetgeleerden uit alle streken van Galilea en zelfs uit Judea en Jerusalem. Terw.jl hij hun het woord Gods verkondigde, kwamen er vier mannen, die op een bed een lamme droegen. In de onmogelijkheid om met hun lijder door de dichte scharen, die het huis omgaven, heen te dringen, klommen zij op het platdak, maakten hierin een opening en lieten den lamme met zijn bed daardoor zakken, zooJat hij vlak voor Jesus' voeten nederkwam. Jesus, het geloof dier menschen ziende, sprak tot den lamme; Betrouw, zoon, uwe zonden worden u vergeven. Sommige van de schriftgeleerden zeiden daarop in zich zeiven: Deze mensch lastert God. Wie kan de zonden vergeven tenzij God alleen? Jesus, hunne gedachten ziende, sprak tot hen: Waarom denkt gij kwaad in uwe harten? Wat is gemakkelijker te zeggen: Uwe zonden worden u vergeven; of te zeggen: Sta op en wandel? Doch opdat gij weten moogt, dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde de zonden te vergeven: Sta op â sprak hij alsdan tot den lamme â neem uw bed op en ga naar uw huis! Oogenbükkelijk stond de lamme op en ging naar zijn huis. Bi' het zien van dit teeken, waardoor Jesus het bewijs leverde, dat het hem in waarheid toekwam de zonden kwijt te schelden, werden de scharen met eerbied en ontzag vervuld, en zij verheerlijkten God, die zoodanige macht om wonderen te werken had geschonken aan iemand, dien zij nog slechts voor een mensch hielden. Groote dingen, zeiden zij, hebben wij heden aanschouwd; nooit zagen wij zoo iets.
Daarop begaf Jesus zich naar het meer, en onderwees de scharen, die hem vergezelden. Langs het meer gaande, zag hij aan een tolhuis den tollenaar zitten, die Levi of ook Matlheüs genoemd werd. (Dit was Mattheüs, de latere apostel en evangelist.) Jesus sprak tot den tollenaar: Volg mij, Oogenblikkelijk stond de man op en volgde hem. Lenigen tijd later gebruikte Jesus met zijne leerlingen in het huis van Mattheüs den maaltijd, waarbij ook vele andere tollenaars en openbare zondaren aanzaten. De Pharizeën, dit ziende, spraken tot de leerlingen: Waarom eet uw meester met de tollenaars en de zondaars? Jesus, die deze vraag hoorde, gaf den Pharizeën ten antwoord: Niet de gezonden hebben den geneesmeester noodig, maar de zieken. Gaat dan en leert wat het beteekent: Barmhartigheid wil ik en geen offer; want ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar ter wille van de zondaars, om dezen te roepen tot boetvaardigheid.
Alsdan kwamen tot hem leerlingen van Joannes den Dooper met eenige Pharizeën, en vroegen hem: Waarom vasten de leerlingen van Joannes dikwijls, gelijk ook de Pharizeën, terwijl de uwen geregeld eten en drinken? Jesus antwoordde hun: Kunt gij de vrienden des bruidegoms doen vasten en doen treuren, zoolang de bruidegom bij hen is? Zoolang kunnen zij niet vasten; maar de dagen zullen komen, dat de bruidegom van hen wordt
430
BIJBFLSCHE GF.SCHIF.nF.NIS, 42,
â weggenomen, dan zullen zij vasten. Voorts sprak hij daarover in gelijkenis: Niemand zet een lap nieuw laken op een oud kleed; want die lap ontneemt aan het kleed zijne heelheid, en erger wordt de scheur. Ook doet men geen nieuwen wijn in oude wijnzakken; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren; maar nieuwen wijn doet men in nieuwe zakken; en beiden worden behouden. Evenzoo wil niemand, die ouden wijn drinkt, terstond nieuwen; want hij zegt: de oude is beter.
Terwijl Jesus aldus sprak, kwam tot hem een overste der synagoge, met name Jaïrus, die in diepe vereering aan zijne voeten nederviel en hem smeekte, mede te willen gaan naar zijn huis, wijl zijne eenige dochter, een kind van ongeveer twaalf jaren, op sterven lag. Mijne dochter, zeide hij tot Jesus, ligt op haar uiterste, maar kom, leg haar uwe hand op, en zij zal leven. Jesus ging dan mede, vergezeld van eene groote menigte, welke van alle kanten dicht tegen hem aandrong.
Daar was nu eene vrouw, die reeds twaalf jaren eene bloedvloeiing had; zij had veel geleden, vele geneesmeesters geraadpleegd, en haar geheele vermogen aan haar herstel ten koste gelegd, doch in plaats van baat te vinden, was hare kwaal steeds erger geworden. De/.e vrouw, van Jesus gehoord hebbende, mengde zich onder de scharen, drong naar voren en raakte Jesus' kleed aan, bij zich zelve denkende: als ik ook maar zijn kleed aanraak, zal ik genezen zijn. En inderdaad, op hetzelfde oogenblik gevoelde zij, dat zij genezen was. Jesus had (met zijne menschelijke oogen) de vrouw niet bespeurd, maar ontwarende dat er van hem eene kracht was uitgegaan, keerde hij zich om en vroeg aan de schare: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? Petrus en de andere leerlingen zeiden daarop: Gij ziet, dat de schare u dringt, en gij vraagt: wie heeft mij aangeraakt? Doch hij blikte in het rond, om degene te vinden, door wie de aanraking was geschied. De vrouw dit ziende en zich bewust van hetgeen met haar was gebeurd, trad beschroomd en bevende vooruit, wierp zich aan Jesus voeten neder en bekende hem, ten aanhooren des volks, de geheele toedracht der zaak. Jesus zag de vrouw aan en sprak tot haar: Betrouw, dochter, uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees hersteld van uwe kwaal, Van dat uur af nu was de vrouw gezond.
Nauwelijks had dit wonderwerk plaats gehad, of er kwam iemand bij den overste der synagoge en zeide tot hem: uwe dochter is gestorven, wat valt gij den Meester nog lastig? Maar Jesus, die dit woord hoorde, sprak tot Jaïrus, den vader van het kind: Vrees niet, geloof slechts en zij zal behouden worden. Toen hij daarna in het huis van den overste kwam en de fluitspelers en de misbaar-makende menigte zag, zeide hij: Waarom maakt gij misbaar en weent gij? het dochtertje is niet dood, het slaapt slechts. Doch zij lachten hem uit. Hij deed hen nu het huis ontruimen; alleen de vader en moeder van het kind, benevens drie zijner leerlingen. Petrus, Jacobus en Joannes, die de broeder van Jacobus was, mochten van hetgeen hij doen ging getuigen wezen. Hij nam hen mede naar het vertrek, waar het dochtertje lag, en hare hand vattende sprak hij: Ta lit ha c u m i, wat beteekent: dochtertje, ik zeg u, sta op! Oogenblikkclijk stond zij op en wandelde. Daarna beval hij, dat men haar te eten zou geven. De ouders nu waren ten hoogste verbaasd, en ofschoon Jesus hun verbood over dit wonder te spreken (wijl hij de toejuiching der menigte niet wilde), verspreidde zich toch het gerucht daarvan door het gansche land.
Op zijn terugreis naar Capharnaüm werd Jesus gevolgd door twee blinden, die uitriepen: Zoon van David, ontferm u onzer! Eindelijk gingen zij ook het huis binnen, waar hij zijn intrek had genomen, en daar sprak hij tot hen: Gelooft gij, dat ik u doen kan naar uw verlangen? Zij antwoordden hem: Ja, Heer! Toen raakte hij hunne oogen aan onder het spreken der woorden: U geschiede naar uw geloof. Terstond gingen hun de oogen open, en hoewel Jesus hun ernstig op het hart drukte: Ziet toe, dat niemand het wete â snelden zij naar buiten, en, aan hun dankbaar gemoed lucht gevende, maakten zij de weldaad, hun door Jesus bewezen, in geheel die landstreek bekend.
Daarna biacht men Jesus een stomme^ die door den duivel bezeten was; Jesus dreef den
mjRELSCHE GESCHIEDENIS.
duivel uit en oogenblikkelijk kon de stomntie spreken. De scharengt; over al deEf wonderen verbaasd, getuiffden luide: Nooit is zoo iets gezien In Israel! De Pharizecn daarentegen
' o o o o
(van afgunst verteerd) spraken: Door den vorst der duivelen drijft hij de duivelen uit.
i. Volgens eene oude overlevering, door den II. Clemens van Alexnndrië opgeleckend, was de leerling, tot wien Jesns sprak : «Laat de dooden hunne dooden begravenquot;, de latere apostel Pliilippus. De bloedverwanten van dien leerling waren «doodenquot;, d. i., zegt de H. Ainbrosins, zij waren dood voor het leven des geestcs en der genade, zoo dat het zeer te vreezen stond, dat, als liij ter begrafenis zijns vaders bij hen terugkeerde, zij hem van het volgen van Jesus zouden hebben afgeliouden. Jesus verbiedt dus met de aangehaalde woorden in het algemeen niet, de laatste plichten jegens de ouders te vervullen; integendeel, hij wil dat de menscli zijne ouders eer.*; maar IMiilippus' ziel liep gev.ur, en dat wille Jesus voorkomen, liet heil der ziel toch gaat boven alles: indien uw hand u ergert, kap ze af; indien uw oog u ergert, ruk het uit.
Den naam «Legioen'*, dien de duivel zich i^af, zon men hier het best kunnen vertalen door »Groote Menigte.quot; De beide ongelukkigen â vooral e n hunner â waren niet door een enkelen duivel, maar door velen te gelijk bezeten.
5. De (jerasenen waren heidenen. Meer bekommerd om hunne varkens dan om de zaligheid hunner ziel, vroegen zij J mis, zich uit hun land te verwijderen, wijl zij vreesden, dat hij hun a.i.Lrs nog meerdere schade aan hm.nc tijdelijke goederen zou toebrengen, l-cne dergelijke g vinJheid als bij deze buiten de kennis der waarheid levende menschen vindt men soms ook bij enkelen, die zich christenen noemen, zij zijn bevreesd voor wat /ij een al te groote genade achten, omdat hun tij.lelijk gewin daar misschien onder kan lij len. â De duivelen wenscher in de varkens te mogen gaan, i0. omdat het hunne natuur is kwaad te veroorzaken, eu om '.'aardoor de Gerasenen tegen Jesus op te zetten. Jesus liet het hun toe, zooals hij nog hedendaags toela.u lat de duivel ons bekoort; de bekoring toch is geeue zonde, sloclits eene beproeving, en de mensch blijft tegenover haar vrij.
4. Wordt een nieuwe lap gezet op een oud, dat wil zeggen: op een geheel versleten kleed, Jan breekt dit bij de nieuwe lap at en de sche ir wordt nog grooter. Zoo ook passen voor jesus' leerlingen, zooi.nig zij oude d. i. nog niet door den 11. Geest omgeschapen menschen zijn, geen nieuwe werken van christelijke versterving: vasten, lijden en ontberingen. Later, als de Bruidegom is weggenomen, en de apostelen met den 11. Geest zijn uitgerust, dan zullen zij vasten. De overlevering getuigt, dat de eerste christenen algemeen vastten op den dag der wegneming van Christus door den dood, op Vrijdag, en ook velen op Zaterdag.
5. De ouden bewaarden hun wijn in lederen zakken. De gelijkenis, door Jesus daaraan ontleend, komt op hetzelfde neer als die van de lap en het kleed.
HOOFDSTUK XL
EEN LAMME SEDERT 38 JAREN. ZIJNE GENEZING EN DIE VAN EEN ANDER OP DEN SABBAT. TOORN DER JODEN DAAROVER.
(Joan. V ; Ma 1 rn. XII; Mauc. II en III ; Luc, VI.)
e dien tijde was er een feest der Joden, en Jesus ging op naar Jerusalem. Te Jerusalem nu bevond zich (bij de Schaapspoort) het schaapsbad, in het liebreeuwsch genoemd Bclhsaïda (of Bethesda). In een groot gebouw mei vijf gaanderijen, dat den vijver omgaf, lagen eene menigte zieken, blinden, kreupelen en teringlijders, wachtende op de roering des waters. Van tijd tot tijd toch werd het water in het bad door een en engel des Heeren bewogen, en wie er dan let eerste in afdaalde, werd genezen, om het even door welke kwaal hij was aangetast. Onder al die ongelukkigen was er een, die reeds 38 jaren verlamd was. Toen Jesus dezen zag liggen en hoorde, dat hij reeds zoolang leed, vroeg bij hem: Wilt gij gezond worden? De man antwoordde: Heer, ik heb niemand, die mij, als liet water bewogen wordt, in het bad werpt, en wanneer ik zelf mij daarheen sleep, is een ander mij reeds voorgegaan. Jesus zeide hem: Sta op , neem uw bed op en wandel. De man deed wat Jesus hem zeide: hij was genezen. Dit geschiedde op een sabbat.
De Joden, den man ziende gaan, zeiden tot hem: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd uw bed te dragen. De man antwoordde: Die mij gezond gemaakt heeft, heeft
42?
tot mij gezegd : neem uw bed op en wandel. Zij vroegen hem nu : Wie is die mensch ? Doch de genezene wist niet wie het was; want Jesus liad zich verwijderd uit de schare, welke zich op die plaats bevond. Eenigen tijd later echter ontmoette Jesus den man in den tempel en zcide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig nu niet meer, opdat u niet wat ergers overkome. De man, daarop heengaande, berichtte den joden, dat het Jesus was, die hem gezoiul gemaakt had. De Joden wilden nu Jesus als een sabbatschen-ner vervolgen, omdat hij op den rustdag een mensch genezen had. Te dien einde begaven zij zich met hem in gesprek, doch hij zeide hun: Mijn vader werkt tot nu toe (door het onderhouden der wereld ook op den sabbat) en ook ik werk. Om dit woord waren de Joden er nog meer op bedacht hem te dooden, wijl hij niet alleen den sabbat brak, maar bovendien God zijn vader noemde, zich gelijk makende aan God.
Jesus sprak daarop tot hen; Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: De Zoon kan van zich zelven niets doen dan hetgeen hij den Vader ziet doen: want al wat deze doet, doet de Zoon insgelijks. Want de Vader heeft den Zoon lief en toont hem alles wat hij zelf doet; en groctere werken dan deze zal hij hem toonen. opdat gij u verwondert. Want gelijk de vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo maakt ook de Zoon levend wie hij wil... Voorwaar, voorwaar ik zeg u: het uur komt en is reeds daar, dat de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren; en die haar zullen gehoord hebben, zullen leven. Want gelijk de Vader het leven heeft in zich zelven, zoo heeft hij ook aan den Zoon gegeven het leven in zich zelven te hebben, en hij heelt hem macht geschonken om gericht te houden, wijl hij de Zoon des menschen is... De werken, welke de Vader mij te volbrengen gegeven heeft, die werken zelven, welke ik doe, getuigen van mij, dat de Vader mij gezonden heeft. Ook de Vader, die mij gezonden heeft, hij zelf heeft van mij getuigenis gegeven. Gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien; en zijn woord hebt gij niet in u blijvende, want hem, dien hij gezonden heeft, dien gelooft gij niet. Gij onderzoekt de Schriften, wijl gij meent, dat gij in haar het eeuwige leven hebt: zij zijn het die van mij getuigenis geven, en toch wilt gij niet tot mij komen, om het leven te hebben. Here van menschen zoek ik niet (niet daarom verwijt ik u, dat gij niet tot mij wilt komen); maar ik ken u, dat gij de liefde Gods niet in u hebt (dat is de reden waarom gij mij verwerpt). Ik ben gekomen in den n.iam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in eigen naam, dien zult gij aannemen. Hoe kunt gij gelooven, gij, die eer van elkander neemt; en die de eer, welke van God alleen komt, niet zoekt? Meent niet, dat ik u bij den Vader zal aanklagen; uw aanklager is Moses, op wien gij uwe hoop gesteld hebt. Want indien gij Moses geloofdet, zoudt gij gewis ook mij gelooven, van mij toch heeft hij geschreven. Maar als gij zijne geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven ?
Op een anderen sabbat, terwijl Jesus door een korenveld wandelde, en zijne leerlingen, die honger hadden, al voortgaande eenige aren plukten en daarvan aten, zeiden de Pha-rizetin tot hem: Zie, uwe leerlingen doen iets, wat niet geoorloofd is op sabbat te doen. Jesus antwoordde den Pharizeen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heelt, toen de nood hem drong en hij en zijne manschappciT honger hadden; hoe hij toen in het huis Gods ging, onder den hoógepriester Abiathar, en van de toonbrooden at, waarvan niemand mocht eten dan de priesters, en hoe hij daar ook van gaf aan zijne manschappen? Hebt gij ook niet gelezen in de Wet, hoe op de sabbatdagen dc priesters in den tempel den sabbat schenden (door te slachten en offers op te dragen), en toch onschuldig zijn? Ik nu zeg u; Een grootere dan de tempel is hier. Doch, indien gij wist wat het is: Barmhartigheid wil ik en geen offer, nooit zoudt gij onschuldigen veroordeeld hebben; want de Zoon des menschen is heer ook van den sabbat. (De leerlingen zijn onschuldig; want hij die meer is dan Abiathar, meer dan dc tempel, en heer is over den sabbat, hij liet het bun toe, aren te plukken om hun honger te stillen.)
üp nog een anderen sabbat (toen Jesus wederom naar Galilea was gegaan) begaf hij
444
zich naar de synagoge, waar hij het volk leerde, Onder de menigte nu bevond zich een man, wiens rechterhand verdord was. De schriftgeleerden en Pharizeën gaven derhalve acht op Jesus, ol hij weder op sabbat eene genezing zou verrichten, opdat zij iets mochten vinden, waarvan zij hem zouden kunnen beschuldigen. Jesus, in hun hart lezende, sprak tot den man met de verdorde hand; Sta op en plaats u in het midden. Nadat de man aldus gedaan had, zcide lesus tot de schriftgeleerden en de Pharizeën; Ik vraag u, of het op den sabbat geoorloofd is goed te doen of kwaad, een leven te redden of te dooden? Daar zij op die vraag zwegen, sprak hij verder: Welk mensch is er onder u, die een schaap heelt, en als dit op een sabbat in een put valt, het er niet uil trekt? Hoeveel nu is een mensch niet waardiger dan een schaap! Het is dus geoorloofd, op sabbat goed te doen. Daarna allen rondom hem aanziende, sprak hij tot den man: Steek uwe hand uit. De man deed het: zijne hand was hersteld.
Razend van woede stormden de Pharizeën naar buiten en pleegden raad met de Hero-dianen, hoe zij Jesus zouden kunnen verderven. Doch Jesus hunne plannen kennende, gino-naar het meer, gevolgd door eene groote menigte uit Galilea, uit Judea en Jerusalem, uit Idumea en het land over den Jordaan; ja, zelfs uit den omtrek der heidensche steden Tyr.is en Sidon, waar men van zijne wonderwerken gehoord had, waren velen tot hem gekomen. Hij zeide nu tot zijne leerlingen, dat steeds een scheepje te zijner beschikking moest liggen, opdat hij zich uit het gedrang der schare zou kunnen bevrijden; want allen, die aan eenige kwaal leden â en dit waren er velen, die bij trouwens ook genas â drongen op hem toe, om hem aan te raken. En die door onreine geesten bezeten waren, wierpen zich aan zijne voeten neder onder den uitroep; Gij zijt de zoon Gods! Hij intusschen beval den geesten op straffen toon, hem niet te verkondigen.
1. De beschuldiging der Joden, dat Jesus zich gelijk maakt aan God, wordt door hem niet afgeweerd; integendeel hij aanvaardt en bevestigt haar. «Al wat de Vader doet,quot; zegt hij, «doet de Zoon desgelijks. .. Gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo maakt ook de Zoon levend wie hij wil.quot;
Daar de drie goddelijke personen slechts één en dezelfde natuur en dus een en dezelfde werkkracht hebben, en van dezi lt; éne werkkracht alle goddelijke werken , welke zich nnar buiten openbaren , voortkomen , zoo zijn die werken noodzakelijkerwijze het gemeenschappelijke werk v.m geheel de H. Drieëenheid. Hij wijze van spreken schrijven wij gewoonlijk aan den Vader de schepping, aan den Zoon de verlossing, aan den H. Geest de heiligmaking toe. In werkelijkheid echter is dit minder juist. Wijl er toch slechts één scheppingskracht is: de goddelijke natuur â en deze natuur van al de drie Personen is, zoo is de schepping aan alle drie gemeen. Igt;e Zoon verlost, maar desgelijks de Vader en desgelijks de 11. Geest. De H. Geest heiligt, maar desgelijks de Vader, desgelijks de Zoon. 't Is één schepping, een verlossing, één heiligmaking van al do drie personen. Vandaar zegt Jesus: Al wat de Vader doet, doet de Zoon desgelijks. Dat hij hier van den H. Geest niet spreekt, is natuurlijk; de Joden gaven hem daar geen aanleiding toe, en hij achtte den tijd nog niet gekomen, het verhevenste gehe m in zijne volheid te openbaren. Later zal hij over den H. Geest spreken tot zijne apostelen.
Nog een ander woord des Verlossers vereischt toelichting: «De Zoon kan van zich zei ven niets doen, dan hetgeen hij den Vader ziet doen.quot; De Vader komt van niemand voort. Ilij, zonder Begin en Oorsprong, is hel Begin en do Ooi sprong van de andere twee Personen. De Zoon is uit den Vader geboren, en met den Vader is hij het Begin en de Oorsprong van den H. Geest. De H. Geest komt voort van den Vaderen den Zoon.
Van eeuwigheid uit den Vader geboren , en dus evenzeer eeu wig nis de Vader, ontvangt de Zoon, door de eeuwige geboorte, van den Vader de goddelijke natuur, welke natuur hem van eeuwigheid wordt medegedeeld. Hij kan dus, wijl de natuur het beginsel is, waardoor de goddelijke werken verricht worden, uit zich zeiven niets doen; maar de Vader «toontquot; hem alles d. i. deelt hem de goddelijke natuur van eeuwigheid mede. Dit «van eeuwigheidquot; dient men in 'toog te houden: de Vader toch is niet eerder geweest dan de Zoon en de H. Geest; alle drie zijn even oud , d. i. eeuwig, even wijs en even machtig: de drie Personen zijn slechts één God,
2. De laatste en diepe grond, waarom de Joden Christus niet aannamen , lag hierin , dat hij kwam in de n naam z ij n s V a d e rs, als gave Gods, als Verlosser. Over zijne armoede , zijn schijnbaar nederige afkomst enz., zouden zij zich hebben kunnen heen zetten; hij stamde toch in allen gevalle uit het koninklijke huis Davids. Maar hij kwam als Verlosser, om redding te brengen, en hunne trots meende geene redding noodig te hebben: zij waren niet zondig, dachten zij, maar heilig, heilig uit zich zeiven. Hij kwam als gave, en zij wilden geen aalmoes, zij meenden met eigen kracht de zaligheid te kunnen verdienen. Hij kwam in den naam zijns Vaders, a!s geschenk van boven, en het Jodendom was huns inziens groot genoeg, om zelf zijn Messias voort te brengen. Een ander, die in eigen naam kwam, alleen als kind der heerlijke en heilige Joodsche maat-â¢chappij, hem zouden lij hebben aangenomen. Zoozeer was dit geslacht van zijne edele vaderen, van den ge-
mjBFLSCHE GESCHIF.DF.N1S. .125
loovigen Abraham, den ootmoediger! Jacob, den op God vertrouwenden David ontaard! Het ontbrak dit geslacht*
geheel aan nederigheid, aan «armoede van geest,quot; gelijk de Verlosser het noemt; en slechts de «armen van geest,quot; die niet aan eigen krachten genoeg hebben, maar ootmoedig en hulpbehoevend de verlossing als gave van boven verwachten, /.ij slechts zullen tot het rijk der hemelen komen.
3, In navolging van alle katholieke schrijvers is boven vertaald: »Gij onderzoekt de schriften , wijl gij meent' enz De protestanten vertalen in den regel in de gebiedeiuie wijze: «Onderzoekt de schriften.quot; liet grieksthe woord, door den evangelist gebruikt, zou, als het op zich zelf stond, beide vertalingen met evenveel recht toelaten; uit het zinverband echter blijkt, dat het in het Nede.landsch moet luiden: «(iij onderzoekt.quot; De Zaligmaker gebiedt dus het onderzoek der Sthriften niet; hij laat lie zaak in het midden. Doch al had hij het geboden, dan volgde daar nog niets uit voor Christenen; niet lot dezulken spreekt li ij, die reeds in het bezit der waarheid zijn, maar tot de Joden, die nog tot Je waarheid moeten komen. Overigens spoort de H. Kerk, aan wie de Verlosser zijne schapen en lammeren te weiden gaf, eenigen , zooals hare priesters, ten sterkste tot het lezen der H. Schrift aan; aan anderen, ilie minder ontwikkeld zijn, laat zij het toe, of raadt het soms zelfs aan, wanneer de vertaling van voldoende ophelderingen voorzien is.
4. De lamme kende in het eerst Jesus niet; liij zag evenwel terecht in, dat iemand, die de macht had zoo s hittcrende wonderen te verrichten, ook bevoegd moest zijn, van het sabbatsgebod te onthelVen. Later, toen hij vernam, wie hem genezen had, wees hij Jesus den Joden aan, niet uit een verkeerde beweegreden, maar uit een gevoel van vreugde en dankbaarheid.
De door den Verlosser met een enkel woord aangestipte geschiedenis van David en den hoogepriester Abiathar is uitvoerig verhaald in de geschieden is van het Oude Testament hoofdstuk 74. Dat de hoogepriester daar Achimelech en hier Abiathar wordt genoemd, doet niets ter zake; uit Paralipomenon XV11I: 16 en XXIV; 8 toch blijkt, dat hij beide namen droeg.
HOOFDSTUK XII.
AANSTELLING DER APOSTELEN. DE BERGREDE.
(Matth. IV en V; Marc. Ill; Luc. VI en XII.)
-v
tie nabijheid van het Meer van Gencsarcth, werwaarts hij door cene talrijke schare gevolgd was, beklom Jesus een berg en bracht er den nacht door in het 4 gebed. Tegen den morgen riep hij, naar zijne keuze, uit dc menigte twaalf mannen bij zich, en terwijl bij ging zitten, stegen zij tot hem op. Hij stelde hen nu aan tot apostelen ter verkondiging van zijn woord en schonk hun tevens de macht om de zieken te genezen en dc duivelen uit te drijven. Het waren: Simon wien hij den bijnaam van Petrus gaf, de beide zonen van Zebedeüs, Jacobus en Joannes, die hij Boanarges, d. i. Zonen des Donders, noemde, Andreas de broeder van Petrus, Plii-lippus en Rartholomeüs, Mattheüs en Thomas, Jacobus de zoon van Alplieüs, en Simon de IJveraar, Judas Thaddeüs en Judas Iscarioth,
Vervolgens daalde hij met de twaalf af naar de bergvlakte, -waar hij weldra weder omringd was door zijne overige leerlingen en cene groote menigte volks, gekomen om hem te hooren en bij hem genezing te zoeken van allerlei kwalen. Hij genas de zieken, dreef de duivelen uit en zette zich daarna neder om het volk te leeren.
Alsdan zijn mond openende sprak hij; Zalig zijn de armen van geest (de ncderigen die zich zeiven mistrouwen), want hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijn de zachtmoe-digen, want zij zullen de aarde bezitten. Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden, Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien. Zalig zijn de vreedzamen want zij zullen Gods kinderen genoemd worden. Zalig zijn zij die vervolging lijden om de gerechtigheid, want hunner is het rijk der hemelen. â Zalig zijt gij, als men u vervolgt en, al liegende, allerlei kwaad tegen u gesproken zal hebben om mijnentwil; verheugt en verblijdt u, want uw loon is groot in den hemel. Zoo toch heeft men de profeten vervolgd,
K
54
426
die voor u geweest zijn. Doch wee u, gij rijken, want gij liebt uw troost al weg. Wee u, iJiC thans lacht, want treuren zult gij en wccncn. Wee u, wanneer de mcnschen u prijzen, want desgelijks handelden hunne vaderen met de valsche profeten.
Na deze woorden, tol allen gesproken, sprak Jesus verder (meer in het bijzonder tot zijne apostelen en overige leerlingen): Gij zijt het zout der aarde. /.00 nu het zout zijne kracht verloren heeft, waarmede zal het weder zout gemaakt worden? Het dient tot niets meer daa om weggeworpen en door de menschen vertreden te worden. â Gij zijt het licht der vereld. I.cnc stad, die op een berg gelegen is, kan niet verborgen blijven. Ook ontsteekt men geene lamp en zet haar onder de korenmaat, maar op den kandelaar, opdat zij schijne voor allen, die in het huis zijn. Zoo schijne uw licht voor de mcnschen, opdat zij uwe goede werken ziende, uwen Vader verheerlijken, die in den hemel is.
Meent niet (aldus sprak Jesus wederom tot al zijne hoorders), meent niet dat ik gekomen ben, om de \\ et en de profeten te niet te doen; niet daarom ben ik gekomen, maar om ze te volmaken. Voorwaar toch, ik zeg u: totdat hemel en aarde vergaan, zal er niet één jota of een stip van de Wet vergaan, totdat alles geschied zij. Wie dan een van de geringste geboden zal verbroken en aldus de menschen zal onderwezen hebben, zal een der geringsten genoemd worden in het rijk der hemelen; doch wie ze gehouden en geleerd zal hebben, zal groot genoemd worden in het rijk der hemelen. Dit verklaar ik u: indien uwe gerechtigheid niet overvloediger is dan die der schriitgeleerden en Pharizecn, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan. (De Pharizeên hielden alleen de uitwendige daad voor zonde; slechte woorden, slechte gedachten en begeerten achten zij of slechts door een gering gebod of in het geheel niet verboden. De Zaligmaker echter verklaart, dat wie een dier dingen gering acht er. dienovereenkomstig leert en handelt, zelf gering, d. i. te gering, zal geacht worden voor het rijk der hemelen, waar hij niet zal komen. Voorbeelden van hetgeen de Zaligmaker bedoelt haalt hij verschillende aan in de volgende regels.)
Gij weet, dat tot de ouden gezegd is: gij zult niet doodslaan, cn al wie doodslaat, zal schuldig zijn voor het gerecht. (De Pharizeên leeren, dat door die woorden alleen de uitwendige daad verboden wordt.) Doch ik zeg u ; alwie zich inwendig vertoornd op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht, en wie tot zijn broeder zegt: raka! zal schuldig zijn voor den Raad,en wie zegt; gij dwaas (goddelooze, God-verzaker), zal schuldig zijn aan het helsche vuur. Zoo gij uwe gift naar het altaar brengt en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heelt, laat uwe gift daar voor het altaar en ga u eerst met uwen broeder verzoenen, en dan komende, zult gij uwe gift offeren. Stem met uwen tegenstander spoedig overeen, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, omdat niet soms de tegenstander u overlevere aan den rechter, cn de rechter aan den gerechtsdienaar, en gij in den kerker wordet geworpen. Voorwaar ik zeg u: daar zult gij niet uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: gij zult geen overspel doen. Doch ik zeg u: zoo wie eene vrouw aanziet, om haar te begeeren, die heeft alreeds overspel met haar bedreven in zijn hart. Indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het van u; want het is u dienstiger, dat een uwer lichaamsdeelen verloren ga, dan dat geheel uw lichaam ter helle dale. Voorts is er gezegd: wie zijne vrouw verstoot, geve haar een scheidbrief. Ik echter zeg u: wie zijne vrouw verstoot, uitgenomen om overspel, maakt dat zij overspel doet, en wie eene verstotene trouwt, doet overspel.
Ook hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: gij zult niet valschelijk zweren, maar den Heer uwe eeden houden. Doch ik zeg u,in het geheel niet te zweren (tenzij om zwaarwichtige redenen), noch bij den hemel, want hij is de troon van God, noch bij de aarde, want zij is de rustbank zijner voeten, noch bij Jerusalem, want het is de stad des grooten Konings (des Heeren); noch zult gij zweren bij uw hoofd, want gij kunt niet één haar wit of zwart maken; maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen; want wat meer is dan dit, is uit den booze.
BIJBF.LSCHE GF.SCHIEDKNIS.
Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Doch ik zeg u geen wederstand te bieden aan den kwaaddoener ;â maar zoo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en zoo iemand met u voor het gerecht wil strijden en uw onderkleed nemen, laat hem ook uw mantel; en wie u dwingen mocht, ééne mijl niet hem te gaan, ga twee mijlen met hem. Geef dengene die u vraagt, en wijs-niet af die van u leenen wil.
Gij hebt gehoord, dat er gezegd is (door God): gij zult uw naaste liefhebben, (endoor de Pbarizeën): en uwe vijanden zult gij haten. Doch ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen en belasteren, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader die in den hemel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden en regen zendt over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want indien gij bemint die u beminnen, welk loon zult -ij hebben? Doen dit ook de tollenaars niet? lin indien gij alleen uwe broeders groet, wat doet gij dan buitengewoons? Doen dit ook de heidenen niet? Weest derhalve volmaakt, gelijk uw hemelsche vader volmaakt is.
1. Over de beteekenis van het woord «arm van geestquot; zie men het vorige hoofdstuk aanteckening 2. I)c nederigheid , hel mistrouwen op ci^cn krachlcn en het geloovi^ aannemen der i^ave Gods is het allereerste ver-eischte om in hel rijk Gods, d. i. de Kerk hierop aarde en de voltooide kerk in den hemel, ie worden opgenomen.
2. «Rakaquot; was een scheldwoord, en die het tegen zijn broeder gebiuilae, zou schuldig zijn, zegt de Verlosser, om voor den Hoogen Raad terecht te staan.
3 »Dwaasheidquot; beleekcnde bij de Joden en in de taal der 11. Schrift zeer dikwijls goddeloosheid, afgoderij, God-verzaking, gelijk wijsheid godsvrucht. Men herinnere zich o. a. de uitspraken der schrift : «De dwaas zequot;t in zijn hart: l-.r is geen God'' â en: »De vreeze des lleeren is het be.; in der wijsheidquot;, het begin der godsvrucht. Iemand »dwaasquot; te noemen was dus een grove beleediging, die in hooge male de broederliefde kwetste en bijgevolg de straf der hel verdiende.
4. Overspel kan oorzaak zijn, waarom de mensch zijn echtgenoot mag verlaten, d. i. scheiding van samenwoning mag vragen; de huwelijksband \vo:dl daardoor niet ontbonden; die de ver.atene trouwt, doet overspel.
5. Ook zonder nood/aak zwoer de Jood Mj elke gelji;enheid. De Zaligmaker leert hier, Jat men niet roekeloos mag zweren, zelfs al is de eed niet valsch. Slechts in noodzakelijke of ernstige gevallen is de eed geoorloofd ; in zoodanige heeft o. a. de apostel l\uilii:. dikwijls ge/woren.
6. De Wet van Moses gebood: «(Ãj zult uw naaste liefhebbenquot;; uil die woorden leidden de Pharizecn de gevolgtrekking af, d.e er volstrekt ii:el in opgesloten lag: »dus moogt gij uw vijand haten.quot;
HOOFDSTUK XIII.
V E R V O L G D E R B E R G R !â¢, D E.
(Mattü. VI cn VII; Luc. VI.)
lt;M quot;s',ra't Jesus 0P bergvlakte tot de menigte; Ziet toe, dat gij uwe goede ipiPl- wcl''icn n'ot ^001 voor Jc menschen om van hen gezien te worden; anders zult ^ ' gij geen loon hebben bij uw Vader die in den hemel is. Wanneer gij mie aalmoes lt;/ laat het niet voor u uilbazuinen, gelijk de huichelaars doen in de synagogen
V cn slraten, om van de menschen geëerd te worden; voorwaar, ik zeg u: zij
hebben hun loon al weg. Maar als gij eene aalmoes geeft, zoo laat uwe linkerhand niet weten wat uwe rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.
En wanneer gij bidt, zult gij niet wezen zooals de huichelaars, die er van houden, om in de synagogen en slaande aan de hoeken der stralen ie bidden, om van de menschen gezien le woulen; voorwaar ik zeg u: zij hebben hun loon reeds ontvangen. Maar gij, als gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en, de deur gesloten hebbende, bidt uwen N ader in
427
4.i.8 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
het verborgen, en uw Vader, die in bet verborgene ziet, zal het u vergelden. En als gij bidt, wilt dan niet breedsprakig zijn, gelijk de heidenen; want zij wanen, dal zij om hun omhaal van woorden verhoord zullen worden. Wilt dan niet aan hen gelijk worden; want uw Vader weet wat gij noodig hebt voordat gij hem bidt. Zoo dan zult gij bidden: Onze Vader die in de hemelen zijt! Geheiligd zij uw naam. Laat ons toekomen uw rijk. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel zoo ook op aarde. Geef ons heden ons dagclijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwade. Amen. â Want indien gij den menschen hunne misdrijven vergeeft, dan zal uw hemelsche Vader ook u uwe misdrijven vergeven; maar indien gij den menschen niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader u niet vergeven.
Als gij vast, ziet dan niet treurig, gelijk de huichelaars; want zij mismaken hnnne aangezichten, opdat het den menschen blijke, dat zij vasten. Voorwaar, ik zeg u, zij hebben hun loon reeds ontvangen. Maar gij, als hij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, opdat het niet aan de menschen, maar aan uw Vader, die in het verborgene ziet, blijke dat gij vast; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.
Vergadert u geene schatten op aarde, waar de roest en de mot ze verteren, en waar de dieven ze opgraven en stelen; maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch roest, noch mot ze verteert, en waar geene dieven ze opgraven en stelen. Waar toch uw schat is, daar is ook uw hart.
De lamp van uw lichaam is uw oog. Indien uw oog zuiver is, zoo zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar is uw oog slecht, dan is geheel uw lichaam duister. Is nu het licht, dat in u is, duisternis, hoe groot zal dan niet de duisternis zelve wezen? (Het oog is de meening. Kan een kwade meening eea op zich zelf goede daad slecht maken., wat zal dan het geval zijn met daden, die in zich reeds werken der duisternis stjn r)
Niemand kan twee heeren dienen, want nij zal of den een haten en den ander liefhebben, of den een voorstaan en den ander verwaarloozen; gij kunt God niet dienen en den Mammon. Daarom zeg ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten, noch voor uw lichaam, waarmede gij u zult kleeden. Is niet het leven meer dan het voedsel, en het lichaam meer dan de kleeding? Beschouwt de vogelen des hemels: zi) zaaien of maaien niet, noch verzamelen zij in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt ze. Zijt gij niet veel meer dan zij? En wie van u kan, met bezorgd te zijn, èéne el aan zijne lengte toevoegen? Waarom ook zijt gij bezorgd voor kleeding? Aanziet de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden of spinnen niet, en ik zeg u, dat zelfs Salomon in al zijne heerlijkheid niet is gekleed geweest als een van haar. Indien nu God het kruid des velds, dat heden is en morgen in den oven wordt geworpen, aldus kleedt, hoewel te meer u, gij kleingeloovigen. Weest dus niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Deze dingen zoeken de heidenen, maar uw Vader weet dat gij dat alles noodig hebt. Zoekt dan eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid, en al die dingen zullen u worden toegeworpen. Weest dus niet bekommerd voor den dag van morgen; want de dag van morgen zal zorg dragen voor zich zelf; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwelling.
Oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; veroordeelt niet, en gij zult niet veroordeeld worden; verleent kwijtschelding, en u zal kwijtschelding verleend worden. Geeft en u zal gegeven worden; eene goede, dichte, geschudde en oveiloopende maat zal men in uw schoot storten; want met dezelfde maat waarmede gij meet, zal u worden teruggemeten.
Jesus sprak ook tot de scharen eene gelijkenis. Kan een blinde, zeide hij, wel een blinde leiden? Vallen zij niet beiden in den kuil? Een leerling is niet boven den meester, maar ieder zal volmaakt zijn, indien hij aan zijn meester gelijk is. (Een blinde meester, een Pharizëer, kan dus niet anders dan blinde leerlingen vormen.) En wat ziet gij den splinter in het oog usvs broeders, en bespeurt niet den balk in uw eigen oog? Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij den splinter uit uw oog trekken! gij, die den balk
BIJBELSCHE GHSCH1HDHN1S, 429
in uw eigen oog niet ziet? Schijnheilige! trek eerst den balk uit uw eigen oog, en dan moogt gij beproeven den splinter uit het oog uws bloeders te trekken,
Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze soms niet vertreden met hunne voeten en, zich omkeerende, u verscheuren.
Vraaot en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt: en wie aanklopt, dien wordt opengedaan. Of welk mensch is er onder u, die, als zijn zoon hem brood vraagt, hem een steen zal geven, of als hij vraagt om een visch, hem een slang zal aanbieden? Indien gij dan, die toch boos zijt, goede giften weet te geven aan uwe kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader, die in den hemel is, goede dingen geven aan die er hem omvragen! Alles nu, wat gij wilt dat de menschen u doen, doet ook gij hun alzoo, want dit is de vervulling
der wet en der profeten.
Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed de weg die ten verderve leidt, en velen zijn er, die daarlangs ingaan. Hoe eng integendeel is de poort en nauw de weg die ten hemel voert, en hoe weinigen zijn er, die hem vinden!
Wacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleederen tot u komen, maar inwendig grijpende wolven zijn. Aan hunne vruchtcn zult gij ze kennen. 1 lukt men wel diuiven van doornen of vijgen van distelen? Zoo brengt alle goede boom goede vruchten voort, doch de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte, noch een slechte boom goede vruchten voortbrengen. Alle boom nu, die geen goede vruchten voortbrengt, zal omgehakt en in het vuur geworpen worden. Aan hunne vruchten dan zult gij zij kennen. De goede mensch brengt uit den goeden schat zijns harten het goede voort, en de kwade mcnsch uit den kwaden schat het kwade; want waar het hait van overvloeit, daarvan spieelit de mond.
Waarom noemt gij mij Heer, Heer! terwijl gij toch niet doet wat ik zeg? Niet ieder die tot mij roept: Heer, Heer! zal ingaan in het rijk der hemelen, maar die den wil doet van mijn Vader die in den hemel is, hij zal het rijk der hemelen binnengaan. Op dien dag zullen velen tot mij zeggen: Heer, Heer? hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, in uwen naam duivelen uitgedreven en in uwen naam vele wonderen gewrocht ? Doch ik zal hen betuigen: Nooit heb ik u gekend; gaat weg van mij, gij bedrijvers van ongerechtigheid! Ieder nu, die mijne woorden hoort en er naar doet, is gelijk aan een verstandig man, die zijn huis bouwt op de steenrots: de regen valt, de stroomen zwellen, de winden steken op en beuken dit huis, maar het stort niet in, want het is gegrondvest op de ruts. Ieder daarentegen, die mijne woorden hoort en er niet naar doet, is gelijk aan een dwaas, die zijn huis bouwt op zand: de regen valt, de stroomen komen opzetten, de winden waaien en bestormen dat huis: het valt en zwaar is zijn val.
Terwijl Jesus met deze woorden aan zijne onderrichtingen op den berg een einde maakte, stonden de scharen roerloos van verbazing en bewondering. Zoo iets hadden zij nooit gehoord. Niet als de Pharizeën en schriftgeleerden sprak deze leeraar in Israel; wat hij zeide was het woord des wetgevers, die macht en gezag bezat.
»Nict bekommerd zijn voor den dag van morgenquot; wil blijkens den samenhang met het vorige zeggen: er niel onredelijk bekommerd voor zijn, zood.it men liet rijk der hemelen daarbij vergeet, gelijk maar al te dikwijls gebeurt. De zorg voor hot rijk der hemelen moet op de allereerste plaats staan.
430 BIJBhLSCHE GESCHIHDFNIS.
HOOFDSTUK XIV.
Gt-Nl-ZING VAN F F.N MELAATSCHE, OPWEKKING VAN DEN ZOON DHR WEDUWI- VAN NAÃM. JESUS OVER JOANNhS DEN DOOPER.
DE KNl-.CHT VAN Dl-N HONDI'RDMAN. JI'.SUS VOETEN GEZALFD,
(Ma mi. VIÃ en XI; Marc. Ij Luc. V, VII cu X)
â¢I |?,^|; iUquot;,t Jesus den berg was afgedaald, begaf hij zich, op zijn weg vergezeld door de scharen, naar een der naburige steden. Daar naderde hem een melaatsche, die zich op zijn knieën voor hem nedervvierp en verzuchtte: Heer, indien gij wilt, lp' gij kunt mij reinigen. Jesus kreeg medelijden met hem, strekte zijne hand uit, raakte hem aan en zeide; Ik wil, word gereinigd. Pas was dit woord gesproken of de melaatsche was geneden. Daarop gebood hem Jesus, zich naar den hoogepriester te begeven en het offer op te dragen, dat de wet voor de van melaatschheid gezuiverden bepaalde. De man ging, onderweg alom verhalende welke groote weldaad hem bewezen was. Daardoor groeide de menigte, die op Jesus toestroomde zoozeer aan, dat hij zich niel meer in de stad kon vertoonen, maar zich buiten ophield op eenzame plaatsen. Ook hier echter toog men van alle kanten naar hem heen, de een om hem te hooien, de ander om van zijne kwalen genezen te worden, zoodat hij steeds door eene groote menigte omringd was. Van tijd tot tijd echter onttrok hij zich aan het gewoel en ging naar de woestijn om te bidden
Toen Jesus daarna op zekeren dag Gapharnaüm naderde, liet een bevelhebber over honderd krijgslieden, wiens dienstknecht den dood nabij was, hem door de oudsten der joden verzoeken ora te komen en den knecht te genezen. Heer, liet hij door den oudsten zeggen. Heer, mijn knecht ligt te huis met eene beroerte geslagen en lijdt zwaar. De oudsten voegden daar van hun kant bij; Heer, die man verdient, dat gij zijn verzoek inwilligt, want hij bemint ons volk en heelt voor ons zelfs eene synagoge laten bouwen. Jesus sprak ; Ik zal komen en den knecht genezen.
Terwijl hij nu met de oudsten medeging, zond de honderdman hem eenige zijner vrienden tegemoet, uie uit üijn naam tot jesus zeiden: Heer, geef u zooveel moeite niet, want ik ben niet waardig, dat gij komt onder mijn dak; daarom ook heb ik mij onwaardig geacht, zelf tot u te gaan; maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal gezond worden. Want ook ik ben een mensch, die ofschoon onder de macht van anderen geplaatst, soldaten onder mij heb, en ik zeg tot den een: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en lot mijn dienstknecht: doe dit, en hij doet het. (Zoo hebt gij. Heer de gehecle natuur onder uwe macht, en alles gehoorzaamt u.) Toen Jesus deze woorden hoorde, verwonderde hij zich, en zich tot de scharen wendende, die hem volgden, sprak hij: Voorwaar, ik zeg u, .zoo groot geloof heb ik zells in Israël niet gevonden. Doch ook zeg ik u, dat velen van het Oosten en het Westen zullen komen en met Abraham, Isaiic en Jacob zullen aanzitten in het rijk der hemelen, terwijl de kinderen aes rijks zullen geworpen worden in de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en geknars der tanden. â Daarop sprak Jesus tot den honderdman, die eindelijk ook zelf gekomen was: Ga en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. Van stonden aan nu was de knecht gezond.
Niet lang daarna, terwijl Jesus met zijne leerlingen naar Nairn ging en de poort der stad naderde, werd daar een doode uitgedragen, de eenige zoon zijner moeder, die eene weduwe was, en daar was veel volk uit de stad met haar. Door medelijden bewogen, zeide Jesus tot de vrouw: Ween niet. Daarna op de baar toetredende, sprak hij, terwijl de dragers stilstonden: Jongeling, ik zeg u, sta op! Oogenblikkelijk richtte de doode zich op en begon te spreken, en jesus gaf hem aan zijue moeder terug. Allen, hierbij tegen-
â¢131
â woordig, werden met het diepst ontzag vervuld; zij verheerlijkten God en riepen uit: Hen groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezocht!
De mare van Jesus' wonderwerken verspreidde zich niet alleen over geheel Judea en al het omliggende land, maar drong ook door tot den kerker, waarin Joannes de Dooper door Herodes werd gevangen gehouden. Joannes (die zijne leerlingen in het geloof, dat Jesus waarlijk de beloofde Messias was, wenschte te versterken) zond twee zijner leerlingen tot Jesus met de vraag: zijt gij het die komen moet, of hebben wij een ander te verwachten? De leerlingen gingen en richtten tot Jesus de woorden, die hun meester hun bevolen had. Jesus was toen juist bezig niet verschillende zieken te genezen, duivelen uit te drijven en aan blinden het gezicht te schenken. Op de vraag, hem door de leerlingen van Joannes gedaan, antwoordde hij; Gaat, boodschapt aan Joannes hetgeen gij gehoord en aanschouwd hebt; blinden zien, kreupelen wandelen, melaatschen worden gezuiverd, dooven hooren, dooden verrijzen, den armen wordt het evangelie verkondigd, en zalig is hij, die zich aan mij niet zal geërgerd hebben.
Nadat de leerlingen zich verwijderd hadden, sprak Jesus over Joannes tot de scharen: Wat zijt gij destijds in de woestijn gaan zien? Hen riet, dat door den wind wordt bewogen? Maar wat zijt gij gaan zien? Hen mensch gekleed in zachte kleederen? Ziet, zij, die zachte kleederen dragen, zijn in de huizen eer koningen. Maar wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, ik zeg u, meer dan een profeet. Deze toch is het, van wien geschreven staat: Zie, ik zend mijn engel voor uw aanschijn, die uwen weg voor u bereiden zal. Voorwaar ik zeg u: onder degenen, die van eene vrouw geboren zijn, is niemand grooter dan Joannes; de minste echter in het rijk der hemelen is grooter dan hij. Van de dagen nu van Joannes den Dooper tot thans lijdt het rijk der hemelen geweld, en de geweldigen nemen het in. Alle profeten toch en de Wet hebben geprofeteerd tot aan Joannes, en, indien gij het wilt aannemen, hij is Elias die komen moet. En al het volk, dat Joannes hoorde, en ook de tollenaars prezen God en lieten zich doopen met den doop van Joannes; doch de Pharizeën en wetgeleerden hebben tegen zich zelven den raad Gods veracht en lieten zich niet door Joannes doopen, â Verder sprak Jesus: Waarbij zal ik de menschen van dit geslacht vergelijken en waaraan zijn zij gelijk? Zij zijn gelijk aan kinderen, die op de rrnrkt zitten en hunnen makkers toeroepen: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben een treurlied gezongen, en gij hebt niet geweend. Aan zulke kinderen zijt gij, de menschen van dit geslacht, gelijk. Want Joannes de Dooper kwam, at geen brood en dronk geen wijn (hij vastte streng) en gij zeidet: Hij heeft een boozen geest in. De Zoon des menschen kwam, at en dronk, en gij zegt: Ziedaar een vraat en wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden door hare kinderen (door het goedgezinde deel der menschen).
Daarop begon Jesus zijne stem te verhellen tegen de steden die zijne meeste wonderen hadden aanschouwd, zonder daardoor tot boete en bekeering te worden bewogen. Ween, Corozaïm! â riep hij â wee u, Ikthsaïda! want zoo in Tyrus en Sidon (twee heidensche stiden) de teekenen geschied waren, die in u geschied zijn, reeds voorlang zouden zij boete hebben gedaan in zak en asch. Doch, ik zeg u: Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn in den dag des oordeels dan voor u. En gij, Capharnaüm (waarin ik zoo buitengewoon veel wonderen wrocht), zult gij tot den hemel worden verheven? Tot in de hel zult gij nederdalen! Want zoo in Sodoma de wonderen geschied waren, die geschied zijn in u, het zou gespaard zijn gebleven lol op dezen dag. Ik zeg u: het zal voor Sodoma dragelijker zijn op den dag des oordeels dun voor u.
Daarna geschiedde het, dat Jesus, door een der Pharizeën aan tafel genoodigd, binnenging en aanzat. 1 oen eene vrouw , die eene openbare zondares was , dit vernomen had , ging zij insgelijks net huis des Pliarizeërs binnen, en in hare handen een albasten kruik met balsem houdende, knielde zij neer achter Jesus. Daarop begon zij zijne voeten te besproeien met hare tranen, droogde ze af met haar haar, kuste ze en zalfde ze met den
fitlRELSCITE GF.SCITIPDF.NtS,
balsem. De Pharizeër, die hem genoodigd had, dit ziende, sprak bij zich zeiven; Indien deze een profeet ware, zou hij ongetwijfeld weten, wie en hoedanig eene vrouw het is, die hem aanraakt; want zij is ecne zondares. Jesus, de gedachten van den Pharizeër kennende, sprak tot hem: Simon, ik heb u iets te zeggen. De Pharizeër antwoordde: Meester, zeg liet. Daarop sprak Jesus: Een schuldeischer had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, de andere vijftig. Daar zij niet hadden om te betalen, schold hij beiden de schuld kwijt. Wie hunner zal hem nu het meest liefhebben? Simon antwoordde; Ik meen, hij wicn hij het meest heeft kwijtgescholden. Jesus sprak: Gij hebt recht geoordeeld. Daarna zich tot de vrouw keerende, ging hij voort tot Simon te spreken: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, en gij hebt mij voor mijne voeten geen water aangeboden; zij daarentegen heeft ze met tranen begoten en afgedroogd met haar haar. Gij hebt mij geen kus gegeven, maar zij heeft van het oogenblik dat zij binnenkwam, niet opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij zalfde mijne voeten met balsem. Daarom zeg ik u; Haar worden hare vele zonden vergeven, omdat zij veel heeft liefgehad, maar hij, wien minder vergeven wordt, heeft minder lief. Vervolgens zeide hij tot de vrouw: uwe zonden worden u vergeven. Op dit woord begonnen de mededischgenooten bij zich zeiven te zeggen; Wie is deze, die ook de zonden vergeeft? Doch Jesus sprak tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga in vrede.
1. liet woord des Zaligmakers: »de minste in liet rijk der hemelen is grooter dan Joannesquot; legt men vrij algemeen aldus uit:
Joannes leefde nog onder liet Oude Verbond; hij was de voorlooper en wegbereider tot het nieuwe door Christus gestichte Godsrijk, de Kerk, maar behoorde daar nog niet toe. Nu mocht hij onder dat Oude Verbo-d de grootste profeet zijn â en ook, wat persoonlijke deugd betreft, voor alle tijden onder de grootste heilig n te'len â, in macht echter en waardigheid is de minste bedienaar van liet nieuwe rijk, de Kerk, grooter dan hij.
2. De gevangenschap sloot bij de ouden niet altijd, zooals bij ons, een min of meer geregeld verkeer met d; buitenwereld af. Men lierinnere zich hier o. a. de gevangenschap van den profeet Jeremias, die in zijn kerker zijne vermaningen aan het volk voortzette â O, T. hoofdstuk 155 in liet midden. Later zullen wij den gevangen apostel Pan lus door zijne vrienden omringd zien. Ook Joannes de Dooper genoot die betrekkelijke vrijheid; van daar kon hij uit zijn kerker twee zijner leerlingen tot Jesus zenden.
3. «Van de dagen van Joannes den Dooper tot thans lijdt het rijk der hemelen geweld,quot; d. i. er wordt veel voor opgeofferd, vele menschen doen zich zeiven geweld aan , om in den hemel te komen.
4. Bij de Joden was het gewoonte, dat oprechte vrienden elkander begroetten met een kus op voorhoofd of wang. Daarop doelt de Zaligmaker, als hij zegt, dat Simon hem geen kus gegeven heeft, terwijl de zondares zelfs zijne voeten kuste.
De meeste schriftverklaarders houden de vrouw, van wie hier spraak is, voor Maria Magdalena; zeker is dit echter niet. Tevens worde opgemerkt, dat de hier beschreven zalving niet dezelfde is als die, welke zooals later quot;erhaald zal worden, door Maria Magdalena aan Jesus verricht werd kort voor zijn lijden en sterven.
HOOFDSTUK XV.
JESUS TEGENOVER DE SCHRIFTGHI.HERDBN EN PHARIZEÃN. (Mattii. XII; Marc. Ill; Luc. XI en VIII.)
oen Jesus, na met twaalf leerlingen weder naar Capharnaüm te zijn gegaan, zijn intrek genomen had in het huis waar hij gewoonlijk verbleef, verzamelde zich om hem een groote schare, die hem zelfs geen tijd liet om te eten.
Ãnder die menigte bevond zich een man, die, van den duivel bezeten, blind en stom was. Deze ongelukkige werd voor Jesus gebracht, en Jesus den duivel uitdrijvende genas den man, zoodat hij aanstonds kon zien en spreken. Bij het aanschouwen van dit wonder, vroegen de verbaasde scharen; Zou deze niet de Zoon Davids
JESUS CNDER DE SCHRIFTGELEERDEN. Bladz. 433.
mjRF.I.SCHF, GESCHIEDENIS.
zijn (de beloofde Messias)? Doch de Pharizeën en schriftgeleerden, welke van Jerusalem gekomen waren, die vraag hoerende, zeiden bij zich zeiven: Hij heefl Beelzebub in, en slechts door Beëlzebub, den vorst der duivelen, drijft hij de duivelen uit.
Jesus, de gedachten dier lieden kennende, riep hen bij zich en sprak tot hen in eene gelijkenis: Alle rijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, zal te gronde gaan, en het eene huis zal vallen op het andere. Hoe dan kan de Satan de Satan uitdrijven? Indien hij het doet, is hij tegen zich zeiven verdeeld; en indien hij verdeeld is, hoe blijft zijn rijk staande? Gij trouwens zegt, dat ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijf. Maar indien ik de duivelen door Beëlzebub uitdrijf, door wien drijven uwe zonen (de duiveluitdrijvers onder de Joden) hen uit? Dezen zeiven zullen dus uwe rechters yijn. Doch indien ik door den vinger Gods de duivelen uitdrijf, is het rijk Gods waarlijk tot u gekomen. â Of (aldus sprak Jesus in een andere gelijkenis) hoe kan iemand het huis van een machtige (den duivel) binnendringen en diens huisraad rooven, tenzij hij eerst den machtige gebonden hebbe? Eerst dan kan hij diens huis plunderen. Zoolang een machtige welgewapend zijn hof bewaakt, is alles wat hij bezit in zekerheid. Doch als een sterkere dan hij hem overvalt en overwint, ontneemt deze hem al zijn wapentuig, waarop hij vertrouwde, en verdeelt den buit. (Zoo heb ik, de Verlosser, met den duivel gedaan.)
Voorts sprak Jesus tot dezelfde Pharizeën en schriltgeleerden : Die niet met mij is, is tegen mij, en die niet met mij vergadert, raakt verstrooid. Daarom zeg ik u; Alle zonden zullen den mensch vergeven worden, ook de godslasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; de godslastering echter-tegen den Heiligen Geest zal niet vergeven worden. Al wie een lasterwoord zal gesproken hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem worden kwijtgescholden; doch die het gesproken zal hebben tegen den H. Geest, hem zal het niet worden kwijtgescholden noch in deze wereld noch in de toekomende, maar hij zal schuldig zijn aan een eeuwige zonde. â Dit zeide Jesus naar aanleiding daarvan, dat zij gezegd hadden; Hij heeft een onreinen geest in.
Daarna sprak hij tot dezelfden hei volgende: Verklaart of den boom goed en zijne vrucht goed, of den boom kwaad maar dan ook zijne vrucht kwaad; want aan de vrucht wordt de boom gekend. (Indien ik, de Verlosser, een goed werk heb verricht, hoe kan dat van een slechten boom, van den vorst der duivelen, voortkomen? Verricht integendeel iemand slechte werken, dan is ook de boom slecht.) Gij adderengebroedsel, hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij kwaad zijt? Want uit den overvloed des harten spreekt de mond. De goede mensch brengt uit den goeden schat goede dingen voort, en de kwade mensch brengt uit den kwaden schat kwade dingen voort. Ik zeg u; Van alle ijdel woord, dat de menschen zullen gesproken hebben, zullen zij rekenschap geven op den dag des oordeels.
Alsdan zeiden eenige der schriftgeleerden en Pharizeën tot hem: Meester, wij wenschen van u een teeken te zien. Terwijl bij die vraag de scharen zich saamdrongen om het antwoord te hooien, sprak Jesus: Een boos en overspelig geslacht eischt een teeken, en geen teeken zal het gegeven worden dan dat van Jonas den profeet. Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten is geweest in den buik van den visch, zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in den schoot der aarde zijn. De Ninivieten zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordeelen omdat zij zich bekeerden op de prediking van Jonas, en zie, meer dan Jonas is hier. De Koningin van het Zuiden (de koningin van Saba) zal in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordeelen, omdat zij kwam van de eindpalen der aarde, om Salomons wijsheid te hooren; en zie, meer dan Salomon is hier. (U, Pharizeën en schriftgeleerden, die zooveel te grooter genade ontvingt, u, die leeft in een tijd, dat ik reeds mijn verlossingswerk begonnen ben, maar die van geen verlossing wilt weten en in uw ouden toestand voortgaat, u wacht een droevig lot.) Als toch de onreine geest van den mensch is uitgegaan, waart die geest rond door waterlooze plaatsen, en rust zoekende, maar haar niet vindende, zegt hij: Ik zal terugkeeren naar het huis waar ik
ben uitgegaan, En daar komende, vindt hij het geveegd en versierd, Dan 'jnat hij en
gt; gt;
434
neemt met zich zeven andere geesten, die nog boozer zijn dan hij, en zij gaan binnen ca wonen aldaar, en de laatste toestand van dien mensch wordt erger dan de eerste.
Terwijl Jesns sprak, verhief eene vrouw uit de schare hare stem en riep hem toe: Zalig de schoot, die u gedragen heeft, en de borsten, welke gij gezogen hebt! Doch hij zeide; Ja, zalig zij, die het woord Gods hooren en het bewaren!
Inmiddels waren Jesus' moeder en zijne verdere bloedverwanten van Nazareth naar Capharnaüm gekomen en zochten hem. De bloedverwanten, die nog niet in hem geloofden (maar die toch liefde genoeg bezaten, om hein uit de handen der Pharizeën, door wie zij h;m bedieigd achtten, te redden) zeiden: hij is uitzinnig, hu dit zeggende zochten zij bij hem te komen en hem mede te nemen, maar zij konden het huis, waarin hij zich bevond, niet binnendringen wegens de dichtheid der schare. Iemand uit de schare sprak nu tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders (bloedverwanten) staan buiten er. zoeken u. Doch Jesus, die op de eerste plaats in het werk zijns hemelschen Vaders moest zijn, zeide: Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders? en tegelijkertijd met zijne hand op de schare en cp zijne leerlingen wijzende, sprak hij; Zietdaar mijne moeder en mijne broeders! Alvvie toch den wil doet van mijn Vader die in den hemel is, is mijn broeder, mijne zuster en mijne moeder. Mijne moeder en mijne broeders zijn degenen, die het woord Gods hooren en daarnaar doen.
1. Ha is de leer der Iverk , d«it t\llc zonden, lioe z\vnr ool-c, kunnen vergeven worden. Deze leer heefi zij van haren goddelijken Siichter zelven ontvangen, toen hij. tol zijne Apostelen sprekende : «Wier zonden quot;ij ^ili vergeven, c.ien worden zij vergeven,quot; geen enkel misdrijf uitzonderde. Feitelijk echter worden de zonden tegen den II. Geest niet of hoogst moeielijk vergeven, omdat de zondaar zelf zich den weg ter vergillen is afsnijdt. Ue zonden tegen den li. Geest toch zijn de zoodanige, waardoor de mensch op bijzondere wijze en reclusireeks de middelen, .lie hem tot bekeering moeten dienen, en die eene genade des li. Geestes zijn, met hardnekkigheid van zich stoot. Om zich te kunnen bekeeren is vóór alles uoodig. dat men, zooals de oudvaders, in een toekom-stigen, of, zooals wij, in een gekomen Verlosser geloo ve en op zijne verlossing hope. Wie in het geheel niet en op geenerlei wijze in den sclmlddelger gelooft en niet op zijne reddende barmhartigheid vertrouwt, doet zeil» den eersten stap ter bekcering niet Zoodanige lieden waren velen der Pharizeen. Met hardnekkigheid, ondanks de chitterendste wonderen, die de Verlosser wrocht, verwierpen zij hem zoo verre, dat zij hem zelfs door den duivel bezeten verklaarden en zijne werken aan de macht dos duivels toeschreven. Hadden zij uit hartstocht ot zwakheid den Zoon des nienschcn op andere wijze, waarbij him geloof in hem bewaard bleef, gelasterd, dan stond de weg tot terugkeer en vergillenis hun open. Wij zien dit bv. aan Petrus, die zijn meester tot driemaal toe verongelijkte, zelfs door te vloeken en te zweren, dat hij hem niet kende. Nu de Pharizeën evenwel het geloof in Jesus verwierpen en dus «lasterden tegen den H. Geest,quot; nu kon er bij hen, in die gesteldheid, niet eens van den wil tot bekeering spraak zijn, en werd hunne zonde eene «eeuwige zonde.quot;
2. In de geschiedenis van het oude Testament heeft de aandachtige lezer herhaaldelijk gezien, dat in het spraakgebruik der Joden het woord broeder eene veel uitgestrekter beteekenis had dan het bij ons heeft, liet kon daar beteekenen een broeder in den eigenlijken zin, maar evenzeer een neef of zelfs achterneef. Voorbeelden daarvan zouden hier in menigte kunnen worden aangehaald ; het moge echter voldoende zijn een paar gevallen in herinnering te brengen. Zoo bv. noemt Abraham Lot zijn broeder, hoewel deze slechts zijn broeders zoon was. Eveneens noemt hij, zonder onwaarheid te spreken, zijne vrouw Sara, die een verdere bloedverwante van hem was, zijne zuster. Abrahams kleinzoon, Jacob, noemt Laban, Rachels vader, die zijn oom was, zijn broeder, i en tijde der koningen verhaalt de 11. Schrift, dat Jelui 42 broeders van koning Ãchozias van Juda liet ombrengen, terwijl toch ieder wist, dat üchozias op dat tijdstip geen enkelen broeder meer had; de gedoo-den moeten dus zijne neven of achterneven zijn geweest. De jonge Tobias noemt Sara, de dochter van Kaguë zijne zuster , hoewel Raguël slechts de neef was van den ouden Tobias. â Deze voorbeelden zijn voldoende om aan te tooncn, dat, waar er als boven van de broeders van Jesus gesproken wordt, men dat woord niet inden bij ons gebruikelijken zin behoeft te verstaan, en daar men van elders weet, dat Jesus geene broeders had, het ook niet in dien zin verstaan mag. Later, uit hoofdstuk XVII met aanteekening I, zal het bovendien duidelijk blijken, wie de hier genoemde broeders waren.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XVI.
GELIJKENISSEN AANGAANDE HET RIJK DER HEMELEN.
(Matth. XIII; Mauc. IV; Luc. VIII eu XIII.)
----«--
-iFPil P dcn:!elfJcn dag' tlat tlc in het vor'|gc hoofdstuk vermelde gebeurtenissen voorvielen, verwijderde Jesus zich, om wille van dc groote schare die hem omringde, uit het huis waarin hij nich bevond en ging naar het strand van het meer van 'W'' Genesareth. Na zich eerst daar te hebben nedergezet om het volk te leeren, begaf hij zich eeiiige oogenblikken later, wijl de menigte nog altijd aangroeide, in een schip 1 en leerde van uit dit schip de verzamelden, die langs het strand geschaard stonden, liij sprak hun in gelijkenissen, en zeide; Hoort; Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. Terwijl hij zaaide, viel een gedeelte langs den weg en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op. Een ander gedeelte viel op de rots, en na opgeschoten te zijn verdorde het, omdat het geene vochtigheid had. Weder een ander gedeelte viel tusscl-en dc doornen, en de doornen, die er mede opgroeiden, verstikten het. Nog een ander gedeelte viel in goede aarde; het schoot op en bracht honderdvoudige vruchten voort. Die ooren heeft om te hooien, hoore!
Eene tweede gelijkenis sprak hij tot hen in deze wooi den; Het rijk dei hemelen is gelijk aan een mensch, die goed zaad gezaaid had op zijn akker. Doch, teiwijl dc mensclien sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tusschen de tarwe en ging heen. Toen nu het pewas was opgeschoten en vruchten droeg, vertoonde zich ook het onkruid. De dienstknechten van den vader des hllisgezins kwamen dan en zeiden tot hem: Heer, hebt gij geen goed zaad gezaaid op uw akker? Vanwaar komt dan het onkruid? De vader des huisgezins antwoordde: Een vijandig mensch heelt dat gedaan. De dienstknechten vroegen hem: Wilt gij, dat wij het gaan uitwieden? liij antwoordde: Neen, opdat gij niet, het onkruid uitwiedende, soms daarmede ook tegelijk dc tarwe ontwortelt. Laat beide opgroeien tot aan den oogst, en in den oogsttijd zal ik den maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bossen, om liet te verbranden, maar vergadert de tarwe in mijne schuur.
Nog sprak Jesus: Ook is hel rijk Gods zoo, alsof een mensch het zaad in de aaide werpt, en slaapt en opstaat, naarmate het nacht of dag is (aldus gaat hij dagen achtereen voort, zonder naar het zaad om tc zien), en inmiddels ontkiemt het zaad en schiet op, zonder dat hij het weet. Want de aarde brengt uit zich zelve vruchten voort, eerst den halm, vervolgens de aar, daarna de volle korrel in de aar. Heelt het gewas de \ utcht voltooid, dan slaat dc zaaier er de sikkel in, wijl de oogsttijd daar is.
Voorts stelde Jesus aan dc scharen deze gelijkenis voor: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en op zijn akker zaaide. Ofschoon het kleinste van alle zaden, is het opgeschoten zijnde het grootste van alle moeskruiden en wordt een boom, in welks takken de vogelen des hemels zich komen nederzetten.
In eene andere gelijkenis sprak hij: Het rijk der hemelen is als een zuurdeeg, hetwelk eene vrouw nam en onder drie maten meel kneedde, totdat dit geheel gezuurd was.
Al deze dingen sprak Jesus in gelijkenissen tot dc scharen, en zonder gelijkenissen sprak hij niet tot haar, opdat vervuld zou worden wat gesproken is door den profeet, die zegt: Ik zal mijn mond in gelijkenissen openen ; ik zal dingen aan het licht brengen, die van dc grondlegging der wereld af verborgen waren.
Nadat eindelijk Jesus de scharen had weggezonden en met zijne leerlingen alleen was, vroegen dezen hem naar den zin der gelijkenissen en waarom hij in gelijkenissen sprak? Hij antwoordde: U is hot gegeven de verborgenheid van het rijk Gods te kennen, maar aan dc overigen wordt dat rijk slechts geopenbaard in gelijkenissen opdat zij ziende niet
435
45lt;5
zien, en hoorende niet verstaan. Dit nu is de zin der eerste gelijkenis: Het r.aad is het woord Gods. Zij, bij wie het langs den weg valt, zijn degenen die hel hooren; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun han weg, opdat zij niet gelooven en zalig worden. Bij wie het valt op de rots zijn degenen, die, als zij het hooren, met vreugde het woord aannemen; doch zij hebben geen wortel; zij gelooven voor een tijdlang en ten tijde der beproeving vallen zij af. Waar het tusschen de doornen valt, zijn zij, bij wie het, nadat zij het gehoord hebben en zijn heen gegaan, door de beslommeringen en rijkdommen en bekoorlijkheden des levens verstikt wordt, zoodat zij geene vruchten voortbrengen. Waar het echter in goede aarde valt, zijn degenen, die, na het woord gehoord te hebben, het in een goed en uitnemend hart bewaren en vrucht voortbrengen in lijdzaamheid.
Vervolgens vroegen Je leerlingen hem naar de gelijkenis van het onkruid op den akker. Den zin daarvan verklaarde hij hun aldus; Die het goede zaad zaait, is de Zoon des menschen. De akker is de wereld. Het goede zaad zijn de kinderen des Rijks, het onkruid de kinderen der boozen, en de vijand, die dit onkruid zaaide, is de duivel. De oog.-t is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen. Zooals nu het onkruid verzameld en in het vuur verbrand wordt, zoo zal het zijn bij de voleinding der wereld. De Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn rijk verzamelen al de ergernissen en degenen die ongerechtigheid bedreven, en wij zullen hen werpen in den oven des vuurs, waar geween zal zijn en geknars der tanden; doch de rechtvaardigen zullen blinken als de zon in het rijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, hoore!
Verder zeide Jesus: Het rijk der hemelen is gelijk aan een in een akker verborgen schat, welken een mensch, die hem vond, weder bedekt. Vol blijdschap over zijn vondst gaat hij heen, verkoopt al wat hi) heeft en koopt den akker.
Ook is het rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schoone paarlen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen , verkocht al hetgeen hij bezat en kocht haar.
Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, dat, in zee geworpen, allerlei soort van visschen bijeen haalde, en toen het vol was, trokken de visschers het op, en aan den oever neergezeten, vergaderden zij de goede visschen in de manden, maar de slechte wierpen zij weg. Zoo zal het zijn bij de voleinding der wereld : de engelen zullen uitgaan en de boozen afscheiden uit het midden der rechtvaardigen en hen werpen in den vuur-kolk, waar geween zal zijn en tandengeknars.
Eindelijk vroeg hij aan zijne leerlingen: Hebt gij dit alles begrepen? en nadat zij bevestigend geantwoord hadden, sprak hij: Dus is ieder leeraar, die in het rijk der hemelen wel onderwezen is, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat te voorschijn brengt nieuw en oud.
1. De uitdrukking j)lict rijk Gods'*, heeft in de H. Schrift tweeërlei beteekenis: het rijk Gods hier op aarde, de Kerk, en het rijk Gods hiernamaals, de hemel. In liet eerste leven goeden en kwaden onder elkander vermengd, het laatste wordt bewoond door enkel goeden.
2. De gelijkenis van den man, wiens uitgestrooid zaad, zonder dat hij er verder naar omziet, ontkiemt, opschiet en vruchten voortbrengt, moet de apostelen bemoc.ii^en en versterken voor hunne latere prediking. Dikwijls zullen zij bij de verkondiging van het woord des heüs in de pijnlijke onzekerheid verkecren , ot liun werk zal gedijen of verloren zijn. Dit mag echter voor hen geene reden worden, om te wanhopen of hunne taak onverricht te laten. Als toch de Vader in den hemel den akker, waarop zij het zaad strooien, wil zegenen, zal het ontkiemen en vruchten dragen, ook waar zij dit niet verwachten en geheel buiten hun weten. Zij kunnen alleen zaaien, en God geeft den wasdom. Hetzelfde geldt ook voor de ouders opzichtens het goede zaad, dat zij neerleggen in de harten hunner kinderen; allicht schiet er, zclfgt; bij de ongunstigste vooruitzichten , een enkel korreltje van op, om, zij het ook eerst na jaren, vruchten voort te brengen. De Zaligmaker zelf geelt ten deze aan de apostelen en de ouders liet voorbeeld. De meeste dergenen die hem hoorden, waren niet rijp om de hemelsche waarheden in al hare verhevene kracht en al haar glans te ontvangen. Daarom evenwel laat hij de verkondiging dier waarheden niet na, hij wikkelt ze in beelden opdat de scharen zouden zien en niet zien, hooren en niet verstaan, d. i. er zooveel van zouden begrijpen, als waarvoor zij op dat oogenblik vatbaar waren. Dit weinige kon dan later het zaad worden van een heilig verlangen naar meer en van eene daarmede geevcn-redigde grootere verlichting door de genade Gods.
B1JBELSCHE GESCHIEDENIS. ^37
HOOFDSTUK XVII.
JESUS IN ZIJNE VADERSTAD NAZARETH,
(Matth. XIII: Marc. VI; Luc. IV.)
.. ...
f 11 an Caplinrnafim ging Jesus naar Nazareth, waar hij opgevoed was en zijne jonge-
fjKPiiquot; lingsjaren had doorgebracht. Hij vond daar echter geen bereidwillige harten en verlichtte er derhalve (wijl hij zijne hemelsche gaven niet wilde wegwerpen) slechts weinige wonderen; alleen legde hij de handen op aan een paar zieken, en dezen -werden genezen.
Volgens zijn gewoonte begaf hij zich op den sabbat naar de synagoge, en op zijn verlangen om uit de H. Schrilt voor te lezen, gaf men hem het boek van den profeet Isaïas. Hij opende het en las de plaats voor, waar geschreven stond: De Geest des Heeren rust op mij; daarom heeft hij mij gezalfd, om den armen het Evangelie te brengen; hij heeft mij gezonden, om te genezen die vermorzeld zijn van harte, om aan gevangenen loslating en aan blinden het gezicht aan te kondigen, om gewonden heen te zenden in vrijheid, om het aangename juk des Heeren te prediken en den dag der vergelding, â Daarna het bock sluitende, gaf hij het aan den dienaar terug, en teiwijl alle oogen op hem gericht waren, zette hij zich neder om den zin van het gelezene te verklaren. Met zooveel helderheid en overtuigingskracht toonde hij nu aan, dat de gemelde Schriftuurplaats thans vervuld was, dat velen over het gehoorde opgetogen waren van verwondering, en allen hem prezen.
Intusschen geloofden zij niet in hem; hun lof betrof enkel de boeiende wijze, waarop hij tot hen gesproken had, en daar zij hem van zijne jeugd af gekend hadden, stonden zij over zijne woorden verbaasd en vroegen elkander: Hoe weet deze dit alles? Vanwaar komen hem die wijsheid en zoodanige wonderkrachten, welke door zijne handen geschieden? Is deze niet de timmerman, de zoon van den timmerman Joseph? Heet zijne moeder niet Maria, en zijn zijne broeders niet genaamd Jacobus, Joseph, Simon en Judas? Wonen al zijne zusters niet in ons midden? Vanwaar dan komt hem dit alles? â Zoo sprekende maakten zij zich zijne nederige afkomst tot een steen des aanstoots.
Jesus, die in hunne harten las, en wist, dat zij van hem schitterende wonderen begeerden, zonder dat zij evenwel van plan waren, hem als den beloofden Messias aan te nemen, sprak tot hen: Voorzeker zult gij mij dit spreekwoord toevoegen: Geneesmeester, genees u zeiven (maak zelf dat wij in u gelooven); al wat wij gehoord hebben, dat te Capharnaütn is geschied, doe dat ook hier in uwe vaderstad. â Doch, aldus ging Jesus voort, voorwaar ik zeg u, geen profeet wordt geëerd in zijn vaderland. In de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten bleef, en er een hongersnood kwam over de gansche aarde, woonden er vele weduwen in Israël (in het eigen land van den profeet), en toch tot geen harer werd Elias gezonden, maar tot eene weduwe van Sarepta in Sidonië (dus buiten zijn vaderland). Ook waren er vele melaatschen in Israël tijdens den profeet Eliseüs; geen hunner echter werd genezen, maar wel Naaman, een Syriër.
Toen zij hieruit zagen, dat hij her, om hun ongeloof geen wonder waardig achtte, stonden zij hevig vertoornd op, dreven hem naar den hoogsten top van den berg, tegen welks helling Nazareth gebouwd was, en wilden hem van boven nederstorten. Hij echter ging ongedeerd door hun midden en vertrok : zijn uur om te sterven was nog niet gekomen.
r. Wat onder aanteekeniiig 2 van liet voorlaatste hoofdstuk in het algemeen over de heteokenis van het hebieeuwsche woord broeder gezegd is, vinden wij in bovenstaand hoofdstuk bevestigd. Vier broeders worden daar met name genoemd, en nu kan men, afgezien zelfs van de christelijke overlevering, reeds uit de H. Schrift 'ru bewijzen, dat minsten!) drie dier broeders vüljjens ons spraakgebruik geeue bloeders waren, maar neven.
B1JBFXSCHE GESCHIEDENIS.
Vooreerst zegt de H. Paulus, dat een dier dusgenaamde broeders, nl. Jacobus, tot de apostelen behoorde.
De desbetreffende tekst staat in den brief aan de Galaten 1: 19, waar Paulus verzekert: Een ander der apostelen heb ik niet gezien da 11 Jacobus den broeder des Heeren. Gaan wij nu de lijst der apostelen na, vermeld bij Mattheüs X, Marcus III, Lucas VI, alsook in liet eerste hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen, dan zien wij, dat er twee Jacobussen waren, van welke de een genoemd wordt: de zoon van Zebedeüs, de andere zoon van Alpheus. Geen van beiden dus kon een broeder des Heeren zijn in den zin, welken wij aan dat woord hechten; de hebreeuwsche benaming wbroederquot; moet hier derhalve vertaald worden door het algemeene woord : bloedverwant, of door het meer bepaalde n e e f.
Een eigen broeder van dezen Jacobus was Judas, gelijk blijkt uit den Algemeciien Brief van Judas I: 1 en uit de Handelingen der Apostelen I: 15. Ook hij kon dus geen broeder des Heeren zijn naar onze opvatting des woords.
Verder lette men op de drie volgende schriftuurplaatsen;
Mattheüs XXVII: 56. »Er waren aldaar (op den Calvarieberg, bij het kruis des Heeren) vele vrouwen, van verre staande, die Jesus uit Galilea gevolgd waren, hem dienende, onder welke waren Maria Magdalena en Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder der zonen van Zebedeüs.quot;
Marcus XV: 40. «Er waren ook vrouwen, die van verre toezagen, onder welke waren Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jakobus den mindere en van Joseph, en Salome.quot;
Joannes XIX : 25. »Bij het kruis van Jesus stonden zijne moeder, en de zuster zijner moeder, Maria, de vrouw van Cleophas, en Maria Magdalena.quot;
Vergelijkt men nu deze drie teksten, en houdt men daarbij in het oog, dat Alpheus volgens joodsch gebruik nog een tweeden naam, dien van Cleophas, droeg, dan wordt het duidelijk, dat »Ma na de moeder van Jucohns en Josephquot; en nMuiia de vrouzv van Cleophas*' één en de/elfde persoon was, alsook dat de vrouw, die door Joannes Salome wordt genoemd, dezefde is, die bij Mattheüs de moeder der %oneii van Zebedeüs heet. Jacobus toch is, volgens Matth. X, Marc, ill en Luc. VI, een zoon van Alphcüs-Cleophas; zijne moeder (die ook de moeder van Joseph was), was dus de vrouw van dien Cleophas.
Door vergelijking van al het boven aangehaalde blijkt derhalve uit de H. Schrift alleen, ook al laat men de Overlevering baiten rekening, dat drie der zoogenaamde broeders van Jesus zonen waren van Alpheüs-Cleophas en van Maria, die de zuster van Jesus' moeder genoemd wordt. En daar de vierde, Simon, een broeder van Jacobus, Joseph en Judas was, was ook hij een zoon van zooevcn genoemde ouders. (De Judas, van wien hier telkens spraak is, is Judas Thaddeüs, niet Judas Iscarioth.)
Roept men voorts de Overlevering en de getuigenis der oudste christelijke schrijvers en kerkvaders ter hulp, dam komt men met volmaakte zekerheid lot de volgende slotsom: a De H. Maagd, de gezegende Moeder des Heeren, is altijd maagd gebleven; b de H. Joseph was vóór zijn ondertrouw met Maria nooit gehuwd geweest en had dus geene kinderen, welke de broeders van Christus konden genoemd worden; c die zoogenaamde broeders zijn alle vier kinderen van Alpheus en diens vrouw Maria. Daarenboven is het een algemeen aangenomen gevoelen, dat: d de hier vermelde Maria, die de zuster der II. Maagd genoemd wordt, slechts hare nicht was, nl. eene dochter van Joachims broeder; en e dat Alpheüs-Cleophas een broeder was van den H. Joseph, den bruidegom der H. Maagd.
Eene moeielijkheid tegen het bovengezegde wordt soms opgeworpen, niet door geletterde tegenstanders dm Katholieken, maar door onkundige lezers der H. Schrift. De Schrift zegt nl., bij Matth. I: »Hij (Joseph) bekende haar (Maria) niet als zijne vrouw, totdat zij haren zoon (Jesus) baarde.quot; De onkundige lezer, zich grondende op het woord loldat, besluit daaruit: Dus later deed hij het wel.
Wie echter met het spraakgebruik der H. Schrift bekend is, weet dat bij haar het woord totdat een geheel andere beteekenis heeft dan bij ons. Het wil eenvoudig zeggen : Zoolang is bet niet gebeurd, en wat later gebeurd is of niet, laat de schrijver in het midden. Een enkel voorbeeld daarvan â 'twelk trouwens met vele vermeerderd zou kunnen worden â moge hier volstaan. In het 2de Boek der Koningen (in den hebreenwschen tekst het 2de Boek Samuël genoemd) wordt in hoofdstuk VI: 25 gezegd: »Uit Michol, de dochter van Saul, werd geen zoon geboren tot aan den dag van haren dood.quot; Zij baarde toch zeker geen zoon na haren dood.
Overigens maakt de H. Chrysostomus over dit punt omtrent de zoogenaamde broeders van Christus nog de volgende zeer juiste opmerking. «Waarom toch,quot; zegt hij, «zou Jesus aan het kruis zijne heilige moeder aan den veelgeliefden Joannes hebben aanbevolen, indien zij zonen had bezeten, die voor haar konden zorgen?quot;
438
RIJRELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XVIII.
ONTHOOFDING VAN j O A N N F. S DEN DOOP ER. ZENDING DER APOSTELEN' OM TE PREDIKEN.
(Mattii. XIV, IX cn X; Marc. VI; Luc. \'III cn IX.)
J l,V5
jlM
ijSop; steeds werd Joannes de Dooper om zijn onverschrokken optreden tegen de p ongeoorloofde verbintenis van Herodes met Herodias, de vrouw van zijn broe-V der Philippus, door den viervorst gevangen gehouden (in den kerker van liet fë/* slot Machérus in Galilea). Op zekeren dag nu, toen de viervorst zijn geboortefeest vierde cn niet zijne rijksgrooten aan tafel zat, kwam de dochter van Herodias binnen (waarschijnlijk door hare moeder hiertoe aangezet) en begon voor de gezamenlijke dischgcno.oten te dansen. Allen, cn op de eerste plaats Herodes zelf, schepten daarin zooveej behagen dat hij tot de jeugdige danseres sprak : Vraag van mij wat gij wilt. En zijne woor. den met een eed bevestigende, sprak hij verder; Al wat gij vraagt zal ik u geven, ware het ook de helft van mijn rijk. Het meisje liep daarop naar hare moeder en zeide; VTat zal ik vragen? De moeder, de gebeten vijandin van den boetgezant, antwoordde : Vraag het hoofd van Joannes den Dooper. Haastig trad het meisje weer binnen en sprak: Ik verlang dat gij mij onmiddelijk op een schotel het hoofd van Joannes den Dooper geeft. Toen Herodes dit woord hoorde, werd hij bedroefd; doch ter wille van zijn eed en om niet zwak te schijnen in de oogen van die met hem aan talel zaten, zond hij een scherprechter uit, welke den boetgezant in den kerker onthoofde en het hoofd op een schotel in de feestzaal bracht. Daar werd het aan de jeugdige dochter van Herodias gegeven, en deze gaf het aan hare moeder. â Zoodra de leerlingen van Joannes dit uiteinde huns meesters vernamen, haalden zij zijn bloedig overschot uit den kerker cn begroeven het. Vervolgens gingen zij het voorgevallene aan Jesus mededeelen.
Jesus was inmiddels zijn tweeden tocht door Galilea begonnen; hij trok de verschillende steden en dorpen rond, leerde alom in de synagogen cn genas de zieken van allerlei kwalen. Behalve zijne twaalf apostelen vergezelden hem op zijn tocht ecnige vrouwen, welke door hem genezen of van booze geesten bevrijd waren, en die thans met hare tijdelijke goederen in zijne levensbehoeften voorzagen. Met name bevonden zich onder haar Maria Magdalena, uit wie hij zeven booze geesten had verdreven, en Joanna, de huisvrouw van Herodes' hofmeester Chusas.
In zoo aanzienlijke menigte kwamen de scharen, begeerig naar het woord des heils, van alle kanten op Jesus toestroomen, als schapen die geen herder hebben, dat hij medelijden met haar kreeg cn tot zijne apostelen sprak: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig in getal; bidt dus den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijn oogst zende. Daarna de apostelen om zich vergaderende, gaf hij hun macht de duivelen uit te drijven en allerlei soort van ziekten tc genezen, en zond hen twee aan twee uit om liet rijk Gods te verkondigen, hun daarbij bevelende geen voorraad voor de reis mede te nemen, als; geen reiszak, geen brood, geen geld in hunne gordels, noch twee paar onderkleederen; maar tc gaan alleen met hun wandelstok cn op het enkele paar voetzolen, waarmede zij thans geschoeid waren. Gaat, zeide hij hun; begeeft u niet naar de heidenen ol de steden der Samaritanen, maar veeleer naar de verloren schapen van het huis van Israël; verkondigt dezen; Het rijk Gods is gekomen, â geneest de zieken, wekt de dooden op, zuivert de melaatschen en werpt de duivelen uit. Doet dit om niets; om niets hebt gij het ontvangen, geeft het ook om niets. Neemt echter van den anderen kant geen goud of zilver mede (om u levensonderhoud te koopen), want een arbeider is zijne spijs waard. Waar gij een 8tad of een dorp ingaat, vraagt daar, wie er waardig is (om u te huisvesten), eu welk huis
439
mjmsCHR GHSCHIRDF.NR.
gij dan binnentreedt, blijft er en gaat niet naar een ander. Bij het binnentreden zult gij groeten met de woorden: Vrede zij dezen huize! Is liet buis den vrede waard, dan zal die daarover nederdalen, docb zoo niet, dan zal uw vrede tot u terugkeeren. Neemt men u niet op, of wordt aan uwe woorden geen gehoor verleend, verwijdert u dan uit dat huis of die stad en schudt zelfs het stof uwer voeten als eene getuigenis tegen hen af. Voorwaar, ik zeg u: drageli|ker zal het zijn in den dag des oordeels voor het land van Sodoma en Gomorrha, dan voor zoodanige stad.
Ziet, ik zend u als schapen te midden van wolven. Weest derhalve voorzichtig als de slangen en argeloos als de duiven. Neemt u in acht voor de menschen, want zij zullen u overleveren aan de rechtbanken, en in hunne synagogen zullen zij u geeselen, en ook voor landvoogden en koningen zult gij worden gebracht om mijnentwil, tot eene getuigenis voor hen en voor de heidenen; doch als zij u zullen overleveren, weest dan niet bezorgd, hoe of wat gij zult spreken, want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; niet gij toch zijt het, die alsdan spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die spreekt in u. De broeder nu zal den broeder ter dood leveren, en de vader den zoon, en kinderen zulien opstaan tegen hunne ouders en hen dooden. En gij zult gehaat wezen bij allen om mijnen naam; wie echter volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig worden. En wanneer men u zal vervolgen in de eene stad, zoo vlucht naar de andere; voorwaar ik zeg u, gij (gij en uwe opvolgers) zult nog niet met alle steden Israels ten einde gekomen zijn (nog niet alle Joden bekeerd hebben), als de Zoon des menschen verschijnt.
Een leerling is niet boven den meester, noch een dienstknecht boven zijn heer; genoeg is het, zoo de leerling zijn meester en de dienstknecht zijn heer gelijk is. Heeft men den vader des huisgezins (mij, uw meester) Beëlzebub genoemd, hoeveel te meer zal men het zijne huisgenooten doen? Daarom, vreest hen niet; want niets is bedekt, dat niet openbaar, en niets geheim, dat niet geweten zal worden.
Wat ik u zeg in het verborgen, zegt dat in het licht, en hetgeen gij hoort aan het oor, predikt dat van de daken. Weest daarbij niet bevreesd voor hen die het lichaam dooden doch de ziel niet dooden kunnen, maar vreest hem, die én ziel én lichaam kan verderven ter helle. Zijn niet twee musschen te koop voor een penning? Nochtans valt niet een daarvan op den grond buiten den wil uws Vaders. En van u zijn al de hoofdharen geteld. Vreest derhalve niet; beter zijt gij dan vele musschen. Ieder nu, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijn Vader die in den hemel is; waar wie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik eveneens verloochenen voor mun Vader die in den hemel is.
Meent niet dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op aarde; niet om vrede, maar om het zwaard te brengen kwam ik. Want ik ben gekomen om tweedracht te verwekken tusschen den mensch en zijn vader, tusschen de dochter en hare moeder, tusschen de schoondochter en hare schoonmoeder, en eens menschen huisgenooten zullen zijne vijanden zijn. Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mijner niet waardig; wie zoon ol dochter lief heeft boven mij, is mijner niet waardig, en wie zijn kruis niet opneemt en mij volgt, is eveneens mijner niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven om mijnentwil verloren heeft, zal het vinden.
Wie u opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt dengene op, die mij gezonden heeft. Wie een profeet opneemt, omdat deze een profeet is, zal het loon eens profeten ontvangen, en wie een rechtvaardige opneemt, omdat deze een rechtvaardige is, zal het loon ontvangen eens rechtvaardigen. En al wie ook slechts een beker koud water aan een van deze geringsten zal gegeven hebben, omdat die geringste een leerling is, voorwaar ik zeg u, hij zal zijn loon niet verliezen.
I. Een eed â gelijk Herodes zwoer â â waarbij men zich verbindt iets kwaads te doen, is niet alleen van den beginne af volkomen n etig, maar men mag hem zelfs niet houden; anders toch zou God zelf ons tot het kwaad verplichten, en dit te beweren ware niet slschts eeue dwaasheid, maar bovendien eene vreeselijke jjod»»
4\fi
tUjnP.I.SCHK GF.SL!«IJt)E^tO.
lastering. Katholieken derhalve, die, zooals meermalen bij een huwelijk met een onkatholiek gebeurt, gezworen hebben óf zelf hun geloof te verzaken óf hunne kinderen in een valschen godsdienst op te voeden, hebben dien eed te beschouwen als niet gedaan, wijl God, die slechts het goede, niet het kwade wil, hem niet heeft aangenomen.
2. Bij hunne eerste zending ontvingen de apostelen het bevel, alleen aan de Joden het évangelie te verkondigen; het heil zou van Israel uitgaan. Later werden zij ook tot de heidenen gezonden.
3. Wat door de ongeloovige wereld den Christenen soms ten kwade wordt geduid, dat zij in tijden van vervolging de vlucht nemen, is, zooals men boven ziet, een gebod des lleeren, die niet wil dat zijne kinderen zich vermetel aan gevaren blootstellen.
4. Het doel van Jesus' komst hier op aarde was geen strijd maar vrede. â »vrede op aarde den menschen van goeden wil.quot; De strijd evenwel volgde, tegen de bedoeling in, noodzakelijk uit zijn komst, doordien de tot den vrede gevorderde voorwaarde, het van-goeden-wille-zijn, aan de meesten ontbrak. Zij, die weigerden in Jesus te gelooven, haatten en vervolgden degenen, die hem aannamen, en zoo ontstond er verdeeldheid zelfs tusschen man en vrouw, kinderen en ouders. Dien strijd had God ongetwijfeld kunnen beletten, doch daartoe ware het noodig geweest den boozen hun vrijen wil te ontnemen, wat met het plan zijner oneindige wijsheid niet strookte.
HOOFDSTUK XIX.
H E R O D E S M F. F. N1 N G OVER J E SUS WON D E R B A R E R R O O D V E R-MEN1GVULD1G1NG. JESUS BELOOFT DE INSTELLING VAN HET H. SACRAMENT DES ALTAARS.
(Matth. XIV; Marc. VI; i uc. IX; Juan. VI.)
w|i%*jquot;e mare van Jesus' daden, die geheel Galilea vervulde, drong eindelijk ook door f ilpsjL tot het oor van Herodes. In het eerst wist de viervorst niet, wat hij van de zaak moest denken. Door eenigen toch uit zijn omgeving werd beweerd: Joannes de Dooper is van dc dooden opgestaan, daarom werken die wonderkrachten in hem. Anderen hielden vol: Elias is verschenen. Nog anderen meenden in Jesus een der 1 overige oude profeten te zien â wien, dit wist men zelf niet; terwijl er eindelijk ook waren, die zeiden: Neen, hij is een profeet als ieder profeet.
Omtrent de mogelijkheid, dat Jesus Jcannes zou zijn, vroeg Herodes zich zeiven af: Joannes heb ik onthoofd; maar wie is dan degene, van witn ik zooveel hoor? Ten slotte kwam hij tot de meening, dat het toch werkelijk Joannes was, en hij gaf dit zijnen dienaren te kennen met de woorden: Het is Joannes de Dooper, dien ik onthoofd heb; maar hij is van de dooden verrezen, en daarom werken zulke wonderkrachten in hem. Hij wenschte nu Jesus te zien.
Toen Jesus dit vernam, verwijderde hij zich uit de omstreken der plaats, waar zich het hof van den viervorst bevond, en trok naar het meer van Genesareth. Weldra zag hij zich hier weder omringd door zijne apostelen, die, van hunne zending teruggekeerd, hun meester alles verhaalden wat zij gedaan en geleeraard hadden, waarop hij tot hen sprak: Gaat mede naar een eenzame plaats en neemt een weinig rust. Aanhoudend toch stroomde zooveel volk op hem en de zijnen toe, dat hun bijna geen tijd werd gelaten om te eten. Hij steeg dus met de leerlingen in een scheepje en voer naar de woestijn van Bethsaïda. (Dit Bethsaïda, een ander dan de stad van denzelfden naam in Galilea, lag in het landschap Gaulonitis, buiten het gebied van Herodes.)
Zoodra dc scharen hem zagen oversteken, trokken zij te voet het meer om, en voegden zich in de woestijn bij hem. Hij beklom met zijne leerlingen een berg, doch op het gezicht van de groote menigte menschen, die hem van zoo verre gevolgd waren, kreeg hij medelijden met hen, en den berg weder afdalende, genas hij de zieken, die zij bij zich hadden en begon vervolgens zijne leer te verkondigen.
Terwijl hij daarmede be,zig was tot laat op den dag, naderden hem zijne cpnstelen en
i6
BTJBELSCHF. GF.SCHIF.DF.NtS.
ïciilen: Het is hier een woestijn en het uur is reeils ver gevorderd: laat dus de scharen heengaan, opdat zij zich over de omliggende dorpen en steden verspreiden en spijs koopen. Doch hij sprak: Het is niet noodig, dat zij gaan, geeft gij dezen te eten. De leerlingen zeiden: Zullen wij dan gaan en voor tweehonderd tienlingen brood koopen? Daarop zijn oogen over de menigte latende weiden en ziende, dat zij zeer groot was, vroeg hij aan Philippus: Waar zullen wij brood koopen, opdat dezen eten? Dit zeide hij echter, om zijn leerling te beproeven, want iüj wist wat hij doen zoude, Philippus antwoordde; Voor tweehonderd tienlingen brood is zelfs niet genoeg, opdat ieder een weinig bekome. Jesus sprak nu tot de zijnen: Hoeveel brooden hebt gij? gaat heen en onderzoekt dat. Toen de leerlingen dit gedaan hadden, zeide een hunner, Andreas de broeder van Simon Petrus: Hier is een jongen die vijf gerstebrooden en twee visschen lieeft; maar wat beteekent dat onder zoovelen? Jesus zeide: Brengt die zaken hier en doet de menschen bij groepen nederzitten op het gras. Daar was namelijk veel gras op die plaats. De apostelen deden gelijk hun gezegd was, en de menschen zaten neder in groepen van vijftig en van honderd. Daarna nam Jesus de vijf brooden en de twee visschen, hief zijne oogen ten hemel, zegende de spijs, en gaf, na hel brood gebroken te hebben, alles aan zijne leerlingen, die het onder de groepen ronddeelden. f3e menschen aten alsdan, en hoewel hun getal omstreeks vijf duizend man bedroeg, werden zij niet alleen verzadigd, maar er schoot zelfs nog voorraad over. Jesus sprak : Verzamelt de overgebleven brokkelingen, opdat zij niet verloren gaan. De leerlingen deden aldus, en de verzamelde brokkelingen vulden nog twaalf manden. â Op het gezicht van dat wonder riepen de verbaasde scharen uit: Deze is waarlijk de profeet die in de wereld moet komen (de beloofde Messias).
Daar Jesus uit dat woord begreep, dat die menschen (in aanmerking genomen hunne valsche voorstelling, welke zij zich van den Messias vormden) hem in zegetocht zouden medevoeren en hem tot koning uitroepen, beval hij zijnen leerlingen, zich oogenblikkelijk in te schepen en het meer weder over te steken. Inmiddels bleef hij zelf achter, om de scharen te doen heengaan, en klom voorts alleen op een berg, waar hij den nacht biddende doorbracht.
Ondertusschen hadden de leerlingen bij hunne vaart over het meer niet alleen te kampen met tegenwind, maar deze verhief zich bovendien allengs tot een storm, zoodat hun scheepje telkens door de baren geslingerd werd, en zij, ondanks de krachtsinspanning waarmede zij roeiden, in de vierde nachtwake (tusschen 3 en 6 uur in den morgen) nog niet meer gevorderd waren dan vijf en twintig of dertig stadiën ver (ruim een uur gaans). Jesus dit ziende wandelde over de baren naar hen toe, doch, dicht bij hen gekomen, hield hij zich alsof hij hen voorbij wilde gaan. De leerlingen meenden eene spookgestalte te zien , en slaakten angstkreten. Jesus echter sprak tot hen: Weest gerust, ik ben het, vreest niet. Op dat woord sprak Petrus: Heer, als gij het zijt, laat mij dan tol u komen op het water. Jesus antwoordde: Kom. Petrus klom nu uit het scheepje en spoedde zich over hel water tot zijn meester; doch eensklaps, bij hel opsteken van een hevige windvlaag, werd hij bang, en reeds beginnende te zinken riep hij uit: Heer, red mij! Jesus slak hem zijne hand toe, trok hem uit het water en sprak: Kleingeloovige! waarom twijfeldet gij? De leerlingen verzochten daarop Jesus zich bij hen te voegen in het scheepje, en zoodra hij dit gedaan had, was de storm bedaard en bereikten zij binnen weinige oogenblikken het land van Geuesareth in Galilea. Getroffen door dit schitterende wonder â veel meer dan door dat der broodvermenigvuldiging, waarop zij weinig acht geslagen hadden â aanbaden zij Jesus en riepen uil; Waarlijk, gij zijt de Zoon Gods. De bewoners van de plaats, waar hij aanlandde, brachten hem niet alleen hunne eigene zieken, maar zij gaven ook van zijne komst bericht aan de omliggende steden en dorpen, zoodat van alle kanten allerlei soort van lijdenden werden aangevoerd, die hem smeekten, ook maar den boord van zijn kleed te mogen aanraken. Allen nu die hem aanraakten, waren genezen.
Inmiddels stonden de scharen, die aan de overzijde van het meer gebleven waren, des morgens niet weinig verbaasd dat zij Jesus daar niet meer vonden. Den vorigen avond
44i
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
toch, toen zij zijne leerlingen zonder hem hadden zien vertrekken, was er slechts één scheepje aan het strand blijven liggen, en dit scheepje lag er nog. Evenwel besloten zij het meer over te steken , om hem in Galilea te gaan zoeken en zij maakten daartoe gebruik van vaartuigen, die zoo pas voor de stad Tiberias waren aangeland.
Eindelijk vonden zij hem te Capharnaüm in de synagoge, en vroegen hem ; Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen? Zonder op die vraag te antwoorden berispte hij de vragers, dat zij hem volgden, niet wijl zij door zijne wonderen van zijne goddelijke zending overtuigd waren, maar omdat hij in hunne lichamelijke behoefte had voorzien. Voorwaar, voorwaar â zeide hij tot hen â gij zoekt mij, niet omdat gij teekenen hebt aanschouwd, maar wijl gij van de brooden hebt gegeten en verzadigd zijt geworden. Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, blijvende ten eeuwigen leven, die de Zoon des menschen u geven zal, want hem heeft de Vader bezegeld.
Zij vroegen nu: Wat moeten wij doen, om de werken Gods te werken ? Jesns antwoordde : Dit is het werk Gods dat gij gelooft in dengene, dien hij gezonden heeft. Zij hernamen; Welk tecken verricht gij, opdat wij het zien en u gelooven? Onze vaderen aten het manna in de woestijn, gelijk er geschreven staat; Brood uit den hemel heeft hij hun te eten gegeven; waar wat werkt gij? (Gij hebt slechts eenmaal brood vermenigvuldigd en onder Moses viel het manna eiken dag.) Jesns sprak; Voorwaar voorwaar, ik zeg u: niet Moses heeft n liet brood uit den hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel. Want het brood Gods is dat, hetwelk uit den hemel nedergedaald en aan de wereld het leven geeft. Zij zeiden nu: Heer, geef ons altijd dat brood. Doch Jesus ging voort te spreken; Ik ben het brood des levens. Die tot mij komt, zal niet. hongeren, en die in mij gelooft, zal nimmer dorsten. Doch ik heb n reeds gezegd, dat ofschoon gij mij gezien hebt (als wonderdoener), gij no.htans niet gelooft. Al wat de Vader mij geeft, zal tot mij komen, en hem die tot mij komt, zal ik niet uitwerpen; want ik ben van den hemel nedergedaald, niet om mijnen wil te doen, maar den wil van hem, die mij gezonden heeft. En dit is do wil mijns Vaders, die mij gezonden heeft, dat ik niets van al wat hij mij heeft gegeven, late verloren gaan, maar het opvvekke ten jongsten dage. Dit nu is de wil mijns Vaders, die mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en ik zal hein ten jongsten dage opwekken.
De Joden morden over die woorden, omdat Jesus gezegd had: Ik ben het levende brood die uit den hemel ben nedergedaald. Is deze â vroegen zij ongeloovig â niet Jesus de zoon van Joseph, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe kan hij dan zeggen: Ik ben uit den hemel nedergedaald ? Jesus, den Joden leerende dat het geloof van God moet komen, maar dat zij die gave weerstonden, sprak tot hen; Mort niet onder elkander; niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke; en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Er staat geschreven bij de profeten; En zij zullen allen van God geleerd worden. Een iegelijk nu, die van. den Vader gehoord en geleerd heelt, komt tot mij. Niet dat iemand den Vader gezien heeft, tenzij degene, die van God is (de Zoon); deze heeft den Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u ; die in mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Ik ben het brood des levens. Uwe vaderen aten het manna in de woestijn en stierven; dit is het brood, hetwelk uit den hemel nederdaalt, opdat, zoo iemand daarvan eet, hij niet sterve. Ik ben het levende brood, die uit den hemel ben nedergedaald ; zoo iemand van dit brood eet, hij zal leven in eeuwigheid ; en het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch, voor het leven der wereld.
De Joden streden nu onder elkander, hoe dit mogelijk kon zijn ; Hoe kan deze, vroegen zij, ons zijn vleesch te eien geven ? Jesus antwoordde : Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : als gij het vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn bloed niet drinkt zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft he-t eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn
BlJHhLSLHh UhMJHIKUKNlS.
bloed is wnarlijk drank. Die mijn vlccsch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, en ik door den Vader leef, zoo zal ook hij, die mij eet, door mij leven. Dit is het brood dat uit den hemel is nedergedaald, niet gelijk uwe vaderen hel manna gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet zal leven in eeuwigheid.
Zelfs velen dergenen, die Jesus aanhingen, ergerden zich in deze leer. Dat woord is hard, zeiden zij; wie kan het aanhooren? Jesus sprak tot hen; Ergert n dit? Indien gij tl an den Zoon des menschen zult zien opvaren waar hij te voren was? (zult gij u dan nog ergeren?) Het is de geest, die levend maakt; het vleesch is tot niets nut. (Ik zal u geen dood vleesch geven, maar vleesch, met mijn levendmakende Godheid vereenigd en bovendien glorievol verrezen.) De woorden, die ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven; doch er zijn sommigen van u, die niet gelooven. Jesus toch wist van den beginne af, wie ongeloovig waren, en ook wie hem zou overleveren, en hij sprak: Daarom heb ik u gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij het hem gegeven zij van mijn Vader.
Van dit oogenblik nu gingen vele zijner leerlingen heen en volgden hem niet meer. Hij sprak alstoen tot de twaalf: Wilt ook gij niet heengaan? Simon Petrus zeide daarop; Heer, tot wien zullen wij gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben gelooid en erkend, dat gij de Ghristus de Zoon Gods zijt. Jesus sprak: Heb ik niet u twaalven uitgekozen? en één van u is een duivel. Dit zeide hij van Judas Iscarioth, die hem zou overleveren.
/. Dc stadie was een lengtemaat ter bepaling der afstan len. Er gingen 2.\ stadiën op een uur gaans.
2. In het gesprek des Zaligmakers met de Jo.len in de synagoge te Capliarnaüm zijne drie punten te onderscheiden. hersl neemt de Verlosser uit het wonder der broodvermenigvuldiging, door hem aan de overzijde vau het meer gewrocht, aanleiding tot de verklaring, d.it hij eenmaal der wereld een oneindig voedzamer brood xa\ schenken. «Werkt,quot; zegt hij tot de Joden, »oin de spijs, blijvende ten eeuwige leven, die de /.oen des menschen u geven za 1.quot; Hier had iiij blijkbaar reeds hel 11. Altaarsacrament op het oog.
Do. h alvorens daarover verder te handelen, bespreekt hij op de tweede plaats de voorwaarden, die de Joden noodzakelijk zullen moeten vervullen, als zij het beloofde verheven geschenk willen deelachtig warden De eerste en onmisbaarste voorwaarde is, dat zij hem met een geloovig hart aannemen als den eeuwigen Zoon des Vaders, nedergedaald, niet als het manna uit het zichtbare en stollelijke hemelruim, maar uit den hemel der hemelen Gods om het leven te brengen aan de wereld.
Na over die voorwaarde te hebben uitgeweid, komt hij op de derde plaats tot het II. Altaarsacrament terug, met de woorden : «Het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch voor her leven der wereld.quot;* Hu toen de Joden daarop, onder elkander strijdende, vroegen: »IIoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven?quot; bevestigde hij zijne woorden herhaaldelijk en zoo nadrukkelijk mogelijk. Zijn vleesch, zegt hij, is waarlijk spijs, en zijn bloed is waarlijk drank, en die het niet nuttigt, zal het leven in zich niet hebben : integendeel degene, die dit vleesch eet en dit bloed drinkt, blijft in Jesus, en Jesus in hem; hij heeft het leven en zal in heerlijkheid worden opgewekt ten jongsten dage.
De Joden mogen zijne woorden evenwel niet verstaan in een vleeschelijke grof zinnelijke beteekenis, also! hij hun dood vleesch zou te eten geven, zooals elk ander vleesch. Het vleesch alleen, wanneer het afgeschapen kon worden â wat het echter niet kan â van den levenden Geest Gods, van de met Jesus* menschheid in één persoon vereenigde Godin id, zou tot niets nut zijn. Doch hij zal zijn vleesch geven op opeindig verhevene wijze: geheel zich zeiven zal hij geven, den één en waren en levende^ G o d - in e n s c h. In dien levenden en geesivollen zin moeten zijne-woorden worden begrepen.
3. De bekende tegenwerping der onkatholieken, als zou des Verlossers uitdrukking : «mijn vleesch eten en mijn bloed drinkenquot; slechts eene figuurlijke spreekwijze zijn en geene hoog verhevene werkelijkheid bevatten, is schitterend weerlegd door den geleerden kardinaal Wiseman. De kardinaal redeneert ongeveer in dezer voege :
hen figuurlijke uitdrukking moet worden opgevat in den zin, dien het gewone spraakgebruik daaraan hecht. Is oemt men iemand een vos, dan bedoelt men niet, dat hij lui, maar dat hij sluw is. Heet men iemand'een hond, dan denkt men noch aan luiheid, noch aan geslepenheid, maar aan onbeschaamdheid. Spreekt men van iemand, als van een leeuw, dan heeft men moed en heldhaftigheid op het oog. Kardinaal Bossuet werd gewoonlijk genoemd: de arend van Meaux; men wilde daardoor aanduiden de hooge vlucht zijner godgeleerde bespiegelingen. â Zoo heeft elke figuurlijke spreekwijze hare vaststaande beteekenis.
Dit is ook het geval met de uitdrukking: «iemands vleesch eten,quot; die in do taal der Oostersche volken en in de II. Schriftuur meermalen in figuurlijken zin voorkomt. Doch in dien fignurlijken zin beteekent zij altijd en onveranderlijk: iemand grovelijk belasteren of hem een ander grof onrecht aandoen, liene geheele reeks van â voorbeelden brengt Wiseman tot betoog dezer stelling bij. Als een enkel proefje uil dit vele worde hier verquot;*
AH
BIJBEI.SCHF GFSCHirDENlS.
wezen naar hoofdstuk 147 O. T. dezer Bljb. Geschiedenis, waar Job klagend tot zijne vrienden zegt: «Waarom vervolgt gij mij... en verzadigt u aan mijn vleeschquot; â d. i. waarom brengt gij krenkende, lasterlijke beschuldigingen tegen mij te berde ?
Uit dit alles volgt, dat zoo de Zaligmaker, gelijk onze tegenstanders beweren, in figuurlijken zin zou gesproken hebben, zijne woorden hierop zouden neerkomen: «die mij belastert of mij een ander grof onrecht aandoet, blijft in mij en ik in hem.quot; Hoe dwaas, om niet te zeggen : hoe goddeloos, een dergelijke bewering zou zijn, ziet ieder in. De Zaligmaker kan dus onmogelijk in figuurlijken zin hebben gesproken; zijne woorden zijn te verstaan in hun eigen werkelijke beteekenis. 'nderdaad, zijn wezenlijk en waarachtig vleesch en bloed, vereenigd met zijne ziel en met zijn Godheid, beloofde hij aan de zielen tot spijs en drank te geven. Hij zelf zegt het: »Mijn vleesch is waarlijk spijs, mijn bloed is waarlijk drank.quot;
Ook zijne hoorders verstaan zijne woorden in dien zin en velen gaan daarom heen en willen voortaan niet meer met hem omwandelen.âHadden zij hem verkeerd begrepen, Jcsus zou hen teruggeroepen en beter onderricht hebben ; door hen te laten gaan, toont hij dus zelf, dat zij hem goed begrepen hebben.
HOOFDSTUK XX.
I' TEN MET ONGEWASSCHEN HANDEN. DE CHANAANEESC11E ^ VROUW. VERSCHILLENDE GENEZINGEN.
(JOAN VII; Mattii. XV; MAUC. VII.)
ââ¦â
zijn gesprek met de schare in de synagoge te Capharnaüm bleef Jesus, hoewel Ti|J||p£ het Paaschfeest naderde, vooreerst nog in Galilea ; want hij wilde niet naar Judea Jlf®? * gaan, wijl de daar wonende Joden (aan wier aanslagen hij zich vooreerst door Wy' geen wonder wilde onttrekken) hem naar hot leven stonden. Er kwamen nu in Galilea bij hem Pharizccn en cenige schriltgeleerden uit Jerusalem, die, toen zij sommige zijner i leerlingen niet ongewasschen handen zagen eten, hun dit zeer ten kwade duidden. De Pharizecn toch, en in het algemeen de Joden van dien tijd, aten nooit dan na vooraf herhaaldelijk hunne handen te hebben gewasschen. Zelfs namen zij, als zij van de markt terugkeerden, waar zij met koopwaren van heidenen in aanraking konden gekomen zijn, eer zij aan tafel gingen een bad; en zoo waren er nog vele andere dingen, die zij voor het eten verrichtten, zooals: het om- en afspoelen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk en het wasschen van de banken, waarop zij aanzaten. Al deze dingen waren hun niet door de wet van Moses geboden; het waren slechts verordeningen van eenige oudsten of leeraars (die, zonder daartoe eenige macht te hebben, deze verordeningen nog niet zeer lang geleden hadden ingevoerd en overgeleverd).
De Pharizecn en schriftgeleerden vroegen dan aan Jcsus: Waarom overtreden uwe leerlingen de overlevering der oudsten? zij immers wasschen hunne handen niet, als zij hun brood eten, maar eten met onheilige handen? Jesus antwoordde met de wedervraag: Waarom overtreedt gij het gebod Gods (dat streng verplicht) ter wille van uwe overlevering (die niet verplicht)? God toch heeft geboden: Eer vader en moeder, en wie vaderen moeder vervloekt, zal den dood sterven. Doch gij leert : Al wie tot zijn vader of moeder, als hij hen in nood ziet, zegt: Het olfer, door mij aan den tempel gegeven, zal u baten, hij is tot niets meer aan zijne ouders verplicht. Door die leer bewerkt gij, dat hij zijn vader en moeder niet eert, en maakt gij het gebod Gods krachteloos door uwe overlevering. Dergelijke dingen doet gij vele, Huichelaars! met recht heeft Isaïas van u gesproken: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is verre van mij. Het gebod Gods toch iaat gij na en onderhoudt de overlevering der menschen, zooals: het spoelen van kruiken en drinkbekers en dergelijke dingen meer.
Daarna riep hij de scliarcn bij zich en sprak: Aanhoort mij allen en verstaat. Niets, dat van buiten het lichaam ingaat (hetzij het schoon gewasschen of vuil is) besmet den mensch; maat: nvaL uii .keu Jmidüiiusuiex Jeu.meibch. Wie ooreu lieefl om te hooien, die hoorei
44J
44« BIJRRLSCHE GESCHIEDENIS.
Alsdan naderden hem zijne leerlingen en zeiden: Weet gij wel, dat de Pharizeên in dit woord geërgerd zijn geworden ? Jesus antwoordde: Alle plantsoen, dat mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal nitgerocid worden. Laat hen begaan; het zijn blinden en leidslieden van blinden. En als de eene blinde den anderen leidt, vallen zij beiden in den kuil. Petrus zeide nu; Verklaar ons uw woord ; waarop Jesus sprak : Zijt ook gijlieden nog zonder begrip? Begrijpt gij niet, dat al wat den mond ingaat (schoon of vuil) in het lichaam komt en langs den natuurlijken weg ontlast wordt ? maar wat den mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat besmet den mensch. Want uit het hart komen booze gedachten, doodslagen, overspelen, ontuchtigheden, diefstallen, valsche getuigenissen en godslasteringen. Deze dingen zijn het, die den mensch besmetten, maar het eten met onge-wasschen handen besmet den mensch niet.
Na deze woorden stond Jesus op en vertrok naar de heidensche landstreken vanTyrus en Sidon. D::ar riep eene Chanaaneesche vrouw, wier dochter van den duivel bezeten was, hem toe: Meer, zoon van David, ontferm u mijner; mijne dochter wordt deerlijk door den boozen geest gekweld ! Doch hoe zij ook smeekte, Jesus zweeg. Eindelijk zeiden zijne leerlingen tot hem : Heer, help haar, opdat zij heenga, want zij schreeuwt ons na. Maar hij antwoordde: Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis Israels. Toen hij nu in een huis ging, om daar met zijne leerlingen alleen te zijn. volgde hem niettemin de heidensche vrouw, wierp zich voor zijne voeten neder, aanbad hem en smeekte: Heer, help mij. Jesus wees haar af met de woorden: Eerst moeten de kinderen (de Joden) verzadigd worden; het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het voor de honden (de heidenen) te werpen. In den diepsten ootmoed antwoordde de vrouw: Dat is waar. Heer; maar de honden eten toch de kruimelen, die van de tafel hunner meesters vallen. Toen sprak Jesus: O vrouw! groot is uw geloof! Om wille daarvan ga, en u geschiede gelijk gij begeert; de booze geest heeft uwe dochter verlaten. De vrouw ging. en te huis komende vond zij hare dochter te bed liggen, gezond en van den duivel bevrijd.
Vervolgens weder uit de streken van Tyrus en Sidon terugkeerende, ging Jesus door het land der Tien Steden en kwam aan het meer van Genesareth. Daar werd hem een doofstomme gebracht, met het verzoek dezen de hand te willen opleggen. Jesus stak zijne vingeren in de ooren des doofstommen, spuwde op den grond, raakte met een weinig speeksel de tong van den man aan, en, na onder eene verzuchting ten hemel te hebben opgezien, sprak hij: ElTeta ! dat is: Word geopend. Terstond nu werden de ooren des doofstommen geopend, de band zijner tong werd los, en hij sprak zeer goed. Daarop gebood Jesus aan de omstanders, dat zij het aan niemand zouden zeggen; doch hoe meer hij dit gebood, des te meer maakten zij het bekend en des te meer stonden zij verbaasd en riepen uit : Hij heeft alles wel gedaan; de dooven heeft hij doen hooren en de stommen doen spreken!
Toen hij daarna op een kleinen berg was geklommen, naderden hem nog vee! meer menschen, die inmiddels waren aangekomen. Zij voerden met zich doofstommen, blinden, kreupelen, lammen en vele andere lijders, die aan zijne voeten nedergelegd en allen door hem genezen werden. Bij het aanschouwen dezer wonderen werden de scharen met diep ontzag en dankbaarheid vervuld, en juichende en jubelende verheerlijkten zij den alnuich-'.isen God van Israel.
i. Jesus klt;'iirt niet alle verordeningen van menschen af, maar slechts tie zoodanige, welke gegeven waren door menschen, die daartoe niet de geringste macht of zending ontvangen hadden. Vele verordeningen van Moses toch waren ook door menschenhanden gegeven, door die van Moses, maar op bevel Gods. Bovendien gaf Jesus zelf later aan zijne apostelen de macht om wetten aan dc geloovigen voor te schrijven. »A1 wat gij gebonden zult hebben op aarde â sprak hij tot hen â dat zal gebonden zijn in den hemel.quot; ^ij konden dus niet alleen van den band der zonde ontslaan, maar evenzeer konden zij banden aanleggen d. i. iets bevelen wat onder zonde verplichten zou. Die macht hebben de apostelen, zooals wij in het boek der Handelingen XV lezen, onder andere gebezigd, om den geloovigen het gebruik van bloed in het algemeen en het eter. vuu vleesch van gestikte dieren ie verbieden. Later zijn die wellen weer op^elieveu
JESUS GENEEST DE ZIEKEN. Bladz 446.
ftlJRF.l.SCHE GP.SCHIF.nr.NlS.
2. Zij, die niet bijzonder niet het vasten zijn ingenomen, beroepen zich soms, om daarvan verschoond te blijven, op de woorden des Zaligmakers: «Wat van buiten het lichaam ingaatquot; â of, zooals het bij een ander evangelist luidt: »wat den mond ingaatquot; â «besmet den niensch niet.quot;
Als wilde onze Moeder de 11. Kerk toonen, van hoeveel onkunde of kwade trouw dat beroep getuigt, laat zij het gedeelte van liet evangelie, waarin die woorden staan opgeteekeiui, aan hare kinderen voorlezen juist in den II. Vastentijd, namelijk op Woensdag na den derden Zondag in de Vasten. Het beroep mist trouwens alle kracht. De Zaligmaker spreekt ter aangehaalde plaatse volstrekt niet van het vasten, maar alleen van het eten met gewasschen of ongewasschen handen. Vinden nu die lieden, die steeds, te pas of te onpas, met bijbelspreuken schermen, er hun genoegen in, om van de aangehaalde woorden gebruik makende, zelfs met meer bemorste handen te eten, zij mogen het doen: althans de Zaligmaker verbiedt het hun niet. Van het vasten evenwel heeft hij, op eene andere plaats â zie Nieuwe Test. hoofdstuk 10 â verklaard, dat zijne leerlingen dit zouden beoefenen, zoodra hij van hen zou zijn weggenomen.
3. Met gruwelijke verkrachting van de wet Gods leerden de Pharizeen, dat iemand zich van zijn zware verplichting, 0111 behoeftige ouders in hun nood bij te staan, kon bevrijden door datgene, wat hij hun zou moeten geven, aan den tempel te schenken. Om die afschuwelijke leer worden de huichelaars naar verdie ste door den Zaligmaker bestraft.
4. Omtrent de wijze waarop de Zaligmaker den doofstomme genas, zegt professor Beelen: «Men verbeelde zich deze handeling zoo, dat Jesus iets van het vocht van zijn gezegenden mond uitspuwende op de voorste vingeren zijner rechterhand, vervolgens met die bevochtigde vingeren de tong van dien mensch aanraakte. De bevochtiging zijner tong duidde zinnebeeldig op het herstel van zijn spraakvermogen: als iemands tong uit droogte aan zijn gehemelte kleeft, kan hij niet spreken.quot;
HOOFDSTUK XXI.
TWEEDE WONDHRBARH BROODVERMENIGVULDIGING.
GENEZING VAN EEN BLINDE TE BETHSAÃDA.
(Maïth. XV cn XVI; M\kc. VIII; Luc. XII.)
mtrent denzelfden tijd, terwijl wederom zeer vele menschen Jesus naar de woestijn gevolgd waren en zij hun meegehrachten voorraad verteerd hadden, sprak hij tot z'ine lee,l'ngen : Ik heb medelijden met de schare, want reeds drie dagen zijn die menschen voortdurend bij mij cn hebben niets meer te eten; en zoo ik hen onge-r spijsd naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, want velen hunner zijn I van verre gekomen. Dc leerlingen zeiden; Vanwaar zal iemand hen met brood kunnen verzadigen hier in de woestijn? Jesus vroeg: Hoeveel brooden hebt gij? Zeven, â was het antwoord, en eenige weinige vischjes. Hij beval nu de schare zich op den grond neder te zetten, cn na vervolgens de zeven brooden genomen en gezegend te hebben, brak hij ze en gaf ze zijnen leerlingen, die zc aan de scharen gingen voorzetten. Ook nam cn zegende liij de vischjes en beval deze insgelijks voor te zetten. De schare, omtrent vierduizend man sterk, at en werd verzadigd en er schoten nog zeven manden brokkelingen over. Na dit wonder ging Jesus met de zijnen scheep en kwam in de landstreek Dalmanutha.
Daar naderden hem Pharizeen cn Sadduceën, en vroegen, om hem te beproeven, dat hij hun een teeken uit den hemel zou toonen. Jesus, die reeds zoovele teekenen getoond had, welke zij echter niet wilden begrijpen, antwoordde hun: Als gij des avonds de lucht rood ziet, zegt gij; het zal morgen schoon weder zijn; maar ziet gij des morgens de lucht rood dan zegt gij; heden zal het weder slecht zijn. Komen er wolken op uit het westen, zoo zegt gij terstond : het zal regenen ; en waait de wind uit het zuiden, dan zegt gij; het zal heet worden. Zoo weet gij het uitzicht des hemels te onderkennen, maar de teekenen der tijden weet gij niet te onderkennen. En met een diepen zucht voegde hij daarbij: Hoe begeert dit geslacht nog een teeken! Voorwaar, ik zeg u, geen teeken zal het worden gegeven dan het teeken van Jonas den profeet.
4 l8 btjnF.I.SCtlE GFSCHIRDHNIS.
Daarna scheepte hij zich weder in, en na overgevaren te zijn, bespeurden zijne leerlingen bij het zien van het eene brood hetwelk hun nog overbleef, dat zij vergeten hadden nieuwen voorraad mee te nemen. Jcsus, nog vervuld met de gedachte aan hetgeen zooeven gebeurd was, begon tot hen te spreken : Wacht u voor het zuurdeeg der Pharizeën en Sadduceën! De leerlingen verstonden dit woord niet, wijl zij meenden, dat hij van stollelijk brood sprak, hetwelk zij vergeten hadden mede te nemen. Jcsus sprak alsdan tot hen: Waarom, kleingeloovigen, denkt gij: Dit zegt hij, omdat wij geen b.ood genoeg bi; ons hebben? Zijt gij dan nog zonder begrip? Hebt gij oogen en ziet niet, ooren en hoort niet, en herinnert gij u niets? Toen ik de vijf brooden brak voor de vijfduizend mal», hoeveel manden vol brokkelingen verzameldet gij toen? Twaalf, antwoordden zij. En, ging hij voort, toen ik de zeven brooden brak voor vierduizend man, hoeveel manden met brokkelingen vuldet gij toen? Zeven, was het antwoord. Hoe is het dan mogelijk, zeide hij, dat gij nog niet inziet, dat ik niet uit bekommering om stoffelijk brood spreek, als ik u zeg; wacht u voor bet zuurdeeg der Pharizeën en Sadduceën? Thans begrepen de leeiüngen, dat hij niet het brood, maar de leer der Pharizeën en Sadduceën bedoelde.
Vervolgens kwam hij te Hcthsaïda, waar men hem een blinde bracht, met de bede, dezen aan te raken. Jcsus vatte den blinde bij de hand en geleidde hem buiten het vlek. Daar spuwde hij hem op de oogen, legde hem de handen daarop en vroeg hem, of hij iets zag. De man antwoordde; Ik zie de menschen wandelen als hoornen. Andermaal legde hij hem zijne handen op de oogen, en nu werd de man zoo geheel ziende, dat hij alles duidelijk onderscheidde. Daarna liet Jesus hem naar zijn huis te Bethsaïda terugkeeren.
De tegenstanders der katholieke Kerk, die liet in haar zoo sterk afkeuren, dat /.ij zich bij het uitdeden harer genadenrddelen veelvuldig van uiterlijke teekenen en ceremoniën bedient, mogen uit de genezing van den blinde te Bethsaïda leeren, dat de goddelijke Zaligmaker niet dacht als zij, maar dat hij integendeel van het gebruik van uiurlijke teekenen aan zijne Kerk het voorbeeld gaf. Hij had den blinde kunnen genezen door een enkel woord, zelfs door zijn wil alleen ; doch in plaats van dit te doen, geleidt hij hem eerst buiten het vlek, bevochtigt daarna zijne oogen met speeksel, legt hem vervolgens de handen op, vraagt hem voorts of hij ziel, legt hem andermaal de handen op, en eerst nu is de man volkomen hersteld. Ook de doofstomme uit het vor ge hoofdstuk wordt niet genezen dan onder verschillende teekenen. De Zaligmaker steekt hem zijn gezagenden vinger in de ooren, spuwt op den grond, raakt met zijn door speeksel bevochtigden vinger de tong des stommen aan en spreekt daarbij het woord : F (feta : word geopend. Op dergelijke zinnebeeldige wijze handelde hij nog met veie andere ongelukkigen ; terwijl hij ook soms, om te toonen dat hij al die zinnebeelden niet noodig had, maar volstrekt heer en gebieder over de natuur was, den zieken met een enkel woord, zelfs uit de verte gesproken, de gezondheid teruggaf. Zoo deed hij o. a. met den koninklijken hoveling te CapharnaÃm â¢â Nieuwe Testament; hoofdstuk 9 â, met den knecht van den honderdman â N. T. hoofdstuk 14 â en met de dochter der Chanaaneesche vrouw â N. T. hoofdstuk 20.
RTjnHI.SCnF. nr.SCHIF.DRNIS.
HOOFDSTUK XXII.
PETRUS, ROTS DHR KERK F.N SLHUTHLDRAGF.R VAN HF.T RIJK DER I1EMEEEN. VHRHEHULljKING VAN JESUS OF DEN BFRG.
VOORZEGGING VAN ZIJN DOOD EN VERRIJZENIS.
(Matih. XVI en XVII; Makc. VIII en IX; Luc, IX.)
p zekeren dag, terwijl Jesns met zijne leerlingen op weg was naar de stad Ce-sarea Philippi (in het landschap Gaulonitis), vroeg hij hun, na eerst alleen opeen berg tot zijn hemclschen Vader gebeden te hebben: \\rie zeggen de menschen, Mpquot; dat de Zoon des menschen is? Zij antwoordden; Sommigen zeggen; Joannes de Dooper, anderen Elias, nog anderen Jcremias of een ander der profeten. Toen { vroeg Jesus hun: Maar gijlieden dan, wie zegt gij dat ik ben? Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God. Jesus sprak daarop tot Simon: Zalig zijt gij, Simon zoon van Jona, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in den hemel is. En ik, ik zeg u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En ik zal u de sleutelen van het rijk der hemelen geven, en al wal gij op aarde zult gebonden hebben, dat zal gebonden zijn ook in den hemel, en al wat gij zult ontbonden hebben op aarde, dat zal ook ontbonden zijn in den hemel.
Na die woorden beval hij zijnen leerlingen niet aanstonds alom te verkondigen, dat hij de Christus was; want, zeide hij, de Zoon des menschen moet nog eerst veel lijden en nog eerst verworpen worden van de opperpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden cn ten derden dage ven ijzen. Zoo deelde Jesus zijnen leerlingen thans openlijk mede, wat hij hun vroeger slechts bedektelijk had gezegd, dat hij zou lijden en sterven. Zoodra Petrus dit woord hoorde, trok hij Jesus een weinig ter zijde en sprak met vuur: Lijden en sterven zij verre van u, Heer! het zal niet geschieden! Doch Jesus, zich van Petrus afkeerende, sprak: Ga weg van mij! gi) zijt voor mij een Satan, een aanstoot, want gij let niet op hetgeen de wil Gods is, maar op hetgeen de menschen zoeken. Daarna onderrichtte hij al zijne leerlingen, dat niet alleen voor hem, maar ook voor ieder hunner, krachtens den wil Gods, lijden noodzakelijk was. Wie mijn volgeling wil worden, zeide hij, die verloochene zich zeiven, hij neme zijn kruis op en volge mij na. Want wie zijn leven zal hebben willen behouden, zal het verliezen; wie echter zijn leven om mijnentwil zal verloren hebben, zal het vinden. En wat toch baat het den ir.ensch, zoo hij al de geheele wereld wint, maar zijn leven verliest, of wat zal de mensch in ruil geven voor zijn leven ? Die dus (in plaats van mij na te volgen) zich schaamt voor mij en mijne leer, voor hem zul ook de Zoon des menschen zich schamen, als hij zal gekomen zijn in zijne glorie en in die des Vaders en bij zijne heilige engelen.
Nadat Jesus hun alzoo van het lijden als de wegbereiding ter verheerlijking gesproken had, wilde hij reeds acht dagen later aan drie van hen een straal dier verheerlijking laten zien. Met Petrus, Jacobus en Joannes beklom hij een hoogen berg, begon daar te bidden en werd onder het gebed van gedaante veranderd. Zijn gelaat blonk als de zon en zijne kleederen werden blinkend wit als sneeuw. Daarbij verschenen hem twee mannen van een eerbiedwekkend uiterlijk, Moses en Elias, die met hem spraken over het werk zijns doods, dat hij te Jerusalem zou te volvoeren hebben. Petrus en diens beide metgezellen waren in den beginne, toen Jesus bad, van vermoeienis in slaap gevallen, en nu wakker wordende zagen zij hun meester in zijne heerlijkheid en de twee mannen, die met hem spraken.
57
BFJI5HLSCHF, GF.SCUIRDl'NtS.
Vol verrukking riep Petrus, terwijl de mnnnen zich gereed maakten om heen te gaan,
zijn meester toe: Heer, het is goed dat wij hier zijn; als gij wilt, laat ons hier drie tenten maken, een voor u, een voor Moses en een voor Elias. Dit sprak Petrus zonder te weten wat hij zeide; zoozeer waren hij en zijne metgezellen van vrees en ontzag verbijsterd. Nog had hij intusschen zijn woord niet voleindigd, of een lichte wolk overschaduwde hen, en eene nieuwe ontroering greep hen aan toen zij Moses en Elias door de wolk zagen opgenomen. Op hetzelfde oogenblik klonk uit de wolk een heldere stern: Dit is mijn beminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb; hoort hem. Dat woord; dooiden hemelschen Vader gesproken, vervulde de drie leerlingen met zoo diep eene heilige vrees, dat zij zich op hunne aangezichten ter aarde wierpen en aldus bleven liggen, totdat Jesus hen aanraakte en zeide: Staat op, vreest niet. Zij sloegen nu hunne oogen op, en rondblikkende zagen zij, dat zij weder met Jesus alleen waren. Jesus daarop met hen den berg afgaande gebood hun: Zegt niemand iets van deze verschijning totdat de Zoon des menschen van de dooden zal zijn opgestaan. Zij kwamen dit gebod trouw na, maar wel ,
spraken zij onder elkander over de beteekenis van dit laatste woord, hetwelk Jesus hun gezegd had : Totdat hij van de dooden zou zijn opgestaan; want zij begrepen dat woord niet.
Nog een ander punt hield hunne gedachten bezig: Zij hadden vroeger meermalen van de schriftgeleerden gehoord, dat de komst van Elias die van den Messias moest voorafgaan, en daar deze profeet thans wel is waar was afgedaald, maar ook weder verdwenen,
wisten zij niet, wat zij van die zaak moesten denken. Zij vroegen derhalve Jesus: Hoe kunnen de schriftgeleerden dan zeggen, dat Elias eerst moet komen? Jesns antwoordde:
Elias zal ook eerst komen, en als hij komt, zal hij alles herstellen; en gelijker geschreven staat van den Zoon des menschen, dat deze veel zal lijden en veracht worden, zoo zal het ook Elias gaan. (Elias zal komen voordat de Zoon des menschen op het einde der wereld I
ten oordeel verschijnt.) Maar ik zeg u, ging Jesus voort, dat Elias ook reeds gekomen is,
volgens hetgeen er van hem geschreven staat; en de menschen hebben aan hem gedaan â »
al wat zij wilden, gelijk ook de Zoon des menschen veel van hen zal lijden. De leerlingen begrepen nu, dat Jesus met den laatstgenoemden Elias Joannes den Dooper bedoelde.
1. Door hunne overzetting in het N?dcrlandsch verliezen de woorden, waarmede Jesus beloofde Petrus tot het rotsfundament zijner Kerk te zullen maken, veel van de kracht en de bepaaldheid, die zij in den Griekschen grondtekst van den evangelist Lucas hebben. In het Gricksch toch heet steenrots petra. Van dit petra is liet woord petrus (of eigenlijk petros) gevormd, dat eveneens steenrots beieekent. Den naam Petrus, Steenrots had Jesus reeds vroeger â zie N. T. hoofdstuk 6 â aan Simon gegeven, en thans zegt hij tot hein : G ij z ij t Steenrots en op deze steenrots zal ik m ij n e Kerk bouwen. Men lette ook op het woordje »deze.quot; Jesus zegt niet: Op de eene of andere steenrots, bv. op uwe deugd of op uwe belijdenis van mijne godheid zal ik mijne Kerk bouwenquot;, maar »op deze steenrots, die gij zijt, o Steenrots.quot;
De Kerk van Christus zal dus werkelijk gebouwd zijn op Petrus, op den Rotsman; hij is haar fundament,
haar grondsteen. Al degenen dus, die, zooals de afgescheiden secten en de uit de Kerk verbannen scheurmakers,
niet op de steenrots staan, kunnen behooren waartoe zij willen, en zich de kerk noemen van wien zij willen, zij behooren niet tot de Kerk van Christus, want zij staan builen het eenige door Christus gelegde fundament.
2. Hoe nauw lijden en verheerlijking sanienliangen toont ook onze Moeder de II. Kerk, die het evangelie van de gedaanteverandering van Christus op den berg in den II. Vastentijd zelfs tweemaal aan hare kinderen laat voorlezen, eens op den tweeden Zondag in den Vasten en eens op den Zaterdag te voren.
Voorts heeft men door eene vergelijking van het evangelie met hetgeen in bovenstaand hoofdstuk vermeld is, nog gelegenheid tot het maken eener opmerking, die niet van belang ontbloot mag heeten. Het in de Kerk voorgelezen evangelie is nl. ontleend aan een evangelist, den H. Mattheüs; het bovenstaand verhaal werd bewerkt naar dre evangelisten: Mattheüs, Marcus en Lucas. Wat nu hierboven meer werd verhaald dan bij Mattheüs alleen staat opgeteekend, bewijst hoe weinig het in de bedoeling der evangelisten heeft gelegen, al de woorden en daden van Jesus te boek te stellen. De een vermeldt eene bijzonderheid, die de andere stilzwijgend voorbijgaat, en omgekeerd. Dit is niet alleen hier, maar op bijna alle bladzijden van het N. Testament het geval. Veel,
icer veel _ zooals de H. Joannes, de laatste evangelist, nog in zijn laatste hoofdstuk getuigt â bleef onopge-
ichreven, om alleen door mondelinge onderrichting van de apostelen aan hunne opvolgers en van dezen weer «au verdere opvolgers te worden overgeleverd.
450
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XXIII.
EEN MAANZIEKE EN VAN DEN DUIVFX BEZETEN DOOFSTOMME GENEZEN.
TWIST DER SCHRIFTGELEKRDEN MET DE APOSTELEN. JESUS' VERTREK UIT
GALII.I'A NAAK JUDÃA. Hl'.RIIAALDl- VOORZEGGING VAN ZIJN DOOD.
LEER VAN DE BROEDl'.RI.IJKE VHRGII;lrF.N'IS FIN DE BROEDERLIJKE VERMANING. GENEZING VAN TIEN MELAATSCFIEN.
(Matiii. XVII, XVIU en XIX; Mauc. IX en X; Luc. IX eu XVII; Joan. VII.)
oen Jesus met dc cirie getuigen zijner verheerlijking, Petrus, Jacobus en Joannes, r£R van den berg in de vlakte was algedaaki, vond hij daar, te midden eener groote menigte volks, zijne overige negen apostelen in een woordentwist gewikkeld met de schriftgeleerden. Een gedeelte der schare hem ziende, snelde hem te gemoet, j een ander gedeelte bleef de schriftgeleerden en de negen apostelen omringen. Jesus richtte zijne schreden naar dc strijdenden eu vroeg hun: Waarover twist gij? Eer nog zijne leerlingen op die vraag antwoord hadden gegeven, viel een man voor hem op de knieën en sprak; Meester, ik heb een maanzieken zoon, die van den duivel bezeten is, welke hem stom maakt; ik heb hem hier gebracht; ontferm u over dien zoon, want hij is mijn eenige en hij lijdt zwaar. Als de duivel hem bij tijden aangrijpt, werpt hij hem voor den grond; den jongeling komt alsdan het schuim om de lippen, hij gilt, knarst op de tanden en kwijnt weg. Soms ook valt hij in het water, soms in het vuur, en dikwijls scheelt het maar weinig of de duivel rijt hem vaneen. Ik heb reeds uwen leerlingen verzocht den duivel uit te drijven, maar zij konden het niet. (Misschien hadden de schriftgeleerden juist over dit onvermogen met hen getwist, door te zeggen, dat hun meester niet zoo machtig was als zij beweerden.)
Zoodra de vader des jongelings zijn verhaal geëindigd had, sprak Jesus tot hem: O, ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal ik nog met u zijn, hoe lang u nog verdragen? Breng mij uw zoon hier. Aan dit bevel werd voldaan, en zoodra nu de jongeling Jesus zag, greep de duivel hem wederom aan, verscheurde hem bijna en wierp hem voor den grond. Daar wentelde de bezetene zich rond, met het schuim op de lippen. Jesus vroeg den vader: Sedert hoelang overkomt hem dit? De vader antwoordde: Van zijne jeugd af, en dikwijls, zooals ik zcide, werpt de duivel hem in het vuur of in het water, om hem te dooden; ik bid u dus, indien gij iets vermoogt, help ons, ontferm u onzer. Indien gij kunt gelooven, sprak Jesus daarop, zal ik u helpen; voor hem die gelooft, is alles te verkrijgen, De vader zcidc: Ik geloof. Heer, kom mijn ongeloof ter hulp. Thans, terwijl dc schare dichter om hem samendrong, sprak Jesus met gebiedende stem tot den duivel: Doof en stom makende geest, ga van hem uit en keer niet meer in hem terug! Onder een geweldigen schreeuw werd de jongeling voor het laatst nog eens door den duivel bijna vaneen gereten, en lag eindelijk ter neer als een doode, zoodat vele der omstanders zelfs zeiden; hij is dood. Jesus echter vatte hem bij de hand, hief hem op, en de jongeling was genezen en voor altijd van den duivel bevrijd. Daarop gaf Jesus hem onder de vreugdekreten der menigte, die God loofde en verheerlijkte, aan den vader terug.
Toen Jesus vervolgens een huis binnenging en zijne leerlingen met hem alleen waren, vroegen zij hem: Waarom konden wij den duivel niet uitdrijven? jesus antwoordde; Om uw klein geloof. Zij zeiden daarop: Heer, vermeerder ons geloof. Jesus hernam: Als gij een geloof hadt als een mosterdzaadje (dat, hoe onbeduidend in het oog der menschen, echter vol kracht en vuur is), zoudt gij tot den wilden vijgenboom kunnen zeggen; ontwortel u en verplant u in zee, en hij zou u gehoorzamen. En tot dezen berg zoudt gij kunnen zeggen: Ga van hier naar daar, en hij zou heengaan, en niets zou u onmogelijk zijn. â
4)1
B1IBEI.SCHE GESCHIEDENIS.
Daarna gaf Jesus nog een andere reden op, waarom de apostelen dezen duivel niet hadden kunnen uitdrijven: Dit geslacht, zeide hij, wordt niet uitgedreven dan doorbidden en vasten.
Nadat deze dingen in de omstreken van Cesarea Philippi geschied waren, ging Jesus weder naar Galilea, waar hij editor niet lang wilde blijven, wijl het zijn plan was dat landschap slechts door te trekken om zich naar Judea en Jerusalem te begeven. Onderweg sprak hij met zijne leerlingen over hetgeen hem te Jerusalem wachtte: De Zoon des menschen, zeide hij, zal overgeleverd worden in de handen der menschen, zij zullen hem dooden, maar ten derden dage zal hij weder opstaan. De leerlingen begrepen niet, waarom hij wilde overgeleverd worden; dit was en bleef voor hen een geheim, dat hen allen diep bedroefde, maar omtrent hetwelk zij hem geen opheldering durfden vragen.
Toen hij vervolgens op zijn doortocht met de zijnen te Capharnaüin kwam, waar hij eenige dagen rust nam, naderden de ontvangers der tempelschatting Petrus en vroegen hem: Betaalt uw meester den didrachma niet? Ja, antwoordde Petrus, en toen hij daarop het huis binnenging, waar zijn meester was, voorkwam Jesus hem reeds met de vraag: Wat dunkt u, Simon, van wien innen de koningen der aarde schatting of belasting, van hunne zonen of van hunne onderdanen? Van hunne onderdanen, luidde het antwoord. Derhalve, hernam Jesus, zijn de zonen vrij ; echter, opdat wij aan deze menschen geen aanstoot geven, zoo ga naar het meer, werp den hengel uit, neem den visch dien gij het eerst ophaalt, open hem den bek en gij zult er een staterpenning (twee didrachmen) in vinden; betaal daarmede voor mij en voor u.
Voorts zich tot zijne gezamenlijke leerlingen wendende, die op weg naar Capharnaüm er druk over getwist hadden, wie van hen de grootste was, vroeg hij hun : Waarover hebt gij onderweg gehandeld? In het eerst durfden zij hem uit schaamte op die vraag geen antwoord geven, doch een weinig later vroegen zij hem uit eigen beweging: Wie, dunkt u, is de grootste in het rijk der hemelen ? Jesus antwoordde: Indien iemand de grootste wil zijn, hij worde de minste en de dienaar van allen. Daarop een kind roepende en dit omhelzende plaatste hij het naast z'ch in hun midden en sprak tot hen : Voorwaar, ik zeg u, zoo gij u niet bekeert (van uwe eerzucht) en wordt als kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan: maar al wie zich zal vernederd hebben als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen Wie voorts een dezer kleinen opneemt in mijn naam, hij neemt mij op; en die mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Wie echter aan een dier kleinen, die in mij gelooven, ergernis geeft, het ware hem beter, dat hij, met een molensteen aan den hals gebonden, geworpen werd in de diepte der zee.
Wee der wereld wegens hare ergernis! Wel is het onmogelijk dat er geen ergernis kome, doch wee den mensch door wien zij komt. Indien uw hand u ergert, zoo kap haar af; het is u beter verminkt in te gaan in het leven, dan met twee handen te gaan in de hel, in het onuitbluschbaar vuur, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgedoofd. En zoo uw voet u ergert, hak hem af; beter toch is het u kreupel het eeuwige leven in te gaan dan met twee voeten geworpen te worden in den kolk van onuitbluschbaar vuur. En ergert u uw oog, ruk het uit en werp het van u; het is u beter édnoogig het leven binnen te gaan dan met twee oogen geworpen te worden in den vuurkolk, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht. Ieder, die in die plaats afdaalt, zal met vuur gezouten worden, gelijk een slachtoffer gezouten wordt met zout.
Ziet wel toe dat gij niet een dezer kleinen veracht, want ik zeg u dat hunne engelen in den hemel altijd het aanschijn aanschouwen van mijn Vader die in den hemel is. De Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken wat verloren was. Wat dunkt u, zoo iemand honderd schapen heeft, waarvan éón verdwaalt. Iaat hij dan niet de negen en negentig op de bergen en gaat het verdwaalde opzoeken? En vindt hij het, voorwaar ik zeg u, hij verheugt zich meer over dat eene schaap dan over de negen en negentig die niet verdwaalden. Evenzoo is het de wil van uwen Vader die in den hemel is, dat niet een van deze kleinen verloren ga.
Ziet ook wel toe op u zeiven, en mocht het gebeuren dat uw broeder tegen u zondigt
455
(u ergernis geeft door zijn slecht gedrag), ga dan en berisp hem eerst onder vier oogen; hoort hij naar u, zoo hebt gij uw broeder gewonnen. Hoort hij evenwel niet naar u, neem dan met u één of twee getuigen, opdat door den mond van twee of drie alle zaak vast sta. Hoort hij ook niet naar die getuigen, maak dan zijn gedrag bekend aan de Kerk, en indien hij naar de Kerk niet hoort, zoo zij hij u em heiden en tollenaar.
Daarna zijnen leerlingen de macht verleenende om als apostelen en bestuurders der Kerk wetten te geven, de onwilligen voor heidenen en tollenaars te verklaren en de rouvv-moedigen in genade op te nemen, sprak hij: Voorwaar ik zeg u: al wat gij op aarde zult gebonden hebben, zal gebonden wezen ook in den hemel, en al wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook in den hemel ontbonden zijn. En verder sprekende over de kracht van het vereenigd gebed, zeide hij: Voorts zeg ik u: als twee van u op aarde zich vereenigen om, wat het ook zij, te vragen, het zal hun gegeven worden van mijn Vader die in den hemel is. Want, waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden.
Alsdan vroeg Petrus hem, op het zooeven gehoorde terugkomende: Heer, hoe dikwijls zal ik mijn broeder, die tegen mij zondigt, vergeven? tot zevenmaal toe? Jesus antwoordde: ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar lot zeventigmaal zevenmaal. Het rijk der hemelen is, op het punt van vergiffenis, gelijk aan een koning, die rekening wilde houden met zijne dienaren. Er werd een voor hem gebracht, die hem tienduizend talenten schuldig was, en daar deze niets had om te betalen, gebood zijn heer, dat men hem met zijne vrouw, zijne kinderen en al wat hij bezat zou verkoopen, en dat uit de opbrengst betaald zou worden. Doch de dienaar viel voor hem neder en smeekte hem: Heb geduld met nvj, en ik zal u alles betalen. De heer werd tot medelijden met dien dienaar bewogen en schold hem de schuld kwijt. Toen evenwel diezelfde dienaar, na heengegaan te zijn, een zijner mededienaren vond, die hem slechts honderd tienlingen schuldig was, greep hij hem aan, wrong hem de keel dicht en zeide: betaal hetgeen gij schuldig zijt. Zijn mededienaar viel neder en smeekte hem: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen. Doch de andere luisterde niet naar die bede, maar wierp integendeel zijn mededienaar in de gevangenis, totdat hij het verschuldigde zou betalen. Als nu de overige dienaren dit zagen, werden zij zeer bedroefd en verhaalden hunnen heer al wat er gebeurd was. De heer riep den eersten dienaar bij zich en sprak: Booze knecht! ik heb u de geheelc schuld kwijt gescholden, wijl gij er mij om gebeden hebt; moest gij dan ook geen medelijden hebben met uw mededienaar, gelijk ik medelijden heb gehad met u? Daarna gaf hij hem in zijn toorn over aan de beulen, totdat de geheele schuld betaald zou zijn. Aldus zal mijn hemelsche Vader ook met u handelen, zoo gij, een ieder zijn broeder, niet van harte vergeeft.
Verder leerde Jesus den zijnen, dat als zij aan dezen plicht om vergiffenis te schenken en aan alle andere plichten zouden voldaan hebben, zij zich niet beroemen konden iets buitengewoons te hebben verricht, dewijl zij eenvoudig hadden gedaan wat zij als dienstknechten moesten doen. Wie uwer, sprak hij tot hen in eene gelijkenis, â wie uwer heeft een dienstknecht, tot wien hij, nadat deze van het veld is teruggekeerd , waar hij ploegde of het vee hoedde, zal zeggen: Kom, zet u terstond aan tafel? Zal hij niet veeleer zeggen: Maak mijn avondmaal gereed en bedien mij totdat ik gegeten en gedronken heb; daarna zult gij eten en drinken? Dankt hij wel dien dienstknecht, omdat deze gedaan heeft wat hij hem bevolen bad? Ik meen van niet. Zoo ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zegt dan: Wij zijn onnutte dienstknechten; wij hebben slechts gedaan wat wij schuldig waren te doen.
Nadat Jesus deze geprekken met zijne leerlingen gehouden had, kwamen eenige zijner bloedverwanten, die wegens het Loofhuttenfeest naar Jerusalem optrokken, bij hem en zeiden: Ga van hier en begeef u ook naar Judea, opdat uwe leerlingen daar uwe werken mogen zien die gij doet. Niemand toch verricht iets in bet verborgen, als hij vermaard zoekt tc worden; indien gij dan zoo grootc wonderen doet, zoo openbaar u aan de wereld.
-131 BrjBELSCHE GESCHIEDENIS.
Dit zeiden deze bloedverwanten wijl zij nog niet in hem geloofden. Doch Jcsus, die nog een korte wijle in Galilea wilde blijven, antwoordde hun: Mijn tijd om te gaan is nog niet gekomen , uw tijd echter is steeds daar. De wereld heeft geen redenen u te haten , maar mij haat zij, omdat ik van haar getuig, dat hare werken boos zijn. Gaat gijlieden dus naar het (eest; ik evenwel trek nog niet op, wijl mijn tijd nog niet vervuld is. De bloedverwanten togen nu heen en een weinig later ging ook Jesus, niet in het openbaar, omringd door een groote feestelijke menigte, maar als in het verborgen, alleen met zijn apostelen.
Onderweg bewees hij nog aan eenige ongelukkigen eene groote weldaad. Even buiten een zeker vlek, niet ver van de grenzen van Samaria, stonden tien melaatsche mannen, die, zoodra zij Jesus ontwaarden, hem tot op eenigen afstand naderden en hem toeriepen: Jcsus, Meester, ontferm u onzer! Jesus sprak tot hen: Gaat, vertoont u aan de priesters. De ongelukkigen begaven zich op weg en werden reeds onder het heengaan van hunne mclaatschheid genezen. Een van hen zich gereinigd ziende, keerde onmiddellijk naar Jcsus terug, wierp zich voor diens voeten neder en bedankte hem, Dit was een Samaritaan. Jesus sprak alsdan; Zijn niet al de tien gereinigd ? waar zijn dan de overige negen ? Er is niemand gevonden, die terugkeeule en God verheerlijkte, dan deze vreemdeling Voorts zeide hij tot hem ; Sta op en ga heen , uw geloof heeft u behouden.
1. M.unziektc heette bij de Joden wat wij epilepsie of valleiul'' ziekte noemen. Deze kwaal, die overigens uit natuur.ijke oor/aken ontstaan kan, kw.un bij den jongeling in het begin van «lit hoofdstuk voort van den duivel, die hem daarenboven doofstom maakte. Zoodra de duivel was uitgedreven, was de lijder terstond geheel genezen»
2. De apostelen twistten op weg naar Capharnaüm over de vraag, wie hunner de grootste zon zijn in het rijk der hemelen. el hadden zij reeds gehoord, dat Petrus tot de rots en het fundament der Kerk was aangesteld; dov h de be'.eekenis dier aanstelling ontging hun om het valsche denkbeeld, dat zij zich van den Messias en diens rijk maakten. Nog altijd toch verkeerden zij in den waan. waarin de schriftgeleerden het volk gebracht hadden, dat de Messias een groot aardsch rijk zou stichten, vol wereldlijken glans en glorie Vandaar ook konden zij er zich geen begrip van vormen, waarom de Verlosser hun herhaaldelijk sprak van lijden en sterven. Zoo iets immers kwam met hunne voorstelling van het Messias-rijk ''lies behalve overeen, en hoe vast die valsche voorstelling in hen geworteld was, zal ons nog later blijken, waar de poging verhaald zal worden van de zonen van Zebedeüs, om de hoogste ambten te bekleeden. Jesus leert hun nu hier, dat de waardigheid, die hi) hun zal verleeuen, geen wereldsche grootheid en genietingen aanbrengt, maar dat zij zal zijn een taak, om met de nederigheid en den eenvoud van een kind anderen dienstbaar te zijn ter zaligheid,
3. Door het oog dat uitgerukt, en de hand en de voet die afgekapt moeten worden is u? verstaan het verlaten van personen of zaken, die, hoewel dierbaar als oog ei) hand, echter de ziel tot ergernis d. i. tot gevaar van zondigen strekken.
4. De kleinen van welke Jesus spreekt, zijn op de eerste plaats de kinderen, en vervolgens al degenen, die door hun kinderlijk geloof en hunne nederigheid zich aan kleinen zullen hebben gelijk gemaakt,
IK30FDSTUK XXIV.
.jUS OP HET I.OOFMUTTEN'lT'.HST IN DHN TEMPEL. DE OVERSTEN DER JODEN WILLEN DE HANDEN AAN HEM SLAAN, MAAR ZIJN ONZICHTBARE GOD-DM.IJKE ALMACHT 13 EL ET HET HUN. DE OVERSPELIGE VROUW.
(JOAN. VII Cll VIII.)
r
S rM, cdHrende de eerste dagen van het feest, toen Jcsus nog niet te Jerusalem was aangekomen, zochten de oversten der Joden, de priesters en schriftgeleerden met ^ hun aanhang, hem daar overal, terwijl zij elkander vroegen: waar is hij? Er ontstond nu onder de scharen vee! gemompel over hem. Eenigen zeiden: hij is goed; anderen integendeel beweerden: neen, maar hij sleept het volk mee. Niemand dergenen echter die goed van hem dachten, durfde zijne meening in het openbaar staande houden, uit vrees voor de Joodsche oversten,
BIJRHI.SCMR GF.SCmF.DENtS.
Eindelijk, tegen het midden van liet feest, verscheen Jesns en begaf zich naar den tempel om de menigte te onderrichten. De oversten der Joden, die hem hoorden, vroegen elkander verwonderd: Moe kent deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? Jesus antwoordde; Mijne leer is niet van mij, maar van hem die mij gezonden heeft; wil iemand diens wil doen, hij zal van deze leer erkennen, of zij uit God is, dan of ik uit mij zeiven spreek. Die uit zich zeiven spreekt, zoekt zijn eigene eer; maar die de eer zoekt desgenen, die hem gezonden heeft, deze is waarachtig, en in hem is geene ongerechtigheid.
Heeft Moses u niet de wet gegeven? en geen uwer vervult de wet. Waarom zoekt gij mij te dooden? De oversten zochten inderdaad zijn dood, maar de schare, die hier niets van wist, antwoordde op zijne vraag: Gij hebt den duivel in; wie zoekt u te dooden? Jesus sprak; Eén werk heb ik verricht, waarom gij bijzonder tegen mij verbitterd zijt (tijdens mijn vorig verblijf te Jerusalem heb ik bij het schaapsbad op sabbat een man genezen, die sedert acht en dertig jaren lam was, N. 'J'. hoofdstuk n.) Moses nu heeft u de besnijdenis gegeven â niet dat zij van Moses is, maar van de vaderen â en gij besnijdt een mensch op sabbat. Indien dus een mensch op sabbat de besnijdenis ontvangt, zonder dat de sabbatswet van Moses geschonden wordt, hoe kunt gij dan op mij vergramd zijn, dat ik op sabbat den geheelen mensch heb gezond gemaakt? Wilt toch niet oordeelen naar den schijn, maar velt een rechtvaardig oordeel.
Eenige inwoners van Jerusalem, die hem hoorden spreken, zeiden: Is het deze nietgt; dien zij zoeken te dooden? en ziet, hij spreekt in het openbaar, en zij doen hem niets. Zouden de oversten wellicht ingezien hebben, dat deze toch waarlijk de Christus is? Maar neen; want wij weten van waar oeze is, en als de Christus komt, weet niemand van waar hij is. Met verheffing van stem antwoordde Jesus: Gij kent mij (naar mijne menschelijke afkomst) eu weet van waar ik beu; en toch ben ik niet uit mij zeiven gekomen, maar die waarachtig is heeft mij gezonden, en juist hem kent gij niet. ik ken hem, want ik ben van hem, en hij neeft mij gezonden. De joodschc oversten zouden hem nu wel gaarne on* middellijk gevat hebben; geen hunner echter sloeg de hand aan hem: zijn uur was nog niet gekomen.
Intusschen zeiden velen uit de schare, die in hem geloofden: Wanneer de Christus (zooals de schriftgeleerden zien dien voorstellen) gekomen is, zal hij wel meer wonderen doen dan deze? Ku werden de oversten zoo vertoornd, dat zij terstond aan hunne dienaren bevelen zonden, Jesus gevangen te nemen. Jesus, die in luiune harten las, sprak thans tot hen: Nog slechts een weinig tijds ben ik bij u; daarna ga ik tot hem die mij gnzonden heeft. Gij zult mij alsdan zoeken en niet vinden, want waar ik zijn zal, kunt gij niet komen. De oversten spraken nu tot elkander: Waar wil hij heengaan, dat wij hem niet zullen kunnen vinden? Wil hij misschien naar liet onder de heidenen verstrooide Israel gaan en de heidenen leeren ? Wat is dit dat hij gezegd heeft: gij zult mij zoeken en niet vinden? en waar ik zijn zal, kunt gij niet komen ?
Op een anderen dag, den l.iatsten dag van het feest, stond Jesus, zonder dat nog een dienaar hem gegrepen had, weder in den tempel en riep tot het volk: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot mij en drinke! Die in mij gelooft, uit zijn binnenste zullen, gelijk de Schrift zegt, stroomen van levend water vloeien. Die zeide Jesus van den Geest', welken degenen die in hem geloofden, zouden ontvangen; die Geest zou huil eenmaal gegeven worden, want nog was hij niet afgedaald, omdat de verlossing nog niet volbracht ciAestfe nog niet verheerlijkt was.
Onder de schare, welke den Heer aanhoorde, waren de gevoelens over hem verdeeld. Eenige hielden vol: Deze is waarlijk de Profeet, deze is de Christus. Anderen zeiden: Komt de Christus wel uit Galilea? zegt niet de Schrift, dat hij komt uit het geslacht van David, uit het vlek Bethlehem, waaruit David gesproten is? Sommigen dergenen, die dit laatste zeiden, gevoelden grooten lust hem gevangen te nemen j doch niemand waagde het een hand naar hem uit te steken.
â¢15 5
456 cfschifdhmis.
Het feest liep alzoo ten einde, zonder dat er metterdaad iets tegen Jesus ondernomenquot; was, want ook de door de oversten uitgezonden dienaren keerden op den avond van den laatsten dag met ledige handen bij hunne meesters terug. Dezen vroegen hun: Waarom hebt ge hem niet opgebracht ? De dienaren antwoordden ; Nooit heeft een mensch gesproken gelijk deze mensch. De oversten hernamen: Zijt gij ook al verleid? Heeft wel een der oversten in hem geloofd of iemand uit de l'harizeën? En wat de schare aangaat, die de wet niet kent, zulke lieden zijn vervloekt. â Onder de oversten nu bevond zich ook Ni-codemus, dezelfde die vroeger des nachts heimelijk bij Jesus was gekomen. Deze trachtte thans zijnen mede-oversten te betoogen, dat zij den Heer, zonder voorafgaand onderzoek zijner zaak, niet mochten veroordeelen en als een misdadiger gevangen laten nemen. Oordeelt , zoo vroeg hij, oordeelt dan onze wet wel een mensch , tenzij men hem eerst gehoord hebbe en wete wat hij doet? Woedend gaven de overigen hem ten antwoord: Zijt ook gij een Galiletr! onderzoek de Schrift en gij zult zien, dat uit Galilea geen profeet opstaat. Zij begaven zich nu een ieder naar zijn luns, en toen het avond was geworden, vertrok Jesus naar den Olijfberg.
Des anderen daags, begaf hij zich reeds vroegtijdig weder naar den tempel en onderwees het volk. De tot het getal of tot den aanhang der oversten behoorende schriftgeleerden en Pharizeen waren er, na het gebeurde van de vorige dagen, thans meer dan ooit op uit, bewijzen van wetsovertreding tegen hem in handen te krijgen. Met dut doel brachten zij bij hem in den tempel eene aan overspel plichtig bevonden vrouw en plaatsten haar voor hem in het midden der schare. Daarop vroegen zij Jesus: Meester, deze vrouw is zooeven in overspel bevonden, en in de wet heeft Moses ons geboden een zoodanige te steenigen; gij nu; wat zegt gij? Doch jesus zweeg; hij bukte zich neder en schreef met zijn vinger op den vloer des tempels. Dewijl echter zijne ondervragers aanhielden om een antwoord, richtte hij zich op en sprak tot hen: Die onder u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar. Daarop zich anderm tal nederbukkende, ging hij voort met zijn vinger op den vloer te schrijven. De schriftgeleerden en Pharizeën echter, die zijn antwoord hadden vernomen, gingen de een na den ander heen, zoodat Jesus ten laatste met de schare en met de vrouw alleen overbleef. Thans zich weder oprichtende sprak hij tot de vrouw: Vrouw, waar zijn zij, die u beschuldigden? heeft niemand u veroordeeld? Haar antwoord luidde: Niemand lieer. Jesus zeide alsdan: Ook ik zal u niet veroordeelen. Ga en zondig voortaan niet meer.
i. De wet van Moses benrafte overspel met den dooil; hot romeinsclie redit integendeel, waaronder de Joden tlians leefden, kende van zoodanige bepaling niets. Gaf nu Jesus op da vraag Jer schriftgeleerden, of de vrouw gestcenigd nuest worden, ten antwoord: ja, dan was het hun plan hem bij de romeinsche rechtbank aan te k'ag ui van oproerigheid tegen het romeinsche gezag; antwoordde hij: neen, dan zouden zij hem bij den joodschen Raad en bij het volk beschuldigen van ongehoorzaamheid aan de wet van Moses. Hij zou dus, naar hunne verwachting, hoedanig zijn antwoord ook mocht uitvallen, aan een van belde kanten zeker in den strik geraken. Zijne oneind'ge wijsheid intusschen gaf hem zonder moeite hel middel aan de hand deze verwachting te beschamen, llij las in de harten der huichelaars, hij keu Ie de menigte afschuwelijke zonden, waaraan zij plichtig wa en, en zeiden nu tot hen: die onder u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar Die proef durfde niemand hunner doorstaan Uit vrees dat de groote Wonderdoener, als zij tot de steeniging mochten besluiten, hunne geheime schanddaden in tegenwoordigheid der schare aan het licht zou brengen, dropen zij een voor een af. Om dit als 't ware ongemerkt en zonder ai te groote beschaamdheid te kunnen doen, daartoe bood Jesus hun een uitstekende gelegenheid door zich voor den tweeden keer voorover te bukken en in het stof op den vloer te schrijven ; had hij hen voortdurend strak blijven aanzien, dan zou het hun veel moeielijker geweest zijn zich te verwijderen. Wat hij schreef, is niet bekend; sommige uitleggers vermoeden, dat het eenvoudig eenige niets zeggende figuren zullen geweest zijn ; anderen ecliter willen, dat men te denken heeft aan een zeker aantal namen van zonden, waardoor den beschuldigers der vrouw op bedekte wijze de toestand van hun ei^en geweten werd aangeduid. Is deze meening de ware, dan hadden zij nog te grooter reden, om voordat de Zaligmaker tot meer openlijke verklaringen kwam, ongemerkt heen te gaan Jesus eindelijk met de vrouw alleen blijvende en in hare ziel haar innig berouw lezende, sprak tot haar: Als niemand zelfs der schriftgeleerden en Pharizeën u verooordeelde, zal ik het ook niet doen ; ga dan in vrede, maar zondig nu voortaan niet meer.
Slechts een GoJ-mensch kon met zooveel wijsheid een strik, als hem hier door da schriftgeleerden en Plugt; r'utün gespannen was, ontgaan,
457
2. De Olijfberg lag op een klein half uur afstaiuls van Jerusalem, en aan de overzijde des bergs lag het vlek Beihanie, waar Lazarus met zijne zusters Martha en Maria woonde. Misschien ging Jesus op den Olijfberg den nacht doordrengen in het gebed; althans Joan. XVIII: 2 zegt, dat hij daar dikwijls met zijne leerlingen kwam. Naar den Olijfberg gaan kan echter ook beteekenen : «te liethanië overnachtenquot;, zooals blijkt uit Lucas XXI: 37 vergeleken met Matth XXI: 17 en Marcus XI: 1 r, 19 en 20. Men kan ook beide beteckenissen hier tegelijkertijd aannemen, zoodat Jesus eerst eene wijle op den berg in het gebed doorbracht, om vervolgens te Betlianic te overnachten.
HOOFDSTUK XXV.
JESUS' GETUIGENIS VAN ZICH ZELVEN. VELEN GEI.OOVEN IN HEM, DE K WAL IJ KG E ZIN DEN WILLEN HEM STEENIGEN.
(JOAN VIII.)
J' a den afloop der zaak betrefTende de overspelige vrouw, richtte Jesus zicli wederom tot het volk in het voorhof des tempels en sprak; Ik ben het licht der wereld,⢠J ^ c''e mii gt; wandelt niet in de duisternis . maar zal het licht des levens hebben. j^7' De Pharizeën nu, â niet de beschuldigers der vrouw, maar anderen , die zich van den beginne af onder het volk gemengd hadden â zeiden tot hem , op zijne verklaring L dat hij het licht der wereld was: Gij geeft getuigenis van u zeiven; uwe getuigenis is dus niet waarachtig (niet voldoende). Jesus antwoordde : Ofschoon ik getuigenis van mij zeiven geef, is mijne getuigenis toch waarachtig, want ik weet vanwaar ik gekomen ben en waar ik heenga; gij echter weet niet vanwaar ik kom en waar ik heenga. Gij oordeelt naar het vleesch, ik oordeel en veroordeel (in dit leven) niemand; doch indien ik oordeel, zoo is mijn oordeel waarachtig. Want ik ben niet alleen, maar met mij oordeelt de Vader die mij gezonden heeft. In uwe wet zelve staat geschreven, dat het oordeel van twee personen geloofwaardig is. Ik nu ben het, die van mij zeiven getuigenis geef, en tevens geelt de Vader, die mij gezonden heeft, getuigenis van mij. Zij vroegen hem ; Waar is uw Vader? Jesus antwoordde: Gij kent noch mij, noch mijn Vader; indien gij mij kender, zoiult gij ook mijn Vader kennen.
Nogmaals sprak Jesus tot de Joden, wetende dat zij zijn dood zochten: Ik ga heen; eenmaal echter zult gij mij zoeken, doch in uwe zonden sterven. Waar ik heenga, kunt gij niet komen; gij toch zijt van beneden; ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, ik ben van deze wereld niet. Ik heb u dan gezegd: gij zult in uwe zonden sterven; immers, indien gij niet gelooft, dat ik ben die ik zeg te zijn, sterft gij in uwe zonden. Zij vroegen nu: Wie z'i; g'j' Jesus antwoordde: Ik ben van den beginne, gelijk ik u zeg. Veel heb ik omtrent u te verklaren en in u te berispen; ik zeg u echter thans alleen dit: Hij, die mij gezonden heeft, is waarachtig en hetgeen ik van hem gehoord heb, dat spreek ik in de wereld (en evenwel weigert gij mij te gelooven). De kwalijkgezinden nu wilden niet begrijpen, dat hij met dengene die hem gezonden had, God bedoelde en dezen zijn Vader noemde. Hij sprak daarom nog nader tot hen: Wanneer gij den Zoon des menschen zult opgeheven hebben (aan het kruis), dan zult gij weten, dat ik het ben (de Messias), en dat ik van mij zei ven niets doe, maar dal ik spreek wat de Vader mij geleerd heelt. En hij, die mij gezonden heeft, is niet mij; hij heeft mij niet alleen gelaten, wijl ik altijd doe wat hem welgevallig is.
Vele Joden, hem aldus hooiende spreken, geloofden in hem. Hij zeide nu tot dezen; Zoo gij in mijn woord blijit, zult gij waarlijk mijne leerlingen zijn: gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken. Spijtig zeiden daarop de kwalijkgezinden: Wij zijn Abrahams kroost en nooit aan iemand dienstbaar geweest; hoe kunt gij dan zeggen: gij zult vrij gemaakt worden? wij zijn vrij. Jesus antwoordde bun: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde, en de dienst*
58
458
knecht blijft niet altijd in het huis van den vader des huisgezins, maar de zoon blijft er in.
Indien dan de Zoon u zal vrij maken, zult gij waarlijk vrij zijn. En wat nu uw afstamming van Abraham aangaat, ik weet dat gij Abrahams kinderen zijt, doch omdat mijn woord bij ii geen ingang vindt, zoekt gij mij te dooden (zoo zou Abraham niet gedaan hebben), ik spreek hetgeen ik bij mijn Vader gezien heb, m.ur gij doet hetgeen gij gezien hebt bij uwen vader (uw eigenlijken vader, een ander dan Abraham). Zij zeiden; Onze Vader is Abraham. Jesus sprak: Indien gij Abrahams kinderen zijt, zoo doet Abrahams werken.
Doch gij zoekt mij te dooden, mij, die tot u de waarheid gesproken heb, welke ik van God heb gehoord; zulke dingen deed Abraham niet. Gij nu, gij doet de werken van uwen vader. Zi| meenden thans, dat hij hen de kinderen van Baiil of van een anderen afgod noemde, en antwoordden: Wij zijn geen kinderen des afvals, wij hebben een Vader, God.
Jesus sprak daarop: Indien God uw Vader ware, zoudt gij mij liefhebben, want ik ben van Uod uitgegaan; niet toch van mij zei ven kwam ik, maar hij heeft mij gezonden.
Waarom dan herkent gij mijne spraak niet? Omdat gij mijn woord niet kunt hooren. Gij hebt den duivel tot vader en wilt de lusten mvs vaders doen (mij dooden) Hij was een menschenmoorder van den beginne af (hij heeft door de leugen, waarmede hij Adam en Hva verleidde, den dood in de wereld gebracht), en is in de waarheid, waarin hij geschapen was, niet staande gebleven. Wanneer hij leugentaal spreekt, spreekt hij uit zijn eigen,
want hij is een leugenaar en de vader der leugen. Hierom juist gelooft gij mij niet, omdat ik u de waarheid zeg. Wie uwer toch zal mij van zonden overtuigen? Waarom dan, als ik u de waarheid zeg, gelooft gij mij niet? Die uit God is, hoort Gods woorden; doch daarom hoort gij ze niet, wijl gij uit God niet zijt (maar uit den leugenaar van den beginne). Woedend riepen de Joden uit: Zeggen wij niet met recht, dat gij een Samaritaan zijt en den duivel in hebt? Jesus antwoordde: ik heb den duivel niet in, maar ik eer mijn Vader en gij or,teert mij. Ik zoek trouwens mijne eer niet; er is er een, die ze zoekt en recht doet. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Als iemand mijn woord onderhoudt, hij | ;
zal in eeuwigheid Jen dood niet zien. Daarop zeiden de Joden : Nu weten wij zeker, dat gij den duivel in hebt; Abraham; is gestorven, zoo ook de profeten; en gij zegt: als iemand mijn woord onderhoudt, hij zal in eeuwigheid den dood niet smaken! Zijt gij grooter dan onze vader Abraham, die gestorven is? Eveneens zijn de profeten gestorven. Wien maakt gij u zeiven? Jesus antwoordde: Indien ik mij zeiven verheerlijk is mijne eer niets; het is mijn Vader die mij verheerlijkt, van wien gij zegt, dat hij uw God is. Docli gij kent hem niet, maar ik ken hem; en indien ik zeide dat ik hem niet kende, zou ik een leugenaar zijn, aan u gelijk; maar ik ken hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, sprong van vreugde op, om mijnen dag te zien; hij heeft hem gezien en zich verblijd. Hoe!
riepen de Joden uit, gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Abraham gezien? Jesus antwoordde:
Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Eer Abraham werd, ben ik.
I hans namen de Joden steenen om hem te steenigen; doch Jesus verborg zich (door zijne vijanden met zinsbegoocheling te slaan, of hun op andere wijze hun voornemen onmogelijk te maken) en ging uit den tempel.
Door zijne laatste woorden : «Eer Abraham werd, ben ikquot;, spreekt Jesus zoo duidelijk mogelijk zijn eeuwig-zijn en dus zijtic Godheid uit. Hij zegt niet: ivas ik, maar hen ik. Voor den Eeuwigo toch bestaat er geen:
was en is en ^al \ijn, geen gisteren, heden en morgen ; bij iicm is het altijd n u, altijd li e den, omdat bij hem,
volgens het woord van den apostel Jacobus, «geen verandering is of schaduw van verwisseling.quot; Rondom hem vcandert alles; daar is er dus spraak van tijden en van wisseling van tijden; hij echter is, volgens het woord van een anderen apostel, «gisteren en heden en in alle eeuwigheid dezelfde, bij Jesus Christus'^ â Paulus aan de Hebreen XIII : 8
lt; gt;
459
HOOFDSTUK XXVI.
DE BI.IN'DGEBORF.NE EN DE PMARIZEÃN. DE GOEDE HERDER EN DE HUURLINGEN.
(Joan IX en X.)
liet ('ogenblik dat Jesus om de woede der Joden, die hem wilden steenigen, den tempel verliet, zat daarbuiten, onder degenen welke van de in- en uitgaande menigte aalmoezen vroegen, een man die van zijne geboorte af blind was. Terwijl Jesus dien man aanzag, spraken zijne leerlingen tot liem: Rabbi, wie heeft gezondigd, P deze of zijne ouders, dat hij blind geboren is? Jesus antwoordde; Noch hij heeft i gezondigd, noch zijne ouders, maar aan hem is aldus geschied, opdat de werken Gods in hem openbaar zouden worden. Ik moet de werken doen van hem die mij gezonden heeft, zoolang het dag is; de nacht komt, waarin niemand werken kan. Zoolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld. Na dit gezegd te hebben spoog hij op den grond, maakte met zijn vinger een weinig slijk, en dit den blinde op de oogen strijkende, beval hij hem: Ga en wasch u in het bad Siloë, Terwijl Jesus vervolgens heenging, deed de blinde gelijk hem gezegd was en keerde weldra ziende naar den tempel terug.
Zijne geburen en de velen die hem van vroeger kenden, omdat hij in het openbaar aalmoezen vroeg, spraken thans tot elkander: Is deze niet degene, die gewoonlijk hier zat te bedelen? Sommigen zeiden: hij is het; anderen daarentegen beweerden: neen, maar hij gelijkt hem De man zelf intusschen getuigde: Ik ben het. Zij vroegen hem nu: Hoe zijn u de oogen geopend? Hij antwoordde: De mensch, die Jesus heet, maakte slijk, bestreek daarmede mijne oogen, en sprak tot mij: Ga naar het bad Siloë en wasch u. Ik ging, wieseh mij en zag Waar is hi|? vroegen zij verder. Ik weet het niet, antwoordde de man. Daarop voerden zij hem tot de Pharizcën, want het was op sabbat, dat Jesus slijk gemaakt en de oogen des blinden geopend had.
De I'harizeën ondervroeger. den gewezen blinde hoe hij ziende was geworden. Zijn antwoord luidde, als vroeger: Hij legde mij slijk op de oogen, en ik wiesch mij en zie. Henige der I'harizeën zeiden nu omtrent Jesus: Die mensch is niet uit God, want hij houdt den sabbat niet. Anderen echter sprakea: Hoe kan een mensch, die zondaar is, zulke wonderen doen? Terwijl er alzoo onder hen verdeeldheid ontstond, vroegen zij den gewezen blinde: Gij dan wat zegt gij van- dengene die n ie oogen opende? De gewezen blinde antwoordde: Hij is een profeet.
Met dit antwoord waren de eerstgemelde Pharizeën evenmin tevreden en begonnen
o o
thans zelfs twijfel te opperen ol de man wel ooit blind was geweest. Zij ontboden alsdan zijne ouders en vroegen hun: Is deze uw zoon, en getuigt gij, dat hij blind geboren is ? hoe ziet hij dan nu? De ouders antwoordden: Wij weten dat deze onze zoon is en dat hij blind geborca is, hoe hij echter nu ziet en wie zijne oogen geopend heeft, weten wij niet. Ondervaagt hem zeiven; hij heeft ziine jaren, laat hem voor zich zeiven spreken. Zijne ouders vieesden namelijk de I'harizeën en oversten, want dezen hadden in hun raad reeds vastgesteld dat ie ler die Jesus voor den Messias erkende, uit de synagoge zou gebannen worden; daarom zeiden de ouders: Hij heelt zijne jaren, ondervraagt hem zeiven.
De I'harizeën spraken dan andermaal tot den gewezen blinde: Geel eer aan God en zeg de waarheid; wi) welen dat deze meisch een zondaar is. De toegesprokene antwoordde: Of hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en thans zie. Zij vroegen nu wederom, wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij u de oogen geopend: De man antwoordde; Ik heb het u alreeds gezegd, en gi] hebt het gehoord; waarom wilt gi; het nog eens hooien? wilt gij soms ook zijne leerlingen worden? Onder schimp en spot zeiden thans de I'harizeën tot den man; Wees gij zijn leerling; wij zijn leerlingen
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
van Moses! Wij weten, dat God tot Moses gesproken heeft, tnnpr vanwaar deze is, weten wij niet. Dat is toch wel iets verwonderlijks, hernam de man, dat gij niet weet van waar hij is, en hij heeft mij de oogen geopend! Wij weten echter, dat God zondaars niet verhoort, maar als iemand God dient en diens wil doet, hem verhoort hij. Het is, zoolang de wereld staat, nooit vernomen, dat iemand de oogen van een blindgeborene heeft geopend; ware dus deze mensch niet uit God, hij zou niets hebben kunnen doen. â Door dit klare antwoord in de hoogste mate verbitterd, spraken de Pharizeën tot den man : Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt ons leeren ? Daarop banden zij hein uit de synagoge (sloten hem buiten de Joodsche gemeenschap).
Niet lang daarna trot Jcsus, die inmiddels het gebeurde vernomen had, den blindgeborene aan en sprak tot hem: Gelooft gij in den Zoon Gods? Daar de man tct nu toe Jesus niet gezien had en hem dus niet kende vroeg hij: Wie is het. Heer, opdat ik in hem geloover Jesus antwoordde: Gij ziet hemquot;; hij zelf is het, die met u spreekt. Ik geloof, Heer, riep de gewezen blinde, en nedervallende aanbad hij Jesus. Jesus sprak thans: Tot een oordeel ben ik in de wereld gekomen, opdat de niet-zienden zien en de zienden blind worden (geestelijkerwijze blind). Sommige Pharizeën, die deze woorden opvingen, zeiden tot Jcsus. Zijn ook wij wellicht blinden? Jesus antwoordde: Indien gij u blind acht-tet, zoudt gij geene zonde hebben (want dan zoudt gij tot mij komen en mij aannemen); maar nu gij zegt; wij zien, nu blijft uwe zonde.
Daarna, de Joden kerende zich voor de valsche herders, de Pharizeën, in acht te nemen, sprak hij: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie niet door de deur den schaapsstal binnengaat, maar van elders inklimt, die is een dief en een moordenaar; wie echter door de deur ingaat, is een herder der schapen. Hein doet de deurwachter open, de schapen hooren zijne stem, en hij noemt zijne schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten. Dan gaat hij voor hen uit, en zij volgen hem, omdat zij zijne stem kennen. Een vreemde echter volgen i:ij niet, maar vlieden hem, want zij kennen niet de stem des vreemden.
Toen de joden dei-e gelijkenis niet verstonden, sprak hij duidelijker; Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Ik ben de deur des schaapsstals. Allen, die niet door mij lot de schapen gekomen zijn , zijn dieven en moordenaars, en dc schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur ook voor de schapen; alle schaap, dat door mij binnengaat, zal behouden zijn; het zal in- en uitgeleid worden en weiden vinden. De dief komt slechts om te stelen, te slachten en te verderven; ik ben gekomen, opdat de schapen het leven hebben en dit zeer overvloedig hebben.
Ik ben tevens de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen. De huurling echter, die geen herder is en wieu de schapen niet toebehooren, laat, als hij den wolf ziet komen, de schapen aan hun lot over en vlucht; de wolf rooft alsdan en verstrooit de schapen. De huurling vlucht omdat hij een huurling is, en de schapen hem niet ter harte gaan. Ik ben de goede herder; ik ken de mijnen,-en de mijnen kennen mij, gelijk de Vader mij kent, en ik den Vader ken. Ik geef ook mijn leven voor mijne schapen. Nog andere schapen heb ik (onder de heidenen), welke niet uit dezen schaapsstal (de Joden) zijn; hen ook moet ik herwaarts brengen; en zij zullen mijne stem hooren; en het zal worden ééne kudde en één herder. Hierom heeft de Vader mij lief, wijl ik mijn leven afleg om het terug te nemen. Niemand neemt het mij af, maar ik leg het af uit mij zeiven; ik heb de macht het af te leggen en de macht om het weerom te nemen. Het gebod om aldus te doen heb ik van mijn hemelschen Vader ontvangen.
Opnieuw ontstond er thans onder dc Joden, die hem hoorden, verdeeldheid. Velen spraken: Hij heeft een duivel in en is uitzinnig; wat hoort gij nog naar hem? Anderen evenwel zeiden; Deze woorden zijn niet van een bezetene; of kan ook een duivel aan blinden de oogen openen?
Dc Zaligmaker is tegelijkertijd de deur des schaapsstals en de goede herder, onder verschillend opzicht. Zonder duor hem te worden ingelaten, kan niemand als zijn schaap binnenkomen, en degene, die het wageu zou,
BIJRELSCHE GESCHIHDHNIS.
buiten hem om, als herder binnen te klimmen, Is een dief en roover, maar geen herder. Onder dit opzicht is Jesus dus de deur van den schaapsstal. Tevens echter is hij de goede herder; want hij geleidt en voedt de schapen door zijne leer en met zijne genademiddelen, de sacramenten.
Na hem zouden zijne apostelen herders zijn, met Petrus als hun opperherder aan het hoofd. Hij zelf zond hen daartoe, gelijk hij getuigt in zijn gebed voor hen tot den hemelschen Vader: «Vader, heilig hen in de waarheid.... Gelijk gij mij in de wereld hebt gezonden, zoo zond ik hen in de wereld. En ik vraag u niet voor hen alleen, maar ook voor allen die door hun woord in mij gelooven zullen, opdat allen één zijn, en dat gelijk gij, Vader, in mij zijt en ik in u ben, zoo ook zij in ons één zijnquot; â Joan XVII: 18. Op eene andere plaats, bij Joan. XX: sprak hij tot hen: »Gclijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u.M En tot den opperherder Petrus zeide hij tot driemaal: »Weid mijne lammeren, weid mijne schapen.quot; De H. Paulus vraagt dan ook in zijn brief aan do Romeinen X: 15: «Hoe zal iemand prediken, tenzij hij gezonden is ?quot; De dwaalleeraars, die van de Kerk afvielen, en de scheurmakers zijn niet gezonden; zij gaan dus niet in door de deur, die Christus is, en zijn bijgevolg geen herders, maar dieven en moordenaars, gekomen om te roovcn cn te blachten, d. i. om eigen voordeel of eigen eer te zoeken.
HOOFDSTUK XXVII.
Z R N D 1 N G VAN T W E E E N Z E V E N T I G E E E R E I N G E N. D E B A R M-HARTIG E S A M A R 1 T A A N. M A R T 11 A E N M A R 1 A. W E E ü V E R D E 1' H A R I Z E à N EN S C 11 R 1 P T G E L E E R D E N.
(Luc. X en XI; Matïh. XI en XXIII.)
-«--ââ
aipjijiadat Jesus reeds vroeger (zie N. T. hoofdstuk 18) zijne twaalf apostelen vooreen korten lijd had uitgezonden om te prediken, zond hij tlians twee en zeventig an-Jj' dere leerlingen uit, wien hij beval twee aan twee naar de verschillende steden en
j|;;/ vlekken te gaan, die hij voornemens was later zelf te bezoeken. Hij schonk ook â¢jl'* aan deze leerlingen de macht om de zieken te genezen en gebood hun, evenals i vroeger zijnen apostelen, geen geld, geen twee paar voetzolen of verdere reisbehoeften mede te nemen, maar te eten en te drinken wat hun door degenen, die hen in zijn naam ontvingen, zou worden voorgezet. Die naar u hoort, zeide hij ten slotte tot hen, hoort naar mij; en die u versmaadt, versmaadt mij; en die mij versmaadt, versmaadt hem die mij gezonden heeft.
Na eenigen tijd keerden de twee en zeventig terug en berichtten hun meester vol blijdschap; Heer, ook de booze geesten waren ons op uw naam onderworpen. Jesus gaf hun ten antwoord; Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen, lui ziet, ik heb u de macht geschonken om op slangen en schorpioenen te treden, en de macht om te zegevieren over al de kracht des vijands; verheugt u evenwel niet hierover dat de geesten u onderworpen zijn, maar verblijdt u. dat uwe namen opgeschreven zijn in den hemel.
Terzelfder tijd verheugde hij zich in den Heiligen Geest en sprak: Ik loof u, Vader. Meer van hemel en aarde, wijl gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen en ze aan de geringen geopenbaard hebt; ja, Vader, wijl het u aldus heelt behaagd. Alles is mij door mijn Vader geschonken; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; zoo ook weet niemand, wie de Vader is, dan de Zoon en degene aan wien de Zoon het wil openbaren. Daarna zijn blik over zijne leerlingen latende weiden, sprak hij: /'-alig zijn de oogen, die zien hetgeen gij ziet; want ik zeg u; vele profeten en koningen hebben ge-wenscht te zien hetgeen gij ziet cn hebben het niet gezien, en te hooien hetgeen gij hoort en hebben het niet gehoord. Komt dan tot mij, gij allen die belast en beladen zijt, cn ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op u en leert van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van harte, en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Mijn juk toch is zacht en mijn last is licht.
Op zekeren dag nu stond een wetgeleerde op, die, om Jesus te beproeven, hem vroeg:
461
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Meester, met wat te doen zal ik het eeuwige leven bezitten? Jesus deed hem do wedervraag; Wat staater in de wet geschreven? hoe leest gij daar? De wetgeleerde antwoordde: Gij zult den Heer uw God liefhebben uit geheel uw hart. uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten, en uw naaste gelijk u zeiven. Gij hebt goed geantwoord, sprak Jcsus; doe dat, en gij zult leven. De wetgeleerde echter, om zich te rechtvaardigen, vroeg verder: Wie is mijn naaste? Jesus stelde hem daarop deze gelijkenis voor: Zeker mensch ging van Jerusalem naar Jericho en viel in handen van roovers, die hem uitschudden en hem gewond en half dood lieten liggen. Nu gebeulde het, dat langs dienzelfden weg ecu priester kwam, die, ofschoon den gewonde ziende, hem voorbijging. Evenzoo deed een leviet: in de nabijheid dier plaats gekomen en den man ziende, ging ook hij voorbij. Doch een Samaritaan, die op reis was en hem vond liggen, werd door medelijden bewogen, ging naar hem toe, verbond zijne wonden, goot er olie en wijn in, legde hem op zijn lastdier en bracht hem naar eene herberg, waar hij zorg voor hem droeg. Des anderen daags nam hij twee tien-lingen, die hij den waard gaf met de woorden; Draag verder zorg voor hem, en wat gij nog meer mocht te koste leggen zul ik u bij mijne terugkomst vergoeden. Wie van deze drie, dunkt u, â vroeg [e.sus den wetgeleerde â is de naaste geweest van hem, die in de handen der roovers gevallen was? De wetgeleerde antwoordde- Hij, die hem barmhartigheid bewees. Ga dan, sprak Jesus, en doe desgelijks.
Terwijl Jesus vervolgens Judea rondreisde (om de plaatsen te bezoeken, wcrwaarts hij zijne twee en zeventig leerlingen gezonden had), kwam hij in een zeker vlek, niet ver van Jerusalem, met name Bethanic, en eene vrouw, Manha geheeten, nam hem op in haar huis. Zij bad eene zuster, Maria, die zich aan de voeten des Heeren nederzette en zijn woord aanhoorde. Terwijl nu Martha druk bezig was met dienen, bleef zij eensklaps voor Jesus staan en sprak : Heer, bekommert gij er u niet om, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? zeg haar, dat zij mij helpe. Jesus gaf haar ten antwoord: Martha, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele dingen, één echter slechts is noodig. Maria heeft het beste deel gekozen, hetwelk haar niet zal worden ontnomen.
Ongeveer te dien tijde werd Jesus door een PharizeÃr ten middagmaal genoodigd ; hij ging alsdan binnen en zat aan, zonder zich te voren naar het gebruik der Pharizeën de handen te hebben gewasschen. Ziende, dat zijn gastheer uit dien hoofde slechte gedachten van hem koesterde, sprak hij tot de dischgenooten: Gij, o Pharizeën, reinigt zelfs het buitenste van beker en schotel, maar het binnenste van u zeiven is vol roof en ongerechtigheid. Gij dwazen ! heeft hij, die het uitwendige gemaakt heeft, ook niet het inwendige gemaakt ? Blinde Pharizcër, reinig eerst wat binnen den beker en den schotel is, geeft daar namelijk aalmoezen van, dan zal alles, ook het buitenste van beker en schotel, rein zijn. Doch wee u, Pharizeen, schijnheiligen, want gij geeft tienden van beuzelingen als muntkruid, anijs en komijn, terwijl gij de rechtvaardigheid en de liefde tot God verwaarloost. Men behoort het eene te doen en hel andere niet na te laten. Blinde leidslieden, muggen zift gij uit en kameelen zwelgt gij door. Wee u, Pharizeën, want gij bejaagt de eerste plaatsen in de synagogen en de begroetingen op de markt.
Een der schriftgeleerden nam nu het woord op en zeide : Meester, niet zoo te spreken, doet gij ook ons smaad aan. Jesus hernam : Ook u schriftgeleerden, wee u, omdat gij den menschen lasten op de schouders legt, welke zij niet kunnen dragen, en gij zeizen raakt nog niet met één uwer vingeren die lasten aan.
Wee u, schriftgeleerden en Pharizeën ! gij eet de huizen der weduwen op, lange gebeden biddende; om die huichelarij zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. Ja, wee u, schijnheiligen I zee en land doorkruist gij om één heiden tot volgeling der wet te maken, en als hij dit geworden is, maakt gij hem door uw slecht voorbeeld tot een kind der hel, nog tweemaal zoo slecht als gij zeiven zijt. Wee u, blinde leidslieden! gij zegt: Wie zweert bij den tempel, is tot niets verplicht, wie echter zweert bij het goud in de schatkist des tempels, hij moet zijn eed gestand doen. Dwazen I wat is meer; het goud, of de
____
RIJRELSCHE GESCHIEDENIS. 4^3
tempel die het goud heiligt? Zoo ook zegt gij; Wie zweert bij het altaar, dat is niets; maar wie zweert bij de oflergift op het altaar, iiij is verplicht zijn eed te houden. Blinden , wat is meer: de gift, of het altaar dat de gift heiligt? Derhalve, wie bij het altaar zweert, zweert daarbij en bij al wat er op ligt; en wie zweert bij den tempel, zweert daarbij en Vij hem die cr in woont; en wie zweert bij den hemel, zweert bij Gods troon en bij hem die op gezeten is. Wee u, schriftgeleerden en Phari/.een, huichelaars! gij zijt als graven, die niet ia het oog vallen, zoodat de menschen, die er over heen wandelen, dit niet weten. Of ook zijt gij als graven, die van buiten een schoon aanzien hebben, terwijl zij toch inwendig vol zijn van doodsbeenderen en verrotting. Zoo schijnt gij uitwendig voor de menschen rechtvv.ardig, maar uw binnenste is vol huichelarij en ongerechtigheid.
Wee n, schri.'geleerden en Pharizeen, huichelaars! die de graven opbouwt der profeten en de geilenkteekei.cn versiert der rechtvaardigen, die uwe vaderen vermoord hebben, terwijl gij daarbij zegt- Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, wij zouden niet hunne deelgenootep geweest zijn in het vergieten van het bloed der profeten. Gij getuigt derhalve, met de moordenaars uwe v.idercn te noemen, dat gij zonen zijt van hen, die de profeten omhals bi.iciü^n. En gij zeiven, gij maakt de maat uwer vaderen vol. Want ziet, ik zend tot u profeten en wijzen en apostelen, en eenigen hunner zult gij dooden en kruisigen, anderen in uwe synagogen gceselen en vervolgen van stad tot stad, totdat over ii kome al het rechtvaardige bloed hetwelk op aarde vergoten is, van het bloed van Abel den rechtvaardige tot het bloed \ m Zacharias den zoon van Barachias, dien gij tusschcn den tempel en het altaar hebt gedood. Voorwaar, ik zeg u: al dat bloed zal over dit geslacht komen en zal dit geslacht worden afgeeischt. Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen, doch gij hebt niet gewild. Zie, uw huis zal onbewoond worden overgelaten; want ik zeg u, gij zult mij niet meer zien totdat gij zult uitroepen: Gezegend die daar komt in den naam des Heeren!
Op het booten van dit alles werden de Pharizeen en de schriftgeleerden woedend; zij vielen Jesus hevig aan en bestormden hem met een menigte vragen over allerlei zaken, om toch uit zijn mond maar een woord op te vangen, waarvan zij hem konden beschuldigen.
1. Dc lieiilcn, die, een volgeling iler Wet geworden, door het ergerlijke voorbeeld der Pharizeen de Wet weder liet varen, werd tweemaal zoo slecht als zij, want hij had al hunne ondeugden van lion geleerd, en ging bovendien opnieuw en thans tegen beter weten in â de afgoden vereeren, wat de Pharizeen niet deden.
2. De tempel heiligt het goud, en het altaar de gift die er op ligt. Goud en giften van spijs of drank zijn op ziJi zei ven gewone menschelijke zaken; wijdde men ze echter aan God toe voor een Ir.ilig doel, zooals; het noodzakelijke onderhoud van den tempel of het opdragen van oilers op het altaar, dan werden zij door dat doel tot een heilige zaak gemaakt. De Pharizeen echter keerden de dingen juist om. Ken eed, gezworen bij hetgeen op zich zeil een gewone zaak was, gold hun als onverbreekbaar, terwijl de eed bij datgene wat eene zaak heiligde â zooals; de tempel, het altaar â voor hen geen waarde had. Zij zochten in den godsdienst het tijdelijke, niet hel tijdelijke om God»
BURRLSCHR GF.SCllIF.nP.NIS.
1 lOOFDSTUK XXVIII.
IJDF.LHF.ID VAN HET SCHATTEN VERGADEREN.
DE TROUWE F.N ONTROUWE DIENSTKNECHTEN. UITSTEL DER REKEERING. GENEZING OP SABBAT VAN EEN DOOR DEN DUIVEL GEKWELDE VROUW.
(Luc. XII en XIII; Matth. XXIV.)
---
feif
' t0Cn Jcsus wet'ür scharen leerde (op zijn rondreis door Judea), naderde ^em ecn man en sprak: Meester, zeg aan mijn broeder, dat hij de erfenis met mij deele. Jesus gaf hem ten antwoord : Mensch, wie heeft mij tot rechter en deeler quot;flir over 11 ge3tc;ld? Daarna zich tot al zijne hoorders wendende, sprak hij: Wacht u voor t hebzucht; het leven toch hangt niet af van .hetgeen men te veel heeft, maar slechts J van het noo.izakelijke. Dit gezegde verklaarde hij nader in eene gelijkenis. De akker, sprak hij, van zeker rijk mensch bracht overvloedige vruchten voort. De eigenaar dacht nu bij zich zeiven: Wat zal ik doen, daar ik geen genoegzame ruimte heb, waarin ik mijne vruchten kan verzamelen? Doch weldra zeide hij: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en daarin zal ik mijne vruchten en al mijne goederen verzamelen. Vervolgens zal ik tot mijne ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen voor zeer vele jaren; rust nu, eet, drink, maak goede sier. Doch eensklaps sprak God tot hem: Dwaas, nog dezen nacht zal uwe ziel van u worden geeischt; en wat gij gespaard hebt, voor wicn zal het zijn? Zoo gaat het hem, die voor zijn lichaam schatten vergadert en niet rijk is bij God. Derhalve, weest niet bezorgd voor uw leven; wat gij zult eten, noch voor uw lichaam: waarmede gij u zult kleeden.
Daarna gaf hij zijn volgelingen den raad: Verkoopt wat gij bezit en geeft het tot een aalmoes. Vormt u geldbuidels die niet verslijten, en een onuitputtelijken schat in den hemel, waar geen dief hem genaakt, en geen mot hem verteert. Dat uwe lenden omgord zijn en de lampen branden in uwe handen, en weest aldus gelijk aan menschen, die hun heer opwachten, wanneer hij van de bruiloft terugkeert, opdat, als hij komt en aanklopt, zij hem terstond kunnen openen. Zalig zulke dienstknechten, welke de Heer bij zijne komst wakende vindt. Voorwaar, ik zeg u, hij zal zich omgorden, hen doen aanzitten en hen bedienen. Hetzij hij komt in de tweede nachtwake, hetzij in de derde, als hij die dienstknechten aldus vindt; wakende en met brandende lampen hem opwachtende, zalig zijn zij. Doch verstaat dit wel; indien ecn huisvader wist, op welk uur een dief zou komen, hij zou voorzeker waakzaam zijn en niet toelaten, dat men in zijn huis inbrak. Zoo moet ook gij doen: weest bereid, want op een uur, waarop gij het niet verwacht, zal de Zoon des menschen komen (om u voor zijn rechterstoel te dagen).
Petrus vroeg nu zijn meester; Heer, geldt deze gelijkenis alleen ons of allen? Jesus antwoordde daarop door eene nieuwe gelijkenis. Wie is wel, sprak hij, de trouwe en voorzichtige huisverzorger, dien de heer stelt over zijne dienstboden, opdat hij hun ten bestemden tijde de hoeveelheid spijs geve? Zalig de dienstknecht, dien de Heer bij zijn komst aldus doende zal vinden. In waarheid, ik zeg u, hij zal hem stellen over al wat hij bezit. Doch zoo die dienstknecht, bij zich zei ven denkende : mijn meester komt nog niet, zijne ondergeschikte dienstknechten en dienstmaagden slaat, en gaat eten en drinken met dronkaards, dan zal de heer, komende op een on verwachten dag en op een onbekend uur, dien knecht verwerpen en zijn lot stellen bij de ongetrouwen. Heeft de dienstknecht nu den wil zijns heeren geweten en zich niet bereid gehouden en niet gedaan naar zijns heeren wil, dan zal hij zwaar getuchtigd worden; maar heeft hij dien niet genoeg geweten, en gedaan wat tuchtiging verdient, dan zal hij lichtelijk getuchtigd worden. Van ieder toch.
BIjmSCHF. GKSCHIEDF.NIS.
vvien veel is gegeven, zal veel worJen gevorderd, en wien men veel heeft toevertrouwd, van hem zal men veel terug verlangen.
Ik ben een vuur op aarde komen brengen (mijne leer en mijne liefde), en wat wil ik anders dan dat het brande? Ik moet niet een doopsel gedoopt worden (het doopsel van lijden en bloed), en hoezeer verlang ik, dat het voltrokken worde. Meent gij, dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde (een valschen vrede)? Neen, zeg ik u, maar verdeeldheid. Want van nu af zullen cr vijf in één huis verdeeld zijn (wijl de een het Godsrijk zoekt en de ander naar het aardsche en naar zingenot streeft); drie zullen er tegen twee, en twee tegen drie verdeeld zijn: de vader tegen den zoon, en de zoon tegen zijn vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder.
Terwijl hij aldus de scharen leerde, kwamen er eenigen tot hem met het bericht, dal Pilatus te Jerusalem een aantal Galileers bij het altaar had laten ombrengen, zoodat hun bloed zich met het bloed hunner offerdieren vermengde. Jesus sprak daarop: Meent gij dat deze Galileers meer dan hunne gewestgenooten zondaars waren, wijl zij dit geleden hebben? Neen, zeg ik u; maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks omkomen. Of, om van de achttien menschen te spreken, welke de toren bij het bad Siloë in zijn val verpletterde, meent gij, dat zij schuldiger waren dan de andere inwoners van Jerusalem? Neen, zeg ik u; maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen evenzeer omkomen.
Voorts sprak hij over de bekcering deze gelijkenis; Zeker iemand had in zijn wijngaard een vijgenboom geplant en kwam vruchten daaraan zoeken, doch vond er geene. Hij zeide alsdan tot den wijngaardenier: Zie, het zijn nu reeds drie jaren dat ik vruchten zoek aan den vijgenboom en ik vind cr geene; hak hem dus om; waartoe beslaat hij den grond? Doch de wijngaardenier bracht in het midden: Heer, laat hem nog dit jaar staan; ik zal nog eens den grond rondom hem omspitten en bemesten; misschien brengt hij dan vruchten voort, en bijaldien niet, zoo kunt gij hem het volgende jaar doen omhakken.
Daarna gebeurde het, terwijl Jesus op een sabbat in de synagoge van een zekere stad leerde, dat zich onder de menigte eene vrouw bevond, welke reeds achttien jaren gekweld werd door een boozen geest, die haar zoodanig verzwakte, dat zij geheel gebogen ging en met geen mogelijkheid het hoofd kon opheffen. Toen Jesus die vrouw zag, liep hij haar bij zich en sprak tot haar, terwijl hij haar de handen oplegde: Vrouw, gij zijt van uwe kwaal verlost. Oogenblikkelijk richtte de vrouw zich op en verheerlijkte God. Daar het intusschen sabbat was, maakte het gebeurde het misnoegen gaande van den overste der synagoge, en berispend sprak hij tot de schare: Zes dagen zijn er, op welke men werken mag; komt op die dagen en laat u genezen, maar niet op den sabbat. Doch Jesus sprak hem toe: Huichelaars, die gijlieden zijt! maakt niet een ieder op den sabbat zijn os of ezel los van de kribbe en leidt hem naar het water om te drinken? En deze dochter Abrahams, welke de satan nu reeds achttien jaren gebonden hield, mocht zij op den sabbat niet van dien band worden losgemaakt ? Op dit woord werden zijne vijanden beschaamd, terwijl daarentegen al het volk juichte en zich verblijdde over de heerlijke wonderwerken, door Jesus zoo herhaaldelijk gewrocht.
1. Dat de gelijkenis van de wakende dienstkncc'.iten , die luin lieer met brandende lampen opwachtten, niet alleen op de gewone menschen, maar in de eerste plaats op de oversten, ook op de apostelen, ziet, geeft Jesus duidelijk te verstaan, door vervolgens te spreken over den huisverzorger, die door zijn meester tot hoofd zijner mededipnaren werd aangesteld.
2. Waardoor de Galileers Pilatus aanleiding hadden gegeven tot bovenvermelde gruwelijke slachting, is onbekend. De Romeinsche geschiedschrijvers maken zelfs van het heele voorval geen gewag, iets wat overigens zeer verklaarbaar is, daar dergelijke wreedheden menigvuldig in de Romeinsche wingewesten plaats vonden, en dus het te Jerusalem gebeurde slechts een droppel was in den Oceaan van geweldenarij, die alom in het uitgebreide Rijk heerschte. Terloops worde hier tevens opgemerkt â gelijk later bij de behandeling der lijdensge-sch edenis des Heeren ook uit de ongewijde historie breedvoeriger zal worden aangetoond â dat Pilatus er juist de man naar was, om lichtelijk ïulkc tooneelen als boven in het leven u roepen. Zijn karakter laat zich in
59
466
twee woorden beschrijven: overmoedige vasthoudendheid, waar hij geen tegenstand vond, en laffe vrees, als het op het uiterste liep.
3. Bespottelijk Klinkt de aanmatiging van den overste der synagoge, die den Almachtige de dagen vaststelt, waarop hij niet en waarop hij wel wonderen mag verrichten.
4. Men herinnere zich hier nog eens, dat de Joden in alle steden en in de voornaamste vlek leen eene synagoge hadden, waar zij bijeenkwamen om de wet en dj profeten te hooren voorlezen en om te bidden. Oilers mochum er echter in eenc synagoge niet worden opgedragen; de ecnige plaats, daarvoor aangewezen, was de tempel te Jerusalem.
HOOFDSTUK XXIX.
het rnr.st dhr trmpp.lwijdixg. hhriiaaldf, poging der joden om jesus te sthenigen. jesus over den jürdaan en in hht huis eens p11arizeërs. genezing van een wat1-;rzucht1ge op sabbat.
(Joan X; Matth. XIX en XXIII; Marc. X; Luc. XIII en XIV.)
- â¦- ma
c'- f^T: P 'lc,: feest 'â¢'er tempelwijding â door Judas den Machabecr ingesteld tot een altijd-durend aandenken der heugelijke gebeurtenis, dat het aan de Syrische overheer-cMsgp- schers ontrukte heiligdom plechtisj aan den dienst des Heeren was hergeven â
^ ö i o o
bevond Jesus zich te Jerusalem. Het was winter, en hij wandelde met zijne leerlingen 1^ onder den aan het oostelijk voorhof grenzenden overdekten zuilengang, welke die ) van Salomon genoemd werd. Hier omringden hem eenigen van de oversten der Joden en van hun aanhang, die tot hem spraken; Hoe lang zult gij nog onzen geest in twijfel laten? indien gij de Christus zijt (de Messias), zeg het vrij uit. Jesus gaf hun ten antwoord: Ik zeg het u, maar gij gelooft mij niet. De werken, die ik in mijns Vaders naam verricht, geven getuigenis van mij, en nochtans geloolt gij niet; dit komt, wijl gij niet van mijne schapen zijt. Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij. Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid; niemand zal ze uit mijne hand rooven. Wat mijn Vader mij gegeven heelt (mijn schaapsstal, mijne Kerk), is grooter dan alles, en niemand ontrukt het aan mijns Vaders hand. Ik nu en de Vader zijn één.
Toen de Joden dit woord hoorden, namen zij steenen op om Jesus te steenigen; doch hij sprak hun toe: Vele goede werken heb ik u van wege mijn Vader getoond; om welk dezer werken wilt gij mij steenigen? De Joden antwoordden: Wij willen u niet steenigen wegens een goed werk, maar wegens godslastering, wijl gij, mensch zijnde, u zeiven tot God maakt. Jesus hernam: Staat niet in uwe wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Indien dan de Schrift hen met dien naam vereert, tot welke dit woord gesproken is (Gods plaatsvervangers), en de Schrift trouwens niet kan te niet gedaan worden, hoe zegt gij dan tot hem, dien de Vader (als zijn eigen Zoon) geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God! omdat ik gezegd heb: ik ben de Zoon Gods? Indien ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft mij niet; maar indien ik ze doe, al wilt gij dan ook mij niet gelooven, zoo gelooft dan toch die werken, opdat gij moogt weten en aannemen dat de Vader in mij is en ik in den Vader ben. Toen Jesus aldus zijn woord, dat hij in waaiIvcid de Zoon Gods was, nog nader bevestigde, grepen zij toe, om hem onmiddelijk te vatten en te steenigen, maar hij ontging hunne handen en trok over den Jordaan ter plaatse waar Joannes voorheen doopte.
Hier zag hij zich weldra opnieuw omringd door eene groote menigte, die gekomen was om zijne leer le hooren en bij hem genezing te zoeken voor de meegevoerde zieken. Hij genas dezen en zette zich voorts naar gewoonte neder om het volk te leeren. Vele dergenen nu die hem hoorden en de wonderen zagen welke hij wrocht, geloofden in hem
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
en zeiden: Joannes heeft wel is waar geene teekenen verricht, maar al hetgeen hij van
dezen getuigde, was waarachtig.
Toen hij voorts, naar Jerusalem terugkeerende, in de verschillende steden en dorpen, die aan zijn weg lagen, het woord Gods verkondigde, vroeg hem iemand: lieer, zijn liet â weinigen, die zalig zullen worden? In antwoord op die vraag sprak hij total zijne hoorders; Strijdt om in te gaan door de enge poort, want ik zeg u: velen zullen willen binnengaan, maar het niet kunnen (wijl de tijd voorbij zal zijn). Wanneer toch de vader des huisgezins reeds binnen is, en gij dan nog buitenstaat, zult gij wel aan de deur kloppen en zeggen; Heer, doe ons open; maar hij zal u antwoorden: Ik ken u niet, en ik weet niet vanwaar gij zijt. Alsdan zult gij beginnen te zeggen. Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten, en gij hebt in onze straten geleeraard (wij zijn dus voor 11 goede bekenden'). Doch hij zal volhouden; Ik ken u niet, 'en ik weet niet vanwaar gij zijt; gaat weg van mij, gij allen, bedrijvers van ongerechtigheid. Er zal alsdan geween zijn en tandengeknars, wanneer gij Abraham, Isaac en Jacob met al de profeten in het rijk Gods zult zien, terwijl gij zeiven zijt buitengesloten. Zelfs zullen er komen van het Oosten en Westen, van het Noorden en Zuiden, en aanzitten in het rijk Gods. Want ziet: er zijn laatsten die eersten, en eersten die katsten zullen zijn.
Terwijl hij aldus het volk leerde, kwamen eenige Pharizeën hem zeggen: Vertrek van hier, want Herodes zoekt u te dooden. Jesus antwoordde: Gaat en boodschapt dien vos: Zie, ik drijf duivelen uit en werk genezingen, heden en morgen, en eerst op den derden dag zal ik daarmede ophouden. Heden, norgen en den volgenden dag zal ik nog hier rondwandelen â en ik loop hier geen gevaar â want het mag niet zijn, dat een profeet gedood worde buiten Jerusalem. Jerusalem, Jerusalem! stad, die de profeten vermoordt, en steenigt degenen die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen, maar gij hebt niet gewild.
Daarna gebeurde het, dat Jesus bij een overste der Pharizeën het middagmaal gebruikte, en dewijl het dien dag sabbat was, gaven de gastheer en de medegenoodigen acht op hem, of hij weder iets zou doen, waarvan zij hem konden aanklagen. Hr naderde hem nu een waterzuchtig man, en Jesus, het woord opnemende, vroeg den wetgeleerden en Pharizeën; Is het geoorloofd op den sabbat te genezen? Toen allen op die vraag zwegen, genas hij den zieke en sprak verder tot de dischgenooten: Wie van u, als zijn ezel of os in een put valt, zal hem daar niet terstond uittrekken, al is het op den sabbat? Doch op die vraag kon niemand hem antwoorden.
Vervolgens bespeurende, hoe de genoodigden de eerste plaatsen aan tafel uitzochten, nam hij daaruit aanleiding, om in een gelijkenis over de nederigheid des harten te spreken. Als gij ter bruiloft genoodigd zijt, zeide hij, zet u dan niet op de hoogste plaats, opdat, als misschien een aanzienlijker dan gij genoodigd is, hij, die u en hem noodigde, niet kome en tot u zegge: maak plaats voor dezen; dan zoudt gij met schaamte dc laagste plaats moeten innemen. Maar als gij genoodigd zijt, ga en zet u op de laagste plaats, opdat, sis degene die u genoodigd heeft komt, hij tot u zegge: vriend, ga hooger op. Dit zal ueene eer wezen voor hen die met 11 aanzitten. Want al wie zich verheft, zal vernederd; en wie zich vernedert, zal verheven worden.
Daarna sprak hij tot zijn gastheer, om dezen tot het beoefenen der weldadigheid op te wekken: Als gij een middag- of avondmaal aanrecht, noodig niet uwe vrienden noch uwe bloedverwanten, noch rijke geburen, in de hoop, dat zij u terugnoodigen, en u alles, hetgeen gij gedaan hebt, vergolden worde: maar noodig, armen, kreupelen en blinden en gij zult zalig zijn. Dezulken toch hebben niets om u het gedane te vergelden, en het zal u daarom (wijl gij alleen uit liefde handelt) vergolden worden bij de opstanding der rechtvaardigen.
Naar aanleiding van dit laatste woord zeide een dergenen, die mede aan tafel zaten, tot Jesus: Zalig hij, die brood zal eten in het rijk Gods. Jesus sprak daarop tot hem in eene
467
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
gelijkenis: Zeker mensch rechtte een groot gastmaal aan en noodigde velen. Tegen het uur, dat het gastmaal zou beginnen, zond hij zijn dienstknecht om den genoodigden te zeggen, dat zij zouden komen wijl alles gereed was. Doch allen begonnen zich eenparig te verontschuldigen. De eerste sprak ⢠Ik heb eene landhoeve gekocht en moet noodzakelijk uitgaan om haar te bezichtigen; ik bid u, houd mij verontschuldigd. De tweede zeide: Ik heb vijf span trek-ossen gekocht en ga ze beproeven; ik bid u, houd mij verontschuldigd. De derde liet weten ; Ik heb eene vrouw getrouwd en kan niet komen. Toen de dienstknecht die verontschuldigingen aan den vader des huisgezins boodschapte, werd deze toornig en sprak tot hein: Ga haastig naar de pleinen en straten der stad en breng de armen , lammen, blinden en kreupelen hier binnen. Na deze zending volbracht te hebben sprak de dienstknecht: Heer, er is geschied gelijk gij bevolen hebt, en daar is nog plaats. Daarop beval de heer: Ga naar de weg^n en langs de heggen en dwing allen, die gij vindt, binnen te gaan, opdat mijn huis vol worde. En ik zeg u: geen der mannen die genoodigd waren, zal mijn gastmaal proeven.
Nadat Jesus he' huis des Pharizeers verlaten had om zijne reis naar Jerusalem voort te zetten, volgde hem eene groote schare, tot wien hij, zich omkeerende, sprak: Indien iemand tot mij komt en niet haat zijn vader en moeder, broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hi) kan mijn leerling niet zijn; want, wie zijn kruis met draagt en mij navolgt, het is onmogelijk dat hij mijn leerling zij Wie uwer toch, als hij een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij wel genoeg heelt om den bouw te voleindigen, opdat niet, als hij de grondslagen gelegd heeft en niet kan voortgaan, allen die zulks zien, hem bespotten, zeggende: Deze mensch begon te bouwen, maar heeft niet kunnen voleindigen. Of welke koning, die tegen een anderen koning oorlog wil voeren, zal niet eerst nederzitfen en beraadslagen ol' hij in staat is met tienduizend man weerstand te bieden aan een ander, die met twintigduizend man tegen hem oprukt? Anders zal hij, terwijl geene nog ver af is, gezanten zenden en den vrede verzoeken. Zoo ook kan niemand van u, die niet alles verzaakt mijn leerling wezen.
Na door deze gelijkenissen aan de schare duidelijk te hebben gemaakt, dat evenals geld voor den bouw eens torens en krijgsknechten voor een oorlog, zoo voor zijn volgeling zelfverloochening en kruis noodzakelijk zijn, sprak hij verder: Zout is een goed ding, maar als het zijne kracht heeft verloren, waarmede zal men het weder zout maken ? Noch voor het land, noch voor den mesthoop is het dienstig, maar het zal worden weggeworpen. Wie ooren heeft om te hooien, die hoore.
1. Met zijn beroep op het woord der Schrift: »lk heb gezegd : gij zijt goden.quot; ontkent Jesus zijne godheid niet; integendeel hij bevestigt haar. Zijne redeneeriiig, van het mindere tot het meerdere besluitende, komt hierop neder : Indien de Schrift bij wijze van spreken reeds hen goden noemt, die slechts als rechters des volks Gods plaats vervullen, met hoeveel te meer recht dan mag hij zich den Zoon Gods heeten, die werkelijk de Zoon Gods is, als zoodanig door den Vader geheiligd, d. i. aan de wereld aangeboden en gezonden, Dat de Joden zijne woorden ook in dien zin begrepen, bewijst wel hunne herhaalde poging om hem als vermeenden godslasteraar te stecnigen.
2. Of Herodes werkelijk Jesus wilde dooden dan wel hem alleen door een loos bericht vrees aanjagen, blijkt niet; het laatste is echter, met het oog op de woorden des Zaligmakers, die den viervorst een sluwen vos noemt, het waarschijnlijkst.
5. Vader, moeder, broeders, zusters en zelfs zijn eigen leven haten wil zeggen : alles desgevorderd voor Christus en het rijk Gods ten ofi'er brengen, en God meer beminnen dan de ouders of bloed ver waaien, ja meer dan zich zelven.
4«8
BIJBELSCHE GESCHIED F,N!5. ^9
HOOFDSTUK XXX.
JESUS' OMGANG MET TOl IENAARS EN ZONDAARS. HET VERLOREN SCHAAP, HET VERLOREN GELDSTUK, DE VERLOREN ZOON EN DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER. HET HUWELIJK EN DE ONGEHUWDE STAAT.
(Lu;. XV cn XVI; Maïth. XIXj Marc. X.
ïH
jjt esus' gemeenzame ompang met tollenaars cn andere menscben van dat slag, die hem kwamen hooien en zich door hem lieten btkeeren, was den Pharizeën en ^ schriftgeleerden een doorn in het oog, cn zij morden er over zoowel in het tijk openbaar als in het geheim. Eens toen zij weder zeiden; deze neemt zondaren op en eet met hen, sprak Jcsus tot die huichelaars deze gelijkenissen:
Welk mensch is er onder u, die honderd schapen heelt, en zoo hij er een van verliest, niet de negen en negentig in de woestijn laat en het verlorene naloopt totdat hij het vindt? En als hij het gevonden heeft, legt hij het met vreugde op zijne schouders, roept bij zijne tehuiskomst zijne geburen en vrienden bijeen en zegt tot hen: Verblijdt u m t mij, want ik heb mijn schaap gevomlen, hetwelk verloren was. Ik zeg u, dat er zoo ook in den hemel meer blijdschap zal zijn over één zondaar, die boetvaardigheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben.
Of welke vrouw, die tien geldstukken heeft en er een van verliest, zal geen licht ontsteken en het luns vegen en ijverig zoeken totdat zij het vindt? En als zij het gevonden heeft roept zij hare vriendinnen en geburen saam en zegt: Verheugt u met mij, want ik heb mijn geldstuk gevonden, dat ik verloren had. Zoo ook, zeg ik u, zal er blijdschap zijn bij de engelen Gods over één zondaar die boetvaardigheid doet.
Voorts sprak hij, in eene andere gelijkenis:
Zeker mensch had twee zonen. De jongste hunner zeide tot den vader: Vader, geef mij van de goederen het deel dat mij toekomt. De vader gaf het hem, en de jongeling, na alles vergaderd te hebben, trok buitenslands naar eene verafgelegen streek en verkwistte daar zijn goed in een ongebonden leven. Nadat hij eindelijk alles verteerd had, ontstond in die streek een zware hongersnood, zoodat de jongeling gebrek begon te lijden. Hij vervoegde zich alsdan bij een inwoner van dat gewest, en deze zond hem naar zijne hoeve, om de varkens te hoeden. Gaarne had hij hier zijn buik gevuld met den draf, welken de varkens aten, maar niemand gaf hem dien. Door die ellende tot inkeer gekomen, sprak hij bij bij zich zeiven: Hoevele huurlingen in mijns vaders huis hebben brood in overvloed, en ik verga hier van honger; ik zal opstaan cn tot mijn vader gaan en hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel cn tegen u; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden, maak mij tot een uwer huurlingen. En hij stond op en ging tot zijn vader. Reeds toen hij nog ver af was, zag hem de vader, en het hart van medelijden bewogen, liep hij hem te gemoet, viel hem om den hals en kuste hem. De zoon sprak: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ik ben niet meer waardig uw zoon te heeten. Doch de vader, zich tot zijne dienstknechten wendende, beval: Breng haastig hier het beste kleed en trekt het hem aan, geeft hem een ring aan den vinger en schoenen aan de voeten. Brengt ook het gemeste kalf en slacht het, want deze mijn zoon was dood cn is weder levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Terwijl dit gebeurde, was de oudste zoon op het veld. Toen die oudste nu huiswaarts keerende hoorde zingen en dansen, riep hij een der dienstknechten bij zich en vroeg wat er gaande was? De dienstknecht antwoordde: Uw broeder is gekomen, cn nu heeft uw vader het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem behouden heeft terugontvangen. Verontwaardigd wilde de oudste zoon niet binnengaan, en locn zijn vader daarop bij hem kwam, om
47« BTJRFLSCHE GHSCHIEDF.NIS,
hem binnen te noodigen, sprak de zoon; Zie, reeds zoovele jaren dien ik u; nooit heb ik uw gebod overtreden, en toch hebt gij mij nooit zelfs maar een gcitcubohje geschonken, om daarvan voor mijne vrienden een feestmaal aan te rechten. Nu echter deze uw zoon gekomen is, die zijn goed met ontuchtige vrouwen heeft verkwist, hebt gij voor hem het gemeste kalf geslacht. Doch de vader gaf ten antwoord: Zoon, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe; maar er moest een vreugdemaal gehouden worden, want deze uw broeder was dood en is herleefd, hij was verloren en is teruggevonden.
Daarna sprak Jesus in andere gelijkenissen tot de scharen het volgende:
.Er was een rijk man, die een rentmeester had, welke bij hem werd aangeklaagd, dat hij de goederen zijns heeren verkwistte. De heer ontbood hem daarop bij zich en sprak tot hem: Wat hoor ik van u? doe rekening van uw rentmeesterschap, want gij zult niet langer rentmeester kunnen zijn. De rentmeester sprak alsdan bij zich zeiven : Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap ontneemt? Spitten kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. Doch ik weet wat ik doen zal, opdat de menschen mij in hunne huizen opnvmen , wanneer ik als rentmeester ben afgezet. Hij het alsdan de schuldenaars van zijn heer een voor een bij zich komen en sprak tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? Honderd vaten olie, was het antwoord Welaan, hernam de rentmeester, neem uw schuldbekentenis, zit haastig neder en schrijl vijftig. Voorts vroeg hij een tweede: Gij, hoeveel zijt gij schuldig'1 Honderd mudden tarwe, sprak de schuldenaar Neem dan. zeide de rentmeester, uw schuldbrief, en schrijf tachtig. De heer prees nu den onrechtvaar-digen rentmeester wegens diens voorzichtigheid ; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger in hun geslacht dan de kinderen des lichts. Ook zeg ik u : maakt n van den onrechtvaardigen mammon vrienden, opdat, wanneer gij te kort schiet, zij u opnemen in de eeuwige woningen.
Onder degenen, die Jesus hoorden spieken, bevonden zich ook Pharizetn Dezen vroegen hem, om hem te beproeven; Is het den mensch geoorloofd van zijne vrouw te scheiden om elke reden? Jesus deed hun de wedervraag: Wat heeft Moses u geboden? Zij antwoordden ; Moses heeft ons toegestaan een scheldbrief te schrijven en zoo de vrouw to laten gaan. Jesus hernam: Hebt gij niet gelezen, dat hij, die den mensch maakte inden beginne , hen man en vrouw heeft gemaakt en gezegd: Daarom zal de mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen en zij zullen twee in één vleesch zijn? Zoo zijn zij dus niet twee, maar zij zijn één vleesch. Derhalve, hetgeen God vereetiigd heeft, schelde de mensch niet. De Pharizeén vroegen : Waarom heeft Moses dan geboden een scheldbrief te schrijven en zoo de vrouw heen te zenden? Jesus antwoordde: Om de hardheid uwer harten heeft Moses u veroorloofd uwe vrouwen te verlaten, maar van den beginne was het zoo niet. En ik zeg u: Wie zijne vrouw verlaat, tenzij om overspel, en cene andere huwt, doet overspel; en ook hij, die de verlatene huwt, doet overspel.
Later, toen de leerlingen met Jesus alleen waren, ondervroegen zij hem nader over deze zaak, en hij sprak tot hen; Al wie zijne vrouw verlaat en eene aiuiere trouwt, doet overspel; en indien eene vrouw haren man verlaat, doet ook zij overspel. De leerlingen zeiden daarop; Als de zaak van den man met de vrouw zoo staat, dan is het niet dienstig te huwen. Jesus hernam; Niet allen vatten dit woord, alleen zij wien het gegeven is. Er zijn toch onhuwbaren van hunne geboorte af, en er zijn onhuwbaren, die door de menschen in dien staat gebracht zijn , maar daar zijn er ook , die zich zeiven aldus gemaakt hebben (vrijwillig van het huwelijk afstand doen) om het rijk der hemelen. Wie het vatten kan, vatte het.
1
Jesus prijst den onrechtvaardigen rentmeester niet om zijne onrechtvaardigheid, maar om ïijne voorzichtigheid, welke hem voor de toekomst deed zorgen. Daarin moeten hem de Christenen, de kinderen des lichts navolgen; zij moeten zich van hun aardsche goederen â hier den onrechtvaardigen mammon genoemd, omdat zij zoo licht tot onrechtvaardigheid verleiden â⢠vrienden zoeken te maken, die hen later in d^ eeuwige
BljRRT.SCnF. GF.SCHTRDF.NIS. /171
woningen opnemen. Deze vrienden zijn de armen, weduwen en weezen, wier ontvangen weldaden voor hunne weldoeners bij God pleiten om de hemelsche belooning.
2. Om de zwakheid der joden was door de wet van Moses de echtscheiding in sommige gevallen en onder rekere voorwaarden toegelaten. De Zaligmaker echter brengt het huwelijk tot zijn oorspronkelijke instelling terug, als vereeniging tusschen ecu man en ééne vrouw â ,,tsvee in een vleeschquot; â en als eene verbintenis, die niet verbroken kan worden. Die onverbreekbaarheid wordt hier nog nadrukkelijker geloerd dan vroeger. Om overspel mag de samenwoning worden opgeheven, doch de huwelijks/Mm/ blijft; immers âwie de verlatene huwt, doet overspel.quot; De apostel Panlns deelt in zijn icn brief aan de geloovigen van Corinthe deze leer des Ileeren in de volgende woorden mede: âAan hen, die getrouwd zijn, gebiedt, niet ik, maar de Heer, dat do vrouw niet scheule van den man, en indien zij mocht gescheiden zijn, dat zij ongetrouwd b 1 ij v e of zich met baren man verzoene. Ook de man verlate de vrouw niet.quot; (I Corinth VII: 10 en n.) Bij eene andere gelegenheid, zonder dat wij bepaald weten welke, verhief Christus het huwelijk tot een sacrament. Dit blijkt, behalve uit de voortdurende oveiievenng der Kerk, uit den brief van den apostel Panlns aan de Hphesen V: 52.
Ondanks deze hooge verhefiing wordt echter de ongehuwde staat â mits men ongehuwd blijft niet om tijdelijke redenen, maar om het rijk der hemelen â als nog voorticirelijker verklaard: doch âniet allen vatten dit woord,quot; niet allen hebben tol dien staat roeping, âalleen zij, wien het woord gegeven is.quot;
HOOFDSTUK XXXI.
LAZARUS F.N DE RIJKE VREK. EERSTE EN TWEEDE KOMST VAN HET GODSRIJK. DE RECHTER EN DE WEDUWE. DE PHARIZEÃK EN DE TOLLENAAR. JESUS ZEGENT DE KINDEREN. DE VOORNAME JONGELING. DE ARBEIDERS IN DEN WIJNGAARD.
(hue. XVIâXIX; Matth. XIX, XX en XXIV; Marc. X.)
Hü,
en dien tijde sprak Jcsus tot de scharen, die hem omringden: Er was een zeker man , die in purper en fijn lijnwaad gekleed ging en dagelijks schitterende ieest-malen hield. Ook was er een bedelaar, met name Lazarus, die vol zweren aan des rijken deur lag en ziel) wenschte te verzadigen met de kruimelen, welke van diens talel vielen, doch niemand gaf ze hem; maar de honden kwamen en likten zijne zweren. Nu geschiedde het, dat de bedelaar stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en werd begraven in de hel. Daar, in de pijnigingen, hief hij zijne oogen op, zag van verre Abraham, en Lazarus in diens school. En hij riep: Vader Abraham ! ontferm u mijner en zend Lazarus, opdat hij den top zijns vingers in het water steke om mijne tong te verkoelen, want ik word gefolterd in deze vlam. Doch Abraham sprak : Zoon, gedenk dat gij het goede ontvangen hebt in uw leven en Lazarus daarentegen het kwade; thans wordt hij vertroost en gij gefolterd. Bovendien is er tusschen ons en u eene groote klove, zoodat, al wilde ook iemand van hier tot u gaan, hij het niet kon, en evenmin van daar iemand herwaarts kan komen. De rijke hernam: Ik bid u. Vader, zend hem dan naar mijns vaders huis tot mijne vijf broeders, opdat hij hen waarschuwe, ten einde ook zij niet komen in deze plaats van folteringen. Abraham gaf ten antwoord: Zij hebben Moses en de profeten; dat zij die hooren. Neen, Vader Abraham, riep de rijke, maar indien iemand uit de dooden tot hen komt, zullen zij boete doen. Abraham echter sprak: Indien zij naar Moses en de profeten niet hooren, zullen zij evenmin gelooven, al1 stond ook iemand uit de dooden op.
Onder de Pharizeën heerschte het denkbeeld, dat het rijk Gods, door den Messias te stichten, zou schitteren van aardsche pracht en grootheid. Een hunner nu vroeg op zekeren dag aan Jesus: Maar wanneer komt dan toch het rijk Gods? Jesus antwoordde: Het komt niet zoo, dat het in het oog valt en men zal zeggen: Zie, hier is het I of daar is het! want het rijk Gods is reeds onder u.
Daarna (sprekende over zijn tweede verschijning op aarde) zeide hij tot zijne leerlingeni
BlJBFLbCIHR GFSCHIEDENIS.
Er zullen ilagcn komen (dagen van verdrukking), waarop gij wenschen zult, ook maar één dag den Zoon des mensclicn te zien (om door hem vertroost te worden), maar gij zult hem alsdan niet zien. Wel zal men u toeroepen: Ziehier! of: ziedaar! doch gaat niet uit en volgt die mcnschen niet. Want gelijk de bliksem schitterend schiet van de eene hemelstreek naar de andere, alzoo zal de Zoon des menschen wezen op zijn dag; nog eerst echter moet hij veel lijden en door dit geslacht verworpen worden. Het zil te dien dage gaan als in de dagen van Moe: de menschen aten en dronken, zij huwden en werden uitgehuwd tot op den dag dat Noe in de ark ging; toen kwam, zonder dat zij het wisten, de zondvloed cn overviel hen allen. Eveneens zal het zijn bij de komst van den Zoon des menschen. Of ook zal het gaan, gelijk ten tijde van Lot: men at, men dronk, men kocht en verkocht men plantte en bouwde ; doch op den dag, dat Lot uit Sodoma heenging, regende het van den hemel vuur en zwavel, en allen kwamen om. Zoo zal het wezen op den dag der verschijning van den Zoon des menschen. Wie in die ure op het dak is en zijne goederen in huis heeft, kome niet af om ze te halen, en insgelijks wie op het veld is, keere niet terug. Gedenkt der vrouw van Lot. Wie alsdan zoeken zal zijn leven te behouden, zal het verliezen, en wie het verliest zal het behouden. (Wie in de verdrukking dier dagen zijn tijdelijk leven zal trachten te redden door Christus te verloochenen, zal het eeuwige leven verliezen; dit zal met velen het geval zijn, met anderen niet.) In die dagen zullen er des nachts twee op één bed slapen, de een zal worden opgenomen (in den hemel), de andere worden achtergelaten; twee vrouwen zullen te zamen den handmolen draaien, de eene zal worden opgenomen, de andere worden achtergelaten. De leerlingen vroegen hem: Waar, Heer, zal dit geschieden? Hij antwoordde: Waar een lichaam is, daar zullen de arenden vergaderen (waar de maat der zonde vol is, volgt het strafgericht).
Vervolgens leerde Jesus in eene gelijkenis de scharen, dat men altijd moet bidden en niet verflauwen. Er was, sprak hij, in zekere stad een rechter, die God niet vreesde en geen mensch ontzag. Ook was daar eene weduwe, welke tot hem ging en zeide: Verschaf mij recht van mijn tegenstander. Langen tijd weigerde hij aan hare bede gevolg te o-even, doch eindel ;k sprak hij: Hoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie, zal ik nochtans, wijl deze weduwe mij lastig valt en opdat zij mij verder met rust late, haar recht verschaffen. Zoo sprak de onrechtvaardige rechter; en zal dan God geen recht ver-schaften aan zijne uitverkorenen, die dag en nacht tot hem roepen? Ik zeg u, hij zal hun spoedig recht verschaffen. Doch zal de Zoon des menschen bij zijne komst wel geloof vinden op aarde? (Zonder gelool geen gebed ; zal er dus wel aanhoudend gebeden worden?)
Daarna sprak hij tot sommigen, die in hun zelfvertrouwen waanden dat zij rechtvaardig waren, en anderen verachtten, deze gelijkenis:
'J'wee menschen gingen op naar den tempel om te bidden; de een was een Pharizeër, de ander een tollenaar. De Pharizeër stond en bad aldus: God, ik dank u, dat ik niet ben oelijk de andere menschen : roovers, onrechtvaardigen , overspelers, ot ook gelijk deze tollenaar; ik vast tweemaal ter week, ik geef tienden van al wat ik bezit. De tollenaar echter, van verre staande, wilde zelfs de oogen niet ten hemel heffen, maar sloeg op zijne borst en verzuchtte: God, wees mij zondaar genadig I Ik zeg u : deze ging gerechtvaardigd naar huis, maar niet de ander. Want alwie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert zal verheven worden.
Alsdan werden bij Jesus gebracht eenige kinderen, opdat hij onder aanroeping van den naam zijns Vaders hun de handen zou opleggen. De apostelen wilden de kinderen weren en berispten degenen, die hen brachten; doch Jesus, hierover verontwaardigd, sprak : Laat de kleinen tot mij komen, cn weert hen niet, want denzulken behoort het rijk der hemelen, Alwie het rijk niet aanneemt gelijk een kind , zal het niet binnengaan. Voorts de kleinen tot zich roepende, legde hij hun de handen op en zegende hen.
Toen hij daarna van die plaats vertrok, naderde hem onderweg een jongeling van hooge geboorte, die zich voor hem op de knieën wierp en sprak; Goede meester, welk goed moet ik venichton om het veuwijje leven te ontvangen? Jesus zeide: Wat noemt
47i
DE PHARIZEER EN DE TOLLENAAR. Bladz. 472.
wm â --quot;i
â¢173
gij mij goed en vraagt naar het goede? indien gij liet leven wilt ingaan, onderhoud de geboden. De jongeling vroeg: Welke? Jesus antwoordde: Gij kent de geboden: gij zult niet doodslaan, gij zult geen overspel doen, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis geven, eer uw vader en moeder, gij zult mv naaste liefhebben als u zelven. De jongeling hernam: Meester, al deze dingen heb ik betracht van mijne jeugd af; wat ontbreekt mij thans nog? Jesus zag den jongeling aan, hij kreeg hem lief en sprak tot hem: Ãén ding ontbreekt u nog: indien gij namelijk volmaakt wilt worden, zoo ga, verkoop al wat gij bezit, geef het den armen, waardoor gij u een schat zult vergaderen in den hemel, en kom dan en volg mij. Op dat woord ging de jongeling bedroefd heen, want hij had vele goederen, waarvan hij niet kon besluiten afstand te doen. Toen hij heengegaan was, liet Jesus zijne blikken weiden over de schare zijner volgelingen en sprak : Hoe moeielijk is het voor hen, die geld bezitten het rijk der hemelen in te gaan ! Daar de leerlingen bij dat woord verwonderd opzagen, zeide hij: Ik herhaal het, mijne kinderen: hoe moeielijk is het voor hen, die op hun geld vertrouwen, het rijk der hemelen binnen te treden! Een kameel gaat gemakkelijker door het oog der naald, dan een rijke ingaat in het rijk Gods. De leerlingen stonden nu nog meer verbaasd en vroegen : Maar wie kan dan zalig worden ? Jesus zag hen aan en sprak: Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God.
Petrus zeide daarop tot Jesus: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal ons daarvoor geworden? Jesus antwoordde: Voorwaar, ik zeg u: gij, die mij gevolgd zijt, gij zult bij de herschepping, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, insgelijks zetelen op twaalf tronen, om te oordeelen de twaalf stammen Israels. En al wie huis of broeders of zusters, of vaJer of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers om mijnen naam zal verlaten hebben, hij zal honderdvoudig terug bekomen en het eeuwige leven bezitten. Doch vele eersten zullen laatsten, en vele laatsten eersten zijn.
Wat Jesus met deze woorden bedoelde, zette hij zijnen leerlingen uiteen in eene gelijkenis: Het rijk der hemelen, sprak hij, is gelijk aan een huisvader, die des morgens vroeg uitging cm arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Nadat hij met eenigen overeengekomen was voor een tienling daags, zond hij ze in zijn wijngaard. Daarna uitgaande omtrent de derde ure (des morgens ongeveer 9 uur) zag hij andoren op de markt ledig staan en sprak tot hen: Gaat ook gij in mijnen wijngaard, en wat billijk is zal ik u geven. Dezen deden gelijk hun gezegd was. Omtrent de zesde en de negende ure (omtrent 12 en 3 uur in den middag) ging hij wederom uit, en deed insgelijks. En omstreeks de elfde ure nog eens uitgaande vond hij anderen staan en sprak: Waarom staat gij hier den ganschen dag ledig? Zij antwoordden: Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zeide: Gaat ook gij in mijnen wijngaard. Als het nu avond was geworden, beval ue heer des wijngaards zijn opziener: Roep de arbeiders en geef hun het loon, begin van de laatsten tot de eersten. Toen nu degenen naderden, die omtrent de elfde ure gekomen waren, bekwamen zij elk een tienling. Eindelijk naderden de eersten en meenden, dat ;;ij meer zouden ontvangen; doch zij ontvingen ieder een tienling. Dien ontvangende, morden zij tegen den vader des huisgezins, zeggende : Deze laatsten hebben slechts één uur gearbeid en gij hebt hen gelijk gesteld met ons, die den last van den dag en de hitte gedragen hebben! Doch hij, antwoordende, sprak tot één hunner: Vriend, ik doe u geen onrecht; zijt gij niet voor een tienling overeengekomen ? Neem dan wat u toekomt en ga ; ik wil ook aan deze laatsten geven als aan u Of staat het mij niet vrij te doen wat ik wil? Is uw oog boos, omdat ik goed ben? â Alzoo, sprak Jesus, zullen de laatsten eersten, en de eersten laatsten zijn; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
1. Al zijne goederen veriaten, om Christus in diens volkomen armoede na te volgen, is, evenals liet beoefenen der in het vorige hoofdstuk aangeprezen maagdeliike zuiverheid, geen gebod, mair een evangelische raad. De Zaligmaker toch somt den aanzienlijken jongeling eenige der voornaamste geboden op en zegt vervolgens,
CO
474 BIJBELSCHF, GESCHIEDENIS.
toen de jongeling verklaarde deze geboden steeds te hebben nageleefd : «Wilt gij dan volmaakt worden, 7.00 verkoop alles, geef het den armen en volg mij quot; In de katholieke Kerk, maar ook in haar alleen, wordt deze volmaaktheid beoefend door personen van beider geslacht, die aan de maagdelijke zuiverheid volkomen armoede paren, niet om tijdelijke redenen, maar zooals Christus het vordert; «om zijnen naam.quot;
2. De zin der beteekenisvolle gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard is: r. Op de verschillende uren, d. i. in de verschillende tijdperken der wereld, roept God op bijzondere wijze tot zijn rijk, ul. tot de kennis zijner bovennatuurlijke waarheid en de b. oefening zijner geopenbaarde wet. Reeds vroeg riep liij Noë, daarna Abraham en de Joden, terwijl in het algemeen de heidenen eerst op die bijzondere wijze geroepen werden ten tijde des Verlossers. 2. Ook ieder mcnsch op zich komt niet even vroeg tot den dienst Gods. Henigen dienen hem van hunne jeugd af; anderen, zooals b. v. een 11. Augnstinus, komen tot hem op rijperen leeftijd, enkelen zelfs eerst in den avond huns levens. Voor allen echter hangt de mate der belooning niet zoozeer af van den langeren of korteren tijd, welken zij (iod dienen, als wel van den ijver, in dien dienst betoond. Vele later geroepenen zullen om den heldhaftigen graad hunner deugd zelfs ver boven de eerstgeroepenen staan.
HOOFDSTUK XXXII.
DE OPWEKKING VAN LAZARUS. HHRXIEUWÃ BESLUIT VAN DEN jOODSCHEN RAAD OM JESUS TE DOODEN. VERTREK VAN JESUS NAAR EPHREM BIJ DE WOESTIJN.
(Joan. XI; l.uc. IX.)
erwijl Jesus, die na dc poging der Joden om hem te steenigen uit Jerusalem ver-=,3 trokken en den Jordaan overgestoken was, zicli in weerwil van zijn plan tot ^.T terugkeer nog steeds in de omstreken van genoemden stroom bevond, werd
Lazarus, de broeder van Maria Magdalena en Martha, te Bcthanië, dicht bij Jerusa-I lem, door een hevige ziekte aangetast. De beide zusters lieten alsdan aan Jesus boodschappen: Heer, hij, dien gij liefhadt, is ziek. Jesus sprak tot de boden: Deze ziekte is niet ten doode, maar ter eer van God, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt worde. Dit zeggende, vertoefde hij ter plaatse waar hij toen was nog twee dagen; daarna sprak hij tot zijne leerlingen laat ons naar Judea terugkeeren. De leerlingen zeiden: Rabbi, nog onlangs zochten de Joden u te steenigen, en nu wilt gij wederom derwaarts gaan ? Doch hij hernam: Zijn er geen twaalf uren op een dag ? Indien iemand bij dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij bet licht geniet; maar wandelt hij bij nacht, dan stoot hij zich, wijl het licht niet bij hem is. (Zoo snelde de dag van Jesus' werkzaamheid ten einde, en naderde dc nacht, waarin hij zich stooten, d. i. zich in de handen der vijanden overleveren wilde, om te lijden en te sterven.) Hij bleef dus bij zijn plan om naar Judea te gaan, en sprak tot zijne apostelen: Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga hem uit den slaap opwekken. Heer, zeiden zij, indien hij slaapt, zal hij genezen. Jesus evenwel had den doodslaap bedoeld en sprak thans openlijk: Lazarus is gestorven, en ik verheug mij om uwentwil, dat ik daar niet was, opdat gij gelooven moogt; laat ons dus tot hem gaan. Toen een der twaalf, Thomas, die ook genoemd werd Didymus, uit deze woorden zag, dat zijns Meesters besluit om op te trekken vaststond, zeide hij tot zijn medeleerlingen: Laten ook wij gaan, om met hem te sterven,
Toen Jesus te Bcthanië kwam, lag Lazarus reeds den vierden dag in het graf, en vele aanzienlijke Joden uit Jerusalem bevonden zich ten huize der beide zusters, om haar over het verlies haars broeders te troosten. Inmiddels vernam Martha door boden, dat Jesus zich aan den ingang van het vlek bevond. Aanstonds snelde zij hem te gemoet en sprak tot hem, Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn; maar ook nu weet ik: dat al wat gij van God zult vragen, God u zal geven. Jesus sprak; Uw broeder zal verrijzen, Ik weet, zeide Martha, dat hij zal verrijzen bij de opstanding ten jongsten dage.
B1JBELSCHE GESCHIEDENIS.
Jesus hernam: Ik ben de opstanding en het levenj wie in mij gelooft, al ware hij gestorven, zal leven; en een iegelijk die leeft en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dit? Zij antwoordde: Ja, Heer, ik geloof dat gij de Christus zijt, de Zoon des levenden Gods, die in deze wereld zijt gekomen. Na dit gezegd te hebben, snelde zij heen, wenkte hare zuster Maria en fluisterde haar toe : De Meester is daar en roept u. Oogen-blikkclijk maakte Maria zich op en vond Jesus nog aan den ingang des vleks, waar hij haar afwachtte. De Joden, die haar zagen gaan, meenden dat zij zich naar het graf wilde begeven om daar te weencn, en volgden haar. Intusschen had zij zich reeds voor Jesus' voeten nedergeworpen en sprak tot hem: Heer, zoo gij hier geweest waart, mijn broeder zou niet gestorven zijn. Jesus hare tranen zien Je vloeien, terwijl de Joden, die haar volgden, met haar weenden, werd in den geest ontroerd en vroeg; Waar hebt gij hem gelegd: Het antwoord luidde: Kom. Heer, en zie. Men begaf zich nu grafwaarts. En Jesus weende. De Joden, dit ziende, spraken onder elkander: Ziet hoe liet hij hem had. Somnigen echter zeiden: Kon dan hij, die de oogen des blindgeborenen opende, niet maken, dat deze niet stierf? Andermaal werd Jesus in den geest ontroerd, en zoo kwam men aan het graf.
Dit was een spelonk, welks ingang mot een steen gesloten was. Jesus beval; neemt den steen weg. Terwijl men dit deed sprak Martha, de zuster des gestorvenen: Hij riekt reeds; trouwens al vier dagen ligt hij in het graf. Jesus sprak tot haar; Heb ik u niet gezegd, dat als gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien? Nadat de steen was weggenomen, hief Jesus zijne oogen ten hemel en sprak; Vader, ik dank u, dat gij mij altijd verhoort, maar ik zeg dit om wille van het volk , hetwelk hier rondom staat ten einde zij mogen gelooven, dat gij mij gezonden hebt. Daarna riep hij met krachtige stem; Lazarus, kom er uit! Oogenblikkelijk kwam de doode uit de spelonk te voorschijn, aan handen en voeten met zwachtels gebonden, en het hoofd gewikkeld in een zweetdoek; Jesus beval; Ontbindt hem en laat hem gaan. Velen nu dergenen, die ter vertroosting van Martha en Maria te Bethanië gekomen en bij dit wonder tegenwoordig waren, geloofden in Jesus; anderen echter begaven zich tot de oversten en de Pharizeën te Jerusalem en deelden hun het voorgevallene mede.
De opperpriesters en de Pharizeën hielden daarop raad en zeiden ; Wat zullen wij doen ? Deze mensch werkt vele wonderen, en indien wij hem aldus laten begaan , zullen allen in hem gelooven , en de Romeinen zullen komen en onze stad en ons volk verderven. Doch een hunner, Caïphas, de hoogepriester van dat jaar, sprak tot hen: Gij weet niets en bedenkt niet, dat het u nuttig is, dat één mensch voor het volk sterve, opdat niet het gansche volk ten gronde ga. Met die woorden voorspelde hij, zonder het zelf te weten , als de hoogepriester van dat jaar, dat Jesus voor het joodsche volk zou sterven, en niet voor dit volk alleen , maar om al de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één te vergaderen. Sedert dien dag nu stond het besluit van den lloogen Raad vast, cm Jesus te dou.len.
Om niet in hunne handen te vallen, zoolang zijn uur nog niet gekomen was, wilde Jesus vooreerst niet meer in het openbaar rondwandelen, maar vertrok naar eene landstreek bij de woestijn . naar de stad Ephrem, en bleef daar met zijne leerlingen. Paschen nu, het feest der Joden, was niet ver meer, en velen uit gemelde landstreek begonnen allengs naar Jerusalem op te gaan, om zich tot het feest voor te bereiden en zich te reinigen. De Joden te Jerusalem zochten Jesus in die dagen daar overal; want de opperpriesters en de Pharizeën hadden een gebod uitgevaardigd, dat ieder, die wist waar hij was, het hun zou berichten, opdat zij hem konden gevangen nemen. Desniettegenstaande besloot Jtsus, wijl zijn uur naderde, Ephrem te verlaten en tegen het feest naar Jerusalem op te trekken, om er nog aan den vooravond van datzelfde Paschen het groote werk zijner zending, het offer zijns levens, te voltooien.
Jesus toont zich bij het graf van Lazarus wederom waarlijk God en waarlijk mensch. Als mcnsch bidt hij to? zijn hemelschen Vader; als God wekt hij door het woord zijner almacht, waarmede hij over leven en dood gebiedt, Lazarus op.
475
BIjRELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XXXIII.
JESUS OP DE TERUGREIS NAAR JERUSALEM. HERHAALDE VOORZEGGIK'G VAN ZIJM LIJDEN EN STERVEN. DE OPl'ERTOLLENAAR ZACHEUS. DE BLINDE AAN DEN WEG VAN JERICHO. ZALVING VAN JESUS TE I5ETHAN1E.
(Luc. IX, XVIII en XIX; Mati'fi. XX en XXVI; Marc. X en XlVr; Joan. XII) --*-0 -â
Sjfftj: P üijne terugreis van Eplirem naar Judea en Jerusalem kwam Jesus door het land ^traip der Samaritanen en zond naar een zekere stad boden voor zich uit, met den last Mfir hem daar een verblijf te bereiden (om te eten of den nacht docr te brengen).
De inwoners dier stad, vernemende dat liij naar het feest te Jerusalem optrok, wei-P gerden om die reden hem te ontvangen. Bij de Samaritanen toch bestond de mee-l ninlt;*, dat niet Jerusalem , maar de berg Garizim de plaats was, waar men moest aanbidden. De apostelen waren over de ondervonden weigering zoo vertoornd, dat twee hunner, Jacobus en Joannes , tot hun meester zeiden ; Heer, wilt gij, dat wij zeggen, dat er vuur uit den hemel nederdale en hen verslinde ? Doch Jesus, de twee leerlingen bestraffende, sprak tot hen: Gij weet niet, van welken geest gij zijt; de Zoon des menschen is niet gekomei om zielen te verderven, maar om ze te redden. Hij ging alsdan met de zijnen naar een vlek in de nabijheid.
Toen liij, na daar eenigen tijd te hebben uitgerust, weder zoo moedig voortschreed naar Judea , waar men hem zocht te dooden , stonden zijne leerlingen over hein verbaasd en volgden hem vol vrees. Hij echter sprak openlijk tot hen: Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem , en alles zal vervuld worden wat door de profeten van den Zoon des menschen geschreven is. Hij zal worden overgeleverd aan de opperpriesters, aan de schriftgeleerden en aan de oudsten, en zij zullen hem ter dood veroordeelen en hem overgeven aan de heidenen om bespot, gegeeseld, bespagen en gekruisigd te worden, en nadat zij hem zullen gegeeseld hebben , zullen zij hem dooden , maar hij zal ten derden dage verrijzen. De leerlingen konden zich met geen mogelijkheid verklaren , hoe hij zooveel vernedering en lijden wilde ondergaan ; die zaak bleef hun een geheim.
Intusschen, wijl hij telkens ook van zijne verrijzenis sprak, vonden zij daarin voedsel voor hun valsch denkbeeld, dat de Messias een groot aardsch rijk zou stichten, wat bij twee hunner, de beide zonen van Zebedeüs, Jacobus en Joannes den wensch deed opkomen, de voornaamste machthebbers in dat rijk tc worden. Ten einde beter hun doel te bereiken, riepen zij hunne moeder ter hulp. Deze begaf zich tot Jesus en viel voor hem op hare knieën, ten teeken dat zij hem iets te verzoeken had. Jesus vroeg haar: Wat wilt gij? Zij antwoordde: Meester, laat deze twee zonen zitten in uw rijk, de een aan uwe rechter-de andere aan uwe linkerhand. Jesus wendde zich daarop tot het broederpaar en sprak: Gij weet niet wat gij vraagt; kunt gij den kelk drinken, dien ik drinken zal, en gedoopt worden met het doopsel, waarmede ik zal gedoopt worden? Zij antwoordden: Wij kunnen het. Jesus hernam: Gij zult mijn kelk wel drinken (in Uiteren tijd, als gij den H. Geest zult ontvangen hebben, zult ook gij voor mijne leer lijden), doch het zitten aan mijne rechter-of linkerhand komt mij niet toe te geven aan u, maar aan degenen, wien het door mijn Vader bereid is. (Maakt gij u die plaats waardig, dan zult gij ze ontvangen; naar willekeur evenwel beschik ik er niet over.) Toen de tien andere leerlingen hoorden wat Jacobus en Joannes hadden durven vragen, werden zij boos, doch Jesus riep hen allen bijeen en sprak tot hen: Gij weet dat degenen die aan het hoofd staan der heidenen hen beheerschen, en dat de
476
RIJBFI.SCHl- GnSCHimF.N'lS.
voornaamsten macht tegen hen oefenen. Zoo zal het niet zün onder u; maar wie uwer de voornaamste wil zijn, hij worde uw dienaar, en die de eerste wil zijn, worde aller knecht. Zoo ook is de Zoon des menschen niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven voor de verlossing van velen.
In Judea aangekomen, trok Jesus door de stad Jericho. Er was daar een man met name Zacheüs, een oppertollenaar en zeer rijk. Deze man wenschte te zien wie Jesus was; doch daar de dichtheid der schare en zijn eigen kleine gestalte hem dit beletten, klom hij in een langs den weg staanden wilden vijgenboom. Jesas dien boom naderende, sloeg de oogen op, ontwaarde den oppertollenaar en sprak tot hem; Zacheüs, kom spoedig af, want heden moet ik in uw huis mijn intrek nemen. Zacheüs kwam af en ontving hem met blijdschap. Toen de Joden Jesus het huis van den oppertollenaar zagen binnengaan, zeiden zij morrende: Hij heeft zijn intrek genomen bij een zondaar. De oppertollenaar echter, door de genade geroerd, sprak tot zijn gast; Zie, Heer, de helft mijner goederen schenk ik den armen, en zoo ik iemand iets tekort heb gedaan, zal ik het vierdubbel vergoeden. Jesus sprak; Heden is dezen huize zaligheid wedervaren, want ook hij is een zoon Abrahams; de ^Zoon des menschen toch is gekomen om te zoeken en zalig te maken hetgeen verloren was,
Toen de Joden hem dit hoorden zeggen, maakten zij daaruit op â te meer wijl hij reeds op weg was naar Jerusalem â dat hij het rijk Gods, zooals zij dit begrepen, aanstonds zou stichten. Doch hij sprak tot hen in eene gelijkenis; Zeker man van hooge geboorte vertrok naar een ver afgelegen land, om daar met het koningschap (over zijn gewest) begiftigd te worden en dan terug te keeren, Eu zijn tien dienstknechten roepende verdeelde hij onder hen tien ponden (zekere geldstukken) en zeide: Drijft daar handel mede, terwijl ik ga. Zijne burgers nu haatten hem en zonden hem , zoodra hij vertrokken was, een gezantschap na, niet de verklaring (aan dengene, die hem in liet koningschap moest bevestigen); Wij willen niet, dat deze over ons heersche. Nu geschiedde het, toen hij wederkeerde en het koningschap ontvangen had, dat hij zijne knechten , aan wie hij het geld had toevertrouwd , bij zich riep om van hen te vernemen, hoeveel ieder had gewonnen. De eerste knecht kwam en sprak; Heer, uw pond is tot tien pond aangegroeid. De heer antwoordde; Zeer wel, gij goede dienstknecht! wijl gij over weinig zijt getrouw geweest, zult gij machthebber zijn over tien steden. De tweede kwam en zeide ; Heer, uw pond is vermeerderd tot vijf pond. Tot dezen sprak de heer: En gij, wees gesteld over vijf steden. Daarna kwam een derde, en deze zeide; Heer, ziedaar uw pond, dat ik in een doek gewikkeld en bewaard heb, want ik vreesde u, wijl gij een hard mensch zijt; gij neemt wat gij niet hebt toevertrouwd, en maait wat gij niet gezaaid hebt. De heer sprak; Booze knecht, uit uw eigen woorden oordeel ik u; gij wist dat ik een hard mensch ben, die neem wat ik niet gaf, en maai wat ik niet zaaide; waarom hebt gij dan mijn geld niet in de wisselbank gezet, opdat ik het bij mijn wederkomst met rente kon terug eischen ? Daarna gebood hij: Neemt hem het pond af en geeft het aan hem, die tien pond heeft. Heer, werd hem geantwoord , deze heeft al tien pond. Doch de heer hernam; Ik zeg u , aan ieder die heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar die niet heeft (geen gebruik maakte van het weinige), dien zal ook datgene, wat hij heeft, ontnomen worden. Wat nu mijne vijanden aangaat, die niet wilden, dat ik over hen zou regeeren, brengt hen hier, en doodt hen voor mijne oogen.
Een eindweegs buiten Jericho zat een blinde, met name Bartimeüs, do zoon van Timeüs, :e bedelen. Toen deze ongelukkige de groote schare menschen, die Jesus omringden, hoorde naderen, vroeg hij wat er gaande was. Men antwoordde hem, dat Jesus van Nazareth daar aankwam. De blinde riep nu uit alle macht; Jesus Davidszoon, ontferm u mijner ! Diegenen van de schare, welke voorop gingen, bestraften hem en wilden hem het zwijgen op-leggen ; doch hij riep nog luider; Jesus Davidszoon, ontferm u mijner. Jesus, dit geroep hoorende, bleef stilstaan en beval dat men den man bij hem zou brengen. Zij, die hiertoe uitgezonden waren, zeiden tot den blinde: Wees goedsmoeds, sta op, hij roept u. De
477
mjFELSCHE GESCHIFDFNIS.
blinde wierp zijn overkleed af, sprong op en strompelde naar Jcsus heen. Jesus vroeg hem: Wat wilt gij dat ik u doen zal? Hij antwoordde; Heer, dat ik zien moge. Jesus sprak: Zie mij aan, ga , uw geloof heeft u behouden. Oogenblikkelijk zag de blinde , en God verheerlijkende, volgde hij zijn weldoener. Al het volk, van dit wonder getuige, stemde met de loiprijzingen van den gewezen blinde van ganscher harte in.
Zes dagen voor Paschen kwam Jesus in het nabij Jerusalem gelegen Bethanië aan, en nam zijn intrek in het huis van een zekeren Simon, bijgenaamd de melaatsche. Daar maakte men voor hem en de zijnen een maaltijd gereed, waarbij Martha diende, terwijl Lazarus mede aanzat. Ook Maria was daar. Zij hield in hare hand een albasten kruik met kostbaren echten nardusbalsem, wierp zich daarmede voor Jesus' voeten neder, veegde die at met haar haar, zalfde ze niet den balsem, en goot vervolgens, na de kruik te hebben stukgeslagen,, het overige van den inhoud uit op Jesus' hoofd, zoodat geheel het huis van een aangenamen geur vervuld werd. Dit maakte de verontwaardiging gaande van een der twaalf leerlingen , van Judas Iscarioth. Hij zag Maria norsch aan en sprak ; Waartoe deze verkwisting ? die balsem had voor meer dan driehonderd tienlingen verkocht en het geld aan de armen gegeven kunnen worden. Dit zeide hij, niet wijl hem de armen zoo nauw aan het hart lagen, maar wijl hij een dief was, die, daar hij de beurs droeg, een gedeelte van hetgeen daarin geworpen werd, stal. Jesus sprak tot hem : Wat valt gij deze vrouw lastig r laat haar begaan ; zij heeft een goed werk aan mij verricht. Armen toch hebt gij altijd bij u, en gij kunt hun weldoen wanneer gij wilt; mij echter hebt gij niet altijd. Wat deze in hare macht had, heeft zij gedaan; bij voorbaat heeft zij mijn lichaam gezalfd ter begrafenis. Voorwaar, ik zeg u : overal in de gansche wereld, waar dit Evangelie zal gepredikt wo-den , zal ook wat deze heeft gedaan , worden verkondigd ter harer gedachtenis.
Spoedig was het te Jerusalem bekend, dat Jesus zich te Bethanië bevond, en een groote menigte Joden trok derwaarts, niet alleen om hem maar evenzeer om Lazarus te zien, dien hij uit het graf had opgewekt. Zoodra de opperpriesters dit trekken des volks naar Bethanië vernaaien, besloten zij ook Lazarus te dooden, wijl om zijnentwille velen hen afvielen en in Jesus geloofden.
1. De zin der ^'-'lijkenis van een man van hooge geboorte, die op reis ging om tot koning te worden aangesteld, is deze: De man van hooge geboorte is de mensch .quot;/.â¢worden Zoon Gods, de Verlosser; Hij zal niet terstond, gelijk de scharen vermoedden, tot zijn koninkrijk komen met uiierlijken glans en heerlijkheid. Herst-toch zal hij langs den weg des doods op reis gun naar een ver lan.l, naar de woning zijns hemelschon Vaders en terwijl hij inmiddels aan zijne dienaren een stuk Geld, d. 1. zijne genadeschatten, toevertrouwt, opdat zij daarmede woekeren, zal hij op het eind der wereld terugkon:.n, om liet rijk, waarover hij door den Vader als koning is aangesteld, voor alle eeuwigheid in bezit te nemen. Xijnc dienstknechten zal hij alsdan rekenschap afvorderen van den hun toevertrouwden schat: terwijl zijne vijanden, die geweigerd hebben hem te erkennen, en die riepen ; »wij willen niet dat deze over ons heerscheiquot; voor zijne oogen zullen worden ter dood gebracht, d. i. verwezen zullen worden tot den eeuwigen dood in de plaats der folteringen.
2. De evangelisten Lucas en Marcus maken ieder gewag van één blinde, die aan den weg van Jericho door Jesus genezen werd; terwijl Mattheüs van twee blinden spreekt. Dit stemt overigens zeer goed overeen, daar de blinde van Lucas en Marcus niet dezelfde zijn ; de eerste toch werd genezen toen Jesus Jericho naderde, de laatste, toen hij Jericho uitging. Boven is slecht een dezer genezingen verhaald, omdat de omstandigheden, waarvan beide vergezeld gingen, nagenoeg gelijk zijn.
3. De verstoktheid der Joods he opperpriesters grensde aan het ongeloofelijke. Zij wisten en erkenden, wat trouwens ieder wist, dat Jesus Lazarus van den doo.l had opgewekt, dus een wonder had gewrocht, hetwelk alle geschapen krachten te boven ging, en toch blijven zij niet alleen ongeloovig, maar willen daarenboven den levenden getuige van Jesus' almacht, uit den weg ruimen. Alsof Jesus hem niet andermaal kon opwekken I liet ongeloof ouzer dagen komt s ms vrij wel met dat der Joodsche opperpriesters overeen.
47»
mjRF.T.scnr, nnsciiiFDi-Nts. .179
1IOOFDSTUK XXXIV.
JESUS' LUISTERRIJKE INTOCHT IN JERUSALEM. HIJ WF.RNT OVER DE STAD.
VOORZEGGING VAN HI'T NADERI'NDIi UUR ZIJNS DOODS.
VERDRIJVING DER KOOPERS EN V'ERKOOl'ERS UIT DEN TEMl'EL.
EENE STEM. UIT DEN HEMEL.
(Matth. XXf; Makc. XI; Luc. XIX; Joan. XII.)
]Fg oen Jcsus, des Zomlags voor het joodsche Paaschfecst, van Beilianic naar Jerusalem optrekkende, dicht bij het vlek Bethphage, aan den Olijfberg, gekomen was, sprak hij tot twee van zijne leerlingen: Begeeft u naar dat vlek, recht voorn;
'lt;â §' S'i zu't c'nar vinden eene ezelin, vastgebonden, en bij haar een jongen ezel, waar J nog nooit iemand op gezeten was; maakt die dieren los en breng ze bij mij. En indien iemand u vraagt : waarom maakt gij ze los? zegt dan, dat de Heer ze noodig heeft, en hij zal ze terstond laten gaan. Do leerlingen togen heen en vonden voor de deur van een huis aan de wegscheiding de ezelin met den jongen ezel, en toen zij ze wilden losmaken, vroeg de eigenaar; Wat doet gij? Gelijk hun bevolen was, antwoordden zij: de heer heeft ze noodig, en zonder verder tegenstreven liet de eigenaar hen met de dieren vertrekken.
Inmiddels was Jcsus' nadering te Jerusalem bekend geworden, en eene groote menigte volks, dat zich daar wegens het aanstaande Paaschfecst bevond, en gehoord had datjesus Lazarus van den dood had opgewekt, trok hem te gemoet met palmtakken in de hand. Zoodia de schare hem aangetroffen had, ging zij voor hem uit, roepende: Hosanna! gezegend die daar komt in den naam des Heeren, hij de koning van Israël! Voortgaande ontmoette hij de uitgezonden leerlingen met de beide dieren; zij spreidden hunne opperkleederen daarover uit, en Jesus besteeg den jongen ezel. Zoo werd vervuld hetgeen door den profeet voorspeld was: Vreest niet, dochter Sions! zie uw Koning komt tot u, gezeten op het jong ecner ezelin. Dat woord kenden de leerlingen destijds niet, maar later, nadat Jesus verheerlijkt was, herinnerden zij zich, dat het van hem geschreven stond, en dat zij tot de vervulling er van hadden medegewerkt.
Behalve door de schare, die van Jerusalem gekomen was en thans voor Jesus uitging, werd hij vergezeld door eene groote menigte Joden (waarschijnlijk uit Hethanic en omstreken), die bij de opwekking van Lazarus tegenwoordig waren geweest. Lenigen hunner spreidden hunne kleederen voor hem uit, anderen overdekten den weg met takken, die zij van de boomen hieuwen. Aan de helling van den Olijfberg begonnen allen eenparig de vreugdekreten aan te heffen: Gezegend de Koning, die komt in den naam des Heeren! Heil in de hemelen! Glorie in den hooge ! En zoowel zij, die hem vooruitgingen, als die hem volgden, riepen voortdurend: Hosanna den Zoon Davids! Gezegend, die komt in den naam des Heeren! Gezegend het rijk van onzen vader David, die in aantocht is! Hosanna in den hooge !
Eenige Pharizeën, getuigen van deze geestdrift des volks, spraken verbitterd tot elkander: Ziet gij, dat wij niets vorderen? de geheele wereld loopt hem na. Enkelen hunner, na zich onder de schare gemengd te hebben, hadden zelfs de stoutheid tot Jesus te zeggen: Meester, berisp uwe leerlingen. Doch hij antwoordde: Ik zeg u: wanneer dezen zwegen, zouden de steenen roepen.
Eindelijk was Jesus Jerusalem genaderd, en terwijl hij zijne blikken op de stad vestigde, weende hij over haar en sprak: Och, of ook gij nog dezen uwen dag erkendet wat u tot vrede strekt j maar het is nu voor uwe oogen verborgen. En dagen zullen over u komen,
fio BIJBFI.SCHE GESCHIEDENIS.
dat uwe vijanden u mei een belegeringswal omgeven, u insluiten en u van alle kanten benauwen, wijl gij den dag uwer bezoeking niet hebt gekend.
Toen lüj voorts, nog omstuwd door de jubelende scharen, in pleclnigcn optocht Jerusalem binnentrok, kwam de geheelc stad op de been, en allerwegen klonk de vraag: Wie is deze? De scharen antwoordden: Het is Jesus, de profeet van Nazareth uit Galilea.
Intusschen begaf Jesus zich naar den tempel, maar moest daar ondervinden, dat evenals vroeger, ook thans het heiligdom weder door allerlei wereldsche zaken ontwijd werd. In een der voorhoven stonden er, die kochten en verkochten, terwijl anderen, ter vermijding van een kleinen omweg over de openbare straat, het voorhof als doorgang gebruikten en er vaatwerk en andere huiselijke benoodigdheden doorheen droegen. Verontwaardigd over zooveel wereldzin, wierp hij de tafels der wisselaars en het gestoelte der duivenverkoopers omver, verbood het vervoer van goederen door het voorhof en sprak: Staat er niet geschreven : Mijn huis is een huis des gebeds voor alle volkeren ? Gij echter hebt er een roovershol van gemaakt. Toen de Pharizëen en schriftgeleerden (met wier toestemming de ontwijding plaats had) Jesus aldus hoorden spreken, zonnen zij in hun woede op middelen, hoe zij het best hun plan, om hem uit den weg te ruimen, i.ouden kunnen ten uitvoer brengen; op dit oogenblik echter durfden zij niets tegen hem ondernemen, want zij vreesden de scharen, die zijne leer bewonderden.
In den tempel werden bij Jesus gebracht blinden en kreupelen, en hij genas hen allen. Dit was voor de Pharizeën en schriftgeleerden een nieuwe grief, en toen zij daarenboven de kinderen in den tempel hoorden roepen ; Hosanna den Zoon Davids I konden zij hunne verontwaardiging niet langer bedwingen en spraken tot Jesus: Hoort gij wel wat dezen zeggen ? Zeker, antwoordde Jesus, maar hebt gij nooit gelezen ; Uit den mond der kinderen en der zuigelingen hebt gij uwen lof bereid ?
Onder degenen, welke in die dagen naar Jerusalem waren opgetrokken, om daar op het Paaschfeest te aanbidden, bevonden zich ook eenige godsdienstige heidenen. Dezen wendden zich tot Philippus, die van Bethsaïda in Galilea was,en gaven hem hun verlangen te kennen om tot Jesus te worden toegelaten. Philippus sprak daarover met Andreas, den broeder van Petrus, en nu gingen beide leerlingen Jesus van de zaak verwittigen. Jesus gaf hun ten antwoord : De ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden (door de ure van zijn dood zal hij de Verlosser worden van allen, en dan zullen ook do heidenen hem aannemen). Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : Indien de graankorrel niet in de aarde wordt geworpen en sterft, blijft hij alleen; maar wanneer hij sterft, brengt hij vele vruchten voort. Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen; en wie zijn leven in deze wereld haat, bewaart het ten eeuwigen leven. Zoo iemand mij dienen wil, hij volge mij; en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zoo iemand mij dient, zal de Vader hem verheerlijken. Nu is mijne ziel ontsteld. En wat zal ik zeggen? Vader verlos mij uit deze ure? Maar daarom (om den Vader door mijn lijden te verheerlijken) ben ik in deze ure gekomen. Vader verheerlijk uwen naam! â Op hetzelfde oogenblik kwam er een stern uit den hemel: Ik heb dien naam verheerlijkt en zal hem wederom verheerlijken! Sommige der aanwezigen zeiden bij het hooren der stem, dat het een donderslag geweest was; anderen beweerden : Neen, maar een engel heeft tot hem gesproken. Jesus zeide daarop tot hen: Niet om mij is die stem gekomen, maar om u. Thans breekt het oordeel over do wereld aan; thans zal de vorst dezer wereld worden buitenge worpen ; want als ik van de aarde omhoog zal geheven zijn (aan het kruis), zal ik alles tot mij trekken. Eenigen uit het volk zeiden nu: Wij hebben uit de wet vernomen, dat de Zoon des menschen moet omhoog geheven worden? Wie is die Zoon des menschen? Zonder op deze ongeloovige vraag te antwoorden, vermaande Jesus de vragers om van de hun aangeboden genade gebruik te maken en hem te erkennen, waartoe hun licht genoeg geschonken werd; hij toch, het eeuwige Licht, was bij hen. Wandelt, zoo sprak hij, wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvallej en die in de duisternis wandelt, weet niet waarheen hij
BIJBF.I.SCHF. GP.SCHIF.DF.NIS. 481
gaat. Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn, â Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich en ging uit den tempel.
Zoo bleek dan andermaal, ook nog op dezen dag, dat ondanks de schitterende wonderen, welke voor hunne oogen geschied waren, er steeds nog velen overbleven, die niet in Jesus geloofden, zoodat in hen het woord van den profeet Isaïas vervuld werd: Heer, wie heeft geloof geslagen aan onze prediking, en aan wien is de arm des Meeren geopenbaard? Daarentegen waren er vele anderen die geloofden, en van dezen werden er gevonden zelfs onder de oversten ; doch zij durfden hun geloof niet openlijk belijden, uit vrees van uit de synagoge gebannen te worden. Aldus zochten zij meer de eer der menschen dan de verheerlijking Gods.
Jesus, dit alles wetende, riep bij het verlaten des tempels: Die in mij gelooft, gelooft niet in mij, maar in hem die mij gezonden heeft; zoo ook, die mij aanschouwt, aanschouwt hem die mij zond. Ik, het Licht, ben in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in mij gelooft, niet in de duisternis blijve. Indien iemand mijne woorden hoort en niet onderhoudt, niet ik oordeel hem, want ik ben niet gekomen om de wereld te oordeelen, maar om haar zalig te maken; bij heeft er een die hem oordeelen zal: het woord, hetwelk ik tot u gesproken heb, zal hem oordeelen ten jongsten dage. Want ik heb uit mij zeiven niet gesproken; maar de Vader, die mij gezonden heeft, heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen en wat ik spreken moet; en ik weet dat zijn gebod (d. i. datgene wat hij mij geboden heeft te spreken: zijne leer nl.) het eeuwige leven is. Hetgeen ik derhalve spreek, spreek ik zoo, gelijk de Vader mij gezegd heelt.
Inmiddels was het avond geworden, en keerde Jesus met zijne leerlingen naar Bethanië terug, om daar den nacht door te brengen.
t. Dc eerste der heiile voorspellingen, hierboven aangelmUl, is van den profeet Zacharias â O. T, hoofdstuk 141; de andere, van den profeet Isaïas, z e men O. T. hoofdstuk 122.
2. Al weigeren over het algemeen dc Joodsche oversten en de bewoners van Jerusalem Jesus als den Messias te erkennen, hij wil toch een enkel oogenblik gedurende zijn verblijf op aarde en wel kort voor hij van deze aarde heengaat, de hulde en de eerbewijzen ontvangen, die hem als den aan de vaderen voorspelden Zoon Davids en den Koning van Israël van rechtswege toekomen.
5. Jesus is waarlijk God, maar met minder waarlijk mensch. In de wereld gekomen, om door zijn lijden en kruisdood alle menschen tot zich le trekken, en als de graankorrel te worden die, in de aarde gelegd, milli-oenen vruchten van geloovige christenen voortbrengt, ziet hij toch, nu het uur nadert, met de vrees, aan de mensche-lijke natuur eigen, tegen dat hjden en sterven op. Evenwel zal hij met volkomen onderwerping dat uur aannemen.
HOOFDTSUK XXXV.
DE VERDORD!- VIJGENBOOM. JESUS LEERT IN DEN TEMPEL. VERSCHIL L E N D E G E LIJKENl SS E N. D E SADDUCEÃN EN DE PHARIZEÃN TOT ZWIJGEN GEBRACHT.
H E T P E N N 1 N G S K E DER W E D U W E.
(Matïh. XXI, XXII en XXIII; Marc. XI en XII; Luc. XIX, XX en XXI.)
|iW,s anderen daags (Maandag) trok Jesus niet zijne leerlingen weder van Bethanië naar Jclusa'eni. Op zijn tocht zag hij in de verte aan den weg een met welig groen prijkenden vijgenboom, en toen hij dien naderde en daaraan vruchten zocht, maai slechts bladeren vond, wijl hel trouwens de tijd niet was voor vijgen, sprak hij tot den boom: Nooit in eeuwigheid zal er meer vrucht aan u groeien. Op hetzelfde oogenblik dat hij dit zeide, zagen zijne leerlingen den boom verdorren, (Die boom was liet beeld der ongeloovige Juden,^
Cl
RIJRF.LSCHP. GnSCIlIFDRNIS.
Daarna te Jerusalem komende, leerde liij de scharen in den tempel. De opperpriesters met de schriftgeleerden cn de oversten des vo'ks zonnen alsdan wederom op middelen, om hem te dooden; maar zij wisten niet hoe zij het zouden aanleggen, want al het volk dat hem hoorde, bewonderde hem en hing als aan zijne lippen. Zoo ging hij ongehinderd dezen dag, evenals de twee volgende dagen, met zijne onderrichtingen voort en keerde telkens des avonds terug naar Bcthanic aan den Olijfberg.
Toen hij op den eersten dier beide volgende dagen (Dinsdag) des morgens weder naar Jerusalem ging, zagen zijne leerlingen, dat de vijgenboom, welks lot hij den vorigen dag had uitgesproken, van den wortel tot de kruin reeds geheel verdord was. Daarover verwonderd vroegen zij hun meester: Hoe is die boom zoo spoedig geheel verdord? Jesus antwoordde: Hebt geloof in God, voorwaar, ik zeg u: indien dat geloof het uwe is, en gij niet twijfelt, zult gij niet alleen met een vijgenboom aldus doen, maar zelfs als gij tot dezen berg zegt: neem u op en werp u in zee! het zal geschieden. Daarom zeg ik u: Al wat gij biddende vraagt, gelooft dat gij het zult ontvangen, en liet zal u geworden. Doch als gij bidt, vergeeft, indien iemand u iets misdaan heeft, opdat uw Vader, die in den hemel is, ook u uwe zonden vergeve. Want zop gij niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in den hemel is, u uwe zonden niet vergeven.
Nadat hij onder deze gesprekken Jerusalem bereikt had en opnieuw het volk in den tempel leerde, naderden hem de opperpriesters met de schriftgeleerden en de oudsten des volks cn vroegen hem: Zeg ons, krachtens welke volmacht doet gij dit alles? wie heeft er u voor aangesteld? jesus sprak: Ik ook zal u cene vraag doen, en als gij mij die beantwoordt, zal ik op mijne beurt u zeggen, door wiens macht ik dit alles doe. Het doopsel van Joannes, vanwaar was dat? uit den hemel, of van de menschen? (Joannes was ook door geen menschen aangesteld; trad hij daarom onwettig op? was hij niet door den Vader gezonden en getuigde hij niet van mij ?) Door die vraag werden de opperpriesters met de schriftgeleerden en de oudsten zeer in het nauw gebracht. Zij dachten bij zich zeiven : Antwoorden wij hein: het doopsel van Joannes was uit den hemel, dan zal hij ons zeggen: waarom hebt gij hem dan niet geloofd? en zeggen wij: het was van de menschen, dan hebben wij te duchten dat de schare ons steenigt, want deze is overtuigd dat Joannes een profeet was. Eindelijk, na eenig nadenken, antwoordden zij: Wij weten het niet. Jesus sprak: Dan zeg ik u ook niet, door welke.macht ik dit alles doe.
Daarop ging hij voort tot hen te spreken, in eene gelijkenis: Wat dunkt u? een zeker man had twee zonen en zeide tot den een: mijn zoon, ga en werk heden in mijn wijngaard. Die zoon sprak: ik wil niet. Later echter kreeg hij berouw (en deed wat hem bevolen was). Vervolgens sprak de man tot den anderen zoon hetzelfde, cn deze zeide: ik ga; maar hij ging niet. Wie van beiden heeft nu den wil des vaders volbracht ? De opperpriesters en de hunnen antwoordden: De eerste. Jesus, thans zijne gelijkenis op hen toepassende, sprak: Voorwaar, ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen zullen eerder in het rijk der hemelen komen dan gij. Gij toch hebt Joannes, die u den weg der gerechtigheid wees, niet geloofd, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem geloofd hebben, en ofschoon gij dit zaagt, hebt gij nochtans ook later geen berouw betoond.
Vervolgens sprak Jesus in hun bijzijn tot de schare deze gelijkenis. Hen zeker huisvader plantte een wijngaard, welken hij met eene heg omgaf en waarin hij een wijnkelder groef en een wachttoren bouwde; daarna verhuurde hij hem aan akkerlieden en ging voor langen tijd buitenslands. Toen hij echter ten tijde van den oogst zijn dienaar zond, die een gedeelte van de vruchten des wijngaards moest ontvangen, grepen de akkerlieden dezen aan, sloegen hem en zonden hem met ledige handen terug. De huisvader zond een tweeden dienaar, maar ook dezen sloegen de akkerlieden, ja, wierpen hem met steenen , waardoor hij aan het hoofd gewond werd, en na hem op die wijze gehoond te hebben, lieten zij hem onverrichter zake vertrekken. Dc huisvader ging voort een derden dienaar te zenden, cn dc akkerlieden sloegen dezen niet alleen, maar zelfs, nadat zij hem buiten
482
BIJBELSL'Hb UhSCHIEDENIS.
hadden geworpen, doodden zij hem. Nogmaals zond de huisvader dienaren, meer in getal dan vroegen; doch de akkerlieden behandelden hen op gelijke wijze: sommigen sloegen zij, sommigen doodden zij. Eindelijk sprak de huisvader: Wat zal ik doen? Ik zal mijn zoon zenden, hem zullen zij ontzien. Hij had slechts éón zoon, zijn lieveling, en dezen zond hij. Toen evenwel de akkerlieden dien zoon zagen, spraken zij tot elkander: Deze is de erfgenaam; welaan laat ons hem dooden, en wij zullen zijn erfgoed bezitten. Dit zeggende grepen zij hem en sleepten hem buiten den wijngaard, waar zij hem doodden. Wanneer nu de eigenaar des wijtigaards terugkomt, wat zal hij met die akkerlieden doen? â Op die vraag antwoordden eenigen uit de hoorders: Hij zal die boosdoeners ellendig doen omkomen cn zijn wijngaard verhuren aan andere bebouwers, die hem ten gestelden tijde vruchten opbrengen. Jesus sprak: Ja, hij zal komen en hen verderven en zijn wijngaard aan anderen geven.
De opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten, die deze gelijkenis hoorden, en begrepen dat zij zeiven onder die akkerlieden verstaan werden, zeiden tot Jesus: Zoo iets te doen zij verre van ons! Doch Jesus hen aanziende, vroeg hun: Waarom staat er dan geschreven : De steen, dien de bouwmeesters verworpen hebben, deze is tot den hoeksteen geworden; door den Heer is dit geschied, en het is wonderbaar in onze oogen? Derhalve zeg ik u: Het rijk Gods zal u ontnomen en gegeven worden aan een volk, dat er vrucht mee doet. En wie over dezen steen zal vallen, zal verpletterd worden, en op wien hij zal vallen, dien zal hij vermorselen. Dit hoorende, brandden zij van begeerte om hunne handen aan Jesus te slaan, doch zij vreesden de scharen, welke hem voor een profeet hielden.
Jesus ging akoo voort het volk te leeren en sprak : Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloftsmaal had aangerecht en zijne dienaren zond om de genoodigden ter bruiloft te roepen, doch dezen wilden niet komen. Hij zond wederom andere dienaren en sprak: Zegt tot de genoodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd bereid, mijne ossen en gemeste kalveren zijn geslacht, en alles is gereed; komt ter bruiloft. Doch zij achtten het niet, en gingen heen, de een naar zijne landhoeve, de andere naar zijn koophandel; sommigen zelfs grepen zijne dienstknechten vast, en na hen smadelijk bejegend te hebben, doodden zij hen. Toen de koning dit hoorde, werd hij vergramd; hij zond zijne legers uit, verdelgde de moordenaars en stak hunne stad in brand. Daarop sprak hij tot zijne dienaren: het bruiloftsmaal is wel bereid, maar de genoodigden waren het niet waardig; gaat derhalve naar de uiteinden der wegen, en noodigt ter bruiloft allen die gij vindt. De dienaren gingen en verzamelden allen die zij vonden, goeden en kwaden, en de bruilofts/aal werd vol gasten. De koning trad nu binnen, om de gasten te zien, en zag daar een mensch, die geen bruiloftskleed aanhad. Hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed r Doch die mensch verstomde. Toen sprak de koning tot zijne dienaren: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en geknars der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Na deze gelijkenis verwijderden zich de opperpriesters met de schriftgeleerden en oudsten en hielden raad, hoe zij Jesus in zijne woorden zouden vangen. Zij zonden alsdan eenige Pharizeen, hunne leerlingen, met aanhangers van Herodes. De Pharueën namen op bevel hunner meesters den schijn aan, als kwamen zij uit ijver voor de wet, en stelden Jesus de vraag; Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, den weg Gods naar waarheid leert en niemand ontziet; want gij let niet op den persoon der menschen. Zeg ons dus, is het geoorloofd den keizer schatting te betalen of niet ? Jesus hunne boosheid en sluwheid doorschouwende, sprak tol hen: Wat toetst gij mij, geveinsden: toont mij den schaipenning. Zij gaven hem nu een tienling. Jesus het muntstuk beziende, vroeg: Wiens beeltenis en naamschrilt staat hier op? Zij antwoordden: des keizers. Jesus hernam: Geeft dan den keizer wat des keizers en God wat Godes is. In dit woord niets vindende, waarover zij hem voor het volk konden berispen, zwegen zij, en zich verwonderende over zijne wijsheid gingen zij heen.
4^3
484
Op denzelfden dag kwnmen tot liem eenige Sadduceên, menschcn die niet in de verri)-üenis des vleesches geloofden, en zeiden tot hem: Meester! Moses heeft ons bevolen, dat indien iemands broeder eene vromv heeft en hij zonder kinderen komt te sterven, de broeder deze vrouw moet nemen, om voor zijn broeder een erfgenaam te verwekken. Er waren nu bij ons zeven broeders. De eerste nam eene vrouw en stierf zonder kinderen. Daarop nam de tweede haar, maar ook hij stierf kinderloos. Voorts nam haar de derde, en zoo achtereenvolgens alle zeven; doch geen hunner liet bij zijn dood kinderen na. Eindelijk, het laatst van allen, stierf de vrouw. Wiens echtgenoote zal zij nu wezen bij de verrijzenis? trouwens zeven hebben haar tot echtgenoote gehad. Jesus antwoordde: Gij dwaalt, dewijl gij noch de Schrift begrijpt, noch de kracht Gods. Zij toch, die van den dood verrezen zijn, zullen geen huwelijk sluiten noch uilgehuwd worden, maar zij zullen zijn als de engelen Gods in den hemel. Dc kinderen dezer wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven; zij echter, die der toekomende wereld en der verrijzenis waardig zullen worden bevonden, nemen geen vrouwen, en zij zullen niet meer kunnen sterven; zij zullen aan de engelen gelijk en kinderen Gods zijn, daar zij kinderen zijn der verrijzenis. Dat nu Je dooden zullen verrijzen, heeft Moses 11 getoond, door in zijn boek het woord op te schrijven, hetwelk God tot hem bij het braambosch sprak: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jacob. God nu is geen God van dooden, maar van levenden, en allen leven voor hem. â De scharen, dit antwoord hoorende, stonden verbaasd over Jesus' leer, en zelfs eenige schriftgeleerden zeiden tot hem: Meester, gij hebt wel gesproken.
Nadat Jesus de Sadduceên tot zwijgen had gebracht, verzamelden zich opnieuw rondom hem de Pharizeen, en een hunner, een leeraar der Wet, die bij de redetwist van zooeven tegenwoordig was geweest, en gehoord had hoe goed Jesus antwoordde, vroeg hem thans, om hem te beproeven: Meester, wat is het groote gebod in de Wet, het voornaamste van alle geboden? Jesus antwoordde: Het voornaamste van alle geboden is: Luister Israel! de Heer uw God is één God; en.- Gij zult den Heer uw God liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uw ziel, met geheel usv verstand en met al uwe krachten, Dit is het grootste en eerste gebod, en het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als u zeiven. Een grooter dan deze beide geboden bestaat er niet, en daaraan hangen de geheele Wet en de profeten. Hierop zeide de leeraar der Wet: Zeer naar waarheid, Meester, hebt gij gezegd, dat er één God is en nevens hem geen ander; alsook dat hij bemind moet worden uit geheel het hart, met geheel het verstand, uit geheel de ziel en met alle krachten; en zijn naaste beminnen als zich zeiven gaat boven alle brandofïers en slachtoffers. Jesus sprak tot dezen leeraar: Gij zijt van het rijk Gods niet ver verwijderd.
Niemand durfde nu Jesus meer ondervragen, maar hij vroeg den verzamelden Pharizeen: Wat dunkt u aangaande den Christus, wiens zoon is hij? Zij antwoordden: Van David. Jesus hernam : Hoe noemt David hem door den Heiligen Geest dan Heer, als hij zeftt in het boek der Psalmen: De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat ik uwe vijanden stelle tot een voetbank uwer voeten? Indien nu David hem Heer noemt, hoe is hij zijn zoon? Geen hunner kon hem hierop antwoorden, en van dien dag af ondervroeg niemand hem meer.
De scharen intusschen hoorden hem gaarne en hij sprak tot haar en tot zijne leerlingen: De schriftgeleerden en de Pharizeen zijn gezeten op den stoel van Moses; onderhoudt en doet dus alles wat zij u zeggen, doch doet niet naar hunne werken, want zij zeggen, maar doen niet. Immers zij binden zware en ondragelijke lasten te zamen en leggen die op de schouders der menschen, doch zeiven willen zij ze met hun vinger niet aanroeren; en al hunne werken verrichten zij, om van de menschen gezien te worden. Wacht u voor de schriftgeleerden; het streelt hen in tabbaarden rond te wandelen; zij verbreeden hunne ge-denk-cedels (strepen perkament, met teksten uit dc Wet beschreven, die zij op hun voorhoofd droegen en zeer breed maakten), en zij vergrooten hunne kwasten (aan hun bovenkleed). Zij houden van begroeting op de markt, van de eergestoelten in de synagoge, van de eerste
â quot;
.
|i
m i fjj
â I^Sgamp;raëS^^Sei
1
»' --
I
1 fe;Â¥i
V;
«, ' Iw-jSi' â¢
::g:m^fflpwyaa^tmmtowipMMfflBmagB|fla|Bra :â¢.- -., -=r^';v£â.-. j^sgjssa
ï.
.S'aïtei;,;
I
|fe K
i i i 1
; . - â â _ â ' .
â . - â ;.. â â â ,â¢â â ⢠â â â â . ^ . ;â¢â â ,â â â¢: ; â â . ' â â â¢â â â â : â ..
I ii-
BIjnELSCHE GESCFIIKDKNfS, 4^5
plaatsen aan de gastmalen; zij streven er naar om door de mensclien rabbi genoemd te worden, en zij eten de huizen der weduwen op, onder het voorwendsel van lange gebeden te verrichten. Hen zwaarder veroordeeling zullen zij ontvangen. Gij ecliler, zoekt niet rabbi genoemd te worden, want één is uw Meester, en gij allen zijt broeders. Wilt ook niemand op aarde uw vader noemen, één toch is uw Vader, hij die in den hemel is. Laat u ook niet leermeester noemen, één toch is uw leermeester, Christus. Die de grootste van u is, worde uw dienaar; want die zich zeiven verheft, zal vernederd, maar die zich vernedert, zal verheven worden.
Terwijl Jesus daarna in het voorhof des tempels neerzat, waar de offerkist stond, zag hij, hoe de menigte daarin hare giften wierp: vele rijken wierpen er veel in, maar een arme weduwe gaf twee kleine koperen penningen. Jcsus zijne leerlingen op die vrouw wijzende sprak tot hen: Voorwaar, ik zeg u: deze arme weduwe heeft hel meest van allen in de offerkist geworpen; allen toch gaven van hun overvloed, zij echter schonk van hare armoede al wat zij bezat, haar ganschen levensvoorraad.
Vervolgens ging hij uit den tempel en begaf zich weder naar Belhanië aan den Olijfberg.
D.n de Zaligmaker niet zijn gebod aan de zijnen, om zich geen leermeester te laten noemen en niemand op anrde hun vader te heeten, aan zijne woorden niet de gewone, maar een hoogere beteekenis hechtte, zal terstond ieder begrijpen. Hij zelf toch gebruikt voortdurend het woord vader, waar hij de fo.ien herinnert aan het gebod: «Hert uw vader en uwe moederquot;; en bij de zending, die hij zijnen apostelen gaf: «Gaat en leert alle volkenquot;, stelde hij hen tot leermeesters aan.
De hoogere beteekenis nu van liet thans gegeven gebod is deze: Jnsus wilde in de zijnen de nederigheid aankweeken; dit bewijzen o. a. de woorden, waarmed.* hij zijn gebod sluit: «die zich zeiven verheft,/.al vernederd, en die zich vernedert, zal verheven worden.quot; De apostelen moeten zich dus, als zij de volkeren onderwijzen, steeds herinneren, dat niet zij de eigenlijke leetmeesters zijn, maar Christus. Hunne leer toch is niet van hen, maar desgenen die hen gezonden heeft; zij zeiven geven geene openbaring, zij verkond gen slechts wat hun door hun Meester geopenbaard is. Zij zijn dus bij de uitoefening van hun leeraars.unbt eigenlijk niets nio'T dan de best onderwezen leerlingen, gezonden om aan anderen, die in het geheel niet of slechts weinig onderwezen zijn, vilt den door hen ontvangen schat mede te deelen. Dit gebod komt de katholieke Kerk trouw na. Wanneer haar hoofd, de Paus, of hare met den Paus op een Concilie vereenigde bisschoppen eene waarheid als gdoofsp int vaststellen, verbeelden zij zu h niet, zooals onze tegenstanders hun lasterlijk toedicliten, dat zij uit eigen inzicht een nieuwe leer openbaren; integendeel, hunne geheelc werkzaamheid bepaalt zich hiertoe, dat zij in de bronnen der openbaring Gods, in de H. Schrift en in de Overlevering, met zorg nazoeken of zeker punt werkelijk dv)or Christus geleerd is, en bevinden zij onder de onfeilbare leiding wies II. Geestes, dat dit het geval is, dan stellen zij dat punt als door Christus geopenbaarde geloofsleer vast. Van eigen inzicht gt;f eigene wijsheid is hier dus geen spraak.
Evenzoo is het gelegen met het geestelijk vaderschap. De eigenlijke Vader is Christus; hij alleen brengt uit zich zeiven geestelijke kinderen, d. i. geloovigen, voort. In die hooge beteekenis zijn derhalve de apostelen geen vaders, zij zijn het slechts in ondergeschikten zin, en het was dan ook alleen in dien zin, dat de apostel Paulus in zijn brief aan de geloovigen van Corinthe (1 Cor. IV : 15) zich hun «vaderquot; noemt, gelijk hij elders (1 Tim. II : 7; en 2 Tim. I: 11) zich heet «leeraarquot; en «leermeesterquot; der heidenen. In dienzelfden zin derhalve, niet in de hoogere beteekenis, zijn ook der apostelen opvolgers, de Paus en de Bisschoppen, onze vaders en leermeesters in Christus.
48b BFJBFLSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XXXVI.
VOORZEGGING VAN JERUSALEMS ONDERGANG EN VAN HET EINDE DER WERELD. DE V IJ F W IJ Z E EN DE V IJ F DWAZE MAAGDEN. DE DIENSTKNECHTEN EN DE TALENTEN. H E T LAATSTE OORDEEL. VERGADERING VAN DEN H O O G E N RAAD, JUDAS BELOOFT JESUS OVER TE LEVEREN.
(Matth. XXIV â XXVII; Marc. XIII en XIV; Luc. XXI en XXII.)
I' crwijl Jesus uit den tempel ging om zich naar Bethanie te begeven, wezen zijne «yiigsji leerlingen hem op het prachtige gebousv met de daaraan gehechte ruime voor-MfTquot; hoven en zelden: Meester, zie eens, welke steenen en welke bouwwerken! Jesus zeidc: Ziet gij dit alles? voorwaar, ik zeg u, de dagen zullen komen, dat hier geen t slcen op steen gelaten wordt, die niet worde afgebroken.
Toen hij daarna buiten de stad op den Olijfberg was nedergezeten, vroegen hem de leerlingen; Meester, zeg ons, wanneer zal dit alles geschieden? En welk zal het teeken zijn van het begin dezer gebeurtenis, het teeken ook van uwe komst en van het einde der wereld? Jesus, het eerst op het laatste gedeelte dezer vraag antwoordende, sprak: Ziet wel toe, dat niemand u misleide; velen toch zullen er onder mijnen naam komen, zeggende: Ik ben de Christus, de tijd is genaderd. Zij zullen velen misleiden, doch gij, loopt gij hen niet na. Wanneer gij intusschen hoort van gevechten en volksoploopen, van oorlogen en van geruchten van oorlogen, wordt dan niet ontsteld en vreest niet; dit alles toch moet eerst gebeuren, maar het einde is dan nog niet aanstonds daar. Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; er zullen alom vreeselijke aardbevingen zijn en pestziekten en hongersnood; er zullen schrikverschijnselen komen uit den hemel, en groote teekenen zullen er wezen. Dit alles is het begin der weeën. Geeft alsdan wel acht op u zeiven; want zij zullen de handen aan u slaan en u vervolgen, u voor de raadsvergaderingen voeren en u in de synagogen geeselen, en gij zult staan voor rechters en koningen om mijnentwil. Dit zal u overkomen tot een getuigenisgeving van mij. Stelt alsdan in uwe harten vast, niet vooruit na te denken wat gij spreken zult, maar spreekt wat u op dat uur zal ingegeven worden; ik toch zal u een mond en wijsheid schenken waartegen alle uwe vijanden niet bestand zullen zijn, en die zij niet kunnen weerspreken. Niet gij immers zijt het, die spreken zult, maar de Heilige Geest. Dan zal het gebeuren dat de broeder den broeder ter dood levert, en de vader den zoon; ook kinderen zullen tegen ouders opstaan en hen om het leven brengen. Gij zult worden overgeleverd ter kwelling door ouders, broeders, verwanten en vrienden , en sommigen van u zal men doen sterven, en gij zult gehaat zijn bij allen om mijnen naam; doch geen haar van uw hooid zal verloren gaan. (Men zal u het tijdelijke leven benemen, maar ik zal zells de haren uws hoofds in heerlijkheid opwekken.) Velen zullen in die dagen in het kwaad worden medegesleept, en men zal elkander overleveren en eikander haten; valsche profeten zullen er opstaan en velen verleiden; en naarmate de ongerechtigheid overvloedig zijn zal, zal de liefde van velen verkoelen. Wie echter volhaid zal hebben ten einde toe, die zal zalig worden. Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen behouden. En wat nu den tijd aangaat: eerst zal her. Evangelie van het rijk Gods aan alle volken over geheel de aarde worden verkondigd; daarna zal het einde komen.
Vervolgens sprak Jesus over het lot der heilige stad: Wanneer gij Jerusalem omsingeld zult zien door een leger, weet dan, dat de tijd zijner verwoesting nabij is. En als gij den gruwel der verwoesting, welke voorspeld is door Daniël den proleet, zult zien nederkomeu
'
..... â â
v., , gf
â â â . â ' â '
â â
â â
.
â â
H'
HET LAATSTE OORDEEL.
Blad*. 487.
BIJBHLSCHE GESCHIEDFNIS ^7
op de heilige plaats, dat dan zij. die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en dat hij, die op het platdak is, niet atdale om iets uit zijn huis te redden; ook die op den akker is, keere niet terug om zijn kleed tc halen. Want het zijn dagen van wraak, waarin alles vervuld zal worden wat daarover geschreven staat. Wee echter de zwangeren en zogenden in die dagen! Bidt intusschen, dat uwe vlucht niet voorvalle in den winter of op den sabbat. Er zal toch in die dagen zoo groote verdrukking heerschen, als er van het begin der wereld tot nu toe niet geweest is noch komen zal. Er zal eene vreeselijke verdrukking zijn op aarde, en toorn teen dit volk der Joden; zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en gevankelijk worden weggevoerd onder alle volken, en Jerusalem zal door de volken vertreden worden, totdat de tijden der volken vervuld zijn. En indien de Heer die dagen niet had verkort, geen vleesch bleet er behouden; doch om wille der uitverkorenen zulLn die dagen verkort worden.
Voorts terugkomende op zijne voorspelling van daareven over het einde der wereld , sprak Jesus verder: Indien alsdan iemand u zeggen zal: Ziet, hier is de Christus, of daar is hij! gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, die groote teekenen en wonderen zullen verrichten, zoodat, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen in dwaling zouden gebracht worden. Gij dus, let wel op; ziet, ik heb u alles voorspeld. Als men u dan zeggen zal; Ziet hij is in de woestijn! gaat niet uit; ol: ziet, hij is in de binnenkamers! gelooft het niet. Gelijk toch de bliksem uit het oosten schiet cn licht tot in het westen, zoo zal de komst van den Zoon des menschen zijn.
Er zullen in die dagen teekenen wezen aan zon, maan en sterren, en op aarde zal vervaardheid heerschen onder de volken, van angst over het geloei der zee en der baren; de menschen zullen verstijven van schrik en verwachting omtrent hetgeen geheel het aardrijk overkomen zal. Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan haar licht niet geven; de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten der hemelen beroerd worden. Alsdan zal het tecken van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen; alle geslachten der aarde zullen weenen, en zij zullen den Zoon des menschen zien neerkomen op de wolken des hemels met groote macht en heerlijkheid. Hij zal zijne engelen zenden met een bazuin en met groot geschal, en zij zullen zijne uitverkorenen vergaderen van de vier winden, van den eenen eindpaal der hemelen tot den anderen. Wanneer alle deze dingen beginnen te geschieden, heft dan uwe hoofden omhoog en ziet opwaarts, wijl de tijd uwer verlossing nadert. Leert daarover van den vijgenboom eene gelijkenis: Wanneer zijne takken reeds sappig worden en de bladeren zich ontwikkelen, weet gij dat de zomer nabij is; zoo ook, wanneer gij deze dingen ziet, weet dan, dat het nabij cn voor de deur is. Voorwaar, ik zeg u, dit geslacht zal niet voorbijgaan, eer alle deze dingen geschieden. Van den dag echter en van het uur weet niemand, noch de engelen in den hemel, noch de Zoon (krachtens zijne menschelijke natuur), maar alleen de Vader.
Ziet dus toe, cn waakt en bidt, want gij weet niet, wanneer de tijd zijn zal. Geeft acht op u zeiven, dat uwe harten soms niet log worden van zwelgerij en dronkenschap en van de zorgen des levens, en die dag u niet onverhoeds overvalle. Want als een strik zal hij komen over allen, die op den ganschen aardbol gezeten zijn. Waakt dus, biddende ten allen tijde, teneinde gij waardig moogt bevonden worden al deze toekomstige dingen te ontgaan cn bestand te wezen voor den Zoon des menschen. Gelijk een mensch, die op reis gaande aan zijne dienaren het beheer over zijne zaken toevertrouwde, en den deurwachter beval waakzaam te zijn, zoo waakt ook gij; want gij weet niet, wanneer de heer des huizes terugkeert, 's avonds laat of te middernacht, of tegen den tijd van het hanengekraai of des morgens. Wat ik hier tot u zeg, zeg ik tot allen: Waakt!
In die dagen zal het rijk Gods gelijk zijn aan tien maagden, die hare lampen namen om den bruidegom en de bruid te gemoet te gaan, Vijf harer waren dwazen en vijf wijzen. De vijl dwazen namen wel hare lampen, maar namen geen olie mede. De wijzen echter
488
namen met hare lampen ook olie mede in hare kruiken. Daar nu de bruidegom op zich liet wachten, werden alle slaperig en dommelden in. Doch eensklaps werd te middernacht een geroep gehoord: Ziet de bruidegom komt! gaat uit, hem tegemoet! Toen ontwaakten alle maagden en brachten hare lampen in gereedheid. Intusschen zeiden de dwazen tot de wijzen; Deelt ons van uwe olie mede, want onze lampen gaan uit. Doch de wijzen gaven ten antwoord: Wellicht is er geen olie genoeg voor u en voor ons; gaat daarom liever naar de verkoopers en koopt u olie. Terwijl de dwaze maagden nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom, en zij die gereed waren traden met hem de bruiloftszaal binnen, waarna de deur gesloten werd. l.ütcr kwamen ook de dwaze maagden en riepen: Heer, Heer! doe ons open: Doch hij sprak: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. â Deze gelijkenis besloot Jesus met de herhaalde vermaning: Waakt derhalve, want gij weet noch dag noch uur.
I-ene andere gelijkenis over het woekeren niet de toevertrouwde talenten stelde hij aan zijne leerlingen voor in de volgende woorden: Fen man die buitenslands ging reizen, riep zijne dienstknechten saam en vertrouwde hun zijne goederen toe. Den een gaf hij vijf talenten, een ander twee, nog een anderen één talent, een ieder naar zijne bekwaamheid; daarop ging hij terstond vertrekken. Hij nu, die vijf talenten had ontvangen, dreef er handel mede en won er vijf andere bij. Op dezelfde wijze won hij, die twee talenten had bekomen, er twee bij. Hij echter, die één talent ontving, begroef het in den groud en verborg het geld van zijn heer. Na langen tijd keerde de heer van deze dienstknechten terug en hield afrekening met hen, Het eerst naderde hij, die vijf talenten had ontvangen, en terwijl hij daar vijf andere bijlegde, sprak hij; Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, vijf andere heb ik daarbij gewonnen. Zijn Heer sprak: Welaan, goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde uws heeren! Daarop naderde degene, die twee talenten ontving, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven, twee andere heb ik daarbij gewonnen. Ook tot hem sprak zijn heer: Welaan, goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde uws heeren! Eindelijk naderde ook hij, die het eene talent had ontvangen; hij zeide: Heer, ik weet, dat gij een hard mensch zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende, waar gij niet hebt gestrooid. Wijl ik bevreesd was, heb ik uw talent in den grond verborgen; zie, hier hebt gij, wat het uwe is. De heer sprak: Booze en trage dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet zaai, en dat ik vergader, waar ik niet strooi; gij moest derhalve mijn geld bij de wisselaars hebben uitgezet; zoo had ik het bij mijne tehuiskomst met winst teruggekregen. Daarop beval hij: Neem dien knecht het talent af, geeft het aan hem, die de tien talenten heeft en werpt den onnutten dienstknecht in de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en tandengeknars.
Wanneer alzoo de Zoon des menschen in zijne heerlijkheid zal gekomen zijn, en alle engelen met hem zullen zijn, zal hij zetelen op den troon zijner majesteit. Alle volken zullen voor hem vergaderd worden, en hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen scheidt van de bokken; de schapen zal hij plaatsen aan zijne rechter- en de bokken aan zijne linkerhand. Alsdan zal de Koning spreken tot hen, die aan zijne rechterhand staan; Komt, gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid was van de grondlegging der wereld. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij te eten gegeven; ik was dorstig, en gij gaaft mij te drinken; ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; naakt, en gij hebt mij gekleed; ziek, er. gij hebt mij bezocht; in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen zeggen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en u gespijsd, dorstig en u gelaafd? Wanneer zagen wij u als vreemdeling en hebben u geherbergd; naait en hebben u gekleed? Of wanneer hebben wij u ziek gezien of in de gevangenis, en zijn wij tot u gekomen? De Koning zal antwoorden: Voorwaar, ik zeg u, voor zooveel gij aldus aan een van deze mijne ge-
B1JBELSCHE GHSCHIHDHNIS. 489
ringste broeders hebt gedaan, hebt gij dit aan mij gedaan. Voorts zal hij spreken tot die staan aan zijne linkerhand: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivelen en zijne engelen bereid is! Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik was dorstig, en gij gaaft mij niet te drinken; ik was vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen spreken, en zeggen: Heer, wanneer hebben wij u gezien hongerig ol dorstig, of als vreemdeling of naakt of ziek en in de gevangenis, en hebben wij u onzen dienst niet bewezen? Doch hij zal hun antwoorden: Voorwaar, ik zeg u, zooveel gij aldus niet gedaan hebt aan een van deze geringsten, hebt gij het aan mij niet gedaan. Daarna zullen de goddeloozen gaan in de eeuwige foltering en de rechtvaardigen in het eeuwige leven.
Zoo leerde Jesus in de laatste dagen voor zijn lijden voortdurend het volk en zijne apostelen; des nachts vertoefde hij te Bethanië aan den Olijfberg, en des morgens vroeg belt;raf hij zich te Jerusalem naar den tempel, waar het volk hem reeds opwachtte, om hem te hooren.
Voor zijne vijanden werd die toestand met elk oogenblik onverdragelijker, en daar zij uit vrees voor de scharen hem niet openlijk durfden vatten, pulten zij zich uit in het zoeken naar middelen om hem door list in handen te krijgen. In eene vergadering der opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten, tot dat doel ten huize van den hoogepriester Caïphas gehouden, werd eindelijk, wijl men geen ander middel zag, besloten den afloop der dagen van het Paaschfeest af te wachten. Niet op het feest â zeiden zij â opdat er geen oproer onder het volk ontsta.
Doch in die ure voer de duivel in het hart van Judas Iscarioth, een der twaalf, en deze begaf zich tot de opperpriesters en deed hun het zoolang tevergeefs gezochte middel aan de hand. Wat wilt gij mij geven? sprak hij, en ik zal hem u overleveren. Met de grootste blijdschap werd dit aanbod door de opperpriesters vernomen, en zij beloofden den verrader dertig zilverlingen. Judas verbond zich daarvoor, en heengaande zocht hij nog slechts eene geschikte gelegenheid om zijn plan uit te voeren.
1. In de dagen, welke liet einde der wereld voorafgaan, zal volgens de voorzegging des Hceren het kwaad een vreeselijken omvang verkrijgen. Hr zullen dan, als altijd zijn ; a boozen, maar die stouter optreden dan ooit ; er zullen zijn: b die le voren goed waren, doch, door de heerschende ongeloovige grondbeginselen en de slechte voorbeelden verleid, in bet verderf worden medegesleept; er zullen; c zelfs onder de betrekkelijk goeden velen zijn, wier liefde en ijver verkoelen, zoodat er: d slechts eenige weinige waarlijk vurige christenen zullen overblijven. In liet klein zien wij in onze dagen reeds geschieden, wat alsdan zich alom in het groot zal vertoonen.
2. De voor-peiling van Jerusalems ondergang werd een kleine veertig jaren later letterlijk vervuld, toen de Romeinen de stad met een geducht krijgsheer belegerden, innamen en in brand staken. Sedert die dagen zijn de Joden onder alle volken verstrooid, en het nierkteeken hunner verwerping zal hen blijven drukken, totdat ook de tijden der volken vol zijn. d. i. totdat eindelijk alle geslachten der wereld, de heidenen en de Joden, geza-melijk tot de Kerk van Christus zullen komen als tot hun eenige en laatste rustpunt. Met dien dag zal tevens de dag des algemeencn gerichts zijn aangebroken.
|
DE LIJDENSGESCHIEDENIS DES |
DES HEEREN EN DE NEDERDALING H. GEESTES. |
HOOFDSTUK XXXVII.
H E T L A A T S T E A V O N D M A A L.
(Matth. XXVIi Mauc. XIV; Luc. XXII; Joan. XIII; i Corinth. XI; 24 en 25,
p den eersten dag der ongezuurde broaden, op welken des avonds het paaschlam moest geslacht worden, vroegen Jesus' leerlingen hun Meester: Waar wilt gij AW dat wij gaan zullen, om voor u toebereidselen te maken tot het eten van het jlv paaschlam? Hij koos alsdan twee van zijne leerlingen uit, Petrus en Joannes, tot I wie hij sprak: Gaat, bereidt ons het paaschlam, opdat wij het .eten. Zij vroegen: 1 Waar wilt gij, dat wij het bereiden? Jesus bevond zich toen te Bethanië, en hij antwoordde: Gaat naar de stad (naar Jerusalem), en als gij daar binnentreedt, zult gij een man aantreffen, die eene kruik water draagt, volgt hem in het huis, waar hij ingaat, en spreekt lot den huisvader: De Meester laat u weten: mijn tijd is genaderd; bij u zal ik met mijne leerlingen het paaschmaal houden; waar is do eetzaal, in welke ik het houden kan? De man zal u alsdan eene groote versierde bovenzaal aanwijzen; bereidt daar het paaschmaal. De beide leerlingen gingen en deden gelijk hun gezegd was.
Toen het avond was geworden zette Jesus zich met de twaalf aan tafel, en terwijl zij aten, sprak hij tot hen: Met verlangen heb ik verlangd, dit paaschmaal met u te eten eer ik lij Je; want ik zeg u, dat ik het voortaan niet meer zal eten, totdat het vervuld worde in het rijk Gods. Voorts, terwijl hij hun den paaschbeker aanbood, sprak hij: Verdeelt dezen onder u; want ik zeg u, dat ik van deze vrucht des wijnstoks niet meer zal drinken, totdat het rijk Gods (in den hemel) kome. Zoo at men hel paaschlam en dronk men den
paaschbeker. â â \r a
Jesus alsdan wetende, dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld tot zijn Vader
te »aan, en daar hij de zijnen, die in de wereld waren, had liefgehad, zoo heeft hij hen
ten einde toe liefgehad. En na het eten van het paaschmaal, toen de duivel alreeds Judas
Iscarioth in het hart had gegeven, zijn Meester over te leveren, stond Jesus, weiende, dat
HET LAATSTE AVONDMAAL.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
zijn Vader hem alles in handen had gesteld, en dat hij van God was uitgegaan en tot God
wederkeerde, van tafel op, legde zijn oppergewaad af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmede. Vervolgens goot hij water in een bekken en maakte zich gereed zijnen leerlingen de voeten te wasschen en die af te drogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was. Hij kwam alsdan bij Simon Petrus, doch deze zijn Meester als een slaaf ziende nederknielen om zijn leerling den nederigsten dienst te bewijzen, riep ontsteld uit, Heer, wascht gij mij de voeten! Jesus sprak; Wat ik doe, vat gij thans nog niet, later zult gij het weten. Petrus hield vol: Gij zult mij in eeuwigheid de voeten niet wasschen! Jesus echier hernam: Indien ik u niet wasch, zult gij geen deel met mij hebben. Thans zeide Petrus; Heer, niet alleen mijne votten, maar ook de handen en het hoofd, jesus sprak in eene korte gelijkenis; Die een bad genomen heeft, heeft niet van noode dan zich de voeten te wasschen, en is geheel rein. Voorts dat spreekwoord toepassende, sprak hij; Ook gijlieden zijt rein, doch niet allen. Hij toch wist, wie het was, die hem zou gveileveren; daarom sprak hij: Niet allen zijt gij rein.
Toen hij, na eindelijk al zijn leerlingen achtereenvolgens de voeten te hebben gewas-schen, zijn opperkleed teruggenomen en zich weder aan tafel gezet had, sprak hij; Weet gijlieden, wat ik u gedaan heb? Gij noemt mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want ik ben bet. Indien dan ik u de voeten gewasschen heb, ik uw Heer en Meester, zoo moet ook gij elkanders voeten wasschen; want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij ook alzoo doet, gelijk ik u gedaan heb (elkander de nederigste lietdediensten bewijzen). Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; een dienstknecht is niet grooter dan zijn heer, en eene gezondene niet grooter dan die hem gezonden heeft. Indien gij dit weet, zalig zult gij zijn, 200 gij dienovereenkomstig handelt. Ik zeg dit niet van u allen (zalig zult gij zijn): ik weet wie ik uitgekozen heb, maar de Schrift zal vervuld worden, welke zegt: Die met mij het brood eet, zal zijn hiel tegen mij opheffen. Van nu aan zeg ik u dit, opdat, als het geschied is, gij gelooft, dat ik het ben (de Messias).
Alsdan nam Jesus het brood, zegende en brak het, gaf het aan zijne leerlingen en sprak: Neemt en eet; dit ts mijn lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd. Doet dit ter mijner gedachtenis. Vervolgens nam hij den kelk, dankte, gaf hem aan zijne leerlingen, zeggende: Drinkt hier allen uit; want dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor u en voor veltn zal vergoten worden tot vergeving der zonden. Doet dit, zoo dikwijls gij hem drinken zult ter mijner gedachtenis. Allen namen alsdan den kelk cn dronken daaruit.
Daarna, terwijl Jesus nog cenigen tijd met de zijnen aan tafel bleef zitten, en zij tot sluiting van het paaschmaal de door de Wet voorgeschrevene bittere moeskruiden met on-gedeesemd brood nuttigden, ontroerde Jesus zich in zijn geest en betuigde: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: een van u zal mij verraden; de hand des verraders is met mij aan tafel en hij eet met mij, Ontsteld en niet wetende, wie hunner door hun Meester bedoeld werd, zagen de leerlingen elkander aan, en diep bedroefd begon ieder te vragen: Ben ik het Heer? Jesus antwoordde: Een der twaalf, die met mij de hand in den schotel doopt, hij zal mij verraden. De Zoon des menschen zal wel ter dood gaan, gelijk er van hem geschreven staat, â wee intusschen den mensch, door wien de Zoon des menschen zal verraden worden! het ware dien mensch beter nooit geboren te zijn. Op zijne beurt vroeg ook Judas; Rabbi, ben ik het? Jesus antwoordde hem: Gij hebt het gezegd (ja, gij zijt het).
De overige leerlingen (voor wie Jesus dit woord op de eene of andere wijze onverstaanbaar maakte) gingen inmiddels voort onder elkander te vragen, wie van het twaalftal toch wel de verrader zou zijn. Nu was een der leerlingen, dien Jesus liefhad (Joannes) , rustende aan Jesus' boezem. Simon Petrus gaf dien leerling een wenk, en zeide zacht tot hem: Wie is het, van wien hij spreekt? De leerling, die aan Jesus' boezem rustte, vroeg zijn Meester; Heer, wie is het? Jesus antwoordde: Hij is het, aan wien ik eene ingedoopte bete broods zal toereiken. Daarop het brood indoopende gaf hij het aan Judas Iscarioth, cn na die bete voer in Judas de duivel. Meteen sprak Jesus tol hem; Wal gij doen gaal, doe dat spoedig.
49»
BIJBHLSCHH GESCHIEDENIS.
Ofschoon allen, die aan tafel zaten, dit laatste woord hoorden, begreep toch niemand den zin er van. Eenigcn meenden, dat dewijl Judas de beurs droeg, Jesus tot hem had willen zeggen: koop datgene wat wij noodig zullen hebben voor het feest; anderen dachten, dat de bedoeling was iets aan de armen te gaan geven. Judas intusschen (die het woord begrepen had, maar wiens verstokt gemoed door niets meer geroerd werd) stond onmiddellijk op en ging heen. Het was toen nacht.
Zoodra de verrader zich verwijderd had, sprak Jesus tot de overgeblevene leerlingen: Nu gaat de Zoon des menschen verheerlijkt worden (het groote werk der verlossing breekt aan), en God gaat verkeerlijkt worden in hem. Wanneer God in hem verheerlijkt is, dan zal God ook hem verheerlijken in zich zei ven, en hij zal hem terstond verheerlijken (hij zal den ter verheerlijking des \ aders gestorven Zoon in heerlijkheid opwekken en hem doen zetelen ter rechterhand in den hooge). Na dit woord bad Jesus met de elf de gebruikelijke psalmen tot sluiting van het paaschmaal.
i. De onnavolgbare eenvoud en kortheid, waarmede de Evangelisten gebeurtenissen verhalen, zoo roerend en aangrijpend als in dit hoofdstuk zijn medegedeeld, hebben steeds de verbazing gewekt van geheel de wereld, leder andere verhaler zou het hier eene onmogelijkheid hebben geaelit, niet in eene reeks der vurigste ontboezemingen van verwondering, aanbidding en ontzetting uit te breken. Het wasschen der voeten â in een warm oostersch land eene dagelijksche behoefte â was een werk dat de rijke lieden als de nederigste dienstbetooning slechts opdroegen aan de geringsten onder hunne slaven , terwijl de arme man zich zou schamen het van iemand anders te vragen dan van zich zeiven. Dien dienst bewijst, geheel uit eigen beweging, de God-mensch aan e.n twaalftal arme en â om het juiste woord te noemen â lompe, plompe visschers van Galilea. Hij doet dit, zich zijner godheid en zijner almacht ten volle bewust, «wetende dat hij van den Vader is uitgegaan en tot den Vader wederkeert, en dat de Vader hem (ook hier op aarde) alles in handen had gesteld.quot; H:j doet dit verder, terwijl hij weet dat onder hel twaalftal ook de verrader schuilt, die hem na weinige uren voor dertig zilverlingen zal overleveren ter dood, terwijl een andere leerling, het hoofd van allen. Petrus, hem zelfs tot driemaal zal verloochenen, en al de overigen hem schandelijk zullen verlaten en op de vlucht slaan. Doch, »daar hij de zijnen, die in de wereld waren, liefhad, zoo heeft hij hen teneinde toe liefgehadquot;, en na hen door de voetwassching van de laatste smet van zonde te hebben gereinigd, schenkt hij hun vervolgens het H. Altaarsacrament, het verhevenste geheim, dat de wereld ooit heeft aanschouwd of zal aanschouwen.
Wat moet er op dit oogenblik , toen hij het brood en den wijn nam en sprak: Neemt en eet: dit is mijn lichaamquot;; »Neemt en drinkt: dit is mijn bloedquot;, in zijn goddelijk hart en in de harten zijner leerlingen zijn omgegaan! De taal dezer arme aarde is machteloos het te zeggen; zelfs de stoutste gedachte achterhaalt het niet. Het is zijn eigen lichaam, hetzelfde dat â zooals hij zegt â «voor u zal overgeleverd worden.quot; Het is zijn eigen bloed , hetzelfde «dat voor u zal vergoten wordenquot; aan het kruis.
Wat moeten de apostelen gevoeld hebben , toen hij op die woorden liet volgen : «Doet dit ter mijner gedachtenisquot;, d. i. datgene, wat ik thans doe: brood en wijn veranderen in mijn lichaam en bloed, doet ook gij dat later tot een eeuwig aandenken aan mijn lijden en dood, tot een voortdurende hernieuwing van het ofl'er des kruises, tot liet dagelijksch zoenoffer des Nieuwen Verbonds tot aan het einde der wereld; â of, zooals de H. apostel Paul us het uitdrukt: »Zoo dikwijls gij dit brood zult eten of dezen kelk zult drinken, zult gij (daardoor) den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij (de Heer) komequot;, om op het einde der wereld de wereld te oordeelen. Zoo ontvingen op dat oogenblik de apostelen de eerste H. Communie, uit de handen van den God-mensch zeiven, en werden zij tevens door zijn scheppend woorJ , dat hun de macht gaf voorlaan hetzelfde te doen als hetgeen hij hier deed, gewijd lot priesters der Nieuwe Wel. Inderdaad, liet is waar en meer dan waar wat de Evangelist Joannes zegt; «Daar hij de zijnen, die in de wereld waren, liefhad, zoo heeft hij hen ten einde loe (d. i. lot het uiterste) liefgehad.quot;
Hoe zal ten slotte Judas te moede zijn geweest, toen zijn alwetende Meester hem al duidelijker en duidelijker als den verrader aanwees. Wat onrust, wal wrok moet er in dien huichelachtigen boezem hebben gewoeld. I n welke verlichting moet eindelijk Jesus gevoeld hebben, toen de verrader hem van zijne folterende tegenwoordigheid bevrijdde, en heenging om, door hel voltrekken van het verraad, voor Jesus de lijdensbaan te openen, waarnaar Jesus reeds vroeger zoo vurig verlangde, dat hij uitriep: »lk moet niet een doopsel gedoopt worden, en hoe verlang ik, dat het voltrokken worde.quot; (Zie M. T. hoofdstuk 28).
Deze en dergelijke ontboezemingen zullen ongetwijfeld bij menigte in hel hart der Evangelisten zijn opgeweld, toen zij hun verhaal te boek stelden; zij hielden ze echter in de pen terug, en boekten alleen de naakte gebeurtenissen, zonder meer.
2. De moeielijkheden, welke de protestanten, ook zij die zich nog geloovig noemen, tegen de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus onder het H. Sacrament inbrengen , spruiten niet voort uil een verkeerd begrepen TicUriftuurtekst maar uit zuiver ongeloof. Men heeft vooruit vastgesteld, dal Christus ouder de gedaante des
49J
P1JBF.LSCHE CnSCHIFDF.KlS.
broods niet mag tegenwoordig zijn, omdat men dit te onbögri|polijk vindt, â met andere woorden , omdat men dit niet wil aannemen. En nadat men aldus heeft bepaald, gaat men middelen zoeken , om den tekst der Schrift met die vooruit vastgestelde mcening in overeenstemming te brengen. In plaats dus van eerbiedig de uitspraak des Heeren te vernemen en hem te vragen, wat hij bedoeld heeft, schrijft men zelf hem voor wat hij al of niet mag bedoeld hebben, en verzet de trotsche menschelijke rede zich tegen het geloof en tegen het woord des Almachtigen.
Vooral heeft in den lekst: »Dit is mijn lichaamquot;, het woord is de sloopingswoede van het ongeloof, ook van hei orthodoxe ongeloof, moeten verduren. Men heeft het op allerlei wijzen trachten te verklaren , alleen om den éénen natuurlijken zin te ontduiken. Zoo heeft men liet o. a. verklaard door: Dit bel reken t, dit steil voor, dit is een onderpand van, enz, enz. Waarom ? Gesteld een oogenblik, dat de Verlosser gezegd had t dit is mijn lichaam niet; zou men in dat geval voor het woordje i'i een anderen zin zoeken dan dien het van nature heeft? Doet men dit thans wel, nu hij gezegd liecft: »dit is mijn lichaamquot;, zoo blijkt, dat men, gelijk boven reeds gezegd werd, van een vooruit opgevat denkbeeld uitgaat en dit niet wil loslaten. Doch indien met dezen tekst aldus gehandeld mag worden, waarom dan niet evenzeer met andere Schriftuurplaatsen? Bij Joannes I : x b. v. staat! «In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.quot; Waarom verklaren de zoogenaamd geloovige Protestanten, die trouwens aan de godheid van Christus vasthouden , nu ook hier niet: het Woord heteehende God; het Woord stelde God voor} Van tweeën écu : men dient of beide teksten woordelijk op te nemen en in het li. Altaarsacrament te gelooven. óf wel beide teksten gelijkelijk te verwerpen en met de modernen totaal ongeloovig te worden. Den eenen tekst op deze den anderen op gene wijze te verklaren is zuivere mensehclijke willekeur, die tegenover den Allerhoogste niet geoorloofd is.
Stelt men zich verder de vraag: Waarom toch wel de Verlosser hel woordje is bezigde, als hij heteekent meende, dan kan men geen enkel redelijk antwoord daarop geven, terwijl voor het tegendeel velerlei afdoende redenen pleiten. De taal, waarvan de Verlosser zich bediende was het Syriaksch. Nu bezitten wij in het Neder-landsch misschien een zeven- of achttal woorden voor beteekenen , zooals: beteekenen, beduiden, aanduiden, voorstellen, willen zeggen, een afbeelding of een teeken zijn van enz. De rijke Grieksche en Latijnsche talen hebben voor hetzelfde denkbeeld een elf- of twaalftal woorden; doch het Syriaksch bezit er m e e r dan veertig verschillende uitdrukkingen voor. In zijn geleer.1 werkje Horac Sijriacae telt de reeds meer genoemde kardinaal Wiseman die meer dan veertig uitdrukkingen op en staaft ieder woord door eene reeks voorbeelden; aan de beste Sijriaksche schrijvers ontleend. Wilde dus de Zaligmaker inderdaad zeggen : dit hcteckentvt dan had hij meer dan veeitig keuzen om zijne meening op ondubbelzinnige wijze te kennen te geven. Waarom zou hij al die woorden hebben laten rusten, om tot het woordje is zijn toevlucht te nemen, als hij inderdaad geen /V bedoelde ? Waarom vooral zou hij het hebben gedaan zoo kort voor het oogenb ik dat hij uit deze wereld ging scheiden, toen hij als 't ware zijn testament voor zijne apostelen maakte en boven alles duidelijk moest zijn ? Mag men aannemen dat hij, de Oneindige Heiligheid zelve, zijne apostelen en zijne Kerk in dwaling heeft willen leid n ? OnmogelijkI En toch, als het waar was wat onze tegenstanders zeggen, zou hij de zijnen in dwaling hebben geleid.
Want de apostelen en hunne eerste en latere opvolgers hebben zijne woorden steeds begrepen in den wer-kelljken zin: dit is mijn lichaam; dit is mijn bloed. De apostel Paulus verklaa quot;t aan de geloovigen van C ninthe, dal wie onwaardig dit hemelbrood eet of den kelk des Heeren drinkt, schuldig is aan het lichaam en bloed des Heeren, en zijne eigene verdoemenis eet en drinkt (i Corinth. XI: 27 en 29). Hoe kan nu iemand aan gewoon brood en wijn zijn verdoemenis eten en drinken en schuldig zijn aan des Heeren lichaam en bloed? Dit is slechts dan mogelijk wanneer datgene, wat genuttigd wordt, waarlijk het lichaam en bloed des Heeren is.
Ook de eerste opvolgers der apostelen begrepen die woorden in den/.elfden zin. Het is niet doenlijk de lange reeks getuigenissen dier mannen aan te halen; een paar plaatsen uit hunne geschriften mogen hier volstaan,
a. De II. Ignatius, die in de eerste eeuw leefde en een onmiddellijke leerling van den apostel Joannes was, schrijft in zijn brief aan de Kerk van Smyrna aangaande de keilers van dien lijd, de Dokelen, welke leerden dat Christus slechts in schijn, niet in werkelijkheid was mensch geworden, het volgende: Zij onthouden zich van hei Altaarsacrament met het gebed (het kerkelijk gebed bij uitnemendheid: de 11. Mis), omdat zij n i e t b e-1 ij d e n, dat hel Altaarsacrament hetvleesch i s v a n o n z en Zaligmaker J e s u s Christus, welk vleesch voor onze zonden geleden heeft, en hetwelk de Vader in zijne liefde heeft opgewekt,quot; â ad Smyrnenses. caput 7, bij Hefele: Patres apostolici, editio 4.
h. De H. Juslinus Martelaar uit het begin der tweede eeuw, getuigt: «Wij eten dit niet als gewoon biood, noch drinken het als gewonen drank; maar, gelijk loor hel Woord Gods de vleesch geworden Jesus Christus, onze Heiland, vleesch en bloed bezat tot onze verlossing, zoo ook gelooven wij. dat de spijs, waarover, door het gebed dat Jesus' e«gen woorden bevat de zegen is uitgesproken (de woorden der Consecratie),... het vleesch en bloed van dien m e n s c h g e w o r d e n Jesus i s.quot; â Just. Apologie I, No. 66.
c. De H. Joannes Chrysostomus, uit de vierde eeuw, wijdt 0. a. eene geheele predicate (eene homilie) aan dit onderwerp, en zegt daarin onder meer het volgende: «Gij zult mij zeggen: Ik zou het uiterlijk van hem (van Jesus), zijne gedaante, zijne kleeding, zijn schoeisel, wel eens willen zien. Welnu, gij raakt hem aan (met uwe lippen) gij nuttigt hem... en hij staal u toe hem in u te nemen,., liedenk, welke eer gij wordt waardig gekeurd, welke tafel ^ij geniet! Datgene, wat de engelen bevend aanschouwen, en waarnaar zij niet zonder schroom durven opzien, datgene is hel, waarmede wij gevoed, wij vereenigd worden... Welke herder voedt zijne schapen met zijn eigen bloed? Zelfs vele moeders geven hunue kinderen, die zij met smart gebaard hebben, aau
191
BTJRFLSCHE GHSCHIEDENFS.
vreemile voedstervrouwen over. Zoo iets weigerde hij fde Verlosser) te doen, maar hij zelf voedt ons met zijn eigen bloed.quot; â Chrys. Homilie 60. Deze Homilie lieelt de ICork doen opnemen i» haar Brevier op den Zondag onder het ocia.u van den H. Sacramentsdag.
d De H. Au^ustinus, uit dezelfde eeuw, drong er bij zijne onderhoorige geloovigen op aan â hij was bisschop van Hippo â, dat zij zich niet moesten vergenoegen met een bloot uiterlijke ontvangst der M. Communie, waaraan het hart geen deel nam, doch dat vóór alles dat hart rein en zuiver van zonden moest zijn, wijl een bloot uiterlijk ontvangen van het II. Sacrament alleen met den mond en in een bc/oedcl l hart eene onwaardige Communie was. «Wie niet (door de liefde, d. i. de heiligmakeiuie genade) blijft in Christus en wie in Christus niet bl'jft, al drukt hij dan ook uiterlijk en vleeschelijk het Sacrament van Christus' lichaam en bloed met zijne lippen, hij geniet het niet met den geest, maar eet en drinkt veeleer dit Sacram ut van het Hoogste Goed tot zijn eigen veroordeeling, daar hij zich vermoet onrein tot het Sacrament van Christus te naderen, hetwelk niemand waardig ontvangt dan die rein is. â Aug. Tractatus 26 in Joannem.
3. De Evangelisten nemen bij hun verhaal niet altijd de tijdsorde in acht; meermalen verhalen zij het eerst wat het laatste gebeurd is, en omgekeerd, om zoodoende die zaken bijeen te voegen welke meer in het bijzonder met elkander in verband staan. Hieruit volgt echter, dat men soms niet met juistheid weet, op welk oogonblik iets geschied is. Vandaar dat eenige uitleggers meenen, dat Judas reeds was heengegaan, toen Jesus het II. Sacrament instelde; terwijl anderen van gevoelen zijn â en dit gevoelen is bij do bewerking van bovenstaand hoofdstuk gevolgd â dat hij nog bij dio instelling aanwezig was en dus onwaardig gecommuniceerd heeft.
4. 1 oen J.kI.is heenging, zegt de hvangelist, was het nacht. De Joden noemden reeds nacht, wat wij nog avond noemen; het zal op het bedoelde oogenblik ongeveer negen uur zijn geweest. Nog dienzelfden Donder-dag-avond ging oe Heiland ondei het voeren van drukke gesprekken met zijne leerlingen naar den Olijfberg, werd daar gevangen genomen, en ouk dien avond nog, terwijl het inmiddels reeds zeer laat was geworden, naar het huis vau C aiphas gesleurd, gelijk in do volgende hoofdstukken zal vei haald worden.
HOOFDSTUK XXXVIII.
TWIST DER LEERLINGEN OVER DEN VOORRANG. AANSTELLING VAN PETRUS, OM ZIJNE BROEDERS Ti: BEV ESTIGEN IN HET GELOOI-,
(Matth. XXVI ; Marc, XIV ; Luc. XX.1I; Joan. Xlll.J
'VV-
l'ffliï s'u'tquot;ln° van 'ict Paasc',nlaa' ontstond cr onder dc elf leerlingen (het blijkt niet naar welke aanleiding) weder twist over de vraag, wie hunner de grootste zou jj 1 ^ zijn. Jesus dit hoorende, sprak tot hen: Dc koningen der heidenen beheerschen 2/° de hunnen, en zij, die macht over de hunnen uitoefenen, worden nog bovendien weldoeners genoemd. Gij echter niet alzoo! Maar wie onder u de meeste is, worde dc minste, en wie den voorrang heeft, worde als dienaar. Wie toch is de meeste, hij die aan talel aanzit, of hij die bedient? Is het niet hij, die aanzit? Welnu, ik ben in uw midden als iemand die bedient. Gij van uwen kant zijt mij bijgebleven in mijne beproevingen, en daarom, gelijk mijn Vader mij het rijk heeft beschikt, zoo beschik ik het u, opdat gij in mijn rijk eet en drinkt aan mijne tafel, en op tronen zit, oordeelende de twaalf stammen Israels.
Alsdan sprak hij tot Petrus; Simon, Simon! zie, de Satan heeft begeerd uliedcn te ziften als tarwe; ik heb echter voor u gebeden (voor u Petrus), dat uw geloof niet bezwijke, en gij, als gij u eens bekeerd zult hebben (van uw aanstaanden val), bevestig dan uwe broeders.
Nu sprak Jesus tot de elf: Mijne kinderkens, nog slechts weinig tijds ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en wat ik tot dc Joden gezegd heb: waar ik heenga kunt gij niet komen, dat zeg ik thans tot u (doch uwe scheiding van mij is slechts tijdelijk, die der onwillige Joden eeuwig). Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad. Hieraan zullen allen u als mijne leerlingen erkennen, dat gij elkander liefhebt. Petrus vatte alstoen het woord op en vroeg: Heer, waar gaat gij heen? Jesus antwoordde; Waar ik heenga kunt gij mij thans niet volgen; later echter zult gij mij volgen (ter kruisdood zoowel als in mijne heerlijkheid). Petrus hernam; Waarom kan ik u thans niet volgen?
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Zonder rechtstreeksch antwoord op deze vraag, sprak Jesus: Gij allen zult nog dezen nacht in mij geërgerd worden (mij zoo zwak en lijdend ziende, zult gij uw geloof in mij voelen wankelen en mij verlaten); want er staat geschreven: Ik zal den herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Nadat ik echter verrezen zal zijn, zal ik u vooruitgaan naar Galilea. Petrus zeide: Al werden ook allen in u geërgerd, ik zal mij nimmer in u ergeren; ik ben bereid met u in den kerker en in den dood te gaan; ik zal mijn leven voor u geven. Jesus sprak: Gij uw leven voor mij geven? voorwaar, voorwaar, ik zeg u; Petrus! de haan zal dezen nacht niet voor dc tweede maal kraaien, voordat gij driemaal zult geloochend hebben, mij te kennen. Petrus echter hield vol en betuigde nog sterker: Al moest ik met u sterven, ik zal u niet verloochenen. In denzelfden zin spraken daarna al lt;lc leerlingen.
Om hen het hachelijke van het oogenblik te doen inzien, sprak Jesus tot hen: Toen ik u uitzond zonder geldbuidel, reistasch en voetzolen (N. 'J'. hoofdstuk 18) heeft u toen wel iets ontbroken? Zij antwoordden: Neen. Daarop hernam hij: Thans echter (als men op menschelijke wijsheid moest steunen) zou ik u zeggen : Wie een geldbuidel heeft, neme hem, desgelijks ook een reistasch; en wie geen zwaard heeft, verkoope zijn kleed en koope een zwaard. Want ik zeg u: Wat geschreven staat: En hij werd onder de boosdoeners gerekend, â dit moet aan mij volbracht worden. Datgene toch wat van mij voorspeld is, gaat in vervulling. De leerlingen zeiden: Heer, ziehier twee zwaarden. Doch Jesus sprak: Genoeg daarvan.
1. Het herhaaldelijk opwerpen vau en het twisten over de vraag, wie hunner de grootste zou zijn, toonde, dat de apostelen vóór het ontvangen van den H. Geest op den Pinksterdag nog weinig begrip hadden van de hooge zending, waartoe zij bestemd waren. Zij haken nog steeds naar grootheid tot eigen roem en voordeel, terwijl de waardigheid, welke do Verlosser hun zal schenken, eene macht zal zijn ten heil en ten dienste van anderen. De Verlosser ontkent niet, dat allen groot zullen zijn en één hunner de grootste zal wezen; integendeel, hij bevestigt dit mot een beroep op zijn eigen voorbeeld. Hij is, verklaart hij, als de minste onder hen , want hij is, zegt hij, niet onder hen als iemand die aan tafel aanzit, maar als iemand dio bedient; toch is hem «alle macht gegeven in den hemel en op aarde.quot; Hij wascht â zooals reeds in het vorige hoofdstuk werd medegedeeld â zijnen apostelen dc voeten, bewijst hun alzoo den geringsten slavendienst; toch is hij.hun nMeester en Hoer.quot; Zoo ook de apostelen: zij moeten gering wezen hoewel zij groot zijn, en juist de grootste onder hen moet zich het diepst vernederen.
Het gezag blijft dus in zijn volle waarde door Jesus gehandhaafd: alleen zal het geene heerschappij zijngt; gelijk de heidensche koningen over hunne onderdanen uitoefenen, maar een christelijk gezag tot heil der zielen, niet tot zelfzuchtige eigenbaat van den gezaghebbende zolven. â Dit alles betreft hot gezag hierop aarde; want wanneer de apostelen eenmaal hunne tijdelijke loopbaan zullen voleind hebben, zullen zij als vorsten nop tronen zitten , oordeeiende de twaalf stammen Israels.quot;
2. Jesus droeg aan Petrus den last op, om wanneer hij zich eenmaal van zijn aanstaanden val zou bekeerd hebben, zijne broeders, de overige apostelen , te bevestigen in de waarheid der leer huns Meesters. Opdat Petrus dit zou kunnen doen, verklaart Jesus voor hem te hebben gebeden, dat zijn geloof niet zou bezwijken. Het gebed van Jesus moet noodzakelijk verhooring vindon; Petrus' geloof kan dus niet bezwijken, hij kan zich in zaken van geloofs- en zedenleer niet vergissen; hij is alzoo onfeilbaar, en zijn opvolgers op den Stoel van Rome zijn dit derhalve, krachtens den onveraiulerlijkeu voortduur der Kork, evonzoo. Ook zij hebben het recht en den plicht, om hunne broederen, de bisschoppon zoowel als de priesters en loeken, in het geloof te versterken.
De verwerping sedert ongeveer drie eeuwen van onze oud-nederlandsche woordjes du, dij, dijn â het laatste is nog overgebleven in de uitdrukking »hct mijn en dijnquot; â maakt, dat de woorden, waarin Jesus, bij Lucas XXII; 31 en 52, aan Petrus gemelden last opdroeg, niet met de nauwkeurigheid van don oorspronke-lijken tekst in onze taal kunnen worden terug gegeven. Om zooveel mogelijk dit gebrek te verhelpen, is boven eerst ulieden , daarna u gebruikt, welk laatste woordje, zooals tusschon haakjes roods is aangegeven , als een enkelvoud moet worden opgevat: Satan wil alle apostelen ziften als tarwe , doch Jesus heeft voor één hunner voor Petrus, gebeden enz. In het oorspronkelijke staan de woorden humeis (meervoud) en se (enkelvoud); in hot latijn vos (meerv.) en Ie (enkelv.): Satanas oxpetivit vos, ut cribarot sicut triticum; ego autora rogavi pro te, ut non deficiat fuies tua: â dit laatste tua is ook enkelvoud; »uw geloofquot;, het geloof van Petrus alleen zou niet bezwijken.
2. De twee zwaarden, welke de apostelen bij zich hadden, waren volgens de opmerking van den H. Chrysostomus waarschijnlijk groote in scheden stekende slachtmessen , waarmede het paaschlaai geslacht was.
495
49^
HOOFDSTUK XXXIX.
GESPREK VAN JESUS MET ZIJNE LEERLINGEN NA HET LAATSTE AVONDMAAL.
(JoAN'NIiS XIV tot XVIII.)
c^urcnde de laatste oogenblikken van zijn verblijf in de zaal, waar liij liet paaschmaal gehouden had, en voorts onderweg naar Gethseniani op den Olijfberg (men ^1''^ herinnere zich, dat het Donderdagavond ongeveer ten negen ure was) hield Jesus X tnet zijne leerlingen een lang en roerend gesprek, vol opbeuring, onderrichting en l plechtige toezeggingen.
Opbeuring der Apostelen.
Uw hart, zeide hij tot zijne leerlingen, worde niet ontsteld; Gij gelooft in God, gelooft ook in mij; in mijns Vaders huis toch zijn vele woningen, â zooniet, ik zou het u gezegd hebben, â en nu ga ik om u daar plaats te bereiden. En wanneer ik zal gegaan zijn en u plaats bereid hebben, kom ik terug en zal u tot mij nemen, opdat, waar ik ben, ook gij zijt. Waarheen ik ga, weet gij, en den weg kent gij.
Thomas, een der elf (Judas was bij de opperpriesters om zijn verraad te voltrekken), zeide tot Jesus: Heer, wij weten niet, waarheen gij gaat, en hoe kunnen wij den weg kennen? Jesus sprak: Ik ben de weg, de waarheid cn het leven; niemand komt tot den Vader dan door mij. Indien gij mij gekend hadt, zoudt gij voorzeker ook mijn Vader gekend hebben, doch van nu af zult gij hem kennen, cn gij hebt hem gezien. Philippus zeide: Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Jesus sprak: Zoo langen tijd ben ik met u, en gij hebt mij nog niet gekend? Philippus, hij die mij ziet, ziet ook den Vader; hoe zegt gij dan: Toon ons den Vader? Gelooft gij niet dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is? De woorden, die ik tot u spreek, spreek ik niet uit mij zelven. En de Vader, die in mij blijft, verricht de werken (die ik doe). Gelooft gij nog niet, dat ik in den Vader ben, cn de Vader in mij is? Zoo niet, gelooft dan om de werken zelven. Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Die in mij gelooft, ook hij zal de werken doen, die ik doe, en nog grootere dan deze zal hij doen: want ik ga tot den Vader. (Gij zult grootcre werken doen: geheel een heidensche wereld bekeeren; want ik ga door den kruisdood tot mijn Vader en verdien u daardoor tot die grootcre werken de genade cn de kracht.) En al wut gij den Vader zult vragen in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. Zoo gij mij iets zult vragen in mijnen naam, ik zal het doen.
De Trooster de Heilige Geest.
Indien gij mij liefhebt, onderhoudt mijne geboden; en ik zal den Vader bidden, en hij zal u een anderen Trooster schenken, die met u zal blijven voor altijd, den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet hem niet cn kent hem niet. Gij echter zult hem kennen, want hij zal bij u verblijven en in u zijn. Ik zal u niet als weezen achterlaten; ik zal tot u komen (op onzichtbare wijze in cn door den H Geest, die van den Vader en van mij voortkomt). Nog een weinig tijds en de wereld ziet mij niet meer; gij echter zult mij zien (met de oogen des gelools en doordien gij mijn machtigen bijstand ondervindt); want ik zal leven; en ook gij zult leven. Op dien dag zult gij erkennen, dat ik in mijn Vader ben, en gij in mij zijt, en ik in u. Die mijne geboden houdt en nakomt, hij is het die mij liefheeft.
En die mij liefheeft ^al van tnijn Vader geliefd worden, en ik zal hem liefhebben en mij zelven quot;quot; liem openbaren. Een der leerlingen, Judas Thaddeüs, zeide daarop;
BIIBELSCHE GESCHIEDENIS. 497
Heer, lioe komt hel, dat gij u zelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? jesus antwoordde: Die mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen; maar die mij niet liefheeft, onderhoudt mijne woorden niet (en aan een zulke openbaar ik mij niet.) Het woord, hetwelk ik tot u gesproken heb, is niet het mijne, maar des Vaders die m., gezonden heeft; dit heb ik tot u gesproken, bij u zijnde. Maar de liooster de Heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zal zenden, hij zal u alles leeren en u alles herinneren wat ik tot u gesproken heb. Mijnen vrede laat ik u , mijnen viede geef ik u, niet gelijk de wereld dien geeft, geef ik hem. Dat uw hart niet ontroerd worde, noch vreeze! Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb; Ik ga en ik kom tot u. Indien gij mij liefhadt,. zoudt gij u voorzeker verblijden, dat ik tot den Vader ga; want de Nader is grooter dan ik (grooter dan ik naar mijne menschelijke natuur, en ik ga tot hem om door hen die menschelijke natuur te doen verheerlijken.) hn nu heb ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat, als het geschied is, gij gelooven moogt. Ik zal niet veel meer met u spreken, want de vorst dezer wereld komt, maar heeft in mij niets. Doch, opdat de wereld erkenne, dat ik den Vader liefheb en doe gelijk de Vader mij bevolen heeft; â staat op , laat ons gaan. Hier verliet Jesus met de zijnen de zaal, en begaf zich op weg naar den Olijfberg.
Christus de wijnstok, wij de ranken.
Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. Elke rank, die in mij geen vrucht draagt, zal hij wegnemen, en elke rank, die vrucht draagt, zal hij reinigen, opdat /ij meer vrucht drage. Gij zijt alreeds rein, door het woord, hetwelk ik tot u gesproken heb (door mijne verlossende werkzaamheid onder u). Blijft in mij, dan blijf ik m u. Gelijk nu de rank uit zich zelve geen vrucht kan dragen, tenzij zij blijft in den wijnstok, zoo ook gij niet, tenzij gij blijft in mij. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Die in mij blijft er. ik in hem, hij draagt veel vrucht; want zonder mij vermoogt gij niets. Indien iemand in mij niet blijft, hij zal uitgeworpen worden als de rank en verdorren; men zal haar ver-t unelen en in het vuur werpen, en zij verbrandt. Doch indien gij in mij blijft, en mijne woorden in u blijven, zult gij vragen al hetgeen gij wilt, en het zal u geworden. Hierdoor we dt mijn Vader, verheerlijkt, dat gij zeer veel vrucht draagt en geheel en al mijne leerlingen wordt. Gelijk de Vader u heeft liefgehad, heb ook ik u liefgehad
Volharding in de liefde.
Blijft in mijne liefde. Indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven, gelijk ik mijns Vaders geboden heb onderhouden en in zijne liefde blijf. Dit zeg ik tot u, opdat mijne blijdschap in u wone, en uwe blijdschap volkomen zij. Dit is mijn gebod : dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad. Niemand heeft grooter liefde dan d'zamp;, dat hij voor zijne vrienden zijn leven geeft. Gij zijt mijne vrienden, indien gij doet hetgeen ik u gebied. Ik zal u niet meer dienstk-.-.echten noemen, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doel; maar ik heb u vrienden genoemd, omdat ik alles, wat ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. Niet gij hebt mij verkoren, maar ik koos u uit en heb u gesteld, opdat gij gaat en vrucht draagt, en uw vrucht blijvend zij; opdat de Vader alles, wal gi| hem in mijnen naam vraagt, u geve. Dil gebied ik u, dat gij elkander liefhebt.
De wereld haal jesus volgelingen.
Indien de wereld u haal, weet dat zij mij eerder dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld geweest waart, de wereld zou, wal het hare was, hebben liefgehad; doch wijl gij van de wereld niet zijt, rnaar ik u uil de wereld heb verkoren, daarom haat de wereld u. Gedenkt mijn woord, hetwelk ik tot u gesproken heb ; een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Hebben zij mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen; hebben zij mijn woord
63
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
onderhouden, ook liet uwe zullen zij onderhouden. Doch dit alles (wat ik u zooeven zeide) zullen zij u aandoen om mijnen naam, omdat zij hem, die mij gezonden heeft, niet kennen. Indien ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zouden zij geene zonde hebben (had ik niet zoo duidelijk en overtuigend tot hen gesproken, het verwerpen van mij zou hun niet toerekenbaar zijn); thans hebben zij voor hunne zonde geen verschooning. Die mij haat, haat ook mijn Vader. Indien ik onder hen niet de werken had verricht, welke geen ander verricht heeft, zij zouden geen zonde hebben; maar zij hebben die werken gezien, en zij hebben en mij én mijn Vader gehaat. Zoo werd vervuld wat in hunne Wet staat geschrcquot;quot;-- : Zij hebben mij zonder redenen gehaat. Wanneer intusschen de Trooster zal gekomen zijn, dien ik u van den Vader zal zenden, den Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, hij zal van mij getuigenis geven; en ook gij zult getuigenis geven, wijl gij van u..i beginne af bij mij geweest zijt.
Dit zeg ik tot u, opdat gij later niet geërgerd wordt: Zij zullen u uit de synagoge bannen ; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u om het leven brengt, zal meenen Gade dienst te doen. I-n zij zullen dit tegen u ondernemen, omdat zij noch den Vader noch mij kennen. Intusschen, ik heb u dit gezegd, opdat, als de ure komt, gij indachtig moogt wezen, dat ik het u gezegd heb. Ik heb het u niet in den beginne gezegd, omdat ik bij u was (ik zeide het u niet aanstonds bij uwe verkiezing tot apostelen, om u niet af te schrikken ; en bovendien, zoolang ik bij u was, trof de haat der Joden mij, niet u)
Bctoite der zending van den H. Geest.
Thans ga ik tot hem, die mij gezonden heeft, en niemand uwer vraagt mij meer: waarheen gaat gij ? Omdat ik dit namelijk tot u gesproken heb, heeft de droefheid uw bait vervuld (zoodat gij van droefheid zwijgt). Doch ik zeg u de waarheid; het is u dienstig dat ik ga; want zoo ik niet heenga, zal de Trooster niet tot u komen, maar indien ik ga, zal ik hem tot u zenden. En als hij zal gekomen zijn, zal hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Van zonde, omdat zij niet in mij geloofd hebben; van gerechtigheid, omdat ik tot den Vader ga (om mijn eeuwige belooning te ontvangen), en gij mij niet meer zien zult; en eindelijk van oordeel, omdat de vorst dezer wereld reeds geoordeeld is. Nog veel heb ik u te zeggen, gij kunt het echter nu niet dragen; doch als hij zal gekomen zijn, de Geest der waarheid, hij zal u alle waarheid leeren ; want hij zal niet uit zich zeiven spreken, maar hetgeen hij hooien zal, zal hij spreken, en ook wat toekomstig is zal hij u verkondigen. Hij zal mij verheerlijken; want hij zal van het mijne nemen en u verkondigen. Al hetgeen de Vader heeft is het mijne; daarom zeide ik: Hij (de 11. Geest) zal van het mijne nemen en het u verkondigen.
Afscheidsrede.
Nog een weinig tijds, en gij zult mij niet meer zien ; en wederom een weinig tijds, en gij zult mij zien ; want ik ga tot den Vader. Sommige der leerlingen zeiden nu tot elkander: Wat is dit hetgeen hij tot ons zegt: Een weinig tijds, en gij zu'.t mij niet zien; en wederom een weinig tijds en gij zult mij zien? en: Want ik ga tot den Vader? Wat is dit hetgeen hij zegt: Een weinig tijds? Wij vatten niet wat hij zegt. jesus wetende, dat zij hem wilden vragen, sprak tot hen. Gij onderzoekt onder elkander aangaande hetgeen ik gezegd heb : Een weinig tijds, en gij zult mij niet meer zien, en wederom een weinig tijds, en gij zult mij zien; â voorwaar, ik zeg u: Gij zult schreien en weeklagen, en de wereld zal zich verheugen ; gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderd worden. Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid omdat haar uur gekomen is; wanneer zij echter het kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer der smarte, van blijdschap dat een mensch in de wereld is gekomen. Ook gij hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verheugen, en niemand zal u uwe vreugde ontnemen, Te dien dage zult gij mij niets vragen (gij zult dan bij mij, gelijk gij thans doen
498
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
wildet, geen inlichting behoeven tc zoeken, daar de H. Geest u alles zal verklaren wat ik u gezegd heb).
Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; Indien gij den Vader om iets in mijnen naam zult bidden, hij zal het u geven. Tot nu toe hebt gij om niets in mijnen naam gebeden. Bidt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap volkomen zij. Dit alles (hetgeen ik u zoo even ze:de) heb ik tot u gesproken in gelijkenissen (in min of meer donkere, geheimnisvolle woorden): de ure echter komt, dat ik niet meer in gelijkenissen tot u spreken, maar u openlijk van den Vader verkondigen zal (door den H. Geest). Te dien dage zult gij in mijnen naam bidden, en ik zeg u niet, dat ik voor u den Vader smeeken zal, want de Vader zeil heeft u lief, dewijl gij mij hebt liefgehad, en geloofd hebt dat ik van God ben uitgegaan. Ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; ik verlaat wederom de wereld en ga tot den Vader. De leerlingen zeiden nu tot hem : Zie, thans spreekt gij openlijk en gebruikt geene gelijkenis; nu zien wij, dat gij alles weet, en niet noodig hebt, dat iemand u ondervrage; daarom gelooven wij dat gij van God zijt uitgegaan. Jesus sprak : Thans gelooft gij ? ziet, de ure komt en is alreeds aangebroken, dat gij verstrooid zult worden her- en derwaarts, en mij alleen zult laten. Doch ik ben niet alleen, want de Vader is met mij. â Ik heb u van dat alles gesproken (van mijn en uw lijden, maar ook van mijne en uwe verheerlijking), opdat gij in mij vrede moogt hebben (in mijne woorden troost moogt vinden). In de wereld zult gij verdrukking lijden, doch weest welgemoed: ik heb de wereld overwonnen.
Jesus' hoogepriestcrlijk gebed voor zijne leerlingen en zijne Kerk.
Na deze woorden sloeg Jesus de oogen ten hemel en sprak, zich tot zijn hemelschei Vader wendende:
Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon u verheerlijke, gelijk gij hem macht hebt gegeven over alle vleesch, opdat hij aan allen, die gij hem geschonken hebt, het eeuwige leven geve. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij u kennen, u den eenig waren God, en Jesus Christus, dien gij gezonden hebt. Ik heb u verheerlijkt op aarde: ik heb het werk volbracht, hetwelk gij mij te doen hebt opgedragen. En nu. Vader; verheerlijk mij bij u zelven met de heerlijkheid., welke ik bij u bezat, eer de wereld was. Ik heb uw naam geopenbaard aan de menschen, die gij mij uit de wereld gegeven hebt; zij waren de uwen, en aan mij hebt gij hen gegeven, en uw woord hebben zij onderhouden. Thans hebben zij erkend, dat al hetgeen gij mij geschonken hebt van u is; want de woorden, die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend dat ik van u ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat gij mij gezonden hebt. Ik vraag voor hen. Niet voor de wereld vraag ik, maar voor hen, die gij mij geschonken hebt, want zij zijn de uwen â trouwens al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijne â en ik ben in hen verheerlijkt, Ik zal niet meer in de wereld zijn, ik ga tot u, maar zij zijn in de wereld. Heilige Vader! bewaar hen in uwen naam, hen, die gij mij gegeven hebt; bewaar hen, opdat zij één zijn, gelijk wij. Zoolang ik met hen was, bewaarde ik hen in uwen naam. Die gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand van hen ging verloren dan de zoon des verderfs (de ongelukkige Judas, door eigen schuld), zoodat het woord der Schrilt vervuld werd. Doch nu ga ik tot u, en ik spreek dit (dit gebed voor hen) in de wereld, opdat zij mijne blijdschap in zich volkomen hebben. Ik heb hun uw woord verkondigd, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk ook ik van de wereld niet ben. Ik vraag niet, dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart van het kwaad. Zij zijn niet van de wereld, evenals ook ik van de wereld met ben. Heilig hen in de waarheid. Uw woord is waarheid. Gelijk gij mij in de wereld hebt gezonden, zoo zond ik hen in de wereld. Hn ik heilig mij zelven voor hen, opdat ook zij in de waarheid geheiligd zijn.
499
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Doch niet alleen voor hen vraag ik, maar ook voor degenen die door hun woord in mij zullen gelooven, opdat zij allen één zijn, gelijk gij Vader in mij en ik in u; dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt. Ik heb hun de heerlijkheid (de hooge zending, de waarheid en de macht) gegeven, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn; ik in hen, en gi| in mij, opdat zij volmaakt zijn in eenheid, en de wereld erkenne dat gij mij gezonden hebt en hen hebt liefgehad, gelijk gij mij hebt liefgehad. Vader, ik wensch, dat waar ik ben, ook zij, die gij mij geschonken hebt, met mij zijn; opdat zij mijne heerlijkheid aanschouwen, die gij mij hebt gegeven, wijl gij mij hebt liefgehad voor de grondlegging der wereld. Rechtvaardige Vader! de wereld heeft u niet gekend, maar ik heb u gekend, en dezen hebben erkend dat gij mij gezonden hebt. Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en zal dien bekend maken, opdat de liefde, waarmede gij mij hebt liefgehad, in hen zij, en ik in hen.
Na aldus gesproken te hebben trok Jcsus met de zijnen over de beek Cedron en beklom den Olijfberg.
De korte ophelderingen, in bovenstaand hoofdstulv tussclicn lunkjes aangebradit, streven er enlccl naar, sommige der moeielijkst verstaanbare plaatsen slechts een weinig toe te lichten; verder reikt haar doel niet en kan het ook niet reiken. Trouwens, al de kracht en al den rijk.lom van beteekenis te ontwikkelen, welke in dit gesprek na he-. Laatste Avondmaal verscholen liggen, mag ook bij de uitvoerigste poging eene onmogelijkheid heeten. Il.t mcnschelijk verstand, zelfs van den geleerdsten en diepsten denker, schiet hier evenzeer te kort als de mensche-lij'xe taal. Geen wonder! Dit woord hier gesproken, is het woord van een ten dood spoedenden God-mensch, H:t is zijne afscheidsrede aan zijne innig geliefde apostelen; het is zijne laatste wilsbeFchikkig ten gunste van zi:nc Kerk. zijne bruid voor wie hij zijn leven laat, zijn bloed gaat storten Wat hij thans beschikt zal van kracht zijn en duren, zoolang de wereld duurt, de eeuwen loopen. Hij verzekert haar den blijvenden bijstand uit den hooge, een anderen Trooster, die haar alle waarheid leerende en haar alles herinnerende wat hij gezegd heeft, haar dientengevolge voor de mogelijkheid zelfs van dwaling zal behoeden. Hij spreekt tot haar als mensch, die lijden zal, maar verheerlijkt worden ; en stelt haar in zijn voorbeeld haar eigen toekomst en levensgeschiedenis voor oogen. Hij spreekt tot haar als de Eeniggeborene des Vaders, als waarachtig God, die met recht kan zeggen: :gt;Vader, al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijnequot;. Hij openbaart haar, dat de beloofde Geest, voortkomende van den Vader, mede voortkomt van hem; want, zegt hij, «hij zal uit het mijne nemen en u verkondigen. Eindelijk stelt hij als een der zichtbare kenmerken der Kerk hare é'nhcid, de afschaduwing van zijn eigen levenseenheid met den Vader. Aan die eenheid der Kerk zal de wereld erkennen, dat hij die de Kerk stichtte in waarheid door den Vader gezonden is, zoodat ook zijne stichting waar en van goddelijken oorsprong moet zijn. Om die eenheid bidt hij zijn Vader met al de kracht der teederste ontroering en der vurigste liefde: «Vader, niet alleen voor hen (de apostelen) bid ik u, maar ook voor allen, die door hun woord in mij gelooven zullen, opdat allen één zijn, gelijk gij Vader in mij en ik in u; opdat ook zij in ons ten zijn,. .. ik in hen en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in eenheid, en de wereld erkenne dat gij mij gezonden hebt.quot; Die eenheid waaraan erkend zal worden, dat er een door den Vader gezonden God-mensch in de wereld moet geweest zijn, om zoo iets tot stand te brengen, die vol man kin eenheid â eenheid in leer, eenheid van gezag, eenheid van genademiddelen â die eenheid is zeer zeker het kenmerk niet der vele van de Kerk gescheiden secten, waar volstrekt geen de deden samenhoudend gezag bestaat, waar de eenheid van leer zoover is te zoeken, dat bijna ieder lid, kind en vrouw zoowel als man, er een eigen geloofsbelijdenis op nahoudt, en waar ten slotte de meesten geëindigd zijn met in het geheel geene leer meer te bezitten. Die eenheid, die volmaakte eenheid is alleen het kenmerk der katholieke Kerk. Zij alleen dus is de Kerk van Christus; zij draagt in hare eenheid den stempel op het voorhoofd, dat tot hare stichting meer dan menschelijke macht, het door den Vader gezonden en met den Vader vereenigde Eeuwige Woord is werkzaam geweest.
JOO
JESUS IN DFN HOF GETHSEMANI. Bladz. 501.
501
HOOFDSTUK XL.
J E S U S I N DEN HO F G E T H S E M A N I.
(Mattii. XXVI Mauc. MV; Luc. XXII; Joax. XVIII)
âgt;CXgt;
p den Olijfberg, dien Jesus met zijne elf hem tot nog toe getrouw gebleven leerlingen beklom, lag een hof of groote tuin, genaamd üethsemam, waar inj ^ 9 dikwijls met de zijnen kwam, zoodat die plaats ook aan Judas bekend was. Aan
rden ingang van dien hof sprak Jesus tot acht zijner leerlingen: Zet u hier neder,den ingang van dien hof sprak Jesus tot acht zijner leerlingen: Zet u hier neder,
terwijl ik ga om te bidden; bidt ook gij, opdat gij niet valt in bekoring (opdat gij het geloof in mij niet verliest, als gij straks mij aan mijne vijanden zult zien overleveren.I
Terwijl de acht leerlingen daar bleven, nam Jebus de drie overige : Petrus, Jacobus, en Joannes, met zich in den hof. Alsdan begon hij bedroefd en beangst te worden en sprak tot de drie: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij Met dit woord scheidde hij zich ook van deze drie leerlingen en ging geheel alleen et.n
eindweegs vooruit, ongeveer een steenworp ver.
Op die eenzame p'aats en gescheiden van al de zijnen boog hij zijne knieën en bad : Vader, indien gij wilt, neem dezen kelk van mij weg; nochtans niet mijn, maar uw wil geschiede. Alsdan verscheen hem een engel van den hemel, die hem versterkte; daarop zich nog meer aan zijn lijden overgevende, wierp hij zich op zijn aanschijn ter aarde, en in doodstrijd gekomen bad hij te vuriger: Abba 1 Vader! indien het mogelijk is, laat dezen kelk mij voorbijgaan; alles is u mogelijk, neem dezen kelk van mij weg; doch niet gelijk
ik, maar gelijk gij wilt. Inmiddels werd zijn zweet als druppelen bloeds, ter aarde afdruipende.
Vervolgens stond hij op en ging naar zijne leerlingen, doch hen van neerslachtigheid en vermoeienis ingeslapen vindende, sprak hij tot hen : Wat slaapt gij. Simon, ook gij slaapt ! Kondet gijlieden dan niet één uur met mij waken 1 Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.
Na die woorden verwijderde hij zich weder van hén en bad voor de tweede maal, hetzelfde gebed herhalende : Mijn vader, indien deze kelk mij niet kan voorbijgaan, indien ik hem drinken moet, uw wil geschiede !
Voorts zich opnieuw tot zijne leerlingen begevende, vond hij hen ook nu ingeslapen , trouwens hunne oogen waten zwaar van den slaap. Hen wekkende sprak hij hun toe; doch
zij wisten niet, wat zij hem zouden antwoorden.
Eindelijk nog eens zich van hen verwijderende, bad hij ten derde male dezelfde bede, en toen hij daarna weder bij zijne leerlingen kwam en hen evenzeer als de beide xori^c keeren ingeslapen vond. sprak hij tot hen; Slaapt nu en mst; doe ,1 genoeg daanan. het uur is gekomen: de Zoon des menschen gaat overgeleverd worden in de handen der zondaren ; staat op, laat ons gaan ; ziet, hij die mij verraden zal is nabij
Nauw had hij dit woord gesproken, of Judas Iscarioth was daar, gevolgd door eene afdeeling krijgsknechten en een groot aantal dienaren van de opperpriesters en l'hanzeön, gewapend met zwaarden, stokken, touwen en fakkels. De verrader nu had hun een leeken gegeven: Dien ik kussen zal, had hij gezegd, die is het; vat hem en voert hem voorzichtig weg, (Het teeken had ten doel, Jesus aan de soldaten en dienaren, welke hem niet ol ter nauwernood kenden, aan !e wijzen ; zij konden anders in den donker, want het liep tegen middernacht, bij vergissing in zijne plaats lichtelijk een zijner apostelen gevangen nemen.) Judas ging alzoo de bende een weinig vooruit en op Jesus toetredende zeide hij tot hem . Wees gegroet, Meester 1 en meteen kuste hij hem, Jesus spiak : Vriend, waartoe zijt gij gekomen ? Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met een kus I De verrader nu, pa het teeken gegeven te hebben, keerde tot de bende terug.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
lesus alles wetende wat met hem gebeuren zou, trad den krijgsknechten en dienaren der opperpriesters tegemoet en vroeg hun ? Wien zoekt gij ? Zij antwoordden : Jesus van Nazareth. Jesus sprak ; Ik ben het Op dit woord : ik ben het (het woord der Almacht) weken zij achterwaarts en stortten ter aarde. Jesus liet hen opstaan en vroeg hun andermaal: Wien zoekt gij ? Opnieuw luidde het antwoord : Jesus van Nazareth. Jesus sprak : Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben ; als gij mij dan zoekt, zoo laat dezen â hier wees hij op zijne apostelen met rust. Thans naderden zij, sloegen hunne handen aan hem en grepen hem vast.
De leerlingen, ziende wat er gebeurde, vroegen hun meester : lieer, zullen wij er met het zwaard op inslaan? â en alvorens nog het antwoord af te wachten, had Simon Petrus reeds zijn zwaard gegrepen ; hij hief bet op en sloeg een der dienaren des hoogepriesters het rechteroor af. De naam diens dienaars was Malchus. Toen sprak Jesus tot den zijnen : Houdt op! en dit zeggende, raakte hij Malchus ter plaatse van het afgehouwen oor aan en genas hem : het oor was hersteld Voorts sprak hij tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede, want alwie (op eigen gezag) het zwaard trekt, zal door het zwaard omkomen. Zou ik dan den kelk niet drinken, dien de Vader mij gezonden heeft r Of meent gij, dat ik den quot;Vader niet kan bidden, en dat hij mij niet oogenblikkelijk meer dan twaalf legioen engelen zou zenden ? Doch hoe zou dan de Schrift vervuld worden, welke zegt dat aldus geschieden moet?
Met de soldaten en dienaren waren ook eenige opperpriesters, tempeloversten en oudsten des volks gekomen, en tot hen sprak Jesus: Gij zijt uitgetrokken als tegen een roover, met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen ; dagelijks was ik bij u, leerende in den tempel; toen hebt gij de handen niet aan mij geslagen, maar dit is uw uur en de macht der duisternissen. Daarop bond de bende Jesus met de touwen, die zij had meegebracht.
1 oen de Apostelen zagen, dat het zoover gekomen was, verlieten zij hun Meester en
sloegen allen op de vlucht. Tegelijkertijd was daar een zekere jongeling, gehuld in een linnen overkleed; hem grepen de soldaten vast, maar hij liet zijn overkleed in hunne handenen ontkwam.
1 Jc''quot;salem was geliouwil op vier bersen: de Sion, rlo Moria ol Tempelberg, de Acra en de Bozetlia. Lings do oostzijde der stad liep eon dal, ongeveor een kwartier inirs broed, het dal van Josaphat, waardoor in do iongto de B.ok Cedron stroomdo. Trok men de beek over, dan k vam men weldra woder aan een berg, den Olijtborg, waarop de bof Oetbsumani lag, de plaats, waar Jesus zijn lijden begon.
2. Josus' monsebelijko natuur was bevreesd voor liet lijden en zon gairno van dien kelk bevrijd zijn gebleven! mot de g. ootste overgeving eelder onderwerpt de IMIand zijn n cnsebelijkon wil aan den wil des Vaders, welke ook die zijner goddelijke natuur is; want bij en de Vader zijn één. Met die onderwerping word ook vim den kant zijner monsebboid zijn lijden cono golieel vrijwillige daad, eeno daad van liefde tot Ood en van liefde voor ons, zijne broederen, Trouwens bot kon niet andrrs: do gohoomiamst»' Zoon kon onmogrlijk on^olioorznnm zijn.
Tegenover do Joden, die hem gevangen nnmen. om hem vervolgens to voroordoelon on nan hot kruis to nagelen, houdt bij zijne vrij beid telkens staande. Oen oogenblik Inat bij ben In don waan, alsof zij bet zijn, die bom doen lijden; hij lijdt OM dat liij bei Wil; bij is lint bun prooi, niet de prooi van liet vorrand van .Indas. slechts liet Klaclitolfer zijner oneindige liefde. Om bun dit zoo duidelijk mog. lijk te m ,ken, doet liij Imune linndlangera, die gekomen zijn om iiem te grijpen, reeds innstotids machteloos ter aarde storten, en éérst nadut bij door du woorden: âindien gij mij dan zoekt, zoo laat dezen met -ustquot; zijdelings zijne toelating van bun plan bad to kennen gegeven, mogen zij do hinden aaa bom slaan. Evenwel nog slechts onder dit beding, dat zij âdezen ' d. i. de apostelen, met rust laten Zoo toont bij zich nog hun heer en gebieder op het oogenblik zelf dat bij bun geboeide wordt; en zij. gaarne of onwillig, zij moesten zijn bevel nakomen en Heten de zijnen met rust, wat zij ongetwijfeld, blijkens bet geval mot dien jongeling, niet zouden gedaan hebben als hij hen niet door hoogere mnclit had genoodznnkt.
Bedoelde Jongeling woonde wiiareehi.nlijk in den omtrek en zal, toen hij de soldaten boorde voorbijgaan, uit zijn bed zijn gesprongen, om te zien wat er gaande was. Tegen hem hadden de soldaten niet de reden om hem gevangen to nomen, welkt zij hadden b. v. tegi n Petlus, die Malchus het oor had afgeslagen, en evenwel beproefden zij hem te grijpen: het verbod van Jesus was hem niet toepasselijk.
.1. De woorden: âSlaapt nu en nn-lquot;, die Jesus op hit linde van zijn driemaal berhaald gebed tot zijne leer-
lingm sprak, weiden door de uitleners ver.-c...... i.d vikliaid. Ki.Ukn .m.m.i, eat n.ui int 1,(1 oog op den
Ciiil-iclii' tquot;n.tiktl li. ut Km n: ,,bliii|i ui luti lateiquot;, d. i.; er is nu gun lijd voor sliijien, gij kunt dat
502
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
ntor wol doop, nis alios voorbij is. 1).« mooston editor zijn vnn govooVn. dat Josns soliorp liorispond hooft willon/.o^gon ⢠Beprooft nu maar to slapon, als n li«'t mogolijk is; tic omstan ligliodon znllon hot 11 wel bolotton iminors lilt;'t iiiir is gokomon, do verrader staat daar roeds.
HOOFDSTUK XLI.
JRSUS 'DOOR DEN HOOGKN RAAD DKR JODEN' DKS DOODS SCHULDIÃ VERKLAARD. VERLOOCHF.NINCi VAN PKTKUS.
(Matth. XXVI; Marc. \IV; Luc. XXII en Joan XVIII )
âlt; lt; gt;-
Jesus in den hof van Gethsemani gevanyen genomen en geboeid te hebben, gt;!â voerde de bende hem naar Jerusalem eerst voor Annas, die de schoonvader van Caïpbas was. en vervolgens voor Caïphas, den hoogepriester van dat jaar, ten l£quot;)Ã) wiens huize zich de opperpriesters met de Pharizeën en de oudsten des volks, die te zamen den lloogen Raad (het Sanhedrin) vormden, vergaderd hadden. Het was ^ deze Caïphas, die reeds vroeger verklaard had, dat het dienstig was dat één niensch voor het volk stierf.
Petrus nu, van zijne vlucht teruggekeerd, volgde Jesus van verre, met nog een anderen leerling (Joannes.) De andere leerling was in het huis des hoogepriesters bekend, zoodat hij tegelijk met de bende, die Jesus daarheen voerde, binnenging, terwijl Petrus, die er niet bekend was, buiten bleef staan Toen de andere leerling dit vernam, ging hij tot de dienstmaagd, die deurwachtster was, en verzocht haar Petrus binnen te laten, wat zij deed. In het ruime voorhof nu van het buis hadden de dienstknechten des hoogeptiesiers zich verzameld rondom een kolenvuur ; bij dat vuur ging ook Petrus zitten om zich te verwarmen en inmiddels te zien hoe het met Jesus zou aftoopen.
De hoogepriester, het hoo'd des Hoogen Raads, begon met Jesus te vragen naar zijne leer en zijne leerlingen. Op die vraag (waarin de valsche beschuldiging lag opgesloten, alsof Jesus in het duister had gewroet en zijne leer din niet bekend was) antwoordde de Heer; Ik heb in het openbaar voor de wereld gesproken; ik leerde steeds in de synagoge en in den tempel, waarin alle Joden samenkomen, en in het geheim heb ik niets gesproken. Waarom ondervraagt gij mij (en neemt aldus den schijn aan, alsof mijne leer u onbekend ware, terwijl toch uwe priesters en Pharizeën haar dikwijls genoeg uit mijn mond vernomen hebben)? Ondervraag hen, die hoorden wat ik tot hen sprak ; zij weten wat ik geleerd heb. â Toen Jesus dit gezegd had, gaf een der gerechtsdienaars hem een kaakslag, uitroepende : Antwoord gij aldus den hoogepriester! Jesus zeide ; Indien ik kwalijk gesproken heb, getuig van het kwade ; maar heb ik goed gesproken, waarom slaat gij mij ?
De opperpriesters en geheel de Raad zochten tegen Jesus valsche getuigenis, om welke zij hem ter dood zouden kunnen veroordeelen ; doch het gelukte hun niet. Immers, ofschoon zij vele valsche getuigen aanvoerden, spraken dezen elkander tegen, zoodat hunne getuigenis geene waarde had. Eindelijk vonden zij twee getuigen, die verklaarden; Wij hebben hem hooren zeggen : Ik kan den tempel Gods afbreken en hem in drie dagen weder opbouwen, namelijk dezen met handen gemaakten tempel zal ik afbreken, en een, die niet met handen gemaakt is, zal ik in drie dagen opbouwen. Behalve dat Jesus niet van een met handen gemaakten tempel, maar, op zijn lichaam wijzende, van dien tempel gesproken had, en alzoo de getuigenis valsch was, waren bovendien die woorden niet voldoende, om hem ter dood te veroordeelen.
Daar Jesus op alle beschuldigingen zweeg, stond de hoogepriester van zijn zetel op en sprak: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u inbrengen? Doch Jesus ging
503
BIJRELSCIIR GESCHIEDENIS.
voort te zwijgen. Toen sprak de hoogeprieslei : Ik bezweer u bij den levenden Clod, dat gij ons zegt, of gij de Chrisms zijt, de /oon van God den Gezegende. Thans antwoordde Jesus; Gelijk gij gezegd hebt, ik ben het. En voorwaar, ik zeg u; van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien zitten aan de rechteihand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.
Op dit woord scheurde de hoogepriester zijne kleederen. en zich tot den Raad wendende riep hij uit: Hij heeft God gelasterd! wat hebben wij nog getuigen noodig ? Gij zeiven hebt nu de godslastering gehoord ; wat is uw oordeel ? Allen antwoordden : Hij is des doods schuldig I En met eenparige stemmen spraken zij het vonnis uit.
Zoodra dit geschied was (en toen waarschijnlijk de Hooge Raad zich verwijderde, want het was reeds zeer diep in den nacht) begonnen de soldaten en dienaren Jesus te beschimpen en te beleedigen. Zij spuwden hem in het gezicht, gaven hem kaakslagen, bonden hem een doek voor de oogen, sloegen hem dan opnieuw en vroegen hem spottender wijze; Profeteer het ons, Christus: wie is het, die u geslagen heeft? Dezen en anderen soortgelijken hoon deden zij hem aan.
Terwijl zijn Meester voor den Hoogen Raad stond, zat Petrus met de dienstknechten des hoogepriesters bij het vuur in den voorhof. Daar naderde hem de deurwachtster, zag hem bij het opvlammen des vuurs scherp in het gelaat, en op hem wijzende sprak zij tot die daar tegenwoordig waren : Deze was ook met hem. Voorts zich rechtstreeks tot Petrus zeiven wendende, zeide zij: Niet waar? zijt gij niet een der leerlingen van dien mensch ? ja, inderdaad, gij waart met jesus den Galilecr. Petrus loochende dit voor allen, zeggende : Ik ben het niet. Vrouw, ik ken hem niet, en ik begrijp niet wat gij zeggen wilt.
Toen hij daarop het voorhof uitging, zag hem bij de deur een andere dienstmaagd, die tot de daar aanwezigen zeide : Deze was ook met Jesus den Nazarener. Een dienstknecht bevestigde dit door tot Petrus te zeggen ; ja gij zijt een van de zijnen. Nu keerde Petrus naar het vuur in het voorhof terug; doch terwijl hij daar stond en zich verwarmde, vroeg men hem : Zijt gij niet een zijner leerlingen ? Opnieuw loochende Petrus dit; Ik ben het niet, zeide hij, en ik ken dien mensch niet. Deze ontkenning bevestigde hij zells met een eed.
Ongeveer na verloop van een uur sprak een andere dienstknecht des hoogepriesters, een bloedverwant van Malchus, op Petrus wijzende ; Waarlijk, deze was ook niet hem, hij is trouwens een Galileër. Heb ik u niet ging hij tot Petrus sprekende voort â roet hem in den hof gezien ? De overige aanwezigen drongen zich nu dichter om Petrus saam, en zeiden: Ja, waarlijk, gij zijt een der zijnen, want gij zijt een Galileër; uwe spraak verraadt u. Thans begon Petrus zich te vervloeken en te verwenschen, en zwoer dat hij dien mensch niet kende. Op hetzelfde oogenblik kraaide de haan ten tweeden male, ei. T^sus zich omkeerende zag Petrus aan. Petrus herinnerde zich wat zijn Meester hem nog slechts weinige uren geleden gezegd had; hij ging naar buiten en weende bitter.
t. Togen de bepnlin^nn der wet van Moscs in, of minstons in strijd met don Idanrblijkolijkei) go.st dier ,vot, waren er toenmaals, reeds sedert de dagen van Joannes den Dooper, tegelijkertijd twoe hoogepriesters, die om liet andere jaar hun ambt uitoefende; Annas on Caïphas. De laatste was do hoogepriester van dat Jaar, en ton/.gnen huue hadden de onrochtvnardigo tereebtzitting en de verloochening van Petrus plaats.
2 Do Hoogo Raad, in het llebroeuwsch het Sanhedrin genaamd, was, behalve don hoogepriester die gewoonlijk het voorzitterschap bekleedde, samengesteld uit; » opperpriostors of hoofden dor 24 prlestorafdoellngeu | h schriftgeleerden, moestal levieten; c oudsten des volks; â allen te zamen 70 of 71 man. Godeeltolijk behoorden deze verschillende loden tot do seoto der Pharizoën, gedeeltelijk tot die der Saduoeën. Vóór Judea tol een Komeinsch windgewest verklaard was, had de hoogo Haad, als opperste rechtbank, in laatste beslissing de uitspraak over loven en dood. Thans kon hij nog dos doods schuldig verklaren, doch zijn vonnis had geen gereehtsgoldighoid voor de burgerlijke wet, tenzij het bekrachtigd werd door don Homeinscben rechter, die dikwijls do zaak opnieuw ging onderzoeken en aan do Romeinache wetten tootson.
3. Tor bepaling dor nachtelijk i uren spraken do .loden o. a van het eerste en tweede hanengekraai. 11a eerste hanengekraai was het uur, waarop de hanen 'snachts beginnen te kraaien; hot tweede waarop zij met
504
BIJBKLSCHE GESCHIEDENIS.
krajilon ophouden of voor do Inatstc mnnl krnnion. Dit tweedu lianengekrani had plaats tusschcn 3 en 4 uur des nachts.
4. Gelijk uit het begin van het volgende hoofdstuk blijkt, hield de Hooge Raad den volgenden morgen, nlvorens Jesus naar Pilatus te voeren, nog een korte zitting, üil geschiedde, wijl nnchtelijkc terechtzittingen volgens de Joodscho wet niet geldig waren, men wilde dus dos mo:gens h't in den n cht geschiedihï bekrachtigen. Zoo hiilden (h; huichelaars aan een ondergeschikt punt der wet vast, terwijl zij op hetzelfde oogenblik bein, in wien geheel de wet en de profeten hunne vervulling vonden, moedwillig verwierpen.
^L)@)
HOOFDSTUK XI.11.
JESUS VOOR PILATUS EN DAARNA VOOR HERODES DE BKSPOTTING.
(Mattii. XXVII; Mahc. XV; Luc. XXIII; Joan XVIII.)
ïflB^J' en volgenden dag (Vrijdag), des morgens vroeg, kwamen de opperpriesters, de â¢lt;lt;lB Pfliyjj t schriftgeleerden en de oudsten des volks weder bijeen om Jesus ter dood te * leveren Opnieuw spraken zij tot hem : Indien gij de Christus zijt, zeg het ons.
Jesus sprak : Als ik het u zeg, gelooft gij mij niet, en zoo ik u ondervraag, zult niii n'et anlwoor(:lön noch mij loslaten. Van nu af echter zal de Zoon des men-^ schen gezeten zijn aan de rechterhand der majesteit Gods. Zij hernamen: Gij zijt dus de Zoon Gods ? Jesus antwoordde : Gij zegt het; ik ben het. Andermaal verklaarden zij nu: Wat hebben wij nog getuigen noodig ? Wij zelven hebben het uit zijn mond gehoord. Daarna stonden zij op en voerden hem gebonden naar Pontius Pilatus.
Inmiddels kreeg Judas, ziende, dal het zoover met Jesus gekomen was, over zijne daad berouw. Hij spoedde zich tot de opperpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten, om hun de dertig zilverlingen terug te geven, en sprak, terwijl hij hun die aanbood; Ik heb gezondigd, ik heb onschuldig bloed verraden Zij antwoordden : Wat gaat ons dat aan ? gij moogt er voor toezien. Toen wierp Judas de dertig zilverlingen in den tempel (die dicht bij het rechthuis stond), en heengaande nam hij een strop en verhing zich. De zilverlingen werden (later) den opperpriesters ter hand gesteld ; doch zij zeiden : Het is niet geoorloofd ze in de schatkist te werpen, want het is bloedgeld. Zij kochten er daarom, na er over beraadslaagd te hebben, den akker eens pottenbakkers voor tot een begraafplaats voor vreemdelingen, en sedert werd die akker genoemd Haceldama, dat is : Bloedakker. Zoo werd vervuld hetgeen gezegd was door jeremias den profeet : Zij namen de dertig zilverlingen, de waarde des gewaardeerden van de kinderen Israels, dien zij gewaardeerd hebben, en zij gaven ze voor den akker eens pottenbakkers, gelijk de lieer mij bevolen had.
Met Jesus bij Pilatus aangekomen, gingen echter de opperpriesters de schriftgeleerden en de oudsten des volks, uit vrees van zich te verontreinigen, waardoor hun het eten van het paaschmaal verboden zou zijn, hel rechthuis van den heidenschen landvoogd niet binnen. Pilatus begaf zich derhalve tot hen naar buiten en vroeg hun : Welke beschuldiging brengt g.j in tegen dezen mensch ? De Joden antwoordden ; Indien deze geen boosdoener ware, zouden wij hem u niet hebben overgeleverd Pilatus (met die onbepaalde aanklacht niet tevreden) sprak: Neemt gij hem dan en oordeelt hem naar uwe wet; De joden zeiden : Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen Daarop verzonnen zij een beschuldiging : Wij hebben, zeiden zij, dezen er op betrapt, dat hij ons volk opruide en verbood den keizer schatting te betalen, voorgevende dat hij zelf de Christus de koning van Israël is.
Pilatus ging alsdan het rechthuis weder binnen; hij liet Jesus voor zich komen en vroeg hem : Zijt gij de koning der Joden ? Jesus deed hem de wedervraag ; Zegt gij dit uit u zelven, of hebben anderen het u van mij gezegd ? De landvoogd zeide : Ben ik dan een jood? uw volk en de opperpriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij gedaan? Thans sprak Jesus: Mijn rijk is niet van deze wereld; indien het van deze
64
505
506^ BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
wereld ware, zouden mijne dienaren ongetwijfeld gestreden hebben, opdat ik den Joden niet in handen viel; nu echter is mijn rijk van deze wereld met. Pilatus hernam : Gij zijt dan toch koning? Jesus antwoordde: Gij zegt het; koning ben ik. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe in de wereld gekomen, om getuigenis te geven aan de waarheid; en ieder, die uit de waarheid is, hooit mijne stem. Wat is waarheid? vroeg Pilatus, en meteen ging hij weder naar buiten en sprak tot de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten en tot de toegestroomde scharen: Ik vind in dien mensch geen schuld.
quot; De Joden lieten echter hun plan niet varen: in een vloed van aanklachten over verschillende punten braken zij tegen Jesus los; Jesus echter zweeg. Pilatus vroeg hem alsdan : Hoort gij niet, welke zware beschuldigingen zij tegen u inbrengen. Doch ook nu nog bleef Jesus zwijgen, lot groote verbazing van den landvoogd. Ie luider en met te meer hevigheid hielden de Joden hunne beschuldigingen staande. Hij brengt, riepen zij, ui het volk in opstand, zijne leer verkondigende door geheel het Joodsche land, van Gihlea af, waar hij begon, tot hiertoe. Bij het vernemen der laatste woorden, vioeg Pilatus of Jesus een Galileër was, en toen de Joden dit bevestigden, zond hij hem tot Herodes, onder wien Galilea behoorde, en die zich op dit oogenblik te Jerusalem bevond.
Herodes had reeds lang gewenscht Jesus te zien, want hij had veel van hem ge loor , toen hij hem dus voor zich zag staan, verheugde hij zich zeer, wijl hij hoopte Jesus een wonder te zien verrichten. Met dat doel deed hij hem eene menigte vragen, waarop Jesus evenwel geen enkel antwoord gaf. Intusschen hernieuwden de Joden zonder ophouden ook voor dezen rechter hunne aanklachten ; doch wat zij ook zeiden. Herodes sprak het door hen gewenschte vonnis niet uit. Hij deed Jesus een wit kleed aantrekken, bespotte hem met zijn geheele hof en zond hem naar Pilatus terug. Sedert dien dag werden Pilatus en
Herodes van vijanden, die zij vroeger waren, vrienden.
1 Blijkbaar l.acl Judas, toon hij Jesus aan diens vijanden overlovordo, niet gedacht, dat do mken «.over .ouden komen, als later hel geval werd. Hot was hem mot zijn verraad hoofdzakelijk om de 3U zilverlingen te doen geweest; ook schijnt hij een geheimen wrok over het gebeurde te BethaniiJ (N. T. hoofdstuk 33), en over zijne onlmaskedng door Jesus tijdens het taaiste avondmaal, te hebben wi ten koelen, terwijl bovendien de duivel, die toen in hen. «ova-nwashem voortzweepte. Al kon het dus aan zijn geldzuchtig en wraakgierig hart ..iet onaangenaam Z,,u, da J.su , hen n moeletijkheden werd gewikkeld, hij wilde toet. den dood z.jas Meeste,s niet. Van sp.jt over .gne daad « ^ hij naar de opperpriesters, die hij aantrof waarschijnlijk op hun tocht naar Pilatus. /.,j bhjken echte, gehoe an mannen te zijn daa do goedertieren. Verlosser, dien zij wegvoeren. Met de ijskoude verklaring: ^» Zl gij moet zelf weten wat gij doet.quot; ontvangen zij den ongetuKkigen zondaar en brengen hem daa.-doo. tot ' 1 ' Judas in plaats van tot hen, zich tot zijn Moester gewend, hij zon. cveaals Petrus, behouden z.Jn gebleven Doch van deze priesters gold nog veel meer dan van hunne voorgangers ten tijde van ICzechiel het woord, door genoemden profee
gesproken: Dit zegt de Heer: Wee den herders t.. gij hebt mijne kudde niet geweid; wat zwak was nie gesterkt; wat ziek was niet genezen; wat gebroken was niet verbonden; wat afgedwaald was niet teruggevoe.dj wat
vorloren was niot gezochtquot; (O. T hoofdstuk 13.)) 11»«
2 Zooals reeds In aanteekenlng t N. T. hoofdstuk 4 is gezegd, werd Jüdoa, ruim een t ental jaren na de geboo.te de. Verlossers, tot Uomeinsch wlndgewest verklaard. Daar hot echter te klein was. om een afzonde,hike Kon,e.nsche provincie uit te maken, voegde Rome het bij do provtncio Syrlü, waarover als landvoogd oen proconsul of propraelo
regeerde Toch verkreeg Judea eon van do....... voogd van Syrië af hankolijken ondertand voogd, procurator genaamd.
Deze was, tijdens bovenstaande geheurtenissei,, Pontius Pitntus. Zijne gewone verblijfplaats was Cesarea ; doch een,go
keeren In het jaar en vooral Ier gelegenheid van het paasehfeest begaf l,ij zich naar Jerusalem, wijl daar In die dagen, wanneer er van alle kanten eene menigte vreemdelingen samenstroomde, meermalen votksoploopen en kleine opstanden plaatshadden. De procurator beschikte in het geheel over zes cohorten krijgslieden, ieder van r,00 .nan Kene cohorte was gelegerd in den burcht Antoni.; een aantal manschappen .laarvan deed dienst als tempelwacht en stond .,. d.e betrekking onder de bevelen der Joodsche opperpriesters en tempeloversten. Deze soldaten waren hot, die de opperpr.esters met
hunne dienaren uitzonden, om Jesus in /Jon hof Gethaomani gevangen te nomen.
y D(. Joden wilden het huis van Pilatus niet binnengaan, zegt ,1e Kvangelist. omdat zij vreesden zl.h te verontreinigen, waardoor zij des avonds hel paaschmaat niet zonden kunnen eten. Over de beteeken,», welke het woord paaschmaat hier heeft, zijn de uitleggers hot niet eens, Indien het paasei, lam wordt bedoeld heeft Jesus .lit met zijne apostelen een dag vroeger gegeten dan de Joden, wat door sommigen beweerd wordt. De meesten echter zijn van gevoelen, dat men bij hol genoemde woord te denken heeft, mot aan het eigentgko
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
paaschmnnl of het eton van hot pnaschlam, maar aan een tweeden, niet door de wet voorgeschreven feestmaaltijd,
4. De bovenvermelde profetie: ,,Zij namen de dertig zilverlingen» de waarde des gewaardeerden'* enz. staat eigenlijk bij Zacharias. Dewijl echter in de ten tijde des Zaligmakers gebruikelijke verzameling dor Heilige Schriften de minder omvangrijke voorspellingen van Zacharias op dezelfde boekrol geschreven stonden als waarop de meer uitgebreide van Jeremias voorkwamen, waren de Joden gewoon kortheidshalve al wat die boekrol bevatte de woorden van Jeremias te noemen. Do Evangelist dit gebruik volgende, werd door al zijne tijdgenooten, voor wie hij schreef, gemakkelijk be* grepen. Hij haalt voorts de bedoelde profetie, die nog al tamelijk lang is, niet woordelijk aan, maar geeft er den korten zin van. Zie O. T. hoofdstuk 141, en vooral aanteekenlng 2.
5, Sedert Judea bij het Romelnsche rijk was ingelijfd, was het den Joden niet meer geoorloofd iemand ter dood te brengen. Hadden zij die macht nog als eertijds bezeten, zij zouden Jesus gesteenigd, niet gekruisigd hebben; de kruisiging toch was een Romelnsche, geen Joodsche wijze van rechtspleging.
C. Jesus' rijk is niet van deze wereld, wel in deze wereld; hij zelf toch verklaart na zijne verrijzenis aan zijne Apostelen: ..Mij is allo macht gegeven in den hemel en op aarde.quot; Dat zijn rijk niet van deze wereld is, wil zeggen, dat het een stichting is, niet van de menschen, maar van daarboven, van zijn hemelschen Vader.
7. De beschuldiging, waarom de Joden ten huize van Caïphas Jesus ter dood veroordeeld hadden, konden zij bij Pilatus niet inbrengen; de heiden zou er geen misdaad tegen de Uomeinsche wet in gezien hebben. Zij verzinnen daarom de door en door valsche amtijging, dat Jesus het volk tot opstand tegen de; Romeinen aanzette en verbood den keizer schatling te betalen. Zij beweren dit, niettogenstaande Jesus hun vroeger op hunne vraag naar het geoorloofde dier schatting uitdrukkelijk gezegd had: âGeef den keizer wat des keizers is.quot;' Pilatus bespeurde dan ook zeer spoedig aan geheel hot voorkomen van Jesus en uit zijn weinige antwoorden, dat hij hier met door hartstocht ingegevene valsche aanklachten te doen had.
8 Ão hier bedoelde Herodus â Herodus Antipas â was de zoon van Herodus den kindermoorder De laatste was koning geweest van geheel het Joodsche land; Herodus Antipas was slechts viervorst van twee gewesten: Galllea on Perea ; dooi hein werd Joannes de Dooper onthoofd. Zie verder aanteekenlng 1 van N. T. hoofdstuk 4.
i). Een wit kleed was bij de Grieken en Romeinen, wier gebruiken aan het hof van Herodus zooveel mogelijk werden nagevolgd, oen feestkleed. Door dit d-'n Verlosser te doen aantrekken, wilde Herodus te kennen go ven, dat liij. in plants van Jesus voor oen gevaarlijken oproerling te houden, die volgens do bewering der Joden het koningsschap zocht, hem integendeel hield voor een onsch delijken krankzinnige, dien men blij maakt met een fraai kleed, om vervolgens teu zijnen koste te liichen. Do Eeuwige Wijsheid een krankzinnige! â het was de ergerlijkste spot welke zich liet uitdenken. Jesus spreekt dan ook tot Herodus geen enkel woord ; hij lijdt slechts.
Tot Pil tin sprak hij alleen zooveel als noodig was om dezen van zijn.onschuld te overtuigen; na dit gedaan te hebben, antwoordde hij op do tegen hom ingebrachte beschuldigingen uiet meer, omdat hij zich tegen opzettelijke kwade trouw niet wilde verdedigen Hij wist dit zijn dood door zijne vijanden besloten was; hij zelf wilde sterven; twee zaken slechts moesteii str..ks aan geheel d'! werell blijken: te. d it hij onschuldig stierf, overgeleverd door haat en kwade trouw, en 2o. dat hij stierf uit vrije keus, om do geschonden eer des Vaders te herstellen en het zondige menschdotn te verlossen.
HOOFDSTUK XLIII.
JESUS ANDERMAAL VOOR PILATUS. DE GEESELTNG, DE KRONING MET DOÃRNKN, ECCK HOMO KN DE VEKOORDEKLING.
Matïii. XXVII; Marc. XV; Luc. XXI11; Joan. XV1I1 en XIX.
gt;f
gt;foodra Jesus naar Pilatus was teruggevoerd, sprak de landvoogd tot de oppet-lö priesters en de verdere oversten en tot de verzamelde menigte; Gij hebt dezen ! tnensch voor mij gebracht als een opruier des volks; en ziet, ik heb hem in
j\0 i uwe tegenwoordigheid ondervraagd, doch geen schuld in hem bevonden omtrent al datgene waarvan gij hem beticht. Herodus, tot wien ik u verwezen heb, vond hem evenmin plichtig ; want ziet, er is dezen daar niets geschied, waaruit bleek dat hij den dood verdiend heeft. Ik zal hem derhalve doen kastijden (geeselen) en hem vervolgens loslaten.
Er bestond een oud gewoonterecht, krachtens hetwelk de landvoogd op het paaschfeest aan een gevangen misdadiger, die daartoe door het volk werd uitgekozen, de vrijheid moest hergeven. Hiervan wilde Pilatus gebruik maken, om zijn voornemen tot loslating
507
508
van Jesus te volvoeren. Hij had op dat oogenblik een gevangene met name Barabbas, een beruchten roover, die in een oproer, door hem in de stad verwekt, een moord had begaan en daarna met andere medeplichtigen gevat was. Dien booswicht wilde hij tegelijk met jesus aan de volkskeuze voorstellen, in de hoop, dat het volk Jesus zou kiezen, van wien de landvoogd overtuigd was, dat de opperpriesters hem slechts uit nijd hadden overgeleverd Hij riep alsdan de menigte bijeen, en sprak, terwijl hij op Jesus wees: Ik vind in dezen geen schuld ; er bestaat nu eene gewoonte, dat ik u op het paaschfeest iemand loslaat ; verkiest gij dat ik u den koning der Joden loslaat? Wien wilt gij, dat ik de vrijheid geel; Barabbas, of Jesus, die de Christus genoemd wordt?
Terwijl de landvoogd zich voorts op zijn recliterstoel nederzette, liet zijne echtgenoote hem door een bode zeggen : Bemoei u toch niet met dien rechtvaatdige, want ik heb dezen nacht in een droom veel om hem geleden.
Inmiddels stookten de opperpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten het volk op, dat het, met de keuze op Barabbas te vestigen, Jesus in het verderf zou storten. Toen dan ook Piiatus andermaal vroeg : Wien van beiden wilt gij dat ik u loslaat, klonk het als uit één mond : Weg met dezen en geef ons Barabbas vrij 1 Piiatus, die nog altijd de invrijheidstelling van Jesus zocht, sprak opnieuw : Wat wilt gij dan, dat ik doe met den koning der Joden, die de Christus genoemd wordt? Allen riepen: Kruisig hem! kruisig hem ! Ten derde male nam Piiatus het woord op en sprak : Maar wat kwaad heeft hij dan bedreven? ik vind niets in hem, dat den dood verdient; ik zal hem derhalve kastijden en loslaten. Thans begonnen de Joden te roepen en te schreeuwen uit alle macht en terwijl hunne kreten ieder oogenblik in hevigheid toenamen, liet Piiatus Jesus geeselen.
Nadat de krijgslieden des landvoogds de geeseling volbracht hadden, vergaderden zij rondom Jesus de geheele afdeeling soldaten, waartoe zij behoorden, om hem gezamenlijk te bespotten Zij trokken hem zijn kleed uit, hingen hem een scharlaken mantel om de schouders, vlochten een kroon van doornen, die zij op zijn hoofd drukten, en gaven hem een rietstaf in de rechterhand. Daarna bogen zij spottende de knie voor hem onder de woorden : Wees gegroet koning der Joden ! en tegelijk gaven zij hem kaakslagen Dan namen zij hem den rietsiaf uit de hand, sloegen hem daarmede op zijn hoofd, spuwden hem in het aangezicht en herhaalden hunne kniebuigingen en begroetingen.
Eindelijk liet Piiatus Jesus weder voor zich komen, en daarop tot de Joden naar buiten gaande, sprak hij : Ziel, ik voer hem tot u, opdat gij weten moogt, dat ik volstrek1 geene schu'd in hem vind. Onmiddellijk achter Piiatus volgde Jesus, nog omhangen met de scharlaken mantel en het hoofd met doornen gekroond. Op hem wijzende, sprak de landvoogd tot het volk : Zietdaar den mensch ! Nauw hadden de opperpriesters en hunne dienaren Jesus ontwaard, of zij schreeuwden: kruisig hem! Kruisig hem! Piiatus verklaarde: Neemt gij hem en kruisigt hem : ik vind in hem geen schuld. Doch de Joden schreeuwden terug ; Wij hebben eene wet en volgens die wet moet hij sterven, wijl hij zich tot den Zoon van God heeft gemaakt.
Toen Piiatus dit woord : de Zoon van God â hoorde, werd hij nog meer bevreesd Jesus te veroordeelen. Hij nam hem weder met zich in het rechthuis en vroeg hem; Vanwaar zijt gij (zijt gij inderdaad van goddelijken oorsprong)? Doch Jesus zweeg. De landvoogd vroeg verder: Waarom spreekt gij niet ? weet gij niet, dat ik de macht heb u te kruisigen en de macht om u in vrijheid te stellen ? Thans antwoordde Jesus : Gij zoudt volstrekt geen macht tegenover mij hebben, zoo zijn niet van boven verleend ware; daarom heeft hij, die rnij aan u overleverde, te zwaarder zondo. Van dit oogenblik af nu streefde Piiatus er nog meer naar, Jesus te laten gaan : doch de Joden schreeuwden : Indien gij dezen loslaat, zijt gij geen vriend des keizers, want alwie zich tot koning maakt, verheft zich tegen den keizer.
Op het vernemen dier woorden begaf de landvoogd, door Jesus gevolgd, zich naar. hel rechtsgestoelte op het plein voor het rechthuis, in het Grieksch genaamd Lithostrolos
JESUS MET DOORNEN GEKROOND. Bladz. 508.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
in het Hebreeuwsch Gabbatha. Het was toen tusschen de derde en zesde ure (tusschen 9 en 12 in den voormiddag), en de landvoogd zich op het rechtgestoelte nederzettende sprak, op Jesus wijzende, tot de Joden : Zietdaar uw koning ! De Joden echter riepen : Weg met hem ! weg met hem 1 kruisig hem ! Pilatus hernam : Zal ik dan uw koning kruisigen ? Doch de opperpriesters en hun aanhang antwoordden : Wij hebben geen koning tenzij den keizer.
l'ilatus nu ziende, dat hij niets vorderde, maar dat de opschudding voortdurend toenam, liet water brengen, en zich voor aller oogen de handen wasschende, sprak hij tot het volk : ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige, gij moogt het verantwoorden. Al het volk schreeuwde: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen I Eindelijk veroordeelde de landvoogd Jesus ter dood en liet Harabbas los.
1. Ik vind goen schuld in hem, Hcrodus evenmin, derhalvequot; â hier zou ieder denkon dat volgen moest: derhalve zal ik hem vrijspreken; doch neen! er volgt: ,.derhalve zal ik hem doen gooselen.quot; Het is de gruwelijkste rechtsverkrachting, die zich donken laat, maar tevens de schitterendste betuiging uit don mond des rechters zeiven, dat als Jesus lijdt, hij onschuldig lijdt. Jesus kon trouwens alles toelaten : Mi kon dulden dat mon hem valsch aanklaagde, belasterde, vergui-do, geeseldo, aan hot kruis bracht, â éón ding echter kon l;ij niet toelaten en liet hij niet toe: dat men hom voor plichtig hiel l. Zijne onschuld, zoowel als de volkomen vrijheid waarmede hij lijdt, moest vaststaan voor geheel do wereld van dien tijd on van allo volgende eeuwen.
2. Da scharlaken mantel, waarmede J-'sus uit spot omhangen werd, was waarschijnlijk een oude soldatenmantol. I)j Romeinsche krijgslieden toch droegen korte scharlaken mantels, die op don rechter schouder vastgogespt worden; bij dc gewone manschappen was dit kleedingstuk van grove wol, slechts eenmaal geverfd ; de oversten droegen mantels van fijne ^tof, die tweemaal geverfd was.
3. Ool.;k reeds in aanteekening 2 achter hoofdstuk 28 N. T. naar aanleiding der gruwelijke slachting van eenige Gnlileers werd gezegd, kenmerkte Pilatus' karakter zich door een overmoedig vasthouden am het eenmaal opgezotl'1 plan, z lolang daar geen of weinig gevaar mee gepaard ging, terwijl hij integendeel, als de zaken op liet uiterste liepen, laf en zwak was. Dit blijkt uit zijn gedrag ton opzichte van Jesus en de Joden zoo duidelijk m gelijk. Van don beginne af er op Indacht Jesus vrij te laten, schoon hij niet moede te worden, door telkens nieuwe middelen zijn voornomen ten uitvoer te brengen, daarbij overmoedig genoog geloovondo, dat zulks hem nog mogelijk zou blijven, ook al liet hij zich telkens verder m d sloepen : Toon hij echter ten slotte door do Joden bedreigd werd, dat hij, mot Jesus te laten gaan, de vriendschap des keizers en daarmede zijn ambt zou verliezen, gaf hij, met verkrachting van zijn herhaaldelijk uitgesproken overtuiging, lafhartig toe. â Het is de gewone weg dor zonde: in den beginne overmoed, die meent ook te midden dor grootste gevaren staande te kunnen blijven, en op hot einde zwakheid die alle ernstige pogingen opgeeft.
Do volgende bijdrage ter kenschetsing van Pilatus levert de ongewijde geschiedenis. Kort na zijne benoeming tot procurator van Judea, liet hij een ige Romeinsche krijgsstandaards, waarop de afbeelding des keizers en daarboven de gouden rijksadelaar prijkte, des nachts van Cosaroa naar Jerusalem voeren. Dj Joden, die in die afbeelding en in den adelaar, welke de vogel van Jupiter genoemd word, eone schennis hunner wet zagen, begaven zich naar Cosaroa, waar zij zes dagen lang voor Pilatus' paleis bloven staan, hom sinoekendo toch do standaards uit de heilige stad te wilh n verwijderen. Dj procurator, vertrouwende op zijne cohorten, weigerde. Kindolijk, op den zevenden dag, dreigde hij zei la wanneer do Joden niet onmiddolijk rustig naar huis gingen, hen allen ter plaatse waar zij stonden, te laten neersabelen. De Joden echter, in stede van voor die bedreiging terug te schrikken, wierpen zich ter aarde, ontblootten hals en nok. cn riepen dat zij deze liever aan het zwaard overleverden dan te dulden, dut hunne wet werd vorkr icht. Nu gaf Pilatus toe en liet de kr ijgsbii nieren uit Jerusalem weghalen
4. Do naam van Pilatus' echtgenooto, die hem door een bode deed weten, dat zij in een droom veel om Jesus geleden had, wordt door don E angelist niet opgegeven; eone vrij vertrouwbare overlevering noemt haar Claudia Procula, en het Cirioksche Martelaarsboek telt haar zelfs onder do heiligen. Vele vadjrs en oude kerkelijke schrijvers meenen, dat d bedoelde droom haar van Godswege was veroorzaakt door een engel. Wat zij droomde kan men slechts gissen; waarschijnlijk zag zij de vreoselijke onheilen, die om Jesus' veroordeeling op hot hoofd van Pilatus zouden neerkomen. Wat hiervan zij, vrij zeker is hot dat do onheilen niet uitbleven. Althans Flavins Joseplnis verhaalt, dat Pilatus slechts weinige jaren daarna, op oeno aanklacht der Joden betrefTonde sommige zaken van zijn bestuur, door don Syrischen landvoogd Vitellius naar Rome gezonden word, om zich voor den keizer te verantwoorden. Daar hij dit niet kon loo verhaalt Havius Josephus verder â werd hij door don keizer uit zijn ambt ontzet en naar Viouue in Cjallic verbann-'-o. waar hij uit wunhuop zich zehen het loven benam.
509
510 BIJRF.T SCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XL1V.
J E S U S ' KRUISIGING EN DOOD.
(Mattii. XXVII: Maro XV; Luc. XXIII on Joan. XIX).
^ A SS
r'
jj^adat door IMlatus het doodvonnis over Jesus was uitgesproken, ontdeden de krijgs-^ knechten «Jes landsvoogds hem van den scharlaken mantel, waarmede zij hem . omhangen hadden, trokken hem zijne kleederen weder aan en geleidden hem ter
kruisiging. Hij zelf droeg zijn kruis en ging uit naar de plaats, die genaamd werd Jjiy Calvariö (Schedelplaats) of in het Hebreeuwsch Golgotha. Tegelijk met hem werden weggevoerd twee andere veroordeelden : dit waren twee roovers en moordenaars Even builen de stad troffen de krijgsknechten een man aan van Cyrene, met name Simon, de vader \an Alexander en Rufus, die van het veld kwam; dezen man dwongen zij Jesus het kruis te helpen dragen.
Jesus nu werd gevolgd door een groote schare volks, onder welke een aantal vrouwen, die hem beklaagden en beweenden. Doch hij, zich omkeerende, sprak tot haar : Dochters van Jerusalem, weent niet over mij, maar weent ever u zeiven en over uwe kinderen ; want ziet, de dagen zullen komen, waarop men zeggen zal : Gelukkig de onvruchtbaren, en de schoot die niet gedragen heeft, en de borsten die niet gezoogd hebben. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen : valt op ons ! en tot de heuvelen ; bedekt ons I Indien men toch met het groene hout aldus handelt, wat zal aan het dorre geschieden.
Nadat eindelijk de Calvarieberg bereikt was, boden de krijgsknechten jesus zuren wijn aan, waarm gal en mirre gemengd was (om de zinnen te verdooven en het gevoel der pijnen te verminderen). Hij zette zijne lippen aan dien drank (om er de bitterheid van te proeven), doch weigerde hem te drinken (wijl hij met vol bewustzijn wilde lijden.) Daarop kruisigden zij hem, alsook de beide roovers, van welken zij den een aan zijne rechter-, den ander aan zijne linkerhand hingen. Zoo werd het woord der schrift vervuld, dat zegt : En hij is onder de boosdoeners gerekend. Hij nu, voor zijne vijanden biddende, riep tot zijn hemelschen Vader : Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Op Pilatus bevel hechtten de soldaten boven Jesus' hoofd aan het kruis een opschrift, dat de reden zijner veroordeeling heette te bevatten; het luidde; jesus de Nazerener de koning der Joden. Deze woorden, in drie talen geschreven, in het Hebreeuwsch, in het Grieksch en in het latijn, werden gelezen door eene groote menigte volks, vreemdelingen zoowel als inwoners van Jerusalem, die uit hoofde van het paaschfeest en wegens den geringen afstand waarop Golgotha lag, in dichte scharen naar den Calvarieberg stroomden. Ten zeerste geërgerd, gingen de Joodsche opperpriesters tot Pilatus en verzochten hem alsnog het geschrevene te veranderen : Wil, zeiden zij, niet schrijven; De koning der Joden, maar: Deze heeft gezegd: ik ben de koning der Joden. Pilatus antwoordde : Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven
De vier krijgsknechten, die meer in 't bijzonder de kruisiging voltrokken hadden, verdeelden onderling de kleederen van Jesus. Aangaande den langen rok echter, die geheel uit één stuk geweven was, spraken zij tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar er het lot over werpen, wien hij zal toebehooren. Zoo ging wederom een woord der Schrift in vervulling, luidende : zij hebben onder elkander mijne kleederen verdeeld en over mijn gewaad het lot geworpen. â Nadat de vier krijgsknechten aldus gedaan hadden, zetten zij zich bij het kruis neder om wacht te houden.
Velen uit het volk, dat voor het kruis op en neer wandelde, beschimpten Jesus; zij schudden het hopfd en zeiden; Hal gij die den tempel Gods afbreekt en in diie dagen weer opbouwt, redt u zeiven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis 1
Desgelijks spotten ook de opperpriesters, de schriftgeleeiden en de oudsten. Anderen
DOOD VAN CHRISTUS. Bladz. 511.
L
BIJBE LSCHE GESCHIEDENIS. 511
heeft hij geholpen, zeiden zij, zich zeiven kan hij niet helpen ; is hij Israels koning, iaat hem dan afkomen van liet kruis, en wij zullen in hem gelooven. Ja, voegden anderen daarbij, indien hij de Christus, de uitverkorene Gods is, hij verlosse zich, hij kome af van het kruis, opdat wij zien en gelooven I Hij heeft, zeiden weer anderen, op God vertrouwd ; dat God hem dan nu verlosse, als hij welgevallen aan hem heeft; hij zeide immers ik ben Gods Zoon! â Ook de soldalen die bij het kruis de wacht hielden, zeiden: Indien gij de koning der Joden zijt, verlos u dan.
Bij die algemeene bespotting sloot zich zelfs een der roovers aan, die met Jesus gekruisigd waren. Indien gij de Christus zijt, zeide hij tot hem, zoo red u zeiven en ons. De andere roover evenwel sprak berispend tot den eerste ; Vreest ook gij God niet, ofschoon gij dezelfde veroordeeling ondergaat ? en wij wel met recht, want wij ontvangen loon naar werken; maar deze heeft niets kwaads gedaan. Vervolgens sprak hij tot Jesus: Heer, wees mijner gedachtig, als gij in uw rijk zult gekomen zijn. Jesus antwoordde hem : Voorwaar, ik zeg u, nog heden zult gij met mij zijn in het Paradijs.
Bij het kruis, op eenigen afstand, stonden een aantal vrouwen, onder welke Maria Magdalena, benevens Salome, en Maria de vrouw van Cleophas, die eene bloedverwante was van Jesus moeder. Zijne moeder zelve stond met zijn leerling Joannes aan den voet des kruises. Toen Jssus haar zag, alsook den leerling dien hij liefhad, sprak hij tot haar: Vrouw, ziedaar uw zoon; vervolgens zeide hij tot den leerling : Zoon, ziedaar uwe moeder. Van dat oogenblik af nam de leerling haar tot zich.
Omstreeks de zesde ure (naar onze tijdrekening omtrent den middag) verduisterde de zon, en er kwam over geheel de aarde eene duisternis, die aanhield lot de negende ure, (3 uur in den namiddag). Ter negende ure riep Jesus met luider stemme: Eli, eli, lamma sabactani I dit wil zeggen : Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten ? Eenigen van hen, die daar stonden, zeiden ; Hoort, hij roept Klias.
Fen oogenblik daarna, toen Jesus zag, dat alles volbracht was wat van hem geschreven stond, sprak hij, opdat ook nog dit woord der schrift zou vervuld worden : Ik heb dorst. Er was nu in de nabijheid een vat azijn geplaatst, en een der krijgsknechten, eene spons op een hysopstengel stekende, doopte die in den azijn en liep heen om Jesus te drinken te geven, middelerwijl zeggende: Wacht, laat ons zien, of Elias komt om hem te bevrijden. Jesus nu na den azijn genomen te hebben, sprak : Het is volbracht.
Eindelijk riep hij met eene krachtige stem : Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest ! En dit zeggende boog hij zijn hoofd en gaf den geest.
Op datzelfde oogenblik scheurde het voorhangsel des tempels in twee stukken van boven tot beneden : de aarde beefde ; de steenrotsen scheurden ; de graven barsten open, en vele lichamen van rechtvaardigen weiden tegelijk met Jesus' dood opgewekt en zij verschenen in de heilige stad en vertoonden zich aan velen.
De hoofdman der soldaten, die van heigeen op Calvarie geschiedde getuige was, en wien het vooral opviel dat Jesus zoo luid roepende den geest had gegeven, sprak. God verheerlijkende: Waarlijk, deze mensch was rechtvaardig! waarlijk, deze mensch was Gods Zoon ! Zijne onderhoorige krijgsknechten voornamelijk getroffen door de aardbeving en de verdere teekenen, die hen met groote vrees vervulden, riepen insgelijks uit : Inderdaad, deze was de Zoon Gods 1 Ook de scharen Joden, op Calvariüberg aanwezig, kwamen, bij het zien van al wat daar voorviel, voor een oogenblik tot andere gevoelens ; zij klopten op hunne borst en keerden huiswaarts.
1. Volgons oon oerbicdwaardige ovorlevcring, dio zich tot diop in do grijze oudlioid verliest, zou op Calvarie, waar do nieuwe Adam aan do wereld het loven schonk hot lichaam dos eersten Adams zijn begraven. Van deze overlevering die destijds reeds zoor oud was, maken o. n. gewag Origenos, Tortidianns, do II. Athanasius, do II. Angustinus, de II. Cyrillus en hijna hII-- II. Vaders.
2. Do Evangelist Marcus, van Simon van Cyrone sprekmido, voogt er de opmerking bij, dat hij de vader was van Alexander en Kufus. Doze beide personen waren nitmuntonde christenen en dus bij de eerste lezers van
feljÃELÃCHE GESCHIEbENtS.
Marcus' Kvangelie goed bekend. Van Alexander wordt nog gesproken in het Boek van de Handelingen der Apostelen XIX.: 33, van Rufus in den brief van den H Paulus aan de Romeinen XVI: 13.
3 liet woord dor Schrift: ,.liij is onder de boosdoeners gerekend,quot; zal men vinden O. T. hoofdstuk 122 Motmag verder niet ondien-iig geacht worden gemold hoofdstuk bij deze gelegenheid nog eens in zijn geheel te lezen; do lijdensgeschiedenis des Heeren wordt er door den profeet voorzegd schier rnet de nauwkeurigheid van een Kvangelist.
4. De voorspelling: âzij hebben mijne kleederen verdeeldquot; enz, maakt van woord tot woord het ll)e vers uit van don 21en Psalm. Geheel die Psalm is messianisch.
T). In hun dagverdeeling noemden de Joden het tijdstip van hot opgaan der zon de eerste ure; op den middag was het de zesde ure, en bij het ondergaan der zon de twaalfde ure. Daarna werden verder do tusschenuren geregeld, zoodat bv. do derde ure ongeveer overeenstemde â althans in de lente on in de herfst â met ons negende uur iti den voormiddag; terwijl omgekeerd do joodsche negende ure ons derde uur in den namiddag is. Naar onze tijdrekening dus was de volgorde dor gebeurtenissen op don Goeden Vrijdag deze.- a des morgens vroeg (mane, zegt Joan. XIX: 28), dus ongeveer tegen ü uur in den morgen, kwamen do Joden met Jesus bij Pilatus. Na oen kort verhoor zond de landvoogd den beschuldigde naar Herodes. Vervolgens bij Pilatus teruggekeerd, werd Jesus gegeeseld, mot doornen gekroond en veroordeeld. b Tusschen ü en 12 uur geschiedden de wegvoering naar Calvarië en de kruisiging. Ken weinig vóór 12 uur was do kruisiging voltrokken en hing er over Calvarië en ver in het rond een akelig halfdonker, c Ten 'ó ure eindelijk gaf de Heiland den geest. Toen scheurde het voorhangsel des tempels, beefde de aarde, spleten de rotsen en gingen de graven open, welke veelal in de rotsen waren uitgehouwen of waartoe men door de natuur gevormde rotsspelonken bezigde. Uit de geopende graven stonden later, bij de Verrijzenis des Hoeren, vele ontslapen rechtvaardigen op en verschenen te Jerusalem aan verschillende personen, welke zij wellicht bij hun leven gek(.na hadden. Waar die opgewekte ontshipenen later bloven meldt de H. Schrift niet. Sommige uitleggers vermoeden, dat zij in het graf terugkeerden ; andcivn houden het voor waarschijnlijker, dat zij gedurende do /*0 dagen, tot de hemelvaart dos Verlossers, in een verheerlijkt lichaam, dat geen voedsel of kleeding meer behoeft, ergens hier op aarde verbleven, om tegelijk met den Heiland op don AOjii d.ig ten Hemel te varen.
tgt;. Volgons de wet van Mozes moest het joodsche paaschfoest altijd gevierd worden, zoodra in de lente van het loopende jaar de maan voor de eerste maal vol was. Was iemand op dat tijdstip verhinderd, dan werd voor hem de viering uitgesteld, duch niet op een dag naar willekeur, want voor bedoeld geval was uitdrukkelijk de tweede lente volle-maan aangewezen. Daar de Verlosser nu leed en stierf op het feest of â volgons sommigen â des daags daarvoor, zoo kon de verduistering der zon, die bij zijn dood plaats had, geen gewone zon-eclips zijn, wijl deze niet anders mog lijk is, dan bij nieuwe maan. Zij was dus een schitterend wonder.
Of dit wonder plaatselijk dan wel algemeen was, hangt af van de vraag, of men de woorden dor Evangelisten âsuper universam terramquot; moet vertalen door âover geheel het landquot;, d. i. âhet joodsche land,quot; of door ,,over géheel de aarde.' Hot spraakgebruik der 11 Schrift laat beide vertalingen toe; de laatstgenoemde schijnt echter, ook met het oog op de ongewijde geschiedenis, de moest juiste te zijn. Althans verschillende schrijvers uit don eersten tijd van het christendom getuigen, dat ho verduisteren der zon, waarvan hier spraak is, als een buitengewoon voorval werd opgeteekend in de npenbare co-konden, waarin het nog in hunne dagen te vinden was. Zoo b. v. overhandigde de H. Lucianus Martelaar, voor de rechtbank te Nicomodiö, den rechters een geleerd verdedigenssehrift, waarin hij hun o. a. toeriep : ,,Raadpleegt uwe geschied rollenquot;, en gij zult bevinden, dat ton tijde van Pilatus, toen de Christus leed, de zon midden op den dag ophield te schijnen, en de dag onderbroken werd. Reeds vóór hem had Tertuliaan, die ruim eene eeuw na Christus' dood leefde, in zijne Apologie aan het nomeinsche volk over dezelfde zaak sprekende, gezegd : ..Dit wereld ongeval staat vermeld in uwe archieven.quot; Do heidensche geschiedschrijvers Phlegon, een vrijgelatene van keizer Adrianus, en Thallus maken eveneons van het buitengewone voorval gewag, do eerste gelijk uit Eusebius blijkt, in het dertiende boek zijner Kronijken. Do Areopagiet Dyonisius schrijft, «lat hij de gemelde verduistering heeft waargenomen te Hcliopolus in Egypte, waar hij zich destijds met zijn vriend Apollophanus bevond. Ton tijde van Origenes en Julius de Afrikaner werd er dan ook over het feit niet meer getwist, maar streed men nog alleen over de vraag of het een natuurlijke zonsverduistering was geweest of niet
7. De woorden : ,,Mijn Ood. mijn God, waaromquot; enz., ontleende Jesus aan den 2ton Psalm, waarin zijn lijdon wordt voorspeld. Hij wilde door die teedere klacht te kennen geven, tot welke ontzettei de hoogte zijne smarten in die ure waren geklommen. Geheel door God verlaten worden kon hij met; zijn heilige rnenschheid bleef en blijft immer op het nauwst en onafscheidelijk met de Godheid vereenigd; in zoover zulks echter met die vereeniging bestaanbaar was, wilde hij den werkzamen en gevoeligen troost der godheid voor zijn menschelijke ziel ontberen, en tot boete voor onzen afval van Go l zoo verlaten mogelijk sterven.
8. Bij den dood van ons, gewone Adamskinderen, begeven ons ton laatste onze krachten, de stem weigert haar dienst, en ter nauwernood kunnen de bloeke lippen nog fluisteren. Bij Jesus was dit geheel anders. Hij stierf niet als wij uit zwakheid en uit noodzakelijkheid, maar uit de volheid zijner macht en uit vrijen wil. Op hetzelfde oogenblik d it hij don geest gaf, klonk zijne stem over Golgotha met eene helderheid en veerkracht, die den hoofdman in verbazing deden uitroepen: Waarlijk, deze monsch was Gods Zoon I â Zóó den geest te geven vermocht alleen hij, die van zich zeiven zoggen kon: ,,Daarom bemint mij de Vader, omdat ik mijn leven afleg, om het terug te nemen; niemand neemt het mij af, maar ik leg het af uit mij zeiven; ik heb de macht het af te leggen en do macht om het weerom te nemen.''
512
JESUS IN HET GRAF GELEGD. Bladz. 513,
mjRF.LSCHR GESCHIRDF.NIS.
HOOFDSTUK XLV.
UE LANSSTEEK, DE A FN KM ING VAN HET KRUIS EN DE li K.GRAF EN IS.
(Joan. XfK. Mattii. XXVII; Ma nr. XV; Luu. XXIII)
rA$ ****%amp;
: ^
J aar de kruisiging van Jesus en der beide misdadigers plaats had op den sabbat, en deze sabbat wegens de paaschweek, waarin hij viel, een zeer plechtige dag was, wilden de Juden niet, dat de veroordeelden op dien dag aan het kruis zouden blijven hangen Zij begaven zich derhalve naar 1'ilatus en verzochten hem s/^S'A de beenen der gekruisigden te laten breken, opdat hunne lichamen nog voor den iff avond van het kruis konden worden genomen Pilatus aan dien wensch gehoor ge-^ vende, zond eenige krijgsknechten, die de beenen der beide moordenaars braken ; doch bij Jesus komende, en ziende dat iiij reeds dood was, braken zij zijne beenen niet, maar een der krijgsknechten doorstak hem de zijde met eene lans, en oogenblikkelijk vloeide daar water en bloed uit. Zoo werd vervuld hetgeen de Schrift zegt : Geen been zult gij hem breken ; â en op een andere plaats : Zij zullen hunne oogen wenden tot hem, dien zij doorboord hebben.
Een weinig na bovenvermelde Joden kwam bij Filatus een aanzienlijk, rijk en rechtvaardig man met name Joseph, uit de stad Arimathea in Judea. Hij was lid van den Hoogen Raad, maar had aan diens handelingen tegen Jesus geen deel genomen,- evenmin als zijn ambtgenoot Nicodemus. Beide mannen toch waren leerlingen van jesus, doch in het geheim ; want, openlijk daarvoor uitkomen durfden zij niet, uit vrees voor de Joden. Thans echter trad Joseph onveischrokken op en vroeg Pilatus, het lichaam des Meesters van het kruis te mogen nemen om het te begraven. Pilatus, verwonderd dat Jesus reeds den geest had gegeven, liet den hoofdman komen, die met de vier soldaten de wacht bij het kruis h id gehouden, en op diens verzekering dat Jesus werkelijk dood was, gaf hij Joseph de gevraagde vergunning.
Joseph nam alsdan met Nicodemus het lichaam van het kruis. De eerste had fijn lijnwaad, gekocht, terwijl Nicodemus zich voorzien had van ongeveer honderd pond specerijen, een mengsel van aloii-hout en mirre. Met doze specerijen wikkelden zij het lichaam in het lijnwaad, zooals met de lijken van voorname Joden gewoonlijk gehandeld werd. Dicht bij de plaats der kruisiging nu lag een tuin, aan Joseph toebehoorende . hij had er in de rots een graf laten uithouwen, waarin nog niemand gelegd was. Daar legden beide mannen^ wegens de nabijheid der plaats en omdat de sabbat ophanden was, het lichaam van Jesus, en sloten het graf, door voor den ingang een grooten steen te wentelen.
Eenige vrome vrouwen, dezelfden die tijdens Jesus'laatste leversuren bij zijn kruis hadden gestaan, volgden ook nu op een kleinen afstand het doode lichaam naar het graf, en zagen hoe het daarin weid gelegd. Voorts huiswaarts keerende en het voor hare liefde niet genoeg achtende wat Joseph en Nicodemus hadden gedaan, kochten zij weliiekende kruiden en balsem, om na afloop van den sabbat het dierbare lichaam opnieuw bij te zetten. Gedurende den sabbat echter bleven zij te Jerusalem de door de wet voorgeschreven rust in acht nemen.
Niet zoo rustig gedroegen zich de opperpriesters en hunne mede-oversten Eenige hunner begaven zich op den sabbat tot Pilatus en spraken tot hem : Heer, wij herinneren ons, dat deze bedrieger, (oen hij nog leefde, gezegd heeft : Na drie dagen zal ik verrijzen. Doe derhalve het graf tot den derden dag bewaken, opdat niet soms zijne leerlingen hem komen stelen en daarop aan het volk zeggen : hij is uit de dooden opgestaan Zoo toch zou de laatste dwaling erger worden dan de eerste Pilatus sprak : Gij hebt eene wacht, gaat dus en laat het graf bewaken, zooals het u dienstig voorkomt. Zij nu heengaande| plaaisten een wacht bij het graf en verzegelden den steen. Daarop keerden zij naar Jerusalem terug.
513
65
514
1. De woorden: ,.Goon been zult gij hom brekenquot; had Moses gesproken van het pnnschlam, en daar dit een voorafbeelding was van liet ware Lam, don zich zeiven slachtollorenden Oodrnensch, waren die woorden in profetischon zin gezegd van hem.
2. Do voorspelling: ,.ZiJ ?ullcn hunno oogen wenden tot hom, dien zij doorboord hebbenquot;, is van Znchnrias; zie O. T. hoofdstuk 141.
3. De lanssteek, welke Josus in di» zijde ontging, maakte eene wondo zoo diep en breed, dnt Thomas na de verrijzenis rr zijne hand In kon loggen; zie volgend hoofdstuk. â- Vrij nlgemern neemt men aan, dot de linkerzijde doorboord werd, ook omdat de krijgsknecht, vóór Jesus staande om te zien of hij dood was, in genoemde zijde hot gemakkelijkst densteek kon toebrengen Zeker is het echter niet.
4. De Joden telden anders dan wij. ,.Na drie dagenquot; wilde bij hen hetzelfde zeggen ah: ,,op donderden djigquot;, of, ,,tea derden dage.quot; Jesus lag in het graf een gedeelte van den Vrijdag den geheelen Zaterdag en een gedeelte van den Zondag,
0. liet verdient opgemerkt te worden, dat de opperpriesters, die vroeger Jesus' woorden: Breekt dezen tempel at en in drie dagen zal ik hem weder opbouwenquot;, niet schonen verstaan te hebben, thans, nu hot hunne zaak te pas kwam, zeer goed wisten wat hij bedoeld had. Zander aarzeling of twijfel verklaren zij aan Pilatus: ,,Wij herinneren ons, dat deze bedrieger, toen hij nog leefde, gezegd heeft: âNa drie dagen zal ik verrijzen.quot; Met dezelfde woorden had Josus dit nooit tot hen gcz«'glt;l: hij had het gezegd met de woorden; ,,Breekt dozen lompol afquot; enz. Zij verklaren dus thans zeiven, dnt zij deze la.itste woorden hadden begrepen in den zin, dien Jesus daaraan hechtte, en bijgevolg, dat zij gehuicheld hadden, toon zij op hunne vergadering ten huize van Caïphas uit gemelde woorden een punt van aanklacht tegen hem wilden vormen.
0. Gelijk reeds vroeger gezegd is, deed een aantal krijgslieden van de cohorte, dio op den burcht Antonia lag, dienst als tempelwacht, en stond in die betrekking ondor de bevolen der opperpriesters en tempel-oversten. Naar deze soldaten verwijst Pilatus hen, als hij zegt; âGij hebt eene waclit.quot;
7. Het graf was een in do rots uitgehouwen tamelijk ruime kamer, waar men, zooals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, met meer personen tegelijk kon ingaan. Hot dierbare lichaam weid daar neergelegd, niet in een doodkist â de Joden kenden die niet â, maar met speceiijen in linnen gewikkeld, terwijl hot hoofd afzonderlijk omwonden was met een stuk lijnwaad, dat men den zweetdoek noemde. N.i de begrafenis werd de ingang der grafkamer afgesloten door een daarvóór gewentelden grooton steen. Joseph en Nicodomus werden, zoowel bij dit werk als bij de afneming des lichaams van het kruis, ongetwijfeld door eenige hunner dienstknechten of door eenige vrienden geholpen
8. Terwijl hel gezegende lichaam des Hoeren in het graf rustte verwijlde zijn heilige ziel in het voorgeborcht der hel, waarin zij bij zijn dood was afgedaald, om aan de zielen der Heilige Oudvaders, die in Gods genade gestorven waren, do volbrachte verlossing a:-.n tc kondigen. Zij konden eclr.er nog niet aanstonds den hemel binnengaan; deze toch was om de zonde doo eersten Adams gesloten, en al had thans de tweede Adam de genade verdiend, dat do hemel kon heropend worden, de werkelijke heropening was nog niet geschied. Met zou toch tegen alle orde hebben ingedruiücht, dal iemand eerder de plaats der heerlijkheid binnenging dan de Hoer der heerlijkheid zelf. Hij alleen, dio do genade der heropening verdiend had, kon en moest ook do heropening zelve lol stand brengen. Dit deed Hij op den vcerlig.-ten dag na zijne verrijzenis; toen voer hij zichtbaar voor de oogen zijner apostelen ten hemel op, en ouzichLbuai werden met hem en in zijn gev-U J-1 zielea der 11. Oudvaders opgoiiomen.
â¢110 O E D S T U K XLVI.
DE VERRIJZENIS.
(SlATTH. X.WU Mabc. XVIi Luc. XXIV: Joan. XX.»
^ alt;:'at S'^bat geëindigd en de eerste dag der week aangebroken was, gingen ^ar'a ^lagdaiena en Maria de vrouw van Cleophas, benevens Salome, Joanna ^0^7de vrouw van Chusas en nog andere vrouwen, met de door haar gekochte PT q) specerijen des morgens vroeg naar het graf, om Jesus te balsemen. Toen zij zich tot A, vertrekken gereed maakten, was het nog donker, maar inmiddels begon het licht te worden, en toen zij bij het graf kwamen, stond de zon even boven de kimmen. Onderweg spraken de vrouwen tot elkander : Wie zal ons den steen voor den ingang des grafs wegwentelen? Doch op hetzelfde oogenblik, dat zij uit aanmerking van de
DE ENGEL EN DE GODVRUCHTIGE VROUWEN.
__BIJBELSC HE GESCHIEDENIS. 515
zwaarte des steens dit zeiden, had bij het graf en in den omtrek eene geweldige aardbeving plaats, welke veroorzaakt werd door een engel, die van den hemel afdaalde en den steen wegwentelde, waar hij zich vervolgens op nederzette. Zijn gelaat blonk als de bliksem en zijne kleederen waren wit gelijk sneeuw. Bij zijne verschijning werden de wacht-houdende soldaten door groote vrees bevangen, en bleek als dooden namen zij de vlucht.
Inmiddels waren de vrouwen het graf genaderd, en daar zij het reeds geopend zagen, gingen zij er binnen, doch vonden het lichaam van Jesus niet. Aanstonds snelde Maria Magdalena naar Petrus en naar Joannes en sprak tot hen : Zij hebben den Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben,
De beide leerlingen spoedden zich alsdan, gevolgd door Maria Magdalena, gezamenlijk naar het graf, waar Joannes, die ten laatste iels vlugger liep dan Petrus, het eerst aankwam. Hij bukte zich, keek in het graf, zag daar het lijnwaad liggen, maar ging het graf niet binnen. Ken oogenblik later kwam Petrus; hij ging in het graf, en zag niet alleen het lijnwaad, maar ook, een weinig ter zijde, den zweetdoek, waarmede het hoofd des Heeren bedekt was geweest, en die afzonderlijk opgerold lag. Thans trad Joannes eveneens het graf binnen ; hij zag alles en geloofde. Tot nu toe hadden de leerlingen den zin van Jesus woorden, dat hij zou verrijzen, niet geheel begrepen. â Eindelijk keerde Petrus, ten hoogste verwonderd over hetgeen hij gezien had, met Joannes naar Jerusalem terug.
Maria Magdalena bleef nu met de andere vrouwen alleen achter. De andere vrouwen gingen in het graf, en daar verschenen haar. in de gedaante van mannen, twee engelen in schitterend witte kleeding. Intusschen stond Maria Magdalena buiten het graf en weende. Eindelijk, zich omkeerende, wierp zij met hare betraande oogen een blik in het graf, en nu zag ook zij de beide engelen, van welke de een gezeten was ter plaatse waar het hoofd van Jesus had gerust, en de andere, waar zijne voeten hadden gelegen. De engelen vroegen haar: Vrouw, waarom weent gij? Magdalena antwoordde: omdat zij mijnen lieer hebben weggenomen, en ik niet weet waar zij hem gelegd hebben. â Dit zeggende keerde zij zich andermaal om en ging heen. Thans zag zij op eenigen afstand van het graf Jesus staan, doch zij erkende hem niet, maar meende dat het Joseph van Arimafhea's tuinman was. De onbekende vroeg haar: Vrouw waarom weent gij? wien zoekt gij? Zij antwoordde, dat men haar Meester had weggenomen, en zeide verder tot den vermeenden tuinman : Indien gij hem hebt weggenomen, zeg mij waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem weder vandaar wegnemen. Jesus, de vrouw bij haar naam noemende, sprak het enkele woord: Maria I Met den blijden uitroep : Rabboni. dat wil zeggen Meester, trad Maria vooruit ; zij had Jesus erkend en wilde zich aan zijne voeten werpen Jesus echter sprak haar toe : Raak mij niet aan. want ik ben nog niet opgevaren tot mijn Vader; doch begeef u naar mijne broeders (mijne leerlingen), en zeg hun namens mij: Ik zal opklimmen tot mijnen Vader en uwen Vader, tot mijnen God en uwen God. Onverwijld snelde Maria heen. en juichend riep zij den nog treurenden leerlingen toe : Ik heb den Heer gezien ! Voorts verhaalde zij omstandig, hoe dit geschied was en wat de Heer tot haar gesproken had ; maar de leerlingen konden in weerwil van dit alles nog moeielijk gelooven, dat de Heer werkelijk leefde.
Terwijl dit met Maria Magdalena gebeurde, waren de andere vrouwen in en bij het graf gebleven en hielden treurig den blik ter aarde gevestigd. Doch de engelen in het graf spraken tot haar: Wilt niet treuren noch vreezen; gij zoekt Jesus van Nazareth, die gekruisigd is ; doch wat zoekt gij den levende onder de dooden ? hij is hier niet, want hij is verrezen gelijk hij gezegd heeft. Herinnert u slechts, hoe hij nog in Galilea zijnde tot u sprak : de Zoon des menschen moet worden overgeleverd in de handen der zondaren en hij moet gekruisigd worden, maar ten derden dage zal hij verrijzen. Dit is thans vervuld ; komt slechts en ziet de plaats, waar de Heer gelegd was, en spoedt u dan tot zijne leerlingen en in het bijzonder tot Petrus, en boodschapt hun, dat hij verrezen is ; en ziet, hij
51(5 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
zal u vooruitgaan naar Guiilea, daar zult gij hem aanschouwen, gelijk hij u voorzeide. De vrouwen herinnerden zich nu alles, wat Jesus daarover vroeger gesproken had, en vol heilige ontzetting snelden zij heen, zonder aan iemand onderweg een woord van het gebeurde te zeggen, want zij waren al te zeer door de blijde tijding ontsteld. Doch zietlt; onverwacht verscheen haar Jesus zelf en sprak tot baar : Zijt gegroet. De vrouwen herkenden hem cn omhelsden in den diepsten eerbied zijne voeten, jesus sprak verder: Vreest niet, maar boodschapt mijnen broeders, dat zij zich naar Galilea begeven, daar zullen zij mij zien. Onverwijld gingen de vrouwen heen, om dit bevel ten uitvoer te brengen ; doch wat zij ook, zij zoowel als Maria Magdalena, aan de leerlingen verzekerden, hare woorden schenen dezen toe als onzinnige taal, en zij geloofden de vrouwen niet.
Een weinig na de vrouwen kwamen te Jerusalem de krijgsknechten, die de wacht bij het graf hadden gehouden (en die na hunne vlucht waarschijnlijk een tijdlang in den omtrek des grafs of elders hadden rondgezworven). Zij begaven zich tot de opperpriesters en verhaalden hun wat er gebeurd was De opperpriesters vergaderden nu den geheelen Hoogen Raad, en deze gaf na een korte beraadslaging veel geld aan de krijgsknechten, onder de woorden : Zegt. dat zijne leerlingen hem dezen nacht gestolen hebben, terwijl gij sliept ; en mocht den landvoogd dit ter oore komen, dan zullen wij hem wel tevreden stellen en zorgen dat gij niet gestraft wordt. De soldaten namen het geld aan en vertelden alom, gelijk de Hooge Raad hun had ingegeven. Zoo werd dat verzinsel onder het volk verspreid.
'1. Dat de vrouwen, toen hot nog donker was, zich gereed mankten om naar het graf te gaan, en daar aankwamen, nad.-it de zon reeds boven de kimmen gerezen was, laat zich gemakkelijk verklaren als men bedenkt, dat waarschijnlijk de eene vrouw, door do andere geroepen, nog sommige toebereidselen had te maken, dot een derde om een andere reden eemgen tijd werd opgehouden enz., zoodat er lichtelijk een uur, of meer, kon verloopen, voor zij gezamenlijk het graf bereikten.
2 Volgens het eenstonmig gevoelen van allo li Vaders verrees de Zaligmaker terwijl het gral nog gesloten was; voor zijn verheerlijkt lichaam en zijne alm icht kon do steen, die den ingang bodokto, evenmin eon hinderpaal zijn als lat t de gesloten deuren van het huis, waar de Apostelen vergaderd waren.
De aardbeving of de aardschok werdt veroorzaakt door den engel, die van den hemel afdaalde om den steen weg te wentelen. Dit hutste deed hij niet, om het graf voor den Heiland te ontsluiten â deze toch had het graf reeds verlaten â maar eensdeels, om de krijgsknechten voor zoover mogelijk van de verrijzenis getuigen te maken, en ander deels om aan de vrouwen te laten zien, dat het graf ledig w.is.
A. De woord n : ,,raak mij niet aanquot; enz , waarmede Jesus Maria Magdalena verbood wat hij de andere vrouwen toestond, worden dour dc Schriftverklaarders in zeer verschillenden zin uitgelegd S omnugen mecnen, dat Jesus eenvoudig het volgende heeft willen zeggen : Maria, houd u thans niet op met mij aan te raken en mijne voeten te kussen, later zelt gij daarvoor nog gelegenheid genoeg hebben, want ik ben nog niet opgevaren tot mijn Vader, ik blijf nog eenigen tijd op aarde; spoed u du.-gt; nu nanr mijne leerlingen om hun het blijde Ijerichf te brengen. âDeze meening is al te eenvoudig ' de Zaligmaker moet ongetwijfeld dieper zin in zijne woorden hebben gelfgd. Anderen, zooals bv. de II. Chrysostomus, verklaren dnn ook die woorden in dlt; zer voege; M.iria, r.iak mij niet aan met die gemeenzaamheid, waarmede gij dat vroeger deedt ; want ik bezit thans een verheerlijkt lichaam, en al ben dc nog niet opgeklommen tot mijn Vader, ik zal het toch weldra doen. Weder anderen verklaren; Maria stel wat gij doen wilt uit; als ik eenmaal opgeklommen ben, en u daar tot mij genomen heb. zult gij inij met alle heiligen mijne voeten eeuwig kunnen omhelzen, d. i. u eeuwig in mijn bezit verheugen. Nog anderen meonen, dat M.igdalena Jesus' voeten niet wilde omhelzen op de wijze, waarop zij dit vroeger deed, maar dat het hare bedoeling was, hein te huldigen als den verrezen en verheerlijkten Godmensch. Deze hulde nu wilde Jesus niet van een mcnsch ontvangen, dan n dat hij ze bij zijne hemelvaart het eerst ontvangen had van zijn Vader zeiven, die, hem plaatsende aan zijne rechterhand, het door hein verricht verlossingswerk zou bekronen en bezegelen â De andere vrouwen â meenen dezelfde uitleggers â hadden de genoemde verhevene soort van hulde niet op het oog; daarom kon Jesus haar toestaan wat hij Magdalena weigerde Deze laatste uitlegging schijnt de meest gegronde.
5. liet verzinsel, door de soldaten op ingeving van den llooge Raad alom verspreid, sprak zich zeiven tegen. Als zij toch werkelijk geslapen hadden, hoe wisten zij dan. dat Jezus niet verrezen, maar gestolen was? Hoe wisten zij verder, dat het juist de leerlingen warin, die de voorgewende daad gepleegd hadden? Als zij hen gezien hadden, hadden zij niet geslapen en de daad kunnen beletten. Do leugen was dus zoo klaarblijkelijk mogelijk. â I'ovendieu konden de Joden met oen weinig goeden wil sp edig genoeg vernemen, dat Jezus zich telkens levend vertoonde, nu eesns aan eenigen, dan aan velen, eens zelfs aan 500 personen tegelijk; doch aan goeden wil ontbrak het hun; en evenals zij leans, ondanks de schitte. rendste wonderen, die hij voor hunne eigen oogen verrichtte, gekruisigd hadden, zoo weigerden de meesten hunner ook thans in hem te gelooven, en waren do dwaaste verzinsels hun welkom.
é
7
BIJRELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XLVH.
VERSCHILLENDE VERSCHIJNINGEN VAN JEjUS AAN ZIJNE LEERLINGEN.
(Mahc. \ VI; Luc. WW (jn Joas'. XX)
AAK
â¢K â¢K â K
uzelfd n dag dat Jesus verrezen was, begaven zich twee zijner leerlinge0 * t (gei'n apostelen) des namiddags naar zeker vlek, met name Emmaüs dat zestig
quot;â¢Vrj â¢Â«. stadiën (21/, uur) van Jerusalem lag. Terwijl zij onderweg met elkander in druk gesprek gewikkeld waren over de gebeurtenissen der laatste dagen, voegde |esus JjL zich bij hen en ging met hen mede ; doch hunne oogen werden weerhouden, zoodat 'Y zij hein niet erkenden. Na een korte wijle vroeg hij hun : Welke zijn toch de reden, die gij al wandelende met elkander wisselt, en waarom zijt gij zoo droevig? Een hunner, Cleophas, zeide : Zijt gij alleen een vreemdeling in Jerusalem, dat gij niet weet wat daar dezer dagen is geschied? Hij vroeg: wat dan? Zij antwoordden: Wel! met Jesus van Nazareth, die een proleet was, machtig in werk en woord voor God en al het volk, en hoe onze opperpriesters hem ter dood geleverd en gekruisigd hebben ; wij nu hoopten, dat hij het was, dat Israël ?ou verlossen ; maar met dat al is het heden reeds de derde dag sedert die dingen geschied zijn. Wel is waar hebben eenige vrouwen uit de onzen ons verbaasd ; zij waren voor het daglicht naar het graf gegaan, en zijn lichaam niet vindende, kwamen zij ons verhalen, dat zij eene verschijning gezien hadden van engelen die zeiden dat hij leefde Eenigen der onzen spoedden zich alsdan naar het graf en bevonden dit zoo, gelijk de vrouwen gezegd hadden (ledig); hem echter vonden zij niet. â Jesus sprak daarop tot de beide Emmaüs gangers : O, gij onverstandigen en tragen van harte om fe gelooven al hetgeen de profeten hebben gezegd 1 Moest niet de Christus deze dingen lijden en aldus ingaan in zijne heerlijkheid? Vervolgens doorliep hij met hen, bij Moses beginnende, de boeken der verschillende profeten, en verklaarde hun hetgeen omtrent hem in alle Schriften geschreven stond. Ãndertusschen naderden zij het vlek. waar zij heengingen, en hij hield zich, als wilde hij verder gaan ; doch zij noodigden hem met aandrang uit, bij tien te blijven : Blijf bij ons, zeiden zij, want het wordt avond en de dag begint reeds te wijken Hij ging dan met hen binnen. Nadat zij zich gezamenlijk aan tafel hadden gezet, nam hij het brood, zegende en brak dit en gaf het hun. Nu werden hunne oogen geopend en zij kenden hem, maar terzelfter stond verdween hij uit hunne oogen. Zij zeiden alsdan tot elkander : Was ons hart niet brandende in ons, toen hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende? Dit zeggende stonden zij op en keerden ondanks het late uur onmiddelijk naar Jerusalem terug,
Te Jerusalem waren de elf apostelen en ve'e anderen leerlingen vergaderd in een huis waarvan zij, uit viees voor de Joden, de deuren zorgvuldig gesloten hadden. Diegenen, welke Cleophas en zijn metgezel binnenlieten, . riepen hun aanstonds toe : Ue Heer is waarlijk verrezen I hij is aan Simon verschenen ! Van hun kant verhaalden nu de beide mannen ; wat hun onderweg geschied was en hoe zij Jesus bij de breking des broods herkend hadden.
Terwijl nu daarover onder de vergaderden druk gesproken werd en velen nog moeielijk konden gelooven, stond eensklaps, zonder dat een deur geopend was, Jesus in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! ik ben het vreest niet. Vervolgens berispte hij hen over hunne ongeloovigheid en verhardheid des harten, wijl zij aan degenen, die hem verrezen gezien hadden, geen geloof hadden geschonken. Zij echter, verschikt en onsteld als zij waren, meenden in hem een geest te aanschouwen. Doch hij, hen geruststellende, sprak hun toe : Waarom vreest gij, en stijgen zulke gedachten in uwe harten op ! Beziet mijne handen en voeten en overtuigt u, dal ik het ben; belast ze en begrijp toch, dat een
517
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
geest geen vleesch en gebeente heeft, zooals gij mij ziet hebben. Dit zeggende toonde hij hun zijne handen en voeten, alsook zijne zeide. Zij waren nu zeer verheugd, doch konden van blijdschap en verwondering nog bijna niet gelooven, totdat eindelijk Jesus, om allen twijfel bij hen weg te nemen, hun vroeg : Heb gij hier iets to eten ! Op die vraag boden zij hem een gedeelte van een gebakken visch aan en een stuk honigraat; hij at daarvan ten aanschouwe van allen, en hetgeen er overbleef gaf hij hun. Vervolgens sprak hij fot zijne apostelen; Vrede zij ul gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u. Voorts blies hij over hen en zeide tot hen; Ontvangt den Heiligen Geest; wier zonden gij vergeeft, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij behouden zult hebben, dien zijn zij behouden.
Thomas nu, een der twaalf, die ook Didymus genoemd wordt, was niet bij de andere leerlingen toen jesus zich aan hen vertoonde De andere leerlingen zeiden later tot hem : Wij hebben den Heer gezien. Doch hij sprak : Als ik niet in zijne handen de gaten der nagelen zie, en mijn vinger niet in de plaats der nagelen steek, en mijne hand niet leg in zijne zijde, zal ik niet gelooven. Acht dagen daarna waren de leerlingen weder bijeen, en Thomas met hen. Opnieuw stond eensklaps Jesus, terwijl de deuren gesloten waren in hun midden en sprak: Vrede zij u! Vervolgens zeide hij tot Thomas; Steek uw vinger hierin en bezie mijne handen, leg ook uwe hand in mijne zeide en wees niet ongeloovig, maar geloovig. Thomas riep hem toe: Mijn heer en mijn God! Jesus sprak ; Omdat gij mij gezien hebt Thomas, heb gij geloofd (geloofd dat ik verrezen en dat ik uw Heer en God ben); zalig zijn zij die niet gezien en toch geloofd hebben.
1. Toen Jesus zich met de boidn leerlingen te Enimnüs nnn tafel had gezet, ânam hijquot; zegt de Evangelist, ,,h(;t brood, zegende en brak tilt en gnf hot hun.quot; Deze woorden worden door sommige Schriftverklaarders, zoo onder de 11 V«dfT8 als onder de latere hij vers. verstaan in den zin, dat hier hut II. Sacrament bedoeld wordt. De leerlingen konden trouwens reeds weten, al waren zij zeiven daarbij niet tegenwoordig geweest, dit Jesus op don avond vóór zijn lijden dit heilig Geheim 1 ad ingesteld ; immers zij bewoonden met de apostelen en andere leerlingen hetzelfde huis, en ongetwijfeld zal er onder hen, op den tusschen de kru'mlging en de opstanding invallenden sabbat, schier over niets anders dan over dos Meesters laatste daden gesproken zijn, zoodat hij slechts een enkel woord noodig had, om zich door de beide Emmaüs-gangers te doen verstaan.
Andere Schriftverklaarders evenwel zijn het met de eerstgenoemde mooning niet eens; volgens hen was hetgeen Jesus te Emrraiis aan Pleophas en diens metgezel uaf gewoon brood, niet het H. Sacroment.
2. Zij die zich do protestantoette Cristenheid noemen, en de mcening zijn toegedaan, dat ieder mensch door eigen onderzoek de waarheid in de U. Schrift kan vinden, denken ook op dat punt geheel anders dan de goddelijke Verlosser die zijnen leerlingen de schrift uitlegde; eerst hij die uitlegging begrepen zij den zin van het geschrevene, en werden hunne harten brandend in hen D â katholieke Kerk, de oenige die door don Godincnseh gesticht is, en in alles aan zijn voorbeeld en zijne lessen getrouw blijft, leest dan ook haren kinderen de 11. Schrift niet voor of geeft hun die niet in handen, zonder dat zij hare verklaring en ui'legging daar bijvoegt.
3. De vergaderde Apostelen en verdere leerlingen meenden in Jesm een geest to zien. omdat hij binnenkwam niettegenstaande de deuren gesloten waren ; dit. dachten zij. was alleen voor een geest mogelijk. Om hen gerust te stellen en hen te overtuigen, dat hij het zeil Is, laat hij hun zijne doorboorde handen en voeten zien en betasten, en toont hun ook het wondmerk in zijne zijde. De II. Gregorius maakt uit dit alles de gevolgtrekking, dat ofschoon het verheerlijkte lichaam van Christus en dat der heiligen na hunne verrijzenis lijn cn licht is, zoodat het door niets kan worden tegengehouden, het toch zichtbaar en tastbaar blijft.
4. Van den gebakken viach en de honigraat, die Jesus ten aanschouwe zijner leerlingen nuttigde, zegt professor Ileelen het volgende: ,,Niet het vermogen van spijze te nemen, maar wel do behoefte aan spijze tot onderhoud des levens, is aan do verheerlijkte lichamen ontnomen. Overigens, hot nemen van spijze moet niet noodzakelijk verbonden zijn met spijsverteering on voeding van den gespijzigde. Kn wio kan er aan twijfelen, of Jesus macht had om de spijze, die hij genomen had, zonder verteering en voeding op een buiten- uf bovennatuurlijke wijze uit zijn verheerlijkt lichaam te doen verdwijnen ? quot;
518
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK XLVIII.
JESUS' VERDERE VERSCHIJNINGEN EN ZIJNE HEMELVAART.
(Jüan. XXI; Mattii. XXV11I; Maiic. XVI; Luc. XXIV; Handui.iNOEN 1; I CorinTH. \V.)
******
^ingevolge Jesus' bevel aan de vrouwen hadden de leerlingen (die misschien later lt;lt; Efj fól 1 dit bevel ook zeiven ontvingen) zich naar Galilea begeven, en daar verscheen hun Q.«.1 Jesus aan het meer van Genesareih, ook de zee van Tiberias genoemd. Dit i^gQ) geschiedde aldus. Simon Petrus, Thomas bijgenaamd Didymus, Nathanaöl, de beide zonen van Zebedeüs : Jacobus en Joannes, en nog twee andere leerlingen bevonden zich te zamen niet ver van genoemd meer. Simon Petrus sprak tot de anderen: Ik ga visschen. De anderen zeiden : Wij gaan met u. Zij scheepten zich nu in en staken een weinig van wal, maar vingen dien nacht niets. Bij het aanbreken van den morgen zagen zij Jesus aan den oever staan, doch zij wisten niet dat hij het was. Hij vroeg hun alsdan. Kinderen, hebt gij eenige toespijs (visch, die als toespijs bij brood gegeten wordt)? Zij antwoordden hem ; Neen. Werpt dan, sprak hij, het net uit aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vangen. Als zij dit gedaan hadden, vingen zij een zoo groote hoeveelheid visch, dat zij het net niet uit het water konden trekken. De leerling, die Je-sus liefhad (Joannes), dit ziende, sprak tot Petrus: Het is de Heer! Zoodra Simon Petius hoorde dat het de Heer was, sloeg hij zijn oppergewaad om â want hij was in zijn onderkleed â en wierp zich in het meet (om te spoediger bij Jesus te zijn». De anderen roeiden hem vervolgens na met het schip, dat op tweehonderd elleboogsmaten afstands van den oever lag, terwijl zij het net met visch in het water achter zich aansleepten. Toen zij aan wal stapten, zagen zij een vuur en reeds visch daarop ; ook lag er brood bij, Jesus (die door zijn almacht het vuur en de visch met hel brood had voortgebracht) sprak nu tot de leerlingen. Gaat en brengt van de visch, die gij thans gevangen hebt. (Dit zeide hij, om er hunne aandacht op te vestigen, dat die eerste visch niet door hen gevangen was.) Simon Petrus liep alsdan naar het schip, maakte het net daarvan los, haalde dit aan den oever, en ofschoon het niet minder dan honderd drie en vijftig groote visschen bevatte, scheurde het evenwel niet. Vervolgens sprak Jesus tot de leerlingen : Komt en eet. Allen gingen nu aanzitten, zonder dat het bij iemand opkwam Jesus te vragen: VViezijtgij? â trouwens zij wisten dat het de Heer was. De Heer nam alsdan het brood en gaf het hun, en desgelijks deed hij met de visch.
Nadat zij gegeten hadden, sprak Jesus tot Simon Petrus : Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij meer lief dan dezen (meer dan uwe medeleerlingen mij liefhebben) ? Petrus antwoordde : Ja, Heer! gij weet, dat ik u liefheb. Jesus sprak tot hem; Weid mijne lammeren. Andermaal vroeg hij: Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij lief? Petrus antwoordde weder : Ja, Heer 1 gij weet, dat ik u liefheb. Jesus sprak opnieuw : Weid mijne lammeren. Ten derde male vroeg Jesus: Simon, zoor. van Jonas, hebt gij mij lief? Thans werd Petrus bedroefd, wijl Jesus hem reeds ten derde male vroeg: Hebt gij mij lief? en hij antwoordde: Heer, gij weet alles: gij weet ook. dat ik u liefheb. Jesus sprak: Weid mijne schapen. â Daarna, om Petrus aan te duiden, dat hij evenals zijn Meester den kruisdood zou sterven, sptak Jesus tot hem : Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : Toen gij nog jong waart, gorddet gij u zeiven en gingt gij waar gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitstrekken, en zal een ander u gorden, en u leiden waarheen gij niet wilt (waarheen gij niet voor uw menschelijk genoegen geleid zult worden.)
Daarna verwijderde Jesus zich, tot Petrus zeggende: Volg mij. Petrus deed dit, doch zich omkeerende zag hij, dat een weinig achter hem ook Joannes volgde. Met het oog
519
r
520 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
op den leerling en nog vervuld van hetgeen zijn Metster hem zooeven omtrent zijn toekomstig lot gezegd had, vroeg hij: Maar Heer wat zal er dan met hem (Joannes) gebeuren? Jesus antwoordde: Zoo ik wil, dat hij blijve leven totdat ik kome, wat gaat u dat aan ; gij, wat u betreft, volg mij ! â Sedert dien dag nu verspreidde zich onder de broeders een gerucht, dat Joannes niet zou sterven. De Heer evenwel liad niet gezegd : Hij zal niet sterven: maar: Indien ik al wilde, dat hij bleef leven totdat ik kome, wat gaat u dat aan ? Het is deze leerling zelf, die dit heeft te boek gesteld,
Kenigen tijd daarna verscheen )esus op een berg in (lalilea, waar hij hun bevolen had heen te gaan, aan zijne elf apostelen en aan meer dan vijfhonderd broedeis tegelijk. En als zij hem zagen, aanbaden zij hem, ofschoon sommigen eerst een oogenblik getwijfeld hadden of hij liet was
Iets later verscheen hij nog eens afzonderlijk aan zijn apostel en bloedverwanten Jacobus (den zoon van Cleophas en Maria, de bloedverwante van de moeder des Heeren).
Eindelijk, kort voor het oogenblik zijner hemelvaart, vertoonde hij zich opnieuw aan al zijne e!f apostelen, nadat zij van Galilea naar Jerusalem waren teruggekeerd. Hij trad op hen toe en sprak tot hen : Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde; gaat derhalve over de geheele wereld en predikt het Evangelie aan al'e schepsel; onderwijst a'.le volkeren; hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en hun leerende onderhouden al hetgeen ik u bevolen heb. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden ; maar wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden En deze teekenen zullen degenen volgen, die geloofd zullen hebben : In mijnen naam zullen zij duivelen uiidrijven, nieuwe talen spreken en slangen opnemen, en als zij iets doodelijks zullen gedronken hebben, zal het hun niet schaden ; zij zullen de handen opleggen aan zieken, en dezen zullen genezen zijn. En ziet, ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der eeuwen.
Voorts met zijne apostelen etende, beval hij hun zich niet uit Jerusalem te verwijderen, maar aldaar de vervulling af te wachten van de belofte des Vaders, die gij zeide hij â uit den mond hebt gehoord, toen ik tot u sprak, dat Joannes wel is waar niet water doopte, maar dat gij met den Heiligen Geest zoudt gedoopt worden niet lang na deze dagen. Verder zeide hij : Dit zijn de woorden, welke ik lot u gesproken heb, toen ik nog bij u was (nog dagelijks met u rondwandelde), dat namelijk alles vervuld moest worden hetgeen in de wet van Moses in de profeten en in de psalmen van mij geschreven is. Toen verlichtte hij hun verstand om de Schriften te verstaan, en verschillende plaatsen uit die Schriften aanhalende, sprak hij telkens : Zoo staat er geschreven, en zoo moest de Christus lijden en ten derden dage van de dooden opstaan, en moet er in zijn naam boetvaardigheid en zondenvergeving gepredikt worden onder alle volkeren, te beginnen met Jerusalem. Gij nu zijt getuigenisgevers van al deze dingen (gij moet die boetvaardigheid en zondenvergiffenis aankondigen), en ik zal de belofte mijns Vaders (den H. Geest) over u zenden. Blijft dan in de stad totdat gij zult uitgerust zijn met die kracht uit den hooge.
Daarna geleidde hij hen naar den Olijfberg bij Betbanië, ongeveer een sabbatsreis verwijdert van Jerusalem (ruim een kwartier uurs). Nog op dit laatste oogenblik vroegen zij hem, terugkomende op hetgeen hij hun zooeven gezegd had : Heer, zult gij in dien tijd (wanneer wij boetvaardigheid en zondenvergeving prediken) het rijk van Israël herstellen? Doch hij antwoordde : liet komt u niet toe, de tijden en de oogenblikken te.kennen, die de Vader zich in zijne macht heeft voorbehouden. Gij, wat u betre t, gij zult de kracht van den op u nederdalenden Heiligen Geest ontvangen en zult mij getuigenisgevers :ijn te Jerusalem en in geheel Judea, alsook in Samaria en tot a.in de uiteinden der wereld
Na die woorden strekte hij zegenend zijne handen over hen uit en voer voor hunne oogen ten hemel op, waar hij thans gezeten is aan de rechterhand des Vaders, Terwijl hij opvoer, onttrok eene wolk hem aan hun gezicht; zij echter bleven hem nastaren, tot
«
ÃijBELSCHE GESCHIKDRNIS. fgt;2l
dat eensklaps twee manneo in witte kleederen naast hen stonden en tot hen spraken: Galileesche mannen, wat staat gij hier ten hemel te zien ? deze Jesus, die van u is opgenomen, zal eens terugkomen, gelijk gij hem ten hemel hebt zien varen. Nu keerden zij. na eerst nog hunnen heengeganen Meester te hebben aanbeden, vol blijdschap naar Jerusalem terug.
Gedurende de veertig dagen, die sedert zijne verrijzenis verloopen waren, was hij den zijnen herhaaldelijk verschenen, hun sprekende over het rijk Gods; zij hadden ook de belofte des Vaders uit zijn mond vernomen, en wachtten nu de vervulling daarvan, ingevolge zijn bevel, te Jerusalem af.
1. D'? vuiigo Petrus, met zijn van licfdo voor Jezus glooiend hart, werpt zich gohnel gekleed te w^ter en zwemt oi waadt tweehonderd elloboogsmaton ver naar zijn Moester hoen. Jesus vraagt hom: ..Hebt mij meer li-'f dan dezon ?quot; Petrus zogt eenvoudig : »Ji«, Hoor! illt; h^b u liefquot;. Op het ,.meer dan dezenquot; antwoordt hij niet; hij heeft, sedert zijne stoute vorzokering op den vooravond van Josus lijdi-n. geleerd voorzichtig te zijn. Tot driemaal toe herhnalt Jesus de pleclitigo vraag; ,,Simon, zoon van Jonas, hoU gij mij lief?quot; want wat hij vroeg u-aan Petrus beloofd heeft, zul hij nu ten uitvoer brengen: hij zal hem aanstellen tot opperherder zijner gansclie kudde, zoowel van do schapen, de apostelen en latere oversten, als van de lammeren, de eenvoudige geloovigen Petrus vonlt hier dus het hoofd der Kerk, hij wordt in waarheid haar rotsfondament, waarop zij steunt en wnarin zij hare vastheid en onvergankelijkheid vindt.
Hot woord Jonas werd in het Grioksch ook soms Joannas of Joannes uitgesproken. Zoo staat het ook geschreven bij den apostel en evangelist Joannes, die bovenmeegedeoldo vrngen van Jesus opteokende.
'2. Uit de Vulgata, d-; liitijnsclie bijbeloverzetting van den 11. Ilieronymus, is boven vertaild ,,Gaat en onderwijst all,; volk ren in den oorspronkelijken griekschen tektst staat echter, in plants van d o c e t e: onderwijst, het woord (mathèteusate), dat beter vertaald wordt door: ,,maakt tot leerlingen.quot; De geheele zinlnidtdan: ,.Gaat en maakt allo volkeren tot leerlingen, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des lleligen Gjestes, en hun loerende onderhouden al hetgeen in u bevolen heb.quot; Leerling, d. i. volgeling van het christendom, wordt men dus door den doop en door het onderhouden der waarheden en der Instdlingen van Christus.
3. Do wonderteekenen, die Jesus zeide dat zijne leerlingen zonden volgen, werden alle door hen verricht, zooals later uit liet boek genaamd de Handelingen der Apostelen zal blijken 4. De twee mannen in witte kleederen waren twee engelen.
Jj. De H. apostel en evangelist Joannes toekende in zijn Evangelie vooral die gebeurtenissen en woorden van Jesus op, welke de drie vroegere ev.ingelisten Mattheüs, Marcus en Lucas, stilzwijgend waren voorbijgegaan. Desniettemin sluit hij zijn boek met de verklaring, dat Jesus nog velo andere dingen gedaan heeft, welke ook in dat boek niet opgeschreven staan, en dat als men alles wilde opschrijven, de wereld de boeken niet zou kunnen bevatten. Dit vele en zoor vele, wat niet te boek werd gesteld, leverden de apostelen door mondeling onderricht aan hunne opvolgers, endezen weder ann andere opvolgers over, tot op onze dagen. Onder die niet geschreven dingen behoort ook veel van hetgeen Jezus, na zijne verrijzenis âsprekende over het rijk Godsquot;, d, i. over de Kerk, aan zijne apostelen aangaande het bestuur dier Kerk, aangaande hare sacramenten, enz. gebood De Protestanten, die alles in de II. Schrift meenen te vinden vergissen zich dus zeer, want zij verkeeren in openbaren strijd met do vei klaring van Joannes, dat zeer veel niet is opgoschreven. Bovendien kenden do allereerste christenen in liet geheel geene Evangeliën ; deze toch werden eerst geschreven verscheideno jaren na de stichting der Kerk, toen zij reeds bloeide en duizenden volgelingen telde. De H. Mattheüs, de eerste der evangelisten schreef zijn boek eerst omstreeks 11 jaren na de hemelvaart des Hoeren en do nedordallng des H. Qoestos.
CÃ
VESTIGING EN UITBREIDING DER KERK ONDER DE LEIDING
DER APOSTELEN.
HOOFDSTUK XL1X
VKKKIR/ING VAN MATTHIAS. ZKNDINCi DES H. GERSTES. DE Eh RSTK
PREDIKING VAN PKTRUS.
(LU( XXIV: 53. IIiiii.llt;;liii»i'ii ilor ApnsU'lcn I; 12 11: 42)
⢠; -«-i----
rk-k. â¢k'k -k ±gt;6
quot;fBy P^sJoen equot; apostelen na de hemelvaart des Heoren op den Olijfberg, naar Jerusalem ^BSoléfr^vvaren teruggekeerd, namen zij met een aantal andere leerlingen en met eenige iv godvruchtige vrouwen, onder welke de Moeder van Jesus, hun intrek weder in
i0 eenzelfde huis. Gedeeltelijk daar, gedeeltelijk in den tempel bereid Jen zij zich. God lovende en biddende, tot de komst des H. Geestes voor. Allen te zamen vormden zij eene schare van omtrent 120 personen
In die dagen nu stond Petrus op in het midden der vergaderden en sprak : Mannen broeders? Het woord der Schrift moet vervuld worden, hetwelk de H Geest door den mond van David voorspeld heelt aangaande Judas, den aanvoerder dergenen welke Jesus gevangen namen, en die mede tot ons getal behoorde en het lot dezer bediening (der bediening van het apostelambt) verkregen had. Voor het loon zijner ongerechtigheid werd een akker gekocht, en toen hij zich verhangen had is hij door midden gebarsien, en zijn al zijne ingewanden uitgestott. En het werd bekend aan allen die te Jerusalem woonden, voor welk geld deze akker werd aangekocht, zoodat die in hunne taal genoemd werd Haceldama, dat is: liloedakker. Nu staat er geschreven in het Hoek der Psalmen: Zijn verblijf worde woest, en er zij niemand, die daarin wone ! en: Een ander ontvange zijn overheidsambt. Het is derhalve noodzakelijk, dal van die mannen, welke bij ons waren zoolang de lieer Jesus met ons verkeerde, van den doop van Joannes af tot op den dag dat hij van ons ten hemel is opgevaren, er één gekozen worde, om met ons als getuige van Jesus' verrijzenis op te treden.
Nadat Petrus aldus had gesproken, stelden de apostelen twee mannen voor: liarsabas, bijgenaamd Justus, en Matthias. Vervolgens baden zij: Gij, Heer, die aller harten kent.
PINKSTEREN
Bladz. 523.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 523
wijs uit deze beiden een aan, dien gij hebt verkoren ter ontvanging van dit ambt des apostelschaps, waar Judas van is afgeweken om heen te gaan naar zijne plaats. Daarna wierpen zij het lot; dit viel op Matthias, die nu als twaalfde aan de elf apostelen werd toegevoegd.
Toen daarop de dagen van het Pinksterfeest vervuld werden, en de apostelen met de andere leerlingen en de vrouwen bijeen waren, ontstond er uit den hemel een geluid als van een opstekenden hevigen wind en vervulde het geheele huis waar zij zich bevonden. En er verschenen hun tongen als van vuur, van welke boven ieders hoofd een bleef rusten. Zij allen werden nu vervuld met den H Geest en begonnen verschillende talen te spreken, zooals de H. Geest hun die gaf te spreken.
W egens het feest bevonden zich op dat tijdstip te Jerusalem godvruchtige Joden uit alle hemelstreken. Op het vernemen van het zooeven genoemde geluid stroomden die mannen naar het huis, waar de apostelen vergaderd waren, en ten hoogste verwonderd riepen zij uit: Ziet I zijn zij allen, die daar spreken, geen Galileërs ? Hoe hooren wij hen dan spreken een iegelijk in onze taal, waarin wij geboren zijn ? Parthen en Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotanië, van Judea en Cappadocië, van Pontus en Azië, van Phrygië en Pamphylio, van Egypte en de streken van Lybië bij Cyrene, vreemdelingen uit Rome, zoowel Joden als bekeerlingen, Kretenzers en Arabieren, wij allen hooren hen in onze taal Gods groote werken verkondigen! En verbaasd vroegen zij verder: Wat mag dit toch wel zijn ? Eenige Joden echter zeiden spottend ; Die raenschen zijn vol zoeten wijns. Doch Petrus, opstaande in het midden der apostelen, sprak tot de scharen : Gij Joden, vreemdelingen zoowel als inwoners van Jerusalem, u allen zij dit bekend wat ik zeggen zal; opent daarom uwe ooren voor mijne woorden. Deze menschen namelijk zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt, want het is eerst de derde ure van den dag (des morgens 9 uur); maar hier is geschied wat voorzegd is door den profeet Joël, die aldus sprak : En het zal geschieden in de laatste dagen, zegt de Heer, dat ik mijn (leest zal uitstorten over alle vleesch ; uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren ; uwe jongelingen zullen gezichten zien en uwe grijsaards zullen droomen droomen ; ja, ook over mijne dienstknechten en dienstmaagden zal ik in die dagen mijn Geest uitstorten. En ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekencn op de aarde beneden: bloed en vuur en damp van rook. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, alvorens de dag des Heeren komt, de groote en klaarblijkelijke dag. En het zal geschieden, dat alwie den naam des Heeren aanroept, zal behouden worden. â Zoo sprak Joël. Welnu, zeide Petrus verder, welnu mannen van Israël, hoort hetgeen ik wijders zeggen ga. Jesus van Nazareth, een man onder u door God bezegeld met wonderkrachten en teekenen, welke God door hem in uw midden gewrocht heeft, gelijk gij zeiven weet: dezen man. toen hij naar Gods bepaalden raad en voorwetendheid was overgeleverd, hebt gij door de handen van goddeloozen aan het kruis gehecht en ter dood gebracht; maar God heeft hem opgewekt, de banden des doodenrijks ontbindende, daar het onmogelijk was, dat hij door hen werd vastgehouden. David immers zegt van hem: Ik zag op naar den Heer, altijd mij voor oogen; want hij is aan mijne rechterzijde, opdat ik niet wankele; daarom verblijdde zich mijn hart en juichte mijne tong ; ja, ook mijn vleesch gaat ter ruste in hoop. Want gij zult mijne ziel niet in het doodenrijk laten en uwen Heilige het bederf niet doen zien Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt, en gij zult mij verzadigen met blijdschap voor uw aangezicht. â Zoo sprak David, Welnu, mannen broeders! het zij mij geoorloofd, met vrijmoedigheid omtrent den aartsvader David tot u te zeggen, dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich onder ons tot op den huldigen dag. Wat hij voorspelde kan dus niet van hem zeiven gesproken zijn ; maar hij wist, dat God hem met eede gezworen had, dat er van de vrucht zijner lenden een telg op zijn troon zou zitten, en van dezen Christus, wiens verrijzenis hij vooruit aanschouwde, sprak hij, dat hij niet in het doodenrijk zou gelaten worden, en dat zijn vleesch het bederf niet zou zien. Dezen Jesus nu, den Christus.
524 . BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
van wien David dat voorspelde, heeft God opgewekt, van welke gebeurtenis wij allen getuigen zijn Nadat hij aan Gods rechterhand was opgenomen, heeft hij den Heiligen Geest, door den vader beloofd, over de zijnen uitgestort, gelijk gij thans hoort en ziet. Niet David zelf is ten hemel opgevaren, maar, sprekende van zijn telg, zegt hij: De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden stel tot een voetbank uwer voeten. â Welnu, dat dan het gansche huis Israels met volle zekerheid wete, dat God dien Jesus tot Heer en tot Christus gemaakt hetft, denzelfde, dien gij i ekruisigd hebt
Door het woord van Petrus getroffen, riepen velen uil de schare hem en zijnen mede-apostelen toe: Mannen broeders! wat moeten wij doen .' Pe(rus antwoordde: Doet boete, en dat een iegelijk uwer zich late doopen in den naam van Jesus Christus, tot vergiffenis uwer zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is die belofie en voor uwe kinderen en voor allen die verre zijn, zoovelen als de Heer onze God tot zich zal roepen Nog met vele andere woorden drong Petrus bij de joden aan, toch de genade Gods niet te verwerpen ; Redt u, riep hij hun onder meer toe, redt u van dit boos geslacht I Zij nu, die zijn woord aannamen, lieten zich doopen ; eu zoo werden op dien dag aan de belijders van Josus' naam toegevoegd ongeveer drieduizend zielen.
1. Hoe Judns, nn zich verluingi.'n te hebben, door mkldrii is geburston, wordt niet gemold; vc niioedolijk echter zalde sti op gebroken en do ongelukkige leerling op zijn buik ter aarde geploft zijn,
2. henige verzen der door Petrus langehaalde voorsp Hing van .loei zijn bij de behandeling dor gesebiedenis van hel Oude lestHincnt medegedeeld op liet einde van hoofdstuk 1'2'2. De nnngcbaalde woorden van David zijn ontleend aan psalm \V ; zie do aanteekening achter hoofdstuk '.»â¢gt; van bet O. T.
ti. Petrus treedt reeds terstond van den I)'ginue af als hoofd der apostelen op. Hij is het, dii' uitmaakt en bepaalt dat efii nieuwe apostel in de plaats van Judas Iscarioth m) t gekozen worden; hij geeft aan, welke eigensebappen de gekozene moet nebben, en op zijn woord stellen zijne medebroed 'rs twee mannen voor, die door Petrus geschikt worden geacht, en over wie nu het lot wordt geworpen. Ook na bet ontvangen ties II. Orestes is bi-t Petrus, die in bet midden d 'r br lederen opstaat en als het hoofd der kleine vergadering bet woord tot de schare richt. Men merke op, dat deze eerste preek va.i den eersten Paus al aanstonds niet minder dan drieduizend b'keeringen voortbrncht! Zo»» werd Petrus , niet alleen rechtens, krachtens de belofte des Heilands, maar ook feitelijk de rotssteen, waarop de Kerk van Christus werd gebouwd.
4. Gelijk het joodsche Paaschfeest de viering was van don uittocht uit Egypte, zoo was het jooilsche Pinksterfeest op den vijftusten dag na Pascben, het aandenken van de wefgeving op Sinaï. Door die wetgeving werd de joodsche godsdienst gevestigd; door de komst des H. Oeestos op denzelfden dag vestigde de Meer het nieuwe Israël: zijne Kerk.
HOOFDSTUK L.
GENEZING VAN EEN KREUPELE. BEKKERING VAN ONGEVEER TWEEDUIZEND JODEN. PETRUS EN JOANNES VOOR DEN HOOGEN RAAD.
(Handelingen der Apostelen.: HI â 1 : IV: 31.)
-i .lt; ^p zekeren dag (misschien een of twee dagen na de nederdaling des H. Geestes), *1 sSSS?/ toen Petrus en Joannes ter negende ure, het uur des gebeds, te zamen opgingen -p-- ^ naar den tempel, droeg men daar een man heen, ruim veertig jaren oud, die 'â¢j'0 van zijne geboorte af kreupel was en dagelijks aan den tempelpoort, welke den naam 1\ v:in de Schoone Poort droeg, ter neder zat, om van hen, die den tempel binnen-r gingen, aalmoezen te vragen. Zoodra de dragers den kreupele hadden nedergezet, en de man Petrus en Joannes zag Voorbijgaan, vroeg hij ook hen om een aalmoes. Petius vestigde evenals Joannes een blik op den kreupele en sprak tot hem : y.ic ons aan. De man deed dit, hopende eenig geld te zullen ontvangen. Doch Petrus sprak verder; Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u : in den naam van Jesus Ghristus
BTJBKLSCHF, GESCHIEDFNIS 525
den Nazarener, sta op en wandel. Voorts reikte hij den man de hand, om hem op te helpen. Terzelfder tijd werden de voeten des kreupelen gesterkt, hij sprong op, stond een oogenblik stil, liep daarna eenige schreden heen en terug, en ging met de beide apostelen den tempel binnen, nu eens wandelende, dan weder van blijdschap springende, en aanhoudend God lovende en prijzende.
Zij, die hem het eerst den tempel zagen binnenkomen, stonden ten hoogste verbaasd, want ieder wis', dat hij nooit een s'ap had kunnen gaan. Op hunne jubelkreten, waarmede zij in de lofprijzingen en dankbeiuigingen des mans instemden, stroomde allengs al het volk uit den geheelen tempel rondom den gewezen kreupele en de beide apostelen te zamen, en blikte hen met de grootste ver.vondeiing aan. Dit ziende, vatte Petrus het woord op en sprak tot het volk: Mannen van Israël, wat zijt gij hierover verwonderd en houdt gij uwe oogen op ons gevestigd, als hadden wij door onze eigene macht deze man doen gaan? Niet aldus is geschied; maar de (iod van Abraham, Isaac en Jacob, de God onzer vaderen, heeft zijn Zoon Jesus verheerlijkt, dien gij, na hem te hebben overgeleverd, voor het aanschijn van Pilatus hebt verloochend, toen deze oordeelde hem los te laten Den Heilige en Rechtvaardige verloochendet gij, en gij verlangdet, dat aan een man, die een moordenaar was, de vrijheid werd hergeven. Gij hebt den Vorst des levens gedood, doch God heeft hem uit de dooden opgewekt, waarvan wij getuigen zijn. Kn op ons geloof in den naam van dien Vorst des levens, heeft die naam dezen kreupele, welken gij ziet en kent, gesterkt: het geloof, hetwelk door hem is, heeft deze volkomene genezing bewerkt ten aanschouwe van u allen. En nu, broeders! ik weet. dat wat gij gedaan hebt, gij dit deedt uit onwetendheid, gelijk ook uwe oversten. Maar alzoo heeft God vervuld hetgeen hij door den mond van alle proleten had laten voorspellen; dat zijn Christus zou lijden. Doet dan boete en bekeert u, opdat uwe zonden uitgedelgd worden; thans immers zijn het tijden van barmhartigheid, naardien God dengene in de wereld heeft gezonden, die u voorspeld is: .leriis Christus. Moses heeft van hem het woord gesproken: De lieer uw God zal u uit uwe broederen een profeet verwekken, gelijk mij; hem zult gij hooren in alles wat hij tot u zal spreken: en het zal geschieden, dat alle ziel. die dezen profeet niet hooren zal, uit het volk zal worden uitgeroeid. Ook alle profeten, van Samuel af, hebben deze tegenwoordige dagen voorspeld Gijlieden nu, gij zijt de zonen der profeten en des Verbonds, van dat verbond, hetwelk God met onze vaderen gesloten heeft toen h.ij tot Abraham sprak : En in uw zaad zullen gezegend worden alle geslachten der aarde. Tot u heeft God, zijn Zoon verwekkende, hem hel eerst gezonden, om u te zegenen, opdat een iegelijk zich van zijne boosheid bekeere.
Nog had Petrus zijne woorden tot het volk in den tempel niet voleindigd, of eenige opperpriesters en andere leden van den Hoogen Raad. die tot de sekte der Sadduceën behoorden, en zich vooral hieraan ergerden dat Petrus de verrijzenis des vleesches in Jesus verkondigde, kwamen met den hoofdman des tempels hem en Joannes overvallen ; zij sloegen de handen aan de beide apostelen en zetten hen voorloopig; wijl het nu reeds avond begon te worden, in de gevangenis, om hen des anderen daags in verhoor te nemen. Petrus had echter niet tevergeefs tot het volk gesproken ; van de drie duizend geloovigen, welke de Kerk des Heeren reeds telde, groeide zij. als de vrucht van dien dag, aan tot vijfduizend man.
Den volgenden dag, nadat de Hooge Raad onder de leiding van den hoogepriester Annas bijeengekomen was, werden Petrus en Joannes uit den kerker gehaald en Iegelijk met den kreupele, dien Petrus genezen had, voor de vergadering gebracht. Men vroeg hun: Uit wat macht of uit welken naam hebt gij deze genezing verricht? Vol van den Heiligen Geest antwoordde Petrus: Oversten des volks en gij oudsten, hoort! Zoo wij heden geoordeeld worden om cene weldaad, bewezen aan een gebrekkig mensch, waardoor hij gezond is geworden, zij het u allen en het gansche volk Israels bekend, dat door den naam van onzen Heer Jesus Christus den Nazarener. dien gij gekruisigd hebt, maar dien God uit de dooden heeft opgewekt, deze mensch hier gezond voor u staat. Hij (Christus) is de steen.
BrjRFLSCHF, GF.SCHIEDENTS.
die. door u bouwmeesters verworpen, tot hoeksteen is geworden; en er is onder den hemel den menschen geen andere naam gegeven, door welken wij zalig moeten worden.
Vreemd stonden de leden des Hoogen Raads van deze taal en van de vrijmoedigheid der beide apostelen op te zien; zij wisten dat het eenvoudige en ongeletterde lieden waren; zij herkenden ben nog van vroeger als leerlingen van jesus; maar tevens zagen zij den voormaligen kreupele bij hen staan, en tegen diens genezing viel niets in te brengen. Wijl zij nu onder elkander over deze zaak wenschten te beraadslagen, zonden zij Petrus en Joannes met den gewezen kreupele buiten de zaal, en spraken, zoodra zij alleen waren: Wat zullen wij met die menschen beginnen? er is toch door hen een teeken geschied, aan alle bewoners van Jerusalem bekend, zoodat wij het niet kunnen loochenen. Doch, welaan 1 opdat het niet verder bekend worde, zoo laat ons hun onder bedreiging verbieden nog voortaan in dezen naam tot eenigen mensch te spreken. Nadat aldus besloten was, deden zij de apostelen weder binnenbrengen en bevalen hun, nimmer meer in den naam van Jesus het volk te leeren Maar Petrus en Joannes antwoordden: Oordeelt zeiven of het recht is u meer te gehoorzamen dan God; trouwens, wij kunnen niet nalaten te verkondigen hetgeen wij gehoord en gezien hebben. â Ondanks deze weigering om het ontvangen bevel op te volgen, dutfde toch de Hooge Raad, uit vrees voor het volk, hetwelk het wonder der genezing verheerlijkte, ds beide apostelen niet straffen; men vergenoegde zich hen voor de toekomt te bedreigen en liet hen daarop vrij. Petnn en Joannes nu, bij de hunne teruggekeerd, deelden hun uitvoerig hun wedervaren voor den Hoogen Raad mede; de geheele verzameling prees en loofde God. en van aller lippen klonk de bede: Aanschouw, Heer hunne bedreigingen en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spieken, terwijl gij uwe hand uitstrekt tot genezingen, en er teekenen en wonderen geschieden door den naam uws heiligen Zoons Jesus. Ten blijke dat dit gebed in den hemel verhoord was, beefle de plaats, waar de apostelen met de hunnen vergaderd waren; allen werden opnieuw met de kracht des Heiligen Ueestes gesterkt, en zonder schroom of vrees voor de bedreigingen des Hoogen Raads, werd'ook voortaan het woord des lleeren aan het volk van Jerusalem verkondigd.
1. Dt! bovon a.Miigelinoltlc voorzegging van Mo-os: H Floor uw Ocd zal u oen profoet verwokkonquot; onz. staat in hot Hook DoultTonomimn XVIII : 15. Iv'iio iiJigenoo^ ^â â¢â lijko profetie, ontloond aan Doutorononmim Will: 111, is vonnold in ilrzo nijliol-olio (loscliiedenis O T. hoofdstuk ;lt;5.
2. Do belofte van God aan Abraham.- «En in uw zaad zullfu «rozogend worden allo goslaolitcn dor aardequot; zie men o. T. hoofdstuk 7 en hoofdstuk 13.
3. Het waren harde woorden, die Petrus in zijne prediking don .loden toevoegde. Niets minder wordt hun verweten d:m dat zij regelrcelit tegen God in handelden: /.ü hebben ^odnod, dien do Vader van de dooden opwekte; zij hebben hom voih oehond, dien Pilatas, een In iden, wilde loslaten; den ll'-ilige en Uochtvnardigo brachton zij aan het kruis, en zij vrolt; gen de invrijbeid-stelling van een moordonnar. Van den andoren kant evenwel zoekt de apostel, terwijl hij den .loden deze wnarheld niet spaart, bon toch zooveel mogelijk te vei ontschnldigen; »Ik weet wel,quot; zegt hij, adat gij bet uit onwe-tendhoid hebt godaan, gelijk ook uwe over t-'ii quot; Geheel onwetend waren de Joden niet, en in zoover zij het waren, was hunne onwetendheid schuldige vorblindboidt doch ook deze halve en sehuldige onwetendheid roept Petrus in om hen nil hans gedeeltelijk te verschoonon Hij had «lit geleerd van zijn Moestei'. tlit; aan het kruis bad: Vader verbeef htit hun, want/.ij weten niet wat zij doen.
I).' door Petrus en Joannes voor den Hoogen Uaad afgelegde vei'klaring: ))Wij kunnen niet nnjnten te vei'kondigen w.it wij geboord en g«;zien bobben,quot; luidt in het latijn van tl-- Vulg.ita, aldus; Non possumus (pjae vidimus et audivimus non lotpii. Het beroemde Aon jjossurnnx van de Pausen, de opvolg rs van Petrus, is aan dezen tekst ontleend. Gelijk Fetrus, toen de Hooge Hand hern verbood in dfii imain van Jc-us te leeren, antwoordde: »1 \'ij kunnen niet nalaten te spreken,quot; zoo ook wanneer de vorsten en machlhebbers van Interen tijd de stem der Pausen voor waarheid en recht wildon smoren, klonk en klinkt bun het antwoord tegen; Non possumu-. ' dat is; quot;Wij kunnen niet.'quot; â wij kunnen niet doen wat ^ij beveelt, wij kunnen en mogen niet zwijgen.
526
527
HOOFDSTUK I.I.
HET LEVEN DER EERSTE GEL00V1GEN. DE APOSTELEN GEVANGENGENOMEN, DOOR EEN ENGEL 15EVR1JD ; 01' HEVEL VAN DEN HOOG EN RAAD GEGEESELD EN LOSGKLATEN.
Ilandelingon II: 42 â 47 un IV; 'JJ - VI.)
W-k kkkK
: gt;»â¢
eerste geloovigen te Jerusalem, wier aantal nu reeds ongeveer vijfduizend man.
â¢flt; pi Kiïjflquot;! j-
bedroeg, waren voor ieder een voorbeeld van godsvrucht en van ondeilinge [v liefde. Eendrachtig volhardden zij in de leer der apostelen, in de genieenschap
s^0 van het breken des Broods (de H. Communie) en in de gebeden. Dagelijks op 4V gezette tijden kwamen zij bijeen in dat gedeelte des tempels, hetwelk de zuilengang van Salomon heette; en zoo groot was de eerbied, dien zij het volk inboezemden, dat niemand dergenen, welke niet tot hun getal behoorden, zich onder dien zuilengang bij hen durfde voegen. In eenige der hiertoe meest geschikte huizen van de hunnen braken zij hun brood en hielden met blijdschap des harten een eenvoudigen maaltijd. Menschen, die gebrek leden, kende men onder hen niet; want gelijk allen slechts een hart en ééne ziel waren, zoo hadden zij ook hunne tijdelijke goederen gemeen. Wie behalve zijn noodzakelijk woonhuis nog andere huizen of landerijen bezat, verkocht ze en legde de opbrengst neder aan de voeten der apostelen, die daarvan aan ieder uitdeelden naar zijne behoefte. Aldus deden zij met hunne goederen, niet wijl zij zich tot dergelijke handelwijze verplicht achtten, maar uit eigen vrije beweging,
Onder degenen, die daarbij met groote oprechtheid en bewonderenswaardigen eenvoud te werk gingen, behoorde ook een van hit eiland Cyprus geboortige leviet, met name Joseph, die van de apostelen den bijnaam ontving van Barnabas, dat wil zeggen : Zoon der Vertroosting. Hij verkocht zijn akker en bracht onmiddellijk de geheele opbrengst tot den laatsten penning toe naar Petrus en de zijnen
Een zekere man echter, Ananias geheeten. en zijne vrouw Saphira handelden ten deze geheel anders. Ananias, die ingelijks zijn akker te gelde had gemaakt, hield met medeweten van Saphira van den prijs iets achter, en nam, toen hij het oveiige gedeelte aan de voeten der apostelen nederlegde, den schijn aan, als ware dit de geheele opbrengst. 1'etrus door hooger ingeving ingelicht, sprak tot hem : Ananias, waarom heeft de Satan uw hart bekoord om tegen den Heiligen Geest te liegen, door iets van den prijs des akkers achter te houden. Bleef niet die akker, als gij hem niet verkocht had uw eigendom? en was niet evenzeer, nadat hij verkocht was, ook het geld uw wettig bezit V Waarom dan is deze daad in uw hart opgekomen (dat gij, zonder hiertoe verplicht, te zijn, een gedeelte van het geld brengt, maar den schijn aanneemt, als bracht gij alles)? Niet tegen menschen hebt gij gelogen, maar tegen God â Bij deze woorden stortte Ananias ter aarde en gaf den geest. Onder groote ontsteltenis van allen, die van dit strafgericht Gods getuigen waren, namen eenige jongelingen het lijk weg en begroeven het.
Ongeveer drie uren daarna kwam Ananias' echtgenoote, Saphira, van niets wetende de vergaderzaal binnen. Petrus vroeg haar: Zeg mij. vrouw, hebt gijlieden den akker voor zooveel verkocht ? en hier noemde hij den prijs. Zij antwoordde : Ja, voor zooveel, Petrus hernam : Waarom zijt gij beiden overeengekomen, om den geest des Heeren te beproeven? zie, de voeten dergenen, die uw man begroeven, zijn juist weder de deur genaderd ; zij gaan ook u wegdragen. Oogenblikkelijk zonk Saphira dood neder, en dezelfde jongelingen die haar man begraven hadden, namen eveneens haar lijk op en legde het naast het zijne
WJBF.LSCHF, GRSCHIKbENIS,
in hetzelfde graf. Niet geringe vreeze kwam nu over de geheeie menigte der geloovigen en over allen, die dit treurig voorval vernamen.
Met groote vrijmoedigheid gingen de apostelen voort de leer des Heeren aan het volk te verkondigen, en hun woord ging vergezeld van zoovele teekenen en wonderwerken, dat men de zieken op bedden en matrassen op de openbare straat nederlegde, opdat, wanneer 1'elrus voorbijkwam, ten minste zijne schaduw een oogenblik op deze ongelukkigen mocht vallen, en zij daardoor van hunne kwalen bevrijd worden. Zelfs uit de omliggende steden bracht men naar Jerusalem verschillende lijders, alsmede personen die van onreine geesten bezeten waren, en allen werden genezen. Aldus werkte de Heer door de zijnen; en het getal dergenen, die geloovig het hun verkondigde woord aannamen werd steeds grooter en grooter.
Dit was den hoogepiiester en zijn aanhang een doorn in het oog, en in hunne gramschap lieten zij de apostelen gevangennemen en in den openbaren kerker zetten. Des nachts echter, tegen het aanbreken van den mo'gen, daalde een engel des Heeren in den kerker af; hij opende de deuren en zeide tot de apostelen: C!aa', begeeft u naar den tempel en spreekt lot het volk de woorden des levens De apostelen gingen, en deden gelijk hun gezegd was. Inmiddels liet de hoogepiiester. toen het dag was geworden, den lloogen Raad bijeenroepen, en deze ^ond dienaren af, die de gevangenen moesten halen. Weldra echter keerden de dienaren terug met het bericht, dat ofschoon de bewakers voor de deuren cp hun post stonden en de gevangenis met zorg gesloten was, er zich evenwel niemand meer daarbinnen bevond. Terwijl de hoogepriester en de zijnen over deze won derbare gebeurtenis in groote verlegenheid verkeerden, kwam iemand hun boodschappen : Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, zijn in den tempel en leeren het volk. Op dit bericht snelde de hoofdman des tempels met de dienaren heen en gebood den apostelen hem te volgen : hij durfde hen echter niet met geweld gevangennemen, uit vrees van zelf met zijn aanhang door het volk gesteenigd te worden. Nadat de apostelen voor den Raad gebracht waren, sprak de hoogepriester tot hen : Streng hebben wij u geboden, in dien naam niet meer te leeren; en ziet, gij hebt Jerusalem met uwe leer vervuld, en zelfs wilt gij het bloed van dien mensch op onze hoofden doen neerkomen. Doch Petrus sprak: Men moet (lode meer gehoorzamen dan den menschen. De God onzer vaderen heeft Jesus opgewekt, dien gij aan een hout gehangen en gedood hebt: hem heeft God door de macht zijns arms tot Vorst en Zaligmaker verheven, opdat hij aan Israël bekeering en vergeving van zonde zou schenken. Getuigen van deze dingen zijn wij, en met ons de Heilige Geest, dien God aan alle gegeven heelt, welke hem gehoorzaam zijn.
Up dat woord ziedden allen van woede, en stelden voor, de apostelen ter dood te veroordeelen. Doch één lid van den Raad, met name Gamaliel, een bij het gandsche volk in hoog aanzien staande leeraar der wet, gebood den dienaren 'de apostelen voor een korte wijle buiten de vergaderzaal te voeren, en toen dit geschied was, sprak hij tot zijne mede-raadsleden : Mannen van Israel, bezint u wel, wat gij met deze menschen doen wilt. In vroegere dagen stond een zekere Theodas op, zich uitgevende voor iemand van gewicht ; er sloten zich ongeveer vierhonderd man bij hem aan; hij werd gedood, en allen die hem aanhingen, zijn verstrooid geraakt en te niet gegaan. Later stond Judas de Galileër op in de dagen dat een nieuwe schatting bevolen werd, en verwekte oproer; ook hij kwam om, en zijn aanhang ontbond zich. Met het oog hierop zeg ik u, wat den tegenwoordigen toestand betreft: Laat deze mannen (de apostelen) begaan; want indien dit werk uit de menschen is, zal het verbroken worden, maar is het uit God, dan kunt gij het niet verbreken ; ziet dus wel toe, dat gij misschien niet bevonden wordt ook tegen God te strijden. Met die woorden stemden allen in : zij riepen de apostelen weder binnen, en na hen te hebben laten geeselen, bevalen zij hun nogmaals op het nadtukkelijkst in het geheel niet meer in den naam van Jesus te prediken. De apostelen mochten nu heengaan; zij verwijderden zich uit den Raad, er zich over verheugende dat zij waardig gekeurd waren, voor den
528
mjRELSCHE GESCHIEDENIS.
naam van Jesus veracht te worden en te lijden. Op het gebod om niet meer te prediken letten zij niet ; God gehoorzamende boven de menschcn gingen zij voort in den tempel en op andere plaatsen aan de joden Jcsus te verkondigen.
1. Ondor de woorden; breken' dos broods' en do geboden,quot; zooals zij in bovenstaand zinverband voorkomen,
verstaan do ultlefcgors eenparig: hot nuttigo van lilt;?t door do aposloien geconsacreerde brood, welke nuttiging en consecratie met hot bidden van zekere bepaalde zegen- en dankgebeden gepaard gingen. (Jewoonlijk ging daaraan vooraf, in navolging van hot laatste avondmaal des llceren, oen gemeenschappelijke maaltijd, in do taal der eerste Kerk ,,agape,quot; d. i. ,,liefdemaaitijdquot; gehecten, waarvan do apostel Paulus in zijn brief aan de goloovigon van Corinthe en na hem de kerkvaders herhaaldelijk gewag maken. Heeds in Panlus' dagen slopen bij die liefdemaaltijden eenigf misbruiken in (1 Corinth. \I), welke in latere tijden zoozeer verergerden, dat do Kerk die maaltijden afschafte en de wet invoerde, welke om verschillende redenen het nuttigen van gewone spijzen en drank vóór bet ontvangen der H. Communie ten strengste verbiedt.
2 De leden van den Iloogen llaad hingen gedeeltelijk de sekte der Pharizeën, gedeeltelijk die der Sadduceën aan. Gamaliel behoorde tot do eerstgenoemden, do hoogepriester Annas tot de laatsten. Men lierlnnere zich hier, dat de Sadduceën voel overeenkomst hadden met de zoogenaamde modernen of dquot; liberalen van onzen tijd; zij geloofden niet aan de onsterfelijkheid der ziel, aan de verrijzenis des vleesches, enz. Zoover was het toenmaals reeds met het door God verworpen en aan Gods-moord schuldige jodendom gekomen.
HOOFDSTUK LU.
VERKIEZING EN WIJDING V/VN ZEVEN D1AKENKN. STEPHANÃS DÃ EERSTE MARTELAAR. VERVOLGING DER KERK. EN VERSTROOIING DER GELOOVIGEN VELE SAMARITANEN DOOR DEN Dl Als, EN PHILIPPUS BEKEERD EN GEDOOPT. SIMON DE TOOVENAAR. DE KAMERLING VAN KONINGIN CANDACE.
(Handelingen VI â IX.)
Kb*0611 te Jerusalem, door het steeds wassende aantal bekeeringen van Joden
en van Jodengenooten (heidenen, die de wet van Moses volgden), een altijd grootere â 3$. uitbreiding kreeg, ontstond er onder de geloovigen van den griekschen landaard
ï®
een gemor tegen hunne hebreeuwsche broeders, dat de weduwen onder eerstge-noemden bij die der Hebreen in de dagelijksche uitdeeling van spijzen werden achtergesteld. De apostelen riepen alsdan de menigte bijeen en zeiden : Het niet behoorlijk, dat wij de verkondiging des woords nalaten, om de tafels te bedienen ; ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen onder u van goede getuigenis, vol van den H. Geest en van wijsheid, opdat wij hen over dit werk stellen ; wij zullen dan in het gebed en in de bediening des woords volharden. Dit voorstel behaagde aan allen, en zij kozen Stephanus een man vol van geloof en van den Heiligen Geest, benevens Philippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs, een Jodengenoot van Antiochiö in Syrië. Deze zeven mannen werden vervolgens aan de apostelen voorgesteld, die hun. na gebeden te hebben, de handen oplegden, en hen daardoor wijdden tot diakenen Sedert dien tijd, terwijl de diakenen den apostelen ook in de prediking des Evangelies behulpzaam waren, breidde het aantal geloovigen zich opnieuw zeer sterk uit : niet alleen gewone Joden, maar ook een aanzienlijke schare joodsche priesters namen het woord des Heeren aan.
Stephanus nu, vol van genade en sterkte, deed groote wonderen en teekenen onder het volk. Eens, toen hij weder Jesus verkondigde, stonden sommigen van de dusgenaamde synagoge der vrijgelatenen, alsmede Joden van Gyrene, van Alexandriö van Cilicië en van Klein-Azie op en redetwistten met Stephanus; zij waren echter tegen zijne wijsheid en tegen den Heiligen Geest, die in hem sprak, niet bestand. Ten einde hem niettemin ten verderve
67
530 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
te voeren, stookten zij eenige mannen op, om te zeggen, dat zij hem woorden van lastering hadden hoorcn spreken tegen Moses en tegen God. Die mannen waren hiertoe bereid en tengevolge van hunne beschuldiging ontstond er onder het volk en onder de oudsten en de schriftgeleerden een oploop, te midden waarvan men Stephanus voor den Hoogen Kaad sleepte. Daar herhaalden dezelfde mannen hunne aantijging met de woorden: Deze mensch houdt niet op te spreken tegen de heilige plaats (den tempel) en tegen de wet : wij hebben hem hooren zeggen: Deze Jesus de Nazarener zal die plaats verwoesten en de instellingen veranderen, welke Moses ons gegeven heeft.
Stephanus stond voor de vergadering, met een gelaat stralende van hemelschen glans als een engel; allen die in den Hoogen Raad gezeten waren, hielden verbaasd hunne blikken op hem gevestigd, terwijl de boogepriester hem vroeg: Is dit zoo, gelijk die mannen zeggen? Met den plechtiger! aanhef: Mannen broeders en vaders, hoort! begon Stephanus te spreken en toonde aan de vergaderden, uit de geschiedenis van Abraham en Moses, welke groote weldaden God eertijds aan de vaderen bewezen had, doch hoe die vaderen, ondankbaar, herhaaldelijk legen Moses in verzei waren gekomen ; hoe zij hem niet als Godsgezant hadden willen erkennen zoodat hij voor hunne bedreigingen naar Madian moest vluchten, én hoe zij ook in lateren tijd telkens van God waren afgevallen om valsche goden te dienen. Eindelijk besloot hij zijne woorden met zich rechtstreeks tot zijne beschuldigers en tot de leden van den Raad te wenden en hun toe te voegen : Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van ooren I uw geslacht wederstaat altoos den Heiligen Geest ; gelijk uwe vaderen gedaan hebben, zoo doet ook gij. VVien der profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd ? Zij vervolgden niet alleen, maar zij doodden ook degenen, die de komst voorspelden des Rechtvaardigen, van wien gij de verraders en de moordenaars geworden zijt; gij, die door tusschenkomst van engelen de wet ontvangen, maar haar niet onderhouden hebt.
Op het vernemen van die taal werden hunne harten als vaneengereten, en zij knarsten legen hem op hunne tanden. Uoch hij, zijne blikken ten hemel heflende, aanschouwde Gods heerlijkheid en zag Jesus staan ter rechterhand; en hij zeide : Ziet, ik zie de hemelen zich openen en den Zoon des menschen staan ter rechterhand Gods. Zij echter met luider stemme tegen hem schreeuwende, stopten hunne ooren, en na hem buiten de stad gedreven te hebben, steenigden zij hem. Inmiddels legden de getuigen (welke volgens de wet den eersten steen op den veroordeelde moesten werpen) hunne opperkleederen neder aan de voeten eens jongen mans, met name Saulus, die aan hetgeen gebeurde zijn welbehagen had. Terwijl men nu Stephanus steenigde, bad hij: Heer Jesus, ontvang mijnen geest. Voorts nederknielende riep hij luide: Heer, reken hun deze zonde niet toe 1 Na deze bede voor zijne vijanden ontsliep hij in den Heer, en eenige geloovigen, godvruchtige mannen, begroeven hem en hielden de rouwplechtigheden.
Met den dood van Stephanus was voor de Kerk te Jerusalem de tijd der vervolging aangebroken. Vooral de jeugdige Saulus onderscheidde zich door zijn woedende haat tegen al wat den naam van Jesus beleed : hij drong in de huizen, sleepte mannen en vrouwen weg en voerde hen in de gevangenis. Om zich overeenkomstig het woord van Jesus aan de vervolging te onttrekken, vluchtten bijna alle geloovigen, uitgenomen de apostelen naar het platte land van Judea en naar het land en de steden van Samaria.
In de hoofstad van laatsgenoernd gewest, in Samaria zelf, verkondigde de diaken Philippus het Evangelie. In diezelfde stad bevond zich een toovenaar met name Simon, die reeds eenigen lijd, terwijl hij zich voor een Godsgezant uitgaf, door zijne kunstenarijen de inwoners verleidde, zoodat allen van groot tot klein hem aanhingen en zeiden : Deze is de kracht Gods, welke de groote heet. Toen echter Philippus kwam en zijn woord staafde door het uitdrijven van duivelen en het genezen van vele verlamden en kreupelen, ontstond daarover onder de Samaritanen groote blijdschap, en op het zien der wonderen en teeRenen namen zij het geloof in Jesus aan en lieten zich door Philippus doopen, vrouwen zoowel als mannen. Ook Simon trad tot het getal der leerlingen toe, en na de
STEENIGING VAN DEM H. STEPHANU3. Rladz. 533.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 531
doop ontvangen te hebben, bleef hij bij den diaken, verwonderd en verbaasd over de teekenen en de kraciiten, welke voortdurend door diens hand geschiedden.
Toen de apostelen te Jerusalem hoorden, dat Samaria het geloof had aangenomen, begaven, in overleg met de anderen. Petrus en Joannes zich derwaarts, om den gedoopten den Heiligen Geest mede te deelen ; zij legden hun de handen op en de nieuwbekeerden ontvingen den Heiligen Geest. Als Simon de toovenaar zag, dat door de handenoplegging der apostelen de H. Geest geschonken werd, bood hij hun geld aan, met de woorden : Geeft ook mij deze macht, dat een iegelijk, wien ik de handen opleg, den Heiligen Geest ontvange. Doch Petrus sprak tot hem : Uw geld zij met u ten verderve, wijl gij de gave Gods voor geld verkrijgbaar hebt geacht ! gij hebt geen deel noch lot in deze zaak, want ik zie, dat gij in de gal der bitterheid en den band der ongerechtigheid zijt. Simon antwoordde: Bidt gijlieden voor mij tot den lieer, opdat mij niet overkome hetgeen gij gesproken hebt (dat ik met mijn geld ten verderve zou varen). Petrus en Joannes nu. na de nieuwe geloovigen tot volharding te hebben aangespoord, keerden naar Jerusalem terug, onderweg nog in vele plaatsen van Samaria het Evangelie verkondigende.
Terzelfder tijd sprak een engel des Heeren tot den diaken Philippus: Sta op en begeef u zuidwaarts, naar den weg, die van Jeruzalem naar Gaza voert. â De stad Gaza nu lag in die dagen verwoest. â Philippus, het bevel des engels vervullende, trof op genoemden weg weldra een man aan uit Ethiopië, een kamerling en staatsambtenaar der Ethiopische koningin Candace, die over al hare schatten was gesteld. Hij kwam, op zijn reiswagen gezeten, van Jerusalem, waarheen hij zich had begeven om te aanbidden, en las onderweg luide den profeet Isaïas. Op dat oogenblik gaf de H. Geest Philippus in het hart : Ga en voeg u bij dien wagen. De diaken deed aldus, en den kamerling hoorende lezen, vroeg hij hem: Verslaat gij hetgeen gij leest? De Ethiopiër antwoordde : Hoe zou ik dit kunnen, tenzij iemand mij onderrichtte. Vervolgens noodigde hij Philippus uit, naast hem te gaan zitten. De schriftuurplaats nu, welke hij las was deze: Als een schaap werd hij ter slachtbank gevoerd, en gelijk een lam, dat stom is voor zijn scheerder, opende hij zijn mond niet ; uit de benauwdheid en het strafgericht is hij weggenomen, en wie zal zijn geslacht vermelden ? want zijn leven zal van de aarde worden weggenomen. â Aangaande die woorden vroeg de kamerling aan Philippus: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit, van zich zeiven of van een ander? De diaken begon nu, naar aanleiding van die Schrift-tuurplaats aan zijn reisgenoot Jesus te verkondigen, en hij wist hem weldra zoozeer van de waarheid zijner woorden te overtuigen, dat de Ethiopiër, op een water wijzende, hetwelk zij voorbijreden, zeide: zie, daar is water; wat belet, dat. ik gedoopt worde'P Philippus antwoordde: Indien gij van ganscher harte gelooft, is het geoorloofd. De kamerling beleed nu : Ik geloof, dat Jesus Christus de Zoon Gods is, Daarop liet hij den wagen stilhouden en daalde met zijn reisgenoot in het water af, waar Philippus hem doopte. Nadat zij weder uit het water waren gestegen, voerde de (leest des Heeren den diaken weg naar Azot, zoodat de kamerling hem plotseling niet meer zag. Deze intusschen vervolgde zijn weg naar het land van Ethiopië met groote blijdschap, en inmiddels reisde Philippus van Azot naar Cesarea, onderweg in alle steden, die hij doortrok, het Evangelie predikende.
1 Do zeven man non; Stophnnus, Prochonis enz, werden door de oplegging van de handen dor apostelen ace wijd tot diakenen. Hunne roeping was np de eerste plaats: ,,do talels te bedienenquot;, en dewijl 'gelijk aeliter het vorige liool'tUtuk reeds is aangetcekeiul) do liefdoniaaitijdon gewoonlijk vergezeld gingen van de viering der 11. Geheimen, waren de diakenen ongetwijfüld tevens behist met de nitdeeling aan do geloovigen van het door de apostelen onder dank- en zegenbede geconsacreerdo brood, liet lichaam des Ifeeren. Verder be/.aten zij, gelijk uit df daden van Philippus blijkt, de macht om te prediken en te; doopen. Zij konden echter den II. Geest niet mededeclon ; dit moesten de apostelen doen, van wolko er te dien einde twno, Petrus en Joannes, opzettelijk nit Jerusalem naar Samaria overkwamen Beide apostelen legden den Samaritanen de Iiaiidon op âdienden hun het II. Vormsel toe â en aldus ontvingen d - door Philippus ge-doopten den II Geest.
Over den eerbied, waarop de gewijde diakenen, de priesters en de bisschoppen aanspraak hebben, zoo zij trouw hun
BIJBELSCHK GESCHIEDENIS.
nmbt vervullen, on over hunne verhouding tot olkandor is door de lï. Vaders voel gezegd on gepchrovon. Eon pnnr plaatsen mogen hier worden aangehaald win een dor allereerste Vaders, van dm II. Ignatius, oen leerling van den apostel Joannes en opvolger van Petrus op den bisschopszetel van Antioclnc. In zijn hriet aan de geloovigen van d»' Kerk te Tralies fchrijft deze II Vader: âWanneer gij aan den bisschop onderdanig zijt als aan Jesus Christus, leeft }iij. naar mijne moenirg, niet volgens den mens-h, maar volg'-ns Jesus Christus... Doih woest ook on erdardg aan de priesters, als ran do apostelen van Jesus Christus... Ook moeten allen welgevallen hohben in do diakeuen; zij zijn toch geen bedienaren van spijs en drank, maar bedienaren dor Kerk Gods, , /00 moeten allen do diakenen oeron, als de dienaren /an Jesus Christus, en den Hisschop als Jesus Christus den gt;'0011 d s Vad' rs, en de piirsters als do raadsvergadering Gods.quot; (Hefelo: Piiti um Aposlolicorum Opera, bladzijde 1S7, edilio 4, Tubingen IKjj )
In een In iel â aan do geloovigen van do Ko»k to Magnesia â schrijft dozeifdo 11 Ignatius: ' k vermaan u, dat gij alles volvoert in eendraclit, tervvijI do bisschop aan hot hoofd staat als plaatsbekleodor G01N, do priesters do plaats vervullen van oen apostolischen raad, en aan de diakenen, welke mij /.eer lief zijn, het dienstwerk is toevertrouwd van Jesus Clni-tus, dlo vóór de eeuwen bij don Vader was ou in liet oindo zal vei'schijuen.quot; (IlelV'le Patr. Apost. bladz. 177.)
2. Naar Simon den toovonaar draagt do zonde, dat iemand voor geld geestelijke zaken koopt uf verkoopt, don naam van Simonie.
Do vrang daargohiten, in hoever Simon, toen hij zich liet duopen, en ook toen hij daarna den apostelen vroeg, voor hem to willen bidden, uit vei keerde doeleinden handelde, â ze\er is In t, dat hij later een dor woodendsto vijanden van het christendom werd en vele Samaritanen tot wederafval van hot gokn f veiioiddo, zooals 0. a blijkt uit de geschriften van den H Iren'üs. Verder verhaalt Tyrinus van hem, dat bij te K me zijn tooverij voortzette enzelfsoon poging waadde om ten aanschouwe van keizer Nero en van het Uomeiuscho volk in de lucht op to stijg'jn, als voer bij ten Hemel, welke poging hem ook, door de hulp dos duivels, tot op zekere hoogte gelukte, toen eensklaps Petrus, die zich onderdo menigte bevond, hem door zijn gebed uit do lucht deed nedervallen.
3. Het gedeelte der profetie van Isaïas, waaruit do Ethiopische kamerling do boven meegedeelde woorden las, toon Philippus l ij hem kwam, kan men vinden hiervóór O. T. Hoofdstuk 122 in liet midden.
4 Hoelang 1 hilippus te Samaria predikte, eer de inwoners het geloof aanm nu n, me ldt de II. Sclii ift niet Algemeen houdt men liet er voor, dnt die prediking en do kerkvervolging, welke er de aanleiding van was, zijn geschiedt in hol eerste en tweede jaar na de hemelvaart van Christus en van do zending des H Geo-tes.
HOOFDSTUK LUI.
BEKEERING VAN SAULUS. PK'IRUS GHNKKST 01' ZIJNE RONDREIS BIJ DE VERSCHILLENDE KERKEN DEN LAMMEN ENE AS TK LVDDA,
WEKT TE JOPPE DE GESTORVEN TA BIT HA OP. EN LEERT EN DOOPT TE CESAREA DEN HEIDENSCHEN HOOFDMAN CORNELIUS MET DIENS HUISGEZIN EN VRIENDEN.
(Handelingen IX â XI: 11); Handel XXII: 3â 17 en Handel. XXVI : 12 â 111.)
-Ktgvroar»-
vooru'uren^ liad de Kerk des Heeren veel te lijden van Saulus. Toen door
de vlucht der meeste geloovigen uil Jerusalem zijne vervolgingswoede daar slechts .weinig meer te doen vond, verzocht en verkreeg hij van den hoogepriester .( ) brieven aan de Joden van Damascus, waarin hij gemachtigd werd, de belijders van Jesus' naam in die stad gevangen te nemen en geboeid naar Jerusalem te voeren.
Met die brieven ging hij op reis, toen hem, terwijl hij omstreeks het midden van den dag Damascus naderde, eensklaps uit den hemel een sterk licht omstraalde, dat het licht der zon in glans overtrof. Tegelijkertijd werd hij ter aarde geworpen en hoorde hij eene stem uit den hooge, die in de hebreeuwsche taal tot liem sprak : Saulus, Saulus! waarom vervolgt gij mij? Saulus vroeg: Wie zijt gij. Heer ? De stem antwoordde: Ik ben Jesus de Nazarener, dien gij vervolgt ; tot uw eigen onheil slaat gij tegen den prikkel achteruit. Bevende en ontsteld hernam Saulus : Heer, wat wilt gij, dat ik doen zal ? De heer sprak : Sta op en ga naar de stad; daar zal u gezegd worden wat gij doen moet. De mannen nu, die Saulus
532
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 533
vergezelden, zagen wel het licht en hoorden een geluid, maar verstonden niet wat er gesproken werd. Jntusschen stond Saulus op, doch zijne oogen weigerden hem hun dienst : hij was blind. Door zijne mannen bij de hand geleid kwam hij te Damascus, waar hij de eerste drie dagen doorbracht zonder het gebruik zijner oogen terug te erlangen en zonder te eten of te drinken
Te Damascus nu bevond zich onder de geloovigen een man met name Ananias (waarschijnlijk een priester), wien de Heer in eene verschijning toeriep ; Ananias ! De toege-sprukene antwoordde: Hier ben ik, lieer. De Heer sprak vervolgens; Sta op, begeef u naar de straat, de Rechte geheeten, en vraag in het huis van Judas naar iemand met name Saulus van Tarsus, want zie, hij bidt. Ananias zeide : Heer, ik heb van velen omtrent dien man gehoord, hoeveel kwaad hij uwen lieiligen te Jerusalem gedaan heefr, en hier heeft bij macht om allen te boeien, die uw naam belijden. Doch de Heer sprak : Ga, want hij is mij een uitverkoren weiktuig om mijn naam te verkondigen aan de volken en hunne koningen en aan de kindeieu Israels, en ik zal hem toonen hoeveel hij om mijnen naam lijden zal.
Inmiddels ontving ook Saulus zelf van den Hemel eene mededeeling : hij zag in den geest den hem toen nog onbekenden Ananias, het huis waar bij zich bevond, binnentreden en hem de handen opleggen, opdat hij het gezicht zou terug erlangen. Eenige oogenblik-ken later werd dit visioen verwezenlijkt. Ananias trad binnen, en terwijl hij Saulus de handen oplegde, sprak hij tot hem: Broeder Saulus, de Heer .Tesus, die u verschenen is op den weg, heeft mij gezonden, opdat gij zoudt zien en met den Heiligen Geest vervuld worden. Kr vielen nu van Saulus' oogen vliezen als vischschubben ; hij had ?ijn gezicht terug, stond op en werd gedoopt. Daarna ging hij eten en drinken om zich te versterken, Hij bleef nu bij de geloovigen te Damascus nog eenige dagen, gedurende welke hij aanstonds in de synagogen aan de Joden Jesus verkondigde als den Zoon Gods Dit wekte bij ieder groot opzien en verbaasd vroeg men elkander : Is het deze niet, welke in Jerusalem uitroeide ahvie dien naam aanriep, en die met het doel herwaarts is gekomen om de belijders van dien naam ook hier gevangen te nemen cn het geboeid voor de opperpriesters Ie Jerusalem te voeren? Intusschen nam Saulus telken dage toe in kracht en vrijmoedigheid; en met klem van redenen, waarvoor zijne tegenstanders beschaamd moesten zwijgen, bewees hij den Joden te Damascus, dat Jesus de Messias was.
Van Damascus vertrok Saulus naar Arabië, waar hij ongeveer drie jaren bleef, en toen hij vervolgens te Damascus wederkeerde, besloten de Joden aldaar hem ter dood Ie brengen cn bewaakten te dien einde dag en nacht de poorten hunner stad. Doch Saulus, hiervan verwittigd, werd des nachts door eenige geloovigen in een mand nedergelaten uit een huis, dat aan den stadsmuur stond, en zoo ontkwam hij de handen zijner belagers.
Thans begaf hij zich, om Petrus te zien, naar Jerusalem ; doch de geloovigen aldaar vreesden hem in hun midden toe te lalen, wijl zij moeielijk konden aannemen, dat hij, die hen vroeger zoo vervolgd had, waarlijk tol de leerlingen van Jesus behoorde. Barnabas echter geleidde hem lol Petrus en Jacobus en verhaalde hun, hoe de lieer op den weg naar Damascus aan Saulus verschenen was. en hoe deze voorts in die slad onbeschroomd Jesus had verkondigd. Nu werd Saulus in den kring der geloovigen opgenomen ; hij bleef bij de beide apostelen vijftien dagen tn predikte in dien lijd het Evangelie aan allen die hem wilden hooien. In het bijzonder sprak .en redelwislte hij veel met de Grieken, die eindelijk geen ander middel ziende om hem lol zwijgen Ie brengen, besloten hem te dooden. Toen de broeders dit vernamen, voerden zij Saulus naar Gesarea en lieten hem vandaar veitrek-ken naar zijne geboorteplaats Tarsus.
Inmiddels genoot de Kerk (wijl de Joden te veel met hun eigene zaken ie doen hadden) een tijdlang lust; zij breidde zich opnieuw sterk uit, en de geloovigen wandelden in de vreeze des Heeren, vol van de vertroosting des Heiligen Geestes.
In die dagen bracht Petrus een bezoek aan de verschillende kerken en kwam op zijne
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
rondreis ook te I.ydda. Daar trof liij een man aan, niet name Kneas, die sedert acht jaren lam te bed lag. Petrus sprak tot hem ; Eneas, de Heer Jesus maakt u gezond ; sta op en spreid zelf uw bed. Eneas stond op : hij was genezen. Op dit wonder namen nagenoeg allen, die te Lydda en in de vlakte van Sarona woonden, het geloof aan.
Niet ver van Lijdda lag Joppe. Paar bevond zich eene leerlinge, Tabitha geheeten, bekend door hare vele goede werken en in het bijzonder door hare aalmoezen. Nu was zij juist dezer dagen ziek geworden en stierf Reeds had men het lijk gewasschen en in de bovenzaal van het huis nedergelegd, toen de geloovigen, iioorende dat Petrus te Lydda was 'wee mannen zonden met het verzoek : Kom spoedig bij ons. Hij ging met de boden mede, en toen hij in het huis van Tabitha was aangekomen en men hem naar de bovenzaal geleid had, toonden eene menigte weduwen hem schreiend de rokken en opperkleederen, welke de overledene voor haar gemaakt had. Petrus liet alle aanwezigen naar buiten gaan, knielde bij het lijk neder, bad, en sprak eindelijk : Tabitha, sta op 1 Onmiddellijk ontsloot de doode de oogen, en Petrus ziende ging zij overeind zitten Petrus reikte haar de hand, hielp haar opstaan en stelde haar aan de onmiddels binnengeroepen mannen en vrouwen levend voor. Dit schitterend wonder bracht zeer vele ongeloovigen te Joppe tot bekeering, en Petius bleef geruimen tijd daar ter stede in het huis van een zekeren Simon een leerlooier.
Eene kleine dagreis van Joppe lag Cesarea. In die stad bevond zich bij de romein-sche legerbende, welke den naam van de Italiaansche droeg, een zekere overste, Cornelius geheeten, een heiden, die met geheel zijn huisgezin God diende, veel bad en vele aalmoezen gaf Op zekeren dag nu zag de overste, omtrent de negende ure, een engel Gods zijn huis binnenkomen, die (ot hem sprak : Cornelius, uwe gebeden en aalmoezen zijn opgestegen tot voor Gods aangezicht ; zend derhalve naar Jobbe en ontbied een zekeren Simon bijgenaamd Petrus, die gehuisvefct is bij een zekeren Simon een leerlooier, wiens woning aan den zeekant ligt : hij zal u zeggen wat gij doen moet. Toen de engel na deze woorden gesproken te hebben, was heengegaan, riep Cornelius twee van zijne huisbedienden en een godvreezenden krijgsknecht, deelde hun mede wat hem wedervaren was, en zond hen naar Joppe.
Den volgenden dag, toen de drie boden niet ver meer van Joppe waren, beklom Petrus omstreeks de zesde ure het platdak der woning van zijn gastheer, om te bidden. Terwijl de huisgenooten, wien hij te kennen gaf dat hij honger had, iets voor hem gereedmaakten, zag hij in een geestverrukking den hemel voor zich openen, en er daalde daaruit iets af dat op een linnen laken geleek, hetwelk aan de vier punten uit den hemel op de aarde werd nedergelaten, en waarin zich bevonden allerlei soorten van viervoetige en kruipende dieren en vogels. Tegelijkeitijd klonk een stem; Sta op. Petrus, slacht en eet' Toch Petrus zeide : Neen Heer, dat niet! want nooit hel) ik iets onheiligs of onreins gegeten. De stem evenwel klonk opnieuw : Wat God gereinigd heeft, zult gij niet onheilig noemen- Tot driemaal toe herhaalde de stem die woorden, en onmiddelijk daarna werd hef linnen laken met zijn inhoud weder ten hemel opgenomen.
Terwijl Petrus bij zich zeiven nadacht, wat deze verschijning toch wel beteekenen mocht, stonden de drie boden van Cornelius voor de deur en vroegen of daar ten huize een zekeren Simon verbleef, bijgenaamd Petrus. Op hetzelfde oogenblik gaf de Heilige Geest Petrus in het hart: Zie, drie mannen vragen naar u ; sta op, daal van het platdak af en ga zonder beraad met hen mede, want ik heb hen gezonden. Petrus daalde af en sprak tot de mannen : Ziet, ik ben het, dien gij zoekt: welke zijn de redenen uwer komst ? Nadat zij hem deze hadden medegedeeld, geleidde hij hen binnen en bood hun in het huis zijns gastheers talel en nachtverblijf aan. Door den H. Geest verlicht, begreep hij nu ook de beteekenis der zooeven gemelde verschijning.
Den volgende morgen vertiok hij met de drie boden, vergezeld van i.es geloovigen uit Joppe. Cornelius had zijne bloedverwanten en vrienden rondom zich verzameld, en
534
fitJBRLSCHR GESCHIEDENIS. 5^
zoodra hij Petrus zag binnenkomen, ging hij hem tegemoet en wierp zich in den grootsten eerbied voor zijne voeten neder; doch de apostel richtte hem op met de woorden : Sta op, ik ook ben een mensch. Zij kwamen nu al pratende in het vertrek, waar de bloedverwanten en vrienden verzameld waren, en Petrus zeide tot hen en tot Cornelius : Gijlieden weet, dat het een Jood niet geoorloofd is met iemand van een ander volk te verkeeren ol bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij getoond (door de verschijning der verschillende reine en onreine dieren), dat ik voortaan niemand meer onheilig mag noemen Daarop begon de apostel aan den hoofdman, en die met hem vergaderd waren te [jrediken, hoe God Jesus van Nazareth met den H. Geest en met kracht had gezalfd, hoe hij hem ten derden dage uit de dooden had opgewekt en in hem vergifTenis van zonden verkrijgbaar had gesteld voor allen, die zijn naam zouden belijden.
Terwijl Petrus nog sprak, daalde eensklai)s de H. Geest over alle aanwezigen neder, zoodat de zes geloovigen uit het Jodendom, die van Joppe waren medegekomen, verwonderd waren, dat de genade des Heiligen Geestes ook over de heidenen werd uitgestort En toch, dat dit hier inderdaad geschied was, kon niet geloochend worden, want zij hoorden die menschen vreemde talen spreken en God vei heerlijken. Petrus zeide alsdan; Kan iemand wel water weigeren om dezen te doopen, die evenals wij den Heiligen Geest ontvangen hebben? Cornelius en de zijnen werden nu gedoopt, en Petrus bleef op hun verzoek eenige dagen bij hen.
Later, toen hij met de zes geloovigen uit Joppe zich naai Jerusalem had begeven, vroegen hem eenige daar wonende broeders uit het Jodendom, die van het gebeurde met Cornelius gehoord hadden : Waarom zijt gij ingegaan bij mannen, die onbesneden zijn, en, hebt gij met hen gegeten ? In antwoord op die vraag verhaalde Petius uitvoerig, hoe de Heer, hem in eene verschijning allerlei dieren toonende. tot driemaal hem had toegesproken : Sta op, slacht en eet ; wat God gereinigd heeft, zult gij niet onheilig noemen, Verder verhaalde hij, hoe aan Cornelius een engel verschenen was, en hoe ten slotte de Heilige Geest over de heidenen was afgedaald. Wie was ik, vroeg hij nu, dat ik God konde weren ? â Toen de geloovigen te Jerusalem dit verhaal gehoord hadden, waren zij bevredigd, en God verheerlijkende zeiden zij: Zoo heeft dan God de bekeering ten leven ook aan de heidenen geschonken.
1. Dat du apostelen bij de voortdurende uitbreiding der Kerk, benevens diaken ook priesters en bisschoppen wijdden, blijkt uit verschillende plaatsen der 11. Schrift, o. a. uit HandeiingGn \IV: 22; i Tim. V: 22; 2 Tim I: (gt;: Tit. I: 5. Op de laatst aangehaalde plaats schrijft de apostel Paulus : ,,Daarom heb ik u te Creta achtergelaten, opdat gij in verschil» lende steden priesters zoudt aanstellen.quot; Titus zelf, tot wien die woorden gericht waren, was door Paulus tot Bisschop gewijd evenals Timotheus. Aan laatstgenoemde schrijtt Paulus: ,.lk vermaan u, dat gij de genade opnieuw in u opwekt, die in u is door de oplegging mijner handen.'' â Uit dit latere gedrag der apostelen mag men nut grond afleiden, dat zij ook reeds tamelijk vroeg aan de verschillende steden priesters en bisschoppen gaven. Vermoedelijk was de bovengenoemde Ananias te Damascus een dier mannen.
2. Gelijk reeds boven tusschen haakjes is gezegd, hadden de Joden in de dagen dat zij de Christenen een tijdlang niet vervolgden, te veel met hun eigene zaken te doen Do ongewijde geschiedenis toch meldt, dat de romeinsche keizer Caligula destijds in den tempel te Jerusalem een heidensch afgodsbeeld wil.Ie doen oprichten, welk plan de geheele stad in schrik en angst zette.
3. Aot aan do bekeering van Cornelius hadden behalve Joden, alleen Joden-genooten, tl i. zoodanige heidenen, die vroeger tot het Jodendom waren overgegaan, het Evangelie omhelsd. Dat ook heidenen, die niet besneden waren, tot het Christendom konden worden toegelaten, was voor de eerste geloovigen iets vreemds ; zij werden echter door Petrus omtrent de raadsbesluiten Gods beter ingelicht.
4. Ofschoon over Cornelius en de zijnen, op het doopsel van begeerte, de 11. Geest was afgedaald, moesten z-j toch nog den werkelijken doop ontvangen, omdat Christus dit Sacrament aan zijne Kerk had voorgeschreven.
5. Nadat Petrus van zijne reis naar Joppe en Cesarea was teruggekeerd, bleven de apostelen, luidens de christelijke overlevering, nog slechts gedurende een korten tijd te Jerusalem bijeen. Op het einde van het derde of in het begin van hot vierde jaar na den dood en de verrijzenis des Hoeren gingen zij â uitgezonderd Jacobus de jongere en Joannes â zich over verschillende landen ter Evangelieprediking verspreiden. Petrus begaf zich naar Antiochië in Syrië, waar hij zijn eersten bisschoppolijken zetel vestigde. Van tijd tot tijd echter maakte hij naar andere streken langere of kortere apostolische reizen en koerden meermalen voor eeno wijle naar de Moederkerk te Jerusalem terug. Ook Jacobus do oudere
536 lïïJBF.LSCHR GKSCHIEDEN1S.
moot daar minstens eenmaal zijn wodcrgokeord, wijl wij later-â zio de volgendo bladzijde â van hom lozen, dat hij door Herodes met liet zwaard werd omgebracht. Jacobns de jongorc bleef te Jerusalem, om de Kerk dier stad als bUscliop to besturen. Joannes bleef er sl« cbts zoolang, als do Moeder dos lleoren, die hij tot zich genomen had, leefde; na haar dood en ten-homel-opneming verliet ook hij Jerusalem, om in vreemde gewesten hot Evangelie to verkondigen.
0. Het volgende hoofdstuk omvat in een betrekkelijk zeer kort bestek niet minder dan een tijdperk vau 7 jaren; inner is aangaande de gebeurtenissen van dat tijdperk uit do H. Schrift niet bekend.
HOOFDSTUK UV,
DK CHRISTENEN TE ANTIOCHIÃ, PETRUS TE JERUSALEM DOOR EEN ENGEL UIT DEN KERKER BEVRIJD.
(Handelingen XI: 1(J â XHI.)
------
e'e 6e'oov'fereni 'J'6 Ult lioofde der met de steeniging van Stephanus ontstane vervolging de wijk hadden genomen naar Judea en Samaria (zie hoofdstuk 52),
V-: 7^.quot; trokken later verder voort naar Phenicië, naar het eiland Cyprus en naar «Jlg ,' de Syrische lioofdstad Antiochië. De nieesten verkondigden op al die plaatsen Jesus 4. alleen aan de Joden ; eenigen hunner echter wendden zich te Antiochiü ook tot de 'Y Grieken, met den gunstigen uitslag, dat velen dezer heidenen het woord des Heeren aannamen. Toen de Kerk te Jerusalem dit hoorde zond zij naar Antiochië Barnabas, een man vol van den Heiligen Geest en van geloof, die zich over hetgeen hij in gemelde stad zag zeer verheugde, en daar eenigen tijd verbleef, allen vermanende om in hunne bekeering te volharden. Vervolgens vertrok hij naar Tarsus, om Saulus op te zoeken, en nadat hij hem gevonden had, keerde hij met hem naar Antiochië terug. Beide mannen nu ware daar een geheel jaar werkzaam, en zoo groot was het aantal bekeeringen, door hen verwekt, dat in die stad de geloovigen het eerst Christenen geheeten werden.
In die dagen kwamen uit Jerusalem te Antiochië eenige geloovigen, die met de gave der voorzegging waren uitgemst, en een hunner, met name Agabus, stond in de vergadering op en maakte door den H. Geest bekend, dat over geheel Palestina een groote hongersnood zou komen. Toen de hongersnood kwam, onder de regeering van keizer Claudius, besloten de Christenen te Antiochië aan de broeders in Judea eenige ondersteuning aan te bieden. Barnabas en Saulus brachten de giften over en stelden ze den priesters der Kerk te Jerusalem ter hand.
Terzelfder tijd brak opnieuw eene vervolging tegen de Kerk uit; thans was het koning Herodes die haar kwelde. Reeds had hij Jacobus, den broeder van Joannes, met het zwaard doen ombrengen, toen hij, ziende dat zulks den Joden aangenaam was, ook Petrus gevangen nam. Dit geschiedde te Jerusalem in de dagen van het paaschfeest, en daar de koning den apostel na afloop der feestelijkheden in het openbaar voor liet volk wiide terechtstellen, wierp hij hem zoolang in den kerker, waar hij hem door vier viertallen krijgsknechten (die elkander om beurten moesten afwisselen) deed bewaken. Intusschen werd gedurende al den tijd dat Petrus gevangen zat, door de Kerk een aanhoudend gebed tot God voor hem gedaan.
Des nachts, toen den volgenden dag de terechtstelling zou plaats hebben, sliep Petrus met twee ketenen geboeid tusschen twee krijgsknechten, en ook de beide soldaten, die buiten de deur de wacht moesten houden, stonden als naar gewoonte op hun post. Eensklaps nu daalde een engel des Heeren in den kerker af, een licht besti aaide dien, en de engel Petrus in de zijde stootende maakte hem wakker en sprak ; Sta spoedig op. Meteen vielen de ketenen den apostel van de handen, en de engel sprak voorts: Omgord u en bind uwe voetzolen aan. Petrus deed aldus, en weder sprak de engel: Sla uw mantel om en
PETRUS UIT DEN KERKER BEVRIJD. Kladz. 536.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
volg mij. Terwijl de apostel ook dit deed. wist hij nog niet, dat hetgeen cloor den engel geschiedde waar was, want hij meende een visioen te zien. Nadat hij nu met zijn geleider de eerste en tweede wacht buiten de deur des kerkers was voorbijgegaan, kwamen zij aan de laatste ijzeren poort, en deze ging van zelf voor hen open. Zij liepen te zamen nog eene straat ver, toen de engel even plotseling als hij afgedaald was, uit l'etrus' gezicht verdween Thans eerst tot zich zeiven gekomen, zeide Petrus: Nu weet ik in waarheid, dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het Joodsche volk heeft verlost.
Na een kort beraad, waarheen hij zich in het nachtelijk uur zou begeven, richtte Petrus zijne schreden naar het huis van Maria, de moeder van Joannes Marcus. Een groot aantal geloovigen was daar bijeen, nog steeds volhardende in het gebed. Toen zij iemand aan de deur hoorden kloppen, ging eene dienstmaagd met name Rhode, vernemen wie daar was. Zij erkende de stem van Petrus, doch in plaats van hem in te laten, liep zij, van blijdschap niet wetende wat zij deed, naar binnen, en boodschapte, dat de apostel zelf, voor wien men zooveel gebeden had, voor de deur stond. De vergaderden voegden haar toe; Gij zijt waanzinnig De dienstmaagd echter bleef bij haar beweren, en nu zeide men : Dan zal het zijn engel zijn. Inmiddels ging Petrus voort met kloppen. Eindelijk opende men, en ziende dat het inderdaad Petrus was, borsten allen in luide kreten van verbazing en verwondering los. Door een teeken met de hand gaf de apostel (e kennen dat hij spreken wilde, en toen allen daarop zwegen, verhaalde hij hun uitvoerig, hoe de Heer hem door een engel wonderdadig had bevrijd, Voo'ts verzocht hij, dat men dit ook aan de overige geloovigen te Jerusalem, en vooral aan Jacobus, den zoon van Alpheüs, zou berichten. Daarna begaf hij zich naar een andere plaats.
Intusschen ontstond er, bij het aanbreken van den dag, geene geringe ontsteltenis onder de krijgsknechten, die met de bewaking van den kerker belast waren : hun gevangene was verdwenen, en niemand kon zich verklaren hoe dit geschied was. Nog erger werd de zaak, toen Herodes des morgens op zijn bevel dat men Petrus zou voorbrengen, vernam, dat hij nergens te vinden was De krijgsknechten ondergingen daarover een scherp verhoor, en wijl zij zich niet konden verantwoorden, werden zij terechtgesteld.
Den volgenden dag vertrok Herodes naar Cesarea, waar hij eenigen tijd later door de hand Gods getroffen werd. Dit geval droeg zich volgender wijze toe. De gezanten der Tyriers en Sidoniërs, op welke beide volken Herodes vertoornd was, waren overgekomen om de goede verstandhouding te herstellen. Op een bepaalden dag werden zij bij den koning toegelaten, en deze, met de teekenen zijner koninklijke waardigheid omhangen op zijn troon plaats nemende, hield tot hen eene aanspraak. Het volk, daarbij tegenwoordig, juichte den vorst toe en riep onder meer: Dat zijn woorden van een God en niet van een mensch. Herodes schepte in die taal behagen, en op hetzellde oogenblik sloeg een engel des Heeren hem met een vreeselijke kwaal : door de wormen verteerd, gaf hij (volgens Flaviiiü Josephus reeds vijf dagen later) den geest.
De Kerk breidde zich inmiddels door een groot aantal bekeeringen opnieuw naar alle kanten uit. Barnabas nu en Saulus, na hunne zending te Jerusalem volbracht te hebben, keerden naar Amiochië terug, waarheen zij ook Joannes Marcus medenamen.
1. I)»' bovongoniL'lilo govangonncming en bcvrijtling van ivirus luid plaats ongovofr in lii't jaar 42 of na Christus* goboorto, negen ol' tion jaren na don dood en do verrij/.cnlH des /iiligmakcrs.
2. In den loop der â¢nrtfiiisstMi, verhaald In de bockon van liet Nh'iiwe Tostament, /ijii drio llorodesstai tlt;! ondor-Hcheidcn : a. IIiTodes d-' kind» rmoordenaar van H ihlehrm, door zijn jood-ohe on lifidonsoho tijilgenooton llerodos de (Iroote genoemd ; hij was, onder hel, oppor^ozaj-r dor Hoincinen, koning van l'alosliiiii ; â h. Ilorodes Antipas, de /.oon van d(3n vorige ; hij bi'stnurdo, als viorvorst van de goweston Ualilea en Poroa, sleelits eon godoclte van hot joodsche land; â c. 11 Todos Agrippa, oen hrooderszoon van lit-rodos Antipas; evenals /.ijn grootvador regoerdo hij woder, onder Uomeinsch oppergezag, over goheol Palestinu, mot don titol van koning. Hij was liet, dio Petrus gevangen nam, na Jacobus onthoofd t^ hobhon.
537
68
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
3. Joannes Marcus, gewoonlijk ulloen Mn reus genoemd, is do schrijver van Int tweede Kvangolle. (Het ecrsto Evangelie is van Mattheüs, het vierde van den apostel Joanties. het derde van Lucas, die ook do Jlandelingen der Apostelen geschreven hoeft).
4. In liet vervolg houdt de schrijver van liet Boek der Handelingen zich bijna uilsluitend bezig met de verrichtingen van Saulus, wiens trouwe reis- en lotgenoot hij geruimen tijd was: nog een paar malen noemt hij liein Naulus, om hem later alleen Paulus te heeten Van Petrus en de overige apostelen verhaalt hij ons niets meer, dan dat eorstgenoemdo met Jacobus de jongere tegenwoordig was op het hierna, in hooldstuk LVI, te melden Concilie te Jerusalem. Uit de kerkelijke geschiedenis echter, en met name uit de gelui .enisson van Eusebins, den 11 llieronymus en anderen, weten wij, dat Petrus, na ongeveer zeven jaren lang bisschop van Antiochiö te zijn geweest, omtrent het jaar 4'i nu Christus* geboorte naar Home vertrok, waar hij 25 jaren bisschop was, en in het juar 08 na Christus omJer de regeering van keizer Nero gekruisigd werd. â Volgens het bovenstaande uil In t Hoek der Ilandi lingen medegedeelde hoofdstuk, ging Petrus, na zi;ne wonderdadige bevrijding uit don kerker, .,naar een andere plaats. ' Welke andere plaats (gewest of stad) dit geweest is, meldt de II. Lucas niet; met het oog op de zooeven aangehaalde getuigenis van Kusebius enz., mag men aam ⢠inen, dat de apostel toen, misschien na een koi t oponlhoud in de een of andere grieksclia of syrische stad, naar Rome is vertrokken, waar hij, blijk ens het feest, door de KerU ter herinnering aan die gebeurtenis ingesteld, op den IS Januari aankwam. Als het hoofd der gansclie ehristenheid bh-ef hij evenwel niet onafgebroken te Rome, maar bezocht hij van lijd tot tijd ook de Kerken in Klein-Azie en in Jndea. Zoo vinden wij hem later, gelijk boven reeds werd aangestipt, op het Concilie te Jerusalem.
HOOFDSTUK LV.
EERSTE APOSTOLISCHE REIS VAN PAULUS ONDER DE HEIDENEN: DE REIS NAAR CYPRUS EN KLEIN-AZIÃ.
(Hande'ingen XIII en XIV.)
£ rh rh -kX,
gt;
de keik te Antiochiö in Syrië bevonden zich profeten en leeraars, onder welke geteld werden Barnabas, Simon Niger, Lucius van Cyrene, Manahen, die een
zoogbroeder was van Herodes Antipas, en Saulus. Terwijl deze mannen den eeredienst des Heeren verrichtten en vastten, sprak de Heilige Geest lot hen: Zondert mij Barnabas en Saulus af tot het werk, waartoe ik hen bestemd heb (tot de prediking des Evangelies aan de heidenen). Op dit bevel hielden zij andermaal een vastendag met gebed, en Simon. Lucius en Manahen legden Saulus en Barnabas de handen op en lieten hen gaan.
Door den Heiligen Geest gezonden, trokken Saulus en Barnabas eerst naar Seleuciö en staken van daar over naar het eiland Cyprus, met zich nemende Joannes Marcus. Op Cyprus begonnen zij het woord des Heeren te prediken in de stad. Salami's, en kwamen al voortgaande aan de andere kust des eilands in de stad Paphos. Daar bevond zich bij den Romeinschen landvoogd Sergius Paulus, een toovenaar en valsche profeet van joodsche afkomst, die den naam droeg van Barjesu en ook Elymas genoemd werd. De landvoogd, een verstandig man, ontbood Saulus en Barnabas om van hen het woord Gods te hooren. Terwijl zij aan dit verzoek voldeden kwam de toovenaar Elymas tegen hen in verzet en trachtte Sergius Paulus van het geloof in Jesus terug te houden. Saulus zag den toovenaar strak in het gelaat, en vervuld van den Heiligen Geest sprak hij tot hem: O, gij vol van allerlei arglist en bedrog, kind des Satans en vijand van alle gerechtigheid, houdt gij niet op, de rechte wegen des Heeren te verdiaaien ? Nu dan, des Heeren hand drukke op u: gij zult een tijdlang blind zijn en de zon niet aanschouwen. Oogenblikkelijk ging dit woord in vervulling : al tastende zocht Elymas iemand, dien hij de hand kon geven om weggeleid te worden. Op het zien van dit wonder stond de landvoogd verbaasd en nam met een geloovig hart het wooid des Heeren aan.
538
BIJBKLSCHE GKSCHIRDENIS.
Saulus nu, sedert dien tijd Paulus genoemd, scheepte zich met zijne beide gezellen te Paphos in en voer naar Pamphylië, in welks hoofdstad, Perge, Joannes Marcus hem tot zijn spijt verliet, om naar Jerusalem terug te keeren. Paulus en Barnabas reisden alleen verder en kwamen te Antiochië in Pisidië (wel te onderscheiden van Antiochië in Syrië). Op den eerstvolgenden sabbat gingen zij naar de synagoge dier stad en namen daar plaats. Na de voorlezing uit de Wet en de profeten, lieten de oversten der synagoge hun zeggen : Mannen, broeders, indien gij een woord van vermaning hebt tot het volk, zoo spreekt. Paulus stond nu op, wenkte met de hand om siilte en sprak : Mannen van Israël en gij allen die God vreest (gij Jodengenooten), hoort. Hij predikte hun voorts met verwijzing naar de Schriften den Verlosser, en besloot zijne toespraak aldus: Zoo zij het u dan bekend, mannen, broeders, dat vergeving van zonden u in dien Jesus wordt aangeboden, en dat door hem iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
Bij het uitgaan der synagoge verzocht men Paulus en Barnabas, op den volgenden sabbat de vergadering nogmaals over die zaak te onderhouden. Zij beloofden dit en gingen heen, vergezeld door vele Joden en Jodengenooten, die zij opnieuw toespraken, hen vermanende in de genade Gods te volharden.
Den volgenden sabbat stroomde bijna de geheelé bevolking der grootendeels heidensche stad naar de synagoge bijeen, hegeerig het woord Gods te hooren. De Joden, de talrijke menigte heidenen ziende, werden van nijd vervuld en weerspraken boosaardig hetgeen door Paulus gezegd werd. Toen verklaarden Paulus en Barnabas met groote vrijmoedigheid: Aan u. Joden, moest het woord eerst verkondigd worden, maar wijl gij het verstoot en u zeiven het eeuwige leven onwaardig keurt, ziet, zoo wenden wij ons tot de heidenen. Aldus toch heeft de Heer ons geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der volkeren, opdat gij mijn heil zoudt zijn tot aan het uiteinde der aarde. De heidenen dit hoorende, verblijdden zich zeer; velen namen het woord des Heeren aan, en ook buiten de stad in het geheele gewest van Pisidië breidde zich de leer des Evangelies uit. Des te meer ontvlamde de haat der Joden ; zij stookte de voornaamste burgers der stad en vooral de aanzienlijkste vrouwen op en wisten het eindelijk zoover te brengen, dat de apostel en zijn metgezel verdreven werden. Dezen schudden het stof hunner voeten tot een getuigenis tegen hunne vervolgers af en begaven zich naar Iconium, de hoofdstad van Lycaonië. Intusschen werden de nieuwbekeerden, die zij in Pisidië achterlieten, ook te midden der kwellingen door den Heiligen Geest met troost en blijdschap vervuld.
Te Iconium ging het op gelijke wijze als in de Pisidische hoofdstad : de bekeering van een aanzienlijk getal Joden en Jodengenooten had den wrok der overige Joden ten gevolge : zij hitsten de heidenen tegen de geloovigen op en toen Paulus en Barnabas des ondanks voortgingen het Kvangelie te verkondigen en hun woord door wonderen te bevestigen, beraamden de oversten der Joden met de heidenen een plan, om de beide mannen te steenigen. Daardoor zagen dezen zich genoodzaakt de wijk te nemen naar een andere stad in Lycaonië, Lystra geheeten
Er was in die stad een man, die, van zijne geboorte af lam, nooit had kunnen gaan of staan, Hij hoorde Paulus prediken, en deze hem aanziende en bespeurende dat de man zijne genezing niet door ongeloof zou tegenwerken, sprak tot hem met verheffing van stem : Sta op uwe voeten. De man sprong overeind en begon voor aller oogen te wandelen. Bij het aanschouwen van dit wonder, riepen de heidensche scharen uit : De goden hebben de gedaante van menschen aangenomen en zijn tot ons rtedergedaald! Barnabas hielden zij voor Jupiter en Paulus voor Mercurius, omdat hij de woordvoerder was. Een oogenblik later verschenen de priesters van Jupiter voor de poort, met stieren en kransen, om den vermeenden goden een offerande op te dragen. Dit ziende, scheurden Paulus en Barnabas hunne kleederen, wierpen zich onder de scharen en riepen uit: Mannen, wat doet gijl Wij ook zijn stervelingen, menschen als gij, die u verkondigen, dat gij u van deze ijdele goden moet bekeeren tot den levenden God, die hemel, aarde en zee, met al wat zij bevatten.
53'J
540 BlJBELSCHR GESCHIEDENIS.
gemaakt heeft. Niettegenstaande deze betuiging konden zij slechts met moeite de heidenen van hun plan om te offeren weerhouden.
Eenige dagen later echter waren de zaken omgekeerd. Er kwamen te Lystra Joden uit de Pisidische hoofdstad en uit Iconium; zij hitsten de heidenen op, en door dezen geholpen steenigden zij Paulus, waarna zij hem buiten de stad sleepten, meenende dat hij dood was, Toen evenwel een oogenblik daarna eenige mannen te Lystra, die liet geloof hadden aangenomen, bij den apostel, kwamen (vermoedelijk om hem te begraven), stond hij op, ging met hen de slad in en begaf zich den volgenden dag met Barnabas naar Derbe.
Te Derbe bracht de prediking des Evangelies rijke vruchten voort; 1'aulus en Barnabas vertoefden er een tijdlang en gingen toen weder naar Lystra, naar Iconium er naar de Pisidische hootdstad, om daar de nieuwbekeerden to versterken en tot volharding in het geloof aan te manen : Men moet, spraken zij onder meer tot hen, langs den weg van vele verdrukkingen liet rijk Gods ingaan. Tevens wijdden zij in al die steden, na gevast en gebeden te hebben, eenige mannen tol priesters, bevalen dezen met hunne kudden in de bescherming des Heeren aan en vertrokken naar Pamphylië, in welks hoofdstad Perge zij nog een korten tijd liet Evangelie verkondigden. Eindelijk keerden zij van Perge over Attalii1 naar hun uitgangspunt, Antiocbie in Syrië, terug, waar zij geruinien tijd bleven.
1. Algemeen zijn do uitleggers van gevoelen, dat de in het begin van dit hoofdstuk genoemde Simon Niger, Lucius ⢠'ii Mannlien door de apostelon reeds vroe^vr tot bissclioppen .varen gewijd, en dnt /.ij thans, door nan Panlns en Barnabas de hande:i op te leggen, dezen dezelfde waardigheid mededeelden.
Paulus was â gel jk uit do beide voorgaande hoofdstukken blijkt, en zoouls hij het zelf in zijn brief aan do Galaten uitdrukkelijk verzekertâ niet door menschen, maar onmiddellijk door God tot apostel geroepen; hij was voorts in de leer des Evangelies onderwezen door de openbaring van Cln istns z- lven. Niettemin meest hij. om aan de door G'»d voor zijne Kerk vastgestelde orde te voldoen, gedoopt worden (dour Ananias); zoo ook had hij, om met vrucht zijne roeping als apo8tel, als Godsgezant, te kunnen vervullen, «Ie priesterlijke en bisschoppelijke wijding noodig, dh- hem door d'1 oplegging der handen werd medegedeeld.
2. Al.s de Hrnidcgom van hen weggenomen zou zijn, zouden zijne leerlingen vasten, had Jesns tut de r hanzeën gezegd â zie N. T. hoofdstuk 10. Dat de apostelon en lt;lc' eerste Christenen dit gebod trouw nakwamen, zien wij in bovenstaand hoofdstuk tot tweemaal toe. Daaruit blijkt, hoe de bewrrinj; d. r onkatholiektn, dat de Bijbel in het vasten geen d jugdoofening ziet, niets anders is dan eene ydelo poging om zich zeiven van een lastig werk vrij te pleiten.
3. De woorden: ,,ik heb u gesteld tot een licht der volkeren, opdat gij mijn heil zondt zijn tot aan de uiteinden der aardequot; zijn van den Messias voorzegd door den profeet Isaïas â N. T. hoofdstuk 10. Voor «Ie apostelen waren die woorden een gebod, want door hunne prediking moest de profetie in vervulling gaan.
4. Cyprus is een eiland in de Middellandsche Z e; amphylië, Pisidië en Lycaonië, met hunne .steden forge, Antiochië, Iconium, Lystra en Derbe, waren landstreken in Klein Azië.
HOOFDSTUK LV1 HET CONCILIE T E J E R U S A L E M.
(Handelingen XV: 4 â 3Gj.
is het verblijf van Paulus en Barnabas te Antiochië kwamen daar uit Judea gt;$. eenige geloovigen van Joodschen oorsprong, die tot de broeders, welke heidenen geweest waren, spraken: Indien gij u niet naar de verordening van Moses laat besnijden, kunt gij niet zalig worden. Daar Paulus en Barnabas zich met kracht cjlV tegen die leer aankantten, werd eindelijk met onderling goedvinden bepaald, dat de ^ strijdvraag aan de apostelen en aan de priesters van de Kerk te Jerusalem zou worden voorgelegd. Paulus en Barnabas begaven zich met eenige geloovigen uit Antiochië op
mjBRLSCHE GESCHIRDRNIS. 541
reis: zij werden te Jerusalem met blijdschap ontvangen, en verhaalden aan de broeders, welke groote dingen God onder de heidenen had tot stand gebracht. Renige voormalige Pliarizeön zeidon daarop: Men moet de heidenen besnijden en hun ook gebieden degeheele wet van Mozes te onderhouden
Weldra hielden de apostelen en de priesters daarover eene vergadering. Nadat men de zaak met ijver onderzocht en besproken had, stond I'etrus op en zeide : Mannen broeders, gij weet dat God reeds voorlang (toen ik tot Cornelius gezonden werd) mij uitkoos, opdat door mijn mond de heidenen het woord des Rvangelies zouden hooren en gelooven. En Hij, de kenner der harten, heeft voor de heidenen getuigd, door hun den Heiligen Geest te schenken evenals aan ons; Hij heeft tusschen ons (gewezen Joden) en tusschen de heidenen, nadat nij h en eenmaal door het geloof gereinigd had, volstrekt geen onderscheid gemaakt. Waarom dan wilt gij God beproeven en den leerlingen een juk opleggen, dat onze vaderen en wij slechts niet moeite konden dragen? Niet alzoo; maar door de genade van onzen Heer Jesus Christus gelooven wij zalig te worden, en zij eveneens. In dit woord van Peirus berustte de geheele vergadering, en men hoorde met belangstelling Paulus en Barnabas verhalen, hoe groote wonderen en teekenen Cod door hen onder de heidenen gewrocht had.
Toen ook beide laatstgenoemden zwegen, vatte Jacobus ter bevestiging van hetgeen Petrus gezegd had, het woord op en sprak : Mannen broeders, hoort mij. Simon heeft vermeld, hoe God voor de eerste maal (bij de bekeering van Cornelius en diens vrienden) uit de heidenen genadiglijk een volk heeft aangenomen ter belijden's van zijn naam. Hiermede stemmen de woorden der profeten overeen, gelijk er geschreven staat : Daarna zal ik terugkomen en de vervallen tent van David weder opbouwen (in en door Davids Zoon den Messias); wat aan die tent verwoest is zal ik herstellen en oprichten, opdat de overige menschen, al de heidenen over welke mijn naam is ingeroepen, den Heer zoeken zegt de Heer. Den Heer nu is zijn werk van eeuwigheid af bekend. Daarom ben ik van oordeel, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeeren. niet moet kwellen, maar hun alleen moet opleggen dat zij zich onthouden van hetgeen door afgoden besmet is en van ontucht, alsmede van het gebruik van gestikt vleesch en van bloed. Moses toch bezit van ouds in iedere stad mannen, die hem prediken in de synagogen, alwaar hij op elke sabbat wordt voorgelezen. (Om dien predikers en hoorders van Moses' wet geen al te groote ergernis te geven, moet men het gebruik van gestikt vleesch en bloed voorloopig verbieden.)
Daarna werd eenparig besloten, uit de Kerk te Jerusalem twee mannen van aanzien onder de broeders. Judas, bijgenaamd Barsabas. en Silas, met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden, en hun een brief mede tc geven van den volgenden inhoud:
De apostelen en de priesters aan de broeders uit de heidenen te Antiochië en in de verdere steden van Syrië cn Cilicië heil ! Naardien wij vernomen hebben, dat sommigen, van ons uitgegaan, u door hunne woorden verontrust en uwe gemoederen geschokt hebben, aan wie wij daartoe geen last hadden gegeven, zoo heeft het ons, eendrachtiglijk vergaderd, goedgedacht, mannen uit te kiezen en I ot u te zenden met onze zeer geliefde Barnabas en l'aulus, menschen die hun leven veil hebben voor den naam van onzen Heer Jesus Christus. Wij hebben dan Judas en Silas afgevaardigd, die ook zeiven mondeling u hetzelfde zullen melden, wat hier volgt: liet heeft namelijk den Heiligen Geest en ons goedgedacht, u geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke voorschriften : dat gij u onthoudt van het geofferde aan de afgoden, van bloed en van het verstikte en van ontucht. U voor deze dingen wachtende zult gij goed handelen. Vaartwel !
Zoodra Paulus en Barnabas met hunne rei«genooten te Antiochië waren aangekomen, riepen zij de geloovigen samen en gaven bun den brief over; deze werd voorgelezen, en allen verblijdden zich over de troostvolle beslissing. Vervolgens hielden Judas en Silas tot de geloovigen nog eene toespraak, waarin zij hen opnieuw bemoedigden en versterkten.
542
Na eenige dagen keerde Judas naar Jerusalem terug, Silas echter bleef te Antiochië bij Paulus en Barnabas, die daar weder met vele anderen het Evangelie verkondigden.
1. Onder dc in bovon^tnnnd hoofdstuk vcrmcldn priesters heeft in n ongetwijfeld ook opperpriesters ol bisschoppen te verstnnn. De II. Schrift en evenzoo de Vaders der eerste eeuwen noemen soms bisschoppen en priesters elk afzonderlijk, soms vatten zij hen samen onder den gemeenschappelijken naam van priesters; uit de brieven vooial van den II. Ignatms, den leerling van d' ii apostel Joannes, blijkt dit zeer duidelijk. Ook Jonnnes zelf noemt zich tot tweern al toe priester, eens bij 2 Joan. I: 1, en voorts bij 3 Joan. I: 1. Pttrus geeft zich tegenover de bisschoppen en priesters van Klein-Azië den naam van ,,medepriesterquot; â 1 Pet. V: i.
2. Do Christenen uit het Jodendom en voornamelijk uit de f'harizeën konden zich moeielijk voorstellen, dat de Cliris-tenen uit hot heidendom geheel met hen op dezelfde lijn stonden, als zij niet eerst door het aannemen der besnijdenis zich aan hen gelijk maakten. Ofschoon op hot Concilie te Jerusalem deze meening als ongegrond verworpen werd, moesten de apostelen nog langen tijd daarna, zooals bijv. uit den brief van Paulus aan de Galaten blijkt, tegen een weer-opdoemen dor oude dwaling kampen. Eveneens ging het in de Kerk in latere eeuwen, ook nog in onzen tijd: een Concilie doet uitspraak omtrent zeker punt der geloofsleer; de groote meerderheid legt zich met een gewillig hart daarbij neder, doch eer d ? laatste sporen der tegenovergestelde dwaling bij ieder geheel zijn uitgewisclit, verloopt moestal eon geruime tijd.
3. De apostelen en de priesters, in Concilie vergaderd, beschouwen hunne beslissing als de beslissing des Heiligen Goestes zeiven : âhot heeft,zeggen zij, ,,den Heiligen Geest en ons goodgedacht.quot; Do, regel door die vergadering vastgesteld, gekit ook voor alle volgende Conciliën: na eon ijverig onderzoek en bespreken der zaak wordt de beslissing gegeven. Die beslissing ging te Jerusalem uit van Petrus; nadat hij gesproken had, zwegen allen; alleen vatte Jacobus later hot woord weer op, doch slechts ter bevestiging van de uitspraak van Petrus.
Met zijne a inhaling uit do profeten wil Jacobus dit zoggen: God heeft door de profeten voorspeld, dat ooH de heidenen tot zijne tont zouden komen ; hij stolde daarvoor geen lastige voorwaarden, hij sprak van geen besnijdenis, van geen aanneming der wet van Mozea. God nu wist van eeuwigheid wat hij doen zou; hechtte hij derhalve, toen hij zijne voorspelling gaf, daar geen moeielijke verplichtingen aan vast, dan kan hij die ook bij de vervulling der voorspelling niet willen opleggen.
4. De bepaling, dat de geloovigen zich van ontucht hadden te onthouden, werd daarom gegeven, wijl de heidenen in het algemeen in die zonde weinig of geen kwaad zagen; het was dus dienstig de Christenen uit het heidendom m -t nadruk voor die verkeerde meening te waarschuwen en omtrent dat punt een opzettelijk gebod uit te vaardigen.
liet verbod, betreffende hot gebruik van blood en het eten van het vleosch van gestikte dieren, werd, blijkens dc woorden van Jacobus, enkel mot dit doel gegeven, dat «Ie Joden zich niet al te zeer z uulen ergeren en daardoor van het omhelzen des Evangelies worden teruggehouden In lateien tijd, toen dat gebod niet meer noodig was, hief do Kerk het weder op.
5. Uit den brief van Paulus aan de Galaten II : 1 blijkt, dat onder degenen, die Paulus en Parnabas van Antiochië naar het Concilie te Jerusalem vergezelden, zich ook Titus bevond, dien de apostel later tot bisschop van Creta wijdde, en wion hij een zijner brieven schroef. Do Joden wilden, luidens Galaten II: 3 â 13, Paulus noodzaken dien leerling te laten besnijden; doch juist omdat zij dit als iets noodzakelijks vorderen, weigerde de apostel. Emanderen leerling integendeel, zijn reisgezel en medehelper Timothoüs â in het volgende hoofdstuk vermeld â liet hij besnijden, niet als ware dit noodzakelijk, maar om met zijne prediking bij de Joden gemakkelijker ingang te vinden. Zuo handelde de Kerk steeds; zij zoekt zooveel mogelijk alle redenen tot aansloot dor zwakken weg te nemen, maar houdt daarbij streng vast, dat hetgeen zij doet voortspruit uit toegevendheid, niet omdat de wet Gods dit vordert. Aan die laatste valsche meening mag zij nimmer voedsel geven ; vóór alles en boven alles heeft zij hare waarheid, hare goddelijke; leer te handhaven en dezen tegen alle dwaling veilig te stellen. Een merkwaardig voorbeeld dienaangaande levert de geschiedenis der Middeleeuwen op. In de eerste helft der vijftiende eeuw vorderden do Bohemers, als een Aoov Cgt;\\v\*ivi* verplichtend gesteld voorschrift dat hun de H. Communie ouder twee gedaanten zou worden gegeven. Do Kerk kon dezen eisch niet inwilligen, zonder daardoor haar dogma te verloochenen. Om echter de steeds voortwoedende onlusten tot bedaren te brengen, stond zij ten laatste toe, dat de Bohemers, die dit wenschton ook den Kelk zouden mogen ontvangen, onder voorwaarde evenwel, dat zij zeiven erkenden, dat dit niet noodig was, aangezien onder eder der beide gedaanten do geheele Christus tegenwoordig is. Op die wijze werden dc Bohemers bevredigd, terwijl de Kerk terzelfder tijd hare van God ontvangen waarheid ongeschonden bewaarde. Zoo deed ook Paulus. Hij wil wel zijn leerling laten besnijden, wanneer de Joden dit gaarne zien, maar vorderen zij de besnijdenis als een door God ook voor Christenen gegeven gebod, en vervalschen zij daardoor de leer, dan biedt hij weerstand.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS 543
HOOFDSTUK LVII.
PlULUS' TWEEDE APOSTOLISCHE REIS: DE REIS DOOR SYRIÃ EN KLEIN-AZIÃ NAAR MACEDONIÃ. NAAR ATHENE EN NAAR CORINTHE.
(Hanflollngon XV : 35 (Wfl : 1(i.)
l'aulus en Flarnabas eenigen tijd te Antiochiü vertoefd hadden, sprak de eers'e ;
Laat ons wedeikeeren om de broeders te bezoeken in al de steden, waar wij gepredikt hebben, en te zien, hoe het hun gaat. Barnabas wilde ook Joannes Marcus medeneinen, doch Paulus meende, dat men zich door dezen, die, op hun vroegere reis, zich in Pamphylië van hen verwijderd had, liever niet moest doen vergezellen. Daar alzoo de beide geloofsverkondigers over dit punt verschillend dachten, scheidden zij van elkander; Barnabas nam Joannes Marcus mede, met wien hij naar Cyprus voer, terwijl Paulus Silas tot medehelper koos en met hem door Syrië naar Cilicië op reis ging, overal aan de christen Kerken gebiedende, de voorschriften der vergadering te Jerusalem op te volgen.
Van Cilicië trokken Paulus en Silas naar de Lycaonische steden Derbe en Lystra. In laatsgenoemde stad bevond zich een leerling, met name Timotheüs. de zoon van eene tot het christendom bekeerde Joodsche moeder en van een heidenschen vader. Dezen Timotheüs, van wien de broeders te Lystra en van het naburige Iconium uitmuntende getuigenis gaven, wilde Paulus op zijn verdere reizen medenemen, en opdat de Joden, die allen wisten dat Timotheüs' vader een heiden was, daarin geene reden zouden vinden om hem niet te ontvangen liet Paulus hem eerst besnijden Nu trok de apostel met zijne beide mede-arbeiders verschillende steden rond ; overal verstrekten zij de broeders in het geloof, deelden hun de te Jerusalem genomen besluiten mede en predikten voor geloovigen en ongeloovigen, met den gelukkigen uitslag, dat de eersten steeds meer in de leer des Evangelies bevestigd werden, en een groot aantal der anderen zich bekeerden.
Nadat zij de landstreken Phrygië en Galatië hadden doorgereisd, gebood de Heilige Geest hun, het woord des Heeren vooreerst niet meer in Azië te verkondigen. Dit bevel werd hun op hun tocht van Mysië naar Bithynië herhaald, en toen zij eindelijk in de havenstad Troas kwamen, had Paulus des nachts eene verschijning ; er stond een Macedoniër voor hem, die hem smeekte : Kom over naar Macedonië en help ons. De apostel erkende hierin de stem des Heeren, die hem naar Europa riep, en maakte zich gereed daarheen te vertrekken. Behalve Silas en Timotheüs behoorde thans ook Lucas tot zijn gevolg.
Na zich te Troas te hebben ingescheept, voer Paulus met zijne drie mede arbeiders eerst naar het eiland Samothracie en van daar naar de stad Neapolis in Macedonië. Van Neapolis gingen zij verder naar Philippi, eene romeinsche volksplanting. Na daar eenige dagen vertoefd te hebben, begaven zij zich op een sabbat buiten de poort, waar een joodsche bidplaats was. Hier waren reeds eenige vrouwen saamgekomen, tot welke Paulus het woord richtte, haar Jesus verkondigende. Onder de vrouwen bevond zich een zekere Jodengenoote, met name Lydia. eene purperverkoopster uit Thyatira, die. door Gods genade geroerd, haar hart voor de waarheid opende en met geheel haar huisgezin gedoopt werd. Na den doop bood zij Paulus en zijnen medegezellen hare woning ten verblijf aan ; Indien gij, sprak zij tot hen, mij den Heer getrouw acht, treedt dan mijn huis binnen en blijft er. Terwijl de apostel en de zijnen nog aarzelden, dwong zij hen schier.
Op zekeren dag, toen Paulus en zijne medearbeiders zich weder naar de bidplaats buiten de stad begaven, troffen zij onderweg eene dienstmaagd aan, die door een waarzeggenden
544 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
geest was bezeten en haren meesters met waarzeggen groot gewin verschafte. Zij volgde de vier geloofsverkondigers, en met den vinger op hen wijzende, riep zij het volk van Pliilippi toe: Deze menschen zijn dienstknechten van God den Allerhoogste, die u den weg des heils prediken. Zoo deed de dienstmaagd dagen achtereen. Eindelijk begon dit Paulus te verdrieten ; hij keerde zich om en bezwoer den boozen geest met de woorden : In den naam van Jesus Christus gebied ik u, van die vrouw uit te gaan 1 Toen nu hare meesters zagen, dat de geest geweken en daarmede ook hunne hoop op gewin verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas, voerden heti naar de markt tot de stadsoversten en zeiden : Deze menschen, die Joden zijn, beroeren onze stad; zij verkondigen gebruiken, welke wij als Romeinen niet mogen aannemen of volgen Inmiddels stroomde het volk naar de markt bijeen, en de oversten lieten Paulus en Silas den rug omblooten en hen geeselen ; daarna wierpen zij hen in de gevangenis, den kerkermeester bevelende, hen ijverig te bewaken. Deze voerde hen naar het sterkste gedeelte des kerkers en sloot hunne voeten in het blok.
Omstreeks middernacht hieven Paulus en Barnabas een heiligen lofzang aan. waarnaar hunne medegevangenen met aandacht luisterden Kensklaps ontstond er nu een geweldige aardschudding; de grondslagen des kerkers dreunden, de deuren vlogen open, en de boeien, niet alleen van Paulus en Silas, maar van al de gevangenen, sprongen los. De kerkermeester werd verschrikt wakker, en daar hij de deuren open zag en meende, dat alle opgeslotenen ontvlucht waren, trok hij zijn zwaard en wilde zich otn het leven brengen. Paulus echter riep hem luidkeels toe : Doe u zeiven geen leed, wij zijn allen hier ! Op dat woord liet de man door zijne dienaren licht brengen en trad den kerker binnen. Sidderende viel hij voor de voeten der beide geloofsverkondigers neder, geleidde hen naar huiten en sprak daar tot hen : Mijne heeren wat moet ik doen om zalig te worden : Zij antwoordden: Geloof in den Heer Jesus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Zij verkondigden nu verder aan hem en aan al de leden van zijn gezin, die zich inmiddels om hem verzameld hadden, de voornaamste waarheden des Kvangelies. De kerkermeester wiesch den apostel en Silas de wonden uit, die zij door de geeseling bekomen hadden, en werd vervolgens met zijn gezin gedoopt. Daarna voerde hij hen zijne woning binnen, rechtte hun een maaltijd aan, en verheugde zich met al de zijnen over de groote genade des geloofs, die zij dezen nacht ontvangen hadden.
Des morgens (terwijl Paulus en Silas inmiddels vrijwillig naar de gevangenis waren teruggekeerd) lieten de stadsoversten door gerechtsdienaars den kerkermeester boodschappen: Laat die mannen los. De kerkermeester kwam met dit bericht bij Paulus, doch deze sprak : In het openbaar hebben zij ons. die het Homeinseh burgerrecht bezitten, doen geeselen en in den kerker werpen, en nu zouden zij ons er heimelijk uitlaten ? Niet alzoo 1 maar dat zij zeiven komen en ons uitleiden. Toen de stadsoversten, wien deze woorden door hunne dienaren werden overgebracht, vernamen, dat zij menschen, welke het Romeinsche burgerrecht bezaten, hadden doen geeselen, werden zij zeer beangst. (Zoodanige burgers toch mochten volgens de Romeinsche wet niet gegeeseld worden, en zij die daar last toe gaven, waren strafbaar.) Om hun misslag zooveel mogelijk weder goed te maken, vroegen de oversten Paulus en Silas verschooning; daarna leidden zij hen uit den kerker, met het verzoek hunne stad te verlaten. De beide geloofsverkondigers begaven zich naar het huis van Lydia, waar zij de nitu«bekeerden van Pliilippi bijeen vonden; zij vertroostten en sterkten hen en togen vervolgens met Thimotheüs heen (terwijl zij Lucas, wellicht ter verdere piediking des Kvangelies, daar achterlieten)
Van Pliilippi reisden zij door de steden Amphipolls en Apollonia en kwamen voorts te Thessalonica, waar een Joodsche synagoge was. Als naar gewoonte begaven zij zich derwaarts, en Paulus redeneerde drie sabbatten achtereen met de Joden uit de Schrift, hun aantoonende, dat volgens de voorspellingen de Christus moest lijden en uit de dooien opstaan, en dat deze Jesus, ditn hij hun predikte, de Christus was. Sommige Joden en Jodengcnooten namen het geloof aan, en ook bekeerde zich een groote menigte heidenen
RIJBELSCHR GESCHIRDKNIS. 545
en vele aanzienlijke vrouwen. Dit maakte den toorn gaande der ongeloovige Joden; met behulp van eenige mannen uit het gemeen verwekten zij een oploop en vielen de woning van Jason aan, om dc drie geloofsverkondigers, die daar gehuisvest waren, naar builen te sleepen en hen aan de volkswoede over te leveren. Toen zij hen niet vonden, sleepten zij Jason zeiven met nog eenige nieuwbekeerden voor de stadsoversten, roepende en schreeuwende: 7,ij die de wereld in opschudding brengen, zijn ook hier gekomen, en Jason heeft hen gehuisvest ; die lieden handelen allen tegen de geboden des keizers, daar zij prediken, dat er geen andere koning is dan Jesus. De oversten eischien van Jason en de andere broeders borgtocht (waarschijnlijk hierin bestaande, dat zij zich verplichtten Paulus en de zijnen niet langer bij zich te houden) ; daarna lieten zij hen los. Nog denzelfden nacht reisde, op raad der broeders, de apostel met Silas en Timotheüs naar Berea.
De Joden te Berea waren van een betere gezindheid dan die van Thessalonica. Met een bereidwillig hart luisterden zij naar hetgeen hun door Paulus verkondigd werd , zij vergeleken dit met de voorspellingen der Schriften, en velen hunner, zoomede een niet geringe schare heidensche mannen en vrouwen, namen het Evangelie aan. Toen den Joden te Thessalonica dit ter oore kwam, spoedden eenigen uit hun midden zich naar Uerea, om daar tegen Paulus en de zijnen eenzelfde beweging in het leven te roepen, als waarvan zij eenige dagen te voren hunne eigene stad het tooneel hadden gemaakt. De nieuwbekeerden te Berea voorkwamen ben echter, door terstond Paulus uitgeleide te doen naar Athene. Silas en Thimotheüs bleven voorloopig te Berea om de broeders daar nog beter in het geloof te onderwijzen en te versterken ; maar Paulus liet hun, door de mannen die hem naar Athene begeleid hadden, boodschappen, dat zoodra hunne werkzaamheden het hun toelieten, zij zich weder bij hem moesten voegen.
1. Paulus en Bnrnaba? soheiddon niet uit vijandschap intoaendool, zij bleven ook later, gelijk uit 1 CoriiiUi IX; 0 blijkt, de beste vrienden. Hun eenig verschil was. dat de een Joannes Mucus wenschte mede te nemen, terwijl de ander zulks ter bevordering der goede zaak minder dienstig oordeelde. Overigens had, volgens de opmerking van den H. Chrysostomus, die scheiding onder de leidende band der Voorzienigheid dit groote nut, dat nu hot Evangelie tegelijkertijd op meer plaatsen werd verkondigd.
2. Over Tiinotlioils zie men nanteekening 5 achter het vorige hoofdstuk.
3. In Steden, zooals Thessalonica en lierea. waar de Joden een tamelijk aantal uitm lakten, hadden zij eene synagoge; in plaatsen als Pbilippi, waar zij slechts weinigen waren, vergenoegden zij zich met eene kleine bidplmits.
4. Paulus wilde door den boozen geest, waarvan do dienstmaagd te Pbilippi bezeten was, niet als dienaar Gods verkondigd worden. (Jok hierin volgde bij zijn goddelijken Meester na, die telkens wanneer do duivel hem als den Zoon Gods aanduidde, dien ongeroepen gezant het stilzwijgen oplegde.
5. Dezelfde lasterlijke beschuldiging, die de Joden bij Pilatus legen Jezus inbrachten, dat bij het gezag van den Uomeinschen keizer ondermijnde, voerden zij ook te Thessalonica tegen Paulus en diens medehelpers aan.
6 Zooals reeds boven, tusscben haakjes, werd gezegd, schijnt l.ucas door Paulus te Pbilippi te zijn achtergelaten; althans vindt men van hem In het boek der Handelingen oen tijdlang niets meer vermeld, noch rechtstreeks nocli zijdelings.
i i
60
B1JBELSCIIE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LVI1I.
I'AULUS TWEEDE APOSTOLISCHE REIS. VERVOLG.
(Handolingfii XVII : 1Ã â XVIII ; 22.)
J
ijan den beginne af dat Paulus zicli te Athene bevond, terwijl Silas en Thimotheüs ! nog te üerea in Macedonië vertoefden, had hij met verontwaardiging bespeurd, jv hoezeer de stad aan de vereering van allerlei goden was overgegeven. Hij predikte
ÃO'C da=elijks' n'et aquot;een in de synagoge voor de Joden en jodengenooten, maar eveneens op de markt voor de vele heidenen die daar bijeenkwamen. Onder hen bevonden zich eenige Epicureïsche en Stoïsche wijsgeeren, die met hem begonnen te redetwisten. Eenigen hunner vroegen ten slotte : Wat wil toch die babbelaar ? Anderen antwoorden : Hij schijnt een verkondiger van vreemde goden te zijn. Dit zeiden zij, wijl zij bem juist over Jesus en de opstanding hadden hooren spreken. Men verzocht hem nu mede te gaan naar den Areopagus (een kleinen heuvel in het midden der stad, waar de redenaars gewoonlijk het woord voerden) en vroeg hem : Mogen wij weten, welke die nieuwe leer is, die door n verkondigd wordt 7 want gij brengt ons iets nieuws, en wij wenschen wel te vernemen wat dat is. â Alle Atheners trouwens van die dagen besteedden hun tijd aan bijna niets anders dan om iels nieuws voor den dag te brengen of te hooren.
Paulus nu, midden op de Areopagus staande, sprak tot de vergaderde menigte: Mannen van Athene, ik zie dat gij alleszins overgodsdienstig zijt. Want terwijl ik de stad doorwandelde, en uw aan de goden gewijde heiligdommen beschouwde, vond ik ook een altaar met het opschrift: Aan den onbekenden God. Hetgeen gij alzoo zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. God, die de wereld gemaakt heeft met al wat zij bevat, hij de heer van hemel en aarde woont niet in tempels, met handen gewrocht ; hij wordt evenmin van menschenhanden gediend als iets behoevende, daar hij het integendeel is, die aan allen leven en adem en alles schenkt. Uit één mensch heeft hij het geheele menschelijk geslacht doen voortkomen en het over de gansche oppervlakte der aarde doen wonen, bestemde tijden en de grenspalen hunner woonplaatsen vaststellende. Hij wilde, dat zij hem zouden zoeken, of zij hem soms tasten en vinden mochten, hoewel hij niet ver is van iegelijk onzer ; want in hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook sommigen uwer dichters verklaarden, toen zij zeiden : Wij zijn van zijn geslacht. Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet meenen, dat de Godheid gelijk is aan goud of zilver of steen, dat is ; aan beeldwerk van menschelijke kunst of vinding (meent niet dat een gouden, zilveren of steenen standbeeld God is). Met voorbijzien nu van die tijden van onwetendheid (toen de heidenen daclven, dat zulk een beeld hun God was) laat hij thans aan alle menschen boetvaardigheid verkondigen (opdat zij voor hem bestand zijn op zijn dag). Want hij heeft een dag gesteld, waarop hij de wereld naar gerechtigheid zal oordeelen door den Man (den Verlosser), dien hij daartoe bestemd heeft, en omtrent wien hij verzekering heeft gegeven aan allen, door hem uit de dooden op te wekken.
Toen de Atheners Paulus over de opstanding uit de dooden hoorden spreken, begonnen sommigen te spotten, terwijl anderen zeiden, aangaande dat punt op een anderen keer wel iets naders te willen vernemen. Zoo ging Paulus uit hun midden weg. Eenige mannen echter, door de genade geroerd, namen het geloof aan ; tot hun getal behoorde Dionysius, een lid van het hoog gerechtshof, dat gewoonlijk op den Areopagus zijne zittingen hield, en welks leden Areopagieten werden genaamd. Ook bekeerde zich eene vrouw, met name Damaris.
546
BIJRFXSCHE GFSCHTEDENIS. 547
Van Athene vertrok Paulus naar Corinthe ide rijke en verwijfde hoofdstad van Achaia. Hij nam er zijn intrek bij een in Ponlus geboren Jood, genaamd Aquiia, die met zijne vrouw Priscilla eeist onlangs uit Rome gekomen was, toen een bevelschrift van keizer Claudius alle Joden uit de stad vei dreef Daar Paulus in zijne jeugd het tentenmaken geleerd had, welk vak Aquila uitoefende, bleef hij bij hem, om gedurende de week met den arbeid zijner handen in zijn onderhoud te voorzien, Slechts op de sabbatdagen trad hij in de synagoge op, om de Schrift te verklaren, en vond dan ook aanleiding iets over Jesus te zeggen. Eenige Joden en (Irieken omhelsden de waarheid, hun door Paulus verkondigd,
Eindelijk voegden de twee in Macedoniii achtergebleven medehelpers van Paulus, Silas en Timotheüs, zich te Corinthe weder bij hem, waarop hij besloot, thans met meer kracht het werk der geloofsverkondiging aan te vatten. Eerst bleef hij zich nog een korten tijd hoofdzakelijk bij de Joden bepalen; doch toen dezen, op enkele uitzonderingen na, zijne prediking met tegenspreken en lasteren beantwoordde, schudde hij het stof zijner kleederen tegen hen af, terwijl hij zeide : Uw verderf kome op uw eigen hoofd, ik ben er onschuldig aan ; van nu af wend ik mij tot de heidenen. Met deze woorden verwijderde hij zich uit de synagoge en ging het belendende huis van Titus Justus binnen, waar hij zijn Kvangelie-arbeid voortzette. Door Gods genaden werden zijne pogingen met den besten uitslag bekroond : vele heidensche Corinthers bekeerden zich en werden gedoopt, en zelfs uit de Joden nam een voornaam persoon, een overste der synagoge, Cryspus geheeten, met geheel zijn huisgezin de leer des heils aan. Des nachts daarop sprak de Heer tot Paulus in eene verschijning: Wees onbeschroomd, spreek, zwijg niet; want ik heb in deze stad nog veel volk, (dat mij eenmaal zal toebehooren).
Inmiddels werd door den Romeinschen keizer een nieuwe landvoogd voor Achia aangesteld, met name Gallio. De Joden te Corinthe meenden daarvan partij te kunnen trekken om Paulus in het verderf te storten ; zij voerden hem voor Gallio's rechtbank en brachten daar de beschuldiging tegen hem in. Deze man overreedt de menschen God te dienen tegen de wet. Terwijl Paulus reeds zijn mond opende, om op die aanklacht te antwoorden, sprak de landvoogd tot de Joden : Indien door deze man eenig onrecht of snood bedrijf gepleegd ware, o Joodsche mannen, zou ik u gerechtelijk aanhooren ; maar nu het geschillen betreft, over een woord en over namen en over uwe wet, moogt ge zeiven toezien ; daarover wil ik geen rechter zijn. Met die verklaring wees hij hen van zijne rechtbank terug. Allen grepen nu (om welke reden is onbekend) een zekeren Sosthenes, een der oversten van de synagoge, en sloegen hem in Gallio's bijzijn; doch ook om deze zaak bekommerde zich de landvoogd niet.
Een jaar en zes maanden bleef Paulus te Corinthe ; toen scheepte hij zich met Aquila en Priscilla in en voer met hen naar Ephese, waar hij hen achter liet. liij een vluchtig bezoek aan de synagoge te Kphese, werd hij door de Joden uitgenoodigd eenigen tijd bij hen te blijven, doch hij nam van hen afscheid, met de belolte om, zoo God wilde, later terug te keeren. Thans voer hij verder naar Cesarea, bracht van daar uit een kort bezoek aan de Kerk te Jerusalem en trok toen naar Antiochië, in Syrië waar hij eenigen tijd vertoefde.
I Blijkuiiö I Thrssal. Ill; i en 2 was een van Paulus'mcclohelpors Timotheüs, reeds te Atlieno weder bij hem gekomen, maar luid de apostel hem naar Thessalonica teruggezonden, om daar nog eenigen tijd do Christenen in hot geloof to. sterken en te bemoedigen. Waar Silas godnrende dien tijd bleef, /egt de H. Schrift niet; vermoedelijk echter versterkte hij de Christenen te IJeroa, totdat b( ide medehelpors, luidi'ns bovenstaand verhaal, zich te Corinthe weder bij Paulus aansloten. Uit Corinthe schreef do apostrl zijne Urievon aan de Thessalonieensen, waarover later meer zal gezegd worden.
2. Gelijk boven reeds tnsschen haakjes gezegd word, is de reden, waarom do Joden voor Gallio's rechtbank hun synagoge-overste sloegen, niet met zekerheid bekend. «Sommige uitleggers gissen, dat Sosthenes de voornaamste beschuldiger is geweest en dat hij ook zijne volksgenooten togen l'aulus had opgehitst. Toen de Joden zich nu door Gallio zagen afgewezen, zouden zij deze teleurstelling op him overste hebben willen wreken en daardoor tevens, uit een geost van vleierij, den landvoogd bobben willen doen zien, dat zij hot ten slotte toch geheel met hem eens waren
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LIX
PAULUS' DFRDK APOSTOLISC11K REIS; DE RUS OVKR GALATIÃ F:N PHRVGIÃ NAAR EPHKSE, MACFDGN1Ã EN GRIEKENLAND.
I
was
(Handelingen XVIII; 23(X.M: 17.)
gt; pdurende Paulus' verblijf te Antiochii; kwam te Ephese een Jood aan, te Alexandrië ^ in Egypte geijoren, niet name Apollo, een vurig en welsprekend man, die ver ge-^ vorderd was in de kennis der wet en der profeten, terwijl hij van het nieuwe Godsrijk en van de komst van Jesus op de aarde alleen zooveel wist, als Jesus' wegbereider cjjl Joannes de Dooper daarvan vetkondigd had. Dit weinige predikte hij te Ephese in de Joodsche synagoge met veel ijver en vrijmoedigheid. Onder zijne hoorders bevonden zich op zekeren dag ook Aquila en Priscilla, bij wie Paulus te Corinthe gehuisvest geweest, en die van daar met hem naar Ephese gereisd waren ; zij riepen Apollo tot zich in hunne woning en verklaarden hem grondiger den weg des heils. Vervolgens vertrok hij naar Corinthe en zette er, beter onderwezen, zijne prediking voort.
Inmiddels ging Paulus opnieuw van Antiocliië op reis ; hij doortrok de landstreken Galatië en Phrygië, overal de Christenen in het geloof versterkende, en kwam eindelijk, volgens zijn vroegere belofte, te Ephese. Hij vond daar eenige leerlingen van Apollo, en meenende dat zij reeds Christenen waren, vroeg hij hun : Hebt gij, toen gij het geloof hebt aangenomen, ook den Heiligen Geest ontvangen (ontvingt gij na den doop ook het vormsel)? Zij antwoordden; Wij hebben zelfs niet gehoord, dat er een Heilige Geest is. Verwonderd vroeg Paulus vetder: Maar in welken naam zijt gij dan gedoopt? (Als gij toch gedoopt, zijt in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, weet gij immers dat er een Heilige Geest is.) Het bleek nu, dat die menschen alleen den boetdoop van Joannes ontvangen hadden, maar niet het doopsel, door Jesus ingesteld. Paulus onderrichtte hen beter en doopte hen met het doopsel van Jesus; vervolgens legde hij hun de handen op, en nu ontvingen zij ook den Heiligen Geest. Deze leerlingen waren ongeveer twaalf in getal,
Daarna begaf Paulus zich naar de synagoge en trachtte door redeneeringen uit de voorspellingen der profeten den Joden de waarheid des Evangelies te bewijzen. Dit hield hij drie maanden vol; doch toen de meeste Joden weigerden den weg des heils te betreden, verliet hij de synagoge en trok met de nieuwbekeerden naar het schoolgebouw van een zekeren man. met name Tyrannin (een leeraar der Grieksche letterkunde en wijsbegeerte). Daar zelte hij gedurende de twee jaren, die hij nog te Ephese bleef, zijne prediking voort, onder een grooten toeloop van heidenen en Joden uit verschillende plaatsen ver in het rond. God bevestigde zijn woord door schitterende wonderen, zoo zelfs, dat door de bloote aanraking van de zweetdoeken en gordels des apostels dc zieken genezen en de booze geesten uitgedreven werden Eenige omzwervende Joodsche duivelbezweerders, dit ziende, dachten met de vrees, die de booze geesten voor den naam des Heeren en van zijn Apostel gevoelden, hun voordeel te doen ; zij poogden hen insgelijks uit te drijven, door tot hen te spreken : Ik bezweer u bij Jesus. dien Paulus verkondigt. Dóch de duivel antwoordde: Jesus ken ik, en van Paulus weet ik: maar gij, wie zijt gij? Meteen viel de man, door den boozen geest bezeten, op de Joodsche duivelbezweerders aan, wierp er twee voor den grond en havende hen zoo geducht, dat zij naakt en met wonden overdekt het huis ontvluchtten, waar de worsteling had plaats gehad. De mare dezer vreeselijke gebeurtenis verspreidde zich weldra door geheel Ephese ; een diep ontzag voor den naam van Jesus was daar het gevolg van, en vele heidenen en Joden toonden zich bereid het
548
VERBRANDING DER TOOVERBOEKEN TE EPHESE. Bladz. 549.
B1JBELSCHE GFSCHIEDF.NIS. 549
geloof in dien naam te omhelzen en kwamen in de vergadering der Christenen belijdenis afleggen van hunne booze daden. Diegenen hunner â en dit waren er velen die zich met tooverij en zwarte kunsten hadden opgehouden, brachten de boeken bijeen, welke hun daarbij gediend hadden, en verbrandden die in het openbaar. De gezamenlijke waarde dier boeken werd geschat op 50,000 drachmen.
Op het einde der twee jaren, nadat Paulus reeds het plan gemaakt had, om over Macedonië en Achaïa waar hij de broeden; wilde versterken, naar Jerusalem te reizen en dan later ook Rome bezoeken, ontstond er te Ephese een geweldige volksoploop. Ken zekere zilverwerker, Demetrius, die zilveren afbeeldsels van den tempel der godin Diana vervaardigde en daardoor aan de kunstenaars en mindere werklieden, die hij in dienst had, geen gering gewin verschafte, riep op zekeren dag allen bijeen en sprak tot hen : Mannen, gij weet, dat wij uit onze kunstarbeid onze welvaart hebben; van den anderen kant hoort en ziet gij, dat die Paulus niet alleen te Kphese, maar in geheel Azië (Klein Azië) door zijne prediking een groote schare van de vereering der godin aftrekt, zeggende: Het zijn geen goden, die met handen gemaakt worden. Daardoor zal niet slechts ons vak verloopen, maar ook de tempel der groote Diana zal niet meer in achting zijn; ja zelfs zal de majesteit te niet gaan van haar, welke door gansch Azië en geheel de weveld vereerd wordt. â Die taal zette dc gemoederen der kunstenaars en werklieden in vlam, en zij riepen en schreeuwden uit alle macht: Groot is de Diana der Ephesen! De overige burgers schoten op dit geroep toe; geheel de stad kwam in beroering; men stroomde eenparig naar den schouwburg (ook voor volksvergaderingen bestemd), waarheen men twee van Paulus reisgenooten. Gajus en Aristarchus, medesleurde. 1 aulus, die den oploop eerst een oogenblik later vernam, wilde zich onder het volk begeven; doch niet alleen de Christenen maar zelfs sommige oversten van Azië hielden hem van den gewaagden stap teug.
Op het plein van den schouwburg heerschte volslagen verwarring; de een schreeuwde dit, de andere dat; trouwens de meesten wisten met, waarom men daar vergaderd was. Eensklaps trokken eenige mannen een Jood, Alexander, uit den kring te voorschijn, terwijl de andere Joden hem voortduwden. Deze man zou het volk toespreken, om het te overtuigen, dat de Joden geen deel aan die zaak hadden (dat zij nl. niets met Paulus en diens leer hadden uitstaan). Reeds verzocht Alexander door een teeken met de hand om stilzwijgen, toen de vergaderden, vernemende dat hij een Jood was, twee uren lang aanhoudend schreeuwden: Groot is de Diana der Ephesen! Kindelijk verscheen de gerechtschrijver der stad, en sprak, na de menigte tot rust gebracht te hebben: Mannen van Kphese, welke mensch is er toch, die niet weet, dat de stad der Kphesen de vereerster is van de groote Diana, de dochter van Jupiter? Daar dit alzoo onloochenbaar vaststaat, moet gij bedaard zijn en niets voorbarigs ondernemen. Gij hebt deze twee niarnen (Gajus en Aristarchusi hier gebracht, die noch tempelroovers, noch lasteraars van uwe godin zijn. Indien Demetrius en zijne medestanders, de kunstenaars, een klacht tegen iemand hebben, welnu, er worden ge-rechtsdagen gehouden, laten zij dan hunne beschuldiging inbrengen; zoo gij ecUer andere belangen op het oog hebt, deze kunnen worden behandeld op de wettelijke volksvergaderingen ; doch zooals gij nu handelt, loopen wij gevaar te Rome van oproer te worden beschuldigd. Na die woorden deed hij de vergadering uiteengaan.
Thans gaf Paulus aan zijn plan, om Kphese te verlaten, gevolg; hij vermaande de bijeengeroepen geloovigen voor het laatst nog eens tot standvastigheid en vertrok naar Macedonië, zich van daar naar Athene en Corinthe begevende. Na een verblijf van drie maanden wilde hij zich hier inschepen naar Syrië; doch vernemende, dat de Joden hem lagen legden, keerde hij naar Macedonië terug, ging te Philippi scheep, en voer in vijf dagen naar Troas. Zijne reisgenooten waren Sopater uit Berea, Aristarchus en Secundus uit Thessalonica, Gajus uit Derbe, Thimotheüs, Tychious, Trophimus en Lucas.
Te Troas vertoefde de apostel zeven dagen. Terwijl hij op den eersten dag der week
TÃÃJBF.LSCHE GESCHIKDRNIS,
niet de geloovigen vergaderd was tot het breken des broods, en hij den volgenden dag wilde vertrekken, hield hij tot hen een zeer lange toespraak. De plaats van bijeenkomst was een bovenzaal op de derde verdieping. Var die hoogte viel een jongeling, Eutychus, tegen het einde der toespraak, van slaap bevangen, door het venster op straat en werd dood opgenomen. Oogenblikkelijk spoedde Paulus zich naar beneden; hij riep den doode in hel leven terug, en nadat hij weder naar boven was gegaan, werd het brood gebroken en ge-nunigd. Ten slotte hield de apostel andermaal eene toespraak en reisde vervolgens af.
Zijne medegezellen gingen scheep naar Assus, maar hij deed de reis daarheen over land Te Assus voegde liij zich bij hen, en nu stevenden zij gezamenlijk naar Mitylene, voeren den volgenden dag Chios voorbij, legden des daags daarna te Samos aan en bereikten een dag later Milete. Dewijl de apostel haast had om legen het Pinksterfeest te Jerusalem te zijn, voer hij Ephese voorbij en ontbood de priesters |de bisschoppen en priesters) dier stad en der omliggende steden bij zich te Mileie. Na hunne aankomst sprak hij hen aldus toe: Gij weet, hoe ik al den tijd, dien ik in uw midden doorbracht, geleefd heb, dierende den Heer met allen ootmoed en onder veel tranen en menigvuldige kwellingen, welke de Joden mij aandeden: hoe ik van al hetgeen u heilzaam was nieis heb achtergehouden, dat ik u niet heb verkondigd, betuigende aan Joden en heidenen de boetvaardigheid voor God en het geloof in onzen Heer Jesus Christus. En ziet, nu reis ik, op aandrijven des Heiligen Geestes naar Jerusalem, niet wetende wat mij daar zal overkomen; alleen zooveel weet ik. dat de Heilige Geest mij in alle steden (door zijne proleten) aankondigt, dat mij te Jerusalem banden en verdrukkingen wachten Doch ik vrees niets hiervan en ik houd mijn leven niet voor dierbaarder dan mij zeiven (dan het heil mijner ziel), zoo ik slechts mijn loopbaan mag volbrengen en de bediening des woords, welke ik van den Heer Jesus ontvangen heb, om getuigenis te geven van het Evangelie der genade Gods. En nu â ziet, ik weet, dat gij allen, bij wie ik doortrok, predikende het rijk Gods, mijn aangezicht niet meer zult aanschouwen. Daarom betuig ik u op dezen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen ; want ik heb niels voor u teruggehouden, maar u den ganschen raad Gods verkondigd. Geeft dan acht cp u zeiven en op de geheele kudde, waarover de Heilige Geest u tot bisschoppen gesteld heeft, om de Kerk Gods te besturen, welke hij zich door zijn bloed verworven heeft. Ik weet, dat na mijn heengaan roofzieke wolven tot u zullen komen, die de kudde niet zullen sparen; ja uit u zeiven zullen mannen opslaan, sprekende verkeerde dingen (dwaalleeringen), om de geloovigen afvallig en tot hunne volgelingen te maken, Waakt derhalve en vveest indachtig, dat ik drie jaren lang niet opgehouden heb een iegelijk uwer met betraande oogen te vermanen. En nu beveel ik u aan God en aan het woord zijner genade, aan hem die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel Ie fchenken onder al'e heiligen. Gelijk gij zeiven weet, heb ik niemands goud en zilver of kleederen begeerd, maar deze mijne handen hebben voorzien in mijne nooddruft en van die met mij zijn. Daarin heb ik u getoond, dat men zoo arbeidende de zwakken (de zwakken van geest, die zich lichtelijk ergeren) moet tegemoet komen, gedachtig aan het woord des Heeren, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen.
Na aldus gesproken te hebben, knielde Paulus met de aanwezigen neder en bad met hen. Allen braken in tranen los ; zij vielen den apostel om den hals en kusten hem vurig, vooral bedroefd over zijn woord, dat zij zijn aanschijn niet meer zouden aanschouwen Eindelijk deden zij hem uitgeleide naar het schip, dat hem met de zijnen zou heenvoeren.
Dit schip voer langs de eilanden Cos en Rhodus naar Patara, waar het bleef, l'aulus en tie zijnen vonden hier een ander schip, met eene lading bestemd naar Tyrus in Phenicië; zij gingen daarmede en vertoefden bij de geloovigen te Tyrus zeven dagen. Vervolgens stevenden zij met een derde schip naar Plolemaïs, waar zij bij de geloovigen één dagver-loefden, en reisden toen naar Cesarea Hier namen zij hun intrek ten huize van den diaken 1 hilippus en bleven daar eenige dagen. Evenals dc Christenen van Tyrus reeds beproefd hadden, vendden ook die van Cesarea, pogingen aan, cm Paulus van zijne reis naar Jcru-
550
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS,
salem terug te houden, wijl zij door profeten uit hun midden wisten, dat hem daar ginds kwellingen en boeien verbeidden. Hij echter sprak tot hen : Wat hebt gij te weenen en mijn hart te bedroeven! want niet alleen ben ik bereid te Jerusalem gebonden te worden, maar ook voor den naam van den Heer Jesus te sterven. Daarna ging hij met de zijnen en door eenige christenen uit Cesarea begeleid op reis en kwam eindelijk te Jerusalem aan,
1. Vijflig duizend draclmion, do waardo waarop do to Ephoso vorbrando toovorbookon gopcliat worden, staan ongovner go lijk mot 20.000 gld van onzo munt. Mon denko, dat in den tijd toon do drukkunst nog niot was uitgovondon on do boeken mooston goschroven wordon, deze /.eer duur waren.
2. liet verhaal van liet gobe urdo te Troas is hoogst merkwaardig, omdat het doet zien, lioe hotteen des Zondags in onzo kerken plaats vindt, reeds door den II. raulus en de eorste Christenen verricht werd. Op don eersten dag dor week (op Zondag) vergaderdon zij ,,tot hel breken dos broods,quot; d. i. tot het opdragen «mi hijwonen di-r II. Mis en het ontvangen der II Communie. Onder de viering der II. Geheimen hield do apostel een predikatie, en toen deze geëindigd was, en de apostel na het bijzondere geval mot don jeugdigen Kutyclius weer in de vergadering was teruggekeerd, werd het brood gebroken en genuttigd, d. i. de II. Mis werd voortgezet en de Communie aan de geloovigen uitgereikt. â Dat de apostel daarna opnieuw eone toespraak hield, geschiedde uithoofde van zijn aanslaand vertrek.
3. Dat onder hen, die in In t boek der Handelingen met den gitmocnschappelijkon naam van priesters bestempeld worden, ook opperpriesters of bisschoppen begrepen zijn, is aangetoond ouder hoofdstuk LVI, aanleekening 1. In bovenstaand hoofdstuU blijkt dit uit den tekst zo I ven; dezelfden toch, welke Paul us bijeenriep en die toen priesters genoemd werden, heet hij in zijne toespraak tol hen: bisschoppen.
4. Als reden van het ontslaan van ketterijen in de Kerk wordt door den apostel zeiven opgegeven de zncht van sommigen om zich volgelingen le maken, aan wier hoofd zij kunnen staan.
5. Het door Puulus aangehaalde woord des Verlossers, dat het zaliger is le geven dan te ontvangen, toont dat volstrekt niet nlles, wat de Zaligmaker leerde en sprak, in de Kvangeliën staat opgoteekend; van hot genoemde woord toch is bij geen der vier KvangelisUui iels to vinden Dergelijke niet opgeschreven leeriu-ou vorm -n den inhoud der tnomielmgtj overlevering.
(i. Pimlns zegt tot de te Mllute romlom hem verzamelde bisschoppen en priesters vim liphese en omstreken, â lat hij onder hen work/.mun is geweest drie jnron. Hij volgt hierbij het JoocIïcIio Bprniikpjoljniik. chit âilrie jarenquot; noemt, waar wij zouden zeggen; in het derde jaur. Immers liij was te Epheso gewoe l twee janr en drie rnaandnn ; de corato drie m.mriden had hij gepredikt in de synngoge en daarna twee jaar m de scheel van Tvi annns. IJ .1 de Joden steeds zoo rekenden, li. 1. gedeelten van jaren als vol hij andere volle jaren telden, is in de aanteekeningen ouder do hoofdstukken van de geschiedenis des Ouden Testaments meermalen aangetoond.
7. Telkens werd in de tot hiertoe heschrevon reizen van Panlus vermeld, dat hij overal, waar een Joodsche synagoge was, zich altijd het eerst daarheen begaf en do godsdienstoefeningen der .loden bijwoonde. In het volgende hoofdstuk zal men zien, dat ook de Chiistenen uit liet Jodendom in Judea de wet van Moses ctlderhielden. Dit was hun niet verboden, zelfs niet ontraden. Op het Concilie te Jeiusaiom iN T. hoofdstuk 6«) was enkel oen beslissing genomen omlront do Christenen uit hot heidendom, en dio beslissing luidde alleen, dat zij niet vcrpUclit waren tot het onderhonden der wet, waartoe sommige yveraars hen hadden willen dwingen. Ook voor de Christenen uit het Jodendom â hoewel over hen op het Concilie niet gehandeld was â bestond die verplichting evenmin. Nochtans, wijl de oude godsdienst on de oude wet inderdaad door God waren ingesteld als voorbereiding tot de nieuwe lioilsorde, en zij dus op do hoogste eerbiedwaardigheid konden aanspraak maken, zouden zij niet zoo plotseling geheel worden afgeschaft. Met een geleidelijken overgang werd eerst hun verplichtende kracht weggenomen, maar bleef do vrijheid om ze na te loven nog oen tijdlang bestaan; later, na de verwoesting van tempel en altaar, volgde hun gohoelo ophefllng. Slot met sprongen maar geleidelijk ging do oude heilsorde in de nieuwe over, of â zooals do H. Vaders zich uitdrukken ; âdo Synagoge moest mei cara begraven worden.quot; Alleen dit was ketterij, waartegen do H. l'anius aanhoudend streed, te beweren, dat de Christenen uit liet heidendom, verplicht waren zich aan de oudo wet te onderworpen.
551
RIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
HOOFDSTUK LX
PAULUS TE JERUSALEM GEVANGKNGKNOMEN. EEM AANSLAG OP ZIJN LEVEN VERIJDELD,
(Hnndclingcn XXI : 71 â XXIV;.
quot;k
ÃH®2^alllu5 en z'jne re'sgenooten werden van harte door de broeders te Jerusalem ver-xnjSepM;* vvelkomd. Na eenige rust te hebben genomen begaven zij zich des anderen daags â¢amp;gt; : naar de woning van den apostel Jacobus, die al zijne priesters (hij bestuurde de 4^0 Kerk van Jerusalem als bisschopi rondom zich verzameld had, om Pauius te ontvangen. Pauius groette de vergadering en verhaalde voorts van sluk tot stuk, welke groote dingen God door hem onder de heidenen had tot stand gebracht. Van hun kant spraken Jacobus en de zijnen : Gij ziet, broeder, hoe vele duizenden onder de Joden ge-loovig werden. Zij zijn alle trouwe beoefenaars der wet, en nu hebben zij omtrent u gehoord, dat gij de Joden, die in de landen der heidenen wonen (in Klein-Azië en Griekenland) van Mozes afvallig maakt, door hun te zeggen, dat zij hunne kinderen niet moeten besnijden, en niet naar de instellingen der wet moeten wandelen (Dit gerucht, door kwaadwillige Joden te Jerusalem verspreid, was valsch ; Pauius had den Christenen uit het Jodendom het naleven der wet niet verboden, maar alleen geleerd, dat de Christenen uit het heidendom ten opzichte der wet geene verplichting hadden.) Wat nu te doen ? gingen Jacobus en de zijnen, tot Pauius sprekende, voort. Voorzeker zal zich hier een groote menigte verzamelen, want al'.en zullen hooren, dat gij aangekomen zijt. Doe derhalve hetgeen wij u zeggen : Er zijn onder ons vier mannen, die een gelofte gedaan hebben : sluit u bij hen aan, reinig u met hen en bekostig voor hen de offers, aan het scheren hunner hoofden verbond jn; zoo zullen allen weten, dat hetgeen zij van u gehoord hebben valsch is, daar gij zelf ook de wet naleeft. Wat nu de heidenen aangaat, omtrent hen hebben wij â gelijk gij weet â vroeger vastgesteld, dat zij zich alleen moesten onthouden van hetgeen aan de afgoden geofferd is, alsmede van het gebruik van bloed en gestikt vleesch en van ontucht.
Ingevolge dezen raad ging Pauius met de bedoelde vier mannen naar den tempel; doch nog waren de zeven dagen, die de gelofte duurde, niet verloopen, of eenige Joden uit Klein-Azië Pauius in den tempel vindende, grepen hem en schreeuwden ; Mannen van Israël, staat ons bij! dit is die mensch, die tegen het volk, tegen de wet en tegen deze heilige plaats overal allen leert, en die bovendien ook heidenen in den tempel heeft gebracht en daardoor deze plaats heeft ontheiligd. Op dit geroep kwam al het volk in beweging ; er ontstond een groote oploop en men sleepte Pauius uit den tempel om hem te dooden.
Intusschen kwam Claudius Lysias, de overste der Romeinsche bezetting, met eenige krijgsknechten opdagen, en zoodra de Joden hem ontwaarden, hielden zij op met Pauius te slaan. Lysias ontrukte hem aan hunne handen, boeide hem daarna met twee ketenen en vroeg, wie hij was en wat hij gedaan had? Op die vraag begonnen de Joden allen tegelijk te schreeuwen, zoodat de overste uit hun verwarde kreten niet* bepaalds kon vernemen; daarom besloot hij Pauius mede te voeren naar den burcht, waar de soldaten gelegerd waren. Tierende en razende omringde de volksmenigte den stoet, en hield niet op te schreeuwen: Weg met hem, weg met hem! ^oo sterk was alle kanten het gedrang, dat de krijgsknechten bij het opgaan van de trappen des burchts den apostel moesten dragen. Toen hij boven gekomen was, vroeg hij Lysias in de Grieksche taal : Is het mij geoorloofd een woord te spreken? Verbaasd riep de overste: Gij kent Grieksch ? lijt gij daa niet die Egyptenaar, die onlangs een oproer verwekt heeft en met vier duizend
552
mjBRLSCHE GRSCHlEDENTtS.
man naar de woestijn gegaan is? I'aulus antwoordde; Ik ben een Joodsch man uit Tarsus in Cilicië, vergun mij nu tot liet volk te spreken. Zoodra Lysias die vergunning gegeven had, verzocht Paulus duor een wenk met de hand stilzwijgen, en na dit verkregen te hebben, sprak hij lot het volk en de Joodsche oversten : Mannen broeders en vaders, aanhoort mijne verdediging. Daar hij die woorden in het hebreeuwsch sprak, luisterde de menigte met gespannen aandacht. Hij verhaalde haar nu, hoe hij zelf, aan de voeten van den beroemden leeraar Gamaliel gezeten, van jongsaf in de wet der vaderen was onderwezen, hoe hij in zijn ijver de Christenen had vervolgd, en hoe God hern eindetijk op weg naar Damascus had geirulïen en hem voorts ter prediking onder de heidenen had gezonden.â Tot zoover hadden de Joden Paulus met diep stilzwijgen aangehoord: doch nu begonnen zij eensklaps opnieuw te razen en te tieren ; zij rukten zich de kleederen van het lichaam, wierpen het stof van de straat in de lucht en schreeuwden aanhoudend: Weg van de aarde met zoo iemand ! hij verdient niet langer te leven 1
Nu beval Claudius Lysias hem in de burcht te voeren en hem door geeseling tot bekentenis te brengen van hetgeen hij misdreven had, wijl de Joden zoo tegen hem lierden. Reeds had een hopman, met de uitvoering van dir bevel belast, Paulus aan de geeselkolom doen binden, toen de apostel tot hem sprak : Is het u geoorloofd een Romeinsch burger, die bovendien niet veroordeeld werd, te geeselen ? Op dit woord snelde de hopman naar Lysias, die zich inmiddels verwijderd had, en zeide tot hem : Wat hebt gij bevolen ? Deze mensch is Romeinsch burger. De oveiste keerde tot Paulus terug en vroeg hem : Zijt gij een Romein ? Toen de apostel die vraag bevestigend beantwoord had, sprak de overste, het moeielijk kunnende gelooven : Ik heb dat burgcrreclit voor veel geld gekocht. Paulus zeide; Maar ik ben zelfs Romeinsch burger geboren. Thans schrikte de overste voor zijn onwettig bevel terug, hij deed den apostel van de kolom losmaken en voerde hem den volgenden dag tot een gerechtelijk onderzoek voor den Joodschen ltoogen Raad.
Paulus begon zijn vetdediging in den Hoogen Raad met de woorden : Mannenbroeders: ik heb met een goed geweten tot op den dag van heden voor God gewandeld. Meer had hij nog niet gezegd, toen de hoogepriester Ananias een zijner dienaren, die dicht bij Paulus stond, beval den apostel op den mond te slaan. Paulus sprak daarop tot Ananias : U zal God slaan, witgepleisterde muur (schijnheilige)! Hoe 1 gij zit hier, om mij naar de wet te oordeelen, en tegen de wet in gebiedt gij mij te slaan ! Al de aanwezigen riepen : Scheldt gij den hoogepriester Gods? I'aulus hernam: Ik wist niet, broeders, dat het de hoogepriester was (anders had ik zoo niet gesproken); trouwens er staat geschreven: Ren overste uws volks zult gij niet vloeken.
Ren der zaken, die met het onderzoek van Paulus door den Hoogen raad in verband stonden, was, dat hij den vorigen dag in zijne toespraak lot het volk had gezegd, eene verschijning uit den hemel te hebben gehad van den vei rezen en verheerlijkten Jesus, die hem ter prediking onder de heidenen had gezonden. De Hooge Raad nu bestond gedeeltelijk uit Sadduceën, die het bestaan van engelen en geesten (dus ook de mogelijkheid van verschijningen) en de opstanding des vleesclies loochenden, gedeeltelijk uit Pharizeön, welke al die punten beleden. Om deze oneensgezindheid tot zijn voordeel aan te wenden, riep Paulus in den Raad uit : Mannen broeders, ik ben (van afkomst) een Pharizeër, de zoon van Pharizeën ; wegens de hoop op de verrijzenis der dooden sta ik hier voor het gerecht 1 Die weinige woorden misten hunne uitwerking niet: er ontstond onder de raadsleden tweedracht en geschreeuw : de Sadduceën wilden Paulus te lijf, terwijl integendeel de Pharizeën het voor hem opnamen en uitriepen : Wij vinden in dezen mensch geen kwaad ; een geest of een engel kan hem verschenen zijn en tot hem gesproken hebben. Rindelijk liep de twist zoo hoog, dat Claudius Lysias, vreezende dat de strijdenden Paulus zouden verscheuren, hem door een afdeeling krijgsknechten naar den burcht deed terugvoeren, des nachts daarop verscheen aan Paulus de Heer, die tot hem sprak : Wees standvastig ; gelijk gij le Jerusalem van mij getuigd hebt, zoo moet gij ook te Rome getuigen.
553
70
554 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
Den volgenden dag maakten veertig Joden tegen Paulus een samenzwering, er zich op vervloekende, dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij hem omhals hadden gebracht. Zij wijdden eenige invloedrijke leden van den Hoogen Raad in hun geheim in en spraken voorts tot hen: Verzoekt met den Raad den krijgsoverste, dat hij Paulus opnieuw vooni voere, als wildet gij zijne zaak nauwkeuriger onderzoeken ; wij zullen hem dan onderweg ombrengen. Van dit plan lekte nog tijdig genoeg iets uit : o. a. kwam het ter oore aan een zoon van Paulus zuster, die zich haastte het aan zijn oom mede te deelen, en op diens raad ook den krijgsoverste er van in kennis stelde. Deze liet des nachts onder een sterk gewapend geleide den apostel naar den landvoogd Felix te Cesarea brengen, opdat voor diens rechtbank de zaak, zonder levensgevaar voor Paulus, kon worden onderzoclu en uitgemaakt.
Over het naleven dor wet door «Ie Clnistoncn uit hot Jodondom zlo men aanteekoning 7 ondor hot vorigo hoofdstuk.
HOOFDSTUK LXI.
PAULUS' TWEEJARIGE GEVANGENSCHAP TE CESAREA. ZIJNE REIS NAAR ROME TOT DEN KEIZER.
(Handelingen XXIV: 1 tot on mot XXVIII; 30.)
fgt;lt;.± * â K
* ï na gebeurtenis, aan het slot van het vorige hoofdstuk vermeld,
gt;f kwamen de hoogepriester Ananias en eenige andere leden van den Hoogen Raad, met een zekeren redenaar Tertullus, te Cesarea aan, om voor de rechtbank van sogM. Felix hunne zaak tegen Paulus te bepleiten. Felix zette zich neer, om hen te aanhooren, en nadat ook Paulus voorgeroepen was, begon Tertullus aldus: Dat wij door u in groote rust verkeeren, en er door uwe voorzorg veel verbeterd wordt, erkennen wij, voortreffelijke Felix ! steeds en overal met alle dankbaarheid. Doch, om u niet langer op te houden, bid ik u, dat gij naar uwe goedertierenheid ons kortelijk aar-hoort. Wij hebben bevonden dat deze mensch (Paulus) een pest is, die onder alle Joden, de gansche wereld door, oproer verwekt; hij is een opperhoofd des oproers van de sekte des Nazareners, en zelfs heeft hij eene poging gedaan, om den tempel te ontheiligen. Daarom hebben wij hem gegrepen en wilden hem volgens onze wet oordeelen, maar de overste Lysias heeft hem niet geweld aan onze handen ontrukt en heeft bevolen, dat zijne aanklagers tot u zouden gaan. Van hem (van Lysias) nu zult gij alles kunnen vernemen, waarvan wij dezen (Paulus) beschuldigen. Hiermede eindigde Tertullus zijne redevoering, waarna de hoogepriester en de verdere leden van den Hoogen Raad het door hem gesprokene bevestigden.
Thans gaf de landvoogd het woord aan Paulus, en deze, na gezegd te hebben, dat hij zich welgemoed zou verdedigen, begon, met Felix er op te wijzen dat hij, na eene afwezigheid van vele jaren, pas sedert een twaalftal dagen te Jerusalem was aangekomen en in dien tijd tot niemand in den tempel het woord had gevoerd, veel minder nog een schare volks om zich had vereenigd, zoodat het zijnen beschuldigers zwaar zou vallen, hunne aantijgingen tegen hem te staven. Integendeel waren het juist eenige Joden gewoest uit Klein-Azië, die een volksoploop verwekt en hem gegrepen hadden, terwijl hij met niets anders bezig was dan met zich in stilte voor God te heiligen, ter kwijting van eer door hem afgelegde belofte. Die joden hadden hier voor Felix rechtbank verschenen moeten zijn en hem (Paulus) hebben moeten beschuldigen, indien zij iets tegen hem hadden,
BIJBEI,SCHE GESCHIEDENIS.
Ten slotte sprak de apostel : Laten dezen zeiven (de hoogepriesters en zijne rnede-raads-ledem zeggen, of zij eenig onrecht in mij hebben bevonden, toen ik voor den Raad stond, tenzij (volgens hunne meening) dit eene woord, hetwelk ik voor hen staande uitriep: Over de opstanding der dooden sta ik heden vooi u terecht.
Ofschoon Felix uit een brief van Lysias reeds wist, dat Paulus niets gedaan had, wat den dood of de boeien verdiende, en het hem bovendien uit het thans gevoerde geding duidelijk was gebleken, dat de Joden alleen door baat tegen het christendom gedreven werden, hield hij niettemin, onder voorwendsel van de zaak later nauwkeuriger te willen onderzoeken, den apostel gevangen. Tevens echter beval hij den kerkermeester den gevangene met zachtheid te behandelen en aan niemand van diens vrienden het vrije verkeer met hem te beletten Zelfs ontbood hij na eenigen dagen Paulus voor zich, wijl hij met zijne huisvrouw Drusilla, die eene Jodin was, hem over het Christendom wenschte te hooren. In het eerst luisterde de landvoogd aandachtig; doch toen Paulus over de rechtvaardigheid, de kuischheid en het toekomstige oordeel begon te spreken, werd hij bevreesd en zeide tot hem : Ga vooreerst heen ; op een anderen meer geschikten tijd zal ik u nogmaals laten roepen. Dit laatste deed hij inderdaad zelfs meermalen, doch niet uit ijver voor de waarheid, maar in de hoop, dat Paulus hem voor zijne bevrijding eene som gelds zou bieden.
Twee jaren bleef die toestand duren; op het eind daarvan werd Felix, krachtens hoog bevel uit Rome, van het bestuur van Judea ontheven en door Fortius Festus opgevolgd. Drie dagen na zijne aankomst te Cesarea begaf de nieuwe landvoogd zich naar Jerusalem, en de opperpriesters en hun aanhang vervoegden zich bij hem, met het verzoek Paulus naar hunne stad te doen overkomen. Zij hadden daarbij het geheime doel, den apostel onderweg te vermoorden. Festus gaf hun ten antwoord, dat hij zelf spoedig naar Cesarea dacht terug te keeren ; zij konden alsdan medegaan, om ginds hunne aanklacht voor zijne rechtbank te bepleiten. Hoe ongaarne ook. toch moesten de Joden zich aan deze beslissing onderwerpen en na verloop van ruim eene week traden zij te Cesarea tegen Paulus op met verschillende zware beschuldigingen, die zij echter niet konden bewijzen, terwijl de apostel van zijn kant voor Festus verklaarde: Noch tegen de wet der Joden, nog tegen den tempel, nog tegen den keizei- heb ik iets misdreven. Feslus evenwel, die thans den Joden gaarne eene gunst wilde bewijzen, vroeg den beschuldigde : Wilt gij naar Jerusalem opgaan en aldaar in mijne tegenwoordigheid over deze dingen geoordeeld worden r Paulus antwoordde : Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, voor deze moet ik geoordeeld worden: tegen de Joden heb ik niet gezondigd, gelijk gij zelf zeer goed weet. Had ik eenig kwaad gedaan of iets bedreven wat den dood verdiende, ik zou niet weigeren te sterven ; maar nu er niets waar is van al hetgeen, waarvan deze lieden mij betichten, nu mag niemand mij aan hen prijs geven. Ik beroep mij op den keizer. Naar aanleiding van dit laatste woord trad de landvoogd in overleg met zijnen raad en sprak daarna tot Paulus : Gij hebt u op den keizer beroepen, gij zult tot den keizer gaan. Festus had dit wel gezegd, maar ten slotte was hij toch met de zaak verlegen, want hij had tegen den apostel geen enkel bepaald punt van aanklacht, dat hij den keizer kon voorleggen. Nu kwamen na eenige dagen koning Agrippa (de zoon van Herodes Agrippa) en zijne zuster Bernice, ter begroeting van den nieuwen landvoogd, naar Ctsarea en bleven geruimen tijd bij hem. Sprekende over verschillende zaken deelde Festus aan zijne gasten ook het geval van Paulus mede, waarop Agrippa, zeide: Ik zou zelf dien niensch ook wel eens willen hooren. Morgen, hernam Festus, zult gij hem hooren.
Prachtig uitgedost en omringd van de oversten en de aanzienlijksten der stad, traden den volgenden dag Agrippa en liernice met Festus de gehoorzaal binnen. Paulus werd voorgebracht, en Festus leidde het onderzoek in met de woorden : Koning Agrippa en gij allen, hier aanwezig, daar hebt gij hem, dien de gansche menigte der Joden te Jerusalem van mij ter dood vorderde, doch ik vond niets in hem, wat die straf verdiende. Hij beriep
555
556 BTJBELSCHE GESCHTEDENIS.
zich nu op den keizer, en ik heb besloten hem fot dezen te zenden ; evenwel iets bepaalds heb ik over hem aan mijn gebieder niet te schrijven ; daarom heb ik hem voor ulieden gebracht, en bijzonder voor u, koning Agrippa (die zelf een Jood zijl), opdat k na gehouden verhoor iels te schrijven hebbe. Immers, het komt mij ongerijmd voor, een gevangene te zenden en niet Ie weten waarvan hij beschuldigd wordt Thans zeide Agrippa tot Paulus: Het is u geoorloofd uwe zaak te verdedigen. Paulus sirekie alsdan de hand uit en l)eg( n te spreken : Ik acht mij gelukkig, koning Agrippa, dat ik over alles, waarvan ik door de .loden beschuldigd wordt, mij op dezen dag voor u mag veranlwoorden, wijl gij met de gebruiken en niet de twistvragen onder de Joden van nabij bekend zijt. Daarop gaf hij den koning een uitvoerig en getrouw overzicht zijner levensgeschiedenis, van zijne jeugd af, toen hij nog als Pharizeër in strenge betrachting der wet zijn heil zocht, tot den da,', waarop Jesus hem op weg naar Damascus verscheen en hem als leeraar naar de landen der heidenen zond, aan welk bevel hij gewillig voldaan had, overal aar. Jood en l eiden predikende heigeen de Profeten en Moses verkondigd hadden, dat de Christus lijden moest en als de eersteling uit de opstanding der dooden het licht zou aanbrengen aan Israël en aan alle volken.
Op het vernemen dezer woorden : de eersteling uit de opstanding der dooden en ; liet licht aanbrengen aan de volken, â riep Portius Festus uit ; Gij raaskalt, Paulus ! uw veel studeeren maakt u uitzinnig. Doch Paulus hernam : Ik raaskal niet voortreiTelijke Festus maar ik spreek woorden van waarheid en gezond verstand : de koning weet van deze dingen ; ik spreek daarom vrijmoedig tot hem, wijl ik meen dat hij van alles onderricht is ; geen dezer dingen is in een onbekenden hoek geschied. Daaroj) zich rechtstreeks tot Agri|)pa zeiven wendende, sprak hij : Koning Agrippa, gelooft gij de profeten ? Ik weet, dat gij ze gelooft. Agrippa zeide: Gij zoudt mij bijna overreden. Christen te worden : Paulus hernam ; Gave God dat niet alleen gij, maar evenzeer deze allen, die mij hooren, niet bijna, maar geheel en al datgene mochten worden wat ik ben. uitgezonderd deze boeien.
Hiermede was dit verhoor van Paulus afgeloopen. Agrippa, Festus Hernice en hun gevolg stonden op en spraken onder het heengaan tot eikander: Die mensch heeft niets gedaan, wat dood of boeien verdient. Ten slotte voegde Agrippa zich tot Festus wendende daar nog bij: Die man kon worden losgelaten, indien hij zich niet op den keizer beroepen had.
Het bleef alzoo bepaald, dat Paulus naar Rome tot den keizer zou gezonden worden. Daar met hem nog eenige andere gevangenen in hetzelfde geval verkeerden, werd de taak om hen over te brengen opgedragen aan eene afdeeling der keizerlijke cohorte, onder bevel van den honderdman Julius. Deze scheepte zich met zijne soldaten in op een schip, dat, van Adramvthium gekomen, gereed lag, om langs een gedeelte der kust van Klein-Aziü de reis naar Myra en Lyciö te aanvaarden Twee van Paulus' medehelpers, Aristar-chus van Thessalonica in Macedonië, en Lucas, vergezelden hem vrijwillig,
Na een dag varens liet het schip het anker vallen te Sidon, waar julius, die zich zeer welwillend jegens Paulus betoonde, hem toestond aan wal te gaan en van de gastvrijheid van eenige vrienden gebruik te maken. Ten bestemden tijd was hij weder aan boord ; het scheepsvolk lichtte hel anker, en wijl men met tegenwind te worstelen had, hield men koers dicht langs het eiland Cyprus Zoo werd eindelijk Myra bereikt.
Daar deed de honderdman zijne gevangenen overgaan op een ander schip, dat van Alexandrië in Kgypte gekomen was en thans zeilree lag voor een tocht naar Italië. Wegens den ongunstigen wind ging de vaait zeer langzaam en bereikte men met moeite de haven van Gnidus, eene stad van Carië, om vervolgens, na het voorgebergte Salome op het eiland Creta te zijn omgestevend, in eene have nabij de stad Thalassa op hetzelfde eiland te ankeren. Het jaargetijde was inmiddels reeds ver gevorderd; de joodsche vasten op den Grooten Verzoensdag idie tegen het einde van September viel) was bereids voorbij, zoodat eene voortzetting der reis (met de weinige hulpmiddelen, welke de scheepvaart destijds te harer beschikking had) gevaarlijk werd. Paulus vestigde hier de aandacht van Julius op,
BIjBELSCHR GESCHIEDENIS. 557
doch daar de haven, waarin men nu lag, niet zeer geschikt was om er te overwinteren en de scheepsoversten en stuurslieden meenden, dat de reis nog wel tot eene verdere haven van Creta, l'henice geheeten, gewaagd kon worden, werd daartoe besloten. Nog niet lang echter had men gevaren, of er stak uit het Noordoosten een stormwind op, die het schip uit zijn koers slingerde en het voortzweepte in de richting van het zuidelijk van Creta gelegen eilandje Cauda. Met moeite werd de boot ingehaald, het schip met touwen ondergord (om liet tegen den storm bestand te maken), en wijl men vreesde, b 'een snelle vaart, op een der zandbanken, de Syrten genaamd, le zullen stoolen, werden zeilen en mast gestreken, en liet men zich op goed geluk voor wind en stroom afdrijven. Intusschen woedde de storm nog immer voort ; dagen achtereen bleven zon en sterren onzichtbaar, zoodat men, door zorg en inspanning eten en drinken vergat en slechts den dood voor oogen zag.
Te midden van die algemeene verslagenheid beurde Paulus door een troostelijke mede-deeling de harten op. Men had, o mannen â dus sprak hij â naar mij moeten luisteren (men had niet van Creta moeten afvaren) en zich alzoo dezen last en deze schade uitwinnen. Doch thans raad ik u welgemoed te zijn, want geen menschenleven zullen wij te betreuren hebben ; alleen het schip zal verloren gaan. Ken engel toch van den God, wien ik toebehoor en wiens dienaar ik ben, verscheen mij dezen nacht en sprak tot mij: Vrees niet, Paulus ; gij moet voor den keizer staan, en zie. God schenkt u het leven van allen, die zich met u op het schip bevinden Zoo sprak de engel tot mij. Daarom, o mannen weest welgemoed ; want ik geloof God op zijn woord, dat alles zoo geschieden «al, gelijk mij gezegd is. Wij moeien nu op een zeker eiland stooten.
De wind dreef het schip aanhoudend voorl, en in den veertienden nacht meenden de scheepslieden aan sommige teekenen te bespeuren, dat men land naderde ; zij lieten het dieplood neer en maten twintig vademen water; een weinig verder lieten zij het lood opnieuw neer en pijlden slechts vijftien vademen. Daaruit besluitende, dat er groote vrees voor stranding bestond, wierpen zij aan den achtersteven vier ankers uit en verlangden vurig naar het aanbreken van den dag. Later lieten zij de boot in zee, voorwendende dat zij ook den voorsteven aan ankers wilden bevestigen, maar inderdaad met het doel om heimelijk het schip te verlaten Paulus, dit bespeurende, gaf er Julius en diens krijgsknechten kennis van, en dezen hakten onmiddellijk de touwen, waaraan de boot werd neergelaten, stuk en lieten haar wegdrijven. Tegen het aanbreken van den morgen spoorde Paulus allen aan, spijs te nemen, met de verzekering dat geen haar van hun hoofd zou gekrenkt worden. Zelf het voorbeeld gevende, nam hij brood, dankte God ten aanschouwe van allen en begon te eten; de anderen voelden zich hierdoor gerust gesteld en volgden hem na. Daarop werden, om het schip lichter te maken, de overige levensbehoeften, die het bevatte, over boord geworpen.
Inmiddels was het ten volle dag gewoiden, en nu ontdekte men, dat men zich tegenover een onbekend eiland bevond, hetwelk aan die zijde een inham had met een laag strand. Om het schip, zoo mogelijk, daarop te doen vastloopen, werden de ankers gelicht en de touwen, waarmede het roer was vastgelegd, losgemaakt ; verder werd aan den voorkant van het schip een enkel zeil geheschen, en nu stuurde men op het strand aan. De poging gelukte echter niet ; het schip stootte tegen de punt van oen scherpe landtong, waar het met den voorsteven in wegwroeue, terwijl het achtergedeelte, links en rechts door de baren gebeukt, scheurde en spleet. De krijgsknechten, vreezende dat de gevangenen van het oogenblik zouden gebruik maken, om, door in zee te springen, den oever te bereiken en te ontvluchten, wilden hen dooden ; doch de hoofdman Julius, die Paulus wenschte te behouden, verhinderde de uitvoering van het plan en beval dat allen, krijgsknechten en gevangenen die zwemmen konden, zich op die wijze zouden trachtten te redden, terwijl aan de overigen stukken wrak en planken werden gegeven. Zoo kwamen allen : scheepsvolk, soldaten en gevangenen, te zamen 27ü man, gelukkig aan land.
558 BTJBFXSCHE GESCHIEDENIS.
Nu eerst vernam men, dat het eiland Melita (Malta) heette. De bewoners ontvingen de schipbreukelingen vriendelijk, verkwikten hen door spijs en drank, en legden te hunnen behoeve, wijl zij nat en koud waren, een groot vuur aan. Terwijl Paulus op het vuur een handvol rijzen wierp, kwam hieruit door de hitte een adder te voorschijn, die zich om zijne hand slingerde en daaraan bleef hangen. Toen de Melitenzen dit zagen, zeiden zij tot elkander : Gewis, deze man is een moordenaar, aan wien, nadat hij uit de schipbreuk gered is, de godin der wraak nochtans niet toestaat te leven. Paulus echter schudde de adder in het vuur, zonder dat hem door het dier eenig leed was toegebracht. De Melitenzen vei-wachtten niets anders dan dat zijne hand zou opzwellen en hij dood ter aarde zou storten ; doch toen dit na eenigen tijd niet geschiedde, sloegen zij plotseling van het eene uiterste in het andere over en hielden den apostel voor een god (tegen welke meening hij zich ongetwijfeld krachtig zal verzet hebben)
De overste des eilands, Publius, die vele landhoeven bezat, nam de schipbreukelingen menschhevend op en herbergde hen drie dagen. (Waar zij gedurende hun verder oponthoud op het eiland bleven, wordt niet gemeld; misschien bouwden zij van het wrak van hun schip een soort van loods of huurden een of meer huizen,) Toevallig lag, bij de komst der vreemdelingen, de vader van Publius ziek te bed, lijdende aan rooden loop en koorts. Toen Paulus zulks vernam, begaf hij zich tot den zieke, bad eenige oogenblikken, legde hem vervolgens de hand op en genas hem Zoodra dit bekend was geworden, lieten van alle hoeken des eilands de zieken en lijdenden zich tot den apostel voeren ; en daar allen door hem genezen werden, vatten de Melitenzen een diepen eerbied voor hem op. Gedurende de drie maanden, welke hij nog in hun midden doorbracht, voorzagen zij hem en zijne beide medehelpers, Lucas en Aristarchus, ruimschoots van het noodige terwijl zij hem daarenboven voor de verdere reis nog vele geschenken medegaven.
Met het aanbreken van de lente, toen de zee weer bevaarbaar werd, scheepte Julius zich me1; zijne krijgsknechten en de gevangenen in op een ander schip, dat in een haven van Melita overwinterd had, en, evenals het op de landtong stuk geslagen vaartuig, te Alexandrië in Egypte te huis behoorde ; het voerde als scheepsteeken de beide Castoren (Castor en Polux). Eerst stevende deze nieuwe bodem naar Syracuse, op het eiland Sicilië, waar men diie dagen vertoefde; vervolgens voer men om het eiland heen en kwam te Rhegium (thans Reggio), aan den voet van Italië. Van daar zeilde men den tweeden dag. nadat inmiddels de wind zuide'ijk was geworden, naar Puleoli (eene stad in de nabijheid van Napels). Te Rhegium bevond zich een aantal christenen, die Julius verzochten, dat Paulus en zijne beide medehelpers zeven dagen bij hen mochten blijven, hetgeen hun werd vergund.
Nadat de zeven dagen voorbij waren, werd de reis (over land) voortgezet. Daar inmiddels de christenen te Rome reeds gehoord hadden, dat Paulus in aantocht was, trokken eenigen hunner tot de Markt van Appius (een vlek, veertien uren gaans van de hoofdstad gelegen), en anderen tot aan de Drie Herbergen (op negen uten afstands), hem te gemoet. De apostel schepte daaruit nieuwe geestkracht, en loofde en dankte God.
Te Rome werd het Paulus toegestaan op zijn eigen te wonen, met den soldaat, die hem bewaken moest, (en aan wien hij door een keten om den arm was vastgehecht.) Na drie dagen ontbood hij de voornaamste Joden der stad bij zich en sprak tot hen ; Mannen broeders, ofschoon ik niets misdreven heb tegen ons volk of de instellingen onzer vaderen, werd ik toch te Jerusalem geboeid in de handen der Romeinen overgeleverd. Na mij in verhoor te hebben genomen, wilden dezen mij loslaten, daar zij niets in mij bevonden, hetgeen den dood verdiende Wijl echter de Joden daar tegen opkwamen, was ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen ; evenwel bezielde mij daarbij niet het doel, tegen mijn volk eene aanklacht in te stellen. Zoo dan heb ik gewenscht u te zien en te spreken, want om de hope Israels ben ik met deze keten geboeid. De toegesprokenen antwoorden :
fgt;50
Wij hebben over u noch een brief uit, Judea ontvangen, noch is een der broeders van daar overgekomen, die iets kwaads van u te berichten had; wij wenschen dus van u zeiven te hooren, welke uwe leer is, want van deze sekte is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt. Na'at hij hun nu een dag bepaald had, kwamen zij tot hem in groeten getale, en hij sprak hun over het rijk Gods en betoogde hun een geheelen dag lang, van den morgen tot den avond, uit de wet van Moses en uit de profeten, dat Jesus de beloofde Messias wis. Eenigen hunner namen zijn woord aan, de anderen evenwel bleven ongeloovig en toen -/ij eindelijk, hevig onder elkander redetwistende, wilden heengaan, sprak Paulus ten slotte tot de ongeloovig geblevenen ; Wel terecht lieeft de Heilige Geest door den profeet Isaias tot onze vaderen gesproken: Ga tot dit volk en zeg bun; met het oor zult gij hooren en niet verstaan; ziende zult gij zien en niet begrijpen; want het hart van dit valk is verstokt; met hunne ooren hooren zij zwaar, en hunne oogen hebben zij dichtgesloten, opdat zij niet soms met hunne oogen zien, met hunne ooren hooren, met hun hart begrijpen en zich bekeeren, zoodat ik hen geneze. Zoo sprak de Heilige Geest door Isaïas. Kn nu zij het u aangekondigd, dat het heil Gods aan de heidenen zal geboodschapt worden, en dezen zullen er gehoor aan verleenen. Nadat hij dit gezegd had, verwijderden zij zich, nog steeds onder elkander twistende.
Gedurende twee jaren bleef Paulus in zijne gehuurde woning; hij ontving daar allen die tot hem kwamen, en predikte hun zonder verhindering het rijk Gods, hen met veel vertrouwen onderrichtende in de dingen aangaande den Heer Jesus.
4. Volgens een oude overlevering bekeerde Paulus gedurende zijn verblijf van drie maanden o|gt; liet eiland Melita de bewoners tot liet christondom en wijdde hij Publius tot hun bisschop.
2. Dat Paulus op zijne reis hier en daar in de steden van Italië Christenen aantrof, behoeft ons niet te verwonderen. Gelijk toch vorder verhaald zal worden, was Petrus reeds lang vóór h in te Rorne werkzaam, lt;*ii liaJilen ook nog anderen tot de verbreiding des geloofs bijgedragen.
HOOFDSTUK LX11.
EKN HOOFDSTUK UIT DE KERKELIJKE GESCHIEDENIS, VERMELDENDE HET SLOT VAN DE EVANGELISCHE WERKZAAMHEID DER APOSTELEN.
^J|ïoSl|gt;»a het bericht van Paulus' aankomst te Rome en van zijn gesprek met de daar wonende Joden, breekt de H. Lucas, de schrijver van het derde Evangelie en van het Boek, genaamd de Handelingen der Apostelen, den draad zijns verbaals eensklaps onverwachts af. Naar de reden, die daarvoor bij hem bestaan hebben, kan men slechts gissen. Terwijl hij volgens het vermoedden van sommigen voornemens zou geweest zijn nog een derde boek over Paulus laatste daden en dood te schrijven, dat zich bij het Poek der Handelingen aansloot, lag het volgens anderen alleen in zijn plan een korte beschrijving Ie geven van de vestiging en de uitbreiding der Kerk over geheel de toenmaals bekende wereld, en kon hij dus, na de komst van den grooten heiden-apostel in de wereldstad Rome vermeld te hebben, gevoegelijk zijn boek sluiten.
Intusschen hebben de oude kerkelijke geschiedschrijvers uit de eerste christelijke overlevering eene reeks gebeurtenissen opgeteekend, waardoor wij ons omtrent het verdere leven en het heilig uiteinde, niet alleen van Paulus, maar evenzeer in meerdere of mindere maten van de overige apostelen, een eenigszins volledig beeld kunnen scheppen. Bovendien zijn ons in de H. Schrift van eenige apostelen Brieven aan de eerste christelijke Kerken bewaard gebleven, terwijl wij van den apostel en evangelist Joannes, behalve zijn
BIJBKLSCHE GESCHtRDENtS
Evangelie en zijne Brieven, no^ de Apocalyps is of liet Hoek der Openbaring bezitten. Luidens den titel zal dit hoofdstuk vooral gewijd zijn aan de gebeuitenissen, door de kei kelijke geschiedschrijvers uit de eerste christelijke overlevering opgeteekend, waarna in twee volgende hoofdstukken over de Brieven en het Boek der Openbaring zal gesproken worden
Voordat de apostelen, na gedurende drie jaren sedert de hemelvaart huns goddelijken Meesiers te Jerusalem te zijn gebleven, over geheel de wereld uiteengingen, om overeenkomstig het hun gegeven bevel het Evangelie aan alle schepsel te prediken, stelden zij, luidens het getuigenis van den 11 Ireneüs, den 11 Ambrosius en anderen, eene korte geloofsbelijdenis op, die gewoonlijk genoemd wordt de Apostolische Geloofsbelijdenis of de Twaalf artikelen des Geloofs. Daarop togen zij heen, een ieder naar de volken en gewesten, welke hem met onderling goedvinden of, zooals sommigen meenen, door het lot waren aangewezen.
Petrus begaf zich â gelijk reeds in deze geschiedenis van het N,'1'. 3 hoodstuk 53, aan. teekening 5, gezegd is â naar Antiochië, waar hij zijn eersten bisschoppelijken zetel vestigde, wat hem evenwel niet belette bij tusschenpoozen tamelijk lange reizen te doen naar andere streken, waar hij het Rijk Gods predikte of ze vroeger door hem of zijne medearbeiders gestichte Kerken bezocht. Ook keerde hij van tijd tot tijd voor een korte wijle naar Jerusalem terug. Van zijn verblijf te Antiochië wordt mede in de H, Schrift, met name in den brief van Paulus aan de Galaten JI: 11, gewag gemaakt; Paulus verhaalt daar terloops zquot;ne ontmoeting met Petrus in gemelde stad.
Na zeven jaren zijn bisschoppelijken zetel te Antiochië gehad te hebben, bracht Petrus dien in het jaar 42 of 43 onzer christelijke jaartelling over naar Rome Ãe H. Ireneüs maakt van de stichting der Kerk, in die stad door Petrus (en Paulus) gewag, o. a. met de volgende woorden: »Het zou te lang vallen de opvolgingen (der bisschoppen) van alle Kerken op te tellen; doch al wijzen wij ook alleen op de voornaamste, de oudste, de aan allen bekende en door de beide apostelen Petrus en Paulus gestichte en gegrondveste Kerk van Rome, alsmede op de overlevering, welke deze Kerk van de apostelen omvangen heeft, en op het geloof, dat in haar den menschen is verkondigd en hetwelk door de opvolging harer bisschoppen tot ons is gekomen, dan beschamen wij reeds daardoor alleen al degenen, die of om hun eigen inzicht te volgen, of om ijdele glorie, of uit verblinding en verkeerd begrip een eigen sekte vormen. Met deze Kerk toch (van Rome) moeten, wegens haar uitmuntenden voorrang, noodzakelijkerwijze alle Kerken, dat is: alle geloo-vigen over de gansche aarde, overeenstemmen (in geloof), want in haar is altijd de overlevering der apostelen bewaard gebleven.quot; De H. Ireneüs, die deze woorden vooral met het oog op de ketterij der Gnostieken schreef, was van het jaar 177 tot 202 bisschop van Lugdunurn in Gallic (thans Lyon in Frankrijk geheeten); als jongeling had hij gezeten aan de voeten van den H. Pol) carpus en den H Pa| ias, beiden leerlingen van den apostel Joannes.
Kort na Ireneüs schreef Tertullianus. Over de Kerk van Rome sprekende, zegt hij: »Het staat vast, dat Rome, waar Petrus en Paulus gekroond zijn (met den marteldood) het geloof van die apostelen heeft ontvangen,... Gelukkige Kerk, waaraan de apostelen met hun geheele leer ook hun bloed geschonken hebben ; waar Petrus aan het lijden des Heeren gelijkvormig is geworden (gekruisigd is) en waar Paulus met het uiteinde van Joannes den Dooper bekroond werd (onthoofd is).... Van het te Rome ontluikende geloof was Nero de eerste bloedige vervolger. Toen werd Petrus door een ander gegord, doordat hij aan het kruis werd vastgehecht.'' De laatste woorden slaan op de vootspelling des Zaligmakers, toen deze â zie N. T. hooldstuk 48, â tot Petrus sprak: Toen gij jong waart, gorddet gij u zeiven, en gingt gij, waar gij wildei; maar als gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitstrekken en zal een ander u gorden en u geleiden, waarheen gij niet wilt.
De oude kerkelijke geschiedschrijver Eusebius verhaalt, dat Petrus, »de machtigste, de grootste en de opperste der Apostelen,quot; te Rome aankwam onder de regeering van keizer
BIJBKLSCHK GESCHlEDKNIS. 561
Claudius. Evenmin ecliter als toen liij nog te Antiochië zetelde, bleef de apostel voortdurend te Rome, maar bezocht hij verschillende Kerken, o. a. die te Jerusalem Medeaanleiding tot zijn tijdelijke verwijdering uit de wereldstad kan geweest zijn het door de H Schrift vermelde â zie N. T. hoofdstuk 58 â edict van keizer Claudius, waarbij alle Joden uit Rome verdreven werden.
De H. Hieronymus eindelijk noemt ook het aantal jaren, die Petrus, met grootere of kleinere tusschenpoozen, te Rome bleef. Hij schrijft: âSimon Petrus .. . het hoofd der apostelen, na als bisschop de Iverk van Antiochië bestuurd en na het gelooi verkondigd te hebben aan de versprei ie Joden in Pontus, Galatic, Cappadocië, Klein-Azië en Bithyniii, vertrok in het tweede jaar der regeering van Keizer Claudius, ter bestrijding van Simon den toovenaar, naar Rome, en bezette daar vijfentwintig jaren den bisschoppelijken zetel, tot aan het laatste, dat is : het veertiende jaar van Nero, door vvien hij aan het kruis den martelpalm verwierf. Hij werd gekruisigd met het hoofd naar beneden en de voeten omhoog, zeggende, dat hij onwaardig was om op dezelfde wijze als de lieer gekruisigd te worden... Te Rome op den vaticaanschen heuvel bij den triunifweg begraven, wordt hij door geheel de wereld met eerbied vereerd.''
De kerk viert den gedenkdag der vestiging van Petrus' Stoel te .Vntiochiii jaarlijks op den 22un Februari; het feest van Petrus' Stoel te Rome wordt gevierd den 1Ã0» Januari, en de dag van zijn glorievollen marteldood den 2Q'-''1 Juni. Reide laatstgenoemde datums, berustende op de onafgebroken overlevering dor Romeinsche Kerk, wettigen de nagenoeg algemeen aangenomen meening, die den geheelen duur van Petrus' hoogepriesterschap te Rome vaststeld op 25 jaren, 5 maanden en 11 dagen.
De apostel Paulus werd na zijn tweejarige gevangenschap, ons door den H. Lucas in hel boek der Handelingen verhaald, op het einde van het jaar 63 of in het begin van 64 na Christus' geboorte weder in vrijheid gesteld. Hij maakfe daarvan gebruik, om verschillende door hem in Macedoniii en Klein-Aziö gestichte Kerken te bezoeken, bij welke gelegenheid hij te Ephese zijn leerling Timotheüs tot bisschop dier stad aanstelde. Ook bezocht hij het eiland Creta, dat hij op zijne reis naar Rome had leeren kennen, en stelde er zijn leerling Titus tot bisschop aan. In een lateren brief aan Titus schrijft hij. Tit. 1:5: âDaarom heb ik u op Creta achtergelaten, opdat gij het nog ontbrekende zoudt regelen en van stad tot stad priesters aanstellen, gelijk ik u bevolen heb.'' Of hij ook aan zijn voornemen om Spanje te bezoeken, waarvan hij in zijn brief aan de Romeinen XV : 28 spreekt, gevolg heeft gegeven, wordt door sommigen betwijfeld, door anderen echter als zeker aangenomen. Laatstbedoelden schijnen voor hunne meening de beste gronden te hebben. Hun eerste getuige is de H. Clemens Romanus, een leerling van Paulus en later opvolger van Petrus op den opperherderlijken zetel te Rome. Deze H. Vader bericht, dat Paulus, na in het Oosten en in het Westen het Evangelie te hebben verkondigd, ook naar de uiterste grenzen van het Westen is getogen. Onder die âuiterste grenzen'quot; verstbnd men destijds algemeen Spanje. Verder bericht een oude canon van omstreeks het jaar 170 na Christus het volgende : âLucas vat voor zijn waarden Theophilus de afzonderlijke gebeurtenissen, die in zijn tijd geschied zijn, in een kort bestek samen .... de reis echter van Paulus naar Spanje gaat hij stilzwijgend voorbij.quot; Vermoedelijk heeft de apostel gemelde reis gemaakt: onmiddelijk na zijne in-vrijheid stelling, zoodat hij eerst later naar Macedonië : Klein-Azië en Creta trok. Volgens een bericht van Eusebius ontmoette hij te Corinthe den apostel Petrus op een van diens rondreizen bij de verschillende Kerken, en keerden beiden daarop gezamenlijk naar Rome terug, waar zij, tegen het einde van 67 na Christus' geboorte, door keizer Nero gevangen genomen en in den Mamertijnschen kerker geworpen werden. In dat akelige onderaardsche hol â dat nog te Rome te zien is en door de christen-pelgrims steeds met den diepsten eerbied wordt bezocht â bleven zij, luidens de Romeinsche overlevering, negen maanden lang opgesloten, totdat zij den 20 Juni van het jaar 68 den marteldood stierven. Petrus aan het kruis, Paulus door het zwaard.
71
562
De apostel Joannes bleef te Jerusalem tot aan den zaligen dood en de ten-hemel-opneming der H. Maagd. Die dood had volgens de waarschijnlijkste berekening plaats in het jaar 44 of 45 der christelijke jaartelling, 11 of 12 jaren na den dood en de hemelvaart des Heeren. De meening van sommigen, dat Maria niet te Jerusalem maar te Kphese zou gestorven zijn, berust op minder vertrouwbare grondslagen.
Waarheen zich deze apostel bij zijn vertrek uit Jerusalem begaf, ligt in het duister. Eerst later toch, na den dood van Petrus en Paulus, vestigde hij zich te Ephese, om van uit die stad zijne apostolische zorgen aan de verschillende K.erken van Klein-Azië te wijden. Na in dien werkkring 13 of 14 jaren aan de bevestiging des Evangelies gearbeid te bebben werd hij â gelijk uit de berichten van Tertulianus en den H. Hieronymus blijkt â in het jaar 87 onzer jaartelling dooi keizer Domitianus te Rome in een ketel met ziedende olie geworpen, en toen hij daaruit verjongd en krachtiger weder te voorschijn kwam. verbande de keizer hem naar het eiland Patinos in de Egeïsche Zee. Dat hij op gemeld eiland geweest is en daar die verhevene visioenen had, welke hij in zijn boek der Openbaring opteek'jnde, verzekert hij in den aanhef van genoemd boek zelf met de woorden : âIk was op het eiland, genaamd Patmos, ter oorzake van het (door mij gepredikte) woord Gods.quot; Na den dood van Domitianus, toen de Romeinsche Senaat de wetten en bevelschriften diens keizers wegens hunne al te groote wreedheid vernietigde, werd de apostel, onder de regeering van keizer Nerva, uil zijne ballingschap ontslagen en keerde hij naar Ephese terug. De H. Hieronymus vult, op een andere plaats â in zijn toelichting op den brief aan de Galaten â dit bericht aan met de woorden : »Joannes leefde te Ephese tot in zoo hoog een ouderdom, dat hij nog ternauwernood door zijne leerlingen naar de kerk kon gedragen worden; daar sprak hij telken keere niets anders dan : Mijne kindertjes, bemin t elkander. Eindelijk begon dit altijd herhalen derzelfde woorden den geloovigen te vervelen en vroegen zij hem: Meester, waarom spreekt gij altijd aldus? De ondervraagde gaf het een Joannes waardige antwoord: «Omdat het 't gebod des Heeren is, en als gij alleen dit vervult, is het genoeg.quot; (Het gebod des Heeren om elkander te beminnen kan niet in zijne volheid vervuld worden, zonder dat men ook de andere geboden naleeft.
Een ander voorbeeld, dat den apostel der liefde teekent, deelt de H. Clemens van Alexandrië mede. Joannes had een jongeling van edelen aanleg van zijne slechte wegen teruggebracht en hem voor den Heer gewonnen, waarop hij hem toevertrouwde aan de zorgen van den bisschop der plaats. Een jaar nadien, toen hij bedoelden bisschop weder een bezoek bracht â hij was destijds nog niet zoo oud als boven vermeld is â vroeg hij ook naar den jongeling. De bisschop antwoordde: Hij is dood. In den beginne verstond de apostel dit woord in den gewonen zin en was getroost. Niet zoodra echter had hij vernomen, dat door de nalatigheid des bisschops de jongeling tot zijn slechte wegen was teruggekeerd en zelfs aan het hoofd stond eener rooverbende, of hij besteeg oogenblikkelijk zijn paard en reed spoorslags naar het gebergte, waar de bende zich ophield. Hare voorhoede hield hem aan en bracht hem op zijn verzoek bij den hoofdman. Nauwelijks had deze zijn geestelijken vader zien naderen, of hij zette het op een vluchten ; doch Joannes achtervolgde hem zoolang met de woorden: »Keer terug, mijn zoon! keer terug!quot; totdat de jongeling zich als berouwhebbend zondaar aan zijne voeten wierp en met hem terugkeerde.
Van de overige apostelen worde het volgende hier kortelijk medegedeeld :
Andreas, de broeder van Petrus, verkondigde het Evangelie in Scythië en Achaia, en werd te Patris, een stad van laatsgenoemd gewest, aan het kruis gehangen.
Volgens een oude Spaansche overlevering zou Jacobus de oudere, die in het jaar 43 te Jerusalem door Herodus onthoofd werd, voor dien tijd in Spanje het Evangelie gepredikt hebben. Hij was de eerste van alle apostelen, die den marterldood stierf.
Van Jacobus den jongere verhalen de H. Hieronymus en de H. Epiphanes, dat Jesus hem voor zijne hemelvaart in het bijzonder de Kerk van Jerusalem aanbeval, waarom zijne medeapostelen hem later als bisschop dier Kerk aanstelden. Volgens het getuigenis
JOANNES OP PATMOS.
Bladz, 562.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 563
van Hegesippus, een kerkelijk geschiedschrijver uit de tweede eeuw, leidde hij een zeer streng leven ; iiij at geen vleesch, dronk geen wijn, en bad zoo aanhoudend, dat het vel zijner knieen, met een dikke laag eelt overtrokken, hard was geworden, als de huid van een kameel. Zelfs de Joden gaven hem om zijne vroomheid den bijnaam van den Rechtvaardige. In het jaar 64 werd hij, door de Pharizeën van wetsovertreding aangeklaagd, van de tinne des tempels geworpen, en toen men daarna nog leven in hem bespeurde, maakte men hem verder door steeniging af.
De apostel Thomas verkondigde het Evangelie aan de Parthen en aan eenige Indische stammen. Mattheüs was vooral werkzaam in Ethiopië en het landschap Persidis. Bartho-lomeiis werkte onder verschillende Indische volken. Philippus bepaalde zich voornamelijk bij de beide Phrygiön. Simon de IJveraar predikte in Egypte, Cyrene, Lybië, Numidië en Mesopotamia. Judas Thaddeüs arbeidde aan de uitbreiding des geloofs in Palestina, Idumea, Syrië, Mesopotamie en Armenië, Matthias eindelijk strooide de zaden van het woord Gods in Colchis, een landschap ten Oosten der Zwarte Zee, en in Ethiopië.
Al de apostelen â uitgezonderd Joannes, die op zijn bed te Ephese ontsliep â eindigden hun leven door den marteldood.
HOOFDSTUK LVIII.
DE APOSTOLISCHE BRIEVE N.
â
â¢K fófiljr P v'er Evangeliën en de Handelingen der Apostelen volgen in de H. Schrift, ; behalve het Hoek der Openbaring van den H. Joannes, eene reeks apostolische
Brieven, te zamen 21 in getal, waarvan 14 van den H Paulus, 1 van den H. ' Jacobus den jongere, 2 van den H. Peirus, 3 van den H. Joannes en 1 van den H. Judas Thaddeüs. Om hun rijken schat van leerstellige waarheden en zedelijke opwekkingen zijn deze Brieven van de hoogste waarde, en laat onze Moeder de H. Kerk gewoonlijk op de Zon- en Feestdagen een uitstreksel daarvan, onder den naam van de Les of Epistel, ter leering en slichting aan de geloovigen voorlezen.
Historische bijzonderheden echter â waarvan overigens de voornaamste in de vroegere hoofdstukken van dit werk zij aangestipt, bevatten de Brieven slechts zeer weinige, zoodat zij in hun geheel genomen, in eene Bijbelsche Geschiedenis minder goed op hunne plaats zijn. Een enkel woord over hun hoofdzakelijken inhoud en over de aanleiding tot hun ontstaan moge hier dienstig, maar tevens voldoende worden geacht. Nog worde opgemerkt, dat hetgeen gezegd zal worden over den tijd en de plaats, wanneer en waar zij geschreven zijn. meestal wel niet met volkomen zekerheid uit de Brieven zeiven blijkt, maar toch met meerdere of mindere waarschijnlijkheid daaruit kan worden opgemaakt.
Algemeen neemt men aan, dat de H. Paulus zijn eersten brief schreef aan de geloovigen van Tliessalonica, omstreeks het jaar 54 onzer tijdrekening, toen hij, op zijn tweede apostolische reis, na door de geloovige Joden uit Tliessalonica en Berea te zijn verdreven, over Athene te Corinthe was aangekomen, in welke stad hij een jaar en zes maanden bleef. De aanleiding tot zquot;n schrijven was de volgende. Blijkbaar had hij bij zijne prediking te Tliessalonica ook gesproken over de wederkomst van Christus ten oordeel Zijne woorden schijnen door eenigen der nieuwbekeerden niet genoegzaam begrepen te zijn, zoodat zij daaruit valsehe gevolgtrekkingen afleidden, terwijl tevens luinne zeden op sommige punten veel te wenschen overlieten. De apostel hoorde dit van zijn leerling Timotheüs, die hij uit Atiiene naar Tliessalonica had teruggezonden, en tevens vernam hij van hem. dat de Joden in gemelde stad hunne met zijne verdrijving begonnen vervolging tegen de Christenen
5M BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.
voortzetten. Daarop schreef hij aan die Christenen zijn Brief, om hen in hunne verdrukking te troosten, hen aan te sporen tot een zuiver en ingetogen leven en hun de leer over Christus' wederkomst ten oordeel nader uiteen te zetten.
Aangaande dit laatste punt werkte zijn schrijven het tegendeel uit van hetgeen bedoeld was. Sommigen maakten er zeer ten onrechte uit op, dat de oordeelsdag schier onmiddellijk voor de deur stond ; zij gaven zich diensvolgens over aan onrust, en weigerden te werken en waren alzoo geen voorbeelden van stichting voor Joden en heidenen. Nu zond de apostel, wellicht nog in hetzelfde jaar en uit dezelfde stad Coiinthe, aan de geloovigen van Thessalonica zijn tweeden lirUf. â De eersle Brief aan de Thessalonicensen wordt verdeeld in 5, de tweede in 3 hoofdstukken.
Den Brief aan de geloovigen van Galate â verdeeld in 5 hoofdstukkenâschreef de apostel vermoedelijk omstreeks liet jaar 56. toen hij zich, op zijne derde apostolische reis, bijna drie jaren te Ephese ophield. Kr waren namelijk te Galate, waar Paulus vroeger het Evangelie verkondigd en uit heb heidendom eene Kerk voor Chtistus gewonnen had, eenige valsche broeders uit Judea overgekomen, die de prediking des ajiostels verdacht zochten te maken en de Galaten trachtten te overtuigen, dat zonder de omhelzing en naleving der wet van Moses hunne bekeering tot het christendom vruchteloos en de zaligheid hun onmogeli'k was. Tegen deze dwaalleer, door het Concilie van Jerusalem veroordeeld, trekt de apostel met kracht te velde en roept zijnen geestelijken kinderen onder meer toe : âO, dwaze Galaten, wie heeft u betooverd, om der waarheid niet te gehoorzamen! . Dit alleen wensch ik van u te vernemen: Hebt gij den H. Geest ontvangen uit de werken der wet (der wet van Moses, die gij niet eens kendet) of wel door de aanneming des geloofs ? Zijt gij zoo onverstandig, dat gij, na begonnen te zijn met den Geest, thans voleindigen wilt in het vleesch ?quot; Vervolgens vergelijkt hij de wet bij Agar, die ter slavernij baart, en het Evangelie bij Sara, de vrije vrouw, die de moeder werd van Isaiic, het kind der belofte. Ten slotte wekt hij de Galaten op tot een wandelen naar den Geest, dat de werken des vleesches doodt.
Op het einde van zijn driejarig verblijf te Ephese ontving Paulus uit Corinthe omtrent de vroeger aldaar door hem gestichte Kerk zeer bedroevende tijdingen. De stad had, ten gevolge van hare ligging aan twee zeeën, waardoor zij de stapelplaats van den wereldhandel tusschen Oost en West was geworden, een hoogen trap van bloei en welvaart bereikt. Als de onafscheidelijke gezellinnen daarvan vertoonde zich tevens de weelde en overbeschaving, aan wier verdurfelijken invloed ook de jeugdige christenen zich niet geheel hadden welen te onttrekken. Vooreerst waren er onder hen, sedert Paulus' afreize, niet minder dan drie of vier partijen ontslaan. Alsof de verschillende geloofsverkondigers, die achtereenvolgens te Corinthe werkziam waren geweest, even zoovele uiteenioopende leeringen hadden gepredikt, zeiden eene Corinthers; ik houd het met Paulus; anderen: ik met Apollo; nog anderen : ik met Cephas. Zelfs waren er dwaas genoeg om te meenen dat zij iets zeiden van eenige beteekenis, wanneer zij verklaarden : En ik houd het met Christus, Als een verder gevolg der te groote weelde heerschten onder sommige Christenen van Corinthe ongebondenheid en ontucht ; een hunner ging zelfs zoover van in openbare zonden te leven met een tweede vrouw zijns eigenen vaders.
Niet zoodra had Paulus dit een en ander vernomen, of hij zond aanstonds naar Corinthe zijn âveelgeliefden en getrouwen zoon in den Heerquot; Timotheüs. Daar deze echter ïijn weg over Troas moest nemen en daardoor niet spoedig de plaats zijner bestemming zou bereiken, schreef de apostel aan de Corinthers een Brief, waarin hij hun ten eerste aantoonde, dat. hoevele geloofsboden ook lot hen gekomen waren, deze allen toch slechts ééne leer verkondigden en met i'én doopsel doopten, de leer en het doopsel van den cénen God mensch, Jesus Christus wiens dienaren zij waren, en die alleen alle menschen door zijn bloed had verlost en geheiligd. âIs â schreef hij o a. â is Paulus voor u gekruisigd zijt gij in den naam van Paulus gedoopt.. . Wat is dan toch Apollo, en wat is Paulus? Dienaren
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS. 565
van hem, in wien gij geloofd hebt... Ik heb geplant, Apollo heeft begoten, maar God gaf den wasdom. Zoo is dan noch hij, die plant, iets ; noch hij, die begiet ; maar God, die den wasdom geeft . . , Gods medehelpers zijn wij, Gods akker zijt gij. Vervolgens bestrijdt Paulus de onder de Corimhers heerschende ontucht. Den goddelooze, die met zijns vaders vrouw ergernis gaf, hadden zij reeds lang uit hunne kerkelijke gemeenschap moeten verwijderen ; en daar zij dit niet gedaan hebben, doet Paulus in zijn brief dien mensch in den ban. Daarna schrijft hij nog over vele andere zaken, de leer en de lucht betreffende, en spoort ten slotte de geloovigen aan, om op hunne gewone zondagsche bijeenkomsten tot viering der H. Geheimen een collecte te honden voor de Kerk van Jerusalem, die een groote menigte armen te voeden had.
Op dezen eersten brief â die zeer lang is en in 16 hoofdstukken verdeeld wordt â liet de apostel weldra een tweeden ISrief aan de Corinthers volgen van 13 hoofdstukken. Zijn eerste schrijven had op hen een diepen indruk gemaakt; zij hadden zich van hunne onzedelijkheid gebeterd, en de goddelooze, door hem aangewezen, was uit de kerkelijke gemeenschap verwijderd en door dien slag tot inkeer gekomen : doch nog altijd bleven er nog woelgeesten over, die het gezag en het karakter des apostels zochten verdacht te maken. Nu verdedigt hij zich in zijn tweede schrijven tegen sommige beschuldigingen van vreesachtigheid, van wispelturigheid enz , en spreekt vervolgens over het apostolaat in het algemeen en over het zijne in het bijzonder; hij gebiedt den berouwhebbenden en bekeerden goddelooze weder in de kerkelijke gemeenschap op te nemen, en besluit zijn brief met andermaal de collecten voor de arme Christenen te Jerusalem in de milddadigheid der rijke Corinthers aan te bevelen.
Behalve de beide hier vermelde Brieven, die in de verzameling der H. Schriften den naam van den Kersten en Tweeden Brief aan de Corinthers dragen, had Paulus reeds aan dezelfde geloovigen een schrijven gericht, dat echter niet tot ons is gekomen.
Reeds vroegtijdig waren te Rome, de hoofdstad der toenmaals bekende wereld, waar alle natiën samenvloeiden, de zaden des evangelies gestrooid. â Aankomelingen van Romequot;, gelijk in het eerste hooldstuk van de Handelingen der Apostelen heet, hadden op het Pinksterfeest te Jerusalem de groote gebeurtenis der instorting des Heiligen Geestes over de leerlingen van Jesus bijgewoond, en zullen ongetwijfeld hetgeen zij gehoord en gezien hadden bij hunne tehuiskomst in wijderen kring hebben medegedeeld. Ook Romeinsche soldaten, van Judea naar de hoofdstad teruggekeerd en van welke, naar men vermoeden mag, eenigen het Christendom hadden omhelsd, zullen tot verdere verbreiding daarvan hebben medegewerkt. Al kon daardoor nu niet aanstonds een geregelde christelijke Kerk ontstaan, toch zou deze weldra gesticht worden. Het hoofd der apostelen, de H. Petrus, vestigde te Rome omstreeks het jaar 43 of 41 onzer jaartelling, zijn opperpriesterlijken zetel ; daarmede was de Kerk in die wereldstad gesticht, terwijl aan hare verdere opbouwing, behalve Petrus, nog meer geloofsverkondigers, o. a. Andronicus en Junias, werkzaam waren.
Ook Paulus had, voordat hij gevankelijk naar Rome werd gevoerd, reeds meermalen het plan gemaakt, die stad te bezoeken en er aan de verkondiging des Evangelies behulpzaam te zijn; doch telkens werd hij, naar hij zelf in zijn brief meldt, in dit voornemen verhinderd. Terwijl hij zich nu op zijn derde apostolische reis voor de tweede maal te Corinthe bevond, zou eene vrouw met name Phoebe, eene dienares der Kerk van Kenchrea, te Coiinthe voor eene reis naar Rome scheepgaan. Van die gelegenheid maakte Paulus gebruik om zijn Brief aan de Romeinen te schrijven. Deze brief is met dien aan de Hebreen, volgens het algemeen gevoelen, van alle apostolische Brieven de inhoudrijkste en gewichtigste. Als hoofdwaarheid zet de heilige schrijver voorop, dat het christendom met zijn schat van bovennatuurlijke goederen geen werk is van bloot natuutlijke verdiensten bij Joden of heidenen, maar eene uit oneindige barmhartigheid ontsproten gave Gods, welke gave de Heer echter beschikbaar stelt voor allen, die haar met een nederig en geloovig hart willen aannemen. Aan de ontwikkeling
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
dezer hoofdwaarheid en hare toelichting door een grooten rijkdom van verdere goddelijke leeringen wijdt de apostel 12 hoofdstukken van zijn Brief, om vervolgens in de 4 laatste hoofdstukken den Romeinen eene reeks verschillende zedelessen en vermaningen te geven. De brief is, zoo om den diepzinnigen aard van het onderwerp, als om de kort saamgedrongen schrijfwijze van Paulus, op vele plaatsen voor oningewijden zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk te verstaan. De apostel Petrus schrijft dan ook in zijn tweeden Brief, dat zijn zeer geliefde Broeder Paulus volgens de hem verleende wijsheid veel geschreven heeft, waarin eenige moeilijk verstaanbare dingen voorkomen, en waarvan, evenals van andere Schriften ongeletterde en lichtzinnige menschen misbruik maken tot hun eigen verderf. Op grond daarvan geeft onze Moeder de H Kerk, die onder de onfeilbare leiding des H Geestes den waren zin der Schriften verklaart, dezen dan ook haren kinderen niet in handen, zonder dat zij hare verklaringen of de door haar als deugdelijk gewaarmerkte uitleggingen harer dienaren daar bijvoegt.
Gedurende zijne tweejarige gevangenschap te Rome, waar hij met den soldaat, die hem bewaken moest, een gehuurd huis bewoonde, schreef Paulus vijf Brieven : een aan de geloovigen van Philippi in Macedonië, een aan de geloovigen van Kolosse in K.lein-Azie, een aan de geloovigen te Kphese, een aan een vromen christen, Philemon, en een aan de Hebreen, d. i. aan de Christenen uit het Jodendom, voornamelijk in Judea.
In den Brief aan de geloovigen van Philippi, geeft de apostel hun kennis van zijn tegen-woordigen toestand te Rome en wekt hen op tot de beoefening van verschillende deugden : liefde, eensgezindheid, ootmoed- Voorts waarschuwt hij de Philippensen tegen sommige joodschgezinde ijveraars en betuigt ten slotte zijn dank voor de geldelijke ondersteuning, hem uit Philippi in zijne gevangenschap te Rome toegezonden.
De Brief aan de Kolossers is hoofdzakelijk gericht tegen Joodschgezinde ijveraars, die bij de Christenen uit het heidendom, zooals de geloovigen te Kolosse meestal waren, niet alleen op het onderhouden der wet van Moses aandrongen, maar die tevens doortrokken waren van sommige oostersch-wijsgeerige beginselen, welke zij zochten voort te planten en waaruit weldra de dwaling van het Gnosticisme ontstond.
De Brief aan de geloovigen van Ephese bevat 6 hoofdstukken, waarvan de eerste drie voornamelijke handelen over de verlossende en herstellende werkzaamheid van den Godmensch, die den scheidsmuur tusschen Joden en heidenen neerhaalt en allen verzamelen wil tot één groot huisgezin der kinderen Gods, de Kerk. De laatste drie hoofdstukken handelen over verschillende plichten en deugden.
Philemon, een voornaam christen te Kollose, had een slaaf genaamd Onesimus, die, na eerst zijn meester bestolen ta hebben, hem vervolgens was ontloopen. Te Rome bekeerde de slaaf zich op dc prediking des apostels, die hem nu naar zijn meester terugzond, met een Brief, waarin hij Philemon vei zoekt, Onesimus voortaan te willen beschouwen, minder als slaaf, dan wel als door de genade Gods zijn mede-christen en broeder.
De prachtige Brief aan de Hebreen zet in de eerste 9 hoofdstukken en een gedeelte van het 10« hoofdstuk de groote voortreffelijkheid uiteen van het christendom boven het Jodendom. In drie punten toont de apostel dit aan. 1°. De middelaar van het Oude Verbond was Moses, de dienaar Gods, aan wien God door tusschenkomst van engelen zijne wetten en instellingen mededeelde. De middelaar daarentegen van het Nieuwe Verbond is de eigen Zoon Gods, tot wien het woord heeft geklonken ; Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u geteeld. De Zoon is de afglans van des Vader heerlijkheid en het beeld van zijn eigen wezen, die alles draagt door het woord zijner macht, en die, na reiniging van zonden bewerkt te hebben, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in den hooge. 2°. Het priesterschap van het Oude Verbond was slechts tijdelijk; door zijn offers, die alleen eene voorafbeeldende kracht hadden, kon het geen werkelijke verzoening van zonden aanbrengen. Het priesterschap des Nieuwen Verbonds is eeuwig; de hoogepriester, de Godmensch zelf, is priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech, en heeft door één offer,
566
BIJBELSCHE GESCHTEDENIS.
liet offer des kruises, een eeuwige verzoening bewerkt. 3°. De tempel der Oude Wet is niets, vergeleken bij het nieuwe heiligdom, het lichaam van den God-mensch, waarin, als in den eenig waren tempel, de volheid der Godheid woont. â Het laatste gedeelte van den Brief, die in het geheel 13 hoofdstukken telt, bevat, in aansluiting bij de drie bovengenoemde leerstellige punten, vele zedelijke onderrichtingen en vermaningen.
Nadat Paulus uit zijn tweejarige Romeinsche gevangenschap ontslagen was, schreef hij zijne twee Brieven aan zijn leerling Thimotheüs en zijn brief aan zijn leerling Titus. Beide brieven handelen hoofdzakelijk over de herderlijke plichten, die Thimotheüs en Til us als bisschoppen van Ephese en Creta te vervullen hadden.
De bovenstaande volgorde der Brieven van Paulus is die van den tijd, waarin zij geschreven zijn. In de verzameling der H Schriften zijn zij niet aldus geplaatst; daar staan de grooter Brieven, met uitzondering van dien aan de Hebreen, voorop, terwijl de kleinere later komen, in deze volgorde; de Brief aan de Romeinen, de twee Brieven aan de Corinthers, de Brief aan de Galaten, de Brief aan de Ephesers, de Brief aan de Philippensen, de Brief aan de Kolossers, de twee Brieven aan de Thessalonicensen, de twee Brieven aan Thimotheüs, de Brief aan Titus, de Brief aan Philemon, de Brief aan de Hebreen,
De apostel Jacobus dc jongere, bisschop van Jerusalem, schreef een brief aan de Christenen uit het Jodendom, die buiten Palestina woonden. Vooreerst onderricht hij dezen in zijn schrijven over het nut der bekoringen, over den oorsprong van het goed en het kwaad, over de vruchtaanbrengende kracht van het woord Gods. Voorts berispt hij de Joden christenen over hunne partijdigheid in het aanzien van personen, over hun verkeerde begrippen, alsof het geloof zonder de werken voldoende waren, over hunne zucht om zich in te dringen in kerkelijke ambten en waardigheden en over sommige punten betreflende hun zedelijk gedrag. Eindelijk troost en bemoedigt hij hen in de vervolging en verdrukking, die zij als Christenen te lijden hebben. De brief wordt verdeeld in 5 hoofdstukken.
De eerste Brief van Petrus â in 5 hoofdstukken verdeeld â werd geschreven uit Babyion (het nieuwe Babylon d. i. Rome) en is gericht tot de Christenen van Pontus, Galatië, Cappadocië, Bithynië, en verdere gewesten van Klein-Aziii. De apostel spoort in dit schrijven de geloovigen aan, om, overeenkomstig de verhevene hoop des Christendoms, een Gode welgevalligen levenswandel te leiden, in onderlinge liefde, in gehoorzaamheid aan de gestelde machten, in onderwerping aan den goddelijken wil en in geduld tegenover het lijden en de wederwaardigheden. â Zijn tweede Brief, verdeeld in 3 hoofdstukken, en aan dezelfde lezers gericht, bevat opwekkingen tot volharding in de leer en het leven des geloofs, en waarschuwt voor de dwaalleeraars en verleiders, bijzonder voor hen, die de wederkomst des lleeren in twijfel trekken en bestrijden.
De eerste Brief van den apostel en evangelist Joannes is gericht aan de Kerken van Klein-Azie en bevat hoofdzakelijk vermaningen tot beoefening der werken van christelijke liefde en waarschuwingen tegen de allengs opduikende dwaalleeringen omtrent de waarachtige menschwording van den Zoon Gods. Zijn tweede Brief werd geschreven aan een voorname en deugdzame christen-vrouw, door hem Electa (uitverkorene) genaamd, om haar en hare kinderen op te wekken tot een leven overeenkomstig de waarheid en de liefde, en om haar te vermanen toch nimmer gehoor te geven aan dwaalleeraars. Zijn derden Brief richtte de apostel aan een Christen, met name Gajus, en spoort vooral aan tot het beoefenen van gastvrijheid.
De H. Judas Thaddeüs dringt in zijn korten Brief van één hoofdstuk er in het bijzonder op aan, zich in acht te nemen voor dwaalleeringen en zich toe te leggen op een christelijken levenswandel.
567
568
HOO F L) S T U K LX1V.
D E 0 1' E N B A R I N G VAN J O A N N E S O P P A T M O S.
â
-A- 3t * A SS
et laatste gedeelte der H. Schrift is het Boek der Openbaring van den II. Joannes, ^H ^ P ^ Deze openbaring â een reeks der geheimzinnigste visioenen â ontving de apos-JK â¢â¢amp;(gt; 'el dien Jesus liefhad, toen hij door Keizer Nero, na te Rome ongedeerd en iJ\ 0O) verjeugdigd uit de ziedende olie te zijn gekomen, naar het eiland Pattnoa was verban-nen. Vele dezer visioenen zijn uiterst moeielijk te verstaan; een paar, met welke quot;Z ' dit niet in zoo iiooge mate het geval is, mogen hier aan het slot worden medegedeeld. Er verscheen, â zegt de H. Schrijver, in Zijn 12« hoofdstuk â er verscheen aan den hemel een groot teeken ; eene vrouw omkleed met de zon; de maan bevond zich aan hare voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren .. . Een ander teeken werd aan den hemel gezien: een groote rosse draak met zeven koppen en tien hoornen, en op zijne koppen zeven diadeemen. En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren des hemels mede en wierp ze op de aarde. De draak plaatste zich voor de vrouw, die baren zoude, om, wanneer zij gebaard had, haar kind te verslinden. Zij baarde een zoon, die al de heidenen zou regeeren met een ijzeren staf (een overgankelijken schepter)... En daar ontstond in den hemel een groote strijd : Michael en zijne engelen streden met den draak (Lucifer); ook de draak en zijne engelen (de afvallige geesten) streden ; doch zij dolven het onderspit en hunne plaats werd niet meer gevonden in den hemel. Nedergeworpen werd hij, de groote draak, de oude slang, die de duivel en Satan genoemd wordt; hij werd nedergeworpen op den grond, en zijne engelen met hem. En ik hoorde eene sterke stem in den hemel spreken : Tiians is de zaligheid en de kracht en het koningschap aan onzen God gekomen, en de macht aan zijn Christus ; want de aanklager onzer broederen (de duivel), die hen dag en nacht aanklaagde voor onzen God, hij is nedergeworpen. Zij hebb.n hem overwonnen om het bloed des Lams en het woord hunner getuigenis
En ik Joannes â aldus de H. Schrijver in zijn 21° hoofdstuk â ik zag de H. Stad, het nieuwe Jerusalem, van God uit den hemel nederdalen, uitgedost als een bruid, die opgetooid is voor haar bruidegom. En ik hoorde een sterke stem van den troon zeggen ; Ziedaar de woontent Gods met de menschen; hij zal met hen wonen; zij zullen zijn volk zijn, en hij zelf zal met hen wezen als hun God. En God zal de tranen uit aller oogen wisschen: en er zal geen dood meer zijn; noch rouw, noch geween, noch smart zal er meer wezen ; want de eerste dagen zijn voorbij. En hij, die op den troon zat, sprak tot mij: Zie, ik maak alles nieuw .... En er kwam een van de zeven engelen, die de zeven schalen hielden en zeide tot mij : Kom, ik zal u de Bruid, de vrouw des Lams toonen. En hij voerde mij in den geest op een grooten en hoogen berg, en loonde mij de heilige stad Jerusalem, van God uit den hemel nederdalende. De stad had de heerlijkheid Gods, en haar licht was gelijk aan kostbaar gesteente, als jaspissteen en kristal. En zij had een grooten en hoogen muur met twaalf poorten, en twaalf engelen aan die poorten, en namen daarop geschreven, welke de namen zijn van de twaalf stammen Israels, In het oosten drie poorten, in het noorden drie poorten, in het zuiden drie poorten, in het westen drie poorten. De muur der stad had twaalf fondamenten en daarop twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams. Hij, die met mij sprak, hield een gouden meetroede, om de stad en haar poorten en muur te meten. De stad was gebouwd in het vierkant, even lang als breed ; en hij mat met de gouden meetroede de stad op twaalf duizend stadiën, en hare lengte, hare hoogte en hare breedte waren gelijk. En hij mat haar muur op honderd vier en veertig elleboogsmaten naar menschenmaat, waarnaar de engel zich richtte. De muur was gebouwd van jaspissteen en de stad zelve van zuiver goud, aan helder glas
MICHAÃL EN ZIJNE ENGELEN STRIJDEN MET DEN LR AAK. Bladz. 568.
â
BtJBELSCHE GESCHIEDENIS.
569
gelijk. De fondamenten van den muur der stad prijkten met allerlei kostbaar gesteente ; de eerste grondsteen was een jaspis, de tweede een saffier, de derde een chalcedon, de vierde een smaragd, de vijfde een sardonyx, de zesde een sardis, de zevende een goudsteen, de achtste een beryl, de negende een topaas, de tiende een chrysopraas, de elfde een hyacinth, de twaalfde een amethyst. De twaalf poorten bestonden uit twaalf paarlen, elke poort was een paarl; en de straten der stad waren van zuiver goud als doorschijnend glas. Ken tempel zag ik niet in de stad; de Heer toch, de almachtige God, was haar tempel, en het Lam. De stad heeft geen zon noodig, noch een maan, om haar te verlichten ; want de heerlijkheid Gods bestraalde haar en haar licht is het Lam. De volkeren zullen in haar licht wandelen, en de koningen der aarde hunne heerlijkheid in haar brengen. Hare poorten zullen nimmer gesloten worden, want nacht zal het daar niet zijn. Men zal de glorie en de eer der volkeren in haar brengen. Niets onreins zal haar binnengaan, noch wie gruweldaad en leugen bedrijft, maar alleen degenen, die geschreven staan in het boek des levens van het Lam.
72
GESCHIEDENIS DES OÃDEI TESTAMENTS.
EERSTE T1JDÃHKâ â VSN DE SCHEPPING DER WERELD TOT.
DEN ZONDVLOED.
Bladz,
HooFDSTnc I. Do schepping der zichtbare wereld in zes dagen. Genesis I en II . 2 Hoofdstuk II. De zonde van den oerster. mensch. De belofte van een toekoinstigen
Verlosser. Gen. Ill,..................... 4
Hoofdstuk III. Do beide eerste kinderen van Adam en Eva, Caïn en Abel. Caïn slaat Abel dood. In de plaats van Abol wordt aan Adam en Eva een zoon Soth
geschonken. Oen. IV; 1 â17 en 25............... t')
Hoofdstuk IV. Vermenigvuldiging des rnenschdoms en uitbreiding van het kwaad.
Hooge leeftijd der eerste oudvaders. De kinderen Gods en de kinderen der menschen. Noë bouwt de Ark. Gen. IV: 17âVII.......... '
TWEEDE TIJDVHK: VSN DEN ZONDVLOED TOT DE ROEPING VÃÃN MOSES.
Bladz.
Hoofpstuk V. De zondvloed. Alleen van Seths nageslacht blijft één man, Noë, met
zijn huisgezin over. Gen. VIIIâIX: 16.............. f
Hoofdstuk VI. Noë's zoon Chain bespot zijn vader; de beide andere zonen, Sem en Japliet bedekken Noë met een mantel. Chains zoon Chanaiin door Noë gevloekt, Som en Japhet gezegend. Do torenbouw to Babel en de verstrooiing des menseh-
doms, Oen. IX: 18âXI: 10.................. 11
Hoofdstuk VII. Abraham wordt uit Ur der Chaldeën geroepen naar het land Chanaiin. Hij ontvangt de belofte, dat uit zijn nakroost de Verlosser zal voortkomen.
Abraham in Egypte. Gen. XI: 10âXIII.................j2
Hoofdstuk VIII. Abraham in Chanaiin terug. Zijne scheiding van Lot. Strijd van
negen koningen. Melchisedech. Gen. XIIIâXV........... 13
Hoofdstuk IX. Aan Abraham wordt uit zijne slavin en nevenvrouvv Agar een zoon
Ismaël geboren. Gen. XV on XVI................ 14
Hoofdstuk X. Gods verbond mot Abraham. De belofte van oen zoon uit Sara.
Verschijning van drie engelen. Gen. XVIâXVIII: 16......... 15
Hoofdstuk XI. Verwoesting van Sodoma en Gomorrha en nog twee andere steden.
Lots vrouw in een zoutpilaar veranderd. Van zijne beide dochters stammen af
de Ammonieten en Moabieten. Gen. XVIII: 16 -XX......... 17
Hoofdstuk XII. Uit Sara wordt Abraham een zoon geboren, Isailc. Verdrijving van
Agar en Ismaël. Gen. XXI: 1â22............... 19
Hoofdstuk XIII. Abraham en Abiinelech. Abraham is bereid zijn eenigon zoon te
offeren. Oen. XXI: 22âXXIII................. 20
Hoofdstuk XIV. Dood en begrafenis van Sara. Huwelijk van Isaiic met Rebecca.
Gen. XXIII en XXIV.................... 21
Hoofdstuk XV. Dood van Abraham. Rebecca schenkt Isaiic een tweelingpaar, Esau en Jacob. Esau verkoopt zijn eerstgeboorterecht aan Jacob voor een schotel
linzenmoes. Gen. XXV.................... 23
Hoofdstuk XVI. Isaiics verdere lotgevallen. Jacob ontvangt van zijn blinden vader den eerstgeboorte-zegen. Zijne vlucht voor Esau naar Mesopotainië tot Rebecca's
broeder Laban. Gen, XXVI XXVIII: 0............. 24
Hoofdstuk XVII. Op zijne vlucht naar Mesopotainië ontvangt Jacob, te Bethel, eene verschijning van engelen op den geheimzinnigen ladder, die van den hemel tot
de aarde reikt. Gen. XXVIII; 10âXXIX............. 26
Hoofdstuk XVIII. Jacob 20 jaren bij Laban in dienst, 14 voor Lia en Rachel en 6 jaren voor een aandeel in de kudden. Lia en Rachel en zijne nevenvrouwen Bala en Zelpha schenken hem in die 20 jaren I ! zonen en 1 dochter. God
zegent hem met grooten rijkdom, Gen. XXIX en XXX........ 27
Hoofdstuk XIX. Hebzucht van Laban; hij verandert in de laatste (i jaren lienmaal
Bladz.
Jacobs loon. Jacob keert mot zijn buisgezin en zijne bezittingen naar Chanailn
terug. Gen. XXXI.....................29
Hoofdstuk XX. Op weg naar Cbanailn worstelt Jacob mot eon engel; hij ontmoet Esau ; beide broeders sluiten vrede. Zijn aankomst in Cbanailn. Gen. XXXII
en XXXIII........................32
Hoofdstuk XXI. Jacob te Betliel. Zijne dochter Dina geroofd door den jongen vorst van Sichem. Dina door bare broeders Simeon en Levi bevrijd, die do Sichimieten vermoorden. Jacobs vertrek naar Hebron. Onderweg, te Bethlehem, wordt hem zijn i20 zoon Benjamin geboren; terwijl diens moeder Rachel sterft. Dood van
Isailc te Hebron. Gen. XXXIV en XXXV.............33
Hoofdstuk XXII. Jacobs zoon Josef door zijne broeders als slaaf verkocht. Gen. XXXVI. 34 Hoofdstuk XXIII. Josef gekocht door Putiphar, den legeroverste van den Pharao van Egypte. Hij weerstaat de verleiding van Putiphars vrouw, en wordt op hare
beschuldiging in den kerker geworden Gen. XXXIX.........30
Hoofdstuk XXIV. Josef legt Pharao's droomen uit en wordt tot onderkoning van Egypte aangesteld. De zeven vette jaren en het begin van de zeven magere.
Gen. XL en XLI......................37
Hoofdstuk XXV. Tien van Josefs broeders in Egypte, om koorn to koopen. Hij houdt Simeon gevangen totdat de overigen terugkeeren met Benjamin. De maaltijd. De zilveren beker. Josef maakt zich aan de broeders bekend en verzoekt hun,
zich met hun ouden vader in Egypte te vestigen. Gen. XLIIâXLVI. . . . 39 Hoofdstuk XXVI. Jacob met al zijne zonen in Egypte. Pharao geeft hun de landstreek Gessen tot woonplaats. Gen. XLVIâXLVII: 28.........44
Hoofdstuk XXVII. Jacobs einde nadert. Hij zegent zijne zonen en voorspelt hun
de toekomst. Zijn dood. Gen. XLVII; 28âL............40
Hoofdstuk XXVIIL Jacobs begrafenis. Dood en begrafenis van Josef. Gen. L. . 49
DERDE TIJDYM- VM MOSES TOT SÃÃÃL
Bladz.
Hoofdstuk XXIX. Geruimen tijd na Josofs dood worden do Israëlieten, die zich in Egypte zeer sterk vermeerderden, door oen nieuwen Pharao geweldig verdrukt.
Moses geboren en in een mandje in de rivier gelegd. Hij wordt door Pharao's dochter gered en opgevoed. Zijne vlucht naar Madian. Zijne roeping tot aanvoerder des volks. Exodus IâIV; 18...............51
Hoofdstuk XXX. Moses en zijn oudere broeder Aiiron de eerste en de tweede maal
voor Pharao. Ex. IV; 18--VII: 14...............54
Hoofdstuk XXXÃ. Moses en Aiiron herhaaldelijk voor Pharao. Negen plagen Ex.
VH ; 14âXI........................56
Hoofdstuk XXXII. De tiende plaag. Het paaschlam. Uittocht der kinderen Israels. Bij dag gaat hun een wolkkolom en des nachts een vuurkolom vooruit. Hun tocht door de Roode Zee. Pharao verdrinkt met geheel zijn leger. Ex. XIâXV.
Numeri X^XIII: 4 en Psalm 7 6................. 5!)
Hoofdstuk XXXIII. De Israëlieten in de woestijn. Moses maakt het bittere water
zoet. Zij morren opnieuw. Het manna en de wachtels. Ex. XVâXVII. Num. XI. 63 Hoofdstuk XXXIV. Moses slaat water uit de steenrots. Josue verslaat de Amalecieten, terwijl Moses op den berg met uitgestrekte armen bidt. Moses ontvangt een bezoek van zijn schoonvader Jethro, den priester van Madian. Ex. XVII en XVIII. 64 Hoofdstuk XXXV De wetgeving op Sinaï en de inwijding des Ouden Verbonds.
Ex. XIXâXXIV......................65
Hoofdstuk XXXVI. Moses ontvangt op den berg verscheidene wetten en voorschriften en de twee steenen tafelen, waarop Gods vinger do tien geboden had gegrift. Inmiddels aanbidt het volk aan den voet des bergs een gouden kalf. Van toorn hierover werpt Moses de twee steenen tafelen stuk. Ex. XXIVâXXXIII. . . 68 Hoofdstuk XXXVII Tot straf voor de afgoderij mot het gouden kalf plaatst God de wolkkolom, het zichtbaar teeken zijner tegenwoordigheid, buiten de legerplaats op eene nieuwe tent, daar door Moses opgericht. Moses verwijlt andermaal 40 dagen op den berg en ontvangt twee nieuwe steenen tafelen. Ex. XXXIII en XXXIV. 70 Hoofdstuk XXXVIII. Hut bouwen des tabernakels. Vorm en inrichting van den tabernakel. De ark des Verbonds, de tafel der toonbrooden, de kandelaar, het reuk-altaar, het brandoffer-altaar, het groote koperen waschvat en de kleinere
waschvaten, de priesterkleederen. Ex XXXVâXL.......... 71
Hoofdstuk XXXIX. Inwijding des tabernakels. Aiiron en zijne vier zonen tot priester gezalfd en Aiiron in het hoogepriesterlijk gewaad gekleed. Do beide zonen van Aiiron, Nadab en Abiu leggen onheilig vuur in hun wierooksvaten en worden daarvoor door God mot een plotselingon dood gestraft. Verschillende soorten
van offers. Ex. XL en Levieten VIIIâXI.............75
Hoofdstuk XL. Volksstelling. Legerordening. Aanstelling en reiniging der Levieten,
Numeri IâV ; VIII ; 6â12 en 24 en 25..............78
Bladz.
Hoofdstuk XLI. Vertrek van den Sinaï. Moses' schoonbroeder Hobab besluit op Moses' aandringen medo naar het beloofde land te trekken. Herhaald gemor des volks tegen Moses. Groote vluchten wachtels. Moses' zuster Maria en zijn broeder Ailron morren tegen hem ; Maria met melaatschheid geslagen, doch genezen.
Num. x: liâxrn......................80
Hoofdstuk XLII. Twaalf verspieders, onder welke Josuo en Caleb trekken Chanaiin door.
Tien der verspieders ontmoedigen bij hun terugkeer het volk, Josue en Caleb spreken de waarheid. Oproer des volks, dat daarom door God veroordeeld wordt
40 jaar in de woestijn rond te zwerven. Num. XIII en XIV...... . 82
Hoofdstuk XLIII. Sabbatschennis. 0]gt;roer van Core, Dathan en Abiron. De bloeiende
staf van Ailron Num. XV : 32 -XVIII..............84
Hoofdstuk XLIV. Dood van Maria. Water uit de rots. Dood van Ailron. De Israëlieten, na 38 jaren weder bij hot land Chanaiin. Hunne overwinning op een der volksstammen ten zuiden van Chanaiin. De vurige slangen en de koperen slang.
Num. XX âXXI: 10.....................8C
Hoofdstuk XLV. Verovering dor koninkrijken Hesebon en Basan ten oosten van den Jordaan. Balac, koning der Moabieten verzoekt Balaiim de Israëlieten te vloeken. De sprekende ezelin. Balaiim zegent de Israëlieten en voorspelt do Ster uit Jacob. quot; De Israëlieten zondigen met de dochters der Moabieten en Madianieten. Num.
XXI: 10âXXVI......................88
Hoofdstuk XLVI. Hernieuwde volkstelling. Oorlog tegen Madian. Het land oostwaarts van den Jordaan onder 2'/j stum verdeeld. Num. XXVI; XXXI en XXXII. 92 Hoofdstuk XLVII. Moses' laatste daden en dood. Deuteronomium op verschillende
plaatsen.........................95
Hoofdstuk XLVIII. Josue aanvoerder des volks. Hij zendt twee verspieders naar Jericho. Rahab. Overtocht over don Jordaan. Paaschfeestviering. Het manna
houdt op. Josue IâV : 13...................98
Hoofdstuk XLIX. Jericho door een wonder ingenomen. De stad wordt met den
banvloek belegd en verwoest. Josue V: 13âVII...........100
Hoofdstuk l. De Israëlieten worden hij hun eersten aanval op Haï verslagen wegens de zonde van Achan, die van het gebanvloekte goed van Jericho heeft genomen en verborgen. Het lot wijst den schuldige aan en hij wordtgesteenigd. Haï door
de Israëlieten genomen en verbrand. Josue VII en VIII........101
Hoofdstuk LI. Door list bewegen de Gabaonieten Josue, om een verbond met hen aan te gaan, tengevolge waarvan hun het loven gespaard blijft. Josue overwint vijf koningen in een veldslag onder de muren van Gabaon en maakt zich meester van het goheele zuidelijk gedeelte van Chanaiin. In een volgenden veldtocht
bemachtigd hij ook het overige gedeelte. Josuo IXâXII........103
Hoofdstuk LH. Bogin der verdeeling des lands. Caleb ontvangt zijne bezittingen in het midden van den stam Juda. Overbrenging des tabernakels naar Silo. Verdere
verdeeling des lands. Eenige heidensche volken blijven in Chanaiin wonen, die de Israëlieten niet kunnen of niet willen verdrijven. Priester- en Levieten-steden.
_ vr â
Bladz,
Vrijsteden. Do stammen Ruben en Gad en do halve stam Manasse koeren naar hunne betrekkingen over don Jordaan terug; op een der heuvelen langs dien stroom richten zij een altaar op, tor altijddurende getuigenis, dat zij on hunno kinderen deel hebben aan den God van Israël, en op zijn eenig altaar in den tabernakel hunne offers mogen opdragen. Josue XHIâXXIII. (Eccli. XLVT : 11). 100 Hoofdstuk LUI. Laatste vermaningen van Josuo ; hij sterft in den ouderdom van 110 jaren en wordt te Thamnathsare op den berg Ephraïin begraven. Dood en begrafenis van den hoogepriester Eleazar. Begrafenis van het gebeente van Josef.
Josue XXIII en XXIV....................109
Hoofdstuk LIV. Na Josuo's dood wordt de stam Juda door God tot aanvoerder gesteld in don strijd togen de Chanaanioten. Juda en Simeon zuiveren hun grondgebied van vijanden; zij kunnen hen echter niet allen verdrijven. Ephraïm neemt Bethel in ; maar zet het werk der verovering niet voort. De andere stammen laten den vijand ongemoeid ; zij bewonen zelfs met hen dezelfde steden en vorderen alleen schatting. Daarover worden zij door een engel des Hoeren bestraft; zij beweenen hunne verkeerde handelwijze, althans do gevolgen, die naar het woord des engels, daaruit zullen voortvloeien, maar vervallen van kwaad tot erger en dienen de goden van de volkeren, die zij hadden moeten uitroeien. Boek dei-
Rechters I on II.........................
Hoofdstuk LV. Michas plaatst in zijn huis een gesneden beeld en stelt een Leviet tot zijn priester aan. De zonen Dans, die woonplaatsen zoeken, rooven hem beeld en priester; zij veroveren Laïs en zetten er den heiligschennenden eeredionst,
door Michas begonnen voort. De bedoelde Leviet was een kleinzoon vau Moses
Rechters XVH en XVIH....................ni
Hoofdstuk LVI. De bewoners der stad Gabaii in den stam Benjamin maken zich aan eene vreeselijke misdaad schuldig. De overige elf stammen vorderen, dat de Benjamieten de mannen van Gabaii ter tuchtiging uitleveren. Tengevolge hunner weigering ontbrandt een geweldige strijd, waarin de elf stammen eerst tweemaal verslagen worden, om eindelijk, bij den derdon aanval, te zegevieren. In hunno verbittering moorden zij geheel Benjamin, tot op 000 man na, uit. Rechters
XIX, XX XXI.......................113
Hoofdstuk LVII. De rechter Othoniël bevrijdt do Israëlieten van het juk des konings van Mesopotamië, Chusan Rasathaïm. Het volk hervalt in do oude zonde en wordt achttien jaren verdrukt door Eglon, koning der Moabieten. Do rechter Aod doodt dezen koning en verslaat een leger van 10,000 man. Samgar verslaat mot oen ploegschaar 000 Philistijneu. Israël valt weder van God af en geraakt onder de heerschappij van Jabin, koning van Asor. Do rechter Barac, van de profetes Debbora vorgozold, verslaat Jabins leger ; de legeroverste Sisara vindt den dood door de hand van Jahel, de vrouw van Haber. Debbora en Barac zingen
een lofzang. Rechters IIIâVI. (ook Recht. 1: 10)...........116
Hoofdstuk LVIII. Do Israclioten worden zovon jaren lang geweldig verdrukt door de Madianieten, die jaarlijks met do Amalecieten en Ismaëlieton hunne bouwvelden
â vn â
Bladz.
plattreden. Gedeon, door een engel hiertoe aangespoord, verzamelt een leger, om de Madianieten to bestrijden; hij moet echter op Gods bevel het grootste gedeelte zijner manschappen naar huis terugzenden ; slechts 300 man behoudt hij bij zich,
geeft hun in aarden kruiken verborgen fakkels in de hand, overvalt met uon des nachts het vijandelijk leger en drijft dit op de vlucht. Do vijanden kooron de zwaarden tegen elkander; ook de nieuw opgedaagde Israëlieten brengen huu gevoelige verliezen toe, zoodat er van hunne 135,000 strijders slechts 20 000 overblijven. Israël geniet nu onder Godeons bestuur weder langen tijd rust.
Rechters VIâIX......................118
Hoofdstuk LIX. Abimelech maakt zich koning over Sichem en omliggende steden ; hij vermoordt zijne zeventig broeders, op den jongston na. Deze, Jonathan, houdt den Sichimieten eene vergelijking voor van de boomen, die zich een koning wilden kiezen. Na drie jaren geregeerd te hebben, sterft Abimelech bij de belegering van Thebes, dat zich, evenals Sichem, tegen hem verzette. Rechters IX, . 122 Hoofdstuk LX. De rechters Thola en Jaïr. Israël valt den Heer af en wordt achttien jaren lang onderdrukt door de Ammonieten. Dezen worden door Jopthe verslagen, die inmiddels eene gelofte had gedaan, om dengene, die hem het eerst uit zijn huis tegemoet kwam, als brandoffer aan don Heer op te dragen. Dit lot troft zijne eenige dochter, die tevens zijn eenig kind was. De stam Ephraïm duidt Jephte diens optreden tegen do Ammonieten ten kwade; Jephte verslaat de mannen van Ephraïm; zijne strijders bezetten de veren van den Jordaan, waar zij ieder, die het woord Schibboleth als Sibboleth uitsprak en daardoor zich als Ephraïmiet verried,
om het leven brachten. Rechters XâXIII.............124
Hoofdstuk LXI, Samson. Zijne geboorte door een engel aangekondigd. Hij is nazireër, d.i. Godgewijil persoon van zijne jeugd af. Zijne buitengewone kracht; hij verscheurt met zijne handen een jongen leeuw. Zijn huwelijk met een dochter der Philistijnen, Hij slaat 30 man van dit volk dood, om met hunne kleedeien de jongelingen te betalen, die, door zijne vrouw ingelicht, zijn raadsel hadden opgelost. Zijne vrouw neemt buiten zijn weten een andoren man. In zijn toorn laat hij de koornvelden der Philistijnen in brand steken door 300 vossen, die hij gevangen had, en aan wier staarten hij, bij pareu aaneengebonden, brandende fakkels vasthechtte. Mot een ezelskaak verslaat hij duizend vijanden Rechters
XHIâXVI........................127
Hoofdstuk LXIL Samson laat zich vervoeren tot liefde voor eene andere Philistijnsche vrouw, met name Dalila, die hem het geheim zijner kracht ontlokt en dit den Philistijnen bekend maakt. Dezen nemen hem gevangen, steken hem do oogen uit en laten mi in zijn kerker den handmolen draaien. Bij gelegenheid van een groot fees dat zij uit dankbaarheid voor het bemachtigen van Samson, ter eere van hun afgod Dagon aanrichtten, lietten zij zich door Samson met zang en dans vermaken ; hij echter grijpt de beide hoofdkolommen des tempels vast en schudt ze zoodanig, dat het gebouw ineenstort, en er mat hem 3000 Philistijnen onder het puin begraven worden. Rechters XVI.............130
â vin â
Hoofdstuk LXIII. Elimelech gaat met zijne vrouw en zijne twee zonon naar het land van Moab. De zonen huwen daar Moabietischo vrouwen, Ruth en Orpha. Noëini keert na den dood van haren man en hare zonen naar Chanailn terug. Ruth gaat mede. Zij leest aren op den. akker van Doöz, een bloedverwant van Elimelech en van haar overleden man Mahalon. Er leeft nog een nadere bloedverwant, die echter van zijn recht en zijn plicht, om Noömi's akker te koopen en Ruth te huwen, afstand doet. Boöz aanvaardt don akker en neemt Ruth tot vrouw. Zij schenkt hem een zoon Obed, die do vader van Isaï en de grootvader
van koning David werd. Boek Ruth geheel.............131
Hoofdstuk LXIV. Elcana en zijne twee vrouwen Anna en Phenenna. Anna, eerst geruimen tijd kinderloos, wordt op haar gebed met een zoon gezegend, dien zij Samuel noemde. Samuel wordt als kind in don tabernakel gebracht, waar hij,
onder leiding van den hoogopriester en rechter Heli, opgroeit. Do beide zonen van Heli, de priesters Ophni en Phineës, gedragen zich zeer schandelijk. Heli, die hen hierover slechts zeer zacht berispt, verneemt uit den mond eens prnfeets zijn vonnis. Dit vonnis wordt nader bevestigd door God, die des nachts, na eerst Samuel driemaal te hebben geroepen, hem don vierden koer zijn plan bekend maakt. Samuel deelt Heli deze openbaring mede; Holi berust in don wil dos
Heeren. I. Boek dor Koningen IâIV ........134
Hoofdstuk LXV. Strijd met de Philistijnon. De Israëlieten voeren de ark naar hunne legerplaats ; de ark wordt door de Philistijnon genomen en blijft zeven maanden in hun bezit. Hierover door Gfod met verschillende plagen bezocht, voeren zij het heiligdom, op oen wagen met twee zogende kooien bespannon, naar Israël terug. De ark, eerst te Bothsames bewaard, wordt weldra overgevoerd in het huis van Abinadab te Gabail dat bij Cariathiarim lag (of eeno afzonderlijke wijk
dier stad was). I. Kon. IVâVII.................136
Hoofdstuk LXVI. Door Samuel tot do wegen des Hoeren teruggebracht, behalen de Israëlieten do overwinning op de Philistijnen. Samuels zonen. Do Israëlieten vragen een koning. I Kon. VII en VIII..............139
Ã3
VIERDE TIJDMK: VÃÃN KONING SKUL TOT DE VERDEELING
DES RIJKS.
Bladz.
Eoofdamp;tuk. LXVII Saul, uitgegaan om de ezelinnen zijns vaders te zoeken, komt bij Samuel, die hem tot koning zalft. Op een groote volksvergadering te Maspha wordt door Samuel over de verschillende stammen het lot geworpen, het valt op den stam Benjamin en wijst eindelijk Saul, als den door God uitgekozen koning aan. Velen der vergaderden huldigen Saul; enkele kwaadwilligen spreken smadelijk
van hem. I. Kon. IX en X..................142
Hoofdstuk LXVIII. Saul bestrijdt en overwint de Ammonieten. Het volk is hierom zoozeer met hem ingenomeii, dat het do kwaadwilligen, die hem bij zijne verkiezing gesmaad hadden, opeischt om hen te dooden, waartegen echter Saul zich verzet. Op voorstel van Samuel gaat het volk naar Galgala oin den koning opnieuw te huldigen. Daarna legt Samuel zijn rechter-ambt neer. I Kou. XI en XII . . i44 Hoofdstuk LX1X. Strijd der Philistijnen tegen Israël. Sauls loger verloopt. Hij overtreedt Gods bevel, hem door Samuel gegeven, en wordt hierom bedreigd, dat het koningschap oj) een ander huis zal overgaan. Jonathas overrompelt de voorhoede der Philistijnen, het Philistijnsche leger geraakt in wanorde, vlucht en wordt door Saul achtervolgd. Stiuls loger was niet met zwaarden en lansen gewapend,
omdat er destijds geen smid in Israël was. jonathas door Sauls banvloek ter dood
gewijd, wordt door het volk gered. I Kon XIII en XIV........145
Hoofdstuk LXX. Saul, gezonden om Amalec uit te roeien, spaart den koning en het beste deel der kudden; slechts het vee, dat weinig waarde heoft, doodt hij. Om deze tweede ongehoorzaamheid wordt hij voor goed door God verworpen.
I Kon. XV........................148
Hoofdstuk LXXI. David, de jongste der acht zonen van Isaï (of Jesse) wordt voor do eerste maal door Samuel gezaltd, om later in Sauls plaats koning te worden. Hij komt voorloopig bij Sanl in dienst, om door zijn harpspel den boozon geest,
die Saul kwelt, to verdrijven. I Kon. XVI.............140
Hoofdstuk LXXII, David verslaat Goliath. Hij komt voor goed in 's konings dienst en krijgt eiudolijk Sauls jongste dochter Michol tot vrouw. Vriendschap van David
en Jonathas. I Kon, XVII en XVIII...............151
Hoofdstuk LXXIII. Sauls herhaalde aanslagen op het leven van David. Michol redt haren man. Saul zoekt David te Ramatha, doch verwijlt een dag on een nacht onder de proleten-leerlingen. David en Jonathas sluiten en bezweren een verbond van eeuwige liefde en trouw. Bij een feestmaal polst Jonathas zijn vader omtrent diens gezindheid ten opzichte van David. Saul beproeft zijn eigen zoon te doorsteken. I Kon, XIX en XX..................153
Hoofdstuk LXX1V. David vlucht naar koning Achis ; hij wordt door de dienaren van dezen herkend en houdt zich krankzinnig In de grot Odollam sluiten zich 400 man bij hem aan. Saul laat den hoogepriester Achimelech, die David vijf brooden en hot zwaard van Goliath had gegeven, mot nog 84 gewone priesters tor dood brengen en hunne woonplaats, de stad Nobe, uitmoorden. I Kon. XXI en XXII.........................156
X.
Bludz.
Hoofdstuk LXXV. David herhaaldelijk, doch vruchteloos door Siiul gezocht en achtervolgd, snijdt in een berggrot den koning een stuk van diens mantel af. Hij toont dit stuk aan Saul, ten bewijze dat hij hem in zijne macht heeft gehad,
maar hem geen kwaad heeft willen doen. Saul erkent Davids grootheid van ziel boven de zijne en vraagt hem te zworen, dat, als hij later koning zal worden, hij Sauls geslacht niet ral uitroeien. David zweert dit. Samuels dood. I Kon.
XXIII en XXIV.......................158
Hoofdstuk LXXVI. David, door Nabal beleedigd, laat zich door Abigail bevredigen.
Nabal sterft. Huwelijk van David mot Abigail. I Kon. XX\......160
Hoofdstuk LXXVII. Saul trekt opnieuw met 3000 man ter vervolging van David uit. David dringt des nachts in 's konings logerplaats door en neemt do lans en
den beker van Saul weg. Nieuwe verzoening. I Kon. XXVI.......162
Hoofdstuk LXXVIII. Oorlog met de Pliilistijncn. Saul bij de waarzegster te Endor; hij laat Samuël opwekken. David verslaat de overblijfselen der Amalecieten, die zijn stad Sioeleg verbrand en do vrouwen en kinderen gevankelijk weggevoerd hadden. Saul sneuvelt met drie zijner zonen op het gebergte Golboë. I Kou.
XXVIIâ2 Kon. I Par. X: 11..................164
Hoofdstuk LXXIX. David ontvangt de tijding van Sauls on Jonathas' dood. Hij wijdt een treurzang aan de nagedachtenis dor helden. David koning van Juda, Isbosoth koning der overige stammen. Een strijd tusschen beide legers onder aanvoering van Joab on Abner. Davids legeroverste Joab behaalt do overwinning.
2 Kon. IâIII.......................167
Hoofdstuk LXXX. Abners pogingen om het goheele rijk aan David over te dragen ; hij wordt door Joab vermoord. Isbosoth door twee zijner dienaren vermoord.
David wordt koning over gansch Israël. 2 Kon. Ill en IV ; 1 Paralipomenon XII. 170 Hoofdstuk LXXXI. David verovert den burcht Sion op do Jebuseën. Hij slaat tweemaal de Pliilistijncn. Overbrenging der ark uit het huis van Abinadab te Caria-thiarim naar Sion of Davidsstad. 2 Kon. V en VI; I Paral. XIIIâXVII . . 173 Hoofdstuk LXXXII. David wil den Heer een tempel bouwen, wat hem niet vergund wordt. Hij ontvangt de belofte, dat de Messias uit zijn geslacht zal voortspruiten.
Zijne oorlogen tegon do Philistijnen, de Moabieten, de Syriërs en Eilomieton. Hij neemt Jonatha's zoon Miphiposeth bij zich aan het hof. 2 Kon. VIIâX; I Par.
XVII on XVIII.......................175
Hoofdstuk LXXXIII Hanon, de koning der Ammonieten, doet Davids dienaren de helft van den baard afscheren. Oorlog met de Ammonieten en Syriërs. David maakt zich schuldig aan overspel cn moord. Op de vermaning van den profeet Nathan komt hij tot inkeer en erlangt vergiffenis, maar moet toch (tot zijne kleine overblij venile straf) het kind, dat hem geboren is door den dood verliezen.
2 Kon. XâXIII; I Paral. XIX.................178
Hoofdstuk LXXXIV. Davids oudste zoon Amnon om zijn bloedschennis door Absalom gedood. Vlucht van Absalom naar het land Gessur. Hij wordt, nadat de The-cuïtische vrouw zijne voorspreekster bij David is geweest, door joab naar Jerusalem teruggebracht en mag oindelijk voor zijn vader verschijnen. 2 Kon.
XIII â XV........................181
Hoofdstuk LXXXV. Absalom laat zicli te Hebron tot koning uitroepen. David noemt met zijn huisgezin, zijne dienaren en eene groote menigte volks de vlucht.
2 Kon. XVâXVII: 15....................184
Hoofdstuk LXXXVI. David steekt den Jordaan over en vlucht naar do stad Maha-naïm in de landstreek Galaiid. Absalom trekt zijn vader na Davids loger rukt
XI.
Bladz.
Absaloms leger te gemoet; van het laatste sneuvelden 20,000 man; Absalom zelf wordt, met zijne haren aan eon eik hangende, door Joab met drie werpspie-zen doorboord. Davids droefheid over het verlies van zijn zoon. 2 Kon. XVII ; 187 HoofdisTUK LXXXVII Davids terugkeer naar Jerusalem. Semeï vraagt en bekomt vergiffenis. Twist tusschen de zonen Juda's en de andere stammen. Seba, een Benjamiet, spoort te Galgala de vertegenwoordigers der elf stammen aan, om zich naar hunne woonplaatsen te begeven en David niet naar Jerusalem te begeleiden. De elf stammen volgen Seba; Juda alleen vergezeld den koning. 2 Kon. XIX . . . 100 Hoofdstuk LXXXVII1. Het oproer van Seba Joab doorsteekt Amasa. Hij belegert de stad Abala, waar Seba zich genesteld had. Seba's dood ; einde van het oproer.
2 Kon. XX........................102
Hooïdstuk LXXXIX. Drie jaren hongersnood in Israël, om wille van Saul, die de
Gabaonioten deels gedood, deels genoodzaakt had de vlucht te nemen. De laatster, voor David geroepen, vragen het geheele geslacht van Saul te mogen verdelgen ; hun worden zeven nakomelingen van Saul overgeleverd, die zij aan kruisen hangen. Respha, Sauls gewezen nevenvrouw, houdt bij de lijken de wacht.
Vier oorlogen met de Philistijnen, David in levensgevaar. Vier reuzen van het
Philistijnsche leger verslagen. 2 Kon. XXE.............193
Hoofdstuk XC. David laat zijn volk tellen en wordt daarom met de pest onder hot volk gestraft. Hij koopt den Moria, een der borgen van Jerusalem, waar zijn zoon later don tempel zal bouwen. Dienstregeling der priesters en Levieten. Hot krijgsvolk en de burgerlijke beambten. 2 Kon. XXIV ; I Paral XXIâXXVIII . 195 HooFDSfUK XCI. David oud en uitgeput. Zijn zoon Adonias zoekt zich den troon te verzekeren, doch David laat Salomon lot koning zolven. Adonias in genade
door Salomon aangenomen. 3 Kon. I...............198
Hoofdstuk XCII. David, zijn einde voelende naderen, laat de stamvorsten en de voornaamste personen van Israël bij zich komen, tegelijk met zijn zoon Salomon.
Zijne vermaningen. Nieuwe giften voor den tempel. Salomon andermaal tot koning gezalfd. Sadoc gezalfd tot hoogepriester. Davids dood. 3 Kon. II:
1â12; 1 Poral. XXVIIâXXIX ingesloten.............200
Hoofdstuk XCIH. Adonias matigt zich koninklijke rechten aan en wordt daarvoor met den dood gestraft. Abiathar, die hom steunt, wordt van het hoogepriesterambt ontzet en Sadoc in zijne plaats aangesteld. Joab, Abiathar's medeplichtige wordt gedood. Dezelfde straf ondergaat Semeï voor zijne ongehoorzaamheid aan het
koninklijk bevel. 3 Kon. II; 13 40 ingesloten............203
Hoofdstuk XCIV. Salomons otforande in den tabernakel te Gabaon. Zijne wijsheid. Een twistgeding van twee vrouwen over een kind. Salomons rijkdom en beroemdheid. 3 Kon. IV....................204
Hoofdstuk XCV. Hot bouwen des tempels. Zijne inrichting en versiering. 3 Kon.
VâVIII. 2 Paral. Ill en IV......................200
Hoofdstuk XCVI. Do plechtige inwijding des tompols. Salomons gebed 3 Kon, VIII
en IX: 1 â10; 2 Paral. VâVIII.................210
Hoofdstuk XCVII. Salomon versterkt onderscheidene steden en bouwt nieuwe. Hij rust te Asiongaber oene vloot uit naar Ophir en Tharsis. De koningin van Saba.
3 Kon. IX: 10 XI; 2 Paral, VIII on IX.............213
Hoofdstuk XCVIII. Salomons vrouwen vervoeren hom tot afgoderij. Zijne straf,
zijne vijanden en zijn dood. 3 Kon. XI..............215
VIJFDE TIJDVM; VM DE SCHEURING DES RIJKS TOT DE BÃÃBYLONISCHE GEVRNGENSCHÃÃP.
Bladz.
Hoofdstuk XCIX Sclieuring des Rijks. Roboam koning van Juda, Jeroboam van
Israël. 3 Kou. XII: 1â25; 2 Par. X..............210
Hoofdstuk C. Roboam, do koning van Juda, begint goed, maar eindigt slecht Zijne straf door Sesac, koning van Egypte. Zijn zoon en opvolger Abias bedrijft veel kwaad. Oorlog tusschen Juda en Israël. Jeroboam, koning van Israël, richt te Dan en te Bethel gouden kalveren op ; hij noodzaakt de priesters en Levieten zijn Rijk te verlaten en naar Juda te gaan 3 Kon. XII: 25âXV; 9; 2 Par. XIâXIV. 220 Hoofdstuk CI. Asa wordt koning van Juda, bijna twee jaren voor den dood van Joroboam, koning van Israël. Verschillende koningen van Israël : Nadab, Bailsa, Ela, Zambri, Amri. Asas, overwinning op de Ethiopiërs. Oorlog tusschen Asa en Bailsa. Partijstrijd in Israël. 3 Kon. XV : 0âXVI: 30; 2 Par. XIVâXVII. 225 Hoofdstuk CII. Goddeloosheid van Achab, koning van Israël en godsvrucht van Josaphat, koning van Juda. Josaphats roem en grootheid. 3 Kon. XVI ; 29â
XVII en XXII: 41, 48; 2 Par. XVII...............228
Hoofdstuk CIII De profeet Elias voorspelt een langdurige droogte. Zijn verblijf bij do weduwe van Sarepla. Opwekking van den zoon der weduwe Het ofFer van Elias en dat der Baaispriesters. Dezen worden ter dood gebracht. Elias, voor Jezabel vluchtende, ontvangt van een Engel brood uit den heinel en reist, door die spijs gesterkt, 40 dagen en 40 nachten tot don Berg Gods Horeb, waar de Heer hem verschijnt, Eliseüs tot Elias' opvolger gewijd. 3 Kon XVIIIâXX. . 221) Hoofdstuk CIV. Achab behaalt tweemaal met een klein leger eeno overwinning op
Bonadad, koning van Syrië. Profetenleerlingen. 3 Kon. XX.......233
Hoofdstuk CV. Achabs huisvrouw, de goddolooze Jezabel, doet Naboth steenigen,
om zijn akker in hot bezit des konings te brengen. 3 Kon. XXI.....236
Hoofds tuk CVI. Josaphat, koning van Juda, verbindt zich door familiebetrekking mot Achab, koning van Israël, en helpt hem iu den oorlog tegen Benadad, koning van Syrië. Achab sneuvelt; de honden lekken zijn blood. Josaphat herstelt in
zijn rijk het rechtswezen. 3 Kon. XXII; 2 Paral XVIII on XIX.....237
Hoofdstuk CVII. Do voreenigdo Moabieten, Ammonieten en Edomieten doen een inval op het grondgebied van Juda. Josaphat en zijn volk nemen hun toevlucht
tot God. De vijanden verslaan elkander. 2 Paral. XX.........339
Hoofdstuk CVIII. Achabs zoon en opvolger Gohozias regeert nog geen twee jaren en sterft. Elias door een wonder ten hemel opgenomen. Eliseüs zet Elias'werk voort. Hij wordt bespot door een aantal goddelooze knapen, van welke er 42
door twee beren worden verscheurd. 4 Kon. I en II..........240
Hoofdstuk CIX, Joram, koning van Israël, Josaphat, koning van Juda, en de van Juda
â xrn â
Bladz.
afhankelijke koning van Edom in oorlog met Mesa, koning van Moab. De profeet Eliseils verschaft de drie verbonden legers water. Moab overwonnen. 4 Kou. III 243 Hoofdstuk CX, Eliseils vermenigvuldigt de olie der weduwe ; hij wekt con dooden knaap ten leven op, voorspelt een zevenjarige hongersnood, neemt de bitterheid der moeskruiden wog en spijst honderd man met een weinig brood en tarwe.
De drijvende bijl. 4 Kon. IV en VI; 1 â 8.............245
Hoofdstuk CXI. Naiitnan, legeroverste des konings van Syrië, door Eliseils van zijne
inolaatschheid genezen. Giëzi met melaatschheid gestraft. 4 Kon. V . . . . 247 Hoofdstuk CXII. De Syriërs naur Dothan gekomen, om Eliseils gevangen te nemen, worden op zijn gebod door God met zinsbegoocheling geslagen en door den profeet binnen Samarië gevoerd. Oorlog van Sj'rië tegen Israël. Nijpende hongersnood te Samaria. Wonderbare redding der stad. De Sunamietische vrouw uit den vreemden terug. Benadad, koning van Syrië, gedood. Hazaël volgt hem
op. 4 Kon. VI: 8âVIII: 16..................249
Hoofdstuk CXIII. Joram en Ochozias, koningen van Juda. De brief van den ten hemel opgenomen profeet Elias. De Edomieten bevrijd van do opperheerschappij
van Juda. 4 Kon, VIII: 16; 2 Par. XXIâXXII: 8..........253
Hoofdstuk CXIV. Jehu, op Gods bevel tot koning van Israël gezalfd, rooit Achabs huis uit. Dood van Ochozias. Vreeselijk uiteinde van Jezabel. De Rechabieten, nakomelingen van Moses' schoonbroeder Hobab. De Baillpriestors ter dood
gebracht en de tempel des afgods afgebroken. 4 Kon. IX en X......254
Hoofdstuk CXV. De troon van Juda overweldigd door Athalia, die het koninklijk geslacht, op één spruit na, vermoordt en zich ruim zes jaron handhaaft. In het revende jaar wordt het overgebleven zoontje door den hoogepriester Jojada op den troon geplaatst en Athalia gedood. 4 Kon. XI en 2 Par. XXII : 9âXXIV. 259
Hoofdstuk CXVI. .loas, koning van Juda, begint zijne regeering goed; hij herstelt den tempel. Zijn val na Jojada's dood. Hij laat .lojada's zoon, den hoogepriester Zucharias, steenigen en wordt tot straf door Hazaël van Syrië overwonnen. Zijne eigene onderdanen staan tegen hem op en vermoorden hem. Zijn zoon Amasias begint goed, maar eindigt slecht en wordt oveneens door zijne onderdanen vermoordt. 4 Kon. XII en XIV: 1â17 en 2 Par. XXIV en XXV......260
Hoofdstuk CXVII. Joachaz, Joas en Jeroboam, koningen van Israël, regeeren goddeloos. Joachaz' leger door Hazaël van Syrië verslagen Dood van Eliseils.
Joas overwint Hazaëls zoon en opvolger Benadad Jeroboam brengt gedurende zijne 41 jarige regeering het rijk voor liet laatst nog eens tot blooi en welvaart. De profeet Amos voorspelt den ondergang des rijks en de wegvoering der tien stammen naar Assyrie. 4 Kon. XIII en XIV: 23â29. Amos VII: 7â17 . . 264 Hoofdstuk CXVIII. De profeet Jonas, door God naur Ninive gezonden, beproeft naar Tharsis te vluchten. Drie dagen en drie nachten in den buik van den visch.
Ninive's bekeering. Jonas I tot en met IV.............266
Hoofdstuk CXIX. Het rijk Juda onder de deugdzame koningen Ozias en Jonathan. Op hot laatst van zijn leven boging Ozias eene daad van hoogmoed en werd
â XIV. â
Bladz.
daarvoor mot melaatschheid gestraft. Joathan volharddo in hot goodo ten einde too. Beiden versterken hun land door grooto bouwwerken. 4 Kon. XV : 1â8
en 32â»8 ; 2 Par. XXVI en XXVII...............2G9
Hoofdstuk CXX. Het rijk Israël onder de koningen Zacharias, Sellmn, Manahem, Phaceia en Phacee. Theglath-phalasar, koning van Assyrië, voert de stammen Ruben, Gad en Nepthali en den halvon stam Manasse ia ballingschap naar zijn uitgebreid rijk. 4 Kon. XV : 8â31 ; XVI: 5 en 1 Paral. V : 26. . . . 270 Hoofdstuk CXXI. Achaz, koning van Juda, regeert zeer goddeloos en wordt door God overgeleverd aan de aanvallen van Rasin, koning van Syrië, van Phacee, koning van Israël, van de Philistijnen en de Edomieten. Phacee verslaat op één dag van Juda 120,000 man, en zijn volk voort 200,000 vrouwen en kinderen van Juda weg, die echter op aandringen van don profeet Oded worden teruggezonden. Do profeet Isaïas voorspelt Achaz den Messias. Achaz roept Theglath-phalasar ter hulp, die hem echter later zeer in het nauw brengt. Toenemende goddeloosheid van Achaz; hij doet zelfs den tempel sluiten en richt overal altaren
op. 4 Kon. XV; 2 par. XXVIII; Isaïas VII: 4 âlü..........272
Hoofdstuk CXXII Voorspellingen van Isaïas en Micheas aangaande de geboorte, hot
lijden en de verheerlijking des Verlossets..............274
Hoofdstuk CXXIII. Onder de regeering van koning Osee wordt aan het rijk Israël oen oindo gemaakt door Sahnanasar, koning van Assyrië, die het volk in ballingschap wegvoert. Goddeloosheid des volks geschilderd door de profeten Amos,
Osee en Micheas. 4 Kon. XVII; Tobias I.............27 7
Hoofdstuk CXXIV. Ezechias, do vrome zoon van den goddeloozen Achaz, regeert over Juda 29 jaren. Hij opent don door zijn vader gesloten tempel, herstelt den eeredienst, verbrijzelt de afgodsbeelden en neemt ook, wat geen koning nog geheel gelukt was, de altaren op do onwettige offerhoogten weg. Paaschfeest-
viering. 4 Kon. XXIII; 1â7; 2 Par. XXIXâXXXII.........284
Hoofdstuk CXXV. Do Assyriërs vallen onder hun koning Sennacherib in Juda. Ezechias' ziekte en genezing. Het wonder op den zonnewijzer. Do Assyriërs, door een engel verslagen, nemen de vlucht, De profeet Isaïas voorspelt de Babylonische gevangenschap, do bevrijding daaruit en Babylons ondergang. 4 Kon.
XIX en XX; 2 Par. XXXII; Tobias I; 18â25 ........... 285
Hoofdstuk CXXVI. Eene schets uit de Assyrisebo ballingschap. Tobias en zijn
huisgezin. Sara, do dochter van Raguel. Tob. Iâ-VI..........291
Hoofdstuk CXXVII. Vervolg. Do jonge Tobias met den aartsengel Raphael op reis.
Zijn huwelijk met Sara. Tob. VIâX...............294
Hoofdstuk CXXVIII. Vervolg. Terugkeer des jongen en genezing des ouden Tobias. De engel Raphael maakt zich bekend. Dc oude Tobias sterft. Dood des jongen
Tobias. Tob. X tot en met XIV................298
Hoofdstuk OXXIX. Juda onder de goddeloozo koningen Manasses en Amen. Manasses wordt door de Assyriërs gevankelijk naar Babyion gevoerd, maar eindelijk in het bozit van zijn rijk hersteld. 4 Kon. XXI; 2 Par. XXXIII........300
V- V
â XV. â
Bladz.
Hoofdstuk CXXX. Nabuchodonozor, koning van Assyrië, zendt zijn legeroverste Holofernes met eon machtig leger uit, om alle omliggende landen en ook Judea te onderwerpen. Holofernes belegert de stad Bethulië op het voormalig grondgebied van Israël. Eene deugdzame weduwe uit die stad, met name Judith,
slaat Holofernes het hoofd af en redt haar hind on Jerusalem. Het boek Judith
van het begin tot het einde...................302
Hoofdstuk CXXXI. De vrome koning Josias, de zoon van Amon en kleinzoon van Manasses, zuivert Juda en Israël van de afgoderij. De hoogepriester Helcias vindt het Boek der Wet, door de hand van Moses geschreven, in een der schatkamers van den tempel. Plechtige paaschfoestviering. Josias sneuvelt in den strijd met don koning van Egypte. 4 Kon. XXII en XXIII; 2 Par. XXXIV en XXXV . 310 Hoofdstuk CXXXII. De goddelooze koningen Joachaz en Joakim. Verdorvenheid des volks. De profeten Jereraias en Baruch. Nabuchodonosor, koning van Baby-Ion, voert een gedeelte des voornameren volks in ballingschap. 4 Kon XXIII :
30âXXIV: 8; 2 Par. XXXVI: 1â9; Daniël I...........313
Hoofdstuk CXXXIII. Joachin volgt zijn vader Joakim als koning van Juda op, maar wordt reeds na 3 maanden door Nabuchodonosor afgezet en zijn oom Matthanias onder den naam van Sedecias als koning aangesteld. Sedecias regeert 11 jaren. Hij valt Nabuchodonosor af en sluit een verbond met Egypte. Nabuchodouosor belegert Jerusalem, verslaat de tot ontzet toesnellende EgyTptenaren en voltooit het beleg. De profeten Jeremias en Ezechiel voorzeggen den ondergang der stad, die dan ook na een beleg van 18 maanden bezwijkt en verwoest wordt, terwijl ⢠opnieuw een groot aantal Joden in ballingschap naar Babyion wordt gevoeld. Jeremias' klaagliederen op de verwoesting van Jerusalem. 4 Kon. XXV; 2 Par.
XXXVI; Jeremias XXXVIIâXL.................319
Hoofdstuk CXXXIV. De overgeblevene Joden onder het bestuur van den landvoogd Godolias. Deze wordt door een ijveraar, Ismahel, vermoord en do Joden vluchten uit vrees voor de wraak der Chaldeën naar Egypte, waar zij in de afgoderij van dat land vervallen. 4 Kon. XXV ; Jeremias XLâXLV.......325
ZESDE T1JDVÃÃK; VM DE BABYLONISCHE GEVANGENSCHAP
TOT DE MACHRBEEN,
Black.
Hoofdstuk CXXXV. Dc Jodea in het land der ballingschap. Hot. wondergezicht.
de voorspellingen en vermaningen van den profeet Ezechiel. ......328
Hoofdstuk CXXXVI. Daniël en zijne gezellen aan het hof van Nabuchodonosor. De kuischo Susanna, door onrechtvaardige rechters beschuldigd en ter dood veroordeeld, door Daniël gered. Daniël legt Nabuchodonosors droom van de
vier wereldrijken uit Daniel I, XIEI en II.............331
Hoofdsti k CXXXVir. De drio jonge mannen in den gloeienden oven te Babyion. Nabuchodonosor, voor zijne trotschheid door God met. waanzin gestraft, eet gras als een os. Zijn herstel. Zijn zoon en opvolger Evil-Merodach verlost Joachin, gewezen koning van Israël, uit den kerker. Daniël III en IV; 4 Kon. XXV : 28
tot en met 30 ....................... 330
Hoofdstuk CXXXVIII. Daniël leest aan koning Baltassar het geheimzinnig schrift voor door een wonderbare verschijning op den muur der feestzaal van liet paleis
te Babyion gegrift. Daniël V..................339
Hoofdstuk CXXXIX Daniël onder de regeering van koning Darius te Babylon in
den leeuwenkuil geworpen en wonderdadig behouden. Daniël VI.....341
Hoofdstuk CXL. Daniël ontmaskert hot bedrog dor Babylonische afgodspriesters opzichtons hun afgod Bel. Hij doodt den draak, door de Babyloniërs godsdienstig
vereerd. Daniël nog eens in do leeuwenkuil. Daniël XIV........342
Hoofdstuk CXLI, Messianische profetieën van Jeremias, Ezechiël, Daniël, Aggetts,
Zacharias en Malachias....................344
Hoofdstuk CXLII. Einde der Babylonische ballingschap onder Cyrus, koning dor Perzen. Eerste terugkeer der Joden naar hun land, onder aanvoering van Zoro-babel. De tempel na voel tegenwerking van den kant der Samaritanen herbouwd.
I Esdras IâVII......................348
Hoofdstuk CXLIII. De geschiedenis van Esther. Aman wil alle Joden, die zich nog in het Perzische rijk bevinden, laten ter dood brengen; hij wordt door koning Assuerus aan de galg gehangen die hij voor Mardochetts bereid had, en op Esthers voorspraak behouden de Joden hun leven. Esther IâXVI. . . . 351 Hoofdstuk CXLIV. Tweede terugkeer der Joden onder Esdras. Velo van de vroeger teruggekeerden hadden ongeoorloofde huwelijken gosloton mot heldinnen en hunne eigen Joodsche vrouwen verstooten. Op Esdras' aansporing worden die
onwaardige verbintenissen verbroken. I Esdras VH tot en met IX.....356
Hoofdstuk CXLV. Nehemias, oen aanzienlijke Jood en schenker aan het Perzische hof, ontvangt van Artaxerxes vergunning, voor een tijdlang naar Jerusalem te gaan en de vestingmuren to herbouwen. Dit werk komt onder vele hindernissen van den kant der Samaritanen en andere omringende volken tot stand, Esdras leest het volk do Wet voor. Plechtige viering van hot Loof hutten feost. 2 Esdras
IâIX, en XII : 27â43 .................... 358
Hoofdstuk CXLVI. Nehemias voor de tweede maal te Jerusalem. Hij loeit verschillende ergerlijke misbruiken uit. 2 Esdras XIII en V........362
Hoofdstuk CXLVII. De geschiedenis van Job, verhaald uit het boek Job . . . 364
74
ZEVENDE TIJÃVHK: VKN HET OPTREDEN DER MKCHSBEÃN TOT CHRISTUS,
Bludz.
Hoofdstuk CXLV11I. Do Joden ondor ile heerschappij van hot Syrische rijk na Alexander den Groote. Bogin dor geschiedenis uit het tijdperk dor Machabeën. Vroomheid van den hoogepriester Onias. Heliodorus, de schatmeester van Seleucus, koning van Syrië, beproeft het de schatkist des tempels van Jerusalem te plunderen,
doch wordt door engelen gcgeeseld en keert onverrichter zake naar zijn gebieder terug, aan allen de grootheid Gods verkondigende. 2 Machabeën JII . . . . 371 Hoofdstuk CXLIX. De vrome Onias wederrechtelijk door den koning uit zijn ambt ontzet. Het hoogepriesterschap aan den meestbiedenden verkocht. Afval van vele Joden. Wonderteekenen in de lucht. Herhaalde moord- en bloedtooneelen.
1 Mach. 1 : 12â43; 2 Mach. IV en V..............373
Hoofdstuk CL. Antiochus wil do Joden dwingen hun godsdienst to verlaten. Marteling van Eleazar en van de zeven Machabeesche broeders met hunne moeder.
I Mach. 1 : 43 â 07 ; 2 Mach. VI on VII.............376
Hoofdstuk CLI. De dappere priester Mathathias vat met zijne zonen voor de Wet
der vaderen on do bevrijding des volks de wapenen op. 1 Mach. II.....379
Hoofdstuk GLII. Mathathias' zoon, Judas de Machabeër, na zijns vaders dood opperaanvoerder der Joden, overwint verschillende vijanden. Hij herneemt .lerusnlem en reinigt den tempel. 1 Mach. Ill en IV ; 2 Mach \ III .... 380 Hoofdstuk CLI1I. .ludas en Simon voeren verschillende oorlogen met naburige volken.
Zij brengen de onder deze volken wonende Joden naar Jerusalem over. 1 Mach. V. 383 Hoofdstuk CLIV. Ellendig uiteinde van den goddeloozen koning Antiochus den
Doorluchtige. 1 Mach. VI ; 1â17 en 2 Mach, IX..........385
Hoofdstuk CLV. Verschillende oorlogen van .ludas en de zijnen gedurende do
regeering van Antiochus Eupator. 1 Mach. VI : 18 â 63; 2 Mach XII en XHI . 386 Hoofdstuk OLVI. Laatste daden van Judas den Machabeër. Zijn heldendood.
I Mach. VIIâIX : 22 ; 2 Mach. XIV en XV............390
Hoofdstuk CLVII. .ludas' broeder Jonathas aanvoerder des volks en hoogepriester.
1 Mach. IX : 23âXII : 53................... 392
Hoofdstuk CLVIII. Onder den laatsten der Machabeën, don vorst en hoogepriester Simon, wordt .ludea door Syrië vrij en zelfstandig verklaard. 1 Mach. XII : 53 tot en met XVI.......................394
EINDE DER GESCHIEDENIS VAN HET OUDE TESTAMENT.
GESCHIEDENIS MN HET NIEÃWE TESTAMENT,
BI adz.
Inleiding...........................
Hoofdstuk I. Geboorte van .loamies don Doojiur. Menschwording van het Eeuwige
Woord....... ..................^quot;2
Hoofdstuk II. De geboorte en besnijdenis van .lesus. Do geslachtslijsten bij Mattheüs
en Lucas.........................404
Hoofdstuk III De aanbidding dor wijzen. Do opdracht in den tempel; Simeon en
Anna. De vlucht naar Egypte. Do kindermoord te Bethlehem......407
Hoofdstuk IV. Do terugkeer uit Egypte, .lesus als twaalfjarige knaap in den tempel
te .Ferusalem........................408
Hoofdstuk V. .loannes doopt in den Jordaan. Ook de Verlosser wordt gedoopt. . 410 Hoofdstuk VI. Jesus wordt in de woestijn, na 40 dagen en nachten gevast te hebben,
door den duivel bekoord. Hij roept zijne eerste leerlingen : Andreas en diens broeder Simon Petrus, .loannes, Phillippus en Nathanaël. De bruiloft to Cana in Galilea 411 Hoofdstuk VII Hot eerste Paaschfeest in .lesus' openbaar leven. De kooplieden en
geldwisselaars uit'den tempel gedreven, .lesus' gesprek met Nicodemus . . . 413 Hoofdstuk VIII. Joannes do Dooper door Herodes, viervorst van Galilia, gevangen genomen, .lesus laat door zijne leerlingen doopen. Het gesprek van Jesus mot
do Samaritaanscho vrouw...................415
Hoofdstuk IX. Jesus' rondreis door Galilea. Verschillende wonderwerken. . . 4 17
Hoofdstuk X. Roeping van een leerling (Philippus). âLaat de doodon hunne dooden begraven.quot; Een storm gestild. In het land der Gerasenen een legioen duivelen uitgedreven. Genezing van een lamme. Roeping van Mattheüs. Over hot vasten. Eene vrouw van oen bloedvloeiing genezen en opwekking van Jaïrus' dochter.
Genezing van twee blinden en van oen stomme............410
Hoofdstuk XI Jesus genoost op sabbat een man, die 38 jaren lam was. De apostelen plukken op sabbat korenaren. Genezing op sabbat van een man met een verdorde
hand. Toorn der .loden om dit alles................422
Hoofdstuk XII. Aanstelling der apostelen. De bergrede..........425
Hoofdstuk XIII. Vervolg en slot dor bergrede.............427
Hoofdstuk XIV. Genezing van een molaatsöhe. Opwekking van den zoon dor weduwe van Naïm Jesus sprekende over .loannes den Dooper. Ue knecht van den honderdman, Jesus' voeten gezalfd................43U
â XIX. -
Bladz.
Hooi'dstvk XV. Jetus drijft ecu duivel uit. De Pharizeën en schriftgeleerden bescbul-digon liera, dat hij dit doet door Beëlzebub, den vorst der duivelen. Jesus weerlegt hen door verschillendo bewijzen en verklaart hun, dat zij zondigen
tegen don H. ( eest.....................432
Hoofdstuk XVI Jesus stolt aangaande hot rijk der hemelen aan do scharen verschillende
gelijkenissen voor, waarvan hij de voornaamste aan de apostelen verklaart. . . 435 Hoofdstuk XVII. .lesus predikt in de synagoge to Nazareth. De zoogenaamde broeders van Josus. Ongeloof der Nazareners. Zij willen Jesus dooden door hom van
den top eens bergs te stooton..................437
Hoofdstuk X\ ill. Onthoofding van Joannes den Doopor. Zonding der apostelen om
te prediken........................439
Hoofdstuk XIX. lierodes houdt Jesus voor den verrezen Joannes den Dooper. Josus spijst 5000 menschen met vijf brooden en twee visschen, Hij belooft een ander brood, een oneindig verhevener spijs en drank aan de wereld te geven: zijn
eigen vleesch en bloed....................441
Hoofdstuk XX. Strijd der Pharizeën met de leerlingen van .lesus over het eten met
ongewasschen handen, Do Chanaitneesche vrouw. Verschillendo genezingen . . 445 Hoofdstuk XXI. Tweede wonderbare broodvermenigvuldiging. Genezing van een
blinde te Bethsaïda......................447
Hoofdstuk XII. Petrus belijdt de godheid van Jesus, en Jesus stelt Petrus aan tot rots der Kerk en sleuteldrager van hot rijk der hemelen. Verheerlijking van Jesus op den berg Thabor. Hij voorzegt zijn lijdon, dood en verrijzenis. Petrus wil
hem van het lijden terughouden. Nadere voorzegging en verklaring.....44!)
Hoofdstuk XXHI. .lesus geneest een maanzieken door den duivel bezeten doofstomme,
dien de apostelen om hun klein geloof niet hadden kunnen genezen. Twist daarover van de schriftgeleerden met de apostelen, .lesus herhaalt zijne voorzegging over zijn lijden en sterven. Leer omtrent tie ergernis, do broederlijke vergiffenis en de broederlijke vermaning. Al de apostelen ontvangen de macht, eerst alleen aan Petrus gegeven, om te binden en te ontbinden, .lesus op weg naar .lerusalem.
Genezing van tien melaatschen..................451
Hoofdstuk XXIV. Jesus op het Loofhuttenfeest in den tempel. De oversten der Joden willen de handen aan hem slaan, maar zijne onzichtbare goddelijke almacht
belet het hun. De overspelige vrouw...............454
Hoofdstuk XXV. Jesus geeft in den tempel getuigenis, wie liij is. Velen gelooven
in hem. De kwalijkgezinden willen hem steenigen...........457
Hoofdstuk XXVI. Jesus geneest op sabbat een blindgeborene. Do blindgeborene,
voor den Raad dor Joden gebracht, getuigt dat Jesus een profeet is, en wordt buiten de Joodsche gemeenschap gesloten; Jesus echter noemt hem liefdevol op.
De goede horder en do huurlingen................450
Hoofdstuk XX\II. Zending van twee en zeventig leerlingen. Gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan. Jesus bij Martha en Maria. Wee over de Pharizeën en ^ schriftgeleerden......................4ül
- XX â
Bladz,
Hoofdstuk XXVIII. IJdelheid van liet schattcn vergaderen. De trouwe en do ontrouwe dienstknocliten. Uitstel der bekoering. opgehelderd door do gelijkenis van den onvruc.htbiiron vijgenboom. Jesus geneest op Sabbat eene vrouw, welke 18 jaren door den duivel gekweld word, die haar krom en ineengebogen maakte . . . ^04 Hoofdstuk XXIX. Jesus op het feest der tempelwijding to Jerusalem. Herhaalde poging dor Joden om hem te steenigen wegens beweerde godslastering. Jesus trekt over don Jordaan. Do Pharizeön berichten dat Herodes hem zoekt te dooden. Hij gebruikt bij een Pharizeër op een sabbat bet middagmaal en geneest bij die golegonheid een waterzuchtige, terwijl hij verder in gelijkenissen spreekt over het uitzoeken der eerste plaatsen aan tafel en over het groote gastmaal . . . â 4()0 Hoofdstuk XXX. Gemor der Pharizeën over Jesus' omgang met tollenaars en zondaars. Gelijkenissen van hot verloren schaap, kot verloren geldstuk, den verloren zoon
en don onrechtvaardigen rentmeester. Het huwelijk en de ongehuwde staat . . 4 00 Hoofdstuk XXXI. Du rijke vrek en de arme Lazarus. Eerste en tweede komst van het Godsrijk. Kracht van het aanhoudend gebed, zichtbaar in de gelijkenis van den ongevoeligeu rechter en de weduwe. Jesus zegent de kinderen. De voorname jongeling en hot gevaar der rijkdommen. Alles om Christus verlaten. Do arbeiders
in den wijngaard......................-17 1
Hoofdstuk XXXII. Jesus gaat van de omstreken des Jordaans naar Bethanië, dicht bij Jerusalem, waar hij Lazarus opwekt, die reeds vier dagen in het graf lag De opperpriesters, vreezende, dat om dit wonder allen in Jesus zullen gelooven, besluiten andermaal zijn dood. Hij begeeft zich naar de stad Ephrem bij de woestijn . . 474
Hoofdstuk XXXIII. J^us bij zijn terugreis naar Jerusalem. De Samaritanen van oene zekere stad weigeren hem op te nemen. Herhaalde voorzegging van zijn lijden en dood. Gelijkenis van een voornamen man, op reis naar een ver land, om koning te worden. Do blinde aan den weg van Jericho Do oppertollenaar Zachetis. Jesus door Maria Magdalena to Bethanië gezalfd. Do opperpriesters willen ook den door Jesus opgewekten Lazarus dooden, wijl om diens wille velen
in Jesus geloofden......................47(1
Hoofdstuk XXXIV. Jesus' luisterrijke intocht in Jerusalem. Hij weent over de stad. Voorzegging van het naderende uur zijns doods. Hernieuwde ontwijding dos tempels en uitdrijving der keepers en verkoopers. Jesus leert in den tempel.
Eene stem uit den hemel...................47'.)
Hoofdstuk XXXV. De verdorde vijgenboom Gelijkenis van een berouwhebbenden en van oen ongehoorzamen zoon. Gelijkenissen der verpachting van een wijngaard en der genoodigdon tot het gastmaal. Geeft don keizer wat dos keizers is. Do Sadduceën en do Pharizeën tot zwijgen gobraeht. Wiens zoon is de Christus? Men moet de schriftgeleerden hoeren maar niet navolgen. Het penningske der weduwe. 481 Hoofdstuk XXXVI. Voorzegging van Jerusulems ondergang en van het einde dei-wereld. De vijf wijze en de vijf dwaze maagden. Do dienstknechten en de hun toevertrouwde talenten. Het laatste oordeel Vergadering van den Hoogen Raad om Jesus na het Paa-schfeest gevangen te nemen Judas belooft voor dertig zilverlingen hem aanstonds in de handen der opperpriesters te zullen leveren . . . 48G
â XXI â
Bladz'
Hooit si ik XXXVII. Het Laatste Avordmaal ; het eten van liet Paasclilam, de voetwasscliing der apostelen, de ins-tclling van Let H. Sacrament des Altaars,
de aanwijzing van den verrader.................490
Hoofdstuk XX^VIII Twist der leerlingen over do vraag: wio hunner de grootste
zou zijn. Petrus aangesteld om zijne broeders in het geloof te bevestigea . . 494 Hoofdstuk XXXIX. Afscheidsgesprek van Jesus met zijne leerlingen nu liet Laatste
Avondmaal........................496
Hoofdstuk XL. Jesus in den hof Gethsemani.............501
Hoofdstuk XLI. Jesus door den in het huis van Caïpas vergaderden Hoogen Raad
der Joden des doods schuldig verklaard Verloochening en berouw van Petrus . 503
Hoofdstuk XLIL .lesus voor Pilatus en daarna voor Herodes.......505
Hoofdstuk XLIII. .lesus gegeoseld, met doornen gekroond en ter dood veroordeeld. 507
Hoofdstuk XLlV. .lesus' kruisiging en dood..............5 10
Hoofdstuk XLV. De lanssteek, do afneming van hot kruis en de begrafenis . . 5 13
Hoofdstuk XLVI. De Verrijzenis..................5 14
Hoofdstuk XLVIL Verschillende verschijningen van .lesus aan zijne leerlingen. Hij
schenkt den apostelen de macht der zonden verge ving....... . . 517
Hoofdstuk XLVIII. .lesus verdere verschijningen en zijne hemelvaart.....519
Hoofdstuk XL1X. Verkiezing van Matthias tot apostel in de plaats van Judas Iscarioth. Zending des H. Geestes. De eerste prediking van Petrus, waarop zich drie
duizend menschen bekeeren...................522
Hoofdstuk L. Genezing van een veertigjarigen kreupele. Als vrucht van dit wonder en van de daarop volgende prediking van Petrus bekeeren zich ongeveer tweeduizend man Petrus en Joannes voor den Hoogen Raad, die hun verbiedt nog voortaan in don naam van Jesus te prediken. De beide apostelen: âNon possumus: wij kunnen niet nalaten te sprekenquot;................524
Hoofdstuk LI. Het leven der eerste geloovigen. Do apostelen door den Hoogen Raad gevangen genomen, door een engel bevrijd, voor den Hoogen Raad gevoerd,
gegeeseld en losgelaten....................527
Hoofdstuk LIL Verkiezing en wijding van zeven diakenen. Do diaken Stephanus. de eerste martelaar. Vervolging der Kerk en verstrooiing der geloovigen. Vele Samaritanen door den diaken Philippus bekeerd en gedoopt, waarna do apostelen Petrus en Joannes van Jerusalem overkomen, om door do oplegging der handen den H. (ieest mede te doelen Simon do toovenaar. De kamerling der Ethiopische
koningin Candaco......................529
Hoofdstuk UIL Bekooring van Saulus, later Paulus genoemd. Petrus geneest op zijne rondreis bij do verschillende Kerken den lammen Eneas te Lydda, wekt te Joppe do gestorven Tabitha op on loert en doopt to Cesarea don hoidenschon
hoofdman Cornelius met diens huisgezin en vrienden..........532
Hoofdstuk LIV. Opbouwing der Kerk te Antiochië in Syrië door Saulus en Barnabas; de geloovigen worden daar hot eerst Christenen geheeten. Vervolging der Kerk te Jerusalem door koning Herodes Agrippa, Petius op â wondeidadige wijze door een engel uit den kerker verlost................
xxn
Bladz.
Hoofdstuk LV. Eerste apostolische reis van Paulus onder de heidenen. Met Barnabas en Joannes Marcus vertrekt hij van Antiochië in Syrië naar het eiland Cyprus in de Middellandsche Zee en van daar naar Perge, de hoofdstad van Paraphylië in Klein-Aziö, waar .loannes Marcus van hem scheidt. Mot Barnabas reist hij verder naar Antiochië in Pisidië, naar Iconium in Lycaonië, naar Lystra en Derbe, om eindelijk over die verschillende steden, waar hij op zijn terugreis overal priesters
wijdt, naar zijn uitgangspunt, Antiochië in Syrië, weder te koeren.....588
Hoofdstuk LVI. Het Concilie te Jerusalem heslist de vraag, of de Christenen uit hot heidendom verplicht waren do besnijdenis aan te nemen en de wet van Mosos
te onderhouden.......................540
Hoofdstuk LVII. Paulus tweede apostolische reis. Nadat hij en Barnabas het beter hadden geoordeeld van elkander te scheiden, trekt laatstgenoemde met Joannes Marcus naar Cyprus, terwijl Paulus met Silas eerst Syrië on een gedeelte van Klein-Azië doorreist en vervolgens, na ook Timotheüs en Lucas tot medehelpers te hebben aangenomen, naar Europa oversteekt, waar hij het geloof' verkondigt
in de landstreek Macedonië..................5 3
Hoofdstuk LVI1I. Vervolg van Paulus tweede apostolische reis. Hij vertrekt van Berea in Macedonië naar Athene, waar hij onder anderen Dionysius den Areo-pagiet bekeert, en reist vorder naar Corinte. Daar blijft hij een jaar on zes maanden en keert voorts naar het uitgangspunt zijner reis, Antiochië in Syrië
terug..........................540
Hoofdstuk L1X Paulus, dorde apostolische reis. flij vertrekt van Antiochië over Galatië en Phrygië, waar hij do Christenen versterkt, naar Ephesus. Daar blijft hij twee jaar en drie maanden. Oploop te Ephese. Paulus reist naar Macedonië en Griekenland. Hij keert van Griekenland over Macedonië naar Klein-Azië terug. Zijn roerend afscheid van do bisschoppen en priesters van Ephese en
omliggende plaatsen. Hij reist naar Jerusalem............548
Hoofdstuk LX. Paulus te Jerusalem gevangen genomen en voor den Hoogen Raad gesteld. Een aanslag op zijn leven verijdeld. Hij wordt naar don landvoogd
Folix te Cesarea gezonden...................552
Hoofdstuk LXL Paulus voor de rechtbank van Pelix. Hij blijft twee jaar te Cesarea gevangen. Op het eind wordt hij voor de rechtbank van Felix' opvolger Festus gesteld, die hem ingevolge zijn beroep op den keizer naar Rome zendt, waarheen hij te scheep vervoerd wordt, terwijl hij onderwijl op het eiland Malta schipbreuk lijdt, doch mot al de opvarenden gered wordt. Te Rome woont hij twee jaar lang op zijn eigen in een gehuurd huis en spreekt en redetwist veel
met de Joden........................554
Hoofdstuk LXIF. Een hoofdstuk uit de Kerkelijke Geschiedenis, als slot van do
Evangelische werkzaamheid der apostelen..............559
Hoofdstuk LXIH. De 21 apostolische Brieven.............5(53
Hoofdstuk LXLV. De Openbaring van .loannes op Patmos............508